Geluk van de Liefde
tot
JEZUS EN MARIA. |
door |1
CAROLUS VAN DEN ABEELE, S. J. |
Naar hel Oud-Vlaamsch opnieuiv bewerkt
DOOK M
T. B. BRUIN, S. J. |
GULPEN, 1891.
Druk van M. Alberts Zonen, Uitgevers. | lllllllllllllilllllllilllll^
Vak 49
1 1
â
â
â¢-r â
5
,
X. 4.«
r'J r.% sn
Geluk van de Liefde
tot
JEZUS EN MARIA^
door
carolus van den abbele, s. j.
GULPEN, 1891.
Dki k van M. Alheuts amp; Zonen, Uitgevers.
Imprimatur.
P. MANNENS,
S. Theol. Docf. et Prof. I.ibrorum Censor.
Rurccmundce, 23 Aprilis 1891.
In het boekje, dat wij thans den godvruch-ticjen lezer aanbieden, hebben wij twee werkjes van Pater Van den Abeela bijeengevoegd. Daartoe hebben wij besloten , omdat zij elk op zichzelf ons wat gering van omvang voorkwamen , en omdat wij door ze afzonderlijk uit te geven hel aantal dier boekjes al te veel zouden vermenigvuldigen. Overigens sluiten de beide verhandelingen uitmuntend aan elkander aan. Zoo de liefde lot Jezus en de liefde tot Maria samen zetelen in het hart, brengen zij ontwijfelbaar vrede en voordeel aan. Wij hopen door dit werkje, (liet zesde dat wij uitgeven), eenigszins er toe bij te dragen om die tweevoudige liefde in de godvruchtige zielen op te wekken.
P. B. B.
EERSTE GEDEELTE.
Rust eu vreugde in de liefde tot Jezus.
I.
Christus oorzaak van onze ware rust.
i. Do II. Paulus noemt Christus onzen vrede (Eph. I. 14). Hij is onze vrede, zoowel omdat wij door de liefde lot Hem en door do hoop op Hem zoetelijk rusten zonder vrees voor een waar onheil, alswel omdat Hij onze bevrediger is bij den drievuldigen God. De zonde had vijandschap gebracht tusschen God en den mensch. Geen mensch, geen engel was in staat den vertoornden God te bevredigen. Daarom heeft de Zoon Gods zich gewaardigd mensch te worden, en «Hij, die eeuwig rust in het goddelijk Hart Zijns Vaders, is onze vrede geworden in het maagdelijk lichaam Zijner moeder.'» Ipse, qui erat in corde Putris, factus est pax nostra in utero matris. (Bern.) Door vrede te maken heeft Hij ons tegelijkertijd rust in God en op God bezorgd. Maar gelijk er zonder liefde geen vrede is , zoo is
GELUK V. I). LIEFDE. 1
6
er zonder liefde ook geen rust. Bij de geboorte van Christus zongen de engelen vrede voor de menschen. Doch niet vooralle menschen: slechts voor hen alleen, «die van goeden wille zijn.» «Het is dus in den goeden wil, zegt de H. Au-gustinus, dat onze vrede en rust te vinden is.» In bona voluntale pax nobis est. En die heilige leeraar kent geen wil, die goed genoeg is om vrede en rust in God te genieten, tenzij dien, waarin de heilige liefde is. Nulla pax sine charitate.
2. Onze God is een God van vrede en liefde. D«/s })acis et dilectionis (II Cor. XIII, 11); en Hij zou niet Goti van vrede zijn, ware Hij niet God van liefde. De vrede, dien de H. Drievuldigheid in zichzelve geniet, komt voort uit Hare liefde. «De drie Goddelijke Personen, zegt de H. Gregorius Nazianzenus, zijn niet minder één door eendracht en vrede dan door de eenheid van Hun wezen.» Trinilas Deus unus est, et esse credUur, non minus propter concordiarn , quam propter earndem es-sentiam. De H. Augustinus die waarheid erkennende voegt er bij, «dat de drie Goddelijke Personen ook één zijn door de liefde», «door de liefde, die, gelijk de H. Bernardus zegt, Hen in eendracht houdt en samenbindt dooi' den band' van vrede.» Gelijk nu de vrede
7
(Ier Goddelijke Personen zelf zijn oorsprong heeft in de liefde, waarmee Zij elkander beminnen, zoo bedenk, o mensch, dat ook gij geen vrede met God kunt hebben, indien gij Hem niet met volmaakte liefde bemint. Charitas Trinitatem in imitate quodammodo cohibet et colligat in vinculo pacis (Bern.).
3. De ziel heeft door de heilige liefde niet alleen vrede met God, maar ook rust op God en in God. Zij rust op God als op haar aller-besten vriend, die door Zijne almacht haar goed kan doen en van onheil kan bevrijden en zulks ook wil door Zijne liefde. Zij rust in God als in hot hoogste en beminnelijkste voorwerp harer liefde van welwillendheid. Zij rust in Hem en blijft in Hem als in 'utar aantrekkingspunt, zonder verder te gaan om tot bevrediging harer liefde grooter goed te zoeken; omdat Hij allo goed is en hot eenige goed, dat een minnend hart volkomen voldoet en tevreden stelt. Zij rnst ook in Zijn Goddelijk welbehagen en in Zijne eer en glorie als in het laatste einde en de laatste beweegreden van al hare begeerten, zorgen en werken. O hoe aangenaam is het in zulk ecne rust te leven! Quid homini dulcius quam vita paci-fica et quieta (Greg. Nyss.).
4. Maar is de rust, die door de liefde van
8
vricncUchap wordt voortgebracht, zoo zoet, zij is nog zoeter, ah zij tevens door de kinderlijke liefde bevestigd wordt. Door de kinderlijke liefde, meent de H. Bernardus, heeft Christus onze rust in God willen volmaken met ons deelachtig te maken aan de rust, die Hij in Zijn eeuwigen Vader geniet. De tweede Persoon der H. Drievuldigheid is, gelijk wij allen weten, de eeniggeboren Zoon van den eersten Persoon. Daarom nu heeft Hij eene bijzondere rust. Want, ofschoon alle Goddelijke Personen in elkander niet alleen zijn, maar ook, gelijk de H. Zeno, bisschop van Verona, schrijft, door de liefde in elkander rusten, zoo heeft nochtans do tweede Persoon eene rust, die Hem alleen eigen is. Hij alleen bemint als Zoon ; Hij alleen is en rust in den schoot des eersten als iil den schoot Zijns Vaders; Hij alleen rust daar met de liefde van Zoon. Welnu tot die rust van Zoon wil Hij ons brengen door de liefde. «Hij, de eenig-geborene, die is in den schoot Zijns Vaders , is geworden de eerstgeborene, en leidt ons in Zijne eigene rust door de vereeniging van wil, die uit de liefde voortkomt.» Unigenitus, qui est in sinu Putris, factus primogenitus, nos per voluntatum unionem , quam charilas lacit, in suam requiem introducit (Bern.).
«
5. Opdat wij in God en op God zouden kunnen rusten door de liefde van kinderen, heeft Christus onzen vrede met God zuo hecht gemaakt, «dat wij daardoor, gelijk de H. Petrus Chrvsologus zegt, niet alleen van vijanden vrienden, maar zelfs van slaven kinderen zijn geworden, kinderen niet van een enkelen Goddelijken Persoon, maar van de geheele H. Drievuldigheid.» O, wat een eer voor ons, verheven te zijn tot kinderen van God! Wat eene zoetheid, wat een geluk met de liefde van kinderen te rusten in den schoot van den drievuldigen God! Godminnende ziel! «/ie toe, zegt de H. Augustinus, dat gij niet valt uit dien vaderlijken schoot;» en wilt gij u daar wel vestigen, houd u dan door de liefde en de hoop vast aan Christus. Ook als mensch heeft Hij daar de eerste plaats. «Niemand, zoo heeft Hij zelf geopenbaard, komt tot den Vader, tenzij door Hem. Niemand wordt in den Goddelijken schoot opgenomen, tenzij door Hem. Niemand blijft standvastig in dien schoot, tenzij dooi' Hem. Niemand wordt als kind van God aangenomen en als zoodanig bemind, omhelsd en beschermd, tenzij door Hem en ook in Hem: want in Hem zijn wij kinderen Gods, in Hem zijn wij kostbaar, beminnenswaardig en welbehaaglijk bij de H. Drievul-
-10
diglieid. Zonder Hem zijn wij onnut.» In ipso existimus filii Dei; sine ipso in utiles sumus (Laurent. Just.). Zoo is het, o goedertieren Jezus. Vertrouw mij dus niet aan mij zeiven toe; maar houd mij vast aan U en in U. O, laat liever elk ander onheil over mij komen, clan dat ik valle uit den schoot van mijn bovenal beminden, drievuldigen God. Met U en in U wil ik rusten in dien schoot voor tijd en eeuwigheid; zonder U kan ik niet, zonder U ben ik niet. «Maak dan zelf, o zoete Heer, dat mijn vrede, mijne rust, mijne hoop, mijne liefde, mijn hart in U altijd gehecht en onwrikbaar geworteld zij.» Bone Jesu! in te firma, fixa et radieuta sit immobiliter pax mea, spes mea, amor metis el cor meum. (Laur. Just.)
6. Als wij dooi' de volmaakte liefde rust hebben in Christus, dan hebben wij ook rust in de geheele H. Drievuldigheid. Hij zelfheeft gezegd: «Die mij bemint, zal door Mijn Vader bemind worden, en Ik zal hem beminnen.» (Jac. XIV. 21.) Maar als de Vader en de Zoon u beminnen, dan bemint zeker de H. Geest ii ook. De geheele H. Drievuldigheid bemint u, de eeuwige liefde bemint U, de eeuwige goedertierenheid, almogendheid, mildheid, barm-liartigheid bemint u. Alle Goddelijke Personen
11
werken samen om u zoet en onverstoorbaar te doen rusten. De Vader sluit u teeder tus-schen Zijne armen; de Zoon drukt u minzaam aan Zijne gewonde zijde, aan Zijn Hart; de H. Geest bedekt u goedertieren met Zijne vleugelen; de gansche Godlieid omhelst u en streelt u hartelijk als eene moeder haar kind op haren schoot. Quomodo si cui mater blau-diatur, ita e.yo (Is. LXVI. 13.). O christen, roept de H. Augustinus u toe, gij, die op den schoot zijt van uw God , wat vreest gij nog? Zoo gij daar niet gerust zijt, waar zult gij dan rust vinden?» Quid times in simt Dei positus? Laat een ander zijne rust zoeken, waar hij wil, «ik voor mij kan niets denken, niets verzinnen, wat mij in leven en in dood aangenamer, zoeter, verblijdender is dan met de heilige liefde begiftigd te zijn en met een goed geweten, een zuiver hart, oprecht geloof en vertrouwen te rusten in den schoot van het opperste goed.» Quid suavius fingi potest, quam animum praeditum chwitate, comcien-tia bona, cor de puro, fide non fictn requies-cere in simt summi Boni (Bellarm.).
II-
Rust op de liefde van Jezus Christus.
1. Beangstigde ziel, wilt gij niet rusten op de liefde van uw Zaligmaker, den Godmensch, die zelf gerust heeft op de liefde eener maagd? Het was Hem in Zijne kindsheid zoo aangenaam en zoet te rusten op de welwillendheid Zijner minnende moeder. Hoewel toen reeds in het gebruik van verstand en rede, vertrouwde Hij zich toch geheel toe aan hare zorgen, en steunde gerust op hare moederlijke goedheid. Andere kinderen weenen dikwijls, omdat men hun niet op tijd voedsel geeft, of omdat hun iets anders ontbreekt.; maar het kindeke Jezus, zegt de H. Franciscus van Sales, gaf nooit door tranen of op andere wijze te kennen, dat Hem iets ontbrak. De kleine Jezus toch kende Zijne moeder: Hij wist, dat zij Hem te zeer beminde om Hem niet op tijd te laven en te spijzen met hare heilige en maagdelijke moedermelk. Hij wist, dat zij te verstandig en voorzichtig was om niet te weten, wat hij noodig had en wanneer zij het Hem moest geven. Somtijds weende Hij ; o ja. Maar Hij weende niet uit vrees of uit droefheid over eenig gebrek, dat Hij door
13
nalatigheid of zorgeloosheid van Zijne beminnelijke en beminnende moeder leed of kon lijden. Hij weende over de ellenden van het menschdom ; Hij weende over de zonden der menschen; Hij weende ook, naar ik meen, over uwe beklagenswaardige droefgeestigheid, vooral omdat Hij voorzag, dat zij gedeeltelijk zoo niet geheel zou voortkomen uit gebrek aan genoegzame rust op Zijne liefde tot u, alsof deze niet groot en krachtig genoeg voor u is om er gerust op te steunen. Het was Hem nochtans aangenaam en verblijdend te voorzien , dat gij Hem waarlijk bovenal zoudt beminnen en Hij derhalve uw hart eens zou bezitten; al zou het dan niet met volle vreugde zijn; «want Hij bewoont het allerliefst geruste harten, omdat Hij zelf vrede is en in den vrede en de rust zijne woonstede heeft.» Libenter inhabüat Imnquillitatein cordis, quonium pax est, et in pace locus ejus. (Bern.)
2. Gij , brave , maar onrustige ziel, gij, die uw minnenden Jezus zoo, dikwijls ontvangt in de H. Communie, hoort gij Hem niet somtijds klagen en u vriendelijk verwijten, dat gij van de liefde, waarmede Hij u bemint, een te geringen dunk hebt.' Vraagt Hij n niet somtijds , of hot u betamelijk voorkomt in Hem
u
minder rust te Jiebben dan Hij zelf' gehad lieeft in eene maagd.' Maar, hoor ik u zeggen, die maagd was Zijne moeder: en wat wonder, dat een kind rust op de liefde Zijner moedei', vooral eener zoo goedertierene, zoo zoethar-tige , zoo liefdevolle, zoo volmaakte moeder? Ziel, ik ben blij, dat gij dit aan mij alleen zegt. Zoo gij uwen Jezus, aldus antwoorddet, zou Hij u terstond tot uwe beschaming vragen, of Hij minder teerhartig, minder welwillend, minder liefdevol, minder volmaakt is dan Zijne moeder. Kwam zij al de Godheid nabij, zij was toch geen Godmensch. Hij zou u vragen, of Hij u minder blijken heeft gegeven van Zijne liefde tot u , dan Zijne moeder gegeven heeft van hare liefde tot Hem. Hij zou u vragen, of een kind Zijne moeder nader bestaat dan gij Hem. Hij is voor u immers meer dan moeder. Hij is uw vader, de nieuwe Adam. «Hij zelf noemt ons, als bewijs van de groote teederheid Zijner liefde. Zijne kinderen. Zijne zonen.» Ipse nos paterna amat ajfecht (Aug.). Filios appellat prae mentis teneritudine (Bern.). Hij is ook voor u , wat eene moeder is voor haar kind, Want gij zijt door Zijne genade in Zijn hart ontvangen; Hij spijzigt en laaft ii, niet met gewone spijs of drank, maar met Zijn heilig lichaam en dierbaar bloed. O
15
wat beweegredenen om welgemoed te rusten! Ik wil het hierbij laten, o ziel; ik wil geen verdere titels aanhalen van uwe maagschap met Christus: het zou u al te zeer beschamen. Alleen wil ik nog herhalen, wat de H. Ber-nardus u toeroept: «gij zijt ook de zuster en de bruid van Christus». Anima si justa es, cognosce le sponsam Filii Dei et sororem.
