J. W. LEM.
r
ANALYTISCHE THEORIE
DER
RUIMTEKROMMEN,
A. qu. 200
:*
-
AN A LYTISCHK THKOHlE
DER
RUIMTEKROMMEN.
ANALYTISCHE THEORIE
DER
RUIMTEKROMMEN.
P R O E F S C H RIF T
TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN
DOCTOR IN DE WIS- EN NATUURKUNDE
AAN DE RTJKS-UNIVERSITETT TE LEIDEN,
OP GEZAG VAN DEN RECTOR-MAGNIFIOUS
DR. H. A. LORENTZ,
HOOftLEKRAAK TN DK FACULTKIT DER WIS- BN NATUURKUNDE,
VOOR DE FACULTEIT TE VERDEDIGEN op Woensdag- 12O December llt;S99, des nainiddag's te 1 ut
DOOR
JACOB WOUTER LEM,
G-EBORICN TE LEIDEN.
.f^ Xvonw.
LEIDEN. - EDUARD IJDO. 1899.
jA A N MIJNE /VloEDER EN MIJNE (ZuSTER.
r»
il
EEN WOORD VOORAF.
Bij de voltooiing van mijn proefschrift wensch ik U, Hoogleeraren in de Faculteit der Wis- en Natuurkunde, mijn dank te betuigen voor tiet onderwijs van U ontvangen, en voor de welwillendheid mij door velen Uwer zoo vaak betoond.
Dit geldt vooral U. Hooggeleerde vax Geer, Hooggeachte Promotor: Uwe aansporing tot de samenstelling van dit proefschrift en de hulp, zoowel daarbij als ook bij andere gelegenheden van U ondervonden, hebben mij ten zeerste aan U verplicht.
Ken bijzonder woord van dank ook aan IJ, Hooggeleerde Lorentz, voor den steun mij in vele gevallen verleend, vinde hier zijn plaats.
Ten slotte een enkel woord tot U, Hooggeachte de Loos. Toont Gij in het algemeen groote belangstelling voor Uwe oud-leerlingen, voor mij in het bijzonder zijt Gij een vriend geweest. Van het oogenhlik af, dat ik de Leidsche II. B. S. als leerling verliet lot op heden, niet het minst gedurende het laatste negental jaren, dat ik het voorrecht had als leeraar aan de inrichting. welke onder Uw bestuur staat, verbonden te zijn, heb ik voortdurend bewijzen van Uwe vriendschap ontvangen, hebt Gij mij mei raad en daad ter zijde gestaan. Ontvang daarvoor mijn hartelijken dank en houd U overtuigd van mijne oprechte genegenheid.
INHOUD.
Ulad/.
INLEIDING.............................. 1
HOOFDSTUK I.
De kromtogrootlieden........................... 7
HOOFDSTUK li.
Het rectiflceorond oppervlak........................23
HOOFDSTUK III.
liet Pooloppervlak............................ 42
HOOFDSTUK IV.
liet oppervlak dor raaklijnen........................02
HOOFDSTUK V.
Het oppervlak der binormalen........................ 69
HOOFDSTUK Vi.
Het oppervlak dor lioofdnorrmilen...................... 78
HOOFDSTUK VII.
De evoluten der ruimtekrommen.......................92
HOOFDSTUK VIII.
Bijzondere regelopper vlak kon, die met de ruimtekrommen in verband staan.......100
LITKRATUUK-OVEKZICHT...................'......127
STELLINGEN .............................139
1 N L E I D I N G.1)
§ 1. Clairaut heeft het eerst in 1731 de kromtetheorie der ruimtekrommen tot een onderwerp van zijne onderzoekingen gemaakt; Monge moet echter de grondlegger dier theorie genoemd worden. In zijne verhandeling, die in 1771 gelezen en in 1785 gedrukt werd, heeft hij verschillende kromtegrootheden der ruimtekrommen besproken en de differentiaal vergelijking-van de evoluten der ruimtekrommen afgeleid. Eene kleine uitbreiding gaf Tinseau aan dit onderzoek in zijne verhandeling die in 1774 gelezen en in 1780 gedrukt werd.
Eene belangrijke uitbreiding word geleverd door Lanoret in zijne beide verhandelingen ; in de eerste verhandeling die in 1802 gelezen, in 1806 gedrukt werd, besprak hij de eigenschappen van het rectificeerend oppervlak en leidde de vergelijkingen der evoluten door opeenvolgende differentiaties af; in zijne tweede verhandeling besprak hij de uitbreiding van het vraagstuk der evoluten.
Brachten de eerstvolgende jaren niet veel nieuwe onderzoekingen, vermelding verdient de verhandeling van Jaoobi in 1835, waarin hij eenige eigenschappen afleidt van de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten en tevens, meetkundig en analytisch, aantoont dat deze meetkundige plaats geen evolute is zooals trouwens reeds door Monge was opgemerkt, maar door anderen, o. a. Lagrange verkeerd was opgevat.
Indien wij nu de bijzondere onderzoekingen betreffende ruimtekrommen voorloopig buiten beschouwing laten, verdient het eerst vermelding de groote verhandeling van de Saint-Venant in 1844 gepubliceerd, waarin bijna alle belangrijke kromtegrootheden zijn afgeleid en uitgedrukt in de differentiaalquotiënten van de coördinaten en den boog. Deze verhandeling echter, hoe belangrijk ook, is moeilijk te overzien, terwijl het als een nadeel beschouwd kan worden dat meetkundige en analytische methoden door elkander gebruikt worden om de verschillende resultaten af te leiden. Spoedig hierop verkreeg de theorie der ruimtekrommen hare belangrijkste uitbreiding in de zoogenaamde formules van Fbenet of Serret. Deze formules welke de aangroeiingen van de richtingscosinussen van raaklijn, hoofd- en binormaal eener ruimtekromme uitdrukken in die richtingscosinussen zelf, zijn
') Zie voor historische aanteekeningen o. a. de Saint-Venant (1844) en Christensen (1883).
Voor meer volledige literatuur-opgaven wordt hier en later verwezen naar het hier achter geplaatste literatuur-overzicht.
1
2
door Fbenet in 1847 gevonden, maar eerst in 1862 gepubliceerd, nadat Sehret hem in 1851 liierin was voorgegaan.
Zooals later zal blijken bestaat tusschen beide formules een teekenverscliil, dat verband houdt met het teeken, dat aan een der kromtehoeken der ruimtekromme kan gegeven worden.
De verhandelingen van G-rünert in 1858 en 1864 brachten geen nieuwe methode; zij onderscheiden zich alleen door de zorgvuldige grensovergangen.
Anders is het echter gesteld met de onderzoekingen van Hoppe. De eerste onderzoekingen van Hoppe in die richting werden gepubliceerd in 1862 in Crelles Journal, latei-meer uitvoerig herhaald in het âArchiv fiir Mathematikquot; van 187B en volgende jaren en in 1880 in zijn âLehrhuch der analytischen Geometrie'11. Ook Aoust heeft in verschillende zijner verhandelingen eene analoge methode toegepast en ten slotte neergelegd in 1876 in zijne âAnalyse infinitésimale des courhes dans l'espacequot;. Het karakter van deze onderzoekingen wordt door Hoppe aldus uitgedrukt: âDie Curventheorie lasst sich zerlegen in eine Theorie der inneren Beziehungen und eine Theorie der Dimensionen, deren erstere sich ohne Rücksicht auf letztere entwickelt und vollendet.quot; De innerlijke betrekkingen der ruimtekromme worden bij Hoppe bepaald door de specifieke vergelijking d. i. de betrekking die er bestaat tusschen kromtehoek en torsiehoek en welke hij meetkundig bepaalt door de torsielijn. Hoppe heeft aangetoond, dat het vraagstuk om van de specifieke vergelijking der ruimtekromme over te gaan tot de coördinaten van een willekeurig punt der ruimtekromme, kan teruggebracht worden tot eene lineaire differentiaalvergelijking van de tweede orde en tot drie quadraturen.
Ook Aoust heeft een dergelijken weg ingeslagen; hij bepaalt de kromme echter door twee elementaire vergelijkingen die de differentiaalquotiënten van boog en flexie ten opzichte der deviatie voorstellen als functies van die deviatie. Hij noemt deviatie en flexie wat Hoppe kromtehoek en torsiehoek noemt.
§ 2. Naast deze algemcene onderzoekingen verdienen nog bijzondere onderzoekingen vermelding. Wij bespreken in de eerste plaats die, welke betrekking hebben op het opsporen van ruimtekrommen welke aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Nadat reeds Lanoret had aangetoond^.Qlat voor eene willekeurige schroeflijn de verhouding tusschen beide kromtestralen standvastig is, heeft Puiseux in 1842 het eerst analytisch bewezen, dat de kromme wier beide kromtestralen standvastig zijn eene cirkelvormige schroeflijn moet zijn, terwijl hij in 1851 met behulp derzelfde methode heeft aangetoond, dat de ruimtekromme voor welke de verhouding van beide kromtestralen standvastig is eene schroeflijn op een willekeurigen cylinder moet zijn. Sedert zijn beide stellingen, zoowel analytisch als meetkundig door Serret, Bertrand e. a. bewezen. Enneper heeft deze stellingen uitgebreid in 1866 door de ruimtekrommen op te sporen, bij welke de verhouding tusschen beide kromtestralen eene lineaire functie van den boog is. Deze zijn de geodetische lijnen van een kegel.
In 1844 heeft de Saint-Venant de vraag gesteld, of het regeloppervlak der hoofdnormalen van eene ruimtekromme dit ook voor eene tweede ruimtekromme kon zijn. Bertrand heeft in 1850 deze vraag beantwoord en aangetoond dat dit alleen mogelijk is, indien eene lineaire betrekking tusschen de krommingen (dat zijn de omgekeerde waarden der kromtestralen) der oorspronkelijke ruimtekromme bestaat. Ditzelfde vraagstuk is sedert op tal van
3
manieren behandeld, zoowel analytisch als meetkundig door Serret (1851), Curtis (1856), Mannheim (1872 en 1877). Dit vraagstuk is in 1879 uitgebreid door Hoppe, toen hij met behulp der door hem opgestelde vergelijkingen deze vraag beantwoordde ; Aan welke voorwaarden moet eene ruimtekromme s voldoen, opdat eene rechte lijn die vast verbonden is met haar assensysteem ook in andere gegeven vaste verbinding sta met het assensysteem van eene tweede ruimtekromme s1.
Eene dergelijke uitbreiding werd ook door üemoulin in 1893 behandeld, maar niet in hare algemeenheid opgelost. De krommen van Behtrand treden nog voor den dag bij andere onderzoekingen, die in de volgende §§ zullen worden vermeld.
Andere onderzoekingen tot deze groep behoorend zijn die van Serret (1853): Voor welke ruimtekrommen is de lijn van sphaerische kromming of de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten eene gegeven ruimtektrrmme; die van Molins in 1874 en 1892 om de ruimtekrommen te bepalen tusschen wier kromtestralen eene gegeven betrekking bestaat, in 1883 om de ruimtekrommen te bepalen, voor welke eene gegeven betrekking tusschen den kromtestraal en den straal van den kromtebol bestaat en in 1884 om de ruimtekrommen te bepalen, voor welke eene gegeven betrekking tusschen den torsiestraal en don straal van den kromtebol bestaat. Aoust heeft in 1874 het vraagstuk door Serret vroeger behandeld nog eens ter hand genomen en in 1877 de ruimtekromme bepaald, zoodanig dat hare lijn van sphaerische kromming congruent is met die ruimtekromme, waarvan zij zelf de lijn van sphaerische kromming is. Ook Hoppe heeft deze vraagstukken, nadat zij eens gesteld waren, behandeld. Ten slotte zij nog vermeld dat naar aanleiding van eene opmerking van Darboux onderzoekingen over de ruimtekrommen met standvastigen torsiestraal zijn ingesteld door Koenigs (1887), Lyon (1890), Fouohé (1890), Fabry (1892 en 1896), Molins (1893) en Cosserat (1895).
§ 3. In § 1 is reeds vermeld dat Monge, Lanoret en Jaoobi over bet vraagstuk der evoluten en dat der evolutoïden hadden geschreven. Sedert heeft Molins in 1843 ditzelfde vraagstuk behandeld, maar tevens de omkeering, dat der evolventen en evolventoïden. Ook Hoppe heeft in 1855 en 1858 dezelfde vraagstukken behandeld, terwijl Aoust in 1877 zijne onderzoekingen heeft uitgestrekt tot de evolventoïden van hoogere orde.
Men kan deze vraagstukken der evoluten enz. beschouwen als bijzondere gevallen van het meer algemeene vraagstuk- der regeloppervlakken, ontwikkelbaar of niet, die door de ruimtekromme kunnen gebracht worden en aan bepaalde voorwaarden kunnen voldoen. Hiertoe behoort liet cyclificeerend oppervlak door Molins in 1856 behandeld, en de uitbreiding die Ennepeh in 1867 hiervan gegeven heeft. Evenzoo de vraag welke rechte lijnen vast verbonden met de ruimtekromme een ontwikkelbaar regeloppervlak vormen. Hiermede heeft zich het eerst Appell in 1879 bezig gehouden met betrekking tot eene schroeflijn, daarna Cesaro eerst in 1883 en dan zoo algemeen mogelijk in 1892. Bij die gelegenheid vestigde hij de aandacht op eene nieuwe klasse van ruimtekrommen. Dit onderzoek word door Andrade in 1896 opnieuw gedaan, zonder vermelding van zijn voorganger.
§ 4. Om eene ruimtekromme analytisch voor te stellen, gebruikte men oorspronkelijk de projecties op twee der coördinatenvlakken, d. w. z. men beschouwde de ruimtekromme als
4
de doorsnijding van twee cylinders. Maakt men dit meer algemeen, dan komt men er toe om do ruimtekromme te beschouwen als de doorsnijding van twee willekeurige oppervlakken, zoodat zij analytisch bepaald wordt door twee betrekkingen tusschen de coördinaten van een punt der ruimtekromme.
Men kan echter ook de coördinaten beschouwen als functies van een wil lek eurigen parameter, en het is deze voorstelling die bij latere onderzoekingen over ruimtekrommen vaak is aangewend. De formules, in deze onderstelling afgeleid, hebben het voordeel van zoo algemeen mogelijk te zijn; tevens zijn zij volledig symmetrisch ten opzichte der drie coör-dinatenassen, terwijl zij ook bij de eerste voorstelling der ruimtekrommen kunnen aangewend worden. Niets belet toch een der coördinaten tot parameter te kiezen en dan met behulp der gegeven betrekkingen de differentiaalquotiënten der beide andere coördinaten en van den boog af te leiden en in de algemeene formules te substitueeren. Dikwijls kiest men bij de laatote â viiiorstelling der ruimtekrommen den boog als onafhankelijk veranderlijke; dan wordt echter de algemeenheid opgeofferd aan eene geringe vereenvoudiging dor uitdrukkingen.
Slechts zelden vindt men echter zuiver analytische onderzoekingen der ruimtekrommen; meestal heeft men getracht de ingewikkelde formules, die met de analytische behandeling verbonden zijn, te vermijden door het gebruik van meetkundige en trigonometrische beschouwingen. Zuiver meetkundig is de theorie der ruimtekrommen behandeld door Schell, terwijl ook Mannheim in zijne vele onderzoekingen die op ruimtekrommen betrekking hebben, gebruik maakt van meetkundige beschouwingen. Deze laatste berusten meestal op cinematischen grondslag. Van dit laatste hebben ook Darboux en zijne navolgers gebruik gemaakt voor hunne meer analytische behandeling der ruimtekrommen.
§ 5. Ik heb, uitgaande van de parametervoorstelling der ruimtekrommen, in het volgende getracht langs zuiver analytischen weg een overzicht te geven van de voornaamste grootheden en eigenschappen die op ruimtekrommen betrekking hebben: slechts enkele onder-deelen zijn niet behandeld, zoo als de osculeerende kegels, de sphaerische torsie en het vraagstuk der vlakevoluten en vlnkevolventen, terwijl ik het vraagstuk der bijzondere punten ook onbesproken heb gelaten '). Tevens heb ik bij de verschillende grootheden bijzondere zorg besteed aan de keuze van het teeken; ik geloof dat in dit opzicht zoowel de meetkundige als analytische behandeling der ruimtekrommen verbetering eischen.
In Hoofdstuk I zijn de uitdrukkingen voor de verschillende kromtegrootheden afgeleid en met behulp hiervan bewezen de stelling van Langhet, benevens de formules van Frenet of Serret.
In Hoofdstuk 11 zijn de verschillende uitdrukkingen afgeleid die betrekking hebben op het rectificeerend oppervlak en is de stand der keerlijn ten opzichte der ruimtekromme bepaald; in aansluiting hieraan worden dan de schroeflijnen op cylinder en kegel behandeld.
In Hoofdstuk III wordt het pooloppervlak besproken; hierbij komen dan ter sprake de beide ruimtekrommen die op dit oppervlak gelegen zijn, de lijn van sphaerische kromming
') Met betrekking tot de singulariteiten van eene ruimtekromme in een bepaald punt, kunnen zich acht verschillende gevallen voordoen. Deze zijn behandeld: analytisch door Spottiswoode (1851), Painvin (1869), Björling (1889), Meder (1896), ^Yö 1 ffing (1896) en meetkundig behalve door Scliell ook door Chomé (1898)
ö
en de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten; in aansluiting hieraan worden eenige eigenschappen besproken van sphaerische krommen en van ruimtekrommen met standvastigen eersten kromtestraal.
In Hoofdstuk IV worden behandeld de evolventoïden en evolventen, die op het oppervlak der raaklijnen kunnen geconstrueerd worden.
In Hoofdstuk V heb ik eenige formules afgeleid die betrekking hebben op regel oppervlakken in de gedaante waarin ik ze in 't vervolg wenschte toe te passen; in ditzelfde Hoofdstuk is dit geschied voor het oppervlak der binormalen.
In Hoofdstuk VI zijn die formules toegepast op het oppervlak der hoofdnormalen; in aansluiting hieraan heb ik dan zoo algemeen mogelijk de vraag beantwoord, wanneer het hoofdnormalenoppervlak van eene ruimtekromme weder het hoofd- of het binormalenopper-vlak van eene tweede ruimtekromme is.
In Hoofdstuk VII worden de evoluten der ruimtekrommen behandeld; eerst worden de coordinate»-vnn een punt der evolute afgeleid als functies van grootheden, die op de gegeven ruimtekromme betrekking hebben en daarna eenige eigenschappon besproken.
In Hoofdstuk VHI heb ik eenige speciale onderzoekingen vereenigd die hoofdzakelijk betrekking hebben op ontwikkelbare regeloppervlakken, welke door de ruimtekromme gebracht worden en aan zekere voorwaarden voldoen.
Ten slotte heb ik hieraan toegevoegd een zoo volledig mogelijk overzicht der literatuur, die op het onderwerp betrekking heeft.
HOOFDSTUK 1.
De kromtegrootheclen.
§ 6. Om eene ruimtekromme analytisch te bepalen, zullen wij ons voorstellen dat de coördinaten van elk punt dier kromme lijn bij een vast rechthoekig coördinatenstelsel zijn gegeven als functies van eene vierde onafhankelijk veranderlijke grootheid. Bij verandering der waarde van deze grootheid zal het beschouwde punt zich langs de kromme bewegen. Wij zullen onderstellen dat de onafhankelijk veranderlijke t achtereenvolgens alle waarden doorloopt van â oo tot oo en de bewegingsrichting langs de kromme lijn, die hiermede overeenkomt, zal, waar noodig, met den naam van âde positieve richting langs de krommequot; bestempeld worden.
Do vergelijkingen der kromme lijn komen dus in den vorm:
y = z = fAt).........(1)
Differentiaties naar t zullen aangeduid worden door accenten, zoodat
dx ,, d'2x
X=dt' *=^equot;z-
De lengte van een deel der kromme lijn, gerekend van af een. vast punt der kromme, in de positieve richting langs de kromme zal aangeduid worden dooi- s; in onze notatie is dus
, . ds â d'2s
S ~ d t ' S ~dt'gt; enZ-
Wat betreft deze grootheid s zullen wij veelvuldig gebruik maken van de bekende formule:
s'2= xquot;2 y'2 zquot;2.............(2)
en van die welke door differentiatie naar t hieruit volgen :
J quot;gt; i
S .S' -)- .9 z =
s' squot; = x'xquot; y'yquot; -*1- z' zquot; j
x'x'quot; y'y'quot; z'z'quot; x'quot;2 yquot;2 zquot;'2 enz. \
(3)
8
§ 7. Behalve het vaste coördinatenstelsel kan men zich nog een bewegelijk rechthoekig coördinatenstelsel denken dat met de ruimtekromme in verband staat en dat gevormd wordt door raaklijn, hoofdnormaal en binormaal in elk punt der ruimtekromme. Noemen wij a.{ hl cx, a.2 h., c.,, «3 /gt;3 Cg de cosinussen der hoeken die raaklijn, hoofd- en binormaal resp. met A'-, en Z-AS maken, dan bestaan tusschen deze 9 grootheden de bekende betrekkingen ;
«i hi «i
A = j «2 b.2 c2
I a3 ^3 C3
(-i)
== 1
en
Ã3C3
h,2 ^2 h c3
(Ã)
= J/a9 enz.
a, =
i i
= ; «2 =
waarin MaA voorstelt den onderdeterminant van A, behoorende bij het element ax enz.
Fnnn (4) is gegrond op de onderstelling dat het bewegelijke coördinatenstelsel door verplaatsing in de ruimte kan samenvallen met het vaste coördinatenstelsel. Om eene bepaalde voorstelling te hebben, denken wij ons dat van dit laatste de X-as naar do achterzijde , de F-as naar rechts en de Z-ns naar boven is gericht.
In deze § zullen wij achtereenvolgens de richtingscosinussen van raaklijn, hoofd- en binormaal bepalen. Hierbij zullen wij deze lijnen zoo definiëeren dat wij, zonder gebruik te maken van meetkundige beschouwingen, zooals veelal geschiedt, hare richtingscosinussen ook wat het teeken betreft, ondubbelzinnig kunnen bepalen.
Wij vinden dan tevens gelegenheid eenige platte vlakken te vermelden, die met de kromme in verband staan en hunne vergelijkingen op te stellen.
Baaklijn is de grensstand van de rechte lijn, die een punt (x, j/, z) der kromme met het in positieve richting volgende punt der kromme verbindt, zoodat dus de positieve richting van de raaklijn samenvalt mot de positieve richting langs de kromme.
Uit deze definitie volgen terstond de formules :
(6)
£ â .r'
«,| = x' : s'; amp;1 = ij' : s'; = 0' : s'
Normaalvlak is het platte vlak door het punt («, y, s) loodrecht op de raaklijn gebracht. De vergelijking van het normaalvlak is dus :
â ) x' (v â y) y' (Z â z) z'= 0..........(7)
Hier en later zullen £, 'J, ? voorstellen de loopende coördinaten en x, //, z die van een punt der ruimtekromme.
Kromtevlak is de grensstand van het platte vlak dat door drie opeenvolgende punten der ruimtekromme gaat.
Do vergelijking van een vlak door het punt (x, 1/, z) is :
A (? -x) B(v- y ) a(Z~z) = 0
Om uit te drukken dat dit vlak het kromtevlak is en dus ook door de beide volgende punten der kromme moet gaan, moet men volgens eene bekende redeneering hier nog de
9
beide vergelijkingen aan toevoegen, welke verkregen worden door deze vergelijking tweemaal naar t te differentiëeren, dus:
Ax' By' fo' = 0 Axquot; Byquot; Czquot; = 0
(8)
Elimineert men dan A, B en C uit deze 3 vergelijkingen, zoo vindt men de vergelijking van het kromtevlak in de gedaante ;
1 ? â a: n â y Z â z x' y' Z'
xquot; yquot; zquot;
Hoofdnormaal is de snijlijn van normaalvlak en kromtevlak. Indien men nu echter uit (7) en (8) de richtingscosinussen rt.2 bepalen, ondervindt men eene moeilijkheid bij
het bepalen van het teeken. Om dit te vermijden, moeten wij nog nader aangeven, hoe wij de positieve richting der hoofdnormaal zullen bepalen.
Kromtevlak en normaalvlak in het punt (x, y, z) der kromme, benevens het normaal-vlak in het volgende punt, snijden elkander in een punt der hoofdnormaal. Wij denken ons de hoofdnormaal getrokken van het punt der kromme naar bedoeld snijpunt.
Om dat snijpunt te bepalen, moeten wij bij de vergelijkingen (7) en (8) nog die voegen, welke verkregen wordt door (7) naar t te differentiëeren, waarbij echter in het oog gehouden moet worden, dat §, ^, '( dan geen loopende coördinaten zijn, maar de coördinaten van bedoeld snijpunt.
Die derde vergelijking wordt:
(£ - x) xquot; (»-lt;/) yquot; (?-*) = s'2.
Uit deze 3 vergelijkingen volgt terstond ;
z zquot;
x xquot;
y'zquot; - y'
£ _ /v» .
u, - i/y â¢
x y
xy
0 y'
s'2 vquot;
0 z'xquot;âzquot;x'
y z
n n
y z
' â zquot;x' x' yquot; â xquot;y'
en 2 andere vergelijkingen die men hieruit kan afleiden door cyclische permutatie der grootheden die respectievelijk op X-, Y-, Z-as betrekking hebben.
Men kan den teller van den gevonden vorm schrijven in de gedaante :
x' y' z' xquot; yquot; zquot;
|
0 |
z'-y' |
s'2 |
0 |
0 |
â y' | |
|
x' |
y' z' |
/ |
x' |
s'2 |
z' |
= |
|
x' |
yquot; zquot; |
y |
xquot; |
s's' |
' zquot; |
en den noemer in de gedaante: 1) zoodat wij ten slotte verkrijgen :
\\ x' y' z! 112 ' |j xquot; yquot; zquot; ;|
f- /O ö tl/
k â X = liJ ,, ,,
s x
⢠⢠(9)
1
Zie voor de notatie o. a. H. D ö 1 p ; Die Determinanten.
10
De noemer is de som van 3 quadraten en dus zeker positief. De richtingscosinussen van liet positieve deel der hoofdnormaal zijn nu evenredig met s'xquot; â squot;x' enz., zoodat zij bepaald worden door:
(10)
I ' '
Is IJ
'I
s z
_4_ u
\squot;yquot;
|
s x |
|
.y) S X r I squot;xquot; |
h.
waarbij de wortel in den noemer positief moet genomen worden.
Men kan den vorm onder het wortelteeken nog herleiden tot:
s'*{xquot;* t/quot;2 zquot;2) squot;2{x'2 ij'* e'2) â 2s'squot; {x'xquot; y'tjquot; z'zquot;) = s'2 {xquot;2 y'quot;2 zquot;2 â squot;2)
en dus gaat (10) over in :
s z
(11)
«O =
,quot;2â77757; â -T
: c9
8y(xquot;2 yquot;2 zquot;2âsquot;2)
s'\/(xquot;2-\-yquot;2-\-zquot;2â squot;2)
| ||||
|
s'\/{xquot;2 yquot;2 zquot;2âsquot;2) |
De binormaal is de loodlijn op het kromtevlak; hierin ligt opgesloten dat zij loodrecht staat op twee opeenvolgende elementen der ruimtekromme; hare positieve richting zullen wij bepalen door de voorwaarde, dat voldaan moet zijn aan (4).
Ter bepaling van «g, i3, c3 maken wij dan gebruik van (5). Dan is:
z : s s' z' squot;zquot;
y «
I s'yquot;âsquot;y' s'zquot;âhquot; z'
'Vi Kc,
s'2\/{xquot;2 yquot;2 zquot;2âsquot;2)
s'y{xquot;2 yquot;2 zquot;2â squot;2) s'y(xquot;2 yquot;2 zquot;2-squot;2)
y â * \«' y' *quot;yquot;
|
y' z' 1 | |
|
yquot;zquot; |
sy{xquot;2 yquot;2 zquot;2âsquot;2)
zoodat wij voor de richtingscosinussen der binormaal verkrijgen:
x y xquot;yquot;
(12)
Cn =
s'|/(a:quot;2 2/quot;2 /Squot;2_ ,.quot;2)
s']/{xquot;2~\-yquot;2-\- zquot;2â squot;2) 3 quot; sy(xquot;* yquot;1 zquot;2-squot;2)
y z
yquot;zquot;
b. =
liectificeerend vlak is het vlak door het punt der ruimtekromme loodrecht op de hoofdnormaal gebracht.
Uit (11) vinden wij voor de vergelijking van het rectificeerend vlak :
8 y
s'y
K-C'V'
(13)
: 0
(? â «â¢) lquot;lquot; \ {v â y)
|
§ 8. Wanneer eene rechte lijn achtereenvolgens inneemt, zullen wij onder kromtehoek verstaan den standen der lijn. |
verschillende standen in de ruimte hoek tusschen twee opeenvolgende |
11
Bij het onderwerp dat ons bezighoudt, zullen wij sproken van lst6n, 2de11 of 3dcn kromte-hoek, al naarmate wij het oog hebben op raaklijn, hoofd- of binormaal. Hierbij moet opgemerkt worden dat ik ter wille van de notatie, de gewone beteekenis aan den 2dei1 en 3den kromtehoek gegeven, verwisseld heb.
De grenswaarden van de verhoudingen dier oneindig kleine hoeken tot de aangroeiing der onafhankelijk veranderlijke zullen wij respectievelijk voorstellen door en Ã3'.
Indien de richtingscosinussen van eene lijn zijn «, 6, c, waarbij a, h, en c functies zijn van eene onafhankelijk veranderlijke t en indien haar kromtehoek à is, dan geldt de formule
Ã2 = {daf -1- {dhf (ffc)2...........(14)
Deze formule kan aldus worden afgeleid: '')
Noem de richtingscosinussen van eene lijn «, ft, c, van eene tweede lijn ft', c' en den hoek tusschen beide lijnen 4, dan is
cos ^ = a a' ft ft' -t- c c'.
Indien nu de lijnen («, ft, c) en («', ft', c') opeenvolgende standen van dezelfde lijn zijn, dan is fJ oneindig klein, zoodat men cos f! kan vervangen door 1 â | ^'2, waarbij de ontwikkeling wordt voortgezet tot en met oneindig kleinen van de 2de orde. Maar dan moet men ook stellen:
a' = « da ^ d-a
en 2 soortgelijke uitdrukkingen voor ft' en c', evenzoo met behoud der oneindig kleinen van de 2de orde.
Bovenstaande uitdrukking geeft dan:
1 â -^2 = a {a da fyPa) ft(ft rfft |rf2ft) c(c dc ^d-c).
Nu is
«2 /,2 C2 = 1 en a'2 b'2 c'2 = J
maar de laatste betrekking levert met behoud der oneindig kleinen van de 2dl! orde 2 (« da ft db c dc) {ad'2 a hd- ft cd2 c) -t- J {da)'2 (f/ft)2 -f- {dc)'2 | = 0
of: (« da h dh c dc) ^{ad2 a hcT2 ft erf'2 c) = â ^ | {da)2 -f- (r/ft)2 {dc)'2 |
Hiermede vindt men nu:
1â|^ = 1â^j(rfa)2 (rfft)2 (rfc)2|
of: h2 = (da)2 (rfft)2 (rfc)2.
Zooals uit de afleiding blijkt, stellen in (14) «, ft en c de volledige uitdrukkingen voor de richtingscosinussen voor. In sommige gevallen is het echter eenvoudiger alleen gebruik te
1) Zie o. a. Leroy. Analyse appliquée a la Geometrie des trois dimensions.
maken van de verhoudingsgetallen voor bedoelde cosinussen, maar dan moet (14) eene transformatie ondergaan.
Zij dus
a : p = 6 : 5 = c : r = 1:)/ (p2 j2 4- r2)
waarbij de wortelvorm overal hetzelfde teeken behoudt.
Men vindt dan:
da = (F* f ^2) X dj) â p Qcfy) -t- qdq rdr)
(^2 _|_ ^2 _|_ r'l) |
en 2 soortgelijke uitdrukkingen voor dh en de.
Door in 't quadraat te brengen, op te tellen en te herleiden, vindt men :
(dei)2 (f/6)2 {dc)
2 22 r2) j {dp)2 ((fy)2 {dr)-1 â {pdp qdq rdr)2
{p2 q2 r2)2
p q r dp dq dr
11^
r2)2
(P
â (15)
| y2 52 gt;quot;2 pdp (/ffy rrfr _ | 5^2 j'rfr {dp)- -|- {dq)2 {dr)2 {p- q1 r2f
Hiermede gaat (14) over in;
jl p q r Ij2 \\ dp dq dr \\ {p2 q2 r2)2
Deze formules zullen wij toepassen ter berekening van 0/, 0.2', en ^3'.
A. wordt gevonden door toepassing van (14) in den vorm:
ö'2 = a'2 W2
Hierin is volgens (6)
|
â'2 . 7. ' /1 n \ ' amp; i t-' l |
s x \ ' 1 1 . c ' - \ S Z j . s'! s y squot;y' ~\squot;zquot; i ⢠s |
en dus
1 f s' te'
,'4 xyS'v
s' z' 1 '2_1 squot;^quot;!
s y squot;yquot;
ö/2:
of volgens de herleiding in § 7
V2 = x (£Pquot;2 !/quot;2 «quot;2 â squot;2)
en dus
0/ = x y{xquot;2 yquot;2 zquot;2 - squot;2) .
. . (16)
In deze formule zullen wij aan den wortelvorm het teeken geven in overeenstemming met de gewoonte om den eersten kromtehoek steeds positief te nemen.
13
B. ó.2' wordt gevonden door toepassing van (15) in den vorm:
\ p q r
II p' l' r'
op
{P1 f ^2)2 waarin wij moeten substitueeren volgens (11):
s x
enz.
enz.
P =
s x y squot; xquot; yquot; flt;quot;'xquot;' y'
s y : â squot;'y' .
StJ
s'yquot;
pq âpq
â S X
G-emakkelijk vindt men door de theorie der geadjungeerde determinanten of direct:
1 0 0
squot; s'xquot; â squot; x s'yquot; â squot; j' squot;' s'xquot;'âsquot;'x' s'yquot;'âsquot;'y'
I s x
en evenzoo:
s' tj z' ) s x
squot; yquot; zquot; 1 en rp' â r'p âs'
ju m in i
s iy z | .
Verder is volgens vroegere herleiding:
pi ql r2 = s'2 (a;quot;2 yquot;'i ^quot;2 _ ,,quot;2)
zoodat wij vinden :
qr â âqr = s
I 2quot;
O I / ' '
2 S Z X
squot; zquot; xquot; s'quot; zquot;'xn
s y z squot; ijquot; zquot; squot;'tyquot;'zquot;'
s'(^quot;2 y'quot;1 ^quot;2 - Squot;2)
Waar noodig zullen wij 4.2' steeds positief nemen.
O. wordt gevonden door toepassing van (16) in den vorm:
|
' p |
q r |
2 | |
|
'2 _ |
p' |
q' r' |
'3 (p2 lt;22-H'2)2 waarin wij volgens (12) moeten substitueeren:
y z
yquot; *quot;
«â VJ z 1 \ yquot; *
enz.
V
enz.
Evenals onder B vinden wij nu:
x y
/ / II
x y
, in1 m
x y
Z X
zquot;'x'
z x z'xquot;
Vq â p q
y z â y z y z â y z
0
y' zquot; â yquot; z' y'z'quot; â tjquot;'z'
0 1
z'xquot; â zquot; x' zquot; z'x'quot; â zquot;'x' zquot;
14
en evenzoo:
x' y' z' i xquot; yquot; zquot; x'quot; yquot;' z'quot;
\xyz qr' â q'r= y' ' xquot; yquot; zquot;
en dus
rp ~ r p = z
\\pqr
Wv'q'r'
x' y' z' xquot; ijquot; zquot;
s -
= squot;1(a;quot;2-f yquot;'2 0quot;2-squot;2)
Is'squot; xquot;2 H- y'quot;1 -1- «quot;2
Verder is : p1 q1 z'2 =
zoodat wij vinden :
â¢2 \ x l! z
= squot;2 X ; xquot; yquot; zn I x'quot;u'quot;zquot;
f n
S 8
x y z xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;'zquot;'
De noemer is steeds positief als ontstaan uit de som van 3 quadraten; indien wij nu ^ steeds als eene positieve grootheid wilden beschouwen, zouden wij in den teller een of â teeken moeten plaatsen, al naar het teeken van den determinant; eenvoudiger is in elk geval eenzelfde teeken te gebruiken, maar dan wordt het teeken van den 3lt;len kromtehoek afhankelijk van dat van den determinant in den teller; wij hebben hier het â teeken gekozen om in overeenstemming te blijven met de formules van Serbet '), terwijl het teeken ons tot de formules van Fbenet voert2). Aan dit laatste o.a. door de Saint-Venant gedaan, geven Catalan 3) en Darboux 4) de voorkeur.
§ 9. Het ligt voor de hand te trachten de ingewikkelde uitdrukking (17) voor 4,/ tot eene meer eenvoudige te herleiden. Terwijl wij die herleiding hier geven, vinden wij tevens gelegenheid het bewijs van het theorema van Lanoret te leveren.
Stellen wij den vorm onder het wortelteeken in de uitdrukking voor 02' ter bekorting A, dan is:
\\x' y' z' s'
A ==H xquot; yquot; zquot; squot;
11 xquot;'y'quot;zquot;'squot;'
Nu is:
(18)
|
2 |
y' z' |
|
â |
xquot; yquot; zquot; |
|
x'quot; ifquot; z'quot; |
x'xquot; -\-y'yquot; xquot;0- ,yquot;2
â s s
â ,squot;2
â squot; squot;
-z z
xquot;xquot;' yquot;yquot;' zquot;zquot;
2 'xquot;z yquot;1 z'2 = x'xquot; -\-y'yquot; z'zquot; s's'; \x'xquot;'-\-'y'y'quot;-\-z'zquot;' s' squot;
i-z z hzquot;2
xquot;x'quot; yquot;yquot;'-hzquot;zquot;
x'x'quot; -\-y'ijquot;'
-//' -y'
s s squot;squot; zquot;'-2 squot;'2
|
yquot;1 z'2 s'2 x'xquot; -\-y'yquot; -\-z'zquot; s'squot; Xquot;* _j_yquot;2 zquot;2 _|_,squot;2 x'xquot; !/'yquot; z'zquot; s'squot; 0 |
x'*'quot; y'yquot;' z'z'quot; 4-s's'quot; xquot;xquot;' !/quot;yquot;' zquot;zquot;' squot; squot; - 4-Æ quot;2 Vquot;2 _1_ o'quot;2 0 x'x'quot; y'y'quot; z'zquot;' n'squot;' xquot;x'quot; yquot;yquot;' zquot;zquot;' squot; squot; x'quot;2 iiquot;2 -\-z'quot;2 s' |
1
F. P r e n e t. (1847)
2
J. A. Serret ('1851)
3
E. Catalan. (1877)
4
G. D a r b o u x. Legons sur la théorie générale des surfaces. 4it!n'e partie p. 428.
15
|
Xquot;1 z'2 x'xquot; y'yquot; -\-z'zquot; x'xquot;' i/yquot;'-\-z'zquot; â s' x'xquot; y'yquot; -\-z'zquot; |
x-i yquot;* 2quot;2 xquot;xquot;' yquot;yquot;' zquot;zquot; â squot; X X JU 6 I |
y'yquot; z'zquot;' ' yquot;yquot;' zquot;zquot; yquot;'2 -hz'quot;2 - s'quot; |
|
X1 y- -i-z2 x'xquot; y'yquot; z'zquot; x'x' quot; //'//'quot; z'zquot; b x'xquot; -\-y'yquot; z'zquot; xquot;2 yquot;2 zquot;2 xquot;x'quot; yquot;y'quot; zquot;zquot; 'O |
/ n t , / nt , /_/// x x -\-y y z z tt ui , n in , n u x x -\-y y 2 z /,/2 i i ~,,,2 X 2 2 O s squot; squot; 2
|
Xquot;l yquot;l Z'2
x'xquot; y'yquot; z'zquot; x'xquot;' y'y'quot; z'zquot; â s'
5
squot; |
X x
y.quot;2
â s'quot;
F v z r
xquot; yquot; zquot; xquot;'y'quot;z'quot;\
2 x
x y z xquot; yquot; zquot; xquot;'y'quot;zquot;'
= 2 x
{x'x' = 2 x
x y z xquot; yquot; zquot; x'quot;y'quot;zquot;
(xquot;* H- t,quot;
|
-hy'yquot; z'zquot; X-t yquot;2 zquot;2 xquot;x'quot; yquot;yquot;' zquot;zquot; â squot; x'x' -Â¥y y -i-z'z' xquot;xquot;'-\-yquot;y'quot; zquot;z' xquot;quot;2 yquot;'2 Z --~ quot;zquot;' /quot;2 s'quot; ! â 1 | ||||||||||||||||||||||||||
|
O O x'xquot;' y'y'quot;-\-z'zquot; O |
| |||||||||||||||||||||||||
|
zquot;2 â squot;2)3 | ||||||||||||||||||||||||||
'z'quot;
x y z xquot; y' x'quot;^quot; z'quot;
lt;iquot;2\ 3
yquot;2 .
