ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

J 6

uOPE Landbouwbibliotheek.

No,

UUÜjUIU

Het Konijn.

F O K KEK en MESTEN,

door

Sim •fees1

geerant aan de §ijks- Mfinterlandhcuwschool te @oes.

A». 1. „Het Varken. Pokken en mestenquot;. 31quot; druk.

A». 2. „Het Melkvee. Keuze, verpleging en voedingquot;.

Aquot;». 3. «Het Hoen. Eierproductie, fokken en mestenquot;.

A'o. 4. »Het Mestvee. Keuze, verpleging en voedingquot;.

N'. 5. »Het Koaijquot; Pokken en mestenquot;.

Aquot;. 6. »Het Kalf. Keuze, verpleging en voeding van

fokkal vorenquot;.

A'quot;. 7. »Eenden, ganzen on kalkoenenquot;. A®. 8. »Bijenteoltquot;.

Nquot;. 9. »De Groententuinquot;.

A». 10. »De Vruchtboomen op de boerderijquot;.

Prijs per nummer 25 cent, franco per post na ontvangst van 30 cent. Bij iederen boekhandelaar te bekomen of te bestellen. Voor landbouwvereenigingen en scholen is de prijs (mits bij den uitgever besteld) : 25ex. fi,—; 40ex. fl,—; 60 ex./quot;9,—; 100 ei. f ■13,— ; 200 ex. ƒ 23,—.

B

I Ü

O

13

'MimL' am

KUiiKutria

a o e s. A. A. W. BOLLAND, 1896.

— WED S. i DW JONGC-VER WEST - OOI

ocr page 4

: i®#:

% - ' tmM 1'

Onder openbare contróle der Rijks-landbouwproefstations.

Haadel in Laadbouwzaden m l J. vai k Have, Eapelle lij

Levering franco door quot;Nederlahd. Prijscouranten op aanvrage franco verkrijgbaar.

X^a/toriarL lt;Ss jPil^a-x.

HANDEL IN ZAAIGRANEN, GOE

Telegram-Adres : Labrija - Goes.

(Bekroond: Zierikzeesche Tentoonstelling, ig Sept. i

. Chidham Tarwe lsta prijs.

Gladarige Essex Tarwe 2,le prijs.

Ruwarige Essex Tarwe 2d« prijs.

Vraag prijscouranten en monsters.

igHg-H

mi i® i

B

'f -

Si-li

amp;

m,

in verschillende dessins

Ameublpment voor Veranda's. Stoelen, Tafels, Werkmanden, Bloemmanden. Grof of fijn Mand- en Bamboework.

PHOTOGRAFIËN op aanvraag ter inzage verkrijgbaar. Verder; ZAAIE0Q3E (Sclilanstaedtfer, Probsteier), TAFEL- en POOTAAEDAPPELEN (Bremer roode, Geldersche Kralen, Bla-aw-kiemen, Deventer roode, Hallumer Gele, enz.).

lok varkens van volbloed en gekruist Yorkshire-ras

van verschillenden leeftijd.

Ook BEEEEN en DRACHTIGE ZEUGEN.

Bestellingen en inliclitingen uitsluitend bij Job van der Have,, Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord.

a^Wv im

SaEffip 'i,

lt;

'

ocr page 5
ocr page 6

WILD KONIJN. 2. PABKKON1JN (Lapin de Garenne). 3. G-EWOON PBANSCH KONIJN (Lupin ordinaire). 4 FBANSCH RAMKONIJN (Lapin balier). 5. NORMANDISCH KONIJN. 6. ANGORA-KONIJN.

ocr page 7

K o n ij n.

Het

FOKKEN en MESTEN,

DOOK

Leeraar aan de fRijks-Winterlandbouwschool te Goes.

Vrij naar het Hoogduitsch.

ö o E 8. A. A. W. BOLLAND. 1896.

ocr page 8
ocr page 9

1. Natuurlijke geschiedenis van het wilde en het tamme konijn.

Hot wilde konijn, dat waarschijnlijk van de Balearen of uit Spanje afkomstig is en dat men thans in geheel Europa, behalve in Zweden en Noord-Rusland aantreft, wordt door de meeste natuurvorschers voor den stamvader van de tamme konijnen gehouden

Het wilde konijn laat zich in korten tijd temmen en wanneer het tamme in vrijheid wordt gesteld, verwildert het in korten tijd geheel. De uit die verwilderde geboren jongen gelijken geheel en al op wilde konijnen.

Hoewel het wilde konijn na aan den haas verwant is, verschilt het er toch in vele opzichten van. Het is kleiner en ranker, heeft kortere en minder behaarde ooren en kortere achterpooten dan de haas. Do ooren van het konijn zijn korter dan do kop, terwijl die van den haas langer zijn.

De pels van het konijn is over 't geheel grauw, doch helt in den nek en op den rug naar 't rosachtige over, terwijl zij onder de keel, aan den buik en aan de binnenzijde dei-dijen blauwachtig wit is. De staart is van boven zwart, van onderen wit.

Het konijn graaft mot de scherpe nagels zijner voorpooten een hol, hetwelk uit een kamer en verscheidene gangen bestaat, die gelegenheid geven de kamer in verschillende rich-

ocr page 10

_ 4 —

tingen te verlaten. Het brengt het grootste deel van den dag in zijn holen door, .tenzij de streek, waarin hot hol zich bevindt, boschrijk is. 's Nachts gaat het konijn uit om voedsel te zoeken, hetwelk uit groene planten, wortelgewassen en den bast van hoornen en struiken bestaat.

In de maand Februari begint de paartijd, leder paar leeft vrij trouw te zamon, althans veel trouwer dan rammelaar en moerhaas.

Evenals de moerhaas draagt het moerkonijn 30 dagen. Het laatste paart bijna onmiddellijk daarna weder. Tot October toe kan het om de vijf weken van 4 tot 10 blinde, naakte jongen ter wereld brengen in een afzonderlijke kamer, die het met zijn uitgerukte buikwol bekleedt. De jongen blijven eenige dagen blind, üe moeder houdt er een waakzaam oog op tot zij weder jongen moet. Zelfs den rammelaar wordt den toegang tot het nest ontzegt, omdat hij in zijn omstuimigheid wellicht niet schromen zou de jongen te dooden.

In warme landen zijn de jonge konijnen reeds ia de vijfde, in koudere landen pas in de achtste levensmaand teelbaar. Ze zijn echter niet volwassen vóór zij een jaar oud zijn. Iemand heeft uitgerekend, dat wanneer een moerkonijn zevenmaal in 't jaar gemiddeld S jongen werpt, haar nakomelingschap onder gunstige omstandigheden in vier jaren ruim l'/j millioen stuks kan bedragen.

Deze buitengewone vruchtbaarheid is dan ook een der hoofdoorzaken van de groote schade, die de wilde konijnen kunnen aanrichten in een streek, waar zij zich voor goed gevestigd hebben. Ze kunnen dan bijna niet meer uitgeroeid worden, ook al gaat men vlijtig met het fret op de jacht. Op de bovengenoemde eilanden, de Balearen, veroorzaakten de wilde konijnen tijdens de regeering van keizer Augustus

ocr page 11

door vernieling van den oogst hongersnood. De bewoners smeekten te Rome om militairen bijstand bij het verdelgen der schadelijke dieren.

Iemand verhaalt, dat een grondbezitter in Australië in 1872 gedurende 9 maanden door honderd personen 2 millioen konijnen liet dooden. Nochtans geiuktte het hem niet do kleine verwoesters op zijn uitgestrekte bezittingen meester te worden, want in het jaar 1873 had hij nog 60 konijnenjagers in ge-regelden dienst.

Veel van hetgeen hier is medegedeeld over het wilde konijn is ook van toepassing op het tamme, als dit in parken, d. i. in halfwilden staat, gehouden wordt. Wij hebben reeds opgemerkt, dat het tamme konijn, in vrijheid gesteld, spoedig verwildert.

Het tamme konijn is minder verdraagzaam dan het wilde. Het eerste leeft in vrede met zijn soortgenooten, waarmede het is opgevoed, maar komt er sgt;een vreemde eend in de bijtquot;, dan hebben er hevige gevechten plaats.

Het vleesch van het wilde en het tamme konijn is wit van , kleur en zoetachtig van smaak. Het gelijkt wel wat op kip-penvleesch, in tegenstelling met dat van den haas, welks vleesch rood of bruin is, en dat ook zonder half bedorven te zijn steeds een eigenaardigen bijsmaak heeft.

In gevangenschap paren hazen en konijnen met elkander, als gevolg waarvan onderling vruchtbare jongen geboren worden.

De groote vruchtbaarheid en de vroegrijpheid van het konijn zijn er de oorzaak van, dat het konijn veel vleesch en pelswerk kan leveren. De konijnenfokkerij kan daarom ook bij ons, evenals in België, Frankrijk en Engeland van veel be-teekenis worden, mits zij met zorg wordt gedreven.

ocr page 12

— 6 — 11. Rassen en kruisingen.

1. Het gewone Duitsche konijn.

Dit in Duitschland inbeemsche konijn wordt daar ook hok-en pijphaas genoemd. Het kan verschillende kleuren hebben, zooals zuiver wit, zwart, blauwgrijs, grauw, roodachtig geel en bout. Het is algemeen bekend en kan wegens zijn gering lichaamsgewicht, hoogstens 2 kilo, en zijn waardelooze pels verder met stilzwijgen voorbijgegaan worden.

2. Het halfwilde konijn of parkkonijn.

(LAPIN BE Garenne )

is volgens de meeste kenners verkregen door wilde konijnen in parken te fokken en steeds de beste dieren voor de fokkerij uit te zoeken. Fokt men er mede in volkomen gevangenschap, dan ontaardt het meer eu meer. Zelfs herhaalde bloedver-versching door het invoeren van wilde konijnen kan die ontaarding niet voorkomen. Dit konijn is grooter dan het gewone, bereikt een gewicht van 3 kilo, is buitengewoon vruchtbaar, levert smakelijk vleesch en een goed betaalden pels, die grauw, grauwzwart, geheel zwart, wit of geelachtig wit is.

3. Het gewone Fransche konijn.

(Lapin Ordinaire.)