Is het u niet genoeg, dat uw Zaligmaker uw vader is, uw moeder, uw broeder en uw bruidegom om aldus op Zijne liefde te rusten; rust dan ten minste op Zijne liefde in zoover Hij uw vriend is. «Een getrouw vriend is eene krachtige bescherming,» gelijk de H. Geest getuigt (Eccli. VI. 14). Zoo gij Christus bemint bovenal , dan is Hij uw vriend en bemint Hij u als Zijn vriend. Wat hebt gij te vreezen onder de schutse van zulk een vriend? Hij is een getrouw vriend: Hij zal u niet verlaten , zoo gij Hem niet het eerst verlaat. Hij is uw grootste vriend ; Hij heeft u bemind, voordat gij Hem bemindet, en nu Hij door u als vriend bemind wordt, maakt Hij u erfgenaam van al wat Hij is en bezit. «Hij is een zoethartig vriend, en even sterk en machtig als goedgunstig en genadig,» Jesus amicus dulcis, super omnia fort is el poten* (Bern); op wien kunt gij dan zekerder rusten dan op
in
Hem? IJij is een milde vriend: van Hem een weldaad verzoeken is Hem een weldaad bewijzen; want Zijn genot is het den Zijnen wel te doen. Van wien hebt gij meer gunsten te verwachten dan van Hem? Hij is voor u meer bezorgd dan gij voor u zelf; Hij zoekt uw waarachtig geluk rneer dan gij zelf. «Want Hij is u meer genegen dan gij u zeiven.» Aan wien kunt gij u en al het uwe zoo voor tijd als eeuwigheid beter aanbevelen en veiliger toevertrouwen dan aan Hem ?» Numquid putas te magnum amicum tibi ? Magis amicus est tibi Jesus, quondam ipse magis diiigit te, quam tu te ipsum (Bern.).
4. Eene ongeruste ziel zal mij hier alles toegeven. Zij zal bekennen, dat deze bemerkingen zeer nuttig zijn voor de rust van die gelukkige zielen, welke zeker zijn, dat de Zaligmaker hen waarlijk bemint. «Och hoorde ik uit den mond van Jezus zelf, dat Hij mij bemint, dan zou ook ik zeker zijn , dat Hij mijn vriend is.» O utinam andirem ex ore Jesu : Ego diligo te (Bern.). Maar waarom zou Christus dat eerder aan u dan aan zijne andere minnaars door eene bijzondere openbaring moeten te kennen geven ? Voor alle anderen is het genoeg uit de gewone openbaring te weten, dat «Christus allen bemint, die Hem
i 7
beminnen» (Prov. VIII, 14), en dat diensvol-gens iedereen zoo zeker weet, dat hij door Christus bemind wordt, als hij zeker is, dat hij Christus bemint. Dat moet ook u genoeg zijn. Maar, zult gij zeggen, «niemand weet, of hij liefde ofiiaat waardig is.» Dat is zoo. Docli wilt gij daaruit besluiten, dat een schelm, een overspeler, een dief, een moordenaar niet weet, en tot zijn angst met genoegzame zekerheid weet, dat hij Gods haat en de eeuwige straf verdient? Dat kunnen wij ook zeggen van de liefde. Wist de H. Augnstinus het door eene bijzondere openbaring of door de zekerheid des geloofs, dat Jezus hem beminde? Immers neen. Toch rustte hij vast op zijn Jezus; omdat, gelijk hij zelf verklaart, het getuigenis van zijn geweten hem wel is waar geen volkomene zekerheid, maar toch het onwrikbaar vertrouwen schonk, dat hij Hem waarlijk beminde. De II. Bernardus zelf, ofschoon hij in een oogenblik van vurig verlangen gewenscht had uit den mond des Zaligmakers te hooren, dat Hij hem beminde, ontving van zijn geweten genoegzame zekerheid, dat hij Hem bovenal liefhad, en dat hij dus ook door Hem als vriend bemind werd. Daarom riep hij vol blijdschap tot Hem: «Goede Jezus, mijne ziel rust in de omhelzing
18
Uwer liefde en in den kus Uwer zoetheid.» Bone Jesu ! in amplexit charitatis tuae et in osculo dulceduiis tuae requiescit anima men.
5. «Minnaar van Cliristus! vraagt dezelfde leeraar, welk kwaad zal u kunnen deren, en welk goed u ontbreken, wanneer Hij, die alle kwaad kan afweren en alle goed kan schenken, u bemint.'» Welaan dan , o ziel, welaan dan, gij ware, maar al te ongeruste minnaar van Jezus, leg alle ongeregelde vrees en ongerustheid af. Doe toch uw goedwilligen en zoetliartigen Zaligmaker geen oneer en geen onrecht aan. Hij bemint u : wat wilt gij nog meer om uwe rust te verzekeren? Rust dan in Hem en op Hem zonder droefgeestigheid; rust in Hem met blijdschap door de liefde; rust op Hem met kloekmoedigheid en getroost dooi- de hoop ; rust tusschen Zijne vaderlijke armen als Zijn kind naar de genade; rust als Zijne beminde zuster in Zijne heilige wonden; rust als Zijne lieve bruid in Zijn minnend Hart. Amator Christi ! quid mali übi potent nocere, quid boni poterit deesce, si te diligit, qui omnia potest (Bern.).
III.
Vreugde in Jezus Christus.
1. Als de Apostel de vruchten van den H. Geest opnoemt, stelt hij de liefde vóór.de blijdschap. Fvuctus Spiritus est: charitas, gaudium (Gal. V. 22). De eerste plaats geeft hij aan de liefde; omdat zij de grootste deugd is en de oorsprong der blijdschap. De vreugde, die uit de zuivere en volmaakte liefde tot Christus voortvloeit, is niet alleen eene vrucht van den H. Geest, maar ook «eene uitvloeiing en mededeeling van de zaligheid en eeuwige vreugde, die de drie Goddelijke Personen dooide liefde uit elkander scheppen. Want, gelijk de engelachtige leeraar schrijft, elke Persoon verheugt zich, niet alleen omdat Hij oneindig goed, beminnelijk, gelukkig God is; maar ook omdat de twee andere Hem volkomen gelijk zijn in Godheid, goedheid, beminnelijkheid en glorie; en gelijk Hij Hen evenveel bemint als-Zijn eigen Persoon, zoo schept Hij ook even groote vreugde uit de twee andere Personen als uit den Zijne.» De geleerde en godvruchtige Dionysius Carthusianus meent, dat het woord van den H. Paulus aan de christenen van
20
Pliilippi: (.(Verblijdt u altijd in den lieert), moet verstaan worden, alsof hij zeide: «Verblijdt u altijd in den Heer, uw Zaligmaker; verblijdt u in Hem met Hem, omdat Hij zoo volmaakt, zoo beminnelijk, zoo verheerlijkt, zoo gelukkig Godmensch is». Inderdaad, wilde de Apostel de christenen tot voortdurende blijdschap in Christus, hun Heer, opwekken; kon hij dan heiliger, kostbaarder, gelukkiger blijdschap in hen wenschen dan die, welke uit de zuivere en volmaakte liefde voortkomt.' Gaudete in Domino semper, id eat, spiritua-liter congaudendo perfectioni et beatitudlni Redemptoris vestri.
2. De vreugde, die men schept uit iemands geluk, eer en glorie, is evenredig met de be-langelooze liefde, waarmede men hem bemint; en dan verheugt men zich moer in hem, naarmate hij gelukkiger is. Niemand nu is beminnelijker en gelukkiger dan uw Jezus, o ziel; en daar is ook niemand, dien gij meer bemint dan Hem , want gij bemint Hem bovenal. Dan zult gij ook in voortdurende vreugde en blijdschap leven. Dat kan niet anders; zoo gij ten minste de geestelijke vreugde niet verstoort door ongeschikte vrees of ongeregelde droefgeestigheid. Dewijl de engelen Christus meer beminnen dan zichzelf, zijn zij altijd
21
blijgeestig en hebben voortdurend meer vreugde in Christus dan in zichzelf, scheppen meer blijdschap in Zijne glorie dan uit hunne eigene zaligheid. En hoe groot zal de vreugde niet zijn van de H. Moeder Gods, de Koningin der engelen! Zelfs hier op aarde had niemand zoo zoete blijdschap in Jezus als zij. Was hare droefheid over het lijden van liaar allerliefste^ Zoon mateloos, grooter was hare vreugde niet alleen over Zijne verrijzenis, maar ook en wel voornamelijk over Zijne goddelijke en men-schelijke beminnelijkheid, over de zalige en voortdurende glorie Zijner heilige ziel. De grootheid barer liefde was de mate van de innigheid der blijdschap, waarvan haar hart werd overstroomd. Quanta diligehat ardentius, tanto (jaudehat inlonsius 'Rich, a Laur.).
3. Maar waarin bestaat eigenlijk die zoete blijdschap, welke de minnende zielen uit Christus en in Christus door de volmaakte liefde gevoelen? Vraag dat mij niet. zegt de H. Bernardus; «zal ik verklaren, wat niet te verklaren is? De zoetheid dier geestelijke vreugde is een verborgen manna, dat niet door geleerdheid, niet door wetenschap, maar door een verstandig, goed, gerust geweten begrepen en genoten wordt.» Volgens den H. Laurentius Justinianus is cal ie vreugde
GELUK V. D. LIEFDE. 2
in Jezus om Jezus de voorsmaak der liemolsche en eeuwige blij(lsclia|), eu het beginsel van liet zalig leven». Ja, zij is meer dan het beginsel, zegt de H. Augustinus. «zij is het zalig leven zelf». Ipsa est beat a vita gaudere. de le pro/der te.
4. Een leven zonder vreugde is geen rnen-schelijk leven. Want,- gelijk de 11. Geest zelf getuigt, «de vroolijkheid des harten is het leven van den mensch». Jucunditas cordis haec est vita hominis (Eccl. XXX. 2J). O mensch, gij misleidt u zeiven, zoo gij beweert de ware blijdschap des harten te zullen vinden buiten uw God, buiten uw Jezus, ot' buiten iets, wat tot God of Christus voert. De wereld met al hare goederen, het vleesch met al zijne wellusten kunnen het hart niet verheugen , maar alleen het oog, het oor, den smaak, de zinnen vermaken. Want hoe meer men ze bemint en zoekt, des te geweldiger verontrusten zij het hart. Christus daarentegen verblijdt en vei za ligt de harten. Wilt gij het ondervinden, bemin Hem; bemin Hem zuiver, bemin Hem vurig, bemin Hem verstandig zonder ongeregelde vrees ot' onnutte benauwdheid. «Zoo gij de ware opgeruimdheid zoekt buiten u , zegt de H. Augustinus, dan zoekt gij haar vergeefs, dan zoekt gij waar zij niet
te vinden is. De heiligen, die ons zijn voorgegaan, hebben haar gevonden noch in theaters, noch in paleizen, noch in landgoederen, noch in iets anders, wat buiten hen was, maar in zichzelve, in hun hart.» «Gij, o allerzoetste Jezus, Gij waart daarbinnen; Gij verwektet daar die zalige vreugde. Zij konden in dit ballingsoord waarlijk niets met meer genot beminnen, met meer zoetheid omhelzen, met meer geluk bezitten dan U, die het genot, de zoetheid, het geluk der hemelen is. O kom en bezit ook onverdeeld mijn hart, opdat het zich heilig verheuge en verblijde in U.» Dulcissime Jesu ! te nihil dulcius diligilur, nihil jucun-dius siriivjitur, nihil suavius possidelur. O reple cor meum, ut jucundetur in ta (Laur. Just.).
5. De kracht der geestelijke blijdschap is hier in dit tranendal gewoonlijk niet zoo groot, dat zij alle droefheid en zielesmart onderdrukt of verdrijft. Christus bemint Zijne minnaars te zeer om hen niet tot hunne meerdere verdienste en grootere glorie deelachtig te willen maken aan den bitteren kelk, dien Hij uit liefde tot hen gedronken heeft, liij laat hen lijden, zegt de H. Augu.stinus, maar «Uij verzoet de bitterheid van het lijden door den overvloed zijner zoetheden en geneugten.» nis
24
iemand uwer dan treurig en bedroefd? Dat Jezus in zijn hart kome, en Hij zal de droefheid verzoeten, Hij, die de zoetheid der harten is.» Tristatur aliquis vent rum , venial in cor Jesus, Jesm didcedo cordium (Bern.).
6. Maar Jezus is in elk hart, dat Hij door de liefde bezit, en Hij bezit door de liefde de harten van allen, die Hem waarlijk bovenal beminnen; en toch velen onder hen zijn droefgeestig en blijven voortdurend weemoedig en door zwaarmoedigheid neergedrukt. Tot het verdrijven of verminderen eener treurige gemoedsstemming is het dus niet genoeg, dat Jezus het hart bezit en er in vertoeft; maar men moet ook met Hem daar tegenwoordig zijn ; men moet alle liefdebanden, waarmede Hij aan ons en wij aan Horn verbonden zijn, beschouwen; men moet met aandacht diep doordringen in Zijne liefde tot ons, in Zijne beminnelijkheid, in Zijne zoetheid, in Zijn geluk en Zijne blijdschap, en wel overwegen, wat een eer, wat een geluk, wat een troost het is door zulk een Jezus bemind te zijn. Eurje, intra in gaudium Domini tui, et laeti-fica cor tunm in affluentia deliciarum ejus (Aug.). Ik weet wel, dat het niet in ieders macht en vrijheid staat de droefgeestigheid geheel en al te verdrijven; vooral wanneer zij
25
uit onzen natuurlijken aard voortkomt. Maar al kan men haar niet vernietigen , men moet haar evenwel bestrijden en trachten te verminderen, zooveel als met de genade mogelijk is; want zij is nadeelig voor elk hart, vooral voor een christenhart. Tristitiam Jongt: ex-pelle, nocet cordi.
7. Zijn dan alle bedrukte zielen zonder opwekking van geestelijke zoetheid, zonder bli jdschap, zonder geluk? O neen. Want velen onder hen zijn edelmoedige en uitgelezene minnaars van Christus, en voor dezulken is het zoet en aangenaam hun Zaligmaker te beminnen en door Hem bemind te worden, ook al zuchten zij onder droefgeestigheid en andere ellenden. Zij verheugen zich in hun lijden ; omdat zij door geduldige liefde meer gelijkvormig en behaaglijk zijn aan Hem, dien zij bovenal beminnen. Superahundo tjaudio in omni tribulations. Zij verblijden zich in Zijne blijdschap, in Zijne eer, in Zijne zaligheid. Eene ziel van zulk een heldhaftigen aard vindt vreugde en troost in alle ellenden. «Ik ben voortdurend in druk en lijden , zegt zij tot zichzelve, maar mijn Jezus, die mij veel nader bestaat dan ik mij zelve, is voortdurend in alle vreugde en blijdschap. Ik ben in vollen tegenspoed en verdriet; maar mijn Jezus
tiö
M-ieiis welzijn mij kostbaarder on wetischeiijkcr is dan liet mijne, is in volle geluk en in eeuwige glorie. Ik ben benijd, gebaat, versmaad, vervolgd, gekweld van alle zijden; maar mijn Jezus, dien ik oneindig liooger aclit en duizenden duizendmaal meer bemin dan mij zelve, wordt door al wat waarlijk groot, al wat eerbied cn acbting waardig is, eeuwig geacbt, bemind, geëerd en gezegend. Tegenover één reden tot droefheid, die ik in mij zelve ontwaar, vind ik in mijn Jezus ontelbare titels en beweegredenen, die mij opwekken tot vreugde en blijdschap. Want ik acht al Zijn goed, al Zijn vreugde, al Zijn geluk even hoog als het mijne, ja meer dan het mijne, omdat het het Zijne is». Allerzaligste Zaligmaker! Zoo het U behaagt, dat dezelfde kwellingen en ellenden alle mij bijblijven om mij te oefenen in geduldige liefde en in volle overgeving van mijn wil aan den Uwe ; dat zij dan blijven en mij bedroeven. «Nochtans wil ik steunend op Uwe genade mij voortaan in U verheugen en verblijden ; en die blijdschap zal allen vervullen, die U wel kennen en het Uwe meer zoeken dan het hunne.» Laetabor utiqne in te, o beatissime Jasu! et mecum pariter laetabuntur (piotquol noverunt te (Laur. Just.).
8. Gelukkig de cliristenen, die in do wederwaardigheden des levens en in de benauwdheden des doods zicli aldus verblijden in hun bovenal beminden Christus! Want hunne blijdschap is niet alleen oen duidelijk kentee-ken van zeer edele en zeer volmaakte liefde, maar volgens den H. Chrvsostoinus ook een troostrijk voorteeken van de eeuwige vreugde en zaligheid. Justorum laelilia vera eat ani-mae recrealio et sempiternae j'ruitionis prae-sagiuni.
IV.
Droefgeestigheid misstaat den Christen.
