ocr page 1

y# - 9^0

/£•£.

ocr page 2
ocr page 3

ii^iEsaria5?.5amp;5a5as^s.

Koi'lc Levensschets

VAN DEN

HEILIGEN SEVERUS,

PATROON DER WEVEHS.

DOOK

PATER BONAVENTURA der Minderbroeders Capucijnen.

Oi

Suelüruk van W. Bekgmajjs, Tilburg

/i9}

P

rö te

jiir

a

Cl $

ffi

rB]5E5cL5EgS5H5^5B5H5Ega5HgEgE5H5H5HgB5ÜSH5H|H

ocr page 4
ocr page 5

'U(9c

f p n X.T E ■' ^

OF Q-

Korte Lcveiisscliets

VAN DEN

HEILIGEN SEVERUS,

PATROON DEK WEVERS.

DOOR

PATER BONAVENTURA

der Minderbroeders Capucijnen,

v

ocr page 6
ocr page 7

De godsdienstige Wever.

•J* J V t-X llV^l U 111 '-It/ V ltll\ LVi J Ul/XX

Zuiden vau de Noordelijke Apennijnen, hei eertijds zoo

beroemde Ravenna, hoofdstad eener provincie, die denzelfden naam draagt. De Pelagiers waren zijne stichters, doch reeds spoedig werd het door Rome onder zijne heerschappij gebracht. Keizer Augustus vestigde daar de havenplaats voor zijne vloot op de Adriatische zee; de handel ontwikkelde er zich op eene voorspoedige wijze, zoodat, toen de H. Petrus te Rome kwam, Ravenna eene roemvolle plaats onder de heidensche steden van Italië bekleedde. Doch geen geringeren luister zal de godsdienst aan Ravenna schenken.

De H. Apollinaris, geboren te Antiochië, was als medehelper van den H. Petrus naar Rome gekomen, werd door zijn leermeester tot Bisschop gewijd, en vervolgens naar Ravenna gezonden, om daar de leer van Jesus Christus te verkondigen. Reeds vóór zijne intrede in deze stad genas Apollinaris den blinden zoon van Herenëus; en daarna stortten op zijne stem de heidensche tempels ineen, de afgoden vielen ter aarde ; zieken genas hij, duivelen werden uitgejaagd, melaatschen gereinigd, ja zelfs de gestorven dochter van den patriciër Rufus gaf hij het leven terug. Op dit gezicht bekeerden zich vele heidenen. 0) Door de wateren des Doopsels werden zij ingelijfd in Christus' Kerk, die door

(1) Aangaande de hier medegedeelde wonderen enz. verklaart de schrijver zich te voegen naar de constitution van'Paus Urbanus VIII (13 Maart 1625 en 15 Juli 1635).

ocr page 8

4

de handoplegging- van Apollinaris ook priesters en diakens ontving, om medewerkers te zijn bij de verkondiging van het geloof. Wat heerlijke glans van heiligheid zou in den loop der eeuwen deze nieuwe stichting omstralen !

Apollinaris zelf, ra 28 jaren Ravenna te hebben bestuurd, werd er de eerste Bisschop martelaar. Vreeselijk gegeeseld plaatsten hem de beulen met onbloote voeten op gloeiende kolen. Geen verwijt, geen klacht kwam te midden dezer folteringen over zijne lippen, maar slechts deze bede tot zijne beulen gericht; „Waarom toch gelooft gij niet in den Zoon Gods, opdat gij de eeuwige tormenten moogt ontgaan ?quot;

Het bloed der martelaren is als een vruchtbare stroom , die den akker der Kerk besproeit. Ravenna werd langzamerhand geheel en al voor het katholiek geloof gewonnen , en op den bisschopszetel werd Appollinaris opgevolgd door mannen, die met de hooge waardigheid de verhevenste deugden veieenigden. De twaalf eerste bisschoppen van Ravenna zijn allen met den lauwer der heiligheid versierd ; allen ook werden zij door de onmiddellijke tusschenkomst van God op wonderdadige wijze tot de bisschoppelijke wTaardigheid geroepen.

Thans komen wij u eenige trekken verhalen uit het leven van den twaalfden opvolger van den H. Apollinaris, den H. Severus, die van den weversstoel tot den bisschopszetel werd verheven, en daarom ook als Patroon der weversgilden wordt vereerd.

Omstreeks 325 werd dit kind, dat tot zulke groote zaken was bestemd, waarschijnlijk te Ravenna uit arme ouders geboren. Bij den doop werd het Severus geheeten : een naam, die wonderlijk juist de natuur en deugd uitdrukte, welke hem eenmaal zouden kenmerken. „Severusquot; d. w. z. „Saevus Verus,quot; een „ware gestrenge,quot; een streng verdediger der deugd, en hevig bestrijder der ondeugd.

Van Sint Severus'jeugdige jaren meldt ons de geschiedenis niets. Maar te oordeelen naar de schoone eigenschappen, die wij later in onzen Heilige bewonderen, mogen wij gerust veronderstellen, dat zijne ouders hunne plichten ten aanzien van hun kind trouw hebben vervuld.

Als jongeling legde zich Severus op het weversambacht toe , trad later in het huwelijk met Vincentia , en ontving van God eene dochter, die hij Innocentia noemde.

lederen dag keerde voor onzen deugdzamen wever dezelfde werkzaamheid terug; dagelijks moest hij door zijn weefgetouw

ocr page 9

5

in de behoeften van zijn gezin voorzien. Rijk was dus Severus niet, eenvoudig zijn werkkring, en toch verheven was de heiligheid, die door dezen nederigen werkman werd bereikt. „Gij hebt het leven hooren verhalen,, zoo schrijft de H. Petrus Damianus van den H. Bisschop Severus, een man, arm aan aardsche zaken, maar overvloeiende van de rijkdommen der deugd. Gij hebt het leven gehoord van iemand die bij de menschen niet in aanzien stond, maar door God tot eene hooge waardigheid werd opgevoerd; vau een man, om zyne armoedige kleeditig weliswaar onaanzienlijk, maar schitterend door den helderen glans zijner deugden.quot; (i)

En wanneer wij dan ook later, zoo mogen wij met denzelfden Kardinaal van Ostiën besluiten, den H. Geest in zichtbare gedaante op Severus zier nederdalen, dan zijn wij overtuigd, dat diezelfde Geest Gods reeds lang op onzichtbare wijze het hart van onzen Heilige bewoonde. „De geest der aanneming tot kinderen Gods, zoo schrijft zijn beknopte geschiedenis, dien de zalige Severus in zijn Doopsel ontving, voedde in het verblijf zijns harten zoo zeer zijne deugden, totdat het in de bisschopskeuze aan de menschen bekend werd, dat de H. Geest in zijne ziel woonde.quot; Een verborgen, eenvoudig leven moest Severus eerst groot maken in de oogen van God, om daarna groot te zijn voor de oogen der wereld.

Zien wij dan hier niet duidelijk, dat niet de verhevenheid van bediening alleen iemand heiligt, maar dat ook een nederig ambacht den niensch dierbaar kan maken aan God? Dan echter moet men zijn arbeid met denzelfden geest bezielen, die in den heiligen werkman Severus leefde.

Door goddelijke beschikking aan het hoofd geplaatst van een gezin, wist hij , dat Gods wil dien dagelijkschen arbeid van hem vorderde; hij kende en vervulde getrouw de plichten ten aanzien van zijn echtgenoote en kind, en onderhield in zijn nederigen arbeiderstand Gods wetten en geboden. Wij mogen het betreuren, dat ons geen blik is gegund in het huiselijk leven van Severus. Wat naarstigheid hadden wij daar gezien in het uitoefenen van zijn vak, wat blijken van geduld en liefde in den omgang met zijne vrouw, wat teedere zorgen in de opvoeding zijner dochter. De palm der heiligheid, die in latere dagen Innocentia's handen siert, verkondigt ongetwijfeld de glorie van haar vader. De zaden van deugd, die zich in

(1) Petrus Damianus Sermo 4,

ocr page 10

G

de dochter van Severus tot zulke heerlijke bloemen ontwikkelden, zijn in hare ziel door eene zorgvolle vaderhand gestrooid. En in Severus zolveu ontsproten al deze deugden uit zijne vurige lietde tot God; deze liefde schonk leven en kracht aan al zijne werken, gelijk een vruchtbare stroom leven meedeelt aan akkers en beemden.

„Zietdaar, roept de H. Petrus Damianus in eene lofrede op den H. Severus uit, (Sermo 4) een zeer gelukkig mensch, die den last der armoede droeg, maar ijverig de geboden der goddelijke wet naleefde; die zich zeiven als een alleraangenaamst offer G-ode aanbood.quot;

„Handenarbeid, gebrek aan aardsche goederen kunnen dus nooit voor iemand reden zijn, om zijne plichten als Christen te verwaarloozen. Wie durft zeggen : Wij kunnen de geboden Gods niet onderhouden, omdat wij het tijdelijk goed missen, dat voor ons onderhoud noodzakelijk is? Laat hen naderen, en uit het voorbeeld van den Li. Severus leeren rijk te zijn aan ware schatten, opdat zij niet met ondeugden overladen zijn, terwijl hun geld en goed ontbreekt.quot; (H. Petrus Damianus t. a. p.)

(Jngetwijfeld stond onzen heiligen Patroon bij het uitoefenen van zijn handwerk dikwijls het voorbeeld voor oogen van het Huisgezin van Nazareth. De handenarbeid do^r den Zoon Gods, zijne Moeder en den H. Joseph verricht, was voor hem eene opwekking, om ook het werk zijner handen met blijdschap te verrichten en met eene goede meening voor God. Wanneer wij den Zoon van den Schepper van hemel en aarde hamer en beitel zien hanteeren , wordt dan daardoor niet eene zekere wijding en verheffing aan den arbeid verleend, en het gebod om te werken niet weinig verzoet ?

De brave werkman Severus beschouwde zijn arbeid ook als een rechtvaardige straf, den mensch door God opgelegd, toen wij allen in onzen eersten vader Adam zondigden. „Omdat gij, zoo luidde het vonnis van God, naar de stem uwer vrouw geluisterd en gegeten hebt van den boom, waarvan ik u geboden had niet te eten , zij de aarde gevloekt in uw werk; in veel arbeid zult gij er van eten alle dagen uws levens. Doornen en distelen zal zij u voortbrengen , en gij zult het kruid eten, totdat gij wederkeert tot de aarde, waaruit gij genomen zijt.quot; (Schepp. 3, 17, 19). Straf ondergaan is uit zijn aard niet pleizierig; vandaar dat ook arbeiden van ons menschen opoffering vraagt.

Doch hiermee is niet gezegd, dat alle menschen handen-

ocr page 11

arbeid moeteu verrichten. Er is een arbeid van den geest, die dikwijls meer inspanning vraagt dan werken op het land , op het fabriek of op het weefgetouw. Is het niet waar, dat menig jongeling ten gevolge zijner studie aan tering of bloedspuwing bezwijkt, terwijl soortgelijke kwalen zich in den arbeidersstand zeldzaam vertoonen ?

Dringen wij dieper in de zaak door, dan zien wij, dat de menschelijke samenleving wel degelijk verschillende werkkringen , onderscheidene standen vordert. Maken wij hier ter verduidelijking eens eene vergelijking tusschen het menschelijk lichaam en het eroote lichaam van den Staat. In een mensch ziet gij verschillende ledematen tot een schoon geheel vereenigd, terwijl ieder lidmaat een afzonderlijke werking verricht. Het oog dient niet om te hoeren, de mond niet om te zien , de handen niet om te wandelen, de voeten niet om te tasten. Kunt gij nu zeggen , dat de oogen b. v. nutteloos zijn, omdat zij iets anders verrichten dan de ooren ? Integendeel; ieder lidmaat streeft een afzonderlijk doel na, en werkt te gelijkertijd mee tot nut van het geheele lichaam.

Zoo is het ook gesteld met de verschillende standen in de samenleving. Wevers, bakkers, smeden, timmerlieden, schoenmakers moeten er zijn; maar ook fabrikanten, notarissen, rechters, bestuurders, dokters zijn noodzakelijk. Ieder hunner is bezig in zijn eigen werkkring, maar ieder arbeidt weer op zijn manier tot nut en voordeel van het groote lichaam der Maatschappij. Zelfs mogen wij zeggen van den Staat, wat de H. Paulus van 'smenschen lichaam getuigt, dat namelijk „de leden, die de zwakkere schijnen, nog meer noodzakelijk zijn.quot; (1 Cor. 12, 22.)

En de invloed , die door de ledematen, welke geringer schijnen, do invloed, die derhalve door den werkenden stand op geheel den staat wordt uitgeoefend, is dikwijls onberekenbaar groot.

In de eerste eeuwen toch maakte men er de Kerk een verwij t van , dat zij onder hare kinderen niet vele groeten dezer wereld telde, maar meestal eenvoudige lieden, die door handenarbeid hun brood verdienden. En dit was in werkelijkheid zoo. „Ziet op uwe roeping. Broeders, aldus schrijft de H. Paulus tot de Corinthiërs, dat er onder u niet vele wijzen naar de wereld zijn, niet vele machtigen, niet vele edelen, maar het dwaze der wereld heeft God uitgekozen, om de wijzen te beschamen.quot; Hebben nu de feiten deze woorden niet bevestigd? „De armen toch, die de eerste

ocr page 12

volgelingen van het Evangelie waren, zoo schrijft de Paus in zijn beroemde Encycliek „Rerum novarum,quot; wonnen langzamerhand de gunst der rijken en machtigen. Zij boden aan de wereld een schouwspel van arbeidzaamheid, van vredelievendheid, van rechtschapenheid en broederlijke liefde. Tegenover dit welsprekend getuigenis van hun levenswandel weken de vooroordeelen , verstomden de hatelijke klachten , en het heidensch ongeloof moest zich voor het uitstralend licht der christelijke waarheid allengs terugtrekken. — Thans is de arbeiders-quaestiö het onderwerp van een grooten strijd. Do Staat heeft er belang bij, dat deze strijd op vredelievende en wettige wijze wordt opgelost. Het vraagstuk zal echter dooide arbeiders, die van christelijken zin zijn, eene gewenschte oplossing erlangen, wanneer zij in goed geregelde vereenigingen en onder eene verstandige leiding denzelfden iveg inslaan, dien de christenen in de eerste eeuwen tegenover de overmachtige heidensche wereld tot hun eigen heil en dat der Maatschappij hebben bewandeld.quot;

Gij ziet uit deze woorden van den Paus, dat de werklieden zeiven den eersten krachtdadiger! stoot tot verbetering van den algemeenen toestand moeten geven. En dit zullen zij doen, als zij eerst zich zeiven beter trachten te maken. Tot dit doel is het vooral noodzakelijk, dat gij uwen arbeid, uwen stand beschouwt, gelijk hij in werkelijkheid is,en niet gelijk socialistische heethoofden hem voorstellen. „In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten.quot; Dit vonnis in het paradijs tegen Adam uitgesproken treft ook al zijne nakomelingen. De Kerk stelt ons dan ook den arbeid als een plicht voor. „Wij vermanen u, Broeders, u te bevlijtigen, om rustig te zijn en om uwe eigene zaken te doen en met uwe handen te werken , gelijk wij u geboden hebben.quot; (1 Thess. 4, 11.) Dien plicht moet men vervullen in den stand, waarin God ons plaatst. Beschouwt daarom den arbeid als een plicht u door God opgelegd; tracht er u van te overtuigen , gelijk de deugdzame wever Severus er van doordrongen was, dat de wet om te werken, als eene rechtvaardige straf door God aan alle menschen is opgelegd: de eene moet arbeid van den geest verrichten, de ander werken met zijne handen. Op deze wijze dragen alle menschen meer of minder bij tot welzijn van den Staat, en hebben allen in ruimer of geringer mate elkander noodig.

ocr page 13

fwngm

De Bisschopskeuze.

\^^'rod zal teu eeuwigen dage met zijne Kerk f blijven. Immers niettegenstaande zoo vele vervolgingen, niettegenstaande de machten dezer aarde en der hel, die tegen de Kerk woeden, blijft de Kerk bestaan. Maar toont dit alleen reeds niet, dat de almachtige arm van God over haar bestaar waakt?

In de eerste tijden van het Christendom echter wilde God door meer onmiddellijke tusschenkomst, door talrijker wonderen zijne uitverkorenen in het Christendom bevestigen. Wij zien de Apostelen en hunne opvolgers als het ware wonderen zaaien op hunne voetstappen. Zelfs eenvoudige Christenen ontvingen van den H. Geest bijzondere zichtbare gunsten , omdat deze hun in die eerste tijden meer noodzakelijk waren, ter bekeering van het heidendom. Zoo verhaalt ons de H. Paulus van de Kerk van Corinthe, dat daar aan sommigen gegeven was „de gave van genezingen,quot; om allerlei zieken de gezondheid terug te schenken: aan anderen „uitwerking van krachten,quot; om wonderen te verrichten ; aan een ander was .de gave van voorzeggingquot; gegeven, aan een ander „onderscheiding van geestenquot; aan een ander „soorten vau talen,quot; dat wil zeggen , de gave om te spreken in talen, die men nooit geleerd had. (1. Cor. 12,9.)

Wonderbaar was ook het voorrecht, dat God in die dagen aan de Kerk van Ravenna schonk.

Nadat de H. Apollinaris den palm der martelaren had ontvangen, daalde op het hoofd van Aderitus, die door den

2

ocr page 14

10

Stichter van Ravenna's Kerk priester was gewijd, ten aanschouwe van het volk eene wonderdadige duif neer. Algemeen werd dit beschouwd als eene aanduiding des Hemels, orn Aderitus tot opvolger van den H. Apollinaris aan te stellen. Dit wonder herhaalde zich ook ren gunste van zijne opvolgers.

Zoo ook gobeurde het, dat na den dood van den H. Marcellianus, elfden Bisschop van Ravenna, vele priesters, voornamen en edelen der stad met talrijke burgers in de kerk vergaderd waren, om door vurige gebeden den H. Geest te smeeken, hun wederom, als naar gewoonte, door de neder-zending eener duif dengene aan te duiden, dien Hij voor den bisschopszetel had bestemd.

De eenvoudige werkman Severus verlangde op zijne beurt bij dit wonderbaar verschijnsel tegenwoordig te zijn, en zeide tot zijne huisvrouw :

„Ik ga, als ge het goedvindt, naar de kerk, om getuige te zijn van de wonderbare verschijning der duif, die uit den hemel neerdaalt op het hoofd van den uitverkorene.quot;

„Blijf te huis aan uw werk, antwoordde zij, verknoei uw tijd niet; of gij te huis blijft werken of naar de kerk gaat, men zal u toch geen bisschop wijden.quot;

„En toch wenschté ik gaarne te gaan,quot; was zijn antwoord.

„Welnu, ga dan maar, riep zijne vrouw hem op spot-tenden toon toe , en zoodra ge de kerk binnenkomt, wordt ge tot bisschop gewijd.quot;

Toen Severus den tempel binnentrad, aanschouwde hij die uitgelezen vergadering van priesters, voornamen en edelen. Eenigszins verlegen over zijne armoedige en versleten kleeding bleef hij achter in de kerk staan.

Eenparig stijgt intusschen het gebed der geloovigen ten hemel. — Daar zweeft op zilveren wieken, blanker dan sneeuw de duif door het kerkgebouw ; met kloppend harte, met gespannen blik volgt de menigte hare vlucht: wien zal zij als den toekomstigen bisschop aanwijzen ? Zij vliegt de rijen der priesters, der grooten voorbij, om op het hoofd van den eenvoudigen wever Severus te rusten.

Onthutst, als buiten zich zeiven verdrijft Severus de duif van zijn hoofd; maar te vergeefs, zij keert opnieuw tot hem terug.

Men had nu den bisschop gevonden ! Doch neen, velen verzetten zich tegen deze keuze.

ocr page 15

11

Toen men den volgenden dag wederom vergaderd was, had Severus zich tusschen de menigte gemengd; maar de wonderbare bode van den H. Geest maakte hem op nieuw aan het volk bekend als den uitverkorene van God. Zelfs waagden het sommigen den derden dag nogmaals een teeken des hemels te vragen. En ten derde male bevestigde de H. Geest zijne keus, door de duif neer te zenden op Severus' hoofd.