Dit konijn is meestal grauw, doch soms wit, zwart of bont. Het is ontstaan uit het getemde, halfwilde konijn en heeft zich niet slechts in Frankrijk, maar ook in België, Nederland en Zwitserland verbreid. Het is zeer vruchtbaar, want het werpt gemiddeld 10 jongen, wordt tot 3 kilo zwaar en levert zeer

ocr page 13

smakelijk vleesch en een goeden pels. Volgens Hochstetter is dit konijn door Fransche soldaten, die ten tijde van Napoleon I in Engeland krijgsgevangen waren, uit Engeland naar Frankrijk overgebracht. Het zou niets anders zijn dan het gewone konijn, door zorgvuldige teeltkeus en goede voeding veredeld en grooter geworden.

4. Het ailver- of pelskonijn.

(Lapin Argenté.)

Dit konijn wordt door vele fokkers niet als een afzonderlijk ras beschouwd, maar als een variëteit of afwijkenden vorm van het gewone Fransche konijn. quot;Volgens Lemoine is het zeer vruchtbaar; het werpt gemiddeld 10 jongen, die aanvankelijk zuiver zwart zijn. Als ze drie maanden oud zijn, gaat de zwarte kleur bij gedeelten in zilvergrijs over, zoodat de kop het laatst van kleur verandert. De Fransche bontwerkers betalen den pels vrij duur. De teelt van dit konijn gaat met weinig moeielijkheden gepaard.

Als overeenkomende met het pelskonijn noemt Lemoine het Chineesche of Russische konijn. Het kenmerkt zich door zijn witten pels, die alleen aan den neus, aan de punten dei-oorschelpen en aan de uiteinden der voeten zwart is. Deze zwarte afteekeningen verschijnen pas als het dier drie maanden oud is.

Het Russische konijn is klein, doch levert een zeer goed vleesch. Het heeft, als alle witte konijntjes, roode oogen. Het is zeer vruchtbaar en zijn pels komt dikwijls onder den naam van hermelijn in den handel.

5. Het ramkonijn of Afrikaansch konijn.

Dit konijn wordt algemeen beschouwd als een kruisings-

ocr page 14

— 8 —

product van den kaphaas en het gewone Fransche konijn. Het draagt zijn naam naar zijn lange en breede oorschelpen, welke bij dieren van zuiver ras slap naar beneden hangen, zoodat de kop eenige gelijkenis vertoont met een ramskop. Een tweede kenteeken voor oudere dieren is het bezit van huidplooien aan de onderkaak, die dikwijls zoo lang worden, dat zij tot de punt der kaak reiken.

Het ramkonijn is uit Algerië naar Frankrijk overgebracht en wordt vooral gefokt in Frankrijk, Spanje en Engeland. Er bestaan vier vormen van, te onderscheiden aan hun haarkleur. Men kent grauwe, die aan de keel, den buik en den binnenkant der schenkels wit zijn, sabelkleurige, zuiver witte en geheel zwarte. De laatste vorm is echter zeer zeldzaam. Do pels der witte en zwarte wordt het best betaald. Het ramkonijn kan 7 kilo zwaar worden, terwijl het 4 a 6 maal 's jaars gemiddeld 4 jongen werpt; het is dus veel minder vruchtbaar dan konijnen van andere rassen.

Het ramkonijn kan slecht tegen nat en koude; het is kieskeurig op zijn voedsel en draagt weinig zorg voor zijn jongen. Daarom is het slechts aan te bevelen om er andere konijnen mede te kruisen en niet om er in zuiver ras mede te telen. Voor kruising gebruike men slechts groote, sterk gebouwde rammelaars. De kruisingsproducten hebben niet altijd de lange, breede, platte en hangende ooren. Bij enkele hangt het eene oor slap naar beneden, terwijl het andere op den rug ligt of overeind staat; ook zijn beide ooren dan dikwijls van verschillende lengte.

Onder den naam Amerikaansch konijn komt een kleiner, halfwild konijn in den handel, dat slecht tegen koude en vocht kan, doch zeer vruchtbaar is. Men noemt het ook buldog-of Andalusisch konijn.

ocr page 15

— 9 —

Door kruising van hot ramkonijn met het gewone Fransche, liet Engelsche of halfwilde konijn is het Normandische konijn ontstaan. Dit is ook bekend onder de namen Lyonsch en Languedoc-konijn en komt in alle kleuren en teekeningen voor. Dit kruisingsproduct kan een gewicht van 4 kilo bereiken.

6. Het Reuzenkonijn.

Sommigen beschouwen het reuzenkonijn als een kruisingsproduct van het Amerikaansche en het inheemsche Belgische konijn. Anderen achten het een afwijkenden vorm van het gewone Fransche konijn, hetwelk door zorgvuldige teelt met uitgezochte dieren verkregen is. Zijn pels is grauw. Oorspronkelijk groot en sterk, bereikt het reuzenkonijn, mits goed gevoed en met oordeel gemest, een gewicht van 7 a 8 kilo. Het kan goed tegen de weersinvloeden, doch het is slechts van middelmatige vruchtbaarheid.

7. Het Angora-konijn.

Dit is afkomstig uit Angora in Klein-Azië en werd in 't begin dezer eeuw naar Frankrijk, Engeland, Zwitserland en Duitschland overgebracht. Het komt in drie soorten voor; er zijn nl. grauwe, witte en kastanjebruine Angora-konijnen. Het Angora-konijn werpt 4 a 6 maal in 't jaar gemiddeld 8 jongen. Het kenmerkt zich door zijn lang, zijdeachtig haar, hetwelk als grondstof voor warme kleedingstukkcn dient en zeer duur is. De teelt van dit konijn zou veel voordeel opleveren, als het beter tegen ons klimaat bestand was. Het vleesch heeft weinig waarde, omdat velen het te zacht en zelfs walgelijk vinden.

Het Angora-konijn moet zeer netjes opgepast en om do veertien dagen eerst met een grove, daarna met een fijne

ocr page 16

— 10 —

kam van hoorn of hout gekamd worden. Hiermede maakt men reeds in de tweede levensmaand een begin, opdat de dieren van jongsaf aan die bewerking gewennen. In het eerste jaar kan men hierdoor van één konijn 15 tot 24 Decagram haar verkrijgen, dat tot vervaardiging van verschillende stoffen dient. Rug-, zijde- en buikhaar moet men afzonderlijk houden. Gemengd haar heeft minder waarde. Rijke en ruime voeding draagt niet alleen tot betere ontwikkeling van het lichaam bij, maar werkt ook voordeelig op den haargroei.

Bij de teelt paart men slechts dieren van dezelfde kleur.

Van nature zachtaardig en verdraagzaam, kunnen de An-gora-konynen in groot getal in één ruim hok gehouden worden.

8. Het haaskouijn of de leporide

is een kruisingsproduct van haas en konijn. De bastaards kunnen onderling weer vruchtbaar paren. Langen tijd meende men, dat de bastaarden alleen vruchtbaar paarden met haas of konijn en niet onderling. De leporiden overtreffen in schoonheid, grootte en sterkte zoowel den haas als het konijn. Dr. Zürn in Leipzig heeft met leporiden voortgekweekt tot in het zesde geslacht.

De paring van haas en konijn gelukt slechts, als beide op den leeftijd van 3 a 4 weken bij elkander gebracht en met elkaar opgevoed worden. Tegen den tijd, dat zij teelbaar worden, scheidt men ze van elkander. Wil men fokken, dan plaatst men een haasrammelaar bij 2 of 3 moerkonijnen of een konijn-rammelaar bij 2 of 8 moerhazen. De paring gelukt het best, als men voor mannelijk dier een haas neemt.

»De leporiden, zegt Hochstetter, hebben groote overeenkomst met den haas. Ze zijn haasgrauw met rossigen nek, zwart-

ocr page 17

— 11 —

gerande, sterke behaarde lepels (ooren) en ze zijn veel sterker en vruchtbaarder dan konijnen. Zij bereiken op den leeftijd van een halfjaar een gewicht van 3 a 4 kilo. Hun vleesch is geheel wit, niet rood, en smaakt beter dan dat van konijnenquot;. »quot;Wordt het bevestigd, dat de leporiden naast hun sterkte en groote vruchtbaarheid ook een goeden pels bezitten, dan moet het haas-konijn meer dan thans voor de teelt in aanmerking komen.

Het zal slechts de vraag zijn, of men met het haaskonijn dan wel met het ramkonijn moet fokken. Het laatste wint het door zijn grooter gewicht, het eerste door zijn vruchtbaarheid, want een moorhaaskonijn kan in een jaar 60 a 70 jongen en een moêrramkonijn slechts hoogstens 50 jongen werpenquot;.

»Dat de leporiden hazenbloed in de aderen hebben, blijkt uit hun grootere levendigheid en wildheid. Nog dient opgemerkt te worden, dat de leporiden op den leeftijd van 4 a 5 maanden teelbaar zijn en sterke jongen voortbrengen.

Om een onder alle omstandigheden goed konijnenras te krijgen zal men wel tot kruising moeten overgaan.

Het doel van de fokkers moet zijn een ras te vormen, dat aan een groot weerstandsvermogen tegen óns klimaat, vroegrijpheid, vruchtbaarheid, snellen groei, smakelijk vleesch en een vrij goeden pels paart.

In dit hoofdstuk een en ander over de inrichting van den stal voor hen, die konijnfokkerij eenigszins in het groot drijven. Ken

III. De konijnenstal.

ocr page 18

— 12 —

goede konijnenstal moet luchtig, tochtig, warm en droog zijn. Hij moet zoo ingericht zijn, dat de bewoners niet kunnen graven en beschermd zijn voor de aanvallen van roofdieren, zooals bunsings, wezels en katten. Het is stellig niet overbodig hier even aan te stippen, dat ook ratten de konijnen durven aanvallen.

De stal dient met uitzondering van den bodem en het dak slechts van steen en ijzer gebouwd te worden. Op deze wijze wordt hij wel duurder dan een houten gebouwtje, maar hij bezit zeer veel voordeelen. Hij is duurzamer en kost dus minder aan onderhoud; bovendien is hij zeer gemakkelijk schoon te houden.