1. Niets verbaasde den H. Thomas van Aquincn zoozeer als een christen, die lacht, terwijl zijn geweten hem zegt, dat hij in staat van doodzonde is. Het is inderdaad zeer verbazend ! Maar het wekt niet minder verwondering op, als gij, goede christen, treurig en droefgeestig zijt, gij, die nit uw geweten of uit de herhaalde verzekering van uw biechtvader, aan wien uw geestelijk, inwendig leven geheel en al bekend is, genoegzaam weet, dat gij uw Jezus getrouw dient en oprecht en standvastig bovenal bemint, zonder eenige waarschijnlijkheid van in doodzonde te zijn. Wat reden hebt gij om te twijfelen, of gij in staat van genade zijt? En indien gij zoo gelukkig zijt, waarom dan die droefgeestigheid? Laat dat over aan de zondaars, aan de vijanden van Christus. Laat hen treuren , wier erfdeel de hel is. Maar gij, getrouwe minnaar uws Zaligmakers, gij moet blij van harte zijn en opgeruimd van gelaat. Droefgeestigheid misstaat u; «want gij zijt kind van God, gij zijt broeder van Christus, erfgenaam van God, medeerfgenaam van Chris-
'29
tus.» Filius Dei es, frater Christi, haeres Dei, cohaeres aulem Christi (Bern.). Begin dan hier reeds u voor te bereiden tot liet bezit van uw eeuwig erfdeel. In den hemel immers ziet men geen droefgeestigheid ? Allen, die daar wonen, zijn blijmoedig, ((zijn als dronken door den geweldigen stroom van blijdschap, waarmede zij worden overgoten en gedrenkt. Indien gij daar verscheent met uw gewone gelaat, met droefheid in het oog en rimpels op het voorhoofd , dan zou iedereen zich verwonderen, en, om het eens eenvoudig uit te drukken, het ware misschien te vreezen, dat de onnoozele en zalige kinderkens uit schrik voor uw gezicht u zouden ontvluchten. Daarom verfoeide de H. Philippns Neri de droefgeestigheid. «Weg van mij, riep hij, weg van mij zwarte droefgeestigheid! daar is voor u geen plaats ondermijn dak.» Apage, apage melancolia! na diuersorium tibi promiseris sub tecto meo.
2. De droefgeestigheid is niet alleen nutteloos voor den hemel; maar ook op aarde strijdt zij met de rust van elke heilige communiteit en van elk christelijk huisgezin; omdat zij doorgaans korzelig is, bitter, stunrsch, pruttelig, en de aangename vroolijkheid van anderen vergalt. Voor niemand echter is zij
30
nadeeliger dan voor den droefgoestigo zelf'. Want behalve hot naileel, dat zij hot lichaam aandoet, bezwaart zij de ziel en veroorzaakt gewoonlijk traagheid, dorheid en verdriet in het geestelijk leven, en verhindert zij den vrijen loop te geven aan de heilige liefde tot Christus en aan het vertronwen op Zijne oneindige goedheid en genade. Zij verwart zoodanig het verstand en maakt het zoo duister, dat lt;le ziel bijna blind wordt en bijna nooit haar Zaligmaker ziet gelijk Hij waarlijk is. Zij beschouwt Hem als hard en streng, en bijna zoo gerimpeld, zoo stunrsch, zoo onvriendelijk als zij zelve is. Zj stelt zich Hein in de gedachte voor zoo leelijk, dat, als de H. Maagd Hom met zulk oen voorkomen zag, zij zeker hare oogen zou afwenden en zeggen, dat haar Jezus niet zoo is, gelijk Hij daar wordt voorgesteld. Hoe goed en zachtmoedig de Goddelijke moeder ook is, zij zou toch de droefgeestige ziel beriepen over het onrecht, dat deze haren Zoon aandoet dooier zulk oen wanstaltig beeld van te scheppen. Voor wien houdt gij dan mijn Jezus? zou zij vragen; «aan wien maakt gij Hem gelijk?» Cui ergo similem fucilis? Meent gij, dat Hij u gelijkt? Mijn Jezus is niet hard, streng of stuursch, maar zacht en goed van hart, aan-
31
â¢genaarn en vriendelijk van gelaat, geheel be^ minnelijk. Nee us per, nee durus est mem Jesus; sed spiritu suavis, et bland us aspectu, totiis delectabilis (Bern.).
3. Droefgeestige ziel I Christus heeft niet minder reden als Zijne lieve moeder om zich over u te beklagen. Want is het voor een rechtschapen huisvader niet verdrietig zijne huisvrouw, zijn kind, zijne zuster of zijn vriend in zijn huisgezin bijna altoos weemoedig, treurig en zuchtend te zien? Te meer bedroeft hem dit, als hij zelf daartoe geen reden geeft, maar integendeel iedereen in alles vriendelijk tracht genoegen te doen, en dan toch bemerkt, -dat de droevige stemming geheel of gedeeltelijk voortkomt uit vrees voor hem, alsof zijne liefde en goedheid voor hen niet groot en standvastig genoeg was. Nu laat ik 'u denken, o ziel, of uw Zaligmaker, ware Hij nog lijdelijk, ook verdriet zou hebben van uwe hardnekkige droefgeestigheid. En al gevoelt Hij nu geen smart, gij, voor zooveel van u afhangt, geeft er toch reden toe. Mij dunkt, ik hoor Hem bijna dezelfde woorden tot u richten, waarmee de H. Kerk Hem klagende tegen de Joden voorstelt: «Mijne zuster. Mijne vriendin, Mijne bruid, wat kwaad heb Ik u gedaan? Waarmee heb Ik u bedroefd? Wat heb Ik
32
niet gedaan om u geheel en al te bevredigen? Wat lieb Ik nagelaten, om uw volle vertrouwen te -verdienen en om u te doen verblijden in Mij en in Mijne liefde? Antwoord Mij. Responde mild. Gij zucht en klaagt, dat gij in Mijn dienst geen zoetheid, geen vermaak gevoelt en niets anders proeft dan bitterheid. Maar niet Mijn dienst, doch uwe droefgeestigheid maakt u alies bitter. Zij houdt de genotrijke invloeiing der zoetheid tegen, die aan Mijn dienst en Mijne liefde eigen is. Verwijder de oorzaak der bitterheid, en ook gij zult evenals Mijne andere vrienden zoetheid smaken. Hoe zal de honig vloeien in een vat, dat vol azijn is?» Si aceto plenus es, ubi mei ponen 9 (Aug.)
4. Ziel, wilt gij , dat Christus geheel zoet zij voor uw hart, dan moet gij Hem zoo beschouwen, dat Hij eerst geheel zoet wordt voor uw verstand. Ik weet wel, dat uw geloof u Hem voorhoudt als zoet en beminnelijk bovenal en dat gij Hem bovenal bemint. Maar het komt u voor, dat Hij, hoe lieflijk ook, toch meer vreeselijk is dan beminnelijk en aantrekkelijk. Wel beschouwt gij Hem niet met de oogen des geloofs als vreeselijk, want als zoodanig heeft Hij zich niet geopenbaard, maar uw verward verstand, uw treurige geest
33
stolt ii Hem zoo voor. Daaruit komt voort die ongeregelde angst en vreees, waarmede gij bijna altijd in Zijne tegenwoordigheid bezield zijt. Gij gaat mot Jezus gewoonlijk niet om als eon kind met zijn vader, als eene zuster met haar broeder, als eene vriendin met haar vriend, als eene bruid met haar bruidegom, maar als eene slavin met een strengen heer; en hoe strenger Hij u toeschijnt, des te meer neemt uw vrees en benauwdheid toe. Is onze Jezus dan zoo hardvochtig, dat Hij zelfs door Zijne lieve vrienden gaarne als door slaven gevreesd en geducht wordt? Neen, zoo is onze goedertierene en goedhartige Zaligmaker niet. Onze Jezus is geen dwingeland, maar als God is Hij genadig en als mensch goedhartig. «Zijne gedachten zijn gedachten van vrede en niet van gedruktheid. Het is wel treurig, dat er zoovelen die waarheid niet begrijpen.» Jesus noster cogilat cogitationes pacis et non afjlic-tionis, sed non omnes capiunt verhum hoe. (Bern.)
5. Droefgeestige ziel, ziet gij nu niet in, dat uw slaafsche geest én Christus én het christendom oneer aandoet. Laat de Joden slaver, zijn; maar gij, christen, gij, die Christus waarlijk bemint, beschouw u niet als slaaf, maar als vriend: dien Hem niet in deu
geest van slaafscliheid met vrees en angst, maar in den geest van vriendschap met volmaakte liefde en onwrikbaar vertrouwen. Hij zelf vraagt dat van u. Vos amici mei estis.. non clicam vos servos (Joan. XV, 14.). Xeque enim accepistis spiritum servitutis in timore. (Rom. VIII, 15.)
quot;V.
Loffelijke soort van droaf^esstigen.
1. Ik sprak boven alleen tot die droefgeestige zielen, wier droefgeestigheid voortkomt uit ongeregelde vrees en angst; omdat zij namelijk liun oog niet genoeg vestigen op de goedheid, minzaamheid, liefde en barmhartigheid van hun Zaligmaker. Maar daar bestaat eene andere soort van droefgeestigen, waarvan ik in het derde artikel gesproken heb. Dezen treft geen verwijt; omdat hunne droefgeestigheid niet voortkomt uit gebrek aan behoorlijke kennis van hun bovenal beminden Jezus, noch uit gebrek aan genoegzaam vertrouwen op Zijne goedheid en liefde, maar alleen uit hun natuurlijken aanleg. Zij ondergaan de droefgeestigheid met geduld als een kruis; zij bestrijden haar met moed als een beletsel dei-christelijke volmaaktheid; zij beschouwen haar als eene vijandin; omdat zij er naar streeft de vurigheid en innigheid van de liefde tot Christus en van het zoete vertrouwen op Zijne genade en goedheid weg te nemen. Al kunnen zij haar niet geheel en al verdrijven, zij onderdrukken haar toch zoo veel als door de
36
genade in luinne maclit is. Al wat droefheid baart, trachten zij uit hun geest te bannen. Zij lezen en overwegen alleen datgene, wat tot troostrijk betrouwen, vurige liefde en geestelijke blijdschap opwekt, hierin nochtans altijd den raad volgend van hun geestelijken leidsman. Droefgeestig van aard als zij zijn, onderwerpen zij zich ootmoedig en gaarne aan don wil van den goeden God, die hen gevormd heeft en droefgeestigheid in hen heeft willen toelaten om hen grooter geduld en heldhaftige liefde te doen beoefenen. Wanneer de Zaligmaker zelf zich aan zulk eene ziel openbaarde en vroeg, of zij blijgeestig van aard wilde worden , dan zou zij edelmoedig antwoorden , dat zij in alles zoo wil zijn gelijk Hij wil. Lieve Jezus, is het U welgevallige!', dat ik van natuur droefgeestig blijve, laat mij dan gelijk ik ben. Mijn innigste wensch, mijn hoogste vreugde is U in alles te behagen. Uw vermaak is mijn vermaak, Uw welbehagen is het einde van al mijne begeerten. Welaan, o ziel, blijf droefgeestig van aard; daar is niets aan gelegen. Hebt gij geen vreugde uit de natuur, gij schept onvergelijkelijk veel edeler en begeerlijker genot uit de genade. W ant de blijdschap in het welbehagen van God en van den Zaligmaker is de hoogste, de eigenlijke
37
blijdschap fier rechtvaardigen. Maxima justo-rum lactilia est beneplacitum Dei (Bern.).
2. De verstandige ziel versterkt zich door de troostende gedachte, dat haar beminde Zaligmaker in het oordeel niet zal onderzoeken, hoe zij van natuur is geweest, maar hoe naar de genade ; hoe zij Hem heeft gediend, hoe bemind, hoe geëerd, hoe gehoorzaamd. Wel is waar zij, die van nature droefgeestig zijn, gevoelen in den regel minder zoetheid in het geestelijk leven; maar het is voor eene minnende ziel' zoet genoeg, te ge-looven, dat haar Beminde een ieder zal loonen naar zijne verdiensten. Leven de blijgeestigen hier opgeruimder en aangenamer, de droef-geestigen, die ik hier bedoel, leven verdienstelijker ; want zij dienen Jezus en beminnen
i Hem met de volmaaktste liefde, die geen zoetheid en balsem zoekt, maar Jezus alleen. No-
f hilis est cnnor Jesu, solum quaarit Jesum
s (Bern.).
9 3. Droofgeestigen van natuur zijn gewoon-
s lijk, hoe heilig zij ook leven, onderworpen aan
e plotselinge ongerustheden over hun gedrag,
r Geheel hun voorgaand leven schijnt hun som-
e tijds toe niets anders te zijn dan eene aan-
n eenschakcling van doodzonden, en al het goede,
;e wat zij hebben verricht, niets dan kwaad ;
GELUK V. D. LIEFDE. 3
38
uitwendig deugdzaam, inwendig godi!eloos door voortdurende schijnlieiligheid en voortdurende toestemming in allerlei boosheid. O wat een angst, wat een schrik! Nochtans juist in zulke benauwende oogenblikken weet de verstandige cn minnende ziel haar Jezus liet meest te behagen en te verblijden door de kloekheid barer zuivere liefde, die in haar sterker en ceweldisrer is dan al!e vrees en benauwdheid.
O O
Ai blijft die kwelling eenigen tijd duren, zij beschouwt ze als bedrog en verdraagt ze geduldig. Het meest is zij beducht, dat door hare schuld de benauwdheid en tie kwelling meer kracht zou verkrijgen op haar hart dan de heilige liefde. Daarom wendt zij zich terstond tot haai' Zaligmaker en zegt Hem liefdevol en ootmoedig : «Allerzoethartigste der minnaars ! De bekoring wil mij doen gelooven , dat ik alle kwaad gedaan heb en alle straf verdien. Is het waar, wat zij mij voorhoudt, doe dan met mij naar Uw welgevallen. Ik troost mij dan hiermee, dat Gij te gaarne bemind zijt, om mij te willen straffen met de berooving van mijne liefde tot U. En behoud ik Uwe liefde, dan behoud ik mijn geluk. Waarlijk aan al het overige is mij niet zoo veel gelegen. Doe dan met mij naar Uw grooter welbehagen. Vraag niet, wat het wensche-
;]0
lijkste is voor mijn belang of voor mijne gerustheid, maar wat U liet aangenaamste is en liet meest bevorderlijk voor Uwe eer en glorie, die ik veel hooger acht dan mijn eigen geluk en mijne eigene rust. Ondersteun mij slechts met Uwe genade, en doe met mij wat Gij wilt. Het zal mij altijd wel zijn, zoo Gij slechts, o lieve Jezus, mijn Al, in den tijd en in de eeuwigheid wordet bemind , geëerd, gediend , geloofd en gezegend.» Domino Jesu ! fac ch; me quid quid vis : tu modo in aeternum permane benediclus (Bern.). Houd op, o ziel I uw Jezus is te teeder van harte. Gij hebt de tranen in de oogen door het geweld der zuivere liefde, waarmee gij Hem aanspreekt: houd op ! «Want gij zult ook Hein doen schreien en meer schreien dan gij; omdat Hij zuiverder en volmaakter bemint dan gij.» Ipse libi collacrymabitur Jesus, el pluslacnj-mahitur, quia plus diiigit (Gilleb.).
quot;VI.
Jezus onze rust in leven en dood.
i. God gave, dat allen, die Christus bovenal en standvastig beminnen, innig bewust waren, hoe goed, hoe vriendelijk, hoe goedertieren. zachtmoedig, teerhartig en genadig Hij is; zij zouden allen opgeruimd leven en in rust en blijmoedigheid sterven. Zij hebben van Hem en Zijne goedheid wel is waar voldoende kennis voor de eeuwige rust in den hemel; maar is zij ook voldoende tot een standvastige rust in dit ballingsoord, voldoende tot een onbeperkt vertrouwen op Hem , voldoende om alle belemmerende en onsrereeelde
O O
vrees voor dood, oordeel, straf kloekmoedig te verdrijven of verstandig te matigen? O hoe gering is het getal dier zielen, «die zoo gerust en blijmoedig zijn, dat zij, dagelijks hun lieven Jezus als van verre langzaam ziende naderen, door de kracht van de heilige liefde en van een onbeducht vertrouwen gedreven en als voortgejaagd worden om Hem blijde te gemoet te gaan en met open armen zijnen omhelzingen in te vliegen!» Pii: Sal-vator, dulcissime Jesu! omnino propter tuarn
41
mansveludinem, dulcedinem al charilatem, quae de te praedicatur et legihtr, intrepidae spei virtute currimus ad te (Laur. Jnst.).
