ft. Wm
'i-v' ;⢠â
..â SV
f
I,
tw
|s :
⢠SSfö? â Ãm
if S w J*.
Goedkoope Landboüwbibliotheek.
Het Mestvee.
Ksuzs, verpleging en voeding van rundvee, dat gemest zal worden.
DOOR
ïlaa.3?,
£semt aan de $ijks- tyfmterlandbimwschool te (goes.
T
IL
«Het Varken. Pokken en mestenquot;. Squot;1* druk.
«Het Melkvee. Keuze, verpleging en voedingquot;.
»Het Hoen. Eierproductie, fokken en mestenquot;
»Het Mestvee. Keuze, verpleging en voedingquot;.
«Het Konijn. Fokken en mestenquot;.
«Het Kalf. Keuze, verpleging en voeding van fokkal verenquot;.
«Eenden, ganzen en kalkoenenquot;.
«Bijenteeltquot;.
«De Groententuin'quot;.
»De Vruchtboomen op de boerderijquot;.
I O
I. Q
Prijs per nummer 25 cent, franco per post na ontvangst v»n 30 cent. Bij iederen boekhandelaar te bekomen of te bestellen. Voor landbouwvereenigingen en scholen is de prijs (mits bij den uitgever besteld) :25ex. /quot;5,â; 40ei. f7,â; 60ex.f9,~; 400 ex. f 13,â; 200 ex. /'20,â.
B
GOES.
A. A. W. BOLLAND. 1896.
ORUK â WED S 4 DC iON Q t - V E R WESTâOvï t
N».
N'.
N'.
N'.
N'.
Nquot;.
N'.
A'°.
N'. A'°. lt;0.
F. EOIE Ci, GOES.
EENIG FABRIKANT VAN
»001 Hootnvee.S
# ⦠* ⦠'' ^ 7;
f it krachtvöeder bevat evenveel eiwit en vet als puike lijnkoek, doch is veel goedkooper dan deze.
Het is een uitstekend voeder voor melkvee. Volgens attesten van verbruikers steeg het vetgehalte der melk bij gebruik van dit krachtvoeder belangrijk.
Het is dus vooral aan te bevelen voor veehouders, die hun melk naar een boterfabriek brengen en ze naar vetgehalte betaald krijgen.
Het Universeel Krachtvoeder voor Hoornvee wordt geleverd bij minstens 100 Kilo in geplombeerde en gewaarmerkte balen van 50 Kilo. bruto voor netto.
Men neme de proef! Prijscouranten, handleidingen voor het gebruik en attesten van verbruikers zijn op franco aanvrage kosteloos verkrijgbaar bij P. KOLE Cz. te Goes.
Solide Agenten gevraagd.
M e s t v e e.
Keuze, verpleging en voeding van rundvee, dat gemest zal worden,
DOOR
Jkm Jk* ter Kaar,,
Het
Leer aar aan de (kijks^Winter landbouwschool te Goes.
G O E s.
,.:
P, HOLE Os, GOB.
EENIG FABRIKANT VAN
Universeel Krachtvoeiler voor Hoornvee,
* * * *
it krachtvoeder bevat evenveel eiwit en vet als puike lijnkoek, doch is veel goedkooper dan deze.
Het is een uitstekend voeder voor melkvee. Volgens attesten van verbruikers steeg het vetgehalte der melk bij gebruik van dit krachtvoeder belangrijk.
Het is dus vooral aan te bevelen voor veehouders, die hun melk naar een boterfabriek brengen en ze naar vetgehalte betaald krijgen.
Het Universeel Krachtvoeder voor Hoornvee wordt geleverd bij minstens 100 Kilo in geplombeerde en gewaarmerkte balen van 50 Kilo. bruto voor netto.
Men neme de proef! Prijscouranten, handleidingen voor het gebruik en attesten van verbruikers zijn op franco aanvrage kosteloos verkrijgbaar bij P. KOLE Cz. te Goes.
Solide Agenten gevraagd.
Het Mestvee.
Keuze, verpleging en voeding van rundvee, dat gemest zal worden.
DOOK
A., t.e.3? Haar,,
Leer aar aan de (Rijks-Winter landbouwschool te Goes.
O O E S.
A. A. W. I? 0 L L A N D. 1896.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
_
2135 2590
â
1. Keuze van mestvee.
In den regel wordt in ons vaderland slechts vee van eigen teelt gemest. Daar men nu meestal melkvee fokt, zullen slechts de min goede of do overtollige kalveren, de gesneden stieren en oude melkkoeien gemest worden. Men zal de mest-dieren dus niet kunnen kiezen.
In sommige streken echter legt men zich meer op de mesterij dan op de tnelkerij toe en gaat men er één- of meermalen in :t jaar op uit om vee te koopen, dat de vetweiden of de meststallen moet bevolken. In dit geval zal men de dieren wel degelijk kunnen kiezen.
Het is dan ook voornamelijk voor die lezers, welke meer of minder mager mestvee koopen, dat wij hier de eischen, aan een mestdier te stellen, opnoemen. In sommige streken van ons werelddeel, waar men slechts mestvee fokt, werkt men evengoed in een bepaalde richting en houdt men daarbij rekening met de aan een mestdier te stellen eischen als de meer ontwikkelde onzer veehouders dit doen, waar het melkvee geldt. Vandaar, dat men in die streken langzamerhand rundvee heeft gekregen, dat in uitwendigen lichaamsbouw hemelsbreed van het onze verschilt.
Wie zich uitsluitend op de teelt van mestvee toelegt verlangt dieren, die reeds jong met voordeel geslacht kunnen worden; ze moeten vroegrijp zijn. Ze moeten graag in 't vreten zijn en het met weinig ruw- en veel krachtvoeder
- 6 -
kunnen stellen; m. a. w. zij moeten minder ontwikkelde spijsverteringswerktuigen hebben dan melkvee. De lichaamsdeelen, waar zich bij 't niesten het meeste vleesch en vet aanzet, moeten ontwikkeld zijn ten koste van die deelen, waar zich minder vleesch of vet of vleesch van mindere deugdzaamheid bevindt. Hieruit volgt, dat kop, hals en pooten klein moeten zijn. Ook het beendergestel moet niet te grof wezen, want ieder heeft liever het vleesch dan de beenderen.
Bij een echte melkkoe is de romp altijd meer dan tweemaal zoo lang als hoog, bij een mestdier gaat de hoogte geen tweemaal op de lengte. Door lengte van den romp moet verstaan worden den afstand van de loodlijn, langs den boeg getrokken, tot den zitbeensknobbel. De hoogte is de afstand van het bovenste deel der schoft tot den elleboog. De lengte van den poot moet bij een volmaakt mestdier bijna 5 maal op de romplengte gaan. Bij oen melkkoe gaat de lengte van den poot slechts ruim 3 maal op de romplengte. Nu zal men op onze markten wel nooit dieren aantreffen, waarbij het eerste 't geval is. Men zoeke echter steeds die uit, waarbij de poot-lengte meer dan 3 maal op de lengte van den romp begrepen is.
Een mestdier moet een weinig omvangrijken en betrekkelijk korten buik hebben. De afstand van schoft tot heup moet maar ruim '/j van de geheele romplengte bedragen. Immers vóór de schoft en achter de heup ligt het duurst betaalde vleesch met het minste been. De longen moeten niet te groot zijn. Dieren met kleine longen hebben minder lucht, dus ook minder zuurstof noodig. Bij hen verbrandt dan ook een kleiner deel van het voedsel dan bij dieren met groote longen. De eerste hebben dus naar verhouding minder voedsel noodig of bij hen komt bij gelijk voedselverbruik meer aan de vleesch- en vetaanzetting ten goede.
Wij geven hier verder de kenmerken van dieren, die zich gemakkelijk, dus met meer voordeel dan andere, laten mesten.
Kop. Klein en fijn. Het schedelgedeelte moet groot zijn-Het voorhoofd even lang en breed als het aangezicht. De horens moeten klein en fijn wezen.
Hals. Kort en vol, vooral bij den overgang in het schou-dergedeelte.
Schoft. Breed en een goed geheel vormende met de schouderbladen.
Borstkas. Deze moet dieper zijn dan de buik.
Lendenen. Recht. Breed, kort en vleezig.
Bnik. Tonvormig. Geen hangbuik.
Kruis. Vleezig, breed en in één rechte lijn liggend met schoft en rug.
Staart. Korter en minder fijn dan die van melkvee.
Voorste ledematen. Tot den elleboog vleezig. Het deel beneden de knie kort.
Achterste ledematen. Boven den hiel vleezig. Het deel beneden den hiel kort.
Beendergestel. Fijn.
Uier en andere melkteekens. Minder dan goed ontwikkeld.
Huid. Deze moet los en verschuifbaar en met fijn haar bezet zijn, Het haar mag langer zijn dan bij melkvee. De huid moet door veel onderhuidsbindvveefsel met de daaronder liggende deelen verbonden zijn. Dit wijst op grooten aanleg tot vetvorming.
Aard. Kalm.
Bij stieren springen de verschillen tusschen melk- en mest-vee steeds minder in het oog dan bij vrouwelijke dieren.
Dieren van gemiddelden leeftijd laten zich het best mesten.
â 8 â
Bij oudere dieren zijn de vezels van het vleesch te taai. Jongere dieren groeien bij rijke voeding te veel en zetten dan weinig vet aan. Daarom moet jong vee, dat bijna volwassen zijnde, geslacht zal worden, van jongsaf rijk gevoed worden.
Het castreeren maakt de dieren meer geschikt om gemest te worden; zij zetten meer vet aan dan niet gecastreerde. Een stier is echter in den regel minder kieskeurig op zijn voedsel clan een os.
Men mag slechts door en door gezonde dieren mesten.
Men meste geen dieren, die niet in een goeden voedingstoestand verkeeren.
In kleine bedrijven levert het mesten dikwijls eer na- dan voordeel op. Wie op groptere schaal mest, kan zich meer dan de kleine boer aan de voor mestvee te stellen eischen houden. Bij slappen handel kan hij zijn dieren beter van de hand doen, omdat hij een partij op eens kan leveren. Daar hij geregeld mest, maakt hij over het geheele jaar een gemiddelden prijs. Voor hem, die maar één of twee dieren per jaar mest, hangen winst en verlies geheel af van den marktprijs op het oogenbiik, dat zijn mestvee »rijpquot; is. Het gaat niet aan bij lagen prijs »rijpequot; dieren langer te houden. Wat hij daardoor bij stijging der prijzen mocht winnen, verliest hij door den achteruitgang van het gemeste dier.
â 9 â
II. De verpleging van het mestvee.
a. 7gt;e stal.
De stal voor mestvee behoeft geen gebouw te zijn, dat door uiterlijke pracht uitmunt. Evenmin behoeft hij veel te kosten om doelmatig te zijn. De stal moet in geen geval bedompt wezen. Hij moet halfdonker en zoo ingericht zijn, dat hij wel frissche lucht in- en bedorven lucht uitlaat, doch niet tochtig is. In een halfdonkeren stal hebben de dieren minder te lijden van insecten. Ze genieten dan meer rust, wat aan de vleesch- en vetvorming ten goede moet komen. Ook behoeft het in den stal niet te stinken. In de zandstreken, waar men wel kali kan gebruiken, strooie men dagelijks wat kaïniet over den mest en waar men in kleistreken nog potstallen heeft, gebruike men daarvoor superphosphaatgips. In beide gevallen worden kostbare mestbestanddeelen vastgehouden, die anders vervliegen en dan schadelijk zijn voor de oogen en de ademhalingsorganen der dieren en bovendien de lastige vliegen lokken. Als strooisel gebruike men bij voorkeur graanstroo of slecht hooi. Gebruikt men stroo, dan moet men het in stukken snijden; het zuigt dan meer gier op. Ieder dier moet zooveel ruimte hebben, dat het behoorlijk kan opstaan en gaan liggen zonder zijn buren te hinderen. Is dit niet het geval, dan slaan of stooten de dieren elkaar, wat, als het kwade gevolgen heeft, op schade voor den eigenaar uitdraait. Men binde de dieren niet te kort en zorge, dat zij door de knechts bij het uitmesten en strooien niet noodeloos geschopt, geslagen of met de mestvork geprikt worden.
