T A B I T H A
Dl-
Wat een Christenvrouw vermag,
.11 ^
....... ^
y-i
A. M. J. !. BINNEWIERTZ.
.a
Kapdaan tf. Fjjmondcn. f -
Uitgegoveii ton voordcelo van do âSi. Vim-entius Vcreeniging iu do Egmonden.
föj/l â¢!. öS'f i,
( /? c. V3 ...... ^ %
^quot;,^.:-r--O:.v^'-
SNKLJ'hrsdiu'K. A . JANSI;N. ECMOND A D IEOKIquot;.
Vak 90
^UOinEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
T
1
i
i
2945 696 3
ff Na-//.
TABITHA
O V
WAT EEN CHRISTENVROUW VERMAG.
nooii
A. M. J. I. BINNEWIERTZ.
Kapelaan te Eymonden.
Uitp;pgovoii ton voordeele van do âSr. \'incentiiis-N'prooniginft' in do Egmonden.
eV
EcMONd's S X KL I» KUS Dit IKK K R U. 1 8 ii VJ.
T
EEN WOORD VOORAF.
In het laatste borderel der rekening van de âSt. T in-centius-Vereenigingquot; te Egmonden lees ik het volgende: ..Het kleeding-magazijn bestaat hoofdzakelijk nog slechts in naam. Weinig, of liever in het geheel niet, wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt, om oude. doch bruikbare, kleedingstukken aan de werkende leden ter hand te stellen.quot;
Nu is dit wel bitter jammer, omdat geen liefdewerk zoo gemakkelijk is! Daarenboven, zoo vele meisjes en vrouwen zouden gaarne iets doen voor de goede zaak â indien ze slechts gelegenheid vonden.
Tot opwekking van deze velen diene dit kleine hoekje, dat het leven en werken verhaalt van eene nederige vrouw, die groote dingen heeft gedaan voor God en de menschen.
Ã
é
TABITHA
i.
â ^ïen kan over de vrouwenbeweging denken zooals men wil, men kan zelfs meenen, dat zij, op zekere hoogte in onzen .tijd noodig en nuttig is, toch zal men moeten toegeven, dat de wijze, waarop zij thans, vooral in ons land, wordt gevoerd, onchristelijk en onvrouwelijk is. Onchristelijk: men leze slechts Hilda van Suylenburg, of liever, men leze het boek niet, want het is slecht, doch geloove de critiek, die dezen kate-chismus der vrije vrouwenbeweging een pleidooi heeft genoemd der âvrije liefde.quot; Onvrouwelijk: menhoore de bezoekers van de Haagsche tentoonstelling van Vrouwenarbeid, en verneme, wat een vriendelijken indruk die vooruitstrevende dames maakten! En men herinnere zich hoe, nog niet lang geleden^ Mevrouw Haver -Schook in het eerzame Delft een lezing hield, waarmee deze geëmancipeerde dame eenvoudig alle fatsoenlijke menschen geërgerd heeft.
Zulke vrouwen zullen de maatschappij niet helpen en, als er redding noodig is, van haar verwachten wij niets anders dan nog grooter ellende. Wij hebben aan christen-vrouwen behoefte, aan christen-meisjes en christen-moeders.
Goddank, er zijn er nog vele! In eigen kring ontmoeten wij ze telkens. Alleen is het jammer, dat tegenwoordig, nu allerlei juffrouwen en mevrouwen, zonder geloof en zonder eerbaarheid, zich overal in het openbaar vertoonen, onze Christinnen zich zoo bescheiden als veldviooltjes verbergen. Och, onze vrouwen laten zoo bitter weinig van zich hooren! Ze werken heel trouw en heel vroom in eigon omgeving, doch de buitenwereld kent zelfs niet haar naam. En ze kondon
4
toch, als ze wilden, buiten het huisgezin zooveel nuttigs verrichten.
Voorbeelden trekken; en zoo was ik dadelijk besloten om u van Tabitha te verhalen, toen ik haar levensgeschiedenis in de Juli-aflevering 1S9S van âAlte und Neue Welt,quot; las. Een levensgeschiedenis van een Christen-vróuwe, beschreven door haar eigen zoon.
