ocr page 1

i g I

'm

I H

1 H i fj

■:

g

hlt; Ki i hJ

M : M KJ ; M

ê

UITGESPROKEN BIJ DE HERDENKING VAN HET

2Ö-JAEIG BESTAAN

REDE

M n Kj KJ

H fj

Kj H3

. M

Il|

hJ

KJ

^3

'i M

^3

: hJ

! M K^

M

h3

-3 p

'rgt; o

i Y-N^ p\ o -jO

n H KA

i lt;

gt; i

H 0

O

laatscteppij tep kïorÉini t ïeeartsenlini

H. J. H. STEMPEL

Dislricts-Vccarts v/d. Prov. Groningen.

U T R ECHT,

J. L. BE IJ E Tv S.

DOOR HAREN VOOliZITTER

den r

ocr page 2
ocr page 3

l'. P • I T r r T'-'T A SU Af 11

T

REDE

UITGESPROKEN BIJ DE HERDENKING VAN HET

25-.JARIG BESTAAN

den September 1887,

DOOU HAREN VOOUZITTEU

H. J. H. STEMPEL

Districts-Veearts v/d. Prov. Groningen.

I

BIBLIOTHEEK DÉR RIJKSUNIVERSITEIT

UTRECHT

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0572 1760

■

UTRECHT,

J. L. BEIJERS.

1887.

ocr page 4

Stoomdruk van J. VAN BOEKHOVEN te Utrecht.

ocr page 5

Mijne Heer en I

Hoewel vóór de stichting der veeartsenijschool in het koninkrijk der Nederlanden (den 26sten September 1822 begon het volledig onderwijs), de vee-artsenijkunst reeds werd uitgeoefend, zoowel door personen, die aan buitenlandsche veeartsenijscholen hunne opleiding genoten, als door lieden, die langs empirischen weg zich de kennis eigen gemaakt hadden om de ziekten der dieren te genezen, van bijeenkomsten door hen gehouden, verneemt men niets, evenmin van door hen gevormde vereenigingen. Slechte reisgelegenheden , waardoor betrekkelijk kleine afstanden nog veel tijd vorderden, maar bovenal het geringe aantal wetenschappelijk opgeleide veeartsen, die, over het land verdeeld, elkander dikwijls in het geheel niet kenden, waren omstandigheden, niet bevorderlijk voor samenkomsten.

Met het toenemend aantal veeartsen in onze eigen bakermat opgeleid, werd tevens de geest wakker, om de onder lief en leed gesloten vriendschap, bij

ocr page 6

4

het verlaten der school, niet op eenmaal prijs te geven, doch haar zooveel mogelijk te onderhouden en zelfs aan te kweeken. Eenmaal in de praktijk zijnde, bleek het, dat onderlinge besprekingen van het ervarene zeer gewenscht waren niet alleen, doch ook, dat de maatschappelijke positie van den veearts verbetering behoefde en dat tot dit doel een gemeenschappelijk optreden noodig was.

Alvorens de door vele veeartsen geuite wenschen, ook maar voor een klein gedeelte, verwezenlijkt zouden worden, moesten echter nog vele jaren voorbijgaan, want pas den 20sten December 1842 kwam de eerste veeartsenijkundige vereeniging tot stand, en wel in de provincie Groningen. Dit voorbeeld volgden de veeartsen in Zuid-Holland den isten September 1846 en die van Overijsel den 9den September van dat jaar, terwijl nu achtereenvolgens veeartsenijkundige vereenigingen werden opgericht in de provinciën Utrecht (15 Mei 1847), Noord-Holland (18 October 1847), Friesland (24 December 1847) en Noord-Brabant (20 Mei 1851). Die in Overijsel, Friesland en Noord-Brabant zijn, na een langer of korter bestaan, om verschillende redenen, ontbonden of langzaam te niet gegaan, terwijl de Groningsche vereeniging haar provinciaal karakter langen tijd heeft behouden (1879).

