ocr page 1
ocr page 2

. qu.

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

ONTWERP

TOT

HE EZ LEIsTIK Gr

VAN HET

BURGERLIJK WETBOEK.

ocr page 6
ocr page 7

O N T W E E P

ÏOÏ

HERZIENING

VAN HET

BURGERLIJK WETBOEK

den Koning aangeboden door de Staatscommissie, ingesteld bij Zijner Majesteits Besluit van 28 Februari 1880, n0. 8.

EERSTE BOEK.

I M4 »

v:,/;

^7 . ^

'S - G R A V E N H A G E. 1880.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

ocr page 8
ocr page 9

Het behaagde Uwe Majesteit bij besluit van 28 Februari 1880, nquot;. 8, eene Staatscommissie in te stellen tot herziening van het Burgerlijk Wetboek, en haar op te dragen aan Uwe Majesteit tot dat einde de noodige voorstellen te doen in den vorm van wetten met daarbij behoorende memoriën van toelichting.

Bij hetzelfde besluit werden tot leden dier Commissie benoemd de Heeren Mrs. J. J. van Meerbeke, tevens algemeen Voorzitter, J.M.Smits, P. R. Feith, R. T. H. P. L. A. van Boneval Faure , C. W. Opzoomer , G. Diephuis , M. A. van den Acker , W. J. Triebels, E. W. Guijé, A E. J. Nysingh, L. J. van Oppen, A. P. Th. Eyssell, W.A. van Hoek, T. van Hettinga Tromp, J. C. de Vries en C.Asser, tevens algemeen Secretaris, terwijl aan haar als Secretarissen werden toegevoegd de Heeren Mrs. G. J. Ph, Graaf Schimmelpenninck, W. J. Wintgens en J. W. S. A. Versteeg.

Bij Uwer Majesteits besluit van 20 Maart daaraanvolgende, nquot;. 20, luerden nadere bepalingen vastgesteld omtrent de wijze van werken der Commissie en hare indeeling in drie afdeelingen, die te 's-Gravenhage, Utrecht en Zwolle hare vergaderingen zouden houden. Aan deze afdeelingen werd opgedragen de besluiten omtrent wijziging of aanvulling der wetgeving voor te bereiden, opdat die zouden kunnen worden behandeld en vastgesteld in de te 's-Gravenhage te houden algemeene vergaderingen, na alvorens ter bewaring van eenheid in de beginselen en tot behoud van eenvormigheid van redactie te zijn onderzocht door eene subcommissie, bestaande uit den algemeenen Voorzitter, den alge-meenen Secretaris en twee leden, door den algemeenen Voorzitter aan te wijzen.

Ter voldoening aan Uwer Majesteits last werd de Commissie voor de eerste maal door Uwer Majesteits Minister van Justitie bijeengeroepen op 10 April 1880.

Nadat de Commissie omstreeks een jaar was werkzaam geweest, zag de Heer Triebels zich genoodzaakt om redenen van gezondheid Uwe Majesteit te verzoeken hem

ocr page 10

u

eervol van het lidmaatschap te willen ontheffen, hoedanig ontslag hem is verleend bij Uwer Majesteits besluit van 28 April 1881, n0. 14, met gelijktijdige benoeming van Mr. B. J. L. Baron de Geer van Jutpiiaas tot lid der Commissie. Sedert achtten zich nog vier leden tengevolge van drukke ambtsbezigheden genoopt hun eervol ontslag aan te vragen, te lueten Mr. Dikphuis, die bij Uwer Majesteits besluit van 3 Maart 1883, 26, en de Heeren Opzoomer, Van Oppen en Nysingh, die bij Uwer Majesteits besluit van 27 October 1883, n0. 22, op eervolle tuijze van hunne taak werden ontheven, allen onder dankbetuiging voor de door hen bewezen diensten. Bij het laatste besluit werd op zijn verzoek en onder gelijke dankbetuiging eervol ontslag verleend aan Mr. Wintgens, als aan de Commissie toegevoegd Secretaris.

Terwijl alsnu het aantal leden tot twaalf was gedaald, behaagde het Uwe Majesteit bij besluit van 5 Maart 1884, n°. 15, de aan de Commissie voorgeschreven wijze van -werken te vereenvoudigen, door haar op nieuw, en wel in twee af deelingen, elke van zes leden, in te deelen, die hare vergaderingen zouden houden te 's-Gravenhage en te Zwolle; tevens werd, nu er slechts twee afdeelingen zouden zijn, de bovenbedoelde subcommissie opgeheven.

Nadat de Commissie tot haar leediuezen reeds een aantal leden had moeten missen, wier kunde en ervaring door haar op hoog en prijs werden gesteld, trof haar een gevoelig verlies door het overlijden op 21 October 1884 van Mr. Smits, die van den aanvang af met de meeste toewijding en met onverftauwden ijver aan de veelvuldige werkzaamheden der Commissie heeft deelgenomen en schier alle te Zwolle gehouden afdeelingsvergaderingen op de hem eigen voortreffelijke wijze heeft geleid.

Ter voltooiing van het gedeelte van het Burgerlijk Wetboek, welks ontwerp wij aan Uwer Majesteits oordeel onderwerpen, is de algemeene vergadering twaalf malen te's-Gra-venhage bijeengeroepen, en ivas telkens eene week werkzaam, zoodat aan de beraadslaging over en de vaststelling van den tekst en de memorie van toelichting vijf-en-zestig zitting-dagen zijn gewijd. Dit iverk was voorbereid in een-en-zestig vergaderingen van de eerste afdeeling te 's-Gravenhage, zes vergaderingen van de sedert opgeheven hveede afdeeling, die te Utrecht hare bijeenkomsten hield, en eindelijk in vijf-en-vijftig vergaderingen, te Zwolle door de derde, later tweede, afdeeling gehouden.

Het zal wel geen verwondering wekken, dat men zich bij het, soms met lange tusschenpoozen, vaststellen van den tekst niet altijd stipt aan dezelfde woordenkeus had gehouden, en dat er in de 572 aangenomen artikelen op ondergeschikte punten tegenstrijdigheden verscholen waren. Daarenboven waren de toelichtende memoriën van verschillende hand en soms naar eene verschillende methode ingericht; terwijl vele besluiten der algemeene vergadering omtrent den tekst eene omwerking van daarop slaande gedeelten dier memoriën noodzakelijk maakten. Alle wijzigingen op nieuw in de algemeene vergadering te behandelen, zou de afdoening der zaak eindeloos hebben kunnen vertragen, en ivij zouden Uwer Majesteits voorschriften in al te beperkten zin hebben opgevat, zoo ivij ons gebonden hadden gerekend aan den bedoelden geheel accessoiren arbeid met al onze leden deel te nemen. Twee hunner, Mrs. Feith en Guijé , namen daarom bereidwillig op zich met den algemeenen Voorzitter en den algemeenen Secretaris binnen de aangegeven grenzen, namelijk met eerbiediging van het essentiëele der besluiten van

ocr page 11

Ill

de algemeenc vergadering, de laatste hand aan het werk te leggen. Daartoe zijn negen bijeenkomsten gehouden, terwijl het kleine getal der gecommitteerden heeft toegelaten omtrent menig punt schriftelijk tot eenstemmigheid te geraken. Bij dat werk, hetwelk is gebleken veel omslachtiger en tijdroovender te zijn dan aanvankelijk scheen, heeft Mr.Versteeg zijne diensten als secretaris wel willen leenen.

Onze Commissie heeft het voorrecht gehad een tweetal wetsontwerpen reeds vroeger aan Uwe Majesteit in te dienen, en zulks volgens den geo-penbaarden wensch van of in overleg met Uwer Majesteits Regeering. Wij meenden namelijk bij de behandeling van den titel „van Nederlanders en Vreemdelingenquot;, dat dit onderwerp, als zijnde van ahgemeene strekking, niet langer in het Burgerlijk Wetboek, maar bij eene afzonderlijke algemeene wet behoorde te worden geregeld, ivelke met opheffing tevens van de Wet van 28 Juli 1850, Staatsblad n0. 44, alle gevallen zou beheerschen, waarin de beantwoording der vraag, of iemand Nederlander is of niet, kan te pas komen, en waardoor op meer juiste en volledige wijze dan tot nu het geval is geweest zou worden voldaan aan de bepaling van art. 7 der Grondwet; terwijl dan tevens van zelf vele strijdvragen zouden vervallen, waartoe de tweeledige regeling van het Nederlanderschap nog steeds aanleiding geeft. Dientengevolge boden wij Uwe Majesteit op 15 Juli 1882 het ontwerp aan eener „Wet tot uitvoering van art. 7 der Grondwetquot;, met daartoe betrekkelijke Memorie van Toelichting.

Verder was het ons gegund op 21 November 1882 het ontwerp eener wet „ ter verhanging van den eersten titel van het eerste Boek en den tienden titel van het derde Boek „van het Burgerlijk Wetboekquot; met daarbij behoorende Memorie van Toelichting aan Uwe Majesteit aan te bieden. Dit ontwerp, thans deel uitmakende van het ontworpen eerste boek van het herziene Wetboek, bevatte den titel gewijd aan stichtingen, een rechtsinstituut, dat tot nu toe zeer onvolledig in de Wet is geregeld, welke leemte zich telkens in de praktijk doet gevoelen. In verband met dit onderwerp werden in een voorafgaanden titel de vereenigingen, als rechtspersoon optredende, behandeld, terwijl een en ander, ingeval van afzonderlijke invoering, eenige wijziging in den eersten titel van het eerste Boek van het Burgerlijk Wetboek noodig maakte, weshalve gelijktijdig de titel, ivaarmede het tegenwoordig ontwerp aanvangt, aan Uwe Majesteit werd aangeboden.

Gedurende den loop har er werkzaamheden ontving onze Commissie nu en dan belangrijke mededeelingen van Uwer Majesteits Regeering omtrent de burgerlijke wetgeving in het buitenland; ook werden ons beschouwingen of wel ingekomen adressen toegezonden, betreffende de wenschelijkheid van regeling van speciale ondenverpen.

Onder deze vermelden wij eene missive van Uwer Majesteits Minister van Justitie van 30 Mei 4884, afd. I, n°. 122, naar aanleiding van een schrijven van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indiö van 9 Maart 1884 aan den Minister van Koloniën, waarin overeenkomstig het advies van den Directeur van Justitie de wensch werd uitgesproken, dat het Nederlandse]), Burgerlijk Wetboek zou worden aangevuld met eene bepaling van gelijke strekking als die van artikel 367 van het Burgerlijk Wetboek voor Neder-landsch-Indië. Op de deswege door den Minister van Justitie aan ons gerichte vragen, maakte onze Commissie aan Zijne Excellentie hare meening kenbaar in den vorm van een

ocr page 12

IV

uitvoerig advies, 'waarbij, in afwijking van de meening van de Nederlandseh-Indische autoriteiten, eene wijziging en aanvulling van de Indische wetgeving werd voorgesteld.

Met het oog op Uwer Majesteits opdracht zoude het eenigszins vreemd kunnen schijnen, dat van het geheele eerste boek doorloojiend een nieuwe tekst van alle titels wordt vastgesteld.

De Commissie heeft zich de daaraan verhonden nadeden niet ontveinsd. Het is haar echter reeds dadelijk in den aanvang van hare taak gebleken, dat herziening van het Burgerlijk Wetboek onmogelijk was tot stand te brengen bij wege van verandering van sommige artikelen en tusschenschuiving van nieuwe bepalingen. Dit'zou een groot gevaar voor allerlei misstellingen hebben opgeleverd, en vrij zeker in hooge mate het dagelijksch gebruik hebben bemoeielijkt van die ivet, die het meest van alle in het leven van eiken burger ingrijpt, en zijne rechten en verplichtingen in de meest gewone rechtsbetrekkingen van het maatschappelijk leven regelt. Dat gevaar mocht de Commissie niet doen ontstaan. Evenmin konde zij het oog sluiten voor de rijke bron van kritiek, die omtrent het thans geldend ivetboek bestaat in de geschriften der beste commentatoren. Dat wetenschappelijk oordeel behoorde in aanmerking genomen en, waar het gegrond werd bevonden, opgevolgd te 'worden. Wordt dit in het oog gehouden, dan zal het duidelijk zijn, dat alleen eene geheel nieuwe bewerking van den tekst de eenig mogelijke vrucht van elke ernstige herziening moest zijn.

Toch kan de Commissie er niet genoeg nadruk op leggen, dat, al is de inkleeiing vernieuwd, aan geen doorgaande vernieuwing van den inhoud van het wetboek is gedacht. Deze was niet noodig en daarom zeker allerminst wenschelijk.

Tegen het bestaande toch geldt niet het bezwaar, dat men terecht tegen den Code Pénal heeft aangevoerd, namelijk, dat het zou zijn een uitvloeisel van vreemde denkbeelden, toestanden en instellingen. Want, voorzoover het Burgerlijk Wetboek elementen bevat, die bij zijne eerste vaststelling niet als nationaal waren aan te merken, zijn die toch met de nationale zoozeer saamgegroeid, dat het tegenwoordige geslacht het onderscheid nauwelijks meer bespeurt.

In hoofdzaak beantwoordt dan ook ons Burgerlijk Wetboek aan de heerschende rechtsovertuiging, al moge, na verloop van bijna vijftig jaren, de noodzakelijkheid omrekening te houden met de geleidelijke ontwikkeling dier overtuiging, en om de wet, die steeds op de bestaande toestanden moet gegrond blijven, in overeenstemming te brengen met de nieuwe behoeften van het maatschappelijk verkeer, zich hier en daar met nadruk doen gelden. Waar ivij aan dien eisch gehoor gaven, was het echter steeds ons streven het bestaande zooveel mogelijk te behouden. Doordrongen van de waarheid, dat nagenoeg elke verandering eene storende werking uitoefent, en dat zoo licht eenig verband kan worden verbroken, waardoor soms elders groote schade ivordt toegebracht, hebben wij weerstand geboden aan de verleiding om telkens, wanneer ons iets juister voorkwam, het voor hetgeen thans rechtens is in de plaats te stellen, maar zijn daartoe slechts overgegaan, wanneer zwaarwichtige redenen er als het ware toe drongen.

In twee opzichten hebben wij ons een algemeenen regel gesteld.

Toen in 1820 het ontwerp van Burgerlijk Wetboek, bekend als tweede ontwerp,

ocr page 13

V

bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in behandeling zou komen, wezen hoogst bekwame Noord-Nederlanders, die hunne teleurstelling over dat ontwerp openlijk aan den dag legden, en daarbij aantoonden, wat in de nieuwe wetgeving behoorde te worden vermeden, als gebreken van de toen vigeerende Fransche wetboeken aan de menigte nutte-looze bepalingen, het vereischte van oneindige formaliteiten en het gemis van dien eenvoud, waardoor het zoo noodig is, dat wettelijke voorschriften zich kenmerken. De loop der gebeurtenissen heeft medegebracht, dat met de hoofdzaak vele der eigenaardigheden van Fransche regeling en inkleeding, waarop gemelde klacht betrekking heeft, in ons wetboek zijn overgegaan, en luanneer thans bijv. op het gebied der voogdij de ingezetenen vragen, waartoe zooveel overlast en zooveel kosten, dan zoekt men vruchteloos naar een bevredigend antwoord.

De Commissie heeft zich dus beijverd om telkens, waar het zonder wezenlijke waarborgen op te offeren mogelijk was, formaliteiten te laten vervallen, en om in het algemeen te zoeken naar den eenvoudigsten weg, waarop het recht te verkrijgen en te handhaven zou zijn.

De tweede regel, waarop wij straks doelden, betreft de stof en den vorm der door ons voorgedragen bepalingen als voorschriften. Nog dagelijks wordt hulde gebracht aan het rechtskundig gehalte van bovengemeld ontwerp, en toch valt het niet te betwijfelen, dat, indien het op nieuw werd ingediend, het wederom schipbreuk zou lijden, omdat — zooals van Hogendorp het in 1822 kort en juist uitdrukte — het te weinig is bepaald geworden tot voorschriften, en er te veel ingevoegd was van de leer en de wetenschap. Tegen dit gevaar is de Commissie op hare hoede geweest: zij heeft al hetgeen als wetenschappelijke begripsbepaling, als redeneering, als bloote ontwikkeling of gevolgtrekking kan worden aangemerkt, onvoorwaardelijk geweerd, en in verband daarmede getracht de gedachte in den meest beknopten vorm onder woorden te brengen, wier betevkenis naar het gewone spraakgebruik, of, voor zoo ver het rechtstermen gold, naar de eenstemmige opvatting der juristen, volkomen vaststaat.

Onze arbeid zou zeer onvolledig zijn geweest, zoo wij niet telkens het oog naar onze oude rechtsbronnen hadden gericht. Evenzoo werd een ruim gebruik .gemaakt van datgene, ivat in ons vaderland in de eerste twintig jaren dezer eeuw op wetgevend gebied is tot stand gebracht of ontworpen, terwijl onze koloniale wetgeving mede dikwerf met vrucht is geraadpleegd.

Grooten invloed op het werk hadden ook de buitenlandsche wetten en ontwerpen van den Meren tijd; onder deze noemen wij het Itatiaansche Wetboek, ingevoerd op 1 Januari 4866, dat als eene der volledigste herzieningen van den Code Napoléon mag worden aangemerkt) het avant-projet de révision du Code Civil van den Gentschen Hoogleeraar Laurent , in 1879 en volgende jaren met het oog op de herziening van het Belgische Burgerlijk Wetboek vervaardigd; verder het nieuwste wetboek van Duitschen oorsprong, 7i.l. het Saksische, afgekondigd op 2 Maart 1863 en in werking getreden op 1 Maart 1865; het door Bluntschli ontworpen privatrechtliche Gesetzbuch far den Kanton Zurich; de Civilprocess-ordnung für das Deutsche Reich, ingevoerd 1 October 1879; en, wat meer bijzondere wetten betreft, de Fransche wet „sur le divorcequot; van 29 Juli 1884, de Belgische wet „sur la révision du régime hypothécairequot; van 16 December 1851, het Duitsche

ocr page 14

VI

Reichsgesetz van G Februari 1875 über die Beurkundung des Personenstandes und die Ehescheiduncjde Pruissische Vormundschaftsordung van 5 Juli 1875. Ook werd door ons herhaaldelijk gebruik gemaakt van het op 21 April 1870 ingediende Verslag der Staatscommissie „voor de herziening der Wetgeving op de eigendomsoverdragt van onroerende goederen, het hypotheekstelsel en het notariaat,quot; ingesteld bij Uwer Majesteits besluit van 9 Februari 1867, n°. 58.

Men zal dan ook bespeuren, dat onze Commissie in de door haar gewijzigde bepalingen zich naar omstandigheden heeft aangesloten aan de best gekeurde -wetten of ontwerpen van buitenlandschen oorsprong, of ook wel eens tot de beginselen van het vroeger hier te lande gegolden hebbend Fransch of oud-Hollandseh recht is teruggekeerd.

Van enkele onderwerpen echter is de regeling nieuw. Zoo zal men vooral in den titel „van namenquot; menig gedeelte aantreffen, dat geheel zelfstandig is ontworpen.

Verder zijn in de voorgestelde titels verscheiden voorschriften opgenomen van formeel recht, die thans deels in het Burgerlijk Wetboek, deels in het Wetboek van Burgerlijke Begtsvordering voorkomen, zoodat men, om een volledig overzicht te hebben, telkens beide wetboeken naast elkander moet lezen en raadplegen.

Het behoeft geen betoog, dat de aard der onderwerpen grooten invloed had op de wijze, luaarop in de afdeelingen de wetsvoorstellen werden voorbereid. Nu eens kon men de bestaande toet tot grondslag der beraadslagingen doen strekken, maar niet zelden moesten, als het nieuwe regelingen gold, de eerste ontwerpen worden voorafgegaan door algemeene beschouwingen, die in den vorm van nota's of vraagpunten aan de voorloopige beslissing der afdeelingen werden onderworpen,

Eene vraag, die zich allereerst aan onze Commissie voordeed, was deze, of men zich zou houden aan de bestaande volgorde der boeken van het Burgerlijk Wetboek, welke in hoofdzaak steunt op de klassieke indeeling der rechtsstof in personen-, zaken- en acliënrecht, dan wel of men zich zou aansluiten aan de nieuwere, zoogenaamd systematische volgorde, volgens welke de rechten op zaken, de rechten jegens personen, het familierecht en het erfrecht in de hier opgenoemde orde worden behandeld, aan welke afdeelingen alsdan in een algemeen deel eenige onderwerpen van algemeene strekking voorafgaan, welker kennis, hetzij noodig is tot goed verstand van het rechtssysteem, hetzij nuttig ter vermijding van latere herhalingen.

Die vraag mocht te minder buiten beschouiving worden gelaten, omdat de bedoelde rangschikking niet alleen nagenoeg in alle leerboeken wordt aangetroffen, maar de codificatie in Duitschland er zich meer en meer naar voegt. Immers het Saksische Wetboek is er naar ingericht; evenzoo een tusschen 1860 en 1864 in Beieren openbaar gemaakt ontwerp; eindelijk, wat wel het meest gewicht in de schaal legt, het ontwerp van een Burgerlijk Wetboek voor het Duitsche Rijk, dat de op 2 Juli 1874 door den Bondsraad benoemde Commissie onder handen heeft.

Na rijpe overweging kwam het ons voor, dat deze methode, al moge zij voor een luetenschappelijk werk aanbeveling verdienen, voor een wetboek geene in het oog loopende voordeden oplevert, en dat eene algeheele omwerking naar den uiterlijken vorm te minder wenschelijk is, waar men slechts herziening en aanvulling der bestaande wet beoogt.

ocr page 15

VII

hetgeen natuurlijk niet verhindert, dat aan enkele onderdeden een meer juiste plaats wordt aangewezen.

Dit laatste heeft reeds plaats gehad ten aanzien van de vereenigingen en de stichtingen, welke heide soorten van rechtspersonen naast de natuurlijke personen in het eerste hoek hehooren te worden behandeld. Zoo verdient het later wellicht aanbeveling, op het voetspoor van Bluntschli, aan het erfrecht als zelfstandig onderwerp achter het vermogensrecht eene plaats toe te kennen

Het behoud van de klassieke indeeling maakt, dat het eerste Boek een vrij zelfstandig geheel vormt, hetwelk onze Commissie vatbaar toescheen om als zoodanig aan Uwe Majesteit te worden aangeboden.

Dit doende, stellen wij er prijs op te verklaren, dat wij volkomen overtuigd zijn, dat volmaaktheid noch volledigheid in eenig wetboek te bereiken is. Bij ons streven naar eene bereikbare volledigheid hebben wij ons best gedaan de beide uitersten, waarin men zoo licht vervalt, van te groote algemeenheid en van te groote uitvoerigheid, te vermijden. Zoekt men de volledigheid in te groote algemeenheid, een beperkter omvang van het wetboek zal daarvan zeker het gevolg tvezen, maar dan zal ook veel blijken niet geregeld te zijn; zoekt men haar in te groote uitvoerigheid, de regeling van te veel bijzondere gevallen zal blijken de oorzaak te zijn van eene onvolledigheid, die men juist had willen vermijden.

Het staat niet aan de Commissie te beoordeelen, in hoever zij er in is geslaagd een werk te leveren, dat zich in meerdere of mindere mate boven de bestaande ivet aanbeveelt; zij kan alleen verklaren, dat het bij voortduring haar ernstig streven is geweest naar haar beste vermogen aan het in haar door Uwe Majesteit gestelde vertrouwen te beantwoorden.

's-Gravenhage, 30 November 1886.

De Staats-Commissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek,

J. J. VAN MEERBEKE, algemeen Voorzitter.

P. R. FEITH.

R. T. H. P. L. A. VAN BONEVAL FAURE.

M. A. VAN DEN ACKER.

B. J. L. DE GEER VAN JUTPHAAS.

E. W. GULJÉ.

A. P. Th. EYSSELL.

W. A. VAN HOEK.

T. VAN HETTINGA TROMP.

J. C. DE VRIES.

C. ASSER, algemeen Secretaris.

ocr page 16

igeiiii

ocr page 17

Wij WILLEM III, bij de Gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hehtog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten;

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is het Burgerlijk Wetboek te herzien;

Zoo is het dat Wij, den Raad van State gehoord , en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze, ter vervanging van het eerste Boek en van den tienden titel van het derde Boek van het Burgerlijk Wetboek, vast te stellen de navolgende bepalingen;

ocr page 18

6

EERSTE BOEK.

Van Personen,

EERSTE TITEL.

Van het genot van burgerlijke rechten.

2 b. ir. Art. 1.

Ieder mensch is bevoegd tot het genot van burgerlijke rechten.

3 b. ir. Art. 2.

Op burgerlijke rechten, die aan een verwekt kind, ware het reeds geboren, zouden toekomen, heeft het aanspraak voor het geval, dat het levend geboren wordt,

ic'Ji b. v. Art. 3.

Bevoegd tot het genot van burgerlijke rechten zijn ook rechtspersonen.

TWEEDE TITEL.

Van de akten van den burgerlijken stand.

EERSTE AF DEELING.

Algemeene bepalingen.

13 b. ir. Art. 4.

van 24Juni 1879 Voor iedere gemeente worden door den Koning een of meer ambtenaren van den

Stbl. n0.132.

burgerlijken stand en een of meer plaatsvervangers benoemd.

art^v*t49 Zij zijn belast met het houden van de navolgende registers van den burgerlijken stand;

van 2ii juni 1851 een geboorteregister;

een register van huwelijksaangifte;

een huwelijksregister;

een overlij densregister.

Elk register wordt afzonderlijk gehouden

ocr page 19

De Koning kan vergunning verleenen om in ééne gemeente op meer dan ééne plaats zelfstandige registers te houden.

De ambtenaar van den burgerlijken stand verricht zijne ambtsbezigheden en bewaart de onder hem berustende registers in het gemeentehuis, tenzij andere lokalen van 's Koningswege daartoe zijn aangewezen.

14 B- Art. 5.

1879 Elk register van den burgerlijken stand behalve dat van huwelijksaangifte wordt in

■an

sn. n». 132. dubbel gehouden.

15 b. w. Art. 6.

Vóór dat een register in gebruik wordt genomen, wordt elk blad van een doorloopend nummer voorzien en door den president der rechtbank gewaarmerkt.

Bovendien wordt de eerste bladzijde en de laatste, op welke is vermeld, dat zij de laatste is, door hem van zijne gewone handteekening voorzien.

Op de laatste bladzijde wordt tevens in letters aangeteekend, van het hoeveelste , blad zij de keerzijde is.

De president der rechtbank kan zich door een rechter doen vervangen.

22 b. w. Art. 7.

w®1. De registers worden op het einde van ieder jaar door den ambtenaar van den

ran 24 Juni 1879 or o

i- n». 132. burgerlijken stand afgesloten door eene onderteekende verklaring, welke onmiddellijk na de laatste akte wordt gesteld en het getal der akten vermeldt.

23 b. ir. In de maand Januari daaraanvolgende wordt een der dubbelen benevens het register van huwelijksaangifte overgebracht ter griffie der rechtbank.

Hetzelfde geschiedt met de overgelegde stukken en die bedoeld in de artikelen 37, eerste en laatste lid, 40 , 41, 42 , 45, laatste lid, 50, eerste en laatste lid; deze stukken, waarop wordt vermeld tot welke akte zij behooren, worden door den ambtenaar gewaarmerkt.

28 b. w. Art. 8.

Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op het houden der registers en verplicht, de ter griffie overgebrachte registers en stukken binnen het jaar te onderzoeken en van zijne bevinding proces-verbaal op te maken.

Het is bevoegd inzage te nemen zoowel van de loopende registers als van het dubbel der afgeslotene, dat onder den ambtenaar van den burgerlijken stand berust.

ocr page 20

8

Art 9.

Wanneer een der dubbelen geheel of ten deele verloren is gegaan, wordt, ter vervanging daarvan, van bet andere dubbel een afschrift gemaakt, op hetwelk door den bewaarder van het behouden gebleven register de verklaring wordt gesteld, dat het hiermede overeenstemt.

Zoolang het oorspronkelijk register bestaat, worden alleen van de daarin voorkomende akten afschriften en uittreksels afgegeven.

19 b. ty. Art. 40.

In alle gevallen, waarin de belanghebbende partijen niet verplicht zijn in persoon te verschijnen, kunnen zij zich door eenen gemachtigde, uitsluitend daartoe bij notarieele akte aangesteld, doen vertegenwoordigen.

20 u. ir. Art. tl.

De getuigen, bij het opmaken der akten van den burgerlijken stand gevorderd, worden door de belanghebbenden gekozen.

Zij moeten meerderjarig zijn.

is b. w. Art. 42,

In de akten van den burgerlijken stand worden vermeld het jaar en de dag, waarop zij opgemaakt zijn, de voornamen en de naam van den ambtenaar van den burgerlijken stand, de voornamen, de namen, de ouderdom, het beroep of de betrekking en het domicilie zoowel der partijen als der getuigen, en eindelijk de overgelegde stukken.

it if. Hr. Art- 13«

De ambtenaar mag in de akten niets opnemen dan hetgeen door de partijen moet worden verklaard.

21 b. w. Art. 14.

De ambtenaar leest de akte aan de partijen en de getuigen voor, en vermeldt in de akte de nakoming van dit voorschrift.

2i b. r. Art. 15.

Iedere akte wordt door den ambtenaar, de partijen en de getuigen onderteekend.

ocr page 21

9

'

In de akte wordt hiervan, of, ingeval een der partijen of der getuigen verklaart niet te kunnen teekenen, van die verklaring en van de opgegeven reden van verhindering uitdrukkelijk melding gemaakt.

ic v. r. Art. 16.

De akten worden achter elkander zonder witte tusschenvakken onder een doorloopend nummer in de registers geschreven.

Niets mag bij verkorting of in cijfers worden uitgedrukt.

ie JJ. w. Art. 17.

Veranderingen en bijvoegingen worden op den kant der akte geschreven met verwijzing door een kennelijk teeken naar de plaats, waar zij behooren, en aanduiding van het getal der in te voegen woorden of letters.

Doorhalingen geschieden op zoodanige wijze, dat het schrift leesbaar blijft; elke doorhaling wordt met opgave van het getal der doorgehaalde woorden of letters en van den regel, waarin zij is geschied, op den kant der akte vermeld.

Veranderingen, bijvoegingen en doorhalingen worden, elk afzonderlijk, gewaarmerkt door al degenen, die de akte onderteekenen; hiervan en van het getal dier kantteeke-ningen wordt aan het slot der akte melding gemaakt.

Het is verboden overschrijvingen en tusschenvoegingen te doen, alsmede woorden, letters of teekens uit te schrappen of te doen verdwijnen.

XMienlB.W.

Wanneer op den kant eener akte eene aanteekening moet worden gemaakt, doet de ambtenaar van den burgerlijken stand dit in de onder hem berustende registers en de griffier der rechtbank in die, welke ter griffie zijn overgebracht.

Daartoe geeft de ambtenaar van de door hem gedane aanteekening kennis aan den officier van justitie, die voor de eenvormige inschrijving zorg draagt.

24 S. ir.

De bewaarders der registers van den burgerlijken stand geven aan ieder, die zulks aanvraagt, afschriften of uittreksels der in de registers voorkomende akten af.

I» nu 8 b. jk Daarop worden vermeld de aanteekeningen, die zich op den kant der akte bevinden,

en de dag der afgifte.

i

ocr page 22

10

De bewaarders zijn verplicht, wanneer binnen een bepaald tijdsverloop zekere akte in de onder hunne bewaring zijnde registers niet voorkomt, daarvan des gevraagd eene verklaring af te geven.

Art. 20.

De akten van den burgerlijken stand leveren volledig bewijs op omtrent hetgeen, naar de verklaring van den ambtenaar van den burgerlijken stand, door hem gedaan of in zijne tegenwoordigheid geschied is.

Hetgeen met betrekking tot het feit, waarvan de akte bestemd is te doen blijken, door de partijen is verklaard, wordt tot bewijs van het tegendeel voor waarheid gehouden.

In hoever door overtreding van de voorschriften van dezen titel betrekkelijk den vorm der akte hare bewijskracht verminderd of weggenomen wordt, wordt aan het oordeel van den rechter overgelaten.

De afschriften en uittreksels worden vermoed met de akten overeen te stemmen, indien de bewaarder dit op het stuk verklaart.

155 b. w. Art. 21,

Feiten, waarvan de registers van den burgerlijken stand bestemd zijn te doen blijken, kunnen op geene andere wijze dan door de daarvan opgemaakte akte worden bewezen. 49 G2 156 Indien er eene akte opgemaakt is, maar het onmogelijk is haar over te leggen, kunnen

sic b. w. die feiten ook op andere wijze ten genoege des rechters bewezen worden.

•27 is. ik Art. 22.

De ambtenaren van den burgerlijken stand zijn gehouden tot vergoeding der schade, welke zij door het niet richtig houden der registers veroorzaakt hebben.

Zij, zoowel als de griffiers, zijn verplicht de schade te vergoeden, welke zij door hun nalatigheid in het bewaren der registers en door het afgeven van onnauwkeurige afschriften of uittreksels veroorzaakt hebben.

Art. 23.

Tenzij anders bepaald is, verricht de ambtenaar van den burgerlijken stand al de hem opgedragen werkzaamheden onverwijld.

Wanneer hij eene akte niet onverwijld opmaakt, vermeldt hij de reden daarvan in een proces-verbaal, waarvan hij een afschrift aan den belanghebbende uitreikt.

Wanneer eene echtscheiding of ontbinding des huwelijks niet terstond wordt uitgesproken, vermeldt hij bovendien de hem overgelegde stukken.

Het proces-verbaal en het afschrift zijn vrij van zegel.

ocr page 23

11

Art. 24.

Wanneer de ambtenaar van den burgerlijken stand eene ambtsverrichting weigert, kan de belanghebbende zich bij verzoekschrift tot de rechtbank wenden, die over de gegrondheid der weigering beslist.

De rechtbank hoort het openbaar ministerie.

De belanghebbende kan in hooger beroep komen binnen eene maand na de dag-teekening der beschikking.

Artikel 342 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing.

Art. 25.

Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur wordt geregeld;

1°. de wijze, op welke voor elke gemeente worden aangewezen de dagen en uren, waarop de ambtenaar van den burgerlijken stand verplicht is zitting te houden ;

2quot;. het opmaken van jaarlijksche en tienjaarlijksche tafels op de akten van den burgerlijken stand en verder van alle zoodanige staten of tabellen als wenschelijk zijn, en geschikt om den staat der personen gemakkelijk te kunnen kennen.

ÏO en 71 B. W. ?9 r. B. Itv.

7i b. r.

P(), 831, 832 , K. 2« ir. B. Rn.

TWEEDE AFDEELIKG.

Van de aanvulling der registers van den burgerlijken stand en van de

verbetering der akten.

Art. 26.

Aanvulling van de registers van den burgerlijken stand en verbetering van de akten kan op verzoek van belanghebbenden of op vordering van het openbaar ministerie worden gelast door de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de registers zijn gehouden, de akten zijn opgemaakt of dit had behooren te geschieden.

Het verzoekschrift of requisitoir bevat eene omschrijving der redenen, waarop de aanvraag berust.

Art. 27.

De rechtbank beschikt na zoodanig onderzoek te hebben ingesteld, als zij dienstig oordeelt, en, indien het een verzoek van belanghebbenden geldt, na het openbaar ministerie te hebben gehoord.

De aanvrager en de belanghebbenden, die op het verzoek gehoord zijn, kunnen in hooger beroep komen binnen eene maand na de dagteekening der beschikking.

Artikel B42 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing.

ocr page 24

12

Art. 28.

De beschikking, waarbij aanvulling der registers of verbetering der akten is gelast, wordt, na overlegging, in de loopende registers ingeschreven, zoodra zij kracht van gewijsde heeft.

Van de verbetering wordt melding gemaakt op den kant der akte.

Art. 29.

De ingeschreven aanvulling of verbetering wordt, voor zoover zij betreft, bet feit, waarvan de akte bestemd is te doen blijken, tot bewijs van het tegendeel voor waarheid gehouden.

DERDE AFDEELING. Van het geboorteregister.

29 Art. 30.

De aangifte eener geboorte wordt in tegenwoordigheid van twee getuigen vóór den vierden dag na dien der bevalling gedaan aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente, waar de bevalling heeft plaats gehad.

30 b, ir. Art. 31.

Tot de aangifte is verplicht de wettige vader; wanneer deze ontbreekt of buiten staat is de aangifte te doen:

1°. de geneeskundige of vroedvrouw, die bij de bevalling bijstand heeft verleend;

2°. ieder, die bij de bevalling is tegenwoordig geweest;

3°. degene, in wiens woning de bevalling heeft plaats gehad; of,indieneenevrouw bevalt, terwijl zij is opgenomen in eene gevangenis of soortgelijk gesticht of in een gesticht tot verzorging bestemd, de hoofdbeambte.

Voor een later genoemde ontstaat alleen dan de verplichting tot aangifte, wanneer de vroeger genoemden ontbreken.

De moeder is tot aangifte bevoegd.

ocr page 25

13

Art. 32.

Ingeval van voorafgegane of gelijktijdige erkenning kan de aangifte ook door den niet wettigen vader worden gedaan.

u 2 b. w. Art. 33.

De ambtenaar van den burgerlijken stand maakt van de aangifte eene akte op. na 3 Wanneer hij de onwaarheid der aangifte vermoedt, doet hij daarvan mededeeling

aan den officier van justitie en maakt geene akte op dan met diens schriftelijke machtiging of, indien de belanghebbende zich op grond van artikel 24 tot de rechtbank wendt, op haar bevel.

Wanneer de aangifte geschiedt binnen dertig dagen na verloop van den in artikel 30 genoemden termijn, wordt de akte niet dan met schriftelijke machtiging van den officier van justitie opgemaakt; geschiedt zij nog later, dan heeft er aanvulling der registers plaats overeenkomstig artikel 26.

si B. w. Art. 34.

De akte van geboorte vermeldt:

1°. plaats, dag en uur der geboorte;

2°. de kunne van het kind;

3I,. de voornamen aan het kind gegeven;

4°. de voornamen, de namen, het beroep of de betrekking eri het domicilie der

ouders of, bij de geboorte van een onwettig kind, der moeder;

Squot;. zoo mogelijk, plaats en dag van de huwelijksvoltrekking der ouders.

52 b. if. Art. 35.

Wanneer bij eene aangifte, die geschiedt binnen den termijn van artikel 30, verklaard wordt, dat het kind niet in leven is, vermeldt de akte die verklaring, zonder daarbij uit te drukken, of het kind al dan niet heeft geleefd.

De akte bevat voorts hetgeen in de nummers 1, 2, 4 en 5 van het vorig artikel is voorgeschreven.

33 jb. w.

Art. 36.

Die een pasgeboren kind gevonden heeft, doet daarvan vóór den vierden dag na

ocr page 26

14

dien, waarop het gevonden is, aangifte aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente, waar het kind is gevonden, met opgave van den tijd, de plaats en alle omstandigheden, op het vinden betrekkelijk; hij vertoont hem de kleederen en andere voorwerpen, welke bij het kind zijn aangetroffen.

Hiervan wordt een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk daarenboven vermeldt den vermoedelijken leeftijd en de kunne van het kind; de bijzondere kenteekenen, die het mocht hebben; de omschrijving der vertoonde kleederen of andere voorwerpen; de namen aan het kind gegeven; en het gesticht, waarin het is verbleven, of den persoon, aan wien het is toevertrouwd.

Het proces-verbaal wordt in het geboorteregister geschreven en een afschrift aan den officier van justitie gezonden.

Art. 37.

Wanneer een wettig kind geboren wordt buiten de gemeente, waar de vader of, ingeval deze overleden is, waar de moeder domicilie heeft, doet de ambtenaar van den burgerlijken stand een afschrift van de geboorteakte toekomen aan den ambtenaar dier gemeente, die het in het geboorteregister inschrijft.

Ingeval dat domicilie zich bevindt in eene der koloniën of bezittingen van het Rijk, wordt het afschrift gezonden aan het Departement van Koloniën.

Bevindt zich dat domicilie in het buitenland, dan zendt de ambtenaar een afschrift aan het Departement van Buitenlandsche Zaken.

Geboorteakten, in de koloniën of bezittingen van het Rijk of in het buitenland opgemaakt, worden door den ambtenaar der gemeente waar de ouders domicilie hebben, ingeschreven.

35 b. ir.

Art. 38.

De aangifte van eene geboorte gedurende eene zeereis geschiedt binnen vier en twintig uren aan den gezagvoerder van het schip; daarvan wordt overeenkomstig regelen, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast te stellen , een akte in dubbel opgemaakt; een der dubbelen wordt geschreven in het dagregister van het schip.

Deze bepaling is niet van toepassing, wanneer de geboorteakte vóór den vierden dag na dien der bevalling door eenen ambtenaar van den burgerlijken stand, hetzij in Nederland hetzij in de koloniën of bezittingen des Rijks, of door eenen Nederlandschen consulairen ambtenaar kan worden opgemaakt.

3G II. W.

Art. 39.

In de eerste haven, welke het schip aandoet, zendt de gezagvoerder het niet in

ocr page 27

15

het dagregister geschreven dubbel der akte aan het Departement van Justitie, wanneer de haven binnen het Rijk gelegen is.

Wanneer die haven gelegen is in eene der koloniën of bezittingen van het Rijk, geschiedt de opzending aan het hoofd der Nederlandsche regeering aldaar, en, wanneer het schip in eene vreemde haven is ingeloopen, aan den Nederlandschen consulairen ambtenaar, bevoegd tot de verichtingen, aan de ambtenaren van den burgerlijken stand opgedragen, binnen wiens ressort die haven ligt.

Deze doen het stuk aan het Departement van Justitie toekomen en bewaren een afschrift in hun archief.

Wanneer de akte overeenkomstig in de kolonie of bezitting des Rijks bestaande bepalingen aldaar in het register van den burgerlijken stand moet worden ingeschreven , is het hoofd der regeering van de verplichting tot die opzending ontheven.

37 b. Art. 40.

Het hoofd van het Departement van Justitie doet het stuk toekomen aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente, waar de vader domicilie heeft; ingeval de vader overleden is of bij geboorte van een onwettig kind, aan den ambtenaar der gemeente, waar de moeder domicilie heeft; en, ingeval binnen het Rijk geen domicilie bekend is, aan den ambtenaar te Amsterdam.

De ambtenaar schrijft het stuk in het loopende geboorteregister in.

38 B. ik

De akte van erkenning van een kind, door den ambtenaar van den burgerlijken stand overeenkomstig artikel 296, nummer 2, opgemaakt, wordt in het loopende geboorteregister geschreven, en van de erkenning wordt melding gemaakt op den kant der geboorteakte.

Indien de erkenning geschiedt bij eene akte, opgemaakt door den ambtenaar van den burgerlijken stand eener andere gemeente dan die, waar de geboorteakte is opgemaakt, doet de ambtenaar een afschrift der akte van erkenning toekomen aan den ambtenaar dezer laatste gemeente, die het in het geboorteregister inschrijft en van de erkenning melding maakt op den kant der geboorteakte.

Indien de erkenning geschiedt op eene der wijzen, bij artikel 296 onder de nummers 1, 4, 5 en 6 aangeduid, kan ieder belanghebbende vorderen, dat daarvan worde melding gemaakt op den kant der geboorteakte.

ocr page 28

16

VIERDE AFDEELIKG.

Yan hel register van huwelijksaangifte.

3» B. r. Art. 42.

f

Wanneer den ambtenaar van den burgerlijken stand overeenkomstig artikel 91 eene huwelijksaangifte is gedaan, maakt hij daarvan eene akte op.

40 n. ir. j)je vermeldt de opgaven bij dat artikel gevorderd.

Wanneer de aangifte schriftelijk is gedaan, wordt de daarvan opgemaakte akte door den ambtenaar alleen onderteekend.

43 b. ir. Art. 43.

Van de akten van stuiting, welke aan den ambtenaar van den burgerlijken stand beteekend zijn, wordt op den kant der akte van aangifte melding gemaakt.

44 b. ir.

i».

i».

8°.

c».

6».

V IJ F D E AFDEELIKG.

Van het huwelijksregister.

Art. 44.

Nadat de ambtenaar van den burgerlijken stand een huwelijk heeft voltrokken, maakt hij daarvan eene akte op.

45 b. ir. Die akte vermeldt;

1°. de voornamen, de namen, het beroep of de betrekking en het domicilie der

echtgenooten, alsmede plaats en dag hunner geboorte;

2°. wanneer zij reeds vroeger gehuwd zijn geweest, de voornamen en de namen van hunne vorige echtgenooten, alsmede plaats en dag der vroegere huwelijksvoltrekking ;

3°. zoo mogelijk, de voornamen, de namen, het beroep of de betrekking en het

domicilie van hunne ouders;

4°. de gemeenten, in welke het uittreksel der akte van huwelijksaangifte is aangeplakt geweest, alsmede de dagteekening der nieuwsbladen, waarin de aankondiging is geschied;

5°. ingeval van stuiting, het vervallen, intrekken of opheffen daarvan;

ocr page 29

17

45 B. jr. 6°. de vereischte toestemming tot het huwelijk en de oorzaak van het ontbreken dergenen, wier toestemming de aanstaande echtgenooten anders zouden behoeven, of wel het vereischte verlof;

7°. de dispensatie, vrijstelling of vergunning, waarvan gebruik wordt gemaakt;

7», 8°. de verklaring der partijen, dat zij elkander tot echtgenoot nemen, en de uitspraak van hunne echtvereeniging.

48 b. w. Art. 45.

Nadat de ambtenaar van den burgerlijken stand eene echtscheiding of eene ontbinding des huwelijks heeft uitgesproken, maakt hij daarvan eene akte op, welke in het huwelijksregister wordt geschreven.

Die akte vermeldt;

1°. de voornamen, de namen, het beroep of de betrekking en het domicilie der echtgenooten;

2°. plaats en dag van de voltrekking des huwelijks ;

3°. de verklaring, dat het huwelijk is ontbonden.

Van deze akte wordt melding gemaakt op den kant der huwelijksakte.

Tot dat einde zendt, indien de echtscheiding of de ontbinding in eene andere gemeente is uitgesproken dan die, waarin het huwelijk is voltrokken, de ambtenaar, die haar heeft uitgesproken, een afschrift der akte aan dien van laatstgemelde gemeente.

ZESDE AFDEELING.

Van het overlijdensregister.

50 b. r. Art-

De aangifte van overlijden wordt in tegenwoordigheid van twee getuigen vóór den vierden dag na dien van het overlijden gedaan aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente, waar het overlijden heeft plaats gehad.

Wanneer een lijk is gevonden of aangebracht, geschiedt de aangifte aan den ambtenaar der gemeente, waar dit heeft plaats gehad, vóór den vierden dag daarna.

Wanneer een ingezetene buiten het Rijk is overleden, kan de aangifte gedaan worden aan den ambtenaar van zijn domicilie.

3

ocr page 30

18

Art. 47.

Tot de aangifte zijn verplicht:

hij, in wiens woning het sterfgeval heeft plaats gehad,, tenzij hij aantoont daarvan geen kennis te hebben gedragen;

hij, die het lijk heeft gevonden of aangebracht;

indien het sterfgeval heeft plaats getiad in eene gevangenis of soortgelijk gesticht of in een gesticht tot verzorging bestemd, de hoofdbeambte.

Tot de aangifte is bevoegd ieder, die van den dood door eigen waarneming kennis draagt.

so b. w. Art. 48.

De ambtenaar van den burgerlijken stand maakt van de aangifte eene akte op, nadat hem is overgelegd de schriftelijke verklaring, bedoeld in artikel 5 der wet van i Juni 1865 (Staatsblad n0. 60).

Ontbreekt zoodanige verklaring, dan wordt de doodschouw verricht, en de verklaring afgegeven door een geneeskundige, jaarlijks door burgemeester en wethouders daartoe aan te wijzen.

Wanneer het lijk gerechtelijk is geschouwd, wordt de akte niet dan met schriftelijke machtiging van den officier van justitie of van den rechter-commissaris, met het onderzoek belast, opgemaakt.

i b. w. ambtenaar, die het proces-verbaal der schouwing heeft opgemaakt, doet aan

dien van den burgerlijken stand opgave van al hetgeen vereischt wordt om de akte van overlijden op te maken.

Ingeval van het derde lid van artikel 46 wordt de akte niet opgemaakt dan met schriftelijke machtiging van den officier van justitie, of, indien de belanghebbende zich bij verzoekschrift tot de rechtbank wendt, op haar bevel.

Het tweede, derde en vierde lid van artikel 24 zijn toepasselijk.

si b. ir. Art. 49.

De akte van overlijden vermeldt voor zoover mogelijk:

1°. plaats, dag en uur van het overlijden;

2°. de voornamen, den naam, het beroep of de betrekking en het domicilie van den overledene, alsmede plaats en dag zijner geboorte;

3°. de voornamen en den naam van dengene, met wien de overledene gehuwd was, en. zoo hij vroeger gehuwd is geweest, ook van zijne vroegere echtge-nooten, en anders de omstandigheid, dat hij niet gehuwd is geweest;

4°. de voornamen, de namen, het beroep of de betrekking en het domicilie der ouders van den overledene.

ocr page 31

19

T

Art. 50.

Wanneer de overledene in eene andere gemeente domicilie had, doet de ambtenaar van den burgerlijken stand een afschrift der akte van overlijden toekomen aan den ambtenaar dier gemeente, die het in het overlijdensregister inschrijft.

Ingeval dat domicilie zich bevindt in eene der koloniën of bezittingen van het Rijk, wordt het afschrift gezonden aan het Departement van Koloniën.

Bevindt zich dat domicilie in het buitenland, dan zendt de ambtenaar een afschrift aan het Departement van Buitenlandsche Zaken.

Overlijdensakten, in de koloniën of bezittingen van het Rijk of in hel buitenland opgemaakt, worden door den ambtenaar der gemeente, waar de overledene domicilie had, ingeschreven.

417 b. ir. J|v.31 Juli 1828. ( /bi. «0. 51).

Art. 51.

De ambtenaar van den burgerlijken stand geeft van het overlijden van alle personen, van wie hem bekend is, dat zij minderjarigen nalaten, binnen vier en twintig uren na de aangifte, schriftelijk kennis aan den kantonrechter van het opgegeven domicilie van den overledene.

60 Ji. w.

Art. 52.

Wanneer gedurende eene zeereis een sterfgeval plaats heeft, wordt gehandeld gelijk in de artikelen 38 en 39 ten aanzien van geboorten is voorgeschreven.

Het hoofd van het Departement van Justitie doet de akte toekomen aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente, waar de overledene domicilie had, en, ingeval binnen het Ftijk geen domicilie bekend is, aan den ambtenaar te Amsterdam.

Die ambtenaar schrijft het stuk in het loopende overlijdensregister in.

L

Art. 53.

Wanneer iemand in zee over boord gevallen niet is kunnen worden gered, eft zijn lijk ook niet is gevonden, maakt de gezagvoerder daarvan proces-verbaal in dubbel op overeenkomstig regelen, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast te stellen; een der dubbelen wordt geschreven in het dagregister van het schip.

quot;Voorts wordt gehandeld als in artikel 39 is voorgeschreven.

Indien geen dagregister wordt gehouden, legt de gezagvoerder in de eerste haven binnen het Rijk, welke het schip aandoet, voor den ambtenaar van den burgerlijken stand eene verklaring af van alle omstandigheden tot het feit betrekkelijk.

■,/ I. öO Hd 5

§,s B. r.

ocr page 32

20

Hiervan wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat aan het Departement van Justitie wordt gezonden.

In beide gevallen geeft het hoofd van dat Departement van het voorgevallene kennis aan de belanghebbenden.

Op aangifte van dezen maakt de ambtenaar van den burgerlijken stand, in artikel 52 aangewezen, nadat de rechtbank daartoe op hun verzoek bevel heeft gegeven, de akte van overlijden op.

Het tweede, derde en vierde lid van artikel 24 zijn toepasselijk.

67 en 61 B. W. Art. 54.

Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur wordt bepaald, op hoedanige wijze van het overlijden van krijgslieden en daarmede gelijkgestelden, welke te velde, in den strijd, of in 'sRijks dienst buiten het Rijk zijn gestorven, akten worden opgemaakt, alsmede op hoedanige wijze dit geschiedt na voltrekking van eene veroordeeling tot de doodstraf.

DERDE TITEL.

Yan namen. EERSTE AFDEELING. V(W geslachtsnamen.

Art. 55.

Wettige en door den vader erkende onwettige kinderen dragen den geslachtsnaam van den vader.

Art. 56.

Onwettige door den vader niet erkende kinderen dragen den geslachtsnaam van de moeder.

Art. 57.

Aan een kind, welks afstamming onbekend is, wordt, voor zoolang het geen geslachtsnaam krachtens de voorgaande artikelen draagt, bij de akte van aangifte zijner

ocr page 33

21

geboorte een geslachtsnaam gegeven door den ambtenaar van den burgerlijken stand, zooveel mogelijk met vermijding van bestaande geslachtsnamen.

Art. 58.

De geslachtsnaam, die feitelijk gedragen of aangenomen wordt door iemand, die een anderen of geen geslachtsnaam heeft, kan hem worden betwist door ieder, die dien geslachtsnaam wettig draagt.

Wordt de betwisting gegrond bevonden, dan verklaart de rechtbank hem onbevoegd om den feitelijk gevoerden naam te dragen.

De rechtbank kan op daartoe gedanen eisch bepalen, dat het vonnis, op kosten der in het ongelijk gestelde partij, bij uittreksel zal worden bekend gemaakt in de bij dat vonnis aan te wijzen nieuwsbladen.

TWEEDE AFDEELING.

Van voornamen.

Art. 59.

Ieder draagt de voornamen, hem in zijne geboorteakte gegeven.

Art. 60.

Bij de aangifte eener geboorte kan de ambtenaar van den burgerlijken stand bezwaar maken tegen de opgegeven voornamen op grond yan ongepastheid of van overeenstemming met bestaande geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn.

In zoodanig geval geeft hij ambtshalve een of meer voornamen.

Heeft de aangever behalve de bedoelde voornamen nog andere opgegeven, waartegen bij den ambtenaar geen bezwaar bestaat, dan worden deze ambtshalve aan het kind gegeven.

Van de omstandigheid, dat de namen ambtshalve zijn gegeven, wordt in de akte uitdrukkelijk melding gemaakt.

Art. 61.

Indien de aangever geene voornamen opgeeft, alsmede in het geval van artikel 57, zijn het tweede en vierde lid van het voorgaande artikel toepasselijk.

ocr page 34

22

DERDE AFDEELING. \an naamsverandering.

63 s. ir. Art. 62.

Meerderjarige Nederlanders kunnen op hun verzoek van den Koning bewilliging verkrijgen om hun geslachtsnaam te veranderen.

De reeds geboren kinderen deelen niet in de naamsverandering van den vader.

Zij, die wegens krankzinnigheid onder curateele gesteld zijn, kunnen zoodanig verzoek niet doen; zij, die wegens zwakheid van vermogens onder curateele gesteld zijn, alleen met bijstand van hun curator.

64 b. w. Art. 63.

Het verzoek wordt driemalen, telkens met eene maand tusschenruimte, aangekondigd in de Staatscourant en in een of meer nieuwsbladen, schriftelijk aan te wijzen door den officier van justitie van des verzoekers domicilie, nadat aan hem van de indiening van het verzoekschrift is gebleken.

Voor Nederlanders, die domicilie in het buitenland hebben, geschiedt de aanwijzing-door den officier van justitie te Amsterdam.

Het verzoek wordt niet toegestaan dan na verloop van een jaar sedert de laatste aankondiging.

65 b. w. Art. 64.

Belanghebbenden kunnen aan den Koning hunne bezwaren tegen de inwilliging van het verzoek schriftelijk indienen.

De ambtenaar van den burgerlijken stand van de geboorteplaats van den verzoeker, of, als deze in het buitenland is geboren, die van zijn domicilie, schrijft het besluit, waarbij de naamsverandering is toegestaan, zoodra hem een afschrift daarvan is overgelegd , in het loopende geboorteregister in, en maakt daarvan, in het eerste geval, melding op den kant der geboorteakte.

ocr page 35

23

T

Voor Nederlanders, die in het buitenland zijn geboren en er domicilie hebben, geschiedt de inschrijving in de gemeente, waar xij hier te lande het laatst domicilie hebben gehad, en bij gebreke hiervan te Amsterdam.

Art. 66.

De Koninklijke bewilliging vervalt, wanneer de inschrijving van het besluit niet binnen zes maanden na de dagteekening daarvan, onder overlegging van het afschrift, aan den ambtenaar van den burgerlijken stand is verzocht.

Art. 67.

Geen Nederlander mag zijne voornamen veranderen dan met bewilliging der rechtbank van zijn domicilie.

Voor minderjarigen wordt het verzoek gedaan door hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, of door den voogd.

Ten aanzien van hen, die wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens onder curateele gesteld zijn, geldt het derde lid van artikel 62.

De Nederlander, die in het buitenland domicilie heeft, wendt zich tot de rechtbank van zijn laatste domicilie hier te lande, en, bij gebreke hiervan, tot die te Amsterdam.

De rechtbank hoort het openbaar ministerie.

b. w.

De belanghebbende kan in hooger beroep komen binnen eene maand na de dagteekening der beschikking.

69 b. w.

Art. 68.

Ten aanzien van de beschikking, waarbij het verzoek wordt toegestaan, zijn de artikelen 65 en 66 toepasselijk.

Art. 69.

De bepalingen van deze afdeeling gelden ook voor hen, die, geene wettige namen

hebbende, deze wenschen te bekomen.

ocr page 36

24

VIERDE TITEL.

Van domicilie.

74 ud i Ji. w. Art. 70.

Domicilie heeft men daar, waar men zijn hoofdverblijf heeft gevestigd.

Art. 71.

Vestiging van hoofdverblijf heeft plaats door ergens te gaan wonen, met het voornemen om er hoofdverblijf te houden.

Dit voornemen wordt bewezen door eene verklaring, gedaan aan bet bestuur der gemeente, waarin de vestiging geschiedt.

Bij gebreke van zoodanige verklaring wordt het bestaan van het voornemen uit de omstandigheden opgemaakt.

75 en 76 B. W. Art. 72.

De bepalingen van het voorgaande artikel zijn eveneens toepasselijk ingeval van overbrenging van hoofdverblijf naar eene andere, alsmede bij verandering van hoofdverblijf binnen dezelfde gemeente.

74 m 2 b. ir. Art. 73.

Bij gebreke van hoofdverblijf wordt het domicilie geacht te zijn daar, waar men woont, en bij gebreke hiervan, daar, waar men zich bevindt.

78 b. w. Art. 74.

De getrouwde vrouw, welke niet van tafel en bed is gescheiden, volgt het domicilie van haren man; de minderjarige, behalve voor zoover hij krachtens handlichting een zelfstandig domicilie heeft, dat van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, of van zijn voogd; de onder curateele gestelde, dat van zijn curator.

Bij het ophouden van den in dit artikel bedoelden rechtstoestand, worden zij geacht het voornemen te hebben hun hoofdverblijf te vestigen daar, waar zij alsdan wonen, totdat zij van het tegendeel doen blijken.

ocr page 37

25

Wanneer minderjarigen onder voogdij komen, en bij verandering in den persoon van hun voogd, behouden zij hun domicilie tot dat de voogdij ten aanzien van hun voogd of nieuwen voogd is aangevangen.

Hetzelfde geldt voor onder curateele gestelden met betrekking tot hunnen curator of nieuwen curator.

«• r. Art. 75.

Het laatste domicilie van eenen overledene geldt als de plaats, waar zijne erfenis is opengevallen.

Art. 76.

Het domicilie van rechtspersonen is daar, waar zij hun zetel hebben.

Wanneer die zetel niet of niet meer aan eenig bepaald huis is verbonden, volgt het domicilie dat van het hoofd des bestuurs, zoo deze domicilie heeft binnen de gemeente, waar de zetel is gevestigd.

Bij gebreke daarvan geldt als domicilie het gemeentehuis.

js. w. Art. 77.

Voor eene bepaalde zaak kan bij akte een bijzonder domicilie gekozen worden aan eene bepaalde woning of bij eenen aangewezen persoon.

Worden daaraan geene bepaalde gevolgen verbonden, dan wordt voor alles, wat die zaak betreft, het gekozen domicilie met het werkelijke gelijk gesteld.

b. w. Art. 78.

Behoudens tegenovergesteld beding, kan men zijn gekozen domicilie veranderen, mits het nieuwe domicilie in dezelfde gemeente zij gelegen, en de verandering aan de belanghebbenden worde beteekend.

4

ocr page 38

26

VIJFDE TITEL.

Van het huwelijk.

EERSTE AFDEELING.

Van de vereischten en beletselen.

84 x. w. Art. 79.

De man mag te gelijker tijd slechts met ééne vrouw, de vrouw slechts met één man door het huwelijk verbonden zijn.

86 b. w. Art. 80.

Mannen mogen vóór den ouderdom van achttien jaren, vrouwen vóór dien van zestien jaren geen huwelijk aangaan.

De Koning kan van dit verbod dispensatie geven.

87 b. w. Art. 81.

Het huwelijk is verboden tusschen bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, alsmede tusschen broeders en zusters, onverschillig of de verwantschap ontstaan is door wettige of onwettige geboorte.

9i b. w. Art. 82.

Vrouwen mogen, indien haar huwelijk door den dood of door echtscheiding is ontbonden, of indien het is nietig verklaard, geen nieuw huwelijk aangaan dan na verloop van drie honderd dagen na dien der ontbinding of nietigverklaring.

De Koning kan van dit verbod dispensatie geven.

Art. 83.

Het huwelijk van hem, die ouderlijk gezag overeen kind heeft, is verboden, zoolang hij niet aan den kantonrechter verzocht heeft om daarin te worden gehandhaafd.

9-2, 97 b. w. Art. 84.

Minderjarigen, die onder ouderlijk gezag staan, behoeven de toestemming van hem, die dat gezag uitoefent.

ocr page 39

27

Art. 85.

Minderjarigen, die onder voogdij staan, behoeven de toestemming van den voogd, en, wanneer deze ontbreekt, of het een huwelijk geldt met hem zelf, zijn kind of kleinkind, die van den toezienden voogd.

Zij behoeven ook de toestemming van den grootvader van vaders-, van dien van moederszijde, van de grootmoeder van vaders-, van die van moederszijde, naar de orde, waarin zij hier zijn opgenoemd, zoodat een later genoemde alleen in aanmerking komt, wanneer de voorgaande ontbreekt.

2 b. jt. Art. 86.

Zij, die wegens verkwisting of zwakheid van vermogens onder curateele zijn gesteld, behoeven de toestemming van den curator, en, zoo deze ontbreekt, of zoo het een huwelijk geldl met hem zelf, zijn kind of kleinkind, die van den toezienden curator.

Art. 87.

Hij, wiens toestemming wordt vereischt, wordt geacht te ontbreken:

Iquot;. wanneer hij krankzinnig is, hetzij hij te dier zake onder curateele is gesteld of niet;

2°. wanneer hij wegens zwakheid van vermogens onder curateele is gesteld;

3°. wanneer hij uit het ouderlijk gezag is ontzet, gedurende den tijd van die ontzetting ;

4°. wanneer hij geruimen tijd afwezig en zijn verblijf onbekend is.

De voogd of toeziende voogd, tenzij hij tevens de grootvader van vaders- of van moederszijde mocht zijn, die als zoodanig tot het geven van toestemming is geroepen, en de curator of toeziende curator worden bovendien geacht te ontbreken, wanneer zij door andere oorzaken verhinderd worden zich te verklaren.

Art. 88.

Minderjarigen kunnen, wanneer allen, wier toestemming noodig zou zijn, ontbreken, een huwelijk aangaan met verlof van den kantonrechter van hun domicilie.

Hetzelfde geldt voor de in artikel 86 bedoelde onder curateele gestelden, wanneer de curator en de toeziende curator beiden ontbreken, zonder dat hunne betrekking is opengevallen.

ocr page 40

28

95 lid 2 B. w. Art. 89.

Met gelijk verlof kunnen zij, die niet onder ouderlijk gezag staan, en wien de vereischte toestemming wordt geweigerd of onthouden, een huwelijk aangaan.

95 lid 2, 96 b. w. Art. 90.

Alvorens te beschikken, hoort de kantonrechter, indien het wettige kinderen geldt, den familieraad, en in het geval van het vorig artikel, hen, wier toestemming de verzoeker behoeft, alsmede zijn toezienden voogd of toezienden curator.

De bepalingen van den achttienden titel zijn toepassselijk.

Evenwel hebben alleen de verzoeker, en in het geval van het vorige artikel zij, wier toestemming noodig was, recht van hooger beroep of beroep in cassatie; de termijn van beide voorzieningen is, behalve voor den verzoeker, van veertien dagen.

TWEEBE AF DEELING.

Van de formaliteiten, die de voltrekking voorafgaan.

Art. 91.

Zij, die met elkander een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan, hetzij persoonlijk, hetzij bij geschrifte, aangifte doen bij den ambtenaar van den burgerlijken stand van het domicilie van een hunner met vermelding van :

1°. hunne voornamen, namen, ouderdom, geboorteplaats, beroep of betrekking

en domicilie, benevens de gemeenten, in n0. 2 van artikel 94 aangeduid; 2°. indien zij vroeger gehuwd zijn geweest, de voornamen en de namen van hunne vorige echtgenooten;

3°. zoo mogelijk, de voornamen, de namen, het beroep of de betrekking en het domicilie van hunne ouders.

no b. w. Art. 92.

De ambtenaar, bij wien de aangifte gedaan is, doet een door hem onderteekend uittreksel der akte van huwelijksaangifte, behelzende de in het vorig artikel vermelde opgaven, aanplakken aan het gemeentehuis.

Hij zendt een afschrift der akte van huwelijksaangifte aan den ambtenaar van elke gemeente, waar daarenboven openbaarmaking moet geschieden, die een uittreksel daarvan op dezelfde wijze doet aanplakken.

4 De uittreksels blijven gedurende veertien dagen aangeplakt.

105 , 106 en 107 B. W.

ocr page 41

29

Art. 93.

Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur wordt voor elk arrondissement een nieuwsblad aangewezen, waarin alle voorgenomen huwelijken aangekondigd worden.

Als dag der aankondiging geldt de dagteekening van het nieuwsblad, dat de aankondiging bevat.

De ambtenaar van den burgerlijken stand, bij wien de aangifte gedaan is of aan wien een afschrift der akte van huwelijksaangifte gezonden is, doet die aankondiging tweemalen, met eene tusschenruimte van ten minste eene week en ten hoogste vijftien dagen.

De aankondigingen behelzen de opgaven, in artikel 91 vermeld, en dragen de naamteekening van den ambtenaar.

8, 109 B. r. Art. 94.

De aanplakking geschiedt:

1°. in de gemeente of de gemeenten, waarin de aanstaande echtgenooten domicilie hebben;

2°. in de gemeente of de gemeenten, waarin de aanstaande echtgenooten gedurende de laatste zes maanden domicilie hebben gehad, en in die, waarin zij gedurende dien tijd hebben gewoond.

De aankondigingen geschieden in de nieuwsbladen, aangewezen voor de arrondissementen, waartoe die gemeenten behooren.

Art. 95.

Is een der plaatsen, in het vorige artikel aangeduid, in een ander rijk in Europa gelegen, dan geschiedt de openbaarmaking aldaar enkel door eene aankondiging, dooide zorg van den belanghebbende éénmaal in een in dat rijk verschijnend nieuwsblad te plaatsen.

De officier van justitie in het arrondissement, waar de aangifte gedaan is, wijst dit nieuwsblad aan, en bepaalt, in welke taal de aankondiging moet gesteld zijn.

Hij kan van die verplichting vrijstelling verleenen.

in js. w. Art. 96.

De officier van justitie kan om gewichtige redenen vrijstelling verleenen van de tweede aankondiging; in dit geval wordt de termijn van aanplakking verkort tot vijf dagen.

ocr page 42

30

Art.. 97.

De ambtenaar van den burgerlijken stand, die vermeent, dat er voor het openbaar ministerie een grond tot stuiting bestaat, geeft daarvan kennis aan den officier van justitie.

112 b. ik Art. 98.

Wanneer het huwelijk niet binnen een jaar na den dag der aangifte voltrokken is, wordt eene herhaling der aangifte en openbaarmaking vereischt.

Deze termijn wordt geschorst van den dag der inlevering van het verzoekschrift tot opheffing eener stuiting tot aan dien, waarop de beslissing kracht van gewijsde heeft, o waarop de verzoeker kennis heeft bekomen van het intrekken of het vervallen der sluiting.

lis s. w. Art. 99.

Trouwbeloften geven geene vordering tegen de partij, die weigert het huwelijk aan te gaan; alle bedingen tot schadeloosstelling te dier zake zijn nietig.

DERDE AFDEELING.

Van de sluiting.

116 4° e» 6°, 117, Art 100

118, 120 Ji. W.

De ouders, grootouders, bloedverwanten in de zijlijn tot den vierden graad ingesloten, de toeziende voogd en toeziende curator van een der partijen zijn bevoegd, en het openbaar ministerie is verplicht, een huwelijk te stuiten op grond, dat de voltrekking daarvan zou zijn in strijd met een der artikelen 79 tot en met 82, of dat de voorgeschreven openbaarmaking der huwelijksaangifte overeenkomstig de artikelen 92 tot en met 95 niet heeft plaats gehad.

11G 3quot;, 117,118 Art 401

120 li. W. ' 1U1,

De ouders, grootouders, bloedverwanten in de zijlijn tot den vierden graad ingesloten, de curator en toeziende curator zijn bevoegd, en het openbaar ministerie is verplicht, een huwelijk te stuiten op grond, dat een der partijen krankzinnig is, wegens krankzinnigheid onder curateele is gesteld, of hare ondercurateelestelling uit dien hoofde gevraagd is.

ocr page 43

31

quot;usVr: Art- ^02-

Hij, wiens toestemming noodig is tot het aangaan van een huwelijk, kan dit stuiten op grond, dat hij die toestemming weigert.

ii5 s. ir. Art. 103.

Hij, die met een der partijen is gehuwd, en de meerderjarige kinderen uit dien echt, behalve in het geval, dat de echtgenoot van een vermoedelijk overleden verklaarde een nieuw huwelijk wil aangaan, kunnen een voorgenomen huwelijk stuiten op grond van het bestaande.

no b. w. Art. 104.

Hij, wiens huwelijk is nietig verklaard of door echtscheiding ontbonden, is bevoegd een huwelijk te stuiten, dat zijn gewezen vrouw zou willen aangaan in strijd met artikel 82.

»1 w. B. Rv. Art. 105.

122 B. IF.

De stuiting geschiedt bij aanzegging door een deurwaarder, met afgifte van afschrift, aan de partij, tegen welke zij is gericht, en aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van het domicilie van die partij of aan dien, door wien het huwelijk zal worden voltrokken.

De akte van stuiting vermeldt de betrekking waarin, het huwelijk waartegen, en de gronden waarop de stuiting gedaan wordt, met keuze van domicilie binnen de gemeente, waarin de aanzegging geschiedt.

Alles op straffe van nietigheid.

Geen andere grond kan daarna door hem, die de stuiting gedaan heeft, worden aangevoerd, tenzij die later is opgekomen.

miidiB. w. Art. 106.

Wanneer een huwelijk is gestuit, mag de ambtenaar van den burgerlijken stand het niet voltrekken, voordat de stuiting is vervallen, ingetrokken of opgeheven.

Art. 107.

De stuiting vervalt door het overlijden van den gene, die haar heeft gedaan.

ocr page 44

32

De stuiting op grond van weigering van toestemming vervalt, wanneer krachtens artikel 89 verlof is verleend bij eene beschikking, die kracht van gewijsde heeft.

Art. 108.

De stuiting kan door dengene, die haar gedaan heeft, worden ingetrokken bij eene notarieele akte, waarvan het oorspronkelijke kan worden afgegeven.

quot;I s- r. Art. 109.

802, 803 W.B.Iiv.

De stuiting wordt opgeheven door eene rechterlijke beschikking, die kracht van gewijsde heeft.

Die opheffing kan door dengene, tegen wien de stuiting gericht was, bij verzoekschrift worden gevraagd aan de rechtbank van het arrondissement, waarin de huwelijksaangifte is geschied, en door haar worden verleend, na verhoor van dengene, die het huwelijk heeft gestuit, indien deze, na behoorlijk te zijn opgeroepen, in persoon of bij gemachtigde is verschenen.

De rechtbank stelt zoodanig verder onderzoek in, als zij dienstig oordeelt.

Van hare beschikking is hooger beroep toegelaten, gedurende veertien dagen na de beteekening.

Artikel 342 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing.

De termijn van beroep in cassatie is eveneens van veertien dagen na de beteekening.

Van het ingesteld hooger beroep of beroep in cassatie wordt binnen de gestelde termijnen ter griffie van het college, tegen welks beschikking wordt opgekomen, eene verklaring afgelegd, die in een daartoe bestemd register wordt ingeschreven.

Bij gebreke daarvan, wordt de voorziening tegen de beschikking, waarbij de stuiting is opgeheven of de opheffing bevestigd, als niet geschied beschouwd, en kan de griffier de verklaring afgeven, dat de beschikking kracht van gewijsde heeft.

124 £. r. Art, 110.

Hij, wiens stuiting is opgeheven, of die haar heeft ingetrokken, kan worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

Deze bepaling geldt niet voor het openbaar ministerie.

ocr page 45

33

VIERDE A FD EE LING.

Van de vollrekkinj.

Art. 111.

De ambtenaar van den burgerlijken stand doet zich, vóór hij een huwelijk voltrekt, ter hand stellen;

1°. de geboorteakten der aanstaande echtgenooten;

2°. een bewijsschrift van den ambtenaar van den burgerlijken stand van elke gemeente, waar overeenkomstig de artikelen 92, 93 en 94 openbaarmaking der aangifte moei geschieden, dat dit heeft plaats gehad.

Dit bewijsschrift wordt niet gevorderd ten aanzien der gemeente, waar de voltrekking plaats heeft.

3°. ingeval er meer dan ééne gemeente is, waar het huwelijk kan worden voltrokken, een bewijsschrift van den ambtenaar van den burgerlijken stand van de gemeente, waar het niet voltrokken wordt, dat hem geene stuiting beteekend is, of eene opgave van dien ambtenaar van de aan hem gedane aanzeggingen van stuiting.

Het bewijsschrift, dat geene stuiting beteekend is, mag niet worden afgegeven vóór den dag, waarop het huwelijk overeenkomstig artikel 115 mag voltrokken worden.

4°. ingeval eene stuiting is vervallen of ingetrokken, het bewijsstuk, waaruit zulks blijkt; ingeval zij is opgeheven, de rechterlijke beschikking, bedoeld bij artikel 109, benevens eene verklaring van den griffier, dat die kracht van gewijsde heeft;

5°. in het geval van opvolgend huwelijk, het stuk, waaruit blijkt, dat het vorige huwelijk is ontbonden of nietig verklaard, of wel het vonnis, waarbij de andere echtgenoot vermoedelijk overleden is verklaard;

6°. in het geval van artikel 83, een bewijsschrift, dat het daar bedoelde verzoek is gedaan;

7°. in de gevallen van de artikelen 84 tot en met 86, eene notarieele akte, houdende de vereischte toestemming, met vermelding van de namen dergenen, in wier huwelijk wordt toegestemd; tenzij de toestemming bij de huwelijksvoltrekking zelve gegeven wordt;

8°. in het geval dat iemand, wiens toestemming de aanstaande echtgenoot anders zou behoeven, ontbreekt, de stukken, waaruit dit blijkt;

9°. in de gevallen van de artikelen 88 en 89, het verlof, door den rechter verleend;

10°. in het geval van artikel 95, een exemplaar van het nieuwsblad, dat de aankondiging bevat, waarop de officier van justitie zijne goedkeuring heeft gesteld, en hetwelk vrij van registratie is;

126 B.

1°.

4°.

2».

5».

2«.

ocr page 46

34

11°. in het geval van de artikelen 119 en 120, een bewijsstuk der vergunning, en de daar bedoelde akte van volmacht;

12°. in de gevallen der artikelen 80 , 82 , 95 , 96 en 118, een bewijsstuk van de dispensatie, de vrijstelling of de vergunning, daar bedoeld.

127 w. Art. 112.

De aanstaande echtgenoot, wien het niet mogelijk is zich zijne geboorteakte te verschaffen, volstaat met de overlegging van een afschrift van het proces-verbaal, bedoeld bij artikel 36, ofwel van eene akte van bekendheid, afgegeven door den kantonrechter van zijne geboorteplaats of zijn domicilie.

De kantonrechter geeft deze akte alleen af, wanneer door verklaringen of op andere wijze, ten zijnen genoege, aanvankelijk gebleken is van den vermoedelijken tijd en plaats der geboorte, benevens van het bestaan eener oorzaak, die de overlegging der geboorteakte belet.

Hij vermeldt het een en ander, met redenen omkleed, in de akte.

128 b. ir. Art. 113.

De aanstaande echtgenoot kan, wanneer iemand ontbreekt, wiens toestemming hij anders zou behoeven, zonder dat hij zich een bewijsstuk van dat ontbreken kan verschaffen, zich wenden tot den kantonrechter van zijn domicilie.

Deze geeft, wanneer hem op de wijze, in het vorig artikel gemeld, gebleken is, dat de verzoeker in het aangewezen geval verkeert, eene met redenen omkleede verklaring af, die in de plaats treedt van het ontbrekende bewijsstuk.

129 b. w. Art. 114.

Wanneer de ambtenaar van den burgerlijken stand op grond van ongenoegzaamheid of gemis aan overeenstemming der overgelegde stukken de voltrekking van een huwelijk weigert, kan de belanghebbende zich bij verzoekschrift wenden tot de rechtbank, die den ambtenaar kan machtigen om tot de voltrekking over te gaan.

De rechtbank hoort het openbaar ministerie.

De belanghebbende kan in hooger beroep komen binnen eene maand na de dagtee-kening der beschikking.

Artikel 342 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing.

130 b. w. Art. 115.

Geen huwelijk mag worden voltrokken vóór het einde van den termijn, voor de aanplakking bepaald.

ocr page 47

35

Het huwelijk mag voorts niet worden voltrokken vóór den derden dag, volgende op de laatste binnenlandsche aankondiging, noch vóór den vijftienden dag, volgende op de aankondiging, vermeld in artikel 95, noch vóór den achtsten dag na dien, waarop eene stuiting, tengevolge van het overlijden van hem, die haar heeft gedaan, is vervallen.

, 44 li. w. Art. 116.

Het huwelijk wordt voltrokken door dat de ambtenaar van den burgerlijken stand de partijen, nadat zij beiden te zijnen overstaan verklaard hebben, elkander tot echtgenoot te nemen, en beloofd hebben getrouw alle plichten te zullen vervullen, welke aan den gehuwden staat verbonden zijn, uit kracht der wet door het huwelijk vereenigd verklaart.

i3i b. w. Art. 117.

Het huwelijk wordt in de gemeente, waarin eene der beide partijen domicilie heeft, in tegenwoordigheid van vier getuigen, in het openbaar voltrokken.

Zij, die toestemming geven bij de huwelijksvoltrekking, kunnen niet als getuigen optreden.

132 n. r. Art. 118.

Met schriftelijke vergunning van den officier van justitie mag de ambtenaar van den burgerlijken stand het huwelijk in een bijzonder huis en met gesloten deuren voltrekken.

De officier van justitie verleent deze vergunning enkel, wanneer hem blijkt, dat een der partijen verhinderd wordt zich naar het in artikel 4 bedoelde lokaal te begeven.

\,nuid\s.w. Art. 119.

De aanstaande echtgenooten verschijnen in persoon voor den ambtenaar van den burgerlijken stand.

De Koning kan op hun verzoek vergunnen, dat één hunner zich door een gemachtigde doet vertegenwoordigen.

Art. 120.

De akte van volmacht, notarieel te verlijden, moet bevatten den naam en de voornamen, zoo van den gemachtigde, als van dengene, met wien het huwelijk zal worden aangegaan.

Er kunnen ook meer personen als gemachtigden benoemd worden, van wie, naar

ocr page 48

36

de orde waarin dit is geschied, de later genoemde optreedt, wanneer de voorgaande ontbreekt.

Als gemachtigden kunnen gekozen worden meerderjarige personen, in het Rijk domicilie hebbende.

De bepalingen omtrent lastgeving zijn niet toepasselijk.

De gemachtigde is, zoo hij aan de opdracht niet voldoet, niet gehouden tot eenige vergoeding.

134 Hd ■gt; :ii. w. Art. 121.

Het bij gemachtigde aangegane huwelijk, vóór welks voltrekking de vertegenwoordigde in persoon met een ander gehuwd was, wordt als niet tot stand gekomen beschouwd.

VIJFDK AFDEELING.

Van de nietigverklaring.

140 b. w. Art. 122.

Geen tot stand gekomen huwelijk is van rechtswege nietig; het kan alleen worden nietig verklaard door den rechter op een daartoe strekkenden eisch.

142 b. w. Art. 123.

De nietigverklaring van een huwelijk, op grond dat het door een der echtgenooten of door beiden ten gevolge van dwang is aangegaan, kan alleen gevorderd worden door hem, die ten gevolge van dwang zijne toestemming heeft gegeven.

Wanneer iemand door dwaling een ander persoon tot echtgenoot heeft genomen, dan dien hij meende te huwen, kan hij op grond daarvan de nietigverklaring van zijn huwelijk vorderen.

In de gevallen van dit artikel vervalt het recht om nietigverklaring te vorderen, wanneer de echtgenoot, na zijne vrijheid geheel terugbekomen of zijne dwaling ontdekt te hebben, gedurende eene maand met zijn echtgenoot heeft samengewoond, of wanneer, ook zonder hunne samenwoning, een jaar daarna is verloopen.

143 b. w. Art. 124.

De nietigverklaring van een huwelijk, aangegaan door iemand, die wegens krankzinnigheid onder curateele is gesteld, kan worden gevorderd door zijne bloedverwanten in de opgaande lijn, zijne broeders en zusters, zijn curator en het openbaar ministerie.

ocr page 49

37

Na de opheffing der curateele, kan de nietigverklaring alleen worden gevorderd door den echtgenoot, die onder curateele was gesteld.

Diens recht daartoe vervalt, wanneer hij gedurende eene maand, nadat de opheffing der curateele hem bekend is geworden, met zijnen echtgenoot heeft samengewoond, zoomede, wanneer, ook zonder hunne samenwoning, een jaar is verloopen, nadat de beschikking, waarbij zij is opgeheven, kracht van gewijsde heeft bekomen.

Art. 125.

De nietigverklaring van een huwelijk, dat bij gemachtigde is aangegaan, nadat de vertegenwoordigde bij notarieele akte zijne machtiging had ingetrokken, kan op dien grond door hem en door den anderen echtgenoot gevorderd worden.

De vordering vervalt door samenwoning der echtgenooten, en voor den vertegenwoordigde bovendien door verloop van een jaar, nadat hem de voltrekking bekend is geworden.

ui b. ir. Art. 126.

De nietigverklaring van een huwelijk, in strijd met artikel 79 aangegaan, kan worden gevorderd door hem, die met een der echtgenooten door een vroeger huwelijk is verbonden, de echtgenooten zeiven, allen, die daarbij belang hebben, en het openbaar ministerie.

145 Ji. r. Art. 127.

De nietigverklaring van een huwelijk, in strijd met artikel81 aangegaan, kan worden gevorderd door de echtgenooten, hunne bloedverwanten in de opgaande lijn, hunne broeders en zusters, ieder, die daarbij belang heeft, en het openhaar ministerie.

146 ji. ir. Art. 128.

De nietigverklaring van een huwelijk, zonder de vereischte toestemming aangegaan , kan gevorderd worden door hen, wier toestemming werd vereischt.

De rechter wijst den eisch af, indien hij bevindt, dat er geene bedoeling heeft bestaan om de wet te ontduiken.

De vordering vervalt:

1°. door uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring;

2°. door verloop van een jaar nadat de dag, waarop en de plaats waar het huwelijk voltrokken is, ter kennis zijn gekomen van hem, wiens toestemming vereischt werd ;

3°. door verloop van drie jaren na de voltrekking.

••

ocr page 50

38

147, 154 B. Art. 129,

De nietigverklaring van een huwelijk, zonder behoorlijke openbaarmaking van aangifte door een onbevoegden ambtenaar van den burgerlijken stand voltrokken, kan gevorderd worden door de bloedverwanten in de opgaande lijn van een der echtgenooten , den voogd, den curator en ieder, die daarbij belang heeft, alsmede door het openbaar ministerie.

De rechter wijst den eisch af, indien hij bevindt, dat bij de echtgenooten geene bedoeling heeft bestaan om de wet te ontduiken.

De vordering vervalt voor de bloedverwanten als zoodanig, den voogd en den curator, alsmede voor het openbaar ministerie, wanneer de echtgenooten hier te lande gedurende twee jaren hebben samengewoond.

148 £. jr. Art. 130.

In de gevallen, waarin nietigverklaring gevorderd kan worden door hen, die daarbij belang hebben, is de op dien grond ingestelde eisch alleen ontvankelijk, wanneer hel huwelijk ontbonden is , en het een reeds verkregen en dadelijk aanwezig geldelijk belang betreft.

149 s. ik Art. 131.

Na de ontbinding van een huwelijk kan het openbaar ministerie de nietigverklaring daarvan niet meer vorderen.

Art. 132,

De nietigverklaring wordt openbaar gemaakt door het driemaal plaatsen van een uittreksel uit het vonnis, met eene tusschenruimte van ten minste eene week telkens, in het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93.

Dit uittreksel vermeldt den rechter, die het vonnis heeft gewezen, den dag der uitspraak, alsmede de namen, de voornamen, bet beroep of de beti'ekking en het domicilie der echtgenooten, en draagt de naamteekening van den procureur des eischers of den ambtenaar van het openbaar ministerie, die de nietigverklaring gevorderd heeft.

160 B. w. Art. 133.

Een nietig verklaard huwelijk behoudt, wanneer het door beide echtgenooten te goeder trouw is aangegaan, zoowel voor de echtgenooten als voor de kinderen alle rechtsgevolgen,

i5i b. w. Bestond de goede trouw bij het aangaan des huwelijks slechts bij één der echtgenooten, dan geldt hetzelfde alleen voor dien echtgenoot en voor de kinderen.

De goede trouw wordt ondersteld.

ocr page 51

39

De kwade trouw wordt ondersteld, wanneer het huwelijk is aangegaan in weerwil van eene gedane stuiting, welke niet is opgeheven, ingetrokken of vervallen.

De echtgenoot, die te kwader trouw het nietige huwelijk heeft aangegaan, kan tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den anderen echtgenoot veroordeeld worden.

In allen gevalle houdt het huwelijk op rechtsgevolgen te weeg te brengen van den dag der nietigverklaring af.

152 b. r.

153 b. w.

Art. 134.

Voor zoover derden met de echtgenooten of een hunner te goeder trouw gehandeld hebben, benadeelt de nietigverklaring geenszins de rechten, voor die derden uit deze handeling voortspruitende.

De goede trouw wordt ondersteld.

138 b. w.

ZESDE AFDEELING.

Yan de huwelijken, die in het buitenland zijn voltrokken.

Art. 135.

Bij een huwelijk, door eenen Nederlander in het buitenland aangegaan, gelden te zijnen aanzien de artikelen 79 tot en met 90.

Indien hij zijn domicilie in het buitenland heeft, vraagt hij het verlof, bedoeld bij artikel 88, aan den rechter van het eerste kanton te Amsterdam, en dat, bedoeld bij artikel 89, aan den kantonrechter van het domicilie van den toezienden voogd of toe-zienden curator.

Onverminderd de bepalingen der wet van 25 Juli 1871 {Staatsblad n0. 91), wordt het huwelijk als bestaande erkend, wanneer het tot stand is gekomen op de wijze, in het land, waar het is aangegaan, voor zijn bestaan gevorderd.

J

Art. 136.

De nietigverklaring van zoodanige huwelijken kan in de gevallen van de artikelen 123 tot en met 128 door de daar genoemde personen gevorderd worden.

Indien de echtgenooten in het buitenland domicilie hebben, wordt de eisch aangebracht bij den rechter, binnen wiens rechtsgebied de man het laatst domicilie hier te lande heeft gehad, of bij gebreke daarvan bij de rechtbank te Amsterdam.

De voorschriften der vijfde afdeeling zijn bij zulk eene nietigverklaring toepasselijk.

ocr page 52

40

ZESDE TITEL.

Yan de rechten en verplichtingen der echtgenooten.

162 lid 2 £. w. Art. 137.

De echtgenooten zijn verplicht elkander volgens staat en vermogen te onderhouden.

159 x. r. Art. 138.

De echtgenooten zijn tegenover elkander verplicht, volgens staat en vermogen bij te dragen tot de kosten van het onderhoud en de opvoeding hunner kinderen.

102 üdl lül lid2 Art. 139.

M. ir.

De man is verplicht de vrouw bij zich te ontvangen in de woning, die hij bewoont; zij is verplicht daar met hem te wonen.

Zoowel wanneer er tusschen de echtgenooten wettelijke gemeenschap van goederen bestaat als wanneer deze bij huwelijksvoorwaarden is beperkt, beheert de man het gemeene goed en beschikt daarover.

iiJ5 lid 3 w. Hij behoeft, tenzij bij huwelijksvoorwaarden anders is bedongen, de medewerking der vrouw tot het vervreemden of bezwaren van gemeenschappelijk onroerend goed en van gemeenschappelijke, doch op naam der vrouw staande, inschulden, effecten, aandeelen en schepen.

Tot het doen van schenkingen behoeft hij altijd de medewerking der vrouw, tenzij de waarde in verhouding tot het gemeenschappelijk vermogen niet bovenmatig is.

160 lid 8 en 4, Art. 141.

249, 299 Jl. W.

De man beheert het eigen goed der vrouw, tenzij het tegendeel bij huwelijksvoorwaarden is bedongen, er tusschen hen scheiding van tafel en bed of scheiding van goederen bestaat, of de vrouw het beheer van dat goed heeft overgenomen.

De man moet dat goed als een goed huisvader beheeren.

ocr page 53

41

id Ï b. w. Art. 142.

De vrouw kan met bewilliging van den man het beheer van haar eigen goed overnemen, mits daarvan biijke uit eene notarieele akte.

Deze akte wordt in een openbaar register ingeschreven ter griffie der rechtbank, en door den notaris, voor wien zij is verleden, bij uittreksel aangekondigd in het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93.

Eerst van den dag, volgende op dien der bekendmaking, werkt de overneming tegen derden.

nummer 2, Art. 143.

249 B. W.

De vrouw, die zonder bewilliging van den man het beheer van haar goed wcnscht over te nemen, wendt zich daartoe met een verzoekschrift tot de rechtbank.

Deze beschikt na verhoor van den man, en, dit dienstig oordeelende, van de door haar aan te wijzen verwanten van beide echtgenooten.

Het openbaar ministerie wordt op het verzoek gehoord.

De rechtbank wijst het verzoek af, indien niet blijkt, dat den man verzuim in het beheer van het goed te wijten is, of overigens de redenen van de vrouw haar niet aannemelijk voorkomen.

De beschikking, waarbij machtiging tot overneming van het beheer is verleend, wordt ingeschreven in het register, in het vorige artikel vermeld, en bij uittreksel aangekondigd in het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93.

Eerst van den dag, volgende op dien der bekendmaking, werkt de machtiging tegen derden.

25i b. w. Art. 144.

Op de overneming van beheer, hetzij met bewilliging van den man, hetzij met machtiging van den rechter, kan na de bekendmaking door de echtgenooten niet worden teruggekomen.

201 b. w. Art. 145.

De man heeft, zonder deswege verantwoording schuldig te zijn, ten behoeve van de huishouding en van de opvoeding der kinderen de beschikking over al de vruchten en inkomsten uit het vermogen der vrouw.

Hij heeft die beschikking niet:

1°. wanneer tusschen de echtgenooten scheiding van tafel en bed of scheiding van goederen bestaat;

l'Jö b. w. 2°. wanneer bij huwelijksvoorwaarden is bepaald, dat de vrouw het vrij genot barer inkomsten zal hebben;

6

ocr page 54

42

In dat geval is de rechtbank bevoegd om bij veranderde omstandigheden op verzoek van den man en na verhoor der vrouw aan deze eene bijdrage op te leggen.

200 b. r. 3U. wanneer bij huwelijksvoorwaarden is bepaald, wat de vrouw jaarlijks tot dat doel zal bijdragen.

De rechtbank is bij veranderde omstandigheden bevoegd, om ten verzoeke van een der echtgenooten, na verhoor van den anderen, de krachtens huwelijksvoorwaarden of rechterlijke beschikking verschuldigde bijdrage te wijzigen, alsmede om ten verzoeke der vrouw, na verhoor van den man, haar daarvan vrij te stellen.

164 b.w. Art. 146.

De vrouw wordt ondersteld als gemachtigde van den man alle handelingen te verrichten, die het gewoon 'en dagelijksch beheer der huishouding betreffen.

Deze onderstelling eindigt met den dag, waarop de man op voldoende wijze ter openbare kennis heeft gebracht, dat hij dien last intrekt.

Bijzondere kennisgeving daarvan geldt voor hem, die haar ontvangt, als openbare.

nis b. w. Art. 147.

Indien geene scheiding van tafel en bed tusschen de echtgenooten bestaat, behoeft de vrouw de bewilliging van den man tot het doen van schenkingen, tenzij de waarde in verhouding tot haar vermogen niet bovenmatig is; tot het vervreemden of bezwaren harer onroerende goederen; tot het aangaan van geldleeningen en verbintenissen als borg; tot hel teekenen van handelspapier; alsmede tot het aanvaarden van erfenissen, anders dan onder voorrecht van boedelbeschrijving.

De vrouw, die beheer heeft over haar goed, kan daarover beschikken, voor zoover zij niet in strijd handelt met het eerste lid van dit artikel.

160 lid 5 b. ir. Wanneer de vrouw geen beheer heeft over haar goed, behoeft zij de bewilliging van den man om daarover te beschikken.

In ieder geval is de vrouw bevoegd om overeenkomsten, door haar met bewilliging van den man aangegaan, uit te voeren en te dier zake betaling te ontvangen.

Art. 148.

249, 299 lid 2 B. If.

De vrouw, die beheer heeft over haar goed, kan van den kantonrechtér, na verhoor van den man, eene algemeene machtiging bekomen om zonder bewilliging van den man alle of eenige der handelingen, opgenoemd in het vorig artikel, te verrichten.

ocr page 55

43

De vrouw, die met uitdrukkelijke of stilzwijgende bewilliging van den man een afzonderlijk beroep of eene kunst als bedrijf uitoefent, is bevoegd tot elke handeling, die de uitoefening van dat beroep of die kunst kan medebrengen.

Deze bewilliging eindigt met den dag, waarop de man op voldoende wijze ter openbare kennis heeft gebracht, dat hij haar intrekt.

Bijzondere kennisgeving daarvan geldt voor hem, die haar ontvangt, als openbare.

Art. 150. van den man

60 lid 2, 165 B. W.

bewilliging

1116, 1217 lid 4 B. ir.

I, 180 B. W.

_ 169 B. W.

I'S W. B. Rv.

De vrouw mag zonder aan den rechter doen.

Dit lijdt uitzondering:

lu. wanneer en voor zoover de eisch of het verzoek betreft eene zaak, waarover zij zonder die bewilliging beschikken kan, of eene handeling, welke zij zonder die bewilliging verrichten kan;

2°. wanneer de eisch of het verzoek tegen den man gericht is, of het verzoek strekt om eene beschikking te bekomen ter vervanging van de ontbrekende bewilliging van den man.

Om tegen den man zoodanigen eisch in te stellen als ook tegen derden had kunnen gericht worden, en waarloe de vrouw in dat geval de bewilliging van den man noodig zou gehad hebben, behoeft zij de machtiging van den kantonrechter.

Tenzij het tegendeel is uitgedrukt, wordt de bewilliging of machtiging ondersteld ook te zijn verleend ten aanzien van voorzieningen tegen rechterlijke beslissingen, in de zaak gegeven.

Art. 151.

Bij langdurige verhindering van den man kan de kantonrechter, op verzoek van de vrouw, haar eene algemeene machtiging verleenen, om zoowel haar eigen als het gemeenschappelijk goed te beheeren en daarover zelfstandig te beschikken.

Tenzij anders is bepaald, is de vrouw alsdan bevoegd om alle handelingen, opgenoemd in artikel 147, te verrichten.

Art. 152.

Bij verhindering van de vrouw om hare medewerking, of van den man om deinde artikelen 147 en 150 bedoelde bewilliging te verleenen, kan de kantonrechter op verzoek van den anderen echtgenoot in gevallen, die geen uitstel lijden, machtiging verleenen.

geen eisch instellen of verzoek

ocr page 56

44

ff

107 B. w. Art. 153.

799, 800 W.B.llo.

Wanneer de vrouw de medewerking of de man de in de artikelen 147 en 150 bedoelde bewilliging weigert, kan de rechtbank, op verzoek van den anderen echtgenoot, na verhoor van eerstgemelden, machtiging verleenen.

171, 172 b. ;r. Art. 154.

Van handelingen, door een der echtgenooten zonder de vereischte medewerking of' bewilliging van den anderen verricht, kan op dien grond alleen door dezen of diens erfgenamen de nietigverklaring worden gevorderd.

Deze vordering vervalt door uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring.

270 lid 2 b. w. Art. 155.

Van handelingen, waardoor de eene echtgenoot te kwader trouw de rechten van den anderen heeft verkort, kan de vernietiging worden gevorderd door den benadeelden echtgenoot of diens erfgenamen.

Bij handelingen onder bezwarenden titel moet bovendien blijken, dat de partij, met wie gehandeld is, van de kwade trouw kennis droeg.

Art. 156.

Wanneer de vrouw zonder de vereischte bewilliging als eischeres in rechte optreedt, is de man bevoegd om binnen eene maand na den dag, waarop hij daarvan kennis bekomt, de gedingvoerenden aan hun werkelijk of gekozen domicilie te dagvaarden voor den rechter, voor wien de zaak aanhangig is, ten einde, op grond van het ontbreken zijner bewilliging, de instantie te hooren vervallen verklaren.

De vrouw wordt, als de instantie vervallen wordt verklaard, in alle kosten verwezen. Laat de man den bepaalden termijn verloopen, zoo wordt hij geacht bewilliging te hebben verleend.

Is het geding geëindigd, vóórdat die termijn is verstreken, dan kan hij tegen het ill eindvonnis in verzet komen binnen een jaar na den dag, waarop hij van de uitspraak

kennis heeft bekomen.

De tegenpartij kan in ieder geval op grond van het ontbreken der bewilliging, na vruchtelooze sommatie om het bewijs dier bewilliging alsnog binnen acht dagen te leveren, de niet-ontvankelijkverklaring vorderen, mits vóór het antwoord ten principale.

ocr page 57

45

Art. 157.

Wanneer de vrouw het verzoekschrift, vermeld bij artikel 143, heeft ingediend, kan zij, met verlof van den president der rechtbank, hare roerende goederen doen verzegelen en beschrijven,

De kantonrechter kan, tenzij de man voldoende zekerheid stelt of de echtgenooten anders overeenkomen, gelasten, dat de beschreven goederen worden bewaard dooi' een of meer door hem daartoe aan te. stellen bewaarders en ter plaatse, door hem aan te wijzen, en voorts zoodanige andere voorzieningen treffen, als tot behoud van de goederen kunnen strekken.

Van zijne beschikkingen, die bij voorraad uitvoerbaar verklaard worden, is hooger beroep toegelaten binnen eene maand na hare dagteekening.

De in dit artikel bedoelde beschikkingen kunnen op de minuut en zonder voorafgaande registratie worden ten uitvoer gelegd.

Art. 158.

Waar in dezen titel gesproken wordt van rechtbank of kantonrechter, wordt bedoeld de rechter, binnen wiens rechtsgebied de man zijn hoofdverblijf heeft, of, bij gebreke van hoofdverblijf, woont, en, zoo de man hier te lande geen hoofdverblijf heeft noch er woont, de rechter van het werkelijk verblijf van den eischenden of verzoekenden echtgenoot.

Verblijft in het bedoelde geval die echtgenoot in het buitenland, dan de rechter, binnen wiens rechtsgebied de man het laatst hier te lande domicilie heeft gehad en bij gebreke daarvan de rechtbank te Amsterdam of de rechter van het eerste kanton aldaar.

Art. 159.

De echtgenoot, wiens verhoor in dezen titel is voorgeschreven, wordt bij aangetee-kenden brief van den griffier opgeroepen.

Wanneer hij noch in persoon, noch bij gemachtigde verschijnt, kan de rechter zonder verhoor beschikken.

Hetzelfde geldt van de in artikel 143 bedoelde verwanten.

Art. 160.

Tegen de beschikkingen op een verzoek, gegrond op de artikelen 145, 148, 150tot en met 153, is aan den man en de vrouw hooger beroep toegelaten.

Dat beroep Avordt aanhangig gemaakt bij verzoekschrift, in te dienen, in de gevallen van artikel 145, binnen eene maand; in de overige binnen acht dagen na de dagteekening der beschikking. i

Het eerste, tweede en derde lid van artikel 500, het tweede, derde en vierde van artikel 508, zijn in hooger beroep toepasselijk.

De termijn van cassatie is van eene maand na de dagteekening der beschikking.

245 B. W. 8 r. B. Rv.

J

ocr page 58

46

ZEVENDE TITEL.

Van de wettelijke gemeenschap van ijoederen.

EERSTE AFDEELING.

Van den aard der gemeenschap.

174, 235 s. w. Art. 16i.

Van het oogenblik der voltrekking van het huwelijk bestaat van rechtswege tusschen de echtgenooten gemeenschap van goederen, tenzij het een tweede of verder huwelijk betreft, bij welks voltrekking kinderen of afstammelingen uit een vroeger huwelijk in leven zijn.

175, 176, 177 Art. 462.

b. w.

De gemeenschap omvat, wat hare baten betreft, alle goederen der echtgenooten, en, wat hare lasten aangaat, al hunne schulden, ook die vóór het huwelijk gemaakt.

Bij eene erfstelling, making of schenking kan worden bepaald, zoowel dat de daarin begrepen goederen niet in de gemeenschap zullen vallen, als dat de vruchten en inkomsten buiten de gemeenschap zullen blijven.

Is de vrouw de bevoordeelde, dan kan tevens bepaald worden, dat zij het beheer over die goederen zal voeren, alsmede, dat de man over de vruchten en inkomsten daarvan geenerlei beschikking zal hebben.

Art. 164.

178 b. w.

De doodschulden, na het overlijden gemaakt, komen ten laste van de erfgenamen van den overleden echtgenoot.

ocr page 59

47

Art. 165.

De gemeenschap wordt ontbonden:

4°. door ontbinding van het huwelijk;

2°. door scheiding van tafel en bed;

3°. door scheiding van goederen;

4°. door de verklaring van vermoedelijk overlijden van een der echtgenooten.

181 b. w.

539 b. w

Art. 166.

Wanneer vóór de ontbinding van het huwelijk de vermoedelijk overleden verklaarde echtgenoot blijkt nog in leven te zijn, blijft niettemin de gemeenschap ontbonden.

183 b. w. Art. 167.

Na de ontbinding der gemeenschap worden de gemeene goederen bij helfte verdeeld tusschen den man en de vrouw of hunne erfgenamen, naar de regelen vastgesteld omtrent boedelscheiding.

184 b. w.

Art. 168.

Kleedingstukken, kleinooden, gereedschappen, boekerijen en verzamelingen van kunst of wetenschap, bestemd tot het bijzonder gebruik van een der echtgenooten, worden hem op zijn verlangen toegescheiden.

Papieren of gedenkstukken, afkomstig van- en tevens betrekking hebbende op het geslacht van een der echtgenooten, worden aan dezen of zijne erfgenamen, wanneer zij het verlangen, toegescheiden.

Deze toescheiding geschiedt tegen den prijs, waarop die voorwerpen in der minne of door deskundigen geschat worden.

185 b. w. Art. 169.

De schulden zijn, na de ontbinding der gemeenschap, voor de helft ten laste van den man en voor de helft ten laste van de vrouw of hunne erfgenamen.

De man of zijne erfgenamen kunnen echter voor het geheel worden aangesproken, behondens hun verhaal voqr de helft op de vrouw of hare erfgenamen.

18« b. w.

Art. 170.

De eene echtgenoot kan, na de verdeeling der gemeenschap, niet meer worden

ocr page 60

48

aangesproken voor schulden, door den anderen vóór het huwelijk gemaakt, maar deze of zijne erfgenamen hebben verhaal voor de helft op den anderen echtgenoot of diens erfgenamen.

TWEEDE AFDEELING.

Van de scheiding van goederen.

24i b. w. Art. 171.

Scheiding van goederen kan alleen door rechterlijke uitspraak op vordering van de vrouw tot stand komen.

Hare erfgenamen kunnen den door haar ingestelden eisch voortzetten.

Afstand of beperking van het recht om scheiding van goederen te vragen is nietig.

241 b. iv. Art. 172.

Scheiding van goederen kan worden gevorderd, wanneer de man door wangedrag, verspilling of slecht beheer de goederen der gemeenschap in gevaar brengt.

S04 r. b. Rv. Art. 173.

De eisch wordt aangebracht bij de rechtbank, in artikel 158 aangeduid.

t

242 £. w. Art. 174.

807 r. B. Jtv.

De eisch wordt openbaar gemaakt door aanplakking van eene aankondiging in de gehoorzaal der rechtbank en plaatsing daarvan in het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93, alsmede door nederlegging van een afschrift der dagvaarding ter griffie.

De aankondigingen vermelden:

1°. de strekking van den eisch, met opgave van de namen, de voornamen, het beroep of de betrekking en het domicilie der echtgenooten;

2°. de rechtbank, voor welke, en den dag en het uur, tegen welke is gedagvaard, den dag der dagvaarding en den naam van den deurwaarder, die haar heeft uitgebracht.

Zij dragen de naamteekening van den procureur der eischeres.

De aanplakking geschiedt door een deurwaarder, die daarvan proces verbaal opmaakt.

ocr page 61

49

Art. 175.

De vrouw kan met verlof van den president der rechtbank , van het oogenblik der dagvaarding af, de roerende goederen der gemeenschap doen verzegelen en beschrijven. Het tweede, derde en vierde lid van artikel 157 zijn van toepassing.

248 b. w. Art. 176.

De schuldeischers, zoowel der gemeenschap als van ieder der echtgenooten afzonderlijk, kunnen in het geding tusschen komen om de gegrondheid van den eisch te betwisten.

tost iy. b. iiv.

Art. 177.

Op den eersten rechtdag legt de eischeres het bewijs over, dat minstens veertien dagen te voren voldaan is aan de voorschriften van artikel 174.

Bij gebreke daarvan bepaalt de rechtbank een naderen dag voor de verdere behandeling der zaak.

Wanneer op dien dag niet blijkt van voldoening aan de voorschriften van artikel 174 ten minste veertien dagen te voren, wordt de eischeres ambtshalveniet-ontvankelijk verklaard in haren eisch.

In geen ander geval wordt binnen vier weken na den eersten rechtdag, of, indien de rechtbank alsdan een naderen dag heeft bepaald, na dien dag, eindvonnis gewezen.

In dien tijd staat voor de schuldeischers de gelegenheid tot tusschenkomst open.

Art. 178.

De rechter kan bij enkele bekentenis van den man, of wanneer deze den eisch niet tegenspreekt, nader bewijs gelasten, indien hij de waarheid der aangevoerde feiten betwijfelt.

Art. 179.

| Hooger beroep of voorziening in cassatie wordt niet langer toegelaten dan zes

weken, verzet tegen een uitspraak bij verstek niet langer dan drie maanden na de beteekening.

245 B. W. 808 If- B. liv.

Artikel 88 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet toepasselijk.

810 B. li.

ocr page 62

50

■J44. lid 2 li. If. Art. -180.

Het vonnis, waarbij de scheiding is uitgesproken, heeft terugwerkende kracht tot op den dag der dagvaarding, welke dag in het vonnis wordt uitgedrukt.

Die terugwerkende kracht strekt zich niet uit tot daden van beheer , door den man ten aanzien van het gemeenschappelijk goed verricht, noch tot handelingen, door derden tot den dag na de geheele openbaarmaking van den eisch te goeder trouw met den man verricht.

De goede trouw wordt in dit geval ondersteld.

244, lid 1 JS. w.

811 r. B. Rv. Art 181

Het vonnis, waarbij de scheiding wordt uitgesproken, wordt openbaar gemaakt:

1°. door het driemaal plaatsen van een uittreksel, met tusschenruimte van ten minste eene week telkens , in het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93.

Dit uittreksel vermeldt den rechter, die het vonnis gewezen heeft, den dag der dagvaarding, dien der uitspraak, alsmede de namen, de voornamen, het beroep of de betrekking en het domicilie der echtgenooten , en draagt de naam-teekening van den procureur der eischeres.

2°. door inschrijving van een gelijk uittreksel in het register, bedoeld bij artikel 142.

De griffier doet die inschrijving niet, dan nadat hem zijn vertoond de nieuws ' bladen, waarin de onder nummer 1 voorgeschreven aankondiging is geschied , en maakt bij de inschrijving melding van hunne dagteekening.

Bij gebreke van deze inschrijving binnen drie maanden nadat de uitspraak kracht van gewijsde heeft bekomen, verliest de vrouw de voordeelen, voor haar verbonden aan de terugwerkende kracht van het vonnis, en kan zij eerst van den dag, volgende op dien der inschrijving, zich tegenover derden op de scheiding beroepen.

i44 lid 1 if. W. Art 1S9

812 ir. B. Rv.

De verdeeling mag niet plaats hebben, dan na verloop van eene week na de laatste plaatsing van het uittreksel in het nieuwsblad.

Bij gebreke daarvan kan de verdeeling aan derden niet worden tegengeworpen.

247 B. W. A.., 400

813 W. B. Rv. '

Schuldeischers, die niet in het geding zijn tusschen gekomen, kunnen tegen de uitspraak in verzet komen , indien de eisch ingesteld is ter opzettelijke verkorting hunner rechten.

Het verzet is toegelaten totdat een jaar is verloopen na den dag der inschrijving, in artikel 181 voorgeschreven.

ocr page 63

51

u'48 ii. w. Art. 184.

Indien de echtgenooten verschillen omtrent het bedrag, door de vrouw bij te dragen tol de kosten van de huishouding en de opvoeding der kinderen, wordt dat bedrag op verzoek van den man, na verhoor van de vrouw, door de rechtbank vastgesteld.

De rechtbank is bij veranderde omstandigheden bevoegd om die bijdrage te wijzigen, op verzoek van een der echtgenooten en na verhoor van den anderen, alsmede om ten verzoeke der vrouw, na verhoor van den man, haar daarvan vrij te stellen.

Het eerste en tweede lid van art. 459 zijn toepasselijk.

Tegen de beschikkingen der rechtbank is hooger beroep toegelaten.

Art. 185.

ssi n. w.

Wanneer de gemeenschap door scheiding van goederen ontbonden is, kan zij door de echtgenooten niet worden hersteld.

DERDE AFDEELING.

Van afstand van de gemeenschap.

7, 539, lid. 4 Art. 186.

ü. w.

De vrouw heeft het recht om van de gemeenschap afstand te doen; alle overeenkomsten daartegen strijdende zijn nietig.

Wanneer zij afstand gedaan heeft, kan zij uit de gemeenschap niets tot zich nemen dan haar lijfgoed.

Zij wordt door dezen afstand ontheven van de verplichting om bij te dragen tot de schulden der gemeenschap.

Onverminderd het recht der schuldeischers op de gemeenschap, blijft de vrouw verplicht de schulden te voldoen, die zij overeenkomstig artikel 149 heeft aangegaan, benevens die, welke zij vóór haar huwelijk of als beheerderes der gemeenschap heeft gemaakt; maar zij heeft in die gevallen verhaal voor het geheel op haar man of diens erfgenamen.

1H8 /;. w.

'14 W. H. Rv.

Art. 187.

De vrouw doet afstand door eene verklaring ter griffie van de rechtbank, in artikel 158 aangeduid.

De griffier schrijft die verklaring in het register, bedoeld bij artikel 142.

ocr page 64

52

De afstand kan slechts binnen drie maanden na den dag van de ontbinding der gemeenschap gedaan worden.

Indien de gemeenschap door den dood van den man ontbonden wordt, begint die termijn te loopen van den dag na dien, waarop de vrouw van dat overlijden heeft kennis gekregen.

191 s. if. Art. 188.

De vrouw, die zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken, kan geen afstand meer doen.

Daden van beheer, of die het behoud van het goed betreffen, brengen dat gevolg niet te weeg.

192 ji. w. Art. 189.

De afstand is nietig, wanneer de vrouw iets van de gemeenschap heeft weggemaakt of verduisterd.

189, 193 u. w. Art. 190.

Indien de vrouw binnen den termijn, voor den afstand bepaald, is overleden, zonder afstand te hebben gedaan, of indien de gemeenschap door den dood van de vrouw is ontbonden, zijn hare erfgenamen bevoegd binnen drie maanden na den dag, waarop zij van dat overlijden hebben kennis gekregen,. de verklaring van afstand uit te brengen ter plaatse, voor de vrouw voorgeschreven.

Deze termijn loopt niet ten aanzien van minderjarigen, over wie de man ouderlijk gezag uitoefent, zoolang geen raadsman is benoemd, en niet ten aanzien van andere, zoolang zij geen voogd hebben.

Ten aanzien van erfgenamen, die als zoodanig optreden tengevolge van de verwerping door de vóór hen geroepenen, begint de termijn te loopen van den dag na dien, waarop zij van de verwerping hebben kennis gekregen.

De erfgenamen hebben geen recht op he.t lijfgoed.

190 x. w. Art. 191.

Wanneer van de erfgenamen de een de gemeenschap aanvaard en de ander daarvan afstand gedaan heeft, blijft het gedeelte, waarvan afstand is gedaan, aan den man of diens erfgenamen, onder verplichting, om aan hem, die afstand deed, naar mate van diens erfdeel te voldoen , wat de vrouw volgens het vierde lid van artikel 186 op hen had kunnen verhalen.

ocr page 65

53 Art. 192.

De bepalingen van de artikelen 188 en 189 zijn van toepassing op de erfgenamen van de vrouw. •

ACHTSTE TITEL.

Man huwelijksvoorwaarden.

104 Ji. IV.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

Art. 193.

De aanstaande echtgenooten kunnen bij huwelijksvoorwaarden de gevolgen van hun huwelijk, doch alleen ten aanzien van hun vermogen, regelen.

192 H. W.

|, 50« Ji. w. Art. 194.

De minderjarige, die de vereischten bezit om een huwelijk aan te gaan, en hij, die wegens verkwisting of zwakheid van vermogens onder curateele is gesteld, kan geene huwelijksvoorwaarden maken dan met medewerking van hen, wier toestemming tot het aangaan van het huwelijk vereischt wordt.

De minderjarige, die onder voogdij staat, behoeft alleen de medewerking van den voogd en, wanneer deze ontbreekt, of wanneer het een huwelijk geldt met hemzelf, zijn kind of kleinkind, van den toezienden voogd.

Indien tot het aangaan van een huwelijk rechterlijk verlof noodig is, moet het ontwerp der huwelijksvoorwaarden worden goedgekeurd door den rechter, die het verlof geeft; de goedkeuring wordt gelijktijdig daarmede verleend.

Indien de rechter de huwelijksvoorwaarden goedkeurt, kan hij bevelen, dat die voorwaarden of sommige bij de beschikking aan te wijzen bepalingen zullen worden ingeschreven in het register, bedoeld bij artikel 142.

De notaris, voor wien de akte van huwelijksvoorwaarden wordt verleden, is alsdan gehouden voor die inschrijving te zorgen.

lid i _b. /ƒ■_ Art. 195.

De huwelijksvoorwaarden worden, op straffe van nietigheid, vóór het aangaan des huwelijks bij notarieele akte verleden.

ocr page 66

54

Art. 196.

De in artikel 194 bedoelde medewerking tot het verlijden der akte kan geschieden «loor een gemachtigde, uitsluitend daartoe bij notarieele akte aangesteld.

De volmacht moet den inhoud der huwelijksvoorwaarden geheel behelzen.

In geval van rechterlijke goedkeuring wordt de akte verleden in tegenwoordigheid van den kantonrechter, die haar mede onderteekent.

203 m i n. tv. Art. 197.

De aanstaande echtgenooten kunnen de huwelijksvoorwaarden slechts te zamen en bij notarieele akte herroepen of veranderen.

In zoodanig geval zijn ten aanzien van minderjarigen en onder curateele gestelden de drie vorige artikelen toepasselijk.

yon Hd ■gt; n. tv. Art. 198.

Schenkingen, door derden bij huwelijksvoorwaarden gedaan, vervallen, wanneer de huwelijksvoorwaarden zijn herroepen of veranderd, zonder dat zij bij de akte hebben verklaard daarmede genoegen te nemen.

204 /gt;'. w. - Art. 199.

Staande huwelijk kunnen huwelijksvoorwaarden niet worden herroepen of veranderd.

209 h. iy.

Art. 200.

Huwelijksvoorwaarden alsmede afzonderlijke schenkingen door derden ter zake des huwelijks vervallen, wanneer zij niet binnen het jaar door het huwelijk zijn opgevolgd, of wanneer een der aanstaande echtgenooten binnen dien tijd met een ander gehuwd is. De termijn van een jaar loopt ingeval van schenking van den dag, waarop zij gedaan is.

21-t h. w. Art. 201.

Onroerende goederen en op naam staande inschulden, effecten, aandeelen en schepen, gedurende het huwelijk op wiens naam ook aangekocht, worden geacht door ieder der echtgenooten voor de helft te zijn betaald, tenzij het tegendeel daarvan ten genoege des rechters blijkt.

Deze bepaling geldt niet voor aankoopen na scheiding van tafel en bed of scheiding van goederen.

ocr page 67

55

is, -m B. w. Art. 202.

Bij uitsluiting van de wettelijke gemeenschap wordt het roerend goed, aan ieder der echtgenooten bij het aangaan des huwelijks toehehoorende, met uitzondering van op naam staande inschulden, effecten, aandeelen en schepen, uitdrukkelijk opgegeven in de huwelijksvoorwaarden zelve , of wel in eene beschrijving , welke wordt vastgehecht aan de minuut van die voorwaarden, in welke daarvan melding wordt, gemaakt.

De beschrijving wordt onderteekend door den notaris en allen , die de akte onderteekenen, met uitzondering van de getuigen en van hen, die daarbij enkel tot het doen eener schenking partij zijn geweest.

Bij uitsluiting van de wettelijke gemeenschap kan de man op geen roerend goed, dat hij beweert na de huwelijksvoltrekking persoonlijk te hebben verkregen, aanspraak maken, tenzij zijn recht daarop door boedelbeschrijving, regelmatig gehouden registers of andere bescheiden ten genoege des rechters blijkt.

Bij gelijke uitsluiting kan de vrouw van haar recht op roerend goed, dat zij beweert na de huwelijksvoltrekking persoonlijk te hebben verkregen, of van het bestaan en de waarde van zoodanig goed bovendien op elke andere wijze doen blijken, zelfs door getuigen, onverschillig hoe groot die waarde is.

Verwanten, bedienden en dienstboden der echtgenooten kunnen als getuigen niet gewraakt worden.

De verwanten zijn als zoodanig niet onbekwaam tot het geven van getuigenis, en kunnen zich daarvan niet verschoonen.

Art. 204.

Bij gebreke van het bewijs, in de beide vorige artikelen bedoeld, worden de goederen geacht aan ieder van de echtgenooten voor de helft te behooren.

'2 ly -2 ji., ir.

Art. 205.

De huwelijksvoorwaarden werken tusschen de echtgenooten van het oogenblik der voltrekking van het huwelijk; daarmede strijdende bepalingen worden voor niet ge-schreven gehouden.

ocr page 68

56

•jot B. ir. Art. 206.

Bepalingen, in huwelijksvoorwaarden voorkomende, werken niet tegen derden, dan voor zooverre zij ter griffie der rechtbank, binnen wier rechtsgebied het huwelijk wordt voltrokken, zijn ingeschreven in het register, bedoeld bij artikel 142.

quot;Wanneer de inschrijving heeft plaats gehad binnen eene maand na den dag der voltrekking des huwelijks, werken die bepalingen tegen derden van het oogenblik der voltrekking; wanneer zij later zijn ingeschreven, van den dag volgende op dien der inschrijving.

Wanneer een Nederlander in het buitenland een huwelijk hoeft aangegaan hetzij met eene Nederlandsche, hetzij met eene vreemde vrouw, kunnen de echtgenooten hunne huwelijksvoorwaarden niet aan derden tegenwerpen, dan voorzooverre die zijn ingeschreven ter griffie der rechtbank, binnen wier rechtsgebied de man hier te lande tijdens het aangaan van het huwelijk domicilie had, en anders ter griffie van de rechtbank te Amsterdam.

Heeft de inschrijving plaats binnen twee maanden na den dag, waarop het huwelijk in Europa, of binnen zes maanden na dien, waarop het buiten Europa is voltrokken, dan werken de ingeschreven bepalingen tegen derden van het oogenblik der voltrekking; wanneer zij later zijn ingeschreven, van den dag volgende op dien der inschrijving.

Art. 207.

Nederlanders, wier huwelijksvoorwaarden niet overeenkomstig het vorige artikel ingeschreven zijn, en vreemdelingen kunnen, wanneer zij hun domicilie hier te lande vestigen, hunne huwelijksvoorwaarden aan derden tegenwerpen, wanneer die zijn ingeschreven ter griffie van de rechtbank, binnen wier rechtsgebied zij zich vestigen.

De ingeschreven bepalingen werken alsdan van den dag, volgende op dien der inschrijving.

Ten aanzien van verbintenissen van vreemdelingen, welke vóór hunne vestiging hier te lande zijn ontstaan, kan aan de echtgenooten het gemis der inschrijving hier te lande niet worden tegengeworpen.

Art. 208.

De beschrijving, in artikel 202 bedoeld, behoeft, om aan derden te kunnen worden tegengeworpen, niet te worden ingeschreven.

ocr page 69

57

TWEEDE AFDEELING.

■ ■ !' 1 ! ' ■

Van bedingen in huwelijksvoorwaarden.

195 x. if. Art. 209.

De huwelijksvoorwaarden mogen niet afwijken van de bepalingen van den zesden titel, dan voorzoover de wet het uitdrukkelijk toestaat.

198 if. if. Art. '210.

De aanstaande echtgenooten kunnen niet in algemeene bewoordingen overeenkomen, dat ten aanzien van hun vermogen andere wettelijke bepalingen, dan die hier te lande van kracht zijn, of eenig gewoonterecht zal gelden.

Art 211.

Gemeenschap, van welken aard ook, mag niet voorwaardelijk noch voor een tijd worden bedongen of uitgesloten, op straffe van nietigheid der huwelijksvoorwaarden.

197 n. jf. Art. 212.

Wanneer bedongen is, dat een der echtgenooten een ander aandeel inde lasten der gemeenschap heeft dan in de baten, worden niettemin de lasten gedragen naar de verhouding van ieders aandeel in de baten.

•236 lid 1, -237, . 0.0

238 b. jf. Art. 213.

Wanneer bij tweede of verder huwelijk huwelijksvoorwaarden zijn gemaakt, mag, indien er bij de ontbinding daarvan kinderen uit een vroeger huwelijk in leven zijn, de nieuwe echtgenoot uit de goederen van den hertrouwden echtgenoot rechtstreeks of zijdelings geen grooter voordeel erlangen dan ten bedrage van een vierde deel van diens boedel.

Is het huwelijk ontbonden door den dood van den hertrouwden echtgenoot, dan mag het voordeel tevens niet meer bedragen dan het minste deel, door een der voorkinderen genoten,

24o if. jr. Onder zoodanig voordeel wordt niet begrepen winst, staande huwelijk verkregen.

ocr page 70

58

■m, mv B.w. Het meerder genotene kan, zoolang dé voorkinderen in leven zijn, door den hertrouwden echtgenoot, of, na zijn dood, door die voorkinderen, van den nieuwen echtgenoot of diens erfgenamen worden teruggevorderd.

Met de voorkinderen worden hunne afstammelingen bij wege van plaatsvervulling gelijkgesteld.

208 M i, 2ii Art. 214.

b. w.

De bepalingen der eerste afdeeling van den zevenden titel zijn steeds van toepassing, voor zoover niet uitdrukkelijk of uit den aard der bedingen, bij huwelijksvoorwaarden gemaakt, daarvan is afgeweken.

De echtgenooten mogen niet afwijken van liet bepaalde in artikel 165; zij mogen niet bepalen, dat in de gemeenschap zal vallen, wat volgens artikel 163daarbuiten moet blijven, noch, dat na de ontbinding der gemeenschap de man of zijne erfgenamen niet voor het geheel der schulden van de gemeenschap kunnen worden aangesproken.

De tweede en derde afdeeling van den zevenden titel zijn op gemeenschap, van welken aard ook, toepasselijk.

199 lid i b. ik. Art. 215.

Wanneer bij huwelijksvoorwaarden de gemeenschap van goederen is uitgesloten , bestaat er tusschen de echtgenooten gemeenschap van winst en verlies, tenzij ook deze uitgesloten is.

•.212, '218 lid 1 b. r.

DERDE AFDEELING.

Van de gemeenschap van winst en verlies en van die van vruchten en inkomsten.

Art. 216.

Rij de gemeenschap van winst en verlies wordt voor winst gehouden de vermeer-denng van vermogen, gedurende de gemeenschap opgekomen uit de vruchten en inkomsten van ieders goederen en arbeid, alsmede uit de voordeden, door geluk aangebracht; voor verlies de vermindering van vermogen door de uitgavendoor ieder der echtgenooten gedurende de gemeenschap gedaan, en door de schulden, door ieder hunner gedurende de gemeenschap gemaakt.

Art. 217.

Alle winst en verlies, na het ophouden der gemeenschap vallende, maar waarvan de oorzaak gedurende de gemeenschap is geboren, komt in de gemeenschap.

ocr page 71

1

59

Onder die winst valt ook, hetgeen krachtens levensverzekering tijdens de gemeenschap gesloten na de ontbinding daarvan invorderbaar wordt, doch niet pensioenen, voor zooverre die na die ontbinding worden genoten.

Voor zoover later verkregen voordeelen voortvloeien uit arbeid en kosten, deels vóór, deels na de ontbinding der gemeenschap aangewend, heeft verrekening daarvan tusschen de echtgenooten of hunne rechtverkrijgenden plaats.

222 (811) B. w. Art. 218.

In de gemeenschap van winst en verlies vallen op gezette tijden ingevolge making of schenking, of krachtens eene overeenkomst van lijfrente uitgekeerd wordende geldsommen of andere voordeelen, alsmede de vruchten van goederen in vruchtgebruik bezeten.

216,216,217-B.W. Art. 219.

Waardevermeerdering of waardevermindering der goederen, aan een der echtgenooten toebehoorende, op welke wijze ontstaan, wordt niet als winst of verlies beschouwd.

Voor zoover de kosten der waardevermeerdering uit de gemeenschap zijn bestreden, is de eigenaar tot vergoeding daarvan gehouden.

213 b. w. Art. 220.

Als winst wordt niet beschouwd, hetgeen door erfenis, making of schenking wordt verkregen.

218 lid 2 B. W. Art. 221.

Schenkingen, door een der echtgenooten gedaan, alsmede uitgaven en schulden uit dien hoofde, worden niet tot het gemeen verlies gerekend; evenmin uitgaven en schulden, die het gevolg zijn van eene onrechtmatige daad van een der echtgenooten.

222 B. r.

Art. 222.

De overeenkomst, dat tusschen de echtgenooten gemeenschap van vruchten en inkomsten zal bestaan, heeft ten gevolge, dat tusschen hen gemeen wordt, wat als M'inst in de voorgaande artikelen is omschreven.

m

ocr page 72

60

VIERDE AFDEELING.

Van schenking, erfstelling of making lusschen aanstaande echtgcnooten. \

Art. 223.

Schenkingen, door de aanstaande echtgenooten bij huwelijksvoorwaarden aan elkander gedaan, hetzij wederkeerig, hetzij door een van beide aan den ander, zijn van waarde zonder de uitdrukkelijke aanneming door den begiftigde.

' •' • ■ ;gt; .

- UK! ' \ . • . ' ' . ^ lij •;(!?;

Art. 224. :i

Zoodanige schenkingen zijn onherroepelijk, behalve in geval de begiftigde de verplichtingen , hem bij de schenking opgelegd, niet nakomt.

Art. 225.

De aanstaande echtgenooten mogen bij huwelijksvoorwaarden elkander, of de een den ander, door erfstelling of making bevoordeelen.

Art. 226.

De erflater kan de erfstelling of making niet herroepen noch haar door uiterste wilsbeschikkingen krachteloos maken, dan ingeval de bevoordeelde de verplichtingen, hem bij de erfstelling of making opgelegd, niet nakomt.

De erflater blijft bevoegd tot vervreemding van de goederen, in de making begrepen.

VIJFDE AFDEELING.

Yan schenking ten behoeve van aanstaande echtgenooten door derden.

Art. 227.

Schenkingen, door derden bij huwelijksvoorwaarden aan de aanstaande echtgenooten of aan een hunner gedaan, zijn van waarde ook zonder de uitdrukkelijke aanneming door den begiftigde.

ocr page 73

61i

Wanneer zoodanige schenking ter zake des huwelijks bij afzonderlijke notarieele akte is gedaan, heeft zij geen gevolg zonder uitdrukkelijke aanneming door den begiftigde vóór de huwelijksvoltrekking.

ii- ' L.

234 b w. Art. 228.

De in het voorgaand artikel bedoelde schenkingen zijn onherroepelijk, behalve in geval de begiftigde of één der begiftigden de verplichtingen, bij de schenking opgelegd, niet nakomt, of in geval het huwelijk wordt nietig verklaard.

NEGENDE TITEL.

Van de ontbinding des huwelijks.

EERSTE AFDKE LING.

Van de ontbinding in het algemeen.

•264 «. w Art. 229.

Het huwelijk wordt ontbonden :

1°. door dén dood;

2°. door een nieuw huwelijk, nadat de andere echtgenoot vermoedelijk overleden is verklaard;

3°. door echtscheiding;

4°. door ontbinding na scheiding van tafel en bed.

TWEEDE AFDEELING. Van echtscheiding.

■-'«4 u w Art. 230.

Echtscheiding kan worden gevorderd op grond van: lu. overspel;

2#. onnatuurlijke ontucht, gedurende het huwelijk gepleegd;

ocr page 74

3°. weigering van samenwoning;

4°. onherroepelijke veroordeeling tot eene vrijheidstraf van vier jaren of langer, of eene vrijheidstraf van ten minste dien duur ter vervanging van de doodstraf, wanneer de veroordeeling na de voltrekking van het huwelijk is uitgesproken hetzij binnenslands, hetzij wegens een misdrijf, waartegen hier te lande eene vrijheidstraf van vier jaren of langer is bedreigd, buitenslands;

5°. aanslag op het leven of zware mishandeling van den eenen echtgenoot, opzettelijk gepleegd, bevorderd of uitgelokt door den anderen;

öquot;. gedurige slechte bejegening van den echtgenoot;

7°. gewoonte van dronkenschap of ander liederlijk gedrag.

Art. 231.

Wegens weigering van samenwoning kan echtscheiding alleen worden gevorderd : 1°. wanneer een der echtgenooten zonder geldige oorzaak de gemeene woning verlaat of weigert te betrekken, en gedurende drie jaren van zijnen echtgenoot verwijderd blijft leven;

wanneer de man zonder geldige oorzaak weigert de vrouw in zijne woning te ontvangen, en gedurende een jaar in die weigering volhardt.

Bestond er voor de verwijdering of weigering eene geldige oorzaak, die heeft opgehouden, dan beginnen deze termijnen te loopen van den dag na dien, waarop de onwillige echtgenoot van dat ophouden kennis heeft gekregen.

Art. 232.

De vordering tot echtscheiding wegens weigering van samenwoning vervalt, wanneer de echtgenoot, vóór dat de eisch is ingesteld, de samenwoning heeft hervat, of de man bereid is de vrouw in zijne woning te ontvangen en dit aan haar heeft kenbaar gemaakt.

Eene nieuwe ongegronde verlating of weigering om de gemeene woning te betrekken levert eenen nieuwen grond tot echtscheiding op, wanneer de verwijdering drie maanden heeft geduurd; bestond er eene geldige oorzaak, die heeft' opgehouden, dan is het laatste lid van het vorige artikel toepasselijk.

Eene nieuwe ongegronde weigering van den man om zijne vrouw in zijne woning te ontvangen levert dadelijk eenen nieuwen grond tot echtscheiding op.

De vordering tot echtscheiding vervalt in de gevallen van het tweede en der lid niet door terugkeer of bereidverklaring van den onwilligen echtgenoot.

ocr page 75

ti3

•271 lid 1, 274 Art 233.

B. W.

De vordering tot echtscheiding wegens eene der oorzaken, in artikel 230 onder de nummers 1, 2, 4 en 5 opgenoemd, vervalt voor den echtgenoot, die niet binnen zes maanden na den dag, waarop hij kennis heeft gekregen van het bestaan der oorzaak, den eisch heeft ingesteld of het daartoe noodige verlof aangevraagd.

Indien hij zich dan buiten Europa bevindt, wordt deze termijn verlengd tot zes maanden na den dag zijner terugkomst.

71 lid 2 n. w. Art. 234.

De vordering tot echtscheiding vervalt, wanneer de vrouw, na buiten de woning van den man met rechterlijke bewilliging verblijf te hebben gehouden, de samenwoning met hem heeft hervat.

275 b. w. Art. 235.

De vordering tot echtscheiding vervalt door het overlijden van een der echtgenooten.

290 b. w. Art. 236.

De echtgenoot, die scheiding van tafel en bed heeft gevorderd, kan op grond van dezelfde feiten geene echtscheiding meer vragen.

76 lid a b. ir. Art. 237.

De echtgenoot, die, de noodige machtiging bekomen hebbende, niet binnen zes maanden, overeenkomstig artikel 254, de echtscheiding heeft doen uitspreken, kan op grond van dezelfde feiten geen nieuwen eisch instellen.

52, 266 lid i Art. 238.

b. jr.

De eisch tot echtscheiding wordt aangebracht bij de rechtbank, in artikel 158 aangeduid, met dien verstande, dat de bevoegdheid der rechtbank wordt beoordeeld naar het oogenblik, waarop het in bet volgend artikel bedoeld verlof wordt aangevraagd.

Wordt de eisch gedaan door de vrouw op grond dat de man haar heeft verlaten, dan kan zij dien ook instellen voor de rechtbank, binnen wier rechtsgebied partijen hier te lande het laatst te zamen hebben gewoond.

ocr page 76

64

816 r. £. Mn. Art. 239.

Om een eisch tot echtscheiding te kunnen instellen, wordt het verlof van den president der rechtbank gevorderd.

Geen verlof wordt gevorderd om tegenover een eisch tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, echtscheiding bij wedereisch te vragen.

816 w. b. ie»„ Art. 240.

De verzoeker dient het verzoekschrift, dat de redenen, waarop het verzoek steunt, moet bevatten, in persoon aan den president in.

Wanneer geldige redenen den verzoeker verhinderen zich bij den president te vervoegen, begeeft deze zich naar diens woning.

Wanneer, bij het bestaan van zoodanige redenen, de verzoeker zich bevindt buiten de gemeente, waar de rechtbank is gevestigd, kan de president dit opdragen aan den rechter, binnen wiens kanton de verzoeker zich ophoudt.

De president of de kantonrechter houdt aan den verzoeker, na hem gehoord te hebben, zoodanige bedenkingen voor als hij dienstig oordeelt.

De kantonrechter maakt proces-verbaal van het door hem verrichte op en zendt dit aan den president.

«17. 819, 821 Art. 241.

IC. /1 Rv.

Indie» de verzoeker volhardt, wordt het verlof dadelijk verleend.

De president kan echter vooraf de echtgenooten in persoon voor zich doen verschijnen, ten einde hen, zoo mogelijk, met elkander te verzoenen.

Hij kan dit ook aan den kantonrechter opdragen, binnen wiens kanton de echtgenooten zich ophouden; het vijfde lid van het vorig artikel is in dat geval toepasselijk.

Het verlof vervalt, indien niet binnen zes weken, nadat het verleend is, de eisch is ingesteld.

j). tr * —

825 W. B. Jtv.

Zoodra een der echtgenooten verlof heeft gevraagd om een eisch tot echtscheiding in te stellen, kan dê vrouw met verlof van den president, zelfs na de dagvaarding te verleenen, hare roerende goederen en die der gemeenschap doen verzegelen en beschrijven. Het tweede, derde en vierde lid van artikel 157 zijn van toepassing.

ocr page 77

65

820 r. H. Rv. Art. 243.

De president kan, wanneer hij verlof verleent;

1°. de vrouw machtigen om haren intrek te nemen in zoodanig huis, als hij aanwijst, alwaar tevens alle aan haar te beteekenen tot het geding betrekkelijke explooten worden gedaan;

2quot;. bepalen, bij wien der echtgenooten de kinderen zullen verblijven;

3°. de som bepalen, welke door den man aan de vrouw moet worden verstrekt tot haar onderhoud en dat der kinderen, welke bij haar verblijven, en bevelen, dat de goederen, tot het dagelijksch gebruik van haar en deze kinderen dienende, aan haar worden afgegeven.

Alvorens te beschikken hoort de president, tenzij de andere echtgenoot afwezig is, of de gevraagde maatregelen naar zijn oordeel geen uitstel kunnen lijden, de wederpartij, indien deze, na behoorlijk te zijn opgeroepen, in persoon of bij gemachtigde is verschenen.

De krachtens dit artikel te geven beschikkingen worden bij voorraad uitvoerbaar verklaard, en kunnen op de minuut en zonder voorafgaande registratie worden ten uitvoer gelegd.

Art. 244.

Wanneer de beschikkingen krachtens de beide vorige artikelen verleend zijn op verzoek der vrouw, die verlof gevraagd heeft om een eisch tot echtscheiding in te stellen, vervallen zij, indien zij den eisch niet instelt binnen zes weken na den dag, waarop zij het verlof bekomen heeft.

In dit geval geschiedt de ontzegeling ten verzoeke van den man, en worden de zegels in eens opgeheven.

De termijn wordt geschorst door de aanvrage om toelating tot kostelooze procedure, totdat daarover is beslist.

267,268,269 B. W. ^r'-' ^45.

Elke der partijen kan tegen de beschikkingen, door den president krachtens artikel 243 verleend, opkomen bij verzoekschrift aan de rechtbank.

Is de eisch reeds ingesteld, dan kunnen de bij dat artikel bedoelde maatregelen bij verzoekschrift aan de rechtbank worden gevraagd, hetzij de president die geweigerd of niet bevolen heeft.

Wijziging in de beschikkingen van den president of der rechtbank kan, bij veranderde omstandigheden, aan de rechtbank worden gevraagd.

In alle gevallen van dit ar likel beschikt de rechtbank na verhoor der wederpartij, indien deze, na behoorlijk te zijn opgeroepen, in persoon of bij gemachtigde is verschenen.

Wanneer de andere echtgenoot afwezig is, of de maatregelen geen uitstel kunnen lijden, kan op het verzoek zonder verhoor der wederpartij worden beschikt. De slotbepaling van artikel 243 is toepasselijk.

121 ir. if. Ho.

ocr page 78

66

Art. 246.

De voorloopige voorzieningen, geldende op het oogenblik dat de machtiging tot echtscheiding kracht van gewijsde verkrijgt, houden stand tot aan de voltrekking der echtscheiding of het vervallen der machtiging.

208 lid i 11. W. quot;-11- **'•

Wanneer de vrouw zonder verlof het verblijf verlaat, waar zij zich met machtiging van den rechter ophoudt, kan de rechtbank, en, wanneer de eisch nog niet is ingesteld, de president ten verzoeke van den man, haar recht op de haar toegekende uitkeering vervallen verklaren.

Alvorens te beschikken, hoort de rechter de vrouw, indien deze, na behoorlijk te zijn opgeroepen, in persoon of bij gemachtigde is verschenen.

822,823 W. B.Hv. Art. 248.

Het geding tot echtscheiding wordt in denzelfden vorm behandeld als andere zaken, behalve dat de pleidooien met gesloten deuren gehouden worden, en getuigenverhooren altijd op de terechtzitting en eveneens met gesloten deuren plaats hebben.

it's ji. w. Art. 249.

Tegen een strafvonnis, waaruit van eene der oorzaken, opgenoemd onder nummers 1, 2, en 5 van artikel 230 blijkt, is geen tegenbewijs toegelaten.

De bepaling van artikel (... 1951 B. W.) is toepasselijk; evenwel kunnen de ouders en de kinderen der echtgenooten zich van het geven van getuigenis verschoonen.

Art. 251.

De rechter kan bij enkele bekentenis van de wederpartij, of wanneer deze den eisch niet tegenspreekt, nader bewijs gelasten, indien hij de waarheid der aangevoerde feiten betwijfelt.

Art. 252.

Het vonnis of arrest, waarbij machtiging tot echtscheiding wordt verleend, moet door hem, wiens eisch is toegewezen, binnen drie maanden aan de wederpartij worden

ocr page 79

67

beteekend, tenzij deze reeds ter griffie van het college, dat de uitspraak heeft gedaan, eene verklaring heeft afgelegd, dat hij daarin berust.

Zoodanige verklaring kan ook na de beteekening geschieden.

Indien zij bij gemachtigde wordt afgelegd, wordt eene notarieele volmacht vereischt.

De griffier maakt van die verklaring en van hare dagteekening melding op den kant van de minuut der uitspraak.

Eerst van den dag, waarop de bij dit artikel bedoelde verklaring is afgelegd, wordt aan een vonnis of arrest, waarbij machtiging tot echtscheiding is verleend, op grond van berusting kracht van gewijsde toegekend.

Art. 253.

Hooger beroep of voorziening in cassatie wordt niet langer toegelaten dan zes weken, verzet tegen een vonnis bij verstek niet langer dan drie maanden na de beteekening.

Artikel 88 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet toepasselijk.

De dagvaarding in verzet, hooger beroep of cassatie, moet, op straffe van verval der voorziening, binnen veertien dagen vertoond worden aan den griffier van het college, dat de bestreden uitspraak heeft gedaan.

Deze teekent het exploot voor gezien, met vermelding van den dag der vertooning, en maakt van het exploot en van zijne dagteekening melding op den kant van de minuut der uitspraak.

•276 k. ir. Art. 254.

Elk der echtgenooten kan binnen zes maanden na den dag, waarop het vonnis of arrest, waarbij machtiging tot echtscheiding verleend is, kracht van gewijsde heeft bekomen, hetzij in persoon, hetzij door eenen bij notarieele akte daartoe gemachtigde, verschijnen voor den ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente, waar de rechtbank, die van den eisch heeft kennis genomen, zitting heeft, om door hem de echtscheiding te doen uitspreken.