2. Maar, zegt de vreesachtige ziel, waarom wilt gij zoo haastig tot Christus loopen.' De dood is immers het einde van dien loop en op den dood volgt hot oordeel. Het is dus tot uw rechter, dat gij zoo haastig loopt. Ja, antwoordt de H. Laurentius Justinianus , het is tot onzen rechter, dat wij zoo haastig loopen, en wij loopen met onbevreesd vertrouwen en met zoete vreugde tot llem; omdat die rechter onze zoete Jezus is. Wij loopen om spoedig bij Hem te zijn en Hem in alle eeuwigheid met de volmaaktste liefde te omhelzen. Gij , vreesachtige ziel, zoudt gij zelf niet tot Jezus loopen, zoo Hij nog ergens zichtbaar ware in de gedaante van een klein kind? Zeer zeker, en gij zoudt wenschen zoo spoedig mogelijk bij Hem te zijn, om Hem te zien en te omhelzen. Waarom dan thans niet, nu Hij in de glorie is? Jezus als mensch in den hemel is niet minder liellijk, zoet en vriendelijk dan Jezus als kind in de kribbe of op den schoot Zijner heilige moeder. Ja het betaamt u ijveriger en blijder tot Hem te gaan dan de herders tot Hem gingen om Hem te zien in den stal van Bethlehem. Want toen
42
was IIij voor lion nog niet gewond noch gestorven ; zij iiadilen nog niet gehoord van Zijne wondervolle liefde voor de rnenschen; zij waren nog niet uitgenoodigd om Hem te omhelzen en te genieten, maar alleen om Hem in doeken gewikkeld te zien en Hem als hun Zaligmaker te erkennen. Nochtans zij kwamen tot Hem mot spoed. Venerunt feslinanles. Gij echter weet, wat Hij te uwer liefde gedaan en geleden heeft; gij weet, dat Hij voor u den hemel heeft geopend; gij weet, dat Hij u daar verlangt te omhelzen en deelachtig te maken aan Zijne glorie; en zoudt gij niet gaarne u spoeden om zoo dra mogelijk bij Hem te zijn. Hem te aanschouwen en te omhelzen.' Ecce tuus dulcissimus Je sus , pro te vulneralus, jam [actus gloriosus la cnpit am-plecti, ft U( ad ijisum negligii festinare? (Laur. Just.).
3. Een souvereine vorst moge rechter zijn van zijn eigen kinderen ; deze zijn daar zeer gerust op. Zelfs zijn zij blijde, dat zij geen anderen rechter hebben dan hun vader; en dat te meer naarmate zij grooter en teederder blijken van liefde van hem hebben ontvangen. Christus, onze koning en rechter, is onze vader. Wij zijn ten volle verzekerd van Zijne liefde, van Zijne teorliarligheid en genade. Nu
4;i
mogen anderen, wien Zijn goctl liait minder bekend is, selirikken tot Hem te gaan, «ik voor mij, zegt de minnende en verstandige ziel, ik kan niet vreezen voor Zijn aangezicht te verschijnen; omdat ik weet, hoezeer Hij mij steeds bemind heeft.» Non possum vereri vul-tuin cujus sensi (X ff eet um (Bern.). Zoo is liet, o ziel. Uw reciiter moet niet verschrikkelijk voor u zijn; want «Uij is gunstig gestemd jegens allen, die van goeden wil zijn; Hij wenscht n niets dan goed te doen. Meer dan gij zelf is Hij bezorgd voor u. Hij is er geheel op bedacht om u te beloonen en te kronen; Hij ziet overal naar middelen uit om u van alle straf te verlossen en aan alle wraak te onttrekken.» Jesus in hoc est totus, ut te coronet, undique occasiones requirens, per tjuas te possit libera re sujiplicio (Chrysost.). Het kan ook niet anders. Want behalve dat HU uw vader is , is Hij ook uw Zaligmaker, uw vriend , uw bruidegom , uw voorspreker. Als Vader roept Hij u tot zijn schoot om u daarin te doen rusten. Als Zaligmaker toont Hij u Zijne gewonde zijde tot bewijs van de groote liefde, waarmede Hij u bemint. Als Vriend opent Hij u Zijne armen om u in Zijne omhelzingen te bewaren en tegen alle kwaad te beveiligen. Als Bruidegom noodigt Hij u
44
uit om tot Hem te komen en van Hem den kus te ontvangen van liefde, verzoening en kwijtschelding. Als Voorspreker bidt Hij voor ii, en gelijk de H. Augustinus doet opmerken, «Hij bidt voor u als priester en Hij neemt zelf het gebed aan als God. Hij vraagt als mensch en verhoort als God.» Orat ut pontifex, oratur ut Deus. Rocjat ut homo, exaudit ut Deus. Allerliefste Jezus! Wat een blijdschap voor mij, dat Gij mijn Rechter zijt! Quis non laetetur, futurum judicem suiim sciens esse Intercessor em, Pair em, Amicum, Sponsum, qui sinum suum expcDisum tenet, externa, brachia, aper-tum latus, coelum reuera turn ad suscipiendum (Laur. Just.).
4. Angstige ziel, zou de Zaligmaker voor u niet zijn wat Hij was voor de HH. Vaders/ «Ik vind mijn Heer Jezus Christus, zoodikwijls Ik Hem zoek, zeidc de 11. Petrus Da-mianus. Waar ik Hem ook ontmoet, altijd toont Hij mij een opgeruimd en vriendelijk gelaat. Of ik Hem zie liggen in de kribbe, of staan aan de rechterhand des Vaders, of zitten op Zijn rechterstoel, overal zie ik Hem blij van aangezicht, overal goed en teerhartig, overal lieflijk, overal zoet door de menigvuldigheid Zijner zoetheden.» Vidtum laetum ubique oslendit mild Jesus, idnque laetus,
uhique bonus, ubiqne pius, xdtique dulcis cum magna multitudine dulcedinis suae. Zoo was ook de Zaligmaker voor den H. Bernardus. «Ch.-istus, zeide hij, zal eenmaal op mijne deur kloppen om mij te halen. Dan zal ik met ijver roepen: treed binnen; kom gelijk Gij waarlijk zijt; kom vreedzaam; kom gelijk Gij voortkomt uit Uw Vader; kom blij en bemoedigend ; kom minzaam , zachtmoedig, zacht schitterend en lieftallig.» â Maar Bernardus , moet Jezus dan als rechter buiten blijven? â O neen. Dat Hij biniienkome geheel gelijk Hij is. Al is Hij mijn rechter. Hij is ook mijn vriend, mijn broeder, de bruidegom mijner ziel. Het hart en het aanschijn van mijn rechter is ook het hart en het aanschijn van mijn vriend, mijn broeder en bruidegom. De vriend en broeder bemint mij en wil mij van alle onheil bevri jden; de bruidegom is voor mij altijd vriendelijk en zoet van hart en aangezicht; en zou de rechter mij haten en mij met barsch gelaat en vreeselijke oogen komen halen ? Kom, o goede Jezus, kom, haal mij of roep mij tot U. Bewaar mij slechts door Uwe genade standvastig in mijne liefde tot U en in mijn vertrouwen op U, en ik zal U gerust afwachten. Gij zijt zoo goed geweest mij door Uwe eerste komst te zoeken.
40
en goesels, doornen, n igelen en kruis te onderstaan oia mij te vinden. En tocli toen beminde ik U niet. Zon ik dan hij Uwe tweede komst verschrikken, «ik die nu door U gevonden hen, die U nu hemin en daarom door U meer verdien bemind te worden dan Gij mij hemind heht, voordat ik U beminde?» Bone Jesn ! amasli non amantes; nunc autem amati amamus, amanles amplius meremur amari.
5. Ziel. hoe vreesachtig gij ook zijt, het is toch waar, dat gij uw Zaligmaker bovenal bemint, Hem dient volgens uw staat, en oprecht uw best doet Hem in alles te behagen. Al is uw geweten door ongeregelde vrees of door andere oorzaken zoo verward en zoo blind, dat gij die troostrijke waarheid niet inziet, gij kent haar toch genoegzaam door uw biechtvader, die in de vierschaar van boetvaardigheid de plaats van Christus bekleedt, en wiens oordeel zoo in leven als in doo 1 de regel van uw christelijk gedrag moet zijn, zoo gij u zelf niet kunt besturen. Hebt gij dan op een of andere wijze redelijken grond verkregen om, ondanks al uwe dagelijksche zwakheden, te vertrouwen, dat gij den Zaligmaker waarlijk bemint en uw best doet om met Zijne genade H ;m in alles te behagen; dan hebt gij ook alle reden om te vertrouwen,
47
lt;lat Hij u werlerkeerig bemint on gij derhalve Zijne vriendin zijt. Dan vraag ik u nog eens: «Vriendin van Jezus, wat hebt gij van Jezus te vreezen.' Alle liefde, waarmee de beste ouders linnne kinderen beminnen, alle vriendschap , waarmee de grootste vrienden aan elkander gehucht zijn, is niets in vergelijking met de liefde en de vriendschap van Christus tot allen, die Hein dienen en Mem bovenal beminnen. Zijne vriendelijke goedwilligheid tot den beminnenden mensch is zoo groot en zoo innig, dat zij door ons niet volkomen kan gekend worden tenzij na den dood.» kjus ad liomine)n amicilia minima perfeeti; cognosci potest nisi post mortem. (Laur. Just.)
(i. De lieve Zaligmaker geeft ons hier op aarde niet zulk een groot licht als de heiligen in den hemel hebben om Zijne goedheid en liefde tot de Zijnen te kennen. Indien Zijne minnaars hier zulk eene volmaakte kennis daarvan hadden als de gelukzaligen, dan zouden zij Hem zeker hier niet lang kunnen dienen; want zij zouden aanstonds sterven door het geweld van matelooze vreugde en blijdschap. En zoo er al eenigen waren, die aan dat zoet geweld een zekeren tijd weerstand konden bieden, deze zouden toch allengs verteren door hot innige verlangen om ontbonden
-48
te worden en (ot hun minnenden Jezus te vliegen. Heu mild! quia incolatus meus prolongatus est (Ps. 119.). Nu wij hier zulk eene volmaakte kennis van de vriendelijkheid en goedwilligheid van onzen Zaligmaker niet kunnen verkrijgen, moeten wij ten minste trachten haar zoo goed te kennen als met de genade mogelijk is, om ons daardoor krachtig op te wekken en te bemoedigen tot geruste en blijde verwachting van zijne aanstaande komst. On-beschrijfelijk aangenaam en welgevallig is het liem, door Zijne vrienden in rust en vreugde te worden afgewacht. Hoe vaster en opgeruimder zij op Hem vertrouwen, des te vriendelijker en hartelijker komt Hij hun tegemoet. Zoo was de H. Ambrosius op zijn uiterste zeer gerust en blij van geest en van aangezicht; omdat hij het hart van Jezus kende en, gelijk hij daar zelf bekende, een vast en zoet vei trouwen had op Zijne liefde en goedheid. Maar «hij had dan ook het geluk denzelfden Jezus, op wien hij zoo blijmoedig vertrouwde, kort daarna tot zich te zien komen met een vriendelijk en lachend gelaat als om te toonen, wat zoet vermaak het Hem schonk, dat Zijn minnaar in zulk eene gerustheid en vreugde stierf.» Vidit Domimnn Jesinn adunnisse ad se, arridentem sibi. (Panlinus.)
7. Geen wonder, zegt hier lt;le mistroostige ziel, dat de H. Ambrosius den dood blijmoedig zag naderen. Dat was een heilige; maar ik, ik ben beladen met zonden en ontbloot van verdiensten. Ziel, zegt de IJ. Bernardus, zoo gij beladen zijt met zonden, werp dien last van u at'; ga tot Jezus; Hij zelf roept u: «Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt.» Meerit gij, dat de II. Ambrosius zonder zonde leefde? Dan vergist gij u. IJ ij was evenals gij oen kind van Adam. Maar , gelijk de H. Augustinus van hem verhaalt, zoo hij al in dagelijksche fouten verviel, hij vroeg ook aanstonds vergiflenis. Welnu volg hem hierin na, en doe ook zoo. Gij zegt, dat gij ontbloot zijt van verdiensten. Zoo die meening uit ootmoedigheid voortkomt, is zij lollelijk; en gij spreekt ook de waarheid; want uwe verdiensten , hoe talrijk en groot ook, zijn niets in vergelijking met de vele en uitmuntende verdiensten van Christus en van Zijne heilige moeder. In dien zin erkennen alle heiligen zich ontbloot van verdiensten; maar ondanks dal leven zij gerust en sterven zij getroost De H. Patriarch van Venetië hoorde bij het naderen van den dood de vrees inwendig tot zich spreken : «Justinianus, het oordeel is nabij; ^ij hebt veel gezondigd; gij zijt geheel en al
50
zonder verdiensten; wat denkt gij wel voor den rechterstoel van den Zaligmaker te doen? â Wat ik zal doen? antwoordde hij: niets anders dan Hem, die uit liefde tot mij gestorven is, ook stervende uit liefde te omhelzen , Hem met vertrouwen vast te houden en niet te laten gaan. Weg van mij, gij belemmerende angsten 1 Ik zou mij schamen den dood te vreezen. Pudet timere mortem. Jezus is voor mij een te goed vader, een te getrouw en te welwillend vriend, om een verschrikkelijk rechter voor mij te zijn. Venio ad te bone Jesu! Ik kom tot L!, o goede Jezus, en ik kom gaarne en met vuur; want Gij zijt al mijne hoop, mijn vertrouwen, mijne rust, mijne toevlucht, mijne hulp, mijne liefde. Heb ik van mij zelven geen verdiensten; welnu. Uwe verdiensten zijn de mijne. Uwe heilige wonden zijn mijne woonstede. Daar besproei en versier ik mij met Uw dierbaar bloed, om aldus rein en schoon en beminnelijk voor U te verschijnen.» Jiequiesco iit vulnevibus Jesu, ornaho genas meas eniore ejus, el ei amahi-lis ero.
TWEEDE GEDEELTE.
Nut ou zoetheid in de liefde tot Maria. I.
Hoe beminnelijk de Moeder Gods is.
1. Do H. Maaglt;l Maria is ons niet vreemd. Naar do genade is zij on/e moeder, zijn wij liare kinderen. «Christus lieeft ons aan haaien haar aan ons met zulk een sterken en lieflijken hand gehecht, zegt de H. Cyriilus Alexandrinus; opdat zij ons en wij haar door bovennatuurlijke liefde ton minste even vast en krachtig zouden beminnen, als naaste bloedverwai.ten elkander liefhebben door ua-tuurlijke genegenheid.» O hoe aangenaam, roept ile 11. Bernardus uit, hoe verheflend is liet aan zulk eeue moeder toe te behooren en onderworpen te zijn! Hoe zoet is het zulk eene lieve moeder te beminnen! Inderdaad men gevoelt zijne ziel teeder getrofl'en en zijn hart zoet ontstoken reeds bij de gedachte alleen , dat de moeder van Jezus onze moeder is. l!oe geweldig zou hot hart niet branden, als
52
men begreep, hoe beminnelijk zij is! Het is waar, beminde lezer, ons verstand is te klein om de beminnelijkheid onzer moeder volkomen te begrijpen; nochtans ik wil u mijne gedachte daaromtrent gaarne meedeelen. Maar zeg gij mij eerst, hoe beminnelijk naar uwe meening Christus is. Gij zult zeggen: Christus is beminnelijk als ontvangen van den H. Geest. Dat is zoo; welnu dan antwoord ik: Maria is beminnelijk als ontvangen in de liefde van den H. Geest. Christus is beminnelijk door de volheid der genade; Vidimus plenum gratiae ook Maria is beminnelijk , omdat zij vol van genade is: Ave gratia plena. Christus is lieflijk als zijnde de Liefde zelve; Maria is lieilijk als zijnde de moeder der schoone liefde, als de moeder, waaruit de Liefde zelve ontvangen en geboren is. Christus verdient oneindige achting en liefde, omdat Hij God-mensch is; Maria verdient bijna oneindige achting en liefde, omdat zij de moeder is van Christus, de moeder van God. Maria heeft het wel is waar niet van zichzelve: zoo zij beminnelijk is, is zij het door God en om God ; doch , het is niet minder waar, dat ook de H. tnenschheid van Clnastus niet door zichzelve, maar door God en om God beminnelijk is. Nu is die H. menschheid , ofschoon
53
dooi' God en om God beminnelijk gemaakt, toch in ziclizelve beminnelijk en vereerens-waardig door den rijkdom van heiligmakendc genade, die God haar geschonken lieeft. Maar zoo is ook de lieflijkheid en achtenswaardigheid van Maria niet buiten haar. Zulk eene meening zou niet alleen eene dwaling, maar ook eene dwaasheid zijn. Want zij is heilig en beminnelijk door de genade, waarvan zij vol is. En hoe zou zij vol kunnen zijn van genade, die buiten haar is? Al heeft zij datgene, wat haar beminnelijk maakt, van God ontvangen, het is toch werkelijk het hare. Gij zijt waarlijk beminnelijk, schoon en zoet door uwe beminnelijkheid, door uwe schoonheid, door uwe zoetheid, o heilige moeder Gods! liet is recht en billijk, dat wij u daarom loven en beminnen. Speciosa facta es et sua vis in deliciis tuis,
sancta Dei genitrix !..... Deo et hominibus
amabilis (Laur. Just.).