Het was te voorzien, dat de onderscheidene ver-

ocr page 7

eenigingen. allengs meer doordrongen van het nut dat in gemeenschappelijke besprekingen gelegen is, op eene samensmelting onder één hoofd zouden aandringen ; te meer, daar dit hoofd voor de gemeenschappelijke belangen zou kunnen optreden en uit aller naam handelen. De Zuid-Hollandsche vereeni-ging van veeartsen, zich noemende „Afdeeling van de Maatschappij ter bevordering- der veeartsenijkunde in Nederland,quot; nam na ruggespraak met collega's uit Utrecht en Noord-Holland, daartoe het initiatief en schreef eene vergadering uit op den 2 8sten Juni 1848 te Arnhem te houden. Alle in Nederland gevestigde rijks-veeartsen werden uitgenoodigd daarop te verschijnen. Op de vergadering waren vertegenwoordigd de provinciën Overijsel, Utrecht, Noord- en Zuid-Holland, benevens onderscheidene rijks-veeartsen uit de overige provinciën en één uit het hertogdom Limburg, te zamen stem hebbende voor 53 rijks-veeartsen. Aldaar werd besloten eene algremeene vereeniging van veeartsen op te richten onder den naam van „Centraal Veeartsenijkundig Genootschap.quot;

Dit Genootschap bestond uit twaalf bestuursleden, die voor hun leven werden benoemd; zij moesten zich onderscheiden door hunne daden of geschriften. Daartoe werden verkozen de heeren J. Jennes, G. J. Hengeveld, F. C. Hekmeijer, j. van Hertum, W.

ocr page 8

J. E. Hekmeijer, F. H. van Dommelen, A. J.Janné, D. P. Manvis, B. J. C. Rijnders, J. van Dam, J. C. Billroth en D. van Setten.

Het is niet de bedoeling lang stil te staan bij de lotgevallen van het Centraal Veeartsenijkundig Genootschap. Het is deze vereeniging gegaan als zoovele andere corporatiën, zij heeft haar lief doch ook — en in niet geringe mate -— haar leed gekend. Stelt u slechts voor hoe terneergeslagen het bestuur moet geweest zijn, toen aan een Z. M. den Koning gezonden adres, inhoudende het verzoek om het Centraal Veeartsenijkundig Genootschap als eene wetenschappelijke Vereeniging te willen erkennen, de Koninklijke goedkeuring werd onthouden. Het bestuur verloor echter den moed niet; integendeel, het drong voortdurend bij de regeering aan op betere voorziening in zake de uitoefening der veeartsenijkunde , zoowel in het belang der veeartsen als in dat van den veestapel. Evenwel mocht het zijne pogingen met geene goede gevolgen bekroond, zijne wenschen niet vervuld zien, wijl zijn levensdraad na een 10- a 11-jarig bestaan werd afgesneden.

Daar men nu weer even ver was als vóór den 2 8sten Juni 1848 werden opnieuw pogingen aangewend om in dien toestand verandering te brengen. In eene vergadering den 31sten Augustus 1861 te Amsterdam gehouden, besloot men eene commissie te be-

ocr page 9

7

noemen met de opdracht het daarheen te willen leiden, dat de stichting van een nieuw algemeen veeartsenijkundig gezelschap mogelijk werd gemaakt. De commissie, welke die taak aanvaardde en ten einde bracht, bestond uit de heeren; Dr. C. G. von Reeken, J. B. Snellen , F. C. Hekmeijer, C. A. W. van Hoorn en G. J. Hengeveld. Zij schreef eene alge-meene vergadering uit, die den 2 7ston Augustus 1862 te Utrecht in dit zelfde gebouw werd gehouden. Daarop waren behalve bovengenoemde commissie samengekomen de afgevaardigden van Zuid-Holland, van Utrecht en 13 veeartsen uit verschillende deelen van ons land. Een door die commissie ter tafel gebracht ontwerp van wet werd behandeld en aangenomen en hierdoor de grondslag gelegd tot eene samensmelting van de verschillende veeartsenijkundige vereenigingen , corporatie's of genootschappen. De nieuwe vereeniging zou voortaan heeten Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland, welke naam reeds in 1847 door de Zuid-Hollandsche vereeniging van veeartsen was aangenomen en waarvan zij zich toen al eene afdeeling noemde.

Het is hier M. H.! de plaats om onzen dank te betuigen aan de commissie, in 1861 belast geweest met de voorbereidende werkzaamheden, en aan de Zuid-Hollandsche en Utrechtsche vereeniging van veeartsen, die, door hare onmiddellijke toetreding als

ocr page 10

8

afdeeling, de stichting der Maatschappij mogelijk hebben gemaakt.