Hij legt daarbij aan den ambtenaar over:

1°. een afschrift van het vonnis of arrest;

2°. een bewijsschrift van den griffier van het college, hetwelk het laatst van de zaak heeft kennis genomen, dat tegen de uitspraak niet meer kan worden opgekomen, of dat daarin overeenkomstig artikel 252 is berust.

Art. 255.

De echtscheiding wordt uiterlijk binnen drie dagen na de overlegging der stukken, hetzij in, hetzij buiten tegenwoordigheid van hem, die ze heeft overgelegd, in het openbaar uitgesproken.

ocr page 80

68

Zij wordt voltrokken door de verklaring van den ambtenaar van den burgerlijken stand, dat het huwelijk is ontbonden.

828 r. n. Rv. Art. 256.

De ambtenaar van den burgerlijken stand doet een door hem onderteekend uittreksel uit de akte van echtscheiding aanplakken aan het gemeentehuis; dit uittreksel blijft daar gedurende eene maand aangeplakt.

Hij kondigt voorts de echtscheiding driemaal, met eene tusschenruimte van ten minste eene week en ten hoogste vijftien dagen, aan in het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93.

Het uittreksel en de aankondiging behelzen de namen, de voornamen, het beroep of de betrekking en het domicilie der gewezen echtgenooten, en dragen de naamteekening van den ambtenaar.

27« Ji. w. Art. 257.

Het vonnis of arrest, houdende machtiging tot echtscheiding, vervalt:

lquot;. wanneer hij, wiens eisch is toegewezen, buiten het geval van berusting der wederpartij, de uitspraak niet binnen drie maanden aan deze doet beteekenen;

2''. wanneer geen der echtgenooten gevolg heeft gegeven aan artikel 254;

3°. door het overlijden van een der echtgenooten.

Alleen houdt in het laatste geval de uitspraak over de proceskosten stand.

Art. 258.

Na het instellen van den eisch tot echtscheiding vallen, indien de echtscheiding volgt, erfenissen en makingen, aan een der echtgenooten opkomende, en schenkingen, aan een hunner gedaan, buiten de gemeenschap.

277,278,279.«.». A1 u

De echtgenoot, wiens eisch tot echtscheiding is toegewezen, behoudt de voordeelen. hem door den anderen echtgenoot bij huwelijksvoorwaarden toegezegd, zelfs indien deze voordeelen wederkeerig waren bedongen:

Hij kan evenwel zijn recht op de voordeelen, bedongen om eerst na den dood van den anderen echtgenoot gevolg te hebben, niet vóór dat overlijden doen gelden.

ocr page 81

69

De echtgenoot, tegen wien de eisch is toegewezen, verliest de voordeelen, hem door den anderen echtgenoot bij huwelijksvoorwaarden toegezegd.

Wanneer zoowel een eisch als een wedereisch tot echtscheiding wordt toegewezen, verliezen de echtgenooten de elkander bij huwelijksvoorwaarden toegezegde voordeelen.

Voordeelen, vóór het instellen van den eisch genoten, kunnen niet worden teruggevorderd.

283 b. w. Art. 260.

Schenkingen, door derden ter zake des huwelijks gedaan, houden stand.

281,282 B.IP, Art. 261.

Aan den echtgenoot, wiens eisch tot echtscheiding wordt toegewezen, kan, wanneer hij geene voldoende inkomsten heeft, op zijne vordering, door de rechtbank, die van den eisch kennis neemt, eene uitkeering ten laste van de wederpartij worden toegelegd.

Deze vordering kan na verloop van een jaar na de voltrekking der echtscheiding niet meer worden ingesteld.

De uitkeering wordt bepaald volgens beider staat en het vermogen van hem, die ze verschuldigd is.

Hij, aan wien de uitkeering is opgelegd, kan bij de rechtbank, in het eerste lid aangewezen, vorderen van die verplichting geheel of gedeeltelijk te worden ontheven, wanneer hij tot zoodanigen staat geraakt, dat hij de uitkeering niet meer kan geven, of wanneer de ander die niet meer noodig heeft.

De verplichting houdt op bij den dood van een der echtgenooten, of wanneer hij, die de echtscheiding heeft bekomen, een ander huwelijk aangaat.

Van het recht om eene uitkeering te vragen kan geen afstand worden gedaan.

Art. 262.

De voorzieningen, krachtens het vorige artikel bevolen, treden evenmin als de wettelijke gevolgen der echtscheiding in werking vóór hare voltrekking.

DERDE. AFDEELING.

Van de ontbinding des huwelijks na scheiding van tafel en bed.

m s. v. Art. 263.

Wanneer echtgenooten van tafel en bed zijn gescheiden, hetzij om eene bepaalde

ocr page 82

70

oorzaak, hetzij op beider verzoek, en de scheiding een vol jaar heeft geduurd, kunnen zij te zamen bij de rechtbank, die van den eisch of het verzoek kennis genomen heeft, machtiging tot ontbinding des huwelijks vragen, op welk verzoek het openbaar ministerie wordt gehoord.

-5it e. r. Tegen eene afwijzende beschikking kan binnen zes weken na hare dagteekening door beide verzoekers te zamen in hooger beroep worden gekomen.

Art. 342 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing.

De termijn van voorziening in cassatie is mede van zes weken.

Artikel 253, derde en vierde lid, geldt ten aanzien van het verzoekschrift, waarbij de voorziening in cassatie geschiedt.

De artikelen 254 , 255 , 256 , 257, aanhef en n0. 2 en 3, gelden ten aanzien van de beschikking, waarbij machtiging tot ontbinding wordt verleend.

S61 S. W.

Art. 264.

In geval de scheiding van tafel en bed twee jaren heeft geduurd, kan ieder der echtgenooten den ander gerechtelijk aanmanen om de samenwoning te hervatten, en, wanneer hieraan, zonder dat er geldige redenen voor bestaan, binnen eene maand geen gevolg gegeven wordt, bij de rechtbank, die van het verzoek of den eisch kennis heeft genomen, de ontbinding des huwelijks vorderen.

De artikelen 248 , 252 tot en met 257 zijn toepasselijk.

Indien de hervatte samenwoning door den aangemaande wordt verbroken, gelden de gevolgen, aan bet geval van nieuwe verlating verbonden bij het tweede, derde en vierde lid van artikel 232.

Art. 265.

Door ontbinding des huwelijks wordt geene wijziging gebracht in de wettelijke gevolgen der scheiding van tafel en bed, behalve, dat de echtgenoot, die, scheiding van tafel en bed bekomen hebbende, machtiging tot ontbinding heeft gevorderd of te zamen met zijn echtgenoot gevraagd, na de ontbinding geen aanspraak heeft op eenige uitkeering dan in de gevallen en volgens de bepalingen van artikel 261.

Door ontbinding des huwelijks wordt geene wijziging gebracht in de voorwaarden, die bij minnelijke scheiding van tafel en bed door partijen zijn geregeld.

TIENDE TITEL.

Van de scheiding van tafel en bed.

as» * r. Art. 266.

Scheiding van tafel en bed kan op dezelfde gronden als echtscheiding worden gevorderd.

ocr page 83

71

sol B. w. Art. 267.

2(1, 827 W.B.Rv.

Op haar zijn toepasselijk de artikelen 232 tot en met 235 , 238 tot en met 245,247 tot en met 251, 253, eerste en tweede lid, en 258 tot en met 260.

301, 280, 281, ^■rt-282 B. W.

De echtgenoot, die scheiding van tafel en bed hekomen heeft, behoudt zijn recht

om van den ander onderhoud te vorderen; de echtgenoot, tegen wien de scheiding is uitgesproken, verliest dat recht.

Wanneer zoowel een eisch als een wedereisch tot scheiding wordt toegewezen, verliezen beide echtgenooten dat recht.

Art. 269.

De echtgenooten zijn, wanneer zij gedurende twee jaren getrouwd iijn geweest, bevoegd te zamen scheiding van tafel en bed te verzoeken, zonder eene bepaalde oorzaak op te geven.

Art. 270.

n lid 1 li. w.

Zij zijn verplicht vooraf bij notarieele akte alle voorwaarden dier scheiding te regelen.

Zij kunnen daarbij, mits de rechten van derden eerbiedigende, indien tusschen hen gemeenschap van goederen bestaan heeft, afwijken van de artt. 167, 168 en 169, eerste lid, en, indien zij huwelijksvoorwaarden hebben gemaakt, van de daarin voorkomende bepalingen.

293 b. w. Art. 271.

Zij wenden zich met hun verzoekschrift tot de rechtbank bij artikel 158 aangeduid, en leggen daarbij een afschrift over van hunne huwelijksakte en van de notarieele akte, in het vorig artikel vermeld.

!92 m 2 b. w. Art. 272.

De echtgenooten zijn bevoegd voor den tijd, gedurende welken hun verzoek aanhangig is, schikkingen te treffen maar moeten aan de rechtbank bekrachtiging daarvan verzoeken.

Wanneer de rechtbank die schikkingen niet aannemelijk acht, voorziet zij zelve in de regeling.

De echtgenooten kunnen te zamen tegen deze regeling in hooger beroep komen.

ocr page 84

72

•294, 295 B. w. Art. 273.

De rechtbank beveelt aan de beide echtgenooten om te zamen en in persoon voor een barer leden te verschijnen.

Wanneer de echtgenooten bij hun voornemen volharden, beveelt die rechter eene nieuwe verschijning na verloop van drie maanden, en bepaalt tevens den dag, tegen welken de door hem aan te wijzen bloedverwanten, tot den tweeden graad ingesloten, zullen worden opgeroepen, ten einde vooraf omtrent het verzoek en de akte, vermeld in artikel 270, te worden gehoord.

Wanneer de echtgenooten ook bij de tweede verschijning in hun voornemen volharden , wordt het verzoek toegestaan, tenzij de rechtbank de regeling van de voorwaarden onvoldoende oordeelt.

2% b. ir. Art. 274.

Van eerte afwijzende beschikking kunnen de echtgenooten te zamen binnen eene maand na hare dagteekening in hooger beroep komen.

Artikel 342 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing.

Art. 275.

Echtgenooten, op hun verzoek van tafel en bed gescheiden, hebben geene andere aanspraak op uitkeeringen tot onderhoud dan die zij elkander bij de akte, vermeld in artikel 270, hebben toegekend.

Art, 276.

Na het indienen van het verzoek vallen, indien de scheiding volgt, erfenissen en makingen, aan een der echtgenooten opkomende, en schenkingen, aan een hunner gedaan, buiten de gemeenschap, tenzij anders is overeengekomen.

Art. 277.

De akte, in artikel 270 vermeld, kan aan derden slechts worden tegengeworpen, wanneer en voor zoover zij is ingeschreven in het register, bedoeld bij artikel 142.

300 li. W. Arf 07Q

828,811rtl1-

De scheiding wordt openbaar gemaakt:

1°. door het driemaal plaatsen van een uittreksel uit het vonnis of uit de beschikking, met eene tusschenruimte van ten minste eene week telkens, in het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93.

ocr page 85

73

Dit uittreksel vermeldt den rechter, die het vonnis gewezen of de beschikking gegeven heeft, den dag der uitspraak van het vonnis of de dagteeke-ning der beschikking, alsmede de namen, de voornamen, het beroep of de betrekking en het domicilie der echtgenooten, en draagt de naamteekening van den procureur van den eischer of van de verzoekers.

2°. door inschrijving van een gelijk uittreksel in het register, bedoeld bij artikel 142.

De griffier doet die inschrijving niet, dan nadat hem zijn vertoond de nieuwsbladen, waarin de onder nummer 1 voorgeschreven aankondiging is geschied, en maakt bij de inschrijving melding van hunne dagteekening.

Eerst van den dag volgend op dien der inschrijving werkt de scheiding tegen derden.

297 £. w. Art. 279.

Scheiding van tafel en bed heft voor de echtgenooten de verplichting tot samenwoning op.

303 £. w. Art. 280.

Zoodra de echtgenooten de samenwoning hervatten, gaat de scheiding van tafel en bed van rechtswege te niet, en herleven alle gevolgen van het huwelijk, alsof er geene scheiding had plaats gehad.

Evenwel blijven tegenover derden de intusschen verrichte handelingen van kracht.

Alle bedingen tusschen de echtgenooten hiermede strijdende zijn nietig.

304 s. tr. Art. 281.

De echtgenooten kunnen het te niet gaan der scheiding aan derden niet tegenwerpen dan nadat in het register, bedoeld bij artikel 142, is ingeschreven eene notarieele akte, opgemaakt om van de hervatting der samenwoning te doen blijken, en die akte door den notaris bij uittreksel is aangekondigd in het nieuwsblad, krachtens artikel 93 aangewezen voor elk arrondissement, waar de echtgenooten bij die hervatting domicilie hadden.

ELFDE TITEL.

Van afstamming.

EERSTE AFDEELING.

Van wettige afstamming.

Art. 282.

, 310 £. JF.

Het kind, dat geboren is na den honderd tachtigsten dag van het huwelijk en vóór den driehonderdsten dag na de ontbinding daarvan, is wettig.

10

ocr page 86

74

307 B. w. Art. 283.

De man kan de wettigheid ontkennen, indien hij bewijst, dat hij sedert den driehonderdsten tot na den honderd tachtigsten dag vóór de geboorte van het kind in de onmogelijkheid geweest is, met zijne vrouw gemeenschap te hebben.

Het beroep op onmacht uit andere oorzaak dan verwonding of kunstbewerking is uitgesloten.

308 b. w. Art. 284.

De man kan de wettigheid ontkennen, indien hij bewijst, dat zijne vrouw na den driehonderdsten en vóór den honderd negen en zeventigsten dag, aan de geboorte van het kind voorafgaande, overspel heeft bedreven, en hare zwangerschap voor hem is verborgen gehouden of daartoe pogingen zijn aangewend.

De rechter wijst den eisch af, indien de man binnen de voorschreven tijdruimte met zijne vrouw gemeenschap heeft gehad.

309 b. w. Art. 285.

De man kan de wettigheid ontkennen:

1°. van het kind, dat geboren is drie honderd dagen sedert tusschen de echtge-nooten scheiding van tafel en bed bestaat;

2°. van het kind, dat geboren is drie honderd dagen sedert de vrouw met rechterlijke bewilliging buiten de woning des mans verblijf heeft gehouden.

De toepasselijkheid dezer bepaling vervalt, wanneer de geboorte heeft plaats gehad honderd tachtig dagen nadat de echtgenooten de samenwoning hebben hervat.

De rechter wijst den eisch af, indien de man na den drie honderdsten en vóór den honderd negen en zeventigsten dag vóór dien der geboorte met zijne vrouw gemeenschap heeft gehad.

305, 306 b. jr. Art. 28ö.

Het kind, dat geboren is vóór of op den honderd tachtigsten dag van het huwelijk, is wettig.

De man kan echter de wettigheid ontkennen.

Deze bevoegdheid vervalt:

1°. indien hij vóór het huwelijk kennis heeft gedragen van de zwangerschap;

2°. indien hij verklaringen heeft afgelegd of handelingen verricht, welke medebrengen, dat hij zich als vader van het kind heeft beschouwd.

ocr page 87

75

3ii B. w. Art. 287.

De man kan den eisch om het kind onwettig te doen verklaren slechts instellen binnen twee maanden na den dag, waarop hij van de geboorte kennis heeft bekomen.

Indien hij zich dan buiten Europa bevindt, wordt die termijn verlengd tot twee maanden na den dag van zijne terugkomst.

Indien hij wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens onder curateele gesteld is, wordt de termijn verlengd tot twee maanden na de opheffing van de curateele.

312, 314 b. r. Art. 288.

De door den man ingestelde eisch vervalt door zijnen dood, tenzij een of meer zijner erfgenamen dien voortzetten binnen twee maanden na zijn overlijden.

ais b. r. . Art. 289.

De eisch wordt, indien het kind minderjarig is, gericht tegen eenen bijzonderen, daartoe door den kantonrechter van het domicilie van den man, op diens verzoek, aan te wijzen vertegenwoordiger.

De moeder wordt in het geding geroepen.

Door den dood van het kind vervalt de eisch niet; in het geval van het eerste lid kan het geding tegen den vertegenwoordiger worden voortgezet.

316 , 319 , 320 Art. 290.

b. r.

Wettige afstamming kan, bij het ontbreken der geboorteakte, of indien betwist wordt, dat zij hem betreft, over wiens afstamming geschil is, worden bewezen door onafgebroken bezit van staat, behoudens tegenbewijs.

Wanneer geen onafgebroken bezit van staat aanwezig is, kan de afstamming ook op andere wijze bewezen worden.

Getuigenbewijs is slechts toegelaten, als er begin van bewijs bij geschrifte, of wel gewichtige vermoedens, voortvloeiende uit erkende of onbetwiste feiten, aanwezig zijn.

Het begin van bewijs bij geschrifte kan ontleend worden aan familiebescheiden, brieven, huiselijke papieren en registers, afkomstig van den man of de vrouw, van wie bet kind beweert een wettig kind te zijn, of aan openbare of onderhandsche akten, voortgekomen van dezen of van hem, in wiens belang het zou geweest zijn, de beweerde afstamming te verzwijgen.

325, 326 b. jv.

Art. 291.

De vordering tot inroeping van den staat van wettig kind, enkel strekkende

ocr page 88

76

om het bestaan der afstamming te doen uitspreken, kan worden ingesteld door het kind, en, na diens overlijden, door ieder zijner wettige afstammelingen in den eersten graad.

Wanneer het kind den eisch had ingesteld, kan deze, na zijn overlijden, door ieder zijner wettige afstammelingen in den eersten graad worden voortgezet.

Art. 292.

De vordering tot betwisting van den staat van wettig kind, enkel strekkende om het niet bestaan der afstamming te doen uitspreken, kan worden ingesteld door hen, die, indien de betwiste afstamming bestond, bloedverwanten zouden zijn tot den vierden graad ingesloten.

324 b. ff. Art. 293.

De in de twee voorgaande artikelen omschreven vorderingen zijn aan geene verjaring onderworpen.

Afstand van het recht om haar in te stellen is nietig.

TWEEDE AFDEELING.

Van onwettige afstamming

33ö b. w. 294.

De erkenning van een onwettig kind doet van de geboorte af burgerlijke betrekkingen ontstaan tusschen dat kind en dengene der ouders, die het erkend heeft.

Art. 295.

Het kind, waarvan eene vrouw zwanger is, zoowel als het overleden kind, dat wettige afstammelingen heeft nagelaten, mag worden erkend.

De erkenning kan geschieden:

1°. bij eene uitsluitend daartoe opgemaakte notarieele akte;

2°. bij eene uitsluitend daartoe opgemaakte akte van den burgerlijken stand;

3°. bij de geboorteakte van het kind;

4°. wanneer de moeder erkent, bij de akte, waarbij zij in de erkenning door den

vader toestemt;

5®. bij de huwelijksakte der ouders;

6U. bij de huwelijksakte van het kind.

ocr page 89

77

337 B. w. Art. 297.

Erkenning kan ook door een minderjarige geschieden.

De erkenning door een vader, die den leeftijd van achttien jaren niet heeft bereikt, is nietig, behalve wanneer zij geschiedt bij de voltrekking van een huwelijk, waartoe de Koning de bij het tweede lid van artikel 80 bedoelde dispensatie heeft gegeven.

Art. 298.

Geene erkenning mag geschieden, zoo niet het kind minstens vijftien jaren jonger is dan de vader of moeder, die het erkent.

Dit lijdt ten aanzien van de moeder uitzondering, indien zij op jeugdiger leeftijd dan vijftien jaren bevallen is en het kind een leeftijd heeft, overeenstemmende met den uit de geboorteakte blijkenden tijd barer bevalling.

338 b. w. Art. 299.

Geene erkenning mag geschieden door den vader die van den twee honderd negen en negentigsten tot den honderd een en tachtigsten dag vóór de geboorte van het kind gehuwd was, zoolang dit huwelijk niet is ontbonden.

338 b. w. Art. 300.

Geene erkenning mag door den vader geschieden, zoo daaruit zou blijken, dat hij het kind in bloedschande had verwekt.

339 b. r. Art. 301.

Geene erkenning mag door den vader geschieden, zoolang de moeder van het kind leeft, tenzij deze bij dezelfde of bij eene afzonderlijke notarieele akte in de erkenning heeft toegestemd.

Na den dood van de bij de geboorteakte als moeder genoemde vrouw mag de erkenning door den vader geschieden.

Art. 302.

Een meerderjarige kan niet erkend worden dan met zijne toestemming, bij de akte van erkenning gegeven.

ocr page 90

78

341 R. w. Art. 303.

De erkenning, in strijd met de voorafgaande bepalingen of met de waarheid gedaan, kan betwist worden door allen, die daarbij belang hebben.

Art. 304.

Het kind, dat een onafgebroken bezit van staat heeft, overeenstemmende met zijne geboorteakte, wordt geacht door zijne moeder erkend te zijn, zoo het door deze had mogen erkend worden.

343 b. w. Art. 305.

Het onderzoek naar het moederschap is toegelaten.

De eisch, strekkende om tot kind eener bepaalde vrouw verklaard te worden, wordt tegen haar ingesteld.

Wanneer het kind den eisch had ingesteld, kan deze, na zijn overlijden, door ieder zijner wettige afstammelingen in den eersten graad worden voortgezet.

Bij overlijden van de gedaagde tijdens het geding, kan de voortzetting tegen hare erfgenamen geschieden.

Getuigenbewijs is toegelaten, indien er begin van schriftelijk bewijs of onafbroken bezit van staat als kind dier vrouw is.

Het laatste lid van artikel 290 is toepasselijk.

art. 3.

Wet

van 26 April 1884 Stil. n». 93.

342 b. w. Art. 306.

Het onderzoek naar het vaderschap is verboden.

Ingeval echter van eenig misdrijf, bij de artikelen 242 tot en met 245 , 249 of 281 van het Wetboek van Strafrecht voorzien, kan de schuldige, op vordering van de moeder of van het kind, verklaard worden de vader van het kind te zijn, zoo de gemeenschap heeft plaats gehad na den drie honderdsten en vóór den honderd negen en zeventigsten dag vóór de geboorte.

Art. 307.

De in de twee voorgaande artikelen omschreven vorderingen zijn aan geene verjaring onderworpen.

Afstand van het recht om haar in te stellen is nietig.

ocr page 91

79

344 B. Jr. Art. 308.

In de gevallen, waarin geene erkenning mag geschieden, wordt het onderzoek, wie vader of moeder is, niet toegelaten.

Art. 309.

De uitspraak, waarbij de eisch, bedoeld bij de artikelen 305 en 306, is toegewezen, heeft dezelfde gevolgen als de erkenning.

DERDE AFDEELING.

Van wettiging.

327, 329 B. W. Art. 310.

Het onwettig kind wordt door het huwelijk zijner ouders gewettigd, indien deze het vóór of bij het aangaan des huwelijks hebben erkend of daarna nog erkennen.

334 b. w. Art. 314.

Is een door beide ouders erkend kind vóór het aangaan van hun huwelijk overleden met achterlating van wettige afstammelingen, dan heeft voor deze het huwelijk dier ouders dezelfde gevolgen alsof het overleden kind door dit huwelijk gewettigd ware.

'30,334 b. jr. Art. 312.

Wanneer een onwettig kind door beide ouders is erkend, maar door het overlijden van een hunner hun voorgenomen huwelijk onmogelijk is geworden, kan de langstlevende, en na diens overlijden, het erkende kind zelf aan den Hoogen Raad verzoeken, brieven van wettiging ten behoeve van dat kind te verleenen.

Mocht ook het kind zijn overleden , dan kan het verzoek door ieder zijner wettige afstammelingen worden gedaan.

ocr page 92

80

33i B. ir. Art. 313.

De Hooge Raad doet, alvorens te beschikken, de door hem aan te wijzen bloedverwanten der ouders, tot den derden graad ingesloten, bij aangeteekenden brief van den griffier oproepen, om gehoord te worden.

Acht hij het dienstig aan het verzoek algemeene bekendheid te geven, dan bepaalt hij tevens de wijze, waarop dit geschieden zal.

Alle meerderjarige bloedverwanten, tot den derden graad ingesloten, zijn, al zijn zij niet opgeroepen, bevoegd hunne bezwaren aan den Hoogen Raad kenbaar te maken.

332, 333 B. W. Art. 314.

Het gewettigd kind heeft de rechten van het wettige, te rekenen van de voltrekking van het huwelijk zijner ouders, of, ingeval brieven van wettiging worden verleend, te rekenen van het overlijden van dengene hunner, door wiens dood het voorgenomen huwelijk werd belet.

TWAALFDE TITEL.

Yan verwantschap.

Art. 315.

Verwantschap omvat zoowel bloed- als aanverwantschap.

346 W. Art- m-

Bloedverwantschap is de betrekking tusschen personen, van welke de een van den ander, of die van denzelfden persoon afstammen.

Iedere geboorte maakt een graad uit.

349 b. v.

De bloedverwantschap in de zijlijn wordt berekend door het getal der geboorten tusschen den eenen bloedverwant en den naasten gemeenen stam-vader of moeder te voegen bij het getal der geboorten tusschen dezen en den anderen bloedverwant.

ocr page 93

84

35i B. w. Art. 348.

Aanverwantschap is de betrekking, die door huwelijk ontstaat tusschen den eenen echtgenoot en de bloedverwanten van. den anderen.

De graden der aanverwantschap worden op dezelfde wijze berekend als die der bloedverwantschap.

352 b. jr. Art 319.

Ontbinding des huwelijks doet de aanverwantschap niet ophouden.

DERTIENDE TITEL.

Van de verplichting tot onderhoud tusschen verwanten.

, 377, 378, Art. 320.

384 S. W.

Kinderen zijn verplicht hunne ouders en andere bloedverwanten in de opgaande lijn, schoonzoons en schoondochters hunne schoonouders, bij gebleken noodzakelijkheid, te onderhouden.

Deze verplichtingen zijn wederkeerig.

377 Ji. w. Art. 321.

De verplichting van schoonzoons en schoondochters houdt op;

1°. wanneer hij, die recht op onderhoud heeft, hertrouwt;

2°. wanneer het huwelijk van hein, die tot onderhoud verplicht is, ontbonden is, en geen kinderen daaruit in leven zijn.

De verplichting van schoonouders houdt op:

1°. wanneer hij, die recht op onderhoud heeft, hertrouwt;

2°. wanneer zijn huwelijk ontbonden is, en geen kinderen daaruit in leven zijn.

Is het huwelijk door echtscheiding of na eene scheiding van tafel en bed wegens bepaalde oorzaak ontbonden, dan houdt, al zijn er kinderen in leven, de verplichting der schoonouders mede op ten aanzien van den schoonzoon of de schoondochter, tegen wie de eisch is toegewezen.

ii

ocr page 94

82

Art. 322.

De behoeftige kan zijne vordering tot onderhoud doen gelden tegen een of meer der daartoe ■verplichten.

Hij doet dit bij verzoekschrift aan den kantonrechter van het domicilie van één dergenen, van wie hij onderhoud vraagt.

Alvorens te beschikken, hoort die rechter hen, van wie onderhoud gevraagd wordt.

De oproeping geschiedt bij aangeteekenden brief van den griffier, houdende afschrift van het verzoekschrift, binnen acht dagen na de indiening daarvan.

Acht de kantonrechter nader onderzoek dienstig, dan beveelt hij, dat de verzoeker de onderhoudsplichtigen voor hem zal dagvaarden, ten einde bij vonnis den onderhoudsplicht te doen regelen.

Bij dit bevel kan hij bij voorraad aan een of meer der opgeroepen personen opleggen om tot aan zijne eindbeslissing eene wekelijksche uitkeering aan den verzoeker te doen.

Op straf van verval der uitkeering moet bij de beteekening der voorloopige beschikking tevens de door den kantonrechter bevolen dagvaarding geschieden.

Alle krachtens dit artikel te vervullen formaliteiten zijn voor den verzoeker vrij van kosten.

Het bevel tot dagvaarding geldt voor hem als toelating om kosteloos te procedeeren.

37E B. r.

Art. 323.

Het bedrag der uitkeering wordt geregeld naar de omstandigheden zoowel van den behoeftige als van den onderhoudsplichtige.

881 J1 Art. 324.

Wanneer van meerdere onderhoudsplichtigen een of meer buiten staat zijn tot eene uitkeering in geld, rust die verplichting alleen op de overigen.

Art. 325.

382 B. r.

Wanneer ouders, hoewel tot het doen van eene geldelijke uitkeering in staat, aanbieden in plaats daarvan een behoeftig kind in eigen woning op te nemen en aldaar van het noodige te voorzien, kan de rechter dit, naar bevind van zaken, vergunnen.

Hij kan echter ten allen tijde, op verzoek van het kind, met intrekking der vergunning, eene uitkeering in geld opleggen.

ocr page 95

83

380 B. ir. Art. 326.

Bij verandering van de omstandigheden, waaronder het te verstrekken onderhoud is geregeld, kan de rechter, die de regeling gemaakt heeft, haar, op verzoek van den behoeftige, of van een of meer dergenen, die met het onderhoud zijn bezwaard, wijzigen of intrekken.

Alvorens te beschikken, hoort de rechter den behoeftige en alle onderhoudsplichtigen, voor wie de gevraagde regeling verandering zou brengen in den bestaanden toestand.

Het vierde en vijfde lid van artikel 322 zijn toepasselijk, alsmede, ten aanzien van den behoeftige, het negende lid.

Art. 327.

De krachtens dezen titel door den kantonrechter gegeven beschikkingen en vonnissen zijn vatbaar voor hooger beroep, doch worden op daartoe strekkende vordering bij voorraad uitvoerbaar verklaard.

Het hooger beroep wordt altijd bij dagvaarding aangebracht en als gewoon geding behandeld.

Tegen beschikkingen of vonnissen, krachtens het voorgaand artikel door de rechtbank in eersten aanleg gegeven, is geen hooger beroep toegelaten.

384 b. it. Art. 328.

Door geene overeenkomsten kan van de bepalingen van dezen titel worden afgeweken.

VEERTIENDE TITEL.

Van minderjarigheid en ouderlijk gezag.

Algemeene bepaling.

385 b. w. Art. 329.

Minderjarigen staan onder ouderlijk gezag of voogdij.

Zij verkrijgen de meerderjarigheid door:

1°. het bereiken van den een en twintigjarigen leeftijd;

2I). het aangaan van een huwelijk vóór dien leeftijd.

De door huwelijk verkregen meerderjarigheid wordt door de ontbinding daarvan niet verloren.

ocr page 96

84

EERSTE AFDEELING.

Van het ouderlijk gezag in het algemeen.

353, 354 b. w. Art. 330.

De ouders zijn verplicht hunne minderjarige kinderen te onderhouden en op te voeden. Beiden hebben zij over hen het ouderlijk gezag.

Verlies van dit gezag ontheft niet van de verplichting om tot de kosten van onderhoud en opvoeding bij te dragen.

355, 552 B. 7/, Art. 331.

Zoolang het ouderlijk gezag bij beide ouders berust, wordt het, tenzij de wet anders bepaalt, door den vader uitgeoefend.

Indien deze in de onmogelijkheid geraakt om dit te doen, geschiedt het door de moeder.

284, 285, 292 ^

B. W.

Bij het verleenen van machtiging tot echtscheiding, en bij de uitspraak van scheiding van tafel en bed wegens bepaalde oorzaak, wordt door den rechter ten opzichte van ieder kind beslist, wie der ouders het gezag daarover zal uitoefenen.

Op deze voorziening is, in geval van echtscheiding, artikel 262 toepasselijk.

Bij minnelijke scheiding van tafel en bed wordt de uitoefening van het ouderlijk gezag in de akte, bedoeld bij artikel 270, geregeld.

De rechter kan bij zijne in het eerste lid van het voorgaand artikel bedoelde beslissing bepalen, dat de kinderen of eenigen hunner in hun belang aan een derde worden toevertrouwd, ten einde onder toezicht van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, te worden opgevoed.

Bij ontstentenis van dien derde kan dezelfde rechter, op verzoek van een der ouders of op vordering van het openbaar ministerie, een ander in zijne plaats benoemen.

De rechter kan zijne krachtens dit artikel gegeven beschikkingen wijzigen of intrekken, op verzoek van een der ouders of van den derde, of op vordering van het openbaar ministerie.

In de gevallen van het tweede en derde lid hoort de rechter beide ouders en zijn de beschikkingen der rechtbank vatbaar voor hooger beroep.

ocr page 97

85

Bij verschil tusschen den derde en hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, beslis de rechter van het kanton, binnen hetwelk de derde domicilie heeft.

361 , 420 b. w. Art. 334.

Het ouderlijk gezag over een onwettig kind wordt uitgeoefend door den meerderjarigen vader, indien het kind door hem erkend is.

Is het kind erkend door de meerderjarige moeder alleen, of door haar en een minderjarigen vader, dan wordt het door haar uitgeoefend; bij minderjarigheid van den vader tot diens meerderjarigheid.

Bij ontstentenis van een meerderjarigen vader en moeder, die het kind erkend hebben, wordt door den kantonrechter een voogd benoemd.

Deze voogdij houdt op, zoodra het eerste of tweede lid van dit artikel toegepast kan worden.

Art. 335.

Hebben meerderjarige ouders een onwettig kind erkend, dan kan de kantonrechter van het domicilie van een hunner op hun gemeenschappelijk verzoek bepalen, dat het ouderlijk gezag door de moeder zal uitgeoefend worden.

Art. 336.

Na den dood van een der ouders berust het ouderlijk gezag bij den overblijvende.

Art. 337.

Indien hij, die krachtens de artikelen 331, tweede lid, 332, 334, 335 of 336 het ouderlijk gezag uitoefent, daartoe in de onmogelijkheid geraakt, worden door den kantonrechter, bij wettige kinderen na verhoor van den familieraad, de vereischte maatregelen genomen; zoo noodig, door opdracht eener tijdelijke voogdij.

105 Hd i b w Art. 338.

Vóór het aangaan van een nieuw huwelijk wendt hij, die ouderlijk gezag over een kind uit een vorig huwelijk heeft, zich tot den kantonrechter om in dat gezag te worden gehandhaafd.

Op dit verzoek hoort de kantonrechter den raadsman en den familieraad; hij kan bovendien den aanstaanden echtgenoot hooren.

ocr page 98

86

Art. 339.

Hij, die ouderlijk gezag over een onwettig kind heeft, wendt zich vóór het aangaan van een huwelijk, tenzij door dat huwelijk het kind gewettigd zou worden, tot den kantonrechter om in dat gezag te worden gehandhaafd.

Op dit verzoek hoort de kantonrechter den raadsman en den anderen der ouders, zoo deze het kind erkend heeft; hij kan bovendien den aanstaanden echtgenoot hooren.

Art. 340.

Aan de handhaving der moeder in het ouderlijk gezag kan de voorwaarde verbonden worden, dat de aanstaande echtgenoot zekerheid stelle voor de gevolgen zijner aansprakelijkheid krachtens artikel 343.

In dat geval geeft de rechter bij zijne beschikking de tot hare uitvoering noodige voorschriften, en neemt daarbij zooveel mogelijk de wetsbepalingen op het stellen van zekerheid door voogden in acht.

-tos, ud 2 n. if. Art. 341.

Hij, die in het ouderlijk gezag niet is gehandhaafd, verliest het door zijn huwelijk.

Voor de gevolgen van het ouderlijk gezag, onbevoegdelijk door de moeder uitgeoefend, is haar man hoofdelijk met haar jegens het kind aansprakelijk.

405, Ud 3 n. w. Art. 342.

De kantonrechter, die bevoegd was om over de handhaving in het ouderlijk gezag te oordeelen, kan hem, die dat gezag heeft verloren, daarin op zijn verzoek herstellen.

De kantonrechter hoort den voogd en toezienden voogd, zoo deze reeds benoemd zijn, en, bij wettige kinderen, den familieraad.

Herstelling in het ouderlijk gezag heeft van rechtswege het weder optreden van den raadsman ten gevolge.

•106, lid 1 en 2 Art. 343.

B. W.

Wanneer de moeder in het ouderlijk gezag gehandhaafd of hersteld is, wordt haaiman , zoolang het huwelijk duurt en geene scheiding van tafel en bed of scheiding van goederen tusschen hen bestaat, van rechtswege medebeheerder van de goederen des kinds, en hoofdelijk met haar jegens het kind aansprakelijk wegens alle handelingen, gedurende dien tijd verricht of nagelaten.

ocr page 99

87

437 JI. ir. Art. 344.

Door den burgerlijken rechter kan ontzetting uit het ouderlijk gezag worden uitgesproken wegens:

1°. bekend slecht levensgedrag;

2°. verregaande verwaarloozing van de verplichting tot onderhoud en opvoeding;

3°. het uit winstbejag noodzaken van het kind tot overmatigen arbeid.

Zij kan gevraagd worden door den anderen der ouders, de verwanten van het kind tot den derden graad ingesloten en het openbaar ministerie.

De vordering wordt aangebracht en behandeld op de wijze, in de artikelen 408 en 409 omschreven.

Art. 345.

Verlies van het ouderlijk gezag door beide ouders heeft ten aanzien van dat gezag gelijke rechtsgevolgen als hun overlijden.

Verlies van het ouderlijk gezag door hem, die het uitoefent, heeft gelijke rechtsgevolgen als zijn overlijden.

Ingeval van ontzetting door den strafrechter houden de gevolgen op met het verstrijken van den tijd, waarvoor zij is uitgesproken.

Verlies van het ouderlijk gezag door hem, die het niet uitoefent, heeft op de bevoegdheid van den ander geen invloed.

TWEEDE AFDEELING.

Van het ouderlijk gezag ten opzichte van den persoon des kinds.

356 jb. ;r. Art. 346.

Het kind mag zonder toestemming van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, het ouderlijk huis niet verlaten.

—361 _b. ir. Art. 347.

Het kind, dat zich misdraagt, kan op verzoek van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, in verzekerde bewaring worden gesteld op zoodanige plaats als de rechtbank, na daaromtrent het gevoelen des verzoekers te hebben ingewonnen, aanwijst.

Alvorens te beschikken, gelast de rechtbank de persoonlijke verschijning van het kind, en zoo noodig ook van den verzoeker.

ocr page 100

88

De rechtbank hoort het openbaar ministerie.

Het bevel wordt uitgevaardigd zonder vermelding van redenen, en bepaalt den tijd, binnen welken het op straf van verval moet zijn ten uitvoer gelegd.

De tijd van vastzetting is ten hoogste van drie maanden, indien het kind zijn vijftiende levensjaar nog niet heeft vervuld, of van een jaar, indien liet zijn zestiende is ingetreden, doch slechts voor den duur der minderjarigheid.

De verzoeker kan den tijd van vastzetting verkorten.

De kosten der opsluiting worden als kosten van opvoeding aangemerkt.

Art. 348.

Indien het betreft een wettig kind, het huwelijk der ouders niet ontbonden is, en tusschen hen geene scheiding van tafel en bed bestaat, wordt het verzoek niet toegestaan, tenzij de andere der ouders er in toestemt, of de verzoeker ten genoege van de rechtbank aantoont, dat deze daartoe niet in de mogelijkheid verkeert.

Indien de andere der ouders den tijd der vastzetting wil verkorten, wendt hij zich bij verzoekschrift tot de rechtbank, die na verhoor van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent en, zoo zij het dienstig acht, van den verzoeker, in het hoogste ressort beslist.

De rechtbank hoort het openbaar ministerie.

Zij kan het hooren van het kind opdragen aan den rechter van het arrondissement of kanton, waarin de plaats van verzekerde bewaring gelegen is.

Art. 349.

De rechtbank verklaart hare beschikking op een verzoek tot vastzetting uitvoerbaar bij voorraad.

In geval van hooger beroep is het laatste lid van het voorgaand artikel toepasselijk. De hoogere rechter hoort het openbaar ministerie.

362. lid 1, 363. 365 W.

DERDE AFDEELING.

Van hel ouderlijk gezag ten opzichte van de geldelijke belangen des kinds.

Art. 350.

Hij, die het ouderlijk gezag uitoefent, beheert het vermogen van het kind, en vertegenwoordigt het te dien einde in burgerlijke handelingen.

Hij moet als een goed huisvader beheeren.

ocr page 101

89

In geval van tegenstrijdig belang benoemt de kantonrechter, op verzoek van een der ouders, of van de verwanten van het kind tot den derden graad ingesloten, een bijzonderen vertegenwoordiger voor dat geval.

Hij doet deze benoeming na verhoor van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent.

364 b. r. Art. 351.

Indien het huwelijk der ouders niet is ontbonden, en tusschen hen geene scheiding van tafel en bed bestaat, gelden de artikelen 436 , 449 en 454.

Voor de handelingen, vermeld in artikel 437, wordt het verlof des kantonrechters vereischt; deze beschikt na verhoor van den anderen der ouders.

De artikelen 438 , 439 , 440 en 442 zijn toepasselijk.

Art. 352.

Na ontbinding van het huwelijk, na het tot stand komen van scheiding van tafel en bed, of, indien het een onwettig kind betreft, nadat de uitoefening van het ouderlijk gezag is aangevangen, wordt aan hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, een raadsman toegevoegd, om hem, zoolang die uitoefening duurt, in zijn beheer ter zijde te staan.

Wat bij de artikelen 368 tot en met 375 voor den toezienden voogd is bepaald, geldt voor den raadsman; hij wordt benoemd op de wijze, bij artikel 387 voor toeziende voogden voorgeschreven; de voorschriften omtrent verschooning, uitsluiting en ontzetting van toeziende voogden zijn op hem van toepassing; hetgeen bij die verschillende bepalingen omtrent den voogd is voorgeschreven, geldt voor hem, die het ouderlijk gezag uitoefent.

Art. 353.

In de gevallen, bij het voorgaand artikel bedoeld, zijn de artikelen 417 tot en met 421, 432 tot en met 449 en artikel 454 op het beheer van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, toepasselijk.

Wat daarbij en in de artikelen 390, 391 en 397 omtrent den toezienden voogd bepaald is, geldt voor den raadsman.

404 b. r. ^•rt'

De moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent, wordt, indien zij dit verlangt, door den kantonrechter van het beheer ontheven.

Het verzoek daartoe kan te allen tijde gedaan worden.

12

ocr page 102

90

437 J?, r. Art. 355.

Hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, of die krachtens artikel 343 medebeheer heeft, kan bij rechterlijke uitspraak het beheer ontnomen worden, indien:

i0. hij bij het voeren daarvan onbekwaamheid aan den dag legt, of zijne wettelijke plichten verzuimt;

2°. hij in staat van faillissement of kennelijk onvermogen verkeert;

3°. tegen hem scheiding van goederen uitgesproken is.

Het recht om deze uitspraak te vorderen komt toe aan den anderen der ouders, den raadsman, de verwanten van het kind tot den derden graad ingesloten, en het openbaar ministerie.

De eisch wordt aangebracht en behandeld op de wijze, in de artikelen 408 en 409 omschreven.

d 3 .B. ik in het geval van artikel 343 brengt de ontneming van het beheer aan een der echtgenooten verlies daarvan voor den anderen mede.

Art. 356.

Zoodra de ontheffing, in artikel 354 bedoeld, verleend is, of de uitspraak, in artikel 355 bedoeld, kracht van gewijsde heeft, benoemt de kantonrechter een beheerder over het vermogen des kinds, en een raadsman, om hem, zoolang zijn beheer duurt, daarbij ter zijde te staan.

De andere der ouders kan niet tot beheerder benoemd worden.

Wat bij de artikelen 368 tot en met 376, 380, 387 tot en met 409 , 412 , 413 , 416 tot en met 454 voor den voogd en den toezienden voogd is bepaald, geldt voor den beheerder en den aan dezen toegevoegden raadsman.

362 lid 2/3 en 4 Art. 357.

.B. r.

Bij eene erfstelling, making of schenking aan een kind, dat onder ouderlijk gezag staat, kan worden bepaald, dat het beheer over de daarin begrepen goederen zal worden gevoerd door een of meer bewindvoerders.

Tenzij door den erflater of schenker daaromtrent anders mocht zijn bepaald, zijn de bewindvoerders verplicht jaarlijks aan hem, die de geldelijke belangen van het kind waarneemt, rekening en verantwoording te doen.

Indien zij in hun bewind onbekwaamheid aan den dag leggen, of hunne wettelijke plichten verzuimen, kan hij, die de geldelijke belangen van het kind waarneemt, hunne ontzetting vorderen.

De eisch wordt aangebracht bij de rechtbank van het domicilie van hem, wiens

ocr page 103

91

ontzetting wordt gevraagd, en behandeld op de wijze, in de artikelen 408 en 409 omschreven.

Bij ontstentenis van een of meer bewindvoerders benoemt de kantonrechter van het domicilie van het kind andere in hunne plaats.

403 i r. Art. 358.

Indien na het overlijden van den man de vrouw verklaart, of wel, daartoe door hare verwanten tot den tweeden graad ingesloten of ambtshalve opgeroepen, voor den kantonrechter erkent zwanger te zijn, benoemt deze, na verhoor van den familieraad, een bijzonderen curator.

Die curator is verplicht tot beschrijving, desnoods na verzegeling, van de goederen , waarop het kind volgens artikel 2 aanspraak kan krijgen, en tot alle maatregelen van behoud en beheer gedurende de zwangerschap.

Geene handeling, daartoe betrekkelijk, waartoe een voogd zonder rechterlijk verlof onbevoegd zou zijn, kan door de gerechtigden verricht worden, tenzij met zoodanig verlof, en met medewerking van den curator.

VIERDE AFDEELING.

Van het wettelijk vruchtgebruik.

366 b. w. Art. 359.

Zoolang het kind staat onder ouderlijk gezag, hebben zij of hij, bij wien dat berust, het vruchtgebruik van zijn vermogen; tenzij de schenker of erflater daaromtrent anders mocht hebben bepaald.

367 b. w. Art. 360.

Aan dit vruchtgebruik is de verplichting verbonden om tot het onderhoud en de opvoeding zooveel te besteden als in overeenstemming is met het vermogen van het kind, onverminderd de verplichting om, wanneer de vruchten en inkomsten uit dat vermogen ontoereikend zijn, in het ontbrekende overeenkomstig artikel 330 te voorzien.

368 b. r. Art. 361.

De ouders hebben geen vruchtgebruik van:

1°. de goederen, welke het kind door eigen arbeid heeft verkregen; 887 b. r. 2quot;. de goederen eener nalatenschap, welke ten gevolge van hunne onwaardigheid aan het kind uit eigen hoofde is opgekomen.

ocr page 104

92

Art. 362.

Tenzij overeenkomstig artikel 356 een beheerder benoemd is, wordt het vruchtgebruik aan hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, onthouden, zoolang hij aan zijne verplichting om de goederen te beschrijven niet heefl voldaan.

Deze bepaling geldt alleen ten aanzien van die goederen, waaromtrent het verzuim gepleegd is.

370 £. r.

862, 863 s. w.

Art. 363.

Bij toewijzing van een op artikel 355, nummer 1, gegronden eisch kan de rechter, indien het slecht beheer of plichtverzuim de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen betreft, dit recht vervallen verklaren.

Art, 364.

De bij artikel 356 bedoelde beheerder is verplicht jaarlijks rekening en verantwoording aan den vruchtgebruiker te doen, en hem het slot van rekening, voor zoover de vruchten en inkomsten betreft, uit te keeren.

Tenzij door den erflater of schenker daaromtrent anders mocht zijn bepaald, geldt hetzelfde voor de bewindvoerders.

373 b. ir.

386 b. ir.

Art. 365.

In alle gevallen, waarin ouders om eenige reden het vruchtgebruik missen, kan de kantonrechter verlof geven om de vruchten en inkomsten uit het vermogen des kinds geheel of gedeeltelijk tot zijn onderhoud en opvoeding te doen strekken.

VIJFTIENDE TITEL.

Van voogdij.

EERSTE AFDEELING. Van de voogdij in het algemeen.

Art. 366.

Behoudens de wettelijke uitzonderingen, is in elke voogdij slechts één voogd en één toeziende voogd.

ocr page 105

93

Art. 367.

De voogdij over kinderen uit hetzelfde huwelijk maakt slechts ééne voogdij uit. De langstlevende der ouders of de rechter kunnen echter voor één of meer dier kinderen afzonderlijk, of voor twee of meer gezamenlijk, één voogd benoemen; in welk geval voor iedere voogdij een toeziende voogd wordt aangesteld.

387 , 425 B, w. Art. 368.

Ieder ingezetene des Rijks, zoowel vreemdeling als Nederlander, is, zoo hij niet van rechtswege uitgesloten is, of redenen van verschooning heeft, gehouden, zich met de voogdij of toeziende voogdij, waartoe hij geroepen wordt, te belasten.

Blijft hij in gebreke zijne bediening waar te nemen, dan benoemt de kantonrechter, na verhoor van den voogd, den toezienden voogd en den familieraad, een plaatsvervanger, die op zijne kosten wordt beloond.

De kantonrechter stelt bij de benoeming het loon vast.

De voogd en toeziende voogd, wier betrekking wordt waargenomen, zijn, behoudens hun verhaal op hunne plaatsvervangers, voor dezen verantwoordelijk.

Art. 369.

Nederlanders en vreemdelingen, geen ingezetenen des Rijks zijnde, kunnen met hunne toestemming tot voogd benoemd worden, mits van die toestemming blijke door uitdrukkelijke verklaring, voor den kantonrechter of bij notarieele akte afgelegd. Toeziende voogdij kan alleen aan ingezetenen worden opgedragen.

Art. 370.

Alle buiten het Rijk domicilie hebbende voogden over Nederlandsche minderjarigen hebben ten aanzien der voogdij domicilie bij den toezienden voogd.

Wordt de toeziende voogd door een ander vervangen, dan houdt dit domicilie stand tot dat de toeziende voogdij van den nieuwbenoemde aanvangt.

Brengt de toeziende voogd zijn domicilie naar het buitenland over, dan houdt het voogdij-domicilie stand tot dat de minderjarige een ander domicilie binnen het Rijk verkrijgt.

417, 422 jB. W, 371.

In voogdij, door den kantonrechter op te dragen, en in toeziende voogdij wordt voorzien door den rechter van het domicilie van den minderjarige.

ocr page 106

94

Deze benoemingen geschieden voor minderjarigen, die in het buitenland domicilie hebben, door den rechter van het eerste kanton te Amsterdam, zoolang niet in de toeziende voogdij is voorzien.

De bij den aanvang der voogdij te benoemen toeziende voogd wordt in elk geval benoemd door den rechter, die den voogd heeft benoemd.

De in artikel 368 vermelde plaatsvervangers worden benoemd door den rechter, die den voogd of toezienden voogd heeft benoemd.

423 b. w. Art. 372.

De voogd is verplicht om, wanneer de toeziende voogdij niet is vervuld, onverwijld de benoeming van een toezienden voogd te verzoeken.

43i b. w. plaats van den voogd open, dan verzoekt de toeziende voogd onverwijld de

benoeming van een nieuwen voogd.

Bij het in gebreke blijven van voogden of toeziende voogden om hunne bediening waar te nemen, verzoekt dé toeziende voogd, of de voogd, onverwijld de benoeming van den bij artikel 368 bedoelden plaatsvervanger.

417 b. r. Art. 373.

Onverminderd de verplichtingen, bij het vorig artikel aan de voogden en toeziende voogden opgelegd, kunnen de daarin vermelde benoemingen worden verzocht door de verwanten van den minderjarige tot den zesden graad ingesloten en door alle belanghebbenden.

De kantonrechter kan ook ambtshalve benoemen.

419 b. r. Art. 374.

De voogdij en toeziende voogdij vangen ten aanzien van den voogd en den toezienden voogd aan, zoodra zij kennis dragen van hunne benoeming.

436 lid 2 b. w.

Hij, die niet van rechtswege van de voogdij is uitgesloten, is gehouden, te rekenen van het tijdstip, waarop de voogdij of toeziende voogdij te zijnen aanzien aanvangt, haalbij voorraad waar te nemen.

469 b. w. Art. 376.

De voogd mag vijf ten honderd van de jaarlijksche zuivere opbrengst van het door hem beheerde vermogen als loon in rekening brengen.

ocr page 107

95

Is aan het beheer meer dan gewone omslag verbonden, dan kan de rechter hem een hooger loon toeleggen, en de berekening daarvan anders regelen.

Het loon gaat eerst in, nadat de voogd voldaan heeft aan de verplichtingen, hem opgelegd bij de artikelen 417 en 422, of daarvan vrijstelling heeft verkregen.

Wegens voorbijgaande vermeerdering van bemoeiingen, ook ten aanzien van den persoon des minderjarigen, kan, op een daartoe strekkend verzoek, eene buitengewone toelage worden toegekend.

TWEEDE AFDEELING. Van de benoeming van voogden.

409 lid 1 B. w. Art. 377.

De langstlevende der ouders kan een voogd over zijne kinderen benoemen.

Deze benoeming beeft geen gevolg, wanneer hij op het tijdstip van zijn overlijden het ouderlijk gezag over hen niet uitoefent.

410 en 409 lid 2 Art. 378.

B. r.

De benoeming geschiedt bij uitersten wil of bij uitsluitend daartoe opgemaakte notarieele akte.

Daarbij kunnen ook meer personen benoemd worden, van wie, naar de orde, waarin dit is geschied, de later genoemde als voogd optreedt, wanneer de voorgaande ontbreekt.

«3 b. w. Art. 379.

Bi] ontstentenis van een door den langstlevende benoemden voogd voorziet de kantonrechter in de voogdij.

14, lid i b. w. Art. 380.

Alvorens den voogd te benoemen, hoort de kantonrechter den familieraad en, zoo het eene opengevallen voogdij geldt, ook den toezienden voogd.

Hij kan den persoon, die voor de opdracht in aanmerking komt, ondervragen en daartoe ontbieden.

ocr page 108

96

DERDE AFDEELING.

Van de voogdij over minderjarigen, die door eene instelling van weldadigheid

worden verpleegd.

Art. 381.

De voogd kan van den kantonrechter van zijn domicilie machtiging verzoeken om de verzorging van den minderjarige aan eene instelling van weldadigheid toe te vertrouwen, met dit gevolg, dat de voogdij op het bestuur dier instelling overgaat.

Art. 382.

Deze machtiging wordt verleend na verhoor van den familieraad, en met aanwijzing van eene bepaalde instelling.

Alleen die instellingen kunnen worden aangewezen, welke weezenverpleging in of buiten gestichten voortdurend ten doel hebben.

Art. 383.

De voogdij van het bestuur vangt aan, zoodra het de verzorging op zich genomen heeft en de machtiging verleend is; zij duurt tot het einde der minderjarigheid.

Art. 384.

Bij alle handelingen, die het bestuur als voogd te verrichten heeft, kan een zijner leden als zoodanig optreden.

Art. 385.

Voor de gevolgen van alle handelingen, door het bestuur in de uitoefening der voogdij verricht, zijn de bestuurders persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk.

Tegen hem, die bewijst het zijne gedaan te hebben om de handeling te verhinderen, of tot verhindering buiten staat geweest te zijn, wordt geene veroordeeling uitgesproken.

Hetzelfde geldt omtrent handelingen, in de uitoefening der voogdij nagelaten.

ocr page 109

97

Art, 386.

Bij ontslag van een of meer bestuurders eindigt tevens de voogdij te hunnen aanzien, en gaat van rechtswege op hunne opvolgers over.

Indien alle bestuurders ontslagen worden, zonder dat er opvolgers in hunne plaats benoemd worden, of het bestuur de voogdij verliest, treedt de vroegere voogd in de voogdij terug.

VIERDE AFDEELING.

Van de toeziende voogdij.

422 b. w. Art. 387.

In elke voogdij, met uitzondering van die der vorige afdeeling, benoemt de kantonrechter een toezienden voogd, na verhoor van den familieraad en, zoo hij het dienstig acht, ook van den voogd.

424 b. r. Art. 388.

Indien zoowel in de voogdij als in de toeziende voogdij moet worden voorzien, benoemt de kantonrechter den toezienden voogd onmiddellijk na den voogd en, zoo mogelijk, bij dezelfde akte.

428 lid i b. r. Art. 389.

De toeziende voogd zorgt,' dat de voogd zekerheid stelle en, zoo er gedurende de voogdij aanleiding toe ontstaat, het bedrag daarvan vermeerdere.

Bij nalatigheid van den voogd handelt hij overeenkomstig het derde lid van artikel 424, of vordert de ontzetting van den voogd.

aai, 450 b. r. Art. 390.

De toeziende voogd zorgt, dat de voogd de effecten en aandeelen aan toonder van den minderjarige op diens naam doe stellen of in bewaring geve.

Daartoe vordert hij van den voogd, eene maand nadat deze het vermogen van den minderjarige in beheer heeft genomen, inzage van de bewijzen van tenaamstelling of inbewaargeving; en kan hij, bij nalatigheid van den voogd, dezen voor den kantonrechter dagvaarden om bij lijfsdwang tot de vervulling zijner verplichtingen te worden veroordeeld.

13

ocr page 110

98

Blijft hij in gebreke den voogd hiertoe te noodzaken, dan wordt hij aansprakelijk voor alle, zelfs door toeval teweeggebrachte schade, tenzij hij bewijst, dat die ook bij nakoming van artikel 433 ware geleden.

Art. 391.

De toeziende voogd zorgt, dat in de gevallen, waarin eene beschrijving overeenkomstig de artikelen 417 en 419 moet worden opgemaakt, de voogd dit doe, en overeenkomstig het vierde lid van artikel 417 de akte nederlegge.

Bij nalatigheid van dezen vraagt hij van den kantonrechter machtiging om in plaats van den voogd te handelen, of vordert hij de ontzetting van den voogd.

Om de twee jaren doet de toeziende voogd zich door den voogd een in dubbel opgemaakten staat overleggen van hetgeen gedurende dat tijdvak voor rekening van den minderjarige ontvangen en uitgegeven is, en de geldswaardige stukken vertoonen, welke de voogd onder zich heeft.

Hij geeft een der aldus opgemaakte staten gewaarmerkt aan den voogd terug, en den anderen bij het eindigen zijner bediening aan zijn opvolger of aan den meerderjarig gewordene over.

Acht hij voor zijn toezicht noodig, dat de voogd hem tusschentijds opening van zaken geve, zoo wendt hij zich, bij weigering, tot den kantonrechter, die, na verhoor van den voogd, in het hoogste ressort beslist.

Geschillen over het voldoende der ontvangen staten of inlichtingen worden op dezelfde wijze beslist.

De in dit artikel bedoelde staten zijn vrij van zegel.

Art. 393.

De verplichting van den toezienden voogd om voor vermeerdering der gestelde zekerheid te zorgen ontstaat eerst, nadat aan den minderjarige eene erfenis is opgekomen, of de vermeerdering van het vermogen uit den laatsten tweejaarlijkschen staat is gebleken.

427 b. vs. Art. 394.

De toeziende voogd vervangt den voogd, zoo dikwijls deze en de minderjarige tegenstrijdige belangen hebben.

Zijn beider belangen met die van den minderjarige in strijd, dan benoemt de kan-

ocr page 111

99

tonrechter, op verzoek van den voogd, den toezienden voogd, of de in artikel 373 genoemde personen, een bij zonderen vertegenwoordiger van den minderjarige uitsluitend voor dit geval.

Art. 395.

Bij geschillen over zaken, welke tot zekerheid van het voogdijheheer verbonden zijn, kan de toeziende voogd voor de belangen van den minderjarige opkomen.

430 b. r. Art. 396.

In de gevallen van artikel 406 is de toeziende voogd verplicht de ontzetting van den voogd te vorderen.

Art. 397.

In alle gevallen, waarin de toeziende voogd ten gevolge eener hem bij de wet opgelegde verplichting tegen den voogd in rechte optreedt, komen de kosten, zoo hij in het ongelijk gesteld wordt, ten laste van den minderjarige, tenzij hij zonder eenigen redelijken grond opgetreden is, in welk geval hij persoonlijk in de kosten wordt veroordeeld.

Dit geldt insgelijks in het geval van artikel 395.

431 b. w. Art. 398.

Wanneer de voogdij openvalt, of de voogd buiten staat is haar waar te nemen , verricht de toeziende voogd tijdelijk al datgene, wat geen uitstel toelaat.

VIJFDE AFDEELING.

Yan de redenen van verschooning.

woa—üb.w. Art. 399.

Van de voogdij kunnen zich verschoonen zij, die: lquot;. aanhoudende kwalen of lichaamsgebreken hebben; 2°. den ouderdom van zestig jaren bereikt hebben; 3°. met twee voogdijen belast zijn;

ocr page 112

iOO

minder dan vijf minderjarige kinderen hebbende, met ééne voogdij belast zijn; vijf of meer minderjarige kinderen hebben;

tot den minderjarige in geene familiebetrekking staan, indien binnen het arrondissement, waar de benoeming geschiedt, verwanten tot den zesden graad ingesloten domicilie hebben, en deze niet van de voogdij zijn uitgesloten, noch zich wettig verschoonen kunnen.

Het zijn van toeziende voogd, raadsman, beheerder krachtens artikel 356, curator of toeziende curator wordt met voogdij gelijk gesteld.

435 b. r. A.rt. 400.

Hij, die zich van eene hem opgedragen voogdij wil verschoonen., vraagt ontheffing van den kantonrechter, die de benoeming heeft gedaan, of, ingeval hij door den langstlevende der ouders benoemd is, van dien van het laatste domicilie van dien overledene.

Het verzoek wordt gedaan binnen acht dagen na den dag, waarop hij van zijne benoeming kennis heeft bekomen, indien hij zich in het Rijk; binnen ééne maand, indien hij zich elders in Europa; binnen drie maanden, indien hij zich buiten Europa bevindt.

14 '10'i-;? Art. 401.

J5. /f.

Indien tijdens het voeren der voogdij de voogd zich in het buitenland gevestigd, aanhoudende kwalen of lichaamsgebreken gekregen of den ouderdom van vijf en zestig jaren bereikt heeft, kan hij zijn ontslag vragen aan den kantonrechter van het voogdijdomicilie.

Art. 402.

De voogd kan ook ontslag vragen, indien een ander, die naar het oordeel des kantonrechters gelijke waarborgen van geschiktheid en gegoedheid aanbiedt, zich bereid verklaart de voogdij over te nemen.

De bepalingen omtrent de benoeming van voogden door den kantonrechter moeten hierbij worden nagekomen; de kosten komen voor rekening des verzoekers.

Art. 403.

De voorschriften omtrent verschooning en ontslag gelden eveneens voor plaatsver vangende en toeziende voogden.

4°. 5°.

433 B. W. go^

ocr page 113

lOi

ZESDE AFDEELING.

Van de redenen van uitsluiting en ontzetting.

436 n». 1-3 £. JT. Art. 404.

Van de voogdij zijn van rechtswege uitgesloten:

1°. vrouwen, behalve bestuurderessen van instellingen van weldadigheid als zoodanig;

2°. minderjarigen;

3°. onder curateele gestelden;

4quot;, zij, die bij strafvonnis zijn ontzet van het recht om voogd te zijn, voor zoo lang de uitspraak reikt.

Art. 405.

Indien eene der drie laatstgenoemde redenen van uitsluiting vervalt, ontstaat voor den uitgeslotene alleen de bevoegdheid om in voogdijen, die hem daarna worden opgedragen, op te treden.

437 n». 2-5 S. W. Art. 406,

Door den burgerlijken rechter kunnen uit eene bepaalde voogdij ontzet worden zij, die:

1°. krankzinnig zijn;

2°. een bekend slecht levensgedrag leiden;

3°. in de waarneming der voogdij onbekwaamheid aan den dag leggen, of hunne wettelijke plichten verzuimen;

4°. wegens onwaardigheid uit het ouderlijk gezag ontzet zijn, of aan wie krachtens artikel 355, nummer 4, het beheer over de goederen van hun kind is ontnomen;

5°. wegens slecht levensgedrag, onbekwaamheid of plichtverzuim uit eene andere voogdij ontzet zijn, of uit elke andere bediening, waaruit ontzetting, krachtens toepasselijk verklaring van dit artikel, mogelijk is;

6°. in staat van faillissement of kennelijk onvermogen verkeeren;

mno.is.w. 7°. zelf, of wier vader, moeder, echtgenoot of kinderen tegen den minderjarige een rechtsgeding voeren, waarin diens staat of een aanmerkelijk deel van diens vermogen betrokken is.

ocr page 114

102

438 ii. w. Art. 407.

De ontzetting kan gevraagd worden door den toezienden voogd, de verwanten van den minderjarige tot den vierden graad ingesloten, en het openbaar ministerie.

Art. 408.

De vordering wordt door den toezienden voogd en de verwanten bij verzoekschrift, door het openbaar ministerie bij requisitoir, aangebracht bij de rechtbank van het voogdij-domicilie.

Alvorens in eersten aanleg of in hooger beroep te beslissen, beveelt de rechter de oproeping van den voogd en den toezienden voogd.

Bij het verhoor is het openbaar ministerie tegenwoordig.

Indien de voogd de gestelde feiten erkent, of op de gedane oproeping niet verschijnt, kan de rechter zonder nader onderzoek beslissen.

Indien hij de gestelde feiten ontkent, of de rechter een nader onderzoek dienstig acht, verwijst deze de zaak naar eene bepaalde terechtzitting en beveelt de oproeping van den voogd, met inachtneming der termijnen en formaliteiten, voor dagvaardingen voorgeschreven.

Op die terechtzitting wordt door den eischer conclusie genomen en op de gewone wijze voortgeprocedeerd.

De rechter kan gelasten, dat de zaak met gesloten deuren behandeld worde.

Bij niet verschijning ter terechtzitting gelden de voorschriften omtrent verstek.

Zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep wordt het openbaar ministerie gehoord na afloop van het onderzoek krachtens het tweede lid van dit artikel ingesteld, alsmede, zoo de zaak op de bij het vijfde lid bedoelde wijze wordt voortgezet, na afloop van het nader onderzoek.

440 b. iy. Art. 409.

In eiken stand der zaak kan de rechter den voogd schorsen; hij kan in dat geval eenen plaatsvervanger aanwijzen om voorloopig het beheer der voogdij te voeren en hetzij aan dezen of aan den toezienden voogd opdragen, om door verzegeling of andere voor te schrijven middelen voor het behoud van het vermogen des minderjarigen te zorgen.

Deze beschikkingen zijn niet vatbaar voor hooger beroep, en worden bij voorraad uitvoerbaar verklaard.

De bevolen voorzieningen vervallen, wanneer de verzoeker niet aan het bevel tot oproeping, in het vorige artikel vermeld, heeft voldaan, of niet op de bepaalde terechtzitting is verschenen.

ocr page 115

103

Art. 410,

Indien het bestuur eener instelling van weldadigheid in de -waarneming der voogdij onbekwaamheid aan den dag legt, of zijne wettelijke plichten verzuimt, kan de rechter het uit de voogdij ontzetten.

Het recht om die ontzetting te vorderen komt toe aan het openbaar ministerie; de vordering wordt aangebracht bij de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de instelling haren zetel heeft, en behandeld op de wijze, in de artikelen 408 en 409 omschreven.

Alle explooten kunnen aaii een der bestuurders gedaan worden.

De ontzetting heeft ten gevolge, dat het bestuur de voogdij over alle minderjarigen, die op dat oogenblik aan zijne zorg toevertrouwd zijn, verliest, en geene voogdij verkrijgt over die, welke later opgenomen worden.

Art. 411.

De rechter, die het bestuör ontzet heeft, kan dit in de voogdij herstellen.

Hij beschikt op het daartoe strekkend verzoek, na het openbaar ministerie gehoord te hebben, en behoudens hooger beroep indien de ontzetting in eersten aanleg heeft plaats gehad.

Het herstel heeft ten gevolge, dat de minderjarigen, waarover het bestuur de voogdij vroeger uitgeoefend heeft, daaronder teruggebracht kunnen worden door eene enkele verklaring van den voogd, voor den kantonrechter afgelegd.

(Still. nlt;gt;. 93).

437 n°. 1 B. W. Art. 412.

Art. 6 Wet

™ 26 Aimussi Indien de voogd tot eene vrijheidstraf van meer dan een jaar wordt veroordeeld, of zich ter zake van zoodanige veroordeeling, tijdens het bekomen der voogdij, in verzekerde bewaring bevindt, kan de rechtbank van zijn domicilie de uitoefening der voogdij tijdelijk aan een plaatsvervanger opdragen.

De artikelen 407 tot en met 409 zijn op deze voorziening toepasselijk.

De voogd zelf kan gelijke tijdelijke opdracht aan den kantonrechter van zijn domicilie vragen, die, na verhoor van den toezienden voogd en den familieraad, beschikt.

De opdracht aan den plaatsvervanger eindigt van rechtswege met de invrijheidstelling van hem, dien hij vervangt.

439 li. JK

Art. 413.

De voorschriften omtrent uitsluiting en ontzetting, gelden eveneens voor plaatsvervangende en toeziende voogden.

Hunne ontzetting kan gevraagd worden door den voogd, den toezienden voogd.

ocr page 116

104

de verwanten van den minderjarige tot den vierden graad ingesloten, en het openbaar ministerie.

De vordering wordt aangebracht bij de rechtbank van het domicilie van hem, wiens ontzetting wordt gevraagd, en behandeld op de wijze, in de artikelen 408 en 409 omschreven.

ZEVENDE AFDEELING.

Yan het toezicht van den voogd over den jpersoon des minderjarigen.

441 b. ir. Art. 414.

De voogd zorgt voor het onderhoud en de opvoeding van den minderjarige overeenkomstig diens vermogen.

442 s. ir. Art. 415.

De minderjarige, die zich misdraagt, kan op verzoek van den voogd in verzekerde bewaring worden gesteld op zoodanige plaats, als de rechtbank, na daaromtrent het gevoelen des verzoekers ingewonnen te hebben, aanwijst.

Het tweede, derde, vierde, vijfde en zevende lid van artikel 347 en artikel 349 zijn toepasselijk.

De rechtbank hoort den toezienden voogd en den familieraad.

De voogd kan den tijd der vastzetting, zelfs wanneer die krachtens artikel 347 is bevolen, verkorten.

ACHTSTE AFDEELING.

Van de waarneming van de geldelijke belangen des minderjarigen.

441 , 443 n. w. Art. 416.

De voogd beheert het vermogen van den minderjarige, en vertegenwoordigt hem te dien einde in burgerlijke handelingen.

Hij moet als een goed huisvader beheeren.

Worden aan den minderjarige goederen geschonken of vermaakt, met bepaling, dat het beheer daarover zal worden gevoerd door een of meer bewindvoerders, dan zijn het tweede en de volgende leden van artikel 357 toepasselijk, met dien verstande, dat hetgeen daarbij ten aanzien van hem is bepaald, die de geldelijke belangen van het kind waarneemt, dat onder ouderlijk gezag staat, voor den voogd geldt.

ocr page 117

105

M4 B. W'. Art. 417.

Binnen drie maanden, nadat de minderjarige onder voogdij is gekomen, zorgt de voogd voor het opmaken van eene beschrijving van diens vermogen of van den boedel, waartoe hij mede gerechtigd is.

Hij zelf en de toeziende voogd zijn daarbij in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig.

De notaris geeft binnen tien dagen na het sluiten der akte, met vermelding van hare dagteekening, schriftelijk van het verlijden daarvan kennis ter griffie van het kantongerecht, binnen welks rechtsgebied de minderjarige bij den aanvang der voogdij domicilie had.

De beschrijving kan ook ondershands worden opgemaakt; alsdan wordt zij, door den voogd en den toezienden voogd onderteekend overgebracht naar de in het vorige lid van dit artikel aangeduide griffie.

Zoowel de notarieele als de onderhandsche beschrijving, behelst eene nauwkeurige aanduiding van de effecten, aandeelen en andere geldswaardige papieren, met opgave van hunne nummers, en wordt besloten met eene uitdrukkelijke verklaring van den voogd en den toezienden voogd of hunne gemachtigden, dat, naar hun beste weten, de beschrijving overeenkomstig de waarheid is, en dat bij het opmaken daarvan niets is verzwegen of achtergehouden.

Bij onderhandsche beschrijving wordt die verklaring door den voogd en den toezienden voogd, ieder afzonderlijk, met eigen hand op het stuk gesteld.

Bij gebreke van de verklaring in de akte, wordt de nalatige door den kantonrechter opgeroepen om haar voor hem af te leggen.

De kosten hierop vallende zijn voor zijne rekening.

445 B. W. Art. 418.

Is van eene schuldvordering van den voogd ten laste van den minderjarige bij de beschrijving geene opgave gedaan, dan wordt de schuld vermoed te zijn gekweten.

De voogd wordt, zoolang de minderjarigheid duurt, niet tot het bewijs van het tegendeel toegelaten, en verliest zijn recht op de interessen, welke tusschen het opmaken der beschrijving en de meerderjarigheid vervallen.

Gedurende dat tijdsverloop wordt de verjaring der vordering geschorst.

Art. 419.

Wanneer gedurende den loop der voogdij aan den minderjarige eene erfenis, of door making of schenking eene hoeveelheid roerende zaken is opgekomen, zorgt de voogd voor het opmaken van eene beschrijving van het aldus verkregene binnen drie maanden daarna, en overeenkomstig de bepalingen van artikel 417.

14

ocr page 118

100

De kennisgeving, bij het derde lid, of het overbrengen, bij het vierde lid van dat artikel bevolen, geschieden dan ter griffie van het kantongerecht, binnen welks rechtsgebied de voogd domicilie heeft.

Artikel 418 is mede toepasselijk.

Art. 420.

De kantonrechter kan den termijn voor het opmaken der beschrijving verlengen.

Is het getal of de waarde der te beschrijven voorwerpen gering, dan kan de kantonrechter, na verhoor van den toezienden voogd, vrijstelling van de verplichting tot beschrijving verleenen.

Verzuimt de voogd binnen den wettelijken of door den rechter verlengden termijn voor het opmaken der beschrijving te zorgen, zonder dat de toeziende voogd daarna de machtiging van het tweede lid van artikel 391 vraagt, dan brengt de kantonrechter dat verzuim ter kennis van den officier van justitie, en kan artikel 368 worden toegepast.

Art. 421.

Aan den voogd, den toezienden voogd, den minderjarige, nadat deze den leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, en de erfgenamen van den minderjarige, wordt door den griffier van het kantongerecht, op hun verzoek, inzage of afschrift verstrekt van de onder hem berustende beschrijvingen; aan anderen niet dan met machtiging der rechtbank.

590 B. Vl', Art. 422.

Met uitzondering van bestuurders van instellingen van weldadigheid als zoodanig, zijn alle voogden verplicht, tot zekerheid van hun beheer hypotheek te geven of inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld te verbinden tot een bedrag, geëvenredigd aan de uit dat beheer voortvloeiende verantwoordelijkheid.

Dit bedrag wordt ambtshalve door den kantonrechter bepaald binnen drie maanden na de benoeming van den voogd, of, zoo deze door den langstlevende der ouders werd benoemd, van den toezienden voogd, en na beiden benevens den familieraad te hebben gehoord.

Blijkt uit de inlichtingen omtrent het vermogen van den minderjarige, dat de verantwoordelijkheid van den voogd tot geene noemenswaardige schadevergoeding aanleiding kan geven, dan kan de kantonrechter vergunnen, dat voorloopig geene zekerheid worde gesteld.

Art. 423.

Dragen op het tijdstip van het in het vorige artikel bedoelde verhoor de voogd en

ocr page 119

107

de toeziende voogd nog geen voldoende kennis van den staat van het vermogen van den minderjarige, dan kan de kantonrechter een nader verhoor bepalen, uiterlijk drie maanden na het eerste.

Wanneer de voogd en de toeziende voogd alsdan de noodige opgaven niet doen, bepaalt de kantonrechter het bedrag der zekerheid naar de hem bekende omstandigheden.

396 B. W. Art. 424.

Uiterlijk binnen eene maand na den dag, waarop de beschikking van den kantonrechter kracht van gewijsde heeft bekomen, geeft de voogd daaraan uitvoering.

Verleent hij hypotheek, dan geschiedt dit op de door hem aangewezen, of door een derde daartoe beschikbaar gestelde zaken: het kan geschieden bij de akte, bedoeld bij het tweede lid van artikel 422.

Voldoet hij binnen gemelden termijn niet aan zijne verplichting, dan is de toeziende voogd gehouden om bij borderel van inschrijving de zaken van den voogd aan te wijzen, waarop de hypotheek zal worden gevestigd.

392 B- w- Art. 425.

Wanneer de voogd geene of geen genoegzame, voor hypotheek vatbare zaken of inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld bezit, legt hij daarvan eene verklaring voor den kantonrechter af, terwijl hij gehouden blijft, om naar gelang hij zaken verkrijgt, waarmede hij aan zijne verplichting voldoen kan, die te verbinden.

395 B. W. Art. 426.

Geschillen over de waarde van door den voogd aangewezen goederen worden door den kantonrechter, na verhoor van den voogd en den toezienden voogd, in het hoogste ressort beslist.

lid 4 B W. Art. 427.

De inschrijving van de hypotheek en de aanteekening van het verband op het grootboek geschieden door de zorg van den toezienden voogd.

Deze zendt binnen drie maanden na de dagteekening der beschikking van den kantonrechter ter griffie van het kantongerecht de bewijzen der gestelde zekerheid in.

Bij verzuim hiervan, brengt de kantonrechter dit ter kennis van den officier van justitie.

ocr page 120

108

398 B. W. Art. 428.

Gedurende de voogdij mag de inschrijving van de hypotheek, buiten het geval van gerechtelijke rangschikking, niet worden doorgehaald, noch het verband op het grootboek opgeheven dan op bevel van den kantonrechter, na verhoor van den voogd, van den toezienden voogd en, zoo hij het dienstig acht, van den familieraad.

394 B. W. Art. 429.

Wanneer gedurende de voogdij het vermogen van den minderjarige merkelijk toeneemt, beveelt de kantonrechter, op verzoek van den toezienden voogd of ook ambtshalve, de vermeerdering van de gestelde zekerheid met eene door hem te bepalen som.

Gaat het vermogen van den minderjarige buiten de schuld van den voogd merkelijk achteruit, dan wordt, op verzoek van den voogd, eene evenredige vermindering der gestelde zekerheid toegestaan.

In beide gevallen hoort de kantonrechter den voogd, den toezienden voogd en, zoo hij het dienstig acht, den familieraad.

397 B. W. Art. 430.

De voogd kan op zijne kosten met machtiging van den kantonrechter, na verhoor van hem en van den toezienden voogd te verleenen, de gestelde zekerheid vervangen door eene andere, hetzij op eigen zaken hetzij op die van een derde.

399 B. W. Art. 431.

De akten, noodig tot het verleenen, inschrijven en doorhalen der hypotheken, alsmede tot het stellen, aanteekenen en opheffen van het verband op het grootboek, waarvan in deze afdeeling gehandeld wordt, zijn aan geen rechten van zegel, registratie of hypotheek onderworpen.

418 B. W. Art. 432.

Heeft de minderjarige goederen buiten het Rijk, dan kan de voogd aan den kantonrechter verzoeken, het beheer daarover aan een of meer gemachtigden te mogen opdragen.

Hij onderwerpt daartoe zoowel den persoon van den gemachtigde als de bepalingen van den last, dien hij voornemens is te geven, aan 's rechters goedkeuring.

De kantonrechter beschikt na verhoor van den voogd, den toezienden voogd en den familieraad.

De voogd is voor het beheer van den gemachtigde niet verantwoordelijk.

ocr page 121

409

Hij kan den last ten allen tijde herroepen, en is daartoe verplicht, zoodra hem

onbekwaamheid of plichtverzuim van den gemachtigde ten aanzien van het beheer gebleken is.

391, 450 B. W. Art. 433.

De voogd doet de effecten en aandeelen aan toonder van den minderjarige op diens naam stellen, of geeft ze in bewaring.

De wet wijst aan, bij welke ambtenaren of instellingen en noar welke regelen deze bewaargeving geschiedt.

Bij het bepalen van het bedrag der zekerheid komt de waarde dier effecten en aandeelen niet in aanmerking.

447 B. W. Art. -434.

De voogd maakt de roerende goederen, die aan bederf of aanmerkelijke vermindering in waarde onderhevig zijn, te gelde; hij behoudt of verkoopt de overige naar gelang hij het een of ander noodig oordeelt.

449 B. W. Art. 435.

Met uitzondering der inkomsten belegt de voogd uiterlijk binnen drie maanden na de ontvangst alle door hem ontvangen gelden van den minderjarige, en binnen drie maanden na het einde des jaars het batig slot der inkomsten, voor zooverre deze niet tot betaling van loopende uitgaven moeten dienen.

Na verloop van dien termijn wordt de voogd vermoed nalatig in de belegging te zijn; nalatig zijnde wordt hij de wettelijke interessen der onbelegde sommen schuldig van den dag, dat hij die had moeten beleggen.

De belegging geschiedt in inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld; schuldbrieven van den Staat of door den Staat gewaarborgd; landelijke eigendommen; of inschulden, gewaarborgd door een eerste hypothecair verband op zaken, die ten minste de helft meer waard zijn dan het daarop te vestigen kapitaal.

In de Rijkspostspaarbank mag belegd worden tot het bedrag, waarvoor rente wordt vergoed.

Bij belegging in onroerend goed of hypothecaire inschulden kan de voogd, te zijner verantwoording, de eigendommen of onderpanden doen schatten door een of meer deskundigen, door den kantonrechter aan te wijzen.

459 lid 1 B. W. Art. 436.

Wanneer de voogd eene aan den minderjarige opgekomen erfenis aanvaardt, heeft dit van rechtswege de gevolgen eener aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

ocr page 122

110

Art. 437.

De voogd mag zonder verlof van den kantonrechter van zijn domicilie;

451 B. \V. 1°. geene onroerende zaken, schepen, effecten, aandeelen, inschulden of andere onlichamelijke roerende zaken van den minderjarige vervreemden of bezwaren;

20. geene gelden ten laste van den minderjarige opnemen;

459 M 2 B. W. 30. geene aan den minderjarige opgekomen erfenis verwerpen;

4G0 B. W. 4°. geene aan den minderjarige gedane making of schenking, waaraan lasten of voorwaarden verbonden zijn, aannemen of weigeren;

4C5 B. W. over geen geschil, waarbij de minderjarige betrokken is, eene dading aangaan,

behalve in het geval van artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De kantonrechter beschikt na verhoor van den toezienden voogd, en, zoo hij het dienstig acht, van den familieraad.

Hij kan om gewichtige bij zijne beschikking te vermelden redenen het verhoor van den toezienden voogd overbodig verklaren.

453, 454, 456 B. W.

451, 452 B. W. Art- '438-

Tn de gevallen, bij de twee eerste nummers van het vorig artikel omschreven, kan de kantonrechter de overlegging van een staat van het vermogen van den minderjarige bevelen.

De kantonrechter verleent in die gevallen het verlof alleen, wanneer van volstrekte noodzakelijkheid, aanmerkelijk voordeel of dreigend nadeel blijkt, of wanneer de inkomsten van den minderjarige ontoereikend zijn om in de kosten van zijn onderhoud en opvoeding te voorzien.

Strekt het verzoek om zekere goederen te vervreemden of te bezwaren, en oordeelt de rechter de vervreemding of het bezwaren van andere verkieslijk, dan kan hij ambtshalve het verlof daartoe verleenen.

Art. 439.

De kantonrechter, verlof tot verkoop gevende, bepaalt tevens, of die in het openbaar of ondershands zal geschieden, met zoodanige verdere voorschriften, als hij dienstig acht.

455 B. W. Art-

Geen verlof wordt gevorderd, indien de verkoop geschiedt krachtens rechterlijk bevel.

ocr page 123

Ill

157, 458 lid 1 Art. 441.

B. W.

De voogd mag, zonder dat de kantonrechter, na verhoor van den toezienden voogdr de te sluiten overeenkomst goedkeurt, geen goederen van den minderjarige koopen of huren.

Ingeval van openbare verkooping of verhuring moet de goedkeuring binnen eene maand daarna zijn aangevraagd.

Art. 442.

Heeft de voogd zonder rechterlijk verlof, eenige handeling verricht, waartoe volgens de artikelen 437 en 441, dat verlof wordt vereischt, of zich, in het geval van artikel 439, niet aan de voorschriften des rechters gehouden, dan kan de meerderjarig gewordene, enkel op dien grond, de nietigverklaring van zoodanige handeling vragen.

Gedurende den tijd, dat de minderjarige nog onder voogdij staat, hebben daartoe het recht de toeziende voogd, en, zoo de voogd, die het verzuim heeft begaan, is vervangen, diens opvolgers.

In de gevallen, bij de drie eerste nummers van artikel 437 omschreven, alsmede wanneer het verzuim artikel 439 betreft, wordt de vordering afgewezen, indien de wederpartij aantoont, dat de handeling geen nadeel aan den minderjarige heeft veroorzaakt.

De vordering vervalt door uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring van den meerderjarig gewordene.

458 lid 2 B. W. Art. 443.

De voogd mag, zonder dat de kantonrechter, na verhoor van den toezienden voogd, de te sluiten overeenkomst goedkeurt, geene inschuld ten laste van den minderjarige, noch eenig zakelijk recht, op diens goederen, van een derde verkrijgen.

Ontbreekt de goedkeuring, dan is de overeenkomst krachteloos.

461 B. W. Art. 444.

Alvorens als eischer of verweerder voor den minderjarige in rechte op te treden, of tegen eenige uitspraak- op te komen, kan de voogd te zijner verantwoording de goedkeuring van den kantonrechter vragen.

Deze beschikt na verhoor van den toezienden voogd en, zoo hij het dienstig acht, van den familieraad.

Hij kan om gewichtige bij zijne beschikking te vermelden redenen het verhoor van den toezienden voogd overbodig verklaren.

ocr page 124

412

De voogd, die op eigen gezag handelt, kan, onverminderd zijne verplichting tot schadevergoeding zoo daartoe gronden zijn, persoonlijk in de proceskosten veroordeeld worden.

462 B. W. Art. 445,

Wanneer de voogd met de goedkeuring des kantonrechters, te verleenen op de wijze in het vorig artikel vermeld, in een tegen den minderjarige ingestelden eisch berust, wordt hij vermoed in diens belang te hebben gehandeld.

i66 B. W. Art. 446.

Wanneer het vermogen van den minderjarige of een gedeelte daarvan in eene onderneming van landbouw, handel of nijverheid geplaatst is, kan de voogd van den kantonrechter verlof vragen om de zaken voor rekening, hetzij van den minderjarige alleen, hetzij van dezen met anderen voort ie zetten.

De kantonrechter, het verlof verleenend, doet dit onder zoodanige bepalingen als hij in het belang van den minderjarige acht; hij kan den voogd naar gelang van den aard der voort te zetten zaken eene doorloopende machtiging verleenen tot de handelingen onder de nummers 1, 2 en 5 van artikel 437 omschreven.

Hij beschikt na verhoor van den toezienden voogd en den familieraad.

Art. 447.

De toeziende voogd heeft het recht jaarlijks afschrift van de balans te vorderen met inzage van de daartoe betrekkelijke bescheiden en van de boeken der onderneming, ook wanneer derden mede belanghebbenden zijn.

466 lid 2 B. W. Art- 448.

De intrekking van het verlof kan van den kantonrechter door den toezienden voogd en de verwanten tot den vierden graad ingesloten worden gevraagd.

Is op het in de zaken geplaatste kapitaal van den minderjarige een verlies van dertig ten honderd geleden, dan moet de voogd, zoo hij de zaken wil voortzetten, op nieuw verlof aanvragen.

De kantonrechter beschikt in beide gevallen na verhoor van den voogd, van den toezienden voogd, en, zoo hij het dienstig acht, van den familieraad.

ocr page 125

113

NEGENDE A F DEELING.

Vim de rekening en verantwoording.

\ 468 B. W. Art. 449.

Elke voogd is bij het eindigen van zijn beheer verplicht rekening en verantwoording te doen.

Daarbij worden jhem alle noodzakelijke en betamelijke uitgaven, die behoorlijk gerechtvaardigd zijn, goedgedaan.

Hij schiet de kosten der rekening en die der kwijting voor.

Art. 450.

Indien de voogdij geëindgd is in den persoon van den voogd, wordt de rekening gedaan aan den opvolger.

Heeft de afgetreden voogd geen rekening aan zijnen opvolger gedaan, zoo is hij daartoe alsnog jegens den meerderjariggewordene gehouden.

Overeenkomsten rakende de voogdij of de voogdijrekening tusschen den voogd en den meerderjariggewordene, of algemeene kwijtingen van dezen, strekkende om den voogd van zijne verantwoordelijkheid te ontlasten, zijn krachteloos, indien daaraan niet is voorafgegaan eene rekening, met overlegging der noodige bewijsstukken, aan den meerderjariggewordene minstens zes maanden vóór de overeenkomst of kwijting gedaan, of hem door bemiddeling van den kantonrechter van het voogdij-domicilie ter hand gesteld.

Art. 452.

De voogd, de bemiddeling van den kantonrechter inroepende, legt daartoe aan dezen onder inventaris over zijne rekening met de bewijsstukken en met de staten bij artikel 392 bedoeld.

De kantonrechter waarmerkt de rekening en vergelijkt die met de bewijsstukken en de staten; hij geeft deze laatste en den, met vermelding van dagteekening, door hem gewaarmerkten inventaris aan den voogd terug, en stelt de overige stukken aan den meerderjariggewordene ter hand met zoodanige opmerkingen als hij dienstig acht.

15

ocr page 126

114

De meerderjariggewordene wordt opgeroepen om daartoe voor den kantonrechter te verschijnen bij aangeteekenden brief van den griffier.

Van zijne verschijning of niet verschijning wordt proces-verbaal opgemaakt, en in het laatste geval de rekening met hare bewijsstukken aan den voogd teruggegeven.

Art. 453.

Indien de rekening en hare bewijsstukken zonder bemiddeling van den kantonrechter aan den meerderjariggewordene zijn verstrekt, moet hiervan blijken door erkentenis bij notarieele of onderhandsche akte van hem, aan wien de rekening gedaan is; de termijn, bij artikel 451 bepaald, loopt van de dagteekening der notarieele of de registratie der onderhandsche akte.

Ingeval van bemiddeling des kantonrechters wordt tot de geldigheid der overeenkomst of kwijting vereischt, dat zij niet gesloten of verleend zij dan minstens tien dagen na de dagteekening van het bij artikel 452 vermeld proces-verbaal.

472 B. W. Art. 454.

Elke tot de verrichtingen der voogdij betrekkelijke rechtsvordering van den meerderjariggewordene tegen den voogd verjaart met tien jaren, te rekenen van den dag der meerderjarigheid.

Bij overlijden van den minderjarige vóór zijne meerderjarigheid verjaart zoodanige vordering van zijne erfgenamen met tien jaren, te rekenen van den dag van dat overlijden.

De rechtsvordering van een gewezen voogd om schadeloos te worden gesteld voor verliezen, door het voeren der voogdij geleden, verjaart met tien jaren, te rekenen van den dag der meerderjarigheid of van het overlijden van den minderjarige.

ZESTIENDE TITEL.

Van handlichting.

i80 B. W. Art. 455.

Aan een minderjarige, die den ouderdom van achttien jaren heeft bereikt, kan, op zijn verzoek, door den kantonrechter van zijn domicilie handlichting worden verleend.

ocr page 127

115

Heeft de minderjarige domicilie in het buitenland, dan doet hij het verzoek;

in de gevallen, waarin ouderlijk gezag over hem uitgeoefend wordt zonder bijstand van een raadsman, aan den kantonrechter in het eerste kanton te Amsterdam;

in de gevallen, waarin ouderlijk gezag over hem uitgeoefend wordt met bijstand van een raadsman, aan den kantonrechter van diens domicilie;

in de gevallen, waarin hij onder voogdij staat, aan den kantonrechter van het voogdij-domicilie.

i81 B. W. Art. 456.

Alvorens te beschikken, hoort de kantonrechter:

beide ouders, wanneer hun huwelijk niet is ontbonden, en tusschen hen geene scheiding van tafel en bed bestaat;

hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, den aan dezen toegevoegden raadsman en den familieraad, wanneer het huwelijk der ouders is ontbonden, of tusschen hen scheiding van tafel en bed bestaat;

hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, en den aan dezen toegevoegden raadsman, wanneer de minderjarige een erkend onwettig kind is;

den voogd, den toezienden voogd en den familieraad, wanneer de minderjarige onder voogdij staat.

Bovendien wordt in het geval van artikel 343 de medebeheerder, in dat van artikel 356 de daar bedoelde beheerder gehoord.

Tegen den wil van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, wordt de handlichting niet verleend.

483, 484 B, W. Art. 457.

De minderjarige, die handlichting bekomen heeft, staat ten aanzien van alle handelingen, die de uitoefening van het bepaald aangewezen beroep of bedrijfkanmedebrengen, gelijk met een meerderjarige, behalve wat betreft het vervreemden of bezwaren zijner onroerende zaken, schepen, effecten, inschrijvingen in de grootboeken der openbare schuld, hypothecaire inschulden en aandeelen in vennootschappen.

Bij de beschikking kunnen ook andere handelingen bepaaldelijk worden uitgezonderd. Hij wordt geacht' ter zake van de handelingen, waartoe hij handlichting heeft bekomen, zijn domicilie te hebben, waar hij dat hebben zou, indien hij meerderjarig ware. Hij kan ter zake van die handelingen in rechte optreden.

Art. 458.

Van het vermogen of de inkomsten des minderjarigen wordt zooveel te zijner beschikking gesteld, als bij het verleenen der handlichting is bepaald.

ocr page 128

116

Dit bedrag kan door den kantonrechter worden gewijzigd, met inachtneming van dezelfde formaliteiten als voor het verleenen der handlichting voorgeschreven zijn.

485 lid \ en 2. Art. 459.

B.W.

De handlichting kan door de rechtbank worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik maakt, of er gegronde vrees bestaat, dat hij dit doen zal. De intrekking kan worden gevraagd:

door hem, die het ouderlijk gezag uitoefent;

door den anderen der ouders, wanneer de minderjarige een wettig kind is en het huwelijk der ouders niet ontbonden is, noch tusschen hen scheiding van tatel en bed bestaat;

door den raadsman, toegevoegd aan hem, die het ouderlijk gezag uitoefent;

door den medebeheerder, bedoeld bij artikel 343;

door den beheerder, bedoeld bij artikel 356;

door den voogd;

door den toezienden voogd.

Het verzoek wordt gedaan aan de rechtbank van het domicilie, bedoeld bij artikel 457.

485 lid 3, i en 5. Art. 460.

B. W.

Alvorens te beschikken, hoort de rechtbank den minderjarige; hem, die het verzoek gedaan heelt; diegenen, welke naar de bepalingen van het vorige artikel daartoe insgelijks bevoegd zijn; en, met uitzondering van het geval dat beide ouders dientengevolge worden opgeroepen, zoo zij het dienstig acht, den familieraad.

Zij beslist na het openbaar ministerie te hebben gehoord in het hoogste ressort.

m B. W. Art. 461.

De handlichting wordt openbaar gemaakt door de plaatsing van een uittreksel der beschikking in het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93.

Dit uittreksel vermeldt den rechter, die de beschikking gegeven heeft, den naam, 'de voornamen, het beroep of de betrekking en het domicilie van den minderjarige, het beroep of bedrijf, waarvoor hij handlichting heeft bekomen, en de bepaalde handelingen, waartoe hem de bekwaamheid is onthouden.

De intrekking wordt op dezelfde wijze openbaar gemaakt, met vermelding van den rechter, die de beschikking gegeven heeft, benevens den naam, de voornamen, en het in artikel 457 bedoelde domicilie van den minderjarige.

De handlichting en hare intrekking werken tegen derden eerst van den dag na dien, waarop zij overeenkomstig dit artikel openbaar gemaakt zijn.

ocr page 129

417

ZEVENTIENDE TITEL. Van curateele.

187, 488 lid i Art. 462.

B. W.

Meerderjarigen worden onder curateele gesteld:

4°. wegens krankzinnigheid, wanneer zij daardoor op den duur, zij het dan ook niet onafgebroken, buiten staat zijn hunne belangen waar te nemen.

2°. wegens zwakheid van vermogens, wanneer zij door zwakheid van verstand, aanhoudende kwalen, lichaamsgebreken of hoogen ouderdom buiten staat zijn hunne belangen behoorlijk waar te nemen.

3°. wegens verkwisting, wanneer die van zoodanigen aard is, dat zij, bij voortduring, hen tot behoeftigen staat zou doen vervallen.

De curateele wordt verleend door de rechtbank van het arrondissement, waar de onder curateele te stellen persoon domicilie heeft.

Van hem, die zijn domicilie naar het buitenland heeft overgebracht, kan binnen drie jaar daarna de curateele worden aangevraagd bij de rechtbank van zijn laatste domicilie in het Rijk.

■188 lid 1 en 3 Art. 464,

en 489 B. W.

Wegens krankzinnigheid wordt de curateele verleend op verzoek van den echtgenoot, van verwanten tot den zesden graad ingesloten, of op vordering van het openbaar ministerie.

491 B. W. Art. 465.

Het verzoekschrift of requisitoir bevat eene opgave van de feiten, waarop de aanvraag berust, en aanwijzing van de middelen, waardoor die feiten kunnen worden bewezen.

Het wordt van wege den verzoeker of het openbaar ministerie beteekend aan hem, wiens curateele gevraagd wordt.

ocr page 130

418

Art. 466.

De rechtbank kan gelasten, dat eene verklaring van een geneeskundige omtrent den toestand van den onder curateele te stellen persoon wordt overgelegd.

Indien zij van oordeel is, dat de opgegeven feiten de curateele noodzakelijk kunnen maken, stelt zij, naar aanleiding daarvan, of van de overgelegde verklaring, ambtshalve een onderzoek in naar den toestand van den onder curateele te stellen persoon.

De onder curateele te stellen persoon wordt door de rechtbank ondervraagd.

De ondervraging kan aan een rechter-commissaris worden opgedragen; dit moet plaats hebben, wanneer zij geschiedt in de woning van den onder curateele te stellen persoon.

Zij geschiedt steeds in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie en, zoo noodig, met bijstand van een of meer deskundigen.

Zij blijft achterwege, wanneer de rechter bevindt, dat zij niet uitvoerbaar is.

t -B. r- Art. 468.

Wanneer geene geneeskundige vérklaring is overgelegd, mag de curateele niet verleend worden, zonder dat de rechter zich alsnog door een of meer deskundigen heeft doen voorlichten.

Gelast hij mondelinge voorlichting, dan wordt het bevelschrift tot oproeping der deskundigen door den griffier bij aangeteekenden brief te hunner kennis gebracht.

Indien de rechtbank de ondervraging van andere personen noodig acht, worden deze op deielfde wijze opgeroepen.

Art. 469.

Van het onderzoek, in de beide vorige artikelen bedoeld, wordt proces-verbaal opgemaakt.

Art. 34 Art. 470.

Wet

Va5W/Au'jr.ll%\84 Wanneer degene, wiens curateele gevraagd wordt, in een krankzinnigengesticht is opgenomen, gelden de volgende afwijkingen:

1°. in het verzoekschrift of requisitoir wordt geen opgave van feiten, noch aanwijzing van bewijsmiddelen vereischt, maar er moeteen beredeneerd verslag worden overgelegd van den geneeskundige, of, zoo er meer zijn, van den eersten genees-

ocr page 131

119

kundige, van het gesticht omtrent. den toestand van den onder curateele te-stellen persoon.

Wordt de curateele aangevraagd bij eene andere rechtbank dan die de laatste machtiging tot verblijf in het gesticht heeft verleend, dan wordt een afschrift van die machtiging overgelegd.

2°. de beteekening geschiedt'[aan den verpleegde in persoon, tenzij een aan het gesticht verbonden geneeskundige op het exploot de verklaring stelt, dat dit voor hem schadelijk zou zijn; in welk geval de beteekening aan den hoofdbeambte van het gesticht geschiedt;

3°. het onderzoek, bedoeld bij artikel 466, kan worden ingesteld naar aanleiding van het overgelegd verslag;

4°. de ondervraging, bedoeld bij artikel 467, geschiedt door de rechtbank van het arrondissement, waarin het gesticht gelegen is;

5°. het eerste lid van artikel 468 is niet toepasselijk.

495 B. w. Art. 471.

Zoodra de rechtbank het noodig acht, benoemt zij een bewindvoerder, om voorden persoon en het vermogen van dengene, wiens curateele verzocht is zorg te dragen.

De vrouw kan tot bewindvoerster voor haren man benoemd worden.

Zoolang het bewind duurt, staat hij, wiens curateele gevraagd is, gelijk met iemand, die wegens krankzinnigheid onder curateele gesteld is.

De bewindvoerder mag de handelingen, vermeld in artikel 437, niet verrichten, tenzij met verlof des kantonrechters, te verleenen na verhoor van den echtgenoot, en, zoo de rechter het dienstig acht, van den familieraad.

In de gevallen, bij de twee eerste nummers van dat artikel omschreven, wordt het verlof alleen bij volstrekte noodzakelijkheid gegeven.

496 s. w. Art. 472,

Na afloop van het onderzoek hoort de rechtbank het openbaar ministerie.

Art. 473.

De kosten komen bij ondercurateelestelling ten laste van den onder curateele gestelde, tenzij de rechter die, wegens onvoldoende gegoedheid van dezen, bij zijne beschikking geheel of gedeeltelijk ten laste van den Staat brengt.

Bij afwijzing der aanvraag komen de kosten ten laste van den Staat, tenzij de rechtbank bevindt, dat het verzoek zonder redelijken grond werd gedaan, in welk geval zij de kosten ten laste van den verzoeker kan brengen.

ocr page 132

120

498 B. w. Art. 474.

Van de beschikking, waarbij de curateele is verleend, wordt door den griffier, binnen zes dagen na dien barer dagteekening, een afschrift gezonden aan hem, die de aanvrage gedaan beeft.

Deze maakt, binnen tien dagen na de dagteekening der beschikking, de ondercurateele-stelling openbaar door middel van het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93, en doet, binnen twintig dagen na denzelfden dag, de beschikking aan den onder curateele gestelde be-teekenen; een en ander op straffe van vergoeding van kosten, schade en interessen.

Is de onder curateele gestelde in een krankzinnigengesticht opgenomen, dan geschiedt de beteekening overeenkomstig het bepaalde bij artikel 470, nummer 2.

497 b w. Art. 475.

De onder curateele gestelde heeft recht van hooger beroep, gedurende eene maand na den dag der beteekening.

Het hooger beroep wordt vervolgd tegen hem, op wiens aanvraag de curateele is verleend; het wordt bij dagvaarding aanhangig gemaakt en als gewoon geding behandeld.

De hoogere rechter kan den onder curateele gestelde ondervragen of doen ondervragen.

Het openbaar ministerie wordt gehoord, ook indien het geen partij is in het geding.

Omtrent de uitspraak over de kosten in hooger beroep geldt de bepaling van artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Art. 476.

De beschikking, waarbij de aanvraag tot ondercurateelestelling wordt afgewezen, is niet vatbaar voor hooger beroep.

Van de beschikking, waarbij de rechter zich onbevoegd heeft verklaard, is hooger beroep toegelaten.

488, lid 4 li. w. Art. 477.

quot;Wegens zwakheid van vermogens kan de curateele alleen gevraagd worden door hem, die zich buiten staat gevoelt, zijne belangen behoorlijk waar te nemen.

499 b. w. Art. 478.

Het verzoekschrift bevat eene omschrijving der redenen, waarop het verzoek steunt. De rechtbank beschikt niet zonder den verzoeker ondervraagd te hebben. De ondervraging kan aan een rechter-commissaris worden opgedragen.

ocr page 133

121

De 'rechtbank is bevoegd den echtgenoot des verzoekers en de verwanten, wier verhoor zij dienstig acht, te hooren.

Alvorens in eersten aanleg of in hooger beroep te beschikken, hoort de rechter het openbaar ministerie.

Van de beschikking, waarbij de curateele is verleend, wordt door den griffier binnen zes dagen na hare dagteekening een afschrift gezonden aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht, dat de beschikking gegeven heeft.

Het openbaar ministerie zorgt voor de openbaarmaking van de ondercurateelestelling binnen tien dagen na de dagteekening der beschikking, op de wijze aangeduid in het tweede lid van artikel 474.

.488 lid 2 en 3 Art. 479.

b. w.

Wegens verkwisting wordt curateele verleend op vordering van den echtgenoot of van de verwanten tot den vierden graad ingesloten.

Art. 480,

De zaak wordt bij dagvaarding aanhangig gemaakt en als gewoon geding behandeld.

Het openbaar ministerie wordt gehoord.

Art. 481.

Zoodra de rechtbank het noodig acht, benoemt zij een bewindvoerder om voor het vermogen van dengene, wiens curateele gevraagd is, zorg te dragen.

De vrouw kan tot bewindvoerster voor haren man benoemd worden.

Zoolang het bewind duurt, staat hij, wiens curateele gevraagd is, gelijk met iemand, die wegens verkwisting onder curateele gesteld is.

De bewindvoerder mag de handelingen, vermeld in artikel 437 niet verrichten tenzij met verlof des kantonrechters, te verleenen na verhoor van hem, wiens curateele gevraagd is.

In de gevallen, bij de twee eerste nummers van dat artikel omschreven, wordt het verlof alleen bij volstrekte noodzakelijkheid gegeven.

Art. 482.

De eischer maakt binnen tien dagen na dien der uitspraak de ondercurateelestelling openbaar door middel van het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93, en doet het vonnis of arrest binnen twintig dagen na denzelfden dag aan den onder curateele gestelde betee-kenen; een en ander op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen.

16

ocr page 134

122

Art. 483.

Van het vonnis, op de vordering tot ondercurateelestelling wegens verkwisting gewezen, staat hooger beroep open gedurende eene maand na den dag der beteekening.

5oo s. w. Art. 484.

Indien de beschikking, het vonnis of arrest, waarbij eene curateele is verleend, door geenerlei rechtsmiddel wordt te niet gedaan, vangt zij aan te werken met de dagteekening der beschikking of den dag der uitspraak.

Van dien dag af staat de onder curateele gestelde ten aanzien van de waarneming zijner geldelijke belangen met een minderjarige gelijk.

Zij, die wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens onder curateele gesteld zijn, verliezen de bekwaamheid om uiterste wilsbeschikkingen te maken.

Art. 485.

Zij, die wegens krankzinnigheid onder curateele gesteld zijn, worden onbekwaam om de persoonlijke rechten uit te oefenen, welke hun als echtgenooten, ouders of verwanten toegekend zijn.

Zij, die wegens zwakheid van vermogens onder curateele gesteld zijn, behouden de bekwaamheid tot uitoefening dier rechten, doch behoeven daarbij den bijstand van hun curator.

Zij, die wegens verkwisting onder curateele gesteld zijn, behouden de bekwaamheid tot uitoefening der bedoelde rechten.

507 b. w. Art. 486.

Onder curateele gestelden, die ouderlijk gezag hebben, worden geacht in de onmogelijkheid te zijn om dit uit te oefenen.

503 £. w. Art. 487.

Zoodra de beslissing kracht van gewijsde heeft, worden door den kantonrechter een curator en een toeziende curator benoemd.

Indien een bewindvoerder benoemd is, houden diens bemoeiingen daarna op.

De bewindvoerder is verplicht aan den curator of, als hij zelf benoemd is, aan den toezienden curator rekening en verantwoording te doen.

Heeft hij dit niet vroeger gedaan, dan is hij bij het eindigen der curateele daartoe alsnog jegens den onder curateele gestelde of diens erfgenamen gehouden.

ocr page 135

123

Art. 488.

Wat bij de artikelen 368 tot en met 376, 380, 387 tot en met 409 , 412 , 413 , 416 tot en met 450 en 454 ten aanzien van den voogd en den toezienden voogd is bepaald, geldt voor den curator en den toezienden curator.

Is de curateele verleend wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens, dan zorgt de curator voor den persoon van den onder curateele gestelde.

Art. 489.

Indien eene getrouwde vrouw onder curateele is gesteld, wordt de man, tenzij gewichtige redenen daartegen bestaan, tot curator benoemd.

Wordt hij benoemd, dan kan hij de in artikel 140, tweede en derde lid, omschreven handelingen verrichten zonder eenige medewerking.

Wordt hij niet benoemd, dan oefent de curator alle rechten uit, in dat artikel en de artikelen 142 en 143 aan de vrouw toegekend.

Art. 490.

Indien een getrouwd man onder curateele is gesteld, kan de vrouw tot curatrice worden benoemd.

Wordt zij benoemd, dan kan zij de in artikel 147 omschreven handelingen verrichten zonder eenige bewilliging; zij neemt het beheer van haar eigen goed over en verkrijgt het beheer over het goed der gemeenschap.

Om over het goed der gemeenschap te beschikken, moet zij dezelfde formaliteiten in acht nemen als andere curators.

Art. 491.

Wordt zij niet benoemd, dan beslist de kantonrechter, of het beheer van het goed der gemeenschap aan den curator, dan wel aan haar zal worden opgedragen.

In beide gevallen wordt over het goed der gemeenschap niet beschikt, dan met inachtneming der formaliteiten, aan curators voorgeschreven.

In het eerste geval is de curator verplicht, haar jaarlijks rekening en verantwoording te doen van het door hem gevoerd beheer; in het andere geval is zij daartoe jegens den curator verplicht.

De artikelen 141, 143, 144, 146 tot en met 151, 153 tot en met 159 blijven op de getrouwde vrouw, die niet tot curatrice benoemd is, toepasselijk in dien zin dat de curator alle rechten uitoefent, daarbij aan den man toegekend.

ocr page 136

124

Art. 492.

In alle gevallen heeft de vrouw van een onder curateele gestelde, zonder deswege verantwoording schuldig te zijn, ten behoeve van de huishouding en de opvoeding der kinderen de beschikking over al de vruchten en inkomsten van haar eigen goed en van dat der gemeenschap.

Art. 493.

De curator of toeziende curator, die niet is de echtgenoot of bloedverwant in de rechte lijn van den onder curateele gestelde, kan na tien jaren zijn ontslag vragen van den kantonrechter van het domicilie van dezen laatste.

616 J}. w. Art. 494.

De opheffing der curateele wordt verleend door de rechtbank van het domicilie van den onder curateele gestelde; ingeval van krankzinnigheid en zwakheid van vermogens, wanneer de reden, waarom zij verleend werd, heeft opgehouden te bestaan, en ingeval van verkwisting, wanneer de rechter van oordeel is, dat de onder curateele gestelde in het beheer zijner zaken kan worden hersteld.

Art. 495.

De opheffing kan alleen worden gevraagd door den onder curateele gestelde zelf. Zij kan niet worden gevraagd, zoolang de onder curateele gestelde in een krankzinnigengesticht verblijft.

Art. 496.

Bij het verzoekschrift om opheffing van curateele wegens krankzinnigheid wordt een beredeneerd verslag van een deskundige omtrent den toestand van den verzoeker overgelegd.

Art. 497.

Op alle verzoeken om opheffing van curateele hoort de rechtbank den verzoeker, den curator, den toezienden curator, en hem, op wiens aanvrage de curateele is verleend. Zij stelt zoodanig verder onderzoek in als haar dienstig voorkomt.

Bevelschriften tot oproeping van deskundigen worden bij aangeteekenden brief van den griffier te hunner kennis gebracht.

ocr page 137

125

Het openbaar ministerie is bij alle verhoeren tegenwoordig, en wordt na afloop van het onderzoek gehoord.

si? b. w. Art, 498.

Zoodra de beschikking, waarbij de curateele is opgeheven, kracht van gewijsde heeft, wordt de opheffing door den verzoeker openbaar gemaakt, door middel van het nieuwsblad, bedoeld bij artikel 93.

Van den dag na dien der openbaarmaking af, werkt de opheffing tegen derden.

ACHTTIENDE TITEL.

Van de formaliteiten met betrekking tot rechterlijke beschikkingen krachtens de voorgaande titels, en van de rechtsmiddelen daartegen.

Art. 499.

Indien eene rechterlijke beschikking gevraagd wordt krachtens voorschriften van den veertienden, vijftienden, zestienden of zeventienden titel, gelden, tenzij daaromtrent anders is bepaald, de volgende regelen.

414 b. r.

389 b. ik

Art. 2.

Wet van 15 Nov. 1876 sm. n0. 196. Art. 3 dier wet.

416 b. w.

Art. 500.

De rechter gelast de oproeping der personen, tot wier verhoor hij verplicht of bevoegd is. Het bevelschrift wordt bij aangeteekenden brief van den griffier ter kennis van de door den rechter aangewezen personen gebracht.

De opgeroepenen kunnen zich door een bijzonderen gemachtigde doen vertegenwoordigen.

De rechter kan gelasten, dat hij, die zich heeft doen vertegenwoordigen, in persoon verschijne.

Tenzij de rechter het verhoor anders regelt, geschiedt de raadpleging gezamenlijk. Van het gevoelen van ieder der verschenen personen wordt bij het proces-verbaal melding gemaakt.

Bij niet-verschijning, zelfs van al de opgeroepenen, kan de rechter zonder verhoor beschikken.

388 b. r. Art. 501.

Indien verhoor van den familieraad gelast wordt, beveelt de rechter de oproeping-van vier meerderjarige mannelijke verwanten van den minderjarige of onder curateele gestelde tot den zesden graad ingesloten.

ocr page 138

126

Hij kiest dezen deels aan vaderszijde, deels aan moederszijde, bij voorkeur uit de naaste.

Alleen zij worden opgeroepen, die binnen het Rijk domicilie hebben.

Ontbreken de zoodanigen in de eene lijn, dan worden zij door verwanten uit de andere vervangen.

Kunnen geen vier worden opgeroepen, dan is verhoor van het mindere getal voldoende.

Bij geheele ontstentenis van mannelijke verwanten tot den zesden graad ingesloten, vervalt de verplichting tot het hooren van den familieraad.

Art. 1.

Wet

van 16 Nov. 1876 Stbl. n0. 195.

Art. 502.

Onbekwaam om als ouders of verwanten te worden gehoord, zijn:

1°. zij , die bij uitspraak van den strafrechter uit het ouderlijk gezag of uit de curateele over hunne kinderen zijn ontzet, zoolang die ontzetting duurt;

2#. zij, die bij vonnis van den burgerlijken rechter zijn ontzet uit het ouderlijk gezag, of op grond van de redenen, vermeld onder nummers 2 en 3 van artikel 406, uit de curateele over hunne kinderen, hun vader of moeder, of hun echtgenoot.

Art. 503.

Oordeelt de rechter, na verhoor van de in artikel 501 aangeduide personen, of bij geheele ontstentenis daarvan, een verhoor van andere verwanten, mannen of vrouwen, dienstig, dan doet hij dezen oproepen zonder aanzien van den graad, waarin zij den minderjarige of onder curateele gestelde bestaan.

Art. 504.

t

Met uitzondering van de personen, bij artikel 502 bedoeld, worden alle meerderjarige verwanten tot den zesden graad ingesloten, mannen of vrouwen, binnen of buiten het Rijk domicilie hebbende, zoo ze niet op last van den rechter zijn opgeroepen, door dezen op hun verzoek gehoord.

Zij hebben echter daartoe slechts het recht, wanneer het hooren van den familieraad als verplichte formaliteit is voorgeschreven.

Art. 505.

In de gevallen, waarin de rechter verplicht of bevoegd is ouders of voogden te

ocr page 139

•127

hooren, kan hij ook den minderjarige, in die, waarin hij verplicht of bevoegd is den curator of toezienden curator te hooren, ook den onder curateele gestelde ondervragen en daartoe voor zich doen verschijnen.

Art. 506.

Behalve aan ouders, aan een tot curator of curatrice benoemden echtgenoot, en aan een tot curator over zijn vader of moeder benoemden zoon, wordt aan hen, die aan eene oproeping om gehoord te worden in persoon voldoen, op hun verzoek, schadeloosstelling toegelegd.

Die schadeloosstelling komt ten laste van den minderjarige of onder curateele gestelde, tenzij de rechter haar, wegens onvoldoende gegoedheid van dezen, ten laste van den Staat brengt.

In de gevallen van de artikelen 338 , 339 en 342 komt zij ten laste van hem, die handhaving of herstelling in het ouderlijk gezag verzoekt.

Art. 2. Art. 507.

Wet

Recht tot hooger beroep hebben de verzoeker, de benoemde , zij, die gehoord zijn,

393,415^481 en zy^ hadden om gehoord te worden.

Art. 2 derzelfde Art. 508.

wet.

Het hooger beroep wordt aanhangig gemaakt bij een verzoekschrift, in te dienen binnen eene maand na de dagteekening der beschikking.

Artikel 342 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing.

De rechter in hooger beroep kan dezelfde personen hooren, welke in eersten aanleg gehoord zijn of hadden kunnen gehoord worden.

Zoowel de oorspronkelijke verzoeker, als hij, die in hooger beroep gekomen is, wordt, dit verlangende, steeds gehoord.

Artikel 500 met uitzondering van het zesde lid, het derde lid van artikel 501 en de artikelen 502 , 504 , 505 en 506 zijn toepasselijk.

Alvorens te beslissen hoort de rechter het openbaar ministerie.

Art. 509.

Voorzieningen in cassatie geschieden bij verzoekschrift, in te dienen binnen eene maand na de dagteekening der beschikking, waartegen wordt opgekomen.

Het recht daartoe hebben de verzoeker en zij, die vroeger gehoord zijn.

ocr page 140

128

NEGENTIENDE TITEL.

Van afwezigheid.

EERSTE AFDEELING.

Van voorziening in het belang van afwezigen.

519 b. ir. Art. 510.

Indien iemand afwezig is van de gemeente, waarin hij domicilie heeft, kan de rechtbank van dat domicilie, als daartoe noodzakelijkheid hestaat, op verzoek van belanghebbenden of op vordering van het openbaar ministerie een bewindvoerder aanstellen om geheel of gedeeltelijk zijn vermogen te beheeren, en hem te dien einde te vertegenwoordigen.

620, 522 s. r. Art. 511,

De artikelen 416 tot en met 448 zijn op het beheer van den bewindvoerder van toepassing, met uitzondering van hetgeen daarin voorkomt omtrent den toezienden voogd en den familieraad.

De rechtbank kan van die voorschriften vrijstelling verleenen, en deze vrijstelling ten allen tijde geheel of gedeeltelijk intrekken.

Ten aanzien van het loon van den bewindvoerder geldt artikel 376.

521 s. w. Art. 512.

De bewindvoerder legt om de twee jaren aan het openbaar ministerie bij de rechtbank, die hem benoemd heeft, een in dubbel opgemaakten staat over van hetgeen voor rekening van den afwezige ontvangen en uitgegeven is, en vertoont de geldswaardige stukken, welke hij onder zich heeft.

De staten zijn vrij van zegel.

De officier van justitie geeft een der staten gewaarmerkt aan den bewindvoerder terug, en behoudt den anderen ten behoeve van den afwezige.

De rechtbank kan op voordracht van het openbaar ministerie zoodanige maatregelen bevelen, als zij in het belang van den afwezige noodig oordeelt.

Art. 513.

Indien de bewindvoerder onbekwaamheid aan den dag legt of zijne wettelijke

ocr page 141

129

plichten verzuimt, kan het openbaar ministerie bij de rechtbank, die hem benoemd heeft, zijn ontslag vorderen

Alvorens te beslissen hoort de rechtbank den bewindvoerder, en gelast daartoe zijne oproeping bij aangeteekenden brief van den griffier.

Hooger beroep is niet toegelaten.

645 b. w. Art. 514.

Bij gebreke van bewijs van overlijden wordt de afwezige geacht in leven te zijn tot op den dag, sedert welken volgens vonnis rechtsvermoeden van overlijden bestaat, of tot den dag, waarop honderd jaren sedert zijne geboorte zijn verloopen.

TWEEDE AFDEELING.

Van rechtsvermoeden van overlijden.

628 , 626 B. W, Art. 515.

Indien iemand vijf jaren afwezig is, zonder dat er bericht is ingekomen, waaruit blijkt, dat hij in leven is, of vijf jaren verloopen zijn na den dag, waarop de afwezige volgens de laatste tijding nog in leven was, kan ieder belanghebbende voor de in artikel 510 bedoelde rechtbank, op door haar verleend verlof, eene vordering instellen om hem vermoedelijk overleden te doen verklaren.

I

Wet

van 9 Julij 1865 Stil. n0. 67.

Art. 516.

De termijn wordt verkort:

1°. tot drie jaren, wanneer de afwezige vermist is bij gelegenheid eener noodlottige gebeurtenis, en tot één jaar, wanneer die gebeurtenis binnenslands of op 'slands kusten is voorgevallen.

Deze termijnen vangen aan met den dag, waarop de gebeurtenis moet worden geacht te hebben plaats gegrepen.

2°. tot drie jaren, wanneer de afwezige zich bevond aan boord van een vaartuig, waaromtrent gedurende dien tijd geen bericht is ingekomen.

Deze termijn vangt aan met den dag na dien, waarop volgens de laatste tijding het vaartuig nog bestond, en, zoo van geene tijding blijkt, met den dag na dien, waarop het vaartuig het laatst in zee is gestoken.

17

ocr page 142

130

Art. 517.

De eisch wordt gericht tegen een bij zonderen, door de rechtbank aan te wijzen vertegenwoordiger van den afwezige.

De overeenkomstig artikel 510 benoemde bewindvoerder kan in het geding tusschen-komen.

623 b. r. Art. 518.

De termijn van dagvaarden wordt door de rechtbank bepaald, maar is niet korter dan van drie maanden.

Wanneer niet blijkt, dat de afwezige op den dag, waarop hij voor den rechter is geroepen, nog in leven is, of dat hij sedert den aanvang der in de artikelen 515 en 516 bepaalde termijnen in leven geweest is, verleent de rechtbank verlof tot eene tweede, en op deze tweede, in genoemd geval, verlof tot eene derde dagvaarding.

Deze dagvaardingen worden, met oproeping van den afwezige, telkens geplaatst in de door de rechtbank bij het verleenen van het verlof aangewezen nieuwsbladen, en aangeplakt aan het huis der bij artikel 510 bedoelde gemeente.

524, 525 b. w. Art. 519.

Na de derde dagvaarding verklaart de rechtbank, indien niet blijkt, dat de afwezige nog in leven is, of binnen het tijdsverloop der in de artikelen 515 en 516 bepaalde termijnen in leven geweest is, dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat van den dag der eerste dagvaarding, en in de gevallen van artikel 516 van den eersten dag der daarin omschreven termijnen, welke dag in het vonnis wordt uitgedrukt.

De rechtbank kan de uitspraak uitstellen tot dat na de eerste dagvaarding zooveel tijd zal zijn verloopen, als naar de artikelen 515 en 516 voor het instellen der vordering noodig is.

In dat geval kan zij nog nadere oproepingen van den afwezige door middel van nieuwsbladen gelasten.

527 b. w. Art. 520.

De verklaring van vermoedelijk overlijden wordt, binnen dertig dagen nadat zij kracht van gewijsde heeft bekomen, door middel van de in het vonnis aangewezen nieuwsbladen, door het openbaar ministerie bekend gemaakt.

t'

Art. 521.

De vermoedelijk overleden verklaarde wordt als overleden beschouwd, tot dat van zijn bestaan blijkt, behoudens hetgeen in de navolgende artikelen is bepaald.

ocr page 143

131

628, 633, 635 Art. 522.

B. r.

Alvorens de goederen in bezit te nemen, zijn de erfgenamen verplicht op hunne kosten:

1°. eene beschrijving van het vermogen bij notarieele akte te doen opmaken;

2I). ten behoeve van den vermoedelijk overleden verklaarde, voor het geval hij alsnog mocht blijken in leven te zijn, of van anderen, van wier beter recht op de nalatenschap mocht blijken, voor het behoud en de teruggave der goederen of hunner waarde zekerheid te stellen.

Deze zekerheid moet door de bij artikel 510 bedoelde rechtbank zijn goedgekeurd.

De rechtbank kan, na het openbaar ministerie te hebben gehoord, van de verplichting tot zekerheidstelling geheel of gedeeltelijk vrijstelling verleenen.

3°. ter griffie van de rechtbank over te brengen afschriften van de beschrijving en van de akte van zekerheidstelling, of, zoo deze laatste ondershands is opgemaakt, het oorspronkelijk stuk.

629 s. w. Art. 523.

Indien de erfgenamen aan deze verplichtingen niet voldoen, beveelt de rechtbank op voordracht van het openbaar ministerie, dat, zoolang zij niet zijn nagekomen, de goederen onder beheer van een derde worden gesteld.

Op dit beheer is artikel 511 toepasselijk.

De beheerder is gehouden jaarlijks aan de erfgenamen rekening en verantwoording te doen en hun het slot van rekening, voor zoover de vruchten en inkomsten betreft, uit te keeren.

De erfgenamen kunnen, indien hij onbekwaamheid aan den dag legt of zijne wettelijke plichten verzuimt, aan de rechtbank, die hem benoemd heeft, zijn ontslag en de benoeming van een ander verzoeken.

Alvorens te beslissen, hoort de rechtbank den beheerder, en gelast daartoe zijne oproeping bij aangeteekenden brief van den griffier.

Hooger beroep is niet toegelaten.

633 b. w. Art. 524.

De erfgenamen hebben van rechtswege het voorrecht van boedelbeschrijving.

637 b. w- Art. 525.

De onroerende goederen van den vermoedelijk overleden verklaarde en de ten

ocr page 144

132

zijnen name staande inschulden, effecten, aandeelen en schepen, mogen niet worden vervreemd of bezwaard, tenzij met verlof van den kantonrechter van het in artikel 510 vermelde domicilie.

534 jB. w. Art. 526.

De erfgenamen kunnen de goederen, in welker bezit zij zijn getreden, voorloopig onder elkander verdeelen door eene boedelscheiding, overeenkomstig artikel (... 1117 tweede lid B. W.).

Kunnen de onroerende goederen niet worden verdeeld, dan worden zij onder beheer van een der erfgenamen of van een derde gesteld, die in geval van verschil door den kantonrechter van het in artikel 510 vermelde domicilie wordt aangewezen.

Tenzij anders bij de verdeeling is overeengekomen, is het derde lid van artikel 523 toepasselijk.

536 £ w. Art. 527.

Zij, aan wie onroerende goederen zijn toebedeeld, of die tengevolge van de scheiding met het beheer van onroerende goederen zijn belast, kunnen tot hunne verantwoording vorderen, dat op hunne kosten door een of meer deskundigen, benoemd door den kantonrechter, binnen wiens rechtsgebied de goederen gelegen zijn, eene beschrijving worde opgemaakt van de gesteldheid der goederen.

Art. 528.

Erfgenamen noch beheerders kunnen zich op de boedelscheiding of op de beschrijving van de gesteldheid der onroerende goederen beroepen, indien niet afschriften van de daarvan opgemaakte akten, en, zoo deze ondershands zijn opgemaakt, de oorspronkelijke stukken ter griffie van de in artikel 510 bedoelde rechtbank zijn overgebracht.

530 b. ir. Art. 529.

De erfgenamen hebben, wat het genot der goederen betreft, dezelfde rechten en zijn aan dezelfde verplichtingen onderworpen als vruchtgebruikers.

531 s. ir. Art. 530.

Zij, die door making zijn bevoordeeld, en alle anderen, die op de goederen van den vermoedelijk overleden verklaarde na zijn dood eenig recht hebben, kunnen hun recht uitoefenen.

Zij hebben te dien aanzien dezelfde rechten en zijn aan dezelfde verplichtingen als

ocr page 145

133

de erfgenamen onderworpen, met uitzondering van die tot het opmaken van de beschrijving , in nummer 1 van artikel 522 bedoeld.

639 b. w. Art. 531.

Aan den echtgenoot van den vermoedelijk overleden verklaarde kan, wanneer hij geene voldoende inkomsten heeft, op zijne vordering door de in artikel 510 bedoelde rechtbank, uit het vermogen van den vermoedelijk overleden verklaarde, eene uitkeering worden toegelegd.

Deze uitkeering wordt bepaald naar den staat van beide echtgenooten en het vermogen van den vermoedelijk overleden verklaarde.

Hij, aan wien de uitkeering is opgelegd, kan bij dezelfde rechtbank vorderen van die verplichting geheel of gedeeltelijk te worden ontheven, naar mate de echtgenoot die niet meer noodig heeft.

De verplichting houdt op na het in artikel 533 bepaalde tijdsverloop, wanneer het overlijden van den vermoedelijk overleden verklaarde blijkt, of wanneer de echtgenoot een ander huwelijk aangaat.

532,638,641 Art. 532.

b. w.

Indien de vermoedelijk overleden verklaarde nog in leven blijkt te zijn, of anderen beter recht op zijne goederen blijken te hebben dan zij, die ze ingevolge de voorschriften dezer afdeeling in bezit hebben genomen, zijn deze laatsten, bij opvordering der goederen door de eersten, tot teruggave of afgifte benevens tot rekening en verantwoording gehouden.

Van de genotene vruchten zijn zij verplicht terug te geven de helft over de eerste vijftien jaren na den in het vonnis uitgedrukten dag, en een vierde over het volgende gedeelte van het in artikel 533 bepaalde tijdsverloop.

De rechtbank, die de verklaring van vermoedelijk overlijden heeft uitgesproken, kan uit hoofde van de geringheid der genotene vruchten en inkomsten de teruggave anders regelen, of daarvan geheele ontheffing verleenen.

640 b. w. Art. 533.

Wanneer dertig jaren zijn verloopen na den dag van het vermoedelijk overlijden, of honderd jaren na de geboorte van den vermoedelijk overleden verklaarde, vervalt de gestelde zekerheid, blijft de gemaakte verdeeling stand houden, kunnen de erfgenamen hunne rechten als zoodanig onbeperkt uitoefenen en verkrijgen de in artikel 530 bedoelde personen de vrije beschikking over de goederen.

642 b. r. Art. 534.

Is de vermoedelijk overleden verklaarde nog in leven, dan kan hij na het in het vorige artikel bepaalde tijdsverloop alleen terugvorderen de goederen, welke zich nog in

ocr page 146

134

het bezit van de in dat artikel genoemde personen bevinden, of de daarvoor in de plaats getreden waarde, voor zoover die nog voorhanden is.

643 b. w. Art. 535.

Hetzelfde recht hebben de afstammelingen van den vermoedelijk overleden verklaarde , mits zij binnen tien jaren na het in artikel 533 bepaalde tijdsverloop de goederen opvorderen.

TWINTIGSTE TITEL.

Van vereenigingen.

Art. 5. Art. 536.

Wet

van 22 April 1855

stbi. n0.32. Vereenigingen van personen treden als rechtspersonen op, wanneer zij zijn tot

stand gekomen bij notarieele akte, en als zoodanig erkend door het openbaar gezag.

5, 6 ad 1 der Art. 537.

zelfde wet.

Die erkenning wordt op de statuten verleend bij Koninklijk besluit, wanneer de vereeniging voor niet meer dan dertig jaren wordt opgericht, en anders bij de wet.

8 dier wet. Art. 538.

Bij verandering in de statuten is eene bekrachtiging der erkenning noodig.

6 lid 2 dier wet. Art. 539.

De statuten moeten bevatten;

lquot;. duidelijke en nauwkeurige omschrijving van het doel;

2#. opgaaf van den naam;

3quot;. aanwijzing van eene gemeente des Rijks, waar de zetel zal zijn;

4°. bepalingen omtrent het aannemen en uittreden van leden;

5quot;. regeling der samenstelling van het bestuur;

6°. opgaaf van den duur.

ocr page 147

135

7 dier wet. Art. 540.

De erkenning wordt alleen geweigerd, wanneer de statuten niet of niet voldoende bevatten, wat in het voorgaand artikel is gevorderd, of wanneer de erkenning in strijd zoude zijn met het algemeen belang.

Het Koninklijk besluit van weigering is met redenen omkleed.

12 lid 2 dier wet, Art, 541.

Handelingen, verricht namens niet erkende vereenigingen, worden ten aanzien van derden beschouwd als volgende de personen, die daarbij zijn opgetreden; deze zijn hoofdelijk voor de gevolgen daarvan aansprakelijk.

9 dier wet. Art, 542.

De statuten worden, met aanhaling van de wet of het Koninklijk besluit van erkenning, ingeschreven ter griffie van de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de vereeniging haar zetel zal hebben; en vervolgens door de Staatscourant bekend gemaakt.

Eerst met den dag na dien der bekendmaking begint het bestaan der vereeniging en de werking barer statuten.

Deze bepaling geldt ook voor de bekrachtiging, in artikel 538 vermeld.

13 dier wet Art. 543.

1701 S. W.

Tenzij de statuten anders bepalen, is het lidmaatschap persoonlijk, en gaat niet over op de erfgenamen der leden.

1696 b. w. Art. 544.

Tenzij de statuten anders bepalen, heeft ieder meerderjarig, niet onder curateele gesteld, lid ééne stem, besluiten de vergaderingen bij meerderheid der aanwezigen en beslist bij staken der stemmen de voorzitter der vergadering.

1692 b. w. Art. 545.

Tenzij de statuten anders bepalen, wordt de vereeniging in en buiten rechte door haar bestuur vertegenwoordigd.

ocr page 148

136

1692 £. w. Art. 546.

Tenzij de statuten anders bepalen, heeft het bestuur, zonder bijzonderen last van de algemeene vergadering, slechts tot daden van beheer bevoegdheid.

1693 s. w. Art. 547.

Handelingen van het bestuur, waartoe dit onbevoegd was, verbinden de vereeniging slechts voor zoover deze daardoor is gebaat, of de handeling later behoorlijk goedgekeurd is geworden.

Voor de gevolgen van zoodanige handelingen zijn de bestuurders persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk.

Tegen hem, die bewijst het zijne te hebben gedaan om de handeling te verhinderen, of tot verhindering buiten staat geweest te zijn, wordt geene veroordeeling uitgesproken.

1695 b. w. Art. 548.

Het bestuur belegt, althans eenmaal in het jaar, eene algemeene vergadering, waarin het rekening en verantwoording doet, en verslag geeft van den toestand der vereeniging.

Bij gebreke hiervan heeft ieder lid de bevoegdheid, de bestuurders namens de vereeniging, maar op eigen gevaar, op te roepen tot het afleggen van rekening in rechte.

Het vonnis geldt niet tegen de vereeniging noch tegen de overige leden, tenzij dezen door eene der partijen in het geding zijn geroepen, hetgeen ook bij openbare dagvaarding kan geschieden.

Art. 549.

Het bestuur is verplicht, op verzoek van ten minste tien leden, of, zoo de vereeniging minder dan honderd leden telt, van ten minste een tiende der leden eene algemeene vergadering te beleggen; bij gebreke hiervan kunnen die leden zeiven de vergadering bijeenroepen.

Art. 550.

De algemeene vergadering kan te allen tijde de bestuurders of sommigen hunner schorsen of ontslaan.

Art. 551.

Wanneer tengevolge van geschillen, in de vereeniging gerezen, van weerszijde

ocr page 149

137

aanspraak gemaakt wordt op het feitelijk bezit der goederen, kan de rechter op verzoek van belanghebbenden of op vordering van het openbaar ministerie bevelen, dat die goederen onder gerechtelijke bewaring worden gesteld.

Art. 552.

Erfstellingen, makingen en schenkingen, ten behoeve van eene vereeniging, hebben geen gevolg, dan wanneer en voor zoover de Koning tot aanneming machtigt.

Deze machtiging werkt bij makingen terug tot het oogenblik, dat de making door den dood is bekrachtigd, en bij schenkingen tot het oogenblik, dat de schenking voor-loopig door de bestuurders is aangenomen.

Bij weigering der machtiging, en bij het niet nakomen der voorwaarden, waaronder die verleend is, vervalt de making of schenking.

Makingen en schenkingen, aan eene vereeniging op naam van een tusschen beiden komend persoon gedaan, worden op vordering van belanghebbenden nietig verklaard.

Art. 10 Art. 553.

Wet

gt;a'«wAn«ril3286j De vereeniging gaat als rechtspersoon te niet:

i#. wanneer de bepalingen der statuten het medebrengen;

2U. wanneer er geen lid meer is;

3°. wanneer in eene algemeene vergadering, opzettelijk hiertoe opgeroepen, met twee derden van de stemmen, die in eene voltallige vergadering kunnen worden uitgebracht, tot de ontbinding wordt besloten;

4°. wanneer zij, op grond van het niet nakomen der statuten, van hare rechtspersoonlijkheid is vervallen verklaard.

Zoodanige verklaring kan op vordering van het openbaar ministerie door de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de vereeniging haren zetel heeft, worden uitgesproken.

De rechtbank kan daarbij aan de vereeniging de bevoegdheid tot het verrichten van burgerlijke handelingen bij voorraad ontzeggen.

Het besluit in n0. 3 bedoeld, de ver-klaring in n0. 4 bedoeld, zoodra de uitspraak kracht van gewijsde heeft, en de voorloopige beschikking in hetzelfde nummer bedoeld, worden ingeschreven en bekend gemaakt op de wijze, in artikel 542 vermeld; zij beginnen te werken met den dag na dien der bekendmaking.

Art. 554.

statuten, of in het ontbindingsbesluit,

Art. 11 dier wet.

of in een 18

Tenzij anders bepaald is in de

ocr page 150

438

daaraan -voorafgaand besluit der algemeene vergadering, aan dezelfde voorwaarden als het ontbindingsbesluit onderworpen, komen de goederen der vereeniging bij haar tenietgaan , na vereffening en betaling der schulden, aan de laatste leden of het laatste lid. Wanneer er geen lid meer is, vervallen zij aan den Staat.

Art. 555.

De vereffening en betaling der schulden geschiedt door de laatste bestuurders; zoo die ontbreken, alsmede in het geval van artikel 553, nummer 4, door een of meer personen, welke de rechter op verzoek van belanghebbenden, of op vordering van het openbaar ministerie, daartoe benoemt.

Zij nemen daarbij in acht de vormen, omtrent onbeheerde nalatenschappen vastgesteld; bij gebreke hiervan zijn zij persoonlijk en hoofdelijk voor de schulden der vereeniging aansprakelijk.

EEN EN TWINTIGSTE TITEL.

Van stichtingen.

Art. 556.

Stichtingen treden als rechtspersonen op, wanneer openbaren uitersten wil, of bij notarieele akte onder zijn erkend door het openbaar gezag.

zij zijn tot stand gekomen of bij de levenden, en zij als zoodanig


Art. 557.

Die erkenning wordt op de statuten verleend bij Koninklijk besluit.

Art, 558.

De statuten moeten bevatten:

4U. duidelijke en nauwkeurige omschrijving van het doel;

2°. opgaaf van den naam;

3U. aanwijzing van eene gemeente des Rijks, waar de zetel zal zijn;

4°. aanwijzing van de goederen en fondsen.

ocr page 151

139

Art. 559.

Wanneer de stichtingsakte bij uitersten wil is opgemaakt, verzoekt de notaris, binnen veertien dagen, nadat hij van het overlijden des stichters heeft kennis bekomen, de erkenning, en dient daarbij een afschrift in van alle de stichting betreffende bepalingen.

Art. 560.

De erkenning wordt alleen geweigerd, wanneer de statuten niet of niet voldoende bevatten, wat in artikel 558 is gevorderd, of de erkenning in strijd zou zijn met het algemeen belang.

Het Koninklijk besluit van weigering is met redenen omkleed, en wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Art. 561.

Handelingen, verricht namens niet erkende stichtingen, worden ten aanzien van derden beschouwd als volgende de personen, die daarbij zijn opgetreden; deze zijn hoofdelijk voor de gevolgen daarvan aansprakelijk.

Art. 562.

De erkenning wordt slechts voor een bepaalden tijd verleend, die niet langer mag zijn dan van zestig jaren, behoudens 's Konings bevoegdheid om haar latei' op nieuw, op aanvrage van het bestuur, van belanghebbenden of van Gedeputeerde Staten, telkens voor een tijdvak van ten hoogste zestig jaren te verleenen.

Deze nieuwe erkenning wordt alleen geweigerd, wanneer zij in strijd zou zijn met het algemeen belang.

Het tweede lid van artikel 560 is in dit geval toepasselijk.

Art. 563.

De statuten worden, met aanhaling van het Koninklijk besluit van erkenning, ingeschreven ter griffie van de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de stichting haar zetel zal hebben, en vervolgens door de Staatscourant bekend gemaakt.

Eerst met den dag na dien der bekendmaking begint het bestaan der stichting en de werking harer statuten.

De goederen en fondsen worden alsdan geacht rechtstreeks van den stichter op de stichting te zijn overgegaan.

ocr page 152

440

Art. 564.

Tenzij de statuten anders bepalen , wordt de stichting in en buiten rechte door haar bestuur vertegenwoordigd.

Art. 565.

Indien de statuten omtrent de samenstelling en bevoegdheid van het bestuur geene of geene voldoende regeling bevatten, worden de noodige voorschriften dienaangaande gegeven bij het Koninklijk besluit van erkenning, nadat Gedeputeerde Staten daarover zijn gehoord.

Art. 566.

Indien de statuten omtrent de samenstelling en bevoegdheid van het bestuur eene regeling bevatten, die later blijkt onuitvoerbaar of onvoldoende te zijn, worden hunne voorschriften dienaangaande gewijzigd bij Koninklijk besluit, op aanvrage van het bestuur, van belanghebbenden of van Gedeputeerde Staten, en in ieder geval nadat dit college daarover is gehoord.

Art. 567.

Tenzij de statuten anders bepalen, besluiten de bestuurders, ieder met slechts ééne stem, bij meerderheid van stemmen; bij staken der stemmen is het gedane voorstel verworpen.

Art. 568.

Het bestuur doet eenmaal in het jaar rekening en verantwoording aan Gedeputeerde Staten, en geeft hun verslag van den toestand der stichting.

Art. 569.

Wanneer het bestuur aan deze verplichting niet voldoet, of op zijne rekening en verantwoording de goedkeuring van Gedeputeerde Staten niet verkrijgt, of zich overigens aan plichtverzuim in het beheer der goederen en fondsen schuldig maakt, kan de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de stichting haren zetel heeft, op vordering van het openbaar ministerie de bestuurders of sommigen hunner ontslaan; onverminderd hunne verplichting tot schadevergoeding en tot het doen van rekening en verantwoording aan hunne opvolgers.

De rechter kan, hangende het geding, de bestuurders schorsen, en voorloopig in het beheer der stichting voorzien.

ocr page 153

141

Zoodra het vonnis van ontslag kracht van gewijsde heeft, wordt het door het openbaar ministerie medegedeeld aan Gedeputeerde Staten, die de personen aanwijzen, welke als nieuwe bestuurders zullen optreden.

, 1717 b. w. Art. 570.

De bepaling, in artikel 552 voor vereenigingen gemaakt, is ook op stichtingen toepasselijk.

Art. 571.

De stichting gaat te niet:

1°. wanneer de bepalingen der statuten het medebrengen;

2°. wanneer de tijd verstreken is, waarvoor zij is erkend, en de erkenning niet op nieuw is verleend;

3°. wanneer zij bij Koninklijk besluit is opgeheven.

