//r, /. / ^
/
(ïDffirifck tli'srhfidfit
UIT HET
. ARCHIEF VAN DEN KERKERAAD
I
DER
TE AMSTERDAM.
I.
DE KWESTIE âDER AANNEMING TOT LIDMAAT.quot;
[OP LAST VAN DEN BIJZONDEBEN KEKKERAAD UITGEamp;EVEN.]
AMSTERDAM. - H, DE HOOGH amp; C
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1291 4481
B E R I G
T.
|
De Bijzonderj Kerkeraad der Nederduitsoli Hervormde Gemeente te Amsterdam heeft in zijne vergadering van 37 Juni 1872 besloten, alle stukken, betrekking hebbende op zijn in zake de aanneming tot lidmaten den 23 November 1871 genomen besluit, te doen drukken, gratis a;m de stemgerechtigde leden der gemeente toe te zenden, en voorts verkrijgbaar te stellen. De uitvoering van dit Besluit werd opgedragen aan de ondergeteekenden. De Bijzondere Kerkeraad wenschte, dat tevens met een kort woord de reden zou worden aangegeven, die hem tot dezen maatregel bewoog. Ter voldoening aan dit verlangen diene het volgende: Meer dan vroeger is naar het oordeel des Kerkerands de strijd over het kerkelijk vraagstuk een zaak der Gemeente geworden. Sinds door de uitvoering, aan artikel 23 van het Algem. Eeglem. gegeven, de Gemeente zelve geroepen is, om door directe verkiezing den gang van het kerkelijk leven in haar midden te bepalen, rust op haar ten laatste de verantwoordelijkheid voor de houding, die in onzen strijd door het Bestuur der Gemeente wordt aangenomen. Het is deswege den Kerkeraad behoefte, de stemgerechtigde en overige leden der Gemeente in staat te stellen, over de gedragslijn door hem in gewichtige aangelegenheden gevolgd zelfstandig te oordeelen. Zou zijns inziens volkomen openbaarheid der Kerkeraadsvergaderin-gen daartoe het meest afdoend middel zijn, zoo meent hij, bij ontstentenis van dit middel ter publiciteit, aan de behoefte der Gemeente te gemoet te komen, door mededeeling van de officitiele bescheiden, in de ernstigste kwestiën onzer dagen met hooge besturen en in eigen boezem gewisseld. In zulk een kwestie nu is de Bijzondere Kerkeraad ook thans betrokken. In het besef, dat de Gemeente ook te dezer plaatse haar Christelijk karakter zou inboeten, zoo de verkrijging van het lidmaatschap in haar midden een bloote formaliteit bleef, en naar het goeddunken der predikanten, zonder onderscheid, een iegelijk tot dit lidmaatschap wierd toegelaten, ook al ontaardde zijne dusgenoemde belijdenis in de meest onverholen loochening van de grondwaarheden, die de Christelijke Kerk belijdt en de groote feiten, waarop ze rust, â heeft de Kerkeraad den 23 November 1871 bij wettig besluit een dam tegen de in vloeiing van deze heterogene bestanddeelen zoeken op te werpen. De heeren Steenberg en Berlage zijn tegen dit Besluit bij het Classikaal Bestuur van Amsterdam in verzet gekomen. Hun bezwaar is door dit Bestuur niet ontvankelijk verklaard. Ook het Classikaal Bestuur oordeelde het Kerkeraadsbesluit onbetwistbaar wettig. |
Tn deze uitspraak niet berustend hebben genoemde heeren togen dit Besluit voorziening gezocht bij het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland. Dit Kerkbestuur, zich blijkbaar geheel aan de zijde der appellanten scharend, heeft van den Kerkeraad gevraagd, dat hij het bewuste Besluit zou intrekken. Deze daartoe ongenegen, heeft aan het Kerkbestuur bij uitvoerige memorie de gronden ontvouwd, waarom hij van het eens ingenomen standpunt kon noch mocht afgaan. Het is derhalve te voorzien, dat de Synode ter laatster instantie tot uitspraak in deze zal geroepen worden. Het gevolg hiervan zou kunnen zijn, dat tot den Kerkeraad ten laatste niet meer een vraag, maar een eisch. kwam, en dat voor hem de ure aanbrak, om met Gods Woord voor oogen te beslissen, of de Kerkeraad eener Christelijke gemeente zich aan zulk een eisch al dan niet onderwerpen mag. Hiermee zou dit schijnbaar geringe verschil van beslissenden invloed kunnen worden op geheel de verhouding onzer Gemeente tot de Vaderlandsche Kerk. Niet de Kerkeraad, de Gemeente zou tot het spreken van een laatste woord geroepen worden. Behoeft nu het onverantwoordelijke nauwlijks betoog dat de Gemeente plotseling, zonder voorafgaande inlichting en derhalve zonder kennis van zaken, tot hot spreken van zulk een woord zou kunnen geroepen worden, dan acht de Kerkeraad zioh volkomen gerechtvaardigd tegen elke bedenking, die de publiekmaking dezer stukken zou kunnen uitlokken. 4 Ook de geest der hoogere en lagere Besturen moet zich uit de stukken van hen uitgaande, allengs voor de Gemeente ontsluieren. Welken loop deze zaak na de jongste Besluiten der Algem. Synode zal hebben, is vooralsnog niet te bepalen. Het pleit vóór of tegen den Christus der Schriften kan niet eindigen eer het beslecht is. Moge Gemeente en Kerkeraad zich bij dat allesbcslissend pleit steeds meer bewust worden van hun zedelijke roeping en zich sterk gevoelen door de verrijzeniskracht van dien Heer en Heiland, wiens opstanding uit de dooden het plechtanker blijft hunner hoop. Namens den Kerkeraa l, Amsterdam, A. KUYPER. 10 Augustus 1872. N. M. FERINGAt |
â
.
_
________
OFFICIEELE BESCHEIDEN
UIT HET
Archief van den Kerkeraad
DER
NEDERDUITSCHE HERVORMDE GEMEENTE
TE AMSTERDAM.
I.
DE KWESTIE âDER AANNEMING TOT LIDMAATquot;.
|
I. In de Kerkeraadsvergadering vau 16 Maart 1871 werd door den Voorzitter mededeeling gedaan van twee ingekomen Missiven, 1°. van het Presbyterie dd. 28 Februari 1871, en 3° van de Heeren Becbthold en Kühler. dd. 10 Maart 1871. Dezo missiven waren van den volgenden inhoud:..â- 3935 A. a. Schrijven van liet Presbyterie. Aan den bijzonderen Kerkeraad der Nederd. Herv. Gemeente te Amsterdam, Het Presbyterie neemt de vrijheid Uwe Vergadering mede te dcelen, dat de aan de Synode voorgestelde wijziging van Art. 38 van het Eeglement op het Godsdienstonderwijs, (thans ten fine van advies in handen der Synodale Commissie) aanleiding heeft gegeven tot ernstige bespreking in zijn midden, en tot het benoemen van eene Commissie om te dienen van consideratie en advies. Die Commissie heeft een rapport uitgebragt waarvan een afdruk hierbij uwe Vergadering wordt aangeboden. Aan den inhoud van dat stuk zich gedragende, wendt het Presbyterie zich door dezen tot U met het dringend verzoek, dat de Kerkeraad 1°. bij de bevoegde kerkbesturen ernstige bezwaren indiene tegen do voorgestelde verandering in art. 38 van het Reglement op het Godsdienst-onderwijs, van de woorden bijgestaan door in de woorden in tegenwoordigheid van..., 2o. Verzoeke de woorden in tegenwoordigheid van.,., voorkomende in art. 21 van het Reglement voor de Kerkeraden te vervangen door de Avoorden b ij gestaan door, en So. Voorstelle aan art. 38 van het Reglement op hot Godsdienst-onderwijs toe te voegen; wIngeval van verschil van gevoelen tusschen den Leeraar en den aanwezigen âOuderling of Ouderlingen, over het al of niet voldoende der kennis, of over z/den inhoud der belijdenis, zal de Kerkeraad eene commissie benoemen, tot âvernieuwd onderzoek en het nemen van een besluit.quot; âTn Gemeenten waar slechts een Predikant is, wordt het vernieuwd onderzoek âen de beslissing aan den Kerkeraad opgedragen ! âDe aanneming tot lidmaat van den belanghebbenden persoon wordt tot zoo âlang uitgesteld.quot; Het Presbyterie acht de verwezenlijking van de in dezen uitgesproken wenschen dringend noodig, en hoopt dat door eene spoedige behandeling eene tijdige uitvoering aan de zaak zal gegeven worden. Ten einde zijnerzijds daartoe mede te werken wordt aan de leden van Uwe\er-gadering een exemplaar van de bijlage dezes gezonden. Met broederlijke heilbede Het Presbyterie voornoemd, Amsterdam, J. W. TYDEMAN, Praeses* 28 Februarij 1871. J. H. VAN DER LINDEN, Scrihê, |
Hierbij was gevoegd afschrift van liet Rapport der Commissie, aldus luidende: 3935 B. Aan het Presbyterie der Nederd. Herv. Gemeente te Amsterdam Eerwaarde Broeders! In Uwe Vergadering van 11 November 1.1. werden de ondergeteekenden in Commissie gesteld om U te adviseren omtrent: 1. Voorstellen tot betere aanduiding van den aard en de werkzaamheden der Ouderlingen. 2. Den weg, welke ingeslagen dient te worden om dat doel te bereiken. De aanleiding tot deze opdragt werd gevonden in het voorstel van een der Leden uwer Commissie, om te protesteren tegen eene aan de Synode voorgestelde wijziging van Art. 38 van het Reglement op het Godsdienst-onderwijs, waarin men de woorden bijgestaan door, weiiseht vervangen te zien door de woorden in tegenwoordigheid van.... Uwe Vergadering deelde zijne bezwaren, en was, de meerderheid althans, van oordeel dat de woorden in tegenwoordigheid van.... een meer passieven toestand aanduiden dan de woorden bijgestaan door.... De opmerking werd verder gemaakt, dat in Art. 21 van het Synodaal Reglement voor de Kerkeraden Al. 5, ook de woorden in tegenwoordigheid van... worden gevonden, en het derhalve wenschelijk zou moeten worden geacht dat deze werden vervangen door de woorden b ij gestaan door.... Andere Leden uwer Vergadering achtten eene uitgebreide verandering noodzakelijk, om de moeijelijkheden te ontgaan, welke bij de aanneming van Lidmaten ondervonden worden, waarbij sommige Predikanten handelen alsof de Ouderlingen enkel voor den vorm daarbij aanwezig zijn. Op grond van deze beschouwingen werd door Br. Tydeman aangegeven, om aan Uwe Commissie een ruimer mandaat te geven, dan uit het ingekomen voorstel zon volgen: â dit voorstel aangenomen zijnde, vermeent Uwe Commissie niet beter zich van hare taak te kunnen kwijten dan door aan te geven: A. Op welke gronden het regt der Ouderlingen berust, om met de Predikanten op te treden in het belang der Gemeente. B. Of dat regt duidelijk genoeg is omschreven, dat daarover geen verschil van gevoelen met de Predikanten kan ontstaan. C. Zoo neen, welke wijzigingen noodzakelijk worden geacht om allen twijfel daaromtrent weg te nemen. D. Tot wien de Ouderlingen zich hebben te wenden om deze hunne regten beter omschreven en gehandhaafd te zien. Voor de beknopte behandeling van deze vier punten verzoekt Uwe Commissie bescheidenlijk Uwe aandacht. A. Op welken grond het regt der Ouderlingen berust, om werkzaam op te treden in het belang der Gemeente. Uwe Commissie vermeende dat liet hier de plaats was, om kortelijk aan te toonen op welke Bijbelsche grondslagen het ambt van Opziener der Gemeente be- |
6
|
rust, en mag daarbij niet vergelen welke belangrijke wenken en opmerkingen door Br. Höveker ons werden aangeboden in zijn geschrift over den oorsprong, de regten en verpligtingen van het Ouderlingschap, waarbij het geestelijk karakter van liet Opzienersambt uitnemend werd in het licht gesteld. Uit de Apostolische Schriften zal ons met een oogopslag blijken, dat al zeer spoedig onder leiding des Heiligen Geestes in de Christelijke Kerk het ambt van Ouderling in het leven werd geroepen. Hand. 1 vs. 20 lezen wij; en een ander neme zijn Opzieners-ambt, terwijl bij die keuze moest gelet worden op mannen, die met de Apostelen verkeerd hadden, al den tijd, dat de Heer Jezus met hen was in- en uitgegaan, van den Doop van Johannes af. De Opziener moest, volgens vs. 22, zijn een getuige van de opstanding dos Heeien. Hand. 14 vs. 23 geeft aan, dat in alle gemeenten Ouderlingen verkozen werd den. Hand. 15 vs. 2â4, 22 en 23 geven duidelijk aan, welk een werkzaam deel de Ouderlingen hadden aan de behartiging der belangen van de Gemeente. Hand. 20 vs. 17 en volgende, vinden wij de opdragt aan de Ouderlingen, om te waken over de kudde en de Gemeente Gods te weiden. De Brieven aan Ti mot heus bcvntteu een uitgelezen schat van wenken en vermaningen betreffende de verpligtingen van de Opzieners. Brief aan Tit us 1 vs. 5â9. Opdragt om in alle Gemeenten Ouderlingen te stellen, om te vermanen door de gezonde leer en de tegensprekers te wederleggen. Op dezen grondslag heeft de Christelijke Kerk voortgebouwd, en ook de Neder-landsche Hervormde Kerk heeft dien aangenomen, blijkens Art. 30 en 31 van hare Geloofsbelijdenis. Geheel in overeenstemming da -.rmccV' vinden wij in de Kerkelijke Reglementen de navolgende bepalingen. Aut. 11 van het Algemeen lleglement. De zorg voor de belangen van de Christelijke Kerk in het algemeen, als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der Godsdienstige kennis enz. enz., moeten het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheiden betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast ziju. Art. 20 van het Algemeen Reglement. Aan Ouderlingen is toevertrouwd en aanbevolen met Predikanten bezig te ziju in de herderlijke zorg voor de Gemeente; de bevordering van en het toezijrt op het Gro ds d i ens t -on de r w ij s en de handhaving van orde en tucht; voorts het ijverig zamenwerken met dezen (de Predikanten) in alles wat aan de Christelijke volmaking der Gemeente kan dienstbaar zijn. Aut. 38 van het Reglement op het Godsd. onderw. Al. 1. Het aannemen van lidmaten geschiedt van wege den Kerkeraad. Al. 8. Aan de aanneming tot Lidmaten gaat vooraf een onderzoek naar de verkregen kennis van de Christelijke Geloofs- en Zede,leer, de Bijbelsehc en Kerkelijke geschiedenis, met name ook van de Hervorming; vervolgens, zoo deze kennis afdoende bevonden wordt, eeue belijdenis des geloofs door de aannemelingen af te leggen. Een en ander geschiedt door een Leeraar, bijgestaan door een of meer Ouderlingen. Art. 14 van het lleglement voor de Kerkeraden. Aan den bij zonderen Kerkeraad is opgedra gen; Al. 5. De afneming van de belijdenis des geloofs en de bevestiging van de nieuwe Lidmaten. Art. 21. Alin. 5. Ambtspligten van de Predikanten. Het Catechetisch onderwijs en het afnemen der Geloofsbelijdenis in tegenwoordigheid van een of meer Ouderlingen. Art. 25. Den Ouderlingen is opgedragen de behartiging der belangen van de openbare Godsverecriug, de bevordering van en het toezigt op het Godsdienst-onderwijs, het medetoezigt op de Leden der Gemeente, inzonderheid door huisbezoek, zoowel, indien zij daartoe worden verzocht, in vereeniging met de Predikanten, als ook afzonderlijk, naar plaatselijke regeling. Uverige modewerking met de Predikanten in alles wat aan de Christelijke opbouwing der Gemeen te kan dienstig zijn. Art. 2. Provinciaal lleglement voor de Kerkeraden. De Kerkeraad bestaat uit dc Opzieners der Gemeente,zijnde de Predikanten en de Ouderlingen. B. Of dat regt duidelijk genoeg is omschrevGn, dat daarover geen verschil met de Predikanten kan ontstaan. Uwe Commissie was eenparig van oordeel, dat de reglementaire bepalingen, onbevangen nagegaan en in eenvoudig en zin opgevat, voldoende overeenstemmen met de eischen omschrevct in de Apostolische Schriften, en zou daarom geene verandering noodig achten, indien de tegenwoordige toestand der Kerk niet dringend vorderde, dat het aandeel van dc Ouderlingen bij den arbeid der aanneming van Lidmaten duidelijker werd uiteengezet, en meent zij dat het noodig is: |
O. Welke wijzigingen noodzakelijk moeten worden geaeht ora allen twijfel weg te nemen. 1. te vragen; handhaving van de woorden bijgestaan door enz. in Art. 38 alin. 3 van het Reglement op het Godsdienst-onderwijs. 2. verandering von Art. 21, alin. 5 van het Synod. lleglement voor de Kerkeraden, door vervanging van dc woorden in tegenwoordigheid van, door de woorden; bijgestaan door een of meer Ouderlingen, â door welke verandering ecne volkomen overeenstemming tusschen beide Artikelen zal zijn tot stand gebrngt, en alle verschil in opvatting weggenomen zal zijn. Uwe Commisie spreekt daarbij als hare overtuiging uit, dat naar eisch van de Christelijke grondslagen door den kerkdijken wetgever niet anders bedoeld kan zijn, dan dat dc Ouderling of Ouderlingen een feitelijk aandeel hebben in dc werkzaamheden, omschreven in Art. 38 van het Reglement op het Godsdienst-onderwijs en Art. 21 van list Reglement voor de Kerkeraden, even als die zamenwerking duidelijk spreekt bij de omschrijving der andere werkzaamheden. Moet dit worden erkend, het ligt echter tevens voor de hai.d, dit de Ouderling geen meerder regt heeft dan de Predikant. Beiden erlangen h*n mandaat van den Kerkeraad, om een onderzoek te doen als omschreven in Ait. 38 en tot het afnemen der Geloofsbelijdenis, â en al wordt het doen van vragen door den Ouderling in verband met beide zaken niet uitgesloten, toch is â en zulks, naar de meening Uwer Coüimissie, teregt â bepaald uitgesproken; dat een en ander geschiedt door ecu Predikant, bijgestaan door enz. De leiding van het onderzoek enz. behoort dus in de eerste plaats aan den Predikant te worden toevertrouwd. Het oordeel over dc verkregen kennis en den inhoud der afgelegde Geloofsbelijdenis behoort echter aan beiden, en, bij het ontstaan van verschil van gevoelen, de beslissing aan den Kerkeraad, namens wien beiden handelen. Dat verschil heeft zich reeds meermalen voorgedaan en het is daarom dat Uwe Commissie cenc aanvulling van Art. 38 noodzakelijk acht in voege als volgt; In geval van verschil van gevoelen tusschen den Leeraar en den aanwezigen Ouderling of Ouderlingen, over het al dan niet voldoende der kennis, of over den inhoud der belijdenis, zal de Kerkeraad ecne Commissie benoemen tot vernieuwd onderzoek en het nemen van een besluit. In Gemeenten waar slechts één Predikant is, wordt het vernieuwd onderzoek en de beslissing aan den Kerkeraad opgedragen. De aanneming tot Lidmaat van den belanghebbende wordt tot zoolang uitgesteld. D. Tjt w'.en do O.idorlingen zioli hobben t3 wenden om doz3 hunne regten beter omschreven en gehandhaafd to z;en. Eindelijk nog is Uwe Commissie van oordeel dat, ter verkrijging van het door haar voorgestelde, Uwe Vergadering zich zal hebben te wenden tot den bijzonderen Kerkeraad, en zulks op grond van; Art. 2. Prov. Regl. voor de Kerkeraden, luidende: De Kerkeraad bestaat uit de Opzieners der Gemeente, zijnde de Predikanten en de Oudeilingen. Art. 14. Synod. Regl. voor de Kerkeraden, Al. 5. Aan den bijzonderen Kerkeraad is opgedragen de zorg voor de afneming van ds belijdenis des geloofs en da bevestigine der nieuwe Lidmaten. Art. 38. Reglement op het Godsd. Onderwijs. Al. 1. Het aannemen van Lidmaten geschiedt, van wege den Kerkeraad. Deze is derhalve gehouden zorg te dragen dat zijne lasthebbers hunne taak met de meeste orde kunnen ten uitvoer brengen. Uwe Commissie hoopt dat deze beschouwingon Uwe belangstellende overweging mogen erlangen, en vermeent u ten slot'e te mogen voorstellen, dat, indien Uwe Vergadering zich met hare denkbeelden vereenigt, het Presbyterie zich wende tot den Kerkeraad met verzoek: 1. Dat hij bij de bevoegde Kerkbesturen ernstige bezwaren indiene tes:en de voorgestelde verandem g in Art. 38 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs , van de woorden quot;bijgestaan door... in de woorden in tegenwoordigheid van. 2. Verzoeke: de woorden in tegenwoordigheid van ... voorkomende in Art. 21 van het Reglement voor de Kerkeradon te vervangen door dc woorden bijgestaan door.... 3. Voorstelle; aan Art. 38 van het lleglement op het Godsdienst-onderwijs toe te voegen; In geval van verschil van gevoelen tusschen den Leeraar en den aanwezigen Ouderling of Ouderlingen, over het al dan niet voldoende der kennis, of over den inhoud der belijdenis, zal dc Kerkeraad cenc Commissie benoemen tot vernieuwd onderzoek en het nemcii van een besluit. |
7
|
In Gemeente n waar slechts één Predikant is, wordt tiet vernieuwd onderzoek en de beslissing aan den Kerkeraad opgedragen. De aanneming tot Lidmaat van den belanghelibcnden persoon wordt tot zoolang uitgesteld. Met broederlijke hcilbc'.t. lgt; i: (' gt; IQ Ui i s s i c voornoemd; AMSTEKIIAII, J. H. VAN DER LINDEN. February 1871. Mr. W. C. BACKER. C. DEIJLL. 3936. L. tóclnijveii vim de hoc ten licelithold cu Külilcr. Aan den Eerw. Kerkeraad der Nederd. Herv. Gemeente alhier. Wel E erwaarde eu E erwaarde Heereu! In aaiiinerkitig nemende de belangrijke geschillen, die zich telkens tnssehen Predikanten en Ouderlingen kunnen opdoen eu reeds dikwijls ontslaan zijn bij het afleggen van Geloofsbelijdenis, en de mindere duidelijkheid der omschrijving van het daadwerkelijk aandeel, hetwelk broeders Ouderlingen daaraan kunnen en moeten nemen ; In aanmerking nemende de vvensclielijkheid, en noodzakelijkheid, dat alle dergelijke bewaren dienaangaande zoo veel mogelijk vermeden worden; Nemen ondergeteekeuden dien ten gevolge de vrijheid aan TJEd. voor te stellen om te besluiicn: Dat het tc honden onderzoek, volgens Art. 38 op het Godsdienst-onderwijs en het alucmen van belijdenis des Geloofs, zal plaats hebben door den Predikant in tegenwoordigheid van, eu bijgestaan door twee Ouderlingen. Dat warneer na gehouden onderzoek gebleken zal zijn, van wien men met grond mag verwachten dat zij zich althans genoegzaam bewust zijn, wat zij belijden zullen, en alzoo met moerderheid van stemmen tot het afleggen van belijdenis zullen worden toegelaten, aan diegenen do volgende vragen zullen worden voorgesteld; ten eerste: Belijdt gij te gelooveu dat de Bijbel zonder eenig voorbehoud is het Woord van God en alzoo de ecnige kenbrou van wat geweten en geloofd moet worden tot zaligneid ? Ten twofldo! Belijdt gij te gelooveu, dat de belijdenis onzer Gereformeerde Kerk als gegrond op Gods Woord, do leer der zaligheid is, en zijt gij alzoo bereid om op het voorlezen der 13 Artikelen van ons algemeen Christelijk geloof ieder voor zieh persoonlijk belijdend tc antwoorden: Ja ik, van ganscher harte? En dat zoo er alsdan niemand der toegelatenen zich daaraan wenscht te onttrekken (waartoe natuurlijk volkomen vrijheid moet gelaten worden), door den Predikant tot de plegtigo voorlezing dier 13 Ariikclen zal worden overgegaan, waarop door de aankomende leden een voor een overluid zal moeten worden geantwoord : Ja ik, van ganselier harte. Ondergetee'ienden mcenen bescheiden en ernstig bij UEVV. op het nemen van zoodanig besluit te mogen en moeten aandringen, om de navolgende redenen: Ten eerste: Omdat zij vastelijk gelooveu dat het nemen vau zoodanig besluit geheel tot de bevoegdheid van dea Kerkeraad behoord. Ten andere; Omdat zij vermeencn dat dit mede zoude werken tot het stuiten van de zeer betreurenswaardige en ergerlijke verwarring iu de kerk, die hun dierbaar is, heer-sehende, derhalve ook in het belang der aankomende lidmaten zoude zijn, cu daardoor aan de aflegging van Geloofsbelijdenis meerderequot; ernst en plegtigheid zoude bijgezet worden. Ten derde : Omdat zij gelooveu te mogen veronderstellen dat de gunstige gevolgen daarvan ook in andere gemeenten in ons vaderland niet zouden uitblijven. Hopende alzoo liEw. de vereisehte aandacht aan dit hun voorstel wel zullen willen verleenen, cn door den Heiligen Geest geleid onze beraadslagingen een resultaat mogen hebben, dat tot 's Heeren eere en tot den welstand onzer geliefde gemeente bevorderlijk moge zijn, verblijven zij met heilbede XJWEw. eu Ecrw. Dw. Dienaren en Broeders Amstekdam, W. KUHLER WZ. 10 Maart 1871. J. BECI1TIIOLD. De Kerkeraad besloot beide stukken in handen te stellen eener Commissie van zes leden, met mandaat: ten principiëele te onder |
