ocr page 1

_x-Q. /t.roo

ocr page 2

Het Hooft

benoemd gehoi

„de wi „Veee „aar

„waai

i

ocr page 3

RAPPORT

AAN

Het Hoofdbestuur van de Maatschappij ter bevordering der Yeeartseuijkunde in Nederland,

UITGEBRACHT DOOR

DE COMMISSIE,

benoemd op de Alg-emeene Vergadering der Maatschappij, gehouden den 22sten September 1894 te Amsterdam,

TEN EINDE TE ONDERZOEKEN :

„de wijze, waarop een reorganisatie van het „Veeartsenijkundig Onderwijs in Nederland „aangewezen zou kunnen worden geachtquot;

EN DE MIDDELEN AAN TE GEVEN :

„waardoor de Maatschappij een hervorming „zou kunnen bevorderen.quot;

UTRECHT

J. L. BEUERS 1896.

ocr page 4
ocr page 5

RAPPORT

AAN

Het Hoofdbestuur van de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland,

TTITGEBRAOHT DOOR

DE COMMISSIE,

benoemd op de Alg-emeene Verg-adering- der Maatschappij, gehouden den 22sten September 1894 te Amsterdam,

TEN EINDE TE ONDERZOEKEN :

„de wijze, waarop een reorganisatie van het „Veeartsenijkundig Onderwijs in Nederland „aangewezen zou kunnen worden geachtquot;

EN DE MIDDELEN AAN TE GEVEN :

„waardoor de Maatschappij een hervorming „zou kunnen bevorderen.quot;

-----

ocr page 6
ocr page 7

Aan

Het Hoofdbestuur van de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland.

De commissie, benoemd op de Algemeene Vergadering der Maatschappij, gehouden den 22sten September 1894 te Amsterdam, ten einde te onderzoeken de wijze, waarop een reorganisatie van het veeartsenijkundig onderwijs in Nederland aangewezen zou kunnen worden geacht, en de middelen aan te geven, waardoor de Maatschappij een hervorming zou kunnen bevorderen, heeft de eer U het volgende rapport aan te bieden.

Blijkens het besluit van de genoemde Algemeene Vergadering had de commissie een tweeledige opdracht. In de eerste plaats moest zij onderzoeken de wijze, waarop een reorganisatie van het veeartsenijkundig onderwijs a a n g e-wezen zou kunnen worden geacht, en in de tweede plaats aangeven de middelen, waardoor de Maatschappij een hervorming zou kunnen bevorderen.

Wat het tweede gedeelte der opdracht aangaat, de commissie meent, dat de eenige wijze, waarop de Maatschappy een hervorming zou kunnen bevorderen, is „het zich wenden „tot de Regeering,quot; met opgaaf van de redenen waarom een hervorming gewénscht is. De commissie mèent echter, dat het niet op den weg der Maatschappij ligt om by die opgaaf van redenen te voegen een in alle opzichten afgerond hervormingsplan. Dit laatste zou gewenscht zijn, indien de Maatschappij der Regeering van advies moest dienen omtrent een eventueele reorganisatie. Daar dit niet het geval is, en het nut van het inzenden van een compleet hervormingsplan hoogst twijfelachtig zou zijn, meent de commissie, dat een eventueel uoodige hervorming niet

ocr page 8

4

beter door de Maatschappij kau worden bevorderd, dan door aan de Regeering te verzoeken het onderwijs aan 's Rijks Veeartsenijschool in te richten naar de eischen van den tegenwoordigen tijd, en bij dat verzoek te vermelden de redenen, waarom de Maatschappij meent een dergelijk verzoek te kunnen doen.

In verband hiermede heeft de commissie het eerste gedeelte van haar opdracht niet al te uitgebreid opgevat. Zij heeft gemeend aan het oogmerk der Algemeene V ergadering van den 22stlt;)n September 1894 te voldoen, door na te gaan, of het huidige veeartsenykundig onderwijs in Nederland gebreken heeft, en in het algemeen aan te geven langs welken weg verbetering te bereiken is.

De commissie vindt het echter raadzaam dat aan de Regeering bij het door de Maatschappij te zenden verzoekschrift een afschrift van dit rapport zal worden gezonden, indien ten minste de Maatschappij met de in dit rapport genoemde redenen, waarom hervorming noodig is, kan medegaan.

Echter zou dan ook de Maatschappij nog een ander middel te baat kunnen nemen om een hervorming te bevorderen, door nl. eveneens afschriften van het rapport te zenden aan H. M. de Koningin Regentes en aan de leden der Wetgevende Macht.

Het spreekt van zelf, dat tijdens haar arbeid de commissie zich bijna voortdurend moest bezig honden met de inrichting van en de toestanden aan 's Rijks Veeartsenijschool, de eenige inrichting, waar in ons land veeartsen worden gevormd.

In haar eerste vergadering vond de commissie het noodig een plan van werkzaamheden op te maken, en de punten vasttestellen, die achtereenvolgens haar aandacht moesten vorderen, ten einde met te meer juistheid te kunnen uitmaken, of de tegenwoordige inrichting van het veeartse-nijkundig onderwijs te wenschen overlaat, en dus uitbreiding

ocr page 9

5

en verbetering gewenscht mag worden geacht. In die vergadering werd besloten vooral de aandacht te wijden aan de volgende punten:

Plaats vau liet veeartseuijkundig ouderwijs.

Onderwijskrachteu.

Aard en omvang der leervakkeu.

Hulpmiddelen bij het ouderwijs.

Aantal studiejaren.

Verdeeling der leervakkeu over de studiejaren.

Het natuurkundig examen.

Het veeartsenijkuudig examen.

De eischeu van toelating aan 's Rijks Veeartsenijschool.

Het internaat aau 's Rij ks Veeartsenijschool.

De commissie meent al dadelijk te moeteu opmerken, dat al deze punteu niet in exteuso zijn besproken en onderzocht. Ware dat het geval, dan zou de commissie dikwijls haar bevoegdheid te buiten ziju gegaan. Zij heeft alleen een oordeel uitgesproken, waar zij dit met zekerheid meende te kunnen doen. Ook heeft zij zich niet met zaken van ondergeschikt belang bezig gehouden.

1. Plaats van het veeartsenijkuudig onderwijs.

Een eigenaardigheid, een ongezonde toestand, waarop de commissie allereerst de aandacht wil vestigen, vormt de plaats, die het veeartsenijkuudig onderwijs inneemt. Zien wij dat alle inrichtingen van ouderwijs, die ons klein Nederland telt, en waaromtrent wettelijke bepalingen zijn voorgeschreven, behooren tot een der drie groote afdeelin-gen; hoog er-, middelbaar- of' lager onderwijs, met het veeartsenijkuudig onderwijs is dat niet het geval. Het deelt die exceptie met bet militair onderwijs, waarvan het echter de goede redenen van uitzondering mist.

De commissie vindt daarom, dat het veeartsenijkuudig ouderwijs moet ondergebracht worden bij een bepaalde afdee-

ocr page 10

ling van „het onderwijsquot; en wel, bij liet b. o o g e r onderwijs.

Dat het veeartsenijkundig onderwijs bij het hooger onderwijs en niet bij het middelbaar onderwijs moet worden geplaatst, daarvoor meent de commissie verschillende redenen te kunnen aanvoeren.

Hooger onderwijs omvat' de vorming en voorbereiding tot zelfstandige beoefening der wetenschappen en tot het bekleeden van maatschappelijke betrekkingen, waarvoor een wetenschappelijke opleiding vereischt wordt.

Alhoewel nu aan de veeartsenijschool de vorming van praktizeerende veeartsen op den voorgrond treedt, zoo eischt de vooruitgang van de veeartsenijkunde in de laatste jaren toch, dat het onderwijs nog iets meer kan vormen, dan uitsluitend personen voor de gewone praktijk. Vooral de behoefte aan de vorming van personen, geschikt voor zelfstandig wetenschappelijk onderzoek, doet zich meer en meer gevoelen. Daarom komt het der commissie voor, dat het onderwijs aan de veeartsenijschool ook iets anders behoort te zijn dan eenvoudig middelbaar onderwijs.