In deze zelfde vergadering werd besloten, dat voortaan een tijdschrift, aan het vak gewijd, zou worden uitgegeven.

Vijf en twintig jaren zijn sedert voorbijgegaan en het aanvankelijk teere wichtje heeft zich tot eene bloeiende maagd ontwikkeld. Het hoofdbestuur aarzelde daarom geen oogenblik U voor te stellen haar 2551011 verjaardag op eene feestelijke wijze te herdenken. Doch evenmin twijfelde het aan Uwe goede gezindheid in dit opzicht, overtuigd als het was, dat Gij de 2 5jarige allengs lief hebt gekregen. En geen wonder. Onze Maatschappij houdt de vaan der wetenschap fier omhoog, zij behartigt onze gemeenschappelijke belangen, zij is ons vereenigingspunt — wie zou haar kwaad willen ?

Eene korte mededeeling van datgene, wat aan de stichting onzer Maatschappij voorafging, mocht niet ontbreken, maar ook een overzicht van hetgeen haar-zelve in die kwart-eeuw wedervoer, zal U, naar ik hoop, welkom zijn. Al dadelijk zij opgemerkt, dat de Maatschappij (zij heeft dit met ons, stervelingen, gemeen) ook treurige dagen heeft gekend en haar ondergang meer dan eens nabij is geweest.

Op de eerste algemeene vergadering, den 5en September 1863, verscheen het bestuur, bestaande

ocr page 11

9

uit de heeren J. B. Snellen, voorzitter, Dr. C. G. von Reeken, ondervoorzitter, G. J. Hengeveld, ^secretaris, F. Th. Weitzel, 2e secretaris en F. C. Hekmeijer, penningmeester, vol moed en bezield met de grootste verwachtingen aangaande de plaats gevonden verbroedering. Hoort slechts wat de voorzitter in de openingsrede o. a. zeide; „Dezelfde geest, die het tot stand komen onzer vereeniging mogelijk maakte, de geest van eenswillendheid omtrent het doel, dat ons samenbrengt, van opgewektheid tot alles, wat aan dat doel bevorderlijk kan zijn, van toegevendheid, waar het verschilpunten gold, welke aan het welslagen dier pogingen afbreuk zouden kunnen doen, diezelfde geest van belangstelling en eensgezindheid mocht de jeugdige Maatschappij allerwege ondervindenquot;. En verder; „Verblijdend inderdaad mag het groote aantal dergenen onder Nederland's veeartsen genoemd worden, dat aan die uitnoodiging (namelijk om toe te treden) gevolg gaf, zoodat er reeds nu eene algemeene afdeeling bestaat van niet minder dan 32 leden, terwijl de Maatschappij buitendien de afdeeling Zuid-Holland met 14, en de afdeeling Utrecht met 11 leden heeft; te zamen een ledental van 57 uitmakende! Verblijdende uitkomst voorwaar, en al wie niet'met dwaselijk hooggespannen verwachting de toekomst onzer Maatschappij te gemoet zag, zal moeten toestemmen, dat het gebouw,

ocr page 12

IO

waarvan de eerste steen nog eerst zoo kortelings werd gelegd, onder grooten voorspoed verder opgetrokken werdquot;. Eéne schaduwzijde was er; „het getal der afdeelingenquot;, zoo ging de voorzitter voort, „was verre, zeer verre onder het peil gebleven waarop wij meenden te mogen rekenen, en waarop het ook, wil de Maatschappij blijvend in bloei toenemen, weldra komen moet. Kon zich niet in iedere provincie onzes vaderlands ten minste eene afdeeling vormen ?quot;

Dat ook buitenaf belang werd gesteld in de nieuwe Maatschappij bleek uit;

Het aanbod van de Nederlandsch-Indische Maatschappij van nijverheid en landbouw tot wederzijdsche ruiling van boeken;

Eene uitnoodiging van het bestuur van het Land-bouw-Congres, om punten van behandeling op te geven;

Een aanzoek van de Hollandsche Maatschappij van landbouw, tot het geven van advies, omtrent den aard en de oorzaken der tongblaar, hare besmettelijkheid, voorbehoeding en geneeswijze (beantwoord door von Reeken en Hengeveld).