zoeken, welke loijzigingen in onze kerkelijke reglementen, met he-trekkimj tot de aanneming van nieuwe leden, zijn icenschelijk te achten, ter handhaving van het Christelijk karakter van het Belij-d!â uitdoen; welken a'eg movt de Kerkeraad inslaan om deze wij-z:gin;/i ii tc ve.rkrijin'n, m veilquot; ne: aruh ringen kan de Kerkeraad. intusschen ter bereiking va . dit doel maliën in zijne huishoudelijke reglementen. Hij benoemde in deze Commissie de Predikanten Meybooin, Cramer en Kuyper, alsmede de Ouderlingen van dor Linden, Eeringa en Külilcr. Het rapport dezer Commissie kwam ter tafel in de Vergadering van 35 Mei 1871 en luidde aldus: 295G. Aan den Kerkeraati der Ned. Horv. Gemeenie te Amsterdam. Eerwaarde Broeders! In uw e vergadering van 10 Maart, j.l, word dooi* u ecne ( ominissi'.' beno'iad, beslaande uit de Predikanten L S. P. Meijboorn , Ph. R. IPuïenb 'Itz, J. Ornmer en A. Knijpet', en de Oudlt;Tiiugen J. VV. TijdcmJin, J. II. van devLinden, N. M. Feringa en W. Knhler, âten einde betreltende een van liet Presbyter ie en een van de Heeren Knhler en Bechthold ingekomen voorstel, zoo mede een amendement van den Heer J. W. Tijdeman op het voorstel van het Preshyterie, in prlneipieele te onderzoeken, welke wij z i gi ngen in onze k erk e 1 ij k e r eg 1 e m e n t e n m et betrekking tot de aanneming van nieuwe leden z ij n w e n-s e h e 1 ij k t e a e h t e n ter handhaving van het Christelijk karakter van het belijdenis doen; welken weg de Kerkeraad moet bewandelen om deze wijzigingen te verkrijgen, en welke veranderingen de Kerkeraad in z ij n e h u i 9 h o u d e 1 ij k c reglementen in tnssehen kan maken tot dat doel.quot; Hef voorstel van het Presbyterie is aldus geformuleerd: 1. diene de Kerkeraad bij de bevoegde kerkbesturen ernstige bezwaren in tegen de voorgestelde verandering in art. 38 van het Reglement op het Godsdienst-Onderwijs, van de woorden b ij gestaan door....... in de woorden in tegenwoordigheid van....... 2. verzoeke hij de woorden in tegenwoordigheid van, voorkomende in art, 21. van het Reglement voor de Kerkernden, te vervangen door de woorden b ij g e s l a a n d o o r. 3. stelle hij voor, ann art. 38 van het Reglement op het Godsdienst-onder-wijs toe te voegen: wTn geval van versehil van gevoelen tnssehen den Lceraar en den âaanwezigen Ouderling of Ouderlingen, over het al dan niet voldoende âder kennis, of over den inhoud der belijdenis , zal de Kerkeraad eene âCommissie benoemen, tot vernieuwd onderzoek en het nemen van een âbesluit. In Gemeenten, waar sleehts één Predikant is, wordt het. vernieuwd onderzoek en de beslissing aan den Kerkeraad opgedragen. âDe aanneming tot lidmaat van den belanghebbenden persoon wordt âtot zoolang uitgesteld.quot; Br. Tijdeman stelt voor, dat aan hooger Kerkbestuur worde verzoeht om art. 38 in het Reglement op het Godsdienst-onderwijs aldus te wijzigen : âNa de woorden eene bel ij de nis des gelooi's door de aan-nemelingen af te leggen, bij te voegen: houdende eene bevestigende beantwoording der eerste vraag, in het eerstvolgend artikel vermeld; eu, a!s amendement op het voorstel van het-Presbyterie, weg te laten de woorden of over den inhoud der b e 1 ij d e n i s. Het voorstel van de Brs. Knhler en Boehthold is het navolgende: âDe Kerkeraad besluite dat het te houden onderzoek, volgens art. 30 van het Reglement, op het Godsdienst-onderwijs, en het afnemen van belijdenis des geloofs zal plaats hebben door den Predikant, in togenwoordigheid van enbijgestann door twee Ouderlingen. âDat wanneer na gehouden onderzoek gebleken zal zijn, van wie men met grond mag verwachten, dat zij zieh althans genoegzaam bewust zijn wat zij belijden zullen, en alzoo met meerderheid van stemmen tot het afleggen van belijdenis zullen worden toegelaten, de volgende vragen zullen worden voorgesteld: |
8
|
âTen eerste: Belijdt gij te gelooven dat de Bijbel zoudev eenig voorbehoud is het woord van God, en alzoo de cenige kenbron van wat geweten en geloofd moet worJen tot zaligheid? Ten tweede: Belijdt gij te gelooven, dat de belijdenis onzer Gerefor.mxrde kerk, aU geurond op Gods woord, de leer der zaligheid is; en zijt gij alzoo bcrcil om op hel voorlezen der 12 Artikelen van ons algemeen Christelijk geloof, ieder voor zich persoonlijk, belijdend te antwoorden; âja ik, van ganseher harte?quot; wEn dat, zoo er alsdan niemand der toegelatenen zich daaraan wcnscht te onttrekken (waartoe natuurlijk volkomen vrijheid moet gelaten worden), door den Predikant tot de plechtige voorlezing dier 12 Artikelen zal worden overgegaan, waarop door de aankomende leden, een voor een, overluid zal moeten worden geantwoord : âja ik, van ganseher harte.quot; Ziedaar de voorstellen, Eerwaarde Broeders! die door TT in onze handen zijn gesteld, om uwe vergadering, naar aanleiding daarvan, zoo spoedig mogelijk te dienen van consideratie en advies. Het deed ons leed, dat twee Broeders alleen aan de eerste samenkomst der commissie hebben kunnen deelnemen, Br. Knijper, door het om gezondheidsredenen ondernemen van eene buitenlandsehe reis, en Br. van der Linden door ongesteldheid. Wij betreurden dit te meer, omdat de zaak, die wij te behandelen hadden, zoo uiterst gewichtig is. Verscheidene teere quaes-tiën, die hot belang der gemeente van nabij raken, staan er mede in verband. Wij vertrouwen dat het uit ons Rapport zal blijken, dat wij onder den indruk daarvan de ons opgedragen taak hebben vervuld. Onzen omvangrijken last meenden wij in twee deelen te kunnen splitsen. Eerst hadden wij een oudeiv.oek ia te stellen naar de vra.r^, ol' ook aan de Ouderlingen recht tot medewerking bij de aumemiug (ot lidm itcn moet werden toegekend. Daarop naar de vraag, in hoeverre eene vtrandering wensehelijk is te achten in de wijze waarop, nadat het onderzoek naar de kennis is afgeloopen, de geloofsbelijdenis afgenomen wordt, en welke weg dan bewandeld moet worden om de vervulling van dien wensch te verkrijgen. I. In den geest van al de voorstellers wijdden wij eerst onze aandacht aan de vraag: moet ook aan de Ouderlingen het recht tot medewerking bij de aanneming tot lidmaten worden toegekend? Eenparig waren wij van oordcel, dat die vraag toestemmend moet worden beantwoord. In overeenstemming met het rapport van de Commissie van het Presbyte-rie, betreffende deze zaak u overgelegd, nietnen wij dat het zoowel iu den geest van onze kerkelrke Reglementen, als in den geest van het Evangelie ligt, dat de Ouderlingen bij zulk eene gewichtige zaak als de aanneming tot lidmaten, niet maar tegenwoordig zijn , maar ook met de Predikanten tot de aanneming medewerken. Echter kwam het uwe Commissie met h( t Presbyterie voor, dat er te dien opzichte eenige onduidelijkheid in de lleglementen was, daar op do eene plaats van een tegenwoordig z ij n, en op de andere plaats \ au een b ij s t a a n wordt gesproken. Ook door anderen is die onduidelijkheid opgemerkt, zooals blijkt uit het voorstel, dat bij de Synode is ingediend, om de woorden bijgestaan door te vervangen door in tegenwoordigheid van. Van onze zijde wenschen wij ü het tegenovergestelde voor te stellen , of liever nog, daar de woorden in e t medewerking van in onze schatting beter nog onze bedoeling weergeven, wenschen wij op beide plaatsen in de Reglementen die woorden gebezigd te zieu^ Daarom stellen wij U voor: âb ij de Synode op te komen tegen de aan haar voorgestelde verandering in art. 38 van h e t li e g 1 e m e n ^ op het Godsdienst-onderwijs, en te verlangen dat én dat artikel, én art. 21 van het Reglement voor de K e r k c r a d e n zoo g e w ij z i g d worden, dat het door ons uitgesproken beginsel in de Regie me nteu worde uitgedrukt; mitsdien de woorden: in tegenwoordigheid van , o f bijgestaan door worden v e r-anderd in met medewerking van ; eu dat in art. 21 en 25 van het Reglement voor de Kerke raden beter worde geformuleerd, dat het werk dor aanneming niet alleen tot de ambtsplichten van de Predikanten, maar ook tot die van de Ouderlingen behoor t.quot; Hierbij moeten wij nog opmerken dat één lid der Commissie zich slechts voorwaardelijk met dit voorstel kon vereenigen, daar hij eerst zekerheid wilde hebben van hetgeen aan de Predikanten en de Ouderlingen zou worden opgedragen; terwijl een ander lid zich wel met onzen wensch vereenigde, maar geen vrijheid vond om dien wensch op te zenden naar de Synode. Wat het derde voorstel van het Presbyterie betreft, meenden wij dat dit beter behandeld kon worden, nadat wij eerst gesproken hadden over de belijdcnis-quaes-tie, waarvan ook in dat voorstel gewaagd wordt. |
II. Bij het bespreken van de vrnag, of men zou treden in één van de heide voor-sli-llcii, die bij IJ varen ingediend betreüVnde de belijdeiiis, do »r do nieuwe leden al' te leg{ii:n, kwam allereerst de vraag aau de i rde: vindc men in rt. 88 van het Regiement op het Go dsdienst-ondervvijs de woorden: vervolgens, zoo DEZli kennis voldoende bevonden wordt, EENE belijdenis DES GE-looes door DE aannememngen af te leggen, voldoende; of weilScht me 11 nader omschreven te zien welke de inhoud der geloofsbelij-d e n i s moet wezen? Hieromtrent was uwe Commissie niet eenstemmig. De helft der leden oordeelde dat zulk eene nadere formuleering wensehelijk was, daar zij die aangenomen worden behoorlijk onderricht moeten zijn van hetgeen zij te belijden hebben, zoodat daaromtrent tusschen hen en de kerkeraadsleden, door wie zij worden aangenomen, geen verschii van gevoelen kan bestaan, terwijl dan ook langs dien weg alle botsing tusehen den Predikant eu zijnen Ouderling of zijne Ouderlingen wordt voorkomen. De andere helft der Commissie was van oordeel dat er geen bepaalde formule moest worden voorgeschreven; on volgens één der leden, omdat de aannemelingen aan alles waarin de Kerk zich oflicieel uitspreekt weten wat zij van hare leden wcnscht, en dat zij dus, wanneer zij hierdoor niet verhinderd worden om zich aan de Kerk aan te sluiten, als leden moeten worden erkend. De beide anderen meenden dat de Kerk eene belijdenis heeft, en dat dus allen, aan wie de afneming der geloofsbelijdenis is opx drageu, naar dien maatstaf hebben te oordeelen ; terwijl één er nog bij opgemerkt wilde hebben, dat de /00 gewenschtc vrijheid bij de beoor-deeling van dien maatstaf te veel door eene nadere formulcering der belijdenis zou worden beperkt. Tusschen deze beide gevoelens moet dus uwe vergadering beslissen. Wordt door U eene nadere formuleering wensehelijk geoordeeld, dan is het de vraag of de Kerkeraad zelf die formule zal maken en voorschrijven, dan of hij dit van de Synode zal verzoeken. Bij het spreken hierover rees bij uwe Commissie dezelfde bedenking op die bij de diacussien over de Doopsformule geopperd werd, of namelijk de Kerkeraad wel bevoegd was om eene formule voor te schrijven. De meerderheid beantwoordde die vraag ontkennend, en wel op grond hiervan, dat do afneming van de geloofsbelijdenis eene zaak is, die niet eene enkele Gemeente, maar de gansche Kerk geldt. Door geloofsbelijdenis af te leggen wordt men iiu-maat van de Kerk, en niet alleen van de ééne of andere Gemeente, gelijk blijkt uit de verplichting van iedc/en Kerkeraad om als leden der Gemeente aan te nemen wie met eene volledige attestatie overkomen. Daarom kan het voorschrijven van eene formule alleen het werk zijn van de Synode, aan welke de algemeene belangen der Hervormde Kerk zijn toevertrouwd. Met dit gevoelen konden zich twee leden niet vereenigen. Eén lid meende dat de Kerkeraad nlles.dns bevoegd is om eene formule voor te schrijven, daar hij vrijheid heeft om iu zijn Huishoudelijk Reglement allerlei bepalingen te maken mits zij niet in strijd zijn met het karakter der Hervormde Kerk, en met de bestaande Kerkelijke Reglementen. Dit laatste kon het andere lid niet beamen, als geloovende aan de autonomie der Gemeente. Indien uwe vergadering, eene nadere formuleering wenschende, het oordeel van de meerderheid uwer Commissie omhelst, dat de Kerkeraad in dezen onbevoegd, moet worden verklaard, dan blijft er geen andere weg open dan de Synode te verzoeken, de ééno of andere formule in de Kerkelijke Reglemen' ten op te nemen. Slechts één lid van uwe Commissie kan daartoe niet medewerken, daur hij door hot doen van zulk een verzoek den schijn niet wil geven van de Synode als wettig lichaam te erkennen. Wordt nu zulk eene formuleering verlangd, hetzij men den Kerkeraad daartoe bevoegd verklare, hetzij men meene zich tot de Synode te moeten wenden, welke moet dan die formule zijn? Zal men het voorstel van Br. Tudeman aannemen, en van de nieuwe leden de beantwoording verlangen van de eerste der drie vragen, die bij de openbare bevestiging gedaan worden: âBelijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in J ezus Christus, zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer, en in den Heiligen Gees tlquot; Hiertegen was de meerderheid van uwe Commissie, echter op verschillende gronden. Drie leden meenden dat, als er eene formule bij de afneming van de geloofsbelijdenis werd voorgeschreven, deze dan ook het eigenaardig karakter der Hervormde Kerk moest uitdrukken: wat met de bewuste vraag het geval niet zou zijn. Voor het andere lid was de formule te dogmatisch; hij zou de voorkeur geven aan eene formule meer gelijkende op die, welke de Predikanten moeten onderteekeneu bij de aanvaarding van hunne Kvangeliedienst. De minderheid bracht in het midden dat het voor de hand ligt eene vraag, die bij de openbare bevestiging gedaan wordt en moet gedaan worden, ook te doen |
9
|
bij Jo afneming van de geloofsbelijdenis. Zij achtte ook die vrang, mot het oog op het voorafgegane onderzoek naar de kennis van de nieuwe leden, en niet minder met het oog op de Doopsformule, die aan haar ten grondslag ligt, alleszins voldoende. Terwijl zij het met de billijkheid, die men aan de onderwijzers en aan de leerlingen schuldig is, in strijd aehttc om in den tegen woord igen toestand der Kerk meer te vragen. Zoo uwe vergadering het gevoelen van de meerderheid uwer Commissie deelt, dan heeft zij zich nit te spreken over het voorstel van de 13rs. Ktjiilkk en Bicch-'iold. Wat de eerste der voorgestelde vragen betreft: âBelijdt g ij t e geloo-v e n dat de B ij b e 1 zonder e e n i g v o o r h e li o n d. i s het Woord van God, en a 1 z o o de e e n i g e k e n b r o n van wat gewet e n en g e 1 o o f d moet worden tot zaligheid Vquot; adviseeren wij T.T met algemeene stemmen, op êéao na, hierin niet te treden, daar de woorden zonder voorbehoud, opgevat in den zin, door de voorstellers bedoeld, de wetensehap aan banden leggen. Aangaande de tweede vraag, alinea 1: âB e 1 ij d t g ij tegcloove n, d a t d e B e 1 ij d e n i s onzer Gereformeerde kerk, als gegrond op Gods Woord, de leer der zaligheid is?quot; moeten wij hetzelfde advies geven. Wij wensehen niemand te binden aan de letter van de belijdenis onzer Kerk, en zelfs den schijn te vermijden van die belijdenis op éénc lijn te stellen met den Bijbel. Beter konden wij ons vereenigen met het amendement van een onzer, van het woord is te veranderen in bevat; ofschoon enkelen in ons midden nog liever eene formule hadden in den zin van de plechtige verklaring, volgens art. 27 van het Reglement op het Examen door de Evangeliedienaren af te leggen, met het oog op de aanneming van lidmaten doelmatig gewijzigd. Wij stellen u dus voor om, als gij eene formule wenschclijk acht, deze te verkiezen : âB e 1 ij d t gij tegeloovendatdcBelijdenisonzerGere-f or meerde Kerk, als gegrond op Gods Woord, de leer der zaligheid b e va t?quot; Wat de geachte voorstellers verder verlangen, dat namelijk van de aannemelin-gen zal gevorderd worden, dat zij op ieder van de 12 geloofsartikelen antwoorden: ja ik van ganscher harte 1 dat meent uwe Commissie u te moeten ontraden, niet alleen omdat zij het lidmaatschap van onze Hervormde Kerk niet afhankelijk wil stellen van het gelooven aan elk der 12 artikelen; maar ook omdat die artikelen het eigenaardig karakter van onze Hervormde Kerk niet uitdrukken. Ten slotte heblen wij ons de vraag gesteld, waarover wij bij hot begin van ons rapport spraken: is het derde, meest ingrijpende voorstel van het Presbyterie al of niet aannemelijk? Reeds terstond kwamen wij daarin overeen, dat het niet noolig was ons met dit voorstel tot de Synode te wenden, daar de Kerkeraad bevoegd is om eene dergelijke bepaling in zijn Huishoudelijk Reglement op te nemen. Wij wenschten het benoemen van de bedoelde Commissie geheel te beschouwen als eene zaak van den Kerkeraad, en lieten dus de tweede alinea van het presbyteriale voorstel, die betrekking heeft op gemeenten, waar slechts één Predikant werkzaam is, buiten discussie, als onze gemeente niet betreflende. Omtrent eéne zaak waren wij allen het eens, dat namelijk de Kerkeraad gemachtigd was om eene Commissie te benoemen tot nader onderzoek, wanneer er verschil van gevoelen mocht wezen tussehen den Predikant en zijnen Ouderling aangaande het voldoende van dekennis der aannemelingen. Met het oog op het recht der ouderlingen, waarvan wij vroeger reeds spraken, en met het oog op de duidelijke verklaring in art. 14 van het Reglement voor de Kerkeraden, dat «aan den Bijzonderen Kerkeraad is opgedragen de afneming van de belijdenis des geloofs,quot; meenden wij aan het recht van den Kerkeraad om zulk eene Commissie te benoemen niet te kunnen twijfelen. Alleen wensehten wij het presbyteriale voorstel zóó gewijzigd te zien, dat de Kerkeraad in het vermelde geval «eene Commissie uit zijn midden aan den Predikant en zijne beide Ouderlingen toevoege tot vernieuwd onderzoek, en het nemen van een besluit.quot; Veel aanleiding tot discussie gaf de andere vraag, of namelijk de door den Kerkeraad benoemde Commissie ook een vernieuwd onderzoek had in te stellen, indien er verschil van gevoelen was omtrent den inhoud van de belijdenis der aannemelingen. Deze vraag wordt geheel beheerscht door eene andere vraag, of namelijk zulk een verschil van gevoelen mogelijk is. Er is een geval, waarin het niet mogelijk is; wanneer namelijk eene bepaalde formule wordt voorgeschreven, dan hebben zij die aannemen eenvoudig maar te vragen, of zij, die aangenomen worden, die formule beamen; aan botsing is dan niet te denken. Heeft uwe vergadering dus uitgemaakt, dat er eene formule, welke dan ook, zal worden voorgeschreven, dan vallen de woorden in het presbyteriale voorstel: en over den inhoud der belijdenis weg. |
Echter is er nog een ander geval denkbaar. Ook al meent men, dat er geen formule mag worden voorgeschreven, kan men toch een verschil van gevoelen omtrent den inhoud der belijdenis* ondenkbaar achten, als men namelijk geheel aan den aannemeling wil hebben overgelaten, hoe hij zijne geloofsbelijdenis wil formuleeren. Er waren er dan ook in ons midden, die dat gevoelen waren toegedaan., en hiervoor eencn steun vonden in art. 38 van het Reglement op het Godsdienst-onderwijs, waarin, naar zij meenden, uit de wijze waarop over de aflegging der geloofsbelijdenis wordt gesproken, nadat eerst het onderzoek naar het voldoende der kennis is voorafgegaan, is op te maken, dat wel de kennis maar niet de belijdenis mag worden beoordeeld. Anderen daarentegen meenden, dat het de bedoeling van den Wetgever niet kon geweest zijn om wel de kennis, maar niet, wat nog gewichtigej is, de geloofsbelijdenis van den aannemeling aan eene beoordeeling te onderwerpen; terwijl dan ook naar hen oordeel door de bijvoeging der woorden : een en ander geschiedt door een L e e r a a r, b ij g e s t a a n door één of meer Ouderlingen, die mogelijkheid van eene beoordeeling der geloofsbelijdenis wordt verondersteld. Bij stemming bleek het, dat de laatsten de minderheid uitmaakten. Uwe vergadering heeft ook in dezen te beslissen. Hoe echter de beslissing moge zijn, lichtelijk zal de vraag bij dezen en genen oprijzen: is er niet eene verandering van art. 38, of althans eene verduidelijking, ter voorkoming van misverstand, wenschclijk? Ook omtrent deze vraag was men niet eenstemmig. Terwijl de minderheid geen verandering of verduidelijking noodig achtte, daar het artikel duidelijk genoeg uitdrukte, en geheel overeenkomstig het karakter der Hervormde Kerk, dat over de geloofsbelijdenis even goed als over de kennis der aannemelingen mocht worden geoordeeld, meende de meerderheid dat de Kerkeraad zich tot de Synode had te wenden met verzoek om verduidelijking in dezen zin, dat het aan de aannemelingen geheel zou vrijstaan welke geloofsbelijdenis zij zouden willen afleggen. Echter had ook de minderheid er niet tegen, dat men zich tot de Synode zou richten, indien dc Kerkeraad soms met do meerderheid eene verduidelijking van het artikel noodig achtte. Nu spreekt het van zelf, indien uwe vergadering van oordeel is dat het volgens de Kerkelijke Reglementen aan de aannemelingen geheel viij staat, hoe zij hunne geloofsbelijdenis willen formuleeren, dat dan aan de Commissie des Kerkeraads, van welke wij spraken, niet kan worden opgedragen om te beslissen in een verschil, dat er mocht gerezen zijn over den inhoud der belijdenis. Zulk een verschil kan er niet bestaan, wanneer over den inhoud der belijdenis niet mag geoordeeld worden. In dit geval dus advisceren wij U om het voorstel van het Presbyterie, aldiw gewijzigd, aan te nemen: «In geval van verschil van gevoelen tussehen den Leeraar en den aanwezigen Ouderling of Ouderlingen, over het al dan niet voldoende der kennis, zal do Kerkeraad eene Commissie aan den Predikant en zijne beide Ouderlingen toevoegen tot vernieuwd onderzoek en het nemen van een besluit.quot; Gelooft echter uwe vergadering, dat de vrijheid der aannemelingen om zeiven hunne geloofsbelijdenis te formuleeren, door de Kerkelijke Reglementen in het algemeen en door art. 38 van het Reglement op het Godsdienst-onderwijs in het bijzonder, is uitgesloten, dan advisceren wij U om het presbyteriale voorstel met deze wijziging aan te nemen: Ju geval van verschil van gevoelen tussehen den Leeraar en den aanwezigen Ouderling of Ouderlingen, over het al dan niet voldoende der kennis,of over den inhoud d er belijdenis, zalde Kerkeraad eene Commissie aan den Predikant en zijne beide Ouderlingen toevoegen tot vernieuwd onderzoek en het nemen van een besluit.quot; Hiermede, waarde Broeders! zijn wij aan hot einde onzer taak gekomen. Wel strekte het ons gegeven mandaat zieh nog verder uit; maar voordat wij verder konden gaan, en o. a. ook veranderingen of wijzigingen in uwe Huishoudelijke bepalingen konden voorstellen, moesten wij eerst uwe beslissing weten mot betrekking tot de beginselen, in ons rapport neergelegd. Bij al de diseussiën, die over deze zaak tussehen de leden dorCommissie zijn gevoerd, heersehte, ondanks alle verschil van gevoelen, ecu geest van welwillendheid en waardeering. Moge diezelfde geest ook uwe beraadslagingen leiden, en worde er werkelijk iets goeüs door ons tot stand gebracht, iets dat den Koning der Kerk verheerlijkt en den bloei van onze Gemeente bevordert! Wij nemen de vrijheid de voorstellen, uit dit rapport voortvloeiende, nog eens kortelijk te formule eren: 1°. De Kerkeraad besluite; âbij de Synode op te komen tegen de aan haar voorgesteldo wijziging in art. 38 van het Reglement op het Godsdienst-onderwijs, en te verlangen dat én in dat artikel, én in art. 21 van het Reglement voor de Kerkcraden de woorden in tegenwoordigheid van, of bijgestaan door worden veranderd in met medewerking van; en dat in art. 21 en 25 van het |