{Xquot;2 - - yquot;
Hiermede wordt:
ö2'2 =
⢠(19)
quot;2
,.quot;2,2
z *â â
Voeren wij dit nu in, in (17), dan verkrijgen wij met behulp van (16) en (18):
I 2
x y z xquot; yquot; zquot; x'quot;yquot;'z'quot;
s'2 {xquot;2 y'
0 '2.
Dit is het âtheorema van Lanceetquot;.
Tevens volgt nog uit bovenstaande herleiding, dat men A in den vorm kan brengen:
|
1 x'2 y'2 z'2 x = \x'xquot;. y'yquot;. z'zquot;.. |
x'x'quot;-\-y'y'quot; z'zquot; â s' x'xquot; iy'yquot; z'zquot; xquot;2 yquot;2 zquot;2 xquot;xquot;' yquot;y'quot; zquot;zquot; â squot; |
x'x'quot; -\-y'y'quot; z'z'quot; xquot;x'quot;-\-y''y'quot; zquot;zquot; s squot; II s O r'quot;2 zquot;'2 |
Hiermede kan men dus schrijven:
s
squot; squot; O
X X â¢''2
v-
(20)
v =
â squot;2)
s' (xquot;2 y'1
y'2 z'2 y'yquot; z'zquot; ' y'y'quot; z'z'quot; s'
yy zz yquot;2 zquot;2
' yquot;yquot;' zquot;zquot;
squot;
x'x'quot; -\-y'yquot;' -\-z'zquot; xquot;x'quot; yquot;y'quot; zquot;zquot; x'quot;2 yquot;'2 Zquot;quot;1 s'quot;
16
Eene andere afleiding van het theorema van Lanoret moge hier haar plaats vinden, omdat wij daardoor in de gelegenheid zijn eene herleidingsmethode aan te geven, die nog meer gebruikt zal worden.
Gemakkelijk vindt men dat:
/ / I
0 -
z' zquot; z' zquot;
s x y squot; xquot; y s'quot;x'quot;y
x'* /2 -hz'2 x' y' X'v!' y'yquot; Z'Zquot; xquot; yquot; = â
xfquot;yquot;' I s
x' If ij-
Iff â xquot;'yquot;'
i ..quot;2 i I t lt;
x - ij - â z - â g | x IJ
7 xquot; tlquot;
p' x 'J z
^ n n
= -' f y z
â S 1 x'quot; ij'quot; z'quot;
Hiermede wordt:
x y z \ x' y' z' I xquot; yquot; zquot;\
x y z xquot; yquot; zquot;
2 x
X
A =\xquot; yquot; zquot;
i m m m
\x y z
lx' y' z'
(^quot;2 yquot;2 0quot;2_squot;2)2
quot;79
X,'* yquot;i zquot;*~s''*t.y.,.ngLn
X IJ z x'quot; y'quot; z'quot;
of daar;
S - SS
,J rJ' ~,quot;'1 t ..quot;2
ss x IJ
x ij z
u ff.n
x y z
,2 = s'2 (a-quot;2 y'quot;1 ^quot;2 â squot;2)
(Xquot;2 yquot;2 zquot;2__ squot;y_
x y z xquot; yquot; z' xquot;'yquot;'z'
A =
Wij vinden dus dezelfde uitdrukking voor A als bij de eerste afleiding; hieruit volgt dan op dezelfde wijze het gevraagde theorema.
Hoewel langs indirecten weg het bewijs van deze stelling eenvoudiger kan geleverd worden, heb ik gemeend dit directe bewijs niet achterwege te moeten laten.
In de formule van Lancret komen lste en 3de kromtehoek op dezelfde wijze voor, terwijl de 2de kromtehoek (ook wel totale kromtehoek genoemd) eene afzonderlijke plaats inneemt. Raaklijn en binormaal, waarvoor lste en 3d0 kromtehoek gelden, bezitten ten opzichte van elkander eene wederkeerige eigenschap, die de hoofdnormaal mist. De binormaal staat namelijk loodrecht op 2 opeenvolgende raaklijnen en de raaklijn loodrecht op 2 opeenvolgende binormalen, zooals met de straks af te leiden formules gemakkelijk kan worden aangetoond.
§ 10. Wij zullen een kromtestraal definiëeren als de verhouding van boogelement en kromtehoek; het is duidelijk dat wij dan kunnen stellen :
(21)
Ps â
Pi
V
K
3
Pi =
Met behulp der afgeleide formules kunnen wij deze kromtestralen uitdrukken als functies van de differentiaal-quotiënten der coördinaten; veel toepassing zullen deze uitdrukkingen
17
echter niet vinden. Hierbij kan opgemerkt worden dat het theorema van Lancret (19) bij invoering der kromtestralen na deeling door s'2 overgaat in :
~ = 1 ~............(22)
Pz- Piquot; Ps
de vorm waarin de stelling gewoonlijk wordt opgegeven, terwijl (19) de vorm is, waarin de . stelling door LANCiiET zelf is afgeleid. â ').
Zooals uit (21) blijkt hebben deze kromtestralen de beteekenis van lijnen.
Echter staat alleen p, in een direct eenvoudig verband tot de kromme; hij is namelijk de straal van den cirkel die eene aanraking van de orde met tie gegeven kromme bezit d. w. z. door 3 opeenvolgende punten der kromme gaat.
Noemen wij den straal van dien cirkel p., en de coördinaten van het middelpunt X, F, Z, dan is, omdat dit punt in hot kromtevlak moet gelegen zijn volgens (8):
\X â x Yâij Z-z\
x' y' ' z' |=0
n ' u n
\ X ij z \
Verder is inftten wij de reeds meer gebruikte redeneering (§ 7) toepassen:
(x-xf (y-# zf
{X â x)x' (F â ij)y' (^â z)z' = O (X â x)xquot; (F â y)/yquot; (Zâ z)zquot; = ,s''2
Het blijkt dat de l8'0, 3l,e en 4do vergelijking identiek zijn met de vergelijkingen in § 7 gebruikt om het snijpunt te bepalen van het kromtevlak met 2 opeenvolgende normaalvlakken, zoodat dit snijpunt identiek is met het gezochte middelpunt. Wij kunnen dan echter terstond (9) gebruiken in de gedaante:
_ / I S X
X â X =S ; ,, ,,
; (^quot;2 yquot;2 zquot;2 __ squot;2j ^.....
Deze uitdrukkingen in de bovenstaande 2lt;l0 vergelijking gesubstitueerd levert:
| S X
s' z' |2 I
iquot; yquot; I i ..quot;2 i ..quot;2 i 2quot;2 _^quot;2
Pi â (^2 i/quot;2 zquot;*-8quot;*f X (Is'V I quot;h s'Y t *quot;zquot; | j ,,.quot;2 ;l en dus:
s'2 s'
Pi ~ y(xquot;2 yquot;* zquot;2 - squot;2) â 1/
welke uitdrukking met (21) overeenstemt.
i i ' '
^ s x
S ij
Deze cirkel draagt den naam van kromtecirkel, en het middelpunt dat door (23) bepaald wordt, den naam van kromtemiddelpunt.
i) Zie o. a. L an or et: (1802); de Saint-Venant (1844).
3
18
§ 11. Uit het theorema van Lancret volgt dat de totale kromtehoek alleen nul kan worden, indien de beide andere kromtehoeken gelijktijdig nul zijn.
1°. Zij (5/ = 0 voor alle waarden van i.
Dan is dus:
a!quot;24.2/quot;2 ^quot;2_squot;2 = 0 of volgens de herleiding op blz. 14:
I II
x y z
fi' n .ii
x y z
waaruit volgt:
i ' ' i
\x y â o
II II \ - v-'l
\x y \
y *
11 n
V z
Z X
zquot;xquot;
(24)
= 0,
|
Hieruit volgt door integratie: x': y' = c.! of door tweede integratie: z' : x' = 1 : c.1c2 |
x y z x'' yquot; zquot; 1=0, zoodat ^3' onbepaald wordt in III1 III III \ X 'IJ Z 1 y â 2 = c.2 x = c^y Ci', i/^c2z c. d. z. de vergelijkingen van eene rechte lijn Uit (24) volgt nog dat in dit geval ook |
elk punt der kromme.
Hieruit volgt in verband met de eerste opmerking van deze § dat de totale kromtehoek alleen bij eene rechte lijn in elk punt 0 kan zijn,
2o. Zij 0g' = 0, 0/ ^ 0 voor alle waarden van t, dan volgt uit (18) als voorwaarde voor dit geval:
x y z xquot; yquot; zquot; xquot;'y'quot;z'quot;
(25)
= 0
\ X '\ l \ ~ â¢
Deze differentiaal-vergelijking kan men met behulp van den factor x :! 1 mtegreeren.
Men vindt dan:
x' zquot; â xquot; z' = C{x'yquot; â xquot;tj'),
of door 2'Ie integratie na deeling door x'L\
(\ x' -'r G^y' z' â 0
en dus na !3de integratie:
x C.2 y Cy z â ('^
vlak. In het geval van van t hebben wij dus te doen met eene vlakke kromme. ^
d. i. de vergelijking van een plat vlak. In het geval van 63' = 0, ÃA' 0 voor alle waarden
1
Pit resultaat had ook afgeleid kunnen worden uit de algemeene theorie van deze differentiaalvergelijkingen.
19
Indien 0/ of ög' nul zijn voor slechts enkele waarden van t, leveren de waarden waarvoor flit het geval is de buigpunten der kromme op.
Wij kunnen toch met Monge twee soorten van buigpunten onderscheiden namelijk de âpoints d'intiexion simplequot; waar alleen de 3'le kromtehoek nul is en de âpoints d'inllexion double1' waar de l8,e kromtehoek nul is. ')
§ 12. Wij zullen thans berekenen de differentiaal-quotiënten der gevonden richtingscosinussen en vinden op die wijze de formules van Sebret. Dit behoeft alleen te geschieden voor de grootheden die betrekking hebben op de X-as, terwijl voor de overige coördinaten-assen het resultaat gevonden wordt door eene permutatie der grootheden.
i \s'x'
. . . . (26)
1°. Uit (6) volgt door differentiatie;
]/ (a;quot;2 yquot;2 z'quot;1 - squot;2)
s'2^ I squot;xquot; I s' ' x «'J/(«quot;2 'j'quot;2 «quot;2 - squot;2)
en dus:
a1'=^'x«2 enz.....
'2°. Uit (11) volgt door differentiatie en herleiding:
/ «S X n in , n ./// . .ju j' 'n\
â¢s x ~\~y lf -\-z Z â6 -S j
.squot;(a;quot;2 //'2 0quot;2 - squot;2), J, J
S'(,T-2 //'2 squot;2_squot;2)j^^)/i
g'2(a,quot;2 yquot;2 0quot;2_squot;2)|
S S
0 Xquot;2 ,/'2 zquot;2_squot;2 (Xquot;2 ,jquot;2 Zquot;2 _ ,,quot;2) xquot;xquot;' y'yquot; zquot;zquot;' _ squot; Squot;
s'2(xquot;2 I/'quot;2 zquot;2 - squot;2)%
S S X
0 s,xquot;-squot;x'\
x'x'quot; t/'/quot; z'z'quot; â s' siquot;' 'xquot;x'quot; yquot;i/quot; zquot;z'quot; â squot;squot;' s'x'quot; â squot;'x' \
,squot;2)l
squot;2 (xquot;2 yquot;2 -L- -quot;2
xquot;2 yquot;2 zquot;'
0
â quot;2_âquot;2
{x yquot;2 zquot;2 â ,squot;2) xquot;xquot;' yquot;yquot;' zquot; z'quot; âsquot;s
s'2(Xquot;2 4- yquot;2 zquot;2 â squot;2)i
|
x'2 ip ^2 x'xquot; y'yquot; z'zquot; x'x'quot; y'y'quot; z'z'quot; x x «quot;'2 |
Xquot;* ,f'2 «quot;2 â x!'x'quot; yquot;y'quot; zquot; zquot; 'J // x' y (,«quot; â?-x- squot;2) s'2 [xquot;2 yquot;2 zquot;2 - hquot; |
1
Monge: (1771) of Monge. Applications de l'Analyse a la Géométrie.
'20
(27)
x' )/(^quot;1 |/quot;2 ^quot;2-squot;2) 7 x ----------------Tquot;.....
s'V'2 «/quot;2 z'quot;3 â squot;2^
= â 0.3' X a3 â V X enz
3°. Uit (12) volgt door differentiatie en herleiding .
x'y' * \
/ / /
x y z
n t/ n
x y z xquot; yquot; zn
x y z 'X x y z 100
itn. \v Z i li n m 1 n Hl 1 11 m '1 quot;\ 1'/ ^ squot;2) K,, quot; â s (a: X y y z z â .s s )r» ,
l! Z /////, no
â ',ââ,'â8 (x y
y 0 1
sV2 //quot;2 .squot;2- squot;2)
!/ « I
8'2(a.quot;2 ?/quot;2 ^quot;2_squot;2)i
0
0 a-quot;2 yquot;2 zquot;2 â .S'quot;2 lizquot; â yquot; z'
x'x'quot; y'y'quot; z'z'quot; â s' xquot;.rquot;' r/'y'quot; zquot;z'quot; â squot; .s'quot; y'z'quot; â yquot;'z'
0
ji'*(xquot;2 y'quot;2 zquot;2 â squot;2)S
IL\ It, III I'
- v y
'X y* z- XX
x'xquot; y'yquot; z'zquot; xquot;'1 //quot;quot; zquot;- yzquot; â yquot; z' x'x'quot; 'i/y'quot; z'z'quot; xquot;x'quot; 4- yquot;y'quot; zquot;z'quot; y'z'quot; â y'quot;z'
^(a:quot;2 yquot;2 2quot;2â,squot;2)i
z z .quot;2
|
!â¢Â«' ?/' |
z' |
\x' |
1 V |
/v' 1 z |
|
,uquot; |
zquot; |
X a- |
?/ |
% |
|
in 11 \x y |
z |
0 |
- ^ |
y' ! |
»'» (xquot;2 yquot;2 «quot;2 - squot;2)l s'2 (zquot;2 yquot;2 -
/ / /
^ y z
It'll // ivxi0 ^
x y z X // // ///' ///./// 1 ^
a? y ^ I 1
ÃJ x enz. (28)
â squot;2)i
§ 13. Volledigheidshalve geven wij hier de gewone afleiding van deze belangrijke formules.
Wij maken gebruik van de betrekkingen welke tusschen de 9 richtingscosinussen bestaan, namelijk:
|
«,,'2 V2 V = \ (1-2 ^-1^2 quot;tquot; ^1 ^2 =: 0, f.quot; â |
a.22 4 ^2quot; quot;l- 'quot;2^ â 1) ffi2a3 4- /a2?gt;3 c2c3 = 0, f'i ^ I j «2 ^2 C2 I «3 ^3 ^3 1 |
«g2 ég2 Pg'2 = 1 «3«^ b3bi 030^ = 0 |
terwijl elke term in dezen determinant gelijk is aan den bij behoorenden minor. Bovendien nemen wij als bewezen aan:
aA' = 0/ X «2 enz. (26) en 6^' = \/ {c(3quot;2 /;;jquot;2 C3'2).
Door differentiatie der 6 eerste betrekkingen verkrijgen wij o. a.:
|
o 1 ^1^3' C1C3' â 0 ' «3«3' Ã3amp;3' CgCy' = 0 |
1
A , quot;Iquot; ^2^2 ^2^2 =:=: ®
2
«3«2' 63amp;2' C3C2' = â («2a3' «W)
3
hjl).}' 4- 0^2 â â Ãf
21
(28).
Uit (B) volgt:
aibi j «3^3!
Vi! ⢠I ciai1 _, Val 3 â 3 '
of:
ig' : 6,2 = 03': C.2 =ê3':l of:
a.. :
= 6a' X «2 enz. Hiermede worden de formules (A):
quot;tquot; quot;1^2' == â ^l' ' 'l'/1-/ quot;tquot; h'2p2 quot;lquot; C2C2' â ^ ! «3«2 quot;lquot; ^3^2' quot;tquot; C3C2 ~ â' ^3'
«lV-1 '
U-J'-i'h I
dus :
-
0 62C2
of:
= â «iV â «3^3'
«2' = â quot; «sV
(27).
enz.
Bij de afleiding van (28) uit (B) hadden wij ook kunnen stellen «./ = â x f'., enz, en zouden dan in plaats van (27) gevonden hebben ff2'= â «3 enz. cl. z. de formules van Feenet.
In verband met de opmerking in § 8 en de afleiding in § 12 blijkt het verschil tusschen de formules van Sebket en Fbenet in verband te staan met het verschillend teeken dat aan den 3den kromtehoek kan gegeven worden.
Om aan dit verschil eene meetkundige beteekenis te geven, zullen wij den afstand berekenen van een punt der kromme tot het kromtevlak door het onmiddellijk daaraan voorafgaande punt.
Hiertoe brengen wij de vergelijking van het kromtevlak (8) in den vorm:
â . s' |/ [xquot;2 y'quot;1 -I- zquot;2 â squot;2).
\x y z
a3 f - â 63 ^ c3 C = I x' y' z'
\ xquot;yquot;zquot;
De afstand van het punt (?, v,, 4') tot dit vlak is dus:
xyz
x' y' z' ! : s' 1/ (xquot;2 yquot;'1 z'quot;2 - squot;gt; xquot;yquot;zquot; ;
L = r/o ^ -|- ho y -1- Ci
3S
Van het onmiddellijk volgende punt der kromme zijn de coördinaten :
1 xquot; dt2 j-, xquot; dt3
2 0
x x' dt â
enz.
£ = -r
en dus wordt de gevraagde afstand omdat volgens (12):
a^x' 4- h3y' c3z' = 0, adxquot; h^yquot; c%zquot; = 0
/ /
xyz
xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;'zquot;'
hyquot;'
CoZ
ClnX
â s'y (Xquot;2 yquot;* _ squot;i)
22
â â / / / I
1 X'jz
L = aquot; //quot; zquot; \ dP : s' l/^'quot;1 yquot;2 2quot;2 â squot;2) =
5 I xquot;'ljquot;'zquot;' I
= _ rfiS,
Hieruit volgt dat indien de 32'e kromtehoek positief is, de binormaal en het volgend element der kromme aan verschillenden kant van het kromtevlak gelegen zijn en indien negatief aan denzelfden kant.
Hadden wij echter voor den 3don kromtehoek het teeken gekozen dat tot de formules van Fbenet voert, dan zon de conclusie juist andersom zijn wat trouwens reeds door Fhenet zelf is opgemerkt. Daeboux (loc. cit.) spreekt dit verschil uit met behulp der begrippen van rechtsche en linksche winding; evenzoo Raffy. '')
§ 14. Wij hebben in elk punt van een ié» ........ I ..........................beschouwen drie ouderling-
loodrechte lijnen, benevens de vlakken door die lijnen twee aan twee gebracht.
Beschouwen wij nu die lijnen en vlakken voor do verschillende punten der kromme, dan vormen die lijnen en vlakken in hun opeenvolgendé standen regeloppervlakken, ont-wikkelbaar of schoei, die in nauw verband staan met de kromme.
Ue rectificeerende vlakken omhullen een ontwikkelbaar oppervlak: het rectifi'ceerend oppervlak. De beschrijvende lijnen van dit oppervlak zijn de rectificeerende lijnen, dat zijn de snijlijnen van elke 2 opeenvolgende rectificeerende vlakken. Elke 2 opeenvolgende rectificeerende lijnen snijden elkander in een punt dat behoort tot de keerlijn van het rectificeerend oppervlak, welk punt ook bepaald kan worden als het snijpunt van 3 opeenvolgende rectificeerende vlakken.
De normaalvlakken omhullen een ontwikkelbaar oppervlak: het pooloppervlak (surface polaire). De beschrijvende lijnen van dit oppervlak zijn de poollijnen (axe polaire), dat zijn de snijlijnen van elke 2 opeenvolgende normaalvlakken. Elke 2 opeenvolgende poollijnen snijden elkander in een punt, dat tot de keerlijn van het pooloppervlak behoort, welk punt men ook kan beschouwen als het snijpunt van 3 opeenvolgende normaalvlakken. Deze keerlijn draagt den naam van lijn van xphaerische kromming.
De kromtevlukken omhullen eeu ontwikkelbaar oppervlak, het oppervlak der raaklijnen, (surface des tangentes), dat de gegeven kromme tot keerlijn heeft.
Daar 2 opeenvolgende binormalen elkander niet snijden, vormen de opeenvolgende binormalen een scheel regeloppervlak: het oppervlak der binormalen.
Eveneens vormen de hoofdnormalen een scheel regeloppervlak: het oppervlak der hoofdnormalen.
De raaklijnen vormen een ontwikkelbaar regeloppervlak, waarvoor de ruimtekromme keerlijn is en dat dus samenvalt met het oppervlak door de kromtevlakken omhuld.
1
Zie ook: Kneser (1894), Weyr (1894), Stan de (1895), Raffy en d'Ocagne (1896).
2
L, Rat'fy. Lecjons sur les applications géométriques de l'analyse, Paris 1897.
HOOFDSTUK II.
Het rectificeer end oppervlak.
§ 15. De vergelijking van liet reotifioeerencl vlak is gevonden in den vorm:
.s x \ squot; xquot; \
s y
n //
s ij
(?
â y)
a?)
â 0
liquot; v â gt;gt; Z |
(13).
Om hieruit de vergelijkingen der rectificeerende lijn d. i. do snijlijn van 2 opeenvolgende roetificeerende vlakken af te leiden, moeten wij deze vergelijking combineeren met die, welke er door differentiatie naar t uit voortvloeit.
Men vindt dan:
.s x
tn tn
S X
s y
m * ///
â¢s V I
s 5; s'quot; zn
(?
(i â y)
x)
(r -
S X
1 n n
\ S X
S X - IJ
squot; x'xquot; y'yquot;
S Z I
s z
y'
\ s y
-P'#'
= X
2 -4- zquot;1 1
IA-0- â -i29'
De rectificeerende lijn wordt dus bepaald door de vergelijkingen (13) en (29).
Noemen wij de richtingscosinussen der rectificeerende lijn /, w, n dan volgt uit beide vergelijkingen;
m
s y â s y s z â s z
/ /// n/' / / m /// /
s y â s y s z â s z
s'yquot; â Squot; y'
s'yquot;' â *'quot;y'
S X â S X
s'x'quot; â squot;'x'
of volgens de herleiding van § 8 B en (17):
n
s'^{xquot;*
.squot;2)
y z
quot; yquot; zquot;
y'quot; zquot;
S â Z X
squot; zquot; xquot; s'quot; z'quot; xn
s x y squot; xquot; yquot; s'quot; x'quot; 'Ij'
. . (30)
'24
§ 16. De rectificeerende lijn staat loodrecht op '2 opeenvolgende hoofdnormalen, omdat zij gelegen is in 2 opeenvolgende rectificeerende vlakken; ook analytisch kan men dit gemakkelijk aantoonen, door de richtingscosinnssen te bepalen van de lijn, die loodrecht staat op '2 opeenvolgende hoofdnormalen.
De voorwaarde dat de lijn (7, m, n) loodrecht staat op '2 opeenvolgende hoofdnormalen wordt uitgedrukt door de vergelijkingen :
li2 4- mb., nc.2 = 0\ la.,' mb.,' nc.^ = 0.
Deze vergelijkingen gaan met behulp van (10) en de formules in § 12, '2°. over in:
Is' ^ 1 n quot; i.,quot; 0quot;: = 0
s u
in
s n
s x
* !/ n r n
s !/
s z n n ,,, ,,, = U
IS 0 1
S X
welke vergelijkingen overeenstemmen met die welke in de vorige § ter bepaling van do rectificeerende lijn zijn afgeleid.
§ 17. De grootheden m, n voldoen aan eene belangrijke betrekking, die het eerst door Lancbet gevonden is.
Tn § 9 is reeds gevonden:
,f / /
* II
y
[U z //quot;
â/- x u z
S m nt
| x jf Z
S If z
m ' m m
* y *
Hiermede kan (30) geschreven worden:
x y z
xquot; yquot; zquot; / ' fff ' /ff
ió'-x X 2 â ,/ ^ f/ , , //ö
X
. (31)
8' s'(*''2 ,'/quot;'2 «quot;2- 8quot;2) s')/(agt;quot;2 «/quot;2-Mquot;a-squot;2)
of: . 10-2 â â enz, . .
y z !/quot; zquot;
Door in het quadraat te verheffen en op te tellen volgt hieruit opnieuw het theorema van Lancret.
§ 18. Uit de gevonden uitdrukkingen voor /, m en n zullen wij berekenen de hoeken, die de rectificeerende lijn maakt met de assen van het bewegelijke coördinatenstelsel. Volledigheidshalve toonen wij aan dat de hoek met de hoofdnormaal \ tt is.
De cos. van dien hoek is:
__l__| s' |x
s'2V(«quot;2 //quot;- â Squot;2)^ i s ^ I
s y z squot; ifquot; zquot; s'n y'quot; z'quot;
lar, mbo -f- riCo =
25
s x y z squot; xquot; yquot; z'' squot;'x'quot; y'quot; zr 0 x' y' z
S X IJ z
s'quot; x'quot; ij'quot; zn 0 xquot; yquot; zn
s x
Door splitsing der determinanten van de 2de orde is:
x' y' z' 1
s
X squot; yquot; zquot; \s'quot;yquot;'zquot;'
1
s x y z squot; xquot; yquot; z' squot;'xquot;'yquot;'z' -s' 0 0 0
z
x
y
n , // //
xquot; y z s'quot; x'quot; ij'quot; z'quot; â squot; o o o
= 0
Hieruit volgt dat de hoek met de hoofdnormaal
Zij verder de hoek tusschen de rectificeerende lijn en de raaklijn 3C en de hoek tusschen de rectificeerende lijn en de hinormaal I, dan is:
cos K == lciA rnbi wc,! =
T 71
s x y z ft ff' tf s x y z
s'quot;xfquot;y'n z'quot;
0 x' y' z'
s
ff ff ft 8 y z ftf fff, fff s y z
gt;J *
1
X 2, x'
X
s'202'^''2 ^'2 s''2_s''2)
s'Wx'^ y'^ z'^-squot;
x y z xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;' zquot;
^3'
(32)
mh.x
s,V(^,2 ^,2 ^,2âsquot;2)
COS I = l CU
---1----iXïlü'V'lx
s'2V(^quot;2 yquot;2 «quot;2quot;squot;2)^ ^
s u z squot; yquot; zquot; s'quot;yquot;'zn
! x y z l ff ff .ff \x y z fff ftf _fff \x v z
s x y z squot; xquot; yquot; zquot; ^quot;xquot;' yquot;' z'quot;
Nu is :
X
|
0 x' y' z' 0 xquot; yquot; zquot; 1 x,,,yquot;fzquot;f |
|
X gt;/ 2 x'xquot; y'ijquot; z'z' x'xquot;' y'y'quot; z'zl x'xquot; y'ijquot; z'zquot; Xquot;1 ^quot;2 'zquot; f fff |
xquot;x'quot; yquot; y'quot; -\-zquot; zquot; |
s' x' x'quot; \ yl yquot;' z' z squot; xquot;x'quot; yquot;y'quot; zquot;z'quot; s,quot; xquot;quot;2 y'quot;-1 ^quot;2 |
x' x'quot;-\-y' y'quot; z' z' xquot;xquot;'-\-yquot;y'quot; zquot;z'
'z'quot; quot;zquot;'
fffO
z'
y
£c'2 y'2 z'0- x'xquot; y'yquot; z'zquot; x'xquot; y'yquot; z'zquot; xquot;2 y'''2 zquot;'2 x'x'quot; 'y'y'quot; z'z'quot; xquot;xquot;' 'yquot;y'quot; zquot;zquot;
x'2 y'2 z'2 x'xquot; -V-y'yquot; -'rz'ë x' xquot;' y' yquot;' z' z'
x'xquot; y'yquot; -\-z'zquot; xquot;2 yquot;2 zquot;2 xquot;x'quot;-\-yquot;y'quot;-\-zquot;zquot;
^quot;2 2!quot;2_squot;2 â squot;2) xquot;x,quot; yquot;y'quot; zquot;zquot;'âsquot;squot;
0 0
{xquot;2 yquot;2 zquot;
- s' (xquot;2yquot;2zquot;2â.s'/,2)2
â¢quot;2
derhalve:
cos I â
(33)
y(xquot;2 yquot;2 zquot;2_squot;2) öi'
s'ö'
26
h'
lt;gt;i
Hieruit blijkt dat cosl steeds positief en dus I scherp is. Dit resultaat is natuurlijk verkregen door de keuze van het teeken in (30).
Uit het theorema van Lancret volgt door (32) en (33) in het quadraat te verheffen en op te tellen:
cos2 cos21 = 1
dus JC ±1 = 2 ^ en wel of â al naarmate 2t scherp of stomp is.
De formules (32) en (33) hadden wij ook kunnen afleiden met behulp van (31).
Immers:
cos 3f = to,, Mi/;, nei = aA ((i -|r ci3 --V] hi b, h.A
3 ~f^r) â 'â 'l2 ^I2) -JT iaia3 Ms quot; quot; cic3) â ~JL' â
COS I â ~~ 'f7 (aia3 ^1^3 c1c3) 'fj'T (fl32 ^32 c32) â fj Door combinatie der formules (32) en (33) vinden wij nog:
v
x y z xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;' z'quot;
2)i
tci Jf:
yquot;2 oquot;2'
(34)
â = (xquot;
K
dïi
Deze uitdrukking zullen wij gebruiken ter berekening van -j-- of Jf'.
x y z xquot; yquot; z' xquot;'yquot;'z
) l/(.rquot;2 yquot;2 zquot;*-squot;2) X
v ^ 1 o / quot; lil i n m i u m nii ui
2 X * ó (x x 1/ y -h z z âss
1 x' if z' -squot;2)i X | xquot; yquot; zquot; ; xquot;quot;yquot;quot;zquot;quot;
(xquot;'2-\- y'
Differentiatie van (34) naar t levert:
JC' _ _J.
cos2 JC
\x y z
â quot; // n \
\x y z
â m m m
\x y z |
waarin xquot;quot;) zquot;quot; voorstellen de 4do differentiaalquotiënten der coördinaten naar t. gemakkelijk vindt men door differentiatie van vroegere formules:
nquot;iA i ,.quot;i i '' \ xy zquot; ss ââ¢z âyy ~zz i qm'2/â¢quot;21 w'!2i y
.9 fJ2 {.i y z -s fi s,r._x.x...._Yr._z.zl.,\ sf)2 {x y z
O t ~ 11 , 111 i n m i ii.ii
ó(x x 4- y y z z Maken wij nu gebruik van (32) dan vinden wij :
x y z s xquot; yquot; zquot; s I x'quot; y'quot; z'quot; s j xquot;quot;yquot;quot;zquot;quot;s
â yy -zz
X
0 0
\x y z : xquot; yquot; zquot;
âin â.in ^jn
Jf' =
i)i
qquot;2
,xyz s xquot; yquot; zquot; squot; \ _ n x'quot; y'quot; z'quot; s'quot; â xquot;quot;yquot;quot;zquot;quot;squot;quot;
___D__
s'd2'2(xquot;2 ijquot;* zquot;2-squot;2)l
of indien
Wl]
stellen :
. . . (35)
3f'
i
27
§ 19. Ter berekening van den hoek tusschen 2 opeenvolgende rectificeerende lijnen maken wij gebruik van (15) waarin wij moeten substitueeren volgens (30):
|
Nu is volgens (17): |
| ||||||||||||||||
Vorder is: 1)
Pi' ~~ P I â Zquot;Squot; i X D enz. en dus :
|
z' s' . // / |
2 quot; |
x' s' tr nn |
2
|
!/' s' .J' |
|
z s |
X S |
U s |
1 [12= D2 x \
\ pqr \\ /
:.s'2(a:quot;2 lt;/quot;2 ^quot;2-squot;2) x D2.
Hiermede vinden wij , indien wij de grens van den hoek tusschen 2 opeenvolgende rectificeerende lijnen gedeeld door dt, V noemen:
r2 _. s'v2 ,r- 0quot;2 - xquot;2) x D2
s'4^'4 («quot;2 //quot;2 zquot;quot;- â squot;2)4
D
= K'.....
. . (36)
en dus afgezien van het teeken:
U
V2 //quot;2 z'quot;1 â squot;2)^
§ 20. De uitkomst der berekening in § 19 leert ons dat de verandering, welke de hoek tusschen raaklijn en rectificeerende lijn bij overgang tot het volgende punt der kromme ondergaat, gelijk is aan den hoek tusschen de beide correspondeerende rectificeerende lijnen. Ontwikkelt men dus het rectifioeerend oppervlak in een plat vlak, dan vallen elke twee opeenvolgende raaklijnen na die ontwikkeling in elkanders verlengde d. w. z. de kromme lijn gaat bij die ontwikkeling over in eene rechte lijn.
Tot dezelfde conclusie komt men ook door op te merken, dat in elk punt der ruimtekromme het kromtevlak der kromme loodrecht staat op het raakvlak aan het rectificeerend oppervlak in het beschouwde punt (d. i. het rectificeerend vlak der kromme); de ruimtekromme is dus eene geodetische lijn op het rectificeerend oppervlak d. w. z. zij gaat bij ontwikkeling hiervan over in eene rechte lijn.
Het is naar aanleiding van deze eigenschap dat Lancuet in zijne reeds aangehaalde verhandeling aan het oppervlak dat wij nu besproken den naam van rectificeerend oppervlak gegeven heeft.
1
E, Baltzer. Theorie und Anwendung der Determinanten, 2quot; Aufl; § 6, 2.
28
§ 21. Langs twee wegen kunnen wij berekenen de coördinaten van een punt der keerlijn van het reotiliceerend oppervlak. Wij kunnen liet namelijk beschouwen als het snijpunt van drie opeenvolgende rectificeerende vlakken, of als het snijpunt van twee opeenvolgende rectiflceerende lijnen.
De vergelijking van het rectificeerend vlak is volgens (13);
s z squot; zquot;
(?-*)
(v -y)
(?-*)
= 0.
/ / n
s y
Moet men nu het snijpunt bepalen van dit vlak met de beide rectificeerende vlakken in de beide volgende punten der kromme, dan moet men deze vergelijking combineeren met die, welke er door tweemaal naar ( te differentiëeren uit voortvloeien. Dan zijn echter $, y, £ niet meer loopende coördinaten, maar de coördinaten van bedoeld snijpunt.
Bij bovenstaande vergelijking moeten dus nog gevoegd worden:
s y
m /,
8 J
(v- y)
= 0.
s' z' 'I
(t â x) s X _|_
,s z s'quot; zquot;
|
(? - | ||||||
|
s X \ . / \ \ squot;quot;xquot;quot;\\ 4 |
|
(? - | ||||
= _ s'(xquot;2 yquot;2 zquot;2 - squot;2).
Hieruit volgt:
S X
I
s' x' | squot;'xquot; |
s' X squot;quot;
â ,S' «
-s z
(? â«) X
s
.s' x 1 squot;'xquot;'\
â¢s y
//// nn
X
|
s y squot;yquot; s' y y'quot; |
|
\s,y,u
* y
. 9Yrquot;2-^)/quot;2-l-?quot;2_ (iquot;2)|s y â8 y H'zquot; S(X y z s yj s'y'quot;â Squot;'y' s'zquot;
De eerste determinant kan herleid worden tot:
h y
s' vquot;
squot;yquot;'
â s y
Jquot; '
-s y -8'quot; yquot;
s x
r / /f n / n n /
x s y â .s y s z â s z
ngt; I / /n m ' / / m m lt;
â .s x s y â s y s z â s z
I mil /* nn n n' / inn nn /
â s x s y â .s y s z â s z
S X âS X
s' x'quot; âsquot;' x' squot;xquot;' â s'quot; xquot;
s z â s z s' zquot;'â z' squot;z'quot;â s'quot; z'
0
â squot; x'
â s'quot; x'
1
0
-squot;y' -squot;'y'
0 â ]
I sx s'xquot; s'xquot;
s y s'yquot;
,S X
s' xquot;
â ,S X
â s'quot; x'
â s'quot; xquot;
s y
y
squot;y
s z âs z s s' z'quot; âSquot;'z' squot;' squot;zquot;'-squot;'zquot; 0
= âsquot;2D.
âin n
â s y
nn / t nn nn / j nn
â s x sy â s y s z -
0
s'zquot; âsn s'z'quot; - squot;
0
â 1 y z squot; yquot; zquot; squot;'yquot;'zquot;'
â s
(37)
X
enz.
D
De tweede determinant is volgens eene vroegere herleiding: en dus is:
t . _ x'quot;2 y'quot;1 â ®quot;2 -
s y z squot; yquot; zquot; s'quot;yquot;'zquot;
29
Maar wij kunnen ook het snijpunt bepalen van twee opeenvolgende rectificeerencle lijnen. Volgens (30) zijn de vergelijkingen der rectificeerende lijn:
s' z' x'
s x y squot; xquot; yquot; s'quot;xquot;'yquot;
s y z squot; yquot; zquot; squot;'yquot;' z'quot;
= C - :
(?
{â¢i â y)-
x) :
Hieraan moeten toegevoegd worden de vergelijkingen der volgende rectificeerende lijn, welke, wanneer wij v, ? de coördinaten van het snijpunt noemen, de volgende betrekkingen opleveren:
Z X
n n
Z X I
§ â x
y
X
S Z X
squot; zquot; xquot; squot;'zquot;'xquot;
s y z squot; yquot; zquot; j s'quot;y'quot;zquot;'\
s 1/ z squot; yquot; z' squot;'yquot;'z'-\
â¢s1 y z
Squot; \r zquot; | squot;quot;yquot;quot;zquot;quot; \
S Z X
squot; zquot; xquot; I s'quot;zquot;'xquot;'\
10 X
s
squot;
snquot; zquot;quot;xquot;
|
! s x y \ n // * n \s x y m nt' m is x y |
|
2 X |
Stellen wij de gemeenschappelijke waarden der 3 eerste vormen A en der B laatste vormen /-4, zoodat dan A en ft, voorloopig nog onbekende, functies van t zijn, dan gaan do 3 laatste vergelijkingen na substitutie uit de 3 eerste over in:
s x y \ squot; xquot; yquot; 1 squot;quot;xquot;quot;yquot;quot;\
y z
â ij. x squot; yquot; zquot; =0 enz.
is y z i
s y z squot; yquot; zquot; squot;quot;yquot;quot;zquot;quot;
x' A x
De determinant van het laatste stelsel vergelijkingen, is na oplossing volgens de elementen der l8'c kolom, afgezien van het teeken:
|
iv ^ |
x' |
Is' |
z |
x' |
1 |
s' x' |
y' \ |
s' x' y' | | |
|
«quot; zquot; |
xquot; |
Is' |
z |
' xquot; |
squot; xquot; |
yquot; |
squot; xquot; yquot; | | ||
|
squot;quot;zquot;' |
i i n i X |
is' |
' z |
quot;xquot;' |
y' x! |
xquot;quot;xquot; |
quot;yquot;quot;\ | ||
|
x' X |
y' |
i / | |||||||
|
! s' x' |
1 s' |
X |
y' i |
*' y' |
z' |
s y z \ | |||
|
squot; xquot; |
! ! y |
u |
' uquot;1 |
squot; yquot; |
zquot; |
squot; yquot; zquot; j | |||
|
1 6* X |
inn y |
18 |
'x |
quot;yquot; |
i |
quot; z'quot; \ |
i n m in s y z | | ||
Ls y z
⢠n n
Js y z lsquot;quot;yquot;quot;zquot;'
s y z squot; yquot; z s'quot; y'quot; z
-z x
\ s' z' x! j | s' z' x squot; zquot; xquot; squot; zquot; X
S!i|xD:
S Z 1
\S X
â x X i // //
1 S X
XD /X XD 0'X
,S' X'* y'* z'* |xD_0 n in, in, I I n 1 ^ ^
s xx -\-y y -\-z z \
volgens de herleidingsformules in § 19.
Deze vergelijkingen zijn dus van elkander afhankelijk, een gevolg van de omstandigheid dat twee opeenvolgende rectificeerende lijnen elkander snijden.