Door den vooruitgang van de veeartsenijkunde op wetenschappelijk gebied, moeten aan de wetenschappelijke vorming van den veearts evenveel zorgen worden besteed als aan die van den geneeskundige. De veeartsenijkundige studiën mogen tegenwoordig niet achterstaan bij de medische en de phar-maceutische; de eischen door de maatschappij aan den veearts gesteld zijn zeer hoog ! En nu moge het waar zijn, dat de aanstaande artsen en apothekers geacht worden geen hooger onderwijs te ontvangen, daar ook zij in hoofdzaak voor de praktijk worden opgeleid, zij doorloopen in elk geval hun studiën aan inrichtingen van hooger onderwijs, kunnen dus hooger onderwijs ontvangen, zoo zij dit voor hun vorming gewenscht achten; en met het oog daarop zou ook de aanstaande veearts zijn studiën dienen te doorloopen aan een inrichting, waar hij hooger onderwijs kan ontvangen. ,

ocr page 11

Volgens het oordeel der commissie zou het daarom wen-schelijk zijn, dat de veeartsenijschool werd opgenomen ouder de inrichtingen waar openbaar hooger onderwijs wordt gegeven.

Tot staving van deze bewering meent de commissie nog te mogen wijzen op Duitschland, Rusland en Italië, waar de veeartsenijscholen allen afzonderlijke inrichtingen van hooger onderwijs zijn, op universitairen leest geschoeid, terwijl men aan verscheidene universiteiten afzonderlijke leerstoelen voor veeartsenijkunde heeft. (Zie o. a. bijlage I).

Het komt der commissie voor, dat de opneming van de veeartsenijschool, onder de inrichtingen, waar openbaar hooger onderwijs wordt gegeven, tevens te gemakkelijker tot verbetering zou voeren der positie van het onderwijzend personeel.

Verbetering van die positie is gewenscht met het oog op de groote wetenschappelijke bekwaamheden, die van het personeel worden geeischt, met het oog op de zware plichten, die in verband met het onderwijs te vervullen zijn. Maar een andere reden, het personeel der school rakend, heeft de commissie vast doen houden aan het denkbeeld, dat het wenschelijk zou zijn, de veeartsenijschool op te nemen onder de inrichtingen van hooger onderwijs. De commissie acht het zich een plicht die reden niet te verzwijgen.

Thans is het bestuur van 's Kijks Veeartsenijschool opgedragen aan een directeur en een raad van bestuur, terwijl (zie artikel 35 van het Kon. Besluit van 25 Mei 1894, Stbl. nu. 65) de regeling van het onderwijs geschiedt dooiden directeur, in overleg met den raad van bestuur.

De commissie is van meening, dat deze regeling niet altijd voldoende waarborgen aanbiedt, datdeonderwijsbelangen behartigd zullen worden, zooals dit behoort te geschieden. De regeling van het onderwijs dient uitsluitend en onverdeeld te berusten bij het onderwijzend personeel, hetgeen thans niet het geval is. De commissie is van meening, dat

ocr page 12

8

deze toestand gemakkelijk is te verbeteren, indien de veeartsenijschool wordt een afzonderlijke inrichting van Hooger onderwijs, met een op andere wijze ingericht bestuur.

2. Onderwijskrachten.

Ook omtrent het doceerend personeel heelt de commissie een bepaalde meening uitgesproken.

Thans wordt het onderwijs aan de veeartsenijschool gegeven (afgezien van de onderwijzers, die alleen de practische oefeningen leiden) door 8 leeraren, waaronder 5 veeartsen, 1 doctor in de philosophie, i pharmaciae doctor en 1 medicinae doctor. Dat het onderwijs in natuur- en scheikunde aan een doctor in de philosophie, en dat in artsenijwarenkennis, artsenij mengkunde, aan een apotheker, doctor in de phar-macie, is opgedragen, vond geen bedenking bij de commissie, alhoewel de pharmaceutische vakken zeer zeker ook door een veearts zouden gegeven kunnen worden. In elk geval zou dan nog voor het onderwijs in natuurlijke historie, thans door den pharmaciae doctor, die toevallig ook die bevoegdheid bezit, gegeven, een niet-veearts aangewezen moeten wordei/.

De commissie vindt het echter niet gewenscht, zooals nu geschiedt het onderwijs in physiologic, histologie, pathologische anatomie en algemeene pathologie op te dragen aan een arts of medicinae doctor. De commissie is niet van oordeel, dat een arts bedoeld onderwijs niet kan geven; integendeel! Voor physiologic en histologie kan het zelfs wenschelijk zijn, indien de arts reeds specialiteit is. De algemeene pathologie en pathologische anatomie zag de commissie echter liever door een veearts sresfeveu, daar de

O o 7

arts werkelijk voor vétérinaire pathologie de eerste jaren minder geschikt is, daar hij niet de daarvoor noodige voorbereidende vakstudie heeft doorloopen. En in het algemeen heeft de commissie als haar meening uitgesproken, dat het onderwijs, zooveel mogelijk door veeartsen moet gegeven worden. Dit geldt dus ook voor physiologic

ocr page 13

9

en histologie. De commissie heeft daarvoor een voorname reden en wel het feit, dat medici in den regel niet lang aan de school verbonden blijven. Gewoonlijk, wanneer zij goed met hun onderwijsvakken op de hoogte zijn gekomen, ziet men hen, wanneer zij daartoe in de gelegenheid zijn, een andere positie innemen. Dat is een nadeel voor het onderwijs, dat voorkomen kan worden, door het zooveel mogelijk aan veeartsen op te dragen. (Zie bijlage II).

De commissie mag echter niet verzwijgen, dat er nog een ander middel is, om aan dit bezwaar tegemoet te komen, n. 1. door de positie van de docenten van de veeartsenijschool in alle opzichten zoodanig te maken, dat zij er niet al te gemakkelijk toe zullen overgaan, die met een andere te ruilen.

De hoogte, waarop de veeartsenijkundige wetenschap tegenwoordig staat, doet verwachten, dat men veeartsen zal kunnen vinden, bekwaam om de vakken te doceeren, die thans door den medicus worden gegeven en vooral zal dit het geval zijn, als bij ons te lande het veeartsenijkundig ouderwijs zal zijn ingericht, zooals het behoort. Met het oog hierop is het zeker van het grootste belang de assistenten voor langer dan slechts één jaar te benoemen en hen beter te bezoldigen.

De commissie heeft daarom als haar meening uitgesproken, dat het ouderwijs voor alle vakken, die daarvoor in aanmerking komen, door veeartsen moet worden gegeven.

De commissie is verder tot de conclusie gekomen, dat, met het oog op de uitbreiding en de vermeerdering dei-leervakken, die door den vooruitgang der veeartsenijkunde gewenscht zijn, ook uitbreiding van het doceerend personeel uoodig zal wezen. Het is der commissie gebleken, dat uu reeds in het algemeen, de docenten met te uiteenloopende werkzaamheden zijn belast. Daarin kan alleen voorzien worden door de aanstelling van meer personeel en dringend noodig zal dit zijn, indien het aantal leervakken wordt uitgebreid.

Wat de benoeming van de onderwijskrachten betreft, de

ocr page 14

40

commissie is van oordeel, dat deze moet geschieden op advies van den raad van bestuur. (Zie Bijlage II).

3. Aard en omvang der Leervakken.

De commissie heeft een groot gedeelte van haar tijd besteed aau de bespreking van de leervakken, zooals die thans aan de veeartsenijschool worden onderwezen, en aan de verbeteringen, die, met het oog op den vooruitgang der veeartsenijkunde in den laatsten tijd, noodzakelijk zijn. Het spreekt van zelf, dat bij de beraadslagingen omtrent dit punt, telkens ook de onderwijskrachten, dus de leeraren, ter sprake moesten komen.