2. Christus is, ook als mensch, onuitsprekelijk veel beminnelijker dan Zijne lieve moeder. Dat ontken ik volstrekt niet. En wanneer ik de liedijkheid van de moeder tracht af te leiden uit de lieflijkheid van den Zoon, dan beweer ik niet, dat beider volmaaktheid even groot is, maar dat zij zekere overeenkomst, zekere gelijkenis met elkander hebben, waar-
GELUK V. I). LIEFDE. 4
54
uit men duidelijk kan zien, dat de moeder volmaakter, heiliger en beminnelijker is dan alle andere scliepselen samen, en dat men daarom ijverig moet zijn om haar boven alle andere te beminnen. Maria super omncs dili-gentius amanda (Bonav.). Want paste het, dat de H. tnenschheid van Christus, om wille van de persoonlijke vereeniging met het eeuwig Woord, onvergelijkelijk veel rijker dan Maria en dan alle andere schepselen samen met alle genaden en schoonheid begiftigd was; dan betaamde het ook, dat Maria door overvloed van genade boven alle engelen en rnenschen werd versierd en verheven, omdat uit haar hetzelfde eeuwig Woord als mcnsch ontvangen en geboren werd. «De drievuldige God, die, gelijk de IJ. Bernardus zegt, om de schoonheid dei-orde en der regelmaat gewoon is in Zijne werken aan alle dingen haren eisch te geven,-heeft bijzonder in de menschwording van het eeuwig Woord Zijne wijsheid en voorzichtigheid willen doen zien, door alles te verrichten gelijk dat voortreffelijk werk het vorderde. Deus qui in omnibus operibus rerum con-gruentias propter ordinis pidchriludinem ser-vare consuevit, in hoe quoque macjnifico opere non tantum potentiam suam, sed et sapient ia m et prudentiam ostendere voluit.
00
3. De H. Kerk weet hot best, hoe beminnelijk Maria is. Welnu hoe aangenaam en troostrijk is het niet de zoete en liellijke namen te overwegen, die zij aan Maria geeft! Dat komt voort uit hare brandende liefde tot de Moeder Gods. Want bemint zij Jezus als haar bruidegom, zij bemint Maria als hare moeder. Heeft zij Jezus lief als haar hoofd , zij heeft Maria lief als den appel harer oogen. Daarvandaan komt hare onverzadel ij ke begeerte om aan Maria toe te schrijven al wat zoet, verheven en lollijk is. Wij kunnen hier niet alle titels opsommen, die hare liefde schenkt aan de H. Maagd , en waarvan hare missen, hare getijden en hare lofzangen vol zijn. iloe talrijk ook, zij zijn alle samengevat in deze weinige woorden: «Zij is de Fl. Moeder van Jezus; want dat overtreft na God alles in waardigheid, verhevenheid, grootheid en beminnelijkheid.» Qtudquid de virjine scire cupis, totion clauditur hoe breviloquio: Mater Jem est (Thom. a Villanova). Jloc de illa dicere superat totum quod sub Deo esl (Ans.).
4. Wij onderzoeken hier niet of het mogelijk is, dat eene zondares Moeder Gods wordt en Gods Moeder zijnde nog zondares blijft. Dat is een geheel nuttelooze vraag. Want wij spreken hier van de H. Maagd, gelijk wij
56
liaar kennen, d. i. van eene maagd, die nooit met eenige zonde besmeurd werd, maar altijd, zoo vóór als na de ontvangenis van den God-mensch, lieilig was; van eene maagd, die door den engel als vol van genade begroet is, die maagd blijvende, door do medewerking van den H. Geest moeder van God geworden is; van eene maagd, die, als nieuwe Eva en bruid van den nieuwen Adam Jezus Christus, uitverkoren is om met Hem de kinderen der genade voort te brengen, gelijk de HH. Ire-naeus, Cyrillus, Augustinus en moest alle HH. Leeraars van iiaar getuigen; van eene maagd, die de H. Kerk erkent als de verzoenster der zondaars, als de moeder der uitverkorenen, als de koningin des hemels en de koningin der engelen; die zij aanroept als hare allerbarm-hartigste moeder, allervermogendste beschermster , allerkrachtigste voorspraak bij haren Zoon; die zij na den Zoon beschouwt als haren zoetsten troost, hare vaste hoop en zekerste toevlucht. Van die maagd spreken wij hier. Zoo kennen wij de Moeder Gods. Maar wanneer er nogmaals een Persoon der H. Drievuldigheid mensch zou worden , en wanneer dan de vrouw, die Hem zou ontvangen en baren, ook in de bovengenoemde hoedanigheden -aan de Maagd Maria gelijk zou zijn ; dan
57
zouden wij ook van die vrouw moeten erkennen, dat «zij bijna oneindig lieilig, waardig, beminnelijk, ja als goddelijk zou zijn door de eindelooze menigte van goddelijke gaven en genaden.» Het is meer dan betamelijk, liet is eenigszins noodzakelijk, dat eene Moeder van God zoo is. Ut muiter pa rial Deum, necesse est per quumdam quasi infinitatem graliannn et donorum fieri divinam (Bernardin.).
5. Als de HH. Vaders zicli over de groote volmaaktheid van Maria verwonderen en ootmoedig bekennen, dat hare waardigheid en beminnelijkheid hun verstand verre te boven gaat, dan beschouwen zij haar in al hare voortreffelijkheid. Zij beschouwen haar niet alleen als Moeder Gods, maar als zoodanige Moeder Gods gelijk zij is; te weten, als waardige Moeder Gods, als moeder vol van genade en zoowel in heiligheid ais in waardigheid verheven boven de engelen en alle andere schepselen; als moeder, versierd met alle groote hoedanigheden, die ik zoo even in het kort uit de II. Schrift, uit de overlevering en uit het gevoelen der IJ. Kerk heb aangegeven. Maar wie is er op aarde in staat om allo schoone hoedanigheden, hooge titels, bijzondere voorrechten en wondervolle zoetheden der II. Maagd volkomen uiteen te zetten! Om dat te
kunnen zou rr.en in de hemdsclie glorie moeten zijn. Want, zegt de H. Bernardus, daar alleen ziet men Maria «zoo innig vereenigd met de H. Drievuldigheid en zoo diep verslonden in de Godheid als de natuur van een redelijk schepsel , dat niet persoonlijk met God vereenigd is, het toelaat.» Quantum sine, personali imionc crealurae rationa!is conditio patilur. Daar ziet men haar gelijkvormig met God, Deiformem, gelijk de Hü. Dionysius de Areo-pagiet en Augustinus haar noemen. Daar prijst men haar als «schooner dan de natuur, als afgrond van genade»; natura formosior, abijs-sus gratiae, gelijk de HM. Epiphanius en Joannes Damascenus zeggen. Daar bemint en zegent men haar als de wellust en de liefde van den drievuldigeu God, als de weerspiegeling der Goddelijke goedheid, gelijk de H. Thomas haar beschrijft. O schoon, o voor-trefl'elijk beeld, waarin de oneindige schoonheid en beminnelijkheid van God zoo schitterend uitblinkt! Waren de hernelsche geesten niet volkomen zeker, dat de II. Maagd geen god of godin is, zij zouden tneenen, dat zij in de godheid was veranderd. Videretur in Dei-tatem tramiisse (Anselm.).
(i. Hoeveel de HH. Leeraars ook geschreven hebben om de eer der Moeder Gods en de
59
liefde tot liaar tc bevoideren , zij hebben hun lioogen ilunk van hare waardigheid, heiligheid en beminnelijkheid op geen wijze beter uitgedrukt dan door te erkennen, dat zij onbe-peikt en oneindig, en daarom onmetelijk en onbegrijpelijk is. Niet dat zij do H. Maagd beschouwden als oneindig in eigenlijken zin, als volkomen onbeperkt in volmaaktheid â dat is God alleen ; â maar als bijna oneindig, als eenigszins onbeperkt en daarom onmetelijk en onbegrijpelijk met betrekking tot hun verstand, dat hun te klein en te bekrompen voorkwam om in de grootheid van Maria's verhevenheid en beminnelijkheid een einde te vinden. Quodammodo immensa, quasi inpnila, tanla nimirum ut soli Deo cognoscenda reser-vetur (IJernardin.). In dien zin moet men de HH. Joannes Damascenus , Petrus Damianus , Anselmus en andoren verstaan, wanneer zij zonder nadere bepaling schrijven , dat de verhevenheid , heiligheid en verdiensten van de Moeder Gods oneindig zijn, en dat er daarom «een oneindig verschil bestaat tusschcn haaien de andere schepselen». Dei Matris et ser-vorum Dei infinitum est discrimen.
'â Het is ons nu genoegzaam bekend, beminde lezer, hoe groot denkbeeld de HU. Vaders en Leeraars van de Moeder Gods hebben
(iÃ
opgevat. Zouden wij iets anders, zouden wij geringer over haar durven denken dan de grootste, wijsste, verlichtste geesten der H. Kerk. Verre van ons die hoovaardigheid en vermetelheid. Daarom erkennen ook wij , en wel met groote blijdschap, dat Maria bijna oneindig achtenswaardig, lief' en beminnelijk is ; en wij besluiten met den li. Bernardus, dat «Maria verdient door ons bijna oneindig geëerd, geloofd, gezegend en met bijna oneindige liefde bemind te worden.» Fere immensa es, o Uoïitina. fere immensum dehes amari.
II.
Hoe zoet het is de H. Moeder Gods te beminnen.
1. Beminnen is altijd aangenaam, zegt de H. Augustinus; omdat de liefdo altijd zoet is. Maar zij is niet altijd gelukkig en zalig. Om gelukkig te zijn, moet zij rein en geregeld wezen, en om zalig te zijn, moet zij uit do genade voortkomen. De zalige liefde is de voor-tredelijkste; want zij bevat niet alleen liet genot, dat aan elke andere reine liefde eigen is; maar zij brengt nog eene bijzondere, heilige zoetheid mee; omdat zij eene beweging is van den H. Geest, die «de zoetheid is van den Vader en den Zoon, gelijk Hij Hunne liefde is.» Spiritus Sanctus Genitons Genüique suavitas (Aug.). Het schijnt, dat behalve dat zoele genot ook de zoetheid van den persoon zelf, die bemind wordt, in de liefde vloeit, of ten minste door de liefde smakelijk wordt voor de minnende ziel. Waarom zou God ons anders uitnoodigen om Zijne zoetheid te proeven'? Gustate... quoniam sunvis est Dominus. Die goddelijke zoetheid smaakte de H. Augustinus, toen luj tot den drieviiidigen God uit-
62
riep: «O drievuldigc liefde, o geluk mijner ziel 1 O zoetheid der zoetheden! Hoe genotrijk is het U te beminnen! Gij overstroomt alle harten, die Gij bezit met den overvloed Uwer verrukkelijke lieflijkheid!» Amor (ui sitavis, nnm jicctora, rjuae possides, didcedine et suavitate rnple* (Aug.). TrinitaHs dulcadine nihil jucundius rnperitur (Rich, a S. Vict.).
2. Maar is het wonder, dat de liefde tot de H. Drievuldigheid zoo aangenaam en zoo zoet is? Men kan Christus zelfs als mensch niet beminnen zonder Zijne zoetheid te smaken. «De hotiig schijnt bitter in vergelijking met Jezus», zegt de II. Bcrnanlus. Dat wist deze heilige leeraar uit ondervinding; want hij smaakte zeer dikwijls de zoetheid van Jezus; omdat hij Hem zeer dikwijls beminde en met akten van liefde omhelsde. â Maar, Bernardus, gij hebt ook menigmaal uw hart tot Maria, de Moedor van Jezus, gewend en haar vurig bemind: was het u misschien bitter haar te beminnen? âVerre vandaar het was mij onuitsprekelijk zoet. Na de liefde tot den Zoon is niets zoo zoet als de liefde tot de Moeder; want al wat buiten den Zoon allerbeminnelijkst is, is de Moeder on in de Moeder. Quidquid post Deinn dulcius, hoe Maria est, hoc in Maria. O allerbeminnelijkste Maagd, roept de
g;5
f-erafijnsche leeraar uit, men kan op u niet (lonken zonder oone bijzondere zoetheid te smaken, die u door God is ingestort. Is het reeds zoo zoet u in de gedachte te hebben, hoe zoet is het u zoo diep mogelijk te hebben in het hart en u daar door de heilige liefde te bezitten en te omhelzen! O multum amn-bilis Maria! nunquam memoriam ingrederis sine dulcedine tibi divinilus insita.
3. Het is alsof de almogende en ware God
een zoo volmaakt schepsel als Maria heeft
willen scheppen, tot meerdere beschaming van
het heidendom en tot gerechte vernedering 1 i
der valsche goden en godinnen. Welke godheid toch is door de opsiering der helsche geesten en door de verdichting der heidenen ooit voorgesteld geworden zoo voortreffelijk, zoo heilig, zoo schoon door alle gaven van geesten lichaam, zoo volmaakt door zuivere liellijkheid en reine bekoorlijkheid, als Maria in werkelijkheid is? Zelfs wi j, zoo wij de H. Maagd door onzen heiligen godsdienst niet kenden, wij zonden nooit gedacht hebben, dat er een schepsel kon gevonden worden, dat door den overvloed van bevalligheid en zoetheid niet alleen de vreugde der engelen, het geluk der heiligen, de verblijding aller geloovigen, maar zelfs de wellust der Godheid zou zijn? Toch is Maria
(li
dat alles. Xircjo laetilia anyelorum, dulcedo cltristianorurn, esca el hamus divinitatis est (Bern.). Door haar als tloor een lokaas trekt God de harten der menschen, ook der grootste zondaars tot zich; maar ook Hij wordt door haar aangetrokken. Dezelfde Maagd, waarmee God de menschen trekt, trekt zelve God tot zich; zij trekt tot zicli do geheele H. Drievuldigheid en dat zoo krachtig, dat de hemelsche Vader over haar komt en haar overschaduwt; dat de Zoon in haar nederdaalt en uit haar als mensch ontvangen en geboren wordt; dat de H. Geest haar aanneemt als Zijne allerliefste bruid en in den tijd met liaar de menscli-wording uitwerkt van het eeuwig Woord, waaruit Hij zelf voortkomt van alle eeuwigheid. ü mensch, denk niet, dat die liefde van den drievuldigen God tot Maria eene buiten-sporigheid is. Zij is wel is waar een schepsel: «maar, zegt de H. Bernardus, God weet het best, welk een schat Maria is; Hij alleen kent hare waarde. Daarom is Zijn hart waar Maria is. Zijne oogen zijn voortdurend gevestigd op Maria als zijnde degene, die Zijne aandacht eu Zijne gunst het meest verdient.» Magnus thesaurus Maria, homines latet, non Deum; ubicumque ilia est, et cor ejus est: oculi ejus semper super earn.