10
|
Reglement voor de Kerkcraden Leter worde geformuleerd, dat het werk der aaime-ming niet alleen tot de ambtsplichten van de Predikanten, maar ook tot die van de Ouderlingen behoort.quot; 2°. De Kerk era ad spreke zich uit, of hij cene andere omschrijving wil van de belijdenis des geloofs, in art. 30 van hot lleglement op het Godsdienst-onderwijs bedoeld. Zoo ja, 3°, dan verklare zich de Kerkerand onbevoegd om bij de afneming der geloofsbelijdenis zelf ecne formule voor te schrijven. 4°. De Kerkeraad wende zich tot de Synode met het verzoek om de van de aannemelingen geèischto belijdenis des geloofs nader te formuleeren. 5°. De Kerkeraad verwerpe het voorstel van Br. Tijdeman. 6°. De Kerkeraad verwerpe liet voorstel van de Brs. Kuhllr en Bechthold, om van de aannemelingen te vragen: Belijdt gij te gelooven dat de Bijbel zonder eenig voorbehoud is het Woord van God, en alzoo de eenige kenbron van wat geweten en geloofd moet worden tot zaligheid? 7°. De Kerkeraad verwerpe het voorstel van de Brs. Kuiiler en Bechthold, in do tweede vraag, alinea 1, vervat, gelijk het daar ligt; maar neme het aan met deze wijziging, dat het woord is worde veranderd in het woord bevat. 8°. De Kerkeraad verwerpe het voorstel van de Brs. Kuhleu en Bechthold» vervat in do tweede vraag, alinea 3. 9°. De Kerkeraad besluite, afgezien nog van do vraag, waarover het verschil tusschen den Predikant en den aanwezigen Ouderling of Ouderlingen loopt, tlat, als zulk een verschil is gerezen, de Kerkeraad cene Commissie bcnocme en die aan den Predikant en zijne beide Ouderlingen toevoegc, tot het nemen van een besluit. 10°. De Kerkeraad verklare, dat het volgens art. 38 van het lleglement op het Godsdienst-onderwijs aan de aannemeUugen vrij staat om hunne geloofsbelijdenis zelf te formuleeren, zoodat cene bcoordeeliiig daarvan van do zijde des Kerkeraads is uitgesloten. 11°. De Kerkeraad vrage van de Synode ecne duidelijker redactie in den zin, die in het tiende voorstel is uitgedrukt. Als de Kerkeraad zich met het tiende en elfde voorstel vereenigt; 12°. In geval van verschil van gevoelen tusschen den Leeraar en den aanwezigen Ouderling of Ouderlingen, over het ul dan niet voldoende der kennis, zal de Kerkeraad eene Commissie aan den predikant en zijne beide Ouderlingen toevoegen, tot vernieuwd onderzoek en het nemen van een besluit. Als de Kerkeraad zich met het tiende en elfde voorstel niet vereenigt: 13°. ïn geval van verschil van gevoelen tusschen den Leeraar en den aanwezigen Ouderling of Ouderlingen, over het al dan niet voldoende der kennis, of over den inhoud dor belijdenis, zal de Kerkeraad eene Commissie aan den Predikant en zijne beide Ouderlingen toevoegen, tot vernieuwd onderzoek en het nemen van een besluit. De Commissie voornoemd, Amsterdam, 12 Mei 1871. S. P. MEYBOOM, Fraeses. J. CRAMER, Scriba. In drie aclitereenvolgeude Kerkeraads-vergaderingen kwamen deze verscliillende voorstellen in behandeling, en werd ten laatste in de vergadering van 23 November 1871 liet dertiende meest gewichtige voorstel der Commissie in stemming gebracht en met twee amendementen van de heeren Pierson en Kuyper door bijna eenparige stemmen tot Besluit verheven. Dit Besluit was vervat in deze woorden: Bcsluil: van lt;]cii Kerkeraad dtl. 23 Nov. 1871. âIn geval van vorschil van gevoelen tusschen den leoraai' cu den aanwezigen ouderling of ouderlingen, over het al dan niet voldoende der kennis, of over den inhoud der belijdenis, zul de Kerkeraad eene Commissie benoemen, bestaande uit den predikant en deu ouderling, die 't werk der aanneming verrigt hebben, benevens een ander predikant en ouderling, of wanneer de predikant met twee ouderlingen heeft aangenomen, twee andere predikanten en oen onderling, tot vernieuwd onderzoek en het nemen van een besluit. In geval van staking der stemmen rapporteert de Commissie aan den Kerkeraad.quot; |
Later is dit Besluit in de vergadering van 20 Juli 1873 nog geampliëe'rd door deze bijvoeging; Aiupimtic vim dit besluit op 30 â¢Tuui 1873. //Zoo een der beide eersten in gebreke blijft in deze Commissie zitting te nemen, zal de Kerkeraad een ander in zijne plaats benoemen.quot; II. Hierop kwam in de Vergadering van 8 Januari 1873 ter tafel een dubbele missive, 1°. een selirijven van de Heeren Steenberg en Berlage, dd. 2 December 1871, en 3°. dito van het Classicaal Bestuur van Amsterdam, dd. 5 December 1871. n. Missive van de Heeren Steenberg cu Derlugc. Aan den Bijzonderen Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente alhier. Eerwaardige Broeders! De ondergeteekenden achten zich verpligt U mede te doelen, dat zij tegen het besluit uwer Vergadering betreffende de aanneming van nieuwe leden, waartegen zij iu de notulen protest aanteekeuden, ook in verzet zijn gekomen bij het Classi-kaal Bestuur. Met heilbede hebben zij de eer zieh te noemen, Eerw. Broeders! Amsterdam, Uwe Dienstvv. Medebroeders, 2 Deeember 1871. cteenü^uo. H. P. BEKLAGE. h. Missive van het Classicaal Itesliiui'. No. 811. 3031 A. Am den Bijzonderen Kerkeraad der Neder, Herv: Gemeente te Amsterdam. Weesp, 5 Daceiiiber 18,1. Het Classikaal Bestuur van Amsterdam, ontvangen hebbende nevensgaand protest van de HH. H. Steenberg en H. P. Berlage togen uw besluit dd. 33 November 11.; heeft do eer het aan U toe te zenden ter fine van consideratie en advies, waarbij het, ten einde te voldoen aan Art. IB, Reglement voor Orde en Tueht, het verzoek om opgave voegt van de namen dier Kerkoraadslcden, die tevens leden of secundi des Bestnurs zijn, welke in deze zaak gehandeld of tot do uitspraak medegewerkt hebben. Vermits bedoeld protest eerst het volgend jaar in behandeling komt, noemt hot n tevens, in zoover noodig, die HH., die alsdan zitting hebben in het bestuur. Het zijn de HH. Dr. ,T. Cramer, B. J. Adriani, J. Posthumus Meijjes, Dr. P. W. B. van Bell, H. Höveker (leden), J. P. Hasebroek, Dr. A. Kuyper, Dr. E. Laurillard Mr. M. J. van Lennep en Mr. J. W. Tydeman (secundi). Het Classikaal Bestuur van Amsterdam, (w. g.) VAN WIJK, Fraeses. Ju. MOÃLIJN, Scriba. |
Tegen dit Besluit is aanteekening verzocht door de heeren Steenberg en Berlage.
11
|
Het begeleidend afschrift luidde aldus: 3031 B. Aan het Classikaal Bestuur van Amsterdam. Eerwaardige Broeders! Door deu Bijzonderen Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam is op 23 Novemljcr 11. het volgende besluit genomen: In geval van verschil van gevoelen tussehen den leeraar en den aanwezigen ouderling of ouderlingen, over het al of niet voldoende der kennis, of over den inhoud der belijdenis, zal de Kerkeraad cone Commissie benoemen, bestaande uit den predikant en den ouderling, die het werk-der aanneming verricht hebben, benevens een anderen predikant en ouderling, uf wanneer de predikant met twee ouderlingen heeft aangenomen, twee andere predikanten en een onderling, tot vernieuwd onderzoek en het nemen van een besluit. Ingeval van staking der stemmen rapporteert de Commissie aan den Kerkeraad. Naar het oordeel van ons, ondergeteekenden, is dit Kerkeraadsbesluit onwettig te achten. En wel op grond: lo. dat de aanneming moet plaats hebben door een leeraar, bijgestaan dooreen of meer ouderlingen, Art. 38, lleglemcnt op het Godsdienst-onderwijs. In strijd daarmede wil de Kerkeraad in het gegeven geval, de aanneming van meer leeraren afhankelijk stellen. 2o. dat de aanneming volgens Art. 14, 5 e Reglement voor de Kerkeraden, wel is opgedragen aan den Kerkeraad, maar in Art. 21 van datzelfde Reglement, deze werkzaamheid bepaaldelijk wordt opgedragen aan den predikant, terwijl zij niet gerekend wordt tot de ambtsplichten der ouderlingen, in Art. 25 met name omschreven. 8°. dat de benoeming eouor Commissie als in het bedoelde Kerkeraadsbesluit is vastgesteld, van de veronderstelling uitgaat, dat er een verschil rijzen kan tussehen predikant en ouderling over het al of niet aannemen of toelaten van één nieuw lidgt; welke onderstelling niet rust op het beginsel der wet, waarbij door de woorden âin tegenwc irdigheid van een of meer ouderlingenquot; (Reglement van den Kerkeraad, Art. 21, 5® of »bijgestaan doorquot; enz. (Reglement op het Godsdienst-onderwijs, Art. 38), elk zelfstandig en beslissend oordcel van den Ouderling of de Ouderlingen uitgesloten, of minstens meer dan twijfelachtig is. 4o. dat de al of niet noodige verduidelijking en verbetering der Kerkelijke wetgeving op het punt der vertegenwoordiging van één of meer ouderlingen bij het aannemen van lidmaten, sedert het vorige jaar een onderwerp van overweging en onderzoek uitmaakt bij de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk niet alleen, maar dat de Synode dezes jaars op dat punt reeds een voorloopig besluit heeft genomen, om n. 1. art. 38, Reglement op het Oodsdienst-onflcfwtj^ eene wijziging te doen ondergaan, als waarvan in haar officieel orgaan, Kerkelijke Courant van 12 Augustus 11. mededeeling is geschied. Deze door de Synode voorgedragen wetsverandering, zal op haren tijd, langs den door het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk art. 62 aangewezen weg, al of niet worden aangenomen en tot een voor de geheelo Hervormde kerk verbindend besluit worden verheven. jJ.- Amsterdamsehe Kerkeraad heeft kunnen goedvinden deze wettige beslissing nii-v al ia wachten, eigenmachtig en ontijdig op haar vooruit te loopen. o}. eindelijk, dat door het bovengemelde besluit de plechtige belijdenis tot een lormcel â¢xatnen wordt verlaagd, hetgeen toeh wel strijden zal met deze kerkelijke, liever godsdienstige handeling. Om deze redenen hebben wij tegen het bedoelde besluit aanstonds protest laten aanteekenen in de notulen, en wenden wij ons, volgens Art. 38 Reglement voor Kerkelijke Orde en Tucht tot TTEerw., met de verklaring, dat wij tegen dat besluit, als onwettig, in verzet komen en met het verzDek dat het worde vernietigd, indien daartoe termen bestaan, gelijk wij meenen. Met heilbede hebben wij de eer ons te noemen, Ee r w aar di g e Broeders, Uw dienstw. medebroeders, Amstekdam, (Wgt; g.) H. STEENBERG, 2 December 1871. H. P. BEKLAGE. Ter coucipiecrong van een antwoord op laatstgenoemde missive, benoemde de Kerkeraad eene Commissie van vier leden, bestaande uit |
de lieereu Ph. R. Hugenlioltz, J. Posthumus Meyjes^ H. J. Koenen en F. Hooft Graafland. Deze Commissie rapporteerde in de Vergadering van 18 January 1872 in dezer voege: 3033. Aan ilen Eerw. Kerkeraad der Wed. Kerv. Gemeente te Amsterdam. Eerwaardige Broeders! In uwe Vergadering van 8 Januarij j. 1. is in onze handen gesteld eene Missive van het Classikaal Bestuur van Amsterdam, benevens het Piotest van de Heeren Steenfcerg en Berlage tegen een Kerkeraadsbesluit van 23 Nov. j. 1. â ten einde op gen. Protest U te dienen van consideratie en advies. Wij hebben de oer diens-volgens à voor te stellen op de verschillende punten van bezwaar het volgende te antwoorden. Met betrekking tot het eerste, punt meenen wij te moeten opmerken, dat geheel het besluit het geval betreft, dat de Leeraar en de hem bijstaande Ouderlingen niet eenstemm ig zijn; iets,|dat zich hier reeds meermalen heeft voorgedaan, en waarin het Algemeen lleglemcnt niet voorziet. Voorts dat het allezins natuurlijk onwettig is in een plaatselijk Reglement voor een bijzonder geval bijzondere bepalingen te maken, die met den geest der Algemeene ReglemenLeu niet in strijd, er slechts iets aan toevoegen. En niet anders is, wat hier gebeurt! Volgens Art. 38 Reglement op het Godsdienst-onderwijs toch, âgeschiedt het onderzoek naar de verkregen kennisquot; en het afnemen âvaneene belijdenis des gelool's âdoor een Leeraar, bijgestaan door één of meer Ouderlingen; volgens het door den Kerkeraad beslotene zal dit onderzoek en dat afnemen, ook in het onderstelde geval âdoor een Leeraarquot; plaats hebben, doch dan bijgestaan, niet alleen door één of meer Ouderlingen, maar ook door nog een Leeraar. Met betrekking toi het tweede punt, merken wij op dat, vooreerst niet een later gearresteerd Reglement naar een vroeger, maar omgekeerd een vroeger naar een later geëxpliceerd moet worden, en dus Art. 21 Reglement voor de Kerkeraden 5°. win tegenwoordigheid van één of meer Ouderlingenquot; door liet Reglement op het Godsdienst-onderwijs, Art. 38 âbijgestaan doorquot;. Ten andere in het Reglement voor de Kerkeraden, aan Ouderlingen wel niet met zooveel woorden het afnemen van de belijdenis is opgedragen, maar toch uitdrukkelijk (in Art. 25) âhet toezigt op het Godsdienst-onderwijs, naar het Reglement op dit onderwerp, welk Reglement in Art. 38 bepaaldelijk hunne roeping bij de aanneming beschrijft. Wat betreft het derde punt, hiertegen merken wij in de eerste plaats op dat het al te ongerijmd en onvoegzaam zou wezen, den Ouderlingen geen âzelfstandig en beslissend oordeelquot; toe te kennen in dien zin, dat hun oordeel bij de beslissing niet eens in aanmerking zou genomen worden. Dit zou zijn een clericalisme huldigen, 't welk met al de antecedenten van onze Kerk in lijnrechten strijd is! Ten andere dat de woorden âbijgestaan doorquot; Reglement voor het Godsdienst-onderwijs Art. 38 (waarnaar men zich te richten heeft, sub. het tweede punt) niets te beteekenen zouden hebben, indien zij niet bedoelden dat de Ouderling heeft deel te nemen aan 't genoemde âeen en anderquot;, welke deelneming ten minste wel zal moeten inhouden de medebeoordeeling van 't geen de aannemelingcn uitspreken, gelijk ook uit de Handelingen der Synode van 1861 genoegzaam blijkt. Ook geeft de zinsnede âzoo deze kennis voldoende wordt bevondenquot; door har?, algemeenheid genoegzaam te kennen, dat dit âbevinden niet aan den Leeraar alleen, maar aan de tegenwoordig zijnde Kerkeraadsleden wordt opgedragen. Wat betreft het vierde punt, nioitsn wij opmerken, dat de Kerkeraad zich niet te gedragen heeft naar wclliehtte verwachten, maar naar do bestaande Reglementen, en dus ook voor het tegenwoordige aile zoodanige bepalingen in 't leven mag roepen als hem noodig dunken en dojr do bestaande Reglementen niet gewraakt worden. Wat betreft het vijfde punt, hiertegen merken wij op, dat de aanneming tot lidmaten zeer zeker in de eerste plaats een Examen d. w. z. een onderzoek eischt, zoowel naar de verkregen kennis als naar du belijdenis der aannemelingcn; doch dat de Kerkeraad dit ook juist bedoelt en verlangt en meent te nlt;|;ten verlangen, opdat de Kerk alleen weloiiderwezenen en met hare belijdenis instemmeuj den air. leden toelate. |
12
|
Vertrouwende op deze wijze aan den ons opgedragen last te hebben voldaan, heeft uwe Commissie de eer zieh hoogachtend en met heilbede te noemen. Eerwaardige Broeders! Uwe dienstw. medebroeders, Amsterdam, Ph. R. HÃGENIIOLTZ. 17 Januari 1S73. H. J. KOENEN. F. HOOFT GRAAFLAND. J. POSTHUMUS MEIJJES. De Kerkeraad vereenigde zich niet dit rapport en zond zijn antwoord aan liet Classicaal Bestuur, overnemende liet corps van het rapport, en aanhef on slot in dezer voege wijzigende: Aan het Classikaal Bestuur van Amsterdam. Eerwaardige Broeders! De Kerkeraad der Ned. Herv, Gemeente alhier heeft do eer op Uwe missive dd. 5 Dee. 1871 N0. 811 met eene bijlage, inhoudende verzoek van eonsideratie en advies in zake protest van de H.H. Steenberg en Berlage tegen het Besluit des Ker-keraads dd. 23 November 11. het volgende te beriehten. Voorts dat om te voldoen aan Art. 51. Reglement Orde cn Tucht, van de II.H. die loden of secundi zijn van het Class. Bestuur, op dcu 23 November 11., in deze zaak niet hebben gehandeld, de H.H. F. W. B. van Bell en J. P. Hasebroek en Mr. J. van Lennep, die geen lid is van den Kerkeraad. Be overige Heeren in Uwe missive genoemd waren allen in die vergadering tegenwoordig. De Kerkeraad voornoemd en in zijnen naafii,quot; (w. g.) J. P. HASEBROEK, Ams ikk dam , Praeses. 17 Januari 1872. J. CRAMER, Scriba. in. De uitspraak van het Classicaal Bestuur werd overgelegd in de Kerkeraads-vergadering van 28 Maart 1872, en luidde als volgt: Uitspraak van het Classicaal Bestuur. No. 24. 3076. Het Classikaal Bestuur van Amsterdam, ontvangen hebbende een bezwaarschrift van de Heeren H. Steenberg cn H. P. Berlage, Predikanten bij de Ned. Herv. gemeente te Amsterdam, dd. 2 Dee. 1871, tegen een besluit van den Bijz. Kerkeraad van genoemde gemeente dd. 23 Nov. 1871, heeft deze zaak in behandeling genomen. Het bedoelde besluit is van dezen inhoud ; âIngeval van verschil van gevoelen tusschen den lecraar cn den aanwezigen ouderling of ouderlingen, over het al of niet voldoende der kennis, of over den inhoud der belijdenis zal de Kerkeraad eene Commissie benoemen, bestaande uit den predikant en den ouderling, die het werk der aanneming verrigt hebben, benevens eenen anderen predikant cn ouderling, of wanneer de predikant met twee ouderlingen aangenomen heeft, twee andere predikanten en één ouderling, tot vernieuwd onderzoek en het nemen van een besluit.,, «Ingeval van staking der stemmen rapporteert de Commissie aan den Kerkeraad.quot; UITSPRAAK. ' Het Classikaal Bestuur van Amsterdam, Gelet wat de zamenstelling zijner vergadering betreft, op Art. 15 cn Art. 18, Regiem. K. O. en T.; Overwegende, dat er geen termen zijn, om eene minnelijke schikking te beproeven, volgens art. 60, 2e lid, Regl. K. O. en T.; Gelet op Artt. 43.2 én 44.3 A. R.; ^Dezien de missive van den genoemden Kerkeraad dd. 25 Januarij 1872, in Antwoorden op de vraag, om consideratiën en advies met betrekking tot de inge-iragte bezwaren tegen genoemd besluit van den Kerkeraadj |
Heeft overwogen; 1. Dat, volgens Art. 14, 5e Regiem, v. d. Kerkeraden, aan den Bijzouderen Kerkeraad mede is opgedragen, âde afneming van de belijdenis des geloofsquot;, in overeenstemming waarmede in Art. 38, Regiem, v. h. Godsdienstig onderwijs geschreven is, âdat het aannemen van lidmaten geschiedt vanwege den Kerkeraadquot;, en derhalve zoowel âde een of meer ouderlingenquot;, die vermeld worden Regiem, v. d. Kerkcraden Art. 21: 5 en Art. 38 Regiem, v. h. Godsdienst-onderwijs, als de in Art. 38 genoemde âlecraarquot; geacht moeten worden als Gecommitteerden van den Kerkeraad op .te treden; 2. Dat er in onze Reglementen geenc bepalingen voorkomen, die regtstreeks of zijdelings voorschrijven, dat bij verschil van gevoelen tusschen die Gecommitteerden tot dat werk, het regt van beslissing of aan den lecraar alléén, of aan één of meer ouderlingen alleen zou toekomen, en derhalve dat regt van beslissing nergens anders dan bij den Kerkeraad kan berusten, behoudens hooger beroep, en onverminderd de roeping van den predikant om in den regel bij de aanneming de handelende en uitvoerende persoon te zijn. (Art. 21 Regl. v. d. Kerkeraden vgl. met Art. 25.) 3. Dat de wijziging, die ten aanzien van de woorden âbijgestaan door een of meer ouderlingenquot; in Art. 38, Regiem, v. h. Godsdienst-onderwijs, ten gevolge van het voorloopig besluit van de Synode des vorigen jaars (Kerkel. Courant van 12 Aug. 1871) in dit jaar zou kunnen tot stand komen en waarop de klagers zieh beroepen, nog niet bestaat, cn dien ten gevolge evenmin de juistheid van het in de eerste cn tweede overweging gestelde kan doen ontkennen als zij nu reeds van invloed zou kunnen zijn bij de behandeling van zaken, die zich voordoen; 4. Dat uit de bepalingen van den Kerkeraad, dat een gerezen verschil tusschen zijn Gecommitteerden bij dc aanneming van lidmaten niet aanstonds, maar eerst dan aan de beoordeeling van den gansehen Kerkeraad zal onderworpen worden, als in de tot vernieuwd onderzoek en definitief besluit zaamgestelde Kerkeraadscommissie van twee predikanten cn twee ouderlingen de stemmen staken, niet voortvloeit, strijdt met Art. 38 Regiem, v. h. Godsdienst-onderwijs, waar slechts aan één Lecraar de aanneming wordt opgedragen, omdat liet besluit van twee predikanten in dc genoemde Kerkeraadsconimissie, dat dc aanneming mag doorgaan, niet verhindert» maar veeleer ten gevolge moet hebben, dat daarna de aanneming zelve dan geschiedt dob? één letraar, en wei door hem, die allereerst is werkzaam geweest.* Beslist: 1. dat het bovenvermelde besluit van den Kerkeraad der Ned. Herv. gemeente te Amsterdam niet is onwettig, en wijst dien tengevolge den eisch af tot verniett-ging daarvan, die door de Heeren Steenberg en Berlage is gedaan; 2. dat afschrift dezes zal gezonden''worden aan genoemden Heer Steenberg, als eersten onderteekenaar van het bezwaarschrift, en aan den Amsterdamsehen Kerkeraad ; 3. dat de onvermijdelijke kosten (Regl. K. O. en T. Art. 61, 64, 23) gedragen moeten worden door de beide eisehers tegen genoemd besluit van den Kerkeraad. Gedaan in onze Buitengewone Vergadering van 11 Maart 1872 te Amsterdam. Tegenwoordig waren dc leden eu de secundi van leden F. W. B. van Bell, C. L. Klein, F. Ham, J. J. Teding van Berkhout, H. A. E. Heineeken, J. C. Reesse Jr., J. P. Hasebroek, J. Montague en J. Moulijn, Scriba. Afwezig het lid H. Smeding. (w. g.) F. W. B. VAN BELL, fungeer end Voorzitter. J. P. HASEBROEK, J. J. TEDING VAN BERKHOUT, J. C. REESSE Ju., C. L. KLEIN, F. HAM, H. A. E. HEINECKEN, J. MONTAGNE, J. MOULIJN, Seriba, Voor eensluidend Afschrift, J. MOULIJN, Scriba, Aan den Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam. Terstond ua voorlezing hiervan volgde mededeeling van een^ Missive der heeren Steenberg en Berlage, dd. Maart 1872, hou- |