Zoo is het der commissie gebleken, dat de verdeeling der leervakken over de leeraren te wenschen overlaat. Gaat men den huidigen toestand na, dan ziet men dat aan één-zelfden leeraar dikwijls vakken zijn opgedragen, die al zeer weinig verband met elkaar houden, en waardoor noodzakelijk het onderwijs in die vakken moet lijden. Daarbij komt dan nog het feit, dat dikwijls eeu leeraar zooveel vakken voor zgu rekening heeft, dat moeilijk alle vakken volkomen tot hun recht kunnen komen.

De commissie heeft daarom als haar meening uitgesproken, dat de verdeeling der vakken over de leeraren zoodanig moet geschieden, dat de b ij elkaar behoorende vakken zooveel mogelijk in één hand komen. Om verder overlading met werkzaamheden, die thans, met het oog op de toestanden hier te lande, reeds bestaat, te voorkomen, zal, het werd reeds gezegd, het aantal leeraren moeten worden uitgebreid.

De commissie vindt in het algemeen, dat het onderwijs een andere richting moet nemen. Echter heeft zij zich niet ingelaten met de methoden, welke de docenten bij het onderwijs dienen te volgen. De commissie achtte zich niet bevoegd daar op in te gaan, daar de wijze, waarop eeu vak onderwezen moet worden, dient te worden overgelaten aan de inzichten en de verantwoordelijkheid van den docent.

ocr page 15

11

De commissie is echter vau meeniug, dat, in het algemeen genomen, het practisch onder wijs moet worden uitgebreid, ten einde den leerlingen meer gelegenheid te geven het theoretisch geleerde te zien toepassen; daartoe dient het noodige materiaal te worden aangeschaft, indien de patiënten dit niet opleveren. Het onderwijs moet practisch zijn, dat wil zeggen, in hooge mate wetenschappelijk, en tevens aanschouwelijk. Deze meeniug geldt nagenoeg alle vakken. Uitbreiding van de hulpmiddelen bij het onderwijs zal daarvoor noodig zijn.

Daarentegen was de commissie van meening, dat het onderwijs in practisch hoefbeslag belangrijk kon worden ingekrompen. Daaraan wordt nu te veel tijd besteed, die aan andere vakken nuttiger kon worden gewijd. Men zou 1 a 2 maal per week onderwijs kunnen geven in practisch hoefbeslag aan de leerlingen, die voor dit onderwijs in aanmerking komen, maar het smeden zooals dat tegenwoordig, nu de studie zooveel omvangrijker is geworden, geschiedt, moet worden afgeschaft. (Zie bijlage lila). Met nadruk moet de commissie er echter op wijzen, dat de practi-sche verloskunde meer belangstelling verdient in dien zin, dat indien verloskundige hulp gevraagd wordt, deze d a d e 1 ij k dient te worden verleend. Met het oog daarop zou een ervaren assistent moeten worden aangesteld.

Verder is der commissie gebleken, dat het onderwijs in de clinische diagnostiek en de clinische onderzoekingsmethoden thans niet onder de leervakkeu is opgenomen, wat niet in het belang van de practische vorming der aanstaande veeartsen kan worden geacht.

Zeer veel, vooral met het oog op den enormen vooruitgang op dat gebied, laat het onderwijs in bacteriologie te wenschen over. De commissie is van meeniug, dat dit onderwijs gegeven moet worden door een afzonderlijken leeraar, aan het hoofd van een afzonderlijk laboratorium staande. De bacteriologie is als wetenschap uitgebreid genoeg en de veeartsen hebben op dat gebied te veel voorlichting

ocr page 16

i2

noodig, om het aanstellen van één persoon, speciaal met de bacteriologie belast, niet te rechtvaardigen. (Zie bijlage 1116).

Het lijkt a, priori een niet in te willigen eisch van de commissie een afzonderlijken leerstoel in bacteriologie te verlangen, daar aan geen enkele Nederlandsche universiteit iemand officieel met het onderwijs in bacteriologie is belast. Een bacteriologisch laboratorium is echter geweuscht met het oog op het Veeartsenijkundig Staatstoezicht. Bij ons te lande is daarop reeds meermalen aangedrongen eu in het buitenland ziet men ze allerwege verrijzen. Het komt der commissie gewenscht voor een dergelijk laboratorium aan de veeartsenijschool te verbinden, waardoor het tevens dienstbaar gemaakt kan worden aan het onderwijs.

Een scheiding tusschen histologie en physiologie eener-zijds eu algemeens pathologie en pathologische anatomie anderzijds is der commissie eveneens wenschelijk voorgekomen. Deze vakken zijn te veel omvattend voor één leeraar. Zoo was men ook algemeen van oordeel, dat de zoötechuische vakkeu, natuurlijke historie, extérieur en raskenuis der huisdieren, gezondheidsleer eu veeteelt, aan een a f z onderlijken leeraar moesteu worden toevertrouwd, en niet zooals thans, over verschillende leeraren verdeeld, waardoor die belangrijke vakken moeilijk volkomen tot huu recht kunnen komen. Hetzelfde geldt voor de «vleeschkeuring» waardoor tevens het onderzoek van andere dierlijke voedingsmiddelen, dat thans niet gedoceerd wordt, naar de eischeu des tijds kou wordeu ouderwezen.

Zoo moet de commissie er ook op wijzen, dat het in één hand vereeuigd zijn van het onderwijs in natuurlijke historie eu van de pharmaceutische vakken, alleen mogelijk is door de uitgebreide bevoegdheid van den betrefFeuden leeraar. Bestond

O O

die niet, een scheiding zou moeten plaats vinden.

Eindelijk heeft de commissie als haar meening uitgesproken, dat de tegenwoordige indeeling der cliuiek niet in het belang van het onderwijs is. De interne en de chirurgische cliuiek eu policliniek moeten gescheiden zijn, evenals het

ocr page 17

13

ouderwijs in chirurgie en interne pathologie. De Oommissie moet echter opmerken, dat de leden Thomassen en Dr. v. d. Harst zich tegen die scheiding hebben verklaard, omdat zij vreezen voor te weinig materiaal in de afdeeling van den internen clinicus. (Zie bijlage III c.)

Ook komt het der commissie wenschelijk voor dat de practische operatieleer op het levende dier geschiede, toegevende dat zulks tegenwoordig op het genarcotiseerde dier dient plaats te hebben.

Dit zijn de voornaamste punfen, waarin de commissie verbetering wenschelijk acht en waaromtrent zij de Maatschappij in overweging geeft verbetering te vragen in den door haar aangegeven zin.

De commissie voelt zich echter verplicht mede te deelen, dat zij nog een aantal andere verbeteringen gewenscht zon vinden. In haar vierde vergadering heeft de commissie een voorstel van een barer leden, handelende over de verdeeling der leervakken en het aantal leeraren, met eenige wijzingen aangenomen. Mocht de in dat voorstel bedoelde toestand werkelijkheid kunnen worden, dan zou het veeartsenijkundig ouderwijs een goede toekomst te gemoet gaan. (Zie bijlage III, d en e).

4. Hulpmiddelen hij het onderwijs.

De commissie acht zich uiet bevoegd aan te geven, welke hulpmiddelen voor het onderwijs aanwezig moeten zijn. Dat hangt af van de inzichten van en moet beoordeeld worden door het doceerend personeel. Maar daarom juist acht de commissie het noodig dat elk docent over een bepaalde som jaarlijks kan beschikken, toereikend om alle hulpmiddelen te verschatten, die voor zijn onderwijs noodig zijn. Deze som dient niet te gering te zijn, omdat de commissie meent, zooals reeds werd medegedeeld, dat vooral de nadruk moet gelegd worden op praktisch wetenschappelijk onderwijs. De leerling behoort uiet alleen te hooren, maar hij moet veel zien en veel zelf doen. De hulpmiddelen

ocr page 18

14

daartoe mogen, welk gedeelte van het onderwijs het ook betreft, niet ontbreken.