Zoodanig besluit kan alleen genomen worden, wanneer het vermogen der stichting is te niet gegaan, of zoozeer verminderd, dat het naar het oordeel van bestuurders ontoereikend is geworden om aan het doel der stichting te beantwoorden.

Gedeputeerde Staten worden daarover gehoord.

Het besluit wordt ingeschreven en bekend gemaakt op de wijze, in artikel 563 vermeld, en begint te werken met den dag na dien der bekendmaking.

Art. 572,

Tenzij de statuten anders bepalen, komen de goederen der stichting bij haar te niet gaan, na vereffening en betaling der schulden, aan den Staat.

ocr page 154
ocr page 155

INHOUD.

BURGEELIJK WETBOEK.

EERSTE BOEK.

Bh.

TITEL I.

Van het genot van burgerlijke rechten........

6.

»

II.

Van de akten van den burgerlijken stand......

6.

rt

III.

20.

n

IV.

24.

V

V.

26.

n

VI.

Van de rechten en verplichtingen der echtgenooten . . .

40.

V

VIL

Van de wettelijke gemeenschap van goederen.....

46.

r

VUL

53.

r

IX.

Van de ontbinding des huwelijks.........

61.

n

X.

Van de scheiding van tafel en bed.........

70.

n

XL

73.

•n

XII.

80.

ri

XIII.

Van de verplichting tot onderhoud tusschen verwanten . .

81.

n

XIV.

Van minderjarigheid en ouderlijk gezag.......

83.

r

XV.

92.

rgt;

XVI.

114.

n

XVII.

117.

V

XVIII.

Van de formaliteiten met betrekking tot rechterlijke beschikkingen krachtens de voorgaande titels, en van de rechtsmiddelen daartegen.........

125.

r

XIX.

128.

r

XX.

134.

T

XXI.

138.

ocr page 156
ocr page 157

ONTWERP

TOT

HEEZIENING

VAN HET

BURGERLIJK WETBOEK.

TOELICHTING.

ocr page 158
ocr page 159

O N T W E E P

TOT

HERZIENING

VAN HET

BURGERLIJK WETBOEK

den Koning aangeboden door de Staatscommissie, ingesteld bij Zijner Majesteits Besluit van 28 Februari 1880, n0. 8.

EERSTE BOEK. TOELICHTING.

'S-GRAVENHAGE. 1 8 8 6.

ocr page 160

■

ifl I

ocr page 161

MEMORIE VAN TOELICHTING.

EERSTE TITEL.

Van het genot van hurgerlijke rechten.

De overweging van dezen titel heeft tot het besluit geleid, dat hij dooi weglating van overbodige bepalingen kon worden bekort, maar daarentegen behoort aangevuld te worden door eene vermelding der rechtspersonen. Immers, waar dezen, wat het genot van burgerlijke rechten aangaat, met natuurlijke personen worden gelijk gesteld, zou de titel, die van dit genot handelt, onvolledig blijven, indien ook zij daarin niet eene plaats vonden.

Dat het genot van burgerlijke rechten onafhankelijk is van de staatkundige rechten, spreekt van zelf, wanneer de wetgever het daarvan niet uitdrukkelijk afhankelijk maakt; nog meer, wanneer hij het aan een ieder toekent. Dat de staatkundige rechten alleen overeenkomstig de Grondwet worden verkregen, behoeft niet door den wetgever, allerminst in het Burgerlijk Wetboek, te worden verzekerd. Om deze redenen moest artikel 1 vervallen.

Art. 4, naar aanleiding van de bepalingen in den Franschen Code over den burgerlijken dood in het Wetboek opgenomen, had eenige beteekenis in verband met art. 18 van den bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek in stand gehouden Code Pënal. Thans heeft het geene reden van bestaan.

Ten gevolge van het wegvallen van dit artikel bevat de eerste titel geene bepaling meer, die het verlies der burgerlijke rechten betreft. Daaruit wordt de verandering in het opschrift verklaard.

Art. 1.

Art, 2 B. W. kent in zijn eerste lid aan allen toe èn vrijheid èn rechtsbevoegdheid. Maar waartoe van de vrijheid gesproken? Staat het vast, dat allen bevoegd zijn tot het genot van burgerlijke rechten, dan wordt daarmede een toestand van onderworpenheid van den een aan den

a

ocr page 162

2

ander, die de persoonlijkheid opheft, uitgesloten. Daarmede worden allen verklaard vrij te zijn. Een ieder bevoegd te verklaren tot het genot van burgerlijke rechten , is dus voldoende.

Het tweede lid is dan ook overbodig, daar het, nu de slavernij bij de beschaafde natiën algemeen is afgeschaft, weinig belang meer heeft, en slechts kan leiden tot de nuttelooze vraag, hoe het dienstbodenrecht en de verplichting tot arbeid ten behoeve van gemeentewerken, waarvan art. 239 der Gemeentewet spreekt, daarmede in overeenstemming te brengen zijn.

De beperking tot hen, die zich op het grondgebied van den Staat bevinden, kan mede vervallen. Aan de eene zijde spreekt het van zelf, dat onze wetten alleen gelden binnen de grenzen van ons land; maar aan den anderen kant zouden die woorden aanleiding kunnen geven tot het min gewenschte resultaat, dat, indien van uit een land, waar nog slavernij bestaat, een slaaf hier in rechte wilde optreden, de Nedeilandsche rechter zijne persoonlijkheid zou moeten verwerpen. Beschouwt men de slavernij als eene onzedelijke instelling, die contra naturam is ingevoerd, en waaraan in onzen tijd geene toepassing mag gegeven worden, dan moet het ook in dit (trouwens zeer zeldzame) geval onverschillig zijn , waar de slaaf, die ten onzent rechten wil uitoefenen, zich bevindt.

Art. 2.

Het kan de bedoeling van den wetgever van 1838 niet geweest zijn, aan de ongeboren vrucht rechtsbevoegdheid toe te kennen, maar wel, aan het kind, krachtens de bij zijne geboorte ontstaande rechtsbevoegdheid, het genot te verzekeren van rechten, die gedurende de zwangerschap waren opengevallen. en die door hem zouden zijn verkregen, indien hij toen reeds geboren was. Die bedoeling schijnt juister uitgedrukt door de thans voorgestelde redactie, dan door in het algemeen zoodanige kinderen als reeds geboren aan te merken; zij het ook met de toevoeging, dat zij, dood ter wereld komende, geacht worden nooit te hebben bestaan. Men zou toch daaruit kunnen afleiden, dat aan het kind gedurende de zwangerschap een persoonlijk bestaan was toegekend , hetwelk door het dood ter wereld komen weid opgeheven. Dat de regel alleen in het belang van het kind geldt, behoeft niet te worden uitgedrukt, waar enkel sprake is van rechten, waarop het aanspraak mag maken.

Art. 3.

Het woord rechtspersoon komt, in tegenstelling van het ontwerp van 1820, waar een titel gewijd was aan corporaties, vereenigde lichamen en stichtingen, als personen beschouwd, in het Burgerlijk Wetboek niet voor. Het rechtsinstituut zelf is er echter niet onbekend. Art. 1691 leert, dat alle wettig bestaande zedelijke lichamen, evenals particuliere personen, bevoegd zijn tot het aangaan van burgerlijke handelingen; en art. 1698, dat de schulden van een zedelijk lichaam verhaald worden op zijne goederen , zonder eenige persoonlijke aansprakelijkheid voor de leden. Waarschijnlijk zag men er bezwaar in, deze voorschriften samen te vatten in het. enkele woord rechtspersoonlijkheid, omdat men dit een wetenschappelijk begrip achtte, dat in een wetboek misplaatst zoude zijn.

Het eerst komt het voor in de wet van 22 April 1855 [Sthl. n0. 32), waar zeer juist onderscheiden wordt tusschen de vereeniging, eene gewone overeenkomst van meerdere natuurlijke personen, en de rechtspersoonlijkheid, die door het openbaar gezag aan de vereeniging verleend en onder zekere omstandigheden ontnomen kan worden. Wenschelijk is het, dit voorbeeld te volgen ; en, waar de volle bevoegdheid tot bet genot van burgerlijke rechten buiten den kring

ocr page 163

der natuurlijke personen aangenomen wordt, kortheidshalve dezen kunstterm te gebruiken. De beide aangehaalde artikelen , die trouwens slechts enkele gevolgen der rechtspersoonlijkheid vermelden , kunnen dan als overbodig wegvallen.

Ondertusschen reikt het begrip van rechtspersoonlijkheid veel verder dan de zedelijke lichamen, in het Burgerlijk Wetboek genoemd, of de vereenigingen , welke de wet van 1855 op het oog heeft; en de vraag is dus ontstaan, of men niet, aan dat begrip eene plaats in het wetboek verleenende, van zelf verplicht werd om alle gevallen op te noemen, die daaronder te brengen zijn.

De moeilijkheid om zulks met eenige volledigheid te doen en zich daarbij steeds te houden op praktisch terrein, heeft tot eene ontkennende beantwoording geleid. Indien de wetgever slechts zorgt, dat hij ieders rechtsbevoegdheid zoo nauwkeurig mogelijk omschrijft, kan het opmaken eener lijst van al die vereenigingen en instellingen, aan wie rechtspersoonlijkheid, hetzij uitdrukkelijk of stilzwijgend, toegekend is, veilig aan den uitlegger der wet worden overgelaten.

Van daar ook, dat van de zedelijke lichamen, op openbaar gezag ingesteld, die thans nog in art. 1690 voorkomen, geene afzonderlijke melding gemaakt is. Heeft men hierbij in de eerste plaats tlt;; denken aan den Staat en zijne onderdeden (provincies, gemeenten), dan is de uitdrukking zeker onjuist; deze vallen toch evenmin binnen het gebied der vereenigingen van personen, als dat te hunnen aanzien van eene eigenlijke instelling sprake is. En noodig is hunne vermelding te dezer plaatse zeker niet; daar de vraag, of eenig bestuur op de hier bedoelde rechten aanspraak kan maken, toch altijd beslist zal moeten worden naar de organieke bepalingen, die dit bijzonder geval betrefl'en. Een noodzakelijk gevolg dezer opvatting is, dat ook art. 1699 gemist kauworden.

Om al deze redenen is de voorkeur gegeven aan eene redactie, die, enkel de bestaanbaarheid van rechtspersonen uitsprekende, den wetgever zoowel als den uitlegger de vrijheid laat, in de toepassing zoo ver te gaan als zij nuttig en noodzakelijk zullen achten.

TWEEDE TITEL.

Van de akten van den burgerlijken stand.

Wat de indeeling van dezen titel betreft, zal men bespeuren, dat na de eerste afdeeling, bevattende de algemeene bepalingen , gehandeld wordt over de aanvulling der registers van den burgerlijken stand en de verbetering der akten, en zulks als tweede afdeeling, daar de daarin vervatte bepalingen op alle akten betrekking hebben ; daarop volgt de behandeling der verschillende registers, waaraan de vier volgende afdeelingen van dezen titel gewijd zijn. De in het bestaande Burgerlijk Wetboek voorkomende afdeeling «van naams- en voornaamsveranderingen)) maakt in het tegenwoordig ontwerp deel uit van den derden titel, welks derde afdeeling zij vormt.

eerste a.fdeel1ng.

Art. 4.

Wanneer men de bestaande regeling van het onderwerp van dezen titel vergelijkt met het decreet der Assemble'e legislative van 20 Sept. 1792 (Dalloz, Répertoire, acles de Vétat civil) dan wordt men getroffen door de groote, soms woordelijke overeenstemming.

ocr page 164

4

Art. 1 van den eersten titel dier wet luidt:

«les municipalite's recevront et conserveront a l'avenir les actes, destines a constater les naissances, mariages et de'ces.»

Art. 2 «les conseils ge'ne'ranx des communes nommeront parmi leurs membres, suivant l'e'teudue et la population des lieux, nne ou plusieurs personnes, qui seront charge'es de ces fonctions.»

En art. 5 van titel 6:

«aussitót que les re'gistres courants auront éte' clos, arrête's et porte's a la maison commune, «les municipalite's seules recevront les actes de naissance, mariage et de'cès et conserveront les lt;( re'gistres. Defenses sont faites a toutes personnes de s'immiscer dans la tenue de ces re'gistres et «dans la reception de ces actes.»

De bedoeling is duidelijk; men wilde de hoofden der kerkelijke gemeenten buitensluiten, en zoo lag liet voor de hand, dat de hoofden der burgerlijke gemeenten ter hunner vervanging werden aangewezen. Eu hierbij is het in hoofdzaak sedert gebleven

Het zal geen betoog behoeven , dat de burgerlijke stand met de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente (onder welke rubriek art. 149 der Gemeentewet voorkomt) niets gemeen heeft, evenmin als b. v. de hypothecaire boekhouding. Wellicht zou dit bezwaar op zich zelf gerekend kunnen worden van ondergeschikten aard te zijn. Maar het leidt tot moeilijkheden.

Wanneer aan den raad de benoeming van de ambtenaren van den burgerlijken stand zal blijven opgedragen, zal ook aan dat college het recht moeten worden toegekend, die ambtenaren te ontslaan. (Of dit recht thans aan den raad of aan eenig gezag in den staat toekomt, is eene vraag, over welker beantwoording men kan twijfelen.) De raad zal derhalve moeten nagaan, of daartoe termen bestaan , en daarvoor beoordeelen, hoe de ambtenaar zich van zijn plicht kwijt. Maar dit valt niet binnen den eigenaardigen kring der bemoeiingen van dat college. De ambtenaar van den burgerlijken stand moet in bepaalde gevallen de bevoegdheid hebben, zijne ambtsverrichtingen te weigeren; er behoort derhalve eene macht te bestaan, welke uitmaakt, of die weigering terecht geschiedt. De weigering kan eenen redelijken grond hebben, een gevolg zijn van verschil van opvatting tusschen den ambtenaar en den belanghebbende; maar onmogelijk is het niet, dat zij een gevolg is van onwil. Wanneer de gewone rechter — alleen deze, geen administratieve autoriteit kan geacht worden daartoe bevoegd te zijn, daar het geschillen geldt, tot de uitoefening der burgerlijke rechten in het naauwste verband staande — beslist beeft, en de ambtenaar blijft weigeren, of de ambtenaar weigert, zonder eenige reden op te geven, blijft er niets over dan hein te ontslaan. Want, ook wanneer er grond bestaat voor eene strafvervolging, zal hij, die de ambtsverrichtingen van den ambtenaar noodig heeft, daardoor niet altijd geholpen worden.

Het ontslag van den ambtenaar zal dus moeten volgen, en het zal wel van niemand anders kunnen uitgaan dan van den Koning of van den rechter, die het geschil beoordeeld heeft. Ontzetting door den rechter geschiedt intusschen thans alleen ingeval iemand voor het leven is aangesteld, gelijk het geval is bij leden der rechterlijke macht, bij notarissen. Daarom gaf men er de voorkeur aan, dat het ontslag door den Koning werd gegeven, die overigens de middelen om voorgelicht te wörden te zijner beschikking heeft.

Aan de bestaande wijze van benoeming zijn verder bezwaren verbonden, welke in het stelsel van het ontwerp worden vermeden.

Wanneer al de leden van den raad weigeren eene benoeming tot ambtenaar van den burgerlijken stand aan te nemen, kunnen de artikelen 126 en 127 der Gemeentewet geene toepassing vinden, omdat eerstgenoemd artikel op eene weigering van den raad als college, niet op eene

ocr page 165

5

weigering van de individueele raadsleden ziet. In zulk een geval bestaat thans soms het eenige redmiddel hierin, dat de Regeering den burgemeester indirect noodzaakt om eene benoeming aan te nemen.

De koninklijke benoeming is een waarborg, dat geene ongeschikte personen zullen worden aangewezen. Art. 21 tweede lid van het bestaande Burgerlijk quot;Wetboek onderstelt wel, dat elk ambtenaar kan teekenen, maar de hem toevertrouwde belangen zijn te gewichtig dan dat men niet de zekerheid hebbe, dat zijne ontwikkeling verder gaat.

Wanneer blijkt van eene onjuiste opvatting der wet door den ambtenaar, of ook in het algemeen wanneer daaraan behoefte bestaat, wordt eene ministerieele circulaire uitgevaardigd. Dit kan eene gelijkmatige toepassing der wet bevorderen. Een nadeel is het dus, wanneer de ambtenaren niet gehouden zijn, zich daarnaar te gedragen. En of een door de gemeente benoemd ambtenaar daartoe verplicht is, zon misschien kunnen betwijfeld worden.

Ten slotte zal men het als een voordeel, wellicht niet als het geringste, der koninklijke benoeming kunnen aanmerken , dat de thans soms rijzende gevaarlijke onzekerheid zal vervallen, of niet een ambtenaar van den burgerlijken stand die hoedanigheid, tengevolge van het ophouden van een der vereischten, waarvan zijne benoembaarheid afhangt, heeft verloren.

Art. 149 der Gemeentewet wijst aan , uit welke personen de benoeming zal geschieden. Uit art. 2 der wet van 1792 overgenomen, zij het om bepaalde categoriëen van personen te weren, zij het om eenigen waarborg te hebben voor geschiktheid, kan die beperking, wanneer de benoeming van den Koning uitgaat, worden gemist, en zal men de diensten kunnen gebruiken van alle personen voor hunne taak, berekend, welke, hoewel zeer geschikt, thans door de enge bepaling der wet worden uitgesloten.

De Duitsche Rijkswet «ueber die Beurkundung des Personenstandes und die Eheschliessung» van 6 Februari 1875 § 1 bepaalt; «die Beurkundung der Geburten . . . erfolgt durch die lt;( vom Staale bestellten Maatebeambten ».

De huwelijks-afkondigingen van art. 107 B. W. zijn vervangen door aankondigingen in een nieuwsblad en aanplakking van een uittreksel der akte van huwelijksaangifte; daardoor vervalt het register van huwelijks-afkondigingen. Men rekent de aankondiging voldoende daardoor verzekerd, dat de ambtenaar in de huwelijksakte moet, opnemen hetgeen in art. 44, 4°. is uitgedrukt. Eene verklaring in strijd met de waarheid doende, stelt hij zich aan strafvervolging bloot. De waarborg wordt niet grooter, wanneer hij van de aanplakking eene akte moet opmaken.

Het schijnt onnoodig in de benaming van het register reeds te doen uitkomen, dat de akten van echtscheiding in het huwelijksregister moeten worden ingeschreven. Die benaming behoeft geene volledige inhoudsopgave te zijn; zoo gewaagt het bestaande wetboek dan ook, wanneer zij het register aanduidt, waarin de geboorten worden ingeschreven, niet van de erkenningen en naamsveranderingen.

Het Burgerlijk Wetboek legt in bepaalde gevallen de verplichting op eene aangifte te doen. Dit geschiedt in art. 29, 30, 33, 34, 54 en 57. Het ontwerp doet hetzelfde in art. 30, 31, 36, 46 en 47. Die aangifte moet geschieden aan den ambtenaar van den burgerlijken stand. Art. 448 W. v. St. bevat de sanctie. Maar waar moet zij geschieden, waar is omgekeerd de ambtenaar verplicht haar aan te nemen? Ter plaatse, waar het register wordt gehouden. Dit volgt genoegzaam daaruit, dat (volgens art. 29, tweede lid, B. W.) dadelijk eene akte moet worden opgemaakt.

ocr page 166

6

Maar waar moeten de registers gehouden worden? Wel wijst art. 22 B. W. het gemeentearchief als bewaarplaats aan voor een der dubbelen van de afgesloten registers, en bepaalt art. 131 B. W., dat de huwelijken worden voltrokken in het gemeentehuis, ') maar een bepaald antwoord op de viaag wordt niet gegeven. De aanvulling dier leemte schijnt wenschelijk. Ook is, wanneer de benoeming niet meer door en uit den gemeenteraad geschieden zal, de aanwijzing van 's Konings wege dubbel noodig. Vandaar het laatste lid van art. 4 Ontw. — Vgl. art. 5 en 76 van het Burgerlijk Wetboek voor Nederlandsch-Indië: arrest H. R. van 19 April 1853, INed. Regtsp. Dl. 44, §60.

Men heeft voorts getracht, de aangifte gemakkelijker te maken, door — in volkrijke of zeer uitgestrekte gemeenten — op meer dan eene plaats de gelegenheid daartoe te geven. Slechts onvolmaakt wordt het doel bereikt, wanneer in een aangewezen lokaal meer registers van dezelfde soort worden gehouden; terwijl ook moet worden voorkomen , dat een lokaal wordt aangewezen uitsluitend voor geboorteaangiften , een ander uitsluitend voor aangiften van sterfgevallen.

De voorgestelde regeling heeft niet, gelijk de Duitsche wet, § 2, ten doel te bepalen, dat grootere gemeenten in meerdere « Standesamhtsbezirke» kunnen verdeeld worden. Men vreest, dat eene dergelijke bepaling het gevaar oplevert, dat soms akten door eenen onbevoegden ambtenaar zouden worden opgemaakt. In elk geval zou voor de volkrijke gemeenten, die het hier geldt, steeds een lastig onderzoek naar de bevoegdheid van den ambtenaar worden vereischt. Het ontwerp heeft de strekking hem, die in eene bepaalde gemeente eene aangifte moet doen, de keuze te laten tusschen alle plaatsen in die gemeente, waar krachtens vergunning des Konings een zelfstandig stel registers wordt gehouden. Het ontwerp behoudt het voordeel der wet van 24 Juni 1879 (Slbl. n0. 132), dat opeenhooping van werkzaamheden wordt gekeerd; maar tevens wordt het publiek geriefd, in zoover dit zich naar het meest nabij gelegen lokaal zal kunnen begeven.

Dat de Koning geene vergunning zal verleenen , wanneer daaraan geene behoefte bestaat, (zie het derde lid van art. 1 der wet van 24 Juni 1879 {Sthl. n0. 132), behoeft niet te worden herinnerd.

In verband met de verplichting tot het doen van aangifte voor bepaalde personen en tot het ontvangen daarvan voor den ambtenaar moet ook vaststaan, op welke dagen en uren deze verplicht is zitting te houden. Hiervoor zijn wel algemeene regelen te geven, waarbij onderscheiden wordt naar gelang van de volkrijkheid en uitgestrektheid der gemeenten; vermits de ondervinding hierbij echter meermalen de wenschelijkheid van wijzigingen kan aantoonen, meent men dat dit bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur moet geschieden. Men vergelijke art. 4 der wet van 23 April 1879 (Sthl. n0. 72) en de missive van den Minister van Justitie van 3 October 1863 (te vinden in Luttenberg, Chronologische Verzameling van Wetten enz.).

Art. 5.

Art. 7 van het Reglement op het houden van de registers van den burgerlijken stand in Nederlandsch Indië [Indisch Staatsblad 1849, n0. 25) drukt dit in dezer voege uit: «Alle regis-«ters van den burgerlijken stand zullen dubbel worden gehouden.»

1) Men vergelijke de artt. 92 en 256 van dit ontwerp.

ocr page 167

7

Art. 6.

Zie art. 357 van het Italiaansche burgerlijk wetboek (ingevoerd op 1 Jan. 1866). Art. 15B, W. belet geenszins, dat een blad uit het register wordt genomen, zonder dat dit in het oog valt. Het is dan ook de gewoonte, ofschoon deze niet op de wet rust, dat op het eerste blad het aantal bladen van het register wordt vermeld. Zóó is het althans mogelijk het uitnemen van een blad te constateeren ; daartoe moet dan het getal bladen van het register nageteld en met de opgave op het titelblad vergeleken worden. De uitneming valt echter eerst in het oog en wel onmiddellijk, wanneer elk blad van een doorloopend nummer wordt voorzien. Ook thans gebeurt dit in den regel, maar naar de wet is het niet vereischt.

Een verderen waarborg treft men aan in art. 16, voorschrijvende, dat de akten een doorloopend nummer dragen.

Art. 7.

Zie art. 360 Ital. wetb. Een der dubbelen blijft derhalve onder bewaring van den ambtenaar in het lokaal, bedoeld in art. 4, laatste lid; zoodat men hier kan missen eene opzettelijke toevoeging als die van art. 17 Regl. B. S. Ned. Indië; «terwijl het andere dubbel ten kantore van «ambtenaar van den burgerlijken stand onder diens bewaring zal blijven berusten.»

De aanhechting, welke art. 23 B. W. voorschrijft, is vaak onmogelijk; men denke slechts aan de menigte stukken, welke vóór de huwelijksvoltrekking moet worden overgelegd. Het is dan ook te betwijfelen, of het voorschrift opgevolgd wordt. In de plaats der aanhechting treedt de vermelding in de akte van de overgelegde stukken (art. 12), op welke wordt aangeteekend, tot welke akte zij behooren.

Uit het derde lid van art. 7 volgt, dat de daar bedoelde stukken moeten worden bewaard. Dit is in vele gevallen van het hoogste belang. Overigens behoeft het nauwelijks vermelding, dat onder overgelegde stukken ook volmachten behooren (art. 23 B. W.). Ten aanzien der over te leggen stukken vergelijke men voorts de artikelen 111 en 254 Ontw.

Art. 8.

Met behoud van het uitsluitend repressief toezicht van art. 28 B. W. roept art. 8 een preventief toezicht in het leven, dat zich uitstrekt ook tot de loopende registers. Dit voorschrift, in verband met het ontslag dat de Koning ten allen tijde kan geven, kan mogelijk kwaad bij tijds keeren.

Het behoeft geene herinnering, dat het tweede lid alleen past in een stelsel van beperkte openbaarheid (art. 19); § 16 der Duitsche wet en art. 362 Ital. wetb. staan aan een ieder de inzage toe.

Art. 9.

Het gevaar van te niet gaan van registers door brand of andere rampen heeft de bepaling van art. 9 in het leven geroepen, welker nut van zelf in het oog valt. Daar intusschen de bewijskracht van het nieuw vervaardigde register slechts wordt gewaarborgd door de enkele verklaring van den bewaarder, dat het met het behouden gebleven register overeenstemt, is

ocr page 168

8

het wenschelijk te bepalen, dat geene afschriften of uittreksels uit het nieuwe register mogen worden vervaardigd , zoolang het oorspronkelijk register kan worden geraadpleegd.

Art. 10 en 11.

Bij de behandeling van hetgeen met het opmaken der akten in verband staat, vestigt de aandacht zich het eerst op de daarbij betrokken personen: den ambtenaar, de partijen (art. 10)

de getuigen (art. 11). ,

Volgens het Koninklijk besluit van 8 Juni 1823 {Sthl. n». 121) mochten de ambtenaren

geene akten opmaken, welke henzelven, hunne vrouwen, ouders of kinderen betreffen, welk besluit bij dat van 9 October 1861 {Sthl. nquot;. 87) is ingetrokken. Vgl. art. 5 Regl. B. S. Ned. Indie: «Geen ambtenaar van den burgerlijken stand vermag te staan over akten, welke hem-« zei ven , zijne vrouw, zijne ouders of zijne kinderen betreffen.» j j

Zie voorts art. 21 der wet op het notarisambt en art. 51 van het Avant-projet de revision du Code Civil (beige) van den Gentschen Hoogleeraar F. Laurent met de toelichting. [Motif* et matertaux.)

Noch het Italiaansch wetboek noch de Duitsche wet houden eene dergelijke verbodsbepaling in. Voor zoover betreft aangiften, aan zich zeiven te doen, schijnt er aan de verbodsbepaling geene behoefte te bestaan. Wanneer Laurent Tome I, pag. 242 zegt: «Or, il est de principe qu'un officier public ne peut instrumenter, quand il est par tie a I'acte qu il est charge'de lecev on » kan ieder zeker met hem instemmen; maar juist als dat zoo duidelijk is, blijkt het, dat de verbodsbepaling, voor zoover den ambtenaar zeiven betreft, kan worden gemist.

Wordt eene verklaring van toestemming tot een huwelijk tohriftelijk overgelegd, dan is degene, die toestemming geeft, geen partij. En waarom zou men dan bij de huwelijksvo tre ing van zijn kind niet als ambtenaar mogen optreden? Het verschaft zoo vader als kmd eene voldoening, waarvan geenerlei gevaar is te voorzien. Uit deze akten kan de ambtenaar noolt eene vordering ontleenen of er zich een recht door scheppen. Hij constateert alleen een leit.

Daardoor vervalt de analogie met het verbod aan den notaris.

Door de in art. 10 gebezigde uitdrukking «uitsluitend daartoe .... aan geste d» is men teruggekeerd tot art. 36 C. C., waarvan art. 5 der wet van 16 Juni 1832 [Sthl. n0. 22), zon ei

dat genoeg blijkt waarom, in dit opzicht was afgeweken.

In het Burgerlijk Wetboek wordt niet gevonden een algemeen voorschrift als art. van het Italiaaiische, naar hetwelk voor elke akte twee getuigen worden gevorderd. Bij de aangitte van geboorte zijn twee getuigen noodig (art. 29 en 35 B. W.), bij erkenningen en ij uwe lijksaan giften geene (art. 38 en 39 B. W.), bij huwelijksvoltrekkingen viei of zes (art. ? B. W.), bij de aangiften van overlijden twee (art. 50), hoewel in dit laatste geval met de gewone solenniteitsgetuigen maar veeleer aangevers bedoeld worden (art. 51, 3°. B. W,). De vordert enkel bij de huwelijksvoltrekking getuigen § 52. Daar de gevallen geheel ongelijksoortig zijn, is het verkieslijk, bij het bestaande te blijven en geene algemeene bepaling te maken. Cf. artt. 30, 46, 117.

Art. 11 laat verder twee eischen, welke art. 20 B. W. aan de getuigen stelt, varen; zij zijn deze: dat de getuigen moeten zijn manspersonen en binnen het koninkrijk hunne woonp aal. hebben. Wanneer men bedenkt , dat die eischen aan de aangeveis (^6 ou ^ ,

art. 50 B. W.) niet gesteld worden, dat de tweede eisch met in den Code ivi (ar. voorkomt, dat de Duitsche wet, behalve bij de huwelijksvoltrekking, volstre t geene ge g

ocr page 169

y

verlangt, dan komt men tot het resultaat, dat er geene reden tot zoo groote gestrengheid bestaat. En, mag men vragen, is het niet hard, dat iemands broeder of oom, die in België is gaan wonen, daardoor verhinderd wordt getuige bij zijn huwelijk te wezen? Wanneer de reden van de uitsluiting is de gevreesde moeilijkheid om later eene getuigenis in rechte te krijgen , wordt dan de zorg niet overdreven ? Het belang der partijen biedt toch een voldoenden waarborg aan, dat zij geene ongeschikte personen kiezen. Overigens, wie kan beletten dat iemand, die hier domicilie heeft, na het opmaken eener akte het land voor goed verlaat?

Het tweede lid van art. 20 B. W. is als overbodig weggelaten.

Art. 12.

Vgl. art. 352 Ital. wetb.

Nieuw is de vermelding in de akte van de voornamen en den naam van den ambtenaar van den burgerlijken stand. De akte ontleent haar authentiek karakter daaraan, dat zij door een ambtenaar is verleden; het is dus van het hoogste belang, dat degene, door wien de akte verleden wordt, die hoedanigheid bezitte, en om te weten, of hij die bezit, moet men hem kennen. Dit alles is zeker elementair, hetgeen niet belet, dat men thans die namen moet opmaken uit eene dikwerf onduidelijke, soms onleesbare handteekening, die ook bijna nooit voornamen bevat, maar deze in het gunstigste geval met eene enkele letter aanduidt; en komt de naam niet in de akte voor, bij zal ook in het afschrift niet gevonden worden.

Het niet vermelden van den naam en de voornamen van den ambtenaar in de akte bevordert bovendien de achteloosheid in hooge mate. Is daarentegen eenmaal die naam in de akte opgenomen , dan kan de onderteekening, met het oog op ziekte of andere onvoorziene omstandigheden, niet te lang uitgesteld worden. Vgl. art. 26, eerste lid der wet op het notarisambt.

Het beroep of de betrekking. Vgl. art. 26 tweede lid dier wet.

«Partijen» verdient de voorkeur boven «verschijnende partijen», hetgeen waarschijnlijk eene vertaling is van comparants. De wet op het notarisambt spreekt van verschijnende personen, art. 24, 25, 26, 30, 31. Zie het ontwerp van wet tot regeling van het notarisambt der Staatscommissie voor de herziening der wetgeving op de eigendomsoverdragt, art. 40a, 42, 43, 44.

Art. 13.

Vgl. Art. 355 Ital. wetb.

Art. 15.

Ook art. 30 der wet op het notarisambt schrijft voor, dat van de onderteekening in de akte moet worden melding gemaakt. Met uitzondering van de personen, die verhinderd zijn te teekenen, kan de nakoming van het tweede lid van art. 21 B. W. slechts bij gevolgtrekking daaruit worden opgemaakt, dat men de handteekeningen onder de akte aantreft.

b

ocr page 170

40

Art. 17.

Men vergelijke art. 34, 35 en 36 der wet op het notarisambt en het verslag der Staatscommissie voor de herziening der wetgeving op de eigendoms-overdragt enz. bl. 219, art. 56 en 57 bl. 265.

Het ontwerp gaat uit van het standpunt, dat veranderingen, bijvoegingen en doorhalingen enkel vóórdat de akte verleden, dat is, vóór dat zij geteekend is, moeten geoorloofd zijn. Is dit geschied, en derhalve de akte voltooid, dan behoort daarin enkel op de wijze van art. 26 vg. eene wijziging te kunnen worden gebracht. De handteekeningen worden soms op eenigen afstand van het slot geplaatst, en daarom bestaat het eenige afdoende middel om latere veranderingen, bijvoegingen en doorhalingen, althans voor zoover zij buiten medewerking van al degenen, die de akte geteekend hebben, geschieden, te beletten in het verbod om wijzigingen in het slot dei-akte op te nemen, alsmede in de bepaling, dat alle wijzigingen bij geteekend renvooi plaats hebben en dat het getal renvooien in het slot der akte wordt vermeld.

Het schrijven tussclien de lijnen, dat thans, mits goedgekeurd wordende, geoorloofd is (arrest H. R. 11 April 1862, Ned. Regtspr., Dl. 70, §58), zal naar het ontwerp vallen onder de verboden tusschen voegingen.

Art. 18.

Art. 359 Ital. wetb. bepaalt, dat de ambtenaar van de gedane aanteekening hinnen drie day en kennis zal geven aan den officier van justitie. Die tijdsbepaling is niet veel meer dan een nudum preceptum, omdat wel nooit zal blijken , wanneer de aanteekeningen gemaakt zijn.

Volgens bet eerste lid van art. 23 moet de ambtenaar alle hem opgelegde verplichtingen onverwijld vervullen , waaruit volgt, dat de ambtenaar, die geen kennis gegeven heeft, in elk geval art. 466 W. v. St, heeft overtreden.

Art. 19.

Vgl. § 16 lid 2 en 3 der Duitsche wet, art. 362 Ital. wetb.

Art. 24 B. W. spreekt enkel de verplichting uit tot hel afgeven van uittreksels. Het ontwerp vult dit aan, met, hetgeen overigens ook wel zal bedoeld zijn, de verplichting tot het geven van afschriften.

Hetgeen in de praktijk veelal een «uittreksel» genoemd wordt, is eigenlijk meer eene beknopte ambtelijke verklaring omtrent den inhoud eener akte, dan een eigenlijk uittreksel. Art. 40, vierde lid, der wet op het notarisambt; arrest H. R. 5 Jan. 1880, Ned. Regtspr., Dl. 124, § 3. Intusschen levert het bestaande gebruik groot gemak en geene praktische bezwaren op, zoodat ook het ontwerp, den term «uittreksel» gebruikende, geheel heeft vrijgelaten, daaraan den tot dusver gebruikelijken zin te blijven hechten. Daar het ontwerp spreekt van uittreksels der in de registers voorkomende akten, en niet meer van uittreksels uit de registers, gelijk art. 24 B. W., vervalt de dubbelzinnigheid, waartoe laatstgemeld artikel aanleiding geeft.

Het derde lid van art. 19 legt den ambtenaar de verplichting tot het doen van nasporingen

ocr page 171

11

op. Dit kan niet worden vermeden , zelfs dan niet, wanneer men met de Duitsche wet, § 16, en de Italiaansche, art. 362, aan iedereen inzage der registers toestaat; want het bewijs van het niet bestaan eener akte kan enkel uit eene ambtelijke verklaring voortvloeien, en het behoeft geen betoog, dat men een dergelijk bewijs kan noodig hebben. Vgl. art. 1265 B. W.

Art. 20.

Dat de akten van den burgerlijken stand bewijs opleveren van hetgeen voor den openbaren ambtenaar ten tijde van het opmaken der akte is voorgevallen , ligt in de hoedanigheid van den ambtenaar opgesloten. Art. 1905, 1907 B. W. Het wordt dan ook meer volledigheidshalve gezegd. Maar dat ook het bewijs van de feiten , welke aangegeven worden, door de akten moet kunnen worden geleverd, is daarom noodig, omdat anders het bewijs dier feiten bijna niet te leveren is, en het doel, waartoe de registers worden gehouden, wordt gemist. Onze wetgeving bevat geene algemeene bepaling, hoewel hare bedoeling duidelijk blijkt uit art. 62, 70, 72, 316 B. W. Even als de Code Civil stond zij daarin achter bij de wet van 1792, waarvan art. 6 luidt; «les actes «contenus dans ces re'gistres et les extraits, qui en seront de'livrés, feront foi et preuve en justice «des naissances, manages et de'cès.» Men vergelijke ontwerp 1820, art. 808; Ital. wetb., art. 363; Duitsche wet, § 15; Laurent, art. 65; art. 290 Ontw.

Wanneer de aangegeven feiten voor waarheid zullen worden gehouden, is het noodig, zooveel mogelijk de waarheid daarvan te verzekeren. Waardoor men zich voorstelt zulks te doen , zal later blijken.

Zwijgt de wet omtrent de bewijskracht der akten, zij doet dat niet ten aanzien van de bewijskracht der uittreksels.

De vraag ligt voor de hand, waarom het noodig is over de bewijskracht dezer afschriften of uittreksels te spreken. Art. 1925 B. W. regelt deze bewijskracht in dier voege, dat, wanneer de oorspronkelijke akte bestaat, de afschriften en uittreksels slechts geloof verdienen, voor zoover die overeenstemmen met het oorspronkelijke stuk, welks vertooning steeds kan yeoorderd worden. Op dit laatste wilde men , zoover de akten van den burgerlijken stand betreft, eene uitzondering maken,

In de ambtelijke verklaring, dat een afschrift met het oorspronkelijke overeenstemt, is een voldoende waarborg gelegen , wanneer althans niets aangevoerd wordt, waaruit de niet-overeen-stemming voortvloeit. Een ander afschrift of uittreksel kan altijd door ieder gevorderd worden, en de ambtenaar, die zich vergist heeft, zal zich, om die vergissing te dekken, niet licht aan eene strafvervolging willen blootstellen door het afleggen eener valsche verklaring.

Men heeft den eisch der legalisatie laten varen. Naar voormeld arrest van den H. R. van 5 Januarij 1880 is die legalisatie niet te beschouwen als een vereischte voor de authenticiteit, maar enkel als een middel om de echtheid van de onder het stuk gestelde handteekening en de bevoegdheid van den onderteekenaar vast te stellen.

Met het derde lid van art. 20 gelieve men te vergelijken § 15 alinea 3 der Duitsche wet, art. 95 en 96 van het avant-projet van Laurent , art. 363 van het Ital. wetb., luidende; «De «akten van den burgerlijken stand, opgemaakt overeenkomstig de bepalingen der voorgaande « artikelen, zullen geloof verdienen » enz.

ocr page 172

12

quot;Wat eene authentieke akte is, zegt art. 1905 B. W.; de authenticiteit kan vervallen door onbevoegdheid of onbekwaamheid van den ambtenaar en door gebreken in den vorm. Art. 1906 B. W. biedt, wanneer de authenticiteit der akten van den burgerlijken stand vervalt, geen troost. Nu kan zeker de wet zelve regelen, wanneer zij de fouten tegen den vorm van zooveel aanbelang rekent, dat het stuk moet ophouden een authentiek stuk te zijn. Z,ij bevat daaromtrent een streng voorschrift in art. 1000 B. W., minder strenge in het derde hoofdstuk der wet op het notarisambt. Het geheel zwijgen hier ter plaatse zou kunnen leiden tot de meening, dat elke fout tegen den vorm der akten van den burgerlijken stand de authenticiteit dier akten wegneemt. Van daar het derde lid van art. 20.

Art. 21.

Eene algeineene bepaling als het eerste lid van art. 21 wordt in het burgerlijk wetboek niet gevonden. Echler wordt hetzelfde denkbeeld, voor zoover de huwelijksvoltrekking aangaat, uitgedrukt door art. 155 B. W. Art. 55 der wet van 18 Germinal an X (8 April 1802), Fortuijn, Verzameling van Wetten, Besluiten en andere regtsbronnen van Franschen oorsprong, II, hl. 192, welke wet is ingetrokken door art. 14 der wet van 10 September 1853 [Sthl. n0. 102), behelsde deze bepaling:

«les re'gistres tenus par les ministres du culte n'étant et ne pouvant ètre relatifs qu' a l'admi-« nistration des sacrements, ne pourront dans aucun cas supple'er les re'gistres ordonnes par la lol lt;lt; pour constater l'e'tat civil des Francais. »

Al drukt hel Burgerlijk Wetboek het beginsel (behoudens art. 155) niet uit, zoo bevat het toch bepalingen, welke daarop berusten: het zijn de artt. 26 eerste lid, 49, 62, 156 en 316.

Ter toepassing van het tweede lid van dit artikel behoort dus in de eerste plaats bewezen te zijn , dat de akte is opgemaakt en heeft bestaan. Kan men dit bewijs niet leveren, en is het dus aan te nemen, dat geene akte is opgemaakt, dan geldt voor het bewijs der geboorte art. 290, voor dat van het overlijden art. 514 Ontw.; een huwelijk zonder akte is uit den aard der zaak ondenkbaar.

Wanneer men aantoont, dat de akte is opgemaakt, en dat het onmogelijk is, ze over te leggen (natuurlijk bij afschrift of uittreksel), heeft men alles gedaan, wat kan worden gevorderd, en men zou overmalig worden bezwaard, wanneer men moest aantoonen, hoe de akte is weggeraakt. Dit is ook geheel onverschillig. Het geval, dat registers van den burgerlijken stand nooit hebben bestaan (art. 26, 62, 156 B. W.), kan men wel onder de ondenkbare rangschikken.

Onnoodig is eene bepaling als die van art. 62, B. W., naar welke het overlijden zoowel door getuigen als door bescheiden kan worden bewezen , wanneer bijzondere omstandigheden het opmaken der akte van overlijden hebben verhinderd. Voor zoodanig geval bestaat betere hulp: het vragen van aanvulling der registers.

Het tweede lid van art. 26 B. W. is, als eene onnoodige herhaling van art. 1955 B. W., weggelaten.

Art. 22.

Het tweede, derde en vierde lid van art. 27 B. W. zijn vervallen.

Het tweede lid, omdat men het wenschelijk rekent de burgerlijke aansprakelijkheid voor strafbare feiten of onrechtmatige daden door de gewone regelen te laten beheerschen.

ocr page 173

13

Het derde lid, omdat art. 465 en volgg. quot;Wquot;. v. St. de strafbepalingen tegen ambtsovertredingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand bevatten.

Het vierde lid bevat enkel eene noodelooze verwijzing.

Over de civiele gevolgen voor den ambtenaar van achteloosheid in de waarneming zijner ambtsplichten, kon niet geheel worden gezwegen. Zie art. 1266, 1402, 1403 B. W. Noch de Duitsche, noch de Italiaansche wet bevat, daaromtrent een voorschrift. Lvurknt bepaalt zich tot de overneming van art. 51 C. C. Het opleggen eener verantwoordelijkheid, zóó uitgestrekt als dit laatste artikel schijnt te bedoelen, kan enkel, zoo dit al het geval is, door de volstrekte noodzakelijkheid worden verontschuldigd. Daar men deze niet aanwezig acht, en meent, dat eene bepaling als art. 51 C. C. tot onbillijkheid voert, stelt men de beperktere verantwoordelijkheid voor.

Volgens art. 22 geene gehoudenheid tot schadevergoeding zonder schuld bij den ambtenaar. Het behoeft nauwlijks vermelding, dat de aansprakelijkheid niet bestaat, wanneer de akte onjuistheden inhoudt, die het gevolg zijn van onware hem gedane opgaven.

Artt. 23 en 24.

Men heeft een algemeen voorschrift gemaakt van hetgeen in het Burgerlijk Wetboek bij verschillende ambtsverrichtingen telkens wordt bepaald. Zie artt. 29, tweede lid, 41 , 44 , 73 B. W. («dadelijk») 38, 48, 52, vierde lid B. quot;W. («volgens hare dagteekening»).

Over weigering werd reeds hierboven met een enkel woord gesproken.

Dalloz, Repertoire, actes de l'etat civil ii0. 91 stelt op den voorgrond: «dans le cercle de «ses attributions, I'officier doit recevoir, sans se permettre de les controler ou d'en critiquer la «ve'rité, toutes les declarations des parties.» Of dit voor het Fransche recht waar is, kan worden daargelaten; voor het onze ligt het tegendeel opgesloten in art. 29 derde lid, 338, 339 B. W. En er is allerminst reden om daarin verandering te brengen. Niet enkel zal de ambtenaar de waarheid van opgaven kunnen onderzoeken, art. 33 tweede lid Ontw., hij zal ook daar, waar overlegging van bepaalde stukken gevorderd wordt, als bij voltrekking en ontbinding van een huwelijk, in eene beoordeeling daarvan moeten treden* De ontbinding mag hij overeenkomstig de artt. 254, 263 en 264 niet meer uitspreken , wanneer niet een der echtgenooten zich binnen zes maanden onder overlegging der stukken tot hem heeft gewend. Aan de andere zijde kan de ambtenaar tijd noodig hebben tot hel onderzoek der stukken. Ingeval de uitspraak niet dadelijk volgt, moet dus tweeërlei worden vastgesteld: de datum en welke stukken overgelegd zijn.

Ingeval van ontbinding des huwelijks zijn den ambtenaar drie dagen voor het onderzoek der stukken toegekend (art. 255). In zijn proces-verbaal heeft hij derhalve geene andere reden op te geven, dan dat hij de stukken wenscht te onderzoeken. Geven die hem aanleiding tot. weigering, dan geeft hij in een tweede proces-verbaal zijne redenen daarvoor op.

Het proces-verbaal zal de rechtbank in staat stellen de gegrondheid eener weigering te onderzoeken.

Bij het derde en vierde lid van art. 24 valt op eenige punten te wijzen, waarop het wenschelijk zal zijn telkens op nieuw te letten, wanneer soortgelijke bepalingen in het ontwerp voorkomen.

Even als het Burgerlijk Wetboek roept dit ontwerp den rechter dikwerf tot het geven van

ocr page 174

14

beschikkingen buiten rechtsgeding. Nu is het onder het bestaande recht eene bekende vraag, of tot regel moet worden aangenomen, dat de bedoelde beschikkingen alleen dan vatbaar zijn voor hooger beroep, wanneer de wet het uitdrukkelijk zegt, dan wel of men moet aannemen, dat het hooger beroep is toegelaten, tenzij het uitdrukkelijk is uitgesloten. De eerste methode schijnt den wetgever voor oogen te hebben gestaan bij de vaststelling der artt. 3!)3, 394, 395, 405 , 435, 438, 439 B. W.; de tweede bij die van art 485 B. W.

De Hooge Raad gaf bij zijne arresten van 13 November 1863, Ned. Regtsp. Dl. 75 § 20, en van 17 Mei 1866, Ned. Regtsp. Dl. 83 § 9 twee beslissingen, die met elkander alleen kunnen worden overeengebracht door onderscheid te maken tusschen beschikkingen van zuiver vrijwillige rechtspraak en de zoodanige, waarbij de beslissing ten gunste van den verzoeker rechten of belangen van anderen kan krenken. Van dat onderscheid in de herziene wet te lalen afhangen , of het bedoelde recht nu eens uitdrukkelijk zal worden toegekend dan weder uitdrukkelijk uitgesloten, is zeker onraadzaam. Veel veiliger en, naar het schijnt, tevens juister is het, telkens, waar men ten opzichte van beslissingen des rechters, niet ontwijfelbaar vallende binnen den kring der eigenlijke rechtsspraak, het rechtsmiddel wil geven , het uitdrukkelijk te doen. Dit is het beginsel, bij het ontwerp gevolgd.

Als tweede algemeene opmerking wordt hier vermeld, dat voor de bedoelde gevallen de termijn van art. 345 W. B. Rv. tot ten langste ee'ne maand is verkort, en dat tevens als regel is aangenomen, dat de dag der beschikking de dag van aanvang zal zijn. De niet toepasselijk-verklaring van art. 342 W. B. Rv. staat hiermede in onmiddellijk verband. Deze bepaling had misschien kunnen achterwege blijven, waar de beschikking tot de zuiver vrijwillige rechtsspraak te brengen is, doch men heeft ook hier geen ruimte voor de twijfelingen, welke zich in de bijzondere gevallen zouden kunnen voordoen, willen overlaten. Het voorschrift wordt daarom telkens herhaald.

Het zal wel niet noodig zijn te herinneren, dat hetgeen bij het voorlaatste en laatste lid van het artikel wordt voorgedragen, in hoofdzaak overeenstemt met bepalingen van de wet van 18 April 1874 {Stbl. n0. 68).

Art. 25.

Men vergelijke het bij art. 4 in fine opgemerkte.

Reeds art. 15 der wet van 20 Sept. 1792 schreef het maken van tienjaarlijksche tafels voor. Het Koninklijk besluit van 15 Mei 1863 {Stbl. n0. 60), buiten werking stellende het Keizerlijk decreet van 20 Juli 1807 (Bulletin des lois n0. 154), bevat hiertoe betrekkelijke voorschriften.

Bij de wet van 13 April 1879 {Stbl. n0. 72) is de heffing van rechten wegens de verrichtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand geregeld. Men was van oordeel, dat eene regeling als deze in het ontwerp niet op hare plaats is, en de opname daarvan door de Duitsche wet, § 16, geene navolging verdient.

ocr page 175

15

tweede \fde kling.

Vergelijk art. 401 en volgg. Ital. wetboek, § 65 vg. Duitsche wet, 100 en volgg. avant-projet van Laurent.

Men heeft, zoo als boven is gezegd, deze bepalingen op de eerste afdeeling laten volgen, omdat zij als deze op alle akten betrekking hebben.

Art. 70 B. W. spreekt van aanvulling of verbetering der registers, het opschrift der afdeeling in het Burgerlijk Wetboek van aanvulling en verbetering der akten. Aanvulling ziet op ontbrekende akten, waarmede de registers worden aangevuld; aanvulling der akten is altijd eene verbetering daarvan, en verbetering der registers (buiten hunne aanvulling) valt altijd samen met, verbetering der akten.

Eene omschrijving van de gevallen, waarin verbetering of aanvulling te pas kan komen, is niet enkel geheel onnoodig, maar zelfs gevaarlijk, omdat men altijd kans heeft, een geval over het hoofd te zien, waarin de behoefte aan verbetering of aanvulling zich voordoet. En dat verbetering of aanvulling mogelijk moet zijn, wanneer daaraan behoefte bestaat, zal zeker geen tegenspraak ontmoeten.

Verbetering of aanvulling zal ook kunnen bevolen worden op vordering van het openbaar ministerie. Men is vrij eenstemmig van meening, dat die bevoegdheid naar de bestaande wet aan het openbaar ministerie niet toekomt. Vgl. Lipman, op art. 829—832 W. B. Rv.

Ten aanzien der procedure vergelijke men art. 109 Ontw. De rechtbank, die zoodanig onderzoek instelt, als zij noodig oordeelt, kan derhalve ook publicatiën of oproepingen bevelen.

Wat de gevolgen van de beschikking betreft, zij opgemerkt, dat. art. 72B. W. is weggelaten. Om haar doel te bereiken, moeten de akten bewijs opleveren voor allen , en tegenover iedereen bewijskracht hebben; hij, die de verbetering niet heeft verzocht of op het. verzoek daartoe niet is gehoord, kan, wanneer hij daarbij belang heeft, eene nieuwe verbetering verzoeken, die de vorige te niet doet; ook wordt, blijkens het tweede lid van art. 20, hetgeen door partijen met inachtneming van art. 13 is verklaard, slechts tot bewijs van het tegendeel voor waarheid gehouden.

derde afdeeling.

Het opschrift der tweede afdeeling van dezen titel in het Burgerlijk Wetboek scheen te beperkt. Zoo heeft h. v. art. 38 B. W. met geboorteakten niets gemeen , wel met het geboorteregister.

Ten aanzien van het opschrift zie men voorts de opmerking van Prof. M. de Vries op art. 448 W. v. St., medegedeeld door Mr. Smidt , III, hl. 247.

ocr page 176

16

Art. 30.

De Duitsche wet vordert (het werd reeds gezegd bij artt. 10 en 11) geene getuigen bij de geboorteakten. Men heeft dat voorbeeld niet gevolgd. Menigmaal wordt op de tegenwoordigheid van getuigen prijs gesteld , vooral dan, wanneer het geldt heuglijke gebeurtenissen als geboorten of huwelijksvoltrekkingen , terwijl er ook nog dit voordeel aan verbonden is, dat bij latere opsporingen ten aanzien der afstamming, of wanneer het betreft eene verbetering der akte , in het stuk zelf de namen van twee personen worden aangetroffen, wellicht in staat te constateeren , dat en uit wie een kind geboren is , of andere inlichtingen te geven.

De Duitsche wet (§17) kent voor de aangifte eene week, de Italiaansche (art. 371) vijf dagen toe. Hoe korter de termijn, hoe grooter de zekerheid voor eene juiste aangifte, en men zou dan alleen den termijn moeten verlengen , wanneer daartoe noodzakelijkheid bestond, welke men niet aanwezig acht.

Uit art. 4 en 25 volgt, dat de aangifte aan den ambtenaar geschiedt in het lokaal bestemd tot de ambtsverrichtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand, en op een der vastgestelde dagen en uren.

Art. 31 en 32.

Art. 448 van het W. v. St, behelst de sanctie der verplichting tot aangifte. Dit artikel herhaalt niet de bij art. 346 van den Code Penal voor de strafbaarheid gestelde voorwaarde, uitgedrukt in de woorden : « ayant assiste' a un accouchement » , en laat daardoor eene zelfstandige regeling der verplichting tot aangifte in het ontwerp geheel vrij.

Op den wettigen vader wordt in het ontwerp de verplichting tot aangifte gelegd, ook wanneer hij niet bij de bevalling is tegenwoordig geweest; alleen dan, wanneer eene tijdige aangifte hem volstrekt onmogelijk is, is hij van zijne verplichting ontheven.

Art. 30 der bestaande wet verplicht den vader om aangifte te doen; art. 32 dier wet behelst een verbod om den naam van den vader in de akte te vernielden, wanneer het kind buiten echt geboren is; uit het verband dier artikelen blijkt de bedoeling, om den wettigen vader de verplichting op te leggen, en den niet-wettigen, onder zekere voorwaarden , de bevoegdheid te geven om de aangifte te doen. Dit denkbeeld is echter slechts onvolmaakt uitgedrukt. Immers, is in art. 30 B. W. onder « vader» ook de onwettige (natuurlijk wanneer hij zich door erkenning bekend maakt) begrepen, dan legt dat artikel hem eene verplichting op, en wel eene verplichting, wier vervulling weder geheel van hem afhangt — dus geene verplichting; is in art. 30 B. W. de onwettige vader niet begrepen, dan mist deze, wanneer hij niet bij de geboorte tegenwoordig is geweest (en dus uit dien hoofde bevoegd is) zelfs de bevoegdheid tot aangifte, niettegenstaande hij door erkenning onmiddellijk zijn vaderschap kan vaststellen.

Na de bepaling van art. 10, overeenstemmende met art. 19 B. W., rekent men hetonnoodig hier ter plaatse, gelijk dat in art. 32 B. W. geschiedt, uit te drukken, dat de erkenning ook door eenen gemachtigde kan geschieden. Onnoodig, vooral wanneer hier niet er aan herinnerd

ocr page 177

17

wordt, dat de moeder tot de erkenning toestemming moet geven (art. 301), een voorschrift, welks niet-naleving de ernstigste gevolgen heeft. Zie voorts art. 296.

Als een voordeel van de artt. 31 en 32 mag aangemerkt worden, dat zij de opvatting, dat een niet wettige vader de aangifte mag doen en dat die aangifte eene erkenning in zich bevat, onmogelijk maken: volgens het Ontwerp geschiedt erkenning dan ook altijd uitdrukkelijk.

Art. 31, 1quot;. Geneeskundige of vroedvrouw. Zie de wet van 1 Juni 1865 (S/M nn. 60), art. 4.

Ook de geneeskundige of vroedvrouw, die hij de bevalling zelve (dat is bij het ter wereld komen van het kind) niet is tegenwoordig geweest, maar eerst daarna verschenen en aan de moeder den nog ten gevolge harer bevalling vereischten bijstand heeft verleend, is, wanneer de wettige vader ontbreekt, verplicht aangifte te doen.

Art. 31, 3°. Men vergelijke art. 54 B. W,, art. 22 W. v. St., art. 1 der wet van 3 Januari 1884 (SM. nquot;. 3), art. 1 der armenwet, art. 29 tweede lid Regl. B. S. Ned. Indië, § 20 der Duitsche wet. Voorduin op art. 30 B. W. II bl. 75. Het hier medegedeeld antwoord der Regeering, dat een kind, in de gevangenis geboren, door den cipier of concierge (als zijnde hetzelve te zijnen huize ter wereld gekomen) moet aangegeven worden , is kennelijk onjuist.

Art. 31, laatste lid. De Duitsche wet legt aan de moeder de verplichting tot aangifte op , zoodra zij daartoe in staat is, § 18; de Italiaansche geeft haar de bevoegdheid om aangifte te doen, art. 373, 376. Wanneer eene vrouw zonder eenigen bijstand en buiten iemands tegenwoordigheid van een onwettig kind bevalt, rust thans op niemand eene verplichting tot aangifte. Toch aarzelt men om met den Duitschen wetgever mede te gaan. Blijft de bevalling verborgen , dan stelt de moeder zich in den regel bloot aan de zware straffen, bedreigd hetzij op kindermoord, hetzij op verduistering van staat. Blijft de bevalling daarentegen niet verborgen , dan is er ook voor de moeder geene reden, waarom zij geene aangifte zal doen, en kan in elk geval het openbaar ministerie overeenkomstig art. 26 aanvulling der registers vragen.

De bevoegdheid der moeder is door het ontwerp aan geen termijn gebonden; geschiedt zij na drie dagen, dan is het derde lid van art. 33 toepasselijk.

Art. 33.

Overeenkomstig art. 23 van dit ontwerp moet de ambtenaar de akte onverwijld opmaken. Het tweede en derde lid van art. 33 maken eene uitzondering op dien regel uit.

Hierboven ad art. 20 werd gezegd, dat de waarheid der aangegeven feiten zooveel mogelijk moet worden verzekerd. Op dit standpunt plaatst zich onze wetgever bij het voorschrift van het derde lid van art. 29 B. W. Zie ook art. 52 lid 2 B. W. en in art. 54 B. W. de woorden; « na zich van het overlijden te hebben verzekerd.»

Voor zoover de aangifte der geboorten betreft, zijn daartoe verschillende wegen ingeslagen. Art. 6 der wet van 1792 luidt; «Ten fan t sera porte' a la maison commune ou autre lieu public, «servant aux se'ances de la commune; il sera présente' a l'officier public. En cas de peril imminent j «l'officier public sera tenu, sur la requisition qui lui en sera faite , de se transporter dans la «maison oü sera le nouveau-ne'.» Art. 55 C. G. zegt enkel: «l'enfant lui sera présenté». Art. 371 van het Italiaansche wetboek luidt in de fransche vertaling; «Tenfant lui sera aussi présenté.

c

ocr page 178

18

« L officier de l'e'tat civil pourra pour de graves circonstances dispenser les parties inte'ressees de lt;( la presentation de l'enfaiit, en s'assurant par d'autres moyens de la ve'rite' de la naissance». § 21 der Duitsche wet: «der Standesbeambte ist verpfliclitet sich von der Richtigkeit der Anzeige, «wenn er dieselbe zu bezweifeln Anlass bat, in geeigneter Weise Ueberzengung zn verscbaffen.»

Art. 15, derde lid Regl. B. S. Ned. Indië: «Wanneer zij evenwel aan de ecbtbeid der «aangifte twijfelen, zullen zij daarvan kennis geven aan bet boofd van bet plaatselijk bestuur, «ten einde daaromtrent onderzoek te doen, en de overschrijving zal in dat geval geen plaats «bebben voor dat van de deugdelijkbeiii der aangifte zal zijn gebleken.»

Het avant-projet van Laurent bebelst;

Art. 71. «Le nouveau-né sera pre'senté a domicile an medecin, charge' de ce service.» Art. 72. « L'acte de naissance sera rédigé de suite, sur le vu du bulletin délivré par le me'decin « verificateur.»

Bebalve bet Indisch reglement en de Duitsche wet gaan alle bepalingen hiervan uit, dat, als er maar een pasgeboren kind vertoond wordt (hetgeen, bebalve naar het avant-projet, nog wel door den ambtenaar moet beoordeeld worden) elke twijfel aan de waarheid der aangifte weggenomen is. Hij, die valschelijk voorgeeft dat eene vrouw bevallen is, zal natuurlijk ook wel een kind kunnen vertoonen , en van de bevalling der werkelijke moeder blijft de aangifte achterwege. Moet men daarom zoover gaan als de Duitsche wet? Het middel ware bier erger dan de kwaal. Wat i's «in geeigneter Weise»? Het hangt van het oordeel van den ambtenaaar af, die zijne onderzoekingen dus tot de moeder zal kunnen uitstrekken. Het is te denken, dat bet Nederlandsche volk biermede geen vrede zou nemen.

Van een medecin verificateur stelt men zich ook niet veel voor, en vreest, dat een altijd gevorderd onderzoek sleurwerk zal worden, en in de werkelijkheid, vooral ten platten lande, toch achterwege blijven.

Onwaarheid der aangifte van geboorte zal wel altijd samenvallen met bet misdrijf van verduistering van staat. Daarom schijnt de oplossing van bet Indisch reglement de aannemelijkste. Het onderzoek naar bet misdrijf zal tevens de waarheid of onwaarheid der aangifte aan bet licht brengen. En ook in het nagenoeg ondenkbare geval, dat de bevalling mocht zijn aangegeven eener vrouw, die niet bevallen was, zonder dat er een kind vertoond werd, zou op dezelfde wijze dadelijk de waarheid aan bet licht komen.

Het Indisch reglement verklaart bovendien in art. 37 tweede lid den ambtenaar bevoegd «om zich ter plaatse der geboorte te begeven en te vorderen , dat bet kind aan hem worde « vertoond. »

Het middel van art. 15 van dat reglement schijnt evenwel zoo voldoende, dat aan het tweede geene behoefte bestaat.

Het derde lid van art. 33 beslist eene vraag van het bestaande recht, ovei welke verschillend wordt gedacht. Men zie bet avis du conseil d'e'tat du 12 Brumaire, an XI (Fortuin II, bl. 221 vg.); welk advies naar bet oordeel der Commissie van onderzoek aangaande de nog vigeerende wetten van Franscben cn anderen oorsprong is vervallen met den Code, maar waarvan de gronden volgens de circulaire van den Minister van Justitie van 25 September 1838 ook thans volkomen geldig zijn. Men vergelijke arrest H. R. 31 October 1873, Ned. Regtspr. Dl. 105, §19, bestreden door P. v. A. in W. 4511; § 27 Duitsche wet.

ocr page 179

19

Art. 34.

Art. 31, 4°. B. W. is als overbodig niet overgenomen. Hetgeen dit nummer voorschrijft volgt uit art. 18 B. W. (art. 12 Ontw.).

Bevraag is overwogen, of de bepaling van art. 376 Ital. wetb. moest worden overgenomen, naar hetwelk, ingeval van onwettige geboorte, de naam der moeder alleen dan in de akte vermeld wordt, als zij daartoe, bij authentieke akte, toestemming geeft; die overneming scheen niet wenschelijk. Het verdient opmerking, dat hier alleen het geval kan bedoeld worden, dat de bevalling volkomen bekend is, zoodat er geen vrees behoeft te bestaan, dat men indirect kindermoord zou bevorderen. Is immers de bevalling of de naam der moeder niet bekend geworden , dan is het van zelf onmogelijk dien naam in de akte op te nemen. Het gevolg van eene bepaling als de Italiaansche zal dus enkel zijn, dat van tal van kinderen de afstamming zonder noodzaak onzeker zou worden gemaakt. Vergel. art. 304, alsook in verband met deze bepaling de art. 32 en 296 Ontw.

Het nut van het voorgestelde 5de nommer van dit artikel valt in het oog, als men nagaat , welke feitelijke bezwaren het opsporen eener filiatie somtijds oplevert. Bevat de geboorteakte de noodige gegevens betreffende het huwelijk der ouders, en bevat die huwelijksakte wederom zoo mogelijk de gegevens omtrent de bloedverwanten in opgaande linie dier ouders (art. 44, 3°.) dan is het bewijs der wettige afstamming uit zeker echtpaar gemakkelijk na te sporen.

Art. 35.

Be bedoeling van art. 52 B. W., dat, in den Code Civil onbekend, ontleend is aan het décret impe'rial du 4 Juillet 1806, wordt ontvouwd door den heer Nigol.vï, (aangehaald bij Voorduin II, bl. 98). Wanneer in de toelichting nu wordt gezegd: «il ne fallait rien prdjuger «ni pour la vie ni pour la mort, il fallait respecter tons les interets et conserver tons les droits» kan men daaraan zeker zijnen bijval schenken. Eene geboorteakte zou bewijs voor het leven van het kind dikwijls juist aan hem verschaffen, die de aangifte doet. Wordt betwist, dat het kind geleefd heeft, dan is het goed, dat dit punt opzettelijk wordt onderzocht. Be vraag zal zich overigens wel altijd onmiddellijk voordoen en kunnen beslist worden, Het schijnt derhalve niet wenschelijk, alleen om eene zuivere statistiek te verkrijgen, te onderscheiden tusschen dood geborenen en levend geborenen, doch vóór de aangifte overledenen.

Wanneer de heer Nicola.! nu laat volgen; « ce but est atteint par la disposition de la loi,» is men minder geneigd met hem in te stemmen. Aan den vader, die er belang bij heeft, dat het kind levend ter wereld is gekomen, wordt door art. 52 B. W. als het ware in bedenking gegeven, om ook, wanneer het kind reeds overleden is, eerst eene geboorteakte te laten opmaken. Als het ware; immers art. 29, derde lid, B. W. schijnt wel op een levend kind te doelen , waardoor de aangifte van geboorte na doode wordt uitgesloten. Stellig is het echter niet uil-gedrukt. Hoe het ook zij, de bedoeling, door den heer Nicolaï medegedeeld, schijnt beter uitgedrukt, gelijk in art. 35 Ontw. is geschied. Zie art. 374 Ital. wetb.

Art. 36.

Art. 33 B. W. zegt niet, binnen welken tijd de aangifte moet worden gedaan; het voorgedragen artikel vult deze leemte aan. Be Buitsche wet, $ 24, schrijft voor, dat de aangifte in dit geval geschiedt «spiitestens am niichstfolgenden Tage».

ocr page 180

20

De namen worden gegeven door den ambtenaar, art. 57 en 61. Do aangever heeft geene andere betrekking op liet kind dan deze, dat hij het gevonden heeft; ook heeft men, wanneer de ambtenaar de namen geeft, eenigen meerderen waarborg tegen het geven van ongepaste namen, (h 'erigens acht men het onnoodig, hoewel men het voorschrift op zich zelf juist vindt, met art. 43 Regl. B. S. Ned. Indië te bepalen, dat de ambtenaar de namen zal geven «in overleg met den «aangever, ten ware bij het kind eene aanwijzing werd gevonden van namen, welke men het «verlangde te doen dragen, en die alsdan, wanneer daartegen geene bedenkingen bestaan, aan «hetzelve zullen gegeven worden.» Immers ook hier komt het ten slotte toch weder op de bedenkingen van den ambtenaar aan.

Aan den officier van justitie wordt een afschrift gezonden, en wel onverwijld, naar art. 23. Zie art. 45 Regl. B. S. Wed. Indië.

Naar § 24 der Duitsche wet geschiedt de aangifte niet aan den ambtenaar, maar aan de Ortspolizeibehörde, die onderzoek moet instellen en aangifte aan den ambtenaar doen.

Moet het proces-verbaal ook dan worden opgemaakt, wanneer blijkt dat de vondeling reeds ingeschreven is? Zie v. Hall, Handleiding ter beoefening van het burgerlijk recht, hl. 151. Men heeft die vraag niet opzettelijk beantwoord, omdat, wanneer blijkt, dat er reeds eene geboorteakte bestaat, het geven van namen niet te pas komt, en het proces-verbaal, dat bestemd is om de geboorteakte te vervangen, van zelf wel zal achterwege blijven, doch ook, wanneer het mocht worden opgemaakt, geenerlei gevaar of nadeel zal veroorzaken, indien de identiteit van bet kind voldoende blijkt.

Art. 34 B. W. heeft de vondelinghuizen op het oog blijkens het woord «dadelijk». Gelukkig heeft zich de vrees van den wetgever, dat daaraan behoefte zoude ontstaan, niet verwezenlijkt. Doch ook overigens voorziet art. 36 Ontw. (art. 33 B. W.) in het geval; voornoemd art. 34 werd derhalve niet overgenomen.

Art. 37.

Eene bepaling als het tweede lid van art. 50 B. W., in de artt. 56, tweede lid en 58 B. W. herhaald, vindt men ten aanzien van geboorten in het bestaande wetboek niet. Algemeener is art. 67 van het, avant-projet. van Laurent; men vreest echter, dat de algemeenheid tot vragen en twijfel aanleiding zal geven.

Het is zeker wenschelijk, dat de registers van den burgerlijken stand van het domicilie zooveel mogelijk alle inlichtingen verschaffen; doch dit neemt niet weg, dat, wanneer eene ongehuwde vrouw een misstap heeft begaan , en zij zich van haar domicilie verwijdert om de fout te bedekken, haar schaamtegevoel en dat van hare familieleden behoort te worden ontzien. Niet enkel omdat schaamtegevoel op zich zelf iets prijzenswaardigs is, maar ook om van kindermoord terug te houden. Men vergelijke art. 379 Ital. wetb.

Met betrekking tot het tweede lid van art. 37 vergelijke men de circulaire van den Minister van Justitie van 6 April 184G (te vinden in Luttenberg). Het Regl. B. S. Ned. Indië zal voor de geboorteakten met een bepaling als art. 82 van dat reglement kunnen worden aangevuld.

ocr page 181

21

Met betrekking tot het derde lid van art. 37 kan men vergelijken de aanschrijving van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 10 Februari 1819 (te vinden in Luttenberg). In sommige gevallen zal eene opzending, ten einde de inschrijving in een vreemd land plaats vinde, geen doel hebben, wanneer het b. v. een land geldt, waar geen burgerlijke stand bestaat; toch meende men de verplichting tot het zenden van een afschrift algemeen te mogen maken, en het van de wetgevingen in den vreemde te laten afhangen, op hoedanige wijze aan het Departement van Buitenlandsche Zaken verder met het afschrift wordt gehandeld.

Bij het laatste lid van art. 37 vergelijke men art. 65 derde lid Regl. B. S. Ned. Indië. De aanvulling van het reglement met eene dergelijke bepaling voor geboorteakten ware wenschelijk.

Art. 38, 39, 40.

Volgens art. 35 B. W. wordt de geboorteakte ingeschreven in tegenwoordigheid van den vader. Men mag daaruit afleiden, dat er geene aangifte geschiedt; vond deze plaats, dan ware de vader de daarvoor in de eerste plaats aangewezen persoon , en ware het geheel onnoodig zijne tegenwoordigheid voor te schrijven. Voor deze afwijking bestaat, naar het schijnt, geene voldoende reden, en met het oog op art. 20 tweede lid Ontw. is het zelfs wenschelijk bij den algemeenen regel te blijven.

Het schijnt onnoodig van de getuigen te spreken. Waar niet van den regel uitdrukkelijk wordt afgeweken, blijft deze van zelf van kracht. Iets anders was het in art. 59 G. C., waar het voorschrift gevonden wordt, dat in de eerste plaats tot getuigen moeten worden genomen de scheepsoflicieren, en eerst bij gebreke van dezen, personen tot de bemanning behoorende.

De Duitsche wet, § 61, omschrijft het hier bedoelde geval aldus:

«Geburten... welche sich auf SeeschifTen wiihrend der Reise ereignen.»

Zeker is deze omschrijving zoo nauwkeurig mogelijk, doch bij het geheel ondenkbare van misverstand heeft men de uitdrukking van art. 35 B. W. behouden.

Zeer praktisch werkt de bepaling van art. 46 tweede lid van het Regl. B. S. Ned. Indië, luidende: «Deze inschrijving zal geschieden volgens zoodanig formulier, als door den havenmeester «of anderen daartoe gestelden ambtenaar, tegelijk met de monsterrol, aan den scheepskapitein of «gezagvoerder zal worden ter hand gesteld.» Vgl. art. 357, 396 W. v. R.

Dit formulier kan bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur worden vastgesteld. Daardoor zullen de dikwijls zeer gebrekkige vormen verdwijnen, en zal worden voorkomen, zooveel zulks mogelijk is, dat de akten niet de noodige gegevens inhouden. 1)

De akten worden soms niet als minuut maar als afschrift in het dagregister van het schip ingeschreven. Deze opvatting hoopt men door de redactie van het ontwerp te hebben afgesneden. Uit de vast te stellen formulieren zal de bedoeling nog nader kunnen blijken.

1

Intusschen is dit laatste niet altijd het gevolg van geringe vertrouwdheid met wettelijke hepalingen. Soms missen de gezagvoerders de noodige gegevens tot het behoorlijk opmaken der akten , inzonderheid betreffende vreemdelingen en passagiers van de laagste klasse. Dit geldt vooral ingeval van overlijden. Daartegen kan alleen helpen een voorschrift, waarbij den gezagvoerder de verplichting wordt opgelegd, bij het aan boord komen der passagiers aan ieder hunner nauwkeurige opgave te vragen van al wat bij het opmaken vau akten zou kunnen noodig zijn, en daarmede hunne papieren zoo mogelijk te vergelijken.

ocr page 182

2-2

Het opzenden van een uittreksel is in den Code Civil aan geene bedenking onderhevig, omdat art. 61 van dat wetboek voorscbrijft: «a l'arrivée du batiment dans le port du désarme-«ment, le róle d'equipage sera de'pose' au bureau du préposé de l'inscription maritime.» De haven, in welke bet schip onttakeld wordt, is altijd bekend; rijst later twijfel aan de echtheid der akte, aan de overeenstemming van het uittreksel met de akte, een onderzoek van het oorspronkelijke stuk bleef altijd mogelijk. Intusschen nam bet bestaande Burgerlijk Wetboek dat voorschrift niet over, en zoo blijft bet dagregister bij de reederij of den schipper. Daarom schijnt het noodig een tweede origineel te maken, al is bet dan ook, dat voor dit geviil eene akte op een los blad zal worden geschreven. Zie art. 467 W. v. St. Dit tweede origineel zal ten slotte bewaard worden op de griffie der rechtbank, onder wier rechtsgebied de ouders domicilie hebben. Men zal de minuut alzoo nog gemakkelijker kunnen vinden , dan wanneer men art. 61 C. C. herstelde. Vgl. art. 14 der consulaire wet.

Het Departement van Justitie, waarbij het geheele onderwerp van den burgerlijken stand behoort, schijnt ten deze meer aangewezen te zijn, dan dat van Marine. Daarbij komt, dat dit laatste Departement wel met alles, wat op oorlogsvaartuigen betrekking beeft, in aanraking komt, maar niet evenzeer met handelsvaartuigen. In de missive van 12 Februari 1839 (te vinden bij Luttenberg) wordt te kennen gegeven, dat de Minister bandteekeningen moet legaliseeren van bij het departement geheel onbekende personen, en verzocht, dat de toezending der akten aan de waterschouten moge geschieden.

Het zou de vraag kunnen zijn, of niet wellicht, als in art, 14 der consulaire wet van 25 Juli 1871 {Sthl. n0. 91), de Minister van Buitenlandsche Zaken moest worden aangewezen, omdat die een der dubbelen ontvangt van de door de consulaire ambtenaren gehouden registers.

De gezagvoerder blijft altijd een buitengewoon ambtenaar van den burgerlijken stand; hij vervult slechts diens functiën, waar de gewone ambtenaar ontbreekt , en moet zich alzoo onthouden , waar op de normale wijze eene geboorte of een overlijden kan worden geconstateerd. Met het oog op de praktijk schijnt het niet geheel overbodig dit te doen uitkomen. Art. 38, tweede lid.

Art. 49 Regl. B. S. Ned. Indië bepaalt: u wanneer op eene zeereis uit ouders, die ingezetenen «zijn van Nederlandsch Indië, een kind geboren is aan boord van een Nederlandsch schip, hetwelk «daarna eene INederlandsch-Indische haven aandoet, wordt van wege den Gouverneur-Generaal een «tweede door hem of op zijn last gelegaliseerd afschrift van het ingevolge art. 36 van het «Nederlandsch Burgerlijk quot;Wetboek aan hem toegezonden uittreksel uit het dag-register van het «schip, ter inschrijving in de registers, toegezonden aan den ambtenaar van den burgerlijken «stand der woonplaats van den vader des kinds , of van de moeder, indien de vader onbekend is.» Zie ook art. 78 van dat Reglement.

De opzending door den Gouverneur-Generaal aan den Minister van Marine, die dat uittreksel gelegaliseerd weer naar het Departement van Koloniën zendt met bestemming naar Ned. Indië, is in dit geval dus ten eenenmale nutteloos.

Hetzelfde geldt voor West-Indië, alwaar, ingevolge artt. 29 en 54 van het Burgerlijk Wetboek voor Suriname en de artt. 29 en 52 van dat voor Curacao, het hoofd van het bestuur der plaats, binnen de kolonie gelegen, welke het schip aandoet, het hem door den gezagvoerder opgezonden uittreksel, na legalisatie, doet toekomen aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van don vader des kinds, of van de moeder, indien de vader onbekend is, of, ingeval van overlijden, aan dien der bekende woonplaats van den overledene.

ocr page 183

23

De verplichting tot eene nieuwe opzending na terugkeer heeft men op het voetspoor van het Italiaansch wetboek onnoodig geoordeeld, en bijgevolg is de laatste zinsnede van art. 36 B. W. in het ontwerp vervallen.

Ten aanzien der opzending naar Amsterdam, vergelijke men art. 16 der consulaire wet.

Art. 41.

De weglating van het laatste lid van art. 38 B. W. zal geene bedenking ontmoeten.

VIERDE AFDEEHNG.

Art, 43.

De aanteekening, welke de tweede zinsnede van art. 43 B. W. voorschrijft, heeft men als doelloos weggelaten. Vgl. art. 44, 5°. Ontw.

V IJ F D E AFDEELING.

Met art. 44 B. W. vergelijke men art. 116 Ontw.

Art. 45 n0. 2 B. W. is voor Nederlanders overbodig, wier ouderdom volgens n0. 1 van dat artikel (en van art. 44 Ontw.) moet worden opgegeven; vreemden worden ten aanzien der behoefte, die zij hebben aan toestemming of verlof, naar hunne eigene wet beoordeeld, die wellicht een anderen maatstaf aanlegt dan dien van minder- of meerderjarigheid.

N0. 5 van art. 45 B. W. is vervallen met het stelsel, dat een meerderjarige toestemming behoeft.

N0. 8 van art. 45 B. W. werd onnoodig geoordeeld; reeds volgens art. 12 Ontw. moeten de voornamen , de namen , de ouderdom , het beroep of de betrekking en het domicilie der getuigen in elke akte van den burgerlijken stand worden uitgedrukt, en de vermelding van den graad van bloedverwantschap of aanhuwelijking (gelijk de wet liet uitdrukt) heeft geen belang.

Nquot;. 9 van art. 45 B. W. is ook weggelaten; het is geheel overtollig en een misstand bovendien.

Art. 44.

Men gelieve te vergelijken:

met N0. 4: de artt. 92, 93, 94, 95 Ontw.

» NO. 5; de artt. 106, 107, 108 en 102 Ontw.

» N®. 6: art. 87 Ontw.

» N0. 7: de artt. 80, 82, 95, 96, 118 en 119 Ontw.

Men heeft het onnoodig gerekend te zeggen, dat, als een huwelijk bij gevolmachtigde voltrokken wordt, van die omstandigheid in de akte uitdrukkelijk melding moet worden gemaakt (art. 46 B, W.). Het kan moeilijk anders. Het is toch niet wel mogelijk, dat iemand als gevol-

ocr page 184

24

machtigde voor een der aanstaande echtgenooten optreedt, zonder dat dit uit de akte blijkt. Overigens kan een huwelijk niet bij volmacht worden voltrokken zonder dispensatie (art. 119) en van deze moet in de akte worden melding gemaakt (art. 44 nquot;. 7 Ontw.).

Ook art. 47 B. W. is niet overgenomen. Men vergelijke hieromtrent het gewijzigd beginsel gevolgd bij art. 135 Ontw.

Art. 45.

Men vergelijke art. 255, 256, 263 en 264 Ontw.

Tijd en plaats van de voltrekking des huwelijks worden niet opgenomen in de akte van inschrijving eener echtscheiding naar het bestaande wetboek; de opgave wordt noodig gerekend, opdat de ambtenaar zich van de verplichting van art. 45 laatste en voorlaatste lid zoude kunnen kwijten.

zesde afdeeun g.

De stof is op dezelfde wijze gerangschikt als in de derde afdeeling: de omschrijving der verplichting tot aangifte (art. 46) en, in verband daarmede, de aanwijzing dergenen , op wie de verplichting rust of aan wie de bevoegdheid toekomt (art. 47); het opmaken der akte (art. 48); haar inhoud (art. 49); de verdere verplichtingen van den ambtenaar (artt. 50 en 51); sterfgevallen op zee (artt. 52 en 53),

Het Burgerlijk Wetboek legt aan niemand de verplichting tot aangifte van een sterfgeval op, althans niet algemeen. Zie art. 54 en 57 B. W. Men vergelijke art. 448 W. v. St., uitgave van Mr. Smidt, III, bl. 246, Mem. van Toel. en Verslag der Eerste Kamer. Dit geschiedt wel in de Duitsche wet § 56 en 57 ; ook Laurent stelt in zijn avant-projet (art. 83) het opleggen eener verplichting voor.

Art. 46.

Het gevolg van het in het leven roepen eener verplichting is de vaststelling van een termijn , binnen welken daaraan moet zijn voldaan. Daarom geldt die termijn niet voor het geval van het derde lid. Vgl. art. 48 laatste en voorlaatste lid.

In de gevallen, omschreven in het tweede en derde lid van het artikel, is het volkomen zeker, dat er een sterfgeval heeft plaats gehad, maar is de plaats waar de persoon overleden is (art. 50 B. W.) óf onbekend, öf geene Nederlandsche gemeente; naar het Burgerlijk Wetboek is dus in dit geval geen ambtenaar van den burgerlijken stand bevoegd tot het opmaken der akte. Z,ieW. 4988.

Het derde lid, waarvan de strekking overigens meer algemeen is, zal van dienst kunnen zijn , wanneer iemand gedurende eene zeereis overlijdt op een der kleinere vaartuigen en visschers-scheepjes, op welke geen dagregister wordt gehouden.

Art, 47.

Laubent legt in art. 83 van zijn avant-projet de verplichting op aan de twee naaste bloedverwanten of buren. Hij behoudt daarmede de twee aangevers, in art. 50 B. W. getuigen genoemd. Hiermede komt men echter in onoverkomelijke moeilijkheden.

ocr page 185

25

Hoe moet het gaan, als er verwanten van denzelfden graad zijn? Komen de buren eerst na de verwanten of zijn zij gelijkelijk verplicht? Dan, hoe zal het gaan, als de een de aangifte wil doen en de ander juist op dat oogenhlik niet verkiest? Wie blijft nu in gebreke zijne verplichting te vervullen? Voor de vervulling eener verplichting kan men iemand niet van de medewerking eens anderen afhankelijk maken.

Door wien de aangifte geschiedt, is van ondergeschikt belang; hier is de hoofdzaak, dat. de aangifte geschiede, en wel door iemand, die van het overlijden door eigen wetenschap kennis draagt; nu is in geval van overlijden het getal personen, die eene verklaring op eigen wetenschap gegrond kunnen afleggen, veel aanzienlijker dan bij eene bevalling; daarbij komt, dat ingeval van geboorteaangifte de voornamen worden opgegeven en de aangifte als iets heuglijks wordt, aangemerkt, terwijl het bij overlijden eene droevige verplichting is; dit een en ander verklaart, waarom in art. 47 anders dan in art. 31 aan meerdere personen gelijkelijk de verplichting wordt opgelegd en de bevoegdheid toegekend; het hoofd van het gezin zal derhalve kunnen volstaan met er orde op te stellen , dat de aangifte plaats hebbe.

De tegenwoordigheid van solemniteitsgetuigen bij de aangifte wordt in het Ontwerp gevorderd; zij kan haar nut hebben , wanneer de aangever aan den ambtenaar onbekend is.

Het tweede lid van art. 54 B. W. is weggelaten, omdat het een voorschrift inhoudt, vreemd aan het burgerlijk recht.

Art. 48.

De overlijdensakte mag niet worden opgemaakt vóór dat vaststaat, dat de bepaalde persoon overleden is. De vraag is, hoe men zich die zekerheid zal verschaffen. Het bestaande Burgerlijk Wetboek bevat daaromtrent geene algemeene bepaling (zie art. 54); het onderstelt, dat de akte wel niet zal worden opgemaakt voor het verlof tot begraven gegeven wordt; en dit verlof wordt slechts gegeven onder de voorwaarden aangeduid in art. 4 der wet van 10 April 1869 {Sthl. n0. 65). Intusschen is de mogelijkheid nergens door uitgesloten, dat de akte worde opgemaakt ook vóór de in bedoeld art. 4 genoemde verklaring is afgegeven. Dit moet worden voorkomen en kan gemakkelijk, wanneer bepaald wordt, dat voor het opmaken der akte dezelfde verklaring noodig is als voor het verlof tot begraven. Om nu evenwel in den geest der wet van 1869 het opmaken dei-akte geheel onafhankelijk van de begraving, die met burgerlijk recht niets gemeen heeft, te regelen, heeft men in het Ontwerp zelfstandig de geneeskundige verklaring geëischt, welke voornoemd art. 4 der begrafeniswet vordert. Practisch wordt er geen nieuwe omslag in het leven geroepen; dezelfde verklaring zal voor de twee doeleinden kunnen dienen.

Hij, die aangifte doet, zal, wanneer hij niet reeds voorzien is van de geneeskundige verklaring, bedoeld in art. 5 der wet van 1 Junij 1865 (Stbl. n0. 60), of de doodschouw niet reeds heeft plaats gehad, twee malen bij den ambtenaar moeten verschijnen, eens om de aangifte te doen, eens om bij het opmaken der akte tegenwoordig te zijn. Ka» de akte niet terstond worden opgemaakt, dan wordt den aangever overeenkomstig art. 23 een proces-verbaal uitgereikt.

Fijfde lid. Voor het geval van het derde lid van art. 46 is geen termijn van aangifte bepaald; van daar wordt eene machtiging gevorderd (vgl. art. 33 derde lid), die ook buitendien

d

ocr page 186

26

zeer nuttig zal kunnen werken, omdat zij den officier van justitie gelegenheid geeft, de zekerheid te erlangen, dat men hier inderdaad met een waargenomen overlijden te doen heeft, niet met een, waartoe door gevolgtrekkingen uit de omstandigheden is besloten.

Art. 49.

Art. 51 n0. 3 B. W. kan vervallen. Zie art. 12 Ontw.

Art. 50.

Tweede lid. Art. 82 Regl. B. S. Ned. Indië luidt: «de uit Nederland van regeringswege « aan den Gouverneur-generaal toegezonden afschriften van overlijdensakten, van aan boord van «Nederlandsche schepen of in Nederland overledene ingezetenen van Nederlandsch Indië, zullen «van wege den Gouverneur-generaal, ter inschrijving in de loopendc registers, worden toegezonden «aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der laatste woonplaats van den overledene.»

Vierde lid. Art. 65, derde lid Regl. B. S. Ned. Indië «Indien het blijkt, dat de overledene « zijne woonplaats buiten Nederlandsch-Indië had gevestigd, zal het uitreksel door tusschenkomst «van het hoofd van het plaatselijk bestuur worden opgezonden aan den Gouverneur-generaal, door «wien hetzelve zal worden overgemaakt aan den Minister van koloniën.»

Zie verder bij het tweede lid van art. 50 de Circulaire van 6 April 1846 en bij het derde lid de aanschrijving van 10 Februari 1819 (te vinden bij Luttenberg).

Vgl. voorts het aangeteekende op art. 37 supra.

Art. 53.

Dit artikel is niet toepasselijk, wanneer het overlijden rechtstreeks is waargenomen — dan komt art. 52 te pas — maar alleen , wanneer er onzekerheid overblijft.

Art. 124 der twaalfde afdeeling van hoofdstuk IV der verordeningen voor de Koninklijke Nederlandsche marine houdt in:

«Wanneer een persoon, over boord gevallen, niet wordt gered, of indien iemand wordt «vermist onder het vermoeden dat hij is omgekomen, worden door den Kommanderenden «officier de Officier van Administratie en een ander Officier benoemd, om onverwijld een « onderzoek te doen , oog- en oorgetuigen te hooren enz,

«Wanneer de Commissie van onderzoek, zoowel als de Kommanderende officier, maar «eeniyzinx overtuigd zijn van het omkomen van den vermiste, icordt eene acte ean overlijden opgemaakt» enz.

Instruction du 2 Jnillet 1828 relative a la redaction des actes de l'e'tat civil a bord des Mtiments de l'e'tat et des navires de commerce:

«Si un homme de l1 equipage ou un passager tombe a la mer pendant le cours d'un voyage «oil pendant un conihat (et qu'il ait éte impossible de le sauver), s'il a dispara dans un «naufrage etc., les officiers instrumentaires dënommés dans la première partie n'auront pas a «dresser d'acte de de'cès; ils se borneront a constater imme'diatement, par proces-verbal, non

ocr page 187

27

«seulement toutes les circonstances relatives ii la disparition, mais encore les de'clarations des «témoins de l'e've'nement.»

In de circulaire van den Fransche Minister van marine van 22 April 1856 wordt met nadruk aan dit gedeelte der instructie herinnerd.

Welke handelwijze het meest in het algemeen belang schijnt, wijst art. 53 Ontw. aan.

Be meening, dat het in dit artikel behandelde bij de verklaring van vermoedelijk overlijden behoort, schijnt daarom minder juist, omdat in het geval van art. 53 niet het vermoeden vau overlijden bestaat, maar de rechter heeft beslist, dat de hem gebleken omstandigheden van dien aard zijn , dat men zekerheid heeft van het overlijden.

De zesde afdeeling van den derden titel van het Burgerlijk Wetboek is naar den volgenden titel verplaatst.

DERDE TITEL.

Van Namen.

Het behoeft nauwlijks in herinnering te worden gebracht, dat de Code Civil het onderwerp van dezen titel niet opzettelijk regelt. Alleen blijkt uit de artt. 321 en 347, dat de Fransche Wetgever uitgaat van de, echter nergens uitgesproken, stelling, dat liet wettig kind den geslachtsnaam des vaders voert. De wet van 11 — 21 Germinal an XI relative aux pre'noms et change-ments de noms beoogde geene volledige regeling van het onderwerp, maar had enkel destrekking, gelijk blijkt uit het expose des motifs door den staatsraad Miot, om aan bestaande misbruiken een einde te maken. De tweede titel dier wet ging in het Burgerlijk Wetboek over, naar Mr. Asser mededeelt, «om de materie der registers van den burgerlijken stand meer volledig te maken door «de aanvulling van voorschriften, die van gezegde stoffe onafscheidbaar zijn; en dit is te meer «belangrijk» zegt hij, «aangezien art. 66 stellig voorschrijft, dat van het verlof tot naams-« of voornaamsverandering op de registers van, den burgerlijken stand zal moeten blijken, hetgeen « door de Fransche wet met stilzwijgen is voorbijgegaan.»

Uit het vorenstaande blijkt tweeërlei: 1°. dat ten onzent eene algemeene regeling gemist wordt, vgl. de artt. 63, 317 B. W.; 5, 107, 210, 211 W. B. Rv.; 173, 174, 183 W. v. Sv., 2°. dat de omstandigheid, dat naamsverandering in de registers van den burgerlijken stand moet worden ingeschreven , er toe leidde om de stof in den titel van den burgerlijken stand te regelen. Men kan hieromtrent opmerken , dat ook het huwelijk en de echtscheiding uit de registers moeten blijken; toch viel aan deze onderwerpen eene afzonderlijke behandeling ten deel. Wanneer men verder ook vaststellen zal, hoe ieder een geslachtsnaam verkrijgt (deze naam wordt hem niet bij de geboorteakte gegeven, ook niet naar het bestaande B. W.), komt men in de noodzakelijkheid, het onderwerp zelfstandig te regelen. De hierop betrekkelijke titel vervalt als van zelf in drie onderdeelen , aan de geslachtsnamen, de voornamen en de naamsverandering gewijd.

Men herinnert zich, dat bij decreet van 18 Augustus 1811 (bulletin n0. 387) relatif a ceux des habitans des de'partements de la Hollande, qui jusqu'a présent n'ont pas eu de nom de familie

ocr page 188

'28

«t de prénom fixes werd gelast, dat zij, die in Holland nog geen vasten naam hadden, erbinnen een jaar een zouden kiezen, en dat die termijn door het decreet van 17 Mei 1813 (bulletin n0. 503) verlengd werd tot 1 Januari 1814, Dit nam niet weg, dat bij Koninklijk besluit van 8 November 1825 (Sthl. n0. 74) aan de nalatigen een nieuwe termijn moest worden gesteld. De aanhef van dit besluit doet de noodzakelijkheid daarvan kennen. «In aanmerking nemende,» zoo leest men daar, «dat het in sommige gedeelten des Rijks nog steeds plaats vindt, om geene eigenlijke « geslaehtnamen te voeren, maar integendeel veranderlijke bijnamen te dragen, en deze telkens, «bij verandering van woonplaats, met andere namen, die ontleend worden aan de plaatsen of « erven , welke op nieuw met der woon betrokken zijn , te verwisselen;

«Overwegende, dat zoodanige handelingen ten eenenmale strijden met de voorschriften van «het decreet van 18 Augustus 1811 en bovendien duisterheden en verwarringen van verschillenden lt;( aard voor de registers van den burgerlijken stand moeten opleveren.»

Hadden de verwarringen zich maar tot de registers van den burgerlijken stand bepaald! Wanneer men bedenkt, dat. in de gevallen, waarop het besluit doelt, de kinderen telkens den naam ontvingen van het erve, waarop zij het eerste levenslicht aanschouwden, met dit gevolg, dat, bij verandering van domicilie, kinderen, uit hetzelfde ouderenpaar gesproten, verschillende geslachtsnamen voerden, dan scheen de beduchtheid, welke uit het besluit spreekt, niet van allen grond ontbloot.

Bestaat er thans nog noodzakelijkheid in de wet een uitdrukkelijk voorschrift te wijden aan de verplichting om een geslachtsnaam en een of meer voornamen te dragen? Deze vraag schijnt ontkennend te mogen worden beantwoord. Yoor hen, die reeds namen en voornamen dragen, zou zoodanig voorschrift overbodig zijn, en voor de weinigen — zoo die er zijn — die alsnog eenen naam missen, wordt bij art. 69 de weg aangewezen, hoe een naam te bekomen, waartoe zij, zelfs zonder de strafbedreiging van art. 1 der wet van 6 Maart 1818, zullen moeten overgaan, zoodra zij in de noodzakelijkheid komen, eene notarieele akte te verlijden, of wel als partij in een rechtsgeding op te treden.

EERSTE AFDEEIING.

Art. 55 en 56.

Men vergelijke art. 185 van het Ital. wetb., § 1801 van het Saksisch wetb. (Eheliche Kinder führen den Familiennamen ihres Vaters, ausserebeliche den ihrer Mutter), §§ 146 en 165 van het Oostenrijksch wetb. (Die Kinder erlangen den Namen ihres Vaters .... uneheliche Kinder . . . führen den Geschlechtsnamen der Mutter); het arrest van den H. R. van 25 October 1878 en de daaraan voorafgegane conclusie van Mr. Smits, Ned. Rechtspr. deel 120 § 11.

De Hooge Raad overweegt: «dat nu wel nergens in onze wet uitdrukkelijk wordt bepaald , «dat een natuurlijk door den vader erkend kind diens geslachtsnaam voert, evenmin als dit «omtrent wettige hinderen is bepaald, maar dat dit volgt uit den aard van den geslachtsnaam ((zeiven, welke als de naam van een geslacht van vader op kind moet overgaan en uit art. 6 «van bet decreet van 18 Augustus 1811, waarbij aan de kinderen verboden wordt, om andere «geslachtsnamen aan te nemen, dan die van hunnen vader of grootvader;»

« dat een natuurlijk kind evengoed als een wettig kind ook vóór de erkenning feitelijk tot « bet geslacht zijns vaders behoort, hoezeer die omstandigheid vóór de erkenning geene wettelijke

ocr page 189

29

«uitwerking kan hebben, maar dat door de erkenning volgens art. 335 B. W. burgerlijke he-«trekkingen tusschen het kind en zijnen vader geboren worden, en dus de feitelijke betrekking, « die reeds vroeger bestond, in eene burgerlijke of rechtsbetrekking overgaat, zoodat een natuurlijk « erkend kind na de erkenning wettiglijk behoort tot zijns vaders geslacht en dun den naam van « diens geslacht draagt.);

Vgl. Mr. van Bemdielen N. Bijdr. deel XII bl. 466.

Uit het vorenstaande kan men zeker tot deze gevolgtrekking komen, dat het in elk geval wenschelijk is, dat duidelijke en afdoende bepalingen vaststellen, welke iemands wettige geslachtsnaam is. Voor wettige kinderen heeft men in het algemeen gebruik een veiligen gids. Bij onwettige kinderen is dat anders. Hier is het gebruik niet even constant. Ook de bnitenlandsche wetgevingen zijn verdeeld. Terwijl het Saksische en Oostenrijksche wetboek , gelijk ook het Pruissisch Landrecht, hun altijd den naam der moeder toekennen, geeft de Italiaansche wet hun den naam van den vader, als zij door dezen erkend zijn. In het algemeen is bet voor de familieleden hetzij dei-onwettige moeder, hetzij van den onwettigen vader uiterst onaangenaam, dat hun wellicht met eere bekende naam ter aanwijzing van een persoon ^gebezigd wordt, tot wien zij in geene burgerlijke betrekking staan. Van daar dat men soms vindt, dat de naam niet dan met eenige wijziging door het onwettige kind wordt gedragen. Maar dit bezwaar schijnt moeilijk weg te nemen. Het niet door den vader erkende kind zal den geslachtsnaam der moeder moeten dragen , hetzij deze het heeft erkend, hetzij niet. (Men weet, dat sommigen met name Mr. Diephuis, Het Ned. Bury. Recjt, I, bl. 253, voor het bestaande recht aannemen, dat het kind eerst den naam der moeder draagt, wanneer deze het heeft erkend). Alleen kan men er over twijfelen, of, wanneer de vader het. kind erkend heeft, het zijn geslachtsnaam behoort te dragen. Daarvoor pleit de consequentie, dat het kind, dat eenmaal geacht wordt van een bepaalden man af te stammen, ook diens naam drage.

Art. 57.

De bepaling is van toepassing op den vondeling, en wanneer de naam der moeder van een kind onbekend is. Zie voorts art, 36 Ontw.

Het heeft een punt van ernstige overweging uitgemaakt, of de wet bepalingen behoort te bevatten betreffende den geslachtsnaam van de gehuwde vrouw, de weduwe of de gescheiden echtgenoote.

Men vergelijke art. 131 van het Ital. wetb., §§ 1632 en 1748 van het Saksisch wetb. (Die Ehefrau erhalt den Familiennamen des Ehemannes. Die Ehefrau behiilt nach der Scheidung den Familiennamen des Ehemannes), § 92 der Oostenrijksche wet (Die Gattin erhalt den Namen des Mannes enz.).

Dr. Hermann, Zeitschrift für Civ. Praxis, 45er Band zegt «nach )i ral tem, undurchbrochenem «Gewohnheitsrecht erwirht die Ehefrau durch Vollziehung der Ehe den Familiennamen ihres « Ehemannes.»

Gelijk bekend, zwijgt ons wetboek even als de Code Civil over den invloed van het huwelijk op den familienaam der vrouw. Men heeft daaruit afgeleid, dat de vrouw door het huwelijk geen anderen geslachtsnaam bekomt, W. 4274.

In het dagelijksch leven brengt het gebruik mede, dat de gehuwde vrouw genoemd wordt

ocr page 190

30

bij den naam van haren man, zonder of met haren eigen naam, somtijds zelfs met bijvoeging van de voornamen van den man.

Is zij weduwe geworden, dan komt hierin geene verandering dan dat het woord «weduwe» vóór den naam wordt geplaatst. Toch mag men er aan twijfelen, of hierin eene verandering van naam te zoeken is; eerder schijnt men daardoor te willen uitdrukken, dat iemand is de vrouw of de weduwe van hem, wiens geslachtsnaam genoemd wordt, terwijl de wet veeleer, door niets te bepalen , den geslachtsnaam der gehuwde vrouw schijnt te handhaven.

Ook de rechtspraktijk volgt dit laatste beginsel. Waar toch in officieele stukken eene gehuwde vrouw wordt genoemd, wordt nagenoeg altijd haar eigen naam voorop gesteld, onder verdere bijvoeging van den naam van haren tegenwooidigen of vroegeren echtgenoot.

Denkt men aan het geval dat eene vrouw hertrouwt, dan vooral treedt de wenschelijkheid van behoud van haren eigen geslachtsnaam op den voorgrond.

Daar nu de bestaande toestand tot geene ernstige bezwaren aanleiding geeft, schijnt het niet raadzaam, door eene nieuwe regeling inbreuk te maken op datgene, wat de gewoonte ten onzent heeft bestendigd. Even als tot nu toe zal dus de gehuwde vrouw in rechtskundigen zin haren geslachtsnaam behouden, terwijl het haar vrij zal blijven, bij wege van aanduiding, zich in het dagelijksch leven met den naam van haren echtgenoot of gewezen echtgenoot te noemen.

Art. 58.

Het doel der geslachtsnamen is, de geslachten van elkander te onderscheiden. De geslachtsnaam wordt dan ook geërfd. Het bestaand Burgerlijk Wetboek onderstelt het, art. 55 Ontw. zegt het. Daarvan moet het gevolg zijn , dat ieder lid van een geslacht een zeker recht op den naam heeft. Het bewustzijn van de waarde van een grooten naam is een der sterkste, om niet te zeggen een der edelste, prikkels tot het verrichten van groote daden. Algemeen wordt het ook als een voorrecht beschouwd te behooren tot een geslacht (en dit blijkt uit den geslachtsnaam), waarvan meerdere leden zich verdienstelijk hebben gemaakt, en dat zich in de algemeene achting verheugt. Het recht op den naam moet derhalve beschermd worden. Die bescherming kan slechts e'e'nen vorm aannemen en wel dezen, dat aan ieder, die daartoe geen recht, heeft, verboden worde, zelfs bij wijze van pseudoniem (waarop de bijvoeging « gedragen of aangenomen » slaat) eens anders naam te voeren. Daarom kan het overbodig gerekend worden, hier verder den aard van het recht op den naam na te gaan, al kan het zeker dadelijk worden toegegeven, dat van een eigenlijk eigendomsrecht geen sprake is.

De strekking der actie wordt omschreven in het tweede en derde lid. Wat het tweede lid betreft zij opgemerkt, dat, bij het ontbreken eener algemeene strafbedreiging op het voeren van andere namen dan de wettige, althans door het vonnis zal vaststaan, dat het voeren -van den betwisten naam is eene onrechtmatige daad. Doch ook de openbaarmaking kan voor menigeen reden genoeg zijn om de actie in te stellen.

TWEEDE AFDEEL ING.

Artt. 59—61.

Ten aanzien der bevoegdheid tot het geven van voornamen, moet men in de eerste plaats kiezen tusschen geheele vrijheid en beperking daarvan.

ocr page 191

31

Had de ondervinding niet aangetoond, dat tegen algeheele vrijheid overwegende bezwaren bestaan, dan zou zonder twijfel aan haar de voorkeur moeten worden gegeven. Die bezwaren zijn tweederlei; 1°. het geven van een bestaanden geslachtsnaam als voornaam aan een lid eener andere familie; 2°. het geven van ongepaste voornamen.

Miot beschrijft als volgt de gevolgen van het decreet van 20 September 1792, waarbij tie burgerlijke stand werd in het leven geroepen ;

«mais la seconde disposition en retranchant avec sagesse du domaine religieux un des actes ■«les plus importants a la conservation de la socie'te' pour le rendre a la puissance civile, sans «prescrire aucnne règle sur le choix des noms que Ton pourrait prendre ou imposer a ses enfants, «fit naitre un de'sordre, que le le'gislateur n'avait pas prévu, ou dont les consequences ne lui «parurent pas assez importantes pour qu'il crut devoir s'en occuper. Cette latitude laissée au «caprice, a la fantaisie, a Tenvie de se distinguer . . . amena un premier de'sordre. Le nom propre «fut choisi arbitrairement, quelquefois parmi les ètres abstraits ou les choses inanime'es, mais plus «souvent parmi les noms des personnes existantes.»

«Les motifs de cette disposition» (art. 1 der wet van 11 Germinal an XI) zegt Miot verder «sont pris dans la ne'cessite', oü se trouve le le'gislateur de faire aujourd'hui cc que les ide'es lt;( religieuses faisaient autrefois.!)

En ook buiten Frankrijk ontbreken de voorbeelden niet, hoe men, vooral in tijden van opgewondenheid tot de grootste zonderlingheden en buitensporigheden hij het geven van namen is vervallen.

Derhalve beperking. Toch moet men als eene voor ons land ongeschikte regeling beschouwen die, welke bij art. 1 der wet van 11 Germinal au XI is vastgesteld. Z.ij werd dan ook reeds grootendeels krachteloos gemaakt door het Souverein besluit van 15 Maart 1815 n0. 87, waarbij werd voorgeschreven, dat gemeld artikel geenszins in dien zin behoorde te worden opgevat, alsof daardoor hier te lande verboden zouden zijn zoodanige bekende voornamen welke van overoude tijden aldaar in onderscheidene provinciën en landschappen of bij sommige geslachten gebruikelijk en algemeen als voornamen erkend zijn geweest.

De ministerieele circulaire van 24 Augustus 1857 n0. Ill (W. 1925) herinnert aan dit besluit en vervolgt; «maar ook zoo gewijzigd schijnt de uitvoering van art. 1 der wet van 11 Germinal « an XI nog steeds tot gegronde klachten aanleiding te geven,» op grond waarvan de uitnoodiging volgt geene machtiging tot vervolging te geven daar, waar redelijkerwijze het bestaan van onzekerheid kan worden aangenomen omtrent de vraag, of de gegeven voornaam werkelijk als voornaam in den zin van het besluit van 15 Maart 1815 moet worden beschouwd.

Bovendien is het te onzeker, welke namen al of niet in gebruik zijn in onderscheidene kalenders, en welke zijn die van bekende personen der oude geschiedenis.

Een ander denkbeeld is door van Vlotex voorgestaan. Het strekt om alleen die voornamen toe te laten , die een historischen oorsprong hebben. De moeilijkheid voor den ambtenaar van den burgerlijken stand om dit te beslissen en de daarvan te vreezen onzekerheid deden hiervan afzien. Ook verhindert deze regeling het ontstaan van nieuwe namen.

Oppervlakkig beschouwd schijnt er veel te zeggen voor het stelsel, door Jhr. Mr. van Nispen , Bijdr. Staatsh., deel IX, bl. 305, aanbevolen. Het neemt de bezwaren weg, die zich als gevolg der onbeperkte vrijheid hebben doen kennen, en verschaft volkomen zekerheid. Men zou dan bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur eene lijst van geoorloofde voornamen kunnen vaststellen die op verzoek van belanghebbenden kon worden aangevuld; andere zouden niet mogen worden gebezigd.

ocr page 192

32

Toch heelt ook dit stelsel groote bezwaren. In de eerste plaats komt het niet overeen met het eigenaardig gevoel van vrijheid, aan ons volk eigen, als van regeeringswege moet worden voorgeschreven, welke voornamen men wel, en dus ook welke men niet aan zijn kind zal mogen geven; verder zal eene lijst als hierboven is bedoeld, die alle denkbare schrijlwijzen, vertalingen en verkortingen van gebruikelijke voornamen zou moeten bevatten, uit den aard der zaak steeds onvolledig zijn en blijven. al moge men zich ook nog zoo beijveren die telkens aan te vullen en te wijzigen; eindelijk is het al of niet toelaten van sommige voornamen in bijzondere gewesten of familiën geen algemeen belang, en rechtvaardigt niet de toelating of weigering van zoodanigen naam in het geheele Rijk.

' Daarom schijnt het wenschelijk zoover mogelijk terug te keeren tot het stelsel van vrijheid, echter met dien verstande, dat het toekennen van ongepaste voornamen verboden zal blijven, als ook van voornamen , die overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen, tenzij die tevens gebruikelijke voornamen zijn. (Vgl. art. 40 lid 2 Regl. B S. v. Ned. Indië.)

De aangewezen persoon om daarover te oordeelen, is de ambtenaar van den burgerlijken

stand, bij wien de aangifte geschiedt.

Bij weigering om het kind onder zekere voornamen in te schrijven , zijn al wedei velschillende stelsels denkbaar. Men kan den weg inslaan, bij artt. 23 en 24 Ontw. voorgeschieven, en de beslissing, in geval van weigering van den ambtenaar, aan de Rechtbank overlaten. Dan zoude, hetzij de geheele akte onopgemaakt, hetzij — als men dat zou bepalen — de voornamen van het kind voorloopig oningevuld moeten blijven. Dit schijnt echter met het oog op de inrichting der akten van den burgerlijken stand en hare bewijskracht minder aan te bevelen.

Daar het voeren van den een of anderen voornaam echter geen zeer gewichtig punt is, kan men veilig aan den ambtenaar van den burgerlijken stand overlaten, ingeval van bezwaar tegen de te geven voornamen, ambtshalve een of meer voornamen aan het kind te geven, waarbij dan nog zooveel mogelijk de wensch des aangevers geëerbiedigd blijft.

Te minder bedenking bestaat hiertegen, omdat, blijkens art. 67, de gelegenheid zoo ruim mogelijk openstaat om iemands voornaam te doen veranderen. Alsdan wordt de rechtbank van zeifin kennis gesteld met het verlangen van den aangever, en wordt zij op deze wijze geroepen om over de tegen het verleenen van eencn voornaam bestaande bezwaren te oordeelen.

derde afdeeling.

Het opschrift omvat de verandering zoowel van geslachtsnamen als van voornamen.

Art. 62.

Naar art. 63 B. W. mag niemand een anderen geslachtsnaam bij den zijnen voegen. Deze aanvulling van art. 4 der meergemelde wet van Germinal schijnt geene verbetering, want door die bijvoeging wordt de geslachtsnaam veranderd, terwijl men aanleiding geeft tot de opvatting, dat het weglaten van een gedeelte van den geslachtsnaam, zonder bewilliging des Konings, zou zijn toegelaten (van Bemmelen, N. Bijdragen 1862, bl. 460). Art. 62 Ontw. maakt de Koninklijke bewilliging alleen noodig voor Nederlanders.

Het schijnt onbetwistbaar dat kinderen, geboren na de naamsverandering van den vader, in

ocr page 193

33

die verandering moeten deelen. Verschillend kan men echter denken omtrent kinderen, vóór de naamsverandering geboren. In overeenstemming met het begrip, dat iemand op zijnen geslachtsnaam een onvervreembaar recht heeft, en daarenboven in analogie met de deswege geldende beginselen omtrent naturalisatie, waar de individualiteit van den genaturaliseerde op den voorgrond staat, is in het ontwerp voorgesteld de reeds geboren kinderen in de naamsverandering huns vaders niet te doen deelen; en zelfs het recht op hunnen geslachtsnaam te handhaven tegenover willekeur van den vader of voogd ; zoodat voor minderjarigen geene verandering van geslachtsnaam zal kunnen worden aangevraagd.

Een andere maatstaf moet echter gelden voor de onder curateele gestelden. De onderscheiding, gehuldigd in art. 485 Ontw., is ook hier gevolgd; daarom is het recht om verandering van geslachtsnaam te vragen geheel ontnomen aan hen, die wegens krankzinnigheid onder curateele staan, en van den bijstand van den curator afhankelijk gemaakt ten aanzien van hen, die wegens zwakheid van vermogens onder curateele zijn gesteld. Omtrent verkwisters behoeft hier niets te worden bepaald; zij zijn ten deze volkomen tot handelen bevoegd.

Art. 66.

Dit artikel bevat (even als art. 68) eene bepaling, die in het B. W. ontbreekt, zoodat het onder de bestaande wetgeving twijfelachtig mag heeten, welk het gevolg is, wanneer het besluit of de beslissing niet overeenkomstig art. 66 en 69 B. W. aan den ambtenaar van den burgerlijken stand ter inschrijving wordt overhandigd.

Art. 67.

Ten aanzien van voornaamsverandering bestond geene reden om, evenals bij art. 62 is. bepaald, eene aanvrage ten behoeve van minderjarigen te verbieden. Integendeel; het verleenen van een bepaalden voornaam door de ouders is een daad van willekeur, zoodat zij eveneens, en vooral ook in verband met de regeling van art. 60 en 61, in staat moeten zijn in de voornamen van het kind verandering te doen brengen.

Art. 69.

Men vergelijke Mr. P. van Bemmelen, N. Bij dr., 1862, bi. 460, noot 2.

Ten slotte zij opgemerkt, dat art, 67 B. W. als overbodig is weggelaten.

e

ocr page 194

34

VIERDE TITEL.

Van Domicilie.

Deze titel verschilt weinig van dengene, dien hij bestemd is te vervangen.

Daar de uitdrukking «domicilie» sedert lang door het gebruik geijkt is, komt het wenschelijk voor, dit, woord geregeld in plaats van woonplaats of icoonstede te gebruiken, wanneer het wettelijk begrip van die woorden wordt beoogd. Dat anders verwarring van de feitelijke met de juridische beteekenis, althans dubbelzinnigheid, te vreezen is, kan, ten aanzien van woonplaats uit bet Burgerlijk Wetboek zelf worden aangetoond. Zie b. v. art. 266.

In de tweede plaats zij hier vertueld, dat, terwijl in de bestaande wet veelal wordt gedacht aan het huis, waarin iemand domicilie heeft, maar in enkele artikelen de beteekenis ruimer is en bepaaldelijk de gemeente wordt bedoeld, het ontwerp uitsluitend het huis of de woning voor oogen heeft. Vandaar dat b. v. in art. 72 sprake is van verhuizing of verandering van domicilie binnen dezelfde gemeente.

De arlt. 77 en 79 van het Burgerlijk Wetboek zijn achterwege gelaten. Behoud van het eerste werd niet, wenschelijk geacht, omdat geen afzonderlijk recht behoort te bestaan voor hen, die openbare bedieningen bekleeden, en het artikel buitendien van zeer beperkte toepassing is. Het Italiaansche wetboek heeft evenmin de bijzondere bepalingen omtrent ambtenaren uit den Code behouden; en ook Laurent laat, de bedoelde artt. 106 en 107 C. G. in zijn avant-projet weg.

Deze neemt wel art. 109 C. C., betreffende de dienstboden en werklieden, over, dat bij de herziening in Italië werd geschrapt. Ons art. 79 B. W. kan te eer worden gemist, omdat de bepaling van het tweede lid van art. 74, die, in haren tegenwoordigen vorm, eerstgemeld artikel reeds overbodig maakt, nog meer bijzonder rekening gaat, houden met, den toestand, waarin inwonende dienstboden en werklieden meestal verkeeren. Daarenboven kan uit de bepaling, zooals zij thans geldt, inzonderheid ten opzichte van gehuwde vrouwelijke dienstboden, verwarring voortspruiten wegens de ondergeschiktheid van het hier bedoelde domicilie aan het wettelijke, en, in het algemeen, wegens de eigenaardigheid, dat het zich hecht aan het huis, waar de meester woont, maar dikwerf zelf zijn hoofdverblijf niet heeft; van een volgen van het domicilie van hen, bij wie de bedoelde personen inwonen , is bij art. 79 B. W. geen sprake.

Artt. 70 en 71.

De Fransche opvatting omtrent het, rechtsbegrip, waarover hier gehandeld wordt, steunende op het beginsel, dat niemand zonder domicilie zijn kan, brengt mede, dat verkrijging van een nieuw domicilie zonder verlies van het vorige ondenkbaar is. Bij ons ligt daarentegen in het tweede lid van art. 74 B. W. opgesloten, dat zuivere verkrijging van domicilie alleszins mogelijk is. Hiervan uitgaande, behoort men in de eerste plaats uit te drukken, hoe die verkrijging tot stand komt. Dientengevolge is het begrip van vestiging nader bepaald, en zijn daaraan de beide voorwaarden, wil en daad, verbonden, welke in het Burgerlijk Wetboek eerst aan verandering van domicilie zijn vastgeknoopt.

Omtrent de bekende vraag, of men meer dan e'e'n hoofdverblijf en bijgevolg meer dan ée'n

ocr page 195

35

domicilie kan hebben , is men hiervan uitgegaan , dat, hoezeer de redactie der wet die mogelijkheid niet moet uitsluiten, zij het hebben van meer dan e'én domicilie evenmin moet begunstigen, vooral ook met het oog op vele familierechtelijke handelingen, die ter plaatse van het domicilie moeten geschieden. De uitdrukking «/too/VZverblijf» is daarom behouden; zij schijnt om gemelde reden verkieselijk boven die van vast of voovnaam verblijf. Evenwel valt daaraan, zooals uit het voorafgaande volgt, niet de beteekenis te hechten, dat het hebben van meer dan een hoofd-verblijf zou zijn uitgesloten; in de zeer bijzondere gevallen, waarin iemand gelijkelijk zijn verblijf en den zetel van zijn vermogen en van zijne handelingen over twee of meer plaatsen heeft verdeeld, moet het den rechter vrijstaan aan elk daarvan het karakter van hoofdverblijf toe te kennen.

De vestiging van iemands hoofdverblijf geschiedt door inwoning, gepaard aan het voornemen om zijn hoofdverblijf ter plaatse dier inwoning te vestigen. Dat voornemen wordt in de voornaamste plaats bewezen door eene verklaring, gedaan aan het bestuur der gemeente, waarin de vestiging geschiedt. De aard der bevolkingsregisters, waarin niet enkel wordt opgenomen hetgeen door de belanghebbenden wordt verklaard, maar waarin ook ambtshalve door den daarmede belasten ambtenaar veranderingen kunnen worden gebracht, maakt het niet wenschelijk naar die registers in het Burgerlijk quot;Wetboek te verwijzen. Het spreekt echter van zelf, dat eene verklaring van vestiging, afgelegd aan het bureau van een der bevolkingsregisters, eene voorname plaats inneemt onder de omstandigheden , waaruit het bestaan van het voornemen tot vestiging wordt afgeleid.

\rt. 72.

Op de vereischten van vestiging van hoofdverblijf en daardoor van domicilie, volgen eigenaardig die van verandering, weshalve het tweede lid van art. 74 B. W. moest worden verplaatst.

Bij afwijking van het Burgerlijk Wetboek wordt slechts gevorderd de verklaring aan het bestuur der gemeente, waarbinnen de vestiging geschiedt. Hoe meer vereischten de wet stelt, des te grooter kans is er, dat de voorschriften niet behoorlijk worden nageleefd. Te minder bezwaar is er om in de gevallen van verhuizing van de eene gemeente naar de andere de verklaring aan het bestuur der gemeente, welke men verlaat, te laten vervallen, omdat ook onder het bestaande recht, bij gebreke van verklaringen, het bewijs uit de omstandigheden wordt opgemaakt.

Art. 73.

Terwijl het Burgerlijk Wetboek slechts twee toestanden aanneemt, te weten: dien van het hebben van een hoofdoerhlijf en van een werkelijk verhlijf, schijnt het juister zich drie gevallen voor oogen te stellen.

Zonder toch ergens hoofdverblijf te willen vestigen, kan men hier of daar wonen; aan dergelijk verblijf, dat zich door eenige duurzaamheid kenmerkt, moet alsdan tijdelijk het domicilie verbonden worden , zonder dat eene korte feitelijke afwezigheid daarop invloed viitoefent.

Is echter ook zoodanige toestand niet aanwezig, dan volgt het domicilie den persoon, waar hij zich bevindt.

ocr page 196

36

Art. 74.

Dit artikel komt in groote trekken overeen met art. 78 B. W.

De uitzondering, ingeval van handlichting, hangt samen met art. 457 Ontw.

Voorziening eischte het geval, dat de toestand van afhankelijkheid eindigt; alsook het geval van verandering in den persoon van hem, onder wiens gezag de minderjarige staat, of van den curator. Bekend toch is de moeielijkheid, die zich niet zelden in de praktijk voordoet bij overlijden of aftreden van den wettelijken vertegenwoordiger, en de daarmede samenhangende vraag omtrent de bevoegdheid van den kantonrechter tot het doen van benoemingen. Bij de nieuwe redactie is het het doelmatigst voorgekomen in het laatste geval het domicilie tijdelijk te doen behouden.

Art. 75,

Art. 80 B. W. bevat, zooals het luidt, eene verklaring van het woord «xterfhuix )gt;. Dat woord komt, behalve hier, slechts op zeer enkele plaatsen in onze wetgeving voor, in art. 546 B. W. en 767, 2°. W, v. Kh. Waar het om te doen is, is de plaats te bepalen, waar eene erfenis openvalt. Drukt men dit eenvoudig uit, men zal er de duidelijkheid door bevorderen.

Er zijn er, die het artikel in den titel van domicilie niet op zijne plaats achten. Zoo onder andere Laurent. Daar echter de plaats, waar eene nalatenschap openvalt, voor erfgenamen en andere belanghebbenden eene soortgelijke beteekenis heeft als het domicilie, en dit laatste toch moet strekken om het eerste te bepalen, is het artikel in den tegenwoordigen titel behouden.

Art. 76.

Art. 3 van het ontwerp en de regeling, vervat in de beide laatste titels van het eerste boek, vorderen, dat voor rechtspersonen worde bepaald, wat te hunnen aanzien als domicilie zal gelden. Als zoodanig komt natuurlijk het eerst in aanmerking het middenpunt van hun werkkring, de plaats, waar men ze zich als gevestigd pleegt voor te stellen, waar de bestuurders te spreken zijn, de bescheiden bewaard worden, enz. Bij ontstentenis van eenig gebouw met zoodanige bestemming, scheen het raadzaam, zooveel doenlijk, art, 4 , nu, 2 W. B, Rv, te volgen. Dit is geschied bij het tweede lid van het artikel.

Met de hier vastgestelde bepalingen hangt samen de verplichting, aan vereenigingen en stichtingen opgelegd, om bij hare statuten de gemeente aan te wijzen, waar haar zetel zijn zal. Zie art, 539 n0. 3 en art, 558 nquot;. 3 Ontw.

Artt. 77, 78.

Deze artikelen zijn slechts de vereenvoudigde tekst van de artt. 81 en 82 B. W., zonder dat eenige beperking van het bestaande recht wordt beoogd. Ter voorkoming van de opvatting,-alsof het gekozen domicilie slechts kon worden verbonden aan eene bepaalde woning, is hier bijgevoegd, dat zulks ook kan bij een aangewezen persoon. Dit laatste woord is in den ruim-

ocr page 197

37

sten zin op te vatten, zoodat daarmede zoowel natuurlijke als rechtspersonen worden bedoeld. De redactie van vaangeicezen persoon» is gebezigd om te doen uitkomen, dat de persoon zelfs niet bij name genoemd behoeft te worden, maar bij den bekleeder van eenige bediening of functie als zoodanig domicilie gekozen kan worden. Men denke aan de veelvuldige domiciliekeuzen bij den procureur als zoodanig, den jongsten notaris, den bewaarder eener minuut, enz. Dat ook hierbij alleen te denken valt aan het huis, waarin de natuurlijke personen of rechtspersonen domicilie hebben, volgl voldoende uit de verdere bepalingen van den titel, zonder dal de redactie het^hier behoeft te kennen te geven.

De algemeenheid der gevolgen, aan een gekozen domicilie verbonden, wordt door de ontworpen bepaling beter uitgedrukt dan door de onvolledige opsomming dier gevolgen in het tweede lid van art. 81 B. W. De voorgestelde redactie brengt mede, dat in dit geval ook de betaling Uan het gekozen domicilie geschieden kan , hetgeen de Fransche schrijvers niet aannemen.

Dat, zoo het tegendeel niet bedongen is, de verkiezing van domicilie slechts strekt om aan de wederpartij eene bevoegdheid te geven, waarvan zij al of niet kan gebruik maken, volgt uit de gelijkstelling van het gekozen domicilie met het werkelijke.

Uit de redactie der bepaling zal geen argument meer te putten zijn om de geldigheid van een beding in twijfel te trekken, dat alleen het gekozen domicilie in aanmerking zal komen voor de zaak, waaraan de keuze is verbonden. Zoodanige overeenkomst wordt door de wet niet gewraakt; zij moet dus de gevolgen hebben, aan alle overeenkomsten eigen, hetgeen intusschen het zestiende lid van art. 126 W. B. Rv. niet buiten werking kan stellen, zoodat, wanneer op grond daarvan voor den rechter der werkelijke woonplaats is gedagvaard, deze zich niet op grond van de overeenkomst zal kunnen onbevoegd verklaren.

Bij verandering van gekozen domicilie schijnt het juister de beteekening aan de helangheh-benden voor te schrijven; eene uitdrukking, ruimer dan die van wederpartij, welke van zelf daarin ligt opgesloten.

V IJ F D E TITEL.

Fan het Huwelijk.

Wat een huwelijk is, behoeft de wet niet te bepalen. Maar dat hier te lande geen huwelijk , 'twelk zij erkent, tot stand kan komen zonder voltrekking door een ambtenaar van den burgerlijken stand, is iets, waaromtrent, zooveel zij het kan beletten, geen redelijke twijfel mogelijk moet zijn. Het ligt ook in de bepalingen van het bestaande Wetboek opgesloten, maar bet kon meer bepaald en duidelijk worden uitgesproken. De vraag is overwogen, of men niet in plaats van dezen titel te beginnen met de bepaling, die in art. 83 B. W. wordt aangetroffen, dien zou openen met een artikel, waarbij gemeld kenmerk van het burgerlijk huwelijk uitdrukkelijk werd op den voorgrond gesteld. Daarvan is echter afgezien, omdat het voorschrift omtrent de voltrekking in bewoordingen kan worden gegeven, waaruit het bedoeld karakter stellig en ondubbelzinnig blijkt.

ocr page 198

38

Wat genoemd art. 83 betreft, het werd in ons wetboek opgenomen, hoofdzakelijk tot geruststelling van hen, die destijds meenden, dat het burgerlijk huwelijk het kerkelijke zou verdringen. Zie Voorduin, II, bl. 137, 138. Die reden zal wel als verouderd kunnen worden beschouwd , en overigens spreekt het van zelf, dat een Burgerlijk Wetboek het huwelijk uit hetzelfde oogpunt beschouwt als de vele andere onderwerpen, die het bestemd is te regelen. De bepaling is dus achterwege gelaten.

Vraagt men naar hetgeen in dezen herzienen titel het meest opmerking vei^lient, dan kan in de eerste plaats gewezen worden op de beteekenis, die het ontwerp hecht aan het bloote feit, dat ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand de woorden zijn gesproken, welke de bij art. llü gevorderde verklaring en belofte opleveren. Is daarna door den ambtenaar de sacramenteele formule geuit, waardoor de handeling volvoerd en de band geklonken wordt, dan neemt het ontwerp het bestaan, althans de bestaanbaarheid, van het huwelijk aan, al mochten de echtgenooten bij de voltrekking in een dier toestanden hebben verkeerd, waaromtrent anders vaststaat, dat zij elke wilsbepaling uitsluiten of gebrekkig doen zijn. Daarbij komt natuurlijk in de eerste plaats krankzinnigheid voor den geest, waarmede dan gelijk te stellen is krenking der verstandelijke vermogens door ijlende koortsen of andere voorbijgaande oorzaken , alsmede toestanden, waarin men geen of slechts zeer flauw besef heeft van hetgeen men doet, alle welke toestanden op het gebied van het strafrecht de toerekenbaarheid en op dat van het burgerlijk recht de bekwaamheid om zich te verbinden uitsluiten. Men heeft zich volkomen rekenschap gegeven van de juridieke ketterij, die er in gelegen kan zijn, zoo men aan een huwelijk, in een dier toestanden aangegaan, niet onvoorwaardelijk alle kracht ontzegt, maar eene zorgvuldige overweging van elke andere dan de voorgestelde regeling heeft tot de overtuiging geleid, dat, wil men de maatschappelijke belangen, die hier in aanmerking komen, naar behooren ontzien, en tevens consequent blijven, men over het juridieke bezwaar moet heenstappen.

Doet men dat niet, dan kan men niet ontgaan, wat Laurent, na bij art. 140 van zijn avant-projet het vereischte der wederzijdsche deugdelijke toestemming te hebben vooropgesteld, onder de afzonderlijke rubriek «du mariage inexistant», bij art. 196 laat volgen;

« Le mariage contracte' dans le cas pre'vu par l'article 140 est nul de plein droit. II ne peut «jamais être confirmë et ne produit aucun efi'et quand même les e'poux seraient de bonne foi. « Toute personne peut se pre'valoir de l'inexistence du mariage».

Ieder belanghebbende zal zich dus op de onbestaanbaarheid kunnen beroepen, zoo dikwijls zijne tegenpartij het recht, dat zij wil doen gelden, op het wettig bestaan van zoodanig huwelijk bouwt of daaraan ontleent, — en zelfs zullen de echtgenooten, na met elkander te hebben uitgemaakt, dat hun echt onbestaanbaar is, zonder eenigen omslag of wettelijken vorm alle betrekking met elkander kunnen afbreken.

Voor wettelijke voorschriften, die dergelijke gevolgen kunnen hebben, is men teruggedeinsd. Wel is overwogen, of men niet omtrent de vraag, of het huwelijk al of niet is tot stand gekomen, eene zuivere sententia declaratoria zou kunnen toelaten, en alzoo het heilzame beginsel, thans neergelegd in art. 140 B. W., handhaven, zonder de juiste rechtsbeginselen te krenken. In dien geest is §94 van het Oostenrijksche burgerlijk wetboek gesteld, — zie Ünger,

ocr page 199

39

System des Oesterreichüchen Allgemeinen Privatrechts, II, S. 149. — Intusschen, al kon men bij zoodanige regeling, zonder de logica geweld aan te doen, in de gevallen van goede trouw, de werking van het zoogenaamd «putatief huwelijk» toelaten, altijd stuit men op het bezwaar, door wien men de bedoelde sententia zal laten uitlokken. Aan een ieder, die er eenig belang bij heeft, het recht geven, haar te vragen, gaat niet aan. Het Oostenrijksche wetboek schrijft rechterlijk onderzoek ex officio voor, hetgeen dan hier te lande op de vordering van het openbaar ministerie zou beliooren te geschieden. Deze inmenging van het openbaar gezag is echter niet wenschelijk, en zoo kwam men tot de slotsom, dat de regeling van liet bestaande wetboek alleen in dit opzicht wijziging behoeft, dat zij consequenter behoort te worden doorgevoerd. De grondgedachte van het ontwerp omtrent het behandeld punt kan mitsdien aldus worden uitgedrukt; elk door een ambtenaar van den burgerlijken stand feitelijk voltrokken huwelijk is, aan welke interne gebreken het ook moge lijden, bestaanbaar in dien zin, dat, zoo de personen , bevoegd om het door den rechter te laten nietig verklaren, dil niet doen , bet als wettig huwelijk in stand blijft. Slechts in ée'n enkel geval, dat van art. 121 Ontw., zal een voltrokken huwelijk als niet bestaande worden aangemerkt, zonder dat zijne nietigverklaring behoeft te worden gevraagd. De reden voor die uitzondering vindt men bij de toelichting van het artikel.

Er is een ander punt, waaromtrent velen wellicht meer van dit ontwerp zullen hebben verwacht dan het inderdaad geeft. Indien uit de verklaring van een geneeskundige blijkt van doodsgevaar van een der aanstaande echtgenooten, veroorlooft § 50 der Duitsche Rijkswet het huwelijk zonder voorafgaande openbaarmaking te voltrekken. Evenzoo het avant-projet van Laurent, bij art. 154, benevens de wet van 20 Maart 1880 voor het kanton Genève, bij art. 52, terwijl ook het Italiaansche wetboek wegens zwaarwichtige redenen vrijstelling van de twee afkondigingen toelaat. Waarom, kan men vragen, die voorbeelden niet gevolgd? Er bestaan zoovele toestanden van feitelijk samenzijn , met of zonder het, voornemen om ze later door een huwelijk te bekrachtigen. Dreigt nu onverhoeds de dood, is het dan niet des wetgevers plicht, om voor hem, die eene vrouw in hare eer wil herstellen, en aan zijne kinderen de rechten der wettige afstamming verschaffen, alle hindernissen uit den weg te ruimen? Ook valt niet tegen te spreken, dat de gevallen, waarin met den ineesten spoed moet gehandeld worden, niet tot de groote zeldzaamheden beliooren; men denke aan epidemieën en ongelukken. Toch heeft men ten slotte geen vrijheid gevonden om voor de zoogenaamde huwelijken in extremis bijzondere bepalingen voor te dragen.

Om het doel inderdaad te bereiken, zou men te ver moeten gaan. Immers, behalve dat men de voltrekking van het huwelijk zou moeten toelaten ter plaatse, waar de in doodsgevaar verkeerende zich bevindt, zou men moeten bepalen, dat overlegging van het bewijs der door den officier van justitie verleende vrijstelling bevrijdt van de verplichting om elk ander stuk bij te brengen, dat anders aan den ambtenaar van den burgerlijken stand moet worden ter hand gesteld, en voorts het recht van stuiting buiten werking stellen. Het eerste, omdat er dikwerf nog al tijd verloopt, alvorens men in het bezit der stukken is; het tweede, omdat eene stuiting, hoewel later ongegrond bevonden, de voltrekking van het huwelijk toch tegenhoudt. Deze verschillende afwijkingen van de gewone voorschriften zouden het voor

ocr page 200

40

belanghebbenden gemakkelijk maken, zich over de wettelijke voorschriften omtrent hunne volstrekte of betrekkelijke bevoegdheid om het huwelijk aan te gaan, niet te bekommeren , en, ingeval er een beletsel bestaat, waarop een eisch tot nietigverklaring kan worden gegrond, het. daarop, met de groote kans, dat dit uiterste middel niet zal worden aangewend, te laten aankomen. Komt de Duitsche ambtenaar van den burgerlijken stand te weten, dat een wettig beletsel bestaat, dan stoort hij zich eenvoudig niet aan het declaratoir van den geneesheer en weigert het huwelijk te voltrekken. Zie § 50, in verband met § 48 van het Reischsgesetz. Onze ambtenaar daarentegen zou, wanneer de gunstige beschikking van den officier van justitie er is, moeten voortgaan, al gaf hem de vader van een minderjarige — dien men, zoo het huwelijk in een bijzonder huis plaats grijpt, waarin niet hij als heer des huizes te zeggen heeft, daarbuiten kan houden — persoonlijk kennis, dat hij zijne toestemming weigert.

Men is te rade gegaan met het denkbeeld, om ten aanzien van minderjarigen en de onder curateele gestelden, die toestemming behoeven, de bij nummer 7 van art. 111 bedoelde notarieele akte te blijven eischen, wanneer de toestemming niet bij de voltrekking des huwelijks gegeven wordt, doch daaromtrent valt op te merken, dat, wanneer geen stukken zijn overgelegd, de ambtenaar — om slechts van minderjarigen te gewagen, wier geboorteakte ontbreekt, — meestal niet zal kunnen nagaan, of de bedoelde toestemming noodig is, en dat, al staat dit vast, het middel slechts in enkele gevallen zou baten, omdat de personen, wier toestemming vercischt wordt, zoo dikwerf afwezig zijn. Kan men hieraan niet te gemoet komen door met het bewijs gemakkelijker te zijn, door b. v. brieven toe te laten, en hetgeen verder, zonder aan vormen gebonden te zijn, als bewijsmiddel in aanmerking kan komen? Dan krijgt men echter weder de moeielijk-heid, aan wien de beslissing omtrent het toereikende op te dragen; aan den ambtenaar van den burgerlijken stand of aan den officier? Het hulpmiddel is echter bovenal onaannemelijk wegens de mogelijkheid van verdichte brieven en onware verklaringen.

Eindelijk zij nog volledigheidshalve melding gemaakt van de voorwaarde, waaronder het tweede lid van art. 78 van het Italiaansche wetboek vrijstelling van beide afkondigingen veroorlooft, Er wordt daartoe overlegging van eene akte van bekendheid gevorderd, waarbij vijf personen, nabestaanden of niet, na voorlezing van de artikelen betreffende de huwelijksbeletselen, en nadat hun ernstig is voorgehouden het gewicht hunner verklaring en de gevolgen van meineed, ten overstaan van den pretere (vrederechter) hebben gezworen, dat geen dier beletselen aan het huwelijk in den weg staat. Laurent wijst terecht op het weinig betrouwbare van akten van bekendheid, en, wat het tegenwoordige ontwerp aangaat, zoude èn het beëedigen dei-verklaringen èn de omhaal, waarmede het geschiedt, met den geest der voorgedragen wetsvoorstellen in volslagen strijd zijn.

Het is mitsdien niet mogen gelukken, voor deze zaak eene bevredigende regeling te vinden, die tevens in het stelsel van het ontwerp past. Men verlieze intusschen niet uit het oog, dat voor zoover zij, die in doodsgevaar verkeeren , voor de toekomst van diegenen, die hun dierbaar zijn, finantiëel willen zorgen, zij dit op andere wijze kunnen doen, en dat, wat den staat der kinderen betreft, onze wetgeving het elders niet toegelaten middel van wettiging krachtens art. 330 B. W. — overgenomen in art. 312 Ontw. — kent, ingeval het huwelijk des ouders wel voorgenomen, maar door het overlijden van een hunner niet tot stand gekomen is.

ocr page 201

41

Wat de onderdeelen van den titel betreft, zijn de drie voorschriften der tegenwoordige zevende afdeeling in algemeene bepalingen van den derden titel van het ontwerp opgelost, zoodat die afdeeling, als zoodanig, vervalt. Het ontwerp laat voorts de artikelen omtrent in het buitenland voltrokken huwelijken op die omtrent de nietigverklaring volgen, in plaats van ze daaraan te doen voorafgaan. De orde van het bestaande wetboek steunt blijkbaar op de gedachte, dat de vierde afdeeling handelt over de voltrekking binnenslands en de vijfde over die in het buitenland. De inhoud dezer laatste is echter grootendeels gewijzigd, en eene barer gewichtigste bepalingen wijst naar de voorschriften omtrent de nietigverklaring terug. Het scheen daarom juister, met de afdeeling betreffende de huwelijken in het buitenland den titel te besluiten.

EERSTE AFDEEMNG.

Het meer beknopte der opschriften boven de afdeelingen zal wel niet worden afgekeurd. De geheele titel handelt over het huwelijk, men behoeft dit dus niet telkens op nieuw te kennen te geven.

De eerste afdeeling is aanmerkelijk korter dan die -van het bestaande wetboek; onderscheidene artikelen daarvan zijn niet overgenomen.

In de eerste plaats art. 85. De bepaling van dat artikel verdient om meer dan eene reden afkeuring. Vooreerst kan eene deugdelijke toestemming kwalijk gezegd worden tot het wezen van een huwelijk te worden vereischt, wanneer men dit, waar zij gebrekkig is, niet nietig, maar slechts voor nietigverklaring vatbaar wil doen zijn. Ten andere schijnt de uitdrukking «vrije toestemming» alleen dwang uit te sluiten, terwijl de noodige toestemming ook om andere redenen onvoldoende kan zijn. Men meende het geheele artikel gevoegelijk te kunnen weglaten , en te kunnen volstaan met bij de behandeling der sluiting en der nietigverklaring op te geven, welke gebreken der toestemming daartoe aanleiding kunnen geven. Ook in het Italiaansche wetboek ontbreekt eene bepaling als art. 85 B. W. of art. 146 C. C. Verg. art. 61 Ital. wetb.

Ten tweede; de artt. 88, 89 en 90, houdende verbod om een huwelijk aan te gaan met de bepaalde verwanten, in het eerste, en de bepaalde personen, bij de twee laatste vermeld.

Huwelijken tusschen schoonbroeders en schoonzusters zijn niet zeldzaam. De geest van ons volk is daarvoor gunstig gestemd. De betrekking, die er tusschen dezulken bestond, wordt, wanneer de band, die hen als zoodanig verbond, verbroken is, zoo licht en zoo natuurlijk ontwikkeld tot den grond van een gelukkig huwelijk; en, indien er uit het vorige kinderen zijn overgebleven, zullen dezen gewoonlijk geen beteren vader, geen betere moeder kunnen terugbekomen , dan hem of haar, die aan de vorige zoo nauw verwant was. Men heeft daarom gemeend, zoodanige huwelijken niet alleen mogelijk, maar zelfs geheel vrij te moeten laten, zonder daarvoor eene dispensatie te eischen, die niet gevorderd moet worden voor iets, dat op zich zelf niet moet worden tegengegaan. En terwijl men moeielijk zal kunnen bepalen, in welke gevallen deze verleend, in welke zij geweigerd dient te worden , wat zich veel gemakkelijker zal laten beoordeelen , waar het eene afwijking geldt van art. 80 of 82 Ontw., mag tevens

f

ocr page 202

42

worden gevraagd, of eene weigering niet licht gevolgen zal hebben, die voor de maatschappij zoowel als voor hen , die er in de naaste plaats bij zijn betrokken , minder wenschelijk zijn.

