118
Sbó
PELGRIMS,
11! DIE DE RELIQUIÃNquot; \'AX I )F]N
H. JEROEN,
Priester en 'Martelaar en eerste Pastoor van Noordmjk, ^Aldaar gaan JBezoeken.
NOORD WIJK. â W. F. BEMELMAN.
Vak 57
- T
â
5 ,S il Mo, J/B
BEDEVAA11TB0EKJE
TEN DIENSTE DER
PELGRIMS,
DJE DE REEIQUIEN \'AX DEJST
H. JEROEN,
Priester en Martelaar en eerste Pastoor van Noordwijk,
y^LDAAR GAAN jBEZOEKEN. â¢'
--
NOORDWIJK. â \V. F. HEMELMAN.
|
I.I JIUIVlKN , die 21 Dccrniliris IcS'.IS. |
II. .1. liORCiHOLS. Libr. Cent. IMPRIMATUR. |
Historische Schets.
DE H. JEROEN,
Priester en Martelaar. - (Eerste Pastoor van Noordwijk. (') I. Zijn leven en zijn marteldood.
lioetls vele jaren, vóór het God behaagde over ons geliefd vaderland het Licht van liet 11. Evangelie te doen opgaan, was Groot-Ihittannië het heil van het ware gelooi' deelachtig geworden. Velen hadden daar de duisternissen des heidendoms afgezworen en de genade brengende wateren des doopsels hadden hen doen ingaan in den waren schaapstal van Christus. Daiir klonk alreeds'in Code gewijde tempels het «Hosanna in E.vcelsisquot; en bereidden vrome priesters in talrijke kloosters zich voor om in andere landen het geloof in den waren God te gaan verkondigen, toen in ons vaderland en langs onze kusten de scharen nog nederknielden rondom de afgodsbeelden en oilers brachten aan de werken hunner handen. â Edoch , onder die moedige priesters
(') De jaartallen in ileze liistnrlsclie schets komen overeen met die 'van het Rom. Brevier.
O
in Engeland. Schotland en Ierland waren er velen, die uit liefde tot God en tot hunne ongelukkige niedemensehen zich getrokken gevoelden naar de boorden van den Rijn en de Maas, naar de stranden van Germanië. naar liet land der Friezen en Bataven, om daar de Blijde Boodschap te gaan brengen : »Ook voor U is gestorven en verrezen Gods Zoon. .lesus Christus, uw Verlosser en Zaligmaker.quot; En ziet, onder hen was de H. .Teroen. de groote Apostel van Kennemerland. Deze groote Heilige en bloedgetuige des Heeren, gesproten uit een oud adelijk geslacht in Schotland, werd geboren uit godvruchtige ouders, die reeds den Christel ij ken Godsdienst, hadden aangenomen. Niet zonder ingeving van Gods Geest werd bij bij den II. Doop Jeroen genoemd, zullende hij zijn een uitverkoren vat zijner genade en uitdrukkende door zijn naam de verdiensten van zijn heilig leven. â Reeds in zijne prille jeugd, toonde hij, dat God hem had uitverkoren tot groote dingen, want zijne jeugdige ziel werd getrokken tot ernstige studiën en in sodvruchtige overdenkingen aanbad hij God, met gedurige verzuchtingen smeekende, dat Hij hem leiden mocht op den weg Zijner geboden. Weldra gevoelde hij dan (jok, dat hij geroepen was tot den priesterlijken staat, doch zijne adelijke ouders, hoe godvruchtig ook en boe zeer beseffende de voortreffelijkheid en eerwaardigheid van die verheven roeping, gevoelden toch al de zwaarte van bet groote offer, dat zij moesten brengen, wanneer zij bun
3
zoon. timi éfoiig kind zouden afstaan voor den dienst des lleeren. Geen wonder dan ook, dat zij alle moeiten inspanden 0111 hun kind af te brengén van zijn voornemen, hem voorspiegelende al de grootheid van hnn geslacht, hem schilderende al de macht en rle rijkdommen der wereld, die hem wachtten. Maar de vrome Jongeling, God en wat Godes is verre stellende hoven al het aardsche, antwoordde steeds:
».4/ wal (jij mij voorxtelt, wordt vonk door hel toeval verloren en. ons zeker daar den dood out nomen; mnar hrlgeen God bereid heeft voor wie hem tielhehhen, kon ons door r/een (jeiueld ontnomen, zelfs niet door den dood ontroofd warden.quot;
Toen gevoelden zijne ouders, dat t!oil hnn kind geroepen en tot groote dingen bestemd had en zij twistten niet langer met den Heer, maar stonden huil eenigen zoon af met Christelijke overgeving aan de raadsbesluiten Gods.
Met den grootsten ijver legde nn de Jeugdige leviet zich toe op de wetenschappen en mankte daarin in korten tijd snelle vorderingen. Dus door adelijke geboorte en door geleerdheid verheven boven zijne medemenschen. bleef hij boven alles de deugd van nederigheid betrachten, stolfelijke en geestelijke weldaden nitdeelende aan het volk en zijn lichaam kastijdende naar bet voorbeeld der groote heiligen, wier deugden hij navolgde; opdat hij steeds mocht weerstaan aan de aanvechtingen des duivels. Deze toch spande alle pogingen in bet werk om den
4
edelen jongeling af te houden van zijn voornemen. Xn eens spiegelde hij hem voor al de grootheid, de rijkdommen en de geneugten der wereld, die hem werden aangeboden, dan weder wees hij hem op zijn zwak lichaam, dat tegen dergelijke inspanningen en kastijdingen niet bestand zoude zijn, maar gesterkt door de kracht Gods en geholpen door de voorbede der H. Moeder Maagd , die hij innig vereerde, weerstond hij alle aanlokselen des duivels en der wereld. Getooid met een kroon van hemelsclie bloemen en deugden werd hij door de Goddelijke Genade verkoren en tot de Priesterlijke waardigheid verheven. Nn ontvlamde zijne liefde voor de zaak des Hoeren met nog sterker gloed en hij gevoelde zich geroepen, alles te verlaten, zijne ouders, zijne vrienden en magen, zijn vaderland vaarwel te zeggen om in vreemde landen den Christus te gaan verkondigen. Omstreeks het jaar des Heeren 847 landde de II. Jeroen aan de kusten van ons vaderland en werd door den 11. llungerus, bisschop van Utrecht, naar Noordwijk gezonden. Xu had de vurige priester den werkkring gevonden , dien hij had gewenscht, waartoe fiod hem had uitverkoren. Alom weerklonk zijn machtig woord in Holland, Friesland en Kenner-merland en verwierf hem den welverdienden naam van «Apostel van Kennermerland.quot; Krnstig vermaande hij allen het jnk van Christus te dragen, voor de zaligheid hunner zielen te werken, bet voorbeeld der ongeloovigen niet te volgen, maar het schepsel
al' to vallen, om den Sctu'|i|ier nan te. lumgen. »11'«///. Broeders,quot; zeide liij , yiwat deel heeft iJr (jeluovige mei den, uiicieloovige en wellte (jemeenseliaji het Lichl mei de didslernissen. de Tempel doch met die der ((/'(/oden f De Tein/tel des Heer en is heilig en d((l zijl (/ij- Weshalven . kinderwens, die ik wederbare. toUhd C.Uristus ecne (jedcwnle in U krijgI. ziel niet ani naar ijdelheden en valsehe overleggingen. (i/i(l(d gij den Tem/iel des Hoeren sehendende, niet moogl irorden ecne prooi van satan. Want wij zijn Gods kinderen en het is nog niet openhaar, tval wij zijn zidlen. maar zullen dat welen, nis (ihrishis zal verschijnen . ()/i dezen ho/gt;en wij en zidlen hem gelijl; zijn. en alhoewel niel in evengelijldieid van naliiur. zidlen wij echter deelgenoolen zijn van zijne Glorie.quot;
Met ilen lieer Christus te |)redikeri heeft de II. â leroen vele ongeloovigeu bekeerd en de kerk in ons vaderland talrijke leden toegevoegd . maar velen ook heeft hij getrokken door zijn heilig priesterlijk leven, wordende hij met een zonderlingen eerbied wegens ' de heiligheid zijns levens wijd en zijd geëerd. De
nederigheid, die minnelijke deugd, bleef hij echter steeds betrachten, wel overtuigd, dat. it wie zich zeiven hemint. zal verloren gaan.quot; Sterker en sterker wei'd nn ook iu zijn hart de hoop. dat hij mocht uitverkoren worden, zijn leven door vele smarten af te leggen voor Christus, zijnen Heer, opdat hij zoude liehooren tot die breede schare van Martelaren, die icannc lange kleederen hebben gewassehen in hel bloed den Lams,
J.
(i
WeIilra zonde aan liet zielsverlangen van den edelen en liolderijken priester worden voldaan.
Uit liet Noorden, uit Denemarken en Noorwegen en Zweden kwamen zij. de woeste horden . de machtige Vikingei's, de koningen der zee, met limine talrijke scharen van hall' naakte, rooi- en moordzuchtige krijgers. Doch roof- en moordzucht waren het niet alleen, die hen dreven. Ter verdediging ook hunner goden trokken zij op. Satan zag zijn werk bedreigd en ten ondergang gedoemd in de Nederlanden. St. Willihrord sloeg den trotschen eik ter neder, waaronder de arme heidenen menschenbloed plengden en Thor's hamer was onmachtig hem te straffen voor die euveldaad: â St. Bonif'acius verbrijzelde de algodsbeelden in friesland en Germanic: â St. Jeroen trok zegenend door Holland en Ken-nermerland en ongelool' en bijgeloof vluchtten weg voor zijne schreden. Woede en wanhoop vervulden satan's borst en hij riep ze op, de woeste scharen uit het Noorden, die Wodan . Thor en Freia dienden. Hij vervulde der Noren harten met haat tegen Christus. Zijne kerk en Zijne priesters en waar zij neerstreken, vielen zij. als opgehitste roofdieren het eei'st op de kerken en kloosters en sleepten de priesters des Hceren naar 't martelveld.
Het was in het jaar onzes lleeren 856. Groote droefheid en ontsteltenis was er onder de Christenen van ons land. want voortdurend kwamen in talrijke scharen de Noormannen en trokken moordend en
7
liliinderend door Hollands beemdun. Alom iniiii roode rookwolken ten hemel stijgen en het vorteerende vuur vernielde, wat liet geweld van bijl en zwaard had weerstaan. Nog hleel' Noordwijk met zijne reeds talrijke Christenbevolking e,n zijn liefelijk kerkje gespaard en vader Jeroen leefde te midden zijner kinderen en vermaande hen tot deugd en een heiligen levenswandel.
0|gt; den Iquot;)110quot; Augustus, den feestdag van de «Hemelvaart der 11. Maagd Maria.quot; de onbevlekte Moeder, die de II. Jeroen zoo innig vereerde, was hij met zijne jiarochianen verzameld in het kleine en nederige kerkje, dat daar lag verscholen tusschen de hooge pijnen en olmen. Welluidend en vol vuur weerklonk zijne stem, want hij verkondigde allen, die daar vergaderd waren do heerlijkheden der Moeder Gods, die nu troonde in de volle glorie, waarmede de Vader Haar had bekleed . aan de zijde van haren goddelijken Zoon, als de Koningin van Hemel en aarde, als de middelares voor het arme volk bij Haren almaehtigen Zoon, den alvermogenden Middelaar voor het zondige menschdom. De vrees voor de woeste Noren vervulde veler harten, maar de II. Jeroen toonde limi de Moeder Gods, de troost der bedrukten, de hulp der Christenen en hij wekte hen op, hun vertrouwen te stellen op die machtige beschermster en tot haar hun toevlucht te nemen. Ach, het zoude de laatste maal zijn . dat hij aldus als hun leeraar tot hen zoude spreken. Toen de
8
kerkelijke pleclitigliuden geeimligd waren, trok hij niet ui zijne, parochianen in processie iangs de wegen en velden van Noordwijk, biddende en srneekende en voortdurend herhalende; » IVm de tvoctlc der Nuurmamicii. verlos ons lieer.quot; De nacht ging in angst en vree/e voorbij. Daar klonk in den morgen van den â¢16tle,quot; Augustus de vreeselijke noodkreet langs Noordwijks duinen, »De Nooimannen, de Noormannen! redt u 1quot; Een groot medelijden voor zijne kudde vervulde het hart van den II. Jeroen. maar eene zoete vreugde tevens. Immers hij had reeds zoo lang gewenscht zijn leven te mogen geveii voor de eer van Christus' naam en hij wist het wel. door zijn heilig leven en zijne prediking had liij menigeen tot het Christendom bekeerd, doch het bloed der Martelaren is het zaad der nieuwe Christenen. Wie zich dan ook redde, Vader .Teroen bleef, en terwijl zijn kerkje in rook en vlammen opsteeg, werd hij voor den aanvoerder der Noormannen gesleept. Het woedende volk omringde hem en schreeuwde: «Neemt dezen weg van de aarde en laat dezen vijand onzer heiligdommen niet langer leven!quot; Het harte met blijdschap vervuld, bad de vrome priester: DUccr. leid mij in Uive (jcrcchliijheiil om mijner verspieders wille; richt uwen weg voor m ijn aangezicht.quot;
En woedender schreeuwde het volk en wild riep alles door elkander, dat men hem zoude pijnigen en dooden. En toen daalden de slagen ruw en wreed
9
neder op ll(^t lioofil en do selionders van rlun Ilniligon Martelaai'; hij wci'd geschopt en gestooten, langs Xoordwijks velden en wegen voortgesleiml en eindelijk tegen den avond in een donkeren kerker geworpen, opdat liij den volgenden dag als een slachtofler den valscben goden zonde worden aangeboden en schandelijk zonde sterven. Maar de Heilige Jeroen loofde God en zong met den psalmist: ygt;lieer! ik -al wandelen in het licht mvs aamchyns en in Uwen naam mij verheiKjen den gansehen dmj.quot;
Den volgenden morgen werd hij voor den aanvoerder gebracht, die spottend hem vroeg, hoe hem de geeselslagen van den vorigen dag bekomen waren. Blijmoedig antwoordde hij. dat zij hem geene pijnen meer veroorzaakten, want:
Naar de veelheid mijner smarten. zuu hebben Heere, Uwe vertroostingen mijne ziet verkwiktquot; »Wie zijt gij?quot; vroeg hem de Noor, »en wat secte kleeft gij aan?quot;
»Ik ben sprak de Martelaar, Dg een slaaf, maar een vrijgeborene en zelfs een edelman. die Jesus Christus belijdt, den, waren Gvd. van mijne jeugd af aan en ik zal nimmer mijn nek buigen voor de valsehe Goden, want de Heer zegt in zijn Evangelie: »Den Heer uwen God zult gij aanbidden en hem alléén dienen.quot;
«Offer aan onze goden, opdat gij uw verder leven in gemak en blijdschap en in onze vriendschap moogt doorbrengen,quot; sprak de Noorman.
10
fgt;Acltliernani zaclitmoedig rle heilige: »Gij raadt mij dwaze zaken en heluuf't mij unzehere diiujeii. Gij will, dat ik God, den. Schejijier van al wat bestaat, zal verlaten ca de duivelen dienen, om een lt;/e~ makkelijk leven te knnnen leiden , maar God alleen weet. wat den inenxeh zal gesehiedeu.
»VVie is (hm die God, voor \vieii gij zegt dat allen moeten knielen,quot; bulderde der Noren hoofdman.
En toen sprak de Heilige priester ernstig en plechtig deze schoone woorden; voor de laatste maal belijdenis afleggende van zijn standvastig geloof, voor de laatste maal predikende het Heilig Evangelie :
«Daar staat i/enchreven: En geeft het Heilige den honden niet en werpt de jiaurlen niet voor de zwijnen. Daarom zult gij met Uwe onreine ooren deze hemelsehe kennis en. wetenschap) van mij niet hooren. Maar, omdat ik weet. dat vele dezer omstanders ten eeuwigen leven zijn uitverkoren, zoo verkondig ik hun den inhoud van onzen Godsdienst, Wij gelooven in den. Vader, van. wien alle vaderschap, zoo in dra Hemel als oji aarde is; insgelijks in Zijnen Zoon. en den II. Geest, waarvan, de Psalmist getuigt: vlJoor het Woord des Heer en zijn de werelden gescha lien, en door den Geest Zijns monds al haar Heir.quot; Van dit onveranderlijke Wezen eerbiedigen wij drie ondcrsclicidene personen. In deze Drieëenigheid is noch eerst, noch laatst; noch meer. noch minder; maar drie Personen even eeuwig en gelijk in
â¢M
wezen. En (dien. die huilen dezen rtrieceiiMjen Gud een, anderen Oud kennen en dienen, die inuelcn in der eeuwiylieid verloren gaan.
Maar ilc Noorman stopte zijne ooren toe en meenonde (llt;i beleediging zijner goden te moeten wreken, riep hij tierende en razende, dat men den priester zoude wegleiden en dunden. De krijgsknechten grepen hem aan, en terwijl zij hem voortsleurden. klonk liet nog van zijne zuivere lippen: v Verhuur, lieer, m ijn gebed en neem mijn geroep Ier oore; verberg Uw aangezicht niet voor mij en zwijg niet tot mijne Iraneti, wanl ik hen een vreemdeling bij i'. gelijk ook alle mijne Vadern.
Zij sleepten hem voort.'totdat zij gekomen waren ter plaatse, waar nog een holle weg, vroeger de Lijdensweg, thans de St. Jeroensweg geheeten, voert langs een laag, tusschen het kreupelhout verborgen poortje, dat bij iedereen als ))St. Jeroenspoortjequot; bekend staat. Daar onderstond de geduldige priester de wreedste martelingen. Met felle geesel-slagen werd zijn vleesch vaneen gereten : met brandende fakkels en toortsen werd zijn doorwond lichaam geschroeid en geblaakt, niet scherpe pijlen z.ijne ledematen op vele plaatsen doorboord, .la, zoo vreeselijk werd Hij gefolterd, dat. volgens de getuigenis van oude geschiedschrijvers, «de pen weigert die tooneelen te beschrijven.quot; Eindelijk scheidde het slagzwaard van een Noor het eerbiedwaardig hoofd van den romp en de 11. Jeroen gaf zijne
IL2
sell ooi ie. ziel min ilon Sclieiiper wilder. Do oorste pastoor vim Noonhvijk ginp: zijno phiat-s iniienien in do rijon dor bloedgetuigen dos Hooron.
In btilto namen oenigo zijner vrienden en |iarodiianen met grooten eerbied hot licluuim van linn pastoor weg. wikkelden hot in linnon doeken en bracbten het naar eene eenzame plok. ongeveer zeven minuten ton Oosten van de plaats der marteling gelogen en wol ter stede, waar later do sehoone kerk van don 11. Joroen zonde verrijzen en begroeven liet daar in oen nieuw gral'.
II. Zijne Verheerlijking.
Zoo rustte dan hot stoilelijk overschot van don Martelaar in een vorgoton gral. lüjna honderd jaren waren heengegaan en wellicht dacht niemand moor aan den grooten heilige, die geheel zijn leven don Heere Jesns had gewijd 011 met vreugde voor Hem on voor de glorie van Zijn H. Xaam in den dood was gegaan. Maar God, die gezegd heelt: »I)io niij vorheorlijkt, dion zal ook ik verheerlijken,quot; achtte woldra den tijd gekomen, waarop Hij de hoorlijklieid van Zijnon dienaar aan de wereld zoude verkonden.
Mon schreef hot jaar 995, toen do goede graaf Dirk regoordo over Holland on Baldorik bissclioii van Utrecht was. Daar verschoen op zekeren nacht de 11. .loroen aan eeu vromen man iu de nabijheid van Noprdwijk, die Notbod of Nochbode heette eu
zeide tot hem: »0 Broeder Nochbode, weet dat mijne overblijfselen zullen verheven worden, zooals liet Gods Wil is. Ga daarom ten Oosten van het dor)) Xoordwijk: daar zult pij in het bosch mijn graf vinden, gedekt met kleine steenen: graaf mijn lichaam op en breng het over naar de kapel van Egmond, waar ook mijn broeder Adelbert rust.quot;
Nochbode durfde zijne oogen niet vertrouwen en sloeg een kruis, vreezende, dat het een booze geest was. die hem verscheen. Doch toen daarop de verschijning niet verdween, vroeg hij : «lieer, zeg mij, wie zijt gij.quot; En de verschijning antwoordde: »Ik ben de priester Jeroen, die voor den Xaam on zes lleeren Jesus gemarteld is. Ga nu en doe wat ik u gezegd heb.quot; Doch de eenvoudige boei', nog steeds vreezende, misleid te zijn, antwoordde: «Meer. indien deze verschijning van den Hemel is, dat zij niij ten tweede, ja ten derde male veropenbaard worde.quot; â¢
Niet lang daarna verscheen hem werkelijk ten tweede male de 11. Jeroen en toen hij nog draalde en de roepstem des hemels niet volgde, ontwaakte hij op zekeren morgen en vond zijne drie hengsten uit den stal verdwenen. Hij ging zijne buren wekken en bad hen ootmoediglijk. hem te willen be-Imlpzaam zijn en met hem in het, groote bosch ten Oosten van Xoordwijk de verloren paarden te willen zoeken. â Zij zochten den ganschen dag en vonden niets. Toen zij zich in het bosch hadden
u
te ruste gelegd, verscheen de H. Jeroen voor de derde maal, doch thans aan een ander eenvoudig en gering man en zei de tot hem: «Zoon, ga tot Nochbode en zeg hem, dat hij naar mijn graf ga, en mijn gebeente van daar wegvoere, gelijk illt; hem reeds tweemalen gezegd heb. Tot een teeken. om zijn ongeloof weg te nemen, ga oostwaarts in - het woud en gij zult de hengsten vinden, vastgebonden aan een boom.quot; Vol vreugde deelde deze man aan zijnen gebuur mede, wat hij gezien en gehoord had. /.ij snelden naar de aangeduide plaats en vonden de hengsten vastgebonden, zooals de Heilige gezegd had. â Nu was Nochbode overtuigd, hij zocht en vond het graf en begaf zich tot graal Dirk, wien hij alles verhaalde, wat er gebeurd was. Vol vreugde wendde deze zich tot den bisschop van Utrecht, die zonder dralen overkwam en mot den graaf naar de plaats ging, waar zich het graf bevond, dat hun door Nochbode was aangewezen. Toen openden zij het graf, en namen met groote eerbiedigheid de reliquiën van den II. Martelaar er uit en deden ze met veel plechtigheid dragen naar de kapel van Egmond, waar zij naast die van den H. Belijder St. Adelbert werden bijgezet. Het hoofd echter was niet gevonden geworden.