En deze zoon is niemand minder dan pater Albert Maria Weisz, O. Pr., de zeer bekende schrijver van de beroemde âApologie des Christenthumsquot;, die binnen enkele jaren reeds een Bden druk beleven mocht: voor zulk tamelijk kostbaar boek waarlijk een bijzonderheid, wat men echter volkomen begrijpt, als men met dat standaardwerk heeft kennis gemaakt. Welk een geleerdheid, wat een diepe kennis op ieder gebied, wat een belezenheid, bovenal wat een gemakkelijkheid, wat een rust om alle-? ordelijk en regelmatig te verwerken! En wat een hooge kunst tevens: proza, dat in sta-tigen gang en forsche kracht met het beste kan wedijveren.
Zulk een schrijver mag men gerust een groot man noemen, en groote mannen hebben altoos merkwaardige moeders gehad. En als zulk een zoon zelf het levensbeeld zijner moeder schetst, moeten èn schets èn beeld beide merkwaardig zijn.
In weinige bladzijden vindt gij de geheele moeder; er ontbreekt geen enkelen trek. Ge hebt een vast omlijnd vrouwenbeeld voor u; tevens een monument van christelijke liefde.
Al de schoone eigenschappen van den beroemden schrijver vindt ge hier in deze korte schets terug; maar ge hoort nog iets anders in dit bezielde woord; ge hoort er den klank in van een kinderhart, dat zoo heel innig zijn moeder heeft liefgehad. Die klank wil soms teruggehouden worden om niet onbescheiden te klinken, maar, juist door dat gedempte der woorden heen, hoort ge nog heller soms den jubel der liefde.
Nu ga ik u van Tabitha en haar werk verhalen, doch ik volg den zoon zeer trouw op den voet. Haast is het enkel vertalen: meer niet.
11.
Haar doopnaam was Catharina, doch men had haar Tabitha moeten noemen: âTabitha, wat, overgezet, Dorcas1) bet eekentquot; (Hand. IX, 36). Reeds haar gestalte, zoo slank en buigzaam, en ook hau- voorbeel-delooze vlugheid hadden haar dien naam doen verdienen, als niet een hoogere beweegreden dien naam haar deed toekomen. Want letterlijk kon men op haar toepassen, wat van Tabitha geschreven staat: âDeze was vol van goede wei'ken en van aalmoezen, die zij deed. En het geschiedde in die dagen, dat zij krank werd en stierf. En al de weduwen stonden rondom, en wee-nende toonden z:j de kleederen, die Dorcas voor haar gemaakt had.quot; (Hand. IX, 36 vgl.)
Ge zult straks begrijpen waarom.
Het leven van Tabitha is zeer eenvoudig. Het is het leven als van de meeste vrouwen; het gaat voorbij zonder veel bijzondere gevallen, zonder avonturen. Als een beekje vloeit het rustig voort.
Zij is de dochter van den rijken brouwer Steiger, die, behalve zijn brouwerij, nog aanmerkelijke grondbezittingen te Indersdorf, in Beieren, bezat, en daar in vrede met vrouw en kinderen leetde. Op -4 Maart 1819 wordt Tabitha aldaar geboren, en, na de eerste kinderjaren ontvangt zij bij geestelijke zusters haar verdere opvoeding; de opvoeding van een beschaafd meisje uit den netten stand. Maar als deze voltooid is, komt zij weer thuis niet om er leeg te loopen en uit te gaan: zij moet meehelpen in het huishouden, flinkweg.
In 1812 treedt zij in het huwelijk met Dr. Frans Paul Weisz. Deze had jaren lang in Griekenland vertoefd en was in Nauplia vestingarts geweest; maar, door koorts gedwongen, kwam hij weer in zijn vaderland terug. Te Indersdorf vond hij een zwaren, doch zeer dankbaren werkkring.
En dan begint voor Tabitha het gewone leven van huismoeder. Ze schenkt aan haar echtgenoot vijf zonen,
1
Dorcas beteekent gazelle.
(i
en verder weet de wereld niets van haar, dan dat zij altoos des morgens in de kerk is, en meest des avonds weer, doch tevens, dat ze de gangen van haar huisgezin nauwgezet nagaat. Haar kennissen noemen haaide zorgzame Martha.