De tegenwoordige regeling van deze quaestie, zooals die is aangegeven in artt. 42 en 43 van het Reglement voor 's Rijks Veeartsenijschool, laat te wenschen over, daar niet de directeur, maar de docent de hoofdrol dient te spelen. Deze behoort geheel chef te zijn van zijn afdeeling van onderwijs.

In de vergaderingen der commissie werd er op gewezen, dat vooral op het gebied der besmettelijke veeziekten aan 's Rijks Veeartsenijschool, ten behoeve van het onderwijs, te weinig wordt geëxperimenteerd. Onze school staat op dat gebied verre ten achter bij vele inrichtingen in het buitenland. Daar wordt in vele gevallen, indien patiënten voor het demonstreeren niet aanwezig zijn, ten behoeve van het onderwijs, de ziekte, zoo dit mogelijk is, experimenteel te voorschijn geroepen, en op deze wijze de leemte aangevuld. Indien eenmaal werkelijkheid mocht worden, wat de commissie noodzakelijk acht, dat de leeraren niet meer met te veel vakken bedeeld zijn en vakken doceeren, die bij elkaar behooren, dan zullen zij in de gelegenheid zijn het onderwijs meer aanschouwelijk te maken, dan tot heden het geval was, de leerlingen meer practisch wetenschappelijk te vormen, indien ook deze ééne voorwaarde wordt vervuld, dat zij in de gelegenheid zijn aan te schaften, wat zij voor hun onderwijs noodig achten. (Zie bijlage I).

5. Aantal studiejaren.'

Het spreekt van zelf, dat, nu de commissie van oordeel is, dat het onderwijs op verschillende punten en vooral ten behoeve van de practische vorming der veeartsen moet worden uitgebreid, zij verlenging van den studietijd noodzakelijk acht* Reeds thans wordt de studie aan de veeartsenijschool een pompery genoemd. In 4 jaren tijds moet zooveel inde hersenen worden geborgen, dat van een degelijke verwerking geen sprake kan zijn.

De commissie was algemeen van gevoelen, dat de studie-

ocr page 19

15

tijd minstens op 5 jaren zou moeten worden gesteld. 2 jaren blijven noodig voor de voorbereidende vakken, dus vóór het tegenwoordig natuurkundig examen, zooals ook thans het geval is, alhoewel ook deze tijd vrij kort moet worden geacht maar in elk geval zou de studie voor het veeartsenijkundig examen minstens 3 jaren moeten eischen. Het is zeer zeker de vraag of in 5 jaren tijds te bestudeeren valt, wat in den tegen-, woordigen tijd redelijkerwijze van den veearts mag worden geeischt, maar in elk geval zou het stellen van den studie-tijd op 5 jaren reeds een enorme verbetering zijn. De commissie meent daarom als haar meening te moeten uiten, dat de studie voor veearts minstens 5 jaren behoort te duren; het onderwijs dient dus zoo ingericht zijn, dat de leerling, na een studie van vijf jaren, zijn laatste examen kau hebben afgelegd.

Dat een langere duur der studie en in het algemeen het stellen van zwaardere eischen voor het verkrijgen van het diploma van veearts, niet zal leiden tot een geringer aantal candidaten, blijkt uit België, waar de zwaardere eischen en de langere duur der studie niet hebben belet, dat zich jaarlijks een getal candidaten (minstens 16) aanbiedt, meer dan voldoende voor de behoeften,

6. Verdeeling der leervakken over de studiejaren.

Omtrent dit punt is in de vergaderingen der commissie weinig beraadslaagd, omdat de tegenwoordige verdeeling in vele opzichten geen aanleiding geeft tot opmerkingen. De uitbreiding vau den studietijd met één jaar, zou de verdeeling der vakken na het natuurkundig examen (candidaats-examen) anders eischen, maar de commissie vindt het niet noodzakelijk om daaromtrent een uitgewerkt plan te geven. Dit is een punt, dat zich van zelf regelt, wanneer de reorganisatie eenmaaal een fait accompli zal geworden zijn.

7. Het natuurkundig examen.

Omtrent de quaestie der examina in het algemeen heeft de commissie geen uitvoerige beraadslagingen gevoerd. Spe-

ocr page 20

16

ciaal omtrent het natuurkundig examen meent de commissie het als zeer ougewenscht en ondoelmatig te moeten aanmerken, dat daarbij de candidateu geëxamineerd worden in vakken, waarin zij reeds met goed gevolg examen hebben afgelegd. Bij het natuurkundig examen toch worden de candidaten weder geëxamineerd in de vakken, waarvoor zij geslaagd zijn bij het overgangsexamen van het eerste in het tweede studiejaar. Hetzelfde geschiedt bij het veeartsenijkundig examen, waar andermaal wordt geëxamineerd in vakken, waarin men bij het overgangsexamen van het derde naar het vierde studiejaar reeds voldoende blijken van bekwaamheid heeft gegeven. De commissie viudt dat een toestand, die dringend herziening behoeft; het gaat toch niet aan candidaten nogmaals te examineeren in vakken, waarin zij feitelijk reeds voldoende blijken van kennis hebben gegeven, en waaromtrent zij niets meer hooren en van leiding verstoken zijn. (Zie Bijlage V). Het voor de tweede maal verplicht examen afleggen in vakkeu, waarin reeds vroeger met succes examen werd gedaan, heeft bovendien dit nadeel, dat aan de candidaten tijd wordt ontnomen voor de studie der vakken van den loopenden cursus.

De overgangsexamens dienen te worden afgeschaft. De leerling moet in het algemeen de vrijheid hebben een examen af te leggen, wanneer hij zich daartoe voorbereid gevoelt, en hij mag niet in de verleiding komen, zooals bij de overgangsexamens en ook bij het tegenwoordig natuurkundig examen, ja zelfs ook bij het veeartsenijkundig examen geschiedt, zich aan een examen te onderwerpen, terwijl hij bijna vooruit weet niet te zullen slagen.

, In plaats van de tegenwoordige voorbereidende examens moet, volgens liet oordeel der commissie, worden geeischt het afleggen van een eerste natuurkundig en een tweede natuurkuudig of candidaatsexameu.

8. Het veeartsenijkundig examen.

Bij uitbreiding van den studietijd tot 5 jaren, moeten de

ocr page 21

17

examina na het candid aatsexamen veranderd worden. In elk geval verdient het aanbeveling een zoogenaamd theoretisch veeartsenijkundig aau een practisch veeartsenijkundig examen te doen voorafgaan. Tot het practisch examen worden alleen toegelaten zij, die met goed gevolg het theoretisch examen hebben afgelegd. Dat theoretisch examen zou 2 jaren na het candidaatsexamen kunnen worden afgelegd en afgenomen kunnen worden door het doceerend personeel der school. Het laatste jaar der studie moet in hoofdzaak gewijd zijn aan de practische vakken met toepassing van de verkregen theoretische kennis, en na afloop daarvan kan het practisch veeartsenijkundig examen worden afgelegd, dat bij slagen het diploma van veearts doet verkrijgen. Ook voor de examens na het candidaatsexamen, moet gelden, dat geen examen meer wordt afgenomen, in vakken, waarin men reeds geslaagd is. Zoowel het theoretisch als het practisch veeartse-ii ij kundig examen kunnen door de candidaten worden afgelegd, wanneer zij zich daarvoor aanmelden. Met het systeem der overgangsexamens dient geheel gebroken te worden.

Het practisch veeartsenijkundig examen, dient zooals thans het veeartsenijkundig examen, afgenomen te worden door een staatscommissie.

