ocr page 1

c

No. ZJdy.

/ / /,

h Ij ■

DE KALVEEZIEKTE

Opgedragen an den Heer

1)- SCHAAESMA, Ie GoióNi;!,

DOOR

JACOB WIJTSMA,

lrgt;'eli(iH(/i'r U' Gnrmtd.

......

//lt;0/ Kgt;quot; ^

//£amp;/ .x^ A1 ^11■ 11 scit of skrjuwi nioi vinu*

ij^l 5. «£,pv Ij fe» i :te3*voi wiorhuid is wol oils net

li SI . » ïïoauquot; of/SM

{cA ^xVv ,#/

y

Voor rekening' van den schrijver.

WaLINO 1 )l.IKSTltA.

SNEEK. 11. J. POUTSMA.

C

2,739

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

«w SS t

ft*

DE KALVEUZIEKTE

en de

DOOR

JACOB WIJTSMA,

Veehouder te Goënga.

Al hwet men seit of akrjuwt mei rür wierheid wêse :

Mur al hwet wierheid is wol elts nt. heare of lêse.

■» 2 t f |

Waling Dijkstra.

Voor rekening van den schrijver.

Sneek. H. J. POUTSMA.

ocr page 6
ocr page 7

De leden der Friesche Maatschappij van Landbouw kunnen wel weten, waarom dit schrijven op deze wijze wordt uitgegeven. Maar aan hen, die dit niet weten, wensch ik even het doel van mijn schrijven bekend te maken.

De vereeniging de Friesche Maatschappij van Landbouw heeft een orgaan dat Merledeelimjen en Berichten heet, en eenmaal in de maand verschijnt. In dat orgaan van 15 Augustus 1891 komt het volgende rapport voor over het '.iek worden en sterven der jonge fokkalvers ; ingezonden door den heer D. Schaafsma te Goënga.

Rapport over het ziek worden en sterven der jonge fokkalvers.

Naar aanleiding van cle toenemende ziekte en sterfte die ieder voorjnar onder de jonge fokkalvers heerscht en groote nadeelen teweeg brengt, werd door het dagelijksch bestuur van de Friesche Maatschappij van Landbouw aan mij opgedragen om aan te geven wat er ('oor de Friesche Maatschappij van Landbouw zou kunnen gedaan worden om dat onheil te bestrijden.

Om daarvoor middelen te kunnen aanwijzen, dienen eerst de oorzaken van het kwaad aangetoond te worden, en om dit eenigermate duidelijk te doen zal ik mij moeilijk van eenige breedvoerigheid kunnen onthouden.

Het komt mij steeds voor, dat een groot aantal veehouders bij de behandeling van hun vee te veel naar hun eigen gevoel handelen, in plaats van zich zelf de vraag te stelles : wat eischt de natuur ?

Een paar maanden vóór het kalven worden de koeien niet gemolken ; dat droogstaan komt bij de \eehouders in Friesland hoofdzakelijk voor in de maanden Januari en Februari, juist den tijd dat de boter en melkprijzen het hoogst zijn. Geen wonder, dat het den boer streelt wanneer hij dan eindelijk ziet dat de uier begint uit te zetten en met ongeduld het tijdstip verbeidt dat de koe zal kalven. Eindelijk breekt de tijd aan, de uier is in de laatste uren belangrijk grooter geworden, het dier wordt onrustig en schijnt pijn en verdriet te hebben. Die onrust of pijnlijke bewegingen van de koe is te veel voor het gevoel van den boer, hij wil het dier zoo spoedig mogelijk helpen en bevrijden. Zoodra het maar eenigszins kan, worden touwen om de pooten van het kalf gedaan, waaraan een paar mannen met al hun macht in eens doortrekken tot het kalf er af is ; niet zelden wordt nog meer kracht aangewend. Dadelijk na het kalven dwingt men de koe tot opstaan, legt er een dek op en melkt het dier meer of minder uit. Daarmede heuft de boer dan zijn gemoed bevredigd, maar m. i. duchtig tegen de natuur gehandeld.

De veehouder dient zich eerst te overtuigen of er genoegzame ontsluiting is ; in vele gevallen zal men ontdekken dat er eeno krampachtige zamontrekking in de baarmoedermond bestaat, wat bij eenige oplettendheid wel uit de bewegingen

ocr page 8

4

van de koe is te merken. Na de hand vet of vochtig te hebben gemaakt, werkt men dio voorzichtig in de sterk zamengotrokken opening, strijkt die eenige mahm rond en laat het dier verder ongemoeid. Zoo noodig herhaalt men dit naar omstandigheden en wacht verder geduldig den tijd af dat de kramptrekkingen worden vervangen door persweeën, die het kalf vooruit zetten en pooten en snuit er van te voorschijn brengen. Bijna altijd zijn de pooten te achterlijk in verhouding tot den snuit, er is dan nog eene bocht in de schouder- of scholtbladen, wat men eerst verhelpt door dc pooten, de een na den ander en telkens in het oogenblik dat de koe eene parsvlaag heeft, vooruit te trekken. Zijn de touwen aangelegd dan moet slechts één persoon daaraan trekken. Die persoon moet onafgebroken zijn oog op deu buik van de koe gericht houden; zeodra die buik begint te rijzen moet hij stevig aan de touwen trekken, juist zoolang totdat de buik weer daalt. Dan mag er niet meer getrokken worden, het touw wordt enkel stijf gehouden tot aan bet oogenblik dat er weer rijzing van deu buik intreedt. Is het kalf goed gevormd dan gelukt op die manier de verlossing bijna altijd en lijden koe en kalf er niet bij.

De opening, waarlangs het kalf moet geboren worden, is niet een kanaal waardoor men met veel kracht zoo maar kan doortrekken ; het zijn juist de pers-weeën van de koe, die het kalf moeten doorzetten en die vlagen kan en wag men ondersten ueti en helpen, maar meer moet men niet doen. Al trekken er drie of meer mannen aan de touwen in den tijd die er telkens tusschen de persvlageu verloopt, het zul hen niets baten ; zij trekken dun het kalf geen streep vooruit, maar martelen de koe zoo af dal ze geen kracht voor persvlagen meer overhoudt.

Menig rier vooral, dat niet weer kan opstaan en later gedood moet worden, of gerttimen tijd kwijnt aati onderscheidene ongemakken, zou geen letsel bekomen hebben, indien men het beest meer tijd tot voorbereiding geguud en alleen in de persylagcn geholpen had.

Is het kalf geboren dan legt men los weg een dek over de koe en laat het dier naar welgevallen liggen tot het uit eigen beweging opstaat; geeft het dan een weinig drinken et: laat het verder met rust.

Het zenuwgestel van do koe is na het kalven bepaald meer of minder geschokt, en dut herstelt ongetwijfeld het vlugst wanneer men het dier zooveel mogelijk met rust laat. De koe moet niet dadelijk gemolken worden, dat schokt haar gestel nog meer en 't is niet onwaarschijnlijk (lat het dadelijk melken bij menige koe de a-inleiding is dat het dier na eenigen tijd niet kan opstaan en minder of hevig ziek wordt. Bij een geschokt zenuwgestel schiet de melk niet en daaruit kan storing en ziekte ontstaan. Pijn wegens persing op deu uier wordt wel bij koeien op de markt waargenomen, maar bestaat terstond of eenigen tijd na het kalven niet.

Het kalf wordt terstond na de geboorte op deze of gene plaats op stroo of riet neergelegd, met een touw vastgebonden en is daarmede voorloopig verzorgd. Na een half of heel etmaal geeft men het drinken, dat is altijd zoo geweest en de kalveren werden koeien.

Voor de eersten is nog al dikwijls eene plaats in den veestal beschikbaar, doch weldra moeten de volgenden in de schuur geborgen worden ; de temperatuur is daar veel te koud wanneer ze er geheel onbeschut worden heengelegd, sommigen komen voor tochtige deuren terecht. Het pas geboren dier is dan niet alleen kletsnat, maar tevens met een laag slijm overdekt; waar het ligt wordt het strooisel nat en wanneer het zich begint te wentelen wordt het geheele leger vochtig. Waar het kalf reeds dadelijk na de geboorte zód wordt behandeld, daar is m. i. eene reusachtige oorzaak voor het dier om koude te vatten, m. a. w. om ziek te worden. Waar menig kalf zoo iets nog tamelijk goed doorstaat, is wel een bewijs

ocr page 9

5

dat die jonge dieren nog al betrekkelijk sterk zijn en het eigenlijk geen groote kunst moet zijn om ze goed op te fokken.

Het kalf krijgt drinken, gebeurt dat na een half etmaal, dan is dat in het beste geval van het tweede maal melk dat de koe geeft; duurt het langer, dan op zijn best van het derde maal melk. Was het kalf van het eersto oogenblik af volgens den eisch die de natuur stelt, verzorgd, het betrekkelijk sterke dier zou ook deze mishandeling dikwijls boven verwachting doorstaan. Tien togen een echter dat het kalf meer ot minder koude heeft gevat en dient men daarbij verkeert drinken toe, dan is zeker de kans van ziek worden grooter dan van gezond blijven. Doch gesteld dat het jonge dier ook dit tamelijk goed doorstaat, het vierde maal drinken bestaat uit karnemelk, — daar zijn de reeds mishandelde ingewanden niet tegen bestand, de spijs verteering wordt verstoord, het kalf is meer of minder ziek.

liet kalf werpt dan zure, onnatuurlijke ontlasting uit, bedorven slijm vloeit uit neus en mond en een en ander komt in het strooisel terecht, er zijn alzoo reeds smetstoffen aanwezig; wel wordt tusschenbeiden met stroo of riet overgestrooid, doch de eerste smetstolfen zijn gekweekt en vermenigvuldigen verbalend snel. Het kalverhok is dan besmet, men slaat daar echter geen geloof aan en legt een later geboren kalf in hetzelfde hok of op dezelfde plaats waar reeds een of meer gestorven zijn ; maar . . . wordt dan ook beloond met het kalf er na korten tijd dood te moeten wegdragen. Het kalverhok is nu een pesthol en de middelen die de smetstoffen kunnen overbrengen zijn zoo groot, dat er in het geheele huis bijna geen kans meer is om een kalf gezond te houden.

Om beter te doen uitkomen dat de aangeduide behandeling van de jonge kalveren — die door velen, en met nog meer afwijkingen tegen de eischen der natuur, wordt toegepast — de oorzaak moet zijn van de steeds toenemende, meer geruchtmakende eu zoo schadelijke kulverenziekte, volge hier wat m. i. de natuur van ons veehouders eischt om onze fokkalvers in het leven en gezond te houden.