In 1857 verhuist de familie naar Neumark, de vader ging hooger op. Doch drie jaar daarna sterft deze plotseling: hij vat een koude bij het bezoeken van een ver wonenden zieke, en bewusteloos lag hij drie dagen stervende. Maar de kinderen der armen,' die.hij altoos overvloedig weldeed, bidden voor hem, en hij ontvangt, als bij een wonder, met volle kennis, de laatste heilige Sacramenten.
Na zijn dood trekt de moeder naar München, waar drie harer zonen studeeren. Er komt dan een tijd voor haar, vol zorgen en offers: doch zij doorleeft die jaren als een sterke vrouw, die op God vertrouwt en niemand en niets vreest dan Hem.
Haar huis is gezellig en ordelijk. Niets ontbreekt, om het haar kinderen aangenaam te maken. En zij zelve zorgt voor alles en allen. Ze vindt echter nog altoos tijd, om aan haar godsvrucht te voldoen, (reen kerk van München, of de bezoekers kennen haar. Eer de morgen aanbreekt, vindt men haar bij het altaar, en als de avond valt, is zij er alweer. Doch tehuis is in-tusschen alles reeds gedaan en bezorgd. En verder, zoo stil weg, verspreidt zij overal zegen; en de armen kennen haar allen.
Twaalf jaren duurt dat leven te München. Haar zonen zijn nu allen bezorgd, de moeder kan nu leven alleen voor zichzelve. Het mocht wat: zij heeft wel iets anders ze doen, clan aan zichzelve te denken: zij moet haar levensideaal verwezenlijken.
En zij verlaat München en gaat wonen te Freising, waar haar zoon Albert, de schrijver, professor is. Daar vestigt zij zich in eea klein huisje, heel lief gelegen naast den ouden Dom. En niet een aangenomen dochter te zamen, begint zij daar het liefdewerk, waaraan zij haar eerenaam hier op aarde, haar ecrekroon in den Hemel heeft verdiend.
III.
(
Dock voor we van haar liefdewerk gaan verhalen, willen we eerst, aan de hand van den zoon, het heerlijk karakter der moeder en vrouw schetsen. Dan begrijpt men nog beter de grootheid van haar leven.
Tabitha was nog een vrouw uit den goeden ouden tijd. Men bemerkt het aan haar portret; zóó zien er onze tegenwoordige dames niet uit. quot;Wel tenger van gestalte, wel lenig van vormen, doch men heeft zooveel menschenkennis niet van noode, om in deze verschijning een krachtigen geest te waardeeren.
Haar opvoeding was dan ook allesbehalve jufferachtig geweest. Haar moeder was vroeg gestorven, en haar vader was bekend om zijn groote strengheid van karakter. Op den avond vóór haar trouwdag nam hij haar al haar sieraden af; âvoor zulk tuig,quot; zei hij, âis er in het huwelijk geen plaats.quot; Alleen een in het goud gevatten rozenkrans mocht zij behouden: âdit kunt ge wellicht nog dikwijls goed gebruiken.quot;
Zóó voorbereid trad zij in het huwelijk. Doch haar echtgenoot was van hetzelfde hout gesneden als de vader: ernstig en streng, maar een man van rechtvaardigheid, die een warm en weldadig hart droeg onder een harnas van strengheid. Nooit sprak of lachte hij als het niet noodig was: hij beheerschte zichzelven volkomen. En hij wilde, dat zijn kinderen waren als hij. Green ijdele en wereldsche vermaken werden gezocht, geen weelde in zijn huishouding toegelaten. Hij gaf zijn vrouw genoeg geld om rond te komen, doch ook niets meer: âals men meer geeft, zeide hij, âwordt ook meer gebruikt.quot;
In die dubbele school ontwikkelde Tabitha haar karakter.
Zij was de bescheidenheid en lieftalligheid zelve, maar toch in beide was edele hoogheid en zielegroot-heid. Met iedereen uit eiken stand kon zij omgaan. Bewijs is wel de getuigenis van haar zoon: âik herinner me nietquot;, zoo schrijft hij âooit een schaduw zelfs van misverstand tusschen mijn ouders te hebben ge-
es
zien. Ik woot zelfs niet, dut mijn moeder ooit niet iemand in oneenigheid hcefr geleefd.quot;
Wanrlijk zulk een vrouw moest de g.ive bezitten, om vn do rond zich te brengen cii vijanden met elkaar te verzoenen.