Het hoofdbestuur wendde zich, bij gelegenheid der indiening van de geneeskundige wetten, tot Z. E. den Minister van Binnenlandsche Zaken met een adres, waarin eerbiedig in overweging werd gegeven de bepaling, dat bij de samenstelling van iederen genees-

ocr page 13

11

kundigen raad in genoemd ontwerp voorgeschreven , ook een veeartsenijkundige, als lid, zitting zou moeten nemen.

De toestand ging langzaam vooruit; in 1864 waren er reeds 68 leden. De gunstige indruk naar buiten bleef bestaan, gelijk o. a. bleek uit een ingekomen uitnoodiging tot medewerking aan de oprichting eener algemeene landbouwmaatschappij. En dat de Maatschappij niet stil zat, kan men opmaken uit haar besluit om zich tot de regeering te wenden met het verzoek om eene wet op de uitoefening der veeartsenijkunde. Tevens werd voorgesteld in dit adres aan te dringen op eene betere naleving van art. 459 van het strafwetboek; dit laatste wegens het menigvuldig vervoeren van kwaaddroezige paarden.

Het daarop volgend jaar verschafte aan het hoofdbestuur veel bezigheid. Eene onder het rundvee, in den omtrek van Kethel uitgebroken ziekte, die onbekend was én in haar oorsprong én in haar wezen, gaf aan het hoofdbestuur aanleiding eene commissie te benoemen, ten einde haar te onderzoeken. Op de 3e algemeene vergadering, den 5on September 1865 gehouden, bleek uit de mededeeling van een lid der tevens ingestelde regeerings-commissie, dat bedoelde ziekte de runderpest wasquot;. Men kwam overeen hiervan den volke kond te doen door middel van de Land-bouw-Courant en zich tot den Minister te wenden

ocr page 14

met verzoek de voorstellen der regeerings-commissie en de eventueel door haar voorgestelde maatregelen zoo spoedig mogelijk openbaar te maken, en verder het gebruik van ziek vleesch zooveel doenlijk tegen te gaan.

Den isten September 1866 zond het hoofdbestuur een adres van adhaesie aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal, in zake het ontwerp van wet tot „onschadelijkmaking van door den veetyphus aangetast en daarvan verdacht veequot;. In de spoedig daarop volgende algemeene vergadering gaf de voorzitter hiervan kennis en drukte zijne blijdschap uit, dat de Maatschappij in de gelegenheid was geweest hare adviezen en haar invloed bij 's lands regeering te doen gelden in zake de heerschende runderpest.

Op eenmaal echter scheen de goede harmonie verbroken. Het jaar 1867 ging zonder vergadering voorbij; zelfs werd er geene contributie geheven. Op verzoek der afdeelingen Zuid-Holland en Utrecht, riep de ie secretaris de leden op tot het houden eener buitengewone algemeene vergadering, wijl er teekenen waren, die deden vreezen, dat de Maatschappij door verdeeldheid in eigen boezem, haar ondergang te gemoet ging. De leden moesten kennis nemen van den toestand, en zoo het kon, de vroegere orde van zaken herstellen. Van het hoofdbestuur hadden toch de voorzitter, ondervoorzitter en penningmeester be-

ocr page 15

13

dankt. De finantiën stonden slecht, de contributiën kwamen niet in en het tijdschrift verscheen niet. De vergaderden kozen den 2 7sten Augustus 1868 drie nieuwe leden in het hoofdbestuur, namelijk de heeren A. W. H. Wirtz, als voorzitter, J. Huffnagel, als ondervoorzitter en B. J. Aalbers als penningmeester. Het zij mij vergund U hier in herinnering te brengen, dat de laatste tot heden onafgebroken als zoodanig heeft gefungeerd; ik breng daarvoor den heer Aalbers een woord van hulde en dank, en ben overtuigd hierbij op Uw aller instemming te kunnen rekenen.

De nieuwe voorzitter, tevens redacteur van het tijdschrift, verklaarde zich bereid alles te willen aanwenden, wat tot eene goede en geregelde verschijning daarvan mocht noodig zijn. — De Maatschappij scheen thans weer in het rechte spoor, doch dat haar bestaan ernstig gevaar had geloopen, blijkt duidelijk uit de woorden van den voorzitter in het jaarverslag over 1868: „Gekomen in de vrees van elkander een laatst vaarwel te kunnen toeroepen, ging men heen met de voldoening, dat het gewrocht van zooveel moeite en arbeid was staande geblevenquot;. Het was dan ook voor den voorzitter eene aangename taak de volgende (6e) algemeene vergadering, ofschoon weder eene buitengewone, te kunnen openen met een lang gewenscht programma. Men zou namelijk met elkander bespreken de door de regeering aan de