Intusschen moest de zichtbare Plaatsbekleeder van Jesus Christus de aanwijzing van Severus als bisschop van Eavenna nog bekrachtigen. Gelijk de H. Franciscus van Assisië, na den aflaat van Portiuncula rechtstreeks van Onzen Goddelijken Zaligmaker te hebben verkregen, hem eerst nog volgens goddelijk bevel aan de goedkeuring van den Paus van Eome moest onderwerpen ; zoo ook wilde God, dat zrn Plaatsbekleeder op aarde de keuze bevestigde, die de Hemel door de wonderbare nederzending van de duif had gedaan. Men zond daarom gezanten naar Julius I, die destijds op den Stoel van Petrus zetelde. Zoozeer was de Paus met de aanwijzing van den eenvoudigen wever ingenomen , dat hij zelf in persoon hem de bisschoppelijke wijding toediende.

God laat zijn werk niet onvoltooid. Alvorens de arme onwetende Visschers van Galilea ter bekeering der wereld door Christus werden uitgezonden, moesten zij de komst van den H. Geest afwachten. „En toen de dagen van het Pinksterfeest vervuld werden, zoo verhaalt de H. Lucas in de Handelingen der Apostelen (2 1, 5), waren zij allen te zamen op dezelfde plaats. En plotseling ontstond er uit den hemel een geluid als van een aankomenden hevigen wind, en vervulde heel het huis, waar zij gezeten waren. En er verschenen hun verdeelde tongen, als van vuur, en op eenieder van hen zette zich eene neder. En zij werden allen met den H. Geest vervuld, en begonnen in verschillende talen te spreken, naar dat de H. Geest hun gaf uit te spreken.quot;

Zulk eene wonderdadige verandering mochten de geloovigen van Ravenna ook in Severus bewonderen. Als bij tooverslag was de onwetende wever met een groote wijsheid begaafd. Omniddelijk na zijne wijding besteeg hij den predikstoel, en hield tot verwondering van allen eene rede, waarin echte godsvrucht en diepe geleerdheid uitblonken. „Zie,quot; aldus de geschiedschrijver Agnellus, „de H. Severus, die onwetend was en als zonder kennis, wordt door den Geest van waarheid bezocht, en veranderd in een uitstekend leeraar.quot;

ocr page 16

12

Wie staat hier over deze keus van den H. Geest niet verbaasd ? — Doch reeds lang te vuren had de profeet Isaïas op goddelijke ingeving voorzegd: „Op wien zal Ik neerz'en , zoo niet op den arme, en op den vermorzelde van geest, en op wie eerbied heeft voor mijne woorden.quot; (Isaïas 66, 2.)

In de kerk van Ravenna waren vele voornamen dezer aarde vergaderd. Grooten Jer wereld, die roemen konden op een adellijk voorgeslacht, op luisterrijk volvoerde daden ; rijken, die in schitterende paleizen door tallooze bedienden omgeven een vorstelijke praal vertoonden; mannen, die om hunne verstandelijke vermogens en kennissen de bewondering van velen wekten. Doch ziet, deze allen gaat de H. Geest voorbij , en een armen wever keurt Hij den bisschopszetel het meest waardig.

Eu toch God, de oneindige Wijsheid zelve, bedriegt zich niet, en kan zich niet bedriegen. Welnu, in het oog van God is de rijke om zijn rijkdom niet meer waard, evenmin als de arme om zijn armoede minder geldt voor Hem; de geleerde staat om zijne geleerdheid niet hooger aangeschreven bij God, en de onwetende is om zijne geringe kennis den Heer niet minder dierbaar. „Beter is een nederig landman, zegt Thomas van Kempen (2, 1,) die God dient, dan een hoogmoedig wijsgeer, die den loop der sterren volgt, terwijl hij zich zeiven veronachtzaamt.quot;

En waarom nu oordeelt God een mensch om zijne afkomst, stand, rijkdom, geleerdheid, macht en eer niet grooter dan iemand , die al deze uitwendige goede, en mist ? Luistert naar het woord van Zijne Heiligheid den Paus, die in zijne Encycliek „Over het lot der arbeidersquot; dit duidelijk aangeeft.

„Hun , .die geen goederen der fortuin bezitten , leert de Kerk, dat armoede voor het oog der Eeuwige Waarheid niet in het minst schandelijk is, en dat hij, die door handwerk in zijn onderhoud voorziet, daardoor in geenen deele zich zeiven ohteert. Christus de Heer zelf heeft door daad en voorbeeld die waarheid bekrachtigd, Hij , die voor het heil der menschen , „arm geworden is terwijl Hij rijk was,quot; (2 Cor. 8, 9) en die, hoewel Hij de Zoon van God en zelf God was, toch voor den Zoon van den timmerman werd gehouden en het grootste gedeelte zijns levens met lichame-lijken arbeid in de werkplaats doorbracht. „Is deze niet de timmerman, de Zoon van Mariaquot; (Mare. 6, 2)? Hij, die dit goddelijk verheven voorbeeld met ernst betracht, zal gemak-kelijker begrijpen , dat de ware adel en grootheid van den mensch berusten in zijne zedelijke eigenschappen, dat wil

ocr page 17

13

zeggen, in zijne deugd; dat de deugd echter een goed is, voor allen bereikbaar, voor den laagst zoowel als voor den hoogst geplaatste, voor den rijke en den arme, en dat niets anders dan de beoefening der deugd, het verwerven van ware verdiensten, voor den mensch den hemel kunnen openen.quot;

Wanneer gij deze woorden nagaat, ziet gij dat de Paus een mensch niet om zijn stand, rijkdom, geleerdheid waarlijk groot noemt, maar om het bezit van deugden. Voor alle menschen nu zonder onderscheid is die deugd bereikbaar. Dus etn werkman kan even groot, even rijk aan deugden zijn als zijn patroon, ja dezen zelfs overtreffen.

Want gij zult toch wel niet beweren, dat voor den aanzienlijke dezer aarde de deugd gemakkelijker te beoefenen is dan voor den arbeider. Dit toch zou uitdrukkelijk in strijd zijn met de onfeilbare uitspraak van Jesus , die zegt: „Hoe moeilijk zullen zij, die rijkdommen bezitten, het Rijk Gods ingaan.quot; (Mare. 10, 23;.

En wanneer wij de zaken nu zoo beschouwen, gelijk ze trouwens in werkelijkheid zijn, moeten wij dan niet tevreden zijn met den staat en stand, waarin wij door God geplaatst' zijn ? Deze komt als een koningszoon ter wereld; gene aanschouwt in eene armoedige woning het levenslicht; sommige kunnen op rijke, edele ouders wijzen , anderen hebben een eenvoudigen werkman tot vader. Of wij tot dezen of genen der bovengenoemde standen behooren , hangt niet van ons zei ven af, maar dit wordt beslist door God, die in zijne eindelooze liefde ons juist in dien stand heeft geplaatst, waarin wij onze zaligheid kunnen bewerken.

Oordeelen dan die peisonen juist, die zich verongelijkt,

vernederd, vertrapt gevoelen, omdat zij...... maar werkman

zijn? Wat denken van de arbeiders, die met zeker gevoel van afgunst en wrok naar de rijken opzien, en zich zeiven

ongelukkig en door God misdeeld noemen, omdat zij......

geen overvloed hebben? — Neen, dergelijke meeningen en uitspraken komen uit het hart en den mond van een godloochenaar, van een socialist; maar verre, zeer verre moeten zij uit het gemoed van een christelijken werkman verwijderd blijven. In de oogen van God, in de oogen van den Christen, ja in de oogen van ieder rechtschapen mensch, is het volstrekt geen schande en volstrekt geen ongeluk, door handenarbeid zijn brood te verdienen.

Er worden meer tevreden en gelukkige menschen gevonden onder den werkenden stand dan onder de grooten

ocr page 18

14

en aanzienlijken der wereld. ,Het spreekwoord zegt: „Iedere stand heeft zijne genoegens en lasten,quot; — wat ook werkelijk zoo is ; doch de werkman beschouwt maar al te dikwijls in zijn stand slechts de lasten en moeilijkheden, en in de zoogenaamde betere standen slechts de genoegens en de aangename zijde, waarin juist de groote dwaling gelegen is. Zoo hij ook de lasten, zorgen en moeilijkheden, welke men in de huizen der rijken, in de paleizen vindt, kende . dan zou hij geheel anders en volkomen volgens de waarheid oordeelen. Heeft men in den gewonen regel niet meer last van pijn in het hoofd, dan van pijn in handen of voeten? Zoo ondervinden de rijken ook meer het gewicht van het kruis, dat hen drukt, dan de armen ; vandaar het spreekwoord: „De arme heeft een kruis van hout, de koning echter een van goudquot;; — welk kruis is nu zwaarder?'^1)

Nimmer mogen wij vergeten, dat de rozen van volmaakt geluk op deze aarde niet bloeien ; eerst in den Hemel zullen zij het hoofd van den overwinnaar sieren. Maar wanneer wij met tevredenheid oprecht er naar streven Gods Wil te volbrengen , dan bewandelen wij den weg, die ons reeds op deze aarde het dichtst tot het wezenlijke geluk voert. In uw midden ziet gij zoo menig gezin tevreden hunne dagen slijten. Overvloed wel is waar kennen zij niet, maar toch zij verdienen hun brood; zij vervullen getrouw hunne godsdienstplichten, en brengen aldus in rust hun leven door. En is dit niet verre te verkiezen boven rijkdom en genoegens, zonder vrede des harten?

Een treffend woord wil ik hier nog aanhalen, dat Mgr Bottemanne, Bisschop van Haarlem, op den T*3611 September '95 den leden van den Roomsch-Katholieken Volksbond te Amsterdam toesprak. „Ik behoef u niet aan te sporen tot vrede en eensgezindheid; — tweedracht, harde woorden, woelige tooneelen zijn van zelf uitgsloten in eene vergadering van waarlijk katholieke personen. Maar wat ik in de eerste plaats u wil zeggen is: Weest nooit ontevreden, en wilt vooral den geest van ontevredenheid hij anderen niet opwekken. Daarvoor bestaat eenig gevaar. Er zijn verkeerde toestanden in de maatschappij , die verbetering behoeven ; dat erkent gij, dat erken ik; en met het oog daarop hebben wij onzen Volksbond opgericht. Die toestanden maken voor velen uwer het leven hard en bitter, ja soms ellendig. God heeft die toestanden niet geschapen, ze zijn een gevolg der zonde; door de zonde zijn armoede en ellende in de wereld gekomen. Maai' door ontevredenheid worden zij niet weggenomen uit

1

„Vrede in den arbeidquot; p. 27. door P. Oajetanus.

ocr page 19

15

de wereld: ontevredenheid verzwaart het lijden, dat alleen door tevredenheid dragelijk wordt.

„Misschien denkt iemand: Dat wordt gemakkelijk gezegd door hen, die in overvloed leven kunnen ; doch men moet maar eens armoede en gebrek ondervonden hebben.

„Die heb ik ondervonden, geachte leden van den R. K. Volksbond. Ik treed niet in bijzonderheden, maar er is een tijd geweest in mijn leven , waarin ik armoede en gebrek geleden heb. Ik ken dus dien toestand. En tocii denk ik thans, nu ik die tijdelijke zorgen niet heb, toch denk ik thans dikwerf: hoeveel gelukkiger zijt gij, armoedige maar godsdienstige arbeider op het platteland, hoeveel gelukkiger zijt gij dan uw Bisschop, wiens leven een aaneenschakeling is van kommer, zorgen en verdriet. Ze kwamen dan ook uit den grond van mijn hart, de woorden, die ik den grijzen Aartsbisschop op zijn sterfbed toesprak : „Monseigneur, wat zal ik u veel zeggen? Wij weten het beiden evengoei: een bisschop verlaat gaarne de wereld.quot; Doch daarom zal ik niet morren of ontevreden zijn ; neen , de ketting met het kruis op mijn borst herinneren mij voortdurend, dat mijn God, mijn Zaligmaker het is, die mij aan mijn bisdom heeft vastgeketend.

„ Hoevelen zouden er zijn, die schijnbaar gelukkig zijn, docli in werkelijkheid een bitter leven leiden. Trachten wij derhalve tevreden te zijn. Daarom behoeven wij echter niet stil in ons lot te berusten. Integendeel, wij moeten allen, voortdurend en met vereende krachten, ons best doen , om de verkeerde toestanden in de maatschappij te verbeteren. Dat is het doel van den Volksbond, die te recht den naam van Volksbond draagt; want tot het volk behooren armen en rijken, en alle klassen van het volk moeten tot dat doel samenwerken.

„Maar ziehier mijn tweede vermaning: weest bij dat werk niet ongeduldig, maar geduldig. De wanverhoudingen, die wij willen wegnemen, zijn niet eensklaps ontstaan, maar langzamerhand in het maatschappelijk leven doorgedrongen ; ze eensklaps doen ophouden kan niemand, zelfs met den

besten wil der wereld. En revolutie..... zij zou de ellende

slechts verzwaren en ten top voeren!

„Denkt derhalve niet dat uwe veelvuldige wenschen, opgenomen in uw program, vervuld zullen worden daags nadat gij ze hebt uitgesproken ; denkt niet dat de Hooge Regeering des Lands in staat is dadelijk aan al uwe verlangens te voldoen. Dooi' met geduld en bezadigdheid te

ocr page 20

16

■werken en te blijven werken, daardoor zullen wij, met Gods hulj) en genade, eindelijk ons doel bereiken.quot;

Wij meenden goed te doen, met deze woorden van Haarlems Bisschop in hun geheel op te nemen. Niet alleen toch worden hier in zulke heerlijke bewoordingen alle werklieden tot tevredenheid in hun stand aangemaand; maar meer bijzonder worden de leden van den R. K. Weversbond, ja van ieder gilde of vereeniging, er met nadruk aan herinnerd, dat hun doel niet op één dag kan bereikt worden, en hunne plannen niet oogenblikkelijk verwezenlijkt. Met kalmte en zekerheid, en niet met overdreven heethoofdigheid, moet men naar verbetering van toestanden streven. Op deze wijze ook zal men langzamerhand de tegeningenomenheid van sommigen voor het bondsleven zien verdwijnen, omdat men zien zal, dat geen ontevredenheid de leden vereenigt, maar een rechtmatig verlangen naar verbetering van hun lot.

Hieruit volgt, dat ontevredenen, mopperaars, afgunstigen niet in een R. K. Gild te huis behooren: want het past den Christelijken werkman niet, den rijke als zijn natuurlijken tegenstander te beschouwen, alleen omdat hij meer geld heeft; het past hem niet, ontevreden met zijn stand, jaloeische blikken te werpen op zijn patroon.

Het verschil van hoogere en lagere standen is door God ■zelf gewild. Waarom ?

Omdat God niet aan alle menschen dezelfde gezondheid en krachten , niet dezelfde bekwaamheid en aanleg schenkt.

Uit deze ongelijkheid volgt van zelf ongelijkheid van fortuin, 't Is immers duidelijk dat een sterke of bekwame werkman meer verdienen zal, dan een zwakke of onbekwame arbeider, 't Is immers zonneklaar, dat een koopman, die groote bekwaamheid heeft voor zijn zaken, beter vooruit zal komen, dan zijn vriend, die minder handig is.

Het verschil van standen komt van God. Want zonder rijken en armen, zonder gegoede burgers en arbeiders zou de maatschappij niet kunnen bestaan. Of zeg mij eens, als alle menschen even rijk waren, als zij allen een even goed gevulde beurs bezaten: wie zou dan, om maar iets te noemen, mijnwerker willen zijn, of straatveger? Men zou voor vele bezigheden, die toch noodzakelijk verricht moeten worden, geen werklieden vinden. Doch hoe zou het met de maatschappij geschapen zijn, als er niemand wilde dienen, maar allen meesters zijn? De maatschappij zou dan immers niet kunnen bestaan. Nu echter kan men voor alle werk-

ocr page 21

17

zaanihedtn banden vinden , omdat men overal voor betaald wordt, en zoodoende blijft de maatschappij in stand. |

Men kan hierover ontevreden wezen , zooals ten allen tijde is voorgekomen, maar dien toestand veranderen kan men niet, want hij spruit, zooals gij ziet, uit de schepping .zelve voort.

Blijf daarom, waarde werkman, met een onderworpen hart uw stand beschouwen , als u door God geschonken. Verzwaar door ontevredenheid het kruis niet, dat ook uw stand meebrengt.

Het leven en voorbeeld van den H. Severus is zeker in staat de ware teviedenheid met uw stand in uwe harten te bevestigen. Het toont u eens te meer, dat er voor God geen verschil van standen bestaat, maar dat slechts hij . die zijne plichten vervult, groot is inGodsoogen. Deze gedachte vooral zal u moed geven, wanneer de arbeid zwaar valt; zij zal u helpen, om in uwe ziel de tevredenheid te bewaren, die niet ten onrechte een zeer groote schat wordt genoemd.

8

ocr page 22

SEMI

De heilige Bisschop. - 3

v*' oeu Saulus vol haat tegen de Christenen deu weg naar Damascus opieed, werd hij plotseling door een heinelsch licht omstraald. Van schrik ter aarde vallend vernam hij deze stem; „Saulus, Saulus, waarom vervolgt gij mij? — „Wie zij t Gij, Heer ?quot; — „Ik ben Jesus, dien gij vervolgt.quot; — En bevende en ontroerd zeide Sualus : „Heer, wat wilt gij, dat ik doen zal?quot; En de Heer sprak tot hem : „Sta op en ga in de stad, en daar zal u gezegd worden wat gij doen moet.quot; In Damascus gekomen sprak Ananias op Gods bevel Paulus aldus toe: „De God onzer vaderen heeft u voorbeschikt om zijnen wil te kennen en den Rechtvaardige te zien, en eene stem uit zijnen mond te hooren; want gij zult bij alle menschen getuige zijn van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.quot;

En nauwelijks heeft Paulus den wil Gods erkend, nauwe -lijks is hij door de wateren des doopsels in Christus' Kerk aangenomen, of hij, die haar voor enkele dagen nog zoo hevig vervolgde, toont zich haar vurig verdediger. Na eenigen tijd op aanwijzing des H. Geestes tot Bisschop gewijd, zien wij hem geheel zijn leven met ongekenden ij ver aan het heil der zielen arbeiden. Vader der zielen, trachtte hij de heidenen voor het ware geloof te winnen ; als herder voedde hij zijne kudde met de leeringen des hemels, en beschermde als leeraar de zijnen tegen de gevaren van ketterij. Geen vervolgingen, geen vermoeienissen, geen dood zelfs zal den H. Paulus in de vervulling zijner verheven plichten doen wankelen.

ocr page 23

19

Hei scheen , dat de wonderbaar uitverkoren Kerkvoogd van Eavenna zich dit verheven beeld eens bisschops ter navolging had voorgesteld. Door de liefde van Christus, die zijn leven voor quot;smenschen zaligheid had opgeofferd, werd ook f^everus aangezet, om de hem toevertrouwde kudde met brandenden ijver te besturen. De heilige Bisschop zal de edele gaven, door God in zijn geest gestort, de rijkdommen van deugd, meegedeeld aan zijn hart, al de oogenblikken van zijn leven besteden voor het geluk zijner schapen.

„Wees een voorbeeld voor de geloovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloofquot; (1 Tim. 4, 12): deze vermaning van den H. Paulus tot zijn leerling Timotheus beschouwde de Bisschop van Ravenna als tot hem gesproken, en trouw bracht hij haar in beoefening. .Want, zoo getuigt van hem de H. Petrus Damianus, toen Severus bisschop werd, zag men hem niet zoozeer in waardigheid klimmen, als wel den berg eener zeer hooge volmaaktheid bereiken.'' Immers daar hij wist, dat onze Goddelijke Zaligmaker gezegd heeft: „Wie eerst gedaan en daarna geleerd zal hebben, deze zal groot zijn in het rijk der hemelen,quot; trachtte Severus zich in alles allen ten voorbeeld te stellen.