Allereerst moet men met stroo of riet het natte vuil terdege van het kalf afwrijven; het wordt dan terstond het grootste deel van het nat, dat het aankleeft, kwijt, en behoeft dan voel minder warmte van zijn tenger lichaam af te staan om droog te worden. Bovendien oefent die verrichting eene zeer voordeelige uitwerking op de huid en de spieren; men kan dit duidelijk bij pas geboren lammeren zien; die het meest door het moederschaap worden afgelikt steken het eerst den kop omhoog, staan hot vlugste op en zijn spoedig droog. Wat het schaap doet zou de moederkoe eveneens doen indien men het dier daartoe de gelegenheid gaf.

Vóór de geboorte wordt het leven en groeien van het kalf door de koe onderhouden en verricht wat geheel en alleen door de navelstreng geschiedt. Bij de geboorte breekt die streng af en heeft dan geene diensten meer te doen, maar bij eenig nadenken zal men moeten erkennen dat de afgebroken navelstreng in de eerste uren en dagen eene zeer gevaarlijke plaats is waarlangs aanwezige smetstolfen in het bloed van het kalf kunnen doordringen. Is het bloed vergiftigd, dan is ziek worden en sterven een bepaald gevolg ; voor besmetting moet dus ten zeerste gewaakt worden. De longen die nog tot niets hebben gediend, moeten bij de geboorte door de inwerking der lucht openspringen en in beweging komen om het kalf in het leven te houden. Het vatten van koude doet waarschijnlijk het eerst die teedero lonsjen aan, om van daar uit verdere verwoestingen aan te richten—de bloedstroom door de navelstreng heeft opgehouden en is begonnen door de longen en langs het darmkanaal. (quot;Zie Reinders II bl. 220).

Ook de andere ingewanden, maag, darmen enz. moeten hunne werking beginnen en zijn bij dat begin ook al zeer gevoelig voor schadelijke invloeden; men moet

ocr page 10

6

daarom bij het eerste voedsel dat men geeft zich strikt houden aan hetgeen de natuur daarvoor aanwijst. Dat eerste voedsel mag niet anders zijn dan pas gemolken eerste biest; den tweeden keer van het tweede maal biest en zoo vervolgens en vooral ook daarom moet de koe niet eerder gemolken worden dan wanneer het kalf drinken zal.

Het ontlasten van het taaie darmpek, dat bij de geboorte reeds in het darmkanaal aanwezig is, gaat steeds met meer ot minder moeite af, sommige kalveren hebben er veel verdriet van. De eerste biest is juist noodig om die ontlasting te bevorderen en mag daarom het kalf niet onthouden worden; bovendien mag men aannemen dat het groote verschil dat er bestaat in de zamenstelling van biest en gewone melk geen toeval of gril in de natuur, maar volkomen noodzakelijk en gepast is om de beginnende werkzaamheden der verteriugsorganen te hulp te komen.

De veehouder die zeker van zijn zaak wil zijn, moet derhalve zorgen voor een goed beschut kalverhok, wanneer dat nl. in de schuur moet aangelegd worden. Men kan dat zelf gemakkelijk en zoo goed als zonder kosten maken, door een paar latten aan de tegenkanten der palen, waaraan men een hek bevestigd, te hechten en de verkregen tusschenruimte met stroo of riet te vullen, van boven maakt men een dak of zolder, eveneens van stroo of riet en sluit de einden eveneens op deze of gene eenvoudige wijze. In zulk een hok zijn de kalveren vrij wel beschut tegen de koude en tocht; treedt er zacht weder in dan moet en kan men gemakkelijk de noodige openingen maken om frissche lucht te doen toetreden, daaraan moet het ook niet ontbreken. De vloer van het hok moet bevloerd en goed afwaterend zijn.

Men wrijft het kalf terstond zoo droog mogelijk af en laat het liefst een paar dagen los in het hok loopen, dan blijft het vrij van de belangrijke kneuzingen die steeds aan de pooten en billen van een geslacht nuchteren kalf, dat vastgebonden is geweest, gevonden worden. Men melkt de moederkoe niet voordat het kalf op de been is en drinken kan, geeft dan het kalf van de pas gemolken eerste biest, de volgende keer van het pas gemolken tweede maal enz.; men houdt op die wijze vol tot het kalt een waek oud is, voegt dan bij de melk een deel karnemelk en gaat zoo in drie of meer dagen geleidelijk tot karnemelk over. Zwakke, tengnre kalveren geeft men naar omstandigheden langer melk.

Eene zoodanige verzorging geeft kalveren met krachtige spijsverterings-organen, geeft geen aanleiding tot ziek worden en kweekt derhalve geen smetstoffen. De veehouder krijgt in het geheele jaar geen melk zoo duur betaald dan die, welke hij op de aangegeven wijze aan zijne fokkalvoren geeft.

Minstens eenmaal in het voorjaar dient men de hokken uit te mesten en na te spoelen en neme dan wat water waarin een scheut ruw carbolzuur wordt gedaan en besproeie daarmede vloer en wanden. Dat is eeu voorzorg die ook al niets kost, eene kruik ruw carbolzuur is voor eenige stuivers in iedere apotheek te verkrijgen, en waardoor men het gevaar voor schadelijke dampen uit de onderlagen van het strooisel vermindert of voorkomt. Niet zelden komt het voor dat van kalvsren, die steeds gezond waren, in het late voorjaar nog een of meer ziek worden en sterven, wat hoogst waarschijnlijk aan kwade dampen uit de onderlagen van het strooisel is te wijten.

Wat kan de Priesche Maatschappij van Landbouw doen tegen de zooveel voorkomende en zoo schadelijke ziekte en sterfte bij de kalveren in het voorjaar?

Uit het aangevoerde blijkt dat iedere veehouder voor zich zelf het kwaad moet en kan bestrijden en overwinnen, hij heeft daarvoor zoo goed als alle middelen en wel kosteloos ter zijner beschikking. Het eenige wat onderscheidene veehouders ontbreekt, is eene voldoende bevloerde oppervlakte in de schuur om er een goed kalverhok in te richten. Sommigen toch moeten hunne kalveren in een ledig gevoederd hooivak zoo maar op den grond plaatsen. In de eerste plaats zou derhalve de Friesche Maatschappij van Landbouw de eigenaren van boerderijen kunnen uitnoodigen om

ocr page 11

7

voor hunne rekening door den plaatselijken veearts een onderzoek te doen instellen of eene voorafgaande ontsmetting en eenige klinkertbevloering noodig zij, en zoo dit noodig geoordeeld wordt een en ander te laten uiUneren.

Voor de eigenaren van, boerderijen, die indirekt belang bij eeuun gezonden veestapel hebben, kunnen die geringe kosten geen bezwaar zijn.

En in de tweede plaats door middel der pers alle veehouders trachten ter kennis te brengen dat de kalveren niet met de ziekte of met de kiemen er van geboren worden-, dat die meening op geen enkelen grond steunt, niets dan schijn en volkomen onwaar is;

dat het bij advertentie aangeprezen middel tegen het ziek worden der kalveren niets anders dan kwakzalverij kan zijn, omdat er in de ingewanden van een nuohteren kalf geen plaats voor brandewijn en medicijnen is;

dat de taaie, kleverige, vieze biest niet voor de koe en nog veel minder voor den bakker bestemd is, maar het eenige noodige voedsel, dat pas gemolken, met got;d gevolg aan hol jonge kalf gegeven kan worden en dat het overschot dur biest meer voederwaarde voor de koeien heeft dan de bakker er gemiddeld voor geven kan;

dat het vatten van koude en verkeerd drinken in den aanvang de hoofdoorzaken zijn waardoor het kalt ziek wordt;

dat het eerste zieke kalf smetstoffen uit neus en ingewanden in het strooisel werpt, en dat die smetstoften zich verbazend snel vermenigvuldigen.

Goënga. {Was get.) D. SCHAAFSMA.

Ik meen, dat deze beschuldigingen ons ten onrechte worden toegevoegd, en daarom besloot ik daartegen te schrijven. Ik heb hiermee eenigen tijd gedraald, en wel om twee redenen.

Ten eerste: omdat ik als jong veehouder die ervaring niet heb opgedaan als vele oudere veehouders, die lid der F. M. van L. zijn, (het bleek mij echter, dat zij, met wie ik er over sprak met mij instemden), ten tweede : omdat ik tegen den heer Schaafsma moest schrijven, cn het is overbekend dat de heer Schaafsma een vaardige pen bezit. Menig courantenartikel getuigt daarvan. Bovendien was mijn schrijven tegen den heer Schaafsma, en had ik dus alle hoogere besturen tegen mij. Het Dag. Bestuur der F. M. v. L. beslist over het ingezondene voor de M. en B. en hiervan is de heer Schaafsma zelf lid. Ik begreep dan ook, dat ik met moeielijkheden zou hebben te worstelen als ik schreef. Toch besloot ik te schrijven in de overtuiging, dat het plicht was.

Ik zond den Sen Sept. een stuk op ter plaatsing in M. en B. waarbij ik aan de Redactie verzocht het in 't nummer van 15 Sept. te plaatsen. Ik ontving geen bericht, doch toen de M. en B. verschenen, bleek het mij, dat mijn stuk niet geplaatst was. Ook werd er niets van in de correspondentie vermeld. Toch is het wel de gewoonte der redactie zulks te doen, wanneer een ingez. stuk wegens plaatsgebrek blijft liggen, getuige o. a. 't nummer van 15 Aug. '91, waarin de redactie bericht, dat een ingezonden stuk van den heer Baron E. S. van Weideren Rengers tot een volgend nummer moest blijven liggen.

Een flinke behandeling, dunkt u ook niet ? Ik ging toen persoonlijk naar den heer Romer, den algemeenen Secretaris, en vertelde hem, dat ik een stuk had gezonden tot plaatsing in de M. en B., hetwelk evenwel niet opgenomen was. De heer Romer antwoordde: gt;0, ja

ocr page 12

8

wel, dat stuk tegen Schaafsma, ik zal er voor zorgen, dat het den volgenden keer geplaatst wordt.quot; Eenigen tijd later ontving ik een briefkaart van den heer Romer van den volgenden inhoud: «Namens den heer Voorzitter der F. M. v. L., neem ik de vrijheid U mede te deelen, dat het beter is uw ingezonden stuk nog niet te plaatsen, doch te voegen bij de door de afdeelingen ingezonden rapporten, opdat alles tegelijk kan worden behandeld. Indien dan later tegen het eindrapport bezwaren door U worden gemaakt, dan kan men die plaatsen. Op 't oogenblik is de zaak in behandeling en is het beter ze niet in de M. en B. doch wel in de afdeelings-vergaderingen te behandelen.quot;

Mijn vermoeden, dat ik met moeielijkheden zou hebben te kampen, als ik schreef, was dus gegrond. Doch hoe rijmt zich dit te zaam ? Als de Voorzitter der F. M. van L. of het Dag. Bestuur het beter had geacht, dat over dat rapport niet in de M. en B. geschreven werd, waarom berichtte men mij, dat niet vóór 15 Sept. Toen had het Dag. bestuur mijn ingezonden stuk toch reeds ingezien.