(m
4. Christus, de Godmensch, bemint op hij-zoiidere wijze de H. Maagd. Uij bemint haar niet alleen als Zijne allerbeminnelijkste vriendin en bruid, maar ook als Zijne allerwaardigste Moeder. Wie toch zal flij na de H. Drie-vuldigheid meer beminnen dan Zijne Moeder, oene zoo goede, zoo minzame, zoo minnende Moeder? Men zou haast meenen, dat zij voor Hem al te lieflijk is; want Hij vraagt, «dat zij hare oogen van Hem afwende.» Averte oculos 1os ci me (Cant. \ I, A.). â Mijne oogen afwenden van U, mijn Allerliefste? Maar waarom dat? â «Omdat zij Mij hebben doen uitvliegen uit den schoot Mijns Vaders in uw schoot.» Quia me avolare fecerunt ex sinu
Patria in sinum liaim (Thom. a V. N.). _
Hoe, lieve Zoon, beklaagt Gij U, dat ik Uwe moeder ben? â O neen; gij zijt Mij eene lieve, eene zoete en dierbare moeder. Pulchra es, sua vis et decora (Cant. VI, li.). Maar uwe schoonheid en zoetheid is te zeer vermeerderd en te overweldigend geworden, sinds gij Mijne moeder zijt. Zoo Ik uwe oogen slechts aanschouw, doen zij Mij als uit Mij zeiven vliegen51; dan behoor Ik als het ware Mij zelf niet meer toe; dan wordt Mijn hart geketend aan het uwe , zoodat het als gedwongen is alles te willen wat uw hart wil. Averte oculos tuos a
(Jü
me, quia ipsi we a volar e fecenmt (Cant. quot;VI, 4). Wat strekt deze minneklacht tot lof van de H. Maagd, wier liefde zoo zoetelijk zegeviert over liet Goddelijk Hart! Triumphal de Deo amor. 0 suavüatem, o vim amoris (Bern.)!
5. Dat die klacht van den Beminde niet anders is dan oen vriendelijk spel dei' liefde, blijkt genoegzaam uit Zijne handelwijze. Want zoo do H. Maagd, Zijne bruid en tevens Zijne moeder, zich een oogenblik van Hem afzondert, roept Hij haar aanstonds toe; «Mijne vriendin. Mijne schoone, toon Mij uw aangezicht.» Amica inea, speciosa mea! ostende mild faciern tuam (Cant. IL). â Mijn allerliefste, wat wilt Gij dan? Kan ik mij van U afwenden, en mij tegelijk tot U keeren? â Neen, Mijne uitgelezene, dat kunt gij niet tegelijkertijd doen: blijf dan altijd tot Mij gekeerd; opdat ik voortdurend het genot hebbe u aan te zien. Gij zijt immers de Mijne, en Ik ben de uwe. «Heb Ik ontvangen van het uwe, Ik heb n gegeven van het Mijne.» Fjjo de luo accepi, tu de meo (Abb. Guerricus.). Dat Ik onder alle kinderen der mensclien de schoonste ben, is van het uwe; want met Mij als mensch in ii en uit n te ontvangen, hebt gij Mij uwe schoonheid ingedrukt. Maar dat gij boven allo schepselen lieflijk, zoet en godgelijkend zijt,
67
is van liet Mijne; want Ik lieb u van Mijne goddelijke lieflijkheid overvloedig medegedeeld en u aldus boven alle anderen Gode gelijkvormig gemaakt. «Houd dan uw aangezicht voortdurend tot Mij gekeerd; opdat Ik voortdurend de vreugde geniete van Mij in u als in een spiegel te aanschouwen, en van Mij in u en u in Mij eeuwig te beminnen.» OHende mihi faciein tuam ut in ilia tanquam in speculu repraesentalam videam faciem meam (Theodoret.).
6. Toen Christus nog hier op aarde woonde wiltle JJij de H. Maagd bijna voortdurend bij zich hebben als «Zijne onafscheidbare gezellin», gelijk de 11. Augustinus schrijft. Uiristi comes et sociu individua. Allen, die toen Maria kenden , beminden haar innig; maai- aan niemand was zij zoo dierbaar als aan haren Zoon; omdat Hij alleen met Zijn verstand tie grootheid barer bevalligheid en zoetheid bevatte, en baar ten volle beminde gelijk hare liellijk-heid verdiende. Kon zelfs toen niemand Maria naar waarde beminnen dan Christus alleen, hoe zouden wij met ons bekrompen hart haar thans genoegzaam beminnen, gelijk zij bet verdient, thans, nu zij in de glorie nog veel beminnelijker is.' Nochtans niemand bemint haar oprecht zonder genot te smaken, en wel
68
meer of minder naarmate onze liefde grooter of geringer is. Vii'f/o otïDzibus CDiiahilis, cis-mens indu/entibus, pia exorantibus, dulcis diligentibus (Bern.).
7. Dewijl de liefde een akt is van den wil, daarom is liet duidelijk, dat hare zoetheid geestelijk is en eigenlijk alleen de ziel aangaat. Nochtans haar stroom is dikwijls zoo groot, dat zij zelfs voelbaar wordt aan het lichaam. Die overvloed nu is een gewoon uitwerksel ran de teedere liefde tot de Moeder Gods. Zulk eene teedere liefde bezat de gelukzalige Herman Joseph. Zoo hij slechts den naam hoorde van Maria, werd zijne ziel aanstonds getroflen door zoete liefde, en hare zoetheid overstroomde zijn hart zoo geweldig, dat hij in onmacht viel. Het was ook met zulk eene allerteederste liefde, dat de jeugdige Stanislaus de H. Maagd als zijne lieve moeder beminde. Een aandachtige blik op hare lieflijkheid was genoeg om zijne liefde tot haar te doen ontvlammen, en somtijds zoo teeder, dat hij ondei den grooten overvloed van de zoetheid dei liefde bezweek. O multum cimabilis! Cogitavi non pot es, quin suaviler accendas (Bonav.). En thans nog, wie zal ze tellen die groote menigte minnaars van de Moeder Gods, zoo geestelijken als leeken, die aan hare groote
69
beminnelijkheid niet ernstig kunnen denken, noch zelfs hare beeltenis met kinderlijke liefde kunnen kussen of vereeren, zonder in hun binnenste teeder ontroerd te worden en dikwijls met zulk een groot, ofschoon zoet en aangenaam geweld, dat zij zich niet kunnen weerhouden uitwendig door tranen en zuchten uiting te geven aan de gevoelens hunner ziel. Mij dunkt terwijl ik hen zie weenen, hoor ik velen hunner onder hunne zuchten en tranen door vriendelijk zeggen: o beminnelijke Maagd! O lieflijke Moeder van mijn Jezus! ware ik meester van alle geesten en van alle harten, alle geesten zouden u goed kennen, alle harten zouden u vurig beminnen. Kon ik ten minste door alle menschen gehoord worden, ik zou uit al mijne krachten hun allen toeroepen: «Bemint Maria, bemint Maria; smaak en ondervindt, hoe zoet en aangenaam het is haar van ganscher harte te beminnen.» Amate Mariam, amate Mariam (Hieron.); sapile et coynoscile, quam magna multiludo dulcedi-11 is ejus his, qui pleni sunt charilate ejus (Aug.).
GKLUIv V. D. LIEFDE.
III.
Hoe wenschelijk het is vriend van de Moeder Gods te zijn.
1. Maria, de wellust van den H. Geest, was zelfs vóór de menschwording van den Zoon Gods, overvloedig begiftigd met kennis on wijsheid. «Zij was verlicht boven de Cherubijnen en Serafijnen»(Epiph.). Zij doorschouwde alles wat Mozes, David en de andere profeten van den Messias hadden voorspeld. Zij begreep uit Daniël, dat Zijne komst nabij was. Zij wist uit Isaias, dat Hij als mensch zou ontvangen worden en geboren uit eene maagd; en ofschoon zij wel inzag, dat die maagd van haar geslacht en familie zou zijn, was zij toch te ootmoedig om te durven denken , dat zij die uitverkorene maagd was. Zij zou tevreden geweest zijn, of liever, gelijk de HH. Bonaven-tura, Arnadaeus en anderen meenen , «zij zou het als eene overgroote eer en een overgroot geluk beschouwd hebben, als zij werd uitverkoren om eene zoo waardige en verhevene moeder te dienen, en haar de voeten te was-schen. Zij verlangde niets hoogers dan de minste dienares te zijn van de moeder Gods,
71
en dat vroeg zij van God dagelijks.» Dit is niet meer dan eene godvruchtige meening, maar die zeker redelijk is en geiieel overeenkomt met de volmaaktheden van Maria. Zeker evenwel is het, dat er na den dienst van God, geen eervoller, geen begeerlijker dienst is dan die van Gods moeder. Want «zulk eene voor-trelïelijke moeder, zulk eene groote koningin te dienen is waarlijk heerschen ; haar slaaf' te zijn is moer dan koninklijk», gelijk de H. An-selmus zeer wel zegt. Servire Inde reginae regnare est, et inter ejus mancipia numerari â plusquam regiurn.
2. Is de dienst van de Moeder Gods zoo eervol en begeerlijk , wat een eer, wat een roem is het dan niet, haai' vriend te zijn! Is het meer dan koninklijk, onder het getal barer slaven gerekend te worden; wie zal dan woorden vinden om uit te drukken , hoe heilzaam en verheflend het is, baar door hot recht der vriendschap toe te bebooren en tevens baai-door den band der liefde zoo aan ons verbonden te hebben, dat zij zelve ons toebehoort en de onze is! Dilecta rnea mild, et ego HU. O beminnelijke maagd! Zoo gij mij slechts met een vriendelijken blik vereerdet, wat een vreugde zou dat reeds voor mij zijn ! Maar wat wordt de vreugde vergroot, nu gij mij
verzekert, dat gij niet alleen liet oog op mij vestigt, maar mij ook in liet liart draagt. « Vanwaar komt mij dat geluk en die eer, riep eertijds de H. Elisabeth uit, dat de Moeder des Heeren tot mij komt! Maar hoeveel hooger is voor mij de eer en hoeveel grooter het geluk , dat de Moeder Gods , de koningin dei-engelen , zich gewaardigt met mij in vriendschapsverbond te treden en in vereeniging met mij het zoete juk der liefde te dragen.» O beminnelijke vereeniging, o heilzaam verbond! Door mijn nietig, ellendig hart te geven win ik en bezit ik met zekerheid het allerwaardigste hart van de Moeder Gods, en zal ik het eeuwig bezitten, indien ik haar tot den laatsten adem van mijn sterflijk leven getrouw blijf! O didce commercium, quo suave amoris jufjum cum regina ducilur angelorum (Bern.).
3. De vriendschap is eene wederzijdsche liefde. Het is eene dubbele liefde en daarom baart zij een dubbel vermaak, dat van te be-minnen en dat van bemind te worden. Volgens den H. Augustinus, den leeraar der goddelijke liefde , is er niets aangenamer, niets genotrijker dan de vriendschap; «omdat er niets zoeter is dan te beminnen en bemind te worden.» ÃSihil dulcius quam amare et amari. De H. Thomas is van hetzelfde gevoelen. Hij
zegt, «dat de zalige vreugde der drie Goddelijke Personen voortkomt uit de liefde , waarmede elk hunner de beide andere bemint en door dezen wederkeerig bemind wordt.» Quid est gaudium Pal ris el Filii nisi a mare et arnari ? Nee minus amatur amor amans-Maar wat is in de vriendschap het zoetste : beminnen of bemind worden? Ik antwoord : beide is even zoet, wanneer alles van weerszijden gelijk is. Dat blijkt iti de vriendschap der Goddelijke Personen. Hun is beminnen en bemind worden even zoet; omdat Zij even beminnelijk zijn en elkander even volmaakt beminnen. Maar onder de redelijke schepselen is beminnen en bemind worden niet altijd even zoet. Want laat de eene vriend meenen of vreezen , dat hij door den anderen minder bemind wordt, dan schept hij minder vreugde in de liefde van den ander dan in do zijne; Ja hij bedroeft zich over de te geringe liefde van zijn vriend, en doorgaans vermindert hij ook de zijne, zoodat zulk eene vriendschap weldra ophoudt. Het is integendeel voor een vriend grooter geluk en genot bemind te worden dan te beminnen, wanneer hij zeker is, dat zijn vriend waardiger en beminnelijker is dan hij en hij toch door hem even veel bemind wordt als hij hem bemint. En onge-
74
twijfeld zou zijn geluk nog veel grooter zijn, indien hij wist, dat de liefde van zoodanigen vriend de zijne nog overtreft. Voor zulk een geval onderschrijf ik het woord van den geleerden Richardns a S. Victore, «dat men dooide vriendschap zoeter vermaak schept uit liet hart van een ander dan uit zijn eigen hart». Dulces illae diliciae amoris impensi et repemi non tam de propria quain de cdieno corde hauriri solent.
4. Minnaar van de Moeder Gods, welk eene vreugde en blijdschap schept gij dan niet uit het zoete hart van uwe zoo waardige, zoo beminnelijke en zoo minnende vriendin! Hoe gij ook tracht haar te behagen en te believen, zij is altoos onvergelijkelijk veel behaaglijker eu lieflijker dan gij. Bemin haar zoo vurig als het u mogelijk is, zij bemint u toch veel volmaakter. Al werd uw hart door het geweld der liefde tot haar geheel verteerd, hare liefde tot u zou nog sterker zijn, «want zij is on-verwinnelijk». Amas, o Domina, amoreinvin-cibili dïligentes te (Pctr. Dam.). O Maria, ik kan aan de liefde uwer vriendschap niet denken zonder mij te verheugen. Maria, de maagd der maagden, bemint mij : o zuivere liefde! De koningin des hemels bemint mij: o eervolle liefde ! Do moeder der schoone liefde be-
75
mint mij : o krachtige liefde ! De bruid van den H. Geest bemint mij : o heilige liefde! De moeder van Jezus bemint mij : o teedere, o gelukkige, o zoete liefde! O liefde zoeter dan die van alle engelen en menschen; want de liefde van Gods moedor is als goddelijk. Hij smaakt als het ware eene goddelijke zoetheid, die zeker is, dat hij door haar bemind wordt; en hij is zeker, dat hij door haar bemind wordt, die zeker is, dat hij haar bemint. O amor cast us, sanctus, vehemens, eo suavior ac dulcior, quo toturn quasi divinum est quod senlitur (Bern.).
Iquot;V.
De vriendschap met Maria vordert gelijkvormigheid van zeden.
1. Do liefde tusschen bruidegom en bruid en de liefde tusschen vrienden hebben veel overeenkomst met elkander. De volmaakte vriendschap toch is eene wederzijdsche liefde, eene wederzijdsche genegenheid; zij is eene zoo innige vereeniging der harten, eene zoo vol-komene gelijkvormigheid van wil, dat zij van twee zielen als hot ware één maakt. Datzelfde nu bewerkt ook de liefde tusschen bruidegom en bruid. De H. Augustinus beminde zijn Schepper als zijn besten en innigsten vriend; en daarom durft hij Hem noemen niet alleen zijn God, maar ook zijn bruidegom: Deus mens, sponsus mens, amo te.. Zeer juist ook zegt de H. Bernardus, dat wij God toebehooren op verscheidene titels; want Hij is onze heer onze vader, onze bruidegom: onze heer dooide schepping, onze vader door de bovennatuurlijke aanneming tot kinderen, onze bruidegom door de liefde en de vriendschap. Daarom «wij God door ons als heer gevreesd, als vader ge-
77
eerd, als bruidegom bemind worden». Exigit Deus timeri ut dominus, honorari ut pater, ut sponsus amari. Door dergelijke banden zijn wij ook aan de H. Maagd verbonden, ofschoon niet in zoo verheven zin. Maria toch is waarlijk onze vrouwe en koningin; omdat zij, gelijk de 11. Augustinus zegt, tegelijk moeder en voornaamste bruid is van Christus, onzen heer en koning. Zij is onze moeder, de nieuwe Eva door de genade. Zij is onze bruid door de vriendschap. Het is dan ook recht en billijk, dat zij door ons als vrouwe gediend, als moeder geëerd, als bruid bemind worde. Exigit coli ut domina, honorari ut mater, ut sponsa amari.