Men kan den konijnenstal zoowel op zichzelf als in schuur of stal bouwen. Een alleenstaande konijnenstal verdient echter de voorkeur, omdat de konijnen, zelfs bij de angstvalligste zindelijkheid door hun urine en het vermorste voeder een hoogst onaangenamen reuk verspreiden. Deze bederft de lucht voor de andere dieren, die in de onmiddellijke nabijheid gehuisvest zijn. Lemoine heeft zijn konijnenstal, evenals zijn hoenderhok, van portland-cement opgetrokken. Wij geven echter aan gewone baksteen en de voorkeur.

Een stal volgens Lemoine, wordt alsdus ingericht. Het uit twee verdiepingen bestaande, van voren 2,4 M. hooge gebouw rust op een 0,36 M. hoogen hollen voet, (Fig. I, f) die met zand, asch en steenbrokken wordt opgevuld, teneinde het optrekken van het bodemvocht te voorkomen. In iedere verdieping bevinden zicli een aantal kleine hokken naast elkander, welke, in den dag gemeten, 0,5 M. hoog, 1,30 M. breed en 0,8 M. diep zijn. De hoogte der bovenste rij hokken bedraagt 0,8 en 0.9 M. De binnenwanden zijn bepleisterd met kalk of cement. Het dak (li) is met asphaltpapier

ocr page 19

— 13 —

bedekt en steekt ongeveer '/, M. vóór den muur B uit. Onderstaande figuur, waarin men bij y den begancn grond ziet, kan een voorstelling geven van een loodrechte doorsnede in de breedte.

Het vooruitstekende dak dient om de dieren voor zonnestralen en regen te beschermen en de hokken eenigszins donker te maken. Do in 't wild levende konijnen houden zich immers ook steeds in het donker op.

Iedere verdieping heeft een naar achter hellenden steenen, met cement bedekten bodem [d). Aan de achterzijde bevindt zich een goot («), waarin zich de vloeibare uitwerpselen verzamelen en waaruit zij

lolo

door een of twee openingen in den buitenmuur in tonnen kunnen worden opgevangen. Deze tonnen moeten dagelijks op de mestvaalt geledigd worden. Op twee richels boven den ce-mentbodem ligt een hekwerk van eikenhout of wel een eikenhouten vloer («) met openingen voorzien. Dit hekwerk of deze bodem moet gemakkelijk opgelicht kunnen worden, als men de hokken wil reinigen. Deze inrichting is zeer prac-tisch, want alleen daardoor is het mogelijk te zorgen, dat de

ocr page 20

— 14 —

dieren steeds een droog leger hebben. Zij maakt het reinigen der hokken bovendien zeer gemakkelijk. En herhaalde zorgvuldige reiniging is noodig met het oog op de gezondheid der dieren.

Teneinde den houten bodem voor spoedig bederf of vergaan te bewaren, bestrijkt men hem met koolteer. Het is aan te bevelen voor ieder hok twee houten bodems te nemen; do eene kan dan in de buitenlucht staan, terwijl de andere in gebruik is.

De raamkozijnen worden met vlechtwerk dichtgemaakt en bovendien van ramen (A) voorzien. Men kan de ramen dan openzetten, zonder den konijnen gelegenheid te geven te ontsnappen. In den achterwand (A) bevindt zich voor ieder hok een deur, die geopend wordt, als men de dieren wil voederen of uit het hok wil halen of als men dit wil schoonmaken.

Elke week worden de hokken, nadat het stroo en de houten bodem verwijderd zijn, uitgeschrobd, waarbij de goot achter in het hok vooral niet vergeten mag worden. De ramen worden zóó aangebracht, dat twee naast elkander aan dezelfde kram worden vastgemaakt, waardoor een donkere ruimte van 80 c.M. breedte ontstaat. In deze donkere ruimte kan het moerkonijn zich terugtrekken, als het zijn nest wil maken of werpen moet.

De konijnen vermorsen, veel voeder. Werpt men het voedsel in het hok, dan vertrappen en bevuilen zij meer dan zij opeten. Om dit te voorkomen, plaatst men in ieder hok een kleine ruif van traliewerk, waaronder een kribje. In de eerste geeft men hooi en groenvoeder, in het laatste : graan, gesneden wortelgewassen, gekookte aardappels, brood, enz. Liefst maakt men ruif en krib geheel van ijzer, omdat de konijnen aan houten voorwerpen steeds knagen.

ocr page 21

— 15 —

Eindelijk mag een ijzeren of steenen drinkbakje met lagen rand niet vergeten worden. Hoeveel hokken in iederen stal gemaakt worden of liever hoe groot de stal gebouwd wordt, hangt af van de uitgebreidheid der fokkerij.

Een hoogst eenvoudige en goedkoope, voor kleine fokkerijen voldoende inrichting wordt door Hochstetter als volgt beschreven.

»Wie over een ruime, luchtige, droge en gemakkelijk af te sluiten ruimte heeft te beschikken, kan 5 a 6 fokkonijnen (óón rammelaar en 4 of 5 moerkonijnen) houden. Men verdeelt de bodemvlakte dezer ruimte in twee ongelijke deelen (zie fig. 2) door een tusschenschot («) van 0,7 M. hoog.

h

i c

a 2

1

Pig. 2.

In de grootste ruimte (/) laat men de fokdieren vrij rond-loopen. De bodem wordt 30 centimeter dik met volkomen droog loof of stroo bedekt. In deze ruimte plaatst men op '/, M. afstands van de wanden schotten (i en c) van 40 centi-

ocr page 22

— IOmeter hoog. De afgeschoten ruimte verdeeld men in zooveel afdeelingen als men moerkonijnen heeft. De vloer dezer af-deelingen wordt 40 centimeter dik met droog, zacht stroo belegd. In de ruimte worden dc jonge konijnen, die de moederzorg kunnen ontberen, geplaatst. Zij hebben dan een flinke ruimte en kunnen bij elkander blijven tot ze teelbaar zijn. Men kan deze ruimte in meerdere afdeelingen splitsen en dan de jonge konijnen van denzelfden leeftijd bij elkander voegen. Ook deze ruimte wordt 30 a 40 c.M. dik met loof

of stroo bedekt.

Om de maand of om de zes weken moet al het strooisel

verwijderd en door nieuw vervangen worden. De dieren zullen bij deze behandeling steeds oen droog leger hebben, omdat de strooisellaag zeer dik is.

Deze stalinrichting verdient alle aanbeveling voor hen, die weinig geld aan een stalinrichting ten koste kunnen leggen.

De teelt van konijnen in parken, die door slooten en muren afgesloten zijn, en waarin de konijnen leven als in den natuurstaat, verdient hier geen bespreking, daar de fokkerij op deze wijze veel grond en kapitaal vereischt. Zoo'n konijnenpark bestaat of bestond o. a. in Bückeburg en behoort of behoorde aan den Prins van Schaumburg-Lippe. In Engeland treft men vele konijnenparken aan. In Glanaranshire bestaat er een van meer dan 12000 HA. groot, en in Yorkshire bevinden er zich eveneens verscheidene, die eenige honderden Hectaren groot zijn en waarin dagelijks 1200 konijnen geslacht worden.

De bisschop van Derby verkocht in sommige jaren 12000

konijnenvellen.

ocr page 23

— 17 —

♦

IV. Teelt en voedering.

Een hoofdvoorwaarde voor een winstgevende fokkerij is het bezit van sehoone, krachtige en zooveel mogelijk raszuivere fokdieren. In het begin heeft men genoeg aan óón rammelaar en 2 of 3 moêrkonijnen van 8 tot 12 maanden oud. Jongere dieren, voor de fokkerij gebruikt, leveren kleine en zwakke nakomelingen.

Een goede rammelaar is volgens Hoclistetter te herkennen aan een dikken, ronden kop met vurige oogen. Een moerkonijn heeft steeds een smalleren ea meer spitsen kop. Een goede moer kenmerkt zich verder door goed ontwikkelde tepels, waarvan er 4 aan de borst en 6 aan den buik voorkomen. Ze kan twee jaren voor de fokkerij gebruikt worden en werpt gedurende dezen tijd, althans bij zorgvuldige verpleging en goede voeding, tot 80 jongen. Na verloop van dezen tijd wordt zij gedurende den winter gemest en geslacht. Is men eenmaal goed aan den gang, dan houdt men op 10 moêrkonijnen óón rammelaar. In dit geval mag de laatste echter slechts gedurende óón jaar dienst doen. Bij de voortgezette teelt gebruikt men natuurlijk slechts die zelf gefokte dieren, welke boven de andere uitmunten.

De rammelaars worden steeds elk afzonderlijk gehokt. Wil men een moerkonijn doen bevruchten, dan brengt men het met voorzichtigheid en zoo bedaard mogelijk in het hok van den rammelaar, waarna dan de paring meestal spoedig plaats grijpt. Het is niet aan te raden vóór Maart te doen j paren. Wie echter over een zeer warmen stal beschikt, kan reeds in December of Januari jonge dieren, die in 't voor-

2.

,,Het Konijnquot;,

ocr page 24

— 18 —

jaar geboren zijn, doen paren. Lenioine laat zijn moeren slechts een uur bij den rammelaar en brengt ze daarna in hun eigen hok terug. Beter is het echter de moer een geheelen nacht bij den rammelaar te laten, omdat de eerste dikwijls, als zij pas bij den rammelaar is, niets van dezen wil weten en hem afbijt. Dit gebeurt vooral, als men den rammelaar in het hok van de moer brengt.

Om vergissingen te voorkomen moeten ieder hok een nummer en een kaartje dragen. Op het laatste teekent men aan, op welken dag en door welken rammelaar het moerkonijn bevrucht is.

Deze aanteekeningen, zoowel als de datum van het werpen en het aantal jongen, worden geregeld in een boekje overgeschreven.

Meestal op den 30ste11, doch soms ook pas op den 323tlt;!H dag na de paring werpt de moer 4 a 10 jongen. Men geeft haar op den 29sten dag zacht stroo of hooi, waaruit zij in het donkerste deel van haar hok een nest kan maken. Zij rukt zich dan de zachtste haren van buik en borst uit, om daarmede den jongen een warm bed te verschaffen. Leraoine acht het niet noodig, dat het hok der moer door een tusschen-schot in twee afdeelingen wordt gesplitst, doch hij vindt het wenschelijk, dat het omstreeks de geboorte der jongen en gedurende den zoogtijd in de omgeving van het hok zeer rustig en stil zij. Wanneer de moer door een onverwacht gerucht schrikt, verlaat zij opeens de jongen, welke daardoor gevaar loopen uit het nest gesleept te worden en dientengevolge van koude te sterven. Daarom ook moet een wakend oog gehouden worden op de zoogende moeren, Doode jongen moeten weggenomen en jongen, die uit het nest geraakt zijny moeten hierin teruggebracht worden.

ocr page 25

— 19 —

Omdat een moer soms meer jongen werpt dan zij kan zoogen, is het raadzaam meerdere moerkonijnen op denzelfden dag te laten bevruchten. De jongen, op denzelfden dag geboren, worden dan gelijkelijk onder al de moeders verdeeld.