30
Vermenigvuldigen wij de drie vergelijkingen resp. met y', z' en tellen op, dan vinden wij:
|
0 |
x' y' z' |
0 |
x' y' z' | |||
|
s'2 â A X |
s' // |
x' y' z' II . // II |
!«â X |
s |
x' y' z' / n // n |
II O O |
|
s |
cc y z |
s |
x y z | |||
|
s'quot; |
xquot;quot;\fquot;quot;zquot;quot; |
.s* |
quot;xquot;' y'quot; z'quot; | |||
|
x' y' z' |
x' y' z' | |||||
|
S' A |
X |
xquot; yquot; zquot; |
â /M. X |
xquot; yquot; zquot; |
= 0. | |
|
xquot;quot;yquot;quot;zquot;quot; |
x'quot;yquot;'zquot;' | |||||
Vermenigvuldigen wij deze vier vergelijkingen resp. met: en tellen op dan vinden wij:
en .squot;
S X H z squot; xquot; yquot; z 8quot;'xquot;' y'quot; z'quot; squot;'xquot;'yquot;'z'quot;
z'z'quot; s' s'quot; = 0,
of:
â XX âyy
j s x 1/ z
. ^ ! squot; xquot; Ijquot; zquot; 1 .
1 squot;' x'quot; li'quot; zquot; ' quot;tquot; ^ ^
I 1
A x D xquot;- y'
zquot;i _ squot;2 = o,
of:
xquot;* yquot;*
D
Met behulp van deze waarde voor A vinden wij dezelfde waarden voor § â x enz. als in (37).
Noemen wij den afstand van een punt der ruimtekromme tot het correspondeerende punt der keerlijn van het reotificeerend oppervlak L, dan volgt door vergelijkiijg van (30) en (37):
(38«)
_ s'02' {xquot;'1 //quot;2 *quot;2 - squot;2)2 D
Door gebruik te maken van de formules (35), (16) en (33) kan deze uitdrukking geschreven worden in den vorm:
r s' sin 3C
r .............(385)
Opgemerkt moet worden dat D, L en K' hetzelfde teeken hebben.
§ 22, Nu wij eenmaal de coördinaten van een punt der keerlijn van het reotificeerend oppervlak gevonden hebben, kunnen wij de belangrijkste kromtegrootheden dier lijn bepalen.
Hiertoe beginnen wij met do differentiaalquotiënten dier coördinaten naar t te bepalen, namelijk £', j/ en waaruit wij door in het quadraat te verheffen en op te tellen het element er' dier keerlijn vinden.
Uit (37) volgt door differentiatie:
|
£Cquot;2 /'2_)_^quot;2_squot;2 =, -------x S If z *quot; yquot; *quot; squot;quot;yquot;quot;zquot;quot; |
2{xquot;xquot;' yquot;yquot;' zquot;zquot;'âsquot;squot;') D s y z squot; ijquot; zquot; squot;'yquot;'zquot; |
X
31
squot;2) x D' 1 s ââ- x
z I squot; ijquot; zquot; squot;'yquot;'zquot;' |
(aquot;quot;2 //'
D'2
z zquot;
y
h
y y'
D'=
xquot;quot;'yquot;quot;' z'quot;quot; s'quot;quot;
indien wij stellen:
Indien wij de beide eerste termen onder den gemeensclmppelijken noemer D brengen, wordt de teller:
0 0
y
/f n
// 11
/ //// ntinnini
\xx y z s
x'2 if' z'
x'xquot; yquot; zquot;
' v' vquot; ~~z'zquot;' v quot;z quot;
x'xquot;quot; yquot;quot;zquot;quot;
W
â squot;squot;') x \ y
\y'
z s
V z' s 'âs'squot;quot;)x\yquot; zquot; squot; \yquot;'zquot;'squot;'
= ~~(x'xquot;quot; y,yquot;quot; z,zn
= 3 {xquot;xquot;' yquot;yquot;
z s
Hiermede wordt:
s' y' z'
li ' n n
s y z
ju m m
8 y z
s y z
n ' // n
8 y z
nr' m m
s y z
w _ 5 (xquot;x'quot; yquot;yquot;' -f zquot;zquot;' - squot; squot;') v
(Xquot;-2 //quot;2 2quot;2_ Squot;2)xD'
of:
X
D
x
x
x x
x
D2
s' y' z' squot; yquot; zquot; squot;'yquot; zquot;'
8
s y z squot; yquot; z' squot;'yquot;'z
1
D2
xE enz. (39)
h(xquot;xquot;' -^yHy'quot; zquot; z'quot;â^' s'quot;)
quot; y'quot; z'quot; s'quot;
m nn nu
y z 8
//// //ÆÆ/ ânnt cJquot;n tj Z O
y
o 0 0
indien wij stellen:
x
x'quot; y'quot; zquot; xquot;quot; yquot;quot; zquot;quot; squot;quot; xquot;quot;'yquot;'quot;zquot;quot;'squot;quot;'
y yquot;
= E.
X
D2
z' s' 0
zquot; squot; 0
quot; s'quot; 0
a:quot;2 2/quot;2_)_^quot;2_squot;2
b(xquot;x'quot; yquot;yquot;' zquot; z'quot; - squot; s'quot;)
Hieruit volgt door in het quadraat te verheffen en op te tellen in verband met (17):
t' = ± s'62' («quot;2 yquot;'2 zquot;* â squot;2) x E........(40«)
waarin het of â teeken moet genomen worden al naarmate E positief of negatief is, Indien wij nagaan hoe E ontstaan is, dan vinden wij terstond:
squot;2)5 J'
quot;2 âquot;2'
yquot;2 zquot;* â
X
D
(xquot;2 ?/quot;2 ^quot;2_squot;2^ en dus, afgezien van het teeken :
E
[
Ã]'
{xquot;2 y
yquot;2 _ oquot;2'
«quot;2 .
. . . (40/)}
X
D
]/ (x'quot;1 y'quot;2 zquot;2 â squot;2)
s%'
32
Dit wordt bij gebruikmaking van (16), (38), (35) en (38b):
1 fs'sin2 JfT [LsinJt]' , .n .
' = TÃT xL^i^Jquot;linTr........^
waarmede de uitdrukking gevonden is, zooals zij o. a. bij de Saint-Venant (loc. cit.) voorkomt.
§ 23. Met behulp der in § 22 gevonden uitdrukkingen zullen wij bepalen do richtingscosinussen van raaklijn, hoofd- en binormaal der keerlijn van het rectificeerend oppervlak. 1°. Richtingscosinussen van de raaklijn: as.j, p.,,
Door toepassing van (6) vinden wij:
â squot;2) = l enz. j volgens (30) |
i s' ij' z' 1
= e' ; cr' = squot; tjquot; zquot; \ : s' (J2' (a;quot;2 (/quot;2
I /n m m
I s ,'/ « 1
De raaklijn aan de keerlijn van het rectificeerend oppervlak en de rectificeerende lijn hebben dus dezelfde of tegengestelde richting, al naarmate E positief of negatief is. 2°. Richtingscosinussen van de hoofdnormaal: /^2) quot;/i-Volgens (10) is:
n yn
' |2 | y
quot;T i l'^ll
«o ==
* k
Nu is volgens § 22: % â ± l en dus = (Z uquot; l' cr').
Hiermede wordt:
t'
H I
r v
= K ,0
~ \ lt;7 l 7'
= lt;t'H'
cr' ? 5-'
a-quot; {Itquot; l' t')
waar het of â teeken wordt genomen, al naarmate E positief of negatief is.
De noemer wordt dus:
(r'2J/[z'2 m'- w'2J â ir'2 Jf' (volgens § 19)
waarin het of â teeken moet genomen worden, al naarmate 3f' (en dus ook D) positief of negatief is.
Hiermede vinden wij:
«2 â
of â teeken moet genomen worden, al naarmate E en D gelijk of ongelijk
waarin het
teeken bezitten.
Wij zullen nu berekenen l'.
Volgens de notatie van § 19 is: l = p ^ (pquot;1 q1 r2) en dus:
V
r
enz.
q (p'q âpq') r jp'r â pr') (p2 -h q2 r2)l
l'
of
33
«' //' , \ squot;y \)
D
^ 'a /1 '3 / âquot;'2
x ;
s' x' z' X j J 0
squot; xquot; ⢠s 1 s
S'3V3(a;quot;24.2/quot;2 ^2_squot;2)3
De vorm tusschen | | kam geschi'even worden
quot;y' gt;lt; S
/ / . .
- ,!/ X
(i s' z' x' X 11 squot; zquot; xquot;
â¢s' H
n
s li
llquot;1 zquot;1 y'yquot; z'zquot; I
y'yquot; z' zquot; yquot;2 z'quot;1
/ ⢠/ /
S .T IJ
squot; xquot; Ijquot; s'quot;x'quot;yquot;'
/ m , ./ .///
y y z z
n m , n in
y y z z
yquot;'x 3J J I s I
S X
1 s
â X
s x
/1 II
S X
s' (^quot;2 yquot;'l ^quot;2 _ ,.quot;2)
s' x' | . i s' x' x'quot; ij' y'quot; z' zquot;' - s' s'quot; | squot;xquot; j I squot; xquot;xquot;' yquot;yquot;' zquot;zquot;' â squot;squot;'
|
O s' («quot;2 y'quot;1 zquot;quot;- â squot;2) s' ,r' i»'quot; y' y'quot; z' zquot; â s' squot; ..........III. y y |
i / no I f'O 1 ^,quot;2 ^ ^ s (x ~ y ~ z 2âs *) s,âx,n |
- squot; Oquot;2 //quot;2 «quot;2 - squot;2) â s' {xquot;xquot;' //quot;//quot;' 2quot;«quot;' - squot;squot;')
Vergelijken wij deze uitdrukking met die in § 12, dan zien wij dat de vorm tusschen | | kan geschreven worden: s'2 (a;quot;2yquot;2-t-2:quot;2âsquot;2)'! X ; dus is:
â- x «o' of volgons (35):
no ntfgt;l\£ quot;
D
(xquot;2 yquot;n- 0quot;2â .squot;2)l
â r
(41)
I. = ------ X «2 enz-
Hiermede vinden wij ten slotte:
2 _ quot; ó'
waarbij wij het of â teeken moeten gebruiken al naarmate E en D gelijk of ongelijk teeken bezitten.
Uit de uitdrukkingen voor x2 enz. volgt dat a2 -l- /32 b2 y2 c.2 â 0 in overeenstemming hiermede, dat de hoofdnormaal van de keerlijn van het rectificeerend oppervlak gelegen is in het rectificeerend vlak.
1
De uitkomsten in deze § ^ook (-U)J vinden wij bij Catalan (loc. cit.) echter zonder de onderscheiding der
2
verschillende gevallen met betrekking tot het teeken.
34
3quot;. Richtingscosinussen van de binormaal ;3a) y3. Volgens (12) is;
| ||||||
|
'2) |
â¢' i/ r2 4-
â
De noemer is dezelfde als onder 2°. en dus = crquot;2 J[' waarbij het moet genomen worden, al naarmate D positief of negatief is.
De teller wordt met de notatie van § 19, volgens (39):
of
teeken
gE q'E qE'
qr = q'r'
s' x'
S X
squot;xquot;
dus is :
rE ! â W2
r'E ('E' ! â ^
E2 D *'2 T
s x squot;xquot;
X
-
= a2 enz.
s' )/ (^quot;2 yquot;* zquot;2 _ ,,quot;â gt;)
waarbij het â â of teeken moet genomen worden, al naarmate 1) positief of negatief is.
Afgezien vanquot;de richting loopt dus de binormaal van cle keerlijn van het rectificeerend oppervlak evenwijdig met de hoofdnprmaal der kromme in overeenstemming met het meetkundige theorema, dat het kromtevlak van die keerlijn is het rectificeerend vlak der ruimtekromme.
§ 24. Vatten wij de gevonden resultaten nog eens samen in het volgende schema.
|
E gt; 0 |
E lt;0 | |
|
1 |
n| | |
|
JC'gt; 0 Lgt; 0 |
3C'gt; 0 Lgt; 0 | |
|
Dgt;Ã |
= 1 x.2 = a2': 0,2' |
xi = â l «2=-a2':^ |
|
«3 = â «2 |
x3 = â a.2 | |
|
T lt;0 Llt;0 |
3r lt;0 L lt;0 | |
|
Dlt;0 |
= -}- l *2 = -a2':ö2' |
»i = â l x.2= (fg : óy' |
|
^3 = a.2 |
«3 = «2 | |
|
iiij |
IV |
Hierbij moet nog opgemerkt worden dat (ilk van deze vier gevallen gesplitst kan worden in twee ondergevallen; immers indien ^'3 \ 0 dan is 21 scherp en indien ^'3 0 dan is Jf stomp. (Zie (32) en (33)).
De onderlinge stand der verschillende lijnen blijkt uit de figuren (zie pag. 35); hierbij is ondersteld dat een gedeelte van het rectificeerend oppervlak is neergeslagen in het rectificeerend vlak van het beschouwde punt der ruimtekromme, welke dus zelf eene rechte lijn is geworden. Tevens zijn dan in die figuur aangewezen: de raaklijn (R), hoofdnormaal (H), binormaal (B) in het beschouwde punt C der ruimtekromme en de correspondeerende grootheden (R1, Hj, in het correspondeerende punt C1 der keerlijn van het rectificeerend oppervlak.
36
§ 25. Bepalen wij den lsten en 3den kronitelioek f/ en f3' der keerlijn van het recti-ficeerend oppervlak.
Volgens (16) is:
S vl
| ' 1
v = 1 |/(r2 wquot;2 r2 - ^quot;2) = i, v
(T G quot;
|
Nu is volgens de afleiding in § '23, 3°. ± E-D s' (xquot;* ijquot;quot;- z'quot;1 - .iquot;2)i ~~ s'2 d2'2 E2 (xquot;2 t/'2 zquot;2 â *quot;2 )2 = |
â E-D x 1 i ; dus is: = ± K'. sa; ' 2 ^quot;2 . ,,quot;2 ( yquot;2 _ 9quot;2gt; D s'62'2{xquot;2 yquot;r' |
Hierin moet liet of â teeken worden genomen, al naarmate D (en dus ook Jlquot;) positief of negatief is.
Deze uitkomst was te verwachten want de lste kromtehoek der keerlijn is de hoek tusschen twee opeenvolgende rectificeerende lijnen.
Ter berekening van s3' maken wij gebruik van (18), dus is:
amp;' ./ y' ]
s o S '
wr n |
t V, ^
E^D^s' d:'
c3 â (7'(r2 )*quot;2 r2-lt;'-quot;2)
De noemer is volgens vroegere herleidingen:
Equot; D2 s,2(V'2 yquot;2 zquot;2 - squot;2) â s' 02' E(a;quot;2 yquot;2 0quot;2 - squot;2)
waarin het of â teeken moet genomen worden, al naarmate E positief of negatief is. De teller wordt, afgezien van het teeken, met de notaties van § 19:
yjE qE rE
p'Ej pE' c/E ryE' -/''E rE'
pquot;E 2p'R' pEquot; (^quot;E â â 29'E' (/Equot; /'E 2r'E' »-E'
of indien wij de minoren van D invoeren:
p q r p'q'r' : p'Yrquot; I
= E3 x
s z x
s x y squot; xquot; yquot; squot;quot;'xquot;quot;'yquot; M zquot;gt; M Zquot;quot;
s
squot; y
nni ///// mn
s y z
E3 x
M.
Mx'
y
M
lMXquot; Myquot; M 2quot;
= âE3 x ! M rquot;' Myquot;'
MXquot;quot; Myquot;quot; M Zquot;quot;
De eerste determinant is volgens de theorie der geadjungeerde determinanten â s' D2. Wanneer wij van den 2den determinant er een maken van de 4lt;l0 orde door eene eerste rij 0, 0,0, â 1 en een rechterkolom:
j .r y z â 1, â 1 xquot; yquot; zquot;
1 1 nn nn 1 . mn
'X y z
, Msquot;' Msquot;quot;
37
bij te voegen en daarna met D vermenigvuldigen, vinden wij 0 tot product, dus wordt de teller afgezien van het teeken s' E3 D2 en:
s' E3 D'2
£'3= g' E3 D2: y â T
waarbij het â of teeken moet genomen worden, al naarmate E positief of negatief is. Afgezien van het teeken had dit resultaat ook afgeleid kunnen worden uit de in do vorige § gevonden uitkomst, dat de binormalen der keerlijn evenwijdig zijn aan de hoofdnormalen der ruimtekromme. Wat het toeken betreft is aan de formules van Sekket voldaan.
-quot;2 I y,' r I y,quot;*quot;
§ 26. Bepalen wij ten slotte de vergelijkingen der rectificeerende lijn van de keerlijn van het rectiflceerend oppervlak, de ârectificeerende lijn van de 2de orde.quot; Wij beginnen met de richtingsgrootheden dier lijn; hiertoe berekenen wij eerst volgens (30):
| |||||||||||||||||||||||||||||||
|
t ? f-n k 1 ^ y vu £quot;2 . |
Deze uitdrukkingen hebben wij in de vorige §§ reeds leeren berekenen; gemakkelijk vindt men hieruit dat de richtingsgrootheden der rectificeerende lijn van de 2lle orde evenredig zijn met:
D X 1 Vfn
s tt z squot; ijquot; zquot; squot;'yquot;' zquot;
,1 X
enz.
óp{xquot;* yquot;* zquot;* - squot;2)
In verband met (37) volgen hieruit de vergelijkingen der rectificeerende lijn van de '2lle orde indien wij de loopende coördinaten voorstellen door X,Y, Z;
S X
I squot;xquot;
D x
xquot;2 yquot;
Kâx
s' 62'2{xquot;2 //quot;2
D
|
s quot; X |
|
8 y n n gt;s y |
en 2 dergelijke vergelijkingen voor de beide andere coördinatenassen.
Hieraan wordt voldaan door een punt welks coördinaten voldoen aan:
8 X
1: s' l'2.
;X--x):
(Y-t/):} ! = (Z-^);
Dit is een punt van de hoofdnormaal der ruimtekromme en de afstand van dit punt tot het punt der ruimtekromme is:
]/ (X-^ tY-^ tZ- z)
(42)
L'*
38
De reotificeerende lijn van de '2de orde snijdt dus de hoofdnormaal in een bepaald punt. dat wij in een der volgende lioofdstukken nog eens zullen ontmoeten. Het blijkt dat dit punt altijd gelegen is op het positieve deel der hoofd normaal.
Wij kunnen deze uitkomst nog nader in verband brengen met de § § 23, 24 en 25. Daalde binormaal der keerlijn evenwijdig is aan de hoofdnormaal der kromme, en de raaklijn aan de keerlijn die hoofdnormaal snijdt, gaat het rectifioeerend vlak der keerlijn door de hoofdnormaal der kromme en moet dus de reotificeerende lijn van de 2d8 orde die hoofd-normaal snijden.
Noemen wij den hoek tusschen de rectifioeerende lijn van de Is'0 orde en die van de 2de orde Jf j, dan is volgens (32) en (33) :
cos 3L = â âen sin Jf , = â
f2 f2 '
Hieruit volgt in verband met § 25 dat If, scherp of stomp is, naarmate E positief of negatief is ; dus is JC,! scherp in de gevallen T en ITT, stomp in de gevallen IT en IV. Graan wij nu na hoe in elk der 8 geteekende gevallen de rectificeerende lijn van de 2de orde loopt, dan zien wij in, dat het snijpunt met de hoofdnormaal aan de voorzijde gelegen is. ')
§ 27. Met behulp der uitdrukkingen, die in verband met het rectifioeerend oppervlak zijn afgeleid, kunnen wij eenige ruimtekrommen bepalen die aan zekere voorwaarden voldoen.
A. Voor welke ruimtekrommen is de verhouding tusschen lstel1 en 3den kromtehoek constant ? 1)
Uit (34) volgt dat voor deze krommen Jl' constant is en dus JC' â 0 wat volgens (35) wordt uitgedrukt door:
' ü' z' s' |
Zn, =0..........(43)
x ij z s v 7
//// gt;quot;t m !m
gedaante:
D
xquot;quot;yquot;quot;zquot;quot; s'
Deze vergelijking levert bij integratie op:
C,s = C3y -\- (J^Z Crj..........(44)
Nemen wij nu het vlak bepaald door:
C2 ir Cg y C4 0 CB = 0 tot nieuw X O Y-vlak, dan kunnen wij (44) met verandering van constanten brengen in de
z = s cos m.............(45)
Deze vergelijking drukt de karakteristieke eigenschap van eene willekeurige schroeflijn
1
B e r t r a n d (1848), P u i s e u x (1851).
39
uit; do Z-as loopt evenwijdig aan de beschrijvende lijnen van een cylinder vlak, waarop die schroeflijn getrokken is en deze schroeflijn maakt met die beschrijvende lijnen een hoek Eene eenvoudige meetkundige beschouwing voert ons tot hetzelfde resultaat.
Immers indien K' = 0, loopen de rectificeerende lijnen evenwijdig hetgeen ook uit (38) of (41) volgt; het rectificeerend oppervlak is een cylindervlak, en de ruimtekromme is eene geodetische lijn op dat cylindervlak d. i. eene schroeflijn.
Omgekeerd kunnen wij aantoonen, dat voor eene willekeurige schroeflijn de verhouding tusschen lstlt;m en 3den kromtehoek constant is.
Wij kiezen de Z-as evenwijdig aan de beschrijvende lijnen van het cylindervlak, dan wordt de schroeflijn uitgedrukt door de voorwaarde:
z' â s' cos ot, [x constant en scherp)
Maar s'2 = a?'2 y'2 zquot;2, dus xquot;1 yquot;1 = s'2 sin2 u
Hiermede vinden wij:
zquot; = squot; cos «
x'xquot; y'yquot; = s' squot; sin2 of squot;2 =
â ' J s'2 sin4 «
Hiermede is:
xquot;2 -1_ yquot;* Zquot;1 _ Squot;2 = xquot;'l yquot;-'. squot;2 cos2 ^ _ squot;2 = Xquot;1 yquot;1 _ squot;2 sin2 ^ =
= x'quot;1 y'quot;2, ââ¢
{x'xquot; y'yquot;)'1 _ (x'yquot; â .rquot;//')2 s'2 sin2 s'2 sin2 a
Hiermede is volgens (21) en (16):
_ ,2 _ x'yquot; â xquot;y' s'3 sin a, _ (a?'2 yquot;1)^ 1 p0
^ S ' s'siniz x'yquot; â xquot;y' x'yquot;âxquot;y' ^ sin2 x sin2«'
De uitdrukking die wij pn genoemd hebben en waarbij de bedoeling is, dat zij steeds positief moet genomen worden, stelt den kromtestraal voor van de rechte doorsnede van het cylindervlak, waarop de schroeflijn getrokken is. Hiermede is dus eene bekende eigenschap van eene willekeurige schroeflijn bewezen. '')
Tevens weten wij ook dat:
x y â x y \ /
quot;i = ± ⢠( of â al naarmate xy â x y / of \ 0).
Ook is: z'quot; â s'quot;cosix
x'x'quot; y'y'quot; ,xquot;2 yquot;2 = s' s'quot; sin2 x squot;2 sin2 x of
s' s'quot; sin2 x â x'x'quot; â y'y'quot; â tt'quot;1 yquot;2 â squot;2 sin2 x â â\
s quot; sm^ x
1
Schell (loc. cit.) Cap. VI. § 13. VII.
40
Hiermede wordt:
|
X X) S COS X ' n ' n ii â = i X IJ S COS X I x'quot;l)'quot; «quot;'cos X x' ij' z' xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;'zquot;' |
i i i o 'O x ij s1 sm- x - -X I xquot; 11quot; s' squot; sin'2 x s- sm- x â x'quot;y'quot; s' squot;'sm2 x COS X |
|
x' ij' 0 xquot; yquot; 0 /in n /\ 9 COS X s' sin'2 x X xn, ,,, (xy âx y )2 s - sm- x |
cos x â -3quot;quot; (x'yquot; â xquot;u'f s ^ sm4 x J |
en dus is volgens (18):
, , cos« â ââ.,^.(x'yquot; â xquot;y')'1 (x'yquot; ~ xquot; y') cos x
â¢' - ~{Xgt;J ~x y) â _ â â quot;quot;quot;
s sm- x
s - sm- x
(J.,': 6.^ = tg x (â of al naarmate x'yquot; xquot;y of \ 0)
derhalve is deze verhouding constant.
B. Voor welke ruimtekromme zijn lste en 3lt;,e kromtestraal constant?1) De verhouding is dan ook constant dus is het eene schroeflijn. De voorwaarden van het vraagstuk worden nu uitgedrukt door:
a cos x
en :
«quot;2: y [xquot;* //quot;'2 .ïquot;2 - s'quot;2) = 9
waarin p en x constanten zijn.
Evenals onder A volgt nu uit de eerste vergelijking met behulp van de tweede:
, = ±x 1
r â 111 lil 'O
x y â x y sm2 ^
... . *0%!!
Deze vergelijking integreeren wij door te stellen Ij : x'= p, dan is:
x
p sin2 x
_ P (1 p*
en dus:
X G _ . P _ .___
P sin'2« ]/ (1 y) - )7 (a?'2 yquot;')
Deze vergelijking levert na tweede integratie:
p'1 sin4 x = (x â - G)2 (y C^2
d. i. de vergelijking van een cirkel.
De rechte doorsnede van het cylindervlak waarop de schroeflijn getrokken is, is een cirkel d. w. z. de ruimtekromme is eene cirkelvormige schroeflijn.
1
Puiseux (1842) en Bert rand (loc. cit.)
41
O. Voor welke krommen is de verhouding tussohen 3d6n en lBt(gt;n kromtehoek eene lineaire functie van den boog s?
De voorwaarde van het vraagstuk wordt uitgedrukt door:
^3' ; ö,!' = q s h of
d ( K \
Ti\T;) = 9*-
Uit (34) en (35) volgt:
«! / V \__
â dt U'/~ (a;quot;2 n'quot;1 z'quot;1 - squot;2)l
derhalve wordt de voorwaarde:
D = g {xquot;? if'quot;'- z'quot;1 - squot;2)t
Hieruit volgt: E = 0 of
volgens (40«) r' =0
d. w. z. het rectificeerend oppervlak is een kegelvlak en de gevraagde ruimtekrommen zijn de geodetische lijnen van een kegelvlak. i)
6
1
E n n e p e r (1866) en (1881.)
HOOFDSTUK III.
Het pooloppe r v Lak.
§ 28. De vergelijking van het normaalvlak is gevonden in den vorm:
{$âx)x' y)y' {Xâz)z' =0......... . (7)
Om hieruit de vergelijkingen der poollijn, d. i. de snijlijn van 2 opeenvolgende normaal-vlakken af te leiden, moeten wij deze vergelijking verbinden met die welke er door differentiatie naar t uit voortvloeit. Men vindt dan;
(s â x) xquot; 4- iyi â y) yquot; {* â z) zquot; = squot;*........(46)
De poollijn wordt dus bepaald door de vergelijkingen (7) en (4()).
Noemen wij de richtingseosinussen der poollijn f\ lt;/, h, dan volgt uit beide vergelijkingen:
ix' y' i' s' y (xquot;2 yquot;2 zquot;2âsquot;2)
1 xquot;yquot; i
____L__=_i._=_h._=_;__1_ (47)
y'z' I | z' x' i v i T .quot;2 aquot;2\.....v*'}
yquot;zquot; | 1 zquot;xquot;
Door vergelijking met (12) volgt hieruit dat de poollijn evenwijdig is met de binormaal. Bepalen wij het snijpunt van de poollijn met het kromtevlak. Hiertoe moeten wij (7) en (40) verbinden met (8). Wij vinden: (zie § 7):
X â Pf X «2 enZ-
Dit snijpunt is het kromtemiddelpunt in welk punt dus de poollijn loodrecht op het kromtevlak staat.
§ 29. Wij kunnen een punt van de keerlijn van het pooloppervlak beschouwen als het snijpunt van drie opeenvolgende normaalvlakken. Het wordt dus bepaald door het stelsel vergelijkingen:
(| â x) x' (yi â y)y' (? â «) = 0........(7)
(? â x) xquot; (y â y) yquot; (£quot; â ^) 0quot; = s'2 ......(46)
(5 - x) x'quot; (^ - ?/) y'quot; (C - «) = 3 s' squot;......(48)
43
(49)
uit welke vergelijkingen voor de coördinaten van het punt der keerlijn volgt:
Maar behalve als snijpiint van drie opeenvolgende normaalvlakken (of als snijpunt van twee opeenvolgende poollijnen) kan dit punt ook beschouwd worden als het middelpunt van het bolvlak, dat met de ruimtekromme eene aanraking van de 3de orde bezit, zooals uit de volgende afleiding blijkt.
Zijn toch de coördinaten van het middelpunt van dit bolvlak £, ? en de straal van den bol E, dan wordt de voorwaarde dat dit bolvlak door vier opeenvolgende punten der kromme moet gaan, uitgedrukt door:
(50)
(7) (4(3) (48)
(£ - x)2 (â¢-, - yf (C - zf = R2 . (£ â x)x' (? â 2) 2' =0 â¢
(| â x) xquot; {yi â y) ijquot; (£ â 2) zquot; = s'2 . (5 - x)x'quot; (â - y)y'quot; (? - z) zquot; = 3SV'
Uit de overeenstemming der gevonden vergelijkingen blijkt de juistheid van de genoemde stelling.
De keerlijn van het pooloppervlak is dus tevens de meetkundige plaats van de middelpunten der bolvlakken, die met de ruimtekromme eene aanraking van de 3de orde bezitten en draagt in verband hiermede ook wel den naam van âlijn van sphaerische kromming
§ 30. De grootheden | â â £, enz, in (49) voorkomende, zijn de projecties van den straal van den kromtebol op de coördinaten-assen. Om dien straal te bepalen zou men volgens (50) die uitdrukkingen in het quadraat moeten verheffen en optellen.
Zeer eenvoudig geschiedt deze herleiding door toepassing van eene methode die ook in andere gevallen goede hulp verleent. Wij zullen namelijk den straal van den kromtebol projecteeren op de assen van het bewegelijke coördinatenstelsel dus op raaklijn, hoofdnormaal en binormaal.
a. Projectie op de raaklijn: (volgens (6)).
0 x' 1/ z' I 2' j s' xquot; ijquot; zquot; \
/ - i O J! ~JH III m
rt' ' r\ Q W tl V
x' y' z' I xquot; yquot; zquot; = 0. xquot;'yquot;' z'quot;
(§ â x) X (^ â IJ) X -y- (?â«) X
3ii m nt mii m nt m
s x y z I 0 x' y' z' \
Derhalve: de straal van den kromtebol is in het normaalvlak gelegen. h. Projectie op de hoofd normaal: (volgens (11))-
75» y) x
u
|
y /I O s' 3squot; O x xquot; xquot; y v' s x âs x s y â s y s z â s z |
Xquot; lquot; zquot; X |/(^quot;1 //'2 «quot;2- squot;2) : /// /// /// x y z |
O x' y' z' s' xquot; yquot; zquot; 3squot;x'quot;t/quot;zquot;' â s'2o b o i |
V s
yquot;
x)/(a
(51)
â .squot;2)
z
m
Pi
y(x'
squot;2)
yquot;* «quot;2 â
c. Projectie op de binormaal: (volgens (12)).
(?-^x
x)x
(v â y) x
-n
s' |/(xquot;2 ?/quot;2 ^quot;2âsquot;2)
V z yquot; zquot;
s'\/(Xquot;* yquot;* Zquot;
^ X
zquot;xquot;
| ||||
|
s'l/(^quot;2 «/quot;2 ^quot;2- squot; |
0 y' z' quot; zquot;
0
s' xquot; \squot;x'
/â¢
â :x y
3s'Vquot;quot;quot;'l Xquot;,J'
X z xquot; z'
X ]/ {x'^ iy'^ zquot;2â squot;2) =
x â
i s !â ' (ISs'V
m â¢y % \ |3 li^.in\
m m tu.
\x 1/ z \
1
quot;7quot;
|
0 x' y' I U I. s x y /* n y | ||||||||||||||
|
0 x' y' z' .s' x' yquot; zquot; 3squot;xquot;'yquot;'zquot;' |
|
X )/ (x'quot;1 yquot;- zquot;2 â | ||||||||||||
squot;i s'2 _|_ s'squot; 3s'squot; x' xquot;' y' yquot;' z' z'
s'squot; s'2 xquot;2 yquot;2 zquot;2 3 s' squot; xquot;xquot;' //quot;//'quot; zquot;zquot; 0 s'2 3,s'squot;
\x y z xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;'zquot;'
xy(xquot;2 yquot;2 zquot;2-squot;2):
s' 0 x' xquot;'Jt.y'yquot;' z' zquot;'âs' squot;'\ \x' y' z'
\squot; zquot;iâ.squot;i xquot;xquot;' yquot;yquot;'-\-zquot;zquot;' - squot;squot;'\ : xquot; yquot; zquot;
0 s'2 ' '3s'squot; | xquot;'y'quot;zquot;
X )/(xquot;24-yquot;2 0quot;2-squot;2)=
Immers uit (21) volgt door differentiatie;;
2s'squot; {xquot;2 yquot;2 zquot;2âsquot;2) - s'2 [xquot;xquot;' yquot;y'quot; zquot;z'quot; - squot;s'quot;) |/(.tquot;2 yquot;2 4- «quot;2 â squot;2)3
waaruit in verband met (18) bovenstaande uitdrukking volgt.
Indien wij nu de drie gevonden projecties in liet quadraat brengen en optellen, vinden wij:
R2 = Pi2 (Pi 'â V)2............(53)
1
s'2squot; {xquot;2 yquot;2 0quot;2 - squot;2) â s'2 {xquot;xquot;' yquot;iyquot;' zquot;zquot;' â squot;s'quot;)
2
X )/ {xquot;2 yquot;2 0quot;2 - squot;2)
46
§ 31. De richtingsoosinussen van den straal van den kromtebol zijn:
(£ â x): R enz.
Noemen wij nu den hoek tusschen den straal van den kromtebol en de hoofdnormaal a, dan vinden wij gebruik makende van (61):
Pi
(54)
cos x =
R
Noemen wij den hoek tusschen den straal van den kromtebol en de rectificeerende lijn (3, dan vinden wij uit (30) en (49):
|
s' y' z' \ squot; yquot; zquot; \ X squot;'yquot;'zquot;' | |
0 y' z' s' x' z' s' yquot; zquot; | cos /3 = 3s' |
iS'yquot;0quot;' 0 x' z' | I n n \ S X z ⢠Zsquot;x'quot;z'quot; s' x' y' squot; xquot; yquot; squot;'xquot;'yquot;' |
\ 0 x' y' X s' xquot; yquot; iSs'vy |
: ö.,' R(a;quot;2 -t- y'quot;2 4- zquot;* - squot;2) x
x y z xquot; yquot; zquot; x'quot; y'quot; z'quot;
Nu is:
s' x' y' z' squot; xquot; yquot; zquot; squot;'xquot;'yquot;'z'quot;
0 x' y' d X s' xquot; yquot; zquot; 3squot;xquot;'tjquot;'zquot;
x y' z' xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;'zquot;'
i I
f '19
x y z \2 xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;'zquot;'\
s' Squot; Xquot;ï. yquot;2 Zquot;1
s'2 s'squot;
d,s' squot; x'xquot;' y'yquot;' z'zquot;' 'ósquot;2 xquot;xquot;' yquot;yquot;' zquot; z'quot; 3,squot;.squot;' xquot;'2 //quot;2 0quot;'2
x'xquot;' y'iyquot;' z'zquot;' s' squot;' xquot;xquot;' tjquot;y'quot;-\-zquot;zquot;'
Bs'squot; x'x'quot;y'yquot;'-\- z'z'quot; 3squot;2 -t- x'xquot; y 'yquot;
x' x'quot; y' y'quot; z' zquot;
â y
= - {x'quot;2 yquot;2 z'quot;2 - squot;2) x
s ^
xquot;2 yquot;2
xquot;x'quot; yquot;yquot;'
3squot;squot;'_u Vquot;2 _x_ ,/quot;2
a?quot; - y
3s'squot; x'xquot;' y'yquot;' z'z'quot; 3squot;2 4- xquot;xquot;' yquot;yquot;' zquot;z'quot;
yquot;'i _1_ yquot;1
x xquot; if y ^ zquot; \ xquot;x'quot; yquot;yquot;'. zquot;z'quot;'. â â
yquot;1
,v.quot;'2
x'x'quot;-\- y'y'quot; z'z'quot; xquot;x'quot; yquot;y'quot; zquot;zquot;
x'x'quot; y'yquot;' z'z'quot;â s's'quot; xquot;x'quot; yquot;yquot;' zquot;z'quot; â squot;s'
= â s' {xquot;2 yquot;2 z'quot;2 - squot;2) j v
| »2 s'squot; x'x'quot; y'y'quot; z'z!'
_(- s'squot; x'quot;1 -j- y'quot;2 4quot; ^quot;2 a;'Vquot; j/'Vquot; 13s' squot; 3squot;2 3squot;squot;'
2s'squot; {xquot;2 yquot;2 zquot;2 â squot;2)2 - s'2 (xquot;2 yquot;2-
,quot;2 _ oquot;2
J'i)\ Jquot; i quot; i n.ni n nt\
s -) [x x y y z z â s s ) â
= Pi' x \/ (xquot;2 yquot;2 -f zquot;2 â squot;2f.
46
(56)
Hiermede vinden wij:
/ / /
^ u z
cos 13 =p; x |/(.rquot;2 //quot;'2 *quot;2- squot;2)5: ö.,' R {x'^ ij'^ zquot;*- squot;2) x I//quot; 0quot;
, â7// /// /// 1 ^ ^
§ 32. Om het element der lijn van sphaerische kromming te bepalen, zullen wij de vergelijkingen (7), (46) en (48) naar t differentiëeren. Hierbij moet men echter in het oog-houden, dat 4, ^ en £ als coördinaten van een punt der lijn van sphaerische kromming niet meer standvastig, maar eveneens functies van t zijn.
Wij vinden na differentiatie en herleiding;
H'x' v'y' :'z' =0.
H'xquot; â¢///quot; r«quot; = 0.
x' y' z' 0
xquot; yquot; zquot; squot;2
v'quot; ff'quot; z'quot; 3 s' squot;
xquot;quot;yquot;quot;zquot;quot;ssquot;i 3s'squot;' x'x'quot; y'ij'quot; z'z'
. . (56)
.r y z
I xquot; vquot;zquot;
w , m \ t in 1 w n/
S x y, y Z z
i \x'quot;y
Hierin stellen -a' en X' de projecties op de coördinatenassen van het element der lijn van sphaerische kromming voor. Lossen wij deze hieruit op, terwijl wij ter vereenvoudiging den determinant in de 3dc der vergelijkingen (56) F stellen, dan vinden wij:
x y z xquot; yquot; zquot; x'quot; y'quot; z'quot;
v/ 2' i
'vquot;zquot;\ :
?' = F X
⢠(57)
enz.
en dus voor het element der lijn van sphaerische kromming:
7' = ±, s' F |/(xquot;2 y'quot;1 ^quot;2 - .s'quot;2):
x' y' z' xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;' z'quot;
â (58)
waarbij liet of â teeken moet genomen worden, al naarmate F positief of negatief is.
Hiermede staat in verband dat naarmate F / 0 of \ 0 is, de raaklijn aan de lijn van sphaerische kromming dezelfde of tegengestelde richting heeft als de binormaal der oor-spronkel ij ke ruimtekromme.
De uitdrukking voor 7' zooals zij bij de Saint-Venant e. a. voorkomt, wordt gemakkelijk verkregen door (50) te differentiëeren.
Wij vinden dan:
(f -x) X r O? -y)xyi' {K - *) X r = RR'.
Nu volgt uit (57) en (58) dat wij kunnen stellen;
47
Doen wij dit en maken daarbij gebruik van de herleiding onder 0 in § 30, dan krijgen wij:
X {V = E R'. amp;3
gevende;
cr' = ...........(69)
Pi
Indien wij (53) differentiëeren verkrijgen wij:
E E' 17 x (^
en vinden hiermede:
Pi*3' (t)
(60)
f =
In de formules (59) en (60) moet het â of teeken genomen worden, al naarmate F / 0 of quot;v 0 is.
§ 33. Noemen wij de richtingscosinussen van raaklijn, hoofd- en binormaal der lijn van sphaerische kromming respectievelijk ai1,/31,r1; ^21 @2) ^2 i «3, /3a, 73; dan is in de vorige § gevonden:
x.! = a3 enz.............(61)
en wel het of â teeken, al naarmate F / of 0 is.
Wij zullen nu bepalen tx3) /33 en y:j.
Hiertoe merken wij op dat £' = ±«3f' enz. en dus bij differentiatie en gebruikmaking der formules van Sebeet :
£quot; = ± a3lt;rquot; ± 7'43'a2 enz.
Hiermede wordt:
± V ± W' __ ,'2/j ' Val _ __ f'-fj 'a
±V ^3amp;2 ±^quot;±^^lt;'2 â 3 V2 â 3 'â
Verder is:
|/ (|quot;2 ^quot;2 ?quot;2 _ 0-quot;2 ) = |/ (^quot;2 ^'2^2 _ ^'2 ) = j/ 7'2^'2 = ± ^7^'
en wel het of â teeken, al naarmate ö3' 0 of \ 0 is.
