i3 3M
KLEINE CATECHISMUS
F. B. SMITS,
Noord wijkâB ata vi a . 1899.
VOOR
NEDERLANDSCH INDIÃ
INPRIMATUR.
Bataviae, hac 10 Aprilis 1899.
C. W. J. WENNEKER,
Frovicarius.
KLEINE CATECHISMUS.
EERSTE DEEL.
Van de quot;Waarheden, die wij moeten gelooven.
Eerste Les.
Van God.
1. Vraag. Wat is God?
Antivoord. God is de oneindig volmaakte geest, de Schepper van hemel en van aarde, van wien alle goed voortkomt.
2. V. Hoe oud is God?
A. God is van eeuwigheid.
3. V. Waar is God?
A. God is in den hemel, op aarde en op alle plaatsen.
4. V. Ziet en weet God alles?
A. Ja, God ziet en weet alles, ook onze geheimste gedachten.
5. V. Kunnen wij God ook zien?
A. Neen, wij kunnen God niet zien.
6. V. Waarom kunnen wij God niet zien?
â 4 â
A. Omdat God een geest is en geen lichaam heeft.
7. V. Waarom noemen wij God almachtig? A. Omdat God alles kan, wat Hij wil.
8. V. Waarom noemen wij God rechtvaardig?
A. Omdat God het goede loont en het kwade straft.
Tweede Les.
Van de H. Drievuldigheid.
1. V. Is er meer dan één God? A. Neen, er is maar één God?
2. V. Hoeveel Goddelijke Personen zijn
er?
A. Drie: God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest.
3. V. Is God de Vader God? A. Ja, God de Vader is God.
4. V. Is God de Zoon God?
â 5 â
A. Ja, God de Zoon is God.
5. V. Is God de H. Geest God?
A. Ja, God de H. Geest is God.
6. V. Zijn er dan niet drie Goden?
A. Neen: de drie goddelijke Personen zijn maar één God.
7. V. Waarom zijn de drie Goddelijke Personen maar één God?
A. Omdat zij alle drie maar één Goddelijk Wezen zijn.
8. V. Hoe worden de drie Goddelijke Personen te zamen genoemd?
A. De H. Drievuldigheid.
Derde Les.
Van de Schepiring.
1. V. Waarom noemen wij God schepper?
A. Omdat God hemel en aarde en al, wat daarin is, geschapen heeft.
2. V. Wat is scheppen?
A. Iets van niets maken.
3. Welke zijn de waardigste schepselen, die God geschapen heeft?
A. De engelen en de uienschen.
4. V. Hoe waren de engelen, toen God hen geschapen had?
A. Goede en gelukkige geesten.
5. V. Zijn alle engelen goede en gelukkige geesten gebleven?
A. Neen, vele engelen zijn hoovaar-dig geworden. en daarom in de hel gestort.
6. V. Hoe worden de hoovaardige engelen genoemd?
A. Duivels of booze geesten.
7. V. Heeft ieder mensch een engelbewaarder?
A. Ja, ieder mensch heeft een engelbewaarder, die hem van het begin tot het einde zijns levens bewaart.
Vierde Les.
Van den Mensch.
1. V. Wat is de mensch?
A. Een redelijk schepsel Gods, bestaande uit eene onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam.
2. V. Uit hoeveel deel en bestaat dus de mensch?
A. Uit twee deelen; uit eene onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam.
3. V. Waartoe is de mensch geschapen?
A. Om hier op aarde God te beminnen en te dienen en daardoor in den hemel
|
te komen. | |
|
4. V. |
Hoe noemt gij de vreugde des hemels? |
|
A. |
De eeuwige zaligheid. |
|
5. V. |
Wie waren de eerste menschen? |
|
A. |
Adam en Eva. |
|
6. V. |
Waar leefden Adam en Eva? |
|
A. |
In het aardsche paradijs. |
7. V. Zijn Adam en Eva in het paradijs gebleven?
A. Neen, zij hebben hun geluk verloren en zijn uit het paradijs verdreven.
8. V. Waardoor hebben Adam en Eva hun geluk verloren ?
A. Door hunne ongehoorzaamheid.
9. V. Waarin zijn Adam en Eva ongehoorzaam geweest.
A. Zij hebben van de verboden vrucht
gegeten.
Vijfde Les.
Van de Erfzonde.
1. V. Heeft Adam maar alleen gezondigd met van de verboden vrucht te eten?
A. Neen, alle menschen hebben in Adam gezondigd.
2. V. Hoe wordt de zonde genoemd, waardoor alle menschen in Adam gezondigd hebben ?
â 19 â
A. Op het einde der wereld, doch de dag is onbekend.
5. V. Welke uitersten znllen de zondaars hebben, die in doodzonde sterven?
A. Een ongelukkigen dood, een verschrikkelijk oordeel, de eeuwige straffen der hel.
6. V. Welke uitersten znllen de vromen hebben ?
A. Een gelukkigen dood, een verblijdend oordeel, de eeuwige vreugde des hemels.
TWEEDE DEEL.
Van de Plichten, die wij moeten vervullen.
Dertiende Les.
Van de tien geboden Gods.
