rijksuniversiteit utrecht
quot;.D. iTPerHr
iC *ro
VERKLAREKD ZAKWOORDENBOEKJE
DER MDERLANDSCHE TAAL,
BEVATTENDE DE BETEEKENIS, DE SPELLING, HET MEERVOUD, HET ACCENT EN HET GESLACHT VAN EIGEN EN VREEMDE WOORDEN,
zoomkdk i:i:xi: i.i.ist van vkkkoktixckn ,
ex ken aan11angskjgt; .met twee l.i.istex vax weuk-woordex in 1h n jjeteekenis en vervoeging,
TEN DIENSTE VAX (lEVOIIÃEIIÃE LEEI1LINCEX EX VAX KIVKEKEUXUEN,
M. J. KOENEN.
NEGENTIENDE DRUK,
ÃE GKONINGESf BIJ J. 1!. WOLTERS. 1898.
Aan dezen herdruk is veel arbeid en zorg besteed. Zoo is de Woordenschat, die tot dusverre nagenoeg 5100 titelwoorden beliep, met ruim 1/3 of met 1800 woorden vermeerderd. Ook zijn de meervoudsvormen nu algemeen opgegeven. Verder werden bijvoeglijke mv. en andere rededeelen, wier spelling of beteekenis moeielijkheid kan opleveren, en die in vorige drukken het Allerlei vormden, in de lijst zelve opgenomen, en bij menig bijv. nw. of bijw. werd een ophelderend voorbeeld gegeven. De wateren van Nederland en vele buitenlandsche stroomen kregen mede in alphabetische orde een plaats; bij de eerste werd nog meer in het kleine afgedaald en is bv. de provincie vermeld, waartoe zij behooren; bij de tweede werd het land of de landen, waardoor zij stroomen, in 't kort aangeduid.
Tot gemak van den gebruiker zijn de Werkwoorden in twee alphabetische lijsten in een Aanhang/iel bijeengevoegd; de eerste lijst bevat ongeveer 600 werkwoorden, die om beteekenis of spelling de aandacht verdienen; de tweede telt ruim 160 werkwoorden, zoowel zwakke als sterke, met hun beteekenis en hun hoofdvormen.
Door een cursieve letter word in de titelwoorden de aandacht gevestigd op eigenaardigheden of moeielijkheden van spelling, zie bv. Aambei, Aamborstig, Abrikozeboom, Abrikozenhoul. Adellijk, enz.
quot;Van harte hoop ik, dat het werkje aan degelijkheid en bruikbaarheid moge gewonnen hebben.
M. ,1. KOENEN.
INLEIDING.
GESLACHT DER ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN. (enkele opmerkingen).
Mannelijk zijn:
1. De namen van mannen en van mannelijke dieren.
boomen, {linde, v.: laniarindc, v.; banaan, V.) bewerkte steenen.
bergen.
munten, {daalder, m.; stuiver, m.: dubbeltje
enz. o.-).
zaken, op -aar, -aard, -erd.
zaken op -em, -lm, -rm, [scherm, o,; uni form, v.; helm (plant) v.; palm (derhand, kruid, lengtemaat), v.].
zaken op -ing en -ling.
werktuigen op -el en -er, {griffel, schoffel,
ladder, v.).
vaartuigen op -er.
vruchten op -oen en -ling.
12. De woorden op -dom, die niet onzijdig zijn.
Vrouwelijk zijn:
De namen van vrouwen en van vrouwelijke dieren. -⢠» » » Stoffen, die niet onzijdig zijn, (azijn, honig, inkt, mosterd, room, wijn, m.).
3. » » »
4. » » »
5. » D »
6. » » »
7. » » »
8. » » » 9. » » »
tO. » » »
li. » » »
3. Dc namen van bloemen en vruchten, (zie Mannel. 11).
4. » » » vaartuigen, (die niet op -er uitgaan).
5. » » d letters en cijfers.
C. » » » muzieknoten en intervallen.
7. » « » muziekinstrumenten, (doede(:aA-,m;/(O)'e», m;
triangel, m.).
8. fie zelfst. nw, eindigende op -e en -de, {vrede, m.)
'J. » » » » -held en -nis.
10. » i) » » -ing en -st, afgeleid van werk
woorden, (dienst, m.; last, m.) 1*1. » » » » -schap, die niet onzijdig zijn.
12. » » » » -age, -ij, el,-Ie,-lek.-telt,-uw.
Men weet meestal, of een zelfstandig naamw. onzijdig is, men beproeft, of er in het enkelvoud het lidwoord het bij past. De onzijdige zelfst. nw. bevat dit boek je dan ook niet alle, alleen die, waarbij uit een oogpunt van spelling of beteekenis iets op te merken valt. Ook die onzijdige zelfst. nw., waarvan het geslacht twijfelachtig is, bv. bosschage, concilie, evangelie, personage.
Samengestelde zelfst. nw. hebben in den regel het geslacht van het laatste lid; afwijkingen als hrekespel, lachebek, platvoet, roodheid, slokop, steiloor, iveetniet, zotskop, die gemeenslachtig zijn, werden opgenomen, evenzoo woorden als: eereprijs, slangenwortel , wolfsklauw, enz. die als plantnamen vrouwelijk zijn, verder ook: oogenblik, roodvonk, vierkant, voorschoot, zeskant, die onzijdig zijn.
Kvenzoo zijn de uitzonderingen: kerkhof en tijdstip opgenomen.
Abdij' (kloon Ier), v.; a li dij en.
Abdis', v.; abdissen. Zie Abt. MeeV(ivittepopulier), m.; abeelen. Abonnement' {inteekcning), o.; -en. Abonnent' (iideekenaur), m.; -en. Abrikoos' (boom), m.; (vrucht), v.;
ab i'i k o zen.
Abriko zeboom, m.; -boomen. Abriko,ze?2hout, o.
Abstrac'tie (verstrooidheid), v.; -s. Abt (kloostervoogd), m.; abten,
(vr. abdin, abdissen.)
Aca'cia (boom), m.; acasla's. Acade'mie (hoogeschool), v.; aca-
d e m i ë n , academie s.
Accent' (loon, klemtoon), o.; -e n. Accijns' (belasting), in.; act:ij nZen. Ac'cusatief (4e nvl.), m.; -tie ven. Ach terdocht (wantrouwen), v.; gmv. Achterhan'de, â lei, bn. â kleuren. Ach terhoede (van een leger), v.: -n. Ach terlader (geweer), m.; -s. Achteronder' (van een schip), O.; gmv. Achterwege, bw. Iets â laten. Achting, v.; gmv. â verdienen. Achtkant (achthoek), 0.; -en. Aconiet' (wolfswortel, gift plant), o. Acrobaat' (kunstenmaker), m.; -bat en.
Acteur' (looneelspeler), in.; acte u i-s. Actie (aandeel), v.; actiën, acties. Actri'ce (tooneelspeelsler), v.; -s. Ad'da (ri vier: Italië), v.
Adder (giftslangetje), v.; adders. Adel. rn.; gmv.
A delaar (roofvogel), m.; -s, -I aren. A delborst (cadet hij de marine), m. Adeldom, m.; gmv.
Adeiiijk, bn. Een â geslacht.
Adem. m.; gmv.
Ademtocht, m.; gmv.
Ader, aar, v.; aders; aren.
In den regel is het volle meervoud opgegeven; -s beteekent meervoud met r, â ).v. appel, -s; -en of -n = meerv. met en of n, b.v. boek, -en; lade, -n; 's = mv. met 's, b.v. sofa, -s; gmv. = geen meervoud; bn. = bijv. naamw.; bw. = bijwoord; vgw. = voegwoord.
N.-B. = Noord-Brabant; O. = Overijsel; D. = Drente: Kquot;. = Friesland; Gr. = . Oroningen, enz. N. = Noord: O. = Ãóst: Z. = Zuid; W. = West; O. I. = Oost-Indië; W. I. = West-Indië.
koenen , Zakwoordenboekje. i
A (rivier: N.-B., O., D. en O-r.), v. Aagt (aagtappel), v.; aagten. Aak (rivierschip), v.; aken.
Aaks, aakse, aks (slaghijI), v.; a a k-
s e n , aksen.
Aal (visch), m.; alen.
Aalbes, aal'bezie (vruchtje), v.; a a 1-
bessen, aalbeziën.
Aal moes (liefdegift), v.; -moezen. Aam (wijnvat = 1 '/2 quot; l..),o.; a in en. AaiJi'bei (gezwel), v.; aambeien. Aambor stig (kortademig), bn. Aanbeeld, aam'beeld, 0.; -en. Aan'dacht (oplettendheid; godsvrucht), v.; gmv.
Aan'drift (zucht, neiging), v.; gmv. Aan'gift, v.; -en.
Aan hang (partij), m.; gmv.
Aan'hef (begin), in.; gmv.
Aan'kleef, aankleve (aanhoorig-
heid), m.; grnv.
Aan leg (geschiktheid; hel aanleggen,
hel plan), m.; gmv.
Aanleiding (oorzaak), v. -en. Aanrecht (keukentafel), 0.: -en. Aan schijn (gelaat, aangezicht), 0.; Aan vang (begin), in.; grnv. [gmv. Aanvan kelijk (beginnend), bn. en bw.
Aanvoer, m.; -en. â van graan. Aan'was (het aangroeien), m.; -sen. Aanwen'sel (gewoonte), O.; -s. Aap((.lt;ier; teekenwerktuig),m.; a p e n. Aar (rivier: Zwitserland en Z.-Ii.), v. Aar (korenaar), v.; aren. Aar (ader), v.; aren; aartje.
Aard (karakter), m.; gmv.
Aard bei, aard'bezie, v.; -en, -ziën. Aarde (planeet; grond), v.; gmv. Aardglobe, v.; aardglobes.
Aard mannetje (kabouter), 0.; -s. [v. Abberdaan', labberdaanXrouieuisc/O,
ADIOIÃâALT.
()
|
Adi'ge {rivier: Tlnlië), v. Adjectief (bijvoeglijk naantw.), o.; adjectieven. Adjudant, m.; adjudanten. Admiraal' (y/oo/voof/rf). m.; -s. [-s. Admis'8ie-exa'men(lt;oetolt;in(/sea;.),o.; Ado'nis (pronker, wufl.jonrjmensch). m.; -sen. |-sen. Adres' (opschri /V, verzoekschrift), o.; Adressant' (schrijver van een adres), rn.; adressanten. Adspirant' (dinger naar een' post o I' graad), m.: adspiranten. Adspirant'-ingenieur'. m.; -s. Advent (de vier weken vóór Kerstmis), m. grav. Adverten tie {aankondiging in eene courant), v.; ad ver ten tien, advertenties. Advies' (raadgeving, naricht), o.; adviezen. Advocaat'(/jtóto')i m.; ad v oca ten. Af braak, v.; gmv. Af breuk (schade, nadeel), v.: gmv. Af'deeling (gedeelte), v.; -e n, a fd ce-Af'druk, m.;af d nikken, [lin kj e. Affai're (zaak), v.; affaires. Affodil'. affodille (grafbloem), v.; affodillen. Affront' (beleediging). 0.: -e n. [-e n. Affuit (onderstel van een kanon), v.; Af'gift. afgifte, v.; gmv. Afgod. m.; afgoden. Afgo disch, bn. en bw. Kene âe vereering. Iets â vereeren. Afgrijzen (walg), o.; gmv. Afgrond (bodemlooze diepte), m.; Afgunst, v.; gmv. [en. Afkeer (weerzin), m.; gmv. Aflaat (vergi/fenis), m.; aflaten. Afloop (einde), m.: -en. Afrit (het afrijden, afrij plaats), m. Afscheid, o ; gmv. Hij nam â. Afschuw (erge afkeer), m.: gmv. Afstand, m.; -en. [van lielgië. Afval (scheiding), rn.; gmv. De â Afval (het afgevallene), o.; gmv. â- van groente. Afvoer, m.; gmv. De â van water. Agaat' (edelsteen, bruin en geel gevlamd), m.; agaten; (de stof), o. Aga ten, bn. Een â armband. |
Ai. aai (luiaard,dier), m.; ai's, aai's. Agenda (zakboekje, almanak), v.; 's. Agent' (lasthebber; diender), rn.; agente n. A gio (opgeld), o.; gmv. Agita tie (spanning, ontsteltenis), v.; agitaties, agitatie n. Agurk', augurk' (zuurtje), v.; -en. Ahorn (eschdoorn), rn., ahornen. Ajuin' (ui), m.; -en. Akelei', akolei' (bloem), v.; -en. Aker (eikel, emmer), in.; -s. Akker, m.; -s. Akkoord' (overeenkomst; samenklank), o.: -e n. Akte (bewijsstuk), v.; akten. Alarm' (hevig rumoer), o.; gmv. Al batros (stormvogel), m.; -sen. Al bum. o.; alb n m s. Al cohol (wijngeest), m.; gmv. Al gebra (stelkunde), v.; gmv. Algebra ïsch, bn. Een âe oplossing. Alinea (nieuive regel), v.; alinea's. WV.OOf(slaapuertrekje),v.\ al k o ven. Alikruik (kleine zeeslak), v.; -en. Allee' (wandellaan), v.; alleeën. Allegorie' (zinnebeeldige voorstelling), v.; allegorieën. Allerlei', allerhan de, bn. Er zijn â visschen. Allerwe gen (overal), bw. Al leszins' (zeer, erg), bw. Alliantie (verbond) v.; -s, -tiën. Alliga tor (Amerik. krokodil), in.; alligators. [gmv. M\00\' (gehalte bv. van munten), o.; Alluviaal' (aangeslibd), bn. âale gronden. [gmv. Allu'vie (aanslibsel, aanspoelsel), v.; Al macht (de Godheid), v.; gmv. Almanak, tn.; almanakken. A'loë, lees: a'-loo-ee (plant), v.; a 1 o ë's. Aloe ta (rivier: Ear. Turkije), v. Alp (berg), m.; alpen. Alpen (gebergte), ra.; raeerv. Al phabet (het a. b. c.), o.; -ten. Alphabe'tisch, bn. In âe volgorde. Alree'de, alree' (reeds), bw. Al 'sem {bitter kruid), m.; gmv. Al taar (offertafel), o. Zie Au'taar. Alt (tweede zangstem), v.; -en. |
|
Altiians' {U-n minste), bw. Aluin' (Uubbelzonl), v.; gmv. Amandel {boom), m.; {vrucht), v.; amandels, amandelen. Amarant' {purperkleurige herfstbloem), v.; -e n. Amateur' {kunstvriend), m.; -s. Amazo ne {dame te paard), v.; -n. Amazo'nen-stroom(Wm er; /.A m.),m. Ambassadeur' {afgezant), m.; -s. Am ber {welriekende gom), m.: gmv. Ambi tie {lust, eergevoel), v.; gmv. Ambrozijn' {godenspijs), o.; gmv. Ambt {post, betrekking), o.; -en. Ambulance {veldhospitaal), v.; -s. Amech tig {aamborstig, moe), lm. A mer (rioier: N.-Ii.), rn. Amerij' {poos, oogenblikje), v.; -tje. Am'fioen {opium), o.; gmv. Ami ce {vriend, als aanspreking), m.; amices. Amnestie' {kwijtschelding van straf), v.; amnestieën, Amoe Dar'ja {rivier: Midd. Azië),\. Amphibie' {tweeslachtig dier), 0.: a rn p li ibieë n. Am'stel {rivier: N.-II.), m. Amusement {vermaak), O.; -en. Analogie' {overeenkomst), v.; analogieën. Ananas' {uitheemsche vrucht), v.; ananassen. [gmv. Anarchie' {regeeringloosheid), v.; Anatomie {ontleedkunde), v.: gmv. An derszins, (op andere wijze), bw. Andij vie {groente), v.; gmv. Aneirdo'te, v.; -s of -n. Anemoon (boschbloem), y.; anemonen. Angel {der bij; vischhoek), m.: -s. Angst, m.; angs te n. Anijs' {gewas, drank), m.: gmv. Anisette {drank, lilceur), v.; gmv. Anjelier' {bloem), v.: anjelieren. An jer {enkele anjelier), v.; a n j e rs. Annexatie {inlijving van grondgebied), v.; -ties, -t i ë n. Annon ce {aankondiging), v : -s. Ansjovis, v.; ansjovissen. Antipathie' {afkeer, weerzin), v.; a ii t i p a t li i eë n. Apostel {(jodsgezant), m.; -en. |
â RRESTATIE. 7 Aposto'lisch, bn. liet âc werk. Apotheek' {artsenijivinkel), v.; apo-the k e n. Appel (boomvrucht), m.; -s of -en. Appèl {beroep), o.; appèls. Ap pelaar {appelboom), m.; -s. Appetijt' {eetlust), tn.; gmv. April' (grasmaand), m.; gmv. Aquarel' {teekening in waterverf), v.; aquarellen. Ar {arrestee), v.; arren. Arabesk'{lofwerk),v.; arabesk en. Ar beid, m.; gmv. Arbiter {scheidsman); arbiters. Archief' {verzameling van /('/V('-vesten), o.; archieven. Ar chipel {eilandenzee), m.: -s. Architect {bouwmeester), m.; architecten. Archiva ris {bewaarder van het archief), m.: archivarissen. Arduin' {bewerkte hardsteen), m.; {stof), o.: gmv. [voetstuk. Ardui'nen {van arduin), bn. lien â Are {vlaktemaat, 100 M- of / DM-), Arend I roofvogel), m.; -o n. [v.; -n. Arg list {booze trek), v.; gmv. Ar gusoog {schej-p, spiedend oog), o. Arg waan {achterdocht), m : ginv. Aria {zangwijsje), v.; aria's. Aristocraat' {lid of voorstander van de regeering der aanzienlijken), m.: aristocraten. [men. Aristocra tisch, bn. Ken â voorko- Ark, Arke {vaartuig), v.; arken. Arkansas {rivier: N.-Am.), m. Arm. m.; armen. De â van een' mensch, de â van eene weegschaal, de â van eene gaskroon, de â van eene rivier, enz. Armoede, v.; gmv. Arm vol, m.; armen vol. Arn hemmer, zn. enbn. Ilij is eenâ. De â courant. Ar no {rivier: Italië), v. A ronskelk {bloem), m.-, -en. Ar'reslede, ar'reslee, v.; arresle-den, arresleeën. Arrest' {hechtenis), 0.; -en. Arrestant' {gevangene), m.; -en. Arrestatie {gevangenneming), v.; a r r e s t a't i e s, a r r e s t a't i ö n. |
1*
ARRONDISSEMENTâ1
8
â BALANS.
|
Arrondissement' {deel van een provincie, van een district), o.; -en. Arsenaal' (wapenmagazijn), o.; arsenalen. Arse nicum {ratlenkndl), o.; gmv. Arti kel (koopwaar),o. ;ai ti kei e n, artikels. Arti kel (lidwoord; nummer eencr wel), o.; artikelen, artikels. Artillerie' (grof geschut; afdeeling van '1 leger), v.; gmv. Artillerist' (kanonnier), m.; -en. Artisjok' (distelplant), v.; ken. Artist'. artiest'(fcimstenaar, zanger, enz.), m.; art is ten. gt; Arts (geneesheer), m.; artsen. Artsenij' (geneesmiddel, kruiderij), ; artse n ij e n. As (spil), v.; assen. De â der aarde. Asch (slof), v,; gmv. A sem (adem), m. gmv. Asper'ge (plant), v.; asperges. Ook: Sperge. As phalt (aardhars), o.; ginv. As'sohepoestertje, v. Assuradeur' (verzekeraar), m.; -s. Assuran'tie(verzekering), v.; assuranties, assurantiën. Aster (bloem), v.; asters. Asth'ma (kortademigheid), 0.; gmv. Astronoom' (sterrenkundige), m.; ast r on 0 m e n. Astronomie'(sfe/Tere/iMradc), v.; gmv. Astrono'misch,bn. -e waarnemingen. Baadje, o.; gmv. Op zijn âkrijgen. Baa\(wollenstof; zeeboezem), v.; -e n. Baai (raode wijn, tabak), v.; gmv. Baaierd (mengelklomp), m.; gmv. Zie Chaos. Baak (paal, ankerion), V.; baken. Baal (zak, pak), v.; balen. Baan (vlakke iveg, breedte eener stof), v.; banen. Baar (nieuweling, O. I.), m.; b a r e n. Baar (golf; staaf; berrie), v.; b a r e n. Baard, m.; baarde n. Baars (visch), m.; baarzen. Baat (voordeel, winst), v.; baten. Baat'zucht (eigen voordeel), V.; gmv. |
Asyl' (vrijplaats, verpleeghuis), o.; asylen. Een â voor hónden. Atelier' (werkplaats van een schilder), o.; ateliers, [zeeën), m. Atlantische Oceaan'(een dfj'were/rf- At'las (kaartenboek), m.; atlassen. Atlas (soort van satijn), o.; gmv. Atmosfeer' (dampkring), V.; atmosferen. [-tien. Attentie (oplettendheid), v.; -s, Attest'(getuigschrift),o.; attesten. Auctie (verkoop van boeken), v.; aucties, auction. Audien'tie (plechtig gehoor), v.; audienties, au dien tiën. Augurk' (vrucht), v.; -en. Zie Agurk. Augus'tus (oogstmaand), m. Au'taar, altaar, o.; au t ar en, au-taars; altaren. Ook: altaar'. Auteur' (schrijver van een boek), m.; auteurs. Autoriteit' (overheid, gezag), v.; -e n. Avegaar' (groote boor), m.; avegaars, avegaren. Averij', haverij' (schade aan schepen of goederen), v.; -en. Avond, lees: a vend, m.; avonden. A'vondkout(ai'0«rfpraa(/e), m.; gmv. Avontuur'(/o(r/eua/),o.; avontu re n. Axio ma (stelling, die geen bewijs noodig heeft), o.; axioma's. Azijn', m.; gmv. Azu ren, bn. Het â hemelgewelf. Azuur', lazuur' (blauw des hemels), o. Bagage (reisgoed), V.; bagages. Bagatel' (kleinigheid), v.; -Ion. Bag ger (modder), v, ; gmv. Ba gno (gevangenis der galeislaven), o.; bagno's. Bajonet' (geweerdolk), v.; -ten. Bak, m.; bakken. Bak boord (linkerboord), o.: gmv. Ba'kelaar (laurierbezie), v.; -s. Baken, o.; bakens. Zie Baak. Bak'kerskil (rivier: N.-B.), v. Bak'kes(aanf/ez(c/i/),o.;bak k eSo n. Bal (rond lichaam, hol), m.; ballen. Bal (danspartij), 0.; bals. Balans'(euenaa)', weeg schaal),M-en. |
BALDADIGâBEERS.
9
|
Balda dig (ondeuyend), bn. Balein' (voorwerp, reepje), v.; baleinen; (slof), o. Balei nen (van balein), bn. Balg (huik, vel), m.; -en. Balie {kuip, hek), v.; balies, baliën. Baljuw {hoofdschout), m.; -en, -s. Balk, rn.; balken. Balkon', o.; -s, balkonnen. Bal last {slechte last), rn.; -en. Ballet' (dansspel), o.; balletten. üaWon' {luchthol, stolp), m.; b a 11 o n s. Ballotage {stemming, verkiezing), v.; ballotages. Ballustra'de (hekwerk), v.; ballu-s t r a d e n, b a 11 u s t r a d e s. Baloo'rig {wars, nijdig), bn. Een â kind ; een âe ezel. Balsem (welriekende zalf), m.; -s. Bam boes (wandelstok), m.; bamboezen; (slof, riet), o.; gmv. Ban (banvonnis), m. In den â doen. Banaan' (pisangboom, in O.-/.), v.; bananen. Band (voorwerp), m.; -en; (stof), o. Garen en â. Bandelier' (degenhanger), m.; -liers, -lieren. [1 en. Ban derol (gespleten vaan), v.; -ro 1- Bandiet' (roover), m.; bandieten. Banier' (vaandel), v.; banieren. Bank (zitbank; geldbank), v ; -en. Banket' (feestmaal-, fijn gebak), o.; ban k et te n. Bankier' (geldhandelaar), m.; -s. Bank noot (bankbiljet), v.; -noten. Bankroet' (bankbreuk), o.; -en. Bankroetier', in.; bankroetiers. Ban neling(f/abandcnc), m. en v.; -e n. Barak', brak (soldatenverbljf ), v.: b a r a k k e n. Barbeel' (riviervisch), m.; -b e e 1 e n. Bard (zanger bij de Galliërs), m.; b a r d e n. Baret' (hoofddeksel), v.; -ten. Ba riton (lichte-baszanger), m.; -s. Bark (schip), v.; -en. Barkas' (groole sloep), v.; barkassen. Barn steen {harsachtige gele stoj), 0. Barome ter (weerglas), tn.; -s. |
Baron' (vrijheer), m.; barons, baronnen; (vr. barones, -sen). Baronie' (vrije heerlijkheid), v.; baron ieë n. Barr\CBi'Ãe{slraatversperring),\.;-s, Barrière (slagboom; grens), v.; -s. Barsch (ruw), bn.; barse lier, barscht. Een â antwoord. Barschheid, v.; gmv. Barst, berst (scheur), m.; -en. Bas {baszanger), m.; bassen. Bas (muziekinstrument, baspartij), v.; bassen. Bascu le (weegbrug), v.; b a s c n 1 e s. Basis (grondlijn), v.; basissen, bases. De â van een driehoek. Bast (schors, schil), m.: -en. Bastion' (bolwerk, schans), o.; -s. Bataljon' (afdeeling infanterie), o.\ bataljons. Baviaan' (aap), m.; bavianen. Bazaar' (magazijn, winkel), m.; bazaars, bazar en. Bazuin' (zware bashoorn), V.; -en. Beamö'te. m.; -n. Bed desprei, v.; -spreien. Bedde7iwinkel, in.; -winkels. Bedding (rivierbed), v.; -en. Bede (gebed), v.; bede n. Bedehuis (kerk), o.; -huizen. Bedelarij' (gebedel), v.; gmv. Be destond(biduur), in.; -s ton den. Be devaart (pelgrimstocht), V.: -e n. Beding' (voorwaarde), o.; -en. Bedrag' (som, totaal), o.; -d ragen. Bedrijf' (beroep, handwerk), o.; bed rij ven. Bed'stede (legerstede), v.: -slede n. Bedompt' (benauwend), bn. Eenâe kamer. Beef'aal (sidderaal), m.: bee fa Ion. Beek (kleine rivier), v.; beken. Beeldhouwer, m.; -houwers. Beel tenis (portret), v.; -nissen. Beemd (laag weiland), m.; -en, Beem'ster (polder: A'.-Æ/.), v. | nen. Been (één der ledematen), o.-, bee-Bee-{rerschein-cnddier), m.; beren; (vr. berin, berinnen.) Beer (mann. varken; muurstut), m.; beeren. Beers, Beerse (rivier; N.-ü.), v. |
REESTâBIJGELOOVIG.
10
|
Beest, o.; -en. De â spelen. Beet (hap), m.; beten. Beet (suikerwortel), v.: bee ten. Begeer'te(ueWaHlt;jfen),\r.; b e ge e 11 o n. Begrafenis, v.; -sen. Behest', bn. Met een gebrek â. Behoefte, v.; behoeften. BehOU'denis(redrf)W3,(7(^»fc),v.;gmv. Bei'aard(A'to/iAef!speZ),in.: beiaards. Beide {alle twee), telw. â paaiden; de paarden â: wij heiden; uwe broeders beide. Beitel (werktuig), m.; beitels. Bek (muil), m.; bekken. Bekentenis, v.; bekentenissen. Beker, m.; bekers. Qek'ken (muziekinstrument,deel van hel geraamte), o.; -s. Bekkeneel' (/lersenpan), o.; -neelen. Bekomst (verzadiging), v.; gmv. Bel (.schel, klok), v.; bellen. Beleg' {insluiting eener vesting), o. Beleid' (overleg), o.; gmv. Belet' (verhindering), o. Is er ook â ? Beletsel (hindernis), o.; beletselen, beletsels. Belhamel (mannel. schaap; fig. voorvechter), m.; -s. Belijdenis {bekentenis) v.; gmv. Belladon na (rvolfkers,giftplant), v.; b e 11 a d o n n a's. Belofte, v.; -n. Belt (zeecngte\ Denemarken), v. Belvedère (schoon uitzicht), O.: -s. Beminlijk. beminnelijk (lief, aangenaam), bn. Een â karakter. Ben (mand, korf), v.; bennen. Benard' (slecht, treurig), bn. Ben de (troep, menigte), v ; benden. Bene pen (beklemd), bn. Ben'gel (kwajongen), rn.; bengels. Bent (vereeniging, club), v.; gmv. Beraad' (overleg, bespreking), o.; Beresi'naO'iiüVy.- rtuslan/i),v. [gmv. Berg, m.; berge n. Bergamot' (igt;eer), v.; -motten. Bei k (boom), m.: berken. Ber kemeier (drinkbeker), m.; -s. Ber'kel (rivier: Geld.), v. Berlijnsch-blauw, o.; gmv. Berm (hooge rand langs weg of dijk), m ; -en. |
Beroerte (zenvwverUmmi'mg), v.; -n. Berrie, bur'rie (draagbaar), v.; berries, bu r ries. Berst, barst (scheur), m.: -en. Berucht' (in slechten naam staande), bn. Ken â strooper. Bes (bezie), v.; bessen. Bescheid' (antwoord), o.; -en. Beschei den (nederig), bn. en bw. Beschuit', v.; -e n. Bes'seboom, m.; -en; -pje. Bessensap, o.; gmv. Best (oude vrouw), v.; -en; -j e. Best (zeer goed), bn. en bw. Bestand' (wapenschorsing), o.: gmv. Bestedeling (wees; verlaten kind), m. en v. Vr. ook Bestedelinge. Bestek' (ontwerp), o.; bestekken. Bes temoer (overgrootmoeder), v.; -s. Bes'tevaar (overgrootvader; ook hij- naam van De Rag ter), rn.; -s. Bete (hap), v.; beten. Betoog' (bewijs), o.; be to ogen. Be tuwe (landstreek in Geld.), v. Bet'weter(!i'ysijei(s), m,; 1) e t weters. Beugel, m.; beugels. Beuk (deel van een kerk ; loofboom), m.; -en. Beu kelaar (rond schild), m ; -s. Beuling (leverworst), in.; -en. Beun (zoldertje; vischkaar), v.; -en. Beun'haas (om heyo(i(/rfe),m.; -bazen. Beurs (geldzak, gebouw), v.; -zen. Beurt, v.; -en. leder zinge opâ1 Bever (knaagdier), in,; bevers. Bezaan' (achterzeil), v.; bezanen. Bezaans'mast(7i«ecrfe)iiaslt;), in.; -e n. Bezem, m.: bezems; -pje. Bezie (bes), v.; bezien, bezies. Be zig (werkzaam), bn. Bezol ding.bezordiging(7oon),v.;-en. Bibliotheek' (boekerij), v.; -t b e k e n. Biecht {belijdenis), v.; -en. Biefstuk (tapje ossevleesch), m.: bief s t u k s. Bieningen (rivier: /..-II.), meerv., v. Bies (grasplant), v.; biezen. Bies'bosch (de â, X.-Il). m. Bigge, big (jong varken), v.; big-Bij (insect), v.; bijen. [gen. Bijbel, m.; bij beis. Bijgeloo'vig, bn. âe Uedeu. |
BIJGEVALâliOEI.
r
11
|
Bijgeval {soms; indien), b\v. en vgvv. Bijker (hijenlioucler), in.; bij kers. Bijl (werktuir/), v.; bijlen. Bij lage {toevoegsel), v,; -n;-laagje, j Bijleveld (rivier: U.), v. Bij stand {hulp), m.; gmv. Bijt {gekapt gat in het ijs), V.; -en. Bijtijds', bw. Kom vooral â. Bij val {instemming), m.; gmv. Bijvoeg lijk, bn. Een â naamwoord. Bik kel {meisjesspeelgoed), m.; -s. Biljart', 0.; biljarten. Biljet', o.; biljetten. Billioen'(miHioe« van den quot;Jen rang), o.; bil li oen en. Bil'zenkruid {giftplant), o.; gmv. Binnenshuis', bw. Zij werken â. Binnenska mers, bw. Zij wandeltâ. Binnensmonds', bw. Zij spreekt â. | Bint {dwarshalk), v.; binten. Biograaf {levensbeschrijver), m.; biografen. Biographie' {levensbeschrijving), v.; biograph ieën. Bit {paardestang), 0.; bitten. Bits {scherp, onaardig), bn. Bitse woorden. Bi zon {bull-os in N.-Am.), in.; -s. Blaam {smet), v.; gmv. Blaar {plek; brandwonde), v.; bla-r e n. Blaas, v.; blazen. Blaas balg {werktuig), m.; -e n. Blaaskaak {pocher, snoever), in.; b 1 a a s k a k e n. Blad {van een boom), o.: bladeren. Blad {van eene bloem, tafel, schaar, enz.; papier), o.', bladen. Blafferd {kantoor-kladboek), m.: blafferds. Ook: Blaffer. Bla'ker(to;/c kandelaar), m.: -s; -t j e. Blanco {oningevuld), bw. Een â wissel. Blazoen {banier, schild), o.; -en. Bleek (grasveld), v.; bleek en. Bleek, bn. Een bleeke knaap. Bleeke Kil (rivier: N.-B.), v. Blei (witvisch), v.; -en. Ook : Bliek. Blein (blaar), v.; -en. Bles (paard), m.; blessen. Bles {wille ]gt;lek), V.; blessen. \i\\\'Ae{werptuigderItomcincn),\.;-i\. |
Blijk (leeken, bewijs), o.; blijken. Een â⢠van goedkeuring. Blik (oogopslag), m.; blikken. Blik {vertind jzerblad; keukengereedschap), o.; blikken. Blik sem, m.; -s. Blin deman, m.; -mannen, mans. Blin kerd (duintop),m. ;bl in k erd s. Bloed (sukkel), m.; bloeden, bloeien. [gmv- Bloei (hel bloeien; bloesem), m.; Bloem, v.; -en; -pje. Ook; Blom, blommen. Bloemkool, v.; -kooien. Bloem lezing {boek met prozastukken of gedichten), v.; -en. Bloesem, in.; -s; -pje. Blok huis (xvachtposl), o.; -li nizen. Blokka'de {inshniing), v.; -kades. BlOO'de (beschroomd), bn. Bloo daard (bangerik), m.; -s. Bloohar tig (bang), bn. Bloo'heid (beschroomdheid), v.: gmv. Bloot (onbedekt), bn. Met de blOOte sabel. Bloo ter (vellenscheerder), ni.; -s. Blootshoofds', bw. Zij stonden â. Blootsvoets .bw. De meisjes liepenâ. Blos (rood kleurtje), m.; gmv.; -je. Blou se (lees: bloeze, d. i. kieltje, jakje), v.; blousen, blouses. Bluf (grootspraak), m.; gmv. Bluts (deuk), v.; blutsen. Boa (slang; damesbont), v.; boa's. Bob bel {waterblaasje), m.; -s. Bob berd ( lomperd, domkop), m.; -s. Bochel (bult), m.; bochels. Bochelaar (bultenaar), in.; -s. Bocheljoen (bnlleniatr), m.; -en. Bocht (kromming), v.; -en. Bocht (slechte waar), 0. â van tliee. Bode. m.; boden; (vr. bodin; bod innen). |-P.ie- Bodem (grondvlak, schip), m.; -s. Boedel, boel (huisraad, roerend goed), m.: -s. Boef (deug n iel, schurk), m. :b oeven. Boeg (voorste ronding van een schip), m.: boegen. Boeg. Bog (rivier: liass. Polen), v. Boei (drijvend baken; kluister), V.: boeien, |
IIOKlâIIOTT KRIK.
12
|
Boei (rcddingswcrkluig, leeren gordel mei kurk gevuld), v.; -en. Boei er (pleiziervaarlnuj), m.; -s. Boekanier' (Im/feljager, wilddief), m.; -niers. Boekenkast, v.; -en. Boekerij' {bibliotheek, verzameling van boeken), v.; -en. Boek weit {plant), v.; gmv. Boel {hoop, menigte), m,; gmv. Boen der {werktuig), m.; -s. Boe'ner {man, die boent), m.; -s. Boerenwoning, v.; -en. Boersch'heid (lompheid), v.; gmv. Boert {scherts), v.; gmv. Boete {geldstraf), v.; -n. Boe'verstreek {lage daad), m.; -s t r e k e n. Boe zelaar {voorschoot), m.; -s. Boe zem {borslruimte; golf), m.-. -s. Bof {slag, stool), m.; boffen. Bok {dier; zitplaats op een rijtuig ; werktuig), m.; bokken. Bokaal' {beker), v.; bokalen. Bok'ke(n)wagen, m.; -s. [-en. Bok kesprong {grillige sprong), m.; Bok'kevel, o.; bok kevellen. Bok king {gerookte haring), m.: -e n, bo k kin k,j e. Bol {bal, globe; hoofd), m.; bollen. Bolk {wijting, schelvisch), v.; -en. Bolster {groene bast of schil),n\.; -s. Bo lus {zegelaarde, artsenijballetje; brood), m.; bolussen. Bolwerk {hoog bastion), o.: -en. Bom (ontplofbare kogel), v.; -men. Bom'bast {hoogdravende stijl), m.; gmv. [gmv. Bombazijn' {grove hroekstof), o.: Bon {schriftelijk bewijs), m.; bon s. Bonbon' {suikergoed), o.: b o n b o n s. Bond(gt;)f/'/lt;on(/, vereeniging), m.; -e n. Bonk {lgt;rok, schonk), v.; -en. Bonnet'kap), v,; bon netten. Bons {slag), v.; bonzen. Bont {twee- of niecrklenrig), bn. Een âe koe, eene -e menigte. Bont {bereiil dierenvel; blauw geruit weefsel), o. Eene pet van â; een voorschoot van Friesch â. Bonten {van pels), bn. Een â kraag. Bonding, m.; -s. Zie Bunzing. |
Boodschap, v.; boodschappen. Boog {wapentuig, cirkelboog, kromming), m.; bogen. [men. Boom {plani, slagboom), m.; boo-Boo'gaard, boogerd {boomgaard), m.; -en. Boom gaard {tuin met vruchlboO- rnen), m.; -en. Boon, v â b o o n e n. Boor {werktuig), v.; boren. Boord {rand), nr.; -en. [â! Boord {van een schip), 0. Kom aan Boor devol, bn. Het glas was â. Boorn {rivier: F.), v. Boos, lm. Eene booZe bedoeling. Boos wicht {boosdoener), m.; -en. Boot {schuitje, slot aan een hals- snoer), v.; booten. Bordes' (hooge stoep), o.; -sen. Boreas (noordenwind), m.; gmv. Borg {persoon die borg blijft), m.; bo rge n. Borg tocht (pand), rn.; -en. Bor rel {glaasje jenever), m.; -s. Borst {lichaamsdeel), v.; -en. Borst {knaap, jongeling), m.; -en. Borstel {een varkenshaar; schuier), m.; -s. Borst weer {borslbeschutting). m.; b o rs t\ve ren. Bos {bundel), m.; bossen. Bos {bus), v.: bossen. Bos porus, Bos phorus {zeestraat: Europeesch Turkije), m. Bosch (Den â, stad), o. Bosscha ge (boschjé), o.; -s. Bot {zeevisch), v.; botten. Bot (bladerknopje, scheutje), v.; botten. Bot (been'), o.; botten. Bot (eind touw), o.; gmv. Een'vlieger â geven. Botanie' {plantkunde), v.; gmv. Bota nisch, bn. Een âe tuin. Boter, v.; gmv. Bo terdiep (kanaal: Gr.), o. Boterham, v.; boterhammen. Bots (slag, schok, sloot), v.; -en. Bottel (rozebottel; flesch), v.; -s. Bottelier' {keldermeester), ra.; -s. Botter (visschersvaartuij), m.; -s. Bot'terik {lomperd), ju.: -likeu. |
liOUD âBUIDEL.
|
Boud {slont, vermeld), bn. en Ijw. Bouffan te (lange wollen hdlsilas), v.; bouffantes. Bougie' (kaars), v.; bougies. Bouilli' (soepvleesch), o.; gmv. Bouilloir' {schenkketeltje), v.; -s. Bouillon' (vleeschextracl), m.; gmv. Boulevard'(s)n!/ei).m.;bü ii levards. Bouquet' (bloemruiker), 0.; -ten. Bout (staaf; klinknagel), rn.; -en. Bout (eendoogel), m ; -en. [gmv. Bouw (het bouwen: gebouw), rn,; Bouw val (ruïne), ra.; -vallen. Braak (werktuig, inbraak), v.; bralt e n. [ligt â. Braak (onbebouwd), bn. Die akker Braakman (water: Z.), m. Braam (braambezie), v.; bramen, b ra a m pj e. Brabancon'ne (Belgisch volkslied), v. Bracelet' (armband), m.; braceletten. [v. Brahmapoe'tra (rivier: Zuid-Azië), Brak (jachthond), m.; brakken. Brak (zoutachtig, zilt), bn. Het veen- water is â. Brak. barak' (houten huis, soldaten- verblijf), v.; b a r a k k e n. Brand, m.; -en. [stoffen), m.; -s. Brander (schip met ontplofbare Branderij' (jeneverstokerij), v.; -en. Bran ding (r/olning aan de kust), v.-Brandnetel (plant), v.; -s [en. Bran'tas (rivier: Java), v. Brassen (de twee touwen, waarmee men de raas omhaalt), nieerv., m. Bra sem (riviervisch), m.; -s; -p.je. Breed, bn. Eene breede rivier. Breedte, v.; -n. De â der rivier. Brei'del (toom, teugel), m.: -s. [gmv. Brein (verstand, de hersenen), 0.; Bre kebeen (sukkelaar in zijn vak), m.; -b e e n e n. Bre'kespel (ruziemaker, spelver- sloorder), m. en v.; -s|iellen. Brem (bezemkruid), v.; -men. Brems (paardenvlieg), v. -zen. Ook Bren'ta (rivier: Italië), v. 1 Hremze. Bres (opening in denwahmtur, gal), v.; bressen. Bretel (draagband iter pantalon), v,; bretel's, bretel'len. |
Breuk (opening; gebroken), v.; -e u. Brief. m.; brieve n. Bries (zachte wind), V.; gmv.; -j c. Brie'venpost (brievenbode), rn.; (poster j), v.; -e n. Brigade (legerafdeeUng), v.; brigades, brigaden. Brigadier' (korporaal bij de ruiterij), m.; brigadiers. Brij (dikke pap), v.; gmv. Brik (zeeschip), v.; brikken. Bril. m.; -len, brilletje. Briljant'(ryes/epoi diamant ), m.; -e u. Brilledoos. v.: -doozen. Brilleukoopman, m.;-k oo pil eden, -k o o)i lui. [Drente), m.; -en. Brink (grasplein, marktveld iu Brits (planken slaapstee), v.; -e n. Bro'ohe (doekspeld), v.; broches. Brochure (vlugschrift), v.; -s. Broeder (/misamp;aA-), m.; -s. Ook Broer. Broederschap (vereeniging), v.; -s ch ap p e n. Broederschap (verhouding als broeder), 0. Zij dronken â. Broek (pantalon), V.; broeken. Broek (moerassig land), o.; -en. Broer (broeder,persoon),in. ;h t oe i n, broeders. Brok (stuk), m.; brokken. Bron (ivel), v.; bronnen. Brood, o.; brood en. [brOze glas. Broos, bros (breekbaar), bn. Hot Broos (tooneellaars), v.; brozen. Brug, v.; bruggen. Brui, m. Ergens den â van geven. Brui'degom, brui gom, m.; bruidegoms, bruigoms. Brui loft (trouwfeest), v.; -lol'ten. Bruin (paard), m.; -en; -tjes. Bruin (bruine kleur; hel donker up een schilderij), o.; gmv. Bruin kolen (delfstof), meerv., v. Bruin visch (walvischachtig dier), m.; -vissehen. Bruis (schuim), v. en o.; gmv. Budget' (begrooting), o.; budgets, b ii dgette n. Buffel (hoorndier), in.; bufi'el.s. Buffet' [schenk la fel), o,; b u ff et ten. Bui (regenvlaag),-e n. [b u i len. Buidel, buil (beurs), m.; buidels, |
|
'li BUIIGâC Buiig (reyoiachtig), Ijm. â⢠weer. Buik, in.; buik en. Buil {meelbuil), in.; biiileu. Buil (yeziuel), v.; builen. Buis (pijp; schip), v.; buizen. Buis {kleedingstuk), o.; buizen. Buit, in.; buiten. Buiten (villa, landgoed), o.; -s. Buitenslands, bw. Hij toeft â. Bui zerd {muizenvalk), m.; -s. Buks {geweer), v.; buksen. Bul {slier), ni.; bullen. [len. Bul, bulle (brief, oorkonde), v.; b u 1-Bulletin' [bericht, lij.il. van behaalde punlen), 0,; bulletins. Bui ster (beddezak, slroozak), V.; Bult (bochel; verhevenheid).tn.; -en. Cabaal {samenspanning, geheim verbond; lawaai), o.; cabalen. Caba ne (hal of stulp; scheepskooi), v.; c a ban e n. [cabrioletten. Cabriolet (Iweewielig rijtuig), v.; Cacao, lees: ka-kou' (grondstof der chocolade), v.; gmv. Cachet' (slempel), o.: i-achetten Cachot', lees: ka-sjot' (kerker, ge-vangeniskot), o.; cachotten. Cacographie' (opsiel met fouten Ier verbetering), v.; cacogi apli i eën. Cac'tus (fakkeldislel), v.: -sen. Cadans' (maal, stemval), v.; -en. Cadeau (geschenk), o: ca de a u's. Cadet (militair kweekeling), m.; cudetten, cadets. Caesuur(vers-snede), v.; caesu ren. Café' (koffiehuis), 0.; café's. Cahier, lees: k ai-co' (schrijfboek), o.; cahiers. Calèche, lees: k a-les' (open rijtuig), V.; calèclies. Ook Kales. Caleidoscoop' (kleurenkijker), m.; -cope n. Calligraaf (schoonschrijver), in.; call igrafcn. Canapé (rustbank, kussenbank), v.; c a n a p é's. Candela her (lichtkroon), v.; -s. Candidaat'Omffliirf, die naar eene betrekking ding l),\n.', ca (id i (1 ate n. |
Bun {vischkaar), v.; bunnen.' Bundel, lil.; bun d o I s. Bunder (Hectare, 10000 M-), o.; -s. Bun zing (roofdier), in.; bunzing s. Burcht (ridderverblijf), in.; -en. Bureau' (schrijftafel, kantoor), o.; quot;s. Bureel (kantoor), o. bureelen. Burg (kasteel), ni.; burgen. Bur'rie, berrie (draagbaar), v.; -s. Bus (bos), v.; bussen. Bussel {bundel), ni.; -s. Buste, lees: buus-te (borstbeeld), v.; busten. But, lees: buut (doel, oogmerk), o. Buurt, v.; b ii ii rten. Buurtschap (buitengemeente), v.; -s c li a p p en. Candidaat -nota ris,ni.;ciuididaat-notarissen. Ca non (geloofsregel; beurtzang), m.\ c a n o n s. Canti ne (bierhuis in eene kazerne), v.; c a n t i n e s. Capitool' {hoofdburcht van Jtongt;e),o. Capitula tie (overgave eener vesting bij verdrag), v.; capitulatiën, capitulaties. Car'ga(scheepslading), v.; carga's. Caricatuur' (spolleekening), v.; ca-rica ( u ren. Carillon' (klokkenspel, beiaard), 0.', carillon s. Carnaval (vastenavondpret), o.; -s. Carrière (loopbaan., levensweg), v.; -s. Casi no (buitensociëteit), o.; -'s. Catacom be (onderaardsche gang, begraafplaats), v.; -s of -n. Cata logus (lijst van boeken, schilder jen enz.), m.;ca t a' 1 o gus se n. Catechisa tie (leering, onderwijs in den godsdienst), v.; catechisaties, catecliisatiën. Catechis mus {vragenboek), m.; catechism u sse n. Categorie' (klasse, afdeeling), v.; categorieën. Cavalerie' (ruiterij), v.; gmv. Cavalerist' (soldaat to paard), in.; cavaleristen, |
CEDELâCOLLIER.
15
|
Ce del, ceêl {lijst, huurcontract), v.; cedolen, cedels, cBêlen. Ce der {reusachtige naaldboom), m.; cederen, ceders. Ceintuur' (gordel, band), v.; -tu ren. Cel {hamertje, vertrekje),cellen. Cel {zeszijdig vahje van eene honigraat), v.; cellen. Cement' {metselspecie), o.: gmv. Cent {Ned. pasgeld = /' OOI), m.: centen, cents. Cen tenaar {gewicht van 100 pond of 50 kilo), m.; centenaars. Cen terboor {boor voor groote gaten), v.; centerb0ren. Centiare {M-, 0 01 .1.), v.; centiaren, c e n t i a r e s. Cen timeter {duim, 0.0/ M.), m.; centimeters. Cen'trum {middelpunt), o.; centrums, cent ra. Ceremonie' {plechtigheid), v. ceremonieën, ceremonies. Certificaat {getuigschrift), o.; cer-ti ficate n. Chals (rijtuig), v.; chaisen. (l.ees: sjees, sjeezen) Champa gne (spuilwjn), m.: gmv. Cha os {warrelklomp, baaierd, warboel), m.: gmv. Chef(/i00/'i/, bestuurder), m.: che I's. Che micus, m.; -sen. Zie; Chemist'. Chemie' {scheikunde), v. gmv. Chemist' (scheikundige), in.; -en. Che rub, cherubijn' (hemelgeest, engel), m.; c h e r n bs, c li e r u b ij n t' n. Chim'pansé {Afrikaanse/ie orang-oetan), m.: c b i m pause's. Chi'naasappel (ook; sinaasappel), m.; -appels. Chinees', m.; cbineezen. Chirurgie {heelkunst), v.; gmv. Chirurgijn' (heelmeester'), in.; -s. Chocolaad'je {tabletje), o.: -s. Chocolade {drank, melk), v.; gmv. Cholera {braakloop), v.; gmv. Chrestomathie', lees: kres-to-ma-tie' {bloemlezing), v.; -tieën. Chris'tendom (dechrisleljkeleer), o : gmv. Chronologie' {tijdrekenkunde), v.; chronologieën. |
Cichorei' (suikerij), v.; gmv. [gmv. Ci der (ooftwijn, appeldrank), m.; Cijfer (getalmerk), o.; cijfers.' Cijns (schalling, tol, belasting), m.', cij n z e n. Cilin der, cylin der (rolrond lichaam, ronde zuil), m.; -linders. Cimbaal', cim bel (klankbekken), v.; cimbalen, cim bels. Cipier' (gevangenbewaarder), m ; cipiers. Cipres', cypres' (fijne naaldboom), m.; cipressen, cypressen. Cir ca (ongeveer), b\v. Het is â twaalf uur. Circulai re (rondgaande brief), v.; circulaires. Cir cus (renbaan, paardenspel), m.; ci r cu ss e n. Cir kei (kring, cirkelulak), m.; -s. Citaat' (aanhaling), o.: citaten. Citadel' (hoofdfort), v.: ci tail el le n. C\ ter {snarenspeellnig). v.; citers. Citroen', m.; citroenen. Civiel' (burgerijk, ook goedkoop), bn. Ken âe prijs Classiek' {van de eerste klas, voor-trejl'eijk), bn. De âe schrijvers. Cliënt' (beschermeling; iemand voor uien de advokaal pleit), m.; cliënte n. Cliëntee Ie {al de klanten samen), V. Cli max (klimming van toon), m.: gmv. Cloak, lees: klook {manteljas), in.; c 1 o a k e n. Clown {{/ rappenmftkcr),\i\.; c 1 o \v n s. Club {besloten gezelschap), v.; cl u bs. Clyde (rivier: Schotland), v. Cocar de (lint of rozet niet bepaalde kleuren ), v.; cocar d es. Cognac' (Fransche brandewijn), m.: gmv. Co kes (gaskolen), meerv., v. Collecte {inzameling), v.; collecten, collectes. Co\\e'gn{ambt(ienool), m.; collega's. Colle ge ( vereeniging, kring, academische lessen), o.: colleges. Col li (pakje,'kist, baal, stukgoed), o.; c o 11 i's. Collier' (halssnoer), in.; colliers, |
COLORADOâCOUVERT.
16
|
Colorado (rivier: Amerika), v. Colporteur' {reiziyer voor i/en boekhandel, ven Ier), m.; e o 1 p o r t e u r s Come die (blijspel), v.; co m e'li i ën c o m e' d i e s. Comman do (bevel), o.; -'s. Commies' (ambtenaar bij de posl, het ministerie, enz.), rn.; coni-m i e Z e n. Commissa ris (van politie; des ko-nings), m.; commissarissen. | Commissie (volmacht, last, boodschap), v.; -sien, -sies. Commissionair'(caafrr/e/as/'Y/rfe), m.; -s. Commis'-voyageiir'(//)(/)t/p/M't'i:/;/('/) ra.; com mis-voy ageu rs. Compagnie' (handelsvereeniging;af-deeliny soldaten), v.; compag-j ii ieën. Compagnon' (handelsgenoot), ra.; -s. Compagnons -vaart (Drachtster â; j kanaal: F.), v. Com'paratief (veiâ grootemie trap),! m.; comparatieven. Compleet' i votledig), bn. De complete gedichten van Vondel. Complement' (aanvulsel), o.; com-p 1 e me n te n. Compliment' {groet), o.; -en. Componist' {toondichter), ra.; com- i pon is te n. Concert {muziekuitvoering), o.; -e n. Concierge (huisbewaarder), ra.; concierges. Conci lie {kerkvergadering), 0. ;co n-cllies, conciliën. Concours' (wedstrijd). 0.: -en. Concreet' (uit stof bestaand), bn. Een concrete zelfstandigheid. Concurrent' {mededinger), m.: concurrenten. Conditie {voorwaarde), v.; condities, conditiën. Condolean'tie (rouwbeklag), v.; con-doleantiën, c o n d o 1 e a n t ie s. i Condor (grijpgier), ni ; condors.; Conducteur {geleider), in.; con-| ducteurs, con d n cte n ren. Confitu ren (ingemaakte vruchten), \ meerv., v. Congo, Zaïre (rivier: W-Afrika), v. ] |
Conrec tor (onder-rector), m.; co lire c'tors, con ree to'ren. Consciëntie (geweten), v.; con-sciëntiën, consciënties. Consequent' (zich gelijk blijvend), bn. Conservatief {hechtend aan het oude), bn. Een â minister. Consonant' (medeklinker), v.; -en. Constitu'tie {grondwet), v.; constituties. constitutiën. Construc tie (bouw, samenstelling), constructies, constr ucti ën. Con'sul (gevolmachtigde), ra.; -s. Consuit' (beraadslaging), 0.: -en. Contract' (verdrag, overeenkomst), o.; contracten. Contrast' (tegenstelling), o.: -e n. Contribu tie (bijdrage), v.; contributies, con tri b u tiën. Controle (opzicht, toezicht), v.; controles. Controleur' (ambtenaar bij de belastingen), ra.; controleurs. Conversa tie (gesprek, omgang), v.; gmv. Cor'nac (oppasser van een' olifant), m.; co rn acs. Correctie (verbetering), v.; correcties, correctiën. Corrector (verbeteraar van drukproeven), in.; correctors. Coj'j'espondent' (berichtgever), ra. correspondenten. Corresponden tie (briefwisseling), correspondenties, cones-p o n d e n t i ë n. Corridor' {gang, overloop), ra.; co rri do rs. Cosmographie' (wereldbesehrjving), v.; cosraographieën. Cosmopoliet' {wereldburger), m.; cosmopolieten. Coupé (afdeeling van een waggon), m.: c o u pé's. Couplet' (afdeeling van een lied of gedicht), o.; coupletten. Coupon' (rentebewijs, ook lap, snipper), v.; coupons. Courant' (nieuwspapier), v.; couranten. Ook Krant. Couvert' (brievenomslag; tafelge-reedschap), o.; c o u verte n, |
CREDIETâDEEN.