Wat huwelijken betreft tusschen oom en nicht enz., die nu volgens art. 88, 2° B. W. verboden, maar toch na bekomen dispensatie mogelijk zijn, ze zijn veel zeldzamer dan die tusschen schoonbroeder en schoonzuster, maar komen toch voor; er zijn dus zoodanige nabestaanden , die met elkander door den echt verbonden wenschen te worden, en ook hiertegen verzet zich het volksgevoel niet.

Ten aanzien van beide soorten van huwelijken kan nog worden vermeld, dat § 33 der Duitsche Rijkswet ze niet rangschikt onder de verbodene, en dat Laurent de bepalingen van den Code Civil wel overneemt, maar verklaart dit enkel te doen, om niet te veel af te breken. Avant-projet I, pg. 358.

Het verbod van een huwelijk tusschen een overspeler en den medeplichtige is machteloos om overspel te voorkomen, en als strafbepaling ongepast; terwijl het voor altoos belet eene onwettige betrekking door eene wettige te vervangen, en zulks ten nadeele der kinderen, ook zelfs van die, welke geen vrucht zijn van het overspel. Het Reichsgesetz verbiedt de bedoelde huwelijken, maar laat dispensatie toe, omdat — zoo luidde de toelichting — de ervaring leert, dat men in zoodanige gevallen het leven als man en vrouw buiten echt toch niet kan beletten, en het dus soms wenschelijk kau zijn den onzedelijken en ergernisgevenden toestand voor den wettigen des huwelijks te doen plaats maken. Het schijnt te vreezen, dat die regeling de toestanden , welke uitzicht op dispensatie geven, zal vermeerderen. Geheele afschaffing van het, ook door den Italiaanschen wetgever in 1865 prijs gegeven, verbod is daarom verkieselijk.

Behoud van datgene, hetwelk thans in art. 90 B. W. wordt aangetroffen is evenmin wenschelijk. Dat zij, wier huwelijk door echtscheiding ontbonden is, later op nieuw door een huwelijk verbonden wenschen te worden, zal zeker hoogst zelden voorkomen; maar, mocht het geval zich voordoen, dan is het voor hen, voor de vroeger geboren kinderen en voor die, welke misschien nog uit hunne feitelijk hervatte vereeniging zullen voortspruiten, meer wenschelijk, dat zij voortaan gehuwd, dan dat zij ongehuwd samenleven. En, terwijl echtscheiding niet kan plaats hebben dan om eene wettige reden en uit kracht van een vonnis, ten gevolge eener daartoe strekkende vordering van een der echtgenooten, is het vrij onaannemelijk, dat deze ooit van die vordering teruggehouden zal worden, omdat het huwelijk na eene ontbinding onherstelbaar zal zijn, maar behoeft men ook niet te vreezen, dat er, wanneer het verbod niet bestaat, lichtvaardig met het huwelijk zal worden gespeeld. Met het oog daarop beperkt de nieuwe Fransche wet «sur le divorce» van 29 Juli 1884, die overigens van het denkbeeld uitgaat, dat de hereeniging van gescheiden echtgenooten eer moet worden aangemoedigd dan tegengegaan, en dus in het algemeen die hereeniging toelaat, het oorspronkelijk verbod van den Code Civil tot het geval, dat een van beide echtgenooten, na de echtscheiding een nieuw huwelijk heeft aangegaan, dat weder door echtscheiding is ontbonden. Zie art. 265 C. C., zoo als het na de invoering van voormelde wet gelezen wordt. — quot;Wat ons betreft, schijnt het meer bezadigde van onzen landaard ons te waarborgen tegen zulke wispelturigheid, terwijl , voor zoover een enkel geval zou kunnen voorkomen , dit

ocr page 203

43

moet geacht worden eene zoo groote zeldzaamheid te zullen zijn , dat de wet er niet in behoeft te voorzien. De Duitsche wet kent het verbod niet; Laurknt wil het laten vervallen.

Het ontwerp laat in de derde plaats de artt. 99—104 van het bestaande wetboek ter zijde. Men heeft gemeend, dat meerderjarigen , die als zoodanig in het algemeen tot alle burgerlijke handelingen de volle bekwaamheid hebben, ook uit zich zeiven bevoegd moeten zijn tot het aangaan van een huwelijk, zonder nog gedurende een zeker tusschentijdvak de toestemming van anderen, met name van hunne ouders, noodig te hebben, of althans te moeten vragen. Werd indertijd aan de bepalingen van art. 99 en volg. B. W. terecht boven die van den Code Civil de voorkeur gegeven, ook hare nuttige werking mag met grond betwijfeld worden. Waar de gewenschte natuurlijke verhouding bestaat, zal van zelf liet kind, schoon meerderjarig, niet lichtvaardig er toe overgaan, om tegen den zin der ouders, en in weerwil hunner redelijke bedenkingen, in het huwelijk te treden. In het tegenovergesteld geval zal het zich daarvan niet laten terughouden door de noodzakelijkheid eener rechterlijke tussch en komst, die de voltrekking van het huwelijk slechts eenigen tijd vertragen, maar niet beletten kan, en die daarom eerder tot meerdere verbittering leiden zal, dan het kind doen afzien van zijn voornemen.

Voorschriften omtrent de toestemming of het verlof, als vereischte tot huwelijken, door minderjarigen aan te gaan, ontbreken natuurlijk in het ontwerp niet , maar wijziging en vereenvoudiging van stelsel heeft eene kortere behandeling in minder artikelen veroorloofd. In het bestaande Burgerlijk Wetboek is dit onderwerp los gemaakt van het daarin aangenomen stelsel omtrent ouderlijke macht en voogdij. In de eerste plaats is de toestemming van den vader noodig, hetzij de moeder nog in leven of gestorven is, en in het laatste geval, hetzij hij voogd is of niet. Is hij overleden, of kan hij zijn wil niet verklaren, zoo wordt de toestemming dei-moeder gevorderd, om het even of zij al dan niet de voogdij uitoefent. Zoo ook zij gestorven is, of buiten staat om haren wil te verklaren, wijst de wet eerst den grootvader van vaderszijde, dan dien van moederszijde, dan eene der grootmoeders daarvoor aan, wien geen ouderlijke macht toekomt, en wel om het even of aan dien grootvader ook de voogdij is toevertrouwd, en ofschoon de wet zelve deze aan de grootouders ontzegt. Eerst wanneer geen dier bloedverwanten in de opgaande lijn zijne toestemming kan geven , moet die van den voogd worden gevraagd, die anders over het huwelijk van zijn pupil niets te zeggen heeft. Het is meer stelselmatig en gepast tevens voorgekomen, ook hier te onderscheiden, of de minderjarige onder het ouderlijk gezag, dan of hij onder voogdij staat, en daarop eene regeling te gronden, in hoofdzaak hierop neerkomende, dat in het eerste geval enkel de toestemming van hem wordt gevorderd, die het ouderlijk gezag uitoefent, en voorts, dat deze de eenige zal zijn, aan wien een beslissend veto zal worden toegekend , zoodat de weigering van voogden of curators in alle gevallen door bet rechterlijk verlof zal kunnen worden te niet gedaan. Voor de verdere bijzonderheden zij naar de toelichting der artikelen verwezen.

Eindelijk valt hier nog op te merken, dat geen afzonderlijke bepalingen noodig zijn voor onwettige kinderen, omdat krachtens den veertienden titel zal vaststaan, aan welk gezag zij zijn onderworpen , zoodat rechtstreeks op hen dezelfde voorschriften dezer afdeeling toepasselijk zijn, die ook ten opzichte van wettige kinderen gelden.

ocr page 204

44

Art. 80.

Hierbij valt eene kleine wijziging van redactie onder de aandacht te brengen. Het kan overbodig en minder gepast beeten, den Koning een wenk te geven , dat dispensatie alleen om gewichtige redenen behoort verleend te worden.

Art. 82.

De bepaling van art. 91 B. W. is aan de eene zijde beperkt tot de gevallen van ontbinding des huwelijks, waarin bet verbod reden van bestaan heeft, en aan de andere uitgebreid tot het geval van nietigverklaring. Intusschen zal dikwerf van dat, met art. 282 Ontw. in verband staand, voorschrift zonder bezwaar kunnen worden afgeweken; b. v. wanneer de vrouw kort na de ontbinding van haar huwelijk bevallen is, wanneer echtscheiding plaats had wegens kwaadwillige verlating enz. Daarom is in het ontwerp aan den Koning de macht toegekend om van bet verbod dispensatie te geven.

Evenzoo de Duitsche wet. Laurent stelt, in navolging van bet Italiaansche wetboek, voor, dit beletsel te doen ophouden, indien de vrouw binnen de tien maanden bevalt.

Art. 83.

Het oogmerk van dit, tot de artt. 338 en 339 Ontw. in verband staand, verbod is duidelijk. De vraag rijst echter, of de sanctie van art. 341 niet voldoende is. In het belang der minderjarigen schijnt de in het tegenwoordige artikel genomen voorzorg geenszins overbodig. Verzuimt bun vader of moeder opzettelijk, omdat zij vreezen niet in hun gezag te worden gehandhaafd, of wel uit onbekendheid met de wet het verzoek te doen, dan zullen de minderjarigen, soms tot hun groot nadeel, in den feitelijken toestand geraken, dien eene ongunstige beschikking des kantonrechters, met benoeming van een voogd, zou hebben voorkomen. Groote ongelegenheid kan het voorschrift niet veroorzaken, daar het enkel tot een kort oponthoud in de voltrekking van het huwelijk zal leiden, wanneer de aanstaande echtgenoot in gebreke is. Immers dit verzuim levert geen grond van stuiting op : alleen zal de ambtenaar van den burgerlijken stand tot de voltrekking van het huwelijk niet overgaan, alvorens bij in het bezit is van het bij art. Ill onder nummer 6 vermelde stuk.

Art. 84.

Dit artikel breekt met de bepaling van art. 92 B. W., volgens welke echte kinderen tot aan hunne meerderjarigheid toe de toestemming hunner beide ouders hebben te vragen, maar alleen die van hun vader werkelijk behoeven te verkrijgen. De stap, die bij de moeder moet gedaan worden, werd nutteloos en ongepast gevonden. Hij is, waar de verhouding tusschen de ouders is zooals zij behoort te zijn, niet noodig om de moeder in de gelegenheid te stellen, invloed uit te oefenen op het besluit van den vader, en zal, waar die verhouding anders is, daarvoor weinig baten. En het is in werkelijkheid eene ijdele, misschien wel krenkende

ocr page 205

45

formaliteit, wanneer aan de moeder eene vraag gedaan moet worden, en van dat feit op eenige wijze blijken moet, terwijl het volkomen onverschillig is, of daarop toestemmend, of weigerend; of wel in het geheel niet, door haar geantwoord wordt.

Art. 85.

Voor minderjarigen, die onder voogdij staan, schijnt het redelijk, in de eerste plaats de toestemming van den voogd te vorderen. Het wordt niet noodig geacht, daarnevens ook nog die van den toezienden voogd te eischen; deze behoeft met de zaak alleen dan gemoeid te worden , wanneer er reden is om, gelijk in de gevallen van het eerste lid wenschelijk schijnt, hem in de plaats van den voogd te doen treden , of om hem te doen hooren, waar 's rechters tiisschenkomst wordt ingeroepen. Maar begreep men, dat de zaak in geen geval buiten den voogd of toezienden voogd om behandeld moest kunnen worden, men wenschte ook, bij het bestaan van een of meer bloedverwanten in de opgaande lijn, de toestemming van een hunner, en wel van dengene, die daartoe in eene bepaalde orde geroepen wordt, zoo deze niet zelf de voogdij uitoefent, nevens die van den voogd noodig te maken. Het is toch volkomen redelijk , dat het huwelijk van een minderjarige niet onafhankelijk is van de goedkeuring van die verwanten, van wie niet alleen innige belangstelling in zijn welzijn verwacht kan worden, maar die het ook voor zich zeiven niet onverschillig zullen achten, wie door hem in de familie wordt ingeleid, en wie met hem zal deelen in het genot van hetgeen zij hem zullen nalaten, terwijl uit het huwelijk misschien voor hen eene verplichting tot onderhoud van behoeftigen zal kunnen voortvloeien. Doch daarom behoefde aan den voogd niet alle macht ontzegd te worden, zooals bij het Burgerlijk Wetboek plaats vindt. Het ontwerp stelt dengene der grootouders, dien dit artikel in elk gegeven geval tot het geven van toestemming roept, en den voogd geheel op gelijke lijn. Beider toestemming is noodig, en tegen beider weigering kan opgekomen worden.

Art. 86.

De bepaling, thans voorkomende in het tweede lid van art. 506 B. 'W., is hier beter op hare plaats geoordeeld, en men heeft haar uitgebreid tot hen, die wegens zwakheid van vermogens onder curateele staan; dezen toch hebben zelve gevoeld niet genoeg in staat te zijn om hunne belangen waar te nemen , en zullen licht het slachtoffer van eenige misleiding kunnen worden.

Art. 87.

Het bestaand Burgerlijk Wetboek spreekt meermalen van het geval, dat deze of gene overleden is, of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijnen wil te verklaren. In welke gevallen die onmogelijkheid geacht moet of kan worden te bestaan, is niet bepaald, en het werd van belang geacht de daardoor ontstane onzekerheid weg te nemen. Daartoe is aangeduid, in welke gevallen in het algemeen iemand, wiens toestemming noodig is, gerekend zal worden te ontbreken. Ten aanzien van den voogd of toezienden voogd, die niet ook is de bloedverwant, wiens toestemming gevorderd wordt, gelijk mede van den curator of toezienden curator, kan

ocr page 206

46

dat ook worden aangenomen in andere gevallen, ter beoordeeling van den rechter, b. v. ingeval van zware ziekte, die anders, zoo zij ook belet tot(het opmaken eener akte mede te werken, de voltrekking van het voorgenomen huwelijk te lang in den weg zou kunnen staan; terwijl men zwarigheid meende te moeten maken om dezelfde ruimte ook ten aanzien der anderen aan 's rechters oordeel te laten.

Art. 88.

Het geval kan voorkomen, dat degenen, wier toestemming minderjarigen noodig hebben, allen in den ziti van art. 87 ontbreken. Het aangaan van een huwelijk moet hierdoor niet onmogelijk zijn, zelfs niet wanneer zij staan onder het ouderlijk gezag. Men heeft, om daarin te voorzien, in art. 88 de toestemming gevorderd van den kantonrechter, behoudens de nadere bepalingen deswege in art. 90. Voor het geval, dat de betrekking van voogd, of, waar de toestemming van den toezienden voogd noodig is, die van dezen is opengevallen, zou het regelmatiger geacht kunnen worden , dat door dien rechter een nieuwe voogd of toeziende voogd werd benoemd; maar men meende dit als overbodig en noodeloos omslachtig te mogen beschouwen, omdat het huwelijk meerderjarig maakt, de benoeming dus alleen ter wille van de toeslemming zou moeten geschieden, en de taak van den benoemde, zoo hij tot het huwelijk zijne toestemming gaf, hierdoor terstond zou zijn geëindigd.

Dit. laatste geldt niet evenzeer in geval van curateele, die door het huwelijk niet wordt opgeheven. Daarom is in art. 88 de bepaling van het eerste lid voor onder curateele gestelden alleen toepasselijk verklaard, wanneer de curator, of, waar de toestemming van den toezienden curator noodig is, deze ontbreekt, zonder dat hunne betrekking is opengevallen; terwijl hierin van zelf ligt opgesloten, dat, waar dit wel het geval is, daarin door eene nieuwe benoeming voorzien moet worden.

Art. 89.

Voor hen, die onder het ouderlijk gezag staan, is thans de weigering der vereischte toestemming een volstrekt beletsel tegen het aangaan van een huwelijk; en men vond geene reden om daarvan af te wijken. Maar, zooals hiervoren reeds is te kennen gegeven, die beslissende kracht zal alleen verbonden zijn met de weigering van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent. Grootouders kunnen door eigenzinnigheid, voogden door eigenbelang tot de weigering bewogen zijn, ten einde de minderjarigheid te doen voortduren, terwijl hunne verhouding tot het kleinkind of den pupil niet van dien aard is, dat het inroepen eener rechterlijke tusschen-komst onvoegzaam zou kunnen heeten. De kantonrechter zal overigens dat verlof niet verleenen of weigeren , dan na verhoor of behoorlijke oproeping van dengene, wiens toestemming daardoor vervangen zou worden , die dus althans gelegenheid heeft om zijne redenen op te geven, waarover dan de rechter kan oordeelen.

Art. 90.

Er bestaat geen reden, om verschil te maken tusschen de familieleden, die omtrent een door den minderjarige gewenscht huwelijk behooren geraadpleegd te worden, en diegenen, van

ocr page 207

47

wie omtrent andere belangen van dezen de beste voorlichting kan worden verwacht. Het tweede lid van art. 95 B. W. sluit vrouwen niet uit, maar daarentegen wel aanverwanten, die eerst bij gebreke van bloedverwanten worden opgeroepen ; op welke beide punten, afgezien van nog enkele andere meer ondergeschikte, de bij laatstgemelde bepaling geeeven voorschriften verschillen van die van art. 388 B. W. Nu ware het zeker verkeerd, de bepalingen van het ontwerp zóó te stellen, dat uitsluitend verhoor van mannelijke verwanten werd toegelaten. Maar vermits de achttiende titel dit geenszins doet, bestaat er geen bedenking, om bij het eerste lid van art. 90 Ontw. eenvoudig verhoor van den familieraad voor te schrijven, met toepasselijkverklaring, bij het tweede, van de bepalingen van laatstgeinelden titel.

Voor het geval, dat tegen eene toewijzing van het verzoek wordt opgekomen — de verzoeker, die tegen eene afwijzing opkomt, kan den gewonen termijn afwachten — wordt slechts een termijn van veertien dagen gegeven, om te voorkomen, dat iemand noodeloos lang de werking der beschikking zal kunnen tegenhouden.

tweede afdeehng.

De voornaamste afwijking van de bepalingen, waaruit ook thans deze tweede afdeeling bestaat, betreft de wijze van bekendmaking. Mondelinge afkondigingen, voor de deur van het huis der gemeente, schijnen in onzen tijd voor dit onderwerp evenmin als voor andere doelmatig of gepast, en men betwijfelt, of daardoor, vooral in grootere gemeenten, veel wordt bijgedragen tot bevordering der bekendheid van een voorgenomen huwelijk. Hiervoor kunnen betere middelen gebezigd worden.

Art. 91.

Bij dit artikel, hetwelk samenvat wat omtrent de aangifte in de artt. 105 en 106 B. W. is bepaald, is tevens voorgeschreven , dat zij al datgene moet vermelden, wat men noodig acht in de bekendmakingen te doen opnemen, gelijk ook nu, volgens het tweede lid van art. 107 B. W., de huwelijksafkondigingen hetzelfde moeten bevatten. Alleen is de vermelding van de voornamen en namen, het beroep en de woonplaats der ouders slechts «zoo mogelijk» gevorderd, omdat het soms voorkomt, dat de partijen tot de opgave daarvan niet in staat zijn.

Het ligt in den aard der zaak dat van heider voornemen, om met elkander in den echt te treden, behoort te blijken, alvorens tot openbaarmaking der aangifte wordt overgegaan. Hoe de ambtenaar van den burgerlijken stand zich daarvan wil vergewissen, late men aan hem over, zeggen de schrijvers over den Code, en laatstelijk Laurent, waar hij in de toelichting van zijn avant-projet rekenschap geeft, waarom hij ons voorschrift en dat van het Ital. wetb. niet overneemt. Tome I, pg. 360. De bepalingen van art. 106 B. W., dat de aangifte bij geschrifte toelaat, zonder formeele akte te eischen, zijn echter zoo gemakkelijk na te komen, dat het inderdaad niet te rechtvaardigen zou zijn, dien waarborg prijs te geven. Art. 73 van het Ital. wetb., dat eveneens de medewerking van beide verloofden vordert, geeft, indien dezen niet in persoon verschijnen , tot meer omslag aanleiding.

ocr page 208

48

Am. 92, 93 en 94.

Zoo de afkondiging bij monde van den ambtenaar van den burgerlijken stand geacht moet worden niet meer aan het oogmerk te beantwoorden, hetzelfde geldt niet van de bij art. 110 B. W. bevolen aanplakking, die men in lateren tijd als een bestanddeel der afkondiging is gaan beschouwen. Men zie het Kon. besluit van 26 Maart 1853 (Slbl. n0. 17). — De Duitsche wet schrijft bij § 46 deze wijze van bekendmaking voor het gebied van het geheele Rijk uitsluitend voor. Voor de akte van huwelijksafkondiging, waarvan thans een uittreksel moet worden aangeplakt, komt natuurlijk de bij art. 42 voorgeschreven akte van huwelijksaangifte in de plaats.

Behalve de aanplakking schrijft het ontwerp aankondigingen in nieuwsbladen voor. In een land als het onze, waar het zoo gebruikelijk is, familieberichten in de bladen te plaatsen, en ieder van die berichten pleegt kennis te nemen, mag dit zich als van zelve aanbiedend middel van verspreiding niet ongebruikt worden gelaten. Het nut der aanwijzing van een bepaald blad voor een bepaalden kring behoeft geen betoog. Ieder heeft dan een gemakkelijk en zeker middel om te vernemen, of van eenig huwelijk aangifte is geschied.

Zoo als gezegd, vordert de Duitsche wet voor Duitschland zelf slechts den zoogenaamden «Aushang». § 47 schrijft echter aankondiging in een dagblad voor het buitenland voor, en het huwelijk mag dan eerst voltrokken worden na verloop van twee weken «nach dem Tage «der Ausgabe der betreffenden Nummer des Blattes». Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de vraag, welke die dag is. Zie Dr. H. von Sicherer . das Reichsgesetz ... erlautert, S. 509.— Ter voorkoming van dergelijken twijfel strekt het tweede lid van art. 93.

Art. 95.

De aangehaalde bepaling der Duitsche wet zegt niet, wie het nieuwsblad aanwijst. Het schijnt beter, dit aan den officier van justitie op te dragen dan aan den ambtenaar, die de aangifte ontvangt. Het voorschrift ook voor de Nederlandscbe koloniën en bezittingen of voor landen buiten Europa te laten werken werd geacht tot te groote bezwaren, bepaaldelijk tot te veel vertraging, te zullen leiden. Zelfs zijn er gedeelten van Europa, waar de naleving bijua onuitvoerbaar zal zijn. Met het oog daarop en op omstandigheden, waarin de waarschijnlijkheid, dat de zaak niets zal opleveren, bijna met zekerheid gelijkstaat, laat het derde lid van het artikel vrijstelling toe.

Art. 96.

Het ligt in den aard der zaak, dat, indien men de vrijstelling van de tweede afkondiging rechtstreeks aan den Koning moest vragen , diens beschikking in den regel niet tijdig zou kunnen worden ingewacht om het doel te bereiken. Bij de vaststelling van art. Ill van het bestaande Burgerlijk Wetboek is men dan ook van het denkbeeld uitgegaan , dat steeds ambtenaren zouden worden aangewezen. Nu de opdracht aan de officieren van justitie bij Koninklijk besluit van 16 Juni 1830 [Slhl. nquot;. 26) meer dan vijftig jaren door dezen is waargenomen, bestaat er geen enkele reden om haar niet in de wet zelve te bekrachtigen.

ocr page 209

49

Art. 97.

Terwijl volgens art. 41 B. W. door den ambtenaar, bij wien aangifte van een huwelijk is gedaan, hieraan slechts gevolg zal moeten gegeven worden, wanneer hem niet blijkt, dat er tegen een huwelijk der aangevende personen een wettig beletsel bestaat, heeft men gemeend, het verrichten van hetgeen hem is voorgeschreven, liever niet te moeten laten afhangen van zijn oordeel over die niet altijd gemakkelijk te beslissen vraag. Men heeft het meer gepast geacht, het doel, de afwending van een huwelijk, 't welk niet voltrokken moet worden, op eene andere wijze te bereiken; en daartoe aan de ambtenaren, wier werkzaamheid volgens de artt. 92, 93 en 94 Ontw. te pas komt, de verplichting opgelegd om, zoo zij meenen , dat er een grond bestaat, waarop het huwelijk door het openbaar ministerie gestuit kan worden, daarvan terstond aan den officier van justitie kennis te geven; deze zal dan kunnen nagaan, of des ambtenaars meening juist is of niet, en in het eerste geval de stuiting niet achterwege laten.

Art. 99.

Toen ons bestaand Burgerlijk Wetboek bewerkt werd, was er alleszins reden om in art. 113 te bepalen, dat trouwbeloften geene rechtsvordering geven tot het aangaan van een huwelijk. Naar het Oudhollandsch recht had hier geheel iets anders gegolden, en ook nog in art. 132 van het Wetboek Napoleon voor Holland was dit volgehouden. Thans mag zoodanige bepaling overbodig geacht worden.

Wat in het artikel volgt om de vraag te beslissen, of art. 1275 B. W. hier toepasselijk is, schijnt de meest wenschelijke oplossing dier vraag. De uitzondering, waarop het tweede lid van art. 113 B. W. betrekking heeft, schijnt daarentegen uit een'juridiek oogpunt niet wel houdbaar. Acht men het niet-willen-voltrekken der echtverbintenis eene daad, die recht op schadevergoeding moet geven, men knoope dit niet vast aan het doen eener afkondiging, welk feit voor het al of niet bestaan der schade onverschillig is. Bovendien heeft Laurent, avant-projet, I, pag. 360, geen ongelijk, wanneer hij onze bepaling zonderling (dérisoire) noemt, omdat zij het recht alleen toekent in gevallen, die zich in de werkelijkheid hijna nooit voordoen.

DERDE AFDEELING.

Het recht om een voorgenomen huwelijk te stuiten behoort alleen aan hen toe te komen, aan wie de wetgever het, wegens hunne betrekking tot eene der partijen, of in het algemeen belang, geeft, en ook aan dezulken slechts in zekere bepaald aangeduide gevallen. Maar, vermits zoodanig recht alleen bestaat doordien de wet het verleent, is eene uitdrukkelijke bepaling als art. 114 B. W. overbodig geoordeeld.

Terwijl in de vijfde afdeeling de verschillende gronden van nietigverklaring achtereenvolgens behandeld worden, met vermelding der personen, door wie zij uit dien hoofde kan worden uitgelokt, maar daarvoor eene bijzondere reden bestond, doordien die verschillende gronden tot

bijzondere nadere bepalingen aanleiding geven, is er, daar dit laatste ten aanzien der oorzaken

g

ocr page 210

50

van stuiting niet het geval is, hiervoor ook geene aanleiding tot gelijke behandeling. Hier kan gevoegelijk worden opgegeven, wie tot stuiting bevoegd zijn, en op welke gronden, en kan men dan ook samenvoegen allen, die wegens dezelfde redenen bevoegd zijn, en onder hen ook het openbaar ministerie opnoemen, al meende men dit, in navolging van art. 120 B. W., waar het tot stuiting bevoegd is, daartoe ook verplicht te moeten verklaren; om daarop te laten volgen hen, die het, zijn wegens bijzondere redenen. En de in de eerste plaats aangeduide voorschriften laten zich in veel eenvoudiger vorm geven dan bij de bestaande regeling mogelijk was, omdat van die regeling op het volgende punt is afgeweken.

Het Burgerlijk Wetboek verklaart in art. 110—118 den vader, of bij gebreke van dien de moeder, bij gebreke van hen beiden, de grootouders, en eerst, wanneer ook dezen ontbreken, de broeders, zusters, ooms en moeien enz. tot stuiting bevoegd. Maar, al bestaat er eene voldoende reden, om de toestemming tot het huwelijk van minderjarigen in de eerste plaats alleen van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, in het algemeen slechts van enkelen , en alleen wanneer de een ontbreekt van een anderen te vorderen , is er nog geen grond om hetzelfde ook op het recht van stuiting toe te passen, behalve alleen, wanneer deze op grond van weigering der vereischte toestemming plaats heeft; zie het voorgesteld art. 102. Men was van oordeel, dat, waar aan bloedverwanten binnen zekeren kring, wegens de tusschen hen bestaande betrekking, het recht wordt toegekend om elkander te beletten een ongeoorloofd huwelijk aan te gaan, zij daartoe ook ieder voor zich en onafhankelijk van elkander gerechtigd moeten zijn, en dat de een niet door het bestaan van den ander, die zich om de zaak niet bekommert, belet moet worden te doen , wat hij zou kunnen doen, wanneer die ander niet. bestond. Daarom zijn in art. 100 en 101 de ouders, de grootouders en de bloedverwanten in de zijlijii nevens elkander, en alzoo ook gelijkelijk, tot stuiting bevoegd verklaard; zoodat, ook wanneer de vader of moeder aanwezig is, de oom of neef daarom even goed van zijn recht gebruik kan maken. Daaraan zal zelfs dit voordeel verbonden zijn , dat de vader of de moeder zich daardoor de onaangenaamheid bespaard kan zien, om zelf tegen hun kind op te treden.

De stuiting kan alleen geschieden in den vorm door de wet, aangewezen. Thans zijn de wijze van stuiting en de maatregelen, waartoe zij aanleiding geeft, ten deele in het Burgerlijk Wetboek, bij de artt. 121—124, ten deele in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bij de artt. 801—803, geregeld. Zoodanige behandeling zal bezwaarlijk eene juiste en duidelijke voorstelling van het. onderwerp bevorderen, veeleer daarvoor gevaarlijk en hinderlijk zijn. En al hebben de genoemde wetboeken ieder hun eigen inhoud, en al dient in het algemeen niet in het eene te worden opgenomen , wat behoort tot het gebied van het ander, eene bepaalde grens doet zich niet overal kennen, overdrijving is ook hier licht mogelijk, en waar eene afscheiding veeleer nadeelig don nuttig werken zal, schijnt het bedenkelijk, haar niettemin vol te houden. Wanneer het Burgerlijk Wetboek, in art. 1070 aan erfgenamen een recht van beraad toekennende, tevens bepaalt, dat daarvan eene verklaring moet worden afgelegd ter griffie van eene aangewezene rechtbank, en wat met die verklaring moet geschieden, wie zal dan willen beweren, dat alleen de toekenning van het recht daar op hare plaats was, maar de wijze van uitoefening in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gezocht moet worden? En wanneer daar verder, in art. 1071 en volg., gezegd wordt, dat de rechtbank den bepaalden termijn kan

ocr page 211

51

verlengen, dat gedurende den termijn geene rechterlijke veroordeeling tegen den erfgenaam verkregen kan worden, terwijl de uitvoering van tegen den overledene uitgesproken vonnissen opgeschort blijft; dat de rechter verlof kan geven tot verkoop van zekere goederen en tot andere daden, en maatregelen kan voorschrijven, die in het belang der nalatenschap of van derden noodig worden geacht, — met andere woorden, wanneer niet alleen de wijze, waarop men zich een recht van beraad verschaft, maar ook de maatregelen, waartoe het aanleiding kan geven, in het Burgerlijk Wetboek behandeld worden, wie zal dan daartegen met grond aanvoeren, dat znlks verkeerd is of stelselloos, of dat in e'én wetboek bijeengevoegd is, wat over twee had moeten zijn verdeeld? — Zoo meende men, dat ook alles, wat de stuiting betreft, met de wijze waarop zij plaats heeft, de maatregelen, die noodig zullen zijn om hare werking te doen ophouden, en de gevolgen, die zij te weeg brengt, in e'én verband geregeld behoort te worden, en dat het een zoowel als het ander in het Burgerlijk Wetboek moet worden opgenomen.

Aan het voorafgaande zij nog toegevoegd, dat de soort van regeling, tot verklaring waarvan het dient, bij onderwerpen, waar het materieel recht bijzondere vormen en formaliteiten eischt, meermalen in het ontwerp zal worden aangetroffen.

Met betrekking tot den geschiktsten vorm, om den rechter over het al of niet gegronde dei-stuiting te laten oordeelen , is de vraag overwogen , of men in het algemeen eene van waarde-verklaring zou vorderen, uitgelokt door dengene, die de stuiting heeft gedaan, gelijk het bestaande recht die kent ten aanzien van een gelegd beslag, of van een aanbod van gereede betaling met bewaargeving. Men heeft dit echter niet doelmatig geacht. Na een gelegd beslag is een vonnis tot van waarde-verklaring noodig, om den beslaglegger zijn doel te doen bereiken; die een huwelijk stuit, heeft zijn doel bereikt, dat enkel bestaat in het tegenhouden der voltrekking. Die een aanbod van gereede betaling met bewaargeving heeft gedaan, is bevrijd, en heeft hiervoor geen vonnis noodig; maar de deugdelijkheid van hetgeen hij deed, en dus ook van zijne bevrijding, zou betwist kunnen worden, en hij kan het voor zich vau belang achten, daaromtrent spoedig zekerheid te hebben; hiertoe kan hij van waarde-verklaring vragen, maar hij behoeft het niet. Vorderde men voor stuiting eene van waarde-verklaring, dan zou aan elke stuiting, hoe gegrond ook, eene procedure verbonden moeten zijn, die anders alleen te verwachten is, wanneer hij, die er door getroffen wordt, haar ongegrond of onwettig acht. De stuiting heeft op zich zelve het gevolg, dat zij beoogt; maar degene, die er door gehinderd wordt, moet, zoo hij meent dat zij ten onrechte plaats had, hare opheffing kunnen uitlokken. Aan dat beginsel, hetwelk trouwens dat der bestaande wet is, is het ontwerp dus getrouw gebleven.

Art. 100.

De bevoegdheid tot stuiting wegens de in dit artikel opgenoemde gronden is, voor de ouders zoowel als voor andere bloedverwanten, onafhankelijk van de minder- of meerderjarigheid van dengene, die in het huwelijk wil treden. Aan de bloedverwanten tot den vierden graad ingesloten is het bedoelde recht toegekend. In de gevallen, waarin het openbaar ministerie tot stuiting verplicht zal zijn, mogen ook bloedverwanten wel in eenigszins ruimeren kring daartoe

ocr page 212

52

bevoegd verklaard worden dan bij de bestaande wet. Van voogden of curators behoeft geen sprake te zijn, omdat altijd hunne toestemming noodig is, en de weigering daarvan, volgens het voorgesteld art. 102, eene reden van stuiting oplevert. Overigens vond men geene reden om het recht tot stuiting ook nog aan aanverwanten toe te kennen. Dezen zullen, als zij het noodig achten, een der bloedverwanten of het openbaar ministerie op het bestaan eener reden van stuiting opmerkzaam kunnen maken; het scheen minder gepast, hun een eigen recht te geven, dat dan ook, met de zwagerschap, zou blijven bestaan na de ontbinding van het huwelijk, dat hen tot aanverwanten had gemaakt.

Wat de gronden van stuiting betreft, die, welke thans in art. 116, 4° B. W. zijn aangeduid, zijn, voor zoover ze als zoodanig gelden zouden , met die van art. 116, 6° samengevat in het tegenwoordig artikel. Terwijl toch de bepalingen van art. 89 en 90 )!. W. zijn weggelaten , en dus op grond daarvan geen stuiting meer kan worden toegestaan, heeft men gemeend, ook aan de verbodsbepaling van het nu voorgesteld art. 83 geen recht van stuiting te moeten verbinden, omdat aan hetgeen daar gevorderd wordt nog tot aan de huwelijksvoltrekking toe kan worden voldaan.

De reden van art. 116, 2° B. W. kan niet meer te pas komen; die van art. 116, 5° is weggelaten, omdat, nu het nieuwe Wetboek van Strafrecht geene onteerende straffen meer kent, en geen onderscheid maakt tusschen misdaden en andere misdrijven, eene bepaling hare reden van bestaan verloor, die met een vroeger strafrechtstelsel in verband stond. Weggelaten is ook de reden van art. 116, 7° B. W., omdat het in het algemeen uiterst moeielijk zal zijn, vooraf te beslissen, of het huwelijk blijkbaar iemands ongeluk zal te weeg brengen, en de curateele wegens verkwisting, wanneer de curator in het huwelijk toestemt, kwalijk als eene reden van stuiting voor anderen erkend kan worden.

Art. 101.

De in art. 116, 3° B. W. erkende grond van stuiting is uitgebreid tot het geval, dat eene der partijen in staat van krankzinnigheid verkeert, zonder dat zij deswege onder curateele gesteld of de curateele aangevraagd is. Het ontwerp laat krankzinnigheid zonder curateele niet als grond van nietigverklaring van het huwelijk toe. Waarom, zal bij art. 124 worden ontvouwd. Eene der redenen , waardoor zich die schijnbaar onjuridieke regeling laat rechtvaardigen , ligt juist in de gelegenheid om huwelijken als de bedoelde door stuiting te voorkomen.

Art, 102.

De reden van stuiting, vervat in art. 116, 1°, die wij ook in art. 117 en 118 B. W. terug vinden, is — terwijl men gemeend heeft van weigering, en niet van het niet bekomen, der toestemming te moeten spreken, omdat deze nog bij de voltrekking verleend zou kunnen worden — opgenomen in het voorgesteld artikel, 't welk allen samenvat, wier toestemming noodig is, natuurlijk voor zoo ver zij noodig is, en niet door een rechtelijk verlof wordt vervangen, en 't welk de nadere bepalingen van art. 117, tweede lid, en art. 118, 1° B. W. overbodig maakt.

ocr page 213

53

Art. 103,

Dit artikel vervangt art. 115 B. W. Men heeft gemeend, in dit geval ook aan de kinderen een recht, van stuiting te moeten blijven toekennen, maar tevens het uitdrukkelijk tot meerderjarigen te moeten beperken. Er wordt gesproken van kinderen uit dien echt, gelijk ook bij art. 115 B. W. van kinderen uit dat huwelijk voortgesproten; vroeger geborene, maar door of gedurende het huwelijk gewettigde worden daardoor niet uitgesloten. Zie art. 314 Ontw. Men vergelijke art. 229 , 2° en 531, laatste lid , Ontw.

Art. 104.

Wat bij art. 119 B. W. alleen van echtscheiding gezegd wordt, is, in overeenstemming met art. 82 Ontw., uitgebreid tot het geval der nietigverklaring van een huwelijk.

Art. 105.

De hier gegeven voorschriften zijn, in hoofdzaak, eene navolging van art. 801 W. B. Rv. Wegens het bij art. 111, 3° Ontw. bepaalde is het voldoende, dat de stuiting aan e'e'n ambtenaar van den burgerlijken stand worde beteekend, al zijn er meer dan ée'n tot de voltrekking van het huwelijk bevoegd. Nu kan zij gevoegelijk geschieden bij e'e'ne akte, beteekend èn aan de partij, èn aan den ambtenaar van haar domicilie. Zij dient echter mogelijk te zijn, zoolang de voltrekking niet heeft plaats gehad, zelfs even vóór dat hiertoe zal worden overgegaan. Daarom moet de beteekening ook kunnen geschieden aan een anderen ambtenaar, dan dien van het domicilie der partij, tegen wie zij is gericht, en wel aan dien, door wien het huwelijk zal worden voltrokken. Zij kan intusschen ook dan bij e'éne akte gedaan worden, en door denzelfden deurwaarder mede worden beteekend aan den persoon der partij, wier tegenwoordigheid immers ter zake der voltrekking in die gemeente noodig is.

Art. 106.

Dit artikel spreekt het gevolg der stuiting uit: het huwelijk mag niet voltrokken worden zoolang zij hare kracht behoudt. Overtreedt de ambtenaar van den burgerlijken stand het gegeven verbod, dan pleegt hij het misdrijf, voorzien bij het tweede lid van art. 379 W. v. St. en stelt hij zich aan vrij wat ernstiger straf bloot dan waartoe hij krachtens art. 137 B. W. kon worden verwezen. Daarnaast, enkel ter handhaving van het recht van hem, die de stuiting gedaan heeft, nietigverklaring van het huwelijk mogelijk te maken, waar anders de wet slechts stuiting, geen nietigverklaring veroorlooft, gaat te ver. Bestaat er een wettelijke grond van nietigverklaring, zoo moet het huwelijk kunnen — en kan het werkelijk — nietig worden verklaard, en het is duidelijk, dat de voorafgegane stuiting het daartegen niet vrijwaart. Maar bestaat er zoodanige wettelijke grond niet, dan moet het voltrokken huwelijk ook niet voor nietigverklaring vatbaar zijn, alleen omdat het in weerwil eener gedane stuiting voltrokken is. Het doel van deze zou inderdaad worden voorbijgestreefd, indien een huwelijk, 't welk iemand

ocr page 214

54

heeft willen voorkomen, opdat niet later eene minder wenschelijke nietigverklaring uitgelokt zou behoeven te worden, nu reeds daarom alleen nietig zou worden verklaard, omdat men zich aan de gedane stuiting niet heeft gestoord.

Het tweede lid van art. 125 B. W. is daarom achterwege gelaten.

Art. 107

De stuiting kan vervallen , zoodat er niets meer noodig is om haar of hare werking te doen ophouden. Dat gevolg is verbonden aan het overlijden van den gene , die haar heeft gedaan. Hij is dan niet meer in staat haar in te trekken ; tegenover hem kan geen opheffing gevraagd en verleend worden ; hij bestaat niet meer, en behoort ook niet, door de nawerking van hetgeen hij had gedaan, een huwelijk te kunnen tegenhouden. Anderen , die ook tot stuiting bevoegd zijn, kunnen nog altijd het niet voltrokken huwelijk beletten, gelijk zij dat ook reeds vroeger hadden kunnen doen, en men heeft geineend hun nog de gelegenheid daartoe te moeten verschaffen, door de voltrekking gedurende acht dagen te laten uitstellen; zie art. 115. De bestaande stuiting zal echter vervallen door en op het oogenblik van het overlijden van hem, die haar gedaan heeft, onverschillig wat daarop gevolgd is, en of er al dan niet reeds iets gedaan was om hare opheffing uit te lokken.

Wanneer de stuiting door voogden, grootouders of curators, die krachtens de artt. 85 en 86 Ontw. hebben toe te stemmen, gedaan is op grond, dat zij hunne toestemming weigeren, zou de minderjarige of onder curateelegestelde te vergeefs de opheffing der stuiting aan de rechtbank vragen op grond van het onredelijke der weigering. De rechtbank heeft alleen te oordeelen, of hij, die gestuit heeft, daartoe het recht had. Zoo ja, dan wijst zij het verzoek af en de stuiting houdt stand. Nu moet echter de opvatting worden voorkomen, als kon zij art. 89 Ontw. buiten werking stellen, of als moest hij, tegen wien de stuiting gericht is, na het bij dat artikel bedoelde verlof te hebben verkregen, zich nog tot de rechtbank wenden. — Daartoe strekt het tweede lid van dit artikel.

Art. 108.

Die de stuiting gedaan heeft, moet haar ook weer kunnen intrekken. Men heeft gemeend eene notarieele akte te moeten vorderen, waaromtrent tevens uitdrukkelijk is gezegd, dat het oorspronkelijke daarvan kan worden afgegeven. De werking van het stuk bepaalt zich tot het huwelijk, waarop het betrekking heeft: daarenboven wordt het aan den ambtenaar van den burgerlijken stand overgelegd (art. 111 nquot;. 4 Ontw.), bijgevolg, overeenkomstig art. 12 Ontw., in de huwelijksakte vermeld, en overeenkomstig art. 7, tweede en derde lid, bewaard. — Vergelijk nog art. 38, tweede lid van de wet op het notarisambt.

Naar art. 125 B. W. zou ook een deurwaardersexploit voldoende zijn om de stuiting op te heffen ; men heeft gemeend , dat dit niet vrij van bedenking is, omdat hierbij te weinig zekerheid bestaat, dat werkelijk dezelfde persoon, die de stuiting deed, ook de daartegen gerichte handeling aan den deurwaarder heeft opgedragen. Ook eene akte van den burgerlijken stand werd voor deze zaak minder geschikt geacht.

ocr page 215

55

Art, 109.

Naar de bestaande wetgeving kan de opheffing der stuiting bij rechterlijke beslissing slechts verkregen worden langs den weg eener gewone procedure. Men heeft gemeend, dat de manier van procedeeren gevoegelijk zeer kan worden vereenvoudigd, en de stuiting niet noodeloos be-moeielijkt moet worden, door hem, die daartoe zou willen overgaan, bloot te stellen aan al de onaangenaamheden en gevaren van een proces. Eene procedure bij verzoekschrift, waarop door de rechtbank niet beslist wordt, dan nadat hij, die de stuiting gedaan heeft, gehoord zal zijn, of althans behoorlijk opgeroepen, en dus in staat gesteld om haar te handhaven , wordt voor het doel volkomen voldoende, en daarom meer doelmatig, geacht. Die procedure, met hetgeen het hooger beroep en de cassatie van de daarop gevolgde beschikking betreft, is nader geregeld in het artikel.

Art. 110.

Onder de kosten, schaden en interessen, bij dit artikel bedoeld, zijn natuurlijk ook de kosten begrepen, die ter bekoming der opheffing hebben moeten worden aangewend.

Voor de uitzondering, die art. 124 B. W. ten voordeele van bloedverwanten in de opgaande of nederdalende lijn maakt, bestaat geen genoegzame grond.

VIERDE AFDEELING.

In deze afdeeling is eene bepaling opgenomen, die bijzondere aandacht verdient wegens hare beteekenis tot vaststelling van het wettelijk begrip der voltrekking van het burgerlijk huwelijk.

Uit het bestaand wetboek blijkt wel, wat er geschieden moet ter voltrekking van een huwelijk, en kan wel worden afgeleid, waarin die voltrekking bestaat, maar men moet daartoe verschillende bepalingen, en nog wel uit verschillende titels, bijeenbrengen. Eene stellige bepaling deswege, die toch niet zonder belang is, ook om het juiste tijdstip aan te wijzen, waarop het huwelijk tot stand komt, ontbreekt.

Daarin te voorzien, is de strekking van het voorgesteld art. 116. Tot de huwelijksvoltrekking is de medewerking noodig van de aanstaande echtgenooten en van den ambtenaar. De aanstaande echtgenooten moeten ten overstaan van dezen verklaren en beloven , wat het voorgedragen artikel, evenals art. 135 B. W., vordert ; en daarop moet de ambtenaar uit kracht der wet verklaren, dat zij door het. huwelijk vereenigd zijn, wat het bestaand Burgerlijk Wetboek voorschrijft in art. 44. De verklaring der aanstaande echtgenooten is noodig, maar niet voldoende; het huwelijk is niet tot stand gekomen, zoolang zij niet door die van den ambtenaar is gevolgd; de verklaring van dezen is noodig, maar brengt geen huwelijk tot stand, wanneer zij niet is voorafgegaan door die der aanstaande echtgenooten. De verklaringen van dezen en die van genen brengen te zamen dat gevolg te weeg, en het oogenblik, waarop de eerste dooide laatste is gevolgd, is dat, waarop het huwelijk tot stand is gekomen. Er moge dan nog eene akte opgemaakt, althans door onderteckening voltooid moeten worden, dit behoort niet meer tot de voltrekking van het huwelijk; de akte dient om van de voltrekking, die plaats

ocr page 216

56

gehad heeft, behoorlijk te doen blijken. Men vergelijke § 52 dei' Duitsche wet. — Met betrekking tot de gebezigde uitdrukkingen zij hier nog opgemerkt, dat van de aanstaande echtgenooten wordt gezegd, dat zij hun huwelijk aangaan, en hiertoe hunne verklaringen afleggen ten overstaan van den ambtenaar, en van dezen, dat hij door zijne verklaring het huwelijk voltrekt; dat daarom dan ook het huwelijk niet ten overstaan van, gelijk art. 131 B. W. zegt, maait/oor dien ambtenaar voltrokken wordt.

Twee artikelen, thans aan het slot van de vierde afdeeling voorkomende, zijn weggelaten, namelijk de artt. 136 en 137 van het bestaande Wetboek. De bepaling van art. 136 B. W., die geene godsdienstige plechtigheden ter zake des huwelijks toelaat vóór dat dit door deu ambtenaar van den burgerlijken stand voltrokken is, werd geacht in dit wetboek minder op hare plaats te zijn, en ook om art. 449 van het nieuwe Wetboek van Strafrecht gevoegelijk te kunnen worden gemist.

Art. 137 B. W. is, voor zoover het de bevoegdheid geeft om tot geldboete te veroordeelen , vervallen door de in werking treding van art. 466 van laatstgemeld wetboek, en, voor zoover hel zegt, dat de bedoelde overtredingen grond opleveren voor een eisch tot schadevergoeding, overbodig, omdat alle strafbare feiten dat gevolg hebben.

Art. 111.

üit artikel, hetwelk betrekking heeft op bewijs, dat bruidegom en bruid bevoegd zijn met elkander in den echt te treden, en dat alle formaliteiten , zoo in het algemeen als voor het gegeven geval voorgeschreven, zijn vervuld, slaat natuurlijk terug op de verschillende bepalingen , waarbij dat alles is geregeld.

Bij vergelijking van het artikel van het ontwerp met art. 126 van het bestaande Wetboek valt op te merken , dat de nos 2 en 4 van dit laatste eene vereenvoudiging van redactie hebben ondergaan; — dat, waar in n0. 7 van het nieuwe artikel sprake is van de vereischte toestemming, degenen, tot wier huwelijk toestemming wordt verleend, in de akte, houdende die toestemming, met hunne namen moeten worden aangewezen, om te doen uitkomen, dat eene algemeene toestemming tot een huwelijk, zonder aanduiding met wien, niet voldoende is; — dat bij n0. 8 in het algemeen het bewijs gevorderd is van het ontbreken van hen, wier toestemming anders noodig zou zijn geweest, terwijl art. 126 5quot;. B. W. alleen van hun overlijden spreekt; — dat bij n0. 3 is gezorgd voor eene niet te voorbarige afgifte van een getuigschrift, inhoudende dat er geene stuiting heeft plaats gehad; — en dat bij n0. 2 ter vereenvoudiging is bepaald, dat de daar vereischte stukken niet gevorderd worden , waar ze in dezelfde gemeente afgegeven en gebruikt zouden moeten worden.

Art. 112.

In plaats van de afgifte der zoogenaamde akte van bekendheid afhankelijk te maken van de verklaring van vier getuigen, zooals dit in art. 127, eerste lid, B. W. is geschied, heeft men gemeend aan den eenen kant te moeien bepalen, dat de kantonrechter geene zoodanige akte zal afgeven, wanneer hem niet, althans ongeveer, gebleken is van het tijdstip en de

ocr page 217

57

plaats der geboorte, benevens van eene oorzaak, die de overlegging eener geboorteakte belet, en voor te moeten schrijven, dat hij zal vermelden, hoe of waardoor hem daarvan is gebleken; maar hem aan den anderen kant alle ruimte te moeten laten, zoodat hij niet alleen niet gebonden zal zijn ten aanzien van het getal en de hoedanigheid van hen, op wier verklaringen of inlichtingen hij de akte zal kunnen opmaken, maar dit ook kan doen op grond van andere middelen, familie-aanteekemngen enz,, die hem van genoegzaam gewicht voorkomen. Tengevolge van zoodanige bepaling zal de waarborg voor de waarde zijner verklaring enkel gelegen zijn in de met reden van wetenschap omkleede verklaring zelve omtrent hetgeen den rechter is gebleken, en niet in bepaalde voorschriften omtrent de middelen, waardoor hem daarvan zou kunnen of mogen blijken ; maar de vertrouwbaarheid zal er zeker niet minder om zijn. Overigens behoeft het geen betoog, dat aan de hier bedoelde akte, die uitsluitend moet dienen voor het bij het artikel aangegeven doel, in een gescliil over afstamming geen bewijskracht hoegenaamd zou mogen worden toegekend. Om hiervan nog ten allen overvloede blijk te geven, is de uitdrukking: «aanvankelijk gebleken» gebezigd.

De akte van bekendheid te laten vervangen door eene beëedigde verklaring, bij gelegenheid der huwelijksvoltrekking afgelegd door hen, die als getuigen daarbij tegenwoordig zijn, zooals art. 127, derde lid, B. W. thans toelaat, werd minder gepast geacht. Waar eene vertrouwbare verklaring van dien aard afgelegd kan worden, is in eene door den kantonrechter af te geven akte geen bezwaar gelegen, terwijl verklaringen , die, onbeëedigd, niet veel waarborg opleveren, en wier beëediging daarom als het ware onvermijdelijk zou zijn, zoo min mogelijk moeten worden voorgeschreven. Daarin ligt tevens de veroordeeling van het laatste middel, dat art. 127, derde lid, B. W. thans aanbiedt, om in het gemis eener geboorteakte te voorzien: de beëedigde verklaring van den bruidegom of de bruid , dat zij zich noch geboorteakte, noch akte van bekendheid hebben kunnen verschaffen. Wanneer van zoodanige verklaring het al of niet doorgaan van een huwelijk afhangt, valt zeker in de meeste gevallen niet op groote nauwgezetheid te rekenen.

Art. 113.

Dit artikel breidt, naar aanleiding van art. 87 Ontw., de bepaling van art. 128 B. W. op dezelfde wijze uit als n0. 8 van het nieuwe art. Ill die van art. 126, 5°. B. W.

Art. 114.

Wanneer de overgelegde stukken den ambtenaar eenig bezwaar opleveren, moet eene rechterlijke beschikking uitgelokt kunnen worden om de zwarigheid op te heffen. De voorgedragen bepaling is even algemeen gesteld als de thans bestaande, en men vond geene reden, hetzij om bepaalde gevallen te vermelden , waarin 's rechters tusschenkomst noodig zal zijn, hetzij om in eenig geval, wegens het minder gewicht van het bezwaar, die tusschenkomst overbodig te maken, door aan den ambtenaar zeiven de beslissing over te laten.

Men heeft zich deze vragen gesteld naar aanleiding van het derde lid van § 45 der Duitsche wet, dat aan dien ambtenaar de bevoegdheid geeft, om, wanneer de identiteit der

h

ocr page 218

58

personen vaststaat, over ondergeschikte punten, welke soms in de verschillende akten niet met elkander strooken, heen te stappen, waarhij dan als voorheelden worden opgenoemd verschil in voornamen of namen, op verschillende wijze gespeld. Dit verdient geen navolging; vooreerst, omdat verschillen als de opgegevene soms wèl van gewicht zijn, ten andere, omdat enuntiatieve bepalingen als wettelijke voorschriften niet wenschelijk zijn, en eindelijk omdat het ontwerp als heginscl aanneemt, dat de ambtenaar van den burgerlijken stand niets behoort te beslissen wat in rechte twijfelachtig kan zijn. — Ook schijnt het niet noodig dien ambtenaar door de rechtbank te laten hooren, wat voor hem nog al moeite en kosten zou veroorzaken, terwijl het openbaar ministerie gevoegelijk vóór zijne conclusie zich de noodig geachte inlichtingen, ook schriftelijk, kan doen geven.

Art. 115.

Tweede lid. — Wanneer van de tweede aankondiging vrijstelling verleend wordt, is de eenige natuurlijk tevens de laatste. De aankondiging in een buitenlandsch nieuwsblad zou licht doelloos zijn, zoo er niet een eenigzins langere termijn gelaten werd, waarin de voltrekking door stuiting kan worden tegengehouden. Men beeft gemeend, dien op niet minder dan vijftien dagen te mogen stellen. Wat de acht dagen betreft, die nog moeten verloopen, ingeval eene stuiting door den dood van hem, die haar gedaan heeft, is vervallen, bij de toelichting van art. 107 is reeds gezegd, dat dit is voorgeschreven, opdat, nu er grond tot stuiting scheen te bestaan , ook anderen daartoe in staat zullen zijn , nadat de gedane is vervallen.

Art. 117.

In dit artikel, dat bestemd is om art. 131 Ji. W. te vervangen, is niet gezegd, wie als getuigen gebezigd kunnen worden, omdat de algemeene bepaling van art. 11 Ontw. toepasselijk is. Daarentegen is hier eene vraag, waarover thans verschillend gedacht wordt, in dien zin beslist, dat zij, die bij de voltrekking hunne toestemming tot het huwelijk geven, niet tevens als getuigen kunnen optreden.

Overeenkomstig liet laatste lid van art. 4 Ontw. heeft de huwelijksvoltrekking plaats in het gemeentehuis, of in zoodanig ander lokaal als van 'sKoningswege voor de ambtsbezigheden van den ambtenaar van den burgerlijken stand is aangewezen.

Art. 118.

Het voorschrift van art. 132 B. W., hetwelk de tegenwoordigheid van zes in plaats van vier getuigen vordert, schijnt niet voldoende gerechtvaardigd. Voor zoover het buitengewone tweetal moet opkomen, als het ware ter uitoefening van het recht, dat anders het groote publiek zou toekomen om het huis binnen te dringen, is de beteekenis der bepaling al zeer onbeduidend. Het ontwerp beschouwt dus het gewone getal als voldoende. Ten einde te voorkomen , dat door een ambtenaar van den burgerlijken stand te lichtvaardig tot eene afwijking

ocr page 219

59

van den regel zal worden overgegaan, en hem tevens tegen lastigen aandrang daartoe te steunen, wordt voorgesteld eene schriftelijke vergunning van den officier van justitie te vorderen. Daarmede vervalt de grond der bepaling, die thans in het tweede lid van art. 132 B.W. wordt gevonden, en die dus is weggelaten, behoudens het voorschrift van art. 44, n®. 7, Ontw. — Met het oog op een bestaand verschil van meening, is voorts uitdrukkelijk gezegd, dat de voltrekking in een bijzonder huis niet in het openbaar behoeft te geschieden.

Art. 119, tweede lid en art. 120.

Nagenoeg geen vreemde wetgeving laat het huwelijk door een gemachtigde toe. Alleen treft meii hier en daar uitzonderingen aan ten behoeve van vorstelijke personen. Zoo art. 72 van de Duitsche wet en 99 Ital. wetb.

Bij ons is het instituut uit het Oudhollandsch recht herkomstig, en het voldoet aan eene bestaande behoefte. Jonge mannen, die, na zich in het moederland te hebben verloofd, naar onze overzeesche bezittingen trekken, om aldaar te blijven, nemen, wanneer de omstandigheden niet toelaten het huwelijk te voren in het moederland te voltrekken, later hunne toevlucht tot het zoogenaamde huwelijk met den handschoen. Er is dan ook geen enkele grond om de bepaling van art. 134 B. W. niet over te nemen. Het behoud van het vereischte, dat de volmacht notarieel moet zijn — een vereischte, reeds bij art. 177 van liet ontwerp van 1820 gesteld — is wenschelijk met het oog op het gewicht van het stuk. Men heeft echter tevens uitdrukkelijk de bevoegdheid toegekend, om meer personen aan te wijzen, van wie, zoo de eerstgenoemde verhinderd mocht zijn , de in rang volgende tot de vertegenwoordiging zal zijn geroepen. Voorts heeft men genieend te moeten aanduiden, wie al of niet bevoegd zullen zijn, om voor den afwezige in deze op te komen, en biertoe alleen meerderjarigen , maar dan ook vrouwen, gehuwd of ongehuwd, evenzeer als mannen te moeten toelaten.

Verder is noodig geacht, in het algemeen de bepalingen omtrent lastgeving hier niet-toepasselijk te verklaren, en in het bijzonder te bepalen, dat de gemachtigde, al heeft hij de opdracht ook aangenomen, evenwel, zoo hij daaraan geen gevolg geeft, niet aansprakelijk zal zijn tot vergoeding van kosten, schaden en interessen. Het eerste kan dienstig zijn tot afwering van gevolgtrekkingen uit bepalingen , die met het oog op geheel andere zaken en handelingen geschreven zijn. En wat het laatste betreft , het geldt hier bij uitnemendheid eene zaak van vertrouwen. Van hem, wien door den afwezige is opgedragen, en die zich bereid verklaard heeft, dezen bij eene zoo gewichtige handeling te vertegenwoordigen, kan nauwelijks gevreesd worden, dat hij uit loutere willekeur, en zonder redenen, die hem zelven althans geldig voorkomen , zich zal terugtrekken. Maar er kunnen redenen zijn, die hem wenschelijk doen achten, dat het huwelijk niet doorgaat, die hem althans bezwaar doen maken om tot de voltrekking mede te werken; en dan moet hij dit kunnen weigeren , zonder dat het voor hem noodig kan zijn zich deswege in rechte te verdedigen door een beroep op feiten of omstandigheden, welke misschien het belang van den aanstaanden echtgenoot, of althans de kieschheid belet te openbaren.

ocr page 220

60

Art. 121.

Wanneer do vertegenwoordigde vóór de voltrekking van het huwelijk reeds overleden was, is er geen huwelijk tot stand gekomen ; er zijn geen man en vrouw door het huwelijk vereenigd. Dit kan niet gezegd worden , wanneer hij zelf intusschen niet een ander in het huwelijk was getreden; het is echter in het belang van dit huwelijk wenschelijk, dat. het ander, 't welk daarna hij gemachtigde voltrokken is, en wel inderdaad bestaat, maar nog geenc feitelijke gevolgen heeft te weeg gebragt, als niet bestaande worde beschouwd; terwijl dit reeds in het tweede lid van art. 134 B. W. was aangenomen, is het ook in het voorgestelde artikel uitdrukkelijk gezegd.

Wanneer de afwezige vóór de voltrekking tot andere gedachten was gekomen, en hiervan op behoorlijke wijze had doen blijken, behoort het intusschen voltrokken huwelijk, dat op het oogenblik der voltrekking niet meer door hem werd gewild, ook niet voor goed verbindende te zijn, maar om zoodanige reden, waarvan ook uit geen openbaar register blijkt, van den regel, die alleen nietigverklaring veroorlooft, af te wijken, werd noch noodig noch wenschelijk geoordeeld. Verg. art. 125 Ontw. Dat, hetgeen voor de verschillende gevallen bepaald is, gelijkelijk geldt, hetzij het bestaan daarvan aan den gemachtigde of aan de andere partij bekend was, of niet, behoeft niet uitdrukkelijk gezegd te worden, omdat het, bij gebreke van nadere bepaling, uit het algemeen gesteld artikel genoegzaam blijkt.

VIJFDE AFDEELING.

De afdeeling, welke door deze wordt vervangen, voert tot opschrift; van de nietigheid eens huwelijks. Maar wezenlijke nietigheid van een tot stand gekomen huwelijk wordt ook door het Burgerlijk Wetboek, immers buiten het geval van het tweede lid van art. 134, niet aangenomen, en de afdeeling zelve handelt dan ook over nietigverklaring, de gronden waarop, de personen , door wie deze gevorderd kan worden, hare gevolgen enz. Haar opschrift staat in verband met het gemis eener behoorlijke onderscheiding tusschen nietigheid en vatbaarheid voor nietigverklaring, die ook elders, en bepaaldelijk in de laatste afdeeling van den vierden titel des derden Boeks, zich openbaart. De nieuwe afdeeling voert tot opschrift: van de nietiy-Berklaring,

De regeling van dit geheele onderwerp steunt van ouds, ook in vele vreemde wetten, op het beginsel, dat niet in alle gevallen , waarin een huwelijk in strijd met de wet voltrokken is, het daarom nietig verklaard moet kunnen worden. Daar zijn bepalingen, wier inachtneming vóór of bij de voltrekking van groot belang wordt geacht , of waardoor men de voltrekking van een huwelijk onder zekere omstandigheden heeft willen beletten, terwijl, wanneer het desniettemin is voltrokken, en hetgeen men wilde tegengaan, niet meer voorkomen kan worden, het maatschappelijk belang meer wordt gediend door in hetgeen geschied is te berusten, dan door te vernietigen, wat toch niet ongedaan gemaakt kan worden. De bestaande voorschriften getuigen reeds in hooge mate van het streven des wetgevers om het eens gesloten huwelijk

ocr page 221

61

niet buiten noodzakelijkheid aan nietigverklaring bloot te stellen. In dien geest kan nog meer worden gedaan, en het ontwerp doet dit in meer dan ée'n opzicht.

Hier wordt natuurlijk niet gedoeld op de beperking welke art. 145 B. W. door de weglating van de artt. 88, 89 en 90 van zelve ondergaat. Maar ook de grond van nietigverklaring, thans in art. 144 B. W. Vervat, komt, als zoodanig, in het ontwerp niet meer voor. Reeds in 1821 keurden de afdeelingen der Tweede Kamer dat artikel af. Zie Voorduin, II, blz. 257, 258. — Ook wegens de bezwaren, ingeval zwangerschap als grond van niet-ontvankelijkhcid wordt ingeroepen. Het is duidelijk , dat het antwoord der toenmalige Regeering de bezwaren geenszins oplost. Wat echter vooral van gewicht schijnt, is, dat, indien de aanstaande cchtgenooten lichamelijk zoo zeer ontwikkeld zijn, dat de ambtenaar van den burgerlijken stand, omtrent hun leeftijd in dwaling gebracht, — waarbij tevens moet ondersteld worden, dat hij eene valsche of foutieve akte van geboorte onder de oogen heeft, — geen aanleiding heeft gevonden, om de voltrekking te weigeren, en daarna samenwoning heeft plaats gehad, nietigverklaring ongewenscht is. Dit een en ander, gevoegd hij de omstandigheid, dat nauwelijks aan te nemen is, dat het geval zelf zich ooit zal voordoen, heeft tot het besluit geleid, om de bedoelde bepaling te schrappen.

Ten opzichte van de overgenomen gronden van nietigverklaring betreffen de beperkingen, die het ontwerp aanbrengt, deels het aantal gerechtigden, deels het tijdperk van samenwoning, waardoor de echtgenooten geacht worden de oorspronkelijk nietige vereeniging stilzwijgend te hebben bekrachtigd; terwijl van eene andere zijde de vragen omtrent de verjaring der vordering in het geval van art. 142 en andere B. W., door het vaststellen van een korten termijn als termijn van verval, in den voor de instandhouding van het huwelijk meest gunstigen zin zijn opgelost. In bijzonderheden zal dit een en ander bij de bedoelde artikelen ter sprake komen.

Hier valt ten slotte nog te vermelden, dat art. 154 B. W. is achterwege gelaten. Waaide wet in bepaalde gevallen aan bepaalde personen een recht toekent om nietigverklaring te vorderen, is het even onnoodig andere gevallen op te noemen , waarin — als op andere personen te wijzen , door wie geen nietigverklaring kan worden gevraagd. Eene bepaling als die van het eerste lid van dat artikel werd daarom als overbodig beschouwd, en zelfs als bedenkelijk, omdat juist daardoor aanleiding gegeven wordt tot de vraag, wat gelden zal in een geval, waarvoor geene vordering tot nietigverklaring is toegekend, en deze evenmin uitdrukkelijk is uitgesloten. Zoodanige gevallen kunnen inderdaad bestaan ; b. v. wanneer iemand zich bij de voltrekking des huwelijks heeft laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die niet naar den eisch der wet is aangesteld, of wel zonder dat daartoe door den Koning vergunning is verleend. Het huwelijk is dan voltrokken in strijd met de wet, maar het is toch voltrokken, en de vertegenwoordigde heeft daartoe door zijn gemachtigde medegewerkt. Als nietig van rechtswege kan het niet beschouwd worden, wil men zich houden aan de heilzame bepaling van art. 122 Ontw. Het kan ook niet worden nietig verklaard, wanneer de wet op dien grond geene nietigverklaring toelaat. En dat iemand hier door een ander heeft laten doen, wat eigenlijk door hem zelveu

ocr page 222

62

gedaan had moeten worden, kan op zich zelf ook kwalijk van zoo groot gewicht geacht worden, dat enkel daarom een voltrokken huwelijk zal moeten worden nietig verklaard.

Wat het tweede lid van art. 154 B. W. zegt, dat de ambtenaren van den burgerlijken stand tot straf vervolgd en tot vergoeding veroordeeld kunnen worden wegens overtredingen der wet, ook wanneer er geene nietigverklaring van een huwelijk om kan worden uitgesproken , is ook zonder uitdrukkelijke herinnering niet twijfelachtig.

Art. 122.

In dit artikel is duidelijker uitgedrukt, wat ook in art. 140 B. W. bedoeld schijnt te zijn, dal geen huwelijk, 't welk als zoodanig tot stand is gekomen, van rechtswege nietig is; dat het, welk gebrek daaraan kleve, hierom slechts vatbaar voor nietigverklaring, die alleen door den rechter kan worden uitgesproken, op een daartoe strekkenden eisch.

Art. 123.

Ofschoon algemeen erkend wordt, dat het tweede lid van art. 142 B, W. alleen slaat op dwaling in het individu, niet in de eigenschappen, zoo kan de redactie het toch beter laten uitkomen. Daarvoor is gezorgd bij het tweede lid van het voorgedragen artikel. Wat de vraag zelf betreft, hoe meer men er over nadenkt, des te meer blijkt, dat onze wetgever zeer verstandig heeft gedaan met de bepaling niet verder uit te strekken dan bij het wetboek is geschied. Waar men toe komt, wanneer men nietigverklaring toelaat op grond van vergissingen of teleurstellingen ten aanzien van moreele of physieke hoedanigheden, toont § 1505 van het Saksische wetboek, waarbij onder dwaling begrepen wordt het geval, dat de man eerst na het huwelijk verneemt, dat zijne echtgenoote vóór de voltrekking met ongeneeselijke bovenmatige geslachtsdrift behebt is geweest.

Het italiaansch wetboek behelst in art. 107 eene zelfstandige bepaling omtrent vóór het huwelijk bestaan hebbende «hnpotenza manifesta e perpetua»; op grond waarvan de andere echtgenoot de nietigverklaring kan vragen. Hier te lande waren, bij het onderzoek, in 1821, van het ontwerp van 1820, de gevoelens zeer verdeeld over de nagenoeg gelijke bepaling, die art. 200 n0. 5 van dat ontwerp inhield. Het voorschrift verdween bij de eerste omwerking dier wetsvoorstellen, en niemand kwam op de zaak terug. Naar het schijnt, terecht; sluiten het onkiesche van het onderzoek en het onzekere van zijne resultaten het beroep op de bedoelde onbekwaamheid uit daar waar het de ontkenning der wettigheid van een kind geldt, dan behooren diezelfde gronden ook hier den doorslag te geven.

Het is niet noodig, behalve van dwang eu dwaling ook van bedrog te spreken, omdat, waar hiervan eene dwaling in den persoon het gevolg is, deze op zich zelve een grond van vordering oplevert, en men bezwaarlijk aan bedrog ten aanzien van andere punten een gelijk gevolg kan verbinden.

Ook hier is, even als in art. 142 B. W., het recht van vorderen beperkt tot zekeren tijd na de volkomene opheffing van den dwang of de ontdekking der dwaling; maar men heeft

ocr page 223

63

gemeend, dien in geval van samenwoning tot eene maand te moeien beperken, en ook wanneer de echtgenooten niet samenwonen, de vordering niet langer dan een jaar te moeten toelaten. Voor hem, die gedurende e'e'ne maand werkelijk vrij in zijn oordeel is, is die tijd ruimschoots toereikend, om te besluiten, of hij al of niet wil berusten. Langer beraad, terwijl inmiddels de samenleving wordt voortgezet, kan niet anders dan onzedelijk genoemd worden. Wat den termijn betreft, indien geen samenwoning heeft plaats gevonden, art. 201 n0. 5 van het ontwerp van 1820 bepaalde daarvoor slechs een half jaar. Uitdrukkelijk geeft overigens de redactie van het thans voorgedragen artikel te kennen , dat het recht van vordering alleen door tijdsverloop van eene maand of een jaar vervalt; zoodat aan niets anders een gelijk gevolg zal mogen worden toegekend. Zelfs niet aan eene uitdrukkelijke bekrachtiging; die, het werk zijnde van een oogenblik, niet op e'ene lijn gesteld kan worden met eene voortgezette samenwoning, en waarvoor bezwaarlijk een vorm zou kunnen worden voorgeschreven, genoegzaam passende voor eene handeling, waardoor aan een gebrek, 't welk een huwelijk voor nietigverklaring vatbaar maakt, die kracht voor goed zou worden ontnomen. Dat er geene sprake meer kan zijn van toepassing van art. 1499 B. W., is na het bepaalde niet twijfelachtig.

Art. 124.

Even als in art. 143 B. W., is nietigverklaring toegelaten van het huwelijk van iemand, die wegens krankzinnigheid onder curateele was gesteld. Men vond geen reden om dit ook tot curateele wegens zwakheid van vermogens uit te breiden , waarvan het begrip minder bepaald is , en waaronder aanhoudende kwalen en lichaamsgebreken begrepen zijn.

Misschien zal het vreemd voorkomen, dat krankzinnigheid zonder curateele niet als grond van nietigverklaring is toegelaten. Al kan men om de boven aangegeven redenen berusten in het stelsel, dat een huwelijk, aangegaan door iemand, die tijdens de voltrekking aan verstandsverbijstering leed, bestaanbaar is, dat huwelijk, buiten het geval van curateele, onvoorwaardelijk in stand te houden, zal menigeen te ver gaan. De beperking van het bestaande art. 143 wordt, dan ook enkel bestendigd wegens de moeielijkheden van het bewijs en het onzekere van elke beslissing op dit terrein. De behandeling van art. 37 W. v. St. heeft namelijk doen zien, hoe ingewikkeld de vraag is, of iemands verstandelijke vermogens op een bepaald tijdstip, ten aanzien van eene bepaalde handeling, al of niet gestoord geweest zijn. Wat men veelal als kenmerk van den normalen psychischen toestand placht aan te merken, het vermogen tot wils-bepaling, is gebleken, dat niet te zijn. Men zon dus kunnen komen in allerlei vragen van dwangvoorstellingen, zedelijke kranzinnigheid en dergelijke, en van een anderen kant te doen krijgen met de zoo uiteenloopende inzichten der deskundigen, waarvan de een zal beweren, dat men niet verder kan komen dan krankzinnigheid in bet algemeen aan te nemen , zonder dat ooit te bewijzen is, dat die algemeene storing geen invloed op eene bepaalde handeling heeft uitgeoefend, terwijl een ander zal volhouden, dat zeer goed aan te toonen is, of de handeling al of niet onder den invloed der ziekte heeft plaats gehad ').

1) Zie Mr. H. J. Smidt, Wetboek van Strafrecht, I, bl. 345 en volgende; en ^Psychiatrische aanteekeningen op het ontwerp van wet tot vaststelling van een Wethoeh van Strafrecht, door Dr. J. N. Ramakr, Inspecteur der gestichten voor krankzinnigen in het Rijk, enz. bl. 60 en volgende.

ocr page 224

64

BÜ zooveel onzekerheid, waarbij men nog gelegenheid zou geven, door nietigverklaring een huwelijk te doen ophouden op grond van eene zielsziekte, die eerst later opgekomen is, scheen eene wijziging van art. 143 B. W. in den bedoelden zin meer kwaad dan goed te zullen stichten. Het veiligst is, het vereischte der curateele te handhaven ; dan heeft men met een te voren geconstateerden toestand te doen, niet bloot met een vaak onbetrouwbaar bewijs, dat met het oog op de nietigverklaring is ondernomen. En voor zoover dan een huwelijk kan worden nietigverklaard, al werd het tijdens een zoogenaamd lucidum inleroallum voltrokken, laat zich de nietigverklaring uit een ander oogpunt rechtvaardigen, daar, zoo als Laurent, Avant-projet, I, pag. 397, te recht opmerkt, huwelijken van personen, die aan voortdurende krankzinnigheid lijden , wegens de erfelijkheid der zielsziekten behooren te worden tegengaan.

Bij de beoordeeling der voorgedragen bepaling moet eindelijk niet uit het oog worden verloren, dat — zoo als trouwens reeds is gezegd — in verband daarmede, de bevoegdheid tot stuiting bij art. 101 Ontw., ook voor het geval een niet onder curateele gestelde, tijdelijk of duurzaam, in zijne verstandelijke vermogens is gekrenkt, aan zoovelen is gegeven, dat het nauwelijks denkbaar is, dat niemand de voltrekking van het huwelijk voorkomt.

Het recht om wegens dien grond nietigverklaring te vorderen komt volgens art, 143 B. W. ook toe aan ooms en moeien. Aan dezen, die, volgens art. 101 Ontw., wel recht van stuiting zullen hebben , behoort echter niet vrij te staan , ook na de voltrekking een huwelijk te bestrijden , waarin nadere bloedverwanten , zoo zij bestaan , en ook de curator en het openbaar ministerie berusten.

Terwijl men, in navolging van laatstgemeld artikel, na de opheffing der curateele alleen den echtgenoot, die daaronder gestaan heeft, het recht van vordering wilde laten behouden, heeft men gemeend ook voor dezen, even als in het geval van art. 123, dat recht te moeten doen vervallen na eene voortgezette samenwoning gedurende eene maand, en na verloop van een jaar, ook zonder samenwoning.

Art. 125.

Wanneer een huwelijk bij gemachtigde is aangegaan, nadat de vertegenwoordigde bij notariëele akte, door intrekking zijner machtiging, van zijne veranderde gezindheid heeft doen blijken, moet niet alleen die vertegenwoordigde de nietigverklaring kunnen vorderen , maar behoort dit recht even goed aan den anderen echtgenoot te worden toegekend, die niet genoodzaakt moet zijn om door het huwelijk verbonden te blijven met iemand, tegen wiens wil het tot stand is gekomen, en wiens eisch voldoende is om het te doen vernietigen. Men heeft intusschen gemeend het recht van vordering te moeten doen vervallen door samenwoning der echtgenooten , zonder dat die gedurende een zekeren tijd behoeft voortgezet te zijn , en voor den vertegenwoordigde tevens door verloop van een jaar, nadat hem de voltrekking bekend is geworden.

Art. 126.

Het ontwerp kent aar. de bloedverwanten in de opgaande lijn het recht niet meer toe, om, op grond van dubbel huwelijk, de nietigheid van het laatstvoltrokkene te vorderen ; men meende, dat zij, als zoodanig, daartegen niet moeten kunnen opkomen , wanneer de. echtgenoot, metwien het vroegere huwelijk is aangegaan, stil zit, terwijl voor hen in allen gevalle de gelegenheid overblijft om dezen of het openbaar ministerie te waarschuwen.

ocr page 225

65

Het tweede lid van art. 141 B. W. heeft men weggelaten. Volgens het in art. 122 uitgedrukt beginsel bestaat het eerste huwelijk , ook in het oog der wet; liet latere is dus inderdaad onwettig. Nu schijnt het zeker niet ongepast, het niettemin te handhaven, wanneer het enkel onwettig is wegens een vroeger huwelijk, dat zelf nietig kan worden verklaard, en daartoe gelegenheid te geven om dit te doen vernietigen. Maar hoe krijgt men dat gedaan? Het gaat niet wel aan, den vroegeren echtgenoot (of diens rechtverkrijgenden) in het geding over het latei-gevolgde huwelijk als partij op te roepen; regelmatiger zou dan zijn, dit geding voor zekeren tijd te schorsen, ten einde gelegenheid te geven om intusschen het eerste huwelijk te bestrijden. Maar de eerste echtgenoot bevindt zich zeker niet in de buurt, misschien wel in een ver verwijderd land ; licht ook weet men niet, waar hij zich ophoudt, en of hij nog leeft. Al zal men nu hem hier te lande in rechte kunnen roepen, dan zal het in allen gevalle moeten geschieden met inachtneming der daarvoor bepaalde termijnen. Maar hoe lang zal dan het aanhangig geding moeten worden geschorst, en hoe lang zal het. aanhouden, vóór dat op de vordering tot nietigverklaring van het later huwelijk uitspraak kan worden gedaan? Het is bedenkelijk voorgekomen zoo iets toe te laten , terwijl intusschen dat nieuwe huwelijk steeds voortgaat zijne gevolgen te hebben; gevolgen, die misschien ook door de wet worden gehandhaafd.

Art. 127.

Het ontwerp staat ook aan de broeders en zusters toe, een huwelijk in den verboden graad te doen nietig verklaren. Nu men, blijkens art. 124, niet als algemeen beginsel heeft aangenomen, dat alleen bloedverwanten in de opgaande lijn gerechtigd behooren te zijn, als bloedverwanten, een huwelijk te bestrijden, bestaat er voor de aan het bestaande recht gegeven uitbreiding alle grond. Immers het geldt hier die reinheid van zeden te bevorderen , waardoor de familieband wordt versterkt , en waarbij ook de eer der familie is betrokken. Het schijnt dus alleszins gerechtvaardigd daartoe ook hen te roepen, die elkander zoo na bestaan als broeders en zusters.

Art. 128.

De bepaling van art. 146 B. W, omtrent nietigverklaring van een huwelijk op grond van gemis der daarvoor vereischte toestemming van anderen is door de toevoeging van het tweede lid van het voorgedragen artikel in hare werking aanmerkelijk beperkt. Die toestemming is niet als een wezenlijk vereischte van het huwelijk aan te merken, maar als een waarborg tegen onberaden huwelijken van jeugdige personen. Daarom meende men, dat daaraan vooral eene preventieve strekking verbonden moet worden, en men te ver zou gaan, wanneer men enkel om het gemis daarvan hem, die zich misschien beleedigd acht, doordien zijn gezag niet werd geëerbiedigd, onvoorwaardelijk het recht wilde toekennen om nu het huwelijk nietig te doen verklaren. Bestaat hiervoor eene andere reden, die de deugdelijkheid van het huwelijk op zich zelf in den weg staat, dan moet dit nietig verklaard kunnen worden op de vordering van hen, aan wie het recht daartoe is toegekend, en dan natuurlijk ook, wanneer hunne toestemming had moeten, maar niet is verkregen; maar waar zoodanige andere reden niet bestaat, moet het gemis van toestemming niet als zoodanig gelden. Die toestemming is gevorderd

i

ocr page 226

66

om onbehoorlijke en verkeerde huwelijken te weren; een huwelijk, zonder die toestemming voltrokken, is daarom nog niet onbehoorlijk en verkeerd, zoodat het daarom te niet gedaan zou moeten worden. — Om die reden laat het ontwerp alleen nietigverklaring toe, wanneer de echt-genooten zich willens en wetens niet aan de wet hebben gestoord, hetzij dan om hen te t rotseeren, aan wier gezag zij onderworpen zijn, hetzij omdat zij begrepen, dat hun voorgenomen huwelijk af te keuren was, en hun uit dien hoofde de toestemming daartoe en in de gev allen, waar deze door rechterlijk verlof kon worden vervangen, dat verlof zou worden geweigerd.

Het ontwerp laat de vordering niet alleen door uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring vervallen, maar ook door verloop der in nummer 2 en 3 bepaalde termijnen, waarvan de eerste op een jaar is gesteld, omdat zes maanden wel eens te kort zouden kunnen zijn wegens den grooten afstand van de woonplaats der echtgenooten, wanneer het huwelijk in het buitenland is aangegaan, — De tweede is, in navolging van art. 203 nquot;. 2 van het ontwerp van 1820, op drie jaren bepaald.

Art. 129.

Bij dit artikel, bestemd om art. 147 li. W. te vervangen, is in verschillende opzichten daarvan afgeweken. Wanneer een ambtenaar van den burgerlijken stand, die niet de bevoegde is, een huwelijk voltrekt, handelt hij in strijd met de wet, en verdient daarvoor gestraft te worden; maar het huwelijk moet, om die reden alleen, niet worden nietig verklaard. Hetzelfde geldt, wanneer tegen de bepaling omtrent de getuigen is gehandeld, hetzij wat hun aantal, belzij wat hunne hoedanigheid betreft; te meer, omdat aan de tegenwoordigheid dier getuigen, die immers juist niet met de aanstaande echtgenooten en hunne omstandigheden bekend behoeven te worden, bezwaarlijk zooveel gewicht gehecht kan worden. En zelfs wanneer een huwelijk en door een niet bevoegden ambtenaar en zonder de tegenwoordigheid van voldoende getuigen voltrokken is, meende men, dat daarin nog geen genoegzame grond is gelegen om het te vernietigen. Zoo is terecht ook in het bestaande Wetboek het gemis der vereischte afkondigingen, van hoeveel belang deze anders geacht zijn, niet als een grond van nietigverklaring erkend (art. 154 B. W.). Maar wanneer niet is voldaan aan de voorschriften omtrent de openbaarmaking van het voorgenomen huwelijk, en dit daarenboven door een niet bevoegden ambtenaar van den burgerlijken stand voltrokken is, dan is er in die dubbele overtreding van in het belang tier openbare orde gemaakte bepalingen eene gewichtige reden gelegen om te denken aan samenspanning en opzettelijke wetsontduiking, ten einde de voltrekking van een huwelijk mogelijk te maken, waarvan te voorzien was, dat het na behoorlijke bekendmaking en op de rechte plaats niet tot stand zou kunnen komen, omdat de voltrekking door stuiting zou zijn belet. Zoo mag der wet geen geweld worden aangedaan ; en waar het geschiedt, moet het opzet verijdeld kunnen worden. Daartoe dient bet eerste lid van dit artikel. Men heeft daarin, met afwijking van art. 147 B. W., geen recht van vordering gegeven aan de echtgenooten zelve, omdat aan dezen alleen dan kan worden toegestaan, zich op hunne met de wet, strijdende handeling te beroepen, wanneer dit strekt om, als in de gevallen van art. 126 en 127 Ontw., aan onzedelijke toestanden, waarmede zij zeiven geen vrede meer hebben, een einde te maken.

ocr page 227

67

Intusschen blijft het, hoe gewichtig ook het vermoeden van samenspanning en wetsontduiking zijn mag, toch altijd mogelijk, dat deze in werkelijkheid niet bestonden; en voor dat geval is in het tweede lid den rechter de bevoegdheid gegeven om de vordering af te wijzen. Men heeft voorts in het derde lid het recht van vordering voor de bloedverwanten , den voogd of curator en het openbaar ministerie laten vervallen, wanneer de echtgenooten hier te lande twee jaren hebben samengewoond. Voor andere belanghebbenden , die in hun recht van vordering door het voorgedragen art. 130, gelijk door art. 148 B. W., beperkt zijn, kon hot niet binnen een bepaalden tijd besloten worden ; de genoemden, aan wie die samenwoning niet licht twee jaren lang onbekend gebleven zal zijn, mogen geacht worden in dien tijd genoegzaam in de gelegenheid te zijn geweest om tegen het huwelijk op te komen. En het is toch ook in het algemeen belang niet wenschelijk, dat het feitelijk bestaand en door de wet als bestaande erkend huwelijk nog altijd voor nietigverklaring vatbaar blijft.

Art. 130.

De redactie van dit artikel zal de vraag opheffen, waartoe het laatste gedeelte van art. 148 B. W. aanleiding gaf, of er twee voorwaarden aanwezig moeten zijn , dan of van de eene slechts gesproken is, omdat de wetgever meende, dat zonder haar de tweede niet aanwezig kan zijn. Men heeft voorts de bepaling zoo gesteld, dat daaruit blijkt, aan welke belanghebbenden hier te denken is, en dat bloedverwanten, die als zoodanig nietigverklaring kunnen vorderen, al zijn zij ook belanghebbenden, door de termen van liet artikel niet belet worden reeds vroeger eischende op te treden.

Artt. 132, 133, 134.

Het eerste dier artikelen behelst de bepalingen, welke in de artt. 150 en 151 B. W. worden gevonden. Door weglating der woorden «uit het huwelijk gesproten», heeft men alle aanleiding willen wegnemen, om te vermoeden, dat de gunstige bepaling voor de kinderen van minder algemeene toepassing is in het geval van het tweede, dan in dat van het eerste lid, en bepaaldelijk ook, dat in het eene niet evenzeer als in het andere geval de vóór het huwelijk geboren kinderen daardoor gewettigd zijn en blijven. Uit de bepaling blijkt voorts genoegzaam, dat degene, die te kwader trouw was, zich niet op het nietig verklaard huwelijk kan beroepen om daaruit voor zich eenig voordeel af te leiden. Voorts is nog, tot wegneming van twijfel, in het algemeen bepaald, dat goede trouw verondersteld wordt, evenals dit ook nu in artt. 589 en 2003 B. W. ten aanzien van het bezit is gezegd; zoodat de gunstige bepalingen toepassing zullen vinden, wanneer niet blijkt van kwade trouw. Maar tevens is eene tegenovergestelde veronderstelling uitgesproken voor het geval dat het huwelijk is voltrokken in weerwil eener gedane stuiting, die niet was vervallen, ingetrokken of opgeheven. In dit geval bestaat er voor die veronderstelling zeker een genoegzame grond, wanneer ten aanzien van een huwelijk het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt.

Maar ook wanneer de echtgenooten te goeder trouw waren, houdt het huwelijk toch op rechtsgevolgen teweeg te brengen sedert den dag der nietigverklaring; art. 133 bepaalt dit, evenals art. 152 B. W.

ocr page 228

68

ZESDE AFDEEL ING.

Wanneer men den inhoud dezer afdeeling vergelijkt met dien der afdeeling, welke het Burgerlijk Wetboek aan hetzelfde onderwerp wijdt, zal men aanmerkelijk verschil bespeuren. Van de bestaande bepalingen is niet veel overgebleven, en hetgeen daarvan nog in het ontwerp voorkomt, wordt er in een nieuwen vorm voorgedragen.

Art. 139 B. W. is ter zijde gelaten. Een voorschrift omtrent de overschrijving der akte, van de voltrekking van een huwelijk in een vreemd land opgemaakt, in onze registers, is in allen gevalle niet in dezen titel op zijne plaats; althans, wanneer men aan het doen of nalaten van die overschrijving geene gevolgen verbindt, die het huwelijk zelf betreffen. En men vond geene reden, om de erkenning van bet bestaan en de werking van het huwelijk daarvan afhankelijk te stellen. Zelfs achtte men bet bedenkelijk , in het algemeen uit het een of het ander een vermoeden van bekendheid of onbekendheid van het huwelijk af te leiden.

Aan instandhouding van art. 138B. W., zooals het luidt, denkt niemand. Dat artikel stelt de geldigheid van een huwelijk, tusschen Nederlanders of tusschen een Nederlander en een vreemdeling buitenslands aangegaan , voor, als afhankelijk van zekere vereischten, en brengt daartoe zeer bepaald, dat de huwelijksafkondigingen hier te lande naar eisch en zonder stuiting hebben plaats gehad. Maar wat ook de beteekenis dier bepaling zijn mag, niet licht zal iemand, voor het geval dat aan de voorschriften der wet omtrent de bekendmaking niet is voldaan , het beginsel van art. 122 Ontw. willen laten varen, en het huwelijk als niet bestaande doen beschouwen. De meerderheid der schrijvers en de jurisprudentie der latere jaren ontzeggen reeds nu aan het artikel deze strenge werking, die trouwens, naar de tegenwoordige inzichten, buiten verhouding staat tot het kwaad, hetwelk zij bestemd was te voorkomen. Intusschen staat in art. 170 C. C. «pourvu que» en in ons art. 133 B. W. «mits», welk lastig bezwaar in allen gevalle zou moeten worden opgeruimd. De Italiaansche wetgever van 1865, die insgelijks met een artikel te doen had, overeenstemmende met art. 170 C. G., heeft de door het woord «pourvu que» beheerscht wordende bepaling uit het lichaam van het artikel gelicht, en bij een tweede lid eenvoudig voorgeschreven, dat de huwelijksafkondigingen ook in het Bijk moeten plaats hebben.

Bij den eersten opslag schijnt men niet beter te kunnen doen dan dit voorbeeld te volgen.

Nu doet zich echter de vraag op, welke sanctie in plaats van diegene, die niemand meer wil, met het voorschrift te verbinden? Het verzuim, hetwelk de geldigheid van een hier te lande voltrokken huwelijk niet belet, tot een grond van nietigverklaring te verheffen, wanneer het buitenslands wordt voltrokken, daarvoor bestaat geen voldoende reden. Al mist het voorschrift omtrent de bekendmakingen bij buitenlandsche huwelijken den waarborg, die, waar de voltrekking hier te lande plaats heeft, voor zijne naleving gevonden wordt in de straf, waaraan onze ambtenaren van den burgerlijken stand zich zouden bloot stellen, het mag toch wel bedenkelijk geacht worden, omdat men geen ambtenaar straffen kan, daarom nu het huwelijk zelf te treffen.

De Italiaansche wetgever behoefde het middel om het tweede lid van art. 100 van zijn wetboek tot een bindend voorschrift te maken, niet hier te zoeken; in de mogelijke overtreding daarvan kon op andere wijze worden voorzien. Bij art. 123 wordt namelijk voor het geval van ♦

ocr page 229

69

voltrekking van een huwelijk zonder voorafgaande openbaarmaking de hooge geldboete van 200—1000 lire niet enkel tegen den ambtenaar bedreigd, maar ook tegen de ecbtgenooten. De maatregel zelf is niet nieuw, daar hij — zij het dan ook met een verouderden maatstaf van berekening der boete — in art. 192 C. G. voorkomt. Nu heeft echter die bepaling, voor zoover ze de ecbtgenooten betreft, hier te lande nooit, noch in de eerste ontwerpen van een burgerlijk wetboek, noch hij de latere behandeling, ingang gevonden. En thans, nu het stelsel ónzer wetgeving meebrengt, dat, indien op overtredingen, als de bedoelde, straf wordt gesteld, dit bij het Wetboek van Strafrecht geschiedt, zou men het daartoe noodige voorschrift alsnog in dat wetboek moeten opnemen , en het daarin moeten laten aansluiten niet aan art. 46G, waar over ambtsovertredingen wordt gehandeld, maar aan art. 448. Bestaan daarvoor voldoende redenen? Eene algemeene bepaling, als die van den Code Civil en het Italiaansche Wetboek, is bij ons zeker onnoodig; bet vast te stellen voorschrift zou dus alleen moeten betreffen het verzuim van aangifte van een in bet buitenland te voltrekken huwelijk bij den ambtenaar van het tegenwoordig of vroeger domicilie binnenslands. Hieromtrent valt echter reeds terstond op te merken , dat in vele der bedoelde gevallen het nut der bekendmaking in hooge mate twijfelachtig is, en deze zeer goed zal kunnen plaats hebben, zonder dat daardoor iemand in staat wordt gesteld, om nog bij tijds de voltrekking van het huwelijk door stuiting tegen te gaan. Van eene andere zijde — en voor zoover men het dan toch in allen gevalle van belang rekent, dat gelegenheid tot stuiting blijve bestaan, moet niet worden voorbijgezien, dat, even als wij ten aanzien van de huwelijken, die bij ons worden voltrokken, openbaarmaking ook in den vreemde vorderen , wanneer de aanstaande ecbtgenooten aldaar domicilie hebben, de meeste vreemde wetgevingen dit insgelijks doen; zoodat die wetgevingen kunnen geacht worden in zoo ver ook ten onzen behoeve te werken, en ons de taak, om van onze zijde voorschriften omtrent het bedoelde punt te geven , uit de hand te nemen.

Al deze beschouwingen hebben doen afzien van eene poging om de zaak met behulp van strafbepalingen te regelen, en, daar men geen nuda praecepta in het ontwerp wilde opnemen, besloot men bet vercischte eenvoudig te laten vervallen.

Ait. 138 B. W. vordert bovendien : 1°. dat de voltrekking van het huwelijk hebbe plaats gehad naar den vorm, in het vreemde land gebruikelijk, en 2°. dat de Nederlandsche ecbtgenooten niet hebben gehandeld tegen de bepalingen der eerste afdeeling van dezen titel. Het eerste geldt van alle handelingen, en ligt in art. 10 Alg. Bep. opgesloten, doch over de werking van dat voorschrift, ingeval de vreemde vorm niet of niet behoorlijk is nagekomen, bestaat verschil van meening. Hangt het antwoord op de vraag, of huwelijken in den vreemde, uit hoofde van zoodanig verzuim, van zelf en volstrekt nietig zijn, dan wel of zij slechts op de vordering van een daartoe bevoegd persoon nietig verklaard kunnen worden, af van hetgeen de vreemde dan wel onze wet daaromtrent vaststelt? Het punt is te gewichtig om bet onbeslist te laten. Men vindt die beslissing in het laatste lid van art. 136 Ontw.

Wat het vereischtc betreft, waaraan biervoren onder n0. 2 werd herinnerd, zoo is het daarop betrekkelijk voorschrift van art. 138 B. W. bij het eerste lid van art. 135 Ontw. verduidelijkt, en voorts bij dat artikel de bevoegde rechter aangewezen, bepaaldelijk voorde niet zelden voorkomende gevallen, dat de belanghebbenden geen domicilie meer in Nederland hebben.

ocr page 230

70

Art. 135.

Uit de woorden: te zijnen aanzien in het eerste lid volgt, dat een huwelijk, door een Nederlander boven de achttien jaren in Frankrijk aangegaan met een meisje van vijftien jaren, zonder dispensatie geldig is.

De strekking van het derde lid, voor zoover het melding maakt van de consulaire wet, is, om aan Nederlanders, die in de gelegenheid zijn hun huwelijk door een consulairen ambtenaar te doen voltrekken, de keus te laten tusschen dezen vorm en dien van het vreemde land. Op zich zelf ware het juister, hen, waar het kan, aan de voorschriften hunner eigen wetten onderworpen te houden, maar dit zou soms zeer bezwarend kunnen worden wegens de uitgebreidheid van vele ressorten der bedoelde ambtenaren. Bovendien zou men dien eisch in geen geval kunnen stellen ten aanzien van huwelijken van Nederlanders met onderdanen van het vreemde Rijk, te minder, omdat het, naar de beginselen van het internationaal recht, niet eens vaststaat, dat consulaire ambtenaren, al is het bij ecne wet van hun land, kunnen worden bekleed met de bevoegdheid om op het vreemde grondgebied eenig huwelijk te voltrekken. Men vergelijke Laurent, Avant-Pfojet, I, pag. 384, 385.

Hetgeen verder bij hetzelfde lid wordt gezegd komt hierop neer, dat het in een vreemd land gesloten huwelijk dan alleen wegens verwaarloozing der voorgeschreven vormen als niet bestaande beschouwd wordt, wanneer het daarom ook in dat land niet wordt erkend; er bestaat voor ons geene reden, om aan de voorschriften van het vreemde recht omtrent den vorm meer gewicht te hechten dan dat vreemde recht zelf doet. Dit laatste zal wel bij art. 138 B. W. niet zijn bedoeld, maar de redactie sluit het toch niet uit. De thans voorgedragene snijdt allen twijfel af.

Art. 136.

Zooals hierboven is te kennen gegeven , wordt dit artikel voorgedragen ten einde vast te stellen, wat de juiste en in elk geval wenschelijke toepassing van art. 10 Alg. Bep. ten opzichte van buitenlandscbe huwelijken, waarvan de geldigheid betwist wordt, schijnt mede te brengen.

ZESDE TITEL

Van de rechten en verplichtingen der echtgenooten.

Het eerste artikel van den titel van het Burgerlijk Wetboek, dien deze titel vervangt, is weggelaten om eene reden, die ten aanzien van onderscheidene andere bepalingen, zoo in den zelfden titel als later, eveneens in aanmerking komt. Dat artikel toch (158 B. W.) schrijft voor, dat de echtgenooten elkander wederkeerig getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd zijn. Zoo bepaalt art. 161 B. W., dat de vrouw aan haren man gehoorzaamheid verschuldigd

ocr page 231

71

is; art. 162 B. W., dat de man verplicht is zijne vrouw te beschermen; art. 353 B. W., dart een kind, van welken ouderdom ook, eerbied en ontzag aan zijne ouders is verschuldigd; art. 441 B. W., dat de minderjarige aan zijn voogd eerbied is verschuldigd.

De wetgever heeft zich hiermede bewogen op een terrein, dat hij niet behoort te betreden, en het verschil tusschen een wettelijk en een zedelijk voorschrift uit het oog verloren. Voor het tweede buigt, men vrijwillig, aan het eerste gehoorzaamt men, omdat men er anders toe gedwongen wordt. Boor welke middelen kan nu de wet de echtgenooten dwingen om de verplichtingen van art. 158 B. W. na te leven, indien hun hart en hun geweten er hen niet toe bewegen? En waar eerlied wordt gelast, is het verkeerde der bepaling nog tastbaarder, daar het in niemands macht staat, op bevel, eerbied te gevoelen. De burgerlijke wet beproeve dus niet te heerschen op een gebied, waar onze zedelijke natuur alle wetgeving van buiten verwerpt.

Hiermede wordt de algemeene verplichting om het recht te handhaven en onrecht te weren ook met betrekking tot het gezin, geenszins ontkend. De familie vormt den grondslag eener geordende maatschappij. Zoo weinig mogelijk regelende, behoort de Staat, zoover hij het in zijne macht heeft, te keeren wat dezen grondslag ondermijnt. Uit dit oogpunt is de weglating van art. 158 B. W. zeer wel te rijmen met de bij art. 241 W. v. St. bedreigde straf tegen overspel.

Laat het ontwerp om de aangevoerde reden art. 158, 161 lid 1 en den aanhef van art. 162 lid 2 B. W. achterwege, het schrapt art. 160 lid 1 B. W. op een anderen grond. Dat artikel spreekt als algemeene stelling, en tevens eenigermate als inleiding tot het tweede en derde lid, uit, dat de man het hoofd is van de echtvereeniging, terwijl nog uit art. 195 B. W. kan worden opgemaakt, dat zijne bevoegdheid van beschikking over de inkomsten der vrouw als een uitvloeisel van hetzelfde beginsel is te beschouwen. Maar — mag men vragen — is het dan niet als hoofd der echtvereeniging, dat de man de goederen der gemeenschap beheert? Het antwoord kan niet twijfelachtig zijn; toch zegt de wet het ditmaal niet, evenmin als zij er van gewag maakt bij het aan hem, met uitsluiting van de moeder, toekennen van de uitoefening van het ouderlijk gezag over de kinderen, uit hun echt gesproten. Het uitspieken van een rechtsbeginsel, als grondslag van bepalingen, die ook zonder die aanwijzing, duidelijke en volledige voorschriften zijn, schijnt in de wet misplaatst.

Men zou kunnen vragen; moet niet hetzelfde gelden van de verplichting tot samenwoning van art. 1G1 lid 2 en art. 102 lid 1 B. W.; of althans — omdat er dan toch één moet zijn, wiens wil den doorslag geeft — kon men niet volstaan met een voorschrift als dit: «de man bepaalt de plaats der samenwoning»? Die vraag is ontkennend beantwoord.

Natuurlijk ligt bet niet in de bedoeling, de uitvoering door eenig dwangmiddel te verzekeren ; maar toch schijnt het raadzaam, de verplichting als zoodanig te blijven uitdrukken. Vooreerst heeft men hier — anders dan in de gevallen van art. 158, 161 lid 1, 162 lid 2 B. W. — met een bepaald waarneembaar feit te doen, waarop de rechter, zoo zijne tusschen komst, b. v. overeenkomstig art. 145 Ontw., wordt ingeroepen, zal kunnen en moeten letten. Voorts is art. 139 de voorwaarde voor de toepasselijkheid der verplichting, in art. 137 op den voorgrond gesteld. Zoo zegt art. 133 Ital. wetb.; «De verplichting van den man om aan de vrouw

ocr page 232

72

lt;lt; oudeihoud te verschaffen houdt op, wanneer deze, na zonder geldige reden de echtelijke «woning te hehhen verlaten, weigert daarin terug te keeren ».

De wijze, waarop het Burgerlijk Wetboek de gevolgen van het huwelijk regelt, heeft van vele zijden bestrijding ondervonden. Met name is beweerd, dat de gehuwde vrouw dezelfde bevoegdheid behoort te hebben als de man om burgerlijke handelingen te verrichten en in rechte op te treden. Die zoo spreken, kunnen zich beroepen op de Engelsche Married Women's Property Act 18B2 (45 en 46 Vict. cap. 75), en op de reeds uit bet midden der vorige eeuw dagteekenende Russische wetgeving. Dc voorstanders dezer raeeniug zijn in den regel tegenstanders van de gemeenschap van goederen , omdat het beheer daarover slechts door e'e'u persoon kan gevoerd worden, en dit de onbekwaamheid van den anderen medebrengt.

Eene andere minder principieele bestrijding tegen de regeling van bet bestaande wetboek komt hierop neer, dat het de vrouw zonder voldoende, vooral zonder tijdige, bescherming laat tegen den man, die zich misdraagt of van zijne positie misbruik maakt. Deze bedenking treft vooral de ontbinding des huwelijks, de scheiding van tafel en bed, de scheiding van goederen, en het afdoende der voor die gevallen gegeven voorbehoedmiddelen.

Wijzigingen in den geest van hen, die eerstgemelde grieven te berde brengen, biedt het ontwerp niet. Wanneer men al de echtgenooten , met betrekking tot hun vermogen , als vennooten kan aanmerken (Laurent, I, pag. 445), dan is dit toch eene maatschap van zoo bijzondere soort, dat het niet aangaat, de beginselen eener instelling, die enkel geldelijk voordeel beoogt, daarop toe te passen.

Hoe de wederzijdsche rechten en verplichtingen in het afgetrokkene te regelen zouden zijn, en of er hier of daar eene regeling, als de bedoelde hervormers zouden wenschen, werkelijk is tot stand gekomen, behoort buiten aanmerking te worden gelaten. Wij hebben ons alleen af te vragen, welke regeling de geschiktste is, om in overeenstemming met onzen landaard en onze maatschappelijke toestanden het geluk van het gezin, als geheel, te bevorderen En, wanneer men die vraag stelt, is het antwoord ongetwijfeld, dat de man algemeen beschouwd wordt als degene, op wien voornamelijk de zorgen voor het gezin rusten, op wien de verantwoordelijkheid voor het onderhoud daarvan neerkomt. Wij hebben dus eene regeling noodig, waarbij hij de leiding heeft, hetgeen overigens geenszins belet, aan de vrouw meer invloed op de gemeenschappelijke belangen toe te kennen en hare rechtsbevoegdheid uit te breiden. Op welke wijze men zich voorstelt verbeteringen aan te brengen, zal nader bij de afzonderlijke artikelen blijken.

In dezen titel zijn bepalingen opgenomen betreffende onderwerpen , thans elders geregeld. Het zijn die omtrent de bevoegdheid van de vrouw om het beheer van den man over haar eigen goed te doen eindigen, omtrent hare in dat geval uit te breiden rechtsbevoegdheid; eindelijk omtrent de rechten en verplichtingen van beide echtgenooten ten opzichte van de uitgaven, noodig om in de huishouding en in de opvoeding der kinderen te voorzien. Men vergelijke de artt. 179, 180, 195, 200, 201, 241, 2°, 249 en 299, lid 2, B. W.

Het beheer en de beschikking over het gemeenschappelijk goed kan zeker beschouwd worden in verband met de gevolgen van het huwelijk ten aanzien van dat goed, maar de

ocr page 233

73

eigenaardige beteekenis der bedoelde bepalingen is vooral gelegen in haar invloed op de rechtsbevoegdheid der echtgenooten , en in dit opzicht zijn zij in dezen titel meer op hare plaats.

Ten aanzien der woordenkeus zij eindelijk opgemerkt, dat gesproken wordt van dc hewillujhuj van den man, de medewerking der vrouw, de machtiging van den rechter. De afwisseling van het bestaande Wetboek verdient geene navolging.

Art. 137.

Vergel. de artt. 184, 261, 265, 268, 275, 531 Ontw.

De verplichting tot onderhoud, welke art. 162, lid 2 B. W. enkel aan den man oplegt, is in het ontwerp wederkeerig gemaakt. Wel heeft overeenkomstig art. 145 de man de beschikking over al de vruchten en inkomsten uit het vermogen der vrouw, maar op dien regel zijn vele uitzonderingen. Ook kan het noodzakelijk zijn, dat het kapitaal der vrouw wordt aangesproken.

Dat men op art. 137 Ontw. geen beroep zal kunnen doen, om art. 163 of 275 buiten werking te stellen , behoeft nauwlijks te worden gezegd. In het geval van art. 275 geldt het een bijzonderen toestand, die eene afwijkende regeling noodig maakt; in dat van art. 163 moet de wil van den erflater of schenker, die anders zijne bevoordeeling wellicht zou hebben achterwege gelaten , worden geëerbiedigd.

Het woord staat, aan het tegenwoordig wetboek ontleend, en ook in het volgend artikel opgenomen, heeft eene beteekenis, nauw verwant met hetgeen men in het dagelijksch leven «stand» noemt. Art. 144 van het Wetboek Napoleon voor Holland, luidde; «de man is ver-«plicht haar te ontvangen, en haar naarmate van zijn vermogen en zijnen Hand van alles te «voorzien, wat tot de behoeften des levens behoort.» Bij art. 220 Ontw. van 1820 heeft «stand» voor «staat» plaats gemaakt, en zoo schijnt .dit laatste in art. 162 B. W. te zijn gekomen.

Dat overigens behoefte de grond is, blijkt nog uit de toepassingen van het beginsel bij de artt. 145 en 184 Ontw., waar van veranderde omstandigheden sprake is, en bij de artt. 261 en 531, waar vermindering wordt toegelaten, naarmate de echtgenoot de opgelegde uitkeering niet meer noodig heeft.

Art. 138.

Vergel. de artt. 145, 18j4, 330 Ontw.

Gelijk de verplichting der ouders tegenover de kinderen niet opgeheven wordt door verlies van het ouderlijk gezag, gaat de in dit artikel uitgesprokene verplichting door geene echtscheiding of scheiding van tafel en bed te niet. De artt. 261, 265, 268, 275 Ontw. hebben op de bijdrage tot de kosten van onderhoud en opvoeding der kinderen geene betrekking, en brengen in dit artikel derhalve voor die gevallen geene wijziging.

Art. 139.

Dit artikel is reeds bij de inleiding van den titel ter sprake gebracht. Het heeft een punt van overweging uitgemaakt , of het stelsel van het ontwerp omtrent de verplichting tot samenwoning niet vordert, dat aan de voorgedragen bepaling worde toegevoegd; «tenzij er voor hem

k

ocr page 234

74

«0f haar gegronde redenen bestaan, om dit niet te doen ». Immers met het bestaan van zoodanige redenen wordt in den titel van de ontbinding des huwelijks het gevolg verbonden, dat de grond tot echtscheiding, die anders uit weigering van samenwoning wordt geboren, alsdan niet ontstaat. Ook behoeft de van tafel en bed gescheiden echtgenoot, die anders, zoo hij de ontbinding des huwelijks wil voorkomen, genoodzaakt is de samenwoning te hervatten, dit niet te doen, wanneer hij geldige redenen heeft om zich daaraan te onttrekken. Vergel. de artt. 231, 232, 264 Ontw.

De toevoeging is echter onraadzaam geoordeeld, vooreerst omdat men in de bedoelde gevallen enkel heeft willen erkennen een voldoenden grond, om zich van de naleving der verplichting tijdelijk te verschoonen, geenszins om daarvan te worden ontheven. De bedoelde bepalingen kenmerken zich dan ook hierdoor, dat het voorschrift tot samenwoning onmiddellijk zijne volle werking herneemt, wanneer de oorzaak, die tijdelijk buitenwerkingstelling veroorlooft, komt op te houden.

In de tweede plaats zou de uitzonderende bepaling, in gemelde toevoeging vervat, als het ware tot hare aanvulling vragen, dat de rechter geroepen werd bij bijzondere beschikking over het al of niet geldige der redenen te oordeelen. Zoo bepaalt § 130 van het Privatrechtliches Gesetzbuch fiir den Kanton Zürich ^; «Die Frau hat dein Manne in seine Wohnung zu folgen. «Ausnahmweise, insoweit dringende, die Wohlfahrt der Frau ernstlich gef.lhrdende Gründe es « rechtfertigen, kann das Gericht der Ehefrau die Verpflichtung, dem Manne nachzufolgen, erlassen.» Laurent roept bij de artt. 273 en volgende van zijn avant-projet eene nieuwe scheiding in het leven, door hem «se'paration par le fait de i'un des epoux o genoemd, enkel gegrond op weigering van samenwoning, welke scheiding de rechtbank dan, naar bevind van zaken, kan toestaan of weigeren. Vergel. de artt. 209 en 210 van het avant-projet.

Het ontwerp volgt deze voorbeelden niet. Uit de bepalingen van den negenden en tienden titel blijkt, dat aan alle redelijke eischen, om zich tijdelijk aan de samenwoning te kunnen onttrekken , is voldaan. Verder te gaan ten opzichte van eene verplichting van zoo essentieelen aard schijnt niet geoorloofd. Die verplichting wordt daarom hier als stellig en algemeen voorschrift uitgesproken.

Art. 140.

Het beheer van gemeenschappelijk goed kan bezwaarlijk aan beide echtgenooten worden opgedragen. Bij verschil van gevoelen moet dan de rechter beslissen; en het meermalen uitlokken dier beslissing zal alles behalve strekken om de goede verstandhouding tusschen de echtgenooten te bewaren, een nadeel, waarbij de door 's rechters kennisneming veroorzaakte vertraging slechts eene geringe beteekenis heeft. Wellicht ware het dan nog beter, met het Italiaansche wetboek, art. 1433, de gemeenschap van goederen te verbieden.

Wanneer het beheer niet aan beide echtgenooten wordt toegekend, volgt uit het bij de inleiding gezegde, dat het aan den man moet worden opgedragen. Het ware echter tegenover

1) De Hoogleeraar Beurend, in Holtzendorjps Encyclopadie der Rechtswissenschaft, III Aufl., S. 324, melding makende van de in den Cantonen der Deutsehen Scliweiz zu stande gekommenen Civilgesetzgebungen, zegt: bei weitem am wichtigsten unter ihnen ist das Privatrechtliches Gesetzbuch fiir den Kanton Zürich, welches von Bluntschli verfasst und mit Erlüuterungen seines Verfassers 1853—1856 herausgegeben worden ist.

ocr page 235

75

de vrouw onredelijk, haar recht om mede te beschikken over hetgeen haar mede toebehoort, meer te beperken dan volstrekt noodig is. Voor gewichtige, betrekkelijk zeldzaam voorkomende handelingen wordt daarom hare medewerking gevorderd: hetgeen tevens een wenschelijken waarborg oplevert tegen linantieelen achteruitgang. Het initiatief blijft echter aan den man, en zijn recht verschilt in een gewichtig opzicht van dat der vrouw: voor de medewerking van deze kan de machtiging des rechters in de plaats treden (artt. 152 en 153 Ontw.), voor die des mans niet.

De gevorderde samenwerking der echtgenooten is in geenen deele strijdig met den aard dei-gemeenschap en was zelfs vroeger hier te lande niet onbekend, met name volgens het Over-ijselsch Landrecht van 1630. Ook de wetgever van 1838, die in art. 195, derde lid B. W. toelaat, bij huwelijksvoorwaarden eenige medewerking der vrouw te bedingen, ging van het denkbeeld uit, dat dit niet met den aard der gemeenschap streed. Als een niet gering voordeel van het voorgedragen stelsel mag er ojj gewezen worden, dat hierdoor zal worden verhoed, hetgeen thans mogelijk is, dat de man alles te gelde maakt, en met achterlating van vrouw en kinderen in een ander werelddeel bet geluk gaat beproeven.

Indien men den man meester liet om over het gemeene goed om niet te beschikken, zoude men de maritale macht tot een uiterste drijven, dat niet te rechtvaardigen is. Ofschoon nu volgens de thans geldende bepalingen zijn recht zich in het algemeen bepaalt tot handelingen onder bezwarenden titel, wordt het verbod om te schenken toch weder beperkt, in zooverre het hem A'rijstaat over een bijzonder stuk roerend goed om niet te beschikken, mits hij zich het vruchtgebruik daarvan niet voorbehoudt. Het ontwerp maakt hieraan een einde door ook schenkingen van bijzondere voorwerpen ouder den regel te brengen. Het veroorlooft alleen de zoodanige, .waartoe men de bevoegdheid aan den man moeielijk kan onthouden, zonder te kort te doen aan het standpunt, waarop het wenschelijk is, dat hij zich, als hoofd des huizes, kunne plaatsen.

Bijzondere bepalingen aangaande schenkingen, die dienen om aan de kinderen een stand te bezorgen, schijnen niet noodig: betreffen zij cene eenigszius aanzienlijke waarde, dan is het niet meer dan billijk, dat de moeder er in worde gekend. Blijkens art. 138 moet de vrouw bijdragen tot de kosten van onderhoud en opooeding der kinderen. Verder te gaan en haar te verplichten het kind een stand te bezorgen, is niet wenschelijk. Tot datgene, waartoe zij tegenover het kind niet verplicht is, moet haar man ten behoeve van dat kind haar ook niet kunnen dwingen.

De vraag, waartoe het derde en vierde lid van art. 179 B. W. aanleiding geeft, of de man de hem verboden schenkingen met medewerking zijner vrouw wel mag doen, da» of die schenkingen absoluut verboden zijn, wordt door het derde lid van art. 140 Ontw. in den eersten zin beantwoord.

De man is voor het beheer van de goederen der gemeenschap niet verantwoordelijk. (Vergel. art. 141, laatste lid Ontw.) In de eerste plaats gebiedt hem zijn eigen belang goed te beheeren , daar hij voor de helft eigenaar is, en slecht beheer tot zijne eigene schade strekt; maar ten

ocr page 236

76

andere is de scheiding van goederen vergemakkelijkt, terwijl als uiterste redmiddel curateele wegens verkwisting overblijft. Den man aan de erfgenamen der vrouw rekening te doen afleggen over een beheer, misschien gedurende vele jaren gevoerd over goed, hem ter helfte toebehoorend, schijnt niet wel mogelijk.

Het beheer der gemeenschap door den man heeft de onbekwaamheid der vrouw tot het aangaan van burgerlijke handelingen ten gevolge, omdat die handelingen leiden tot beschikking over het goed. Maar dit gaat nooit zoo ver, dat de vrouw geen uiterste wilsbeschikkingen zonder bewilliging van haren man zoude kunnen maken. Ook wanneer de bepaling van art. 943 B. W. niet zoo stellig ware, zou dit toch niet kunnen betwijfeld worden. De uiterste wilsbeschikking wordt gemaakt voor een tijd, waarop de gemeenschap is ontbonden. Art. 173 B. W., overgenomen uit den Code, die sommige costumen wilde afschaffen, welke ook voor dit geval de noodzakelijkheid van bewilliging vaststelden, behelst enkel een historische herinnering en kan zonder gevaar worden gemist. Laurent, die het voorschrift behoudt — art. 214 — zegt, dat de inhoud is: « d'e'vidence ».

Artt. 141—144.

De bepaling, dat de man het eigen goed der vrouw beheert, heeft niet de strekking, aan den man eenig overwicht te verschaffen. Wel staat zij in verband met zijn recht om over de vruchten en inkomsten uit het goed der vrouw te beschikken, maar hare voorname beteekenis ligt in de beveiliging der belangen van de vrouw. Het is toch zeer te vreezen, dat de uitkomst van eene bepaling, die aan de vrouw bet beheer over haar goed onder alle omstandigheden toekende, zou zijn, dat de man feitelijk toch dat beheer voert, maar dan — zonder verantwoordelijkheid. Het gevolg van dit motief is, dat, in de gevallen, waarin men reeds vooraf kan vermoeden, dat het beheer niet in het belang der vrouw is, de regel buiten werking moet worden gesteld. Ten aanzien van scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen wordt dit reeds in het bestaande wetboek voorgeschreven (artt. 249 en 299 B. W.).

Door den overgang van het beheer op de vrouw los te maken van de scheiding van goederen, waarmede hij thans ten onrechte verbonden is (art. 241 B. W.), wordt het voordeel verkregen, dat aan het beheer van den man een einde kan worden gemaakt, zoodra blijkt, dat bel belang der vrouw niet zoo volkomen veilig is, als de wet onderstelt en bedoelt. Daarom zal de overneming van beheer gemakkelijker kunnen worden toegestaan dan de ontbinding der gemeenschap.

Het ontwerp vordert dan ook niet, wat art. 241 , 2° B. W. eischt, maar laat het oordeel over de wenschelijkheid van den maatregel aan den rechter, dezen daarbij als maatstaf aangevende; verzuim in het beheer. § 1684 van het Saksische wetboek luidt: «Wenn der «Ehemann durch unordentliche Wirthschaft das eheweibliche Vermógen in Gefahr bringt, so kann « die Ehefrau verlangen, dass ihr die Verwaltung desselben , unbeschadet des Niessbrauches des « Ehemannes , überlassen wird. »

De omstandigheid, dat het eene betrekkelijk weinig ingrijpende wijziging in de onderlinge

ocr page 237

77

verhouding der echtgenooten geldt, heeft er toe geleid, vooreerst om het tot stand komen van den maatregel, met toestemming der beide echtgenooten, te veroorloven; maar — om geene wispelturigheid of lichtzinnigheid aan te moedigen — onder de bepaling, dat er niet op kan worden teruggekomen; en ten andere om, wanneer de bewilliging van den man niet kan worden verkregen, de procedure zeer te vereenvoudigen, en haar het karakter van hatelijkheid te ontnemen, dat een gevolg is van de openbaarheid, welke de beschuldigingen der vrouw tegen haren man erlangen. Van het middel wordt uit dien hoofde thans slechts gebruik gemaakt, wanneer de echtgenooten elkander hoegenaamd niet meer ontzien, en van het fortuin ook niet veel meer te redden valt. Praktisch neemt men scheiding van goederen bijna alleen te baat om toekomstig vermogen voor ondergang te bewaren.

Men stelt zich voor, dat, met de beperking van 's mans bevoegdheid ten aanzien van het gemeenschappelijk goed, de gemakkelijker gemaakte overneming van het beheer over haar eigen goed door de vrouw, en de meer afdoende voorbehoedmiddelen (art. 157), de rechtstoestand der vrouw aanmerkelijk zal verbeteren, zonder dat de op natuur en gewoonte gegronde verhouding der echtgenooten worde verstoord. In allen gevalle zal de vrouw er niet meer toe komen, alleen om haar goed te redden, tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed haar toevlucht te nemen.

Art. 141,

Zie de artt. 163, 490, lid 2 Ontw.

De man heheert het eigen goed der vrouw; de beschikking daarover komt enkel aan haar toe (zie art. 147, lid 2 en 3); in geen geval, zelfs niet met machtiging van den rechter, aan den man.

Het tweede gedeelte van het vierde lid van art. 160 B. W. is als overbodig weggelaten, omdat reeds in het eerste gedeelte opgesloten is, dat de man niet volstaan kan met de mate van zorgvuldigheid, welke hij bij het beheer zijner eigen goederen aanwendt. Uit art. 145 volgt, dat de verantwoordelijkheid alleen het vermogen der vrouw betreft, niet de in dat artikel bedoelde inkomsten.

Art. 144.

Vergel. art. 185 Ontw.

Dit artikel strekt niet enkel om te voorkomen, dat de vrouw met bewilliging van den man het beheer lichtvaardig overneemt, maar tevens om te beletten, dat de man, aan wien de rechter het beheer ontnomen heeft, op de vrouw pressie uitoefent om het hem weder af te staan.

Art. 145.

Vergel. de artt. 163, 184, 492 Ontw.

Wanneer niet alleen de gemeenschap van goederen, maar ook die van winst en verlies en van vruchten en inkomsten is uitgesloten, komt de bepaling van dit artikel te pas, welke hare rechtvaardiging daarin vindt, dat, ook blijkens het volgend artikel, de lasten van het gezin op den man drukken. Het artikel maakt die vruchten en inkomsten niet tot eigendom van den man; hij heeft alleen het recht er over te beschikken tot het bij het artikel aangeduide

ocr page 238

78

doel. En, wanneer hij dat doet, Is hij deswege geen verantwoording schuldig, al ware het, dat hij daartoe over alle vruchten en inkomsten beschikt had. Besteedt hij ze voor andere doeleinden, of laat hij ze ongebruikt, dan is hij natuurlijk wel degelijk aansprakelijk.

Uit de woorden: «ten behoeve van de huishouding en van de opvoeding der kinderen» vloeit nog iets anders voort, namelijk, dat, ingeval van faillissement, de inkomsten der vrouw gemelde bestemming niet verliezen.

In geval van scheiding van tafel en bed bestaat geen huishouding meer, en is over de opvoeding der kinderen (artt. 332, 270) eene opzettelijke regeling getroffen, waaruit van zelf volgt, dat het recht van beschikking over de bedoelde vruchten en inkomsten ophoudt; maar om allen twijfel te voorkomen, is het punt uitdrukkelijk beslist.

Het beding, dat de vrouw het vrij genot harer inkomsten zal hebben, en dat, waarbij bepa.ald wordt, wat de vrouw jaarlijks tot de huishouding en de opvoeding der kinderen zal bijdragen, worden evenals in het bestaande wetboek toegelaten, omdat de omstandigheden bij den aanvang des huwelijks van dien aard kunnen zijn, dat die bedingen nuttig en billijk zijn te achten; doch zij kunnen bij veranderde omstandigheden onbillijk worden, enbehooren, althans in geval de middelen, waarmede de man in gemelde behoeften voorziet, daartoe bepaald on -toereikend worden, de vrouw niet te kunnen ontheffen van hare uit de artt. 137 eu 138 Ontw. voortvloeiende verplichting om alsdan bij te springen; daarom mogen zij niet onder alle omstandigheden worden gehandhaafd.

A.rt. 146.

Art. 164 B. W. laat de opvatting toe, dat de vrouw door de handelingen (of verbintenissen) wegens alles, wat de gewone en dagelijksche uitgaven der huishouding betreft, zich zelve verbindt.

Volgens het meest aangenomen gevoelen bevat echter de bewilliging, waarvan aldaar sprake is, den stilzwijgen den last om de huishouding te besturen en het daartoe noodige te verrichten. Natuurlijk behoeft de algemeene onbekwaamheid der vrouw, wanneer er gemeenschap van goederen bestaat, geen beletsel te zijn om haar als gemachtigde van den man te laten handelen. En ook, waar geene gemeenschap bestaat, strookt het niet de regelmatige verhouding tusschen man en vrouw, dat wel op hein de zorgen voor het gezin rusten, maar zij, waar zij zich binnen den haar eigenaardig toekomenden werkkring beweegt, handelt in zijnen naam.

Het artikel, dat nu met ondubbelzinnige bewoordingen het verondersteld mandaat opdraagt, verleent tevens, voor zooveel noodig, te weten aan de in gemeenschap van goederen gehuwde vrouw, stilzwijgend rechtsbevoegdheid om dat mandaat waar te nemen.

In tegenstelling met art. 168, lid 4 B. W., zegt art. 164 B. W. niet, of het wettelijk vermoeden van dat artikel ophoudt bij de tekennengeving door den man van eene tegenovergestelde bedoeling. Welke beslissing wordt voorgesteld, blijkt uit het tweede lid van dit artikel. Huishoudelijke uitgaven kunnen opgevoerd worden tot eene hoogte, die den man ernstige bezorgdheid inboezemt. Dan moet hij, die door de handelingen der vrouw verbonden wordt, tusschen beide kunnen komen. De bevoegdheid om den last in te trekken ligt trouwens in de natuur der bij het artikel onderstelde rechtsbetrekking zelve opgesloten.

Omtrent de wijze van openbaarmaking is niets nader bepaald. Het is in het belang van

ocr page 239

79

den man, dat diegenen met de intrekking van den last bekend worden , welke gewoon zijn ten behoeve der huishouding leveringen te doen. In den regel zal bij die personen kennen, en voor het overige kan aan hem worden overgelaten , in welke mate of op welke wijze bij aan de zaak openbaarheid wil geven.

Art. 147.

Vergel. de artt. 490, lid 2, 491, lid 4 Ontw.

Wanneer de vrouw eigen goed beeft, is, met betrekking tot hare rechtsbevoegdheid, meer dan e'e'ne regeling denkbaar. Vooreerst, geheele gelijkstelling met de ongehuwde; de bezwaren hiertegen zijn reeds aangetoond. Voorts, algemeene onbekwaamheid; het stelsel van art. 217 C. C., 163 B. W., en § 1638 van het Saksisch wetb., dat zich door het daartoe beboorend volstrekt verbod van vervreemding in nagenoeg algemeene onbekwaamheid oplost.

Tusscben beide uitersten zijn verschillende regelingen denkbaar, waarbij de vrouw slechts tot bepaalde handelingen onbevoegd is. «De vrouw» zegt art. 134 van bet Ifal. wetb. «mag «zonder de bewilliging van den man geen onroerende goederen om niet of onder bezwarenden «titel vervreemden of met hypotheek bezwaren, geen geldleeningen aangaan, geen kapitalen «overdragen of invorderen, zich niet als borg verbinden, geen dadingen ter zake van genoemde «handelingen aangaan, of te dier zake in rechte optreden.»

Ook in het ontwerp wordt een middenweg voorgesteld. Hetgeen daartoe beeft geleid, is vreemd aan het denkbeeld, dat de vrouw minder inzicht zou hebben dan de man. Maar de voorgedragen bepalingen hebben tot beginsel, dat de man met de zorg is belast, om in de tegenwoordige en toekomstige finantieele behoeften van het gezin te voorzien, terwijl de vrouw, onder zijn opperbestuur het gewoon en dagelijksch beheer der huishouding voerende, volstaat met hare inkomsten of eene bijdrage daaruit te zijner beschikking te laten of te stellen. Dit stelsel brengt mede, dat de man gekend moet worden in alle handelingen, welke voor de tegenwoordige en toekomstige belangen van het gezin van beteekenis kunnen zijn, zelfs dan , wanneer de vrouw het vrije genot barer inkomsten heeft bedongen, omdat, zooals bij de toelichting van art. 145 is gezegd, dit beding, in geval van veranderde omstandigheden, zwichten moet voor de verplichtingen , bij de artt. 137 en 138 Ontw. ook aan de vrouw opgelegd.

Ten opzichte van elke der in bet artikel genoemde handelingen is voldoende duidelijk, waarom van het zooeven aangeduide standpunt bewilliging noodig is; alleen zij nog ten aanzien van borgstellingen gezegd, dat zich de oude ervaring heeft doen gelden, dat vrouwen zich door hare dienstvaardigheid gemakkelijker dan mannen laten verschalken, om voor personen in te staan, die geen crediet verdienen.

Omtrent de wijze, waarop de bewilliging moet blijken, bevat, bet ontwerp geene bijzondere bepalingen; het voorschrift der tegenwoordige wet, dat de man in de akte bijstand verlecnen of anders schriftelijk toestemming geven moet, is niet overgenomen. De derde, die met de vrouw gehandeld beeft, moet niet aan schade blootstaan, omdat wel de bewilliging bestond, maar daarvan geen schriftelijk bewijs gegeven is. Wordt het ontbreken der bewilliging hem dus later tegengeworpen, dan zal hij, buiten het geval van art. 149, haar bestaan op de gewone wijze moeten aantoonen.

ocr page 240

80

De grond van het vereischte vervalt, wanneer de gemeenschappelijke huishouding der echtgenooten door scheiding van tafel en hed ophoudt. Vandaar de aanhef van het artikel. Vergel. ook art. 145, nquot; 1 Ontw.

Wanneer de man het beheer heeft over het goed der vrouw, wordt deze daardoor op zich zelf reeds onbevoegd tot daden van administratie, b. v. verhuring. Dit behoeft niet te worden gezegd. Ook moet de vrouw in dit geval niet over haar goed zonder bewilliging van haren man kunnen beschikken. Zij moet niet langs een zijweg een einde aan het beheer kunnen maken , wanneer de rechter de overneming niet wil toestaan. Doch verder te gaan , en aan de vrouw, wier goed de man beheert, eene geringere rechtsbevoegdheid toe te kennen, dan aan haar, die dat zelf doet, schijnt vooral in het stelsel van het ontwerp, dat overneming van beheer zoo gemakkelijk maakt, niet gerechtvaardigd.

De geschiedenis van het tweede lid van art. 163 B. W. leert, dat die bepaling in de wet is gebracht om eene twistvraag uit den weg te ruimen. Een voorschrift in omgekeerden zin verdient èn om de juridieke tegenstrijdigheid, die in het tegenwoordige opgesloten ligt, èn om het misbruik, dat de man er tegenover de vrouw van kan maken, de voorkeur.

Art. 148.

Behoudens hare bevoegdheid om over hare roerende goederen te beschikken , wanneer zij daartoe de bij art. 249 B. W. vermelde bewilliging van den rechter heeft bekomen, blijft de vrouw, die scheiding van goederen heeft verkregen, thans afhankelijk van den man.

Dit te behouden zou onbillijk zijn, omdat art. 147 Ontw. onderstelt, dat de leiding dei-belangen van het gezin aan den man het veiligst toevertrouwd is. Nu is in geval van scheiding van goederen het tegendeel gebleken. Maar ook bij overneming van beheer, en wanneer de vrouw bij huwelijksvoorwaarden beheer over haar eigen goed heeft bedongen, moet hetzelfde gelden. Art. 147 stelt een algemeenen regel, die evenwel juist om die algemeenheid in bepaalde gevallen verkeerd kan werken. Die in de wet ook zelfs maar eenigermate te voorzien en te omschrijven is niet wel uitvoerbaar. Daarbij zouden de uitzonderingen op den regel in zoo algemeene bewoordingen moeten zijn vervat, dat het beter schijnt het oordeel over de wensche-lijkheid van afwijking geheel aan den rechter over te laten. Als zoodanig is, in overeenstemming met art. 151 Ontw. (art. 169, 180 B. W.), de kantonrechter aangewezen; dat dit thans in de artt. 249 en 299 B. W. niet geschiedt, is enkel het gevolg van de omstandigheid, dat de daar bedoelde machtiging met de rechterlijke uitspraak omtrent scheiding van tafel en bed of van goederen samenhangt. Dat de kantonrechter de door hem verleende machtiging kan intrekken, behoeft nauwelijks vermelding.

Art. 149.

Reeds art. 229 Ontwerp van 1820 stelde met de openbare koopmanschap eenig ander dagelijksch bedrijf gelijk. Op de koopmanschap valt in de eerste plaats de aandacht, omdat daarbij voornamelijk handelingen voorkomen, waartoe de vrouw bewilliging behoeft; maar het motief geldt evenzeer in de overige gevallen, waarin de vrouw een afzonderlijk beroep uitoefent.

ocr page 241

81

De woorden van het bestaande wetboek: «die hare koopmanschap betreft» stellen hem, die met de vrouw handelt, vooral in geval van stilzwijgende toestemming, aan gevaar bloot. Het is voor dezen zeer moeielijk na te gaan, of dit kenmerk aanwezig is; hij zal alleen kunnen beoordeelen, of het beroep de handeling «kan medebrengen».

Het tweede lid van art. 168 oordeelde men overbodig, omdat het volgt uit de voorschriften, op de huwelijksgemeenschap betrekkelijk: terwijl de zin van het derde lid van dat artikel, door in het voorgedragen eerste lid het woord «afzonderlijk» op te nemen, korter weergegeven is.

Art. 150.

Het ontwerp wijkt van de bestaande wet (art. 160, lid 2) vooreerst daarin af, dat de man zijne vrouw niet in rechte vertegenwoordigt. Passende in eene regeling van het vermogensrecht der echtgenooten, waarbij de vrouw wordt gelijkgesteld met een minderjarige, kon dat voorschrift in bet ontwerp niet worden overgenomen. Het gevolg hiervan is, dat, wanneer eene vrouw in een tegen baar ingestelden eisch wil berusten, zij eenvoudig verstek heeft te laten gaan. Verder vloeit er uit voort, dat bewilliging geen vereischte behoort te zijn, wanneer zij den tegen haar ingestelden eisch wenscht te bestrijden. — Staat het haar vrij, om naar eigen oordeel te berusten, dan behoort men haar het recht ook niet te onthouden om zich te verdedigen. Uit art. 800 W. B. Rv. blijkt overigens, dat 's mans recht reeds nu niet veel beteekent.

De derde afwijking, naar welke de vrouw ook eischende mag optreden in het geval van nu. 1, is, blijkens het aangehaalde art. 134, in overeenstemming met hetgeen daaromtrent in Italië geldt. Trouwens, zonder het vermogen om in rechte op te treden ter zake der haar zonder ■bewilliging vrijstaande handelingen, is de aan de vrouw toegekende bevoegdheid ten eenenmale onvolledig.

De uitzondering van art. 166, nu. 1 B. W. verlaat het terrein van het burgerlijk recht, en is derhalve in het burgerlijk wetboek niet op hare plaats; de grond voor diegene, welke in het tweede nummer van dat artikel wordt aangetroffen, namelijk dat het te voorzien is, dat de man alsdan zijne bewilliging zal weigeren, voert van zelve tot de meer algemeene bepaling, welke thans bij het tweede nummer wordt voorgesteld.

Art. 151.

In het geval, dat de man verhinderd is om van de rechten, welke deze titel hem toekent, gebruik te maken, wordt bij de artt. 169 en 180 B. W. voorzien door bepalingen, die voor vereenvoudiging vatbaar schijnen. Volgens het eerste kan de rechter de gevolgen van de beperkte bevoegdheid der vrouw door eene algemeene machtiging opheffen, indien de man afwezig is, of door andere redenen verhinderd wordt om haar bij te staan of te machtigen; volgens het tweede kan zij , indien hij zich in de onmogelijkheid bevindt om zijn wil te verklaren, en er onverwijlde noodzakelijkheid bestaat, de goederen der gemeenschap verbinden, na daartoe door den rechter gemachtigd te zijn. Om dit laatste recht te krijgen, wordt dus meer gevorderd dan voor de eerstbedoelde machtiging.

Dit verschil is niet gerechtvaardigd. Evenzeer als naar art. 331, lid 2, Ontw. de moeder

1

ocr page 242

82

optreedt, als de vader daartoe in de onmogelijkheid geraakt, zoo behoort de vrouw in hetzelfde geval, ook ten aanzien van haar eigen goed en van het gemeenschappelijk goed, het hestuur in handen te kunnen nemen. Gelijk boven ontwikkeld werd, is de opdracht van het beheer over dit laatste aan den man niet het gevolg van eene onderstelde ongeschiktheid der vrouw; maar van de noodzakelijkheid om verschil van meening dienaangaande te voorkomen. Waar daarvoor geene vrees meer bestaat, is de vrouw de aangewezen plaatsvervangster van den man.

Met verhindering wordt in art. 169 B. W. gelijk gesteld het geval van tegenstrijdig belang: hetgeen niet overgenomen is. In zoodanig geval zal de man of weigeren, en dan is art. 153 toepasselijk; öf zijn belang ten offer brengen, wat men niet behoeft te beletten.

Art. 152.

Dat de wetgever in de artikelen 169 en 180 B. W. vooral gedacht heeft aan verhindering van eenigszins langdurigen aard, mag men aannemen, al zegt hij het niet uitdrukkelijk; tot zoodanige uitbreiding van de bevoegdheid der vrouw, die voor den man zeer nadeelig kan zijn , moet niet lichtvaardig besloten worden. Maar daarentegen kan bij eene verhindering van korten duur de vrouw gevaar loopen , indien zij belet wordt om zijne bewilliging te krijgen in zaken, die geen uitstel lijden. Daarom is haar naast de algemeene machtiging van het vorig artikel de gelegenheid geopend om voor bijzondere gevallen eene beperkte machtiging te krijgen, die wel op de goederen der gemeenschap geene betrekking heeft, maar haar door opheffing van de uit de artt. 147 en 150 Ontw. voortvloeiende beperking in staat stelt om hare eigen belangen te behartigen.

Dat de gevallen, waarin de man de medewerking der vrouw behoeft, moesten worden toe- • gevoegd aan die, waarin zij zijne bewilliging noodig heeft, is een gevolg van het voorgedragen art. 140.

Artt. 153.

Art. 167 B. W. is aangevuld door, evenals in het voorgaand artikel, ook melding te maken van het geval, dat de vrouw hare medewerking weigert, en voor te schrijven, dat de rechter den weigerenden echtgenoot hoort. Daar deze in den regel het verzoek zal tegenspreken , is de beschikking des rechters niet eene daad van zuiver voluntaire jurisdictie; in tegenstelling met de meeste andere artikelen van dezen titel is dus de bevoegdheid der rechtbank behouden.

Art. 154.

Vergel. Laurent avant-projet, art. 216, I, pag. 458; Si l'un des ëpoux fait seul un acte, pour lequel la loi exige le concours de son conjoint, l'acte n'aura aucun effet a 1'e'gard de celui-ci, a moins qu'il ne le ratifie; dans ce cas, l'acte pourra lui être oppose a partir de la ratification.

Is deze bepaling, enkel getoetst aan de algemeene regelen omtrent de bestaanbaarheid van handelingen , juridisch juist, zoo mag toch aan den anderen kant niet uit het oog worden verloren, dat man en vrouw geen gewone medeëigenaren zijn. De vrouw heeft geen

ocr page 243

83

absoluut recht van veto, wanneer er sprake is om over gemeen goed te beschikken; brengt het welbegrepen belang der echtvereeniging de handeling mede, dan vervangt de rechterlijke machtiging hare toestemming. Waar een zoodanige inbreuk op het gewone recht van den mede-eigendom toegelaten is, mag men zich wel de geringere afwijking veroorloven, die dit artikel bevat, door, iu stede van volstrekte nietigheid, slechts betrekkelijke vast te stellen. Het ontwerp onderstelt eenvoudig, wanneer er niet van blijkt, dat de vrouw toch heeft toegestemd. Wil zij die onderstelling doen wijken, zij late de handeling nietig verklaren. Deze regeling voorkomt allerlei verwikkelingen , en is bepaald wenschelijk met het oog op de verjaring. Het is in het belang der rechtszekerheid, dat de vrouw, door gedurende het daarvoor vereischte tijdperk stil te zitten, de handeling onaantastbaar doet zijn, hetgeen zij, volgens de bepaling van Laurent, natuurlijk niet wordt.

Het voorafgaande geldt van de medewerking der vrouw. Dat, in geval van ontbrekende bewilliging van den man, de handeling van den beginne af als bestaanbaar wordt aangemerkt, is in overeenstemming met het geldende recht, en kan ook niet op de gronden worden bestreden, waarop het artikel van Laurent steunt.

Het zou in strijd met de goede trouw zijn, dat een der echtgenooten opkomt tegeu eeiie door hemzelven verrichte handeling, op grond, dat hij de daartoe noodige medewerking of bewilliging miste. Daarmede vervalt art. 172 B. W.

Art. 155.

Het tweede lid van art. 270 B. W. is enkel van toepassing ingeval van echtscheiding en van echtscheiding van tafel en bed; althans wanneer men uit de plaatsing in den elfden titel (en de verwijzing in den twaalfden) die gevolgtrekking mag maken. Toch is het opmerkelijk, dat het artikel zelf die beperking niet met zooveel woorden inhoudt, en dit te meer, daar art. 271 G. C. het wel doet, In den regel zal het geval zich voordoen , wanneer een eisch tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingesteld; doch dit is geene reden om de bepaling daartoe te beperken.

Art. J56.

Wanneer eene vrouw zonder voorkennis van haren man een geding begint, heeft deze geen rechtsmiddel om schade voor de echtvereeniging te voorkomen; gelijk toch noodig schijnt. Immers waar overleg tusschen de echtgenooten ontbreekt, bestaat ruimschoots gelegenheid voor het uitoefenen van invloed door derden en kwade praktijken.

Door aan den man een recht van verbod te geven, kan hieraan worden te gemoet gekomen, maar dan moet het niet onbeperkt zijn. Een onbeperkt verbod toch zou de rechten van derden schaden, omdat de man het zou kunnen uitbrengen, naarmate de kansen van het geding stonden.