De oude geschiedschrijvers verhalen, dat zij, die het eerbiedwaardig lichaam van den Heiligen Jeroen op hunne schouderen voortdroegen langs den kant der zee, gekomen waren aan eene plaats lieinvier
4fgt;
geheeten. Met was zeer heet en zij waren vermoeid. Rondziende of zij niets konden vinden, waarop zij de reliqniën niet meer gemakkelijkheid zonden kunnen dragen, zagen zij op de zee eene kostelijke haar komen aandrijven, die voor hunne voeten aan strand spoelde. Op deze baar werden de verlieerlijkte overhlijfselen verder naar Egmond vervoord. Spoedig verspreidde zich de mare van de mirakuleuze vinding van het liehaam van den II. Jeroen, van deszelfs overbrenging naar het klooster te Egmond en van de wonderbare aanspoeling der draagbaar door het geheele land. Van alle kanten stroomden toen pelgrims naar de plaats, waar de groote Heilige geleeld en geleeraard had, waar hij was gemarteld en begraven. De oude kronijkschrijvers spn'ken van tallooze wondcM'en. die er gebeurden, van zieken, die genezen, van verloren zaken, die door zijne tnsschenkomst bij God werden teruggevonden. De roep van de wonderbare macht van den II. Jeroen verspreidde zich door geheel Holland en verredaar buiten. Het kerkje te Xoordwijk werd te klein om de groote scharen van pelgrims te bevatten en nu gaf Guido, bisschop van Utrecht in 1303 in een open brief verlof om te Xoordwijk eene nieuwe kerk te stichten. Men bouwde die ter plaatse, waar men het lichaam van den 11. Jeroen had gevonden. â Waarschijnlijk iu het jaar i311 werd zij voltooid. En het gebeurde eenige jaren later, dat men in deze kerk een nieuw altaar zoude oprichten en dat
â¢16
de metselaars, bezig zijnde de fondamenten uit te graven, aldaar een hoofd vonden. Niemand zoude geweten hebben, dat dit het hoofd van den H. Martelaar Jeroen was, ware het niet, dat de klokken der kerk begonnen to luiden, zonder dat ze met menschelijke handen in beweging werden gebracht. Niemand begreep, wat dit luiden had te beteekenen. Doch een mensch, die in een huis dicht bij de kerk met sterke banden gebonden lag, daar hij bezeten was en lijdende aan vallende ziekte, riep uit. dat Gods Engelen de klokken luidden, daar het hoofd van den H. Jeroen was gevonden. Naar de kerk gebracht, werd het gevonden hoofd op zijne borst gelegd en hij stond op en was genezen. Van nu af werd het hoofd, (zijnde waarschijnlijk het bovenste gedeelte des hoofds, het cranium, daar de onderkaak, de maxilla, zich bij de Reliquien in de abdij te Egmond en later te Haarlem bij de andere overblijfselen bevond,) met groote plechtigheid vereerd : de toeloop van pelgrims werd steeds grooter, treffende mirakelen hadden er plaats, en groote gunsten werden door de voorspraak van den H. Jeroen verkregen.
Eene enkele dier wonderbare gebeurtenissen zij in 't kort medegedeeld. Zij wordt gevonden zoowel bij Mutzaerdts, U. K. Pr. in diens Kerkelijke Geschiedenis der Nederlanden, als bij de Bollandisten.
»Daar was een akkerman tot Eyckenduinen, die een pelgrim, welke ter bedevaart was gegaan naar
-17
St. Jeroen en vermoeid was, bespotte, zeggende: »Kan St. Jeroen n niet eens bewaren en beschutten tegen vermoeidheid?quot;
Maar Gods rechtvaardigheid strafte den spotter op hetzelfde oogenblik: want. toen hij zijne paarden aanzette om te akkeren, gevoelde hij, dat ze onbewegelijk waren en niet van de plaats konden. Hij zag de grootheid van zijn misdrijf, in en luisterende naar den raad van den bespotten pelgrim, beloofde hij aan God. dat hij eene bedevaai-t zoude doen naar de reliqnien van den II. Jeroen. Hij toonde zoo groot berouw over zijne zonde, dat God dooide voorspraak van den 11. martelaar, de paarden van hnnne machteloosheid bevrijdde.quot;
Van alle landen kwamen pelgrimagiën naar Noord wijk, want, zooals Mntsaerdts zegt: «De II. Martelaar Jeroen was bijzonder een groot Marechalck hij Godt van verloren en ghestolen goeden ofte by andere ongbevallen ende quade avonturen te water of te lande versuckelt ofte gemist.quot;
Het was dan niet te verwonderen, dat bisschop Suederus van Utrecht, ziende het steeds aangroeiend getal pelgrims, dat naar Noordwijk ter bedevaart trok. op den 15 Nov. van het jaar -1429 eene ordonantie uitvaardigde, waarin werd bepaald, dat de dag van St. Jeroen in Noordholland, Westfriesland en de omliggende landstreken eveneens gevierd zoude worden, als het feest van St. Laurentius met vergunning van 40 dagen allaat aan allen, die de
2
-18
parochiekerk van St. Jeroen te Noord wijk zonden bezoeken, verheffende alzoo Noordwijk tot eene bedevaaiiplaats.
Tot stichting der geloovigen en om hen op te wekken tot vertrouwen in den grooten heilige, St. Jeroen, volge hier deze schoone brief in zijn geheel.
«Suederus, door Gods genade bisschop van Utrecht, »ter eenwiger gedachtenisse.
«Wij willen, dat ze niet eene behoorlijke en altijd «durende vieringe geëert worden, hier op aarde, «dewelke door ontelbare mirakelen blinkende door «Gods barmhartigheid verheven zijn tot de glorie «der eeuwige zaligheid. Voorwaar, de doorluchtige «priester en Christen Martelaar St. Jeroen, zooals «wij door het schrijven van geloofswaardige mannen «onderrigt worden, zijnde naar de wereld een edele «telg van edele voorouders, heeft den ongetemden «wil geen meester en voogd gelaten van deszelfs «driftige, toomlooze bewegingen, maar heeft dezelfde «omzichtelijk onderworpen aan het gebied der reden. «Dies is hij van zijne jonkheid af, zoolang als hij «geleefd heeft, opgewassen van de eene deugd tot «de andere, hebbende altijd met eene vurige begeerte «getragt om in de wetenschappen meer en meer «toe te nemen, en om door de martelie tot die «onvergankelijke belooning, waartoe hij voorbeschikt «was te geraken, alsook om de ongeloovige Denen »en Noormannen en de andere menschen, voorna-
â¢10
«melijk de ingezetenen van Noordholland, van West-»friesland en van de omleggende plaatsen, door heil-»zame lessen van ootmoedigheid, heiligheid en gods-«dienstigheid aangenaam aan hunnen Schepper te «maken. Als nu de martelstrijd van den H. blOed-«getuige volbragt was, en als hij nu voor het geloove «van Christus door de woedende Denen onthalst «was, zonder dat hij eenige tegenstand had gedaan, ».ja zells zijnen hals aan den beul had aangeboden, «hebben zijne leerlingen het H. lichaam up eene «heimelijke plaatse begraven, daar het vele jaren »verborgen beeft gelegen. Doch in het jaar 995, als «de edele en godvruchtige graaf Diderigt II het ge-»bied over Holland voerde, is het gemelde H. lichaam «door Gods beschikking en door eene drievoudige «nachtverschijning veropenbaart aan een regtvaardig «en godvreezend man, met name Nochbodon. Het «wilde, als üdilbaldus, twaalfde bisschop van Utrecht «en gemelde graaf zulks verstaan hadden, zijn zij «drijvens naar bet graf geloopen, hebben hetzelfde «geopend en hebben de H. gebeenten, dewelke dus »door Gods beschikking en door een mirakel veropen-»baart waren, daarin gevonden: dezelve gebeenten «(uitgenomen het hoofd, 't welk te Noordwijk, alwaar «de gemelde martelaar voor den patroon gehouden «wordt, gebleven is) hebben zij met behoorlijke eer-«biedigheid en met groote vreugde gevoerd naar «Egmond, leggende insgelijks onder het voornoemde «Bisdom en hebben die daar ter plaatse benevens
20
Bde gebeenten van den heiligen Adelbertns, die daar «ook rustten, hoogstadelijk bijgezet. â O gelukkige »martelaar van Christus, wiens gebeenten de zieke »menschen komen bezoeken en aldaar genezen wor-«den : door wiens voorspraak de verloore of qnalijk ge-»wonne goederen wederom teregt komen en aan de »regte eigenaars geworden en de niensehen, die er «behoorlijk om bidden, van de dreigende onheilen «bevrijdt en van de banden hunner zonden ontslagen «worden. Verblijd U, o Holland, over zoo een patroon «en over het bezitten van een zoo rijken schat. Wij «dan. acht gevende op de voorgemelde en meer «andere aanzienlijke wonderdaden, door dewelke de «Martelaar de H. Jeroen zoo vermaard is geworden «en daarbij lettende op de hartgrondige en godsvruchtige genegenheid, dewelke de ingezetene der «voornoemde plaatsen dezen Martelaar haren patroon, «toedragen en wenschende, dat deze gemelde men-«schen dooi- het betoonen van hunne dankbaarheid «eenigszins deel mogen krijgen aan de verdiensten «van denzellden martelaar en benefl'ens haren patroon «de medeerfgenaamen en de dischgenooten van «den Opperkoning mogen worden in het rijk der «Hemelen, daar de hoovaardigen niet zullen binnen-«gaan: zoo is het dat wij tot lof en glorie van den «almogenden God en van zijne Moeder, de hoogge-«roemde Maagd Maria en ter eere van den 11. «Martelaar Jeroen. volgens onze bisschoppelijke «macht en met overleg van onze Prelaaten, ordon-
21
«ueei'ttn imi uit krachten dezes op de heilige gehoor-ïzaarnheid en op den hau, daar de tegenspreekers sen de tegenstanders in zullen vallen, wel seherpe-»lijk beveelen, dat de dag van gemelden martelaar »S. Jeroen 's jaarlijks op liet octaaf van S. Laurens »in alle de parochiën van Noorthollaud, Westlries-))land en de omleggende plaatsen plechtiglijk gevierd nzal worden, eveneens als het feest van S. Lanrens. «zoowel in liet choor, als onder het volk. Verders «begeerende het Christenvolk beqnamer te maken stot het verkrijgen der goddelijke genade, zoo is «het dat wij allen en ieder in 't bijzonder, zoowel «van het vrouwelijk, als van het mannelijk geslagt, «dewelke op het feest van gemelden martelaar, den »11. Jeroen, of op een anderen hoogen dag, de gemelde «parochiekerk, binnen Noordwijk (Noirtich) godvruch-«tiglijk zullen bezocht hebben, met den ommegang «aldaar te volgen, of er de .Miste lezen, ofte zien ofte «hooren leezen. of ook niet hunne mildheid tot het «onderhoud van het gebouw, of voor de cieraden der «kerk en het kerkeniicht te betoenen; zoodikmaals «als zij het bovengenoemde of ietwat van hetzelve «zullen gedaan hebben, betrouwende op de bannhar-«tigheid van den almogenden Godt. en op de krachtige «voorspraak van deszelfs Apostelen Petrus en Paulus «en van onzen Patroon den heiligen Maarten, veertig «dagen afslag van de opgeleide boeten verleenen.
«Gegeven in het jaar onzes Heeren, een duizend, «vier honderd, negen en twintig den 15 Noveniber.quot;
22
Zoo werd dan de Heilige Martelaar en geloofsverkondiger dooi' den Heer Jesus, dien hij had verkondigd en om wien hij in dén dood was gegaan o]) de trefl'endste wijze verheerlijkt. Hoe algemeen deze vereering werd in geheel Holland en de omliggende streken, blijkt uit de vele liederen, die ter eere van den II, Jeroen werden gedicht en gezongen. Een der treffendste en liefelijkste is zeker het lied, dat gevonden wordt in «Stalpert's Guldejaers feestdagen.quot; beginnende met de woorden :
»Noordwycksche Maeglulen!
Die oyt behaeghden
Sions orghelen,
Wilt u spoen
Met soete. wysen
Van sangli te prysen,
Christus Martelaar. Sint Jeroen.
St. Jeroens kerk te Noordwijk werd eene der voornaamste van Holland, hebbende dezelve verschillende altaren, door verscheidene Heeren geestelijken bediend. Naast de kerk verhief zich een klooster van eerwaarde Zusters, tellende meer dan veertig godgewijde Maagden, uit de edelste geslachten van ons land. De reformatie maakte voor een groot gedeelte een einde aan deze godvruchtige oefeningen en pelgrimstochten. De St. Jeroenskerk kwam in handen der protestanten, het hoofd van den H. Martelaar verdween en hoewel men algemeen van gevoelen is, dat het zich nog te Noord-
'2:i
wijk bevindt en ook vele overleveringen daarvoor lgt;leiten, is niet met zekerheid te zeggen, waar het moet gezocht worden.
In het Jaar '1573 werden vele reliquien, waaronder dii! van den II. Jeroen en van den II. Adelburt van Egmond, dat door de soldaten van Sonoy werd verwoest, in veiligheid gebracht naar Haarlem. De armpijp, welke in latere jaren iu de kerk te Noordwijk godsdienstig werd vereerd en steeds ge-houden werd voor een gedeelte van het eerwaardig lichaam van den Martelaar, is zjer waarschijnlijk omtrent het jaar 1600 te Noordwijk gekomen en wel op de volgende wijze, zooals aangeteekend staat in het manuscript van Alkemade en Schelling, bladz. 105.
))lii de troebelen was zeker monnik zeer ijverig in de leer, doch van geen groot verstand, oordeel ol' gaven, binnen de stad Haarlem, predikend tegen hut verbod van de Staten, nu hier dan daar, als ook tot Haarlem. Met scherpheid verboden, zelfs onder zware bedreigingen hield hij in zijn ijver niet op scherp te prediken tegen de Reformatie, waarop hij werd verbannen en zich daaraan niets latende gelegen liggen, zocht men hem op om hem te straffen. Hij komt inmiddels te Haarlem te sterven; het lijk werd opgezocht, waarop de Roomschen te Haarlem schrijven aan den dorpspastoor van Noordwijk. of hij geen middel wist om het lijk heimelijk te begraven. Zij zouden het hem
24
dim in oon koll'cr toiMijndeii. 111'] nociiit het tuin, onder belofte, dat /,e hem de i'eliquiën van St. Jeroen, den patroon zijner Xoonlwijkscho kerke, welke in de troebelen door dc monniken van Egmond te Haarlem in veiligheid waren gebracht, zonden toezenden, dat ze gedaan hebben. Dit zijn de reliquiën, die te Noordwijk bewaard worden, en in het hijzonder de arinpijji, welke in de kerk van Noordwijk alsnog vereerd wordt.quot; Zeer waarschijnlijk zijn een groot gedeelte dezer reliquiën omstreeks het jaar 1650 weder verdwenen en is alléén de armpijp in Noordwijk gebleven.
De overige reliquiën bleven te Haarlem en werden in het jaar '1851 bij de opheffing van de kerk van St. Bernardus («in den Hoekquot;) en bij de verdeeling van den aldaar berustenden schat van reliqmen. toegewezen aan de kerk op het Begijnhof, zijnde zij met andere overblijfselen van Heiligen, waaronder die van St. Adalbert, besloten in een klein koffertje van bont, van buiten niet zwart leder overtrokken, waarin gothieke letters en bloemen geperst waren, en met ijzeren banden beslagen.
Door de onvermoeide zorgen en nasporingen van de ZeerEerwaarde Heeren 11. van Luenen, Deken en Pastoor van bovengemelde kerk en J. .1. Graaf, Deken en Pastoor van Onwerkerk mocht men er in slagen de echtheid van do reliquiën van den 11. Jeroen in dit kistje besloten met de meest geloofwaardige bewijzen te staven. Toen behaagde
'25
het nun /.ijnu Duorluditige Iloogwaardighoiil Mgr. Bottemanne, Bisschop van Haarlem, te besluiten, dat deze buitengewoon groote schat van reliquiën van den II. Jeroen, in zijn geheel zoude afgestaan worden aan de Parochiekerk van Noordwijk, de plaats, waar St. Jeroen als eerste pastoor gearbeid, gestreden en geleden had en waar zijn kostbaar bloed voor de eer van den Heere Jesus was vergoten.
Deze heilige, overblijfselen, bestaande uit de onderkaak, twee ribben en den geheelen linkerarm werden bevestigd in een schoonen koperen reliquiekast, waarin daarenboven voor de vroeger
genoemde armpijp, di iderlijken zilveren
voorarm en hand is besloten. Op den'16'len Augustus '18ü'2 werd deze zoo kostbare als zeldzame schat van reliquiën door den ZeerEerw. lieer G. G. Honig, pastoor van Noordwijk, van Haarlem naar zijne parochie gevoerd, waar dezelve met groeten eerbied en plechtigheid door de feestvierende gemeente werd in ontvangst genomen. Nimmer zeker heeft het katholieke Noordwijk een schooner feest aanschouwd. dan toen de verheerlijkte overblijfselen van Vader Jeroen, na duizend jaar van de plaats waar hij had gearbeid en geleden, te zijn verwijderd geweest, tot zijne kinderen terugkeerden. Den volgenden dag, 17 Augustus, op den feestdag van St Jeroen, hadden deze het geluk Zijne Excellentie Monseigneur Rinaldini, Internuntius van Zijne
26
Heiligheid d(Mi Piins, met ai de eer. die den vor-tegeuwooi'digor van den 11. Stoel toekomt, te mogen ontvangen, welke in de zoo rijk begiftigde kerk van Noordwijk, thans op nieuw tot bedevaartplaatsi verheven, de plechtige H. .Mis celebreerde en neder-knielde aan de voeten van het altaar, waarop de kostbare overblijfselen van den grooten Heilige rusten.
Eene edele geestdrift heerschte er in die zalige dagen te Noordwijk. Van alle zijden waren de pelgrims toegestroomd, zoodat de kerk. waar eene breede schaar van priesters om het altaar knielde, veel te klein was om allen te bevatten. En die geestdrift bekoelde niet na de feesten, maar van vele omliggende gemeenten kwamen voortdurend processien om de reliquiën van den H. Jeroen te vereeren. De geloovigen van het naburige Katwijk lieten zich de eer niet nemen, om onder geleide van hun ijverigen Herder de eersten te zijn. die opgingen ter bedevaart naar het graf van den roemrijken Martelaar. Weldra werden zij gevolgd door processien van Vogelenzang, Voorhout en Leiderdorp en ook Amsterdam bleef niet achter, om den Apostel van Kennemerland te komen aanroepen en door zijne voorspraak zegeningen en genaden van den Hemel te komen afsmeeken. Groot zijn dan ook de voordeelen, gunsten en aflaten door de goedheid van Zijne Heiligheid den Pans en van Zijne Doorl. Hoogwaardigheid, den Bisschop
van Haarlem geschonken aan allen, die de iiarocliie-kerlv te Noordwijk godvrn.clitig zullen bezoeken en de reliquien van St. Jeroen vereerende, daar zullen
bidden ter intentie van zijne Heiligheid.
--
AFLATEN EN GUNSTEN,
verleend aan de Pelgrims, die het gebeente van den 11. Jeroen te Noordwijk bezoeken, en godvruchtig vereeren.
PAUS LEO XIII.
Aan alle Christengeloovigen, die dezen zuilen zien, heil en apostolischen zegen.
Tot vermeerdering van den godsdienstzin der geloovigen en tot heil der zielen onzen geest liefderijk vestigende op de Hemelsche schatten der Kerk, verleenen wij aan allen en aan ieder afzonderlijk der Christengeloovigen van beider kunne, die een waar berouw hebben, wanneer zij de parochiekerk onder den titel van den II. Jeroen te Noordwijk bij Leiden in het diocees van Haarlem op het patroonfeest tusschen den aanvang der eerste Vespers en den ondergang der zon op dien dag (geldende dit voor ieder jaar) godvruchtiglijk bezoeken, en daar voor de eendracht der Christenvorsten, de uitroeiing der ketterijen, de bekeeriug der zondaren en de verheffing van Onze Moeder de H. Kerk godvruchtig tot God zullen bidden, aan hen ver-
'22
Zoo werd dun de Heilige Martehiar en geloofsverkondiger door den lieer .lesns, dien hij had verkondigd en om wien hij in den dood was gegaan op de treffendste wijze verheerlijkt. Hoe algemeen deze vereering werd in geheel Holland en de omliggende streken, blijkt uit de vele liederen, die ter eere van den 11. Jeroen werden gedicht en gezongen. Een der treffendste en liefelijkste is zeker het lied, dat gevonden wordt in «Stalpeit's Guldejaers feestdagen.quot; beginnende met de woorden :
«Noord wycksche Maeghden 1
Die oyt behaeghden
Sions orghelen.
Wilt u spoen
Met soete wvsen
Van sangh te prysen,
Christus Martelaar, Sint Jeroen.
St. Jeroens kerk te Noordwijk werd eene der voornaamste van Holland, hebbende dezelve verschillende altaren, door verscheidene Heeren geestelijken bediend. Naast de kerk verhief zich een klooster van eerwaarde Zusters, tellende meer dan veertig godgewijde Maagden, alt de edelste geslachten van ons land. De reformatie maakte voor een groot gedeelte een einde aan deze godvruchtige oefeningen en pelgrimstochten. De St. Jeroenskerk kwam in handen der protestanten, het hoofd van den H. Martelaar verdween en hoewel men algemeen van gevoelen is, dat het zich nog te Noord-
wijk bevindt en ook vele overleveringen daarvoor [ileiten, is niet met zekerheid te zeggen, waar liet moet gezocht worden.
In het jaar 1573 werden vele reliquien, waaronder die van den H. Jeroen en van den II. Adelbert van Egmond, dat door de soldaten van Sonoy werd verwoest, in veiligheid gebracht naar Haarlem. De armpijp, welke in latere jaren iu de kerk te Noordwijk godsdienstig werd vereerd en steeds ge-honden werd voor een gedeelte van het eerwaardig lichaam van den Martelaar, is zeer waarschijnlijk omtrent het jaar 1000 te Noordwijk gekomen en wel op de volgende wijze, zooals aangeteekend staat in het manuscript van Alkemade en Schelling, bladz. 105.