-17
|
Crediet' (f/neil vertrouwen in den handel), o. Ook Krediet. Cre'dit {hel âte-goedquot;, handel), o. Crediteur' (schuldeischer), m.; crediteurs, crediteuren. Crisis (keerpunt), v.; crises. Cri'ticus {kunstrechter), m.; critici. Critiek {beoordeeling), v.; critic k e n. Curacao' {likeur), 111.; gnriv.; (lees: ku-ra-sou'). Curatee Ie {voogdij, toezicht), v. Onder â stellen. Curator {beheerder, boedelreddcr. Daad. v.; d ad e n. Daalder (oude munt = f l.50), m.; -s. Dadel(pa/m6oogt;H), in.;{vrucht), v.; -s. Dag, m.; dagen. Dag, dagge (degen), v.; daggen. Dagelijks, bw. Hij wandelt â. Dagelijksch. bn. Ons â werk. Da geraad (begin van den dag), m.; gmv. Daforder {afkondiging), v.; -s. Dagvaart (vergadering), v.; -en. Dah lia (tuinbloem), v.; dahlia's. Dal-Elf (rivier: Zweden), v. Daling (minderim), v.; dalingen. Dam (aarden wal), m.: dammen. Dam {dubbele damschijf ), V.: -men. Damast (f/eft/oewK/ weefsel), o.; gmv. Dame, v.; dames. Damp {wasem, rook, nevel), m.; -e n. Dampkring (luchtruim), m.: -en. Damsterdiep' (kanaal: Gr.), o. Dank, m.; gmv. Dans, m.; d aii se n. 1 Darling {rivier: Nieuiv-IIoll.), m. Darm (ingewand), m.; -en; -pje. Das (dier), m.; dassen. Das (halsdoek), v.; dassen. Datief, da'tivus (derde naamval), m.; datieven. Da tum (dagtiiekening), m.; d a-Dauw,. m.; gmv. [tums, data. Debat' (beraadslaging, bespreking), o.; debatten. De bet (schuld in den handel), o. |
bestuurder), m.; cnra'tors, c u r a t o' ren. Cur'sus (leergang, studiejaar), m.; cursussen. [cyclonen, Cycloon' (kringstorm in W.-I.), m.; Cylin der (ronde zuil, rol, rolsteen), m.; cylinders. Zie Cilinder. Cypres' (fijne naaldboom), m.; cy-pressen. Zie Cipres'. Czaar (Russischkeizer), in.;cz aren. Onk: Tsaar. Cza'rewitz (Russ. kroonprins), in.; c7.arewitzen. Ook: Tsa'rewits. Czarina (Russ. keizerin), v.; cza-r i n n en. Ook: Tsarin nen. Debiet' (aftrek, verkoop), o.; gmv. Debiteur (schuldenaar), m.; -s. Debuut' (eersh; oplreilinri), o.;-buten. De cagram dO Ned. wichtjes, i lood), o.; -gra mme n. De cal iter ( JO Med. kanofkop), m.: -s. De cameter (JO Ned. meter), m.: -s. Decem ber (wintermaand), m. De cigram (0.1 Ned. wichtje, J korrel). 0.; -g r a m m e n. De ciliter (0.1 Ned. kan of kop, 'l maatje), m.; -s. [palm), tn.; -s. De cimeter (p.J Ned. meier of I Decisie (vonnis; beslissing), v.; d e-cisiën, lt;lecisies. [-tien. Declamatie (voordracht), v.; -s, Declara tie (verklaring), v.; deel a-ratiën, declaraties. Declinatie (woordbuiging), v.; de-clinatiën, declinaties. Decora tie (versiering, ridderorde), v.; decoratiën, decoraties. Decreet' (verordening, besluit), o.; decreten. De'demsvaart (kanaal: O.), v. Deeg (van brood, koek, enz.), o.; d e e g e n. Deel (plank;dorschvloer),v.; il e 1 en. Deel (gedeelte), o.; deel en. Deeler (in de rekenkunde), in.; -s. Dee moed (nederigheid), m.; gmv. Deemoedig (onderdanig), bn. Deen (bewoner van Denemarken), m.; Dene n. |
|
18 nEKRNIS- Deernis (medelijden), v.; gmv. Deesem (zuurdeerj), in.; ileesems. Defect {stuk), bn. Onze pomi) is â. Defensie (Verdediging), v.; gmv. Defen sief (verdedigend), bn. Een â verbond. Deficit (een te-kort), o.-, deficits. Defini'tie( v.; defi ni tien, il e f i ii i ti e s. Degelijk (echt. waar, goed), bn. De gen (wapen)/ m.; degens. Degradatie {verlaging invang), v.; -ties, -ti ë n. Deining (zachte golving), v.; -en. Deinzing {terugwijking), v.; -en. Déjeuner' (ontbijt), o â dejeuners. Deken (overste), m.; -s oi' -en. Deken (dek of uprei), v.; dekens. Delfstof, v.; -stoffen. Del ta (driehoekig eiland in den mond eener rivier), v.; delta's. De'mer (rivier: België), v. Den (naaldboom), m.; dennen. Den der (rivier: Helgië), v. Depêche (bericht), v.: depêches. Depot' (bewaarplaats), o.; depots. Deputatie (bezending, afvaardi- diging), v.; -ties, -tiën. Der rie (veengrond), v.; gmv. Der'wisch (arme Turkschemonnik), m.; der wise he n. 'Ozsvrttür' doeg geloop en soldaat),\\\.: deserteurs. Deser tie (vlucht uit de gelederen), v.: deserties. [ten. Despoot' (dwingeland), m.; despO-Dessert' (nagerecht), o.; -en. Deugd (braafheid, waardij), v. -en. Deuk, v.: de u ken. Deun (wijsje, liedje), m.; deunen. Deur, v.; d e u re n. Deuvik (stop o/'top), m. ;d e u vi ken. Devies' (zinspreuk), o,; deviezen. Devoot' (vroom), bn. Devote tie-d e n. Diaconie' (armbestuur), v.; -nieën. Diadeem' (kroontje, haartooisel), m.; diademen. Diagonaal' (hoekljn), v.; -nalen. Dia ken (armverzorger), m.; -s. Diakones, v.; diakonessen. Dialect' (tongval), o.; dialecten. |
â DN.IESTU. Diamant' (geslepen steen), m.: -o n. Diamant' (slof), o.; gmv. Diame'ter (middellijn), m.; -s. Diarrhee' (buikloop), v.: gmv. Dictaat' (een voorgezegd geschrift), o.; dictaten. Dictee' (het op 'tgehoor opgeschreven e), v. en o.; dictees. Diëet' (leefregel), o.; gmv. Diefstal, m.; -stallen, [m i t e n. Die'mit (katoenen slof), o.; die-Die'miten (van diemit), bn. Ken ââ borstrok. Diender (agent van politie), m.; -s. Dienst, m.; diensten. Dien tengevolge (dus, derhalve), b\v. Dienvol'gens(ffaf()'o»f, bijgevolg), bw. Diergaarde (dierentuin), v.; diergaard e n. Dievegge (vrouw die steelt), v.; -n. Dieverij' (het stelen), v.; -on. Dieze (rivier: N.-Jl), v. Dij. (lichaamsdeel), v.; dijen. Dijk (waterkeering), m ; dijken. Dilem ma (sluitrede), o.; -ma's. Dilettant' (kunstvriend), m.; -en. Diligen ce (reiswagen), v.; -s. Diner' (middagmaal), o.; diners; dinertje, dineetje. Dinkel (rivier: N.-B.), v. Dinsdag, in.; Dinsdagen. Dintel (rivier: N.-B.), v. Diplo ma (akte, aanstelling), o.;-'s. Diplomaat' (staatsman), m.; diplomaten. Igmv. Diplomatie' (staatsmanskunst), v.; Directeur (bestuurder), m.; -s of -en. Directie (bestuur), v.; -s, -tiën. Disch (spijstafel), m.; disschen. Discipli'ne (tucht, regel), v.; gmv. Discon to (korting), o.; disconto's. Discours' (gesprek), o.; d i scours en. Discussie {beraadslaging), v.; discussies, discussie n. Dispuut' (redestrijd), o.; dispute ti. Dissel (bijl; wagenboom), m.; -s. Distel (plant), V.: -s. Divi'sie (legemfdeeling), v.; -sies, -siën. Djam'bi (rivier: Sumatra), v. Dnjep'r (rivier: Rusland), m. Dnjes'tr (rivier: Rusland), m. |
nOÃBEI,âDRAMA.
-19
|
Dobbel, m. Ken hanlen â hebben. Dobber (drijverlje, kurhje), m.; -s. Docent (leeraar), m.; -en. Doc tor {gestudeerd persoon; (jenees-heer), m.: docto'reu, doc'tors. Document (fceioi/.s-, oorkonde).o.; -e n. Ooe'de\(doedelzakderTyrolers),m.,-s. DoeÃ'eUak(zakpijp der Tyrolers),m.-, -zakken. Doek (hals-, zakdoek), m.: cl o e k e n. Doek (schilderij; slof), o.; doeken. Doelen (oefeniilaals der boogschut- Iers), rn.: doelens. Doel wit (mikpunt), o.; gmv. Doe niet (luiaard), m. en v.; -nieten. Does (rivier: Z.-lf.), v. [-s. Doe'zelaar (teekengereedschap), m.; Doffer (mannetjes-duif), m.; -s. Doft (roeibank), v., doften. Dog (Ãngelsche hond), in.; doggen. Do ge (hertog , voormalige bestuurder van Venetië), m.; doges. Doggen kabeljauw, vischpink), m.; -s. Doggersbank' (bank: Noordzee), \. Dog ma {leerstuk, geloofsartikel), o.; dogma's, dog'mata. Dok (ligplaats voor schepen), o.; dokken. Dok'ter (geneesheer), in.; dok'ters en docto'ren. Dolfijn' Iwalvischachlig zeedier), m.; dolfijnen. [-en. Dolk (moordpriem, ponjaard), m.; Dol lar (/1 nier. rijksdaalder, fquot;2.G0), m.; dollars. Dol lard, Dollart (zeeboezem: Gr.), m. Dolleker vel (waterscheerling, giftplant), v.; gmv. Dom (hoofdkerk), m.; domkerken. Domein' (kroorigoed), o.; d o me i n en. Domicilie (verblijfplaats), v.; domiciliën. domicilies. Do minee (predikant), ra.; -s. Do mino (vermomde), in. en v.; -'s. Domino (spel), o.; domino's. Dommel {bedwelming), m.; grav. Dommel (rivier: N.-ll.), ra. Domper (uitdoover), m.; -s. Don (heer, eeretitel der edellieden in Spanje), m.; don s. Don (rivier: Rusland), m. Dona, Don na (Spaansche en Port. |
li lel dej'edel vrouwen), v.; dona's, don n a's. Do'nau (rivier: Oostenr. enz.), m. Donder, m.; donders. Donge {rivier: N.-H.), v. Donker (duister), o.; grav. Dons, o. Het â van zwanenveeren. Dood, ra.; d ood e n. Dood verf(f/j'Ofit/ue;'/'), v.; -verven. Doof, bn. ICene doove vrouw. Dooi, m.; gmv. Dooier (van een ei), m.; dooiers. Doolhof (dwaalwegen), 0.; -boven. Doop, in.; grav. Doopceel (doopbrief), v.; -ceclen. Doopvont (doophekken ), v.; -o n. Door {dooier), ra. en o.; d 00 ren. Doorbraak, v.; -braken. Door laat (duiker,riool).m.; -laten. Doorn, doren {stekel), ni.; doornen, dorens. Doorslag {vergiet), ra.; -slagen. Doos, v.; doezen. Doovekool', v.; doovekolen. Doovenetel (plant), v.; -s. Dop {dekseltje, schil), m.; -pen. Dordo gne (rivier: Frankrijk), v. Dorpel (drempel), m. dor pels. Dorpsch (boersch), bn. âe manieren. Dorpsschool, v.; d or pssc li o I e n. Dorsch {kleine schelvisch), m.; -en. Dorst, m.; gmv. Dos {gewaad, opschik), m.; gmv. Dosis {hoeveelheid), v.; dosissen. Dot (suikerpopje), v.; dotten, [-s. Douairière (adellijke iveduwe), v.; Douane (tolkantoor, lol), v.; -s. Douanier' (tolbeambte), ra.; d o n a- niers, ook wel: douanen. Dou ro {rivier: Spanje en i'ort.), m. Douw (sloot), m. -en. Zie Duw. Dozijn' {twaalftal), o.; dozijnen. Draad (voorwerp), m.; draden. Draad (stof), o.; gmv. Draag baar (berrie), v.; -baren. Draai {keer, wending), ra.; -en. Draak {fabelachtig dier),\\\.: -a k e n. Drab, drabbe (grondsop), v.; grav. Dracht, v.; drachten. Draf (het draven), m.; gmv. Draf { bezinksel, veevoeder), m.; gmv. Drsi'ma.(treurspel)looneelstuk),o.--'s, |
DRAMATISCHâDYNASTIE.
20
|
Drama tisch (looneolmalig), bn. Een ââ verhaal. Drang (.hel dringen), m.; gmv. Drank, m.; dranken. Dras {slijk, modder), v.; gmv. DraS(moBgt;'assi3),bn. Drasse gronden. Drau, Drave (rivier: Hongarije), v. Drecht (rivier: A'.-//.), v. Dreef (laantje), v.; di even. Dreg, Dregge (reddingshaak), v.; dreggen. Drek (modder), in,; gmv. Drempe\(grondlgt;alkder deiii'), m.: -s. Drente (provincie), o. |Sen. Dreu mes (kleine knaap), m.; -mé-Dreun (schok; vervelend wijsje), hl.; d r e u n e n. Dre'vel (drijver, drijfijzer), m.; -s. Drieëen heid, v.; gmv. Drieëe'nig, bn. De âe God. Drieërhan'de, drieërlei', bn. Een woord met â beteekenis. Driehoek, m.; -hoeken. Driehonderd, telw. Driekleur (vlag), v.; -kleuren. Drie master (schip), m.: -s. Driest [onbeschaamd), bn. Driestal (drievoet), in.; -stallen. Drift, v.; driften. Drijver (werktuig), m.; drijvers. Drijver (van een nachtpitje), m.; -s. Dril (boor), m.: drillen. Dril (gestold vleescjinat), v.; gmv. Droefenis, v.; gmv. Droes (duivel), m.; gmv. [-s. Droesem (grondsop, bezinksel), m.; Drogist' (koopman in drogerijen), m.; drogisten. Droog, bn. Een droge wind. Drom (menigte), m.; drommen. Dromeda ris (kameel), m.; -sen. Drom mel (duivel), m.; -s. Dronk, m.; dronken. Droogte, v. â in den zomer. Droogvoets', droogsvoets', bw. Een beek â doortrekken. Droom, m.; droom en. Drop, drup, m.: d roppen, d ru pp en. Dropw/ïru/kse/ van zoethout), V.: gmv. Droppel, druppel (kleine drop), m.; droppels, druppels. Dros saard, m.; -s. Zie Drost. |
Drost (schout, baljuw), rn.; -en. Druïde (Keltisch priester), m.; -n. Druif, v.; druiven. Druil oor (treuzelaar), m.; -en. Druip (hel druipen), m.; gmv. Druk, m.: drukken. Drukte, v.; drukten. Drup, in.; druppen. Onderdenâ. Druppel, droppel, m.; -s. Dubbelpunt' (leesteeken), v.; -en. Dubloen'iSp.r/Oï^cZsiff/c, i /'quot;20)|m.; -en. 1 Duel' (Iweegevecht), o.; duellen. Duet' {twee stemmig gezang), o.; -ten. f Duffel ( overjas), m.; -s; (stof), o. { Duif, v.; (1 ii i v e n. Duig (van een vat), V.; duigen. Duiker (man; vogel), m.; d nikers. Du\m(vinger, O OI M ), m.; -en; -pje. Duin (zandheuvel), v.; duinen. Duin (reeks van duinen), o. In het â. Duit (oude munt = 5/8 cent), m.; -e n. Duivel, m.; duivels, duivelen. Dui zendpoot (insect), rn.; -pooten. Dui zendschoon (bloem), v.;-schoo-n e n. Dukaat' (gouden, = f 5,30, zilveren, â /''J.dO), m.; dukaten. Dukaton' i zUu. muni = f3,i5,rjdér\ m.; -s. [m.; dukdalven. Dukdalf' (paalwerk in voorhavens), Du'na (rivier: Rusland), v. Dunk (meening), m.; gmv. Dun sel (groente), o.; gmv. Duo (duel), o.; duo's. Du pe (bedrogene), m. en v.; dupe s. Durance (rivier: Frankr.), v. Dut (slaapje), m.: dutten; -je. Duur, m.; gmv. Op den â. Duurte, v.; gmv. Duw, douw (sloot), m.; -en; -tj e. Dwang, ra.; gmv. Dwar rel (draaiing), m.; gmv. [ten. Dwars(sc/ium), bn. Met dwarse rui-Dwars'straat, v.; dwarsstraten. Dweil (schrobdoek), v.; dweilen. Dweper, m.; dwepers. Dwerg ( kleine persoon), rn. en v.; -o n. Dwi'n,a {rivier: Rusland), v. Dwingeland (tiran), ui.; -landen. ' Dy le (rivier: België), v. Dynastie' (vorstenfaniilie), v.: il y-nastieën. |
21
E.
|
Eau-de-Cologne(/,c«/.it,'((/cr),v.; gmv. Eb, Ebbe (laay getij), v.; gmv. Eb benhout (zwart houiy, O.; gmv. E'bro {rivier: Spanje), v. Echel {bloedzuiger), rn.; echels. Echo {weergalm), v.; echo's. Echt {huwelijk), m. In den â treden. tlAaï {glans; ruclitl)aarUeid),o.\gmv. Eclips (verduistering), v.; ecllpsen. Ecllp'tioa {zonsweg, dierenriem), \. Economie' {zuinigheid), v.; gmv. E den {paradijs), o.: gmv. Edict' (vorstelijk bevelschrift), o.; -en. E dik (azijn), m.; gmv. Editie {uitgave, druk), v.; -s,-tiëii. Educatie {opvoeding), v.; -ties. Ee {rivier: F.), v. Eed, m.; eed en. Eega {echtgenoot), m. en v. eegaas. Eegade (eega), m. en v. eegiulen. Eek {eikenschors), v.; gmv. Eek hoorn, eekhoren, m.; -s. Eel {bier), m. en o.; eelen. Eelt, o.; gmv. Eem {rivier: U.), v. Eems [rivier: Dtii/schland), v. Eend, v.; eenden. Eende^ei, o.; -eieren. Eendejikroos {waterplantje), o.; gmv. Een dracht, v.; gmv. â niaaktnnicht. Eendracht (rivier: N.-V. en /.), v, .Eenerhande, eenerlei, lm. Eenhoorn, een horen {fabelachtig hert met één hoorn), ni.; -s. Eenigszins, bw. Eenvoud, m.; gmv. Eer, eere, v.; gmv. Eerbied, m.; gmv. Eereblijk {teeken van eer), 0.; -en. Eeredienst {godsdienst), m.: -en. Ee'reprijS m.; -prijzon. Ee'reprijs {plantje), v.; gmv. Eerstdaags, bw. HIJ zal â betalen. Eerzucht {dorst naar eer), v.; gmv. Eest {droogoven), tn.; eesten. Eeuw, v.; eeuwen. |-en. Effect' {uitwerksel; staatspapier), o.: Eg, egge {werktuig), v.; eggen. Egel {stekelvarken), m.; egels. koenen , Zakwoordenboekje. |
Egelantier {wilde rozelaar), m.; egelantiers en -tieren. Egoïsme {zelfzucht), O.; gmv. Ego ïst' {baatzuchtige), m.; -en. Eiber {ooievaar), m.; eibers. Eider {rivier: Daitschland), v. Eigen, bn. Met â oogen. Eigendom {recht van bezit), m.; gmv. Eigendom {bezit, have), o.; -men. Eigenlijk, bn. en bw. Een woord in âe beteekenis. Hij is -â te oud. Eigennaam, m.; eigennamen. Eigenschap {kenmerk), v.; -pen. Eigenwaan {dwaze waan), m.; gmv. Eik, m.; eiken. Eikehlad, o.; eikeblad eren. Elke boom, in.; eik eb 0 0 men. Eike krans, m.; ei kek ran Sen. Eikekroon, v.; eikelvronen. Eikel {vruchtje), m.; eikels. Eikenhout, o. Ken tafel van â. Eikenlaan, v.; eikenlanen. Eikenschors, v.; gmv. Eilaas' {helaas), tw. Eiland, o.; eilanden. Ei loof {klimop), 0.; gmv. Einde, eind; ende, end, o.: e i n d e n, enden. Eindpaal (grens), in.; eindpalen. Eisch (vordering), m.; eischen. Eiserbeek (rivier: L.), v. Eiwit, o.; gmv. Ekster, aakster (vogel), v.: -s. Eksteroog (likdoorn), o.; -oogen. E\ (lengtemaat), v.; ellen. E land (hert), m.; elanden. Elasticiteit' (veer- of spankracht), v. Elastiek' (voorwerp; slof), o. Elastiek, elastisch {veerkrachtig), Elbe (rivier: Daitschland), v. [bn. Electriciteit' (aanlrekkingskracht, barnsteenkracht), v.; gmv. Electriek', elec'trisch, bn. Ken âe E'lefant, olifant, m.; -en. [vonk. Elegant' (smaakvol), bn. Elegie' {klaaglied), v.; elegie'ën. Element (grondslof), o.; -en. Elf, elfe (aardgeest, »»'«i/'),v.; elfen. Elft (een â meivisch), m.; elften. Elix ir, elix er (aftreksel) o.; -s. o |
ELKAARâEXEMPEL,
22
|
Elkaar', voornw.(afbreken; eik-nar). Elkander, voornw.(af bi-.: eik-ander). Elleboog, tn.; ellebogen. Ellende {nood, gebrek), v.; -n. Ellips' (langrond, ovaal), v.: -en. Ellips' {uitlaliiig, verzwijging), v.; ellipsen. El penbeen (ivoor), o.; gmv. Els (boom), m.; elzen. Els (priem), v.; elzen. EmaW(glazuur, brandeerf),o.; gmv. Emancipa tie (vrijverklaring, gelijkstelling voor de wel), v.; gmv. Emballa ge (verpakking), v.; gmv. Embar goi beklag op schepen), o.:gm v. Emble ma,embleem' (zinnebeeld), o.: emble'ma's, emble'mata; em-b 1 e' m e n. Emeritaat' (ambtsrust, pensioen), o. Eme ritus (uitgediend, rustend), bn. E mier (Arabisch landvoogd), m.: -s. Emigrant' (landverhuizer), m.; -en. Eminent' (voortrelfelijk), bn. Eminen tie (titel der kardinalen), v. Emmer, m.; -s. Emolumen ten (bijval, toevallige inkomsten), raeerv. o. Encyclopaedie' (algemeen woordenboek), v.; encyclopaedieën. Energie'Oüi/.s-o/'ifo-AArac/i/), v; f'm v. Engagement' (verbintenis, verloving), o.; -menten. En gel (hemelgeest), m.; engelen. En'gelendom (alleE.samen), o.; gmv. Engte (nauwte), v.; -n. En kel ( knokkel van den voel), m.; -s. Enquê'te (nainvgezet onderzoek), v.; e n q u c t e n , enquêtes. Ent (boomloot), v.: enten. Entrepot' (stapelplaats), n.; -s. Epidemie (heerschende ziekte), v.; e p i il e m i e ü n. Epigram (puntdicht), O.; -men. Episo de (ingelaschl verhaal), v.; -n Epistel {brie/quot;), m.; epistels. E'pos (heldendicht), o. Equa'tor (evennachtslijn, linie), m. Equipa'ge (scheepsbemanning; koels met toebehooren), v.; eq ii i pages. Erf (g rond om de hoeve), o.; erven. Erfenis, v.; erfenissen. Erfgenaam, ra.en v.; erfgenamen. |
Er gernis (aansloot), v.; -sen. Ernst, m.; gmv. Erratum (drukfeil), o.; errata. Erts (ruw metaal), 0,; ertsen. Erwt, v.; erw te n. Erwtensoep, v.; gmv. Esch (h oog e akker), m.; esscben. Esch {boom), m.; esscben. Eska der (deel eener vloot), o.; -s. Eskadron' (ruiterschaar), o.; -s. Esp {boom), m.; espen. Essaieur' {keurmeester), m.; -s. Estafet te (renbode), in ; -s. Estrik (vloertegel), ra.; estriken. Etablissement' {inrichting), o.; -en. Etage (verdieping), v.; etages. Ãtagère ^kastje), v.; étagères. Etalage {uitstalling), v.; -s. Etgroen {tweede gras), o.; gmv. Ethnographle'(vo//£e(ibesc/injui»?3),v. Ethnogra phisch, bn. Ken â woor- denboek. Etiquet'te (opplakbriefje), v.; -n. Etiquet te (wellevendheid), v.; gmv. Etmaal (= 94 uur), o.; etmalen. Etter (eener wonde), m.; gmv. Etui', lees : ee-tn-ie'( A'oA'e)', omslag), in.; etuis. Etymologie'uüoordwormmf/), v.; -ë n. Eu pbraat [rivier: Azië), m. Europeesch', bn. âpeescbe volken. Eu'veldaadi.s;)00f/erfaarf),v.; -daden. Eu velmoed (booze moed), m.; gmv. Evangelie, o.; evangeliën. Evangelist', m. De viei-Evangelisten.-Evel, euvel {kwaad), o.; gmv. E venaar {balans; evennachtslijn), m. E'ven kn ieiet'nöooriiV/e), in,;-knieën. Ever (wild zwijn), in,; evers. Examen, o.; examens, examina. Examinan dus (die examen doet), m.; e x a m i n a n' d i. Examina tor {die examen afneemt), ra.: -tors, -to' ren. Exoellen'tie(/!7e/wlt;n»un(s/«-s),v.;-s. Exceptie (uitzondering), v.; excepties, exception. Excerpt' {uittreksel), o.-, excerpten. Excuus' {verontschuldiging), o.; exen s e n. [-ties. Execu tie {terechtstelling),^.; -tië n, Exem'pel (voorbeeld),o.; exempels. |
EXEMPLAARâFLEGMATIEK.
Exemplaar'(torf-t/ce/), o.; -plaren.1 Exposi tie (tentoonstellu/g), '-v.; ex-
Exerci'tie, v.; exercities, excer- â positiën, exposities.
eitiën. Extract' {uillreltsel, afkooksel), o.;
Expedi tie (krijgslocld; verzending), Ezel, m.; ezels. |ex tracteu.
v.; expedities, expeditiën. Ezelsbrug (Imlpmiddellje), v.;
Explica'tie (uitlegging'), v.; expli- -bruggen; -bruggetje.
cu ties, explicatiëii. Ezelsoor (fig. omgekrulde hoek van
Exponent, m.: exponenten. een blad), o.; ezelsoor en.
F.
Faam (godin, vermaardheid), v.;gmv. Felicitatie (geluktoensch), v.; fcli-
Fa'bel (verdichtsel), v.; -s, -en. cita'tiën, felicita'ties.
Fabricage (het fahriceeren), v.; gmv. Feniks {vogel der fabelleer), m.;
Fabriek', V.; fabrieken. feniksen. Ook: Phoenix.
Fabrikaat', o.; fabrikaten. Fermeteit' (llinkheid), v.; gmv.
Fabrikant', m.; fabrikanten. Festijn' (gastmaal), o.; festijnen.
Facsimile (spreek uit: faksimiele; Festoen' {lofwerk, guirlande), o. en
nauwkeurig nagemaakt hand- v.; festoenen.
schrift), o.; facsimile's. Feuilleton'(romim in een dagblad),
factoor' (zaakgelastigde), m,: fac- o.: feuilletons.
to'ren. [to'ren. Fia'cre (huurrijtuig), v.; fiacres.
Factor (in de rekenkunde), m.; fac- Fiche (speelmerkje), o.: fiches.
Factorij' {kantoor, depot), v.; -en. Fictie {verdichting), v.; fictiën,
Factuur' (prijslijst), v.: facturen. ficties.
Faculteit' (gave; hoofdafdeeling van Fiets irjwiel), v.: fietsen.
de wetenschappen), v.; -en. Figuur (afbeelding), v.: figuren.
Fagot' {basinstrumeni), v.; -ten. F\^wwr' (houding, gestalte), 0.-,'^m\.
Failliet (slaat van onvermogen), o. ; Fijt (verzwering aan een vinger), v.
faillieten. Filomeel' {nachtegaal), v.; -mee le n.
Faillissement' (geldelijk onvermo- Finale {slot, einde), v.
gen, bankbreuk), o.; -en. finan'Ctén(geldmiddelen), meerv., v.
Fakkel (toorts), v.; fakkels. Fiool'(/fesc/i), V.; fiolen. De (iolen
Fa lie (kapmantel), v.; -liën , -1 ios, der gramschap.
Fami'lie, famiel'je, v.; fa mi li ën, Firma (naam van een handelshuis),
families; famieljas. v.; firma's.
Fanatiek' (dweepzuchtig), bn. Firmament' (uitspansel), o.; gmv.
Fanatis me {dweepzucht ), o.: gmv. Fis tel (dragende wonde), v.; i i s t e 1 s.
Far\ze''ér(schriftgeleerde,schjnhei- Flacon' (reuk/leschje), m : l laco ns.
lige), m.; farizeërs of -zeën. Flambouw (toorts, fakkel), v.; -en.
Farizeesch' (schijnheilig), bn. Flamingo (rw/W*, m.: flamingo's.
Fat (zot), m.; fatten. Flanel' (wollen stof), 0.; gmv.
Fatsoen' (vorm, snit), o : -en. Flanellen, bn. Een â lijfj6-
Fatsoen' (gemanierdheid), o.; gmv. Flank (zijde), v : flanken.
Fau'na {dierenwereld), v.; gmv. Flap (klap, slag), m.; flappen.
Fauteuil'(o)-mstoeft, m.; fan to nils. Flar den (stukken), meerv., m.
Fazant' (vogel), m.; fazanten. Flater (misslag), m.; flaters.
Februa'ri (sprokkelmaand), m. Flauwiteit' {kinderachtigheid), v.;
Fee (nimf) v.; feeën. flauwiteiten.
Feeks (booze vrouw), v.; feeksen. Fleg ma (onverschilligheid), O.; ginv.
Feil (foal, gebrek), v.; feilen. Flegmatiek', flegmatisch, bn. Een
Feit (gebeurtenis), o.; feiten. ! â antwoord.
23
2*
1'I.ENTURâGAARDE.
24
|
Flen'ter {Uip, sluk), m.; flentors. Flerecijn' {jicht), o.; gmv. Flesch, v.; flesschen. Flets (mat van kleur), bn.; lletse. Fletsheid, v.; gmv. De â dier kleuren. Fleur, m.; gmv. In den â des levens. Fleuret', floret' (schermdeyen), v.; Fleurig {bloeiend), bn. [-ten. Fljts (pijl, schicht), tn.; flitsen. Flieussen (meer: F.), v. en o. Floers (rouwkrip), n.; floersen. Flo ra (godin der bloemen), v. De â van Nederland, al de planten. Floret' (schermdegen), v.; -ten. Floret' (halfzjde), o.; gmv. Florijn' (gulden), m.; florijnen. Fluim (slijm, speeksel), v. |glas), v. F\u\t (blaasinstrument, champagne-Fluks(spoeciilt;7, snel),h\\\ Kom tochâ' Fluksch, bn. Een â besluit. Flus {zoo even, pas geleden), bw. Fluweel, o.; gmv. Fluweelen, bn. â linten. Fluwijn' {bunzing), 0,; fluwijnen. Foedraal' (overtrek), o.; -dralen. Foelie (specerij), v.; gmv. Fok (zeil), v.; fokken. Foliant' (bock van 't grootste formaat), m.: folianten. Folio (blad), o.; folio's. Fondament', fondement' {grondslag), o.; -en. Ook: Fun'dament. Fonds {kapitaal), o.; fondsen. Fon kelnieuw, bn. Een â kleed. Fontein' (kunstmatige springbron), v.; fonteinen. Fooi (drinkgeld), v.; fooien. Forel' (rivieruisch), v.: forellen. Formaat (vorm), o.; formaten. For ma (vorm), v.; gmv. In â, in den goeden vorm. Formaliteit'(gebruikelijke vorm), v.: l'o r m a 1 i t e i t e n. |
Formeel' (vormelijk, duidelijk), bn. Een formeele strijd. Formule (wis- of nat uurk. regel), v.; formu les. Formulier' (voorschrift), o.; -en. Fornuis' (keukenkachel), o.; -zen. Forsch {krachtig, kloek), bn. en bw. Fort (schans, sterkte), o.; -e n. Forte-piano, v.; âpiano's. Fortuin' (godin; geluk), v.; gmv. Fortuin' (kapitaal), o.; for t u ine n. Fourage (voeder), v.; gmv. Fout {misslag), v.; fouten. Foutief' (met fouten), bn.; -t i e v e n. Fraaiigheid, v. -heden. Fragment' (deel, stuk, brok), o.-, -cn. Frak {korte jas), v.; frakken. Framboos', v.; frambozen. Franco (postvrij), bn. Franje, v.; franjes. Frank (geldstuk = f 0,'iH), m.; -en. Fraude (bedrog), v.; fraudes. Fregat' (oorlogsschip), o.; -ten. Fres co (muurschildering), o.; -'s. Fret (dier), o.; fretten. Freule (jonkvrouw), v.; freules. Fries {hoofdlijst eener zuil), v.; -Zen. Frikkadel' v.; -d e 11 e n. Frisch, bn. Een friSSche wind. Frischlrid, v.; gmv. Frommel {kreuk), m.; frommels. Frons { plooi, rimpel), v.: I ron Sen. Front( voorzijde, eerste gelid), o.; -e n. Fruit (ooft), o. en v.; fruiten. Fuik (nischkorf), v.; fuiken. Ful'da (rivier: Duilscldand), v. Fulp (IJuweel), o.; gmv. Functie (ambtsverrichting), v.; f ii nc t i ö n, f u net ies. Fundament', o.; -e n. Zie Fondament'. Fu'rie (woede) v.; furiën, furies. Fust {groot wijnvat), o.; fusten. 1 Wijn oji â. |
G.
|
Ga, v.; gaden. Zie Gade. Gaaf {onbeschadigd), bn. -rn a rm e r. Gaaf, gave (geschenk; talent), v,: gave n. Gaai (vogel), m. en v.; gaaien. Gaal (plant, heester), v.: gmv. |
Gaanderij, galerij' (gang), v.; gaan- il e r ij o n, ga lerijen. Gaard (tuin, hof), m.: gaarden. Een boomgaard. Gaarde (gaard, tuin), V.; gaard e n. i Eene diergaarde. |
GAASâGELAARSD.
|
Gaas (doorach jnond wnofsel), o.; gm v. Gaasp (rivier: N.-H.), v. Gade (echlr/enool), in. en v.; ga il o n. Gading {lust, genoegeri), v.; grnv. Gaffel (hooivork), v.; gaffels. Ga'ge (soldij), v.; gages. Ga gel (heester), m.; gagels. Ga gel (verhemelte, tandvleesch), o. Gal {hitter vocht), v.; gmv. Galant' (hojfelijk, ridderlijk), bn. Galanterie' {hoffelijkheid}^ v.; -ën. Galanterieën {artikelen voor opschik), meerv., v. Galei' (roeischip) v.; galeien. Galerij' (gaanderij), v.; galerijen. Galg, v; -en. [-malen. Gafgemaal (afscheidsmaal), o.; Galjoen' (Spdansch zeeschip), o. â¢. gal j o ens, galjoenen. Galjoot'(platboomde koopvaardijer), v.; galjoten. Gal la (hoffeest, staatsiekleed), v. gmv. Gallicisme (Fransch-getinte uitdrukking), o.; gallicismen. Galm {weerklank), m.; galmen. Galon' (goud- of zilverboordsel), o.: galons, galonnen. Galop' (draf), m.; galops. Gamma, gamme (toonladder), v.; Gang (loop), m.; -en. [gamma's. Gang (doorgang) v.; -en. Gangboord (zijpad van een schip), o. Gan ges (rivier: //indostan), m. Gans (zwemvogel), v.; ganzen. Gan zenbord (kinderspel), o.; -en Ganzei2diep (kanaal: (gt;.), o. Gan'zejiei, o.; ganzeneieren. Gan'zepen, v.; ganzepennen Ganzerik {mannetjesgans), in.; gan zeri ken. Garaoi ne (verfstof), v.; gmv. Garde (lijfwacht), v.; garden. Garde, gard (roede), v.; garden. Gardero be (kleerkast, kleerenvoor-i-aad), v.; garderobes. Gareel'(/m%O)-c/e0i 0-i gai-eel en. Garf, garve (sc/ioo/), v.; garven. Garnaal' (zeediertje), v.; garnalen. Garnituur' (versiering, belegsel), o.; gji r n i t u r e n. Garnizoen' (bezetting), o.; -en. Garonne {rivier: Zn hl- Frankr.), v. |
Garst, gerst (graangewas), v.; gmv. Gar stig (bedorven, ranzig), lm. Gas (kunsUicht), o.; gassen. Gast, in. en v.; gasten. Gastronoom' (smuller, lekkerbek), m.; gastronomen. Gat (opening), o.; gaten; gaatje. Gave, v.; gaven. Zie Gaaf. Gazel (zeker hert), v.; gazellen. Gebed, o.; ge be d e n. Gebint (balkwerk), o.; gebinten. Gebit (al de tanden), o.; gebitten. Gebod, o.; ge bod e n. Gebrek, o.; gebreken. Gebriesch (het brieschen van paard Gebruis, o.; gmv. \of leetiiv), o. Gebuur (bnurman), m.; geburen. Gedaagde (gedag vaarde), m, en v.; -n. Gedaante {vorm, gestalte), v.; -n. Gedachte ('tgeen men denkt), v.; -n. Gedachtenis (aandenken), v.; -sen. Geding' (pleit, rechtzaak), o.; -en. Gedrag, o.; gmv. Gedrocht (wanschepsel), o.; -en. Gedruisofc, o.; gmv. |dweeë paanl 1 Gedwee {mak, gewillig), bn. Dat ge-Geel, bn. Die gele bloemen. Geen (niet eene), lidw.; geene. Geenszins, bw. Hij wil â betalen. Geer (baan, strooi:), v.; gee ren. Geesel (htchtzweep), m.; -s of -en. Geest (verstand, ziel), m.; gmv. Geest (spool:, geestverschijning), m.; | geesten. Geest (zandige grond), v.; gmv. Geestdrift (opgetogenheid), v.: gmv. Geeuw (het gapen), m.; -o n. [gmv. Geeuw honger (ziekte, flauwte), m.; CtZhMv(inhoud,deelen pjn),o.;gmv. Geheel, bn. Ons geheelo leven. Geheim, O.; -en; geheimpje. Gehoornd, gehorend, lm. Een â dier. Gehucht (buurtschap), o.; -en. Gein (watertje: X.-If.), o. Geinster {vonk), m.; geinsters. Geit, v.; geiten. Gei teleer en geitenleer, o.; gmv. Gei'ten blad (kamperfoelie), o.; gmv. Gei'ten melker m.;-s. Gekrijscb, o.; gmv. Gekuischt (beschaafd, net), bn. Gelaarsd, bn. De âe kat. |
GELAGâGEWOONTE.
20
|
Gelag {verlering van een gezelschap), o. Het â betiilon. Gelaten {berustend, kalm), bn. Geleed, bn. Gelede dieren. Geleding, v.; geledingen. Geleen {rivier: L.), v. Gelei' {gestold vleeschnat), v.; -en. Geleide, o. Onder â der onderwijzers. Gelid, o.; gelederen. Gelijkenis {beeltenis; parabel), v.; gel ij k e n is s e n. Gelofte {verbintenis), v.; gel o fte n. Geloken {gesloten), bn. Gemaal' {echtgenoot), m.; gemalen, ge maal s. Gemaal {gezanik), o.: gmv. Gemalin' {echtgenooté), v.; -nen. Gem ber {specerij), v.; gmv. Gemeen (laag; gemeenschappelijk), bn. Gemeene taal. Een gemeene Gemeente, v.; gemeenten, jdeeler. Gemet' {oude vlaktemaat van V2 H.A), o.; gemeten. (deren. Gemoed (inborst, hart), o.; gemoe-Gemoet, bw. Iemand te â komen. Gems {klipgeit), v.; gemzen. Genade {onverdiendegunst), v.: gmv. Gendar me {politiedienaar), m.; -s. Gene, voornw. Aan â zijde. Genegen (gunstig gezind), bn. Mijn vader is n zeer â. Geneigd (overhellende tol), bn. Hij is â tot het kwaad. Generaal' (opperoffiicier), m.; -s. Genet' (Spaansch paardje), 0.: -ten. Genie' {krijgsbouwkunst), V. gmv. Genie' (vernuft), o.: genieën. Genitief (tweede naamval), rn.; genitieven. Ge nius (schutsengel), m,; ge'niën. Genoeglijk (aangenaam), bn. enbw. Genof fel (anjelier), v ; -s. Genoot {makker), m.; ge noot en. Genootschap(ye/'e(;gt;j/r/(//f/),o.: -|ien. Geograaf' {aardrijkskundige), m.: geografen. [gmv. Geographie' (aardrijkskunde), v.; Geogra'phisch, bn. Een â woordenboek. Igmv. Geologie' (aardleer, aardkunde), v.; Geranium (bloem), v.; ge rani n ms. Gerecht (al de rechters; spijze), o. |
Gereed (klaar, bereid), bn. gereede. Gereedschap, o.; gereedscha ppen. Gereformeerd' (hervormd), bn. De âe godsdienst. Gerei'de, gerei' (paardentuig), o.; g er e i d o n. Gerf, garf (schoof), v.; gerven, garven. Germaan' (Duitscher), m,; -m a nen. Germanis me (Buitsch-getinte uitdrukking), o.; germanismen. Gerst, garst (graangewas), v.; gmv. Gerstebier, v.; gmv. Gerucht, o.; geruchten. Geruiscii, o.fgmv. Geschiedenis, v.; -denissen. Geschil (lt;i« is/, ono.enighcid), o.; -1 e n. Gesmijde (sieraad), 0.; gmv. Gesp, m.; ges|ien. Gest, gist, v.; gmv. Gestalte (houding, gedaante), v.; -n. Ges te (gebaar), v.; gestes. Gesuis, o.; gmv. | tij den. Getij, getijde (eb en vloed), o.; ge-Getuige, m. en v.; getuigen. Getuigenis, o. en v.; -nissen. Geul (nauwe invaart, gleuf), v.; -en. Geul (rivier: L.), v. Geur, m.; geuren. [-n. Gevaarte (reusachtig voorwerp), o.; Gevankelijk, bw. Hij werd â weggevoerd. GevelnsdOye/imc/ie/rf), bn. âe t ranen. Ge'vel, m.: gevels. Gevoeglijk (gepast), bn. en bw. Een â uur. Dit kan â zóó geschieden. Gevoel (de tastzin), o.; gmv. Gevoelen {meening), o.-, gevoelens. Gewag (melding), o. â maken. Gewas (plant), o.; gewassen. Geweer, o.; geweren. Gewei, geweide {hertsgewei; ingewand van dieren), o. Gewelddadig (met geweld), bn. Gewemel (drukte), o.; gmv. Geweten, o.; gewetens. Gewezen (voormalig), bn. Een â burgemeester. Gewijsde (vonnis), o.; gewijsden. Gewis (zeker), bn. Een gewisse dood. Gewoon (dagelijksch), bn. gewone. Gewoonte, v.; gewoonten. |
GEWROCHTâr.omv.
27
|
Gewricht (geleding), o.; -en. Gewrocht {liunslwerl!, grootuche arbeid), o.; -e li. Gezag (macht, bestuur), o.; grnv. Gezamenlijk, lm. en bw. Gezantschap, o.: -|ien. Gezeglijk (gehoorzaani), lm. Gezel' {makker; knecht), m.; -len. Gezelschap, o.; gezelschappen. Gezicht einder {horizon), m.; gmv. Gezichts'kring, m. Gezindte {kerkgenootschap), v.; -n. Gezworene {beëedigde), m.; -n. Gids {leider), in. en v.; gids en. Giek {snelvarende boni), v.; g 1 e k e n. Gier {roofvogel; zwaai), m.; -en. Gier'pont {gierbrug), -en. Gierst {graansoort), v.; gmv. Giesen {rivier: X. If.), v. Gie'teling (mearle), m ; -l in gen. Gieter {werktuig), m.; gieters. Gift {geschenk, aalmoes), v.: -en. Gift, gif {vergif), o.; -en; giffen. Gil {schreeuw), m.; gillen. Gild, g\\Ae{vakvereeniging),0.:-de n. Ginds, bw. De man woont â. Gindsch, bn. In âe woning. Gips {kalksoort), o.; gipsen. Giraffe {dier), v.; -fen, -fes. Glrof'fel {nagelbloem), v.: -s. Gis {gissing, vermoeden), v.; gmv. Gist {gest), v.; gisten. Git {zwarte koraal), v.; gitten; {slof), o. Gitaar'(snaariHSlt;r((men(),v.;-ta ren. Glad, bn. Een âde paling. Glans, m.: glansen. Glan zig, bn. liet is âe zijde. Glazuur {verglaassel), o.; gmv. Glazuur sel, o. Glet'scher {bergijsveld), m.: -s. Gleuf (groef), v.; gleuven. GZimlach (vriendelijke lach), m;-e n. Glimp (valsche schijn), in.; -en. Glimworm (kevertje), m.; -en. Glin ster (glimmende vonk), in.; -s. Glip (spleet), m.-, glippen. Globe (aardbol), v.; globes. Gloed, m.; gmv. Glommen (rivier: Noorwegen), v. Gtoor (glans, schijn), m.; gloren. Glo rie (luister, roem), v.; gmv. |
GlOS, glosse (verklarende aanlee- kening), v.; glossen. Gluiper, gluiperd { valschaard) m.; -s. Gluips, bw. Hij keek mij â aan. Gluipsch, bn. De tijger is een â dier. God, m. |3e nvl., Gode.| Godendom (alle afgoden samen), o.-, gmv. Goües'(vrouwelijkegodheid),\.; -sen. Godheid, v.: godheden. Godin' (vrouwvaneen god), v.; -nen. Godsdienst (eerediensl). in.; -en. Godsoordeel (de vuur- of waler- proef), o.; go d so o r d eel e n. Gods penning, goods penning (handgeld, handgift), m.; -en. Godsvrucht, v.; gmv. Goed, o.; goederen. Goedheid, v.; goedheden. Goedschiks (met genoegen), bw. Goedsmoeds, bw. â liegen. Goelijk (lief), bn. en bw. Een âe blik; de hond keek hein â aan. Golf (baar; inham), v.; golven. Gom, v.; gmv. Gom-elastiek , gomlastiek', v.; gmv. Gon del (uaarluig in Venetië), v.; -s. Gons (dof geluid), m., gmv. Gooi (worp), v.; gooien. Gooi (hel Gooiland in iV.-II ), o. Goor (bedorven, vuil, vies), bn. De melk, het spek is â. Dat IsgOretaal. Goot, goten. Goot (rivier: O.), v. Gor del (riem), m.; gordels. Gor dijn, v. en o.; gordijnen. Gorgel (keel), m.; gorgels. Gors (aangeslibde zeeklei), v.; -Zen. Gort (gepelde garsl), v.; gmv. Gortebrij, v.: gmv. Gor'teiiteller^/ecif/ mensch), m.; -s. Go tha-Elf (gt; â¢ivier: /.weden), v. Goudenre gen (sierplant), m.: -s. Gouvernante (regentes; onderwijzeres), v.; gouvernantes. Gouvernement (landsregeering), o. Gouverneur (bestuurder; ook leermeester), in.; -e n of -s. Gouverneur -generaal' (onderkoning in India), m.; gouverneurenen gouverneurs-gene raai. Gouw (landstreek), v.; gouwen. |
GOUWâGÃIN.IE.
28
|
Gouw, gouwe (vehüiloom, npcen- knrid), v.; gouwen. Gouwe {rivier: /.-//.), v. Gou wenaar (Goudsche in.; -s. Gouw zee (N.-H.), v. Graad {trap, hnoiila). m.; graden. Graaf, m.; graven. Graat {viscïibeen), v.; graten. Grab bel, v. Te â gooien. Gracht {gegraven water), v.; -en. Gram {gewicht = 0.00/ Kilo), o.; gr a m m e n. Gramma tica {spranlilmnsl), v.: -'s. Gramschap {toorn), v.; gmv. Gramsto'rig{/)oo.s),bn.en bw.[-n ten. Granaat' (roode edelsteen; hoorn),m.: Granaat' {hom; vrucht), v.; -aten. Granaat'(.Wo/'),o. Ken armband vanâ. Grap, v.; grappen. Gras duinen {heuvelachtige weiden), meerv., v.; in â gaan. Cira.'t\e{gennde;lgt;eralligheid),\.;gm\. Gra tis {kosteloos), bn. en bw. 's-Gravenhage {de residentie), o. Het vorstelijk â. Graveur' {plaatsnijder), tn.; -s. Gravu re {gegraveerdeplaat), v.; -s. Grauw {snauw, hard woord), m.; -e n. Grauw {gemeen volk), o.; gmv. Grauw (grijsachtig), bn. Greb {greppel), v.; grebben. Greep {het grijpen), m.; grepen. Greep (mestvork; handvatsel; handvol), v.; grepen. Grein {gewichtje; ziertje), o.; -en. Gren del, m.; -s. Achter slot en â. Grenenhout {dennenhout), o.; gmv. Grens {scheiding), v.; grenzen. Gren zenloos, bn. De âlooze hei. Grep pel {vore, smal slootje), v.; -s. Gre'tig (hegeèriy), bn. Eenâeblik. Gre'velingen (water:7,.-H.), meerv., v. Grief, grieve (bezwaar), v.; -ven. Griend {wilgenhal;hoiit), v.; -en. Griep {influenza-koorts), v.; gmv. Griet (visch als een tarbot), v.; -en. Grietenij' (landstreek in /â '.), v.; -en. Griefman {bestuurder eener grietenij), m.; grietmannen. Griffel (leipen), V.: griffels. Griffie (bureau eener rechthanl der Prov. of Algem. Staten), v. |
Griffier' (geheimschrijver), m.; -s. Grift (rivier: Geld.), v. Grijns (mom, masker), v.; -zen. Grijn zaard, m.; grijiizaanis. 5r!jP (gier, condor), m.; grijpen. Grijsaard, m.; grijsaards. Gril (inbeelding, kuur,nuk), v.; -len. Grimas' (gebaar, kuur), v.; -sen. Grim lach (bittere lach), m.; gmv. Grint (steengruis), v.; gmv. Groef, groevetrfiVpxe/, y ;â¢Â«/'),v.; -v e n. Groei, m.; gmv. Groen (nieuw student), m.; groenen. Groen'landsvaarder (schip), m.; -s. Green ling (groenvink), m.; -en. Groente, v.; groenten. Groep, V.; -en. Kene familiegroep. Groet, m. Ook groete, v.; groeten. Groe'tenis, v.: groete nissen. Grof, bn.; grover, g ro fs t. Grog (drank), m.; g r o gj e. Grol (wrok), v.; grollen. Grom (ingewand, vuil van visch), 0. Grond (aarde, bodem), m.; -en. Gron del, gron'deling (visch), m. Grondslag (fondament), m.; -en. Groom (rijknecht), in.; grooms. Groot (oude fnunt = fl),0-i:'), m.; -en. Groot, bn.; grooter, grootst. Groot-Brittannië (het Vereenigd Koninkrijk), o. Groothandel, m.; gmv. Grootheid, v.: grootheden. Grootje (grootmoeder), o.; -s. Grootsch {verwaand; luisterrijk), bn. Grootte, v.; grootten. Kene ster van de eerste â. Grop, grup (greppel), v.; -pen. Gros (twaalf dozijn), o.; grossen. Grossier' (groothandelaar), m.; -s. Grossierderij' (groothandel), v.; -e n. Grot (hol ineen berg), v.; grotten. Gruis (fijne steenkool,cm..), o.; gmv. Grup (greppel), v.; grup pen. Grut {gemalen boel:well), v.; -ten. Gru wel (af keer, snoodheid), m.; -e n. Guadal quivir {rivier: Spanje), v. Guadia na (rivier: Spanje), v. Gua no (vogelrnest), v.; gmv. Guillotine (valbijl), v.; -s. Guinje (lees: gien'-je, oude Kngel-scbe gondmnnt =/'12.00), v.: -s. |
|
GUIRLAN1 Guirlande {blocmcmUnger), v.; -s. Guit (schalk; schelm), m.; gniton. Gulden {mimistul:), m.; guldens. Gulp (vore, spied, yenl), v.; -cn. Gulp (rivier: L.), v. Gunst (toegenegenheid), v.; -en. Guts (holle steekbeitel), w, gutsen. Gut'tegom, git'tegom (gomhars), v. Haag (heg), v.: hagen. Haag doorn, haag doren, ha'gcdoorn (meidoorn), m.; -s; -en. Haal (roofvisch), m.: haaien. Haak, m.: liaken. Haaks (rechtstandig), hw. Haaksch (rechthoekig), bn. Deze kozijnen zijn niet â. Haal (pennelrek), m.; halen. Haal (schoorsteenketiing met hefboom), v. en o.; halen. Haam (visclmel), m.; hamen. Haam (halsjuk van trekpaarden), o.; Haan, m.; hanen. [hamen. Haard (stookplaats), m.; haai den. Haardstede, v.; haardsteden. Haar lemmer (persoon),'m.; -s. Ook: bn. De â krant. Haar lemscheO'roxiouit l{anrlein),\. Haas, m.; hazen; (in jagerstaal), o. Haast (spoed), v.; gmv. Haat (afkeer, wrok), m.: gmv. Hachée', hachis' (gehakt), o.; gmv. Ha'chelijk (gevaarlijk), bn. Haft (dagvlieg), o.; haften. Hagedis' (dier), v.; hagedissen. Hagedoorn. Zie haagdoorn, m. Hagel (ijs; looden korrels), in.; -s. Hak (houw), in.; hakken. Hak (hiel; houweel). V.; hakken. Hakkenei' (telganger, paard), v.; -e n. Hal (overdekte markt), v.; ballen. Halleluja (lofzang), o.: b al lel n ja's. Halm (stengel van koren), m.; -en. Hals, in.: li a 1 Z e n. Harster(7«lt;!fV!» hoofdriem van paarden), m.; halsters. Halt, halte (/ â¢ustpunl), v.; halten. Hal'ter (werktuig bij gymnastische arm-oefeningen), m.; halters. Hal verwege^, bw. Mij keerde â. |
eâhars. 29 Gymnasiast' (leerling van een gymnasium), m.; gymnasiasten. Gymnasium (Lntjnsche school), o.; gymnasiën, gymnasia, gymnasium s. Gymnastiek' (stelsel van lichaamsoefeningen), v.; gmv. Gymnas tisch, bn. âe oefeningen. Ham, V.; hammen; hammetje. Hamei' (tot- of slagboom), v.; -en. Hamel (schaap), rn.; hamels. Hamer (werktuig), m.; hamers. Hamster (veldrat), v.; hamsters. Hand, v.; handen. Handel, m.; gmv. Handelshuis, o.; -huizon. Handelsstad, v.; -steden. Hand langer (helper), in.; -s. Handschoen, m.; handscboenen. Handvat, o.; handvatten. Handvest (oorkonde), v.; -on. Handvol, v.; handen vol. Ha'nebalk (hoogste ball:), m.; -en. Ha'nekam (kam van een' haan), rn.; liane kam me n. Ha'nekam (roode bloem), v.; -men. Ha'nejigevecht, o.; -en. Hanepoot (slechte letter), m.; -en. Hang (droogplaats), m.; hangen. HanS'SOp' (nachtkleed van kinderen), m.; hanssoppen. Hansworst'iz/jYiyi^eoDirt/.-cr), m.;-en. Han ie (verbond van hamlet), v.; gmv. Hap (beet), in.; happen. Ha ring (één visch), m.; -en, -i n k j e. Haring (slof), v.; gmv. Ha ringvliet (water: /..-11), o. Hark (rijf), v.; harken. Har lekijn (potsenmaker), m.; -e. Harmo nica (muziekinstrum.), v.; -'s. Harmonie (welluidendheid, mnziek-vereeniging), v.; harmonieën. Harmonisch {welluidend), bu. Har nas (wapenrusting), o.; -sen. Harp (snaarinstrument),\harpen. Harpij' (gedrocht uit de fabelleer), v.; harpijen. Harpoen' (werpspies), m.; -en. Hars (gom), v. en o.; harsen. |
HARSTâHEUGLIJK.