Hiermede vinden wij volgens (12):
^3= % enz.............(62)
en wel het â of teeken, al naarmate / 0 of 0 is.
48
Ten slotte is volgens (5):
ot, = 1 = aâ enz. . .......(63)
2 I /3 .,7.1, - 2 v ;
en wel het of â teeken, al naarmate F en 0g' gelijk of ongelijk teeken hebben.
Wij hebben dus het volgende gevonden:
De binormaal aan de ruimtekromme heeft gelijke of tegengestelde richting met de raaklijn aan de lijn van sphaerische kromming, al naarmate F / of 0 is.
De raaklijn aan de ruimtekromme heeft gelijke of tegengestelde richting met de binormaal aan de lijn van sphaerische kromming, al naarmate ^3' \ of 0 is.
De hoofdnormaal aan de ruimtekromme heeft gelijke of tegengestelde richting met de hoofdnormaal aan de lijn van sphaerische kromming, al naarmate F en gelijk of ongelijk teeken bezitten.
Dit laatste resultaat is in strijd met de conclusie van Catalan (loc. cit. § 78); wij zullen straks gelegenheid hebben de reden hiervoor aan te geven.
Hieruit volgt terstond dat, afgezien van het teeken, de l8quot;1 kromtehoek der ruimtekromme = den 3llequot; kromtehoek der lijn van sphaerische kromming en omgekeerd, terwijl hare 2lJe kromtehoeken gelijk zijn.
Wij kunnen echter ook met behulp van (16) en (18) den lst6n en 3di;n kromtehoek amp;1' en der lijn van sphaerische kromming berekenen.
Immers:
= A v(r2 r1 r2-^quot;2) = -4|/(^2 ^)=±^. . . (6-t)
en wel het of â teeken al naarmate tfy' / 0 of 0 is.
Evenzoo: % â //
S-3' = â §quot; vr tquot; \ : cr' (lquot;2 ^quot;2 -f squot;2 - «rquot;2)
y-/// mym I S ^ S
Nu is. = ± crquot;()3'a2 (s-'ög')' rt2 - lt;t' enz-
I £' â¢/
i =
1
Hiermede wordt:
«3 b3 c3
a2 h, c2 = cr'3^'2^' /x,âc.,
en dus : %'= â ?quot;AK2 = ^...........(65)
en wel het â of teeken, al naarmate F 0 of 0 is.
Noemen wij nu lsten en 3,,en kromtestraal der lijn van sphaerische kromming r, en gt;3, cl an is:
/ ! t /
Pi = jt, Pa = jri r\ = ± ^' ^3 = JT
waarbij in de beide laatste formules indien F en ü3' hetzelfde teeken bezitten, de beide
49
bovenste of de beide benedenste teekons moeten genomen worden, maar indien i en tf3' ongelijk teeken bezitten, het bovenste teeken in de oene en het benedenste teeken in de andere formule.
Hieruit volgt:
indien F en Ã3' gelijk teeken bezitten: p1 c,, â â p.,r;i ,
f...........(66)
indien F en ê./ ongelijk teeken bezitten: ^ r., = r,A )
Deze stelling wordt gevonden o. a. bij Catalan, echter zonder do onderscheiding naar het teeken.
§ 34. De resultaten van de vorige § kunnen meer algemeen afgeleid worden.
Stel dat eone kromme (x, //, z) en eene kromme ($, y, %) zoodanig met elkander correspond eeren, dat de raaklijn in een bepaald punt der lstB kromme evenwijdig is aan de binormaal in hot correspondeerende punt der 2de kromme, waarbij wij verder ter vereenvoudiging het toeken buiten beschouwing zullen laten. Zij verder het element der lste kromme s', der 2'1'' kromme 7', zijn verder de kromtehoeken der lste kromme en dor 2dlJ kromme amp;,|' en S'.,' en de kromtestralen lo1 en p3, respectievoUjk ri en r3.
Om de beide krommen punt voor punt te laten overeenstemmen, behoeven wij slechts aan te nemen dat x, y, z en functies zijn van denzelfden parameter l.
De voorwaarde van het vraagstuk wordt uitgedrukt door:
, ' I ' W
x pj c
; = I nlt;sll
s' : ^ ?
: I/ (fquot;2 4 rz
Hieruit volgen: x' £' -j-z'K' =0 («)
x r -f n' y,quot; zT' = 0 (h)
en door ditferentiatie: xquot;^' -j- ijquot;-/! -j- Zquot;K' â 0 (c)
Uit de vergelijkingen (a) en (c) volgt:
£': {f/z' â tjquot;z') = : {z'xquot; - zquot;x') = : (.///quot; - xquot;,j')
en hieruit volgt:
v = | *4' \ s' I/ V'2 yquot;'2 - *quot;*)â eiiz-
d. w. z. dat de binormaal aan do ls,e kromme evenwijdig is met de raaklijn aan do 2de kromme Hieruit volgt dan terstond de evenwijdigheid der hoofdnormalon, en tevens:
fj'\ = ^3 i ^3 =
en dus evenals in § 33:
P i r\ = h 'Vv
50
§ 35. Wij hebben in § 33 gezien dat er onderscheid in de formules is, al naarmate F en 03' gelijk ot ongelijk teeken bezitten. Aan dit verschil kunnen wij eene meetkundige beteekenis geven. IIiertoe bepalen wij den afstand van een punt der ruimtekromme tot den kromtebol in het daaraan voorafgaande punt.
De coördinaten van het volgende punt der ruimtekromme, indien wij de ontwikkeling voortzetten tot oneindig kleinen der 4l)e orde zijn:
enz.
« x'dt \rxquot;dt0- -f l ^quot;dt* ^ u
Noemen wij nu den afstand van dit punt tot het middelpunt van den kromtebol L, dan zijn de projecties van L op de coördinatenassen;
x y z
s' I s' yquot; zquot; â xquot; yquot; z'
â x'dt -
enz.
i ^ y' z'
s' yquot; zquot;
I 'dsquot;yquot;'zquot;' | | xquot;'yquot;'zquot;'
1 rquot;,,2__L W/3
2 6 dt _ 24
en dus indien wij gebruik maken van (49) en (50) en de ontwikkeling ook hier voortzetten tot oneindig kleinen van de 4lle orde:
Lr = E2 4- squot;ldt2 (x'quot;2 yquot;2 -1- s'squot; dt3 ~ (x'x'quot; 'ij'y'quot; z'^'^dt'1 â
Vdt
dt2
X
X
x' y' z' xquot; yquot; zquot; xquot;' ifquot; z'quot;
x y z xquot; yquot; z xquot;'yquot;'z
0 x' y' z'
_/o u n
s 1 x 'ij z
'ós'squot;xquot;'yquot;'zquot;' 0 x' y' z'
__ y 8' «y «
\x' y' z' | x ISs's'Vy'Vquot; 0 xquot; yquot; zquot;
0 x' y' z' 0'2
\xquot;'y'quot;zquot;'\
I 0 x' y' z' 1 s'2 xquot; yquot; zquot; Zs'squot;xquot;'y'quot;zquot;' 0 xquot;'yquot;'zquot;'
0 x' y' z' k'2 xquot; yquot; zquot;
3/ // m m m
s s x y z
Otm nntm nn ////
x y z \
X
\x' y' z' 1 x
\x yquot; z
i ./// t n /
\x y z
|
dt'1 12 R2 . t--v x ' x y z xquot; yquot; z' xquot;'yquot;'zquot; x' y' z' 1 xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;'zquot; \ | 3 (a: 2-\-y '-hz 2)4:(x'xquot;'-j-y'y'quot;z'zquot;')!x |
x' y' z' 0 1 xquot; yquot; zquot; s'2 I ///'/// ///») t n \x y z ós s ! ////' n!/ nu r\ ]x y z ü |
Vdf'
of:
12
L2 = R2
x y z xquot; yquot; zquot; xquot;'yquot;' z'quot;
Daar de determinant in den noemer en ^3' verschillen in teeken, blijkt hieruit dat voor de krommen waarbij F en lt;53' gelijk teeken bezitten, het volgende punt der kromme (en ook het voorafgaande punt) binnen den kromtebol gelegen zijn, maar voor de krommen waarbij F en ^3' ongelijk teeken bezitten, zij er buiten gelegen zijn.
51
Uit bovenstaande uitdrukking volgt nog voor don afstand van het punt der kromme tot den kromtebol:
F^4
\x' if' z'
24 R \xquot; yquot; zquot;
///' tn m
\x y z \
welke uitdrukking met behulp van (58), (18) en (16) en weglating van het teeken overgaat in:
24E,
X dt\ t).
§ 36. Uit (53) volgt voor sphaerische krommen:
p.,2 (p/ : ög')2 = Constant
(67)
Voor vlakke krommen is = 0 en dus wordt dan R = oo d. w. z. allo kromtebollen gaan over in het vlak der kromme, en het pooloppervlak wordt een cylinclervlak.
Het pooloppervlak wordt, een kegelvlak, wanneer lt;r' â 0, dus wanneer volgens (59) R constant en tevens p.j niet constant is. Zoodra dus R constant is, wordt ook het middelpunt van den kromtebol standvastig en is de kromme op een bolvlak gelegen. Is dus aan (67) voldaan, terwijl p., niet constant is, dan moet de kromme eene sphaerische kromme zijn.
Men kan volgens (58) do voorwaarde voor eene sphaerische kromme ook brengen in den determinantenvorm:
(68.
F = 0
Deze vergelijking is te integreeren. Men kan namelijk steeds drie grootheden a. h en r bepalen zoodanig, dat:
- - hy' -\-cz' =0 hyquot; -1- czquot; = ,s'2 hy'quot; f0'quot; =3«'«quot;
a x ax ax
axquot;quot; -\- hyquot;quot;-\- czquot;quot;â 3squot;2 3s'squot;' -|- x'x'quot; -f z'z'quot;.
Uit deze vergelijkingen volgt door differentiatie:
a'x' b'y' dz' = â«'2
a'xquot; b'yquot; lt;'zquot; = âs'squot;
a'xquot;' b'y'quot;-\- c'z'quot;â â {x'x'quot; y'y'quot; z'z'quot;).
1) Ruchonnet. (1870).
Hieruit volgt bijv.
x' y' z'
n * n n
x y z
m' m tn
x y z
s
s' squot;
x y z
n * n n
x y z
a x
m n
y z
yquot; zquot; j = â x x
* m
y *
x y z
en dus: gevende:
x ,
c â â 5;
r = a -
a = Ga
a
Hiermede wordt de eerste der vergelijkingen:
(C^ â x) x' (02 â y) y' (03 ~ z) z' =0
of na integratie: (C,, â x)'1 (C., â y)'1 (C3 â z)* = 0,,
d. i. de vergelijking van een bolvlak.
Indien wij gebruik maken van (68) ter karakteriseering van eene sphaerisohe kromme, behoeven wij niet de voorwaarde p4' ^ 0 er aan toe te voegen. Het zal later blijken, dat
indien tegelijkertijd F 0 (behalve voor eene vlakke kromme.)
ij 37. Van de krommen die op het pooloppervlak gelogen zijn, zullen wij in dit hoofdstuk alleen behandelen de lijn der kromtemiddelpunten.
Volgens (23) worden de coördinaten (t, sj, £) van dat middelpunt bepaald door:
of:
's ^ . ixquot;'i s x â
s x
Pi X »2 enz-
s' y {x
of door de vergelijkingen: (§ 10)
($ â x) x' (tj â y) y' (? â z) x' =
(Ã9)
x==^ x
(4' â x) xquot; (»J â y) yquot; (s â Z) zquot; = s'2
â (quot;0)
»quot;2_equot;'A
(4' â «) x I
I y z
â üây)
y' ' \ X II \
Om nu het element der beschouwde kromme te berekenen, ditferentiëeren wij de vergelijkingen (69) naar t, maken gebruik van de formules van Serret, en vinden dan:
s' â x' = â pi {ó3' rt3 óf af) pf x «.2 of:
squot; = pf ('2 â Pi K a3 enz-Hieruit volgt dat de projectie van het element op de raaklijn der oorspronkelijke
53
kromme 0 is, d. w. z. dat het. element in het normaalvlak gelegen is, dat de projectie op de hoofdnormaal p/ en op de binormaal (of poollijn) â pi ö3' is.
Dit resultaat kunnen wij ook afleiden door differentiatie der vergelijkingen (70).
De eerste levert:
(| â er) xquot; ()lt; â y) yquot; H- (? â z) zquot; (?' â x') x' (v' â y') y' (?' â ^') z' = quot; 0:f:
^'x' v'y' z' = O
d. i. de projectie van het element op de raaklijn is 0.
De tweede levert:
(? -1 *quot;' (« - y) yquot;' (? - ») «'quot; (?' - »') ^quot; («»'- ?/) yquot; (?'- O *quot;= 2«'squot;
of in verband met (69):
f quot; , ' quot; i v.quot; y,' s ^ Is' x' x'quot; y y z z
hx VIJ â d.s 6 - ^quot;2 yquot;2 4. cquot;-i _ Squot;2X j.s.quot; ^'Vquot; yquot;yquot;' zquot;zquot;
/'2
â s
=P,'xV(xquot;* ir zquot;i-*quot;*)
»quot;2 lt;yquot;2 _|_ 0quot;2 _ squot;2! 2.s' squot; xquot;xquot;' yquot;y'quot; 4- z z - *quot; f Hiermede vindt men:
{xquot;^ -4- i/quot;2 /,2 â squot;2)
/f/ n'quot;
X
\/ (Xquot;2 yquot;i zquot;* â tsquot;2) ^ gt;lt; S' ]/ (^2 v/'2 7^ â squot;2) ^ quot; s' ]/ (i
|
â¢squot;'1 | |
|
«Vl |
s' |/(xquot;2 yquot;2 ^quot;2 _ ,.quot;2) - j ,s,quot; d. w. z. de projectie op de hoofdnormaal is p/. De derde levert:
is' ./§' Æ/gt;{' ^ ,
^ ! // Jlf'i i i I ri
a x squot;xquot;
r x -n
4quot; x
//O â ..quot;2 i /v/,2
Squot;2)
1
x' y' A-*--'* â¢rquot;,yquot;'\
V,, rx|^â| = o
! z x
\x y
v «
ikâx) X ' (^ - y) X
i // ^ !
of in verband met (69):
|
r x1^,,!,,: vxi-K'X 2; ,r I zquot;xquot; x y _ i?/« |
.r y z . . I /// /// 1 11 * u r r n /r t ^ X 8 x â h x s y â s y s z â .s z ' /// m ' fff x y z Xquot;yquot;\ 2.quot;2 yquot;2 2quot;2_squot;2 |
of:
5 X a'y{xquot;ï yquot;* zquot;*-squot;*) ^ quot; A s'|/gt;quot;2 !/quot;2 «quot;2-quot;«quot;2) ^ ^ quot;sVK^ y^ ^-squot;2)
I// ^ I ! 2/quot;«quot;l
t'
d. w. z. de projectie op de binormaal (of poollijn) is â p1
2 .r I zquot;xquot;\
y
ff f!
\x y
oquot;'2\ ''l ^3
; x-tï
-h ^ X â
54
Door in het quad raat te verheffen en op te tellen, vinden wij hieruit voor het element der beschouwde kromme:
ff'2 = p/2 O,;2 03'2 = R2 ö3'2
en dus: , T, , , R ,
f â ± R^3 = ± â s...........(71)
P'i
waarin het -f- of â teeken moet genomen worden, al naarmate / 0 of \ 0 is.
Noemen wij den hoek tusschen liet element en de binormaal x dan is:
cos « = p., : R..............(72)
en wel het â of teeken, al naarmate ê3' / 0 of ü is.
Vergelijken wij dit met (54) dan vinden wij de volgende stelling;
De hoek, dien de straal van den kromtebol met de hoofdnormaal en de hoek dien het element van de lijn der kromtemiddelpunten met de binormaal maakt, zijn elkanders supplement of gelijk, al naarmate 6a' / 0 of \ 0 is.
Deze stelling wordt reeds (behalve het onderscheid in teeken) bij dk Saint-Venant gevonden.
Noemen wij den hoek met de rectifioeerende lijn p, dan is:
......(73)
Noemen wij den hoek met den straal van den kromtebol y, dan is:
......(74)
§ 38. Wij hebben in de vorige § den hoek tusschen het element der beschouwde kromme en de binormaal x genoemd, en gevonden (72) dat:
â Pi cos x â â u.
Uit de projectie op de hoofdnormaal volgt;
RA'
en wel het 4- of â teeken, al naarmate en ó3' gelijk of ongelijk teeken bezitten, want daar x gelegen is tusschen o en moet sin x steeds positief zijn.
Wij hebben in de vorige § ook gevonden :
enz.
s â Pl rt2 Q'.i a,i
55
Voeren wij nu de grootheden cos x en sinaj in en maken wij gebruik van (71) dan gaat dit over in:
I' = o-' ( a2 sinisj «3 cos«) enz........(75)
en wel het -f of â teeken, al naarmate / 0 of 0 is, zooals men gemakkelijk vindt door de vier verschillende gevallen, die zich wat de teekens van fl3' en p/ betreft kunnen voordoen, afzonderlijk na te gaan.
Hiermede berekenen wij:
' = yquot; (± «2 sin;!! a3 cos x) v'-i-d: a2 oosx. x' â a3 sin«, a' «3 $3' sin x 0/ sintJ! a2 cos«)
â tquot; (± «2 si11 x quot; quot;3 cosx) 7' ia\ «2^2 a'iO3)
indien wij stellen:
C1 = (?/ sin« ; C2 = cosiZ (Ã3' ± x'); C3 = sin« x')
en vinden verder:
I (7' ^' ( ± ®2 S^n X ft3 008
tquot; 5-quot; (4 a2 sinix a3 cos «) t' (% 0! «2^2 4- »3 03)!
= lt;j'1 (a^ 0, H- «2 C2 quot;lquot; a3 ^3)quot;
_ [ f' ( amp;2 sin« -1- 6g cos«) 1' ( C2 sin^ C3 cosx)
~ \ vquot; ( l)28mx - - ^3 COS^ ^'^C. ^ ^Gg) fquot;(4; C2siniJ! C3COS(X) 0-'(c1C1 C2C2 C3C3)
11 , â , 1 ft.) Co
0âsin« OqCOSflS C0 SltliJS C., COSfJS 1 /.J l n , 7 ⢠-, 7 , â quot;1
;-p2 , . p J? 7 P rp2 , â p i ,, p = ^ 2 0 ft2 SU'« ócos« , C2Sin« C3COS0!
6^0^ 62^2 03^3 o202 «3O3I 0 ^ 620,2 /gt;303 q C., C2C2 ^03
â «1 (^3' ± x') quot;2 ^1' sin x cos« (ï3^' sin2«;J
; â C2 cos x sin x ft., \ â v'- 1 C1 cos x b2 ('2 : = yquot;2
C, sin x ^ 1
r/y//
â «-'2
Nu wordt:
cr'2 (£quot;2 ^quot;2 ^quot;2 _ ,.quot;2) =
gt;quot; |2 l| £' w ||2 /Oquot;// I - | f'/f //O»// I â
s è ^ I!
5quot;' s'
(^3' «')2 !),|'2 sin'2^J .
Hiermede vinden wij:
ln. Richtingscosinussen der raaklijn aan de beschouwde kromme:
==^4(C12 G^ C3*) = 0-'
t'
~, = «2 sin» OgCOs». enz.........(76)
2°. Richtingscosinussen der hoofdnormaal aan de beschouwde kromme:
%quot; I_____ a \ a2 ^2 CT3 ^3 enz /77-,
7
'o. 1 //9\ I / sn o. 1 n 0. t n 9.\ ' ......v1 ' /
7'),/ (r quot;2 »lt;quot;2 ?quot;'2 - ^quot;2) |/ (c;2 O22 C32)
5«
3°. Richtins-soosinussen der binormaal aan de beschouwde kromme:
6'
' y
'i s
n yn
' S
â «i (^3' ± *') «2 V â Sin-J! cos^ quot;3 ''â¢i' «in''* , â /r-o ^ = c'Y (%quot;* V'2 r2 - a1quot;2) ^ PWTÃ7 C32)
4quot;. lstB kromtehoek der beschouwde kromme:
amp;; = V y (rquot;2 rquot;2 - crquot;2) = y (C,,'2 022 C32) en dus
lt;7
= ]/ ± ^')2 ^'2 sin2 ..........(79)
Deze waarde kan in de formules (77) en (78) ingevoerd worden.
Ter berekening van â¢S'./ zouden wij eerst enz. «-moeten bepalen; dit levert echter geen eenvoudige formule op.
Noemen wij de richtingscosinussen van raaklijn, hoofd- en binormaal ten opzichte van het bewegelijke coördinatenstelsel resp. piy q.u r,; p.,, q2, r%; p3, r3, clan vinden wij gemakkelijk:
y;,, =0, f/j = ± sinjs, J'., = cos* \
d.' . 0.' ± x' _ Os' ± x' . I
p2= ^-iamx, q2= ' ^--cosx, r.2= Rin« \ ^ ^
â (()., ~h X ) __.gt;
l'a = â~j^Fâ-) 'ia = cp sinx cosx, ra = sm-js. ]
waarbij in alle formules de bovenste of benedenste teekens moeten genomen worden, al naarmate p,/ / 0 of \ 0 is.
Uit fle formules (80) volgt:
V
p2 : lt;/] = â cp , Pi X lt;l\ = â »3, Pg X â â lt;/2.
Voor de oorspronkelijke kromme en de lijn deigt; kromtemiddelpunten golden dus de volgende eigenschappen:
De verhouding van de cosinussen der hoeken, welke de raaklijn der eene en de hoofdnormaal der andere kromme met elkander maken, is gelijk aa^ liet tegengestelde van de verhouding van hare eerste kromtehoeken.
[let product der cosinussen van dezelfde hoeken is gelijk aan het tegengestelde van den cosinus van den hoek tusschen hare binormalen.
Het product van de cosinussen der hoeken, welke de raaklijn aan de eene en de binormaal aan de andere kromme met elkander maken, is gelijk aan het tegengestelde van den cosinus van den hoek tusschen hare hoofdnormalen.
Omdat de raaklijnen loodrecht op elkander staan, zal de raaklijn aan een der beide krommen liggen in, of evenwijdig zijn aan het normaalvlak der andere kromme, waaruit volgt,
57
dat de hoeken, welke de raaklijn aan een der krommen maakt met hoofd- en binormaal der andere kromme, gelijk zijn aan de hoeken, welke de raaklijn aan do eene kromme maakt met kromte vlak en rectificeerend vlak der andere kromme.
Wij kunnen in verband hiermede de eigenschappen ook aldus uitspreken :
De verhouding van de cosinussen der hoeken, welke cle raaklijn aan de eene kromme maakt met het kromtevlak der andere kromme, is gelijk aan het tegengestelde van de verhouding van hare eerste kromtehoeken.
Het product der cosinussen van dezelfde hoeken is gelijk aan het tegengestelde van den cosinus van den hoek tusschen hare kromtevlakken.
Hot product der cosinussen van de hoeken, welke de raaklijn aan de eene kromme maakt met het roctificeerende vlak der andere kromme, is gelijk aan het tegengestelde van den cosinus van den hoek tusschen hare rectificeerende vlakken.
â § 39. De heide eerste der drie eigenschappen in de vorige § vermeld, zijn het eerst met behulp van sphaerische trigonometrie afgeleid door Molins'); ook Schell heeft in zijne âAllgemeine Theoriequot; denzelfden weg gevolgd.
Geen van beiden heeft echter opgemerkt dat deze eigenschappen eene meer algemeene beteekenis hebben; zij gelden namelijk voor elke twee ruimtekrommen, die zoodanig punt voor punt met elkander overeenkomen, dat de raaklijnen in correspondeerende punten loodrecht op elkander staan.
Noem de coördinaten van twee correspondeerende punten der beide krommen x, y, z en I, welke grootheden functies zijn van denzelfden parameter en de eerste kromte-
hoeken en zoodat
o; = 11/ ,/'* - squot;2) en amp;,/ = -V y or- »quot;2 r2 - r'2).
H (T
De voorwaarde dat de raaklijnen in correspondeerende punten loodrecht op elkander staan, wordt uitgedrukt door:
X'Z //V z'K' = Ã.
Den stand van het assenstelsel van raaklijn, hoofd- en binormaal der tweede kromme, ten opzichte van hetzelfde assenstelsel der eerste kromme, kunnen wij bepalen door het schema:
|
h, b, | ||
|
r2 |
0 |
9i | ri |
|
h2 |
P'2 |
lt;h |
|
b2 |
Ps ?3 i r3 | |
waarbij voldaan is aan de betrekkingen (4) en (5).
1) H. Molins. (1888).
8
58
Door toepassing van (6) volgt hieruit terstond:
gt;3 = P2 X 54 ; (1-2 = Ps X i'i
waarmede de tweede en derde eigenschap aangetoond zijn.
Nu is :
, X-n
s x \
rs' ^ 1 I s'Y' I
,H----r X ,,
«⢠X s'J/(;Squot;2 yquot;2 2quot;2-squot;2)quot;r q' quot; squot;2)quot;1quot; lt;t' quot; s'I/C®quot;2^?/quot;2^»quot;2-®quot;2)
is' ^r4-//'^ /ri
//y-/ , // / , ^nlt;/i
x k y v z ?
|s «'T i/ gt;
xquot;r !/quot;n' ^quot;r
sV)/ {xquot;2-\-yquot;2-i-zquot;2â squot;2) ]/ 0cquot;2 2/quot;2 ^quot;2- «quot;2)
Evenzoo is :
Maar uit:
volgt door differentiatie:
dus is:
/Æ-// , /ff . ^fff Xï V'i
P-z =
x'Ã' y V z'? = ü
x-Ã' y'W 4- zquot;? = - (x'!;quot; y'y,quot; zT) ] V-gt; â 'h
f f Cl f S 7 -J ^
§ 40. Wij zullen nagaan wat voor merkwaardigs de ruimtekromme vertoont, indien pi
constant is en dus p,/ = 0, waarbij wij zullen aannemen ^3' O.
Hiertoe leiden wij eerst eenige betrekkingen af, die wij in het vervolg noodig hebben. Indien p/ = 0 volgt uit (21):
2 squot; (x'quot;2 yquot;2 zquot;2 â squot;2) = s' {xquot;xquot;' yquot;y'quot; zquot;zquot;' - «quot; s'quot;) .... (81)
Hieruit volgt na differentiatie eix Jierleidiiig:
â 3'quot;^'quot; yquot;yquot;quot; zquot;zquot;quot;-^^'quot;) = (2s'/quot; 6squot;2) {xquot;2 yquot;2 zquot;2~- *quot;2) - »'Vquot;2 ï!/quot;'2 «quot;'2-«quot;'2) â
Wij vinden:
lis' «'2 I , . I
?/ 2
/ ff
11«' \t.. J
Isquot; x'xquot; y'yquot; z'zquot; \y z
\*'x'KW''ir*zquot; _i|«' x'xquot; y'yquot; z'zquot; | » â
'S'V r''V'V''_iis'' *quot;2 /'2 *quot;2 r
O
s' squot;2) yquot; zquot;
I 3Squot; (a;quot;2 ?/quot;2H_2,quot;2_squot;2) ?/quot;Vquot;
! s' ,r' x'quot; y' yquot;' z' zquot;'\
of:
0 y' z' .s' yquot; zquot; fó*quot;yquot;'zquot;
X jf z ff 'ff ff
x y z 1
///' /// r//
x y z {
1 s x
I
(83)
enz.
: {xquot;2 yquot;2 zquot;2- squot;2) == s' yquot; zquot;
~ ,,f a.'11
59
Hiermede wordt:
X IJ z
X IJ z
squot;2 x'
S ~ I/ , ,,
j o'oquot; quot; 1 ^ y
F = ~
xquot;quot;x r, X j ccquot; u
' I I xquot;'yquot;'zquot;'
â squot;2)-
:(a.quot;2 //quot;2 2!quot;2_,s.quot;2)
â y x
m m /rr
x IJ Z \
x' if' z'
xquot; ijquot; zquot; ! : (tfquot;2 x/'ï z'quot;2'â*quot;*) (3s//2 3s's'quot;-V-x'x'quot;\j'yquot;-\-z'z'quot;) x x'quot; yquot;' z'quot;
/ !
F x (iK''2 yquot;2 0quot;2âsquot;2) : yquot; J'
xquot;'ijquot;' zquot;
xy z \ iC y 0 01 x'quot; y'quot; z'quot; \
equot;quot;x ls!2â^]x
.S' .s ^
(3squot;2 3s'squot;' x'xquot;'-^ijlyquot;' z'zquot;') (£rquot;2 //quot;2 2quot;2_ squot;2)
==_|s'2 a:'2:quot;
âAf /ff/ , n un . .fff/ ff ffff 1
s ,s aquot; a; // ij -\-z z âs s \
= â (2s'squot;' 6squot;2) (a;quot;2 /'2 0quot;2_Squot;2) S'2(a;quot;'2 2/quot;'2 ^quot;2_g'quot;2)_6squot;2(;rquot;2_).yquot;2_|_^quot;2_squot;2).
(3squot;2 4s'squot;') (a;quot;2 //'2 2quot;2-,squot;2) -(a;quot;2 //quot;2 0quot;2âsquot;2)2 =
=:S'2(a;quot;'2_)_ ^quot;2 ^quot;2_ squot;'2) (_9Squot;2 2s' s'quot;) (a;quot;2 «/quot;2 «quot;2~ squot;2) _ (y2 //quot;'2 0quot;2_ ,s.quot;2ygt;_
Berekenen wij nu:
i y' I 2 | s'2 s' squot; x'quot; if y'quot; a' z'quot; \
xquot; yquot; zquot; ' = ! s' squot; xquot;2 /'2 «quot;2 Vquot; yquot;y'quot; I =
\xquot;'yquot;'zquot;'\ \x'xquot;' y'yquot;' z'z'quot; xquot;xquot;' yquot;yquot;' zquot;zquot;' a;'quot;2-f-'/quot;2 Zquot;2
O x'x-' rf yquot;' z'zquot;'_s' squot;
Xquot;* yquot;* zquot;*-squot;* xquot;x'quot; yquot;yquot;' zquot;zquot;'-squot;squot;
'' f ''
s
«v-h/y y^'quot; a:'Vquot; /yquot; ^quot;^quot;- --r («v yy-' ^'yquot;) iFquot;'2 /quot;2 «quot;'2- ' -(jTV z/y' y^quot;)'
s'2 O x'xquot;' y'yquot;' z'z'quot;âs's'quot;
s'squot; a.quot;2 //quot;2 0quot;2_ squot;2 .S'quot;squot;'
oquot; '9 oquot;'
x'xquot;' y'i/quot; z'zquot;'âs'squot;' 1 (xquot;2 //quot;2 y'2- squot;2) a;'quot;2^^quot;2-^^quot;2- 8quot;'2---_(xVquot; //yquot; ^aquot;'- s's'quot;)
= Ozquot;2 //quot;2 «quot;2 - squot;2) x[s'2 (x'quot;2 y'quot;2 2'quot;2 - s'quot;2) 2s's'quot; (aiquot;2 yquot;2 zquot;2 â squot;2) ~ â (a-quot;2 yquot;2 «quot;2 - squot;2)2 â 9squot;2 (a-quot;2 yquot;2 -f- ^quot;2 â squot;2)J =
=(a:quot;2 y2 squot;2âsquot;2) X Fs'2(a;quot;'2 y'quot;2 z'quot;2â s'quot;2) (â9squot;2 2s's'quot;) {xquot;2 yquot;2 zquot;2- ,9quot;2)_(a:quot;2^-yquot;2 ^quot;2- squot;2)
60
Uit de overeenstemming der gevonden resultaten volgt dus;
1 x' ij' z' \ ' x' y' z' \2
F : I xquot; yquot; zquot; = xquot; yquot; zquot; I : Oquot;* y'quot;* zquot;* - squot;2)2......(84)
j xquot;'yquot;'zquot;' ! xquot;''yquot;'zquot;' \
Hieruit volgt nog dat F en (33' steeds ongelijk teeken hebben, indien p/ = 0 en dus dat indien p/ = 0 en Ã.J ^ 0 ook F' ^ ü. (Zie § 36.)
Uit (49) en (69) volgt in verband met (83) :
Voor ruimtekrommen wier eerste kromtestraal constant is, valt het middelpunt van den kromtebol samen met het kromtemiddelpunt; de straal van den kromtebol is gelijk aan den eersten kromtestraal en dus ook constant.
Dit resultaat volgt ook uit (62).
Uit (68) volgt in verband met (84) voor het element van de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten (hier ook lijn van sphaerische kromming);
?' â P-i ^3
waarin het â of teeken moet genomen worden, al naarmate 03' ü of / 0 is.
Uit stemt met (71) overeen, wanneer wij bedenken dat R â p1 en dat F en !)3' ongelijk teeken hebben.
Uit § 33 volgen voor de krommen met constanten eersten kromtestraal de volgende eigenschappen:
De binormaal aan de ruimtekromme heeft gelijke of tegengestelde richting met de raaklijn aan de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten, al naarmate (V \ of /0 is.
De raaklijn aan de ruimtekromme heeft gelijke of tegengestelde richting met de binormaal aan de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten, al naarmate 0% of / 0 is.
De hoofnormalen aan beide krommen hebben steeds tegengestelde richting.
Uit bovenstaande herleiding is tevens gebleken, welke vergissing Catalan heeft begaan, (Zie opmerking § 33).
Dezelfde resultaten volgen ook uit de formules (76), (77) en (78), wanneer wij in 'toog houden dat cos « = 1 en dus « = 0 of tt is, al naarmate $3'\0 of / 0 is.
Uit (64) en (65) volgt:
= tfi)' en SVj' =
en wel het bovenste of benedenste teeken, al naarmate ó3' ' lt; 0 of gt; 0 is.
Hiermede vinden wij dus voor de kromtestralen van de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten :
_ 7' _ . ⢠â ill nf â¢
'3-^ Ã.|' P3
'3 P'i ~ Pr-
Tusschon de ruimtekromme met constanten eersten kromtestraal en hare meetkundige
61
plaats der kromtemiddelpunten bestaat dus het verband, dat de eerste kromtestraal der tweede kromme evenzoo constant is en dat de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten diei tweede kromme de oorspronkelijke kromme is. Tevens is het product van hare derde kromtestralen gelijk aan het quadraat van den standvastigen eersten kromtestraal.
Omdat de rectificeerende vlakken van beide krommen evenwijdig zijn, zijn hare recti-ficeerende lijnen ook evenwijdig.
Noemen wij den hoek tusschen rectificeerende lijn en raaklijn voor de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten 7} dan is volgens (32):
3* 3' V
cos£ = âamp;7=± Vquot;
(ï ' 13
Daar nu sinJC = ^7 volgt hieruit, dat ^ tt oftt, al naarmate $3 \0 oi ^gt;0,
is, zooals te verwachten was.
In elk geval is:
JC = -
Noemen wij den afstand van het kromtemiddelpunt tot het punt der keerlijn van het rectificeerend oppervlak van de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten X. dan
is
volgens (38''):
/ ⢠T- P-I ^ ) . /J '2
O cr sm T} \ ^ / _ m
- _w K' ó2'
en dus:
s' sin K .s-'V2 __f2K
M' â jri/v quot; t!/*â
Hieruit volgt dat L en S steeds tegengesteld teek en hebben.
HOOFDSTUK IV
Het oppervlak der raaklijnen.
§ 41, De kromtevlakken van eene ruimtekromme omhullen een ontwikkelbaar oppervlak , het oppervlak der raaklijnen, waarvan de gegeven kromme de keerlijn is. Op dit oppervlak kunnen eenige krommen geconstrueerd worden, die met de kromme in een nauw verband staan en hier besproken zullen worden. Deze zijn de ontwindingen of evolventen der gegeven kromme. Wanneer eene raaklijn zich zoodanig langs de kromme beweegt, dat zij voortdurend raaklijn blijft, dan beschrijft elk punt dier raaklijn eene ontwinding der oorspronkelijke kromme. Deze kromme is op het oppervlak der raaklijnen gelegen; zij kan ook gedefinieerd worden als de kromme, welke de raaklijnen der gegeven kromme onder een hoek ^ tv snijdt.
Deze laatste definitie is voor uitbreiding vatbaar; men kan namelijk naar die krommen vragen, welke de raaklijnen der gegeven kromme onder een standvastigen hoek snijden. Aan deze krommen zullen wij met Schell den naam van âevolventoïdenquot; geven. Dit vraagstuk is door Molins analytisch behandeld in 1843.
Fn de volgende § zullen wij hetzelfde vraagstuk langs eenvoudiger weg oplossen en dan overgaan tot de bespreking der evolventoïden en evolventen.
§ 42. Noemen wij «, y, z en s' de coördinaten van een punt en het-boogelement dei-gegeven ruimtekromme, welke grootheden functies van t zijn. Zijn $, t;, ^ en v' de overeenkomstige grootheden der ovolventoïde, welke functies van denzelfden parameter t zijn en zij u de standvastige hoek, waaronder de evolventoïde de raaklijnen aan de gegeven ruimtekromme snijdt.
De voorwaarden van het vraagstuk der evolventoïde worden dan uitgedrukt door:
(85)
x i;' -\- y V z'K'
cos w =
(86)
z
« ; s
waarin A eene, nog onbekende, functie van t voorstelt, den afstand van correspond eerend e punten der beide krommen.
63
üit (86) volgt:
% = x ---r x A enz.
s
eu dus na differentiatie:
... , X . S X â S X
k =X 7 X A A X -75 - enz.
.9 S quot;
Hiermede wordt:
a-'* = fa V2 ?'2 = s'2 Aquot;2 A2^quot;2 2 s'A' = (s' A')2 A2^'2 .
en tj'y,' z'K'= .squot;2 s'A'.__
Dit in (86) gesubstitueerd, levert:
s' A â
cos w = âj--t ot ;
!/}(«' A')2 A2^'2 |
A'2^'2
en dus :
s' A' = ± A^/ Gotga...........(87)
In verband met de oorspronkelijke uitdrukking blijkt, dat in deze differentiaalvergelijking liet of â teeken moet genomen worden, al naarmate A / 0 of 0 is, d. w. z. al naarmate het punt der evolventoïde op het positieve of negatieve deel van de raaklijn der ruimtekromme gelegen is.
(87) is eene lineaire differentiaalvergelijking in A van de lste orde, welke na integratie oplevert:
^ cotga ^ ... (88)
, = ^C- fs'e ^C0^ud(Jxe
waarin ^ voorstelt eene functie van t, zoodanig dat 4/ haar differentiaalquotiënt is.
Zoodra A als functie van t bepaald is, zijn ook de coördinaten van elk punt der evolventoïde bekend.
TT
Stellen wij a = dan gaat de evolventoïde over in de evolvente.
Dan is cotgw = 0 en wordt (87):
,s-' = 0
zoodat:
A â C â s,
waarin dus s voorstelt den afstand, gemeten langs de ruimtekromme, van af een vast punt tot dat punt waarvoor wij A bepalen.
Hiermede worden de vergelijkingen voor een punt der evolvente:
l; âx X (C â s); ^ y -^ x (C â s); ^ = a -7 x (C â s). . . (89)
S li b
64
Deze vergelijkingen vloeien terstond voort uit de eerste, in § 41 vermelde, wijze van ontstaan der evolvent en.
Uit (88) en (89) blijkt, dat bij elke ruimtekromme een oneindig aantal evolventoïden en evolventen behooren, welke beantwoorden aan de verschillende waarden van G. Al deze krommen zijn echter op het oppervlak der raaklijnen gelegen , want de coördinaten van een punt van een dier krommen (86) voldoen aan de vergelijking van het kromtevlak (8).
§ 43. Wij zullen nu A beschouwen als eene bekende functie van t, die voldoet aan (87); dan worden de coördinaten van een punt der evolventoïde gegeven door (86) in de gedaante :
(86)
£ = # j x A = x - ⢠A
Hieruit volgt:
, X a' A ^'ff2 of:
u =:1 'I' quot;4quot; j (â ^ 'K ^.| cotg iü) -j- A rto §' = A «| cotgw A 6/ «2
of
enz.
Verder:
A2 (3/2
A2!),,'2 COtg2w A2*),.'2 = -^4-1 1 sin2 m
derhalve:
=
A Ãy
(90)
en wel het of â teeken, al naarmate A 0 of \ 0 is. Hiermede wordt:
f' = it' (tf.,| cos« sinw) enz.
waaruit volgt:
iquot;'= crquot; (f^ cosw ± a2 sin co) 5quot;' («2^1' oosw sin w sinw). enz. Verder vinden wij:
cr' 7' (a^ cos a «2 sin a)
{ g t ('/| cos cc ^2 sinw) -l- 5* (-1- sinw ^2^*1 cosw -f- ^3^3 sinw
enz.