Zij had echter geen week karakter, integendeel: Zij was kloek en vastbesloten. Haar groote zelfbeiieer-sching had haar zoo gemaakt. In- en uitwendig had zij over zichzelvo macht: en menigmaal moest'men erover verbaasd staan, hoe zij hitte en koude trotseerde. Zij was matig bovenmate: Zij leefde bijna van niets. Pijn overwon zij: âIk heb geen tijd om ziek te zijnquot;, zei ze dikwijls.
En wat zij zelf beoefende, leerde zij aan hare kinderen. Een hunner b.v. heeft zich in den vinger gesneden, en schreiende loopt het tot Moeder. Ze blaast een paar maal op de wonde en zegt: âKom nu gauw stil â als ge trouwt, is het al lang beter.quot; Doch het kind schreit door, en dan werkt zij op het eergevoel, en : âkom ga weg: moet een jongen zóó huilen! Foei, dat doen alleen meisjes!quot; En dat helpt altoos. Ze lacht dan den jongen held vriendelijk toe en gaat weer aan den arbeid.
Want de arbeid w;- s haar leven. Zonder arbeid geen geluk voor haar. En juist door dien lust tot den arbeid maakte zij zich vaardig, om straks als Tabitha zoo heerlijk te werken. Haar beginsel luidde: in zoover het mogelijk was, moest alles in huis worden gemaakt. Het lijnwaad werd in huis gesponnen en gewasschen: tafelgoed, zoowel als klcedingstukken: alles werd in huis geknipt en genaaid. In huis werd het brood klaargemaakt, werd de wasch gedaan, de zeep bereid, zelfs de kleinere hulsbenoodlgdheden vervaardigd. Natuurlijk werden ook de schoone handwerken nu t vergeten, en door groote vaardigheid en fijnen kunstsmaak muntto zij bijzonder in zulke handwerken uit.
Want in haar bescheiden kring was zij inderdaad een kunstenaresse. Dat heeft zij later als Tabitha meermalen getoond. Ze had een aangeboren versierings-t al ent, dat allerlei kleine snuisterijen wist te bedenken, die waarde kregen door de groote kunstvaardigheid,
'J
ev aan bcstee:!. Men modit haar geven wat men wilde: zij maakle rr altoos iets bijzonders van, iets, wat mocht gezien worden.
Met zulke kleine, maar door haar arbeid en kunst waarlijk groote geschenken, verblijdde zij, bij feestdag of verjaring, vrienden en vriendinnen, vooral hen, aan wie zij iets te danken ha l voor haar armen. Het was een kiesche manier van geschenken geven; het vroeg geen tegengeschenk terug, want het was alleen door arbeid en kunst geschonken, niet met geld.
Deze viouw was een echte vriendin voor de haren; doch zij sloot niemand van haar liefde uit. Zij was bijzonder bezorgd voor de eer van haar evennaasten. Wat dit punt betrof, geen Heilige kon voorzichtiger zijn in het spreken dan zij. Zelfs als zij enkel tegen de liefde had hooren spreken, maakte haar dit ongerust; dan meende zij daarmede kwaad tc hebben gedaan, en was niet eer tevreden, voordat zij het had gebiecht. Dit was ook de reden, waarom zij alle we-reldsch gezelschap vermeed en weinig bezoek ontving. Wel verontschuldigde zij hem, van wien zij zulk een liefdeloos woord vernam: âhij heeft er misschien zijn reden voor, maar voor mij is het zonde om het te hooren, wijl het mij niet aangaat.quot;
Toch had zij wei een zeer teeder, maar geen angstig geweten. Zij was altoos vroolijk en vol scherts; zij bleef een blij kind tot haar hoogsten ouderdom. Want diepe godsvrucht en oprechte vroomheid waren haar deel. Doch, hoe braaf zij ook was, voor het oordeel Gods en voor het Vagevuur was zij soms bang: maalais haar zoon haar dan schertsende zei, dat ze geen zorg moest hebben voor haar sterven, want dat, als zij in de andere wereld aankwam, zij den weg links en ] echts met de door haar ge:naakte kleedercn behangen zou vinden en zij dus onmogelijk verdwalen k)n,dan was zij weer tevreden en arbeidde en bad rustig vooit. Want bidden deed zij evenveel als werken. Zij hoorde dagelijks verscheidene heilige Missen, bad het geheele Psalterium en den Kruisweg. Ze had een groote en teedere godsvrucht tot de 11. Drieëenheid on tot de Goddelijke Voorzienigheid.