Wil men schoone en sterke konijnen fokken, dan moet men de jongen twee maanden bij de moeder laten en deze niet ' meer dan 4 maal 's jaars doen paren. Dit is beter dan de moer twee a drie dagen na het werpen weder bij den rammelaar te brengen en de jongen slechts 3 a 4 weken bij de moeder te laten. Wel laat de moer in de eerste dagen na het werpen den rammelaar het best toe en bijt zij hem, na 4 weken voor 't eerst met dezen vereenigt, hem aanvankelijk af, maar ook is 't waar, dat een moer, welke opnieuw drachtig is, min of meer onverschillig voor haar jongen wordt en weieens doodbijt. Te dikwijls en te kort na elkander werpen en voortdurend zoogen verzwakt ook, waarvan krachte-looze jongen dikwijls het overtuigend bewijs leveren.

De groote sterfte onder de jonge konijnen (25 0/0) in sommige fokkerijen is zeker een gevolg van de domheid van hen, die te veel willen hebben.

Sommige rassen bieden bezwaren, wat de fokkerij betreft, omdat de dieren spoedig en gemakkelijk vet aanzetten, waardoor zij moeielijk drachtig worden. Dit is o. a. het geval met het ramkonijn. Hiermede moet men bij de voedering der vrouwelijke dieren rekening houden. Nooit moet men ook twee jongen uit hetzelfde nest met elkander doen paren en steeds moet de rammelaar eenige maanden ouder zijn dan de moer.

Gedurende de eerste week na het jongen vereischt de zoo-gende moör bijzondere opmerkzaamheid en verpleging. Groen-voeder moet men haar gedurende dezen tijd volstrekt niet

ocr page 26

— 20 —

geven, maar in plaats hiervan voedert men hooi, gesneden peen, gekookte aardappels, gebroeide zemelen en nu en dan wat haver, gerst of gebroken brood. Een schoteltje melk, dagelijks gegeven, doet haar goed. Men voedert haar driemaal daags op vaste tijdstippen en wake er voor, dat geen veranderingen in de voederwijze plaats hebben. Bij 't begin der tweede week kan met omzichtigheid wat klaver, gras of ander groenvoeder gegeven worden. Geeft men de zoogende moêr te spoedig of te veel groenvoeder, dan krijgt zij doorloop, tengevolge waarvan zij er. haar kinderen meestal sterven.

Hot grootbrengen van moederlooze jonge konijnen met melk is een moeielijk en ondankbaar werk, want gelukt dit al, toch krijgt men op deze wijze zwakke dieren.

Drie of vier weken na de geboorte verlaten do jongen het nest en beginnen zij met de moeder mede te eten. Vier weken later worden zij van de moeder verwijderd, waarbij mexi de mannetjes van de wijfjes scheidt en afzonderlijk opsluit. Daar het geslacht op dezen leeftijd echter moeielijk te bepalen is, moeten de dieren als zij 12 a 14 weken oud zijn, nogmaals onderzocht worden.

De verpleging en voeding der jongen in de eerste weken, nadat ze van de moeder verwijderd zijn, vereischt groote zorg.

Hochstetter voedert de jonge konijnen als volgt: ze krijgen driemaal daags voeder en wel 's morgens hooi, gebroeide zemelen, gestampte aardappels en brood, 's middags klaver-hooi, koolbladeren, peen en haver of gerst, 's avonds hooi, gebroeide zemelen en koolrapen of andere wortelgewassen.

Groenvoeder mag in 't begin slechts in zeer kleine boeveelheid gegeven worden, want krijgen ze hiervan overvloedig te eten, dan gaan ze dikwijls dood. Een mengsel van droog-

ocr page 27

— 21 —

en groenvoeder houdt de dieren gezond en bevordert hun groei. Met het oog op voederbesparing worde het hooi fijngesneden, waarna het met graan en aardappels vermengd wordt. Op deze wijze wordt geen hooi vermorst, vertrapt en bevuild. Bij de genoemde voedermiddelen kan men in den winter nog overblijfselen van zoete appels en peren en plant-aardigen keukenafval geven.

Bladeren van kool, niangelwortels, peen, brandnetels, salade, andijvie en paardebloemen in groote hoeveelheid eenigen tijd achter elkander gevoederd, veroorzaken zoowel bij oude als jonge konijnen doorloop. Vooral geve men geen nat groenvoeder. Een aanbevelenswaardig groenvoeder wordt gevormd door beukenbladeren, distels en jonge deunenscheuten, echter niet van den witten den (Abies pectinata) of gewonen den (Pinus silvestris), maar van den spar (Abies excelsa). Vooral voedere men geen hanepoot.

Hochstetter raadt verder af den ouden of jongen konijnen water te geven, vooral als ze groenvoeder krijgen. De zoo gevaarlijke opgeblazenheid of trommelzucht kan hiervan het gevolg zijn.

Over de vraag of konijnen al of niet drinkwater moeten ontvangen, is veel strijd gevoerd. Geen dier kan water missen ; het moet daarvan eiken dag een zekere hoeveelheid in of in en bij zijn voeder ontvangen. Krijgen konijnen nu in hoofdzaak droog voeder, dan moeten zij wel degelijk helder en zuiver drinkwater ontvangen. Men heeft opgemerkt, dat konijnen, die langen tijd met droog voeder onderhouden waren, gretig op het hun voorgezette water aanvielen en meer dronken dan goed voor hen was.

Lemoine geeft omtrent de voeding van oude en jonge konijnen de volgende voorschriften.

ocr page 28

In den zomer wordt driemaal per dag gevoederd, 's morgens om 5, 's middags om 12 en 's avonds om 6 uur. De avondmaaltijd moet 't rijkst zijn, omdat ook het wilde konijn 's avonds en 's morgens vroeg vóór zonsopgang het meest eet.

's Morgens en 's avonds voedert men gras of klaver, 's middags verschillende groenten, vooral die, welke op de melkafscheiding werken, zooals ganzedistel, winde, weegbree, steenklaver, wikken, cichorei en venkel. Koolstronken moeten stukgesneden worden, evenals groote wortelgewassen. De laatste voedert men, vermengd met meel en zemelen. Voor voeder kunnen 's middags ook gegeven worden bladeren van olmen, populieren, linden, hazelaars en moerbezieboomen. Men kan er haver of gerst bij voederen. lo den winter wordt slechts tweemaal per dag gevoederd.

's Avonds geeft men steeds droogvoeder, zooals hooi, kla-verhooi en erwtenstroo, 's morgens op zondag hooi, op maandag koolrapen of knollen, op dinsdag mangelwortels met zemelen, op woensdag hooi, op donderdag peen, op vrijdag gerst of haver en op zaterdag gekookte aardappels.

De hoeveelheid voeder moet geregeld worden naar de grootte der dieren. Een ramkoniju kan opeens 4 maal zooveel haver opeten als een Angora-konijntje. De middelgroote rassen eten slechts tweemaal zooveel. Gras en hooi geeft men in do ruif, de andere voedermiddelen in de krib.

Het is nuttig de jonge konijnen vroeg aan drinken te gewennen ; zij kunnen dan beter tegen het spenen. Men maakt van het water, waarin groente is gekookt, een drank door er de overblijfselen van peulvruchten, aardappelen en wat gaar gekookt meel bij te voegen. Deze drank moet den diertjes in een ondiepen schotel worden voorgezet.

Konijnenteelt in het groot kan alleen voordeel afwerpen.

ocr page 29

— 23 —

als men over genoeg zelf verbouwd voeder kan beschikken.

Twee voederplanten verdienen nog bijzondere vermelding. Het zijn de tompinambours of aardperen en de lupinen. De eerste zijn nauw verwant aan de zonnebloem en leveren in den zomer en den herfst een zeer gewild groenvoeder en in 't voorjaar een goed voedsel door haar knollen. Ze worden geteeld als aardappelen, doch verder van elkaar gelegd. De knollen kunnen gedurende den winter in den grond blijven en naar behoefte worden opgenomen.

De lupine wordt groen en droog vervoederd. Met het vervoederen van de zaden dezer plant moet men voorzichtig zijn.

Ook de serradella verdient als konijnenvoeder alle aanbeveling. Ze levert op zandgrond een ruime opbrengst.

Naast goede en ruime voedering is reinheid van het hok een hoofdvoorwaarde voor het slagen bij de konijnenteelt. Zijn de konijnen opgesloten, zooals dit meestal bij arbeiders in ons land het geval is, dan moet het hok minstens tweemaal 's weeks uitgemest en van versch strooisel voorzien worden. De mest moet onder een afdakje bewaard, met kaïniet of su-perphosphaatgips vermengd en met de urine der konijnen overgoten worden. Daarom ook niet te zuinig op het strooisel.

De dieren van groote, snelgroeiende rassen kunnen reeds op den leeftijd van 4, die van de andere rassen op den leeftijd van 5 a 6 maanden gemest worden. Hot mesten duurt slechts twee tot drie weken.

Het mestkonijn wordt in een klein, doch zeer rein gehouden, halfdonker hokje geplaatst en slechts met zemelen, haver, gerst, erwten, boonen en geurige kruiden, zooals thijm, lavendel, dragon, salie, pepermunt, enz. gevoederd. Door de geurige kruiden krijgt het vleesch een aangenamen smaak. Het konijn mag niet overmatig vet zijn.

ocr page 30

— 20 —

geven, maar in plaats hiervan voedert men hooi, gesneden peen, gekookte aardappels, gebroeide zemelen en nu en dan wat haver, gerst of gebroken brood. Een schoteltje melk, dagelijks gegeven, doet haar goed. Men voedert haar driemaal daags op vaste tijdstippen en wake er voor, dat geen veranderingen in de voederwijze plaats hebben. Bij 't beo-in der tweede week kan met omzichtigheid wat klaver, gras of ander groenvoeder gegeven worden. Geeft men de zoogende moêr te spoedig of te veel groenvoeder, dan krijgt zij doorloop, tengevolge waarvan zij en haar kinderen meestal sterven.