Daarna trad hij onverschrokken als leeraar der geloovigen op. Niet zonder reden toch wordt door den bisschop bij zijne wijding het Evangelieboek eex'st op de schouders, en vervolgens in de handen gedragen. Dit toch is als een zinnebeeld van de verheven zending, die op hem rust, om niet alleen het woord Gods te bewaren en te vertolken, maar ook Gods wil en verlangen aan zijn volk bekend te maken. „Dit is het wonder dat ik in Severus ontdek, zoo getuigt een groot schrijver, zijne leering is eene spijs, niet van de aarde, maar van den Hemel, die gelijk eertijds het manna een menigte van personen voedt. Hij bad, hij vermaande, hij overtuigde maar altijd met liefde, minzaamheid en zachtzinnigheid ; hij beminde de zaligheid der zondaren en daarom beweende hij hunne blindheid ; hij toonde hun den gruwel der zonde, de waarde der deugd. Hierdoor kwam de zegening die God zoo overvloedig aan zijne bediening gaf; hierdoor ontstonden de verzuchtingen, die zijne toehoorders hemelwaarts stierden, en de tranen van leedwezen , die aan hun oogen ontvloeiden; hierdoor verzamelde hij na zijne evangelische prediking die vruchten van boetvaardigheid, als de eenige schatting, die hij van zijn arbeid begeerde. Zondaren ontvangen, h^n aanmoedigen, hun raad geven en levensregelen , overeenkomstig hun staat voorschrijven, en dit alles met 9ene wijze zachtmoedigheid, die hen overtuigde

ocr page 24

om liuu plicht te omhelzen: ziedaar de vreugde van Severus' ziel.

Bij deze zachtmoedige leering voegde de H. Bisschop de zachtmoedigheid van zijn gedrag in het bestuur der zielen. Wat een nieuw veld opent zich hier voor mij! Wat zal ik van de wonderbare uitwerkselen zeggen, die zulk bestuur in de Kerk voortbracht? Het was niet noodig zijne stem te hooren, om in hem den geest van ware zachtmoedigheid te bewonderen, het was voldoende acht te slaan op zijne werken, en aanstonds erkende men in hem een volmaakten leermeester dezer deugd. Den smaad hem aangedaan bleef hij nimmer indachtig; integendeel, zijne beleedigers omhelsde hij als vrienden , zijne vervolgers als weldoeners, zoodat hij ook door de zachtmoedigheid zijner voorbeelden den geest der christelijke godsvrucht in de Kerk van Ravenna deed herleven.quot; Nog grooter levenwekkende kracht zal God aan de prediking van Severus meedeelen.

Wanneer God eene bevoorrechte ziel tot eene ongemeene heiligheid opvoert, ziet men die verborgen grootheid niet alleen door verheven deugden schitteren, maar dikwijls zal God zulk een ongekendén parel van heiligheid door de wonderen zijner Almacht nog in meer helderen glans voor de oogen der menschen doen stralen. Zoo sierde God het hoofd van Severus met den krans der heiligheid, en schonk hem tevens den scepter zijner macht „de genade om wonderen te doen.quot; „Men verhaalt, zoo getuigt zijn beknopte geschiedschrijver , dat de Heer door hem vele wonderen en teekenen in zijn volk heeft verricht.quot;

Het volgende heerlijke feit wordt ons door verschillende getuigen bevestigd.

Op zekeren dag toen de Bisschop Severus in zijne kerk te Ravenna het H. Misoffer aan God opdroeg, greep hem de Geest Gods plotseling aan, voerde hem naar de afgelegene stad Mutina (heden Modena), terwijl hij tegelijkertijd, van het gebruik zijner zintuigen beroofd, in zijne kerk aan het altaar bleef.

Verhaalt de geschiedenis van den H. Antonius van Padua niet, dat hij te Montpellier in 1225 op den predikstoel stond ten aanschouwe van eene groote menigte volks, en terzelfder tijd in het koor zijns klooster de gezangen der H. Mis in persoon meezong?

Zoo zien wij den H. Severus door den Geest Gods plotseling naar Mutina verplaatst, onj den stervenden Bisschop Geminianus troost en hulp te bieden.

De Bisschop van Mutina stierf in de armen van den

ocr page 25

21

H. Severus; in persoon droeg deze de heilige diensten voor de rust zijner ziel op, en verrichtte zeil' al de plechtigheden der begrafenis.

Wie beschrijft intusschen de verbazing, die zich van Kavenna's geloovigen had meester gemaakt, toen zij hun geliefden Herder in zulk een onverklaarbaren toestand aan het altaar zagen? Was wellicht hun Bisschop met een Paulus tot den derden Hemel verheven ? Of was hij misschien reeds voor altijd naar zijn waar Vaderland heengegaan ? Men waagde het eindelijk den Heilige met eerbiedige vreeze toe te spreken: vergeefsche poging. Zwijgend als een beeld van marmer stond hij daar. Eindelijk als uit een diepen slaap ontwakend sprak hij op bedroefden toon: „Mijne kinderen, wat doet gij? Waarom mij verontrusten? Ofschoon gij uw Bisschop hier tegenwoordig zaagt, was ik in werkelijkheid op eene andere plaats.quot;

„Waar dan, o vader, zoo riepen allen, waar dan zijt gij geweest ?quot;

„God vergeve het u, mijne zeer geliefde kinderen, hervatte de Bisschop, dat gij mij uit een hemelschen slaap hebt gewekt; want ik ben in de kerk van Mutina geweest, en heb daar de ziel van mijn broeder en medebisschop Geminianus Gode aanbevolen.quot;

Sommigen der aanwezigen kwamen deze woorden ongelooflijk voor. Zij beschouwden zijn verhaal als een droom, en zonden daarom onmiddellijk renboden naar Mutina, ten einde naar den dag en het uur te onderzoeken, waarop de H. Geminianus was gestorven, en tevens door wien deze in zijne laatste oogenblikken was bijgestaan.

De feiten werden geheel en al in overeenstemming bevonden met de woorden van onzen Heilige, en de eerbied, dien de geloovigen hun Bisschop toedroegen , werd door dit wonder niet weinig vermeerderd.

Doch helaas, reeds in die dagen waren er in de Kerk van Ravenna afgedwaalde schapen. Zij hadden de kudde van den Goeden Herder verlaten, verleid door de verpestende leer van den aartsketter Arius, die de Kerk een nieuwe stryd aandeed..

Pas had de jeugdige Kerk van Christus eene vervolging van drie eeuwen glansrijk doorstreden: immers gedurende de eerste 300 jaren van het Christendom stroomde bijna voortdurend het bloed van Jesus' volgelingen, dat door de Romeinsche Keizers werd vergoten ; en ziet. een nieuwe

ocr page 26

22

vijand, gevaarlijker dan de eerste, staat thans tegen de Bruid van Christus, de Katholieke Kerk, op.

Arius , een hoovaardig priester, durfde de Godheid van Onzen Heer Jesus Christus loochenen. Algemeen kwamen de Bisschoppen van het Oosten en het Westen tegen deze valsche leer in verzet, en plechtig werd Arius op het Concilie van Nicea veroordeeld. Door sluwheid en dubbelzinnige geloofsbelijdenissen echter had de aartsketter zich zeiven eenigen aanhang weten te verwerven, zoodat behalve in het Oosten, ook meerdere streken in Italië, waaronder Ravenna, gedeeltelijk door deze valsche leer besmet waren#

Zoodra dan Severus den herderstaf had ontvangen, trachtte hij naar het voorbeeld van onzen Goddelijken Zaligmaker een goed herder te zijn \oor de schapen. „De goede herder, zoo verzekert Christus zelf, geeft zijn leven voor zijne schapen. Maar die een huurling en geen herder is, wien de schapen niet toebehooreu, hij ziet den wolf komen , en verlaat de schapen en vlucht; en de wolf rooft en verstrooit de schapen.quot; (Joïs 10, 11, 13). Onverschrokken immers ging Severus den wolf der ketterij te gemoet. Verder waakte hij met vaderlijke zorg, dat niet meerdere geloovigen door dien wolf werden meegesleept, terwijl hij tevens met ongelooflijken ijver er naar streefde, de reeds afgedwaalde ketters tot den waren schaapstal terug te voeren.

Nog korten tijd slechts was er sedert zijne bisschopswijding verloopen, toen door den Paus, te Sardica in Illyrië, een nieuw Concilie tegen de Arianen werd belegd. In die eerbiedwaardige vergadering van bisschoppen wist Severus door den schat van geleerdheid, die hem zoo wonderdadig was ingestort, degeslepene sluwheid van Arius te ontmaskeren, en zijn krachtdadig optreden ter verdediging van het Concilievan Xicea bracht er niet weinig toe bij, dat de leer van het eerste Algemeen Concilie op nieuw werd bevestigd, en de aanhangers van Arius van hunne waardigheid werden ontzet.

Met nieuwen moed bezield keerde de Bisschop van iit Concilie naar Ravenna terug, om den verwoesten wijngaard' door de prediking der ware leer zijn eeisten bloei te hergeven. Gods genade zal zijn arbeid met den besten uitslag bekroonen.

„Overal, zoo verhaalt de reeds genoemde schrijver, plantte hij den standaard van het ware geloof, overal zag men kerken herleven, overal werd de verdrukte godsdienst in zijn vroegeren luister hersteld. Iedere dag voerde nieuwe-

ocr page 27

23

onderdanen tot Jesus, en iedere dag vergrootte den oogst, dien Öeverus' zorgen inzamelden. Een mensch van de zonde tot den staat van genade roepen, is veel, zegt Petrus Blasius; iemand van den afgodendienst tot de kennis van den éénen-waren God terug te roepen, is iets meer; maar een persoon van eene vrijwillig omhelsde dwaling tot de ware leer terug te roepen, is een soort van wonder. — Severus werkte dit wonder uit, en wel met zoo gelukkig gevolg, dat hij, bij de verkondiging der waarheid, aanstonds veler oogen voor het licht des geloofs opende. De duivel der ketterij zweefde van alle kanten, maar de ijverige bisschop Severus vervolgde hem vooral in Ravenna, waar deze sterk gewapend in vrede heerschte. De hel zelf wordt beschaamd, hare dienaren, de verkondigers der dwaling, worden aan het wankelen gebracht: Severus overtuigt hen, en verandert velen hunner in dienaren van het Evangelie. Waar vond Severus het geheim, om deze wederspannige geesten te overwinnen ? Welke wapenen gebruikte hij tegen de geesten der duisternissen, en welke liefdevolle middelen wendde hij aan, om de trotschheid dei-ketters te buigen ? — De minzaamheid , de goedaardigheid van Severus, deze won hem de harten van zoovelen. „Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten.quot; Ja de christelijke zachtmoedigheid deed hom alles verdragen, en maakte hem alles mogelijk. Uit dit alles maak ik deze gevolgtrekking, dat hij door de deugd van zachtmoedigheid zoo luisterrijk over dwaling en ketterij heeft gezegevierd.quot;

Ziedaar, welke edelmoedige pogingen de heilige Bisschop aanwendde, om het geloof te bevestigen in de harten zijner kinderen, het geloof te planten in de zielen der afgedwaalden. Hot verlangen naar het wezenlijk geluk zijner onderhoorigen, de liefde voor het ware heil der zijnen gaf hem krachten te midden van zijnen zwaren arbeid in het verkondigen van het geloof. Dat wezenlijk geluk, dat waarachtige heil gaat met de weldaad des geloofs voor den mensch verloren, maar wordt tevens door de vermeerdering van dit geloof overvloediger genoten.

De H. Severus wist bij ondervinding, dat het geloof den mensch gelukkig maakt, voor zoover geluk op deze wereld kan bestaan, en vandaar zijn voortdurend ijveren, om anderen in dat geluk te doen deelen.

Stof immers kan nooit voldoening geven aan eeu geest. Wel kan iemand een oogenblik meenen het geluk in aardsche zaken te kunnen bereiken, maar weldra zal hij zich bedrogen vinden. De groote zoon van David, de machtige en wijze Salomon, kan meer dan wie ook van ondervinding spreken.

ocr page 28

24

Luistert daarom waarde lezer naar zijne eigene woorden.

„Ik maakte mij groote werken ; ik bouwde mij huizen , ik plantte wijngaarden ; ik maakte mij hoven en lusthoven: waarin ik boomen plantte van allerlei vrucht; ik maakte water vijvers om het woud dat van boomen groende te besproeien , ik verkreeg knechten en maagden en kinderen des huizes; ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen die vóór mij te Jerusalem geweest waren; ik vergaderde zilver en goud en kleinodiën der koningen en landschappen , ik bestelde zangers en zangeressen en de verlustingen der menschenkinderen, bekers en vaatwerk om wijn te schenken ; in rijkdom overtrof ik allen , die vóór mij te Jerusalem waren , ook bleef mijne wijsheid mij bij ; en al wat mijne oogen begeerde onttrok ik hun niet; mijn hart hield ik niet van eenige blijdschap terug, maar het was

verheugd over mijn arbeid..... En toen ik mij gekeerd had

tot al mijne werken, die mijne handen gemaakt hadden: heb ik in alles ijdelheid en kwelling des geestes gezien, en dat niets onder de zon duurzaam is. (Eccli. 1, 2.)

Dit zelfde zal eenieder moeten getuigen, die in het tijdelijke zijn hoogste geluk zoekt. Het hart van den mensch heeft om gelukkig te zijn verhevener zaken noodig, welke de godsdienst alleen schenken kan.

.Willen wij wezenlijk verlicht zijn, aldus de H. Augustinus (Belijd. 5, 4), dan moeten wij wel weten wat God is, wat de ziel is, wat de eeuwigheid is. Wie dit alles kent, weet alles; en wie dit niet weet, kent niets , al kende hij ook al het overige.quot; Welnu die kennis, die ware verlichting schenkt u het geloof.

En ook het geloof geeft u de ware vrijheid. Maar vrijheid moet gij niet met onafhankelijkheid verwarren. Wij zijn schepselen van God, en hangen derhalve van Hem af. Wij moeten dus ook hun gehoorzamen, die God met zijn gezag heeft bekleed, onze geestelijke en wereldlijke oversten; „want er is geene macht tenzij van God.quot; Nu heeft het God aan den vrijen wil van den mensch overgelaten zijn geboden te onderhouden of te zondigen door zijne bevelen te overtreden , doch — de Almachtige schenkt den hemel aan de rechtvaardigen, de straffen der hel daarentegen verdient de zondaar. Zult gij nu dien mensch waarlijk vrij noemen, die de geboden Gods afschudt, de doodzonde bedrijft, en zich aldus schuldig maakt aan de eeuwige pijnen? Voorzeker neen : zulk een mensch maakt zich een slaaf der zonden, een slaaf des duivels. Hij integendeel, die vrijelijk

ocr page 29

25

verkiest het juk van Gods geboden te dragen, zal rust vinden voor zijne ziel en hiernamaals de eeuwige vergelding. Keeds de H. Paulus schreef het aan de Romeinen ; „Verdrukking en beangstiging komt over de ziel van iederen mensch, die het kwade werkt, maar heerlijkheid, en eere, en vrede bekomt eenieder, die het goede doet.quot; (Rom. 2, 9. 10).

'tls waar, het geloof neemt de kruisen en moeilijkheden, den kommer en de ellende van dit leven niet weg, maar het geloof giet toch over al deze wonden van 's menschen hart een verzachtenden balsem. Met doornen blijft wel het levenspad van den Christen bezaaid, maar aan die doornenstruiken ziet hij knoppen ontspruiten r die hem ter eer eeuwig zullen bloeien.

„Gewis uit elke traan, in droefheid hier vergoten,

„Is daar voor u een roos, die eeuwig bloeit ontsproten.quot;

Nu hoort men wel eens beweren , dat de Kerk ons wel op de hemelsche goederen wijst, en de middelen aan de hand doet, om daartoe te geraken, maar dat zij zich om het tijdelijke welzijn der menschen niet bekommert. Dit echter is eene brutale leugen, gelijk de geschiedenis van alle eeuwen toont. Het hoofddoel van Christus' Kerk is voorzeker 's menschen eeuwig geluk te verzekeren, maar ook zijn tijdelijk welzijn ligt de Kerk na aan het hart.

De Kerk zorgt voor den werkman, wanneer zij deu rijke gebiedt zijn minder overvloedig bedeelden medebroeder in zijn nood bij te staan; de Kerk werkt voor het heil van den arbeider, wanneer zij den werkgever wijst op zijne plichten ten aanzien van zijn dienaren ; de Kerk verschaft hulp aan minvermogenden door zoovele duizende instellingen van liefdadigheid op alle gebied: ziekenhuizen , weeshuizen, vondelingshuizen, gestichten voor gevallenen, Vincentius- en Elisabeth-vereenigingen, liefdebroeders en liefdezusters ; ja is het onze H. Vader Leo XIII niet, die door zijn Omzendbrief „Over het Lot der Arbeidersquot; zooveel tot verbetering van den toestand der werkende klasse heeft bijgedragen ?

Hier zal men misschien tegen opwerpen, dat er ook buiten de Katholieke Kerk liefdadigheid wordt geoefend. Doch vooreerst zij opgemerkt, dat die liefdadigheid haar ontstaan nog aan de Katholieke Kerk dankt. Waar immers was de beoefening der liefde, vóór Onze Goddelijke Zaligmaker op aarde verscheen ? En ziet gij thans de liefdadigheid ook door ongeloovigen beoefend, dan moet gij bedenken, dat zulke menschen voortdurend blijken van christelijke liefde aan schouwen, en opgevoed zijn in eene samenleving, die nog

4

ocr page 30

van vele christelijke beginselen is doortrokken. Dit echter is zeker: hield het christendom ooit op te bestaan, uit was het dan ook met de liefde voor den werkman.

Doch vooral op é(',n oogenblik, het laatste dat ons op deze aarde wacht, erkent èn de geloovige èn de vrijdenker den schat des geloofs, de laatste zeer dikwijls tot een vreeselijker foltering, de brave echter tot zijn zoeter vertroosting. Onze ziel heeft een innig bewustzijn, dat zij eeuwig zal blijven voortbestaan. Tijdens zijn leven heeft de ongeloovige de bittere ver wijtingen van zijn geweten zoo dikwijls versmoord door de pleizieren en verstrooiingen der wereld ; maar thans ligt de eeuwigheid als eene onoverzienbare oceaan vóór hem , eu voor dat verblijf heeft hij geene goederen vergaderd. Hoe veel duizenden godloochenaars hebben in die laatste oogenblikken, onder de heiligste bezweringen, hunnen vrienden verzocht een priester aan hun sterfbed te roepen ?

Welk een zaligheid daarentegen is in dit gewichtig uur het aandeel van den brave! Neen, 'tis niet noodig U te wijzen op hetgeen de godsdienst in die oogenblikken schenkt genade, troost, kalmte, vertrouwen op uw toekomenden Rechter. Zoo dikwijls immers hebt gij de zalige rust bewonderd van zoovele geloovigen, die door den godsdienst gesterkt, tevreden de eeuwigheid binnen gingen.

Ziedaar in 't kort slechts, wat al voordeelen gij door uw geloof geniet. Een der grootste weldaden dan ook, die God u schonk, is deze, dat gij in den schoot der Roomsch-Katholieke Kerk zijt geboren.

Voor het behoud van dezen schat zagen wij uw Patroon, den H. Severus, gedurende zijn leven met onbezweken kracht strijden ; alles zagen wij hem voor allen worden, om allen die groote weldaad te verleenen.

Naar dit voorbeeld moet voor u het Geloof de grootste schat zijn. En door te leven volgens de geboden van het Geloof kunt gij vooral uwe liefde voor dien schat toonen. Vermijdt alles wat uw geloof in gevaar brengt: slechte, zelfs neutrale dagbladen, tijdschriften en boeken; vlucht den omgang met losse, op het punt van godsdienst onverschillige makkers; geeft niet toe aan overdreven zucht naar vermaken, waaruit langzamerhand verlies van godsdienstzin en zedenbederf voortkomt. Doch tracht als ware beschermelingen van den grooten Bisschop van Ravenna, als ware leden van den Severusbond door uw geloof in woord en daad èn uwen God te dienen, èn u zeiven gelukkig te maken, èn anderen tot een goed voorbeeld te zijn.

ocr page 31

Zijn gelukzalige Dood.

e midden van de zorgen aan de bisschoppelijke bediening verbonden ; te midden van vele opofferingen, die Severus zich voor de bekeering der ketters getroostte , ging zijn leven voorbij, terwijl iedere dag aan onzen Heilige nieuwe schatten voor den hemel bracht. Het aardsche en vergankelijke vergetend, had hij zijne blikken hooger gericht, om God meer en meer te behagen en zijne glorie te verspreiden.

Gedurende de 44 jaren, dat Severus den bisschoppelijken zetel van Ravenna bekleedde, was hij , naar het woord des Apostels aan Tlmotheus, waakzaam geweest, had hij op alle wijzen geleden , het werk van een evangelieverkondiger verricht en zijne bediening trouw vervuld.