ocr page 16

I4

2e Kamer aangeboden wetsontwerpen tot regeling van het veeartsen ij kundig staatstoezicht en de veeartsen ij-kundige politie, en tot regeling van de uitoefening der veeartsenijkunst. Naar beide wetten toch had men zoo lang reikhalzend uitgezien, daaraan was door zoo velen, tot heden helaas te vergeefs, gearbeid! Die gewichtige gebeurtenis gaf den voorzitter aanleiding om, met van gloed tintelende woorden de lijdensgeschiedenis van de veeartsenijkunde en van hare beoefenaren in het voorafgegane tijdperk te schetsen en met dankbaarheid de kampioenen voor de goede zaak te herdenken.

Met deze wetten vóór zich ging men de toekomst met vertrouwen te gemoet, en de tijd heeft deze gunstige meening alleszins gerechtvaardigd.

In de gewone vergadering van ditzelfde jaar (1869) werden de maatregelen, genomen door het hoofdbestuur, in zake de leden welke weigerachtig waren hunne contributie te betalen, ter kennis gebracht. Daaruit bleek, dat de laatsten van het lidmaatschap vervallen werden verklaard en later slechts dan weder konden worden aangenomen, indien zij de achterstallige contributie tot het jaar 1869 hadden aangezuiverd. De Maatschappij verloor daardoor wel vele leden, maar de toestand werd zuiverder; er bleven over 68 gewone leden, 1 eerelid en 3 cor-respondeerende leden. Een voorstel van het hoofd-

ocr page 17

i5

bestuur om de bijdrage van de afdeelingen per lid tot f 2.— te verhoogen (deze bedroeg vóór dien tijd slechts f 1.50), mocht de goedkeuring der vergadering verwerven. Tevens deelde de voorzitter mede, dat hij in zijne hoedanigheid als mede-redacteur van het tijdschrift, door het hoofdbestuur gemachtigd was geworden, desnoods met een nieuwen uitgever de verschijning van het tijdschrift te regelen. Als gevolg hiervan was, althans voor één deel, eene overeenkomst tot stand gekomen en bepaald, dat de prijs in den handel niet minder dan /3.—- zou zijn.

De 8ste algemeene vergadering werd den 1sten September 1870 geopend door den ondervoorzitter, wijl de voorzitter had bedankt. Verder vernamen de leden dat èn de ondervoorzitter èn de 1ste en 2de secretaris hun mandaat neerlegden, en bovendien dat twee redacteuren, de heeren F. C. Hekmeijer en G. J. Hengeveld, voor hunne betrekking hadden bedankt. De vrede heeft dus niet lang mogen duren.

Het bestuur werd weer aangevuld: de voorzitter en de beide redacteuren herkozen. Eene commissie werd belast met de taak den laatsten, namens de vergadering, kennis te geven van hunne herbenoeming en zoo noodig de heeren te bewegen zich de herkiezing te laten welgevallen. Die pogingen werden evenwel met geen gunstig gevolg bekroond.

Gelukkig viel in deze vergadering ook eens een

ocr page 18

i6

verblijdend feit te vermelden, eene omstandigheid, die van toenemend leven getuigde en waarop de eerste bestuurders reeds wezen als eene noodzakelijke voorwaarde, wilde de Maatschappij in bloei toenemen ; ik bedoel de vorming eener nieuwe afdeeling. De veeartsen van Gelderland hadden zich namelijk den 5den April 1870 vereenigd tot eene afdeeling der Maatschappij en waren als zoodanig in deze vergadering vertegenwoordigd.