Tf
30
|
Harst (lendenstuk van eene hoe), m.; li ars ten. Hartstocht (Invade drift), m.; -en. Harts vanger (jachtmes), m.; -s. Haspel (werktuig om garen te winden), m.; haspels. Haspelarij' (gekibbel), v.; -en. Hauw (peulvrucht), v.; -en; -tje. Ha've (goed, bezit), v.; gmv. Havel (rivier: D.), v. Ha ven (ligplaats van schepen), v.; -s. Ha ver (graan), v.; gmv. Haverij', averij' (zeeschade), v,: -en. Ha vik (roofuog el), m.; haviken. Ha zelaar (hazelnoteboom), m.; -s. Ha zelnoot (boom), in.; (vrucht), ; h azel n o te n. Ha zenpad ( pad der vlucht), o.: gmv. Hazenwind (jachthond), ra.; -en. Ha'zevel, O.; haze vellen. Hebre'ër (Israëliet), m.; -s, -breën. Hebreeuwsch (Joodsch), bn. De âe taal. Hebzucht, v.; gmv. Hecht, heft (handvat), o.; -en. Hecht (nasi, solide), bn. Een âe grondslag. Hech'tenis((7ötia»iryens(7i«/j), v.; gmv. Hecta re (vlaktemaat ~ WOOD M3), v.; hectaren, hectares. Hectogram (ons), o.; -grammen. Heel (geheel), bn. Een heele appel. Heem (boerenhuis,erf), o.; li ee m en. Ook: Heim; hei men. Heep (hakmes), v.; liepen. Heer, Heere (God), m. Heer (gebieder), m.; heer en. Heer, heir (iejer),o.; heren, -en. 's-Heerenberg (stad), o. Heerschap (heer), o.: -schappen. Heesch (schor), bn.; heesche. Hees'ter (plant), m.; heesters. Hef, heffe (grondsop, fig. het gemeen), o.; gmv. Hefboom (werktuig), m.: -boom e n. Heft, hecht {handvat), o.; -en. Heg, hegge (t uinhang),w, heggen. Hei {blok; werktuig), v.; heien. Heide, hei (veld), v.; heiden. Heiden (afgodendienaar), m.; -en. Heiden (Zigeuner), in.; heidens. Heil (geluk), o.; gmv. |
Hei land (Zaligmaker), rn. HeM bot (zeevisch), v.; heilbotten. Hei melijk, bn. Een âe wensch. Heim'wee (ziekte), o.; gmv. Heinde (dichtbij), bw. Van â en verre. Heining (schutting), v.; -en. Heir, heer (/er/er), o.; -en. heren. Heirvaart, heervaart [opmarsch van een leger), v.; -en. Hekel (werktuig; afkeer), m. Hel, v.; gmv. He'Ier (berger van gestolen goed), m.; helers. Helft, v.; helften. Helicon (fabelleer: zangberg), m. Heliotroop' (zonnebloem), rn.; heliotropen. Hel lebaard (lans met dwarsbijl), v.; hellebaarden Hellebaardier'(i«npeH/,/ilt;;c/i/), m.; -s. Hel leveeg(booze vrouw), v.; - vegen. Hellespont (straat der Dar da- nellen), m. Helm (hoofddeksel), m.; helmen. Helm (gras der duinen), v.; gmv. Hemel (uitspansel), in.; hemelen. Hemel (van een ledikant), m.; -s. He melingieo^e/, zalige), m. en v.; -en. Hemelvaart, v.; gmv. Hen (kip), v.; hennen. Heng (deurhengsel), v.; hengen. Hen gel (vischgardé), m.; hengels.* Hen nep (plant), m.: ginv. Heraut (wapenbode), rn.; -e n. Herberg, v.; herbergen. Herder, ra.; herders. Heremiet' (kluizenaar), ra.; -en. Herfst, m.; gmv. Her komst (oorsprong), v.; gmv. Hermelijn (ceu wit wezeltje), m.; -e n. Hermelijn' (wit pelswerk), o.; gmv. Her'rie (drukte), v.; gmv. Hersenen, hersens, meerv., v. Hertog, ra.; her'togen. Her togdom (gebied, land), o.; -men. Herto gelijk, bn. De âe waardigheid. 's-Hertogenbosch' (stad), o. flet welvarende â. Heug (smaak), v. ïegon â en meug. Heugenis (herinnering), v.; heiige n iss en. Heuglijk (verblijdend), bn. |
1
1 1
HEULâHORRETJE.
31
|
Heul (hniggelje), v.; heulen. Heul (slaaphol, papaver), tn.: -e n. Heul {hulp, Irooxl, hijstand), O.; gmv. Heup {lichaamsdeel), v.; heupen. Heusch (vriendelijk, beleefd, oprecht), bn. Een â antwoord. Heuschheid (vriendelijhheid), v. Heu vel (hoocjlé), m.; -s of -en. Hevel (werlUuir/), m.; hevels. He vig {krachtig), bn. Een â verzet. Hiaat (slooling van klinkers), m; lüate n. Hiaat (gaping), o.; hiaten. Hiel (hal;), m.; li Ie I e n. Hik, m.; h i k k e n. Hinde (vronweljl; hert), v.; h i n il e n. Hinder (last, belelsei), m.; gmv. Hin'derlaag(.sc/in(7/(o«/,),v.: -lagen. Hin'dernls(slt;oo)-n!.s, belelsel),\'.; -se n. Hipocras' (kruiderwijn), in.; gmv. Histo rie {geschiedenis), v.; histo'- riën, histo'ries. Histo risch, bn. Een âe roman. Hit {klein paard), m.; hitten. Hoang', Hoang-ho, d. i. Gele rivier (China), m. Hob bel (one/fenheid), m.; hobbel s. Ho bo (blaasinslrumenl), v.: b o li o's. Hoed (hoofddeksel), m.; hoeden. Hoed (oudemaal = ± 9of 1111E.), o. Hoede (zorg, bescherming), v.; gmv. Hoef (hoornachtig deel van een paarde- of ezelsvoet), m.; h o e v e n. Hoef. hoeve (boerderij), v.; hoeven. Hoek, m.; hoeken. Hoeke' (vaartuig), in.; hoekers. Hoen, o.; hoenderen, boenders. Hoendlep (kanaal: Gr.), o. Hoep, hoepel, m.; hoepen, hoepels. Hoes (overtrek), v.; boezen. Hoest (het hoesten), m.; gmv. Hoeve, hoef (hofstede), v.; boeven. Hoeveelheid (massa, menigte), v.; hoeveelheden. Hof (tuin), m.; hoven. Hof (koningshof), 0.: boven. Hofmeier (eerste minister), m.; -s. Hofstede (boei 'enhuis), v.; -n. |-en. Hok keling (éénjarig /.quot;//'), in. en v.; \\o\ (het hollen), m.: gmv. op denâ. .Hol (grot, spelonk), o.: holen. Holendrecht (rivier: X.-ll.), v. |
Hollandsch Diep' (stroom: Z.-II.), o. Hols blok (klomp), 0.; -ken. Holster (pistoolkoker), in.; -s. Holte (holligheid), v.; holten. Horn (van een' visch), v.; li om m en. Hommel (bij), v.; bommels. Hom mer (mannetjesviscli), m.; -s. Homogeen' {gelijksoortig), bn. Homp {dikke brok), v.: hompen. Hond, m.; h o n d e n. Hondenhok (ook voor één hond), n.; b ondenhok k e n. Hondenslager (.rustbewaarder onder den kerkdienst), m.; -s. Hondenwacht (nachtwake op een schip, van J-}â-2), v.; gmv. Hondsch (vuil, slecht), bn. Het is â weer. Hondsciz heid {onbeschaamdheid), v. Hondsdagen (ii) Juli-IS Aug.), Honger, m.; gmv. [meerv., m. Honig, honing, m.; gmv. Honig-raat, honing-raat, m.; -raten. Honigzeem, honingzeem (7 beste van den honig), o.; gmv. Hoog, bn. Delioogetoren, [-aarzen. Hoogaars (visschersvaartuig), v.; Hoogheid, v. Zijne â, een prins. Hoogmoed {verwaandheid), m.; gmv. Hoogte, v.; hoogten. Hoon (smaad, schimp), m.; gmv. Hoop (stapel), m.: h 00 pen. Hoop, hope (verwachting), v.; gmv. Hoorn, horen (der koeien, enz.), m.; hoornen, horens. Hoorn, horen (stof), o.; gmv. Hoornsche diep (kanaal: Gr.), o. Hoos (windhoos), v.; ho Ozon. Hoos (kous), v.; hozen. Hoovaar'dig (trotsch), bn. Hoovaardlj' (hoogmoed), v.; gmv. Hop (vogel), m.; hoppen. Hop, hoppe (plant), v.; gmv. Hop man (kapitein), m.; -s, -lieden Horde (vlechtwerk), v.; horden. Horde (bende), v.; borden. Horen, hoorn, m : -s, -en. Ho rizon, ho rizont {gezichteinder), m.; horizonten. [-pijpen. Hor lepijp (blaaspijp; volksdans) v.; Horlo ge (zakuurwerk), o.; -s. Hor retje (vensterscherm), o.; -s. tl ii |
â i
HORTâI.rsnREKER.
32
|
Hort (rul-, sloot), m.; horten. Horticultuur (tuinlioiiw, ininivvs- kimsl), v.; gmv. Horzel (ice.s/)), v.; -s of -pn. Hos pes {waard, gastheer, kostbaas), m.; liospeSen. Hos pita {(jastvronw, hostju/l'rouw), vm s- [liospitalen. Hos pitaal U/nsthnis, zieUenlmis), o.; Hospitant' {gast; toehoorder in eene les), in.; hospitanten. Hotel' (groot logement), n.; linteis. Hottentot {inboorling in Afri- ka), in.; Ilottentotten. Hou ting {vischalsecn zahu), m.; -en. Hout'snede, hout snee {graveersel),v.; houtsneden, houtsneeën. Hout vester{opzichter van bosschen), rn.; houtvesters. Houvast {kram, bont), o.; -en. Houw {slag), m.; houwen. Houweel'(/ia/i-n)eW.7i((V/), o.; -wee le n. Houwifser {kort kanon), m.- -s. Hovenier' {tuinman), m.; -s. HujOoei van geschifte melk), v.; gmv. Hujchelaar {veinzaard), in.; -s. Huid (ue/), v.; hui ij en. Hujdig {hedendaagsch), lm. Huif {linnen kap van een wagen), 1 y.; hui ven. Huig {lelletje in de /.eel), v.; -en. | Hujk (kapmantel, falie), v.; -en. Hui lebalk {hoed met hanrjenden rand), v.; lm i le 1)a 1 k on. Huis jesmelker {verhuurder van ar- \ beiderswoningen), m.; -s. Huisjesslak {sink met een huisje), \ v.; huisjesslak k en. Huisraad {meubelen), o.: gmv. |
Hul (kapertje), v.; -len; -lotje. Hulde (eerbewijs), v.; gmv. Hulk (koopvaardijschip), v.; -en. Hulp {bijstand), v.; gmv. Hulsel (bedekking), o.; hulsels. Hulst (plant), m.: hulsten. Huize, huls (bast, omhulsel), v.; -n. Humaniteit' (menschlievendheid), \. Humeur' (Inim, stemming), o.; -en. Hu mor {luim, geestigheid), m.; gmv. Humorist'ilnioiig schrijver), m.; -é n. Humus {teelaarde), in'.; gmv. Hu nebed, hun'nebed {oude begraafplaats), o.; h u ii (n)ebed d e n. Hun'nenthalve, bw. Doe het â. Hun nentwege, lgt;w. Ik kom van â. Hunze (rivier: 1). en Gr.), v. Hurk, v.; -e n ; op (1 e h u r ko n. Hut, v.; hutten. Huts pot {spijs van wortelen), v.; gmv. Huur (pachtgeld, loon), v.; li 11 ren. Huur ceêl (hunrbrief, huurcontract), v.; h u u i ceèlon. Huur ling (gehuurdsoldaat), in.; Huzaar' {soldaat der ruiterij), h u 7. aren. Hyacint' {geelroode juweel), m.; Hyacint' (bloembol), v.; -en. Hy drn{nionster, veelhoofdig e slang) v.; - s. De â der omwenteling. Hyena (roofdier), v.: hyena's. Hygie'ne {gezondheidsleer), v,; gmv Hymne (lofzang), v.; hymnen. Hypno tisch (slaapwekkend), bn. Hypocriet'!/(«/c/ic/rtrt)), rn. en v.; -en. Hypotenusa (schuine zijde), v.; -'s. Hypotheek'(oHtfe)7)figt;;,£0,'v.: -tb e k c n. Hypothe se {veronderstelling), v ; -n. Hysop' (plant), v.; gmv. e n. in.; -en. |
|
I'his (reiger van den Nijl), m.; -sen. Ideaal (beeld der volkomeniieid in onze gedachte), o.: idealen. Idéé' (voorstelling, begrip, denkbeeld), o. en v.; ideeën. Idio ma, 'lÃiOdm' (longval, taaleigen), o.; idio rn e n. Idioot' (stompzinnige), m.; i ill o ten. Idyl'le (herdersdicht), v.; idyllen. lep (olm), m.; iepen. Ook Up. |
IJ (water: N.-IL), o. Ijdeltuit (zotte vronw), v.; -en. Uf (taxis, boont), rn.; ij ven. Uk {merk op malen en gewichten), m. IJl (haast, spoed), v.; gmv. In der â; in aller â. Ijlings (in of met haast), bw. Up, iep (boom), m.; ij pon, iepen. IJpelaar (iepeboom), m.; -s. IJsbreker (werktuig), in.; -s. |
USlir,âINSPECTIE.
33
|
IJsel (rivier: Geld. e« /.-//.), m. IJselijk (versclirihl!eljU),\m. cn b\v. Ijsgang {drift van Ju), m.; lt;;lllv- IJver, in.; gmv. Ij verzucht {jaloezie), v.: gmv. IJ'zegritn (knorrepot), in. -grims. Ook; Izegrim. IJzel (fijne ijslaag), m.; gmv. Illumina tie (feestelijke veriichtimj), v.; -t i ën , -ties. Illusie (begoochelinfj), v.; illu'-sien, illu'sies. Illustratie (opsiering met plaatwerk), v.; -t i ë n , -t i o s. Imita'tie(/iftwi/y/)(y),v.: -ties, -tiiin. Im ker (Injenhonder), m.; imkers. Immoreel'(0iï-«c/c/y7,), bn. Ken -reele liamleling. Immortel'le (stroohloeni), v.; -n. Imperatief (gebiedende wijs), in.: i in'|)e rati even. Imperiaal' (hektverk op een rijtuig), v.; -alen. Im'post (helaslhxg, accijns), m.; -en. Improvisa tie (rede voor de vuist), v.; -t i ë ii, -ties. Improvisator (redenaar, die voor de vuist spreekt), m.; -s. Inboedel (al het huisraad), m.; inboedels. Ook : Inboel. Inboorling, m. en v.; -en. Inborst (karakter), v.; gmv. In braak (hel inbreken), v.; -brak e n. In breuk (overtreding, schending), v. In cassatie (inning van gelden), v. Incident (woorvnO. O.; i n c i il e n' t e n. Inclina tie (neiging, overhelling), v.'; i n c II n a't i ö n , i n c 1 i n a't i e s. Incog nito, bw. Hij reist â, d, i. onder aangenomen naam. In dex (bladwijzer, register), in.; gmv. Indiaan' (roodhuid, inboorling van Amerika), m.; Indianen. In dicatief (aantoon, wijs), in.; i n-d ica tie v e n. In'dië, o.; do beide Indiën. In diër {inboorling van Indië), ni.; -s. In digo {fraaie blauwe verfstof), v. Individu' (persoon), m. en o.; -'s. -en. Individualiteit' (persoonlijkheid), v. Indragi ri (rivier: Sumalra), v. Indruk, m.; indrukken. |
In dus (rivier: /. Azië), m. Industrie' (nijverheid), v.; -trieën. Industrieel' (fabrikant), in.; -en. Infaam' (laag, eerloos), bn. In'fanterie (voetvolk), v.; gmv. In fanterist (aoldattl te voel), rn.; -en. Infectie (besmetting), v.; gmv. In flnitief (onhep. wijs)),rn.; -tl even. Infirmerie' (ziekenhuis), v.; -rieën. Influenza {koorts, griep), v.; gmv. Informatie {naricht), v.; infor- m a't i ë n , informatie s. Ingang, in.; -en. â vinden. In'gelande (bezitter van land in een' polder), m.; ingelanden. \nQen'ieur'(werkluigktmdige), m.; -s. Ingetogen (stemmig), bn. Ingeval, vgw. In geval van, voorzetsel. Ingewand, o.; ingewanden. Ingreep (inbreuk), m.; ingre|icn. Inham (kleine baai), m.; -men. Inheemsch' (inlandsch, bekend), bn. In houd, m.; in ho n don. Initiale (aanvang stel Ier), v.; -n. Initiatief' (inleiding, opening, de eerste slap), o.; i n i t i at I e'ven. Inkarnaat' (vleeschkleur), o.; gmv. In keer (berouw), m.; gmv. In komst, v. De blijde â des Hertogen. In komsten (verdiensten), meerv., v. Inkoop, m.; inkoopen. Inkt, m.; inkten. Inleg (geld), rn. Inmaak (wan en/..), v.; gmv. Inmid'delS (in den tnsschenljd), bw. Inn (rivier: Beieren), v. Inquisitie (geloofsonderzoek), v.; jim v. In rit {plaats van inrijden), m.: -ten. Inscriptie (in- of opschrift), v.; -lies. -tiën. Insect' (gekorven dier), o.; -e n. Insgelijks' (op gelijke wijze), bw. Insinua tie (bedekte beschuldiging), v.; -ti es, -tiën. Inslag (inkoop), m.: inslagen. Insolvent' (niet instaat te betalen), bn. Ile koopman was â. Inspecteur' (opziener), m.; -en, -s. Inspec tie(om/('r:()('/r, ook\gebied van eetC inspecteur), v.; -tiën, -ties. |
|
34 INSPRAAl In'spraak {ingeving, (jevocl), v.; i nsp rak e n. Installa tie (hevesliging ineenamhl), v.; in stal latiën, installaties. Instan telijk (dringend), bw. 11; verzoek Je ilat â Instinct' (natuurdrift do- dieren), o. Institu ten (Romeinsclte wetboeken), meerv., v. Instituteur (onderwijzer, kostschoolhouder), m.; -e n, -s. Instituut' (kostschool, instelling), o.; -t it ten. Instruc'tie(voorschrift),v.; -s, -tien. Instrument' (werktuig), o.; -CU. inteiieciueel' (verstandelijk, geestelijk), bn. De âe ontwikkeling. Interessant' (belangrijk), bn. Interest (rente), m.; interesten. In terval (afstand van twee tonen), o.; i n'ter val 1 e n. Intiem' (innig, verknocht), bn. Het zijn âe vrienden. In tocht (p/ec/^iV/e inkomst), m.; -e n. Intre de (plechtige inkomst), v.: -n. In trek (verblijf), m.; gmv. Intrigant' (bedrieger, indringer), m.; i ii t ri gan ton. Intrigant' (bedrieglijk, listig), bn. Jaap (snede in 't aangezicht), m.: j a pe n. Jaarboek U:ronick), o.; -en. Jaar gang (cü de ajleveringen van één jaar), m.; -gangen. Jaargetij, jaargetijde (seizoen), v.: -get ij on, -get ij tl e n, Jaarlijks, bw. Hij gaat â 0|I reis. Jaarlijksch, bn. Ken â verslag. Jaarwedde (traktement), v.: -n. Jacht (het jagen), v.; j a c li t e n. Jacht (vaartuig), o.; jachten. Ja'gu-ar (Amerik. panter), ui.; -s. Jakhals (roofdier), m.: -lui, I Zen. Jaloersch' (naijverig), bn. Jaloerschheid (ijverzuchi). v.: gmv. Jaloezie' (ijverzucht), v.; gniv. Jaloezie' (zonnescherm), v.; -z i ec n. Jam be, jam bus (versvoet), m.: -n. Jammer (ellende), o.; jammeren. |
âJKKER. Intri ge (listige streel;, kuiperij), v.; intriges. Introduc'tie (inleiding), v.; -s, -tiën. In val, m.: i n v al 1 e n. Invali de (vermink te soldaat), m.; -n. Inventa'ris (lijst van al het huisraad), m.; invent a'rissen. lnvita'tie()(iinoorf(V/i«;/),v.;-s, -tiën. Invloed, m.; invloeden. In voer (ingevoerde goederen), ui.; In zage, v. Een boek ter â. [-en. Inzet, m.; inzetten. ln'zicht(oo(7)»ej7.-, bedoeling),o.; -en. I ris (godin; regenboogvlies), v. Ironie' (bedekte spot), v.; gmv. Irrawad dy (rivier: X.O. Azië), v. Ir'tisj (rivier: N. Azië), v. Is lam (Mohammed, godsdienst), m. Israëliet', m.; Israëlieten. Israëlie'tisch, bu. De âe wetten. Israëlitis'me (leer der Joden), o. Isth mus (landengte), m ; gmv. Italiaan', m.; Italianen. Italie'ken (cursieve letters), meerv^v. Item (hetzelfde), o.; items. Itterbeek (rivier: L.), v. Ivoor' (elpenbeen), o.; gmv. Ivo ren (van ivoor), bn. Een â waaier. Izabel kleur (geelachtig tvit),\.; gmv. Jang-tse-ki'ang d. i. Zoon desOueaans (de Blauwe rivier: China), m. Janhagel (koekje), v.; gmv. Janhagel (het genteen), o.; gmv. Janmaat' (matroos), ui.: -s. Janrap' (het gemeene volk),o.\ gm\. jansa'lie (droomer), m.; j ansal ie s. Janua'ri (louwmaand), m. Japannees', m.; .1 a pa n n e c z c u. Japanneesch'. Japansch , bu. Deâc kleederdraclit. Japon'(vrouvienkleed), v.; -nen, -sT Jas (kleedingstuk), v.; jassen. Jasmijn' (heester), v.; jasmijnen. Jas pis (ronde juweel, ook bruin en groen), ru.; j asp i ssen, (stof), o. Java-koffle, v.; gmv. Javelijn' (werpschicht), v.; -cn. Jean pota'ge (hansworst), m.; gmv. Jeker (rivier: L), v. |
|
. volslagen â (oor, die geen loon trekt), m.; -s. (ai = ê). Volala'gen (volkomen), bn.enbw.: -er. VolHtr«kt' (stellig, zeker), bn. en bw. Voltal're (bekleede leunstoel), m.; -a. Voltigee'ren (kunstrijden, te paard). Voltigeur' (kunstrijder), m,; -s.(g = zj). Volto'geii (afgewerkt, voltooid), bn. Volu'meidichtheid, omvang, inhoud), o. Volumen (boekdeel), o.; volu'mina. Volumineus'(groot van omvang), hn. Volwas'sen(Wforoeid), bn.: e. â rund. Vol'zin(volledige zin),m.;volzinnen. Vomltlef' (braakmiddel), o.; -tieven. Vond (het vinden), m.; vonden. Von'del (plank over eene sloot), m.; -s. Von'dellng^geyoncten kind),m.en v ;-en. Von'der (vondel of vlonder), m.; -s. Vondst (het gevondene), v.; vondsten. Vonk (vuursprank), v.; vonken. Von'kelen (vonken afstralen), z. w.; gevonkeld: het vuur -t in de smidse. Von'ni8(ui(spraafc v. d. rechter),o.; -s e n. Von'nissen (vonnis vellen), z. w.; -nist. Vont (doopvont, -bekken), v.; vonten. Voog-d (toeziener), m.; voogden. Voogd (bestuurder), m.; -en: vloot-. Voogdes' (vrouwelijke voogd), v; -sen. Voogdij' (waardigh. als voogd), v.; gmv. Voor, vo're (geul, rimpel), v.; voren. Voor'baat, v.; gmv.: in de â zijn, vooraf zorgen voor iets; bij â, vooraf, te voren. Voorba'rig (ot;erij7d),bn. en bw.: -er, -st. Voord, -e (waadbare plaats),v.; -den. Voojr'daclit (opzet), v.; gmv.: met â. Voor'deel (winst, baat), o.; -deelen. Voordee'lig (winstgevend), bn.: -er, -st. Voor'dracht(/ietvoorflredraQerie),v.;-en. Voorban'den (in voorraad zijnde),hn. Voor'lioede(voors«e legerafdeel.),\.; -n. Voor'hof(voorplaats),o.en m.; -hoven. Voorjaar (lente), o.; voorjaren. Voor'keur, v.; gmv.: bij â, liefst. Voor'komen (uiterlijk), o.; gmv. Voor'loop (geestrijk vocht), v.; gmv. Voor'maals (eertijds, voorheen), bw. Voorma'llg(in vorigen tijd zijnde), hn. Voor'man (soidaat, die in 't gelid vóór een' anderen staat), m.; -mannen. Voorn (voren, vischje), m.; voorns. Voornaam' (aanzienlijk), bn.: -namer. Voorna'meiyk (hoofdzakelijk), bw. Voor'nemen (plan, besluit), o.; -s. Voor'raad(/ietvoorftandene),m.;-raden. Voor'rang(i;oorgranfir in rang), m.;gmv. Voor'recht (privilege), o.; -rechten. Voor'redè (voorbericht), v.; - r e d e n e n. Voor schoot (boezelaar), o.; -schooten. Voor'scliot(voorlt;7esc/ioten geld),o ;-ten. Voors'handsCvoorZoopi^voore^rsOjbw. Voor'slag(voorsteO, m.; voorslagen. Voor'slag (klik van eene klok), o.; gmv. Voor'spol^oora/gaandspeZXOv-spete11- Voor'spoed (geluk, welvaart), m.; gmv. Voor'stel(voorslag), o.; voorstellen. Voortreff'feliJk(i«7s^A:end))bn.:-er,-st. quot;**vnen. Zakwoordenboekje. |
vroedschap. Vooruit'gang (vordering), m.; gi Voor val (gebeurtenis), o.; -vallei Voor'waarde (beding),w.\ -waard Voor'werp (elke zaak, elk ding), o.; -lt; Voor'werp (lid van den volzin), o.;-c Voor'zaat (voorvader), m.; -zaten. Voor'zetsel (rededeel, partikel), o.; -s. Voorzicli'tig (behoedzaam), bn.: -er, -st. Voos(taai,zondersaj9),bn.:vooze knollen. Voos (fig. kwaadsappig), bn.: e. â gestel. Vor'deren (eischen), z. w.; h. gevorderd. Vo're (ploegsnede), v.; voren; ook: V o o r. Vo'ren (visch), m.; -s; ook: Voorn. Vo'rig (vroeger, voorafgaand), bn. Vork (getand werktuig), v.; vorken. Vorm (gedaante), m.; vormen. Vorm'leer(aansc/i0Mi0.iMeetA:.),v.;gmv. Vorscli (kikker), m.; vorschen. Vorst (koning, prins), m.; vorsten. Vorst (bovenlijn v.e. da/c), v.; vorsten. Vorst (het vriezen, koude), v.; gmv. Vos (roofdier), m.; vossen. Vouw (plooi), v.; vouwen. Vouw'been (papier snij der), Vou'wen(m de vouw Leggen), st. w.; ik vouwde; heb gevouwen: eene servetâ. V rtkti^(ondervr aging, eisch),\.\ vragen. Vraag'baak (raadsman), v.; -baken. Vraat (gulzigaard), m.; vraten. Vracht (lading, last), v.; vrachten. Vra'gen, st. w.; vraagde, vroeg, -vraagd. Vrank, frank (vrij), bn.: - en vrij. 'Vramp;'tig (gulzig, vraatzuchtig),hn/.-er.-Bt. Vre'de, vree, m.; gmv.; des vredes. Vre'dig (rustig, kalm), bn.: -er, -st. Vreed'zaam (vredelievend), bn. en bw. Vreemd (zeldzaam,ongewoon), bn.: -er. Vrees, vree'ze (angst), v.; vreozen. Vree'selijk, vrees'lijk (wat te vreezen i«,ergf),bn.enbw.:e. â onweer; â warm. Vr^'zen (bang zijn voor), z. w.; -vreesd. Vrek (gierigaard), m.; vrekken. Vre'ten (gulzig eïen),8t.w.; vrat, -vreten. Vreug'de, vreugd (blijdschap), Vriend, vrind (kameraad), m.; -en. Vrien'deltJk (minzaam, We^),bn.:-er. Vriend'schap, v.; gmv.: in â leven. Vries'punt (nulpunt op thermometers van Celsius en Rcaumur),o.; -punten. Vrie'zen, st. w.; vroor, -vroren, -vrozen. Vrij (niet gebonden), bn.: vrijer, vrijst. Vrij'baiter (kaper, zeeroover), m.; -s. Vrij'dag(6gt;e dag derwee/c),m.;-dagen. Vrij dom (vrijstelling), m.;-dommen. Vrij'«lijk(onbeiemmerd),bw.:-heengaan. Vrij'heid (het vrij-zijn), v.; gmv. Vrij'heid (handvest, privilege), v.; vrijheden: de vrijheden der steden. Vrij'laten (de vrijheid teruggeven), z.w.; ik liet â, heb vrijgelaten: e. vogeltje -. Vrijiboe'clig (oMbe8c/iroomd),bn. en bw. Vrijnos'tig (eenigsz. brutaal), bn.:-er. Vrij'waren (behoeden),!.*/.;-vrijwaard. Vroed (wijs, ervaren), bn.: -e mannen. Vroea'schap (oudtijds: regeeringscol- \ 9 |
INSPRAAKâJK HER.
34
|
Inspraak (ingeviny, yevocl), v.; insp rak e n. Installa tie (bevestigin;) ineenrxmbl), v.; installation, installaties. Instan telijk {dringend), b\v. Ik verzoek je dat â Instinct' {natuurdrifl der dieren), o. Institu ten {Romeinsche welhoeken), meerv., v. Instituteur' {onderwijzer, kostschoolhouder), m.; -e n, -s. Instituut' {kostschool, instelling), o.; -t u ten. Instruc'tle(voorschrift),V,; -s, -tien. Instrument' {werkluirj), o'.; -en. Intellectueel' {verstandelijk, geestelijk), bn. De âe ontwikkeling. Intéressant' {belangrijk), bn. Interest {rente), m.; interesten. In terval {afstand van twee tonen), o.; i n' te r val 1 e n. Intiem' {innig, verknocht), bn. liet zijn âe vrienden. \n'tOCM{plechtigeinkomst), m.; -en. Intre de {plechtige inkomst), v.; -n. In trek {verblijf)', m.; gmv. Intrigant' {bedrieger, indringer), m.; i n trijian ten. Intrigant' {bedrieglijk, listig), bn. |
Intri ge {listige streek, kuiperij), v.; intriges. Introduo'tie {inleiding), v.; -s, -tien. In val, m.; i ii va 11 e n. Inval! de {verminkte soldaat),m.; -n. Inventa'ris {lijst van al het huisraad), m.; inventa'ris sen. lnvita'tie((nYnooc/(V/iȕ;/):v.;-s, -tien. In vloed, m.; invloeden. Invoer {ingevoerde goederen), in-; In zage, v Een boek ter â. [-en. In zet, m.; inzette n. In'zicht (oof/xieW.', bedoeling),o.-, -en. I ris (godin; regenboogvlies), v. Ironie' {bedekte spot), v.; gmv. Irrawad dy {rivier: Azië), v. Ir'tisj {rivier; N. Azië), v. Is lam {Mohammed, godsdienst), ra. Israëliet', ra.; Israëlieten. Israëlie'tisch, bn. De âe wetten. Israëlitis'me {leer der Joden), o. Isth mus {landengte), m ; grav. Italiaan', m.; Italianen. Italie'ken {cursieve letters), meerv.. v. Item {hetzelfde), o.; items. Itterbeek {rivier: L.), v. Ivoor' {elpenbeen), o.: gmv. Ivo'reni ran ivoor),bn.Een â waaier. Izabel'kleur {geelachtig wit), v.; gmv. |
J.
|
Jaap (snede in U aangezicht), m.: ja pen. Jaarboek {kroniek), o.; -en. Jaar gang {al de afleveringen van één jaar), m.: -gangen. Jaargetij, jaargetijde {seizoen), w. -getijen, -getijden. Jaar lijks, bw. Hij gaat â o|i reis. Jaarlijksch, bn. Ken â verslag. Jaarwedde {traktement), v.; -n. Jacht {heljagen), v.; j ac h t en. Jacht {vaartuig), o.; Jachten. Ja'gu-ar (Amerik. panter), in.: -s. Jakhals {roofdier), m.: -halzen. Jaloersch' (naijverig), bn, Jaloersch heid {ijverzucht), v.: gmv. Jaloezie' {ijverzucht), v.; gmv. Jaloezie' {zonnescherm), v.; -z i e c n. Jam be, jam bus {versvoet), m.; -n. Jammer (ellende), o.; jammeren. |
Jang-tse-ki'ang d.i. Zoon desOceaans (de Blauwe rivier: China), m. Janhagel (koekje), v.; gmv. Janha gel {het gemeen), o.: gmv. Janmaat' (matroos), m.: -s. Janrap' (het genieenevolk),o.; gmi. Jansa'lie (droomev), in.; j a n sa 1 i es. Janua'ri (louwmaand), in. Japannees', m.; Japanneezen. Japanneesch', Japansch , bn. Deâe kleederdracbt. lapon' (vrouwenkleed), v.; -non, -s. Jas {kleedingstuk), v.; jassen. Jasmijn' {heester), v.; jasmijnen. Jas'pis (roode juweel, ook bruin en groen), m.; jaspissen, {stof),o. Java-koffie, v.; gmv. Javelijn' {werpschicht), v.; -en. Jean pota'ge {hansworst), m.: gmv. Jeker {rivier: L), v. |
â;------
|
VOLSLAGEN â roor, die geen loon trekt), m.; -s. (ai = ê). Volsla'gen (volkomen), bn. en bw.: -er. Vol«ttr«kt' {stellig, zeker), bn. en bw. Voltai're (bekleede leunstoel), m.; -a. Voltigee'ren {kunstrijden, te -paard). Voltigeur' (kunstrijder), m.; -s.(g = zj). Voltogen (afgewerkt, voltooid), bn. \â¬Â»lu'me(dichtheid,omvang,inhoud),o. Vo'lumeii (boekdeel), o.; volu'mina. Tolaminens' (groot van omvang), bn. Volwas'sen (volgroeid), bn.: e. â rund. Vol'ziu (volledige zin),m.; volzinnen. Vomitlef' (braakmiddel), o.; -tieven. Vond (het vinden), m.; vonden. Von'del (plank over eene sloot),xn:,-s. Vou'deling-^eyonden fcmd),m.env ;-en. Von'der (vondel of vlonder), m.; -s. Vondstgevondene),vondsten. Vonk (vuursprank), v.; vonken. Von'kelen (vonken afstralen), z. w.; gevonkeld: het vuur -t in de smidse. \owk'wt\H{uitspraak v. d. rechter),o.\ -sen. Von'nisseu (vonnis vellen), z. w.; -nist. Vont (doopvont, -hekken), v.; vonten. Voog^d (toeziener), m.; voogden. Voo^d (bestuurder), m.; -en: vloot-. Voogdes'(vrouwelijke voogd),v.; -sen. Voogdij' (waardigh. als voogd), v.; gmv. Voor, vo're (geul, rimpel), voren. Voor'baat,v.;gmv.: inde â ziin,vooraf zorgen voor iets; bij â, vooraf, te voren. Voorba'rif? (overijld),\)Ti. en bw.: -er, -st. Voord, -e (waadbare plaats),\.\ -den. Voordacht (opzet), v.; gmv.: met â. Voor'deel (winst, baat), o.; -deelan. Voordee'lig (winstgevend), bn.: -er, -st. Voor'dracb t {hetvoorgedragene),w.;-en. Voorhan'den(in voorraad zijnde),hn. Voor'lioedeCvoorsie leg er af deel.),\.] -n. Voor'hof (voorpZaaïa),o.en m.;-hoven. Voorjaar (lente), o.; voorjaren. Voor'kenr, v.; gmv.: bij liefst. Voor'komen (uiterlijk), o.; gmv. Voor'loop (geestrijk vocht), v.; gmv. Voor'maals (eertijds, voorheen), bw. Voorma'llg (in vorig en tijd zijnde), bn. Voor'nian(so/daaf, die in 't gelid vóór een' anderen staat), m.; -mannen. Voorn (voren, vischjé), m.; voorns. Voornaam' (aanzienlijkj,hn.: -namer. Voorna'meiyk (hoofdzakelijk), bw. Voor'nemen (plan, besluit), o.; -s. Voor'raad(/ietvoorhandene),m.;-raden. Voor'rang:(voorgranfir in ran5r),m.;gmv. Voor'recht (privi^e). o.; -rechten. Voor'redé (voorbericht), v.; - r e d e n e n. Voor schoot (boezelaar), o.; -schooten. Voor'schotCvoon/esc/ioïen geld),o;-ten. \oorH'tMsmda(voorloopig,vooreerst),h-w. Voor'slag (voorstel), m.; voor slagen. Voor'slag: (klik van eene klok), o.; gmv. 'Voor'Hpel(voorafgaandspel),o.\-s^e\en. Voor'spoed (geluk, welvaart), m.; gmv. Voor'stel(üoors?aör), o.; voorstellen. VoortrerfellJk(tlt;ifsfefcenc/))bn.;-er,-st. koenen, Zakwoordenboekje. |
VROEDSCHAP. '129 Vooruit'g-aug: (vordering), m.; gmv. Voor'val (gebeurtenis), o.; -vallen. Voor'waarde (beding), -waarden. Voor'werp (elke zaak, elk ding), o.; -e n. Voor'werp (lid van den volzin), os,-cn. Voor'zaat (voorvader), m.; -zaten. Voor'zelsel (rededeel, partikel), o.; -s. Voorzich'tig- (behoedzaam), bn.: -er, -st. Voos(faai, zonder sap),bn.: vooze knollen. Voos (fig. kwaadsappig), bn.: e. â gestel. Vor'deren (eischen), z. w.; h. gevorderd. Vo're (ploegsnede), v.; voren; ook: V o o r. Vo'ren (visch), m.; -s; ook: Voorn. Vo'rig- (vroeger, voorafgaand), bn. Vork (getand werktuig), v.; vorken. Vorm (gedaante), m.; vormen. Vorm'leer(aansc/iOUM/.meefA:.),v.;gmv. Vorsch (kikker), m.; vorschen. Vorst (koning, prins), m.; vorsten. Vorst (boven lijn v.e. dak), v.; var sten. Vorst (het vriezen, koude), v.; gmv. Vos (roofdier), m.; vossen. Voow (plooi), v.; vouwen. Vonw'been (papiersnijder), o.; -beenen. Vou'wen (in de vouw leggen), st. w.; ik vouwde; heb gevouwen: eene servetâ. V rafig(ondervraging, eisch),y.; vragen. Vraag-'baak (raadsman), v.; -baken. Vraat (gulzigaard), m.; vraten. Vracht (lading, last), v.; vrachten. Vra'gen, st. w.; vraagde, vroeg, -vraagd. Vrank, frank (vrij), bn.: - en vrij. \ra'tig (gulzig,vraatzuchtig),hn.:-eT.-6t. Vre'de, vree, m.; gmv.; des vredes. Vre'dig (rustig, kalm), bn.: -er, -st. Vreed'zaam (vredelievend), bn. en bw. Vreemd (zeldzaam,ongewoon), bn.: -er. Vrees, vree'ze (angst), v.; vreozen. Vree'seiyk, vreeslijk(wattevreezen is,ergf),bn.enbw. :e. â onweer; â warm. Vr^'zen (bangzijnvoor), z.w.; -vreestl. Vrek (gierigaard), m.; vrekken. Vraten (gulzig eïen),8t.w.; vrat, -vreten. V reng'de, vreugd (blijdschap),v.;gm\. Vriend, vrind (kameraad), m.; -en. Vrlen'del|Jk (minzaam, Zie/), bn.:-er. Vriend'schap, v.; gmv.: in â leven. Vries'punt (nw/pwnt op thermometers van Celsius en Réaumur),o.; -punten. Vrie'zen, st. w.; vroor, -vroren, -vrozen. Vrij (niet gebonden), bn.: vrijer, vrijst. Vrij'bniter (kaper, zeeroover), m.; -s. VriJ'dag:(öe dag der week), m.,-da. gen. Vrij'dom (vrijstelling), m.;-dom men. Vrij'elijk(onbeiemmerd),bw.:-heengaan. VriJ'heid (het vrij-zijn), v.; gmv. VriJ'heid (handvest, privilege), t.; vriiheden: de vrijheden der steden. Vrijlaten (de vrijheid teruggeven), z.w.; ik liet â, heb vrijgelaten: e. vogeltje â. Vri jihoe'dig (orjfee«c/iroomd),bn. en bw. Vrijyos'tig: (eenigsz. brutaal), bn.:-er. Vrij'waren (behoeden), z.w.; -vrijwaard. Vroen (wijs, ervaren), bn.: -e mannen. Vroett'schap (oudtijds: regeeringscol- \ 9 |
130 VROEGTE âWANGEDRAd. ,
lege eener stad), v.; vroedschappen. VuirniHiafuu^uanveegselfdrek^.-.gmv.
Vroeg'te (vroege morgentijd), v.; gmv. \nlHt{dichtge8lotenhand),\.'\\jii3ten,
Vroo'iyu (blijde, opgewekt), bn.enbw. Vnlkaan' (vuurberg), m.; vulkanen. \vtooixk (godsdienstig), bn.; vromer,-st. 1 Vuns (duf, muf), bn.: vunze holen.
Vrouw (vrouwelijke persoon), v.; -en. Vu'ren (schieten), z. w.; it vuurde, ik Yron'nwen^itigdi.K.feestdag,^Febr.),ïn. heb gevuurd: de vijand gaat â.
Vifouw'menscti (vrouw), o.; -lui. Vu'rig (levendig, opgetvekt),hü. enbv/., Vronws'persoon, o.; -personen. -er. -st: een â oog, eene â e begeerte.
Vracbt (voortbrengsel, ooft), v.; -en. \\\y\v{brandendemaasa,vJam),o.;vuren.
Vrncb'teloos (vergeefsch), bn.: -loozer. Vuur (fig. gloed, ijver), o.; gmv.: metâ.
Vue (gezicht, uitzicht), v.; -s. Vuur (vuurtoren), o.; vuren.
\u\lS (laag,slecht),\)n.: -e daden;-er,-st. Vuur'Ncherm (haardscherm), o.; -en.
Vuil (onrein, smerig), bn.: -er, -st. Vuur'slag (stuk staal), o.; -slagen.
Vui'liKbeid (vuilnis, drek), -heden. Vuur'toreu (toren met kustlicht, Vui'Ilk(vui?aardigmensc/i),m.;-lilsen. | brandaris), m.; vuurtorens.
W.
|
W. = West of Westen. W. C. = Watercloset, zie aid. W.-I. = West-Indi'é. W.Ii. = Westerlengte (aardrijkskunde). Waag: (groot weegtoestel), v.; wagen. Waag'lial8(roeamp;eioore),m. en v.;-halzen. Waaien, st. w.; waaide of woei, gewaaid. Waai'er (dames-waaier), m.; waaiers. Waaksch (waakzaam), bn.: een -ehond. Waal (een Luikerwaal), m.; Walen. Waal (arm van den Rijn: Geld.), v. Waal (ligplaats v. sc/iepen),v.;walen. Waan (ongegronde meening), m.: gmv. Waan'wfls (etgfenunj's), bn. en bw,: -zer. Waan zin (krankzinnigneid),m.-, guiv. Maar (handelsartikel), v.; waren. Waar (wezenlijk gebeurd, juist), bn. Waarach'tigrCtoezenZy/f^c/iOjbn. en bw. Waar'borg (onderpand), m.; -borgen. Waard (kastelein, hospes), m.; -en. Waard, woerd, woord (mannetjeseend)^ m.; -en. Wamrd (ingedijkt polderland), t.; -en. Waar'de C prijs, waardij), v.; w a a r d e n. Waardee'ren (naar waarde schatten), z. w.; ik -deerde, heb gewaardeerd. Waardü' (de waarde, de prijs), v.; gmv. Waar'held, v.,(soorten): waarheden. Waar'merk (teeken van echtheid, handelsmerk), o.; waarmerken. Waar'nemen (bespeuren, opmerken), zien),8t w. nam waar,heb waargenomen. Waar'schuwen (vermanen, opmerkzaam maken op), z. w.; h. -waarschuwd. Waar'scbawing: (vermaning), v.: -en. Waar'ze^en (voorspellen), z. w.; ik zeide â, heb waar'gezegd, waar'gezeid. Waa«(ciampigrvoc/i(),o.;fig.schijn,zweem. Waebt (één wachter), m.; wachten. Wacbt (het wachthuis', het wacht houden; al de wachters samen), v.; wachten. Waeb'tel (kwartel), m.; wachtels. Wacb'ten (toeven, wacht-houden), z.w.; ik wachtte, heb gewacht: iemand â. Wacb'ter (wachthouder), m.; wachters. Wad (ondiepteaan de kust),o.; wadden. |
Wa'de (wit laken, lijkkleed), v.; waden* Wa'den (door 't water loopen), z. w.5 ik waadde, heb en ben gewaad. Wa'fel (kermisgebak), v.; -s, -en. Wa'den (voertuig), m.; wagens. Wa'g-en (op ' t spel zetten), z.w.; gewaagd. Wag gelen (onvast loopen, wankelen), z. w.; ik heb en ben gewaggeld. Waffon' (spoorwagen), m.; wagons. \Vh\l (zwakke plaats in het ijs), o.; -ken. Wak (vochtig), bn., -ker, -st: â weer. Wa'ken (wacht-houden), z.w.; -waakt. Wa'ker (persoon, die waakt), m.: -s. Wak'kei^onïtoaato; fig. levendig, opgewekt), bn. en bw.: - van geest; - aanvallen. Wal ^gt;,-(uur, kade, land), m.; -ysllen. Wal'eberen (eiland: Z.), o. Wald'hoorn, -boren(eig. woudhoorn: jagershoorn), m.; -hoorns, -horens. Walg (afkeer^ weerzin), v.; gmv. Wal'g-ing:(a fkeer, misse lij khei d), v.;-en. Walglijk (afkeenvekkend), bn.: -er,-8t. Walbal'la (hemelsche hal met lusthof voor Germaansche vorsten en helden),o. Walm (vettige damp), m.; walmen. Warnool (groote noot), v.; (boom), m.; walnoten; ook: Okkernoot. Wal'rns, -ros (groot robachtig zeedier der IJszee), m.; walrussen, -rossen. Wals (dans in % maat), v.; walsen. \\rHls(rol, stamper, pletrol), v.: wals en. Wafsen (e.walsdansen),ikheh gewalst. Wal'visch (het grootste zeedier : in de poolzeeën), m.; walvisschen. Wam'buis (boerenhuis), o.; -buizen. Wam'mes (wambuis), o.; wa m m e se n. Wan (koren-ziftmand), v.; wannen. Wan'betaling (niet-betaling), v.; -en. Wand (muur, beschot), m.; wanden. Wan'daad (euveldaad), v.; -daden. Wan'del (gedrag), m.; gmv.: in den â . Wan'd elen(/cMierm),z.w.;-de,-wandeld. Wan'deling (het wandelen), v.: op de Wan deling (wandelpad), v.; -on. Wa'nen (ijdel meenen), z.w.; gewaand. Wang (koon), v.; wangen. Wan'gedrag(zeersiecMfiredmlt;7),o.;gmv. |
i--âi* _ ^
JENEVERâKAI ANDEIt
|
Jenever {stcrhe dmnli), v.; gmv. Je'niseï {rivier: N. Azië), v. Jeremiade {klaaglied), v.; -n, -s. Jeugd, v.; gmv. Jeuk {.jeukte), m.; gmv. Jezuïet' (pater), m.: Jezuïeten. Jezuie'tisch {volyens de leer der Jezuïeten), bn. Jezuïtis me {leer der Jezuïeten), o. Jicht {gewrichtspijn), v.; gmv. Joc key {rijknecht, pikeur), m.; -s. Jodendom (allejodensainen), o.; gmv. Jok {scherts), m.; gmv. Jokkernij' {scherts), v.; -en. Jol {vaartuig), v.: jollen. Jongedoch ter (ongehuwde), v.; -s. Jongeheer', jongenheer', m.; -en. Jongeju/'Xrouw, v.; -en. Jongen {knaap), m.; jongensjjo n- getje, jongske, jongsken. Jong maatje {leerling Op ambacht), o.; j o ngma :i t,j es. Jongmensch' (jongeling), o.: jongelui, jongelieden. Iilüg-Jongstleden {pasgeleden) bn. â Vrij-Jonk (Chineesch vaartuig), v.; -en. Jonker, jonirheer (edèlman), in.; jonkers, j o n k h e e r e n. Jongheer, m.; -hoeren. |
Jongheid, v.; gmv. Jongvrouw (freule), v.; -en. Jood (fsraëliet), m.; joden. Joodsch, bn. De âe godsdienst. Jool {halve gek), in.; jolen. Jota (stippel, tittel), v.; jota's. Journaal' (dagboek, dagblad), o.; jon malen. [-en. Journalist' {dagbladschrijver), rn.; Jouw (uitjouwing), m ; jouwen. Jubel {juichkreet), m.: jubels. Jubilaris {feestvierder), m.; -sen. Jubllé, jubilse'um {jubelfeest), o ; -'s Juffer (jonge juffrouw), v.; -s. Juffer {lange stank, balk), v.; -g. Jur'/rouw, v.; juffrouwen. Ju li {hooimaand), m. Ju ni (zomermaand), m. Ju nior (de jongere), m. Ook Jr. Jurist' (rechtsgeleerde), m.; -en. Jurk {meisjesjapon), v.; jurken. Jury (rechtbank; ook: commissie van beoordeeling), v.; jurv's. Justi tie (gerecht),' v.; gmv. Jut (juttepeer), v.: jutten. Juweel' {edelsteen), m.; juweelun. Juweel' {stof), O.; gmv.' Juwelier' {handelaar iu juwcelen), m.; j ii we 1 ie i-s. |
K.