De samenstelling der tegenwoordige commissiën voor het veeartsenijkundig examen laat naar het oordeel der commissie te wenschen over. Gewoonlijk bestaan ze voor het meerendeel uit leden, die geheel buiten het veeartsenijkundig onderwijs staan. Hoe bekwaam deze personen overigens ook mogen zijn, dit feit is bedenkelijk, want personen die buiten het onderwijs staan, zijn natuurlijk slechts oppervlakkig bekend met de wijze waarop het onderricht in een bepaald vak gegeven is en moet worden. Daarentegen zijn er ook voordeden aan verbonden, indien bekwame lieden, buiten het onderwijs staande, examineeren. De eischen dei-praktijk zullen misschien beter tot hun recht komen. Maar zij moeten de minderheid en niet de meerderheid vormen.

2

ocr page 22

18

Het slagen der candidaten moet niet geheel kunnen afhangen van personen, die het onderwijs in een bepaald vak geheel anders kunnen opvatten, dan de betreffende docenten.

Hieruit volgt van zelf, dab het examen in de verschillende vakken, zooveel mogelijk moet worden afgenomen door de personen, die het onderwijs gegeven hebben, terwijl aan hen een paar deskundigen, buiten het onderwijs staande, kunnen worden toegevoegd. De commissie van vijf leden zal dus gewoonlijk te klein zijn.

De verdeeling in een theoretisch en een practisch vee-artsenijkundig examen en de aangegeven indeeling der examina zal het groote voordeel hebben, dat aan den te langen duur van het veeartsenijkundig examen, zooals het thans is ingericht, en ook aan den te langen duur der overige examina, wat tevens tot groote uitgaven leidt, een einde wordt gemaakt.

In verband met het voorgaande meent de commissie dus, dat ook een wijziging van het veeartsenijkundig examen gewenscht is.

9. FAschen van toelating aan 's Rijks Veeartsenijschool.

Uitvoerig is in vergaderingen der commissie over deze zaak van gedachten gewisseld. Al spoedig bleek, dat alle leden der commissie het tegenwoordige toelatingsexamen reeds onvoldoende vonden, ook al bleef een reorganisatie van het veeartsenijkundig onderwijs achterwege. De eischen die aan den veearts in den struggle for life worden gesteld zijn van dien aard, dat hij door het voorbereidend onderwijs niet spoedig te veel onderlegd is. En in het algemeen genomen zijn in dat opzicht de eischen, die men bij het admis-sie-examen stelt, te laag.

Toen der commissie was gebleken, dat een ingrijpende wijziging in het onderwijs noodig was, dat de veeartsenijschool een inrichting van hooger onderwijs moest worden,

ocr page 23

19

waar de studie voor veearts ia veel opzichten zou overeenstemmen met die voor arts, vond men dat ook dezelfde eischen van toelating moesten worden gesteld als voor liet universitair onderwijs. In verband met de door de commissie wenschelijk geachte wijzigingen, heeft zij in hare zesde vergadering met algemeens stemmen besloten als haar meening uit te spreken, dat alleen een diploma van een gymnasium of van een H. B. S. met 5 jarigen cursus het recht van toelating tot de veeartsenijkundige studiën moet verschaffen. (Zie bijlage VI «, h en c, bijlage I).

10. Het internaat.

Het spreekt wel van zelf, dat door de veranderingen, die de commissie, wat betreft het veeartseuijkundig onderwijs, noodig acht, een verouderde instelling, als het internaat, door haar werd veroordeeld. De richting, die de commissie aan de veeartsenijkundige studie wil geven, is met een internaat niet te rijmen, en daarom reeds vindt zij het noodig tot afschaffing te adviseeren. Echter is het der commissie ook gebleken, dat onafhankelijk van een reorganisatie van het onderwijs zelf, dus zelfs bij instandhouding van den tegenwoordigen gang van zaken, het internaat, zooals het nu bestaat, niet sterk genoeg veroordeeld kan worden en afschaffing een onafwijsbare eisch is.

Als een premie op het beroep is het totaal overbodig, want er komen te veel veeartsen. In hooge mate werkt echter het samenwonen van 8 a 10 jonge lieden in éénzelfde lokaal, zonder toezicht, belemmerend op de studie. Een nog grooter nadeel is, dat het belemmerend werkt op de maatschappelijke ontwikkeling in een tijdperk, waarin de jongeling zich juist het meest moet oefenen, ten einde zich die eigen te maken. Eindelijk werkt het immoreel. De jongelieden zijn verplicht samen te wonen met personen, die immoreele neigingen kunnen hebben, en kunnen zich aan den omcfancr met hen niet onttrekken.

O O

ocr page 24

20

Sommige leden meenden, dat het internaat voor verbetering vatbaar was en dat de commissie de middelen daartoe zou kunnen aangeven. Voor een goede verbetering zouden echter zeer veel kosten worden geeischt en de commissie besloot om alleen de wenschelijkheid van de afschaffing uit te spreken en zich niet verder in te laten met de middelen ter verbetering. Het internaat heeft geen nut meer, wel vele nadeelen, en dient daarom te worden opgeheven, hoe eer hoe beter. (Zie bijlage I, bijlage VII).

Als een voordeel van anderen aard, door de afschaffing van het internaat te verkrijgen, meent de commissie te moeten vermelden het vrijkomen van verschillende lokalen, die met vrucht kunnen worden gebruikt om verzamelingen, die ondoelmatig zijn ondergebracht, te plaatsen, en om aan verschillende docenten, die thans les geven in ongeschikte lokalen, betere leszalen te verschaffen.

Conclusies.

In verband met haar werkzaamheden en de door baar genomen besluiten is de commissie tot de conclusie gekomen „dat een reorganisatie van de Rijks „V eeartsenijschool en van het v e e a r t s e n ij-„kundig onder wijs dringend n o o d i g i squot;:

ten lste, omdat de Rijks Veeartsenijschool dient te zijn een inrichting, waar openbaar hooger onderwijs wordt gegeven ;

ten 2,!, omdat de onderwijsbelangen uitsluitend dienen te worden toevertrouwd aan den raad van bestuur;

ten 3e, omdat het onderwijs niet zooveel mogelijk aan veeartsen is opgedragen;

tea 4°, omdat het onderwijzend personeel te gering in aantal is en de verschillende leervakken niet op de meest wenschelijke wijze over de docenten zijn verdeeld;

ten 5°, omdat de docenten niet onafhankelijk genoeg zijn

ocr page 25

21

met betrekking tot de aanschaffing van liulpuiidcleleu bij het ouderwijs en tot dat doe] uiet over een hun toegestaan apart fonds kunnen beschikken;

ten 6e, omdat het onderwijs zelf, vooral met oog op de practische vorming der aanstaande veeartsen te wenschen overlaat;

ten 7e, omdat de tegenwoordige duur der studie, 4 jaren te geriug is;

ten 8°, omdat de regeling der examina te wenschen overlaat;

ten 9C, omdat de eischen van toelating onvoldoende zijn, en

ten 10c, omdat het internaat dient te worden afgeschaft.

De commissie acht een reorganisatie, waarbij aan deze tien punten de aandacht wordt geschonken en verbetering in den zin als door haar in dit rapport wordt aangewezen, een eisch, waarop de Nederlandsche veeartsenijkunde en de Nederlandsche landbouw en veeteelt recht hebben.

De commissie geeft derhalve de Maatschappij ter bevorder veeartsenijkunde in overweging, zich tot de Hooge Regeering te wenden met het eerbiedig verzoek, een reorganisatie van de Veeartsen ij school en van het veeartsenijkundig onder wijs zoo spoedig mogelijk ter hand te willen nemen, daarbij vermeldende de zooeven genoemde redenen, waarom die reorganisatie uoodig is, en tevens aan de Re-geeriug mede te deeleu, dat de Maatschappij steeds bereid is nadere inlichtingen naar haar beste vermogen te verschaffen, zoo ook om, desver lang d, een uitgewerkt plan van reorganisatie over te leggen. Tevens geeft de commissie aan de Maatschappij in overweging, zoo zij zich met dit rapport en de conclusie kan vereenigen, een exemplaar daarvan te zenden aan H. M. de Koningin-Regentes, de Ministers en de leden van de eerste en tweede

ocr page 26

Kamer dei- Staten- Generaal; en verder aan die personen en corporaties, die zij meent, dat daarvoor in aanmerking komen.