= o-quot;2 ( tf.,' sinw «2 0/ cosw a3 ó3' sinw)
gt;?' [ _ lt;2 ^1 cosw b.2 sinw e., cosw e2 sinw
7 61^1'sinw 62^1'cosw 63^3'sinw ^ sinw -|- c2cosw Cg^' sinw
= â t'- al (i3' sin2w ± o-'2 a2 ê3' sin w cos w 4- cr'2 «3 tf,/,
zooals men vindt door den determinant tot een van de 3l10 orde te verheffen.
(91)
65
Ook is:
£quot;2 ^ ^quot;2 W'2 _ 5quot;2 ^ aquot;2 (C0soa sin2^ tj'2 (^'2 C0S2W ^'2 sin2w ^'2 sin2^ 4- 2 tVquot; ( Ã,' sinw cosw ö1' sinw cosw) â o-quot;2 =
= tquot;2 (^'2 C2 sin2w)-
Noemen wij weder de richtingsoosinussen van raaklijn, hoofd-en biaormaal der evolventoïde respectievelijk /31, ; «2, p2, 72; «g, /33, ^g; dan is dus:
xl = a1 cosw «2 sinw enz...........(92)
-f- (/.| S111W -f~ rt.j ö.j COSW -f- ^''3^3 SlllW /nQ\
â ^2 i / / / /9 i t /9 ⢠ö \ enz
(/ (^,[ quot; ^3 quot; Slll-w)
â rt,. () ' siu2w ' sinw cosw ciad/
Noemen wij den lst0quot; kromtehoek der evolventoïde dan is:
SV = J/(f).,'2-M3'2 sin2w)...........(95)
Noemen wij de richtingscosinussen van raaklijn, hoofd- en binormaal der evolventoïde ten opzichte van het bewegelijke coördinatenstelsel respectievelijk p.,, r/,,, r,,; p,^ q2, r.2; ^3, q.^ r3, dan volgt uit (92), (93), (94) en (95):
jo.j = cosw, = sinw, i\ â 0
__ sinw L' cosw _ fl.,' sinw
P'1= ' 'h = '2= amp;|v - , (96)
()o'sin2w ^o'sinw cosw (),'
Pz= ~~K~'r gt; ?3 = i QTT 1 ''3 = quot;cT-'
.j quot;w . quot;«J .j
waarbij in alle formules de bovenste of benedenste teekens moeten genomen worden, al naarmate A / 0 of \ 0 is.
Uit dit schema volgen terstond eenige eigenschappen analoog aan die, welke in § 38 zijn afgeleid.
Voor eene ruimtekromme en hare evolventoïde bestaan de eigenschappen:
De verhouding van de cosinussen van de hoeken tusschen de raaklijn aan de eene en de hoofdnormaal aan de andere kromme, is gelijk aan het tegengestelde van de verhouding van hare eerste kromtehoeken.
De cosinus van den hoek tusschen hare hoofdnormalen is gelijk aan het product van de cosinussen der hoeken tusschen hare raaklijnen en tusschen hare binormalon.
De cosinus van den hoek tusschen de binormalen (of kromtevlakken) van eene ruimtekromme en hare evolventoïde, is gelijk aan de verhouding van hare eerste kromtehoeken.
9
66
Opgemerkt moet nog worden dat al de grootheden in (96) voorkomende, onafhankelijk zijn van A, d w. z. dat zij voor alle ovolventoïden bi] denzelfden hoek w hehoorende, hetzelfde zijn.
Daarentegen is cr' en 'dus ook de lste kromtestraal evenredig met ).; deze kromtestraal wordt grooter (en de evolventoïde dus minder gekromd) naarmate de afstand tussehen correspondeerende punten der ruimtekromme en van hare evolventoïde grooter wordt. Hieruit volgt, dat de kromtemiddelpunten der verschillende evolventoïden voor die punten welke met een zelfde punt der ruimtekromme correspondeeren, met dat punt in eene rechte lijn gelegen zijn. ^)
Ter berekening van Sv,' hebben wij noodig:
5quot;'= lt;yquot;' (% cos« sin«) 2 o-quot; ( sin a «2m| cosw a3 sin w) oquot;' U (T 6aquot; sinw â DJ* cosw) a2 (^quot; cosw !).2quot;2 sin») «3 (T sin» â cosw)
Hiermede vindt men na eenige herleidingen:
ï v ^
f-n/ ni^m
s ^
= s-'3 ( K' Ã2'2 sinci) â ^3' S'i'2 008 u)-
Verder:
S3'=(7'3(4; JC'd2'2sinft; 03'j/2 cosw) : s-'3 S/2 of:
â Ijquot; / '2
S3' = ± - ^ % sin cc ö3' cos a..........(97)
Ten slotte zullen wij bepalen de poollijn der evolventoïde. Deze wordt bepaald door de vergelijkingen (7) en (46); indien wij X, Y, Z, de loopende coördinaten noemen, verkrijgen zij in verband met de hier gebruikte notatie den vorm: ^
(x - ?) r (Y â »))gt;}' (Z â 0 r = 0.
(98)
(99)
yquot;â r'i
(X - ?) ?quot; (Y - y.) â /' (Z - O r'
Indien wij gebruik maken van (86) en (91), gaat (98) over in:
(X â »â¢) (f^ cos u ± a2 sin w) (Y â y) (hi cos cc ± b2 sin cc) (Z â z) (c1 cos cc ± c2 sin w) = A cosw. (100)
Maken wij bovendien gebruik van (90) en de waarde voor dan gaai (99) na herleiding over in:
?* ó ' COS2 CC
2 (X â a?) ( V sinw a2cosw T sinw) = ± â' . (101)
waarbij het X teeken betrekking heeft op de drie analoge uitdrukkingen voor de drie coördinatenassen.
1) Hoppe (1893).
67
Gi-emakkelijk zien wij in, dat aan de vergelijkingen (100) en (101) voldaan wordt door te stellen :
X â a; = »2 ^ cotg w ; Y ââ y = ±. b.2'A cotgw ; Z â z = ± c.2h cotgw
waaruit blijkt:
De poollijn der evolventoïde snijdt de correspondeerende hoofdnormaal der ruimtekromme in een punt, dat op een afstand gt;. cotg w van liet correspondeerende punt der ruimtekromme verwijderd is.
Tevens merken wij op dat de verschillende evolventoïden, bij een zelfden hoek « be-hoorende, verschillende pooloppervlakken bezitten, van welke echter de beschrijvende lijnen evenwijdig loopen.
§ 44. Om de eigenschappen der evolventen af te leiden, zouden wij dezelfde berekeningen als in § 43 kunnen toepassen op (89). Eenvoudiger is het echter in de uitkomsten
.TT
van de vorige § a = - en dus cosw=0, sinw = 1 te stellen, terwijl tevens, waar noodig, A = Oâs ingevoerd zal worden.
Uit (90) volgt:
lt;r' = ± (0 â s) V...........(102)
waarbij hier en in de volgende formules het bovenste of benedenste tee ken moet genomen worden, al naarmate 0 / of \ .s is.
Voor de richtingscosinussen van raaklijn, hoofd- en binormaal dor evolvente, vinden wij uit (92), (93) en (94) :
= «2 enz........(103)
(!' _ 0'
«2 = T X , «3 X enz ... . (104)
^2 2
«3 = âa., x jT-Â¥az x ^1, enz.......(105)
Uit (103) volgt:
De raaklijn aan de evolvente hoeft gelijke of tegengestelde richting met de hoofdnormaal der ruimtekromme, al naarmate het punt der evolvente op het positieve of negatieve deel der correspondeerende raaklijn van de ruimtekromme gelegen is. Dit verschilt van het resultaat van Catalan , tengevolge van zijne beperking van het vraagstuk der evolventen.
Wij kunnen (105) met behulp van (31) schrijven als:
= l enz. d. w. z. :
Do binormaal der evolvente is evenwijdig aan de rectificeerende lijn der ruimtekromme. Voor de kromtehoeken der evolvente vinden wij uit (95) en (97):
SV = V : Jo' = ± %' d. w. z.:
68
De eerste kromtehoek der evolvente is gelijk aan den tweeden kromtehoek der ruimtekromme.
De derde kromtehoek der evolvente is, afgezien van het toeken, gelijk aan den eersten kromtehoek der keerlijn van het rectificeerend oppervlak der ruimtekromme.
Alle evolventen hebben dus in correspondeerende punten gelijke kromtehoeken, maaide kromtestralen worden grooter, naarmate de afstand tusschen correspondeerende punten van ruimtekromme en evolvente grooter wordt.
De poollijn der evolvente gaat door het correspondeerende punt der ruimtekromme, en valt samen met hare reotificeerende lijn, dus;
Het pooloppervlak der evolvente valt samen met het rectificeerend oppervlak der ruimtekromme. ---â
De lijn van sphaerische kromming der evolvente valt samen met de keerlijn van het rectificeerend oppervlak der ruimtekromme.
Alle evolventen hebben een gemeenschappelijk pooloppervlak, namelijk het rectificeerend oppervlak der ruimtekromme, waarbij zij behooren.
HOOFDSTUK V.
Het oppervlak der bin.ormalen.
§ 45. In de volgende hoofdstukken zullen wij herhaaldelijk gebruik moeten maken van formules, die betrekking hebben op regeloppervlakken; die formules zullen wij in deze § in het algemeen afleiden.1)
De vergelijkingen van een regeloppervlak kunnen steeds gebracht worden in den vorm;
â x u h, y â y u;/,, % = z u v......(106)
Hierin zijn dan §, v,, t de loopende coördinaten, x, y, z de coördinaten van een punt der richtlijn, A, v de richtingscosinussen der correspondeerende beschrijvende lijn en u een willekeurig stuk op die beschrijvende lijn.
Wij moeten nog onderstellen dat x, y, z, 1/, functies zijn van eene onafhankelijk
veranderlijke t, terwijl bovendien de betrekkingen gelden:
A2 -f /C42 V2 = 1; AA' ft(/.' 1/v' = 0.......(107)
Wij zoeken in de eerste plaats de voorwaarde, onder welke het regeloppervlak ontwikkelbaar zal zijn. Hiertoe moeten twee opeenvolgende beschrijvende lijnen elkander snijden.
Hare vergelijkingen zijn:
% â x u A, y, = y u ft, % â z uv en
i; = X x'dt V (A ?:'(lf) , y = y y'dt V (ft ft'dt) , £ = 2 z'dt V {v v'dt).
Zullen deze lijnen elkander snijden dan moet voldaan kunnen worden aan het stelsel vergelijkingen:
x dt -j- v (A -f- A dt^j â u A = 0 y'dt v {ft-\- ft'dt) â uft â 0 z'dt 4- (V -j- v'dt) â uv = 0
1
Voor de formules in deze S kan men o. a. raadplegen: Catalan. Recherches sur les surfaces gauches.
2
Mémoires etc. de l'Académie royale de Belgique. Collection in 8° ï. XVIII.
70
waaruit voor de gevraagde voorwaarde volgt:
x'X' a 1
//» = O..........(108)
z' v' v
Uit het stelsel vergelijkingen vinden wij dan gemakkelijk voor de coördinaten van een punt der keerlijn van het ontwikkelbaar regeloppervlak:
a' x' ft' v' v' d X = 07 â a x , , ,, , ,2- enz........(109)
A -Tquot; ft ~r J
De afstand van sorrespondeerende ])unton van keerlijn en richtlijn wordt dus voorgesteld door:
a x' -t- ft' y' y' z'
-h y.quot;J -r '
Beide krommen vallen samen wanneer :
A'x' ft'ij' v' z' â 0...........(110)
De noemer aquot;2 ftquot;1 v'- stelt voor (zie § 8.) het quadraat van de verhouding van den hoek tusschen twee opeenvolgende beschrijvende lijnen en dt
Indien het regeloppervlak niet ontwikkelbaar is, zullen wij bepalen richting, stand en grootte van den afstand tusschen eene beschrijvende lijn en die welke er onmiddellijk op volgt.
Noemen wij de richtingscosinussen van dezen afstand p, q, r, de lengte w. en de coördinaten van het. punt waar hij de eerste der beide beschrijvende lijnen snijdt (centraalpunt) X, Y, Z, dan bestaan de volgende vergelijkingen:
Coördinaten van het centraalpunt : X = x « a enz.
Vergelijkingen van den afstand: i' = X tvp enz.
Vergelijkingen der tweede beschrijvende lijn : £ = x - â x' dt r (a -f a' dt) enz.
Hierbij moet opgemerkt worden - dat u niet meer is eene onafhankelijk veranderlijke grootheid maar eene, nog onbekende functie van t, die den afstand van het centraalpunt tot het correspondeerende punt der richtlijn voorstelt.
De beide laatste lijnen moeten elkander snijden, waaruit volgt:
n /. w p â o (a 'a' dt) = x' dt lift w(2 â v {ft -1- ft'dt) â y'dt uv wr â i) (y v'dt) â z'dt
Omdat de afstand loodrecht moet staan op beide beschrijvende lijnen, gelden nog de vergelijkingen:
/,p -|- pq -f- vc = 0 ; /.'p -t- ,«'r/ -1- v'r = 0.
71
(111)
|
Uit deze vergelijkingen volgt: _ 9 _ »-
|
±1 _ ±1 _ ± 1 .JlA^Vp |' â Æ/'quot; -i- v'quot;) f 1 k'ijJv' |
waarin de verhouding van den kroratohoek tot dt wordt voorgesteld door d'. Uit het eerste stelsel vergelijkingen volgt:
p â â (;. K' dt) | x' dt p â dt)
u X ft q â ((y. i/ dt)\ = \ y' dt q â {y. (/.' dt) ]/ r â ( v v' dt) \z' dt r â (quot;«' v' dt) j
en dus indien wij tot de grens overgaan:
A p - A' j
U X
Voeren wij nu (111) in dan verkrijgen wij
2
M X j |
(112)
jlA^i/ i \\x'y'zquot;\\ f, |j X'j| || A ^ ||
u (A'2 -f- /-iquot;2 v'2) = â (AV v'z') of: x'x' ft'y' v'z'
uâ --
6quot;2
Hiermede vinden wij voor de coördinaten van het centraalpunt (of als vergelijkingen der strictielijn van het niet ontwikkelbaar rogeloppervlak):
â AV - â fy- y v'z
X = j» â A X----- enz.
0 -
Bij differentiatie van deze uitdrukking verkrijgen wij :
~K.' = x' â f ?(A' h'A enz,
waarin wij dan (112) en die welke door differentiatie van (112) er uit voortvloeit, zouden moeten substitueeren.
Wij zullen deze uitdrukkingen, die ons de projecties van het element der strictielijn leveren, echter alleen gebruiken om de voorwaarde op te sporen, onder welke liet element der strictielijn samenvalt met den afstand tusschen twee opeenvolgende beschrijvende lijnen. Dit wordt in verband met (111) uitgedrukt door:
x' u A' 4- «'a cc i ^,v, ' enz.
1 /X V |
(113)
72
waaruit men deze beide betrekkingen kan afleiden:
A {x -f- II/. -|- U A) â|- [A (if -f- tl -f- U [//} -j- V (z -|- WV -|r W v) = O
h'(x' â|- li a -f- w a) -1- /-4 (// -f- m âf- w jw-) 3/ -|- mv -j- U gt;) = o
Aan de tweede vergelijking is krachtens (107) en (112) voldaan, terwijl de eerste oplevert:
(114)
u' = â (a cc' ft y' v z')
Deze vergelijking, gecombineerd met (112), levert dus de voorwaarde op onder welke het element der striotielijn samenvalt met den afstand tusschen twee opeenvolgende beschrijvende lijnen.
Uit de oorspronkelijke vergelijkingen volgt nog:
|
a p ( a âj- a dt) |
iv x I ,«â (I â (,«â p'dt) \ v r â ( ^ v'dt) a x'dt â ( a Adt) I = | y'dt â (/x -f- fi'dt) \ v z dt â 1 'j -fr 'â L-L^' |
of indien wij gebruik maken van (111);
x' a a'
dt
â (115)
w = ± , t x i y v t* J ' z' y v'
waarmede de afstand tusschen twee opeenvolgende beschrijvende lijnen bepaald is.
Hieruit zouden wij ook, door w = 0 te stellen, de voorwaarde kunnen afleiden onder welke liet regeloppervlak ontwikkelbaar is.
Om de vergelijking van het raakvlak aan het regeloppervlak te bepalen, zullen wij gebruik maken van de notaties en formules van G-auss. (Zie o. a. F. Joachimsthal. Anwendung der Differential- und Integralreclmung).
Wij vinden:
3 u
Jt
du
dy, 3t
e u
â x u '/. ;
= y u
3t
Hiermede worden:
|
h U |
en twee dergelijke uitdrukkingen voor B en C.
73
(116)
Hiermede wordt de vergelijking van het raakvlak:
% â x â hï. â /! â y â u [a
X ,0-
x' u 'a ij' u (A
£ â x '4 â y
A (A
\x' -\- u ' ij' n [jJ
s â % uv v
z' uv'
O of:
K-z \
v
Z -I- 11V |
Hieraan wordt voldaan door (106) onafhankelijk van u, waaruit volgt dat de raakvlakken in de verschillende punten van eene beschrijvende lijn alle door die beschrijvende lijn gaan en dus een vlakkenbundel vormen, die zooals uit (116) blijkt, projectief is mot de puntenrij der raakpunten.
Zoeken wij nu in dien vlakkenbundel twee vlakken (met de parameters u en m1) , die loodrecht op elkander staan, dan wordt dit volgens (116) uitgedrukt door :
amp;
IJ' u yJ
i X
|| x mA'
y'
X U, A
, : = O of
A a?' ij' vz'
Air' y.y' -\- v z' xquot;1 yquot;1 -t- zquot;1 -f (u m1) (a'x' f/tj' v'z') -I- u u.l (a'2 ^quot;2 -4- v'2)
waarin nu t eene bepaalde waarde heeft.
Deze vergelijking is de algemeene voorwaarde voor eene puntenrij in involutie, zoodat de raakpunten van onderling loodrechte raakvlakken verwante punten eener involutie zijn.
Men verkrijgt het centraalpunt der involutie door bijv. = oo te stellen en vindt in overeenstemming met (112):
'/.'x' yJy' v' z'
Voor de macht der involutie vinden wij:
(AV ict'y' i/'g')2 xquot;2 4- yquot;1 z'2 â (/.x' fty' z')2
(a'2
(A'J ,a'2 v'2)2
0
1
gt;'2 _I_ ,,'21 ./2\2
- (aV ,«gt;' â¢/0')2 (a;'2 //'2 ^2) c/i y^ '/^-CAx' vy' yz')2 (A'2 ,a'2 /2)J
- -f- ^ V quot;
A ^ -h [A y V z
,,,2 , ,2 , .72« X | O 1 x' y- y' 'j z'
' ' \'/!x'(a y'v'z' Xx'ny' v z' xquot;1yquot;1 z'2
' = O
;(A'2 i,V2 vquot;2)2 .
y'w-'
z' v v'
â (117)
Deze uitdrukking is steeds negatief, d. w. z. de involutie der raakpunten van de onderling loodrechte raakvlakken is steeds elliptisch.
10
74
Onder oentraalvlak verstaan wij het raakvlak aan het regeloppervlak in het centraalpunt. De vergelijking van het oentraalvlak volgt uit (116) door gebruik te maken van (112):
vây
£ _ r s â *
, , x'x'1*'y'-\-v'z' , , }â¢!x' [jjy'-\-v z '' - A X A'2 ^2 1/2 v -v* A'2 ^2 1/'2
= 0
/ X â77
Indien wij de eerste kolom vermenigvuldigen met A' en hierbij de tweede en derde kolom, na ze eerst respectievelijk met // en v' vermenigvuldigd te hebben, optellen, dan verkrijgen wij de vergelijking van het oentraalvlak in de gedaante:
⢠(118)
A' (I â x) (v â y) v' {k â z) = 0 . .
Asymptotisch vlak is het raakvlak aan het regeloppervlak in het oneindig ver gelegen punt der besohrijvende lijn, het staat dus loodrecht op liet oentraalvlak. Zijne vergelijking wordt uit (116) gevonden door u â cc te substitueeren. Wij vinden dan:
4' â x A A'
^ â y
//
v'
(119)
= o
§ 46. In dit hoofdstuk zullen wij verder liet oppervlak der binormalen behandelen. De ruimtekromme is de richtlijn van dat regeloppervlak,
In dit geval moeten wij substitueeren:
ij. =
(120)
A = ff.,
A' = ög' = 03'or.2 , // = ^7a2 , â¢/ = (Vc2.
v = f3'
Om uit de formule na te gaan of dit regeloppervlak ontwikkelbaar is, berekenen wij de uitdrukking in (108), en vinden:
|
s'a1 flg j S' ög 6.2 ftg : = S ^g Ci tfg Cg |
asss.
3 1
Dit kan (bijzondere punten uitgesloten) alleen 0 zijn, indien ög' â 0; dus is in 't algemeen het oppervlak der binormalen een scheel regeloppervlak.
Voor eene vlakke kromme is het oppervlak der binormalen een cylindervlak.
Uit (120) volgt:
A' x! [jj y'
0
M = ü
u z
d. w. z.
en uit (112):
De strictielijn van het oppervlak der binormalen valt samen met de oorspronkelijke ruimtekromme.
75
Omdat u = 0, is ook u' = 0 en daar tevens A x' -)- y' v z' =0, zoo is ook aan (114) voldaan, dus valt liet element der strictielijn samen met den afstand tusschen twee opeenvolgende beschrijvende lijnen. Dit blijkt nog op andere wijze. Immers uit (111) volgt (indien wij het â teeken gebruiken) voor do richtingscosinussen van dezen afstand :
h c3
^3 ^2 ^3 C2 ft., C,
^=-âvenz-
en uit (115) volgt voor dezen afstand zelf:
- w = â ~ x (- s'öa') = s'dt.
Wij hebben nu gevonden :
Het oppervlak dor binormalen bezit eene strictielijn, die loodrecht staat op de beschrijvende lijnen en samenvalt met de ruimtekromme waarbij het oppervlak der binormalen behoort.
Wij kunnen ook gemakkelijk het omgekeerde van deze eigenschap bewijzen, namelijk: Indien de beschrijvende lijnen van een regeloppervlak loodrecht staan op de strictielijn, dan is dit regeloppervlak het oppervlak der binormalen van deze strictielijn.
Nemen wij, om dit te bewijzen, ter vereenvoudiging aan dat die strictielijn tevens do richtlijn is, dan is volgens (112) voldaan aan:
aV ft'i/' v'z' = 0............(a)
De voorwaarde van den loodrechten stand wordt uitgedrukt door :
Xx' -\- imj' -\- y z' = 0............(6)
Indien wij {h) differentiëeren en tevens gebruik maken van («) vinden wij :
vzquot;=0............(c)
Uit (b) en (c) leiden wij af: â
/ /
* = lquot;lquot; I : »' yquot;2 ^quot;2 - squot;2) enz.
'J z
d. w. z. de beschrijvende lijnen van het regeloppervlak zijn de binormalen der strictielijn.
De raakpunten der onderling loodrechte raakvlakken langs eene binormaal vormen eene involutie, waarvan de macht volgens (117) is: ,
- s'2lt;V2:quot;3'4 = - P32.
De vergelijking van het centraalvlak wordt volgens (118):
«2 (? â «) h2 (^ _ y) c2 (^ _ ^) = 0 d. i. de vergelijking van het rectificeerend vlak der kromme.
De vergelijking van het asymptotisch vlak wordt volgens (119):
fl,, (£ â x) h.x (y â «/) c1 (^ â «) = 0
cl. i. de vergelijking van liet normaalvlak.
Het pooloppervlak is dus het asymptoten vlak van het oppervlak der binormalen,
§ 47. Zonder gebruik te maken van de resultaten in de vorige § gevonden, kunnen wij ons de vraag stellen, aan welke voorwaarden een regeloppervlak moet voldoen, opdat de beschrijvende lijnen de binormalen van eene op het oppervlak gelegen ruimtekromme kunnen zijn.
Hiertoe moet in de algemeene vergelijkingen van het regeloppervlak u zoodanig als functie van t bepaald worden, dat de lijn (A, v) de binormaal is van de ruimtekromme (£,»),£); dit wordt uitgedrukt door:
enz. of door:
gt;. 4quot; y. 4- gt; r = 0 en A?quot; (j. v Cquot; = (J-
Nu is:
f' = te' -t- u 7 ' u7., ?quot; = xquot; u Xquot; -I- 2 u'y' uquot;gt;. enz. ;
dus traan beide voorwaarden over in:
u' = â (;,x' v z') en ?.xquot; y- yquot; 'â / zquot; n ('/.?.quot; ///^quot;4- wquot;) -t- mquot; = ü.
Maar uit de eerste vergelijking volgt:
uquot; â â {xxquot;-\- fmjquot;vzquot;) â (k'x'-\- ft'y'v z)
en ook is :
vvquot; = - (A'2 //2 v'2)
dus gaat de tweede voorwaarde over in:
'a'x' it'y' v'z'
u = A'2 ^'2
Vergelijkt men beide gevonden betrekkingen met (112) en (114), dan blijkt dat het regeloppervlak dan alleen het oppervlak der binormalen van eene ruimtekromme kan zijn , indien de beschrijvende lijnen de strictielijn loodrecht snijden. Tevens blijkt dat die strictielijn de gevraagde ruimtekromme is.
Is een regeloppervlak het binormalenoppervlak van eene ruimtekromme, dan volgt uit het bovenstaande, dat op dat regeloppervlak geen tweede kromme kan getrokken worden waarvoor dit het geval is.
Hiei'bij moeten wij het geval uitsluiten dat ti onbepaald zou worden.
cc
77
Dit is alleen mogelijk indien A',//.' en v'âG, dus A,1/ constant zijn, d. w. z. indien het regeloppervlak een cylindervlak is.
Uit de uitdrukking voor u' leiden wij dan af:
m = O â (Aa? 4- py vz).
Op een cylindervlak kunnen dus oneindig veel (en wel evenwijdige) krommen getrokken worden, waarvoor dit cylindervlak het binormalenoppervlak is.
Gemakkelijk vinden wij met behulp der gevonden uitdrukking voor u:
As ^ â C;
d. w. z. de genoemde krommen zijn gelegen in vlakken loodrecht op de beschrijvende lijnen van het cylindervlak.
HOOFDSTUK VI.
Het oppervlak der hoofd nor malen.
g 48. Wij zullen in dit hoofdstuk de voornaamste grootheden berekenen en de eigenschappon behandelen van het regeloppervlak der hoofdnormalen.
Hiertoe moeten wij in de formules van § 45 substitueeren:
A = «2 , = h., , v â c2
A' = - ^'a3 - , (/,' = - |amp;3 - , /=- tf3'c3 - ^'c, ) . . (121)
0' = fl.2'
Om na te gaan of dit regeloppervlak ontwikkelbaar is, berekenen wij :
| % â ()3' a.j â ü\u\ «2 = 03-0/6, h, j r , S ^3 Cg â ö,] 6',, c2
x' A ij' tjj ,a
= s'03'.
Deze uitdrukking kan (bijzondere punten uitgesloten) alleen 0 zijn indien ()3' = 0; in 't algemeen is dus het oppervlak der hoofdnormalen een scheel regeloppervlak. Voor eene vlakke kromme liggen alle hoofdnormalen in dat vlak.
Uit (111) volgt voor de richtingscosinussen van den afstand tusschen twee opeenvolgende hoofdnormalen (indien wij het teeken gebruiken):
1 I k c2 V , 0/ , i
' - v x! - ia --1,\ \ - - it quot;a =' °nz- ***quot;lt;31) â¢
dus de afstand tusschen twee opeenvolgende hoofdnormalen is evenwijdig met de rectificeerende lijn der ruimtekromme.
Voor den afstand van het centraalpunt tot het correspondeerende punt der ruimtekromme vinden wij uit (112):
_ .s'»-! (^'«s V^|) S'6| (^n'^3 ^l) S C\ (^3 tj\ __ S fj\ __ p sin2J{ (122)
2 ó2 2
79
Wij kunnen dit ook aldus schrijven:
u = p21: p1 of pl : p.2 = p2: u.
Het centraalpunt der hoofdnormaal is dus gelegen tusschen het punt der ruimtekromme en het kromtemiddelpunt. De kromtestraal wordt er door verdeeld in twee stukken wier verhouding is tg- Jt.
Uit (42) volgt, dat het centraalpunt der hoofdnormaal ook het punt is waar de rectificeerende lijn van de tweede orde de hoofdnormaal snijdt. '2)
Uit (113) volgt voor de vergelijkingen der strictielijn:
X = aquot; «9 â enz............(123)
Pi
Den afstand tuschen twee opeenvolgende hoofdnormalen vinden wij uit (115);
///
w = â 0 , x 8'03' = s' dt-eoslt..........(124)
dus gelijk aan de projectie van het boogelement op de rectificeerende lijn.
De macht der involutie op de hoofdnormaal is:
- êps'ï: = â Pi2 sin2I («s2Jf.........(1'25)
Hieruit volgt dat de raakvlakken van het regeloppervlak der hoofdnormalen in het punt der ruimtekromme en het kromtemiddelpunt loodrecht op elkander staan.
Voor de vergelijking van het centraalvlak vinden wij uit (118):
a2' (£ âx) b2' â y) c2' {% â z)=0........(126)
Dit vlak, dat door de hoofdnormaal gaat, is volgens §23 het rectificeerend vlak van de tweede orde der oorspronkelijke kromme.
De verschillende centraalvlakken van het oppervlak der hoofdnormalen omhullen dus het rectificeerend oppervlak van de tweede orde der oorspronkelijke kromme.
Voor de vergelijking van het asymptotisch vlak vinden wij uit (119):
â or 1 â !/ % â Z
r(2 c.2 I = U of:
â â ^iai â ^3^3 â â h'fs â ^iCi I
(? â «) (â«i^' a'Ji ) iy' â ?/) (â M3' Mi') (?â«) (â cAi «ah') = 0- â (127)
Dit vlak staat dus loodrecht op de rectificeerende lijn. Het oppervlak hierdoor omhuld, zullen wij in § 50 nader onderzoeken.
1
Men zie o. a. Ruch onnet (1871), C é s a r o (1885), D e m o u 1 i n (1892).
2
Onder osculeerende schroef in een punt, der ruimtekromme verstaan wij die cirkelvormige schroeflijn, welke in raaklijn, kromtevlak en kromtestralen met de ruimtekromme overeenstemt. Hieruit volgt dat de as van het cirkelvormige cylindervlak waarop de schroeflijn geteckend is, evenwijdig loopt aan de rectificeerende lijn der ruimtekromme. Uit § 27 A volgt dat de straal van de rechte doorsnede van het cylindervlak moet zijn p, sin2 3C en dus blijkt de as der osculeerende schroef samen te vallen met den afstand tusschen twee opeenvolgende hoofdnormalen.
80
§ 49. Wij keeren na terug tot de strictielijn van het regeloppervlak der hoofdnormalen bepaald door (123).
Bij differentiatie verkrijgen wij ;
of:
X' = s' cos2 je X «â¢! «2 X s's^n'^ cos Jf x («3 enz. . . . (128)
Hierin stellen X', Y', Z' voor de projecties op de coördinatenassen van het element der strictielijn gedeeld door dt.
Wij vinden dan voor de projecties op de bewegelijke coördinatenassen :
Projectie op de raaklijn =s'cos'2Jf j
Projectie op de hoofdnormaal =(p22:p.|)' ...........(129)
Projectie op de binormaal =s'sin JC cosJC )
Hieruit volgt voor het element der strictielijn :
Squot;2 = .s-'2 cos-Jt [jp22: ^)']2.........(130)
Tevens verdient nog vermelding dat de projectie op de rectificeerendo lijn is :
s' cos2K X cos,IC s' sinJt cos Jf X sinJC = s' cos3C dus :
De projectie van het element der strictielijn op de rectificeerende lijn der ruimtekromme is gelijk aan den afstand tusschen twee opeenvolgende hoofdnormalen.
Hierbij slnit zich aan de beantwoording der vraag: wanneer valt voor het regeloppervlak der hoofdnormalen het element ^jgr^strictielijn samen met den afstand tusschen twee opeenvolgende hoofdnormalen ?
Uit (114) volgt als voorwaarde:
u' â â (a2 % s' b2 6,, s' CqCj s') = O terwijl u =
Pi
zoodat de voorwaarde hiervoor wordt:
p22 : p., = Constant = 0...........(131)
De omstandigheid dat u' =0 moet zijn, is slechts een bijzonder geval van de algemeene eigenschap, dat wanneer op een regeloppervlak twee krommen getrokken zijn die de beschrijvende lijnen loodrecht snijden, de afstand tusschen oorrespondeerende punten standvastig is.
Hiermede is tevens de vraag beantwoord, of het regeloppervlak der hoofdnormalen van eene ruimtekromme ook het regeloppervlak der binormalen van een tweede ruimtekromme kan zijn. Dit is alleen mogelijk, indien aan (131) voldaan is; de strictielijn van het regeloppervlak is dan de gevraagde tweede ruimtekromme.
Wij zullen voor dit bijzondere geval nog eenige grootheden der strictielijn berekenen.
81
Wij merken op dat S' = s' cos JC, al naarmate Jf scherp of stomp, of ö'g \ 0 of / 0. Hiermede vinden wij uit die voor dit geval wordt:
X' = s' oosK (aA cosJC r/g sin JC) enz.
dat: X' = ±1 S' («., cosJt sinJC) = ± S'l enz.
dus de riclitingscosinussen der raaklijn aan de strictielijn zijn dc l enz., al naarmate \ 0 of /0. Hiermede kunnen wij Xquot;, X'quot; enz. berekenen en vinden dan voor de richtingsoosinussen
van de hoofdnormaal der strictielijn: enz., al naarmate 0% en K' ongelijk of gelijk
teeken bezitten, en voor do riclitingscosinussen der binormaal a.2 enz., al naarmate JC' ^ 0 of \ 0.
Voor de kromtehoeken vinden wij:
11' = Jf' (al naarmate Jlquot; 0 of 0)
fg' = (al naarmate ö3' \ 0 of 0).
Voeren wij nu de kromtestralen der strictielijn in, dan is:
R1 = JL en Rg = - = -G cotg Jf of C = â Eg tg Jf.
Daar C steeds positief is, blijkt hieruit dat Rg en Ãg' gelijk teeken bezitten. Na differentiatie der laatste betrekking volgt:
â â Jf' T, , , â j, Rg'sinjf cosJf Ro' sin2Jf
0 = - K» snt - R» quot;Jquot; of quot; ----s,.......- - ' c
dus hebben Jf' en Rg' gelijk teeken.
Deze uitdrukking in de eerste gesubstitueerd levert:
d _ i S'C 1 :±: Rg' sin'JJf
Maar uit:
C2
C = â Rg Jf volgt: sin2 Jf == 9
JXg-
en dus wordt onze betrekking:
±CRd |' = R32 C2..........(132)
waarin het of â teeken moet genomen worden, al naarmate Rg'/ 0 of 0. Dit is dus de betrekking waaraan de strictielijn voldoet.
11
82
§ 50. Wij zullen in deze § eenige grootheden berekenen die betrekking hebben op de keerlijn van het asymptotisch oppervlak.
De beschrijvende lijn van dit oppervlak wordt gevonden door (127) te combineeren met die welke er door differentiatie naar t uit voortvloeit.
Hiertoe zullen wij (127) eerst schrijven:
(£ â x) (o1 cosjf 4- «3 sinJC) (gt;? â «/) (^ cos3f 4- ba sinJC) -(?â â«) (c1 cos.lC sin.lf) = O
Differentiatie levert:
(? â x)3C' (â ii-i sinJC %cos3C) 4- (i â y)iV (â sin Jt b3 cos3() (? â ^)3C' (â siujf. (â¢;jcof)3C) =
= a± s' (o1 cos Jf «3 sin 3t) i., ,s' (bi cos 3f -I- sin 3C) s' (q cos 3C c3 sin 3fj = s' cos 3C.
Uit beide vergelijkingen kunnen wij afleiden voor de vergelijkingen der beschrijvende lijn van het asymptotisch oppervlak:
s'sin3Ccos3f )
«i (I â x) (n - «/) ^ (ï; ~ z) =----- I
\.....(133)
s' cos23f i
«3 (? â aquot;) h {v, â y) C3 {^ â z)-= jp I
Lossen wij uit deze vergelijkingen de richtingscosinussen dor lijn op, dan vinden wij dat zij evenwijdig loopt aan de hoofdnormaal.
Dit blijkt echter nog op eene andere wijze. De eerste leden der vergelijkingen (133) stellen namelijk voor de projecties van de verbindingslijn van het punt der ruimtekromme met een willekeurig punt der beschrijvende lijn, respectievelijk op raaklijn en binormaal. Deze projecties zijn voor elk punt der beschrijvende lijn standvastig, waaruit volgt dat die beschrijvende lijn evenwijdig aan de hoofnormaal is.
Het snijpunt van deze beschrijvende lijn met het rectificeerend vlak wordt dus gevonden
door op de raaklijn een stuk â -â ^ en 01) binormaal een stuk--â af te passen
en op beide lijnen een rechthoek te beschrijven. De afstand van dit snijpunt tot het punt der
/ Tf
ruimtekromme wordt dus ±â^7â (al naarmate tf3' en M' ongelijk of gelijk teeken bezitten.)
Hiermede kunnen wij de vergelijkingen (133) der beschrijvende lijn brengen in de gedaante:
% â x = wTâ (â a\ si11'quot;- ö3 cos JC) m x «2 enz' ⢠⢠â (1-34)
â waarin u de gewone beteekenis heeft.
Passen wij nu (109) toe, dan vinden wij na eenige herleidingen voor de vergelijkingen der keerlijn van het asymptotisch oppervlak:
(â0^ sin 30 ^3 cos K) |H^s'sinJC â ^ enz ⢠(135)
s' cos X
X = a? 4
JC'
83
Hieruit volgt weder floor differentiatie na eenige herleidingen:
is'ta' fs'sinjf 1 / s' cos3t\n'/
x ='â '] # Lir'
en wordt het element der keerlijn afgezien van het teeken:
Q/ s'ó3' F s' sin 3C 1 / s' cos 3C V
quot; ^7\ / _
§ 51. Wij stollen de vraag: aan welke voorwaarde moet een regel oppervlak voldoen, opdat het een oppervlak der hoofdnormalen voor eene kromme op dat oppervlak zij ?
Het regeloppervlak wordt weder bepaald door (106); nu moet n zoodanig als functie van t bepaald worden, dat de lijn (A, //,, â¢/) de hoofdnormaal der kromme (£, ?) is. Dit wordt uitgedrukt door :
A cc ,,i,, enz.
/ w
5quot; k
/r W/
5quot; k
(136) ⢠(137)
of wat hetzelfde is door de vergelijkingen:
£'A v!ij. =
] A v â¢
r i/r =o Ir^T'
Deze vergelijkingen drukken uit dat de lijn (A, y) loodrecht staat op raaklijn en binormaal der kromme (f, gt;j, ^).
üit (106) volgt:
== «' A' m'A enz.
§ =«
(138)
u Aquot; -(- 2 M'a' «quot;A
Hiermede gaat (136) over in :
h' â â (A.r' ,ci y' v z')
en (137) levert :
A v A' jCt' !/' A'V'vquot;
(139)
0.
X
|
( i A y, v / A'V'/' |
|
Wij zullen eerst de beteekenis van deze vergelijkingen opsporen. Hiertoe zullen wij nog de overige notaties dei- algemeene vlakken theorie invoeren. Dan is voor het regeloppervlak:
32^
irT = 0:
dUA
32| dt2
â A :
= X â â UK
enz.
dudt
84
en dus: D = O;
/ /y. 1/ ! x' y' z' '; xquot;yquot;zquot;\
'⢠iJ' quot; i ; /Ci' / j [
xquot;yquot;zquot;'i
// v x' ij' z'
Dquot; =
/. I/, -j
D' = ; x' y' z' i ; A'/V v' \
\x p v \ (
M2 x | a' i/ v' «lt; x ; A'V-quot;vquot;
E = 1; F = Xx' py' vz' ] G = squot;2 w2 f2 '2 u (x'?.' y'ft' z'v'). Wij kunnen nu de vergelijkingen (138) en (139) vervangen door;
m' = â F , ............(140)
(141)
Dquot; â 2 FD' = 0
Deze vergelijkingen hebben ecne bepaalde beteekenis. Vergelijking (141) drukt uit : in die punten waarin aan (141) voldaan is, maken de asymptotisohe lijnen van het regelopper-vlak een rechten hoek met elkander en is (140) de vergelijking waaruit de asymptotisohe lijn op het regeloppervlak bepaald wordt. 1)
Wij zien dus dat de oorspronkelijk gestelde vraag samenvalt met deze, of er zich op het regeloppervlak eene asjuuptotische lijn bevindt, die alle beschrijvende lijnen onder een rechten hoek snijdt. Z***quot;
Keeren wij nu terug tot de vergelijkingen (140) en (141). De laatste vergelijking kan beschouwd worden als eene vierkantsvergelijking in u, waaraan dus twee wortels voldoen.