Bij de bepaling der termijnen werd men geleid door de overweging, dat het belang van den gedaagde vorderde, dat deze zoo kort mogelijk waren; terwijl zij, verschillende naar den aard der beide procedures van vervallenverklaring der instantie en van verzet, voor den man ruim genoeg moesten zijn om van zijn recht gebruik te maken.

ocr page 244

84

Art. 157.

Waar het goed der vrouw bestaat in zaken, vatbaar voor overgifte van hand tot hand, geeft het bestaande recht, geen waarborg, dat zij van den verkwistenden of acliteloozen man dat goed kan terug bekomen, wanneer zij het beheer herneemt. Hierin wordt door liet voorgedragen artikel voorzien.

Naast de verzegeling en beschrijving wordt niet, gelijk in de artt. 808 en 825 W B. Rv. geschiedt, van waardeering der goederen gesproken, omdat deze volgens art. 681, n0. 3 W. B. Rv. een noodzakelijk deel der boedelbeschrijving uitmaakt.

Zal het hier gegeven rechtsmiddel baten, dan moet het zoo spoedig mogelijk kunnen worden aangewend; daarom kon geen verhoor van den man worden voorgeschreven, wat aangaat het bevel tot verzegeling en beschrijving, evenmin als dit geschiedt in de artt. 808 of 825 W. B. Rv. Bij de beschrijving is hij echter uit den aard der zaak tegenwoordig of vertegenwoordigd; althans daartoe in de gelegenheid.

Overigens mag men verwachten, dat de president, die kennis draagt van de gronden van het verzoek der vrouw tot overneming van het beheer, dit middel met behoedzaaniheid zal toepassen ; en levert het hooger beroep voor de beschikkingen des kantonrechters een middel van herstel tegen deze laatsten op.

Artt. 158, 159 en 160.

Nagenoeg alle bepalingen van dezen titel, die tot tusschenkomst van den rechter aanleiding kunnen geven, strekken om beschikkingen buiten eigenlijk rechtsgeding te laten verleenen. Daarbij zijn de verzoeker en degene, tegen wien het verzoek gericht is, steeds elkanders echt-genooten , en zijn ook de beschikkingen in de meeste opzichten gelijksoortig. Voorschriften van algemeene toepassing, zooals ze trouwens bij onze tegenwoordige wetgeving in de artt. 798—800 W. B. Rv. voor enkele der binnen den kring van dezen titel vallende beschikkingen worden gegeven, laten zich dus rechtvaardigen. Bij de toelichting van den achttienden titel, die op grooter schaal ten opzichte van den veertienden, vijftienden, zestienden en zeventienden doet, wat hier ten opzichte van den zesden, bij de artt. 159 en 160, geschiedt, wordt breedvoerig uiteengezet wat ter verklaring en aanbeveling dier wijze van behandeling dienstig schijnt. Men gelieve zich dus, bij de beoordeeling van de tegenwoordige artikelen, op het daar aangegeven standpunt te plaatsen.

Art. 158.

Dit artikel, hetwelk buiten het kader van gemelden achttienden titel valt, maar hier gevoegelijk op den voet der voorschriften van dien titel kan worden gegeven, bevat de aanwijzing van den bevoegden rechter.

Bij die aanwijzing houdt bet ontwerp zich zooveel mogelijk aan de bepalingen omtrent domicilie.

Het komt echter raadzaam voor daarvan, vooral met het oog op spoedeischende gevallen ,

ocr page 245

85

in zoover af te wijken, als bij het eerste lid van het artikel is geschied; te weten, wanneer het domicilie van den man zich in het buitenland bevindt, of in het binnenland zoo onbestendig is, dat het niet meer onder het begrip van iconen valt.

Het laatste lid voorziet in de leemte, die anders zou bestaan, wanneer een der echtge-nooten zich in het buitenland bevond en de tusschenkomst van den rechter wilde inroepen , terwijl de man hier te lande geen hoofdverblijf had, noch er woonde.

Art. 159.

Kennisgeving bij brief of door tusschenkomst van den griffier, is in de bestaande wetgeving geenszins onbekend. Men vergelijke art. 766, vierde lid, W. v, Kh., artt. 786, 817, tweede lid, quot;W. B. Rv. Zie voorts de toelichting van art. 500, tweede lid Ontw. Overigens behoeft nauwelijks te worden gezegd, dat die wijze van oproeping in de hier bedoelde gevallen wen-schelijk is. Dat een deurwaarder een bevelschrift tot oproeping van den eenen echtgenoot, naar aanleiding van een verzoek van den anderen, aan de gemeenschappelijke woning komt beteeke-nen, moet, zoo mogelijk, worden vermeden.

Er bestaat geen reden om persoonlijke verschijning gebiedend voor te schrijven. Ter voorkoming van eene tegenovergestelde opvatting schijnt echter een uitdrukkelijk voorschrift niet overbodig.

Art. 160.

Vergelijk, behalve de toelichting der in het artikel aangehaalde artt. 500 en 508 Ontw., het hiervoren, op hl. 13 en 14 dezer Memorie, gezegde omtrent het uitdrukkelijk toekennen van het rechtsmiddel van hooger beroep.

ZEVENDE TITEL.

Fan de wettelijke gemeenschap van yoederen.

In dezen titel zijn de onderwerpen opgenomen, welker regeling voorkomt in den zevenden en den tienden titel van het Burgerlijk Wetboek.

Evenwel zal men niet aantreffen de tweede afdeeling van den zevenden titel; omtrent het beheer en de beschikking over de goederen, tusschen de echtgenooten gemeen, worden reeds in den zesden titel van dit ontwerp voorschriften aangetroffen. Tengevolge daarvan moest ook het opschrift van den thans besproken titel eene wijziging ondergaan.

De eerste afdeeling van den ontworpen titel handelt over den aanvang, den omvang en de ontbinding der gemeenschap, en dus over haren aard. Slechts eene der wijzen, waarop de gemeenschap ontbonden wordt (art. 165 Ontw.), geeft tot nadere bepalingen aanleiding, die, eene op zich zelf staande regeling bevattende, het natuurlijkst hare plaats in eene afzonderlijke

ocr page 246

86

afdeeling, de tweede, gevonden hebben. In de eerste afdeeling treft men voorts nog enkele bepalingen aan (de artt. 167 tot en met 170), welke zoowel in den Code Civil (Boek III, titel 5, hoofdstuk 2, afdeeling 5), als in het Wetboek van 1830 (Boek I, titel 7, afdeeling 6) in eene afzonderlijke afdeeling voorkomen. Laurent vat de bedoelde bepalingen met die over afstand der gemeenschap samen in eene afdeeling, welke tot opschrift voert; Des consequences de la dissolution de la communaute'. Dit voorbeeld is niet gevolgd. Wel is de afstand der gemeenschap afzonderlijk in eene derde afdeeling geregeld, maar de enkele bepalingen, die ten aanzien der verdeeling noodig zijn, schijnen, evenals in het bestaande wetboek, gevoegelijk te kunnen volgen op het artikel, dat de ontbinding der gemeenschap regelt.

De eerste afdeeling van het ontwerp is dus bestemd om de artt. 174 tot 178, 181 tot 186, de tweede afdeeling om den tienden titel, en de derde afdeeling om art, 187 tot 193 B. W. te vervangen.

Evenals dit elders geschied is, en om de redenen, bij den vijfden titel van het ontwerp opgegeven, bevat ook deze titel, in bet bijzonder de tweede afdeeling, eene op zich zelf volledige regeling van het onderwerp, en zal derhalve de vierde afdeeling van den zesden titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behooren te vervallen.

eerste afdeeling.

Ten aanzien der vraag, welke regeling van het goederenrecht de voorkeur verdient, wanneer de echtgpnooten niet zeiven bij huwelijksvoorwaarden daarin voorzien hebben, loopen , gelijk bekend is, de gevoelens zeer uiteen. Niet alleen bij verschillende volken, bij een zelfde volk, getuige het naburige Duitschland, treft men de meest uiteenloopende regelingen aan. Art. 1433 Ital. wetb. gaat zoover, de echtgenooten te verbieden eene andere gemeenschap dan die van winst en verlies te bedingen. Laurent stelt voor, de algeheele gemeenschap van goederen in België in te voeren, artt. 1445, 1451 van zijn avant-projet.

«ij zoo groot verschil van meening, schijnt hoofdzakelijk de beantwoording der navolgende vraag beslissend te moeten zijn: welke is de vermoedelijke wil der echtgenooten in het grootst aantal gevallen? Om dien te leeren kennen, speciaal om na te gaan, of hij zich uitspreekt ten voordeele eener bepaalde andere regeling dan de bestaande, heeft men geen zekerder middel dan de huwelijksvoorwaarden, welke gemaakt worden. Nu zal de bewering wel geene tegenspraak ontmoeten. dat alleen de meer gegoeden huwelijksvoorwaarden plegen te maken; en dezen, vooral in enkele provinciën, veelal gemeenschap van winst en verlies bedingen. De keuze zou dus gedaan moeten worden tusschen deze laatste en de algeheele gemeenschap van goederen. Waar dit het geval is, verdient zonder twijfel de bestaande gemeenschap de voorkeur, èn met het oog daarop, dat de huwelijken, waarbij gemeenschap van winst en verlies wordt bedongen, eene met betrekking tot alle huwelijken geringe uitzondering vormen, èn omdat de algeheele gemeenschap te voren in de meeste gewesten inheeinsch is geweest, terwijl het bij eene zoo diep in de maatschappelijke verhoudingen ingrijpende vraag niet aangaat, zonder overwegende redenen, met een geschiedkundigen toestand te breken. Ten slotte zij de aandacht gevestigd op de eenvoudigheid van het bestaande stelsel, dat ook in economischen zin voordeelig

ocr page 247

87

mag heeten, terwijl de nadeelen door de beperking van 's mans bevoegdheid en de ruimere gelegenheid om tot scheiding van goederen te komen , zoo niet geheel weggenomen , dan toch zeer verminderd zullen worden.

Art. 161.

De redactie van het eerste lid van art. 174 B. W. is vereenvoudigd, daar de omvang der gemeenschap in art. 162 wordt geregeld, en het dus onnoodig scheen het woord alyeheel te gebruiken; het tweede lid kon vervallen, omdat in het daar bepaalde wordt voorzien door art. 199 Ontw.

Van meer belang is de aan bet artikel toegevoegde beperking, waardoor de wettelijke gemeenschap alleen zal gelden bij eerste huwelijk, of bij die volgende huwelijken, bij wier voltrekking geene voorkinderen in leven zijn.

Thans worden de bijzondere voorschriften bij tweede of verder huwelijk in den negenden titel gegeven. Dat die, zoowel theoretisch als practisch , bijna onoverkomelijke moeielijkheden opleveren, is algemeen bekend; en er dient dus eene ernstige poging te worden beproefd om daaraan te gemoet te komen.

Maatregelen tot bescherming der voorkinderen zijn het eerst ingevoerd door de Lex Ilac edietali (L. 6 Cod. de sec nupt. V. 9), waarbij den hertrouwenden echtgenoot verboden wordt, als making, schenking of huwelijksgift, meer aan zijn nieuwen echtgenoot te geven dan een zijner voorkinderen uit zijnen boedel ontvangt.

Daar de Romeinen geene huwelijksgemeenschap kenden, was de toepassing van dezen rechtsregel betrekkelijk gemakkelijk; en de zwarigheden ontstonden dan ook eerst, sedert men, met uitbreiding van de woorden dier wet, baar beginsel op de gemeenschap ging toepassen. Vooral vermeerderden zij, toen de Fransche wetgever (in afwijking van hetgeen in ons vaderland, althans de provincie Holland, gegolden had) den regel huldigde, dat ook door de boedelmenging den nieuwen echtgenoot geen grooter voordeel opkomen mocht.

Hoe groot de boedel van den hertrouwden echtgenoot is, en welk aandeel zijne voorkinderen er van genieten, blijkt eerst bij zijn dood. Maar de vraag, hoe die cijfers zouden zijn, indien misschien vóór vele jaren geen boedelmenging had plaats gehad, is niet met juistheid te beslissen, omdat in dien tusschentijd allerlei omstandigheden kunnen zijn voorgekomen, die op het vermogen der echtgenooten invloed hebben gehad. Die alle weg te denken, en de rekening over te maken, alsof er steeds twee boedels geweest waren, zou een onbegonnen werk zijn. Daar komt bij, dat partijen bij den aanvang van hun huwelijk geen inventaris behoefden te maken, en dus ook de grondslag der berekening veelal gebrekkig zal zijn.

Dat de practijk in de toepassing der artt. 236 vlg. B. W. nog veel meer moeielijkheden heeft aan het licht gebracht, is zeker, maar, terwijl daarin door eene betere regeling te voorzien is, moest de zooeven ontwikkelde bedenking, die het beginsel raakt, van zelf leiden tot de vraag, of het niet beter is de bijzondere bepalingen ten aanzien van tweede huwelijken, gelijk men in Italië gedaan heeft, geheel op te heffen. Veelal zal zulk een huwelijk zelfs in het belang der voorkinderen zijn, terwijl hun in allen gevalle niet een recht ontnomen wordt, hoogstens eene verwachting, die door allerlei omstandigheden even goed verijdeld worden kan.

ocr page 248

88

s

Daarentegen levert, in andere gevallen liet hertrouwen den kinderen meer nadeel dan voordeel op, en zou het dubbel hard zijn, indien de tweede echtgenoot van zijn invloed gebruik maakt om zich ook nog een groot deel van de nalatenschap, die hen wacht, toe te eigenen. Recht mogen zij nog niet daarop verkregen hebben; dat zij billijke aanspraken hebben, wordt door de wet zelve erkend; het geheele rechtsinstituut der legitime rust op die opvatting.

Waar zoo van beide kanten gronden worden aangevoerd, is er geene reden om op het eeuwenoude rechtsbeginsel terug te komen , en traclite men liever door eene betere regeling in de bestaande bezwaren te voorzien. Als eerste stap daartoe wordt voorgesteld den regel terug te brengen tot zijne oorspronkelijke beteekenis, en bij tweede huwelijk geene wettelijke gemeenschap aan te nemen. De nieuwe echtgenooten zijn dan genoodzaakt huwelijksvoorwaarden aan te gaan , en zich daarbij rekenschap te geven van alle strijdige belangen ; wordt de nieuwe echtgenoot bevoordeeld, zoo is dit een gevolg van den bepaalden wil des hertrouwden, niet van een misschien niet door hem bedoelden samenloop van omstandigheden. En is het noodig, eenmaal tot eene berekening van het bedrag te komen, waarover hij beschikken mocht, dan heeft men althans een vasten maatstaf, waarnaar dit geschieden kan.

Zijn er geene huwelijksvoorwaarden, dan wordt, daar art. 215 Ontw. enkel op bedongen uitsluiting toepasselijk is, hel vermogensrecht der echtgenooten alleen beheci'scht door de bepalingen van den zesden titel. Het belang der voorkinderen zal dan voldoende beschermd worden door de artt. 949 en 1715 B. W.

Art. 162.

In dit artikel zijn, met weglating van wat als overbodig gemist kon worden, de artt. 175 en 176 B. W. onveranderd overgenomen. Waar geene wijziging beoogd wordt, is het wenschelijk ook geene andere omschrijvingen te bezigen. De bestaande hebben in de toepassing een bepaalden zin gekregen; verandering daarvan, waar geene verandering in de zaak zelve bedoeld wordt, slicht gpen nut en doet gevaar voor nieuwe rechtsonzekerheden ontstaan.

Art. 177 B. W. is niet overgenomen. Ondergeschikt mag het bezwaar heeten , dat naast winst van vruchten en inkomsten gesproken wordt, die elders als een gedeelte van de winst beschouwd worden. Maar het geheele artikel is overbodig, omdat alle voordeden en nadeelen , welke eene zaak oplevert, van zelf komen ten bate of schade van den eigenaar. Is dus de zaak gemeen , dan is dit ook het geval met al hetgeen tot haar behoort.

In den Code Civil, die dc onroerende goederen , aan de echtgenooten tijdens de huwelijksvoltrekking toebehoorende, niet in de gemeenschap deed komen, bestond voor nu. 2 van art. 1401 een goede grond, die evenwel noch voor ons bestaande recht, noch voor dat, hetwelk in dit ontwerp wordt voorgesteld, aanwezig is. Men vergelijke art. 179, 2°. B. W. van 1830.

Art. 163

Uit de tegenstelling van de artt. 175 en 177 B. W. kan men afleiden, dat de vruchten en inkomsten der in eene erflating, making of schenking begrepen goederen niet. aan de gemeenschap mogen worden onttrokken door den erflater of schenker. Vergel. Laurent, avant-projet, art. 1445, n0. 2 en 4. Zoodanige beperking is echter niet wenschelijk. Do consequentie vordert.

ocr page 249

89

dat den erflater of schenker ook daaromtrent vrijheid wordt gelaten. In den regel zullen zij, die een der echtgenooten op zulk eene wijze bevoordeelen, tot diens naaste verwanten behooren, en geleid worden door de zucht om den bevoordeelde en de kinderen voor de gevolgen van verkwisting of wanbeheer van den anderen echtgenoot te bewaren. Zeker, het middel van scheiding van goederen wordt in dat geval toegekend, maar men vergete niet, dat het openlijk optreden, daarbij noodig, eigenaardige bezwaren heeft, zoodat menigwerf daartoe slechts in het uiterste geval wordt overgegaan.

Nu art. 177 B. W. vervallen is, zou de vraag kunnen gedaan worden, of eene bijzondere vermelding der vruchten en inkomsten wel noodig is. Zij is toestemmend beantwoord, omdat men anders uit het beginsel van art. 162 zou kunnen afleiden, dat de erflater of schenker niet omgekeerd, de goederen buiten de gemeenschap latende, gemeenschap der vruchten bepalen kan. Om zijne volledige vrijheid van beschikking uit te spreken , is van beiden melding gemaakt.

Het tweede lid geeft hem de bevoegdheid om ten aanzien van de in zijne beschikking begrepen goederen zoowel art. 141 als art. 145 uit te sluiten; dat hij ze onder beheer van een bewindvoerder stellen kan, is niet uitdrukkelijk gezegd, maar spreekt van zelf.

De vraag, in hoeverre de legitieme portie hij de bevoordeelingen, in dit artikel bedoeld, aan de gemeenschap kan worden onttrokken, waaromtrent nu (artt. 960 en 967 B. W.) twijfel kan bestaan, is te dezer plaatse buiten behandeling gelaten, omdat de vaststelling der grenzen van het verbod van beschikking niet buiten verband met dat verbod zelf, en met de bevoegdheid om tegen zoodanige beschikking op te komen, behoort te geschieden.

Art. 165.

Van rechtswege, namelijk als rechtsgevolg van een ander feit, wordt de gemeenschap ontbonden door ontbinding van het huwelijk (natuurlijk voor zoover de gemeenschap dan nog niet ontbonden is), door scheiding van tafel en bed eu door de verklaring van vermoedelijk overlijden van een der echtgenooten; zelfstandig, in het geval van scheiding van goederen. De uitdrukking van het Burgerlijk Wetboek, dat de gemeenschap ook door scheiding van goederen van rechtswege ontbonden wordt, kon dus niet behouden blijven. Doch eenvoudiger en meer met de taak eens wetgevers overeenkomstig is het, dit verschil, als van leerstelligen aard, niet in de wet aan te roeren. Dat de bijzondere gevolgen van de ontbinding in sommige gevallen elders worden geregeld (lid 2 van art. 181 B. W.) , behoefde niet uitdrukkelijk te worden vermeld.

Onder ée'n opzicht wordt in het bestaande recht eene niet onbelangrijke wijziging gebracht. Naar art. 181, 2quot;, B.W. wordt de gemeenschap, in geval van afwezigheid van een der echtgenooten , ontbonden door het aangaan van een nieuw huwelijk; volgens het voorgedragen nummer 4 reeds door de verklaring van vermoedelijk overlijden. De vraag, welke dier beide regelingen de beste is, heeft zich ook de wetgever van 1838 gesteld. Art. 539 B. W. rust op het beginsel, dat de gemeenschap door de verklaring van vermoedelijk overlijden zal ontbonden zijn , wanneer de echtgenoot het verkiest. De zwakheid van dit stelsel blijkt vooral daaruit, dat de wetgever, wilde hij de gemeenschap niet tot den dood van den echtgenoot des vermoedelijk overledenen doen voortduren, eenen willekeurigen termijn moest stellen, gedurende welken de inbezitneming

m

ocr page 250

90

van de goederen door de vermoedelijke erfgenamen opgeschort zou zijn. Willekeurig, omdat, was er geen voldoende grond om aan te nemen dat de afwezige niet meer in leven is, ook geene verklaring van vermoedelijk overlijden had behooren te zijn uitgesproken. Er is geene afdoende reden, waarom art. 521 Ontw. ook niet ten aanzien der huwelijksgemeenschap zou gelden. Hetgeen door NicoiyAï (Vookduin, III, blz. 251) ter verdediging van art. 539 is aangevoerd, gaat geheel uit van de onderstelling, dat de afwezige nog leeft; eene onderstelling, die met de verklaring van vermoedelijk overlijden door den rechter natuurlijk in lijnrechte tegenspraak is. Ten slotte zij opgemerkt, dat de belangen van den echtgenoot, voor zoover deze naar billijkheid in aanmerking kunnen komen, door het nieuw ontworpen art. 531 voldoende beschermd zijn.

Het voorgedragen stelsel is dat van art. 1441 Ital. wetb.

Art. 166.

Dit artikel, hoewel niet van eenige hardheid jegens den vermoedelijk overleden verklaarde vrij te pleiten, wordt door het belang van derden gebiedend gevorderd. Evenals in de artt. 144, 185, 199 en 211 Ontw. meende men herhaalde afwisseling in den vermogenstoestand der echtgenooten te moeten voorkomen.

De strafbedreiging van art. 182 B. W. tegen den langstlevende der ouders, die, wanneer er minderjarige kinderen aanwezig zijn, verzuimt eene boedelbeschrijving te doen opmaken, wordt in het ontwerp niet teruggevonden. Zij schijnt niet van onbillijkheid vrij te pleiten, en geeft aanleiding tot verschil van opvatting en moeilijkheden. Wat dit laatste betreft, zij vooral gewezen op de onzekerheid van den eigendom van onroerende goederen. Daar in de poenale sanctie, het voortduren der gemeenschap, de reden ligt, waarom in dezen titel van de verplichting tot, het opmaken van een inventaris wordt melding gemaakt, kan het voorschrift daaromtrent hier vervallen. Dat het ontwerp overigens zorgt, dat de langstlevende echtgenoot, indien deze het beheer heeft over het vermogen zijner kinderen , zich aan die verplichting niet straifeloos kan onttrekken , spreekt van zelf. Men vergel. de artt. 353, 355, 1quot; in verband met 417 en 420, alsmede art. 362 Ontw.

Art. 167.

De redactie van dit artikel is eenvoudiger dan die van art. 183 B. W., en brengt mede, dat niet alleen de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek, maar ook die van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omtrent boedelscheiding toepasselijk zijn.

Art. 168

Vermeden is de in art. 184 B. W. voorkomende uitdrukking: «kunnen worden teruggevorderd», die op het denkbeeld van eene rechtsvordering zou kunnen brengen. Voorts zijn de «papieren en gedenkstukken» van de overige voorwerpen gescheiden. Bij eerstgenoemden ligt het motief der bepaling daarin, dat het familiestukken zijn, voor eene andere familie van geene waarde; bij de kleedingstukken en gereedschappen daarin, dat de echtgenoot, die ze uitsluitend

ocr page 251

91

gebruikt heeft, te zeer ontriefd zou worden; bij kleinooden, boekerijen en verzamelingen , dat zij een voorwerp van bijzondere gehechtheid van een der echtgenooten uitmaken , terwiji de andere niet verondersteld wordt er zoodanig belang in te stellen.

Daarom moeten de familiepapieren enz. worden toegescheiden ook aan de erfgenamen; de overige zaken enkel aan den echtgenoot zeiven, niet aan zijne erfgenamen , die hierop geene bijzondere betrekking hebben.

Het bepalend lidwoord is weggelaten, omdat het denkbaar is, dat de echtgenoot of de erfgenamen niet al de bedoelde voorwerpen behouden willen.

Art. 169,

Hetgeen in het eerste lid wordt voorgeschreven, volgt voor het bestaande recht uit de artt. 1146, 1147 B. W., die ten deze ingevolge art. 183, tweede lid, van dat wetboek ook van kracht zijn. Het schijnt echter wenschelijk het hier als beginsel uit te drukken , waaraan zich dan als van zelf de bepaling van het tweede lid aansluit.

De aansprakelijkheid van den man is tot zijne erfgenamen uitgestrekt, omdat dezen uit den aard der zaak geroepen zijn om de moeielijkheden, uit het beheer van hun erflater voortvloeiende , af te wikkelen.

Art. 170.

Dit artikel geeft, met eenige vereenvoudiging van redactie, art. 186 B. W. geheel terug.

TWEEDE AFDËELING.

Met de uitdrukking «scheiding van goederen» heeft het tegenwoordig wetboek twee verschillende zaken op het oog; vooreerst, de ontbinding der gemeenschap, door dc vrouw', buiten de gevallen van art. 181, n0. 1 tot 4, uitgelokt; ten andere, het ophouden van het beheer des mans over de goederen der vrouw. Is het nu al op zich zelf niet raadzaam tweeërlei begrip door e'e'n woord weer te geven (evenmin als het gebruiken van verschillende uitdrukkingen voor e'e'n begrip), ten deze komt daarbij, dat scheiding gemeenschappelijk eigendom onderstelt, zoodat «scheiding van goederen» zeer ten onrechte in de tweede beteekenis wordt gebezigd. De scheiding van goederen, in dezen zin opgevat, wordt in het ontwerp als «overneming van beheer» aangeduid, en is overgebracht naar den zesden titel (artt. 142, 143, 144).

Art. 171.

Door de vermelding in het eerste lid, dat scheiding van goederen alleen door rechterlijke uitspraak op vordering van de vrouw tot stand kan komen, wordt scheiding van goederen bij onderlinge toestemming uitgesloten. Het laatste lid van art. 241 B. W. kon derhalve vervallen.

Het beginsel, dat alleen de vrouw scheiding van goederen kan vragen, is, als uitvloeisel van art. 140 Ontw., behouden. De vrouw, die geen recht heeft om de goederen der gemeenschap te beheeren of daarover te beschikken, kan ze daarom ook niet in gevaar brengen;

ocr page 252

92

en zoo hare uitgaven bij het beheer der huishouding van dien aard zijn , dat bet gemeenschappelijk vermogen die niet dragen kan, geeft het tweede lid van art. 146 den man de bevoegdheid om daaraan op eenvoudige wijze een eind te maken.

Dat de vordering staande huwelijk moet gedaan worden, zooals art. 241 li. W. zegt, spreekt van zelf; wat reeds (door de ontbinding van het huwelijk) ontbonden is, kan niet meer ontbonden worden. Daarom komt de vordering ook niet toe aan de erfgenamen der vrouw.

Eene andere vraag is echter, of de erfgenamen den door de vrouw ingestelden eisch kunnen voortzetten, hetgeen onder de tegenwoordige wetgeving wel eens is tegengesproken. In het ontwerp wordt zij bevestigend beantwoord. Deze voortzetting heeft toch niet ten doel om te doen ontbinden wat reeds ontbonden is, maar om, tengevolge van de terugwerkende kracht van bet vonnis (art. 180) de gemeenschap als op een vroeger tijdstip ontbonden te doen beschouwen.

In navolging en met uitbreiding van hetgeen art. 187 B. W. bepaalt omtrent het recht om afstand van de gemeenscbap te doen , wordt elke afstand of beperking van het recht om scheiding van goederen te vragen, in het derde lid, op straffe van nietigheid, verboden.

Art. 172.

Met de dubbele beteekenis, welke scheiding van goederen in het Burgerlijk quot;Wetboek heeft, houden de in art. 241 van dat wetboek opgenoemde gronden , waarop zij kan gevorderd worden , verband, zoo dat die, onder 2°. opgenoemd, betrekking hebben op het geval, dat de vrouw aan 's mans beheer over haar goed een einde wenscht te maken, die onder 1°. op de ontbinding der gemeenschap. In het stelsel van het ontwerp blijven derhalve enkel de in de laatste plaats genoemde over.

Voor de uitdrukking, dat de man «het huisgezin aan ondergang blootstelt», is in de plaats gekomen, dat bij «de goederen der gemeenschap in gevaar brengt». Deze laatste woorden zijn meer bepaald, en men behoeft ook niet verder te gaan om de vordering te rechtvaardigen , die juist strekt om het gedeelte , dat aan de vrouw in het gemeenschappelijk vermogen toekomt, te beveiligen.

Als oorzaken, waardoor dat gevaar moet ontstaan, zijn aangenomen wangedrag, verspilling of slecht beheer. Naar het Burgerlijk Welhoek moet er, om den eisch te wettigen, verspilling bestaan van het goed der gemeenschap. Die verspilling moet een gevolg zijn van kennelijk wangedrag, en een zoo hoogen graad bereiken, dat het huisgezin daardoor aan ondergang is blootgesteld. Alleen op verspilling komt het dus aan; al blijkt de man geen denkbeeld van beheer te hebben, dit is onverschillig, terwijl het Ilal. wetb. (art. 1442), juist omgekeerd, al het gewicht op slecht beheer legt. Doch ook dit is eenzijdig. De ware grond is: gevaar voor de gemeenschap, aanwezig door de schuld des mans.

Wanneer het. beheer, door de wet aan den man toegekend, gevaar voor het gemeene goed ten gevolge heeft, moet de wet daartegen hulp verleenen.

Wangedrag behoeft, om gevaar op te leveren, niet altijd kennelijk te zijn. Bij de grootere gemakkelijkheid om zich te verplaatsen, zal het lichter kunnen verborgen worden, minder bekend, minder kennelijk, maar niet minder gevaarlijk zijn. Het behoeft ook niet noodwendig met verspilling of slecht beheer gepaard te gaan, om gevaar op te

ocr page 253

93

leveren. Verspilling, slecht belieer zijn — vooral waar geene rekening behoeft te worden afgelegd — ook soms moeielijk te bewijzen. Wettigt het gedrag en de levenswijze van den man de vrees, dat hij onverhoeds het goed der gemeenschap zal misbruiken of door zijne roekeloosheid in de waagschaal stellen , dan komt het ontwerp de vrouw te hulp.

Art. 173.

De eisch wordt aangebracht, zonder dat thans bij de artt. 804—806 W. B. Rv. gevorderde machtiging van den president der rechtbank wordt vereischt. Niet enkel omdat die geen nut heeft; — men kan toch aannemen dat een eisch als de onderwerpelijke niet dan bij het bestaan van dringende noodzakelijkheid wordt ingesteld; — maar zij geeft aanleiding tot eene vertraging, waarvan gebruik gemaakt kan worden om het weinige, dat anders nog gered had kunnen worden, weg te maken.

De genoemde artikelen , in het ontwerp niet overgenomen, zullen derhalve vervallen.

Art. 174.

Weggelaten is de aanplakking aan het gebouw der rechtbank, omdat die niet bijzonder doelmatig kan geacht worden. Daarentegen wordt in het ontwerp — hetgeen niet het geval is in het tegenwoordig art. 807 W. B. Rv. — nederlegging van een afschrift der dagvaarding lei-griffie bevolen. Opmerkzaam geworden op het instellen van den eisch, bijzonder door de plaatsing der aankondiging in het nieuwsblad, kunnen de schuldeischers op de griffie de gronden, waarop hij rust, vernemen , en zijn zoodoende in de gelegenheid om , wanneer zij willen tusschen-komen , de gegrondheid van den eisch tegen te spreken. Vergel. art. 176 Ontw.

Art. 175.

De maatregelen, in art. 808 W. B. Rv. overeenkomstig ai-t. 245 B. W. verordend, moeten, om hun doel: het voorkomen, dat de goederen worden weggemaakt en verspild, te bereiken, gelijktijdig met het uitbrengen der dagvaarding (door welke, na het vervallen der artt. 804—806 W. B. Rv., de man voor het, eerst van den tegen hem ingestelden eisch kennis bekomt) kunnen worden tenuitvoergelegd. Dat het verlof tot die maatregelen vóór de beteekening der dagvaarding kan worden verleend, volgt uit art. 175. Overigens zij ten aanzien van dit artikel verwezen naar de toelichting van art. 157, waar voor het geval dat de vrouw het beheer over haar eigen goed wil overnemen, ten aanzien barer roerende goederen dezelfde maatregelen worden toegestaan als hier ten aanzien van de roerende goederen der gemeenschap. Vergelijk voorts de artt. 242 en 267 Ontw.

Art. 176.

Dit artikel doet scherper dan art. 243 B. W. uitkomen, dat een schuldeischer de scheiding niet kan tegenhouden, omdat hij er belang heeft, dat zij niet tot stand komt, doordien b. v. de vrouw eene rijke erfenis te wachten heeft. Het recht van tusschenkomst wordt hem gegeven, om zich tegen samenspanning der echtgenooten te verzetten; hij kan daarom het afdoende van

ocr page 254

94

de gronden, waarop de vrouw beweert, dat het gemeenschappelijk goed door den man in gevaar wordt gebracht, betwisten; hij kan wijzen op het onvoldoend bewijs dier feiten; zijnerzijds dat bewijs door tegenbewijs ontzenuwen; kortom, hij kan «de gegrondheid van den eisch betwisten ».

Hij den eersten opslag schijnt het vreemd, dat dit artikel van het denkbeeld uitgaat, dat de echtgenooten afzonderlijke schuldeischers hebben. Geheel onmogelijk is dit, zelfs bij geheele gemeenschap, niet; namelijk in het geval van art. 163 Ontw., maar de vermelding hier heeft vooral dit practisch nut. Jat nu geene nadere bepaling omtrent de bedoelde schuldeischers behoeft te worden toegevoegd aan het derde lid van art. 214 Ontw., hetgeen anders, ter vermijding van quaestiën, wenscbelijk ware geweest.

Art. 177.

Art. 809 W. B. Rv. bereikt het doel niet, dat, het op het oog heeft. Aan dat. artikel wordt volkomen voldaan, wanneer de openbaarmaking van art. 807 W. B. Rv., daags vóór het nemen der conclusie, geschiedt. Laat de man verstek gaan, of neemt hij tenzelfden dage conclusie, dan kan, naar art. 288 W. B. Rv., geene tusschenkomst meer plaats hebben; zoodat de schuldeischers, gesteld zij konden uit de bekendmaking de gronden, waarop de eisch rust, vernemen, maar e'e'n dag hebben voor hunne tusschenkomst. Om hierin verbetering te brengen, is bij art. 15 der derde afdeeling van den zesden titel, boek IV, van het ontwerp van een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in het jaar 1865 aanhangig geweest bij den Raad van State en in 1865—1867 onder toezicht van Mr A. A. be Pinto uitgegeven, eene regeling ontworpen , waarmede nagenoeg overeenstemt, hetgeen in de eerste drie leden van art. 177 voorkomt. Gezegd art. 15 vordert , dat acht dagen te voren de openbaarmaking bebbe plaats gehad. Dit schijnt te weinig. Het ontwerp stelt den termijn op twee weken, en kent de schuldeischers bovendien vier weken toe, gedurende welke voor hen de gelegenheid tot tusschenkomst openstaat. Eene tijdruimte van zes weken, gevoegd bij de omstandigheid, dat het afschrift der dagvaarding ter griffie wordt nedergelegd, mag geacht worden eene voldoende gelegenheid te verscliafTen , om voor hunne belangen te waken.

Art. 178.

Vergel. de artt. 251, 267 Ontw.

De regel van art. 810 W. B. Rv. schijnt te ver te gaan. Dat voorschrift onderstelt samenspanning, wanneer de man bekent (of, gelijk wordt aangenomen, niet verschijnt). Men mag vragen, of dit eene menschkundige onderstelling is, en of in den regel hij niet geloofd zal kunnen worden, die zijne eigen schande toegeeft. Voor het geval, dat men inderdaad den rechter wil gebruiken, om in strijd met de wet, zonder dat daartoe voldoende gronden bestaan , de gemeenschap te ontbinden, geeft het ontwerp het middel, dien toeleg te verijdelen.

Art. 179.

Dit artikel strekt om den tijd van onzekerheid, voor zooveel het doenlijk is, zonder dat partijen in de behartiging hunner belangen geschaad worden, te bekorten. Vergel. de artt. 253, 267, 274 Ontw.

ocr page 255

95

Art. 180.

Door dc uitspraak der scheiding wordt niet een bestaand recht erkend, maar een nieuwe toestand in het leven geroepen. Zonder opzettelijke bepaling, zou derhalve de scheiding van den dag der uitspraak afwerken. Intusschen behoort de gedaagde, door ongegronde tegenspraak , geen nadeel aan de eischeres te kunnen berokkenen, hetgeen in deze te eer mogelijk zou zijn , omdat het recht, hem door art. 140 Ontw. toegekend, hem niet ontnomen is, nadat de eisch is ingesteld.

Het is echter in het belang van het gemeene goed, dat het niet onbeheerd blijft; daarom moeten daden van beheer, ten aanzien van dat goed verricht, niet door de terugwerkende kracht worden aangedaan.

Voorts brengt de billijkheid mede, dat derden, die te goeder trouw gehandeld hebben, niet slachtoffers worden van eene omstandigheid, die zij niet hebben kunnen kennen. Daarom wordt de terugwerkende kracht niet uitgestrekt tot handelingen, door derden., tot den dag na de geheele openbaarmaking van den eisch, te goeder trouw met den man verricht; eene bepaling, die aan de vrouw geen groot nadeel zal berokkenen, omdat de openbaarmaking bijna op denzelfden dag geschieden kan, waarop de dagvaarding wordt uitgebracht.

Art, 181.

Behalve het plaatsen van een uittreksel van het vonnis in het bij art. 811 W. B. Rv. aangeduid dagblad, schrijft dat artikel, ter openbaarmaking van de scheiding, voor, dat een gelijkluidend uittreksel gedurende een jaar aangeplakt zal blijken in dc gehoorzaal der arrondissementsrechtbank van de woonplaats van den man en dat andere zullen aangeplakt worden in de gemeente, binnen welke die woonplaats zich bevindt, op de plaatsen waar zulks te doen gebruikelijk is. Men heeft gemeend van beide laatste middelen om de uitspraak ter algemeene kennis te brengen te kunnen afzien. Het aantal lezers van hetgeen in eene gehoorzaal of aan den openbaren weg, ah geschrift, aangeplakt staat, is niet groot. Daarentegen mag het ontwerp het middel van bekendmaking, reeds bij de artt. 142, 187 en 206 Ontw. voorgeschreven, hier te minder ongebruikt laten, nu de scheiding, naar art. 185, een blij venden toestand te weeg brengt. Echtgenooten, tusschen wie scheiding van goederen is uitgesproken, staan in dezelfde verhouding tot elkander, als zij, die bij huwelijksvoorwaarden gemeenschap van goederen alsmede gemeenschap van winst en verlies hebben uitgesloten (art. 215) met beding, dat de vrouw haar goed zal beheeren. Die bedingen werken, naar art. 206, tegen derden niet, dan voor zooverre zij ter griffie zijn ingeschreven in het register, bedoeld bij art. 142. De rechtszekerheid en de consequentie gebieden derhalve beide, dat, ingeval van scheiding van goederen, dezelfde wijze van openbaarmaking gevolgd worde. De inschrijving zal altijd eenigszins gebrekkig werken om de terugwerkende kracht van het vonnis; derden die alleen op het register afgaan, worden op deze wijze niet. beveiligd ten aanzien van handelingen vóór de inschrijving met de echtgenooten verricht; doch dat het hun daarna zekerheid verschaft, is reeds van groot belang; terwijl de openbaarheid, welke aan den eisch moet gegeven moet worden, hen voldoende in de gelegenheid stelt om te waken, dat hunne belangen geene schade lijden.

ocr page 256

96

De wijze, waarop de openbaarmaking door middel van het nieuwsblad verzekerd kon worden, lag voor de hand; de griffier zal niet inschrijven dan nadat hem de aankondiging vertoond is. Maar moeielijker was de vraag, door welke middelen de inschrijving zelve, waaraan het meeste gelegen is, omdat zij eene voortdurende openbaarmaking is, verzekerd zoude worden.

Het ware te gestreng, en ook niet overeenkomstig art. 20G Ontw., tegen het verzuimen der inschrijving verval van het vonnis te bedreigen. Daarentegen zon het zooeven vermelde bezwaar, aan de terugwerkende kracht van het vonnis eigen, groote verwikkelingen kunnen te weeg brengen, indien men dat gevolg zonder beperking liet werken, zelfs wanneer de echtgenooten bet uittreksel eerst jaren na de uitspraak laten inschrijven. Men meende dus een middenweg te moeten kiezen, en wel door bij gebreke van inschrijving binnen drie maanden nadat het vonnis kracht van gewijsde bekomen heeft, ten aanzien van derden zijne terugwerkende kracht op te heffen, en het dan eerst tegen hen te doen werken van den dag, volgende op dien der inschrijving. In het tweede lid van art. 20G wordt eene gelijksoortige regeling aangetroffen.

Art. 246 B. W. is vervallen. Het door Nicor,\ï (Vookduin II blz. 427) uitgesproken vermoeden, dat de vrouw, die niet binnen een kort tijdsverloop tot verdeeling overgaat, geene ernstige bedoeling gehad heeft, is niet gerechtvaardigd. Veeleer neme men in aanmerking, dat veelal scheiding van goederen gevraagd wordt met het oog op toekomstige goederen, en het dikwijls niet wenschelijk is de vrouw te noodzaken eene kostbare procedure te beginnen , met het oog op de geringe waarde van hetgeen zij nog van het bestaand vermogen zal kunnen redden uit de handen van den verkwistenden man. Wanneer de waarde van het aanwezige gemeenschappelijke goed eenigszins aanmerkelijk is, zal haar eigenbelang een genoegzame prikkel zijn, om zoo spoedig mogelijk tot verdeeling te geraken.

Overigens schijnt de uitvoering van het vonnis tot scheiding van goederen, louter eene zaak tusschen de echtgenooten, voor derden van gering belang. De schuldeischers van den man zullen eerder hun voordeel zien in een toestand, waarbij het gemeenschappelijk goed onverdeeld blijft; zij, die verhaal konden hebben op het goed der vrouw, kunnen eenvoudig beslag leggen op hare onverdeelde helft, zonder in hunne rechten te worden verkort.

Eindelijk is het niet zonder bezwaar, het vonnis van rechtswege te laten vervallen, zonder dat daarvan aan derden blijkt, die daardoor altijd in het onzekere verkeeren, of er al dan niet scheiding van goederen tusschen de echtgenooten bestaat; vooral, wanneer het vervallen afhangt van de onzekere beantwoording der vraag, of de eisch tot verdeeling regelmatig wordt voortgezet.

Art. 182.

Bij dit artikel geldt het, tegenstrijdige belangen te verzoenen. Voor de vrouw is het wenschelijk, dat hoe eer hoe liever een einde worde gemaakt aan den feitelijk bestaanden onver-deelden toestand; de schuldeischers aan den anderen kant verliezen door de verdeeling wel niet het hun bij art. 183 toegekende recht van verzet, maar het is hun toch niet onverschillig, of de zaken al of niet in haar geheel zijn gebleven.

ocr page 257

97

Naar het ontwerp wordt de toestand gunstiger voor de vrouw, die slechts drie weken in plaats van twee maanden den bestaanden toestand moet laten voortduren; maar eveneens voor de schuldeischers, die nog na de derde openbaarmaking in het nieuwsblad eene week gelegenheid hebben om in verzet te komen, terwijl art, 812 W. B. Rv. hun na de derde plaatsing in het dagblad geen tijd meer laat.

Uit het voorgedragen tweede lid leide men niet af, dat de vrouw, mits zij gedurende eene week gewacht hebbe, de verdeeling in elk geval aan derden zal kunnen tegenwerpen. Vooreerst, is het recht der schuldeischers, hun bij art. 183 toegekend, om tegen de uitspraak in verzet te komen niet verloren gegaan; en, doen zij dit met vrucht, dan bestaat natuurlijk voor hen de verdeeling niet, eu zijn de goederen ten hunnen aanzien nog altijd gemeen. Maar bovendien zullen de schuldeischers, wanneer de verdeeling geschied is ter opzettelijke verkorting hunner rechten, het vonnis van scheiding eerbiedigende, aan art. 1377 B. W. het recht kunnen ontkenen om tegen die verdeeling op te komen.

Art. 183.

Door de redactie van dit artikel, dat bestemd is om art. 247 B. W. en art. 813 W. B. Rv. te vervangen, heeft men duidelijk willen doen uitkomen:

1° dat het verzet enkel tot grond mag hebben opzettelijke verkorting van de rechten der schuldeischers. Het gewone verzet door derden is derhalve uitgesloten. Behalve om hen, die met de echtgenooten handelen en door de terugwerkende kracht benadeeld zouden worden, te waarschuwen , is vooral met het oog daarop, dat de schuldeischers hunne bezwaren tegen de actie bij wege van tusschenkomst zouden kunnen doen gelden, aan den eisch zoo groote openbaarheid gegeven, dat onbekendheid daarmede niet kan worden aangenomen.

2° dat verzet alleen kan gedaan worden door schuldeischers, die niet in het geding zijn tusschen gekomen.

3°. dat verzet alleen binnen de tijdruimte van een jaar, dat berekend wordt van af de inschrijving, vrijstaat.

Een en ander heeft de strekking om de financieele rechtsverhouding der echtgenooten na een niet te lang tijdsverloop te doen vaststaan.

Het is niet de bedoeling geweest, verandering te brengen in de bepaling van art. 247 B. W., naar welke verzet nog vrijstaat, al is de scheiding reeds ten uitvoer gelegd; maar de vermelding hiervan is als overbodig weggelaten.

Art. 184.

Hetgeen art. 248 B. W. bepaalt, vloeit naar het bestaande recht voort uit de artt. 159 en 201, en is derhalve overbodig. Art. 201 B. W. is in dit ontwerp art. 145 geworden; dat juist bepaalt, dat de man ingeval van scheiding van goederen de beschikking over de vruchten en inkomsten uit het vermogen der vrouw verliest. Hierdoor wordt natuurlijk niet opgeheven hare verplichting om bij te dragen tot de kosten der huishouding en van de opvoeding der kinderen,

n

ocr page 258

98

welke in de artt. 137 en 138 Ontw. uitgesproken is. Het zou dan ook niet noodig zijn geweest daarvan hier op nieuw uitdrukkelijk gewag te maken, ware het niet, dat het er, in het belang van partijen, op aankomt, eene nieuwe procedure tusschen man en vrouw over de hoegrootheid der bijdrage te voorkomen, en eene eenvoudige regeling van dit punt aan de hand te doen.

Art. 185.

In dit artikel wordt het tegenovergestelde voorgesteld van wat tegenwoordig recht is. Volgens art. 144 Ontw. kan, wanneer de vrouw het beheer van haar goed heeft overgenomen, daarop door de echtgenooten niet worden teruggekomen. Nu zijn wel overneming van beheer en scheiding van goederen ongelijksoortige zaken, maar dit neemt niet weg, dat de reden , die tot dit voorschrift leidde, ook in geval van scheiding van goederen geldt. Zij is deze, dat gedurende het huwelijk hel goederenrecht der echtgenooten, zooveel mogelijk onveranderd moet blijven en dat, wanneer men eene uitzondering op dien regel toelaat, die uitzondering geen ruimte moet laten voor lichtvaardigheid en wispelturigheid, hetgeen het geval zou worden , als men telkens het gedane weer ongedaan kon maken.

Naar art. 199 Ontw. kunnen staande huwelijk huwelijksvoorwaarden niet worden herroepen of veranderd. Al moge nu voor het overige de verhouding der echtgenooten, tusschen wie scheiding van goederen bestaat, niet verschillen van die, welke door huwelijksvoorwaarden, houdende uitsluiting van de wettelijke gemeenschap en de gemeenschap van winst en verlies met beding, dat de vrouw het beheer van haar eigen goed zal voeren, wordt te weeg gebracht, dit onderscheid is er, dat in het eerste geval gebleken is, dat door het beheer van den man de gemeenschappelijke goederen in gevaar zijn gebracht. Waarom nu in dit geval herstel, d. i. eene verandering, toelaten, die, ingeval van huwelijksvoorwaarden, verboden is?

Wanneer men verder bedenkt, dat de vrouw na de scheiding van de gemeenschap afstand kan hebben gedaan, is er alle grond om aan te nemen, dat «het in denzelfden staat terugbrengen, alsof er geene scheiding had plaats gehad», geenszins iets eenvoudigs is, en herstel der gemeenschap, waar de echtgenooten samenspannen, lichtelijk tot benadeeling van schuld-eischers aanleiding geven kan.

Met het, herstel der gemeenschap vervallen de artt. 252 en 253 B. W.

Ook de artt. 249 en 250 B. W. worden in het ontwerp niet teruggevonden. In het onderwerp van het eerste artikel wordt voorzien door de artt. 141 en 148 Ontw. Wat het tweede aangaat, niemand zal op het denkbeeld komen den man verantwoordelijk te stellen, wanneer de vrouw, die van goederen gescheiden is, nadat zij met bewilliging van den rechter een onroerend goed heeft: verkocht, verzuimt van den koopprijs gebruik te maken of dien weder te beleggen. De beteekenis van art. 250 B. AV. ligt dus in het «ten ware». Het daargenoemde «helpen tot stand brengen» past niet meer in het stelsel van art. 147 Ontw., dat alleen bewilliging kent; na de scheiding ontvangt de man als zoodanig geene penningen; doet hij het feitelijk, dan valt de regeling buiten het huwelijksrecht; de man is in dat geval gemachtigde der vrouw of haar negotiorum gestor, en in die hoedanigheid aansprakelijk. Het «ten voordeele van den man strekken » scheen eindelijk te onbepaald.

ocr page 259

99

d e k d e a f d e e m n g.

Art. 1444 van het Ital. wetb. kent aan de vrouw of hare erfgenamen niet alleen de bevoegdheid toe om de gemeenschap te verwerpen, maar zelfs die om haar onder voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden, mits zich daarbij gedragende naar de voorschriften, omtrent verwerping of aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving van nalatenschappen vastgesteld.

Bij den eersten oogopslag schijnt deze regeling zich door hare eenvoudigheid aan te bevelen , maar toch bestaan er bedenkingen tegen, die de overneming onraadzaam doen zijn.

Vooreerst verschilt de toestand der vrouw ten eenemale van dien eens erfgenaams. Deze heeft hoegenaamd geen invloed op den staat van den boedel uitgeoefend; de vrouw is wellicht juist door hare zorgeloosheid of verkeerd bestuur der huishoudelijke zaken schuld van den ongunstigen toestand. «Men moet ook niet uit het oog verliezen » zegt Mr. Asser , §135, «dat de i( vrouw in de voordeden der gemeenschap heeft gedeeld, en dat het reeds op zich zelf een «buitensporig middel is, om door eene bloote verklaring zich te kunnen ontheffen, van hetgeen « men wettig schuldig was. »

Het recht om afstand te doen is, evenals dat om scheiding van goederen te vragen, een uitvloeisel van 's mans macht in het beheer van het gemeenschappelijk goed. Vooral waar, gelijk in het ontwerp, zijn recht om daarover te beschikken zeer beperkt wordt, mogen de verplichtingen der vrouw om in de schulden der gemeenschap te dragen niet zoozeer worden ingekrompen , dat daardoor voor haar alle risico weggenomen wordt. Men zoude anders gevaar loopen onrechtvaardig te worden jegens de schuldeischers en onbillijk voor den man , die b. v., in geval van echtscheiding, wel bij verwerping de onbeperkte beschikking over de gemeenschap zou verkrijgen, maar, bij aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, misschien gedurende geruimen tijd een soort van rekenplichtig beheer zou moeten voeren.

Vermelding verdient, hetgeen Laurent in zijn avant-projet, art. 1501, voorslaat; «Le «conjoint et les cre'anciers de la communautc' peuvent attaquer la renonciation, en prouvant «que l'e'poux renoncant a contribue a miner la communaute par ses desordres. Ils peuvent «intervenir dans l'instance pour combattre la demande.»

In hoofdzaak worden bij het ontwerp geene veranderingen gebracht in de voorschriften omtrent den afstand van de gemeenschap, zooals die thans bestaan. Eene eenigszins gewijzigde volgorde der bepalingen en samentrekking van sommige daarvan, voorts hier en daar andere uitdrukkingen, zullen , naar men zich vleit, regelmaat en duidelijkheid bevorderen.

Art. 186.

Dei-de lid. De woorden «ten ware zij zich als openbare koopvrouw mocht hebben verbonden », in het tweede lid van art. 187 B. W. voorkomende, treft men in het voorgedragen derde lid niet meer aan. Zij zijn overbodig, en geven slechts aanleiding tot verschil van opvatting en tot het vermoeden van tegenstrijdigheid tusschen het tweede en derde lid van het artikel. Zie Mr. Diephuis, hel Ned. Burg. Regt, IV, blz. 283.

ocr page 260

100

Fier de lid. Ten gevolge van de artt. 151 en 491 Ontw. moesten onder de schulden, die de vrouw, niettegenstaande den afstand, verplicht is te voldoen, ook gebracht worden die, welke door haar gemaakt zijn als beheerderes der gemeenschap.

Artt. 187 en 190.

Bij deze artikelen is de termijn, thans in de artt. 188 en 189 B. W. verleend, van e'éne tot drie maanden verlengd. De practijk schijnt die wijziging te eischen, met het oog op de vele gevallen, dat men den staat van een ingewikkelden boedel heeft te beoordeelen voor het nemen der beslissing.

Art. 190.

Tweede en derde lid. De bedoeling dezer bepalingen is, eene leemte der bestaande wetgeving aan te vullen.

De termijn voor de erfgenamen loopt altijd van den dag, waarop zij van het overlijden kennis dragen. Dit maakt somtijds de uitoefening van het recht voor hen onmogelijk, in de eerste plaats als zij minderjarig zijn, omdat dikwijls niet in tijds in de waarneming hunner geldelijke belangen voorzien zal wezen; in de tweede plaats als zij, ten gevolge der verwerping van de in de eerste plaats geroepen erfgenamen, van wier verwerping zij dikwijls niet tijdig kennis zullen dragen, als zoodanig optreden. Daarom bepaalt het ontwerp, dat de termijn niet loopt ten aanzien van minderjarigen, zoolang zij geen voogd hebben, of, wanneer de man zelf het ouderlijk gezag uitoefent, zoolang er geen raadsman is benoemd, en ten aanzien van hen, die als erfgenamen optreden ten gevolge der verwerping door de vóór hen geroepenen, eerst van den dag, waarop zij van de verwerping kennis hebben gekregen.

ACHTSTE TITEL.

Fan huwelijksvoorwaarden.

Eerste afdeeling.

De naam huwelijksvoorwaarden, oudtijds in Groningen gebruikelijk, is taalkundig juister dan huwelijksche voorwaarden: op dien grond is deze laatste uitdrukking, ofschoon reeds bij de Groot voorkomende, door eerstgemelde vervangen.

De volgorde der artikelen moest gewijzigd worden. Nadat het hoofdbeginsel op den voorgrond is gesteld, worden achtereenvolgens behandeld de wijze, waarop huwelijksvoorwaarden tot stand komen, de vraag, hoe een afzonderlijk recht op aangebracht of later verkregen goed moet worden aangetoond, en de werking zoo tusschen echtgenooten als tegen derden. De artikelen 200 en 201 B. W. zijn overgebracht naar den zesden titel. De overige artikelen der tegenwoordige eerste afdeeling hebben betrekking op den inhoud der huwelijksvoorwaarden; deze bepalingen, voorzoover men ze wilde behouden, werden in eene afzonderlijke afdeeling.

ocr page 261

101

de tweede, vereenigd, op welke nu zeer geleidelijk volgt de regeling in het bijzonder van twee hier te lande gebruikelijke gemeenschappen, welke, gelijk art. 289 van het Wetboek van 1830 dit uitdrukt, in algemeene bewoordingen plegen te worden aangeduid.

Art. 193.

Art. 194 B. W. kan bezwaarlijk onveranderd behouden blijven. Het bevat eene overtolligheid en is bovendien onvolledig. Overtollig is het voorschrift, dat de huwelijksvoorwaarden niet met de goede zeden of de openbare orde strijdig mogen zijn, want dit geldt voor alle overeenkomsten. Onvolledig is het artikel, omdat de huwelijksvoorwaarden bepalingen kunnen inhouden , niet afwijkende van eenigen regel opzichtelijk de wettelijke gemeenschap vastgesteld. Zoo wordt door het beding, dat de vrouw het beheer over haar goed zal voeren, enkel afgeweken van den regel, dat de man dat goed beheert (art. 141 Ontw.); door de bepaling der som, welke de vrouw jaarlijks tot de huishouding en de opvoeding der kinderen moet bijdragen , enkel van den regel, dat de vruchten en inkomsten van het goed der vrouw ter beschikking zijn van den man (art. 145 Ontw.).

Ook is het als eene fout aan te merken, dat art. 194 B. W., waarin het hoofdbeginsel nedergelegd moest zijn, dit niet uitdrukt, zoodat men het bij gevolgtrekking moet opmaken uit hetgeen naar de wet niet in de huwelijksvoorwaarden mag worden opgenomen (art. 195 B. W.); dit beginsel is, dat de echtgenooten bij huwelijksvoorwaarden de gevolgen van het huwelijk slechts ten aanzien van hun vermogen kunnen regelen. (Art. 1387 C. C. 1378 Ital. Wetb.) Voorduin, II, blz. 357. Bepalingen, als b. v. dat de kinderen in de leer van een zeker kerkgenootschap zullen worden opgevoed, behooren niet tot het gebied van huwelijksvoorwaarden.

Art. 194—196.

Met deze artikelen vergelijke men de artt. 84 en 85 Ontw. Het beginsel van art. 206 B.W., dat minderjarigen bij het maken van huwelijksvoorwaarden niet door dengene, die het ouderlijk gezag of de voogdij over hen uitoefent, worden vertegenwoordigd, maar zelve handelend optreden, beantwoordt geheel aan de vrij algemeen gedeelde zienswijze, dat alles wat het huwelijk aangaat van te persoonlijken aard is om vertegenwoordiging toe te laten; doch dat het nog niet rijpe inzicht daarbij door de meerdere ervaring van ouderen moet worden gesteund. Ditzelfde geldt ook voor den wegens verkwisting onder curateele gestelde volgens art. 506 tweede lid B. W., welk voorschrift men behield, maar hier beter op zijne plaats achtte.

In overeenstemming met art. 86 Ontw. breidde men de bepaling uit tot hen, die zelve gevoeld hebben, niet genoeg in staat te zijn om hunne belangen waar te nemen, en op eigen verzoek onder curateele zijn gesteld, zoodat geen van hen, die tot het aangaan van een huwelijk toestemming of verlof noodig hebben, bij het maken van huwelijksvoorwaarden voorlichting zal ontberen. Kan dit reeds op zich zelf redelijk geacht worden, het is vooral daarom noodig, omdat hij, die toestemming of verlof geeft, de zekerheid moet hebben, dat er geene andere huwelijksvoorwaarden bestaan, dan die, waarmede hij zich heeft kunnen vereenigen. De wegens krankzinnigheid onder curateele gestelden verkeeren, gelijk men zich herinnert, in een ander geval. Hun huwelijk wordt niet toegelaten; artt. 101 en 124 Ontw.

ocr page 262

102

Art, 206 B. W. vordert «den bijstand» van hen, wier toestemming bij het aangaan des huwelijks noodig was. Hoever dit gaat, kan verschillond worden opgevat. Verstaat men er hetzelfde onder als «toestemming», dan bestaat er geen afdoende waarborg tegen misleiding door onderschuiving van een ander dan het goedgekeurde ontwerp. Hiertegen wordt het best gewaakt, wanneer de aangewezen persoon bij het verlijden der akte tegenwoordig moet zijn, en zich kan overtuigen, dat de akte niet afwijkt van het door hem goedgekeurde ontwerp, of wel wanneer eene bijzondere notarieele volmacht de goedgekeurde bepalingen uitdrukkelijk inhoudt. Van daar de eisch tot medewerking, in art. 196 nader omschreven.

Op den regel, dat de medewerking der bedoelde personen noodig is, wordt eene uitzondering gemaakt ten aanzien van hen, die in het tweede lid van art. 85 Ontw. bedoeld zijn. Het betreft hier enkel de geldelijke belangen van den minderjarige, zoodat het voldoende is, indieij de voogd tot aanvulling van zijne onervarenheid optreedt. Uit het feit, dat de adscendent niet tot voogd benoemd werd, zou men zelfs dikwijls een vermoeden kunnen putten voor zijne mindere geschiktheid tot liet beheer van vermogensbelangen.

Wordt de toestemming volgens de artikelen 88 en 89 Ontw. door een rechterlijk verlof vervangen , dan wordt dezelfde rechter, die dit verleent, tegelijk geroepen om de huwelijksvoorwaarden te beoordeelen. Eene medewerking als partij in de akte kan van een rechter niet wel gevorderd worden; om evenwel hetzelfde gevaar te ontgaan, waarop boven gewezen werd, is in zoodanig geval de tegenwoordigheid des kantonrechters, zelfs al mocht de goedkeuring van de rechtbank afkomstig zijn, bij het verlijden der akte gevorderd.

Bij art. 206 Ontw. is aan partijen geheele vrijheid gelaten om alleen die bedingen , waarvan zij zulks wenschelijk achten, door inschrijving tegen derden te laten werken. Daar hiermede alleen hun eigen belang, niet dat van die derden gemoeid kan zijn, bestaat daartegen, indien de aanstaande echtgenooten meerderjarig zijn , geenerlei bezwaar. Maar anders wordt het, geval met minderjarigen en onder curateele gestelden; dezelfde reden, die het minder wenschelijk maakt, dat zij zelfstandig hunne huwelijksvoorwaarden vaststellen, moet er ook toe leiden om hunne vrijheid te beperken ten aanzien der vraag, welke bedingen tegenover derden zullen gelden.

Daarom is bepaald, dat de rechter bij zijne goedkeuring kan bevelen, welke bedingen moeten worden ingeschreven. Voor ben, die met medewerking van ouders, voogden of curators huwelijksvoorwaarden aangaan, was een dergelijk voorschrift onnoodig; omdat deze thans ook vóór de huwelijksvoltrekking kunnen worden ingeschreven, en die personen dit, zoo noodig, dus zeiven bewerkstelligen kunnen.

Overigens spreekt het van zelf, dat, wanneer hetzij de kantonrechter, hetzij de rechtbank het ontwerp hebben goedgekeurd, de akte der huwelijksvoorwaarden nog kan worden verleden met medewerking van hem, die baar aanvankelijk weigerde; zelfs, wanneer de aanstaande echtgenooten hierin toestemmen , met afwijking van het door den rechter goedgekeurd ontwerp.

Artt. 197, 198.

Verandering, waarmede thans, overeenkomstig art. 381 van het ontwerp van 1820, herroeping gelijkgesteld is, kan, naar art. 203 B. W., in de huwelijksvoorwaarden slechts gebracht worden met medewerking van de personen, die bij het maken van huwelijksvoorwaarden partij

ocr page 263

103

zijn geweest, te weten ; van de aanstaande echtgenooten, degenen , wier medewerking vereischt wordt, en hen, die de aanstaande echtgenooten , overeenkomstig het eerste lid van art. 227 Ontw., bij de huwelijksvoorwaarden door schenking bevoordeelden. Na het overlijden van een dezer laatsten kan dus geene verandering plaats hebben. Dit schijnt te ver te gaan. De gift werd'wellicht gedaan met het oog op eene schenking, die een ander bij dezelfde akte deed: zij moet dus vervallen , als de huwelijksvoorwaarden, tegen den zin des gevers, gewijzigd worden. Maar, willen de echtgenooten het offer brengen van de geheele schenking af te zien, dan is er geene aanleiding om ben te beletten, hunne geldelijke verhouding overigens zoodanig te regelen, als hun best voorkomt.

De medewerking van hem, die de aanstaande echtgenooten ter zake des huwelijks bij afzonderlijke akte bevoordeelt, wordt tot eene verandering der huwelijksvoorwaarden niet gevorderd. Hier toch bestaat niet het boven aangewezen verband, dat de verschillende bedingen in de huwelijksvoorwaarden tot een geheel maakt; zelfs is het denkbaar, dat het bestaan der huwelijksvoorwaarden of hun inhoud den gever onbekend bleef.

Art. 199.

Het beginsel van dit artikel en van art. 195 vindt men terug in de artt. 171 en 185 Ontw. en in het verbod van schenking en koop en verkoop tusschen echtgenooten (artt. 1715 en 1503 B, W.). Men vergelijke de artt. 205 en 211. Meer schijnbaar dan in werkelijkheid wordt het verlaten in art. 270. Hier toch wordt eene regeling getroffen voor een toestand, die bij het maken der huwelijksvoorwaarden niet werd voorzien en die niet de normale is.

Dat de onveranderlijkheid der huwelijksvoorwaarden niet vereischt wordt ter wille van derden, springt in het oog; voor dezen ware genoegzaam door publiciteit te zorgen. Zij zonden er niet erger aan toe zijn dan ingeval van scheiding van goederen en van overneming van beheer. Het groote bezwaar der onveranderlijkheid is, dat dwalingen in huwelijksvoorwaarden, welke gemaakt worden op een daarvoor zoo ongeschikt tijdstip als dat, hetwelk onmiddellijk aan het huwelijk voorafgaat, onherstelbaar worden.

Daar tegenover staat, dat bij het aangaan van het huwelijk de vermogensrechtelijke verhouding der echtgenooten voor goed moet vaststaan, om pressie van financieelen aard gedurende het huwelijk te voorkomen. Die onveranderlijkheid is reeds een beginsel van ons Oud-Hollandsch recht geweest. Zie Groenkwegen, de leyy. ahrog. in 1. 11 C. ad Senatuscons. Vellej. (IV. 29). Ware het anders, zegt de Utrechtsche schrijver A. van Wesel, de pactis dulalihux, de man zou zich norsch en grof tegenover de vrouw gedragen, tot dat deze de door hem gewenschte veranderingen inwilligde; «muiier autem vel blanditiis id evincere tentabit, vel muliebri procacia «et continuis jurgiis maritum vexabit usque adeo donec obtinuerit». Ook mag met betrekking tot de huwelijken van minderjarigen in aanmerking komen , dat menig zorgzaam vader slechts dan in het huwelijk van zijn kind toestemt, wanneer hij dit door goed ingerichte huwelijksvoorwaarden kan beveiligen tegen gevaren, welke hij door zijne grootere ondervinding bespeurt, terwijl het kind die als eene ongerijmdheid verwerpt. De mogelijkheid om de huwelijksvoorwaarden staande huwelijk te veranderen, zou er hem toe moeten leiden, bet huwelijk geheel tegen te gaan.

ocr page 264

104

Te eer kon men het beginsel van de artt. 204 en 202 B. W. blijven vasthouden, nu zooveel beter, met name door de artt. 140, 141 , 142 en 143 Ontw. voor het belang en het recht der vrouw wordt gewaakt.

Het Ital. Wetboek (art. 1385) huldigt het beginsel der onveranderlijkheid, terwijl het Saksisch Wetboek het verwerpt (§ 1691 , 1695).

Art. 200.

Art. 209 B. W. is deels overbodig, in zoover art. 202, tweede lid B. W. belet, dat de werking op een ander tijdstip aanvangt, en deels zelfs gevaarlijk, omdat de opvatting mogelijk blijft, dat de huwelijksvoorwaarden enkel door den dood van een der aanstaande echtgenooten vervallen; dan alleen toch is het zeker, dat het huwelijk niet meer volgen zal. Zoo stond eene der afdeelingcn der Staten-Generaal (Vooivduin II, hl. 386) de meening voor, dat zelfs een ander tusschenkomend huwelijk ze niet doet vervallen.

Wat de echtgenooten betreft, zou voor de bepaling, dat de huwelijksvoorwaarden na zeker tijdsverloop vervallen, misschien geene noodzakelijkheid beslaan; trouwen zij, al is het na vele jaren, maar zonder hunne voorwaarden te veranderen, dan kan men aannemen, dat die nog altijd zoo door hen worden gewild. Maar anders is het met den rechter, die zijne goedkeuring misschien alleen met het oog op den vroeger bestaanden toestand gaf. En vooral vergete men niet, dat onder de partijen der akte ook derden kunnen behooren, die schenkingen deden, en aan wier bedoeling zeker eene ongerechtvaardigde uitbreiding zou worden gegeven, indien zij gebonden bleven , terwijl de aanstaande echtgenooten zeiven hun voornemen reeds lang opgegeven hadden. Met het oog op art. 98 Ontw. koos men den termijn van een jaar; waarmede gelijk kan gesteld worden het geval, dat een der echtgenooten, reeds vóór den afloop van dien tijd, met een ander trouwt.

Voor afzonderlijke schenkingen wordt, volgens het tweede lid van art. 227, uitdrukkelijke aanneming gevorderd. Daardoor rijst de vraag, of de termijn loopt van den dag, waarop de schenking of erfstelling gedaan, dan wel van dien, waarop zij aangenomen is. Deze vraag wordt in het tweede lid beantwoord in eerstgemelden zin, omdat derden niet langer gebonden behooren te zijn door vertraging in de aanneming.

Artt. 201—204.

Ter beantwoording van de vraag, hoe bij de afrekening tusschen de echtgenooten of hunne rechtverkrijgenden een afzonderlijk recht op aangebracht of na de huwelijksvoltrekking verkregen goed zal kunnen worden aangetoond, strekken de artt. 214, 205, 220 en 221 B. W. (Vergel. art. 880 W. v. K.).

De artt. 214, 220 en 221 komen voor in de afdeeling, aan de gemeenschap van winst en verlies en die van vruchten en inkomsten gewijd. Alleen art. 205, dat evenwel enkel over roerende goederen handelt, behelst een meer algemeen voorschrift. Wat de onroerende goederen betreft, bewaart de wet, buiten het geval dat eene der vermelde gemeenschappen bedongen is, het stilzwijgen. Toch kan er bij de vrijheid, die partijen hebben om allerlei bedingen aan te gaan , ook in andere gevallen behoefte aan voorziening bestaan.

ocr page 265

105

Men heeft dus de thans geldende bepalingen meer algemeen gemaakt, en daarbij de dubbele onderscheiding behouden, eensdeels tusschen roerende en onroerende goederen (met welke laatste de op naam staande inschulden, effecten , aandeelen en schepen zijn gelijk gesteld), anderdeels tusschen de bij het aangaan des huwelijks aangebrachte en de later verkregen goederen.

Voor de aangebrachte onroerende goederen behoefde geene bijzondere regeling getroffen te worden; aan wien zij behooren, wordt door de titels aangewezen, en kan dus nooit onzeker zijn. ïn den regel zal men dit ook kunnen aannemen, wanneer, staande huwelijk, een onroerend goed om niet (door erfstelling, making of schenking) verkregen wordt. Maar met aangekocht goed is het anders gelegen. Daarbij staat wel tegenover derden de eigendom vast, doch tusschen de echtgenooten moet eene verrekening plaats hebben, waarbij dikwijls onzeker zal zijn , van welke zijde de koopsom kwam.

Omtrent de wijze, waarop dit punt zal worden onderzocht, moet veel aan het vrije oordeel des rechters worden overgelaten. In den regel beheert de man het goed der vrouw (art. 141), maar niet, dan bij zeldzame uitzondering, wordt daarvan geregeld verantwoording afgelegd. Gewoon wettig bewijs ware slechts zelden te leveren ; men kon dus niet verder gaan dan het voorschrift, dat de omstandigheid, dat een der echtgenooten het goed uit eigen middelen aangekocht beeft, ten genoege des rechters blijken moet.

Voor roerend goed daarentegen is geen uiterlijk bewijs van den eigendom , en neemt men dus, tenzij het tegendeel blijkt, aan, dat het aan ieder der echtgenooten voor de helft behoort. Bij de regeling van de wijze, waarop men van dit uitsluitend recht zal kunnen doen blijken, moest den rechter natuurlijk weder eene groote vrijheid gelaten worden: toch zijn enkele voorschriften mogelijk en wenschelijk.

In de eerste plaats kan men ten aanzien der door beide echtgenooten aangebrachte goederen vorderen, dat, indien zij op een bijzonder eigendomsrecht aanspraak willen maken, zij daarvan reeds bij de huwelijksvoorwaarden doen blijken. Zij regelen dan hunne geldelijke belangen, en er kan voor hen geen bezwaar zijn, daarbij van weerszijden te constateeren, hoe ver die belangen zich op dat oogenblik uitstrekken. Art. 202 handhaaft in zoo ver, wat ook thans naar art. 220 B. W. rechtens is; eene kleine verbetering is in zoover aangebracht, dat, indien zij eene afzonderlijke lijst opmaken, die enkel door hen en den notaris behoeft geteekend te worden. Er kunnen redenen zijn, waarom zij den juisten staat van hun vermogen niet aan vreemden bekend willen maken.

Ten opzichte van hetgeen staande huwelijk verkregen zou zijn, geldt weder volkomen de boven aangewezen moeielijkheid om het afzonderlijk eigendomsrecht van elk der beide partijen aan te toonen. Vooral is dit waar van de vrouw, die in de meeste gevallen het beheer niet gevoerd heeft. De daaromtrent thans in art. 221 B. W. gemaakte onderscheiding is in hoofdzaak behouden.

Dat de goederen, waarop iedere partij aanspraak maken mag, niet identiek dezelfde behoeven te wezen als oorspronkelijk door haar aangebracht of verkregen zijn, spreekt van zelf, zonder dat het noodig schijnt dit uitdrukkelijk in den tekst op te nemen. Bij geld of soortgelijke res fungibiles kan, gelijk bij arrest van den H. R. van 18 Januari 1867 (Ned. Regtsp. Dl. 85, § 13) beslist werd, ieder een gelijk bedrag, als hem aanvankelijk toekwam, terug nemen; terwijl ook op andere zaken bijzondere aanspraken zullen gelden, indien slechts blijkt, dat zij werkelijk in de plaats zijn getreden van die, welke in de schriftelijke bescheiden genoemd worden.

o

ocr page 266

106

Met de woorden «oiiverschillig hoe groot die waarde is» wenscht men de meening af te snijden, dat deze bepaling aan art. 1936 B. W. ondergeschikt zou zijn: terwijl de voorschriften van het derde en vierde lid het getuigenbewijs vergemakkelijken, door ook hen toe te laten , die in gewone gevallen uitgesloten zouden zijn.

Daarentegen is de « algemeene bekendheid» als bewijsmiddel niet overgenomen. Vermoedens kunnen in aanmerking genomen worden, wanneer de wet het bewijs door getuigen toelaat (Art. 1959 B. W.). De algemeene bekendheid, voorzoover haar eenige waarde is toe te kennen , Z!il een gevolg zijn van omstandigheden , die ook vermoedens kunnen opleveren. Wanneer men onder algemeene bekendheid zou begrepen achten verklaringen van getuigen, die niet op eigen waarneming berusten, of haar als eene vingerwijzing opvat, dat in dit geval minder behoeft te worden gelet op het voorschrift van art. 1959, dat de vermoedens moeten zijn gewichtig, nauwkeurig, bepaald en met elkander in overeenstemming, bestaat er groote kans, dat de man zal worden benadeeld.

Art. 205.

Het laatste lid van art. 202 B. W. zegt wel, dat geen ander tijdstip voor de werking van de huwelijksvoorwaarden mag worden bepaald, doch laat in het midden, of, wanneer dit toch gebeurd is, de huwelijksvoorwaarden in haar geheel vervallen, dan of zij op het oogenblik der huwelijksvoltrekking beginnen te werken. Deze laatste oplossing koos men, daar de echtge-nooten, die afwijken van de wettelijke gemeenschap, toon en , aan de door hen in het leven geroepen regeling de voorkeur te geven, en het daarom aan te nemen is, dat de dadelijke werking van deze het meest met hunne bedoeling zal overeenkomen.

Artt. 206, 207.

De regeling van art. 207 B. W. is in vele opzichten onbevredigend. Van ondergeschikten aard is het bezwaar tegen de woorden; «waarbij van de wettelijke gemeenschap geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken ». Reeds werd gezegd , dat er nog andere zaken in de huwelijksvoorwaarden kunnen voorkomen , en omtrent deze zal hetzelfde wel behooren te gelden. Van meer gewicht schijnt de volgende grief. Hoe actief de echtgenooten zijn, altijd zal er, vooral wanneer het huwelijk niet in de gemeente, waar de rechtbank zitting houdt, voltrokken wordt, eenige tijd verloopen tusschen de huwelijksvoltrekking en de overschrijving (in het ontwerp jwscbrijving genoemd). Immers de woorden van art. 207 B. W. brengen mede, dat de overschrijving niet vóór de huwelijksvoltrekking geschiedt. Er is naar de bestaande wet dus altijd eenig tijdsverloop, gedurende hetwelk de echtgenooten tegenover derden in wettelijke gemeenschap gehuwd zijn, en, wanneer het huwelijk in het buitenland wordt voltrokken, zal die tijdsruimte soms aanzienlijk wezen. Een menigwerf voorkomend beding is, dat de schulden, die vóór het huwelijk gemaakt zijn, buiten de gemeenschap moeten blijven; dit beding kan door art. 207 B. W. geheel illusoir worden gemaakt. Het maken van huwelijksvoorwaarden moet begunstigd worden , omdat zoodoende het huwelijk begunstigd wordt, in elk geval niet tegengegaan ; maar dan is in de eerste plaats noodig, dat hare werking tegen derden verzekerd zij. Daarom werd door verandering van het woord in in wordt de gelegenheid geopend om de

ocr page 267

107

huwelijksvoorwaarden reeds op den dag der huwelijksvoltrekking of zelfs nog vroeger in te schrijven.

Maar bovendien is, indien de aanstaande echtgenooten van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt hebben, aan de inschrijving, mits zij binnen een bepaalden korten tijd volgt, terugwerkende kracht toegekend. De schuldeischers worden daardoor niet in een slechteren toestand gebracht dan waarin zij waren op het oogenblik, waarop de schuld werd aangegaan , en zij , die een der echtgenooten in het vooruitzicht op een rijk huwelijk crediet bleven geven, hebben het zich zelf te wijten, wanneer zij schade lijden, en verdienen ook waarlijk geene bijzondere bescherming.

Met de in Nederland gesloten huwelijken kunnen die, door Nederlandsche mannen in het buitenland gesloten, worden gelijkgesteld. Treedt eene Nederlandsche vrouw met een vreemdeling in het huwelijk, dan verliest zij hare nationaliteit, en staat haar huwelijk in zooverre gelijk met dat, hetwelk tusschen twee vreemden in het buitenland aangegaan wordt.

Omtrent andere in het buitenland gesloten huwelijken bevat onze wet thans niets. Toch vordert, indien de echtgenooten zich in Nederland vestigen (hetzij zij Nederlanders zijn, die de inschrijving verzuimd hebben, of vreemdelingen, voor wie zij onmogelijk was), het belang der schuldeischers, met wie zij daarna in aanraking komen, dat ook van hen blijke, wat hunne geldelijke verhouding is. Daarom is ook te hunnen aanzien de werking der huwelijksvoorwaarden tegenover derden onderworpen aan de voorwaarde van inschrijving. Terugwerkende kracht heeft zulk eene inschrijving natuurlijk niet; maar toch vorderde de billijkheid (althans ten aanzien van vreemdelingen, voor wie art. 206 niet geschreven is), dat bij verbintenissen, vóór hunne vestiging ontstaan, hunne huwelijksvoorwaarden gelden zullen, zonder dat men hun het gemis der inschrijving hier te lande tegenwerpen kan.

Het maakte een punt van overweging uit, of in het belang van nasporingen door derden niet de griffie te Amsterdam voor alle in het buitenland voltrokken huwelijken zou kunnen worden aangewezen. De bedenking, dat dit onpractisch zou werken voor tal van grensbewoners, die een huwelijk in het buitenland aangaan, hield hiervan terug.

Men vergelijke het verslag der Staatscommissie voor de herziening der wetgeving op de eigendomsoverdracht van onroerende goederen, het hypotheekstelsel en het notariaat, blz. 57, 170, 355; — de Fransche wet, relative a la publieke' des contrats de mariage, van 10—18 Juli 1850; — Daixoz, Répertoire, contrat de mariage, n0. 275; — Margadé , Explication du Code Civil, Tome V, ad art. 1393, nquot;. VI; — Ontwerp van 1820, artt. 248, 249, 250, 842.

Art. 208.

Dit artikel strekt om de vraag, welke bij vonnis der rechtbank te Amsterdam van 25 Maart 1880 (Wbl. n0. 4559) behandeld is, in anderen zin dan toen geschiedde te beslissen.

Dat de bepaling, welke tegen de schuldeischers wordt ingeroepen, openbaar worde gemaakt, is noodig tot bescherming der schuldeischers; maar het gaat te ver, voor te schrijven, dat ook de beschrijving van art. 202 Ontw., die de wetgever zelfs toelaat aan de kennisneming der getuigen te onttrekken, worde ingeschreven. Overigens kunnen de schuldeischers uit eene inschrijving

ocr page 268

108

niet afleiden , dat de niet ingeschreven goederen gemeen zijn, omdat men aan de echtgenooten het recht niet kan ontnemen, om de aangebrachte goederen te verruilen, en ook staande huwelijk afzonderlijke verkrijging plaats heeft.

TWEEDE AFDEEMNG.

Art. 209.

Na in art. 193 Ontw. als beginsel op den voorgrond te hebben gesteld, dat bij huwelijksvoorwaarden alleen de gevolgen van het huwelijk ten aanzien van het vermogen kunnen geregeld worden, behoeft men niet te verbieden afwijkingen van de rechten, die uit de vaderlijke macht voortspruiten, of van de rechten, welke de wet aan de betrekking van langstlevenden echtgenoot heeft verbonden (art. 195 B. W-).

Art. 195 B. W. verbiedt verder afwijkingen van de rechten, welke uit. de macht van den man als zoodanig voortspruiten , en van de rechten , welke hem als hoofd der echt-vereeniging toekomen. Deze verbodsbepaling kan — daargelaten de vraag, of men hier met twee verschillende begrippen te doen heeft — althans in dezen vorm niet worden behouden. Macht van den man over zijne vrouw kent het ontwerp niet, en zelfs werd art. 160, eerste lid B. W. niet overgenomen. Men heeff er zich toe bepaald, in den zesden titel te zeggen, welke rechten aan ieder der echtgenooten ook ten aanzien van hun vermogen moeten toekomen. Daarvan kan niet worden afgeweken; zoo moet het niet vrijstaan te bedingen, dat de vrouw het goed der gemeenschap beheert; dat de man zonder medewerking der vrouw dat goed mag wegschenken; dat de vrouw hare onroerende goederen vrijelijk mag vervreemden; enz.

De verdere bepalingen van art. 195 zoowel als art. 196 B. W. zijn vervallen. Dat de vrouw het beheer barer goederen en het vrij genot harer inkomsten bedingen kan, volgt uit de artt. 141 en 145, n0. 2 Ontw; hare medewerking tot het vervreemden of bezwaren van ten haren name staande goederen behoeft niet meer bedongen te worden, nu art. 140 die tot regel stelt. Art. 196 B. W. kan, met het oog op de artt. 1109 en 1370 B. W., gemist worden.

Art. 210.

Door de uitdrukking: «andere wettelijke bepalingen dan die hier te lande van kracht zijn» heeft men op het oog uit te sluiten de toepasselijkverklaring van de Burgerlijke Wetboeken voor Nederlandsch Indië , voor Suriname en voor Curacao, die zouden kunnen gerekend worden, geene «buitenlandsche » wetten te zijn.

Art. 211.

Door huwelijksvoorwaarden wijkt men af van een duurzamen toestand, maar het moet dan ook zijn voorwaarde, dat men een anderen even duurzamen er voor in de plaats stelle. Evenmin als eene tijdsbepaling voor de in werking treding dei; huwelijksvoorwaarden wordt toegelaten , moet het mogelijk zijn, eene gemeenschap op een bepaalden tijd te laten eindigen,

ocr page 269

409

waardoor zij in eene andere gemeenschap overgaat of een geheel gescheiden toestand ontstaat. Die nieuwe toestand zou aanvang nemen op een ander tijdstip dan de huwelijksvoltrekking, en dit acht men in strijd met het beginsel van art. 205 Ontw.

Voorwaardelijke gemeenschap komt wel in dezen vorm voor. Bij het aangaan des huwelijks zijn de ouders van den man overleden; deze is in het bezit van eenig vermogen, de vrouw niet; nu wordt bedongen, dat, als een der echtgenooten sterft vóór den dood der ouders van de vrouw, de echtgenooten zullen gerekend worden te zijn getrouwd geweest in gemeenschap van winst en verlies; indien hij daarentegen daarna sterft, in algeheele gemeenschap van goederen. Dergelijke bedingen worden onder onze tegenwoordige wetgeving niet voor ongeoorloofd gehouden , maar kunnen tot groote moeielijkheden leiden. Doch ook al ware dit niet het geval, hij eene voortdurende verhouding als die der echtgenooten, wier rechtsbevoegdheid bovendien geheel verschillend is naarmate de goederen gemeen zijn of niet, is het gewenscht, dat men op elk oogenblik wete, wat dan voor hen rechtens is.

Artt. 212.

Men heeft bij art. 197 B, W. in minder woorden den inhoud der artikelen 1520 en 1521 G. C. willen teruggeven. (VooHDUist II, hl. 366). Daarbij zag men echter over het hoofd de in art. 1521, tweede lid, bedreigde straf; «la convention est nulle, si» enz. Over het rechtsgevolg van het beding bestaat dan ook een verschil van gevoelen, dat behoort te worden weggenomen. Pothier meent, dat de bestanddeelen van zoodanige overeenkomst onafscheidelijk zijn, en daarom met de bepaling van het aandeel in de lasten ook de bepaling van het aandeel in de baten moet vervallen. Men brengt dan te weeg, dat de echtgenooten voor de helft in beiden deelen, en wijkt verder af van hetgeen zij waarschijnlijk gewild hebben, dan noodzakelijk is. In de meeste gevallen zullen er meer baten dan lasten zijn, en men kan het als de redelijkste oplossing beschouwen, dat het aandeel in deze laatste zich naar dat in de eerste regelt.

Art, 213.

Bij de toelichting van art. 161 is uiteengezet, waarom het oude beginsel der lex Hac edictali behouden is, maar tevens, waarom van zijne toepassing in het vervolg alleen sprake zal kunnen zijn bij testamenten of huwelijksvoorwaarden. In de wijze, waarop die toepassing geregeld is, heeft men getrachi mede eenige verbeteringen aan te brengen.

Houdt men als grondslag van berekening den boedel van den hertrouwden echtgenoot, dan kan daarvan alleen sprake zijn, indien deze het eerst sterft. Bij alle andere wijzen van ontbinding des huwelijks kan men niet dan zeer oneigenlijk spreken van zijnen hoedel, waaruit de nieuwe echtgenoot (of diens erfgenamen) eenig voordeel zouden trekken. Maar ook in een ander opzicht faalt de berekening, daar de voorkinderen zeker op dat oogenblik uit den boedel van hun nog levenden vader of moeder niets krijgen, en, indien zij daarna, maar vóór dien vader of moeder, sterven, ook het aandeel der anderen geheel gewijzigd wordt.

Zuiver zou het dus zijn, indien men de goederen voorloopig verdeelde alsof er geene voorkinderen waren, en later, als de boedel des hertrouwden echtgenoots openvalt, aan de voorkin-

ocr page 270

no

deren, die er dan nog mochten zijn, het recht gaf om hetgeen dan zou blijken te veel genoten te zijn, krachtens het tweede lid van art. 236 B. W. terug te vorderen. Of de wetgever dit, gelijk Mr. van Hall, Handleiding, hl. 269, en Mr. Opzoomer, Burgerl. fVeth., I, hl. 324, leeren, gewild heeft, kan hier in het midden worden gelaten ; zeker levert zulk eene opvordering, misschien na vele jaren en van allerlei erfgenamen, die gedurende al dien tijd te goeder trouw in het bezit der goederen geweest zijn, groote bezwaren op. Geen wonder dus, dat de practijk getracht heeft een uitweg te vinden, die bij arrest van den H. R. van 23 Maart 1849 (Ned. Regtsp. Dl. 32, § 76) bekrachtigd is. Men veronderstelt bij de verdeeling, dat de hertrouwde echtgenoot gestorven is; berekent, hoe groot in dat geval het erfdeel van ieder zijner dan in leven zijnde kinderen zou zijn; en neemt dit tot maatstaf van het voordeel, dat erfgenamen van den werkelijk overleden echtgenoot (of deze zelf, als het huwelijk door echtscheiding, ontbonden wordtj ontvangen mogen.

Dat deze op ficties berustende berekening geheel willekeurig is, zal wel geen betoog behoeven ; maar bovendien leidt zij tot onjuiste gevolgen , omdat de wet uitdrukkelijk spreekt van het minste gedeelte, dat een der voorkinderen geniet; en het zeer wel mogelijk is, dat er bij den dood van den hertrouwden echtgenoot geene (of minder) voorkinderen zijn. De inkorting kan alsdan lichtelijk blijken geheel onnoodig geweest te zijn.

Daarom is het wenschelijk, te onderscheiden tusschen het geval, dat de hertrouwde echtgenoot het eerst sterft, en die, waarin het huwelijk op andere wijze ontbonden wordt. In deze gevallen mag de nieuwe echtgenoot, of mogen , gelijk meestal zal voorkomen, zijne erfgenamen uit de goederen van den ander niet meer genieten dan een vierde deel. Alleen als het huwelijk door den dood van den hertrouwden echtgenoot ontbonden wordt, en het bij de lex Mac edictali bedoelde geval zich dus zuiver voordoet, wordt als tweede eisch daaraan verbonden, dat dit e'e'n vierde niet grooter mag zijn dan het kleinste kindsgedeelte.

Dat de bevoordeeling zoo min zijdelings als rechtstreeks geschieden raag, is uit art. 238 B. W. overgenomen; de nadere omschrijving daarvan, en de vermelding, wie voor tusschen-komende personen worden gehouden, zijn achterwege gelaten, omdat, zoo eene bepaling daaromtrent noodig is, die toch niet alleen voor dit onderwerp behoort te gelden.

Volgt uit de gemaakte bedingen eene gemeenschap van winst, dan wordt deze, evenals thans in art. 240 B. W. voorgeschreven is, gelijkelijk verdeeld zonder bij de berekening van liet in te korten voordeel in aanmerking te komen. Daar zonder beding alle gemeenschap, ook die van winst, uitgesloten is, vervallen de meeste moeielijkheden, thans uit gemeld artikel voortspruitende.

Het vierde en vijfde lid zien op het geval, dat de hertrouwde echtgenoot geen gebruik heeft willen maken van zijn recht om teruggave van het te veel genotene te vorderen, of ook de verdeeling in strijd met het eerste en tweede lid heeft ingericht. Dit mag de voorkinderen, wier belang het eigenlijk geldt, zonder dat zij er op dat, oogenblik voor kunnen opkomen, niet benadeelen.

Art. 214.

Uit de omstandigheid, dat de gemeenschap van goederen regel, de huwelijksvoorwaarden uitzonderingen zijn, volgt noodwendig, dat, voor zoover daarvan niet is afgeweken, de be-

ocr page 271

411

palingen van den zevenden titel steeds van toepassing blijven. Men heeft deze redactie verkozen boven die, welke in art. 208 B. W. gevonden wordt, waar van de «regelen, welke opzicblelijk de wettelijke gemeenschap zijn voorgeschreven,» gesproken wordt. Immers onder die omschrijving zoude ook behooren hetgeen omtrent bet beheer der gemeenschap in den zesden titel voorkomt. Vat men de aangehaalde woorden letterlijk op, dan zou art. 208 B. W. toelaten, af te wijken van bet voorschrift van art. 179 B. W., wat dan art. 195 B. W. weer zou verbieden.

Bestaat er dus gemeenschap, dan gelden de gewone regels, tenzij daarvan afgeweken is. De vrijheid om dit te doen is in art, 208 B. W. alleen beperkt ten aanzien van het recht der vrouw om van de gemeenschap afstand te doen; eene bepaling, die, indien zij niet geheel hetzelfde zal beteekenen als betgeen reeds in art. 187 B. W. gezegd was, wel op iedere gemeenschap, ook die van winst en verlies, toepasselijk zal wezen. Wat hiervan echter zij onder de tegenwoordige wetgeving, in allen gevalle is het voor het vervolg wenschelijk, aan de vrouw het recht te verleenen om ook van de meer beperkte soorten van gemeenschap afstand te doen. Het doel, waarmee zij die bedingt, is in den regel, een waarborg te hebben, dat zij het kapitaal, dat zij aanbrengt of erft, geheel behouden en bij ontbinding terugbekomen zal; dit kan niet bereikt worden, wanneer men haar hel recht van afstand ontzegt.

Naast de derde afdeeling, die het even bedoelde recht van afstand regelt, worden als bepalingen, waarop geen inbreuk raag worden gemaakt, genoemd de tweede afdeeling, die over de vroeger in een afzonderlijken titel geregelde scheiding van goederen handelt, en drie artikelen der eerste. De in art. 165 Ontw. opgenoemde wijzen, waarop de huwelijksgemeenschap eindigt, behooren noodzakelijk tot haar wezen; terwijl afwijkingen van de artt. 163 en 169, tweede lid, niet mogen worden toegelaten, omdat daardoor de rechten van derden benadeeld zouden kunnen worden.

Art. 215.

Men gaf aan eene positieve redactie de voorkeur boven de negatieve van art. 199 B. W. Wanneer, bij uitsluiting der gemeenschap van goederen, tusschen de echtgenooten gemeenschap van winst en verlies zal bestaan, geschiedt dit niet van zelf, eenigermate alsof na uitsluiting van de gemeenschap van goederen , die van winst en verlies noodwendig overbleef, maar behoeft men daarvoor een positief wetsvoorschrift.

De beperking tot huwelijksvoorwaarden was noodig, nu ingeval van tweede of verder huwelijk, wanneer er kinderen of afkomelingen uit een vroeger huwelijk bestaan, de gemeenschap van goederen door de wet wordt uitgesloten. In dit. geval bestaat er geene gemeenschap van winst en verlies, maar is art. 145 Ontw. toepasselijk.

«tenzij ook deze is uitgesloten». Hetzij dan uitdrukkelijk (gelijk art. 199 B. W. zegt) of stilzwijgend b. v. door het beding van gemeenschap van vruchten en inkomsten.

Het tweede lid van art. 199 B. W. werd als overbodig weggelaten.

Evenmin als de bestaande wet, bevat het ontwerp eene bepaling als art. 68 Wetb. Nap. v. Holl., en art. 360 Ontwerp van 1820, naar welke, ingeval van uitsluiting ook der gemeenschap van winst en verlies, gemeenschap van vruchten en inkomsten zou bestaan. Art. 145 Ontw. is dan toepasselijk.

ocr page 272

112

DERDE AFDEELING.

Ue artt. 216 tot en met 221 Ontw. omschrijven, wat naar de wet voor winst en verlies moet worden gehouden; art. 222 , wat in de gemeenschap van vruchten en inkomsten valt.

De artt. 210, 211 en 219 B. W. werden als overbodig weggelaten; wat art. 211 B. W. bepaalt, vloeit uit het voorgedragen art. 214 in verband met art. 167 voort.

De artt. 214, 220 en 221 B. W. heeft men teruggevonden als de artt. 201—203.

Op het voetspoor van hetgeen oudtijds hier te lande gold, van het Wetb. Nap. v. Holl. en van het Ontwerp van 1820 zijn de begrippen van winst en verlies ruimer genomen, dan in het bestaande Wetboek, wellicht tegen de bedoeling der ontwerpers, geschied is. Als beginsel is aangenomen, dat niet gemeen wordt het aangebrachte goed, hetgeen ieder der echlgenooten bij de huwelijksvoltrekking bezit. Hiermede wordt gelijkgesteld hetgeen door erfenis of making verkregen wordt, en naar de algemeene opvatting tot het persoonlijk vermogen behoort. Ook schenkingen zijn niet gemeen gemaakt (behoudens het voorschrift van art. 218), omdat men dit in strijd oordeelde met den wil des schenkers. Al het overige, dus mede het voordeel door geluk aangebracht, wordt voor winst gehouden.

Tot het verlies bracht men de vermindering van het vermogen tengevolge van uitgaven (art. 212 B. W.), en bovendien de schulden, die iedere echtgenoot gedurende de gemeenschap gemaakt heeft (art. 188 Wetb. Nap. v. Holl., art. 355, 2° Ontwerp van 1820); niet enkel, gelijk art. 218 B. W., de schulden de echtgenooten te zamen betreffende. Men rekende het billijk, dat, waar de vrucht van elks arbeid gemeen wordt, ook de schulden van ieder gemeen moeten zijn.

Naar het bestaande Wetboek blijft elk echtgenoot persoonlijk met de schulden belast, die de echtgenooten niet, te zamen betreffen (art. 218); doch, zoodra zij betaald zijn en uitgaven zijn geworden, worden zij als gemeen verlies beschouwd (art. 212). Deze tegenstrijdigheid vervalt in het ontwerp.

De uitzonderingen vermeldt art. 221.

Art. 216.

Alles, wat verworven wordt, is vrucht van arbeid (vlijt is niets anders dan vlijtige arbeid) of van goederen of door geluk verkregen.

Wordt datgene, wat de arbeid oplevert, als winst beschouwd, dan zal nog veeleer daartoe moeten gerekend worden, hetgeen een gevolg is van geluk. In veel gevallen zal het geluk bevorderd moeten worden door arbeid: zoo kan de toeeigening van wild of visschen gerekend worden een gevolg van geluk en arbeid te zijn ; of wordt het geluk uitgelokt door de opoffering van eenig goed (het nemen van een lot). Zelden is een voordeel gevolg alleen van geluk. Nu zal het meestal onmogelijk zijn , het voordeel te splitsen en gedeeltelijk in , gedeeltelijk buiten de gemeenschap te laten vallen. Daarbij komt, dat de beheerder der gemeenschap lichtelijk een deel der inkomsten daarvan kan besteden aan het nemen van loten, en dan is het billijk, dat ook het behaalde voordeel gemeen worde.

ocr page 273

113

Bij uitloting van aandeelen in premieleeningen zal het soms moeielijk maar toch niet onmogelijk zijn uit te maken, welk bedrag als ingebracht kapitaal te heschouwen is; het meerdere zal gemeen zijn, en is een voordeel, betaald met de interessen, welke anders der gemeenschap zouden zijn ten goede gekomen.

De uitdrukking «staande huwelijk» welke meermalen in deze afdeeling voorkomt, is vervangen (behalve in art. 220, waar zij onnoodig is) door de woorden; «gedurende de gemeenschap ». Deze toch wordt op nog andere wijzen ontbonden dan door ontbinding van het huwelijk.

Van den «opleg van onverteerde inkomsten» behoeft men niet te spreken. De inkomsten (de verteerde kunnen buiten beschouwing blijven) vallen alle onder vruchten van arbeid of goederen, voordeelen door geluk aangebracht, of onder die in art. 218 genoemd.

Art. 217.

Reeds in ons oud recht gold de regel, dat indien slechts de oorzaak der winst of van het verlies gedurende de gemeenschap is geboren, zij gerekend worden de gemeenschap te betreffen. Men heeft dien voor het vervolg bestendigd, maar tevens zijne werking in een paar gevallen, waarin die onzeker zou kunnen zijn, nader geregeld. Is eene levensverzekering tijdens de gemeenschap gesloten, dan heeft hetgeen na de ontbinding daarvan genoten wordt, inderdaad geene andere oorzaak dan het bestaande contract: ziekengelden vallen dus onder het begrip van winst. Maar anders moet men de bijdragen beschouwen, die ambtenaren storten ten einde zich eene aanspraak op pensioen te verzekeren; tot het verleenen daarvan werken nog andere oorzaken mede, terwijl het een zoo geheel persoonlijk karakter draagt, dat het onbillijk zou zijn het niet geheel te laten ten voordeele van hem, aan wien het toegekend wordt.

Ten aanzien van winst en verlies, gedurende de gemeenschap vallende, maar waarvan de oorzaak vóór het huwelijk is geboren, meende men eene bijzondere voorziening te kunnen missen. De echtgenooten kunnen bij het vaststellen der huwelijksvoorwaarden hunne geldelijke belangen regelen zoo als zij dat het best oordeelen; drukken zij dus geen anderen wil uit, dan wordt alle winst en verlies, na de huwelijksvoltrekking vallende, gemeen. Men vergel. de artt. 809 en 810 B. W., 193 Wetb. Nap. v. Holl.

Art. 218.

Dit artikel voorkomt de onzekerheid, die, werd het gemist, noodwendig ontstaan zou. Men zou toch kunnen beweren, dat de hier bedoelde uitkeeringen meer kapitaal dan vruchten van kapitaal zijn.

Geschiedt eene bevoordeeling in den vorm van making of schenking eener periodieke uit-keering, dan legt de erflater of schenker den wil aan den dag, om aan den bevoordeelde bepaalde inkomsten te verzekeren, bestemd om te worden verbruikt. Wanneer de bevoordeelde in gemeenschap van winst en verlies is getrouwd, moet daarom ook het anders bestaande vermoeden , dat de erflater of schenker alleen den door hem aangeduiden echtgenoot heeft willen begunstigen, wijken. Overigens kent art. 214 j0 163 Ontw. den erflater of schenker het recht toe die uitkeeringen buiten de gemeenschap te houden.

Minder juist achtte men het, te spreken van jaarlijksche makingen en schenkingen; men

P

ocr page 274

114

heeft in een bepaald geval slechts met eene making of schenking te doen, tengevolge waarvan jaarlijks, maandelijks, wekelijks uitkeeringen plaats hebben, die op iemands lijf kunnen zijn gevestigd (art. 1813 B. W.) en dan lijfrenten zijn; hiermede is gelijkgesteld het geval, dat de echtgenooten of een hunner bij overeenkomst het kapitaal of een deel daarvan , in eene lijfrente omzetten. Dit laatste geschiedt in den regel enkel, wanneer men anders niet in zijn onderhoud kan voorzien en schulden zou moeten maken; deze zijn gemeen en daarom konden de gelden, die men krachtens overeenkomst van lijfrente ontvangt, ook gemeen zijn.

Het gezegde geldt ook van vruchten van goederen in vruchtgebruik bezeten, hetzij het vruchtgebruik werd gemaakt of geschonken, hetzij de echtgenooten een vruchtgebruik onder bezwarenden titel verwierven. Hierover bestaat thans twijfel, wijl in art. 555 B. W. rechten naast goederen worden genoemd.

Art. 219.

In de Juristenvereeniging is bet denkbeeld voorgestaan (zie Handelingen 1882 ,1, bl. 93) om de waarde ten dage van hel aangaan des huwelijks van de goederen , door beide echtgenooten aangebracht, te vergelijken met de waarde ten dage van de ontbinding der gemeenschap van alle dan aanwezige goederen: alle meerdere waarde zou de winst, alle mindere het verlies zijn; voorts zou daarbij rekening moeten worden gehouden met de waarde op het tijdstip der verkrijging van alle goederen aan ieder der echtgenooten gedurende de gemeenschap bij erfenis, making of schenking opgekomen.

Zoodanige regeling lokt door hare eenvoudigheid aan, maar zij heeft dit tegen zich, dat zij niet overeenstemt met de opvatting van gemeenschap van winst of verlies, die bij ons burgerrecht heeft verkregen; waarvan het hoofddenkbeeld juist daarin bestaat, dat er geene vermenging van de vermogens zijn zal. Het ontwerp handhaaft daarom in dit opzicht het bestaande recht, en vat bij het eerste lid van dit artikel in weinig woorden samen , hetgeen in de artt. 215—217 B. W. uitvoeriger omschreven is, en niet als eene uitzondering op art. 216 Ontw. moet opgevat, worden , maar slechts dient tot afsnijding van onzekerheid.

Met het tweede lid stelt men zich voor de grove onbillijkheid van art. 216 B. W. weg te nemen. De kosten van gewoon onderhoud moeten ten laste der gemeenschap komen; dit is niet anders dan redelijk te achten, omdat het gewoon onderhoud uit de vruchten van een goed behoort bestreden te worden; maar wanneer de goederen door vertimmering meerdere waarde hebben verkregen , is het onbillijk , dat de gelden , waaruit de kosten dier verbeteriij.g werden bestreden , door de gemeenschap worden gedragen. Zoodoende verrijkt zich de eene echtgenoot ten koste van den anderen. Ofschoon het hier genoemde geval wel het meest voorkomende zal zijn, meende men, dat ook andere gevallen van dien aard mogelijk zijn en stelde daarom het tweede lid meer algemeen.

i I

II I

'f

Verg. U. Huber. Hedend. Rechtsgeleerdh. I, 11e kapittel, 12; art. 1437 C. G., art. 190 Wetb. Nap. v. Holl., art. 366, 1° Ontwerp van 1820.

Art. 220.

Is het wenschelijk onderscheid te maken tusschen erfenissen en makingen van nabestaanden cn van vreemden? Men zou kunnen beweren, dat de zekere verwachting, welke bij nabestaanden

ocr page 275

115

op de wet zelve is gegrond, de aldus verworven goederen als aangebrachte moet doen beschouwen , terwijl bij erfenissen en makingen van vreemden eer aan voordeelen door geluk verkregen te denken is. Hiertegenover staat echter, dat de wil van den erflater of schenker, voldoende duidelijk blijkende uit de omstandigheid, dat hij slechts een der echtgenooten bevoordeelde, moet worden geëerbiedigd.

Als overbodig werd weggelaten : «onverschillig of dit van nabestaanden of vreemden afkomstig zij»; evenzeer als het voorbehoud aan het slot van art. 213 B. W.

Art. 221.

Zoolang er geen grond is voor scheiding van goederen, is het onmogelijk, den eenen echtgenoot geheel te vrijwaren tegen de gevolgen van lichtzinnigheid of verkwisting van den anderen. Toch wordt in deze richting door het voorgedragen artikel, ontleend aan art. 189 Wetb. Nap. v. Holl., althans een stap gedaan. Het is trouwens niet meer dan redelijk, dat hij, die iets wil schenken, dit uit eigen vermogen doe.

Met schenkingen worden in dit opzicht gelijkgesteld de onrechtmatige daden , door een der echtgenooten gepleegd, waarvan reeds in ons oude recht hetzelfde gold. Art. 218 B. W. spreekt van misdrijf, maar het is niet noodig, dat een feit juist in de. termen der strafwet valle, om het onbillijk te achten, dat de echtgenoot in de gevolgen daarvan zou deelen. Als zoodanige gevolgen zijn te beschouwen de boeten, gerechtskosten, verbeurdverklaringen, schadeloosstellingen. De uitdrukking is minder dubbelzinnig dan het «verbeurt» van art. 218 B. W.

Art. 222.

Het behoeft geene vermelding, dat in de gemeenschap van vruchten en inkomsten veel meer begrepen is, dan datgene, waarover, naar art. 145 Ontw., de man de beschikking heeft, zijnde alleen de vruchten en inkomsten uit het vermogen der vrouw.

Men zonderde hier de voordeelen door geluk daarom niet uit, omdat, gelijk reeds werd opgemerkt, slechts zeer weinig enkel door geluk verworven wordt, zonder dat er eenige arbeid voor werd gedaan of goed voor opgeofferd, en omdat aan het schiften vele bezwaren zijn verbonden.

VIERDE EN VIJFDE A.FDEKLING.

Wel is waar worden bevoordeelingen veel minder dan vroeger gedaan in den vorm van onherroepelijke erfstelling of making; toch begreep men, dat die vorm bevorderlijk kan zijn aan het tot stand komen van huwelijken, en meende hem daarom, althans ten aanzien van zoodanige beschikkingen tusschen de aanstaande echtgenooten onderling, te moeten behouden. Voor derden bestaat zulk eene aanleiding niet; willen die de echtgenooten bevoordeelen, zonder dadelijk eene schenking te doen, dan is er geene reden waarom zij daarbij van den gewonen vorm der testamenten zouden afwijken.

Art. 233 B. W. moest dus vervallen; maar overigens zijn de afwijkingen, die hier voorgesteld worden, van ondergeschikten aard.

ocr page 276

1-16

Het schijnt wenschelijk, duidelijk te doen uitkomen, dat, wanneer de bevoordeeling niet op tegenwoordige goederen betrekking beeft, maar op die, welke men bij zijn overlijden zal nalaten, hetzij in het geheel, hetzij voor een evenredig gedeelte, die bevoordeeling overeenkomstig onze oude rechtsbegrippen beschouwd wordt als eene erfstelling, welke alleen dit eigenaardige heeft, dat zij in den regel onherroepelijk is. Men bezigde daarom ook het woord «erfstelling» en vermeed de uitdrukkingen; gift, schenking eener nalatenschap (art. 224 B. W)., welke in dwaling zouden kunnen brengen omtrent den waren aard der rechtsinstelling.

Overeenkomstig het beginsel, in art. 1704 B. W. uitgedrukt, zullen schenkingen, bij huwelijksvoorwaarden of ter zake des huwelijks gedaan, slechts tegenwoordige goederen kunnen betrelfen. Volgens de artt. 224, 227 en 229 B. W. moeten dezen in de akte bepaaldelijk worden omschreven. Daar dit bij elke schenking het geval is, is het onnoodig, het hier in het bijzonder voor te schrijven.

Dat door de schenking, erfstelling of making nooit de rechten benadeeld kunnen worden van hen, aan wie een wettelijk erfdeel toekomt, spreekt van zelf. Daar dit te dezer plaatse niet uitdrukkelijk behoeft gezegd te worden, zijn de artt. 223 en 231 B. W., als in zoover overbodig, weggelaten; hetgeen ook met de artt. 229 en 230 B. W. geschied is.

Art. 226 B. W. werd niet overgenomen, omdat het hetzelfde bepaalt, wat art. 1292 B. W. in het tweede lid bedoelt. Vergel. Opmerkingen en Mededeelingen, verzameld door Mr. A. Oudemak en Mr. G. Diephuis, V, blz. 122 vlg.

Art. 224.

Bij niet-voldoening aan de voorwaarden (artt. 227, 228 B. W.), behoort eene schenking of erfstelling te vervallen, en wordt eene herroeping geheel onnoodig. Wanneer daarentegen eene verplichting is opgelegd, zonder dat daaraan zooveel gewicht werd gehecht, dat de liberaliteit er van afhankelijk werd gemaakt, kan het gerekend worden niet de bedoeling van den erflater of schenker te zijn, dat zij van zelf vervalt, maar moet hem toch de bevoegdheid tot herroeping gegeven worden.

Ook thans wordt het woord «voorwaarden», in de artt. 227 en 1725 B. W., evenals «conditions» in art. 953 C. C., veelal zoo opgevat. Marcadé , III, n0. 698.

Men vergelijke het verslag der 'Staatscommissie voor de herziening der wetgeving op de eigendomsoverdragt enz., blz. 58, 161.

Art. 226.

Kan de onherroepelijkheid bij erfstellingen geene practische bezwaren opleveren, bij makingen is dit een ander geval. Uitdrukkelijke herroeping kan men ook daar verbieden , maar de stilzwijgende, die volgens art. 1043 B. W. uit de vervreemding van het gelegateerde goed volgt, zou men niet kunnen uitsluiten, zonder dat goed onvervreemdbaar te verklaren. Dat er hierdoor een last op gelegd zou worden , die in vele gevallen de echtgenooten onnoodig moet belemmeren , en bovendien derden, die te goeder trouw zulke goederen gekocht hebben, daarvan lichtelijk de slachtoffers konden worden, zal wel geen betoog behoeven.

ocr page 277

117

Aan den anderen kant is er geene reden om, waar men erfstelling bij huwelijksvoorwaarden toelaat, makingen te verbieden. Al ware het slechts om de gelegenheid te openen, dat de eene echtgenoot den ander het vruchtgebruik zijner nalatenschap verleent, kunnen zij noodig zijn. Zij zijn daarom, evenals in art. 372 Ontwerp van 1820, uitdrukkelijk erkend, terwijl ten aanzien der herroepelijkheid wordt onderscheiden. Hij , die eene making van bepaalde goederen gedaan heeft, is uitdrukkelijk bevoegd verklaard om ze te vervreemden; in zooverre blijft de making dus herroepelijk.

Artt. 227, 228.

De onherroepelijkheid der bevoordeeling is contractueel en ontstaat door de toetreding van den bevoordeelde ; die toetreding nu kan men aannemen, wanneer de bevoordeeling bij huwelijksvoorwaarden geschiedt, maar zij moet blijken, wanneer dat niet het geval is. Het stilzwijgen der wet (art. 232 B. W.) heeft tot de opvatting aanleiding gegeven , dat aanneming der schenking ook na de huwelijksvoltrekking kan plaats hebben. Diephuis, Hel Nederl. Burq. Regt, IV, blz. 382. Dit acht men minder wenschelijk en niet overeenkomstig art. 195 Ontw.

Met het niet nakomen der verplichtingen door de begiftigden (of e'e'n hunner) wordt de nietigverklaring van het huwelijk gelijk gesteld. Oppervlakkig beschouwd, zou art. 132 vlgg. Ontw. tot eene andere gevolgtrekking kunnen leiden; wat zeker onbillijk zou wezen, omdat de gift wordt vermoed enkel gedaan te zijn, ten einde het huwelijk te bevorderen. Vindt men in de nietigverklaring dus al geen grond om de schenking als vervallen aan te merken , herroepbaar moet zij daarna zeker zijn.

NEGENDE TITEL.

Van de ontbinding des huwelijk».

«Naar mijne overtuiging kan echtscheiding, op haar zelve beschouwd, geen goed zijn. Zij «is niet meer dan een zedelijk hulpmiddel tegen een kwaad, welk hulpmiddel de wet aan hem «geeft, die verkiest daarvan gebruik te maken en die zich in het geval bevindt om zulks te « kunnen doen.

«Zoo derhalve de echtscheiding zoodanig hulpmiddel kan zijn en zelfs een noodzakelijk «hulpmiddel, dan kan de toelating daarvan met wijsheid, voorzichtigheid en spaarzaamheid «geregeld, geen kwaad zijn».......................

«Wanneer men de quaestie» — tusschen de voorstanders der scheiding van tafel en bed, als uitsluitend hulpmiddel, en die der echtscheiding — «van alle hare bekleedselen ontdoet, dan «komt alles slechts op e'e'n punt neer, namelijk op de verbreking van den burgerlijken band «des huwelijks door het middel van echtscheiding en op het vermogen van herhuwelijking, « dat daaruit ontstaat. »

«Dat vermogen, op zich zelf beschouwd, draagt wederom niet het allerminste kenmerk «van onzedelijkheid, het strekt integendeel om de onzedelijkheid te weren, welke maar al te

ocr page 278

118

«dikwijls, ja doorgaans het gevolg is van scheidingen die den band des huwelijks niet verbreken «en daarom de mogelijkheid niet openen om met eerbaarheid de zinnelijkheid te bevredigen.»

Deze woorden zijn ontleend aan de redevoering op 6, Juli 1822 in de Tweede Kamer dooiden Minister van Justitie van Maanen , tot aanbeveling van den thans geldenden elfden titel van liet Burgerlijk quot;Wetboek gehouden '). Men kan veilig beweren, dat de denkbeelden, waarvan het aangehaalde de uitdrukking is, meer en meer algemeen zijn geworden, en dat elke wetgever, die thans het instituut der echtscheiding onderbanden neemt, daaraan meer moet te gemoet komen dan bij het bestaande Wetboek is geschied. Met nadruk wordt de eisch gesteld, dat de wet het hare zal doen, om eene instelling, voor de zedelijke wereld van zooveel beteekenis als het huwelijk, aan het ideaal dier instelling te doen beantwoorden. Men dringt er overal op aan, dat ook andere dan de thans erkende grieven van den eenen echtgenoot tegen den anderen, die de samenleving ondragelijk maken , als gronden van echtscheiding wegens bepaalde oorzaak worden toegelaten; dat ontbinding van den echt met onderling goedvinden, behoudens de noodzakelijkheid van een proeftijd, gedurende welken de echtgenooten op hun besluit kunnen terugkomen , niet al te zeer worde bemoeielijkt en eindelijk, dat in overeenstemming daarmede ook de alge-heele losmaking van den band na scheiding van tafel en bed wegens bepaalde oorzaak worde vergemakkelijkt.

Uit dit oogpunt behooren de nieuwe of gewijzigde bepalingen te worden beoordeeld, die men in art. 230 Ontw. en in de derde afdeeling van dezen titel zal aantreffen.

Omtrent de uitbreiding, welke art. 264 B. W. heeft ondergaan, zij opgemerkt, dat geen nieuwe oorzaak wordt voorgesteld, die niet in wetboeken, sedert 1850 in werking gekomen, wordt gevonden, en, in de tweede plaats, dat die wetboeken nog onderscheidene andere hebben opgenomen, die het ontwerp ter zijde laat. Men vergelijke § 182 en volgende van het Privatr. Gesetzb. voor Ziirich, § 1712 en volgende van het Saksisch Wetboek, art. 92 der wet van 20 Maart 1880 voor Genève (Loi sur l'e'tat civil, le mariage et le divorce).

Met name voert het ontwerp het recht niet in om echtscheiding, of, wil men, ontbinding des huwelijks, op grond van ongeneeselijke krankzinnigheid te vragen. Toch is dit behalve bij de drie laatstgenoemde wetgevingen nog geschied bij art. 46 van het Zwitsersche Bundesgesetz betreffend Feststellung und Beurkundung des Zivilstandes und die Ehe, van 24 December 1874, en dringen tal van deskundigen op de zaak aan. Men heeft zich, niettegenstaande dit een en ander, niet laten overhalen om de volgende redenen. Vooreerst wegens den ouden regel of

1) Deze rede is in het bekende werk van den Heer J J. Noohdzihk, Geschiedenis der Beraadslagingen, enz., 1821/22 , Deel I, bl. 299 en volgg. voor liet eerst medegedeeld; — men vergelijke er mede het volgende uit het daaronder opgegeven verslag:

„ Le divorce n'est pas dans nos voeux; il n'est qn'on remède nécessaire. II ne se justifie et ne sanrait étre „ consacré par la loi civile que par des raisons de haute moralité tirées des conditions mêmes et de la nature du mariage.

„ Ce qu'est la séparation de corps pour les époux le voici; c'est le .dérèglement de la vie ou le célibat forcé, c'est „a-dire un état contraire soit aux lois sociales soit a la nature humaine.quot;

Rapport a la Chambre des Deputes (session de 1882) fait au noni de la Commission, chargée d'examiner ' la proposition de loi de Mr. Alfred Naqueï , relative au rélablissement du divorce par M. de Maroére, député, pag. 34, 13. )

ocr page 279

119

liever de oude rechtsovertuiging, dat het slechts dan geoorloofd is een huwelijk te ontbinden, wanneer bij een der echtgenooten of bij beiden schuld bestaat. Volgens de latere begrippen laat, zich de verbreking van den echt ook rechtvaardigen, wanneer de band van beide partijen ondragelijk is geworden en beide de scheiding begeren, maar nog een stap verder te doen, de ontbinding te veroorloven , wanneer aan eene van beiden een ongeluk is overkomen, om dan, buiten haar om , over haar verder levenslot te beschikken, is even bedenkelijk als stuitend voor het gevoel. Nu is wel beweerd, dat, al moge de bedoelde reden van ontbinding voor hem, die haar doet gelden, eene ontheffing opleveren van de verplichting om te deelen in het leed, dat den anderen echtgenoot treft, men toch niet moet voorbijzien, dat, in redelijkheid, die verplichting mag ophouden met de mogelijkheid om dat leed inderdaad te verzachten, welke mogelijkheid hij ongeneeselijke krankzinnigheid vervalt; doch daarop valt te antwoorden wat, toen bij de behandeling der Fransche wet van 29 Juli 1884 «sur le divorce» de vraag ter sprake kwam, haar in ontkennenden zin heeft doen beslissen, namelijk dat, volgens de uitstekendste deskundigen op het gebied der psychiatrie, ongeneeselijkheid bijna nimmer te voorspellen is en dat zelfs, wanneer daaraan niet te twijfelen valt, de ziekte bij tusschenpoozen minder dan anders de verstandelijke vermogens onderdrukt, zoodat de lijder dan bij afwisseling komt te beseffen, in welken toestand hij verkeert 1),

Met betrekking tot de andere punten hiervoren als eischen van den tegenwoordigen tijd vermeld en voornamelijk rakende de hindernissen door de bestaande wetgeving aan de ontbinding des huwelijks na scheiding van tafel en bed in den weg gelegd, bevat het ontwerp min of meer ingrijpende wijzigingen. Tot toelichting van de algemeene strekking dier voorschriften, voor zoover zij meer bijzonder de ontbinding met wederzijdscli goedvinden betreffen, valt te herinneren, dat, wanneer art. 263 B. W. zegt, dat echtscheiding nimmer met onderlinge toestemming mag plaats hebben, het eenigszins speelt met woorden. De echtgenooten kunnen hun oogmerk bereiken door na minnelijke scheiding van tafel en bed in overleg met elkander een vonnis tot ontbinding uit te lokken. Zonder nu het hardere oordeel van Professor van Assen te onderschrijven, dat het wellicht beter geweest ware het gekozen hijpad niet in te slaan, omdat het te veel den schijn heeft van eene dading met vaste heginselen, is het toch zeker, dat de wet in twee bedrijven veroorlooft, wat zij in een enkel verbiedt. Overigens denkt niemand er aan op hare regeling terug te komen. Deze voorziet in eene wezenlijke behoefte; zij geeft uitkomst in die gevallen, waarin de samenleving voor de echtgenooten ondragelijk is geworden, zonder dat er eene door de wet erkende reden tot echtscheiding bestaat, en in zooveel andere, niet het minst onder de beschaafde klassen voorkomende, waarin die reden wel aanwezig is, maar de beleedigde echtgenoot liever zijn leed verdraagt dan alle bijzonderheden van zijn ongeluk aan de openbaarheid prijs te geven.

Voor zoo ver de wetgever van 1838 in zoodanige gevallen de echtgenooten, die eenparig

1

Zie het hiervoren aangehaald „Rapportquot; pag. 36. — Waar in de memorie van dezen titel bijzonderheden omtrent het Fransch ontwerp en de daaruit voortgesproten wefvan 29 Juli 1884 „sur le divorcequot; voorkomen, zijn zij, behalve aan gezegd rapport, ontleend aan de noten onder den tekst dier wet bij SlREY, Uecueil Oénêral des Loli et des Arrets, année 1884, pag. 654 et suiv.

ocr page 280

120

de ontLinding van hun huwelijk verlangen , niet rechtstreeks op het doel laat afgaan, maar hen dwingt als van tafel en hed gescheiden geruimen tijd door te brengen , is zijn stelsel zeker niet af te keuren. Het huwelijk is geen gewoon contract. De band moet niet uit lichtzinnigheid of wispelturigheid kunnen worden verbroken. Er dient zooveel doenlijk zekerheid te zijn verkregen , dat de toestand onhoudbaar en de wil der echtgenooten onwankelbaar is. Daarom is het volstrekt noodzakelijk, dat aan de ontbinding een tijdvak van afzonderlijk leven voorafgaat. De echtgenooten hebben dan gelegenheid in zich zelf te keeren, de hartstochten kunnen tot bedaren komen, en wellicht zal, wanneer de dagelijksche aanraking en de daarmede gepaard gaande onaangenaamheden , welke den toestand verergeren, hebben opgehouden, de herinnering aan vroegere gelukkige dagen bovenkomen.

In stede van enkel met het oog op de mogelijkheid van verzoening een termijn te stellen, binnen welken men, in die onderstelling, kan aannemen, dat de echtgenooten elkander de hand zullen hebben gereikt, schrijft het Burgerlijk Wetboek bij de artt. 255—259 tal van formaliteiten voor, die eeist een aanvang kunnen nemen, nadat de scheiding van tafel en bed vijfjaren heeft geduurd en dan nog een tijdsverloop vorderen, dat niet beneden twee jaren blijft.

Zoo neemt de wet met de eene hand terug, wat zij met de anderen heeft geschonken. Het ontwerp brengt hierin wijziging door de pogingen tot verzoening, met en zonder bijstand van de bloedverwanten in de opgaande lijn , te laten vervallen en den termijn tot e'e'n jaar in te korten.

Het recht, om na voorafgegane scheiding van tafel en bed ontbinding des huwelijks te vragen, heeft naar het bestaande recht ieder der echtgenooten niet alleen, wanneer de scheiding op beider verzoek, maar ook wanneer zij wegens bepaalde oorzaak werd uitgesproken. Maar voor hem, die ongezind is, den band te verbreken, is niets gemakkelijker dan de poging van den ander schipbreuk te doen lijden. Hij geeft geen gevolg aan de oproeping of verzet zich tegen den eisch, en de scheiding van tafel en bed houdt stand, zoo lang het den onwillige behaagt. Dit is inderdaad niet te verdedigen. Door een voorbeeld moge worden aangetoond, wat het in zich sluit. De man wordt tot eene gevangenisstraf van vier jaren veroordeeld, misschien wegens een misdrijf, dat in den regel iemand zijn goeden naam niet, of althans niet in aanmerkelijke mate doet verliezen, b. v. met toepassing van de artt. 117, 118, 154, vierde lid, 181, 182 W. v. St. De vrouw, die wel van haar man af wil, geeft de voorkeur aan hetgeen in het stelsel der wet het zachtere middel is; zij vraagt en bekomt scheiding van tafel en bed. Na het verstrijken van den noodigen tijd roept de man haar in rechte, om het huwelijk ontbonden te krijgen. Zij weigert en heeft het nu, gedurende haar verder leven, in hare macht, hem, die haar echtgenoot blijft, niet enkel het aangaan van een nieuw huwelijk te beletten, maar hem daarenboven tot volkomen ingetogenheid te dwingen. Immers, gaat hij zich te buiten, dan dient zij, niettegenstaande zij afzonderlijk woont, eene klacht wegens overspel tegen hem in, en art. 241 W. v. St. is toepasselijk. Men denke bovendien aan den staat der kinderen, die zoodanige echtgenoot, zoo hij de drift der natuur niet kan bedwingen, bij eene andere vrouw kan hebben verwekt, en die overspelig zijn enkel omdat de echtgenoote van hun vader goedvindt een onnatuurlijken toestand te laten voortduren.

Het ontwerp bevat daarom voorschriften, steunende op het rationeele beginsel, dat zich,

ocr page 281

124

hoewel eenzijdig, reeds in de oorspronkelijke lezing van art. 310 C. C. uitspreekt, en dat, thans aan beide echtgenooten — ook in Frankrijk — ten goede komend, hierop neerkomt, dat ieder hunner na zeker tijdsverloop den ander kan stellen voor de keus: of algeheele ontbinding van den echt, óf hervatting der samenleving. De bepaling van een termijn van twee jaren, terwijl in geval van ontbinding met wederzijdsch goedvinden e'e'n jaar voldoende is gerekend, zal wel met het oog op den moeielijken toestand van hem, die tusschen twee dingen moet kiezen, tegen elk waarvan hij bezwaar heeft, billijk en juist geoordeeld worden.

Er is een ander punt, wel is waar van minder belang, maar toch alles behalve onverschillig , waaromtrent het stelsel van den Code Civil boven dat van ons wetboek de voorkeur verdient. Volgens den Code wordt de echtscheiding door den ambtenaar van den burgerlijken stand uitgesproken en eene nagenoeg gelijkluidende bepaling als art. 264 van het Fransche wetboek komt in het Nederlandsche van 1830 voor, zonder dat tegen de opneming daarvan, in 1822 eenig bezwaar is gemaakt. In 1832 is men echter over de zaak anders gaan denken, en heeft men de artt. 330 en 331 van laatstgemeld wetboek door art. 276 van het tegenwoordige vervangen. Waarom, is niet zeer duidelijk. In allen gevalle doet die bepaling in meer dan een opzicht zwarigheden ontstaan. Vat men haar zoo op, dat het huwelijk ontbonden wordt door de inschrijving van het vonnis, dan beeft men vóór de inschrijving dezen vreemden toestand, dat het huwelijk bestaat niettegenstaande het door echtscheiding ontbonden is verklaard bij een vonnis, dat kracht van gewijsde heeft gekregen. Het is voorts een bezwaar, dat het feit. der inschrijving niet bekend gemaakt wordt. Wel wordt, volgens art. 828 in verband met art. 811 W. v. Rv. het vonnis openbaar gemaakt, maar hieruit kan ten aanzien der ontbinding en van den dag, waarop zij voltrokken is, niets afgeleid worden. Toch behoort in het belang van derden, die met de echtgenooten in aanraking komen en van dezen zelf het oogenblik dei-ontbinding vast te staan en bekend te zijn , zonder dat daarbij vergissing of onzekerheid mogelijk is. Bij de ontbinding is dit evenzeer noodig als hij de voltrekking des huwelijks.

Neemt men aan, dat naar artikel 276 B. W. het huwelijk door het vonnis ontbonden wordt onder de opschortende voorwaarde, dat de inschrijving binnen zes maanden volgt, dan is de toestand nog bedenkelijker. Evenmin als eene huwelijksvoltrekking onder voorwaarde denkbaar is, behoort eene huwelijksontbinding onder voorwaarde te worden toegelaten. De beantwoording der vraag, of kinderen na de uitspraak van het vonnis verwekt, al of niet den staat van wettig kind hebben, hangt dan af van eene gebeurtenis, welke wellicht na do geboorte plaaits heeft. Zekerheid is hier een eerste eisch. Men meende daarom in hoofdzaak tot de regeling te moeten terugkeeren , die vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek bestond.

Even als de vijfde titel de processueele voorschriften ten opzichte van de stuiting van een huwelijk bevat, behelst de negende de bepalingen van dien aard, op echtscheiding betrekkelijk. Voor deze opneming bestaat te meer grond, omdat de wijze, waarop in de bestaande wetgeving is te werk gegaan, geheel onsystematisch is. Immers, terwijl voorschriften van formeel recht in het Burgerlijk Wetboek gevonden worden, b. v. art. 265 , komen in dat van Burgerlijke Rechtsvordering bepalingen van materieel recht voor, cn worden de voorloopige voorzieningen deels in het eene en deels in het andere behandeld. Men zie de artt. 267, 268, 269 B. W., 820 en

q

ocr page 282

m

821, tweede lid, W. B. Rv. Voor het overige wordt verwezen naar hetgeen in de inleiding tot de derde afdeeling van den vijfden titel van dit ontwerp, op hl. 50 en 51 dezer Memorie is gezegd.

Door meer dan een gezaghebbend rechtsleeraar is de opmerking gemaakt, dat de wetgever de scheiding van tafel en hed in aansluiting aan den tienden titel van het bestaande wetboek en vóór dien «van de ontbinding des huwelijks» had hehooren te behandelen. Logisch en paedagogisch ware dat verkieselijk geweest. Deze beschouwing hangt nauw samen met het karakter der scheiding naar het tegenwoordig recht. Daarin brengt echter het ontwerp verandering. Volgens het nieuwe stelsel blijven alleen die rechtsgevolgen van het huwelijk gelden , wier opheffing volstrekt onvereenigbaar zou zijn met het voortduren van den huwelijksband. De overige zullen vervallen. Zoo verkrijgt de vrouw volle rechtsbevoegdheid en komen , ten aanzien van het ouderlijk gezag dezelfde voorschriften in werking als wanneer hij, die dat gezag uitoefent, de langst levende der echtgenooten is. Bij zoodanige regeling heeft de scheiding van tafel en bed veel meer met de echtscheiding dan met den huwelijken staat gemeen, en kan men de eerste dier scheidingen den zwakkeren vorm der laatste noemen. Uit dit oogpunt is het vooropstellen van de ontbinding des huwelijks en het eenigszins op den achtergrond laten volgen van de met de echtscheiding verwante scheiding van tafel en bed volkomen te billijken. Daarvoor pleiten bovendien de bekende historische gronden, terwijl het eindelijk gemakkelijker schijnt beide rechtsinstituten te regelen, wanneer men de echtscheiding dan wanneer men de scheiding van tafel en bed tot uitganspunt neemt. De bestaande volgorde is daarom behouden.

Laat men, waar het verschillende titels geldt, dengene, waarin de echtscheiding, als onderdeel, voorkomt, voorafgaan aan een titel, uitsluitend aan de scheiding van tafel en bed gewijd, het ware inconsequent binnen de grenzen van eerstgemelden aan die soort van ontbinding den voorrang te geven, waartoe de scheiding van tafel en bed den onvermijdelijken trap vormt. Was deze vroeger geregeld, dan zou het aangaan, het gevolg, dat er zich mede laat verbinden, in de eerste plaats te behandelen; nu dat niet het geval is, behoort de ontbinding door echtscheiding voor te gaan.

EERSTE AFDEELING.

Art. 229.

INquot;. 2. Tot de verdiensten van ons Burgerlijk Wetboek behoort, dat het aan de bepalingen van het Oud-Hollandsch recht, waarop de artikelen 254 n0. 2, 549, 550 en 551 steunen, de voorkeur heeft gegeven boven artikel 139 van den Code Civil. Dit artikel brengt mede, dat afwezigheid nooit eene voldoende reden is, om den echtgenoot, die wil hertrouwen, te ont-heffen van de verplichting om het overlijden van den afwezige te bewijzen. Bij de behandeling der wet van 29 Juli 1884 heeft de Fransche Wetgever hierin verandering willen brengen, dooide «absence de'clare'e» onder de gronden van echtscheiding op te nemen, doch dit voorstel is in den Senaat afgestemd. Bij de daarop gevolgde lezing van het ontwerp in de Kamer dei-Afgevaardigden is te kennen gegeven, dat men op de zaak zou terugkomen, om dan op grond van afwezigheid eene zelfstandige wijze van ontbinding des huwelijks in te voeren.

ocr page 283

123

Zoo zal men tot de regeling komen, die wij bezitten. In hoofdzaak is het stelsel van het Burgerlijk Wetboek het juiste. Zijne bepalingen waarborgen, dat er hooge waarschijnlijkheid bestaat voor het werkelijk overlijden van den afwezige, eer tot een nieuw huwelijk kan worden overgegaan, maar, is dit gesloten , dan wordt het in stand gehouden, ook al keert de afwezige terug.

Toch schijnt de bestaande regeling voor verbetering vatbaar en zijn de artikelen 549, 550 en 551 van het B. W. niet in alle opzichten goed te keuren. De vergunning tot een nieuw huwelijk kan worden verkregen, zonder dat er eene verklaring van vermoedelijk overlijden bestaat; en al bestaat deze verklaring, toch is er nog eene vergunning om te hertrouwen noodig. Men heeft dus ten aanzien van het huwelijk als het ware eene speciale verklaring van vermoedelijk overlijden ingevoerd. Hiervoor bestaat geene geldige reden. De vergunning om een ander huwelijk aan te gaan berust op de groote mate van waarschijnlijkheid van het werkelijk overlijden van den afwezige. Maar deze waarschijnlijkheid kan men evenzeer aannemen bij het bestaan der verklaring van vermoedelijk overlijden; immers juist zij heeft die verklaring mogelijk gemaakt. In dit geval is dus de vergunning onnoodig en bij gevolg het eischen daarvan verkeerd. Bestaat omgekeerd eene verklaring van vermoedelijk overlijden niet, dan schijnt het gevaarlijk, eene vergunning tot het aangaan van een ander huwelijk in het leven te roepen, wanneer voor die vergunning minder waarborgen gevorderd worden, dan zouden vereischt worden, om tot de verklaring van vermoedelijk overlijden te geraken, en vordert men evenveel waarborgen, dan is er geene reden, om niet de verklaring ook ten deze afdoende te laten zijn en als vergunning te laten gelden, om een ander huwelijk aan te gaan. Zwaardere eischen te stellen voor eene vergunning dan voor de verklaring van vermoedelijk overlijden, oordeelde men niet raadzaam. Door overgroote gestrengheid geeft men aanleiding, dat ongeregelde betrekkingen worden aangeknoopt en door de publieke meening met eene toegevendheid beschouwd, welke de maatschappelijke orde ondermijnt.

Men meende dus altijd te moeten vorderen eene verklaring van vermoedelijk overlijden, maar ook niets meer. De artt. 549, 550 en 551 vervallen hierdoor.

TWEEDE AFDEEL ING.

Daar het ontwerp de echtscheiding door den ambtenaar van den burgerlijken stand laat uitspreken en de tusschenkomst des rechters zich tot, het verleenen van machtiging bepaalt, zou men, streng genomen, de uitdrukkingen «vordering tot echtscheiding, echtscheiding wordt gevorderd» in deze afdeeling moeten vervangen door «vordering tot het verleenen van machtiging tot echtscheiding, machtiging tot echtscheiding wordt gevorderd». Vermits echter misvatting onmogelijk schijnt, is aan de kortere uitdrukking de voorkeur gegeven.

Zoo als reeds bij de inleiding van den titel is te kennen gegeven, veroorlooft het ontwerp aan echtgenooten, op hun verzoek van tafel en bed gescheiden , na e'e'n jaar te zamen ontbinding des huwelijks te vragen. Eene bepaling als art. 263 B. W. zou dus nog onoprechter klinken dan thans en is dan ook weggelaten. Daardoor komt tevens scherper uit, dat, waar in het ontwerp sprake is van echtscheiding, alleen die ontbinding des huwelijks is bedoeld, die door een der echtgenooten tegen den anderen wordt gevraagd.

ocr page 284

124

Op welke gronden dit kan geschieden wordt in de artt. 230 en 231 opgegeven. In de artt. 232—237 vindt men de oorzaken , waardoor de eisch vervalt. Artikel 238 wijst den bevoegden rechter aan; de artt. 239, 240 en 241 regelen het voorafgaand verlof, de artt. 242 tot en met 247 de Yoorloopige voorzieningen met de middelen om hare uitvoering te verzekeren. In de artt. 248 tot en met 251 treft men de afwijkingen van de procedure en van de gewone voorschriften omtrent het bewijs aan. De artt. 252 en 253 zeggen, hoe het vonnis kracht van gewijsde bekomt, art. 257 hoe het vervalt. De uitspraak der echtscheiding wordt behandeld in de artt. 254 en 255, de bekendmaking in art. 256, de gevolgen in de artt. 258 tot en met 262.

Art. 230.

Nquot;. 2. In het begin dezer eeuw twijfelde niemand er aan, of onnatuurlijke ontucht moest als grond van echtscheiding met overspel op eene lijn gesteld worden. Par, hno et fortior ratio est criminis nefandi, zegt van der Këessel, Thesis 88. Zij werd dan ook als reden van echtscheiding bij art. 425 u0. 1 van het Ontwerp van 1820 voorgesteld, en de scherpe beoordeelaar van dat ontwerp, Mr. W. B. Donker Curtius, bestreed bij zijne bekende «Vrijmoedige aanmerkingen» deze bepaling niet. In de afdeelingen der Tweede Kamer vond zij echter eenige tegenkanting, en dit, in verband met de toenmalige begeerte van de Volksvertegenwoordiging om, waar het ontwerp van den Code afweek, liever tot dezen terug te keeren, (Voorduin, I, blz. 264) schijnt haar in het lot van zooveel andere juiste en aan het nationale recht onlleende voorschriften van gezegd ontwerp te hebben doen deelen , namelijk om voortaan eenvoudig te worden geïgnoreerd.

Als grond van echtscheiding komt onnatuurlijke ontucht voor in het Pruissische Landrecht II, 1, § 672, in het Privatr. Gesetzb. für den Kanton Zurich, § 183 en in het Saksische Wetboek, § 1728.

Ee'n feit moet voldoende zijn om den huwlijksband te doen verbreken; daarom is de bedoelde grond niet vervat in dien van n0. 7, namelijk «liederlijk gedrag», welke laatste iets, dat bij herhaling geschiedt, op het oog heeft.

N0. 3, Kwaadwillige verlating werd reeds bij het Echtreglement der Staten-Generaal van 18 Maart 1656 tot voldoenden grond verklaard om den onschuldigen echtgenoot het aangaan van een nieuw huwelijk te veroorloven. «So wie sijn Echtgenoot lichtveerdelyck ofte malitieuselick «verlaet, ofte uyt onlijtsaemheyt van den Huwelycx-bant aftreet, doorgaet ende syn Portuyr «laet sitten, met voornemen om tot syn Echtgenoot niet weder te keeren, die stelt de onschul-«dige vrij om te hertrouwen.» Art. 91. [Groot Plac. Boeck, II, bl. 2430 en volgg.)

Men heeft steeds onder malitiosa desertio feiten en toestanden begrepen, die eene gelijksoortige schending van den plicht der samenwoning opleveren als de eigenlijke verlating. Daar het die schending is, waar het, in het wezen der zaak, op aankomt, is het juister, dit ook door de benaming aan te duiden. Daartoe is die van «weigering van samenwoning» geschikt geoordeeld.

Kwaadwillige verlating is nagenoeg overal eene wettelijke reden tot ontbinding des huwe-

ocr page 285

125

lijks. Niet volgens den Code Civil, omdat men, blijkens de geschiedenis van dat wetboek, beducht is geweest voor vermomde echtscheidingen met onderlinge toestemming. Bestaat hiervoor inderdaad wel eenig gevaar, men moet vertrouwen, dat de rechter den schijn zal weten te doorgronden, waartoe onder andere de bepaling van art. 251 Ontw. strekt.

Nquot;. 4. Volgens art. 2 der wet van 26 \pril 1884 (Slhl. nu. 93) worden in artikel 264 3°. en het tweede lid van art. 265 B. W. de woorden; «tot eene onteerende straf» vervangen door: «wegens misdrijf tot eene vrijheidsstraf van vier jaren of langer». Het ontwerp stelt in verband met deze wijziging twee punten vast, die voorziening behoeven. De militaire rechter kan nog de doodstraf uitspreken; volledigheidshalve wordt daarom melding gemaakt van het geval, dat de Koning die straf bij wege van gratie in gevangenisstraf verwisselt. In de tweede plaats wordt de vraag, of echtscheiding kan gevorderd worden op grond van eene veroordeeling tot straf, in het buitenland uitgesproken, afgesneden door eene beantwoording in bevestigenden zin. Zoodanige veroordeeling brengt niet minder schande over hem, dien ze treft, dan wanneer ze hier te lande wordt uitgesproken, en evenzoo is de vrijheidsberooving voor het huwelijksleven van gelijke beteekenis, terwijl overigens bij alle beschaafde natiën thans voldoende waarborgen voor eene nauwgezette strafrechtspleging worden aan getroffen, en dus de bedoelde gelijkstelling , die vroeger hare bedenkelijke zijde zovule gehad hebben , gerust kan worden voorgeschreven. Om intusschen de ongerijmdheid te voorkomen, dat ten onzent echtscheiding gevorderd wordt wegens een feit, waaraan onze wet slechts eene geringe of in het geheel geene straf verbindt, wordt de beperking voorgesteld, dat onze wet tegen het feit ten minste vier jaren gevangenisstraf bedreigt.