De staltemperatuur moet voor mestvee hooger zijn dan voor
â 10 -
melk- en fokvee. Ze moet volgens cle uitkomsten van proeven minstens 16° Celsius = 13° Eéaumur = 61° Fahrenheit bedragen. Daalt de warmtegraad in den stal buitengewoon, dan is de voedselverspiiling zeer aanzienlijk.
Daalt hij tot beneden 10 0 C., dan zou voor eiken graad minder 5 0/o meer voedsel noodig zijn. In ieder geval moet gezorgd worden, dat de staltemperatuur niet te veel afwisselt.
Voor iedere volwassen koe, lederen volwassen stier of os, die gemest zal worden, rekene men op een stalruimte van 2,4 M. lengte en 1,3 M. breedte. Een mestkalf moet, als het alleen staat, slechts zooveel ruimte hebben, dat het behoorlijk kan opstaan eu gaan liggen.
h. De huidverpleying.
De huid heeft een werkzaam aandeel in de verwijdering van waterdamp en gassen uit het lichaam. Is de huid vuil, dan raken de poriën verstopt en wordt de uitwaseming belet. Daarom moeten de dieren geregeld gekamd en geborsteld worden. Stof en huidschilfers worden hierdoor verwijderd. Men moet hiervoor goede gereedschappen gebruiken. Een stroowisch en een bezem kunnen niet als zoodanig beschouwd worden. Men mag de dieren van tijd tot tijd gerust wasschen. Hoe zuiverder de huid is, des te minder luizen en ander ongedierte zullen er op huizen, want het ongedierte tiert het weligst op onreine plaatsen. Het wegscheren van het winterhaar bij mostvee moet bepaald ontraden worden. Weliswaar kan men dan het vuil en liet ongedierte met minder moeite dan anders verwijderen, maar de haargroei wordt er door verhoogd. Het voedsel, dat hiervoor noodig is, komt niet ten goede aan de vleesch- en vet-vorming.
â 11 â
In de weide dient geboomte of een ruw getimmerte te staan, zoodat de dieren op liet heetst van do zomerdagen eenige beschutting kunnen zoeken. Ook moet voor dieren, die vetgeweid worden, zuiver drinkwater aanwezig zijn of daarvoor geregeld gezorgd worden. De weiden moeten behoorlijk afgesloten zijn. Men gebnüke voor die afsluiting geen prikkeldraad. Als de dieren, door horzels of vliegen gestoken, door de weide rennen en als zij elkander plagen, kunnen zij zich daaraan verwonden, tot schade van hun eigenaar.
Bij mestdieren moet de reiniging van de huid slechts zoover gaan, dat de dieren daardoor gezond gehouden worden. Een ver gedreven huidverplegiug, hoe goed overigens ook, maakt de huid al te werkzaam. Grootere verdamping van water, dat is warmte- of voedselverlies en overdreven bloed-toevoer naar dat orgaan zijn er het gevolg van. Wordt de bloedtoevoér naar de huid verhoogd, dan vermindert die naaide andere organen, dus ook die naar de spijsverteringswerk-tuigen. Er wordt dan minder uit het voedsel verteerd en er komt daarvan dus ook minder aan de vleesch- en vetaanzet-ting ten goede dan anders het geval zou zijn.
c. Het voederen.
Loopt een dier in de weide, dan eet het als het honger heeft en de mensch heeft zich met het voederen van dat dier niet te bemoeien, althans wanneer de weide steeds genoeg voedsel biedt.
Staat het vee op stal, dan heeft de eigenaar wel degelijk rekening met den tijd van voederen en de hoeveelheid voeder te houden. Het vee moet noch te weinig, noch te veel krijgen. In 't laatste geval overvreet het dier zich, waarvan ziekte het gevolg kan zijn. Het gaat dan soms in een bepaal-.
_ 12 _
den tijd evenveel achteruit uls het te voren in 't dubbele van dien tijd gewonnen heeft. Overvreten heeft alleen plaats, als 't dier voedsel krijgt, dat het gaarne lust. Vooral bij het mesten dieut men in dit opzicht voorzichtig te zijn. Ook bij snellen overgang van het eene voedennengsel tot het andere overvreten de dieren zich licht.
Hoeveel malen men per dag de mestdieren voedert, is betrekkelijk onverschillig, als men maar op vaste tijden voedert. Voedert men na het gewone tijdstip, dan worden de mestdieren, vooral in het eerste en tweede tijdperk der mesting, onrustig. Voedert men te vroeg, dan is het vroeger opgenomen voedsel nog niet voldoende herkauwd, verteerd, naaide lebmaag of de darmen verhuisd en de dieren vreten minder dan anders. Zal de volgende maaltijd weder op den gewonen tijd plaats hebben, dan verlangen de dieren reeds vóór dat tijdstip hun voedsel te ontvangen.
Mestvee late men weinig, slechts éénmaal daags, drinken. Wanneer veel wortelgewassen gevoederd worden, is drinken dikwijls niet noodig. Veel water doet de spijs te snel haar weg door het darmkanaal afleggen. Voor het op temperatuur brengen van het drinkwater, ook al wordt dit van te voren verwarmd, is warmte, dus voedsel noodig.
Den mestdieren geve .men ook wat zout door 't voedsel. Het bevordert een goede spijsvertering en houdt den eetlust gaande, doch men geve niet meer dan 5 a 6 Gram per 100 K.G. levend gewicht.
Waar de mestdieren weinig of geen wortelgewassen ontvangen, is het onthouden van drinkwater een barbaarschheid. De dieren worden dan door dorst gekweld. Dit werkt op hun zenuwen. Een en ander heeft een ongunstigen invloed op het verloop der spijsvertering, zoogoed ais het plagen, sarren, ver-
schrikken en mishandelen der dieren. De eigenaar draagt daarvan de geldelijke schade.
In 't laatst van 't mesttijdperk moeten de raestdieren nu en dan gewogen worden. Is de geldswaarde van de dage-lijksche gewichtstoename minder dan die van 't verbruikte voeder, dan moeten ze geslacht of verkocht worden.
Waar tot weging geen gelegenheid is, moet men de gewichtstoename bij benadering bepalen door meting.
III. Iets uit de algemeene voedingsleer.
Het voederen van het mestvee heeft nog maar al te dikwijls op onoordeelkundige en onvoordeelige wijze plaats.
Ieder voedermiddel is een samengestelde stof, maar hoeveel de verschillende voedermiddelen ook in samenstelling verschillen, toch komen zij in zooverre met elkander overeen, dat zij bestaan uit: water, eiwitstoffen, koolhydraten (zetnieel-achtige stoffen), vet en aschbestamldeelen of zouten. Denkt men uit de voedermiddelen het water weg, dan houdt men de droge stof over.
100 K.Gr. goed hooi bevat ongeveer 85 K.G. droge stof en 15 K.G. water; 100 K.G. aardappelen bestaan uit ongeveer 25 K.G. droge stof en 75 K.G. water.
Nu leert de ondervinding, dat men ieder dier kan onderhouden met een bepaalde hoeveelheid droge stof per dag. Krijgt het dier minder, dan is het niet verzadigd. Wel kan een kleine hoeveelheid droge stof meer voedende bestanddeelen bevatten dan een groote, maar toch komen deze voedende bestanddeelen dan niet tot hun recht.
â 14 â
Er is meet. Die bepaalde hoeveelheid droge stof moet ook bepaalde hoeveelheden eiwitstoffen, koolhydraten en vet bevatten. Bevat de bepaalde hoeveelheid droge stof van één dezer bestanddeelen te veel en van andere te weinig, dan voedert men onvoordeelig.
Nu lijkt het gemakkelijk om met oordeel te voederen. Als men maar weet, hoeveel droge stof en hoeveel eiwit, koolhydraten, enz. een dier van een bepaald gewicht per dag moet ontvangen en men weet maar, hoeveel droge stof, eiwit, koolhydraten en vet in de gebruikte voedermiddelen voorkomen, dan kan men door berekening uitmaken, hoeveel men per dag van elk voedermiddel aan die koe moet geven. Ja, het lijkt gemakkelijk, maar hot is tamelijk moeielijk. Want niet al de eiwitstoffen, koolhydraten, enz. der voedermiddelen verteren. En toch, niet door hetgeen het dier eet, wordt het gevoed, maar wel door hetgeen het verteert. En al bestaan er nu lijsten, waarop men zien kan, hoeveel van het eiwit, de koolhydraten en het vet in de verschillende voedermiddelen ongeveer door een dergelijk dier verteerd wordt, toch is het berekenen van zoogenaamde voederrantsoenen voor oningewijden zeer moeielijk. Wij deelden het bovenstaande alleen mede om te laten zien, dat oordeelkundig en voordeelig voederen niet een kunst is, die iedereen verstaat.
Daarom zullen wij, waar dit te pas komt, voedermengsels opgeven, die de noodige hoeveelheden droge stof, eiwit, enz, bevatten. Alleen nog dit. Wij spraken boven van aschbe-standdeelen of zouten. Het zijn de bestanddeelen van het voeder, die in hoofdzaak tot de vorming der vastere lichaams-deelen, zooals beenderen, horens, haren, hoeven, enz. bijdragen.
â 15 -
IV. De voedermiddelen.
Koemelk. De koemelk is het meest natuurlijke voedsel voor de kalveren. Voor mestkalveren kan zij door niets met goed gevolg vervangen worden. Zij ontleent haar groote voedingswaarde hieraan, dat alle voedende bestanddeelen in de vereischte hoeveelheid en in de juiste verhouding tot elkaar er in voorkomen. En wat niet het minst is: die bestanddeelen komen er in voor in een toestand, waarin de betrekkelijk zwakke maag van het jonge dier ze volkomen kan verteren.
Groen- en ruwvoeder. Deze voedermiddelen vormen met knol- en wortelgewassen het hoofdvoeder voor vaarzen, ossen, stieren en koeien, die gemest worden. Komen in de hoeveelheid groen- en ruwvoeder en wortelgewassen, die een mest-dier op stal dagelijks opneemt, niet zooveel voedende bestanddeelen voor, dat het daarvan behoorlijk zichzelf kan onderhouden en voldoende vleesch en vet aanzetten, dan moet het tekort door zoogenaamd krachtvoeder aangevuld worden.
Gras en hooi vormen het natuurlijkste voeder.
Er is groot verschil tusschen de verschillende grassoorten, wat het gehalte aan voedende bestanddeelen en hun verteerbaarheid betreft. Hoe meer eiwit een gras- of hooisoort bevat, des te beter verteerbaar is ook dit eiwit. Met de verteerbaarheid van het eiwit stijgt ook meestal die van de ruwvezel.
Eiwitrijk hooi of gras is niet alleen aan te bevelen, omdat het veel eiwit, het kostbaarste voederbestanddeel, bevat, maar ook, omdat dit eiwit dan goed verteerbaar is en eiwitrijk hooi minder ruwvezel en meer vet bevat.