Het schijnt echter, dat toen dat bezwaar niet bestond, anders had de heer Römer niet gezegd, dat het den volgenden keer opgenomen zou worden. En eenigen tijd later die briefkaart, dat het beter was het stuk niet te plaatsen. Ik wil eerlijk bekennen, dat ik zulk een behandeling niet verwacht had van het Dag. bestuur der F. M. v. L. Van toen af was het mijne gedachte, dat het Dag. bestuur der F. M. van L. mijn ingezonden stuk wou dood drukken. Eerst liet men mijn ingezonden stuk liggen zonder mij er iets van te berichten. Als ik toen niet persoonlijk bij den heer Romer gekomen was, had men mijn stuk stil laten liggen. Toen moest er echter een nieuw middel bedacht worden, en men schreef mij dat het beter was het stuk niet te plaatsen. Zeker is hierdoor het Dag. Bestuur der F. M. van L. niet in achting gestegen.

Door die behandeling was ik teleurgesteld. Ik nam na ontvangst van die briefkaart dadelijk mijne pen ter hand en schreef den volgenden brief.

»Hedenmorgen ontving ik UEds. briefkaart, welker inhoud mij bevreemt, temeer, daar U mij mondeling had verzekerd, dat mijn ingezonden stuk in de eerstvolgende M. en B. zou worden geplaatst. Namens den Voorzitter van de F. M. van L. deelt gij mij mede, dat het beter is mijn stuk thans niet te plaatsen, doch het te voegen bij de rapporten der afdeelingen. Doch daarmee ben ik niet tevreden, ik laat mij niet met een kluitje in 't riet sturen. Ik heb vriendelijk verzocht mijn ingezonden stuk van 8 Sept. iu de eerstkomende M. en B. te plaatsen dat was 15 Sept. Waarom dat toen niet geplaatst? Indien dit geschied was dan zou het publiek geweest zijn, eer de afdeelingen dit punt behandelden en was mijn stuk tot zijn recht gekomen. Ik merkte, dat gij het niet opgenomen hadt. Toen ben ik persoonlijk bij UEd. geweest en U heeft mij verzekerd er voor te zullen zorgen, dat het in de M. en B. van October geplaatst werd.

Thans ontving ik dit schrijven met de mededeeling, dat, indien later

ocr page 13

9

tegen dit eindrapport bezwaren door mij werden gemaakt, men die dan kon plaatsen. Ik denk : misschien worden ze dan eveneens geweigerd ! Doch dat is ook eene geheel andere zaak, het kan zeer wel zijn, dat ik mij met het eindrapport vereenigen kan. Mijn ingezonden stuk is tegen het rapport, dat in de M. en B. van 15 Aug. is geplaatst, ik verzoek nogmaals vriendelijk het in de M. en B. van 15 Oct. te plaatsen, zooals het door mij is ingezonden, met datum en naam. Ik begin te vermoeden, dat men mijn stuk wil dooddrukken ; ik laat dat voor rekening van hen, die het aangaat.

Ik heb altijd gemeend, dat de M. en B. hoofdzakelijk voor ons veehouders «vas, en men het wenschelijk vond, dat de veehouders hunne denkbeelden daar eens in verklaarden; het blijkt mij echter dat dit niet het gaval is. Indien de redactie van de M. en B. of de Voorzitter der F. M. van L. weigert mijn ingezonden stuk te plaatsen, dan verzoek ik U het mij onverwijld terug te zenden. Ik ontzeg ieder het recht het hier of daar anders bij te voegen, daartoe heb ik het niet bestemd. Misschien dat ik het dan op andere wijze eens tracht publiek te krijgen.

Bij dezen geef ik U de verzekering, dat ik U noch de Redactie als lid der F. M. van L. weer zal lastig vallen, aangezien bij weigering ik direct als lid bedank. Dit is wel niet zoo slim : want och er zijn leden genoeg bij de F. M. van L. Maar dit wil ik u toch nog zeggen, nl. dat uwe handelwijze jegens mij velen in mijne omgeving zeer bevreemdt.quot;

Hierop ontving ik een briefkaart van dezen inhoud : «Namens den Voorzitter der F. M. van L. bericht ik U, dat het hoegenaamd niet de bedoeling was uw stuk dood te drukken, doch dat het beter gevonden werd alle stukken deze zaak betreffende te verzamelen ; daar U echter op plaatsing gesteld zijt, zal het zoo mogelijk 15 Üct. verschijnen.

Een persoonlijk gesprek met den heer Schaafsma, waarin ik er hem op wees, hoe men mij behandelde, en waarin ik niet naliet, hem met een paar woorden hunne kleinzieligheid te doen gevoelen, heelt er misschien ook iets toe bijgedragen dat het den 15 Üct. geplaatst werd. Volledigheidshalve laat ik ook dat stuk hier volgen.

M!

Vriendelijk verzoek ik U het volgende in de eerstvolgende M. en B. te plaatsen:

In de M. B. van 15 Aug. j.l. komt een rapport voor, over het ziek worden en sterven der jonge kalveren. Ingezonden door den heer 1). Schaafsma te Goënga.

Het komt den rapporteur steeds voor, dal een groot aantal veehouders bij de behandeling van hun vee te veel naar hun eigen gevoel handelen, inplaats van zich zelf do vraag te stellen; wat eischt de natuur?

Als ik mij zeiven de vraag stel, wat eischt de natuur ? dan antwoord ik : de natuur eischt, dat de koe zijne vrije beweging heeft als zij kalft, als het kalf er is, zal zij dit onmiddelijk aflikken en het duurt maar kort of het drinkt reeds aan het uier.

Als wij dat in praktijk konden brengen, dan geloof ik, dat dat de beste wijze waa

ocr page 14

10

om onze kalvers op te fokken. Docli dat is bij ons veehouders in den winter bijna niet mogelijk, wij moeten ze dus zelf opfokken.

Ik vertrouw zoo goed op de ervaring van onze practische veehouders, dat men hen toch waarlijk het kalvertrekkeu nie! meer belioel't te leereu. Iedere veehouder zal zijne pas geboren kalveren, niets anders geven dan biest, daarna melk, en zoo geleidelijk karnemelk. En niet reeds het vierde maal karnemelk, zooals de rapporteur beweert, dat is tenminste een uitzondering op den regel. Dat het opfokken der kalveren bij de sleur gaat, weet Schaafsma anders wel boter, hij weet dat de meeste veehouders alles aanwenden tot opfokken van hun vee, ook uit welbegrepen eigenbelang. Toch is het een feit dat, niettegenstaande de zorgvuldigste behandeling, jaarlijks tal van kalveren door den dood verloren gaan. Het jongst verloopen voorjaar is er zoo ruimschoots getuige van.

Wat kau de Friesche Maatschappij van Landbouw doen tegen de zooveel voorkomende en zoo schadelijke ziekte en sterfte bij de kalveren iu hot voorjaar?

De rapporteur zegt:

Uit het aangevoerde blijkt dat iedere veehouder voor zich zelf het kwaad moot en kan bestlijden en overwinnen, hij heeft daarvoor zoo goed als alle middelen en wel kosteloos ter zijner beschikking. En in de tweede plaats door middel der pers alle veehouders trachten ter kennis te brengen dat de kalveren niet met de ziekte of met da kiemen er van geboren worden ; dat die meening op geen enkelen grond steunt, niets dan schijn en volkomen onwaar is.

Dat is sterk uitgedrukt!

Indien de kalveren van Schaafsma dit voorjaar geweest waren als de mijne, geloof ik dat hij anders had geschreven.

Volgens mijn bescheiden meening waren de kalveren die ik dit voorjaar door den dood heb verloren, reeds ziek bij hun geboorte, althans de kiemen der ziekte in hen aanwezig, laat ik dit kortelijk toelichten.

Evenals vele veehouders moet ook ik mijn kalvers in de schuur in een leegge-voederd hooivak plaatsen, ik had reeds vroegtijdig een hok daartoe gereed gemaakt, precies het model als door den rapporteur opgegeven, behalve dat de vloer van hout en niet van steen was, wat zeker hetzelfde is. In begin Februari kreeg ik mijn eerste kalf, bracht het in voornoemd hok, en heeft nooit iets mankeert en is nog gezond en wel; insgelijks het tweede ; alle kalvers die ik daarna kreeg gingen dood; enkelen met eenige uren of een dag, anderen met twee of drie dagen, en een enkele sukkelde wat tot ze stierven.

Toen er eenige dood waren bracht ik de volgende op eene andere plaats in een hok buitenshuis, zij gingen evenwel dood; toen bracht ik de volgende dadelijk bij de geboorte op de hieminge in de frissche lucht, die zijn nooit in een hok geweest, zij gingen eveneens dood.

Een paar weken voor Mei deed ik eens weer een kalf in het eerstgenoemde hok, dat heett ook niets mankeert, de volgende gingen weer dood, zoodat ik te zamen er 32 zag sneuvelen.

Het is mijn vaste overtuiging dat die kalveren reeds bij hun geboorte ziek waren, althans de kiemen der ziekte in hen aanwezig was, dit laat nog duidelijker verklaren: nl. als wij stierkalveren kregen, die voor den slager waron bestemd, de slager ze spoedig moest halen, wilde hij ze levend thuis hebben.

Zulken hadden noch biest, noch melk, noch karnemelk gehad, maar waren nog nuchteren.

Niet alleen bij mijne kalveren, maar bij vele veehouders deden zich bij hunne kalveren dezelfde verschijnselen roor.

Het taaie darmpek, dat (volgens het rapport) juist door de eerste biest moet verwijderd worden, waren onze kalveren soms al kwijt eer ze biest hadden gehad.

ocr page 15

11

En als wij ze een liter biest of melk gaven, geloof ik dat er wel twee liter in loop weer te voorschijn kwam.

Ook bij de andere veehouders gingen ze dood ; in onze naaste omgeving bewijzen ia overvloed.

Uw buurman Holster verloor 13, H. Bakker pl. ra. 20, D. Kierstra ruim 20, en zou ik veel meer kunnen noemen, doch waartoe meer ?

Er is bij vele veehouders ervaring genoeg van het sterven hunner kalveren, zij worden er dezen herfst nog eens financieel aan herinnerd.

Ik heb gemeend, di; een en ander van mijne ervaring (die ik gaarne voor beter geef) eens aan mijne medeleden te moeten mededeelen.

Het zou mij genoegen doen, als er van de vele veehouders, die de hoop hunner veestapel geheel of gedeeltelijk door den dood zagen weggemaiiid, een enkele door middel van de M. en B. hunne bevinding over deze zaak eens publiceerde.

Ik eindig, doch wensch nog enn paar vragen aan den heer Schaafsma te doen, die ik vertrouw dat door hem in het volgend no. der M. en B. beantwoord zullen worden.

Ten eerste :

Indien de kalveren niet met de ziekte of met de kiemen ervan geboren worden, waaraan zijn die kalveren dan gestorven, die geen biest, geen melk, noch karnemelk hadden gehad, en dus nog nuchteren waren?