Dat voor gevangenisstraf, waarin de in het buitenland uitgesproken doodstraf bij wege van gratie kan zijn verwisseld, geldt hetgeen zooeven van eene dergelijke verwisseling van veroordeeling ter dood op grond van onze militaire wetten is gezegd, behoeft nauwelijks te worden vermeld.

De vraag, of het recht om echtscheiding te vorderen behoort te vervallen, indien bij KLoninklijke beschikking de uitgesproken straf wordt kwijtgescholden of door eene andere dan de in dit nummer vermelde vervangen, werd naar aanleiding van daartoe strekkende bepalingen in het wetsvoorstel, waaruit de wet van 26 April 1884 is voortgekomen, breedvoerig in de Tweede Kamer der Staten-Generaal behandeld. (Zitting van 14 Maart, 1884 Bijlagen 18°J bl. 1009). De tegenstanders voerden aan, dat hier niet zoo zeer de feitelijke afwezigheid behoort in aanmerking te komen als de ernst en de zwaarte van het gepleegd misdrijf, zoo als die blijken uit de opgelegde straf, welk misdrijf dan de noodzakelijke achting, die de echtgenooten elkander moeten kunnen toedragen, dikwerf in die mate ondermijnt, dat de huwelijksband ondragelijk wordt; — voorts, dat de voorgestelde bepalingen ongelijkmatig zouden werken doordien ze alleen ten voordeele komen van dengene, die in den allereersten tijd gratie bekomt; en eindelijk dat het minder regelmatig is van de wijze, waarop de Kroon hare bevoegdheid uitoefent, het al of niet in stand blijven van een, niet aan den veroordeelde, maar aan een ander, opgekomen burgerlijk recht te laten afhangen. Deze gronden zijn inderdaad van groot gewicht, en nu de Tweede Kamer er, door de voorgedragen bepalingen af te stemmen, hare instemming mede heeft betoond, bestaat er alleszins reden om het punt ook voor dit ontwerp

ocr page 286

126

aJs uitgemaakt te beschouwen. Door de veroordeeling, als zoodanig, zal dus onvoorwaardelijk de bedoelde grond van echtscheiding ontstaan en in stand blijven.

N0. 5. Op het in meer dan ée'n opzicht slordige der redactie van artikel 264, 4°. B. W. wordt door alle schrijvers gewezen. Wat zijn mishandelingen, waardoor gevaarlijke verwondingen zijn toegebracht, anders dan zware verwondingen? Van meer belang is echter, dat de bewoordingen poging tot vergiftiging als grond tot echtscheiding uitsluiten; want daardoor wordt wel het leven in gevaar gebracht, maar geene mishandeling gepleegd.

Evenzeer moet men het eene leemte achten, dat geene vordering tot echtscheiding tegen hem gegeven is, die door geld iemand heeft bewogen den anderen echtgenoot naar het leven te staan of hem de middelen daartoe heeft verschaft.

Het middel om eene geheel aan het oogmerk beantwoordende bepaling in het ontwerp te kunnen brengen biedt zich als van zelve aan. De benamingen en termen van het Wetboek van Strafrecht drukken nauwkeurig begrensde begrippen uit, en met behulp daarvan laten zich ook voormelde leemten gemakkelijk aanvullen. Wat een aanslag is, wordt daar in artikel 79 gezegd; de misdrijven, tegen het leven gericht, vindt men in den 19den titel van het tweede boek; zware mishandeling wordt in artikel 302 omschreven en door artikel 82 nader bepaald.

Ten einde zoowel tegen den echtgenoot, die medeplichtig als die dader is, de vordering toe te laten, bezigde men de uitdrukkingen: «gepleegd, bevorderd of uitgelokt». Doch daarin werden niet enkel samengevat de handelingen, in de artikelen 47 en 48 van het strafwetboek omschreven, maar moest ook worden begrepen het uitlokken der bepaalde strafbare daad op elke andere wijze en door elk ander middel dan de in art. 47, 2°. genoemde. Het uitlokken of bevorderen moet evenzeer als het plegen van den aanslag of der mishandeling opzettelijk geschieden. Waar het opzet niet aanwezig is vervalt de aanleiding tot de bepaling.

N0. 6. Wanneer mishandeling het kenmerk van «zware mishandeling» niet draagt, behoort zij niet tot echtscheiding te kunnen leiden. Hoe betreurenswaardig zoodanig feit tusschen echt-genooten zij, het is veelal slechts een gevolg van eene oogenblikkelijke opwelling van drift. Het ware niet te rechtvaardigen, dat eene verbintenis zoo gewichtig als het huwelijk zou worden verbroken tengevolge eener enkele overijlde daad. Ook overigens gelukkige echt-vereenigingen zouden daardoor in gevaar kunnen worden gebracht.

De zaak verandert echter, wanneer men niet te doen heeft met een enkel feit maar met een aantal ; waar het mishandelen eenigermate tot gewoonte is geworden. Dan bestaat er «gedurige slechte bejegening», welke uitdrukking intusschen niet enkel handtastelijkheden op het oog heeft, maar, in het algemeen, alle grievend leed, dat de eene echtgenoot den ander aandoet, al openbaart het zich — zoo als bij de hoogere standen in den regel — niet op zoo grove wijze.

N0. 7. Gewoonte van dronkenschap wordt als reden van echtscheiding voorgesteld, omdat hij, wiens echtgenoot zich aan die ondeugd pleegt schuldig te maken, veelal in een ongelukkiger toestand verkeert, dan degene, die door zijn echtgenoot is verlaten. De ondervinding leert, dat wel geene oorzaak zoo zeker als deze het huwelijksgeluk verwoest, de samenleving verbittert en de toekomst der kinderen bedreigt.

ocr page 287

127

De dronkenschap brengt niet zelden het leven van den anderen echtgenoot In gevaar. En hoe dikwijls ziet men, dat deze ten slotte medegesleept wordt, en het geheele gezin, geldelijk zoowel als zedelijk, te gronde gaat.

Ander liederlijk gedrag heeft meestal gelijke uitwerkselen. Deze grond van echtscheiding onderstelt eene reeks van handelingen, die het bedoelde kenmerk dragen. De levensgemeenschap, die het huwelijk doet ontstaan, maakt de eer van den man tot die der vrouw en omgekeerd. Zijn nu de gedragingen van een der echtgenooten van dien aard, dat hij alle achting verbeurt, dan behoort de wetgever te waken, dat hij niet zijn echtgenoot in zijn lot kan medeslepen en dwingen met hem de gevolgen zijner handelwijze te ondergaan. De gekozen benaming moge eenigszins vaag zijn, hare kracht waarborgt tegen willekeurige uitbreiding van het begrip. Vooreerst geeft zij aedeloosheid te kennen. Bloote ongeregeldheden van onderling verkeer, slordigheid van vormen, zelfs bij echtgenooten van hoogeren stand, zal niemand «liederlijk gedrag» noemen. Ten andere geldt het zoodanigen graad van zedeloosheid, dat hij, die er van wordt beticht, er bepaald door wordt geschandvlekt. Liederlijk gedrag stempelt den zoodanige tot iemand, met wien men zich schaamt bekend te zijn.

Overigens is op het terrein, waarop de thans aan de orde zijnde voorschriften moeten worden gegeven, strenge begripsbepaling onbereikbaar. Men denke aan het woord «buitensporigheden» in art. 288 B. W. Het Wetboek voor Ziirich neemt zijne toevlucht tot de even onbestemde uitdrukking « ausschweifende Lebensart». § 193 luidt aldus:

«Sechstens: Ausschweifende oder verschwenderische Lebensart oder habituelle Trunkenheit, «wenn dieselbe auch nach wiederbolter ambtlicher Ermahnung zur Besserung fortgesetzt wurde.» De aanteekeningeu van Bluntschu toonen aan, dat het eerste, behoudens dat het nog meer omvat, juist ook slaat op hetgeen hij «liederlichkeit» noemt. Zie «Privatr. Gesetzb. mit Erlaute-rungen» 4e Aufl. S. 210.

Tot aanbeveling der bepaling kan nog strekken, dat daardoor ook voorzien wordt in die gevallen, waarin bet feit van overspel niet kan bewezen worden, maar toch door alle omstandigheden een ieder van het bestaan daarvan overtuigd is.

Art. 231.

Onder welke omstandigheden weigering van samenwoning tot echtscheiding kan leiden, zegt dit artikel. Het woord weigering geeft onwil te kennen. Bestaan er voor de verwijdering goede of aannemelijke redenen; is de man gedurende geruimen tijd voor zaken op reis, houdt hij zich schuil in den vreemde uit vrees voor eene gerechtelijke vervolging, dan is bet hem niet te doen om zich aan de samenwoning te onttrekken, en mist het artikel alle toepassing.

Evenmin onstaat het recht om den echt te doen verbreken, wanneer de onwillige echtgenoot eene geldige reden voor zijn wegblijven heeft. Het ontwerp drukt dit onder n0. 1 en 2 van het artikel .uit. Eene nadere omschrijving of aanduiding van zoodanige oorzaken is niet wel aan te geven : men zou in eene omslachtige casuïstiek vervallen. Het denkbeeld is, dat het bestaan van geldige redenen niet anders zal worden aangenomen, dan in zoodanige gewichtige gevallen, in welke men aan zijne eigene waardigheid of aan het welzijn zijner kinderen verschuldigd is de samenwoning te weigeren.

ocr page 288

128

Schending der verplichting tot samenwoning kan zich op verschillende wijzen voordoen. Niet alleen door verlating der gemeene woning of door daarin niet terug te keeren na het ophouden eener te billijken oorzaak van afwezigheid; ook doordien de vrouw den man niet volgt, doordien de man de vrouw niet bij zich ontvangt, haar verstoot of op eenige andere wijze noodzaakt elders een onderkomen te zoeken. De jurisprudentie bewijst, dat men dit alles, voor een goed deel in strijd met het gewone spraakgebruik, onder «kwaadwillige verlating» poogt te brengen. Dat zulke uitbreidende uitlegging hare bedenkelijke zijde heeft, zal wel niet worden tegengesproken.

Weigering sluit overigens in zich, wat men bij verlating door kwaadwillig te kennen geeft. Eischt men bovendien kwaadwilligheid, men zou grond geven voor de verkeerde opvatting , dat er nog iets meer wordt gevorderd. Ten allen overvloede zij nog gezegd, dat eene uitdrukkelijke weigering evenmin onmisbaar zal zijn, als zulks thans, wanneer het de toepassing van art. 260 B. W. geldt, geacht wordt het geval te wezen. Voor het ontwerp volgt het reeds daaruit, dat het zonder geldige oorzaak verlaten der gemeene woning onder het vooropgestelde begrip wordt gerangschikt. Ware het woord lt;lt;onwil» niet te abstract, het begrip zelf zou er iets zuiverder door zijn weergegeven.

Dat er gedurende het tijdsverloop van drie of van e'e'n jaar, onder de nummers 1 en 2 van art. 231 Ontw. bepaald , volharding in den onwil moet hebben bestaan, ligt in den aard der zaak en wordt onder n0. 2 door de redactie te kennen gegeven. Er zijn er, die de woorden van artikel 266 B. W. «in zijne weigering volhardt om tot zijn echtgenoot terug te keeren» zoo opvatten, alsof de verlaten echtgenoot, alvorens zijn eisch te kunnen instellen een oproeping of aanmaning zou moeten doen, om de samenwoning te hervatten. Het is wellicht niet overbodig te verklaren , dat in dat gevoelen niet wordt gedeeld, en dat dus de meening, als stelde n0. 2 van art. 231 stilzwijgend zoodanigen eisch, niet zou strooken met de bedoelingen van het ontwerp.

De termijn van vijf jaren, die naar het bestaande recht moeten zijn verloopen, om de echtscheiding te mogen vragen, is in vergelijking van den tijd, die elders voldoende wordt gerekend , bijzonder lang. De meeste vreemde wetgevingen stellen zich met e'e'n jaar te vreden. Verg. het Pruissisch Landrecht II, 1, § 690, het Wetboek voor Zürich § 186 en 187, het Saksische Wetboek § 1731; de wet voor Genève vordert twee jaren. Tegen drie jaren, als regel, kan dus geen bezwaar bestaan.

Om den veel moeielijker toestand der verstootene vrouw moet de termijn voor haar korter zijn. Z,ij heeft veelal geene andere woning dan die van den man; wordt deze haar ontzegd, dan wordt voor haar een toestand geboren zoo hachelijk, dat men dien zeker niet langer dan e'én jaar behoort te laten duren.

Art. 232.

INa de gronden te hebben opgegeven, op welke echtscheiding is toegelaten, behandelt het Burgerlijk Wetboek de voorloopige voorzieningen, welke door de vrouw kunnen worden uitgelokt, en gaat vervolgens over tot de voorschriften omtrent het vervallen der vordering. Het schijnt regelmatiger die orde te wijzigen en, na te hebben aangewezen, op welke gronden de

ocr page 289

129

vordering toegekend wordt, uit te drukken, op welke gronden zij vervalt. De voorloopige maatregelen kunnen dan op de haar eigenaardig toekomende plaats komen na de voorschriften omtrent het verlof tot het instellen van den eisch.

De bevoegdheid, aan den schuldigen echtgenoot bij art. 273 B. W. toegekend, om door zijne terugkeer het recht van vorderen van den onschuldigen te doen vervallen , is eene eigenaardigheid, blijkbaar voortgesproten uit de godsdienstige overtuiging, dat ontbinding alleen dan kan worden uitgesproken , wanneer op het oogenblik dier uitspraak de schuldige nog niet tot inkeer is gekomen. Het ontwerp breekt niet geheel met deze milde opvatting, die ook elders wordt geëerbiedigd (zie § 1732 van het Saksische Wetboek), maar het houdt ze evenmin geheel in stand. Het laat het recht vervallen , zoolang kan worden aangenomen dat de schuldige de samenwoning hervat, omdat hij het verkeerde van zijn gedrag inziet; draalt hij totdat de eisch is ingesteld en dus nog nadat het noodige verlof is gevraagd, dan is het hein enkel te doen om de actie af to wenden, en daartoe behoeft hem de behulpzame hand niet te worden gereikt.

De woorden van art. 273 B. W.: «en van de oude redenen lot staving van zijnen eisch gebruik maken » zijn niet overgenomen. Zij zijn onjuist en overbodig. Wanneer iemand de vordering instelt op grond van verlating na een termijn van drie maanden of van verstooting onmid-delijk daarna, zal hem de eisch ontzegd worden, tenzij hij aantoont, dat reeds vroeger verlating heeft plaats gehad, die drie jaren of verstooting, die e'e'n jaar heeft geduurd, maar door terugkeer of bereidverklaring tot opneming is vervallen.

Art. 233.

In beginsel is de bepaling van art. 271, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, volmaakt juist. Wie zich verzoent, wie vergiffenis schenkt, laat zijne grieven varen, ziet af van de rechten, die hij daaraan zou kunnen ontleenen, en nu behoort het hem niet vrij te staan , op dat besluit terug te komen.

De werking der bedoelde bepaling is echter niet vrij van bedenking. Uit den aard der zaak moet bijna alles aan de beoordeeling van den rechter worden overgelaten. En nu is het zeer dikwijls — vooral wanneer de vrouw in het belang van kinderen of om andere redenen de echtelijke woning niet heeft verlaten — uiterst moeielijk te zeggen , of de echtgenooten zich met elkander verzoend hebben. Bovendien kan het niet gebillijkt worden , dat aan eene verzoening, die voortspruit uit eene oogenblikkelijke, weldra betreurde opwelling, het gevolg verbonden wordt, eene vordering verloren te doen gaan, van welke niet enkel het welzijn van den eischer maar ook de toekomst der kinderen afhangt.

Om deze bezwaren te vermijden slaat het ontwerp een weg in, wel verschillend van dien van het Burgerlijk Wetboek, maar daaraan toch minder vreemd, dan bij den eersten opslag schijnt. In stede van het waarneembare feit in aanmerking te nemen, dat ondubbelzinnig den wil aan den dag legt, om van het gebruik van rechtsmiddelen af te zién, dwingt het den be-leedigden echtgenoot schielijk te besluiten, of hij aan de zaak al of niet gevolg wil geven. Na zes maanden zijn de eerste indrukken verflauwd, en kan men aannemen, dat er voldoende tijd geweest is voor kalm beraad. Deze regeling is in het belang van beide partijen. De beleedigde heeft geen gelegenheid wraak te zoeken in de kwellende onrust, die hij den anderen echtgenoot

r

ocr page 290

130

aandoet, door hem het /.waard boven het hoofd te laten hangen, en aan dezen wordt die noode-looze straf bespaard. De bestaande wet geeft overigens het beginsel dezer regeling bij art. 265 B. W. aan de hand. Ook gelden tot zekere hoogte de redenen, waarom hij, die gerechtigd is een huwelijk te doen nietig verklaren, met het nemen van een besluit daaromtrent niet lang mag dralen. Toestanden van onzekerheid omtrent den staat der belanghebbenden en van hunne kinderen moeten zooveel mogelijk worden bekort.

Het ontwerp onderstelt dus afstand van het recht van vorderen, wanneer de beleedigde echtgenoot zes maanden heeft laten verloopen zonder van zijn recht gebruik te maken, onverschillig of er verzoening heeft plaats gehad of niet. Die regel is echter slechts vatbaar voor toepassing in de gevallen, ondernummers!, 2, 4 en 5 van art. 230 Ontw. opgenoemd. Geldt het, als bij weigering van samenwoning, eene krenking, die zich ook nadat het recht van vorderen geboren is als het ware ieder oogenblik hlijft vernieuwen '), dan zou het irrationeel zijn, ia weerwil daarvan , aan te nemen dat de beleedigde afstand van zijn recht doet: hij moet dan geacht worden geduld te willen oefenen. Dit is insgelijks toepasselijk op de voortgezette gedragingen onder n°' 6 en 7 van art. 230 Ontw. vermeld, namelijk wanneer de schuldige daarmede voortgaat; en betert hij zich, dan in zes maanden een te kort tijdsverloop om het verleden uit te wisschen. Men zou dus weder eene uitzonderende bepaling moeten maken in den geest van het duistere art. 272 B. W., dat men juist wil laten vervallen, omdat het in het stelsel van het ontwerp niet past. De geschiedenis van art. 273 C. C., bewijst toch, dat de bedoelde bepaling haar aanzijn te danken heeft aan het denkbeeld dat in verzoening uit den aard dei-zaak de voorwaarde ligt opgesloten, dat het gebeurde zich niet zal herhalen. — Volgens het ontwerp zal zich, om na het verloopen van den termijn van zes maanden de vordering te kunnen instellen, een nieuwe grond moeten hebben voorgedaan. Dit is niet onbillijk. De beleedigde echtgenoot heeft gelegenheid gehad zijn recht te doen gelden, hij heeft die ongebruikt laten voorbijgaan, en daarmede behoort het uit te zijn. Zou men voor de nieuwe vordering minder streng willen zijn, dan is het de vraag, hoever men daarmede gaan zal. Toch niet, om als grond van echtscheiding aan te nemen, wat als zoodanig niet. in art. 230 Ontw. erkend is? Wel is het redelijk, dat, wanneer zich na het verloopen van den termijn een dergelijk feit. voordoet, het eerste feit gebezigd kunne worden om het karakter van het nieuwe te doen uitkomen, maar men acht het niet noodig, dat uit te drukken. Immers al is op grond van het. eerste feit eene vordering niet meer toegelaten, het feit. bestaat en kan dus gebruikt worden om licht te werpen op een volgend.

Art. 234.

Wordt, blijkens het vorige artikel, op grond van het stilzitten gedurende zes maanden aangenomen, dat de beleedigde echtgenoot van de vordering afziet, hetzelfde kan zeker worden opgemaakt uit een feit, zoo sprekend als het bij dit artikel aangeduide. Dit is ook geenszins in strijd met hetgeen omtrent de verzoening, als grond van verval, bij de toelichting van het. vorige artikel is gezegd; immers het beginsel zelf is daarbij niet bestreden.

1) Op dien grond nemen de schrijvers aan, dat de vordering tot echtscheiding wegens kwaadwillige verlating niet vatbaar is voor verjaring. Zie Unterholznkr's Verjafinmgslehre, bearb. van Schirmeh, II, s. 396.

ocr page 291

131

De slotwoorden van het tweede lid van art. 271 B. W. «nadat laatstgemelde de woning had verlaten» zijn vervangen door de meer omvattende uitdrukking: «na buiten de woning van deu man verblijf te hebben gehouden». De eerste uitdrukking schijnt te eng; het artikel mist daardoor toepasselijkheid, in het geval dat de vrouw zich, bij het bekomen van de rechterlijke bewilliging niet meer in de woning van den man, maar, zooals zulks wel voorkomt, bij hare verwanten of anderen bevindt.

Art. 235.

Art. 275 B. W. strekt om de opvatting te voorkomen, als deed de ingestelde vordering een recht ontstaan , dat op de erfgenamen overgaat. Al kon deze bepaling geacht worden niet volstrekt noodig te zijn, het ware onraadzaam haar te schiappen, nu het ontwerp een voorschrift als art. 258 bevat.

Natuurlijk ligt het in de bedoeling het tegenwoordig artikel te laten slaan, zoowel op het recht van vorderen, als bevoegdheid, als op den ingestelden eisch, die in eiken stand van het geding onvatbaar wordt om verder te worden vervolgd. Vergel. ook art. 257, n0. 3 Ontw., waarbij voorgesteld wordt de machtiging in geval van overlijden te laten vervallen.

Art. 236.

Ontbrak de bepaling van art. 290 aan de bestaande wet, men zou gerechtigd zijn om, na een ingestelden eisch tot scheiding van tafel en bed, ook na toewijzing of afwijzing, zelfs op grond van dezelfde oorzaken, echtscheiding te vragen. Dit vloeit uit de gewone regelen omtrent samenloop van rechtsvorderingen voort. Een voorschrift als art. 290 B. W. is dus geenszins overbodig, in geval men de zaak zelve wil. En daarvoor bestaat een goede grond. Mag men het rechtsmiddel der echtscheiding niet onthouden, wanneer het noodzakelijk is, aan de andere zijde moet het niet worden gegeven, dan wanneer er behoefte aan bestaat. En nu toont de echtgenoot, die scheiding van tafel en bed kiest, door die daad, dat de zachtere weg hem de gewenschte voldoening zal schenken, en dus de eclitscheiding voor hein niet noodzakelijk is.

Overigens geeft de redactie van het artikel duidelijk te kennen, dat hij, die scheiding van tafel en bed vroeg en bekwam, later, op grond van nieuwe oorzaken, echtscheiding kan vragen, en zulks om het even, of deze zijn van gelijken aard of van anderen aard dan de vorige. Er bestaat geen reden om den echtgenoot, die andermaal wordt gekrenkt, van het rechtsmiddel te berooven , dat uit die nieuwe krenking voortspruit. Geeft hem deze de overtuiging, dat de toestand van scheiding van tafel en bed niet voldoende is, en de geheele verbreking van den huwelijksband beter beantwoordt aan de tusschen de echtgenooten bestaande verhouding, dan brengen recht en billijkheid mede, dat aan zijn verlangen wordt voldaan.

Art. 237.

Dit artikel strekt om de onzekerheid van den rechtstoestand niet zonder noodzaak te laten voortduren. Hetgeen ten opzichte van art. 233 is gezegd, is ten deele ook hier van toepassing.

ocr page 292

132

An. 238.

Na de opsomming der gronden en der oorzaken van hun vervallen, kan de rechtsvordering zelve, in zoover zij eigenaardigheden aanhiedt, waardoor zij van de gewone regelen afwijkt, behandeld worden. En dan is wel de eerste vraag die naar den bevoegden rechter, op welke vraag het Burgerlijk Wetboek in de artt. 262 en 266 aanhef het antwoord geeft. Door de verwijzing naar art. 158 Ontw. wordt voorzien in de leemten , welke zich in de practijk laten gevoelen, en is tevens rekening gehouden met de toestanden, welke naar art. 70 Ontw. ter bepaling van het domicilie in aanmerking komen. De plaats, waar de man zich bevindt, die, wanneer hij nergens hoofdverblijf heeft of woont, als domicilie geldt, kan voor de aanwijzing van den bevoegden rechter niet dienen. Uit art. 158 Ontw. volgt, dat de vrouw zoowel in dat geval, als wanneer de man zijn domicilie in het buitenland heeft, haren eisch kan aanbrengen bij den rechter van haar werkelijk verblijf.

De vrouw zal dus in elk geval een rechter hebben , tot. wien zij zich kan wenden , zoodat men , strenggenonien, het tweede lid van het artikel zou kunnen missen. Bij verlating dooiden man, bestaat er echter reden voor een nader voorschrift. Het is toch niet billijk te achten , dat de man, die zijne vrouw verlaat, het vermogen zou hebben, door zich elders te vestigen, haar te noodzaken den eisch aanhangig te maken bij een van de plaats, waar hij haar achtergelaten heeft, soms ver verwijderden rechter, en zoo de moeielijkheid van den toestand, waarin hij haar heeft gebracht, nog te verhoogen.

Artt. 239—241.

De ondervinding leert, dat de comparities voor den president in de meeste gevallen vruchteloos zijn; ook levert de bij het tweede lid van art. 817 W. B. Rv. bevolen oproeping bezwaren op. wanneer het verblijf van den echtgenoot onbekend is.

Het. ontwerp houdt, daarvoor de poging tot verzoening niet als verplichte formaliteit in stand, maar kent aan den president de bevoegdheid toe, de echtgenooten voor zich te doen verschijnen, wanneer hij uit de omstandigheden opmaakt, dat hij wellicht vrede tusschen hen zal kunnen stichten.

Deze regeling schijnt verkieselijk boven die der Duitsche Civilprocessordnung, die de bedoelde poging imperatief voorschrijft, maar haar onnoodig verklaart in een aantal in algemeene bewoordingen omschreven gevallen , over wier bestaan de president oordeelt. Zoo kan , volgens § 573, de poging achterwege blijven, wanneer er, buiten de schuld van den verzoeker, groote moeielijkheden aan verbonden zijn, alsmede, wanneer stellig te voorzien is, dat zij vergeefsch zal zijn. Laat men zooveel aan het oordeel van den president over, dan schijnt het eenvoudiger, van hem te laten afhangen, of hij het middel wil aanwenden of niet.

Het voorschrift van art. 816 W. B. Rv.. dat de eischer zijn verzoekschrift in persoon moet overhandigen, is behouden. Het kan niet. anders dan nuttig zijn, dat hij, die tot een zoo gewichtigen stap overgaat , vóórdat de zaak te ver is gekomen en te ruchtbaar is geworden om terugtreden mogelijk te doen zijn, door een kundig, onpartijdig man op al de gevolgen van den stap gewezen wordt.

ocr page 293

133

Het ontwerp zondert het geval uit, waarin, hetzij in eene procedure tot echtscheiding of lot scheiding van tafel en bed, echtscheiding bij wedereisch wordt gevorderd. Dan behoeft niet meer gewaakt te worden tegen een overijlden stap; het doel valt weg; de herhaling wordt eene nuttelooze formaliteit, die bovendien om de bepaling van art. 49 W. B. Rv. gemist kan worden.

Intusschen spreekt art. 816 W. B. Rv. geheel algemeen, en zoo wordt veelal een tweede verlof gevorderd. (Men vergelijke arrest Prov. Gerechtsh. Gelderland 28 April 1875, W. 3895.)

Art. 240.

Waarom de bestaande wet bij art. 816 W. B. Rv. vordert, dat een verzoekschrift tot inleiding van een geding tot echtscheiding aan de rechtbank zal worden gericht, terwijl zij het voldoende acht, dat eene vrouw, die verlof wenscht om een eisch tot scheiding van goederen in te stellen, zich tot den voorzitter wendt, blijkt niet. Even raadselachtig is het nut dei-bepalingen van gemeld art. 816, dat de te nemen conclusiên moeten worden medegedeeld en de bewijsstukken aan het request toegevoegd. Het ontwerp brengt in dit een en ander vereenvoudiging. Het houdt voorshands de rechtbank buiten de zaak , en schrijft niets meer voor dan eene vermelding in het verzoekschrift van de redenen, waarop het verzoek steunt. Dit komt wel ongeveer overeen met de opgave der daadzaken, bij art. 816 gevorderd, maar het laat meer ruimte bij de beoordeeling der vraag, of de grondslag, waaiop de eisch zelve latei-wordt ingesteld, al of niet beantwoordt aan het introductief request. Is dit vaag of onvolledig, dan zal de president den verzoeker wel gelasten het te verduidelijken of aan te vullen. Overigens is het, met het oog op de te bevelen voorloopige voorzieningen, in het belang van den verzoeker, volledige uiteenzetting der zaak te geven.

Door het derde lid van art. 240 wordt afgesneden de opvatting, die sommigen van het vierde lid van art. 816 W. B. Rv. hebben , alsof de opdracht aan den kantonrechter zou moeten geschieden, zoo dikwijls de verzoeker niet in de plaats woont, waar de rechtbank gevestigd is. Zie Mr. A. Oudeman. Het Ned. fVeth. van B. Ro. III, § 167, bl. 215.

Art. 241.

Aan het oordeel van den president kan de keus van den vorm worden overgelaten om de echtgenooten voor zich te doen verschijnen, evenzeer als het bepalen der wijze, waarop het bevel te hunner kennis zal worden gebracht. Het ligt voorts in de bedoeling hem naar omstandigheden te laten uitmaken , wat er moet gebeuren als de eischer of de gedaagde geldige redenen voor hunne niet-verschijning aanvoeren; alsmede om het van hem te laten afhangen , of de echtgenooten zich door nabestaanden of raadslieden mogen laten bijstaan. In ieder bijzonder geval zal hij met de omstandigheden te rade kunnen gaan, en daardoor wordt een doelmatiger en eenvoudiger verloop mogelijk dan bij de thans geldende voorschriften. Dat het verzoek vervalt, wanneer de eischer zonder geldige redenen niet verschijnt, behoeft niet te worden gezegd. Het opmaken van een proces-verbaal heeft men , als onnoodig, niet gevorderd.

ocr page 294

434

Art. 242.

Dit artikel vervangt het eerste lid van art. 270 B. W. en 825 B. Rv. üe bepalingen van het eerste zijn niet overgenomen; de aanhef als overbodig, het tweede lid als vervat in art. 155 Ontw.

Wat het onderwerp betreft, zoo herinnere men zich, dat het gevaar, waartegen de toegelaten maatregelen zijn gericht, niet zoo groot is als onder het bestaande recht, omdat de vrouw, des noods met machtiging van de rechtbank (art. 143 Ontw.), het beheer van haar eigen goed kan overnemen, en het recht van beschikking van den man over gemeen goed bij het tweede lid van art. 140 Ontw. in niet geringe mate beperkt is.

Om allen twijfel dienaangaande te voorkomen, zegt het ontwerp uitdrukkelijk, dat het bevel tot verzegeling zich kan uitstrekken tot de goederen der gemeenschap.

Uit de algemeene bewoordingen volgt bovendien, dat de president tot het verleenen van het bevel bevoegd is ook dan, wanneer het de man is, die echtscheiding vordert; en dat de maatregel zoowel al de bedoelde goederen als een gedeelte of enkele kan betreffen. Zoo zal hij b. v. ten aanzien van de goederen der vrouw, die onder haar beheer zijn , niet behoeven te worden gevraagd.

Art. 243.

Welke voorzieningen kunnen worden bevolen, zegt dit artikel. Dat zij niet altijd ten verzoeke der vrouw plaats hebben en ten haren behoeve strekken, maar mede in het belang der kinderen op het verzoek van den man kunnen worden bevolen, wordt uit dat tweede nummer duidelijk. Naar art. 244 vervallen in het daargenoemde geval dan ook enkel de op het verzoek der vrouw genomen beschikkingen, de overige niet. De president geeft die beschikkingen niet ambtshalve; dit blijkt uit bet tweede lid van het artikel, dat altijd eene tegenparij, en dus een verzoeker onderstelt. Wanneer het door de echtgenooten niet verlangd wordt, en bijgevolg voor niet noodig moet worden gehouden, moet het den president niet vrijstaan in te grijpen in den toestand, dien zij met onderling goedvinden hebben geregeld.

N0. 2. Deze maatregel zal in den regel wel niet anders worden verzocht dan in het geval van iiquot;. 1. Toch mocht men hem niet daartoe beperken, gelijk art. 269 B. W. doet. Het is denkbaar, dat een man, die echtscheiding gevraagd heeft, vrijwillig de gemeenschappelijke woning aan zijne vrouw overlaat, al was het maar alleen, omdat deze van hare zijde de machtiging, om elders te mogen verblijven, niet vraagt.

N0. 3. Ook deze voorziening kan te pas komen buiten de gevallen van n0. 1. Aan eene vordering tot levensonderhoud kan behoefte bestaan, al blijft de vrouw in de woning van haren echtgenoot, wanneer zij daar namelijk zondér de noodige middelen wordt gelaten, en de man ter uitoefening van zijn beroep of om andere redenen zich voortdurend buiten die woning ophoudt. Men zal dan eene toepassing hebben van de artt. 137 en 138 Ontw.

De bepaling van art. 820 W. B. Rv., dat de president kan bevelen de goederen, tot het dagelijksch gebruik der vrouw strekkende, aan haar uit te reiken, is uitgebreid, zoodat het

ocr page 295

135

bevel ook zal kunnen betreffen de goederen, tot het dagelijkscli gebruik der aan haar toevertrouwde kinderen benoodigd.

Art. 824 W. B. Rv. vordert niet, dat de tegenpartij over de te nemen beschikkingen worde gehoord. Al geschiedt dit nu meestal, wanneer de echtgenooten voor den president verschijnen, zoo verdient een bepaald voorschrift toch de voorkeur. Dit is zelfs noodig, nu het ontwerp die verschijning als verplichte formaliteit laat vervallen.

Wanneer de tegenpartij niet wordt opgeroepen , omdat de maatregel geen uitstel kan lijden , of de oproeping wegens de afwezigheid van den anderen echtgenoot aan te veel moeielijkheden onderhevig is, zal het bezwaar slechts gering zijn; de vrouw moet, volgens art. 244 Ontw., binnen zes weken den eisch instellen, en dan kan de tegenpartij dadelijk bij de rechtbank tegen den maatregel opkomen (art. 245).

Art, 244.

Heeft op het tijdstip van het vervallen, de ontzegeling, die door boedelbeschrijving en waardeering der goederen moet, en door de maatregelen, in het tweede lid van art. 242 in verband met art. 157 Ontw. aangeduid, kan worden gevolgd, nog geen plaats gehad, dan behoort de man de bevoegdheid te hebben de zegels in eens te doen opheffen, en kan boedelbeschrijving en waardeering achterwege blijven.

De laatste alinea raakt eene vraag, waaromtrent de bestaande wet zwijgt, te weten, of de aanvrage om kosteloos te procedeeren tot echtscheiding moet geschieden vóór dan wel na het verzoek om verlof tot het instellen van den eisch.

Het ware wenschelijk, te bepalen, dat het verzoek om gratis tot echtscheiding te procedeeren niet wordt in overweging genomen, tenzij het verlof van den president wordt overgelegd.

Het is toch minder gepast, dat partijen voor dezen verschijnen, nadat aan de zaak door de aanvrage om kosteloos te procedeeren ruchtbaarheid is gegeven, bepaaldelijk wanneer de rechtbank het verzoek heeft toegewezen. In dien stand der zaak is van de toespraken van den president niet veel resultaat meer te verwachten, en laat men hem zelfs een eenigzins zonderlinge rol spreien.

In de onderstelling, dat een voorschrift, als het bedoelde, in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering — waar het beter dan in het Burgerlijk Wetboek op zijn plaats zou zijn — onder de bepalingen betreffende de toelating om kosteloos te procedeeren wordt opgenomen, is het noodzakelijk, dat 'de in het eerste lid van dit artikel aan de vrouw gestelde termijn gedurende den tijd der behandeling van de aanvraag wordt geschorst. Het ontbreken eener dergelijke bepaling leidt thans tot onbillijkheid.

Art, 245,

Uit de twee eerste leden van dit artikel volgt nu ontwijfelbaar, dat de werking dei-beschikkingen van den president niet met de dagvaarding ophoudt, maar de bedoelde voorzieningen , wanneer partijen er niet tegen opkomen, gedurende den loop van het geding van kracht blijven.

ocr page 296

136

Aan de behandeling bij verzoekschrift is, ter bespoediging, de voorkeur gegeven boven die bij incidenteele vordering.

Art. 246.

De voorloopige voorzieningen, in dit arlikel bedoeld, zijn de maatsegelen, door den president krachtens art. 243 gelast, wanneer daartegen niet of niet niet vrucht is opgekomen , of die hangende het geding door de rechtbank, ter vervanging, aanvulling of wijziging van eerstgemelde, of ook bij het ontbreken daarvan, bevolen.

Art. 247

De redactie van dit artikel geeft duidelijk te kennen; 1quot;. dat de eens toegelegde uitkeering moet voldaan worden, totdat de rechter oordeelt, dat de omstandigheden aanwezig zijn, onder welke zij niet verder verschuldigd is; 2U. dat ook wanneer de vrouw het verblijf verlaat, haar door den president aangewezen , zij haar recht op de toegekende uitkeering kan verbeuren.

Het behoeft geen betoog, dat de gevallen, waarin de aanwijzing door de rechtbank en die, waarin zij door den president is geschied, in dit opzicht behooren gelijk te staan. Te meer moet dezelfde sanctie aan de beschikking van den president worden verbonden, nu deze, wanneer partijen er niet of niet met vrucht tegen opkomen , gedurende het geheele geding van kracht blijft.

Rechter moet derhalve in den algemeenen zin verstaan worden. Waar men , hetzij enkel den president, hetzij enkel de rechtbank bedoelt, gebruikt men steeds die meer bepaalde aanwijzingen.

Het tweede lid van art. 268 B. W. veroorlooft bovendien de vrouw, wanneer zij eischeresse is, niet-ontvankelijk te verklaren om hare vordering voort te zetten. Al moge dit enkel beteekenen , dat de instantie kan worden vervallen verklaard, schijnt een dergelijk middel ter beteugeling van de overtreding, waarop het artikel betrekking heeft, geheel ongeschikt; verbeurte van het recht op onderhoud is overigens eene alleszins voldoende sanctie.

Art. 248.

Volgens art. 822 W. B. Rv. moet het vonnis in het openbaar worden uitgesproken. Deze bepaling is onnoodig, omdat men hier enkel de afwijkingen van den regel der openbaarheid heeft te vermelden. Hel voorschrift, dat de getuigenverbooren met ggiloten deuren moeten gehouden worden, is, niettegenstaande het derde lid van art. 205 W. B. Rv. dit in het algemeen bepaalt, niet overbodig; daar verschillend gedacht wordt over de vraag, of die bepaling ook toepasselijk is op enquêtes in summiere zaken.

Art. 249.

Het is volgens het bestaande recht voor hem, die echtscheiding verlangt op grond van overspel, waarvan uit een strafvonnis blijkt, niet noodig een rechtsgeding aanhangig te maken; hij volstaat met aan de rechtbank een verzoekschrift in te dienen, met overlegging van een

ocr page 297

137

afschrift van het vonnis en het bewijs, dat dit aan geen beroep onderworpen is. Het vonnis levert in dat geval volledig bewijs op van het gepleegde feit, zonder dat tegenbewijs is toegelaten. De tusschenkomst des rechters wordt op dezelfde wijze ingeroepen, wanneer de echtscheiding gevraagd wordt op grond van veroordeeling tot vier jaren vrijheidstraf of langer. Zoodanige veroordeeling kan niet anders dan door het daarvan uitgesproken vonnis bewezen worden.

Voor zoover art. 265 ]{. W. eene afwijking in zich sluit van art. 1955 B. W., wordt het bij het tegenwoordig artikel van het ontwerp bestendigd en de toepassing er van uitgebreid: het is in het belang van de rust en de eer der huisgezinnen, dat schandalen , die het inlime leven der echtgenooten raken, na door den strafrechter bewezen verklaard te zijn, niet op nieuw door den burgerlijken rechter worden onderzocht.

De wijze van procedeeren daarentegen, bij artikel 265 B. W. vastgesteld, laat zich niet rechtvaardigen , omdat hij , tegen wien echtscheiding wordt gevraagd, niet in de gelegenheid wordt gesteld zich te verdedigen. Als verdediging zal hij wel niet kunnen aanvoeren , dat hij ten onrechte veroordeeld is, maar hij zal misschien er zich op kunnen beroepen, dat het strafvonnis nog geen kracht van gewijsde heeft, of dat hij de veroordeelde niet is. Men denke aan gelijkheid van namen, alsmede aan de mogelijkheid, dat iemand is veroordeeld, niet onder zijn eigen, maar onder eens anders naam. Voorts zal hij soms feiten kunnen aanvoeren, die de vordering hebben doen vervallen. Het tegenwoordige recht brengt mede, dat het hem onmogelijk is bij wedereisch echtscheiding te vragen , en dat hij niet eens gehoord wordt omtrent de voorloopige maatregelen.

Wij zeiden; de uitzondering op art. 1955 B. W. wordt bij het ontwerp uitgebreid. Er bestaat geen enkele reden, waarom b. v. een strafvonnis, houdende veroordeeling wegens een onder n0. 5 van art. 230 vallend feit, niet dezelfde bewijskracht zou hebben als een vonnis, waarbij ter zake van overspel straf is uitgesproken.

Art. 250.

De voorschriften van art. 827 W. B. Rv. worden door sommigen voor overbodig gehouden: het is echter wenschelijk ze niet ter zijde te laten, vooral met het oog op het recht om zich van het geven van getuigenis te verschoonen, dat voor ouders en kinderen , wier onbekwaamheid wordt opgeheven, zeker niet rechtstreeks uit art. 1946 B. W. volgt.

Art. 251

Dit artikel strekt om de vraag te beslissen, of een feit, waarop een eisch lot echtscheiding wordt gegrond, voor voldoende bewezen moet worden gehouden, wanneer de gedaagde het erkent of niet ontkent zonder dat er eenig ander bewijs is, met welke vraag onmiddellijk deze tweede samenhangt, of een eisch tot echtscheiding, wanneer tegen den gedaagde verstek is verleend, zonder oplegging van nader bewijs kan worden toegewezen.

Als regel meende men te moeten stellen, dat bekentenis voldoende bewijs oplevert, en dat bij verstek art. 76 W. B. Rv. ook in het geval eener procedure tot echtscheiding toepasselijk moet zijn. Nadeelen heeft men hiervan niet te vreezen. Samenspanning der echtgenooten, ter

ocr page 298

438

verkorting der rechten van schnldeischers, die men in art, 810 W. B. Rv. wilde verijdelen, is hier niet te duchten. Groot gevaar bestaat er evenmin, dat een echtgenoot, tegen wien scheiding geëischt wordt, in strijd met de waarheid de feiten zal bekennen, in art. 230 Ontw. vermeld. Voor het geval evenwel, dat de rechter dit vermoedt, mocht hem het middel niet worden onthouden daartegen te waken.

Artt. 252, 253, 254 en 255.

Bij de inleiding van dezen titel is gezegd, dat het ontwerp, met betrekking tot de wijze, waarop, in de gevallen van de tweede en derde afdeeling de ontbinding van het huwelijk tot stand komt, het stelsel heeft aangenomen, in 1822 door de Nederlandsche wetgevende macht aan den Code Civil ontleend en in het wetboek van 1830 voorkomende. Het is rationeel, dat, evenals do ambtenaar van den burgerlijken stand het huwelijk voltrekt, hij het ook ontbinde, behoudens, dat aan den rechter niet mag worden onttrokken bet oordeel over de vraag, of eene oorzaak, door de wet als zoodanig erkend, in het gegeven geval aanwezig is. Wordt dit aangenomen, dan eerst komt de ambtenaar van den burgerlijken stand aan de beurt, die dan gemachtigd is, op verlangen van partijen, de ontbinding uit te spreken. Die uitspraak geschiedt zoowel ten verzoeke van hem, wiens eisch is toegewezen , als van de tegenpartij (art. 254 Ontw.). Moest de machtiging beschouwd worden als uitsluitend aan den eischer verleend, dan behoorde het ook uitsluitend aan dezen te staan , om er al of niet gebruik van te maken. Dit acht. men evenwel niet billijk voor de tegenpartij. Deze moet, nadat het vonnis kracht van gewijsde heeft bekomen , niet verplicht zijn van de willekeur of de luim van zijn echtgenoot het antwoord op de vraag af te wachten , of de scheiding al of niet zal doorgaan. Zij op hare beurt kan er — met reden — tegen opzien de samenwoning met iemand te hervatten, die openlijk tegen haar is opgetreden.

Vóór de ontbinding wordt uitgesproken, moet het vonnis kracht van gewijsde hebben bekomen. Ten einde de onzekerheid niet langer dan noodig is te laten voortduren, zijn de termijnen van appel en beroep in cassatie bij het ontwerp tot de helft beperkt. Men heeft zich afgevraagd, of men, ter bevordering van hetzelfde doel, die niet zou kunnen laten loopen van den dag der uitspraak. Dit is echter gevaarlijk, inzonderheid met het oog op veroordeelingen bij verstek. Maar zelfs, wanneer de tegenpartij is verschenen, is, bij eene rechterlijke beslissing zoo gewichtig als deze, beteekening aan haar persoon of woonplaats onmisbaar. Wanneer overigens aan een niet-verschenen gedaagde gedurende drie maanden na de beteekening gelegenheid wordt gegeven in verzet te komen , is de billijkheid te zijnen aanzien betracht.

Een der gewichtigste punten der regeling, die het, ontwerp weder invoert , betreft de vraag, hoe den ambtenaar van den burgerlijken stand, op eene wijze, welke hem eiken twijfel onmogelijk maakt, zal kunnen blijken, dat het vonnis kracht van gewijsde heeft. Men meende, dat hierin het best voorzien wordt, indien hem altijd moet worden overgelegd de verklaring van den giiffier van het college, hetwelk het laatst van de zaak kennis heeft genomen, dat tegen de uitspraak door geen wettig middel kan worden opgekomen, of dat daarin overeenkomstig art. 252 is berust.

ocr page 299

139

Opdat de griffier dit zou kunnen verklaren, moet hij van een gedaan verzet, of van voorziening in appel of cassatie in kennis zijn gesteld. Aanteekening ter griffie, zoo als bij art. 52 der onteigeningswet, of art. 2 van het reglement wegens het hooger beroep aan den Hoogen Raad van vonnissen in burgerlijke zaken, gewezen door het gerechtshof in Suriname, is voorgeschreven, schijnt onvoldoende, met het oog op de mogelijkheid, dat hij, die de aanteekening heeft laten doen, de zaak niet voortzet. Vergel. art. 433 W. B. Rv, Het voorgestelde art. 253 houdt daarom in, dat de dagvaarding in verzet, appel of cassatie moet worden vertoond ter griffie van het college, dat de aangevallen beslissing heeft gegeven , en dat de griffier van dat exploot en van de dagteekening melding moet maken op den kant der minuut. De opvolging van dit voorschrift wordt gewaarborgd door de bepaling, dat de voorziening vervalt, indien de dagvaarding binnen de veertien dagen niet is vertoond.

De algemeene omschrijving in art. 254: «het college, hetwelk het laatst van de zaak heeft kennis genomen», is gebezigd om daaronder ook te begrijpen den Hoogen Raad, wiens griffier eveneens tot het afgeven der verklaring bevoegd en verplicht moet zijn.

Voor zoover het vonnis of arrest door berusting onherroepelijk kan worden , is een afzonderlijk voorschrift noodig, om den griffier tot de verklaring in staat te stellen, dat het langs dien weg kracht van gewijsde heeft bekomen. Daartoe strekt de formaliteit, bedoeld bij het eerste en tweede lid van art. 252 Ontw. Stilzwijgende berusting komt mitsdien niet in aanmerking, en zelfs geene uitdrukkelijke, waarvan niet door verklaring ter griffie blijkt. In alle andere gevallen moet de afloop der term ij Tien worden afgewacht.

Het ontwerp verplicht tot beteekening binnen drie maanden, om ook daardoor te verhinderen, dat de toestand van onzekerheid onnoodig wordt gerekt, terwijl op de nietnakoming van dat voorschrift de straf is gesteld van het vervallen der machtiging (art. 257 in verband met 252 Ontw.). quot;Wanneer evenwel berusting heeft plaats gehad, waarvan op voorschreven wijze blijkt, zou de beteekening geen doel meer hebben, en wordt ze dan ook niet gevorderd.

De partij, die het vonnis heeft laten beteeken en, kan alzoo na acht weken, en, wanneer het vonnis bij verstek gewezen is, na drie maanden en twee weken van den griffier de verklaring verlangen , in art. 254 Ontw. bedoeld.

Art. 254.

Met de inschrijving der echtscheiding belast art. 276 B. W. den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van partijen. De aanwijzing van dezen ambtenaar, als tot het uitspreken der echtscheiding bevoegd, zou in de praktijk dezelfde moeielijkheden ontmoeten, als waarop bij art. 238 is gewezen, en waarin bij dat artikel is voorzien. Zoo moest van zelve het denkbeeld opkomen, om de bevoegdheid van den ambtenaar in aansluiting van die van den rechter te regelen, door haar uitsluitend op te dragen aan dien der gemeente, waar de rechtbank zitting heeft, welke van de vordering heeft kennis genomen. Het kon alleen de vraag zijn , of men het daardoor voor de belanghebbenden niet te lastig maakt. In den regel is echter de bedoelde gemeente niet ver verwijderd van het domicilie der echtgenooten en de aanwijzing dier gemeente levert dit voordeel op , dat de echtscheiding meer bekend zal worden, dan wanneer zij in eene kleine afgelegene plaats voltrokken wordt. Men vergelijke art. 256 Ontw. Voor derden zijn nasporingen ook gemakkelijker.

ocr page 300

140

Volgens art. 264 C. C. moet de echtgenoot, die echtscheiding bekomen heeft, zich binnen twee maanden, nadat de uitspraak aan geen beroep meer onderhevig is, vervoegen bij den ambtenaar van den burgerlijken stand van de woonplaats van den man, ten einde in tegenwoordigheid van den anderen echtgenoot, zoo deze, na behoorlijke oproeping, verschijnt, de scheiding te doen uitspreken.

De vraag rees, of hij, die zich tot den ambtenaar moet wenden, bij gemachtigde verschijnen kan. Ons wetboek van 1830 beslistte haar, evenals het ontwerp, in bevestigenden zin. En daarvoor bestaat dan ook alle reden. Persoonlijke verschijning kan onoverkomelijke moeie-lijkheden opleveren; bij de voltrekking des huwelijks wordt zij zelfs niet absoluut vereischt, en hier kan vertegenwoordiging te eer toegelaten worden, omdat de ambtenaar zich van geen toestemming van partijen heeft te vergewissen en dwaling in den persoon onmogelijk is. Er bestaat genoegzame waarborg, wanneer de gemachtigde bij notarieele akte is aangewezen.

De termijn vaii twee maanden, ook bij het Wetboek van 1830 gehandhaafd, is te kort. Men denke aan de mogelijkheid eener zware ziekte, die tijdelijk het bewustzijn wegneemt, aan afwezigheid, door beroep of handelsbelangen veroorzaakt. Van de andere zijde maant de wenschelijkheid, dat de onzekere toestand niet langer dure dan noodig is, tot bekorting aan, en zoo meende men te moeten blijven bij den termijn van art. 276 B. W. De andere partij kan ook de scheiding doen uitspreken, en wordt dus door den langeren duur niet benadeeld.

Eene oproeping van de andere partij, zooals de Code en het Wetboek van 1830 voorschrijven , werd niet wenschelijk geacht. Zeer licht kan er twijfel bij den ambtenaar onstaan , of de oproeping behoorlijk had plaats gehad, en zoo zou hij in beoordeelingen moeten treden, hetgeen zooveel doenlijk moet worden vermeden.

Art. 255.

Het is hier niet de plaats voor de bepaling, dat van de voltrekking der echtscheiding eene akte moet worden opgemaakt. Te duidelijker zal het zijn, dat de ontbinding des huwelijks niet van het opmaken der akte afhankelijk is, maar voltooid wordt door de verklaring van den ambtenaar van den burgerlijken stand. Men vergelijke art. 45 Ontw.

Art. 256.

De veranderde wijze, waarop de echtscheiding tot stand komt, moet tot een gewijzigden vorm van openbaarmaking leiden. De bepalingen omtrent de openbaarmaking van de aangifte des huwelijks schijnen doelmatig, en geschikt om ook hier de algemeene bekendheid, in het belang van derden noodig, te bevorderen. Zonder eenig nadeel kan de termijn der aanplakking langer gesteld worden dan men bij het laatste lid van art. 92 Ontw., waar hij is bepaald met bet oog op het huwelijk, dat niet te lang moet worden verschoven, doen kon; ook werd eene aankondiging meer voorgeschreven.

Art. 257.

Om eiken twijfel weg te nemen, schijnt het wenschelijk, uit te drukken, dat de machtiging

ocr page 301

441

tot echtscheiding door het overlijden van een der echtgenooten vervalt. Het kan hier toch de vraag zijn, of door het vonnis een recht wordt verkregen, dat naar den algemeenen regel op de erfgenamen overgaat.

Het ontwerp snijdt bij art. 235 de toepassing van het beginsel af, dat een begonnen rechtsgeding de actie aan en tegen de erfgenamen doet overgaan: het tegenwoordige artikel voorkomt de uitlegging, als zou de verkregen machtiging onder den regel van overgang vallen. Wel zal niemand beweren, dat, indien een der echtgenooten sterft, het door den dood ontbonden huwelijk nog eens door echtscheiding kan worden ontbonden, maar de stelling zou kunnen worden gevoerd, dat de financieele gevolgen van de artt. 258 en 259 aan de machtiging zijn verbonden en door het onmogelijk worden der eigenlijke echtscheiding niet ophouden een verkregen recht te zijn. Het is daarom raadzaam, uitdrukkelijk te zeggen, dat de machtiging door het overlijden van een der echtgenooten vervalt.

Hierbij moet nog worden opgemerkt, dat het altijd mogelijk blijft, dat de echtscheiding na het overlijden van een der echtgenooten worde uitgesproken. Dit is niet te voorkomen, ook niet door het voorschrijven eener oproeping. De uitspraak zal dan evenmin echtscheiding bewerken, als in het geval, dat het huwelijk bij gemachtigde wordt aangegaan en vóór de voltrekking de lastgever overleden is, de verklaring van den ambtenaar van den burgerlijken stand, dat partijen uit kracht der wet door het huwelijk zijn vereenigd, inderdaad een huwelijk te weeg brengt.

Art. 258.

Het behoeft niet uitdrukkelijk te worden vermeld, dat de gevolgen der echtscheiding eerst op het oogenblik, waarop zij tot stand komt, een aanvang nemen. Had men eene vroegere werking gewild, men zou het uitdrukkelijk hebben moeten zeggen. De echtscheiding in het algemeen te laten terugwerken tot den dag der dagvaarding is ongeraden ; niet altijd hebben de echtgenooten gedurende het geding eene afzonderlijke woning, en de staat der in dat tijdsverloop verwekte kinderen mag niet in gevaar worden gebracht. Die terugwerking zou ook medebrengen, dat in het belang van derden aan liet instellen van den eisch de grootst mogelijke openbaarheid zou moeten worden gegeven, en dit zou niet bevorderlijk zijn aan de hereeniging der echtgenooten.

Op e'e'n punt wijkt het ontwerp van het zooeven gezegde af. Erfenissen en makingen, aan een der echtgenooten opkomende, of schenkingen, aan hem gedaan, nadat de eisch is ingesteld, beboeren buiten de gemeenschap te blijven, indien de echtscheiding volgt. Het strijdt met de betamelijkheid, dat de eischende echtgenoot zijn deel van die voordeelen krijgt, zoo ze aan den gedaagden echtgenoot opkomen, nadat hij blijk gegeven heeft, dat hij, als het van hem afhing, op den dag der dagvaarding (zoo niet reeds vroeger) van dezen zou hebben willen scheiden; komen ze aan den eischenden echtgenoot op, dan is het voor den gedaagde eene gepaste straf, dat hij ze niet meer geniet, nadat door zijne schuld eene oorzaak tot echtscheiding ontstaan is, en het tegelijk zeker is, dat de andere echtgenoot echtscheiding wil.

Verder zal door het artikel worden voorkomen, dat eene procedure door eene der partijen gerekt wordt, in de verwachting, dat aan de andere eene erfenis zal te beurt vallen.

ocr page 302

142

Ait. 259.

In dit artikel zijn, met eenige vereenvoudiging van redactie, de bepalingen der artt. '111, 278 en 279 B. W. samengevat, in dier voege, dat de inhoud van art. 279 op dien van art. 277 volgt, welke omzetting tot eene regelmatige volgorde vereischt wordt.

Men vond geene aanleiding om van het stelsel der bestaande wet af te wijken. Wanneer door de schuld van eene der partijen de redelijke verwachtingen, bij het aangaan des huwelijks gekoesterd, niet zijn vervuld, schijnt het billijk, dat de voordeden, haar met het oog daarop toegezegd, vervallen. Hebben beide schuld, dan moeten beide ze verliezen. De schuld der eene wischt die van de andere niet uit. Intusschen zou, wanneer eene vordering tot echtscheiding, zoowel bij eisch als bij wedereisch , toegewezen wordt, op grond van het eerste lid van het artikel kunnen beweerd worden , dat zij aan beide echtgenooten toegewezen is, en bijgevolg beide de voordeelen behouden. Daarom wordt bij het vierde lid uitdrukkelijk het tegendeel gezegd.

Wat de genoten voordeelen betreft, zij zijn ten bate gekomen van een toenmaals nog niet schuldigen echtgenoot, en in vele gevallen door dezen ten behoeve der huishouding en dei-kinderen aangewend. Daarin ligt de rechtvaardiging van het laatste lid.

Art. 260.

Bij de redactie van art. 283 B. W. heeft men blijkbaar art. 448 van het ontwerp van 1820 voor oogen gehad, dat van «jaarlijksche, maandelijksche of wekelijksche bijdragen, door de «ouders, nabestaanden of vreemden bij de huwelijksvoorwaarden beloofd)», spreekt, doch overigens van eene andere onderstelling schijnt uit te gaan dan het artikel der bestaande wet. In allen gevalle, zoo het beginsel juist is, dat echtscheiding de herroepelijkheid der schenkingen, door derden gedaan, niet behoort teweeg te brengen, dan bestaat geen reden voor de beperking tot «uitkeeringen». De geldende bepaling is daarom tot «schenkingen» in het algemeen uitgebreid. De woorden «bij een huwelijkscontract» zijn vervangen door «ter zake des huwelijks», waardoor duidelijk uitkomt, dat zoowel de huwelijksvoorwaarden bedoeld worden als de afzonderlijke notarieele schenkingen , waarbij zoodanige akte kunnen geschieden. Vergel. art. 227, tweede lid, Ontw.

Art. 261.

Het onderwerp van dit artikel wordt thans geregeld in de artt. 280, 281 en 282 B. W. In hoofdzaak is men van het daarbij aangenomen stelsel niet afgeweken.

De beperking, in de woorden van art. 280; uit de goederen, gelegen, is zeker niet bedoeld. Er bestaat geen reden, waarom inkomsten , door handel, beroep of betrekking verkregen , niet zouden in aanmerking komen.

Bij het derde lid is een punt vastgesteld, waaromtrent verschil van gevoelen bestaat.

Is het aan de eene zijde waar, dat behoeftige omstandigheden geruimen tijd na de echtscheiding kunnen ontstaan, en de onschuldige echtgenoot door de echtscheiding niet in ongunstiger toestand moet gebracht worden, daartegenover staat, dat de verplichting tot onderhoud

ocr page 303

143

hier niet, als in het geval dat zij uit verwantschap voortspruit, rust op eene voortdurende betrekking, maar op een vernietigden band. De echtgenoot, tegen wien de echtscheiding is uitgesproken, behoort, na een niet te lang tijdsverloop, den ganschen omvang zijner linancieele verplichting tegenover zijn gewezen echtgenoot te kennen, hij behoort te weten, waar hij mede «/quot;is. Ook kan het gebeuren, dat de onschuldige echtgenoot later door eigen schuld in behoeftige omstandigheden geraakt. En zou men ook dan eene vordering tegen den schuldigen willen toelaten met het daaraan verbonden hoogst bezwaarlijk en onaangenaam onderzoek naar de oorzaken van den financieelen achteruitgang?

Soms, bij weinig ingewikkelde geldelijke toestanden, zal dadelijk bij het instellen van den eisch tot echtscheiding kunnen blijken , welken invloed de scheiding op de inkomsten van den onschuldigen echtgenoot zal hebben, en hoe groot, dus de uitkeering zal moeten zijn. Een jaar na de voltrekking der echtscheiding is in allen gevalle een voldoend tijdsverloop om dat punt tot klaarheid te brengen.

Ook om eene andere reden is bet wenschelijk geen langoren termijn toe te staan. De behoefte moet niet enkel door de echtscheiding zijn ontstaan; zij moet ook naar bet tijdstip dei-ontbinding van het huwelijk beoordeeld worden.

In het voorgaande ligt opgesloten, dat het ontwerp verhooging der eens vastgestelde uitkeering niet toelaat.

Het vierde lid van dit artikel vult eenige leemten aan, welke in het tweede lid van art. 281 B. W. voorkomen; zoo wordt voorgesteld, dat, wanneer hij, die de uitkeering verschuldigd is, die niet meer kan geven, de geheele opheffing van de verplichting zal kunnen uitgesproken worden en dat, wanneer de ander die ten deele niet meer noodig heeft, de uitkeering ook zal kunnen worden verminderd. De billijkheid, die aan de voorschriften van bet tweede lid van art. 281 B. W. ten gronde ligt, gebiedt ook deze aanvullingen.

Uitkeeringen te ontvangen van een vorigen echtgenoot, nadat men zelf een ander huwelijk heeft aangegaan, strijdt zoozeer met de betamelijkheid, dat men het noodig oordeelde, bij het vijfde lid van het artikel uitdrukkelijk te bepalen, dat alsdan de verplichting ophoudt.

DERDE A F D E E L I N G.

Men heeft wel eens opgemerkt, dat de onderscheiding tusschen ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed en echtscheiding meer fijn dan wezenlijk is, en dat, wie meer op zaken dan op woorden let, aan die onderscheiding niet veel hechten kan. Het valt niet tegen te spreken, dat men echtscheiding als geslachtsnaam had kunnen bezigen, om daarmede zoowel hetgeen men thans zoo noemt als de ontbinding na scheiding van tafel en bed aan te duiden. Men zoude daar echter niet veel mede hebben gewonnen, omdat men dan tusschen de beide soorten van echtscheiding den slagboom zou hebben moeten plaatsen, die thans de twee soorten van ontbinding scheidt. Immers de eene laat het alles behalve zeldzaam voorkomend rechtsgevolg toe, dat bij de andere is uitgesloten, namelijk, dat de latere rechtstoestand tusschen de echtgenooten wordt bepaald door hetgeen partijen daaromtrent zijn overeengekomen, welk rechtsgevolg, volgens art. 261 B. W., bij ontbinding na minnelijke scheiding plaats heeft. De bedoelde critiek raakt dus niets anders dan eene benaming, en met bet behoud van die

ocr page 304

144

van het Burgerlijk Wetboek is het voordeel verbonden , dat zij overeenstemt met de oude begripsbepaling van echtscheiding, als het rechtsmiddel, waarbij een der echtgenooten, als de gekrenkte, op grond van eene bepaalde, door de wet als voldoende erkende oorzaak, tegenover den anderen, als den schuldigen, optreedt, om de ontbinding, met nadeelige gevolgen voor laatstgemelden , te doen uitspreken. De woordenkeus van het bestaande wetboek is daarom onveranderd gelaten.

Zooals bij de inleiding van dezen titel is te kennen gegeven, treft men in de tegenwoordige afdeeling eene ingrijpende wijziging aan, in zoover daarbij als beginsel is aangenomen, dat scheiding van tafel en bed tegen den wil van een der echtgenooten enkel van tijdelijken aard kan zijn.

Volgens de oorspronkelijke lezing van art. 310 G. G., kon, na drie jaren, degene, tegen wien de scheiding van tafel en bed gevraagd was, mits geen overspelige vrouw, de echtscheiding vorderen , welke vordering de oorspronkelijken eischer echter kan doen afwijzen, door een einde te maken aan de bestaande scheiding. Dat artikel is niet in het Nederlandsche recht overgenomen , zegt Asser, § 193, omdat het geven van zoodanig wapen aan den oorspronkelijken verweerder in strijd is «met den rechtsregel, dat niemand uit zijn misdrijf eenig voordeel kan «trekken». Daartegen valt op te merken:

1°. dat, behoudens den eerbied, aan de godsdienstige begrippen onzer katholieke landge-nooten verschuldigd, de burgerlijke wet niemand mag opleggen een gedwongen celibaat;

2°. dat, wanneer ze dat wel doet, ze de scheiding van tafel en bed, die in haar stelsel bet zachtere middel moet heeten, tot het hardere maakt;

3°.. dat zij zedeloosheid, onder verzachtende omstandigheden, maar daarom toch in niet minder stuitenden vorm, bevordert, en de smet der onwettige geboorte brengt over tal van kinderen , die anders in een wettig huwelijk zouden zijn verwekt.

Bij de wet van 29 Juli 1884 heeft men , in Frankrijk, art. 310 G. G. in dien zin gewijzigd, dat men de uitzondering ten opzichte van de overspelige vrouw heeft laten vervallen , en , even als het ontwerp doet, het recht om de ontbinding te vorderen ook aan den oorspronkelijken eischei heeft toegekend. Deze kan, zeide men, niet terstond echtscheiding hebben gevraagd, om gelegenheid tot verzoening open te laten, met de stille hoop, dat de aanstaande proeftijd den afgedwaalden echtgenoot tot andere gedachten zal brengen , en hem naar hereeniging zal doen verlangen. Verwezenlijkt zich die hoop niet, dan moet hij nog kunnen bereiken, wat hij met een goed oogmerk heeft nagelaten. — Men kan hierbij voegen, dat hij wellicht tot de ervaring komt, dat het huwelijksleven, dat hij meende te kunnen ontberen, voor hem eene grootere behoefte is dan hij dacht.

Zooals te verwachten was, lokte de voorgestelde wijziging tegenstand uit, vooral van den kant van hen , die het geheele artikel voorstelden, als krenkend voor de godsdienstige begrippen van de meerderheid der Fransche natie, en als in strijd met het beginsel van gelijkheid voor de wet. Het antwoord luidde: wie gemoedsbezwaren heeft, behoeft geen gebruik te maken van de vrijheid om een nieuw huwelijk aan te gaan, en zoo zijn geweten hem verbiedt, de gelegenheid daartoe aan den anderen echtgenoot te openen, hij heeft het in zijne macht de hand der verzoening te reiken.

ocr page 305

145

Deze redeneering schijnt afdoende. Wat de tegenovergestelde regeling betreft, waarbij, ook builen bet geval, dat beide partijen het willen, de toestand van scheiding van tafel en bed, krachtens wettelijk voorschrift, kan blijven voortduren, in afwachting van eene onzekere verzoening, welke regeling nog steeds die van ons wetboek is, zij is in strijd met het voorschrift der moraal, dat wie zijn zinnelijke natuur niet bedwingen kan , een wettige verbintenis behoort aan te gaan en zich niet aan losbandigheid overgeven. Er bestaat geen reden, waarom de gemoedelijke en tevens godsdienstige overtuiging van hem, die zijn plicht aldus opvat, minder onder de bescherming van het bekende voorschrift der Grondwet zou staan, dan de overtuiging van anderen, die de oplegging van een gedwongen celibaat, zoo lang een mede-echtgenoot goed vindt, dat te laten voortduren, een beter, of heiliger, voorschrift achten ').

Artt. 263, 264.

De procedure, geregeld bij de artt. 255 en volgg. B. W. is wel eens als minder juist voorgesteld, omdat daarbij geen eigenlijk rechtsgeding, maar slechts de schijn daarvan zou zijn voorgeschreven, ten einde van den ernstigen, voortdurenden en standvastigen wil van beide echtgenooten zou blijken. Wat er zij van het al of niet gegronde dier bewering voor wat het bestaande recht betreft, het ontwerp brengt het geval, dat beide echtgenooten het eens zijn, tot de rechtspraak inter volentes en stelt dan geen andere eischen dan de gewone, namelijk indiening van het verzoekschrift, waarop zonder verdere formaliteiten in raadkamer wordt beschikt.

Bestaat er onwil aan de zijde van den aangemaande, dan is er geschil, al staat vooruit vast, dat de eisch moet worden toegewezen. Overigens zijn quaesliën denkbaar omtrent het al of niet geldige der redenen, waarom de aangemaande zegt de samenwoning niet te kunnen hervatten, omtrent de naleving der formaliteiten van het exploot, enz. Het ontwerp schrijft daarom voor dit geval, de gewone manier van procedeeren voor; de zaak is te gewichtig om haar b. v. op den voet van art. 153 Ontw. te laten afdoen.

Wat den rechter aangaat, te wiens kennis de bedoelde verzoeken of vorderingen behooren te worden gebracht, zij herinnerd, dat art. 238 in verband met art. 158 Ontw. allerlei practische moeielijkheden poogt te voorkomen, welke, naar de ervaring leert, voortspruiten uit het onvoorwaardelijk voorschrift, dat de bevoegde rechter is die van het domicilie des mans, een voorschrift, dat, zoolang geen scheiding van tafel en bed tusschen de echtgenooten bestaat, als uitvloeisel van art. 74 Ontw. op zichzelf onberispelijk is. Na scheiding van tafel en bed heeft echter de vrouw weder haar eigen domicilie, en zouden dus de gewone regelen van competentie medebrengen , dat alsnu ontstaande gedingen zouden moeten worden berecht door den rechter van het domicilie van den gedaagden echtgenoot. De bezwaren, in geval van zwervend leven of vestiging in het buitenland zouden dus van twee kanten kunnen komen. Die moeielijkheden worden op eenvoudige wijze ondervangen, wanneer men, zooals bij het

') Hierbij mag worden opgemerkt, dat de Katholieke Kerk slechts tot zekere hoogte deze beschouwing als de hare zal erkennen. Volgens hare leerstellingen toch wordt, in den regel, de scheiding van tafel en bed slechts voor een bepaalden tijd toegestaan. Verzoening heeft natuurlijk de gewone werking, maar komt zij binnen den gestelden termijn niet tot stand, dan zijn de echtgenooten verplicht het huwelijksleven te hervatten. Zie Walter, Lehrbuch des Kirchen-rechts, § 314.

t

ocr page 306

146

ontwerp geschiedt, aan denzelfden rechter, die van de vordering of het verzoek tot scheiding van tafel en bed kennis nam, nu ook de kennisneming van het verzoek of de vordering tot ontbinding opdraagt. Enkele malen zal dit voor partijen bezwaar opleveren, wanneer beide haar domicilie naar elders hebben overgebracht: daartegenover staat echter het groote voordeel, dat in een aantal gevallen, waarin anders de onzekerheid van domicilie stof zou geven voor quaestiën, deze worden afgesneden.

Uit de aanwijzing van den bevoegden rechter vloeit, krachtens het bij de artt. 263 en 264 toepasselijk verklaarde art. 254 Ontw., de aanwijzing van den bevoegden ambtenaar voort en daarmede is ook in dit punt voorzien.

Art. 263.

Vierde lid. — Het geval, waarop deze bepaling het oog heeft, zal wel tot de groote zeldzaamheden behooren. De vertooning ter griffie van het verzoekschrift van appel is doelloos , omdat hooger beroep alleen toegelaten is tegen eene afwijzende beschikking; waar van men geen misbruik maken kan. Maar krijgt een van de echtgenooten, niettegenstaande het verzoek is toegewezen, berouw, en wil hij zich in cassatie voorzien, dan zou hem dit niet belet kunnen worden. Dan moet echter, hangende dat beroep, de andere echtgenoot niet door overlegging van een afschrift der beschikking de ontbinding van het huwelijk kunnen doen uitspreken.

Art. 264.

Volgens dit artikel heeft de rechter enkel te onderzoeken, of de twee jaren, gedurende welke de scheiding van tafel en bed moet hebben geduurd, verstreken zijn; of de aanmaning behoorlijk is geschied; of daaraan binnen den wettelijken termijn niet is voldaan; en of de gronden, welke de verweerder wellicht aanvoert om de samenwoning niet te hervatten, geldige redenen zijn. Luidt het antwoord op de eerste vragen bevestigend, op de laatste ontkennend, dan is de toewijzing van den eisch imperatief. In dien zin is het oorspronkelijk artikel 310 G. C. ook gesteld, en bij de behandeling van het ontwerp, dat de Fransche wet van 29 Juli 1884 geworden , werd het, met gelijkstelling van den oorspronkelijken eischer met den oorspronkelijken verweerder, aanvankelijk in denzelfden geest door de Kamer der Afgevaardigden aangenomen. In den Senaat werd echter de redactie: «sera converti en jugement de divorce» vervangen door: «pourra etre converti en jugement de divorce», met de erkende bedoeling, om de feiten zeiven andermaal aan de kennisneming van den rechter te onderwerpen, ten einde de echtscheiding alleen worde toegestaan, wanneer die feiten zwaarwichtig genoeg zijn, om de geheele losmaking van den band te rechtvaardigen. De Kamer der Afgevaardigden heeft in de wijziging berust, en het wetsartikel luidt mitsdien, zooais het in den Senaat werd vastgesteld.

Het nieuwe stelsel schijnt alles behalve onberispelijk. Vooreerst omdat het halfslachtig is: om het door te voeren , zou men ten opzichte van den oorspronkelijken eisch hebben moeten vaststellen, dat deze gemakkelijker kan worden toegewezen , wanneer scheiding van tafel en bed dan wanneer echtscheiding wordt gevorderd, en dat dus wel dezelfde soort van feiten de grondslag voor beide vorderingen kunnen zijn , maar het van het verzwarende of verzachtende der

ocr page 307

147

omstandigheden zal afhangen , of ook echtscheiding, dan wel enkel scheiding van tafel en bed kan worden verkregen. In de tweede plaats, omdat, zoo de onwillige echtgenoot het al niet in zijne macht moge hebben , gedwongen celibaat op te leggen, de rechter daartoe het vermogen bezit. Eindelijk, omdat bij de tweede beoordeeling der feiten het zonderlinge resultaat te wachten is, dat de oorspronkelijke gedaagde, die bovenal zijne vrijheid terug wenscht, liever zijne eigene schuld in het ongunstigst licht zal stellen, dan den toestand van scheiding van tafel en bed dooi- den rechter te laten bestendigen.

Art. 265.

Volgens art. 268 Ontw. behoudt hij, die scheiding van tafel en bed bekomen heeft, zijn recht om van deu ander onderhoud te vorderen, terwijl hij, tegen wien ze wordt uitgesproken, dat recht verliest. Bij de ontbinding dient echter in werking te komen wat te dien aanzien bij echtscheiding geldt, althans wanneer de vordering uitgaat van den onschuldigen echtgenoot. Hij, die scheiding van tafel en bed boven echtscheiding verkiest, moet, wanneer hij later de ontbinding uitlokt, zijne wederpartij niet in een ongunstigeren geldelijken toestand brengen, dan wanneer hij echtscheiding had geëischt.

Daarentegen moet de schuldige echtgenoot het middel der ontbinding niet kunnen te baat nemen om van de geldelijke verplichtingen te worden ontheven, die krachtens het vonnis van scheiding van tafel en bed op hem zijn komen te rusten. Komt de ontbinding door de samenwerking der echtgenooten tot stand, dan zal de schuldige echtgenoot met den onschuldigen wel een vergelijk omtrent de geldelijke aangelegenheden treffen; gebeurt dit niet, dan moet men met het oog daarop, dat de onschuldige echtgenoot toch in de ontbinding toestemt het er voor houden, dat hij zich onderwerpt aan de gewone wettelijke gevolgen der ontbinding, zooals die bij art. 261 Ontw. zijn bepaald.

TIENDE TITEL.

Van de scheiding van tafel en hed.

Men pleegt de scheiding van tafel en bed de echtscheiding der Roomsch-Ratholieken te noemen en ongetwijfeld is zij uit het kanoniek recht afkomstig. Men zou echter dwalen zoo men hare opneming onder de rechtsinstituten van het Oud-Hollandsch recht aan zekere verdraagzaamheid jegens de Katholieken wilde toeschrijven. De Hervormden bielden in de eerste tijden na de Reformatie streng vast aan de leer, dat de Heilige Schrift echtscheiding enkel toelaat in geval van overspel en kwaadwillige verlating, en daar men, zooals Bynkershoek') in zijne

1) Dat Bynkershoek geen vriend van het rechtsmiddel was en er den ongunstigen kant van alles behalve voorbijzag, blijkt uit den volgenden keruachtigen volzin: Sic vinculum matrimonii durat, sed corpora, ne sibi noxia sint, separan-tur, nee quicquam est sollicitus judex, ne conjux scparatus, qui donum continentiae non habet, alio amores vertat. Quaesliones juris privati) lib. II, Cap. VIII.

ocr page 308

148

juris privati zegt, toch inzag, dat er erger dingen tnsschen de echtgenooten kunnen voorvallen, b. v. poging tot vergiftiging of andere aanslagen op het leven, zoo ontleende men — gaat hij voort — aan de Pausgezinden het «generale emplastrum», dat hunne scheiding van tafel en bed kon opleveren, om onderling vechten, ja moord en doodslag te voorkomen. Dat deze beschouwing juist is, blijkt zoowel uit de Inleyding van De Groot, Boek I, Deel 5, :nrs. 29 en 30 als uit art. 92 van het hiervoren reeds aangehaalde Echtreglement van 1656, waarin eerst wordt gezegd, hoe echtgenooten die elkander mishandelen, gestraft worden , en dan volgt; «indien de Domestycke onlusten te hoogh gaen ende te langh duyren en de aange-«wende gerechtelijcke middelen niet en helpen , soo sullen wel de Gerechten mogen verstaen «tot scheydinge van Bedde, Tafel ende Bij-wooninge, maar niet van de Rgtbant, en oock niet «anders als met oogeinerck om partijen altijdt weder te vereenigen.»

De rechters van het begin der achttiende eeuw schijnen van lieverlede tot het inzicht te zijn gekomen, dat scheiding van tafel en bed gemakkelijk kon worden ingewilligd, tot groote ergernis van bovengenoeniden President van den Hoogen Baad in Holland, die omstreeks 1740 op schimpenden toon schrijft, dat scheiding van tafel en bed om de nietigste, ja zelfs zonder redenen wordt toegestaan, want dat het er bijna toe gekomen is, dat wederzijdsch goedvinden voldoende is. ').

Vergelijkt men met hetgeen Bijnk.eshoek bij de aangehaalde verhandelingen omtrent de instelling zelve en hare toepassing heeft medegedeeld, hetgeen het Wetboek Napoleon van Holland en het Ontwerp van 1820 daaromtrent bevatten, dan bevindt men nagenoeg volkomen overeenstemming. Beiden laten scheiding van tafel en bed toe op gronden , niet voldoende om echtscheiding te vragen , en beiden geven als beweegreden aan de vrees voor ongelukken , terwijl het ontwerp, in dit opzicht iets verder gaande dan het Wetboek, aan de echtgenooten veroorlooft de scheiding, benevens de voorwaarden waarop zij zal plaats hebben, vooraf te regelen, behoudens dat de rechter haar slechts mag toestaan, wanneer behoorlijk blijkt, dat er «waarlijk ((genoegzame redenen tot het vorderen daarvan hetzij van de eene, hetzij van de andere zijde, « aanwezig zijn ». (art. 458.)

Bijna alle elementen van het bestaande recht zijn dus in dat van de vorige eeuw te vinden , en het instituut behoort geenszins als min of meer uitheemsch te worden aangemerkt. Overigens heeft het — onder de mils, waarop hij de toelichting van den vorigen titel herhaaldelijk is gewezen — volkomen recht van bestaan, omdat het bevrediging schenkt aan eene behoefte, die blijk geeft van ernst en nauwgezetheid, de behoefte, om het van den tijd te laten afhangen of men het gebeurde zal kunnen vergeten en zich met elkander verzoenen, al ware het slechts om weder gezamenlijk te zorgen voor de kinderen uit den gemeenschappelijken echt, aan wie men dan tevens de nadeelen en de treurigheid bespaart, welke de scheiding hunner ouders in den regel ook over hen brengt.

De bepalingen van het ontwerp wijken slechts op ondergeschikte punten van die van het Burgerlijk Wetboek af.

') Et quid si separatio facto sit ob causas levissimas, vel potius nullas, nam eo fere hodre diventum est, ut ad separationem thori et mensao sufficiat utriusque conjugis consensus, quod Eomani bona gratia vocabant Quaest.juris privati, lib. II, cap. IX.

ocr page 309

449

In de volgorde is eenige wijziging gebracht: de drie eerste artikelen hebben uitsluitend betrekking op de scheiding wegens bepaalde oorzaak; de tien volgende uitsluitend op de minnelijke scheiding; de drie laatste op beiden.

Het voorschrift van art. 290 B. W. werd beter op zijne plaats geoordeeld in den vorigen titel; men heeft het er als artikel 236 Ontw. ontmoet. — De artikelen 298 en 299 B. W. zijn achterwege gelaten.

Volgens art. 298 heeft scheiding van tafel en bed altijd scheiding van goederen tengevolge en levert zij grond op tot verdeeling van het gemeene goed. Voor zoover de eerste stelling te kennen geeft, dat de gemeenschap wordt ontbonden, wordt dit rechtstreeks gezegd bij art. 181 , 4°. B. W. — 165, 2°. Ontw. Voor zoover er uit voortvloeit, wat art. 299 B. W. ook bepaalt, dat de vrouw het beheer van haar goed terugkrijgt en eene algemeene machtiging kan bekomen, om over hare roerende goederen te beschikken, vervalt dit, omdat het ontwerp, blijkens de artt. 141 en 147, aan de van tafel en bed gescheiden vrouw hare volle bekwaamheid om te beheeren en te beschikken teruggeeft. De bepaling omtrent de te verdeelen gemeenschap is in art. 167 Ontw. (art. 183 B. W.) opgesloten. Wat mitsdien van art. 298 B. W. als geldend recht in stand blijft is reeds elders bepaald, terwijl de verdere inhoud van dat artikel evenals de geheele inhoud van art. 299 B. W., met nieuwe voorschriften van het ontwerp strijden.

Ook deze titel behelst de bepalingen van rechtspleging op zijn onderwerp betrekkelijk. Men vergelijke art. 289 B. W., 816 en volgende W. B. Rv.

Art, 266.

De Code Civil laat wegens «exces, se'vices ou injures graves» hetzij echtscheiding, hetzij scheiding van tafel en bed toe; gronden, toereikend enkel voor de laatste kent het Fransche wetboek niet. Onze wetgever heeft, bij art, 264, 4° B, W,, een deel der onder gemelde uitdrukking begrepen feiten, te weten de zoodanige, waardoor het leven van den anderen echtgenoot in gevaar wordt gebracht, voldoende voor echtscheiding verklaard, terwijl hij, volgens art. 288, tweede lid, op grond van de overige alleen scheiding van tafel en bed toestaat. Uit. het bij de inleiding van dezen titel gezegde kan reeds worden opgemaakt, dat hij zich op het standpunt van het Oud-Hollandsch recht heeft gesteld, doch dit wordt ontwijfelbaar, wanneer men leest wat Asser in zijne vergelijking van ons wetboek met het Fransche omtrent de bedoelde bepaling vermeldt. Na in § 188 te hebben gezegd, dat men vermeend heeft aan de echtgenooten in de eerste plaats het. recht te moeten toekennen, om scheiding van tafel en bed te eischen in dezelfde gevallen, welke grond tot. echtscheiding opleveren, laat hij volgen; «ten anderen is die rechtsvordering ook toegekend ter zake van buitensporigheden, mishande-«lingen en grove beleedigingen , door den eenen echtgenoot jegens den anderen begaan, dat is, «van zoodanige feiten, welke geene zoo groote mate van boosaardigheid kenschetsen, als bij «art. 264 tot het vragen der echtscheiding gevorderd wordt, al wederom, om de reden, dat «er een hemelsbreed onderscheid bestaat tusschen het onherroepelijk verbreken van den huwe-«lijksband en het ophouden der bijwoning, ter voorkoming van grootere onheilen, die bij eene

ocr page 310

150

«langere vereeniging der echtgenooten uit hunne dagelijksche krakeelen zouden kunnen geboren « worden n.....

De bedoelde bepaling hangt deshalve nauw samen met het karakter der scheiding van tafel en bed, als hlijvenden toestand, zoo één der echtgenooten dit verlangt. Reeds omdat het ontwerp op dit punt van een ander beginsel uitgaat, mag het niet vrijgeviger zijn met het toelaten van redenen tot scheiding van tafel en bed dan tot echtscheiding. Anders zou het middellijk de ontbinding des huwelijks meer bevorderen dan het eigenlijk wil. Maar het behoeft dit ook niet te doen, want het heeft, op zijne beurt, een gedeelte van hetgeen thans onder het tweede lid van art. 288 B. W. valt, weder tot voldoenden grond van echtscheiding verklaard, terwijl het datgene, wat er verder onder kan worden begrepen, ontoereikend acht om eenige scheiding te wettigen. «Voor wettige redenen van separatie» — zegt art. 232 Wetb. Nap. v. Holl. — «worden bovendien gehouden zulke hooggaande en rustverstoorende mishandelingen en on-«eenigheden tusschen de echtgenooten op den duur plaats hebbende, dat de zamenleving «daardoor ondragelijk wordt en men met reden voor kwade gevolgen beducht is.» Welnu, in dat geval laat het ontwerp echtscheiding toe. Daarentegen zal men niet meer, wat thans mogelijk is, zich op eene op zichzelf staande mishandeling of beleediging met vrucht kunnen beroepen, om scheiding van tafel en bed te bekomen. Het is zóó, onder duizende gevallen zal er een zijn, bepaaldelijk wanneer zoodanig feit tusschen lieden van fijnere beschaving voorvalt, dat er eene onherstelbare breuk tusschen de echtgenooten door ontstaat, doch hierin ligt geen voldoende grond, om het ruime veld, dat thans opengesteld is, even ruim te laten, daar toch de wet, die voor alle onderdanen van den Staat geschreven wordt, zich behoort te richten , niet naar de gevoeligheid van enkelen, maar naar de denkbeelden van de groote meerderheid , welke in dergelijke geïsoleerde feiten evenmin eene voldoende oorzaak voor scheiding van tafel en bed als voor echtscheiding ziet, en verlangt, dat, eer aan den band des huwelijks wordt getornd, de lijdzaamheid der echtgenooten op zwaarder proef zij gesteld.

Als een niet te versmaden voordeel van de nieuwe bepalingen mag beschouwd worden, dat daarmede vervalt de bekende vraag omtrent de beteekenis van het woord: «buitensporigheden» en de wetgever niet meer voor zijne rekening zal hebben de lt;( groote bevoordeeling der scheiding» waarop, volgens Mr. Opzoomer , de keuze van dat woord moest uitloopen en dan ook, blijkens de jurisprudentie, werkelijk uitloopt.

Art. 267.

Tol de toepasselijk verklaarde artikelen behooren die, betreffende «het aanleggen, voort-« zetten en uitwijzen van den eisch tot echtscheiding» benevens de voorafgaande formaliteiten. Art. 289 B. W. is derhalve in dit artikel van het ontwerp opgelost.

Het verzuim van art. 301 B. W., om naar art. 262 B. W. te verwijzen, is hersteld; onder de aangehaalde artikelen bevindt zich art. 238 Ontw.

De toepasselijkverklaring van het tweede lid van art. 239 Ontw. maakt het verlof van den president onnoodig om tegenover een eisch tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed bij wedereisch scheiding van tafel en bed te vragen. Dat de laatste vordering niet zal kunnen worden toegewezen , wanneer de eisch tot echtscheiding gegrond wordt verklaard, behoefde, naar men meent, niet uitdrukkelijk te worden gezegd.

ocr page 311

154

Eene uitspraak door den ambtenaar van den burgerlijken stand komt bij de scheiding van tafel en bed niet te pas en in verband daarmede moeten de voorschriften omtrent de openbaarmaking verschillen. Daarom komt onder de genoemde artikelen art. 256 Ontw. niet voor, en evenmin de artt. 246, 254, 255 en 262.

Men achtte het verder niet wenschelijk de eenmaal uitgesproken scheiding om andere redenen dan de hervatte samenwoning te laten vervallen , met name niet door het niet-beteekenen van het vonnis, hetgeen, waar het echtscheiding geldt, blijkens art. 257,1° in verband met 252 Ontw. het vervallen der machtiging ten gevolge heeft. Immers dit heeft enkel de beteekenis van eene sanctie, ten einde de naleving van art. 252 te verzekeren, dat, op zijne beurt weder noodig is, om den toestand tusschen het vonnis houdende machtiging tot echtscheiding en het daaraan gevolg geven niet te lang te laten voortduren ; al hetgeen bij scheiding van tafel en bed niet in aanmerking komt.

Evenmin als van de toepasselijkverklaring van art. 257 n0. 1 behoort er sprake te zijn van die van art. 257 n0. 3. Wel zal daarvan het gevolg zijn, dat indien een derechtgenooten overlijdt na een vonnis, houdende machtiging tot echtscheiding, doch vóór dat deze is uitgesproken, art. 258 Ontw. niet werkt, terwijl het dat wèl doet, wanneer het overlijden plaats vindt na een vonnis tot scheiding van tafel en bed, maar dergelijke uiteenloopende gevolgen zijn dikwerf onvermijdelijk. Men vergete overigens niet, dat de mogelijkheid van verschil zich bepaalt tot eene tijdruimte van zes maanden.

Art. 268.

Het is in Frankrijk en in België (Zie Laurent, Principes III, pg. 414) nog steeds eene twistvraag, of de regelen omtrent het verlies en behoud der huwelijksvoordeelen, in geval echtscheiding wordt toegewezen, ook bij scheiding van tafel en bed toepasselijk zijn. Onze wetgever heeft dit punt reeds in bevestigenden zin uitgemaakt door in art. 301 B. W. ook de artikelen 277 en 278 op te nemen. Er bestaat geen reden om hierop terug te komen en art. 259 Ontw. behoort tot de bij het vorige art. 267 toepasselijk verklaarde. Het beginsel, waarop de bedoelde bepalingen steunen, namelijk dat de gekrenkte echtgenoot geen nadeel moet ondervinden van een toestand, waaraan hij geen schuld heeft, vordert insgelijks, dat hij zich niet behoeft te verminderen, indien zijne eigen middelen van bestaan hem niet veroorloven op den voet te blijven voortleven, waaraan hij gewend is. Voor den schuldigen echtgenoot, uit wiens ruimere inkomsten in de voorafgaande onbekrompen manier van leven mocht zijn voorzien , staat het in werking blijven van art. 137 Ontw. te zijnen nadeele en niet Ie zijnen voordeele op gelijke lijn met het verlies der voordeelen , waarvan in art. 259, derde lid, sprake is en grondt zich op hetzelfde motief.

Volgt op de scheiding van tafel en bed de ontbinding des huwelijks, dan komen, zoo als reeds bij de toelichting van art. 265 Ontw. is gezegd, ten aanzien van de hier bedoelde, de echtgenooten als zoodanig, bindende verplichting, andere gronden van beslissing mede in aanmerking, die soms voeren tot bevestiging van den tijdens de ontbinding bestaanden toestand en soms tot wijziging daarvan op den grondslag van gezegd art. 261 Ontw.

ocr page 312

152

* Art. 269.

De woorden van het tweede lid van art. 291 B. W.; «zoodanige scheiding zal niet kunnen «worden toegelaten, tenzij de echtgenooten gedurende den tijd van twee jaren getrouwd zijn «geweest», laten, op zich zelve beschouwd, de opvatting toe, dat het voldoende is, zoo op het oogenblik, dat do rechter omtrent de scheiding beslist, het huwelijk twee jaren heeft geduurd. De reden en ook de geschiedenis der bepaling leeren, dat die tijd verloopen moet zijn, om het verzoek ontvankelijk te doen zijn; de echtgenooten moeten den tijd hebben gehad, elkander te leeren kennen, alvorens zich tot den rechter te mogen wenden. De voorgestelde redactie drukt deze bedoeling ontwijfelbaar uit.

Art. 270.

Tweede lid. — Omtrent het punt, dat bij het tweede lid van dit artikel wordt vastgesteld, bestaat thans verschil van gevoelen. Zij, die meenen, dat het bestaande recht verbiedt bepalingen te maken, waardoor afgeweken wordt van hetgeen, ingeval van gemeenschap van goederen krachtens de wet, ingeval van huwelijksvoorwaarden krachtens deze overeenkomst, tusschen de echtgenooten rechtens zou zijn, roepen art. 174, tweede lid, en art. 204 B. W. in. De reden , waarom de wet een onveranderlijk goederenrecht gedurende het huwelijk heeft gewild, ligt, zooals bij de toelichting van art. 199 is gezegd, in het gevaar, dat hier de man, daar de vrouw het er op zullen toeleggen den financieelen toestand ten eigen bate gewijzigd te krijgen.

Houdt nu de dagelijksche omgang op, dan vervalt de gelegenheid tot zoodanige pogingen , terwijl van een anderen kant een toestand ontstaat, dien men bij het aangaan des huwelijks niet op het oog heeft gehad, en die gezegd kan worden de behoefte eener nieuwe regeling in zich te dragen. Uit dien hooide bestaat er voldoende grond om aan de echtgenooten ten opzichte van de hier in aanmerking komende overeenkomst hunne vrijheid van handelen terug te geven.

Dat derden, die uit het register, bedoeld bij art. 142, moeten kunnen te weten komen, of bepalingen, in huwelijksvoorwaarden voorkomende, hun kunnen worden tegengeworpen, daarin de hier bedoelde wijzigingen, zoo ze hen raken, moeten aantreffen, spreekt van zelf. Vergel. art. 277 Ontw.

Art. 272.

De bij dit artikel bedoelde schikkingen van tijdelijken aard hebben een geheel ander karakter dan de definitieve van art. 270 Ontw. Het kwam daarom juister voor ze in een afzonderlijk artikel onder de voorschriften , betreffende de procedure, te behandelen.

De redactie drukt duidelijker dan die van art. 292, tweede lid B. W. uit, dat de echtgenooten geenszins tot het maken van dergelijke schikkingen verplicht zijn.

Art. 273.

Er bestaan weinig voorbeelden van eene procedure, door zooveel formaliteiten bemoeielijkt als die om volgens den Cod Civil van 1803 tot echtscheiding — par com-entement mutuel —

ocr page 313

453

te geraken. Het erkende doel was, den ernst en de onwrikbaarheid van het genomen besluit op de proef te stellen, het instituut niet te laten misbruiken, ingeval voorbijgaande opwellingen tot den eersten stap der echtgenooten hadden geleid, met e'en woord, het slechts tot de echtscheiding te laten komen , wanneer de echtgenooten , door ondanks zooveel hindernissen op den ingeslagen weg voort te gaan, voldingend toonden, dat de samenleving voor hen ondragelijk was. Het overdrevene van al die voorzorgen is grootendeels oorzaak geweest, dat de wet van 29 Juli 1884 de bepalingen omtrent den divorce par consentement m ut nel van de wederinge-voerde heeft uitgezonderd.

Onze wetgever heeft blijkbaar zoowel bij de regeling der procedure tot ontbinding des huwelijks na scheiding van tafel en bed, als van die tot het verkrijgen van deze laatste op onderling verzoek, de bedoelde Fransche voorschriften voor oogen gehad. Het ontwerp laat het bijoogmerk , om door lastige en slepend-houdende vormen van het gebruik der bedoelde rechtsmiddelen af te schrikken, geheel varen. Het schrijft zelfs, zooals bij de toelichting van art. 263 Ontw. is gezegd, in het geval van dat artikel geen enkele bijzondere formaliteit voor, omdat het daarvan, wanneer eenmajil scheiding van tafel en bed bestaat, hoegenaamd niets verwacht. Hier daarentegen, waar de echtgenooten nog bij elkander zijn; waar slechts een verzoek is ingediend, welk indienen aan enkelen bekend is; waar de verzoekers dus gemakkelijk op den gedanen stap kunnen terugkomen, kan het voorschrift, dat zij tweemalen voor den rechter moeten komen, en er tusschen beide eenige tijd moet verloopen, nuttig werken. Blijkt bij de tweede comparitie, dat de echtgenooten bij hun voornemen blijven, dan neemt het ontwerp aan, dat zij, na voldoende beraad, volharden, en veroorlooft het de verlangde beschikking zonder verder verwijl te geven.

■ De tijdruimte van zes maanden, die thans tusschen het eerste en tweede verschijnen voor den rechter moet verloopen, is derhalve tot drie maanden teruggebracht, en de bedenktijd van nog eens zes maanden, die nog na de tweede comparitie aan de echtgenooten wordt opgedrongen , vervalt.

Het ontwerp wijkt voorts op de volgende punten van het bestaande recht af:

1°. het laat de echtgenooten voor slechts e'e'n der leden van de rechtbank verschijnen. Art. 294 B. W. spreekt van e'e'n of meer leden. Voor e'e'n persoon laat men zich in den regel vrijer uit dan voor meer, vooral, wanneer het personen zijn, tegen wie men opziet;

2°. het schrijft niet uitsluitend de oproeping van bloedverwanten in de opgaande lijn voor. Deze bepaling van het Burgerlijk Wetboek vindt vermoedelijk hare aanleiding in art. 278 C. C., waar zij echter eene geheel andere heteekenis had, vermits tot den divorce par consentement mutual die bloedverwanten hunne toestemming moesten geven. Bij het vaststellen van art. 295 B. W. kan men moeielijk iets anders op het oog hebben gehad, dan de voorlichting, aan den rechter te verschafien, omtrent de aan zijne bekrachtiging onderworpen overeenkomst, houdende de voorwaarden der scheiding. Aan dat oogmerk zal echter dikwerf een verhoor van broeders of zusters beter beantwoorden dan dat van ouders of grootouders;

3°. de bloedverwanten worden niet door de rechtbank gehoord, maar door den rechter, voor wien de comparities plaats hebben, aan wien de geheele instructie der zaak wordt overgelaten , en die dan ook den dag bepaalt, tegen welken de oproeping geschiedt.

4''. het verhoor heeft niet plaats na, maar vóór de tweede verschijning, opdat de rechter

u

ocr page 314

-154

gelegenheid liebbe aan de eclitgenooten de bedenkingen mede te doelen, welke tegen de ontworpen voorwaarden bij de verwanten bestaan.

Het is onnoodig, met art. 295 B. W. van de conclusiën van het openbaar ministerie te gewagen. Art. 324, n0. 7, W. B. Bv. voorziet reeds daarin.

Op grond van het woord: «kan», in den aanhef van art. 291 B. W., en een daarop slaand, in 1822 door de Regeering gegeven ondoordacht antwoord — zie Voorduin, II, bl. 493 — is door verscheidene schrijvers beweerd, dat de rechter, ook dan , wanneer alle formaliteiten zijn nagekomen, en hij geene bedenking tegen de voorwaarden der scheiding heeft, niettemin het verzoek kan afwijzen.

Zoodanige bevoegdheid moge gepast hebben in het stelsel van het oud-Hollandsch recht; wanneer men eenmaal toelaat scheiding van tafel en bed te vragen, zonder eene bepaalde oorzaak op te geven, behoort er geen sprake meer van te kunnen zijn. Want het denkbeeld, om de echtgenooten hunne redenen in raadkamer te laten opgeven, dat wel eens is voorgesteld als dat der tegenwoordige wet, druischt evenzeer tegen de bedoeling van het voorschrift in, als wanneer zij die redenen bij bet verzoekschrift moesten uitdrukken. De voorgestelde redactie van het laatste lid van het artikel geeft nu ontwijfelbaar te kennen, dat de rechter zich enkel heeft te vergewissen, of de formaliteiten zijn nagekomen, en dat, bij de bevestigende beantwoording dier vraag, het verzoek muel worden ingewilligd, met uitzondering van het, met de beweegredenen der echtgenooten niets te maken hebbend, geval, dat de gemaakte regeling onaannemelijk is.

Artt. 274.

Uit het tot toelichting van het vorige artikel gezegde volgt, dat hooger beroep nagenoeg uitsluitend te pas kan komen, wanneer de voorwaarden der scheiding onaannemelijk zijn bevonden.

De keuze van het woord: «beschikking» stelt boven allen twijfel, dat het ontwerp de gewone regelen der vrijwillige rechtspraak ten einde toe wil hebben toegepast. Er bestaat geen reden voor afwijking, Zelfs thans wordt, niettegenstaande de woorden: ((worden uitgesproken» in art. 291 B. W., «uitspraak doen» in art. 295 B. W., en «uitspraak» in art. 296 B. W., beweerd, dat eene eigenlijke uitspraak in het openbaar niet te pas komt; voor welke stelling schijnt te pleiten , dat art. 826, in verband met art. 822 W. B. Rv., zoodanige uitspraak alleen vorderen bij scheiding van tafel en bed wegens bepaalde oorzaak. Anderen vatten gemeld woord in zijne natuurlijke beteekenis op, en achten het uitspreken ter openbare terechtzitting door den wetgever gewild.

Art. 276.

Men vergel. art. 258, bij art. 266 op scheiding van tafel en bed wegens bepaalde oorzaak toepasselijk verklaard.

Art. 278.

De hij het eerste lid van art. 300 B. W. bevolen bekendmaking van vonnissen tot scheiding van tafel en bed geschiedt, volgens art. 828 W. B. Rv., op dezelfde wijze als bij art. 811

ocr page 315

155

van dat wetboek, voor scheiding van goederen is bepaald. Bij de toelichting van art. 181 Ontw. is gezegd, waarom de voorschriften, onder nquot;. 1 en 2 van laatstgemeld artikel, niet kunnen geacht worden den last waard te zijn , dien zij veroorzaken. In het geval van scheiding van tafel en bed bestaat er nog minder reden om ze in stand te houden, omdat ze, voor een gedeelte, slaan op het recht van verzet, dat de schuldeischers wel ten opzichte van een vonnis tot scheiding van goederen, maar niet tot scheiding van tafel en bed hebben. Men denke aan het uittreksel, dat gedurende een jaar moet aangeplakt blijven in de gehoorzaal; de naleving van welk Voorschrift dan ook, waar het de hier bedoelde toepassing geldt, door de schrijvers voor minder noodig wordt verklaard. Zie Mr. Diephuis, het Ned. Burg. liegt, IV, bl. 482.

Bestaat er geen reden om verschil te maken tusschen de bekendmaking van een vonnis tot scheiding van goederen en een vonnis tot scheiding van tafel en bed, voor wat de aankondigingen in de dagbladen betreft, ook de inschrijving van een uittreksel uit laatstgemeld in het register, bedoeld bij art. 142 , wordt als het ware door het stelsel van het ontwerp gevorderd. Wel staat scheiding van tafel en bed veel nader dan scheiding van goederen bij de echtscheiding, en wordt geen uittreksel uit de akte van deze in bedoeld register ingeschreven, maar men kan van de bewaarders der registers van den burgerlijken stand zoodanig uittreksel bekomen , en volstaat zelfs met het vragen van een uittreksel uit de huwelijksakte. Vergel. art. 256 in verband met de artt. 48 en 19, tweede lid Ontw. ZoO men dus de scheiding van tafel on bed, waarvan de inschrijving in de registers van den burgerlijken stand niet te pas komt, evenmin in het register, bedoeld bij art. 142, liet inschrijven, dan ware deze rechtstoestand de eenige onder diegene, waartoe het huwelijk aanleiding kan geven, waarvan niet uit een openbaar register bleek ; terwijl men, door die inschrijving wel te gelasten , bedoeld register maakt tot eene volledige vraagbaak omtrent het goederenrecht en de bevoegdheden der echtgenooten gedurende het huwelijk. Neemt men daarbij in aanmerking, dat, ingeval van minnelijke scheiding de akte van art. 270 Ontw. in elk geval moei worden ingeschreven , dat de wetgever evenmin zou mogen nalaten te eischen, dat, ingeval echtgenooten, tusschen wie huwelijksvoorwaarden hebben gegolden, de samenwoning hervatten, van die hervatting uit het register bleek, omdat alsdan de daarin opgenomen voorwaarden, krachtens art. 280 Ontw., herleven, — en men zal toestemmen , dat het inderdaad eene leemte ware, zoo het onder n0. 2 van dit artikel gegeven voorschrift in het ontwerp werd gemist.

Dat de slotbepaling van art. 181 Ontw., in zoover ze met de terugwerkende kracht van een vonnis tot scheiding van goederen verband houdt, niet kon worden overgenomen, spreekt van zelf.

Art. 280.

Art. 303 B. W. laat de scheiding te niet gaan door de verzoening der echtgenooten. Nu zal in hervatting van samenwoning altijd eene verzoening zijn opgesloten, terwijl eene verzoening, die niet tot hervatting der samenwoning leidt (aangenomen dat die denkbaar zij), het bedoelde gevolg niet behoort te hebben.

Art. 281.

Volgens art. 468 van het ontwerp van 1820 ging de scheiding te niet door verzoening.

ocr page 316

156

zonder dat eenige afkondiging noodig was. In 1822 verlangden eenige Afdeelingen der Tweede Kamer overneming van art. 1451 C. C., hetwelk herstel der gemeenschap, hetzij na scheiding van tafel en bed, hetzij na scheiding van goederen, niet anders toelaat dan bij notarieele akte, waarvan een afschrift moet worden aangeplakt in de gehoorzaal der rechtbank van eersten aanleg, en, zoo de man koopman is, bovendien in die van de rechtbank van koophandel. De Regeering antwoordde, dat het eischen van eenige formaliteit vele verzoeningen zou tegenhouden , «en het openbaar maken der verzoening alleen ten opzichte van derden kan worden «gevorderd». Zie Voorduiiv, II, hl. 500. Zoo is art. 304 B. W. ontstaan, hetwelk blijkbaar bedoelt, dat voor het uittreksel van het vonnis, waarvan art. 811 W. B. Rv. spreekt, in de plaats komt eene door de verzoende ecbtgenooten zeiven opgestelde verklaring, dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan. Het ware echter doelmatiger geweest de notarieele akte te eischen, niet in den zin van art. 1451 van den Code, als onmisbaar vereischte om de verzoening eenig rechtsgevolg te doen voortbrengen, maar enkel als voorwaarde, om, behoudens de noodige openbaarmaking, die verzoening tegen derden te laten werken. In dien geest is het thans voorgedragen art. 281 gesteld, terwijl op nieuw het middel van bekendmaking, bij art. 142 Ontw. vastgesteld, wordt te baat genomen. Dat de inschrijving, ook van de hier bedoelde akte, strookt met de bestemming van meergemeld register, en zelfs zoodanige akte, nu er uittreksels van de vonnissen tot scheiding van tafel en bed in zullen voorkomen, er eveneens in te huis behoort, behoeft niet nader te worden aangetoond.

ELFDE TITEL.

Van afstamming.

Het opschrift, dat de dertiende titel van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek draagt, van het vaderschap en de afstamming der kinderen , is onjuist. Men had niet alleen van het vaderschap, maar ook van het moederschap moeten spreken, daar het toch niet alleen de vraag is, wie vader van een kind is, maar evenzeer, wie zijne moeder is, en welke betrekking er tusschen dien vader en die moeder bestaan beeft. Het onderwerp wordt volkomen uitgedrukt door het opschrift van afstamming, dat zoowel de betrekking tot den vader als tot de moeder bepaalt, waarin een kind door zijne verwekking staat. Deze afstamming kan zijn eene wettige, waar die verwekking wordt gerekend in bet huwelijk der ouders te hebben plaats gehad; zij kan ook zijn eene onwettige, waar zij buiten huwelijk geschiedde. Waar zij eene onwettige is, kan zij door wettiging tot eene wettige worden gemaakt. Daaruit volgt van zelf de verdeeling van dezen titel in drie afdeelingen: van wettige afstamming, van onwettige a) stamming, van wettiging.

De benaming natuurlijke kinderen is daarbij vermeden, omdat die het begrip van onwettigheid slecht wedergeeft, en als tegenstelling eerder aan onnatuurlijke kinderen zou doen denken. Reeds be Groot sprak van onwettige kinderen: evenzoo het Ontwerp van 1820 terwijl de uitdrukking ook in art. 310 van het bestaande wetboek voorkomt.

ocr page 317

157

EERSTE AFDEELING.

Art. 282.

De redactie van art. 305 B. W., ontleend aan art, 312 C. C., heeft haar oorsprong te danken aan de I. 5 D. de in jug vocando (II. 4); pater i* e-it quem nuptiw demonstrant, die echter niets meer dan de onderstelling uitspreekt, dat het kind eener gehuwde vrouw haren man tot vader zou hebben. Hier echter, waar het geldt te bepalen, in welk geval een kind als wettig moet worden beschouwd, is de uitdrukking heeft den man tot vader eene vervanging van het gevolg door de oorzaak; zoodat de woorden is wettig de bedoeling korter en duidelijker uitdrukken.

Ons wetboek heeft, in tegenstelling van den Code Civil, gesproken van verwekt en geboren , maar daardoor twee feiten gelijkgesteld, die eene geheel verschillende beteekenis hebben. Wie in het huwelijk door den man verwekt is, is van zelf wettig; wie buiten huwelijk verwekt is door den man, die daarna met de moeder in het huwelijk treedt, wordt met hein gelijkgesteld, omdat hij door dit huwelijk als 't ware gewettigd wordt. Ofschoon dus, wat de gevolgen betreft, beide groepen volkomen gelijk staan, is het regelmatig ze te scheiden en de laatste in een afzonderlijk artikel (286) te behandelen.

Het feit der verwekking zelve is uit den aard der zaak voor geen bewijs vatbaar, en men kan dus niet anders doen dan uit het bewijsbare feit der geboorte tot het onbewijsbare der verwekking besluiten. Daartoe moest de wetgever, bekend met de ervaring, dat de duur der zwangerschap niet altijd even lang is, kiezen tusschen twee stelsels, en óf een onderzoek toelaten in ieder twijfelachtig geval, of zelf voor alle gevallen eene uiterste grens aanwijzen , waarbinnen de verwekking kan aangenomen worden van het geboren kind, berekend naar het oogenblik der geboorte.

Het eerste zou tot de grootste moeielijkheden aanleiding geven, en, zonder zekerheid te kunnen schenken, de rust des huisgezins en den goeden naam der moeder dikwijls in gevaar brenger. Reeds het Romeinsche recht nam daarom het laatste stelsel aan, en stelde 182 dagen als den kortsten, tien maanden als den iangsten duur der zwangerschap vast. Dit voorbeeld hebben de latere wetgevers gevolgd; en ook in het Burgerlijk Wetboek zijn bepaalde grenzen aangewezen, waarmede men, zooals toen reeds werd opgemerkt, in overeenstemming bleef met de leer van bevoegde autoriteiten.

Het is echter noodig, als men de wettigheid afhankelijk maakt van de verwekking, een vasten regel te stellen voor de berekening van den tijd der verwekking naar den tijd dei-geboorte; en dat is in dit artikel geschied in dien zin, dat daarbij is aangenomen, dat het kind, op den ISlsten dag van het huwelijk geboren, wettig is, zoodat de eerste dag, de dag van het sluiten des huwelijks, gerekend wordt de dag te zijn, waarop het kind verwekt is, en het kind, geboren op den 299sten dag na dien der ontbinding des huwelijks, nog gerekend zal worden op dien laatsten dag des huwelijks, derhalve nog in het huwelijk, verwekt te zijn.

Art. 283,

Het eerste lid drukt hetzelfde uit als art. 307, eerste lid, B, W. Eigenlijk zou tegenover de onderstelling des wetgevers de man moeten worden toegelaten tot het bewijs, dat die in

ocr page 318

458

zijn geval ongegrond is, en hij het kind niet verwekt heeft. Daar dit echter zou loepen over een negatief feit, is het beter hem in de gelegenheid te stellen om het positieve feit te bewijzen, dat hij het kind niet heeft kunnen verwekken. Dit wordt volkomen weergegeven door het woord onmogelijk: de bijvoeging natuurlijk (physique) is daarbij overbodig. Welke omstandigheden de man zal aanvoeren om die onmogelijkheid te bewijzen, is niet vooruit te bepalen; de afzonderlijke vermelding van afwezigheid of eenig toeval, die toch geenerlei beperking oplevert, is dus weggelaten.

Door de nieuwe redactie van het tweede lid wordt, duidelijker dan in het tegenwoordig wetboek , uitgedrukt, in welke gevallen beroep op onmacht geoorloofd zal zijn.

Art. 284.

In de tweede plaats moet de man de bevoegdheid tot ontkenning van de wettigheid hebben, waar hij wel niet stellig kan bewijzen, dat de onderstelling, dat het kind door hem zou zijn verwekt, onwaar is, maar waar die onderstelling moet wijken voor eene giootere waarschijnlijkheid , dat het door een ander verwekt is. Wanneer toch de zwangerschap voor hem verborgen is gehouden , of althans daartoe pogingen in het werk zijn gesteld (want het al of niet gelukken der poging behoort hier niets af ie doen), ligt in die handeling het bewijs, dat de vrouw er belang in stelde, dat haar man van de bevalling onkundig blijven zou. Dit reeds geeft grond tot het vermoeden, dat het kind de vrucht is van overspel. Onder deze omstandigheden is het billijk, dat den man de bevoegdheid worde gegeven dit vermoeden nog te versterken door het bewijs, dat werkelijk zijne vrouw overspel heeft bedreven binnen de tijdruimte, waarin de verwekking vallen moet. Heeft hij dat bewezen, dan is nog wel niet het volkomen bewijs geleverd, dat liet kind niet door hem is verwekt; maar het vermoeden, dat het kind de vrucht van het overspel der vrouw is, is nu zoo sterk geworden, dat het de ontkenning des kinds door den man wettigt.

Toch moet dit vermoeden kunnen bestreden worden door het bewijs, dat het kind wel door den man kan zijn verwekt, doordien ook hij binnen den tijd, die de grenzen der zwangerschap omvat, met haar gemeenschap heeft gehad. Door dit tegenbewijs toch wordt het volkomen onzeker, wie het kind heeft verwekt, en bij het bestaan van die onzekerheid zoude het tegenover het kind onrechtvaardig zijn , van de gewone onderstelling van art. 282 af te wijken.

Het Burgerlijk Wetboek heeft in navolging van art. 313 C. C. gezegd, dat, zoo de geboorte voor den man is verborgen gehouden, «hij zal worden toegelaten om het bewijs, dat hij de vader des kinds niet is, tot volkomenheid te brengen.» Deze woorden zeggen te veel, indien zij beteekenen, dat de man het bewijs zal moeten leveren, dat hij de vader niet kan zijn; want kan hij dat bewijs leveren, dan zal hij, al is de geboorte niet voor hem verborgen gehouden, bevoegd zijn het kind te ontkennen volgens het voorgaande artikel. Beteekenen zij echter, dat hij bewijzen moet, dat een ander de vader van het kind is, dan vorderen zij een bewijs, dat nimmer tot volkomenheid te brengen is.

Art. 285.

Wanneer tusschen de echtgenooten scheiding van tafel en bed is uitgesproken, of de vrouw gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, haar overeenkomstig art. 243 Ontw. verleend, be-

ocr page 319

159

staat nog wel het huwelijk, maar is toch rechtens een toestand ingetreden, die alle gedachte aan echtelijke samenleving uitsluit. Met deze houdt ook de grond op van het vermoeden , dat het kind door den man is verwekt.

Art. 309 B. W. doet den termijn loopon van den dag, waarop het vonnis tot scheiding van tafel en bed kracht van gewijsde bekomen heeft; in plaats daarvan is de dag der uitspraak gesteld, omdat die meer bepaald is, en de scheiding tusschen de echtgenooten ook in andere opzichten van dien dag begint te werken. De gelijkstelling met het geval, dat de vrouw, na rechterlijke bewilliging verkregen te hebben, buiten de woning des mans verblijf houdt, is ontleend aan de Fransche wet van 6 December 1850, in 1884 ook toepasselijk gemaakt op zoodanig verlof in geval van gevraagde echtscheiding. Ook hier zijn de omstandigheden van dien aard geworden, dat het gewone vermoeden tegenover den man onbillijk zou werken.

Vervalt de bewilliging zonder dat. de procedure tot eene echtscheiding of scheiding van tafel en bed geleid heeft, dan keert de gewone toestand terug, en kan de man het kind, dat na die honderd dagen geboren wordt, niet anders ontkennen dan in de gevallen, bij de voorgaande artikelen omschreven. Evenmin kan hij zich op de uitgesproken scheiding of verleende bewilliging beroepen , als hij de samenwoning met zijne vrouw hervat heeft; waarbij zelfs overeenkomstig den regel om bij twijfel wettigheid aan te nemen, is bepaald, dat, indien het kind slechts 180 dagen na die hervatting geboren is, dit voldoende is om het als wettig aan te merken.

De bevoegdheid tot ontkenning is ook in de gevallen van dit artikel niet onbeperkt. Het huwelijk blijft bestaan, en evenzoo de mogelijkheid, dat het al zijne gevolgen heeft. Daarom moet tegenover de vordering des mans hetzelfde tegenbewijs gelden , wat in het vorig artikel aangenomen en daar toegelicht is.

Dat, indien eenmaal de onwettigheid is uitgesproken, eene verzoening der echtgenooten niet de kracht kan hebben om het kind te wettigen, spreekt van zelf; het tweede lid van art. 309 B. W. is daarom als overbodig weggelaten.

Art. 286.

Een gevolg van het aangenomen beginsel, dat de wettigheid des kinds afhangt van de verwekking in het huwelijk, is, dat het kind, dat vóór het huwelijk is verwekt, onwettig is. Er pleit echter zoo veel voor het vermoeden, dat, al is het kind vóór het huwelijk verwekt, het toch door hem is verwekt, die gedurende de zwangerschap met de moeder huwt, dat ook met dit vermoeden rekening moet gehouden worden, vooral daar niet zelden juist het huwelijk wordt gesloten met de bedoeling om de geboorte in het huwelijk te doen plaats vinden, en de onwettige verwekking, als het ware, door eene wettiging door opgevolgd huwelijk goed te maken.

Ons tegenwoordig art. 306 B. W. heeft aan de bevoegdheid des mans tot ontkenning drie uitzonderingen toegevoegd, waarvan de eerste onveranderd behouden is. De tweede is meer algemeen gesteld, omdat het tegenwoordig zijn en teekenen der geboorteakte niet meer is dan eene der handelingen, waardoor de man het kind als het zijne erkent. Vrij algemeen wordt dan ook reeds nu aangenomen, dat hij dit ook op andere wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend doen kan; aan deze opvatting sluit het ontwerp zich aan. De derde uitzondering is niet over-

ocr page 320

460

genomen; waar het kind levenloos is geboren, heeft de vraag, of het al dan niet in het huwelijk verwekt is, voor het burgerlijk recht geene beteekenis, en de man bij de ontkenning geenerlei belang.

Am. 287—289.

Deze, artikelen wijzen den weg aan , door den man te volgen bij de ontkenning van het kind, in de gevallen, waarin hij daartoe bevoegd is. Hierbij valt op te merken, dat die bevoegdheid tot ontkenning uitsluitend aan den man is gegeven , nimmer aan anderen , hetzij erfgenamen of belanghebbenden. De man alleen kan weten, of liet kind al dan niet door hem is verwekt, hij moet beoordeelen , of hij van zijne bevoegdheid gebruik wil maken, en geen ander mag worden toegelaten om door zulk eene vordering de rust in het huisgezin te verstoren , den goeden naam der moeder aan te randen of den staat van het kind te betwisten, dien de vader niet heeft betwist. Alleen dan , wanneer de man werkelijk eene rechtsvordering heeft aangevangen, en dus zijn wil om te ontkennen niet meer twijfelachtig is, zal de vordering door zijne erfgenamen mogen voortgezet worden. Art. 313 B. W. is dus vervallen; terwijl de vraag, of de erfgenamen, om de vordering voort te zetten, met elkander eens moeten zijn, overeenkomstig de reeds thans heerschende leer ontkennend beantwoord is.

De termijn, binnen welken de man het kind ontkennen moet, is kort gesteld. De staat van het kind moet zoo spoedig mogelijk verzekerd zijn , en de vordering tot ontkenning moet dus niet langer kunnen uitgesteld worden , dan voldoende is om den man een besluit te doen nemen omtrent hetgeen hem te doen staat, en de bewijsmiddelen te verzamelen , die kunnen vereischt worden. Daartoe zullen in den regel twee maanden voldoende zijn, zoodat het onnoodig is, hem bovendien in de gelegenheid te stellen om zich door eene voorafgaande akte eene verlenging van dien termijn te verschaffen. Het Italiaansche Wetboek kent dit hulpmiddel dan ook niet.

De termijn loopt van den dag, waarop de man van de geboorte kennis heeft gekregen ; hetgeen de voorkeur verdient boven de onderscheidingen, thans in art. 311 B. W. voorkomende, omdat ook in andere gevallen dan daar zijn voorzien (b. v. afwezigheid der vrouw of ziekte desmans) het geval zich denken laat , dat hij een tijdlang van de geboorte onkundig blijft. Eene bijzondere regeling voor het geval van afwezigheid des mans schijnt alleen noodig, indien hij bij het ontvangen der tijding buiten Europa is; de termijn wordt dan verlengd tot twee maanden na zijne terugkomst, een redactie, die beter is dan de tegenwoordige, omdat zij hem de gelegenheid verschaft om desverkiezende reeds vóór zijn terugkomst zijn recht uit te oefenen. Is hij in Europa, dan mag men bij den toestand, waarin de middelen van verkeer zich in onzen tijd overal bevinden, aannemen, dat de gewone termijn voldoende is om hier te lande een proces op touw te zetten.

Met hen, die wegens afwezigheid aanspraak hebben op verlenging van den termijn , staan gelijk de onder curateele gestelden , voor zoover art. 485 Ontw. hen verhindert hunne eigen belangen waar te nemen. Dat de curator hen niet vervangen kan, is daar ter plaatse afgeleid uit het geheel persoonlijk karakter van dit en dergelijke familierechten; en het zou daarom hoogst onbillijk zijn, indien zij na hun herstel de slachtoffers werden van eene termijnsbepaling, die zij onmogelijk in acht konden nemen.

ocr page 321

461

Degeen , tegen wien de rechtsvordering tot ontkenning zal worden ingesteld, is natuurlijk het kind; is dit overleden vóórdat de man van zijn recht gebruik gemaakt heeft, dan komt geene ontkenning meer te pas. In den regel zal het kind hij het instellen der vordering nog minderjarig zijn, en alleen , als de man zoo laat van de geboorte kennis heeft gekregen , dat het kind reeds vóór dien tijd meerderjarig is geworden , zal het geding tegen het meerderjarige kind zelf kunnen worden gevoerd. Is het kind nog minderjarig, dan moet iemand aangewezen worden om het in het geding te vertegenwoordigen, en het is noodig te bepalen, van wien deze aanwijzing zal uitgaan. Het meest schijnt daartoe de kantonrechter, en wel die van het domicilie des mans, aangewezen, bij wien ook de vrouw en het kind hunne wettige woonplaats hebben; hij zal het gemakkelijkst iemand kunnen vinden, zoowel met de omstandigheden bekend als geschikt om voor de rechten van moeder en kind te waken. De benaming vooyd is vermeden , omdat men hier met een blooten vertegenwoordiger te doen heeft, die geenerlei beheer heeft te voeren en slechts voor deze enkele zaak optreedt.

Heeft de man binnen den wettelijken termijn van zijn recht gebruik gemaakt, dan kan hij er een geoorloofd belang bij hebben, het geding, niettegenstaande den dood des kinds, ten einde te brengen. Om dus eene opvatting te voorkomen, als onder het tegenwoordig wetboek is aangenomen bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam, van 30 Maart 1883 (Wb. n0. 4980), is uitdrukkelijk bepaald, dat de eisch in zoodanig geval tegen den vertegenwoordiger kan worden voortgezet.

Art. 290.

Rechtsgedingen over den staat van personen zijn in landen, waar van overheidswege registers van den burgerlijken stand onderhouden worden, zeldzaam. Uit art. 21 Ontw. volgt, dat het gewone bewijsmiddel voor de geboorte, zoowel als voor het huwelijk der ouders, in de daarvan op te maken akte gelegen is; terwijl art. 26 een gemakkelijken weg aanwijst, om, indien de registers op eenig pnnt onjuist mochten zijn, daarin door aanvulling of verbetering te voorzien. En is de akte oorspronkelijk naar behooren opgemaakt, maar maakt eenig ongeval het onmogelijk haar over te leggen, dan geeft art. 21 nog eene gelegenheid om te voorkomen, dat belanghebbenden de onschuldige slachtoffers van zoodanig ongeval zouden worden.

Bijna altijd zal dns wettige afstamming bewezen worden door overlegging eener geboorteakte, in verband met de huwelijksakte der ouders. Dit beginsel, thans in art. 316 B. W. vrij gebrekkig uitgedrukt, behoeft hier niet herhaald te worden. Maar toch is het mogelijk, dat een dergelijk bewijs voor de afstamming niet geleverd kan worden, en eene strenge toepassing van art. 21 alzoo ten gevolge hebben zou, dat, in strijd met de billijkheid, de fori^eele waarheid ten koste der werkelijke gehandhaafd werd.

In de eerste plaats denke men hier, met. het tweede lid van art. 316 B. quot;W., aan het geval, dat geene geboorteakte opgemaakt is, en deze of gene reden verhindert het register aan te vullen door dit nog te doen. Maar ook kan het voorkomen, dat het kind wel beroep doet Op eene geboorteakte, maar door de tegenpartij ontkend wordt, dat zij hem betreft. Streng genomen blijkt toch uit de akte alleen, dat zekere vrouw op zekeren tijd bevallen is van een kind van het mannelijk of vrouwelijk geslacht: of hij, die beweert dat kind te zijn, daartoe het recht heeft, kan uit de akte natuurlijk niet worden afgeleid.

v

ocr page 322

■162

Laurent (iwant-projet, art. 294 vlg.) verwerpt deze gelijkstelling, en neemt aan, dat de identiteit een feit, is, hetwelk op de gewone wijze door getuigen bewezen worden kan. Daarbij schijnt hij over het hoofd te zien , dat zij nimmer uitgemaakt zal kunnen worden , zonder dat de ware afstamming van hem, die zich op de akte beriep, onderzocht wordt.

Er zijn dus twee gevallen, waarin men genoodzaakt kan zijn, de afstamming van een wettig kind op andere wijze dan door een beroep op de registers van den burgerlijken stand aan te toonen. De voorwaarden, waaronder men daartoe wordt toegelaten, zijn in de artikelen 316—321 B. W. (319—325 C.C.) geregeld met eene nauwkeurigheid, die doet vermoeden, dat de ontwerper van de in zijnen tijd nieuwe instelling van den burgerlijken stand niet die gunstige verwachtingen gekoesterd heeft, die wij thans, door de ondervinding geleerd, mogen aannemen. Voor vereenvoudiging schijnt de zaak dan ook zeer vatbaar.

Terwijl dus het hoofddenkbeeld behouden is, zijn alle voorschriften, die dienen om lichtvaardige processen te voorkomen, in ee'n artikel samengevat. Ten einde daarbij den twijfel, die op dit punt thans mogelijk is, weg te nemen, zijn naast de andere schriftelijke bescheiden ook brieven uitdrukkelijk genoemd; terwijl de in de artt. 317 en 321 B. W. opgenomen beschrijving der feiten, waaruit het bewijs en tegenbewijs kan bestaan, als nutteloos is vervallen. Vaste regels zijn dienaangaande niet te geven; waarbij komt, dat het slot van art. 321 met het hoofdbeginsel van art. 282 Ontw. moeielijk vereenigbaar schijnt.

Van meer belang is het niet overnemen van art. 318 B. W. (waarmede natuurlijk de in het eerste lid van art. 319 gestelde uitzondering samenging). Wanneer men een kind laat opgroeien als geboren uil eene vrouw, die niet zijne ware moeder is, zal men daartoe liever eene kiezen, die omstreeks den tijd der geboorte van dat kind bevallen is, dan eene akte opmaken met valsche namen. Zoodanig kind zal dan eene geboorteakte hebben overeenstemmende met zijnen staat; en toch zou het onbillijk wezen, hem op dien grond de gelegenheid te benemen tot bewijs van het misdrijf, welks slachtoffer hij werd. Men zou dus (gelijk het Ital. Wetboek in art. 174 doet, en Laurent, avant-projet, art. 298, overneemt) dit geval als nieuwe uitzondering aan die, welke reeds in art. 319 opgenomen zijn, moeten toevoegen. Beter is het echter, het geheele verbod van art. 318 te laten vervallen. Bij de moeielijkheid van bewijs, uit den aard der zaak aan vragen als deze verbonden, nog verzwaard door de in ons artikel gestelde waarborgen, is het onnoodig meerdere beletsels in den weg te leggen aan hem, die den staat, waarop hij vermeent aanspraak te mogen maken, in rechte verlangt te handhaven.

Art. 291.

De ii^ het vorig artikel omschreven regelen betreffende het bewijs der afstamming krijgen bijzondere toepassing bij de vordering tot inroeping van den staat van wettig kind, die thans in de artikelen 322—326 B. W. meer verondersteld dan uitdrukkelijk gegeven wordt.

De strekking der vordering is, dat het bestaan der beweerde afstamming door den rechter worde uitgesproken. Zij dient dus enkel om eene sententia declaratoria uit te lokken, en komt hoogst zelden voor, maar kan moeielijk gemist worden. Vooral nu art. 72 B. W. vervallen is, en het dus niet langer mogelijk zal zijn eene verbetering der akten of aanvulling van de registers van den burgerlijken stand uit te lokken, die voor derden verbindend is, mag men verwachten , dat meer dan totnutoe gebruik van haar zal worden gemaakt.

ocr page 323

163

Op het voorbeeld vau het Ital. Wetboek, art. 178 en Laurent (avant-projet art. 302) is dt; vordering niet alleen aan het kind zelf, maar na diens overlijden ook aan zijne afstammelingen, althans die in den eersten graad , gegeven. Waar deze den staat van hunnen vader opeischen, bepleiten zij tevens hun eigen slaat, en is hun moreel belang groot genoeg om hen, onverschillig of die vader de zaak al dan niet heeft aangevangen, alsnog handelend te doen optreden. Maar geeft men dit karakter aan de vordering, dan volgt daaruit dat andere erfgenamen haar nooit moeten kunnen aanvangen of voortzetten. Deze kunnen alleen opkomen voor een geldelijk belang, tot welks handhaving hun, indien daartoe aanleiding bestaat, andere middelen ten dienste staan.

Omtrent de personen, tegen wie de vordering kan worden ingesteld, is, evenmin als in het Burgerlijk Wetboek, iets voorgeschreven. Volgens art. 1957 B. W. zijn vonnissen betrekkelijk den staat van personen, gewezen tegen hem, die wettiglijk bevoegd was om den eisch tegen te spreken, van kracht tegen elk en een iegelijk; eene bepaling, die in het geval van art. 287 vg. Ontw. voor toepassing vatbaar is, maar hier alleen zou kunnen gelden, indien het mogelijk ware iemand aan te wijzen, bevoegd om het belang van anderen te vertegenwoordigen. Natuurlijk zouden dit, bij het leven der beweerde ouders, dezen moeten zijn, en zoude men dan waarborgen moeten hebben tegen samenspanning, opdat het geding niet in eene vermomde adoptie ontaarde. Zoo is inderdaad de zaak in Saksen (§ 1855, 1857) geregeld. Daar echter op die wijze de verbindbaarheid der uitspraak voor derden toch onzeker blijft, schijnt het beter, de aanwijzing van eenen legitimus contradictor achterwege te laten. De werking der rechterlijke beslissing is dan rechtens de gewone, in art. 1954 B. W. omschreven; feitelijk mag men aannemen, dat zij, na tegenspraak van een belanghebbende verkregen, algemeen geëerbiedigd worden zal.

Art. 322 hadden de stellers van het Burgerlijk Wetboek reeds in 1838 niet uit den Code Civil behoeven over te nemen ; de actie der civiele partij werd toen beperkt tot de gevallen van art. 183 Wetb. van Strafv., en ook zonder uitdrukkelijke bepaling zou het dus wel niet twijfelachtig geweest zijn , dat alleen de burgerlijke rechter bevoegd is om over de vordering tot inroeping van staat te oordeelen.

Maar ook art. 323 B. W. (327 C. C-) kan veilig gemist worden. In het Italiaansche Wetboek komt het niet voor; terwijl Laurent in zijn avant-projet, art. 305, eene bijzondere regeling alleen behoudt voor het door hem toegelaten geval, dat de civiele aotie voor den strafrechter gebracht wordt. Gevaar, dat men zich in het burgerlijk geding ten onrechte op het strafvonnis beroepen zal, bestaat er niet, daar art. 1955 B. W. tegenbewijs toelaat; maar wel heeft de ondervinding geleerd, dat de in art. 323 B. W. gestelde eischen het instellen eener strafvervolging zoo goed als onmogelijk maken. Een geschil over den staat in den vorm der hier bedoelde vordering is, indien een misdrijf van verduistering gepleegd is, volstrekt niet altijd noodig; een eindvonnis over zoodanig geschil komt er dus in den regel niet. En nu heeft onze wetgever wel getracht daaraan te gemoet te komen door toevoeging van het tweede lid, maar daarbij (volgens de jurisprudentie, gehandhaafd bij arrest van den H. R. van 19 Mei 1880, Ned. Regtspr. Dl. 125 § 5) alleen voorzien in het geval, dat de eischer, na eene vordering tot inroeping van staat te hebben ingesteld en van den burgerlijken rechter een interlocutoire uitspraak omtrent het aanwezig zijn van begin van bewijs verkregen te hebben, verder stil zit. Zulk een geval heeft

ocr page 324

464

' l1

i'l i

It

t[ : i ill1

zich sedert 1838 nog niet voorgedaan , en zal ook in het vervolg niet licht voorkomen. Wil men art. 236 W. v. St. niet tot eene doode letter makt»n, dan zal art. 323 B, W. moeten vervallen.

Art. 292.

De vordering tot betwisting van den staat van wettig kind is de noodzakelijke aanvulling en tegenhanger van die tot inroeping van denzelfden staat. Evenmin als deze werkt zij ten behoeve van derden; om echter het gevaar te voorkomen, dat men door iedereen, ook zonder dat daarbij eenig belang betrokken is, zou kunnen geroepen worden om zijn staat te verdedigen, is zij slechts aan de naaste bloedverwanten toegekend. Laurent (avant-projet art. 306) geeft haar aan ieder lid der familie, waartoe de gedaagde beweert te behooren, maar gaat daarbij te ver. Voor zoo ver verwijderde familieleden er belang in kunnen stellen, dat hun naam niet ten onrechte gevoerd wordt door iemand, die daarop geene aanspraak heeft, worden zij door art.

| 58 Ontw. voldoende beschermd.

i'l

I i ■ •

Art. 293.

De staat der personen betreft de openbare orde; aan de uitsluiting der verjaring, in art. 324 B. W. voorkomende, is dus toegevoegd de bepaling, dat afstand van het recht om eene dei-beide hier bedoelde vorderingen in te stellen nietig is.

:.ri

tweede afdeeling.

Art. 294.

Evenals in het Burgerlijk quot;Wetboek, wordt de afstamming van een onwettig kind enkel aangenomen op grond van de erkenning der moeder, dat het uit haar is geboren, en die des vaders, dat het door hem is verwekt; of wel als het een en ander bewezen wordt, en , naar aanleiding daarvan, de rechter beslist, dat het heeft plaats gehad. Wel is waar ontstaat de afstamming ook ten zijnen aanzien door de geboorte en de verwekking; maar, wanneer het er op aankomt, daarop de wettelijke verhouding tusschen ouders en kinderen onderling te gronden, behoort men die feiten alleen bewezen te achten door erkenning of rechterlijke uitspraak. Het tweede lid van art. 20, in verband met art. 34, 4°, Ontw., mist dus tegenover de moeder van een onwettig kind zijne gewone toepassing.

Door de vrijwillige of gedwongen erkenning wordt geene hoedanigheid verleend, slechts een feit geconstateerd; hare werking vangt dus uit den aard der zaak aan met de geboorte. Heeft de erkenning eerst later plaats, dan heeft zij eene terugwerkende kracht; geschiedde zij vroeger, dan wordt hare werking in zoover opgeschort.

Of deze opvatting, met het oog op de tegenwoordige wet, juist is te achten, is bij de schrijvers zoowel als in de rechtspraak onzeker. Men heeft haar dus uitdrukkelijk in het ontwerp opgenomen; maar een noodzakelijk gevolg daarvan moet zijn, dat art. 340 B. W. vervalt. Heeft de erkenning eene terugwerkende kracht, dan behoort die in de eerste plaats te gelden

{

Uk

ocr page 325

465

tegenover den echtgenoot en de wettige kinderen; van een door dezen verkregen recht om nimmer een onwettig kind naast /,ich toe te laten , kan bezwaarlijk sprake zijn.

Dat overigens ook te dezen aanzien art. 2 Ontw. geldt, en bij toepassing daarvan de erkenning reeds vóór de geboorte eenigen invloed kan uitoefenen, spreekt van zelf, zonder dat dit bijzondere vermelding vereischt.

Art. 295.

Worden in den regel levende kinderen erkend, daarnaast moet ook de gelegenheid openstaan om dit te doen ten behoeve van een nog niet geboren of wel reeds overleden kind, natuurlijk indien dit laatste afstammelingen heeft nagelaten, die bij die erkenning belang hebben. Reeds nu wordt dit, wat het eerste aangaat, algemeen toegestemd; terwijl mr. Opzoomer (11, blz. 175) ook de tweede mogelijkheid aanneemt. Om alle onzekerheid echter te vermijden, is het beter beide gevallen uitdrukkelijk in de wet op te nemen.

Art. 296.

De erkenning, gelijk art. 336 B. W. doet, bij elke authentieke akte toe te laten, heeft tot verschillende vragen aanleiding gegeven , en zou kunnen leiden tot de erkenning van een kind niet alleen bij een authentiek testament, maar ook bij eene hypotheekakte of eene notarieele koopakte of huurovereenkomst. Daarom schijnt het beter voor de erkenning eene bijzondere akte te vorderen, waardoor ook de vraag wegvalt, of de erkenning tegelijk met het testament, zelf, waarbij die geschiedde, herroepen wordt. De erkenning verklaart een feit, dat, eenmaal als bestaande erkend, niet weder kan geloochend worden door eenvoudige herroeping.

Terwijl aldus het aantal akten, waardoor eene erkenning geschieden kan, beperkt is, zijn er aan den anderen kant twee nieuwe bijgevoegd. Vooreerst is aan de moeder toegestaan, haar in het geval van art. 301 Ontw. te vereenigen met het geven der daar bedoelde toestemming. Waar zoo de verhouding van het kind tot beide ouders geregeld wordt, is het zelfs verkieslijk dit bij e'e'ne akte te doen. En bovendien is voor beide ouders de gelegenheid geopend om haar te doen bij de huwelijksakte van het kind. Daar thans meermalen de vraag zich voordoet, of in het ver]eenen der toestemming tot diens huwelijk eene stilzwijgende erkenning opgesloten ligt, schijnt men aan eene bestaande behoefte te voldoen, door deze wijze van erkenning uitdrukkelijk toe te laten.

Daarentegen is niet opgenomen de mogelijkheid om een kind bij onderhandsche akte te erkennen, welke Laurent (avant-projet, art. 300), met een beroep op het gemeene recht in die landen, waar de Code Civil nooit gegolden heeft, verdedigt. Niet wenschelijk is het, ten einde een verkeerd schaamtegevoel des vaders te sparen, het kind bloot te stellen aan de onzekerheid, welke uit eene dergelijke wijze van erkenning kan voortvloeien.

Art. 297.

Bij de voorwaarden tot erkenning komt vooreerst in aanmerking de leeftijd van hen, die een kind erkennen kunnen. Die erkenning, als de constateering van een feit, kan ook

ocr page 326

166

door minderjarigen geschieden , die daarbij geene medewerking van den voogd behoeven. De vader echter ziil den leeftijd van achttien jaren moeten bereikt hebben om een onwettig kind , als door hem verwekt, te knnnen erkennen. Art. 337 B. W. vordert een leeftijd van negentien jaar, maar, daar de man op achttienjarigen leeftijd een huwelijk kan aangaan (art. 80 Ontw.), handlichting verkrijgen (art. 455 Ontw.), een testament maken (art. 944 B. W.), schijnt het beter ook de bevoegdheid tot erkenning op dien leeftijd te verleenen , en zelfs vroeger die bij huwelijksakte toe te staan , als het huwelijk bij dispensatie vroeger plaats heeft.

Dat eene getrouwde vrouw de erkenning doen kan zonder bewilliging vnn haar man, volgt uit bet geheel persoonlijk karakter dier daad. Het behoefde niet uitdrukkelijk gezegd te worden, daar de zesde titel van het ontwerp geenerlei bepaling bevat, waaruit het tegendeel zou kunnen worden afgeleid.

Ten aanzien van onder curateele gestelden wordt de vraag door art. 485 Ontw. beslist. De erkenning is eene persoonlijke bevoegdheid, die hun als ouders zou toekomen: krankzinnigen zijn daartoe dus onbekwaam, terwijl zij, die wegens zwakheid van vermogens onder curateele gesteld zijn, den bijstand van hunnen curator behoeven.

Art. 298.

Bij de moeder behoeft geen leeftijd te worden aangewezen, wanneer hare bevalling het bewijs levert, dat zij de moeder is. Evenwel moet gewaakt worden, dat niet, uit welke motieven ook, eene erkenning plaats vinde, die door de onmogelijkheid der verwekking of geboorte reeds lot eene onwaarheid zou worden gemaakt. Daarom vordert het ontwerp, dat het kind minstens vijftien jaar jonger zij dan degene, die het erkent, tenzij bij de moeder het bewijs geleverd wordt, dat zij vóór haar zestiende jaar is bevallen. In het Burgerlijk Wetboek wordt thans zoodanige bepaling niet gevonden, maar daardoor dan ook de erkenning mogelijk gemaakt van een kind, welks leeftijd zoo weinig van dien zijner ouders verschilt, dat zij het bewijs barer onwaarheid zelve medebrengt. De rechtbank te 's Hertogenbosch heeft bij vonnis van 13 September 1865 (Wb. nquot;. 2726) beslist, dat de ambtenaar van den burgerlijken stand bevoegd is, onder zoodanige omstandigheden het opmaken eener akte te weigeren. Beter is het echter de zaak in de wet uitdrukkelijk te regelen, dan haar alzoo van de persoonlijke inzichten eens ambtenaars afhankelijk te laten.

Voor de bepaling van het bij het ontwerp aangenomen verschil in leeftijd bestaat uit den aard der zaak geen vaste grondslag. Het is toch niet mogelijk, uit te maken, op welken leeftijd eene vrouw bevallen kan, of een man een kind kan verwekken. In de meeste gevallen zal eehter een verschil van vijftien jaren tusschen ouders en kinderen bij ons te lande wel als minimum aangenomen kunnen worden, ook in verband tot den voor het huwelijk (de huwbaarheid) gevorderden leeftijd van 18 en 16 jaar.