1. V. Welke zijn de voornaamste geboden die wij moeten onderhouden?
â 20 â
A. De tien geboden Gods, en de vijf geboden der H. Kerk.
2. V. Wat gebiedt het eerste gebod van de tien geboden?
A. Dat wij God alleen moeten aanbidden.
3. V. Welke zonden strijden tegen het eerste gebod?
A. Alle zonden tegen het geloof, de hoop en de liefde; nalatigheid en oneerbiedigheid in het gebed.
4. V. Welke zonden strijden nog tegen het eerste gebod?
A. Afgoderij, bijgeloof, ketterij, heiligschennis.
5. V. Wat gebiedt het tweede gebod?
A. Dat wij den naam van God altijd
met eerbied moeten gebruiken.
6. V. Welke zonden strijden tegen het tweede gebod.
A. Ten 1. het oneerbiedig uitspreken van Gods heiligen naam; ten 2. godslastering,
vloeken, zondig zweren, en het breken van geloften aan God of zijne Heiligen.
Veertiende Les.
Vervólg.
1. V. Wat gebiedt het derde gebod?
A, Dat wij den Zondag heilig moeten
vieren.
2. V. Wat zijn wij verplicht te doen om den Zondag heilig te vieren?
A. Ten 1. de H. Mis te hooren; ten 2. ons van slafelijken arbeid te onthouden.
3. V. Wat gebiedt het vierde gebod?
A. Dat kinderen aan hunne ouders eerbied, liefde en gehoorzaamheid moeten bewijzen.
4. V. Moeten kinderen in alles aan hunne ouders gehoorzamen ?
A. Ja, in alles wat geene zonde is.
5. V. Wat verbiedt het vijfde gebod?
â 22 â
A. Kwaad te doen aan zijnen naaste naar lichaam of ziel.
6. V. Hoe doet men aan zijnen naaste kwaad.naar het lichaam?
A. Als wij hem zonder wettige macht of reden dooden, slaan of kwetsen.
7. V. Hoe nog?
A. Als wij hem door verdriet of kwade behandeling het leven verbitteren of verkorten.
8. V. Zondigen wij alleen, als wij met daden iemand kwaad doen naar het lichaam?
A. Neen, maar ook als wij iemand afgunst, gramschap of haat toedragen.
9. V. Hoe doet men aan zijnen naaste kwaad naar de ziel?
A. Yoornamelijk door ergernis.
10. V. Wie doet de zonde van ergernis?
A. Alwie een ander tot zonde verleidt of hem het kwaad voorbeeld geeft.
â 23 â
yijftiende Les.
Vervolg.
1. V. Wat verbieden liet zesde en het negende gebod'?
A. Alle onknisclilieid en begeerte tot onkniscliheid.
2. V. Hoe zondigt men tegen het zesde en negende gebod 'â
A. Door onkuische gedachten of begeerten, door onkuische woorden te spreken of aan te hooren, door iets onkuisch te zien, te doen of toe te laten.
3. V. Wat verbieden het zevende en tiende gebod ?
A. Alle zonden van onrechtvaardigheid.
4. V. Welke zonden strijden, onder andere tegen het zevende en tiende gebod?
A. Ten 1. stelen en helpen stelen; ten 2. gestolen goed koopen of bewaren; ten 3. schulden maken en die niet betalen.
â 24 â
5. V. Welke nog?
A. Ten 1. woekeren en bedrog plegen; ten 2. aan de goéderen van zijnen naaste schade toebrengen.
6. V. Wat verbiedt het achtste gebod? A. Elk valsch getuigenis.
7. V. Welke zonden strijden tegen het achtste gebod?
A. Liegen, lasteren en kwaadspreken.
8. V. Welke zonden nog?
A. Kwaad vermoeden en lichtvaardig
oordeel.
Zestiende Les.
Van de vijf Geboden der H. Kerk.
1. V. Wat gebieden het eerste en tweede gebod der H. Kerk ?
A. Dat wij de geboden Heilige dagen moeten vieren als Zondag.
2. V. Wat gebiedt het derde gebod?
â 25 â
A. Dat wij op vrijdag ons moeten onthouden van vleesch en vet, en vasten op de dagen, dat het geboden is.
3. V. Wat gebieden het vierde en vijfde gebod ?
A. Ten 1. dat wij ten minste eens in 'tjaar moeten biechten; ten 2. dat wij in den Paaschtijd de H. Communie moeten ontvangen.
4. V. Hoelang duurt de Paaschtijd?
A. Van Palmzondag tot den eersten Zondag na Paschen.
5. V. Wanneer moeten wij de H, Communie ontvangen, als wij in den Paaschtijd geene gelegenheid hebben?
A. Zoodra wij de gelegenheid hebben.
Zeventiende Les.
Van de Zonde.
1. V. Wat is zonde?
A, Eene vrijwillige overtreding van een der geboden van God of van de H. Kerk.
--
.fr 'â
ââ
â 26 â
2. V. Op hoeveleiiei wijze kunnen wij zonde doen?
A. Op vijfderlei wijze: door gedachten, door begeerten, door woorden, door werken, door verzuimenissen.
3. V. Wat is het grootste kwaad?
A. De doodzonde.
4. V. Wat verliezen wij door de doodzonde ?
A. Ten 1. de heiligmakende genade; ten 2. de liefde Gods; ten 3. de verdiensten van onze goede werken; ten 4. den hemel.
5. V. Wat straffen verdienen wij door de doodzonde ?
A. De eeuwige straffen der hel.
6. V. Hoeveel doodzonden zijn genoeg om naar de hel te gaan?
A. Ãéne doodzonde is genoeg.
7. V. Wat kwaad doen ons de dage-lijksche zonden?
A. Ten 1. zij verzwakken de liefde
â 27 â
Gods; ten 2. zij maken ons schuldig aan tijdelijke straffen; ten 3. zij zijn oorzaak, dat wij licht in groote zonden vallen.