Ten tweeden :

U schrijft iedere veehouder moet en kan voor zich zelf het kwaad bestrijden en overwinnen.

Derhalve gelooft gij dat die veehouders, die dit jaar weer vele kalvers door den dood verloren, dat dit is te wijten aan hunne onnatuurlijke behandeling hunner kalveren, en dus aan eigen schuld is te wijten ?

Goénga, 8 Sept. 1891.

{Was get.) JACOB WIJTSMA.

Onder mijn stuk plaatste de Redactie de volgende noot: »De beantwoording van bovenstaand stuk zal later met het eindrapport te dezer zake plaats vinden.quot;

Met verlangen zag ik daarnaar uit. Het verscheen den 15 Dec. in de M. en B. en luidde als volgt;

Het ziek worden en sterven van de jonge fokkalvers.

Eindrapport aan het Hoofdbestuur van de Friesche Maatschappij van landbouw, met voorafgaand antwoord aan den heer J. Wijtsraa te Goëuga, omtrent zijn schrijven van 8 Sept. 1.1. (Zie Med. amp; Ber. van 15 Oct.)

Allereerst geef ik u de verzekering, dat ik de vooruitgang van onzen veestapel en elke goede uitzondering bij het opfokken er van op hoogen prijs stel; gij ault mij echter moeten toestemmen, dat de veestapel uit nuchteren kalveren moet opgebouwd worden, en zoolang daarvan zoo velen verloren gaan, er nog wel plaats voor het streven naar verbetering is.

wGij vertrouwt, dat wij veehouders geen voorlichting meer noodig hebben bij de verlossing der koeien en het opfokken der kalvers, dat behoudens eene enkele uitzondering, de veehouders uit wel begrepen eigenbelang alles aanwenden om hunne kalvers goed op te fokken, en dat bij de zorgvuldige behandeling er toch ieder jaar tal van kalveren verloren gaan.quot;

Om aan te toonen, dat in het jongst verleden voorjaar bij uwe kalveren do

ocr page 16

12

kiem der ziekte reeds bij de geboorte aanwezig was, deelt gij iets van uwe behandeling en de verkregen uitkomsten mede.

«De twee eersten, zoo schrijft ge bleven goed doch de anderen gingen dood; z,enkelen met eenige uren of een dag, anderen met twee of drie dagen, en een «enkele sukkelde wat langer — en vraagt waaraan dan die kalveren, die nog «niets gedronken hadden, gestorven zijn, indien ze niet met de ziukte of de «kiemen er van geboren zijnquot;.

Ik meen, dat in het rapport tamelijk duidelijk uitkomt, dat er zeer waarschijnlijk smetstoffen uit het hok, waar in kalveren ziek werden en stierven, langs de navelstreng in het bloed van het pasgeboren kalf dringen, en dan is dat ongetwijfeld de oorzaak, dat sommigen al reeds sterven, zonder iets genuttigd to hebben, en anderen, die langer kwijnen onnatuurlijke uitwerpselen ontlasten.

«Toen er eeuigen dood waren, zoo vervolgt ge, werden ze in een ander hok «gebracht waar ze eveneens stierven; daarna werden ze dadelijk na de geboorte «naar buiten op het erf gebracht en gehouden; ook dezen gingen dood.quot; «Een «paar weken voor Mei bracht ge ze weer in het eerste hok, het eerste er van «bleef in leven, de anderen stierven, het totaal der dooden was 23.quot;

Gij gelooft dus niet aan eene mogelijke besmetting bij pasgeboren kalveren, want dan zoudt ge ze niet in het hok gebracht hebben waarin reeds een of meer ziek en gestorven waren. Voorts blijkt wit het aangehaalde, dat uwe fokkerij op het erf omstreeks half April heeft plaats gehad. Zelfs bij eeno gunstige weersgesteldheid moesten die dieren dan koude vatten, en daardoor te gronde gaan, hoeveel te meer in een ruw en koud voorjaar als het jongst verledene. En een paar weken voor Mei werd het eerste doodenhok weder met pasgeborenen aangevuld; wonder genoeg dat daar nog een van in het leven bleef.

«Uw hok was in een ledig gevoederd hooivak, waarvan de grond met hout «was belegd — wat gij gelijk stelt met eene bevloering van steenquot;. En toch is er een belangrijk verschil; geruimen tijd blijft het in zulk een hooivak muf en onaangenaam rieken en al wordt de grond met hout belegd, de gier dringt toch in den grond en bevordert het ontwikkelen en opstijgen van schadelijke gassen. Bij eene goede bevloering kan het hok eerst flink uitgespoeld en met karbolzuur frisch gemaakt worden, de gier kan afvloeien en de grond is dan afgesloten.

Uit het weinige, dat gij van uwe verzorging mededeelt, blijkt al reeds dat die nauwelijks de rubriek, «op goed geluk af,quot; kan halen; van een goed doordacht plan is geen zweem.

«Het is uwe vaste overtuiging, dat uwe kalveren die stierven, bij hunne geboorte ziek waren, althans de kiemen er van bij zich hadden;quot; en gij ergert u er aan, dat ik iu het rapport schreef, dat dit onwaar en niets dan schijn is, en dat elke veehouder zelf het kwaad moet en kan bestrijden en overwinnen.

Ik geef u gaarne toe, dat er wel eenigen, in sommige gevallen misschien schijn bestaat voor de meening, «dat de jonge dieren met de ziekte geboren worden,quot; maar schijn is nog geen waarheid, en ik vind in uwe mededeelingen geene aanduidingen, waarop die meening met eenige zekerheid kan steunen. Bovendien is die meening het gemakkelijkste middel om zich van de zaak af te maken.

Met opzet heb ik dat punt tamelijk kras aangeteekend, omdat jarenlange opmerkingen en ervaringen mij daarvan hoe langer zoo meer overtuigden : maar in de tweede en voornaamste plaats omdat de meening, dat de kalvers met de ziekte geboren worden, het groote struikelblok is, dat den weg tot verbetering of wegneming van het kwaad verspert, zoo niet geheel afsluit. «Der is niks oan te dwaenquot; wordt er meestal bij uitgesproken.

«Gij vertelt wat koe en kalf zouden doen indien ze beiden in vrijheid gesteld «werden, en iat het dan goed met het kalf zou gaan, (indien het met de ziekte

ocr page 17

13

„geboren werd ook ?) flat flit echter in den wiuter niet kan en dat wij, veehouders „ze daarom zelf moeten opfokken.quot;

Volkomen juist; maar is het dan niet noodig dat wij, die ons dadelijk tusschen de koe en het kalf als opfokkers plaatsen, eens ernstip; overwegen welk een teeder voorwerp wij ter verzorging opnemen, welke behoeften dut jonge dier heeft, en hoe wij de natuur het getrouwst kunnen nabootsen om die behoeften te bevredigen ?

En dat nabootsen der natuur zal iedere veehouder zelf moeten en ook kunnen doen. Al lant de eigenaar eene voldoende oppervlakte bevloeren en ontsmetten, het kwaad zal opnieuw zich voordoen, indien de boer het kalf niet voor koude vatten beschut of aanvankelijk meer of minder afwijkt in het toedienen van het emige daarvoor aangewezen voedsel.

Ingekomen conclusiën en adviezen der Afdeelingen.

Afd. Leeuw. c. a. ;/Het rapport van 15 Aug. 1.1. is met veel belangstelling gelezen. In 't algemeen worden de practische opmerkingen ten volle gedeeld, doch men vreest, dat ook bij de meest zorgvuldige behandeling de ziekte niet geheel zal worden bestreden, omdat sommige verschijnselen bepaald doen vermoeden, dat vele kalveren reeds met de ziekte geboren worden.quot;

Afd. Baan'er.—Rauw. /,Bij waardeering van hot rapport meent men toch dat er eene andere ziekte onder de jonge kalveren heerscht, die te vernielend werkt om onopgemerkt te blijven ; welke ziekte zich kenmerkt bij of kort na de geboorte door krampachtig strekken, dikwijls achter de koe slapen in oen hoepel en onmiddellijke diarrhé, werkeloosheid van het geheele organisme, holoogigheid, droog; neus en brandige mond, van taai darmpek is bijna of heelemaal geen sprake, van herhaald drinken geven evenmin, daar het ziekteproces meest binnen 24 uren is afgeloopen en zelden langer dan 3 dagen duurt; van de tien sterven 8 a 9. Dat het Hoofdbestuur zijne attentie aan deze ziekte zal schenken, is de wensch der vergadering.quot;

Afd. Tietjerksteradeel. „De Afd., waardeerende het rapport, is van oordeel dat de daarin opgenomen gegevens in 't belang zijn van de fokkerij ; zij neemt evenwel niet aan dat iedere veehouder, welke de ziekte onder de kalvers krijgt, niet voor eene goede behandeling zorg draagt. Daarentegen dat bij do beste wijze van verzorging de ziekte mogelijk wordt geacbt. Algemeen werd het gevoelen gedeeld, dat de ziekte erfelijk is. Verreweg de meeste leden gronden hunne gevoelens op opgedane ondervinding.quot;

Afd. Achtbirpselen meent ook dat do kalveren met de ziektekiem geboren worden — een landbouwer te Surhuizum nl. voederde eenige jaren geledon zijn vee mot hooi van eigen land afkomstig. De kalveren, toen geboren, waren en bleven gezond. Dat hooi verbruikt zijnde, begon hij met bovenlandsch hooi van beste kwaliteit te voederen, er stierven toen 18 ii 19 kalvers kort na de geboorte. Het overgebleven hooi werd hot volgend jaar verbruikt, toen er weder eene groote sterfte plaats had onder de pasgeboren kalvers. Het hooi bevatte zeer zeker eene schimmelachtige plant, die nadeelige gevolgen op het kalf had en het met een ziektekiem ter wereld bracht. Overigens stemt de afdeeling volkomen met het rapport in, en neemt de vrijheifi het Hoofdbestuur te adviseren dat zooveel mogelijk een afschrift daarvan onder de landbouwers verspreid wordt.