|
Ka, kade (havendam), v.: kaden. Ook: Kaai. Kaag {éénmasler). v.; kagen. Kaai (havendam), v.; kaaien. Kaaiman [krokodil), m.; -s, -nen. Kaak {wang), v.; kaken. Kaak {schandpaal), v.; kaken. Kaam (schimmel op bier), v.; gmv. Kaan {uitgebraden stukje reuzel), kanen. Kaap (roof), v.; ter â varen. Kaap {voorgebergte), v.; kapen. Kaap stander (windas), m.; -s. Kaar (vischkaar), v.; karen. Kaarde (wolkam; ook plant), v.; -n. Kaars, v.; kaarsen. Kaart (speelkaart; land- of zeek-aart), v.; kaarten. Kaas, v.; kazen. Kaats (plaats van den kaatsbal), v. |
Kabaai' (Jnd. kleed), v.; -eu. Kabaal'l/t't'e», lawaai), 0.: kabalen. Kabas' {reismandje), v.; k abassen. Ka beUdikscheepstouw),m.; kabe 1 s. Kabeljauw Ueet'!.sc/i), in;-ei\;(slof ),\. Kabinet (kast, vertrekje), o.: -ten. Kabou ter {aardmannetje), m.; -s. Kabuis , kombuis' (scheepskeuken), v.; k a b ui z e n. Kachel, v.: kachels. Kade, kaai, v. Zligt; Ka. Kadet {broodje), v.; k a d e 11 e n. Kadi (rech ter bij de A rabieren ),in.;-quot;s. Kaftan (Turksch opperkleed), m.; - s. Kajuit ', v.; kajuiten. Kakkerlak {insect), m.; -ken. Kakketoe' (papegaai), m.; -toes. Kalamink kalmink' (geglansde wollen stof ), o.; gmv. Kalan der {korenworm), m.: -s. |
|
130 VROEGTE â lege eener stad), v.; vroedschappen. Vroeg'te (vroege mor gent ij d\ v.; gmv. Vroo'lijk {blijde, opgewekt), bn. en bw. Vroom (godsdienstig), bn.; vromer,-st. Vrouw (vrouwelijke persoon), v.; -en. \ron'iÂ¥eniïag(J{.K. feestdag,2 Febr.),m. Vvouw'mensch (vrouw), o.; -lui. Vroaws'persooii, o.; -personen. Vracht (voortbrengsel', ooft), v.; -en. Vrach'teloosCvrnjee/'sc/i), bn.: -loozer. Vue (gezicht, uitzicht), v.; -s. Viiif£ (laag,slecht), bn.: -e daden; -er, -st. Vnil (onrein, smerig), bn.: -er, -st. Vai'li^heicl (vuilnis, drek), v.-,-heden. irni'HU(vuilaardig mensch),m.;-\ i k e n. W. = West of Westen. W. C. = Watercloset, zie aid. W.-I. = West-Indië. W.Ii. = Westerlengte (aardrijkskunde). Waag: (groot weegtoestel), v.; wagen. Waa|?'hal8(roeA:eiooze),m. en v.; -halzen. Waal'en, st. w.; waaide of woei, gewaaid. Waai'er (dames-waaier), m.; waaiers. Waakscb (waakzaam), bn.: een -e hond. Waal (een Luikerwaal), m.; Walen. Waal (arm van den Rijn: Geld.), v. Waal (ligplaats v. sc/iepen),v.; walen. Waan (ongegronde meening), m.: gmv. Waan'wfls (eigenwijs), bn. en bw.: -zer. Waan zin (krankzinnign.eid),m.\ guiv. Waar (handelsartikel), v.; waren. Waar (wezenlijk gebeurd, juist), bn. Waaracli'tigr(M;ezenlijk,echt),hr\. en bw. Waar'borg(onderpand),m.; -borgen. Waard (kastelein, hospes), m.; -en. Waard, woerd, woord (mannetjeseend), m.; -en. Waard (ingedijkt polderland), t.; -en. Waar'de (prijs,waardij), v.; w a a r d e n. Waardee'ren (naar waarde schatten), z. w.; ik -deerde, heb gewaardeerd. WaardjU'(de waarde, de prys),v.;gmv. Waar'beld, v.,(soorten): waarheden. Waar'merk (teeken van echtheid, handelsmerk), o.; waarmerken. Waar'nemen (bespeuren, opmerken), zien),8t w. nam waar,heb waargenomen. Waar'schnwen (vermanen, opmerkzaam maken op), z. w.; h. -waarschuwd. Waar'schnwingr (vermaning), v.; -e n. Waar'zeggen (voorspellen), z. w.; ik zeide â, heb waar'gezegd, waar'gezeid. Waas(damptgfvoc/i0,o.;fig.schijn,zweem. Wacht (één wachter), m.; wachten. Wacht (het wachthuis', het wacht houden; al de wachters samen), v.; wachten. Wach'tel (kwartel), m.; wachtels. Wach'ten (toeven, wacht-houden), z.w.; ik wachtte, heb gewacht: iemand â. Wach'tcr(u;ac/iJ/iouder), m.; wachters. Wad (ondiepteaan de kust), o.; w a d d e n. |
UANGEDRA(;. , Vuil'niM(a/quot;ya^aanveeyöe/,dre/c),v.:gmv. V nist ( dich tg es loten hand), v.; v u i s t e n. Vulkaan' (vuurberg), m.; vulkanen, j Vuns (duf, muf), bn.: vunze holen. Vn'ren (schieten), z. w.; ik vuurde, ik heb gevuurd: de vijand gaat â. : Vu'rlgr (levendig, opgewekt),\in.eii\)y;., -er, -st: een â oog, eene -e begeerte. Viuir(^randende7na«sa,v/am),o.; vuren. i Vimr(fig.gr/oed,tfver), o.; gmv.: met-. Vuur (vuurtoren), o.; vuren. Vnur'MCherni (haardscherm), o.; -en. Viinr'slag- (stuk staal), o.; -slagen. Vunr'toren (toren met kustlicht, brandaris), m.; vuurtorens. Wa'de (wit laken, lijkkleed), v.; waden* Wa'clen (door 't water loopen), z. w.5 ik waadde, heb en ben gewaad. Wa'fel (kermisgebak), v.; -s, -en. Wa'^en (voertuig), m.; wagens. Wa'sren (op 'ïspe/zeWen), z.w.; gewaagd. Wagr selen (onvast loopen, wankelen), z. w.; ik heb en ben gewaggeld. Wagon' (spoorwagen), m.; wagons. Wak (zwakkeplaats in het ijs), o.; -k en. Wak (vochtig), bn., -ker, -st: â weer. Wa'ken (wacht-houden), z.w.; -waakt. Wa'ker (persoon, die waakt), m.: -s. Wak'ker(on/waafef; fig. levendig, opgewekt), bn. en bw.: - van geest; - aanvallen. Wal tiicr, kade, land), m.; wsllen. Wal'cheren (eiland: Z.), o. Wald'hoorn, -horen(eig. woudhoorn: jagershoorn), m.; -hoorns, -horens. Walg (afkeer, weerzin), v.; gmv. Wal'ging (af keer,misselijkheid),\.-,-en. Walglijk (afkeenuekkend), bn.: -er, -st. Walhalla (hemelsche hal met lusthof voor Germaansche vorsten en helden),o. Walm (vettige damp), m,; walmen. Wal'noot (groote noot), v.; (boom), m.; walnoten; ook: Okkernoot. Wal'rns, -ros (groot robachtig zeedier der IJszee), m.; walru ssen,-rossen. Wals (dans in 3/4 maat), v.; walsen. Wals(ro/, stamper,pletrol), v.:walsen. Wal'sen (e.wa/sdansen),ik heb gewalst . Wal'visch (het grootste zeedier: in de poolzeeën), m.; walvisschen. Wam'bnis (boerenhuis), o.; -buizen. Wam'mes (wambuis), o.; w a m m e s e n. Wan (koren-ziftmand), v.; wannen. Wan'betaling {niet-betaling), v.; -en. Wand (muur, beschot), m.; wanden. Wan'daad (euveldaad), v.; -daden. Wan'del (gedrag), m.; gmv.: in den â . Wan'delen(fcMteren),z.w.;-de,-wandeld. Wan'deling (het wandelen), v.: op de -. Wan deling (wandelpad), v.; -on. Wa'nen (ijdel meenen), z.w.; gewaand. Wang (koon), v.; wangen. W an'gedrag(zeersiec/it gredrag),o.;gmv. |
JENEVERâKA1 ANDER
:)5
|
Jene ver {sterke clranh), v.: gmv. Je'niseï (rivier: N. Azië), v. Jeremiade (klaaglied), v.; -n, -s. Jeugd, v.; gmv. Jeuk (jeukte), m.: gmv. Jezuïet' (pater), m.: ,1 e/. n ï e ten. Jezui'e'tisch {volgens de leer der Jezuïeten), bn. Jezuïtis me {leer der Jezuïeten), o. Jicht {gewrichtspijn), v.; gmv. Joc key {rijknecht, pikeur), m.; -s. Jodendom (alle joden samen), o.; gmv. Jok {scherts), m.; gmv. Jokkernij' {scherts), v.; -en. Jol {vaartuig), v.: jollen. Jongedoch'ter (ongehuwde), v.; -s. Jongeheer', jongenheer , m.; -en. Jongejur'/rouw, v.; -en. Jongen (knaap), m.; j o n ge ns; j o n- getje, jongSke, jongs ken. Jong maatje (leerling o/i ambacht), o.; jong in a a t j e s. Jongmensch (jongeling), o.: j engel u i, j on ge lie d e n. |ilag. Jongstleden {pasgeleden) bn. â Yi ij-Jonk (Chineesch vaartuig), v.: -e n. Jonker, joniheer (edelman), m.: jonkers, jonkheeren. Jonirheer, m.; -heeren. |
Jongheid, v.; gmv. Jongvrouw (.freule), v.; -en. Jood (Israëliet), m.; joden. Joodsch, bn. De âe godsdienst. Jool (halve gek), in.; jolen. Jota {stipjiel, tittel), v.; jota's. Journaal' {dagboel;, dagblad), o.; journalen. [-en. Journalist' (dagbladschrijver), m.: Jouw {uitjouwing), m : jouwen. Ju bel (juichkreet), m.; j ubels. Jubilaris {feestvierder), in.; -sen. Jubilé, jubilee urn {jubel feest), o ; -'s. Juffer {jonge jujfrouw), v.; -s. Juffer {lange staak, balk), v.; -s. Juffrouw, v.; juffrouwen. Ju li (hooimaand), m. Ju ni {zomermaand), m. Ju'nlor (de jongere), m. Ook Jr. Jurist' {rechtsgeleerde), m.; -en. Jurk {meisjesjapon), v.; jurken. iury (rechtbank; ook: commissie van beoordeeling), v.; jury's. Justitie (gerecht), v.; gmv. Jut {juttepcer), v.; jutten. Juweel' (edelsteen), m.; j u w 8 e I e n. Juweel' (stof), o.; gmv. Juwelier' {handelaar in jaweclen), m.; j u w el ie rs. |
K.
|
Ka, kade (havendatn), v.; kaden. Ook: Kaai. Kaag (ëénmaster). v.: kagen. Kaai (havendam), v.; kaaien. Kaai man (krokodil), m.; -s, -nen. Kaak (wang), v.; kaken. Kaak (schandpaal), v.; kaken. Kaam {schimmel op hier), v.; gmv. Kaan {uitgebraden stukje reuzel), kanon. Kaap (roof ), v.; ter â varen. Kaap (voorgebergte), v.; kapen. Kaap stander (windas), m.; -s. Kaar (vischkaar), v.; karen. Kaarde (wolkam; ook plant), v.- -n. Kaars, v.; kaarsen. Kaart (speelkaart; land- of zeekaart), v.; kaarten. Kaas, v.; kazen. Kaats (plaats van den kaatsbal), v. |
Kabaai' {fnd. kleed), v.; -en. Kabaal'(leven, lawaai), 0.; kabalen. Kabas' {reismandje), v.; k abasse n. Kamp;'be\{dik selieepstomv), m.; kabe I s. Kabeljauw'(zeei'!sc/0, m;-en;(gt;7o/),v. Kabinet' (k'ist, vertrekje), o.; -ten. Kabou ter (aardmannetje), m.; -s. Kabuis, kombuis' {scheepskeuken), v.; k ab u i Z e n. Kachel, v.; kachels. Kade, kaai, v. Zie Ka. Kadet' {broodje), v.; kadetten. Ka'dii rechter bij deA rabieren ),in.;- s. Kaftan (Turksch opperkleed), m.; - s. Kajuit', v.; kajuiten. Kakkerlak {insect), m,; -ken. Kakketoe' (papegaai), m.; -toes. Kalamink kalmink' {geglansde wollen stof ), o.; gmv. Kalan der {korenworm), m.; -s. |
KALANDERâKARIG.
⢠36
|
Kalan der (niamjcl, slofylanzcr), v. Kalebas', kalbas' (proniappel), v.; kalebassen, kalbassen. Kalen'der {almantd;), m.; -s. Kales' U'ij tuig; calèche), v.; -sen. Kalf, o.; kalven, -vers, -veren. Kali ber {maat, omvany, wijdte van een kanon; fig. soort), 0.: gmv. Ka llef ( sultan), in.; kaliefen. Kalk, v. Kalkoen' (voijd), m.; kal koe non. Kalmte (rust), v.; gmv. Kalntus (plant), m.: pmv. Kalvijn' (aj)igt;cl), v.; kalvij ncn. Kam, tn.; kammen; kammetje. Kameel (dier), ra.; kameel en. Kameel (iê6rl;luUi), o.\ kameelen. Kame leon (een soort hagedis), o.; -s. Kamer (vertrek), v.; kamers. Kameraad (malcl.er). m.;-raden, -s. Kamfer (harssoort), v.; gmv. Kamille (plant), v.; kamillen. Kamizool' (vcslbuis), o.; -zolen. Kamp (strijd, tjevec/il), m.; -en. Kamp (al;l;er, slui: land), m.; -en. Kamp (legerplaats), o.: kampen. Kampanje (deel van het achlerdel;), v.; k a m pan j es Kamperfoe lie (slingerplant), v.: -s. Kampioen' (voorvechter), in.; -en. Kam pong (javaansch dorp), m.; -s. Kun (uaatwerl;; Liter), v.; kannen. Kanaal, o.; kanalen. Kanarie (vogel), m.; kanaries. Kandeel' (ln-uiderivijn), v.; gmv. Kandelaar, m.; -laars, -laren. Kandelaber (lichtkroon), v.; -s. Kan dij (Idontjcs-suiher), v.; gmv. Kaneel', v. en o.; gmv. Kangoeroe (buideldier, springrat), m.; kangoeroes; (lees: ken'-go e roe). Kan ker (ziekte, gezwel), m.; gmv. Kannibaal (menscheneter), m.; k a n i! i b a 1 e n. Kanon' (geschut), o.; kanonnen. Kanonnier' (soldaat der artillerie), m.; kanonniers. Kans, v.; kansen. Kan sel (predikstoel), m.; kansels. Kanselarij' (bureau, griffie), v.; -en. Kanselier' (eerste minister), m.; -s. |
Kant (rand, zijkant), in.; kanten. Kant (speldenwerk, weefsel), v.; -en. Kanteel' (bovenrand), m.; -teelen. Kantoor', o. : -toren. Kanun nik (li. K. geestelijke, domheer), in.; kanunniken. Kap (dak, bedekking), v.; kappen. Kapel' (bedehuis; vlinder), v.; -len. Kapelaan' (li. K. geestelijke, priester), m.; kapelaans. Kaper (zeeroover), m.; kapers. Ka per (kindermuisje), v.; kapers. Kapitaal (geldsom), o.; -talon. Kapitaal' (groot, aanzienlijk), bn. Kapitalist' (rijk man), m.; -en. Kapiteel' (bovendeel eener zuil), o.; k a p i t e e 1 e n. Kapitein (hoofdman), in.; -s. Kapitein -kwartier meester(«/'//ficT), m.; ka pi teins-k'wurl ierineos-ters of kapitein-kwartier-m eesters. Kapitool' (hoofdburcht in 't oude home), o. Kapittel (vergadering van kanunniken; hoofdstuk), o.; -s. Kapoen' (hoen), m.; kapoenen. Kapoets', karpoets' (muls van tont), v.; -poets e n. Kapok' (boomwol als bedvulling), v.; gmv. Kapot' (soldatenoverjas), v.; -ten. Kapot (stuk,gebroken), bn.; kapotte. Kaproen' (hoofddeksel, kap), v.; -e n. Kapucijn', Kapucij ner {Franciscaner bedelmonnik), m.; -en, -cijners. Kar (wagen op twee raders),\.; -ren. Karaat (goudgewicht, 'i grein), o.; karaten, karaats. Karabijn' (/'nitergeweer), v.; -en. Karaf kraf (waterflesch), v.; -fen. Karak ter (aard, inborst), o.; -s. Karakteristiek (kenmerkend), bn. Karavaan (troep reizigers in de woestijn), v.; karavanen. Karbonade (gebraden varlens-vleesch), v.; karbonades. Karbon kei (hoogroode robijn), m.; -s. Karbouw' (Oosiind. buffel), m.; -en. Kardoes' (krulhond), m.; -doezen. Kardoes' (artillerie), 0. -doezen. Ka rig (zuinig), bn. Met âe hand. |
|
KARKAS- Karkas' {koperdraad; (jeraanile), v. Karkiet' {rietlijsier), in.: -cn. Karmeliet', Karmelieter (monnili), m.; -e n ; -s. Karmijn' (hoogroode verf), o.; ginv. Karmozijn' {purperverf), o.; ginv. Karn (.melkvat), v.; karnen. Karos' (staatsiewagen), v.; -sen. â Karot' (een rol snui fldbah), v.; -tc n. Kar per (visch), m.; -s. Karpet' {vloerkleed), o.; -ten. Kartel (kerf), m.; -s. Kartets' (bus met schroot), v.; -cn. Karton' (bordpapier), o.;-tonnen. Kartouw' (kanon), v.; -en. Karveel' (klein vaartuig), v. en o.; karveels, k a r v e e 1 e n. Karwats' (leeren zwee/j), v.; -en. Karwei' (werk), v. 0|1 â gaan. Karwij' (plant, zaad), v.; -en. Kas, v.; kassen. GeM in - . Kas'sie (geneeskruid), v.; ginv. Kassier' (geldhandelaar), in.; -s. Kast (meubel), v.; kasten. Kastanje (boom), m.: (vnichl). v.; -s. Kaste (stand, klasse), v.; kasten. Kasteel', o.; kast eel en! Kastelein' (herbergier), rn.: -s. Kasteleines', v.; kasteleinessen. Kas'tiespel (balspel), o., ginv. Kastoor' (hoed), m.: kastoren. Kastoor' (beverslof), o., gmv. Kastrol' (groolebraalt;lpan),y.\ -Ion. Kat (poes), v : katten. Katafalk' (rouwstellage), v.; -en. quot;Katern' (zes blaadjes postpapier), v. en o.; k a te rn en. Kathe der (spreekgestoelte), m.; -s. Kathedraar(/ioo/WA'e)7.),v.:-cl i a len. Katholiek , bn. De âe kerk. Katoen' (handelswaar), v.; -en. Katoen' (slof), o. Ken doek van â. Katrol' (werktuig, schijf), v.; -len. Kat tegat (doorvaart: Dencmark.), o. Kat'tekwaad (baldadigheid), o.; gmv. Kauw (kerkkraai), v.; kauwen. Ka vel (deel, lol), m.; -s of -en. Kaviaar' (kuit van den sleur), v.; gmv. Kazemat' [bomvrij gewelf), v.; -ten. Kazerne (soldalenhuis), v.; -n. Kazua ris (een soort van slruis), m.; k a z ii a' i' is se n. koenen , Zakwoordenboek]e. |
-keurs. 37 Kedi'ri (rivier: Java), v. Keel (lichaamsdeel), v.; kelen. Keel (rood in de wapenkunde), o. Keep (kerf), v.; kepen. Keer (wending), in.; keei en. Keerkring, m.; -k ri n g e n. Keet (planken loods), v.; keten. Kee'ten (water: /.). o. Keg. kegge (wig), v.; keggen. Kegel, m.; kegels, kegelen. Kei (straatsteen), m.; keien. Keizer, m.; keizers. Keizershof, o.: keizershoven. Keizerskroon, v.; -kronen. Keizersstad. v.: -steden. Kelder, m.: kelders. Kelk (beker), m. | mee'len. Kemel, kameel', m.; ke'inels, ka-Kennis (bekende), v.; kennissen. Kennis (weienschap), v. Ken'tering (keer, wending), -en. Ke per (draad van 't weefsel), V.; -s. Kerf (insnijding), v.; kerven. Kerk (bedehuis), v.; kerken. Kerker (gevangenis), in.; kerkers. Kerkeraad (kerkbestuur), in.; -raden. Kerkhof. O.; k er k ho ven. Ker mis (jaarmarkt), v.; -sen. Kern (pit, merg), v.; kernen. Kers (vruchl), v.; kersen. Kers (veldkers), v.; gmv. Ker'seboom. rn.; kerselioomen. Ker'senmand. v.; kersen in a nd en. Kerspel (parochie, kerkelijke gemeente), v.; -s ol' -spelen. Kerstdag 1December), m.: -dagen. Kerstfeest (feest van Christus' ge- boorté), o.; -feesten. Kerstmis (feestdag), v.: -missen. Kers versch (heel versch), bn. Kervel (groente), v.; gmv. Ketel (vaatwerk), in.; ketels. Ke'telboeter (ketellapper), in.; -s. Ke'teldiep (rivier: O.), o. Keten. v.; ketenen, kete n s. Ketting, m.; -en, kettinkje. Keu (biljarlslok), v.; -en, -s. Keuken, v.; keukens. Keukengerei, o ; gmv. Keur (keus. hel beste), v.; ginv. Keur (handvest, privilegie), v.: -en. Keurs (keurslijf) v.; keurzen. 3 |
KEUSâKLINK.
|
Keus, keuze (verkiezing), v.; -zen. Kever (insect), m.; kevers. Ke'vie (kooi), v.; kevies. Kiel (kleedingstuk), m.; kielen. Kiel (bodembalk van een schip), kielen. Fig. het schip zelf Klem (van eene plant), v.; -e n: -p,j e. Kier (reet, spleet), m.; kleien. Kies {maailand), v.; kiezen. Klesch [net, bescheiden), b\v. âe taal. Kieschheid (netheid, beleefdheid), v.; gmy. Kieskeu rig (fijn van smaak), lm. Kieuw (van een' visch), V.: -en. Kie vit (vogel), m.; kieviten. Kiezel (steengruis, grof zand), O.; gmv. Kijf (geschil, twist), v. ünlten â. Kijk (het zien), in.; kijkje. Kijker (verrekijker), m.; kijkers. Kijva ye {twist, gekrakeel), gmv. Kik (flauw geluid), m.: kikken. Kikker (vorseh), m.: kikkers. Kikvorsch, m.; k i k vorschen. Kil (diepte, geul,ivalersleiif),\.; -1 e n. KI! (rivier: Z. II.), v.; de Dortsche â. Kilo, o.; k 11 o's. Kilogram', o.: kilogrammen. Ki'lometer (mijl, Kioo M.), m.; -s. Kim (.bank, gezichteinder), v.: -m e n. Kin, v.: k i n n e n. Kina (bitter koortsmiddel), v.; gmv. Kind. o.; kinilers, kinder en. Kin derpokken, meerv., v. Kindsch heid (sufheid van oude lieden), v.; gmv. Kindsheid {kinderjaren), v.: gmv. Kink (draai in een louw), v.; -en. Kink hoest (kramphoest), m.; gmv. Kinkhoren, kink'hoorn (sc/ie/p).tn.;-s. Kinnebak (wang, kaak), v.; -bakken. Kinnebakken (kaak), O.; -bak kens. Kin netje ('/4 van een Ion bier), o.; -s. Kiosk' (koepel, mnzieklenl), v.; -en. Kip (hoen), v.; kippen. Kip {klepje, val, vogelknip), v.; -p e n. Kist (ko/fei â ), v.; k i sten, Kit (oliekan), v.; kitten. Klacht, v.; k lachten. Klad (vlek), v.; klad d e n. Klad 1 ruw opstel),0.; -k 1 ad den; -ie. Klamp (bindlat), m.; -en. |
Klandi'zie (nering), v.; gmv. Klank (joon), m.; klanken. Klap (slug; gepraat), m.; gmv. Klappei' (snapster), v.; -en. Klap per ( priller; voetzoeker), m.; -s. Klap perboom (kokospalm), m.; -en. Kla'ra-Elf (/ â ivier: Zweden), v. Klarinet' (blaasinstrument), v.; -ten. Klarinettist'(Idarinelspelcr). m.;-en. Klaroen' (schelle trompet), v.; -en. Klas. klasse (afdeeling), v.; -sen. Klauw. m.; k lau wen. Klauwier (schroefvormig stengeldeel), m.: klauwieren. Kla'ver (plant), v.; gmv. [0.; -en. Klavier' (plal-piano; rij toetsen). Kleed (kleedingstuk), o.-, klcederen, kleeren; kleertjes. Kleed {voer-, dekkleed, japon), 0.; kl ee d en , k 1 eedj es. Kleedij'. v.: gmv. Klei (vette aarde), v.; gmv. Klein-A'zië. 0. Kleinduimpje, 0.; gmv. Klein-kin'derschool.o.en v;-scholen. Kleinood'. 0.; k I e I n O 0' d e n, k 1 e i- n00 dIën. Kleins, kiens (zyfircfoe/i-, teems),v.;-zen. Klem (voetangel; nadruk), v.; -men. Klemtoon (nadruk), m.: -tonen. Klep. v.; kleppen. Kle pel (van eene bel of klok), rn.: -s. Klepper (paard), m.; kleppers. Klets (klap, slag), v.; kletsen. Kleur (verf, tint), v.; kleuren. Kleuter (/./ent vroolijk meisje), v.; -s. Kliek (overschot), v.: -en; -j e. Kliek (club. bent), v.; klieken. Klier (gezwel), v.; klieren. Klif {rotssteilte). 0.; kliffen. Klikspaan (klikker), in. en v.- k likspanen. Klim (het klimmen),m. Ken heeleâ. Klim (klimop), 0.; gmv. Klimaat', 0.; klimaten. Klim mer (plant), v.; gmv. Wildeâ. Klimop' (boom), in.; gmv. Klimop' (loof), 0.: gmv. Kling (zwaard; heuvel, zandduin), V.: klingen. Klink (klap, oorveeg), m.; -en. Klink(s/?()7yzer eenerdeur), v.; -en. |
KLINKDICHTâKOL.
39
Klinkdicht (sonnet), o,; -on.
Klin ker {steen: klank, letter), m.; -s. Klinket' (valdeurtje), o.; -ketten. Klink klank (woorden zonder zin),
m.; gmv.
Klip (steile rots), v.; klippen. Klipper (zeeschip), m.: klippers. Klis (stekel * bundel), v.; klissen. Klit (Idaddeworlet), v.; klitten. Klok (teug, slok), m.; klokke n. Klok (klokhen: q lazen stolp),\.-, -ken. Klok (uurwerk), v.; klok ken. Klomp {brok; houten schoeisel), m.;
klom pen.
Klont (brok, aardkluit), v ; -en. Klonter (brok; gestolde melk), m.; -s. Kloof, klove {spleet), v.; kloven. Klop (slag), m.; k l o p p e n. Klopjacht {groolcdrijfjacht), v.; -en. Klopper {werktuig), m.; -s.
Klos. m.; klossen.
Klucht (grap, blijspel), v.; -en.
Kluif {het khtiven), m.; gmv.
Kluif {klauw), v.; kin i v e n.
Kluis {luit, cel), v.: kluizen. KI uister (hoei). \; k 1 u i s t e r s.
Kluit (brok aarde), v.; k 1 n i t e n. Klungel {lor, vod), v.; klungels. Klup'pel {dikke stok), m.; -s.
Kluts (slug. fig. begrip), V.: gmv.
De â kwijt zijn of raken.
Kluwen (een bal wol of sajet), o.; -s. | Knak (breuk, scheur), m.; -ken. Knal (slag, geluid), ra.; knallen. Knap (slag), m.; knappen.
Knapper (koek), m.: k n a p pe rs. Knas'ter (tabak), v.; gmv.
Knauw (beet, snauw), m ; -e n. Knecht i bediende), m.; k n e c li 1 S. Knecht (wapenknecht), m.; -en. Kneep, v.: knepen.
Knel (beklemming), v.; knellen.!
In do â zitten.
Kneu (vogel), v.; kneuen: -tje. Kneukel, knokkel, m.; -s.
' Kneu'ter (kneu), v.: k non tors. Knevel, m.; k novels.
Knie, v.; k n i eön ; knie I j o.
Knijf (mes, knipmes), o,: knij von. Knijp (bierkelder), v.; knijpen. Knijp (engte, verlegen held), v : gmv. Knijper (werktuig), m.; knij pers. |
Knik(teeA'e)i met het hoofd),m.: -k e n. Knip (een lichte tik), m.; -pon. Knip ^vogelknip), v.; knippen. Knobbel (uitwas, gezwel), ra.; -s. Knoei, m.; gmv. Hij zat in den â. Knoest (kwast in 'i hout), in.; -on. Knoet {zweep. Buss.karwats), m.: -e n. Knoflook (ui, bolgewas), o.; gmv. Knok (knook, been), m.; knokken. Knokkel, m.; knokkels.
Knol {raap; oud paard), m.; -len. Knook {been, bot), m.: knoken. Knoop, m.; k n o 0 pe n.
Knop. m.: k no ppen.
Knor (gelaid), m.; knorren.
Knorf (ver hard in g, knoop), m.; -v e n. Knor haan (visch). m.; -lianen. Knot. knut (kluwenfje), \.; knotten, k n ii tten.
Knots (dikke, topzware slok), V.; -e n. Knuist {vuist), rn.; knuisten. Knuppel, kneppel {dikke stok), rn.; -s. Kodde {knots; grap), v.; kodden. Kod debeier (jachtopzichter), rn.; -s. Koe. v.; koeion: koetje.
Koek (als voorwerp), rn.; -en; {als
stofnaam), v.
Koekbakker, koekenbakker, ra.; -s. Koekoek (vogel), in.; kookookon. Koelte, v.; gmv.
Koen (onverschrokken), bn.
Koepel (rond torenwerk; tuinhuis),
in.; k o e p o 1 s.
Koerier' (renbode), m.; koeriers. Koers (ridding), in.: koersen. Koes koes (mengsel van spijzen), | v.; gmv.
Koet (kleine zwarte eend), v.; -en. KoeterwaalschX.s/er/i/i! tonO,o.;gmv. Koets {rijtuig; bed), v.: -on. Kof (tweemaster), v,; koffen. Koffer (reiskist), m.: koffers. Kof fle. v.; grav.
Kog. kogge (koopvaardijschip), v.; Kogel, m.; kogels [koggen. Kohier (belastingregister), o.; -en. Kohort' (krijgsbende), v.: -e n. Kok, ra.; koks.
Kokar'de (strikje, rozetje), v.; -s. Koker {busje), ra.: kokers.
Kokin je (stroopballelje), v.; -s. Kol (hamerslag), m.; kollen.
3*
--â^
KOLâKORVET.
40
|
Kol (klaproos), v.; k o 11 e n. Kol (toouerheks), v.; kollen. Kol plek, bles), v.; kollen. Kol bak (huzaremmits), m.; -ken. Kolder (harnas; paar denziekte), rn. Kolf (onderst deel van een geweer), V.; kol ve n. Kolf (stok), v.; kolven. Kolf (gesloten glazen huis), v.; -ven. Kolibrie (vogel), ni.: kolibries. Koliek' (huikkramp), 0.: gmv. Ko I k (dr? epe kui /, wa terd iep te),v.: -en. Kolokwint' (hittere vrucht), m.; -en. Kolom' (zuil), v.: kolommen. Koloniaal' (soldaat), m.; -alen. Kolo'nie (volkplanting),v.; -s, -niën. Kolonist' (planter), m.; -nisten. Koloriet' (klcurentoon), o.: gmv. Kolos' (reusachtig beeld), m.; -sen. Kolossaal' (reusachtig), bn. Kom (bak, schaal) v.; kommen. Kombuis' (scheepskeuken), v.; k o m- buizen. Ook: Kabuis. Komediant' (tooneelspeler), m.; -en. Komedie (schouwburg), v.; -dies. Komeet' (staartster), v.: k o m e te n. Komfoor' (vuurtest), o.: k o m f 0 ren. Komijn' (plant), m.: gmv. [zen. Komijnekaas', komijn kaas. v.: -ka-Komkom'mer (vrucht), v.; -s. Kom ma (leesteeken), v. en o.: - s. Kommapunt, v.; kommapunten. Kom mer (zorg, gebrek), m.: gmv. Kommies' (ambtenaar bij de belastingen), m.; kommiezen. Kompas' (windroos), o.; -passen. Komplot (samenzwering), o.; -ten. Komst (aankomst), v.: gmv. Kon'dor (gier), m.; - s. Ook : Condor. Kond'schap (bericht, bescheid), v.; kondschappen. Konfijt (ingelegd ooft), o.: gmv. Konijn, o.; konijnen. Koning, m.: -en; koninkje. Koniniflijk, bn. - postkantoor. Ko'ninirrijk, o.; -rijken. Konserf' (kruidentiuiker), o.; ven. Kon stabel (kanonnier Ier zee), m.: -s. Konvooi' (begeleiding), o.; -en. Kooi, v.; k o o i e n. Kook (hel hoken), v. Aan de â. Kool (brandslof), v.; k o 1 e n. |
Kool (gewas), v.; kooien. Kool'mees (.vogel), v.; -nieezen. Koolraap, v.; koolrajien. Kooltje-vuur' (sierplant), o.; gmv. Koomenij' (winkellje), v.; -en. Koomenijs'winkel, m.; -s. Koon (wang), v.; kOOnen. Koop {hef gekochte), m.; k 00 pen. Koor (zangkoor, rij zang; zangzolder), o.; koren. Koord (louiv, draad), v. en o.; -en. Koorde (lijn der meetkunde), v.; -n. Koorn. koren (rogge, graan), o.; gmv. Koorts (ziel:Ie), v.; koortsen. Koot (hielbeenlje van een varken), v.; kooten. Kop (hoofd; Liter), m.; koppen. Kopal' (een soort, van liars),o.; gmv. Koper (metaal), o.: gmv. Kopie' ( nabootsing, afschrift),\.; -ë n. Kopij' (handschrift), v.; kopijen. Koppel (leeren hand), rn.; -s. Koppel (paar), o.; koppels. Koppermaan dag (hreede Maandag van 'tjaar), m.: -dagen. Koraal' (koorknaap), in.; koralen. Koraal (koorzang). 0.: koralen. Koraal', kraal (kraaltje, balletje), v.: k o ral en, k ral e n. Koraal' (poliepenstok, stof), o.; gmv. Ko ran (heilig boek der Muzelmannen), m.; korans. Kordon' (koord, grenslijn), 0,; -s. Koren {koorn ), O.; gmv. Korf (niand), m.: korven. Koriander (plant), m.; gmv. Korint. krent (vruchtje), v.; -en. Kornak' (oppasser van. een olifant), m.: kornakken. Ook: Cornac. Kornet (vaandrig), m.; -netten. Kornet (kromme hoorn; mutsje), v.; k o rn e 11 e n. Kornuit' (groenevink; mal:her), m.; Korporaal', m.; -s, -ralen. [-en. Korps (legerafdeeling), o.; -en. Korrel, v.; korrels, korrelen. Korset (keurslijf), o.; korsetten. Korst, v.; k o rsten. Kortelas (breede sabel), v.; -sen. Kortjan' (zakmes), o.; gmv. Korts wijl (scherts, boert), v.; gmv. Korvet' {vaartuig), v.; korvetten. |
KORZEI.âK ROOSJE.
41
Kor'zel, kor'zelig (kref/el, UchUje-
raakl), bn. Een â liiimeur.
Kost (spijs, onderhoud), in. In den â. Kosten {uitgaven), rneerv., m. Kostuum (kleedij), o.; kostn men,
kostu'mes.
Kotelet' {ribbetje'), v.; koteletten. Kotter {vaartuig), m.; kotters. Kou, koude, v.; gmv. [gmv.
Koudvuur {bederf in eene wonde), o.; Kou kleum {kouwelijk kind), m. en v.; KOUS, v.; kousen. [-en.
Kouseband (ook: Engelsche ridderorde), m.
Kousenwinkel, m.; -winkels.
Kout {gezellig gesprek), m.; gmv. Kou'ter {gezellige prater), m.; -s. Kou ter {ploegmes), o.; kouters. Kouw {kooi), v.; kou wen. ^OZ\\n {omraming, deurpost),o.; -e n. Kraag, m.; kragen.
Kraai (vogel), v.; k ra h i e 11.
Kraak (krak), rn.; kraken. Kraak(.Sgt;«r(j(Sc/( zeeschip),?.: kraken. Kraal, koraal', v.; -alen, -ralen. Kraal {negerdorp), v.; kralen. Kraam {tent), v.; kramen.
Kraan (kraanvogel), m.; kranen. Kraan (tap eener pomp; hijschtuig),
v.; k r a n e n.
Krab. krabbe (schaaldier), v.; -ben. Krabber (schrapijzer), m.; -s. Kracht, v.; krachten.
Krachtens (uit kracht van),' voorz.
â de wet.
Kraf, karaf (waterjlesch), v.; -fen. Krak (geluid), m.; krakken. Krakeel' (getwist), o.; k r a k e e 1 e n. Krakeling (8-vormig koekje), m.; -o n. Kram (metalen haak), v.; -men. Krammer {rivier: Z. II.), v.
Kramp (spierpijn), v.: krampen. Krankte (ziekte), v.; krank ten. Krans, m.; kransen.
Krant, courant (nieuwsblad), v.; -e n. Krap (slot aan een boek), v.; -|ien. Kras (schram), v.; krassen.
Kras (sterk, kloek), hn. Ken âman. Krat (achterschot van een' wagen),
o., k ratten.
Kra ter (mond van een' vuil,'aan) m.; kraters.
Kra tes (bultje, gedrochtje), m.; -se u. Kraton (Ind.paleis,verblijf), m.: -s. Krauw (schrap), v.; krauwen. Krau'wel (krommegajfel; nagel), rn.;
krauwels. [-ben'
Kreb, krib (houten ledikantje), w Krediet' (vertrouwen), o.; -en. Kreeft (schaaldier), m.: -e n. Kreeftengang (achteruitgang), tn.
Den â gaan.
Kreek (inham), v.; kreken Kreek (smalle vliet), v.; kreken.
De Hulster â. (Zeeland.) Kreekerak (water: /..), o.
Kreet (gil), m.; kreten.
Kregel (knorrig, vechtziek), bn Kreits (kring; afdeeling; district),
m.: k re i ts e n.
Krekel (rechtvleugelig insect), m.; -s. Kreng (dood, rottend dier), o.; -en Krent, korent, korint, v.; -en. Kreuk, krook(wj/.s-c/te vouw), v.; -en. Kreut'zer {Duitsche munt = quot;i cent),
m.: kreutzers.
Krib. kribbe, v.; k ribben.
Kriek (krekel; kleine zwarte kers), Krijg (oorlog), in.; -en. | v.; -en. Krijsch (schreeuw, gil), m.; -en. Krijt (strijdperk; gebied), o.: gmv. Krijt (stof), o.; gmv.
Krim (de â; een schiereiland), v. Krimp {gebrek), v.; gmv.
Kring (cirkel, rondte), m.: -en. Krinkel (kronkel, bocht), ut.: -s.
Krip (floers), o.; gmv.
Kris {Indische dolk), v.; krissen Kritiek' (hachelijk), bn.
Krocht, kroft (spelonk), v.; -en. Kroeg (herberg), v.; -en.
Kroep (keelziekte), v.; gmv.
Kroes (bekertje), rn.; kroezen. ⢠Krok (plant, wikke), v.; k rok ken. Krokodil', m.; k rokodillen. Krokodil lentranen (geveinsde tranen), meerv., rn.
Krokus (lentebloem), m., -sen Kroniek' (jaarboek), v.; -en.
Kronkel (bocht), m.; kronkels. Krook, kreuk {verkeerde vouw), v. Kroon (hoofdtooi, krans), \.; -Ouerr. Kroos {eendenkroos, plant), o.; gmv. Kroosje (kleine pruim), o.: -s.
KROOSTâKWIKSTAART.
42
|
Kroost {kinderen, tutkomelinrjen), o.; gmv. Kroot {beetwortel), v.; krot on. Krop {voormaag der vogels; geztvcl), m.; kroppen. Krop {salodestruil;), v.; kroppen. Krot (o rmoedig huisje), o ; -ten. Kruid {gewas, specerij), o,; -en. Kruidje-roer'-mij-niet {plantje), o.; -nieten, k ruidj eS-r.-m.-n ie t. Kruid nageli /i/ocwi;specerij), m.: -e n. Kruik, v.; k r n i k en. Krui ling {fijne appel), rn.; -s, -en. Kruim ('lt; binnenste van 't brood), v.: k ru i men. Kruimel {kleine kruim), v.; -s. Kruin {top; schedel, bovenste doel), v.; kruinen. Kruip'-door-den-tuin {hondsdra/' of aardveil), o.; gmv. Kruis, o.; kr ii is e n. Kruisbes {aalbes), v.; -bessen. Kruisbessebootn, m.; -en. Kruisbessen vla, v.; -den, -vlaaien. Kruistocht, m.; kruistochten. Kruit {poeder, buskruit), o.; gmv. Kruizemunt' {welriekend kruid), v.; gmv. Kruk {b roddelaar), m.: k r u k ken. Kruk {handvatsel, knnp), v.; -ken. Krul {afschaafsel; lok), v.: k r u II e n. Ku biek (in den vorm van een kubus), bn. Een âe meter. Ku'bus(res/.-(m/.leerling),m.;k uben. Kuch {droge hoest), v.; kuchen. Kudde {menigte vee), v.: -n; -tj e. Kuier {wandeling), m.; gmv. Kuif {haarlok), v.; kuiven. Kuiken, kieken (jonge kip), o.; -s. Kuil (diepte, gat), m ; kuilen. Kuinder {rivier: F.), v. Kuip (vat, ton), v.; kuipen. Kuiperij {listig bedrog), v.; -en. Kuisch {eerbaar), bn. âe zeden. Kuit {lichaamsdeel; vischzaad). v.; kuiten. Kuiter (kuitvisch), v.; kuiters. Kunde (kennis), v. Kunne {geslacht, sekse), v.; gmv. Kunst, v.; kunsten. Kuras' {borstharnas), o.; -sen. Kurk {stop), v.; kuiken. |
Kurk(sto/'), o.; gmv. Een hoed van â. Kurketrekker, m.; -trekkers. Kur kuma (Jndische saffraan, geel- u'ortel), v.; gmv. Kus (zoen), m.; kussen. Kussen (beddekussen), o.; -s. Kust (strand, oever), v.; kusten. Kust (verkiezing), v. Te â en keur. Kus'ting (hypotheek), v.; -e n. Kuur (gril, luim), v.; kuren. Kuur ((geneeswijze), v.; kuren. Kwaad (toornig), bn. kwader, -st. Kwaad (slecht), bn. erger, ergst. Kwaadschiks {niet onwil), b\v. Kwaal (blijvende ziekte), v.; k wal e n. Kwab, kwabbe {gezwel), v.; -ben. Kwabaal (visch), ra.; kwab'al en. Kwak (nachtraaf), ra.; kwakken. Kwa ker (lid van eene godsdienstsekte in Amerika), m.; -s. Kwakkel, kwartel {wachtel, trekvogel), rn.; -s. Kwal (weekdier), v.; kwallen. Kwalijk {verkeerd; ziek), bn. en bw. Kwalm (dikke, vette damp), rn.; gmv. Kwalster (speeksel, lluim), m.; -s. Kwanselaar (ruiler), m.; -s. Kwansuis (voor de leas), bw. Kwartaal (uferendeeyaars), o.;-talen. Kwar tel {wachtel, trekvogel), rn.; -s. Kwartier' (bovenhuis; vierde gedeelte), o.; kwartieren. Kwartijn (boekformaat), m.; -en. Kwarts (steensoort), o.; gmv. Kwast (pronker, zot), ra.; -en. Kwast (franje; knoest; verversgereedschap), ut.; kwasten. Kwee (kweeappel, kweepeer), v.; k weeë n; k wee t,j e. Kwel (wel, bron), v.; kwellen. Kwelder (buitendijksch land), v.; -s. Kwes'tie (twist, geschil), kwesties. Zie: Quaestle. Kwets {smalle blauwe pruim), v.; -en. Kwetsuur'(iwwrfe), v.; k wetsuren. Kwi bus (zot, kwast), m.; -bussen. Kwijl (zeever), v.; gmv. Kwijn {getreur), m.; gmv. Aan den â. Kwik (strikje, lintje; beuzeling), v.; kwikken. Kwik (kwikzilver), v. en o.; gmv. Kwikstaart {vogeltje), ra.; -en. |
KWIKZILVERâLECH.
43
Kwik'zilver (metaal), o.; gmv. Kwispedoor' (spuwbal.je), o.; kwis-Kwink'8lag(^ees/('/6ze/),m ; kwiak- peilOrcn, Ook: Kwispeldoor. slagen. Kwispel (pluimpje; kwast), m.; -s.
L.
|
La, lade, v.; laden: laatje; la-tje. Laag (rij, bedding), v.: lagen. Laag (f/esc/wt), v. Do volle â geven. Laai, laaie (vlam), v. In liclite â. Laan (wandeldreef), v.: lanen. Laars (schoeisel), v.; laarzen. Laatdun kend (verwaand), bn. Ken â woord. Labbei' (praatzieke vrouw), v.; -en. Labberdaan' (zoutevisch), v.: gmv. Ook: Abberdaan. Labyrint' (doolhof), o.; -en. Lach, m.; gmv. Lachebek, m. en v.; -bekken. Ladder, v.: -s. Zie Leer. Lade. v.; laden. Zie La. Lading, v.; ladingen. La dy (Engelsche dame), v.; 1 ad y's. Spreek uit: lee'-die. Laf aard, m.; lafaards. La fenis (verkwikking), v.; -n i ssen. Lagerhand' (linkerhand), v.; gmv. Lagerhuis' (Huis der gemeenten in Engeland), o.: gmv. Lagu ne (kust of strandmeer), v.; -n. Laibach (rivier: Oostenrijk), v. Lak (lastering, blaam), m.; gmv. Lak (hars, roode was), 0.: gmv. Lakei' (koetsknecht), m.; lakeien. Laken (stof), o.: lakens (soorten.) Lakensch, bn. Kene âe jas. Lakenvolder (rund met witten rug en zijden), m. en v.; -s. Lak moes (paarse verfstof), o.: gmv. Lakooi' (violier), v.; lakooien. Lam. o.; la m in ere n. Lama (Peruaansch schaap), v.; -'s. Lambrizee'ring (houten beschot), v.; la m bri z e er i n ge n. Lamfer (rouwsluier), m. en o.; -s. Lamp, v.; lampen. Lampet' (waterkan), o.; -petten. Lampion' (illumineerbol), v.; -s. Lamprei' (visch), v.; (jong konijn), o.; lampreien. Lancet'(vlijm eens dokters), o.; -ten. |
Lan dauer (open rijtuig), m.; -s. Landbouw (veldarbeid), m.; gmv. Landerijen (akkers), meerv., v. Landouw (landstreek), v.; -en. Land schap (oord; schilderstuk), landschap p e n. Lands heer (gebieder, vorst), m.: -en. Lands man(landgenoot),xn.\ -lieden. Land zaat (inboorling), m.; -zaten. Lang been (mug), v.: 1 angbeenen. Lang hals(//esc.'i),v ; langhalzen. Langoor (ezel), in.; tangooi en. Lang wij'lig(i«(7(itoopiV/,ue),«e/e/jrf),bTi. Lankmoedig (geduldig), bn. Lans (spies), v.; lansen. Lantaren, lantaarn', v.; -s, -en. Lap (stuk; overschot), m.; -pen. Larazlj' («lelaatschheid), v.; gmv. La riks (naaldboom), m.: lari ksen. Larve, larf (masker; rups; made), v.: larven. Lasch (verbinding), v.; lasscben. Last (vracht), m.; lasten. Last (maat = ;I0 II.L.), o.; -en. Laster (eerroof), m.; gmv. Lat, v.; latten. Latijn' (doode taal der Honieinen), o. Latijnsch', bw. Een â kerkboek. Latinisme (Latijnsch getinte uitdrukking), o.; -n. La tuw (bladsalade), v.; gmv. Laurier' (boom), m.; laurieren. Lau wer (eerekrans; bekroning), m.; l a u w e r s of lauweren. Lau'wers, Lau'werszee (/â¢'.), v. La va (uitwerpsel van een' vulkaan), v.; gmv. [lavabo's. Lavabo' (waschtafel met spiegel), \ Lavendel (plant), v.; gmv. Lawine (sneeuwval), v.; -n of -s. Lazaret' (ziekenhuis), o.; -ret'ten. Lazuur', azuur'-(steen)(/'ma; blauwe steen), m.; (stof ), o. Lazuren,bn. De âhemel, (lebben. Leb. lebbe (deel der koemaag), v.; Lech (rivier: Zuid-Dnitschland), v. |
LECTUURâLICHTMIS.
|
Lectuur' (stof Ier lezinr/, hel lezen), v.; gmv. Ledekant', ledikant', o.; -on. Lede'pop {huns!pop), V.; -poppen. Leder, leer, o.; gmv. Lederen, bn. Kene â taseh. Ledig, leeg {niet iievuld), bn. Leed (pijnlijk), bn. Met leedeoogen. Leeftocht (levensmiddelen), m,: gmv. Leeg, bn.; leege. Zie Ledig. Leek {niet-gees lel ijle, oningewijde), in.: leek en. Leelijk (afziclitelijl;, slecht), bn. Leem {aardsnot-t), o.; gmv. Leeman, ledeman Uedepop), m.; leemannen, 1 e e m a n s. Lee men, bn. Een â vloei-. Leemte (gaping; gebrek), v.; -n. Leen {ter teen), v. Ook: te teen. Leen {erfgoed), o,; leen en. Leening {het leenen), v.; -en. Leen man {vazal), m.; -nen. Leep {slim), bn.: leeper, leepst. Leep {druipoogir/), bn. I.epe oogen. Leer {leering), v. In de â gaan. Leer {ladder), v.; I e e r e n. Leeren. lederen {van leer), bn. Leerrede {predikatie), v.; -nen. Leest {schoen vorm; gestalte), v.; -c n. Leeuw {roofdier), m.: leeuwen. Leeu wenbek (bloem), m.: -bekken. Leeu werik, m.; leeuweriken. Legaat' {gevolmachtigde), m.; legaten. Legaat' {erfmaking), o.; legaten. te (levensbeschrijving van een heilige- verdichting), v.; -n of-s. Legger {register), m.: leggers. Legioen' {keurbende; talrijk leger), o.; legioenen. Lei (voorwerp) v.; leien. Lei band, m.; leibanden. Leiboom, m.; -en; -pje. Leid draad {handleiding), m.: leiil- d rad e n. Leis, leist (koppelriem), v.; -en. Leisel, leidsel (leeren riem), o ; -s. Lek (de, rivier in H. en U.), v. Lek (hel lekken, druipen), m. ;gmv. Lek {lekgat, opening), o.: Ie k k e n. Lekka'ge (het lekken), v.; -s. Lekkers (snoepgoed), o.; gmv. |
: Lel (velletje; lapje), v.; lellen. Lelie (btoem), v.; leliën, lelies. Lemmer (het blank van sabel of mes), o.; -s of -e n. Lemmet (pit eener kaars), o.; lern'meten. Lemoen', lamoen'(rf/sse/ftoom),o.; -on. Lena (rivier: N. Rusland), v. Lende, v.; lenden, lendenen. Leng (stokvisch), v.; lengen. Lengte, v.; lengten. Len i g (;7zaam, zach f), bn. âe led en. Lens (brilleglas), v.; lenzen. Lens (ledig), bn.; Ion Ze. Lente (voorjaar), v.; lentes. Lepel (tafelgereedschap), m.; -s. Le pelaar (soort van ooievaar), m.; lepelaars, lepelaren. Leproos'(melaatsch), bn.; lepiOze. Leprozenhuis (lazaret), o.; -zen. Les, v.; lessen. Lessenaar, m.: lessenaars. Letter (klank of teeken), v.; letters. Letteren (brief: letterkunde), mv., v. Lettergreep, v.: lettergiepen. Leugen, logen, v.; -s. Leuk (guitig, slim), bn. Leus, \BUZe(zinspreuk, wachtwoord), v.; lenzen. Levant' {Klein-Azië), v. Lever (ingewand), v.; levers. \.everanc\er'(die waren levert), mr, -s. Leveran tie (levering), v.; -tiën, -s. Levi athan (zeemonster), m.; -s. Lexicon (wetensch. woordenboek), o.; lexica. [m.; -s. Le'zenaar (schuinstaand leesbordje). Lia nen (slingerplanten), moerv., v. Lias' (bundel; snoer), v.; liassen. Li'banon (gebergte in Palestina), m. Liberaal' (vrijzinnig), bn. Liberalis'me(i»,(7zmn?!7/ie(d),o.;gmv. Liberaliteit' {onbekrompenheid), v.; gmv. Libret to (tekstboekje), o.: -'s. Lichaam, o.; lichamen. Licht (helderheid, lamp), o.; -en. Licht (niet zwaar), bn. Een â pak. Lichter (sc/(jp), m.; lie-liters. Lichtmis (losbol), m.; -missen. Licht'mis(F/,()((iwenfto5f; V Februari), v.; gmv. |
LIDâLOMP.