Artt. 299 en 300.

Art. 338 B. W. stelt als derde voorwaarde, dat het kind niet in overspel of bloedschande geteeld zij. De erkenning van zoodanige kinderen zou de bekentenis bevatten van eene ongeoorloofde, onzedelijke, soms strafbare daad. Nicolaï zeid'e: «Leur naissance est dëja envisage'e

ocr page 327

167

comme une calamité pour les bonnes moeurs, ce serait done renouveler le scandale, si la loi accordait la faculte' de les recomiaitre publiqueiueut.»

Zonder de waarde dezer beschouwing geheel te verwerpen, mag men aannemen, dat dit absoluut verbod verder gaat dan met het rechtmatig belang der kinderen overeenkomt. In de eerste plaats kan het beperkt worden tot den vader. Indien de geboorte uit eene bepaalde moeder vaststaat, zal de ergernis door eene erkenning van hare zijde niet noemenswaard vergroot worden. Daar komt ten aanzien van de bloedschendige kinderen bij, dat hunne hoedanigheid eerst blijkt, nadat eene erkenning door den vader is voorafgegaan ; ■ en ten aanzien der overspelige , dat er altijd eene rechterlijke uitspraak zal moeten wezen , waarbij de ontkennings des mans bevestigd is. De vrouw zou dan verhinderd worden een feit te erkennen, omtrent welks waarheid eene rechterlijke beslissing bestaat.

Maar ook ten aanzien van den vader is het algemeen verbod te streng, en zijn er zelfs gevallen denkbaar, b. v. wanneer tusschen hem en zijne wettige vrouw scheiding van tafel en bed bestaat, waarin de erkenning van een overspelig kind niet zulk een groot schandaal veroorzaakt. Vooral zal dit het geval zijn, wanneer zijn huwelijk ontbonden is. De vrees voor mogelijke ergernis is dan niet groot genoeg om het kind bij voortduring de plaats in de maatschappij te onthouden, waarop het naar waarheid aanspraak maken mag.

Van de mogelijkheid om bloedschendige kinderen te erkennen bij de huwelijksakte, indien het huwelijk na bekomen dispensatie gesloten wordt, behoefde geen gewag te worden gemaakt, daar zulke huwelijken naar art. 81 Ontw, niet meer kunnen voorkomen.

Art. 301.

Terecht is in het Burgerlijk Wetboek, met afwijking van den Code Civil, aangenomen, dat wel de moeder ten allen tijde haar onwettig kind erkennen kan, maar de vader, zoolang zij leeft, slechts met hare toestemming. De moeder toch moet gevrijwaard worden tegen het kwetsende en onaangename, dat er voor haar in gelegen is, iemand als vader van het kind te zien optreden, tot wien zij zich bewust is nimmer in betrekking te hebben gestaan, en wiens erkenning wellicht door verkeerde bedoelingen is uitgelokt. Om eiken twijfel aan de toestemming der moeder uit te sluiten, zal zij hare toestemming bij notarieele akte moeten geven, hetzij eene akte ad hoe, hetzij die, waarbij zij zelve het kind erkent.

Is de vrouw, die bij de geboorteakte als moeder genoemd werd, overleden, dan kan de vader het kind erkennen, en kan die erkenning alleen betwist worden door van art. 303 Ontw. gebruik te maken. Men heeft hier, in tegenstelling met het eerste lid, niet gesproken van de moeder, omdat daar alleen zij in aanmerking kon komen, die het kind erkend heeft, wat hier niet noodzakelijk het geval behoeft te zijn.

Art. 302.

Deze bepaling sluit zich geleidelijk bij die van het voorgaand artikel aan. Ook het kind behoort zooveel mogelijk gevrijwaard te worden tegen eene erkenning, die met verkeerde bedoelingen kan zijn uitgebracht, en hem allerlei onaangenaamheden berokkenen, zonder dat hij

ocr page 328

168

in staat is van art. 303 Ontw. gebruik te maken. Is hij minderjarig, dan is daaraan niet veel te doen, en mag men veronderstellen, dat, althans zoolang de moeder leeft, deze hij het geven harer toestemming ook zijn belang in het oog zal houden. Maar is hij meerderjarig, dan is er geene reden, waarom hem tegen zijn zin een vader of moeder zouden worden opgedrongen, die hem in allen gevalle gedurende den tijd, dat hij hunne zorg het meest behoefde, aan zijn lot hebben overgelaten.

Artt. 303.

Art. 341 B. W. is in zoover aangevuld, dat bepaaldelijk blijkt, hetgeen thans onzeker is, dat de betwisting zoowei kan berusten op het beweren, dat de erkenning in strijd met de waarheid gedaan is, als dat ze door de voorschriften der vorige artikelen werd verboden. Het recht om zich daarop te beroepen is gegeven aan alle belanghebbenden; maken deze daarvan geen gebruik, dan blijft de erkenning gelden, absolute nietigheid bestaat niet. Laurent (avant-projet, art. 315) verklaarde de erkenning «non existante», indien zij door een krankzinnige of in strijd met de waarheid gedaan is: door dit over te nemen zoude men den staat des kinds aan allerlei onzekerheid bloot stellen.

Art, 304.

Laurent (avant-projet, artt. 308 , 309) neemt aan,.dat ten aanzien der moeder de afstamming uit de geboorteakte kan blijken. Zonder zoo ver te gaan, hetgeen gevaarlijk is, omdat die akte gewoonlijk zonder medewerking der moeder opgemaakt wordt, bevat toch ook dit artikel eene belangrijke wijziging van het bestaande recht. Heeft zij het kind steeds als zoodanig beschouwd en verzorgd, dan heeft zij de juistheid der in de geboorteakte voorkomende aanwijzing in werkelijkheid erkend, en is het te begrijpen, dat eene nadere verklaring door haar veelal overbodig geoordeeld en daarom achterwege gelaten wordt. Bezwaar om met deze gewone opvatting in de wet rekening te houden, en dus voor zoover de moeder betreft, naast de uitdrukkelijke erkenning eene stilzwijgende aan te nemen, schijnt er niet te bestaan.

Art. 305.

«

Dit artikel en de volgende handelen over de erkenning tengevolge van rechterlijke uitspraak. De geboorte uit deze of gene moeder is een bepaald feit, voor gewoon bewijs vatbaar; er is dus geene reden, waarom het kind niet. zou worden toegelaten tot het onderzoek, wie zijne moeder is. Dat dit alleen geschieden kan in den vorm eener actie tot gedwongen erkenning, volgt daaruit, dat, zoolang die niet bestaat, geene burgerlijke betrekkingen tusschen het kind en zijne moeder worden aangenomen; incidenteel, in een ander geding, kan de vraag zich niet voordoen. Voor zoover dit bij de tegenwoordige redactie van art. 343 B. W. onzeker is, komt het in den voorgedragen tekst duidelijker uit.

Daar het hier eene vrouw geldt, die het kind niet als het hare heeft willen erkennen, moet de vraag, of zij desniettemin zijne moeder is, tusschen hen beiden worden uitgemaakt; anderen tot dat onderzoek toe te laten , zou haar goeden naam te zeer aan gevaar blootstellen. Daarom

ocr page 329

169

is de actie alleen gegeven aan het kind zelf, en kan zij na zijn overlijden niet worden voortgezet door erfgenamen, die slechts een geldelijk belang vertegenwoordigen ; alleen zijne afstammelingen in den eersten graad hebben, evenals in het geval van art. 291 Ontw., een voldoend moreel belang om, als de zaak door hem is aangevangen, haar te mogen voortzetten. Om dezelfde reden kan de vordering alleen tegen de beweerde moeder zelve ingesteld worden: is zij overleden , dan is elk moreel belang vervallen, terwijl het voor hare erfgenamen ook veelal moeielijk zal zijn, de feiten, waarop de eischer zich beroept, in het juiste licht te stellen. Alleen wanneer het geding reeds begonnen was, heeft het kind als het ware eene verkregen recht op eene beslissing: in den regel heeft zij dan ook de gelegenheid gehad om hare verdediging voor te bereiden, en is er in zoo ver minder bezwaar, de zaak tegen bare erfgenamen te laten doorgaan.

Welke feiten het kind zal moeten bewijzen, hangt, van de omstandigheden af; dat daartoe in de eerste plaats het feit der bevalling en zijne identiteit met het ter wereld gebrachte kind behooren , zal wel waar zijn, al vermeldt de wet het niet. Daarentegen moet de toelating van getuigenbewijs uitdrukkelijk worden uitgesproken, met het oog op art. 21 Ontw., waarvan hier wordt afgeweken. Die toelating is, evenals in de tegenwoordige wet en in het geval van art. 290 Ontw., in de eerste plaats afhankelijk van de voorwaarde, dat er begin van bewijs bij geschrifte bestaat; de vraag, of dit ook over de identiteit, zal moeten loopen, is niet voor algemecne beantwoording vatbaar en daarom onbeslist gelaten. Ontbreken zoodanige geschriften , dan kunnen zij vervangen worden door het bewijs, dat de gedaagde den eischer steeds als haar kind heeft behandeld en beschouwd; vrees voor lichtvaardig getuigenbewijs bestaat ook in dit geval niet.

Art. 306.

Dat de onwettige vader zedelijk dezelfde verplichtingen tegenover het kind heeft als de moedei, zal wel geen betoog behoeven : de vraag is dus gewettigd, of het noodzakelijk is rechtens tusschen hen zoo groot verschil te blijven maken, als ons wetboek doet. In Frankrijk, vanwaar het verbod tot onderzoek van het vaderschap afkomstig is, heeft men, indien de zuivere toepassing van dien regel te onbillijk scheen, er geen bezwaar in gezien, den onwettigen vader op grond van art. 1382 C. C. tot schadevergoeding te veroordeelen. Bij ons, waar de woorden van art. 1401 B. W. trouwens meer beperkt luiden, is dit nog niet beproefd; maar des te meer grond is er voor de vraag, of de Napoleontische regel behouden blijven moet. Dienaangaande komen de volgende beschouwingen in aanmerking.

Bepaald bewijs, wie vader van eenig kind is, is eigenlijk nooit met zekerheid te leveren. Geeft men dus aan iedere moeder de gelegenheid om van hem, wien zij beweert vader van haar kind te zijn, de erkenning te vorderen, dan is de deur geopend voor allerlei afpersingen, die menigeen zich zal laten welgevallen om een proces te voorkomen, dat ook bij gunstigen uitslag allerlei onaangenaamheid voor den betrokken persoon na zich slepen moet. Om die reden is de vroeger beslaande bevoegdheid in Frankrijk ingetrokken; en , al moge over dergelijke misbruiken hier te lande nooit geklaagd zijn, er is geene reden, waarom dezelfde oorzaak op den duur ook niet bij ons tot gelijke gevolgen zoude leiden.

Zonder twijfel zouden deze bezwaren voor een groot deel vervallen, indien men het recht des kinds, waarmede dat der moeder grootendeels samenhangt, beperkte tot het geval, dat zij

w

ocr page 330

170

met den vader in geregeld concubinaat geleefd heeft (gelijk liet Badische Landrecht doet), dat zij van den vader trouwbelofte gekregen heeft, of wel dat zij het slachtoffer van verleiding geweest is (beide gevallen worden door Laurent , avant-projet, art. 319, voorgesteld). Men zou het een en ander kunnen vereenigen door het bewijs te vorderen, dat de moeder gedurende het tijdstip, waarin de verwekking moet hebben plaats gehad, buiten hare betrekking tot den beweerden vader een eerbaar leven heeft geleid.

Eene dergelijke regeling moet afstuiten op de moeielijkheid voor den wetgever om zulk een betrekkelijk eerbaar leven te omschrijven, voor de moeder om het te bewijzen. Daar komt bij, dat de bevoegdheid in den regel pas gebruikt zal worden, nadat de omgang tusschen de ouders heeft opgehouden, veelal ten gevolge van het huwelijk des vaders. Sprak de rechter dan eene gedwongen erkenning uit, zoo zoude de vader volgens art. 334 Ontw. ouderlijk gezag krijgen, en werd hij genoodzaakt op die wijze eene geregelde betrekking tot zijne onwettige kinderen en hunne moeder te onderhouden. De belangen der echtgenoot en barer wettige kinderen konden dan licht blijken aan die der onwettige opgeofferd te zijn. Het redmiddel, daartegen aan het Engelsche recht te ontleenen, dat, evenals ons oude recht en art. 263 Wetb. Nap. v. Holl., aan de rechterlijke beslissing alleen geldelijke gevolgen verbindt, moet tot onzuivere toestanden leiden, daar de hoedanigheid van vader onsplitsbaar is, en men moeielijk bij vonnis daartoe verklaard kan zijn, zonder al de daaraan van nature verbonden gevolgen te dragen. Eindelijk mag niet vergeten worden, dat, indien men aldus de onwettige kinderen , gesproten uit vereenigingen, als hier bedoeld zijn, scherp van de overige onderscheidt, en hun belangrijke voorrechten toekent, men onwillekeurig komt tot eene erkenning en regeling van het concubinaat, die ongetwijfeld op den eerbied voor het huwelijk ongunstig werken moet.

Een en ander heeft er toe geleid, om, gelijk ook in art. 189 Ital. Wetb. geschied is, de bepaling van art. 342 B. W., zooals zij laatstelijk bij de wet van 26 April 1884 {Sthl. n0. 93) met het Strafwetboek in overeenstemming gebracht is, behoudens een paar kleine wijzigingen van redactie, op nieuw voor te dragen.

Am. 307-309.

De bepalingen dezer artikelen zijn duidelijk en vereischen weinig toelichting. De eerste is ontleend aan art. 293 Ontw., waar voor de vorderingen tot inroeping en betwisting van den staat van wettig kind hetzelfde voorschrift gegeven en nader toegelicht is; de tweede is onveranderd overgenomen uit art. 344 B. W.; de derde is wenschelijk om alle onzekerheid, vooral met betrekking tot het tijdstip, waarop de gedwongen erkenning begint te werken, op te heffen.

derde afdeeling.

Art. 310.

De redactie van art. 327 B. W. kon vereenvoudigd worden, daar alleen sprake is van erkende kinderen, en zij, wier erkenning door de artt. 299 en 300 Ontw. verboden wordt, dus van zelf uitgesloten zijn. Dat hier voorts niet alleen aan uitdrukkelijke vrijwillige erkenning te

ocr page 331

471

denken is, maar zoowel tie stilzwijgende van art. 304 Ontw. als de gedwongeue der artt. 305 en 306 Ontw. daarmede gelijk staan, zal, na hetgeen daaromtrent boven gezegd is, wel niet twijfelachtig zijn.

Heeft de erkenning eerst na het huwelijk plaats, dan zijn volgens art. 329 B. W. brieven van wettiging noodig; daar de beide feiten van het huwelijk en de erkenning echter vaststaan, welke ook de orde zij, waarin zij op elkander volgen , kan ook in dit geval hun samentreffen dadelijke wettiging teweeg brengen. Zoowel het Ontwerp van 1820 (art. 540) als het Italiaansche Wetboek (artt. 194, 197) verwerpen dan ook de onderscheiding tusschen erkenning vóór en na het huwelijk. Dit is overgenomen, waardoor de zaak voor het kind zeer vereenvoudigd is, terwijl het recht der belanghebbenden om de erkenning te bestrijden hun den weg opent om ook eene ongeoorloofde wettiging te voorkomen.

Art.- 328 B. W. is vervallen , omdat geene huwelijken tusschen bloedverwanten met dispensatie meer bestaan, en voor de andere gevallen van dispensatie de bepaling onnoodig was.

Art. 311.

Heeft het huwelijk der ouders van zelf de wettiging hunner erkende onwettige kinderen ten gevolge, dan is er geene reden, waarom, indien deze met achterlating van afstammelingen overleden zijn , die niet in dezelfde gunst zouden deelen. Brieven van wettiging voor hen te eischen, zooals art. 334 B. W. doet, veroorzaakt slechts onnoodigen omslag en kosten.

Had het kind zelf brieven van wettiging noodig gehad, dan is in het belang zijner afstammelingen voorzien, door hun in art. 312 dezelfde bevoegdheid toe te kennen, welke hij bezat.

Art. 312.

De wijze, waarop buiten het geval van opvolgend huwelijk wettiging verkregen wordt, is vereenvoudigd door de beslissing aan den Hoogen Raad op te dragen, in plaats dat zij door den Koning, op advies van dat college, verleend wordt. Volgens het Romeinsche recht behoorden èn de venia aetatis èn de legithnatio tot de rechten van den vorst: evenzoo volgens het oud-Hollandsch recht tot die der Hooge Overheid (de Groot, Inl. Boek I, dl. 10, n0. 5, dl. 12, ijquot;. 9); naar onze tegenwoordige begrippen omtrent de staatsrechten, die essentieel tot de attributen der Kroon behooren, en die, met wier uitoefening rechterlijke colleges kunnen belast worden, bestaat tegen de voorgedragen regeling geen bezwaar. De macht om meerderjarig te verklaren (behoudens Koninklijke goedkeuring) is reeds in 1838 aan den Hoogen Rand opgedragen; voor wettiging kan hetzelfde gelden.

Dat overigens het halfslachtig stelsel, hetwelk aan den Hoogen Raad de onbepaalde macht geeft om de meerderjarigheid te weigeren , maar niet om haar te verleenen , hier niet is overgenomen , zal wel niet worden afgekeurd. Daarmede is of te veel öf te weinig macht aan den Hoogen Raad toegekend.

Omtrent de vraag, of de wettiging door het kind zelf dan wel door den langstlevende der ouders verzocht moet worden, bestaat thans verschil van gevoelen; in de voorgedragen redactie is zij uitdrukkelijk beslist.

ocr page 332

-172

Art. 313.

Dit artikel schrijft voor, wat de Hooge Raad te doen heeft alvorens hij kan beschikken , en komt in hoofdzaak met art. 331 B. W. overeen. Vooreerst moet hij de bloedverwanten, wier verhoor hem gewenscht schijnt, doen oproepen. Hoeveel dit zullen zijn, was niet noodig te bepalen, waar de grond ligt in den graad van bloedverwantschap, en het getal naar omstandigheden verschillen zal.

Tot den derden graad zijn alle bloedverwanten zeker bekend, en meer verwijderde zullen in den regel minder belang bij de wettiging bobben en zelden aan de oproeping voldoen. Er is alleen van oproepen gesproken, omdat het van zelf spreekt, dat zij, die opkomen , geboord worden, maar zij moeten door weg te blijven niet den voortgang der zaak kunnen belemmeren. Door aan de oproeping niet te voldoen, toonen zij geen belang in de wettiging te stellen, en, waar zij te kort schieten in de mededeeling hunner bezwaren, mag men onderstellen, dat zij die niet hebben. Daarentegen kan het zijn, dat niet bekende of niet opgeioepen bloedverwanten wel bezwaren hebben; daarom moet men allen bloedverwanten tot in den derden graad de bevoegdheid verleenen hunne bezwaren kenbaar te maken. De derde graad is ook hier genoemd, omdat bloedverwanten van verderen graad, bij geringer belang, vaak een omslachtig bewijs van bloedverwantschap zouden noodig maken. In verband daarmede moet de Hooge Raad beoor-deelen , of er vele onbekende of niet te vinden bloedverwanten zijn, die eene openbare kennisgeving wenschelijk doen zijn, om hun de gelegenheid te geven hunne bezwaren mede te deelen.

Dat hij het booren van bloedverwanten, die buiten 's-G-ravenhage wonen, aan andere rechters op kan dragen, behoefde niet uitdrukkelijk gezegd te worden: het volgt voldoende uit artt. 25 en 107 der wet op de Rechterlijke Organisatie.

Art. 314.

De wettiging hangt samen met het huwelijk; het onwettig kind wordt door eene fictie geacht daaruit gesproten te zijn ; zij kan dus niet anders aanvangen dan van het oogenblik, waarop dat huwelijk voltrokken wordt. Is dit door den dood van een der ouders onmogelijk geworden , dan werkt zij, door den Hoogen Raad verleend zijnde, terug tot het oogenblik van dit overlijden; die omstandigheid mocht het kind niet schaden.

Daar de wettiging derhalve ïn sommige gevallen eene terugwerkende kracht heeft, behoort die in de eerste plaats te gelden tegenover de wettige broeders en zusters; van een door dezen verkregen recht kan evenmin als in het geval van art. 340 B. W. sprake zijn; art. 333 B. W. is dus geheel gewijzigd.

TWAALFDE TITEL.

Van verwantschap.

Men zou kunnen twijfelen, of deze bepalingen wel noodig zijn, daar zij meer eene doctrinaire dan eene praktische beteekenis hebben. Toch scheen eene aanwijzing, hoe de graden van bloed-

ocr page 333

173

en aanverwantschap berekend worden , ook tegenover de daarvan verschillende wijze van berekening in het kanonieke recht, niet te mogen ontbreken, en was de bepaling van art. 319 ter voorkoming van misverstand noodzakelijk.

De bepalingen zelve komen grootendeels met die, in het Burgerlijk Wetboek gegeven, overeen. De voorbeelden zijn weggelaten, als niet in de wet tehuis behoorende.

DERTIENDE TITEL.

Van de otrplichting tot onderhoud Uisschen verwanten.

Terwijl de wederkeerige verplichting tot onderhoud Uisschen ouders en kinderen, schoon-oudeis en schoonkinderen is behouden, is de wijze, waarop men tot nakoming daarvan gedwongen kan worden, veranderd. Te veel toch wordt deze zaak menigmaal beschouwd als onderwerp eener gewone rechtsvordering, waarin de rechter, aan eischers conclusiën gebonden, enkel het bestaan en den omvang van gedaagdes plicht te beoordeelen heeft; wil men de daaruit, voortvloeiende moeielijkheden vermijden, dan vordert het eigenaardig karakter dezer verbintenis, dat den rechter meer zelfstandigheid worde toegekend.

De grondslag, waarop de verplichting berust, is geheel van zedelijken aard; onbetamelijk zou het zijn, indien van familieleden, die zoo na aan elkander verwant zijn, de een gebrek leed, terwijl de ander middelen bezat om dit te voorkomen. Maar om dien zedelijken plicht, tot een rechtsplicht te maken, is het niet genoeg, dat de wetgever aanwijst, wie den behoeftige onderhonden moet; er is dan nog eene geldelijke regeling noodig, die, wanneer partijen zich niet in der minne kunnen verstaan, alleen door den onpartijdigen rechter, met het oog op de omstandigheden van ieder voorkomend geval, te treffen is.

Dit, geldt vooral, indien er meerdere onderhoudsplichtigen zijn. Dat het onderhoud zelf ondeelbaar is, wordt, niet weersproken, nemo pro parte oioere potest \ maar daaruit volgt nog niet, dat art. 1337 B. quot;W. op deze verplichting toepasselijk is. Niet het leven van den behoeftige, maar hetgeen tot zijn onderhoud noodig is, is haar voorwerp, en dit is voor verdeeling zeer wel vatbaar. Ook zoude het onbillijk zijn, den last op e'ën te leggen, zelfs al gaf men hem het recht om van de overigen overeenkomstig art. 1328 B. W. een evenredig deel terug te vorderen. Onder dezen kunnen er zijn, die zelf onvermogend zijn; en in allen gevalle zal zoodanige terugvordering hare eigenaardige bezwaren opleveren. Beter is het daarom, dat de rechter zelf ieders verhouding tot den behoeftige in bijzonderheden regelt, mits het zoo geschiede, dat die regeling, met, het oog op tijdelijke omstandigheden gegeven, zonder moeite veranderd worden kan.

Aan eene indeeling als afzonderlijke titel is de voorkeur gegeven boven die, welke hetzij in het Burgerlijk Wetboek, hetzij in den Code Civil is gevolgd; omdat de onderhoudsplicht niet als gevolg van het ouderlijk gezag of als uit het huwelijk voortvloeiende verplichting kan beschouwd worden.

ocr page 334

174

Art. 320.

Terwijl de bepaling van art. 375 B. W. is weggelaten, daar zij als uitdrukkelijk voorschrift overbodig schijnt, en bovendien meer samenhangt niet art. 138 Ontw. (waarop het in den Code Civil volgde) dan met den hier geregelden onderhoudsplicht, — zijn (Je in art. 370 B. W. voorkomende woorden «wanneer zij behoeftig zijn» vervangen door de uitdrukking «bij gebleken noodzakelijkheid.» Hierdoor worden uitgesloten de beide gevallen, dat iemand niet wil werken , en dat hij door anderen dan de onderhoudsplichtigen onderhouden wordt.

De verplichting is opgelegd aan alle ouders en kinderen, dus ook aan de onwettige, natuurlijk voor zoover de kinderen uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn erkend. Art. 383 B. W. is dan ook als overbodig weggelaten.

De verplichting is opgelegd aan de genoemde personen zeioen om redenen van geheel persoonlijken en zedelijken aard; ook nadat de rechter haar dus op geld geschat heeft, vormt zij nog niet eene gewone boedelschuld, die op de erfgenamen zou overgaan. Het Italiaansche Wetboek., art. 146, het Saksische § 1853, en het avant-projet van Laurent, art. 225, spreken dit beginsel uitdrukkelijk uit. Daar art. 376 B. W. reeds nu in dezen zin pleegt verstaan te worden, scheen het ounoodig, hun voorbeeld te volgen.

De verplichting is aan allen tegelijk opgelegd, niet, gelijk in de genoemde wetgevingen geschiedt, aan de meer verwijderden slechts bij onvermogen der naaste verwanten. Vat men den onderhoudsplicht op als eene oorspronkelijk zuiver zedelijke verplichting, tot wier inroeping het recht enkel de noodige middelen verschaft, dan vervalt alle analogie met het erfrecht, waarmede eene dergelijke regeling verdedigd wordt. Daar komt bij, dat de kring zeer beperkt is, en er b. v. in Italië, waar ook de broeders en zusters onderhoudsplichtig zijn, meer aanleiding bestaat om dezen slechts na de ouders en kinderen te laten optreden.

Art, 321.

Dat de verplichting tot onderhoud vervalt, wanneer hij, die daarop recht had, hertrouwt, is billijk; er is geen grond om hem , die door zijne schoonouders of schoonkinderen onderhouden moet worden , op hunne kosten in het huwelijk te laten treden. De bepaling van art. 377 n0. 1 B. W. is daarom meer algemeen gemaakt. Maar het al of niet gehuwd zijn van den onderhoudsplichtige heeft met do zaak niets te maken. Thans is de opvatting mogelijk, dat, indien men de in art. 378 B.W. uitgesproken wederkeerigheid toepast op den regel van art. 377 n0. 1, dit tengevolge heeft, dat, als eene schoonmoeder hertrouwt, zij ontheven wordt van de verplichting om haren schoonzoon te onderhouden; eene verandering van redactie maakt zoodanige gevolgtrekking voor het vervolg onmogelijk.

Als tweeden grond, waarom de verplichting tot onderhoud ophoudt, noemt art. 377 B.W., dat hij, door wien de zwagerschap bestond, en de uit zijn huwelijk gesproten kinderen overleden zijn. Van minder belang is wellicht de opmerking, dat hier gezwegen wordt van het geval, dat er nooit kinderen geweest zijn; maar gewichtiger is het bezwaar, dat ook van echtscheiding niet gesproken wordt. Indien men daaruit moet afleiden, dat de verplichting tot onderhoud alsdan onveranderd blijft voortbestaan, is dit zeker onbillijk. Is het huwelijk ontbonden

ocr page 335

175

op eene der wijzen, in art. 229 Ontw. onder de nummers 2 tot 4 omschreven, zoo bestaat tusschen den vroegeren echtgenoot en zijne schoonouders vermoedelijk meer verwijdering, dan indien de dood daaraan een einde gemaakt had. Alle gevallen van ontbinding zijn dus gelijk gesteld.

Zelfs moet ten aanzien van schoonouders geene verplichting om hun vroegeren schoonzoon te onderhouden worden aangenomen, al zijn er kinderen in leven, wanneer de echtscheiding of scheiding van tafel en bed tegen hem is uitgesproken. Te hard zou het zijn, indien zij na het onrecht, waarvan hun kind het slachtoffer geworden is, nog verplicht werden om den schuldige den kost te geven. En de kleinkinderen kunnen daar nooit onder lijden; omdat zij niet alleen in den regel aan de onschuldige partij zullen toevertrouwd zijn, maar bovendien volgens art. 320 een zelfstandig recht tegenover hunne grootouders hebben.

Art. 322.

De eigenaardige taak, door het Ontwerp aan de rechterlijke macht opgedragen, eischte eene bijzondere regeling, waarbij men getracht heeft de aanspraak van den behoeftige op eene spoedige beslissing in het oog te houden, zonder den waarborg van een ernstig onderzoek op te geven, indien dit in het belang van den onderhoudsplichtige noodig mocht zijn.

De beslissing is opgedragen aan den kantonrechter, omdat deze de geldelijke omstandigheden der betrokken personen meestal het best uit eigen wetenschap kan beoordeelen. Bovendien vordert eene billijke regeling tusschen meerdere onderhoudsplichtigen besprekingen en onderhandelingen , die beter onder zijne leiding dan onder die van een college kunnen geschieden.

Dat de behoeftige zijn verzoek richt tot den kantonrechter van het domicilie van e'e'n dergenen, die hij als onderhoudsplichtig aanmerkt, is overeenkomstig art. 126 W. B. Rv.; al kan hij daarbij willekeurig te werk gaan , is het voor de onderhoudsplichtigen nog voordeeliger dan indien hij zich tot den kantonrechter van zijn eigen domicilie kon wenden, die wellicht hun allen even vreemd is.

Gevoelt de kantonrechter zich na verhoor der partijen in staat om zonder verder onderzoek zijne beslissing te geven, dan mag hij dit doen, en staat tegen zijne beschikking alleen het rechtsmiddel van appel open. Het is echter ook mogelijk, dat hunne beweringen een nauwkeuriger onderzoek eischen. Dan zal hij op het verzoekschrift alleen die voorloopige maatregelen gelasten, die noodig zijn om den behoeftige voor dadelijk broodsgebrek te beveiligen, maar hem overigens noodzaken om in een regelmatig geding, waarin alle gewone waarborgen, ook omtrent het bewijs, gelden, den onderhoudsplicht te doen regelen.

Dit geding wordt voor denzelfden rechter aangebracht, omdat deze, na de aanvankelijke beweringen der partijen gehoord te hebben, de meest geschikte persoon is om, hetgeen zij daarna zullen aanvoeren, naar waarde te schatten.

Dat de uitkeering vervalt, indien niet bij de beteekening der voorloopige beschikking tevens gedagvaard wordt, is noodig om te voorkomen, dat de behoeftige, na haar verkregen te hebben, de zaak laat rusten.

Art. 323.

Onder de omstandigheden , waarnaar het bedrag der uitkeering geregeld wordt, nemen zeker de behoeften van dengenen, die onderhoud vordert, en het vermogen van dengenen, die

ocr page 336

176

daartoe verplicht is, eene eerste plaats in. Daar beide begrippen echter zeer rekbaar zijn, en nog andere omstandigheden in aanmerking komen kunnen , is het verkieslijk, den rechter in zijn oordeel geheel vrij te laten.

Art. 324.

Volgens het Saksische Wetboek § 1850 is de onderhoudsplichtige vrij om het onderhoud in geld of in natura uit te keeren; het Italiaansche, art. 145, geeft hem dezelfde keus, tenzij de rechter eene bepaalde wijze heeft voorgeschreven; de Code Civil verleent in art. 210 (381 B. W.) den rechter de bevoegdheid, om, indien de onderhoudsplichtige buiten staat is tot het verschaffen van onderhoud in geld, hem te veroorloven den behoeftige in huis te nemen en aldaar van het noodige te voorzien.

Het ontwerp gaat. van eene andere opvatting uit. Zoodra de onderhoudsplicht van het gebied der zedelijkheid op dat des rechts is overgegaan, behoort alleen van geldelijke uitkeering sprake te zijn , omdat slechts deze voor gerechtelijke invordering vatbaar is. Daar komt bij, dat er vele bezwaren aan verbonden zijn, indien men iemand noodzaakt om een ander tegen zijn zin in huis te nemen. De betrekking tusschen ouders en kinderen, maar vooral die tusschen schoonouders en schoonkindereu , kan van dien aard wezen , dat zulk een gedwongen samenzijn een ondragelijke last zou worden. En hoe moet het gaan, indien van meerdere onderhoudsplichtigen de een zich van zijne verplichting kwijt in geld , de ander in natura? Men komt dan in verrekeningen, die misschien voor minnelijk overleg, maar zeker niet voor rechterlijke beslissing vatbaar zijn.

Daarom scheen het beter, hem, die tot geldelijke uitkeering in het geheel niet in staat is, vrij te laten , en in zoodanig geval de verplichting alleen op de anderen te laten rusten. Zijn allen in dien staat, dan blijft enkel de zedelijke plicht over.

Art. 325.

Komt de gedwongen verpleging in eigen woning in het ontwerp niet meer voor, de betrekking tusschen ouders en kinderen is zoo nauw, dal een vrijwillig opnemen van het behoeftig kind in eigen woning de meest natuurlijke wijze blijft, waarop ouders aan hunne verplichting uitvoering kunnen geven. Bieden zij dus aan om hun kind in hunne woning op te nemen, en aldaar van het noodige te voorzien, dan moeten zij verder worden vrijgesteld.

Toch niet, gelijk thans de wet luidt, onbepaald. De mogelijkheid bestaat, dat de ouderlijke woning voor het kind een zeer ongeschikt verblijf oplevert, hetzij tengevolge van het onzedelijk leven der ouders, of van ernstige vijandschap tusschen den behoeftige en de overige huisgenooten , of van andere redenen. Daarom wordt voorgesteld terug te keeren tot den Code Civil, die in art. 211 de bevoegdheid der ouders van eene rechterlijke vergunning afhankelijk maakte.

Daar hier alleen van vergunning sprake is, behoefde niet gezegd te worden, dat, indien de ouders zeiven bij nader inzien de voorkeur geven aan eene uitkeering in geld, zij niet verplicht zijn om de verdere inwoning van hun kind te dulden.

Art. 326.

Niet alleen de omstandigheid, dat de onderhoudsplichtige de uitkeering niet meer geven kan, of dat hij, die recht op onderhoud had, haar niet meer behoeft, maar ook andere kunnen

ocr page 337

177

voorkomen, die eene wijziging der aanvankelijk getroffen regeling wenschelijk maken. Zoo kunnen de behoeften van de eene partij, of het vermogen der andere dermate vermeerderen , dat, wat vroeger voldoende scheen, later onvoldoende wordt. Ook zal, indien er meer onderhoudsplichtigen zijn, de dood van een hunner altijd eene nieuwe regeling noodig maken. De bepaling van art. 380 B. W. is dus, in overeenstemming met art. 144 Ital. Wetb., tot elke verandering van omstandigheden uitgebreid.

De wijziging wordt aangevraagd bij denzelfden rechter, die de oorspronkelijke regeling gemaakt heeft, dus bij de rechtbank, indien zij van haar afkomstig is. Hierdoor wordt voorkomen , dat hij, die bij verschil van inzicht tusschen rechtbank en kantonrechter in appel ongelijk gekregen heeft, de zaak telkens op nieuw aanbrengt, ook al hebben de omstandigheden geene of slechts geringe verandering ondergaan.

Art. 327.

Dat de beslissingen des kantonrechters voor hooger beroep vatbaar zijn, is uitdrukkelijk gezegd, omdat het hier geen gewoon rechtsgeding betreft; maar bovendien als tegenstelling tot die , welke de rechtbank overeenkomstig het vorig artikel in eersten aanleg neemt, waarbij appel is uitgesloten. De reden dezer laatste bepaling is, dat het anders gemakkelijk zou zijn, zich door beroep op eene geringe verandering van omstandigheden eene derde instantie te verschaffen.

Art. 328.

Niet alleen het recht om onderhoud te genieten, maar ook de wijze, waarop het zal worden uitgeoefend, moet onttrokken worden aan de overeenkomsten van belanghebbenden. Wie aanspraak op onderhoud heeft, heeft aanspraak op voldoende onderhoud, en behoort die te kunnen handhaven door alle middelen, die de wet tot zijne beschikking stelt.

VEERTIENDE TITEL.

Van minderjarigheid en ouderlijk ijezay.

Alyemeone bepaling.

Art. 329.

Wenschelijk scheen het, de bepaling der grens tusschen minder- en meerderjarigheid, thans aan het hoofd van den zestienden titel voorkomende, over te brengen naar den titel van het ouderlijk gezag, waar de uit de natuur zelve voortvloeiende macht over den mensch in zijne jonge jaren geregeld wordt.

ocr page 338

178

De hoofdvraag, daarbij in aanmerking komende, is, of die grens op drie-en-twintig jaren vastgesteld moet blijven. Men heeft haar ontkennend beantwoord; en voor het terugbrengen tot een-en-twintig jaren pleiten inderdaad gewichtige redenen. Die leeftijd voor de meerderjarigwording bestaat in de landen, waarmee wij door nabuurschap of gelijkheid van rechtsinstellingen de meeste betrekkingen onderhouden , zonder dat men er nadeel uit ondervindt. De zuidelijke helft van Frankrijk moge in klimaat niet onbelangrijk van ons land verschillen; de noordelijke, België en bijna geheel Duitschland zeker te weinig om daarin grond te vinden voor de stelling, dat ten onzent eene latere physieke rijpheid moet worden aangenomen. Daarentegen brengt het moderne leven ontegenzeggelijk eene vroegere geestelijke zelfstandigheid der kinderen met zich dan een halve eeuw geleden , toen bij ons (veeleer bij wijze van transactie tusschen de 25 jaren van het oud-vaderlandsche recht en de 21 jaren van den Code, dan omdat deze laatste grens gedurende haar bestaan ten onzent nadeelig was gebleken) de meerderjarigwording op 23 jaren werd bepaald.

Is die meerderjarigheid niet bereikt, en zijn de beide ouders of althans een hunner nog in leven, dan staat het kind onder hun gezag. De thans voorgedragen titel beschouwt dit gezag als van nature verbonden met de hoedanigheid van vader of moeder, en neemt dus aan, dat het (behalve in de buitengewone gevallen, dat de rechter het hun in het belang des kinds ontnomen heeft) bij hen blijft berusten, zoolang er in het geheel van eene verzorging van het kind sprake kan zijn. Voogdij komt eerst te pas, wanneer heide ouders ontbreken; en de vraag, die thans zooveel moeielijkheid oplevert, wat rechtens is, indien er een voogd benoemd wordt, zonder dat het onderlijk gezag uitdrukkelijk is opgeheven, kan zich niet meer voordoen.

Dat bet aannemen van dit beginsel eene vrij belangrijke omwerking van dezen titel en den volgenden noodig maakte, zal wel geen betoog behoeven. Door het wegvallen der tutela legitima kon de titel van voogdij in menig opzicht vereenvoudigd worden, terwijl omgekeerd die, welke over bet onderlijk gezag handelt, aangevuld moest worden in vele punten, die thans slechts gebrekkig geregeld zijn. Zoolang men zich het ouderlijk gezag voorstelde als uitgeoefend door beide ouders over kinderen, die in den regel geen vermogen bezitten, kon de wetgever zich onthouden van vele voorschriften, die noodig werden, nu ook datgene, wat thans de voogdij van den vader of de moeder heet, onder dat begrip gebracht werd. Hoe ver men daarbij gegaan is, kan het best. blijken uit de raadpleging der desbetreffende artikelen.

Wellicht had eene zuiver systematische behandeling gevorderd, dat al, wat de waarneming van de geldelijke belangen des kinds aangaat, in de derde afdeeling van dezen titel opgenomen was, en in den volgenden titel daarnaar verwezen. Dit is niet gedaan, omdat, terwijl alle maatregelen van dien aard op voogden toepasselijk zijn, zij voor ouders slechts gedeeltelijk gelden, en dan nog, zoolang het huwelijk duurt, in mindere mate dan na de ontbinding daarvan. Daarom scheen het eenvoudiger, hier te verwijzen naar de volledige regeling, die later volgt, dan daar eene verwijzing op te nemen , die noodwendig van meerdere aanvullingen vergezeld had moeten gaan.

ocr page 339

179

eerste afdeëling.

Art. 330.

Het eerste lid van dit artikel vereischt geene bijzondere toelichting. Het stemt overeen met het tweede lid van art. 353 B. W.; terwijl het eerste lid van dat artikel niet is overgenomen , omdat het enkel een zedelijk voorschrift bevat, dat, evenals vele dergelijke voorschriften in den titel over het huwelijk , in eene wet misplaatst, is.

Van meer belang is het tweede lid, omdat daarin het stelsel, waarvan het tegenwoordige ontwerp uitgaat, nedergelegd is. Van eene vaderlijke macht, gelijk de patria potestas dei-Romeinen, in het belang en ten behoeve van den vader gegeven, is ook in onze tegenwoordige wetgeving geen sprake meer; puissance paternelle n'a lieu, zeide reeds de oude Fransche rechtsregel. De macht, die daarvoor in de plaats trad, is in het belang van ouders en kinderen beiden, ja in dat der geheele maatschappij gegeven; zij staat, gelijk Diephuis Het Nederl. Bury. Rcgt, II, blz. 173 het uitdrukt, geheel in verband met de verplichting der ouders om hunne minderjarige kinderen op te voeden, en strekt zich juist zooverre uit als noodig is om die verplichting te kunnen vervullen. Om dit uit te drukken is het woord macht vervangen door (jvzay; en is de toekenning daarvan in onmiddellijk verband gebracht met de bepaling van het eerste lid.

Dit gezag komt toe aan heide ouders gelijkelijk. Of beiden in leven zijn, dï)n wel slechts een hunner is overgebleven, moge op de toepassing hunner rechten een gewichtigen invloed uitoefenen; voor den aard daarvan is het geheel onveischillig. De verplichting van de moeder om het kind op te voeden, en haar recht om daartoe gezag over hem te voeren zijn even volkomen als die van den vader. Sterft deze, dan maakt dit rechtens in hare verhouding tot het kind geen verschil. Van een collectief recht is dus geen sprake; van den aanvang af is het voor ieder hunner individueel, waarmede samenhangt, dat het aan ieder hunner, als daartoe gronden zijn, door den rechter kan ontnomen worden, zonder dat de wijze, waarop de ander zijne plichten vervuld heeft, daarbij in aanmerking komt.

Dit gezag heet niet meer vaderlijk, omdat de moeder het uit eigen hoofde even volkomen bezit. Streng genomen zou men dus van vaderlijk en moederlijk yezag moeten spreken ; maar ter vereenvoudiging is de naam ouderlijk gezag daarvoor in de plaats gesteld. De bedoeling is, daarmee uit te drukken , dat elk der ouders het heeft; niet dat het enkel aan de gezamenlijke ouders zou zijn toegekend.

Door het verband, in de beide eerste leden tusschen de verplichting tot opvoeding en het ouderlijk gezag gelegd , scheen eene bepaling als die van het laatste lid gewenscht.

Art. 331.

Dit artikel stemt, behoudens een paar kleine verbeteringen van redactie, overeen met art. 355 B. W. Dat door de daar aangenomen regeling het aan de moeder toegekend gezag, zoolang zij den vader naast zich heeft, althans wat de toepassing aangaat, aanmerkelijk ingekort wordt, is niet te ontkennen; en de vraag is dus ernstig behandeld, of niet aan beiden de uitoefening rechtens kon worden opgedragen. Men kon echter niet anders dan tot eene ontkennende beantwoording komen.

ocr page 340

180

Heerscht tusschen de eclitgenooten eensgezindheid, dan zal de invloed der moeder zich voldoende doen gelden, ook zonder dat haar een aandeel in de uitoefening van het gezag rechtens verzekerd wordt. Laat die daarentegen te wenschen over, dan zouden door eene dergelijke regeling slechts allerlei onoplosbare strijdpunten worden te voorschijn geroepen, ja huiselijk ongenoegen uitgelokt en bevorderd, en de kans op betere harmonie verminderd.

Laurent, avant-projet, art. 358, die wil dat de vader het ouderlijk gezag zal uitoefenen ade commun accord avec la mere», voegt daaraan toe: «en cas de dissentiment le tribunal décidera». En inderdaad, waar twee personen met gelijke rechten tegenover elkander staan, moeten zich nu en dan conflicten voordoen, die eene rechterlijke tusschenkomst onvermijdelijk maken. Dat die echter in den regel noodlottige gevolgen zal hebben, zal wel geen uitvoerig betoog behoeven. Hoe eenvoudig en patriarchaal men zich de zaak ook voorstelle, eene rechterlijke beslissing onderstelt een geschil, en een geschil laat bij de partij, die in het ongelijk gesteld wordt, lichtelijk gevoelens achter, die met eene gewenschte verhouding tusschen echtgenooten onvereenigbaar zijn. Daar komt bij, dat een verschil in opvatting omtrent de opvoeding der kinderen zich zelden in een bepaald feit zal oplossen, waaromtrent eene rechterlijke beslissing denkbaar is, maar veeleer in tallooze dagelijksche kleinigheden, waarvoor de rechter toch geen leiddraad geven kan.

Er blijft dus niets anders over dan den regel van art. 355 te behouden, en alleen in enkele bepaalde gevallen van ernstigen aard het recht der moeder meer op den voorgrond te brengen. Als zoodanig kan in dezen titel verwezen worden naar de artt. 348, 351, 359.

Daar er gevallen bestaan, waarin de uitoefening niet aan den vader maar aan de moeder toegekend is, b. v. in de artt. 332, 334 en 335, heeft men den regel in het eerste lid niet zonder voorbehoud opgenomen. In het tweede lid is het woord vervangen vermeden, omdat de moeder niet als plaatsvervangster van den vader, maar als deelgenoot van het ouderlijk gezag optreedt, zoodra hij, die door zijne stelling in het gezin het eerst tot de uitoefening is aangewezen, verhinderd is. Bij onmogelijkheid is niet alleen aan feitelijke verhindering gedacht, maar ook aan het geval, dat het beletsel van rechtelijken aard zou zijn, b. v. wanneer de vader onder curateele wordt gesteld. Wel is niet te ontkennen, dat zulk eene verhindering lang kan duren, maar toch is zij uit haren aard tijdelijk; en het scheen dus niet gerechtvaardigd haar, gelijk ten aanzien der ontzetting voorgesteld wordt, met het overlijden gelijk te stellen. Een practisch gevolg van dit onderscheid zal zijn, dat, terwijl in het laatste geval aan den overblijven den vader of moeder een raadsman toegevoegd wordt, dit hier, omdat het ouderlijk gezag bij beiden blijft berusten, onnoodig is.

Art. 332.

De artt. 284 vg. B. W. maken in het geval van echtscheiding onderscheid tusschen het ouderlijk gezag en het verblijf der kinderen; terwijl de vader en moeder de rechten behouden , welke uit het eerste voortspruiten, verblijven de kinderen bij e'e'n hunner, tenzij zij aan een derde worden toevertrouwd. De rechten en verplichtingen , aan dit verblijf verbonden, zijn niet nader omschreven, gelijk trouwens ook moeielijk zou zijn; en de vraag, hoe ver de macht gaat van hem, bij wien zij niet verblijven, levert dus een rijke bron van zwarigheden op.

ocr page 341

181

In de echtscheiding zelve eenen grond te zien om aan den schuldigen echtgenoot het ouderlijk gezag te ontnemen, schijnt eene overbodige hardheid. Is zijn gedrag van dien aard geweest, dat hij onder het bereik van art. 344 valt, dan kan de andere echtgenoot natuurlijk de toepassing daarvan vorderen; maar is dit niet het geval, dan mag het feit, dat hij gebleken is, een slecht echtgenoot te zijn, er op zich zelf niet toe leiden om den band, die hem aan zijne kinderen verbindt, te verbreken.

Daarom is de voorkeur gegeven aan eene oplossing, waarbij in geval van echtscheiding de regel van het voorgaand artikel wordt ter zijde gesteld, en de uitoefening onbeperkt gegeven aan hem, die daartoe door den rechter aangewezen wordt. In den regel zal dit de onschuldige echtgenoot zijn, het belang van het kind kan echter ook eene andere regeling eischen; voor eene bepaling als thans bestaat, dat de kinderen bij dengenen, op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken, verblijven, tenzij de rechtbank ze aan den ander toevertrouwt, scheen dus geen voldoende grond.

Een noodzakelijk gevolg van de voorgedragen regeling is, dat de kinderen worden toevertrouwd aan hem, die het ouderlijk gezag over hen uitoefent, en deze alleen over hunne opvoeding beslist; maar aan den anderen kant, dat, indien deze komt te ontbreken, de uitoefening van rechtswege op deu ander overgaat. Zoolang voor de toepassing van art. 344 geen grond bestaat, kan van het opdragen der voogdij aan een ander geene sprake zijn; en maakt de overblijvende echtgenoot slechts gebruik van een onbetwistbaar recht, indien hij als eenig met het ouderlijk gezag bekleed persoon dit ook uitoefent.

Het derde lid van het voorgedragen artikel stemt overeen met art. 292 B. W. De redactie drukt uit, dat niet enkel de uitoefening van het ouderlijk gezag aan den eenen of den anderen der ouders kan opgedragen worden; maar die uitoefening ook in bijzonderheden geregeld of beperkt.

Het voorschrift, dat beide ouders, ook als zij het ouderlijk gezag niet uitoefenen, naar evenredigheid van hun vermogen tot de kosten van onderhoud en opvoeding moeten bijdragen, is, als onnoodig, uit art. 285 B. W. niet overgenomen. Het voorgedragen art. 330 laat daaromtrent geen redelijken twijfel toe.

Art. 333.

De bepaling, dat de kinderen ter opvoeding aan een derde kunnen worden toevertrouwd, is overgenomen uit de artt. 284 vg. B. W. Z.ij kan gunstig werken, als hij, wien de rechter genoodzaakt is de uitoefening van het ouderlijk gezag toe te vertrouwen, geene waarborgen schijnt aan te bieden, dat hij zijne taak naar eisch vervullen zal. Toch treedt zulk een derde niet in de plaats der ouders, en zal hij zijne taak moeten vervullen onder toezicht van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, evenals thans aan beide ouders de bevoegdheid wordt toegekend om voor het onderhoud en de opvoeding hunner kinderen bij den derde te waken.

De wijze, waarop intrekking of wijziging der aanvankelijk gegeven beschikking verkregen zal kunnen worden, is in verschillende opzichten nauwkeuriger geregeld. Zoo wordt niet alleen bij overlijden van den derde, maar in ieder geval van ontstentenis eene nieuwe benoeming toegelaten; het recht om wijziging te vragen niet alleen aan den belang(?)hebbenden echtgenoot' maar aan beide ouders, en ook aan den derde, die de noodzakelijkheid misschien het best be-

ocr page 342

182

oordeelen kan, en het openbaar ministerie verleend; de bevoegdheid om haar uit te spreken niet gegeven aan de rechtbank, maar aan den rechter, die de oorspronkelijke regeling trof, dus het hof, indien deze laatste in hooger beroep gegeven is; en, als noodzakelijk gevolg van dit laatste punt, hooger beroep toegestaan, indien de nieuwe regeling van eene rechtbank afkomstig is. Eindelijk is aan beide ouders de waarborg verleend, dat zij over wijzigingen gehoord zullen worden; de vraag, wie zijn kind opvoedt, is ook voor hem, die het ouderlijk gezag niet uitoefent, te belangrijk om geheel buiten hem om beslist te kunnen worden.

Dat tusschen den derde en hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, verschil van meening alleszins mogelijk is, zal wel geen betoog behoeven; wilde men e'e'n hunner in zoodanig geval de eindbeslissing geven , dan zou de maatregel alle beteekenis missen; er schiet dus niets anders over, dan die aan den kantonrechter over te laten, hetgeen hier minder bezwaar oplevert, dan waar het een verschil van gevoelen tusschen ouders geldt.

Art. 334.

Of onwettige kinderen thans onder ouderlijk gezag of voogdij staan , schijnt, met het oog op de artt. 361 en 408 B. W., twijfelachtig; bij de voorgedragen regeling, nu het ouderlijk gezag geen collectief karakter meer draagt, kan zij natuurlijk niet anders dan in eerstgemeldeu zin beslist worden. Gelijk echter in het geval van echtscheiding de omstandigheid, dat de band des huwelijks verbroken is, te weeg brengt, dat de gewone regel aangaande de uitoefening, in art, 331 gegeven, zijne toepassing moet missen, is zulks ook hier het geval, waar de band nooit bestaan heeft,

Eene tweede omstandigheid, die eene bijzondere regeling voor onwettige kinderen noodig maakte, is de mogelijkheid, dat de ouders minderjarig zijn. Bestaat er een huwelijk, dan is, welke ook de leeftijd der ouders zij, dit geval ondenkbaar. Daar het nu niet aangaat, dat iemand, die zelf onder het gezag zijner ouders of onder voogdij staat, ouderlijk gezag over anderen uitoefent, moest hierin noodzakelijk voorzien worden.

Eindelijk moest er op gelet worden, dat, zoolang niet de meerderjarige vader het kind erkend heeft, elke toekenning een lijdelijk karakter draagt.

De bepalingen vereischen geene bijzondere toelichting. De redactie van het derde lid is zoo ruim genomen, dat daarin voorzien zijn de gevallen, dat het kind door geen van beide ouders erkend is; dat de eenige, die het kind erkend heeft of in leven is, minderjarig is; dat beiden het kind erkend hebben, maar minderjarig zijn.

Art, 335,

Dit artikel bevat eene uitzondering op den regel, dat de vader, die het kind erkend heeft, evenals de wettige vader, bij de uitoefening van het ouderlijk gezag aan de moeder voorgaat. Daar de erkenning voor het kind altijd voordeelig is, en uit dien hoofde bevorderd moet worden , terwijl het zeer mogelijk is, dat een vader zich uit vrees voor dit gevolg van eene erkenning laat terughouden, heeft men de uitzondering in het belang der kinderen wenschelijk geacht.

ocr page 343

183

Art. 336.

Dit artikel bevat niets dan een noodzakelijk gevolg van het stelsel , in art. 330 gehuldigd Ofschoon wellicht overbodig, is het, om allen twijfel weg te nemen, en ook als inleiding voor de volgende artikelen opgenomen.

Art. 337.

Eene algemeene bepaling, wat rechtens zal zijn, als hij, die in de uitoefening van het ouderlijk gezag alleen staat, in de onmogelijkheid geraakt om met die uitoefening voort te gaan , wordt thans in de wet gemist. De artt. 552—554 B. W. bevatten een dergelijk geval, en, wat betreft de voogdij van den langstlevende, art. 431 B. W. een ander. Er zijn echter meerdere denkbaar, en daarom heeft men hier liever een algemeenen regel, en wel in de meest algemeene bewoordingen, gesteld. De vraag, welke voorziening de meest wenschelijke zou zijn, en of er in het geheel een^ voorziening noodig is, kan zich onder zoo vele vormen voordoen, dat men verstandigst handelt door alles aan de prudentie des rechters over te laten.

Art. 338.

Onze tegenwoordige wet kent twee gevallen, waarin bij hertrouwen de voogdij over de kinderen uit het eerste huwelijk verloren kan worden : volgens art. 407, wanneer de vader of moeder in gebreke blijft aan den toezienden voogd eenen behoorlijken staat van hunne goederen aan te bieden, volgens art. 405 , wanneer de moeder zich niet in de voogdij heeft doen bevestigen.

Voor een behoud der eerste bepaling scheen geen voldoende grond te bestaan. De juiste stand van het vermogen der kinderen moet uit de inventarissen blijken; en, zoo men bevreesd is voor den invloed van den tweeden echtgenoot, dan vergeet men, dat daartegen een vóór het huwelijk opgemaakte staat geene waarborgen oplevert.

De tweede bepaling is niet alleen behouden, maar zelfs tot den vader, die een nieuw huwelijk wil aangaan, uitgebreid. Denkt men hier alleen aan het gevaar, dat de geldelijke belangen van het kind bedreigt door verkeerd beheer van den tweeden man , die als medebeheerder (in onze tegenwoordige wet medevoogd) optreedt, dan behoort men ook der moeder, die hertrouwt, het ouderlijk gezag te laten, en was het voldoende, gelijk de artt. 354 en 355 Ontw, veroorloven, enkel het beheer te ontnemen. Maar acht men, dat het onderzoek des rechters verder moet gaan , en ook op de zedelijke hoedanigheden van den tweeden echtgenoot gelet moet worden, dan is er geene reden om tusschen het hertrouwen des vaders en dat der moeder onderscheid te maken. Daar, wat de opvoeding aangaat, de invloed eener tweede moeder zeker niet minder groot is dan die eens tweeden vaders, is het laatste stelsel in het ontwerp opgenomen.

Behalve den familieraad moet de kantonrechter den raadsman hooren, die inlichting zal kunnen geven omtrent de geschiktheid van den tweeden echtgenoot tot het medevoeren van beheer; en is bet wenschelijk de gelegenheid ook voor dezen te openen, om de bezwaren, die tegen hem zijn ingebracht, te wederleggen.

ocr page 344

184

Art. 339.

Eene bijzondere bepaling voor onwettige kinderen was noodig, omdat de geheele maatregel vervallen kan, als het kind door het te sluiten huwelijk gewettigd zal worden. Het hoeren van den familieraad vervalt hier; daarentegen is het noodig, dat de vader, die het kind erkend heeft, in de eerste plaats over het voortduren van het gezag dér moeder gehoord worde.

Art. 340.

Dit artikel geeft den kantonrechter het middel aan de hand, om een bezwaar, dat anders tegen de bevestiging der moeder zou kunnen gemaakt worden, uit den weg te ruimen.

Art. 341.

Dit artikel stemt overeen met het tweede lid van art. 405 B. W., behoudens een paar verbeteringen in de redactie. Daardoor is thans duidelijk, dat het verlies van h?t ouderlijk gezag eerst intreedt, nadat het huwelijk werkelijk voltrokken is, en dat de aansprakelijkheid van den nieuwen echtgenoot enkel geldt tegenover de kinderen. Derden moeten weten, hoever de bevoegdheid gaat van haar, met wie zij handelen.

Art. 342.

In dit artikel wordt het tegenwoordige derde lid van art. 405 B. W. met eenige aanvulling overgenomen. Zoo wordt aangewezen, welke kantonrechter bevoegd zal zijn om hein, die het ouderlijk gezag verloren heeft, daarin te herstellen, en bepaald, dat dit alleen op zijn uitdrukkelijk verzoek geschieden kan. Dat de vrouw, om dit verzoek te doen, de bewilliging van haren tweeden man of wel rechterlijke machtiging behoeft, volgt uit art. 150 Ontw. Eindelijk is voorgeschreven, dat over het verzoek niet alleen de familieraad, maar ook de voogd en toeziende voogd, indien deze reeds benoemd zijn, gehoord worden.

Art. 343.

Dit artikel wijkt in zooverre af van art. 406, eerste lid, B. W., dat de tweede man niet wordt deelgenoot in het ouderlijk gezag, maar enkel medebeheerder over de goederen des kinds. Van nature aan de hoedanigheid van vader en moeder verbonden, kan het gezag onmogelijk aan een ander, zelfs niet ten deele worden opgedragen. En te minder kan tegen deze oplossing bezwaar bestaan in het stelsel der voorgedragen regeling, die meer voorbeelden bevat dat het beheer van het, ouderlijk gezag afgescheiden wordt.

Dat het medebeheer eindigt, zoodra het ouderlijk gezag der moeder ophoudt, ligt in het woord zelf opgesloten; terwijl uit de nieuwe redactie, dat het medebeheer bestaat zoolang het huwelijk duurt, voldoende volgt, dat na de ontbinding daarvan de moeder in het onbeperkt genot van haar gezag terug treedt. Het tweede en vierde lid van art. 406 B. W. behoefden dus niet uitdrukkelijk herhaald te worden; terwijl alleen nog moet worden opgemerkt, dat met de ontbinding des huwelijks scheiding van tafel en bed is gelijk gesteld.

ocr page 345

185

Art. 344.

Dat de strafrechter in de gevallen bij het Wetboek van Strafrecht omschreven de ontzetting uit het ouderlijk gezag kan uitspreken, wordt in dat Wetboek bepaald; het was onnoodig dit hier te herhalen. Maar daarnaast kunnen zich gevallen voordoen van ergerlijke misdraging, verregaande miskenning der ouderlijke plichten of misbruik van het daaruit voortvloeiend gezag, van dien aard dat in het belang der kinderen ontneming van het ouderlijk gezag onvermijdelijk schijnt. Hierin ligt geene uitbreiding der eenmaal aangenomen strafbepaling; omdat de burgerlijke wet niet met bedoeling om te straffen, maar op gronden van onwaardigheid eene door haar met burgerrechtelijke gevolgen gegeven bevoegdheid, die zelve veel meer plicht dan recht is, ontneemt.

Thans bestaat eene dergelijke bevoegdheid niet, maar wordt voor een gedeelte vervangen door de mogelijkheid, in art. 437 B. W. gegeven, om in de daar omschreven gevallen den langstlevende der ouders de voogdij te ontnemen. De nieuwe regeling verdient in zooverre de voorkeur, dat zij niet alleen het kind reeds bij het leven van beide ouders beschermt, maar bovendien die bescherming uitstrekt tot alle slechte bejegeningen, waaronder zijne lichamelijke, zedelijke en geestelijke ontwikkeling schade kan lijden.

Art. 345.

Dit artikel regelt de gevolgen, indien het ouderlijk gezag verloren gaat, hetzij door toepassing van art. 341 Ontw., of wel omdat het door den rechter ontnomen is. Hierbij moest onderscheid worden gemaakt ten aanzien van hem, die het gezag uitoefent, en hem, met wien zulks niet het geval is. Verliest de eerste het, dan blijft het alleen bij den ander berusten, of vervalt geheel, indien ook deze ontbreekt; die gevallen kunnen dus te dezen aanzien met den dood worden gelijk gesteld. Wordt het daarentegen door den ander, die rechtens toch weinig of geen invloed op den loop der zaken uitoefent, verloren, dan was er geene reden om in de bevoegdheid des eersten verandering te brengen.

Dat de gevolgen van ontzetting door den strafrechter ophouden met het verstrijken van den tijd, waarvoor zij is uitgesproken, is een noodzakelijk gevolg van hel tijdelijk karakter, dat deze bijkomende straf volgens art. 31 W. v. S. in den regel heeft. Wel ontstaat hierdoor zekere misstand, daar de ontzetting, door den burgerlijken rechter overeenkomstig art. 344 Ontw. uitgesproken, definitief werkt, terwijl veelal ook het belang des kinds met zijn terugtreden onder het gezag van den veroordeelde in strijd zal zijn; deze bedenking scheen echter niet gewichtig genoeg om op het in het nieuwe wetboek aangenomen beginsel terug te komen. Ten aanzien der voogdij, die minder als een persoonlijk recht van den voogd beschouwd kan worden, is de zaak in art. 405 Ontw. anders geregeld.

Wordt het ouderlijk gezag door hem, die het niet uitoefent, verloren, dan heeft dit volgens het vierde lid voor den ander geen gevolg; en voor hem zeiven alleen in zoover, dat, indien gedurende den tijd der ontzetting zich omstandigheden voordoen, waardoor de uitoefening op hem zou moeten overgaan, die overgang achterwege blijft.

ocr page 346

d86

tweede afdeeling.

Art, 346.

Dit artikel stemt, behoudens eene kleine verbetering van redactie, overeen met art. 356 B. W.

Artt. 347—349.

Bij bet buitengewone geval van vastzetting van een kind scheen bet gepast, de toestemming van heide ouders te vorderen, of wel het bewijs, dat een van beiden daartoe niet medewerken kan.

Voor de voortduring echter der eenmaal verleende vastzetting meende men de overeenstemming van beider wil niet volstrekt te moeten eischen, maar bij behoud der bevoegdheid om eigenmachtig den bij het bevel gestelden tijd te verkorten, als hij, die het gezag uitoefent, zulks wenscht, aan den rechter de beslissing te moeten overlaten, wanneer alleen de ander, wellicht uit zwakheid, de invrijheidstelling verlangen mocht.

Overigens is, behoudens eenige verbeteringen van redactie, het geldende recht in hoofdzaak behouden. Was daartoe grond? Laurent, avant-projet, art. 363, voert tegen onze regeling het bezwaar aan , dat daardoor het kind voor zijn geheele leven de schande draagt van gevangen gezeten te hebben. Met een beroep op art. 222 Ital. Wetb. laat hij de rechtbank dus enkel beslissen, of er grond is om het kind het ouderlijk huis te doen verlaten, en , zoo ja, waar het geplaatst zal worden. Men zou hiertegen kunnen aanvoeren, dat de plaatsing in een ander gezin of op eene kostschool geheel binnen de grenzen van het ouderlijk gezag valt: rechterlijke tusschenkomst is eerst noodig, als het eene inrichting betreft, waar men het kind opgesloten houdt. Ook is het onjuist, dat dit noodzakelijk eene gevangenis zou moeten zijn; voor jongere kinderen bestaan afzonderlijke gestichten, en, zoo voor de oudere in den regel niet anders dan eene gevangenis kan worden aangewezen, wordt daarom toch tusschen hen en werkelijke gevangenen zooveel mogelijk onderscheid gemaakt. Is eene andere plaats aan te wijzen , dan sluit de redactie der wet zoowel als die van het ontwerp dit niet uil.

Het vierde lid van art. 347 vindt zijne verklaring in het feit, dat soms een bevel van vastzetting wordt gevraagd, in de hoop, dat reeds de vrees voor uitvoering het kind tot verbetering van zijn gedrag zal nopen. Ofschoon overtuigd, dat deze praktijk menigmaal heilzame gevolgen draagt, meende men tegen misbruik van het bevelschrift, als dwangmiddel tot andere doeleinden, te moeten waken door de werking aan een termijn van uitvoering te binden. Een tweede grond voor het. stellen van zoodanigen termijn schijnt gelegen in de mogelijkheid, dat na verloop van eenigszins langeren tijd de toestanden zoo veranderd kunnen zijn, dat de rechter alsdan een verzoek tot vastzetting niet meer zou toestaan.

derde afdeeling.

Onze tegenwoordige wet bevat in art. 364 B. W. enkel de bepaling, dat de vader over de goederen zijner minderjarige kinderen beschikken kan, met inachtneming der regelen, voor voogden voorgeschreven. Hoe dit echter bij het ontbreken van een toezienden voogd en familie-

ocr page 347

187

raad gaan moet, is niet nader ontwikkeld. Blijkbaar ging de wetgever van de onderstelling uit, dat kinderen gedurende het leven hunner ouders zelden eigen vermogen bezitten, en, voor zooverre dit nu en dan het geval mocht zijn, de invloed der moeder toereikend zou wezen om een eerlijk beheer te waarborgen.

In beide opzichten is de toestand veranderd, indien na den dood van een der ouders het ouderlijk gezag geheel bij den ander verblijft. Geen wonder dus, dat men zich ernstig de vraag gesteld heeft, of thans niet voor de richtige waarneming van de geldelijke belangen des kinds waarborgen noodig zijn , die vroeger zonder bezwaar gemist konden worden.

Laurent, avant-projet, art. 385, beantwoordt haar ontkennend, en wijst er op, dat de bevoegdheid van den vader, die het gezag uitoefent, door den dood der moeder eigenlijk geene verandering ondergaat; met de moeder moge dit wel het geval wezen, het zou een ongerechtvaardigd wantrouwen verraden , ten haren aanzien verschil te maken. Het Italiaansche wetboek komt, wat den vader aangaat, tot dezelfde gevolgtrekking, maar beperkt de macht der moeder in zoover, dat de vader haar eene instructie mag voorschrijven, waarvan zij alleen door den rechter kan ontheven worden (art. 235).

Nu is niet te ontkennen, dat in de groote meerderheid van gevallen het kind geen beteren waarborg verlangen kan, dan de liefde zijner ouders en hunne begeerte om zijne belangen te behartigen. Maar waar men de mogelijkheid aanneemt, dat ouders zich zoo misdragen , dat hun het gezag geheel moet ontnomen worden, zal men niet het bestaan van gevallen betwisten kunnen, waarin, zonder ernstig toezicht op hun beheer, de geldelijke belangen des kinds gevaar loopen verwaarloosd te worden. En daarbij behoeft men niet in de eerste plaats aan oneerlijkheid te denken; juist de omstandigheid, dat het kind in den regel erft goederen, door den vader vroeger vrijelijk beheerd, kan er hem toe leiden om met de beste bedoelingen zijne oude wijze van administratie voort te zetten.

Om deze redenen wordt in den voorgedragen titel onderscheid gemaakt tusschen het ouderlijk gezag in het algemeen, en dat gevolg daarvan, hetwelk zich in de waarneming van de geldelijke belangen des kinds openbaart. Reeds thans is deze onderscheiding aan onze wetgeving niet vreemd; men denke aan art. 418 B. W., of aan het beheer, naar het Ned.-lndische recht door de weeskamer gevoerd. Dit denkbeeld is zeker voor uitbreiding vatbaar; en zoo komt men tot de oplossing, dat het recht van opvoeding zeer wel onbeperkt bij den langstlevende der ouders kan blijven, terwijl hij, wat het beheer van het goed aangaat, bijna geheel met den voogd gelijk wordt gesteld. Hij wordt dan evenals deze aan geregeld toezicht onderworpen, en zelfs bij wanbeheer ontslagen, zonder dat zulks op zijne persoonlijke verhouding tot het kind invloed behoeft uit te oefenen.

Art. 350.

Door de redactie van het eerste en tweede lid, overeenstemmende met den aanhef van art. 416 Ontw., wordt beter dan in art. 362 B. W. de aard van het door den vader gevoerd beheer uitgedrukt. Er wordt nu bepaald gezegd, dat, voor zooverre het kind bij rechtshandelingen vertegenwoordigd kan worden, dit door hem geschiedt; en ook, dat hij zijn beheer als een goed huisvader moet voeren. Door deze laatste vermelding is art. 363 B. W. overbodig geworden. Dat, als hij het genot der vruchten heeft, zijne rekening niet daarover zal loopen,

ocr page 348

188

spreekt evenzeer van zelf, als dat dit wel het geval zal zijn, indien hij ook de vruchten als een goed huisvader beheert.

In de beide volgende leden wordt het voorschrift van art. 365 B. W., in bijzonderheden wat nader ontwikkeld, overgenomen. In den regel zal het hier bedoelde geval wel vallen onder art. 1118 B. W., of zou men met eene loepasselijkverklaring van art. 394 Ontw. op den raadsman geholpen zijn. Daar echter ook vóór de benoeming van dezen en buiten het geval van art. 1118 B. W. een tegenstrijdig belang denkbaar is, heeft men geene reden gevonden om eene verandering van het bestaande recht voor te stellen.

De bevoegdheid om de benoeming van een bijzonderen vertegenwoordiger uit te lokken is aan den vader zelf gegeven, om wel te doen uitkomen, dat de maatregel niet noodzakelijk eene voor hem krenkende beteekenis behoeft te hebben. De kring der verwanten is, evenals in de volgende artikelen dezer afdeeling, enger genomen dan in den titel van voogdij, omdat tegen de ouders slechts aan de allernaasten een recht van tusschenkomst mag worden verleend.

Art. 351.

Zoolang het huwelijk der ouders niet ontbonden is, en tusschen hen geene scheiding van tafel en bed bestaat, is er geene aanleiding om hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, d. i. in den regel den vader, te zeer in het beheer van het vermogen, dat het kind hebben kan, te belemmeren. Reeds beheert hij het gemeenschappelijk vermogen van zich en zijne vrouw; gewoonlijk ook het bijzonder vermogen van deze; het zou dus een ongerechtvaardigd wantrouwen verraden , indien men hem niet de keus liet der maatregelen, welke hij in het geldelijk belang zijner kinderen wenschelijk acht.

Slechts e'e'ne beperking kent onze tegenwoordige wet: hij mag over hunne goederen niet beschikken, dan met inachtneming der regelen, die bij den titel van voogdij zijn voorgeschreven. Het ontwerp breidt dit uit lot alle handelingen , in art. 437 Ontw. vermeld, daar in beginsel geen onderscheid tusschen dezen toegelaten kan worden. Voorts is het belang van het kind bevorderd door art. 436, dat geene beperking van het recht van beheer bevat, over te nemen; terwijl eindelijk uitdrukkelijk is gezegd, dat, hoezeer men overigens geneigd zij om de vrijheid des vaders te eerbiedigen, hij toch aan het einde van zijn beheer rekenplichtig zal wezen.

Aan hem, die het ouderlijk gezag niet uitoefent, d. i. in den regel de moeder, die naar de tegenwoordige wet het beheer geheel aan den vader moet overlaten, is althans eenige invloed toegekend. Waar de vrijheid des vaders toch beperkt is door de noodzakelijkheid om machtiging van den rechter te vragen, kon er geen bezwaar zijn, ook haar het recht van medespreken toe te kennen; terwijl het voor de juistheid van 'srechters beslissing slechts gunstig kan werken, indien de zaak hem van verschillende zijden voorgedragen wordt.

Art. 352.

Dit artikel is nieuw, wat de redactie en plaatsing aangaat, maar bevat overigens, althans in hoofdzaak, slechts eene bevestiging van het bestaande recht. De voorgedragen raadsman toch neenit, wat de geldelijke belangen des kinds betreft, de plaats in, die thans na het overlijden

ocr page 349

489

van een der ouders aan den toezienden voogd naast den vader-voogd of de moeder-voogdes toekomt; terwijl de uitbreiding tot de gevallen van echtscheiding en scheiding van tafel en bed een noodzakelijk gevolg is van de omstandigheid, dat, waar het geregeld verkeer tusschen de ouders vervallen is, hij, aan wien de kinderen zijn toegewezen, even goed alleen staat, alsof de ander overleden ware. Acht men het gevaarlijk, den overblijvende der ouders de vrije hand te laten , dan is er wel niet anders mogelijk dan hem iemand ter zijde te stellen , die, wat het beheer der goederen aangaat, de plaats van den ontbrekende eenigszins vervult. Dat hierbij niet alleen wantrouwen in zijn beheer de drijfveer is, ligt in de voorgedragen redactie evenzeer als in den naam, voor den toegevoegden persoon gekozen.

Naast dezen raadsman is voor den raadsman van art. 401 B. W. geene plaats meer. Voor de handelingen, bedoeld in art. 437 Ontw., komt het in den regel op hetzelfde neer, of hij moet medewerken, dan wel den rechter omtrent de wenschelijkheid van den voorgenomen maatregel voorlichten. Rn in alle andere opzichten mist het niet opvolgen van zijnen raad elk rechtsgevolg.

Art. 353,

De gelijkstelling van den overblijvende der ouders met een voogd, wat de geldelijke belangen des kinds aangaat, is in beginsel aangenomen, maar toch (evenals trouwens in onze tegenwoordige wet) niet zonder uitzondering. Vooreerst behoeft hij niet, gelijk de voogd, om de twee jaren een staat van het vermogen over te leggen, en de geldswaardige stukken, die hij onder zich heeft, te vertoonen (art. 302 ; Ontw. vgl. art. 429 B. W.) Heeft de wetgever zich hierbij laten leiden door de bedenking, dat men in ouders meer vertrouwen kan stellen dan in vreemden, dan scheen daarvan het gevolg, dat ook de verplichting tot zekerheidstelling behoorde weg te vallen. Te minder bezwaar kon daartegen bestaan, daar de maatregel ook nu slechts bij uitzondering toegepast wordt, en voor het behoud van het roerend vermogen des kinds door art. 433 Ontw. voldoende gezorgd wordt. Eindelijk zijn wel de artt. 449 en 454 overgenomen, waarin de verplichting tot rekening en verantwoording uitgesproken is, maar is de wijze, waarop die kan worden afgelegd, geheel vrijgelaten. Eene bescherming tegen onbe-hoorlijken invloed, gelijk voor den gewezen pupil wenschelijk scheen, komt tusschen ouders en kinderen niet te pas.

Van de niet genoemde artikelen uit de afdeeling van de Toeziende Voogdij worden de artt. 394 vervangen door art. 350, tweede lid; 396 door art. 355, tweede lid; 398 door art. 337; terwijl de artt. 388, 389, 392, 393 eu 395 ten aanzien van den raadsman vervallen.

Art. 354.

Dit artikel bevat eene verbetering van art. 404 B. W. Dat eene moeder zelve zou meenen, dat de opvoeding barer kinderen aan een vreemde beter zou zijn toevertrouwd dan aan haar, is bijna ondenkbaar; maar zeer wel mogelijk is het geval, dat zij zich niet de noodige administratieve bekwaamheid toekent om een groot vermogen te beheeren. Thans kan zij niet van het laatste ontheven worden, zonder de geheele voogdij op te geven: een der groote voordeelen van de voorgedragen regeling zal zijn, dat eene splitsing wordt mogelijk gemaakt.

ocr page 350

190

Art. 355.

Ten aanzien van dit artikel geldt hetzelfde als van het voorgaande; door het beheer los te maken van het ouderlijk gezag, is men er in geslaagd, de zaak voor de ouders billijker te regelen, zonder de waarborgen van het kind te verzwakken. De redenen van ontzetting uit de voogdij, onder nquot;. 1 en 2 van art. 437 B. W. vermeld, zijn in art. 344 Ontw. overgegaan; daarbij kan het geheele ouderlijk gezag, en dus natuurlijk ook het beheer, ontnomen worden. Maar die, welke onder nu. 3 en 5 van dat artikel voorkomen, zijn, ofschoon ook voor den vader en de moeder geldende, van zuiver financieelen aard, en hebben met hunne geschiktheid als opvoeders niets te maken. Dat nu een vreemde voogd om eene dergelijke reden geheel ontslagen wordt, heeft zooveel bezwaar niet; maar dat een vader of moeder daarom van hunne kinderen beroofd worden, is eene onnatuurlijke hardheid. Wel wordt die verzacht door het facultatieve der ontzetting; maar wie waarborgt de ouders, dat de rechter daarin gematigd te werk zal gaan? In de voorgedragen regeling wordt den ouders alleen het beheer ontnomen; eene straf, die meer in overeenstemming is met hunne overtreding, en den kinderen wel voordeel, nooit nadeel toebrengen kan.

Met de beide bedoelde gevallen wordt bier gelijk gesteld eene tegen den vader uitgesproken scheiding van goederen. Men meende te kunnen aannemen, dat, indien hij door wangedrag, verspilling of slecht beheer de goederen der gemeenschap heeft in gevaar gebracht (art. 172 Ontw), ook het vermogen der kinderen niet veilig bij hem zal zijn. Dat hier dan ook alleen sprake is van de afzonderlijk uitgesproken scheiding van goederen, niet van die, welke een gevolg van de echtscheiding of scheiding van tafel en bed is, zal wel geene uitdrukkelijke herinnering behoeven.

Wanneer de medevoogd uit de voogdij ontzet wordt, vervalt volgens art. 406, derde lid B. W. ook de voogdij der moeder: dit is een noodzakelijk gevolg van de tusschen beiden bestaande nauwe betrekking. Even noodig is in het voorgedragen stelsel de bepaling, dat met het beheer van den eenen echtgenoot ook dat van den ander verloren gaat.

Art. 356,

Een noodzakelijk gevolg van de toepassing der beide voorgaande artikelen is, dat het beheer over de goederen des kinds aan een derde opgedragen wordt. Deze is geen voogd, omdat hij het gezag over den persoon mist; maar staat, wat de geldzaken aangaat, met een voogd geheel gelijk, ^oor de uitzonderingen, in art. 353 Ontw. ten behoeve van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, gemaakt, bestaat bij hem geen grond; terwijl hij zijne belooning, evenals een voogd, in de toepassing van art. 376 Ontw. kan zoeken.

Dat de ander der ouders nooit benoemd kan worden, is wenschelijk. Uit het beginsel, dat, als de uitoefening van het ouderlijk gezag voor een hunner ophoudt, de ander van rechtswege in zijne plaats treedt, zou men kunnen afleiden, dat voor het beheer hetzelfde zou moeten gelden, of in allen gevalle die ander het eerst bij de benoeming in aanmerking komen. Daartegen geldt, dat, als het huwelijk nog bestaat, de overdracht van het beheer van den eenen der ouders op den anderen meer verandering in naam dan inderdaad zou uitwerken; en, is

ocr page 351

191

het huwelijk ontbonden, de vijandige stemming der ouders tot min wenschelijke verwikkelingen zou kunnen leiden. Een bepaald verbod scheen dus nuttig.

Art. 357.

De beide eerste leden van dit artikel stemmen overeen met het tweede en vierde lid van art. 362 B. W.; alleen is het recht van den vader op rekening en verantwoording van de bewindvoerders nader geregeld, en aan den schenker of erflater de vrijheid gewaarborgd om die rekenplichtigheid desverkiezende anders te regelen. Hiertegen kan geen bezwaar bestaan , omdat, ofschoon rekenplichtigheid in het algemeen een noodzakelijk gevolg van het bewind ten behoeve van anderen gevoerd moge wezen , de schenker of erflater redenen kan hebben om eene jaar-lijksche rekening aan hem, die het ouderlijk gezag heeft, onnoodig of zelfs minder wenschelijk te achten.

Dat, indien de bewindvoerders onbekwaamheid aan den dag leggen, of zich aan plichtverzuim schuldig maken, de minderjarige tegenover hen evenzeer als tegen zijnen vader of tegen den in art. 356 bedoelden beheerder beschermd moet worden, vereischt geene nadere toelichting; ook hunne ontzetting is in zoodanig geval mogelijk gemaakt.

Het laatste lid wijkt af van hetgeen thans volgens het derde lid van genoemd artikel rechtens is, dat, wanneer het bewind vervalt, de goederen onder het beheer van den vader komen. Dit scheen niet in overeenstemming met de vermoedelijke bedoeling van den schenker of erflater, die zich in den regel door wantrouwen in het beheer van den vader of de moeder, niet door bijzondere ingenomenheid met den door hem aangewezen persoon , tot zijne schikking heeft laten bewegen. Dat overigens eene benoeming door den kantonrechter niet te pas komt, als de bewindvoerder is aangesteld met recht van substitutie, en van deze bevoegdheid heeft, gebruik gemaakt, behoeft geene afzonderlijke vermelding.

Art. 358.

Het eerste lid van dit artikel stemt in hoofdzaak overeen met het eerste lid van art. 403 B. W.

In de beide andere leden heeft men getracht, de opdracht aan den curator, die nu vrij onbepaald luidt, nader te omschrijven. Daartoe is op den voorgrond gesteld zijne verplichting tot boedelbeschrijving; en voorts zijn recht van beheer zoo geregeld, dat hij alleen dat verrichten kan, wat de Franschen onder simple administration begrijpen. Zijn er maatregelen van meer ingrijpend belang noodig, dan behoeft zijne benoeming die voor de overige belanghebbenden niet geheel onmogelijk te maken; door de voorloopige toepassing van den titel van voogdij schijnen aller belangen zooveel doenlijk gewaarborgd, en zou men zelfs desnoods tot eene voorloopige scheiding kunnen avergaan.

VIERDE AFDEELING.

Het vruchtgenot, aan den vader of de moeder toegekend van de goederen, welke aan hunne kinderen toebehooren , was bij de invoering van den Code Napoleon eene nieuwe instel-

ocr page 352

192

ling, niet alleen in ons vaderland, maar ook in Frankrijk. Noch de garde noble, welke het leenrecht aannam , noch de garde hourgeoise, welke de Parijsche coutume ten aanzien van de goederen van den vooroverleden echtgenoot verleende, kunnen met haar gelijk worden gesteld. In de eerste plaats moet dus de vraag worden behandeld, of er voldoende grond is om haar in eene nieuwe wetgeving te behouden.

Voor eene ontkennende beantwoording pleit, dat de plicht der ouders om hunne kinderen op te voeden eene zoo natuurlijke is, dat eene geldelijke belooning daarvoor niet schijnt te pas te komen. Waar de voogden, zooals thans, niet, of, zooals voorgesteld wordt, karig bezoldigd worden , behoeven de ouders geen voordeel boven hen te genieten.

Daar staat echter tegenover, dat bet vermogen der kinderen in den regel bestaat uit hetgeen zij van den vooroverleden echtgenoot erven. Indien de andere echtgenoot daarvan dadelijk na den dood het genot moest missen en dus zijne levenswijze inkrimpen, zou zulks vaak heel hard en niet in het welbegrepen belang der kinderen zijn. Ook zou, daar de kosten van onderhoud en opvoeding toch wel in de eerste plaats uit die vruchten gevonden moeten worden, eene andere regeling leiden tot eene in bijzonderheden afdalende rekening tusschen den langstlevende en zijne kinderen. Van voogden kan men die eischen: met de betrekking tusschen ouders en kinderen schijnt zij niet wel vereenigbaar.

In de meeste Duitsche staten bestaat eene soortgelijke regeling, hoewel niet zoo algemeen, en daarom niet zoo eenvoudig, als het Fransche vruchtgenot. In de landen, waar dit eens gegolden heeft, is het, bij ons in 1838, gelijk later in het Italiaansche wetboek, onveranderd gehandhaafd. Het mag geacht worden in onze zeden te zijn opgenomen; en , daar het tot nu toe geene bezwaren heeft opgeleverd, wordt zijne bestendiging ook in het tegenwoordige ontwerp voorgesteld.

Art. 359.

Is het vruchtgebruik een gevolg van het ouderlijk gezag, dan komt men, gelijk Opzoomer (II, bl. 253) betoogt, van zelf tot dit eenvoudige stelsel: «wie de ouderlijke macht bezit, heeft ook het vruchtgebruik, wie de uitoefening der ouderlijke macht in banden heeft, is ook tot de uitoefening van het vruchtgebruik geroepen». Of de woorden onzer tegenwoordige wet daarmede geheel in overeenstemming zijn, kan in het midden gelaten worden; de nieuwe tekst is zoo ontworpen , dat dit beginsel duidelijk uitgesproken en zijne noodzakelijke gevolgen zonder uitzondering aanvaard zijn.

Al dadelijk is de beperking tot den twintigjarigen ouderdom vervallen; waartegen practisch te minder bezwaar kon bestaan, omdat de meerderjarigheid reeds met den leeftijd van een en twintig jaren aanvangt. Voorts kon art. 369 B. W. veilig gemist worden, omdat niemand er aan zal denken , dat een reeds overleden kind nog onder het gezag zijner ouders zou staan.

Maar ook de artt. 371 , 372 en 374 B.W. zijn, als strijdig met .het vooropgesteld beginsel, weggelaten. Onze tegenwoordige wetgever schijnt zich daarbij te hebben laten leiden door de zucht om handelingen tegen te gaan, die in zijn oog afkeuringswaardig of onzedelijk waren. Hij komt daardoor echter op een gebied, dat met onze instelling niets te maken heeft. Er zijn omstandigheden denkbaar, waarin een tweede huwelijk of eene echtscheiding niet zoo verkeerd, of zelfs met het belang der kinderen niet in zoodanigen strijd zijn als de wet veronderstelt. Maar

ocr page 353

193

al ware dit niet zoo, is er nog geen grond om in die gevallen het vruchtgebruik te ontzeggen. Zoolang het ouderlijk gezag blijft, moet het met al zijne lusten en lasten voortbestaan; eerst waar het verloren ging, kan er reden zijn om onderscheid te maken, en eene voortduring der lasten aan te nemen , terwijl de lusten ophouden.

De benaming vruchtgenot is vervangen door vruchtgebruik; omdat het recht der ouders in hoofdzaak hetzelfde is, wat in Boek 11, Titel IX geregeld wordt, terwijl, voor zoover er eenige afwijkingen van ondergeschikt belang zijn, deze volstrekt niet door het woord vruchtgenot worden weergegeven.

Het vruchtgebruik wordt gegeven van het vermogen des kinds, zonder eenige beperking omtrent de wijze, waarop de vruchten getrokken worden; is hel dus overeenkomstig art. 446 Ontw. in eene onderneming van landbouw, handel of nijverheid geplaatst, dan zullen ook de op die wijze verkregen vruchten aan de ouders toevallen. Wel is het kapitaal daarbij meer aan verlies blootgesteld dan bij andere beleggingen; maar, gaat de zaak goed, dan hebben de kinderen aanspraak op eene opvoeding in verhouding tot het voordeel, dat hunnen ouders toevloeit, en de zaak blijft in aller belang in stand.

Art. 360.

Van de vier lasten, in art. 367 B. W. opgenoemd, is alleen de tweede behouden, en daarbij de onjuiste opvatting onmogelijk gemaakt, alsof deze bepaling eenigszins te kort deed aan de algemeene verplichting van art. 330 Ontw. De tegenwoordige nummers 1 en 3 bevatten slechts eene doellooze herhaling van hetgeen in de algemeene verplichting van eiken vruchtgebruiker ligt opgesloten; terwijl het vierde enkel te verklaren is uit eene verkeerde opvatting van art. 385, n0. 4, G. G.

Art. 361.

Dit artikel stemt overeen met het tegenwoordige art. 368, n0. 1, en art. 887 B. W. Art. 368, n0. 2, B. W. is in de nieuwe redactie van art. 359 Ontw. opgenomen.

Art. 362.

Daar het tegenwoordig art. 182 B. W. vervallen is, kwam eene verwijzing daarnaar, gelijk thans in art. 370 B. W. gevonden wordt, niet meer te pas. Ondertusschen is de verplichting tot het maken van een inventaris voor de ouders daarmee niet opgeheven ; voor zoover zij met voogden zijn gelijk gesteld, wordt die gelezen in art. 417 Ontw., en bovendien geldt ook te hunnen aanzien het algemeene voorschrift van art. 830 B. W. Om deze verschillende verplichtingen te omvatten, heeft men de redactie zoo ruim mogelijk genomen.

Bij verzuim van tijdigen inventaris het vruchtgebruik te ontnemen van alle goederen, scheen onbillijk en niet in overeenstemming met het belang der kinderen, die ook door eene latere boedelbeschrijving gebaat worden. Om die te bevorderen, wordt het vruchtgebruik alleen tijdelijk van de nietbeschreven goederen onthouden.

ocr page 354

494

Art. 363.

Dit artikel bevat eenige afwijkingen van hetgeen volgens de artt. 862 en 863 B. W. ten aanzien der overige vruchtgebruikers rechtens is, doordien de vervallenverklaring van het vruchtgebruik niet het ontnemen van het beheer, dat volgens art. 355, n0. 1, Ontw. uitgesproken kan worden, in verband gebracht is. Wel wordt de mogelijkheid van dien maatregel aldus uitgebreid tot gevallen, die niet behooren tot het beschadigen of verwaarloozen van het goed, maar dit wordt gevorderd door het belang van den minderjarige, en laat zich uit dien hoofde rechtvaardigen. Nooit zouden bovendien de genoemde artikelen op het hier bedoelde vruchtgebruik onveranderd kunnen worden toegepast, daar eene overgifte aan den minderjarigen eigenaar, met last om jaarlijks aan den vruchtgebruiker eene bepaalde som te betalen, onmogelijk, het zich mengen van de schuldeischers van den vruchtgebruiker in de zaak onwenschelijk is.

Art. 364.

Als ouders overeenkomstig de artt. 354 en 355 Ontw. het beheer over het vermogen van hun kind verliezen, gaat daarmede, tenzij het vorig artikel toegepast wordt, het vruchtgebruik niet verloren. Hun moet dus de bevoegdheid gegeven worden, om van de in dat geval aangestelde beheerders rekening en verantwoording te vragen, en zich jaarlijks de vruchten te laten uitkeeren.

Wat betreft de bewindvoerders, in art. 357 bedoeld, die in hetzelfde geval verkeeren, zal hunne verplichting wel in vele, maar niet in alle gevallen samenvallen met die, waarvan in genoemd artikel sprake is. Ook haar aard is eenigszins verschillend, omdat de ouders hier optreden in hun eigen belang, terwijl zij hij art. 357 alleen het belang hunner kinderen op het oog kunnen hebben.

Art. 365.

De redactie van dit artikel is vollediger dan die van art. 373 B. W., omdat zij ook het geval omvat, dat aan het kind goederen opkomen, nadat de ouders hun recht van vruchtgebruik verloren hebben.

VIJFTIENDE TITEL.

V,an vooydij.

EERSTE AFDEEL ING.

Ten einde, strenger nog dan in het bestaande wetboek geschiedt, alles, wat de voogdij in het algemeen betreft, in de eerste afdeeling samen te vatten, zijn al dadelijk de bepalingen, bestemd om de artt. 390 en volgg. B. W. te vervangen, naar de afdeeling omtrent het bestuur

ocr page 355

195

van den voogd verwezen. Niet alleen, dat ze daar niet misplaatst zijn; het nauwe verband tusschen zekerheidstelling en bestuur schijnt die plaatsing te vorderen. Van een anderen kant bevatten de vijfde en zevende afdeeling van den tegenwoordigen zestienden titel enkele voorschriften , die, tot algemeene bepalingen uitgebreid, meer dan ée'ne thans bestaande vraag afsnijden.

Zoo wordt in het algemeen bij art. 372 bepaald, wie verplicht, en bij art. 373 , wie bevoegd is, om de benoeming van een voogd, toezienden voogd en andere te verzoeken. Vergel. daarmede de artt. 417, 423, 431 B. W.

Zoo is ook van de ten onrechte beperkte bepaling van art. 419 B. W. een algemeene regel gemaakt in art. 374.

Voorts treft men in deze afdeeling eene algemeene bepaling aan, berustende op het beginsel, dat, zoo men zich aan eene voogdij, tot welker waarneming men geroepen Wordt, niet mag onttrekken , men voortaan althans eenige schadeloosstelling zal kunnen vorderen voor den tijd en de moeite , die men verplicht is aan de belangen van anderen te wijden.

Artt. 366, 367.

Omtrent den regel van art. 386 B. W. «in iedere voogdij slechts e'e'n voogd », welke regel voor het eerst als uitdrukkelijk voorschrift in onze wetgeving van 1838 is opgenomen, werd geoordeeld, dat hij goed werkt en dus geheel ongewijzigd moet blijven. Eene andere vraag is, of de wet op het beginsel moet worden gegrond, dat de voogdij over eiken minderjarige eene zelfstandige voogdij uitmaakt.

Het Italiaansche wetboek beantwoordt haar in art. 246 ontkennend, door voor kinderen, uit hetzelfde huwelijk gesproten, slechts de aanstelling van ée'n enkelen voogd toe te laten , hoe groot hun getal ook zij. En inderdaad, de dood der ouders behoeft geene reden te zijn om den band, die hunne kinderen aan elkander verbindt, los te maken ; zoo daartoe eenige mogelijkheid bestaat, moeten broeders en zusters als leden van hetzelfde gezin onder e'e'ne zelfde leiding opgroeien.

Toeh scheen het te ver te gaan, dien regel op te nemen zonder eenige uitzondering.' Bij gemengde huwelijken kan het raadzaam zijn het voogdijgezag en de zorg voor de opvoeding der minderjarigen aan verschillende personen op te dragen; maar ook buiten dat geval zijn omstandigheden denkbaar, waarin de zoo even ontwikkelde beschouwing voor andere bedenkingen wijken moet. Daarom is, met afwijking van den uit het Ital. wetboek overgenomen regel, toegelaten, dat ook meer voogden worden benoemd, indien het werkelijk belang der minderjarigen dit vordert.

Dat uit den regel nooit het gevolg mag worden afgeleid, dat over het vermogen der kinderen slechts e'e'ne administratie gevoerd wordt, en de voogd niet vóór het einde der voogdij over het laatste kind rekenplichtig is, spreekt van zelf, en is daarom niet uitdrukkelijk gezegd. Ieder kind heeft zijne eigen goederen; en het beheer daarover verandert niet van aard, al wordt het over verschillende vermogens krachtens dezelfde hoedanigheid gevoerd.

Volledigheidshalve is het voorschrift van art. 386 B. W. aangevuld met de bepaling, dat in elke voogdij ook slechts e'e'n toeziende voogd kan optreden. Omtrent de in dat artikel voorkomende bijvoeging «behoudens de bepalingen van de artt. 401, 406 en 418», oordeelde men.

ocr page 356

496

dat ze, zooals ze luidt, onjuist en onduidelijk uitdrukt, wat ze wil te kennen geven. Immers, terwijl de artt. 401 en 418, die slechts schijnbare uitzonderingen bevatten, genoemd worden, blijft de zeer stellige uitzondering van art. 35 der Grondwet onvermeld. Vooral met het oog hierop wilde men het eenmaal opgenomen voorbehoud bij de nieuwe redactie niet geheel schrappen; men verving dus de slotwoorden van art. 386 door de algemeene uitdrukking, die den aanhef van art. 366 Ontw. vormt.

Art. 368.

Volgens art. 387 B. W. is ieder, die niet wettig van de voogdij is uitgesloten of verschoond, verplicht haar aan te nemen. Dat deze regel, waardoor zelfs aan particulieren de bevoegdheid gegeven wordt om aan anderen een last op te leggen, waaraan zij zich naar de tegenwoordige wet in het geheel niet, en naar het voorgedragen art. 402 Ontw. slechts moeielijk onttrekken kunnen, zeer ver gaat, is niet te weerspreken. Reeds is het geen ondenkbaar geval, dat ouders daarvan misbruik maken, misschien wel haar gebruiken als middel om geld af te persen; maar bovendien zou het belang der kinderen zeker het meest gebaat zijn, indien niemand tegen zijnen wil de betrekking van voogd behoefde aan te nemen; de liefderijke zorg, die men van een plaatsvervanger der ouders verwachten mag, laat zich niet afdwingen.

Toch heeft men gemeend de bestaande verplichting te moeten handhaven, omdat anders vele minderjarigen gevaar zouden loopen zonder voogd te blijven. Misbruiken zijn tot nutoe door de ondervinding niet aan het licht gekomen; en, zoolang dit niet geschiedt, moest het belang der kinderen zwaarder wegen dan de last, aan enkelen opgelegd. Zelfs ten aanzien van de benoeming door den langstlevende der ouders, waartegen in beginsel het meeste bezwaar zou bestaan, is geene vrijwillige aanvaarding voorgeschreven, omdat in den regel plichtbesef den benoemden voogd zal nopen om naar zijn beste weten eene laak te vervullen, welke hij, indien het van zijne vrije keuze had afgehangen, misschien niet zou hebben ondernomen.

.Tweede lid. Voor «bewindvoerder» heeft men de benaming «plaatsvervanger» gekozen, omdat het hier niet enkel het goed van den minderjarige geldt, maar de uitoefening van de voogdij in haar geheel. Om dezelfde reden kwam de benoeming te gewichtig voor, dan dat men haar zou hebben willen toelaten zonder voorafgaande raadpleging van den voogd, den toezienden voogd en den familieraad.

De bestaande wet brengt de kosten der benoeming van eenen bewindvoerder, en, naar de meest aangenomen uitlegging, ook die van het bewind ten laste van den voogd. Dit laatste is behouden; terwijl het in den aard der zaak ligt, dat de rechter hem een hooger loon kan toekennen, dan volgens art. 376 Ontw. de voogd zelf in rekening mag brengen. Daar dit artikel gelden blijft, komt het verschil voor rekening van den voogd. Diens gedrag moet den pupil niet schaden, maar mag aan den anderen kant geen grond worden om hem te verrijken.

Artt. 369, 370.

Bij deze artikelen wordt de mogelijkheid geopend om de voogdij aan vreemdelingen, voor wie ons burgerlijk recht anders niet geldt, op te dragen. De naaste bloedverwanten behooren

ocr page 357

197

■

■

soms tot eene andere nationaliteit, en het belang van den minderjarige kan dan vorderen, dat uit hun midden de voogd gekozen wordt.

Vele Fransche schrijvers betwisten het geoorloofde van zoodanige benoeming op een theore-tischen grond. Het recht van voogd te zijn is, zeggen zij, wel geen zuiver staatsburgerlijk recht, maar moet toch aangemerkt worden als afhankelijk van de bekwaamheid tot de uitoefening van die rechten. « La jouissance de ce droit est a conside'rer comme formant une de'pen-dance de la capacite' politique. » Zoo Aubry en Rau § 77. De meest gangbare leer van het internationale privaatrecht schijnt tot een ander uiterste te voeren, namelijk, dat, wanneer men in zijn eigen land onderworpen is aan de verplichting om voogdijen op zich te nemen, men die verplichting insgelijks heeft ten aanzien van vreemde minderjarigen, niettegenstaande de opdracht door eene vreemde autoriteit geschiedt. Niemand echter zal zoodanige benoeming, tegen den wil van den benoemde, kunnen goedkeuren. In het verschil der beide wetgevingen is altijd stof tot moeielijkhedeii te vinden, en het belang van den minderjarige zal weinig gediend zijn met de bemoeiingen van iemand, die, wetende, dat men ten slotte weinig vat op hem zal hebben, zijne taak met onverschilligheid, zoo niet met wrevel, vervult.

De overweging van dit een en ander heeft tot de slotsom geleid, welke in het ontwerp wordt aangetroffen. Alle ingezetenen des Rijks worden aan de verplichting onderworpen. Dus ook de vreemdelingen, welke die hoedanigheid bezitten. De overige zijn slechts met hunne toestemming benoembaar.

Ten einde het voorgedragen stelsel goed te laten werken, was eene bijzondere regeling van het voogdij-domicilie noodig. Het valt naar het eenstemmig oordeel van de schrijvers over internationaal privaatrecht niet te betwisten, dat de vreemde voogd zich in de uitoefening van zijn gezag en in zijn bestuur moet houden aan de wet van het land, waartoe de minderjarige behoort. Dit schijnt niet beter te kunnen worden verzekerd dan door te bepalen, dat alleen ingezetenen tot toezienden voogd kunnen worden aangesteld, en dat de buiten het Rijk wonende voogden ten aanzien der voogdij domicilie hebben bij den toezienden voogd. Wordt deze door een ander vervangen, dan geldt het algemeen beginsel, in het derde lid van art. 54 Ontw. voor voogden uitgesproken; brengt ook hij zijn domicilie naar het buitenland over, dan wordt voor dit zeker vrij zeldzaam geval een afzonderlijk standhouden van het voogdij-domicilie aangenomen. Zoo krijgt de bedoelde voogdij haren juridieken zetel binnen het Rijk, en is de controle naar Nederlandsch recht op afdoende en toch eenvoudige wijze gewaarborgd. Immers, wanneer de voogd in gebreke is, zoodat de toeziende voogd handelend moet optreden, dan heeft deze zich slechts tot zijn eigen rechter te wenden om de noodige voorziening te verkrijgen.

Art. 371. .

Dat de aanduiding van den rechter, van wien men de benoeming van den voogd, den toezienden voogd, enz. te vragen heeft, eene bepaling is, in deze afdeeling te huis behoo-rende, zal wel geen betoog behoeven.

Met het tweede lid heeft men gevallen op het oog, die bij de tegenwoordige gemakkelijkheid van verhuizen dikwerf genoeg voorkomen om eene afzonderlijke voorziening te rechtvaardigen. Een door den Hoogen Raad, bij beschikking van 26 November 1880, beslist juris-

ocr page 358

198

dictiegeschil in een geval, waar de ouders van den minderjarige tot herstel van gezondheid te Davoz-Plaz waren gaan wonen en aldaar zijn overleden, moge tot voorbeeld dienen. Zie Weekbl. n0. 4575. Is eenmaal een toeziende voogd benoemd, dan treedt art. 370 in werking, en wijst voor het vervolg den bevoegden rechter aan.

Het derde lid schijnt niet overbodig, al wordt bij art. 388 eene bepaling voorgesteld, slechts op een ondergeschikt punt afwijkende van art. 424 B. W. Immers, zoodra de voogdij ten opzichte van den voogd aanvangt, volgt de minderjarige diens domicilie. Benoemt nu de kantonrechter iemand tot voogd, die binnen het ressort van een ander kantongerecht woont, doch, bij de benoeining tegenwoodig, daarvan onmiddellijk kennis draagt, dan zou men kunnen beweren, dat de rechter van het domicilie van den pasbenoemden voogd den toezienden voogd moet aanstellen. En werpt men legen, dat het voorschrift tot onmiddellijke benoeming van den toezienden voogd na die van den voogd voldoende te kennen geeft, dat beide benoemingen door denzelfden rechter moeten geschieden, dan blijven nog over de gevallen , dat dit om de eene of andere geldige reden niet kan, dat de benoemde toeziende voogd recht van verschooning heeft, of ook, dat later blijkt, dat hij van het recht om voogd te zijn is uitge-gesloten.

Artt. 372, 373.

Deze artikelen behoeven, na het bij de inleiding gezegde, weinig toelichting meer. Volgens art. 417 B. W. zijn alleen de bloedverwanten, niet de aangehuwden, gerechtigd om de benoeming van eenen voogd te verzoeken. Daar voor deze uitzondering op den regel van gelijkstelling geene redenen bestaan, is ook aan laatstgenoemden het bedoelde recht geschonken. Daarentegen is de bevoegdheid beperkt tot de verwanten van den zesden graad: de redenen daarvoor worden bij art. 501 Ontw., waarmede ons artikel in dit opzicht verband houdt, uiteengezet.

Art. 374.

Een voorschrift, strekkende om het tijdstip te bepalen, waarop voogden en toeziende voogden, als zoodanig, voor hun doen en laten verantwoordelijk worden, is noodzakelijk. Door van «aanvaarden» te spreken, stelt art. 419 B. W. den aanvang der voogdij voor den voogd van eene handeling zijnerzijds afhankelijk. De gedachte om hem als in zijne hoedanigheid opgetreden te beschouwen van hef oogenblik, dat hem zijne benoeming bekend is. schijnt in de hier voorgestelde redactie juister uitgedrukt dan in genoemd artikel, dat spreekt van den dag, waarop hem de benoeming zal zijn beteekend geworden. Eindelijk zij opgemerkt, dat geen misverstand ten aanzien van den voogd, die door den langstlevende der ouders benoemd is, te vreezen is; omdat, al kent hij zijne aanstelling reeds vóór het openvallen der voogdij, die toch nog een zoo voorloopig karakter draagt, dat men het recht heeft om ook van hem te zeggen, dat hij eerst na den dood van beide ouders van zijne definitieve benoeming kennis heeft.

Art. 375.

De gronden van algemeen belang, waarop de verplichting van art. 368 steunt, vorderen, tot voltooiing als het ware van het stelsel, eene bepaling als de bij dit artikel voorgedragene.

ocr page 359

199

In het Burgerlijk Wetboek komt zij aan het slot der afdeeling lt;( van de redenen van verschooning » voor. Nu is het beroep op zoodanige reden wel de gewone aanleiding voor de toepassing van bedoeld voorschrift, maar het kan toch ook ten opzichte van redenen van uitsluiting te pas komen. Geldt het eene testamentaire voogdij, dan zal het dikwerf gebeuren, dat de onbevoegdheid eerst ontstaan is na de benoeming, en is de aanstelling door den rechter geschied, dan kan deze er onkundig van geweest zijn, dat zijne keuze op iemand viel, op wien een der nummers van art. 408 Ontw. toepasselijk is. Toch mag het in zoodanige gevallen den benoemde niet vrijstaan zich eenvoudig aan de benoeming niet te storen, in afwachting van hetgeen anderen daartegen zullen inbrengen.

Art. 376.

Reeds is te kennen gegeven, dat het eerste lid van art. 469 B. W. door een voorschrift in omgekeerden zin vervangen is.

Naar het oud-Hollandsch recht was het, blijkens de 156ste thesis van van der Reessel , daar, waar de plaatselijke statuten niet, anders bepaalden, gewoonte, aan de voogden toe te kennen 1/40 van de ontvangsten, 1/80 van de uitgaven, 1/100 van de in den boedel gevonden gelden, van de koopprijzen van verkochte goederen en van de afgeloste kapitalen. Het wetboek Napoleow, voor het koningrijk Holland ingericht, nam dit als voorschrift over, en het ontwerp van 1820 wilde het bestendigen. Zie art. 700. De Regeering heeft in geen der wetboeken voor de koloniën de bepaling van art. 469 B. W., dat de voogd geen loon in rekening mag brengen, overgenomen. Volgens art. 411 B. W. voor Nederlandsch Indië, art. 468 B. W. voor de Kolonie Suriname, en art. 464, in verband met art. 516, B. W. voor de Kolonie Curacao, mogen de voogden dat wel doen.

Tot het besluit om de thans voorgestelde bepaling in het ontwerp op te nemen is men vooral geleid door de overweging, die ook Laurent, ofschoon bij eindigt met de ongesalarieerde voogdij aan te bevelen, in deze woorden op den voorgrond stelt: «une administration gratuite est rarement une bonne administration: tout travail merite une recompense», (avant-projet, II, pag. 276.) Daar komt bij , dat, wanneer de voogdij on gesalarieerd is, de rechter steeds geneigd zal zijn tekortkomingen van den voogd met meer toegefelijkheid te beoordeelen dan wanneer de voogd voor zijne moeite wordt beloond. De algemeene rechtsregel daaromtrent en de billijkheid zullen dit teweeg brengen, al verzet de wet zelve er zich tegen. Het belang van den minderjarige vordert dus de toekenning van loon, evenzeer als deze zich uit andere oogpunten aanbeveelt.

Geen verschil is gemaakt tusschen den voogd , die door den langstlevende der ouders, en hem , die door den rechter benoemd is. Willen ouders den man hunner keuze boven het gewone loon bevoordeelen, dan kunnen zij dit doen in den vorm van een legaat: de bijzondere bepalingen ten aanzien van dit laatste rechtsinstituut zullen op zoodanige beschikking toepasselijk zijn. Minder dan het bij de wet toegekende fixum kunnen zij in geen geval geven: de voorgedragen redactie, in verband met de plaatsing in de eerste afdeeling, kan daaromtrent geen twijfel laten.

Wat de wijze van berekening betreft, zou in aanmerking kunnen komen, die, welke thans in art. 522 B. W. gevonden wordt, over te nemen, en den voogd jaarlijks een zeker aantal

ocr page 360

200

percenten van de ontvangsten, een kleiner aantal van de uitgaven toe te kennen. Beter scheen het echter, zoowel hier als ten aanzien van bewindvoerders voor afwezigen een anderen maatstaf aan te nemen. De vraag, wat in dit geval onder ontvangsten en uitgaven verstaan moet worden, heeft tot velerlei beschouwingen aanleiding gegeven; zoodat het reeds om die reden ondoelmatig zou zijn, dezen grondslag van berekening te behouden. Maar bovendien kunnen de moeielijkheden van een beheer niet naar het bedrag der gedane ontvangsten en uitgaven worden afgemeten, en zijn misbruiken mogelijk door opdrijving van posten. Om al die redenen heeft men de voorkeur gegeven aan de jaarlijksche zuivere opbrengst van het beheerde vermogen. Wat deze is, is niet moeielijk uit te maken: en in de meeste gevallen zal zij den omvang van het beheer en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid voldoende aanwijzen. Is dit niet bet geval, is aan het beheer meer dan gewone omslag verbonden, dan kan de rechter nog de als regel aangenomen wijze van berekening veranderen.

De strekking van het derde lid van het artikel is duidelijk. Bij het vierde heeft men de opvatting willen voorkomen, als kon het salaris enkel bemoeiingen ten aanzien van het vermogen betreffen. Stel: de voogd doet eene reis, omdat de minderjarige in het buitenland zijne hulp behoeft, dan behoort hij, bijv. wegens tijdverzuim in eigen zaken, schadeloos gesteld te kunnen worden.

tweede afdeeling.

De tweede afdeeling bevat slechts vier artikelen, beantwoordende aan de artt. 409, 410, 413 en 414, eerste lid, B. W. Van de tegenwoordige vierde en vijfde afdeeling scheen veel als overbodig of onjuist te moeten vervallen, of wel elders beter op zijne plaats te zijn, terwijl hetgeen overbleef alleen betrof het recht tot benoeming van voogden en daarbij in acht te nemen vormen; men heeft daarom gemeend, onder het opschrift: «van de benoeming van voogden», deze afdeeling te kunnen samenstellen zooals zij thans wordt voorgedragen.

Omtrent de niet opgenomen voorschriften zij het volgende opgemerkt.

Art. 411 B. W. is zelfs in het stelsel der bestaande wetgeving, dat de langstlevende der ouders voogd is, overbodig. Immers, de meeste schrijvers vatten dat stelsel zóó op, dat, om een voogd te kunnen benoemen , de langstlevende op het tijdstip van zijn overlijden zelf voogd moet zijn. Z.ie Diephuis , het Nederl. Burgerl. Regt, V. hl. 329.

Voor eene bepaling als art. 412 B. W., gesproten uit overdreven wantrouwen tegenover de moeder, die een nieuw huwelijk aangaat, bestaat geen voldoende grond. Wel is het niet ondenkbaar, dat de hertrouwde, in strijd met het belang harer voorkinderen , haren nieuwen echtgenoot, of iemand, dien deze aan hare keus opdringt, benoemt, maar zoodanige gevallen zijn toch te zeldzaam om, in het algemeen, het recht der hertrouwde móeder dermate te verzwakken , als bij art. 412 geschiedt. De Italiaansché wetgever heeft dan ook art. 412 C. C. geschrapt.

Het eerste lid van art. 417, art. 418 en het eerste lid van art. 419 zijn tot algemeene voorschriften uitgebreid, en komen in het ontwerp voor als de artt. 373, 374 en 432. Het tweede lid van art. 417 is, voor zoover zijn behoud naast art. 83 Ontw. noodig schijnt, als art. 51 opgenomen in den tweeden titel, waar het beter dan te dezer plaatse thuis behoort. In

ocr page 361

201

de onderwerpen, waartoe het tweede en derde lid van art. 414, artt. 415 en 416 B. W. betrekking hebben, is voorzien door de artt. 500 en 507 Ontw.: in dat, waarover art. 420 handelt, door art. 334 Ontw..

Dat men den eed van het tweede lid van art. 419 B. W. niet wil bestendigen, zal wel algemeen bijval vinden. Daarvoor bestond te minder grond, omdat noch de Code noch de nieuwere wetboeken, met name noch het Italiaansche noch het Saksische, dien eed voorschrijven, en zelfs het Ontwerp van 1820 (zie art. 615) hem niet vorderde.

Art. 377.

De strekking van art. 409 B. W. is, dat de langstlevende een voogd benoemt om hem in het gezag over de minderjarigen op te volgen. Zoo als reeds is gezegd, leert dan ook de meerderheid der schrijvers, dat, wanneer hij op het tijdstip van zijn overlijden geen voogd is, het recht van art. 409 hem niet toekomt, onverschillig om welke reden hij de voogdij mist. Ware het anders, zegt men, men zou in strijd komen met den regel: tutorem habenti tntor dari non potest. Die meening wordt echter bestreden met het argiimentum a contrario, dat art. 411 B. W. aanbiedt. Al moge nu deze opvatting vervallen, wanneer men dit laatste artikel opheft, het punt zelf mag als een beginsel gelden, waarvan het wenschelijk is bij de redactie der bepaling te laten blijken.

Art. 378.

Volgens art. 398, in verband met art. 392 G. C., kon de benoeming ook geschieden voor den vrederechter, bijgestaan door zijn griffier. Uit de geschiedenis van art. 410 B. W. blijkt niet, dat men dit heeft willen afschaffen (zie Voorduin, III, bl. 58), en de uitdrukking «elke andere authentieke en bijzonderlijk daartoe ingerichte akte» pleit eer voor het tegendeel, althans hiervoor, dat men naast het testament niet enkel de notarieele akte heeft willen vorderen. Intusschen, nu het verlijden van het bedoelde geschrift niet uitdrukkelijk ook aan andere ambtenaren is opgedragen, brengt art. 1 der wet op het notarisambt mede, dat alleen notarissen er toe bevoegd zijn. De benaming: «notarieele akte» is dus de eenig passende.

Laurent, avant-projet, art. 321, handhaaft de declaration, recue par le juge de paix. Bij zijne toelichting, pag. 231 , berispt hij den Italiaanschen wetgever, die dezen vorm beeft afgeschaft.

Art. 379.

De redactie van art. 413 B. W. laat in meer dan e'e'n opzicht te wenschen over. Het is eene gebrekkige vertaling van art. 405 van den Code, en geeft, evenals dit, de werkelijke bedoeling in te enge bewoordingen terug. Het wil te kennen geven, dat telkens, wanneer er een voogd moet zijn en er geen is, de kantonrechter er een benoemt, maar het doet dit onvolledig. De opsomming in art. 393 van het avant-projet van Laurent vult die van art. 405 van den Code op e'én punt aan, maar ook zij omvat niet alle gevallen. Men heeft gemeend den omslachtigen aanhef, vereischt om dat te doen, te kunnen vermijden, én zich bepaald tot

aa

ocr page 362

202

het voorbehoud, dat een testamentaire voogd de voogdij voert. Openbaart zich ten aanzien van iemand, die als zoodanig is benoemd, eene reden van nitslniting, of roept hij met vrucht eene reden van verschooning in, dan past de uitdrukking «hij ontstentenis)) even goed als wanneer de langstlevende geen benoeming heeft gedaan, en hare algemeenheid veroorlooft haar bovendien zoo te duiden, dat zij ook op de gevallen slaat, waarin gedurende den loop dei-voogdij de voogd, onverschillig om welke reden, moet worden vervangen.

Art. 380.

Eerste lid. Art. 414 B. W. vordert voor de zoo even vermelde gevallen, dat gedurende den loop der voogdij een nieuwe voogd moet worden benoemd, geen verhoor van den toe-zienden voogd, hetgeen waarschijnlijk daaraan moet worden toegeschreven, dat men bij de vaststelling van art. 414 even als van art. 413 B. W. enkel de opdracht bij den aanvang dei-voogdij voor oogen had.- Immers er bestaat geen enkele grond, waarom, bij voorziening in de bedoelde vacature, de toeziende voogd, die in den regel de benoeming zal hebben gevraagd, en wiens verhoor overal elders met dat van den familieraad in e'e'nen adem wordt voorgeschreven, bij deze gelegenheid niet zou moeten worden geraadpleegd. Meer dan de verwanten is hij van nabij bekend met de richting, door den besturenden voogd aan de opvoeding van den pupil gegeven, en de financieele omstandigheden van dezen laatgten ; in de meeste gevallen wordt hij geroepen om zelf de opengevallen plaats in te nemen. Bestaan er redenen om hem niet met de voogdij te belasten, dan blijft hij toch als het ware de aangewezen man om omtrent de opdracht nuttige wenken te geven. En bezwaar kan dit niet hebben, daar de rechter zelfstandig beslist.

Tweede lid. In de roeping des rechters om zelfstandig te beslissen ligt ook de aanleiding tot de hier voorgestelde bepaling. Die roeping brengt mede, dat hij, die ten slotte op zijne verantwoordelijkheid benoemen moet, de gelegenheid hebbe zich door eigen indruk te vergewissen, of de persoon, die hem wordt aanbevolen, inderdaad geschikt is. Is deze, zoo als trouwens meestal, een bloed- of aanverwant, dan kan art. 503 Ontw. te baat genomen worden, zoo de aanbevolene niet reeds tot de vier naaste verwanten van art. 501 behoort. De tegenwoordige bepaling is dus, streng genomen, slechts noodig voor het geval een vreemde in aanmerking komt; maar in dit geval is het niet minder wenschelijk dan anders, dat de rechter des verkiezende den persoon voor zich krijgt, over wiens benoeming hij denkt.

DERDE AFDEELING.

Bij de wet van 15 Pluviose an XIII werd bepaald, dat «les enfants admis dans les hospices» zouden staan «sous la tutelle des commissions administratives de ces maisons», en in bijzonderheden geregeld, hoe die voogdij zou worden uitgeoefend. Het Ontwerp van 1820 miste een dergelijk voorschrift; maar bij gelegenheid van de beantwoording der vraagpunten van stellige wetgeving sprak de Tweede Kamer der Staten-Gen era al eenstemmig den wensch uit, dat voorzien zou worden in de voogdij der kinderen, in godshuizen zich bevindende.

ocr page 363

203

Om daaraan te voldoen, stelde de Regeering in 1823 een artikel voor, dat aanvankelijk onveranderd aangenomen is, luidende: «kinderen, welke in eenig gesticht van weldadigheid, hoe ook genaamd, zijn opgenomen, staan onder de voogdij der regenten van dit gesticht.» Bij de toelichting verklaarde zij het aldus uitgedrukte beginsel doelmatig te achten; en het voorts voor zeker te houden, dat deswege nadere bepalingen zouden worden gemaakt. In 1832 is de oorspronkelijke redactie vervangen door de thans bestaande, die in enkele opzichten nauwkeuriger is; maar de bepalingen, reeds in 1823 noodig geacht, zijn nooit voorgedragen.

Toch heeft de ondervinding geleerd, dat het hier betreft een zeer eigenaardig rechtsinstituut, dat de wetgever niet door het uitspreken van een enkel beginsel doelmatig regelen kan. Eene voogdij, die men zich zeiven verschaft zonder eenige benoeming van wien ook, die uitgeoefend wordt door een college, waarin ook vrouwen gezeten kunnen zijn, en waarin men werkzaam is zonder eenig toezicht, wijkt te zeer af van de gewone beginselen, die ons voogdijrecht beheerschen, om geene aanleiding te geven tot allerlei vragen, die eene tusschenkomst des wetgevers noodig maken.

Maar ook de woorden, waarin het beginsel van art. 421 B. W. uitgedrukt is, zijn niet van onduidelijkheid vrij te pleiten. Wat zijn «gestichten», en wie kunnen gezegd worden «daartoe te behooren»? Zeker denkt men daarbij in de eerste plaats aan een weeshuis of dergelijk gebouw, waarin de minderjarigen verpleegd worden ; zoodat uitgesloten zouden zijn ver-eenigingen, die zich de verpleging van weezen buiten gestichten ten doel stellen. Eene reden daarvoor bestaat echter niet;, vooral niet als men let op de gestichten, waar de beide wijzen van verpleging nevens elkander worden toegepast. Zal daar het bestaan van voogdij over uit-besteede kinderen afhangen van de omstandigheid, dat regenten een gebouw bezitten, waarin zij niet opgenomen zijn?

De grootste moeielijkheid levert echter de verhouding tot de gewone voogdij en de vaderlijke macht op. Dat de langstlevende vader of moeder en de gewone voogd hunne rechten verliezen zouden door de opneming der kinderen in een gesticht, staat nergens geschreven, ja zelfs is nergens gezegd, dat de kantonrechter niet ook na die opneming verplicht zou zijn aan art. 413 B. W. gevolg te geven, en, indien zijne tusschenkomst ingeroepen wordt, een voogd te benoemen. Regenten verlangen daarentegen, in het belang van de tucht in hunne gestichten, bekleed te worden met de volledige voogdij over al hunne verpleegden, zonder verplicht te zijn om rekening te houden met den soms zeer ongunstig werkenden invloed van allerlei familiebetrekkingen.

Vooral het laatste punt heeft aanleiding gegeven tot velerlei verschil van meening in de jurisprudentie zoowel als in de literatuur. De Hooge Raad heeft bij arrest van 12 April 1883 (Ned. Regtspr. Dl. 133, § 54), in strijd met de conclusie van den Procureur-Generaal, beslist, dat de vader of voogd, die een minderjarige in een gesticht plaatst, afstand doet van zijne macht, zoo lang de minderjarige in dat gesticht verblijft of daartoe behoort, doch zijne macht herneemt, wanneer hij van oordeel is, dat het belang der minderjarigen hunne verwijdering uit het gesticht noodzakelijk maakt. Volgens deze opvatting is de voogdij der regenten dus eene werkelijke voogdij, voor zoo lang zij duurt; maar heeft zij tegenover de vaderlijke macht en de gewone testamentaire of datieve voogdij slechts een tijdelijk en subsidiair karakter.

De tusschenkomst des wetgevers is o. a. ingeroepen door Diakenen der Ned. Herv. gemeente

ocr page 364

204

te 'sGravenhage bij een adres van 9 September 1872. In de zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van den 20sten November d. a. v. noemde de toenmalige Minister van Justitie Mr. G. De Vries dit onderwerp onder die, welke bij zijne plannen tot partieele herziening dei-wetboeken op den voorgrond zouden staan. Ten gevolge van zijne aftreding is deze belofte echter evenmin als die van 1823 vervuld.

In de thans voorgedragen artikelen heeft men getracht aan de bestaande bezwaren zooveel mogelijk te gemoet te komen. Voor een groot gedeelte is de tegenwoordige onzekerheid reeds vervallen, doordien in het vervolg van geene voogdij meer sprake kan zijn, tenzij beide ouders zijn overleden. Over zoogenaamde halve weezen zullen regenten dus geenerlei wettig gezag hebben, evenmin als zij dit thans zouden bezitten, indien zij zich de verpleging aantrokken van kinderen, wier beide ouders in leven zijn. Tegen lastige inmenging kunnen zij zich in zoodanige gevallen enkel vrijwaren door hunne reglementen, en voorts de verpleging doen ophouden , zoodra die met te veel bezwaren gepaard gaat.

Overigens is de voogdij van regenten als eene gewone voogdij opgevat, die in zoo verre met andere gelijk staat, dat, indien regenten haar eenmaal wettig verkregen hebben, alle andere wijken. Dit kan te gemakkelijker geschieden, daar die verkrijging van bepaalde voorwaarden afhankelijk is gesteld: het bezwaar, dat regenten zich zeiven tot voogd maakten en dus eene macht bezaten, die vooral uit godsdienstijver licht misbruikt kon worden, is derhalve vervallen. Om de moeielijkheden weg te nemen, aan de uitoefening der voogdij door een college verbonden, is de wijze, waarop dit geschieden zal, in bijzonderheden geregeld. Eindelijk is ook bij de afdeelmg, die van het ontslag uit de voogdij handelt, gedacht aan het geval, dat regenten zich in die uitoefening zoodanig gedragen, dat de voogdij bun niet langer veilig kan blijven toevertrouwd.

De tegenwoordige uitzondering van het tweede lid van art. 421 B. W. is in de nieuwe redactie van art. 422 Ontw. opgenomen.

Artt. 381, 382.

De wijze, waarop hier voorgesteld wordt, aan de voogdij van regenten een wettigen grondslag te verzekeren, sluit zich aan bij hetgeen thans reeds op sommige plaatsen geschiedt. Door de benoeming van eenen voogd te doen voorafgaan, die dan zijne rechten aan hen overdraagt, verbindt men de hier bedoelde buitengewone voogdij op regelmatige wijze aan de gewone; terwijl de tnsschenkomst des kantonrechters, na verhoor van den familieraad, niet alleen noodig is om te voorkomen, dat een voogd zich willekeurig van de voogdij ontsla, maar bovendien geheel in overeenstemming met datgene, wat bij gewichtige beslissingen in de uitoefening dei-voogdij algemeen rechtens is. Is er dus geen testamentaire voogd, dan worden de verwanten tweemalen geboord over de richting, aan de opvoeding te geven; zoodat bij verschil van meening, hetwelk in gemengde huwelijken niet zeldzaam is, alle waarborgen bestaan, dat de rechter niet dan met volkomen kennis van zaken zijne machtiging verkenen zal.

In plaats van van gestichten wordt gesproken van instellingen, om ook die vereenigingen daaronder te begrijpen, die aan weezen verpleging buiten gestichten de voorkeur geven. Daarbij wordt echter geëischt, dat de instelling zich met de voortdurende verpleging belaste; eene

ocr page 365

205

instelling, die haar slechts tijdelijk op zich zon nemen, om haar daarna aan anderen over te dragen, valt huiten de omschrijving. Zoo is ook behouden de tegenwoordige beperking tot instellingen van weldadigheid; indien zich eene vereeniging vormt tot opvoeding van minderjarigen tegen betaling, is het beter, dat dit geschiedt onder het toezicht van gewone, verantwoordelijke voogden.

Door de Juristen-Vereenigirig is in 1876 de wenschelijkbeid uitgesproken, dat de voogdij van regenten niet door den kantonrechter werd opgedragen, maar van rechtswege toegekend; waarvan een noodwendig gevolg scheen, dat de particuliere instellingen van den Staat de bevoegdheid moesten verkrijgen tot het opnemen van minderjarigen. Die vergunning zou algemeen zijn en niet verleend worden dan na goedkeuring der reglementen; terwijl afwijking van die reglementen eene aanleiding zou zijn om de vervallenverklaring der vergunning uit te spreken.

Tegen het voorafgaand onderzoek, maar vooral tegen het voortdurend toezicht, dat aldus van Staatswege over alle instellingen voor weezen verpleging zou moeten gehouden worden, bestaan ernstige bezwaren. Aan de eene zijde zou men die nooit zoo kunnen regelen, dat misbruiken geheel onmogelijk werden, en zouden die dan door de van Staatswege verleende vergunning gedekt kunnen schijnen. Maar aan den anderen kant zouden regenten daardoor zeker belemmerd worden in de uitoefening eener taak, welke zij enkel uit menschlievend-beid en geheel belangeloos op zich genomen hebben. Zonder volstrekte noodzakelijkheid (en die is vooralsnog niet gebleken) behoort men daartoe niet te besluiten.

Dat de benoemde voogd (althans zoo lang er geene aanleiding is tot toepassing van art. 386 Ontw.) zijne rechten volkomen aan regenten overdraagt, en dezen tegen alle aanspraken van zijne zijde beschermd worden, ligt voldoende in de woorden, dat de voogdij op hen overgaat; het was onnoodig dit nog uitdrukkelijk uit te spreken.

Art. 383.

Om de voogdij van regenten te doen aanvangen, moeten twee elementen samenkomen, waarvan soms het eene soms het andere zal voorafgaan; de verpleging en de machtiging. Zij duurt niet (zooals thans) zoolang de minderjarige tot het gesticht behoort, maar tot het einde der minderjarigheid. Beschouwt men het bestuur der instelling als een werkelijken voogd, dan moet het zich niet door eene eenzijdige handeling, gelijk het vervroegd ontslag zijn zou, van de verplichting tot voortdurende verpleging kunnen ontslaan. Dat overigens de in art. 402 Ontw. gegeven bevoegdheid, om de voogdij met rechterlijke machtiging aan een ander over te dragen, ook voor regenten geldt, zal wel geene uitdrukkelijke vermelding behoeven.

Art, 384.

De vraag, of de voogdij door alle regenten individueel, dan wel door het college als eenheid uitgeoefend wordt, moet in laatstgemelden zin beslist worden, daar zoowel hier als in de voorafgaande artikelen enkel sprake is van de voogdij van het bestuur.

Omtrent de wijze van beheer, de stemming, de vertegenwoordiging enz. zijn geene afzon-

ocr page 366

206

derlijke voorschriften noodig, daar deze onderwerpen in den twintigsten en een en twintigsten titel voldoende geregeld zijn. Eene afwijking daarvan ten aanzien der voogdij was alleen in zoover noodig, dat voor alle handelingen, die het bestuur als voogd te verrichten heeft, gezamenlijk optreden van allen minder wenschelijk schijnt, en het beter is daartoe, gelijk reeds de wet van 15 Pluvióse an XIII wilde, een der leden aan te wijzen. De moeite voor de overigen is geringer en de waarschijnlijkheid van volledige inlichting voor den rechter grooter, indien alleen hij, die persoonlijk met de zaak het meest bekend is, opkomt. Daar overigens het bestuur de handeling verricht, en het aangewezen lid enkel als voogd «optreedt))^ wordt de verantwoordelijkheid der overige bestuurders door de voorgedragen regeling in geen opzicht gewijzigd.

Art. 385.

Beide voorschriften komen overeen met hetgeen ten aanzien van bestuurders van vereeni-gingen in art. 547 Ontw. bepaald is, en is daar nader toegelicht. Wel draagt de aansprakelijkheid van bestuurders eener inrichting van weldadigheid jegens hunne verpleegden een ander karakter dan die van bestuurders eener vereeniging; maar de reden, waarom zij voor allen persoonlijk en hoofdelijk moet zijn , tenzij het bewijs geleverd wordt, in het tweede lid bedoeld, is geheel dezelfde.

Art. 386.

Het eerste lid is een gevolg van het beginsel, dat de voogdij, verbonden aan de hoedanigheid van bestuurder, met deze te niet gaat. De opvolgers behoeven geene benoeming of machtiging van den kantonrechter; optredende als leden van het bestuur, waaraan de voogdij wettig toegekend is, aanvaarden zij ook terstond dit recht over de door hunne instelling verpleegde minderjarigen. Dat de aansprakelijkheid der afgetredenen daarmede niet ophoudt, blijkt voldoende uit het vorig artikel, en behoeft dus niet uitdrukkelijk gezegd .te worden.

Daarnaast staat het geval, dat óf alle bestuurders wegvallen zonder door anderen vervangen te worden, öf wel het bestuur als zoodanig blijft, maar ingevolge art. 410 Ontw. de voogdij verliest. Dan zijn de vroeger benoemde voogden de aangewezen personen om zich op nieuw met de zorg over hunne gewezen pupillen te belasten; mochten zij inmiddels overleden zijn, zoo moet de kantonrechter op de gewone wijze in de voogdij voorzien.

vierhe afdeeling.

Reeds het quot;Wetboek INapoléon voor Holland stelde, onder den juisten naam van toe-zienden voogd, den besturenden voogd iemand ter zijde, geroepen om een wakend oog over diens handelingen te houden. Men wilde niet zoo zeer, wat in het Fransche wetboek door subroge'-tuteur wordt verstaan , invoeren, als wel de familieraden van dat wetboek vervangen. Zie de bekende Briefwisseling van eeniye reytsgeleerden over de aanstaande Nederlandsche fVeUjeving, Leyden 1814, bl. 109. Voorts lag bet in de bedoeling, «dat de toeziende voogd den «besturenden voogd in alle bedenkelijke zaken met zijnen goeden raad zou bijstaan en behulp-«zaam zijn» (art. 316).

ocr page 367

207

In de ontwerpen van 1816 en 1820 weid de instelling blijkbaar onnoodig geacht, omdat de oppervoogdij, bij het eerste dier ontwerpen aan de weeskamers of rechtbanken, bij het tweede aan de gemeentebesturen of weeskamers toegekend, geoordeeld werd voldoende toezicht te bevatten. Toen echter in 1821 de Code Civil voor goed de grondslag onzer aanstaande burgerlijke wetgeving werd, ontleende men aan het wetboek van 1809 alleen de benaming, maar volgde overigens den Code, zonder, althans in de bepalingen, welke het wezen der instelling uitdrukken, verandering te brengen. Men vergelijke de artt. 417 B. W. en 420 C. C., waarin de roeping van den toezienden voogd omschreven wordt. Aan die roeping achtte zelfs de Fransche wetgever — al geeft de omschrijving van art. 420 er weinig grond toe — geenszins vreemd, dat de toeziende voogd den voogd zou aansporen en des noods dwingen tot het nakomen zijner verplichtingen, zooals blijkt uit art. 1442 C. C. Het tegenwoordige ontwerp kan dus niet geacht worden in strijd te komen met het oorspronkelijk begrip, wanneer het in dit opzicht weder verder gaat dan het Burgerlijk Wetboek, dat aan deze soort van bemoeiingen reeds eenige uitbreiding heeft gegeven.

Art. 387.

Waarom aan den langstlevenden der ouders naast het recht om den voogd te benoemen niet ook dat toegekend om in de toeziende voogdij te voorzien? Art. 264 van het Italiaansche Wetboek behelst eene bepaling in dien zin, en het Wetboek Napoléon voor Holland, dat, zooals reeds gezegd is, de toeziende ]voogdij bij ons heeft ingevoerd, ging nog veel verder, daar het in het algemeen van de benoeming van voogilen bij testament of bij acte sprak, en daaronder verstond benoemingen zoowel van de toeziende als de besturende voogden, gedaan hetzij door den vader en de moeder te zamen of door dengenen hunner, wiens voorziening geëischt werd. Z,ie de artt. 309 in verband met 302 en 295 van dat Wetboek.

Men heeft echter gemeend zich aan de regeling van het Burgerlijk Wetboek te moeten houden. Het beginsel, dat de Staat door tusschenkomst van den rechter de oppervoogdij voert, schijnt niet wel te gedoogen, dat de keuze van den persoon, die met het toezicht wordt belast, aan particulieren blijft overgelaten. Daarbij komt een practische grond. Laurent, avant-projet, tome II, pag. 241, merkt te recht op, dat hij, die zoo zeer op de toewijding van een vriend of nabestaande rekent, dat hij hem het gezag over zijne kinderen toevertrouwt, in den regel overtuigd is, dat die persoon boven alle verdenking staat. Hij zou dus, stond de opdracht dei-toeziende voogdij ook aan hem, niet, of althans niet met genoegzamen ernst, letten op hetgeen zijne keus behoort te bepalen, en menige benoeming zou later blijken eene verkeerde te zijn geweest.

Nieuw is de bepaling, dat de rechter, zoo hij het dienstig acht, den voogd hooren kan. De toevoeging ziet op het geval, dat de voogd niet tot de vier bij art. 501 Ontw. aangeduide verwanten behoort. Bij de behandeling van dit voorschrift werd de vraag overwogen, of men het bestaande recht niet in zoover zou moeten wijzigen, dat, wanneer een der naaste verwanten voogd geworden isgt; hij bij de verhooien niet verder als familielid, maar enkel als voogd zou moeten optreden, terwijl hij in de eerste hoedanigheid door een ander bloed- of aanverwant zou worden vervangen. «En aucun cas le tuteur ne votera pour la nomination du

ocr page 368

208

■«.

i»

1

iiM

Ji!;

«suhrogé-tuteur», zegt art. 423 van den Code; en, ofschoon het uitbrengen van een gevoelen, waaraan de rechter niet gebonden is, zeker niet gelijk staat niet het uitbrengen van zijne stem tot eene benoeming, die bij stemming geschiedt, zal toch ook het eerste dikwerf van beslissen-den invloed zijn. Niettemin besloot men tot handhaving van den regel ook voor dit geval. Vooreerst, omdat men anders de practische bepaling van het volgend artikel zou hebben moeten laten varen. Maar vooral, omdat, al zegt de wet niet, zooals het wetboek Napoléon voor Holland, dat de voogd op den raad en den bijstand van den toezienden voogd moet kunnen rekenen, zij dit toch onderstelt en moet trachten te bevorderen. Met het oog daarop kan het nuttig zijn, dat de zelfstandige rechter van den voogd verneme, wat deze tegen de benoeming van A of B tot toezienden voogd in te brengen heeft.

Is het in beginsel niet af te keuren, dat de voogd bij de benoeming van den toezienden voogd zijne meening zegge, dan ligt daarin de rechtvaardiging eener bepaling, waarbij de rechter bevoegd wordt verklaard om ook in de gevallen, waarin de voogd rechtens buiten den familieraad staat, hem te hooren.

i

h lil;

i! ■

Art. 388.

i. /

Dat de redactie van art. 424 B. W. gebrekkig is, toont, onder andere, Mr. Greeve op hl. 419 en 420 van zijne derde uitgave van Mr. Van der Kemp's Ontwikkeling van het recht betrekkelijk de kantongerechten met juistheid aan. In het stelsel der bestaande wet kan het artikel alleen doelen op het dikwerf voorkomend geval, dat hij, die tot dusver toeziende voogd was, door den kantonrechter tot voogd wordt benoemd. Nu de voogdij eerst zal aanvangen met den dood van den langstlevenden der ouders, zal de toepassing der bepaling veel uitgestrekter worden. Het doelmatige van het voorschrift is duidelijk.

Artt. 389, 390.

Bij de behandeling der artt. 391 en volgende B. W., die in min of meer gewijzigden vorm als bepalingen der achtste afdeeling zullen worden voorgedragen, heeft men getracht den last, dien de verplichting om hypotheek te geven, toevoegt aan dien, welke in de werkzaamheden der voogdij zelve is gelegen, zooveel doenlijk te verlichten door de som, waarvoor zekerheid moet worden gesteld, tot het kleinst mogelijk bedrag te verminderen.

Daartoe kwam tweeërlei in aanmerking.

De voogd moet volgens art. 450 B. W. de certificaten van inschrijving in de Grootboeken der Nationale Schuld ten name van den minderjarige doen overschrijven. l)it voorschrift is vatbaar voor eene veel ruimere toepassing, en werd zoowel in het Ital. Wetboek (art. 298) als in de Fransche wet van 27/28 Februari 1880, die het denkbeeld overnamen, uitgebreid tot alle effecten en aandeelen aan toonder. De zaak is derhalve elders in den ruimeren zin, waarin zij nu wordt voorgedragen, in werking; en het voorstel strekt om op onze beurt van onze eigen vinding evenveel partij te trekken.

Het tweede middel ter bereiking van gemeld oogmerk scheen gelegen in eene wijziging van art. 391 B. W.,in dier voege dat, wat thans alleen op verzoek van den voogd kan worden bevolen , hem als verplichting wordt opgelegd. Genoemd artikel heeft van den aanvang af het

1,

\h'

ocr page 369

209

karakter gehad van eene tegemoetkoming aan hen, die de verplichting om hypotheek te geven bestreden. Zie Voorduin III, hl. 146. In 1832 verlangde men in de afdeelingen der Tweede Kamer, dat aan art. 392 een laatste lid zou worden toegevoegd, strekkende om, in afwachting dat hypotheek zou kunnen worden gesteld, de bedoelde inbewaargeving op verzoek van den toezienden voogd of de verwanten van den minderjarige door den rechter te laten gelasten. De Regeering maakte bezwaar. Alle toeziende voogden zouden de inbewaargeving vorderen, ten einde zich buiten verantwoordelijkheid te stellen; de veelvuldige inbewaargevingen zouden een aantal fortuinen op e'e'ne plaats bijeenbrengen, welke, ingeval van brand, dan tegelijk aan vernietiging zouden blootstaan , enz. Het valt niet te ontkennen , dat deze bedenkingen , beoordeeld naar de toenmalige toestanden, gewichtig waren, maar thans zouden zij veel van hare kracht verliezen , indien men naast de consignatiekassen, bestemd om deze waarden op te nemen, ook de Nederlandsche Bank verplichtte zich met de bewaring daarvan te belasten. De tegenwoordige organisatie van dat lichaam, zijne vertakkingen door het geheele land, de wijze, waarop de verschijnende coupons van beleende effecten aan de rechthebbenden worden uitgekeerd, zouden ook voor het doel, dat hier in aanmerking komt, den grondslag eener regeling kunnen vormen, die weinig te wenschen overliet. Zelfs is de mogelijkheid aangenomen , dat andere instellingen gelijke waarborgen van soliditeit aanbieden; de beslissing daaromtrent is aan de wetgevende macht voorbehouden.

Deze overwegingen hebben er toe geleid , om de bedoelde bewaring onvoorwaardelijk voor te schrijven; waaraan ook dit voordeel verbonden is, dat het de goede verstandhouding tusschen den toezienden voogd en den voogd minder in gevaar brengt. Moest de eerste een verzoek doen om de inbewaargeving door den rechter te doen gelasten, hij zon, om geen blijk van wantrouwen te geven , de zaak dikwerf op haar beloop laten.