8. V. Is het genoeg, dat wij de zonde laten ?
A. Neen; wij moeten liet kwade laten en het goede doen; de zonde vluchten en de deugd beoefenen.
Aehttiende Les.
Van de drie Goddelijke Deugden.
1. V. Hoeveel Goddelijke deugden zijner?
A. Drie: geloof, hoop en liefde.
2. V. Wat moeten wij gelooven ?
A. Alle waarheden die God geopenbaard heeft en door de H. Kerk ons voorstelt te gelooven.
3. Y. Is het geloof noodzakelijk?
A. Ja; zonder geloof is het onmogelijk aan God te behagen.
â 28 â
4. V. Wat moeten wij van God hopen? A. De eeuwige zaligheid en de middelen
die daartoe noodig zijn.
5. V. Wie moeten wij beminnen ?
A. God bovenal en onzen naaste gelijk ons zeiven.
6. V. Wanneer beminnen wij God bovenal? A. Als wij God boven alles stellen en
liever sterven, den hem met eene doodzonde te beleedigen.
7. V. Wanneer beminnen wij onzen naaste gelijk ons zeiven?
A. Als wij met onzen naaste doen, gelijk wij redelijkerwijze willen, dat anderen met ons doen.
DERDE DEEL.
Van de genademiddelen, die wij moeten gebruiken.
Negentiende Les.
Van de heilige Sacramenten.
!⢠V. Welke zijn de voornaamste genademiddelen, die wij moeten gebruiken?
A. De heilige Sacramenten en het gebed.
2. V. Hoeveel Sacramenten zijn er?
A. Zeven: het Doopsel, het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, de Biecht, het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.
3. V. Wie heeft de Sacramenten ingesteld?
A. Christus zelf.
4. V. Waartoe heeft Christus de Sacramenten ingesteld?
A. Om ons door de Sacramenten zijne genade mede te deelen.
â 28 â
4. V. Wat moeten wij van God hopen? A. I)e eeuwige zaligheid en de middelen
die daartoe noodig zijn.
5. V. Wie moeten wij beminnen ?
A. God bovenal en onzen naaste gelijk ons zeiven.
6. V. Wanneerbeminnen wij God bovenal? A. Als wij God boven alles stellen en
liever sterven, den hem met eene doodzonde te beleedigen.
7. V. Wanneer beminnen wij onzen naaste gelijk ons zeiven?
A. Als wij met onzen naaste doen, gelijk wij redelijkerwijze willen, dat anderen met ons doen.
â 29 â
DERDE DEEL.
Vau de genademiddelen, die wij moeten gebruiken.
Negentiende Les.
Van de heilige Sacramenten.
!⢠V- Welke zijn de voornaamste genademiddelen, die wij moeten gebruiken ?
A. De heilige Sacramenten en het gebed.
2. V. Hoeveel Sacramenten zijn er?
A. Zeven: het Doopsel, het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, de Biecht, het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.
3. V. Wie heeft de Sacramenten ingesteld?
A. Christus zelf.
4. V. Waartoe heeft Christus de Sacramenten ingesteld?
A. Om ons door de Sacramenten zijne genade mede te deelen.
â 30 â
5. V. Hoeveel Sacramenten der dooden zijn er?
A. Twee: het Doopsel en de Biecht,
6. V. In welken staat mag men de Sacramenten der dooden ontvangen?
A. In staat van doodzonde,
7. V, Mag men de Sacramenten dei-levenden ook ontvangen in staat van doodzonde?
A. Neen; men moet die ontvangen in staat van heiligmakende genade.
8. V. Wie zijn in staat van heiligmakende genade ?
A. Die zuiver zijn van doodzonde.
9. V. Hoeveel Sacramenten mag men maar eens ontvangen?
A. Drie: het Doopsel het Vormsel en het Priesterschap.
10. V. Waarom mag men die maar eens
ontvangen ?
A. Omdat zij een altijddurend geestelijk
merkteeken in de ziel drukken.
â 9 â
A. Erfzonde.
3. V. Waarom wordt die zonde genoemd erfzonde ?
A. Omdat alle menschen die van Adam
erven.
4. V. In welk ongeluk brengt ons de erfzonde ?
A. Dat wij geboren worden in vijandschap met God, en aan lijden en dood onderworpen zijn.
5. V. Zijn alle menschen met de erfzonde besmet ?
A. Ja, alle menschen zijn met de erfzonde besmet, behalve onze Verlosser, Jesus Christus, en zijne Moeder, de H. Maagd Maria.
Zesde Les.
Van de Mensclnoording en Geboorte van God den Zoon.
1 V. Wie is voor ons mensch geworden?
â 10 â
A. God de Zoon, de tweede Persoon
van de H. Drievuldigheid.
2. V. Waarom is God de Zoon voor ons
mensch geworden?
A. Om ons door zijn lijden en dood van de zonde en den eeuwigen dood te verlossen; en om ons door zijn voorbeeld en zijne leer den weg des hemels aan te wijzen.
3. V. Hoe wordt God de Zoon, mensch
geworden zijnde, genoemd?