13
|
tiende kennisgeving dat zij van gemelde uitspraak iu hooger beroep waren gegaan bij liet Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland, Bedoelde Missive was van dezen inhoud: Amsterdam, 19 Haart 1872. Wcl-Eorw. en Eerw. Heerenl De ondergcleekcnden hebben ile eer ter uwer kennis te brengen, dat zij van de uitspraak des Classikalen Bestuurs van Amsterdam d.d. 11 Moartj.!., in hooger beroep gekomen zijn bij het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland. Met verschuldigde achting, Uw Eerw. Dw. Dienaren, H. STEENBERG. Aan H. P. BEKLAGE, den Eerw. Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam. IV. Onder dagteekening van 1 Mei 1873 werd daarop ontvangen een schrijven van het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland, waarbij de Kerkeraad ten gevolge van het protest der heeren Berlage en Steenberg werd uitgenoodigd zijn Besluit van £3 November 1873 in te trekken. Deze opmerkelijke proeve van Kerkelijke jurisprudentie sprak darj,Kerkeraad in dezen vorm toe: .Missive van liet Provinciaal Kerkbestuur. Amsterdam, 1 Mei 1872. Afschrift. Eerwaarde B r o e d c r s 1 Bij missive van de H.H. II. Steenberg en H. P. Berlage, d.d. 19 Maart 1872, is bij het Prov. Kerkbestuur aanvraag geschied om vernietiging van ccne uitspraak des Cl. Bestuurs van Amsterdam d.d. 11 Maart 1872, in zake het besluit van uwe vergadering 23 Novb. 1871 genomen met betrekking tot hetgeen in mvo gemeeentc, bij verschil van gevoelen over de aanneming van lidnjaten tusschen den leeraar die de aanneming doet cn deu ouderling of de ouderlingen, die hem bij dit werk bijstaan geschieden zal. Het Cl. Bestuur acht het besluit wettig, manr heeft onder zijne eerste ovenve-glngen tot onze verwonderiDg deze opgenomen: âdat er geene termen zijn, om eenc minnelijke schikking tc beproeven volgens Art. 60 2c lid. van het Reglm. Kerk. O. en Tucht.quot; Dewijl door het Cl. Bestuur aan den inhoud van dit art. niet is voldaan en gccne medewerking is verleend tot bijlegging en schikking in der minne, wat toch in dit art. is voorgeschreven, zoo wenscht het Prov. Kerkbestuur te beproeven, wat door het Cl. Bestuur is verzuimd, en TJ voordat er iu hooger beroep uitspraak gedaan wordt, het volgende in overweging te gevcu. lo. dat Uw besluit de bepaling van Art. 38 derde lid vau het Hcelit op liet Godsdienst-onderwijs geheel illusoir maakt en dc aanneming tot lidmaat met hetgeen voorafgaat niet opdraagt aan één leeraar bijgestaan door een of meer ouderlingen, maar in het door U gestelde geval aan cene Commissie des Kerkeraads, bestaande uit.... ja indien er bij het eerste onderzoek t w e o ouderlingen zijn geweest, aan drie predikanten bijgestaan door drie ouderlingen. 2o. door U wordt aangevoerd dat de aanneming geschiedt van we ge den Kerkeraad cn dus de predikant kan geacht worden met den ouderiiug of de ouderlingen eeue Commissie van den Kerkeraad ad hoe uit te maken. Dit is niet geheel juist. Dc ouderling of de ouderlingen zijn gecommitteerd, Dc predikant doet het werk der aanneming jure sue. Immers het zal in Uwe Gemeente wel het gebiuik zijn, gelijk in alle Ncderlaudsche Gemeenten, dat, gezwegen van dc leerlingen der godsdienstonderwijzers cn onderwijzeressen, ieder predikant zijue eigene, dc door hem onderwezen leerlingen aanneemt. Hij heeft dan ook, immers in de andere Gemeenten van ons Vaderland, niet te rapporteren in den Kerkeraad aangaande het | werk door hem bij do aanneming verricht en het oordeel daarover vau den Kerke-raad af tc wacliton, |
3o. Boor U wordt nadruk gelegd op dc uitdrukking iu het Rcgl. vau het Godsdienst-onderwijs, Art. 38 3e lid, bijgestaan door één of meer ouderlingen, en dezo uitdrukking toegelicht door Art. 23 Eegl. v. d. Kerkcraden, waar wordt gezegd, dat het tot do plichten vau de ouderlingen behoort het Godsdienstonderwijs te bevorderen, eu daarop toezicht te honden, maar gij vergeet dat dit geschieden moet iu den geest van het Rcgl. vau het Godsdienst-ouderwijs en ecu bijstand geen tegenstand behoort te zijn teu aanzien van deu Predikant, die belast is met het onderwijs cn de aanneming. 4o. Waar door U wordt gewezen op hot dwaze, dat ouderlingen die tegenwoordig zijn en bijstaan, geen zelfstandig en beslissend oordeel zouden mogen uitbrengen, eu gij meent dat dit een clericalismc zou worden met dc antecedenten ouzer Kerk in strijd, daar zfju ons een tweetal vrngou op d'j lippen, die wij ten zeerste aan Uwe overweging aanbevelcu. a. Wanneer een ouderling evenveel recht zal hebben om over dc kennis en belijdenis eeu oordcel te vellen, als ecu predikant, doet men dan den predikant geen onrecht, die studie heeft gemaakt en blijft maken, hetgeen van de meeste ouderliugcu niet kan worden verwacht? b. Is het rechtvaardig dat een of meer ouderlingen, die dc aaunemclingen slcchls cenige uren proeven hooren geven van hunne kennis cn hunne inzichten, dezelfde stem zullen hebben als de predikant, die hen dikwijls heeft hooren antwoorden , hun aanleg en hun leerlust, luumc omstandigheden en hun levensloop kent en tegenover wien zij meer vrijmoedigheid aan deu dug hebben gelegd? Wanneer dit bedacht wordt, zal dc wijsheid dergcucn die onze reglementen hebben opgesteld, erkend worden, die het werk der aanneming opdroegen aan een leeraar, zeker aan hem die heeft ouderwezen, slechts b ij gestaan door één cf meer ouderlingen. 5o. Indien Uw besluit wordt toegepast zult gij zonder twijfel stuiteu op do loyaliteit der moeste predikanten, die hot naar ous vermoeden oukicsch zullen vinden te worden gecommitteerd tot de controle huuner ambtsbroeders in eenc zaak, die tot hiertoe geheel was overgclateu aan den ondcrwijzeuden predikant, en zullen het eene weinig eervolle commissie achten, om als beoordeelaars en verspieders der vrijheid van hunne medebroeders op te treden; terwijl er gevaar bestaat, dat dc enkele die er zich toe leent, door een geest van wantrouwen en uitsluiting toont bezield tc ziju, en daardoor juist minder bevoegd zal wezen om een onpartijdig oordeel te vollen. Co. Tegenover deze bezwaren zult gij laten gelden, dat het feit zich ten Uwent heeft voorgedaan van een verschil tusschen don predikant, die de aanneming doet, eu deu onderling of de ouderlingen, die bijstaan. Dc .Reglementen hebben daarin niet voorzien. Er dient, oordeelt gij, in voorzien tc worden. Eu nu hebt gij daartoe de bostredene bepaling iu het leven geroepen. Gij zult echter toegeven, dat gij al zoo hot woord bijstaan ccnc beteckenis hebt gegeven, die hoogst twijfelachtig is. Getuigen de beraadslagingen iu do vergaderingen dor laatste Synode, die geleid hebben tot een voorloopig besluit in een geheel anderen zin. Nu is liet vreemd dat een Kerkeraad, die weet wat er door het hoogste Kerkbestuur omtrent dit punt is verhandeld eu zal voorgesteld worden, cene wetsverdnidelijking op eigen hand in tegengestelden geest beproeft. Dit is stellig in strijd met Art. 13 van het Algemeen Reglement. 7°. Gij zult vragen, wat is dan dc roeping van den ouderling of de ouderlingen , die deu aanncmondcn predikant b ij s t a a n P Wat is inzonderheid zijne roeping, wanneer hij meent, dat bij dc aanneming vau lidmaten door den predikant niet de noodige ernst in zijn onderzoek wordt aan den dag gelegd , hetzij door al te oppervlakkig tc vragen, hetzij door zich voldaan to toouen met eene verklaring der geloofspunten aan do zijde der aannemelingen, die den bijstaanden ouderling of ouderlingen niet voldoet? Broeders, laat ous oprecht zijn, de grond van het door U genomen besluit ligt iu het wantrouwen, door de meerderheid van Uwen Kerkeraad gekoesterd aangaande de rechtzinnigheid van sommige Uwer predikanten, en de zucht om te verhinderen, dat aannemelingen, die in vrijzinuigen geest zijn onderwijzen, het getal der lidmaten Uwer Gemeente en alzoo der Hervormde Kerk vermeerderen. Wij vragen TJ echter vrijmoedig, of datgene, wat gij in gemoede weuscht, namelijk dat er alleen lidmaten van Uwe richting, ten minste geen, die van eeue richting zijn, die door U voor verderfelijk gehouden en gewoonlijk de moderne gehectcn, worden aangenomen â, of datgene door U wordt gezocht op deu koninklijken en wettigen weg? Zoolang de Ned. Herv. Gemeente in haar geheel de vrijheid, waartoe zij door Christns is geroepen, zoo opvat, dat zij wettig beroe-pen leeraren, die dc moderne richting zijn toeged.nn, het recht tockeut om hunne overtuigingen op den kansel uit te spreken, mogen die leeraren ook niet belemmerd worden om uaar hunne overtuiging hunne leerlingen te onderwijzen, en zy hebben recht om krachtens hun ambt wel onderwezene leerlingen, op witn geene aanmerking aangaande hun zedelijk gedrag gemaakt wordt, toe te voegen aan de Kerk, die zoodanige lecropvattingen niet wraakt. |
14
|
De Ned. Herv. Kerk heeft in Art. 39 van het Regl. voor het Godsdienst-on-asrwijs de vragen voorgesteld, welke de lidmaten bij hunne bevestiging moeten beantwoorden. Zij zijn daartoe gezind, al nemen zij die vragen in een anderen zin op dan door ée'n of meer der bijstaande ouderlingen geschiedt; de Ned. Herv. Kerk, dié geene uitlegging van die vragen gegeven heeft, legt dan ook de vrijheid aan geeno banden. Nu is het toch wel duidelijk, dat het aan geen toevallige meerderheid in den Kerkeraad kan vrijstaan hare subjectieve opvattingen zoo te doen gelden , dat zij kan bcpaleii, tot welk eene hoogte de subjectieve opvattingen der aanneme- lingen mogen geduld worden. Het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland verlangt dat een en ander door U worde overwogen, en dat het leiden moge tot intrekking van het Besluit door Uwe Vergadering van dèn 23 November 1871 genomen. Het Prov. Kerkbestuur wenscht een antwoord van U te ontvatgen vóór 1 Jnfli im- ^ , Wij hebben bij deze missive ons gedragen naar Art, la van het Keglement voor Kerk. O. en Tucht. Het Prpvinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland, («â . g.) R. J. KONING, President. (w. g.) M. N. J. MOLTZEK, l-Secretaris Na lezing van dit stuk volgde een Besluit van den Kerkeraad âdal hij volhardt hij zijn eenmaal genomen besluit dd. 23 November 11., niet kan treden in de voorgestelde minnelijke schikking en eene Commissie benoemt van vier leden, om hem te dienen van advies over de vraag; of de details van hel schrijven des Provincialen Kerkbestuurs aanleiding tot nadere beantwoording geven, en zoo ja, concept voor dil antwoord in te dienen. Tot leden dezer Commissie werden benoemd de Heeren Modderman, Kuyper, Höveker eu Kühler. In de vergadering van 27 Juni nam de Kerkeraad het rapport dezer Commissie in behandeling en zond, overeenkomstig haar voorstel, aan het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland onder dagteekening van 1 Juli 1873 het navolgend antwoord: Schrijven aan liet Provinciaal Kerkbestuur. Aan het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland. Amsterdam, 1 Juli 1873. |
stuur, als zou in het nalaten van de poging tot bijlegging iu der minne een feil van zijne rechtspleging liggen. Art. 60 Regl. Opzicht en ïnclit toch spreekt slechts van medewerking tot bijlegging, die niet kan verleend worden, waar door geen der betrokkene partijen gezindheid tot schikking in der minno geopenbaard is. Volgens Art. 7 Orde en Tucht was het Classikaal B.'stnur volkomen bevoegd om zoo te werk te gaan als âde aard dor zaakquot; z. i. vorderde. 3o. dut hij, ook afgezien van deze wetsinterpretatie, elke poging tot verzoening uit een zedelijk oogpunt ongeoorloofd acht, waar gelijk hier volstrekt contradictoire beginselen in het geschil betrokken zijn, die nooit zonder prijsgeving van beginselen aan eene der heiden zijden voor bijlegging vatbaar zijn. Mag het nu als onbetwistbaar worden aangenomen, dat loslaten van beginselen in hoogcren zin als eeno onzedelijke daad is af te keuren, dan zon de Kerkeraad meenen zich op ongeoorloofde paden te laten mêeslecpen, zoo hij tot zulk eene bijlegging en verzoening zich vinden liet. 40. dat Uwe verwijzing naar Art. 13 Algomet n Reglement ten opzigte van zijn besluit van geen de minste toepassing is. Niet één wetsartikel bepaalt, dat voorloopige beraadslagingen der Synode reeds als wetsinterpretatie voor de lagere Besturen gelden. Eerst dan als deze beraadslagingen in den gewonen Kcrkelijken weg tot het arrestccren van een Besluit hebben geleid, is het oogenblik voor dc lagere Besturen gekomen, om met deze wetsinterpretatie naar den eiscli der conscientio te rekenen. Hij protesteert daarom ten ernstigste tegen de voorstelling door U gegeven, die leiden zou tot volkomen vernietiging van die autononüsche werkzaamheid, die door de Kerkelijke wetgeving aan de Gemeente en haar Kcrkerafleu verzekerd is. Zoolang van hooger hand geene nadere bepaling over den gang van het werk dei-aanneming gegeven is, blijft het recht der Kerkeraden onverkort, om, voor zooveel hunne gemeenten betreft, dit bij huishoudelijke bepalingen te regelen. 5». dat het Besluit, overeenkomstig zijn goed on deugdelijk recht, den 27 November 1871 genomen, op niet één artikel onzer Kerkelijke wetgeving stoot. Bij het verschil van uitdrukkingswijs in twee Eeglcmcnten, waarvan het ééne in 1857, het andere in 18G1 is goarresteerd, is het jongste uit den aard der zaak beslissend. Dc woorden âin tegenwoordigheid vanquot; 1857, zijn in 1861 officieel door dc woorden: âbijgestaan doorquot; geinterprctcerd. âBijgestaan doorquot; kan naar Uw oordcel bijstand nooit in tegenstand doen ontaarden. Deze woordspeling latende voor wat zij is, merkt dc Kerkeraad op, dat niet bedoeld is een personeele bijstand aan den Predikaut, maar die bijstand, dien hij van Kerkeraadswege behoeft, om de aanneming tot eene wettige acte te maken. Hieruit volgt, dat de Ouderling te beslissen heeft, of de acte, -olgens zijn overtuiging van dien aard is, dat hij daaraan van Kerkeraadswege den véröuegt;. ten bijstand verlecnen kan. ' _ Is uitdrukkelijk voorgeschreven, dat âde aanneming van wege den Kerkeraad geschiedtquot; dan volgt hieruit, dat dc Ouderling den vcreischten bijstand niet mag verlecnen, zoodra hij vreest, dat do Kerkeraad de acte niet voor zijne rekening kan nemoTU ^ ^ hierdoor echter den Predikant onrecht worden aangedaan. Dc officicuse mccning van den Ouderling verkrijgt dan eerst kracht, zoo gebleken is, dat werkelijk de Kerkeraad weigert van zijnentwege deze acte te homologceren. Dienovereenkomstig bepaalde hij dat, bij eventucele bedenking, dc zaak voor zijne vierschaar zou worden gebracht, om het recht van Predikant en Ouderling belden te waarborgen. , _ ..... ., Bij deze beslissing niet enkel op bedenking tegen kunde en zedelijkheid, maar ook tegen afwijking van dc leer onzer Kerk te letten, is den Kerkeraad, oven als Uw Bestuur, bij Art. 11 Algemeen Reglement uitdrukkelijk voorgeschreven. 6». dat uwe bedenkingen, tegen deze zienswijze bij onderzoek haar grond blijken te missen. Dat art. 38 R. Godsd. zou gesehonden zijn, zou dan eerst waar zijn, zoo aan de' door ons bedoelde Commissie do aanneming ter tweeder instantie ware opge- draden; wat niet zoo is. . i. Dat dc usantie datdc Predikant zijne eigene leerlingen aanneemt, vooreerst geene wet is en ten tweede, althans in zijne gemeente, slechts voor een gering deel der aannemingen geldt. Eindelijk: Dat de Commissie tot aanneming ten onzent wel deugdelijk rapporteert in eene (van Predikant en Ouderling uitgaande) missive, behelzende verslag van de uitkomst hunner werkzaamheid. 7o dat de door U gemaakte onderscheiding tussehen Predikanten en Ouderlingen indruischt tegen de historie onzer kerk, de bepalingen onzer kerkelijke wetgeving cn allerminst op het terrein der aanneming kan gelden. Of werkelijk alle Predikanten studie blijven maken van de h. Godgcleeid-heid laat hij in het midden, maar niet verzwijgen mag hij, dat een voorkeur om intcllectuecle vorming in zake des geloofs toegekend, afgekeurd wordt door Hem, die den Vader dankte âdat deze dingen voor dc wijzen en verstandigen verborgen waren, maar den kinderkens geopenbaard,quot; en nimmer diensvolgens mag gedoogd worden door de gemeente, die naar Zijn heiligen naam zich noemt. Het feit, dat do Predikant zijne aanneinelingen kent, dc Ouderling met, is vooi zyne gemeente voor het meerendeel niet van toepassing. Voorzoover het echter geldt De Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeeute te Amsterdam, ontvangen hebbende Uwe missive de dato 1 Mei 1872, heeft de eer U daarop te berichten als volgt: Uw bestuur wenschtc voor 1 Juni 1872 zijnerzijds antwoord tc ontvangen op de vraag, of het door hem op 23 November jl. genomen besluit, m zake eventueel te rijzen verschil bij dc aanneming van Lidmaten door hom al dan niet wordt inge- trokken^ betuigend, dat de gang zijner werkzaamheden voldoening aan dit verzoek binnen den aangewezen termijn niet gedoogde, antwoordt hij op do voorgestelde vraag; dat hij, ooh na Uwe consideraiiën gehoord te hehhen by zyn eenmaal genomen besluit volhardt, en elke gedachte aan de mogelijkheid van intrekking van zich werpt. , Dit op den voorgrond stellende, veroorlooft hij zich aan deze ondubbelzinnige verklaring de volgendp considcratiën toe te voegen; lo. dat de door U gedane stap, Uwerzijds door een beroep op Art. 60, 2 c lieg-lement Orde en Tucht gerechtvaardigd, dan eerst gebillijkt zou zijn, zoo in hooger beroep de uitspraak des Classicalen Bestanrs door U vernietigd en het hangend geschil door U dc novo onderzocht werd. ^ ... . .n . 2». dat z. i. door U ten onrechte verzuim gevonden wordt bij hot Classicaal Be |
15
|
eischt juist dc omstandigheid, dat de Predikant licht tot te groote toegevendheid jegens zijne eigene leerlingen zou kunnen verleid worden, te strengere toepassing van het regt der Ouderlingen, die juist door dit toezigt den Kerkeraad den waarborg moeten leveren, dat het door den Predikant gegeven onderwijs aan zijn eiseh beantwoordt. Uwe meening dat geen Predikant zich tot zitting nemen in zulk cene Commissie zou laten vinden, gaat uit van de onderstelling dat zijne Predikanten uit valsehen esprit de Camaraderie en uit onheiligen Collegialen zin, meer den menseh dan God zouden aanzien, eene verdenking die hij voor Uwe rekening laat, evenzeer als de zoo beleedigeude uitdrukking door U gebezigd ten opzichte van de ambtsverrig-ting, die hij een zijner Predikanten in deze zou opleggen. Hij blijft tegenover deze Uwe ,Consideration zijn oordeel handhaven, dat het cleriealisme, het gevaarlijkst gif voor cene Christelijke Kerk, in de Gemeente on-Termijdelijk zou insluipen, zoo ooit de toeleg gelukte om het opzienersambt, waarin het grondbeginsel onzer geheele Gereformeerde Kerkinrichting ligt, van zijne onmisbare attributen te ontdoen, en in strijd met den geest van de Schrift en van onze Kerk beide tot eeno pro memorie uitgetrokken macht te verlagen. Eindelijk, 8°. dat de door U uitgesproken beschuldiging als zouden we langs min Koninklijken en wettigen weg ons doel trachten te bereiken, in Uwe poging tot verzoening voor het minst bevreemdende, daarom onjuist is, wijl plichtverzaking van andere besturen hem niet van plichtsbetrachting ontheft. Te waken voor de leer der Hervormde Kerk is aan alle Besturen door het Algemeen Reglement opgedragen, voor eljc in zijn kring. |
Zoolang dat artikel niet gewijzigd is, kan gecne latere Synodale uitspraak, die leervrijheid wettigt, kracht van werking hebben. Elk besluit, zelfs door de Synode, in lijnrechten strijd met het Algemeen Keglement genomen, is in zich zelf onwettig en laat het Algemeen Kcgleraont onaangetast. Nu doen zich tweeërlei soort van afwijking van de leer der Kerk voor; 1°. bij predikanten, 2°. bij de overige leden der gemeente. Voor zooveel het eerste aangaat kan niet dc Kerkeraad, maar moet het hooger Bestuur tegen misbruik waken. Voor liet tweede daarentegen is den Kerkeraad de iilieht van toezicht opgedragen. Het feit dus, dat een Kerkeraad, waarin Predikanten zitting hebben, die Tan de leer der Kerk afwijken, waakt tegen afwijking van dc leer bij de leden, die hij zal toelaten tot de Gemeente, kan nooit eene oorzaak zijn van verwijt tegen den Kerkeraad, maar alleen tegen hen, wien dit aangaat. De Kerkeraad, doende wat hij deed, blijft binnen zijne bevoegdheid en doet voor zooveel hem aangaat, zijn plicht. De Kerkeraad voernoemd, en in zijn naam, (w. g.) J. P. HASEBROEK, Praeses. A. KUï PER, Scriöa, |
it» . H.i ,â
------- â
V,A ^
Jmeimina 4n het Qkufiuu
.iiâ.
