^éèééèèèéééèéééèèéèéèièèèèèééééM^
kt 1$®«®$®©#©®$®$®$®«®«®©!$® m-msamp;smmsmi
I
mentei
||de Molens te Wellquot;,..
If l1
⦠gt; ® (k
G[ é i'. P e t e i4
â ROERMOND.
1896.
DOOR
li
41 i
;|s -»gt; ^
is
-â¦gt; 5 ik.
::t v
'tl * M- Watei'feus,
31
41 yT'
-li
-â¦gt;2 -«â gt; vquot;
-Â¥1
.' 3)
â¢il
Vak 128
_i
Eenige documenten betreffende de molens te Well.
Naast den windmolen bestond hier een watermolen. De plaats waar deze eenmaal stond, wijst men u nog aan op ongeveer Va kilometer ten Noorden van den rijkskiezelweg Maastricht-Nijmegen aan de âMolenbeek.quot; Geen enkel overblijfsel van muren of heiwerk getuigt, dat daar ter plaatse een gebouw gestaan heeft. Uit verschillende documenten blijkt echter, dat er werkelijk een watermolen bestond; ook de naam der Molenbeek wijst daarop voldoende. Nogtans zal niemand, die de tegenwoordige Molenbeek kent, uit den naam alleen kunnen besluiten, dat daarop eens een molen stond. Want door de hand over hand toenemende uitdroging der groote moerassen whet Heerenvenquot; en ffhet Mehrquot; is zij gedurende drievierden van het jaar geheel droog. Toch voerde zij in vroeger jaren veel water af, zooveel zelfs dat in het jaar 1674 de watermolen wegspoelde, welke na dien ook niet meer opgebouwd is.
De ,/bannaelenquot; windmolen lag op den Molenberg, waar thans nog de groote steenen windmolen van het Kasteel staat. De beide molens behoorden tot de Heerlijkheid Well, en waren diensvolgens voor Vs Zutphensch en Vs Geldersch leen, en voor Vs allodiaal goed der Heeren van Well. De inwoners der Heerlijkheid waren verplicht, hunne granen op deze molens te laten malen. Om nu van de zijde des molenpachters zooveel mogelijk
elke willekeur len opzichte der landbouwers tegen te gaan, werd bij de verpachting voorbehouden de aanstelling van een beëedigden knecht; de pachter mocht niet het bedrijf zelf uitoefenen. De Schepenen zagen toe, dat aan deze verplichting werd voldaan; ook moest de molenknecht in hunne handen den eed van trouw afleggen, welke luidde als volgt:
lek N.N. gelove ende swere bij Godt ende syne lieve heyiigen dat, so lange als ick die meulen alhier tot Well sal bedienen voor knecht, sal holt ende getrouw wesen aen syne (off haere) Graeflycke genade, heere (off vrouwe) deser Heerlijckheyt, en voorts aen allen ondersaeten, ende andere die haere vruchten ter meullen sullen brengen, ende dieselve goett geryff doen, naar mijne beste vermeugenheyt met maelen ende oprecht molsteren '), ende die vaetjens stryeken met den streeckel, daertoe geordonneerd, ende voorts alles doen ende laeten dat eenen eerbaren ende getrouwen knecht van rechtswegen schuldig is te doen, ende my niet en sal laeten bewee-gen by gifften offte gaeven, gunst offte ongunst offte om einigh profyt, wie dat eens menschen hert erdencken magh, maer alles vertrouwelyck sal volbrengen, soo helpe my Godt en alle syne lieve heyiigen.
Op 15 December 1702 legden Jan Linders en Peter Cremers den eed als molenknechten af; evenzoo Jan Jacobs op 15 Januari 1704.
De pachters der molens bleven nog al eens nalatig in het aanstellen van een beëedigden knecht, gelijk o. m. blijkt uit het volgend request van Schepenen en gezworenen aan de toenmalige eigenares der molens.
i) Molsteren â afmeten van het maalloon.
Aen de hochgebore Vrouwe Agnes Catharina Gravinne tot Lim-borgh, Bronkhorst ende Styrumb, vrij-vrouwe tot Well ende Blitterswrjck.