45
|
Lid {lichaamsdert),o.; 1 eil o n, 1 ed c-m aten. Lid'maat m. en v.; -m aten. Lid maat {deel dex lichaams), o.; ledematen. |m.; -s. Lie baard (leeuw in de wapenkunde), Lied, o.; I ie d ere n. Liederboek, o.; lied er boeken. Lie'dertafel (zangvereeniginfi), v.; -s. Liefde, v.; gmv. Lie/elijk (schoon, aangenaam), hu. Liefkoozing (streeling), v.; -en. Liefta lig (lief van taal), bn. Eene â dame. Lieftal lig (bevallig), bn. Ken â kind. Lier {snaarinstrument), v.; -en. Lieve-vrou'weükerk, v.; -en. Lieve-nheers beestje (Avoewja), o.; -s. Ligger, legger (boekdeel; onderste molensteen), m.; -s. Ligus'ter (heester), m.: -s. Lij (lage zijde van een zeilend schip), v.; gmv. Lijdzaam (geduldig, goedaardig), bn. Lijfeigene (dorper, hoorige), m. en v.; lijfeigenen. Lijk (dood lichaam; hoard of boordsel om een zeil), o.; -en. Lijkrede, v.; 1 ij k re d enen. Li m (Ideefstof), v.; gmv. Lijn (touw; streep), v.; lijnen. Lijnbaan (touwslagerij), v.; -b a n e n. Lijn'waad (linnenwcefsel),o.', - waden. Li n'zaad (vlaszaad), o.; gmv. Lijst (rand, raam; rij), v.; lij;-, ten. Lijster (zangvogel), v.; lijsters. Lik (slag), m.; likken. Likdoorn, likdoren (eelt knobbel), Likeur' (drank), v.; -on. | m.; -s. Lil liputter (klein duimpje, dwerg), m. en v.; lilliputters. Limiet' (grens, scheiding), v.; -en. Limoen' (kleine citroen), m.; -en. Limona de (drank), v.; gmv. Limmat (rivier; Zwitserland), v. Linde (boom), v.; linden. Linde (rivier; F.), v. Linge (rivier in de Belmvé), v. Lingerie' (kleedij van linnen), v.; -s. Liniaal', v.; linialen. Li'n\e(ntreep; gelid, lijn),-liniëii. Li nle (evenaar), v.; gmv. |
Linkerarm, m.; -armen. Linkerbeen, o.; -beenen. Links, bw. â schrijven. Linkscb, bn. Dat kind is â. Linze (peidvrucht), v.; linzen. Lip, v.; li p pon. Lip lap (kleurling), m. en v.; pon. Lis, lus (strik),v.; lissen, lussen. Liscb (waterbloem), o.; lisscben. List (geslepenheid), v.; listen. Lite'' (Ned. kun of kop), m.; â. Litera risch (letterkundig), bn. Literatuur'(lt;e«cr/f,Mnrfe), v.;-t n ren. Lithograaf' (steendrukker), in.; i-thografen. [gmv. Lithographie' (steendrul,â kunst), v.; Liiieeken, n.; litteekens. Livrei' (kleedij van een' heerenknecht), v.; gmv. Lob. lub (plooisel van kant), v.; -be n. Lobbes (s^/, r/o^f/in.: lobbesen. Locaal' (plaatselijk), bn, âale belangen, Localiteit' (hamer, zaal), v.; -en. Locomotief , v.; -tieven. Loef (windzijde, hooge zij), v.; gmv. Loer, v. Op do â staan, liggen. Lof (roem, eer), m.; gmv. Lof (loof; li. K. kerkdienst), o.; gmv. Log (zwaur,plomp), bn,; logger, -st. Log (werktuig om de snelheid van een schip te bepalen), v.; -gen. Logarith'me, v.; logarithmen. Loge (schouwburgkamertje), v.; -s. Logé (heer die logeert), m,; - s. Logée (dame die logeert), v.; -'s. Logement' (herberg), o.; -en. Logen, leugen (onwaarheid), \.-, -s. Logica (redeneerkunde), v.; gmv. Logies' (nachtverblijf), o,; gmv. Lo gisch (op 't gezond verstand gegrond), bn. Een âe ge volgtrekk i ng. Loire (rivier; Frankrijk), v. Lok (haarkrul), v.; lokken. Lokaal' (vertrek), o,; lokalen. Lok aas (lokspijs), o,; lok'a/,en. Loket' (raampje, hokje), o.: -ten. Lom (duikerhoen), m.; lommen. Lommer (schaduw), o,: gmv. Lom merd. lom berd, lom bard (bank van leening), in.; -s. Lomp (lapje, oude vod), v.; -e n. |
|
â iö LOMPERD Lomperd (domoor), m.; lomperds. Long (adtimhalinrituerktuiij), v.; -on. Lonk (W(7.-, oogwenk), m.; -on. Lont {brandend koord), v.; -en. Lood {metaal; IJ.Gram), o.; gmv. Looden {van lood; zwaar), bn. Eene â buis; met â schoenen. Loods (ffids op zee), m.; -en. Loods (hoalen schuur), v.; -en. Loof, lof (ffebladerte), o.; gmv. Loog (bijlend, zout water), v.; gmv. Looi (run, ffemalen eikenschors), Look (ajuin), o.; gmv. [v.; gmv. Loo-leé (beek: O.), v. L00m(traa3,ii(i)!bn.I.00me schreden. Loon, o.; i o one n. Loop. m.; gmv. Op den â gaan. Looper (smal trapkleed), m.; -s. Loopgraaf (onderaardsche ffany), v.; loopgraven. Loos (lediff), bn. Eene lOOze noot. Loos (slim, leep), bn., loozer, loost. Loot (scheut, twijgje), v.; loten. Loover (de boombladeren), 0.: -s. Loovertje (blaadje klatergoud), o.; -s. Lor (oude lap, vod), v.; lorren. Lord (Engelsche edelman), m.; -s. Lording {geteerd touw), v.; -s. Lorgnet' (knijpbril), o.; -netten. Lor retje (papegaai), o.; -s, Los (li/nx, roofdier), m.; lossen. L08(n(ei!)as«),bn., losser, meest los. Lot (loterijnommer), o.: loten. Lot (levenstoestand), o.; gmv. Lo teling, m.; lo telingen. Loterij', v.; loterijen. Loting, v.; -en. In de â vallen. Lotto (kienspel), o.: lotto's. Lotus (bloem), m.; lotussen. Ma, mama {moeder), v.; maat-je, m a-t j e. Maag (lichaamsdeel), v.; magen. Maag (bloedverwant), m. en v.: magen. Maag delijn (klein meisje), o.: -s. M aagschap (Idoed verwanten), v.; gmv. Maagschap (bloedverwantschap) o.: gmv. Maak (het maken), v. In ilc â zijn. |
-MAANKOP. Loup (vergrootglas), v.; Ion pen. I.ees: loep. Louw (zeelt), v.; Ion wen. Louwmaand Uanuari), v. Loyaal' (eerlijk, ferm), bn.: 1 o y al e. Lucht, v.; 1 n c h t e n. Lu cifer, m.: 1 ncifers. Lui, lieden, meerv., m. Luiaard (ai, aai, dier), in.; -s. Luier, luur (kinderdoek), v.; -s. Luifel (overstek, uitstel;), v.; -s. Luim {grap, humor, gril), v.; -en. Luip {loei), m.; gmv. Lui'paardu'oo/yier), m.; -paarden. Luister (praal), m,: gmv. Luit (snaarinstrument), v.; luiten. Lui tenant-generaal', m.: -s. Lui wagen (vloerboender), m.; -s. Luk (geluk), o.; gmv. â- of raak , d. 1. in het wild. Lu na (de maan), v.; gmv. Lunet' (oogglas; schans), v.: -ten. Luns, lens (spie tegen het rad), v.; lunzen, lenzen. Lurf (houtje; slip van een kleed), v.; 1 n rve n. LUS, v.; lussen. Zie Lis. Lust, m.; 1 nsten. [lustra. Lus'trum (tijdperk van 'i jaar), o.; Luur, v.; luren. Zie Luier. Luv/te (eene larve plaats,waar men nl. tegen den wind beschut is), v.; gin v. Lu'xe {weelde), v.; gmv. Lycae'um (middelbare school), o.; l y c !c a, 1 y c »3 ii m s. Lynx, los (roofdier), m.; lynxen, lossen. Ly'risch { welluidend, gevoelvol), \m. âe gedichten. Maal (ko/fei'zak, brieventasch; keer), v.; malen. Maal (eetmaal), o.; malen. Maal stroom (branding, wieling), m.; maalstrOOme n. Maan (hemellichaam), v.; manen. Maand, v.; maanden. Maan kop (kop of zaadhuisje), m.; ma a n ko p pe n. Maan kop (depapaverplant), v.; -pen. |
MAANKOPâMAR ME I..
47
|
Maan kop {slaapmiddel), o.; gmv. Maar, mare (tijding), v.; mar en. Maar schalk (opperbevelhebber), m.: Maart (lentemaand), 111. [en. Maas(Anooy) van een nel), v.; mazen. Maas (rivier: Frankr., België en Nederl.), v. Maat (makker), m.; maats. Maat (tot meten), v.; maten. Maat regel (schikkinri), m.; -ennf-s. Maatschappij , v.; -scliappijen. Maat'staf {meetstok), m.; -staven. Macaro ni (meelreep. meelspijs), v.: gmv. Machine (werktuig), v.; ill a c li i nes. Machinerie' {toestel), v.: -i-ieën. Machinist' (beheerder eener machine), m.; machinisten. MSiCht(vermogen; hoeveelheid),v-.-en. Macken zieu'/ru';-; Jlritsch A'..I m.),v. Made, maai (larf), v.; maden. Made (worm; weide), v.: maden. Madelief' (weidebloempje), v.; -ven. Made ra (morrjemvijn), v.: gmv. Made raatje ((/laasje madera), 0.; -s. Maf (loom, vadzig), bn. t Is â weer. Magazijn' {bergplaats), 0.; -zijnen. Ma'gi (Oosterschewijzen), meerv., m. Ma'gicus (toovenaar), m.; magici. Magie (tooverj, Oostersche toover- kunst), v.; gmv. Ma giër (Oostersche wijze), m.; -s. Magistraat' (overheidspersoon), 111.; magistraten. Magneet'(zeiteteCfi), m.; magneten. Magnetis me (magnetische kracht), o.; gmv. Mahomedaan'(MMze?man),m.;-daneu. Maho niehout (fijn meubelhout), 0.; gmv. Mail (lees: meel = postdienst van en naar Indië), v.; mails. Main (rivier: Duitschland), v. Maïs (Turksche tarwe), v., gmv. Ma jesteit, v.; majesteiten. Ma kelaar (zaakbezorger), m.; makelaars, makelaren. Makreel (zeevischje), m.; makreel en. [mal let je. Mal {vorm, model), m.; mallen; Ma Me (ringetje van eeii wapenrok: nastel), v.; maliën, malies. |
Ma liënkolder (harnas van maliën), m.; maliënkolders. Malkaar, voornw. (afbr.: malk-aar.) Malkander, \u\v.{a[by.:malk-ander.) MalscA {zacht, sappig), bn., malse her, malschte. Maluwe (kruid), v.; ginv. Malve. Mal ve (kaasjeskruid), v.; lt;.'mv. Malvezij' (Grieksche wijn), v.; gmv. Mama' (moedei-), v.; -s. Mam mon (afgod, geldgod).m.\ gmv. Mam mouth {voorwereldlijke olifant), m.; m a m m o u t h e n. Manchet', v.: manchetten. Mand (korf), v.; manden. Mandaat' (bevelschrift), 0.; -daten. Mandril' (groote aap), m.; -drils. Mandvol, v.; manden vol. Mane ge (lees: manee'ge ~ rijbaan ), v.; ra a n e g e s. Manen (nekharen van paarden en leeuwen), meerv., v. Mangel (werktuig), 111 : mangels. Mangel (gebrek), 0.; gmv. I!iJ â van. Manier (wijze van doen), v.; -en. Manilla (sigaar), v.; manilla's. Manlijk, mannelijk, bn. Het âgeslacht. Manoeuvre (beweging, militaire veldoefoning ), v.; -s. Manspersoon, 0.; mansp erso nen. Mantel {kleedingstuk), m.; -s. | v,; -s. Mantil'le. ma.nl\\\t(damesmantcltje). Manufacturen (geweven stojfen), meerv., v. \fen). m.; -s. Manufacturier' (koopman in stnf-Manuscript' (handschrift). 0.; -en. Manzana'res (rivier: Spanje), v. March (rivier: Oostenrijk), v. Mare. maar {tijding), v.; maren. Marechaussee' (militair politicdienaar), m.; -s. Marechaussee' {militaire politie), v. Mari'ne (zeewezen), v.; gmv. Marionet' (tooneelpop), v.; -ten. Mark (gemeente; grensgewest), v.; marken. [marken. Mark (Duitsche munt = f0,(10), m.; Mark (gewicht â 245 gi am), 0.: -e n. Marketen'ter (zoelelaar). m.'; (marketent'ster), v.; -s. Markt, v. m ark t en. Mar mei, mar bel ( knikker), m.: -s. |
|
W MAUMEI.AD Marmelade (gesuikerd vruchten-nap), v.; gmv. Marmot' (bergrat), v.; -ten. tHAroM\n'(roodgekleurd geitenleder), o.; gmv. [marsen. Mars {houten vlal; om den mant), v.; Mars {rugliorf voor koopwaren), v.; m a r S e n. Marsch(tocht;muziekaluk), m.: -en. Marsepein (lekkers), o.; gmv. Mar telaar (blóedgetuige), m.; -s of -la ren. Mar ter {dier), m.; -s; (bont), o. Mas ker (momaangezicht), o.; -s. Maskera de (optocht van gemasker-den), v.; maskerades. Mas'sa (menigte), v.; massa's. Mast. in.; masten. Mas'tik (welriekend hars), m.: gmv. Mat (/..-AmerU:. dollar = /' 2,00), in.; matten. Ma.t(vlechtwerk; voetwisch), v.; -ten. Matador' (stierendooder, fig. iemand die uitmunt), m.; matadors. Materiaal' (bouwstof) o.; -alen. Materialist' (iemand die leert dat er geen honger leven bestaat), m.; -e n. Mate'rie (stof), v.; gmv. Mathema ticus (wiskunstenaar), m.; mathematici. Mathe sis (wiskunde), v.; gmv. Matras' (onderbed), v ; -sen. Matrijs' (vorm, waarin drukletters gegoten worden), v.; matrijzen. Matroos', m ; matrozen. Mausole um (praalgraf), o.: niau-so 1 e' a. Mazelen {kinderziekte), meerv., v. Mean der (geknikte lijn, slingert jn), m.; meanders. Mecha'nioa(!t'e!*fcii(»(//i7mrfe), v.; gmv. Medaille (/jefmm'A v.: meilai I les. Medaillon' (gedenkpenning, omlijsting van een portret), o.; -s. Mede. mee (honigdrank), v.; gmv. Me'dedoogen (medelijden), o.: gmv. Me'deklinker (consonant), m.; -s. Mediaan' (papierformaat), o.: gmv. Medicijn' (geneesmiddel), v.; -en. Medio (het midden der maand), l)w. -Mei; in â. Med'way (rivier: Engeland), v. |
mergel. Mee (meekrap), v.; gmv. Meekrap (plant), v.; gmv. Meer (drooggemeden meer), v.; meren. [meren. Meer (ingesloten zoet water), o.; Meer'kol (vogel), rn.; -k o 11 e n. Ook : Meerkoet. Meerie, merel (zwarte lijster), v.; -len, -les, [m,; -palen. Meer'paal (legpaal voor schepen). Mees { vogel), v.; m e e z e n. Meet(7y«, merk), v.; gmv. Van â aan. Meeuw (vogel), v.; meeuwen. Meewarig {modelijdend), bn.en bw. Mei (bloeimaand), m. Mei (bloeiende tak), m.; meien. Meid (dienstmaagd), v.; -en, meisje. Meier (hofmeier; schout), tn.: -s. Meierij' (landstreek in N. Ur.), v. Mein eed (valsche eed), m,; -eeden. Meisje, o.; meisjes. Mejuffer (j u/fer, als aanspreking), v.; -s. [king), v.; -en. Mejuf frouw (juffrouw, als aanspre-Melaatsch' (besmet met lazarij), Ijn. Melaat sche (persoon, die melaalsch is), m. en v.; -n. [gmv. Melancholie' (zwaarmoedigheid), v.; Melde(/.-)'((/rf), v.; (soorten), in eld en. Me'lis (wittesuiker, suikerbrood), Melk, v.: gmv. Melkmuil (/«//jc/.', jlauwerd), m.; -en. Melodie' (zangwijze), v.; -dieën. Melodieus'(weWi(i(fcj?4), bn. -d ieu z e. Meloen' (vrucht), m.; -en. Me mei. Njemen (rivier: Pruisen), v. Memorie (verhandeling, beschouwing), v,; -s. -riën. [v.; gmv. Memo rie (aandenken, geheugen), Menagerie' (beestenspel) v,; -rieën. Me nie (roode verfstof), v,; gmv. Menig {meer dan, één), telw. Menist', Mennoniet' (doopsgezinde), m,; -en, Mensch, m,; niensclien, Mensch (vrouw, met kleinachting), 0.; inensclijc. Meppelerdiep' (kanaal: D), o. Merel, v.; merels. Zie Meerie. Merg (zachte slof in beenderen of hout), o,; gmv. Mergel (vette leemaarde), v ; gmv. |
MERIDIAANâMOET.
4!)
|
Meridiaan' (middaijlijn), m.:-(lianen. Me'rin08(Sj3aa«sc/iöSc/iape»))iifiv.,m. Merinos {wollen slof), O.: «rnriv. Merk. Mark (rivier: N. B.\ v. Merwe. Merwede (rivier: II.), v. Mes sing (geel koper), o.; gmv. Mest, mist (meststof), m.; gmv. Meteoor' (luchtsteen), ra.; -Oren. Meteorologie' (leer der weersgesteldheid), v.; gmv. Meter (degene, die meet; lengtemaat), m.; m eters. [-s. Meter (peettante, doopmoeder), v.; Metgezel, m.; metgezellen. M e t h 0' d e (teerw ijs, nwnierj.w;-s of-n. Metrum (versmaat), o.; metra. Metten (ochtendgebeden in kloosters), meerv., v. Metterdaad', bw. Hij bewees hetâ. Mettertijd', bw. A Hes komt-terecht. Metterwoon', bw. Zich â vestigen. Meug. v.; gmv. ïegen heug en â. Mias ma (ziektekiem), o.: -'s, -men. Microscoop' (vergrootglas), ra.: microscopen. Middag, m.; middagen. Middel (middellijf), v. en o.; -s. Middel (tot een doel), o.: middelen. Middeleeuwen ('ilOâMOS), raeerv.,v. Middelerwijl' (inlusschen), bw. Middelevenredige, v.; -n. Middellijk (door middel van), bn. Eene âe verbinding. Middellijn: v.; -1 ij neii. Middenboords. bw. Het U^k was â. Middendoor, bw. Snij den koek â. Middenin, bw. Zet die Uesch â. Mier (insect), v.; mieren. Mie'reneter ((«(;)â¢;« /..Afrika), ni.:-s. Mierik (lepelblad), m.; gmv. Mijdrecht (rivier: U.), v. Mijl (afstandsmaat), v.: mijlen. Mijn (onderaardsche gang), v.; -en. Mij nenthalve, bw. Gij kimt âgaan. Mij nentwege, bw. Zeg, dat gij komt. van â. Mijt Mij ter {bisschopshoed), rn.; -s. Mik {brood; s/utpnal), v.; -ken. MilcZcZa'dig (iveldadig), hu. Milicien' {loleling, soldaat), m.; -s. Militair' {soldaat), rn.; -en. |
Militie (krijg sua ik), v.; gniv. Millioen' {duizend malen duizend), o.: in i 11 i o e n e n. Milt {ingewand), v.; milten. Min {liefde), v.; gmv. Minaret' {torentje eener moskee), v.; m inaretten. Min'cio {rivier: S. Italië), v. Mineraal' {erts), o.; -ralen. Min ho [rivier: Spanje), v. Miniatuur' {schilderij in / klein), v.; miniaturen. Wmmum {het minste), o.; -s, -ma. Ministerie {afdeeling der lands- regeering), o.; -s. -riën. Minuut' {het Vr.n deel van een uur, van een graad, enz.; oorspr. opstel), V.; minuten. Mirre, myrrhe {bittere hars), v.; gmv. Mirt [heester), m.: mirten. Mis {offerande der B. K.), v.; -sen. Mis (jaarmarkt), v.; missen.. Misanthroop' (menschenhater), in.; m i san t li i 0' fie n. [gmv. tA\sdruk(onb)'uikbaardrakiverk),0.; Mis'mas (mengelmoes), m.; -sen. Mispel (boom), m.; (vracht), v.; -s. Misschien, bw. Mississippi (rivier: N. Anier.), m. Missou ri (rivier: N. Amerika), m. Mist (nevel; meststof), m.; gmv. Mis was (slechte oogst: wanstaltigheid), o.; miswassen. Mits (op voorwaarde dal), vgw. Mitsdien' (daarom), bw. Modder (slijk), v.; gmv. Mode. v.; modes. Model' (voorbeeld), o.; modellen. Modern' (nieuwertvetsch), bn. Moed (dapperheid), m.; gmv. Moed wil (kwaad of boos opzei), m.; gmv. Moeilijk, moeielijk (lastig), bn. Moeite (inspanning), v.; moeiten. Moer (schroef; droesem), v.; gmv. Moer (moerassig land), o.: gmv. Moer bei, moerbezie (zwarte bes- vrucht), v.: -beien, -beziën. Moes (kooksel van apjielen, enz.), o.; gmv. [in O.-l.), m.; -s. Moesson . moeson (regelmatige wind Moet (vlek; blijvend merk), v.; -en. |
MOEZELâMYSTERIE.
50
|
Moezel {rivier: Fr. en Ihiilschl.), v. Mof {bontwerk), v.; moffen. Mogelijk, bn., bw. ICeneâe dwaling. Moker {zware hamer), m.; -s. Mol (dier), m.; -len; molletje. Moldau (rivier: liohemen), V. Molen. m.; molens. Molenbeek {beek: L. en Geld.), v. Mo'llk(po;);vogelschrik),m.: -liken. Molm (droge lurfslol ), m. en o.; gmv. Mom (grijns, masker), v.; -men. Mombakkes {masker), o.; mombakkesen. [-s, -boren. Momber, momboor (voogd), m.; Monarch' {alleenheerscher), rn.; -en. Monarchie' (alleenheerschappij), v. Mond. m.; monden. Mondig {meerderjarig), bn. Monnik, m.; monniken. 'U0n0\00Q\alleensprank), m.;-logen. flionopo'We {alleenhandel), o.; -s. -liën. Mon ster {staaltje: gedrocht), o.; -s. Monument {gedenkteeken), o.; -en. Moor (bewoner van Noord-A frika), in.; Moo ren. Moor {gevlamde stof), o.; moren. Moord {doodslag), m.; moorden. MoorcWadig, bii. Een â gevecht. Moorin (vr. moor), v.; -rinnen. Moot {schijfje visch), v.; m0 0ten. Mop {hond), m.; moppen. Mop {steen; koekje), v.; moppen. Mops {hond), m.; mopsen. Moraal' {zedenleer), v.: gmv. MoreeKzcdelijl;),bn. Moreele kracht. Morel' {zure kers), v.; morellen. Morgen {ochtend), m.; morgens. Morgen {oude landmaat), o.: -s. Moriaan . Moor, m .; -a ne n , M o O re n. Mor'ra (beek: F ), v. Mor tel {metselkalk, grids), v.; gmv. Mortier' {vijzel; geschut), rn.; -en. Morzel {brok, scherf), in.; -s. Mos {plant), o.; mossen. Mosch (vogel), \.: mosschen. Moskee' {Mohammedaansche tempel), v.; moskeeën. Mossel {schelpdier), v.; -s of -en. Mos'selkreek (water: /..), v. Most {vruchtensap: ongegiste wijn), m.; gmv. Mosterd, mostaard, m.; gmv. |
Mot {insect: fijne regen), v.; {turfmolm), o.; gmv. Motie (voorstel), v.; -s, -tien. Motief' {beweegreden, oorzaak), o.; motieven. Motto {zinspreuk), o.: motto's. Mousseli ne {fijn neteldoek), v.; gmv. Mouw. v.; m o ii w e n. Mozaïek' {inlegwerk), o.: gmv. Mud. mudde (â HL), v. en o ; -den. Mug (insect), v.; m nggen. Mug genzifter {haarkloover, viller), m.; muggenzifters. Muil {bek; muilezel), m.; muilen. Muil (schoeisel), v.: muilen. Muis (knaagdier), v.; muizen. Muiterij' (oproer), v.; -en. Muizenis (gepeins), v.: -sen. Mulat' (kleurling), m.; mulatten. Mulattin', v.; mulattinnen. Mum'mie(amp;/;/;j/(.s(7/ gebalsemd Ijk), v.; -s, - m ien. Munt (geld, stempel), v.: munten. Munt (gebouw), v. De â te Utrecht. Munt (plantje, kruid), v., gmv. Mu'rik (plantje), v.; gmv. Mur ray (rivier: Nieuw-Holland), v. Murw (zacht, weel:), bn. â maken. Musch {vogel), v.; musscben. Mus cus, muskus(re»A wer7,), v.; gmv. Museum {kunstkabinet), o.; mrise'ums, muse'ën, mnse'a. Musicus {toonkunstenaar), rn.: m u's lei. Muskaat' (geurige wijn), m.; gmv. Muskaat' (druif), v.; muskaten. Muskadel' (druif), v.; -dellen. Musket {vuurroer), o.; m usketten. Muskiet {groote hul. mug), m.; m u s k 1 e t e n. Mussel-A (rivier: Gr.), v. Muts (hoofddeksel), v.; -en. [-s. Mut saard, mut serd (takkenbos), m.; Muur (steenen wand), m.; muren. Muur, murik (kruid), v.; gmv, Mu'ze (zanggodin), v.; muzen. Muzelman (Mohammedaan), rn.; M ii ze 1 m an n en. Muziek' (toonkunst), V.: gmv. Muzikant', m.; muzikanten. Myste'rie (geheimenis), o.: rn y st e'-ries, myste'riën. |
MYTHEâNOEMER.
My the (vollisoverleverhiy, verdicht- j Mythologie' (fabeIkmidc. gode11leer), set), v.; mythen. v.; mvthologie'ën.
N.
|
Naad, m.: naden. [naven. Naaf (middendeel van een )'lt;«/), v.; Naald, v.; naalden. Naam. m.; namen; naampje. Naamloos {.zonder naam), lm. Een âlOOze bi ief. Naamval, m.; naamvallen. Naardien (omdat), vgw. Naast {dicht hij), bn.; na as-te il orp. Naast, voor/,. â ons huis. Nacht, m,: nachten. Nachtegaal, m.; -s, -galen. Nachtevening (â¢gt;:/ Maart en S3 Sept.), v.; nachteveningen. Nacht maal (het II. avondmaal), o.; nacht m alen. Nachtschade (giftplant), v.; -n. Nacht wacht {persoon), tn.: -en. Nachtwacht (het wachthouden, al de wachters), v.; gmv. Nadeel (schade), o.: nadeel en. Nadir (voeipunt), o.: gmv. Nadruk {klemtoon), in.; gmv. Nagalm (echo, iveerklanh), m.: -en. Nagel (van vinger of teen; spijker), m.; nagels. Naijver (jaloezie, nijd), m. : gmv. Najaar (herfst), o.; najaren. Na komeling, m. en v.; -lingen. Nakomelingschap, v.; gmv. Na kroost {nageslacht), ü. ; gmv. Nalatenschap (erfenis), v.: -pen. Namaak (nabootsing), v.; gmv. Nameloos (onbeschrijfelijk), bn.. b\v. Nap (rond houten drinkhakje), m.: Nar {zot), m.; n a r re n. [na p pen. Nar cis (sierplant),nar'cissen. Nar dus ( fnd. gras; balsem), v.; gmv. Naricht (traarschmving), o ; -en. Nar wal (eenhoornvisch, walvisch- achtig dier),m.; -s. -wallen. Nasleep (gevolg), tn. Metal den â. Natie (vail,), v.; na'tiën, na'ties. j Natuur, v.; gmv. Navel (lichaamsdeel), m.; navels. Na'zaat {nakomeling), m : -zaten. Neb, nebbe (sneb, snavel),\.; n e b b e n. j |
Nee kar (rivier: Wurtemb.), m. Nec tar (godendrank), m.: gmv. Nederlaag (verlies), v.: -lagen. Neef, m.; neven. Neep (het nijpen), v.; nepen. Neer (rivier: L.), v. Neerslach tig (moedeloos), bn. Neet (klinknagel in eenc schaar), v.; nee ten. Ook: Niet. Negenderhande. â lei (negen soorten), hn. l-oogen. Negenoog (bloedzweer; visch), v.; Neger (Afrikaan), m.; negers. Nego tie (handel), v.; gmv. Nek. m.; nekken. Nel (troef negen), v.; nellen. Nerf {bovenkant van 't teder; ader van een blad), v.: nerven. Nering (klandizie), v.; neringen. Nestel (rijgsnoer), m.; nestels. Net. o.; netten. Ken vischâ. Netel (brandnetel), v.; -s, -telen. Neus. m.; n e n zen. Neushoorn, neushoren (dikhuidig dier), m.; -s. Neutraal' (onzijdig, on)iarljdig), bn. Nevel (verdichtedamp), m.; -s.-en. Ne'wa (rivier: Itnsland). v. Nicht, v .; nichten. Niemand, onbep. vnw. Nier (ingewand), v : nieren. Niers (rivier: /â), v. Nies wortel (kruid), v ; gmv. Niet (in de loterij), v.; nieten. Nieuwegra ven (kanaal: O.), v. Nijd (afgunst), m.; gmv. Nijging (buiging), v.; nijgingen. Nijl (rivier: Eggpte), m. Nijver (werkzaam), bn. De âe bij. Nik (snik, hik. knik), m.; n i k k e n. Nikkel (metaal) o.; gmv. Nikker (booze geest In de Germaan- sche fabelleer), in.: nikker s. Nimf (hal/ '-godin), v.; nimfen. Nis (holte in een' muur), v.; -sen. Nochtans (evenwel, echter), bw. Noemer (eener break), m.; -s. |
........
NOENâOLYMP.
rgt;'2
|
Noen(Hi/(/(ia;/), in.; ginv.V 1 aa m s c h. Noest, oest (knoest), m.; -en. Nog (voor ld wend, daarenboven), bw. Nok (suil;), m.: nokken. fiok.(opperlijn van een dak), v.; -k e n. Noma den {zwervendevolken), mv., m. No minatief {eerste naamval), m.; nominatieve n. Nonohalan'ce(ac/i/(3/oo.s7(eid),v.;gmv. Non sens {onzin, wartaal, zotteklap, lees: non'sens), m.; gmv. Nood {gevaar), in.; nOOden. Nooddruft {behoefte), v.; gmv. Noode {ongaarne), bw. Iets â zien. Noodig, bn. Het nOOilige geld. Noor {bewoner van Noorwegen), m.; Noord {rivier: 7,. H.), v. [Noren Noord-Brabant, o. N o o r d b r a- bantsch, bn. Noordenwind, m.; -winden. Noordergat {water: II.), o. NoorderliohtYïic^uio-üo-sc/iyn.sy;/)^. Noord-Holland, o. N o o r d b o I- l a n d s c h, bn. Noordzee, v. Noorman (\oor).m. N o o i in an n e n. Noot {aanteekening; zangnoot), v.; noten. |
Noot (boom), in.; (vruchi), v.; noten. Nop {pluis op wollen stoffen),^.-, -p e n. No'ta {rekening), v.; nota's. Notaris, m.; nota'rissen. No'teboom, m.; -boomen; -pje. Notemuskaat' {vrucht), v.; -katen. Notemuskaat' {slof) o.; gmv. No tenkraker {werktuig), m.; -s. No tie {begrip), v.; no'tiën, no'ties. Notitie {aanteekening, kennis), v.; noti'tiön, noti'ties. No tulen {aanteekeningen eenervergadering), mv., v.; lees: notelen. Novel le {romantisch verhaal), v.; -n. Novem ber {slachtmaand), m. Novi ce {nieuweling in een klooster), in. en v.; novices. Nuan ce (kleurspeling), v.; -sof-n. Nuchter(/(07 nielsgebrtnkl hebbende; niet beschonken),hn. Een â kalfje; de man was niet â. Nuf (ingebeeld meisje),nuffen. Nuk {gril, kuur), v.; nukken. Nul (cijfer), v.; nullen. Nulliteit' (nietigheid, nieteling), v.; nulliteiten. Nu mero (nummer), o.; numero's. Nurk (grompot), m.; nurkcn. |
O.
|
Oa se (vruchlbdre plek der woestijn), v.: oasen. Ob. 0 bi (rivier: Siberië), v. Obelisk' (spitszuil), m.; -en. Object (voorwerp), o.; objecten. Oblie' (dunne wafel), v.; oblieën. Obliga'tieCsc/mWbri'e/'), v.; -s of-tien. Oceaan' (wereldzee), m.; oceanen. Ochtend, uchtend (morgenstond), m.; -en. Octaaf' {interval van lt;S' lonen, tijdperk van 8 dagen), v.; -taven. Octo ber (wijnmaand), m. Octrooi' (uitsluitend recht lol het drijven van zekeren handel), o.; Ode (lierzang), v.; oden. 1-en. Oder (rivier: Bnitschland), v. Oeral (rivier: liusland), m. Ural. Oer os (wild rund), m.; oer'ossen. Oester (schelpdier), v.; oesters. Oever (zoom eener rivier), m.; -s. |
Of ferande (offer), v.; offeranden. Officie (ambl), o.; -cies, -ciën. Officieel' (van regeeringswege), bn. Een â bericht. Officier', m.; -ciers, -eieren. Officieus' (half officieel), bn. Ohio, (lees: 0-ai'-00 - rivier: Ver- eenigde Stalen), v. Oir (lees;oor = erfgennam),0.; -en. Oi'se (rivier: Frankrijk), v. Oker (gele aardsoort)-, v.; gmv. Oksaal' (galerij, zangkoor), o.; -salon. Oksel (holte, bijv. onder den arm), m.; -s of -en. |0.; -en. Okshoofd (wijnvat van ± 'i'iO liter), Olean der (sierheester), m.; -s. 0 lie, v.: o 1 i ë n. 0 lifant, m.: o 1 i fa i\ te n. Olijf' (boom), in.; (vrnchi), v.; -Ven. Olm (boom), m.; olmen. 0lymp',0lym'pu8(/)^i(;rfe)'öfO(((!n),m. |
\
|
omeletâ( Omelet' (eierkoek), v.; omeletten. Omhaal (drukte, omslag), m.; gtnv. Oinkeer(dfaai,verandering), Om nibus (rijtuig voor 'l piMiek), m.; omnibussen. Omslag (omhaal, drukte), m.; ginv. Omslag (bekleedsel), rn. en o.; o m- s 1 age n. Omstreek, v.; -streken. Omstreeks (ongeveer, omtrent). b\v. Omtrek (omvang, omstreek), rn. Omvang (omtrek), m.; gmv. Omwenteling (revolutie), v.; -en. Omzet {verkoop), m.; ginv. Once (niedicin. gewicht), v.; o n e e n. On derhoud (verzorging), o.; gmv. Ondershands', bw. â verkoopen. 0n'der8tand(sf(;Me/(/Ae/i«ip),m.;gmv. On dertrouw, m. In â opnemen. Onderweg', bw. Hij werd â ziek. On'derzaat (onderdaan), m. en v.; Ongel (vet), v.; gmv. [-zaten. On genood, bn. âe gasten. Onkosten, rneerv., m. On'lust (lusteloosheid), m.; gmv. On lusten (opstanden), meerv., m. On macht (flauwte), v.; gmv. On'mensch (wreedaard), 0.; -en. On min (twist, tweedracht), v.; grnv. Onnoo zei, bn. Eene âe vraag. On raad (gevaar, verwarring), m.; Ons (hectogram), o.; onsen. [gmv. On'spoed (ongeluk), nr.; -spoeilen. Onthaal' (ontvangst, maal),o.; gmv. On'tijd (ongelegen tijd), m.; -en. Ontlui king (het opengaan), v.; gmv. Ontrouw (verraad), v.; gmv. Ontsten'tenis (afwezigheid), v ; gmv. Ontvang' (het ontvangen), m,; gmv. Ontvangst', v.; ontvangsten. Ontvleesd', bn. Een â geraamte. Ontzag lijk, bn. Eene âe menigte. On verlaat {snoodaard),m.; -late n. Onversaagd' (onbevreesd), bn. en bw. Ooft (boomvruchten), o.: gmv. Oog, o.; oog en. Oo'gelijn (lieveling), o.; oogelij ns. Oo'genhlik, o. en m.; -blikken. Ooglid (oogdeksel), o.; oogleden. Ooglui kend (in stilte, ongemerkt), bw. â toelaten. Oogst, m.; oogsten. koenen , Zakwoordenboekje. |
ppasster. 53 Ooi (vrouwelijk schaap), v.; ooien. Ooi'evaar. ra.; -s, -varen. Oo'lijk (slim; guitig; ook slecht), bn. en bw. Oom, in.; oo m s, o o m en; oompje. Oor, o.; oore n. Oor haar (gepast), bn. âbare taal. Oord (.landstreek, plaats), o.; -e n. Oordeel, o.; oo rel eel en. Oor konde (oud bewijsstuk), v.; -n. Oor lam (borrel, slok), o.; -1 am ra e n. Oorlof (verlof, vergunning, afscheid), 0.; gmv. Oorlog, m.; oorlogen. Oorspron kelijk, bn. Eenâverhaal. Oort,oortje{'/, stuiver),o.; oo rten; oortj es. Oorveeg (klap), in.; oorvegen. Oor zaak (grond, bron), v.; -z a k e n. Oost (Ned. Oosl-Indië), v.; gmv. Oost, Oosten, o.; grav. Oost (Ned. Indië), v.; grav. Oostenwind, ra.: -winden. Oost-In dië, Oostin'je, o, Oostin dievaarder, Oostin jevaarder (zeeschip), rn.; -s. Oostin'disch, bn. De âe eilanden. Oostzee, v. Ootje, o. In het â nemen, d. i. in gezelschap voor den gek houden. Oot moed (nederigheid), ra.; gmv. Opaal (melkblauw edelgesteente), m.; opalen; (als stofnaam), o. Op bod (hooger bod), o.; gmv. Hij â⢠verkoopen. Opbrengst, v.; opbrengsten. Op centen (percentsgewijze verhooging), meerv., ra. Op dracht (last), v.: opdracliten. Openlijk (openbaar), bn. en bw. Opera (zangspel), v.; opera's. Operatie (onderneming; kunstbewerking), v.; -tiën, -ties. Operette {kleine opera), v.; -s. Opgaaf, opgave, v.; opgaven. Op'getogen (blij, vroolijk), bn. Op hef (overdreven lof), m,; ginv. Opinie (meening), v.; -s, -niën. O pium (heulsap, amfloen). 0.; gmv. Op laag, op lage (getal afdrukken), v.; oplagen. Oppasster, v.; oppassters. 4 |
|
;)4 OPPERâVl Opper (hoop, hooislapet), in.; -s. Opper, opperd (veilige ligplaats voor achepen, luwte), tn.: -s. Opponent' {bestrijder), m.; -en. Opposi tie {tegenstand, tegenpartij), v.; gmv. Op,rit( plaats van oprijden),m.; -ten. Op schik (tooisel), m.; gmv. Op slag (verhooging), m. ;opslage n. Op smuk (opschik, looi), m.; gmv. Op spraak (slecht gerucht), v. Lu â brengen. Op stal {gebouw; de masten en touwen), m.; opstallen. Op stand (oproer, verzet), m.; -e n. Op tica (gezichtkunde), v.; gmv. Optimist' {iemand die alles van de lichtzijde inziet), in.; -en. Op tocht {processie), m.; -en. Optrek {zomerverblijf), in.; -je. Opzet (het opgezette), in.; gmv. Opzet (toeleg, boos plan), o.; gmv. Opzichtig {in'toog loopend), bn., bw. Ora kel (fabelt., godspraak), o.: -s. O rang-oe'tan (aap), m.; -s. Oran' e {boom), m.: (vrucht), v.; -s. Oran je (roodachtig geel), o.; gmv. Oranjeman, m.; oranjemannen. Oranjerie' (broeikas), v.; -rieën. Ora tie (rede, toespraak), v.; -s, -tiën. Orde (regel), v.: orden. Orden telijk {fatsoenlijk, net), bn., b w. Order (bevel), v.; orders. Orgaan' (iverktidg), o.; organen. Organisa tie [ bewerktuiging, inrichting), v.; -s, -tiën. [en. Organist', orgelist' (orgelspeler), m.; Orgel, 0.: orgels, orgelen. Origineel' (zonderling niensch),m.; (oorspronkelijk stak), o.; -n e e' 1 e n. Pa, papa' (vader), m.; paatje, pa-tje. Paal {houten stut; Ind. lengtemaat = /500 M.), m.; palen. Paar (tweetal, koppel), o.; paren. Paar'dekop. m.; -kopjien. Paar'dekracht (krachtmeter in de natuurkunde), v.; gmv. Paarden bloem, v.; -bloemen. Paardenmarkt, v.; -en. |
CIFICATIE. Orinoco (rivier: '/.. Amerika), v. Orkaan'(hevigestorm), nu.; -kan e n. Orkest' (gezamenl. muzikanten, hun zitplaats), o.; o r 1c e s' t e n. Orthographic' {spelling, spelkunst), Os, m.; ossen. [v.; -ë n. Os'sekop. m.; -koppen. Os seleer, ossenleer, o.; gmv. Olter {wezelachtig dier), m.; -s. Oude-man'nenhuis, o.: -huizen. Ou derdom, m.; gmv. Ouders, ouderen, meerv., m. Ouderwets', bw. Hij is â gekleed. Ouderwetsoh'. bn. Eene âe japon, Ou'taar, ou ter, o. Zie Autaar. Ouwel, m.; ouwels. Oven, m.: ovens. Overdaad (verkwisting), v.; gmv. Overdrachtelijk {niet eigenlijk), bn. Overeenkomst {regeling), v.; -en. O vergaaf, o vergave {onderwerping, berusting), v.; -gaven. O vergang (het overgaan), tn.; -en. O verhand (meerderheid), v. De â hebben. Overkant [overzijde), v.; gmv. O'verlaat (laagte in den dijk van eene rivier), m.; overlaten. Overstag' (ouer een' anderen boeg), bw. Het zeil â werpen. O vertoom, m,; -too men, O verval (onverwachte aanval), m.; overvallen. O verval (toeval, plotselinge ongesteldheid), o.; o v e r v a 11 e n. O vervloed, m.; gmv. Overwinning, v,; -en. Overwintering, v.; -en. Ozo'ne, o zon (sterk riekende gassoort), v, en o,; gmv. Paarl, parel, v; -en, -s, [gmv. Paarlemoer', parelmoer' (stof), o.; Paars (violet), bn. Paar se bloemen. Paasch'vacantie, v.; -s, -tiën. Pa'oha, Pas']a{Turksch stadhouder), m ; pa'cha's, pas'ja's. Pacht (huur van land), v.; -en. Pacificatie {bevrediging), v.; pacificatiën. De â van Gent (1570), |
PADâPASSE-PARTOUT.
|
Pad (voetpad), o.; padon; paadje. I Pad. padde (dier), v.; padden; padje. I Paddenstoel (zwamacluige plant), m.; pad denstoelen. Paedagogiek (opvoedingnUunde), v. Paedagoog' (leermeester, opvoeder), in.; paedagOgen. Pagaai'(.so(n7 vanroeispaak), v.; -e n. Page (edelknaap), m.; |iaires. Page, pa gina (bladzijde), v.; -s, -'s. Pair (lees: peer d. i. Engeheh edelman), in.; pairs. |-booten. Paket'boat (snelzeilend vaartuig), v.; Pakka ge (reisgoed), v.; pak k a ges. Pakket' (klein pak), o.; -ten. Pal (pinnetje om een rad vast te zetten), m.; p a 11 e n. Pal {onbeweeglijk), bw. â staan. Palankijn' (draagstoel in fndië), in.: p a 1 a n k ij n s. Paleis', o ; pal ei ze n. Palet' (kaatsplankje), v.; paletten. Palet' (verfplankje), o.; paletten Paling (visch), rn.; -en, palinkje; (vischsto/'), v. Palissade (schanspaal), v.; -n. Paljas' (stroozak; hansworst), m.; paljassen. Palm (boom, tak), m ; palmen. Palm (rfe/'hand, kruid,O.I il/.),v.; -e n. Pamflet' (schotschrift),o.; -f le t ten. Pam pa's (grasvlakten in Am.), meerv., v. Pam pus (water: N. II.), v. Pan (keukengereedschap; dakpan), v.; pannen. Pand (huis, waarborg, zijstuk van eene jas), o. - panden. Fig. kind. Paneel' (schilderijplankje, beschot), o.; panee 1 e n. Paniek' (algemeens schrik), v.; -en. Pa nisch (schrikaanjagend), bn. Panop ticum (galerij van wassenbeelden), o,; -s. Panorama (schilderachtig vergezicht), o.: pa no ra'in a's. Pan 'ser. pant ser (borstharnas),o.; -s. Pantalon' (lange broek), v.; -s. Panter (roofdier), m.; -s. Pantheon' (tempel voor alle goden), o.; pantheon s. Pantoffel (schoeisel), v.: -s. |
Paniomi'me (gebarenspel), v.;-sof-n. Pant ser {borstharnas), o.; -s. Pap (kooksel van meel, enz.), v.; -p e n. Papa', pa irader), rn.; papa's, pa's; papaatje, papa-tje. Papaver (bloem), v.; papaver . Papegaai' (klimvogel), m.; -en. Papier (stof), o.; grnv.; (voorwerp), pap i e ren. Papillot' (papierreepje om het huur in de krul te zetten), v.; -ton. Parabel (gelijkenis), v.; -s, -en. Para de (wapenschomv), v.; -s. Paradijs' (lusthof. Eden), o.; zen. Paradox' (wonderspreuk), v.; -en. Paragraaf'(afdeeling; §), v.; -gral'en. Parallel' (evenwijdig), bn. en bw. Parallel' (vergelijking; breedtecij'- kel), v.; parallellen. Paraphra'se (omschrijvende verklaring), v.: -s. Paraplu . paraplu'ie, v.; para plu's, paraplu les; pa raplu u tj e, paraplu-tj e. [v.; -sleten. Parasiet' (woekerdier of -plant). Parasol' (zonnescherm), v.; -s. Parel, paarl.v.; parels, paarlen. Parelmoer', o.; gmv. Zio Paarlemoer. Parfumerie' (reukwerk), v.; -ën. Parkiet' (vogeltje), m.; -e n. Parman tig (deftig, met zwier), bn. en bw. Parnas', Parnas sus (zangberg), m. Parochie (kerkelijke gemeente), v.; paree bies, parochiën. Parool' (wachtwoord), o.; parolen. Part (poets, streek), v.; (aandeel), Partij, v.; -en. [o.; parten. Pas (vrijbrief; tred; bergpas), in.: passé n. Pas (tijdstip), o. Op dat â. Pas { juist, zoo even), bw. Pascha (Isr. feest), o.: gmv. Pa'schen (Chr. feest), v.; gmv. Paspoort (vrijbrief), o.; -en. Passaat' (regelmatige wind tusschen de keerkringen), m,; -saten. Passa ge (doortocht, beweging),-s. Passagier' (reiziger), rn.; -s. Passement' (zilver- of goudboordsel), 0.; gmv. [m.; -partonts'. Passe-partout' (algemeene sleutel), s,* |
PASSERârHANTASTISCII.
50
|
Passer (iverktuig), m.; passers. Pas'sie (hartstochf), v.; -s of -siën. Pastei' (v ieesch g eb a ):j e), v.; -en. Pastel' (kleurslifl), o.; pastellen. Pastorie', pastor ij'ijtas/oorsu'onnïy), v.; -e n. Patiënt'(/ydej',lijcleres),\i\.en\,.\ -en. Pa'tria {vaderland), v. Proâ, voor liet vaderland. Patriarch' (aartsvader), in.; -en. Patriciër {aanzienlijk harger),n\.--s. Patri ciscli: bn. Van âe afkomst. Patriot' {vaderlander), m.; -ten. Patriot'isch, bn. âe liederen. Patriot'sch, bn. De âe partij. Patrijs' (veldhoen), m.: pat r ij Zen. patroon '(»nees/«r, beschermer), in :-s Patroon' {lading), v.; patronen. Patroon'(,moctó, vorm), o.; -t r0 n e n. Patrouille (wachtronde), v.; -s. Pauk (keteltrom), v.; pauken. Paus (hoofd der 11. K. kerk), m.; -e n. Pauw (vogel), m.; p a u w e n. Pauze, paus (rust), v.; pauzen. Paviljoen'(zomer/iiiis, tentje),o.;-en. Pedaal' (voetklavier), o.; pedalen. Pedant'(waanwijze), m.; pedanten. Pedanterie' (verwaandheid), v.; gmv. Pedel'((lt;ode, dienaar), nn.; -s,-len. Pedestal', piedestal' (voetstuk), o.; pedestallen, piëdestallen. Peel (moerassig land), v.; pel on. Peen (worteltje), v.; penen. Peer (vrucht),v.: (boom), m.; peren. Pees (snoer), v.; pezen. Peet (doopgetuige), m. en v.; p e t e n. Pe gel (hoogtemerk), m.: pegels. Peil (hoogtemerk), o.: peilen. Pekel (zoutnat), v.; (zeewater), o.; gmv. Pe'kel-A (riviertje: Gr.), v. Pel (vliesje), v.; pellen. Peleri ne {damesmanteltje), v.; -s. Pel grim (bedevaartganger), m.-, -s. Pelikaan' (vogel), m.; -kanen. Pellies' (damesmantel met bont), v.; pel 1 iezen. Pels (bont), in.; pelzen. Pelterij' (bontwerk), v.; -en. Peluw, peu'luw (onderkussen), v.; peluwen, p e u 1 u w e n. Pen (schrijfpen; houtenpin),\.\ -n e n. |
Penant' (muurstijl), o.; penanten. Pendant't schilderij, portret als tegenhanger), o.; -en. Pendu le (slingeruurwerk), v.; -s. Pennemes, o.: -messen. PenneahDuder, m.; -houders. Pennestrijd (twist in een dagblad, enz.), m.; -en. [penninkje. Penning (munt, medaille), m.; -en, Pens (deel der maag bij herkauwende dieren), v.; p e n S e n. Penseel' (schilderkwastje), o.; -en. Pensioen' (jaargeld), o.; -oenen. Peper (specerij), v.; gmv. Pepermunt', peperment. v.; -en. Perceel'(sittfe land), o.; perceelen. Percent'(WHisi ten honderd),o.; -en. lt; Perfec tie (volkomenheid), v.; gmv. Periode (tijdperk), v.; perioden. Periodiek' (op vaste tijden komend), bn. Een â geschrift. Periphra'se (omschrijving), v.; -s. Perkament', perkemént' (als papier bereide huid), o.; -en. Permissie (verlof), v.; gmv. Pers (drukpers), v.; persen. Per'sioo (likeur), v.; ginv. Personage, v. en o.; -nages. Personificatie (persoonsverbeelding), v.; -ties of -tien. Persoon (in de spraakkunst), m.; personen. [personen. Persoon (man of vi-ouw), m. of v.; Perspectief' {iloorzichtkunde),\.;gv. Perspectief' (vergezicht), o. ;-t i e v e n. Per zik {boom), m.; (vrucht), v.; -en. Pessimist' (iemand die alles voor slecht houdt), m.; -e n. Pest {besmettelijke ziekte), v.; -en. Pet (hoofddeksel)^ v.; petten. Peter (peetoom), m.; peters. Peterse lie, pieterse lie (groente), v. Peti tie (verzoekschrift), v.; -sof-tiën. Petroleum (aardolie), v.; gmv. Petsjora (rivier: Rusland), v. Peu'kel, pukkel (puistje), v.; -s. Peul (vrucht, ook peluw), v.; -en. Pezerik, m.; pezeriken. Pha'lanx (krijgsschaar), v.; phalanx e n, phalangen. Phantasie'(m-beeWmf/), v.; -sieën. Phantas tisch (grillig), bn. en bw. |
â â â as.
|
PHASEâ Pha'se (qeskdledermnan), v.; -sof-n. Philanthroop' (mcnschenminnaar), m.; -tropen. [v.; gmv. Philanthropie' (menschlievcndheid), Ph\\o\og\e' (lardrjeleerdlieid),v.; gmv. Philoloog' {taalgeleerde), m.; -10 ge n. Philomeel' -in elen. Philosoof' (wijsgeer), in.: -so fen, Philosophie'(wijshegeefte), v.; - ieën. Phos phorus {lichtstof), m.; ginv. Photograaf, in.; photografen. Photogram {portret), o.; -men. Photographie' {lichtbeeld, poi tret), v.; -phieën. [beelding. Photogra'phisch, bn. Ken âe af-Phra'se {volzin, uitdrukking'), v.; phrases, phrasen. Phy'sica {natuurkunde), v.; gmv. Pianino, piano, v.; -'s. Piano-forte, v.; piano-for'tes. Pias'ter {Sp. munt ~ fi.GO), in.: -s. Piek {lans, spies), v.; pieken. Pier(«a)'rfRWHi; hauendani), v.; -en. Pie'terman(OT'sc/t), Ml.: pie term an s. Pieterse lie, peterse lie ((jroente), v.; gmv. Pij {grof wollen overkleed), v.; -en. Pijjakkenma/rozen-i/wiitiiH.s), m.; -s. P ij I {schicht), m.; p ij l e n. Pijler (pijler, zuil, stut), in.: -s. Pijn {pijnboom), m.; pijnen. Pijn {smart), v.; pijnen. Pijp (buis; tabakspijp), v.: pijpen. P\W{haat,wrok), in. Ken' â op iemand hebben. Pik. pek (harsachtige stof), o ; gmv. Pikant' {scherp, prikkelend), bn. âe saus. [piketten, Piket' (oeldwacht, brandwacht), o.: pikeur' (rijmeester), m.; pikeurs. Pi'kol (O.I. gewicht = ± tr2 K.G.), o.; pi k o Is. Pil {geneesmiddel), v.; pillen. Pilaar' {zuil), m.; pilaren. Pilaster (kantige zuil), in.; -s. Pil'legift (daopgescheiik), v.; -u n. Piloot'(.sVdKDlK»), loods), m.: piloten. Piment' {Indische plant), o.; gmv. Pim pel (mees, vogel), m.; -s. Pimpernel' (sorhenkruid), v.; gmv. Pin, pen {ijzeren nagel), v.; -n e n. Pinas' {lingelsche sloep), v.; -sen. |
plecht. 57 Pince-nez' (knijpbril), m.; (mv. pince-nez^) pincetten. Pincet' (tang des wondheelers), o.; Pin'dus (zangberg der Muzen), m. Pink {vinger), m.; (visschersschuit), v.; pinken. Pink (eenjarig kalf), m, en v.; -eu. Pinkster, Pinksteren (Chr. feest), \. Pint {oude vochtmaat,6d.L.). v.; -en. Pioen'. pioene(')Oflre)?roos),v.; -oenen. Pip {vogelziekte), v.; gmv. Pippeling (appel), m.; -en. Pirami de, pyrami'de. v.; -n of -s. Pisang^iirf. boom), m.:(vruclit), v.; -s. Pista che (groene amandel), v.; -s. Pisto le (gehuurde kamer in de gevangenis), v.: gmv. Pistool' (oude Spaansche goudmunt = ± fWW), v.; pistolen. Pistool'(ivapen), o. en v.; pistolen. P\t{lampekonsje; kernsteen), v.; -ten. Pit (merg, kracht), o.; gmv. Plaag (kwelling), v.; plagen. Plaat, v.; platen. [plaatsen. Plaats {open plek, stad, ruimte), v.; Pladijs', pladdijs' (platoischje), v.; p 1 ad ij zen, p 1 ad d ij zen. Plafond' (roWt'Wiif/), o.: plafonds. Plag. plagge {hei, zode), v.; -gen. Plak {handplak), v.; plakken. Plakkaat' {aangeplakt bevelschrift), o.; pl ak k aten. Planeet' (hemelbol), v.; planeten. Plank, v.: p 1 ank e n. Planket' {planken vloer of beschot), 0.; planketten. Plant (gewas), v.; planten. Planta ge (plantsoen, aanplcinting), Planteijkunde, v. [v.; -s. Plantenrijk, o. Plantsoen' {terrein met boomen, park), o.; plantsoenen. Plas. m.; plassen. |bn, en b\v. Plas'tisch (aanschomvlijk, in beeld), Plataan' (loofbnoin), m.; plat a nen. Plateau' (bergvlakte),O.-, plateau's. Plati na (wit goud), o.; gmv. Platvoet (persoon), m. en v.: -en, Plavei' (straatsteen), v.; -en. Plavuis (vloertegel), v.; p I av n I zen. Plecht (klein vast dek voor en ach* Ier), v.; p | e c h t c n, |
PLECHTIGâPORTIER.