5
(
y
n
30
;e-
nc | Ier
ag-nde
rlin- | ïtge-
j
cerd- 1 r om ,, die raren,
â¢ovden
3 voor
c geldt
OFFICIEELE BESCHEIDEN
UIT HET
Archief van den Kerkeraad
DER
NEDERDUITSCHE HERVORMDE GEMEENTE
TE AMSTERDAM.
I.
DE KWESTIE DER âAANNEMING TOT LIDMAATquot;
|
Ten vervolge op de eerste verzameling van officiëele bescheiden, in zake »de aannemings-kwestiequot; publiek gemaakt, stelt de Kerkeraad hiermede de later tusschen hem en hoo-gere besturen gewisselde stukken, ter algemeene kennisneming, verkrijgbaar. I. Van het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland is ontvangen een Missive d.d. 19 Augustus, met conductoir afschrift van door dit Bestuur gedane uitspraak. a. Missive, No. 1273. Haarlem, den 19 Augustus 1872. Ik heb dc eer u hierbij toetezenden ecu afschrift der uitspraak, gedaan door het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland den 14tlen j. 1. in het appèl der Heeren H. Steenberg en H. P. B er lage, van eene uitspraak des Cl. Bcstuurs van Amsterdam, d. d. 11 Maart 1872, in zake het besluit door TJ den 238tcn November 1871 genomen, met betrekking tot de aanneming van lidmaten in uwe gemeente. De loco Secretaris van het Prov. Kerkbestuur vau Noord-Holland, M.KN. J. MOLTZER. h. Afschrift van de Uitspraak. Het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland Ontvangen hebbende het verzoek van de H. II. H. Steenberg en H. P. Berlage, leden van den Kerkeraad der Herv. Gemeente te Amsterdam, d.d. 19 Maart 1872, om vernietiging van eene uitspraak des Cl. Bestuurs van Amsterdam d.d. 11 Maart 1872, in zake het besluit door den Kerkeraad der Herv. Gemeente te Amsterdam in zijne vergadering van 23 Nov. 1871 genomen, met betrekking tot hetgeen in die gemeente bij verschil van gevoelen over de aanneming van lidmaten tusschen don leeraar, die de aanneming doet en den ouderling of dc ouderlingen, die hem bij het werk bijstaan, geschieden zal; Gezien de uitspraak van het Classicaal Bestuur van Amsterdam d.d. 11 Maart 1872, waarbij de bezwaren door de H.H. H. Steenberg en H. P. Berlage ingebracht bij genoemd besluit d.d. 2 Dcc. 1871 tegen het besluit des Kerkeraads ongegrond worden geoordeeld, en dit besluit geenszins onwettig wordt geacht, weshalve aan den eisch der klagers geen gehoor kan worden gegeven; Gezien het besluit van den Kerkeraad, waarover het geschil loopt, en dat dus luidt: âin geval van verschil van gevoelen tusschen den leeraar en den aanwezigen ouderling of ouderlingen over het al of niet voldoende der kennis, of over den inhoud der belijdenis, zal dc Kerkeraad eene Commissie benoemen, bestaande uit den predikant en den ouderling, die het werk der aanneming verricht hebben, benevens eenen anderen predikant en ouderling, of wanneer de predikant met twee ouderlin-gen aangenomen heeft, twee andere predikanten en één ouderling, tot vernieuwd onderzoek en het nemen van een besluit. Ingeval van staking der stommen rapporteert de Commissie aan den Kerkeraad.quot; |
Voorbij ziende de onduidelijkheid der redactie, daar er moeielijk een geschil kan ontstaan, dat leidt tot een vernieuwd onderzoek en het nemen van ecu besluit, wanneer dc predikant en de ouderling of ouderlingen het werk der aanneming reeds verricht hebben, â maar lettende op de bedoeling van deze min duidelijke woorden, gelijk deze uit dc daarover gevoerde correspondentie blijkt, â Gezien zoowel de motieven der aanklagende als der verweerende partij, uitgedrukt in hare memoriën en antwoorden, der eerste ingediend bij het Classicaal Bestuur d.d. 2 Dec. 1871 en bij het Provinciaal Bestuur d.d. 22 Maart 1872, en der laatste bij het Classicaal Bestuur d.d. 25 Jan. 1872, â Vruchteloos gepoogd hebbende, overeenkomstig art. 60 2e lid Regl. voor Kerk. Opz. en Tucht, tot eene minnelijke schikking medetewerken, waartoe, naar de meening van het Classicaal Bestuur van Amsterdam, geen termen aanwezig waren, â welke poging schipbreuk heeft geleden op de ongeneigdheid van den Amsterdam-schen Kerkeraad, om zijn besluit intetrekken, zooals blijkt uit het antwoord van dien Kerkeraad d.d. 1 Juli 1872, â Overwegende, dat door het aangevallen besluit van den Amsterdamschen Kerkeraad dc aanneming van lidmaten met hetgeen daaraan voorafgaat, in art. 38 van het Regl. o. h. Godsdienstonderwijs is opgedragen aan een leeraar, bijgestaan door één of meer ouderlingen, in sommige gevallen wordt overgedragen aan eene Commissie des Kerkeraads, bestaande uit twee, of ook wel uit drie predikanten, bijgestaan door even zoovele ouderlingen, en dus strijdig met genoemd art. 38 gehandeld wordt; Overwegende dat deze strijd met art. 38 niet daarmede kan verdedigd worden, dat volgens art. 14 5o. Regl. v. d. Kerkeraden de afneming van de belijdenis des geloofs is opgedragen aan den Bijzonderen Kerkeraad, in overeenstemming waarmede in art. 38 van het Regl. o. h. Godsdienstonderwijs geschreven is, dat het aannemen van lidmaten geschiedt van wege d e u Kerkeraad, en dus zoowel de leeraar als de één of meer ouderlingen optreden als gecommitteerden des Kerkeraads; want, afgezien daarvan, dat de leeraar jure suo eene doorloopende Commissie heeft om dc door hem onderwezenen aan tc nemen, is de Kerkeraad door art. 38 Regl. o. h. Godsdienstonderwijs gebonden, en mag hij dus niet aan een leeraar, die daar genoemd wordt als met het werk der aanneming belast, een of meer leeraren toevoegen; Overwegende, dat wel het recht van den leeraar en van den ouderling of dc ouderlingen bij het werk der aanneming in onze reglementen niet d u i-d e 1 ij k omschreven is, maar dat e u uit de onderscheiden betrekking waarin beiden tot de gemeente staan, en uit dc bewoordingen in dc reglementen: in tegenwoordigheid van, b ij gestaan d o o r é é n o f m e e r o u d e r 1 i n-gen, en uit de mislukte pogingen, ingesteld om dc laatste woorden bijgestaan door te doen veranderen in met medewerking van, en uit dc geschiedenis onzer Herv. Kerk, veeleer volgt, dat aan de ouderlingen bij dc aanneming eene ondergeschikte rol, even als bij de bevestiging van lidmaten (art. 14 5o. van het Regl. v. d. Kerkeraden in éénen adem genoemd) moet toegekend worden, â terwijl het volstrekt niet met deu geest onzer Herv. Kerk en de letter onzer reglementen zou strooken te oordeelen met het Classicaal Bestuur van Amsterdam, dat het de roeping is van den predikant, om slechts in den regel bij de aanneming de handelende en uitvoerende persoon te zijn. (Zie uitspraak No. 3); Overwegende dat, alhoewel den Bijzonderen Kerkeraad is opgedragen de afneming van de belijdenis des geloofs en de bevestiging van nieuwe lidmaten in de gemeente (Regl. v. d. Kerkeraden art. 14 5o.) gelijk in 't algemeen do zorg voor het Godsdienstonderwijs (Regl. v. d. Kerkera- |
2
|
den art. 14 2o.) alsmede de betordering van het toezicht op het Godsdienstonderwijs (hetzelfde reglement art. 25 2«) onder de ambtsplichten der ouderlingen wordt genoemd, er echter uitdrukkelijk wordt bijgevoegd: naardebepalingén van het regl. o. h. G o d s dji ensto n d e r w ij s, â waaruit voortvloeit dat de ouderling of ouderlingen hun toezicht niet verder mogen uitbreiden dan in casu in art. 38 van het Regl. o. h. Godsdienstonderwijs him is toegekend; â Overwegende dat schoon onder de belangen zoo van de Christ. k»rk in 't algemeen als van de Herv. kerk in het hijzonder, die art. 11 van het Algemeen reglement worden opgenoemd, als opgedragen aan allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn, wordt vermeld de handhaving der leer van de Herv. kerk, â het oordeel over hetgeen in onze dagen de leer der Herv. kerk is, moeielijk aan eenigen Kerkeraad en nog veel minder aan één of twee ouderlingen kan toegekend worden, terwijl het verschil van richting, dat er in onze Herv. kerk bestaat, door de Keikeraden dient te worden aanvaard, en waar ook in genoemd art. 11 de bewaring van orde en eendracht tot het hoofddoel wordt gerekend dat bestuurders der kerk hebben in het oog te houden, deze waarlijk niet bevorderd zullen worden door zulk eene controle van de belijdenis der leerlingen, door een leeraar onderwezen, als de Amsterdamsche kerkeraad verlangt bij geschil te doen uitoefenen; en dat de handhaving der leer door de beantwoording der vragen, vervat in art. 39 van het Regl. o.h. Godsdienst-enderwijs voldoende gehandhaafd wordt; â Overwegende eindelijk, dat daar volgens art. 38 van het Regl. op het Godsdienstonderwijs de leeraav als zoodanig en niet als gewoon lid gecommitteerde van den Kerkeraad de aanneming met hetgeen er aan voorafgaat doet, en niet zooals men wil lezen, dc leeraar en de ouderling of ouderlingen, â en daar de ouderling of ouderlingen slechts bijstaan, en niet gelijk men wil lezeu met hen medewerken, de ouderling of ouderlingen den predikant, wanneer bij de zaak dei-aanneming niet ernstig of grondig genoeg naar hunne mcening opneemt, kunnen aanklagen, niet bij den Kerkeraad, maar bij het Cl. Bestuur, volgens artt. 3 en 39 van het regl. voor Kerk. Opzicht en Tucht. Recht doende in hooger beroep met inachtneming van art. 15 Regl. voor Kerk. Opzicht en Tucht. Gelet, behalve op dc reeds in deze uitspraak aangehaalde artikelen, op artt. 15 en 51 3e van het Alg. Regl., artt. 8, 15, 19, 21, 61 en 64 van het Regl. voor Kerk. Opzicht en Tucht. Oordeelt het besluit door den Byzonderen Kerkeraad der Hervormde Gemeente te. Amsterdam d.d..23 November 1871 genomen onwettig, en stelt het mitsdien buiten werking; Veroordeelt den Bijzonderen Kerkeraad der Hervormde Gemeente te Amsterdam buiten de appellanten, in de kosten. Bepaalt dat afschrift van deze uitspraak zal gezonden worden aan een der appellanten, aan den Bijzonderen Kerkeraad der Ncdcrdnitschc Hervormde Gemeente te Amsterdam en aan hei. Classicaal Bestuur van dien naam. Aldus gedaan in de Vergadering van het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland, gehouden te Amsterdam den 14 Augustus 1872. Tegenwoordig alle leden in deze bevoegd R. J. Koning, President. M. N. J. Moltzer, Vice-president. E. Cats Wor, G. van Duijl GWz., G. P. Nijholf en G. J. Versteegh. (w. g.) B. J. KONING, President. . M. N. J. MOLTZER, Vice-President. E. CATS WOR. Voor Copic Conform, G. VAN BUUL GWZ. T)e Loco-Secretaris, G. P. NIJHOPF. M. N. J. MOLTZER. G. J. VERSTEEGH. II. De Kerkeraad besloot in zijn zitting van 24 Augustus 1872 tegen deze uitspraak in cassatie te komen bij de Algemeene Synodale Commissie en zond haar, ter toelichting van zijn aanzoek, de volgende memorie toe, gearresteerd in zijne vergadering van 12 September 1872. Memorie van Cassatie. Jan de Algemeene Synodale Commissie der Ned. Herv. Kerk Geeft te kennen dc Bijz. Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam, dat hij ter toelichting van het bij haar ingediend verzoek om cassatie, het volgende wenscht aan te voeren : voor zooveel aangaat het vonnis van het Provinciaal Ker kb e-tnur van Noord-Holland in zake het appel van deheeren Steenberg en Berlage tegen de beslissing van het Classic. Best. van Amsterdam d.d. 11 Maart 1872; |
dat hij, ook na zijne verklaring aan het Kerkbestuur voornoemd, ingelascht in zijne memorie van 1 Julij 1873 (en waarvan afdruk hierbij gaat) aldus luidende: «dat hij, ook na uwe consideration gehoord te hebben bijzijn eenmaal genomen besluit volhardt, en elke gedachte aan de mogelijkheid van intrekking vanzich werpt,quot; toch deu weg van cassatie meende te moeteu inslaan, wijl, ook afgezien van de twee in kwestie zijnde beginselen, de overtuiging bij hem vaststaat, dat niet-pariijdige interpretatie onzer reglementaire bepalingen gebiedend revisie van dej uitspraak des Provincialen Kerkbestuurs eischt; dat hij zieh, ter motivering van deze overtuiging, dc vrijheid veroorlooft de Algemeene Synodale Commissie te wijzen op de volgende wetsartikelen, wier schending of verkeerde toepassing z. i. in het oog springt: a. Art. 21 11. O. en T. eischt nauwkeurige omschrijving van het feit. In de uitspraak des Prov. Kerkbestuurs is tegen dezen eisch in tweeërlei opzicht gezondigd. Er wordt beweerd dat de redactie van het kerkcraadsbeslnit d.d. 23 Nov. 1871 onjuist zou zijn, wijl de woorden âhet werk der aanneming verricht hebben'1 zouden doelen op een voldongen acte. Dit zou waar zijn, zoo er stond âde aanneming verricht hebben.quot; Thans niet. Bovendien bewijst het voorbeeld van Ds. v. Govkom's handelwijze1), dat de termen van het besluit dezen wijden omvang moesten hebben, om doel te treffen. Alle âwerk der aannemingquot; is inderdaad door hem verricht. Toch viel hij onder de jurisdictie van het besluit. Evenzoo wordt beweerd, dat zijn besluit in sommige gevallen de aanneming aan twee of meer predikanten zou opdragen. Dit is verkeerde voorstelling van het feit. Beslissing of er aanneming zou kunnen volgen, niet dc aanneming draagt de Kerkeraad aan de verdubbelde Commissie op. 2°. Art. 21 Regl. Kerk. en Art. 38. R. Godsd. gelasten dat de aanneming zal geschieden door een predikant, bijgestaan door of in tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen. Het Provinciaal Kerkbestuur hieruit in zijn 2eii considerans afleidende, dat âeen predikant een vaste Commissie heeft, om de door hem onderwezen leerlingen aan te nemen,quot; legt in deze artikelen wat er niet in ligt en schendt daardoor beide. 3°. Art. 14 al. 5a Regl. Kerk. in verband met art. 21 Regl. Kerk. en Art. 38 Regl. Godsd. â vergel. met Art. 12, Regl. Kerk., waar predikanten en ouderlingen beide in dezelfde categorie van opzieners der gemeente zijn gebracht, art. 50 Alg. Regl. al. 2, art. 41 ejusd. al. 1, art. 38 ejusd. al. 1 en 2, in verband met art. 19 Rgl. G. O. en art. 48 ejusd. al. 1 in verband met art. 4 al. 1 Regl. toel. tot de Ev., blijken verkeerd geïnterpreteerd en toegepast te zijn. Het Prov. Kerkbest., erkennende dat de interpretatie van de artikelen, regelende der ouderlingen werkzaamheid bij de aanneming betwistbaar is, zocht zijne interpretatie te steunen op den geest onzer reglementen, de geschiedenis onzer Kerk, de bewoordingen der betrokken artikelen en de vruchtelooze poging tot ampliatie van de bewuste zinsnee in âonder medewerking van.quot; Geen dezer steunsels is tegen toetsing bestand. Zijn interpretatie valt voor den geest onzer reglementen. Is het toch een feit, blijkens de boven aangevoerde wets-artikelen, dat ouderlingen op volkomen gelijken voet, wat de te nemen beslisssiug aangaat, met predikanten medewerken, in eiken Kerkeraad, in de Classis, in het Classikaal bestuur, in het Provinciaal Kerkbestuur en [in de Synode, â wordt hun zelfs de last opgedragen, om mede te beslissen over de toelating van godsdienstonderwijzers en godsdienstonderwijzeresscn en Om te stemmen over de kennis door een candidaat in de godgeleerdheid verkregen in het Hebreeuwsch en Grieksch, in Dogmatiek Kerkelijke geschiedenis enz.; mogen zij zich zelfs niet onttrekken aan het meestemmen over de vraag: of zoodanige candidaat toe zal gelaten worden tot de Evangelie-bediening,â dan mag het als toppunt van ongerijmdheid gelden, hem de bevoegdheid te betwisten, om te oordcelen over al of niet toelating van eea candidaat-lidmaat. Is het evenzoo een feit, dat in zake van appel, over al of niet inschrijving in de lidmatenboeken, de ouderling onbetwistbaar medestemt, dan klinkt het toch al te zonderling, hem in lager instantie een recht te ontnemen, dat hem in hooger instantie wordt toegekend. Het verwijzen naar dc âbevestigingquot; houdt daarom geen steek, wijl deze een deel is van den openbaren ceredienst, die aan predikanten qua tales is toebetrouwd. Zijn interpretatie valt voor de geschiedenis onzer kerk. Grondbeginsel toch harer historische organisatie was het als eerste in rangorde vooropgestelde artikel. âGeen kereke zal over een andere kereke, geen Dienaar des Woords, geen Ouderling noch Diacon, zal de ^ De Kerkeraad doelt hier op het feit, dat bij de Paasch-aanneming dezes jaars de ouderling van Marlc bezwaar maakte tegen de aanneming van zes leerlingen van Ds. van Gorkom. Toch ging deze met het âwerk der aanneming''' door, en eerst toen het op de bevestiging en inschrijving in de lede-matenboeken aankwam, kon deze met het besluit des Kerkeraads strijdige daad worden gestuit. |
3
|
een over de ander heersehappijo voeren, tnaur een ycglijk zal hem voor alle snepioiën ende aanlokkingeoin te heerschappen wachten. (Acta Synod. Aemdanae a. 1571 art. 1). Van uitsluiting der ouderlingen bij cenige stemming, weet noch onze kerkgeschiedenis noch ecnige vroegere noch onze tegenwoordige kerkelijke wetgeving iets. Zijn interpretatie valt voor do bewoordingen dos artikels. Eeu lii'stuur dat zelf verklaart, dat de zin onduidelijk is, mag zich niet op de bewoording beroepen. Ware deze klaar en doorzichtig, dan was geen strijd over het beginsel mogelijk en verviel alle geschil. Zijn interpretatie valt eindelijk voor de pogingen tot ampliatie van de onzekere bewoording. Uit do kerkelijke actcn toch blijkt, dat juist de wettige organen der kerkelijke wetgeving zich vóór deze ampliatie verklaard hebben, die slechts door een, zonder protest verloopeu, verandering der Synode, niet in onze reglementen is opgenomen. Immers de Synode van 1860 nam met instemming van al de bevoegde kerkbesturen, bij Art. 38 Regl. (j. O. do door haar zelve voorgestelde woorden: âmet medewerking van,quot; doch veranderde die daarna, zonder de kerkbesturen te hebben gehoord âbijgestaan doorquot;, waardoor zij stilzwijgend te kennca gaf die verandering slechts als eene wijziging in do redactie te beschouwen, â de historische interpretatie van âbijgestaan doorquot; kan dus niet anders zijn als âmet medewerking vanquot; tenzij men de Synode van opzettelijke machtsoverschrijding wil beschuldigen. Dit is door den Hooglceraar J. J. Docdes in den breede aangetoond. Zie zijne Kerkelijke Bijdragen Jaargang 1871 â -l* stuk blz. 193â20 i, waarheen de Ker-keritad zich veroorlooft te verwijzen. 4o. Art. 13 Algem. Regl., in verband met art. 55 Alg. Regl. en art. 1 Regl, Kerk. is geschonden. Het Prov. Kerkbest. ia Noordh. in zijn voorlaatsten considerans een leerbepaling ter verklaring vau art. 11 Alg. Regl. aanwijzende, in strijd met de Synodale verklaring van 31 Juli 1861, deed wat buiten zijne bevoegdheid ligt. |
Voorschrijvende dat de Kerkeraden onzer kerk de leervrijheid hadden te aanvaarden, matigde het zich een recht aan, nooit aan eenig Kerkbestuur der provinciën competcereudo. Leervrijheid op eigen gezag verordenende cn tevens oen beperking dier leervrijheid aanwijzende in art. 39 Regl. o. h. Godsd., sprak het zich zelf tegen en heft dien ten gevolge zijn eigen considerans op. 5o. Art. 14 al. 5 Regl. Kerk. is geschonden in den laatsten considerans, waar het Prov. Kerkbest. de zonderlinge cn onhoudbare meening avanceert, dat bij verschil van gevoelen over de aanneming de aanklacht bij het Classic. Bestuur (gesteld daartoe bestonden termen) niet van den Kcrkeraad, maar van den onderling zou moeten uitgaan, als ware hem in zijn pcrsoneele positie, en niet den Kerkeraad de aanneming opgedragen. 6o. Art. 21 Regl. K. O. en T. is niet opgevolgd. De omschrijving der verkeerdheid of overtreding ontbreekt. 7». Art. 22 Regl. K. O. en T. is geschonden. Dit artikel bepaalt dat geding-kosten ten laste van den bezwaarde, in casu den Kerkeraad, komen. Het Prov. Kerkbestuur zondert hiervan eigenmachtig en in strijd met het artikel de appellanten uit. Op grond van welke consideratien, de Kerkeraad do Algemeene Synodale Commissie verzoekt, om in een geschil, waarin de beide levensbeginselen van onze kerk, wat haar wezen en haar organisatie betreft, betrokken zijn, niet te dulden, dat onze reglementen geïnterpreteerd en vonnissen krachtens hare bepalingen gewezen worden, als ware onze kerkelijke wetgeving niet beide beginselen in onver-zoenlijken strijd, en dientengevolge het informeele vonnis van het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland te vernietigen. Namens den Kerkeraad voorn. Amsterdam, C. S. ADAMA VAN SCHELTEMA, Praosos. 13 September 1872. N. H. DE GRAAF, Scriba. |
11.