10
Ziedaar Tabitha. Uit haar karakter wordt haar werk verklaarbaar.
IV.
Reeds toen zij te München. woonde, begon zij met haar levensdoel; doch, door de zorgen voor haar huisgezin, kon zij zich hieraan niet geheel en al wijden.
Maar nu te Freising is ze vrij, en kan dadelijk beginnen, alleen zij is er nog vreemd; ze kent noch de armen niet, noch de edele zielen, die zij noodig heeft.
Uit doet haar echter niet wijfelen ; zij begint. Zij vraagt, door bemiddeling van haar zoon, allerlei oude vodden en kleederen op, die men niet meer kan gebruiken, waarmee men hoegenaamd niets meer doen kan. En zij ontvangt, onder velerlei verontschuldiging der gevers, die zich bijna schamen voor hun gift, een verzameling van allerlei oude lappen in haar woning. Doch dan begint haar liefde en haar kunstvaardigheid wonderen te werken. Met haar aangenomen dochter gaat zij aan het knippen en naaien, en maakt van al dat oude voddenwerk een magazijn van bruikbare kleederen.
Er wordt een zaal verkregen, en van al die gemaakte kleederen wordt een tentoonstelling gehouden. Want het moest een groot liefdewerk worden, en daartoe was openbaarheid noodig.
Daar waren nu '200 kleedingstukken bij elkander, en de wereld, die van het wonder vernam, kwam, zag en werd overwonnen. Want in haar eenvoud was deze tentoonstelling iets groots. Het kleinste, het geringste, het onaanzienlijkste, wat als onnuttig werd weggeworpen, was, door deze eenvoudige vrouw bijna alleen, herschapen tot iets goeds en nuttigs. Hoe, begreep men nauwelijks.
Hierdoor was het liefdewerk begonnen en tevens gegrondvest. Van nu af ging het door zichzelf vooruit, zonder dat er een vereeniging werd opgericht, zonder dat er iets bijzonders werd gedaan. Het bijzon-
11
dere deed alleen de Christelijke Liefde, verpersoonlijkt in Tabitha.
Deze deed wonderen. Ze dwong echter niemand om te komen, maar kwam men vrijwillig met zijn gave of bereidvaardigheid, dan wist zij alles gedaan te krijgen.
Het was anders een zeer moeilijke taak. Iedereen moest vriendelijk worden behandeld, iedereen moest worden tevreden gesteld. Altoos moest er voorraad wezen van alles, moesten de werkzaamheden eerlijk worden verdeeld. En zij zelve moest toch meesteresse blijven, en in eens anders taak kunnen ingrijpen, zonder lastig te wezen.
Zij zelve werkte altoos ijverig mee. Zij had 't zwaarste deel; zij knipte. Waarlijk niet gemakkelijk. Want is knippen reeds een groote kunst bij het maken van kleederen nit nieuwe stoffen, hier moest Tabitha uit oude, dikwijls half versleten, reeds versneden en genaaide kleeren, een bruikbaar en net kleedingstuk te voorschijn brengen.
Want ook net moest hot kleed zijn. Haar meening was, dat men den armen niet het eerste, het beste kleed moest geven, wat men vinden kon; het moest een kleed wezen volgens zijn stand; een sierlijk kleed, niet smakeloos : iets, wat men met plezier droeg en waarmee men zonder schaamte voor den dag durfde komen.
Het knippen dan was haar toevertrouwd. En zij heeft het dag in, dag uit, 25 jaar lang gedaan, met onovertroffen meesterschap. Geen wonder, dat, toen zij naar de tachtig liep, zij, de vroeger zoo slanke vrouw, zeer gekromd was.