Het voorbeeld van Gelderland vond navolging, gelijk blijkt uit de stichting der afdeeling Noord-Brabant-Limburg op 15 Juli 1871. Hiervan maakte de voorzitter in de algemeene vergadering van dat jaar dan ook met blijdschap melding. Vervolgens bracht hij in herinnering, dat de wet regelende het veeartsenijkundig staatstoezicht en de veeartsenijkun-dige politie in werking was getreden en dat het in 1872 vijftig jaar zou geleden zijn, dat de veeartsenijschool werd gesticht. De slechte verschijning van het tijdschrift was te wijten aan gebrek aan medewerking ; volgens den voorzitter moest het tijdschrift zijn „de gemeenschappelijke arbeid van onze geheele Maatschappij, onder de leiding der redactie.quot;

Aangezien alleen de voorzitter en iste secretaris de benoeming door de voorgaande vergadering gedaan, hadden aangenomen, moest thans de verkiezing van een ondervoorzitter en 2en secretaris, benevens

ocr page 19

17

van twee redacteuren geschieden. Vervolgens werd met meerderheid van stemmen besloten, dat de Maatschappij het initiatief zou nemen tot de feestelijke herdenking van het 50-jarig bestaan der veeartsenijschool in 1872, en dat deze zou plaats vinden op den dag der algemeene vergadering. Tot regeling der voorbereidende werkzaamheden werd eene commissie, uit vijf leden bestaande, benoemd. De opgekomen leden gingen in blijde verwachting, vervuld van de dingen, die komen zouden, huns weegs. Zij werden echter in den aanvang van 1872 onaangenaam verrast door de ontvangst van een oproepingsbrief voor eene buitengewone algemeene vergadering te houden op 25 Maart 1872, tot benoeming van vijf leden der commissie tot regeling van de feestviering in September van dat jaar. De vroeger benoemde heeren hadden namelijk bedankt. Tevens moesten drie nieuwe redacteurs worden verkozen.

Op deze vergadering was van het hoofdbestuur alleen de ie secretaris aanwezig. Men besloot op het „in de vorige algemeene vergadering genomen besluit terug te komen en dus geen initiatief te nemen, om het 50-jarig bestaan der veeartsenijschool feestelijk te vieren.quot; Toch wilde men dit feit niet onopgemerkt laten voorbijgaan, en kwam daarom overeen op den dag der algemeene vergadering in September „een gemeenschappelijken en feestelijken

ocr page 20

18

maaltijd te houden, waaraan deel konden nemen alle veeartsen en leerlingen, die hunne opleiding- aan 's Rijks veeartsenijschool ontvingen of nog ontvangen , zelfs niet-leden der Maatschappij zijnde.quot;

Eene nieuwe feestcommissie van vier leden werd benoemd, evenals twee nieuwe redacteuren, de laat-sten met bevoegdheid een derden redacteur te assu-meeren. Intusschen had, in verband met het voorgaande, de voorzitter bedankt, zelfs als lid der Maatschappij, zoodat de elfde algemeene 'vergadering door den onder-voorzitter, den heer I.. van Driel, moest worden geopend. Hij deed dat met eene gepaste toespraak, waarin hij wees op het gewicht van dien dag, de herdenking van het 50-jarig bestaan onzer veeartsenijschool. De nieuw benoemde Directeur der veeartsenijschool, Dr. Th. H. Mac Gillavry, was ter vergadering aanwezig. Zijne tegenwoordigheid was een heugelijk feit, immers welk veearts zou het niet waardeeren den Directeur der school te midden der vergaderden te zien, te meer, daar men in dit opzicht niet verwend was.

De heer G. J. Hengeveld leidde het volgende punt van beschrijving op eene zeer gewaardeerde wijze in: „Welke vorderingen heeft de veeartsenijkunde hier te lande sedert de oprichting der veeartsenijschool tot aan haar 50-jarig bestaan gemaakt? Wat was het lot van hare beoefenaren, en wat kan

ocr page 21

19

er met vrucht tot hunne verbetering- worden gedaan?quot;

Hoewel de feestviering als liggende buiten de Maatschappij met stilzwijgen kan worden voorbijgegaan , is er toch ééne zaak, die niet vergeten mag worden; het is deze, dat de feestvierenden door den Directeur werden uitgenoodigd een bezoek te brengen aan de school, welke door de jongelui in feestdos was gestoken. Wie zou aan die uitnoodi-ging geen gevolg geven! Men toog gezamenlijk naar de alma mater, alwaar door een der leerlingen hartelijk het welkom werd toegeroepen. Na bezichtiging van de versieringen der school, waaronder herinneringen aan vroegere bestuurders en leeraren, werden de leerlingen door den intusschen nieuw benoemden voorzitter, den heer j. Huffnagel, bedankt voor hunne vriendelijke ontvangst en begaf men zich weder naar de keurig versierde zalen van Buitenlust, alwaar niet minder dan 82 veeartsen aan den feestmaaltijd zouden deelnemen.