DE KWESTIE âIN ZAKE DE GODSDIENSTONDERWIJZERES C. MOURIS.quot;
|
De Commissie van Toezicht op het Godsdienstonderwijs achtte het noodig, ter bevordering van eenheid in het onderwijs aan de kinderen der Gemeente, in het begin van het jaar 1871, de navolgende circulaire ter hand te stellen: Aan de Godsdienstonderwijzers en Onderwijzeressen bij de Nederd. â¢HWvormde Gemeente te'Amsterdam. De Commissie van Toezicht op het Godsdienstonderwijs brengt ter Uwer kennis dat zij in hare vergadering van heden heeft besloten: lc. Dat de Godsdienstonderwijzers en Onderwijzeressen zich bij het te geven Onderwijs op de Openbare Armen- en Tusschenscholen, hoofdzakelijk zullen bepalen tot de Bijbelsche Geschiedenis, en zich van Dogmatiek, zooveel mogelijk, behooren te onthouden; 2e. Zij bedienen zich bij dat onderwijs van het leerboekje wBijbelschc Geschiedenis door I. Prinsquot; tot leiddraad, en van de âBijbelsche Geschiedenis van Zahnquot; tot opheldering van hun onderwijs; 3e. Zij zijn derhalve gehouden de Bijbelsche Geschiedenis eenvoudig zóó te verhalen als die in de Schriften van het O. en N. Testament voorkomt, en hebben zich te onthouden doarvau eene, met de H. Schrift strijdige voorstelling, aan hunne leerlingen te geven. Amsterdam, 4 Januari 1871. De Commissie voornoemd, F. W. B. VAN BELL, Pracses. B. J. ADRIANI, Scriba. De Godsdienstonderwijzeres C. Mouris kwam tegen de bepalingen van dit voorschrift in verzet en wendde zich per missive dd. 16 Nov. 1871, tot den kerkeraad: Eerwaardige Hcercnl Nevensgaande was door mij aan de Commissie van toezicht op het Godsdienstonderwijs, gezonden mót verzoek om indien zij mijne bezwaren niet gegrond vond, die in Uwe vergadering te brengen. De Commissie heeft mij echter doen weten, dat zij het bedoelde antwoord van mij bleef vorderen, en mij nevensgaande brief teruggezonden. Ik neem daarom de vrijheid dien rechtstreeks aan U te doen toekomen. De ondergeteekende neemt de vrijheid zich tot U te wenden ten einde Uwe beslissing in te roepen in eene voor haar gerezene moeilijkheid. |
In het begin van dit jaar heeft de Commissie van toezicht op het Godsdienstonderwijs aan de Godsdienstonderwijzers en ooderwyzeressen eeu schrijven gericht, inhoudende de kennisgeving van een door haar genomen besluit, welks laatste gedeelte aldus luidt: âde godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen zijn gehouden de Bijbelsche ge-âschiedenis eenvoudig zóó te verhalen als die in de Schriften van het O. en N. âTestament voorkomt, en hebben zich te onthouden daarvan eene met de H. Schrift âstrijdige voorstelling aan hunne leerlingen te geven.quot; De ondergeteekende heeft gemeend deze missive meer als raadgevend dan als wettelijk voorschrift te moeten beschouwen, en er zich aauvankelijk niet^door bezwaard geacht. Ook behoeft het geeno aanwijzing, dat inzonderheid de laatste zinsnede voor verschillende uitlegging vatbaar is. De bedoeling kan zijn, dat iedere met de letter der H. Schrift, maar ook dat iedere met den geest en de waarde der II. Schrift strijdige voorstelling wordt afgekeurd. Onlangs evenwel was een der leden van de Commissie van toezicht tegenwoordig toen ik in een der stadsscholen naar aanleiding van het 2e bockjo van Ds. Prins, het verhaal behandelde van Daniël in den leeuwenkuil cn van do jongelingen in den brandenden oven. Ik stelde dit voor als een zinnebeeld volgens de denkwijze van dien tijd; vau getrouwe standvastige godsvrucht, en van den zegen van God daaraan verbonden. Hierover werd ik eerst door hot tegenwoordig zijnde lid onderhouden, en later werd ik voor de Commissie geroepen, die mij na ecnige redewisseling den eisch stelde, dat ik beloven zou inzonderheid het laatste voorschrift, in de boven vermelde missive getrouwlijk na te komen, blijkbaar bedoelende dat ik dus alle Bijbelsche geschiedverhalen als werkelijk gebeurd zóó als zij beschreven staan aan de kinderen zou hebben voor te stellen. Ik verzocht mijn antwoord hierop te mogen uitstellen, en schreef later aan de Commissie, dat ik er bezwaar in vond, de mij voorgestelde vraag hetzij toestemmend hetzij ontkennend te beantwoorden, daar ik de bevoegdheid der Commissie om mij zoodanige eischen te stellen in twijfel meende te moeten trekken. Mijne redenen voor die twijfel deelde ik aan de Commissie mede, en verzoeht haar tevens, om, indien zij bij haar gevoelen bleef, de zaak in Uwe vergadering te brengen. De bedoelde redenen waarom ik de bevoegdheid der Commissie tot het eischen van de bedoelde belofte in twijfel trek, zijn deze; Dat de wettige maatstaf ter beoordeeling voor den inhoud van ons onderwijs is 'aangegeven in da^ verklaring en de beloften .door Godsdienstonderwijzers af to loggen volgens Art. 19 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs; dat echter |
4
|
een eisch als die mij door de Commissie werd gesteld, ons niet aan Gods heilig woord in de Schriften vervat, maar aan de letter der Schrift zou binden en derhalve op de ons toekomende vrijheid een bedenkelijke inbreuk zou maken. Be ondergeteekende onderwerpt deze hare bezwaren aan het oordeel Uwer vergadering, met het bescheiden maar dringend verzoek dat, indien zij de gegrondheid toetsen, de haar gestelde eisch door Uwe tusschenkomst moge worden ingetrokken. Met hoogachting noem ik mij Uw dw. Dienaresse, Amsterdam, 10 November 1871. c. MOUIUS. De kerkeraad stelde dd. 23 Nov, 71 de missive van Mej. Mouris in handen van zijne Commissie van Toezicht met verzoek om rapport te dezer zake. Deze Commissie bracht in de vergadering des Kerkeraads van 25 Januari 1872 deze missive ter tafel: WolEorwaarde en Eerwaarde Hoeren! In antwoord op Uwe geëerde dato 23 November jl. waarbij de Commissie van Tooïicht op het Godsdienstonderwijs is ter hand gesteld eene missive van de Oods-dieustondcrwijzeros C. Mouris, ton einde hierover te dienen van eonsideratie en tidvies, heeft de oor hot navolgende mede te dooien. Dat de Commissie in het begin dezes jaars heeft noodig geaeht aan de Gods-dicnstondorwijzci'b en onderwijzeressen, ter bevordering van eenigheid in het onderwijs aan de kinderen der Gemeente eenige nadere bepalingen te geven, ton einde zicli daarnaar te gedragen. Dio bepalingen zijn vervat in de circulaire van 4 Januari 1871, waarvan wij de oer hebben een Ex. hiernevens te voegen. (Zie boven.) Het voorgeven van Mejufvrouw Mouris, dat zij in die circulaire niet een v o o r-schrift maar alléén een raadgeving had gezien, acht de Commissie niet nan-neemlmav daar aan do Onderwijzers en Onderwijzeressen ton overvloede bij de uitreiking dezer missive nog eene behoorlijke toelichting is gegeven. Bij liet bezoek van hare catechisatie is gebleken, hetgeen door haar zelve wordt erkend, dat zij zich aan het genoemde voorschrift niet heeft gehouden, maar in strijd daarmede zich aan rechtstreeksche Bijbelbestrijdiug bij haar onderwijs heeft schuldig gemaakt. De Commissie heeft daarop mejufvrouw Mouris verzocht in hare vergadering te verschijnen, waar haar de vraag werd voorgesteld, of zij zich voortaan overeenkomstig de gegeveue voorschriften kon en wilde gedragen. Op haar verzoek werd haar ter beantwoording dezer vraag, een maand uitstel verleend. Na het verstrijken van dozen termijn, heeft zij op nieuw uitstel gevraagd, dat weder is toegestaan, met do bijvoeging echter, dat do Commissie blijft aandringen op eene bepaalde verklaring. Daar Mejufvrouw Mouris zich nog steeds aan het geven van een bepaald antwoord blijft onttrekken, en evenwol Uwe commissie zich, in het belang van het Godsdienstonderwijs verplicht neht, hare bepalingen in deze te handhaven, heeft zij in hare Vergadering van 13 December jl. besloten, aan Mejufvrouw Mouris te be-rigten â van welk bcrigt afschrift hiernevens gaat â dat, bijaldien vóór de eerstvolgende vergadering, 10 Januari 1873, door haur niet de verklaring is gegeven, van zich stipt te zullen houden aan de missive van 4 Januari 1871, de Commissie verplicht zal zijn bij het volgende kerkelijke jaar (Mejufvrouw C. Mouris) niet meer tot het geven van onderwijs, dat aan hot toezicht der Commissie is onderworpen, te continueeren. Hiermede WelEerwaarde en Eerwaarde Hoeren, hoeft de Commissie het beloop der feiten medegedeeld. Er rest haar nog ü van advies te dienen betreffende het antwoord aan de Adressante te geven. Zij neemt diensvolgens de vrijheid U voor te stellen, het nemen van het volgende besluit: De Kerkeraad, gehoord de inliehtingcn van de Commissie van Toezicht op het Godsdienstonderwijs in zake de missive van Mejufvrouw C. Mouris, besluit uau genoemde Mejufvrouw Mouris te berichten, dat hij de handelingen van de genoemde Commissie goedkeurt. Met de moeste achting hebben wij de eer ons te noemen, Amsïehdam, De Commissie van Toezicht voorn. 13 December 1871. Namens dezelve, J. POSTHUMUS MEIJJES, Scriba. Afschrift van den brief der Commissie van Toezicht: Aan Mejufvrouw C. MOURIS alhier. De Commissie van Toezicht op hot Godsdienstonderwijs der Noderd. Herv. Gemeente alhier heeft de eer de ontvangst te berichten van Uwe missire dato 13 December 1871. |
De Commissie acht zich vcrpligt U mede te dcclen, dat die missive geeu invloed heeft kunnen oefenen op haar vroeger genomen besluit, weshalve zij blijft aandringen op een spoedig en bepaald antwoord op de aan U voorgelegde vraag. Bijaldien voor de eerstvolgende Vergadering van 10 Januari 1872 door U niet de verklaring is gegeven van U stipt te zullen houden aan de missive onzer Commissie van 4 Januari 1871, dan zal de Commissie verplieht zijn U bij hot volgende Kerkelijk jaar niet meer tot het geven van onderwijs dat aan haar toe-zieht is onderworpen te continueeren. De Commissie voornoemd, Namens dezelve, (w. g.) H. HöVEKER, Amsterdam, 1!) Dccembcr 1871. Sub Scriba. De Kerkeraad besloot overeenkomstig het voorstel der Commissie, keurde hare handeling in zake Mej. Mouris goed en verklaarde tevens de Commissie van toezicht voor bevoegd om te handelen zooals zij in deze zaak gehandeld heeft. De Heeren Ph. R. Hugenholtz, Pantekoek, Steenberg en Berlage verzochten aanteekening in de Notulen tegen dat besluit, en zonden, in de vergadering van 22 Februari 1872, de onderstaande kennisgeving: Eerwaardige Broeders! Bij dezen hebben wij de eer tor Uwer kennis te brengen, dat wij ons gewend hebben tot het Classicaal Bestuur, ten einde, op door ons aangevoerde gronden, vernietiging aan te vragen van het besluit door U Eerw. genomen in de Vergadering van don 25 Januari jl., nnar aanleiding van het schrijven van de Godsdienst-onderwijzeres Mejufvrouw Mouris en hot advies daaromtrent ingebracht door de Coramissie van toezicht op het Godsdienstonderwijs. Met achting hebben wij do eer te zijn. Uwe dw. Dienaren (w. g.) Pb. R. HUGENHOLTZ. â T. MODDERMAN Az. , H. STEENBERG. â H. P. BEKLAGE. Amsterdam, 3 Februari 1872. â P. C. A. PANTEKOEK. ii. In dezelfde vergadering nam de Kerkeraad mede kennis van eene missive van het Classicaal Bestuur van Amsterdam. Weesp, 4 februari 1872. Hierbij hebben wij de eer U toe te zenden een schrijven van de HH. Ph. 11. Hugenholtz c. s., inhoudende bezwaren tegen een besluit in Uwe Vergadering van 25 Januari 11. door U genomen. Ons verzoek is vooreerst ons te willen dienen met Uwe consideratiën. ten tweede ons te willen opgeven, welke leden des Class. Bestuurs, hetzij primi of secundi, in deze zaak gehandeld of tot de uitspraak mede gewerkt hebben. Het Classikaal Bestuur van Amsterdam, (w. g.) J. CRAMER, Pr a es es. â Jb. MOULTJN, Scriba. Afschrift van het Bezwaarschrift van de H. H. Ph. R. Hugenholtz c. s. Eerwaardige Heerenl De ondergeteekenden leden van den Kerkeraad der Ned. Ilerv. Gemeente te Amstordum achten zich verplicht U hunne bezwaren kenbaar te maken tegen een besluit door gezegden Kerkeraad genomen in zijne vergadering van 25 Januari 11. De zaak is deze. De Commissie van toezicht op het Godsdienstonderwijs alhier hoeft voor eenigeu tijd een schrijven aan de Godsdienstonderwijzers eu onderwijze-rcüBcn gericht, waarin hun ouder anderen word medegedeeld, âdat zij gehouden waren de Bijbelsche Geschiedenis eenvoudig zoo te verhalen als die in de schriften van het O. en N. Testament voorkomt en zich te onthouden hadden daarvan eene met de H. Schrift strijdige voorstelling aan hunne leerlingen te geven.quot; Hot behoeft gccne aanwijzing dat deze aanschrijving voor verschillende opvatting vatbaar was. Hoe zij intussehen door do Commissie van toezicht werd opgevat eu toegepast, is onlangs gebiuken. Eene der Godsdienstonderwijzeressen had namelijk bij do behandeling van het beschrevene omtrent Daniël in den leeuwenkuil en de jongelingen in den brandenden oven, in tegenwoordigheid vau een der leden van de Commissie deze verhalen voorgesteld als zinnebeelden van standvastige godsvrucht en daaraan verbonden zegeu. De Commissie liet haar daarop voor zich komen en stelde haar den eisch, dat zij beloven zou do bovenvermelde aanschrijving voortaan getrouwelijk te zullen nakomen, en wel in dezen zin, dat zij al het in den Bijbel als geschiedenis beechrevene |
|
oolc als wcrlcclijk zoo gescliied zou voorstellen. Do onderwijzevos verzocht vergun-iiing zich hot antwoord op die vordering eenigen tijd to mogcu voorbehouden en wendde zich tot den Kerkernad met de vraag, of de Commissie van toezicht wel bevoegd was om zoodanigen eisch te stellen, hetwelk zij op door haar aangevoerde gronden in twijfel trok. De Kerkcraad heeft deze vraag in overweging genomen en, na de Commissie van toezicht gehoord te hebben, in zijne bovenvermelde Vergadering beslist, dat de Commissie overeenkomstig hare bevoegdheid gehandeld had, weshalve dan ook haar handeling door don Kerkeraad werd goedgekeurd. liet is togen deze beslissing dat wij in verzet komen, en wel in hoofdzaak op dezelfde gronden die ook reeds door do genoemde onderwijzeres bij don Kerkeraad zijn atngevocrd. quot;Wij ineeuen Bamclijk, dat do verplichting, die op de Godsdienstonderwijzers rust ten aanzien van den inhoud van hun ouderwijs, en wel met name ten aanzien van de overtuigingen die zij daarbij te eerbiedigen en te handhaven hebben, â dat deze verplichting door de Kerkelijke wet is omschreven in het Regiem, op het Godsdienstonderwijs Art. 19. Door de daar voorkomende verklaring en beloften die do aankomende Gods-dienstondenvijzers te onderteekenen hebben, worden zij wel aan âGods heilig woord in de Schriften des Ouden cn Nienweu Verbonds vervatquot;, maar geenszins aan do lettor der Schriften gebonden. Geen Kerkeraad en geen Kerkeraads-Commissic nu kan bevoegd zijn om aan eenig Godsdienstonderwijzer eiselien te stellen, met de genoemde verklaring en belofte niet overeenkomende, eischen waardoor de vrijheid hun door het Synodale Reglement toegekend en gewaarborgd, hnn geheel of ten deele ontnomen zou worden. Wij voegen hier nog aan toe, dat, blijkens het Keglement op het examen ter toelating tot do Evangeliebediening Art. 27, vergeleken met het boven aangehaalde Art. 19 van het Keglement op het Godsdienst-onderwijs, ten aanzien van boven-vermclden inhoud van het onderwijs. Predikanten en Godsdienstonderwijzers door onze Kerk onder dezelfde verplichting gesteld zijn; zoodat het oven onwettig als onrechtvaardig zon zijn in dit opzicht aan de laalsten eischen te stellen die niet evenzeer tot de eersten gericht worden. Eindelijk wenschen wij nog aan te voeren, dat tegen deze onze bewering geen tegenbewijs kan ontleend worden aan Art. 35 van hot llcglement op het Godsdienst-ouderwijs, gelijk in onzen Kerkcraad beproefd is. quot;Wel wordt in dat Artikel âde keus der leesboeken cn leervakken voor ondergeschikte Godsdienstonderwijzersquot; aan de Commissie van toezicht opgedragen, welke kc\lê wij ook haar in geenen deele willen betwisten; doch, wij behoeven naauwelijk» to zeggen, dat de bedoeling van deze opdracht geene andere kan zijn dan dat de gekozene leerboeken den Godsdienstonderwijzers ten leiddraad, geenszins dat zij hun tol een dwangbuis zouden strekken. quot;Waar onze Kerk het Godsdienstonderwijs wel aan Gods heilig woord in de schriften, maar niet aan iedere voorstelling in die schriften vervat, heeft willen binden, kan zij nog veel minder bedoeld hebben, dat eenig leerboek tot onschend-baren Goloofs- cn leer-rcgel zou mogen verheven worden. liet is op deze gronden dat wij de genoemdo beslissing van den Kerkcraad als onwettig beschouwen en U verzoeken haar als zoodanig te vernietigen. Met hoogachting hebben wij de eer te zijn Eerwaardige Heeren, Uw Dienstw. Dienaren Amsterdam, (w, g.) Ph. li. HUGENHOTjTZ. 2 Februrri 1872. T. MODDERMAN Az, h. steenberg. Aan het Classikaal Bestuur h. p. beklage. van Amsterdam. F. C. A. PANTEKOEK. Beide stukken werden in handen gesteld van de Commissie van toezicht en daarna de onderstaande consideratiën op haar voorste], door den kerkeraad aan het Classicaal Bestuur gezonden. Amsterdam, Maart 1872. WolEerwaardo en Eerwaarde Heerenl De Kerkcraad der Nedord. Ilei'v. Gein. te Amsterdam heeft de eer de ontvangst tc berichten van U we missive dd.4Febr. jl. met bijbehoorende stukken, waarbij gevraagd worden: а. Consideration in zake het protest van de Heeren Ph. R. Hugenholtz c. s. tegen het Kerkeraadsbesluit d.d. 25 Jauuari 11. б. Opgave van de leden van het Classikaal Bestuur, die in deze zaak gehandeld, of tot dc uitspraak medegewerkt hebben. Do Kerkcraad acht zich verplicht, Uwe Vergadering in de eerste plaats tc doen opmerken ocnigc minder juiste voorstellingen door de Heeren Hugenholtz e. s. gegeven. Zoo wordt door hen beweerd, dat de Comm. van Toezicht de Godsdienstonderwijzeres C. Monris den eisch gesteld zou hebben âdat zij al het in den Bij-bol als geschiedenis beschrevene ook als werkelijk zoo geschied zou voorstellen,quot; terwijl het voorschrift dor Commissie slechts inhoudt: Zij (de Godsdienstonderwijzers) zijn gehouden do Bijbelsche geschiedenis eenvoudig zoo te verhalen als die in de Schriften van hot O. en N. T. voorkomt, cn hebben zich te onthouden daarvan ccne met de H. Schrift strijdige voorstelling, aan hunne leerlingen tc geven. Het verschil tusschen beide lezingen valt te zeer in het oog om nadere aanwijzing noodig te maken. |