Toen de Heilige Geest hem dan het oogenblik van zijn afsterven openbaarde, mocht hij vol vreugde met den H. Paulus uitroepen: „De tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, den loop voleindigd , het geloof bewaard. Voorts is mij de kroon der gerechtigheid weggelegd, welke de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij te dien dage geven zal , en niet alleen aan mij , maar ook aan hen, die zijne komst liefhebben.quot; (2 Tim. 4, 6. 9).

De omstandigheden, die zijn heiligen dood vergezelden, legden duidelijk getuigenis af, dat eene onwankelbare hoop in zijn liefdevolle ziel leefde. Evenals de H. Joannes de Evangelist, genoot Severus het voorrecht, dat hij zonder de smarten of angsten des doods, als in een zoeten slaap, tot een beter leven overging.

ocr page 32

28

De H. Joiuines, zoo lezen wij bij den H. Gregorius van Tours, beval op bijna honderdjarigen leeftijd, in de kerk van Ephese eene begraafplaats te maken. Omringd door de geloovigen daalt de beminde Leerling in die grafstede neer, stort daar gedurende eenigen tijd een vurig gebed, — en eensklaps verlaat zijne ziel haar lichaam, om op te vliegen tot God. Op het zelfde oogenblik schitterde in de kerk een hemelsch licht, dat door zijn glans de oogen als verblindde. En toen men daarna het graf beschouwde, was het lijk van den H. Joannes niet meer daar, doch met een wonderdadig manna zag men de groeve gevuld.

Treffend was het oogenblik, toen de grijze Severus, op den dag van zijn overgaan tot een beter leven, de geestelijkheid der stad Ravenna met al de geloovigen in de kerk had samengeroepen. De Bisschop had het H. Misoffer aan God opgedragen, en gesterkt door het goddelijk Lichaam en Bloed van Jesus Christus ondernam hij volgaarne de reis naar het hemelsch Vaderland. Eerst echter zou de Herdei nog eenmaal het Brood des Levens voor zijne kudde breken; hij wilde eene spijs achterlaten, welke hun krachten zou geven, totdat zij den berg Horeb, den Hemel, hadden bereikt: hij wilde hen bevestigen in de liefde.

„Kinderkens, bemint elkander,quot; had de Apostel der liefde tot in zijn grijzen ouderdom de geloovigen van Ephese zoo herhaaldelijk toegesproken. Toen men ten laatste die telkens herhaalde vermaning moede was, vraagden hem zijne leerlingen eens ; „Meester, waarom toch zegt gij altijd hetzelfde ?quot; En Joannes gaf daarop dit schoone antwoord: „Dit is het gebod des Heeren; wie dit beoefent, doet genoeg.quot;

Een opwekking tot eensgezindheid en naastenliefde is ook de laatste les, die Severus zijnen kinderen geeft. In eene lange onderrichting, welke hij over dit punt hield, wees hij hun op den plicht, die op hen rustte, elkander te beminnen niet alleen in woorden, maar ook in daden-Had Jesus niet gezegd, dat naastenliefde het onderscheidings. teeken zijner ware leerlingen zou zijn? Had de Zoon van God door woord en daad, door belofte en bedreiging zijn volgelingen niet aangespoord tot beoefening der naastenliefde ? Zoo groote waarde hechtte onze Goddelijke Zaligmaker aan de vervulling van dit bevel, dat Hij, na het gebod van God bovenal te beminnen op de eerste plaats te hebben gesteld, erbij voegde: „Dit is het grootste en eerste gebod. En het tweede is daaraan gelijk ; Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven.quot; Alles wat men den evenmensch deed, zou, Jesus beschouwen als aan zich zeiven gedaan, en dienover-

ocr page 33

29

eenkomstig ook beloonen of bestraffen. „Voor zooveel gij dit aan één van deze mijne geiingate broeders gedaan hebt, deedt ge het aan Mij.quot; (Matt. 25, 40). De liefde is eene schuld , welke niet verminderd of afgelost wordt door ze te voldoen ; neen de naastenliefde is eene onaflosbare schuld, welke dagelijks voldaan wordende nog steeds te betalen overblijft. „Zijt niemand iets schuldig, schrijft de Apostel vermanend tot de Komeinen (13, 8, 11) dan eikander lief te hebben; want die den naaste lief heeft, heeft de wet vervuld. Want het gebod : Gij zult geen overspel doen ; gij zult niet doodslaan; gij zult niet stelen; gij zult geene valsche getuigenis spreken; gij zult niet begeeren ; en wat er verder geboden is, is in dit woord begrepen : Gij zult uwen naaste liefhebben als u zei ven. De liefde werkt des naasten kwaad niet. De liefde dan is de vervulling der wet.quot;

Al deze gevoelens, die zoo diep doorgedrongen waren in het gemoed van Soverus, trachtte hij in zijne afscheidsrede over te storten in de harten zijner kinderen. De Heilige toch bezat of kende geen kostbaarder erfenis dan de parel der liefde. Na deze woorden strekt de Bisschop voor de laatste maal zijne zegenende handen over zijne kudde uit, en begeeft zich, met zijn bisschoppelijk gewaad omhangen, naar de plaats , waar zijn gestorven lichaam zal rusten. Het marmer wordt van de groeve afgewenteld , en ten aanschouwe van al het volk daalt de H. Severus, met eene heilige vreugde op het gelaat, in de tombe neer. Eenige oogenblikken brengt hij in gebed door, daarna geeft hij zijne schoone ziel aan God terug. Het was den lsten Februari van het jaar 400.

Innige gevoelens van droefheid en vreugde moeten het aandeel geweest zijn van Ravenna's geloovigen, die getuigen waren van dit heerlijk sterven! Wordt wellicht zulk een dood niet ten onrechte „stervenquot; genoemd? Intusschen weenden hunne zielen, wijl zij eenen Herder verloren, die alles voor hen was; maar vol blijdschap juichten zij bij de gedachte, dat hun vader, reeds tot het leven der gelukzaligen overgegaan, èn zelf een volmaakt geluk had verworven, èn met niet minder zorg in den Hemel over hunne belangen zou blijven waken.

De onverwelkbare kroon der heiligheid, die God aan zijn getrouwen Dienstknecht in den Hemel verleend had, wierp hare stralen op Severus' graf. „Van dien dag tot heden toe,quot; getuigt een geschiedschrijver der elfde eeuw, „heeft onze barmhartige Verlosser, om de uitstekende verdiensten van zijn dienaar Severus aan allen bekend te maken, ontelbare

ocr page 34

iiU

en buitengewone mirakelen op zijn graf uitgewerkt. ITit deze wonderbare weldaden, die de almachtige God door ziin dienaar den H. Severus heeft verspreid, willen wij de volgende verhalen.quot;

Reeds langen tijd was het zoontje van eene godvruchtige vrouw uit Ravenna door eene aanhoudende koorts gekweld. Niettegenstaande de teedere zorgen der moeder, niettegenstaande al de middelen, door de kunst voorgeschreven, was er in den toestand van het kind geene beterschap te bespeuren. Vertrouwende door de voorbede van den H. Severus den dierbaren kleine spoedig hersteld te zien, besloot zij haar kind op het graf van den Heilige aan God op te offeren. Met enkele barer kennissen wierp zich de bedroefde moeder bij de heilige overblijfselen van Severus neder, en smeekte door zijne voorspraak het herstel van haar lieveling af. Zij besloten den nacht wakende en biddende in de kerk door te brengen ; doch van vermoeienis vielen zij in slaap. — Plotseling worden allen door het geschrei van het kind gewekt, en zie, de lichten in de kerk zijn door eene onzichtbare hand ontstoken. Verwonderd zien zij elkander aan. Daarop zeide de moeder tot haar zoon ■. „Wat toch, mijn kind, wat is er gebeurd?quot; „Ik zag,quot; antwoordde het, „uit dit graf iemand opstaan, die een bisschoppelijk kleed droeg; zijn haar was wit en zijn aangezicht als van een engel. Deze man raakte mij aan, en daarom begon ik van angst te schreien.quot; Doch ook van dit oogenbük af had de koorts den knaap voor altijd verlaten , en een vurig dankgebed mocht uit het hart dei-verblijde moeder tot Severus opstijgen.

De verheerlijkte rustplaats van den geliefden leerling Joannes, zooals de H. Gregorius van Tours en Petrus Danüanus ons verzekeren, werd eene mijn, waaruit velen groote voordeelen wegdroegen. Men behoefde echter niet met moeite naar dien schat te graven. Uit zich zelve bood het graf in overvloed een wonderdadig manna, dat overal verspreid aan vele zieken de gezondheid-terugschonk.

Niet mindei wonderbaar vertoonde zich de kracht Gods bij den grafsteen van den H. Severus. Ruim 5 eeuwen later mocht de groote Kardinaal van Ostia nog getuigen, „dat het niet noodig was te spreken over de mirakelen, die vroeger door Severus' voorspraak zijn geschied, daar men ten dien tijde dikwijls niet weinige wonderen vernam, die in de basiliek, waar zijn lichaam rustte, plaats hadden, lederen dag kon men destijds zien, dat uit het steenen altaar, waaronder hij begraven was, voortdurend een zeer zuiver water vloeide, dat genezing schonk aan vele soorten

ocr page 35

31

van lijdenden. Ziedaar hoe de Almachtige zijne oude wonderwerken herhaalt; ziedaar hoe Hij door een anderen Mozes op nieuw water uit een rots voortbrengt, om door deze uitwendige weldaden in ons het verlangen naar grootere, inwendige gunsten te ontsteken. Hoe velen worden er gevonden, die het geen geringe gunst zouden achten, indien zij de steenrots, waaruit op bevel van Mozes water ontsprong, op dat oogenblik hadden gezien. Welnu, laat hen de kerk van den Heiligen Severus bezoeken, en tot hunne groote vreugde zullen zij niet slechts uit een enkele rots, maar uit meerdere steenen een helder water zien vloeien ; een water, dat den lichamelijken dorst lescht, maar tevens door Gods almacht de kracht bezit verschillende zieken te genezen. En gretig kwam het volk water scheppen uit deze heilaanbrengende bron. Nieuwe genezingen versterkten het vertrouwen der menigte op den invloed van den Heilige bij God, zoodat ten allen tijde velen in lichamelijken en geestelijken nood tot hem hunne toevlucht namen.quot;

„En waarom dit alles?quot; vraagt zijn geschiedschrijver. „Omdat men er niet aan kan twijfelen, of Severus verkrijgt alles, wat hij van den almachtigen God wil vragen.quot; In waarheid, het scheen, dat God door een voortdurend mirakel den lof van zijn dienaar Severus wilde verkondigen , en gestadig door zijne tusschenkomst nieuwe gunsten verleenen.

In het begin der elfde eeuw werd de streek in den omtrek van de stad Classis verwoest door eene bende soldaten , die daar gelegerd waren. Ook de tuin van het Sint Severus-klooster, dat destijds bewoond werd door Cistercienser-monniken, bleef niet geheel voor hunnen moedwil gespaard. De soldaten drongen den tuin binnen, stalen de vruchten en gingen deze onder de asch braden. Doch o wonder! Nauwelijks hadden zij een enkele beet van de gestolen vruchten genomen of ziet, hun mond is vol bloed, de handen vol bloed, zelfs het mes, dat gebruikt werd, droop van bloed. Allen waren doodelijk verschrikt. Niemand kon eenige verklaring geven. Eindelijk kwam men op de gedachte, dat het gebeurde wel eene straf kon zijn van God, omdat men de plaats aan St. Severus toegewijd, niet had geëerbiedigd. Allen begaven zich nu naar de kerk van St. Severus, teneinde den Heilige vergiffenis te smeeken. Nauwelijks hadden zij hunne schuld beleden en vergeving gevraagd, of het bloed hield op te vloeien.

Wanneer wij deze wonderwerken herdenken, mogen wij niet vergeten, dar, God bij het verleenen van tijdelijke gunsten steeds een hooger doel nastreeft. Het eeuwige heil, het

ocr page 36

geluk der zielen, ziedaar wat door ieder wonder kan worden verzekerd. Gelijk Onze Goddelijke Zaligmaker, tijdens zijn zichtbaar verblijf op aarde, tijdelijke gunsten uitdeelde, vele wonderbare genezingen werkte, om daardoor den menach met het geloof zijn goddelijke liefde in te storten ; zoo ook zullen de mirakelen, door God op voorbede zijner Heiligen verricht, meestal met een tijdelijke gunst ook geestelijke voordeden verschaffen. Immers door deze wonderen wordt in de harten van velen het geloof bevestigd, het vertrouwen vergroot, de liefde vermeerderd. en de glorie van Gods vrienden in niet geringe mate uitgebreid. Zoo zijn ook de wonderen, op het graf van den H. Severus geschied, als even zoo vele rozen , wier geuren en kleuren God verheerlijken, de heiligheid van Ravenna's grooten Bisschop verkondigen , en ons met grooter liefde en eerbied voor onzen heiligen Patroon bezielen.

Zelfs nadat de overblijfselen van den Patroon der Wevers naar elders waren vervoerd, bleef de plaats, waar zijn lichaam had gerust, een gezegend oord, waar velen doorzijn voorspraak weldaden kwamen afsmeeken, en God door vele wonderen zijn Dienaar verheerlijkte. Immers niet altijd is het kostbaar overschot van Severus in Ravenna blijven rusten. Een zekere Pelix had in 't geheim de heilige overblijfselen van Severus naar Ticino overgebracht. Toen nu Othgarus, Aartsbisschop van Mentz, met een zending van Lodewijk den Vromen in het jaar 836 te Ticino kwam, zocht Felix den prelaat op en schonk hem de relikwieën. Na zijn zending vervuld te hebben, vertrok Othgarus en voerde den heiligen schat naar Mentz. Met den grootsten eerbied en luister werden Sint Severus' overblijfselen door de priesterschap en het volk ontvangen, en op eene eervolle plaats in de .'t. Albanuskerk neergelegd.

Later deed Othgarus het gebeente van St. Severus overbrengen naar Erfurt. Talrijk waren de wonderen, die gedurende dezen tocht plaats grepen. Vier gezusters uit Thuringen kwamen onder eene groote menigte de heilige gebeenten te gemoet. De oudste werd plotseling door den duivel bezeten, die haar ten aanschouwe van allen vreeselijk kwelde. Een priester Reginharius, die veel macht bezat over de duivelen, verloste haar. De duivel echter nam daarop bezit van eene tweede zuster en zoo vervolgens ook van de derde en vierde. Telkens verjoeg hem de dienaar Gods met de woorden: „Non nobis Domine, non nobis, sed nomini tuo da gloriam.quot; Toen de duivel de laatste moest verlaten riep hij ten aanhoore van allen: „Wee ons ellendigen ! Zoo

ocr page 37

33

lang hebben wij dit land in ons bezit gehad, en thans moeten wij het verlaten om de komst van den heiligen Severus; thans kunnen wij hier niet langer de macht uitoefenen, waarmede wij tot nu toe hebben geheerscht.quot; En dit gezegd hebbende, verdween hij.

Het gebeente van Severus werd gebracht naar de kerk van St. Paulus. Ook daar bleef God zijn heiligen Dienaar met tal van wonderen verheerlijken.

Ongeveer een halve eeuw geleden schonk de Aartsbisschop van Mentz aan den Hoogeerwaarden Abt van het klooster, dicht bij Ravenna gelegen, eene aanzienlijke reliek van Severus' lichaam. Zoo keerde na eeuwen deze H. Bisschop naar zijne schapen terug. Geen heerlijker geschenk kon Ravenna's kerk ontvangen , door wie onze Heilige te allen tijde is vereerd, en allerzekerst ook tot het einde der dagen vereerd zal worden.

Is dan de vereering, die de strijdende Kerk aan hare overwinnaars in de triomfeerende Kerk, aan de Heiligen schenkt, niet waarlijk groot? De Kerk moedigt hare kinderen aan op de graven der Gelukzaligen hunne voorspraak in te roepen ; zij plaatst hunne beelden op hare altaren, waar hun ter eer de H. Offerande aan God wordt opgedragen ; jaarlijks laat zij hare bedienaars door de kerkelijke getijden den lof der Heiligen verkondigen. De liefde der geloovigen tot Gods vrienden in den hemel vlecht een gloriekrans om hun hoofd. En toch al deze eer, waarbij de aardsche glorie in het niet verdwijnt, is slechts eene enkele straal der heerlijkheid, die de Heiligen in den Hemel siert. Wij wagen het niet den luister van ons aller toekomstig Vaderland nader te beschrijven. Indien een Paulus, na tot den derden Hemel te zijn opgenomen, verklaart, dat noch heeft oog gezien, noch oor gehoord, noch ooit in 's menschen hart is opgekomen, wat God, bereid heeft voor degenen, die Hem beminnen; indien Paulus in dat verblijf der Zaligen geheime woorden, geheime zaken gehoord heeft, die het een mensch niet geoorloofd is te spreken (2 Cor. 12, 4), omdat zij door geen menschelijke taal vertolkt kunnen worden ; dan moeten wij wel overtuigd zijn, dat de Hemel genoegens bezit vele in getal, en groot in hoedanigheid, doch vruchteloos zouden wij de heerlijkheid willen teekenen, die daar de H. Severus als een onvergankelijk erfdeel geniet.

Zijne liefde, waarmee hij God bovenal beminde; zijne liefde, waardoor hij niets onbeproefd liet, om zijn evenmensch voor God te winnen, was de bron, waaruit in al zijn werken «en bovennatuurlijk leven stroomde, die ze een eeuwige

5

ocr page 38

84

belooning waardig maakte. Geen wonder derhalve, dat deze man van liefde ook anderen door dat zelfde vnur wenschte re ontsteken! Geen wonder, zoo zijn laatste woord eene opwekking was, dat zijne kinderen elkander zouden beminnen !

En zou dan Sevems' voorbeeld, zou deze vermaning tot onderlinge verdraagzaamheid en liefde geene bijzondere betrekking hebben op hen , die dezen Heilige voor hun Patroon kiezen, en die, onder zijne bescherming tot een Bond vereenigd, hetzelfde vak uitoefenen als hij ?

Zorgt daarom, dat de broederlijke liefde het teeken blijve, waaraan men u erkent ais katholieken, en dat een nog inniger liefde heersche onder u, die door het streven naar een zelfde doel zijt verbonden. Ik zeg meer : wilt gij eenmaal uwe verlangens bevredigd zien, dan is het noodzakelijk , dat gij u beijvert de liefde tot God , de ware liefde tot u zei ven , de liefde tot elkander meer en meer in uwe harten te ontvlammen.

En mij dunkt, dut ik tot uw voorbeeld en aanmoediging niet beter kan doen , tenzij in korte woorden voorstellen, op welke wijze de oude gilden dat drievoudig doel nastreefden. Gij weet immers, dat, naar het verlangen van Leo Xill, de geest der middeleeuwsche bonden ook de vereenigingen van onzen tijd moet bezielen.

Indachtig aan het bevel van God: „Gij zult den Heer uwen God beminnen bovenal,quot; hadden de gilden de verheerlijking van hun Schepper boven in hun vaandel geschreven. Want wat wij in de keur van 't Kuipersgild te Amsterdam als doet dezer vereeniging zien aangeduid: „Den dienst Gods te vermeerderen ende te onderhouden; in de tweede plaats 't voorzeide ambacht in goede geregeltheit te bewaren;quot; datzelfde was van kracht voor alle middeleeuwsche gilden. Vandaar dat een protestantsch geschiedschrijver getuigt: „Te • 'sGravenhage hadden de voornaamste gilden in de Sint Jacobs-kerk, ieder hun bijzonder altaar, Priester of Kaplaan tot verrichting van den godsdienst, jaargetijden en andere kerkplichten ; alsmede dezen of genen Schutsheilige tot hunnen Patroon.quot; Het was vooral op de patroonfeesten, dat de gilden blijk gaven te verstaan, hoe zij God in zijne Heiligen konden eeren. Op dien dag noodigden de vroolijke klokken al de gildebroeders ter kerke; aan hun eigen altaar, dat in feestgewaad prijkte, werd de H. Mis ter eere van hun Beschermer opgedragen, terwijl allen tot de H. Tafel naderden; een ge-zamelyk dankgebed werd voor de ontvangen zegeningen gestort en nieuwe gunsten voor het komende jaar van God afgesmeekt; een processie met de relieken van hun Patroon sloot de plechtigheid.

ocr page 39

85

Daarna brachten , de gildebroeders den dag in een genoeglijk samenzijn door. Op een bijzondere wijze werden bij die gelegenheid de armen bedeeld. Zoo leest men van sommige gilden, dat ter eere van hun Patroon 12 armen moesten gespijsd worden, en aan even zooveel schoolkinderen een goed stuk vleesch en brood geschonken.