58
|
Plechtig (statig, deftig), bn. en bw. I Pleidooi' {rede van een' advocaat), i o.; pleidooien. Plein (open ruimte), o.; pleinen. Pleister (heelmiddel), v.; -s. Pleister {gips, fijne kalk), o.; gniv. Pleit (plat vaartuig), v.: pleiten. Pleit (rechtsgeding, strijd), o.; -en. Pleizier', plezier', o.; p'leizieren. Plek (plaats, vlek), v.: plekken. Pleonas'me(oue)-lt;o/(i3/(cicitiaj7 woorden), o.: -n. Pleuris (zijdewee), v.; -sen. Plicht (zedelijk moeten), m.; -e n. Plint (plank), v.; plinten. Ploeg (landbouwwerktuig), m.: -en. Ploeg (afdeeling werklieden, enz.), V.; ploegen. P\of (doffe slag), m.; ploffen. Plomp (waterlelie; geluid), m.; -en. Plons(s/ajr in'twater),m.-, plonsen. Plooi (vouw), v.; )gt; looi en. Plotselijk, plotseling (onverwacht), bn. en bw. Plug (slop, schoenpin), v.; pluggen. Pluim (veer, vederbos), v.; -en. Pluimage (gevederté), v.; gmv. Pluis (in orde, veilig), bn. Pluis (stofje), v.: pluizen. Pluis (geplozen touiv of werk), o. Pluk (hel plukken), m.: gmv. Plunje (armoedige kleed ij), v.; -s. Plura lis (meervoud), in. en o.: gmv. Pluvier' (vogel, steltlooper), v.; -en. Po (rivier: Italië), v. Po'dagra(i'oelt;etii)e/,i'oe(;ilt;7i(),o.:gmv. Pod ding, pud ding (meelspijs), in'.; -s. Poedel (hond), in.; poedels. Poeder, poeier igeneestniddel), v.; -s. Poeder! poeier (stof, gruis), 'o.; -s. Poëet' (dichter), m.; poëten. Poel (moeras, draskolk), m.: -en. Poe\\er'(koopmaningevogelte),m.;-s. Poes (kat; bont), v.: jioesen. Poë tisch (dichterlijk), bn. en bw. Poets (grap, klucht), v.: poetsen. Poëzie', poëzij' (dichtkunst), v.;gmv. Poezel, poezelig {mollig), bn. Pof (krediet), in. Op den â koojuMi. Pof (slag, stool), m.; poffen. Poffer {baksel), m.; -s; -tje. Pok {zweertje), v.; p o k k e n- |
Polder (ingedijkt land), m.; -s. Polemiek' (pennestrijd), v.; gmv. Polichinel' (hansworst), m.; -s. Poliep' (straaldier), v.: poliepen. Polis (verzekerbrief), v.; -sen. Poli tie, v.; gmv. Politiek' (staatkunde), v.; gmv. Politiek' (btirgerkleeding), o. Een officier in â. Pol ka (dans), v.; polka's. Pol lepel (houten lepel), m.; -s. Pols (slagader; springstok), m.; i polsen. Pomerans'(sloolcindederkeii),\'.;-ci]. Pommade (haarzalf), v.; -s. Pomp, v.: pom pen. Pompernik kei (zwart brood), m.; -s. 1 Pompoen' (vrucht, kalabas), m.; -en. Pond (gewicht), o.; ponden. Ponjaard (dolk), m.; -en of -s. Pons, punch (geestrijke drank), v.; Pont (veerschuit), v.; -en. [gmv. Pook. m.; poken. Pool {einde der aardas),w, polen. Poort, v.; poorten. Poos (korte tijd), v.; p00zen. Poot (been, voel), m.; p o 01e n. Poot (twijgje, stek), v.; poten. Pootig (sterk, krachtig), bn. Een âe kerel. Poover (arm, armoedig), bn. Pop (speelgoed; wijfjeskanarie), v.; p o p p e n. Popel (populier), m.; -s. Populair' (in aanzien bij het volk), bn. ' Populier' m-; -en. Zie Popel. Por (steek met mes, dolk), v.; -ren. Poreus' (meiporiën),bn.: poreuze. Porfier' (purpersteen), o.; gmv. Porie (ijle opening), v.; poriën. Porselein', postelein' (groente), v.; gmv. Porselein'(/?ÆÂ», aardewerk), o.; gmv. Port (morgenwijn), m.; gmv. Port. porto (vracht van brieven), o.: porten, po rto's. Porte {hel Turksche hof), v.; gmv. Portefeui lie (brieventnsch), v.; -s. Portemonnaie' (lederen geldzakje), v.; portemonna 1 es. Por tie (deel, aandeel), v.; -s,-tiën. Portier' (deurwachter), tn.; -s, |
|
rOBTIÃRâ Portier' {rijluigdeur), o.; -en. Portugees', m.; Por tu gee zen. Pose (houding, stand), v.; |ioses. Posi tie (slaat, toestand), v.; -s, -t i ö n. Po,sitief(s(('//(*m/ft trap), m.; -tieven. Positief' (stellig, zeker), bn. en bw. Positieve kennis, liet is â waar. Positie ve (verstandelijk heivnstzijn), v.; -n. Uij zijne ân zijn. Post (stijl van deur of raam), m.; -e n. Post (onderdeel van eene rekening), m.; posten. Post (standplaats, amhl), m.; -en. Post (postbode), m.: posten. Post (posterj, postkantoor, postwagen), v.; posten. Post (stekelviseh), v.; posten. Post (postpapier), o.: gmv. Posterij', v.; posterijen. Postiljon' (postrijder), m.; -s. Post-uur (posttijd), o.; -uren. Pos-tuur' (gestalte, houding), 0.: Pot, m.; po tte n. [-t n ren. Pota'ge (vleesch-, groentesoep), v.; -s. Pot'asch (zoutsoort), v.; gmv. Potentaat' {regeerend vorst), m.: potentaten. Poter (plant, poolaardappel), m.: -s. Potlood^ o.; potlooilen. Pots, poets (grap, klucht), v.; -en. Praal (pronk, vertooning), V.: gmv. Praam (plat vaartuig), v.: |iram e n. Praat (het praten, gesnap), m,: giuv. Pracht (luister), v.; gmv. Prac'tisch (hrnikhaar, geschikt), bn. Practijk' (tegenover theorie), v.; gmv. Prsedicaat' (gezegde), o.: -caten. Praefix' (voorvoegsel), o.; -en. Pramp;'ses (president), m.: pnnsides. Praesi'dium(TOO)'ziHej-sc/m|)),o.;gmv. Prairie' (graswoestijn), v.; -rieën. Praktijk' (van dokter of advocaat), v.; ]gt;ra k t ij k en. Prang (druk, knelling), v.; gmv. Prat (trotsch), bn. â zijn op iets. Prauw (plat hul. vaartuig), v.;-en. Precies' (stipt, rini(wkeurig),hn.,h\v. Predikant' (dominee), m,; -en. Predikatie {leerrede), v.; -s of -tien. Preek (leerrede), v.; pree ken. Prefect' (bestuurder), m.; -en. Pre'gel (rivier: Pruisen), m. |
rnoFETiE. 50 Prei (soort van look), v.; -en. Prelaat' (geestelijke), in.; -laten. Premie (prijs), v.; -s of -miën. Premier' (de eerste, ook als minister), ni.; premiers. Prent (afbeelding), v.; prenten. President' (voorzitter), m.; -en. Prest i'ge( invloed .overwicht),o/.pmw Pret (vermaak, vreugde), v.: gmv. Preten sie, preten tie (schuldvordering, aanmatiging), v.; -s of-si ü n. Pretext' (voorwendsel). 0.; -e n. Preutsch (gemaakt, deftig), bn. Kenc âe dame. Priëel' (tuinhuisje), o.; pri celen. Priem (spitsijzertje,dolk,els),m.;-on. Pries terschap (staat, waardigheid), o.; (alle priesters), v.; gmv. Prij (kreng, dood dier), v.; -en. Prijs (waarde), m.; (buil), v.: -Zen. Prik (steek ; lamprei, visch), m.; -ken. Prikkel (aansporing), in.: -s. Prikslee (kleine stee), v.; -sleeën. Pril (jong, vroolijk), bn. In tie â âle jeugd. [-ma'ten. Primaat' (voornaamste, eerste), m.; Primus (eerste, bekwaamste),m.;-scn. Principaal' (meester, patroon), in.; pri nc-i |ialen. Princi pe (grondbeginsel), o.; -s. Prins, m.; prinsen. Prinses', v.; prinses'sen. Prior (abt), m.; priors. Pris'ma(,/ioek/fli(' zuil), o.; -'s,-m a ta. Privile ge, privilegie (voorrecht), o.; pri vil e'giën, pri v i 1 e'geö. Procedu re (rechtsgeding). V.: -s, -n. Proces' (voortgang; rechtsgeding), o.; processeit. [-sién. Proces sie (ommegang), v.; -s of Product' (opbrengst, uitkomst), o.; p r o d neten. Proef, proeve (onderzoek), v.; -ven. Proeth (rivier: Gallicie), m. Proeve (bewijs, blijk), v.: proeven. Profaan' (onheilig, oningewijd), bn. Profane blikken. Profeet' (ziener), m.; profeten. Professie (beroep). V. Hij is kleik van â. |so' ren. Professor (hoogleeraar), m.; -s, Profetie' (voorspelling), v.; -tie'ën. |
PROFIJTâQUIBUS.
00
|
Profijt' (voordeel), o.; profijten. Program ma (lijst, opgave), o.; -'s. Promo'tie{lgt;evogt;'dering),v.-, -s, -tien. Prompt {snel, vlug), bn. en bw. Pronk (sieraad, opschik), m.: gmv. Pronk (praal, glorie), m.; gmv. Prooi (roof, buit), v.; gmv. [-en. Proosdij' (woning van den proost), v.; Proost (voorzitter van een kapittel), m.; proosten. Prop (stop van papier, enz.), v.; -p e n. Proponent' (candidaat-predikant), m.; proponenten. Prospec tus (plan. aankondiging), 0.; prospec'tussen. Protest' {verzet, bezwaarschrift), o.; protesten. Protestant' (hervormde), ra.; -en. Protestantsch'. bn. Eene âe kerk. Protocol (verldaring, akte), 0.: -len. Proviand' (voorraad, leeftocht), v.: gmv. Provincie (gewest), v.; -s, -ciën. Provi'sie (voorraad, winst, loon), v.; provi'siën, provi'sies. Provoost' (sotdatenceï), v.; -en. Pro'za (ongebonden stijl), o.; gmv. Prozaïsch (niet dichterlijk), bn. Pruik, paruik. v.; -en. Pruim (boom), m.; (vrucht), v.; -en. Pruimedant' (gekonfijte pruim), v.; p r u i m e d a n ten. Prul (nietig ding), v.; prullen. Prumel', prunel' (grkonfijte pruim), v.; p r ii m e 1 s, p r n n e 1 s. |
Psalm (kerkelijk lied), m.; -en. Publicatie (aankondiging), v.; public a't i ë n , public a'ties. Publiciteit' (openbaarheid), v.; gmv. Publiek (de wereld, de menschen), o.; gmv. Pud ding, podding, m.; -en. Pui (onderste deel van een gevel), v.; puien. [gmv. Puin (afval van muurwerk), o. en v.; Puist (zweer), v.; puisten. Puit (visch, kikker), m.; puiten. Pllit'aal (visch), m.; -alen. [s. Puk kel, peu kei, pokkei (puistje), v.; Pul (tinnen kannetje), v.; pullen. Pul ver (kruit, stof), o.; grav. Punch, pons (drank), v.; gmv. Punctua tie (plaatsing der leestee- kens), v.; gmv. Punt (spits; leesteeken), v.; -en. Punt (onderiverp, tijdpun* o/ wiskundig punt), o.: punten. Pupil' (pleegkind), in. en v.; -len. Pupil' (oogappel), v.; pupillen. Purim (Israël, feest), o.; gmv. Purist' (taalzuiveraar), m,; -en. Purmer (een polder, N. II.), v.; gmv. Pur'per (verf, stof, kleedij), o.; gmv. Put (diepe groeve), m.; putten. Puts [lederen scheepsemmer), v.; -en. Putter (distelvink), ra.; -s. Pygmee' (fabelachtige dwerg), m. en v.; pygmee n. Pyrami ds, pirami de, v.; -n of -s. Python (reuzenslang, draak), m.; -e. |
Q-
|
Quadraat' (vierkant), o.; -draten. Ook: kwadraat, kwadraten. Quadrant' (horkmeter, hoogtemeter), o.; lt;| ii ail ra n ten. Quadrille (dans; kaartspel), v.: -s. Quaes'tie(geschilpunt), v.: -s, -tien. Qusestieus' (twijfelachtig, betwistbaar), bn. Eene âzo zaak. Quaes tor (schatmeester bij de Ito- meinen), rn.; -s, -to'ren. Qualifica'tie(M(7«?i((f/, toekenning), v.; -s, -tiën. Qualiteit'(/ioerfani(//ie(rf,nn)-d),v;-on. (luantiteit (hoeveelheid), v.; -en. |
Quan tum (aandeel, bedrag), o.; -s. Quarantai ne (proeftijd van 40 dagen voor schepen, die uit verre streken komen, waar eene besmettelijke ziekte heerscht), v.; gmv. Quartet' {muziek van vier zangers of vier instrumenten), o.; -tetten. Quar to (boek- of papierformaat), het vel in 'i bladen), o.; -'s. Qua si (schijnbaar),hw. Ken â dokter. Quatre-tnains' (muziekstuk voor vier handen gezel), v. Zij spelen eene â. Qui bus. quidam (dwaas, gek), ip, Ook ; Kwibus, |
QUININEâRATEL.
Quini'ne (extract van kinabast), v. Qui-pro-quo' (vergissing, tvootvhpc-Ook : Kinine. Hng), o.; q u i-p r o-q u o's.
Quint (in de muziel;, afstand van Quitan'tie (bewijs van betaling), vijf tonen), v.; quinten. q n i tan'tiën , q ui tan'ties.
Quint essence, quint essens {ile l.ern. Quo ta (evenredig aandeel in cane de keur), v.; ginv. belasting), v.: quota's, quoten.
(H
Quintet' (vijfstemmig muziekstuk), Quotiënt' (uitkomst eener deeling), o.; quintette n. o.; q u oti ënten.
R.
|
Ra (dwarshout aan den mast), v.; Raad (raadgeving),m.-raden. |i aas. Raad-pensionaris, m.; -rissen. Raadsel, o.; -s of -en. Raadsheer (rechter in een gerechtshof), m.; -li e e re n. Raadzaam (heilzaam, nuttig), bn. Raaf (vogel), v.; raven. Raag bol, ra gebol, m.; -s, -bollen. Raam (raming), m.; gmv. Raam (venster), o.; r a tn e n. Raam (watertje: N. /(.), v. Raap (knol), v.; rapen. Raat (honigraat), v.; raten. Rabar ber ( plant, geneesmiddel), v. Rabat' (korting; rand van een gordijn; smal bloembed), o.; -ten. Rabaut' m.; rabauten. Rabauw' (winterappel), v.; -en. Rab bi (vocatief van rabbijn ), m.: -'s. Rabbijn' (Isr. geestelijke), m.; -en. Rad (ivieï), o.; raders, raderen, ra il o n. Rad draaier (voorvechter), m.; -s. Rad heid (vlugheid,snelheid),\.;gm\'. Radicaal' (akte, diploma, titel), 0.; radicalen. Radicaal' (totaal; algeheel), bn. Rad i US (s^ranZeews oir/iek), in,; -sen. Radijs', v.; radijzen. Rad ja, rad jah (ind. vorst), m.; -quot;s. Rafel, v.; rafels. Raffinaderij' (fabriek om suiker Ie zuiveren), v.; -en. [-naden rs. Raffinadeur' {suiker/abrikant), m.; Rag (spinrag), o.; raggen. Ragout' {gekruid vleesvh), m.; -s. Rail (lees: reel, il. \.spoorbalk),\\; -s. Raillerie'(.spo»cr)i;/, .sc/icr/.s)^.: gin v. Rak (recht eind van een' weg of een water), o.; rakken. |
Rakel (rakelijzer), m.; -s. Raket' (kruid), v.; gmv. Raket' (kaatsnel), o.; raketten. Ram (mannetjesschaap), m.; -men. Ramenas' (knolradijs), v.; -sen. Rammei' (stormram, muurbreker), v.; rammeien. Rammelaar (babbelaar; mannetjeskonijn; speeltuig), m.; -s. Ramp (ongeluk), v.; rampen. Rampza'lig (ellendig),\m. Een â lot. Rancune {haat), v.; rancunes. Rand (kant), m.; randen. Rang (stand, graad), m.; rangen. Rank {dunne tak, twijg), v.; -en. Rank (list, booze trek), v.; ranken. Ranon kel {boterbloem), v.; -s. Ran sel (soldatenlasch), in.; -s. Ransel (staag), m.: gmv. Ran'sig (garstig), bn. âe lioter. Rantsoen', ransoen' (losgeld)-, o.; -e n. Rantsoen\bepaalile hoeveelheid spijs of drank), o.; rantsoenen. Rap (Jan â en zijn maat, d. i. het gem een e volk), o. Rapal'je (gepeupel), o.; gmv. Rapé (geraspte snui ftabak), v.; gmv. Rapier' (lange degen), o.; ri\ pieren. Rapport' {bericht, verslag), o.; -en. Rarekiek' (kijkkast), rn.; -kieken. Rariteit' (zeldzaamheid), v.; -en. Ras (kleedingstof; draaikolk; mcn- schenstam), o.; rassen. RaS(.s«e/, gezwind), bn. Kom toch â! Rascil(snel, gezwind), bn. Rassche se li re il e n. Rasp (werktuig om iets /iju te. tua- ken), v.; raspen. Raster (breede, grove lat), m.: -s, Rat, rot (knaagdier), v.; -ten. Ratel (werktuig), m.; ratels. |
|
62 RATELAA Ra telaar (populier; ziralitiv),m.; -s. Ratijn' (kleedinr/stof), o.; gmv. Rationeel' (volgens ile rede), bn. Ratjetoe' (spijs der soldaten), v.; gmv. Rattenkruit (vergifl), o.; gmv. Ravijn' (holle weg, bergkloof ), o.; -e n. Razernij' (dolheid), v.; gmv. Razijn'. rozijn', v.: -en. Reac'tie(/e),i/3H'ef/.-n?(/),v.; -s, -tiön. Realis me (leer der werUelijUheid), o.; gmv. Rebel' (opstandeling), m.; -len. Rebellie' (verzet, oproer), v.: gmv. Re bus (beeldraadsel), m.; -sen. Recen'sie(teoocrfet'^«3),v.; -s, -siün. Recept'(medisch voorsclirift),o.;-en. Recep tie (feestelijke ontvangst), v.: recep'tiën, re cap'ties. Recht (wet en billijkheid), o.; -en. Rechtbank {rechters), v.; -en. Reclet' {voordracht), o.: -cl eten. Reclame (aanprijzing), v.; -s. Recommanda tie (aanbeveling), v.; -s of -tiën. Recruut' (loteling), m.; reern ten. Rec tor (directeur van een ggmna-siuni), m.; ree' to rs, reeto'ren. Recu' (bewijs van ontvangst), o.; -'s. Redacteur' (leider, opsteller), m.: -s. Redac tie (leiders van een dagblad, tijdschrift, enz.), v.; -s en -tiën. Rede (verstand; redevoering).\gmv. Reden {verhouding), v.; redens. Reden (oorzaak, grond), v.; -en. Re'derijker (lid van een tooneelclnb). Ree (hert), v.; reeën. |m.: -s. Reede, ree (anker-plaats), v.; -n, -ën. Reeder (uitruster van zeeschepen), in.; ree tiers. Reef, r\f(slrook zeildoek), o.; rev e n. Reeks (rij), v.; i eeksen. Reep (smalle strook, hoepel), m.; Reest (rivier: O. en ]).), v. [reepen. Reet (scheur, spleet), v.; reten. Referaat' (verslag, bericht),o.; -raten. Referein', refrein (versregel, die in ell; couplet herhaald u ordt),o.\ en. Referenda ris (hoofdambtenaar bij een ministerie), m.; -sen. Referent' (aankondiger van een boek), m.; referenten. Refleo'tie, reflex'ie (terugstraling of |
ïâREN. -kaatsing), v. Ergens â op slaan, d. i. er zijne aundaelil op vestigen. Reformatie (kerkhervorming), v.; gmv. Refugié' (uitgewekene), m.; -'s. Refuus' (weigering), o.: refuzen. Regel, m.; regelen, regels. Regen, m.; regens. Regent'(besiioo-rfer). m.; re gen'ten. Regentes' (bestuurster), v.; -t e s' s e n. Regge (rivier: O.), v. Regie (beheer, bestuui), v.; gmv. Regi me (leefregel, stelsel), 0.: -s. Rogiment' (afdeeling krijgsvolk), o.; regimenten. Regis ter (naamlijst, boel;, akte, inhoudsopgave), o.; registers Registra tie (inschrijving der akten), v.; gmv. Kantoor van â. Reglement (verordening), o.; -cn. Rei (zang- of dans koor), Itl.; reien. Reiger (vogel), m.; reigers. Rein (zuiver), bn. De âe lucht. Reinet'te. renet(joi)i(em/3pei!),v.;-ten. Reis (tocht), v.; reizen. Reit'dlep (water: Gr.), o. Rek (het rekken), m.; gmv. Rek (veerkracht), v.; gmv. Rek (droogrek), o.; rekken. Rekel (kettinghond), in.; rekels. Rekening (nota), v.; -en. Igmv. Rekenschap (verantwoording), v.; Rekest', request (verzoekschrift), o.; -en. flazen. Relaas' (verhaal, verslag), o.; re- Rela'tle (verhouding, kennissen), v.; relaties, relatiën. ReIi'gie (3o»/srf/ens(), v.: -s of -gi ë n. Religieus' (godsdienstig), bn. Het - ze leven. Reliquie' (overblijfsel), v.; -ën. Rem (werktuig), w, rem s, remmen. Rembours' (lees: rum-boers d. i. le-nigbetaling), o.; gmv. Reme die (middel, geneesmiddel), o.; -dies of -d i ö n. Remise (koetshuis), v.: remises. Remonstrant' (lid run erne afdeeling der Ilej'v. kerk), rn.; -e 11. Remplacant' (plaatsvervanger), m.; re rn pi acanten. Ren (hel snelloopen), m.; rennen. |
RENâRIST.
I
G3
|
Ren, renne(l;ii)i)enlooii), v.; rennen. Renegaat'((i/quot;i,'a//((/e), m.en v.;-gaten. Renet' (winterappel), v.; renetten. Rente (huur, interest), v.; renten. Rep (verwarring), tn.; gmv. In â en roer. [-tien. Reparatie (herstelling), v.; -s of Re pel (hennepbraak), m.; -s. Repetent' (ecner breuk), o.; -e n. Repetitie (herhaling, oefening), v.; repeti ties, repeti'tiën. Repliek' (beantwoording), v.; replieken. (O. Repti liën (kruipende dieren), mv., Republiek (gemeenebest), v.; republieken. |o.; -e n. . Request', rekest' (verzoekschrift), Requestrant' (indiener van een verzoekschrift), m.; -en. Reseda (bloempje), v.; reseda's. Reser ve (spaarbende; voorbehoud), v.; reserves. 1-denten. Resident' (gouverneur in N.-L), m.; Residentie (hofstad), v,; -sof -tien. Resolu tie (besluit), v.; -s of -tien. Rest (overblijfsel), v.; resten. Restant' (overschot), o.: restanten. Resultaat'o :-laten. Retort (Lronihalzig vat in de scheikunde), v.; re t o rte n. Retour' (terugvracht), v.; reto n ren. Retour' {terugkeer), o.: gmv. Retour'biljet, o.; -biljetten. ' Reu (mannetjeshond), m.; reuen. Reuk, ui.; reu k en. Reus, rn.; reu zen. Reusz. lees: r\i\s(rivier: Zwitserl.),^. Reutel (het reutelen, geluid), in.; -s. Reuzel (varkensvet), v.: gmv. Reuzel (rivier: N. Jl.), v. Reveil le (trompetsignaal des morgens), V. : reveilles. Revenu' (rente, inkomsten), o.; -en. Reverbè're (veelarmige straatlantaarn), v.; -s. RevolutieioniiceJiJe/in^), v.;-s,-tiön. Revolutionnair (woelgeent, muiter), m.; re v o I n ti o n 11 aire n. Re\lo\'\ier(pistooImolOschoten),\'.;-s. Revue (wapenschoiiwing), v.; -sof-n. Rheto'rica (leer der welsprekendheid), v.; gmv. |
Rheumatiek (ledenpijn), v.; grnv. Rhinoceros (neushoorn), m.: -sen. Rhone (rivier: Frankrijk), v. Rhyth'mus (klankmaat), rn.; gmv. Rib. ribbe, v.; ribben. Richel (latje, strookje hout), v.; -s. Rid'derschap (al de ridders), v.; gmv. Rid'derschap (de waardigheid), o.; gmv. Ridderspoor (bloem), v.; -sporen. Riek (hooi- of mestvork), v.; rieken. Riem (roefspaan; loeren hand,boek papier), m.; riemen; -pje. Riet (plant), o.; rieten. Rif (klip; geraamte), o.; riffen. Rif (plooi in een zeil), o.; reven. Rij (reeks), v.; rijen. Rijder (gouden munt â f i'i), m.; -s. Rijder (zilveren munt = f3.l~gt;),rn.: -s. Rijf (hark, rasp), v.: rijven. Rijfelaar (dobbelaar), m.: -laars. Rijk (staat, gebied), o.; rijken. Rijkdom (schat, vermogen), m.; r Ij k-d om men. [gmv. Rijkdom (de rijke lieden samen), m.; Rijm (hevrozen dauw), m.; gmv. Ri m (rijmklank, ook versje), o.; -en. Ri n (rivier: Ziv., Duitschl., Ned.), tn. Ri n (Kromme: Utr.), m. Rijn (Oude: /.. II. en l'tr.), m. Rijn (Vaartsche: l tr.), m. Rijnsch, rinsch (frisch, zuur), bn. Een â e smaak. Rijp {herrozen dauw), in.; gmv. Rijp (rups), v.; rijpen. Rijs (takje o{ dunne stam), o.; rij Zen. Rijst (graan), v.; gmv. Rijtuig (koets), o.; -tuigen. Rijzig (slank), bn. Een âe toren. Ril (het rillen), in.; gmv. Rimpel (plooi), lil.; rimpels. Rimram (wartaal), nu; gmv. Ring. m.; -en; ringetje. Rinkel (plaatje, speeltuig), in.; -s. Rin kelbel (speelgoed), v.: -bellen. Rinkelbom (tamboerijn),v.-, -men. Rinket' (klep in eene sluisdeur), 0.; rinketten. R\oo\'(vuilnisgang onderden grond), n.: riolen. Ri'sico (gevaar, wagerij), o.; gmv. Rist (bundeltje, trosje), v.; risten. |
RITâROTTE.
64
|
Rit {rijloer, tocht), m.; ritten. Ritmeester {kapitein der ruiterij), m.; ritmeesters. Ri'tus (kerkgehruik), m.; gmv. Rivier {stroom), v.; rivieren. Rob {zeedier), m.; robben. Rob {vischmaag), v.; robben. Robijn' {bewerkte roode edelsteen), m.; robijnen; {stof), o. Rochel {slijm, fluim), v.; -s. Roe bel (Russ. munt â f2.00), in.; -s. Roede, roe{stok,geesel, /0.1/.),v.; -den. Roef (scheepskamer Ij e), v.; roeven. Roek {soort van raaf), m.; -en. Roekeloos {vermetel), bn. âlooze. Roem {faam, lof, eer), m.; gmv. Roemer, romer {wijnglas), m.; -s. Roep {gerucht, lof), m.; gmv. Roeper {spreektrompet), in.; -s. Roer {verwarring), m.; gmv. In rep en â. Roer {rivier: /,.), v. Roer (stuur), o.; roeren, roers. Roer (rieh'n pijp,geweer),o.-, -s,-en. Roerdomp {moerasvogel), m.: -en. Roer vink {aanhitser, belhamel), m.; roervinke n. Roes (bedwelming), in.; roezen. Roest {hel roesten), m.; gmv. Roest (roestigheid), o.; gmv. Oml - . Roet (schoorsteenzwart), o.; gmv. Roffel Ui-oms/rt;/; berisping), m.; gmv. Roffel (schaaf), m.; roffels. Rog (visch), m.; roggen. Rogge, rog (graan),).; gmv. Rok (kleedingstnk), m.; rokken. Rok, rokken {vlasstok aan 't spinnewiel), o.; rokken, rokkens. Rol. m. Aan den â gaan, zijn. Rol (cilinder, landbouwwerktuig), v.; rollen. [rollen. Rol (geschrift, bundel papier), v.; Rol (lijst van zaken of betrokken personen), v.; rollen. Rol {deel van een tooneelstuk), v. l)c hoofdâ hebben of spelen, de eerste speler zijn. Rollaag {rij op kunt slaande mel- selsteenen), v.; rollagen. Rollende (opgerold stuk runil- vleesch), v.; -n. Ook: rolla'de. Rol pens (vleeschspijs), v.; -pensen. |
Roman' {verdicht verhaal), in.; -s. Roman'ce( zang-of dichts tuk),v.;-s,-n. Romanesk' (als in een' roman, niet werkelijk), bn. Een â geval. Romantisch (dichterlijk), bn. Een âe inkleeding. Romein', m.; Romeinen. Romer, roemer (wijnglas), m.; -s. Rommel (rommelzoo^, ra.; gmv. Rom meizoo, rom melzooi (een hoop lorren), v.; rommelzooien. Romp (brok; lichaamsdeel), m.; -en. Rondas' (rond schild), v.; -dassen. Ronde (omgang der wacht, dans), v.; rondes, ronden. Rondeel' {ronde sterkte, toren), o.: rondeel en. [-koppen. . Rondkop (klein, rond spijkertje), m.; ) Rondte (rondheid, kring), v.; -s of -n. Rong (sport van eene wagenlailder), v.; rongen. Rood. bn. lioode bloesems. Rood borstje (zangvogeltje), O.-, -s. Roodekool' {kool met roode bladeren), v.: roodekoolen. Roodhuid (Indiaan), m. en v.; -en. Roodkop (eend), m.; -koppen. Roodvonk (ziekte, uitslag), 0.; gmv. Roof (hel rooven, diefstal, buit), m. Roof (koi\st een er zweer), v.; roven. Rooi (het mikken), v.; gmv. Rooilijn (lijn, waarin men gebouwen plaatst), v.; rooilijnen. Rook (damp), m.; gmv. Rook (hooistapel), v.; roken. Room ('tvet der melk), ra.; gmv. Roomsch-Katholiek', bn. Deâe kerk. Roos (bloem), v.; rozen. Roos (huiduitslag), v.; grav. Rooster {eener kachel; lijst), in.; -s. Ropij'(z(7i). Ind.niunt = fO.J(}),v.;-en. Ropij' (idem, goad = f 18), v.; -en. Ros (strijclpaard), o.; rassen. R0S(j,oo(/r(c/i/(;;),bii. RoSSa vlammen. Roskam (paardenkam), m.; -men. Rosmarijn , rozemarijn'O/j-oeiie heester), m.; gmv. Rot, rat (dier), v.; ro tte n, r a tten. Rot (troep), o.; rotten. Rotatie (aswenteling), v.; -s, -tien. Rots (klip), v.; rotsen. Rotte {rivier: '/,. H.), v, |
ROTTINGâSANDELBOOM.
05
|
Rotting (wandelslok), m.: -en; -tinkje. Routedees: roete, d. i.richting,iveg), v.; route s. Routi M(ermrenheid,sleur), V.;gmv. Rouw (droefheid; zwarte klec.ding), m. In den â zijn. Royaal' (koninklijk, mild), bn. Eene âale handelwijze. Ro'zebottel (vruchtje der roos), v.; -s. Ro'zelaar (rozeboompje), m.; rozelaars, rozelaren. Rozemarijn', rosmarijn' (heester), m.; Rozerood, bn. âe jurkjes. [gmv. Rozet' (roosvormig sieraad), v.; -te n. Rozijn', razijn' (gedroogde druif), y.; r o z ij n e n, r az ij n e n. Rozinant' (het paard van Don Qaichot), in. Fig. een slecht paard. Rubriek (afdeeling), v.; -en. Rug, m.; r u gge n Ruggegraat(itien;ei/£o(oOT),v.;-graten. Ruggelings, bw. â springen. Ruggelingsciz, bn. Een âe sprong. Ruhr (lees: roer, rivier: Pruisen), v. Rui (van vogels), m.: gmv. Ruif(7flt;tioerfr alsvoederhak), v.; -vc n. Ruigte (wild gewas), v.; -n. Ruiker (bundeltje bloemen), m.; -s. Ruil (het ruilen), in.; gmv. |
Ruimschoots, bw. â vergoeden. Ruimschaotsc.?2, bn. âe aalmoezen. Ruimte, v.; rui mten. Ruin (jxiard), in.; ruinen. Ruïne (lees: rii-ie'-ue, bouwval), v.; r u ï n e s. Ruit (vensterruit; vierhoek), v.; -en. Ruit (gewas, onkruid), v.; gmv. Ruiten-A (watertje: Gr.), v. Ruk (schok, trek), m,; rukken. Rul (beek: N. II.), v. Rum (likeur), v.; gmv. Rumoer' (geraas, getier), 0.; gmv. Run, ren (hel rennen), m.; gmv. Run (beek: N. li.), v. Hun (fijngemalen eikenbast), v.; gmv. Rund, o.: runderen, ruuders. Runde (riviertje: IJ.), v. Rundiep (kanaal: D.), o. Rune (oud-Germaansch schrift), v. Rups (insect), v.; -en. Rus (bewoner van Rusl.), m.: Russen. Ruscil ()'iel, bies), m.; russchen. Rust (stilte, vrede), v.; gmv. Rusting (wapentuig, harnas), v.; rustingen. Ru'waard (landvoogd, plaa Is bek I reder), m.; -s, -waarden. Ru'zie (twist, krakeel), v.; ruzies. |
s.
|
Saai (grove wollen slof ), v. en o.; -e n. Saaiem (garnalennet), o.; -s. Saaie (rivier: Duitschland), v. Sab'bat (rustdag), in.; sabbatten. Sabel (marter), m.; sabels. Sabel (wapen), v.; sabels. Sabel (bont), o. Een mof van â. Sa'bel (zwart in de wapenk unde), o. Sacrament'(srenarfefüiddt!/), o.; -on. Sacristie', sacristij'. v.; sacris- tie'ën, sacristij'en. Saffier' (donkerblauwe edelsteen), m.; -s of -en; (stof), o.; gmv. Saffraan' (plant, specerij), v.; gmv. Sa ge (volksoverlevering), v.; -n. Sa'go (palmmeel), v.; gmv. Sajet' (^wollen garen), v. en o.: -te u. Saksisch, bn. â porselein. Sala de, Sla (groente), v.; -n; sl aat j e. Sa\amanüer(tv}eeslachlig lt;Uer),w,-s. |
Sala ris (bezoldiging), 0.; -rissen. Saldo (overschot, rest), o.; -'s. Salep' (geneesmiddel), v.; gmv. Salet' (kransje in de ISe eeuw), o.; saletten. Sa lie (plant; melkdrank). v.; gmv. Salmiak', salmoniak'(ioo3zo)(0iv.;gv. Salon' (gezelschapszaal), o.; -s. Salpe'ter (aardzoul), o,; gmv. Saluut' (groet), o.; sal u ten. Salvo (eereschol), o.; salvo's. Samaar ( vrouwenkleed), v.; -maren, Sambre (rivier: Frankr.en llelgie),\. Samen (le zamen),h\\. Zij wandelen â Samenhang (verband), m.; gmv. Samenleving (maa(scAappi/),v.; gmv Sam'oem, sam'um (giftige woestijnwind), m.; -s. [-dalen Sandaal (bindzool, schoeisel), v. Sandelboom (Ind. boom), rn.; -en |
SCHRAAPâSERGEANT.
08
|
Schraap (Jiet schrapen), v.; gmv. Schrab {krab, wonde), v.; -b e n. Schrabber (voelkmbber), ra.; -s. Schram {lichte wonde), v.; -men. Schrank {schraag), v.; selii anken. Schrap {streep,doorhaling),v.;-pen. Schraper {werktuig), ra.; -s. Schrapper {krabber), ra.: -s. Schred {schrede), in.; schrede, v.; sc li red e n. Schreef {streep), v.; schreven. Schreeuw {luid geroep, gil), ra.; -e n. Schrift {de Ujbelboeken), v.; -en. Schrift (hel geschrevene), o.; gmv. Schriftuur' {geschrift, de J! ij bel), v.; sc h r i ft u ren. Sohrijdelings. schrijlings, bw. â te paard zitten. Schrij'delingscA. schrijlingscA, bn. Ken âe sprong. Schrijn {kastje, kistje), o.; -e n. Schrik {ontsteltenis), ra.; -ken. Schril (schriel, onwelluidend), bn. Schrobber {boender), ra.; -bei s. Schroef {werktuig), v.; -ven. Schrok {gulzigaard), ra.; -ken. Schrompel {rimpel), v.; -s. Schroom {vrees), ra.; gmv. [gmv. Schroot {gekapt ijzer, lood, enz), o.; Schub, schubbe (van visschen), v.; schubben. Schuier (borstel), rn.; schuiers. Schuif {klep, lade), v.; schuiven. Schuim (bruis), o.; gmv. Schuin {scheef), bn. en bw. Schuins, bw. De knaap schreef â. Schuinsciz. bn, In âe richting. Schuit i vaartuig), v.; schuiten. Schulvuit' {nachtuil), ra.; -en. Schuld, v.; schulden. Schulp! schelp, v.; -en. Schurft {huidziekte), v. en o.; gmv. Schurk (wrijfpaal, fig. schelm), ra.; Schut {geschut), o.; gmv. [-en. Schut {wand, schutting), v.; -ten. Schuts {bescherming), v.; gmv. Schutting {houten afsluiting), v.; -tingen; -t i n k j e. Schuur {bergplaats), v.; schuren. Scor'but {scheurbuik, ziekte), o.; gmv. Scru pel {owl medicinaal gewichtje, 1.3 Gr.), o.; -s. |
Scrupuleus' {kwezelachtig, dweperig), bn. âleuze. Secondant' {onderwijzer), m.; -en. Secondan te (onderwijzeres), v.; -n. Secon de, secunde ('/âo minuut, 'lK0 graad), v.; -s of -n. Secon'do (tweede stem,muziek),v.', -'s. Secon'do {ten tweede), bw. Secretai re (ladenkast, bureau), v.; -s. Secretarie' (bureau van den secretaris), v.; secretarie'ën. Secreta ris {schrijver, geheimschrijver), ra.; secreta'rissen. SeCquot;eta'ris {vogel), ra.; -rissen. Sectie {afdeelincj, wijk), v. ;-s, -tiën. Sec tor {deel van een cirkelvlak), m.; secto ren, sec'tors. Securiteit' (zekerheid), v.; gmv. Segrijn' {gekorreld leder), o.; gmv. Segu'ra {rivier: Spanje), v. Sein {teeken, signaal), o.; seinen. Seine (rivier: Frankrijk), v. Seizoen' {jaargetijde), o.; -en. Sek (Spaansche wijn), v.; grav. Sekse {geslacht), v.; seksen. Sekte (gezindte), v.; sekten. Sekuur' (zeker, nauwkeurig), bn., bw. Sel'derij {groente), v.; gmv. Seminarie, Semina rium (school voor geestelijken), o.; serainariën, seminaries; seminariums, s e in i n a r i a. Senaat'(/7oo;/e)' huis), ra.; senaten. Senator {lid van het IIoog er huis), ra.; senato'ren, sena'tors. Senegal {rivier: Afrika), ttl. Senne (rivier: België), v. Sensatie {opschudding), v.; grav. Senten'sie {vonnis), v.; -s, -tiën. Sentimentaliteit' {overgevoeligheid), v.; gmv. [âe darae. Sentimenteel (overgevoelig), bn. Een Septem ber {herfstmaand), ra. Se raf, serafijn'(ener;?/), ra.; serafs, s e r af ij ne n. Serafine (huis-of kamerorgel), v.; -s. Serail' {paleis van den Turkschen sultan), o.; serails. Serenade (eeremuziek bij avond), v.; serenades. Ser ge, sar'ge {wollenstof), v.; gmv. j Sergeant' {onderofficier), m.; -s. |
SERGKANT-MAJOORâSLOE.
HO
|
Sergeant'-majoor', m.; -majoors. Se rie (yeeks, voir/reeks), v.; -s, -riën. Sering', syring'(/e/i/eWoi5Wi), v.; -en. Sermoen' (preek, leerrede), o.; -en. Serpent' (bnoze vrouw), v.: -en. Serpent' (slanghoorn van koper), o.; serpenten. Servet' (tafeldoek), o.: servetten. Serviesje/- of drinkgerei),O.; -zen. Servituut' (last, leendienst), o.; servituten. Severn. Saver'ne (rivier: Engel.), v. Sextant' (hoogtemeter, werktuig), v.; sex tante n. Sfeer Oiemelbnl, kring), v.; sferen. Sfinx (fabelachtig monster), v.; -en. Shan'non (rivier: Ierland), v. Siepei (ui), v.: s ie pels. Sier, v. Goede â maken. Sieraad (tooi, opschik), o.; sie'- raden, si era'dien. S\-er'rsi (gebergte: Spanje), v.; -'s. Si-es'ta (middagslaapje), v.; -'s. Sigaar', v.; sigaren. Signaal' (sein, teeken), o.: -nalen. Signalement' (beschrijving van iemands uiterlijk'), o.; -en. Sijs (snaak, kwant), m.; sijzen. Sijsje (vogel), o.; sijsjes. Sik (geit; kinbaard), v.; sikken. Sik'kel(o»rie./oorfsc/iem »))/ = fO.'IO; van goud â f S.öO), m.; -s. Sikkel (snijwerktuig), V.; -s. Silhouet' (schaduwbeeld), v.; sil- houet'ten. Ook: Silhouet'te. Sim (aap; touw, snoer), v.; -men. Si naasappel, ra.; -appels. Sinds, hw. en vgw. Singel (buitemval mei plantsoen; gordel), m.; singels. Sint-Lau'rens(riy(cr.iV.-4»?ier(AY(),m. Sin tel, sindel {uitgebrande steenkool), m.: -s. Sinterklaas', Sint-Ni'colaas. m. Sireen' (zeenimf), v.; sirenen. Siroc co (heete wind in Z.-Ttalië), m. Siroop', stroop, v.; siro'pen, stropen. Sisser (t'oe^zoe/.cr; nietigheid), m.; -s. Sits (gedrukt katoen), 0.; gmv. Sjaal, chale (omslagdoek), v.; -s. Sjalot' (kleine ui), v.; sjalotten. Sjees, chais {rijtuig), v.; sjeezen. koenen , Zakwoordenboekje. |
Sjerp (lijfgordel), v.; sjerpen. Sjouw (het sjouwen), v.; gmv. Ska'ger-rak (doorvaart bij Den.), o. Skelet' (in elkaar gezet geraamte), o.; skeletten. Sla {groente), v.; slaatje, sla-tje. Slaag, m.; gmv. â krijgen. Slaak (water: /.), o. Slaap (hel slapen; zijde van hel voorhoofd), m.; de slapen. Slab, slabbe (morsdoekje), v.; -ben. Slacht (het slachten van vee), v.; gmv. Slag (klap), in.; slagen. Slag (soort), o.; gmv. Slag (knip, duiventil), o.'. slagen. Slak, slek (weekdier), v.; -ken. Slang (kruipend dier; buis), v.; -e n. Slangenwortel (plant), v.; gmv. Slank (rijzig), bn. De âe populier. Slede, slee, v.; sleden, sleeën. Slee (wilde pruim), v.; sleeën. Sleep ('tgeen sleept; gevolg), ni.; slepen. Slee per (voerman), m.; -s. Slee'perspaard, o.; -en; -wagen, m.; -werk, o. siee-tje (kleine slee), o.; -s. siegel, slagel (houten moker), rn.: -s. Slegge (houten hamer), v.; -n. Slei (slegge), v.; -en. Slemp (brasserij), m. Aan den â. Slemp (drank), v.; gmv. Slenk (modderpoel), v.; slenken. Slenter (lap), m.; slenters. Slenter, slender (trage gang, sleur), m.; gmv. Sleter (lap, strook), m.: sleters. Sleuf (groef), v.; sleuven. Sleur (oude gewoonte), V.; gmv. Sleutel, m.; sleutels. Slib, slibbe. slibber (slijk), v.; gmv. Slier (slibbering), m.; slieren. Sliet (lange buigzame paal), v.; -e n. Slij (zeelt, visch), v.; slijen. Slijk, 0.; gmv. Ook : Slik. Slijm (kleverige slof), o.; slijmen. Slijtage (het slijten der kleeren), v.; Slik, slijk (modder), o.: gmv. [gmv. Slinger (werktuig), m.; slingers. SlinkSCh(6t'drief//;//,),bn. âe streken. Slip (tip vaneen jas of das), v.; -pe n. Sloe (water: /.), o. |
SLOKPâSOLIDE.
70
|
Sloep (boot), v.; sloepen. Slof (versleten muit), v.; sloffen. Slok (dronk, teur]), in.; slokken. Slok'opO' raalzuchtige), in. en v.;-pen. Slons (slordige vrouw), v.: slonzen. Sloof (sukkelaarster), v.; sloven. Sloof (voorschool), v.; slOOven. Sloop (overtrek), v.; slOOpen. Sloot (breede yreppel), v.; sl0 01 en. Slop (nauwe doorgang), O.; -pen. Slorp, slurp (het slorpen), m.; gmv. Slot (sluitmiddel; kasteel), o.: slo-Slot (einde), o.; gmv. |ten. Sluier (doek), m.; sluiers. Sluik, v. Ter â, heimelijk. Sluimer (lichte slaap), in.: gmv. Sluip, v. Ter â, verholen. Sluis (walerkeering), v.: sluizen. Slurf (oUfantssnuif), v.; slurven. Slurp, slorp (opslurping), m.; gmv. Sluw (slim), bn. en b\v. Smaad (beleediging), m.: gmv. Smaak (zintuig; lust; mode),m.: gmv. Smaakloos (zonder smaak), bn. Water is â. [s makke n. Smak (bons. val), m ; (schip), v.: Smakeloos (zonder goeden smaak). bn. Eene âze versiering. Smal deel (deel eener vloot, eskader), o.; smaldeelen. Smalt (blauwe verf), v.; gmv. Smaragd' (bewerkte groene edelsteen), m.; -ragden; (stof), o. Smart, smert (leed, pijn), v.; -en. Smelt (zand-aal), v.; smelten. Smeltkroes, m.; smeltkroezen. Smet (vlek), v.; smetten. Smid, m.; sniitls, smeden. Smids, smidse (smederij), v.; -sen. Smient (eend), v.; smienten. Smijdig (buigzaam), bn. â goud. Smilde (rivier: IJ.), v. Smoel (mond, bek, muil), m,; -en. Smokkel(.slt;»)£«)v7),ni.Aan den âzijn. Smook (velachtige rook), m.; gmv. Smout (reuzel, gesmolten vel), o. Smuk (opschik, siersel), m.; gmv. Smul (brasserj), v.; gmv. Snaak (guit, knaap), m.; snaken. Snaaks {kluchtig), b\v. Iets â zeggen. Snaaksoh. bn. Een â gezegde. Snaar (draad, snoer), v.; snaren. |
Snak (snik), m.; snakken. Snap (hetsnappen, praten), m. ;gmv. Snaphaan (geweer), lil.; -hanen. Snaps (borrel), m ; gmv. Snars, sners (ziertje), v.; gmv. Snater (monrf), m.; -s. Zijn'âroeren. Snauw (hel snauwen), m.; gmv. Snavel (sneb eens vogels), rn.; -s. Sneb, snebhe (bek), v.; snebben. Snede, snee, v.; sneden, sneeën. Snedig (gevat, geestig), bn. en bw. Snees (twintigtal), o.; snee zen. Sneeuw (vlokken), v.; (blankheid), O. Snel ( kan; strooppot), v.; snellen. Sners, snars (kleinigheid), v.; gmv. Snert {erwtensoep), v.; gmv. Snik (korte hik), in.; snikken. Snik (trekschuit in Friesland), v.; snikken. Snip. snep (vogel), v..; snippen. Snippel. snipper (afsnijdsel), v -, -s. Snit (kerfbijl), m.; -ten. Snit (snede, fatsoen, vorm), v.; -te n. Snoek (visch), in.; -en.; (slof), v. Snoep (snoeperij), m.; gmv. Snoer (koord), o.; snoeren. Snoes (lieverdje, dolje).m.; snoezen. Snoes haan (poc/ie/-, zonderling), m.; snoeshanen. Snoet, snuit(7)e/,-, vooi'tnuil),rn.; -en. Snood (boosaardig), bn., sn O Oil er. Snor (knevelbaard). V.: snorren. Snuf {reuk, vermoeden), v.: gmv.; snufje (kleine hoeveelheid), o. Snuif (snuiftabak), v.; snuiven. Snuisterij' (nietigheid), v.; -en. Snuit, snoet (bek), m.; -en. Snuit (vlas, afval), v. en o.; gmv. Snuiter (werktuig; persoon), in.; -s. Sober (karig, matig), bn. Sociëteit' (verceniging),v.; -teiten. Soda (aschzout), v.; gmv. Soep (afkooksel), v.; soepen. Soes (sluimer; dommeling), m.; -Zen. Soes (taartje), v.; soezen. So'fa {rustbank), v.; sofa's. Soja (gekruide saus), v.; gmv. Sok (lage kous), v.; sokken. Soldij' (bezoldiging der soldaten), I v.; gmv. Sol fer, sul fer (zwavel), v. en o. Sol i 'de (degelijk, duurzaam), bn.; bw. |
SOLLICITANTâSPION. naar eene be-
71
Sollicitant' (dhujci
trekking), m.; -en.
Sollicita tie (ntededimjiny, verzoek), v.; -ties of -tien!
So lo {zanrj van één' persoon), m.; -'s. Solo (rivier: Java), v. Som {opteliinrj, bedraij), v.; -men. Somma'tie
Specerij' {kruiderij), v.; -en. Specht (klimvogel), rn.; -en. Speciaal' (bijzonder), bn. en bw. Spe'cie (geld; soort; kalk), v. ;s|ie'r
cië n , s pe'ci es.
Specifiek' (soortelijk), bn. Het â gewicht van lood.
' â ---- ⢠»ciii iww.».
{aanmaning; dagvaar- Specta,kel(sc/joi«igt;spt'/;/am/rti))o.;-s.
Specta'tor (toeschouwer), m.; -s. Speculant' (ondernemer), m.; -en. Specula'tie (oncZernettiiïïfy ; S t.-Ni colaas gebak) ^ v.; gmv.
Speek (spaak van een rad), v.; -en. Speer (lans, spies), v.; S|iei eii. Spel (het spelen), o.; spelen.
Spel (tent; spel kaarten, enz.), o.: Speld, v.; spelden. [spellen. Spel'deknop, m.; -knoppen. Spel'deiikussen, o.: -s.
Spelonk' (hol,grot),; sp elon ke n. Spelt (grove tarwe), v.; gmv.
Spen eer (jakje, vestrok), rn.; -s. Sperge (plant), v.; gra v. Zie Asperge. Sper wer (roofvogel), m.; -s. Spichtig (dun en lang), bn. â gras. Spie (verspieder, spion), m.; s pieën. Spie. spij (bout, pin, wig), v.; spieën.
ding), v.; -ties ol' -tiën.
Somme (rivier: Frankrijk), v.
Somp (moeras), v.; som pen.
Sona'te (muziekstuk), v.; sonaten.
Sond (zeestraat: Den. en Zw.), v.
Sonde (peilstift). V.; sondes.
Sonnet' (klinkdicht), O.: -netten.
Soort (aard, slag), v. en o.: -en.
Sop (soep, voeder),o. en v.; soppen.
Sophist' (drogredenaar), m.; -en.
Sopraan (/ï00/7sfós/em),v.;-pranen.
Souffleur' (voorzegger op 't tooneel),
m.; souffleurs.
Souper', SOUpé (avondmaal), o ; -s;
s o n_p e r' t j e of s o u p e e' t j e.
Souspied' (spanriempje), m.: souspieds. Lees; soe-pi-ee'.
Souvenir' (gedachtenis), o,; -s.
Souverein] (vorst), m.; -en.
-Souvereiniteit'(oppegt;-j?iac/ilt;),v.;gmv. Spiegel, m.; spiegels. Spa,8pade(f/raa/'«;egt;-Alt;t«5r),v :-den. i Spier (vleesch; zwaluw), v.; -en. bpaak hefboom), v.; spaken. Spiering (u/sc/ye), m.; -en; -ri n k je; opa.an(hout,roeispaa7r),\.;*pa.uen. (als stofnaam), v.
Spaander (spaan), m.; -ders. Spiets, spies (Vans, spe(')'),v.; spietsen. öpaansch(»??.S'pa(7/e),bn. âewijnen. Spijker (nagel), m.; spijkers. Spaansch-groen'(/,o/jc»T/;-oe)ilo.;gv. Spijker (zoiderschuur), in.: -kers. Spaarne (water: .V.-//.), o. Spijl (puntige staaf), v.: spijlen,
opade. Spa (schop). V.; spaden. Spijs(coec/,se/,ee/icoa/'), v.; spij Zen. opade, v. Zie Spa. Spijt (leedwezen), v.: gmv.
Cgt;pade(/aa(),bn. en bw. In den spaden Spikkel (vlekje, stip), in.: -s.
nacht; hij werkte vroeg en spa. Spil (as), v.: spillen.
Spalk (verbindingsmiddel), v.; -en. Spil (scheepswerktuig), o.; -len. Span, spanne (vingermaal), v.; -nen. Spilleleen (waarin ook vrouwen op-^pan. gespan (tweetal), o.; spannen. volgden), o.; -leenen.
Spang (ring, plaatje, haak), v.; -en. SpM'lemaag (bloedverwant van den opant (?«'»(lt; van een dal;), v.; -en. vrouwskant), m. en v.: -magen. Spar (dennebooni), m.; sparren. Spin (insect), v.; spinnen.
Spar (to van een dak), v.; s p a r r e n. Spina'zie (groente), v.; gmv.
öpar gel (plant), m.: gmv. Spinde (spijskastje), v.; spinden,
ipark (vonk), v.; sparken. Spinnekop (spin), v.: -koppen,
bpat (nwddervlekjé), v.; spatten. Spint (oude maat = ± 7 kop), o. 5gt;patel (werktuig der stukadoors), Spint (zacht jong hout), o.; gmv.
CnI''ii«P/ateIf' , â . /. \ Spion' (verspieder), m.: spionnen,
Spatie {ruimte; scheishft), v.; -s. | spions. Zie Spie.
f
-
SPIONâSTATIEUS.