Vastgesteld te Utrecht den 239lequot; Februari 1896.

Dj*; Commissie: M. H. J. P. THOMASSEN,

Voorzitter.

J. M. BILLROTH. A. FREDERIKSE.

L. J. VAN DER HARST. J. F. LAMÉRIS.

D. VAN DER SLUIJS. D. A. DE JONG Jzn.,

Secretaris.

ocr page 27

BIJLAGEN.

L

W. C. Schimmel schrijft iu het Tijdschrift voor Veeartse-nijkuude en Veeteelt, 15e üeel, Afi. 1, onder het opschrift: „De verheffing der Veeartsenijscholen te Berlijn en te Hauover „tot Hoogescholen,quot; onder meer:

„Bij besluit van 20 Juni 1887 werden de veeartsenij-„scholen te Berlijn en Hanover: „veeartsenijkundige hooge-„scholen.quot; Te Berlijn wordt de rector door den Minister telkens „voor 3 jaren uit het professoren-collegium benoemd.quot;

„Iu zooverre het beheer van het fonds, dat tot weten-„schappelijke doeleinden en de aanschaffing van leermiddelen „is toegestaan, niet den bestuurders der instituten en laboratoria aangaat (elk professor is namelijk „dirigentquot; van zijne „afdeeling van ouderwijs of „instituutquot;), geschieden de leve-',riugeu voor de hoogeschool op aanwijzing en onder con-„tróle van den rector.quot;

In het zelfde tijdschrift, Deel 15, Afl. 3, zegt Schimmel den 12lt;len Februari 1888, onder het opschrift „Teekenen des tijdsquot; van de veeartsenijkundige hoogescholen te Berlijn en te Hanover:

„Van een toelatings-examen aan die scholen is natuurlijk „geen sprake meer; de rector controleert eenvoudig de „diploma's van bevoegdheid der studenten. Trouwens een „vergelijkend examen werd ook vroeger niet gehouden, om-„dat iu Duitscbland, evenmin als in Oostenrijk en Italië, een „internaat aan de veeartsenijscholen bestaat,quot; en laat later volgen:

„Na deze mededeelingen van hetgeen elders in de vee-

ocr page 28

24

„artsenijkunde omgaat, dringt zich de vraag op: lioe is het „daarmede in Nederland gesteld?quot;

„Dankbaar moet worden erkend dat onze veeartsenijschool „in het algemeen bij hare zusters in het buitenland niet is „ten achter gebleven, vele daarvan zelfs is voorbijgestreefd; ,,de herhaalde reorganisaties, van regeeringswege ingevoerd, ,,waarbij die vooral onder Prof. Mac Gillavry moet worden ,,genoemd, brachten haar telkens een schrede voorwaarts, ,,zoover de tijdsomstandigheden dit schenen te vorderen. ,,Meu besefte, dat stilstand achteruitgang was, dat met den „stroom moest worden medegeroeid.quot;

„Indien het getij verloopt, dienen de bakens verzet. Dit „is thans weer van toepassing. De klachten, die in Duitsch-,,land, Zwitserland, Italië, enz. worden aangeheven, de wenschen „aldaar geuit, gelden evenzeer voor Nederland.

„Vooral echter doet zich bij het leeraarspersoneel de be-,,boette aan zelfstandigheid gevoelen. Een leeraar dient vrij „te zijn zijn in zijn methode van onderwijs, de beschikking ,,te hebben over de gelden, welke voor het onderwijs in zijn „afdeeling van regeeringswege zijn toegestaan, vrijelijk den „assistent te mogen kiezen, die voortaan bij hem werkzaam „zal zijn.

„Alleen zelfstandigheid in het onderwijs houdt de energie „van den leeraar gaande, doet ze steeds toenemen; in het „tegenovergestelde geval ontstaat een noodlottig laisser-aller, „een reglementair „afdoenquot; zonder meer. En is eenmaal „het gebied der reglementen bestreden, dan schrijdt men op „dit hellend vlak allengs voort, dikwijls gedwongen door — „de reglementen zelve.

„Wat de leerlingen betreft, zou de vraag overweging „verdienen of het toelatings-examen, vooral het literarische „gedeelte, niet diende verzwaard en of het internaat op den „tegenwoordigen voet bestendigd moet worden.quot;

ocr page 29

25

II.

Op het internationaal veeartsenijkundig congres te Brussel in 1884, dat door den tegenwoordigen directeur der Veeartsenijschool, Dr. A. W. H. Wirtz, als afgevaardigde der Nederlandsche Regeering werd bijgewoond, werd de volgende propositie aangenomen:

„Les professeurs des écoles vétérinaires doivent étre en „possession du diplome de médecin vétérinaire „(compte-rendu pag. 614).quot;

Op bedoeld congres werd de quaestie van het veeartsenijkundig onderwijs uitvoerig besproken, naar aanleidiug van twee eminente rapporten, het een uitgebracht door Hugues (Luik) het andere door Muller (Berlijn) en Wirtz (Utrecht) gezamenlijk.

Muller en Wirtz, hadden het volgende voorgesteld: „Les „professeurs des écoles vétérinaires doivent être en possession „du diplome de médecin vétérinaire; on peut tont au plus „admettre une exception a cette regie dans les cas oü il „s'agit de cours propédeutiques de sciences physiques „et naturelles.

„Le diplome de médecin ou de docteur en médecine ne „doivent donner par eux-mêmes aucun droit a, un profes-„sorat vétérinaire.quot;

Wat de benoeming der leeraren aangaat zegt Hugues in zijn rapport (compte-rendu pag. 90.)

„II faut rejeter d'une fagon absolue, comme pouvant „donner lieu au favoritisme, au népotisme, toute nomination „t a i t e directement par un ministre incompétent, ou toute „proposition faite par une seule personue, quelle que soient „l'importance et l'honnéteté de celle-ci. Oe n'est pas trop „du corps enseignant tout entier pour faire un choix de „cette nature et pour en assumer la responsabilité de la „presentation.quot;

ocr page 30

26

III.

a. Op het vierde iuternatiouaal veeartsenijkuudig congres te Brussel in 1884 had Huguks aan het eind van zijn rapport voorgesteld met betrekking tot het onderwijs in hoefbeslag: „Que Ton supprime les exercises de forge,quot; terwijl Muller en Wnm tot de volgende conclusie waren gekomen: „L'enseignement pratique de la ferrure ne doit pas être „considéré comme inutile, mais il doit être maintenu dans „des limites, qui ne dépassent pas le hut proposé; eet en-„seignement est, en tout cas, trés recommandable.quot;

Het congres besloot eebter tot: „La suppression de la „ferrure. La théorie seul subsistera.quot; (Zie compte-reudu pag. 550 en de 4e propositie van het congres, compte-rendu pag. 627).

b. Dat het onderwijs in bacteriologie te wenschen overlaat blijkt ook uit de getuigenis van den leeraar Dr. H. J. Hamburger, die in Maart 1892, onder het opschrift; „Het „onderwijs in practische bacteriologie aau de Rijks Veeart-„senijschoolquot; het volgende schreef (Tijdschrift voor Veeartsenijkunde en Veeteelt, Deel 19, aflevering 3):

„Met groote belangstelling las ik in de laatste aflevering „van dit tijdschrift de discussies, die gevoerd werden in de „Nieuwe afdeeling Zuid-Holland van de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde, omtrent de vraag of de oplichting van een bacteriologisch laboratorium wenschelijk was.