En de gewone vergaderingen der gilden? — Ook deze waren echt godsdienstig. Oordeelt zelf. In de Beschrijving van Delft leest ge; „ Als die gilde-broeders 's avonts in 't Keyzers-

Hof vergadert zijn,...... zoo zal elk zwijgen, ende lezen een

Pater Noster en Ave Maria, voor die gildebroeders, die uit den gilde gestorven zijn, ende voor alle christen gelovige zielen. Noch een Pater Noster ende Ave Maria, voor die gilde broeders, die alsnog in 't gilde zijn, dat haar Godt neringe verlene tot haarluyder Ziele Zaligheit.'quot; Sprekend, niet waar? Doch vooral wat in die vergaderingen werd besloten, verkondigde luide haar godsdienstig karakter. Een flinke ondersteuning uit de gildekast was bepaald voor een zieken gilde-broeder en voor de ouden van dagen. Voor de aanneming-van nieuwe leden stond het vast, dat er op hun zedelijk gedrag niets moest af te keuren zijn. Een gezel kon den meesterstitel niet verwerven, zoo hij zich schuldig had gemaakt aan onzedelijkheid, of overgegeven was aan spel of dronkenschap. Om verschillende misdaden konden zelfs meesters uit het gilde verwijderd worden, terwijl men om geringere overtredingen met eene som gelds werd beboet.

„In sommige gildenquot;, zoo schrijft Moll in zijne kerkgeschiedenis van Nederland, vóór de Reformatie, ..moesten de leden bij hunne opneming in de gezelschappen belofte doen, dat zij op Zon- en feestdagen niet zouden arbeiden ; dat zij in hun handel zich van alle bedrog zouden onthouden ; dat zij niet zouden vloeken of zweren, liegen of twisten; in de meeste gilden was het gewoonte, de vergadering met een gebed te openen, „een paternoster en Ave-Maria voor de goede nering en de zielen zaligheid te lezen.quot;

Wat was het verder een heilzaam voorschrift, dat den meesters gebood, als vaders voor hunne leerlingen en gezellen te zorgen. De meester was voor zijn leerling verantwoordelijk ; volgens oude keuren was hij verplicht hem met vaderlijke liefde te leiden, en tot naarstig kerkbezoek en godsvrucht aan te sporen. lederen morgen woonde hij met zijne gezellen de H. Mis bij, alvorens den arbeid te beginnen , dien men bij het kleppen van de bedeklok voor het „Engel des Heerenquot; eindigde. Dan namen allen te zamen hun middagmaal, te zamen hun rusttijd, om den arbeid van den

ocr page 40

86

namiddag weer te zamen te verrichten. Een vroolijke avond in den huiselijken kring bekroonde zulk een dag van arbeid, waarop het wederkeerig voorbeeld van meester en gezellen tot vlijt en werkzaamheid opwekte. Vandaar dat de schrijver van „Het Volders- en Weversgilde te Straatsburgquot; met gerustheid mocht verklaren, „dat het gilde een der voornaamste middelen was, om eensgezindheid, samenwerking en zedelijkheid in de harten der werklieden aan te kweeken en tot rijpheid te brengen, dat het de krachtigste drijfveer was voor de beoefening aller huiselijke en maatschappelijke deugden.quot;

En dat het den gildebroeders, onder zulke statuten verbonden, goed ging, blijkt genoegzaam hieruit, dat de welvaart dezer streken onder Philips den Goede zoo groot was, dat de Nederlanden het „land van beloftequot; werden genoemd.

Ten slotte dan vraag ik u : Zoudt gij niet kunnen, wat zij vermochten ? Waren de middeleeuwsche gilden ook aiet uit zwakke menschen samengesteld, zoowel als de gilden onzer dagen ? — Ongetwijfeld zult gij naar het geestelijke en tijdelijke baat vinden in uwe vereeniging, zoo gij uw best doet, om ieder afzonderlijk oprecht katholiek te zijn; zoo gij zorgt, dat uw bond waarlijk christelijk blijft, zoo gij u beijvert de laatste vermaning te vervullen, die de H. Severus tijdens zijn leven gaf: „Bemin ter liefde Gods uw evenmensch als u zeiven.quot; Want „de liefdequot; zoo sprak de H, Vader in 1889 in eene Allocutie tot de Fransche werklieden, „heeft in de eerste tijden patroon en werkman vereenigd. De liefde vond een middel uit voor alle kwalen, een troost voor alle droefheid; de liefde is de eenige oplossing der sociale quaestiequot; In één woord : Gij allen, die evenals de H. Severus, het weversambacht uitoefent, weest navolgers van dien braven Wever, smeekt door de voorspraak van dezen heiligen Bisschop Gods zegen over uw handwerk af; en hier zal tevredenheid, en hiernamaals zijn ueeuwig. geluk uw aandeel zijn.

«ie-

ocr page 41

Het Socialisme en zijne Gevolgen.

anneer de Kerk aan verschillende instellingen Patronen schenkt, dan doet zij dit niet alleen, om dien heiligen Vriend Gods te eeren, niet alleen om de bescherming van dien Patroon af te smeeken over de leden dezer vereeniging, maar vooral om hun een voorbeeld ter navolging aan te wijzen.

Is de H. Severus de beschermer der R. K. Weversgilde, dan moet gij u ook beijveren zijne voetstappen te drukken. Meent niet dat dit voor u onmogelijk is. Gaat eens met uwe gedachten terug naar den tijd, toen de H. Severus nog niet tot de bisschoppelijke waardigheid was verheven. Hij leefde toen als een gewoon wever, evenals gij; den grootsten tijd van den dag bracht hij, evenals gij, op het weefgetouw door; buitengewone werken vindt gij van die levensdagen van Sint Severus niet opgeteekend.

Wel moeten wij veronderstellen, dat de H. Wever met naarstigheid de zonde vluchtte, met groote zorg de gevaren van te zondigen vermeed, en dat hij tevens door de trouwe vervulling zijner godsdienstplichten, en door te werken met een goede meening groote vorderingen in de liefde Gods maakte. En waarom dan zoudt gij uwen H. Patroon hierin niet kunnen navolgen? Evenals Severus kunt gij de zonden, en de gevaren der zonden vluchten; evenals Severus kunt gij uwe zwakheid versterken door 's morgens en 's avonds met eerbied te bidden en door dikwijls tot de H. Sacramenten van Biecht en Communie te naderen ; gij kunt evenals Severus

ocr page 42

88

uw arbeid heiligen door een goede meening. Als gij dat doet, dan volgt gij reeds uw Patroon na; en hoe volmaakter gij dat alles verricht, des te meer overeenkomst zult gij krijgen met den H. Severus, en des te grooter ook zal uw aandeel zijn in liet geluk, dat Severus aandeel op aarde was, en dat hij thans voor eeuwig in den hemel geniet.

Gij weet iatusschen, zoo goed als ik, dat niet alle wevers dezen H. Bisschop van Ravenna navolgen, en dat derhalve ook niet alle wevers gelukkig zijn en tevreden. Zelfs in het katholieke Tilburg willen sommige personen -• zij worden Socialisten genoemd — de wevers ontevreden maken, hen be-rooven van hun geluk.

't Is waar: de Socialisten beloven ons gouden bergen. Maar wat zullen zij geven? Het grootste geluk spiegelen zij den werkman voor. Doch wat staat den arbeider van hen te wachten? Komaan, waaide Werkman, gij zijt een redelijk mensch, ga daarom met uw gezond verstand eens na, welke de plannen der Socialisten zijn. Zie verder eens of' de verwezenlijking dier plannen mogelijk is en u waarlijk gelukkig kan maken. Maar indien dat volkje ons veel belooft, en als

het er op aankomt niets geeft dan..... ellende; moet gij dan

uw best niet doen , om zulke bedriegers zoo ver mogelijk van u te verwijderen?

Ten einde dit alles des te duidelijker voor oogen testellen, wil ik u de volgende vragen beantwoorden.

I. Wat willen de Socialisten?

Zij willen iedereen zijn eigendom ontnemen, en den grond, de fabrieken, de machines en andere voortbrengingsmiddelen in het bezit en beheer stellen van den Staat, die dan voorde voortbrenging en verdeeling der goederen zal zorgen.

Om hunne plannen te verwezenlijken slaan de Socialisten verschillende wegen in. Vandaar dat men vooral twee soorten van Socialisten aantreft; namelijk parlementaire, die wij de gematigde, en revolutionnaire, die wij de oproerige kunnen noemen. Beiden willen de maatschappelijke orde omverwerpen, beiden bestrijden het persoonlijk bezit van voortbrengingsmiddelen. Beide soorten van Socialisten dus streven naar eenzelfde doel; maar zij verschillen in hunne middelen. De parlementaire willen deelnemen aan verkiezingen, en zelf door het algemeen stemrecht aan de regeering komen, om dan hun staat te grondvesten. Kunnen zich dan alle burgers naar hunne eischen schikken, dan zal geheel de omwenteling kalm afloopen; kunnen zij dit echier niet, dan zijn ook den parlementairen Socialisten alle middelen van geweld welkom, en schrikken zij voor geen bloedigen en verwoestenden strijd terug.

ocr page 43

De revolutionaire Socitilisteri willen door vakvereenigingen, werkstakingen, opstootjes, door hunne blaadjes en vergaderingen het volk steeds in grooter male ontevreden maken ; zij willen steeds meerderen rondom hun rood vaandel verzamelen , om dan beschikkende over de macht der menigte, de bestaande maatschappij in een bloedige revolutie te doen ondergaan en hun staat te stichten.

Gij moet dus niet denken, dat de Socialisten alle goederen op een grooten hoop willen werpen en verdeelen. Neen, zij willen alle goederen aan bijzondere personen ontnemen, deze aan den staat overgeven, die dan verder alles regelt, opdat zoowel de arbeid als de voordeelen en de winsten gelijkmatig onder alle burgers verdeeld worden.

Wat u in den toekomststaat der Socialisten voor voeding, kleeding, woning, ontspanning wordt gegeven, blijft in uw persoonlijk bezit, zoolang gij er geen voordeel mee doet, geen winst mede maakt. Dit toch mag niet; omdat dan die goederen voortbrengingsmiddelen zouden worden, dat wil zeggen , middelen om voor uw eigen persoon te verdienen. In den socialistischen Staat echter moeten alle voortbrengingsmiddelen gemeenschappelijk zijn.

Om u te uvertuigen, dat ik de zuivere leer der Socialisten voorstel, verwijs ik naar een boekje, dat door een der hoofden dezer partij is geschreven, om „het doel ea streven der Sociaal-demokratie uiteen te zetten.quot; Dit boekje draagt tot titel; „ Wat willen de sociaaldemocraten ?quot; door P. J. Troelstra. De schrijver van dit boekje, nog wel een rechtsgeleerde, is de redacteur vau De Sociaaldernokraat, een echt socialistisch blad ; deze zal dus zeker wel weten, welk doel door zijn partij wordt nagestreefd.

Aan dezen schrijver waren door dr Ariëns, kapelaan te Enschede, zoo gunstig om zijn ijveren voor den werkman bekend, de volgende vijf vragen ter beantwoording voorgesteld ;

1. Voert ge dien strijd tegen het privaatbezit, ja of neen ?

2. Voert ge dien strijd met alle middelen, ja of neen ?

3. Sluit ge het geweld uit in dien strijd, ja of neen?

4. Wilt ge grond, fabrieken, machines en andere arbeidsmiddelen in het bezit en beheer der gemeenschap, ja of neen ?

5. Wilt ge de tegenwoordige maatschappelijke inrichting behouden, ja of neen ?quot;

Gij ziet, dat vraag 2 en 3 betrekking hebben op de middelen, waardoor de Socialen hun doel willen bereiken ; de andere drie tasten rechtstreeks hun doel aan. Over de middelen spreken wij niet: immers wanneer het doel slecht is, dan mag men ook geen middelen gebruiken om tot dat doel te komen.

6

ocr page 44

40

De eerste vraag dan door dr. Ariëas aan den socialistischen schrijver gedaan is deze: „Voert ge den strijd tegen het privaatbezit, (tegen den eigendom), ja of neen?

In het bovenvermeld socialistisch boekje staat het antwoord

op bladzijde 15: „Daarom zeiden wij dat..... alle rijkdom

onrechtmatig verkregen goed is en aan de benadeelden behoort terug gegeven te worden. En daar de benadeelden zelve in de meeste gevallen niet meer zijn te vinden, dient men den rijkdom , die vrucht van een eeuwenoud roofstelsel, terug te geven aan de gemeenschap, aan ons allen te zamen. M. a. w. het privaatbezit als zijnde niet de vrucht van den arbeid der

bezitters dient..... te worden opgeheven.quot; Ja, de opheffing

van privaatbezit, wordt daar op bladzijde 19 eene noodzakelijkheid genoemd.

Ziehier dus het antwoord van den socialist op de 1ste vraag; „Ja, wij willen het privaatbezit, den eigendom, afschaffen.quot;

Op ie 4de vraag: „Wilt ge grond, fabrieken, machines en andere arbeidsmiddelen in het bezit en beheer der gemeenschap, ja of neen ?quot; antwoordt de socialistische advocaat op bladz. 23 met deze woorden : „dat wil de maatschappij zelve, opdat hare leden zullen blijven leven, en haar rijkdom zal worden vermeerderd — ergo wil ik het ook.quot; „Eerst als dat gebeurd is,quot; staat op dezelfde bladzijde, „zal zich de maatschappelijke voortbrengingswijze, de socialistische maatschappij vrij kunnen ontwikkelen.quot;

Dat op de 5de vraag: „Wilt ge de tegenwoordige maatschappelijke inrichting behouden, ja of neen ?quot; door den socialist: „Neenquot;, moet geantwoord worden, blijkt uitliet gezegde duidelijk. Wanneer toch aan iedereen, die iets bezit,, zijn eigendom wordt ontnomen, en de Staat bezitter is van alle goederen , dan bestaat de maatschappij niet meer, gelijk ze tegenwoordig is.

Hier doet zich van zelf de vraag voor:

II. Zal deze verandering de menschen naar het tijdelijke gelukkig maken?

Volmondig antwoord ik u: Neen!

Ook gij zult dit toegeven, wanneer gij een weinig nadenkt over den toestand, dien de .Socialen willen, en wanneer gij aandachtig beschouwt, hoe de maatschappij eruit zal zien.

In heldere kleuren wordt ons door Prof. van Noort in „Het arbeidersvraagstukquot; een schilderijtje voor oogen gesteld van den socialistischen toekomstaat.

..Kom aan,quot; zoo lees ik, „de teerling is geworpen! — De

ocr page 45

41

sociale revolutie heeft plaats gehad, de socialistische Volks-staat is gesticht. Alle bijzonder eigendom is afgeschaft, alles behoort aan de gemeenschap, aan den Staat!

Natuurlijk moet de staat nu ook zorgen, dat alles wat de socialistische burgers noodig hebben, in voldoende mate worde verbouwd, geteeld en voortgebracht.

In voldoende mate: men kan er maar niet in den blinde op los telen en fabriceeren. want dan zou er van het eene veel te veel en van het andere veel te weinig worden voortgebracht. Allereerst moeten dus de hoofden een tamelijk nauwkeurige berekening maken hoeveel er van alles en nog wat, voor de mlllioenen burgers in een jaar zal noodig zijn. Hoevee! aardappelen, hoeveel boonen, hoeveel slachtossen, hoeveel steenkolen, hoeveel plaatijzer, hoeveel linnen, hoeveel tapytwerk, enz. enz. te veel om te noemen. Ieder mannetje zal opgaaf moeten doen van hetgeen hij vermoedelijk noodig zal hebben. — want om bij ambtelijke schatting ieders behoeften te bepalen, dat gaat toch in het land der vrijheid niet! — Zelf opgeven dus; maar denk eens, lezer, wat een onbegonnen werk, om voor een heel land zoo'n berekening te maken. Wat een geschrijf en gewrijf is er reeds noodig voor een volkstelling, die toch duizendmaal eenvoudiger is dan deze berekening.

Maar goed! de berekening is er; de hoofden weten wat er van dit en van dat en van alles, voor het volgende jaar zal noodig zijn, zij weten wat en hoeveel er door den gezamelijken arbeid, waaraan allen gelijkelijk moeten meedoen, moet worden voortgebracht. Nu gaat men een verdeeling maken en de hoofden wijzen uit, hoeveel menschen er in lederen tak van landbouw, veeteelt, industrie enz, enz. geplaatst moet worden en al het benoodigde te leveren. Ten slotte wordt er, zoo ten naastebij, bepaald, hoelang iedereen per dag zal moeten werken.

't Spreekt van zelf, dat elkeen kiezen mag bij welk vak hij wenscht te worden ingedeeld! Maar vergeet nu niet, dat er geen standen meer zijn en dat iedereen volkomen gelijke rechten heeft. Wat zal er gebeuren ? Voorliet lichte, gemakkelijke, aangename werk zullen zich te veel menschen aanbieden, veel meer dan er noodig zijn ; maar voor de zware en onaangenaame posten zullen er veel te weinig komen opdagen. Wie zou b. v. uit eigen vrije verkiezing, uit klinkklare offervaardigheid, kolendrager, mijnwerker, straatreiniger, nachtwerker willen zijn? En toch, dat zware, terugstuitende werk moet ook gedaan worden ! Hoe daar menschen genoeg bij te krijgen ?

ocr page 46

De een of andere slimme kop zal misschien denken; wèl laten ze bij den da^ of bij de week omruilen, ieder zijn beurt voor het lastige.

Nu, daar zal ik eens een voorbeeldje van geven. Jan is vandaag stoker op den trein, morgen conducteur, overmorgen machinist, daarna kaartjesuitgever aan 't loket, weêr later stationchef, dan chef van het materiaal, eindelijk opperste leider van den geheelen spoorwegboel en den volgenden dag weer — stoker! Denk eens aan, lezer, wat zal dat zoodoende alles prachtig geregeld en goed gaan I Doch, dat daargelaten , zullen dan alle menschen verstand hebben van alles?

Geloof jij 't?.......

* *

Intusschen , we zijn er nog niet. Wc nemen eens aan, dat de hoofden van den socialen staat het klaar krijgen, om alle man aan 't werk en alle werk aan den man te brengen. De voorraad, die voor aller onderhoud noodig is, komt er dus ! Maar nu de verdeeling van dien voorraad, hoe zal die gaan ?

— Wèl ieder krijgt overeenkomstig zijn rechtmatige behoeften!quot; — Och zeg eens, welke behoeften zijn rechtmatig en welke niet? Mag ieder dat voor zich zelf uitmaken? dan zullen er nog al zijn, dio wat veel eischen! Of moeten de hoofden het bepalen? dan zullen er pruttelaars zijn bij duizenden!

Ze zeggen ook wel : ieder krijgt overeenkomstig den duur van zijn arbeid ! -- Krijgt dan de krullejongen voor een uur werken evenveel als de mijnwerker? — dat is een mooie rechtvaardigheid! En krijgt dan de luie Kees, die in een uur geen derde afdoet van hetgeen Jan verricht, toch evenveel als Jan ?

Vindt ge beter, dat ieder krijgt overeenkomstig zijn inspanning en zijn vlijt? Maar dan mag men wel eenige legioenen engelen ontbieden, om de vlijt van al die millioenen arbeidende menschen te .controleeren: tenminste als menschen dat moeten doen , zal aan het kibbelen en verdachtmaken, aan de afgunst en tweedracht geen einde komen !

Geef iedereen evenveel, denkt ge misschien! — Ja, dat zou gemakkelijk zijn, maar dan zalig zijn de luien en de vadsigen.