In de tweede plaats acht de Kerkeraad hot aan twijfel onderhevig, of Art. 19 van het Kegl. op het Godsdienstonderwijs hier met juistheid wordt toegepast. Wel betuigt hij zijne instemming met het beweren der adressanten. Geen Kerkcraad en geen Kcrkl. Commissie kan bevoegd zijn om aan eenig Godsdienstonderwijzer eischen te stellen, met de genoemde verklaring en belofte niet overeenkomende, maar daargelaten de vraag, of do bedoelde eischen geacht kunnen worden niet overeen te komen met de genoemdo verklaring â maar dit heeft ook geene plaats. Hot aangevoerde zou mogelijk iets beteekenen indien er bij de Kerkeraads-commissie sprake ware geweest om de Godsdienstonderwijzers eiselien te stellen voor het geven van onderwijs in het algemeen. Dit is echter het geval niet, daar het hier slechts geldt hot niet continuceren, voor cene bepaalde wcrkziiamheid tot het vervullen waarvan eene speciale benoeming vereischt wordt, op daaraan verbonden voorwaarden. Evenmin kan de Kerkcraad toegeven, dat door de adressanten een gepast ter zake dienend gebruik gemaakt wordt van Art. 85 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs. Hot zal wel toch niet de bedoeling van dat artikel kunnen zijn, om aan de Commissie van Toezicht de keus der leerboeken op tc dragen en te gelijk de vrijheid aan de onderwijzers te verleenen, die leerboekon in plaats van zo tot leiddraad bij het onderwijs to gebruiken, zoo als ook de adressanten willen, zo tot voorworpen te stellen van rechtstreeksche bestrijding, 't geen in het onderhavige geval werkelijk heeft plaats gehad. In het aangewezen leerboekje, Bijbelsche Geschiedenis van I. Prins, bladz. 33, wordt gezegd âDaniël is uit den leeuwenkuil, en zijne vrienden zijn uit een brandenden oven door God gered.quot; Door de onderwijzeres wordt geleerd: âDaniël is evenmin in den leeuwenkuil geweest, als do jongelingen in den brandenden oven.quot; Overgaande tot het geven van dc gevraagde consideratiën, doelt de Kerkeraad u gaarne mede de gronden, behalve het reeds aangevoerde, waarop het door hem aangenomen en door de adressanten gewraakt besluit rust. Hij heeft de eer IJ daarbij overteleggen afschrift van eene missive van de Comm. van Toezicht op het Godsdienstonderwijs d.d. 13 December j.1. met de daarbij behoorende stukken. Het toezicht op het Godsdionstonderwys is door den Kerkeraad, overeenkomstig Art. 33 van het Reglm. op het Godsdienstonderwijs, opgedragen aan eene Commissie, welke Commissie bestaat uit 10 leden, en wel volgens art. 34 uit een gelijk getal Predikanten en Ouderlingen. Voltjcns art. 41 van hot H. H. Regiem, voor den Bijzonderen Kerkeraad, goedgekeurd door het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland, den 20 Februari 1864, is deze Commiisie verplicht te handelen naar do door den Kerkeraad aan haar gegeven instruction. Art. 2 van die instructiëu luidt; Aan haar (de Commissie) wordt opgedragen, al wat betrekking heeft op het Godsdienstonderwijs door ondergeschikte personen gegeven, enz. Art. 3. Zij zorgt zooveel mogelijk , dat aan de Hervormde schooljeugd Godsdienstonderwijs gegeven worde. Zij benoemt daartoe de Godsdionstonderwijzcra en onderwijzeressen op cene bezoldiging van / 25,â 'sjaars voor elke catechisatie. Zij bepaalt welke leervakken en leerboeken daar behandeld en gebruikt zullen worden.quot; De Kerkeraad heeft de handelingen zijner Commissie in zake de Godsdienst-onderwijzeres C. Monris vergeleken met de bovenge»oemde instructie en bevonden dat hier de meest mogelijke overeenstemming bestaat. Immers de Commissie is verplicht uit de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen tot hot geven van onderwijs aan de schooljeugd, de zoodanigen te kiezen, die haar voorkomen daarvoor het incest geschikt te zijn. Zij is alzoo volkomen vrij in de keus van de onderwijzer, aan wien zij namens den Kerkeraad eene catechisatie wil opdragen. Die opdracht van of benoeming voor eene speciale werkzaamheid i« echter niet voor het leven, is niet eene altoosdurendc. Integendeel art. 2 van âde Instructie voor dc Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressenquot; schrijft aan deze voor: Zij doen in elke eerste Vergadering dier Commissie (van Toezicht) in het Kerkelijk jaar persoonlijk aanvrage om continnntio in hunne betrekking. Deze bepaling verleent aan de Commissie de macht om te continuecrcn, maar natuurlijk ook evenzeer om niet te contiuueeren. De Commissie is dus hare bevoegdheid niet te buiten gegaan, door dc Godsdienstonderwijzeres C. Monris in hnre werkzaamheden, voor zooverre die rechtstreeks aan het Toezicht der Commissie onderworpen zijn, niet te continuceren. Op grond van al het bovenaangevoerde heeft de Kerkeraad in zijne Vergadering van 25 Januari j.1. niet geaarzeld om de handelingen zijner Commissie te dezer zake goed te keuren. Dc leden des Kerkeraads tevens leden van het Classikaal Bestuur, die in deze zaak gehandeld hebben, zijn do H.H. J. P. Hasebrock, B. J. Adriani, J. Posthumus Meijjes, Kz., J. Cramer en H. Höveker. De Kerkcraad voornoemd, (w. g.) Ph. K. HUGENHOLTZ, Praeses. â K. F. TERNOOY APÃL, l. Scriba. |
6
|
Het Class. Bestuur wees in zijne vergadering van 11 Maart 1872 liet verzoek van de H.H. Hugenholtz c. s. van de hand, en stelde den Kerkeraad in het gelijk. Het Classikaal Bestuur van Amsterdam, ontvangen hebbende een bezwaarschrift van de Heeren Ph. li. Hugenholtz, T. Modderman At.., H. Steenberg, H. P. Ber-lage en F. C. A. Pantekoek, allen leden van den Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente van Amsterdam, tegen een besluit van gezegden Kerkeraad d.u. 25 Januari 1872, in zake van een bij hem ingekomen sehrijven van Mej. Mouris, godsdienstonderwijzeres bij genoemde gemeente, inhoudende bezwaren tegen de handelingen van de Comm. van Toezicht op het Godsdienstonderwijs ten haren opziehte, heeft deze zaak in behandeling genomen. quot;Wat de feiten betreft is gebleken; 1. Dat de Kerkeraad met dat besluit heeft goedgekeurd eene door zijn Comm. van Toezicht op het Godsdienstonderwijs van 4 Januari 1871 uitgevaardigde instructie voor de godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen met betrekking tot âhet door hen te geven onderwijs op de openbare'1 Armen en Tusselienseholen. 2. Dat deze instructie, volgens het schrijven van den Kerker, van het begin van Maart 1872 ter verschaffing van de door het Classikaal Bestuur gevraagde inlichtingen, niet, zoo als door de Bezwaarden wordt gezegd, aan Mej. C. Mouris den eisch zou gesteld hebben âdat zij al het in den Bijbel als geschiedenis beschrevene ook als werkelijk zoo geschied zou voorstellen,,, maar dat het voorschrift van de Commissie ilechts inhoudt (hier volgen de woorden van de instructie): ,;dat de godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen gehouden zijn de Bijbelsehe geschiedenis eenvoudig zoo te verhalen als die in de Schriften van het O. en N. Testament voorkomt, en zich te onthouden hebben daaraan eene met de H. Schrift strijdige voorstelling aan hunne leerlingen te geven.'1 3. Dat Mej. Mouris in die instructie niet een voorschrift, maar eene raadgeving heeft gezien, en zich volgens eene missive van de C. v. T. op het G. O. aan den Kerker, van 31 Dec. 1871, bij haar onderwijl niet aan dat voorschrift heeft gehouden. Dat zij de aflegging eaner haar gevraagde bepaalde verklaring omtrent hare gezindheid om aan dit voorschrift te gehoorzamen beeft blijven uitstellen, en eindelijk eene missive aan den Kerkeraad heeft geschreven, ter harer regtvaardiging, waarin hoofzakelijk dezelfde gronden tegen de handeling van de C. van T. worden aangevoerd als de genoemde klagers bezigen ter ondersteuning van hun eisch, dat het besluit, waarbij de Kerkeraad de handelingen van de C. van T. goedkeurde, wordt vernietigd. Bedoelde gronden zijn hoofdzakelijk ontleend aan een beroep op Art. 19 .Reglement op het Godsdienstonderwijs. 4. Dat de handeling van de C. van T., welke door het bestreden besluit van den Kerker, werd goedgekeurd, hierin bestaat, dat Mej. C. Mouris op grond van hare ongehoorzaamheid aan genoemde instructie niet werd gecontinueerd in haar werkzaamheid als godsdienstonderwijzeres op openbare Armen- en Tusschenscholen, waarop kot onderwijs aan het toezicht van de Comm. is onderworpen. UITSPRAAK. Het Classikaal Bestuur van Amsterdam; Gelet, wat de zamenstelling zijner vergadering betreft op Artt. 15, 18 Regl. K. O. en T.; â Overwegende, dat er geen termen zijn om eene minnelijke schikking te beproeven, volgens art 60: 2, Regl. K. O. en T. Gelet op Artt. 43 : 2 en 44: 3 A. R.; Gezien eene missive van de C. van T. aan den Kerkenr. van 31 December 1871; eene missive van de C. van T. aan Mej. C. Mouris, en een exemplaar van de genoemde instructie, al hetwelk door den Kerker, aan het Class. Bestuur is gezonden ter begeleiding van zijn brief, inhoudende de door het Class. Bestuur verlangde inlichtingen met betrekking tot de aanhangige zaak; Heeft overwogen: 1. Dat de Kerker., volgens Artt. 33, 35 en 6 van het Regl. op het Godsdienstonderwijs met, door zijne C. van T. op het Godsdienstonderwijs, eene Instructie te geven âwaaraan de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen zich te gedragen hebben bij het te geven onderwijs op de openbare Armen en Tusschenscholenquot;, den kring zijner bevoegdheid niet heeft overschreden, en dus Mej. Mouris geen recht had in eene instructie maar alleen eene raadgeving en niet een voorschrift tc zien, zooals zij volgens het schrijven van de C. van T. aan den Kerker, heeft gedaan. 2. Dat, â terwijl de Kerkeraad of de C. van T. onder zijne goedkeuring met de bedoelde instructie den kring zijner bevoegdheid zou overschreden hebben, indien zij zoo moest worden uitgelegd, of door den Kerkeraad werd uitgelegd, dat haar zin eu strekking in strijd kwam met de algemccnc verbintenis in Art. 19 Regl. o, h. Godsdienstonderwijs, die onderwijzers en onderwijzeressen bij de aanvaarding van hunne betrekking' hebben aangegaan â in de bedoelde instructie geen wijziging of verscherping van die algemcenc verbintenis voorkomt. 3. Dat aan het Class. Best. uit de stukken niet is gebleken, dat door de C. van T. aan Mej. Mouris een zwaarder eisch is gedaan dan die in de bedoelde instructie vervat is, en zij derhalve verplicht was aan die instructie tc gehoorzamen. 4. Dat de C. van T. niet het ontslag van Mej. Mouris als godsdienstondcr-wijzeres in het algemeen aan den Kerker, heeft voorgesteld (Art. 14, 9 Regl. van de Kerkeraden; art. 6 Regl. van het Godsdienstonderwijs), maar slechts haar niet gecontinueerd heeft voor het geven van het onderwijs op de openbare Armen- en Tusschenscholen, hetwelk aan het toezicht van de Commissie rechtstreeks is onderworpen. 5. Dat, volgens art. 2 van de door den Kerker, uitgevaardigde «Instructie voor de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen bij de Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam11, deze in elke eerste vergadering van de C. van T. in het kerkelijk jaar âpersoonlijk aanvrage doen om continuatie in hunne betrekkingquot;, en deze Commissie dus binnen den kring van hare bevoegdheid bleef, toen zij, op voor haar overwegende gronden, besloot om aan Mej. Mouris het onder beding van jaarlijksch opzettelijk noodige continuatie opgedragen onderwijs op de openbare Armen- en Tusschenscholen te ontnemen. 6. Dat, eindelijk, de Kerker, zich niet heeft schuldig gemaakt aan eene onwettige handeling met goed te keuren het besluit van zijne C. van T. om Mej. Mouris voor katechisatics op de openbare Armen- en Tusschenscholen door een ander te doen vervangen. |
BESLUIT. 1. Dat de eisch van do Heeren Hugenholtz c. s. om genoemde goedkeuring van den Kerker, als onwettig te vernietigen wordt afgewezen. 2. Dat afschrift dezes zal worden gezonden aan den Heer Ph. R. Hugenholtz, als eersten ondcrteckcnaar, aan den Kerker, der Nederd. Herv. Gemeente en aan de Comm. van Toezicht op het Godsdienstonderwijs bovengenoemd. 3. Dat de onvermijdelijke kosten moeten gedragen worden door de gezamenlijke cischers tegen het genoemde besluit van den Kerkeraad. Gedaan in onze buitengewone Vergadering van 11 Maart 1872 te Amsterdam. Tegenwoordig do leden en de Secundi van leden: F. W. B. van Bell, C. L. Klein, F. Ham, J. J. Teding van Berkhout, H. A. E. Heinecken, J. C. Reesse Jr. J. Montagne en J. Moulijn, Scriba. Afwezig het lid H. Smeding. (w. g.) F. W. B. VAN BELL, Fung. Voor*. C. L. KLEIN. J. J. TEDING VAN BERKHOUT. J. C. REESSE Jr. F. HAM. H. A. E. HEINECKEN. Voor eensluidend afschrift J. MONTAGNE. Jb. MOULIJN, ScrMa. J. MOULIJN, Sm3a. ïegen deze beslissing van het Class. Bestuur kwamen de HH. Hugenholtz c. s. in hooger beroep. Eerwaardige Hecrenl Bij deze heb ik de eer, mede namens de H.H. T. Modderman Az., H. Steenberg, H. P. Berlage en F. C. A. Pantekoek ter Uwer kennis te brengen, dat wij bij het Provinciaal Kerkbestuur van N.-Holland in hooger beroep zijn gekomen ter zake van de beslissing van het Classikaal Bestuur van Amsterdam d.d. 11 Maart jl., op onze aldaar ingediende bezwaren tegen het besluit van Uwe Vergadering van 25 Januari, naar aanleiding van een bij U ingekomen schrijven van de Godsdienstonderwijzcres Mej. C. Mouris. Met achting heb ik de eer te zijn Uw dw. dienaar, Amsterdam, 23 Maart 1872. Ph. R. HUGENHOLTZ. Het Provinciaal kerkbestuur van Noord-Holland schreef daarop in dato 1 Mei 1872. Amsterdam, den 1 Mei 1872. Wij hebben de eer ons tot U te wenden wegens het appél, dat van de uitspraak van Uw Cl. Best. betrekkelijk het door U den 25 Januari j.1. genomen besluit aangaande handelingen van Uwe Com. van Toez. op het Godsdienstonderwijs, bij ons is aangevraagd door Uwe medeleden de Heeren Ph. R. Hugenholtz, T. Modderman Azn., H. Steenberg, H. P. Berlage en F. C. A. Pantekoek. Mot W oc^ op Art. 60, 2e lid van het Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht moeten wij, vóór wij eene beslissende uitspraak doen, onze medewerking hebben verleend tot bijlegging en schikking in der minne van het onder U gerezen geschil. Wenschende dat wij in zoodanige medewerking mogen slagen, nemen wij de vrijheid het volgende onder Uwe aandacht te brengen. Het is ontegenzeggelijk waar, dat gij den 25sten Januari j.1. handelingen goedkeurende, welke Uwe Commissie van toezicht op het Godsdienstonderwijs verricht heeft, op grond van haar besluit 4 Januari 1871, daardoor tevens zelf dat besluit hebt goedgekeurd, het besluit dat de Godsdienstonderwijzers en Onderwijzeressen bij Uwe Gemeente, bij hun onderwijs op dc Armen en Tusschenscholen gehouden zijn de Bijbelsehe Geschiedenis eenvoudig zoo te verhalen als die in de Schriften van het Ou de en Nieuwe Testament voorkomt en zich te onthouden hebben daar aan eene met de H. Schrift strijdige voorstelling aan hunne leerlingen te geven. Dit besluit is nu als het ware het hart en de ziel, van Uw bij ons aanhangig geschil, ja is als de spil, waarom alles, wat tot dat geschil behoort, zich beweegt. Daarom rekenen wij het van geen gering belang, indien U nadrukkelijk door ons aanbevolen wordt, gelijk wij U aanbevelen bij deze, dat zoowel gij, die het besluit hebt goedgekeurd, als Uwe medeleden, die er tegen in verzet zijn gekomen, met nauwgezetheid onderzoekt, of het al dan niet in strijd is met Kerkelijke Reglementen, inzonderheid met het 19® art. van het Godsdienstonderwijs in de Ned. Herv. Kerk. Langs dezen weg toch van nader onderzoek en gemeen overleg zullen de twee partijen komen tot een klaarder begrip der verhouding van het genoemde besluit tot de reglementen in het algemeen, en tot het aangehaalde Art. 19 in het bijzonder, om naar de uitkomst van dit zoo onmisbaar onderzoek hare maatregelen te kunnen nemen tot bijlegging van het geschil. Zonder ons in bijzaken te begeven, zonder ons iets te hebben aangematigd en zonder ook in het allerminst de quaestie te hebben geprejudicieerd, hebben wij alleen getracht het onze bij te dragen tot een voor beide partijen verblijdend eind des geschils, in het belang Uwer eendrachtige samenwerking ter bevordering ook van de zegenrijke werkzaamheid van do Godsdienst-Onderwijzers en Onderwijzeressen bij Uwe Gemeente. Wij hebben bij wat deze missive aangaat, ons gedragen naar Art. 15 Regiem, voor Kerk. Opzicht en Tucht. f i -n f Wij verzoeken Uw antwoord tc mogen ontvangen uiterlijk 1 Juni e. k. Dat antwoord zegge duidelijk, of gij hot door ons aangehaalde besluit Uwer Commissie van Toezicht enz. al of niet blijft handhaven. Het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland en in Zijnen naam, (w. g.) R. J. KONING, President. â M. N. J. MOLTZER, loco Secret. Aan den Bijzonderen Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam. |
7
|
III. De Kerkeraad besloot daarop, in zijne vergadering van 16 Mei j.1. aan dat Bestuur te melden, dat liij bij zijn besluit van 25 Januarij 11., luidende: »De Kerkeraad verklaart de Commissie van Toezicht op het Godsdienst Onderwijs voor bevoegd om te handelen zooals hij in deze gehandeld heeft en keurt de handelingen van genoemde Commissie goedquot; â volhardt. Van dat besluit gaf de Kerkeraad kennis aan het Prov. Kerkbestuur bij missive d. 1G Mei 1872, met de opmerking ))dat het hem gebleken is dat er van bijlegging van het geschil geen sprake kan zijn.quot; In de Kerkeraadsvergadering van 29 Augustus kwam het antwoord van het Frov. Kerbestuur ter tafel: a. Missive. No. 1274. Haaki.em, Jeu 19 Augustus 1872. Ik heb de eer U hierbij toetezendeu oen afschrift der uitspraak, gedaau door het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland den- l-idou j.1. in het appèl der Heeren P h. 11. Hngenholtz, T. M o d d e r man A z., H. Steenberg, H. P. Berlage en F. C. A. Pantekoek, van eeno uitspraak des Cl. Bestuurs van Amsterdam, d. d. 11 Maart 1872, rakende huune bezwaren tegen uw besluit van 25 Januari j.1,, betreffende handelingen uwer Commissie van Toezicht. De loco Secretaris van het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland, M. N. J. MOLTZER. h. Afschrift. Het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland; Gelezen hebbende de missive d.d. 23 Maart 1872 van de Heeren Ph. 11. Hngenholtz, T. Modderman Az., 11. Steenberg, H. P. Berlage en F. C. A. Pantekoek, leden van den Kerkeraad der Ned. Herv. gemeente te Amsterdam, die binnen den bepaalden termijn in hooger beroep komen van eene uitspraak van het Classicaal bestuur van Amsterdam d.d. 11 Maart 1872, rakende hunne bezwaren tegen een door hunnen Kerkeraad den 25 Januari 1872 genomen besluit; ;,de memorie van appèl d.d. 21 Maart 1872; âhet afschrift der uitspraak van het Classicaal Bestuur; âde missive van den Kerkeraad d.d. 16 en van de appellanten d.d. 28 Mei antwoord op onzen brief van 1 Moi 1878, ovorconkomstig art. rtO van het ifogl. voor Kerk. Opzicht en Tucht aan de partijen gezonden tot bijlegging en schikking in der minne, doch met ongunstigen uitslag; âen al de verder overgelegde stukken; â Overwegende wat het feit betreft dat de Commissie van Toezicht op het Godsdienst-onderwijs den 4 Januari 1871 het^ besluit heeft genomen', dat de godsdienstonderwijzers en onderwijze-^ ressen bij het te geven onderwijs op de openbare Armen- en Tusschenscholen onder anderen ook gehouden zijn de Bijbelsche geschiedenis eenvoudig zoo te verhalen als die in de Schriften van het O. enN. Testament voorkomt, en zich te onthouden hebben daarvan eene met de H. Schrift strijdige voorstelling aan hunne leerlingen te geven; dat dezelfde Commissie, bij de handhaving en toepassing van het besluit tegenover eene godsdienstonderwijzeres getoond heeft het op te vatten in dezen strengen zin, dat al het in den B ij bel als geschiedenis beschrevene, ook zóó, als het daar beschreven staat, naar betcekenis, zin en inhoud en b ij gevolg in geheele overeenstemming met het geschrevene, door de- Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen 'moet worden voorgesteld; onder bedreiging aan eene godsdienstonderwijzeres door de Commissie van Toezicht gedaan, dat als zij niet verklaart zich aan het genoemde besluit van 4 Januari 1871 stipt te zullen houden, zij dan ook niet zal kunnen continueeren in het geven van onderwijs, dat aan het Toezicht der Commissie is onderworpen; dat de Kerkeraad den 25 Januari 1872 besloten heeft, om op de bezwaren, welke dezelfde godsdienstonderwijzeres schriftelijk en gemotiveerd tegen het in dien strengen zin opgevatte besluit der Commissie van Toezicht bij hem had ingebracht te antwoorden, dat de Commissie overeenkomstig hare bevoegdheid had gehandeld en de Kerkeraad derhalve de handelingen zijner Commissie goedkeurde; dat tegen dit Kerkeraadsbesluit de heeren Ph. 11. Hugenholtz c. s. in verzet zijn gekomen, op denzelfden grond waarop de godsdienstonderwijzeres hare bij den Kerkeraad ingebrachte bezwaren had gebouwd, namelijk dat daar de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen volgens de in art. 19 van het Regl. o. h. Godsdienstonderwijs voorkomende verklaring en belofte door hen te onderteekenen, wel aan âGods heilig woord in de Schriften des O. en N. Testaments vervat,quot; maar geenszins aan de letter dier Schriften gebonden zijn, dan ook geen Kerkeraad en geene Kerkeraads-Commissie bevoegd kan zijn aan Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen eischen te stellen met de genoemde verklaring en belofte niet overeenkomstig, eischen, waardoor de vrijheid hun door het Synodaal Reglement toegekend en gewaarborgd, hun geheel of ten deele zou ontnomen worden; ^ en dat van de uitspraak des Cl. Bestuurs, hetwelk den eisch van de Heeren Ph. R. Hugenholtz c. s. om het genoemde besluit van den Kerkeraad als onwettig te vernietigen, heeft afgewezen, die Heeren in appèl zijn gekomen met het verzoek om met ter zijde stelling van de uitspraak des Cl. Bestuurs, het Kerkeraadsbesluit van 25 Januari jl. te vernietigen; Overwegende wat de gronden aangaat, welke de appellanten, tegen de uitspraak des Cl. Bestuurs aanvoeren; |