72
|
Spion' (hijkspieyel), o.; -netje. Spiraal' {schroeflijn), v.; -ralen. Spiritualiën {geestrijke dranken). raeerv., v. Spi ritus {geestrijk vocht), m.; gmv. Spit {een schop aarde; ziekte in den ritr/), 0. Spits, spitse {punt), v.; spitsen. Spits (punt), 0.; gmv. Het â afbijten. Spits {puntig), lm. Spitse torens Spleet {reet, opening), v.; spleten. Splint {geld), o.; gmv. Splinter {scherp stukje hout), m.; -s. Split {spleet), o.; splitten. Spoed {haast), m.; gmv. Spoel {weversklos), v.; spoelen. Spog {speeksel), o.; gmv. Spon {stop op een vat), v.; -non. Sponde {beddcplank), v.; sponden. Sponning {groef, gleuf), v.: -en. Spons. v.; spon Sen. Spook {schim), o.; spoken. Spoor {eens ruiters, eens haans), v.; sp 0 ren. Spoor {indruk, tvagenspoor), o.; sporen. Sport {trede eener ladder), v.; -en. Sport {spel, lichaamsbeweging), v. en o.: sporten. Spot {bespotting), ni.; gmv. Spraak, sprake (/k;/ spreken),v .\gm v. Sprang {dikke tak), v.; -en. Sprank (vonk; heekje; uitspruitsel), v.; spranken. Sprankel {vonkje), v.; sprankels. Spree {rivier: Pruisen), v. Spreeuw {vogel), in.; spreeuwen. Sprei {dekkleed), v.; spreien. Sprenkel {rattenklem), m.; -s. Sprenkel (droppel, vlekje,spat), v.; -s. Spreuk {spreckivoord), v.; -en. Spriet {stang; voelhoorn), m.: -en. Sprik (dor takje), m.; sprik ken. Spring (het springen), m.; gmv. Spring haas (7rf/gt;?r/oeroc), m.; -h azen. Spring-in-'t-veld (dartele knaap), m., ook v.; -en. Sprinkhaan (insect), m.: -hanen. Sprits (gebakje), v.; spritsen. Sproet, sproetel (zonnevlek), v.: -en. Sprokkel (tukje), m.; sprokkels. Sprong, m.; sprongen. |
Sprook. sproke (uej-it'/.sei), v.; sproken. Sprot {vischje), v.; sprotten. Sprouw, spruw {uitslag op de tong), v.; gmv. Spruit (jonge plant), v.; sp r u i ten. Spruit (van een'' gieter), v.; -en. Spruit ( jonge koot), v.; spruitjes. Spruit {scheepstouw), o.; s p r u i te n. Spruw, v.; gmv. Zie: Sprouw. Spui (sluis, ivaterkeering), o.; -en. Spui (water: /.-11.), o. Spuigat, spiegat, spijgat {loosgat), o.; -gaten. Spuit (werktuig), v.; spuiten. Spurrie ( plantje, vee voeder),v.: gmv. Staaf, v.; staven. Staak (stok), m.; staken. Staal (metaal; monster),o.; stalen. Staar (oogziekte), v.; gmv. Staart, m.; staarten. Staat (stand; gebied), m.; staten. Staatsie (praal), v.; gmv. Staatsman, m.; staatslieden. Stad. v.; steden. Stadhouder, stedehouder (landvoogd, bestuurder), m.; -s. Sta die {afstand van 135 schreden), v.; stadiën. Staf (slok, schep Ier), m.; staven. Staket' (eene rij verbonden palen), o.; staketten. Staket sel {staket), o.; staketsels. Stak ker, stak'kerd (sukkelaar), in.; stakkers, stakkerds. Stal (lt;inboiiv:; la feitje), m.: stallen: stalletje. [-houders. Stalhouder (rijtuigverhuurder), m.; Stam, m.; stam men. Stamet' {wollen slof), o.; gmv. Stamijn' (zeefdoek), v.; gmv. Stamp (trap. schop), m.; -en. Stampen iverh-litifi: bloemdecl),m.;-s. Stand. m.: standen. [m.; -s. Stan daard, stan derd (vaandelstok). Stang (ronde, ijzeren staaf), v.; -en. Stank (leelijke reuk), rn.; stanken, stan za (achtregelig couplet), \.; - s. Stap, m.; stappen. Stapel (stellage, hoop), m.; -s. Star, v.; starren. Ook: Ster. Statie (rustpunt, station),-tien. Statieus'{pronkend,deftig),hn.-,hvi. |
STATIONâSTOOT.
73
|
Station' (ruslplaats, gebouw), o.: -s. Stations chef, m.; -s. Statistiek', v.; -tie ken. Statuur' (gestalte), v.; gmv. Stearine (lees: xtee-riene, gezuiverde talk), v. â kaarsen. Steele, stee (plaats), v. In â van Steeg (eng straatje), v.; steRen. steeg (koppig), bn. Het âe paard. Steek (prik, snee), m.; steken. In den â laten. Steek (hoofddeksel), m.; steken. Steel {stengel, handvat), rn.; stelen. Steen (voorwerp), m.; steen en. Steen (stof), O.; gmv. Ken pot van â. Steenbreek (plantje), v.; gmv. Steenwijkerdiep' (water: O.), o steg (wmrfo-). m. Weg noch â weten. Stegel (stijgbeugel), m.; stege Is. Steiger (paalwerk), m.; steigers. Steiger (stelling, stellage), m.: -s. Steil (rechtopgaand), bn., -er, steilst. Steiloor (koppig persoon), m. en v.; s te i lo o re n. Stek (takje, loot), v.: stekken. Stek (bergplaats), o.; stekken, steka'de (Stok, dolk), v.; -kaden. Stekel (doorn, spils), in.; -s. Stel (s tand),m.;(verzanieling),o',-len. stel'kunst (algebra), v.; gmv. Stella ge (steigerwerk), v.: -s. Stelt, v.; stelten. Steltenlooper (persoon), m.: -s. Steltlooper (vogel), m.: -s. Stem, v.; stem m e n. Stempel (werktuig ; nfdrnl:). m.; -s. Stemvork, v.; -vorken. Stenden (de Stalen), meerv.. m. Steng (bovenmast), v.; stengen. Stengel (diinne steel eener bloem), m.; stengels. Stenograaf (snelschrijver). in.; stenografen. Stenographie' (snelschrijfkunst), w, gmv. [v.; steppen. Step, steppe (boomlooze grasvlakte), Ster, star (hemellichaam), v.; -ren. Stere (M â¢'), v.; ster en , steres. Stereoscoop' (kijker), m.; -co'pen. Sterfte, v.; gmv. Sterkte (kracht) v.; gmv. Sterrenbeeld, o.: -beelden. i |
I Ster'renkunde, v.; gmv. Steun (stut, onderstand), in.: gmv. Steur (visch), rn.; steuren. Stevel (hooge laars), m.; stevels. Steven (voorkant van een schip), m.; stevens. Stevig (krachtig, vast), bn. en bw. Stichtelijk (godsdienstig), bn. Stift (puntig voorwerp, teekenpen). Stijfsel, v.; gmv. [v.: -en Stijg (twintigtal), v. en o.; gmv. Stijl (schrijf '-, schilder- of bomc- tranl), m.: stijlen. Stijl (pilaar, post, .slut), m.; -en. Stilist' (iem. ilie goed steil), m.; -en. Stilte (halmie, rust), v.; gmv. Stip (punt. vlek), v.; stippen. Stippel (kleine slip), w; stippels. Stipt (nauwkeurig), bn. on bw. Stoel, rn.; stoelen. Stoep. v.; stoepen. Stoet (gevolg, menig Ie), rn.; gmv. Stoeterij' (paardenfokkerij), v.; -e n. Stoet haspel (onhandig mensch ), rn.; stoethaspel?. Stof (weefsel; onderwerp), v.: -fen. Stof (stuifzand. vuilnis), o.; gmv. Stoffa ge (â s«o/?, bv. laken, zijde), V.; -s. Stoffel (lomperd), m.; stoffels. Stoffer (veger), m.: stoffers. Stoïcijn' (ernstig denkend mensch), m.; s t oï c ij n e n. Stok (stuk hout), m.: stokken. Sto kebrand (ruziemaker), rn. en v.: s to k e bra n d e n. Stok'visch (voorwerpsnaam), m.; -visschen; (als stofnaam), v. Stolp (glazen klok), v.; stolpen. Stommeknecht' (tafel), ra.; -en. Stom merik (lomperd, domoor), m,; stommeriken. Stomp (duw, stool), m.; stompen. Stomp (brok; afgekort deel), v.; -e n. Stond (tijdstip, uur), m.; sto nden. Stonde (tijdstiii, uur), v.; stonden. Stoof (voetwarmer), v.; s t O v e n. Stool, v.; stolen. Stoom (damp), m.; gmv. Stoomboot, v.; stoombooten. Stoop (oude vochtmaat, S'/ï v.; sto Op en. Stoot (schok, duw), m.; s too ten. |
STOOTERâSYSTEEM.
|
Stooter (geliliwaai'de van l'J'l-i ct.), m.; stooters. f-kanten. Stootkant {rand vuil een l.leeil), m.; Stop (/.-«r/.), v.; stoppen. Stoppel (rest van den halm), in.; -s. Sto're (zonnescherm), v.; stores. Stork {ooievaar), m ; stork en. Storm (zeer harde wind), m.; -en. Stotteraar (iem. die nioitert), m.; -s. Stouterd (iem. die stout is), in.; -s. Straal i lichlxtirtal; 'l-imiddelljn ).m.; Straat, v.; straten. [stralen. Straf, straffe, v.; straffen. Strand (oever der zee), o.; -en. Strategie' {krijgskunst), v.; gmv. Streek (list), m.: streken. Streek {.landstreek, windstreek; het strijken), v.; streken. Streep (lijn), v.; Strepen. Streng {koord, bundeltje wol), v.; -en. Strengel {vlecht), m.; strengels. Stre'pel {strooi;), m.; strepels. Striem (streep, merk teek en), v.; -e n. Strijd {kamp), in.: strijden. Strijkage (diepe buiging), v.; -s. Strijkel (bij dl! korenmaat), m.: -s. Strik {knoop. Hu), m.: strikken. Stronk (afgeknotte stam), m.; -e n. Stroo. o.; strootje. Strooien (ya»i.s^'oo),bn. Ken â hoed. Strook (reep), v.; stroo ken. Stroom, m.; stroomen. stroop, siroop', v.; stropen, siropen. Strop (lis, strik), ni.; stroppen. Stro phe (versafdceling), v.; -n. Strot {gorgel), m.; strotten. Struif {eierkoek), v.; struiven. Struik (plant), m.; struiken. Struis (vogel), in.; struisen. Struweel' {heester, struikgewas), o.; st r u weel e n. Stu die (oefening in de wetenschap), v.; studiën. Stu die (schets eens schilders), v.; -s. Stuip (zenuwtrekking), v.; -e n. Stuit (het stuiten), m.; fjmv. Stuit (lichaamsdeel), v.; -e n. Stuiter (groote knikker), m.; -s. Stuiver, m.; stu ivers. Stukadoor' (plafondmaker), in.; -s. Stulp, sioty (hut; glazen overdek), v.; Stut (steunseï), m.; -ten. |-en. I i i t! |
Stuur (roer), o.; sturen. Stuur boord (rechterboord), o.; gmv. Stuursch {onvriendelijk), lm. en bw. StUW (dam), v.; stuwen. Subiet' (plotseling), bn. en bw. Subject {onderwerp), o.; -en. Sub junctief (aanvoegende wijs), m.; sn bj u nctieven. Subsi'die(;7eMe?i//,e ondersteuning), v. en o.: subsi'd iën, subsi'dies. Substantie {zelfstandigheid), v.; -ties of -tien. Sub'8tantief(ze//W.naami«.),o.;-ven. Succes' {goede uitslag), o.; gmv. Successie (opvolging), v.; -s, -siën. Suiker, v,; gmv. Suikerij', cichorei', v.; gmv. Sujet' {persoon), o.; sujetten. Suka'de {gekonfijte schil), v.; gmv. Sukkel. m ; gmv. Hij is aan den â. Sukkel (sukkelaar), m., ook v.; -s. Sul (onnoozele bloed), m.; sull'en. Sulfer, solfer {zwavel), v. en o.; gmv. Sul'lebaan {glijbaan), v.; -banen. Sul'tan (keizer; hond), m.; -s. Summa {som), v.; summa's. Superieur' {meerdere, patroon), m.; -rieuren. (-latieven. Su'perlatief(oi;lt;;r/r«//'«nrfe trap), m.; Supersti'tie {bijgeloof), v.; gmv. Suppletie (aanvulling), v.; gmv. Suppoost {helper, oppasser), m.; -en. Su re (rivier: België en Lux.), v. Surpri'se {verrassing, geschenk), v.; surprises. Suzerein' (opperleenheer), in.; -en. Swalm (rivier: L.), v. Sylla'be {lettergreep), v.; sy 11 abe n. Symbool' (zinnebeeld), o.; -bolen. Sympathie' (medegevoel), v.; sympathie' ë n. Symphonie' (meerstemmig muziekstuk). v.; -nieën. Synago ge(Israëlietische tempel), v.; synagogen. Synode (kerkvergadering), v.; synode n. Synoniem' {zinverwant woord), o,; synoniemen. [gniv. Syntax is (leer van den zinbouw), v.; Syring', sering' (bloem), v.; -en. Systeem' (stelsel), o.; systemen. |
V
TAAGâTEIL.
T.
Tamarisk {houm, struik), v.; -en.
Taai-taai' (laaie koekj, o.; gmv. Tam boer (Irommehlager), m.; -s. Taak {opgegeven werk), v.; taken. Tam boer (trommel), v.; -en.
Tamboerijn' (rinkelbom), v.; -en. Tand. m.; tanden.
Tang (werktuig), v.; tangen. Tangens (raaklijn), v.; -genten.
Tabak, v.; tabakken (soorten.) Tangent' (klavierpennetje), v.; -en. _
Tabbaard, tabberd (staatsiekleed), Tante (mod), v.; tantes.
m.: -s. Tap {houten kraan), m.; tappen.
Tabel'(/i/si,- tijdtafel),w: tabellen. Tapijt' (vloerkleed), o.; tapijten.
Taberna kel (woontente, heiligdom), Ta pir (wouddier in /.-Amerika), m. en o.; -nakels. m.; -6. [v.; -rieën.
Tableau' (schilderij), O.; tableaux. Tapisssrie' ( hiirdiinr- of'tapijtwerk),
Table d'hó'te (open tafel), v.; ta- Taptoe (arondsignaal), v.; -s.
bles d'hóte. Tarantula (spin in Italië), v.; -'s.
Tabouret' (stoeltje zonder leuning), Tar bot (teevisch), v.; -botten.
v.; -retten. Tarief' (prijslijst), o.; tarieven.
Tact (overleg, slag), m.; gmv. Tar'ra (korting voor onzuiver ge-Tactiek' (krijgskunde; overleg), v.; loicht), v.: gmv.
gmv. Tar tarus (fabelt., onderwereld), m. Taf (l ichte, zijden stof), v.; taffen, i Tarwe (graan, weit), v.; gmv.
Tafel (huisraad, lijst), w, tafels. Tas (stapel), m.; tassen.
Tafel (der wel), v.; tafelen. Taschtreis:;//,-.wet(a.sc/i),v.;tassclien. Tafereel' (schilderij, voorst el ling), \ Tast (gevoel), m. Op den â.
o.; t a feree 1 en. Ja\lto\og\e'(ivoordherltaling, stapel-Taille (gestalte; snit), v.; I allies. vorm), v.; -gieën.
Tailleur' (kleermaker), m.; -s. Taver ne (bierhuis), tavernes. Tak (van een boom, eene rivier). Ook: Taveerne.
m.; takken. [m.; takels. Taxateur' (schatter), m.; -s.
Ta'kel (samenstel can katrollen), i Taxa tie (schalling; waardeering), Takela'ge (want, touwwerk), V.; gmv. v.; taxa'tiën, taxa'ties.
Takkenbos, m ; -bossen. Tax.'\S {altijd g roenc heesler),m.\-sen.
Taks (dashond), in.; taksen. Te-De um (lofzang), o ; Te-1)eu ins.
Taks (laak), v.; taksen. Teeder (lief. zacht), bn. en bw. Ken Tal (aantal), o.; gmv. - van schepen; j â liedje. Iemand â verzorgen.
mensclien zonder â. Teeken (merk), o.; -s of -kenen.
Talent' (geldswaarde: gare), o. Ken Teelt (voortbrengset, kweeking), v.; â¢â-zilver, d. i./quot;2500; een â gond, â gmv.
d. i. /'25000. Een man van ~. Teem (zeurig gepraat), m.; gmv.
Talie (takel), v.; talies. Teems (rivier), v. Zie Theems.
Taling {kleine eend), m.; -en. Teems {zeef), v.: teemsen.
Talisman (loo ver middel), m.; -s. Teen (van den voel), m.; teenen.
Talk (hard vet, smeer), v.; gmv. Teen {weel; takje, rijsje),teenen.
Tal mud (godsdienstboek 'Ier Israc- Teer, bn. Eene teere piant. Zie Teeder.
Helen), in.; gmv. Teer (vloeistof), o.; gmv.
Talud' (helling van een' dijk), o.: -s. TeerWngidobbelsleen, kubus),m.-.-en.
Lees: ta-lnut'. Tegel (vloersteen), m.; tegels.
Tamarin de (Indische boom), v.; -n. Tehuis, thuis (ivoning), o.; gmv.
Tamarin'de(gfeneesniiddei), v.; gmv. Teil (aarden schotel), v.; teilen.
75
Taag (rivier: Spanje), 111.
Taal, v.: talen.
Taan (sap van run), v.; gmv. Taart (gebak), v.; taai-ten. Taats (tol), v.; taatsen.
|
70 TEINTâ Teint {huidskleur'), v.; teint on. Tekort', o.; tekorten. Tekst (bijbelplaats), in.; tekst on. Tel, telle Ue^msre)', paard), v.; -Ion. Telegraaf', v.; telegrafen. Telegrafist', m.; -grafisten. Telegram'{/e/tv/r. bericht),o.; -men. Telegraphie', v.; gmv. Telegra'phisch, bu. Eon â bericlit. Telephoon', telefoon' (spreektoestel), v.; telephonen. [-co pen. Telescoop' (slerrenkijker). m.; tel es-Telg (afstammeling), m. en v.; -en. Telg (jong boompje), v.; telgen. Terganger((;erfgt;'essee/'dpaard),m.;-s. Teling, m.: -en. Zio Taling. Teller (eener breuk), vn.; tellers. Tempel (bedehuis), m.', tempels. Temperament' (aard, humeur), o.: -me nten. | v.; gmv. Temperatuur'(3es/t'/(;/i(!(i/f/e»'/lt;(c/iM, Tempo [mant), o,; tempo's. Tempta'tie (kwelling), v.; -s, -tien. Tems (paardenharen zeef), v.; -on. Ten der Ãocomotiefwagen), m.: -s. Tengel (bindlat), m.; tengels. Te'nor (hoogste mannenstem), m.; -s. Tent, v.; tenten. Tenta men [onderzoek), o.;-tame ns, -t a m i n a. Tentoonstelling, v.; -stollingen. Tenue'(unifarm. militaire kleeding), v.; ten uën. Tenzij (in geval niet), vgw. Tepel, m.; tepels. Tering {longziekte), v.; gmv. Terloops' {inderhunst), bw. Iemand â spreken. [t e r m o n. Term {lid eener evenredigheid), m.', Term (woord, uitdrukking), m.; -en. Termiè'ten(u)j«lt;e mieren), meerv.,m. Termijn' (vast tijdstip), m.: -en Ternauwernood (pas, na)(ioe/(/7is),b\v. Terp (heuveltje), v.; terpen. Terpentijn' (vloeibare hars), v.: gmv. Terras' (verhevenheid, hooge vlakte; plat dak), o.: terrassen. Terrein' (grond), o.: terreinen. Terrl'ne (soepkom), v.; terrines. Territoor'(grondgebied),o.; -toren. Terts (muziek: interval), v.; -en. Test (aarden vuurbakje), v.: testen. |
â¢TINTKL. Testament (uiterste wil; de Bijbel), o.; testa men ten. Teug {ilronk, slok), v.; teugen. Teugel (toom), m.; to ugels. [bw. Tevergeefs, vergeefs (vruchteloos), Thans (nu, op dit oogenblik), bw. Thea'ter (schomvburg), o.; -s. Thee. v.; theeën, Theems,Teems (rivier: Engeland), v. Theiss {rivier: Hongarije), v. The ma (opstel ter vertaling; onderwerp), o.; thema's. Theologant' (student der godgeleerdheid), m.; -en. Theologie'(fyot/i/e/co-d/ie/iO,v-; gmv. Theoloog'(f/orff/e/eeiv/e). in.; -1 Ogen. Theorie' (bespiegeling), v.: -rieën. Ther'mometeriiwo-niic'iiicier), m.;-s. Thesaurier'( penningmeester),rn.;-s. The 'sis {stelling), v.; theses. Tia'ra (pauselijke kroon), v.; -'s. Ti ber (rivier: Italië), m. Tichel (metselsteen), m.: -s of -en. Ticino (rivier: X.-Italië), v. Tier (welige groei), v.; gmv. Ti 'ger, Ti 'griSiW vier: A Turkije), m. Tij (getij, eb en vloed), o.; tijen. Tijd, m.; -en. ïo rechter--; te bekwamer â. Tijding (bericht), v.; -on. Tijdstip, o.; -stippen. Tijger {verscheurend dier), m.; -s; (vr. tijgerin; -r i n n e n.) Tijk (beddenovertrek), v.; -en. Tij loos, tij'deloos( Woe)H),v.: -loozen. Tijm (geurig kruid), m.; gmv. Tijns (cijns, belasting), m.; -zen. Tik (zac/ite slag), m.; tikken. Til (hel tillen), m.; gmv. Til, tille (vogelknip, ophaalbrug, duivenhok), v.; tillen. Til'bury (tweewielig rijtuig), v.; -'s. Tin (metaal), o.; gmv. Tinctuur' (aftreksel, extract), v.; tincturen. J\nne(gclande bovenrand van muurwerk), v.; tinnen. Tin negieter (fig. liefhebber in staatkunde), m.; -s. Tint ( wijn), m.; gmv.; (kleur), v.; -e n. Tin'tel (tondel om vuur te maken), v.; tintels. |
TIPâTRANT.
77
|
Tip {uiteinde, punt), m.; tippen, j Tiran' (divingeland), in.; -nen. Zie Tyran. [v.; gmv. Tirannie', tirannij' {dwingelandij), Tiras' (vogelnet), v.; tirassen. Ti'tel (benaming, opschrift), m.; -s. Tittel (stip, puntje), m.; tittels. Titulatuur' (betiteling),\.: -turen. Tja'k (Friesch vaartuig), v.; -en. Tji-Kan'di (rivier: Java), v. Tjonger (riviertje: F.), v. Tobbe (waachkuip), v.; tobben. Tocht (reis; windtrek), m.: -en. Tod. todde (lapje, rad, tor), v.; -il en. Toe dracht {beloop), v.; gmv. De â eener zaak. Toe gang, m.; gmv. Vrije â-. Toekomst, v.; gmv. De naas-teâ. Toe'laag, toelage {gratificatie, tj- deljke wedde), v.; -lagen. Toelast {wijnvat), m.; -lasten. Toe leg (plan, bedoeling), m.; gmv. Toeneming (aangroeiing), v.: gmv. Toer (rets; vlecht, kunststuk), m.: -en. Toerist' (pleizierreiziger), m.; -en. Toe'stel, m. en o.; toestellen. Toets (proef; deel van 't klavier), m.; toetsen. [o.; -vallen. Toe val (onverwachte gebeurtenis), Toe verlaat (hulp, bescherming ), m.; gmv. Goil is mijn â. Toe voer (aiinvoer), m.; -voeren. 7 o'tabbaard, priestcrl,-leed), Toilet' {Ideedy), o.; toiletten. Tol {schatting ; speeltuig ), m.: -1 e n. Tolk (taalman, woordvoerder), m.: tolken. Tombe (praalgraf), v.; tombes. Tombola {loterijspel), v.: - s. Ton (vat, scheepsmaat â 1000 h'.G ), v.; tonnen. fo.; -s. Ton del, ton der (geschroeid linnen), Tondeldoos, v.; -doozen. Tong (lichaamsdeel;platvisch ),\.:-cn. Tongelreep {riviertje: JV.-B.), v. Tongval (spraak), m.; -vallen. Tonijn' (makreel, viscli), m.; -en. Tonsuur' {kruinschering), v.; -suren. Toog, m.; togen. Zie Toga. Tooi (opsiering), m.; gmv. Toom {teugel), m.: too men. Toon (teen), m.: toonen. |
Toon (klank), m.; tonen. Tooneel' (sc/i0)(i0/j/na(s), o.; -neele n. Toorn (woede), rn.; gmv. Toorts (fakkel), v.; toortsen. Toost (feestdronk), m.; toosten. Too'venaar, m.; too venaars, toovenaren. Too'verkol (tooverheks), v.; -len. Too'verstaf, m.; -staven. Top (hoogste of uiterste punt), in.: toppen. Topaas' (bewerkte vuurgele edelsteen), m.; topazen; (stof), o. Topographie' {plaatsbeschrijving), v. Tor (insectje, kever), v.; torren. Toren (bouwwerk), m.: torens. Torment' (kwelling), o.; -inenten. Torn (het lostornen), m.; gmv. Torn (losgetornde naad), v.; -en. Tornea (rivier: Zweden), v. Tornooi' {steekspel), o.; -n ooi en. Torpe'do (omlerzeesche bom), v : -'s. Tortel (duif), tn. en v.; tortels. Totaal (bedrug), o.; totalen. To tebel (vischnet; slordige vrouw), v.; -belle n. Tou'ter (schommel), m.; -s. Touw. 0.: toii wen. Traan (qogvocht), m.: tranen. Traan (olie, vei), v.; gmv. Tractaat {verdrag), o.: -taten. Tradi tie (overlevering), v.; -s, -ti ë n. Trafiek' (werkplaats), v.; -fie'ken. Tragedie' {treurspel),-s', -d i e'ë n. Tra gisch (treurig), bn. Ken âeinde. T raject' (afstand, overvaart),o.; -e n. Traktaat je (klein opstel), o.: -s. Traktatie (onthaal), v.: -ties. Traktement (jaarwedde), o.; -en. Tralie {spijl eener kooi. enz.), v.; -lien, -lies. Tram (tramwagen), v.; trams. Tramontane (poolster), v.; gmv. Trans (torenomgang), m.; transen. Transac tie (schikking). \.:-s, -tién. Translateur' (vertaler), m.; -s. Transparant (doorschijnend voorwerp), o.: -en. Transpira'tieii«(i«aseH( Dif/),v.;gmv. Transport'(((oo/'uoo'), o.; -porten. Transporteur' (hoekmeter), m.; -s. Trant {wijze, manier), m.: gmv. |
TRAPâTWEERN.
78
|
Trap (schop; trede), m.; trappen. Trap (al de treden samen), v,; -pon. Trape zium (vierhoeh), o.; trape'- ziums, trape'zia. Tras (cement, metselspecie). 0.: ginv. Trave {rivier: N.-Uuitscliland), v. Traverse, travers' uiwarslijn, dwarsgang), v.: traversen. Trawant' (lijfwacht), m.; -en. Trechter, m.: trechters. Tred (stap), m.; treden. Trede, tree, v.; treden, treeën. Treeft (metalen drievoelje), v.; -en. Treek {list), m.; treken. Tref { het raken, trejfen. een gelul.jiï), m.; gmv. Treil (treklijn of touw), m.; -en. Trein {sleep van wagens, enz.), m.: t re i ne n. Trek {begeerte; lust), m.; -ken. Tre'ma (deelteeken), o.; trema's. Tre mel (trechter eens molens), rn.; tremels. Trens {toom, lis), v.; trenzen. Tres{booi dsel; vlecht), v.; t resse n. Treurspel, o.; treurspelen. Trezoor' {schat), o.: trezoren. Trezorier' (rentmeester), m.; -s. Tri angel (driehoekig muziekinstr.), m.; triangels. Tribu'ne (spreekgestoelte), v.; -s. Tri cot (lees: tri'coo, nauwsluitend geweven kleed), v.: tricots. Tricot (gebreide stof), o.; gmv. Trijp (bekleedsel), o.; t r ij pen. Tri'0 (zang van drieën), o.: trio's. Triomf', triumf' (zege), m.; -en. Trip (vrouwenschoeisel), v.: -pen. Trits (drietal), v.; tritsen. Troebel (wanorde, onrust), ra.; -en. T roef( in 't kaartspel), v.: troeven. Troep (menigte, gezelschap), m.; -e n. Troetel {het troetelen; kwast), rn.; -s. Troffel (gereedschap), m.; -s. Trog (bak om te kneden), m.; -gen. Trom, trommel, v.; -men, -mels. Trombo ne (schuiftrompet), v.; -s. Trommel, v.; -mels, -melen. Tromp (vooreinde van een geweer; slurf), v.; -en. Trompet'(blaasinstrument), v.; -ten. Tro'nie (aangezicht, grijns), v.; -s. j |
Tronk (afgeknotte boomstam), m.; tronken. Troon (staatsiezetel), m.; tronen. Troop (woordenkeer, fig. uitdrukking), m.; tropen. Troost (vertroosting), m.: gmv. Tropee (zegeteeken),v.;tro pee'ën. Tro pisch {tot de keerkringslanden, behoorende), bn. âe gewesten. Tro pisch (beeldsprakig), bn. âe uitdrukkingen. Tros {bundel; touwwerk),m.-. -sen. Trottoir' {doorloopende stoeiJ),o.; -s. Trots (hoogmoed), rn.; gmv. Trots (niettegenstaande), vz. Trotsch (hoogmoedig), bn. 0|i âen toon. fgmv. Trouw (gehechtheid; huwelijk), v.; Truffel (eetbare paddenstoel), v.: -s. Trumeau' ( penantspiegel), m.; -x. Truweel' (troffel), o.; truweolen. Tucht (orde. zedelijkheid), v.; gmv. Tui (ankertouw), v.; tuien. Tuifl (gereedschap, paardentuig), o.; tuigen. Tuiga ge (al het touwwerk van een schip), v.: gmv. Tuil (bosje bloemen), in.; tuilen. Tuimelaar (duif; dolfijn), m.; -s. Tuin (bloemtuin, enz.), m.; -en. Tuit (vlecht; punt; pijp), v.; -en. Tul band (Turkseh 'hoofddeksel; gebak). in ; -e n. Tule (gazen weefsel), v.; gmv. Tulp (bloem), v.; tulpen. Tumult' (rumoer, opschudding), o.; t u m u 1 te n. Tu nica (RomeinseU onderkleed), v.; tunic a's. Tunnel (gang dooreen berg), v.; -s. Turf (één enkele turf), m.; t u r v e n. Turf(de hoeveelheid, destof),\.; gmv. Turkoois' (blauwgroene edelsteen), in.; turkooi'zen; (stof), o. Twaalf telvv. Met twaalven. Tweedracht (twist, verdeeldheid),^.-. Tweeklank, m.; -en. (gmv. Tweelingen (één der 1-2 hemeltee-kens), meerv., m. Tweemaster (schip), m.; -s. Tweern (gedubbeld garen), m.; gmv. Zie Twijn. |
TWEESPAI-TâVAANDRIG.
70
|
Tweespalt (twist), v.; gmv. Twente (deel t'an Ouerijsel), Twi Twi Twi fel (onzekerheid), tn.; gmv. g (dunne tak), v.; twijgen, n (gedubbeld garen), m.; gmv. Twist (geschil, ruzie), m.; -en. |
Tye (rivier: Engeland), v. Ty'pe (drukletter), v.; (voorbeeld, afdruk, uitgedrukt beeld), o.; -n. Ty phus (zenuwkoorts), m.; gmv. Typographie'(6oe7.-(iraA-A-Mnslt;),v.;gv. ⢠Tyran' (dwingeland), m.; -rannen. |
u.
|
Uchtend, ochtend (morgen), m.: -e n. Ui (ajuin; grap), m.; uien. Uier, m.: nie rs. | ni 1 e n. Uil (nachtroofuogel; vlindertje), m.; Uilespiegel (snaak, schalk), m.; -s. Uitbundig (overdreven), bn. âe lof. Uiteraard' (volgens den aard), bw. Hij is â voorzichtig. Uiterma'te (in hooge mate), bw. Uiterste (het naaste, laatste), o.; gmv. Ui'terwaard (buitendijksch land), v.; -waarde n. [lage), v.; -ga ven. Uitgaaf, uitgave (vertering, op-Uit gang. m.; -gangen. Uit geleide (het uitleiden'), o.; gmv. Uit haal (praal, pronk), m.; -li a 1 e n. Uit halen (pijpenpeuter), m.; -s. Uitham (landtong), in.; -men. Uit'kijk (uitzicht), m.; gmv. Uitkomst(«/'oo/), uitslag), v.; -en. Uit leg (verklaring), m.; gmv. Uit legger (wachtschip), m.; -s. Uitne mend ( voortreffelijk), bn.enbw. Uit roep (kreet), m.; -roepen. Uit schot (het onbruikbare), o.; -t e n. Uit'slag (afloop; puisten), m.; gmv. Uit spraak (tongval, wijze van spreken; vonnis), v.; -spraken. Uit'stap (pleziertochtje), m.; -pen. Uitstel (verdaging), o.; gmv. Uit vaagsel (grauw, gemeen volk), o.; uitvaagsels. Uitvaart (begrafenis), v.: -en. [i\t'va\(heluitvallen,aanval),m.\-lcn. Uit vluchti verontschuldig ing),\',-en. |
Uit voer (vervoer naar het buitenland), in.: -voe re n. Uit was (uitgroeisel), o.;-wassen. Uit zet (uitrusting van kleederen), o.: uitzetten. Uitzicht (vergezicht; hoop), o.; -en. Uka'ze (Bussisch bevelschrift), v.; -n. Ulaan' (Poohch lansier),m.; n lanen. U level (suikerplaatje), v.; -veile n. Ulster (lange over jas met band), m.; ulsters. 1 ii 11 i m a t u m s. Ultima tum (laatste aanzegging), o.; Ul timo (lt;le laatste dag), bw. Het is â Mei. U nie (verbond, vereeniging), v.; -s. Uniform' (krijgsmanskleeding), v.; ii n i f o r m e n. Universiteit' (hoogcschool), v.; -en. Un'jer (plant), v.; gmv. Unster (weegtoestel), v.; unsters. U ral. Oe ral {rivier: Rusland), m. Ure (uur), v.; uren. Urinoir' (waterbak), o.: -s. Urne, urn (vaas, lijkbus), v.; u r n e n. Uto pia (luilekkerland), o.; gmv. Utopie' (hersenschim), v.: -pieen. Uur, o.; uren. Zie Ure. Uwent, bw. Ik kom te â, ten â, d. i. bij u aan huis of in uwe stad. Uwenthal ve (wat u betreft), bw. Ik zal hem â groeten. Uwentwe ge (van uwen kant), bw. Zal hij ook iets van â krijgen? Uwentwil' (ter wille van u), bw. Ik zal om â gehoorzamen. |
V.
|
Vaag (veiligheid van den grond; bloei), v.; gmv. Vaag (onbepaald), bn.; vage. Vaak (slaap), in.; gmv. Vaalt (mestkuil), v.; vaalten. |
Vaam (= 1.08 Meter, houtmaat), m.; vamen [vanen. Vaan (vaandel; windwijzer), v.; Vaandel (banier), o.; -s en -len. Vaan drig (banierdrager), m.; -s. |
V A A R A A I,âVE RDERF El.I.IK.
«0
|
Vaaraal (visch), m.; -alen. Vaars [jonge koe), v.; vaarzen. Vaart (kanaal; beweging), v.: -en. Vaart (Keulsche â), v. ' Vaart (Leidsche â: /.-//.), v. Vaart (Twickelsche â: O.;, v. Vaas (fraaie pol), v.; v a /. e n. Vaatdoek, m.; vaatdoeken. Vacant'(oHbezef), bn. Eene âe plaats. Vacan'tle {rusttijd), v.; -s of -tien. Vaca tie (arbeidstijd, loon), v.; -s of -tië n. Vacatuur', vacatu re (het open-zijn van eenebetrekking),; -turen, -s. Vacci ne (koepokinenling), v.: mnv. Vacht (van schapen), v.: -e n. Vadem {lengtemaat, houtmaat), m.; vadems. Zie Vaam. Vademe cum (zakboek), o.; -s. Vader (hoofd des gezins), m.; -s. Vaderen (voorvaderen), meerv,, m. Vad sig (traag, lui), bn. en bw. Va gebond (landlooper), m.: -en. Val (het vallen), m.: nmv. Val (muizenval, vangknip), v.; -I en. Val (van Urk, \.-il.). v. Valies' (reistasch), o.: valiezen. Valk (roofvogel), in.: valken. Vallei' (dal), v.; valleien. Val'reep (touw; plaats waar men op ' t sc/ii p klimt), m. : val reepen. Valsch (bedrieglijk), bn., -er, valscht. Valschaard (bedrieglijk mensch), m. en v.: -s. Valterdiep' (water: O.), o. Vam pier (groote vleermuis), in.: -s. Van (familienaam), m.; vannen. Vang (molenklem), v.; -en. Vangst (het vangen), v.; -e n. Vaniel'je (Indisch gewas), v.: gmv. Var (jong rund), m.; varren. Var'dar (rivier: Ear. Turkije), v. Varen (plant), v.; varens. Va'ria (mengeling), v.; -'s. Variant' (afwijking), v.; -en. Va'rinas (fijne tabak), v.; gmv. Varken (zwijn), o.: varkens. Vasten (vastentijd), v.: gmv. Vastena vond (carnaval), m.: -en. Vat (ff reep, aanpak), in.; vatten. Vat (ton, kuip), o.; vaten. Vaudevirie(/./i(c/i«sprim. zang),v.;-s. j |
Vauxhal (verlichle lusttuin), m.; gmv. Vazal (leenman), in,; vazallen. Vecht (rivier: N.-lf. en I'.), v. Vecht (rivier: O.), v. Vedel (viool), v.; veil els. Veder (pluim, pen), v.; veders. Vee (gedierte), o.; gmv. Veeg (het vegen; een klap), m.; vegen. Veeg (booze vrouw), v.; vegen. Veeg (den dood nabij, stervend), bn. Veel (vedel), v.; veelen. Veelszins (in veel gevallen), bw. Veeltijds (dikwijls), bw. Veelvraat (dier), m.; -vraten. Veem (gezelschap, gild), v. en o.; vee men. [o.; -richten. Veem gericht (geheime rechtbank), Veen (turfland), o.; venen. Veenderij (turfmakerij), v.; -en. Veer(pluim; springveer), v.; vecren. \eer{overvaart, beurtvaart),o.-, veren. Veete(wrol;, vijandschap), v.; veeten. Veger (stoffer), m.; vegers. Veil (klimop), o.; gmv. Veil (te koop), bn. Veilig (buiten gevaar), bn. Veiling (verkooping), v.; -1 in gen. Veinzaard (huichelaar), m.; -s. Velg (buitenrand van een rad),v.; -en. Velijn (gesatineerd papier), o.; gmv. Velocipède (rijwiel, fiets), v.; -s. Ve'luwe(rfee/ww Gelderl.), v.; gmv. Ven (poel, plas), v.; vennen. Vendel (vaandel; compagnie), o,; vendels, vendelen. Venduhuis' (verkoophuis), o.; -zon. Venijn' (vergift), o.; gmv. Ven kel (waterkervel), v.; gmv. Vennoot' (handelsgenoot), m.; ven- ii 0 o te n. Vennootschap, v.; -schappen. Venster (raam), o.; -s. [gmv. Ventilatie (luchtverversching), v.; Ventila tor (lHclUververscher),m.-, -s. Veranda (zomerprieël voor of achter een huis), v.; -da's. Verbena (bloem), v.; -bena's. Verbond (verdrag), o.; -bonden. Verdek' (dek. van een schip), o. verdekte n. Verderf (ondergang, dood), o.: gmv Verderfelijk (slecht,' heilloos), bn. Ve Ve Ve 1 |
VERDRAGâVISCll.
|
Verdrag {overeenkomst), o.; -en. Vereeniging(6ond,f/ere/.sc/i«p),v.;-en. Vereischte {het noodige), o.; -n. Verf {kleurstof), v.; verven. Verfoeilijk {leelijh, boosaardig), bn. Verfoe'liesel {kwiklaag achter een spiegelglas), o.; fan v. Vergadering (bijeenkomst), v.; -en. Vergankelijk {broos, onbestendig),hn. Vergeefs (vruchteloos), bw. â vragen. Vergeefsch {vruchteloos), bn. âe pogingen. Vergeet - mij - niet, vergeef - me - niet {bloempje), v.; -nieten. Vergiffenis {kwijtschelding), v.; gmv. Vergif, vergift, o.; vergiften. Verglaassel {glazuur), o.; gmv. Vergrijp {overtreding), o.; -en. Verguldsel, o.; -seis. Hetâ eener schilderij. Verhemelte {gewelf van den mond; overdekking), o.; -n. Verheveling {verschijnsel in den dampkring, ah regen, hagel enz.), v.; -1 in gen. Verkleefd [verknocht), bn. Verknocht {innig verbonden), bn. Verkoop, rn.: -koopen. Verlaat' {waterloop), o.; -laten. Vermicelli {meelpjpjes), v.; gmv. Vermiljoen'(coorfe verfstof), o.; gmv. Vermoeienis, v.; -nissen. Vermogen {macht; geldelijk bezit), o.; vermogens. Vernis' {kunstglans), o.; -nissen. Vernuft {vindingrijkheid; genie), o.; vernuften. Verovering, v.; -ringen. Verraderlijk {valsch), bn. en bw. Vers {dichtregel, gedicht), o.; -Zen. Versch {frisch, jong), bn. [gmv. Verschiet' {vergezicht, horizon),'o.; Verslagen {neerslachtig), bn. Verstijfd {stram), bn. Verte {afstand, verschiet), v.; gmv. Vertoog {bewijs), o.; -to Ogen. Vervaard {bang, bevreesd), bn. Verwaand (trotsch), bn. Verwant' {bloedverwant), in,: -on. Verwante (bloedverwant), v.; -n. Verwant'schap (familiebetrekking), |
Verwa ten {venmand, vermetel), bn. i Ver zenen {hielen), meerv., v. Ves per {middagkerkdienst bij de II. K.), v.; vespers. Vest. veste {vesting, ook wal), v.; -e n. Vest (kleedingstiik), o.; vesten. Vestibule (voorportaal), v.; -b nies. Vesting {versterkte stad), v.; -e n. Veter {nestel), m.; veters. Veteraan'soldaat), m.; -ranen. Veto {il: verbied), o.; veto's. Vezel {ilun, harig draadje), v.; -s, -en. Viaduct' {boogbrug), V.; -du eten. Vi' ce-admiraal {onder-admir.), m.; -admiraals. [of -riën. Victorie {overwinning), v.; -i-ies Victua lie, victa lie {levensmiddelen, voorraad), v.; -liën. Vierkant, o.: vierkanten. Vier schaar {gerecht, rechtbank), v.; vi e rscha ren. Viezeva'zen {grillen), meerv., v. Vigilante (huurkoets), v.; -1 ant es. Vignet' {plaatje lot sieraad onder drukwerk), o.: -netten. Vijf wouter, wie wouter {uiltje, witje), m.; -s. Vijg {vrucht), v.; vijgen. Vijl {stalen rasp), v.; vijlen. Vijver {omsloten waterplas), m.; -s. Vijzel {stampvat), m., vijzels. Vijzel {windas, schroef), v.; -s. Villa {landhuis), v.; -'s, -latje. Vilt {stof), o.; gmv. Vilten {van vilt), bn. Een â hoed. Vim {JO'i schooven), v.; vimmen. Vin {zwemwiek), v.; vinnen. Vinger {deel dei' hand), m.; -s. Vingerhoed, m.; -hoeden. Vingerling {ring), m.; -lingen. Vink {vogel), m.; vinken. Vinkenslag (knip), o.: -slagen. Vin keslag {zing van den vink), m. Vinnig (scherp,bits),hn. Een â woord. Violet' (wilde viool), v.; -letten. Violet' {paars, purper), bn. Violier' (bloem), v.; violieren. Violoncel' (knieviool), v.; -eels. Viool' (bloem, instrument), V.: violen. [-tnozen. Virtuoos' {kunstenaar), ra.; vir-Visch (ren enkel dier), m.; visschen. |
r
82
VISCIIâVOOGDIJ.
|
Visch (de vischslof), v.; r;irlv-Vi'sie (inzage), v.; gmv. Ter ââ¢. Visioen' (droombeeld), o.; -oenen. Visitatie (nazoeking, betasting), v.; -ties of -tien. Visi'te (bezoek), v.; visites. Vitri'ne (uitstalkast), v.; vitrines. Vitriool' {zwavelzuur), o. en v.; grnv. Vizier' (Turksch minister), m.; s, -en. Vizier' (van geweer o/'helm), o.; -e n. Vla (vruchtengebak), v.; vla as; vlaatje. Zie Vlade. Vlaag (bui; woede), v.; vlagen. Vlaak (zandbank, plaat), v.; v I a k e n. Vlade (vla), v.; vladen. Vlag (dundoek), v.; vlaggen. Vlak (smet), v.; vlakken. Wak (lichaamsg reus, vlak te), o.; -ken. Vlakte (e/fen grond, vallei), v.; -n. Vlam, v.; vlammen. Vlas (plant), o.; gmv. Vlecht (gevlochten haar), v.; -en. Vie'dertnuis,vleer'muls, v.;-inuizen. Vleesch. o.; vleezen. Vleeschelijk, bn. Mijn âe broeder. Vleet (groot net), v.; vleten. Vleeze, o. Het ga u naar den â. d. i. stollelijk wèl. Vleezig, bn. Eene âe kip. Vlegel (werktuig om te dorschen). Vlek (smet), v.; -k e n. | m.; -s. Vlek (groot dorp), o.; vlekken. Vlerk (vleugel), v.; vlerken. Wet (platboomd vaartuig), -ten. Vleug (flikkering), v.; vleugje. Vleugel, m.; vleugels. Vlieg (insect), v.; vliegen. Vlieger (speeltuig), m.; vliegers. \\\er (struik;geneesmiddel), gmv. Vliering (zoldertje), v.; -ringen. Vliet (beek; stroomend water), m.; vlieten. Vliet (de Rozendaalsche â: A.-B:),m. Vliet (water: Z.-H.), m. Vlijm (lancet, scherp snijdend mesje), v. â v 1 ij m e n. Vlijt (ijver), v.: gmv. Vlinder (kapel), m.; vlinders. Vllst (ivater: Z.-H.), v. Vloed {wassend water), m.; -en. Vloek (venvensching), m.; -en. Vloer (bodem, grond), rn.; -en. |
Vlok (pluisje, sneeuwvlok), v.; -k c n. VI onder (p/fmA-oue»-eene s/oort,m. ;-s. Vloo (insect), v.; vlooien. Vloot (schepen), v.; vloten. Vloot (bakje, kom), v.; vloten. Vlos (vloszijde), o.; gmv. Vlouw (snippennet), vlo uwen. Vlucht (troep vogels), v.;vluchten. Vlugschrift (brochure), o.; -en. Vocaal' (klinker), v.; vocalen. Vocabulai're (woordenlijst), o.; -s. Vo catief, vo'cativus (aanspreking), m.; vocatieven. Vocht (nat, vloeistof), o.; -en. Vod, vodde (oude lap, tod), v.; -den. Voeder, voer (voedsel), o.; gmv. Voeding, v.; gmv. Voed sterling (voedsterkind), m. en v.; -lingen. \oeij(kalklaag vaneen muur),V.-,-en. Voege (wijze, volgorde), v. In dier â. Voer (wagenvracht), o.; voeren. Voet (lichaamsdeel), in.; voeten. Voet (o/fcto-de voet raken. Inden), mv. Voetstoots, bw. Iets â verkoopen. Voet veeg (vloermat, voetdweiï), m.; voetvegen. Vogel, m.; vogels, vogelen. Voile (sluier), v.; voiles. Volière (groote vogelkooi), v.; -s. Vol'kerak (water: Z.-H.), o. Volksstam, m.; -stammen. Volle'dig (volkomen), bn. en bw. Vol macht (vrije beschikking; lastbrief), v.; -e n. Volte (volheid, gedrang), v.; gmv. Volte (zwenking in 't rijden), v.; -s. Voltur'no (rivier: Z.-Italië), v. Volu me (omvang; boekdeel), o.; -s. Volzin, m : -zinnen. Vond (het vinden), m.; vonden. Vondel (plank over eene sloot), m.; -s. Von deling (gevonden kind), m. en v.; -1 in gen. Vonder (vondel of vlonder), m.; -s. Vondst (het gevondene), v.; -en. Vonk (vuursprank), v.; vonken. Von nis (uitspraak), o.; -nissen. Vont (doopvont), V.; vonten. Voogd (toeziener), m.; voogden. Voogdes', v.; -dessen. [gmv. ⢠Voogdij' (waardigheid van vooc/d), v.; |
VOORâWACHT.