Als nu de stukken geknipt waren, werden zij aan de medehelpsters gegeven, en, als deze gereed waren met het werk, werd alles aan Tabitha afgeleverd. Zoo was er altoos in haar huis een zeer groote voorraad gemaakte kleederen opgehoopt, deels voor dagelijksch gebruik, deels ook voor den naderenden winter, voor Kerstfeest of Paschen, voor den tijd der eerste H. Communie. Als ge haar bezocht, leidde zij u met moederlijken trots rond langs hare schatten, en zij straalde reeds van blijdschap, als zij u vertelde, wie er met dat alles zouden gelukkig worden gemaakt.
Haar hoofddoel was het vervaardigen van mannenkleederen. Is in het algemeen een goed kleed voor de armen een van de grootste weldaden, voor liet mannelijk geslacht is dat dubbel waar. Want vrouwen en meisjes knnnen gemakkelijker afgelegde kleederen krijgen, of spoediger iets voor zich zeiven vervaardigen; maar mannenklecding kost me er en vraagt meer bewerking. Daarom waren in haar schatkamers mannen-kleederen het ruimst aanwezig.
Zij had echter nog andere schatten dan kleederen, en daarvoor zorgde zij evengoed. Negen kamers waren vol kisten, doozen, koffers van allerlei soort. Daarin lagen, hoog opgestapeld en welgeordend, oude kleederen, lappen hnnen en zijde, wol, afgedragen schoenen, kousen, hoeden, veeren, steenen, schelpen, pijnappelen en wat men zich verder slechts denken kan. Wat zij voor het oogenblik noodig had, gebruikte zij ervan.
Haar winkel zoo noemde zij haar liefdewerk ging voordeelig. Alles, wat noodig was, stroomde haar van alle kanten toe. Zij behoefde nooit voor haar armen te bedelen: de gaven kwamen van zelf. Niet alleen de dames, die haar hielpen, maar iedereen wedijverde om hare schatkamers te vullen. Kooplieden, wier goederen door de zon soms wat waren verbleekt ot beschadigd, schonken haar niet zelden grooto stukken linnen of zijde. Vooral ook met de voddenraapsters stond zij op goeden voet. Vaak kreeg zij ook een bijdrage van de St. Vincentius-vereeniging. Zoo kwam het, dat zij, na de eerste jaren, bijna geen uitgaven had. Schertsend zei ze dan ook dikwijls: âbij mij is de zegen Gods in huis. Anderen klagen, dat de zaken zoo slecht gaan: de mijne gaan des te beter, naarmate de tijden slechter worden.quot;
Om de weldoeners voortdurend aan het liefdewerk te blijven verbinden, wist zij, bij verjaardag of naamfeest, ieder door een geschenk te beloonen: een geschenk, wa^ zij echter zelf had gemaakt. En hier kwam haar aangeboren kunstvaardigheid haar te stade. \ an allerlei kleinigheden wist zij iets aardigs, iets moois te vervaardigen. Zij was een echte tooverfee, die, wat zij aanraakt, verandert in bloemen en goud.
13
Soms verkocht zij die kunstwerkjes, en voor het ontvangen geld werd dan weer nieuwe voorraad ingeslagen.
Op znlke wijze kon Tabitha overal helpen. De zusters uit het ziekenhuis hadden dikwijls zieken, die geen goed stuk aan het lijf hadden. Ze hadden Tabitha maar te vragen, en het was er. Arme seminaristen werden evenzoo geholpen. Wat de St. Vincentius-vereeaiging noo-dig had, werd geleverd. Armen welke ook - kwamen tot haar, en wat hun ontbrak, kregen zij altoos. En het ging, alsof het een recht was, alsot haar huis inderdaad een winkel was, waar verkocht werd.
Een staaltje is teekenend. Daar wordt gebeld aan de tuindeur. Een klein kereltje komt heel naïef binnen en vraagt dadelijk: âWoont hier kleermaker Weisz!quot;' âJa,quot; zeot Tabitha, âdie woont hier. En waar komt gij vandaanyquot; âO ja,quot; gaat ze voort, nu het ventje zijn naam zegt, âdaar weet ik van. En wat moet ge hebben?quot; âEen broekquot; is het antwoord. âBestquot; zegt Tabitha, âik zal je haar aanmeten. Maar hoor eens: het is nu erg druk dus je moet drie weken wachten.quot;' âNu, als ik haar dan maar na drie weken krijg - - dan zal ik wel wachtenquot; en vroolijk wipt het kereltje weg.