Hierdoor verkrijgen wij de volgende gevallen:
ln. Elke waarde die aan (140) voldoet, voldoet ook aan (141). Op het regeloppervlak kunnen dan oneindig veel krommen geconstrueerd worden, waarvoor het een oppervlak der hoofdnormalen is.
2°. Geen der beide wortels van (141) voldoet aan (140). Op het regeloppervlak is geen kromme, die aan de vraag voldoet.
3quot;. Een der wortels van (141) voldoet aan (140). Op het regeloppervlak is één kromme, die aan de vraag voldoet.
4°. Beide wortels van (141) voldoen aan (140). Op het regeloppervlak bevinden zich twee krommen, die beide aan de vraag voldoen. Deze beide krommen kunnen echter nog samenvallen. Het geval van imaginaire wortels van (141) laten wij buiten beschouwing.
§ 52. Het eerste geval kan zich alleen voordoen indien alle coëfficiënten in (141) =0 zijn; de voorwaarde hiervoor is:
|
I ^ rf n 11\ i ^ ft quot; |
|
â 2 (A x' ft y' vz') | ||||||||||||||||||
A y. i/ ,
x'y'z'\=0 (144) aV /
/. v
Om deze vergelijkingen te vereenvoudigen, zullen wij onderstellen dat de beschrijvendo lijnen overal de richtlijn onder rechte hoeken snijden (wat steeds geoorloofd is). Dit wordt uitgedrukt door:
Xx' fty' v z'â 0............(145)
1
Zie bijv.: S t a h 1 und Kommer ell: Die Grundformeln der allgemeinen Flachentheorie § 5.
85
. . (146)
Dan gaat (140) over in u'. = 0 gevende ; u â constant. Verder levert (144) dan op:
A ,44 V
x' y' z' xquot; yquot; zquot;
= 0
Uit (146) en (146) volgt reeds, dat de beschrijvende lijnen van het regeloppervlak de hoofdnormalen der richtkromme zijn. Wij kunnen dus stellen:
/.'= - ^'«3 - Va,, Aquot;== - VS - Kh - enz.
Hiermede wordt (142):
K
a.
-VV' V'V = lt;)
- ^3'C3â
âKaz~Ka\ â ^8'/;3â
of tf/: ög'= Constant, dus is volgens § 27 A de richtlijn eenc schroeflijn. Uit (143) volgt:
-V2a2-^quot;«.3-V'«i - -6^-6^-6^
of: s'^ 3' (a ^ b^y c^z ) (wgaquot; ^0 ) = 0
of: s'V'âlt;Vsquot;=ü of: ,5': V= Ps = constant.
Dus zijn beide kromtestralen constant ; volgens § 27 B is dan de richtlijn eene cirkelvormige schroeflijn en het regeloppervlak het gewone schroefvlak.
Dit is dus het eenige regeloppervlak, waarop oneindig veel (evenwijdige) krommen kunnen getrokken worden, wier hoofdnormalen de beschrijvende lijnen van het regeloppervlak zijn.
§ 53. Wij stellen ons de vraag; Kan een regeloppervlak met orthogonale strictie aan de vraag voldoen?
Wij denken ons een dergelijk regeloppervlak en nomen tevens de strictielijn tot richtlijn. Dit wordt (zie hoofdstuk V) uitgedrukt door:
hx' fty'vz'= 0 en X'x' //,'y' v'z'= 0.
Hieruit volgt (indien wij de eerste vergelijking differentiëeren) dat gesteld kan worden:
A = rt3 enz.
d. w. z. dat de beschrijvende lijnen van het regeloppervlak de binormalen der strictielijn (richtlijn) zijn. Dit is reeds in het vorige Hoofdstuk gevonden.
quot;â¢2 C2 xquot; yquot; zquot;
a2 K c.2
s'/i,
s c.
sa.
86
Wij klinnen nu stellen ;
A'âös'a2. Aquot;â âQ's'azâ ^i'ai enz-
De voorwaarden en (141) van het vraagstuk worden dus:
u'= 0
U{s'6aquot;-«quot;(Ja') «'2^'= 0......... (1.47)
De eerste vergelijking drukt uit dat u constant moet zijn, d. w. z. dat de afstand tusschen correspondeerende punten van richtlijn en gevraagde kromme, standvastig moet zijn.
Verder zal het regeloppervlak met orthogonale strictie dan alleen aan de vraag voldoen, indien de striotielijn voldoet aan (147), waarin u een standvastig getal is.
Beide wortels van (147) kunnen alleen constant zijn, indien p.^ constant is, dus voor lijnen van standvastigen derden kromtestraal; maar dan gaat (147) over in: u1 p32=0, waaraan door geen reëele waarde van u kan voldaan worden.
Is een der wortels van (147) constant, dan drukt deze vergelijking de voorwaarde uit waaraan de strictielijn moet voldoen. Wij kunnen deze vergelijking door invoering der kromtestralen in de gedaante brengen :
w2 Ps2 = M ^ X-y-.......... . (148)
Dit is dezelfde betrekking die wij langs anderen weg dan (132) hebben afgeleid. Het verschil in teeken tusschen (148) en (132) is slechts schijnbaar.
Immers in (132) stelt C een positief getal voor, het stuk dat op de hoofdnormaal der ruimtekromme moet afgepast worden om de strictielijn te verkrijgen, welke hoofdnormaal tegengestelde of gelijke richting heeft mot de binormaal der striotielijn, al naarmate E.,' (hier Pa') 0 of \ 0.
In (148) daarentegen stelt u een positief of negatief getal voor, al naarmate/gt;3'/⢠O of0, het stuk dat op de binormaal der strictielijn moet afgepast worden om het punt der ruimtekromme te verkrijgen. Hieruit volgt de volkomen overeenstemming van beide formules.
Het gevonden resultaat kunnen wij ook aldus uitdrukken :
Eene ruimtekromme moet aan (148) voldoen, opdat haar binormalenoppervlak tevens het hoofdnormalenoppervlak voor eene tweede kromme zal zijn.
De voorwaarde (148) kan geïntegreerd worden en neemt dan de gedaante aan;
Pa = u tg
waarin dan ^ eene functie van t voorstelt, wier differentiaalquotiënt V is.1)
De formules in dej.e § verliezen hare geldigheid, indien 0/ = 0 d. w. z. indien de strictie-
1| Hoppe (1879).
87
lijn van het regeloppervlak met orthogonale strictie eene rechte lijn is. Dit geval zullen wij afzonderlijk onderzoeken,
In de algemeene formules van § 51 moeten wij dan substitueeren de vergelijkingen der richtlijn:
x = x* -j- wa ,
/,| -i- n u j y = y.\ -j- w h, z quot; â|- wc, waarin x^, y.^ «, /j, c constanten zijn met de voorwaarden:
(149)
b2 4- fi'2
en
OA by- cv = 0
en tv is evenals A, //, v, eene functie van t.
HierTlit volgt:
en dus gaan (140) en (141) respectievelijk over in:
x â a tv , x = a iv enz.
(150)
(151)
A^v
aVI/ ' == 0 fl /gt; j ^
a b c
en
A ^ gt; I
u2 X I A' ft' v' \ U X J w' X
m'= 0
De eerste drukt uit dat m= constant moet zijn, terwijl de tweede na deeling door u (u â 0 laten wij buiten beschouwing) wordt:
d l /
« X I A' y' V . 4- m/2 X « amp; c : w' = 0.
( gt;.V'/ ^
i ?* [/, v
. // // I!
A v
Uit (149) volgt door differentiatie:
«A'-H byj cv' = 0 ff Aquot; by,quot;cvquot;= 0
= o
dus is:
A /-4 1/ . / / / A l/
» n n n
A v
Aan de voorwaarde kan dus alleen, maar dan voor alle waarden van ti voldaan worden,
indien:
d i dtl
A y. v abc gt;'yJv'
: to' | = 0.
w'2 X
Nu is w'âO uitgesloten, want dan gaat het regeloppervlak over in een plat vlak, zoodat de voorwaarde wordt:
: rv' = C.
K y, v a b c l AV'v'
88
Uit bovenstaande betrekkingen volgt:
t v
a = \ , , \ .ei 1/
z
en dus gaat de laatste voorwaarde over in :
6'= Cm/.
d. w. z. het regeloppervlak is het gewone sohroefvlak.
Zoo komen wij langs dezen weg tot de reeds in § 52 gevonden uitkomst.
§ 54. Beschaajven wij thans nog nader het geval dat op het regeloppervlak een of twee krommen gelegen zijn, wier hoofdnormalen de beschrijvende lijnen van het oppervlak ij n. Wij kunnen dan een dier krommen tot richtlijn nemen. Dit kunnen wij uitdrukken door (145) en (146), zoodat de voorwaarden (140) en (141) respectievelijk overgaan in:
enz.
\X Ijz
u- X /⢠,«â v 1 ^ ft 'J
)
a'â 0 dus u = constant en
! A ,'/â V \ M A ,0. y
X IJ. -J [ .
A' iji! V' I; = O......(152)
x y z
Wij kunnen nu weder stellen A = a2 enz ; passen wij nu dezelfde herleidingen toe als in § 52 dan gaat (152) over in;
u1 (lt;VV-1\^') u (s'V âsquot;^') = 0........(1amp;3)
Hieraan wordt in de eerste plaats voldaan door m = O, zooals te verwachten was.
Voldoet verder geen constante, van O verschillende, waarde van u aan (153), dan is op het oppervlak der hoofdnormalen van de ruimtekromme geen tweede kromme die dezelfde hoofdnormalen heeft. Indien echter de oorspronkelijke ruimtekromme voor eene constante waarde van u aan jl5B) voldoet, dan is op haar oppervlak der hoofdnormalen wel eene tweede kromme, die hoofdnormalen bezit. Beide krommen vallen samen, indien die constante
waarde van u = O is Hiervoor is noodig :
s'03quot;_squot;()3'=0............(154)
De eerste voorwaarde gaat na integratie over in :
MX^-T = -C of:
1............(155)
Pi Ps
De tweede levert: p3 â Constant
zooals ook uit (155) volgt, door m = O te stellen.
89
Hierdoor verkrijgen wij de stelling van Bertrand;
Indien tusschen de krommingen van eene ruimtekromme eene lineaire betrekking bestaat, is op hot oppervlak der hoofdnormalen van die kromme nog oeno tweede kromme gelegen, wier hoofdnormalen samenvallen met die der eerste kromme; beide krommen vallen samen, indien de eerste kromme een standvastigen derden kromtestraal bezit.
Noemen wij nu, indien aan (155) voldaan is, de richtingscosinussen van raaklijn, hoofden binormaal dier 2d6 kromme respectievelijk «,[, /31, 7.,, «2, /32, y,, x3, /33, 73, de kromte-hoeken 9-,/ en S'g', het element er' en de kromtestralen r.j en r3.
Die tweede kromme wordt dan bepaald door:
% â x ua.2 enz. __
|^ri_ ±vi/(c2 «2) v(c«.i -«%)
i lt;rquot;|quot; - ± fl3quot; J/(C2 i/2) rt2 tf3' (C M 63') 03quot; (C^ â ua3)
derhalve: |'= x' .s' u (â öa'c(3â = 43' (0«,! â uas) enz.
§quot;= a2óa' {Có; â uOx') ()3quot; (0«., â «rt3) enz.
t'2 = (C2 u-) gevende lt;7'= ± (J3' J/ (C2 u2}, al naarmate (!3' O of lt;^0 en: 7quot;= ± ó3quot; ]/ (C2 »'2).
Hiermede vinden wij :
' = ±^A'2(C V â «lt;V)|/(C2 m2),
Z'ö \ - *1 quot; 'ö / ' v â - 'X -wv^,
al naarmate 0 of \0.
y/ r _ I v (C 6, - mó3) 63' (Cc, ~ uc3)
â j'Kquot; \ bJJ (CV - wOg') quot;aquot; (C^i â «^3) (W(CV - m^') /)3'' (Ca, - «c3)
= ()3'2 (CV- MV) (C«3 wa,i)
^)/r24-^quot;2 r2 -^quot;2)= âm^') ]/(C2 M2), al naarmate C^,/â«^3'^gt;0 of lt;^0.
Hiermede vinden wij :
Ccf,. â h a,, , , \ /
«1 = zL enz., al naarmate 93 N0 of lt;^0.
«!2 =±a2 enz., al naarmate tf3' en Cö/âmV gelijk of ongelijk teeken bezitten.
C ^3 -1- /if/.j v ,
= â p^C2^m2) eilz-) al naarmate Cl).,'âud3' y 0 of lt;^0.
Noemen wij weder de richtingscosinussen van raaklijn, hoofd- en binormaal der tweede
12
90
kromme, ten opzichte van het bewegeliike coördinatenstelsel der eerste kromme, respectievelijk , p.,, q,, r.2, ps, q3, r3, dan vinden wij:
C ~j~ u
lh = ±|/(C2 m2) ; 9i=0; ri = al naarmate «3' gt;0 of lt;0.
po=0\ q., = ±1 ; ''.2 = 0, al naarmate ^3' en «ö3' gelijk of ongelijk teeken bezitten.
?'3S=|/((^ nV (/;1= (,; ,'3= ^/(02^2,, al naarmate gt;0 of lt;0.
Noemen wij quot;Ttrrrâhoek tusschen correspondeereude raaklijnen van beide krommen Cp, dan is:
oos^ = ± j/pr M-T);
derhalve is cp scherp of stomp, al naarmate C en ö3' gelijk of ongelijk teeken bezitten.
De cosinus van den hoek, dien de raaklijn der tweede ruimtekromme met de binormaal
der eerste maakt, is , , ,â,,-7 , waaruit volgt:
y (O - -t- u )
C = db m cotgcp,
al naarmate u en ()3' gelijk of ongelijk teeken bezitten.
Verder vinden wij:
5/= ~-]/(?quot;2-W2 T'2- gquot;quot;2) = ± i al naarmate 0(5/âmö3' / 0 of \0.
Wanneer wij eerst enz. berekenen vinden wij, na eenige herleidingen:
± y (C'2 U2y al naarmate ó3' gt;0 of lt;0. .
Hiermede vinden wij:
tf3' (C2 u*)
ri _ v quot; ^ Cp3â«p., '
al naarmate ^3' en Có^âuós' gelijk of ongelijk teeken bezitten.
tr' 03'(C24-m2) C2 m2
â cT7 0' (i
-53 ^ Ps
Hieruit volgt: »'3 X p3 = C2 dus :
Indien twee ruimtekrommen gemeenschappelijke hoofdnormalen bezitten, is het product van hare derde kromtestralen constant.
91
Elimineeren wij uit de boide uitdrukkingen voor i\ en r;j de kromtestralen der oorspronkelijke kromme, dan vinden wij:
C u
qiâ = 1, al naarmate d3' en Cf)/â u6% gelijk of ongelijk teeken bezitten.
'3 r\
Het was te verwachten, dat tusschen de krommingen der tweede raimtekromme evenzoo eene lineaire betrekking moest bestaan; het dubbele teeken waardoor onze formule afwijkt van die welke gewoonlijk worden opgegeven, hangt samen met de omstandigheid, dat de hoofdnormalen van beide krommen gelijke of tegengestelde richting kunnen hebben.
Een bijzonder geval der krommen van Bertband vormen de krommen met stand-vastigen eersten kromtestraal; dan is 0 = 0 en u â p,, dus positief.
Voeren wij dit in in de formules van deze §, dan vinden wij volkomen dezelfde uitkomsten, welke reeds in § 40 gevonden zijn. ')
1) Voor het onderwerp in de § g 51 -ö-t behandeld, raadplege men:
B e r t r a n d (1850), J A. S e r r e t, (1851), C n r t, i s (1856), M a n n h e i m (1872), M a n n h e i m, JA. Se r r e t. en Niewenglowski (1877), Mannheim (1878).
HOOFDSTUK VII
De e vo 1 u ten der r ni m tekro m men.
§ 55. In Hoofdstuk IV zijn behandeld de ontwindingen van eene ruimtekromme; dit vraagstuk laat acne omkeering toe, namelijk het vraagstuk der ontwondenen of evoluten van eene gegeven ruimtekromme. Het is dan de vraag de krommen op te sporen, die in hetzelfde verband staan tot eene gegeven ruimtekromme, als in Hoofdstuk IV de gegeven ruimtekromme tot hare evolventen. Ook dit vraagstuk laat eene uitbreiding toe, die echter in het volgende Hoofdstuk zal behandeld worden.
Volgens (89) werd een punt der evolvente bepaald door:
t = * ^- (C- .9);
^ = y ^-(C-S); ? = « ^-(C-s). . , . (89)
waarin x, y, z enz. bekende, maar |, tj, ^ te bepalen functies van t waren.
Deze vergelijkingen kunnen ook het vraagstuk der evoluten bepalen, wanneer men yh £ als gegeven functies van t beschouwt, terwijl ,t, ;//, z als zoodanig bepaald moeten worden.
Meetkundig drukken deze vergelijkingen de eigenschap uit: wanneer eene raaklijn aan de gevraagde kromme zich zoodanig beweegt, dat zij steeds raaklijn blijft, beschrijft een bepaald punt van die raaklijn de gegeven kromme.
Moer in overeenstemming met de beschouwingswijze van het volgende Hoofdstuk kan men het vraagstuk der evoluten ook aldus stellen; Indien eene ruimtekromme gegeven is, vraagt men eeno tweede kromme te bepalen, zoodanig, dat de verbindingslijnen van corres-pondeerende punten van beide krommen raken aan de gevraagde, en loodrecht staan op de gegeven kromme.
Zij : (x, y, z) de gegeven ruimtekromme en (i', â¢/,, £) de gevraagde, dan wordt het vraagstuk uitgedrukt door:
93
Hierin stelt gt;. den afstand van correspondeerende punten voor, welke afstand op de negatieve of positieve richting der raaklijn aan de kromme (£, £) kan afgepast worden; van daar het dubbele teeken.
Gemakkelijk kan men aantoonen dat (89) uit (156) en (157) volgt.
Hiertoe differentiëeren wij (156) en vinden:
£' O-'?quot;âo-'T
r- x'= ± X -V ± a X g ,2 s enz.
fj 7 quot;
Vermenigvuldig respectievelijk met en tel op, dan vindt men:
(158)
± ^ ^ I ... .
en dus : _ C 7 ^
Hiermede gaat (156) over in:
£ â a; = (âC r) x \ ; V â y = {âG t) X?â«=(âC t)xV
welke vergelijkingen met (89) overeenstemmen, indien wij f met x enz. verwisselen.
§ 56. Wij zullen eerst aantoonen, dat de grootheden gt;j, s kunnen uitgedrukt worden in bekende functies van t, samenhangende met de gegeven ruimtekromme en in eene onbekende functie A. Daarna zullen wij de differentiaalvergelijking opstellen, waaruit A kan bepaald worden; hiermede is dan het vraagstuk der evoluten opgelost.
Indien wij (158) in de voorgaande vergelijking substitueeren verkrijgen wij :
/W/ rtf-r
, IT £⢠- 7 %
â x â =h A X-ra- enz.
Hieruit volgt door vermenigvuldiging met x\y' en z' en optelling:
x'^quot; y'H â â z\' â 1
Maar uit (157) volgt door differentiatie:
Zxquot; v!yquot; - (*'r
.Squot;2(7'
dus vinden wij : £V v'yquot;lt;'squot;â zt . ..........(l0^)
Ook volgt uit dezelfde vergelijkingen door respectievelijk te vermenigvuldigen met xquot;, yquot;, zquot; en op tellen:
_ o'sV s'V
nf'/t , /f // , 1 ~ 0
94
Maar uit (159) volgt door differentiatie ;
4 S 8 S -(7 _ S V A
~-±-âT
r r li , ^ ^ i
â¢/} // (, 2!
x â '! y
£Vquot;-4_ -i- yquot;*quot;â
O ' quot; ' '9 ' ^ '
O S .s 7 S *7 K
gevende:
*-////, / m , y/ /// , ^// = ±
(160)
Uit (157), (159) en (160) volgt:
0
1 s'2
-1 rJI'l'
A Q ' quot;
o .s' ,s â
y *
n //
y z
ij'quot; Zquot;
X if z
n J ,, ,,
X IJ z
///' m tn
X IJ z
en dus volgens (156):
0 s'2
y z
11 n
ij z liquot; z'quot;
\ X IJ z
n n n
\x IJ z \ xquot;'yquot;'zquot;' ;
3s'8
Hiermede zijn nu de coördinaten van een punt der evolute uitgedrukt in de bekende functies van t en in a.
Deze. uitdrukkingen laten eene transformatie toe met behulp der formules van Hoofdstuk III. Wij vinden dan na herleiding :
r- A / p.,
k-x=a^-a, j-r^â
(161)
Wanneer wij nu bedenken dat:
a2 = (| _ x)* (» - tj)* {y-z)*, vinden wij als differentiaalvergelijking ter bepaling van A :
pr-
K1 x l(ï)
Stellen wij : dan is;
(162)
/3,, = A sin/i,
P-i
= cos;; X \)
i ⢠o cos P /0 1 = gm^ JJ±- X p 1
waaruit volgt: of:
V-
en:
P
(163)
De keuze van het â teeken zal straks nader verklaard worden.
95
Stellen wij nu jiti'dt = ó3, dan volgt uit (163) na integratie:
P = c-a3
en dus A â p1 : sin(C â Ã.^)..... ... (164)
Hieruit volgt nog :
± [,/ : sin (C - I,) . ..... ,165)
Al naarmate --f N q of lt;quot;0, moet hier en dus in alle formules het bovenste
sinyigt; sin^p
of benedenste téeken gebruikt worden, daar cr' eene positieve grootheid is.
Indien wij de gevonden uitdrukkingen nu nog in (161) of in de aan deze voorafgaande vergelijkingen substitueeren, zijn de coördinaten van een punt der evolute als functies van t bepaald , en is dus dit vraagstuk opgelost.
§ 57. Uit (156), (157) en (159) of uit de uitdrukkingen voor 4' â x enz. volgt: (4' â x) x' â y) y' (£ -- z) z' = 0 (4' â x) xquot; (â¢/, â y) yquot; (? â z) z'^squot;2.
Deze vergelijkingen komen overeen met de vergelijkingen (7). en (46) der pool lijn; derhalve wordt hierdoor uitgedrukt:
Het punt der evolute dat met een bepaald punt van eene ruimtekromme overeenkomt, is gelegen op de correspondeerende poollijn.
Deze uitkomst blijkt ook uit het volgende; wij zullen de verbindingslijn van correspondeerende punten van ruimtekromme en evolute projecteeren op het bewegelijke coördinatenstelsel der ruimtekromme en hierbij gebruik maken van (161). Wij vinden dan:
Projectie op de raaklijn : = (4' â .r) c/., (jf â //) /i, (s â «) ''i = 0.
Projectie op de hoofdnormaal: = (£ â aquot;) a2 -h (v â ?/) (c' â z) ('.2 â p^.
Projectie op de binormaal: = (I â »3 (v â //) M (v â 2) (':t= '⢠cos;).
Uit het eerste volgt, dat die verbindingslijn van correspondeerende punten in het normaal vlak gelegen is; uit het tweede volgt, dat het punt der evolute gelegen is op de poollijn van het correspondeerende punt der ruimtekromme; en uit het derde volgt, dat de afstand tusschen correspondeerende punten van de evolute en van de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten A cos/) is, d. w. z. p is de hoek, dien de verbindingslijn van correspondeerende punten der ruimtekromme en der evolute maakt met de binormaal der ruimtekromme.
De keuze van het teeken in (163) berust hierop, dat deze projectie wordt A cos;?; bij de andere keuze zouden wij voor de projectie op de binormaal âA cos/» gevonden hebben.
96
Men zou nog rle vraag kunnen stellen, of de weggelaten waarde voor p' ook tot een nieuw stelsel van evoluten voert. Dit is echter niet liet geval; immers wij zouden dan een stelsel evoluten verkrijgen bepaald door:
p = G en a = : sin (C êa)
welk stelsel echter uit onze vergelijking wordt verkregen door C te vervangen door tt â C. Het verschil is dus hierin gelegen, dat voor dezelfde evolute de beide waarden van p samen tt zijn. Bij onze keuze stelt p voor den hoek met de positieve richting der binorraaal, bij de andere dien met de negatieve richting.
Wij behoeven verder p slechts te laten variëeron tusschen 0 en vr, want zoodra uit: p = C â ö.j eene waarde voor p zou volgen kleiner dan 0 of grooter dan tt , vervangen wij in het eerste geval p door p tt en in het tweede geval door p â tt. Hiermede staat dan echter in verband, dat A voortdurend eene positieve grootheid voorstelt.
Bij elke ruimtekromme beboeren dus oneindig veel evoluten, die beantwoorden aan de verschillende waarden van C; zij zijn alle op het pooloppervlak gelegen, dat daarom ook wel den naam van evolutenoppervlak draagt.
Door elk punt van dat oppervlak gaat maar één evolute, want de verbindingslijn van dat punt met het correspondeerencle punt der ruimtekromme bepaalt p volledig, en quot;daarmede ook de waarde die de willekeurige constante 0 moet hebben voor die evolute, welke door dat punt gaat.
De verschillende evoluten zijn op het evolutenvlak gelegen symmetrisch ten opzichte van de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten, welke ook op dat oppervlak gelegen is. Immers de afstand tusschen correspondeerende punten van de evolute en deze meetkundige plaats is A cosp = pl cotgp. Voor twee waarden van p die elkanders supplement zijn, verschillen deze afstanden alleen in teeken, d. w. z. de punten der evoluten die aan deze waarden van p beantwoorden, liggen op gelijken afstand van het kromtemiddelpunt der ruimtekromme.
Die meetkundige plaats der kromtemiddelpunten is in 't algemeen geen evolute; immers
dan zou voortdurend p = ,1 tt d. w. z. constant moeten zijn, wat in strijd is met (163). Hieraan
a
kan alleen voldaan worden bij vlakke krommen; dan wordt het pooloppervlak een cylindervlak en de rechte doorsnede van dat cylindervlak met het vlak der kromme is dan eene evolute van die vlakke kromme. â 1)
Op het pooloppervlak is nog eene tweede kromme, zijn keerlijn, gelegen welke evenmin eene evolute kan zijn; immers hiertoe zou volgens (52) noodig zijn, dat voor alle waarden van t voldaan ware aan:
- fr = Pi cotgp.
3
Dit is slechts mogelijk bij eene sphaerische kromme. Wel kan natuurlijk p in bepaalde punten der ruimtekromme de aangegeven waarden verkrijgen, zoodat eene evolute met beide krommen punten kan gemeen hebben.
1
J a c o b i. (1835).
97
§ 58. Wij zullen nu verder p als hulpgrootheid invoeren en vinden dan uit (161):
§'= t' («2 sinp «3 cosp) enz........(Iö6)
terwijl wij ter bepaling van a' kunnen gebruik maken van (165) in de gedaante:
, Pi PA'cotgp
â -\--------------
sm^i
Uit (166) volgt door achtereenvolgende differentiaties en herleidingen:
± o-quot; (a.2 sin^j -1- a3 cosp) =F cr' sin^ enz.......(167)
!â 'quot;= ± cr'quot; («28inpH-a3 cosp) =F 2 sin^) =F cr' j^a.j ((),/' sin^) â ó^ê^' cosp) a2êi'2 sinp enz. (168)
waarmede wij vinden;
..... (169) .....(170)
= â cr'2!)./ sinp (â «3 sin/; a.2 cos})) enz.
r â '! K' r' â¢/' ?quot; r'VTquot;
^quot;â¢2 ;,quot;2 W'2_(J.quot;2=(7'2(,i'2sin2i;........(171)
± cr'3^'3 sin2^) oosj).........(172)
Noemen wij nu de richtingscosinussen van raaklijn, hoofd- en binormaal der evolute respectievelijk /31) «2,^2)^2) ^3)^3 en hare kromtehoeken 31', ^2' en S3', dan vinden wij:
j!., = ± (ff2 sinp -t- «3 cosp) enz............(173)
«2 = a.j enz.........(174)
a3 = «3 sinp â «2 cos p enz.........(175)
amp;.['= (),)' sinp ; amp;3'= ö./ cosp........(176)
gevende volgens het theorema van Lancbet:
V=V..............(177)
Wij zien dus uit (17-1:) dat de hoofdnormaal der evolute en de raaklijn der ruimtekromme gelijke of tegengestelde richting bezitten, al naarmate het punt der ruimtekromme op het positieve of negatieve deel van de correspondeerende raaklijn der evolute gelegen is , welke uitkomst volkomen overeenstemt met die van § 44.
13
98
Alle evoluten, bij eene zelfde ruimtekromme behoorende, hebben denzelfden tweeden kromtehoek.
Wanneer eene evolute niet de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten een punt
gemeen heeft, moet p = tt zijn en dus = ± «2 enz. Vergelijken wij dit met (76), dan
blijkt hieruit, dat de raaklijn aan de evolute niet samenvalt met, de raaklijn aan de meetkundige plaats der kromtemiddelpunten, d.w.z. dat de evolute die meetkundige plaats snijdt.
Vergelijken wij (173) met (61), dan blijkt hieruit dat indien eene evolute en de lijn van sphaerisohe kromming een punt gemeen hebben, zij elkander in t algemeen in dit punt zullen snijden.
§ 59. Bepalen wij thans kromtevlak en rectificeerend vlak der evolute.
De vergelijking vaarB^TTaromtovlak wordt volgens (8), indien wij de loopende coördinaten X, Y, Z noemen:
(X - 4') «3 (Y - y,) I33 {Z~ c) quot;/3 = O en dus volgens (161) en (175):
(X â a: - a2 ^ - - flg Pi cotg p) («3 sin â «2 cos;.) (Y ây â b2 ^ - b3 ^ cotg p) (hs sin p ~ h.2 cos)/) (Z â ^ â c,2 p1 â C3 Fi cotgp) (c3 sinp â c2 cosp) = 0 of: (X - cc) (a3 sinp â a2 cosp) (Y â ?/) (b3 sinp - l?.2 cosp) (Z â 2) (c3 sinp â c2 cosp) = 0
Hieraan wordt voldaan door:
X = .r m, Y = y uh^ , Z = 2: ,
cl. z. de vergelijkingen der raaklijn aan de ruimtekromme; dus valt het kromtevlak der evolute samen met het vlak gebracht door de raaklijn der gegeven ruimtekromme en het correspondeerende punt der evolute.
Do vergelijking vaii_het rectificeerend vlak wordt:
(X - §) «2 (Y â x) /3, (Z - 0 r2 = 0 of: (X âxâ rt2 Pi â (i3 Pi cotgp) cti {Yâyâb2Piâb3pi cotgp) (Z- zâc^Pi â c3p1 cotgp) ^ â 0 of: (X â x) Ui (Y â y ) bi (Z - 0) cd = 0
d.w.z. het rectificeerend vlak der evolute valt samen met het normaalvlak der ruimtekromme; het rectificeerend oppervlak der evolute is dus het pooloppervlak der ruimtekromme, en alle evoluten van eene ruimtekromme zijn geodetische lijnen op hot pooloppervlak dier ruimtekromme.
De lijn van sphaerisohe kromming van eene ruimtekromme is dus identiek met de keerlijn van het rectificeerend oppervlak van hare evoluten. Voeren wij do, in dit Hoofdstuk
99
gevonden, uitdrukkingen in de formules van Hoofdstuk II in, dan vinden wij de uitdrukkingen uit Hoofdstuk III. Wij zullen langs dezen weg slechts twee uitdrukkingen berekenen, namelijk den hoek ?j tusschen raaklijn en rectificeerende lijn der evolute en den afstand Jl van het punt der evolute tot het correspondeerende punt der keerlijn van haar rectificeerend oppervlak.
Uit (32) volgt in verhand met (176) en (177):
amp;o' ö/cos»
cos q = â -5^7= , 7â = ± C0SP
en dus: f? = 'P of ^ = 5Jquot; â p.
Hieruit volgt: T?'â â V of ^3'-
Voor don afstand JT vinden wij nu uit (38è):
. 5-'sin/? _ (r'sin« p.'
-jy - h COtgp.
Deze uitkomst blijkt in overeenstemming te zijn met (52), want â ^7 en p.l cotgp stollen
quot;3
de afstanden voor van een punt van de meetkundige plaats dor kromtemiddelpunten tot de correspondeerende punten van lijn van sphaerische kromming en evolute.
§ 60. Hot pool- of evolutenoppervlak is een cylindervlak indien ó.4'= O, dus voor vlakke krommen. Dan wordt dus volgens (163): p = constant; de evoluten worden de x'echte doorsnede van en de schroeflijnen op dat cylindervlak. Dit blijkt ook als wij de vraag beantwoorden: wanneer zijn do evoluten van eeno ruimtekromme schroeflijnen op een willekeurigen cylinder? Dan moet de verhouding van lstequot; en 3del1 kromtehoek der evolute constant zijn; dit voert volgens (176) tot de voorwaarde, dat p constant moet zijn; dit na is volgens (163) alleen mogelijk bij vlakke krommen.
Het pool- of evolutenoppervlak is voor sphaerische krommen een kegolvlak; de evoluten van eene sphaerische ruimtekromme zijn dus geodetische lijnen op oen kegelvlak, dat het middelpunt van den bol tot top heeft.1)
1
De evoluten eener ruimtekromme zijn het eerst behandeld door M o n g e in zijne reeds vermelde ver-handeling en later 0. a. door M 0 1 i n s (1843) en Hoppe (1855).
HOOFDSTUK VIII.
Bijzondere reg-eloppervlakken, die met de ruimtekromme
in verband staan.
§ 61. Men kan zich eene rechte lijn denken, die op cenige wijze verbonden is met den drievlakken-hoek, gevormd door raaklijn, hoofd- en binormaal der ruimtekromme. Bij do beweging van dezen drievlakken-hoek langs de ruimtekromme zal die rechte lijn oen regeloppervlak beschrijven en de vraag doet zicli voor, wanneer dat regeloppervlak ontwikkelbaar is. In de §§ 61â(57 zullen wij ons voorstellen, dat de lijn met het bewegelijke coördinatenstelsel vast verbonden is. ^
Wij nemen in het bewegelijke coördinaten-stelsel de raaklijn tot X1-as, de hoofdnormaal tot Y.j-as, de binormaal tot Z^-as; dan wordt de stand van het bewegelijke coördinatenstelsel ten opzichte van het vaste bepaald door;
X Y Z X1 a1 ^ c4 Yi «2 b2 c.2 Z., a3 hs c3.
Stel nu de constante coördinaten van een punt ten opzichte IIHIi liiil 1 vegelijke coördinatenstelsel xi, ;/i, zi en de constante richtingscosinussen van eene rechte lijn door dat punt ten opzichte van hetzelfde coördinatenstelsel x, /3, y, dan zijn de vergelijkingen van die lijn ten opzichte van het vaste coördinatenstelsel:
% = x xx «2 a3 u (fflj « «2 /3 «3 y) enz.
Dit zijn dus de vergelijkingen van bovenbedoeld regeloppervlak in de gedaante (106); volgens (108) is dit regeloppervlak ontwikkelbaar indien:
(x ax ,r4 «2 Vi m3 zi)' (quot;i «2 /3 aA x ff2 /3 a^1/
(y i-! xA amp;2 y\ !gt;?, z\)' (/^ x h2 (3 h3 y)' hiix, u2 (3 b3y \ {z q ^ Co c3 zj {c^ a. c2 /3 c3 y)' lt;z -\- c2 (3 c3 y
= 0.
1
Appell (1879), Césaro (1883 en 1892), Andrade (1896),
101
Omdat xi, yA, 24, «, /3 en y constant zijn, wordt dit met behulp der formules van Skeeet :
01 (s'â 7/1 d^) -|-ff2 («4 «jg') â «/,! ^3' «3 â /3 (« lt;5/4-/ Os') â /2 Og'ofg ff4« «2^4-«37/
(s'~ 2/i^-i') ''s') â Ux ^3 ^3 â /3 0/^ ^2(«0/ ^tf3') â l303'b3 h^x h^fH h^y â O
q («'â ^ V) c2 V) â ?/i ^3' c3 â /3tf/cj-t-lt;!2 (« ^'-hr V) â /3 C^ Cj/S Csr
Door oplossing van den determinant, waarbij verschillende termen wegvallen, ontstaat hieruit de voorwaarde:
^ (â s''â Vi V) ^1' ^ ^3') /^2 O3' (s'â Hi V) /3 y ^i' (^i ^1' ög') â ix [3 ó.j' (xi ói zi ó^)
/32«/,[ Ã3 « ;'/i O3' (is! 0i' 7 Q\\) ~ O
of bij invoering der kromtestralen :
| â ^yi) â| lt;3^) | «£ | iâ,178
Pi2 P1P3 P32 P] h
Aan deze voorwaarde moeten dus de bepalende grootheden der lijn voldoen, opdat het regel oppervlak ontwikkelbaar zal zijn.
§ 62. Voor eene geheel willekeurige ruimtekromme, waarbij p1 en p3 willekeurige functies van t zijn, kan aan deze voorwaarde slechts voor alle waarden van t voldaan worden, indien alle coëfficiënten O zijn; (178) gaat dan over in:
n/{l3xiâi»yi) = 0-, âxi/i) â y{7y'lâl3zi)=0; ixiyy^-l3zi)=0] «/=0; 1â(179)
waaruit volgt:
« = 1, /3 = 7 = 0, yi=0\ x.i en zi kunnen willekeurig zijn.
Bij eene willekeurige ruimtekromme voldoen dus alleen de lijnen in het rectificeerend vlak evenwijdig aan de raaklijn.
§ 63. Behalve deze lijnen zijn Trp' ('Oli^'r bij bijzondere ruimtekrommen nog andere lijnen die aan de vraag voldoen, zooals het eerst is aangetoond door Césaeo voor ruimtekrommen met standvastigen eersten kromtestraal, voor schroeflijnen en later voor eene meer algemeene groep van ruimtekrommen,1) Deze groep wordt gevormd door de ruimtekrommen, wier kromtestralen voldoen aan de betrekking:
« amp; c d e ^ ,, r,â.
_1----1--= ü..........(180)
Pi Pi Pa Pa Pi Ps
waarin a, b, c, d en e constanten voorstellen.
1
Zonder hem te vermelden, heeft A n d rade dit onderzoek later, gedeeltelijk foutief, herhaald.
102
Wij sluiten uit het geval, dat deze betrekking in factoren kan ontbonden worden, dan toch bestaat eene meer eenvoudige betrekking en dat geval zullen wij in § 64 behandelen.
A. Green der constanten = 0. «e2 â bed cd2
Opdat voor alle waarden van t gelijktijdig voldaan zij aan (178) en (180) is noodig: ah = y (px.1 â xy.^); bh = â x {(3xi â x y.{) â-7 {y y\ â /3 z^); ch = x (y y^ â (3 z^) ]
dh â x y \ eh = 1 â «2 ;
waarin h eene willekeurige, nog nader te bepalen, constante voorstelt.
Voor h = 0 vinden wij clè'algemeene oplossing; dit gevallaten wij hier buiten beschouwing.
Wij vinden dan h â X-j en dus, daar noch x noch 7=0 kunnen zijn:
- d OC /-gt; _ ^ {n\
$x\âxy\ = 'i yyx ~ p z\ = -j........w
d{l â x1) = exy ] ax1 hxy c72 = 0.......{h)
Uit de laatste vergelijking volgt :
7 â 6 ± J/ (amp;2 â 4 « c)
x 2 c
Aldus vinden wij uit de eerste dei' vergelijkingen (b) twee waarden voor «2, derhalve vier waarden voor x, die twee aan twee alleen in teeken verschillen; hierbij behooren dan vier waarden voor 7, die evenzoo twee aan twee in teeken verschillen; daarna kunnen wij ,3 berekenen, waarbij wij met de positieve waarde van /3 kunnen volstaan. Er zijn dus vier contactlijnen (om dezen, door Andiiade gegeven, naam te gebruiken) waarvan er echter vier, of twee, of geenssgjikele, bestaanbaar kunnen zijn. Dit kan meetkundig ook aldus blijken. De vergelijkingen {b) laten namelijk zien, dat de contactlijnen evenwijdig zijn aan de snijlijnen der oppervlakken :
yï z.,2 = % ; Cl X.j2 bx.l 2,! c V = 0.