In hooi, dat arm aan eiwit en rijk aan ruwvezel is, is het eiwit meestal moeielijk te verleren.
_ 16 â
De verteerbaarheid van het voeder hangt vooral af van de omstandigheden, waaronder het gegroeid en geoogst is. Jonge planten hebben onmiddellijk vóór den bloei een hooger eiwitgehalte dan later, terwijl de verteerbaarheid van het eiwit met den tijd afneemt.
Het hooi van nagras is eveneens zeer goed, mits bij gunstig weder geoogst.
Op vmchtbaren en goed gemesten grond groeit steeds beter, meer eiwitrijk voeder dan op schralen bodem.
Het hooi mag niet binnengehaald worden, als het niet voldoende droog is. Door te veel broei gaat het veel in voedingswaarde achteruit.
Roode klaver. Hoe jonger de roode klaver voor groen-voeder gemaaid wordt, des te moer eiwit bevat ze. Wordt zulke klaver op stal gevoederd en zal al het daarin voorkomende eiwit tot zijn recht komen, dan dient men er stroo-haksel of hooi bij te voederen.
Hooi van roode klaver heeft dikwijls niet meer voedingswaarde dan gewoon weidehooi. Dit komt, omdat men de roode klaver dikwijls maait op een tijdstip, waarop de planten pro-centsgewijze minder voedende bestanddeelen bevatten dan te voren. Bovendien gaan veel van de voedzaamste en gemakkelijkst verteerbare deelen verloren, zooals bladeren en zachte stengeltjes. Wat ten slotte door ruwe hooiers naar huis gereden wordt, is dikwijls niets anders dan een verzameling van de grofste stengels. Dit is jammer, niet alleen, omdat de bladeren procentsgewijze rijker aan eiwit zijn dan de stengels, maar ook, omdat het biadeiwit beter verteerbaar is dan het eiwit der stengeldeelen.
Maait men de klaver tamelijk vroeg, dan zal men natuurlijk een kleinere hoeveelheid krijgen dan bij later maaien, doch
â 17 â
de winst, die men op deze wijze behaalt, wat de voedende bestanddeelen betreft, maakt liet verlies, hetwelk men op de hoeveelheid lijdt, ruimschoots goed.
Lucerne bevat gewoonlijk nog meer eiwit dan roode klaver. Zij heeft echter tegen, dat haar stengel spoediger hard wordt. Voor lucerne moet het maaien in een vroeg groei-tijdperk dus nog meer worden aanbevolen dan voor roode klaver. Voedert men uitsluitend groene lucerne, dan komt men ook al weder tot verkwisting van het kostbare eiwit.
Hooi van wikken. Wanneer wikken gemaaid worden kort vóór den bloei, leveren zij een uitmuntend voeder, dat veel eiwit bevat met een hoogen graad van verteerbaarheid. Tijdens en na den bloei daalt het eiwitgehalte buitengewoon.
Zweedsche klaver of toastaardklaver gelijkt, wat de samenstelling betreft, veel op de roode klaver. Zij is echter nog rijker aan eiwit en nog minder hard. Een groot voordeel is, dat zij ook in een meer gevorderd groeitijdperk minder hard en rijker aan eiwit is dan roode klaver en lucerne. In dit opzicht vormt zij een tegenstelling met de incarnaatklaver, die spoedig hard van stengel wordt en ook overigens veel minder voederwaarde heeft. Men dient deze te oogsten uiterlijk in de eerste week van Juni.
Hopperupsklaver of gele klaver, ook steeuklaver genoemd, is een uitstekend voeder.
Wondklaver kan met voordeel op schralen, drogen zandgrond verbouwd worden. Wel bevat deze minder eiwit dan de reeds genoemde klaversoorten, doch zij wordt niet spoedig hard.
Serradella is mede een uitnemend vlinderbloemig gewas voor den zandgrond. Onder rogge gezaaid (in Maart) levert zij in den stoppel niet alleen een uitstekend gewas voor groene
âHel mcstveequot;. 2.
â IS â
bemesting, maar zij vormt ook een buitengewoon smakelijk, gemakkelijk verteerbaar voeder. Zij behoudt haar hoog eiwitgehalte tot het einde van den bloei. Jammer is, dat zij veel minder opbrengt dan andere klaversoorten en dat bij het hooien veel verloren gaat.
Spurrie behoort niet tot de vlinderbloemigen; zij verrijkt den bodem dus niet aan stikstof. Naast droog voeder en krachtvoeder is zij evenwel uitstekend voor mestvee. Alleen geve men haar niet aan melkkoeien, die gemest worden.
Groene maïs levert op goeden grond een groote opbrengst. Zij vormt een waterrijk en eiwitarm voeder. Het vee eet ze echter gaarne, omdat zij een zoeten smaak heeft, tengevolge van haar hoog suikergehalte. Zij vormt een goed voeder, als men er groene klaver of lucerne bij kan voederen. Zij leent zich goed voor de bereiding van zoet en zuur persvoeder.
Bladeren van knol- en wortelgewassen. Bladeren van mangelwortels en suikerbieten bevatten veel water, maar in de droge stof ook veel eiwit. Wegens hun hoog gehalte aan zouten en zuren mag men er niet veel van voederen, want dan krijgen de dieren licht doorloop. Het best is ze in te kuilen en ze dan bij droog wintervoeder te geven. De bladeren van peen en koolrapen bezitten de schadelijke, afvoerende eigenschappen der mangelwortel- en bietenbladeren in veel mindere mate. Dat voederkool een uitstekend voeder is, weten vele veehouders bij ondervinding. Zij is te meer waard, omdat men haar juist heeft, als de dieren op stal komen. Zij vormt dus een uitstekenden overgang van het zomer-op het wintervoeder, vooral voor dieren, die op de weide als 't ware voórgemest zijn.
Stroo. Alle stroo van zomergranen is rijker aan eiwit dan het stroo der wintergranen. Zomergerststroo is dus boter
dan stroo van wintergerst, maar 't is minder good dan ha-verstroo.
Het stroo van peulvruchten heeft meer voederwaarde dan men over 't algemeen wel denkt. Het erwtenstroo bevat veel eiwit.
Kaf', peulen, euz. Hot kaf van wintergraan bevat meestal meer eiwit dan het stroo van hetzelfde graan. Het omgekeerde is 't geval met kaf en stroo van zomergerst en haver. De peulen der erwten, boenen en wikken mag men, wat liet eiwitgehalte betreft, even hoog schatten als hun stroo. Meestal vreten de dieren het kaf wegens zijn mindere hardheid liever dan stroo.
Knol- en wortelgewassen. Hiervan komen vooral in aanmerking aardappelen, mangelwortels, suikerbieten, turnips, ra-pon of knollen en peen. Alle vormen een voeder, dat, gedurende eenigen tijd in belangrijke hoeveelheid gevoederd, een verslappenden invloed hoeft op de spijsverteringwerktuigen. Het mestvee vreet de knol- en wortelgewassen met smaak. Deze vormen een goeden overgang van het weidevoeder tot het droge stalvoeder. Naast do knol- en wortelgewassen moet voldoende ruw- en krachtvoeder worden gegeven. Het meest voordeelig zijn ze, als hun gezamenlijke droge stof hoogstens '/^ bedraagt van die in het hooi en het stroo, dat gelijktijdig wordt gevoederd. Overschrijdt men deze grens niet, dan zouden aardappels en rapen nagenoeg geheel verteerbaar zijn. Bevroren aardappelen moeten spoedig vervoederd worden, of men moet ze in gemetselde kuilen inzuren. De aardappelen moeten dan vooraf gestoomd worden. Gekiemde aardappelen zijn schadelijk. Wij wijzen er op, dat men, als men gekiemde aardappelen (bij kleine hoeveelheden) vervoedert, deze vooraf van de uitloopers moet ontdoen.
- 20 â
Do meeste voederwaarde van alle wortelgewassen hebben de wortelen of peen. Op de poen volgen de koolrapen.
In de suikerfabrieken wint men naast de suiker uit de bieten o. a. ook de zoogenaamde pulp, meestal difi'usiepulp. Men verkrijgt deze door de suikerbieten in kleine stukjes te verdoelen en deze met vrij warm water uit te trekken. Deze stukjes staan bijna al hun suiker af, doch de eiwitstoffen blijven er in. Jammer is het, dat de diffusiepulp ongeveer voor bijna ' Vao uit water bestaat.
Krachtvoeder. Van de krachtvoedermiddelen noemen wij de zaden der halmgewassen, de oliezaden en de voederkoeken.
De zaden der halmgewasscn zijn van verschillende samenstelling. Het eiwitgehalte van tarwe wordt door een bemesting met phosphorzuur- en stikstofhoudenden kunstmest verhoogd. Het is daarom in het belang van den landbouwer de tarwe behoorlijk te mesten. Te weinig worden nog de tarwezeinelen gewaardeerd. Wij wijzen er op, dat het zetmeel zich meest in het inwendige der graankorrels bevindt, terwijl het eiwit vooral onmiddellijk onder de zaadhuid voorkomt. Met de zemelen gaat dus een groot deel van het eiwit mede, vandaar dat tarwezemelen meer eiwit bevatten dan tarwemeel en veel meer dan tarwebloem.
Oppervlakkig beschouwd, lijken de zemelen niet veel beter dan kaf. Toch vormen ze door hun hoog eiwitgehalte, naast knolgewassen en graamneel, een zeer goed voeder voor mestvee.
De haver onderscheidt zich door haar hoog vetgehalte en haar lichtverteerbaarheid. Vooral met boonen- of erwtenmeel gegeven, die zoo rijk aan eiwit zijn, behoeft zij dikwijls voor goede voedorkoeken niet onder te doen. Is een mengsel van haver en peulvruchten, naar het gehalte berekend, goedkooper dan voederkoeken, dan verkieze men het eerste boven de
laatste, behalve waar het lijnkoeken betreft. Deze zijn voor mestvee steeds te duur.
Men koope alle voederkoeken nooit anders dan met het recht op kosteloos onderzoek aan een Rijks-Landbouwproefstation.
De i'aapkoekeu vormen een goed voeder voor mestvee, vooral in vereeniging met graan.
De katoenzaadkoeken van ongepelde katoenpitten zijn vrij moeielijk verteerbaar. Die van gepelde zaden zijn beter.
Bij het mesten wachte men zich voor overdreven voedering van katoenmeel.
Van alle koeken bevatten de sandelkoeken het meeste eiwit, zelfs 50 procent, dus nog meer dan de zoo eiwitrijke groudnotenkoeken. Het vee vreet ze ongaarne of in het geheel niet.
Palmpitkoeken zijn gemakkelijk verteerbaar.
Groudnotenkoeken vooral ook moeten zuiver zijn. Dikwijls bevatten zij vezels en haren.
Te veel gevoederd, leiden alle zeer eiwitrijke koeken tot eiwitverspilling. Daarom voedere men ze naast een eiwitarm voeder.
Zijn voederkoeken onzuiver, dan zijn ze ook gevaarlijk voor de gezondheid van het vee. Veelal vindt men bij microscopisch onderzoek in van de elders aangevoerde koeken zwammen en schimmelsporen. De dieren eten ze dan met tegenzin. Ook wanneer het vet of de olie, dat nog in de koeken aanwezig is, ranzig wordt, vormen zij een minder goed voeder.