Het grootbrengen van moederlooze jonge konijnen mot melk is een moeielijk en ondankbaar werk, want gelukt dit al, toch krijgt men op deze wijze zwakke dieren.

Drie of vier weken na de geboorte verlaten do jongen het nest en beginnen zij met de moeder mede te eten. Vier weken later worden zij van de moeder verwijderd, waarbij men de mannetjes van de wijfjes scheidt en afzonderlijk opsluit. Daar het geslacht op dozen leeftijd echter moeielijk te bepalen is, moeten de dieren als zij 12 a 14 weken oud zijn, nogmaals onderzocht worden.

De verpleging en voeding der jongen in de eerste weken, nadat ze van de moeder verwijderd zijn, vereischt groote zorg.

Hoclistetter voedert de jonge konijnen als volgt: ze krijgen driemaal daags voeder en wel 's morgens hooi, gebroeide zemelen, gestampte aardappels en brood, 's middags klaver-hooi, koolbladeren, peen en haver of gerst, 's avonds hooi, gebroeide zemelen en koolrapen of andere wortelgewassen.

Groenvoeder mag in 't begin slechts in zeer kleine hoeveelheid gegeven worden, want krijgen ze hiervan overvloedig te eten, dan gaan ze dikwijls dood. Een mengsel van droog-

ocr page 31

— 21 —

en groenvoeder houdt de dieren gezond on bevordert hun groei. Met het oog op voederbesparing worde het hooi fijngesneden, waarna het met graan en aardappels vermengd wordt. Op deze wijze wordt geen hooi vermorst, vertrapt en bevuild. Bij de genoemde voedermiddelen kan men in den winter nog overblijfselen van zoeto appels en peren en plant-aardigen keukenafval geven.

Bladeren van kool, mangelwortels, peen, brandnetels, salade, andijvie en paardebloemen in groote hoeveelheid eenigen tijd achter elkander gevoederd, veroorzaken zoowel bij oude als jonge konijnen doorloop. Vooral geve men geen nat groenvoeder. Een aanbevelenswaardig groenvoeder wordt gevormd door beukenbladeren, distels en jonge deunenscheuten, echter niet van den witten den (Abies pectinata) of gewonen den (Pinus silvestris), maar van den spar (Abies excelsa). Vooral voedere men geen hanepoot.

Hochstetter raadt verder af den ouden of jongen konijnen water te geven, vooral als ze groenvoeder krijgen. De zoo gevaarlijke opgeblazenheid of trommelzucht kan hiervan het gevolg zijn.

Over de vraag of konijnen al of niet drinkwater moeten ontvangen, is veel strijd gevoerd. Geen dier kan water missen ; het moet daarvan eiken dag een zekere hoeveelheid in of in en bij zijn voeder ontvangen. Krijgen konijnen nu in hoofdzaak droog voeder, dan moeten zij wel degelijk helder en zuiver drinkwater ontvangen. Men heeft opgemerkt, dat konijnen, die langen tijd met droog voeder onderhouden waren, gretig op het hun voorgezette water aanvielen en meer dronken dan goed voor hen was.

Lemoine geeft omtrent de voeding van oude en jonge konijnen de volgende voorschriften.

ocr page 32

— 22 —

In den zomer wordt driemaal per dag gevoederd, 's morgens om 5, 's middags om 12 en 's avonds om 6 uur. De avondmaaltijd moet 't rijkst zijn, omdat ook het wilde konijn 's avonds en 's morgens vroeg vóór zonsopgang het meest eet.

's Morgens en 's avonds voedert men gras of klaver, 's middags verschillende groenten, vooral die, welke op de melkafscheiding werken, zooals ganzedistel, winde, weegbree, steenklaver, wikken, cichorei en venkel. Koolstronken moeten stukgesneden worden, evenals groote wortelgewassen. De laatste voedert men, vermengd met meel en zemelen. Voor voeder kunnen 's middags ook gegeven worden bladeren van olmen, populieren, linden, hazelaars en moerbezieboomen. Men kan er baver of gerst bij voederen. In den winter wordt slechts tweemaal per dag gevoederd.

's Avonds geeft men steeds droogvoeder, zooals hooi, kla-verhooi en envtenstroo, 's morgens op zondag hooi, op maandag koolrapen of knollen, op dinsdag ra angel wortels met zemelen, op woensdag hooi, op donderdag peen, op vrijdag gerst of haver en op zaterdag gekookte aardappels.

De hoeveelheid voeder moet geregeld worden naar de grootte der dieren. Een ramkoniju kan opeens 4 maal zooveel haver opeten als een Angora-konijntje. De middelgroote rassen eten slechts tweemaal zooveel. Gras en hooi geeft men in de ruif, de andere voedermiddelen in de krib.

Het is nuttig de jonge konijnen vroeg aan drinken te gewennen ; zij kunnen dan beter tegen het spenen. Men maakt van het water, waarin groente is gekookt, een drank door er de overblijfselen van peulvruchten, aardappelen en wat gaar gekookt meel bij te voegen. Deze drank moet den diertjes in een ondiepen schotel worden voorgezet.

Konijnenteelt in het groot kan alleen voordeel afwerpen.

ocr page 33

— 23 —

als men ovor genoeg zelf verbouwd voeder kan beschikken.

Twee voederplanten verdienen nog bijzondere vermelding. Het zijn de tompinambours of aardperen en de lupinen. De eerste zijn nauw verwant aan de zonnebloem en leveren in den zomer en den herfst een zeer gewild groenvoeder en in 't voorjaar een goed voedsel door haar knollen. Ze worden geteeld als aardappelen, doch verder van elkaar gelegd. De knollen kunnen gedurende den winter in den grond blijven en naar behoefte worden opgenomen.

De lupine wordt groen en droog vervoederd. Met het vervoederen van de zaden dezer plant moet men voorzichtig zijn.

Ook de serradella verdient als konijnenvoeder alle aanbeveling. Ze levert op zandgrond een ruime opbrengst.

Naast goede en ruime voedering is reinheid van het hok een hoofdvoorwaarde voor het slagen bij de konijnenteelt. Zijn de konijnen opgesloten, zooals dit meestal bij arbeiders in ons land het geval is, dan moet het hok minstens tweemaal 's weeks uitgemest en van versch strooisel voorzien worden. De mest moet onder een afdakje bewaard, met kaïniet of su-perphosphaatgips vermengd en met de urine der konijnen overgoten worden. Daarom ook niet te zuinig op het strooisel.

De dieren van groote, snelgroeiende rassen kunnen reeds op den leeftijd van 4, die van de andere rassen op den leeftijd van 5 a 6 maanden gemest worden. Het mesten duurt slechts twee tot drie weken.

Het mestkonijn wordt in een klein, doch zeer rein gehouden, halfdonker hokje geplaatst en slechts met zemelen, haver, gerst, erwten, boonen en geurige kruiden, zooals thijm, lavendel, dragon, salie, pepermunt, enz. gevoederd. Door de geurige kruiden krijgt het vleesch een aangenamen smaak. Het konijn mag niet overmatig vet zijn.

ocr page 34

— 24: —

Jonge rammelaars kunnen met goed gevolg gecastreerd worden. Dit geschiedt op de volgende wijze. Een persoon houdt het konijn bij de ooren en legt het op den rug op zijn schoot; een tweede persoon buigt de achterbeenen van het konijn van elkaar en nu maakt een derde persoon met een scherp mes twee insnijdingen in den balzak. Hij drukt de ballen naar buiten en snijdt de strengen met een scherpt) schaar door. Na verwijdering der ballen worden de wonden gesmeerd met ongezouten reuzel of boter, waarmede de geheele bewerking is afgeloopen. Het afbinden der ballen, wat ook wel geschiedt, is af te keuren.

Rammelaars, die voor de fokkerij gediend hebben, moeten vóór het mesten gecastreerd worden, omdat het vleesch van ongesneden springrammeiaars een onaangenamen reuk en smaak heeft.

Het slachten van konijnen heeft op verschillende wijzen plaats. Ifu eens snijdt men ze den hals af en laat ze dood bloeden, dan weer slaat men ze met de smalle zijde der hand of een kantig stuk hout in den nek achter de ooren, terwijl men ze met de linkerhand bij de achterbeenen vasthoudt. Sommigen nemen het dier met de eene hand bij den nek en met de andere bij de achterbeenen en breken door een krachtigen duw over de knie het dier den ruggegraat.

Na het dooden drukt men met beide handen op de buikzijde, om de nrineblaas te ledigen. Yerzuinit men dit, dan heeft het vleesch een onaangenamen smaak. Een konijn, dat op de eerste manier gedood wordt, heeft steeds zeer wit en droog vleesch, hetwelk, als het dier steeds goed gevoed is, eenige overeenkomst heeft met dat van een haan.

Na het slachten wordt do pels op den buik overlangs op-gesnedon en dan afgetrokken. Deze manier is te verkiezen boven de in ons land gebruikelijke manier van villen.

ocr page 35

— 25 —

De hoedemakers verlangen vellen, waaraan zich nog de onderpooten bevinden, omdat de haren, die zich daarop bevinden, ook waarde hebben.

Zoodra de pels is afgetrokken, wascht men de vleeschzijde met pekel en laat hem drogen. Is het niet om het haar, maar om den pels in zijn geheel te doen, dan spant men hem over een plank uit en nagelt de randen van den pels op de plank vast. Op deze wijze behandeld komen er tijdens het drogen geen plooien of vouwen in.

Men lost in een Liter kokend water 60 Gram aluin en 30 Gram gewoon zout op. Zoodra deze oplossing is afgekoeld bestrijkt men hiermede de vleeschzijde door middel van een kwast. In den zomer smeert men tweemaal, in den winter éénmaal in. Zijn de vellen droog, dan bewaart men ze, met de haarzijden op elkander gelegd, tot de tijd van aflevering daar is.

Heeft men voor eenmaal te veel soda-zout-oplossing, dan bewaart men deze in een goed gesloten flesch, tot men haar weer noodig heeft.