„Ik ben het volkomen eens met den heer J. F. Laméris „wanneer hij zegt, dat de oprichting van een proefstation, „waar men een onderzoek naar ziekte-oorzaken kan doen „instellen, een eisch des tijds is. Inderdaad mag men ook „verwachten, dat een dergelijke inrichting rijke vruchten zal „afwerpen voor den veestapel, voor de veeartsenijkunde en „voor de bacteriologie.

„Wat mij aanleiding geeft hier de pen op te vatten, zijn „de volgende regelen uit het bedoelde verslag der Zuid-„Hollandsche afdeeling;

ocr page 31

27

,, ,,üit de discussie, die zich over dit onderwerp ontspint, ,,,,blijkt, dat verschillende leden de meeuing zyn toegedaan, „ „dat een dusdanig laboratorium aan de Veeartsenijschool ,, „behoorde aanwezig te zijn, speciaal met het doel, om den „ „leerlingen aan die inrichting de gelegenheid te geven tot „ „verwerven van de noodige practische vaardigheid in het „ „spoedig en zeker onderkennen van die ziekten, welke door „ „thans goed bekende micro-organismen worden veroor-„ ,,/aakt,

,, „De heer Hinze spreekt de meeniug uit, dat aan de „ „Veeartsenijschool reeds in dien zin gewerkt wordt, het-„ „geen evenwel door anderen (speciaal jonge leden) bestre-„ „den wordt.quot; quot;

„Tegen de laatste bewering moet ik protest aanteekenen. „Jaarlijks toch stel ik de leerlingen van het derde studiejaar, in den aanvang van den cursus in practische patho-,,logische microscopie, in de gelegenheid, zich met de voor-„naamste onderzoekingsmethoden der bacteriologie bezig te „houden.

„Het is waar, dit is mij niet opgedragen, maar wanneer „aan een inrichting een belangrijke tak van onderwijs „stiefmoederlijk wordt behandeld, dau is het de moreele „plicht van ieder docent, die deze leemte kent, het zijne „tot hare aanvulling bij te dragen.

„Men vergeve mij deze „oratio pro domoquot;, die ik stellig „niet zou hebben uitgesprokeu, indien ik niet officieel en „officieus in den laatsten tijd de opmerking had hooreft „maken, dat aan de Veeartsenijschool niets aan bacterio-„logie wordt gedaan.

„Wat ik in deze richting voor het ouderwijs doe, is het „volgende: (volgt hetgeen Dr. Hamburger aan het ouderwijs in bacteriologie doet).

„Toch is het onderwijs niet, wat het wezen kan, en wel „wegens gebrek aan materiaal. Dikwijls zie ik mij genood-„zaakt de kleur- en cultuurmethoden te doen toepassen op

ocr page 32

28

„rottiugs- en etterbacteriëu, terwijl de tijd nuttiger had „kunnen besteed worden met de toepassing van dezelfde „methoden op lagere organismen, die voor den veearts van „meer practische beteekenis zijn.

„Zeer zeker zou een bacteriologisch proefstation, zooals „bedoeld wordt door de Zuid-Hollandsche afdeeling, ruim-„schoots in de gelegenheid zijn, materiaal ter beschikking „te stellen.

„Moge het omschreven onderwijs, mits beschikkende over „goed materiaal, voor den aanstaanden veearts in het alge-„meeu voldoende geacht worden, voor hem, die meerdere „practische bekwaamheid in bacteriologie wenscht te bezit-„ten, mag dit niet getuigd worden. Wel is waar tracht „ik zooveel mogelijk hieraan te gemoet te komen, doch „ieder, die met den omvang en de regeling van het aau „mij opgedragen onderwijs en met de beschikking over „hulpmiddelen aan deze school bekend is, zal begrijpen, „hoezeer ik in dit streven beperkt ben.quot;

c. De interne en chirurgische clinieken zijn o. a. gescheiden in Berlijn, München en Weenen, misschien ook aan vele andere scholen, doch dit is der commissie onbekend; in Frankrijk en België niet. Aan vele scholen bestaat een scheiding in de clinieken van groote en kleine huisdieren, terwijl verder de afzonderlijke clinieken elk aan één persoon toevertrouwd zijn, waardoor het verschillend oordeel van docenten over dezelfde ziekten vermeden wordt (Hanover, Dresden, Bern en anderen).

d. Aantal leeraren en verdeeling der leervakken over de leeraren, zooals dit door de commissie wordt wenschelijk geacht;

1. Eén leeraar in natuur- en scheikunde (ook de praktische scheikunde);

2. Eén leeraar in plantkunde (waaronder speciaal de voeder-, vergift- en artsenijplanten), dierkunde, delfstof- en aardkunde;

3. Eén leeraar in pharmacognosie, pharmacie, chemisch

ocr page 33

29

onderzoek vau voedingsmiddelen en geneesmiddelen, chemisch onderzoek bij vergiftigingen, enz;

4. Eén leeraar in ontleedkunde, chirurgische ontleedkunde, embryologie (tevens practische ontleedkunde);

5. Eén leeraar in weefselleer en physiologic en de daarmede verbandhoudende practische microscopie, physio-logische chemie;

6. Eén leeraar in natuurlijke historie, extérieur, raskennis gezondheidsleer der huisdieren en veeteelt; leer van den hoef' en het hoefbeslag;

7. Eén leeraar in algemeene pathologie en therapie, pathologische anatomie, de daarmede verband houdende practische microscopie, secties;

8. Eén leeraar in specieele pathologie en therapie (afdee-ling niet parasitaire en besmettelijke ziekten), geneesmiddel- en vergiftleer, clinische diagnostiek van interne ziekten, interne cliniek en interne poli-cliniek;

9. Eén leeraar, liefst districtveearts te Utrecht, in specieele pathologie en therapie (afdeeling parasitaire en besmettelijke ziekten); gerechtelijke veeartsenijkunde en veeartsenijkundige politie.

10. Eén leeraar in bacteriologie, aan het hoofd van een afzonderlijk laboratorium;

11. Eén leeraar in heelkunde, operatie- en verbandleer, oogheelkunde, hoefziekten, clinische diagnostiek van externe ziekten, externe cliniek en poli-cliniek;

12. Eén leeraar in verloskunde en ambulatoire cliniek;

13. Eén leeraar, liefst tevens belast met den keuringsdienst der gemeente Utrecht, in controle en onderzoek van dierlijke voedingsmiddelen (practisch onderwijs in de dagelijks voorkomende microscopische en chemische onderzoekingsmethoden van voedingsmiddelen), wettelijke voorschriften en verordeningen omtrent dierlijke voedingsmiddelen.

Aanmerkingen. De commissie is van meening, dat

het ouderwijs in hoef beslag, behalve aan den leeraar 6, ook

ocr page 34

30

aan leeraar 4 of aan leeraar H kan worden opgedragen.

f. Hefc onderwijzend personeel bestaat, afgezien van de assistenten, die geen onderwijs geven

te Berlijn uit 13 professoren, 2 prosectoren (die onderwijs geven), 3 repetitoren en 1 apotheker;

te Hanover uit 8 professoren, 2 repetitoren (die onderwijs geven), één hoofdleeraar (Oberlehrer) en 2 leeraren;

te Dresden uit 6 professoren, \ prosector (die doceert) en 3 leeraren;

te M ü n c h e n uit 7 professoren, 4 buitengewoon professor en 3 leeraren;

te Brussel (Cureghem) uit 9 professoren, 2 buitengewone professoren en 3 assistenten (die onderwijs geven). Hierbij dient opgemerkt te worden, dat professoren in phy-sica, chemie en natuurlijke historie te Cureghem niet bestaan, daar men, om tot de veeartseuijkundige studie toegelaten te worden, in het bezit moet zijn van den graad van can-didat en sciences naturelles;

te A 1 f o r t uit 9 professoren en verscheidene repetitoren; te Lyon uit 9 professoren en een aantal repetitoren; te Bern uit 12 professoren.