»In de troebelen was zeker monnik zeer ijverig in de leer, doch van geen jj-root verstand, oordeel ol gaven, binnen de stad Haarlem, predikend tegen liet verbod van de Staten, nu hier dan daar, als ook tot Haarlem. Met scherpheid verboden, zelfs onder zware bedreigingen hield hij in zijn ijver niet op scherp te prediken tegen de Reformatie, waarop hij werd verbannen en zich daaraan niets latende gelegen liggen, zocht men hem op om hem te straffen. Hij komt inmiddels te Haarlem te sterven; het lijk werd opgezocht, waarop de Roomschen te Haarlem schrijven aan den dorps-pastoor van Noordwijk, of hij geen middel wist om het lijk heimelijk te begraven. Zij zouden het hem
'J 4
(hui in een kofler toezjiiden. I Hi neemt het nan, ouder helol'te, dat ze hem de reliquiën van St. Jeroen, don imtrooii zijner Noordwijk.seho kerko, welke in de troebelen door du monniken van Egi nond te Haarlem in veiligheid waren gehrac.ht, zonden toezenden, dat ze gedaan llehhen. Dit zijn de reliquiën, die te Noordwijk hewaard worden, en in het hijzonder cle armpijji, welke in de kerk van Noordwijk alsnog vereerd wordt.quot; Zeer waarschijnlijk zijn een groot gedeelte dezer reliquiën omstreeks het jaar '1650 weder verdwenen en is alléén de armpijp in Noordwijk gebleven.
De overige reliquiën bleven te Haarlem en werden in het jaar 1851 bij de opheffing van de kerk van St. Bernardns (sin den Hoekquot;) en bij de verdeeling van den aldaar berustenden schat van reliquien. toegewezen aan de kerk op het Begijnhof, zijnde zij met andere overblijfselen van Heiligen, waaronder die van St. Adelbert, besloten in een klein koffertje van hout, van buiten met zwart leder overtrokken, waarin gothieke letters en bloemen geperst waren, en mot ijzeren banden beslagen.
Door de onvermoeide zorgen en nasporingen van de ZeerEerwaarde Heeren H. van Luenen. Deken en Pastoor van bovengemelde kerk en J. .1. Graaf, Deken en Pastoor van Onwerkerk mocht men er in slagen de echtheid van de reliquiën van den H. Jeroen in dit kistje besloten met de meest geloofwaardige bewijzen te staven. Toen behaagde
'25
het aan /ijiiii Doorluchtige Hoogwaardigheid Mgr. Bottemanne, Bisschop van Haiirlein, te besluiten, dat deze buitengewoon groote schat van reliquiën van den II. Jeroen, in zijn geheel zoude afgestaan worden aan de Parochiekerk van Noord wi jk, de plaats, waar St. Jeroen als eerste pastoor gearbeid, gestreden en geleden bad en waar zijn kostbaar bloed voor de eer van den lleere Jesus was vergoten.
Deze heilige overblijfselen, bestaande uit de onderkaak, twee ribben en den geheelen linkerarm werden bevestigd in een schoonen koperen reliquiekast, waarin daarenboven nog plaats is voor de vroeger genoemde armpijp, die in een afzonderlijken zilveren voorarm en band is besloten. Op den '16(lei1 Augustus 'ISO'i werd deze zoo kostbare als zeldzame schat van reliquiën door den ZeerEerw. Heer G. G. Honig, pastoor van Noordwijk, van Haarlem naar zijne parochie gevoerd, waar dezelve met grooten eerbied en plechtigheid door de feestvierende gemeente werd in ontvangst genomen. Nimmer zeker heeft het katholieke Noordwijk een schooner feest aanschouwd, dan toen de verheerlijkte overblijfselen van Vader Jeroen, na duizend jaar van de plaats waar hij bad gearbeid en geleden, te zijn verwijderd geweest, tot zijne kinderen terugkeerden. Den volgenden dag, 17 Augustus, op den feestdag van St Jeroen, hadden deze het geluk Zijne Excellentie Monseigneur Rinaldini, Internuntius van Zijne
'2(1
Heiligheid den Paus, niet al de eer. die den ver-tegenwooi digei- van den H. Stoel toekomt, te mogen ontvangen, welke in de zoo rijk begiftigde kerk van Noordwijk, thans op nieuw tot bedevaartplaats verheven, de plechtige II. Mis celebreerde en neder-knielde aan de voeten van het altaar, waarop de kostbare o verb lij l'selen van den grooten Heilige rusten.
Eene edele geestdrift heerschte er in die zalige dagen te Noordwijk. Van alle zijden waren du pelgrims toegestroomd, zoodat de kerk. waar eene breede schaar van priesters om het altaar knielde, veel te klein was om allen te bevatten. En die geestdrift bekoelde niet na de feesten, maar van vele omliggende gemeenten kwamen voortdurend processiën om de reliqniën van den H. Jeroen te vereeren. De geloovigen van het naburige Katwijk lieten zich de eer niet nemen, om onder geleide van hun ijverigen Herder de eersten te zijn. die opgingen ter bedevaart naar het graf van den roemrijken Martelaar. Weldra werden zij gevolgd door processiën van Vogelenzang, Voorhout en Leiderdorp en ook Amsterdam bleef niet achter, om den Apostel van Kennemerland te komen aanroepen en door zijne voorspraak zegeningen en genaden van den Hemel te komen afsineeken. Groot zijn dan ook de voordeelen, gunsten en aflaten door de goedheid van Zijne Heiligheid den Paus en van Zijne Doorl. Hoogwaardigheid, den Bisschop
van Haarlem geschonken aan allen, die do parocliie-kerk te Noordwijk godvruchtig zullen bezoeken en de reliquiën van St. Jeroen vereerende, daar zullen
bidden ter intentie van zijne Heiligheid.
--
AFLATEN EN GUNSTEN,
verleend aan de Pelgrims, die het gebeente van den 11. Jeroen te Noordwijk bezoeken en godvruchtig vereeren.
PAUS LEO XIII.
Aan alle Christengeloovigen, die dezen zullen zien, heil en apostolischen zegen.
Tot vermeerdering van den godsdienstzin der geloovigen en tot heil der zielen onzen geest liefderijk vestigende op de Hemelsche schatten dei1 Kerk, verleenen wij aan allen en aan ieder afzonderlijk der Christengeloovigen van beider kunne, die een waar berouw hebben, wanneer zij de parochiekerk onder den titel van den H. Jeroen te Noordwijk bij Leiden in het diocees van Haarlem op het patroonfeest tusschen den aanvang der eerste Vespers en den ondergang der zon op dien dag (geldende dit voor ieder jaar) godvruchtiglijk bezoeken, en daar voor de eendracht der Christenvorsten, de uitroeiing der ketterijen, de bekeering der zondaren en de verheffing van Onze Moeder de H. Kerk godvruchtig tot God zullen bidden, aan hen ver-
24
dun in güii kolfei' t.oezjndeu. llli iioonit het atm, ouder belofte, d:it ze hem de reliqniën van St. .leroen, den pati-oon zijner Noordwijksche kerke, welke in de troebelen door de monniken van Esmond te Haarlem in veiligheid wiu-en gebracht, zonden toezenden, dat ze gedaan hebben, üit zijn de reliqniën, die te Noordwijk bewaard worden, en in het hijzonder de armpijp, welke in de kerk van Noordwijk alsnog vereerd wordt.quot; Zeer waarschijnlijk zijn een groot gedeelte dezer reliqniën omstreeks het jaar 1650 weder verdwenen en is alléén de armpijp in Noordwijk gebleven.
De overige reliquien bleven te Haarlem en werden in het jaar 1851 bij de opheffing van de kerk van St. Rornardns («in den Hoekquot;) en bij de verdeeling van den aldaar berustenden schat van reliquien, toegewezen aan de kerk op het Begijnhof, zijnde zij met andere overblijfselen van Heiligen, waaronder die van St. Adelbert, besloten in ecu klein koffertje van hout, van buiten met zwart leder overtrokken, waarin gothieke letters en bloemen geperst waren, en met ijzeren banden beslagen.
Door de onvermoeide zorgen en nasporiugen van de ZeerEerwaarde Heeren H. van Luenen, Dekcu en Pastoor van bovengemelde kerk en ,1. .1. Graaf, Deken en Pastoor van Ouwerkerk mocht men er in slagen de echtheid van de reliqniën van ilen H. Jeroen in dit kistje besloten met de meest geloofwaardige bewijzen te staven. Toen behaagde
'25
hot aan Zijne Doorluchtigo IIoog\vaafdigliei( I Mgr. Botteinanne, Bisschop van Haarlem, tc besluiten, dat deze buitengewoon p;roote schat van reliquiën van den 11. Jeroen, in zijn geheel zoude afgestaan worden aan de Parochiekerk van Noordwijk, de plaats, waar St. Jeroen als eerste pastoor gearbeid, gestreden en geleden had en waar zijn kostbaar bloed voor de eer van den Heere Jesus was vergoten.
Deze heilige overblijfselen, bestaande uit de onderkaak, twee ribben en den geheelen linkerarm werden bevestigd in een schoouen koperen reliquiekast. waarin daarenboven nog plaats is voor de vroeger genoemde armpijp, die in een afzonderlijken zilveren voorarm en hand is besloten. Op den -i6,lei1 Augustus 'i89'2 werd deze zoo kostbare als zeldzame schat van reliquiën door den ZeerEerw. Heer G. G. Honig, pastoor van Noordwijk, van Haarlem naar zijne parochie gevoerd, waar dezelve met grooten eerbied en plechtigheid door de feestvierende gemeente werd in ontvangst genomen. Nimmer zeker heeft het katholieke Noordwijk een schooner feest aanschouwd, dan toen de verheerlijkte overblijfselen van Vader Jeroen, na duizend jaar van de plaats waar hij had gearbeid en geleden, te zijn verwijderd geweest, tot zijne kinderen terugkeerden. Den volgenden dag, 17 Augustus, op den feestdag van St Jeroen, hadden deze het geluk Zijne Excellentie Monseigneur Rinaidini, Internuntius van Zijne
'2(5
Heiligheid den Phiis, niet al de eer. die den vertegenwoordiger van den H. Stoel toekomt, te mogen ontvangen, welke in de zoo rijk begiftigde kerk van Noordwijk, thans op nieuw tot bedevaartplaate verheven, de jilcclitige II. Mis celebreerde en ncder-knielde aan de voeten van het altaar, waarop de kostbare overblijfselen van den grooten Heilige rusten.
Kene edele geestdrift heerschte er in die zalige dagen te Noordwijk. Van alle zijden waren de pelgrims toegestroomd, zoodat de kerk. waar eene breede schaar van priesters om het altaar knielde, veel te klein was om allen te bevatten. En die geestdrift bekoelde niet na de feesten, maar van vele omliggende gemeenten kwamen voortdurend procession om de relhjniën van den H. Jeroen te vereeren. De geloovigen van liet naburige Katwijk lieten zich de eer niet nemen, om onder geleide van hun ijverigen Herder de eersten te zijn, die opgingen ter bedevaart naar het graf van den roemrijken Martelaar. Weldra werden zij gevolgd door proeessiën van Vogelenzang, Voorhout en Leiderdorp en ook Amsterdam bleef niet achter, om den Apostel van Kennemerland te komen aanroepen en door zijne voorspraak zegeningen en genaden van den Hemel te komen afsmeeken. Groot zijn dan ook de voordeelen, gunsten en aflaten door de goedheid van Zijne Heiligheid den Paus en van Zijne Doorl. Hoogwaardigheid, den Bisschop
van Haaiieni geschonkoii aim allen, die tic paroeliie-kerk te Noordwijk godvruchtig zullen bezoeken en de reliquiën van St. Jeroen vereerende, daar zullen
bidden tor intentie van zijne Heiligheid.
--
AFLATEN EN GUNSTEN,
verleend cutn de Pelgrims, die het gebeente van den 11. Jeroen te Noordwijk bezoeken en godvruchtig vereeren.
PAUS LEO XIII.
Aan allo Christongeloovigen, die dozen zullen zien, heil en apostolischen zegen.
Tot vermeerdering van don godsdienstzin der geloovigen en tot heil der zielen onzen geest liefde-rijk vestigende op de Hemolsehe schatten dor Kerk, verleenen wij aan allen en aan ieder afzonderlijk der Christengeloovigen van beider kunne, die een waar berouw hebben, wanneer zij de parochiekerk onder don titel van den H. Jeroen te Noordwijk bij Leiden in het diocees van Haarlem op het patroonfeest tnsschen den aanvang der eerste Vespers en den ondergang der zon op dien dag (geldende dit voor ieder jaar) godvruchtiglijk bezoeken, en daar voor de eendracht der Christenvorsten, de uitroeiing der ketterijen, de bekeering der zondaren en de verheffing van Onze Moeder do H. Kerk godvruchtig tot God zullen bidden, aan hen ver-
'28
leenen wij bunnliurtiglijk in don Hoor, vollodigc kwijtschelding on vergiH'enis van al hunne zonden. Een zoll'den vollen aflaat verleenen wij aan hen, die oj) oonon anderen dag van hot jaar, uit to kiezen volgens hot goedvinden van ieder der geloovigen, eene heilige bedevaart naar genoemde Kerk ondor-nemen, en aldaar zooals boven vermeld is, znllon bidden. â Dezelfde geloovigen ontslaan wij, wanneer zij een waar berouw over hunne zonden hebben, na op wolken dag van het jaar ook genoemde kerk bezocht, en aldaar, tot het doeleinde zooals boven, geboden te hebben, van de hem opgelegde of o}) eenigerlei wijze verschuldigde boeten van zeven jaren en even zoovele quadragonen in den gebruikelijken vorm dei' Kerk. Al deze aflaten, ver-giffonissen der zonden on kwijtscheldingen van straffen staan wij toe, dat kunnen worden toegevoegd bij wijze van voorspraak aan de zielen dor Christengeloovigen, die in liefde met God voreenigd, uit dit leven gescheiden zijn. Zullende deze van kracht zijn alleen voor zeven jaren.
Gegeven te Rome bij St. Pietor onder den vis-schersring den S1^11 Augustus het vijftiende
jaar van ons pausschap.
S. Card. Vanxutku.i. Vidimus et promulgari pormittimns.
Harlemi, die 12 Aug. 1892.
Caspar,
Episc. Harlemen.
'2! I
Zijne Doorl. Hoogw. Mgr. C. J. M. Bottemanne, bifisclilt;)|) van Haarlem, verlcenrle den 4llen Augustus 1892:
Veertig dagen allaat te verdienen, éénmaal op den feestdag van iIcmi II. Jeroen, en éénmaal op eiken dag van het octaaf door do geloovigen, welke op die dagen godvruchtig de parochiekerk te Noordwijk zullen bezoeken en daar hij do licdl-
(|nii'n van den II. Jeroen zullen bidden.
--
X O V E N E ,
ter eere van den H. Jeroen,
welke kan gehouden worden in den loop van het geheels Jaar, maar vooral als voorbereiding tot de bedevaart.
Eerste tlatr.
Kom, M. Geest, vervul de harten Uwer geloovigen en ontsteek in hen het vnur Uwer liefde.
Zend Uwen Geest nit en zij zullen geschapen worden. En Gij zult het aanschijn der aarde vernieuwen.
LAAT ONS BIDDEN.
God, die de harten der geloovigen door de verlichting des II. Geestes hebt onderwezen, geef ons
c
so
in denzelfden geest oprecht wijs te zijn en ons ultijfJ in Zijne vertroosting te verblijden. Door Christus, onzen Heer. Amen.
Onze Vader. â Ween jer/roet.
OVERWEGING.
De onschuld van het H. Doopsel.
Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Zoo iemand niet herboren is nit het water en den H. Geest, kan hij het rijk der hemelen niet ingaan. (Joan. Ill, 5.)
Wij zijn toch begraven met Hem door het doopsel in den dood, opdat wij, zooals Christus is verrezen van de dooden, ook in de nieuwheid des levens zouden wandelen. (Rom. VI, 4.)
Ontzettende genade van het H. Doopsel! â Het leven des lichaams is niets in vergelijking van dat waarachtig leven, dat ons door het water en den H. Geest geschonken wordt. Door het H. Doopsel wordt men gezuiverd van de smetten der zonden; de slaaf des duivels wordt kind Gods, broeder van den Verlosser, erfgenaam des Hemels, niede-erfge-naam van Christus. Wij dragen echter dezen schat in brooze vaten. (IJ. Cor. IV, 7.) De driften woelen in ons binnenste: de geest strijdt tegen het vleesch en het vleesch tegen den geest; maar wij, bevrijd van de zonden, moeten vernieuwd worden in den
HI
geest van ons gemoed, en den nieuwen mensch aandoen, die volgens God geschapen is in rechtvaardigheid. (Eph. IV, 24.) Ook ons vroeg daarom eens de priester af, of wij den duivel én zijne werken èn zijne ijdelheden wilden verzaken; hij heeft ons het witte kleed omhangen en ons toegesproken; «Ontvang het heldere kleed, en draag het onbevlekt vóór den rechterstoel van onzen Heer Jezus Christus, opdat gij het eeuwig leven hebbet. Dat kleed, dat beeld der onschuld werd zoo helder door den II. Jeroen bewaard. Al dadelijk dooi' zijne godsdienstige ouders door het H. Doopsel aan Christus en zijne Kerk geschonken, begon hij bij het ontkiemen van zijn verstand het zich ten taak te stellen, om door de genade geholpen, met verzaken der wereldsche begeerlijkheden, matig, rechtvaardig en godvruchtig te leven in de wereld. Zijne onschuld te bewaren was zijne grootste zorg. zijn lust en zijn levensdoel: en geheel zijn volgend leven was één bewijs voor den adel en de reinheid zijner ziel. Helaas, waar blijven wij, als wij ons gedrag hiermede vergelijken: durven wij denken aan dat kleed der onschuld en de woorden gesproken, toen het ons omhangen werd? Dat kleed zoo bevlekt, gescheurd en achteloos weggeworpen! Wij sidderen bij die gedachten en toch eenmaal moeten wij het voor den troon van den oneindig, rechtvaardigen Ood brengen. Laat eene heilrijke schaamte ons bedekken en bidden wij bijtijds om erbarming door
32
de voorspraak van den vlekkeloozen heilige, dien wij vereeren.
Bid voor ons, lï. Jeroen.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
God, nitdeeler der hemelsehe gaven, die in den H. Jeroen de onschuld des harten hebt bewaard, geel' dat wij, die zijne onschuld niet hebben nagevolgd, door zijne verdiensten en gebeden tot de deugd mogen wederkeeren. Door Christus onzen
Heer. Amen.
(Wanneer de Novene tot een bijzonder doeleinde wordt gehouden, kan men uit de bijzondere gebeden, bldz..... het gebed, dat ons het meest
geschikt voorkomt, dagelijks aan de Novene toevoegen.)
Tweede tiaar.
Kom, II. Geest, enz. bladz. 29.
OVERWEGING. Het Gebed.
Vraagt en gij zult verkrijgen. (Joh. XVI, 24.) Al wat gij in het gebed, geloovende, zult vragen.
,0,n
zult gij ontvangen. (Math. XXT. 22.) Ten allen tijde loof frod en bid Hem. dat Hij mve wegen lelde, en dat al uwe ontwerpen iu Hem blijven. (Tobias IV, 20.)
Het gebed is de adem der ziel. Gelijk het lichaam de ademhaling niet kan missen , maar zij èn het teeken èn het onderhoud des levens is; zoo is het gebed noodig voor het bovennatuurlijk leven der ziel. In het gebed denken wij over God , spreken tot Hem en vernemen het zoete woord : »Ik zal u een Vader en gij zult inij een zoon zijn.quot; Daar ontvangt de ziel hulp voor alle noodwendigheden. maar daar vooral gevoelt de ziel, dat zij ziel is. dat is: een geest aan de engelen bijna gelijk: dat zij, verre boven het stoffelijke verheven, geschapen is, om de beheerscheres, niet de slavin van het vergankelijke te wezen: daar gevoelt zij, dat door dit leven een ander, een hooger leven,moet worden verworven, waarin zij God mag bezitten en genieten. Getrokken tot God, wordt zij los van de aarde en leert die meerder verzaken, naarmate die ziel meer van het smachten naar Gods grootheid wordt vervuld. â Ni-et anders ondervond dat uitverkoren kind, dat doordrongen van de waarde der onschuld , tot God bad, hem toch op al zijne wegen te geleiden en zijne ziel niet door de gruwelen der wereld te laten bezoedelen. Al waren zijne ouders godsdienstig, toch waren zij niet zonder gehechtheid aan de wereld en de genoegens van het weelderig leven. Aan de
3
:u
hoven en in de paleizen ontbreekt het nooit aan vleiers, die door lofspraken verblindend, de driften voeden en het bederf in het hart des kinds doen wortel schieten, vóór het in staat is de geboden Gods te begrijpen. Daarom is het dan ook zoo treffend een kind te hooren bidden, dat God hem ten geleider op den weg der geboden moge wezen. En toen het, ouder geworden, ondervond, dat adel en rijkdom niet altijd aan dengd zijn verbonden, evenmin als armoede aan de misdaad : dat ridderspelen . jachtpartijen en maaitijden niet altijd den stempel der volmaaktheid droegen, maar even zoovele gelegenheden tot zonde waren, toen verdubbelde de H. Jeroen zijne gebeden en verzuchtingen tot God . opdat hij niet bezoedeld mocht worden met de zonden der wereld. Dit gebed deed hern walgen van alles wat de wereld biedt en zich steeds meer aan God hechten, om Hein alleen aan te hangen. Zijne glorie te zoeken en voor zich zeiven engel in het vleesch te wezen. â Wat is ons gebed, hierbij vergeleken! Gehechtheid aan de wereld houdt ons terug ons zeiven aan God weg te schenken of mis-schien zelfs belet de zonde, dat ons gebed verhoord wordt. Wij blijven dor en kond, terwijl de lippen God prijzen; blijven aan onze zonde gehecht, terwijl wij Zijne rechtvaardigheid loven; en na jaren onze godsdienstplichten te hebben volbracht, behooren wij nog met de Apostelen te vragen: «Heer, leer ons bidden.quot; Beginnen wij dan van nu af ons beter
op het gebed toe te leggen en ons leven zal meer aan dat van den II. Jeroen gelijk worden.
I5id voor ons H. Jeroen.
Opdat wij ile beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
Verleen, bidden wij U, o Heer, dat door den invloed Uwer genade de geest des gebeds in onze harten worde aangekweekt, opdat wij U alleen aanhangen , in Wien ons eenig gelid; en onze zaligheid te vinden is. Door Christus onzen lieer. Amen.
Oor-do dagf.
Kom, II. Geest, enz. bladz. 29.
OVERWEGING.
De strijd.
Broeders, beijvert n meer, opdat gij door goede werken uwe roeping en uitverkiezing zeker maakt; want dit doende, zult gij ten eenemale niet zondigen. (II Petr. i, 10.)
Die een vader of moeder meer dan mij bemint, is mijner niet waardig: en die een zoon of dochter bemint boven mij. is mijner niet waardig. (Math. X, 51.)