Afd. Oo-stdongeradeel c. a. met 25 togen 7 stemmen: „de vergadering, aan het eerstaangevoerde in het rapport adhaesie schenkende, ontkent dat de motieven aan het slot aangevoerd, als juist moeten worden aangenomen, wijl zij meent dat wel degelijk voorkomt wat daarin zoo stellig wordt ontkend, en is met den heer Wijtsma en de 6e Afd. van meening, dat geheel andere tot nog toe onbekende invloeden ten vorigen jare de oorzaak van den dood van honderden kalveren zijn geweestquot;.

ocr page 18

14

13de Afd. Door de leden was met sympathie kennis genomen van het rapport — enkelen volgden in hoofdzaak de voorgeschreven behandeling, de ziekte werd evenwel daardoor niet bedwongen. De ervaring door den heer Wijtsma opgedaan was naar het oordeel der leden juist, verschillende leden hadden opgemerkt dat het kalf reeds voor de geboorte de kiem der ziekte in zich had, en tengevolge daaivan kort na de verlossing, zonder daarvoor eenige reden kon worden aangegeven, stierf. Naar het oordeel van sommigen was het noodzakelijk, dat bij de eerste verschijnselen der ziekte bij een kalf, djze met de koe moest worden afgezonderd, de stalling ontsmet en alles wat daarmede in aanraking was geweest, worden verwijderd. De inrichting der stallen was zeer bevorderlijk voo'r de overbrenging van smetstoffen, en aannemende dat de bedoelde bil verziekte zeer besmettelijk was, zooals de ondervinding had geleerd, was het verschijnsel dat de kalvers reeds voor de geboorte de kiem der ziekte in zich hadden, verklaarbaar. In de provincie Groningen werd streng am afzondering de hand gehouden en het resultaat was, dat de ziekte daar in den laatsten tijd niet meer voorkwam.quot;

Ik wist dat de bewuste meening diep was ingeworteld, ze is dan ook na mijne ietwat krasse aanteekening. Hink te voorschijn gekomen, en verdient daarom eenige aandacht. Ik vind in de vorenstaande uitkomsten der Afdeelingen wel schijn van waarheid, maar niet veel zekerheid. De mogelijkheid van erfelijke of andere ziekten, kwade gevolgen van slecht hooi enz. ontken ik niet; maar dat alles kan alleen door een nauwkturig onderzoek van deskundigen worden uitgemaakt, en daarvan wordt niets gemeld; 't zal ook wel niet gebeurd zijn, want tot heden zijn da veeartsen in dezen weinig geraadpleegd en dan uog alleen waar weinig of niets meer te redden was. De meening: //dat de kalveren met de ziekte of ziektekiem geboren wordenquot; is derhalve nog niets dan een los vermoeden, getrokken uit toevallige omstandigheden, dat den veehouder in niets kan dienen, maar de verbetering van het euvel in plaats geducht in den weg staat. Het geval te Surhuizum, dat aan het voederen van ander hooi wordt toegeschreven, is nog al in het oogvallend, en toch is het opmerkelijk, temeer omdat het hooi van beste kwaliteit was, dat de gang van het ziekteproces geheel met alle anderen overeenkomt, nl. de eersten blijven in leven, weldra treedt ziekte en dood in, waarna sterven bijna het eenige gevolg is. Waarom blijven de eersten in leven en meestal gezond ? M. i. omdat voor dezen meestal een plaats in de veestal beschikbaar is, er is dus minder gevaar voor koude vatten — er zijn geen vuile lagen op een doorweekten bodem onder het strooisel — er wordt weinig gemolken, bijgevolg is er niet veel anders voorhanden dan de moedermelk — allengs komen er meer, ze moeten naar de schuur, de melkerij noemt toe en het vullen van botervat en melkbus laat zich gelden — 't wordt in de veestal drukker en de verzorging der kalvers aan een onderknecht of eigen jongen over gedaan.

Zoo ver mijn geheugeu reikt heeft het kwaad bestaan, maar is verergerd naai-mate de prijzen der graskalveren en van ouder vee zijn gestegen. Voorheen werd een zeker getal van de besten aangehouden, nu wil ieder een zoo groot mogelijk getal; men heeft dus de tengeren en zwakkeren er bij genomen, die uit den aard der zaak meer gevoelig voor nadeelige invloeden zijn. Denkt men niet genoeg te zullen krijgen, dan worden er op de markt bij gekocht, van welke kalvers spreekwoordelijk wordt gezegd ; //heden koopt de boer de kalvers om de volgende week met de huiden er van terug te keeren.quot; Ook daarmede-kan het paard van Troye worden binnengehaald.

Wanneer ik bedenk wat deskundigen ons leeren omtrent do groote verandering die bij de geboorto van hot dier intreedt, met name de ademhaling, bloedomloop, spijsverteering enz,, over de zamenstelling van biest, hoe die bestanddeelen bij ieder melkmaal veranderen enz., en daarbij in acht neem dat er zijn die er hunne

ocr page 19

15

kalvers te °;oed voor houden om ze die taaie, vieze biest te geven, dat de meeste kalvers zonder eenige hulp op eene te koude plaats moeten droog worden en verblijven, dat de meeste koeien dadelijk na de verlossing gemolken worden en het kalf dan nog niet kan drinken, dat velen, als voorzorg, aan het jonge dier dadelijk deze of gene geheimrniddelen toedienen, die nirnmer goed maar wel kwaad kunnen doen enz., dan kora ik altijd tot de uitkomst, dat de verzorging niet in overeenstemming is met de hehoeftm van het jonge dier, en dat vele afwijkingen van de voorschriften die de natuur ons aanwijst, op zich zelf of in vereeniging, zoo niet de eenige dan toch de hoofdoorzaak van de kwaal moet zijn.

Er is gezegd dat de ziekte bij de beste verzorging toch kan voorkomen. Teder, die de behoeften van het j jnge dier eenigzins kent, weet ook dat in dezen kleine oorzaken groote gevolgen kunnen hebben, en daarom zal wel niemand zoo dwaas zijn om te beweren, dat er bij eene soede behandelinh geen ziek kalf kan komen.

Mij dunkt, dat de leden van de 13de Md., die de bedoelde meening eerst juisj noemen, in het slot zich zelf tegenspreken.

8ste Afd. overwegende, «dat de meeste veehouders, die wat acht op hun veestapel slaan, gerekend moeten worden zeer goede middelen te kennen om de kalverziekte tegen te gaan. Dat over het ontstaan der kalverziekte misschien nog veel meer valt te zeggen, doch dat het rapport vele nuttige wenken bevat, besluit het Hoofdbestuur te berichten, dat deze Afd. zich in hoofdzaak met den inhoud van het rapport kan vereenigen.

Afd. Sneek c.a. «Stemt met het rapport in.quot;

Afd. Dokkum—Dant. «Omdat de gedachten te veel uiteenliepen werd besloten om geene conclusie te nemen.quot;

Afd. Witmarsum. «Met erkenning van de vele goede wenken in het rapport is de vergadering van oordeel, dat in dazen het laatste woord nog niet bepaald gesproken is, en acht zij het daarom wenschelijk, het onderzoek in dezen voort te zetten en op te d agen aan wetenschappelijke personen.quot;

Ik ben geneigd om deze conclusie hst juiste woord te noeman ; van wetenschappelijke voorlichting kan de praktijk veel voordeel trekken.

Er bestaan echter bezwaren voor het instellen van een deskundig onderzoek ; de eene veehouder behoeft nl. geen schade door de andere te lijden of te vreezen, men heeft niet met eene bepaalde ceeziekje te doec, 't kwaad valt vrij zeker niet onder de termen der wet. Doch de behandeling in de Afdeelingen heeft misschien den weg toegankelijk gemaakt; men mag verwachten dat er nu wel veehouders, die in het jongst verladen voorjaar groote schade hebben geleden, genegen zullen zijn om hunne stallen in het a.s. voorjaar voor aan te wijzen deskundigen toegankelijk te stellen.

De missive van de Afd. Friesland vd Mij. ter bev. van Veeartsnijkunde in Nederland, dient hier naast te worden afgedrukt.

Herhalende ;

dat een nauwkeurig deskundig onderzoek gewenscht en noodig is;

dat tot een afloop daarvan de meergenoemde meening als tot niets nut, aan den kapstok dient gehangen ;

dat de verzorging der jonge kalveren aan derzelver behoeften moet voldoen; dat door eene zoodanige behandeling het ziek wortlen moet voorkomen worden ; dat dit de eenige richting Is in welku de veehouders kunnen werken ; dat iedere veehouder, behalue \oldoende oppervlakte bevloerden bodem, daartoe over de noodige middelen kan beschikken ;

dat de Friesehe Maatschappij van Landbouw middelen tot bestrijding van het nadeel weuscht aan te wijzen of te wenden ;

dat verreweg de meeste veehouders geen lid van die Mij. zijn ;

ocr page 20

16

geeft ondergeteekende het Hoofdbestuur van genoemde Mij. in overweging, poffingeu te doen tot het verkrijgen van een deskundig onderzoek ;

de eigenaren van boerderijen vit te noodigen om de bevloeringen der veestallen en schuren, zoo noodig te herstellen en te vergrooten on

eene goedkoope uitgave te bevorderen van een handboekje, hoe de jonge kalveren moeten behandeld en verzorgd worden, met wetenschappelijke toelichting als vervolg, waaruit de behoeften van bet jonge dier kenbaar worden.

Goënga. Igt;- SCHAAFSMA.

Over dat antwoord was ik niet voldaan. Uit de rapporten der aldeelingen blijkt, dat de meeste veehouders met mij instemmen. Alleen de elfdequot; afd. stemt met het rapport in. De vergadering der eltde afd., waarin het behandeld werd, was te VVoudsend. Uit mijne omgeving was er bijna niemand, en ik ben er weggebleven uit protest, omdat men mijn ingezonden stuk niet geplaatst had.

Die vergadering was slechts door i 7 leden bezocht ; sommigen verklaarden niet met het rapport in te stemmen, en meenden, dat de ziekte bij de geboorte der kalvers aanwezig was, en met de beste behandeling wel stierven. Met 11 tegen 5 stemmee werd besloten met het rapport in te stemmen.

Het berouwt mij niet, dat ik geschreven heb. Het is gebleken dat ik in mijn schrijven heb uitgedrukt, wat er op den bodem van weinig veehouders hart verscholen lag. Nadat men mijne denkbeelden gelezen had, heelt menigeen mij een stille dank bewezen. En iemand, die reeds veehouder was, toen ik nog op de schoolbanken zat, verklaarde mij, mijn stuk te hebben willen onderteekenen.

Uit de rapporten der afdeelingen blijkt, dat de veehouders niet met het rapport instemmen. Toch zegt de heer Schaafsma : gt;dat bewijst allemaal niets.quot; Wel ontkent hij dit en dat niet, maar toch wil hij gelijk hebben. Al zegt de heele wereld ook : dat ding is zwart, Schaafsma zegt: 't is wit. Iemand, die het eindrapport zat te lezen, riep uit: lt;Het gaat Schaafsma precies als den Czaar van Rusland ; die verklaarde: «Er is geen hongersnood in mijn land, maar de oogst is mislukt'.

Ik besloot toen nog eens te schrijven en gaf den heer Römer den 8en Jan. 1892 een stuk ter plaatsing in de e. k. M. en B. Des Maandags 11 Jan. had het Dag. Bestuur vergadering. Den volgenden dag ontmoette ik den neer Schaafsma, en vroeg hem ; wat het oordeel van het oordeel van het Dag. bestuur over mijn ingezonden stuk was. De heer Schaafsma zei mij 'toen dat ze daarover niet gesproken hadden, er was anders te veel te behandelen.