Verthoonen met behoorlijcke reverentie die Schepenen ende gesworenen der Vrijheerlijckheijt Well, hoe dat Willem Baijen ende Jan Seuren (als pachters van de wint- ende watermeullen alhier) voor eenighe daegen hebben gehuijrt eene persoone, die op deselve meullens sal maelen, ende nu albereets 't selve heeft aenverdt,sonder hem eerst gequalificeert te hebben,'t welck is streckende tot prejuditie van uwe Hochgebore ende die Gemeinte, ende tegens die teneur van de conditie bij de meullen-verpachtinghe opgericht, om 't welck voor te komen so nemen de supplianten hunne toevlucht tot Uwe Hochgebore, seer dinstelick versoeckende, te willen gelyven aan de voorss. meullenknecht. te ordonneeren ende te bevelen, voor eerst ende vooral te thoonen behoorlicke attestatie van sijne handel ende wandel, daer hij 't lest heeft gedient, ende mede den eed te presteeren van een jederen gelick te doen met oprechten molster als ander-sints, ende dat hij daartoe sal gebruicken die vaetjens, bij desen gerichte gekeurt ende gebrant, deselve afstryc-kende met eenen bequamen streeckel ende niet met de handt, gelick voor desen well is geschiet; ook mede aen de menllenpachters te belasten ende te bevelen, selver offte in persoone niet te maelen ofïte molsteren, maer door hunne vereede dynaer.quot;
De gravin van Limburg, Bronkhorst en Styrum plaatste daarop in margine het volgend antwoord:
,/Synde 't voorgestelde versuecke van onse onder-daenen billig ende conform, die meullenverpachtinghe
beginnende in Maio deeses loopenden jaers 1661, so wordt hiermede aen den meullenpachter endc synen knecht bevohlen, den inhalt van deese regte puinctue-lycken t'achtervolgen.
r/Den eyds ende die behoorende attestaties van den veurs. meullenknecht sal binnen den tydt van thien daegen geschieden moeten.quot;
Well, 4 Juni 1661.
Overschrijding der bevoegdheid van de molenpachters bleef echter niet uit, want reeds in October van het jaar 1662 zagen schepenen en gezworenen zich opnieuw gedwongen, een request aan de Gravin van Limburg enz. in te dienen. Hierin beklaagden zij zich, dat door de molenpachters zelf werd gemalen in strijd met de conditie en oude gewoonte, en zoodoende f/de onder-daenen niet en woerden bereven met goedt gerieff,quot; tevens verzoekende dat den molenpachters werd gelast, zelf niet meer te malen of te molsteren, maar een be-eedigden knecht aan te stellen. Dit verzoekschrift werd aan de molenpachters gezonden met de opmerking, aan het gevraagde binnen acht dagen gevolg te geven, ./ende by faute van dien sullen deselve (de pachters) tot den effect van den suppte» regtc poenaliter angehalden werden.quot;
Overigens was het molenaarsvak een goed loonend bedrijf, aangezien alle inwoners der Heerlijkheid verplicht waren, op dezelfde molens te laten malen. Hooge pachtprijzen werden dan ook gegeven. Zoo lezen we in een pachtcontract van 27 Februari 1698, dat Elbert Van Erp de windmolen had gepacht voor jaarlijks:
drie en zestig malder en twee vaten rogge,
drie en zestig u â twee u gerst,
drie en zestig u â twee â boekweit, te zamen 190 malder koren; het Wellsch malder metende
1 mud 60 koppen. Daarbij moest hij ieder jaar nog //voor onraetquot; leveren: 36 pond broodsuiker, 400 pond varkensvleesch, twee pond kruitnagels, twee pond mus-kaatbloem, een pond kaneel en 20 gulden loopend geld. Voor ieder duim breed, dat van de steenen werd afgemalen, moest 20 gulden loopend betaald worden. Inwoners der Heerlijkheid betaalden voor maalloon Vis» terwijl voor vreemden geen mate werd gesteld; dii stond f/ten gelieve van den meulenpachter, daervan te nemen soo het hem goeddunckt, om haer gunst te gewinnnen tot synen besten profyt.quot; Zoo iemand van de onderdanen op den vreemde liet malen, en dit afdoende kon bewezen worden, werd zak en meel den huisarmen verwezen, en moest de delinquent den molenpachter schadevergoeding geven; terwijl de eigenaar-verpachter hem dan nog kon laten veroordeeelen tot eene boete als ,/tot eene diefstal gestatueert staet.quot;
In het jaar 1702 bracht de molen op:
9 malder tarwe,
162 â en 4 vaten rogge,
69 â â 5 â gerst,
31 i, a 5 i, boekweit,
25 i, i, 5 ,/ voederkoren (gemengd). Samen 299 malder 1 vat koren.