Niet gij hebt mij uitgekozen. maar ik koos u uit, opdat gij zoudt gaan en vruchten voortbrengen, en dat uwe vrucht blijve. (Joan. XV, 16.)
se
God gaf voor allen zijne geboden en met die te overtreden, verzet de mensch zich tegen Ood en maakt zich aan zonden schuldig. Dwaas echter is hij, die zou meenen, dat niets anders wordt gevorderd en hij zelf meester is, om over zijn lot en zijn bezit te beschikken. Wij behooren geheel aan God, ook in die omstandigheden, waarin wij ieder van een ander verschillen. De plichten van onzen staat, ook de levensstaat behoort tot Gods beschikking en onze plicht is, dien staat te loeren kennen en hem waardig te beleven. Geen gezag der ouders mag daarover beschikken; de opvoeding is de taak der ouders, de roeping komt van God.
Waar God spreekt en zijne uitverkiezing op eenige wijze kenbaar maakt, moeten wij gehoorzamen, al ware het dat de ouders weerstreefden. Bemint uwe ouders om God, maar boven God nooit: die een vader of moeder boven God bemint, is God onwaardig. â Hier wederom toont zich de H. .leroen een voorbeeld, onze betrachting overwaardig. Zijn zucht om God alleen aan te hangen, bracht het verlangen voort Gods glorie te verbreiden en priester te worden. Niet echter zonder strijd was zijn doel te bereiken. Den feeders ten harten moest geweld worden aangedaan , de banden des bloeds ten deele miskend, de wil zijner ouders overtreden worden. Door bedreigingen en beloften, door harde en streelende woorden beproefden zij nu eens hem aan het wankelen te brengen, dan weder zijn moed te
37
breken door hom de onniogolijkheid voor te honden, om ooit die volmaaktheid, die hij zich voorspiegelde, te bereiken; ol' wel, zij spraken hem van de genoegens van een rijk en weelderig leven. Kloekmoedig gal' hij ten antwoord, dat al de geneugten der wereld niets zijn bij de heerlijkheid des Hemels, die niet kan verloren worden en waaraan geen einde komt, terwijl alle grootheid der aarde in het niet verzinkt.
Neen, mijn God, bij dit alles gevoelen wij, dat wij U en U alleen en geheel en al moeten toebehooren. Al wat wij hebben en zijn, wijden wij aan U toe. Wij willen geen anderen levensweg, dan dien, welken Gij voor ons hebt beschikt: geen anderen wensch koesteren wij . dan ook bij den felsten strijd onze roeping en uitverkiezing te verzekeren.
Bid voor ons, 11. Jeroen.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
pod. Schepper en Heer, verlicht ons verstand, opdat wij kennen en begrijpen, wat Gij over ons beschikt en geef moed aan onzen wil, om waardiglijk aan onze roeping te beantwoorden. Door Christus onzen Heer. Amen.
158
Viei'clt^ dat»-.
Kom, 11. Oeest, enz. bladz. 29.
OVERWEGING.
De overdenking.
Gcheul hot land is ten uiturste verwoest, onidut er niemand is, die nadenkt in zijn hart. (.Ier. Xll, 11.)
Wandel voor mijn aanschijn en wees volmaakt. (Gen. XVII, 1.)
Ontsluier mijne oogen en ik zal de wonderheden van uwe wet beschouwen. (Psalm CXVIII, 18.)
Ik zal al mijne jaren overdenken in de bitterheid mijner ziel. (isaias XXXVIII, 15.)
God schiep den mensch naar zijn beeld en gelijkenis, begiftigde hem met verstand en vrijen wil, opdat hij met vol bewustzijn en uit alle krachten van zijn hart zich aan den dienst van God zou kunnen toewijden. Hartstochten en begeerlijkheden, helaas, trekken hem tot de aarde en het kost moeite aan hare aanlokselen te wederstaan, maar God gaf ons in de overdenking het middel ons boven het aardsche te verheffen. God en Zijne grootheid te bewonderen , onze eigene verheven bestemming hooger te schatten, onze krachten te mistrouwen , onze feilen te betreuren en vergeving te zoeken, /.oo is de overdenking een licht voor het verstand en tegelijk een voedsel voor het hart. Wie niet nadenkt over zijne eeuwige belangen wordt blind voor het goddelijke. droogt uit
39
in ile liefde, wordt een slaclitoffer der ziiiiielijklieid. Dat liegreep de II. Jeroen zoo duidelijk, en scheen hij nog meerder te begrijpen. toen hij zijn verlangen vervuld zag en met de priesterlijke waardigheid was hekleed. De overdenking vooral van de woorden der II. Schrift was voor hem eene geliefkoosde bezigheid en eeno uitspanning tevens. Zich toeleggend op de wetenschap, zocht hij tevens de middelen, die zijne deugd konden bevorderen : zich bekwamend voor het predikambt, was hij in de eerste plaats bezorgd zich zeiven te volmaken. God en zijne geheimen te doorgronden, met den geest in de tegenwoordigheid Gods te verwijlen en Zijne grootheid te bewonderen en bij het beschouwen van Gods duizelingwekkende majesteit zich in den peilloozen afgrond van zijn niet zich te vernederen, was do Inst zijner ziel. Verre van zich op zijne wetenschap te verheffen, dankte hij God, die hem zijne nietigheid leerde kennen. en Zijn woord: «Het is mij goed, dat gij mij vernederd hebt. opdat ik Uwe gerechtigheden leere, (Psalm CXV11I, 71). toont ons reeds, wat vruchten hij trok uit de overdenking en schildert ons zoo duidelijk de ziel, die zich wegschenkt en geniet in den omgang met God.
Wat zouden wij geheel anders zijn, als wij meer nadachten over God en onze eeuwige belangen. Voor tijdelijke zaken spannen wij ons verstand in en niet voor onze ziel. Wij denken niet aan God, omdat wij Hem niet beminnen, daar het toch aangenaam en
40
gemakkelijk is te denken aan hetgeen men beniint. Wij stellen te weinig helang in onze eeuwige toekomst en denken er evenmin aan ; en als wij er van hooren, trachten wij het gehoorde zoo spoedig mogelijk te vergeten. Onbekend maakt onhemind en onze geringe liei'de belet ons te vinden , wat Ood alleen aan hen . die zoeken, heeft beloofd.
Bid voor ons, II Jeroen.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
God, die den dood des zondaars niet wilt. maar dat hij zich bekeere en leve, stort in ons den noodigen ernst, om te loeren beseffen, wat ons heilzaam is en help ons om dit te bereiken. Door Christus onzen Heer. Amen.
quot;Vijitle cltur.
Kom, 11. Geest. enz. bladz. ^9.
OVERWEGING.
De bekoring.
Mijn zoon, als gij n begeeft tot den dienst van God, sta vast in de rechtvaardigheid en de vreeze. en bereid uwe ziel voor de bekoring. (Eccl. II. i.)
Waakt en bidt. opdat gij niet in bekoring valt. (Lucas XXII, 31.)
Al
Gucne liükoi'ing dan ilio itionscliélijk Ik. grijpe u iian. Gcti'ouw is God, die niet zul toelaten, dat gij bekoord wordt boven hetgeen gij vermoogt, maar met de bekoring de uitkomst zal geven, opdat gij die kunt verdragen. (I Cor. X, 13.)
De moordenaar der zielen, de aartsvijand Gods, Satan, hondt niet op liet menscholijk geslacht te bestrijden. Listig als de slang bespiedt hij iedere gelegenheid om den menseh door verleiding tot de zonde in het verderf te storten, of door het inblazen van moedelooze gedachten den ijverigen dienaar Gods tot werkeloosheid to doen vervallen. Hij vreest den ijver der deugdzanien, omdat hij weet, hoe fel hij zal worden bestreden, en hoevelen er aan de hel zullen worden ontrukt. Geen wonder derhalve, dat Satan den 11. Jeroen, zoo onbevlekt van levenswandel , zoo ijverig voor God, zoo blakend voor het heil der zielen op het felst kwam bekoren, toen hij het voornemen vormde, zich aan de bekeering der heidenen te wijden. Hem op te zetten tot de boosheid durfde Satan niet hopen . maar niets liet hij onbeproefd om hem door het schilderen der moeielijkheden aan het leven van den missionaris verbonden, terug te doen schrikken voor den stap, die over het lot van duizende zielen zoude beslissen. En niet gering waren zij, die moeielijkheden, vooral voor den adelijken jongeling: vroeger een paleis, dan eene ellendige hut: nu smakelijke spijzen, dan wortels en kruiden; nu door beschaafden omringd
42
en gedieiul . dun tis nüdilcn van wilden. lgt;ij wie zijn leven niet altijd in veiligheid was. Geen huisraad . geen kleeding, geeh ligging, welke dien naam kon drag'ii: dat was het leven, dat den II. Jeroen te wachten stond. Hoe treilend echter was zijn antwoord op al die bekoringen: «God is mijne verlichting en mijn hehoud, wien zal ik vreezen? God is de beschermer mijns levens, voor wien zal ik sidderen?quot; (Psalm XX VT. 1, 2.)
Heldhaftig verliet hij zijn vaderland en zijne bloedverwanten om de zielen onzer voorvaderen voor den Hemel te winnen. Mochten wij allen even heldlial'tig zijn in de bekoringen, wij zonden bij de minste verleiding niet bezwijken. Eene booze begeerte onstaat in ons hart, wordt door Satan aangblazen ; wij aarzelen en bezwijken op hetzelfde oogenblik. en denken niet aan het verliezen onzer ziel, vóór de zonde bedreven is. Wij maken voornemen op voornemen, en bij de minste zwarigheid laten wij den moed zinken en keeren tot onze lafheid terug. Wij vergeten, dat het rijk der Hemelen geweld lijdt en alleen de geweldigen het innemen : daarom dan ook worden wij overwonnen waar wij overwinnaars moesten wezen.
Bid voor ons H. Jeroen.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
God van barmhartigheid, wij erkennen voor Uw
w
uan.sdiijii onze ongetrouwliudon In Uwen heiligen dienst, en onze luiheid om aan Satan te wederstaan; schep in on.s een nieuw en zuiver hart, en vernieuw den oprechten geest in ons hinnenste, opdat wij standvastig lu de hekoringen, IJ nimmer meer mogen verlaten. Door Christus onzen Heer. Amen.
Kom, II. Geest, enz. hladz. 29.
OVERWEGING.
De ijver voor de zielen.
Wat zal het den mensch baten, al wint hij de geheele wereld, en hij lijdt schade aan zijne ziel: ot wat losprijs zal de mensch voor zijne ziel geven. (Marcus VIII, 30, 37.)
De geest des lleeren is op mij : daarorn heeft Hij mij gezalfd, den armen liet Evangelie te verkondigen. Hij heeft mij gezonden de gebroken van harte te genezen. En allen gaven hem getuigenis en verwonderden zich over de behagelijke woorden, die van zijne lippen kwamen. (Lucas IV. 18, 20.)
Wilt gij weten hoe groot, hoe verheven uwe ziel is? O, denk dan aan hare verlossing. De eenigge-boren Zoon Gods heeft voor haar niet de wereld, niet den mensch, niet de aarde, maar,zijn eigen
44
kostbaar liloeil ten beste gegeven. (11. Cbrijs. hom. Psalm 48.)
Uegiijpcti wij hieruit de waarde onzer ziel en laten wij ons geroepen gevoelen om de volmaaktheid, door den Zaligmaker In voorbeeld en leer gepredikt, zoo veel mogelijk van nabij na te volgen. Laat ons echter hierbij niet blijven stil staan, maar denken wij aan die tallooze heidenen, die in duisternis en dwaling geboren, buiten de kennis van den eenigen waren God leven en sterven. Ook hunne zielen zijn naar Gods beeld geschapen. vrijgekocht door het dierbaar bloed, en zij gaan jammerlijk verloren. Trel't ons dit gedenken en spoort het ons aan voor die zielen te bidden, hoeveel niet heelt de H. Jeroen gedaan? Hij verliet zijn vaderland, zijne bloedverwanten en alle gemakken des levens, om zich bloot te stellen aan alle gevaren te land en ter zee , aan ontberingen onbeschrijfelijk groot. De kleine kudde der geloovigen, eenmaal dooi-vroegere missionarissen tot het licht der waarheid gebracht was in ijver verflauwd, velen waren teruggekeerd tot het heidendom ol' hadden de ware leer door dwaling bezoedeld. Hoe verhief hij zijn stem, door de liefde gespannen, om hen te bedreigen met de eeuwige straffen, hen uit de moedeloosheid op te beuren, of hun het schandelijke van den afval voor oogen teslellen. «Wat deel,quot; zoo sprak hij, «kan de geloovige hebben met den ongeloovige. of wat gemeenschap het licht met de duisternis; de tempel Gods met den tempel der
â 45
afgoden? Want gij zijt fle tempels van den levenden God.quot; (TI Cor. VI, i4, 16.)
Sprak liij tot de heidenen, dan was liij geheel toewijding in woorden en daden en de prediking van het woord des Ileeren was met de milddadigheid verbonden In den volsten zin was hij een vader en zoo ook werd hij door allen genoemd. Leefde de II. Jeroen te midden vaiions. hoe zonde hij branden van liefde en spijt, als hij zag, hoevelcn weder van de waarheid en het loven zijn afgedwaald. Wij leven en zien het aan zonder het te betreuren. Moge de tijd spoedig aanbreken, dat de verdoolden andermaal terngkeeren. Mochten echter eerst alle geloovigen de waarde hunner eigen ziel begrijpen : niet meer zoo lichtzinnig het leven door en de eeuwigheid te gemoet gaan. dan zonden zij ook spoedig liranden van spijt bij bet verlies van zoovele zielen . als wij nu hebben te betreuren.
I!id voor ons, II. Jeroen,
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
(iod, die de rechtvaardigen behoudt en de dolenden térngbrengt, zie genadig neder op allen, die door ongeloof of misdaad van U zijn afgeweken en voer hen tot den waren schaapstal en tot de onschuld weder. Door Christus onzen Meer. Amen.
'if!
Zevende daaf-
Kdiri, H. Geest. enz. bl;i(lz. 20.
OVERWEGING.
Het lijden om den naam van Christus.
Zalig, die vervolging lijden om de gerechtigheid, want Imn is liet rijk der Hemelen. Zalig zijt gij, als zij n zullen vervloeken en n zullen vervolgen en liegend alle kwaad van n zullen spreken om Mij; weest verheugd en verblijd, want uw loon is overvloedig in den Hemel. Want zoo hebben zij de profeten vervolgd , die vóór u geweest zijn. (Math. V, 10, -li.)
De Apostelen gingen verheugd van den raad weg, omdat zij waardig bevonden waren voor den Naam van Jesus versmading te lijden. (Handl. \, 41.)
Versmading is het erfdeel van hem, die de wereld niet najaagt, en in de onvergankelijke goederen zijn hemel tracht te vinden. Omdat wij niet van de wereld zijn. daarom haat ons de wereld, zij beschouwt ons als verraders, omdat wij Christus navolgen en met Hem hare werken veroordeelen. Met Christus de volmaaktheid beoefenen is in hare oogen eene boosheid, die met den dood zelfs niet te zwaar kan worden gestraft: naar de inspraak der driften te leven is voor haar de hoogste wijsheid. Maar wat wijs is voor de wereld, is dwaas-
17
lieid voor God, Wat niet met Christus is, is tegen Hom, Intat Hem en tracht zijn Naam met den laatste zijner leerlingen te verdelgen. Daarom werd de II. Jeroen zoo door de Xoormannen gezocht. Hij, de verkondiger van Christus, de vijand dei-vreemde goden en der driften, hij. die de hoosheid bestreed en de al'goden deed verlbeien, moest vooral fmnne wraak ontgelden. Hij werd gevangen genomen, heengeslenrd, in een duister kerkerkot geworpen, hooghartig ondervraagd, spottend toegesproken, mishandeld, met geeselslagen over geheid het liduiani verscheurd en wat al pijnen heelt hij niet geleden, door geen woorden uit te drukken, door de hoosheid ingegeven en door de felste grim-migheid voltrokken. Vol genade en sterkte toont zich de held Gods, onverschrokken hij bedreiging, verheven hij versmading, hij foltering hlijmoedig, hoopvol hij nieuwe gevaren. Ook hij is verheugd, dat hij waardig bevonden is voor Christus' Naam te lijden. Rn wij, zijne navolgers, zouden ontstellen hij beschimping of spottend gelach! Wij zijn Christenen, leerlingen van Christus, en derhalve tot vervolging voorbeschikt: tot vernedering, achterstelling en miskenning: tot belastering als misdadigers, tot bespotting als dwazen. Hij dit alles hebben wij nog geen reden tot klagen : het heeft ons nog geen bloed gekost. He Koning der glorie is de Gekruiste, die ons toeroept: «Wilt gij geen doornen kroon met mij dragen ; wilt gij de kroon
AK
der glorie ontvangen op oen hoofd, dat niet om mijnentwille met wonden is doorboord.quot; Christus toont Zijne vijf wonden, de H. .Teroen zijne doorgroefde en doorboorde leden: wat hebben wij dan aan te bieden? Of zou de wereld in ons redenen vindon, om ons onder hare volgelingen te rekenen ? liid voor ons. H. Jeroen,
Opdat wij do bolofton van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
Ooddolijke Zaligmaker, die door Uw kruis en lijden de wereld hebt overwonnen; geef dat wij grootmoedig en standvastig in de vornodoring mogen Mijven en aldus verdienen mot U in den llomel vorheerlijkt to worden, dio looft on heerscht iu alle oeuwighoid. Amen.
das*-.
Kom, II. (leest, enz. bladz. 21).
OVERWEGING.
De zalige dood.
Kostbaar is in het oog dos Hoeren do dood zijner heiligen. (Psalm CXX . '!quot;).)
Zalig zijn do dooden, die in den Hoor sterven. öVan nu af,quot; zegt do (ïoost, «ruston zij van hunne
40
vermoeienissen, want hunne werken volgen lien. (Openb. XVI, 13.)
Sterven is de korte samenvatting van liet leven. Alles, wat in het leven is omgegaan, openbaart zich bij den dood. Zoo geleefd, zoo gestorven. De onge-loovige sterft in het ongeloof: de godslasteraar met eene godslastering op de lippen: de twijfelmoedige in onzekerheid: de hopelooze sterft in wanhoop: de misdadiger onder lu^t geweld der hartstochten: zelfs de boetvaardige sterft zuchtend onder de macht dei-zondige gewoonte. Gelukkig hij, die bijtijds de boetvaardigheid lieel't beoefend, zijne begeerlijkheid wel niet uitgebluscht, maar toch aaif sterke handen heeft gelegd en die daarom ondanks bet gevoel zijner onwaardigheid. zich met betrouwen aan de barmhartigheid van God kan aanbevelen. Gelukkig echter nog veel meer, die, in onschuld voortwan-delende, de liefde tot God en tot de deugd in het hart heeft aangekweekt en zeggen kan: »Mijn leven is Christus navolgen en sterven is mijne zegepraal.quot; Wat is de dood toch schoon in den Heilige: hoe kostbaar op bijzondere wijze was de dood van den II. Jeroen! Voor hem, die de liefde tot God bij het klimmen der jaren had behouden, ze had aangekweekt en versterkt in zijn hart: die blaakte van ijver voor Gods glorie, die brandde van dorst naaide zaligheid zijner eigene ziel en naar die van tallooze zijner medemenschen: voor hem was de dood het voorwerp zijner vurigste wenscben : een
4
oA
tegeüsnellen van Gort. Hoe bloedig zijn tlood ook geweest zij, hij had voor den H. Jeroen niets schrik-vviikkends; hij was voor hem sleclits de poort der * eeuwigheid, de toegang tut God. Omringd van bloeddorstige vijanden, door hunnen hoofdman bedreigd, stond hij fier als een held: waardig en moedig was zijne taal. Gevraagd, wie hij was, gaf hij ten antwoord: »lk ben niet alleen een vrijgeborene, ((/een. slaaf) maar zelfs een aanzienlijk edelman, die Jesus Christus belijdt van mijne jeugd af en geenszins zal ik den nek buigen voor de valsche goden.quot; Gevraagd naar zijne leer, beleed en verkondigde hij zijn geloof in den drieëenigen God. En nu ter dood veroordeeld, gaat hij onder een gebed vol nederigheid en vertrouwen naar de strafplaats. Ue beul moge sidderen, hij niet: hij knielt neder en buigt eerbiedig het hoofd: het lichaam valt, maar de ziel vaart op en juicht voor den troon van den Drieëenigen God, nog op hetzelfde uur door hem beleden. Kostbaar is de dood der Heiligen. Bidden wij toch dagelijks en vurig door de voorspraak van den 11. Jeroen, dat ook onze dood kostbaar on zalig zijn moge; maar trachten wij ons leven zóó in te richten, dat een zalige dood daarmede in overeenstemming zijn kan.
Bid voor ons, 11. Jeroen,
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
O goede Jesus. beminnaar der zielen, wij smeeken U, om Uwen doodstrijd in den liol' van Olijven en uw sterven aan het kruis, verlaat ons niet in het albeslissend uur, maar wees Uwer barmhartigheid indachtig; sta ons bij in den jongsten strijd, opdat ons einde zalig zij. Gij. die leeft en heerscbt in alle eeuwigheid. Amen.
TVeerentle tlair.
Kom, 11. Geest enz. hl. 29.
OVERW EGI NG.
De gelijkvormigheid van onzen wil met den wil Gods.
Ik vraag U derhalve, zijt mijne navolgers, gelijk ik het van Christus ben. (1 Cor. IV, 16). Wij zijn dan gekomen tot den laatsten dag der Novene: wat zouden wij beter kunnen overwegen dan een laatste woord, dat de H. Jeroen door zijne verheerlijking. ons toeroept: nik vraag U derhalve, weest mijne navolgers, gelijk ik van Christus.quot; De ware wijsheid is Christus navolgen, die de weg, de waarheid en het leven is (.loan. XIV, 6.) Versterving en verloochening zijn slechts noodzakelijke ver-eischten ; zijne goederen verkoopen en de opbrengst
?,')
den armen te deelen, is sleclits een goede raad, waarvan het opvolgen de volmaking gemakkelijk maakt, maar leert ons de volmaakte navolging niet. Neen, die navolging bestaat zelfs niet in den wil van God te volbrengen, maar hierin, dat men reeds, vóór de wil van God gekend is, bet offer van zijn eigen wil brengt, zoodat men niets anders wil en willen zal, dan wat God ons eenmaal kenbaar zal maken, zonder dat ooit een eigen verlangen ol' eenige tegenzin zich in onzen wil kan vertoonen. Christus beeft ons zoo het voorbeeld gegeven. Hij toch sprak: »Ik ben van den Hemel gedaald, niet (ini mijnen wil te doen , maar den wil van Hem, die mij gezonden heeft.quot; (Joan. VI , :?8).
Hij heeft geen eigen verlangen; »lk zoek mijnen wil niet.quot; (Joan. V, 30.)