IV.

Het internationaal veeartsenijkundig congres te Brussel nam omtrent den duur der studie, het volgend voorstel aan:

„Quatre années d'études au moin s sont nécessaires pour „des études completes de médecin vétérinaire, si 1' on y „comprend celles des sciences physiques et naturelles.quot;

Dit was de conclusie, zooals zij door Muller en Wietz omtrent den duur der studie was gesteld. Hügües daarentegen had in zijn rapport voorgesteld: „Que la durée des études soit de cinq années,quot; terwijl Muller en Wirtz de volgende toelichting op hun voorstel gaven (compte-rendu pag. 367):

„En admettant pour la durée nécessaire des études un

ocr page 35

31

„minimum de quatre ans, nous devons cependant faire r«-„marquer qu'il est fort a désirer que Ton puisse disposer „d'un temps plus long pour eet enseignement (cinq ans — „Wirtz).

In België is het veeartsenijknndig onderwijs thans zoodanig geregeld, dat de studenten in de veeartsenijkunde eerst minstens 2 jaren college moeten loopen aan de hoogeschool om candidaat in de veeartsenijkunde te kunnen worden. Daarna moeten zij nog minstens 3 jaren de lessen aan de veeartsenijschool volgen om het diploma van veearts te kunnen krijgen.

V.

Op het bovengenoemd congres werd omtrent de examina op voorstel van L arm kt en Quivoque het volgende besloten (compte-rendu, pag. 558).

„A la fin de e h a q u e a n n é e, les etudiants vétéri-„uaires doivent être examines sur les sciences qui leur ont „eté enseignées; aucun d'entre eux ne peut suivre le cours „d'une année supérieure sans avoir subi eet examen.quot;

Dit besluit had klaarblijkelijk ten doel om het examinee-ren in vakken, die niet in het afgeloopen jaar, maar vroeger onderwezen werden, uit te sluiten.

VI.

a. Muller en Wirtz hadden op het 4lt;le internationaal veeartsenijknndig congres te Brussel het volgende voorgesteld :

„Les études préparatoire» ponr l'étude de la médecine „vétérinaire doivent être les mêmes que celles que l'on „demande de l'étudiant en médecine humainequot; (compte-rendu, pag. 361).

ocr page 36

32

Het congres nam de volgende conclusie aan:

,,Pour être admis aux études de médecin vétérinaire on ,,doit être bachelier en lettres ou en sciences, c'est-a-dire „avoir terminé les études de l'enseigment secondaire.quot;

Dit geschiedde op voorstel van Lustig. Volgens den compte-rendu is de werkelyke vertaling van zijn voorstel:

„Pour être admis aux études de médecin vétérinaire, on „doit avoir subi l'examen de maturité pour les études uni-„versitairesquot; (compte-rendu, pag. 548).

h. In Frankrijk is aan dit besluit uitvoering gegeven. Voor toelating aan de veeartsenijscliolen wordt daar ge-eiscbt: bet diploma van „bachelier è s lettres ou è s sciencesquot; of van „l'e nseignement secondaire spécialquot; of wel het diploma afgegeven, hetzij door het landbouw-instituut, hetzij door de nationale landbouwscholen. Daarna moet de aspirant om toegelaten te worden, nog aan het concours deelnemen (W. C. S. De organisatie der Veeartsenijscholen in Frankrijk; Tijdschrift voor Veeartsenijkunde en Veeteelt, 14° Deel, afl. 4).

c. In België werd in 1890 het veeartsenijkundig onderwijs door een nieuwe wet geregeld. Volgens artikel 1 bestaan er twee graden, candid aat in de veeartsenijkunde en veearts. Tot het examen van candidaat kan alleen degene, die in het bezit is van het diploma van candidaat in de natuurkundige wetenschappen, zooals dit vereischt wordt voor het doctoraat in genoemde wetenschappen, worden toegelaten (artikel 2). Voor het examen van veearts wordt het diploma van candidaat in de veeartsenijkunde gevergd.

Om te voldoen aan art. 1 zullen dus de aanstaande veeartsen in België moeten beginnen met alle klassen van een gymnasium af te maken en daarna minstens gedurende 2 jaren een der hoogescholen moeten bezoeken om het gevergde diploma van candidaat in de natuurwetenschappen te halen, dat hun pas toegang tot de Veeartsenijschool geeft. De studenten in de medicijnen, aan wie dus minder hooge eischen worden gesteld, kunnen het diploma in één jaar halen.

ocr page 37

33

Na genoemde voorbereiding moet het verblijf aan de Veeartseuiischool zich minstens nog over 3 jaar uitstrekken.

M. H. J. P. Thomassen, Hervorming van het Vee-artsenijkundig onderwijs in België, Tijdschrift voor Veeartsenijkunde en Veeteelt, Deel, Afl. 3).

VII.

Het 4de internationaal veeartsenijkundig congres besloot omtrent de internaatsquaestie:

„L'internat et 1'externat sont facultatifs dans les écoles véterinairesquot; (compte-rendu pag. 614).

Deze conclusie werd echter blijkbaar genomen, omdat men toen (1884) nog aarzelde het internaat, dat als het ware bij vele veeartsenijscholen behoorde, geheel en al uit te werpen. Zonderling was dit besluit, daar de rapporteurs een andere meening waren toegedaan. Hugües had den wensch uitgesproken ; „que l'externat soit obligatoire du moins pour les dernières années d'études,quot; en Muller en Wirtz hadden als hun meening geuit, dat: „le système de I'mternat n'est pas celui qui couvient le mieux au développement des études véterinaires et l'éducation sociale des médecins véterinaires.quot; De laatsten gaven van hun voorstel de volgende toelichting, die de commissie meent niet te mogen verzwijgen :

„Le seul avantage de l'internat consiste dans la diminu-„tion notable des frais d'études. Cet avantage pourrait être „assuré aux étudiants sous forme de bourses. L'institution „de l'internat ne favorise pas le développement scientifique „des étudiants; la vie sous ce régime devient facilement la „cause de la substitution d'uu dressage plus au moins exclusif „au développement régulier dont la vie libre de l'externat „est une condition favorable. Soumis a l'internat les „étudiants se trouvent beaucoup trop sous la dépendance „non seulement des membres du corps enseignant, mais

ocr page 38

34

/ƒ y £ y z

„aussi — ce qui pis est — des personnes chargées de la „surveillance.

„Si les étudiants jouissent de la liberie qu'ils trouvent „dans l'externat et que, par cela raeme, ils peuvent s'adon-„ner a leurs études avee une certaiue indépendance, ils „s'habitueront de bonne heure a saisir les sujets des lemons „d'une maniére plus compléte et plus exacte; ils seront „moins exposés a ne jurer, par exces de foi, que par la „parole du maitre. La surveillance, sous le régime de l'in-„ternat, favorise parfois considérablement les études dans „lesquelles la mémoire joue le plus principal role, tandisque .,1e jugement indépendant et même la réflexion qui donne „aux études un caractère élevé sont moins favorisés par ce „régime que par celui de l'externat; les recherches indépen-„dantes sont davantage enrayéés sous celui-la que sons „celui-ci.

„La discipline de l'internat n'a pas toujours pour consé-„quence le grand avantage qu'on lui revendique, celui de „pousser les étudiants au travail assidu. En général, pour „les paresseux, le régime de l'internat ne donne pas de „meilleurs résultats que la liberté dans les études, dont ils „pourraient jouir, s'ils etaient externes.quot;

ocr page 39
ocr page 40

SM 1

■

i

;s ■ ■■■ . ' 4 . ; i

m

iMmm

. , ■ . ' . ,

'f^B; ^ ^ rr; ^ 1'' _ „s

■ ^ ■■ i ' SÊ • gt; •

4'

; ■'r â–