V. Ziekten.

Onder de konijnen heersclien veel ziekten, die voor 't grootste deel een gevolg zijn hiervan, dat de dieren in tam-men staat onder geheel andere omstandigheden leven dan in het wild. Voor een groot aantal dezer ziekten kan men de konijnen echter vrijwaren door ze goed te verplegen en met oordeel te voederen.

Daar de meeste ziekten overerfelijk zijn, is hot zaak zieke

ocr page 36

— 26 —

konijnen van gezonde te scheiden en in een afzonderlijk hok te behandelen. Wanneer het geen kostbare rasdieren zijn, doet men het best een dier, dat ernstig ziek is, af te maken. Men behoudt dan althans den pels. Alleen als het dier aan schurft of miltvuur gestorven is, moet men den pels mede begraven of verbranden. In geen geval mag het vleesch van een ziek konijn tot voedsel van mensch of dier dienen.

De meest voorkomende konijnenziekten zijn de volgende:

1. Oogziekten.

Jonge konijnen, die in vochtige, donkere hokken en op vochtig strooisel worden gehouden, lijden dikwijls aan ontsteking van het bindvlies der oogen. Deze is kenbaar aan het knippen en tranen der oogen, later door het aan elkander kleven der oogleden, tusschen welke dikke etter een uitweg zoekt. In het begin is deze ziekte gemakkelijk te genezen door de dieren in een droog en minder donker hok te plaatsen en de oogen eenige malen per dag met lauw water uit te wasschen. Is de ontsteking meer gevorderd, dan worden de dieren blind of ze gaan dood.

Soms kwetsen de konijnen elkander met hun scherpe nagels de oogen. Zijn deze inwendig beleedigd en gaan ze tranen, dan moet men het beleedigde oog dagelijks met lood-water wasschen. Ontstaat ettering, dan droppele men er 's morgens en 's avonds een weinig in van een oplossing, bestaande uit 0,05 Gram zinkvitriool en 25 Gram regenwater.

2. Tering. Tuberculose.

Deze ziekte komt vooral voor onder konijnrassen, wélke uit warme streken afkomstig zijn. In slecht geluchte of bedompte stallen kan zij echter dieren van allo rassen aantasten. Wordt

ocr page 37

— 27 —

met de zieke dieren voortgeteeld, dan breidt zij zich uit, temeer, omdat de ziekte in lichten graad niet herkenbaar is.

Daar de ziekte ongeneeslijk is, bepalen wij ons tot de opgave van de verschijnselen, waardoor zij zich kenmerkt. Allereerst wijzen wij er op, dat de vorming van tuberkels zich niet tot de longen bepaalt, maar ook in het darmkanaal en de hersenen plaats heeft, hoewel de long het orgaan is, waarin die vorming het eerst plaats grijpt. Aandoening van het strottenhoofd, de luchtpijp en haar vertakkingen duiden het begin der tuberculose aan. De dieren hebben eerst een • korten, drogen en rauwen hoest. Later wordt daarbij door mond en neus slijm te voorschijn gebracht. De ademhaling wordt belemmerd en gaat met inspanning gepaard, terwijl de eetlust afneemt. De dieren krijgen doorloop, een bewijs dat ook de slijmhuid van het darmkanaal is aangedaan. De dieren vermageren, worden krachteloos en sterven. De nakomelingen van een aan tering gestorven moêr of rammelaar mogen volstrekt niet voor de teelt worden aangehouden.

3. Bleekzucht.

Deze ziekte bestaat in een afwijkende samenstelling van het bloed. De hoeveelheid vloeibare bestanddeelen hiervan is te groot, terwijl die der vaste bestanddeelen te klein is. Vooral van ijzer en vezelstof is te weinig aanwezig.

Gebrek aan lucht, slecht voeder en te vroeg gebruiken voor de fokkerij zijn dikwijls de oorzaken van deze ziekte.

De kenteekenen van bleekzucht zijn: kleurloosheid der slijmhuid van den bek, verminderde eetlust, onregelmatigheden in de spijsvertering, lage lichaamstemperatuur en waterzucht.

De ziekte kan genezen worden door de dieren in een zindelijk, luchtig hok te plaatsen en ze beter voeder te geven,

ocr page 38

— 28 —

in hoofdzaak bestaande uit graan on good hooi. Het nu en dan voederen van jonge dennenscheuten en het toedienen \an eenige droppels van een 5 procents ijzer vitriooloplossing is aan te bevelen.

4. Doorloop.

Deze kwaal kan ontstaan door 't gebruik van veel nat of groenvoeder en van bevroren wortelgewassen. Wij wezen er reeds op, dat zoogende moeren in de eerste week na het jongen volstrekt geen groenvoeder of wortels moeten vreten. Doen zij dit wel, dan krijgen ook de jongen doorloop. Als geneesmiddel geve men johannisbrood of een stijve meelbrij. Men moet hiermede niet wachten tot de doorloop in echten buikloop of roeden loop overgaat, want dan baten geneesmiddelen meestal niet meer.

5. Gortiglieid. Lintworm.

Wanneer zich in het lichaam van een konijn blaaswormen bevinden, dan noemt men het gortig. De blaasworm is een lintworm in zijn eersten ontwikkelingstoestand. Hij ontstaat uit het ei van den lintworm. Blaasworm en lintworm ontwikkelen zich niet in het lichaam van hetzelfde dier. Do blaasworm 'van het varken bijv. kan zich alleen tot een lintworm ontwikkelen, als hij in hot lichaam van een mensch aanlandt. Komen de met een groot aantal rijpe eieren gevulde leden van een lintworm uit het lichaam en landen zij daarna met het voedsel in het lichaam van een passend dier, dan komen de eieren tot ontwikkeling. ' De met haakjes gewapende blaaswormpjes boren zich door den wand van het darmkanaal en ontwikkelen zich dan verder in het spiervleesch. Do blaasworm krijgt zuignappen en een hakenkrans. De

ocr page 39

— 29 —

blaasvvorm blijft in het gortige dier tot dit sterft. Wordt het gortige dier door een ander dier opgegeten, zoodat de blaas-wormen in dit andere dier terecht komen, dan kunnen zich hierin uit de blaaswormen lintwormen ontwikkelen. Wij zeggen: kunnen zich ontwikkelen, omdat dit alleen plaats heeft, als de blaaswormen in het daartoe voorbeschikte dier terecht komen. De blaasworm van het konijn is 14 millimeter lang en byna half zoo breed.

Een lintworm bestaat, zooals de lezer weet, uit talrijke leden. Ieder lid moet beschouwd worden als een dier op zichzelf, hetwelk mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen bezit. Is een lid »rijpquot; geworden, dan laat het van de andere leden los en verlaat het met do uitwerpselen het lichaam.

De blaaswormen van het konijn en den haas worden »erwten-vormige blaaswormenquot; genoemd. Zij komen uit de eieren van een in den hond levenden lintworm, die gezaagde lintworm heet.

De hond, waarin een lintworm huist, raakt met zijn uitwerpselen voortdurend rijpe leden kwijt. Komen de hierin aanwezige eieren met het voedsel in het lichaam van konijn of haas, dan ontwikkelen zich in zijn lichaam de eieren tot blaaswormen; het konijn of de haas wordt gortig. Wordt later het vleesch van dit dier door een hond opgegeten, dan krijgt deze lintwormen.

Bij levende konijnen kan de aanwezigheid van blaaswormen niet waargenomen worden. In geslachte konijnen vertoonen zij zich als langronde, geelachtig witte, veerkrachtige lichaampjes van de grootte eener erwt. Boren zich veel blaaswormen dooiden wand der darmen, dan kan darmontsteking ontstaan. Vestigen zich een groot aantal blaaswormen in de lever, dan ontstaat leverontsteking en geelzucht. Er is tot heden geen

ocr page 40

— 30 —

middel bekend om de blaaswormen in het konijn te vernietigen, zonder dit te dooden.

In het darmkanaal van het konijn leeft ook wel een lintworm. Men weet nog niet met zekerheid in het lichaam van welk dier de blaaswormen van dezen lintworm gezocht moet worden.

Heeft een konijn een lintworm, dan vindt men hiervan nu en dan de rijpe leden bij de uitwerpselen. Om hem te verwijderen laat men het konijn van 's middags tot den morgen van den volgenden dag zonder voedsel. Dan geeft men het een mengsel in van 2,/j Gram kousso op 2 eetlepels water en wel in twee keeren met een tusschenruimte van twee uren. Komt de lintworm niet spoedig met de uitwerpselen mede, dan geeft men Va theelepel wonderolie. Men moet onderzoeken of ook de speldeknopvormigen kop van den lintworm al of niet mede komt. Blijft hij terug, dan moet de kuur na eenige dagen herhaald worden. Na de kuur moet het dier overvloedig met brood, haver en melk gevoed worden.

De lintworm eigent zich een deel van de voedende be-standdeelen in het voeder van het konijn toe; daarom is hij een zeer schadelijk woekerdier.

6. Geel- en waterzucht.

Deze zijn niet als eigenlijke ziekten te beschouwen, maar als gevolg van ziekten. De oorzaken van geel- en waterzucht zijn talrijk. Geelzucht ontstaat steeds, als de gal niet behoorlijk uit het bloed wordt afgezonderd. Leverziekten en verstopping der galbuisjes zijn de meest voorkomende oorzaken van de geelzucht. Het wit der oogen en (bij witte konijnen) de huid zijn dan geel van kleur. De uitwerpselen zijn niet meer donker, maar lichtgekleurd, terwijl de urine donkergeel en zelfs zwart is.

ocr page 41

— 31 —

Als geneesmiddel geve men do bladeren van den leeuwentand.

Ziekten der hersenen, longen, lever en nieren hebben gewoonlijk waterzucht ten gevolge. Ook kan deze haar oorzaak vinden in langdurige bleekzucht, zooals reeds op bladz. 27 is opgemerkt. Buikwaterzucht is kenbaar aan een opgeblazen romp. Legt men do vlakke hand op de eene en trommelt men de vingers op de andere buikzijde, dan voelt en hoort men duidelijk het kloeken van het water in den buik. Bij huidwaterzucht laat een vingerdruk in de huid een kuiltje na, dat slechts langzamerhand verdwijnt. Het waterzuchtige konijn loost weinig urine. De vaste uitwerpselen zijn nu eens zeer vochtig, dan weder hard. Als geneesmiddel wordt aanbevolen een mengsel van peterseliewortel of peterseliezaad met havermeel. Dit middel helpt echter niet meer, als de ziekte groote vorderingen heeft gemaakt.