Hij spreekt, als ware bet onmogelijk iets aan het leven te hebben, zoo Hij den wil des Vaders niet volbrengen zou: «Mijn spijs is, â den wil te volbrengen van Hem, die Mij gezonden heeft, om zijn werk te voltrekken.quot; Als de bange doodstrijd Hem aangrijpt, zet hij zijn persoonlijk verlangen op zijde en bidt: «Vader, indien Gij wilt, neem dezen kelk van mij weg, echter niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.quot; (Lucas XXII, 42.)
De kelk is niet voorbijgegaan, Hij moest gehoorzaam zijn tot den dood des Kruises, en toen kwam het woord van den profeet in vervulling: «Hij is opgedragen, omdat Hij zelf het heeft gewild.quot; (Isaias LUI. 7.)
Dat is liet voorbeeld van Christus, dat door den ü. .Icroen is nagevolgd geworden. Reeds in zijne teeflerste jeugd vroeg liij God hein Zijnen wil ken-liaar te maken, en dien kennend, vroeg hij de macht hem te volbrengen. Vroeg God een' feilen strijd zelfs tegen het dierbaarste, wat hij had, de II. Jeroen streed dien; verlangde God een offer van ontbering, versterving of verloochening, hij bracht dat olfer; hij wist van geen weifelen of terugtreden, ook niet te midden van het lijden of in het aanschijn des doods. Aan het Altaar of op de strafplaats, Gods wil was de zijne. Ook van Hem kan men zeggen ; »llij is gestorven, dewijl hij het zelf heeft gewild.quot; Dat is de volmaaktheid, die de II. Jeroen ook op zijne beurt van ons komt vragen. Maar wij, wij zoeken die volmaaktheid niet; gelooven niet, aan de mogelijkheid zóó te kunnen leven, omdat wij slaven der zinnen zijn: niet begrijpen, dat wij het hoogste geluk des levens versmaden, lireekt. breekt dan toch die zijden banden, die U als slaven gekluisterd houden en komt tot de vrijheid der kinderen Gods. Meent gij dan. door alles aan God over de laten. IJ van alles te berooven? Kunt gij een vuur voeden zonder zelf warmte te genieten: U overgeven aan de bron van allen rijkdom en in armoede zuchten ? Gij geeft U over aan den wil van God, die /.ijue glorie zoekt, maar die ook zoekt in uwe glorie, in uwe zaligheid. Dit is de wil Gods dat gij U heilig maakt. (I Tess. 1Y , 3.)
54
Zoekt Gods wil iillueu en gij zult U zeiven bo-houden.
lüd voor ons. li. Jeroen,
OjKlat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
Mijn God, wij bedanken U voor de genaderijke inspraken, die wij in deze dagen mochten ontvangen ; laat al dat goede niet verloren gaan, maai' ons aansporen geen ander verlangen te koesteren , dan U te dienen en Uwen H. wil te volbrengen. Door Christus onzen lieer. Amen.
DO
L.XT .V TN 11:
VAN DEN
H. JEROEN,
Priester en Martelaar. â Eerste Pastoor van Noord wijk.
Heer, ontlo.nn u (inzer.
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God, heraelsche Vader, ontferm u onzer.
Ood. Zoon, Verlosser der wereld, ontferm u onzer.
Ciod. Heilige Geest, ontferm u onzer.
Heilige Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer,
H. Maria, onbevlekt ontvangen. Maagd en Moeder.
bid voor ons.
11. Moeder Gods, Koningin der Martelaren, H. Jozef, Voedstervader van Jesus en Bruidegom
van Maria,
H. Jozef, vriend van Jesus' hart,
H. Michaël, beschermer van do Kerk, H. Willebrordus, Apostel en Patroon van Nederland. H. Jeroen, ons door God tot een Apostel gegeven, 11. Jeroen, Verkondiger der waarheid,
11. Jeroen, Leeraar van Friesland, Holland en Kennemerland,
glorierijke Martelaar van ons Vaderland, onbezweken strijder voor de Katholieke Kerk, die God van uwe jeugd al' gediend hebt, die de verleiding der wereld overwonnen hebt, ilie de begeerlijkheid des vleesches en den
duivel aan u onderworpen hebt.
die door God verkoren zijt, om ons het woord
der zaligheid te verkondigen.
die dooi' goede werken uwe uitverkiezing
zeker hebt gemaakt.
die ons den ingang tot het rijk Gods door
het geloof geopend hebt,
die door het geloof deugden heldhaftig lijk
beoefend hebt.
die in deugden wetenschappen geleerd hebt. die in wetenschappen versterving getoond hebt. die in versterving lijdzaamheid behouden hebt, die in lijdzaamheid de godsvrucht beoefend hebt.
die door godsvrucht naastenliefde betoond hebt, die in naastenliefde het gebod der goddelijke
liefde volbracht hebt,
die door liefde verdiend hebt God te aanschouwen.
navolger van den H. Willebrord, Apostel van
ons vaderland,
alleruitstekendst in deugden, door de roeping van God tot de priesterlijke waardigheid verheven,
57
biuiidend van verlangen om het geloof' te verkondigen en den marteldood te sterven, die alles verlaten hebt om ons te zoeken, die vele gevaren doorstaan en vele ontberingen verduurd hebt om ons te redden,
die in gehoorzaamheid aan het kerkelijk gezag van den II. Hungerns uwe zending naar Noordwijk ontvingt,
die onvermoeid door Friesland, Holland en Kennemerland het Evangelie hebt gepredikt, die op onze velden en wegen uwe zalige
voetstappen hebt gedrukt,
die de vereering van de allerheiligste Maagd /
hebt aanbevolen in uwe laatste preek.
die na eene openlijke belijdenis van uw geloof §
en liefde in het Allerheiligst Sacrament quot;
0 -o
, des Altaars uw martelaarschap zijt ingegaan, S
die door Uwe vijanden overvallen als een
goede herder uw leven hebt gegeven voor
uwe schapen,
die allerlei moedwil en slagen en boeien en
kerker verduurd hebt,
die in navolging van Christus de schande en
de smarten van de geeselstral' niet vreugde
hebt verdragen,
die met pijlen gewond en met l'akkels gebrand
werdt,
die niet wonden overdekt een geheelen nacht in den duisteren kerker hebt doorgebracht.
58
glorierijke. Priester, die uit liefde voor Cliristus
niet bevreesd waart voor kerkerstraf, die voor den rechter onbeschroomd uw geloof
beleden, hebt,
die noch voor bedreigingen noch voor beloften in uwe standvastigheid gewankeld hebt,
die liever niet Christus veracht wildet zijn, dan de rijkdommen en eerbewijzen der wereld te genieten.
Priester van Christus, die uwe ziel in lijdzaamheid bezeten hebt,
die ile wereld veracht en met uw bloed den ^
vijand overwonnen hebt,
die ter dood gevoerd met luider stem uwen g
doodstrijd aan God hebt aanbevolen, die stervend de geloovigen door heilzame ver- 3
maningen in het geloof versterkt hebt, die met blijdschap uw hoofd aan het zwaard
der beulen hebt aangeboden.
die bij de glorie van het apostolaat de kroon
van het martelaarschap verworven hebt, die na uwen dood aan godvruchtige personen
verschenen zijt,
wiens heilige overblijfselen door hemelsche openbaring gevonden en door vele, ja ontelbare mirakelen verheerlijkt zijn,
wiens heilige overblijfselen na eeuwen door de beschikking van Gods ondoorgrondelijke
59
Voorzienighoid, in liet midden uwer kinderen teruggekeerd zijn.
11. Jeroen, door wiens voorspraak vele zieken zijn g genezen, g
11. Jeroen, wiens voorspraak bijzonder uitscliit- gt; tert in het terugvinden van verloren zaken, 72 H. Jeroen, die God nu voor Zijn troon dag en
nacht moogt dienen,
Wees genadig, spaar ons. Heer.
Wees genadig, verhoor ons. Heer.
Van alle kwaad, verlos ons, Heer.
Van ongeloof en dwaling,
Van onversehilligheid in het geloof.
Van alle lafhartigheid en menschelijk opziciit. Van alle overtreding of minachting der goddelijke â -en kerkelijke geboden, S
Van alle verzuim der plichten van onzen â / staat, °
Van een haastigen en onvoorzienen dood. Ã.
Om de verdiensten en voorspraak van onzen gt;
heiligen Apostel en Martelaar,
Om zijn zwaren arbeid in do verkondiging van
het Evangelie,
Om zijn ijver voor liet heil der zielen.
Om zijne groote liefde tot U, o God, en tot den naaste.
Om zijne moedige belijdenis van U, den eenen
waren God,
Om zijne verachting van al het aardsehe.
60
Om zijne kinderlijke veveering van nwe Moedor,
de Allerlieiligste Maagd, verlos ons Heer.
Om de smarten zijner geeseling, verlos ons Heer. Om de angsten en benauwdheden in den kerker,
verlos ons Heer.
Om zijn moedigen doodstrijd, verlos ons Heer. Wij zondaren, wij bidden u, verhoor ons.
Dat wij in het geloof dooi' den II. Jeroen ons
verkondigd, standvastig mogen blijven.
Dat wij door het gelooi' alle kwaad mogen overwinnen, = Dat wij altijd in geloof en godsvrucht tot het ^ 11. Sacrament mogen toenemen, _2 Dat wij Uwe en onze lieve Moeder Maria altijd kin- j derlijk mogen vereeren, beminnen en aanroepen, ^ Dat wij in gehoorzaamheid en liefde jegens _ onzen H. Vader den Paus en onze geestelijke 3 overheden mogen volharden, 3 Dat wij als getrouwe kinderen van onze Moeder
de H. Kerk mogen leven en sterven,
Dat Gij u gewaardigt onzen 11. Vader den Paus en al onze geestelijke overheden te zegenen en te bewaren.
Dat Gij u gewaardigt alle afgedwaalden in ons
midden tot de II. Kerk terug te brengen. Dat Gij u gewaardigt ons en ons vaderland voor
alle besmettelijke ziekten te behoeden.
Dat Gij u gewaardigt ons vrede en liefde te verleenen,
ö-l
Dat Gij Uwe Kerk van de aanvechting der ketterijen
wilt verlossen, wij bidden U, verhoor ons. Dat Gij ons en ai onze naastbestaanden, vrienden en weldoeners tot de lieniclsclie vreugde wilt brengen, wij bidden U, verhoor ons.
Dat (quot;iij aan de geloovige zielen de eeuwige rust
wilt verleunen, wij hidden U, verhoor ons.
Zoon Gods, wij bidden U, verhoor ons.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
spaar ons, Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
verhoor ons. Heer.
liam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
ontlei'm n onzer.
Christus, hoor ons,
Christus, verhoor ons.
Onze Vader, enz.
V. l'.id voor ons, II. Jeroen,
tgt;. lt; )|idat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
Kom, almachtige God, ons, die tot U smeeken, te hulji en wil hen, wie de glorierijke belijdenis van den II. Jkkoex, uwen Martelaar en Priester, beschermt, nooit In eenig gevaar laten bezwijken. Door onzen lleèr Jesus Christus, uwen Zoon, die met U leel't en regeert in de eenheid des II. Geestes. God, door alle eeuwen der eeuwen. Amkn.
i.mi'imiati'r,
.1. G. II. C. ESSINK. I.ihr. Cms.
UI.TIIAJEOTI, 12 JaiiUiiri 18H3.
1)0
Tachtigste Psalm.
Door den H. Jeroen gebeden, gedurende zijne Marteling.
Exultate Deo adjutori nostro : jubilate Deo .Taeob.
Sumite psalmnm, et date tympanum : psalterium jueundum cum citliara,
Buceinate in Neomenia tuba, in insigni die solemnitótis vestrae:
Quia praeeeptum in Israel est; et judicium Deo Jacob.
Testimonium in Joseph posuit illud, cum exiret de terra Aegypti: linguam, quain non noverat, audivit.
Divertit ab oneribns dorsum ejus; manus ejus in cophino serviernnt.
In tribulatione invocasti me, et liberavi te: exaudivi te in abscondito tempestatis; probavi te apud aquam contradictionis.
Audi populus mens, et contestabor te: Israel si audieris me,
Xon erit iu te deus recens, neqne adorabis deum alienum.
Ego enim sum Dominus Deus tuus, qui eduxi te do. terra Aegypti: dilata os tnum, et impiebo illud.
Et non audivit populus meus vocom meam; et Israel non intendit rnilii.
Et dimisi cos secundum desideria cordis eoruni. ibunt in adinvéntionibus suis.
Si populus meus audisset me; Israel si in viis meis anibulasset,;
Pro niliilo l'orsitan inimicos eoruni hnmiliassem : et super tribulantes eos misissem manuin meam.
Inimici Domini mentiti sunt eiet crit tempus eoruni in saeeula.
Et cibavit eos ex adipe l'ruinenti: et de petra, meile saturavit eos.
Gloria Patri et Filio et Spiritui Sancto.
Simt erat in prineipio et nunc et semper, et in saeeula saeculorum. Amen.
1. .Iniclit Gode toe, onzen helper! .Juicht Jacobs
God ter eer!
2. Helt een gezang aan, en laat de pauken klinken,
de liefelijke cither met de luirpe!
li. Blaast de bazuin op het nieuwe maansfeest, op den heerlijken dag van uw hoogtijd.
4. Want dit is een gebod voor Israël, eene ver
ordening van den God van Jacob.
5. Dit feest gaf Hij voor wet aan Joseph, toen
hij uittoog uit Egypte; hij hoorde er eene-taal, die hij niet kende.
0. Mij bevrijdde zijnen schouder van den last: zijne handen droegen den slavenkorf.
ipr- â
64 -
7. In den nood riejjt Ge mij aan, en tk verloste
U ; Ik hoorde u in een omhulsel des donders, bij het Twist-water beproefde Ik u.
8. Hoor mijn volk, Ik ga u betuigen : Israël, als
gij naar Mij wilt luisteren, geen nieuwe God zal er zijn onder u, en geen vreemden God zult gij aanbidden.
9. Want Ik, de Heer, Ik ben uw God, die u uit
Egypte voerde. Doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.
10. Maar mijn volk gehoorzaamde niet aan mijne
stem, en Israël luisterde niet naar Mij. â¢11. En ik gaf hen over aan de begeerten huns harten, zij wandelden naar hunne ingevingen. 112. Indien mijn volk naar Mij hoorde, indien
Israël wandelde in mijne wegen : â 13. Ras zou Ik hunne vijanden vernederen en mijne hand wenden tegen hunne verdrukkers. â¢14. Des Heeren vijanden zouden hem onderwerping
huichelen en hun tijd zou eeuwig duren. 15. En Hij zou hen spijzigen met tarwenmerg, en uit de steenrots met honig hen verzadigen.
Eere zij den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest.
Gelijk het was in den beginne en nu en altijd on in de eeuwen der eeuwen. Amen.
-lt;SiS3S®gt;-
Verschillende Gobaden.
Gebed na aankomst der pelgrims bij de H. Reliquien.
H. Jeroen, wij komen met groote geestelijke vreugde naar dezen heiligen tempel, aan U, roem-vollen martelaar, toegewijd. Met blijdsdiap hebben wij de reize ondernomen en in stille godsvrucht of luide zingend en biddend onzen weg vervolgd, totdat, wij 't doel van onzen tocht, de plaats, waar Uw heilig gebeente rust, gelukkig bereikten. En nu, o, welke vreugde vervult thans onze ziel! Wij zijn neergeknield voor Uwe 11.11. Overblijfselen, door God bewaard en na vele jaren door Uwe eigene openbaring ontdekt, voor Uwe heilige overblijfselen, welke de barmhartige God door tal van wonderen heelt gelieven te verheerlijken.
Vervuld van de iuuigste gevoelens van eerbied en bewondering jegens alle In den Hemel verheerlijkte martelaren, naderen wij hier ter plaatse met bijzonder vertrouwen tot U. o, H. Jeroen, in dezen tempel, waar zoovele godvruchtige pelgrims U komen aanroepen en de uitwerkselen uwer goedheid on macht ondervinden. Ook wij komen uwe' gunsten afbidden. O, goede Vader, beloon het voornemen
66
uwer kinderen! Ja, wij hopen, dat deze dag en ieder uur hier doorgebracht, op uwe voorbede door God mag gezegend worden, on wij rijke, blijvende vruchten van deze, onze bedevaart mogen inoogsten. O, H. Jeroen, elk onzer heeft dezen morgen aan eene bijzondere gunst gedacht, welke hij hoopt te verwerven. Wil onze beden ondersteunen bij den almachtigen God, die U om Uwen heiligen marteldood de macht van het wonder verleende. Ach, dat niemand onzer van hier ga, zonder uwe hulp en Uwe vertroosting te hebben ondervonden in geestelijke of lichamelijke noodwendigheden. O, geef, dat wij blijmoedig en dankbaar deze heilige plaats verlaten, als wij straks naar onze haardsteden weder-keeren, en dat wij daar kunnen getuigen: Wij minnen den H. Jeroen, wij vertrouwen op zijne veelvermogende voorspraak en vinden in de op dezen dag ontvangen gunsten en genaden eene heerlijke bevestiging van ons vertrouwen. Amen.
Algemeen gebed bij bet H. Gebeente van den H. Jeroen.
Almachtig, Eeuwig God. in Wiens tegenwoordigheid wij liggen nedergeknield, wij zijn hier gekomen om U onze hulde te brengen en te danken voor de goedertierenheid, waarmede Gij ons een onder-
pand van liefde in liet eerbiedwaardig gebeente van den Pastoor -en Martelaar, den H. Jeroen, geschonken hebt. Keuwig zijt Gij en. duizend Jaren zijn voor U als de dag van gisteren, die voorbij is! Maar wij. nietige stervelingen, die den dag van gisteren zagen voorbijgaan, en dien van morgen ons niet kunnen beloven, wij verheerlijken U, die duizend en meerder jaren dit H. Gebeente voor ons door Uwe Almacht bewaard, door Uwe Voorzienigheid aan ons hebt wedergeschonken. Gij, de kracht der martelaren, hebt ons een nieuw toevluchtsoord bereid, waar wij door overweging opwekking voor ons geloof en besef van plicht, door het gebed hulp in onze zwakheid kunnen bekomen.
II. Overblijfselen! dat God U ons heeft geschonken bevat de verzekering, dat Hij meer dan elders deze plaats heeft uitverkozen om onze gebeden te verhooren. Wij groeten in IJ dat lichaam, den tempel van den II. Geest, de woonstede van Christus in het II. Altaargeheim, dat werktuig van allerhande deugden. Wij groeten in U den verkondiger van de blijde boodschap van het Evangelie: God, mensch en Verlosser geworden: wij groeten in U den redder der zielen, maar vooral den Herder onzer vaderen, den bloedgetuige dezer streken. Hier vooral, in deze streken weerklonk zijne stem door dezen mond. om het Licht te brengen aan hen, die in duisternis en ilwaling waren gezeten: om de zondaren uit de sluimering op te schrikken: om de zwakken en
6H
kMnmoedigen moed en ijver in te storten. Deze arm werd opgeheven ten smeekend gebed om erbarming, tot opdracht van het Onbloedig ülïer; of werd uitgestrekt om bijstand te verleenen ol' werken van barmhartigheid uit te oefenen. Hier zijn die voeten op ongebaande wegen vermoeid, gezwollen, gestoken, tot bloedens verwond geworden. Dat alles en nog veel meer is volgaarne geleden om zielen voor het geloof te winnen ol' afgedwaalden en ontrouwen tot den schaapstal weder te brengen. Heilig lichaam, dat niet gespaard is geworden, maar uit gehoorzaamheid is prijsgegeven, om het H. Geloof te bevestigen en verworven heeft, een smeekoffer bij den Hemelschen Vader tot heil van ons, uw nageslacht te wezen, H. Jeroen, die na eene kloekmoedige belijdenis, even kloekmoedig uw hoofd den beulen boodt, hoor dan wat wij, door God geroepen en hierheen geleld, komen vragen. Erken uit den Hemel onzen toestand, zie neder op onze behoeften. Wij zijn hierheen gekomen om U te verheerlijken, alsof wij het doel van onzen tocht verborgen. Geen teeken van den gekruisten Verlosser ging ons voor; geen lofzangen weergalmden langs de wegen. Maar hier kunnen wij ons hart uitstorten, hier vrijmoedig onze klachten doen hooren. V\at gij op aarde geloofd, beleden en met uw bloed hebt bevestigd, gelooven en belijden wij insgelijks; maar hoe zwaar is de strijd! De naam van Christus wordt door zoovoien gehoond; Zijne Bruid, de II.
69
Kerk met minucliting bejegend, hare kinderen niet geteld. Ach, H. Jeroen, sta ons bij door Uwe voorbede; smeek God bij Uw lijden en dood, opdat wij in het 11. Geloof volharden, pal staan in de belijdenis en waardige navolgers Uwer deugden zijn en blijven. Blik nit den Hemel, open Uwe oogen en /ie, hoevelen er van Uw en ons geloot verwijderd leven, en de weldaden niet kennen, die Gij eenmaal aan deze streken geschonken hebt. Dat hunne oogen opengaan en hunne harten verwarmd worden orn te haken naar dien schat des geloofs; dat zij hier met ons mogen nederknielen, één van hart en één van zin: dat de lofzangen der 11. Kerk uit volle borst opwellend, weerklinken over de golven, dat de duinen ze herhalen en aan het luchtruim verkondigen, dat deze, onze streken tot het gezag der II. Kerk en Uwe vereering zijn wedergekeerd. Vraag 11. Jeroen, aan den barmhartigen God goedgunstig neder te zien op zijne kerk en hare overwinning te verhaasten. Vraag om zielskracht en volharding voor onzen 11. Vader den Paus, de bisschoppen, de priesters en allen, die in overheid gesteld zijn : vraag, dat geheel het menschdom moge kennen den eenigen waren God en Dien Hij gezonden heeft Jesus Christus: Gij, die bij God reeds eeuwen Uwe verheerlijking en rust geniet, sterk Uwe broeders, die nog strijden: weer de rampen af of help het kruis dragen, en vermeerder alzoo de vruchten van Uwen bloedigen, maar tegelijk glorierijken dood. Amen.
64
I. In den nood riept Ge mij aan, en Ik verloste
U : Ik hoorde u in een omhulsel des donders, bij liet Twist-water beproefde Ik u.
8. Hoor mijn volk. Ik ga « betuigen ; Israël, als
gij naar Mij wilt luisteren, geen nieuwe God zal er zijn onder u, en geen vreemden God zult gij aanbidden.
9. Want Ik, de Heer, Ik ben uw God, die u uit
Egypte voerde. Doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.
10. Maar mijn volk gehoorzaamde niet aan mijne
stem, en Israël luisterde niet naar Mij.
II. En ik gaf hen over aan de begeerten huns
harten, zij wandelden naar hunne ingevingen. 'I'2. Indien mijn volk naar Mij hoorde, indien
Israël wandelde in mijne wegen : â¢13. Ras zou Ik hunne vijanden vernederen en mijne hand wenden tegen hunne verdrukkers. â¢14. Des Heeren vijanden zouden hem onderwerping
huichelen en hun tijd zou eeuwig duren. 15. En Hij zou hen spijzigen met tarwenmerg, en uit de steenrots met honig hen verzadigen.