22
V. Ee toebereiding van het voeder.
Van invloed op do verteerbaarheid van het voeder is dikwijls de wijze, waarop het voeder wordt toebereid. Die invloed is evenwel minder groot dan sommige veehouders wel meenen; zij neemt dikwijls door een bepaalde toebereiding eer af dan toe. Meestal echter vreten de dieren van op eenige wijze toebereid voeder meer dan van hetzelfde voeder in niet-toebereiden toestand. Vele voedermiddelen toch winnen tengevolge van een bepaalde toebereiding aan smakelijkheid. De toebereiding van het voeder is daarom bij 't mesten van vrij veel beteekenis. omdat men do dieren daardoor meer doet vreten dan anders het geval is.
In sommige gevallen wordt het stroo der granen den dieren in zijn geheel voorgelegd; zij kunnen er dan het beste uitzoeken, terwijl hetgeen zij laten liggen als strooisel wordt gebruikt. Dit is vooral het geval in de streken, waar het vee in potstallen staat. Voedert men veel jonge klaver, dan verdient het aanbeveling deze te snijden en met stroohaksel te vermengen, omdat het voederen van uitsluitend jonge klaver, zooals reeds gezegd is, tot verspilling van het kostbare eiwit leidt.
Over het algemeen mag men haksel niet te klein snijden. De lengte der stukjes dient voor rundvee niet minder dan 3 c.M. te zijn; zeer fijn haksel kan aanleiding geven tot verstopping en koliek. Hot snijden van stroo of grof hooi is alleen noodig, als men hot ruwvoeder mot meel en knolgewassen wil vervoederen of de schadelijke gevolgen van overvloedige klavervoedering wil voorkomen. Wordt haksel met
23 â
meel vervoederd, dan moet liet mengsel bevochtigd worden om het verstuiven van het meel te voorkomen.
Met het voederen van aardappels en wortelgewassen moet men voorzichtig zijn. Slikken de dieren geheele of groote stukken van wortels door, dan kan er een in de luchtpijp geraken ; zij kunnen dan stikken.
Stukgesneden wortelen en aardappels laten zich door het uitvloeiende sap goed met haksel of kaf vermengen. Men moet ze vóór het snijden goed van de aanhangende aarde ontdoen.
Murwe koeken zijn te verkiezen boven harde, maar toch zal men de laatste dikwijls koopen, omdat zij minder kosten dan de murwe. In dit geval bewijst een koekbreker goede diensten. Eaapkoeken zijn in den regel bijzonder hard, zoodat men ze vóór het voederen bij het vuur zet, weekt of stukslaat. Daar, waar men veel raapkoeken voedert, zijn de koek-brekers op hun plaats.
Dikwijls wordt hot veevoeder of een mengsel van verschillende voederraiddelen gekookt, gestoomd of gebroeid. Door het koken en stoornen worden de bestanddeelen van het voeder meer voor een spoedige inwerking der spijsverterings-vochten geschikt gemaakt en ook de verteerbaarheid wordt er soms door verhoogd.
Te veel gekookt voeder doet de spijsverteringswerktuigen verslappen. In jaren echter, waarin gebrek aan voeder heerscht en veel voor voeder moet dienen, waaraan anders weinig waarde wordt toegekend, is het koken of stoomen aan te bevelen. In dit geval zullen de dieren van het minder voedzame, doch smakelijker voeder een grootere hoeveelheid opnemen dan bij niet koken hot geval zou zijn.
â 24 â
VI. Het mesten van kalveren.
Niemand kan kalveren leveren van eerste kwaliteit, als hij ze niet niet uitsluitend volle melk voedert.
Men begint met aan het voor de slachtbank bestemde kalf de biest te geven. Deze mag in geen geval aan het dier ont-houden worden, omdat zij alleen in voldoende mate het vermogen bezit de zoogenaamde darmpek af rte drijven.
Daarna geeft men het kalf niets dan zoete melk. De eerste dagen bootse men zooveel mogelijk de natuur na en drenke men het kalf om het uur, telkens met kleine hoeveelheden. Geleidelijk maakt men de ruimte tusschen twee voedertijden grooter, zoodat het dier, als het ongeveer 8 dagen oud is, slechts drie- of viermaal daags melk ontvangt. De melk moet liefst gegeven worden dadelijk, nadat ze gemolken is. De eerste week gaat dit natuurlijk niet, omdat het kalf dan om het uur, om de twee of drie uren moet drinken. Men verwarmt in dat geval de melk. Later, als men het kalf viermaal daags laat drinken, kan men het stellig tweemaal onmiddellijk na het melken te drinken geven en behoeft men ze slechts tweemaal te verwarmen. Men geeft de melk geleidelijk minder warm, zoodat het beestje op den leeftijd van 10 a 11 dagen met niet verwarmde melk kan gevoed worden. Alleen bij barre winterkoude dient men voor mestkalveren van eiken leeftijd de melk te verwarmen, totdat er wat men noemt »de kouquot; af is Nooit echter mag de melk ook maar in 't minst zuur zijn.
Bij het mesten met uitsluitend volle zoete melk heeft men ten doel wit, eenigszins doorregeld vleesch te krijgen. Boven-
â 25 â
dien moet dit, niet slnp, maar betrekkelijk vast en vooral malscli zijn.
Of het vleescii van een gemest kalf al of niet wit is, is te zien aan de binnenzijde der oogleden en het tandvleesch. Zijn deze bleek, dan zal in de meeste gevallen het vleesch blank zijn. Een en ander is het gevolg van de voedering met uitsluitend melk en het mesten in een donkeren stal. Nochtans komt het voor, dat kalveren, die in het donker met uitsluitend melk gemest zijn, niet blank zijn. De redenen daarvan zijn niet bekend. Blijkt de kalvermaag de molk niet goed te kunnen verteren, dan mogen eieren met schaal gevoederd worden.
Dikwijls tracht een mestkalf van zijn strooisel te vreten; dit moet voorkomen worden door liet te muilkorven. De muilkorf wordt natuurlijk verwijderd, als men het dier drenkt.
Een kalf langer dan 10 a 12 weken te mesten is on-voordeelig.
Het voeder voor een jong dier moet rijker aan eiwit en phosphaten (phosphorzure kalk, phosphorzure kali, enz.) zijn dan dat voor een ouder dier, omdat hij het eerste de groei dor beenderen en spieren zijn eischen stelt. Bovendien moet het voeder door vetrijkheid en lichtverteerbaarheid uitmunten. Al deze eigenschappen bezit de onvervalschte koemelk in hooge mate.
Proeven hebben geleerd, dat men in de eerste 3 weken met 6 Kilo melk 1 K.G. gewichtstoename verkreeg. In de 3°, 4° en 5e week was voor 1 K.G. gewichtstoename 9 en in de ö30 tot de ^116 week 12 K.G. melk noodig.
In de eerste dagen heeft een middelmatig kalf 3 il 5 Liter en op 't laatst 15 a 18 L. melk per dag noodig.
Uit een andere proef met een mestkalf bleek, dat het dier noodig had:
|
â 26 - | |||
|
Gedurende 4 dagen |
per dag |
3 Liter |
â, 12 Liter |
|
» 3 » |
» » |
4 » |
= 12 » |
|
» 3 » |
» » |
6 » |
= 18 » |
|
gt; 9 » |
» » |
9 » |
= 81 » |
|
» 10 » |
» » |
12 » |
= 120 » |
|
» 10 » |
7gt; » |
15 » |
= 150 » |
|
» 6 » |
» » |
15 » |
= 90 » |
|
» 16 » |
» » |
18 gt; |
= .288 » |
|
dus in 61 dagen |
of ± 9 |
weken |
771 Liter. |
Het kalf woog 134 Y, kilo.
Schatten wij de waarde van het vette kalf per K.G. levend gewicht op 45 cent, (wat zeker niet te veel is), dan had het een handelswaarde f 60,523. Rekenen wij het nuchtere kalf op f 9,â, wat ook vrij hoog is, dan schiet er voor 771 L. melk een bedrag van f 51,523 over. 1 L, melk bracht dan ruim O1/;, cent op. Dit is een mooie prijs, die men door de melk aan een fabriek te leveren of door er boter of kaas van te maken, nooit maakt.
Een hoofdvereischte is, dat men de vette kalveren behoorlijk aan den man kan brengen.
Mest men kalveren met afgeroomde melk, waaraan men lijn-zaadmeel, olie, havermeel, gerstemeel, grondnotenmeel, enz. toevoegt, dan krijgt men slachtdieren van 2« of 3° kwaliteit, die een veel lager prijs bedingen.
Zij, die éénmaal op deze wijze kalveren gemest en daarbij boekgehouden hebben, zullen of voortaan geen kalveren meer mesten öf dit doen met uitsluitend volle, zoete melk.
psiSlr- - - o-iT
â 27 â
VIL Het mesten van vaarzen, ossen en koeien.
Met het mesten hoeft men ten doel zooveel mogelijk voedende bestanddeelen om te zetten in vleesch en vet. Mest men jongere dieren, dan zal meer vleesch en minder vet aangezet worden dan bij oudere. De eerste toch groeien nog tijdens het mesten, m. a. w. de grootte der spieren (dat is het vleesch) neemt nog veel toe. Bij oudere dieren nemen niet zoozeer de spieren in grootte toe, maar er wordt vet afgezet in het onderhuidsbindweefsel, om het hart, om de nieren, in het darmscheil en in het bindweefsel, dat de spieren omgeeft. Zet zich veel vet af in het bindweefsel, dat de spierbundels tot spieren vereenigt, dan krijgt men het zoogenaamde doorregeld vleesch.
Het bindweefsel en de stof, waaruit de spieren bestaan, zijn van dezelfde samenstelling als eiwit. Een dier, dat dus veel eiwit zal aanzetten, moet ook veel eiwitstoffen in zijn voeder ontvangen. Is het dier eenmaal volwassen tn goed bij vleesch, dan zal uit het eiwit ook lichaamsvet ontstaan.
Behalve het eiwit, waaruit het vleesch, het bindweefsel en de andere vastere deelen voor een groot deel bestaan, komt bij een goed gevoed en doorvoed dier o. a. ook nog eiwit in het vleeschsap en het bloed voor. Buiten dit zoogenaamd omloopend eiwit kan het lichaam niet bestaan. Ontvangt een dier dus zóó weinig eiwit in z'jn voedsel, dat de hoeveelheid omloopend eiwit niet voortdurend daaruit kan worden aangevuld, dan wordt eiwit, dat reeds vaste lichaamsdeelen helpt vormen, losgemaakt en in omloopend eiwit veranderd. Het dier vermagert.
â 28 â
Is de hoeveelheid omloopend eiwit groot en wordt voldoende eiwit met het voedsel aangevoerd, dan wordt een deel van het oraloopend eiwit als 't ware vastgelegd, er wordt spieren bindweefsel uit gevormd. Het (lier komt dan bij vleesch, in een goeden staat van gevoedheid, zooals het heet.
Bij het mesten moet dns allereerst een voldoende hoeveelheid eiwit in het voedsel aanwezig zijn.
Voor het onderhoud der lichaamswarmte, enz. zijn echter ook voedingsstoffen noodig. Deze verbinden zich, tijdens hun ontleding, met de ingeademde zuurstof, kort gezegd: z ij verbranden. Ter onderhouding van de dierlijke warmte kunnen de koolhydraten en het vet evengoed, doch met meer voordeel dienen dan het eiwit.
Dit neemt niet weg, dat men het verbranden van koolhydraten en vet zooveel mogelijk moet beperken. Daar het lichaam een nagenoeg standvastige temperatuur heeft, komt het er op aan te zorgen, dat het lichaam niet te veel warmte verliest. Voor de warmte, die het verliest, moet weer andere warmte ontwikkeld, dus voedsel verbruikt worden en ... . voedsel kost geld. Vandaar, dat de staltemperatuur niet te laag mag zijn, dat de stal halfdonker moet wezen, dat de dieren geen zeer koud water mogen drinken en dat zij niet te veel beweging mogen nemen.