Het redelijkste, dat de Socialisten er op gevonden hebben, is hel volgende:

Ieder zou krijgen naar gelang van zijn arbeid. Maar als iemand een werkstuk ten einde had, zou men niet vragen : hoelang hebt gij daarop gewerkt, — neen men zou zeggen : voor dat werk staat zooveel tijd, want in zooveel tijd (b.v.

ocr page 47

43

in 8 uren) kan men dat redelijkerwijze klaar hebben. Dan zou men een bon geven, waarop stond : bewijs van 8 uur werken, — onverschillig of de man er langer op gewerkt heeft. Tegen die bon zou hij uit de openbare magazijnen de goederen, die hij voor zijn onderhoud noodig heeft, kunnen haler. De goederen zouden daar n.1. niet in geld, maar in urenwerken geprijsd zijn ; b.v. men zou zeggen : één el laken kost zestien uur-werken ; gij hebt een bon van acht uren-werken , dus daar kunt ge een half el laken voor krijgen. En zoo met alle zaken.

Echter ook op zulk een regeling valt heel wat af te dingen.

Vooreerst, zoo'n manier van doen zou voor een socialen staat al bitter onrechtvaardig zijn.

Veronderstel: ik ben zwak en heb dientengevolge bijzondere behoeften, terwijl mijn zwakte mij tevens belet om zoo hard voort te maken, als een ander. Eindelijk is mijn werkstuk af; quot;t duurde voor mij tien uren, maar 't kon volgens de aangenomen berekening in acht uren voltooid zijn ; bijgevolg krijg ik een bon voor acht uren-werken. Om echter aan mijn bijzondere behoeften te voldoen, moest ik een bon hebben van twaalf uur. Dan zou ik immers armoè lijden.

— Zoo gaat het tegenwoordig ook met de zwakken — zullen de Socialisten zeggen. — Helaas, ja ! — Maar als het ook in den socialen staat niet beter is, en veel beter dan tegenwoordig, waarom moeten ze dan alles ten onderste-boven halen ?

Maar vervolgens; de boven beschreven regeling is volstrekt onuitvoerbaar. Ik zou den heksenmeester wel eens willen zien, die het ondernam. een lijst te maken van het aantal uren, dat men voor iedere soort van arbeid, onder alle mogelijke omstandigheden noodig heeft. Voor een paar schoenen en een pet zou 'tnog gaan, maar hoeveel uren-werken vertegenwoordigt de uitvinding van een nieuw werktuig ? Reken eens uit, hoeveel uren ik voor het schrijven van dit boekje noodig heb gehad. En op hoeveel uren schat gij den arbeid van den dokter, die een typhuslijder in drie weken genezen heeft, of een tering-lijder, na drie maanden behandeling, heeft laten sterven ? .....

„Nog een paar kleinigheden. — In den socialen staat moeten, zooals we reeds bemerkt hebben, ontzaglijk veel bestuurders wezen, hoogere en lagere ; zullen die niet een schreefje voor hebben? Bovendien als alle menschen volkomen gelijke rechten hebben , begrijp ik niet, met welk recht de een den ander zou besturen.

ocr page 48

u

Iets anders! De socialisten houden erg van „verlichtingquot;; er zullen dus wel couranten en boeken uitgegeven worden. Als ik mij nu opgeef als „boekenschrijverquot;, zal ik dan van anderen arbeid vrijgesteld worden ? Bovendien alle drukkerijen zijn in handen der gemeenschap; als ik dus iets schrijf, dat den hoofden niet naar den zin is, zorgen zij dat het nooit of te nimmer gedrukt worde! Leve de vrijheid!

Mijn waarde lezer, ik vraag u in ernst, hoe zou het er wel uitzien in zulk een socialen staat?

O, als alle menschen engelen waren, 'alle even ijverig, arbeidzaam en bekwaam, alle even vrij van zelfzucht en vol van offergeest, alle even vredelievend, rechtvaardig en bescheiden , alle evenzeer bereid om de laagste plaats in te nemen en het zwaarste werk voor zich te houden, dan, ja dan kon het goed gaan!

Maar wie is zoo uitzinnig om te gelooven, dat in den socialen staat, waar, nota bene, de godsdienst nog at afgeschaft is, alle menschen zoo volmaakt zullen zijn? Dat, is niet om te gelooven. En met gewone menschen, met menschen zoo onvolmaakt als ze, ongelukkig, over het algemeen zijn, zou het er in den socialen staat al zeer spaansch toegaan!

Daar zou heerschen een „harde en hatelijke dienstbaarheid.quot; Alles immers zou gereglementeerd moeten worden , iedereen zou, tot in de kleinste kleinigheid, staan onder het voortdurende toezicht van den staat en afhankelijk zijn van tallooze opzichters en bestuurders. Niet eens in de keuze van zijn beroep zou men vrij zijn en evenmin in de keuze zijner woonplaats; anders ging natuurlijk iedereen op het mooiste plekje wonen!

Daar zouden „ wederzijdsche afgunst, verdachtmaking en tweedrachtquot; schering en inslag zijn. Immers in het bewustzijn van aller volkomene gelijkheid, zou iedereen vol nijd wezen tegen allen die een weinig beter geplaatst waren ; men zou elkander om strijd zoeken zwart te maken en te verdringen. Daar ware geen eensgezindheid, geen vreedzame samenleving denkbaar!quot;

Gij ziet dus, dat alle verandering nog geen verbetering is. Maar gij zult nu tevens begrijpen, waarom de Socialisten zoo zelden iets zeggen , hoe het in hun staat toe zal gaan. In het bovengenoemd boekje van den socialistischen advokaat, wordt met geen enkel woord vermeld, hoe er hun staat uit zal zien. Zij weten te goed, dat zij door dit alles eerlijk te zeggen den arbeider niet voor zich zouden winnen; de hartstochten van het volk zouden zij dan niet kunnen opwekken,

ocr page 49

4ö

om de eenvoudige reden, dat ieder arbeider zeggen zou; 'tis thans wel niet goed met ons gesteld, maar bij de Socialisten zou het nog een soortje erger zijn.

Tot hiertoe hebben wij de plannen der Socialisten hoofdzakelijk met een natuurlijk oog, alleen met ons gezond verstand beschouwd. Wij zagen, dat de socialistische Staat ons geen tijdelijk geluk brengen zal, ja dat zelfs de uitvoering van hun plan iets onmogelijks is. Voor den Christen echter, vooral voor den Katholiek rijst hier nog een vraag van grooter belang; „Hoe denkt God, wat oordeelt de Godsdienst over de plannen der Socialisten ?' Daarom stel ik hier een lilde vraag; „Mag een Katholiek Socialist zijn?quot;

Neen. Omdat de Socialisten strijd voeren tegen den Katholieken godsdienst.

Dit verbergen zij wel is waar, wanneer zij optreden in katholieke plaatsen ; want zij zijn leuk genoeg om te begrijpen, dat zij daar volstrekt geen volgelingen zouden werven, indien zij rechtstreeks tegen den godsdienst durfden spreken. Maallaat u intusschen niet verschalken. Luister nog eens naar het boekje van onzen socialistischen advokaat

Op bladzijde 5 lees ik daar; „Toen zich, uit andere diervormen , de menschen langzamerhand hebben ontwikkeld , hebben zij de aarde en hun omgeving niet naar hun wil gemaakt, maar deze zóó gevonden, als zij waren.quot;

De eerste menschen hadden dus volgens de leer, door de Socialisten gevolgd, den een of anderen aap tot vader. Lach niet, werkman, 't is ernst. Geheel en al nuchter wordt door Pieter Jelles Troelstra en zijne medesocialisten deze leer gehouden.

Maar nu weet gij, dat de H. Geest ons verhaalt, hoe Adam en Eva door God rechtstreeks zijn geschapen, hoe van dit eerste menschenpaar alle andere menschenkinderen voortkomen ; „uitéén (stamvader)quot;, zegt de H. Paulus(Hand. 17, 26), „heeft (God) het menschengeslacht op den ganschen aardbodem doen wonen.quot;

De Socialisten echter loochenen deze door God geopenbaarde waarheid. Maar welken grond hebben zij dan om de andere waarheden van onzen H. Godsdienst aan te nemen ? Wanneer ik uwe getuigenis aangaande het een of ander feit zonder reden niet aanneem , dan handel ik niet redelijk door uwe bewering aangaande andere zaken wel te gelooven. Wij Katholieken gelooven alles , wat ons de H. Kerk te gelooven

ocr page 50

46

voorstelt, omdat God, die niet liegen of bedriegen kan, deze waarheden heeft geopenbaard. — Indien nu de Socialisten zeggen , dat God in deze of gene zaak heeft gelogen ; welke reden kunnen zij dan hebben, om zoo vele andere onbegrijpelijke waarheden van onzen Godsdienst aan te nemen ?

Volgens hen dan ook — het staat letterlijk in hun boekje

bladz. 24 — „is de godsdienst slechts een mooie zaak.....voor

den minderen man, om hein zoet te houdenquot;. Met blijkbare instemming worden daar den ongeloovigen kapitalist deze woorden in den mond gelegd.

De oproerige Socialisten, die juist hetzelfde willen als de gematigde, komen er overal recht vooruit, dat zij van godsdienst niets willen weten. Men kan dan ook in bijna iedere aflevering van „Recht voor Allenquot; de heiligste zaken van onzen godsdienst met voeten zien treden ; ja zelfs het heiligste wat wij bezitten, het Heilig Sacrament, wordt door het slijk gesleurd.

De ,Vooruitquot;, het socialistisch blad van Geut, riep dezer dagen de Sociaaldemokraten op ten behoeve van een..., god-delooze bespotting van de eerste H. Communie der kinderen. „Van heden af kunnen de ouders, die begeereu dat hunne kinderen tot de vrije Sociale Oommunia worden toegelaten, zich doen inschrijven bij de administratie van ons blad om half negen 's avonds in het lokaal van de „Vooruitquot;. Deze Godtergende bespotting moest op denzelfden dag plaats hebben als de eerste H. Communie der katholieke kinderen.

Is dit geen nieuw getuigenis van den haat der Socialisten tegen de Kerk ?

Nog duidelijker schreef onlangs „Le Journal de Charleroiquot;, een echt socialistisch blad uit België: „Onze vijanden ver-toonen zich aan ons onder een drievoudig voorkomen: Godsdienst, Koningschap en Eigendom. Het is een monster met drie koppen 't Is slechts tijdverlies ieder afzonderlijk aan te vallen. Het monster zelf moet men bestrijden en geheel en al vernielen. Het Socialisme is lederen godsdienst vijandig.*

Zelfs in bovengenoemd socialistisch boekje,waarin blijkbaar uit berekening slechts meteen paar woorden over godsdienst wordt gesproken, zijn nog de eerste regelen een beleediging aan het adres van een priester. Men verwijt hem daar ,de liefdeloosheid van zijn hart en de onoprechtheid van zijn gemoed.quot; Eveneens tracht de laatste bladzijde weer een schimp te werpen op gezalfden des Heeren, die volgens hen den diefstal durven goedkeuren en aanwakkeren.

Wij hebben reeds gezien, dat, volgens socialistisch begrip, iedereen van al zijn eigendom moet beroofd worden. Doch

ocr page 51

47

hoe denkt God over zulke roovers-pluunen ? Staat er niet duidelijk in het 7de gebod; „Gij zult niet stelen ?quot; Verbiedt het 10de gebod zelfs niet alle begeerte naar diefstal: „Gij zult

het huis van uwen naaste niet verlangen,..... noch zijn rund,

noch zijn ezel, noch iets van alles wat hem toebehoort ?quot; De H. Paulus dan ook spreekt op goddelijke ingeving de verdoemenis uit over dieven en roofzuchtigen : „Misleidt u

niet! .....Noch dieven..... noch roofzuchtigen zullen het rijk

Gods erven.quot; (1 Cor. 6, 10).

De Socialisten toonen op de derde plaats hunne vijandige gezindheid tegen de Katholieke Kerk, door hetgeen zij leeren aangaande het Gezag.

Ons verstand zegt, dat de maatschappij «onder gezag niet kan bestaan. Wanneer bv. in een huisgezin geen vaderlijk gezag wordt uitgeoefend, wat komt er dan van de opvoeding der kinderen te recht ? Reeds in het Boek der Spreuken staat geschreven: „Waar geen bestuurder is, daar gaat het volk ten gronde.quot; En de H. Paulus schrijft aan de Romeinen : „Ieder mensch zij aan de overheden onderdanig ; want er is geen gezag dan van God , en het bestaande gezag is van God verordend. Hij derhalve die zich tegen het gezag verzet, hij verzet zich tegen Gods verordening; en zij , die zich daartegen verzetten, brengen een vloek, een strafgericht over zich zei ven.quot;

Duidelijk genoeg voorzeker wordt ons hier gezegd, hoedanig onze gevoelens en daden ten opzichte der overheid moeten zijn. Alles echter wat door de Socialisten omtrent dit punt wordt geleerd, is hier rechtstreeks mede in strijd. Immers wij hebben u reeds aangetoond, dat de Socialisten de bestaande maatschappij omver willen stoeten : bijgevolg willen zij ook het bestaande gezag vernietigen. Over zulke personaadjes echter heeft de H. Paulus in naam van God het doemvonnis uitgesproken.

De advokaat van kwade zaken zegt dan ook in het bovenvermeld boekje, dat de Socialisten van andere landen, wanneer zij eens de macht bezitten, naar Nederland zullen komen, om het bestaande gezag omver te werpen en hun socialisti-schen staat te gronden. Op bladz. 27 toch schrijft hij: „Mocht n.1. in de groote landen van Europa het proletariaat de macht hebben veroverd, terwijl wij hier nog eene minderheid vormen, dan zullen onze broeders en vrienden uit die landen ons — zoo noodig — ter hulp komen, om de bezitters te dwingen, ook hier afstand van hunne voorrechten te doen.quot;

De Socialisten schijnen intusschen zelf in te zien, dat hetschip van staat toch zonder roer en stuurman niet veilig voort kan

ocr page 52

48

zeilen. Daarom wellicht zegt Pieter Jelles bladz. 28; .Dan is het opdat gij, arbeiders, uw eigen meester zult worden, alleen aan den wil der gemeenschap, van allen onderworpen.quot; Kan het mooier? De werkman zal zijn eigen baas zijn, en toch aan allen gehoorzamen! Kunt gij u zoo iets uitdenken ?

Wanneer nog wel bestudeerde menschen u zulk een toestand , tegen beter weten in, als mogelijk voorstellen , met welken naam moeten wij hen dan schandmerken ? Is het „Weequot;, dat de Zoon Gods eens over de PhariseSn uitsprak, die zelf het Rijk der hemelen niet ingingen en dat Rijk bovendien voor anderen sloten, ook niet door zulke volksverleiders verdiend ?

Het zal u thans niet meer verwonaeren, waarom de Pausen meerdere malen in uitdrukkelijke woorden het Socialisme hebben veroordeeld. „Roma locuta, causa flaita: Heeft Rome gesproken, dan is de zaak uitgemaaktquot;. Wanneer Hij, die door den Zoon Gods als onfeilbare Herder der lammeren en schapen is aangesteld, ons op gevaren wijst, stellingen veroordeelt en als verderflijk brandmerkt, dan mag en kan geen Katholiek meer aarzelen. Dan is het doodvonnis over die leer geveld.

Reeds door den onsterflijken PiusIX z. g. werd in den Syllabus § 4 het doemvonnis over de leer der Socialisten uitgesproken. Ook onze roemrijk regeerende Leo XIII heeft reeds in het eerste jaar van zijn pausschap met klem op de gevaren dezer partij gewezen, en op het verderüijke harer plannen, „'cis verder alleu bekendquot;, zoo schrijft Hij in zijn Encycliek van 28 December 1878 , die het tegenstrijdige 'der socialistische leer met de waarheden van onzen Godsdienst op meerdere punten aantoont, „'tis verder allen bekend, in welke ernstige woorden en met welke onwankelbare zielskracht onze roemvolle voorganger Pius IX z. g., en in zijne Apostolische toespraken en in zijne Apostolische brieven strijd heeft gevoerd, zoowel tegen de booze plannen der geheime genootschappen, als tegen de daaruit voortspruitende pest van het Socialisme.quot;

Ieder weet verder genoegzaam, hoe Leo XIII, door zijn Omzendbrief van 15 Mei 1891, „Over het Lot der Arbeidersquot;, het streven der Socialisten veroordeelt, en duidelijk bewast, dat hunne plannen niet alleen in strijd zijn met de wet der natuur, met onzen heiligen Godsdienst, maar tevens in strijd met de tijdelijke belangen van den werkman.

Hieruit volgt, dat een katholiek Socialisme , of een socialistisch Katholicisme evenmin bestaan kan als een vierkante cirkel. De namen Socialist en Katholiek sluiten elkander zoodanig uit, dat hunne vereeniging in één persoon niet

ocr page 53

49

denkbaar is. Hiermede wordt niet gezegd, dat de Katholieke Kerk den werkman niet helpt; het tegendeel is waar. Maar dit alleen wordt beweerd , dat beider beginselen, dat beider middelen, dat beider doel lijnrecht tegenover elkander staan. Men zou even gemakkelijk het licht kunnen vereenzelvigen met de duisternis, als de leer der Katholieke Kerk met de opvattingen der Socialisten.

Wanneer derhalve een Katholiek zich bij de Socialistische leer aansluit, dan houdt hij daardoor op lid te zijn der Kerk van Rome; dan is hij van datzelfde oogenblik af zelfs geen lid meer van het lichaam der Kerk, omdat hij zich verzet tegen het gebiedend woord des Pausen en goddelijke waarheden verwerpt, door de Kerk te gelooven voorgesteld.

Maar, zoo vraagt gij wellicht, moeten we dan het water maar over Gods akker laten loopeu , de handen maar in den schoot leggen , en alles maar bij het oude laten ? Mogen wij niet naar verbetering, naar vooruitgang uitzien ?—Voorzeker, ja. Doch hier vooral moet gij toezien , dat gij den juisten weg inslaat.

Als men de Socialisten hoort, dan is het tegenwoordig overal verdrukking en ellende. Zij wijzen , met opzettelijke overdrijving, op den erbarmelijken toestand van den werkman en de weelde van den bezitter. Zij dringen aan het volk de meening op, dat alle arbeiders in ellende versmachten , alle kapitalisten in ongehoorde weelde baden. Hieruit ontstaat afgunst in het hart van den werkman. De socialisten wakkeren die afgunst aan door luide te verkondigen, dat de rijke leeft en geniet van den arbeid, van het zweet, van het bloed van den arbeider; dat zij dieven, roovers, uitzuigers zijn. Men spiegelt den werkman verder voor, dat hij in het bezit zal komen van het geld der fabrikanten , dat zij ook eens baas zullen mogen spelen, en dat hunne heeren als een gunst zullen vragen bij hen te werken. Dat is verlokkend vooreen arbeider, die..... niet redeneert; dit is meesleepend voor

een werkman, die..... geen geloof meer heeft, geen Schepper

meer erkent, niet meer denkt aan een toekomstig leven.

Het is zeker waar, dat er toestanden worden aangetroffen, die voor den werkman verbetering vorderen ; het is ook waar, dat er soms van den kant der kapitalisten misdaan wordt door overtollige weelde. Maar een brutale leugen der Socialisten is het, dat de gansche maatschappij zoo gesteld is ; een brutale leugen, dat alle fabrieksarbeiders slaven zijn; een brutale leugen , dat alle patroons een karig loon betalen, en dat alle meesters hunne arbeiders als dieren beschouwen en behandelen ; een brutale leugen eindelijk is het, dat er niets

ocr page 54

50

voor den arbeider gedaan wordt. Hoeveel duizenden onder u zijn tevreden met hun flink daggeld; tevreden over de welwillende behandeling hunner j.atroons; tevreden over den duur van hun werk.

Maar, er zijn er tegenwoordig onder de werklieden ook nog al, die, ofschoon ze volstrekt geeu Socialist zijn, toch een tikje van den molen beet hebben. Zij gevoelen zoo iets in hun binnenste, wat veel gelijkt op afgunst en ontevredenheid. Zij beschouwen zich meer of minder verongelijkt in hun •werkmansstand, terwijl zij hunne oogen sluiten voor de gebreken der lagere standen.

Waarde Werkman, laat niet toe, dat zulke gevoelens wortel schieten in uw gemoed. Ten allen tijde zijn er rijken en armen geweest, en ten eeuwigen dagen zullen er patroons en arbeiders blijven. Gelijk de ledematen van ons lichaam onderling verschillen en toch slechts een geheel uitmaken, zoo ook moeten de verschillende ledematen der maatschappij eendrachtig samen weiken, om éen gelukkig geheel te kunnen vormen. Thans werken die beide standen nog wel samen, maar somtijds doen ze het niet eendrachtig, niet broederlijk, niet gulhartig genoeg. Op deze eendracht derhalve moet worden aangestuurd ; van zelf zullen dan de ziekelijke toestanden verbeteren, die hier en daar bestaan.