7. Oregarinose.

De gregarinen, welke deze ziekte veroorzaken, behooren tot de minst ontwikkelde dieren. Zij leven in de slijmhuid, de spieren en de inwendige organen van verschillende dieren. Over 't algemeen zijn zij rond en slangvormig.

Bij konijnen huizen deze woekerdieren vooral in de slijmhuid van het darmkanaal, de oogen, en den neus en in de lever. Konijnen, welke aan deze ziekte lijden, vermageren snel, vreten weinig, ademen sneller dan gewoonlijk en sterven spoedig onder stuiptrekkingen. Soms, doch niet altijd, hoesten zij.

Meestal schijnen de dieren tot kort voor den dood volkomen gezond. Onverwacht ziet men ze stil in een hoek van het hok zitten met gebogen rug en opgezet lichaam. Dikwijls tuimelen zij, als zij trachten te loopen, omver. Eindelijk sterven zij onder hevige krampen. Is ook de slijmhuid van den neus

ocr page 42

— 32 —

en de oogen door de woekerdieren aangetast, dan ontstaat een sterke slijm vloeiing uit den neus en den bek. Het bind-vlies van het oog is gezwollen en met dik, geel slijm bedekt. De oogleden kleven aan elkander.

De kiemen der bedoelde woekerdieren komen met het voedsel in het lichaam van het konijn. Hoogstwaarschijnlijk is de daaruit ontstane ziekte besmettelijk.

quot;Wanneer deze ziekte niet met doorloop gepaard gaat en de dieren nog vreten, kan men ze een poeder ingeven, bestaande uit gelijke deelen zwavelbloem en glauberzout. Men geeft niet meer dan een theelepel per dag en vermengd dit met het gewone voeder. Is reeds doorloop ingetreden, dan geeft men een aftreksel van wilgenbast met carbolzuur. Men kookt 1 Gram wilgenbast l/3 uur lang met 100 Gram water, waarna het afkooksel doorgezegen wordt. Ieder ziek konijn krijgt hiervan éénmaal per dag een theelepel met 1 a 2 droppels carbolzuur. Bovendien worden de neusgaten en de oogen eenmaal daags gepenseeld met een oplossing van 1 deel carbolzuur op 150 deelen water.

De gregarinose komt het meest voor in onreine, bedompte, vochtige hokken. Om dus het optreden dezer ziekte zooveel mogelijk te voorkomen, plaatse men de dieren in zuivere, luchtige, droge hokken en geve men ze zuiver voeder. Éénmaal in 't jaar reinigt men de hokken met een oplossing van 1 deel carbolzuur op 20 deelen water. De aan de bovenbedoelde ziekte gestorven konijnen moet men verbranden of zeer diep begraven.

De konijnen erven gregarinose dikwijls van kippen over.

ocr page 43

8, Huidziekten.

a. Schurft.

Deze wordt veroorzaakt door een met liet bloote oog niet te onderkennen mijt, die zich in do opperhuid inboort en daaronder gangen maakt, waarin zij haar voedsel zoekt en haar eieren legt. Hierdoor wordt een hevige jeukte veroorzaakt, welke de dieren dwingt zich op de aangetaste plaatsen te schuren en te krabben. Dientengevolge ontstaan op de huid kale plekken, waarop al spoedig een kleverige vloeistof wordt uitgescheiden en zich roven of korsten vormen. De schurft treedt het eerst op aan de binnenvlakte der oorschelpen, de lippen, den staart en de oogen. Van hieruit verbreidt zij zich over het geheele lichaam. Heeft de schurft zich reeds over een groot gedeelte van het lichaam verbreid, dan is de genezing uiterst moeielijk, terwijl zij in 't begin gemakkelijk overwonnen wordt. Men wascht de schurftige plekken met een lauwwarme zeepoplossing door middel van een zachten borstel, waardoor de korsten verwijderd worden. Daarna bestrijkt men ze tweemaal daags met Peru-balsem of een oplossing van 1 Gram carbolzuur in 25 Gram lijnolie. De schurft is in hooge mate besmettelijk. De hokken der doode, zieke of genezen dieren moeten met een oplossing van 5 % carbol in witkalk bestreken worden, nadat ze goed met een sterke soda-oplossing zijn uitgeschrobt.

b. Pokken.

Het uitbreken der pokken wordt door bepaalde verschijnselen voorafgegaan, zooals verminderden eetlust, verhoogde lichaamswarmte, drogen neus en verstopping. Het dier is lusteloos en zit treurig en ineengedoken in een hoekje van

3.

,,Het Konijn''.

ocr page 44

— 34 —

het hok. Spoedig ontwikkelt zich op de minder behaarde plaatsen uitslag in den vorm van kleine knobbeltjes, welke na eenige dagen in blaasjes en daarna in zweren overgaan. Deze zijn eerst met een waterige, kleverige vloeistof (lymphe), doch later met etter gevuld. Is een pok rijp, dan wordt zij plat en gaat zij over in een bruinachtige roof of korst. In slecht geluchte, bedompte en onzuivere hokken neemt de ziekte licht een kwaadaardig karakter aan en sterven de dieren spoedig. Bij de behandeling komt het er op aan de dieren zuivere lucht te verschaffen en ze te voederen met wortels en gras of klaver. Vooral versch drinkwater mag niet vergeten worden. Na het uitroeien der ziekte moeten de hokken met chloorkalk of een oplossing van 5 0/0 carbol in kalk ontsmet worden. De mest, zoowel als de gestorven dieren, moeten met ongebluschte kalk behandeld en diep begraven worden. Als voorbehoedmiddel wordt wel aanbevolen het enten der gezonde dieren. Dit moet dan plaats hebben aan de binnenvlakte der dijen.

9. Verkoudheid.

Deze ziekte komt vooral vooral voor bij jonge konijnen en is een gevolg van koude, nat en tocht. Ze is gewoonlijk niet gevaarlijk. Ze openbaart zich door herhaald niezen, treinende oogen en het vloeien van vocht uit den neus. Doet de ziekte de slijmhuid der luchtpijp aan, dan moeten de aangetaste dieren ook hoesten. Men voedere de dieren slechts matig en zorge, dat het hok droog, vrij warm en tochtvrij zij.

10. Het ongans

wordt veroorzaakt door de zoogenaamde leverbot. De ontwikkeling van dit woekerdier is nog niet volkomen be-

ocr page 45

— 35 —

kond. Hot staat evenwel vast, dat uit de eieren van de leverbot op vochtige plaatsen of in het water larven ontstaan, welke, nadat zij een tijdlang in het lichaam van andere dieren, zooals slakken, insecten, onz. gehuisd hebben, waarbij zij verschillende gedaanteverwisselingen ondergaan, met deze dieren of gedeelten daarvan in het lichaam van andere dieren geraken, waarin zij zich volkomen ontwikkelen en weder eieren voortbrengen. De leverbot bevindt zich in de gal-buisjes der lever van hazen, konijnen, herten, schapen, enz. en veroorzaakt een ziekte welke ongans heet. L)e leverbot bereikt een lengte van 31 millimeter en heeft een langrond, bladvormig lichaam, waaraan duidelijk een dunnen hals met knopvormigen kop te onderscheiden is. De laatste bezit zuignappen. Zijn er veel leverbotten in de galwegen, dan veroorzaken zij eerst storingen in de spijsvertering en vermagering, later geel- en waterzucht. Hieraan sterven de dieren spoedig. Vooral konijnen, die gevoederd worden met groene gewassen, welke op natte weiden of in slooten gegroeid zijn, nemen daarmede de larven der leverbot licht op. Als voorbehoedmiddel beveelt men wel aan het voederen van lupinenzaad.

11. Miltvuur.

Konijnen worden evengoed door deze gevreesde ziekte aangetast als menschen, herkauwende dieren, paarden en varkens. Ze ontstaat, als de sporen of kiemen van een bepaalde splijtzwam (bacterie) met het voeder, door den steek van een insect of op andere wijze in den bloedsomloop geraken, waar deze sporen of kiemen zich alras tot bacteriën ontwikkelen, welke zich ontzettend snel vermenigvuldigen. De fijnste bloedvaten raken verstopt en het bloed ondergaat veranderingen, die spoedig den dood ten gevolge hebben. Bij het konijn duurt de

ocr page 46

— 36 —

ziekte soms slechts 5 a 10 minuten, op zijn langst 4 uren. Ze kenmerkt zich door rilling, krampachtige ademhaling, sidderen en beven, krampen en stuiptrekkingen. Op de laatste volgt de dood door verlamming Daarbij komt schuim op den bek, de oogen puilen uit de kassen en vaste uitwerpselen en urine vloeien weg. Het lichaam van het doode dier ontbindt spoedig; het donkere, bijna zwarte bloed stolt niet. Het doode dier, het strooisel daarvan en de uitwerpselen, kortom al wat van het dier afkomstig of hiermede in aanraking geweest is, moet met petroleum overgoten en verbrand worden, want het miltvuur is in hoogen graad besmettelijk. Geneesmiddelen zijn niet bekend. Hij, die zich met het verwijderen van het dier en de besmette voorwerpen belast heeft, moet de handen reinigen in een 5-procents carbolznuroplossing. Het hok moet uitgeschrobd worden met warme soda-oplossing en daarna gewit met kalk waarin 5 quot;/» carbolzuur of 5 quot;/0 zoutzuur en 10 0/0 chloorkalk.