Toch kunnen koolhydraten en vet, ook al wordt aan al deze voorwaarden voldaan, niet in het voedsel gemist worden. Ontbraken ze er in, dan zou het kostbare eiwit tot verwarming van het lichaam dienen. Men zou kunnen zeggen: door voldoende koolhydraten en vet met het voedsel aan te voeren, bewaart men het eiwit voor verbranding en dient dit zooveel mogelijk tot aanzetting van vleesch en vet.
Het vet en de koolhydraten dienen ecliter niet altijd en
â 29 â
enkel tot onderhoud der dierlijke warmte; ook deze voederbe-standdeelen kunnen tot de vetvorming in liet lichaam bijdragen.
Worden geheel volwassen dieren, zooals trekossen van 5 a 7 jaar of afgemolken koeien geniest, dan worden geen spiervezels meer gevormd. Zij groeien weinig of niet in 't vleesch, maar in het bestaande of nieuw gevormde bindweefsel zet zich vet af. Het vleesch zelf krijgt een lager water- en een hooger vetgehalte.
100 K.G. vleesch van een mageren os bevat bijna 60 0/o water en dat van een vetten os slechts 40 Vâ.
Het vet, dat zich om de spieren, om de nieren, in het net enz. afzet, is nu eens hard, dan minder hard. De meerdere of mindere hardheid van het vet hangt ten nauwste samen met den aard van net mestvoeder.
Wil men vaarzen, ossen of koeien mesten, dan komen in aanmerking weidegang en stalvoedering.
Weidegang. Waar het mesten op eenigszins groote schaal plaats heeft, mest men vooral twee en driejarige ossen, vaarzen of guste koeien. De mestvaarzen zijn meestal dieren, die niet op tijd drachtig zijn geworden. Met de guste koeien is dit ook het geval of ze hebben als melkkoe niet voldaan. Jonge ossen en guste vaarzen of koeien worden vooral vet-geweid. Zijn de weiden goed, dan leveren zij een kernachtig vleesch, dat met vast vet doorregeld is.
Als men geen uitmuntende weiden heeft, kan men geen vette dieren van eerste kwaliteit leveren; men is genoodzaakt op stal te mesten. Dikwijls begint men daarmede tegen den winter, nadat de dieren op een betrekkelijk goede weide in oen goeden voedingstoestand zijn gekomen.
Van deze vetmesting valt weinig te zeggen. Is de weide goed en van zuiver drinkwater voorzien, dan heeft de eigenaar
â 30 â
zich met de voeding zijnec mestdieren niet te bemoeien. Des te moer is dit echter het geval, als hij de dieren op stal mest.
Stalvoedering. Op stal mest men zoowel jonge ossen, guste vaarzen en guste koeien als afgedankte trekossen en oude melkkoeien. Enkele malen worden op stal, evenals in de weide, ook stieren gemest. In kwaliteit moet hun vleesch echter veel voor dat van jonge dieren en zelfs voor dat van góed gemeste trekossen en oude koeien onderdoen. Een stier zet minder gemakkelijk vet aan dan een os; in den regel is hij echter spoediger gemest dan een os. Uit komt mede, doordat de eerste minder kieskeurig op het voeder is dan de laatste.
's Zomers wordt weinig op stal gemest. Het spreekt vanzelf, dat dit evengoed met groenvoeder en zoo noo'dig met krachtvoeder als met droogvoeder en krachtvoeder kan geschieden.
In den regel mest men op stal 's winters.
Het hoofdvoeder gedurende den winter moet gevormd worden door hetgeen de veehouder, hetzij hij dan tevens landbouwer is of niet, zelf verbouwd heeft. Hij beschikt dan over één of meer van de volgende voedermiddelen: grashooi en hooi van klaversoorten, graanstroo, erwtenstroo, koolrapen, mangelwortels, aardappels, graan, erwten en boonen. Beschikt hij niet over uitmuntend klaverhooi en veel erwten of boonen, dan zal hij maar zelden met voordeel kannen mesten. Dit komt, doordat zijn voederraiddelen wel genoeg zetmeel en hiermede verwante stoffen, doch te weinig eiwit bevatten. Heeft hij dus geen klaverhooi, erwten en boonen, dan moet hij om zijn eigen producten tot de hoogste waarde te brongen, eiwitrijk krachtvoeder bijkoopen. Meestal gebeurt dit pas, als
â 31 â
de nood dwingt, doch dan is het te behalen voordeel reeds verkeken. Voedert hij eerst eigen producten voor 't grootste deel op en later de rest mot veel handelsvoeder, dan verspilt hij in den eersten tijd liet in den mest waardelooze zetmeel en later een groot deel van het duro eiwit. Waarom dezelfde hoeveelheid krachtvoeder dan niet dadelijk gekocht en dit den geheelen winter door gevoederd bij minder van eigen verbouw per dag? Ten slotte bedragen de kosten van aankoop immers evenveel. Soms kan het voordeelig zijn zelf verbouwd graan en zelf geoogste erwten en boonen te ver-, koopen en handelskrachtvoeder aan te koopen. De veehouder kan dan rijker voederen en nog geld overhouden.
Als 100 K.G}. gerst met het maalloon één gulden kostte, dan zou, naar hot gehalte aan voldoende bestand-deelen berekend, 100 K.G. haver met liet maalloon f 1 ; 100 K.Cr. maïs met het maalloon f 0,99; 100 K.G. rogge met het maalloon f 1,04, 100 K.G. boonen met het maalloon f 1,27 ; 100 K.G. erwten met het maalloon f 1.25; 100 K.G. wikken met het maalloon f 1,82; 100 K.G. gedroogde spoeling f 1,41; 100 K.G. grondnotenkoèk f 1,95; 100 K.G. tarwezemelen f 1,04; 100 K.G. lijnkoek f 1,56; 100 K.G. raapkoek fl,42; 100 K.G. sesamkoeken f 1,44 waard zijn. De veehouder moet dus de prijzen vergelijken, alvorens het eene te verkoopen en het andere aan te koopen.
Als hij voor 100 K.G. rogge kan maken f 7,50 en voor 't malen van die hoeveelheid 50 cent moet betalen, dan kan hij dus voor 100 K.G. grondnotenkoek zonder schade te lijden 8 X f 1,95 â f 15,63 geven. Ze kost minder, dus is het voor den zandboer, als de rogge f 7,50 per H.L. geldt voordeelig een deel der rogge te verkoopen. quot;Wij zeggen opzettelijk: een deel, want koopt hij voor de waarde van alle
â 32 â
rogge groudnotenkoek, dan verspilt hij kostbaar eiwit. Hij moet een voederrantsoen hij voorkeur uit verschillende voeder-middelen samenstellen ; dit is voordeelig en houdt den eetlust der dieren gaande. Hier achter geven wij eenige voederrantsoenen voor mestvee. Kan de veehouder bij de toepassing dier rantsoenen zijn graan niet geheel vervoederen, dan moet hij het teveel verkoopen en dat krachtvoeder aan-koopen, hetwelk naar verhouding het goedkoopst is.
Als de mestdieren pp stal komen, moet de veehouder weten hoeveel ruwvoeder, wortelgewassen en graan hij daarvoor kan bestemmen. Hij moet die hoeveelheid dan gelijkelijk over den geheeleu winter verdeelen en het tekort aan eiwit door erwten, boonen of handelskrachtvoeder aanvullen. Steeds denke men eraan, dat de winst niet afhangt van 't aantal mestdieren, maar van 't getal behoorlijk gevoede mestdieren.
Bij de keuze van krachtvoeder moet hij .rekening houden met den smaak der diereu, de verteerbaarheid van het voeder en met de eigenaardige werking, die het op de spijsvertering uitoefent.
Komt het mestvee op stal, dan make men den overgang van het sappige weidevoeder op het droge wintervoeder geleidelijk, door bij het laatste eerst de bladeren van wortelgewassen en dan de wortelgewassen zelve te geven. Wie winterharde voederkool heeft, moet daar zuinig op zijn. Wanneer hij dagelijks een weinig hiervan bij quot;t droge stalvoeder geeft, houdt hij den eetlust der dieren gaande.
Jonge mestdieren zijn meestal op een vrij goede weide zoo ver gebracht, dat zij goed bij vleesch zijn, zoodat men op stal dadelijk met het eigenlijke mesten kan aanvangen.
Maar ook- wanneer men afgedankte trekossen of oude melk-
â 33 â
koeien wil mesten, moet men daarmede niet aanvangen, zoolang de dieren niet door een goed voederrantsoen in een goeden voedingstoestand zijn gebracht.
Het mesten in den winter geschiedt meestal met stroo en soms wat hooi en wortelgewassen, waarbij dan krachtvoeder, meestal in den vorm van graan of boonen, wordt gegeven.
De dieren ontvangen dan, in verhouding tot de andere voedende bestanddeelen, te veel zetmeel. Als gevolg hiervan wordt het ruw voeder zeer onvoldoende verteerd. Daarom is het beter minder graan en wat meer boonen of voederkoek te geven. Op den langen duur komt dit voordeeliger uit. Aanbevelenswaardig is het een mengsel te voederen van stroo-haksel, gesneden wortelgewassen en gebroken of gemalen krachtvoeder. Met meer eiwitrijk voeder onderhouden, slachten de dieren, procentsgewijze berekend, minder af.
In hoofdzaak komt het mesten van jonge ossen en vaarzen met het mesten van afgedankte trekossen en oude melkkoeien overeen. Het verschil zit hoofdzakelijk in de kwaliteit der gemeste dieren. Het mesten van de laatste vereischt meer tijd, als men ten minste vrij goed vleesch wil hebben. Tracht men snel te mesten, dan leveren ⢠zij niet doorregeld, mager vleesch, dat meestal vrij taai en droog is.
Het mesten van jongere dieren, die van jongsaf voor de slachtbank bestemd zijn en goed doorvoed op stal komen, behoeft niet langer dan drie maanden te duren. 25 K.G. droge stof in het mestvoeder levert dan ongeveer 1 K.G. toename in levend gewicht. De geheele gewichtstoename per dag kan gemiddeld tot 1,25 K.G. bedragen. In 't begin nemen de dieren meer, op het laatst minder in gewicht toe.
Melkkoeien en trekossen, die van jongsaf gewend zijn groote hoeveelheden voeder van betrekkelijk laag gehalte te verduwen,
3.
i)Het meslveequot;.
â 34 â
mogen, als ze geniest worden, niet op eens groote hoeveelheden krachtvoeder ontvangen, doch moeten daartoe langzamerhand voorbereid worden. Een tijdruimte van 2 a 3 weken is daartoe voldoende.
Bij het mesten zou men drie tijdperken kunnen onderscheiden. In het eerste tijdperk heeft men ten doel de dieren goed bij vleesch te krijgen, ülen moet ze voeder geven, hetwelk ze gaarne lusten. Zijn ze in den gewenschten voedingstoestand gekomen, kenbaar aan het glanzen van het haar en het los worden van de huid, dan breekt het tweede tijdperk aan. Met het eerste tijdperk heeft men bij dieren, die vóór 't opstallen in een goede weide geloopen hebben, geen rekening te houden. Dit doet men alleen, als men afgedankte trekossen en oude melkkoeien mest.
In het tweede tijdperk moet men naar verhouding meer eiwit en ook wat vet meer voederen.