Eere zij den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest.
Gelijk het was in den beginne en nu en altijd en in do eeuwen der eeuwen. Amen.
(j'j
Verschillende Gebeden,
Gebed na aankomst der pelgrims bij de H. Reliquien.
H. Jeroen, wij komen met gronte geestelijke vrengrle naar dezen heiligen tein))ol , aan U. roemvol len martelaar, toegewijd. Met blijdschap hehben wij de rei/.e ondernomen eu in stille godsvrucht of luide zingend en biddend onzen weg vervolgd, totdat wij 't doel van onzen tocht, de plaats, waar Uw heilig gebeente rust, gelukkig bereikten. En nu, o. welke vreugde vervult thans onze ziel! Wij zijn neergeknield voor Uwe H.H. Overblijl'selen. door God bewaard en na vele jaren door Uwe eigene openbaring ontdekt, voor Uwe heilige overblijfselen, welke de barmhartige God door tal van wonderen boeit gelieven te verheerlijken.
Vervuld van de innigste gevoelens van eerbied en bewondering jegens alle in den Hemel verheerlijkte martelaren, naderen wij hier ter plaatse met bijzonder vertrouwen tot U, o, H. Jeroen, in dezen tempel, waar zoovele godvruchtige pelgrims U komen aanroepen en de uitwerkselen uwer goedheid en macht ondervinden. Ook wij komen uwe gunsten alhidden. t), goede Vader, beloon het voornemen
66
uwer kinderen! Ja, wij hopen , dat deze dag en ieder uur hier doorgebracht, op uwe voorbede dooi' God mag gezegend worden, en wij rijke, blijvende vruchten van deze, onze bedevaart mogen inoogsten. O, H. Jeroen, elk onzer heeft dezen morgen aan eene bijzondere gunst gedacht, welke hij hoopt te verwerven. Wil onze beden ondersteunen bij den almachtlgen God, die U om Uwen heiligen marteldood de macht van het wonder verleende. Ach, dat niemand onzer van hier ga, zonder uwe hulp en Uwe vertroosting te hebben ondervonden in geestelijke of lichamelijke noodwendigheden. O, geef, dat wij blijmoedig en dankbaar deze heilige plaats verlaten, als wij straks naar onze haardsteden weder-keeren, en dat wij daar kunnen getuigen; Wij minnen den II. Jeroen, wij vertrouwen op zijne veelvermogende voorspraak en vinden in de op dezen dag ontvangen gunsten en genaden eene heerlijke bevestiging van ons vertrouwen. Amen.
Algemeen gebed bij het H. Gebeente van den H. Jeroen.
Almachtig, Eeuwig God, in Wiens tegenwoordigheid wij liggen nedergeknield, .wij zijn liier gekomen om U onze hulde te brengen en te danken voor de goedertierenheid, waarmede Gij ons een onder-
67
pand van liefdi; in )iet eerbiedwaardig gebeente van den Pastoor -en Martelaar, den H. Jeroen, geschonken hebt. Keuwig zijt Gij en duizend jaren zijn voor U ais de dag van gisteren, die voorliij is! Maar wij. nietige stervelingen, die den dag van gisteren zagen voorbijgaan, en dien van morgen ons niet kunnen beloven, wij verheerlijken U, die duizend en meerder jaren dit H. Gebeente voor ons door Uwe Almacht bewaard, door Uwe Voorzienigheid aan ons hebt wedergeschonken. Gij, tie kracht der martelaren, hebt ons een nieuw toevluchtsoord bereid, waar wij door overweging opwekking voor ons geloof' en besef van plicht, door liet gebed hulp in onze zwakheid kunnen bekomen.
II. Overblijfselen ! dat God U ons heelt geschonken bevat de verzekering, dat Hij meer dan elders deze plaats heeft uitverkozen om onze gebeden te verhooren. Wij groeten in U dat lichaam, den tempel van den H. Geest, de woonstede van Christus in het H. Altaargeheim, dat werktuig van allerhande deugden. Wij groeten in U den verkondiger van de blijde boodschap van het Evangelie: God, mensch en Verlosser geworden; wij groeten in U den redder der zielen, maar vooral den Herder onzer vaderen, den bloedgetuige dezer streken. Hier vooral, in deze streken weerklonk zijne stem door dezen mond, om het Licht te brengen aan hen, die in duisternis en dwaling waren gezeten: om de zondaren uit de sluimering op te schrikken: om de zwakken en
klöinmoedigen moed en ijver in te storten. Deze arm werd opgeheven ten smeekend gebed om erbarming, tot opdracht van het Onbloedig UHer; ol werd uitgestrekt om bijstand te verieenen ol' werken van barmhartigheid uit te oefenen. Hier zijn die voeten op ongebaande wegen vermoeid, gezwollen, gestoken, tot bloedens verwond geworden. Dat alles en nog veel meer is volgaarne geleden om zielen voor het geloof te winnen ol' al'gedwaalden en ontrouwen tot den schaapstal weder te brengen. Heilig lichaam, dat niet gespaard is geworden, maar uit gehoorzaamheid is prijsgegeven, om het H. Geloof te bevestigen en verworven heeft, een smeekolfer bij den Hemelschen Vader tot heil van ons, uw nageslacht te wezen, II. Jeroen, die na eene kloekmoedige belijdenis, even kloekmoedig uw hoofd den beulen boodt, hoor dan wat wij, door God geroepen en hierheen geleid, komen vragen. Erken uit den Hemel onzen toestand, zie neder op onze behoeften. Wij zijn hierheen gekomen om U te verheerlijken, alsof wij het doel van onzen tocht verborgen. Geen teeken van den gekruisten Verlosser ging ons voor; geen lofzangen weergalmden langs de wegen. Maar hier kunnen wij ons hart uitstorten, hier vrijmoedig onze klachten doen hooren. Wat gij op aarde geloofd, beleden en met uw bloed hebt bevestigd, gelooven en belijden wij insgelijks; maar hoe zwaar is de strijd! Do naam van Christus wordt door zoovelen gehoond; Zijne Bruid, de II.
69
Kerk mot minacltting bojegeiifl, luire kinduren niot geteld. Ach, II. Jeroen, sta ons liij door Uwe voor-bede; smeek God bij Uw lijden en dood, opdat wij in bet 11. Gelooi' volharden, pal staan in de belijdenis en waardige navolgers Uwer deugden zijn en blijven. Blik uit den Hemel, open Uwe oogen en zie, hoevelen er van Uw en ons gelool' verwijderd leven, en de weldaden niet kennen, die Gij eenmaal aan deze streken geschonken hebt. Dat hunne oogen opengaan en hunne harten verwarmd worden om te haken naar dien schat des geioofs; dat zij hier met ons mogen nederknielen, één van hart en één van zin: dat de lofzangen der H. Kerk uit volle borst opwellend, weerklinken over de golven, dat de duinen ze herhalen en aan het luchtruim verkondigen, dat deze, onze streken tot het gezag der II. Kerk en Uwe vereering zijn wedergekeerd. Vraag 11. Jeroen, aan den bannhartigen God goedgunstig neder te zien op zijne kerk en hare overwinning te verhaasten. Vraag om zielskracht en volharding voor onzen 11. Vader den Paus, de bisschoppen, de priesters en allen, die in overheid gesteld zijn: vraag, dat geheel het menschdom moge kennen den eenigen waren God en Dien Hij gezonden heeft Jesus Christus: Gij, die bij God reeds eeuwen Uwe verheerlijking en rust geniet, sterk Uwe broeders, die nog strijden: weer de rampen af of hel)) het kruis dragen, en vermeerder alzoo de vruchten van Uwen bloedigen, maar tegelijk glorierijken dood. Amen.
70
Opdracht der pelgrims aan den H. Jeroen.
O, 11. Jeroen, wij (pelgrims) groeten U cluizeiidiiuial en huldigen in U den verheerlijkten bloedgetuige des Ueeren. Wij loven en prijzen U en verblijden ons met U over de glorie, die Uwe vreugde voor alle eeuwigheid uitmaakt in den hem:! en over de eere U op deze heilige plaats toegebracht. Met U danken wij de allerheiligste Drievuldigheid voor allo genaden en gunsten. door haar aan U en om U ooit aan ons geschonken. Wij ofi'eron U ootmoedig-lijk op al de eer. die wij in navolging onzer vaderen U hier brengen gelijk ook die. welke in het vervolg der tijden U nog zal gebracht worden ; wij bevelen ons aan U en dragen ons zeiven met lichaam en ziel aan U op: wij maken U al onze nooden met vol vertrouwen kenbaar en verzuchten uit dit tranendal tot U, gelukzalige hemelbewoner. Ach heilige Herder en Patroon, die U reeds voor- eeuwig in Crods minlijk aanschijn verblijdt en in God als in een spiegel, al onze noodwendigheden en smeekingen klaar en duidelijk ziet en kent, ach, roemvolle martelaar des Ueeren. die om Uw voor .lesns vergoten bloed zooveel bij Hem vermoogt, zie toch uit het verblijl' der zaligen zeeg'nend op ons, Uwe kinderen! O. sta ons bij en verhoor ons smeeken! Verwerf ons de vergiffenis onzer zonden, troost en hulp in al de beproevingen dezes levens. II. Jeroen, bid voor ons, opdat wij naar Uw voorbeeld het tij-
71
delijkc voor niets ucliten, liet cnnwige /ocki'ii. god-vniditig leven en eens zalig sterven. Amen.
Toewijding aan den H. Jeroen.
Gloiierijke, heilige, roemrijke Geloofsverkoiuliger, kloekmoedige Marlelaar, H. Jeroen, zie. mij hier ootmoedig nedergeknield, om geheel mij zeiven aan U toe te wijden. Luistervolle Heilige, U wil ik lol-zingen en verheerlijken door alle middelen, die mij ten dienste staan, maar vooral ook door Uwe verheven voorbeelden vau deugd na te volgen en overeenkomstig mijnen staat toe te passen. Dat zij luide tot mijn verstand en hart spreken en mij tot een heiligen naijver vervoeren.
Roemrijke Geloofsverkondiger, ik geloof en belijd den drieëenigen God, en den Verlosser Jesus Christus door U in het aanschijn des doods beleden: de goddelijke tegenwoordigheid in het 11. Sacrament des Altaars, zoo dikwijls door U opgedragen en toegediend; liet goddelijk Moederschap der H. Maagd Maria, nog twee dagen voor Uw sterven verkondigd on zoovele andere geheimen aan onze voorvaderen geleerd.
Kloekmoedige Martelaar, ik wil evenals gij standvastig blijven in het II. Geloof en in mijne plichten : en niets wil ik ooit zoozeer vreezen, als ontrouw te worden.
Aanvaard dan het olfer mijner geringheid. Ik
wijd mij aim U tot- in mijn vorstiind om ter navolging op niots te zinnen, dan wat dienen kan om Gods grootheid en mijne bestemming te leeren begrijpen: in mijne verbeelding, om geen andere schoonheid te zoeken, dan Gods glorie en den Inister des Hemels: in mijnen wil, om niets anders te willen, dan Gods wil; niets anders te verlangen, dan dat die worde volbracht: in mijne ledematen en mijne vermogens, om werktuigen van dengd te zijn, en zoo in alles U navolgend. God te verheerlijken. Weiger mijne toewijding niet, maar neem mij aan als Uwen beschermeling, gelijk ik [T tot mijnen beschermer heb uitgekozen: strijd voor mijn behoud, gelijk ik voor Uwe eer strijd en zal blijven strijden, tot wij eenmaal vereenigd worden. Door Christus onzen Heer. Amen.
Gebed der Kerk ter eere van den H. Jeroen.
Alle de heiligen, o. welke smarten hebben zij doorgestaan. om met zekerheid te komen tot de palm des martelaarsehaps!
De heiligen zijn met de palm tot in het koninkrijk doorgedrongen: zij hebben luisterrijke kronen verdiend van de hand Gods.
De lichamen der heiligen zijn in vrede begraven: hunne namen zullen leven in eeuwigheid.
73
Martelaren des Hoeren, prijst den Heer zónder ophouden!
Koor van Miirtelaren, looit den Heer uit de hemelen: alleluja!
A XTI I'UONEN.
J)e glorierijke priester Jeroen vreesde den kerker niet uit liefde voor Christus: in navolging van /.ijn Hoofd, (Christus) verdroeg hij de beschimping, en leed met vreugde de folteringen.
De H. Jeroen, toen hij tot den marteldood gesleurd werd. had, zeggende: zie. Heer. mijn doodstrijd en hoe ik kamp in het worstelperk. U alleen den levenden God roep ik aan, laat mij gelnkkiglijk geraken tot Uwe on verwelk bare glorie.
Bid voor ons. Heilige Jeroen.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
Kom, almachtige God. ons die tot U stneeken. te hulp,' en wil hen, wie de glorierijke helijdenis van den heiligen Jeroen, Uwen Martelaar en Priester beschermt, nooit in eenig gevaar laten bezwijken. Hoor onzen Heer Jesus Christus Uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des heiligen Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
74
Gebed ter eere van denH. Patroon van Noorclwijk, ten dienste van Noordwijks Katholieken.
God. die in uwe oneindige barmhartigheid ons den II. Jeroen tot Patroon hebt geschonken, gewaar-dig U onzen nederigen dank voor deze groote en bijzondere gunst aan te nemen. Bewaar ons om zijnentwille en oj) zijne voorspraak voor alle gevaren en ongevallen, maar vooral voor de zonde; mogen vrede en liefde onder ons heersdien, en ons geloof en onze godsvrucht met iederen dag levendiger en volmaakter worden.
O, groote, heilige Jeroen, doe ons dagelijks de zoete uitwerkselen Uwer bescherming ondervinden. Eiken dag kunnen wij voor Uw glorierijk gebeente nederknielen: want gij, onze vader, zijt tot Uwe kinderen weergekeerd. Ach, wij beloven Uwe voetstappen te volgen, den Heer, onzen God lief te hebben en Hem alleen te dienen. Verwerf ons de genade een waarachtig christelijk leven te leiden en daarin ten einde toe te volharden, opdat wij zulk een God behaaglijk leven met een zaligen dood mogen besluiten. Dan, o lieve vader Jeroen, komen ook wij. Uwe kinderen, eenmaal bij U in den hemel en zullen wij eeuwig niet U in de liefde vereenigd zijn. Amen.
Gebed voor ons Vaderland.
O, oneindig goede God, niet do grootste dank baarheid gedenken wij, hoe Gij in uwe ontferming uwen
75
(liuiuiar. Hon II. .loruun, genondon licht om d« waaihudon van hot II. Evangelie aan onze vooroudei's hekend te maken, hen nit de schaduwen des doods en de dnistornis der afgoderij tot het licht des waren goloofs on de kennis van Uwen Goddelijken Naam to hrengen. II. Jeroen, door Uwen onvermoeiden arbeid verrees aldra op de puinhoopen van het heidendom .lesus' kerk en nam het Kruis zegevierend de plaats in dor afgoden. Maar gij deinsdot ook voor niets terug! Uw goheele leven, o dierbare Apostel dezer streken, was oen voortdurende offerdaad en gij schroomdet niet, ja, het was zelfs Uw heilig verlangen, nit liefde voor de goddelijke leer des Heilands vele martelingen en pijnen te lijdon en Uw leven te geven. Ach, onder hoeveel zorg on kommer, onder hoevele vermoeienissen en smarten hebt gij zielen voor .lesus gered en het koninkrijk Gods in dozo streken gevestigd. Onze voorouders, o H. Vader Jeroen, hebben ons dien heiligen schat des goloofs overgeleverd en wij zijn één met U in dezelfde belijdenis. Ach bewaar ons dooi- Uwe machtige voorspraak bij God vast en onwankelbaar in do leer van Jesus' kerk. Gij hebt hot katholiek geloof hier en wijd in 't rond geplant. Vol bewondering slaan wij onze oogon op Uwe standvastigheid, waardoor gij ondanks vele beproevingen en oen wreode marteling hot geloof ten einde toe ongeschonden hebt bewaard.
O, machtige geloofsheld, wil voor ons door Uwe
70
vonvspiiiak van Ooil verzoeken, ihit wij liet geloof standvastigiijk belijden en waardiglijk beleven, dat wij naar Uw voorbeeld gaarne den smaad van Jesus dragen, als wij om de belijdenis ol' beoefening van ons geloof beschimping, laster of berooving van den kant der ongeloovlge of booze menscben moeten verduren. O, bid voor ons, opdat wij Uw geloof mogen navolgen, ziende op het smartelijke, maar ook glorievol einde Uws levens en op de kroon der zaligheld U door den eeuwig goedertieren God verleend.
Vraag voor ons, dat wij mogen volharden ten einde toe. Maar o. bid ook. H. Jeroen, onze Apostel en Martelaar, voor onze afgedwaalde broeders, vooral voor hen, die met ons kinderen zijn van hetzelfde vaderland .... Ach, zoovelen hebben thans het geloof geheel en al verloren: anderen, ofschoon geloovend lu Jesus, verwerpen vele zijner leeringen. II. Jeroen en alle H. Martelaren en Belijders van Nederland, hebt medelijden met de ongelukkigen. Goede Jesus, herder der zielen, laat Uw licht weder voor hen schijnen, ondersteun hen door Uwe genade, opdat zij ziende mogen worden en Uwe roepstem volgen. Voer hen tot den waren schaapstal terug, opdat er maar ééne kudde en één herder zij. Amen.
Ander Gebed voor ons Vaderland.
Zegen, Heer, dit volk. en wees Gij hun erfdeel. Zegen, Heer, dit rijk, en allen die er In wonen.
70
Zegen, Heer, H. M. He Koningin en H. M. He Koningin-weduwe, Regentes.
Geef, Heer, aan allen een heiligen ijver voor de eenheid, vrede en waarheid. Wij bidden U, verhoor ons.
Geel', Heer, dat allen de dingen zoeken, die van boven zijn, en naar den geest van Christus wandelen.
Geel', Heer, dat allen, die in dwaling zijn, door uw hethelsch licht tot de waarheid geleid worden. -5 Geef, Heer, dat alle zondaren, vooral die s=: hervielen en afvielen, zich oprecht bekeereo en 5; hnnne zondige wegen verlaten.
Geef, Heer, dut alle aanstoot en ergernis worde weggenomen. ^
Geef, Heer, dat de herders liet licht dei' we- ± reld zijn. 5
Geef, Heer, dat alle rangen en standen zich c beijveren 0111 U te dienen. *
Geef, Heer, dat de jeugd van beiderlei geslacht zich van alle kwaad verwijderd lionde en U door ware godsvrucht behage.
Geef. Heer, dat geene hardnekkigheid', of verblindheid de harten beheersche.
Geef. Heer, dat wij allen naar uwen heiligen wil leven en zalig in uwe liefde sterven.
Wees, bidden wij U. Heer, onze aloude voorvaderen indachtig, en om zoovele heilige dienaren
en dienaressen, die U getrouw zijn gebleven, die voor U geleefd, voor U hun bloed gestort hebben , toon nu mededoogen niet ons, en laat uwe vroegere barmhartigheid over ons vernieuwd worden. Hoor hen thans met ons smeeken voor het land waar zij geboren zijn, of geleefd en gearbeid hebben; laat hunne voorspraak U verbidden, om de verdiensten van uwen eenigen Zoon, door wien alleen alle gebeden in den hemel en op aarde behaaglijkheid en verhooring vinden bij U. goede Vatler ! die leeft en heerseht door alle eeuwen der eeuwen. A men.
Gebed voor de Zondaars.
O God, die van den Hemel zijt nedergedaald, en zelfs den dood niet ontzien hebt, om de zondaars te zoeken en zalig te maken: wij smeeken uwer barmhartigheid gehoor te geven en uwe genaden te vermenigvuldigen, om de zondaren, vooral die ons zoo nauw aan het hart liggen, tot boetvaardigheid te brengen. Wij erkennen onze onwaardigheid en de menigte onzer fouten, en toeh komen wij vol vertrouwen tot U en stellen den H. .leroen als onze voorspraak tussehen U en ons. Gedenk toch zijnen arbeid en zijne vermoeienis, zijne gebeden en offeranden, zijne tranen en zuchten, zijne teleurstelling en afwijzing, die hij voor de zondaars aan U heeft opgedragen.
Gedenk zijne blijdschap en dankbaarheid, zijne teederheid en Helde, als hij een zondaar met U verzoenen mocht. Op hern, die in navolging van den Goeden Herder zijn leven veil had, om de zondaars te redden, wijzen wij in dezen geestelijken nood. Neen, o God. dat werktuig in uwe handen, om zoovele zondaren tot de onschuld te doen we-derkeeren, zult Gij nu niet verstooten, nu hij nacht en dag bidt vóór uwen troon. Niet om ons, maar oin hem en zijne verdiensten, breng de zondaren terug, opdat zij aan U en zichzelven wedergegeven, getrouw zijn in Uwen heiligen dienst, en met ons dankbaar U in den H. Jeroen mogen verheerlijken. Dit bidden wij dooi' Christus onzen Heer. Amen.
Gebed voor de zieken.
Glorierijke verkondiger van de blijde boodschap des Evangelies, die uit het teederst medelijden onze ongelukkige voorvaderen zijt te hulp gekomen, en de zwakheid van Uw lichaam door de kracht der liefde hebt getrotseerd : ook wij komen Uw medelijden inroepen voor een ongelukkige zieke (N.N.) die onder het gewicht des lijdens dreigt te bezwijken. Wij gevoelen, H. Jeroen, dat wij meer verdienen te lijden om onze onvolmaaktheid, maar let slechts op Uwe liefde. Toon aan God alle geweld, dat Gij U zeiven hebt moeten aandoen, alle gebeden gestort
en dienaressen, die U getrouw zijn gebleven, die voor U geleefd, voor U hnn bloed gestort hebben, toon nu mededoogen niet ons, en laat uwe vroegere barmhartigheid over ons vernieuwd worden. Hoor hen thans met ons smeeken voor het land waar zij geboren zijn, ol' geleefd en gearbeid hebben; laat hunne voorspraak U verbidden, om de verdiensten van uwen eenigen Zoon, door wien alleen alle gebeden in den hemel en op aarde behaaglijkheid en verhooring vinden bij U, goede Vafler ! die leeft en heerscht dooi' alle eeuwen der eenwen. Amen.
Gebed voor de Zondaars.