Door welke middelen echter zal dit doel woiden bereikt? Nooit of nimmer door den raad der Socialisten te volgen , gelijk gil na aandachtige lezing van dit hoofdstuk nog duidelijker zult hebben ingezien. Bevestig daarom uw voornemen': „Socialist, neen! dat nooit!quot; Vlucht daarom hun gezelschap; verscheur hunne oproerige blaadjes en geschriften ; licht anderen voor omtrent hunne rampzalige plannen , en laat u niet verleiden door hunne schoonklinkende beloften.

Wat u dan verder te doen staat, zien wij in het laatste hoofdstuk.

—

ocr page 55

xjESBE mQQwmüvwm.

De Wever en de Bond.

nze beminde en geëerbiedigde Bisschop, -j- Wilhelmus van de Ven, wijst ons in zijn Vasten-mandement van '95, op de gevaren, die van vele zijden dreigen, en op de eendrachtige samenwerking ten goede, waardoor wij dezen vijanden het hoofd moeten bieden.

„Het isquot;, schrijft Monseigneur, „voor niemand, die eenigs-zins met den gang der wereld bekend is , een geheim , dat er in de tegenwoordige maatschappij zich vormt eene uitgebreide samenspanning ten kwade. Wie oogen heeft om te zien, en ooren om te hooren, kan daarvan dag aan dag vernemen. Het getal der ontevredenen is onnoemelijk, en iedere ontevredene maakt voortdurend nieuwe aanhangers. Het is wel treurig, dat de lieden, en vooral hunne aanvoerders, zooveel gehoor vinden en over zooveel middelen beschikken, om de ontevredenheid voort te planten en hunnen boozen plannen kracht bij te zetten. Treurig, dat de goede menigte zich zoo gemakkelijk laat misleiden door hunne drogredenen, en niet begrijpt, dat van zulke menschen het heil van Israel niet te wachten is.quot;

Na dan verder den schrikwekkenden toestand te hebben geschetst, die uit deze opruiingen, wanneer zij niet onderdrukt worden, eenmaal zal ontstaan, gaat de Bisschop van 's Bosch aldus voort: „Het is niet uit te drukken, wat een godvergeten menigte, die niet te tellen is , aangeblazen door den boozen geest, in ziedenden en kokenden hartstocht durft en kan. Met het oog op dit schrikwekkend gevaar dat zich voortdurend meer en meer uitbreidt en met woeste felheid voort-werkt, komen Wij dus — en het is hoog tijd, misschien

ocr page 56

52

meer dan tijd — bij u aandringen op algemeene en welwillende samenwerking ten goede.

Samenwerking op de eerste plaats tusschen het geestelijk en het wereldlijk gezag......

Wij verlangen samenwerking ten tweede tusschen de hoogeie en lagere standen der maattchappij......

Wij verlangen samenwerking ten derde tusschen patroons en werklieden , tusschen oversten en onderdanen. Weder-keerige welwillendheid in behandeling en plichtsbetrachting, gegrond op den godsdienst, die allen wijst op hetzelfde geluk, dat langs verschillenden weg bereikt wordt, moet hier de geleidster zijn. Het algemeen welzijn en ieders persoonlijk geluk zijn op geen andere wijze te vinden.quot; Daarom vragen wij hier:

IV. Door welke middelen zal die eendracht worden verkregen ; door welke middelen moet gij trachten uw tijdelijken toestand te verbeteren ?

ïwee oorzaken kunnen hiertoe veel bijbrengen; de werkman zelf, en een vereeniging van werklieden of bond.

Vooreerst de werkman zelf. Eenieder beginne dus met zichzelf. Immers wanneer gij uwe rechten wilt doen gelden op anderen, dan is het niet meer dan billijk, dat gij eerst uwe plichten vervult. Ik wil hier maar enkele puntjes aanstippen , waarop de werkman letten kan.

Er wordt door menigeen veel, ja veel te veel gedronken ; men besteedt veel te veel geld aan opschik in kleeren en huisraad ; men geeft maar al te veel uit voor uitstapjes, nu eens om een tentoonstelling, dan om een harddraverij of iets van dien aard ondernomen ; men gaat te dikwijls uit naar herbergen en kroegen, en verteert daar als werkman, wat enkele jaren terug nog geen zoon van een fabrikant zou gedaan hebben. De waarheid dezer woorden kunt gij allen door dagelijksche ondervinding bevestigd zien. Welnu, is het wonder, dat in een huisgezin, waar vader drinkt, waar moeder pronkt, waar de zoon te veel naar de herberg loopt, en de dochter gaarne netjes opgedirkt, alle feestjes bijwoont, is het. wonder dat in zulk een gezin geen voorspoed heerscht, en dat hier niets wordt overgelegd.

Bevindt gij u misschien zelf. Werkman, op een dezer punten schuldig, begin dan dit gebrek uit te roeien door de spaarzaamheid vlijtiger te beoefenen en de uithuizigheid te vermijden; begin op dit stuk eens flink uw plicht te vervullen, en aanstonds zult gij de vruchten van uwe pogingen plukken ,

ocr page 57

53

meerderen welstand en christelijker levenswandel in uw huisgezin brengen.

Dit alles echter heeft nog slechts betrekking op de vervulling uwer plichten als huisvader. Maar ook als werkman rusten op u plichten , die de rechtvaardigheid en de liefde opleggen.

Wat dan moeten de werklieden in het oog houden om stipt rechtvaardig te zijn? Deze vraag, door Prof, Van Noort in zijn reeds bovengenoemd werkje gesteld, wordt op bladz. 46 aldus beantwoord.

„De werklieden moeten volledig en trouw het werk verrichten , dat zij in vrije en billijke overeenkomst op zich genomen hebben.

Zij mogen op geenerlei wijze de goederen van den patroon beschadigen of zijn persoon aanranden.

Zij mogen geen gemeene zaak maken met booze lieden, die hun door buitensporige en bedriegelijke beloften het hoofd op hol brengen, en er op aan sturen om de geheele maatschappij ten onderste-boven te keeren.quot;

Wat verder de plichten aangaat, die de liefde meebrengt, wij hebben reeds gezegd, dat de wérkman zijn patroon niet als zijn tegenstander moet beschouwen, maar als zijn beschermer. Wanneer men somtijds hoort of ziet, hoe een werkman zich durft gedragen ten opzichte van zijn patroon, dan is het geen wonder, dat ook de werkgever zijn liefde voor zijn werkvolk voelt verkoelen.

„De verhoudingen tusschen patroon en werkman zijn meer gespannen dan in vroegere jaren,quot; zoo schreef wijlen de Heer Armand Diepen in „De Waarde en De Waarde van den Handenarbeidquot; bladz. 292. „Maar aan wie de schuld? Men werpt haar zoo gaarne op den werkgever. Ik zoek de oorzaak meer in de wijze waarop sinds het ontstaan van het Socialisme, de arbeiders optreden tegenover hen die hun werk verschaffen. Zoo iets heeft men vroeger nooit beleefd. Zijns ondanks zal ook de christelijke en edelmoedige patroon koud en onverschillig worden tegenover menschen, die hem de wet willen voorschrijven. Waar het werkvolk nog wars is van het Socialisme, zijn de verhoudingen gebleven zooala ze vroeger v/aren , hier iets beter, daar iets minder, over het algemeen goed.quot;

Behartigt dit woord , waarde werkman , weest liefdevol en eerbiedig jegens uw patroon , en wil door uw stug optreden of ontevreden woorden zelf niet de aanleiding zijn. dat uw heer ook ten uwen opzichte teruggetrokken en onverschillig wordt.

ocr page 58

54

Ziedaar dan eenige punten; die, wanneer zij beter worden nageleefd, van zelf verbetering voor den werkman aanbrengen. Doch gelijk reeds in het Boek der Spreuken (18, 19) wordt gezegd : „Een broeder, die door zijn broeder geholpen wordt, is als een sterke stadzoo zullen de werklieden, die met vereende krachten naar een doel streven, dit des te zekerder bereiken. Want ontegenzeggelijk ligt voor den werkman in den bond een middel tot voorspoed. Steilen wij daarom een volgende vraag;

V. Welke tijdelijke voordeelen kan een bond verschaffen ?

Ten eerste zal een bond zorgen, dat de verhouding tusschen patroon en arbeider, die overal niet is gelijk God wil, met kalme vastberadenheid en overleg, worde verbeterd. Voor de rechten der arbeiders, die niet overal geëerbiedigd worden, zal de bond erkenning vragen , zonder nogthans de rechten der patroons te schenden. Zou b. v. een werkman minder loon ontvangen, dan hem rechtens toekomt, dan zal hij, alleen staande, dikwijls niet bij machte zijn, dat onrecht te herstellen ; is hij echter lid van een arbeidersvereeniging, dan kan hij zijn beklag indienen bij het bestuur, en is de arbeider in zijn recht, zal de bond voor hem recht vragen. Dit is voorzeker een groot voordeel voor den werkman. Vandaar zegt, Leo XIII: „Als hoofddoel gelde steeds de overeenstem-ming tusschen arbeiders en meesters, met betrekking tot rechten en plichten.quot;

Het kan verder gebeuren, dat er tusschen werkman en patroon geschillen ontstaan; dat er omtrent een of ander gewichtig punt, hun beider belangen rakende, verschil van gevoelenquot; heerscht. — Is nu de werkman geen lid van een bond, dan bestaat er gevaar, dat hij door de onr-itandigheden gedwongen wordt zich aan de beslissing van zijn meester blindelings te onderwerpen. Hiertegen echter biedt de bond weer een geneesniddel. „Om de bezwaren tusschen beide partijen uit den weg te ruimen, behooren besturen uit onbesproken en ervaren mannen te worden gevormd, met het recht van beslissende uitspraak; zeer wenschelijk zou het zijn, dat dit scheidsgerecht zoowel uit arbeiders als uit meesters bestond, en dat krachtens de statuten de leden der arbeiders-vereenigingen gehouden waren zich tot hen te wenden.quot;

Een derde voordeel voor een lid van een bond is gelegen in de opterichten gemeenschappelijke kas. „Dat sparen rijk maaktquot;, wordt zoo gemakkelijk vergeten. Weinige arbeiders weten een appeltje voor den dorst te bewaren, of een duitje over te leggen voor hun ouden dag, voor eene ziekte of een of ander ongeval. Hier komt de bond weer te hulp. Weke-

ocr page 59

55

lijks of maandelijks stort men een paar stuivers in de gemeenschappelijke kas, waaruit men dan bij geval van ziekte of ouden dag wordt geholpen. Hoe vele arbeiders hebben te veel eergevoel , dan dat zij zich door een Armbestuur of Vincentiusvereeniging zouden willen bedeeld zien. Welnu, als lid van den bond ontvangt gij in zulke gevallen , waarin de nood zoo hoog stijgen kan, wat u rechtens toekomt, en wat uw volste eigendom is.

Een vierde voordeel sluit een bond in, dewijl hij zijnen leden gemakkelijker werk zal kunnen verschaffen. Wanneer Immers een patroon werkkrachten noodig heeft, dan zal hij, zoo de bond die ten zijnent bestaat, flinke en ordelijke arbeiders telt, zich eerst tot dezen wenden. Lid te zijn van een bond zal dus een aanbeveling zijn bij een patroon, wanneer men zijn diensten aanbiedt. Op deze beide laatste voordeelen wijst de Paus met deze woorden: „Verder stelle men zich tot hoofdtaak te zorgen , dat het den leden niet aan werk ontbreke, en dat uit een gemeenschappelijke kas bij gebrek aan werk, bij ziekte, bij hoogen leeftijd , bij noodlottige voorvallen, den arbeider ondersteuning geworde.quot;

Om kort te gaan , een bond zal de belangen der arbeiders behartigen ; de misbruiken , die hen drukken , met bedaardheid wegnemen, en hiertoe de middelen gebruiken, door geloof en rede aangeprezen.

Wil men den arbeidersstand veredelen, hem waarlijk christelijke gevoelens inplanten ; wil men hem op stoffelijk gebied een beter bestaan verschaffen , dan moet men de arbeiders vereenigen. Doch om hen te vereenigen, moet men hen winnen. Hiertoe is noodig, dat men gulhartig de misstanden erkent, die velen hunner drukken, dat men hunne belangen bevordert en hunne wettige eischen steunt. Door Vrijmetselaars en Socialisten zijn vele arbeiders bedrogen. Welnu, tegenover het bedrog van dezen moet de heldere waarheid schijnen ; tegenover hunne pers treedt onze boeken verspreiding op , tegen hunne school ons onderwijs, tegen hunne vereenigingen onze bonden , tegen hunne handelingen onze daden.

Met het oog vooral op deze vijanden , die ons bestrijden , komt het nut, of zooals velen zeggen , de noodzakelijkheid der bonden, meer aan het licht. In het bondsleven toch kunnen wij een krachtig bolwerk oprichten, om de verderflijke invloeden, die op zedelijk gebied de maatschappij ovorstroomen, tegen te gaan, en tevens vele arbeiders voor den verpestenden adem der Socialisten te beschutten. Deze gevolgen, niet ten

9

ocr page 60

56

onrechte de geestelijke voordeelen genoemd, die uit de bonden ontspruiten, bewijzen nog meer overtuigend, hoe wijselijk thans van vele zijden voor het bondsleven wordt geijverd.

„Wij Katholiekenquot;, zoo schrijft de Z. E. Heer Pastoor Konings in de 6e aflevering van de Sint-Willibrordus-Veree-niging , „kunnen na de verschijning der „Eerum Novarumquot; geene andere meening hebben, dan dat arbeidersvereenigingen noodzakelijk zijn om den grooten socialen strijd van onze dagen te voeren.quot;

VI; Om welke redenen , zoo vragen wij hier, kan men het oprichten van bonden op vele plaatsen noodzakelijk noemen ?

Vooreerst is het een feit, dat het ongeloof zich van velen heeft meester gemaakt. Een gevolg daarvan is , dat de geest van eigenbaat en hebzucht, de geest van genieten en verdienen zooveel men maar kan, zeer sterk is toegenomen. Menschen nu zonder geloof worden door geen zedelijke wetten, door geen hoop op belooning hiernamaals , door geen vrees voor de eeuwige straffen aangemoedigd , om een ander liefdevol en rechtvaardig te behandelen. Het dreigend en tevens aanmoedigend woord van den Zone Gods: „Voorwaar ik zeg U : voor zooveel gij dit aan één van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, deedt ge het aan mijquot; (Matt. 25, 40.) hangt den geloovigen Christen voortdurend als een tweesnijdend zwaard boven het hoofd, en herinnert hem aan de rekenschap eenmaal af te leggen , hoe hij zijne werklieden heeft behandeld. De ongeloovige daarentegen laat zich aan geen hel of hemel gelegen liggen. Hoogstens laat hij zich door eenige natuurlijke deugden geleiden. Maar zullen deze sterk genoeg zijn , om hem aan te zetten doorgaans op een dragelijke wijze de voorschriften van naastenliefde en rechtvaardigheid , door zijne daden te verwezenlijken ? Leert de ondervinding niet, dat men over 't algemeen ontkennend hierop moet antwoorden?

„Waar de bloem der heilige naastenliefde niet bloeien kanquot;, schrijft Pastoor Konings t. a. p., „omdat de akker van het hart te koud is, om haar levenssappen te geven , daar zijn de zwakkeren in den strijd des levens tegen de sterkeren niet beschermd , dan op de eenige voorwaarde , dat zij elkander steunen en bijstaan, en, krachtens door allen aangenomen beginselen , onder vaste leiding opgaan tot handhaving hunnerrechten en wegneming van datgene wat met die rechten in strijd is.quot;

Een tweede reden , die de betrekkelijke noodzakelijkheidi

ocr page 61

57

der bonden bewijst, vinden wij in onze vijanden zelf. Socialistische vereenigingen staan op , hun getal neemt toe : want niet weinigen zijn er, die zich door de schoonklinkende woorden der Socialisten laten meesleepen. — Wat vermogen nu afzonderlijke personen tegen eene goed geregelde vereeni-ging? Kunnen soldaten de overwinning behalen, wanneer zij, niet aaneen gesloten, een in slagorde geschaard leger aanvallen ? — Wij moeten daarom vereeniging tegenover ver-eeniging plaatsen , bond tegen bond , onze katholieke eenheid tegen hunne ongeloovige samenspanning.

Een derde reden, waarom de vereenigingen op vele plaatsen noodzakelijk zijn, is gelegen in het gevaar, dat anders voor den godsdienstigen werkman bestaat , om Socialist te worden. In couranten en geschriften, die brave werklieden zelfs voor niets in de hand worden gestopt, prijst men de socialistische vooruitzichten aan ; op werkplaatsen en fabrieken op straten en in herbergen verkondigt men de socialistische vrijheid , gelijkheid en broederschap. Het is niet gemakkelijk voorden werkman aanstonds de onwaarheid, de valschheid dezer stellingen in te zien. De leugen is hier dikwijls met waarheden verm ngd. — Welnu in een bond wordt het bedriege-lijke dier plannen uiteengezet; in een bond wordt de werkman gewapend tegen het bedrog dier verleiders ; in den bond wordt hem een tegengif geschonken door de verkondiging der waarheid , waardoor aan het vergif, dat de Socialisten in hun schandige blaadjes verspreiden, zijn doodende kracht wordt ontnomen.

Ook dit is eene der redenen waarom Z. H. de Paus de oprichting van bonden zoozeer aanmoedigt, gelijk blijkt uit hetgeen Hij nog onlangs tot den Bisschop van Luik zeide. „Wij hadden verteldquot;, zoo schrijft Mgr. Doutreloux in een Herderlijk Schrijven, „hoe verscheidene personen bang zijn voor de vakvereenigingen van christen-arbeiders, en daarop antwoordde de Paus met dezen uitroep , waarvan wij nooit den indruk zullen veigeten: Wil men dan de arbeiders het Socialisme en de Revolutie laten inloopen!quot;

Bij aandachlige beschouwing dezer drie redenen, die voor de noodzakelijkheid der bonden worden aangevoerd, zult gij zien, dat op vele plaatsen de toestand der werklieden zoodanig is , dat een bond noodzakelijk voor hen is.

Wanneer echter de arbeiders in eene of andere stad fatsoenlijk geld verdienen ; wanneer bovendien , om den godsdienstzin der werklieden , het gevaar, dat van socialistische

ocr page 62

58

zijde drijgt, niet groot is , dan vervallen twee der voorname redenen, die een bond noodzakelijk maken.

Dit neemt niet weg dat de oprichting van een bond nuttig kan zijn. In groote fabrieksteden immers zullen er allicht gevonden worden, wier tijdelijke verdiensten te gering zijn, en wier godsdienst min of meer gevaar loopt, vooral wanneer men let op de sluwheid, waarmede de Socialisten hunne denkbeelden trachten te verspreiden.

En toch niettegenstaande den godsdienstzin , die door de katholieke bonden onder de werklieden wordt aangekweekt; niettegenstaande de katholieke bond een krachtig behoedmiddel is, om de werklieden voor socialistische dwaalbegrippen te bewaren ; niettegenstaande de kracht, die door zulke bonden tegen de Socialisten kan worden ontwikkeld, zien sommigen de oprichting van bonden niet met een gunstig oog aan. Hunne werking wordt te veel beschouwd als optredende tegen de patroons, of als een middel, gelijk onlangs op eene vergadering werd gezegd, om de fabrikanten in den hoek te jagen. Niets is minder waar.

Neen, de bonden zijn niet tegen de patroons, niet tegen dezulken ten minste, die dezen naam met eere dragen. De bonden behartigen zelfs zijdelings de belangen der patroons. Of is het ook voor een patroon niet van belang, dat zijne arbeiders mannen zijn van deugd? Zullen zijne orders niet beter uitgevoerd worden , wanneer behalve de waakzaamheid van den patroon, ook de rechtvaardigheid en het plichtbesef van den werkman hiertoe medewerken?