A. Jesus Christus, onze Verlosser en
Zaligmaker.
4. V. Is Christus God of mensch?
A. Hij is God en mensch te zamen.
5. V. Waar is Christus geboren? A. Te Bethlehem in eenen stal.
6. V. Wie is de Moeder van Christus? A. De H. Maagd Maria.
7. V. Hoe wordt de H. Maagd nog
genoemd?
A. Moeder Gods.
â 11 â
8. V. Wie was de H. Jozef?
A. De man van Maria, en de pleegvader van Christus.
9. V. Wanneer vieren wij liet feest van Christus geboorte?
A. Op Kerstmis, den 2 5sten December.
Zevende Les.
Van het Leven van Christus.
1. V. Waar woonde Christus in zijne jeugd?
A. Te Nazareth in de nederige woning van Jozef en Maria.
2. V. Van welke deugden gaf Christus-' in zijne jeugd het voorbeeld?
A. Van gehoorzaamheid, godsvrucht en van alle deugden, welke Hem bij God en de menschen welbehagelijk maakten.
3. V. Wat deed Christus, toen Hij dertig jaren oud was?
â 12 â
A. Toen liet Hij zich door Joannes doopen in de Jordaan, vastte veertig dagen en nachten in de woestijn, en begon de menschen te leeren.
4. V. Wat leerde Christus?
A. Christus leerde, wat wij moeten, gelooven en doen om zalig te worden.
5. V. Wat leerde Christus van zich zeiven?
A. Dat Hij waarlijk God was en van den Vader gezonden.
6. quot;V. Welke wonderen deed Christus?
A. Hij stilde de zee en de stormen,
Hij genas met zijn woord de zieken. Hij wekte zelfs de dooden op.
7. V. Welk is het grootste wonder, dat Christus deed?
A. Dat Hij zelf, gelijk Hij voorspeld had, ten derden dage van den dood verrezen is.
â 13 â
Achtste Les.
Van de leer van Christus.
1. V. Hoe heet de leer van Christus? A. Het christelijk geloof of de christelijke godsdienst.
2. V, Is er meer dan één waar geloof. ? A. Neen er is maar één waar geloof,
3. V. Waarom is er maar één waar geloof? A. Omdat Christus maar één geloof
heeft geleerd.
4. V. Welk is het waar geloof? A. Het katholiek geloof.
5. V. . Aan wie gaf Christus zijne leer te bewaren ?
A. Aan de twaalf apostelen en hunne opvolgers.
6. V. Wie zijn de opvolgers der apostelen? A. De bisschoppen.
7. V. Wat moesten de apostelen nog meer doen?
â 14 â
A. De leer van Christus aan alle
volkeren verkondigen.
8. V. Waren alle apostelen in waardigheid gelijk?
A. Neen Christus stelde den H. Petrus aan tot zichtbaar opperhoofd der H. Kerk,
Negende Les.
Van het Lijden en den Dood van Christus.
1. Y. Wat heeft Christus geleden?
A. Hij werd verraden, belasterd, ge-geeseld, met doornen gekroond, en aan het kruis vastgenageld.
2. V. Welken dood is Christus gestorven ? A. Den dood des kruises.
3. V Waar is Christus gestorven
A. Op den Berg Calvarië, in de nabijheid van Jerusalem.
4. V. Wanneer is Christus gestorven? A. Op Goeden Vrijdag, na den middag.
omtrent drie ure.
â 15 â
5. V. Voor wie is Christus gestorven?
A. Voor alle menschen.
6. V. Hoe heeft Christus zijn bitter lijden en sterven verdragen?
A. Met volmaakte onderwerping aan Gods heiligen wil. vol liefde voor ons en met het grootste geduld.
Tiende Les.
Van dé Verrijzenis en de Hemelvaart van Christus.
1. V. Is Christus, gestorven zijnde, dood geblevTen'J
A. Neen, Christus' is van den dood verrezen,
2. V. Wanneer is Christus van den dood verrezen 'â
A. Op den derden dag na zijnen dood, des Zondags morgens.
3. V. Wanneer vieren wij het feest van de Verrijzenis van Christus'?
â 16 â
A. Op PaascMag.
4. V. Hoelang bleef Christus na zijne Verrijzenis nog op aarde?
A. Veertig dagen.
5. V. Wat deed Christus op den veertigsten dag?
A. Hij gaf aan zijne apostelen zijn laatste bevelen, zegende hen, en voer van den Olijfberg voor hunne oogen ten hemel.
6. V. Wanneer vieren wij het feest van de Hemelvaart van Christus?
A. Op Hemelvaartsdag, veertig dagen na Paschen.
7. V Wanneer zond Christus aan zijne apostelen den H. Geest?
A. Tien dagen na zijne Hemelvaart.
8. V. Wanneer vieren wij het feest van de zending van den H. Geest?
A. Op Pinksteren, tien dagen na Hemelvaartsdag.
Elfde Les.
Van de H. Kerk.
1. V. Wat verstaat gij door de Kerk? A. De groote vereeniging van alle
geloovigen op aarde, die onder het wettig Opperhoofd, den Paus van Rome, de ware leer van Christus belijdt.
2. V. Wie is het Opperhoofd van de H. Kerk? A. Het onzichtbaar Opperhoofd is
Christus, doch het zichtbaar Opperhoofd hier op aarde is de Paus van Rome.