8;)
|
Voor {diepte, t/roeve, rimpel), v.; voren. Zie Vore. Voor baat, v. In (Ie â- zijn. Voor'burg (bolwerk), m.; -b u rgeu. Voor'daoht (opzei), v.; gmv. Voor'dewind (gunstige wind), m.; gmv. Voor dracht (voorlezing), v.; -e n. Voorgrond, m.; -gronden. Voor hoede (voorste legerafdeeling), v.; voorhoeden. Voorjaar (lente), o.; -jaren. Voor keur, v.; gmv. Voorn (visch), m.; voorns. Voor proef (voorsmaak), V.; -je. Voor'raad. m.; -raden. Voor'rang (voorkeur), m.; gmv. Voor'recht (gunst), o.; -recliten. Voor'rede (voorbericht), v.; -nen. Voor'SCh00t(?)oez(;/aa;).O.;-schOOten. Voorshands' (voorloopig), bw. Voorslag (voorstel), in.; -slagen. Voor'slag (van eene klok), o.; -en. Voor spoed (geluk), m.; gmv. Voor val (gebeurtenis), o'.; -len. Voor waarde (beding), v.; -n. Voor zaat (voorvader), m.; -zaten. Voos(sponsachlig),hu. âZe knollen. Vore, v.; voren. Zie Voor. Voren (visch), m.; -s. Zie Voorn. Vork (eettuig), v.; vorken. Vorm (gedaante), m.; vormen. Vorm leer (aanscli. nieetk.), v.; gmv. Vorsch (kikker), rn.; vorsclien. Vorst (koning, prins), m.; -en. Vorst (bovenljn van een dak; het vriezen), v.; gmv. |
Vorstendom (gebied), o.; -men. Vos (dier), m.; vossen. Vo tum (verklaring, bewijs), o.; -s. Vouw (plooi), V.; vouwen. Vraag, v.; vragen. Vraagbaak (raadsman), v.; -baken. Vraagpunt (onderwerp), o.; -en. Vracht (lading, last), v.; -en. Vrede, vree. m.; gmv. In â leven. Vredesverdrag, o.; -verdragen. Vrees, vreeze, v.; vreezen. Vrek (gierigaard), rn.; vrekken. Vreugde, vreugd {blijdschap),\.-,gm\. Vriendschap, v.; gmv. Een verbond Vrijage, v.; vrijages. [van â. Vrijdom (vrijstelling), m. â van briefport. Vrijelijk, bw. Ga hier â binnen. Vroed (wijs, ervaren), bn. âe mannen. Vroed schap (stedelijke regeering), v.; -schappen. Vroegte, v ; gmv. In de â. Vroolijk (blijde), bn. en bw. Vroom (godsdienstig), bn. Vrome dames. Vrouwspersoon, o,; -personen. Vrucht (voortbrengsel, opbrengst), v.; vruchten. Vuig (laag, slecht), bn. âe daden. Vui lik (ecra vuilaardig mensch), m.; vuiliken. Vuilnis(o/'ra/, veegsel, drek),\.; gmv. Vuist (dichtgesloten hand), V.; -en. Vulkaan' (vuurberg), in.; -kanon. Vul'lis (vuilnis), o.; gmv. Vuns (duf, vochtig), bn. âze holen. Vuur slag (stukje staal), o.; -en. |
w.
|
Waag (groot weegtoestel), v.; wagen. Waag (rivier: Hongarije), v. Waag hals (vermetele), m. en v.; -z e n. Waaier, m.: waaiers. Waak. wake (nachtwaak), v.; waken. Waal '0 â¢ivier: Geld.), v. Waal (havenkolk), v.; walen. Waan (inbeelding), m.; gmv. Waan zin (l:ran!;zinniglieid),m ;gmv. Waar (handelsartikel), v.; waren. Waar'borg (onderpand), rn.; -en. Waard (kastelein), m.; waarden. |
Waard, woord, woerd (mannetjeseend), in.; -en. Waard (ingedijkt polderland),}/.; -e n. Waarde (prijs, waardij), v.; -n. Waardij' (de waarde), v.; -dijen. Waardijn' (muntmeester), m.; -s. Waarheid, v.; waarheden. Waar merk (teeken van echtheid), Waas. o.; gmv. [o.; -merken. Wacht (één wachter), m.; -en. Wacht (het wachthuis; al de wachters samen), V.; wachten. |
i
W A C HT ELâ\v EI TA SC 11.
|
Wachtel (kwartel), m.; wachtels. Wad (ondiepte), o.; wadden. Wade (lijkdoek), v.; waden Wafel (gebak), v.; -s of -en. Wagen (voertuig), m.; wagens. Waggon (spoorrij tuig), m.; -s. Wak (zwakke plaats in het ijs), o.; wakke n. Wal (muur, waterkant), in.; -len, Walg (afkeer, weerzin), v.; gmv. Wal gang (pad langs den wal), v.; walgangen. Walg-elijk (afzichtelijk), bn. Walging (afkeer), v.; gmv. Walhal la (paradijs der Germanen), V.; gmv. Walm (vettige damp), m.: -e n. Wal'rus (zeedier), m.; -sen. Wals (dans; stamper), v,; walsen. Walvisch (zeedier), m.; -visschen. Wam (halskwab der koe), v.; -men. Wambuis (kleedingstuk), o.; -zen. Wam mes (wambuis), o.; -en. Wan (wanmand), v.; wannen. Wand (muur), m.; wanden. Wandel (gedrag), m. In den â. Wang (koon), v.; wangen. Wanorde, v.; gmv. Wanscha pen (misvormd), bn. Want (handschoen), v.; wanten. Want(i)isc/(-e)( scheepstuig),o.', gmv. Wantij (tegenstroom), o.] -tijen. Wapen (strijdtuig), o.: -s of -en. Wapen (geslachtswapen), o.; -s. War (verwarring), v. In de â. Warande (wandelpark), v.; -n. War'moes (groente), o.; gmv. Warmte, v.; gmv. Wars (tegenstrevend, af keer ig), bn. Was (groei), m.; gmv. Was (van bijen), o.; gmv. Wasch, v.; wasschen. Waschster, v.; waschsters. Wasdom (groei), m.; gmv. Wasem (damp), m.; wasems. Was senaar (wassende maan), m.; -s. Wa'terpas (werktuig), o.; -p asse n. Wa terschap (polder), o.; -pen. Wa terweg (de Nieuwe â: Z.-ll.), m. Waterzucht (ziekte), v.; gmv. Watten (katoenstof), meerv., v. Web (weefsel), o.: webben. |
Webbe (weefsel), v. eno.; webben. Wed (weddenschap, wedstrijd),\ ;g\. Wed (waadbare plaats), o.; wedden. Wedde (jaargeld), v.; wedden. Weder (luchtgesteldheid), o.; gmv. Weder, weer (nog eens), bw. Weder (ram), m.; -s, -en. We derga, we dergade (gelijke), v.; gmv. We derhelft (echtgenoote), v.; -en. Wederik (plant), v.; gmv. Wederzijds', bw. â bedriegen. Wederzijdsch', bn. Een â bedrog. Wed ijver (naijver), m.; gmv. Wed'loop(/oo;)om hetsnelst),m.\ -en. Wed ren (snelloop van paarden), m.; -rennen. We duwe (weduwvrouw), v.; -n. Wee (smart), o.; weeën. Weede (plant; blauiveverf),\.; gmv. Weedom (droefheid), m.; gmv. Weegbree (plant), v.; gmv. Weeg schaal (balans), v.; -schalen. Week (zacht), bn. Eene weeke stof. Week (het weeken), v. In ile â leggen. Week (zeven dagen), v.: weken. Weelde (overdaad, luxe), v.; gmv. Wee moed (zielesniart), m.; gmv. Weer (verwering), v.; gmv. Wvw(luchtgesteldheid),a. ZieWeder. Weer (ram), m.; weeren. ZieWeder. Weer ga, v. Loop naar de â. Weer glas (barometer), o.; -glazen. Weerlicht (bliksem), o.; gmv. Weer licht, v.; gmv. Loop naar de â! Weers zijden, meerv., v. Van â iets toegeven. Weer zin (tegenzin), m.; gmv. Weet'lust (leerlust), m.; gmv. Weet niet (domoor), m. en v.; -en. Wees. weeze, m. en v.; wee zen. Weet (het weten), v.; gmv.; -je, o. Weg. m.; wegen. Weg (een kluit boter), v.: weggen. Wei (hui van melk), v.; gmv. Wei, weide (grasland), v.; weiden. Weichsel (rivier: l'nlen en O. Pruisen), m. Weide (ingewand), o.: gmv. Weidsch (schoon, prachtig), bn. Weit (tarwe), v.; gmv. Wei'tasch (jVfjera/nscft), v.; â tasschen. |
|
T Wekker (persoon; uurwerk), m.; -s. Wel (bron), v.; wellen. Weledel, bn. Den âen heer. Welig (vruchtbaar), bn. on bw. âe plantengroei, â tieren. Wellust (zingenot), m.; gmv. Welp, wulp (jong roofdier), o.; -en. Wel vaart (voorspoed), v.; gmv. Welvoeg lijk (net, fatsoenlijk), bn. Wel zijn (staat van geluk), o.; gmv. Wem (ankertand), m.; wemmen. Wen (gezwel, uitwas), v.; wennen. Wenk (teeken), m.; won ken. Wenk'brauw, v.; -bran wen. Wensch, in.; wensclien. Wereld, v.; werelden. Werf (kaai; scheepstimmerwerf), v.; werven. [gmv. Werk (uitgerafeld touwwerk), o,; Werkeloos (zonder te werken), bn. De knecht stond weer â. Werkloos (zonder werk), bn. Haar man was â. Wer'ra (rivier: Midden-Duitse hl.), v. Werst (Russische mijl = 1000 M.), v.; wersten. [m.; -s. Wervel (draaihoutje; wervelbeen). Wesp (insect), v.; wespen. Wes'peiiangel, m.; -angels. West (Indië), v. Naar de â gaan. West, Westen, o. Westenwind, m.; -winden. Westerkim, v.; gmv. West-ln'dië, Westin'je, o. Wet, v.; wetten. Wetenschap, v.; -schappen. V/e'tering (kanaaltje, beek), v.; -en. Wetering (Bildsche â: U.), v. Weteringen (Sallandsche â; O.), meerv., v. Wet houder (lid van het dagelijksch bestuur), m.; -s. Wezel (dier), v.; wezels. Wezenlijkfeo/ii, werkelijk), bn. en bw. We'zer (rivier: Duitschlaiidj, in. Whist (kaartspel), o.; gmv. Wi'chelaar (sterrenkijker), m.; -laars, -laren. Wichelarij' (too ver ij, voorspelling), v.; wichelarijen. Wicht (kind), o.; wichten. Wicht (gewicht, last), o.; wichten. koenen, Zakwoordenboekje. |
85 v.; wiegen. Wiek (vleugel; van een molen), v.; -en. Wiel (rad), o.; wielen. Wie lewaal (soort van lijster), m.; w i el e w a 1 e n. Wieling (draaikolk), v.; -1 in gen. Wier (zeegras), o.; gmv Wie rook, m.; gmv. Wig. Wigge (sptijthoul), v.; wiggen. Wijd (breed, ruim), bn. Wijde (Beulaker â: (gt;.), v. Wijde (Belter â: O.), v. Wijf (vrouwspersoon*!, o.; wijven. Wijk (vlucht, toevlucht), v.; wijken. Wijk (deel eenej' stud), v.: wijken. Wijl. wijle (poos), v.; wijlen. Wijl, wijle (sluier), v.; wijlen. Wijlen {overleden), bw. â uw vader. Wijn {druivensap), m.; wijnen. Wijs, wijze (manier), v.; wijzen. Wijs (verstandig), bn. en bw., wijzer; w ij s t, w ij s t e. Wijsgeer, m.; wijsgeer en. Wij ting [een schelvisch), m.; -en. Wijzer (van een uurwerk), m.; -s. Wik, wikke (peulvrucht), v.; -ken. Wik (één weegsel), v.; wikken. Wil. m.; wille tj e. Wild braad (gebraden wild),o.', gmv. Wilde (neger), in. en v.; wilden Wil deman, in.; -mans; -mannen. Wildernis (woestenij), v.; -nissen. Wilg (boom), m.; wilgen Wil lekeur (vrije wil; gril), v.; gmv. Wil lemsvaart (/itmaai; O.), v. Wim pel (smalle vaan), m.; -s. Wim per (ooghaartje), v.; wimpers. Wind (luchtstroom), m.\ winden. Wind (windhond), m.; winden. Wind as (werktuig), 0.; -assen. Winde (ivindas, katrol, tlomme- krachl), v.; winden. Winde (slingerplant), v.; winde n. Windel (lap, reep linnen), m.; -s. Wingerd (wijnstok), m.; -en, -s. Winkel (hoek; winkelhuis), m.; -s. Winket' (deurtje), o.; winketten. Win'schoterdiep (kanaal: Gr.), o. Winst (voordeel), v.; winsten. Winter (jaargetijde), m.; winters. Win zucht, v.; gmv. Wip, m. In of met een' â. G â wekkerâwip. Weg, |
WIPâZEDELOOS.
sr,
|
Wip (wipplank), v.; wippen. Wis (zeker), bn. en b\v. Wisch (vaatdoek: twijg),; wisschon. Wis'jewasje, wis'sewasje(te»rei;w/), Wiskunde, wiskunst, v.; gmv. [o. Wispeltu rig (grillig, veranderl.), bn. Wisse (M3), v.; wissen. Wissel (wisselbrief; spooi-werktidg), rn.; wissels. Wisselval lig (veranderlijk), bn. Wit (doel), o.; gmv. Woede (gramschap), v.; gmv. Woeker (onmatig gewin), m.; gmv. Woerd, woord, waard (mannetjeseend), m.; -e n. Woerd, waard (land), v.; -en. Woestenij' (woeste landstreek), v.; w o e s t e n ij e n. Woestijn' (zandvlakte), v.; -en. Wol (stof), v.; (soorten), wollen. Wolf (dier), m.; wolven. Wolfsklauw (plant), v.; gmv. Wol ga ( rivier: Rusland), v. Wolk, v.; wolken. Wond, wonde, v.; wonden. Woning, v.; -en; woninkje. |
Woon (woning), v.; gmv. Work (kikvorsch), m.; work en. Worm, wurm (dier), m.; wormen. Worp (het werpen), m.; worpen. Worst (vleeschwaar), v.; worsten. Wor tel (onderste deel der planten), m.; wortels, wortelen. Wortel (peen, roode moeswortel), m.; wortelen. Wouw (roofvogel), m.; wouwen. Wraak, wrake, v.; gmv. Wrak (gestrand schip), o,; -ken. Wrat (witwasje), v.; wratten. Wreed (onbarmhartig, ruw), bn., bw. Wreef (bovendeel van den voet), v.; w r e v e n. Wre'vel (misnoegdheid), m.; gmv. Wroeging {gcwclcnsknrnjing),':-en. Wrok (bittere haat), m.; gmv. Wrong (het wringen; haarband), v. Wron gel (gestremde melk),\.-, gmv. Wulf (gewelfde zoldering), o.; -ven. Wulp (vogel), m.; wulpen. Wulpsoh (dartel, speelsch), bn. Wurm, worm (dier), m.; -en. Wurm (stumper, sukkel), m.; -en. |
Y.
Yacht (snelzeilend schip), o.; -en. Yan'kee (spotnaam voor een' N. Yack, Vak {bulfel van Thibet), m.; -s. Amerikaan), m.; Yankees. Yam (plant, broodwortel), m.; -s. Yard (Engelsche el = 0.915 M.), Yang-tse-Ki'ang (rivier: China), m. rn.; yards.
Zio Jang-tse-Kiang.
z.
|
Zaad, o.; zaden. Zaag (werktuig), v.; zagen. Zaailing (zaaiplant), m.; -1 in gen. Zaailing (hennep), v.; gmv. Zaak, v.; zaken. Zaal (ruime kamer), v.; zalen. Zaal (zadel), o.; zalen. Zaan (dikke melk), v.; gmv. Zaan (rivier: N.-H.), v. Zacht (week, teer,niet luid), bn.cn b w. Zadel, rn. en o.; zadels. Zaïre, Congo (rivier: Afrika), v. Zak, rn.; z a k k e n. Zalf (smeersel), v.; zalven. Zalig (hoogst gelukkig; dronken), bn. |
Zaling (dwarshout aan den mast), v.; zal i n gen. Zalm (een visch), in.; (stofnaam), v. Zambesi (rivier: O. Afrika), v. Zamen (te), bw. Te â op reis. Zandkreek (water: /.), v. Zandwetering (beek: U. en O.), v. Zang (het zingen), m.; gmv. Zangrel (koor), m.; -reien. Zaterdag, m.; -dagen. Zavel (grof zand), o.; gmv. Ze'bra (Kaapsche ezel), m.; -'s. Zede (gewoonte), v.; zeden. Zedelijk (deugdzaam), bn. en bw. Zedeloos (slecht, bedorven), bn. |
quot; T
ZEDENKUNDEâZOOM.
|
Zedenkunde (moraal), v.; gr Zedenleer, v.; gmv. Zedenles, v.; -lessen. Zedenpreek, v,; -preeken. Zee, v.; zeeën; zeetje. Zeebeer (dier), m.; zeeberen. Zeef (werktnifj), v.; z eve n. Zeel (touw, trekband), o.; zeel en. Zeelt (een visch), v.; zeelten. Zeem(honiy; leerenlap),o.; zemen. Zeemen (van zeemleer), bn. â lapjes. Zeep, v.; zee pen. [oogen. Zeer (pijnlijk, ziekelijk), bn. Zeere Zeergeleerd (tilel), bn. Een â dokter. Zeevaart, v.; gmv. Zeever (speeksel), v.; gmv. Zefier', ze'fir (westenwindje), m.; zefie'ren, ze'firs. Zege (overwinning), v.; gmv. Zegeboog, m.; -bogen. Zegekrans, m.; -kransen. Zegekroon, v.; -kronen. Zegel (stempel), o.: zegels. Zegen (heil; zegening), m.; gmv. Zegen (vischnet), v.; zegens. Zegepraal, v.; -pralen. Zeil (zeildoek), o.; zeilen. Zeil steen (magneet als voorwerp), m.; -en; (stof), o.; gmv. Zeis (werktuig), v.; zeisen. Zeldzaam (buitengewoon), bn. en bw. Zelfkant (rand van een weefsel), m.; -kanten. Zeloot' (ijueraar), m.; zeloten. Zemelen (bolsters), meerv., v. Ze'nith (toppunt), o.; gmv. Zenuw, v.; zenuwen. Zerk (grafsteen), V.; zerken. Zeskant, o.; -kanten. Zesthalf' (oude munt = /'0.37''), in.; zes thai ven. Zet (duw; list: snedig gezegde), m.; zetten. Zetel (zitplaats), in.; zetels. Zeug (varken), v.; zeugen. Ze'venoog (.zweer of gezwel), V.; -en. Zicht (kleine zeis), v.; zie li ten. Zicht (vertoon), o.; gmv. Op â. Ziekte, v.; ziekten. Ziel, ziele, v.; zielen. Zier (kleinigheid), v.;gmv.; ziertje. Zift (zeef), v.; ziften. |
Zigeu ner (heiden), m.; -ners. Zig zag (geknikte lijn), m.; zigzags. Zijde, zij (kant; deel van het li-i chaam; zijden stof), v. Zij deiings I aan terzijde), bw. Iemand â aanzien. Zij'delingsch (niet rechtstreeksch), bn. Een âe blik. Zijl (waterloozing, sluis), v.; zijlen. Zij'nenthalve (ter wille van hem),hw. Doe bet â. Zij nentwege (van hem, voor hem), bw. 11; kom van â. Zijp (waterleiding), v.; zijpen. Zijpe (water: /.), v. Zilt (zoutachtig), bn. liet âe nat, d. i. de zee. Zil verling (oude Joodsche munt ± 7.j ets.), m.; -e n. l\n (vermogen; volzin; lust),m.: -nen. Zinking (ziekte, kou), v.; -en. Zinlijk, zinnelijk, bn. âe neigingen of driften. Zinloos (dom, zonder beteekenis), bn. Een â opstel. Zinneloos (suf, krankzinnig), bn. Een âze vrouw. Zit {het zitten), m,; gmv.; zitje. Zode (graszode), v.; zoden. Zode, zoo, zooi (kooksel), v.; zoden, zoo i e n. Zodiak' (dierenriem), m.; gmv. Zoen (verzoening; kus), in. Zoe'telaar (marketenter), m.; -s; (-ster), v.; -s. Zoetsappig (laf, vleiend), bn. Zolder, m.; zolders. Zoldering, v.; zolderingen. Zomer (jaargetijde), m.; zomers. Zomerdos, m. liet woud was in â. Zon, v.; zonnen. [deren. Zon dagskind {gelukskind), o.; -k in-Zonde (kwaad), v.; zonde n. Zon denbok (die van alles de schuld krijgt), m.; -bokken. Zond vloed (wereldvloed), m.; gmv. Zone {aardgordel), v.; zonen. Zooi, zoo (menigte), v.; zooitje. Zool (onderleder), v.; zolen. Zoölogie' (dierkunde), v.; gmv. Zoom (rand, boord), m.; / 0 0 m e n. Zoom (beekje: N.-B.), v. |
0*
ZOONâZWOORD.
R8
|
Zoon, m.; zoons, zonen. Zoor {dor, hard, stram), bn. Het zOOre zand, een zOOi e tak. Zorg, v.; zorgen. Zorgeloos {zonder zory), bn. en bw. Zorglijk {gevaarlijk), bn. Zots kap (zot, gek), m. en v.; -|ien. Zotternij' {dwaasheid), v.; -nijen. Zou'tevisch {ingezouten kabeljauw), v.; gmv. Zucht {uitademing), m.; zuchten. Zucht {ziekte; verlangen), v.; gmv. Zuidenwind, m.; -winden. Zulderdiep' (water: Z.-II.), o. Zuiderzee. v. Zuid-Holland {provincie), o. Zuidhollandsch, bn. De âo eilanden. Zuid'vliet {water: X.), m. Zuid-Wil lemsvaart {kanaal: L. en N.-B.), [zuigelingen. Zuigeling {jonggeborene), m. en v.; Zuiger {werktuig), m.; zuigers. Zuil {pilaar, pijler), v.: zuilen. Zuilengang, v.: -gangen. Zuivel [melk; boter of' kaas),o.] gmv. Zuivering (reiniging), v.; gmv. Zult {hoofdkaas), o.; gmv. Zuring {groente), v.; gmv. Zuster {een huisbak), v.; zusters. Zuurstof {bestanddeel der lucht), v.; gmv. Zwaai {hel zwaaien; werktuig), m. Zwaan {zwemvogel), m.; zwanen. Zwaard {wapen), o.; zwaarden. Zwabber {scheepsdweil), m.: -s. Zwachtel {windsel), m.; -s. Zwadder (spog van slangen; fig. lastering), m.; gmv. Zwade, zwad {eene snede gras of koren), v.; zwaden. Zwager (schoonbroer), m.; -s. |
Zwak (hebbelijkheid), o.; gmv. Zwakte {krachteloosheid), v.; -n. Zwalp (golf, gulp), m.; zwalpen. Zwaluw (trekvogel), v.; -luwen. Zwam {woekerplant), v.; -men. Zwanendrift (eenige zwanen bij elkaar), v.; -driften. Zwanenhals {hals van een' zwaan; s-vormige buis), in.; -halzen. Zwanezang {laatste gedicht of werk van een overleden dichter of toonkunstenaar), m.; -zangen. Zwang, m. In â, d. i. in gebruik. Zwartekunst (tooverij), v.; gmv. Zwarte-Water {rivier: O.), o. Zwavel {delfstof), v.; gmv. Zweem {schijn, gelijkenis), m.; gmv. Zweep, v.; zweep en. Zweer {gezwel), v.; z w ere n. Zwei {winkelhaak), v.; zweien. Zwendel, zwindel {bedriegerij), m.; gmv. Zwengel {arm eener pomp), m.; -s. Zwenk {het zwenken; draai), rn. Zwerk {drijvende wolken, hemel), o.; gmv. Zwerm {menigte), m.; zwermen. Zwermer (vuurwerk), m.-, -s. Zwe zerik, m.; zwe'zeriken. Zwier (bevalligheid; opschik), m.; gv. Zwijm (//rtidüie), v.;gmv. In â vallen. Zwijmel {bedwelming,roes), m.; gmv. Zwik (hel zwikken, versluiken), m.; gmv. Zwik (houten pin), m.; zwikken. Zwin (water: Z.), o. Zwingel (braakslok voor vlas), m.; -s. Zwitser (bewoner van Zwitserland), rn.: Zwitsers. Zwoel (warm, drukkend), bn. Zwoord (varkenshuid), o.; -en. |
OEHKLIKELUKE VEliKOKTlNGEN.
|
An = Anno, in liet jaar, ten j;\re. A. C. = Anno Christi, in het jaar van Christus, of na de geboorte van Christus. A. D. = Anno Domini, in het jaar onzes Heeren. a. h. w. = als het ware. al. = Alinea, nieuwe regel; lid van een wetsartikel. A. M. = Anno mundi, in het jaar der wereld. A. M. = Amica manu (op brieven of adressen), door of met de hand van een' vriend. A. P. = Amsterdamsch peil. Art. = Artikel. a. S. = aanslaande. B. L. = Benevole Lector, toegenegen of goedgunstige lezer. BI. of Blz. = bladzijde. bv. of bijv. = bijvoorbeeld. C = iOü, als Romeinsch getalmerk. C. a. = cum annexis, met het bijbehoorende, met den aankleve van dien. C. a. d. - c est-d-(lire, dit is te zeggen. Cap. of C. = caput, hoofdstuk. Cod. = codea', wetboek , handschrift, oorkonde. Coll. = coUatis, vergeleken of na vergelijking. Co. ofCotnpie = vennoot, vennooten. Cons. = consul. C. S. =suis, met de zijnen. D = 500, als Uorneinsch getalmerk. D. of Dr. = Doctor, titel van een gestudeerd persoon, inzonderheid van eenen geneesheer. Ds. = Dominus, heer; dominee (predikant.) D. C. = Da Capo (?iiiiziek/erm), van het begin af, |
Dat. â Datum, dagteekening; ook: uitgevaardigd, uitgegeven. D. M. = Decameter = roede of 10 Meter. d. d. - de dato, van of op den dag (der uitgifte.) Del. = Delineavit, hij heeft het ge-teekend (op kunstplaten.) d. 1. â dat is. Dl. = Doel, boekdeel. D. 0. M. =. Deo optimo rnaximn, (opschrift op keiken), aan den besten en hoogsten God. Do. = Dito, op dezelfde wijze, zooals gezegd is. D. s. = Del segno, van bet teeken af, (muziek.) d. w. Z. = dat wil zeggen. E. A. = Edelachtbaar. â Ed. = Edel. Ed. Gestr. = EdcUjestreni/. E. G A = Edelgroolachlbaar. e. d. g. = en dergelijke. e. k. = Eerstkomende. EE. MM. HH. = Edelmocjende Heeren. Em. = Eminentie (titel van een' Enz. = Kn zoo voort. [kardinaal.) Esq. = Esquire (achter den naam), Engelsche titel, Weled. lieer. Etc. = Et cetera, en zoo voort. Exc. = Excellentie (titel van een' Minister.) Ex. off. = E.v officio, ambtshalve. Extr. = Exlracliim, uittreksel, extract. F. = l'ac, factum, maak, gedaan. F. of Fee. = fecit, hij (of zij) hoeft het gemaakt. F. = fiat, liet geschiede, toegestaan. Fig. = ligmirlijk. Fl. of F. = llorins, guldens. F. of fol. of fü. = folium, folio, op het blad; of hot blad, i'' i | i |
FO. RO.-M. K.
90
|
Fo. Ro. â folio recto, op de rechter-of voorste zijde van een blad. Fo. Vo. = folio verso, op de omgekeerde of linkerbladzijde. F- = forto, sterk (in de muziek.) F. F. = fortissimo, zeer sterk (in de muziek.) Fr. = franco, vrij van briefport, vrachtvrij. Fr. (vóór cijfers) = frank = Fransclie en Belgische munt van f O.^S waarde. Gl. of Gld. â Gulden. G. M. of Glor. Mem. = Gloriosae Memoriae, roemrijker gedachtenis. H. D. = Hoogstde:elve, Ifoor/stiles-zelfs, Iloogstclerzelver, van een vorstelijk persoon. Ook: Hare -üoorliichtigheid, van een Hertogin. h. e. = Hoc est, dat is. H. E. Geb. = Hoogedelgeboren. H. E. Gestr. = Hoogedeigestrena. H. Geb. = Hooggeboi-pn. H. H. == Heeren. HH EE. GG. AA = Hunne Edel-grootachtbai'en. [den. HH. EE. MM. = II mme Edolmo^en- HH. KK. KK. HH. = Ui nine of Hare Keizerlijke of Koninklijke Hoogheden. HH. KK. MM. â Hunne of Hare Keizerlijke of Koninklijke Majesteiten. HH. MM. = Hunne of Hare Majesteiten. H. K. K. M. = Hare Keizerlijke of Koninklijke Majesteit. H. K. H. = Hare Keizerlijke of Koninklijke Hoogheid. H. K. M. = Hare Keizerlijke of Koninklijke Majesteit. H. M. = Hare Majesteit. H. M. = Hectometer, d. i. quot;100 Meter. H. R. R. = Heilige Roomsche rijk. H. S. = Do Heilige Schrift, ook wel; Handschrift. H. W. Geb. = Hoogwelgeboren. lb. of ibid. = ibidem, aldaar, op dezelfde plaats, op dezelfde bladzijde. ld. = idem, dezelfde of hetzelfde. j. 6. â id est, dat js. |
Imp. = Imperator, de keizer. I N. D. = In nomine Dei, of Domini, in don naam van God, of des Heeren. I. N. R. I. = Jesus Nazarenus Bex Judaeorum\ Jezus, deNazarener, koning der .loden. Inv. = invenit, (hij) heeft het uitgevonden. I. P. I. = in partibus infideHimi, in 't gebied of :t land der onge-loovigen (R. K. Bisschop.) It- = Item, insgelijks, evenzoo. J. C. = Jezus Christus. JHr. = Jonkheer. jl. = jongstleden. Jr. = Junior, de jongere. J U. D. = Juris ntriusqiie doctor, doctor of meester in de beide rechten. â Iz, = .Tanszoon , Jacobszoon , enz. K. of Kal. = kalender, de eerste ilag der maand; almanak. K. M. = Keizerlijke of Koninklijke Majesteit. K. M. = Kilometer, d. i. MijfoMOOO Meter. Kub. = Kubiek (teerling.) L = HO, als Romeinsch getalmerk. L. C. = Loco citato, op de aangehaalde plaats, of t. a. p. L. D. = Laus Deo, Gode zij lof. L. d'or = rf'o)1 (Fransch goudstuk ± /quot;0.60.) L. I. = IJngualalina.delMiinsche taal. I. I. = laatstleden. L, S. = Lectori sal litem, heil den lezer! L. st. = Livre sterling, pond sterling (Engelsch = f 12.00.) M = 1000, als Romeinsch getalmerk. M. = Magister (meester); ook Mijnheer, Monsieur. Med. Dr. = Medieinae Doctor, lloctor In de medicijnen; geneesheer. m. a. w. = met andere woorden. tn. g. = met gelukwensch. Mgr. = Monseigneur, titel van eenen bisschop, prins, enz, m. e. = mijns erachtens, |
1
M. 1.âV. V.
91
|
m. i. = mijns inziens. Mile. = Mademoiselle, mejullrouw. Mme. = Madame, mevrouw. Mr. = Monsieur, ook Meester in de rechten, advocaat. M. S. = Manuscriptum , handschrift. N. = Noord. N. B. = Nola bene, let wel. N. B. (in de aardrijkskunde) = Noorderbreedte. No. = Numero, nummer. N. S. = Naschrift. N. S. = Nieuwe stijl (in de tijdrekenkunde.) N. T. = Nieuw Testament. Nto. = Nel to. juist, zuiver. N. V. = het Nieuwe Verbond. 0. = Oost. O. a. = onder andere(n.) 0b. = Obiit, (hij of zij) Is over- 0. I. = Oost-Indië. [leden. 0. m. = onder meer. 0. M. -- Openbaar Ministerie. 0. S. = Oude Stijl (tijdrekenkunde.) 0. T. = Oud Testament. 0. V. = het Oude Verbond. O/q = percent, ten honderd. p. of pag. = pdgina, bladzijde. PQ. = primo, ten eerste; op den eersten dag der maand, p. a. = par ami of amie, door of met vriend of vriendin, p. a. : per adres. p. C. = par couvert, ingesloten, onder omslag. P. C. ook Pet.,percent = ten honderd, p. C. (op visitekaartjes = pour condoleance, rouwbeklag. P. D. = pro Deo = om Gods wil, om niet. p. e. = par exemple, per exertiplum, bij voorbeeld. p. f = pour f('.liciter -- om geluk te wenschen. Phil. Dr. = Philosophiae Doctor, Doctor of Meester in de wijsbegeerte. p. m. = Pro memoria, ter herinnering, om in gedachten te houden, p. o. = per order, op last van. p. p. C. = pour prendre congé, om iifspheji te pejnep, |
Prof. = professor, hoogleeraar. P. S. = postscriptum, naschrift. Ps. = psalm. q. q. = qualitate qua, in hoedanigheid van, als lasthebbende. qua = als, in de hoedanigheid van. R. C of R. K = Roomsch Katholiek. R. D. = lieverendus Dominus of rteverende Domine, eerwaardige heer. R. (. P = Requiescal in pace, hij of zij ruste in vrede. Ree. = Recensent, beoordeelaar (van boeken.) Red. = Redacteur, opsteller, leider van een dagblad of tijdschrift. S. = Senatus, Senaat. S. = Signa, signetur, teeken, merk. S. = Solo (muziek: zang voor één persoon.) S. of St. of Set. = Sint, Saint, Sa net = heilige. Sc. of Sculps. = Sculpnit, hij heeft het gegraveerd. S. D. G. -- Soli Deo gloria, aan God alleen de eer. Sen. of Sr. = Senior, de oudste. S. T. (ook S.S. T.T.) = salvo titulo, met voorbehoud des (of der) titels. S. v. p, = s'il votts plait, als het u belieft. t. a. p. = ter aangehaalder plaats. t. a t. = tout d loi, geheel de uwe. Th. Dr. = Theologiae Doctor â Doctor in de godgeleerdheid. Tit. = Ti tuin s, titel. Tom. = Tomus, een deel of band van een boekwerk. T. S. v. p. (onder een geschreven bladzijde) = Tournez, s'il vous plait, keer om, als 't u belieft. t. t. (onder brieven) = totus (mms, geheel de uwe, uw ware vriend. uit. = ultimo, op den laatsten dag (der maand.) U. s. = ut supra, als boven. V = 5, als Homeinsch getalmerk. V. M. (in almanakken) = volle maan. vid. of v. = vide of videa'lur! zie, men zie, men sla op. V. V. = vice versa, heen en terug; in omgekeerde richting. |
I
voc,-
02
|
Voc. = VOCf artikel. Vol. = volimien, ei'ii Imiifl, of een deel van een werk. Vs. = vers. W. = West. W. I. r= Wesl-Indic. X = 10, als Romeinsch getalmeik. Z. = Zuid. Z. D. = Zijne Doorluchtigheid. I. D. H. = Zijne Doorluchtige Hoogheid. 1. Ed. = Zijn Edele. 1. Eerw. = Zijn Eerwaarde (titel van een' geestelijke.) Z. Em. = Zijne Eminentie (titel van een kardinaal.) op het woord of |
Z. Exc. = Zijne Excellentie (titel van eenen minister, en/,.). Z H. = Zijne Hoogheid (titel van een' prins.) Z. H. â Zijne Heiligheid (titel van den paus.) 2.H E G. = Zijn Hoogedelgestrenge (titel van een' hoofdambtenaar.) z. i. = zijns inziens. Z. K. H. Zij)ie Keizerlijke of Kon in li lij lie Hoog heid. Z. K. M. == Zijne Keizerlijke lt;)/ Ko ninkl ij k e Mdj est ei t. Z M --- Zijne Majesteit. Z. 0. = Zuidoost. z 0. z. = /.ie ommezij. Z. W. = Zuidwest. |
E 1-: NI G E T I T E L S.
|
Mijnheer, Weledele lieer: Weledelgeboren Heer: Weledelgestrenge Heer: Eerwaarde I leer: Weleerwaarde Heer: Weleerwaarde Zeergeleerde Heer: Zeereerwaarde Heer; Hoogeerwaarde Heer: Weledel Zeergeleerde Heer: Hoogwelgeboren Heer: Hooggeboren lieer: Freule: Hoogwelgeboren Vrouwe: Hooggeboren Vrouwe: Hoogedelgestrenge Heer: Monseigneur: Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid: Edelachtbare Heer: Edelgrootachtbare Heer: Edelmogende Heer: Excellentie: Hare Koninklijke Hoogheid: Hare Majesteit: |
Personen uit den middelstand. Aanzienlijke personen uit den middelstand. Oflicier, advocaat, notaris, referendaris, schoolopziener enz. Geestelijke bi oederof geestelijke van minderen rang. Kapelaan, rector, enz.; ook een predikant (dominee, rabbijn). Geestelijke, die tevens doctor is. li. K. Pastoor of hoofd eener parochie. K. K. Deken; secretaris van den bisschop. Ken gestudeerd persoon met doctors- liaron of Jonkheer. titel. Graaf. Jonkvrouw. Barones. Gravin. [ningin. Hoofdofficier, Commissaris der Ko-liissehop. Kanunnik. ( Deze titel dient meest als aanspreking). liisscliop. | Burgemeester. Lid van den gemeenteraad, of een l id van een rechtbank of van de provinciale staten. I.id iler Staten-Generaal. Minister of Generaal. Prinses. Koningin. |
k
A A N H A N G S K I..
WEU KWOOHIJKN.
I. ALP11AIÃETISCIIE LUST VAN WERKWOORUKN, DIE OM UETEEKEMS OF SPELLING DE AANDACHT VERDIENEN.
|
Aan'schenden, aanschennen) aanranden , smaden, lasteren). Aan'spOren (aanzet 16)1). Aantijgen (beschuldigen). A bonnee'ren (i n tee hen en). Advisee'ren (raad of advies geven). Afdeinzen (aftrekken, heengaan). A ITrontee'ren (beleedigen). Afweren (beletten , tegenhouden). Amusee'ren (vermaken). Arrestee'ren (gevangen nemen). Assuree'ren (verzekeren). Avontu'ren (wagen). Balancee'ren (in evenwicht houden). üedee'len (ieder zijn deel geven). Beëe'digen (den eed (laten) zweren). IJegee'ren (verlangen). Behee'ren (besturen). ISeiden (wachten). Beje'genen (ontmoeten, behandelen). Bekee'ren (lot beter inzicht brengen). Beklij'ven (vastgroeien, duurzaam u'orden). Beko'ren (betooveren, aanlokken). Bekren'nen [zich](i!c/i bekommeren). Bela'gen (belasteren). Belee'digen (hoonen, kwetsen). Beloo'nen (loon geven). Belo'vcn (toezeggen). Bena'deelen (schade toebrengen). Beoo'gen (bedoelen). Bera'men (onhverpen). Bera'pen (bepleisteren). Berechten (bedienen). Een' zieke â. lierei'den (gereed maken). |
Bescheren (toebedeelen). Beteekenen (beduiden). Beteren (beter maken of worden). Reticliten (beschuldigen). tietOOf^en (bewijzen). lietOOmen (breidelen). Heven (trillen). Bezol'digen (betalen als wedde). Bewe'gen (in beweging brengen). Bewe'ren (staande houden). Hezeeien (pijn doen). lileeken. Het waschgoed â, Tüind'doeken (misleiden, beduiten). lilOOten (vellen scheren). Blozen (een blos krijgen). BUisschen (uitdooven). lioetsee'ren (in klei of was nabootsen). Bogen (groot gaan op). Boksen (met de vuist vechten). Boren (met eene boor werken). Bottelen (op flesschen aftappen). Brallen (schetteren, pochen). Biand'schatten (oorlogscijns opleggen). [pen). Brassen (de zeilen verhangen; slem-Breidelen (intoomen). ' Brieschcn. Een leeuw, een paard kan â. Biijzelcn (fijn maken, kruimelen). Bruisen (schuimen). Cachetee'ren (verzegelen). ('atechisee'ren {godsdienst leeren). : Circnlee'ren (rondgaan). j Collectee'ren (gelden inzamelen). i Colpoj-tee'ren (boeken venten), |
CONCURliEERENâINRAKELEN.
94
|
Concurree'ren (mededingen). Condolee'ren (rouwbeklag doen). Conferee'ren (vergelijken, beraadslagen). [houden). Correspondee'ren (briefwisseling Coiipee'ren (afsnijden). Creditee'ren (borgen, boeken). Dagvaarden (voor 'tgerecht dagen). Datee'ren (dagleekenen). Debattee'ren (beraadslagen). Dsbitee'i-en (veilen , verkoof en). Decidee'ren (beslissen). Declamee'ren (verzen voordragen). Declaree'ren (verklaren). Declinee'ren (een woord verbuigen; vernederen). Decoree'ren (opsieren, eene ridderorde schenken). Decretee'ren (afkondigen). Deelen (in stukken splitsen). Deesemen (met zuurdeeg mengen). Degradee'ren (in rang verlagen). Deinzen (achteruitwijken). Dejeunee'ren (ontbijten). Deren (hinderen). Desertee'ren (uit den dienst hopen). Dietee'ren (voor'zeg gen). Dinee'ren (middagmalen). Diplomee'ren (eene akte geven). Dolen (dwalen). Dooden. Een dier â. Doopen. Een kind â. Dooven. liet vuur â. Dossen (fraai kleed en). Dreigen. Met woorden â. Drogen. Nat hout â. DrOOmen. In zijn' slaap â. Druischen (met geraas bewegen). Dwèpen. Met iemands kunst â. Keren (eer bewijzen). Evena'ren (gelijken, overeenkomen). Excusee'ren (verontschuldigen). Expediee'ren (verzenden). Explicee'ren (uitleggen). Falen {ontbreken, feilen). Feilen (dwalen). Felicitee'ren (gelukwenschen). Fleemen (vleien). , Flonkeren (schitteren). Fnuiken (machteloos maken). |
Folteren (martelen). Fonkelen (schitteren). Formee'ren (scheppen, vormen). Frankee'ren (vrachtvrij maken). Fronsen (rimpels trekken). Gaderen (verzamelen). Galoppee'ren (draven). Garandee'ren (waarborgen). Garen. Zie Gaderen. GedOOgen (dulden). Geeren (schuin loopen). Geeselen (met roeden slaan). Geleiden (vergezellen). GelOOven (voor waar houden). Goneeren') (storen, hinderen). Gene'ren (voeden, onderhouden). Gijzelen (iem. voor schuld gevangen doen zetten). Gispen (afkeuren, laken). Gloren (blinken, stralen). Goochelen (goochelkunstjes doen). Grenzen (palen aan). Grijnen (zacht schreien). Grimlachen (bitter lachen). Hantee'ren (behandelen). De wapens â. Has'pelen (lig. in de war sturen). Ileelen (genezen). Hijgen (zwaaiâ ademen). Hijschen (optrekken). Hin niken. Een paard kan â. Hoonen (beleedigen). Hoopen (opstapelen). [pen). Hoo'zen (water uit eene boot schep-r Hopen (verwachten). Huichelen (veinzen). l.lken (een merk geven). IJlen (spoeden. snellen). IJlen (verward spreken bij koorts). lllnminee'ren (feestelijk verlichten). Hlustree'ren (opsieren met plaat-iverk). [ken). Iinprovisee'ren (voor de vuist spre-InAngenidagnaardenvoor'l gerecht). Informee'ren (inlichting vragen). In'keeren (berouw gevoelen). In'kwartieren (bij burgers in huis leggen). In'lasSChen (invoegen). Inrakelen, inrekenen. Het vuurâ, |
') Locs met de Fransche g, als jn; genie, horloge, epz.
ISSPECTEERENâPEILEN.
|
Inspectee'ren {nazien, onderzoeken). Installee'ren(m een ambt bevestigen'). Jolen {pret maken). .Tuilen (joelen, tieren). Kaaiden {wol kammen). Kaatsen {het kaatsspel spelen). Kaken {inzouten van haring). Kalfa'teren, kalefa'teren {een schip repareeren). Kamen {beschimmelen, bv. van hier). Kampee'ren {legeren). Kasllj'den {tuchtigen). Keilen {scheren, doen vliegen). Kenteren {draaien, wenden). Keren {met den bezem vegen). Kiel'halen {onder de kiel doorhalen). KieS'kauwen {zonder lust eten). Kijven {twisten , krak eel en). Kleinzen {doen doorzijgen). Kleven {plakken, doen hechten). Klieven {splijten). KlOOven {doorhakken). Hout â . Kluiven {afpluizen). Keu beentjeâ. Klutsen {kloppen). Kneden {dooreenwerken; bv. deeg). KnOOpen. Een jas dichtâ. Ken net â. Knutselen {benzelen). Koekeloe'ren {kijken, uitzien). Koken. Het water â. Konfij'ten {inleggen in suiker). KOOpen. Een paard â. KOOzen {streelen, vleien). Kort'wieken {de vleugels korten). Krijschen {gillend schreeuwen). Kronen {de kroon opzetten). Kruiden {met specerij mengen). Kruien {met een' kruiwagen vervoeren). Kruisen {een kruis maken), enz. Kruisigen {aan hel kruis slaan). Kuischen {reinigen). Kwanselen {verruilen, negotie doen). Kweeken {aanplanten, verzorgen, opleiden). Kweelen {Hef zingen). Kwetsen {verwonden). Kwijnen {uitteren, verwelken). Kwijten {voldoen). Lardee'ren {piet spek doorschieten). LasSChen {samenvoegen). l.avee'ren {tegen den wind zeilen). J.eene» (ter leen geven of ontvangen). |
| I.eeien {kennis opnemen of aanbrengen). ! Leiden {doen gaan). \ Leken {vloeien, lekken). Lenen (leunen, steunen). Lenigen {verzachten). I.esSOhen (den dorst stillen; kalk blusschen). Leveren {verschaffen). Liefkoozen {streelen). Lijden {dulden, doorstaan). l.ogee'ren {herbergen, verblijven). Loochenen {ontkennen). Loodsen {een schip in of uit de haven brengen). Loogen (in loog of zoutnat zetten). T.OOnen {vergelden). Loten (een lot trekken). Loven (prijzen). Luiden, Inien. De klok â. Magnetisee'ren (magnetisch maken). Manen (tot betaling aansporen). Mangelen (linnengoed glad maken). Mangelen (ontbreken), liet mangelt. Marren {talmen, loeven). Martelen (folteren). Mazen (breiwerk herstellen). Meenen (den dunk hebben). Meren (een schip vastleggen). Mijden (ontwijken). Mijmeren (peinzen). Misdrij'ven (kwaad doen). Misha'gen (niet behagen). Misken'nen {niet waardeeren), Morsen {vuil maken). Muiten (oproer maken). Naken {naderen). Nijpen (knijpen). NÃoden (nitnoodigen). Omheinen (door eene schutting omgeven). Ontveinzen (verbergen, niet zeggen). Ontvreemden (stelen). Ontweien (het dierlijk ingewand verwijderen). On'weeren (bliksemen). [ken). Oordeelen {eene meening uitspre-Op'viiz.elen (overdreven prijzen). Overlj'len [zich] (te veel haasten). Overmo'gen {overwinnen). Paaien (tevreden stellen). Peilen (de diepte vielen), |
PEINZENâSTOOTEN.
06
|
Peinzen (nudenken). Pensionnee'ren (op pensioen stellen). Permittee'ren (veroorloven). lJh otographee 'ren (o/'beelden). Plavei'en (bestraten). Plegen (begaan, gewoon zijn). Pleisteren (met gipskalk bestrijken). Pleisteren (in eene herberg aanleg-Pleiten (spreken voor). \gen). Pogen (trachten). Poozen (rusten). Portrettee'ren (afbeelden). Poten (planten). Praaien (een schip op zee aanroepen). Prachen (vleiend, dringend verzoe-Preeken (prediken). [ken). Presentee'ren (aanbieden, toonen). Presides'ren (voorzitten). Prevelen (met de lippen /luisteren). Prijken (pronken, pralen). Procedee'ren (een geding voeren). Profetee'ren (voorzeggen). Profitee'ren (voordeel hebben). Rammei'en (beuken met den ram). Recensee'ren (beoordeelcn). Hecitee'ren (voordragen). Recommandee'ren (aanbevelen). Kegee'ren (besturen). Reien (dansen, in koor zingen). Reiken (aanreiken, uitstrekken). Reinigen (zuiveren). Reizen (per spoor of boot gaan). Repetee'ren (herhalen). Residee'ren (verblijf houden). Re'volen (onzin praten). Reven (de zeilen plooien). Rijfelen (dobbelen). Rijgen. Kralen â, schoenen â. Rijzen (stijgen). Rin'gelooren (plagen, tergen). Rooken (dampen, smoken). KOOinen (den room afscheppen). liOGven (stelen). Rui'lebuiten (ruilen, schacheren). Ruïnee'ren (te gronde richten). RuiSChen (een zacht geluid maken). Salariee'ren (bezoldigen). Samenrotten (samenscholen). Samenstellen (maken, in elkaar zetten). [den). \ Samenzweren (zich bij cede verbin-Schaflen (opleveren), |
Schaften (opdisschen). SchaVee' fen(a fiv isselenvan kleu ren). Schelen (verschillen). Schoften (rusten van werklieden). Schoorvoeten (talmen, aarzelen). Schoren (stutten, steunen). Schorsen (uitstellen, tijdelijk van een ambt ontzetten). Schragen (steunen, stutten). Schrijnen (7 gloeien eener wonde). Schrokken (op gulzige ivjze eten). SchrOken (zengen). Schromen (duchten, vreezen). Schuren (glad, blank wrijven). Seinen (een sein of teeken geven). Sijpelen (doorlekken). Sijfelen (blazen van stangen). Slabak'ken , slaphak'ken (lui loopen). Slachten (gelijken in aard). Slagen (gelukken). Sleepen (voortsleuren). Slepen (gesleept worden). Slinken (minderen in omvang). SlOOpen (afbreken). Een schip â. Sloven (zwoegen). Slniken (smokkelen). Smachten (hevig begeeren). Smaden (beleedigen, hoonen). Smalen (beschimpen, afgeven op). Smeeken (biddend vragen). Smeren (met smeer bestrijken). Smoken (zwaar rooken). Smoren (stikken, verstikken). Snauwen (bits antwoorden of spreken). Snerpen (branden, pijn doen). Sneven (vallen, sneuvelen). Soliicitee'ren (dingen naar). Soupee'ren ('t avondmaal gebruik S\)a'\eme\en(zich vermaken). [/,â¢Â«Â»). Spenen [zich] (zich onthouden). Spreiden (uiteenleggen). Staven (met bewijzen bevestigen). Steigeren. Een paard kan â. Stenen, steunen (zuchten). Stichten (vesten, grondvesten). Stollee'ren (meubelen, opschikken). Stollen (pochen, roemen; ontdoen van stof). Stoken (het vuur onderhouden). StOOmen (dampen,onder stoom zijn), StOOten (duiven). |
;âVERVEN.
07
RTORF.K-
|
Storen (hinderen). Stoven (zacht koken). Streelen (aaien, liefkoozen). Streven (trachten, pogen). StrOOpen (rooven, stelen; van tie huid ontdoen). Stuiten (tegenhouden). Snbsidiee'ren (geldelijk steunen). Supplee'ren (bijpassen, aanvullen). Talmen (dralen, aarzelen). Tanen (verbleeken, den glans verliezen). Tarten (tergen, uitdagen). Teisteren (beschadigen, benadeelen). Telegraphee'ren, telegrafee'ren. Telephonee'ren, telefonee'ren. Temen (zalvend spreken). Teren (met leer bestrijken). Teren (verteren, goede sier maken). Toeven (wachten, verblijven). Toewijden (opdragen, heiligen). Toornen (beteugelen, bedwingen). Toonen (laten zien, aanduiden). Tooveren (tooverj plegen). Torsen (zwaar dragen). Transpiree'ren (zweetén). Troeven (eene troef opleggen, lig. iemand snedig antwoorden). Troggelen (met list afbedelen). Tronen (ten troon zitten). TrOOnen {meelokken). Trotsee'ren (onder de oog en zien, braveeren). Tuien (een schip vastleggen). Twijfelen (besluiteloos zijn). Twijnen (touiv of' garen dubbelen). Uit'breiden (vergrooten). Uit'dagen (oproepen tot een tweegevecht). Uit'deelen (verdeden onder velen). Uit'noodigen (verzoeken). Uit'vorschen (diep nasporen). Uit'wasemen (vocht uitdampen). Vegen (schoonvegen). Veilen (te koop aanbieden). Veinzen (huichelen). Velen (verdragen). Ik kan dat nietâ. Verbei'den (verwachten). Verbeu'ren (verliezen). Verbie'den (ontzeggen). Verbloe'men (vergoelijken). Verbrei'den (bekend maken). |
Verbrij'zelen (stuk slaan). Verbrod'delen (verknoeien). Verbrui'en (bederven). Verda'gen {uitstellen; vroolijk zijn). Verdedigen (afweren, verweren). Verdeelen (in deelen splitsen). Verdel'gen (vernielen). Verderven (ongelukkig maken). Verdu'ren (verdragen, verteren). Vereischen (vergen). Vere'venen (vereffenen). Verllauwen (minder sterk worden). Verfoeien (diep verachten). Vergallen (verbitteren, bederven). Vergoelijken (een' schoonen schijn geven). Vergruizen (tot gruis maken). Verguizen (smaden, met hoon bejegenen). Verhelen {verbergen). Verkeeren {anders keer en; omgang hebben). Verken'nen (in stilte onderzoeken). Verkwan'selen (verspiHen). Verle digen (zich bezighouden met). Verlee'uen (schenken , doen krijgen). Verlei'den (van den goeden weg afvoeren). Verlei'en (met een leen begiftigen). Verloochenen (ontkennen, afvallen). Vermelden, vermeien [zicli] (zich ontspannen of verlustigen). Vermeten [zich | (zich verstouten). Vermo'gen (bij machte zijn). Vermor zelen (vergruizen). Vermur'wen (het hart verteederen). Veronacht'zamen (verwaarloozen). Veroorloven {toestaan, permit- teeren). Verpanden (in pand geven). Verra'don (trouweloos handelen; uitbrengen). Versa'gen (bevreesd worden). Verscheiden (sterven, overlijden). VerscliOOnen (schoon maken: ver- ontschuldigen). Versteken (verbergen). Verstijven (stram worden). Verteederen (gevoelig stemmen). Verteren (verbruiken). Vertoonen {laten zien). Verven (met verf bestrijken). |
VERVEHSCHENâZWIJMELEN.
98
|
Verver'schen (versch maken). Vervreemden {vreemd maken, worden). Verwaarloozen {veronachtzamen). Verwee'ren {door 'I weer bedorven worden). Verwe'ren [zich] {zich verdedigen). Verwijden {wijd, ruim maken). Verwijlen {vertoeven). Verwijten {len laste lef)gen). Verwittigen {doen weten, bekend maken). Verzaken {verloochenen, afvallen). Verzinnen {uitdenken). Vijlen {met de vijl bewerken). Vitten {haarklooven, berispen). Vlassen {belust zijn op). Vleien {naar den mond praten). Vlijen {rangschikken, ordelijk leg-gen). Vlijmen {doorsnijden, grieven). Vonkelen {vonken uitstralen). Vorschen {onderzoek doen). Vreezen {bang zijn voor). Vrij'waren {behoeden). Waar'rnerken {van een merkteeken voorzien). Waar'nemen {opmerken). Waar'schuwen {vermanen, kennis geven). Waar'zeggen {voorspellen). Waggelen {wankelen). Waren {ronddolen). Wa'terpassen {waterpas maken, de hoogte van een terrein bepalen). Wattee'ren {met watten opvullen). Weeken {zacht maken). Weenen (schreien). Webscheren [zicli](zic/i wegpakken). Weifelen {aarzelen). Weigeren {niet toestaan). |
Wemelen {door elkaar bewegen, krioelen). Weren (verdedigen). Wetten (scherpen, snijdend maken). WierOOken^in wierookdamp hullen). Wijden {heiligen, inzegenen). Wijken (ter zijde gaan). Wijten {ten laste leggen). Wijzigen {veranderen). Wikken {overwegen). Wisschen {uitvegen). Wonen {verblijf houden). VVrenschen (hinniken). Wrijten {twisten). Wrikken {doen wiggelen). Wringen {persen, uitwringen). Wuiven {toezwaaien). Zamelen {vergaderen). Zaniken {zeuren). Zegenen (den zegen geven). Ze'gepralen {de overwinning vieren). Zegevieren (zegepralen). Zeilen {onder zeil gaan of zijn). Zeulen (yoortsleepen). Ziel'tOgen {stervende zijn). Zijgen (filtreeven). Zijgen {in onmacht vallen). Zinnen {peinzen, overdenken). Zinspelen (op iets doelen). Zoogen (doen zuigen). Zoomen {omboorden). Zwalken {ronddolen op zee). Zwalpen {golven). Zweemeu {gelijken op, overeenkomen). Zweepen (met de ziveep aandrijven). Zweeten (uitwasemen). Zwelen {het hooi b j eenhar ken).-Zwelgen {gulzig inslokken). Zwetsen {pochen). Zwijmelen {duizelig worden). |
|
IL ALPHABETISCH LIJSTJE VAN DE HOOFDVORMEN VAN EENIGE STERKE EN ZWAKKE WERKWOORDEN. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
100 DWARSDRIJVENâKOMEN. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
101
Sc
|
koopenâscheiden. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
koenen , Zakwoordenboekje. |
1
102
|
schendenâvlieten. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
403
|
VONNISSENâZWIJMEN. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
ACHILLESâVULCANUS.
104
BENAMINGEN UIT DE FABELLEER EN DE OUDHEID.
|
Achü'les (de snelvoetige â), de dapperste der Grieken voor Troje. Aescula'pius, Esculaap', god der yenees-kunde. Agamem'non, met Menelaüs, zijri broeder, de aanvoerder der Grieken voor Troje. Agla'ia, de jongste der drie Gratiën. A'mor, zie Cupido. Apol'lo (zoon van Jupiter), god van zang en snarenspel, herdersgod, zonnegod. Auro'ra, de rozenvingerige godin des dager aads. Bac'chus, de god van den wijn. Bello'na, godin van den oorlog, zuster van Mars. Calli'ope, muze van 't heldendicht. Cer'berus, de driekoppige helhond, bewaker van 't Elysium. Ce'res, de godin van bloemen en kruiden, koren en brood. Cha'ron, de veerman in de onderwereld, aan den Styx. Cli'o, muze der geschiedenis. Cu'pido (Amor), god der liefde, zoon van Venus. Hij draagt boog en pijl, Cyclo'pen, eenoogige reuzen der onderwereld. Dia'na, godin der jacht, der maan en van den nacht. Ely'sium, de Elizeesche velden, verblijf der gelukzaligen. E'rato, muze van het minnedicht. Euter'pe, muze der lierpoëzie. Fa'ma, godin van het gerucht (de Faam). Flo'ra, godin der bloemen en der lente. Fortu'na, godin van 't geluk. Fu'riën, de drie wraakgodinnen. Ganyme'des, de schenker van de goden. Gra'tiën, de drie god i nnen der beval l igheid. (Euphrosine, Thalia, Agla'ia). Harpij'en, kwelgeesten met vleugels en klauwen van gieren. He'be, godin der jeugd en sch enkster der goden. liec'tor, de dapperste der Trojanen. Her'cules, de nationale held der oude Grieken. Homerus, de grootste Gr. heldendichter. Vns,bodin der goden; de regenboog is haar brug. Ju'no, gemalin van Jupiter; de pauw is haar gewijd. Ju'piter, opperste der goden, de algoede en almachtige; hij beschikt over donder en bliksem en andere verschijnselen] de arend is hem gewijd', deze draagt de bliksems in zijn' klauw. |
Mars (.Mavors), god des oorlogs, de schutsgod van 't Homeinsche volk. Maart was hem gewijd. Medu'sa, gevleugeld monster met slangen-hoof d en ijzeren klauwen; al, wat leeft, verstijft op haren aanblik. Melpo'mene, muze van het treurspel. Mercu'rius, god van den handel en de reizigers. Miner'va, godin der wijsheid en kennis, der dapperheid en kracht. Mi'nos, rechter in de onderwereld. Mor'pheus, de god des slaaps en van de droomen. Mu'zen, godinnen van kunsten emveten-schappen: negen in getal. Ne'mesis, de godin der gerechtigheid. Neptu'nus, god der zeeën of oceanen. Nes'tor, de oudste en wijste der Grieksche vorsten voor Troje. NIm'fen, gesluierde meisjes, godinnen van lag eren rang', zee-, rivier-, bron-, berg-, dal-, boomnimfen. Ora'kel, godspraak {tempel), als teDodona (Jupiter), te Delphi (Apollo). Pan, de schrikaanjagende veld-en boschgod, met horens en bokspooten. (Paniek). Plu'to, god van de onderwereld, gever van rijkdommen. Polyhym'nia, muze der hymnen {lofzangen). Pomo'na, godin der boomvruchten. Sa'ter, boschgod. Solon, wetgever der Atheners. (± 640â 559 v. C.). Styx, rivier, die de onderwereld negenmaal omvloeit. Tar'tarus, afgrond onder de aarde, verblijf der onzaligen. Terpsi'chore, m uze van de reien en koren. Thali'a, muze van '£ blijspel en 't herdersdicht. The'mis, tweede gemalin van Jupiter; bij Homerus de godin van recht en billijkheid. Zij wordt voorgesteld (b.v.in rechtszalen) met blinddoek, weegschaal et. zwaard. Ura'nia, muze der sterrenkunde. Ve'nus, godin der schoonheid. Ves'ta, godin van den huiselijken haard. Vulca'nus, Vulcaan', god van 't vuur et van de smeden. |
b
-N, -â
^_ ____
-
b
-N, -â
^_ ____
-