De eerste van deze vergelijkingen stelt een cirkelvormig kegelvlak voor, dat het recti-ficeerend vlak der kromme tot symmetrievlak heeft, en dit snijdt volgens de raaklijn en eene lijn met de vergelijking ex^ â = 0, terwijl de cirkelvormige doorsneden loodrecht op de beide lijnen staan. De tweede vergelijking stelt een paar vlakken voor, die door de hoofdnormaal gaan. De contactlijnen zijn dus evenwijdig met de snijlijnen van dat kegelvlak en dat vlakkenpaar. Deze snijlijnen kunnen alle vier bestaanbaar zijn, of twee kunnen bestaanbaar en twee imaginair zijn, of zij kunnen allo vier imaginair zijn.
Zoodra b2 â 4 ac = 0, worden de vier contactlijnen gereduceerd tot twee, het vlakkenpaar gaat dan over in een enkel vlak; die twee contactlijnen kunnen dan echter nog imaginair zijn.
103
De vergelijkingen der contactlijnen zelf vinden wij in («); de snijpunten van deze lijnen met liet kromtevlak vinden wij uit:
u a -\- c c
â h = -d-
Deze vier snijpunten liggen dus op eene lijn evenwijdig aan de raaklijn, symmetrisch ten opzichte van de hoofdnormaal.
De vier snijpunten met het normaalvlak worden bepaald door:
n 7 « c ?/i = TT' ^ = ~~i3 * J.....'
Deze vier snijpunten liggen dus op eene lijn evenwijdig aan de binormaal en symmetrisch ten opzichte van liet krgmtevlak,
Wanneer a = â c, snijden de contactlijnen de hoofdnormaal.
B. «=0 cd â begt;0.
Het vlakkenpaar wordt hier het kromtevlak en het vlak bxi czi = 0; er zijn dus twee reëele of imaginaire contactlijnen, die de binormaal snijden in twee, ten opzichte van het kromtevlak, symmetrisch gelegen punten.
O. h = 0 ff e2 -f c cl'10.
In dit geval kan h-â4-a lt;â nooit nul zijn, en dus zijn er steeds vier afzonderlijke contactlijnen; overigens hetzelfde als bij A.
D. c = 0 ae, â h d 0.
Het vlakkenpaar wordt hier het normaalvlak en het vlak a 'j\ h zA = O \ er zijn dus twee reëele of imaginaire contactlijnen, welke de raaklijn snijden in twee, ten opzichte van ⢠het punt der ruimtekromme, symmetrisch gelegen punten.
E. o! = 0.
In dit geval zijn er geen bijzondere contactlijnen : de kegel valt uiteen in kromtevlak en normaalvlak.
F. e = 0.
De kegel valt uiteen in de beide imaginaire vlakken «/i = «^; er zijn dus vier imaginaire contactlijnen, welke tot twee samenvallen, indien b2â4«c = 0.
Wanneer a= â c, snijden deze imaginaire lijnen de hoofdnormaal in het reëele punt:
«
«/i =
d quot;
104
G. a = 0, ft = 0.
In dit geval zijn er geen bijzondere contactlijnen; het vlakkenpaar gaat over in het kromte vlak.
H. a = 0, c = 0.
In dit geval zijn er geen bijzondere contactlijnen; het vlakkenpaar wordt hier het normaal vlak en kromtevlak.
J, a = 0, d = 0.
In dit geval is (180) zeker in factoren te ontbinden; dit geval wordt dus later behandeld.
K. a = 0, e = 0.
In dit geval zijn er slechts twee imaginaire contactlijnen, die de binormaal snijden, namelijk de lijnen evenwijdig aan de snijlijnen van het vlak b.Ti czl = 0 met de beide vlakken y,j = i 01.
L. i = 0, c = 0.
In dit geval zijn er geen bijzondere contactlijnen; het vlakkenpaar gaat over in hot normaalvlak.
M. h =0, d = 0. j
In dit geval zijn er geen bijzondere contactlijnen; de kegel valt uiteen in kromtevlak en normaalvlak
N. h = 0, e = 0,
In dit geval zijn er vier imaginaire contactlijnen, die nooit kunnen samenvallen; zij zijn
evenwijdig aan de snijlijnen der vlakken y\â ± en
Zij snijden de reëele lijnen, onder A vermeld, maar de lijn evenwijdig aan de raaklijn dan alleen in reëele punten, indien a en c gelijk teeken hebben, en de andere lijn steeds in imaginaire punten.
Indien a=âc, snijden de vier contactlijnen de hoofdnormaal in het punt iji==ââj-.
O. c â 0, d = 0.
Wij vinden als voorwaarden :
ah = 7 {(3x.l â x tji)] bh = â a {i3xi â »yx) â */ O^ â /3 ^); 0 = ci (r^ â /3^)
0 = xy \ e/ï = ,1 â «2.
105
Hieraan kan alleen voldaan worden door a = 0 te stellen; do overige voorwaarden leveren dan ;
o a r ^ \ 1' / \ /3 y x.y = â ; â ? (7 Ui â P Zi) = ~.........(c)
De bijzondere contactlijnen zijn dus alle lijnen, evenwijdig aan het normaalvlak, die aan (c) voldoen. Deze lijnen vormen een regeloppervlak van den derden graad, met liet normaalvlak tot richtvlak tot vergelijking hebbende ;
(nz^ â h a2 y.j2 = e /y., {a 2'., â b x^).
Het is dus eene sclieeve conoïde met de lijn in het rectifioeerende vlak a â hx,[ = 0
tot dubbellijn, terwijl wij als tweede richtlijn kunnen beschouwen do hyperbool in het vlak
2 i 2 r/ y.j = ---, wier middelpunt op do hoofdnormaal is gelogen, wier reëelo as = â evon-
2h
wijdig aan de raaklijn en wier imaginaire as =â evenwijdig is aan de binormaal. Een vlak
door het kromtemiddelpunt, evenwijdig aan het rectificeerend vlak, snijdt do conoïde volgons eene hyperbool, wier asymptoten evenwijdig zijn aan de lijn a â h xs = O en aan de roctificeeronde lijn.
P. c = O ; e = O; hetzelfde als bij J.
Q. ^ = 0; e = 0; hetzelfde als bij J.
R. « = O ; h = 0- e = 0.
In dit geval zijn er geen bijzondere contactlijnen.
S. 6 = 0; c = 0 ; d = 0.
De voorwaarden worden :
ahâ'y{l3xiâx ; 0 = â x(/3x1â««/.j)â'/(yt/iâfizj; 0 = x(yt/iâ/3 z^; xy=0; ehâlâx'1.
Hieraan kan alleen voldaan worden door «= 0 te stellen; do overige voorwaarden leveren dan :
i3yxi= quot; ; y i/i â fiz^O..........(d)
De bijzondere contactlijnen zijn dus alle lijnen evenwijdig aan het normaalvlak, die aan (d) voldoen. Deze lijnen vormen oen regeloppervlak van den derdon graad, met het normaalvlak tot richtvlak en met de vergelijking :
yi1 â «i y\ tv
Het is dus eene rechte conoïde met de raaklijn tot dubbellijn; vlakken, evenwijdig aan
14
106
het rectificeer end vlak, snijden hot oppervlak volgens hyperbolen, die alle eene lijn, evenwijdig aan de raaklijn, tot asymptoot hebben; terwijl voor de liyporbool, gelegen in het vlak gaande door het kromtemiddelpunt, de tweede asymptoot evenwijdig is aan de rectificeerénde lijn.
In alle overige gevallen gaat (180) over in meer bijzondere betrekkingen, welke in do volgende § § behandeld worden.
§ 64. Wij zullen nu de contactlijnon opsporen van de ruimtekrommen van Bertrand, tusschen wier kromtestralen de betrekking bestaat :
U C , M-CV
---1--= 1.............Uo5)
Pi P'i
Indien wij uit (165) en (178) â elimineeren, en bedenken dat aan de vergelijking,
P\
die dan ontstaat, voor alle waarden van ^ moet voldaan zijn, vinden wij voor de contactlijnen de drie voorwaarden:
(C y !lt; a) [C {13 â « yj u{yyiâ (3 ^) J = 0........(«)
y\\!{l3xiâ(xyi) u{'yyiâl3zi)^ {C7 ult;x.)(l3x1 â lt;xy1 uix) = u2 . . . (b)
y ((oxi â xy^ ux) = 0............(c)
Daar aan (c) op twee manieren kan voldaan worden, verkrijgen wij twee stelsels contactlijnen.
ln. 7 = 0, zoodat (a) en (h) overgaan in :
oc
[C {(3 xiâ x t/i) â u(3 = 0, «(/3 £r1 â ui 2/1 «lt;«) = m.
Aan de eerste vergelijking mogen wij alleen voldoen door te stellen:
C (/3 x^ â a y^) â u(3 zi â 0 of: f3xi â ixyi â U ,
waarmede de tweede vergelijking overgaat in :
x (3 zi
C
want daar y = 0, is u:2 /32 = 1.
Indien wij de algemeene contactlijnen weder uitsluiten, kan /3 niet 0 zijn; derhalve kunnen wij voor de laatste vergelijking ook schrijven :
« == C /3,
107
/32
zoodat in dit geval de bijzondere contactlijnen bepaald worden door:
7=0; x z i = C p â , /3 % â x i/ .l = u
Hieruit volgt door eliminatie van x en (3:
u z.12 â C z.l C21/1 = 0,
De bijzondere contactlijnen vormen dns eene hyperbolisoho paraboloïde en loopen evenwijdig aan het kromtevlak. Dit is tevens een asymptotenvlak; het andere asymptotenvlak is het vlak met quot;lie vergelijking; Oa;,)âu zi = 0 ] dit is het normaalvlak der tweede kromme van Bebteand , die l)ij de oorspronkelijke ruimtekromme behoort (zie § 54). Hierbij moet opgemerkt worden, dat het tweede stolsel rechte lijnen der hyperbolische paraboloïde, die aan dit vlak evenwijdig zijn, geen contactlijnen zijn.
'2°. /3 xi â x ii x = 0 zoodat (a) en (amp;) overgaan in :
{Gy ux) (â Gx y y., â /3 z.t) = 0 en y (â Gx y y1 â /3 %) = u,
waaruit volgt: G y u- x = 0,
terwijl de vergelijkingen der contactlijnen worden :
â l-^2 p x.l â x y.l = ~ ax-, y ij\ â p 2!,| = /« X âââ ot;
/30?,!=« (y,! â «); y {!jA â M) = /3 u âj.
Hieraan wordt voldaan door do beide stelsels :
A. Gy-\-ux = 0\ /3 = 0; y.[ = u.
B. Gy ux = 0-, y z ii A
x y x
Het stelsel A omvat alle lijnen in het rectificeerend vlak der tweede kromme van Beutrand, evenwijdig aan hare raaklijn, en komt dus overeen met het stelsel algemeene contactlijnen der oorspronkelijke ruimtekromme.
Het stelsel B omvat de lijnen, die voldoen aan Gy 4- ux â 0, terwijl (3 ^0; zij loopen
dus evenwijdig aan het vlak Gzi ux1 = 0, d. i. het kromtevlak der tweede kromme van Bkhtrant). Zij vormen eene hyperbolische paraboloïde, tot vergelijking hebbende:
xi (C zi ux^) = C2 (^1 â u).
De hoofdnormaal snijdt deze paraboloïde in het punt der tweede kromme van Beeteand. terwijl de asymptotenvlakken zijn de vlakken: G zi Hxi=--0 en ^ = 0, dat zijn het kromtevlak der tweede kromme en het normaalvak der eerste kromme. Opgemerkt moet weer
108
worden, dat alleen het stelsel lijnen der paraboloïde, die evenwijdig zijn aan liet kromtevlak dor tweede kromme, de contactlijnen zijn.
Uit deze uitkomsten blijkt opnieuw de volkomen wederkeerigheid, die tusschen de beide, op hetzelfde oppervlak der hootdnonnalen gelegen, krommen van Bertkand bestaat.
§ 65. Wij bespreken nu nog eenige ruimtekrommen. welke als bijzondere gevallen van die in de vorige § kunnen beschouwd worden.
A. Ruimtekrommen met standvastigen derden kromtestraal.
Indien p3 constant en willekeurig is, volgt uit (178) als voorwaarden der contactlijnen:
Pa Pa Ps
Uit de eerste voorwaarde zijn twee onderstellingen te maken, die echter tot dezelfde uitkomst voeren; wij stellen dus y = 0 en vinden dan :
x (p â x ) = O; â a ft p2 p3 = O.
Daar a = 0 is uitgesloten, zijn dus de vergelijkingen der contactlijnen (indien wij do waarde /3 = 0 weglaten, als voerende tot de algemeene contactlijnen):
. r = 0 ; /3 a-., â «?/,,= 0; lxzi= (3 p3;
waaruit door eliminatie van « en /3 volgt:
X\ â Ui Pa-
Zij vormen alzoo eenc hyperbolische paraboloïde, wier asymptotenvlakken kromtevlak en normaalvlak der ruimtekromme zijn; alleen echter dat stelsel lijnen der hyperbolische paraboloïde, die evenwijdig zijn met het kromtevlak, zijn contactlijnen; zij snijden de binormaal en o. a. eene lijn, die gelijke hoeken maakt met Y1 en Z1-as, en gelegen is in het vlak x,\ = p3 evenwijdig aan het normaalvlak.
B. Ruimtekrommen met standvastigen eersten kromtestraal.
Indien pl constant cn p3 willekeurig is, volgt uit (178) als voorwaarden der contactlijnen:
^ = «{^,-/3^ = 0; - ^i)- ^(-/2/1 =LÃ^} 1-X^0.
P-\ p-i P-i
Hier moeten wij verschillende gevallen onderscheiden.
1. x = 0 derhalve: I3'yxi = 0; 7 (7 y\âamp; Z\) = P-\\ /32 4-y2 = l.
a. /3 = 0 derhalve: 7/ = ±l; = P\ zijnde alle lijnon evenwijdig aan de binormaal in het vlak, door het kromtemiddelpunt evenwijdig aan het rectificeerend vlak. Dit zijn de algemeene contactlijnen der tweede ruimtekromme met standvastigen eersten kromtestraal, die bij de gegevene behoort. (Zie § 40).
109
h. 3^=0 en /3^) = p1; /32 /2=l.
De bijzondere contactlijnen liggen dus in 't normaalvlak en raken aan de parabool:
2f12==4^ {h â yx).
Deze parabool ligt in het normaalvlak, heeft het kromtemiddelpunt tot top en het punt der ruimtekromme tot brandpunt.
II. â /3 = 0 derhalve: 7 (/3^ ««/1 «p.,) == 0; ot,([3xi â a = p^.
Hieruit volgt:
7 = 0 derhalve: /3 zi = 0; « (/3 ^ â » i/i -h x p^ = pi; «2 /32 = 1.
a. (3 â 0 derhalve: « = ±1; //, = 0; dat zijn alle lijnen evenwijdig aan de raaklijn in het reotificeerende vlak; zij zijn de algemeene contactlijnen der oorspronkelijke ruimtekromme.
h. ^ = 0 derhalve: « (/3 â «7/4) = p^ /32; «2 /32 = 1.
De bijzondere contactlijnen liggen nu in het kromtevlak en raken aan de parabool:
a;12 = 4p1«/1.
Deze parabool ligt in hot kromtevlak, heeft het punt der ruimtekromme tot top en het kromtemiddelpunt tot brandpunt.
Opgemerkt moet nog worden dat beide parabolen ten opzichte der beide bij elkander behoorende ruimtekrommen met standvastigen eersten kromtestraal volkomen denzelfden stand innemen.
O. AVillekeurige schroeflijn :
Wij stellen volgens (34): p3: pi= â ty %, waarin 3C constant is.
Indien wij in (178) invoeren: =â ^ dan volgt als voorwaarde der con
tactlijnen :
{ytg'K a) j^(/3xiâxy^) tg% -\- y â //1 â /3 ^J = 0 ; 1 = « (« 7 lt;f/3C);
waaruit als eenige mogelijkheid volgt:
(/3 xi â xy^) tg J£ y ^ â P zl = 0; 1 = « (« -\- 7 ty 3C)......(«)
Door elk punt {xi y^ z^) gaan twee contactlijnen; zij vormen dus eene stralencongruentie van den 2lt;len graad. Beide contactlijnen kunnen wij aldus nader bepalen; wij trekken door het punt der schroeflijn lijnen evenwijdig aan de beide contactlijnen van het punt (x.{ yx z^).
110
Deze lijnen voldoen dan aan de beide vergelijkingen, die uit (a) voortvloeien door x, (3, 7, respectievelijk te vervangen door de uitdrukkingen : £ : |/ (?2 -1- ^'2 4- ?2) enz.
â % l/itgK v {xi t(jK â ^) s «/1 = 0; S2 = ? ? ty 3C.
waarin f, gt;?, s de loopende coördinaten vborstellen ten opzichte van het X,,, Y1, Z,, stelsel.
De eerste vergelijking stelt voor het platte vlak, gebracht door het punt (xi yx z^) en door de rectificeerende lijn, d. i. door de beschrijvende lijn van het cylindervlak, waarop de schroeflijn gelrokken is; de tweede vergelijking stelt een scheef cirkelvormig kegelvlak voor, met het reotifioeerend vlak tot synunetrievlak, welk vlak door het kegelvlak gesneden wordt volgens de raaklijn en de rectificeerende lijn der schi-oeflijn, op welke beide lijnen de cirkelvormige doorsneden loodrecht staan. De beide contactlijnen door het punt {xi y., loopen dus evenwijdig aan de snijlijnen van dit vlak en dit kegelvlak. Ook aldus : breng een willekeurig vlak door de rectificeerende lijn; alle lijnen in dit vlak, evenwijdig aan do snijlijnen van dit vlak met bovengenoemd kegelvlak (waartoe steeds de rectificeerende lijn behoort) zijn contactlijnen.
D. Cirkelvormige schroeflijn.
Daar in dit geval p., en p3 constant zijn, houden wij als eenige voorwaarde der contactlijnen (178) over, waarin dan en P3 constanten voorstellen. De contactlijnen vormen dus een straalcomplex van den tweeden graad; alle contactlijnen door het punt {x1 j/i z^) loopen evenwijdig aan de beschrijvende lijnen van het kegelvlak van den tweeden graad :
ï-l/i
Dit blijkt bij onderzoek oen scheef cirkelvormig kegelvlak te zijn, dat door do rectificeerende lijn gaat en welks cirkelvormige doorsneden loodrecht hierop staan.
Men kan zich ook de vraag stellen : welk oppervlak gevormd wordt door de evenwijdige contactlijnen; uit (178) blijkt, indien wij x, /3, y constant aannemen, dat al die contactlijnen een plat vlak vorm^ett-p^ayenwijdig aan het vlak gebracht door de rectificeerende lijn en de richting (x, /3, y).
§ 66. Ten slotte moeten wij nog nagaan,, wat er van de contactlijnen wordt bij eene . vlakke kromme. Omdat dan pg = qo , gaat (178) over in:
y {fixt â xyj xy pi = 0.
Hieraan wordt in de eerste plaats voldaan door p/=0, d. w. z. door alle lijnen in of evenwijdig aan het vlak der kromme.
Voor eene willekeurige vlakke kromme wordt er bovendien aan voldaan door :
of:
/3 x^ â xy1 = 0 en x = 0.
x = 0', l3xi = 0.
Ill
Hieruit volgt:
10. «=0, /3=0, ^2=!= 1 d. w. z. alle lijnen loodrecht op het vlak der kromme. 2°. ». = 0; = 0, d. w. z. alle lijnen in het normaalvlak der kromme.
Voor een cirkel is pi constant; dan voldoen alle lijnen, waarvoor
/3 ^ â a a p1 = 0 d. w. z. alle lijnen, die de as van den cirkel snijden.
§ 67. Bepalen wij thans nog het centraalpunt der in de vorige § § gevonden contactlijnen. Indien wij daartoe de uitdrukkingen van § 61 in (109) invoeren, vinden wij voor de coördinaten van het centraalpunt ten opzichte van het vaste coördinatenstelsel:
X = £r -f x.\ a.2 y, -|- «3 zx â O («.(oc a.2 /3 «3 7) enz.
._ n â/W(s'â«/iV) (gt;'V Ma') («ÃZ zV)
waarin- c=- quot;
Hiermede worden de coördinaten van het centraalpunt der contactlijnen:
X1=.t1 âC«; Yx â y^ â C/3; Z1=^1âC7.....(181)
De uitdrukking voor C wordt bij invoering der kromtestralen :
/3
Pi
? (tt 'I) (7r i) fa,(^ g
ff'i i Ar) (â - ⢠7 11
\P\ ' Pz / ' \P\ ' P'J
Wij kunnen (178) schrijven in de gedaante;
\ Pi P3 / \ Pi P3/ \Pi Ps/ \Pi P3/ \Pi Pa/ P3
Hieruit volgt, dat voor ruimtekrommen -----^ â niet 0 kan zijn en indien wij /3 = 0
voorloopig uitsluiten, vinden wij dus :
112
De waarde voor C wordt nu :
I lt;*â quot;/ \z ot, / ot, 7 \ 1 p, / m â 7 \ , /1 1 \ /3
o_m ^/^Tx^^x(77 ^) ^y'(7? 7?)quot;~77
p/\ i\ C iivi
\ p-r Ps ! \ Pi Pa
0f. Q =Jh _ n/ Pi Pa
/3 /3 (r Pa â ^ Pi) '
Hiermede gaat dus (181) voor het geval /3^0 over in:
Y'- mt» , (182)
P P rPsâ7 Paâ* Pi P P 7 Paâ* Pi
Is echter p == O, dan gaat de uitdrukking voor C over in :
â- â _ Pi Pa
» 7_ Pi Pa
y o, p.,
en (178) levert in dit geval: y, â --ïâ^â;
7 Pa â « ^
zoodat de coördinaten van het centraalpunt, voor /3 = 0, worden:
X.| = Pi x ; Y, -- : Z, = - P, x ^1-*^ . . (183)
« Ps ^ Cl 7 Pa â » Pi lt;%P3 rPi
Wij zullen nu nagaan waar de centraalpunten der, in de vorige § § gevonden, contactlijnen gelegen zijn.
Voor de algemeene contactlijnen ^svnlmms S 62 (3 â 0, dus moeten wij (183) gebruiken ; substitueeren wij hierin «= 1, y = 0, ?/1 = 0, dan vinden wij ;
X, = - x ^; Y,, = O; Z, = z,.
Pa
De centraalpunten dor algemeene contactlijnen vormen dus de rectificeerende lijn.
Onder de versohillende gevallen vim § 68 verdienen alleen vermelding die onder O en S. Daar /3 niet nul is, substitueeren wij in (182) o, = 0 en de vergelijkingen (c) van § 63, O; dan volgt:
l) y
X| == ^ i = Pi i Zj = q Pi-
Hieruit blijkt, dat de centraalpunten gelegen zijn in de snijlijn van de scheeve conoïde met het vlak, door liet kromtemiddelpunt evenwijdig aan het rectificeerende vlak.
113
Voor het geval onder S substitueeren wij x = 0 en de vergelijkingen (d) in (182), en vinden :
X,| â ; Y.j â Pi; Z.j ^ p^.
Ook hier liggen dus de contraalpunten in de snijlijn van datzelfde vlak met de rechte conoïde.
Voor de krommen van Bertband vinden wij in de verschillende gevallen : 1°. / = 0 en /3^0; dan wordt, wanneer wij in (182) substitueeren;
Y1 = 0; Z,,= ^ = c|-,
dus liggen de centraalpunten in het reotificeorend vlak en vormen de lijn ; C X j â u Zj = O, d. i. eene lijn evenwijdig aan de binormaal der tweede kromme van Berteand.
2°. A. /3 = 0, dus moeten wij (183) gebruiken. Verder volgt uit: Gy tt» = 0
= 1 ; u= W3 Pi P3 y Pa Pi
en -- -I- â âl:u=-â. Hiermede levert (183):
v _ Gzi uxi v ... ^ ^Gzi uxi
1 â x p / ,,, j M â M gt; ^i â Ps x ~n~. â . ' W3 u Pi ^ P3 â u Pi
(quot;t)
waaruit volgt; Z, = X, X
De centraalpunten liggen nu in het rectificeerend vlak der tweede kromme van Beetrand op de rectificeerende lijn van deze kromme (welke evenwijdig is aan die der eerste kromme).
B. /3^0, zoodat wij (182) moeten gebruiken. Wij vinden:
X,, = 0; Y1 = u; Z, = â u
De centraalpunten liggen nu in het rectificeerend vlak der tweede kromme, op eene lijn evenwijdig aan de binormaal der eerste kromme.
Gaan wij thans over tot de gevallen van § 65.
Voor de ruimtekrommen met standvastigen derden kromtestraal is:
7 = 0, /3 ^ «a/1 = 0, a 2^ = 13 p3-substitueeren wij dit in (182), dan is:
Xi = 0; Y,, = 0; ^=0,,
d. w. z. de centraalpunten der contactlijnen vormen de binormaal der ruimtekromme.
15
I L4:
Voor de ruimtekrommen met standvastigen eersten kromtestraal hebben wij weder verschillende gevallen :
T. a. Dan is #=0; /3 = 0; y,, = ^ ; nu levert (183):
X1 = ; \ .| = = â- Xj:
Pi
dus liggen de centraalpunten in het rectificeerend vlak der tweede kromme met standvastigen eersten kromtestraal en vormen de rectificeerende lijn.
I. b. Dan is « = (); ^=0; /3â7//1ââ^ ; nu levert (182):
Q
Xi = 0; \ ^ 1 /j-I = â ;
dus liggen de centraalpunten in het rectificeerend vlak der tweede kromme, en vormen de raaklijn dier tweede kromme of m. a. w. de topraaklijn der parabool, die door de contactlijnen wordt omhuld.
II. a. Dan is 7=0; /3 = 0; = 0 ; nu levert (183):
X, = â Pl- zx; Y1 = 0; Z1 = ^ ;
h
dus vormen de centraalpunten de rectificeerende lijn der eerste kromme.
II. h. Dan is r = 0; ^=0; â â; nu levert (182):
= Yi = 0; ^ = 0;
lt;Z
dus vormen de centraalpunten de raaklijn der eerste kromme of m. a. w. de topraaklijn der parabool, die door de contactlijnen wordt omhuld. ^
Bij de willekeurige schroeflijn hebben we als contactlijnen gevonden alle lijnen evenwijdig aan de rectificeerende lijn en alle lijnen, evenwijdig aan de beschrijvende lijnen van een bepaald kegelvlak. die de rectificeerende lijn snijden.
Voor lijnen, evenwijdig aan de rectificeerende lijn, is /3 = 0 en 3f = â of ---= 0,
X p^ (5.3
Dan wordt C = 00 en aan (178) is voor alle waarden der coördinaten voldaan. Wij vinden dus uit (183) :
X-! = 00 ; = t/i; Z1 = GO ,
d. w. z, het regeloppervlak dat ontstaat, is een cylindervlak.
115
/3 zi â y x y
2,=
n Ps-
- « r Ps;
Voor de tweede categorie van contactlijnen is volgens (a) van § 65 :
1 y PQ 1 ,
- = X y ty K = a â = i*Pi â y Pi)',
amp; Pi Pi
dus volgt uit (182):
v /3^ ^ ,
^ /3 '
Hieruit volgt in verband met (a)
X1^3f âZ1= â pz{a tgW â y) en Yi= â xy ps.
Daar deze vergelijkingen niet afhangen van xi, , zi, maar alleen van /3, y, volgt hieruit dat de meetkundige plaats der centraalpunten van alle evenwijdige contactlijnen (die gelegen zijn in een vlak dat de rectificeerende lijn bevat) eene rechte lijn is, evenwijdig aan de rectificeerende lijn. De vergelijking der meetkundige plaats van al deze lijnen, dus van alle centraalpunten, welke een cylindervlak is, wordt gevonden door eliminatie van x, fieny, in de gedaante:
(X, t ff K- Y1x ~PlS(^ Yl =0 of:
(X1 sin 3£ â Z,, cos 3f)2 â pi sin2 3£ Y^2 = 0.
Indien wij de rectificeerende lijn tot X-as nemen door de substitutie :
X^ = X cos K â Z sin K, Z, = X sin JC Z cos JC,
gaat de vergelijking van dit c^ptar-rluk over in:
Z2 Y,2 â Y1 p1 sin2 Jf = 0 of:
Z2 (Y1 -âPi sin2 JC)2 = -1 p.,2 sin4 K.
Dit is de vergelijking van een cylindervlak, dat het cylindervlak waarop de schroeflijn getrokken is, aanraakt volgens de rectificeerende lijn; de rechte doorsnede is een cirkel, waarvan de middellijn gelijk is aan den kromtestraal van de rechte doorsnede van hot cylindervlak, waarop de schroeflijn getrokken is. (Zie § 27. A.)
Bij eene cirkelvormige schroeflijn gelden de formules (182) behalve voor p â 0. De centraalpunten van alle evenwijdige contactlijnen vormen dus eene lijn, evenwijdig aan de rectificeerende lijn.
Indien /3 = 0 kan t/i willekeurig zijn en â -^- = 0; maar dan wordt C = oo en dus
Pi Pa
J16
wordt door de opeenvolgendo contactlijnen een cylindervlak gevormd; er zijn voor /3 = 0 echter nog contactlijnen mogelijk, waarbij door ot, en y bepaald wordt en in dit geval gelden de formules (183),
§ 68. Wij denken ons door elk punt der ruimtekromme eene rechte lijn getrokken, wier richtingscosinussen ten opzichte van het X, Y, Z-stelsel A, i/, en ten opzichte van hot X1, Y,|, Z1-stelsel /3, y mogen zijn, dan is:
A = a a2l3 «3 y enz.........(-1-84)
waarbij wij nu verder zullen onderstellénT^ïat^Tquot;!®) V functies zijn van t. Deze lijnen vormen het regeloppervlak:
? = a? m A; vt = y u[j. â¢, £ = z uu.......(185)
j j-'a'a
Dit regeloppervlak is ontwikkelbaar voor I y'ft'ft = 0, of na herleiding, indien wij
z v' V
gebruik maken van de formules van Serket:
r (/3' «^'4- rV) â P iy'â = o.
Maar uit: x2- â (32y* = 1 volgt: /3/3' ^7'=0. Indien wij dit in de
voorgaande vergelijking substitueeren, vinden wij als voorwaarden voor een ontwikkelbaar regeloppervlak dat door de ruimtekromme gaat:
/3 V= -(/- /3 V) en (3' «0/ 7^'= ^ (/- /3^) ⢠⢠(186)
Hiermede vinden wij:
= (7^ X â^2 â1~ ^'3 7 quot;l- ^ ^2 ^3 ^3 quot;i- 7 ^2 ^3 =::
= «â¢! /3 ^') »2 (/3' ^ 7 ^3 ) ®3 (y â /3^3 ) =
= (/â /3 ^3') X I â 1-~ quot; 4- f-xa2 agl = (r'â /3 V) X ^. . (187)
[_ Cc / / _J «gt; /
en
gt;quot;-('' ,ylt;$) lt;«'â¢-»lt;) xj^ ^ââ«,)-(,'«! {-
Dan is;
x'-\-if-\-v'z'â'y~-â^^ Xs' X! ï.âaj b^a//,âb^ c^xvâcA^- ^ ^
' ay I j lt;55 y
A'2 //'2 /2== X j (xX-a.f .-Cl)2{=-r-'X (1 ~**).
Hiermede vinden wij voor de coördinaten van een punt der keerlijn van het ontwikkelbaar regel oppervlak volgens (109):
X = x â A x x (*2 _ !) . (quot;/'- /2 V)'2 x (1 _IX2) = ^ A x /r s' , enz. (18!))
r âp^3
Tevens volgt voor den afstand van correspondeerende punten van ruimtekromme en keerlijn van het ontwikkelbaar regeloppervlak door de kromme:
U = ,%S'..... ........(190)
y âPh
Voeren wij dit ter vereenvoudiging in, dan gaan (189) over in:
X = a; A U enz.
waaruit volgt: X'= x' A' U A ü'= Oa s' â------x(«A â «4) X - , ,4-aU'=
0 1 «y r â IM3
= « As' AU'= A (a!s' U') enz.........(191)
en, indien wij het element der keerlijn S' noemen,
8'= («s' U')............(192)
waarbij het of â teeken moet genomen worden, al naarmate ass' U' /0 of \0. zoodat wij (191) kunnen schrijven:
X'=±AS' enz............(193)
Hiermede vinden wij :
Xquot;= (ASquot; A'S'), X'quot;= ± (AS'quot; 2A'Squot; Aquot;S') enz.
Met deze uitdrukkingen berekenen wij:
Xquot;2 Yquot;2 Zquot;2 - Squot;2 = S'2 (A'2 ^'2 /2) = S'2 X X (1 - oc2).
on
118
! â /. S 2â Squot;2x ~ 3 (jjs /, â enZi
x y
Y' Z' Yquot;Zquot;
'/ x ci « y 1 A4 f
= S'2 x i
- Squot;2 x
enz.
= ± S'3 X i /.' = -J; s';! x '
X' Y' Z' Xquot; Yquot; Zquot; Xquot;'Yquot;'Zquot;
a,3 ^ {y'-ëO.rê,'
x'y
/'vquot;| = S':ix l/ ' xj «,^^0/ rt2a'y tf3 ((),/- a:2^'â «'/3)|
S' Y' Z'
jSquot; Yquot;Zquot; ! = S'3x
enz.
Wij vinden nu voor de verschillende grootheden die betrekking hebben op de keerlijn van het ontwikkelbaar regel oppervlak:
Richtingscosinussen van de raaklijn : ± gt;. enz. al naarmate ^s' U'/O of lt;J3 . (194)
Richtingseosinussen van de hoofdnormaal:
± y | enz. al naarmate .xs'-t-U' en ' ^ â ' gelijk of ongelijk teeken bezitten. (195)
Richtingseosinussen van de binormaal ;
i h\ c\
y'-lSO'
|, , i .. x2) enz. al naarmate x,/ 0 of lt;^0 .... (196)
ry'_ Q à ' «v' ___ Q () '
Eerste kromtelioek: S-.'==-)---------------1/(1 â âx1), al naarmate --------- /gt;0 of lt;f0 . (197)
xy' xy x x
Derde kromtelioek: amp;3'= ^ al naarmate ^s' U'^gt;0 of lt;^0. . . . (198)
Uit het theorema van Lancret kunnen wij nu den tweeden kromtelioek berekenen. Richtingscosinussen van de rectificeerende lijn :
ai xyê^ a^x'y «3 (^'â â x' /3)
enz......(199)
S-2' (1 â «2)
Hieruit leiden wij af ten opzichte van het X1, Y^ Z1-stelsel:
TT xy .s
X1 = xJJ = x x -7 , enz.........(200)
y â (0 0.,
119
Bichtingscosiuussen van do raaklijn: «; ± (3; ±7.
ij; /3 «;â¢-
hoofd normaal: |/(1â«2); ± | . ^ (201)
binormaal: 0 ; 177/ 2t; ± 1 -/nM a,' C202)
]/(Iâa:2) | - (1 âiz2)
!!
rectificeer end e liin- X7^ â â - *gt;' -⢠^
â â â rectmceeiencie lijn. ^;(i_x2y amp;,'(] - ^)
Voor de vergelijking van het kromtevlak der keerlijn vinden wij :
r â ?i /3 = 0,
indien wij de loopende coördinaten ten opzichte van het X,1, Y1, Zj-stelsel ?.|, ^ ^ noemen. Dat vlak bevat de raaklijn aan de ruimtekromme en valt dus samen met het vlak door die raaklijn en de lijn («, /3, y).
Wij merken op dat de richtingscosinussen van raaklijn, hoofd- en binormaal, benevens de derde kromtehoek der keerlijn van hot ontwikkelbaar regeloppervlak alleen afhangen van de oogenblikkelijke waarden van x, /3 en 7. Wanneer dus door eene ruimtekromme verschillende ontwikkelbare regel oppervlakken gebracht worden, die eene beschrijvende lijn gemeen hebben, dan raken die regeloppervlakken elkander volgens die beschrijvende lijn; bovendien zijn in de correspondeerende punten de]- verschillende keerlijnen hoofd- en binormaal evenwijdig en de derde kromtehoek en gelijk.
§ 69. Wij zullen in de eerste plaats de gevonden formules toepassen op het geval dat x constant is. Aan de keerlijn van het ontwikkelbaar regeloppervlak, dat dan ontstaat, geven wij niet Schell den naam van evolutoïde. ')
Deze krommen vormen de uitbreiding der evoluten, waarop in het vorige Hoofdstuk is gewezen. Zij kunnen dus gedefiniëerd worden als krommen, die zoodanig met de ruimtekromme in verband staan, dat de verbindingslijnen van correspondeerende punten raken aan de evolutoïde en een standvastigen hoek maken met de raaklijnen aan de oorspronkelijke kromme.
Noemen wij dien standvastigen hoek A, zoodat « = cosA, en den hoek tusschen het vlak door raaklijn en verbindingslijn van oorrespoudeerende punten (het âplan touchantquot; van Lancret) en het kromtevlak der ruimtekromme p, dan is:
tqpâ -g~; 7 = sin w sin A; /3 = cos« sin A......(204)
P
waarbij wij p zullen tellen van 0 tot 2 tt.
Daar x constant is, wordt ^'=0; dus volgt uit (186):
;/=cos A sin^j cos^J. (V cos/; sin A. V i /3'=ââ cos A sin'2/;. â sinjo sin A. $3'.
(203)
1) Schell. Allgemeine Theorie der Curven doppelter Krümmung Cap. XIII of Lancret (180(5).
120
V on
Verder volgt uit tgp = door differentiatie:
P
/ rgt; gt; o'
P _ p y â r p cos2p l3'2 '
en na herleiding:
p'= ó3'-h sin;?, cotg A. Ã,/...........
Dit is dus de differentiaalvergelijking waardoor p bepaald wordt; men kan zich nu steeds voorstellen, dat p en volgens (204) dan ook /3 en 7 bekend zijn als functies van den parameter t en van eene willekeurige constante C. Indien men alleen t laat veranderen, verkrijgt men eene bepaalde evolutoïde. Stelt men zich voor, dat C alle mogelijke waarden doorloopt, dan verkrijgt men eene reeks evolutoïden, die een oppervlak vormen, het evolutoïden-oppervlak, behoorende bij eene bepaalde waarde van A. Indien men ten slotte nog A alle waarden laat doorloopen van 0 tot tt, dan verkrijgen wij liet geheele stelsel evolutoïden-oppervlakken, dat bij de ruimtekromme behoort.
Volgens (190) is de afstand van correspondeerende punten van ruimtekromme en evolutoïde:
sin A â
U = p., X.............206
1 cos p
Hiermede worden de coördinaten van een punt der evolutoïde ten opzichte van het vaste coördinatenstelsel:
. r sin A ,r,/v7\
X = if A p, x---------- enz..........(207)
cos p
Beschouwen wij hierin alleen t als veranderlijke, dan zijn dit de vergelijkingen van die evolutoïde, welke bij bepaalde waarden van A en C behoort; beschouwen wij echter t en C als veranderlijken, dan bepalen de vergelijkingen (207) het evolutoïdenoppervlak voor eene bepaalde waarde van A.
Uit (200) vinden wij voor de coördinaten van een punt der evolutoïde ten opzichte van het X^, Y4, Z|-stelsel;
\r Sin A COS A- â O t ry ± O A
X, = p, X------; Y1 = ,0.1 sm2A; Z, = p1 tgp sm2A .... (208)
1 1 cosp
Hiermede kunnen wij eenige eigenschappen afleiden, die betrekking hebben op de punten der evolutoïden, verschillende in de waarden van A en C, die met eenzelfde punt der ruimtekromme correspondeeren. Wij moeten dan t als standvastig, daarentegen A en C als veranderlijken beschouwen. Al die punten vormen een oppervlak.
Indien wij uit (208) p (en dus ook C) elimineeren vinden wij :
Y â p sin2 A â X'2 V =1,
1 11 quot; ' sin A cos A)2 (jo1sin2A)2 '
d w. z. de punten der verschillende evolutoïden voor eene bepaalde waarde van A, die met
121
eenzelfde punt der ruimtekromme correspondeeren, vormen eene hyperbool in een vlak, evenwijdig aan liet rectificeerend vlak op een afstand /ij sin2A. De reëele en imaginaire as van dezo hyperbool zijn respectievelijk evenwijdig met raaklijn en binormaal der ruimtekromme. De halve assen zijn Pi sin A cos A en p., sin-A, waaruit volgt dat de asymptoten der hyperbool een hook 2 A of 2 (tt â⢠A) insluiten.
Elke hyperbool is dus afhankelijk van de oogenblikkelijke waarden van I en A. Laten wij t veranderen, dan vormen alle hyperbolen het evolutoïden-oppervlak, dat bij de bepaalde waarde van A behoort, waarover straks meer. Laten wij daarentegen A veranderen, dan verkrijgen wij alle hyperbolen, clie bij een bepaald punt der ruimtekromme behooren. Voor A = 0 gaat de hyperbool over in de raaklijn (wanneer de evolutoïde overgaat in de ruimtekromme zelf) en voor A =~-(wanneer de evolutoïde overgaat in de vroeger behandelde evolute),
gaat de hyperbool over in de poollijn.