3. V. Wat is de Paus van Rome?
A. De wettige opvolger van den H. Petrus, de plaatsbekleeder van Christus op aarde, en het zichtbaar Opperhoofd der H. Kerk.
4. V. Waardoor worden wij lidmaat van de H. Kerk?
A, Door het Doopsel.
5. V. Wat wil dat zeggen: de Kerk is onfeilbaar ?
2
â 18 â
\
A. Dat zij niet dwalen kan.
6. V. Waarin kan de Kerk niet dwalen? A. Inhetgeenzij ons leert en voorschrijft.
7. V. Waarom kan de Kerk niet dwalen? A. Omdat zij den bijstand van Christus
heeft, en bestuurd wordt door den H. Geest,
Twaalfde Les.
Van de vier Uitersten.
1. V. Hoeveel uitersten van den mensch zijn er?
A. Vier: de dood, het oordeel, de hel en de hemel.
2. V. Wat volgt terstond na den dood? A. Het bijzonder oord-eel.
3. V. Waar gaat de ziel heen na het bijzonder oordeel?
A. Naar ééne van deze drie plaatsen: naar den hemel, naar de hel, of naar het vagevuur.
4. V. Wanneer zal het algemeen oordeel plaats hebben?
â 31 â
Twintigste Les.
Van het Doopsel.
1. V. Welk is liet noodzakelijkste Sacrament ?
A. Het Doopsel.
2. V. Wat is het Doopsel ?
A. Een Sacrament, waarin, door de afwassching met water en de aanroeping der H. Drievuldigheid, de inensch vergiffenis krijgt van de erfzonde en van alle andere zonden, die vóór het Doopsel bedreven zijn.
3- V. Waarom is het Doopsel het noodzakelijkste Sacrament?
A. Omdat niemand zonder Doopsel kan zalig worden.
4- \. Waarom kan niemand zonder Doopsel zalig worden ?
A. Omdat alle menschen geboren worden met de erfzonde, die alleen door het Doopsel vergeven wordt.
â 32 â
5. V. Hoe noemt men hen, die gedoopt zijn?
A. Christenen.
6. Y. Wie is de bedienaar ven het Doop-
sel ? ,
A. De Priester, doch in tijd van nood
mogen en moeten alle menschen doopen.
7. Y. Wanneer is er tijd van nood?
A. Als er gevaar is, dat het kind zonder Doopsel zal sterven, en er geen Pries-ter is.
8. V. Hoe moet men in tijd van nood doopen ?
A. Men giet water op het hoofd van het kind en zegt te gelijker tijd: Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.
Een en Twintigste Les.
Van Biecht.
1. V. Wat is de Biecht ?
â 33 â
A. Een Sacrament, waarin de zonden, na het Doopsel bedreven, door de priesterlijke macht vergeven worden.
2. V. Hoeveel deelen zijn er van de Biecht ?
A. Drie: berouw, belijdenis en voldoening.
3. V. Welke zonden moet men biechten?
A. Alle doodzonden, die men sedert de laatste goede Biecht bedreven heeft, en ook de doodzonden, welke men vroeger vergeten heeft te biechten.
4. V. Wat moet bij de doodzonden noodzakelijk gezegd worden ?
A. Het getal en de noodzakelijke omstandigheden.
5. V. Hoe is de Biecht, waarin men vrijwillig, uit vrees of schaamte, eene doodzonde verzwijgt?
A. Onwaardig on heiligschendend.
3
â 34 â
6. V. Mag men na eene onwaardige en heiligschendende Biecht de H. Communie ontvangen ?
A. Neen; dat zou eene nieuwe doodzonde van heiligschennis zijn.
7, V. Moet men ook de dagelijksche zonden biechten ?
A. Het is zeer nuttig, maar niet noodzakelijk.
Twee en twintigste Les,
Van de Manier van Biechten.
1. V. Wat moet men doen om goed te biechten ?
A. Ten 1. zijn geweten onderzoeken; ten 2. een berouw over zijne zonden verwekken; ten 3. zijne zonden oprecht en duidelijk aan den Priester beliiden; ten 4. godvruchtig de opgelegde penitentie volbrengen.
2. V. Hoe onderzoekt men zijn geweten ?
A. Men denkt vlijtig na, welke zonden en hoevele zonden men bedreven heeft.
3. V. Hoe zal men gemakkelijk zijn geweten vlijtig onderzoeken?
A. Als men nagaat de tien geboden Gods en de vijf geboden der H. Kerk, de zeven hoofdzonden en de plichten van zijnen staat.
4. Wat moet men doen na zijn geweten onderzocht te hebben?
A. Een berouw over zijne zonden verwekken.
5. V. Wanneer heeft men een berouw over zijne zonden?
A. Als men het betreurt en verfoeit, dat men God beleedigd heeft, met het vast voornemen zich te verbeteren.
6. V. Waaraan kan men weten of men een waar berouw heeft?
A. Aan het vast voornemen zich te verbeteren.
â 36 â
Drie en twintigste Les.
Vervolg.
1. Y. Hoe moet men zijne zonden belijden ?
A. Oprecht en duidelijk.
2. V. Wat doet men, voordat men zijne
zonden belijdt?
A. Men vraagt geknield den zegen,
zeggende: Vader, geef mij uwen zegen;
daarna zegt men de voorbiecht.