12. Speekselvloed.

Deze ziekte komt het meest voor onder jonge konijnen en wordt waarschijnlijk veroorzaakt door ontsteking van de slijm-huid van den bek, waardoor de speekselklieren tot grootere werkzaamheid geprikkeld worden. Voortdurend vloeit speeksel uit den mond; het kleeft aan de haren en doet de huid opengaan, zoodat de haren na eenigen tijd uitvallen. Men steekt de zieke dieren met den snuit in een lauwwarme oplossing van 4 Gram Kali-chloricum in 100 Gram water. Men doet dit gedurende 48 uren viermaal. In den regel zijn de dieren dan genezen. Het verdient aanbeveling den bek ook van binnen met bovengenoemde oplossing te penseelen.

ocr page 47

— 37 —

13. Trommelzucht.

Zijn konijnen langen tijd met droog voeder onderhonden en krijgen zij zonder geleidelijken overgang veel gras of klaver, dan eten zij hiervan te veel. De maag kan het dan niet voldoende verwerken. Het voeder begint te ontleden en ontwikkelt een groote hoeveelheid gassen. Hierdoor worden de maag en de darmen als 't ware opgeblazen. Wanneer de gassen niet naar buiten kunnen ontsnappen, komt er een scheur in 't darmkanaal, waarna de dieren spoédig bezwijken. Soms treedt van te voren verlamming in. Het geheele lichaam der zieke dieren wordt in korten tijd, veel sneller dan bij waterzucht, als een blaas gespannen. Men jage de zieke dieren buiten het hok heen en weder, zoodat zij beweging nemen en geve ze daarna een warmen drank van melk, waarin pepermuntbiaderen zijn gekookt. Men doet echter in de meeste gevallen het best de dieren spoedig te slachten, want hun vleesch en pels zijn bruikbaar.

VI. C ij f e r s.

Op het Landbouwcongres in 1878 te Parijs gehouden zei een deskundig afgevaardigde: »Mcn mag aan de konijnenteelt veel gewicht hechten, want het konijn is een dier, dat bij uitnemendheid geschikt is de arbeidende klasse tot een doelmatig en goedkoop en krachtig voedsel te dienenquot;.

In 1866 waren in Oost- en West-Vlaanderen (België) bijna een millioen konijnen. De konijnenhandel is daar van vee! beteekenis, want alleen op de markt te Ostende werden in

ocr page 48

— 38 —

sommige jaren zelfs 300,000 konijnen voor deu uitvoer naar Londen verkocht, waar elke week stellig een half millioen opgegeten worden.

Frankrijk fokt jaarlijks bijna 100 millioen konijnen. Parijs alleen heeft jaarlijks 3 millioen konijnen noodig. Lord Mal-mesbury deelde in 1872 in het Hoogerhuis mede, dat in Engeland jaarlijks O'/j millioen kilo konijnenvleesch wordt verorberd. Een enkele bontwerker in Engeland verwerkt jaarlijks 30 millioen konijnenvellen. Menige dame, die wat in haar schik is met haar mantel van zoogenaamd hermelijn of sabelbont, draagt slechts konijnenvelletjes.

In Frankrijk en België worden de konijnen op den leeftijd van 4 il 6 maanden geslacht. De poeliers verkoopen het beste vleesch voor 72 a 96 cent per kilo.

Ook in Duitschland en Oostenrijk zijn groote konijnenfokkerijen. Op de Wereld-tentoonstelling te Weenen werd het bewijs geleverd, dat het konijnenhaar niet alleen geschikt is om er hoeden en vilt van te maken, in welk opzicht het zelfs de voorkeur boven hazenhaar verdient, maar dat het ook gesponnen en geweven kan worden en dus een sterke, doch zachte stof levert, welke voor die uit schapenwol van gemiddelde kwaliteit niet onderdoet.

Het konijnenvleesch heeft minstens evenveel voedingswaarde als kippen- en schapenvleesch. Het beste vleesch bevat 75% water en 25% vaste stoffen. Voor vetvrij ossenvleesch zijn die getallen 72% en 28%, voor kippenvleesch 77% en 23%.

Wordt het konijn oordeelkundig gevoed, dan is zijn vleesch volstrekt niet zacht of walgelijk zoet.

Is er met de konijnenfokkerij geld te verdienen?

Ter beantwoording dezer vraag diene hot volgende:

ocr page 49

— '39 -

Dr. Weiske nam daaromtrent in 1874 aan hot proefstation te Proskau zeer zorgvuldige proeven. Hij gebruikte daarvoor 2 Franseho en 4 Duitsche konijnen in vier groepen. De dieren werden gekocht op den leeftijd van 5 weken en werden gedurende 155 dagen gevoederd. Deze proefdieren slachtten gemiddeld 28 procent af. De Duitsche konijnen waren het meest in gewicht toegenomen, ieder 4 kilo, terwijl een Fransch konijn, slechts 2,8 kilo in gewicht was gestegen.

In verband met de prijzen van het voeder kostte liet beste konijn per kilo levend 16,8 en schoon 30 cent. De voeder-kosten bedroegen per dag en per stuk gemiddeld 1 cent.

Een andere fokker beweert, dat de voederkosten per dag slechts y., cent bedragen; hij rekent dan 50 kilo aardappelen op f 1,20 en 50 K.G. mangelwortels op f 0,60. In den winter voedeit hij per dag en per stuk ongeveer 100 Gram gekookte aardappels en 200 Gram mangelwortels met een weinig stroo of hooi en nu en dan een weinig graan.

In den tijd van het groen voeder bedragen de kosten minder dan 7S cent per dag, zegt hij. Het strooisel wordt ruim betaald door den mest. Zijn leporiden, Afrikaansche en gekruiste konijnen wegen op den leeftijd van 10 maanden steeds meer dan 5 kilo. Het kilo levend gewicht komt hem dan te staan op 18 cent.

Een groot grondbezitter deelde mede, dat het hooi, aan schapen gevoederd, hem f 1,20, doch aan konijnen gegeven hem f 2,52 per 50 kilo opbracht.

Een geslacht konijn kan zelfs in den zomer eenige dagen in zijn pels bewaard worden, mits het op een luchtige plaats hangt en van de ingewanden ontdaan is.

— VljVO

ocr page 50

INHOUD.

Bladz.

!. Natuurlijke geschiedenis van het wilde en het tamme ^

konijn • • • quot; ' 6

II. Rassen en kruisingen ■ ■ • ^

III. 13e konijnenstal . • • ^

IV. Teelt en voedering. • • 25

V. Ziekten • • ' ' ' .37

VI. Cijfers .

ocr page 51
ocr page 52

1 K H C) Ü D.

Bladz.

] .....................e—V„ « «nlte e» « ........3

konijn • ■ quot; ' (5

II. Rassen en knusingen ■ • ,11

III. De konijnenstal • .17

IV. Teelt en voedering. • •

V. Ziekten • • ' ' 3

VI. Ci;

ocr page 53

D. SPOOE, Bodegraven,

Fabrikant van Knipwerk met ronde kimmen voor Zuivelbereiding. Karns voor stoom-, paarde-, honde- en handkracht. Kaaskuipen en Kaasketels. Kaasvormen in alle soorten en afmetingen, benevens zeer doelmatige Centrifuges voor handkracht.

BEKRONINGEN:

Gouden Medaille: Bolsward 1889. Eerste prijzen: Woerden

1890, Dordrecht 1890, Dokktmi 1891 (ook voor Karns voor paardekracht). Leiden 1892, Alfen 1892, Nijmegen 1893, Gouda

1891, Arnhem 1895 (drie eerste prijzen). Zilveren Medaille:

Wereldtentoonstelling Antwerpen 1894, enz.

TRANSPORTKANNEN.

(HALS en KAP uit één stuk, dus zonder naden).

II^ellr^oelva/terL,

25oomtorLrLerL, ^dCells:-

emacners,

^v£ells:meeteir3,nQ.exs,

Tesxxiserx of Zeeftean»

Alles vervaardigd van STAALPLAAT en 3 maal in volbad vertind.

(Prima kwaliteit. (Billijks prijzen,

JBerk Sf jZOON,

K A. M I?U N.

Stoomfabrieken van vertinde en geëmailleerde Ijzerwaren.

ocr page 54

Diverse kleine benoodiglioden voor

II LtlUUUUUnblSl

Levering geschiedt veelal franco.

VeevoederketelB,

inhoud 45 $8 65 1$ 85 100 lt;35 'ISO_200 Liter.

f7,10 18,60 f9,60 f40,50 fM,50 f42,75 M4,95 f46,75 f21,— Met kraan f 3,— a f 3,50 verhef ging.

gew. kwalit. 50 400__450_*00_^250_300 _400--500 Kquot;.

f fi — f 6,75 f 7,50 f 8,25 f 9,— f 9,73 f 12,— f iö,—

prima -12,— - 44,50 - 16,--47,— - 49,75 - 22,50 - 25,--30,—

Douglaspompen, No. 4 2 3 _4-5 —6

f5 50 f6,23 f7,—f8.— f9.25 f41,— Iioodenbuis, voor dito k f4,20 f4.30 f 1.40 f1,50 f4.65 f4,75 per Meter. ' Voorts: POMPEN, van af f 4,—

Stroosnymessen, prima kwaliteit,. C D G_

per stuk f 4,25 f 1.35

Alle andèfe modellen verkrijgbaar.

Stormlantaarns, Amerikaansche, van af f 0,80 tot f 2,25. Af heiningdraad, 4 draads f41 Pquot; ^ KG-Stalen Puntdraad, f 45,30 per 100 KG.

Krammen voor dito f0,20 per 400 stuks. t .

M™, .5.« tj« Üt;. JSI|

quot; 2 quot; -oioJ -0,06 -0,09 -0,42 -0,15 -0,18 ) S Bij halve rollen of gedeelten 40 pCt hooger. ^ KRAMMETJES voor dit vlechtwerk a f 0.40 per KG. — ± 4400 stuks. Malk-Meetemmers, vertinde stalen f 1,80. f 4,—

Thermometers, van af f 0,5U. , «/» «,,„u ti an

anikarbieten-Riököö met steel, Stands f 4,60, Btamls »ji°0. Suikarbieten-Iiiohters, met 4 tree f0.49, met 2 trees fO,4S. Eng Sohapensoharan, f 0.90 en f 4,—. f .

Niéuw Amenkaaasch model f 1,80, f2,—, 13,50.

ntf Vnwt uitgebreide Prijscouranten. .

Firma J. C. MASSES amp; ZOON, Poes.

Stoom-Oiiesiagerij en zachte en harde Zeepziederij: ,, ü E O L 1F F B O O W.

BREDA. G. IH. HARMENS , BREDA..

LEVEREN:

zachte en harde Lijnkoek, Lijnmeel en Raapkoeken volgens de algemeene bepalingen der Rijks-Landbóuwproetstations.

ocr page 55
ocr page 56