In het derde tijdperk neemt de eetlust af. Dan moet men voedermiddelen geven, die door lichtverteerbaarheid uitmunten. Dan kan men tevens naar verhouding weder minder eiwit geven, doch steeds iets meer dan in het eerste tijdperk. Goede rantsoenen voor jonge mestossen en vaarzen zijn zoowel in het tweede als in het derde tijdperk de volgende zes.
Ze zijn berekend per 1000 KG. levend gewicht en per dag.
II. 6 K.G. klaverhooi.
I. 10 K.G. goed hooi.
|
4 » haver- of zomer-gerststroo. 10 » geperste pulp. 5 » gedr. spoeling. 2 » roggezemelen. l'A » grondnotenkoek. |
6 » goed hooi. 4 » wintergraanstroo, 60 » mangel wortels. 4 » gedr. spoeling. 3 » raapkoek. |
â 35 â
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
gende rantsoenen geven, eveneens berekend por 1000 K.G-. levend gewicht en per dag: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
I. 20 K.G. goed hooi. II. 10 K.G. hooi en 10 K.G.
50 » koolrapen of knol- stroo.
len. 20 » koolrapen en 10
2 » katoenmeel.
4 » maïsmeel. 2
K.G. peen. grondnotenkoek, katoenmeel.
2
f,5 In het tweede tijdperk kan men dan per 1000 K.G. levend gewicht en per dag de volgende rantsoenen geven;
|
hooi. haverstroo. knollen, aardappels, katoenmeel. 10 KG. 10 30 10 6 II. 4 K.G. stroo, 3 K.G. kaf. 1 50 |
klaverliooi. mangelwortels. zemelen, lijnkoek. |
I.
â se
|
in. 10 Iv.G. hooi. V. 3 K.G. kaf. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Wie uit een dezer rantsoenen eeu keuze mocht doen, bedenke, dat niet alle dieren de naar hun gewicht berekende hoeveelheid zullen opvreten. Do ondervinding is ook hier de beste leermeesteres. Zonder groote fouten te maken, kan men de aangegeven hoeveelheden wortelgewassen door gelijke hoeveelheden van andere wortelgewassen vervangen. Eveneens maakt het in de voedingsverhouding weinig verschil of men
â 37 â
roggo, dan wel gerst of maïs voedert. Do marktprijs moet in dezen beslissen.
Bij het mesten moet men rekening houden met den smaak van het voeder, want van smakelijk voeder vreten de dieren het meest. Het keukenzout mag niet vergeten worden, vooral niet als veel aardappelen of veel pulp wordt gevoederd. Yoe-dert men echter te veel zout, dan drinken de dieren te veel, waardoor men minder resultaat mot het voederen heeft. Voor de wederafscheiding in de nieren van het overvloedig gegeven zout is meer water noodig. Hiervoor wordt een deel van 't water gebruikt, dat onder gewone omstandigheden door huid en longen verdampt. Is de hoeveelheid hiervan niet voldoende, dan wordt water aan het lichaam onttrokken. Hierdoor kunnen de dieren snel in gewicht achteruit gaan. Drinken de dieren te veel, dan stijgt de eiwitontleding, natuurlijk tot schade van de gewichtstoename. Geeft men don mestdieren voeder, dat zeer rijk aan water is, dan wordt te veel van de voederbe-standdeelen ontleed om daarna te verbranden, want ook in dit geval moet het opgenomen water op de temperatuur van het lichaam worden gebracht en dit kost voeder.
VUL GewicMs- en quot;waardebepaling.
Het juiste gewicht dor gemeste dieren kan slechts door weging bepaald worden. Wie geen veebascule bezit, of niet woont in de nabijheid van iemand, die er een heeft, kan het gewicht slechts bij benadering bepalen. Dat de kooplieden en slachters meestal de voorkeur geven aan het koopen naar schatting is wel een bewijs, dat de boer beter zal varen bij verkoop naar gewicht.
- 38 â
Voor het meten van vet vee bestaan de meetbanden van Klüver en Dombasle. Met den eerste wordt de lengte gemeten van af den boeg tot het zitbeen en don omvang van den romp achter de voorpooten. Met behulp van de gevonden cijfers en de bij den meetband behoorende getallenlijsten kan dan het levend gewicht tamelijk nauwkeurig bepaald Avorden.
Met den meetband van Dombasle meet men den omvang van de voorhand van af de schoft tusschen de voorpooten door. Op den band kan dan onmiddellijk het gewicht schoon aan den haak (slachtgewicht) worden afgelezen. Dat deze meting stellig onnauwkeurig moet zijn, volgt reeds hieruit, dat twee dieren, die wat de voorhand betreft, even zwaar zijn, wat de achterhand betreft, zeer veel in gewicht kunnen verschillen.
Door een mestdier te betasten, tracht men uit te maken of het meer of minder vet is. Deze zoogenaamde vetgrepen geschieden aan de borst, den boeg, op de ribben, in de liezen en bij ossen ook tusschen de achtorbeenen achter den zak. Bij koeien onderzoekt men ook den uier en de streek om den staartwortel.
Yan elke 100 K.G. levend gewicht komen volgens sommigen
op het vleesch: op het vet van net en nieren:
Bij mager vee : 42 a 46 K.G. 1 il 3 K.G.
Bij doorvoed vee: 47 » 49 » 3 » 6
Bij halfvet vee: 50 » 52 » 4 » 8
Bij vet vee: 53 » 60 » 6 » 10
Bij zeer vet vee : 60 » 66 » 8 » 12
Het gewicht der huid bedraagt 6 a 7 0/0 van het levend crewicht.
â 39 â
Volgens een onderzoek leverde een goed gevoede koe van 450 K.G. levend gewicht:
Aan vleesch ...... 234 K.G.
» vet ...... 25 »
huid ...... 31 »
kop en pooten ..... 16 »
tong, longen, lever, hart, nieren en milt 13 »
maag en darmen . . . . 23 »
bloed ...... 13 »
voeder en afval .... 95 »
Op de Engelsche markt wordt het vleesch van gemest rundvee tot 4 klassen geslacht. De eerste en tweede klasse worden in 5, de derde wordt in 3 en de vierde wordt in 4 onderafdeelingen verdeeld. Men onderscheidt dus aan een en zelfde dier 18 kwaliteiten vleesch.
quot;Weegt een gemest rund 500 K.G. en kan het een prijs bedingen van f 331, dan is die waarde over de verschillende onderdeden als volgt verdeeld ;
I.
|
Wegende : |
Prijs p. K0. |
Totaal. | ||
|
a. |
Staartstuk |
35 K.G. |
f 0,90 |
f 31,50 |
|
b. |
Lendenstuk |
75 » |
» 0,98 |
» 68,60 |
|
c. |
Middenribstuk |
54 » |
» 0,80 |
» 43,20 |
|
d. |
Kamerstuk |
15 » |
» 0,78 |
» 11,70 |
|
e. |
Bilstuk |
54 » |
» 0,78 |
» 42,82 |
|
a. |
Bovenbuikstuk |
13'/2 » |
» 0,74 |
» 9,99 |
|
b. |
Onderbuikstuk |
137, » |
» 0,74 |
» 9,99 |
|
c. |
Achterschenkel |
li1/. » |
gt; 0,58 |
» 6,67 |
|
d. |
Voorste ribstuk |
58 » |
» 0,58 |
» 33,64 |
|
e. |
Voorschenkel |
23'/., » |
» 0,58 |
» 13,63 |
II.
â 40 â
|
Wegende : Prijs p. K0. Totaal. | ||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||
|
Samen 500 K.G. Samen fSSO^O'/s | ||||||||||||||||||||||||
De gemiddelde prijs per Iv.Gr. is dan 66,2 cent.
Volgens Grevers, door wien achterstaande tabel is samengesteld, slachten runderen beneden den leeftijd van twee jaar en afgemolken koeien 40 a 44 0/0, 6ón zomer geweide trekossen 40 a 42 0/0, ossen, koeien en vaarzen na één zomer geweid te zijn 35 a 38 quot;/o af. Geweid en gemest vee (behalve stieren) slachten slechts ⢠28 a 34 0/o ^
- 41 â
dBwielitsïErliiiiJlij m pslacM tot tei m.
(Naar Db Gretjve.)
|
levend. |
schoon |
aan |
i.e' |
end. |
schoon |
aan | |||
|
den |
haak. |
den |
haak. | ||||||
|
Kilogram. |
Kilogram. |
Kilogram. |
Kilogram. | ||||||
|
400 |
185 |
tot |
200 |
100 |
42 |
tot |
55 | ||
|
450 |
210 |
» |
250 |
w |
150 |
56 |
» |
96 | |
|
500 |
245 |
» |
295 |
200 |
94 |
» |
104 | ||
|
550 |
275 |
» |
310 |
w w |
250 |
118 |
» |
153 | |
|
iz; |
600 |
290 |
» |
325 |
300 |
125 |
» |
172 | |
|
650 |
320 |
» |
375 |
350 |
139 |
» |
200 | ||
|
ai |
700 |
378 |
» |
425 |
400 |
160 |
» |
235 | |
|
UJ o |
750 |
410 |
» |
452 |
450 |
203 |
» |
290 | |
|
800 850 900 1000 |
430 500 550 620 |
» » » » |
480 550 590 650 |
SCHAPEN. |
30 40 50 60 |
13 17 23 25 |
tot » » |
15 20 26. 30 | |
|
400 450 500 550 |
155 190 210 270 |
tot » » |
180 230 275 310 |
70 80 90 100 |
31 35 44 44 |
» » » » |
36 42 46 51 | ||
|
600 |
285 |
» |
315 |
75 |
58 |
tot |
60 | ||
|
650 |
310 |
» |
360 |
có Iz; |
100 ' |
77 |
80 | ||
|
700 |
330 |
» |
400 |
150 |
114 |
» |
120 | ||
|
O |
750 |
350 |
» |
425 |
H |
200 |
152 |
» |
160 |
|
w |
800 |
400 |
» |
460 |
â lt;1 |
250 |
190 |
» |
200 |
|
850 |
410 |
» |
510 |
300 |
227 |
» |
240 | ||
|
900 |
500 |
» |
575 |
gt; |
350 |
264 |
» |
280 | |
|
1000 |
550 |
» |
680 |
400 |
302 |
/⦠|
320 | ||
Bij zeer goede en zware ossen en schapen bedraagt het gewichtsverlies slechts l/s.
â 42 â
WonSli van maat tot pielt.
(Naar H. Grevers.)
Gewicht in kilogrammen, schoon aan den haak.
|
OMTREK | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Het spreekt vanzelf, dat het vleesch duurder is, naarmate het afkomstig is van een mager, een halfvet of een vet dier. Mager vleesch onderscheidt zich ongunstig door zijn hoog â watergehalte. Het beste, meest pittige vleesch en het hardste vet krijgt men door mesting op de weide of op stal met hooi, stroo, wortelgewassen, graan, zemelen en peulvruchten.
Mindere kwaliteit vleesch en zacht vet geeft het niesten met natte spoeling of andere waterigen fabrieksafval. Week, olieachtig vet krijgt men door het mesten met voederkoeken of veel lijnzaad.
â 43 â
Hoe vetter eenig slachtdier is en hoe krachtiger het gemest is, des te minder slacht het af.
Wie mest, moet hot vee nu on dan wegen of meten, teneinde uit te maken of do dagelijksche groei of gewichtsvermindering het dagelijksche voeder voldoende betaalt.
In Engeland wordt het vee verkocht per Stone (steen). Een stone is 8 pounds (Engelsche ponden) of 3,628 K.G.