O God, die van den Hemel zijt nedergedaald, en zelfs den dood niet ontzien hebt, om de zondaars te zoeken en zalig te maken: wij smeeken uwer barmhartigheid gehoor te geven en uwe genaden te vermenigvuldigen, om de zondaren, vooral die ons zoo nauw aan het hart liggen, tot boetvaardigheid te brengen. Wij erkennen onze onwaardigheid en de menigte onzer fouten, en toch komen wij vol vertrouwen tot U en stellen den H. Jeroen als onze voorspraak tusschen U en ons. Gedenk toch zijnen arbeid en zijne vermoeienis, zijne gebeden en olferanden, zijne tranen en zuchten, zijne teleurstelling en afwijzing, die hij voor de zondaars aan U heeft opgedragen.
79
Gedenk zijne blijdschap en dankbaarheid, zijne teederheid en Helde, als hij een zondaar met U verzoenen mocht. Op hem, die in navolging van den Goeden Herder zijn leven veil had, om de zondaars te redden, wijzen wij in dezen geestelijken nood. Neen, o God. dat werktuig in uwe handen, om zoovele zondaren tot de onschuld te doen \ve-derkeeren, zult Gij nu niet verstooten, nu hij nacht en dag bidt vóór uwen troon. Niet om ons, maar om hem en zijne verdiensten, breng de zondaren terug, opdat zij aan U en zichzelven wedergegeven, getrouw zijn in Uwen heiligen dienst, en met ons dankbaar U in den H. Jeroen mogen verlieerlijkon. Dit bidden wij door Christus onzen Heer. Amen.
Gebed voor de zieken.
Glorierijke verkondiger van de lilijde boodschap des Evangelies, die uit het tcederst medelijden onze ongelukkige voorvaderen zijt te hulp gekomen, en de zwakheid van Uw lichaam door de kracht der liefde hebt getrotseerd : ook wij komen Uw medelijden inroepen voor een ongelukkige zieke (N.N.) die onder het gewicht des lijdens dreigt te bezwijken. Wij gevoelen, H. Jeroen, dat wij meer verdienen te lijden om onze onvolmaaktheid, maar let slechts op Uwe liefde. Toon aan God alle geweld , dat Gij ü zeiven hebt moeten aandoen, alle gebeden gestort
80
Om Uwe lichaamszwakte te beheerschen, alle bestrijding U aangedaan, ten einde U om dezelfde reden, van Uw verheven taak terug te houden. Bij de liefde, die Gij. wanneer en waar ook aan de zwakken en kranken hebt toegedragen, smeek, dat deze zieke, die de broosheid des lichaams en de kortheid des levens heeft leeren begrijpen, naar lichaam en ziel met nieuwe krachten gesterkt, tot de gezondheid en nauwgezette vervulling van de plichten aan zijn werkkring verbonden, moge terugkeeren. Door Christus onzen Heer. Amen.
Gebed tot terugvinden van verloren zaken.
11. Jeroen, wiens begraafplaats, na honderd jaren verborgen te zijn gebleven, door U is aangetoond, waardoor Uw H. Gebeente is ontdekt; door wiens aanwijzing ook het ontvreemde eigendom van Xot-bodus is gevonden geworden, en die U ten allen tijde als Patroon voor verloren zaken hebt betoond, verwerf van God ook onze schreden te leiden en onze oogen te richten. opdat wij het verlorene mogen ontdekken. Voorkom door Uwe voorbede, dat wij bij het gemis God bedroeven door onrecht-matigen spijt, maar veeleer bij het wedervinden Hem als den Heer en Gever van alle goed mogen erkennen. Door Christus onzen Heer. Amen.
XI
Gebed tot het verkrijgen van een zaligen staat.
Goil, onze Sclii'|i|iv'r en IIclm'. dii^ ons ln^t leven om en door l wen wil nlleen geselionken en onze loopbaan op de wereld lieht bepaald: wij smeeken U, Uom onze onwetendheid te hnlp. De liurtstocliten verblinden ons zoo liebtelijk en zonden ons een quot;weg* doen inslaan, op een levensstaat uitloopende, dien Gij uiet hebt hesehikt. Hoe wonderbaar hebt Gij den II. Jeroen als kind reeds Uwen wil doen kennen en hem tot zijn levensstaat, doen geraken. Om de gehoorzaamheid, waarmede hij zijne taak aanvaard heeft, om de stiptheid, waarmede hij die taak volbracht, laat mij niet over aan mijne verblindheid. Slechts steunend op zijne voorspraak, dnrf ik het wagen mij tot Uwe heilige beschikking te stellen, om al te doen en te zijn, wat Gij mij ingeven zult. Wilt Gij. dat ik alles zal verlaten en in afzondering leven, ik ben bereid ; roept Gij mij tot eer en grootheid of tot armoede en verlatenheid, tot de zwaarste plichten of het bitterst lijden, Heer. hier ben ik om Uwen wil te doen. Angst bekruipt mij hij het uitspreken dezer woorden, omdat ik mijne zwakheid ken; maar (iij. o God. die Uwe kracht in den II. Jeroen hebt doen uitschitteren, lt;im zijne verdiensten en mijn kinderlijk vertrouwen, geleid ook mij om Uwen wil te volbrengen en aldus zijne voetstappen te volgen. Door Christus. Uwen Zoon. Amen.
8'2
Gebed van Ouders voor hunne Kinderen.
Gedrukt onder de zorgen en de zware verantwoording, die up ons rusten, sedert God ons huwelijk heeft gezegend, nemen wij tot U, II. Jeroen, onze toevlucht en stellen ons en onze kinderen onder uwe besehenning. Gij vermoogt zooveel hij God voor de kleinen, gij, die zeil' in de teederste levensjaren, de strikken aan de deugd gespannen, zoo spoedig ontdekt, zoo moedig en voorzichtig ontweken hebt. Gedenk toch, hoevele duizende zielen zonder u waren verloren gegaan, die nu gered zijn geworden. Wat. zal van onze kinderen komen? Van God hehhen wij hen ontvangen, voor God willen wij zoo gaarne hen bewaren. Dat wij ten minste geen aanleiding zijn tot hun verderf!
Verwerf voor ons de zoo noodzakelijke voorlichting, om hen met ware wijsheid te besturen: dat nooit onze liefde in weekheid of valsche toegeeflijkheid ontaarde! Waak over hunne gedachten: bestuur hunne woorden: maak hen dool' en ongevoelig voor de taal der verleiding; boezem hnn een hevigen afschrik in voor de zonde, voed hunnen ijver voor de deugd en alles, wat hen God welgevallig kan maken. Redder der zielen, Uwe voorspraak is zoo machtig en niet minder dan wij, bemint gij hunne zaligheid: hond dan niet op te bidden. tot zij eenmaal aanlanden, waar gij om Uwe onschuld zijt voorgegaan.
89
Geve God ons dit om de verdiensten van Christus, onzen Heer. Amen.
Gebed van jongelingen, die zich voor het H. Priesterschap voorbereiden.
God van poedlieid en genade, die ons ondanks onze on waardigheid en zonder eenige verdiensten tot Uw heiligdom hebt willen roepen: wij gevoelen de verhevenheid dier roeping, de grootheid der taak, die, voor engelenschouders te zwaar, door ons moet worden vervuld. Moe zullen wij ons waardig maken: welke deugden niet aankweeken, welke fouten niet beteren, welke gebreken niet atleggen, voor wij den gewichtigen stap tot de H. Wijding durven wagen. \\ at ons echter bij al het besef onzer geringheid nog betrouwen doet koesteren, is, dat Gij ons in den H. Jeroen een steun hebt geschonken. Geef dan. o God, om Uwen verheerlijkten Dienaar, dat ook wij doof voor de aanlokselen der wereld, ongevoelig voor hare ijdelheden, in heilige overdenking onze krachten mogen putten, en door kennis en wetenschap den weg leeren tot de volmaaktheid, die Gij in den priester verlangt en ons gelijkend aan onzen Goddelijken Moogepriester zal maken. H. Jeroen, dien wij heden als ons toonbeeld en onzen beschermer aanroepen, bid voor ons, dat wij heilige priesters mogen worden: laat geen ondank of teleurstelling, geen vervolging of smaad ons van
Hl
Christus' liefde scheiden. Dat wij nooit Uwer onwaardig worden, die ons zoo voortreffelijk als heeler der zielen zijt voortgegaan. Laat ons Uw werk voortzetten; het getal vermeerderen der zielen, die door het H. Geloof gered zijn geworden, en de glorie van God en Uwe verheerlijking op aarde en in den Hemel uitbreiden. Dit bidden wij door de verdiensten van Jesus Christus, onzen Hoogepriester. Amen.
Gebed van personen in de wereld.
H. Jeroen, toonbeeld van kloekmoedigheid in het bestrijden der gevaren en aanlokselen der wereld ; gij, die reeds in de dagen Uwer jeugd te midden van allen rijkdom de geestelijke armoede en onthechting aan het aardsche, bij do. pracht de verzaking der ijdelheid, bij uitspanning de verstorvenheid hebt bewaard; die eenvoudig bij geleerdheid, nederig bij verheffing, oprecht bij vroomheid waart; die bij 't welslagen van den arbeid God glorie gaaft, en bij tegenspoed de heldhaftigheid der ziel wist te bewaren; heb medelijden met ons, diedoor Gods beschikking te midden der wereld geplaatst, ook blootstaan aan duizenden gevaren. Voor ons vooral is moed en volharding noodig, om dapper te blijven kampen voor het behoud van onze ziel. O laat niet toe, dat moedeloosheid of overmoed, verblindheid of onvoorzichtigheid oorzaak zijn. dat wij overwonnen worden, vóór wij er aan denken.
85
huivc.l, wereld en vleescli vevlukken en holagcn ons van alle kanten, en op de blijdschaj) der overwinning volgt zoo lichtelijk een .jammerlijke val. Wees Gij dan onze besclicriner door Uwe voorbede hij Ood, opdat wij ongeschonden door het leven heengaande, na volhraehten strijd met U de eeuwige zegepraal vieren. Dit hidden wij door Christus, die do vver.'ld overwon. Amen.
Gebed om de deugd van kuiscliheid te verkrijgen en te bewaren.
Ueldhaltig strijder voor de volmaaktheid. II. .leroen die reeds als jongeling, zoo engelachtig, zulk een toonbeeld van deugden, en vooral der 11. Kuischheid geweest zijt: zie medelijdend op ons neder, die evenals gij weleer, nu ook blootstaan aan tallooze gevaren, waardoor die, li. deugd schade kan lijden, of zelfs jammerlijk verloren gaan. fiij, die als lelie onder de doornen hebt uitgeblonken en geen de minste besmetting hebt gedoogd : schenk ons om uw moedig strijden, dat wij ons lichaam in zuiverheid bewaren : dat wij de ongeregelde zucht naar genot door ernst, de gemakzucht door arbeid en den smaak dooi' vasten mogen bedwingen. Doe ons voorzichtig zijn tegenover anderen om geen aanstoot te geven of te lijden, waakzaam op ons zei ven, op al onze zintuigen bij beweging en rust, ten allen tijde en op alle plaatsen.
80
Bid toch voor ons, dut wij. in welken staat God ook ons liebbe geplaatst en welke plichten Hij ons liebbe opgelegd, volgens onzen staat in kuischlieid leven, en zoo ver ons doenbaar is uwe engelachtige zuiverheid navolgen. Door Christus onzen Heer. Amen.
Gebed om geduld in beproeving.
Zie mij hier, 11. Jeroen, mijn toevlucht en mijn troost, in stilte voor U neergeknield. Geen menschelijk oog kan de droefheid peilen, waardoor ik overstelpt ben geworden. Wat baat het anderen mijnen nood te klagen? Voor U en door U aan den Alrnaehtigen God wil ik mijn hart uitstorten en de redenen mijner droefheid blootleggen. Maar neen, liefdevolle toevlucht voor allen die lijden, gij weet wat mij drukt en verlangt zeil' mij te helpen. Gij kunt niet ongevoelig wezen, gij. die zelf zooveel lijden naar lichaam en ziel gedragen hebt. De tegenspraak en tegenwerking, miskenning, misduiding, teleurstelling en afwijzing: vermoeienis, ontbering en gebrek, slagen, wonden, doodsgevaar en stervenswee zijn mij even zooveel bewijzen, dat gij de ellenden des levens hebt ondervonden en drijven mij aan bij U redding te zoeken. Medelijdend Vader, bid God mijne bevrijding af, of, zoo het beter is voor het behoud mijner ziel, deel mij dan uwen geest van onderwerping mede om het lijden gewillig te aan-
87
vaarden : uwen goost van kloekmoedighoiil om 11et geduldig, van standvastigheid om het tot het einde te dragen.
O, H. Jeroen, als ik uw lijden aanschouw, dan gevoel ik mijn weerzin wegzinken; als ik uwen bijstand vraag, mijn moed in 't ternedergeslagen hart o)i rij zen. Voltooi dan uw werk en laat mij mijn kruis, zoolang God het mij oplegt, ten einde toe geduldig dragen, om hem na te volgen, die door kruis en lijden ons is voorgegaan. Door den-zelfden Christus, onzen Heer. Amen.
Gebed om een zaligen dood.
Kloekmoedige Martelaar, II. Jeroen, die met zooveel standvastigheid den heulen het hoofd geboden en liever dan ontrouw te worden, den dood hebt ondergaan, sla een blik van medelijden op Uwe kinderen door het H. Evangelie gewonnen. Wij sidderen van vrees voor het gewichtig oogenblik, dat over de eeuwigheid gaat beslissen. Ziet God op zijne rechtvaardigheid, dan zijn wij verloren, want zijne gramschap is als een verterend vuur, en onze verdiensten zijn zoo gering. Oll'er aan God alles, wat gij ooit deedt voor de zaligheid van anderen, ook uwen bijstand in het stervensuur en bovenal uwe droefheid over de zonden dor menschen om voor ons een rouwmoedig en vermorzeld hart te verwerven. Wij hebben niets om God aan te bieden
88
dan onze goringheid. imuir bieden door Uwe handen de atiiistaandu vernietiging des liehaams aan als een brandoilci' tot erkenning van zijne Oppermajesteit. Hond God voor oogen, dat wij bij al onze onge-tronwheden, Hem toch nooit liebben verloochend, maar erkend en gediend ; dat wij nooit een ander geloof hebben beleden , dan Gij op aarde hebt verkondigd ; en verkrijg voor ons een zalig stervensuur, opdat wij in den Hemel in uw gezelschap gelukkig mogen wezen. J'it bidden wij door Christus, onzen Hoer. Amen.
ââ¢5K®-
so
Latijnsche gezangen.
L I rr A TV I K
VAN
Ony.o \ i-oii-vv.
Kyi'iO, ok'isou, â Cliristc. i'li'isoii. Kyi'ii1, elcison. . Cliristc. audi nos. Christe. nxaiuli nos.
Maria, Maria, wij bidden U,
Ach lielp ons nu, in onzen nood. O, allerzuiverste Maagd Maria.
Pater de coolis. Deus. â Fill, Uedeniptor niundi. Deus. Spiritus sanete. Deus Miserere nobis.
Maria, Maria, enz.
Sancta 'Irinitas, â Sancta Trinitas, â Sancta Trinitas, mms Deus.
miserere nobis.
Maria, Maria enz.
Sancta Maria. â Sancta Dei Genitrix. â Sancta Virgo Virginuni,
Ora pro nobis.
Maria, Maria, enz,
90
Mater ülnisti. â Matur divinae gratiac, â Mater liurissinia,
Ora pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Mater castissima, â Mater inviolata, â Mater intemerata,
t)ra pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Mater aniabilis, â Mater adraii'abilis. Mater Creatoi'is,
Ora pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Mater Salvatoris. â Virgo piuilentissinia, Virgo veneiiinda,
Ora pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Virgo praedicanda, â Virgo potens, -⢠Virgo deiuens,
Oi'a pro nobis.
Maria, Maria. enz.
Virgo (ideiis. â Speculum jjistitiae, â Sedes sapientiae,
Ora pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Causa nostrae laetitiae, â Vas spiritiiale, Vas honorabele.
Ora pi'o nobis.
Maria, Maria, enz.
Vas insigne devotionis, â Rosa mystica, â Tin-ris Uavidica,
m
Oi'a pro nobis.
Mtii'iti, Maria, enz.
Tnrris eburnea, â Domus aurea, â Foederis area, Ora pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Janna eocii. â Stella matntina. Salis inlirmoruni, Ora pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Rerngiuni peccatorurn, â Consolatrix al'llietoruni, Anx ilium Christianoruni.
Ora pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Regina Angelormn, Ifegina patriareliariiin, Regina prophetarum,
Ora pi'o nobis.
Maria, Maria, enz.
Regina apostoloruni, â Regina maityrurn, Regina confessorum.
Ora pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Regina Virginmn, âRegina Sanctorum omnimu, -Regina sine labe originale concepta.
Oi'a pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Regina â Saeratissimi Rosarii.
Ora pro nobis.
Maria, Maria, enz.
Agnus Dei - qui tollis - peccata muiRli.
Paree iiuIjis, Domine.
92
Agnu.s Dei (|iii tollis â porcatu numdi.
Exaudi nos, Domiue.
Agnus Dei â qui tollis - jieccata iiiundi. Miserere nobis.
Maria, Maria, en/..
Kyrie, eleison, â Christe, eleison, â Cliriste, audi nos, Christe, exaudi nos.
Maria, Maria, enz.
03
Lofzang: Magnificat.
Magnificat anima mea Dominum.
Kt exultavit spiritus nieus; in Deo salutari nieo.
Qnia respexit huinilitatem ancillae suae; ecce enim ex hoe beatain me dieent omnes generationem.
(Juia ieeit mihi magna qui potens est; et sanctum nomen ejus.
Kt misericonlia ejus ii progenie in progenies; tiinen-tibns eum.
ISjcit jiotentiam in brachio suo; dispersit superbos mente cordis sui.
Deposuit potentes de sede: et exaltavit liumiles.
Ksnrieiites implevit bonis; et divites dimisit inanes.
Suscejiit Israel pueriuu suiini: recordatus misericor-diae suae.
Sicut locutus est ad patres nostros; Abraham, et semini ejus in saecuia.
Gloria Patri, et Filio et Spiritui Sancto.
Sicut erat in principio et nunc et semper, et in saecuia saeculorum. Amen.
Hoilandsche vertaling.
Mijne ziel verheft den Heer
En mijn geest heeft zich verheugd in God, mijnen Zaligmaker.
Omdat hij nederzag op de geringheid zijner dienst-
u
maagd, want zie, van nu af zullen alle geslacliteü mij zalig prijzen.
Omdat liij, die machtig is, aan mij groote dingen gedaan heeft; en zijn naam i.s heilig.
En zijne barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over hen, die Hem vreezen.
Hij heeft kracht door zijnen arm gedaan : Hij heeft degenen, die hoovaardig zijn in de gedachten van hun hart, verstrooid. â
Hij heeft machtigen van den troon afgezet en geringen verheven.
Hij heeft hongerigen niet goederen vervuld en rijken ledig heengezonden.
Hij heeft Israel, zijnen dienaar aangenomen, indachtig zijner barmhartigheid.
Gelijk hij tot onze voorvaders gesproken heeft, aan Abraham en zijn nageslacht in eeuwigheid.
Eere zij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest
Gelijk het was in het begin, en nu, en altijd en in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Lofzang: âTe Deum laudamus.quot;
Te Demn laudamus: Te Donünum conlit(''mur: Te ii'ternura Patrera ; omnis terra veneiatur.
Tibi omnes Angeli: Tibi eoeli, et univei-sa' potestates, Til)i Cherubim et Serapbim : incessabili voce proclanaant:
Sanctus, Sanctus, Sanctus, Dominus Deus Sabiiotb.
Plenl sunt coeli et terra: majestatis gloriae tuae.
'l'e gloriosus Apostolorum cliorus,
'IT1 Prophetarnm laudabilis numerus,
Te Martynnn candidatus laudat oxercitus.
Te per orbem tcrrarnm, sanc.ta eonfitetur Keel es ia .
I'atrem innnensae majestatis,
VcneraTidum tuuin verum et unicum Filium,
Sanctum quo(p1e Paniclituin Spiritum.
Tu rex gloriae, Christe.
Tu Patris semj)iternus es Filius.
Tu ad liberandum suscepturus hominem: non borruisti
Virginis üterum.
'i'u devicto mortis aeuleo: aperuisti credentibus
regna coelorum.
Tu ad dexteram Dei sedes: in gloria Patris.
Judex créderis esse venturus.
'l'e ergo quaesumus, tuis famulis si'ibveni : quos
pretioso sanguine rédemisti.
Aeterna fac cum sanctis tuis: in gloria numerari.
06
Salvura fae populum tunm, Domino: ct honcdic
heverlitati tuae.
Et rege eos, et extólle i 1 los nsqua in aetóriunii. Ter singnlos dres, beuedicimns Te.
Et laudamus nomen tnnm in saecnlmn : et in saeenlnm saeculi.
Dignare, Dominè, die isto : sine peccato nos cnstodire.
Miserere nostri. Domine: miserere nostri.
Fiat misericordia tna, Domine, super nos: iiuem
admoduni sporavimns in Te.
in Te, Domine. spcravi : non eunl'undar in aetcrnnni. V. Benedictus es Dornine Deus Patrnm nostroruin. li. Et laudabilis, et glöriosus in saecula, V. Benedicamus l'atrem et Filium cum sanc.to Spii'itn.
TJ. Ijandemus, et snperexaltemns in saocnla. V. Benedictus es Domine, in firmamento coeli. U. Et laudabilis, et gloriosus. et superexaltatns
in saecula.
V. Benedic, anima inea, Domino.
R. Et noli oblivisci omnes retributiones ejus. V. Domine, exaudi orationem meam. U. Et clamor ineus ad te veniat.
OREMUS.
Deus, en,jus misericordiae nou es numerus, et bonitatis infinitus est thesaurus, piissimae majestati tuae pro collatis donis gratias agimns, tuam semper clementiam exorantes: ut qui petentibus postulata
eoncedis, eosdem 'non deserens, ad praemia futura disponas.
Dens, ([iii corda (idelinm Sancti Spiritus illustni-tione dncnisti; da nobis in eodein Spiritu recta sapere et de ejus semper eonsolatiolie gandere.
Dens, qui neminem in te sperantem niminni affligi permittis: sed piurn precibns praestas auditnm : pro postulationilms nostris votis(|ue. snseeptis gratias agimus, Te piissiine deprecantes, nt a ennctis semper muniamnr adversis. Per Dominnm nostrum Jesnm Christnin, Filinm tnnm, qui tecum vivit et regnat ii\_ imitate Sjiiritns Sancti, Dens, per omnia saecnla saecniornrn. Amen.
Hollandsche vertaling.
U, God, loven wij; U. Heer, belijden wij. U, eeuwige Vader, vereert lt;le gansche aarde. U roepen alle Engelen, U de hemelen en alle machten. U, de Cherubijnen en Serafijnen, met eenparige
stemmen onophoudelijk toe:
Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God der legerscharen.