3. V. Hoe zegt gij de voorbiecht?
A. Ik belijd aan den alraachtigen God, aan alle Heiligen en aan u. Vader, dat ik gezondigd heb door mijne schuld, door mijne schuld, door mijne grootste schuld. Mijne laatste Biecht is geweest voor.....
4. V. Wat doet men, nadat men zyne
zonden beleden heeft?
A. Men zegt de nabiecht, luistert
aandachtig naar de raadgevingen van den
biechtvader en ontvangt de penitentie en absolutie.
5. V. Hoe zegt gij de nabiecht?
A. Deze en al mijne zonden zijn mij van harte leed. Ik beschuldig mij daarvan en vraag ootmoedig eene zalige penitentie en de H. absolutie.
6. V. Wat moet men doen na de Biecht?
A. Godvruchtig de opgelegde penitentie
of voldoening volbrengen.
Vier en twintigste Les.
Van het H. Sacrament des Altaars.
1. V. Welk is het heiligste Sacrament?
A. Het heilig Sacrament des Altaars.
2. V. Wat is het H. Sacrament des Altaars.
A. Een Sacrament, waarin, onder dè gedaanten van brood en wijn, Christus zelf tegenwoordig is.
â 38 â
3. V. Waarom is het H. Sacrament des
Altaars het heiligste Sacrament?
A. Omdat in het H. Sacrament des Altaars * Christus zelf tegenwoordig is.
4. V. Hoe is Christus tegenwoordig in het
H. Sacrament des Altaars?
A. Geheel en levend, met vleesch en bloed, met ziel en lichaam, met Godheid en menschheid.
5. V. Wanneer komt Christus tegenwoordig in het H. Sacrament des Altaars?
A. In het H. Sacrificie der Mis, als de Priester over het brood en den wijn de woorden van de H. Consecratie spreekt.
6. V. Blijft er na de Consecratie nog
brood en wijn over?
A. Neen, alleen de gedaanten van
brood en wijn.
7. V. Wat verstaat gij door de gedaanten van brood en wijn?
â 39 â
A. De kleur, tie smaak en alles, wat wij met onze zintuigen waarnemen.
8. Y. Wanneer heeft Christus liet H. Sacrament des Altaars ingesteld?
A. Op het laatste avondmaal, den avond vóór zijn lijden, op Witten Donderdag.
Vijf en twintigste Les.
Van de H. Mis.
1. V. Tot wat einde heeft Christus het H. Sacrament des Altaars ingesteld?
A. Ten 1. tot een voortdurend offer van het Nieuw Verbond; ten 2. tot eene spijs voor onze zielen; ten 3. om als God en mensch te zamen altijd bij ons te zijn.
2. V. Wat is de H. Mis?
A. Het voortdurend offer van het Nieuw Verbond.
3. V. Welke zijn de voornaamste deelen der H. Mis ?
â 40 â
A. Deze drie:-de Offerande van brood en wijn, de Consecratie en de Nuttiging.
4. V. Wat kunnen wij door het godvruchtig hijwonen der H. Mis van God verkrijgen?
A. Veelvuldige genaden en gunsten voor ons zeiven, voor anderen, en voor de zielen in het vagevuur.
5. V. Op welke dagen zijn wij, op zware zonde, verplicht de H. Mis bij te wonen?
A. Ten 1. op de Zondagen; ten 2. op de Feestdagen, die van de H. Kerk geboden zijn.
6. V. Wie heeft de eerste H. Mis gedaan?
A. Christus zelf, op het laatste avondmaal, en na Hem de heilige Apostelen.
Zes en twintigste Les.
Van de H. Communie.
1. V. Wanneer is Christus eene spijs
voor onze zielen?
A. Als men Hem in de H. Communie ontvangt.
â 41 â
2. V. Als men de H. Communie ontvangt, wat ontvangt men dan?
A. Het lichaam en bloed van ChristusâChristus zeiven.
3. V. Wanneer is men verplicht de H. Communie te ontvangen?
A, Ten 1. eens in het jaar in den Paaschtijd; ten 2. als men in gevaar is van sterven.
4. V. Wat is noodig om waardig de H. Communie te ontvangen?
A. Ten 1. dat men zij in staat van genade, dat is: zuiver van alle doodzonden; ten 2. nuchter sedert 's nachts twaalf ure.
5. V. Wat verkrijgen wij door eene godvruchtige H. Communie?
A. Ten 1. vereeniging met Christus; ten 2. vermeerdeling der heiligmakende gènade; ten 3. bijzondere kracht om het goede te doen en het kwade te laten.
6. V. Hoelang behooren wij na de H. Communie in de kerk te blijven bidden ?
A. Ten minste een kwartier uurs.
7. V. Als men de H. Communie in staat van doodzonde ontvangt, ontvangt men dan ook het lichaam en bloed van Christus ?
A. Ja: maar tot zijn eeuwig ongeluk.
8. V. Waarom tot zijn eeuwig ongeluk? A. Omdat men zich schuldig maakt
aan het lichaam en bloed van Christus.
9. V. Mag men ooit de H Communie ontvangen, als men niet nuchter is?
A. Ja. als men in gevaar is van sterven.
Zeven en twintigste Les.
Van het H. Oliesel.
1. V. Wat is het H. Oliesel?
A. Een Sacrament, waarin, door de zalving en het gebed des Priesters, aan de zieken, die in gevaar zijn van sterven, genade en sterkte wordt medegedeeld.