Een vleeschstone niet te verwarren met een wolstone. Het laatste is 8 Eng. ponden of 6,349 K.G.
IX. Vier besmettelijke ziekten.
Het miltvuur is een ziekte, Avelke meest met den dood eindigt. Gewoonlijk komt zij in den zomer voor. Komt het in 't lichaam gevormde »miltvuurgifquot; in of op den bodem, dan kan het tot besmetting der gezonde, op dien grond grazende dieren aanleiding geven. Aan miltvuur gestorven dieren moeten verbrand worden.
quot;Wanneer de ziekte een betrekkelijk langzaam verloop heeft, neemt men de volgende verschijnselen waar. De eetlust houdt op, het zieke dier is onrustig, siddert en loopt waggelend. De slijmhuid van neus en bek wordt rood en de ademhaling versnelt. Soms krijgen de dieren een bloedigen doorloop. Dikwijls ontstaan op de huid opzwellingen of builen. Het bloed van aan miltvuur gestorven runderen stremt en is donkergekleurd, bij zwart af.
De runderpest komt meestal door het steppenvee naar onze Oostelijke naburen en zoo tot ons. De besmetting kan zoo.
â 44 â
wel door vaste stoffen, als door melk, water en lucht plaats hebben. Het afmaken van alle zieke dieren en die, welke er mede in aanraking zijn geweest, is het eenige middel tot beteugeling. Eunderpest is kenbaar aan het rood worden van de slijmhuid van neus en bek. Uit de oogen en den neus loopt vocht, waaruit korsten ontstaan. Uit de aarsopening vloeit geelachtig of wit dunvloeibaar slijm.
Tuberculose, die bij den mensch tering veroorzaakt, komt bij het rund in twee vormen voor. De besmetting wordt veelal door ongekookte melk van tuberculeus rundvee op den mensch overgebracht. Men meent een middel gevonden te hebben, waardoor men kan uitmaken of een rund al of niet tuberculeus is. Tuberculeuse dieren mogen niet voor de teelt gebruikt worden.
Moud- en klauwzeer kenmerken zich door blazen en zweertjes op de roodachtige slijmheid van den bek en op de huid van de kroon en tusschen de klauwen. De besmettende stof bevindt zich in deze blaasjes, dus ook in het speeksel. Zij komt ook voor in het bloed en de uitwerpselen. Meestal eischt deze ziekte geen slachtoffers. Heeft men een aan deze ziekte lijdende dier, dan doet men 't best de gezonde dieren eenig speeksel van het zieke rund in den bek te strijken. Op deze wijze is de ziekte 't spoedigst den stal rondgeweest. Na ieder geval van besmettelijke ziekte moet ontsmetting plaats hebben. Tijdens een ziektegeval, behalve bij mond- en klauwzeer, moeten de niet zieke dieren afgezonderd worden.
De te ontsmetten voorwerpen reinigt men met een oplossing van 1 deel soda en 1 deel gebluschte kalk in 20 dee-len kokend water. Na met zuiver water afgespoeld te hebben, ontsmet men met 1 Gram (kwikzilver) sublimaat op 1 Liter water. Sommigen doen dit met 3 a 10 deelen carbolzuur of
â 45 â
10 deelen chloorkalk op 100 deelen water. De lucht in den stal ontsmet men door buiten het bereik van mensch en vee potten op te hangen, waarin '/-2 kilo chloorkalk, begoten met zoutzuur. Voor iedere M3. stalruimte neemt men 2,/2 H.G. chloorkalk en S'/a H.G. zoutzuur.
Niemand verzuime in geval van besmettelijke ziekte onder zijn vee hiervan aangifte te doen bij de bevoegde macht, zooals de Wet dit voorschrijft.
X. Woekerdieren.
De schadelijke luizen voeden zich met het bloed der runderen.
Als waschmiddel kan dienen een mengsel van 8 deelen groene zeep, 1 deel benzine en 14 deelen water of een aftreksel van 1 deel staverzaad op 15 deelen water.
Het wijfje der runderhorzel legt haar eieren aan de haren van de schouders, den rug, de borst en het kruis der beste runderen. Hieruit ontstaan maden, die de huid doorboren en tusschen vel en vleescli kruipen. Zij blijven daar 9 maanden en doen als gevolg van ontsteking builen op het lichaam der runderen ontstaan. Uit een kleine opening in de builen vloeit etter en bloed. Nadat de maden zich naar buiten gewerkt hebben, vallen zij op den grond en kruipen, zoo zij niet verongelukken, daarin om in volkomen horzels te veranderen. Om de horzels te weren kan men de weidende dieren van Juni tot Sept. herhaaldelijk met een afkooksel van noteboom-bladeren en azijn wasschen, vooral die deelen, waaraan de horzels hun eieren leggen. Zijn reeds eieren gelegd, dan moet
â 46 â
men de dieren kammen. Zijn er al builen ontstaan, dan moet men de maden met de vingers uitdrukken of hierbij oen mesje gebruiken en de gemaakte wondjes uitwasschen.
Mijten, spinachtige diertjes, veroorzaken schurft. Bij het rund geschiedt dit vooral door een bloedzuigende mijt. Schurftige runderen moeten afgezonderd worden, daar schurft van het eene dier op het andere (en ook op den mensch) overgaat. Men smeert de schurftige plekken met groene zeep in. Na eenige uren borstelt men de besmeerde plekken met water af om de huidkorsten te verwijderen, waarna men wascht met 3 deelen bijtende potasch op 100 deelen water.
Heeft een rund wormen, dan eet het ongeregeld, en lijdt het nu aan verstopping, dan aan doorloop. Nu is de buik ingetrokken, dan opgeblazen. Het dier schijnt in'tgeheele lichaam jeuk te hebben, vooral aan neus en aars. Zijn huid is hard en het vertoont neiging tot braken. Dikwijls heeft het krampen.
Als middel geve men haar 75 gram benzine met meel en honig tot pillen gemaakt.
INHOUD.
Bladz.
Voorbericht........3
I. Keuze van mestvee.......5
II. De verpleging van liet mestvee
a. De stal........9
h. De hu id verpleging . . . . . . 10
c. Het voederen...... . 11
III. Iets uit de algemeene voedingsleer .... 13
IV. De voedermiddelen . . . . . . . 15
V. De toebereiding van het voeder ..... 22
VI. Het mesten van kalveren ...... 24
VII. Hot mesten van vaarzen, ossen en koeien ... 27
VIII. Gewichts- en waardebepaling.....37
IX. Vier besmettelijke ziekten......43
X. Woekerdieren........45
Heeren Landbouwers of Leden van Land~ bouwvereenigingen !
Wilt Gij goedkoop in 't bezit komen van de op de voorzijde van den omslag vermelde werkjes, bestelt dan voor gezamenlijke rekening in éénmaal 25, 40, 60 of 100 exemplaren der verschillende nummers, naar uw keuze gesorteerd. Gij betaalt daarvoor franco thuis slechts
f 5.-, f 7.-, f 9.-, of f 13.-,
dat is :
20, IT'/a, 15 of 13 cent per boekje.
(De uitgever, A. A. W. BOLLAND,
GOES.
X-iaTbrijn. óz ^ilsiar.
HANDEL IN ZAAIGRANEN, GOES.
Telegram-Adres : Labrijn - G-oes.
(Bekroond: Zierikzeesche Tentoonstelling, ig Sept. iSgj:
Chidham Tarwe lsto prijs.
Gladarige Essex Tarwe 2dc prijs.
Ruwarige Essex Tarwe 2do prijs.
Vraag prijscouranten en monsters.
Stoom-Olieslagerij en zachte en harde Zeepziederij:
âD E O L IJ F R O O Mquot;.
breda. c. h H. KARMENS. breda.
LEVEREN:
zachte en harde Lijnkoek, Lijn meel en Raapkoeken volgens de algemeene bepalingen der Rijks-Landbouwproefstations.
TRAY S P mm NÃNÃ
(HALS en KAP uit één stuk, dus zonder naden.)
â¡Teem.sen of Zeeften.
Alles vervaardigd van STAALPLAAT en 3 maal in volbad vertind.
(Prima kwaliteit. (Billijke prijzen.
ff. Berk
K A. M JP E ÃN.
Stoomfabrieken van vertinde en gecmailleerde Ijzerwaren.
De beste, sterkste, vruchtbaarste en voordeeligste Varkens, die er bestaan, zijn die van
H. A. PAUWEN'S verbeterd Groot Yorks hi re-ras,
Ze â wei-pen mocstal lO :i IS iMg-gjon, groeien lgt;ij goecle voedinj»' vei-baasencl snol ei» Ix'i-oilion in Ifoi-tcn tijd oen ongjoloofllfli: slachtjye-wlcht. Ze lielgt;lgt;cn -veel moer en vool fijnei- mager vloescli dan andere soorten en -worden -voor de slachterij daarom steeds liet m eest jfezocht en hot toost betaald.
Ojj alle tontooiistellin«gt;-en -wonnen ü: o de hoogste onderschoidingen, te zamen omsti-eelis ^200 lï] «i r s t e l 'i-ij^eii.
Jonge fohdieren van de allex-lgt;cste soort en :i !-stammiug' -worden steeds gelovex-d door de
RasveeMbfij van H, A, Pauwen
te West-Pannerden bij Arnhem.
Liobig's Vloeschvoodermeol
MET 84 % EIWIT EN VET.
1
Dit is het beste en voordeeligste krachtvoeder voor Mest- en Melkvee, Kalveren, Varkens, Honden en Kippen.
Brochures met gebruiksaanwijzing op franco aanvraag gratis verkrijgbaar.
Het LIEBIG'S YLEESCHMEEL wordt franco per spoor geleverd en franco die plaatsen, welke van Botterdam per boot of schipper te bereiken zijn, tegen den. prijs van
f 14,â bij afname van minstens 1 baal. \
f 13,50 â â â â 500 KG. I
f 13,10 â â â â 1000 â ( ^
f 12,70 â â â ;, 2500 â
f 12,10 â â â â 5000 â \ §
f 11,50 â â â â 10000 â j â
De prijzen zijn thans zooveel lager, dat het voor niemand meer een bezwaar kan zijn het Vleeschmeel aan zijn huisdieren te voederen.
T exas-Katoenmeel.
De prima kwaliteit van het TEXAS-KATOENMEEL is mijn afnemers genoegzaam bekend, zoodat het onnoodig is dit artikel nader te omschrijven.
De prijs franco boord Zierikzee en Botterdam is:
per 10000 KG. f 6,30 ) 1
â 5000 â f 0,35 -
â 2500 â f 6,40 ^
â 1000 â f 6,50 ) S
Onder beleefde aanbeveling, Hoogachtend,
ZIERIKZEE, Oct. '95. I3IAJV J. v. d. HAVE.
D. SPOOB, Bodegraven,
Fabrikant van Knipwerk met ronde kimmen voor Zuivelbereiding. Karns voor stoom-, paarde-, honde- en handkracht.
Kaaskuipen en Kaasketels. Kaasvormen in alle soorten en afmetingen, benevens zeer doelmatige -j â Centrifuges voor handkracht. â
BEKRONINGEN;
Gouden Medaille; Bolsward 1889. Eerste prijzen: Woerden 1890, Dordrecht 1890, Dokkum 1891 (ook voor Karns voor paardekracht). Leiden 1892, Alfen 1892, Nijmegen 1893, Gouda 1894, Arnhem 1895 (drie eerste prijzen). Zilveren Medaille:
I Wereldtentoonstelling Antwerpen 1894, enz. Wereldtentoonstelling Antwerpen 1894, enz.
TaTtMappiTvmTeldadigheid.