Ook buitenlandsche vereenigingen en arme kloosters werden grootmoedig bedeeld. Ruime bezendingen werden gezonden naar de missiën.
Bij buitengewonen nood, overslroomingen, branden, gingen er altoos twee of drie groote kisten met kleederen en andere hulpmiddelen naar de plaats des on-heils zelfs naar het buitenland.
Een bijzondere zorg had zij voor de fatsoenlijke armen. En niemand hielp kiescher dan zij.
Zij had ook haar voorliefde - echter geen enkele werd er door benadeeld. Vooral de zwervende werklieden gingen haar ter harte. Deze werklieden werden door haar niet enkel netjes uitgerust, maar ook goed gespijsd. Geld echter gaf zij nooit.
Ook dat spijzigen van hongerigen was door haar gemakkelijk te volbrengen, want er kwam genoeg proviand in haar huis. Het stroomde bij tallooze gelegenheden haar too van alle kanten, want men wist, hoe zij het uitdeelde. Zoo had zij altoos wijn en levens-
14
middelen voor kranken en gasten in vooiTaad, zonder dat zij zelve er iets aan ten koste legde.
Waarlijk aan Tabitha vervulde zich het woord van den H. Augustinus: de liefde moet altoos geven. Want hoe alles er komen moest, was Tabitha dikwijls zelf een raadsel. Doch het kwam er altijd en in overvloed. Zij was dan ook nooit bezorgd, dat het liefdewerk zou ophouden. Zij gaf maar eenvoudig weg: en de gaven bleven toestroomen.
Eenvoudig: dit was zij bovenmate in haar liefdewerk. Zij deed alles, alsof het zoo behoorde. Ze heeft wel nooit bij zichzelve eraan gedacht, dat zij met dat alles iets bijzonders verrichtte. Wie haar kende, moest in haar leven en werken de belichaming vinden van de woorden: âen als ge alles hebt volbracht, zegt dan nog: wij zijn onnutte knechten: we hebben slechts gedaan, wat wij doen moesten.quot;
V.
Zoo heeft Tabitha geleefd en gewerkt â meer dan 25 jaar. Toen stierf haar pleegdochter, de trouwe ge-zellinne van haar arbeid. Zij zelve was toen reeds over de 80 jaar. Zij werd stram en gebogen: ze had genoeg gearbeid: haar tijd was gekomen om te rusten.
Goede vrienden hebben toen haar liefdewerk tot een vastgeordende vereeniging gemaakt, en Tabitha kon dus gerust zijn: de toekomst was voor haar âwinkelquot; verzekerd. En Tabitha gaf al haar schatten over: wellicht het zwaarste offer, wat zij in haar leven heeft gebracht.
Toen trok zij zich terug â en langzamerhand kwam de ouderdom haar met allerlei kwalen bezoeken. Ze kon op het laatst niet meer ter kerke, maar zij bracht dat nieuwe offer geduldig.
Haar jongste zoon nam Tabitha in huis. Daar leefde zij nog twee jaren, algemeen bemind en vereerd. Want zij bleef de goede, hartelijke, iedereen beminnende Tabitha.
15
Stil en eenvoudig bereidde zij zich in die twee jaren met gebed en geduld voor tot den dood. üp 22 Jan. 1898 kwam deze als een vriendelijke Engel haar te gemoet. Ze stierf, zooals zij immer had geleefd, zooals zij steeds had gewenscht, zooals men altoos haar had voorzegd: voorzien met al de troostmiddelen der H. Kerk, stil, snel en zonder iemand bijzonderen last te hebben veroorzaakt'
Als lid der derde orde van den H. Dominicus had zij natuurlijk den rozenkrans in haar hand. Men sprak haar de woorden voor: âKoningin van den H. Rozenkrans, bid voor ons.quot; Toen lachte Tabitha volzalig en was ter ruste ingegaan.
ECrMONd's SNELPERSDRIJKKERIJ.