dat zij den eersten grond ontleenen aan de onjuistheid , waarmede het Cl. Bestuur de feiten zou omschreven hebben, daar het vooreerst de aanschrijving der Commissie van Toezicht voor eene instructie zou houden; â daar het ten tweede zou ontkennen dat het besluit der Commissie een volstrekt beperkenden zin heeft; â daar het ten derde de handelwijze der godsdienstonderwijzeres anders zou voorstellen dan zij zich heeft toegedragen ; â en daar het ten vierde de bedreiging met ontslag zou aanzien voor het o n t-slag zelf. dat zij den tweeden grond vinden in de ongenoegzaamheid der overwegingen van het Cl. Bestuur, omdat zij deels niet ter zake dienende zouden zijn, aangezien alles wat onder de 4e, 5e, en 6e overweging voorkomt, zou uitgaan van de reeds genoemde verwarring van de bedreiging met de daad zelve; en omdat zij deels, ook voor zooverre zij ter z ake dienen, geh ee l onvoldoende zouden zijn, aangezien, naar den hoofdinhoud der le, 2e en 3e overweging het Besluit der Commissie van Toezicht van 4 Januari 1871, in den zin, waarin het door haar bij de handhaving en toepassing er van tegenover eene godsdienstonderwijzeres, is opgevat, door het Classicaal Bestuur niet zou gehouden zijn voor eene wijziging eu verscherping van de hij art. 19 van het Regl. o. h. Godsdienstonderwijs, voor de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen vastgestelde verbintenis, zonder dat evenwel het Classicaal Bestuur voor deze ontkenning van wijziging en verscherping eenig bewijs hoe ook genaamd zou geleverd hebben, welk bewijs toch, naar het oordeel der appellanten, als bewijs voor eene zaak, waarop alles aankomt, niet kan worden gemist; en dat de appellanten ten laatste sterk doen uitkomen en even klaar als onderscheiden op den voorgrond plaatsen het stilzwijgen , waarmede het Cl. Bestuur hunne bezwaren tegen het Kerkeraadsbesluit van 25 Januari 1872 zou zijn v o o r b ij g e g a a n , zoodat het die nauwelijks beantwoord en veel minder wederlegd zou hebben, tegen welk stilzwijgen de appellanten met te meer kracht en nadruk opkomen, omdat hun protest bij het Cl. Bestuur ingediend , juist dat Kerkeraadsbesluit gold, aangezien zij het voor even onloochenbaar als bedenkelijk houden, dat de Kerkeraad door dat besluit zijne Commissie van Toezicht bevoegd heeft verklaard, om te doen wat geen Kerkeraad en geen Kerkeraadscommissie mag doen, namelijk dat aan de Godsdienstonderwijzers eischen worden gesteld , die niet alleen met hunne verklaring en belofte volgens art. 19 van het Reglement o. h. Godsdienstonderwijs niet overeenkomstig zijn, maar ook de door het Synodaal reglement hun toegekende en gewaarborgde vrijheid hun, 'tzij geheel, 'tzij ten deele, zouden ontnemen; Overwegende ter beoordeeling dezeu gkonden vooreerst dat de uitspraak van het Classicaal Bestuur niet alleen in de omschrijving der feiten, maar ook zelfs in hare overwegingen, derhalve van het begin tot het einde, beheerscht wordt door de verwarring van het besluit der Commissie van Toezicht, d.d. 4 Januari 1871 met do instructie, en van de be dreiging met het ontslag zelf; alsmede dat die uitspraak zoowel de ontkenning bevat van een beperkenden zin, dien het besluit van 4 Januari 1871 werkelijk, naar de letterlijke beteekenis, heeft ah zy eene scheeve vooratelliug geeft van de handelwijze der godadienstonderwijzeres ; ten tweede dat het Classikaal Bestuur verklarende en verzekerende, zonder evenwel voor deze verzekering eu verklaring eenig bewijs te leveren, namelijk dat door het besluit der Commissie van Toezicht d.d. 4 Januari 1871 geene wijziging of verscherping van de bij art. 19 van het Regl. op het Godsdienstonderwijs, vastgestelde verbintenis voor de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen ontstaan is, niet bewezen heeft wat bewezen moest worden ; ten derde dat het Classikaal Bestuur schier geen acht geslagen heeft op het zoo nadrukkelijk en uitvoerig gemotiveerd protest van de Heeren Hugenholtz c. s. tegen het Kerkeraadsbesluit van den 25 Januari 1872, door welk Kerkeraadsbesluit goedgekeurd is niet alleen het door de Commissie van Toezicht genomen besluit van 4 Januari 1871, maar ook en eene bepaalde uitlegging door die Commissie aan haar besluit gegeven, e n een bepaald gebruik door haar er van gemaakt, eene uitlegging en een gebruik, waardoor dat besluit voor de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen dezen zin verkregen heeft, dat zij gehouden zijn zich te onthouden van iedere voorstelling der Bijbelsche geschiedenis, welke niet slechts met den geest en de waardigheid, maar ook met de letter der heilige Schrift strijdig is, eene uitlegging en een gebruik, waardoor het besluit der Commissie van Toezicht van 4 Januari 1871, niet als raadgeving of aanwijzing, maar als voorschrift eu gebod, zoowel in strijd komt met art. 19 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs, als het ook inbreuk maakt op de vrijheid der Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen, als die naar het zoo even aangehaalde 19e art. wel aan âGods Woord in de Schriften des O. en N. Verbouds vervat,quot; maar niet aan de letter dier Schriften gebonden zijn; en dat derhalve, bij juiste gevolgtrekking, uit deze drie redenen afgeleid, de gronden der appellanten ontleend èn aan de onjuistheid der omschrijving van de feiten, èn aan de ongenoegzaamheid der overwegingen, èn aan het stilzwijgen tegenover hun wezenlijk eenig bezwaar als geldig moeten worden beschouwd. Overwegende wat in rechten geldt: lo. dat naar art. 13 Syn. Regl. voor de Kerkeraden, een Kerkeraad, die zich in alles naar de kerkelijke reglementen moet gedragen, en tevens behoort toetezieu dat zij worden opgevolgd, aan deze zijne verplichting niet voldoet, wanneer hij de handelingen, welke eene door hem benoemde Commissie in strijd met de kerkelijke reglementen verricht heeft, goedkeurt; 2o. dat uit de overgelegde stukkeu wel en deugdelijk bewezen wordt: Vooreerst dat de door den Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam benoemde Commissie van Toezicht op het Godsdienstonderwijs den 4 Januari 1871 het besluit genomen heeft, dat de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen bij het te geven onderwijs op de openbare Armen- en Tusschenscholen onder anderen ook gehouden zijnde Bijb el sche geschi edenis eenvoudig zoo te verhalen, als die in de Schriften van het O. en N. Testament voorkomt, en zich te onthouden hebben daarvan eene met de H. S ch r i f t s t rij d ige v o o r s t el 1 in g a a n hunne leerlingen te geven; ten tweede dat de Commissie bij de, onder bedreiging zelfs uitgeoefende toepassing en handhaving van haar besluit tegenover eene godsdieustonderwijzeres, |
8
|
dat besluit, zooals het naar vorm eu inhoud werkelijk is, als gebod aanmerkende, van de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen gebiedend verlangt, dat zij al wat in de Schriften des O. en N. Testaments als geschiedenis beschreven staat, ook als zoodanig en zonder met dat als geschiedenis beschrevene in strijd te komen op de genoemde scholen zullen voordragen. ten derde, dat de Commissie bij eene godsdienstonderwijzeres op het doen der belofte, dat zij zich aan het besluit van 4 Januari 1871 stipt zal houden, aandringende, van de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen meer cischt dan art. 19, Regl. op het Godsdienstonderwijs voorschrijft, aangezien dit art. hen wel aan âGods Woord in de H. Schriften des O. en N. Verbonds vervat,quot; maar niet aan al de verhalen dier Schriften als aan even zoovele waarachtige geschiedvorhalen bindt, zooals de Commissie hen hieraan wil gebonden hebben, ja veel minder nog aan de letter dier Schriften, zooals uit het besluit der Commissie mede kan worden afgeleid, dewijl toch de geringste afwijking, zij het ook niet meer dan afwijking, met eéne letter of met een enkele stip, strijdige voorstelling genaamd zou kunnen worden; ten vierde dat â gezwegen van letterdienst en gewetensdwang, welke aan onze kerkelijke reglementen ten eenenmale vreemd, door de Commissie niettemin metterdaad voorgestaan worden, â de Commissie toch in elk geval veel verder gaat dan het Kerkelijk Reglement in het meermalen genoemde 19e artikel voorschrijft, en daardoor aan de vrijheid, welke het Keglement aan de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen toekent, te kort doende, in strijd met dat reglement zich gedraagt; en ten v ij f d e dat de bijzondere Kerkeraad der Nederd. Herv. Gemeente te Amsterdam, de met de reglementen atrijdige handelingen zijner Commissie goedkeurende, aan zijne verplichting om zich in alles naar de kerkelijke reglementen, te gedragen en tevens toe te zien, dat zij worden opgevolgd, niet voldaan heeft; 3o. of ten laatste, dat, wanneer nu wel en deugdelijk bewezen is, dat het Classikaal Bestuur het Kerkeraadsbesluit van 25 Januari 1872 handhavende, een met de reglementen strijdig besluit bekrachtigd heeft, tegelijk erkend moet worden, dat het verzoek der appellanten om niet terzijdestelling van het besluit des Clas-sikalen Bestuurs, ook het Kerkeraadsbesluit van 35 Januari 1872 te vernietigen, niet onwettig maar integendeel billijk en gegrond moet worden geacht; Gelet buiten de reeds aangehaalde artikelen, op art. 15 en 51 3o, Alg. Kegl. en art. 8, 15, 19, 21, fll, BI Regl. voor Kerk. Opzicht eu Tucht; Recht doende in hooger beroep, Oordeelt de gronden door de Heeren Ph. B. Hugenholtz c. s. tegen de beslissing van het Classikaal Bestuur van Amsterdam ingebracht, voor zooverre zij in deze uitspraak opgenomen ziju, alleszins voldoende; Vernietigt de beslissing van het Classikaal Bestuur van Amsterdam, en stelt het beschreven Kerkeraadsbesluit van 25 Januari 1872 buiten effect; Veroordeelt den Bijzonderen Kerkeraad der Nederd. Herv. Gemeente te Amsterdam, met uitzondering der appellanten, in al de kosten; â en Bepaalt dat van deze beslissing aan elk der appellanten, aan den Bijzonderen Kerkeraad der Nederd. Hervormde Gemeente te Amsterdam, en aan het Classikaal Bestuur van de ressortcereude Gemeente afschrift zal worden gezonden. Aldus gedaan in de Vergndering van het Prov. Kerkbestuur van Noord-Holland, gehovden te Amsterdam den 14 Augustus 1872. Tegenwoordig al de leden in dezen bevoegd R. J. Koning, President, M. N. J. Moltzer, Vice-President, E. Cats Wor, G. van Duijl GWZ., G. P. Nijboff en G. J. Versteegh. (was get.) R. J. KONING, President. M. N. J. MOLTZER, Vice-President. E. CATS WOR. Voor Copie Conform, G. VAN DÃIJL GWZ. De Loco-Secretaris, G. P. NIJHOFF. M. N. J. MOLTZER. G. J. VERSTEEGH. IV. De Kerkeraad besloot tegen deze uitspraak in cassatie te gaan bij de Synodale Commissie en benoemde eene commissie, bestaande uit de HH. Cramer, Knyper, Feringa en Kuhler, om hem te dienen van eene Concept-?aiemorie, die in de vergadering van 12 September j.1. werd gearresteerd en ingezonden: Memorie. Aan de Algemeene Synodale Commissie der Ned. Herv. Kerk. De Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam heeft de eer U in de navolgende memorie de gronden te ontwikkelen, waarop zijn verzoek rust om vernietiging van het vonnis van het Provinciaal Kerkbestuur van Noor d-H olland inzake het appel van de Heeren Ph. E. Hugenholtz e. s. tegen de uitspraak van het Classikaal Bestuur van Amsterdam d.d. 11 Maart 1872. Ondanks de uitgebreidheid, welke de verschillende Consideration in het vonnis beslaan, missen wij er eene juiste aanwijzing in van de overtreding, aan welke wij ons zouden hebben schuldig gemaakt â wat toch volgens art. 21 van het Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht niet had mogen ontbreken. quot;Wel wordt onder N0. 5 van de tweede der laatste reeks van Consideratiën gezegd: âdat dc Bijzondere Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente le Amsterdam de met dc reglementen strijdige handelingen zijner Commissie goedkeurende, aan zijne verplichting om zich in alles naar de Kerkelijke Reglementen te gedragen, en tevens toe te zien dat zij worden opgevolgd, niet voldaan heeft.quot; Maar welk reglement menbe-doelt, wordt niet gezegd. Ook niet onder No. 3, waar wel beweerd wordt, dat er vau de Godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen in geen enkel geval meer mag geëischt worden, dan art. 19 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs voorschrijft; maar geen enkel wetsartikel genoemd wordt, waarin dit wordt verboden. |
En hiermede komen wij van zelf tot ons hoofdbezwaar; schending van art. 7, 21 en 35 en de verkeerde toepassing van art. 19 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs. Door het Provinciaal Kerkbestuur is dit laatstgemeld artikel zóó toegepast, dat geen Kerkeraad, en dus ook geen commissie van den Kerkeraad het recht zou hebben om van dc Godsdienst-ouderwijzers en onderwijzeressen, die op de openbare Armen- en Tusscheuscholen onderwijs geven, meer te eischen, dan het genoemde artikel voorschrijft. Tegen deze toepassing van het wetsartikel komen wij met allen nadruk op. Er heeft hier eene verwarring van begrippen plaats. Wilde een Classikaal Bestuur aan een Godsdienstonderwijzer zijn radikaal ontnemen, zoo hij niet nog andere verplichtingen op zich nam, dan hij op zich genomen had bij de aanvaarding zijner betrekking, ongetwijfeld zou het dan de perken zijner bevoegdheid overschrijden. Evenmin mag een Kerkeraad om zulk een reden Godsdienstonderwijzers uit huunc betrekking in de gemeente ontslaan. Hier geldt het echter eene andere zaak. Er is hier geen sprake van het ra-dieaal van Godsdienstonderwijzer; ook niet van de aanstelling vau een Godsüienst-onderwijzer in dc gemeente door den Kerkeraad; maar alleen van de bijzondere werkzaamheden, die een Kerkeraad aan dc door hem aangestelde Godsdienstonderwijzers opdraagt, en wel in casu van het onderwijs geven op de openbare Armen- en Tusscheuscholen. Mag nu een Kerkeraad, als hij dit in het belang der kinderen noodig oordeelt, geen nadere bepalingen ontwerpen, waaraan de onderwijzer zich heeft te houden, ook al wordt daardoor meer geëischt, dan art. 19 van het Regl. op het Godsdienstonderwijs voorschrijft? Dat de eisch er niet mede strijden mag, spreekt van zelf. Maar mag hij daarom niet verder gaan? Kunnen geen bijzondere om-standiglieden eene Commissie bewegen, om bij het onderwijs dat gegeven wordt scherper toe te zien dan anders? Wat moet er worden van het onderwijs, dat de kinderen op de Armen- en Tusschenscholen ontvangen, als de onderwijzer nu eens van dit, dan van dat geschiedverhaal des Bijbels zeggen mag dat het niet geloofwaardig is? Zal dat onderwijs doeltreffend zijn? Zal het zijn naar de vatbaarheid en naar de behoefte der kinderen? Wij gelooven het niet. Wij zouden ons kunnen voorstellen, dat eene Commissie, die in de geschiedenis van Israël geen plaats liet voor het Bovennatuurlijke, toch aan de jeugd die geschiedenis wilde onderwezen zien gelijk de H. Schrift haar verhaalt. Hoeveel te meer moet dit dan gewild worden door eene Commissie, die met ons Israels geschiedenis ten ceneumale onverklaarbaar noemt, wanneer het Bovennatuurlijke wordt buitengesloten. Zou daarom die Commissie van letterdienst te beschuldigen zijn, gelijk het gt; Provinciaal Kerkbestuur beweert? Volstrekt niet. Aan de letter der H. Schrift willen wij niemand binden, 't Is dan ook in de tweede considerans Van het vonnis verkeerdelijk voorgesteld, alsof onze Ooix*naioDlv ^.vlLl heeft dnt ,.al'. 'quot;V*-in don Bijbel als geschiedenis beschrevene, ook zóó, als het beschreven staat, naar beteekenis, zin en inhoud en bijgevolg in gelieele overeenstemming met het geschrevene, door de Godsdienst-onderwijzers eu onderwijzeressen moet w orden voor gest eld.' Of zou dit soms hieruit blijken, dat zij geëischt heeft dat een geschiedverhaal, waarin van een wonder sprake was, juist zoo aan de jeugd werd medegedeeld? Maar welk verband is er tusschen het één en het ander? Omdat men eischt, dat van het wonder in de Bijbelsehc geschiedenis niet gezwegen wordt, eischt men daarom ook, dat volstrekt alles wat in den Bijbel als geschiedenis beschreven is, ook zóó als het beschreven staat aan de kinderen wordt voorgesteld? Naar ouze meening heeft alzoo het Provinciaal Kerkbestuur het feit, dat als strafbaar wordt voorgesteld, niet juist beschreven, en dus ook hierin zich schuldig gemaakt aan de schennis van genoemd art. 21 van het Regl. voor Kerk. Opzicht en Tucht. Voorts vragen wij: wat wordt er van art. 35 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs, waarbij der Commissie van Toezicht het recht verleend wordt om de leerboeken eu lee r vakkeu va nonder geschikt eGod s-dienstonderwijzers te kiezen, wanneer het aan die Commissie niet vrijstaat om te eischen dat de geschiedverhalen des Bijbels getrouw tot de kindereu worden overgebracht? Hoe! De Commissie zal ecu leerl^ock geven, waarin de woudervolle geschiedenis van Israël overeenkomstig den Bijbel wordt medegedeeld â en de Godsdienstonderwijzer zal het recht hebben om geheel in strijd daarmede onderwijs te geven, en nu van het ééue dan van het andere geschiedverhaal in tegenwoordigheid der kinderen de betrouwbaarheid te betwijfelen! Wat beteek ent dan het recht, door het Reglement op het Godsdienstonderwijs aan de Commissie toe gekend? Eindelijk meent de Kerkeraad, dat in strijd is gehandeld met den geest van art. 28 coll. art. 11 Kerk. O. en T., toen het Provinciaal Kerkbestuur den appellant Steenberg opdroeg het afschrift te vervaardigen dat den Kerkeraad zou worden toegezonden. De heer Steenberg kan toch moeilijk als een âkerkelijk bediendequot; worden beschouwd. Gesteld dit ware zoo, dan kon nog de appellant niet als âkerkelijk bediendequot; in eigen zaak optreden. Bovenal mocht den appellant geen inzage van de uitspraak gegeven zijn, eer die ter kenuisse van den bezwaardewas gebracht. Wij vragen dus vernietiging van het vonnis van het Provinciaal Kerkbestuur in Noord-Holland d. d. 14 Aug. 1872, op grond van schennis van art. 21 van het Regl. voor Kerkelijk Opzicht eu Tucht, en van art. 7 en art. 35 van het Reglement voor het Godsdienstouderwijs; en van verkeerde toepassing van art. 19 van laatstgenoemd Reglement. Namens den Kerkeraad voorn., Amsterdam, C. S. ADAM A VAN SCHELTJOMA, Praeses. 12 September 1872. N. H, DE GRAAP, Scriba. |
NEUERLANÃSCIIE STOOMDKUKKKRIJ, MJliUVVBNWJK L 7ö, AMSÃEKDAM.
««
*