De verschillende hyperbolen, die bij een bepaald punt der ruimtekromme behooren, vormen een oppervlak, waarvan de vergelijking ten opzichte van het X,, Y^, Z1-stelsel is:
X|'2 Y., = (Yj2 Z.,'2) (p1 â Y,,).
Dit oppervlak, dat symmetrisch is ten opzichte van normaal vlak en kromtevlak, is besloten tusschen het rectificeerend vlak en een vlak hieraan evenwijdig door de poollijn. Het normaal vlak snijdt het oppervlak in het punt dor ruimtekromme en volgens de poollijn. Elk vlak door de raaklijn der ruimtekromme snijdt het oppervlak volgens de raaklijn en volgens een cirkel, wiens middellijn in het normaalvlak is gelegen, en waarvan het eene uiteinde samenvalt met het punt der ruimtekromme, en het andore uiteinde op de poollijn gelegen is. De kleinste van deze cirkels ligt in het kromtevlak en is dus op den eersten kromtestraal als middellijn beschreven, de grootste is de raaklijn.
Wij keeren nu terug tot eene bepaalde evolutoïde voor bepaalde waarden van A en C. Uit (192) volgt dan:
S'= rVcosA sin A x/ \
L \cos p/ _
welke uitdrukking zich nog laat brengen in de gedaante:
p., sin A P. , . ... p.' H j. sin A S == ± -â,, x tli cotgA sm p -J- cos/j = â x M,
cos p L Pi J cos2p '
waarbij het of â toeken geldt, al naarmate M positief of negatief is.
Eene andere uitdrukking, die wij nog noodig hebben, is:
y'âPOa' = C0SP x ö *
ac/ sin A 1 '
Deze uitdrukking is dus positief of negatief, al naarmate cosp positief of negatief is. Wij vinden nu voor de verschillende grootheden der evolutoïde ten opzichte van het X,, Y.,, Z1-stolsel volgens (201) en (202):
16
122
Richtingscosinussen der raaklijn: 4 cosA; ± cosp sin A; sin/gt;sinA.
en wel het of â toeken, al naarmate M positief of negatief is.
Eichtingscosinussen der hoofdnormaal: siu A: cos A cos p; cos A sin p,
en wel het bovenste of benedenste teeken, al naarmate M. en cos/) gelijk of ongolijk teeken bezitten.
.Richtingscosinussen der bi normaal: 0; sin p; cos/),
en wel het bovenste of benedenste teeken, al naarmate cos/) positief of negatief is.
Verder vinden wij voor de kromtehoeken volgens (197) en (198):
5/= cos/i x ö-i', al naarmate oosp pos. of neg. is.
. , _ sin« / , i ,,r n
S., = . X 9.1 , al naarmate M pos. ot neg. is. smA 1
Nu volgt uit het theorema van Lancbet:
. , . , 1/(1 â cos2» cos2A)
^2 = J\ X - ------⢠T------------------ â
Hiermede worden de richtingscosinussen der rectiliceerende lijn volgens (203): cos A sin ji ^ sin A
(/(1 â cos2/» cos'2A) ' ' 1/(1 â cos'2/) cos'2A)
Wij kunnen nu de vergelijkingen opstellen van eenige lijnen, die bij de evolutoïde he-hooren; zoo bijv. zijn de vergelijkingen der hoofdnormaal:
~ -^i _ 0f e _(p â V ) X___ en == li
sin A ± cos A cos/» cos A sin p 1 pos A cos p cos )gt; sin/)'
Hieruit volgt, dat de hoofdnormaal der evolutoïde de raaklijn der ruimtekromme snijdt
c sm
in een punt, dat op een afstand ,v,~' quot; van het punt der ruimtekromme verwijderd is, ter-1 ' r cos A cos p 1
wijl het snijpunt met het normaalvlak op de poollijn gelegen en onafhankelijk is van A.
Het kromtevlak der evolutoïde gaat door de raaklijn der ruimtekromme. (Zie t? 68.)
De vergelijkingen van de binormaal der evolutoïde zijn:
L âX, â¢/,, â Y. ^ â Z1 ,, sin A cos A . y '. sin'2 A
1 A â = -fâiâ1 =-T---1 of S\ = 9i- en cosp G sm/) =
0 =F smp ± cosp cos/) cos/)
Deze loopt, zooals trouwens uit de laatste opmerking volgt, evenwijdig aan hot normaalvlak. De vergelijkingen van de rectificeerencle lijn der evolutoïde zijn:
g y Y y y
?- â¢â= '' - - = V|, of ^ = c. sin'2 A en L sin A â £, cos A sin» = p., sin2 A cos A cos», cos A sm/) (J smA .
123
b, K bi
[
msp X ff â ! â A cos A
Deze vergelijkingen stellen voor de raaklijn aan de vroeger beschouwde hyperbool in het snijpunt van hyperbool en evolutoïde. Immers die raaklijn aan do hyperbool wordt voorgesteld door :
Y amp; 7. y
-7ââ¢ârââttt, â 7-r^öVrö = 1 en vt* â p., sin- A.
(/?1 sm A cos A)2 (Jö.lsin2A)-
Sub.stitueeren wij mi hierin (208), dan gaat de eerste vergelijking over in de (weedo vergelijking der rectificeerende lijn.
Hiermede is dus stelkundig bewezen de stelling (die door Lajstcret en Schkll meetkundig is aangetoond): Op het evolutoïdenopp'ervlak liggen de stelsels der evolutoïden en dei-hyperbolen; de raaklijnen aan de hyperbolen in de snijpunten met dezelfde evolutoïde, vormen een ontwikkelbaar regeloppervlak, het rectificeerend oppervlak der evolutoïde.
De raaklijnen aan de evolutoïden in de snijpunten met dezelfde hyperbool vormen natuurlijk den omwentelingskegel met de raaklijn der ruimtekromme tot as en den tophoek 2 A of 2 (ttâA).
Uit de bewezen stelling volgt dat de evolutoïde eene geodetische lijn op het evolutoïden-oppervlak is. Wij kunnen dit echter ook direct bewijzen.
Wij hebben reeds opgemerkt dat het evolutoïdenoppervlak bepaald wordt door (207), waarin t en C de beide parameters zijn. Dan zijn dus do richtingscosinussen der normaal aan
aY az aY az'
dit oppervlak evenredig met ^ enz.
a Y a z
Vroeger is gevonden =±,'-«S'; â- = ± y S' (zie (193)).
ct dt
Verder kunnen wij (207) brengen in de gedaante :
*7- ! cos -A- -1 ⢠. gt;
X = x pA sin A X (Ua------h a0 sm A -(- rt, sm A tn p) enz.
cos p '
Hier mede vinden wij
a X p, sin A , . . . . x 2 P
^ .. = âX (ö, cos A sm fl «., sm A) X , â enz.
a (J coszp a ' 3 C
De richtingscosinussen der normaal aan het evolutoïdenoppervlak zijn dus evenredig met:
j b.l cos A è.2 cos p sin A b3 sin p sin A cx cos A -|- c2 cos p sin A r3 sin p sin A j
cos A sin jü sin A c., cos A sin p c3 sin A
sin'2 A
= cos p X \ â sin A cos A cos p â sin A cos A sin p
en dus valt volgens (195) deze normaal samen met de hoofdnormaal, der evolutoïde, d. w. z. de evolutoïde is eene geodetische lijn op het evolutoïdenoppervlak.
124
Wij hebben reeds opgemerkt dat, indien A = j, de evolutoïden overgaan in de evoluten. Fn dat geval levert (205):
P'= k'-
Dit stemt overeen met (163).
Verder wordt een punt der evolute volgens (207) en (204) bepaald door:
X = a? a2 p.f -t- «3 Pi ty p enz,
hetgeen overeenstemt met (161),
§ 70. Men kan ook een onderzoek instellen naar de lijnen en oppervlakken die ontstaan, indien men, hetzij /3, hetzij -/ constant aanneemt. Een dergelijk onderzoek heeft echter geen vermeldenswaardige uitkomsten opgeleverd. Slechts twee bijzondere gevallen mogen hier een plaats vinden.
1°. /3 = 0, dus /3'= 0 ; dan volgt uit (186):
«'=âây' en y 6r,'=0,
a. j .1
Aan de eerste voorwaarde is voldaan, omdat x- -|- = 1; de tweede bepaalt de recti-
ficeerende lijn. Bij de afleiding van (186) is echter ondersteld 7'- 0; aan de oorspronkelijke
vergelijking wordt ook voldaan door te stellen /3 = 0, y â 0: hierdoor wordt de raaklijn bepaald. In het rectificeerend vlak voldoen dus aan de vraag alleen de rectificeerende lijn en de raaklijn.
2n. 7=0, dus ^'=0; dan volgt uit de oorspronkelijke voorwaarde, dat dan tevens /3 = 0 moet zijn, zoodat in het kromtevlak alleen de raaklijn aan de vraag voldoet.
§ 71. Ten slotte zullen wij onze algemeene formules nog gebruiken ter bepaling van het cyclificeerend oppervlak, eerst door Molins en later door Schell, langs meetkundigen weg behandeld x). Hieronder verstaan wij het ontwikkelbaar regeloppervlak, dat door de ruimtekromme gaat en bij ontwikkeling in een plat vlak de gegeven ruimtekromme doet overgaan in een cirkel met een gegeven straal R. Het meer algemeene vraagstuk zou zijn, om de ruimtekromme te doen overgaan in eene willekeurige vlakke kromme; dit is behandeld door A. Enneper1).
Wij gebruiken de notaties van § 68, maar voeren weder in den hoek p tusschen het kromtevlak en het cyclificeerend vlak, dat is het raakvlak aan het cyclificeerend oppervlak. Noemen wij bovendien den hoek tusschen de raaklijn en de cyclificeerende lijn A, dan vinden
1
E n n e p e v (1867).
125
wij dat de kromtehoek der vlakke kromme, die uit de ruimtekromme bij ontwikkeling van het cyclificeerend oppervlak ontstaat, is;
± W - A').
Bij de afleiding van deze uitdrukking is ondersteld, dat de uitdrukking U in (190) positief
OC 'V
is; hiervoor is noodig ^('a^ stee^s te verwezenlijken door, indien noodig,
/3 en 7 door hunne tegengestelde waarden te vervangen.
Omdat y = sin p sin A
« y
R
cos p sin A, volgt uit (186); y' â /3 ^3' A'4- ').( cos f) _
sin A
dus is, volgens (197);
7/= A' (i,,' cos p.
Hiermede wordt de kromtehoek der vlakke kromme ± cos p, al naarmate cos p positief of negatief is. Zal nu die vlakke kromme een cirkel met straal R zijn, dan moet daar bij de ontwikkeling het boogelement onveranderd blijft;
s'; (=t 0,,' cos p) of cos p = zt P\ 'â R-
Hiermede is dus do stand van het cycliflceerend vlak bepaald.
Nog volgt uit (186) bij invoering van A en p:
p' = 0.,' cotg A sin p. Ã/.
Zoodra dus p als functie van t is bepaald, is dit ook het geval met A en dus ook met#. Verder vinden wij dan /3 en y uit;
/3 = cos p sin A en y = sinp sinA.
Hierbij zijn de teekens zoodanig te, kiezen dat 0 '
Wij berekenen nog uit (198);
positie!' wordt.
sinp
XO/
en uit (192);
V =
sin A
S' = =t j^s'cos A 7 sin A^
Uit de formule voor cosp volgt , dat R grooter moet zijn dan de grootste waarde van den eersten kromtestraal, die bij de ruimtekromme voorkomt. Bij de krommen met standvastigen eersten kromtestraal is p constant.
126
Verder is voor deze kiommen nog:
cote: A = â . , k ,
B sm p '
welke uitdrukking alleen standvastig kan zijn bij eene cirkelvormige schroefliin.
Nemen wij dan R = zoo wordt het kromtevlak cyclificeerend vlak, d. w. z. bij ontwikkeling van het oppervlak dor raaklijnen gaat de ruimtekromme over in een cirkel met een straal, gelijk aan den eersten kromtestraal der ruimtekromme.
Voor .R = co gaat liet cj^clificeerend oppervlak over in het rectificeerend oppervlak.
Dan wordt cos p â 0 dus p = â , maar dan wordt, daar p'= ü :
en hierdoor wordt de rectificeerende lijn bepaald.
Hierbij kan nog opgemerkt worden, dat indien voor eenig punt der ruimtekromme ^ = oo wordt, er geen cyclificeerend oppervlak bestaat; maar wel als grens het rectificeerend oppervlak.
LITERATUUR-OVERZICHT.
In de werken over Analytische Meetkunde a4s van van Geer, Salmon-Fiedlee, Daeboux, Joachimsthal, Hoppe, Eapfy, vindt men eene meer of minder volledige uiteenzetting van de theorie der ruimtekrommen; bovendien handelen de volgende werken bijna uitsluitend hierover:
P. Serket. Théorie nouvelle géométrique et méoanicjue des lignes a double courbure. W. SohblIi. Allgemeine Theorie der Curven doppelter Krümmung in rein geometrischor Darstel lung.
Aoust. Analyse infinitésimale des courbes dans 1'espace.
E. Catalan. Théorie analytique des lignes a double courbure.
Mém. de Lióge. VI (1877).
Ik heb de verhandelingen die O]:) het onderwerp betrekking hebben, gerangschikt naai-het tijdstip van publicatie; daar toch sommige verhandelingen verschillende onderdeden van de theorie der ruimtekrommen behandelen, was '( niet wel mogelijk eene indeeling naar de onderwerpen te maken.
1731. Clairaut. Recherches sur les courbes a double courbure.
1771. Monge. Mémoire sur les développées, les retyóhs' (ie courbure et les différens genres d'inflexions des courbes a double courbure.
Mém. de math, et de phys. présentés a 1'Académie royale par divers savans. Tome x (gedrukt in 1785).
1774. Tinseau. Solution de quelques problèmes relatifs a la théorie des surfaces courbes et des courbes a double courbure.
Mém. de math, et de phys. etc. Tome IX (gedrukt in 1780).
1802. Lancret. Mémoire sur les courbes a double courbure.
Mém. présentés a l'institut des sciences, lettres et arts par divers savans et lus dans ses assemblées; sciences math, et phys. Tome I (gedrukt in 1806).
1806. Lancret. Sur les développoïdes des courbes planes, des courbes a double courbure et des surfaces développables.
Mém. prés. ii l'institut etc. Tome II (gedrukt in 1811).
128
1835. C. Gr. J. Jacobi. Zur Theorie der Curven.
Journal für die reine und ang. Math. XIV.
--Th. Oliviee. Mémoire de Geometrie.
Journal de l'école polytechnique Cah. XXIV.
1842 Puiseux. Problème de Géométrie.
Journal de Liouville. Tome VII.
1843. Molins. Sur les trajectoires qui coupent sous un angle donné les tangentes a une
courbe a double courbure.
--Molins. De la determination sous forme intégrable des equations des développées
des courbes a double courbure.
Journal de Liouville. Tome VIII.
1844. De St. Venant. Mémoire sur les lignes courbes non planes.
Journal de l'école polytechnique. Cah. XXX.
1847. Molins. Note sur les courbes dont les plans osculateurs font un angle constant
avec une surface dévelóppable sur laquelle elles sont tracées.
Journal de Liouville. Tome XII.
----Arndt. Bemerkungen über die Curve der Krümmungsmittelpunkte.
Archiv der Mathematik und Physik. IX.
--Febnet. Sur les courbes a double courbure.
Journal de Liouville. Tome XVII (1852').
1848. Beetrand. Sur la courbe dont les deux courbures sont constantes.
Journal de Liouville. Tome XIII.
1850. Voizoï. Note sur la théorie des courbes a double courbure.
Journal de Liouville. Tome XV.
----- Beetrand. Mémoire sur la théorie des courbes a double courbure.
Journal de Liouville. Tome XV.
185]^Puiseux. Sur la ligne dont les deux courbures ont entre elles un rapport constant.
Journal de Liouville. Tome XVI.
--J. A. Sebeet. Sur quelques formules relatives a la théorie des courbes a double
courbure.
--J. A. Seeeet. Sur un théorème relatif aux courbes a double courbure.
Journal de Liouville. Tome XVI.
--Spottiswoode. Mémoire sur les points singuliers d'une courbe a double courbure.
Journal für die reine und ang. Math. XLII.
1852. Schell. Ueber die Schmiegungskugel und die spharische Torsion der Curven
doppelter Krümmung.
Archiv der Mathematik und Physik. XIX.
1853. J. A. Seeeet. Sur une classe d'équations différentielles simultanées qui se rattachent a
la théorie des courbes a double courbure.
Journal de Liouville. Tome XVIII.
1'2!»
1855. J. A. Skbret. Snr les t raj ec to ires orthogonales d'uu plan mobile.
Comptes-rendns de l'Académie. Tome XLI.
â--Hoppe. Vollstandige Bestimmung der Evoluten doppelt gekriimmter Linien aus
ihrer Evolvente.
Archiv der Matheraatik und Physik. XXV.
1856. Cu RTis. Sur la surface engendrée par les normales prinoipales d'une courbe I
double courbure.
Journal de Lionyille. (2) Tome 1.
â J. A. Sereet. Sur les trajoctoires orthogonales d'une sphere mobile.
Comptes-iendus de l'Académie. Tomo XL1I.
---Molins. De la surface développable passant par una courbe donnée quelconquc
et qui, par son développement tra. us former ait cette courbe en un arc do cercle d( rayon donné.
Journal de Liouville. (2) Tome I.
1858. Hoppe. Zur Theorie der parallelen Curven.
Journal fiir die reine und ang. Math. LV.
â â Geünert. Neue Darstellung der Theorie der Berührung und Krümmung der Curven
Archiv der Mathematik und Physik. XXX.
1860. Boeklen. Théorème sur les courbures des ligues.
Nouv. Ann. de Math. XIX.
1861. Hoppe. Ueber die Umhüllungslinie der Pollinien einer Curve und deren inverse Linie
Journal für die reine und ang. Math. LVIII.
--Greek. Concerning curves of double curvature.
Quart. Journal of Math. IV.
---Chco. Sulla curvatura delle curve a doppia curvatura.
Annali di Mat. ill.
1862. Hoppe. Ueber die Darstellung der Curven durch Krümmung und Torsion.
Journal fur die reine und ang. Math. I.X.
1864. Hoppe. Darstellung der Curven durch Krümmung und Torsion.
Journal fiir die reine und ang. Math. LXIII.
----Grünebï. Strenger Boweis eines bekannten Satzes von dem Krümmungskreise dei
. ,,
Curven im Raume u. s. w. â â¢
Archiv der Mathematik und Physik. XLI1.
1865. Routh. On the curvature of curves of double curvature.
Quart. Journal of Math. VII.
- â Baumert. Zur Bestimmung des Krümmungshalbmessers raumlicher Curven.
Zeitschrift für Math, und Physik. X.
1866. Enneper. Bemerkungen iiber die Curven doppelter Krümmung.
Göttinger Nachrichten ISOti.
---- Catalan. Recherches sur les surfaces gauches.
Mém. de Belgifjue in 8°. XVllt.
17
13U
I8li7. Ennkpeii. Analytisch-G-eometrische Untersuchungen.
Zeitschrift für Math, unci Physik. XII,
18()9. Painvin. Courbure en un point multiple dune courbe on d'une surface.
___ Painvin. Détermination des plans osculateurs et des rayons de courbure en un
point multiple d'une courbe gauche.
Comptes-remhis de 1'Acadéinie. Tome LXVIII.
_____Aoust. Sur 1'analyse des courbes rapportées a un système quelconque de
coordonnées.
Annales de Técole normale supérieure. Tome VI.
1870. .H.uohonnet. Expression de la distance d'une courbe a sa sphere osculatrice,
Nouv. Ann. de Math. (2) Tome IX.
____Wkyr. Ueber Evoluten rëumlicher Curven.
Wiener Sitzungsberichte LX 11 (187Ã).
_____ Aoust. Sur les roulettes en général.
Oomptes-rendiis de l'Académie. Tome IjXX.
1871. Kuchonnkt. De 1'hélice osculatrice.
Nouv. Ann. de Math. (2) Tome X.
1872. Mannheim. Sur la surface gauche, lieu des norm a les principalis de deux courbes.
Journal de Lionville (2) Tome XVII.
___ Laurent. Mémoire sur Ja théorie des courbes gauchcs.
Annales de lecole normale supérieure (2) Tome I.
____Lundberg. Om para,Hela kurvor. üpsala.
1873. Ruchonnex. Propriété caractéristique de la droite rectifiante.
Nouv. Ann. de Math. (2) XII.
_____ De St. Germain. Determination des éléments infinitésimaux relatifs aux lignes a double
courbure.
Nouv. Ann. de Math. (2) XII.
___Hoppr. Cinematische Grundlage der Curventheorie.
Avohiv der Mathematik und Physik. LV.
1874. Hoppe. Principien der analytischen Curventheorie.
Archiv der Mathematik und Physik. LVI.
__Molins. De la determination sous forme intégrable des equations des courbes
dont le rayon de courbure et le rayon de torsion sont lies par une relation
donnée quelconque.
Journal de Liouville (2) Tome XIX.
__Hart. Notes on curvature.
Messenger of Mathematics (2) 1Y.
â IjAurent. Sur Ja théorie des roulettes gaudies.
Bulletin Soc,. math, de France II.
131
1874. Aoust. Sur les intégralos des equations diiférentielles des courbes qui ont une
même surface polaire.
Met aanmerkingen van J. A. Sebret en Combescure en antwoord van Aoust. Comptes-rendus de l'Académie. Tome LXXVIII en LXX1X.
--Aoust. Sur les intégrales des equations différentielles des courbes dont le lieu
des centros des ellipsoid es osculateurs semblables et semblablement placëos est uur courbe donnée.
Comptes-rendns de l'Académie. Tome LXXVIII.
1875. Catalan. Remarques sur la théorie des courbes et des surfaces.
Mém. de Belgique in 8°. XXIV.
--Zeuthen. Vindskjove Kurver med konstant Farhold mei lom Krumningsradius og
Torsionsradius.
Tidsskrift tbr Matematik (.3) V.
1876. Mannheim. Construction pour un point de la courbe d'intersection de deux surfaces
du centre de la sphère osculatrice de cette courbe.
Comptes-rendus de l'Académie LXXXIIL
--Catalan. Quelques théorèmes sur la courbure des courbes.
Nouv. Coir. Math. II.
1877. Mannheim. Sur les courbes ayant les mêmes normales principales et sur la surface
formée par ces normales.
----Mannheim. Nouveau mode de representation plane de surfaces réglées,
---Mannheim. Applications d'un mode de representation plane de classes de surfaces
réglées.
--Mannheim. Nouvelles applications d'un mode do representation plane do classes
de surfaces réglées.
Comptes-rendus do l'Académie. Tome I.XXXV.
â â¢â J. A. Seeret. Condition pour que les normales principales d'une courbe soient normales
principales d'une seconde courbe.
Comptes-rendus de l'Académie. Tome I.XXXV.
â â Niewenglowski. Note sur les courbes qui ont les mêmes normales principales.
Comptes-rendus de l'Académie. Tome LXXXV.
â â Aoust. Intégrales des courbes dont les développantes par le plan et les dévelop-
pées par le plan sont égales entre elles.
Comptes-rendus do l'Académie. Tome LXXXIV.
â-â Aoust. Intégrales des développantes obliques d'un ordre quelconquo.
Comptes-rendus de l'Académie. Tome LXXXV.
Hoppe. Nachtrage zur Curven- unci Flaohentheorie.
Archiv der Mathematik und Physik. LX.
1878. Mehmke. Bemerkung über den Torsionshalbmesser von Raurncurven,
Archiv der Mathematik und Physik. LXII.
132
1878. Mannheim. De 1'emploi de la courbe representative de la surface des normales prin-
cipales d'mie courbe gauche pour la demonstration des propriétés relatives a cette courbe.
Coinptes-rendus de l Académie. Tome LXXXVI,
1879. Aoüst. Integral es des courbes dont les développantes par le plan et les développées
par le plan sont égales outre ell es.
Bulletin Soc. math, de France VII.
â- â Hoppe. üeber die Bedingung unter welcher eine vaiiable Gerade Hauptnormal
ciner Curve sein kann und verwanclte Fragen.
Archiv der Mathematik nnd Physik. LXIII.
----Appell. Sur une propriété caractéristinue des helices.
Arcliiv der Mathematik und Physik. LXIV.
--Aoüst. De la courbe lieu des positions des centres de courbure d'une courbe
gauche après son développement sur une ligne droitc.
Comptes-rendus de l'Académie. Tome LXXXVII1.
1880. Ãkhorowsky. Ueber developpable Fliichen.
Casopis IX.
â â Hoppe. Ueber die Be.stirnmung der Curven durch die Eolation zwisclien Krüminuugs-
und 'L'orsionswinkel.
Archiv der Mathematik und Physik. LXV.
L881. Hoppe. Das Aoust'sche Problem in der Curventheorie.
Archiv der Mathematik nnd Physik. LXV1.
Knneper. Zur Theorie der Curven doppelter Krümmung,
(iüttinger Nachrichten 1881 ot'Mathematische Annalen XIX.
1882. Chkistensen. Vindskjave Kurvers Polarflade og Evoluter.
Tidsskrift for Mat.ematik. (4) VI.
--Lie. Bestimniung aller Rauincnrven deren Krümmungsradius, Toj'sionsradius
und Bogenlange durch eine beliebigo Relation verknttpft sincl.
Christiania. Verhandelingen 1882.
â â¢â Cürtis. Solution of a question (6807)
Educational Times XXXY1.
- â Allen. Notes on solid geometry.
Messenger of Mathematics (2) XII.
1883. Hoppe. Ueber ein Problem der Curventheorie.
Archiv der Mathematik und Physik. (2) I.
--Levy. Sur une familie de surfaces développables passant par une courbe gauche
donnée.
Comptes-rendus de l'Académie. XCVII.
---Molins. De la détermination sous forme intégrable des equations des courbes
gaudies dont le rayon de courbure et le rayon de la sphère osculatrice sont lies par une relation donnée quelconque.
Mém. de Toulouse (8) V.
133
1883. Christension. Om den historiske udvikling af theorien for iladers og rumkurvers krumning.
Tidsskrift for Matematik (ö) 1.
--Césabo. Tliéorème de Géométrie.
Nouv. Ann. de Math. (3) II.
--Cksako. Note de Géométrie.
Matliesis 111.
--Bianchi. Sul Ie curve a doppia ourvatura.
â¢---Razzaisonj. Sopra alcnne suporfic.ie goblje applicabili.
Giornale di Mat. di Batt. XX1.
1884. Hoppe. Erweiterung dos Aoust'sohen Problems dor Ciirventheorie.
---Hoppe. Zum Molins'schen Problem.
Archiv der Mathematik nnd Physik. (2) 11.
--Mor,ins. Sur les courbes gauches dont ie rayon de torsion et Ie rayon de la sphere
osculatrice sont dans un nipport constant.
Mem. de Toulouse (8) VI.
1885. Anissimow. Einige Siitze über Curven doppelter Krummung und ihre Evoluten.
Moscou. Recueil raathématiqne XII.
--Lecohnu. Distance d'un point d'une courbe gauche a la sphère osculatrice au point
infiniment voisin.
--Jambt. Sur une propriété des courbes a double courbure.
Comptes-rendus de l'Académie. Tome C.
â â Gilbert. Sur quelques formules de la théorie des courbes gauches.
Comptes-rendus de TAcadémie. Tome Cl.
â â â Césauo. Sur l'hélice osculatrice.
--Cksako. Sur la plus courte distance entre deux droites infiniment voisines.
Matliesis V.
1£gt;8B. Césako. A proposito di un problema sulle eliche.
Giornale di Mat. di Batt. XXIV.
1887. Pellet. Sur los normales aux courbes.
Comptes-rendus de l'Académie. Tome CIV.
â â¢â Stolp. Eeuo formule uit de analytische Meetkunde.
Nieuw Archief XIV.
--Césaho. Remarques de Géométrie infinitésimale.
Mathesis VI1.
---Goubsat. Sur un problème rel at if aux courbes a double courbure.
Ann. do la Fae. de Toulouse. Tome 1. C.
--Koenigs. Sur la forme des courbes a torsion constante.
Ann. de la Fac. de Toulouse. Tome I, E.
1888. Molins. Sur quelques nonvelles propriétés du lieu des centres de courbure des
courbes gauches.
Mém. de Toulouse. (8) X en (9) 1.
134
1888. PiRONDiNi. Sulle liueo a doppiu curvatura.
Griornale lt;U Mat. di Batt. A'XVI.
--- Césaro. Question de Cléométrie intrinsóque.
Nouv. Ann. de Math. (3) VII.
1889. Hioche. Sur les courbes de Bkutkand.
â - Antomaui. Sur uue propriété caractéristique des lignes géodésiques d'un cone.
Bulletin Hor- math, de France XVII.
--Hoppe. Zur Bestimmung dor Curven durch die Relation zwischen Kriimmungs-
und Torsionsvvinkel.
â â- Bjöbling. Ueber Rauracurven-Singularitaten.
Avchiv der Mathematik muPPhysik. (2) VIII.
1890. Pibondini. Sur les trajectoires orthogonales d'uno ligne mobile.
--â Pomey. Demonstration des formules de Krenkt
Nouv. Ann. de Matli. (;i') IX.
--Fouché. Sur les courbes algébriques a torsion constante.
Ann. de 1'école normale supérieure (3) VII.
Ijyon. Sur les courbes « torsion constante.
ïhèse. Paris
-â¢---Jameï. Sur la théorie des spheres osculatrices a line courbe.
Ann. de la Fao. de Toulouse. Tome IV. F.
PiEONDiNi. Di due superficie rigate che si presentano nello studio delle curve.
Giornale di Mat. di Batt. XXVIII.
Hoppu. Zur GrouusAT'schen Reduction des Problems der Bestimmung der Curven
durch die Relation zwischeii Krümmungs- nnd Torsionswinkel.
Archiv der Mathematik und Physik. (2) IX.
1891. RoLKiUKT. Formules générales de la théorie des courbes gauches.
Mém. de Toulouse. (9) III.
- Adam. Sur le lieu desrcnLnt,Tes de courbure d'une courbe gauche.
Nouv. Aim. de Math. (3) X.
-â¢--Bioohe. Sur les surfaces réglées qui passent par une courbe et coupent sous un
angle constant la déveioppable des tangentes.
Bulletin Soc. math, de France XIX.
1892. Fabry. Sur les courbes algébriques a torsion constante.
Ann. de l'école normale supérieure (3) IX.
â Pibondini. Sur la determination des lignes dont le rapport de la courbure a la
torsion est une fonction donnée de l'arc.
Journal für die reine und ang. Math. CIX.
-----J)emoulin. Quelques remarques relatives a la théorie des courbes gauches.
Bulletin Soc. math, de France XX.
â¢â â Pirondini, Sur le contact et 1'osculation fles lignes entre elles.
Teixeira Jornal X.
135
ISH'2, Hoppe. Curven von constanter Krümmung, Torsion, Totnlkrümnmng und Krümmungs-
verhaltniss.
Archiv dor Mathomatik mul Physik. (2) XI.
â â Mathews. On the expansion of the coordinates of a point upon a tortuous curve in
terms of the are.
Quart. Journal of Math. n0. 101.
â â Césaro. Suite curve lt;li Bertram).
Rivista di matematica da Peauo II.
--Molins. Sur une classe do courbes algébriques dont le rayon de courbure et le
rayon de torsion sont lies par une relation algébrique donnée.
Mém. de Toulouse (9) IV,
â⢠â Bouquet. Application des formules générales de la théorie des courbes gaudies a l'étude des courbes de Hertraxd.
Mém. de Toulouse (9) IV.
J893. Ãemouijn. Sur une classe particuiière de courbes gaudies.
Bulletin Soc. math, de France XXI.
--Demoulin. Sur une gónéralisation des courbes de Beutrand.
Comptes-rendus de l'Académie CXVI.
--Molins. Sur une familie tie courbes gaudies a torsion constante dont les coordonnées
de chaquo point s'expriment sous forme finie et explicite.
Mém. de Toulouse (9) V.
â â Bioche. Sur les surfaces réglées qui passent par une courbe.
Nouv. Ann. de Math. (iJ) XII en XIII.
â â Hoppe. Osculirende Parabel.
â¢--Hoppe. Ueber eine Schar von Curven auf einer Tangentenfladie.
Archiv der Mathematik und Physik..(,2) XII.
â â Mangeot. Sur los elements de la courbure dos courbes et des surfaces.
Ann. de l'école normale supérieure (3) X.
---Birondini. Intorno alhgt; indicatrici sferidie delle. linee dello spazio.
Rivista di matematica da Peano III.
1894. Knkseh. Bemerkung über die FBuNiiT-surrkt'sdien Formeln und die analytische
Untersuchung rechts und links gewundener Curven.
Journal für die reine und ang. Math. 0X111.
----Wkyb. Notiz die Seriiet'schen Kormeln betreffend.
Monatshefte für Matheinatik V.
----Balitrand. [Jn problènie sur les courbes gaudies.
--Oésako. Nouvelle proprióté caractéristique des courbes do Bertrand.
Mathesis (2) ,IV.
â¢â â Molins. Sur une familie de courbes gauobes dont la courbure et la torsion sont
liées par une relation lineaire et dont les coordonnées de chaque point s'expriment sous forme finie et explicite.
Mém. de Toulouse (9) VI.
136
1894. Anissimow. Sur la théorio fles courbes a cloubic courbure.
Moscou, llecueil mathématique XVII.
1895. Staude. üeber den Sinn der Winduug in den singularen Puncten einer Raum curve.
American Journal of Mathematics XVII.
---Oosserat. Sur les courbes algébriques a torsion constante et sur les surfaces minima
algébriques inscrites dans une sphere.
Comptes-rendus de 1'Académie CXX.
--Molins. Sur les trajeotoires qui coupent sous un angle constant les generatrices
rectilignes d'une surface gauche.
Mém. de Toulouse (9) VII.
1896. Mangeot. Sur une manière de représenter le rapport des deux courbures d'une courbe
gauche.
Hapfy. Sur le signe de la torsion des courbes.
- â Mannheim. Sur le rapport des deux courbures d'une courbe gauche.
-----d'Ooagne. Sur le signe de la torsion des courbes gauches et du paramètre de distribution des surfaces réglées.
Bulletin Soc. math, de France XXIV,
---Andbade. Sur les courbes de contact des courbes gauches et sur une familie de courbes
gauches.
Comptes-rendus de l'Académie CXX11.
- - â Fabey. Sur les courbes algébriques a torsion constante,
Comptes-rendus de l'Académie CXXII1.
.â _ Meder, Ueber einige Arten singularer Punkte von Raumcurven,
Journal für die reine und aug. Math, CXVI,
â- â Zub Kammeh. Znr Theorie der Curven in analytische!' Behandlungsweise.
---Hoppe. Zur aualytischen Curventheorie.
. . â Hoppe. 'üeber die charakteristische Ditï'erentialgleichung der Raumcurven.
___Wölffing. Die Krünimung der Raumcurven in singularen Punkten derselbeu.
Archiv der Mathematik und Physik, (quot;2) XV,
IIouquet. Note sur un cas particulier du mouvement a cinq conditions.
Mém, do Toulouse (9) VIII of Annates de Toulouse X,
1897. Mannheim. Sur les formules de Frenet,
Bulletin Soc, math, de France XXV,
Piroxdini, Sur les trajeotoires isogonales des génératrices d'une surface développable.
Journal für die reine und ang. Math, CXVIII,
1,898. Chomk. Etude géométrique du point simple d'une courbe gauche.
Mathesis (2) VIII.
Hoppe, Eine neue Beziehung zwischen den Krümmuugen von Curven und Plachen,
Archiv dor Mathematik und Physik. (2) XVI,
STELLINGEN.
STELLINGEN.
Niet Lanckbt, maar Moxok moet alts do ontdekker dor eigenschap van het rectificeeroml vlak heschomvfl worden.
Ten onrechte beweert Catalan (Théorie analytique des lignes a double courbure, 8 78. Mém. do Liège 1877) dat de hoofdnormaal eener ruimtekromme on de hoofdnormaal van hare lijn van sphaerisehe kromming steeds tegengestelde richting hebben.
111.
De eigenschappen van de meetkundige plaats der kromt»«niddclpunten .van eene ruimtekromme zijn bijzondere gevallen van meer algemeone eigenschappen, welke gelden voor twee ruimtekrommen, die op eene bepaalde wijze punt voor punt overeenstemmen.
IV.
Het gebruik van den naam .,torsiequot; in de theorie fier ruimtekrommen verdient geeue aanbeveling.
V.
Ten onrechte gebruikt du Saint-Vbnant (Oah. 30, Journal Poly technique) waarbij over de afleiding van den kromtohoek spreekt, de uitdrukking: âméthodes, (oujours peu satis-laisantes. indireetes on tout au moins diffieiles a retronver.quot;
1-10
\l.
liet bewijs van liet theorema van b'Alembert, zooals het o. a. voorkotni in do laatste uitgave van âLobatto's Lessen dei' Hoogere Algebraquot;, is onvolledig.
Vil,
Indien de verbindingsvergelijkingen voor een systeem van stoffelijke punten den tijd expllolte bevatten, behouden de bewegingsvergelijkingen van H ami won en dus ook zijne karakteristieke vergelijking hare geldigheid, mits men in de notatie van Jaoobi H = T â U vervangt dooi- H = 1quot; [Xf'â T â lT.
------ *quot;
Vlll..
liet moet als een vooruitgang beschouwd worden, wanneer Hehtü (Hiöiniuoh Heutz. Die Frlnzlpien der Mechnnik) tie potentiëele energie van een systeem opvat als de kinetische energie van verborgen massa's.
IX,
De rotatletijd van Venus en baar omloopstijd om de zon zijn niet gelijk,
X,
De uitkomsten, door Sïoney uit de kinetische gastheorie afgeleid met betrekking tot de atinospberen der planeten, verdienen geen vertrouwen.
XI, * '
Het voorstel van Lirphann (Journal de Physique (ü) Vlll, p. 401â407) tot invoering van eene, nieuwe tijdseenheid verdient geene aanbeveling.
XII,
In dezelfde verhandeling zegt Lippmann: âOn obtient alnsl la duréo d'oscillation en fouet ion de la longueur du pendule par Ie seul calcul; on salt que la longueur du pendule a secondes n'est determinable que par l'expérience.quot;
Het eerste gedeelte van deze bewering is onjuist.
I'll
XIII.
pomm (Wied. Ann. 59. Seite 852) on Maikk (Wied. Ann. 68, Seite 913) hebben ten onrechte de berekeningen van IjOMMEL zonder wijzigingen op de uitkomsten van hunne prooven toegepast.
XIV.
Haga en Wind (Wied. Ann. (W, Seite 887) zijn er niet in geslangd de versoliijiiselen. zooals zij dooj' Fomm en Maibb (zie Stelling XI11) zijn waargenomen, volledig als een optisch bedrog te verklaren.
XV.
Do uitkomsten der proeven van Haga en Wind (K. A. v. W. ZitiingKverslag 25 Maart 1899 ot' Wied. Ann. (58) geven nog niet het recht te besluiten tot eene buiging der X-stralen.
XVI.
Bij bet ouderwijs aan Hoogore Burgerscholen verdient hot gebruik van logarithmentat'eh met 4 decimalen nanhevoling.
XVII.
Bij het onderwijs in de Stelkunde lt;ilt;in Hoogere Burgorseholon behoort van de theorie dor imaginaire getallen slechts zooveel behandeld te worden, als noodig is voor de theorie der viorkantsvergel ij ki ngen. ____
XVlil.
Het verdient geene aanbeveling om de leerstof dor Vlakke Meetkunde voor Hoogere Burgerscholen uit te breiden met de eigenschappen der Synthetische Meetkunde en der Meetkunde van don driehoek.
XIX.
De neiging welke zich openbaart (o. a. in hot âBeknopt 1 jeorbook der Koolstofchemie van Dr. J. van uk Stadtquot;) om op do Hoogere Burgerscholen do organische scheikunde zuiver wetenschappelijk te behandelen met veronachtzaming der praetische toepassingen, kan niet genoeg worden afgekeurd.
Bij eene horzieuiug der Wet op het Middelbaar Onderwijs zal liet wen schel ijk en ook mogelijk zijn. het onderwijs in de exacte vakken zoodanig te besnoeien, dat meer tijd voor de beoefening der literaire vakkon beschikbaar komt.
XX1.
.....in teaching it is not only admissible but absolutely necessary, to be less abstract
at the start, to have constant regard to the applications, and to refer to the roliuements only gradually as the student becomes able to understand them.
Fei.ix Klein: the Kva-nston Colloquium, Lect. VI.
fS^SSS
issii