Vol zijn de hemelen en de aarde van de Majesteit
uwer glorie.
U looit het glorierijke koor der Apostelen,
U het schitterende heir der Martelaren,
U belijdt over de gansche aarde de II. Kerk, Don Vader van onmetelijke Majesteit,
7
08
Uwen aanbiddelijk en, waaraehtigen en eenigen Zoon,
Ook den Heiligen Geest, den Trooster.
Gij zijt de Koning der glorie, Christus!
Gij zijt des Vaders eeuwige Zoon.
Gij hebt, toen Gij, om den mensch te verlossen, de mensehheid zou It aannemen, den schoot eener maagd niet geschroomd,
Gij hebt, na het overwinnen van den prikkel des doods, den geloovigen het rijk der hemelen geopend.
Gij zit aan de rechterhand Gods, In de glorie des Vaders,
Wij gelooven, dat Gij als Rechter zult komen.
U dan bidden wij, kom Uwe dienaren te hulp, die Gij door Uw kostbaar bloed hebt vrijgekocht.
Geef, dat zij in de eeuwige glorie onder Uwe Heiligen geteld worden.
Heer, maak uw volk zalig, en zegen uw erfdeel.
En heersch over hen, en verhel'hen tot in eeuwigheid.
Dag aan dag zegenen wij U.
En wij loven Uwen naam in eeuwigheid en in eeuwigheid der eeuwigheden.
Gelief ons. Heer, dezen dag zonder zonden te bewaren.
Ontferm U onzer. Heer, ontferm U onzer.
Laat, Heer, uwe barmhartigheid over ons komen, gelijk wij gehoopt hebben.
Op U, Heer, heb ik gehoopt; in eeuwigheid zal ik
niet beschaamd worden.
V. Gezegend zijt Gij, Heer, God onzer vaderen fl. En lofwaardig, en glorierijk in eeuwigheid.
00
V. Zegenen wij deti Vader, en den Zoon en den Heiligen Geest.
R. Laat ons Hem loven en lioog verheffen in eeuwigheid.
V. Gezegend zijt Gij, Heer, in liet uitspansel des hemels.
R. En lofwaardig en glorierijk en hoog verheven in eeuwigheid.
V. Zegen, mijne ziel. den Heer.
R. En wil al zijne vergeldingen niet vergeten.
V. Heer, verhoor mijn gebed ^ II. En mijn geroep korne tot U.
LAAT ONS BIDDEN.
f!od. wiens barmhartigheid zonder tal, en wiens schat van goedheid oneindig is, wij danken uwe zoo goedertierene Majesteit voor de verleende gaven, en blijven te gelijk uwe barmhartigheid smeeken, dat Gij, die aan de biddenden het gevraagde verleent, hen ook niet verlaat en tot het eeuwige leven voorbei eldt.
God, die de harten der geloovigen door de verlichting des Heiligen Geestes hebt geleerd, geef ons, In denzelfden Geest oprecht wijs te zijn, en ons altijd in zijne vertroosting tc verheugen.
God, die niemand, wie op U hoopt, te zeer laat verslagen worden, maar aan het gebed goedertierene verhooring schenkt; wij danken U voor het aannemen
â 1 (V)
onzer vragen en verlangens, en smeeken U met alle godvruchtigheid, dat gij ons altijd voor alle tegenspoeden wilt behoeden. Door onzen lieer Jesus Christus, uwen Zoon, die met U leelt en regeert in de eenheid des H. Geestes, flod . door alle eeuwen der eeuwen. Amen. -
»3?
-10-1
Nederlandsche gezang0n ,
ten dienste der Pelgrims.
ââ
i. Pelgrimslied ter eere van den H. Jeroen.
Wi.izii: O. beeld der schoone liefde.
â I.
Komt, vrome C'hristeiiseliaren,
Trekt op in langen stoot:
Komt, «'('â n der Martelaren Van Neêrland thans gegroet!
Hij, Sint Jeroen, blikt neder Op onze pelgrimssehaar.
Vol vaderliefde en teeder,
Hij onze Martelaar.
2.
Wij richten onze schreden,
Waar Hij des Heiland» leer
Door woorden heelt beleden.
Door daden eindloos meer.
Thans uit den hoogen Hemel Blikt Hij, de Martelaar.
Naar 't aardsche stofgewemel.
Op onze pelgrimssehaar.
â 102
Wij de plek betreilon.
Gejgt;ui,perd door Zijn bloed, Waar Hij eens heelt volstreden
Den strijd met heldenmoed. Waar onder foltrend lijden
Jeroen Zijn bloed vergoot. En lt;iod ten loon voor 't strijden Hem 's Hemels poort ontsloot.
4.
Wij zullen nederknielen,
Waar zijn gebeente rust: Met eerbied in de zielen
Dien ert'schat daar gekust! Dan blikt Jeroen wis neder
Op deze pelgrimschaar, Vol vaderliefde en teeder, Hij ónze Martelaar.
5.
Daar geuren nog de bloemen Ons toe, van Zijne deugd; Welaan, gaan wij Hem roemen
Als onze kroon en vreugd! Hij zal met ons God smeeken
Bij 't heilig Zoenaltaar,
Voor ons tot Jesus spreken Als onze Martelaar.
103
i A yiv.vTSii
ter here
VAN DEN H. JEROEN,
Priester en Martelaar, Patroon van Noordwijk.
â---
Wijze: Creator alma sulerum.
\.
Van Jezus' liefdevuur outliraud.
Jeroen! verliet ge uw vaderland;
Gij zaagt en zocht liet eeuwig loon Kn dorsttet naar de martelkroon.
2.
Ganscli Neerland gingt gij zeegnend rond: Hungeer zond u op Noordwijks grond, Apostel, Herder van dit oord .
Dat u gedenkt, u dankt en hoort.
3.
Hier, voor den Naam, door u verkond. Sloeg 't afgodsvolk u woud bij wond. En sleurde n naar de rechtbank heen : Gij spraakt: »'k Aanbid één God alleen!quot;
â¢104
Voor Urm toen vielt gij snuickciid noór: «Aanzie mijn strijd, uw volk. o Heer! «Jjiuit nooit uw lieilleer hier vergaan lilij booilt ge uw hooi'd het slagzwaard aan
rgt;.
O, Noordwijks Herder en Patroon!
Hier vondt gij dan de martelkroon:
Hier zelf', waar gij vóór duizend jaar Als priester stondt aan 't hoogaltaar.
ö.
Hier gingt ge als trouwe herder rond: Hier wijdde uw heilig bloed den grond : Van hier klomt ge op ten glorietroon. Gij onze Apostel en Patroon!
7.
Dat. Vader! dan uw liefde ons hlijk'. Ons in gelooiquot; en deugd verrijk':
Toon ons uw macht in allen nood,
Bescherm uw kind'ren in den dood.
----
-inr»
L 1 E l)
bij de overbrenging der Reliquiën
VAN DEN
H. Martelaar JEROEN,
naar NOORDWIJK.
1 Allg-nstus l!-lt;!
-1.
Uw gebeente groeten wij.
In uw juichend wederkeeren, Zegepi-alend, naamloos blij,
O, gij Martelaar des Heeren,
Die op Noordwijks heiligen grond Kroon en zegepalmen vondt.
Keuweii lang hebt ge aan de kust, Waar de golven rust'loos branden.
In Egnionds abdij gerust.
Aan de wilde Noordzee-stranden. Tot een heiligschennend leed, Dwaalgeloof, u vluchten deed.
lOG
3.
XiHiil vergeten onlieilstijd. ()imits|ii'eek'lijk droeve dagen
Van vervolging, ramp en strijd, Doodsgevaar en nederlagen :
O, hoe scheen toen ons geloof Weerloos tegen brand en roof.
4.
Maar de Ontferming Gods zag néér. Na veel meer dan duizend jaren
Keert gij nu in Noordwijk weer, Waar we in uwen naam vergaren. Juub'lende en op (lod het oog.
Hellen we uwen lofzang hoog.
Rondom uwen glorietroon Hoor ons juichen, zingen, bidden,
O Jeroen, onze Patroon,
Hlijf nu altijd in ons midden. En bewaar ons, rein en sterk, In 't geloof der ware Kerk.
6.
Zet ons hart in vlammengloed. Doe ons trouw ten Hemel streven:
Dat het Allerhoogste Goed,
God, ons deel zij in dat leven.
Waar geen traan meer wordt gescht In volzalige eeuwigheid.
107
DANKLIED AAN GOD
HU HET TEliUGVOEREN UER ReLIQUIÃN VAN UEN H. JEROEN NAAR DE
Parochie te Noordwijk.
--
Wijze : Komt. laten wij ons nederbuigen.
Ijicd ter eens va» het U. Hart.
I.
Komt, laten wij tien Hemel prijzeu
dankend knielen voor den Heer,
Hom onze erkentelijkheid bewijzen Voor zijne liefde groot en teer.
Voor meer dun tienmaal honderd jaren
Zond hij zijn Dienaar tot ons af,
Uie onder (luizende gevaren
Den schat van 't waar geloof ons gal', (bis.)
II.
Jkhoen, van Schotlands strand gekomen.
Trok zeeg'nend door deez' streken rond. Hij had des Heeren roep vernomen.
Die hem naar Nourdwijks duinen zond,
â¢108
Itoii Heiland zon hij hier vcrkondon.
Dbii licideii voeren in den schoot Van .leziis kerk ; Imdekt met wonden.
Uier sterven dan den marteldood, {bis.)
III.
En God, na zooveel honderd Jaren,
Schenkt ons des Heiligen gebeent.
Zijn gunst deed ons 't geloof bewaren.
Heelt Noordwijk niet Jeroen hereend. De vader rust thans bij zijn kind'ren,
De Martelaar in zijne Kerk.
Niets kan nu ons geloof vennind'reu
In 's Heeren liel'd'rijk wonderwerk, (bis.)
IV.
Heb dank, o God, voor al de gaven.
Waarmede Uw goedheid ons bestraalt.: U loven, prijzen 'alle braven
Voor 't heil op Noordwijk neergedaald. Uw' Dienaar zullen wij vereeren
En steeds in hem U hulde doen. Aan onze kind'ren 't loflied leeren:
Den dank aan God en St. Jeroen, (bin.)
---
â 10'.)
PELGRIMSLIED,
voor de bedevaarten van St. Jeroen te Noordwijk.
--
Wuze : Aan U. o Koning der Eeuircn!
Gegroet, o groote Heil'go!
Wij knielen voor U néér,
Vereerend Uw gebeente,
Als Mart'laar voor Gods oor. Uw bloed werd ons ten zegen.
Gestort op Neêrlands grond:
Dien grond ons dubbel dierbaar,
Wijl Gij Uw dood er vondt.
Bid, dat in woord en daden
Wij Uwe volgers zijn.
Steeds trouw 't geloof belijdend
In zorgen, nood en pijn: Het heidendom verachtend.
Voor 't kruis den dood ingaan,
Bied, St. Jeroen, die beden Voor ons Uw' .lesus aan.
Gij, Priester en Apostel,
Gij, heirge Martelaar, Van Amstelstede komen,
W' als eerste pelgrimsschaar.
1-1Ã
Wij. in 't geloof bevestigd
Boor 't heilig Sacrament, Dat in de vlammen zweefde, 't woedend element.
Bid dan, o. groote Heil'ge.
Voor Kerk en Koningshuis Voor ons en die vvij minnen;
Opdat het helsch gespuis Do, Kerke Gods niet deere;
Bescherm door Uwe hand De jonge Koninginne
Kn 't dierbaar Nederland!
--
Jubellied aan Maria Onbevlekt Ontvangen.
ââ '$*'â
i.
Lieve Moeder van don Heer!
Laat ons om nw zetel dringen,
Laat uw kind'ren u ter eer 't Ziel verrukkend feestlied zingen ;
't Moet weerklinken luid en lilij: Moeder, onbevlekt zijt gij!
2.
't Heelt reeds 't wijde wereldrond. En herscheppend overklonken,
't W oord door Pins' mond verkond : Kn nw kind'ren, vreugdedronken,
â¢Inb'len op uw feestgetij:
Moeder, onbevlekt zijt gij!
:L
Neen, dat loflied zwijgt niet meer: Tot aan 's werelds verste palen,
Zullen met het hemelsch heer Al nw kind'ren 't luid herhalen,
't Woord van 't zalig jubeltij:
Moedei', onbevlekt zijt gij !
112
En we voegen dank en beé Aan de blijde feestgezangen;
Wie, wie dankt niet niet ons meé Voor al 't heil door n ontvangen, In liet zalig jnlieltij;
Moeder, onbevlekt zijt gij!
Zonnezniv're Moedermaagd ! Om de glorie u gegeven.
Hoor ook wat ons hart u vraagt; Dat we na een schuld'loos leven Eenwig jub'len aan uw zij': Moeder, onbevlekt zijt gij !
*3*
4-13
Smeeklied aan den H, Willibrordes.
ââ
Wi.izd : Creator almn sidnriiin.
lt;gt; WillibVord ! die van omhooo; Ons gaslaat niet beschermend onj!;. Hoor 't nageslaeht der vaad'ren aan. Met \vie gij helit omgegaan.
Zie Xeerland aan, nw roem en kroon. Gij onze Apostel en Patroon!
Mier hebt gij, moedig Godsgezant! Hier .Testis' heilbanier geplant:
Hier half een eeuw zijn Naam verbreid. Zijn Brnid een' zetel toebereid,
Hier door nw ijver en gebed Mijn vaad'ren nit den dood gered.
8
-H4 4.
Ach 1 elfmaal ging een eeuwkring rond, Sinds gij hier Satans rijk verwont: En nu, ach, meer dan 't half geslacht. Het zonk terug in 's vijands macht.
5.
Geliefde Vader en Patroon! Zie Neerland aan. uw roem en kroon . Bid, Willibrord! bid bij den Heer, Dat al wie doolt eens wederkeer'.
6.
Ach. voer hen met uw trouw gezin. Ach, voer ook hen uw glorie in ; 0 gij, die 't kruis hier hebt geplant, P.id voor uw dierbaar Nederland !
Afscheidslied der Pelgrims.
ââ
Wijze: Ifrt Onxtenrijksohp, Volkslied.
Luide lijzen jubelklanken
Tot Prod.s hoogen glorietroon. Om Zijn liel'de te bedanken
Voor het rijke gunstbetoon, lieden ruimschoots ons geschonken
In .Teroens gewijde Steê,
Waar wij juichten vreugdedronken. Smeekten ook in vuur'ge beê.
2.
Wij herdachten, broedei'leden.
Hoe de heil'ge Martelaar Heeft geleden en gestreden.
Tartend alle doodsgevaar; Hoe Hij schitt'rend heeft bevochten
/egejii'aal op zegepraal:
't llool'd met lauweren omvlochten, /.etc^lt thans in 's hemels zaal.
â¢I i 6
3.
't Was ol' ons uit Sions dreven,
Op ilit plechtig zegefeest,
Eene stem kwam tegenzweven.
Zoet als van een hemelgeest.
«Wilt ook gij zoo dapper strijden,
«Onversaagd, vol heldenmoed, »Uw gelooi' altijd belijden,
«Zelfs bezeeg'len met n\v liloed !
4.
Ja, we willen God beminnen
Trouw tot 't uur van onzen dood . Oni rlc gloriekroon te winnen.
Die hij Sint Jeroen eens bood. Ja, laat aarde en hemel 't hooren. Aan het eind der pelgrimsbaan : 't Zij voor God en mensch gezworen.
5.
Sint Jeroen, o dapp're Strijder
Voor Gods eer en heil'gen naam, Machtige Geloofsbelijder,
Tot U smeeken wij te saam : Ach, bescherm ons heel ons leven.
Sta ons bij in allen nood,
rtat wij eenmaal opwaarts zweven
Naar des hemels eenw'gen schoot. -----
i 17
Kerkelijke Lofzangen van den H. Rozenkrans.
EERSTE VESPERS.
De blijde geheimen.
Een hemelbode daalt op aard',
Die Gods geheimen openbaart,
En voi genade haar begroet.
Die 's Ileeren Moeder worden moet.
De Maagd bezoekt haar bloedverwant, De moeder van den boetgezant,
Die in den schoot zijns moeders juicht En blijde Christus' komst getuigt.
Het Woord. van eeuwigheid geteeld Uit 's \ aders wijsheid en zijn beeld,
Is uit den schoot der Moedermaagd Als sterflijk Kindjen opgedaagd.
Ten tempel komt bet god'lijk Kind. \ olbracht de wet, die Mem niet bindt, Der armen losprijs koopt Hem vrij,
Die zich ten losprijs geeft voor mij.
De vreugdevolle Moeder vindt,
Xa droef verlies, haar goddelijk Kind,
Terwijl Hij Gods geheimenis Den leeraars aan 't ontvouwen is.
I ] 8
IT, Jesns, eer en lof gewijd. Hie uit do Maagd geboren zijt. Don Vader en den Geest met een In de altijddurende eeuwigheén.
TER METTEN.
De droevige geheimen.
De Olijfberg zag, hoe onze Heer Daar biddend viel op 't aanschijn neer, Hoe llij in droefheid tut den dood Zijn zweet als drupp'len bloeds vergoot.
Geleverd door een valscli verraad, Zie, lioe de God ter strall'e gaat; En hoe, terwijl het koord hem boeit, Zijn bloed bij 't vvreede gees'len vloeit.
Zie, hoe een scherpe doornenkroon. Van felle smart en bitteren hoon.
liet hoofd des gloriekonings dekt, En 't vuil gewaad tot mantel strekt.
Hij wordt gedwongen, onze Heer. Al zncht en zweet en valt Hij neer,
liet kruis, dat loodzwaar drukt zijn Ier Te dragen naar den bergtop heen.
119
Aan 't kruishout hangend, bleek en paars, Hij, de onschuld tussehen moordenaars, Hij bidt voor die Hem kruist en kerft, Vergiet Zijn laatste bloed â en sterft.
U, Jesus, eer en lof gewijd,
üie uit de Maagd geboren zijt.
Den Vader en den Geest met een In de altijddurende eeuwigheen.
TER LAUDEN.
De glorierijke geheimen.
Verwinnaar van den dood, de Heer Keert uit het graf ten leven weer, Xa 't breken van den zondenband Ontsluit Hij ons het Vaderland.
Nadat Hij vaak zijn volk vescheen, Stijgt Hij In glans ten hemel heen: Daar troont Hij aan Zijns Vaders zij En wordt aanbeden, zooals Hij.
Hij zendt den Heiligen Geest, dien Hij Beloofd had aan de Apostlenrij In tongen vuurs uit 's Hemels sfeer Op Zijn bedroefde volgers neer.
â 120
De Maagd beeft stervens-tol betaald En wordt ten hemel ingehauld, â¢Verwelkomd door liet jubellied, Dat haar het koor der Eng'len biedt.
U, Jesus, eer en lol' gewijd,
Die nit de Maagd geboren zijt Den Vader en den Geest, met een In de altijddurende eeuwigheen.
TWEEDE VESPERS.
U, met de zoetste vreugd in 't hart, U, overstelpt met wee en smart, U, troonend aan Uw Jesus' zij, O, Moedermaagd, U loven wij.
Gij, blijde Maagd, door God vellicht. Ontvangt Uw lieer, bezoekt Uw nicht, Gij baart, gij oft'ert, en gij vindt, O Zaal'ge Moeder, 't God'lijk Kind.
Uw treurend Moederhartö leed Met Jesus bij zijn bloedig zweet.
Zijn gees'ling, kroning, kruis en dood ; Uw smart was bovenmate groot.
Uw Zoon, o Moeder, zegepraalt, In 't vuur is Gods- Geest neergedaald, Gij zetelt op Uw glorietroon En jubelt eeuwig met Uw Zoon.
â m
Komt, volken, plukt een rozenkrans Uit deez' geheimen vol van glans. En vlecht voor Moeder, heerlijk schoon, Ken liefdevolle gloriekroon.
U, Jesus, eer en lof gewijd.
Die uit de Maagd geboren zijt.
Den A ader en den Geest, met een In de altijddurende eeuwigheen.
I N II OUD.
Bladz.
HISTORISCHE SCHETS. â De H. Jeroen, Priester en Martei.aar. Eerste Pastoor van
Noordwijk.............\
I. Zijn leven en zijn Marteldooii . . . 1â-12
II. Zijne Verheerlijking.......12â27
Aflaten en gunsten..........27
Novene ter eere van den H. .Ieroer . . ,29â54
Litanie van den H. Jeroen.......55â01
Tachtigste Psalm..........62âfi4
Verschillende gebeden.........65
Gebed na aankomst der pelgrims bij de Reliq. . 65 Algemeen gebed bij het gebeente van den
H, Jeroen............66â69
Opdracht aan den H. Jeroen.......70
Toewijding aan den H. Jeroen......71
Gebeden der Kerk ter eere van den H. Jeroen . 72 Gebed ter eere van den H. Jeroen, Patroon
van Noordwijk...........74
Gebed voor ons Vaderland........74
Ander gebed voor ons vaderland......70
Gebed voor de zondaars.........78
Gebed voor de zieken.........79
Gebed tot het terugvinden van verloren zaken . 80
Iniiouu.
Bladz.
|
Gebed tot het verkrijgen van een zaligen |
dood. |
81 |
|
Gebed van ouders voor hunne kinderen |
82 | |
|
Gebed van jongelingen die zicli voor het |
H. | |
|
Priesterschap voorbereiden..... |
83 | |
|
Gebed van personen in de wereld . . . |
84 | |
|
Gebed om de deugd van kuischheid te ver | ||
|
krijgen en te bewaren...... |
85 | |
|
Gebed o'm geduld in beproeving . . . . |
86 | |
|
Gebed om een zaligen dood .... |
87 | |
|
Latijnsche gezangen....... |
80 | |
|
Litanie van Onze Lieve Vrouw |
.89- |
-02 |
|
100 | ||
|
Nederlandsche gezangen...... |
101 | |
|
Pelgrimslied ter eere van den H. Jeroen |
101 | |
|
Lofzang ter eere van den li. Jeroen |
103 | |
|
Lied bij het overbrengen der H. Reliquien | ||
|
naar Noordwijk........ |
105 | |
|
Danklied aan God bij het overbrengen |
der | |
|
11. Reliquien.......... |
107 | |
|
Pelgrimslied voor de bedevaarten naar St. Jeroen |
100 | |
|
Jubellied aan Maria....... |
111 | |
|
Smeeklied tot den H. WilUbrordus . . |
113 | |
|
Afscheidslied der Pelgrims..... |
115 | |
|
Rozenkransliederen........ |
. '117- |
-121 |
ERRATUM.
Bij No. 4 van het «Afscheidslied der Pelgrims,quot; op bladz. '116 achter de woorden;
't Zij voor God en mensch gezworen:
bij te voegen;
Vast in het jeloof te staan.