2. Dezelfde H. Bernardus verklaart ons, dat wij in de liefde der vriendschap van de 11. Maagd niet kunnen deelen, tenzij wij met haar in deugd overeenkomen. Want de gelijkheid van wil en zeden is do oorsprong en de grondslag der vriendschap. Causa a maris si-militudo est. Men kan wel is waar een groot zondaar zijn en toch Maria beminnen. Maar wat is dat dan voor eene liefde.' Is dat vriendenliefde? Neen; want de vriendschap steunt noodzakelijk op gelijkvormigheid van wil tus-schen twee personen, en zulk eene gelijkvormigheid is de huwelijksband der zielen, gelijk
78
de 11. üernardus leert. Talis conformitas marital animam. Wij geven toe, dat de liclia-melijke huwelijksband kan bestaan tusschen twee personen, die van geest verschillen: tusschen de wijze Abigail en den dwazen Nabal, tusschen den geilukiigen Tobias en de grammoedige Anna. Maar het is volstrekt onmogelijk de reinheid met de onzuiverheid, de ootmoed met de hoovaardigheid, de zachtmoedigheid met de gramschap, de goedertierenheid met de onbarmhartigheid, de mildheid met de gierigheid , het kind van den duivel met de koningin der engelen, Jezus' vijand met Jezus' moedei- door den band van ware vriendschap te vereenigen; «want het verschil van zeden is noodzakelijk oene verbreking der liefde.» Quia morum diversiias est dissidium amoris (Joan. Picas). Wilt gij dan het geluk verwerven van Maria tot vriendin en bruid te hebben, «volg haar zoo volmaakt na, dat men haar zie uitschijnen in uwe zeden en zie uitblinken in uwe werken». Mariam induile quot-quot diligitis illam : haec fulgeat in moribiis, haec splendent in actibus.
3. Gelijk de vriendschap niet kan bestaan zonder wederzijdsche liefde, zoo is ook weder-zijdsche liefde onmogelijk zonder wederzijdsche beminnelijkheid. De Moeder Gods zelfs, hoe
7!)
hoog verhevea ook in waardigheid, zou (ie vriendin van God niet zijn , wanneer zij niet aan Hem gelijkvormig was in beminnelijkheid. God bemint haar als Zijne vriendin om hare geestelijke schoonheid , om den overvloed van hare deugden en volmaaktheden , om de vele gaven, die haar beminnelijk maken. Amica men, formosa mea, decora , deliciis ajjluens. Hij heeft haai lief boven alle anderen, omdat zij boven alle anderen op Hem gelijkt. Tanlo charior Deo, quanta similior (Bern.). Het hart nu van Gods moeder is zeker niet krachtiger dan het hart van God : dus kan het zich ook niet door vriendschap vereenigen met een boos hart. Wij ontkennen niet, dat de H. Maagd tegenover de groote zondaars barmhartig is, en dat zij hen als uit eene aangeborene goedertierenheid wil helpen; maar het is haar onmogelijk hen als vrienden te beschouwen en te beminnen, zoolang zij in zeden zoo van haar verschillen. Van die waarheid was de H. Hieronymus doordrongen; uit den aard van het christendom begreep hij zeer goed, hoe verheHend, hoe nuttig en heilzaam de vriendschap der H. Maagd is. Daarom was hij er bijzonder voor bezorgd haar aan te bevelen aan Paula en Eustochiurn, twee heilige personen, wier
80
geestelijke leidsman hij was. «Bemint Maria, zeule liij haar, bemint Maria; maar weet wel, dat gij haar moet willen navolgen, zoo gij haar waarlijk wilt beminnen.» Amate
Mariam____ tune ven; amatis, si imitari ve-
litis qxinm amatis.
JU.
quot;V_
De liefde tot Maria voert tot alle deugden.
1. Do koning Salomon had van zijne jeugd atquot; eens bijzondere genegenheid opgevat voor de wijsheid. Hare schoonheid behaagde hem zoo zeer, dat hij vurig naar haar verlangde en innig wenschte haar te genieten en als bruid te bezitten. Quaesioi sponsam mild earn as-sumere (Sap. VIII, 2). Maar zoon van Bethsabee, de kuischheid, de eerbaarheid, de kracht in liet overwinnen der ongeregelde begeerten van het vleesch, de beteugeling van onze neigingen cn Insten zijn toch waarlijk ook schoon en verheven en waardig door u verlangd en tot bruiden aangenomen te worden. Waarom zoekt gij ze dan niet evenzeer! Kan de wijsheid alleen u aangenaam maken aan God en aan uw volk ? Kan zij alleen u voeren tot de heiligheid, tot uw eeuwig geluk, tot de eeuwige genieting van het opperste goed t O hoe veel gelukkiger zijt gij, christen, kind van de zuivere Maria, gij, die van uwe prilste jeugd af zoetelijk zijt aangetrokken door de heilzame schoonheid uwer beminnelijke moeder; die haar tot bruid uwer ziel hebt verzocht door
82
standvastige gebeden, en verkregen door ware vriendschap! Want allen, die door de liefde Maria tot bruid verwerven , huwen niet met eene enkele deugd, maar met alle deugden samen; omdat zij is «de geschapene yereeni-ging van alle heiligheid», collegium sanctitalis (Petr. Chrys.); omdat zij is «de kern van alle deugd , de glans van alle braafheid» , virtutis forma, species probitatis (Ambros.); omdat zij is «de afgrond van genade, de vereeniging van alle heilige geneugten», abijssKs gratiae (Joan. Da-ma.sc.), cumulus deliciarum (Petr. Dam.). O beminnelijke maagd, o wondervolle moeder! wie kan ii waarlijk kennen, zonder u innig te beminnen ! De hemelsche geesten kennen u, en daarom beminnen zij u zoo vurig. Zelfs het hart van God kan aan de aantrekking uwer beminnelijkheid met weerstaan. Mijn hart is te klein om u naar waarde te beminnen ; maar toch het bemint u zooveel het vermag. Het betrouwt zelfs, dat het u zoo vast in zich besloten heeft, dat het u nooit zal verliezen, maar in alle eeuwigheid zal bewaren en omhelzen. Voorziet gij misschien, dat het in zijne liefde tot u niet standvastig zal blijven, o mijne lieve moeder, bid dan God, dat Hij mij eer in het niet zal doen zinken. Quomodo effugies capaci-tatem cordis mei, o virgo tam desiderahilis ad
83
amandum, ul angelicas cl dicinos in la provo-ces et trahas ajfectus (Pet. Dam. et Auselm.).
2. «De deugd is iets schoons, zegt Plato. Ware zij zichtbaar, dati zou zij wondervolle liefde tot zich opwekken.» Nu kende die wijsgeer geen andere deugden dan natuurlijke. De deugden echter, die uit de genade voortkomen, zijn onvergelijkelijk veel verhevener en schooner. Zoo dus eene bovennatuurlijke deugd zichtbaar ware , dan zou zij door hare uitnemende schoonheid alle harten veel krachtiger en zoeter tot zich trekken. Christen, zijt gij verlangend om zulk eene deugd te zien ? «Beschouw dan Maria, zegt de H. Hieronymus, beschouw uwe moeder, uwe koningin, uwe vriendin: geen deugd, geen schoonheid, geen voortreffelijkheid, die gij in haar niet zult zien schitteren.» Muriam si diiigenlius intpexeris, nihil virlulis est, nihil speciositalis, nihil candor is qttod in ea non resplendent. Geve God, dat gij die lieve maagd dikwijls beschouwt! Het is ontwijfelbaar, zegt de H. Franciscus van Sales, men zal als vanzelf de deugden en de zeden dei' H. Moeder Gods overnemen en zich eigen maken, wanneer men haar dikwijls en met godsvrucht beschouwt; en hoe zou men haar niet dikwijls in den geest hebben als rnen haar dooi' ware vriendschap stand-
vastig gehecht heeft aan zijn hart! «Het is immers altijd aangenaam te denken op hetgeen altijd zoet is te beminnen » Semper enim dulce esl ad considerandum quod ad amandum semper est suave (Hugo Vict.). De H. Paulus wist zeer goed, hoe nuttig het beschouwen van deugden is om dezelve te beoefenen. Daarom maant hij ons met aandrang aan om te «overdenken al wat zuiver, al wat eerbaar, rechtvaardig , heilig en beminnelijk is». Maar dat alles overdenken wij , zoo wij Maria wel beschouwen; waut zij is als het ware de geschapene zuiverheid , eerbaarheid , rechtvaardigheid, heiligheid en beminnelijkheid. Quae-cumque sunt vera, quaecumque pudica, quae-cumqiie jiisla, quaecumque sancla, quaecumque amahilia.... haec cogitate (Philip. IV, 8).
3. Ofschoon de vriendschap van de H. Maagd ons opwekt en voert tot alle deugden, daar is er nochtans geen, die zij zoozeer in ons wil versterken als de zuiverheid. Niet omdat dit de allergrootste deugd is; want daar zijn andere veel grootere; maar omdat zij de tee-derste is en het meest blootgesteld aan het gevaar van gekwetst te worden. De ondervinding van de menschelijke broosheid en bedorvenheid getuigt genoeg, ja maar al te veel, dat geen deugd zoo geweldig wordt bestreden
85
en zoo vaak overwonnen als de kuischheid; dat ile goede God ontelbaar meer vergramd wordt door de zonde des vleesches dan door eenige andere doodzonde. Daarom zijn alle vrienden van Maria bijzonder verplicht om zich in de reinheid wel te bevestigen. Want do vriendschap vordert boven alles, dat men zich be-veilige tegen datgene, wat het meeste gevaar oplevert haar te verbreken. De liefde tot God nu is de voornaamste en sterkste drijfveer tot alle deugden, en tot bestrijding der onkuisch-heid bestaat er geen krachtiger wapen dan de vriendelijke en kinderlijke vreeze Gods. Maar al is de goddelijke vriendschap krachtiger dan de liefde tot Maria, dit neemt niet weg, dat ook deze zeer nuttig en krachtig is tot hetzelfde doel. Want die hare vriendschap op hoogen prijs stelt, vreest ook grootelijks haar te verliezen. En daarom tracht hij vooral de zuiverheid in zich te versterken; omdat van dien kant het grootste gevaar dreigt vau een liefdebreuk. «Het is onmogelijk, zegt de H. Ambrosius, tegelijkertijd vijand van God en vriend van Gods moeder te zijn. Waar dus het meeste gevaar is van beroofd te worden van de goddelijke vriendschap , daar bestaat noodzakelijk ook het meeste gevaar van de vriendschap van Maria te verliezen.» Non
OELUK V. ü. LIEFDE. (j
8(5
potest esse amicus matris Dei, ijid Deo fuerit inimicus.
4. De liefde tot Maria is in vele harten zoo diep geworteld, dat zij alleen genoeg is om de vuile schicliten van den helsclien geest met waardigheid af te weren en aan al zijne on-beschaamde inblazingen met kloekheid te weerstaan. Zulk eene kracht van de getrouwe liefde tot de II. Maagd strijdt niet tegen de eer of tegen de liefde van God; integendeel zij strekt tot Zijne meerdere eer en glorie. Immers de kracht der schepselen is eene welwillende mededeeling van de goddelijke kracht, en de bekoorlijke lieftalligheid van Maria is slechts eene uitvloeiing van de oneindige goedheid Gods. De kracht van het schepsel verheft de almogendheid van den Schepper; en daarom is het voor den Heer veel roemwaardiger Sisara door Jahel, Holofernes door Judith te dooden, en den helsclien vijand door Maria te overwinnen, dan Zijne macht alleen daartoe te gebruiken. Maar behalve de eer en de glorie, wat vermaak is het niet voor Jezus te zien , dat Zijne allerliefste moeder zoozeer door de menschen bemind wordt, en dat hare groote beminnelijkheid en hare zoete liefde meer macht heeft op de christelijke harten dan alle ijdele zoetheid en verleidelijke lusten
87
van hetvleesch! Wat vreugde voor de gehcele H. Drievuldigheid vloeit voort uit de schande van haren hoovaardigen aartsvijand, wiens grootste geweld verijdeld wordt door de heilige lieftalligheid eener maagd! Maar ook wat troosten wat vreugde voor u, getrouwe vrienden van Maria! Wat hoop en wat vertrouwen van standvastig te leven en heilig te sterven in staat van genade! Want zoo de vuile, helsche geest, ondanks zijn geweld, u niet kan aftrekken van de liefde van de Moeder Gods, hoe veel minder zal hij u aftrekken van de liefde van Christus en van de liefde van den drievul-digen Go'ü Anima inca potim a corpora sepa-retur, quam a domina men, ainica mea (Bern.). Quis icjilur nos se parahit a charitale Christi... a charitate Dei (Rom. VIII, 35).
quot;VI-
De schoonheid van Maria helpt ons de zuiverheid bewaren.
1. Daar is liier voor do reinheid niets zoo gevaarlijk als de lichamelijke schoonheid. Niet omdat zij kwaad is in zichzelve, want zij is eene gave Gods, zegt de H. Augustinus, pul-chritudo Dei domnn est. Maar zij is alleen gevaarlijk door de bedorvenheid der natuur en door de ongeregelde begeerlijkheid. Het is niet noodig deze waarheid verder te ontwikkelen. Zij is genoeg bekend door de treurige ondervinding vooral van - degenen , die niet bezorgd zijn hunne oogen zuiver te bewaren. Een verkeerde oogslag verwekt zeker eene kwade verbeelding en eene kwade verbeelding baart bekoring: en deze veroorzaakt doorgaans een zeer zwaren en hardnekkigen strijd voor degenen, die geruimen tijd hunne verbeeldingskracht hebben bedorven, en hun hoofd als in de war hebben gebracht door er vrijwillig vuile denkbeelden in op te wekken of toe te laten. De II. Augustinus heeft dien strijd on-dervonden. Hij werd langen tijd, zelfs na zijne bekeering, door booze voorstellingen gekweld,
80
hoewel tegen zijn wil: clamabat cor rncum ad versus phantasmata rnea. Maar liij bleet' steeds overwinnaar, omdat hij zich wapende met de goddelijke liefde. «Hij overwon eene mindere zoetheid door eene grootere zoetheid: de zoetheidder heilige liefde verslond in hem dezoet-lieid dervleeschelijke liefde.» Vincat dulcedo dul-cedinem. Hoe zeer hij God ook beminde, hij had het toch niet altijd in zijne macht om de vergankelijke en ijdele schoonheden uit zijne verbeelding verwijderd te houden; maar 1'à wist de verleiding er van te verijdelen door zich eeuwige en grootere schoonheden voor te stellen, l'idchra vilescunl pulchriori-bus comparata.
2. Daar is tot nu toe geen lichamelijke schoonheid onvergankelijk en eeuwig dan die van Christus en die van Zijne lieve moeder; en ook na de algemeene verrijzenis zal geeu enkele lichamelijke schoonheid ooit zoo uitstekend zijn. De H. Franciscus van Sales vond er van zijne teederste jeugd af een groot vermaak in, zich Jezus en Maria zoo dikwijls mogelijk te verbeelden; en hij wenschte, dat iedereen hen voortdurend voor oogen had, ten einde altijd trouw de zuiverheid te bewaren. Dat wenschte ik ook. Ik wil hier niet spreken over de lichamelijke schoonheid van den Zoon,
00
maar alleen over die van de Moeder, en ik zal trachten te bewijzen, dat het genoeg is haar voor te stellen in de verbeelding om de booze aanlokselen van het vleesch onschadelijk te maken. «Elke andere schoonheid, vergeleken bij die van, de H. Maagd, is leelijk», zegt de H. Maximus. Omnis pvlchrUudo ad Vir-(fmem com parata deformitas est.
3. Inderdaad de schoonheid des lichaams is bij de H. Maagd iets meer dan lichamelijk; «want zij weerspiegelt ook de schoonheid barer ziel; zij is tevens ook de schoone gestalte van de deugdzaamheid, van de eerbaarheid, van de zedigheid, van de reinheid.» Ipsa corporis species simulacrum est mentis, figura probitatis , pudoris, honestalis, puritatis (Ambros.). «Zij is als eene levende schilderij , waarop men de maagdelijke zuiverheid afgebeeld ziet; zij is als een onbevlekte spiegel, waarin de glans van alle deugden weerkaatst wordt.» In qua tanquam in imagine descripta virginitas et tanquam in specula re fidget forma virtutis (Ambros.). Ook heeft het eeuwig Woord aangaande Maria, Zijne allerliefste bruid, gezegd, dat «zij onder alle andere van haar geslacht is gelijk eene lelie onder de doornen.» Waarlijk alle schoonheden van de vrouw en van den man, van de jonge dochter
91
en van den jongeling zijn onderling ais schadelijke doornen, waarmee zij elkanders liart kwetsen. Maar Maria is eene schoone lelio, onschadelijk, blank, lieflijk, welriekend en aller harten trekkende tot de kuischheid dooiden zoeten geur van zuiverheid. Sicut lilinm inter spinas, sic arnica men inter filias (Cant. II, 2), utpote odorata aromalibus cas-titatis. (Basil. Seleus.).