Van de I2e algemeene vergadering kunnen geene bijzonderheden worden vermeld, want notulen van die bijeenkomst zijn niet te vinden.

De dag van de 13° algemeene vergadering, 1 September 1874, was tevens het tijdstip, waarop de wet, regelende de uitoefening der veeartsen ij kunst in werking trad; hierdoor werd paal en perk gesteld aan het steeds aangroeiend empirisme, en nam het

ocr page 22

20

vooruitzicht vein den wetenschappelijk opgeleiden veearts eene gunstige wending. De voorzitter wees dan ook op deze, voor de beoefenaren der vee-artsenijkunst zoo gewichtige gebeurtenis, en gaf aan de leden kennis, dat het hoofdbestuur den Minister van Binnenlandsche Zaken , bij adres, den dank der Maatschappij had overgebracht voor zijne wetsvoor-dracht en hare verdediging.

Behalve periodieke aftredingen , was ook de ie secretaris-plaats , wegens bedanken, vacant geworden. De vergadering had de goede gedachte hiertoe iemand te kiezen, die wel geen veearts, maar desniettemin zeer nauw aan ons vak verbonden was en het met al zijn vermogen trachtte op te bouwen, ik bedoel den leeraar L. J. van der Harst. Zij koesterde de hoop, dat de nieuwe titularis, die niet aanwezig was, zich de benoeming zou laten welgevallen. Deze wensch werd vervuld en nu, na 13 jaren, hebben wij nog het voorrecht hem, vol ijver en toewijding, als secretaris der Maatschappij in ons midden te zien.

Nog twee belangrijke punten werden aangenomen, namelijk vooreerst het vaststellen der contributie van de leden der algemeene afdeeling op / 5.-— en van de bijdragen voor elk afdeelingslid op / 3.—. Hierdoor- verkreeg het hoofdbestuur meer geld en kon de aan de redacteuren toegekende toelage van f 100.— worden uitgekeerd. Vervolgens vereenigde

ocr page 23

2 I

men zich met een voorstel van Zuid-Holland, geamendeerd door Utrecht, om art. 28 der wet te lezen, gelijk het thans is opgenomen. Door deze verandering werd eene te lang bestaande onbillijkheid weggenomen, waarop reeds vroeger door andere leden was gewezen. Het stemmen en bloc, voor al de leden eener afdeeling, door één afgevaardigde, hield nu op.

De I4e algemeene vergadering, den 7den September 1875 gehouden, kenmerkte zich door eene levendige werkzaamheid. Wegens bedanken , moesten twee nieuwe redacteuren voor het tijdschrift worden benoemd. Een voorstel, om de uitgave daarvan „te staken, tot zoolang zich nieuwe krachten zullen voordoen en de belangstelling meer algemeen zal zijnquot;, mocht gelukkig de goedkeuring der vergadering niet verwerven. Daarentegen werd het voorstel, om den hoogleeraar Dr. Mac Gillavry tot eere-lid te benoemen , bij acclamatie aangenomen. En geen wonder, indien men nagaat, wat hij in korten tijd voor de school en de veeartsenijkunde heeft gewrocht. Zijn naam is onafscheidelijk aan ons vak verbonden en zal door de Nederlandsche veeartsen stellig niet dan met eerbied worden genoemd.

Het volgende jaar bracht de afdeeling Noord-Brabant—Limburg het voorstel ter tafel om ook den heer Wirtz het eere-lidmaatschap aan te bieden. Na

ocr page 24

eenige discussies werd dit met meerderheid van stemmen aangenomen. Intusschen waren het eere-lid Jhr. Gevers Deijnoot en het correspondeerend lid Dr. Broers, door overlijden, aan de Maatschappij ontvallen.