Ik vroeg hem toen, hoe het dan met mijn ingezonden stuk kwam. Hierop antwoordde hij, dat er nog een stuk ingezonden was over het opfokken der kalvers, cn dat men hem de beide stukken medegegeven had om er over te adviseeren. Ik vroeg toen : »wat zegt gij er van?quot; Daarop kreeg ik tot antwoord, dat volgens zijn advies de beide stukken geplaatst moesten worden, hoewel naar zijne meening mijn stuk te

ocr page 21

17

persoonlijk was. Hij voedde hier nog bij, dat hij mijn stuk zeer kort zou beantwoorden.

Ik gaf toen te kennen, dat, als ik naar zijne meening te persoonlijk geweest was, of niet goed geschreven had. hij nu eene uitnemende gelegenheid had, mij in M. en B. eens ferm de waar eid te zeggen.

Eenigen tijd later ontving ik mijn ingezonden stuk terug met begeleidend schrijven van den heer Romer, behelzende de opmerking van het Dag. Bestuur, dat het orgaan der Maatschappij niet de gelegenheid opende om persoonlijke hatelijkheden anderen naar het hoofd te slingeren, en onjuistheden te debiteeren.

Ik vraag nogmaals hoe rijmt zich dit te zaam ? Het Dag Bestuur had tijdens hunne vergadeiing geen tijd mijn stuk in te zien, de heer Schaafsn-ia nam het mee en verklaarde dat hij tot plaatsing zou advisee ren, en de heer Römer zond bedoeld stuk terug met eene opmerking van het Dag. Bestuur. Ik begrijp het niet 1 Gij medeleden der F. M. van L ? Als de heer Schaafsma waarheid gesproken heef dan had hij immers te beslissen, en kon het Dag. Bestuur geene opmerking maken over iets, dat ze niet behandeld hadden.

Deze zaak is zeker niet vrij van onjuistheden. In de correspondentie M. en B van 15 Jan. schreef de Redactie: Het stuk van den heer Wijtsma kan niet geplaatst worden, daar er personaliteiten en onjuistheden in voorkomen. De gelegenheid tot schrijven werd mij dus benomen, en daarom wil ik het publiek over mijn stuk laten oordeel en. Ik heb echter eerst nog het volgende schrijven aan het Dag. Bestuur gericht:

»Zou het Dag. Bestuur der F. M. van L. mij ook even willen berichten welke onjuistheden in mijn ingezonden stuk voorkomen ?

Bij overtuiging ben ik bereid die te verbeteren.

Mijn streven is waar te zijn.quot;

Den 13 Februari j.1. ontving ik hierop het volgende terug;

In antwoord op uw schrijven van 25 Januari 1 1. neem ik de vrijheid U namens het Dag. Bestuur, mede te deelen, dat uw ingezonden stuk niet geplaatst is om reden dat het te persoonlijk was, doch minder om de onjuistheden ; wat deze bctrett, wil ik u er op wijzen dat Z.Ex. de Minister uitdrukkelijk in het openbaar protest heeft aangeteekend tegen de beschuldiging, dat de door u aangehaalde woorden door hem zouden zijn geuit.

Wil u het stuk wijzigen zoodat alleen over de zaak, die de partijen verdeeld houdt, wordt gehandeld dan denk ik, dat er geen bezwaren tegen de plaatsing zullen bestaan.quot; Wat? hierin wordt mij geantwoord : »niet zoozeer om de onjuistheden hebben we het stuk niet geplaatst.'' Schaamt u, heeren van het Dag. Bestuur, dat gij in de correspondentie van M. en B. mijn stuk daarvan beschuldigd hebt.

Is dat niet persoonlijke hatelijkheden naar anderen slingeren? Toch wilt gij er mij op wijzen, dat Z.Ex. de Minister geprotesteerd beeft, tegen de beschuldiging van gezegd te hebben, dat de landbouwers luiaards en weetnieten waren. Het is mij heel wel bekend, dat hij

ocr page 22

18

later zeide: »dat heb ik niet gezegd.quot; Maar dit beteekent niets! Z.Ex. de Minister HEEFT die woorden gezegd: Dit is niet weg te protestecren.

Het gaat hiermee als met den Duitschen Keizer, die zegt op diners of feestelijkheden ook zoo nu en dan eens wat, en als men hem daar later aan herinnert, verklaart hij altijd: »dat heb ik niet gezegd.quot; Het is mijn plan niet mijn stuk te wijzigen en evenmin (nu het op deze wijze geweigerd is) nogmaals te bestemmen voor M. en B. Ik acht mij daartoe te veel beleedigd door het Dag. Bestuur. Ik geef het hier woordelijk zooals het door mij was ingezonden ter plaatsing in M. en B.

M. de Redacteur!

Vriendelijk verzoek ik U het volgende in de eerstvolgende M. en B. te plaatsen.

Toen ik in de »Mededelingen en Berichten der Friesche Maatschappij van Landbouwquot; enz. van 15 Augustus van 't vorige jaar het »Rapport over het ziek worden en sterven der jonge foklcalversquot; las, dacht ik : wat is het toch treurig, dat een practisch veehouder kan schrijven : »dat uwe kalvers dood gaan, is uw eigen schuld, dat ligt aan de slechte verzorging van uwe kalveren, ze worden gezond geboren.' De ervaring, door mij zeiven opgedaan, en de ondervinding van vele veehouders, waarmee ik na het lezen van dit rapport over deze zaak sprak, versterkten mij in de overtuiging, dat veelal de ziektekiemen bij de geboorte der kalvers aanwezig zijn.

Wie zich onder de veehouders beweegt, zal zich kunnen overtuigen, hoeveel zorg er aan het opfokken der jonge kalvers wordt besteed ; hoeveel moeite velen zich getroosten met de wtinige beschikbare ruimte van onze vaak ondoelmatig ingerichte boerenhuizen ; hoe er gezorgd wordt voor strooisel en voedsel, en hoe er niettemin nog vele door den dood verloren gaan.

Zelfs zijn er veehouders, die 30 a 40 jaar het bedrijf hebben uitgeoefend en vroeger zelden of nooit een kalf verloren, wier kalvers in de laatste jaren ook dood gingen, en die zelf verklaren dat zij thans meer zorg aan hunne kalvers besteden dan vroeger. Ook zijn er veehouders, wier kalvers het eene jaar uitstekend groeien, en er niet één van sterft, terwijl het andere jaar bijna alle doodgaan, die toch op dezelfde wijze behandeld zijn. Steunende op die ervaring, vraag ik U Doede Schaafsma, begrijpt gij dan niet, dat gij ons beleedigd hebt met uw schrijven ? Is het niet treurig, dat, terwijl men zijn best meent te doen, men de kalvers toch ziet sterven als honden en katten ! De schade, hierdoor veroorzaakt is aanzienlijk, maar ook lijdt men er zelf persoonlijk onder ; men wordt bijna moedeloos bij zulke ervaringen . En dan zal ons nog worden toegeroepen : »het is uw eigen schuld 1 ... 1 1 ! En dat beteekent iets, vooral nu het door U geschreven werd. Gij zult mij toch toestemmen dat het vrijwat verschilt: trie iets zegt of schrijft.

ocr page 23

19

Gij hebt het goed begrepen, dat ik mij hieraan heb geërgerd; gij hebt ons in het aangezicht geslagen, ons alle veehouders, die hun kalvers door den dood verloren. En daartegen heb ik gemeend te moeten protesteeren, niet alleen voor mij zeiven, maar ook voor die anderen ; en dat is mij volkomen gelukt. Afgaande op de adviezen der afdeelingen kan ik zeggen : Gij zijt totaal geslagen ! Het heeft mij nog al eenige moeite gekost, mijn vorig stuk geplaatst te krijgen. Dat laat ik voor rekening van hen, die dat aangaat. Mijn schrijven heeft weerklank gevonden in de harten van duizenden in den lande ; en dat is mij genoeg. Om U mijne zienswijze duidelijk te maken, heb ik feiten genoemd, en mijne ervaringen en wijze van verzorging meegedeeld. Ik had nu verwacht, dat mijn schrijven scherp door U zou worden gecritiseerd, maar gij beantwoordt mijne vragen integendeel ontwijkend. Dit valt mij tegen.

Met is evenwel de gemakkelijkste wijze om er zich af te maken. Maar 't is mijns inziens niet, zooals 't behoort, mijne zinnen uit het verband te rukken en eene andere beteekenis aan mijne woorden te geven.

U schrijft, dat ik vertel, wat koe en kalf zouden doen, indien ze beiden in vrijheid gesteld werden, en dat het dan goed met het kalf zou gaan.

Zie dat laatste heb ik niet beweerd, dat voegt gij er bij.

«Indien het met de ziekte geboren werd ook ?quot; schrijft gij met een vraagteeken.

Men leze mijn schrijven. Ik schreef dat ik geloofde »dat dit de beste wijze was, om onze kalvers op te fokken,quot; maar ik heb niet geschreven, dat het dan met het kalf goed zou gaan ; daarvoor hebben wij nog te weinig ervaring opgedaan.

Dat een steenen vloer beter is dan een houten stem ik U toe. Evenwel deel ik U mede, dat de vloer in mijn kalverhok niet was belegd met hout, maar een halve meter boven den beganen grond opgetimmerd. Het blijkt U dat de verzorging mijner kalveren nauwelijks de rubriek, »op goed geluk afquot;, kan halen ; »er is geen zweem van een goed doordacht plan.quot; Toch zou ik U wel eens willen vragen, of uw eigen plan goed doordacht was met de verzorging uwer kalveren ? Gij, die Ons het opfokken der kalveren wilt leeren, gij waart gezegend met ecnen gezonden koppel kalveren, en wat is de uitslag geweest ? Zeven stuks van uwe kalveren hebt gij publiek op de markt te Sneek verkocht, en die hebben nauwelijks den prijs van ruim 30 gulden per stuk opgebracht. (Indien dit niet waar is, verzoek ik U zulks tegen te spreken).

Het verwonderde mij dan ook niet, dat iemand uwe kalveren gezien hebbende, publiek in een herberg te Sneek uitriep : »en die man zal

ons G.......het kalveropfokken nog leeren lil! Ik heb uit mijne

ziekenzaal nog een verkocht voor f 95, en een sukkelaar, waarvoor in den zomer door de Joden pas 3 gulden werd geboden, dezen herfst nog publiek op de markt te Sneek voor 29 gulden verkocht. Ik laat nu aan 't oordeel der lezers over, wiens »planquot; ze goed doordacht vinden.