â 43 â
2. V. WiemoetenhetH.Oliesel ontvangen? A. De zieken, die in gevaar zijn van
sterven, en hun verstand hebben of geliad hebben.
3. V. Wat bijzonder voordeel geeft het H. Oliesel?
A. Ten 1. het verlicht de zieken; ten 2. het sterkt tegen de bekoringen; ten 3. het vergeeft de dagelijkscbe zonden; ten 4. het vergeeft de doodzonden, als men dan niet kan biechten; ten 5. het helpt de zieken tot gezondheid, als het hnn zalig is.
4. V. Js het H. Oliesel dan ook voordee-lig voor het lichaam ?
A. Ja; het is voordeelig voor ziel en lichaam beide.
Acht en twintigste Les.
Van het Vormsel, van het Priesterschap en van het Huwelijk.
1. V. Wat is het Vormsel?
_ 44 â
A. Een Sacrament, waarin, door de oplegging der handen, de zalving en het gebed des Bisschops, de mensch van den H. Geest gesterkt wordt, om het geloof standvastig te belijden en getrouw na te komen.
2. V. Welke genade geeft het Vormsel ?
A' De genade om het geloot standvastig te belijden en getronw na te komen.
3. V. Wat is het Priesterschap v
A. Een Sacrament, waarin aan de bedienaren der H. Kerk macht en genade wordt medegedeeld om hun ambt heilig waar te nemen.
4. V. Welke macht voornamelijk wordt door het Priesterschap medegedeeld?
A. De macht om de zonden te vergeven en brood en wijn te veranderen in het lichaam en bloed van Christus.
5. V. Wat is het Huwelijk?
A. Een Sacrament, waarin man en vrouw tot echtgenooten verbonden worden en
â 45 â
e genade ontvangen, om de plichten van hunnen
^ staat getrouw te vervullen,
t 6. V. Kan het huwelijk ontbonden wor-
3 den ?
A. Neen; alleen door den dood.
jSegen en twintigste Les.
Van het Gebed.
; 1. V. Is het gebed noodzakelijk?
- A. Ja, zonder het gebed kunnen wij
5 God niet dienen en onze zaligheid niet bewerken.
2. V. Hoe moeten wij bidden?
; A. Met eerbied en aandacht, met
vertrouwen en volharding.
3. V. Wanneer moeten wij vooral bidden? A. 's morgens als wij opstaan-, 's
avonds als wij slapen gaan, vóór en na het eten, op Zondagen en op Feestdagen, bij bekoringen, gevaren en gewichtige omstandigheden des levens.
â 46 â
4. V. Wat leert de H. Kerk van de vereering en aanroeping der Heiligen ?
A. Dat liet goed en nuttig is de Heiligen te vereeren en aan te roepen.
5. V. Wie moeten wij onder de Heiligen vooral eeren en aanroepen ?
A. De H. Maagd Maria.
6. V. Waarom moeten wij onder de Heiligen vooral de H. Maagd Maria eeren en aanroepen ?
A. Omdat hare waardigheid van Moeder Gods haar boven alle Heiligen verheft, en omdat daarom ook hare voorspraak machtiger is.
GEBEDEL.
Het teeken des H. Kruises.
In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Amen.
Het Onze Vader en het Wees Gegroet.
Onze Vader, die in de hemelen zijt; geheiligd zij uw naam; laat toekomen uw rijk; uw wil geschiede op aarde, als in den hemel. Geef ons heden ons dagelijksch brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in bekoring; maar verlos ons van den kwade. Amen.
Wees gegroet, Maria, vol van genade; de Heer is met ü; gezegend zijt gij boven alle vrouwen en gezegend is de vrucht uws lichaams, Jesus. Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onzen dood. Amen.
â 48 â
De Apostolische, Gdoofshelljclenis.
1. Ik geloof in God. den almachtigen Vader, Schepper van hemel en van aarde; 2. en in Jesus Christus, zijn éénigen Zoon, onzen Heer; 3. die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de Maagd Maria; 4. die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en begraven; 5. die is nedergedaald ter helle, ten derden dage verrezen van de dooden; 6. die is opgeklommen ten hemel, zit ter rechterhand van God, den almachtigen Vader; 7. die van daar zal komen oordeelen de levenden en de dooden. 8. Ik geloof in den H. Geest; 9. de Heilige Katholieke Kerk, gemeenschap der Heiligen; 10. vergiffenis der zonden; 11. verrijzenis des vleesches; 12. het eeuwig leven. Amen.
De tien Geboden Gods.
1. Uw God alleen ziüt gij aanbidden.
â 49 â
K
2. Gebruik niet ijdel zijnen naam.
3. Vier heilig ook den dayg des Heeren,
4. Eer vader, moeder bei te zaam.
5. Wacht u, dat gij ooit doodslag doet.
6. Doe geen onkuischheid in uw leven.
7. Wees eerlijk; steel geen anders goed.
8. Gij zult geen valsch getuignis geven.
9. Begeer niet iemands echtgenoot.
10. Noch iemands goed, 't zij klein of groot.
De vijf Geboden der H. Kerk.
«
1. De geboden heilige dagen zult gij vieren.
2. Dan ook Mis hooren met goede manieren.
3. Geen geboden vastendagen zult gij breken.
4. Ten minste eens in 't jaar zult gij den Priester uwe biecht spreken.
5. En nuttigen omtrent Paschen het lichaam des Heeren.
4
- 50 - ,
Akten van Geloof, Hoop, Liefde en Berouw.