â¢i. De engelen, ofschoon zelf'zulke schoone geesten, staan verbaasd over de lichamelijke volmaaktheid der Moeder Gods. Indien zij door afgunst konden worden aangedaan, aldus meent de H. Franciscus van Sales, dan zouden zij haai' om de uitnemende schoonheid van haar verheerlijkt lichaam benijden, omdat zij niet in zulk eene schoonheid prijken. Hoe veel meer zouden wij verbaasd staan, indien wij hei geluk hadden haar in de glorie te aanschouwen ! Al was het maar voor een oogen-blik, liet zou genoeg zijn om ons met eene eeuwige verachting te vervuilen voor alle vleeschelijk genot. Volgens liet algemeen gevoelen van de HH. Ambrosius, Thomas, Bo-naventura en andere leeraars, was hare lichamelijke schoonheid zelfs hier op aarde zoo krachtig, dat zij elke andere schoonheid deed verdwijnen en de zuiverheid instortte in de
9l2
harten van al degenen, die met haar in aanraking kwamen. «Die waarheid kende de H. Josepli, haar bruidegom, door eigen ondervinding.» Noverat hoc Joseph experimenlo sui (Gerson.). Hoeveel grooter walging zouden wij voor alle onkuischheid hebben, indien zij zich verwaardigde ons eenige oogenblikken met het aanschouwen van haar verheerlijkt aanschijn te vereeren. Aan verscheidene heiligen, zoo mannen als vrouwen, heeft zich de verheerlijkte maagd somtijds vertoond, gelijk men leest in hunne levens. Benijden wij hen niet. Wij hopen ons do gansclie eeuwigheid door in de tegenwoordigheid van onze verheerlijkte moeder en beminnelijke vriendin te verheugen. Om haar te beminnen is het niet noodig haar te zien. Is zij schoon in den hemel, zij is ook schoon in onzen geest, schoon in onze verbeelding en schoon genoeg om alle gevaarlijke schoonheid uit ons hart te bannen. Pulchra in coelo, pulchra in intellectu (Aug.). Pulchra pulchriludine omnium pulchriludinum puleherrima (Greg. Nicom.).
5. Beminde lezer, het is u genoegzaam bekend , hoe eene H. Agatha, eene H. Lucia, eene H. Agnes en andere christen maagden Christus in beur hart bezaten; hoe ook Zijne schoonheid in hare verbeelding stond afge-
9;}
maakl, en hoe hehlliaftig zij uit liefde tot Hem streden om de maagdelijke reinheid te bewaren. Wilt gij misschien een christen jongeling evenzoo tot hetzelfde doel zien strijden uit liefde tot Maria? Stel u dan voor een Edtnun-dus, een Casimirus, een Bernardinus of een anderen uitverkoren minnaar van haar; stel u hem voor in een zelfden strijd tegen de verleidende woorden, de aanlokkende schoonheid en de bijkomende bedreigingen eener onbeschaamde Marcellina of dergelijke vrouw. Zie hoe hij zich verweert. Zie hoe hij eerst zijne oogen ten hemel slaat en God bidt de beschermer zijner reinheid en de getuige van zijn strijd te willen zijn. Dan verheft hij zijn hart tot Maria, en mot de liefde tot haar gewapend keert hij zich aanstonds met moed tegen zijne vijandin. Ik had eigenlijk verwacht, dat hij haar zou bespuwen, gelijk zij verdient. Maar hij vergenoegt zich met haar verachtend te zeggen: «wijk van mij, gij aas van dood en hel.» Recede a me. pabulum mortis (S. Agnes.\ Al uwe pogingen zijn vruchteloos. Gij komt te laat. «Ik ben reeds door eene andere minnares ingenomen.» Ab alia a ma trice prae-ventus sum. Reeds lang ben ik verbonden aan de beminnelijkste der vrouwen, aan een maagd, die tevens moeder is en wier zoon God is. Zij
94
bemint mij en ik bemin haar. «Hoe meer ik haar bemin des te reiner ben ik.» Quarn cum amavero castus sum. Zij is zoo schoon, dat «zon en maan hare schoonheid bewonderen, en de engelen zich verlustigen in haar te aanschouwen.» Cujus pulchriludinem sol et luna mirantur. Naturmn elicnn angelicam sollici-tat ad videndinn (Thorn, a V. N.). Ik wil Keene andere dan haar. Geen schoonheid haalt bij haar. U verfoei ik. Gij zijt afzichtelijk in vergelijking rnet mijne lieve minnares, mijne koningin, machtiger dan gij u kunt denken. Gij zult mij mijne trouw en mijne liefde tot haar niet verbreken. Gij kunt mijn hart uit mijn lichaam rukken; maar noch gij, noch ooit iemand anders, zult haar rukken uit mijn hart. Anima mea pol hts a corpora separelur quam a Domina mea, a mica mea (Bern.).
6. Gave God, dat alle christenen zich van hunne jeugd af gewend hadden de onkuische liefde dagelijks op die wijze te bestrijden. Het vleesch immers is de dagelijksche vijand van de zuiverheid. Zijn strijd is niet bloedig gelijk die van de tirannen en beulen; maar hij is verdrietiger door den langen duur, want hij duurt bijna geheel het leven ; en hij is dikwijls gevaarlijker door de kracht en de hardnekkigheid dei' bekoringen. ]nl/;r cevlamina ,
95
sola durioni sunl prodia castitalis. Quotidi-una est pucjna (Aug.). Nochtans lioe harder strijd, des te zoeter overwinning; en geen zoeter overwinning dan die door de zoete kracht der heilige liefde behaald wordt. En daar wij hier alleen handelen over de kracht dei-liefde en der .schoonheid van de Moeder Gods, zoo kunt gij begrijpen, welk een behagen en vermaak die lieve moeder geniet, wanneer zij hare kinderen en vrienden te harer liefde heldhaftig tegen haren vijand ziet strijden, en hen aan haar do eer der zegepraal hoort geven bijna op gelijke wijze als de li. Augusti-nus de eer gaf aan Christus. O schoone moeder der schoone liefde! «Het is mij zoet alle zoetheden van de ijdelheid en dwaasheid des vleesches te derven. Want gij hebt die door uwe heilige schoonheid uit mijne verbeelding verdreven, en gij zelve, zoeter dan alle vleesche-lijke en ijdele zoetheid, hebt in mijn geest en in mijn hart plaats genomen.» Suave mild est... carern suavitatibus nugarum... Kjecisli enim cas a me. Vere tu o major suavitas, ejecisti et intrasti pro eis omni carnali vo-luptate didcior.
quot;Vil.
De liefde tot Maria boezemt een vast vertrouwen in op hare hulp.
1. Do goederlierenheid, barmhartigheid en goedhartigheid van Maria is aan alle goede katholieken genoegzaam bekend. «Zij beschermt en helpt de rncest verlatene zondaars, als deze haar met vertrouwen aanroepen; zullen dan hare lieve kinderen, hare minnaars, hare vrienden niet op haar hopen?® Quis, o Domina, non sperabil in la, quae eliam adjuvas de-speratos! (Bern.) Aan wien toch na God kan ik mij en mijn lot zoo voor de eeuwigheid als voor den tijd beter en veiliger aanbevelen dan aan de H. Moedei' Gods, die mij altijd van alle onheil kan bevrijden en mij een zalig leven en een heiligen dood kan bezorgen! Nunc et in hora mortis. Dat zij liet kan is buiten twijfel; maar mag ik er misschien aan twijfelen, of zij het wil? Maar hoe zou zij het niet willen, die niet alleen mijne lieve moeder, maar ook mijt» beste vriendin is! Huic secu-rus me credo, quae me salvare et vel it et possit (Bern.).
2. Zoo spreekt de H. Bernardus; zoo spre-
97
ken alle wijze en rechtzinnige minnaars van de H. Moeder Gods. Maar alvorens zoo te spreken onderzoeken en beproeven zij eerst hun eigen hart, of het waarlijk van zoo volmaakte liefde tot haar vervuld is, dat het daarom hare vriendschap waardig is. «De volmaakte liefde, zegt de H. Basilius de Groote, is cene voortdurende poging om datgene nit te werken, wat men weet, dat den persoon, dien men bemint, het meeste behaagt.» Wat nu kan de heilige moeder meer behagen, wat kan zij liever willen, dan dat hare kinderen dagelijks trachten dikwijls uit liefde aan haar te denken; hare waardigheid, hare volmaaktheden en deugden te overwegen orn ze te verheerlijken en na te volgen; haar dagelijks door bepaalde gebeden en goede werken te vereeren; dikwijls akten van liefde tot haar te verwekken; zichzelve en al het hunne vol vertrouwen aan hare moederlijke goedheid en vriendelijke zorg aan te bevelen; haren dienst en hare eer volgens hun staat en hun vermogen krachtig voor te staan, te verdedigen en te bevorderen; gaarne en dikwijls over haar, hare verhevenheid en beminnelijkheid te handelen en te spreken met het vurig verlangen om de liefde tot haar in alle harlen te ontsteken en te vermeerderen; al hunne goede
98
werken te richten tot hare meerdere glorie, ze door haar, in vereeniging van hunne harten met het hare, op te dragen aan Christus, en ze door Hem aan te bieden aan de geheele H. Drie-vuldigheid, die zij onvergelijkelijk veel meer acht en bemint dan zichzelve. «Als zulk een streven standvastig is, waarborgt het ons genoeg, dat wij de 11. Moeder Gods als ware vrienden beminnen, en dat zij derhalve ook ons als ware vriendin bemint.» Conlinuus co-nalus ad perficienda ea, quae sunt ex majori bencplacilo dilecti, est amor jjerfectus (Rasil.). Qui aulem perfecte amat, non duhitat se amari (Bern.).
3. De Moeder Gods is mijne vriendin: wat troostrijke vriendschap! In welken nood, in welke benauwdheid kan ik mij bevinden, waarin zulk eene vriendin zou weigeren mij te helpen. Wel verre van hare hulp te weigeren, is zij minstens even verlangend om hare vrienden bij te staan, als zij verlangen door haar geholpen te worden. «Het is haar zelfs onmogelijk kennis te dragen vau hunne ellenden, zonder hun aanstonds te hulp te komen.» Non potest suorum miserias scire et non sub venire (Rich, a S. Vict.), De ondervinding getuigt het luide, zegt de II Bernardinus, dat het den waren kinderen en minnaars van Maria wel
99
gaat in het loven en dat zij zeer gerust zijn in den dood. Een kind immers, dat in gevaar verkeert van in liet vuur te vallen, als zijne moeder het niet oogenblikkelijk lielpt, belioet't niet veel te smeeken om hare hulp. Voorcene minnende moeder is liet genoeg liet gevaar van haar kind te zien , om aanstonds too te schieten- «O Maria, o lieve moeder, o moeder der moeders, getrouwe vriendin! hoeveel minder zullen uwe beminde kinderen op hun uiterste behoeven te smeeken om door uwe hulp van alle gevreesde onheilen bevrijd te worden! Uwe liefde, uwe vriendschap dringt 11 krachtig genoeg. Voor hun behoud is niets meer noodig dan dat gij hun gevaar kent.» Domino.! ecce rjuem am as, infirmatur. Amanli tanlum-modo nuntiandum est. Sufficit ut noveris; nee eiiim amas et deseris.
4. Dit zij genoeg over het nut en de zoetheid van do liefde tot de H. Moeder Gods. Ik wil er slechts nog deze bemerking bijvoegen, dat het don minnaars van Maria tot grootste vreugde strekt de liefde, die zij haar toedragen , ten laatste te stieren tot het welbehagen en de eer van don drievuldigen God, hot eerste begin en het laatste einde van alle goed. De eerbied en de liefde tot de heilige moeder strekt ook tot verheerlijking en vreugde
100
van haren Zoon en van de geheele H. Drie-vuldigheid. Want zoo wij de H. Maagd, als het schoonste on volmaaktste schepsel , zoo naar de genade als naar de natuur, bewonderen en prijzen, dan doen wij dit om ten laatste lt;le onvergelijkelijke volmaaktheid en schoonheid van den Schepper nog meer te bewonderen en te verheerlijken : «hoeveel schooner moet Hij zijn, die zulk eene wonderbare schoonheid als Maria is gemaakt heeft.» Quanta jorrnosior ipse qui liane fonnosa fecit ! Conditori coni-parata nee pulchra sunt, nee sunt (Aug.)* Zoo wij haar eeren boven alle engelen, het is omdat zij dc moeder van Jezus, de moeder van God is. Zoo wij haar beminnen als beminnelijk boven alle schepselen, wij geven ten laatste alle eer en lof aan den drievuldi-geu God , die haar zoo heilig en beminnelijk gemaakt heeft. De plenitudine ejus nccipiunt universi, reus veniam, Justus (jraliam, an-fjelus laetitiam, tola Trinilas gloriam. (Bern.)
Ad Majorem Dei Gloriam.
INHOUD.
Eerste gedeelte.
Rust en vkeügde in de i.iefde tot Jezus.
|
Bladz. | |
|
I. Christus oorzaak van onze ware rust |
5 |
|
II. Rust op de liefde van Jezus Christus |
. 12 |
|
III. Vreugde in Jezus Christus. |
. 19 |
|
IV. Droefgeestigheid misstaat den Christen |
. 23 |
|
V. Loffelijke soort van droefgeestigen |
. 35 |
|
VI. Jezus onze rust in leven en dood |
. 40 |
Tweede g-edeelte.
Nut en zoetheid in de liefde tot Maria.
I. Hoe beminnelijk de Moeder Gods is . . jl
II. Hoe zoet het is de II. Moeder Gods te beminnen ....... 01
III. Hoe wensclielijk het is vriend van de Moeder Gods te zjjn. . ... 70
IV. Do vriendschap met Maria vordert gelijkvormigheid van zeden . . . .70
\ . De liefde tot Maria voert tot allo deugden. 81
VI. De schoonheid van Maria helpt ons de
zuiverheid bewaren . . , . .88
VII. De liefde van Maria boezemt een vast vertrouwen in op hare hulp .... 90
;
liij dn uilf/evers dezes zijn mede verschonen en alom verkrijgbaar: ^
II 12 ï
GELOOF VAN DEN CHRISTEN.
Verhandeling voor ontwikkelde leeken.
Door A. van Gestel, S. J.
Prijs: 56 cent.
Het Lijden van Jezus en onze vrees voor den dood. Door Carolus Van den Abeele, S. .1. Naar het Oud-Vlaamsch opnieuw bewerkt door P. B. Bruin, S. J. Gebr. f 10.
Vroeg sterven of Lang leven. Door Carolus Van den Abeele, S. J. Naar het Oud-Vlaamsch opnieuw bewerkt door P. B. Bruin. S. J.
Gebrocheerd f 0.20.
De Godvreezende Ziel en de Dage-lijksche Zonde. Door Carolus Van den Abeele, S. .1. Naar het Oud-Vlaamsch opnieuw bewerkt door P. B. Bruin, S. J. Gebro. f 0.15.
Zal ik Volharden? Door Carolus Van den Abeele, S. J. Naar het Oud-Vlaamsch opnieuw bewerkt door P. B. Bruin, S. J. Gebr. f 0,15.
In den strijd tegen de bekoringen; Door Carolus Van den Abeele, S. J. Naar het Oud-Vlaamsch opnieuw bewerkt door P. B. Bruin. S. J. Gebrocheerd f 0,12
Regelen en Statuten van de Hoofd-Con-gregatie der H. Maagd te Rome en van de overige met haar vereenigde Congregatiën, door den Z. Eerw. Pater Marijnen, S. J., uit het Latijn vertaald. â Het zijn letterlijk de Regelen , die door den Algemeénen Overste der Sociëteit van Jesus in 1855 opnieuw herzien en goedgekeurd zijn. Gebr. f. 0,16.
Verzameling van Gezangen voor Congreganisten. , Gebrocheerd f. 0,16.