Hierof hadt gij yns, veehouders, wel eens mogen wijzen, (maar het

ocr page 24

20

blijkt, dat gij U dan zelf eerst onderricht moest geven) dat, als men

een gezonde koppel kalvers heeft, er in den zomer ook goed voor gezorgd moet worden, opdat, als in de nazomer de Duitsche veekoopman verschijnt, hij niet moet zeggen : »uw kalvers kan ik niet hebben, die zijn mij te mager.quot; Daarbij meen ik, dat men ons, veehouders, op »eigen schuldquot; kan wijzen Versta mij wel : 't is in de verste verte mijne bedoeling niet, dat gij van mij zoudt moeten leeren; maar ik wil hiermee slechts even te kennen geven, dat gij, die de dingen theoretisch zoo goed kunt beschrijven, er ook al moeite mee hebt, om uwe »plannenquot; in de practijk te verwezenlijken.

Dat de eerste kalvers gewoonlijk in 't leven blijven, en de latere dood gaan, is de ervaring van alle jaren. Het schijnt, dat de kalveren, die in April en later geboren worden, zwakker zijn dan de anderen. Toch meen ik, dat het vorige jaar een uitzondering maakte ; zóó erg en zóó algemeen als toen was het andere jaren niet en wat de oorzaak daarvan was, weet ik niet. Ik heb echter opgemerkt, dat bij sommigen die anders nooit hunne kalveren verloren, verleden jaar ook eene groote sterfte ouder de kalveren heerschte. üok waren er veehouders wier kalvers gezond waren, maar waarvan de vuilnissen, langer dan gewoonlijk bij de koe bleven.

Ook in uw veestapel meen ik er iets van te vinden. Dertien uwer koeien hebben verleden herfst ontijdig het kalf afgezet. Als die koeien tijdig afgekalfd hadden waren die kalveren misschien gelijk geweest aan de onze. Ik zou U kunnen vragen : komt dat ontijdig afkalven uwer koeien ook van slechte verzorging ? Doch ik wil zoo onbescheiden niet zijn.

Dat de kalverziekte verergerd is, naarmate de veeprijzen zijn gestegen, kan wel zijn; toch dienen wij in aanmerking te nemen, dat de veestapel in de laatste jaren verbazend is vermeerderd, en daardoor het sterlte-cijter grooter kon worden. Ingekochte kalvers, weten wij, zijn aan gevaar blootgesteld ; maar 't gaat ook wel eens best. Het paard van Troje ga ik stilzwijgend voorbij ; dat is een van die groote gezegden, waarmee men ons, boeren, gewoonlijk tracht blind te slaan. Bovendien ben ik een vijand van soldaatjespelen.

Gij roemt er op, dat ik de waarheid der adviezen van afdeelingen, dat de kiemen der ziekte bij de geboorte aanwezig zijn, henijzen moet. Maar dat laat zich ook niet Dest theoretisch bewijzen, slechts zij kunnen er over oordeelen, die het bij ervaring hebben gehad. Als gij het eens bij uwe kalvers kreegt zooals wij, waart gij misschien in één jaar tijds al eenigzius van meening veranderd.

Gij bewijst ons echter evenmin, dat ze niet met de ziekte geboren worden. En waar gij wijst op besmetting, moet nog eerst worden bewezen dat er bacteriën aanwezig zijn. Wij behouden dus ieder onze eigene meening, hoewel de meeste veehouders, mijne meening zijn toegedaan. Ik acht dan ook een verder debat tusschen ons over het al of niet aanwezig zijn der ziektekiemen bij de geboorte der kalvers vruchteloos; het zou een strijd zijn tegen windmolens ; want de heivijzen

ocr page 25

21

ontbreken. Evenwel wil ik hiermede niet zeggen dat over de kalver-ziekte het laatste woord is gezegd. Ik geloof dat het met ons, rnenschenr altijd bij zoeken zal blijven. En als wij iets hebben gevonden, zullen wij weer naar iets anders zoeken. Ook beloof ik niet, dat ik het laatste woord over het opfokken der kalveren heb gezegd. Wanneer ik het nuttig oordeel, en mij de gelegenheid niet wordt benomen, zal ik gaarne mijn stem doen klinken voor waarheid en recht.

Wij mogen onze meening als de beste beschouwen, anderer meeningeu bestrijden ; maar wij mogen niet zeggen : de mijne is de ware, zóó is het, en niet anders. Het doet mij genoegen, dat gij in het eindrapport U wat bescheidener hebt uitgedrukt? Uwe aanbeveling in het eerste rapport, om door middel der pers, alle veehouders er mee bekend te maken dat de kalveren niet met de ziektekiemen geboren worden, heeft plaats gemaakt voor wat anders, om namelijk de zaak door deskundigen te laten onderzoeken. Hiermee kan ik mij beter vereenigen.

Dat er geen middel voor zieke kalveren zou zijn, heb ik in mijn schrijven niet beweerd, dat is nog te weinig onderzocht ; dat wil ook ik de veeartsen laten onderzoeken. Het vorige jaar heb ik daartoe reeds eene poging gedaan.

(Hieruit kan u blijken, dat ik nog wel voorlichting wilde hebben, bij het opfokken mijner kalveren). Toen eenige van mijne kalvers gestorven waren heb ik den heer H. vun Staci, (toen veearts te Sneek) verteld, hoe het met mijne kalvers was, en hem gevraagd »of hij ze eens wou komen zien, en zoo hij dacht, dat er een middel voor was, dan wilde ik dit gaarne hebben.

De heer H. van Sfuu verklaarde daarop, dat hij er al meer van gehoord had, dat cr zooveel kalvers stierven, en dacht, dat er wel middel voor was. Hij zou aan zijnen broeder zeggen, dat die mij medicijnen zond. Hij zelf toch mocht geene medicijnen geven, omdat hij benoemd was tot distrikts-veearts, en zijn broeder was in zijne plaats te Sneek gekomen. Ik heb echter nooit medicijnen gekregen.

Eenigen tijd iater vroeg ik den heer Jl. con Stem, waarom ik geene medicijnen gekregen had ? Schouderophalend gaf hij ten antwoord

;:ik heb het vergeten.quot;......Waarlijk, ik wil gaarne leeren. En

waar gij voor verbetering strijdt, sta ik aan uwe zijde. Maar dan opk alle vooroordeel opgeschort. Die domme boeren!' is lang genoeg geroepen. Het is immers spreekwoordelijk in menige stad, dat men zegt; ïer zijn vandaag weinig menschen in de stad, het zijn allemaai boeren!quot; Daar worden wij den naam tmenschquot; dan niet eens waardig gekeurd. En onze tegenwoordige Minister van iMnanciën, N. (t. Piet'soit. verklaarde immers in 't vorige jaar op eene vergadering van het Landbouw-Congres, dat de landbouwers waren »luiaavds en weetnieten!

Doch van zulk eenen man kan ik mij zoo'n gezegde nog billijken ,

die heeft veel geld en dus......verstand van alle dingen(! ?) toch

heeft bij voorbeeld zelf nooit kalvers opgefokt. Maar van U, die der zake kundig zijt, moesten wij zulks niet hooren.

De tijd nadert weer met rasse schreden, dat wij, veehouders tot het

ocr page 26

22

opfokken van kalvers geroepen worden. Laten wij allen doen, wat wij kunnen, en als wij in 't aanstaande voorjaar aan de verhuurders van boere-plaatsen vragen, om steenen bevloering in de hokken der kalveren te mogen hebben ; moge onze stem dan niet zijn als die eens roependen in de woestijn 1 En als dan de veeartsen ook eens hun best doen, om naar goede middelen tegen de kalverziekte te zoeken, waartoe zij eerst moeten trachten de oorzaak der ziekte op te sporen, dan kunnen wij misschien ook eens te weten komen, of er ook medicijnen passen in de maag van een ziek nuchteren kalf. Die van nature gezond zijn hebben den medicijnmeester niet noodig.

En waar wij kunnen medewerken, zijn wij, veehouders, daartoe bereid ! Laat ons allen te zamen onze krachten inspannen, waar het geldt ons aller belang : den welstand en bloei van onzen veestapel.

Goënga, 8 Januari 1892. JACOB VVIJTSMA.

\

ocr page 27

NASCHRIFT,

ocr page 28

«De mensch, die zich in zijnen overmoed vaak. de heer der natuur waant, die den bliksem weet te bedwingen, die uit den strijd met leeuwen en tijgers als overwinnaar terugkeert, die de reusachtige walvisschen tot zijn prooi maakt, diezelfde mensch staat soms machteloos tegen-* over de kleinste schepselen.quot;

Prof. Hart ing.

Het opfokken der jonge kalveren heb ik altijd een der hoogste plichten beschouwd, van iederen veehouder, en wel, omdat het een der hoofdbronnen van zijn bestaan is.

Hoe goed de behandeling ook zij, toch meen ik, dat het geluk er bij moet, zooals wij boeren wel eens uitdrukken. Ik beschouw het kalveren opfokken geen kunst, hoewel ik eene practische opleiding zeer aanbeveel.

Als iemand gezegend is met een koppel gezonde kalveren, en met geen ziekte te kampen heeft; ziet hij vaak uit de hoogte op anderen neder. Ik kwam eens bij een vriend van mij, die gezegend was met een goede koppel kalveren. Toen ik mijne bewondering hierover te kennen gaf, antwoordde hij : »ja maar ik verzorg ze ook altijd zeli.quot; Eenigen tijd later kwam ik eens weer bij hem, en hij vertelde mij ai spoedig dat eenige zijner kalvers kort na de geboorte waren gestorven. Ik vroeg hem, of hij ze zeli verzorgd had. Zijn antwoord was bevestigend.

Eenige dagen daarna kwam ik bij een anderen vriend van mij, wiens kalvers ook best waren ; ik vroeg hein ; »die verzorgt gij zeker ook altijd zelf ?quot;

ïNeenquot; antwoordde hij: gt;dat doet mijn knecht; als ze gezond van binnen zijn, groeien ze wel, evenwel zie ik er op toe.quot; Gij en ik hebben beide wel eens opgemerkt, dat bij sommige boeren hok, voedsel enz. uitnemend waren en wier kalvers toch stierven. Ook zijn wij wel bij enkelen geweest, die overal, waar maar een plaatsje beschikbaar was, een kalf hadden staan en die kalvers bleven levend, en groeiden, dat het een lust was. En daaraan was naar wij meenden zooveel zorg niet besteed dan aan de vorige. Ik heb bij ervaring, dat het hooldzaak is, dat de kalvers inwendig gezond zijn.

Gij hebt mij persoonlijk gezegd, dat ik mij die zaak te veel aangetrokken heb. Gij hadt mij niet bedoeld.

Dat heb ik ook niet beweerd ; toch ben ik een van de veehouders, die in het rapport door U beschuldigd worden, dat het aan onze behandeling ligt, dat onze kalvers sterven. Ik meen, dat die beschuldiging onwaar is, en daarom bestrijd ik die bewering. Ook ik heb eenmaal de opleiding genoten bij mijnen vader, en wat ik tijdens de 12 jaren.

ocr page 29

25

dat ik zelf veehouder ben, tot verbetering kon aanwenden heb ik niet nagelaten. Ik heb altijd grooten lust gevoeld kalvers op te tokken ; het is mijn lievelingswerk bij uitnemendheid. Mijne pogingen zag ik meer dan eens geslaagd. In 1884 verkocht ik drie stuks kalvers voor 500 gulden en een vierde voor /'140. Wegens mijn verhuizing op Mei hadden die alle de reis van Roordahuizum naar Goenga moeten trotseeren.