„Altijd moet hij er op bedacht wezen, dat zijn grondstof, zijn werktuigen in handen van ontevreden, morrende werklieden aan bederf en beschadiging blootgesteld zouden zijn.quot; Bevestigen deze woorden van wijlen Armand Diepen , in zijn laatste werk : „De Waarde en De Waarde van den Handenarbeidquot; bl. 009, mijne bewering niet ? En na verder in een paar staaltjes te hebben getoond, waartoe de ontevredenheid iemand brengen kan, gaat de geachte schrijver voort: „Baldadigheden als het doorsnijden van drijfriemen, het verbrijzelen van gereedschappen zijn geene ongewone zaken ; en nu moge men voorzeker het meerendeel der werklieden te rechtschapen achten om tot handtastelijkheden of beschadiging of vernieling over te gaan , daarvan mag de patroon zich verzekerd houden, dat schier allen zonder onderscheid, zoodra hun ontevredenheid is opgewekt, minder en minder goed werk leveren dan in gewone tijden.quot;

't Is verder voorzeker een vreugde voor een patroon, en

ocr page 63

59

tevens een zeker onderpand , dat men zijne zaken zal behartigen , wanneer zijne onderhoorigen hem inderdaad als hun beschermer erkennen en als zoodanig eerbiedigen en beminnen. Is het nog geen onberekenbaar voordeel voor den patroon, dat in het hart der zijnen haat en afgunst geweerd wordt, die de Socialisten trachten op te wekken ? De verhouding, waarin elders kapitaal en arbeid dreigend tegenover elkander staan, zegt genoeg. — Dewijl nu de boud ernaar streeft, deze katholieke gevoelens in het hart van den werkman aan te kweeken , en daar het onkruid uit te roeien, door Socialisten zoo kwistig gezaaid, blijkt het, dat niet alleen voor de werklieden zelf, maar ook voor de patroons de oprichting van een bond in onze tegenwoordige omstandigheden voordeelig is.

„De Patroonsquot; , zoo schrijft dan ook Mgr. Doutreloux in zijn herderlijken brief over „Het Arbeidersvraagstukquot;, „moeten niet bang zijn voor de oprichting van bonden ; integendeel, zij moeten er belang in stellen, ze begunstigen, met hun leiders in aanraking komen , op hunne vergaderingen verschijnen , hetzij om belangstelling te toonen , hetzij om daar de taal van het hart te doen hooren ; en dan worden die vereenigin-gen een element van orde, van verzoening en van vrede.quot;

Doch wil een bond deze heilzame uitwerkselen voortbrengen, dan is het noodig, dat hij steune op den waren katholieken geest. „Zijn geheele inrichting, zegt de Paus, moet van het christelijk geloof doortrokken zijn.quot; — Waarom?

Hec is van groot gewicht, dat gij. Werkman, dit goed begrijpt. Het ligt immers voor de hand, dat men zegt: „Wat doet de godsdienst bij een bond ? wat heeft het geloof toch uit te staan met een schaafbank of weefgetouw , met troffel of els ? Hierom de

Vilde vraag: „Waarom willen wij Katholieke bonden? in andere woorden : „Waarom willen wij van neutrale bonden volstrekt niets weten?quot;

Eerstens, omdat er in een bond dikwijls niet slechts over punten wordt gehandeld , die dit of dat ambacht aangaan, maar over zaken , die rechtstreeks in betrekking staan met den godsdienst.

Laten wij maar een enkel geval noemen. Er is sprake van arbeidsstaking op een fabriek. Meent gij nu, dat de arbeiders zoo maar een stakingpartijtje op het getouw kunnen zetten , wanneer zij dit verkiezen , even alsof het een kaart-of biljartpartijtje gold ? — Volstrekt niet. Er kunnen zich gevallen voordoen,dat de arbeiders door te staken zichgrootelijks voor God bezondigen. Gij ziet dus , dat er in een bond behalve

ocr page 64

60

vakbelangen ook zakeu worden besproken ten nauwste met den godsdienst verbonden , en dat derhalve katholieke beginselen u hierin moeten geleidon.

Een tweede reden, waarom wij katholieke bonden wenschen, ia , dat wij , als Katholieken , niet onverschillig mogen zijn voor het doel, dal de bond nastreeft, noch voor de middelen, die de bond daartoe bezigt. Gij zijt immers ook voor de handelingen , die gij als lid van den bond stelt, verantwoording aan God schuldig. Ook de bond op zijne beurt moet onderworpen zijn aan de Kerk. Waarom? — Beiden, Kerk en bond , streven naar een doel. Doch het doel der Kerk , de heiliging van den mensch , is veel verhevener dan het doel der bonden , die onmiddellijk slechts tijdelijken vooruitgang nastreven. Derhalve moet de bond zich onderwerpen aan de Kerk , en mag hij zeker nooit iets ondernemen , wat in strijd zou zijn met hare voorschriften.

Een derde reden , waarom wij katholieke bonden willen , vinden wij hierin, dat onze bonden een macht moeten vormen tegen het Socialisme. De oplossing der Sociale Quaestie is niet hierin gelegen, dat de arbeider behoorlijk gevoed, gekleed, gehuisvest wordt; neen, de Socialisten, zooals wij gezien hebben, strijden tegen de Kerk, strijden tegen de maatschappij, zooals zij door God is ingsteld. Willen wij dus de Socialisten, onze aartsvijanden , overwinnen, dan moeten wij onzen godsdienst verdedigen, dan moeten wij voor de door God gestelde orde strijden. — Maar kunt gij dat alles, wanneer uwe vereeniging niet op katholieken grondslag steunt?

Wat de Godsdienst u gebiedt, is lijnrecht in strijd met hetgeen de Socialisten willen. Derhalve moeten ook uwe vereenigingen , Katholieke Werkman, hen met middelen bestrijden, die lijnrecht tegenover de wapenen der Socialisten staan. Door water immers wordt het vuur ten spoedigste gebluscht. Uwe Katholieke beginselen moeten als tegengif dienen , om de plannen der Socialisten, die den Godsdienst vijandig zijn , te vernietigen.

„Het geldt hier.quot; (namelyk in den strijd tegen de Socialisten), aldus de Studiën D 45, bl. 26, „niet enkel stoffelijke belangen.quot; Aan den eenen kant staan de Socialisten, zij willen stoffelijke belangen. Maar hoe ? Met omverwerping van heel de bestaande orde, van Huisgezin, Staat en Kerk. Zij komen er openlijk voor uit.

Aan den anderen kant staan de Katholieken en geloovige Christenen. Ook zij willen leniging van de tijdelijke nooden

ocr page 65

«1

der arbeidende klasse, verbroedering van rijk en arm , van het kapitaal met den arbeid. Maar hoe? Zij strijden voor het behoud der door God gestelde orde, waarin alleen geluk en welva.irt, vooral voor de arbeidende klasse, te vinden is. Zij strijden voor huiselijken haard, voor troon er. altaar, dat wil zeggen : voor de edelste zaken , waarvoor ooit gestreden werd Waar voor zulke hooge belangen gestreden wordt, waar de strijd tot dien graad van verbittering gestegen is, daar blijft voor kleurlooze werkliedenvereenigingen geen plaats over. Hier geldt: „Wie niet voor mij is, is tegen mij.quot;

Een vierde reden eindelijk, waarom door onze bonden warm katholiek bloed stroomen moet, is, omdat „neutralequot; bonden op den duur niet kunnen bestaan. Wat is daarvan de reden ?

Omdat er ook in zulke bonden noodzakelijkerwijze over de plichten en de rechten van den arbeider gehandeld wordt. Welnu die rechten en plichten zijn door God geordend. Derhalve moet zich een vereeniging ook in hare uilt;spraken over rechten en plichten door de wetten van den gpdsdienst laten geleiden. — Maar is dan zulk een bond neutraal ? Immers neen. Hij doet wat de godsdienst hem oplegt.

Wanneer echter zulk een bond zich in zulke uitspraken niet door de wetten van onzen Schepper laat geleiden ; kunt gij hem dan neutraal noemen ? — Volstrekt niet. In dit geval is de bond in verzet met Gods voorschriften, en derhalve vijandig aan den godsdienst.

Men werpe hier niet op, dat men zich in „neutralequot; bonden niet op godsdienstig terrein beweegt. Dit is in de praktik onmogelijk. En als men maar eens nagaat, wat er zoo al in zoogenaamde „neutralequot; vereenigingen wordt behandeld , dan ziet men , dat bakkers, of slijpers, of sigarenmakers nog wel over wat anders dan brood, of glas , of tabak spreken.

Wij zien wel is waar hier en daar bonden opgericht, die beweren „neutraalquot; te zijn. Doch wat leert de ondervinding? Dat zulke vereenigingen zich dikwijls bij de Socialisten aansluiten ; dat Socialisten gemakkelijk lid kunnen worden van neutrale bonden en ze van hun geest doordringen; dat eindelijk zulke „neutralequot; bonden den steun en de vriendschap genieten der Socialisten , terwijl deze laatsten een onverzoen-lyken haat hebben gezworen aan onze katholieke gilden. De liefde en toegenegenheid, die Socialisten aan „neutralequot; bonden betoonen , spreken zij niet luide genoeg de afkeuring erover uit?

ocr page 66

(32

Het zal u thans duidelijk zijn , Waarde Werkman, waarom van katholieke zijde zoozeer voor waarlijk godsdienstige bonden wordt geijverd, 't Is dus van overwegend belang eens na te gaan , wat er gevraagd wordt, opdat een bond wezenlijk „katholiekquot; mag genoemd worden. Vandaar de

VlIIste vraag: Wanneer is een bond „katholiekquot;?

Alleen dan draagt een bond met recht dezen naam, „als hare leden , volgens Christus' geboden levende en onderworpen aan het kerkelijk gezag, volgens de beginselen der Kerk van Rome handelen.quot;

Vooreerst dus is noodig, dat dü bondsleden „katholiek levenquot;. Dat wil niet zeggen, dat zij onzondigbaar moeten zijn. Doch in den bond hoog opgeven van zijn katholieke gevoelens, en in de praktijk zich weinig of niets aan de geboden van God of van de Kerk storen : zulk een tegenspraak mag in geen bondslid worden aangetroffen. Minstens dus moet de meerderheid met het bestuur uit flinke, degelijke Katholieken bestaan. Letwel: wij zeggen „minstensquot; moeten de meeste leden Katholieken zijn van zuiver gehalte. Want het is voorzeker allerwenschelijkst dat alle bondsleden door waren godsdienstzin uitmunten. Immers wanneer de Kerk de Sociale Quaestie kan en zal oplossen door haar geest, haar invloed en hare middelen, dan moet die geest doordringen in de haTten harer kinderen. Slechts naar die mate immers kan de kracht der Kerk haar invloed aaa geheel de maatschappij meedeelen. Doch daar op sommige plaatsen meerdere katholieke arbeiders én door ophitsingen van Socialisten, én door slechte voorbeelden van anderen, én door eigen zwakheid reeds min of meer aan de Kerk den rug hebben gekeerd, moet men ook, volgens voorschrift der liefde, aan dezulken de deur der katholieke bonden openen. „Bijzonder voor deze arbeiders,quot; zegt Leo XIII, „kunnen de katholieke vereenigingen van uitstekend nut zijn , wanneer zij de wijfelenden uitnoodigen bij haar een geneesmiddel tegen hunne kwalen te zoeken; wanneer zij hen , die hunne dwaling inzien, met liefde opnemen , en hun bescherming en bijstand verzekeren.quot;

Een katholieke bond moet op de tweede plaats „onderworpen zijn aan het kerkelijk gezag.quot;

Gelijk iedere Christen zich in zaken van godsdienst zich naar Gods bevel onderwerpen moet aan zijn onfeilbaren Plaatsbekleeder op aarde, den Paus van Rome, zoo moeten ook de leden van een bond gezamenlijk naar die leidende stem des Pausen luisteren. Er moeten in bonden vraagstukken behandeld worden en besluiten [genomen, die op hefc

ocr page 67

9

68

nauwst met de voorschriften van den godsdienst in verband staan. Derhalve is het duidelijk dat een katholieke vereeniging zich te onderwerpen heeft aan het kerkelijk gezag. Dit gezag toch trekt de lijnen waartusschen men zich moet bewegen , oefent toezicht uit en beslist over het geoorloofde of niet geoorloofde der te stellen handelingen.

Den Paus van Rome, gij weet het, komt de hoogste macht in de Kerk toe. Door den opvolger van den H. Petrus worden de Bisschoppen aangesteld , die aan de bonden „geestelijke adviseursquot; hebben toegevoegd, om daar het bisschoppelijk gezag te vertegenwoordigen. De toevoeging dan van een priester als geestelijk adviseur drukt op den bond het zegel van het Catholicisme.

De leden derhalve van een bond, en inzonderheid zijn bestuur, mogen nimmer vergeten , dat op hen de plicht rust voort te gaan langs den weg, door den adviseur aangewezen.

„Juist omdat dit terrein zooveel oneffenheden bezit en moeie-lijk te bewerken is, men zoo licht de spade in den verkeerden grond zet; juist omdat er bij de behandeling van betwiste punten, niet minder dan bij de oplossing der vele vraagstukken, behalve voorzichtigheid en wijsheid , niet zelden kennis van geloofs en zedenleer vereischt wordt, hebben de Bisschoppen aan de vereenigingen priesters als geestelijke adviseurs toegevoegd, om de leden te dienen van raad en steun.quot; (P. Konings bladz. 24). En dan alleen, wanneer de woorden van den adviseur in deze aan de vereeniging tot richtsnoer dienen, zal zij op den naam van „katholiekquot; kunnen roemen, en de kracht ondervinden, die ook op tijdelijk gebied door den godsdienst wordt uitgeoefend.

„De oude gildenquot;, aldus Pastoor Konings t. a. p. bl. 30, „toonden overal en altijd hooge waardeering van hun H. Geloof. Hare vaandels namen de eereplaatsen in bij de feesten de; Kerk en het altaar was het H. middelpunt, waarom ieder oogenblik de broeders samenkwamen bij rouw en vreugde.

Zoo ook moeten de nieuwe gilden van het altaar af de levenskracht mededragen, die zij behoeven, en de leden moeten als trouwe zonen der Kerk door hun werkzaam en vurig geloof de zegepraal van den Godsdienst over de ongeloovige maatschappij verhaasten.quot;

Een grootsche taak derhalve wacht den Katholieken Bonden. Hunne zonen zullen de eerste gelederen vormen der macht, die het Socialisme zal verpletteren. Want gelijk de Kerk van Rome zoovelen harer vijanden onder het stof der eeuwen heeft zien begraven, zoo zal zij eenmaal de overwinning over dezen vijand vieren. Geve God. dat die dag spoedig aanbreke.

ocr page 68

64

Weest dus, Leden van den Bond, op uwe hoede. De vijand van ons geloof zoekt heden nog onkruid onder de tarwe te zaaien. Hij wil de kracht breken die in de eenheid is gelegen. Legt gij u daarom vooral op de ware naastenliefde en de christelijke ootmoedigheid toe; want beide deugden zijn. bijzonder voor een lid van een bond noodzakelijk. Men kan ze bij uitstek de „bondsdeugdenquot; noemen.

Weest liefdevol in uwe gedachten , woorden en werken. Waar menschen zijn. daar vindt men gebreken. Gij zelf zult dus uwe gebreken naar den bond medebrengen , terwijl daar terzelfder tijd de gebreken uwer medeleden aanwezig zijn. Geli.ik anderen u moeten verdragen, zoo ook moogt gij voor anderen niet onverdraagzaam zijn- „Draagt elkanders iasten, en zoo zult gij de wet van Christus vervullen.quot; (Gal. 6, 2.) Blijve de wapenspreuk: , Eendracht maakt machtquot; voor u eene voortdurende herinnering, dat de liefde het zekerste-onderpand eener eendrachtige samenwerking is, door welke alleen groote zaken tot stand gebracht worden.

Met de naastenliefde moet u als lid van den bond de nederigheid bijzonder dierbaar zijn. Er moeten presidenten , raadsleden , penningmeesters , secretarissen enz. worden aangesteld. Wanneer wy nu luisteren naar onze ingeboren ijdelheid, zou iedereen al eens gaarne zulk een postje bekleeden. Het is wel eens aardig met den presidentshamer te kloppen, of ten teeken zijner waardigheid als bestuurslid een lintje of medaille op de borst te dragen. —

Christelijke Werkman, wacht u voor die ijdelheid. „Zóó mag het niet wezen onder uquot;, sprak onze Goddelijke Zaligmaker tot Zijne Apostelen, na eerst op de heerschzucht en ijdelheid dor heidenen te hebben gewezen, „maar al wie onder u groot wil worden, die zij dienaar. En wie onder u de eerste wil zijn, die zal uw knecht zyn. Gelijk de Zoon des menschen niet gekomen is , om gediend te worden, maar om te dienenquot;. (Matt. 20, 26, 27, 28).

Wordt gij wettig gekozen , om den een of anderen post waar te nemen, bekleed dan uw plaats met toewijding en ijver. Maar gaat men u voorbij , of wordt gij , na eene bediening te hebben uitgeoefend , bij eene volgende verkiezing niet meer herkozen, wees dan tevreden ; blijft onderworpen , en wil door uw morren geen tweespalt in den bond verwekken. Gij zult nu begrijpen , waarom doorgaans alles moet worden mistrouwd , wat b.v. een persoon, die niet herkozen werd tot zijn ambt, tegen een bond weet in te brengen. Zoo iemand acht zich vernederd, en zoekt zich dan op deze wijze te wreken.

ocr page 69

65

Streef er derhalve naar, Katholieke Werkman , om in uw bijzonder leven zoodanig te zijn, als de rede en de godsdienst u voorschrijven. Dan zal de bond uit degelijke mannen ontsproten , als een rivier uit meerdere heldere beken, een stroom zijn, die van u vele rampen verwijdert en tevens vele voordeelen aanvoert. — Niet, dat uw lot bij tooverslag zal verbeterd zijn.

„Heden lid van den bond ,

Morgen goud in den mond.''

Neen, schep u zulke droombeelden niet. Groote zaken komen langzaam tot stand. Vergeet hierbij niet, dat verschil van standen door God zelf is gewild en daarom ook ten eeuwigen dage zal bestaan.

Eindigende herinner ik u aan een woord, dat velen uwer onlangs mochten vernemen uit den mond van een achtenswaar-digen Priester, die overal de belangen van den werkman voorstaat,

„Ik ontveins het nietquot;, zoo sprak Dr. Schaepman den 2den Mei '97 in eene lezing voor den R. K. gildenbond te Tilburg, „dat stoffelijke lotsverbetering nooit uit 'toog mag worden verloren , maar ik waarschuw alleen, dat men de Sociale Quaestie niet moet beschouwen als de stoffelijke lotsverbetering van den werkman alleen.

Het doel is: het brengen van den vrede over de geheele maatschappij.

De Ster van Bethlehem heeft geschenen over de hoogen en over de lagen; niet alleen de herders maar ook de koningen zijn gekomen. Zoo is het brengen van den vrede, dat 't doel is der sociale beweging, niet alleen de zaak van den werkman , maar ook van den patroon.quot;

Leden van den St. Severusbond , neemt dat woord ter harte. Laat u geleiden door de Ster van Bethlehem, dat wil zeggen, blijft uw leven inrichten naar het voorbeeld en de leer van den Zoon Gods! Beijvert u oprecht katholieke leden te zijn van uw Bond. Dan zult gij , luisterende naar de woorden van uw geestelijke adviseurs, de achting en liefde van meerderen voor uw Bond winnen, en steeds dichter naderen tot uw doel: uw geluk in dit en in het andere leven.

IMPRIMATUR. ^ IMPRIMATUR.

Fr. ARCHANGELUS M. Provinc. S M. F. DE BEER, Sup.-Gen. ad hoc del. Tilbuegi 6 Julii 1897. I Tilbdroi fi Julii 1897.

ocr page 70

66

DRUKFOUTEN.

Bladz.

21,

reg. 7

V.

0.

staat

nieuwe lees nieuwen.

W

23,

„ 3

V.

b.

n

Petrus Blasius lees Petrus Blosius

}J

36 ,

* 1

V.

0.

n

neuwig lees eeuwig.

n

37,

„ 7

V.

b.

r

op gezalfden lees op de gezalfden.

n

46,

„ 4

V.

0.

Stellen lees Stellen.

INHOUD.

Bladz.

Ie

Hoofdstuk.

De godsdienstige Wever . . . .

3

2e

))

De Bisschopskeuze......

9

3e

n

De Heilige Bisschop......

18

4e

V

Zijn gelukzalige dood.....

27

5e

n

Het Socialisme en zijne gevolgen.

37

6e

n

De Wever en de Bond.....

51

ocr page 71
ocr page 72