FANTASIE-, RUIGE en GETROKKEN MATTEN,
voor kamer, gang- en rijtuig (naar maat).
COCOSKLEEDEN en LOOPERS,
in verschillende dessins.
Ameublement voor Veranda's. Stoelen, Tafels, Werk-mandeii, Bloemmauden. Grof of fijn Mand- en Bamboewerk.
IPHOTOGEAFIÃN op aanvraag ter inzage verkrijgbaar. Verder;PHOTOGEAFIÃN op aanvraag ter inzage verkrijgbaar. Verder; ZAAIROGGE (Schlanstaedter, Probsteier), TAFEL- en POOT AARDAPPELEN (Bremer roode, Geldersche Kralen, Blauw-kiemen, Deventer roode, Hallmner Gele, enz.).
s Fokvarkens van volbloed en gekruist Yorkshire-ras
van verschillenden leeftijd.
Ook BEEREjST en DRACHTIGE ZEUGEN.
Bestollingen en inlichtingen uitsluitend bij Job van der Have, Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord.
Ueöcii en Ãpiiituefabricli te SMft
Directie : J C. VAN MARKEN eu F. G. WALLER.
Een uitmuntend krachtvoeder voor allerlei vee is
gedroogde Spoeling
Gewaarborgd gehalte. â Gratis controle aan de Eijksproefstations.
ItcDerlanösfljc (Oliefabvti'li te ïiMft.
Directie: J. C. VAN MARKEN, Dr. J. R. TUTEIN NOL-THENIÃS en G. THÃBÃ.
ój)elftsc/jè ffleekoe^
Het hooye (jehalte wordt onder gratis-controle aan de Rijksproefstations gewaarborgd aan lederen
gebruiker.
Cijm- m Q^flatincfabvicli te ^clft.
Directie : J. C. VAN MARKEN en F. G. WALLER.
$eet^ermeer
in drie soorten. Het gehalte van deze lang nawerkende meststof wordt gewaarborgd.
ECS- Alle inlichtingen aangaande de Gedroogde Spoeling, de Delftsche Veekoek en het Beendermeel worden gaarne verstrekt door de landbouwafdeeling der drie fabrieken, speciaal door den landbouwkundige, den heer A. F. MARLET.
J. L. Robertus, Winschoten,
Uitgebreidste handel in
KLAVER-, GRAS- en LANDBOUWZADEN, zoowel voor den aanleg van één- en meerjarige- als van duurzame weiden. ZADEN voor Groenbemesting, Pers- en Groenvoedering.
Hoogste onderscheidingen op Tentoonstelling-en te Bellingwolde, Blijham, Winschoten, Groningen, Uithuizen, Zuidlaren, Gieten, Arnhem en. Kampen. Levering onder Rijkstoezicht.
Prijscouranten en inlichtingen gratis.
E. m des iosè,
rOKVEEHANIELAAE,
GOES.
(ZEELAND).
fokkers ia Noord-Holland en Friesland in geregelde correspondentie, kent de afkomst hunner fokdieren en tevens derzelver melkopbrengst, waardoor hij in staat is steeds te leveren :
Stieren met heste afstamming en Koeien met liooye melhopbv eng sten, van met de hoogste prijzen op de Tentoonstellingen bekroonde ' stamouders.
Door bezoek der groote Voor- en Najaarsmarkten jong vee en gvaskalveren tegen marktkoers.
E. Vquot;A rs I gt; U IN BOSCH.
^ WL E 3L: K I- IJquot; © T B, ïiT «4
met toeliohting door A. A. TBR HAAR.
Na ontvangst van 15 cent por postwissel of in postzegels worden 2 melklijsten, voldoende voor 20 koeien gedurende een kalenderjaar, franco p. p. toegezonden. Bestellingen worden nu reeds aangenomen door den uitgever A. A. W. BOLLAND te Goes.
sa
CD
|crq
! CD
a o
, ^
M O
a o
o
O
O
O
, 2_i CD
, CD ; O
O O
gt;1
fej
N h
Jgt;5
p-
a*
o P
CD
Hj
53 I I
00 quot;o
O
zo quot;a*
â¢lt;1
ai
GO
O O
CD
p- c-:
5 O P- O
CD ^
C- i
CD i
io Ãlt;
w «1 p
^3 O |
. 71- N
CD
CD
5 ^
p P p p O
C/2
P- C/2
â CD CD
cn O
^ O ^
%?r.%
S 3 «
r I-S
^ S B
E c» quot;ü
p - I
P- amp;
o ^ !
q B |
SS O
g-sr
rt- C3
^. . C/2 1
O O
|
-5* 3 |
m 3 £5 P H-. |
»-h h-» o |
|
SU s |
S Jü B ' S « o |
quot;a» o |
|
lt;xgt; |
S O |
i-b |
|
a. |
w PT |
tâ1 |
|
quot; |
â _-1 | |
|
â |
5 ^ | |
|
⢠|
et I-! cc ==: |
O |
|
O |
- cn O |
â¢-b |
|
â | ||
|
M 0 N ^ * P |
1â' | |
|
S |
JO | |
|
gt; |
O 3- |
Ãl |
|
C/5 |
gt;- 5 | |
|
C/3 |
_ lt;! |
gt;- ? |
|
m |
rquot;, p | |
|
m |
2 ^ d |
h-1 |
|
fio |
o |
quot;co Ãl |
|
amp; i | ||
|
M | ||
|
O |
quot;-b | |
|
O |
1 2. |
H-» JTJ |
|
-z |
S- ? C-»- ^ c c |
û |
|
O |
aq' §- | |
|
O |
CD CD |
gt;- 5 |
|
rtl |
K) | |
|
C/5 |
-ö |
tâ' |
|
CT CD N |
w 6 |
crq |
S 1 |
to | |
|
o' |
1/2 3 |
HJ |
p D |
§ 1 | |
|
r^- |
O |
O | |||
|
cr5' CD |
® |
O |
⺠t â | ||
|
3 |
cc |
CD CD |
fD_ |
quot; 1 | |
|
rTquot; |
Vl | | ||||
|
a |
C/2 |
O 1 | |||
|
iq |
⢠r-f- P |
3 3
ffl as
a? S
s
B:» 3 ® 2 ^ -T- 5'
X -- 0
l|? Ifo
i^'g-O
O ui
p «
N tr-
cx» â¢
O û
|
CD i |
iâi |
O |
CD |
1 lt;- - |
|
CD I |
CD |
C3 |
CD |
1 ^ |
|
^ | |
| ' |
^ ' |
m' |l CD | |
|
CD i' |
i' |
C/2 |
CD |
3 |
|
. |
CD | |||
|
CD CD j |
| N : O |
O (72 |
CD |
als |
|
1 O |
CD | |||
|
hril |
c- |
! P-gt; |
P ^ N P- O
Q 5 CD li - 2 §. i ' ⢠^ 11 3 jrquot;! aq 2 c/j:
i®- S?!l
iS ^ §
^ fD CC !
|
CD |
2 |
|
P | |
|
2 |
Cr |
|
P- |
CD |
|
cr |
O |
|
o |
ef |
|
lt; |
CD CD |
|
P | |
|
CD pi |
CSJ |
|
O | |
|
V |
O |
o . CD
2 S''
? N 2
lt;3 CD
P P
P ^ I
gt; O H-.'
, C3 c/2
S. ,crq
GO
1â3 gt;
-lt;
O tri ö w
m
c=3
HâH
O
w
O
Bij P. NOQEDHOFF te Groningen is verschenen: De Bij en haar bestaan.
WENKEN TOOK DEN IEMEER, door F. BE HAAN.
Met uitslaande platen.
m l J. fan isr Saw, Eapells lij Bok.
Levering' franco door Nederland.
Prijscouranten op aanvrage franco verkrijgbaar.
Bij eiken soliden boekhandelaar zijn te bekomen:
Uit liet Dierenrijk.
Voor den laodbomv en de houtteelt nuttige en schadelijke dieren.
door A. A. TER HAAR.
Met 34 en 28 afb. 2 stukjes a 35 ct. Zeer geschikt voor plattelandsseholen en landbouvvcursussen,
KOEÃE HANDLEIDING VOOR
Landbouwers-Paardenfokkers
door A. A. TER HAAR. Met 17 afbeeldigen. Prijs f l._
Dr. E. WOLFF. De oordeelkundige voedering van het vee.
Naar den e-^n Hoogduitschen druk door A. A. TER TTA AR,
Prys f2,90.
- O O -^- O P
Iâ!
O en o
GO 1
gt;--lt;
o
w ö w
2 3
O
cr N-d
o -n O
a =
Bquot;. c
o ^
io
o« ^
te ^
N ^ S
s ^ ts
OX ^
h
Cc
^ c
c , â i
o
3
513
CD
|
J-H | ||
|
O | ||
|
O | ||
|
crq |
â¢quot;l | |
|
«* | ||
|
crq |
gt;-*5 | |
|
lt; |
1^ 3 | |
|
23 |
quot;o | |
|
O | ||
|
O | ||
|
O | ||
|
H-h | ||
|
^1 | ||
|
O |
quot;â1 | |
|
l . |
O | |
|
gt;jq |
pT | |
|
o' |
gt;-b | |
|
OD | ||
|
O |
quot;o | |
|
O | ||
|
^r |
O | |
|
Oq' |
p. |
âº-b |
|
o |
ZD | |
|
V |
quot;o | |
|
crq |
O | |
|
~ | ||
|
J O |
p |
âºquot; 3 |
|
tâ' | ||
|
1 5? pquot; |
Jquot;quot; | |
7i o « amp;
O1;! re N iâ|
'Crq O
^ O o
^ r-t
O t-J
0 rquot;
o S
O s o ^
rr O,
|
O O
|
|
o ^ ;
jZj x' S c T- N 1
O |
rr c/quot;.1 | o
lt;=:
o w
By P. NOORDHOPP te Groningen is verschenen:
De Bij en haar bestaan.
WEKKEN TOOR DEN IEMKER, door F. DE HAAN.
Met uitslaande platen.
Prijs f 1, . Bij bestelling van 10 of meer ex. in eens, is de prijs 90 cent per ex.
Verkrijgbaar in eiken boekhandel of rechtstreeks tegen inzending van het bedrag per postwissel bij den Uitgever.
Onder openbare contróle der Rijks-landbouwproefstations.
Handel m Laadbouwsaden
m D. J. m der Have, Eapelle lij ki
Levering franco door Nederland.
Prijscouranten op aanvrage franco verkrijgbaar.
Bij eiken soiiden boekhandelaar zijn te bekomen:
Uit het Dierenrijk.
Voor den landbouw en de houtteelt nuttige en schadelijke dieren.
door A. A. TER HAAR.
Met 34 en 28 afb. 2 stukjes a 35 ct. Zeer geschikt voor plattelandssoholen en landbouwcursussen,
KORTE HANDLEIDING VOOR
Landbouwers-Paardenfokkers
door A. A. TER HAAR. Met 17 afbeeldigen. Prijs f I.â
Dr. E. WOLFF. De oordeelkundige voedering van het vee.
Naar den 6^ Hoogduitschen druk door A. A. TER HAAR
Prijs f 2,90.
mfc- m iStftikoeken,
KOOG AAN DE ZAAN
WEBDEN GEDURENDE DE LAATSTE JAREN TWAALFMAAL MET DEN
V*
wm.
Hun FABRIEK en PAKHUIZEN zijn steeds toegankelijk voor hun afnemers, opdat deze zich kunnen overtuigen van de puike kwaliteit van grondatfrf
m
en fabrikaat.