Ik weet wel, toen waren ze niet nuchtereu meer, doch een van de 3 eerstgenoemde had ik in Januari te Leeuwarden gekocht, en heeft den geheelen dag in een hok gestaan, e.i, aangezien het gesloten water was, was er geen gelegenheid per schip, en moest het des avonds op een open hondekar naar mijne woning worden vervoerd. De 3 eerstgenoemde waren geen afstammelingen van stamboekskoeien. Dit kon zeker de rubriek »op goed gelukquot; af wel halen r

Meer dan eens zijn van mijne kalveren, die in April of later geboren werden ziek geworden en gestorven, hierover heb ik deskundigen geraadpleegd, en ook zij dachten, dat die zwakker waren dan de andere. Maar zooals het vorige jaar was het andere jaren niet. Ik heb alle mij ten dienst staande middelen aangewend, maar het mocht mij niet gelukken ze in 't leven te behouden, üok heb ik de hulp van eenen deskundige (de heer H. van Staa) ingeroepen. Maar die heeft daaraan geen gevolg gegeven. Toen was Van Staa in de gelegenheid een onderzoek in te stellen bij zieken en lijken. En toch moeten wij nog hooren dat het hun slechts bij benadering bekend was, en dat de kalvers door de veehouders stiefmoederlijk worden behandeld. Ook dat verwijt hebben wij niet verdiend.

Ik zou willen vragen wie stiefmoederlijk is, hij die een zieke in huis heett en verzorgt en de geneesheer ontbiedt, of de geneesheer, die ontboden is, en de zieke vergeet ?

Toen er het vorige jaar zooveel kalvers stierven, moesten de veeartsen ook om hun eigen pr.ictijk onderzoek hebben gedaan.

Gij zult mij misschien toevoegen : toen was er niet veel meer te behouden ; mij dunkt, al waren maar eenige behouden, de eerste schrede tot verbetering was gezet. En de deskundigen hadden er beter over kunnen oordeelen, en wij zouden meer verblijd zijn geweest over die enkelen die genezen waren, dan over al de gszonde die de genezing niet noodig hadden.

Dat wegens de meerdere drukte in het voorjaar, het verzorgen der kalvers aan een eigen jongen of onderknecht wordt overgelaten, acht ik goed ; zij moeten het beiden leeren ; als de boer alles zelf wil doen, heeft hij geen knechten noodig. Een goede, practische boer zal toch toezien op het werk zijner onderhoorigen Een daartoe bestemde gelegenheid met steenen bevloering, als aangewezen plaats voor jonge kalveren, moest in geen onzer boerderijen ontbreken ; bij het bouwen der boerehuizen moest daarvoor gezorgd worden, zegt gij.

Mij dunkt, gij hadt u anders en beter uitgedrukt als gij in uw rapport gezegd hadt dat uwe kalvers gezond bleven en niet stierven; maar

ocr page 30

26

dat er in uwe omgeving veehouders waren en TI u j

bekend waren, die als gij jaren het bedriif h-idd^n gt; behouders

gij u overtuigd hieldt, dat zij hun best deden met het o^fokl W^arVan kalveren, en toch de ziekte niet bestreden werd M.ar dat^olT^ uwe meening er torh noquot;- wel iets tot verhf-tPr;„fr i j dt volgrens

iquot; 1.quot; opfokken der ~V*a*

Verder, dat gij het va„ bela.lg aekt.et® dal de rfb 00nd

artsen eens onderzoek deden tot bestrijding der ziekte meente-vee-Uan zoudt gij den ganschen veehoudersstand aan u hebben vernl.Vhf En wanneer gij de meening waart toegedaan fL 11 verP1,cht-met de ziekte geboren worden, zou ik die ntenh^ bÏtrS rKK1^ omdat ik er niet zoo over denk Ik eerbiedio- ;S bestrede^ hebben, vraag ook eerbied voor mijne overtuiging. amp; ^ meeninS' maar Als gij ons het verwijt niet toegevoegd hadt dat hpf- v.Vi- ,,

r

rooskleurig! De draagkrael., der geldellteverao^s dér anrlh ^

oreer ' ü^e fo^Ï' b^S.quot; SZdtaïïT oTdïtTet

lt;veine kapitaaltje, dat onze ouders bij hunnen dood ons i

reeds voor dien tijd is overgegaan in'de zakken valXt quot; ^ Zu dje met mij of omstreeks dien tijd door hunnf o^de s in Sne

»btr f^jrzzzrmii —- -- ^

moet en behoort te verdienen meen il Ait rUt l j t-n ae zijnen

ziïi? ró:TtT'r 'bii dï ^

kapiJ, .4e a,ïe,S^1e3vïïd^

Wen bedenke daarbij welk een onzekere geldbelegging dit is terwlil men met vergeten moet de rampen en tegenspoede.f die hem d^e ïs bedreigen en dikwijls bezoeken; b.v. te hoocx water al= T g J ^ ,het vorige jaar waardoor wij veehonders ook groote schade hebben geleden door hooibedervmg ; ziekte en sterfte der kalveren enz enz

wonder dat zulk een man ons toevoegt' «maar dnn i

klaar voor uw vak ; dat uw kalvers steven is uwe ei-eu s2hü°d dat ligt aan u„e slechte vertegiug van uwe kalvers, « worden g^fd

ocr page 31

27

geboren. Dat heeft die practische veehouder, de heer D. Schaafsma van Goënga, in zijn rapport zoo zakelijk aangetoond.quot;

Kn als wij dan stamelen : heer, wij hadden geene goede plaats met steenen bevloering voor onze kalvers, wij hebben ons best gedaan, ook bij andere veehouders gingen de kalvers dood, dan begrijpen wij, dat die gestamelde klanken als sneeuw voor de zon zullen verdwijnen. En als de huurpenningen niet toereikend zijn, zooals veelal het geval is, dan zijn het in den regel de ouders, die als borgen het ontbrekende moeten aanvullen.

Als er nu eenigen grond was, dat de verzorging onzer kalveren niet deugde, dan waren zij het in de eerste plaats die recht hadden ons hiervan te beschuldigen. Ik verzeker u echter, dat mijn vader mij nog nooit zulk een verwijt heeft gedaan.

Toen in het vorige jaar mijn vader eens in mijne boerderij verscheen, en zijn oog vestigde op zieken en lijken, verzeker ik u dat er meer in dien man is omgegaan dan ik u kan beschrijven. Hij heelt mij er steeds op gewezen, bij al die rampen getrouw mijn plicht te vervullen.

Als ik bedenk hoeveel zorg er aan de jonge kalvers wordt besteed bij het opfokken, dan denk ik vaak : schaam u o mensch, want veie menschenkinderen worden bij hunne geboorte op verre na niet zoo verzorgd, als onze kalveren. Hunne hokken en voedsel zijn minder dan die onzer beesten. En dat zijn onze broeders en zusters, kinderen van éénen en denzelfden Vader. Wat zullen daarvan ook velen ontijdig sterven.

Als ik met het oog op den landbouwersstand een blik sla in de toekomst, dan schijnt het mij toe dat ook onze kinderen eens tot de groote rij der proletariërs zullen behooren. Maar dan hoop ik bij mijn leven er voor te zorgen, dat, als eens ons gebeente tot stof zal zijn vergaan, de wereld ons nageslacht niet kan verwijten, dat wij de hoofdzaak van ons bedrijf, het opfokken der kalveren, hebben verwaarloosd. Het zou mij spijten als bij mijn sterfbed, ook maar een mijner kinderen moest getuigen : mijn vader had meer kunnen doen.

Ik heb u wel eens gezegd, dat ik het treurig vond, dat wij vaak onze meening niet mochten zeggen. Gij hebt mij meer dan eens verzekerd dat gij dat niet begreept. Zijt gij er nu van overtuigd ? Heeft men mij flink behandeld ? Hebt gij zelf niet medegewerkt mij te beletten mijne meening te zeggen ?

Aan wien de schuld dat ik scherp geschreven heb f Waarom werd mijn ingezonden stuk niet geplaatst ?

Indien ik niet goed geschreven had, had men mij kunnen overtuigen. Men had mij publiek in M. en B. goed knnnen terecht zetten. Ik heb u persoonlijk de vrijheid gegeven, publiek tot mij te schrijven zooals gij dacht. Ben ik nu uw vijand geworden door u de waarheid te zeggen, of had ik te icaar geschreven, in plaats van onjuist ? Ik heb anders wel eens hooren zeggen : een vriend die mij mijn feilen toont, enz.

Ik heb uw schrijven bestreden, niet uw persoon. Als vriend reik ik u de vriendenhand. Maar bedenk, het kan van één kant niet komen; de aangeboden vriendenhand, eenmaal geweigerd, trekt zich terug. Als

ocr page 32

28

nu de deskundigen of wie ook, een middel vinden, tot bestrijding der ziekte bij de fokkalvers, dan zal u de eere worden gegeven, daarvan de baanbreker te zijn geweest, üok ik geef u gaarne die eere. Ik reken het mij toe, een beschuldiging ons ten onrechte naar het hoofd geslingerd, verdedigd en van ons gewenteld te hebben.

Ik kan niemand aanraden lid te worden cener vereeniging waarvan het bestuur den een zoo boven den ander bevoorrecht.

Ik beaam ten volle uw gezegde : dat na ons geschrijf, een deel van het publiek aan uwe, en een deel aan mijne zijde zal staan. Het lijdt bij mij geen twfifel, welk deel aan uwe zijde staat.

En hiermede zou ik kunnen eindigen maar er ligt mij nog iets op het hart. Na het lezen van dit, mijn schrijven, zal misschien een enkele mij bestrijden. Wie lust heeft tot schrijven, hij schrijve 1 Doch men hebbe dan niet den treurigen moed, mij in M. en B. orgaan der F. M. van L. en V. te bestrijden, omdat ik mij daarin niet verweren mag. Wie schrijven wil hij doe het dan in een blad, waarvan de Redactie ons verzekert : gelijk recht voor heer en knecht.

Goënga, 18 Februari 1892.

JACOB VVIJTSMA.

VEZBIBETZEZRIZSTGK

Op pag. 16 komen een paar zinstorende fouten voor. In regel 25 van onderen staat : »wat er op den bodem van treinkj veehouders hartquot; enz. moet zijn: »\vat erop den bodem van menu) veehouders hartquot; enz.

De drie eerste woorden van de 9 regel van ouderen, moesten zijn weggelaten.

Cc J

ocr page 33
ocr page 34
ocr page 35
ocr page 36