Akte van Geloof.
Mijn Heer en mijn God, ik geloof dat Gij één God zijt, één in wezen en drievuldig in personen: ik geloof dat de tweede persoon der H. Drievuldigheid voor ons is mensch geworden, gekruist en gestorven; en dat Gij het goede loont en het kwade straft; ik geloof alles, o mijn God, wat Gij geopenbaard hebt en door de H. Kerk voorstelt te gelooven; want Gij zijt de oneindige waarheid, die alles weet en niemand kunt bedriegen. In en voor dit geloof wil ik leven en sterven.
Akte van Hoop.
Mijn Heer en mijn God, ik hoop met een vast betrouwen door de verdiensten van onzen Zaligmaker, Jesus Christus, van U te zullen verkrijgen den Hemel en alle middelen, die
daartoe noodig zijn: dit hoop ik, omdat Gij het beloofd hebt, die almachtig, oneindig goed en getrouw in uwe beloften zijt. In deze hoop wil ik leven en sterven.
Akte van Liefde.
Mijn Heer en mijn God, ik bemin U uit geheel mijn hart, omdat Gij het opperste goed en alle liefde waardig zijt, ik bemin mijnen evennaaste gelijk mij zeiven om U. In deze liefde wil ik leven en sterven.
Akte van Beroutv.
Mijn Heer en mijn God, mijne zonden zijn mij leed uit den grond van mijn hart, niet alleen omdat ik daardoor van U, rechtvaardige God! straffen verdiend heb, maar ook omdat ik daardoor U, die mijn opperste goed en alle liefde waardig zijt, heb beleedigd: ik haat cu verzaak de zonden uit liefde tot IJ, en ik neem mij vast voor, met de hulp uwer genade,
â 52 â
mijne zonden te biechten, mijn leven te beteren en liever te sterven dan U, ooit met eene doodzonde te beleedigen.
MORGENGEBED.
In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Amen.
Mijn Heer en mijn God, ik aanbid uwe opperste Majesteit.
Ik bedank U voor alle weldaden, in het bijzonder, dat Gij mij dezen nacht bewaard hebt.
Ik offer U op mijne ziel, mijn lichaam, en al wat ik bezit; ik draag U op alle de goede werken, die ik dezen dag zal verrichten. Ik wil die doen tot uwe eer en glorie, tot zaligheid mijner ziel en om de aflaten te verdienen, die daaraan zijn toegevoegd.
Ik maak een vast voornemen van dezen dag christelijk door te brengen; ik wil liever duizendmaal sterven dan ü beleedigen. â Barm-
hartige God, geef mij de genade, om dit voornemen wel te volbrengen.
Onze Vader die in de hemelen zijt, enz.
Wees gegroet, Maria, enz.
Ui geloof in God, den almachtig en Vader, enz.
Dat de Heer ons gelieve te zegenen en tegen alle kwaad te beschermen, en tot het eeuwig leven te geleiden; en dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid in vrede rusten. Amen.
In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Amen.
AVONDGEBED.
In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Amen.
Mijn Heer en mijn God, ik aanbid uwe opperste Majesteit.
Ik bedank U voor alle weldaden, in het bijzonder, dat Gij mij dezen dag bewaard hebt.
â 54 â
Akten van Geloof, Hoop en Liefde. Zieblz. 50. Doorloop de tien geboden Gods en de vijf qehoden der H. Kerk en doe een kort gewetensonderzoek. Bid daarna eene akte van Berouw. Zie bladz. 51. Tracht vooral een volmaakt
berouw te verwekken.
Dat de Heer ons gelieve te zegenen en tegen alle kwaad te beschermen, en tot het eeuwig leven te geleiden; en dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid in
vrede rusten. Amen.
In den naam des Vaders, en des Zoons, en
des Heiligen Geestes. Amen.
Godvreezende Christenen zijn gewoon bij deze morgen-en avondgebeden nog andere gebeden te voegen.
GEBED vóór HET ETEN.
Zegen ons, o God, en deze gaven,die wij van uwe mildheid gaan ontvangen. Door Christus onzen Heer. Amen.
i
I ^
â 55 â
) Onze Vader, enz. Wees gegroet, enz.
â¢/ Dat de Koning der eeuwige glorie ons aan
s. den hemelschen maaltijd deelachtig make. Amen.
f; GEBED NA HET ETEN.
\t \
Wij danken U, almachtige God, voor al uwe in weldaden, U, die leeft en heerscht in alle
eeuwen der eeuwen. Amen.
ïn Onze Vader, enz. Wees gegroet, enz.
in O God, geef ons uwen vrede, en het eeuwig
leven. Amen.
en
ize te
wij ris-
â 56 â
©
Geboden Heilige en Vastendagen in NEDERLANDSCH INDIE.
Heilige dagen.
Te vieren als Zondag zijn in Nederlandeh Indiê.
1. Hemelvaartsdag, 40 dagen na Paschen;
2. Heilig Sacramentsdag, tweede Donderdag na Pinksteren;
3. De ten hemel opneming van Maria, 15 Augustus.
4. Kerstmis, 25 December.
Vastendagen.
Alle Vrijdagen van de veertigdaagsche vasten (zeven in getal) en op den dag vóór Pasclien en den dag vóór Kerstmis, dus negen dagen in het jaar.
Gedrukt bij
F. B. SMITS
1T oord wijk â Batavia.