Het volgend jaar was de opbrengst 272 malder en 4 vat koren, hetgeen eene waarde vertegenwoordigde van ongeveer 3772 francs.
Wellicht ter oorzake van willekeurige behandeling van de zijde des molenaars werd door de inwoners der Heerlijkheid Well en Bergen nog al eens gezondigd tegen de verplichtingen, welke zij ten opzichte der dwang-molen dienden na te komen. Zoo kwam het meermalen voor, dat ze met hunne granen over de Maas trokken om ze daar te laten malen. Werden zij hierbij betrapt.
dan stond hun eene niet geringe straf te wachten; want, buiten verbeurdverklaring van hun meel, werden zij tot geldboeten veroordeeld Te dezer zake was er ten jare 1713 een proces gerezen tnsschen den Heer Max Graaf De Pas, Markies de Feuquières en Jan Ramaekers den Jonge. De laatste had drie zakken mout aan de overzijde der Maas laten malen. Hij werd achterhaald, en onmiddellijk werden zijne drie zakken meel aan den armen overgegeven; terwijl hij zich ten slotte nog tot eene niet geringe geldboete veroordeeld zag. Bij vonnis van 4 Juli 1716 verklaarde het Hof te Gelder den aangeklaagde vervallen //in eene amende van vyffdgh gulden brabantsch ter cause van de contraventiën tegens de possessie van 't recht bannael der meulen.quot;
Tegelijkertijd werd aan Jan Ramaekers, Jan Beckers, Abraham Huijgen, Geurt Van Dijck, Peter Haen, Peter Daemen, Peter Van den Bergh en de schepenen en regeerders der Heerlijkheid Well vrijheid gegeven, tegen den Graaf De Pas eene actie in te stellen wegens het niet opbouwen der watermolen en onbehoorlijk molsteren. Voorts werd nog aan dezen bevolen, zorg te dragen dat //den tijdelycken menlenbaes d'onderdaenen sooveel mogelyck goett geryff comme te doen, ende in 't molsteren niet t'excedeeren, dat ingevalle wierde bevonden eenigh gebreck in 't voors. te syn gecommilteert, den meulenbaes sal vervallen ende onverschoonelyck sal worden gecondemneert in d'amende van thien goudt-gulden, de eene helffte daervan t'appliceeren ten behoeve van den aenbrenger, die 't selve naer behooren sal hebben bewesen, en d'andere helffte ten behoeve van den Heer van de plaetse.quot; Ook werd door het Hof aan den molenpachter de verplichting opgelegd, voor de tekortkomingen van zijn knecht in te staan. Eveneens zou hij geen graan ,/mogen molsteren, dat op de meulen bij gebreck van windt offte andersints niet gemaelen wordt,
ende hetgheene aldaer geraaelen wordt daerinne yemant sigt merckelyk vonde vernaerdeylt ende hetzelve, den rechten genoegt synde, conde worden bewesen, den meulenbaes boven de reparatie van den schade voor jeder spint dat t'onrecht sal syn ontfangen offte te veel gemolstert, verbeuren sal voor de ierste reyse d'atnende van vijff en twintih goudtgulden, t'appliceeren als vooren, ende voor de tweede reyse het dobbel van dyen, ende voor de derde reyse boven gelycke reparatie en amende, verclaerd sal worden te syn vervallen van zijne pach-tinghe ende inhabil om dergelycke functie hier te lande meer te mogen doen.quot;
Het heeft allen schijn dat Jan Ramaekers de overtreding slechts beging om aan het Hof te Gelder een vonnis uit te lokken, waarbij den Graaf De Pas werd bevolen, de watermolen op te bouwen. Hierin slaagde hij echter niet; want de nieuwe watermolen is tot heden ten dage tot de vrome wenschen blijven behooren.
Gér. Peters.
Well, October 1895.
r
'
â
ü