Over de verdere lotgevallen der Maatschappij kunnen wij kort zijn; de stormen welke zij nu en dan had te verduren, schijnen uitgewoed, een kalmere toestand is ingetreden. Die kalmte was echter wel eens van dien aard, dat het hoofdbestuur het inwendige leven der Maatschappij niet opwekkend noemde, terwijl slechts zeer weinig leden de vergaderingen bijwoonden. Langzamerhand veranderde echter ook dit en kwam er wat meer werkzaamheid; de hoop op de jongere kunstbroeders bleek niet ijdel te zijn geweest, want de opkomst der leden werd beter en de steun aan het tijdschrift verleend, van een degelijken aard. Toch werd dit wederom met een voorstel tot staking bedreigd, omdat de finantiën niet meer toereikend waren tot betaling der onkosten. Gelukkig ontkwam het ook dezen aanslag en werd het verschijnen afhankelijk gesteld van den voorraad der te plaatsen stukken. Vacaturen in de redactie werden aangevuld. De vroeger daaraan toegekende / 100.— werden niet meer verstrekt, maar aan haar het recht toegekend f 6.— per vel druks te kunnen eischen.

ocr page 25

23

Vermelding verdient nog, dat in de i6e algemeene vergadering (15 September 1877) eene commissie benoemd werd tot onderzoek der op veeartsenijkundig gebied meer algemeen in gebruik komende geheim-middelen. Haar werd een jaarlijksch crediet van / 25.—- toegestaan. Dat deze commissie met uitstekend gevolg werkzaam is geweest, bewijzen de vele mededeelingen in ons tijdschrift omtrent de samenstelling en werkzaamheid van geheimmiddelen. Wij hopen van haar nog menige ontsluiering te beleven.

Intusschen gingen de hnantiën vooruit, en schaarden zich nog twee afdeelingen (Groningen in 1879 en Friesland in 1886) onder de banier der Maatschappij, terwijl den istcn Januari a. s. de onlangs opgerichte afdeeling Noord-Holland zich ook officieel zal aansluiten. De Maatschappij zal dan, behalve uit eene algemeene, uit zeven afdeelingen bestaan, vertegenwoordigende de veeartsen uit negen provinciën.

Het hoofdbestuur werd bij de periodieke aftreding geregeld aangevuld; zoo verving de heer C. Mazure Sr. den I4den September 1878 den heer J. Huffnagel als voorzitter, terwijl ik de eer had eerstgenoemde in 1883 in die hoedanigheid op te volgen.

Dat de Maatschappij in de latere jaren niet stil zat, doch ook naar buiten van haar leven deed blijken, is U genoegzaam bekend. Hier zij enkel het volgende herinnerd. In 1879 richtte het hoofd-

ocr page 26

24

bestuur zich tot den Minister van Binnenlandsche Zaken met verzoek aan alle veeartsen in Nederland afschriften te willen doen toekomen van door Zijne Excellentie genomen besluiten in zake de veeartsenij-kundige politie; iets, waarop in 1886 opnieuw werd aangedrongen. In 1883 wendde het zich wederom fot genoemden Minister met vermelding welke gevoelens de algemeene vergadering was toegedaan aangaande de parelziekte, terwijl in 1884 de Minister van Oorlog verzocht werd den veterinairen dienst in het kamp te Oldenbroek voortaan uitsluitend aan een ' gediplomeerd veearts op te dragen. Dat ons reglement in 1880 herzien werd, ligt U allen nog versch in het geheugen, niet minder de benoeming der commissiën in zake kalfziekte (1885) en boutvuur (1886), welke thans nog werkzaam zijn; de resultaten van haar arbeid zien wij met belangstelling te gemoet.

Uit dit alles AI. H.! blijkt genoegzaam, dat onze Maatschappij het beteekenisvolle: „rust roest,quot; niet behoeft te worden voorgehouden. Integendeel, zij leidt een gezond leven in elk opzicht. De in alles zich openbarende malaise der laatste jaren heeft haar niet kunnen deren. Wij mogen echter op deze lauweren niet inslapen; immers, „rust roestquot;.

„Eendracht maakt machtquot; zij ook voortaan bij onze beraadslagingen niet slechts eene ijdele leuze; inder-

ocr page 27

25

daad men bereikt daardoor meer dan velen schijnen te vermoeden. Alleen bij groote kracht van onze Maatschappij is het mogelijk, dat eenmaal de tijd aanbreekt, waarop zij zal worden een adviseerend lichaam voor onze regeering in alle zaken, die de veeartsenijkunde betreffen. Moge mijn opvolger bij de herdenking van het 50-jarig bestaan onzer Maatschappij U daaromtrent veel goeds weten mede te deelen.

Ik verklaar de 26® algemeene vergadering voor geopend!

I

ocr page 28
ocr page 29
ocr page 30
ocr page 31
ocr page 32
ocr page 33
ocr page 34
ocr page 35

I

t

I i

i

L