Bij de regeling van hetgeen den toezienden voogd te doen staat, indien de voogd in gebreke blijft zich van zijne verplichtingen te kwijten, stond op den voorgrond, dat eene vordering tot ontslag eerst dan te pas komt, wanneer het belang van den pupil er zich bepaald tegen verzet, dat de voogdij langer door den nalatige worde gevoerd. Is deze een overigens niet ongeschikt persoon, die door te dralen beproeft van den hem opgelegden last af te komen, dan moet hem dit niet gelukken. Het kwam daarom raadzaam voor om, voor zoover de bedoelde voorzorgsmaatregelen er zich toe leenen, den toezienden voogd in plaats van den voogd te laten handelen. Vandaar dat bij het derde lid van art. 424 Ontw., waarnaar hier wordt verwezen, wordt voorgesteld, dat, wanneer de voogd niet binnen den bepaalden tijd uitvoering geeft aan het bevel tot zekerheidstelling, de toeziende voogd de zaken van den voogd zal hebben aan te wijzen, waarop de hypotheek zal worden gevestigd, welke aanwijzing dan dezelfde kracht zal hebben als thans het vonnis van het derde lid van art. 1217 B. W. — Evenzoo kan, bij nalatigheid van den voogd om eeue boedelbeschrijving te doen opmaken , de toeziende voogd daarin voorzien. Het tweede lid van art. 391 Ontw. behelst de daartoe strekkende bepaling. — Maar ten aanzien van de verplichting om de effecten en aandeelen aan toonder van den minderjarige op diens naam te doen overschrijven of in bewaring te geven moest een andere weg worden ingeslagen. Hier, meende men, is bedreiging met lijfsdwang gerechtvaardigd. Immers hier geldt het handelingen, die alleen door den voogd zelf kunnen worden verricht, omdat deze de stukken onder zich heeft; en nu lag het voor de hand aan het middel van contrainte

bb

ocr page 370

240

te denken, waardoor notarissen en andere openbare bewaarders van akten gedwongen kunnen worden tot uitgifte van afschriften aan de daarop rechthebbenden, of ook onwillige rekenplich-tigen tot het doen van rekening. Men vergelijke de artt. 839 en 772 W. B. Rv.

De bij het laatste lid bedreigde straf is bekend als rechtsgevolg der mora, vergel. art. 1480 B. W.; zij beantwoordt ook hier aan den aard van het verzuim.

Art. 391.

Dat het oudere Fransche recht de roeping der toeziende voogden vooral gelegen achtte in hun waken voor de belangen der minderjarigen bij het inventariseeren van boedels, waartoe de voogden met die minderjarigen gerechtigd waren, vindt men vermeld bij Merlin, Repertoire, in voce: suhrogé-tuteur. Voor die gevallen ligt de wenschelijkheid van het spoedig opmaken der beschrijving voor de hand; doch ook in de overige kan dralen bedenkelijke gevolgen hebben. Het artikel schijnt, zooals hiervoren reeds is te kennen gegeven, dit op de eenvoudigste wijze te zullen voorkomen. Overigens zij opgemerkt, dat men zich niet uitsluitend op den toezienden voogd heeft verlaten. Vraagt deze de machtiging niet, dan zal volgens art, 420 Ontw. het tweede lid van art. 368 toepasselijk zijn, en dus een plaatsvervanger worden benoemd, die het noodige verricht om het voor de bewaring der rechten van den minderjarige zoo onmisbare stuk te doen vervaardigen.

Bij art. 428, eerste en tweede lid, art. 431 en art. 450, eerste lid, B. W. wordt uitdrukkelijk vermeld, dat de toeziende voogd tot de hem daarbij opgelegde verplichtingen gehouden is op straffe van kosten, schade en interessen. Het scheen beter, deze vermelding achterwege te laten. De gehoudenheid zelve vloeit uit de algemeene regelen omtrent toerekenbare schuld of nalatigheid voort; drukt men dat gevolg op de eene plaats uit, terwijl men het elders verzwijgt, dan kan men aanleiding geven tot een verkeerd gebruik van het argmentum a contrario. Zie ook Opzoomer , II, blz. 393 in de noot.

Art. 392.

Tegen de woorden van art. 429 B.W., «eene summiere rekening en verantwoording vragen», bestaat het bezwaar, dat zij aan meer verwantschap met de eindrekening doen denken dan in de bedoeling van het voorschrift ligt. Wat men wil, is een overzicht, voldoende om den toezienden voogd met den gang van het beheer en den stand van zaken bekend te doen zijn. Dit schijnt door de thans gekozen uftdrukking beter aangeduid.

Het ontwerp schrijft voor, dat de staat in dubbel worde opgemaakt met het oogmerk, dat e'e'n van beiden door den toezienden voogd worde bewaard, om later in handen van den meerderjarig gewordene te komen, en de ander onder den voogd blijve berusten. Deze bepaling houdt verband met hetgeen in art. 452 zal worden voorgesteld.

«Effecten en bescheiden» heeft men door «geldswaardige stukken» vervangen. Immers, het ontwerp onderstelt, dat de effecten aan toonder van den minderjarige op diens naam zijn overgeschreven , of op de hierboven aangeduide wijs in bewaring gegeven. De voogd kan echter onderhandsche schuldbekentenissen en andere titels onder zich hebben, wier verlies geldelijk nadeel aan den pupil zou berokkenen , en van wier aanwezigheid het dus van belang kan zijn

ocr page 371

211

zich gedurende den loop der voogdij te vergewissen. Het schijnt voldoende van «stukken » te spreken, omdat dit woord ook op « bescheiden » past.

Het derde lid van het artikel bevat een voorschrift, voor de gestadige controle van den toezienden voogd nagenoeg onmisbaar. Art. 316 Wetb. Nap. v. Holl. hield eene dergelijke uitdrukkelijke bepaling in. Evenzoo art. 658 Ontwerp van 1820, behoudens dat het daar de medevoogden zijn , aan wie de besturende voogd alle inlichtingen omtrent zijne administratie moet geven. En ofschoon het Burgerlijk Wetboek zwijgt, heeft de jurisprudentie eene schrede in die richting gedaan, door de bedoelde verplichting aan te nemen voor het geval de toeziende voogd redenen heeft om den voogd van onbekwaamheid of ontrouw in de waarneming der voogdij te verdenken. Zie een vonnis van de An. Rechtbank te Zutfen van 8 Februari 1844, R. Bijbl. VII, bl. 371—376. Om echter alle onzekerheid weg te nemen, is de bevoegdheid van den toezienden voogd uitdrukkelijk vermeld, en hare uitoefening tevens op de meest eenvoudige wijze geregeld. Daar hier geene sprake is van eene eigenlijke rekening, en het recht van den minderjarige in geen opzicht verwerkt kan worden, was er geen bezwaar, de beslissing aan den kantonrechter na een enkel verhoor van den voogd op te dragen.

Art. 393.

Is het van groot belang, dat de toeziende voogd, waar hij er grond toe heeft, flink tegenover den voogd durft optreden, het zou aan den anderen kant zeer verkeerd zijn, zoo hij zijne bediening met kleingeestige nauwlettendheid waarnam en daardoor den voogd noodeloozen overlast aandeed. De juiste maat te houden ligt echter niet in ieders karakter, en daarom scheen het, met betrekking tot eene zaak, die den voogd in den regel zoo onwelkom zal zijn als de verhooging van het bedrag zijner zekerheidstelling, wenschelijk een stellig voorschrift te geven, ter nadere bepaling zoowel van zijne gehoudenheid als van de verantwoordelijkheid van den toezienden voogd omtrent dit moeielijke punt.

Art. 394.

Tweede lid. — Daar de wet niet verbiedt den voogd en den toezienden voogd uit denzelfde lijn te kiezen, kan het licht gebeuren , dat beider belangen met die van den minderjarige in strijd komen. Wel zal dit in den regel bij boedelscheiding plaats vinden, wanneer de kantonrechter, naar art. 1118, tweede lid B. W., bevoegd is e'e'n of meer deelvoogden te benoemen, maar er kunnen toch ook andere gevallen voorkomen. Het is bekend, dat de hoogleeraar Diephuis , op grond van laatstgemelde bepaling in verband met de artt. 315 en 365 B. W., de aanstelling van een bijzonderen voogd voor die gevallen geoorloofd acht (zie het Ned. Burg. Regt, dl. V., bl. 459), terwijl Mr. Opzoomer {hel Burg. Wetboek verklaard, dl. II, bl. 393) deze uitlegging vermetel vindt. Voor de vaststelling van dit betwiste punt bestaat dus voldoende reden.

Art. 395.

Aanleiding tot deze bepaling heeft een geval gegeven, waarover de Arrondissements-Recht-bank te Amersfoort bij haar vonnis van 6 Februari 1867 heeft geoordeeld. Zie W. nu. 2898.

ocr page 372

212

Wel is de bevoegdheid van den toezienden voogd daarbij aangenomen; maar de zaak is te onzeker, dan dat het niet wenschelijk zou zijn, de bepaling van het voorafgaand artikel aan te vullen met een voorschrift in den door het belang der minderjarigen gevorderden zin.

Art. 396.

De verplichting van den toezienden voogd om in al de gevallen van art. 406 Ontw. de ontzetting van den voogd te vorderen is uit het bestaande wetboek overgenomen. Wel behoeft die ontzetting niet altijd te volgen; maar de beslissing daarover moet blijven aan den rechter, die van alle omstandigheden kennis neemt. Ook is het voor de verhouding tusschen den toezienden voogd en den voogd beter, dat zijne aanklacht niet is eene vrijwillige daad, maar eene zoodanige , waartoe hij door de wet onbepaald verplicht is.

De bij den aanhef van art. 430 B. W. vermelde weigerachtigheid van den voogd om de tweejaarlijksche staten over te leggen en de geldswaardige stukken te vertoonen is niet langer afzonderlijk genoemd, omdat zij valt onder het verzuim der wettelijke plichten, in n0. 3 van art. 406 Ontw. voorkomende.

Art. 397.

Volgens art. 461 B. W. is de voogd, indien hij de machtiging van dat artikel verkrijgt, gedekt tegen eene veroordeeling in privé' in proceskosten. Die bepaling wordt, in hoofdzaak ongewijzigd, als art. 444 Ontw. gehandhaafd. Nu brengt het stelsel der wet eigenlijk mede, dat, wanneer de toeziende voogd den voogd dagvaardt, b. v. om effecten aan toonder van den minderjarige op diens naam te doen stellen of in bewaring te geven, hij gemelde machtiging insgelijks kan vragen. Immers hij treedt dan voor en ten behoeve van den minderjarige op: hij verricht daden van voogdij. Op dien grond oordeelde de Rechtbank te Amsterdam, bij vonnis van 6 Januari 1847 (R. Bijbl. IX, hl. 541), art.*461 toepasselijk op eene vordering, door den toezienden voogd tegen den voogd ingesteld, om met hem over te gaan tot het opmaken eener boedelbeschrijving, om hypotheek te stellen en om certificaten der Nederlandsche Schuld op het Grootboek te doen overschrijven. Hetzelfde zou dan verder geacht kunnen worden te moeten gelden bij een eisch om den voogd te doen ontslaan. Dit scheen niet wenschelijk. Wordt de bedoelde goedkeuring geweigerd, dan ligt daarin opgesloten, dat er geen voldoende grond bestond om de procedure aan te vangen. Zoodanige beschikking moge formeel den meerderjarig gewordene niet beletten den toezienden voogd wegens diens stilzitten aan te spreken, — feitelijk zal zij voor dezen een schild zijn, waardoor hij voor altijd is gedekt. Daartegen bestond bezwaar. Het onderzoek bij den kantonrechter met het oog op de goedkeuring is niet van dien aard, dat men zou mogen toelaten, dat het voor de geheele aansprakelijkheid van den toezienden voogd beslissend worde.

De beteekenis van bet artikel is dus in hoofdzaak negatief. In zijne positieve gedaante heeft het dit nut, dat de vraag, of de kosten zouden kunnen geacht worden voor rekening van den toezienden voogd te komen, niet kan blijven hangen, en hij in de gewone gevallen, indien er slechts eenige redelijke grond voor: zijn optreden was, den titel om zijne uitschotten terug te krijgen in een uitdrukkelijk wetsvoorschrift vindt.

ocr page 373

213

Art. 398.

De verplichting van den toezienden voogd om tijdelijk al datgene te doen, wat geen uitstel toelaat, is niet langer beperkt tot het zeldzame geval, dat de voögdij door afwezigheid van den voogd verlaten is, maar wordt aangenomen, zoo dikwijls deze laatste buiten staat is haar waar te nemen. De noodzakelijkheid om in spoedeischende gevallen handelend op te treden kan altijd bestaan.

Aan het slot dezer afdeeling komt in het Burgerlijk Wetboek nog voor art. 432. De dubbelzinnige redactie daarvan heeft aanleiding gegeven tot de meening, dat bij elke verandering in den persoon van den voogd de benoeming van een toezienden voogd geschieden moet. Wel is de gewone opvatting, ook die der practijk, eene andere; laat men echter de bepaling weg, dan blijkt duidelijk, dat de toeziende voogdij onafhankelijk van de voogdij bestaat, en alleen ophoudt om redenen, in haar zelve gelegen.

V IJ F D E A F D E F, l I \ G.

Art. 399.

De nummers 1—3 van art. 434 B. W. scheppen ten behoeve van enkele categorieën van staatsambtenaren een voorrecht, waarvoor eigenlijk geen voldoende grond bestaat. Voor zoover hunne geschiktheid betreft om als voogden werkzaam te zijn, staan zij gelijk met alle burgers, wier bezigheden of liefhebberijen hen tot herhaalde vethnizingen of reizen nopen.

N'. 1. — De bedoeling is dezelfde als van art. 434, n#. 5: de redactie is eenigszins gewijzigd, omdat bet minder op het zware dan op bet aanhoudende der kwaal aankomt. Dat ze behoorlijk bewezen moet worden, spreekt van zelf.

N0. 2. — Dit nummer is, met weglating van het woord vollen, als overbodig, uit art. 434, n0. 4, overgenomen.

NO, 3. — Ook hier is enkel het woord kinderloos, als overbodig, weggelaten, en overigens art. 434, n0. 6, geheel gevolgd. Dat de voogdij over kinderen uit hetzelfde huwelijk slechts ée'ne voogdij uitmaakt, blijkt uit art. 367 Ontw.

NO, 4. — Dit nummer wijkt in zooverre van art. 434, nquot;. 7, af, dat de kinderen minderjarig moeten zijn, omdat het hier niet geldt eene belooning, op het hebben van een zeker aantal kinderen gesteld, maar eene ontheffing, gegrond op de zorg, welke het opvoeden van vele minderjarigen veroorzaakt. Om dezelfde reden is bet oude voorschrift der Instituten (1, 25, pr.), dat thans onder n®. 8 herhaald is, vervallen. De reden «hi, qui pro republica ceciderunt, in perpetuum per gloriam vivere intelliguntur» paste meer in den mond van een Romeinschen imperator dan van eenen wetgever in onzen tijd.,

Nquot;. 5. — Dit nummer stemt, behoudens enkele wijzigingen, overeen met art. 434, n0. 8. De reden van het vervallen der laatste woorden is reeds opgegeven. Door het weglaten dei-woorden op den dag hunner benoeming wordt het tijdstip, waarop deze reden van verschooning

ocr page 374

244

aanwezig moet zijn, evenals met de overige redenen het geval is, gesteld op den dag, dat men zich daarop beroept. Wanneer (gelijk met een testamentairen voogd het geval kan zijn) tusschen beiden een tijdsverloop inligt, gedurende hetwelk de toestand veranderd is, schijnt dit billijk te wezen. Eindelijk is het woord wettig weggevallen; omdat, zoo onwettige kinderen niet onder de voogdij, maar onder het ouderlijk gezag staan van den vader, die hen erkend heeft, er geene reden is om tusschen hen en wettige kinderen te dezer plaatse onderscheid te maken.

W. 6. — Dit nummer wijkt in zoover van art. 433 B. W. af, dat de verwanten, op wier aanwezigheid men zich als reden van verschooning beroepen kan, zijn beperkt tot den zesden graad. Al houdt voorbij die grens niet alle familiebetrekking op, toch wordt zij in de meeste gevallen zoo zwak, dat daarin geen reden kan gelegen zijn om zoodanige familieleden te verkiezen boven hen, die de vrije keuze des kantonrechters aangewezen heeft.

Door de veranderde redactie der laatste woorden is de vraag beslist, welke zin te hechten is aan de woorden der tegenwoordige wet, dat de verwanten in staat moeten zijn de voogdij waar te nemen. De vraag, of iemand feitelijk in staat is die betrekking naar eisch te vervullen, hangt te zeer van persoonlijke opvattingen af, om daaraan het recht van derden tot verschooning te verbinden.

Slot-alinea. Thans wordt de toeziende voogdij in de nummers 6 en 7 van art. 434 B. W. naast de voogdij genoemd; en is het onzeker, of curateele en toeziende curateele daarmede gelijkgesteld zijn. Voor deze gelijkstelling pleit, dat beide betrekkingen in vele opzichten overeenkomen; terwijl, zoo de werkzaamheden der voogdij in den regel grooter zijn, daarentegen die der curateele langer kunnen duren. Om dit uitdrukkelijk uit te maken en de redactie te vereenvoudigen, is in den aanhef van het artikel alleen van voogdij gesproken, en zijn alle daarmede gelijkgestelde betrekkingen hier vereenigd.

Art. 400.

Art. 435 B. W. onderscheidt niet tusschen het aanvoeren van redenen om van eene opgedragen voogdij ontheven te worden , en het nemen van ontslag uit eene voogdij, die men reeds voert. Daar in het eerste geval eene meer nauwkeurige regeling der procedure noodig was dan in het laatste, is hier alleen aan het eerste gedacht; in het volgend artikel wordt dan alles, wat het ontslag betreft, te zamen gevat.

De beslissing omtrent de reden van ontheffing kan zonder bezwaar worden toevertrouwd aan denzelfden rechter, die niet de benoeming belast is, t. w. den kantonrechter. Het onderzoek heeft daardoor van zelf plaats «zonder vorm van proces gt;gt;, en wordt nog vereenvoudigd, doordien geen verzoekschrift geëischt wordt, maar enkel van een verzoek sprake is. Een bepaald voorschrift omtrent de kosten, die trouwens zeer gering zullen zijn, scheen onnoodig; waar geen proces is, kan niemand dan de verzoeker zelf, in wiens belang ze gemaakt worden, die dragen.

De termijn van acht dagen na den dag, waarop de benoemde kennis bekomen heeft (hetgeen, al is hij niet tegenwoodig, niet noodzakelijk door middel van beteekening behoeft te geschieden) wordt verlengd, indien hij zich buitenslands ophoudt. Daarentegen blijkt uit den samenhang van het artikel genoegzaam, dat de termijnen op straf van verval zijn voorgeschreven.

ocr page 375

215

Art. 401.

Van de in art. 399 als gronden van verschooning opgegeven redenen komen alleen de beide eerste in aanmerking, om van eene voogdij, welke men reeds voert, ontslagen te worden , en wordt de tweede nog in zoover gewijzigd, dat, terwijl een leeftijd van zestig jaren voldoende is om van de verplichting ontheven te worden tot het aannemen van nieuwe voogdijen, men , evenals thans, vijf en zestig jaren oud zal moeten zijn om uit reeds gevoerde ontslagen te worden. Het is daarbij onverschillig, of men vóór of na zijn zestigste jaar benoemd is; het resultaat, waartoe de redactie van art. 434, n0. 4, B. W. nu kan leiden, dat het voorrecht alleen in het. eerste geval toegekend wordt, wordt door eene betere redactie voorkomen.

De gevallen 3—6 kunnen gedurende den loop der voogdij niet opkomen, of zijn alsdan niet gewichtig genoeg om aanleiding tot ontslag te geven. Krijgt de voogd kinderen, of komt er een bloedverwant van den minderjarige in het arrondissement wonen, dan is dit niet van zooveel belang, dat het zou opwegen tegen het nadeel, dat voor den minderjarige uit een onvoorwaardelijk ontslag van den voogd zou kunnen voortvloeien.

Daarentegen vorderde het verhand met art. 369 Ontw., dat aan den voogd, die zich in het buitenland vestigt, de bevoegdheid werd gegeven om ontslag te vragen. Bij de toelichting van dat artikel is betoogd, dat het welbegrepen belang der minderjarigen soms de benoeming van een in het buitenland gevestigden voogd kan eischen ; maar toch zijn daaraan zoo groote bezwaren verbonden, dat niemand daartoe anders dan met zijne volkomen toestemming geroepen behoort te worden. Heeft hij in zoodanig geval zijne betrekking aanvaard, dan kan voor hem bet verblijf in het buitenland later geene reden zijn om van de voogdij ontslagen te worden ; dit zou tot eene afwisseling in den persoon des voogds leiden, die vermeden moet worden. Maar hij, die tijdens het voeren der voogdij zich in het buitenland vestigt, staat met den niet-ingezetene, die benoemd wordt, gelijk; tegen zijnen zin behoort hij niet de buitengewone lasten, die in het vervolg aan de voogdij verbonden zullen zijn, te dragen.

Evenals in het voorgaand artikel, is hier voorgeschreven, dat het verzoek niet aan de rechtbank maar aan den kantonrechter gedaan zal worden; eene bepaling van termijn kwam uit den aard der zaak niet te pas; maar daarentegen moest de competentie geregeld worden voor het geval de voogd zijn domicilie buitenslands heeft. In overeenstemming met art. 370 Ontw. volgt hij dan het domicilie van den toezienden voogd.

Art. 402.

De hier voorgestelde, geheel nieuwe bepaling scheen wenschelijk om in vele gevallen den last, dien het waarnemen der voogdij oplegt, te verlichten , en het bezwaar, dat aan art. 368 Ontw. verbonden is, te temperen. Ware het mogelijk voor te schrijven, dat niemand anders dan vrijwillig de betrekking van voogd behoefde te vervullen, dan zou zulks, gelijk reeds bij de toelichting van dat artikel herinnerd werd, zeker aanbeveling verdienen. Maar daar zulk eene regeling onmogelijk is, heeft men gemeend althans eene schrede in die richting te moeten doen door den voogd het recht te geven om ontslag te vragen, indien hij iemand kan vinden bereid om zijne taak over te nemen. Wel zijn aan de verwisseling voor den minderjarige onmisken-

ocr page 376

216

bare bezwaren verbonden, maar dit wordt ruimschoots opgewogen door de kans om in plaats van iemand, die tegen zijn zin de betrekking waarneemt, een ander te vinden, die haar met liefde en toewijding vervullen zal.

Dat de bevoegdheid van den voogd opgenomen is onder de redenen, die tot ontslag kunnen leiden, niet onder die, welke tot verschooning aanleiding geven, is geschied, omdat zij alleen na de benoeming te pas komt. quot;Wanneer bij de raadpleging van den familieraad een volkomen geschikt persoon zich bereid verklaart om de voogdij op zich te nemen, zal de kantonrechter hem niet zonder afdoende reden voorbijgaan. Ook is de uitoefening van het recht aan geen termijn gebonden; zoodat, indien de gelegenheid zich zeer spoedig na de benoeming voordoet, de voogd niet lang behoeft te wachten.

Art. 403.

Terwijl in de artt. 433, 434 en 435 B. W. voortdurend sprake is van voogdij en toeziende voogdij, scheen het eenvoudiger, in de voorgaande artikelen alleen van voogdij te gewagen, en hier zoowel de plaatsvervangende voogdij, die.in de artt. 368, 409 en 412 Ontw. voorkomt, als de toeziende voogdij, er mede gelijk te stellen.

ZESUE AFDEEL ING.

Ons tegenwoordig wetboek onderscheidt in de artt. 436 en vlgg. tusschen redenen van onbevoegdheid en uitduiting, welke laatste, indien zij na den aanvang der voogdij opkomen of ontdekt worden, tot ontzetting kunnen aanleiding geven. Daargelaten dat ook enkele dei-in art. 436 opgenoemde redenen later kunnen opkomen (n°s. 2 en 4), schijnt het onderscheid samen te hangen met het meer of min onteerende der uitsluiting; een element, dat burgerrechtelijk niet op den voorgrond mag treden. Daarom is thans liever onderscheiden tusschen de absolute uitsluiting, die onbepaald en zonder eenig nader rechterlijk onderzoek werkt, en de relatieve, waarbij het belang der betrokken minderjarigen in aanmerking komt, en die dus eerst na onderzoek der omstandigheden door den rechter uitgesproken wordt.

Art. 404.

De nummers 1—3 stemmen overeen met 1—3 van art. 436 B. quot;W.

Bij ii0. 1 is de vraag behandeld, of de uitsluiting der vrouw behouden moest blijven. Gold het alleen de opvoeding der minderjarigen, dan zou zij zeker ontkennend beantwoord zijn, en zelfs zou het beheer over hun vermogen veilig aan ongetrouwde vrouwen kunnen worden opgedragen. De eenige reden om de uitsluiting te behouden was de beperkte rechtsbevoegdheid der getrouwde vrouw, die de benoeming zelfs van ongetrouwden onraadzaam maakt, daar niets haar verhindert later in het huwelijk te treden, en eene bijzondere regeling voor zoodanig geval moeielijk te geven was.

Twijfelachtig scheen daarbij, of de regentessen van instellingen van weldadigheid al dan iiiet moesten worden uitgezonderd. Niet zij toch zijn voogdessen, maar het college, waarvan

ocr page 377

217

zij leden zijn, is Yoogd. Om de mogelijkheid van twijfel af te snijden, zijn zij ten allen overvloede hier genoemd.

Bij n0. 4, hetwelk door de artikelen 28, 30 en 31 W. v. St. noodzakelijk geworden was, deed zich de vraag voor, of de uitsluiting op grond van strafbare feiten enkel aan den strafrechter behoort te worden overgelaten. Dat hij vrijspraak de burgerlijke rechter hierop niet terugkomen kan, spreekt van zelf; maar indien geene strafvervolging heeft plaats gehad, de strafrechter aan de door hem uitgesproken straf geene uitsluiting verbonden heeft, of de straf door middel van gratie wordt opgeheven, zou men den burgerlijken rechter de bevoegdheid kunnen toekennen om op grond van het gepleegde feit de uitsluiting zelfstandig uit te spreken. Ofschoon er gevallen denkbaar zijn, waarin dit gunstig kan werken, heeft men gemeend geen voorstel in dien geest te moeten doen, om conflicten tusschen de rechterlijke autoriteiten te vermijden.

Men heeft de vraag gesteld, of, op het voorbeeld van art. 606, n0. 4 van het Ontwerp 1820 en art. 21 der Pruisische wet van 5 Juli 1875, ook uitgesloten moesten worden zij, omtrent wie zulks door den vader of moeder der minderjarigen uitdrukkelijk bepaald is. Hierop is ontkennend geantwoord, omdat, indien de kantonrechter, niettegenstaande zulk eene beschikking, toch tot de benoeming overgaat, hij daarvoor wel zeer grondige redenen zal hebben, waarvan de beoordeeling aan hem moet worden overgelaten.

Art. 405.

Eene moeielijke vraag was het, welken invloed het behoort te hebben, indien de reden van uitsluiting komt te vervallen; hetgeen in de drie laatste gevallen mogelijk is, maar vooral in de heide laatste tot uiteenloopende beschouwingen aanleiding kan geven. Aan den eenen kant vorderde de billijkheid, dat men, met toepassing van den regel «cessante causa cessat effectus», hen, die de bevoegdheid om als voogd op te treden weder gekregen hebben, geheel herstelle in hun vroegeren toestand. Maar aan den anderen kant mag niet worden voorbijgezien, dat het belang der minderjarigen weinig gediend zal zijn met die herhaalde verwisselingen; te meer daar vermoedelijk de oude voogden niet geschikter zullen zijn dan zij, die in hunne plaats getreden zijn. Een bepaald recht op de voogdij, gelijk ouders op hun gezag, hebben zelfs de testamentaire voogden niet; en zoo is men tot de voorgedragen regeling, die afwijkt van hetgeen volgens art. 345 Ontw. voor het ouderlijk gezag geldt, gekomen.

Art. 406.

Evenals de redenen tot ontzetting van art. 437 B. W., zijn de hier opgenoemde, althans wanneer zij aanleiding zullen geven tot ontslag, geheel facultatief. Weet de kantonrechter bij het doen zijner benoeming, dat de persoon, die in aanmerking komt, in een der gevallen van dit artikel verkeert, dan zal dit in den regel voor hem eene voldoende reden zijn om zijne keus op een ander te vestigen ; maar ook dan nog kunnen de omstandigheden van dien aard zijn , dat het belang der minderjarigen vordert over het bezwaar heen te stappen. En is de voogd benoemd, dan moet hij werkzaam blijven , totdat men zich daarop tegen hem beroepen

cc

ocr page 378

218

li

' i I

li 1'

en de rechter naar bevind van zaken geoordeeld heeft, dat ditzelfde belang zijn ontslag eischt. Van eene uitsluiting van rechtswege, gelijk in de gevallen van art. 404 Ontw., is nooit sprake.

jN0. 1. — Volgens het bestaande recht is krankzinnigheid op zich zelve geen grond om den voogd te ontzetten, en moet men zich, indien om die reden maatregelen noodig worden, bepalen tot toepassing van art. 431 B. W. (waartegen vooral in de nieuwe redactie van art. 398 Ontw. geen bezwaar bestaat), of wachten totdat de krankzinnige eene gelegenheid gehad heeft om in de waarneming der voogdij zijne onbekwaamheid aan den dag te leggen. Door geen dier beide middelen zijn de belangen der minderjarigen voldoende gewaarborgd. Ook de wet van 27 April 1884 (Sth/. n0. 96) zegt in art. 32 wel, dat hij, die in een krankzinnigengesticht is geplaatst, het beheer verliest over de goederen van anderen, indien hem dat is opgedragen ; maar zwijgt van krankzinnigen, die buiten gestichten verpleegd worden , en geeft niet aan, hoe in het bedoelde beheer voorzien wordt. Een en ander maakt eene bijzondere regeling noodig, vooral omdat sedert, de wetten van 1841 en 1884 gevallen van krankzinnigheid zonder curateele niet zoo zeldzaam zijn, als de wetgever van 1838 zich vermoedelijk beeft voorgesteld. Daarom is, terwijl curateele gebleven is ais absolute grond van uitsluiting, enkele krankzinnigheid opgenomen onder de redenen, waarom de voogd naar gelang der omstandigheden ontslagen zal kunnen worden.

IS0. 3. — Dit nummer is in zooverre ruimer dan nquot;. 3 van art. 437 B. W., dat, terwijl thans alleen gesproken wordt van onbekwaamheid en ontrouw, en dus enkel aan het geldelijk beheer gedacht schijnt te zijn, de nieuwe redactie alle plichtverzuim omvat. Daaronder beboeren b. v. de gevallen, dat de voogd voor de opleiding en gezondheid van den minderjarige geene behoorlijke zorg draagt; of de plichten verwaarloost, welke de wet hem uitdrukkelijk oplegt. Eene afzonderlijke vermelding van het geval, dat hij verzuimt zekerheid te stellen, gelijk de Staatscommissie van 1867 verlangde, is daardoor overbodig geworden. Bezwaar kan de thans voorgedragen ruime uitdrukking niet opleveren, omdat het ontslag steeds facultatief blijft, en de rechter het dus niet behoeft uit te spreken, waar het kleine afwijkingen betreft.

!

«'

Uw ||

!l :j:

i:: I

i'

,, I

.1 1

H

;!

No. 4 en 5. — Wilde men, zooals thans de redactie van art. 437 nquot;. 4 B. W. luidt, de ontzetting uit eene voogdij onbepaald laten gelden als reden van uitsluiting voor andere, dan zou dit onbillijk zijn tegenover hen, die slechts tijdelijk uitgesloten zijn geweest. De wetgever j zou dan het herstel in hunne oude bevoegdheid, dat hij met de eene hand gaf, met de andere

! terug nemen. Daarom is het voorschrift beperkt tot hen, die wegens eene der onder de num-

jl'11 rners 2 en 3 vermelde redenen door den burgerlijken rechter uit eene bepaalde voogdij ontsla-

j'* ;j gen zijn; te hunnen aanzien mag het vermoeden gelden, dat zij ook voor andere minderjari

gen niet de meest gewensclite voogden zullen zijn. Met hen worden gelijk gesteld zij, die wegens onwaardigheid uit het ouderlijk gezag ontzet zijn , of aan wie wegens onbekwaamheid of plichtverzuim het beheer over de goederen hunner kinderen ontnomen is, omdat te hunnen opzichte hetzelfde vermoeden kan worden aangenomen.

N*. 7. — Dit nummer stemt overeen met n0. 4 van art. 436 B. W. Het is hierheen over-

1

ocr page 379

219

gebracht, omdat het geene absolute nietigheid betreft, en de vraag, of de bedoelde omstandigheden zich in eene bepaalde voogdij voordoen , alleen door eene rechterlijke beslissing kan worden uitgemaakt.

Art. 408.

Omtrent de wijze, waarop de vordering van ontslag behandeld moet worden, bestaat thans èn bij de schrijvers èn bij de rechterlijke colleges groot verschil van opvatting. Terwijl aan de eene zijde het woord verzoek en de verplichting, aan de rechtbank opgelegd, om den voogd in alle gevallen te hooren, doen denken aan eene eenvoudige beschikking op request; spreekt aan den anderen kant hetzelfde art. 438 B. W. van een vonnis, geeft het de gelegenheid om in dit vonnis tegelijk op te nemen de veroordeeling tot het afleggen van rekening en verantwoording, en gaat zelfs art. 440 van de onderstelling uit, dat een geding gevoerd wordt. Wat hiervan zij in jure constituto, in het nieuwe wetboek moet de mogelijkheid worden afgesneden, dat meu zonder volledig onderzoek wordt schuldig verklaard aan wangedrag of plichtverzuim , om van andere redenen te zwijgen.

De procedure is dus in bijzonderheden geregeld; en wel op eene wijze, die reeds nu bij enkele rechtbanken gevolgd wordt, en het dubbele voordeel bezit, dat, waar geene tegenspraak bestaat, de zaak zonder formaliteiten afloopt, maar, waar de gestelde feiten ontkend worden, eene volledige enquête en contra-enquête mogelijk zijn.

De competentie der rechtbank is behouden, omdat het hier altijd geldt een ontslag, niet door den voogd gewenscht, maar door anderen tegen hem gevorderd. Is er tegenspraak, dan wordt de zaak naar eene bepaalde terechtzitting verwezen, waartoe de voogd opgeroepen wordt. Die oproeping heeft plaats met inachtneming der termijnen en formaliteiten, voor dagvaardingen voorgeschreven, maar wordt niet als eene eigenlijke dagvaarding aangemerkt; zoodat wel uitkomt, dat niet eene nieuwe vordering aanvangt, maar de oude voortgezet wordt, en dus ook de erkenningen, bij het verhoor afgelegd, tot het geding blijven behooren. Daar bij ontstentenis van dagvaarding van een eigenlijk verstek geene sprake kan zijn , moesten de gevolgen van niet-verschijning geregeld worden.

De bepaling, dat de zaak met gesloten deuren kan behandeld worden, en dus in den regel de procedure in het openbaar wordt gehouden, zou overbodig kunnen schijnen met het oog op art. 20 R. O. Men heeft haar echter opgenomen, omdat de aanvankelijke behandeling in raadkamer tot twijfel zou kunnen leiden.

Dat van het vonnis hooger beroep vrij staat, en in hooger beroep dezelfde procedure gevolgd wordt als in eersten aanleg, spreekt mede van zelf; voor zooveel noodig volgt het bovendien uit den aanhef van het tweede zoowel als van het laatste lid.

Art. 409.

Het eerste lid regelt het recht van schorsing, thans in art. 440 B. W. gegeven, meer in bijzonderheden. Zij kan in eiken stand der zaak worden uitgesproken; en dus ook vóórdat dat gedeelte der behandeling, hetwelk men een geding zou kunnen noemen, aangevangen is, of wel hangende den termijn van appel. Dat iemand kan worden aangewezen om gedurende

ocr page 380

220

de schorsing het voorloopig heheer te voeren, was wenschelijk, omdat de vordering in den regel zal ingesteld zijn door den toezienden voogd, en er redenen kunnen zijn om dezen niet vóór de uitspraak het beheer te geven.

Daar hij de voorloopige maatregelen in den regel spoed een eerste vereischte is om benadeeling der minderjarigen te voorkomen, is de bevoegdheid om in hooger beroep te komen , die men uit art. 507 Ontw. zou kunnen afleiden, bepaaldelijk uitgesloten; en de uitvoerbaarheid bij voorraad, niettegenstaande cassatie, die volgens art. 53 W. B. Rv. facultatief zou wezen, gebiedend voorgeschreven.

Dat de bevolen voorzieningen vervallen, indien de verzoeker de zaak niet behoorlijk voortzet, was, evenals in ait. 322 Ontw., noodig om te beletten, dat zij tegen de bedoeling des rechters een definitief karakter krijgen.

De veroordeeling tot het doen van rekening en verantwoording, thans in art. 438, al. 3, B. W. voorgeschreven, is weggevallen. Is er alleen bedoeld eene algemeene herinnering aan de verplichting van afgetreden voogden, dan is de bepaling overbodig; en bedoelt men voor ieder geval eene gerechtelijke rekening, dan maakt men de zaak uoodeloos omslachtig.

De vraag is overwogen , of in geval van ontslag de uitspraak in de dagbladen zou moeten worden openbaar gemaakt. Voor eene bevestigende beantwoording pleitte het belang van derden, die evenzeer de gelegenheid moeten hebben om zich op de hoogte te stellen van de bevoegdheid van voogden als b. v. van echtgenooten. Daar stond echter tegenover, dat de ontzetting altijd als minder eervol beschouwd zal worden, en eene zoodanige openbaarheid verder gaat, dan zelfs bij bepaald strafbare feiten door den wetgever gewild is. Om deze redenen is de openbaarmaking, die ook thans niet bestaat, niet voorgedragen.

Art. 410.

Dat ook regenten, wanneer zij van de hun toevertrouwde macht misbruik maken, ontslagen moeten kunnen worden , zal wel geen betoog behoeven. De vraag kon alleen zijn, of zulks door de administratieve macht, dan wel door den rechter behoorde te geschieden. Z,ij is in laatstgemelden zin beantwoord, omdat een gewoon geding ook voor regenten waarborgen oplevert, waarop zij mogelijk prijs stellen.

Uit het beginsel, dat de voogdij collegialiter wordt uitgeoefend, volgt, dat bijzondere redenen van uitsluiting, die tegen e'e'nen regent kunnen bestaan, geene aanleiding mogen geven om aan het geheele bestuur de voogdij te ontzeggen. Er blijft ten aanzien van het college niet anders over dan onbekwaamheid of plichtverzuim, waaronder alle gevallen begrepen worden, dat de zedelijke vorming der verpleegden, hunne gezondheid of hunne geldelijke belangen ernstig verwaarloosd worden. Evenals bij bijzondere voogden, moet ook hier veel aan het arbitrium jndicis worden overgelaten.

Uit het beginsel, dat de voogdij wordt uitgeoefend over alle verpleegden als zoodanig, volgt, dat het ontslag niet kan gegeven worden met het oog op een enkelen minderjarige, en dus het recht van vorderen niet toekomt aan verwanten. Dat de oude voogden en toeziende voogden onherroepelijk van hunne rechten hebben afstand gedaan, is vroeger gezegd; alleen het openbaar ministerie blijft dus over, dat natuurlijk van belangstellende familieleden der minderjarigen inlichtingen kan bekomen.

ocr page 381

221

Daar de explooten niet aan de instelling, maar aan het bestuur als zoodanig worden gedaan, kan art. 4, n0. 2, W. B. Rv. daarbij niet toepasselijk geacht worden; er moet dus uitdrukkelijk worden bepaald, dat zij aan e'e'n der bestuurders gedaan mogen worden.

Het gevolg van een uitgesproken ontslag kan nooit zijn, dat het gesticht gesloten wordt, maar enkel, dat regenten de voogdij verliezen. Minderjarigen, wier vroegere voogden nog in leven zijn, treden volgens art. 386 Ontw. onder hun opzicht terug; voor de overige benoemt de kantonrechter nieuwe voogden; en dezen hebben nu het recht om over het verder verblijf der minderjarigen te beslissen.

Art. 411.

Een gevolg van het bijzonder karakter der voogdij van regenten is, dat, wanneer de reden van ontslag vervallen is, hetzij doordien nieuwe bestuurders zijn opgetreden , of wel op andere wijze aan de bestaande klachten tegemoet gekomen is, het bestuur zijne gewone bevoegdheid moet kunnen terug krijgen. Bij particuliere voogden zou dit niet wenschelijk wezen.

De uitspraak daarover is opgedragen aan dezelfde autoriteit, die het bestuur uit de voogdij ontzet heeft; de vorm is die der gewone behandeling van requesten, daar hier geen contradictoir debat mogelijk is, terwijl het openbaar ministerie, op welks vordering het ontslag verleend is, over de zaak gehoord wordt.

Omtrent het gevolg, dat de herstelling hebben moet ten aanzien van die minderjarigen, welke alsdan in het gesticht verpleegd worden, is eene onderscheiding aangenomen. Had het bestuur vroeger over hen de voogdij niet uitgeoefend, dan staan zij gelijk met allen, wier verpleging is aangevangen vóór dat de kantonrechter de in art. 381 Ontw. bedoelde machtiging verleend heeft; de voogd zal nu, wat hij vroeger niet doen kon, op de gewone wijze die machtiging verzoeken. Ten aanzien van hen, die reeds eenmaal onder voogdij van het bestuur gestaan hebben, is de zaak vereenvoudigd; zij worden daaronder terug gebracht door eene enkele verklaring van den voogd, zonder dat de formaliteiten, in de artt. 381 en 382 Ontw. voorgeschreven, in acht genomen behoeven te worden.

Art. 412.

Daar de ontzetting uit het recht van voogd te zijn thans eene werkelijke straf geworden is, die in bepaalde gevallen door den wetgever bedreigd is, mag, indien hij zulks niet gedaan heeft, de veroordeeling wegens andere feiten geene aanleiding geven tot uitsluiting of ontslag uit de voogdij. Art. 437 n®. 1 B. W. kon dus niet behouden worden, zelfs niet in dien zin, dat men in de plaats van onteerende straf eene gevangenisstraf van zeker aantal jaren stelde. Toch zal het wel geen betoog behoeven, dat een gevangene niet in staat is tot uitoefening der voogdij, en de duur der gevangenisstraf van dien aard kan zijn, dat zij moeielijk kan worden aangemerkt als eene «verhindering», gedurende welke de toeziende voogd tijdelijk datgene, wat geen uitstel leiden kan , verricht.

Deze overwegingen, die reeds geleid hadden tot aanneming van art. 6 der wet van 26 April 1884 {Sthl. n0. 93), hebben aanleiding gegeven om dit artikel, althans wat den inhoud betreft, onveranderd weer voor te dragen. Dat de bepalingen omtrent de verschooning ook op plaats-

ocr page 382

222

vervangers toepasselijk zijn, is in art. 403 Ontw. gezegd; terwijl als van zelf sprekend mag worden aangenomen, dat, voor zoover zij als voogden werkzaam zijn, de rechten en verplichtingen van dezen ook voor hen gelden.

Aangevuld is het artikel door de bepaling, dat het de rechtbank van het domicilie des veroordeelden is, die in de uitoefening der voogdij voorziet; hierdoor blijkt, dat niet bedoeld is een maatregel, door den strafrechter bij de uitspraak der veroordeeling te nemen, maar eene afzonderlijke beschikking, die de burgerlijke rechter op grond van het aan hem overgelegde strafvonnis neemt.

Art. 413.

Evenals de vijfde afdeeling, zijn de voorgaande artikelen gesteld met het oog op de voogdij ; en zijn hier de plaatsvervangende en toeziende voogdijen daarmede gelijk gesteld. Het recht om ontslag te vorderen moest nu natuurlijk in de eerste plaats aan den voogd worden toegekend, terwijl de procedure geheel onveranderd kon worden toepasselijk verklaard.

ZEVENDE AFDEELING.

Art. 414.

Dat de opvoeding van den minderjarige naar zijn vermogen moet ingericht worden, diende uitdrukkelijk te worden uitgesproken, omdat de verplichting van den voogd in zoover een ander karakter heeft dan die der ouders, welke volgens art. 138 Ontw. onbepaald verplicht zijn, overeenkomstig hun eigen staat en vermogen bij te dragen tot de kosten van het onderhoud en de opvoeding hunner kinderen.

De bepaling, dat de voogd den minderjarige in burgerlijke handelingen vertegenwoordigt, is naar de volgende afdeeling (art. 416) overgebracht, omdat die vertegenwoordiging nagenoeg uitsluitend te pas komt bij verrichtingen, die het vermogen betreffen.

Het tweede lid van art. 441 B. W. is, evenals meer dergelijke voorschriften, niet overgenomen, omdat het enkel een zedelijk gebod bevat, dat in de wet misplaatst is.

Art. 415.

Voor de toelichting van dit artikel kan naar die van de gelijksoortige bepalingen der artt. 347—349 Ontw. verwezen worden, omdat de afwijkingen zich uit het verschil van toestand aanstonds laten verklaren. Alleen valt omtrent het laatste lid op te merken, dat men daarin vindt uitgesproken , wat anders slechts uit eene niet altijd zekere wetsduiding zou kunnen worden afgeleid, en toch niet twijfelachtig behoort te wezen.

ACHTSTE AFDEELING.

Art. 416.

Bij het overnemen der bepaling, dat de voogd den minderjarige in burgerlijke handelingen vertegenwoordigt, heeft men het woord «alle» van art. 441 B. W., als onjuist, weggelaten.

ocr page 383

223

Men heeft hier met een regel te doen, waarop uitzonderingen bestaan; men denke slechts aan beschikkingen bij uitersten wil, die de voogd nooit voor den pupil maken kan, en waartoe deze zelf op achttienjarigen leeftijd bekwaam is; aan huwelijksvoorwaarden, waarbij de voogd zijn bijstand kan hebben te verleenen, maar dan niet in naam van den minderjarige handelt, enz.

Ten aanzien van het beheer over goederen , aan den minderjarige geschonken of gemaakt onder bepaling, dat ze niet door de ouders, maar door bewindvoerders moeten worden beheerd, zij herinnerd, dat in art. 357 Ontw., met afwijking van art. 362 B. W., is aangenomen, dat, wanneer het gesteld bewind vervalt, de vader of moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent, niet, zoo als volgens dat artikel, van rechtswege in het beheer opvolgt, maar de kantonrechter andere bewindvoerders benoemt. Voorts, dat, zoo de schenker of erflater de rekenplichtigheid niet anders heeft geregeld, van de bewindvoerders eenmaal 'sjaars rekening en verantwoording kan worden gevraagd.

Het derde lid van art. 416 strekt om dezelfde voorschriften van toepassing te doen zijn, wanneer de bevoordeelde minderjarige onder voodij staat.

Art. 417.

Eerste lid. — Het artikel brengt den termijn, binnen welken de boedelbeschrijving moet worden opgemaakt, van tien dagen op drie maanden. Hierbij woog vooral, dat de bepaling, krachtens art. 353 Ontw., ook voor den langstlevenden der ouders geldt, die thans, volgens art. 182 B. W., voor wat de tot de gemeenschap met zijn overleden echtgenoot behoorende goederen betreft, drie maanden tijd heeft. Men zag er geen bezwaar in, denzelfden termijn voor de gevallen van voogdij aan te nemen, omdat ook in de meeste daarvan tien dagen niet toereikend zijn, en men, bij de bestaande wenschelijkheid om te verlengen, het beter vond geen onderscheid te maken.

Omtrent de uitdrukking van art. 444 B. W. «nadat hij de voogdij heeft aanvaard» geldt, hetgeen tot toelichting van art. 374 Ontw. is gezegd. In stede van daarvoor in de plaats te stellen het tijdstip van aanvang der voogdij ten aanzien van den voogd, laat het ontwerp den termijn ingaan met het tijdstip van aanvang ten opzichte van den minderjarige. Nu het tijdperk zelf aanmerkelijk is verlengd, kan daarin geen bezwaar liggen. Ook wordt de opvatting voorkomen, waartoe de algemeene bewoordingen van art. 444 B. W. aanleiding hebben gegeven, dat de voogd, die gedurende den loop der voogdij een ander vervangt, tot inventarisatie verplicht is, al is dit bij het optreden van zijn voorganger geschied. Diephüis , Burgert. Regt, dl. V., bl. 400. Hoezeer dit in enkele gevallen nut kan hebben, schijnt een daartoe strekkend voorschrift niet gerechtvaardigd.

Van het vorderen der ontzegeling, ingeval krachtens art. 661 W. B. Rv. verzegeling heeft plaats gehad, behoeft niet te worden gewaagd. De voogd is daartoe bevoegd als vertegenwoordiger van den minderjarige; legt de wet hem de verplichting tot beschrijving op, dan sluit dit in, dat, zoo daartoe een voorafgaande stap noodig is, dien hij doen kan, hij dien ook doen moet.

Tweede lid. — In overeenstemming met het gevoelen der schrijvers, is uitdrukkelijk te kennen gegeven, dat de voogd en toeziende voogd zich kunnen doen vertegenwoordigen.

ocr page 384

224

Berde lid. — Door den hier voorgestelden maatregel wordt de kantonrechter in staat gesteld om een wakend oog over beide voogden te houden. Bij verzuim door heiden van hetgeen hun is opgelegd, zal hij, volgens het derde lid van art. 420 Ontw., den officier van justitie met de zaak in kennis stellen, die de nalatigen kan aansporen of hun ontslag vorderen.

Vijfde lid. — De gronden om zooveel mogelijk de verplichting tot het doen van eeden te beperken zijn bekend. De in de akten op te nemen verklaring, welke hier ter vervanging van den eed wordt aanbevolen , heeft niet enkel de strekking, minder nauwgezette personen aan den ernst en het gewicht der zaak te herinneren: wordt zij tegen beter weten aan in strijd met de waarheid afgelegd, dan valt zij in de termen van art. 227 ol 225 W. v. St.

Daar met het verdwijnen der bevestiging onder eede , thans bij het tweede lid van art. 444 B. W. voorgeschreven, tevens de twistvraag vervalt, of, niettegenstaande art. 681, 7°. W. B. Rv., de uitdrukking «in alle gevallen» ook slaat op den notarieelen inventaris, kan zich alleen deze misstand voordoen, dat, wanneer de voogd of toeziende voogd in het bezit van goederen van den minderjarige zijn geweest, of het huis bewoond hebben, waarin die zich bevonden, m. a. w. wanneer zij aangevers voor de beschrijving zijn geweest, de akte moet melding maken zoowel van den eed van gezegd art. 681 , 7°. als van de hier voorgeschreven verklaring. Die misstand schijnt echter meer theoretisch dan practisch; de verklaringen vloeien dan in e'e'n, en er zal wel eene formule ontstaan , die beide omvat.

Het tweede lid van art. 444 B. W. laat de deugdelijkheid van den inventaris alleen dooiden voogd onder eede bevestigen. Het ontwerp vordert de verklaring van voogd en toezienden voogd beiden. Dit schijnt, althans wat de onderhandsche beschrijving betreft, juister: deze wordt door hen te zamen opgemaakt en door beiden onderteekend; er bestaat dus geen grond, om niet van beiden eene gelijke verklaring te vorderen. En wat den notarieelen inventaris aangaat, zoo nemen ook ten aanzien daarvan beiden geen in het wezen der zaak verschillend standpunt in , terwijl het zeker niet geacht kan worden in strijd met de roeping van den toezienden voogd te zijn, dat hij bij deze gelegenheid tegen verzwijgen en verduisteren waakt op dezelfde wijze en onder dezelfde sanctie als de voogd.

Art. 418.

Volgens den C. C. (art. 451) moest de voogd de schuldvorderingen, welke hij ten laste van den minderjarige heeft, bij de beschrijving opgeven op straf van haar te niet gaan. Dit was zeker te streng; omdat, gelijk reeds Van Crombrugghe (Nookdziek, Geschiedenis, 1822/23, I, bl. 226) opmerkte, de niet-vermelding zeer goed een onwillekeurig verzuim kan zijn. Het Ital. Wetb., art. 286, en Laurent, avant-projet, art. 438, vorderen dan ook, dat de verzwijging desbewust geschied zij. Ons wetboek, art. 445, schrijft enkel voor, dat de voogd, hetgeen hem verschuldigd mocht zijn, niet vorderen kan vóór dat de minderjarige meerderjarig geworden is. Daar in den regel wel eene opzettelijke verzwijging, natuurlijk met oneerlijke bedoeling, aan te nemen is, scheen dit niet ver genoeg te gaan, en werd het raadzaam geacht, de strafbedreiging eenigszins te verscherpen. Het gevaar, waartegen de bepaling gericht is, wordt voldoende gekeerd, zoo men aan het niet-opgeven een vermoeden van kwijting verbindt, behou-

ocr page 385

225

dens door den voogd te leveren tegenbewijs, wanneer bij de meerderjarigheid van den pupil de ontvankelijkheid der actie herleeft.

Het heeft een punt van overweging uitgemaakt, of men bij verandering in den persoon van den voogd de niet-ontvankelijkheid niettemin tot aan de meerderjarigheid zou laten voortduren. De vraag is bevestigend beantwoord, omdat een opvolger in de voogdij zich streng aan het artikel zal houden, terwijl de meerderjarig gewordene aan niemand verantwoording schuldig is, zoo hij aan de eenvoudige betuiging van den voogd, dat de zaak richtig is, geloof schenkt.

Zoowel het Italiaansche Wetboek als het ontwerp-LAURENT bevatten nog de bepaling, dat, indien de voogd desbewust eene schuld, die hij jegens den minderjarige heeft, verzwijgt, hij uit de voogdij ontzet kan worden. Dit is niet overgenomen; omdat, indien van zoodanige schuld geen bewijs bestaat, het onbillijk zou zijn den voogd te noodzaken, aldus een bewijs tegen zich zeiven in het leven te roepen. Daar komt bij, dat in geval van kwade trouw nquot;. 3 van art. 406 Ontw. toepasselijk is.

Art. 419.

Uit art. 459 , in verband met art. 428, tweede lid, B. W. volgt wel, dat de voogd eene boedelbeschrijving moet laten opmaken in nalatenschappen, die gedurende de voogdij aan den minderjarige opkomen; maar het schijnt regelmatiger het daartoe strekkend voorschrift in denzelfden vorm te geven als dat omtrent den inventaris bij haren aanvang. Ook wordt art. 459 B. W., als art. 436 Ontw., in zoodanige bewoordingen voorgedragen, dat het niet rechtstreeks de verplichting tot inventarisatie in zich sluit.

Er worden soms legaten gemaakt, ten aanzien waarvan het even nuttig is, de vermaakte goederen te inventariseeren als ten aanzien van bet in eene nalatenschap begrepene. Men denke aan eene making van alle roerende goederen (art. 1004 B. W.), van een kabinet schilderijen, van de meubelen, welke zich in een bepaald huis bevinden, enz. Van daar de uitbreiding van het voorschrift tot dergelijke verkrijgingen.

Art. 420.

Tweede lid. —Evenals art. 451 van den Code, schrijft het eerste lid van art. 444 B. W. inventarisatie des boedels gebiedend voor; hoe gering het vermogen van den minderjarige zij, het stuk moet opgemaakt worden. Ja, er zijn Fransche schrijvers, die, wanneer er niets is, een procès-verhal de carence noodig achten. Dit is zeker overdreven , maar ook, wanneer de bezittingen van den minderjarige zich tot enkele voorwerpen beperken, is, uit het oogpunt van zijn belang, de naleving van het voorschrift de kosten niet waard. Want, al mogen die bij het ondershands opmaken der akte niet boog zijn, men moet zich toch van schatters bedienen (art. 651 W. B. Rv.), en het nederleggen ter griffie van het kantongerecht wordt bij afzonderlijke akte geconstateerd. Voor eene bepaling als thans wordt voorgedragen bestaat dus voldoende grond.

Derde lid. — Vermits, volgens art. 417 Ontw., ingeval van beschrijving bij notarieele akte,

dd

ocr page 386

226

de kennisgeving van den notaris ter griffie van het kantongerecht inkomt, terwijl de onderhandsche inventarissen aldaar worden in bewaring gegeven, kan de kantonrechter zich gemakkelijk vergewissen, of de voogd en toeziende voogd, ieder voor wat hem betreft, de wettelijke voorschriften , waarvan hier sprake is, zijn nagekomen. Omtrent den samenhang van de voorgedragen bepaling vergelijke men het tot toelichting van dat artikel gezegde. Men achtte het overbodig uit te drukken, dat de aan den plaatsvervanger op te dragen taak zich tot de inventarisatie zou kunnen bepalen , zoo de kantonrechter dit voldoende oordeelt.

Art. 421.

Dat de griffier verplicht is, aan den voogd, den toezienden voogd en de erfgenamen van den minderjarige inzage en afschrift te geven van de onder hem berustende beschrijvingen , zal geene toelichting behoeven; dat hij die ook aan den minderjarige zeiven, zoodra deze den kinderleeftijd te boven is, geven moet, hangt samen met het beginsel, waarop ook art. 505 Ontw. berust, dat hij niet tot op zijne meerderjarigheid zoo geheel van allen invloed op het beheer zijner zaken behoort verstoken te blijven als thans het geval is.

Maar ook anderen, b, v. verwanten, die grond meenen te hebben om den voogd van ontrouw te verdenken, kunnen ernstige redenen hebben om gelijke inzage te verlangen. Ten einde echter te voorkomen, dat hiermede lichtvaardig wordt te werk gegaan, is hun het recht daartoe niet gegeven dan nadat zij van de rechtbank machtiging verkregen hebben. Dat hielde rechtbank, en niet, gelijk in de meeste gevallen van dezen titel, de kantonrechter genoemd wordt, berust gedeeltelijk op den wensch om het verleenen der machtiging niet te gemakkelijk te maken, maar bovendien op de overweging, dat, al betreft het hier niet eene werkelijke dwanguitgifte van akten in den zin der artt. 833—843 W. B. Rv., de zaak toch nauw daaraan verwant is, en ook daar de gewone rechter geroepen is om voorkomende geschillen te beslissen.

Artt. 422—431.

Ernstig is de vraag overwogen, of de verplichting tot hypotheekstelling van artt. 391 en volgg. E. W. niet zou kunnen vervallen. Men erkende de juistheid der grieven, welke tegen die verplichting worden aangevoerd: de ongelijke werking van Jict voorschrift, waaraan de een wordt onderworpen, terwijl de ander vrij blijft; de belemmering in de vervreemdbaarheid dei-verbonden zaken ; de aan zijne eigen financieele belangen vreemde reden voor den voogd om geen goederen te koopen , waarop het verband zou komen te drukken; al die nadeelen werden alles behalve licht geteld. Maar toch stuitte men hierop: de tegenwoordige wet behelst dien waarborg; de ervaring leert, dat het gevaar, waartegen hij gericht is, is een groot en verbreid gevaar; op welke andere wijze kan het vermogen der minderjarigen in gelijke mate tegen de ontrouw of achteloosheid hunner voogden worden beschermd? Toen de pogingen, om deze vraag op bevredigende wijze op te lossen, vruchteloos bleven, heeft men getracht, het kwaad door de bij art. 433 voorgedragen en reeds boven bij art. 390 besproken voorschriften zooveel mogelijk te temperen.

ocr page 387

227

Art. 422.

Overeenkomstig hetgeen de Staatscommissie voor de herziening o. a. van het hypotheekstelsel, van 1867, omtrent art. 390 B. W. heeft in overweging gegeven, stelt het ontwerp inschrijvingen op het Grootboek met voor hypotheek vatbare zaken gelijk; zij hebben uit een oogpunt van zekerheid gelijke waarde, ook, blijkens art. 897 B. W., in de schatttng van onze tegenwoordige wet.

Tweede lid. — Het tweede lid van art 390 B. W. wil, dat de kantonrechter de som onverwijld bepale. Dikwerf is er op gewezen, dat, alvorens een inventaris is opgemaakt, dit hoogst zeldzaam mogelijk is. Wel voert men hiertegen aan, dat de rechter de som wat ruim kan nemen, met het oog op de bevoegdheid van den voogd, om later, krachtens het tweede lid van art. 394 B. W., vermindering te vragen, doch het behoeft geen betoog, dat een voorschrift, waarvan de toepassing in den regel dien omslag zou veroorzaken, geene aanbeveling verdient. Men heeft daarom den termijn, binnen welken het bedrag der hypotheek moet worden vastgesteld , in overeenstemming gebracht met dien, welke voor het opmaken van den inventaris is toegestaan. Het spreekt van zelf, dat, hoe eer aan het voorschrift voldaan wordt, des te meer in den geest der wet wordt gehandeld.

Algemeen is men van gevoelen, dat de kantonrechter ambtshaloe verplicht is de som te bepalen. De invoeging van dat woord in het voorschrift zelf bestendigt dus, wat geacht wordt rechtens te zijn, en in allen gevalle als zoodanig behoort te gelden.

Dat, zooals het Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk vermeldt, de rechter acht moet slaan op den aard der goederen , den minderjarige toebehoorende, op hunne opbrengst en op de verantwoordelijkheid, welke ten laste van den voogd uit het beheer dier goederen zou kunnen voortvloeien , ligt in den aard der zaak.

Derde lid. — Is de minderjarige geheel of nagenoeg geheel onbemiddeld, dan bestaat er voor zekerheidstelling geen voldoende reden. Men heeft dus eene bepaling opgenomen, strekkende om vooralsnog van de verplichting daartoe te kunnen worden vrijgesteld. Dit veroorlooft ook de Belgische wet van 1851 sur la revision du régime hypothecaire: «le conseil de familie «pourra d'après les circonstances declarer, qu'il ne sera pris aucune inscription sur les biens du « tuteur. Cette declaration n'aura d'effet que jusqu'a revocation » (art. 49/i). De Staatscommissie van 1867 heeft het mede voorgesteld (zie het door haar ontworpen tweede lid van art. 390 B. W., Verslag, bl. 60), maar de hier gekozen vorm schijnt verkieslijk, omdat beter uitkomt, dat bij veranderde omstandigheden de beschikking alsnog kan worden uitgelokt of ambtshalve genomen.

Art, 423.

Dat bij den aanvang der voogdij het vermogen vooral van gefortuneerde minderjarigen dikwijls zelfs bij benadering niet te schatten is, werd reeds opgemerkt. De kantonrechters plegen dan uitstel te verleenen , hetgeen echter gewoonlijk tengevolge heeft, dat geen som bepaald en geene hypotheek gesteld wordt. De bevoegdheid tot verdaging wordt nu bij het ontwerp uitdrukkelijk gegeven, maar tevens een grens voor het uitstel bepaald. Binnen zes maanden kan in de meeste gevallen al het noodige verricht zijn om den staat des boedels te leeren kennen. Aldus oor-

ocr page 388

228

.

1 i

ff!' i

f.-ll

ft

,,:i

'l 1 J| i ■

deelde de Staatscommissie van 1867 , waarvan onderscheidene notarissen deel hebben uitgemaakt. Zie haar Verslag, bl. 175. Na het verstrijken van dat tijdperk is het tegenover den voogd niet meer onbillijk, dat de rechter zonder verder verwijl het bedrag vaststelt; hij heeft het zich dan zelf te wijten, zoo zijn goed, meer dan noodig, wordt bezwaard.]

Art. 424.

Is de beschikking genomen, dan bepalen de artt. 424 en 427 Ontw., hoe daaraan uitvoering wordt gegeven, hoe de rechter verneemt, dat dit is geschied, en wat hij bij verzuim van beide voogden te doen heeft.

Enkele der opgenomen punten werden ook reeds voorgesteld door de Staatscommissie van 1867. Zóó het voorschrift, waarbij, met vaststelling van den termijn, aan den voogd wordt opgelegd, zich van zijn plicht tot uitvoering van 'srechters beschikking te kwijten. De tegenwoordige artt. 390 , laatste lid, 427 en 428 B. W. doen het eerst aan den toezienden voogd denken; het schijnt echter juister het er voor te houden, dat de voogd uit eigen beweging zal verrichten, wat de wet van hem vergt, dan stilzwijgend aan te nemen, dat daartoe pressie van den toezienden voogd noodig zal zijn. Zie ook art. 52 der Belgische wet van 1851 en het Verslag der Staatscommissie van 1867, bl, 175.

Tweede lid. — Veel is er getwist over de vraag, wat onder de bij art. 396 B. W. aangeduide «andere authentieke akten» te verstaan is. Die woorden zijn weggelaten, omdat het belang van den voogd genoegzaam gewaarborgd is, indien hij tegelijk met de bepaling van het bedrag door den kantonrechter de zaken mag aanwijzen, waarop hypotheek verleend zal worden; overigens bestaat er geen grond om van den gewonen regel, dat hypotheek bij notarieele akte gesteld wordt, af te wijken.

Derde lid. — Het practisch nut van den hier voorgedragen maatregel, die reeds bij art. 390 Ontw. eenigermate toegelicht is, springt in het oog. Wanneer thans een voogd nalatig of onwillig is om hypotheek te geven, moet men zijne toevlucht tot art. 1217 B. W. nemen, zoodat eene procedure moet gevoerd worden, die natuurlijk lang duren kan. De Belgische wet van 1851 laat, den familieraad, wanneer deze de som bepaalt, tevens de goederen aanwijzen, waarop de inschrijving zal worden genomen. Het ontwerp is tegenover den voogd vrijgeviger: het laat hem de keuze; eerst, wanneer hij in gebreke is, verbeurt hij dat recht. Die regeling is zeker met geene rechtsbeginselen in strijd.

Wat den vorm betreft, waarin de toeziende voogd de aanwijzing zou hebben te doen, bestonden er aan de eene zijde gronden om eene notarieele akte te vorderen, aan de andere, jlf |i om de aanduiding bij het borderel van inschrijving voldoende te achten. Voor het eerste pleitte

het gewicht der, zij het dan ook, eenzijdige verklaring, benevens de waarborg, dien de medewerking van een notaris oplevert, voor het laatste de wenschelijkheid om niet volstrekt noodige formaliteiten en kosten te vermijden. Deze laatste grond scheen het zwaarste te moeten wegen.

Eindelijk heeft het een punt van overweging uitgemaakt, of inschrijvingen op het Grootboek , die een onwillige of nalatige voogd bezit, niet op gelijke wijze als ten opzichte van de 'f l. hypotheekstelling wordt vóorgedragen , zouden kunnen worden verbonden verklaard. Men stuitte

1

ocr page 389

229

echter op het nagenoeg onuitvoerhare der zaak bij de bestaande verordeningen omtrent de bedoelde instelling.

Art. 425.

Dit artikel wijkt slechts in zoover van art. 392 B. W. af, dat het den voogd, wien het onmogelijk is, aan zijne verplichting tot zekerheidstelling te voldoen, dit uitdrukkelijk voor den kantonrechter laat verklaren. De Staatscommissie van 1867 heeft reeds deze aanvulling raadzaam geoordeeld, maar zij verlangde eene «desnoods met eede bevestigde verklaring.» Al wordt de bevoegdheid om dien eed te laten afleggen niet overgenomen, zoo levert, meent men , de verklaring toch waarborg op, omdat zij bij authentieke akte wordt geconstateerd, en de voogd zich door eene valsche opgave zou blootstellen aan de toepassing van art. 227 W. v. St.

Art. 426.

Art. 395 B. W. draagt de beslissing der geschillen over de waarde der tot hypotheek aangeboden zaken aan den kantonrechter op, «na verhoor der bij art. 390 vermelde personen.» Het zal intusschen wel tot de zeldzaamheden behooren, dat eene raadpleging der verwanten omtrent de waarde van aan den voogd toebehoorende zaken met eenige vrucht geschiedt. Het ontwerp schrijft daarom enkel het verhoor van de beide voogden voor.

Voorts meende men, dat de aavd van bet geschil toelaat hooger beroep uit te sluiten. De rechter zal in de meeste gevallen op het oordeel van deskundigen moeten afgaan» en nu is, vooral bij quaestiën als die over de waarde van eenig goed, de waarschijnlijkheid niet groot, dat de voorlichting in appel, zoo ze van die in eerste instantie afwijkt, juister zijn zal.

Art. 427.

Tweede en derde lid. — Hetgeen hierboven bij de toelichting van het tweede lid van art. 417 Ontw. is gezegd, slaat ook op deze bepalingen.

Ook ten aanzien van de zekerheidstelling is het noodig, dat de rechter controle uitoefent, en beide voogden onder den heilzamen indruk verkeeren, dat hij daartoe in staat is. Immers naar het bestaande recht hangt de geheele zaak van den toezienden voogd af. Heeft deze zooveel vertrouwen in den besturenden voogd, dat hij het niet stellen of niet inschrijven dei-hypotheek op zijne verantwoording neemt, dan is de kantonrechter machteloos, en de minderjarige krijgt, in plaats van den door de wet gewilden waarborg, slechts verhaal op het vermogen van zijn tweeden voogd.

Dit te voorkomen, is de strekking van het tweede gedeelte van het artikel. Legt de toeziende voogd binnen den bepaalden termijn noch het bewijs van de inschrijving der hypotheek, noch een uittreksel uit het Grootboek, de aanteekening van het verband vermeldende, ter griffie van het kantongerecht over, dan zal de kantonrechter beide voogden wellicht nog vermanen hun plicht te doen, of reeds terstond den officier van justitie gelegenheid geven zich met de zaak in te laten.

ocr page 390

230

Art, 428.

Naar liet bestaande recht kan de ten behoeve van minderjarigen gestelde zekerheid zonder rechterlijke tusschenkomst of bewilliging worden doorgehaald. Ook ten aanzien daarvan is de toeziende voogd oppermachtig. De hypotheekbewaarder mag niet weigeren op grond, dat, volgens art. 398 B. W., zoolang de voogdij duurt, de bedoelde waarborg in stand moet blijven (arrest van den Hoogen Raad van 14 April 1843, Ned. Regtspr., Dl. 13, § 96). Wil dus de toeziende voogd op zijne verantwoordelijkheid de doorhaling toestaan , niemand kan er zich tegen verzetten. Daardoor worden practijken mogelijk, die in het verslag der Staatscommissie van 1867 aldus worden aangeduid; «met conniventie van den toezienden voogd wordt de inschrijving eener «in het,belang van minderjarigen ingeschreven hypotheek doorgehaald, hetzij om tot eene ver-«vreemding van het verbonden goed te geraken, hetzij om daardoor de gelegenheid te verkrijgen «tot geldopneming onder eerste hypothecair verband, daar de hypotheek van minderjarigen, later «weer ingeschreven, een lageren rang verkrijgt», zie bl. 176. Het thans voorgedragen artikel is legen dergelijke handelingen gericht.

Art. 429.

Behalve op ondergeschikte punten van redactie, verschilt dit artikel niet van art. 394 B W. De schrijvers nemen aan, dat, ofschoon het tweede lid van dit laatste niet uitdrukkelijk zegt, dat vermindering der hypotheek slechts toegestaan kan worden na gelijk verhoor als ten aanzien van een bevel lot vermeerdering is voorgeschreven, zulks toch ontwijfelbaar is bedoeld. De voorgestelde tekst geeft het thans duidelijk te kennen.

Hierbij zij herinnerd aan art. 393 Ontw., terwijl de kantonrechter ambtshalve de vermeerdering kan bevelen, wanneer tusschentijds aan den minderjarige eene erfenis of een legaat van beteekenis opkomt, hetgeen hij verneemt door de bij het tweede lid van art. 419 voorgeschreven kennisgeving.

Tot andere omstandigheden , die op de blijvende verhouding tusschen de gestelde zekerheid en de verantwoordelijkheid van den voogd invloed kunnen uitoefenen , b. v. waardevermindering der verbonden goederen, verkoop van onroerende goederen des minderjarigen en dergelijke, is het voorschrift niet uitgebreid. Door zulke herhaalde wijzigingen in het bedrag zou de last voor den voogd te zeer verzwaard worden, terwijl het belang des minderjarigen door de artt. 433 en 435 Ontw. genoegzaam gewaarborgd is.

Art. 430.

Art. 397 B. W., letterlijk opgevat, zou meebrengen, dat het den voogd wel vrijstaat de-gestelde hypotheek door gelijk verband op goed van een ander, te vervangen, maar niet door hypotheek op ander goed van hem zelf. De voorgestelde bepaling is te dien aanzien duidelijk. Brengt men haar in verband met het tweede lid van art. 424 Ontw., dan volgt uit beide, dat de voogd terstond en ook later zijne verplichting kan nakomen op de wijze, die hem het minst ongelegenheid veroorzaakt.

Melding te maken van het vereischte der toestemming van den eigenaar in het geval, dat er hypotheek op het goed van een ander verleend wordt, kwam geheel overbodig' voor.

ocr page 391

231

Evenmin schijnt aan twijfel onderhevig, dat de waarde der inschrijvingen moet berekend worden aan den koers van den dag.

Nieuw is het vereischte, dat de kantonrechter machtiging moet verleenen. Dit houdt verband met art. 428 Ontw., en is er slechts de toepassing van op de hier voorziene gevallen.

De vraag, wie de kosten moet dragen, op de vervanging vallende, wordt verschillend beantwoord. Aan den eenen kant wijst men er op, dat de zaak in het belang van den voogd toegelaten is, aan den anderen , dat de geheele zekerheidstelling ten behoeve van den minderjarige geschiedt. Daar de eerste beschouwing het meest met de billijkheid in overeenstemming schijnt, is zij in het ontwerp uitdrukkelijk opgenomen.

Art. 431.

Volgens het slot van art. 399 B. W. blijft het salaris van den hypotheekbewaarder teu laste van den minderjarige, terwijl de Staatscommissie van 1867 opmerkte, dat ook het zegelrecht der registers in billijkheid door den minderjarige moet gedragen worden. Het bedrag van beiden is echter van zoo weinig belang, dat het beter is, ook de vermelding van het salaris achterwege te laten.

Tot besluit van hetgeen als toelichting van de voorafgaande artikelen omtrent de zekerheidstelling is gezegd, dient nog met een woord te worden vermeld, dat art. 398 B. W. niet is overgenomen, omdat men het daarbij bepaalde, ook zonder dat het wordt uitgedrukt, ontwijfelbaar acht. Men vergelijke Opzoomer, II, bl. 355.

Art. 432.

Art. 587 van het Ontwerp van 1820 luidde: «de voogdij over goederen kan tusschen «onderscheidene personen gesplitst worden, maar de voogdij over de persoon is ondeelbaar». Die gesplitste voogdij over goederen is het eigenlijk, die bij art. 418 B. W. is toegelaten voor het geval de minderjarige bezittingen in de koloniën heeft; en daaruit laat zich dan ook verklaren , waarom men zich de bepaling heeft voorgesteld als eene uitzondering op den regel van art. 386. Dit moge nu onjuist zijn met het oog op het beginsel: tutor personae non rei vel causae datur, de bewering, dat de wetgever ten aanzien van het bedoelde bewind gelijke waarborgen heeft gewild als ten aanzien van het beheer van den voogd zelf, vindt er steun in. Hield men aan het oorspronkelijke denkbeeld vast, dan zou men bepalingen in dien geest moeten maken; men zou, evenals in art. 356 Ontw., het toezicht moeten organiseeren, zekerheid moeten laten stellen, enz. Aan zoodanige regeling zijn echter, indien zij buiten het Rijk zou moeten werken, te veel bezwaren verbonden; daarom werd het beter geacht, den hier bedoelden beheerder te laten optreden in hoedanigheid van gemachtigde van den voogd. Ware aan dezen zelf eene opdracht verstrekt, met bevoegdheid om een ander in zijne plaats te stellen, dan zou hij naar algemeene rechtsbeginselen slechts verantwoordelijk zijn voor zijne keuze. Zie Diephuis, Burg. Reyt, Ilde druk, dl. VIII, § 691. En ook van die verantwoordelijkheid zou hij geacht moeten worden te zijn ontslagen van het oogenblik, dat de keus is goedgekeurd. Deze analogie schijnt

ocr page 392

232

voldoende om het aangenomen stelsel uit een juridiek oogpunt te rechtvaardigen. Overigens blijft tusschen den voogd en den gemachtigde de betrekking van lastgever tot lasthebber in stand, zoodat de eerste den tweeden rekenschap kan vragen en, er termen toe vindende, hein ontslaan.

Zijne eigene verantwoordelijkheid Ie dien aanzien tegenover den minderjarige wordt bij het laatste lid van het artikel bepaald. Meer te eischen dan daarbij is geschied, ware onredelijk.

In het voorgedragen artikel wordt de toepassing van het beginsel niet langer beperkt tot het geval, dat de goederen zich in de koloniën bevinden. Ook ten aanzien van bezittingen elders in den vreemde, soms in verre landen gelegen, kan het onbillijk zijn, dat de voogd ze onder zijne verantwoordelijkheid moet laten beheeren. Voor zoover ook hier analogie met eene gewone volmacht kan worden ingeroepen, levert het derde lid van art. 1840 B. W. een argument voor de ontworpen bepaling op. Overigens zal de kantonrechter naar bevind van zaken beslissen; men vertrouwt, dat hij het in den geest der wet zal doen, m. a. w. wanneer de afstanden of bijzondere omstandigheden het beheer door den voogd zelf aanmerkelijk bemoeielijken.

Art. 433.

Na de uitvoerige verklaring der artt. 389 en 390 Ontw. schijnt het voorschrift te dezer plaatse geene nadere toelichting te behoeven.

Art. 434.

De verplichting tot verkoop van art- 447 B. W. was, naar het Oud-Hollandsche recht, den voogd niet opgelegd. Evenmin bij het Wetb. Nap. v. Holl., hetwelk eene bepaling bevatte, nagenoeg overeenkomende met de thans voorgedragene (art. 341). Het voorschrift begon dus als art. 452 van den Code bij ons te gelden. Bij de beraadslagingen over art. 447 B. W. in 1832 gaf men nog in overweging, liever aan den voogd de keus te laten, welke voorwerpen hij al dan niet verkoopen wilde, maar de Regeering vreesde, dat hij zich dan gerechtigd zou rekenen paarden, rijtuigen en andere zaken van weelde te bewaren. Voorduin III, bl. 109. Hiertegen kan worden aangevoerd, dat hij dan de plichten van een goed huisvader zou uit het oog verliezen. Wat daar intusschen van zij, het schijnt verkieslijk den bedoelden verkoop niet uitdrukkelijk voor te schrijven, behalve van die voorwerpen, welke aan bederf onderhevig zijn , of waarvan de waarde in den regel spoedig afneemt. Immers de gevallen, waarin er grond bestaat om stukken huisraad of ander goed, in de termen van art. 447 B. W. vallende, te bewaren, komen dagelijks voor, en nu zal het zeer dikwerf gebeuren , dat de voogd tegen den omslag en de kosten opziet om het vereischte verlof te erlangen, al geldt het voorwerpen, waaraan herinneringen verbonden zijn, en ten aanzien waarvan de minderjarigen het later met erkentelijkheid zouden goedkeuren, dat ze niet in vreemde handen gekomen zijn. De met zorg saamgestelde Vormundschaftsordnung voor Pruisen van 5 Juli 1875 laat het geheel van den voogd afhangen, of hij verkoopen of bewaren wil: zij legt zijne vrijheid alleen aan banden met betrekking tot zaken, waarvan de verkoop bij uitersten wil kan zijn bevolen (§ 36). Volgens Art. 646 van het Ontwerp van 1820 «moeten

ocr page 393

233

«zij (de voogden) die roerende goederen, die aan bederf of vermindering in waarde onderwor-«pen zijn, te gelde maken, terwijl het verder aan hun oordeel en doorzicht wordt overgelaten «om, naar gelang van den staat, den ouderdom en het vermogen der minderjarigen, de ver-«dere roerende goederen aan te houden of te verkoopen.» Het is deze bepaling, welke bij het ontwerp is gevolgd. Het laatste gedeelte drukt met juistheid uit, wat de voogd heeft in aanmerking te nemen; men achtte het echter minder geschikt om deel van een wetsvoorschrift uit te maken.

Het in acht nemen der verplichtingen, waarover de voorafgaande artikelen handelen, komt zoo niet enkel, dan toch meest bij den aanvang der voogdij te pas, en men pleegt ze daarom als plichten van den voogd bij dien aanvang aan te duiden. Daartoe behoort, naar het bestaande recht, ook zijne gehoudenheid, om door den kantonrechter te doen bepalen het beloop der som, welke de minderjarige jaarlijks zal mogen verteren, en de jaarlijksche kosten van beheer, een en ander bij raming. Het daartoe strekkend art. 446 B. W. is niet overgenomen, vooral omdat, zoo er al van eene sanctie van dat voorschrift sprake kan zijn, het eene is, die als het ware telkens ontglipt. Immers naar de leer der schrijvers blijft eigenlijk alles hiervan afhangen, of de uitgaven den toets van art. 469 B. W. kunnen doorstaan? Zijn ze niet noodzakelijk of betamelijk, dan, zegt men, is de voogd aansprakelijk, al blijft hij beneden de geraamde som; zijn ze het een of het ander wel, dan krijgt hij ze vergoed, ook al overschrijdt hij de som. Dit laatste wordt wel betwist, maar zou toch, zoo men de bepaling behield, aldus behooren te worden vastgesteld, zoo als Laurent bij art. 467 van zijn avant-projet dan ook uitdrukkelijk doet. Voorschriften, die zoo weinig bindende kracht hebben, zijn echter geen deugdelijke wetsvoorschriften. De Pruisische wet van 1875 kent de bedoelde ramingen niet.

Art. 435.

Eerste lid. — Thans wordt de voogd eerst gerekend in verzuim te zijn, wanneer hij een jaar heeft laten verloopen zonder het overschot der inkomsten te beleggen (art. 449, derde lid B. W.). Die termijn kan veilig tot drie maanden ingekort worden, wanneer men inleg in de Rijkspostspaarbank en aankoop van Nederlandsche staatsfondsen aan toonder als wijze van belegging toelaat.

Men achtte het, in navolging van art. 648 van het Ontwerp van 1820, wenschelijk ook van de ontvangsten melding te maken, die de voogd als kapitaal in handen krijgt, b. v. afgeloste schulden.

De aanvang der drie maanden is zoowel ten opzichte van deze soort van inkomende gelden als van de gewone inkomsten met nauwkeurigheid bepaald.

Tweede lid. — Het ontwerp verbindt aan het verloop van den termijn, zonder dat belegd is, slechts een vermoeden van nalatigheid. Kan de voogd aantoonen, dat het renteloos blijven liggen niet aan hem te wijten is (art. 649 Ontw. van 1820), of dat het onder de |toen bestaande omstandigheden raadzaam was, het geld bij de hand te hebben, dan werkt de bepaling niet meer in zijn nadeel. De strijdvraag, of de nalatige voogd interessen te betalen heeft over den

ee

ocr page 394

234

verstreken wettelijken termijn, of eerst over den verderen tijd — zie Diepiiuis, Burg. Regt, Dl. V. bl. 431 , C. Asser , Handleiding, bl. 403 — is in laatstgenielden zin opgelost. Het tijdvak is trouwens zoo veel korter: het laten verloopen van drie maanden heeft op verre na niet de beteekenis van het laten verloopen van een geheel jaar.

Derde en vierde lid. — De voornaamste wijziging, die het ontwerp in de tweede alinea van art. 449 B. W. brengt, bestaat hierin, dat het met betrekking tot aankoopen van vast goed alleen die van landerijen , of liever, landelijke eigendommen , toelaat. De reden ligt voor de hand: de waarde van huizen is te wisselvallig. Het Wetb. Nap. v. Holl. en het Ontwerp van 1820 behelsden dezelfde beperking. Zie art, 344 van het eerste, art. 648 van het tweede.

Met de in het Grootboek ingeschreven nationale schuld heeft men gelijk gesteld schuldbrieven der geldleeningen, door den Staat of onder zijn waarborg aangegaan. De verplichting tot in bewaring geving, waaraan ook deze effecten onderworpen zullen zijn, schijnt die uitbreiding genoegzaam te rechtvaardigen.

Voor kleinere sommen is de Rijkspostspaarbank aangewezen. Dat men van die instelling ook hier poogt partij te trekken, zal wel algemeen worden goedgekeurd.

Wat de hypotheken betreft, wordt bij de voorgestelde redactie uitgedrukt, wat art. 449 B. W. vermoedelijk bedoelt, maar niet zegt, namelijk dat alleen eerste hypotheken aan den eisch voldoen. — Het Wetb. Nap. v. Holl. en het Ontwerp van 1820 vorderen, in aansluiting aan het voorschrift omtrent aankoopen, ook landelijke eigendommen als onderpand. Dit achtte men de voorzichtigheid te ver drijven. Om intusschen het aan mogelijke depreciatie verbonden gevaar als het ware geheel op te heffen, eischt het voorgedragen artikel ecne onbezwaarde waarde, in plaats van voor een derde, voor de helft.

Vijfde lid, — Wenscht de voogd zich het bewijs te verschaffen, dat hij bij den aankoop van landerijen met de noodige voorzichtigheid of bij geldschieting op hypotheek overeenkomstig het derde lid van dit artikel heeft gehandeld, dan schijnt het billijk, dat op de schatting, die hij met dat oogmerk heeft laten doen, bij de eindrekening niet kan worden teruggekomen.

Art. 436.

Over de beteekenis en strekking van het eerste lid van art. 459 B. W. wordt veel getwist. Inzonderheid over de gevolgen eener zuivere aanvaarding namens den minderjarige. Kunnen alsdan derden, door den voogd in rechte aangesproken, op de niet-naleving van dat artikel eenè niet-ontvankelijkheid gronden? Zie arrest van den Hoogen Raad van 5 Dec. 1873, Ned. Regtspr. Dl. 105, § 37. Moet ook de voogd de verklaring van art. 1075 B. W. ter griffie van de arrondissements-rechtbank uitbrengen , of zijn daartoe alleen verplicht de gewone erfgenamen , die de kenx hebben tusschen de zuivere en de beneficiaire aanvaarding? Moeten bij de aanvaarding voor minderjarigen ook de verdere regelen van den veertienden titel van het tweede boek in acht genomen worden? Zie arrest van den Hoogen Raad van 12 Januari 1877, Ned. Regtspr., Dl. 115, § 4.

De oplossing dier verschillende vragen behoeft, meent men, de hier vast te stellen tekst

ocr page 395

235

niet te bevatten. Het is voldoende te kennen te geven, dat, wat de voogd ook doe, de minderjarige de aan het voorrecht van boedelbeschrijving verbonden voordeelen niet verliest , m. a. w. dat hij niet verder gehouden is tot de betaling der schulden en lasten van de nalatenschap, dan tot het beloop van de waarde der goederen, welke zij bevat, enz. Bij de bepalingen omtrent de aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving kan dan worden voorzien, in welke gevallen de verplichtingen der gewone beneficiaire erfgenamen door tie voogden moeten worden nagekomen.

De in denzelfden geest gestelde § 50 der Pruisische wet luidt: «Der Mündel wird der « Rechtswolthat des Nachlassverzeichnisses bei einer ihm angefallenen Erbschaft durch Handlungen «oder Unterlassungen des Vonnundes nicht verlustig.»

Art. 437.

Bij het tweede lid van art. 459 en bij de artt. 460 en 465 B. WT wordt telkens naar art. 451 B. W. verwezen. Samenvatting dier bepalingen in e'en artikel levert een korteren vorm en een gemakkelijk overzicht op.

Bij den aanhef wordt de kantonrechter van het domicilie des voogds als de bevoegde aangeduid, met het oog op den twijfel, waartoe, bij vast goed, de ligging daarvan aanleiding geven kan. De bepaling is in overeenstemming met hetgeen ten aanzien van zoodanig, aan minderjarigen toebehoorend, goed -door de gezaghebbende schrijvers wordt geleerd. Zie, behalye Diki'huis , Bury. Recjt, V, bl. 424, Opzoomer, Bury. Recht, II, bl. 369,- nog S.vvign'Y, System, VIII, s. 345.

Nquot;. 1. Ten aanzien van onroerende goederen schijnt de uitdrukking; «vervreemden of hezwarenn boven «vervreemden of verpanden)) te verkiezen. En wat de roerende betreft, meende men, dat «bezwaren», ofschoon voor in pand geven niet gebruikelijk, dit toch mag te kennen geven. De thans gebezigde uitdrukking «verkoopen of overdragen» is in elk geval verkeerd. Op «effecten, aandeelen en inschulden» heeft men «andere onlichamelijke roerende zaken» laten volgen , minder uit vrees voor onvolledigheid dan uit voorzorg tegen mogelijke spitsvondigheid. Zoo doet ook de Fransche wet van 28 Februari 1880, die «rentes, « actions, obligations et autres meubles incorporels quelconques» opnoemt.

N0. 4. De hier voorgestelde wijziging van art. 460 B. W. is ontleend aan art. 676 van het Ontwerp van 1820. Den voogd te verbieden eene onvoorwaardelijk gedane gift op eigen gezag aan te nemen, gaat te ver; waar hem de geheele opvoeding van den minderjarige toevertrouwd is, vertrouwe men ook, dat, wanneer redenen van kieschheid er toe moeten leiden eene gift te weigeren, de voogd dit zal beseffen , en hij den pupil niet zal blootstellen aaiji de voor diens eergevoel krenkende verhouding, waarop de Regeering in 1823 tot ondersteuning van haar voorstel wees (Voorduin, III, blz. 122).

Is de reden voor rechterlijke tusschenkomst gelegen in de beoordeeling van de lasten of voorwaarden, die aan de schenking verbonden zijn, dan moeten makingen met schenkingen worden gelijk gesteld. Evenmin is opheldering noodig voor de uitbreiding van het voorschrift

ocr page 396

236

tot de weigering der toegedachte voordeelen. Waarom de bestaande wet de machtiging niet vordert voor het weigeren eener schenking, terwijl zij het wel doet voor het verwerpen eener erfenis, is raadselachtig.

IV0. 5. Er bestaat verschil van gevoelen over de vraag, of art. 19 W. B. Rv. voor toepassing vatbaar is, wanneer in naam van minderjarigen wordt geprocedeerd. Het ontwerp, aannemende, dat zij bevestigend moet worden beantwoord, zondert dat geval bepaaldelijk uit, ten einde te voorkomen , dat de schikking van gemeld artikel, die ontwijfelbaar eene dading is, na door de rechtbank te zijn goedgekeurd, ook nog aan de goedkeuring des kantonrechters zou worden onderworpen.

De opdracht van de beslissing der zaak aan scheidsmannen wordt niet langer met dading gelijk gesteld; omdat die in vele contracten, vooral bij verzekering, gebruikelijk is, en het tot moeielijkheden zou kunnen leiden , indien de voogd daartoe telkens verlof behoefde.

Naar aanleiding van de bekende strijdvraag, of de opgedragen eed als eene dading te beschouwen is, is de vraag overwogen, of het rechterlijk verlof niet ook voor die opdracht moest worden gevorderd. Een daartoe strekkend voorschrift is niet voorgedragen, omdat bij verzuim van den voogd om het verlof te vragen, de minderjarige, zoo hij later tegen de opdracht opkwam, met het gevolg, dat de daarop steunende rechterlijke uitspraak verviel, te veel verwarring zou kunnen stichten en soms derden een onverdiend nadeel toebrengen. De bepalingen van het ontwerp brengen dus mede, dat, zoo de voogd lichtvaardig van den bedoelden eed gebruik maakt, hij tegenover den minderjarige aansprakelijk zal zijn, maar de zaak geen ander gevolg heeft.

Het bestaande wetboek schrijft onvoorwaardelijk verhoor, althans behoorlijke oproeping van den toezienden voogd en de bloed- en aanverwanten voor. Gaat men echter de onderscheidene gevallen na, en bedenkt men, dat de aanleiding om het verlof te vragen soms ontstaat , nadat de voogd reeds jaren het vermogen van den minderjarige heeft beheerd, dan valt in het oog, hoe vaak de raadpleging van den familieraad niets dan nutteloozen omslag zal veroorzaken. Het tweede lid van het artikel laat het daarom van den rechter afhangen, of bij de bedoelde raadpleging al of niet wil bevelen.

Wat den toezienden voogd betreft, is de zaak eene geheel andere. Van hem, die op de hoogte der financieele omstandigheden van den pupil blijft, laat zich een advies verwachten, op kennis van zaken gegrond. De bepaling, strekkende om hem te doen hooren, mag dus haar karakter van gebiedend voorschrift niet verliezen. Het kan echter gebeuren, dat, terwijl hij niet bij de hand is, onverwijld gehandeld moet worden, b. v, in tijden van politieke beroering en dergelijke, wanneer het geraden kan zijn, zich onmiddellijk van het een of ander effect te ontdoen. In zoodanige gevallen kan de slotbepaling van het artikel nuttig werken.

Art. 438.

Waarom, naar art. 452 B. W., de voogd een staat van de goederen van den minderjarige moet overleggen, wanneer hij onroerende goederen wil verkoopen , en niet, wanneer hij ze wil verpanden of effecten vervreemden, is niet duidelijk. Is de formaliteit in het eene geval nuttig.

ocr page 397

237

dan is zij het ook in de andere. Het voorschrift behoort dus in dit opzicht te worden uitgebreid. Daarentegen schijnt de toepassing er van te kunnen worden beperkt tot de gevallen, waarin de rechter haar noodig acht. Overigens dient het stuk, om aan het oogmerk te beantwoorden, al de bezittingen van den minderjarige te vermelden, zoodat, wanneer b. v. het •verzoek strekt om een stuk land te verkoopen, de rechter kan nagaan, of er onder de effecten geene zijn. waarvan de verkoop betrekkelijk voordeeliger is. De voorgestelde redactie heft de onduidelijkheid van art. 452 B. W. omtrent hetgeen op den staat gebracht moet worden op.

Tweede lid. — De uitdrukking van art. 451 B. W. «klaarblijkelijk voordeel» is vervangen door «aanmerkelijk voordeel of dreigend nadeel». Al moge, in het afgetrokkene, het afweren van een nadeel een «voordeel» kunnen genoemd worden, het schijnt verkieslijk duidelijk te laten uitkomen, dat men beiden bedoelt. Voorts vindt men hier de oplossing van den hekenden twijfel, of het kapitaal van den minderjarige mag worden aangesproken om in de kosten van zijn onderhoud en zijne opvoeding te voorzien. De Pruisische wet zegt bij eene opzettelijke bepaling: «Reichen die Einkünfte nicht aus, so kann das Stammvermögen angegriffen werden»; en daarvoor valt dit te zeggen, dat het tevens slaat op de gevallen, waarin geen verlof te pas komt, maar op nieuw zou moeten worden belegd, b. v. bij aflossing eener schuld. Men vleide zich echter, dat, indien de tegenwoordige bepaling het beginsel in zijne meest voorkomende toepassing huldigt, de algemeene toepasselijkheid daarvan niet zal worden betwijfeld.

Art. 439.

Men heeft gemeend voor de wettelijke formaliteiten, vervat in deartt. 453, 454 en 456 B. W., in de plaats te mogen stellen de opdracht aan den rechter om in elk voorkomend geval de daarvoor passende voorschriften te geven.

De overweging der veranderingen, die de bestaande wet met betrekking tot het verlof om ondershands te mogen verkoopen zou moeten ondergaan , voerde als van zelf tot dat besluit. Immers het vereischte ten aanzien van onroerende goederen, dat de verkoop daarvan alleen kan worden toegestaan, wanneer de toeziende voogd en de verschenen bloed- en aanverwanten dien eenparig goedkeuren , moest al dadelijk vervallen, als geheel in strijd met het stelsel van dit ontwerp omtrent de roeping van den familieraad. Op het verhoor volgt thans eene benoeming van drie deskundigen tot schatting van het bedoelde goed; de oproeping en beëediging dier personen; in den regel een schriftelijk ter griffie overgebracht bericht; een daarop gegrond nader verzoek met de eindelijk voor uitvoering vatbare beschikking des rechters. Er zijn ongetwijfeld vele gevallen, waarin die voorafgaande waardeering nuttig en noodig is, en het ligt dan ook volstrekt niet in de bedoeling haar af te schaffen: wat het ontwerp alleen beoogt, is, dat ze kunne achterwege blijven , wanneer ze overbodig is. Met de voorgestelde bepaling stemt overeen § 44 der Pruisische wet.

Art. 440.

Art. 455 B. W., waaraan dit artikel beantwoordt, ziet hoofdzakelijk op het geval, dat de verkoop van vast goed, tot boedelreddering of scheiding noodig, krachtens art. 1122 B. W.

ocr page 398

238

bevolen wordt. Zoodanig bevel sluit natuurlijk machtiging in , en men zou kunnen vragen, of het wel noodig is dit in de wet uit te drukken. Intusschen, nu het Burgerlijk Wetboek de bepaling behelst, achtte men het niet kwaad haar te behouden. Overigens volgt uit de redactie, bij vergelijking met die van art. 455 B. W., dat ook de voogd op eigen gezag de in art. 1122 B. W. bedoelde beschikking uitlokken kan, en daarmede gelijk worden gesteld alle andere gevallen, waarin de verkoop krachtens een rechterlijk bevel geschieden moet.

Art. 441.

Toen bij de beraadslagingen over art. 457 B. W. er op aangedrongen werd, dat het den voogd onvoorwaardelijk verboden zou zijn, onroerende goederen van den minderjarige te koopen, antwoordde de Regeering, dat zoodanig verbod zeer dikwijls ten nadeele van den pupil zou strekken, «omdat de voogd, welke meestal een der naaste bloedverwanten is, in sommige «gevallen lichtelijk een hoogeren prijs dan een vreemd persoon zal uitloven, ten einde een «voorvaderlijk kasteel, huis, pachthoeve of andere bezitting, welke dikwijls sedert eeuwen de «eigendom zijner familie geweest is, te behouden». Voorduin, III, bl. 118, 119. Iets dergelijks kan tegen liet gebiedend voorschrift tot koop in openbare veiling ingebracht worden. Men stelle zich den ouderen broeder als voogd voor: met zijne pupillen is hij eigenaar van het eenige stuk onroerend goed, waarin vroeger door de ouders, thans door hem, eene affaire uitgeoefend wordt* Aller belang brengt mede, dat hij voor een billijken prijs kooper wordt, maar thans kan dit niet anders dan in openbare veiling, waarna nog de kostbare formaliteiten van art. 454 B. W. moeten plaats hebben. — Maar ook onder andere vormen kan zich het geval voordoen, dat onderhandsche verkoop aan den voogd in het belang van den minderjarige is. Het ontwerp laat dus den bedoelden onderhandschen verkoop toe op denzelfden voet als art. 458 B. W. den voogd veroorlooft de onroerende goederen van den minderjarige te huren, namelijk na goedkeuring der bepalingen van de overeenkomst door den kantonrechter. Dat, wanneer die goedkeuring verleend is, de handeling zelve met den toezienden voogd voltrokken wordt, behoeft niet uitdrukkelijk gezegd te worden ; het volgt uit art. 394 Ontw.

Met openbare verkooping is openbare verhuring gelijk gesteld; wat van de eene geldt, geldt ook van de andere.

Art. 442.

Volgens de artt. 1482 en 1490 B. W. zijn verbintenissen, door minderjarigen aangegaan, niet absoluut nietig, maar kunnen op eene door hen of van hunnentwege gedane vordering binnen vijfjaren na den dag hunner meerderjarigheid worden nietig verklaard. Of handelingen, door den voogd zonder inachtneming der wettelijke formaliteiten gesloten, absoluut nietig zijn, zegt de wet nergens uitdrukkelijk, en is dus thans onzeker. Het ontwerp bedoelt beide gevallen gelijk te stellen. Op zich zelf is de voogd, die den minderjarige vertegenwoordigt en zijn vermogen beheert, tegenover derden bevoegd om over de goederen van zijn pupil te beschikken; zoo dit recht in bepaalde gevallen beperkt is, is deze beperking voorgeschreven in het belang van den pupil. Indien deze na zijne meerderjarigheid in de zaak berust, zou het met de goede trouw

ocr page 399

239

strijden, dat derden zich tegenover hem konden beroepen op het ontbreken eener formaliteit, die alleen te zijnen behoeve voorgeschreven is; en zelfs zou dit het geval wezen, indien hij het deed zonder daarbij belang te hebben. Blijkt mitsdien in de voor zoodanige regeling vatbare gevallen , dat de handeling geen nadeel aan den minderjarige veroorzaakt heeft, dan wordt de vordering tot nietigverklaring afgewezen.

Dat, zoolang hij zijne meerderjarigheid niet bereikt heeft, het recht om nietigverklaring te vorderen wordt gegeven aan den toezienden voogd, die geroepen is om zijne belangen waar te nemen, als de voogd dit verzuimt, en aan den opvolger van den voogd, zal geene verklaring behoeven. De voogd zelf zou niet zonder schending der goede trouw zich tegenover hem, met wien hij gehandeld heeft, op zijn eigen verzuim kunnen beroepen.

Even duidelijk is het laatste lid; waar alles afhangt van de opvatting, die de meerderjarig gewordene zich vormt aangaande de wenschelijkheid om nietigverklaring uit te lokken , zou het niet te pas komen, indien, nadat hij eens zijn wil heeft kenbaar gemaakt, hetzij hij zelf of anderen op die goedkeuring konden terugkomen.

Dat de relatieve nietigheid niet alleen in de gevallen der artt. 437 en 439 Ontw., maar (in strijd met het arrest van den Hoogen Raad van 21 Januari 1881, Ned. Regtspr., Dl. 127, § 7) ook voor art. 441 Ontw. aangenomen is, berust op de overweging, dat ook hier de beperkte bevoegdheid bij den voogd niet bestaat, voor zoover hij als kooper of huurder is opgetreden, maar voor zoover hij (of de toeziende voogd) verkocht of verhuurd heeft. Bovendien geldt ook voor dit geval de redeneering, dat de machtiging alleen voorgeschreven is in het belang van den pupil, en het in strijd zou zijn met de goede trouw, indien de voogd ze f of derden zich, in strijd wellicht met dat belang, beroepen konden op het gemis eener formaliteit, te zijnen behoeve voorgeschreven.

Art. 443.

Zal men de goedkeuring, bedoeld bij art. 458, tweede lid B. W., alleen vorderen voor verkrijgingen onder bezwarenden titel of ook voor schenkingen? Prof. Opzoomer, Burg. Recht, II, bl. 373, treedt als beslist voorstander van het eerste op. «Het zou toch al te erg zijn, en zeker ■( ieder van de voogdij afschrikken, wilde men hem dwingen de handen zoo gesloten te houden, « dat niemand bij machte was er die rechten geheel om niet in te leggen.», Daartegen valt echter op te merken , dat de reden van het voorschrift ligt in het misbruik, dat de voogd zoo gemakkelijk van een recht of beweerd recht tegenover zijn pupil maken kan. En dit, gevaar is niet minder, wanneer hij het verkrijgt door of onder den schijn van schenking, dan door andere overeenkomsten.

De gelegenheid voor den voogd om zich steelsgewijs ten nadeele van den pupil te verrijken is ook ruimschoots aanwezig, wanneer tusschen beiden de onderlinge verhouding bestaat van gerechtigde krachtens zakelijk recht tot eigenaar. Mag de voogd de goederen van den minderjarige niet zonder goedkeuring huren, het moet hem evenmin vrijstaan, zonder die goedkeuring , op die goederen een erfpachtsrecht of de uitoefening van het recht van vruchtgebruik te verwerven.

Dat hier, in tegenstelling tot het vorig artikel, absolute nietigheid bedreigd is, had zijnen grond daarin , dat in dit geval de overeenkomst door den voogd niet wordt gesloten als ver-

ocr page 400

240

tegenwoordigcr van den minderjarige, maar in privé' met een derde. Hoe zou deze re# inter alio» op verzoek van den minderjarige vernietigd kunnen worden? Daar komt bij, dat, indien men den minderjarige op dezen grond eene exceptie tegen zijn vroegeren voogd gaf, hiervan het onbillijk gevolg zou wezen, dat hij van de geheele schuld ontheven werd. Terwijl toch de gewezen voogd niet ontvankelijk werd verklaard, zou de oorspronkelijke schuldeischer geene vordering kunnen instellen, daar hij, door hetgeen hij voor zijne inschuld ontvangen heeft, bevredigd is, en de overeenkomst tusschen hem en den cessionaris hare volle kracht behoudt. De schade zou dus geheel neerkomen op den voogd; hetgeen (ofschoon in overeenstemming met bet Romeinsche recht en ook voor het Fransche recht aangenomen) onbillijk en niet in verhouding tot het door hem gepleegd verzuim gerekend werd.

Art. 444.

Dit artikel wijkt slechts op ondergeschikte punten van art. 461 B. W. af.

Als beginsel is aangenomen: de verkregen goedkeuring dekt voor wat de procedure in eersten aanleg betreft; eene nieuwe goedkeuring is noodig om de beslissing des eersten rechters of van dien in hooger beroep te bestrijden, niet, om zich in appel of cassatie te verweren.

De beslissing, of de voogd persoonlijk in de proceskosten moet worden veroordeeld, is geheel aan het oordeel des rechters overgelaten. Dat daartoe alle aanleiding bestaat, wanneer hij zonder redelijken grond hel geding heeft aangevangen of volgehouden, moge waar zijn ; toch hangt ook bij behoud dier woorden alles zoozeer van verschillende omstandigheden af, dat ze veilig gemist kunnen worden.

Het laatste lid van art. 461 B. W. is weggelaten. Het onderzoek, of de voogd door valsche voorgevens of verberging der waarheid het verlof verkregen heeft, is voor den rechter, die de proceskosten in het geding regelt, zoo moeielijk, dat het beter is daarvan te zwijgen. Van zelf spreekt, dat in zoodanig geval bij de voogdijrekening het verlof niet als afdoende geëerbiedigd behoeft te worden. De schade, door den voogd op zulk eene wijze te kwader trouw aan den pupil berokkend, zal hij dan zeker moeten vergoeden; maakt men echter hier van dit gevolg der misleiding gewag, dan zou men op andere plaatsen tot een verkeerd gebruik van het argumentum a contrario aanleiding kunnen geven.

Art. 445.

Toen de Regeering bij de herziening van het wetboek in 1832 de artt. 461 en 462 voordroeg, zooals ze thans luiden, merkte eene der afdeelingen van de Staten-Generaal op, dat, evenals bij art. 461, het aan den voogd in het geval van art. 462 moest vrijgelaten worden, of hij zich door den kantonrechter wil doen machtigen , daar de rechtsvorderingen zeer gegrond kunnen zijn , en dan geen onnoodige kosten behooren gemaakt te worden om de machtiging te bekomen.

De Regeering verdedigde hare voordracht met er op te wijzen, dat «alsnu de rechter «en het openbaar ministerie amhtxhaloe zullen moeten toezien, of aan het voorschrift der wet lt;( is voldaan , en de berusting in den eisch niet zal worden aangenomen, indien de voogd niet

ocr page 401

241

«daartoe is gemachtigd». Voorduin, III, 1)1. 124, 125. — Eene zonderlinge voorstelling, waarbij men zich afvraagt, wat het gevolg zal zijn, wanneer de rechter de berusting van onwaarde zal hebben verklaard, en hoe de voogd dan genoodzaakt wordt de vordering te blijven tegenspreken.

Het artikel is dan ook overeenkomstig het reeds in 1832 aangegeven denkbeeld gewijzigd. Het rechtsgevolg, dat daarbij aan eene gunstige beschikking verbonden wordt, schijnt het meest in harmonie met het beginsel van het vorige artikel, waar de goedkeuring de strekking heeft den voogd van zijne verantwoordelijkheid te ontheffen. Het vermoeden, dat hier te zijnen voordeele wordt geschapen , zal in verreweg de meeste gevallen afdoende zijn. Mocht hij zich van onware of onvolledige opgaven hebben bediend om de goedkeuring te verkrijgen, dan moet het natuurlijk wijken.

Op de artt. 461 en 462 B. W. volgt de bepaling, dat de voogd zonder verlof van den kantonrechter geen scheiding of deeling mag vragen, maar wel op een zoodanigen eisch tegen den minderjarige antwoorden.

In het ontwerp is zij niet overgenomen. Thans wordt, ingeval van afwijzende beschikking, de voogd genoodzaakt om het beheer te voeren met deelgenooten, waarvan hij, misschien omdat hij er niet mede overweg kan, zich heeft willen losmaken. \rt. 1112 B. W. houdt de zoo verstandige bepalingen in, dat niemand zijns ondanks in een onverdeelden boedel behoeft te blijven, en ten allen tijde boedelscheiding kan worden gevorderd. Bestaat er nu voldoende reden, om ruimte te laten voor eene uitzondering in het geval, dat de vertegenwoordiger van een minderjarige, met betrekking tot het beheer over diens goederen, de bedoelde bron van oneenigheid wil vermijden? Zal, door hem dit te weigeren, eene goede waarneming dei-belangen van den pupil bevorderd worden? Het antwoord op die vragen kan niet anders dan ontkennend zijn, ook omdat de minderjarige tegen benadeeling bij de scheiding zelve beveiligd wordt door het toezicht van den kantonrechter.

Art. 446.

Blijkens zijne geschiedenis heeft art. 466 B. W. tot grondslag een instituut van het vroegere recht, het hoelhouderschap, waarvan het echter geen zuivere toepassing is. Het bepaalde doel, waartoe de voortgezette gemeenschap tusschen den langstlevenden der ouders en de minderjarigen thans strekt, vindt men als zoodanig niet aangegeven, en evenmin schijnt het Oud-Hollandsch recht te hebben toegelaten het onderwerp der gemeenschap tot eene nering of eene fabriek te beperken, zooals naar art. 466 B. W. geoorloofd is. Men vergelijke J. D. Meijer «over de gevolgen der gecontinueerde gemeenschap tusschen den langstlevenden der echtgenooten «en de erfgenamen van den eerstgestorvenen naar Oud-Hollandsch en Costumier Begt». Bijdr. tot Regtsg. en IVetg., dl. VI, bl. 58 en vlgg., bepaaldelijk bl. 105.

Men heeft gemeend de zaak geheel van dat vroegere recht te mogen losmaken. Wat voorgesteld wordt, is daarom niets nieuws. Beeds art. 358 Wetb. Nap. v. Holl. bepaalde; «eene «koopmanschap, handwerk of nering, door den overledene gedreven of geoefend, mag door den « voogd tot onderhoud der minderjarigen worden aangehouden, doch niet anders dan met goed-

ff

ocr page 402

242

«keuring van de weeskamer of lief. gerecht». Onder de nieuwe codificatiën verdient vooral de Pruisische wet de aandacht. Zij vordert de rechterlijke goedkeuring «zur Veriinderung oder «Auflösung, sowie zur Neubegründung oder Uebernahme eines Erwerbsgeschafts » , maar steunt overigens op het denkbeeld, dat de voortzetting in het belang van den minderjarige is, zoodat daarvoor geen vergunning te pas komt. Art. 290 Ital. Wetb. schrijft als regel de liquidatie voor, maar laat met rechterlijke goedkeuring het voortzetten toe.

Het voorgedragen artikel spreekt insgelijks enkel van voortzetten, maar de redactie omvat het geval, dat, gedurende de voogdij, b. v. een aandeel in eene fabriek aan den minderjarige opkomt.

Art. 447.

Om de controle van den toezienden voogd naar behooren te verzekeren, moest hem het recht worden gegeven openlegging der boeken te vorderen, eene bepaling, meer bijzonder noodig voor het geval dat de zaak voor rekening van den minderjarige met derden voortgezet wordt, omdat alsdan het voorschrift ook tegen die derden moet werken. Wel kan dit voor hen eene ernstige belemmering in hunne vrijheid van handelen worden; zij zullen zich daaraan echter moeten onderwerpen, daar zij dit gevolg konden voorzien bij het sluiten van een vennootschapscontract, dat hen tot het opnemen van minderjarige medegerechtigden verplicht.

Men heeft zich afgevraagd, of men in overweging zou geven art. tl W. v. Kh. in den aangegeven zin aan te vullen of wel het recht hier vaststellen. Voor het laatste valt ten minste even veel te zeggen als voor bet eerste. De bepaling is dus in het ontwerp opgenomen, terwijl men getracht heeft de redactie zoo in te richten, dat de derogatie aan gemeld art. 11 er duidelijk door wordt te kennen gegeven.

Art. 448.

Het tweede lid van art. 466 B. W. noemt onder hen , op wier verzoek het verlof kan worden ingetrokken , in dc eerste plaats den voogd. Dit laat zich, niettegenstaande hier sprake is van een verlof, verklaren , omdat het op een ongelegen tijdstip opheffen van een toestand, dien de voogd, door van het verlof gebruik te maken , heeft te weeg gebracht, nadeel voor den minderjarige kan opleveren. Men heeft echter gemeend eerstgenoemden geheel vrij te moeten laten om de zaken te vereffenen, wanneer, naar zijne inzichten, hare verdere voortzetting niet wenschelijk is. Om nietige redenen zal hij daartoe wel niet overgaan.

Behalve aan den toezienden voogd, is het recht om intrekking te vragen ook gegeven aan de naaste verwanten. Terwijl de gevallen, waarin het verlof verleend zal kunnen worden, zoozeer zijn uitgebreid, vordert het belang van den minderjarige, dat ook de mogelijkheid om aan eene nadeelige onderneming een einde te maken , vergemakkelijkt wordt.

Voldoet de voogd niet aan het voorschrift om bij verlies van dertig percent op niéuw verlof te vragen , dan ligt het op den weg van den toezienden voogd de intrekking te verzoeken. Die stap leidt dan tot hetzelfde resultaat als had de voogd zich tot den rechter gewend, want oordeelt deze de verdere voortzetting in het belang van den minderjarige, dan beschikt hij afwijzend, hetgeen op hetzelfde neerkomt, als had hij het verlof op nieuw verleend.

ocr page 403

243

NEGENDE AFDEELING.

Art., 449.

Art. 467 B. W. noemt de rekening, door den voogd bij het einde van zijn beheer te doen, slotrekening en verantwoording, in tegenstelling met de als summier aangeduide rekening van art. 429. Vermits het ontwerp zulk eene summiere rekening niet kent, zou de uitdrukking lt;(slotrekening» verkeerd wezen; overigens wordt de zaak zelve volledig door de redactie uitgedrukt.

Dat de voogd «bij het eindigen van zijn beheer» rekening doet, is onveranderd uit de bestaande wet overgenomen, omdat bet, niettegenstaande het nieuwe beginsel, in art. 367 Ontw. uitgesproken, tot geen misverstand aanleiding geven kan. Gelijk daar herinnerd werd, heeft ieder kind zijn eigen vermogen, waarover wel krachtens eene zelfde kwaliteit, maar toch afzonderlijk beheer wordt gevoerd. Zoodra dus ieder minderjarige meerderjarig wordt of sterft, eindigt het over zijn vermogen gevoerd beheer, en moet aan hem of zijne rechtverkrijgenden rekening worden gedaan ; zelfs zonder dat dit laatste, gelijk thans in bet eerste lid van art. 468 B. W., uitdrukkelijk gezegd wordt.

Bij het tweede lid is door eene kleine verandering van redactie de schijn vermeden, aan het laatste lid van art. 468 B. W. klevende, alsof drie categorieën van uitgaven , namelijk 1°. noodzakelijke, 2°. betamelijke, 3°. behoorlijk gerechtvaardigde, aan den voogd zouden behooren te worden goedgedaan. Daar doctrine en jurisprudentie eenstemmig van oordeel zijn, dat laatstgenoemde eisch niet zóó te verstaan is, als zou voor elke uitgaaf, ook die, waarvan eene kwitantie gewoonlijk niet genomen wordt of niet verkrijgbaar is, een bewijssstuk aanwezig moeten zijn, heeft men gemeend beter te doen met zich aan den bestaanden, eene vaste beteekenis verworven hebbenden wetstekst aan te sluiten, dan aan dien van art. 695 Ontw. 18-0.

Bij het derde lid zijn wegens billijkheidsgrouden ook de kosten van kwijting opgenomen onder die, welke de voogd «voorschiet», en die dus later ten laste van den meerderjarig gewordene komen.

Art. 450.

Men is uitgegaan van het denkbeeld, dat, als een vóór de minderjarigheid afgetreden voogd rekening heeft gedaan aan zijn opvolger, de kwijting van dezen zijn voorganger moet dechargeeren, omdat de opvolger door zijne goedkeuring die rekening dan voor zijne verantwoording neemt, en voor de ten onrechte verleende decharge aansprakelijk zal zijn jegens dén pupil. Den voorganger desniettemin nog tien jaren na de meerderjarigwording aan verhaal blootgesteld te laten , scheen onbillijk.

Daar, ingeval van voogdij over minderjarigen, die door eene instelling van weldadigheid verpleegd worden, het bestuur dier instelling als college voogd is, schijnt er geen plaats voor de misvatting, als zou alsdan met den «opvolger in de voogdij» van het tegenwoordig artikel zijn aangeduid het nieuwe lid, dat in het college eene vacante plaats komt innemen. Geeft misschien zoodanige verwisseling aanleiding tot eenige rekening en verantwoording in den boezem van het bestuur, dan zal dit eene bloot inwendige bestuursaaugelegenheid wezen, vreemd aan het voogdijrecht: eerst waar de slotbepaling van art. 386 of wel art. 402 Ontw.

ocr page 404

244

toepasselijk wordt, eindigt, bij voogdij van besturen, «de voogdij in den persoon van den voogd», en kan uit dien hoofde voogdijrekening te pas komen.

Artt. 451—453.

Deze artikelen beoogen wel geene volstrekte verandering van bet bestaande, maar toch eenige wijziging. Men beeft namelijk, op bet voetspoor der jurisprudentie, de algemeene de'charge gelijkstellend met overeenkomst (traité genoemd in art. 472 G. G-) omtrent de voogdij, getracht de waarborgen tegen overijlde goedkeuring door den pas zelfstandig geworden pupil te vermeerderen, zonder de rust der families in gevaar te brengen. De pupil zal steeds de rekening, ook de meest ondeugdelijke, kunnen goedkeuren, maar öf eerst na zes maanden, öf na voorlichting van den kantonrechter; doet hij het, in beide gevallen mag men aannemen, dat hij dan weef, wat hij doet.

Opgemerkt zij ten allen overvloede, dat door het voorschrijven van deze formaliteiten geen wijziging wordt gebracht in de bevoegdheid, om van den nalatigen rekenplichtige rekening in rechte te eiscben, of om, hij nalatigheid in het beslissen op eene ontvangen rekening, het opnemen daarvan met de'charge te vorderen. Want nalatig kan de voogd, die rechtstreeks of door bemiddeling van den kantonrechter zijne rekening indient, niet zijn. Eu evenmin als thans een gerendeerde nalatig kan zijn in het goedkeuren, zoolang de termijn van art. 470 B. W. niet is afgeloopen, evenmin zal hij nalatig kunnen wezen zoolang öf de zes maanden na het rechtstreeks ontvangen der rekening, of de tien dagen na het verschijnen voor den kantonrechter niet verstreken zijn.

Nietig en van onwaarde noemt art. 470 B. W. elke overeenkomst, waarbij de daar gegeven voorschriften niet zijn in acht genomen. Toch zijn die woorden bijna algemeen uitgelegd als slechts eene betrekkelijke nietigheid aanduidende. Men heeft gemeend, bij het ontwerp aan de niet-inachtneming volstrekte nietigheid te moeten verbinden, en deze bedoeling ondubbelzinnig te moeten uitdrukken, door hetzelfde woord te gebruiken als in art. 443 Ontw. Alleen zij opgemerkt, dat ook bij het stelsel van volstrekte nietigheid een onwillekeurig verzuim van formaliteiten den voogd toch niet langer dan tien jaren na de meerderjarigheid aan eene actie blootgesteld laat.

De kantonrechter, in het bezit zoo van de rekening en justificatoiren als van de tweejaar-lijksche staten, zal in staat zijn den pupil omtrent de waarde der rekening voor te lichten. Het is, om overlegging dier staten aan den kantonrechter mogelijk te maken zonder medewerking van den toezienden voogd, dat bij art. 392 Ontw. is voorgeschreven deze in duplo op te maken.

De teruggaaf van den inventaris der stukken, van dagteekening en visum des kantonrechters voorzien, verschaft den voogd een bewijs, dat hij door tusschenkomst van den rechter rekening heeft gedaan, zoodat hij geene zes maanden op de'charge behoeft te wachten, en tot dagvaarden bevoegd is, indien die de'charge niet volgt. De gewaarmerkte inventaris heft tevens de anders aanwezige bedenkelijkheid op, om de justificatoiren der rekening te doen afgeven alvorens deze is goedgekeurd. De gerendeerde zou, door achterhouding van eenig bewijsstuk, slechts een vermoeden in zijn nadeel scheppen. Het waarmerken der rekening en bescheiden waarborgt den voogd, dat op zoodanige dagvaarding de pupil niet andere stukken als van den rendant afkomstig kunne voorbrengen.

ocr page 405

245

Art. 454.

Dit artikel stemt, behoudens eenige aanvullingen, overeen met art. 472 B. W. Het schijnt weinig andere toelichting te vereischen dan eene verwijzing naar de artt. 711 en 712 Ontwerp 1820, waaraan het laatste lid ontleend is. Men besloot de slotwoorden van art. 472 te behouden, al volgt daaruit, dat ook voor eenen reeds lang afgetreden voogd de termijn van verjaring eerst met de meerderjarigheid van den pupil aanvangt; men achtte dit geen bezwaar, omdat die voogd zijnen opvolger heeft kunnen dwingen (met het hierboven ad art. 450 Ontw. aangeduid gevolg) tot opneming van rekening.

Daarentegen dient rekenschap gegeven te worden, waarom art. 471 B. W. niet is overgenomen. Geen rendant van rekening is (tenzij in het geval van art. 774 B. Rv.) tot oplegging van saldo verplicht, zoolang zijne rekening niet goedgekeurd is. Heeft de sluiting plaats door middel van een rekening-proces, dan heeft de gewezen pupil, die durfde dagvaarden, stellig zedelijken moed genoeg om ook renten te eischen: die zaak kan dus veilig aan het gemeene recht worden overgelaten. Evenzoo, indien eerst na verloop van zes maanden eene minnelijke sluiting volgt, daar die termijn wordt voorgesteld juist in de meening, dat zoodanig tijdsverloop voldoende is om den gewezen pupil tot volkomen zedelijke onafhankelijkheid te doen geraken. En wanneer de sluiting vroeger plaats heeft, dan is het op initiatief van den voogd, die, zich tot den kantonrechter wendende, blijk gaf zijnerzijds afdoening te verlangen, en wel niet dan tegen saldobetaling aan zijn pupil de van dezen verlangde algeheele buitengerechtelijke decharge krijgen zal. Heeft de rendant gedagvaard om de rekening op te nemen en te sluiten, dan zouden van rechtswege loopende renten te zijnen laste onbillijk zijn. In het aangenomen stelsel bestaat dus geene reden om het gemeene recht, bij het tweede lid van art. 471 B. W. op den voogd toegepast, niet eveneens voor den gewezen minderjarige te doen gelden.

ZESTIENDE TITEL.

Van handlichting.

Een, zoo al niet noodzakelijk, toch natuurlijk gevolg van het vervroegen der meerderjarigheid is, dat de venia aetatis gemist kan worden. Daar toch art. 475 B. W. een leeftijd van twintig jaren vordert voor hem, die brieven van meerderjarigverklaring wil verkrijgen, en verlaging hiervan niet aanbevelenswaardig is, zou, bij behoud van dat rechtsinstituut, slechts één jaar overblijven, waarin het verleende voorrecht van toepassing zou kunnen zijn. Voor de afschaffing pleit bovendien, dat het middel in den regel met geen ander oogmerk wordt te baat genomen, dan om bij boedelscheidingen de formaliteiten, voorgeschreven voor het geval, dat er minderjarigen bij betrokken zijn, te kunnen vermijden. Of het in zulke gevallen altijd gunstig werkt, mag met reden betwijfeld worden.

Ook tegen het behoud van de zoogenaamde beperkte handlichting werden bij de behandeling

ocr page 406

246

der wet van 4 Juli 1874 (StbL n0. 91) bezwaren ingebracht. Het valt dan ook niet te ontkennen , dat er iets onregelmatigs ligt in den toestand van iemand, die gedeeltelijk meerderjarig en gedeeltelijk minderjarig is. De minister de Vkies merkte echter destijds te recht op, dat de geldelijke omstandigheden van vele familiën de achttienjarige zoons als het ware dwingen om voor hun eigen onderhoud te zorgen , of in dat van het ouderlijk gezin bij te dragen. Ook ziet men dikwijls jongelieden tusschen de achttien en een-en-twintig jaren, tot onderwijzers of ambtenaren aangesteld, zich zoo uitmuntend van hunne plichten kwijten, en tevens zooveel zelfstandigheid aan den dag leggen , dat men de maatschappij ondienst zou doen, door hen, wanneer zij zich door eenig vak van handel of nijverheid aangetrokken voelen , de bekwaamheid lot handelen te onthouden, die hun dan vaak onmisbaar is.

Dit een en ander schijnt voldoende ter rechtvaardiging van het voorstel om de bestaande instelling te handhaven , maar enkel als middel om de uitoefening van een bepaald beroep of bedrijf mogelijk te maken. Thans kan, ook zonder dat hiervan sprake is, de minderjarige volgens art. 484 B. W. bevoegd worden verklaard tot de ontvangst en uitgave zijner inkomsten en het sluiten van verhuringen. Behoud dezer soort van handlichting, die historisch in verband staat met de oude emancipatie, en nog in het Ontwerp van 1820 (art. 722) en het Wetboek van 1830 (art. 527) op den voorgrond werd gesteld, maar waarvan in de practijk weinig of geen gebruik wordt gemaakt, scheen onnoodig. Door geene andere wijze van handlichting in het ontwerp op te nemen dan die in eene werkelijk bestaande behoefte voorziet, wordt eene alleszins gerechtvaardigde vereenvoudiging aangebracht.

Dat niets in de benaming verhindert er voortaan slechts onder te verstaan, wat tot dusver «beperkte handlichting» heette, behoeft nauwelijks te worden gezegd.

Art. 455.

De aanwijzing van den bevoegden rechter in het tweede gedeelte van hel artikel houdt, voor wat de beide laatste bepalingen betreft, verband met het tweede lid van art. 352 en art. 370 Ontw. Voor de gevallen, waarop de daaraan voorafgaande alinea betrekking heeft, moest een voorschrift gegeven worden in overeenstemming met hetgeen elders voor soortgelijke toestanden is vastgesteld.

Art. 456.

De rechter, die op een verzoek om handlichting heeft te beschikken, zal vóór alles wenschen tot klaarheid te brengen, of de minderjarige de noodige zelfstandigheid en kennis van zaken bezit, om zijne geldelijke belangen , voor zoover hij geroepen kan worden er voor te zorgen, behoorlijk waar te nemen, en voorts, of de beschikking over geld, die het doen van zaken meebrengt, hem met gerustheid kan worden toevertrouwd. Omtrent die punten kan het oordeel der moeder dikwerf evenveel waarde hebben als dat des vaders. Van daar dat het wensohelijk is, haar, al oefent zij het ouderlijk gezag niet uit, te hooren, hetgeen ook geenszins in strijd is met de beginselen, bij den veertienden titel aangenomen, omdat het bij zaken van

ocr page 407

247

gewicht meer is voorgeschreven. Het stelsel van dien titel vordert alleen, dat niet bloot de band des huwelijks, maar ook die van het huwelijksleven nog tusschen de echtgenooten in stand zij. Voor het verhoor van beide ouders bestaat bovendien, in dit geval, deze afdoende grond, dat de handlichting in botsing komt met het wettelijk vruchtgebruik, dat, volgens art. 359 Ontw. niet enkel toekomt aan hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, maar aan heiden.

Uit het voorafgaande volgt tevens, dat de moeder, die, het ouderlijk gezag uitoefenende, zich krachtens art. 354 Ontw. van het beheer laat ontheffen, om die reden het recht om haar gevoelen uit te brengen niet behoort te verliezen.

Voor dat verlies mag zelfs de ontneming van het beheer krachtens art. 355 Ontw. geen voldoende reden zijn. Immers hij, dien zoodanige maatregel treft, blijft niettemin gerechtigd om de opvoeding van het kind te besturen , en het wettelijk vruchtgebruik wordt er niet door opgeheven.

Dat de kantonrechter, behalve omtrent den persoon van den minderjarige, nauwkeurig omtrent diens financieele positie moet worden ingelicht, spreekt van zelf. Het ontwerp beveelt daarom verhoor van den aan den vader of de moeder toegevoegden raadsman; in het geval van art. 343 Ontw., van den man der moeder, als medebeheerder; in het geval van voogdij, van den toezienden voogd; in dat van art. 356 Ontw., van den beheerder. Streng genomen, zou men wellicht ook de oproeping van den aan dezen toegevoegden raadsman hebben moeten gelasten; het ontwerp doet het echter niet, omdat in het hier bedoelde geval altijd de ouders of althans e'én hunner gehoord zullen worden, en dezen omtrent de bezittingen van den minderjarige voldoende inlichtingen kunnen geven om die van den beheerder te kunnen controleeren.

Volgens het eerste lid van art. 481 B. W. moet er verhoor van de bloedverwanten en aangehuwden plaats hebben, ook wanneer beide ouders in leven zijn. Vermits echter het bier-voren aangehaalde artikel 351 Ontw. enkel verhoor der ouders, maar van beiden, voorschrijft , meende men, dat ditzelfde ook hier moet gelden. De familieraad is er dus buiten gelaten in de gevallen, waarin de samenwoning der echtelieden niet is opgeheven, en zij geacht worden met gemeen overleg de opvoeding hunner kinderen te bestieren.

Het laatste lid, bij de wet van 4 Juli 1874 [SM. n0. 91) in het Burgerlijk Wetboek gebracht, is, niettegenstaande de bezwaren, bij de behandeling dier wet, en later daartegen aangevoerd, behouden. Daar men mag aannemen, dat de gevallen, waarin een vader of moeder, in strijd met het belang van hun werkzaam en oppassend kind, halstarrig hunne toestemming weigeren, tot de groole zeldzaamheden beboeren, bestaat er geen voldoende grond, om het ontzag, dat kinderen aan hunne ouders verschuldigd zijn, door den wetgever te laten verzwakken, en daartoe zou bet wederopheffen van het bedoelde recht van veto ontwijfelbaar strekken. Daarenboven zou die opheffing tot het stuitend gevolg kunnen leiden, dat eene eenvoudige beschikking van den kantonrechter, waarbij tegen den wil van hem, die het ouderlijk gezag uitoefent, de handlichting wordt verleend, de ouders, zonder dat zij zich iets te wijten hebben, voor het geheel of voor een gedeelte zou kunnen berooven van het vruchtgebruik

ocr page 408

248

van de goederen van hun kind. Eindelijk vergete men niet, dat het voorschrift het verleenen der handlichting slechts dan onmogelijk maakt, wanneer de vader of moeder opkomen, om hun veto ten overstaan van den kantonrechter uit te spreken. Verschijnen zij, onverschillig om welke reden, niet, dan kan de rechter gunstig op het verzoek beschikken. Dit is in het tegenwoordige ontwerp nog duidelijker dan in de bestaande wet, omdat de bepaling zich aansluit aan die, welke op de verhooren betrekking heeft.

Art. 457.

De inhoud van dit artikel beantwoordt aan het bij de inleiding gezegde omtrent het doel, waartoe de handlichting uitsluitend zal dienen; terwijl de omslachtige bewoordingen, thans in art. 484 B. W. voorkomende; «het bebouwen zijner landerijen en het uitoefenen van zoodanige bedrijven als daartoe noodzakelijk zijn, het uitoefenen van eenig handwerk, het oprichten van-of deelnemen in eenige fabriek, en eindelijk het drijven van nering en handel», kortelijk zijn samengevat in de enkele uitdrukking «beroep of bedrijf».

Waarom de aan den minderjarige te verleenen bevoegdheid, naar het tweede lid van art. 484 B. W., verder mag reiken, wanneer de handlichting strekt om eene fabriek, nering of handel te drijven, dan wanneer zij gevraagd wordt om landerijen te bebouwen, of een handwerk uit te oefenen, is niet duidelijk. Misschien moet de verklaring worden gezocht in verouderde, economische inzichten. Wat daarvan zij, er is geen grond om de verschillende takken van bedrijf, waaraan een minderjarige kan verlangen zich te wijden, niet op gelijke lijn te stellen.

Zooals het artikel nu luidt, zou daarmede eene bepaling als art. 482 B. W. niet, of althans slechts in zekeren zin en tot zekere hoogte kunnen geacht worden te strooken. Dit artikel is daarom niet overgenomen. Daarentegen is gevolg gegeven aan de meermalen gemaakte opmerking, dat het niet genoeg moet zijn, b. v. het oprichten van eene fabriek in het algemeen toe te staan, maar dat moet uitgedrukt worden, welke bepaalde fabriek, of althans van welken bepaalden aard, bedoeld is.

Wat betreft de uitzonderingen op den regel, dat de minderjarige na bekomen handlichting met eenen meerderjarige gelijk staat, inzonderheid die, welke de wet van 1874 aan de eenige, welke het artikel vroeger bevatte, heeft toegevoegd, geeft de geschiedenis dier wet volledige opheldering. In het ontwerp zijn zij uitgebreid, doordien de mogelijkheid is aangenomen, dat ook andere handelingen hij de beschikking des kantonrechters uitgesloten worden. Waar de handlichting enkel ten doel heeft, den minderjarige in de gelegenheid te stellen tot het uitoefenen van een bepaald beroep, maar overigens zijn rechtstoestand in geenerlei opzicht wijzigt, is het wenschelijk hem de bevoegdheid te onthouden tot alle handelingen, waarvan men reeds vooruit kan aannemen, dat zij tot bereiking van het voorgestelde doel onnoodig zijn. Overigens zij, voor wat dit punt en tevens voor wat het derde en vierde lid aangaat, naar de geschiedenis der wet van 1874 verwezen.

Eene bepaling, overeenkomende met art. 483 B. W., aan het tegenwoordige artikel te laten voorafgaan, of er op te laten volgen, heeft men onnoodig geacht. Het is waar, een der

ocr page 409

249

voornaamste punten van verschil tusschen de Fransche emancipatie en de beperkte handlichting ligt in het door den Nederlandschen wetgever aangenomen beginsel, dat de minderjarige onder de vaderlijke macht of voogdij blijft, waarom de wet hem dan ook voor de waarneming zijner belangen buiten de grenzen der handlichting geen curator of anderen vertegenwoordiger toevoegt; maar dit beginsel, waarvan het uitspreken zijn nut kon hebben bij het invoeren onzer wetgeving, is, naar men meent, reeds onmiskenbaar vervat in het verband van dezen titel met de beide vorige.

Art. 458.

Dat de minderjarige recht heeft om over de verdiensten of de winst te beschikken , die hij zich door zijn beroep of bedrijf verwerft gt; ligt in den aard der zaak en behoeft niet te worden uitgedrukt. Dit artikel betreft dan ook veeleer hetgeen hij als bedrijfskapitaal in zijne zaken noodig heeft. Men rekende het overbodig daaromtrent, na het voorafgaande artikel, nog eens afzonderlijk vast te stellen, dat, wanneer degene, die het vermogen van den minderjarige beheert, onwillig of nalatig is om het bepaalde bedrag ter beschikking van dezen te stellen, de minderjarige zelf hem daartoe in rechte kan aanspreken.

Artt. 459, 460

Het eerste ontwerp der wet van 1874 droeg de bevoegdheid tot intrekking der handlichting aan den kantonrechter op, en bevatte de bepaling, dat de rechter zijne beschikking bij voorraad van kracht zou kunnen verklaren, niettegenstaande hooger beroep, hetgeen noodig scheen ten einde den minderjarige te beletten het middel van appel aan te grijpen, om, in afwachting van de beslissing des hoogeren rechters, zich aan nieuwe verkwistingen schuldig te maken.

Dit stelsel ontmoette vele bedenkingen, die de Regeering wel niet toegaf, maar toch kwam zij, op andere gronden, tot het resultaat, dat opdracht aan de rechtbank, met uitsluiting van hooger beroep, de voorkeur verdient. Waar dit laatste stelsel de overhand heeft behouden, en beide regelingen hare licht- en schaduwzijde hebben, is het niet wenschelijk, aan eene beslissing der wetgevende macht van betrekkelijk zoo jonge dagteekening te tornen.

Het recht om de • intrekking te vragen is, in overeenstemming met de bepalingen van art. 456 Ontw., toegekend aan hen, wier verhoor op een verzoek om handlichting te verkrijgen bij dat artikel verplichtend is gesteld, met uitzondering alleen van de verwanten, die als familieraad opgeroepen worden. Deze moeten een zoo krenkenden maatregel, als de intrekking der handlichting is, niet kunnen uitlokken, wanneer zij, die gezag over den minderjarige uitoefenen, en zij, die deze laatsten daarbij ter zijde staan, stilzitten.

Als bevoegde rechtbank is diegene aangewezen, onder wier rechtsgebied de minderjarige zijn beroep of bedrijf uitoefent. Deze heeft de beste gelegenheid tot zoodanig onderzoek, als voor eene juiste beslissing wordt gevorderd.

Art. 461.

Dat zoowel de handlichting als hare intrekking niet vóór de openbaarmaking tegen derden

gg

ocr page 410

250

werken, is ontleend aan het bestaande recht, en wenschelijk, omdat beiden in de rechtsbevoegdheid der betrokken personen gewichtige veranderingen brengen. De wijze van openbaarmaking is in overeenstemming met hetgeen elders in soortgelijke gevallen is vastgesteld.

ZEVENTIENDE TITEL.

Van curateele.

In verband met de bezwaren, tot welke de toepassing van de bepalingen over curateele aanleiding gaf, en de gebreken of leemten, welke zij in die bepalingen aan het licht bracht, betreffen de belangrijkste veranderingen, welke in dezen titel worden voorgesteld, den tot de ondercnrateelestelling leidenden procesgang, de gevolgen der ondercurateelestelling en hare opheffing.

Over de plaatsing van den krankzinnige in een gesticht moet het Burgerlijk Wetboek zwijgen, nu die plaatsing van ondercurateelestelling of een daartoe gedane aanvraag onafhankelijk is geworden door de wet van 1841, in dit opzicht door die van 1884 bevestigd. Daarentegen behoort de ondercurateelestelling van krankzinnigen, die in een gesticht geplaatst zijn, voor zoover deze bijzondere bepalingen vereischt, in het Burgerlijk Wetboek te worden geregeld. Dat dergelijke bepalingen in de wet van 27 April 1884 {Stbl. n#. 96) tot regeling van het Staatstoezicht op krankzinnigen werden opgenomen, mag wel daarvan het gevolg zijn, dat het Burgerlijk Wetboek de plaatsing in een krankzinnigengesticht alleen van die krankzinnigen toelaat, wier curateele door den rechter is uitgesproken of althans is aangevraagd.

Art. 462.

De di'ie ook thans aangenomen redenen van ondercurateelestelling — waarvan de tweede in art. 488 B. W. wordt in verband gebracht met de personen, die tot het vragen van ondercurateelestelling bevoegd zijn — zijn in dit artikel saamgevat.

Voor zoover uit het imperatieve voorschrift van het eerste lid van art. 487 B. W. en het facultatieve van quot;bet tweede lid kan worden afgeleid, dat de rechter in geval van behoorlijk bewezen krankzinnigheid de curateele zou moeten uitspreken, terwijl dit in geval van behoorlijk bewezen verkwisting aan zijn oordeel, in verband met de omstandigheden van het bijzonder geval, zou zijn overgelaten , is de aldus gemaakte onderscheiding niet gerechtvaardigd.

Achtte de wetgever een imperatief voorschrift voor de ondercurateelestelling van krankzinnigen in dien zin noodig, dat hunne ondercurateelestelling niet achterwege zou mogen blijven, dan had hij of den rechter ambtshalve tot ondercurateelestelling bevoegd moeten verklaren, óf althans de bevoegdheid om de ondercurateelestelling te vragen lot eene verplichting moeten maken. Dit laatste heeft hij in het Burgerlijk Wetboek slechts in e'e'n geval gedaan (art. 489, eerste lid), waarin echter niet zoozeer voor ondercurateelestelling, als wel voor maatregelen in het belang der openbare veiligheid noodzakelijkheid bestaat.

ocr page 411

251

Voorts werd de verplichte ondercurateelestelling afgeleid uit art. 20 der wet van 29 Mei 1841 {Sthl. n0. 20), doch die bepaling werd in de wet van 1884 niet weder opgenomen, nadat hare ondoelmatigheid in § 6 van de Memorie van toelichting tot het ontwerp dier wet overtuigend was aangetoond.

Uit de voorgestelde bepaling volgt nu alleen dit; wanneer de ondercurateelestelling van den rechter wordt gevraagd, wordt zij door hem uitgesproken, indien eene der door de wet aangenomen redenen van curateele blijkt te bestaan.

N0. 1. — In overeenstemming met de wet van 1884 is geene bepaling van het begrip krankzinnigheid gegeven, maar alleen gewezen op het gevolg van dien toestand, waardoor de ondercurateelestelling wordt gerechtvaardigd.

N0. 2. — De twijfel, waartoe het vierde lid van art. 488 B. W., in verband met vroegere ontwerpen en wetten (Wetb. Nap. v. Holl., art. 400, 2°., Ontw. 1820, art. 733), aanleiding geeft, is door de uitdrukkelijke vermelding van «aanhoudende kwalen, lichaamsgebreken of hoogen ouderdom» opgeheven. Dat ook hierdoor iemand buiten staat kan geraken om zijne belangen behoorlijk waar te nemen, leert de ondervinding.

N0. 3. — De in het algemeen aan ieder toekomende bevoegdheid om vrijelijk over het zijne te beschikken, laat ook verkwisting toe, mits zij niet aan anderen schade dreigt toe te brengen. Dit is het geval, wanneer zij van zoodanigen aard is als hier wordt aangeduid. Immers dan zal de verkwister komen ten laste van verwanten, die door de wet tot zijn onderhoud verplicht zijn, of zich daartoe zedelijk verplicht mogen achten, of van den openbaren onderstand. Onder zulke omstandigheden wordt de ondercurateelestelling des verkwisters gerechtvaardigd. Vergel. Ontw. 1820, art. 732, 2°. — Gewoonte van dronkenschap, meende men, ook op grond van de bovenstaande overwegingen, niet als zelfstandige reden van ondercurateelestelling te moeten aannemen.

Art. 463.

Het tweede lid is nieuw. Evenals art. 371 Ontw. de mogelijkheid opent om voor minderjarige Nederlanders, die in het buitenland domicilie hebben, hier te lande een voogd te benoemen, behoort er gelegenheid te bestaan om, wanneer daartoe aanleiding is, meerderjarigen, die in hetzelfde geval verkeeren , hier onder curateele te stellen. Dit wordt gevorderd door het beginsel van art. 6 Alg. Bep.; maar kan ook zeer noodig zijn, vooral wanneer hij, die vreest door een dergelijken maatregel getroffen te zullen worden, met het oog daarop zijn domicilie naar het buitenland overbrengt, en zijn verblijf aldaar nog te kort geduurd heeft, om het verzoek met eenige kans op goeden uitslag voor den vreemden rechter aanhangig te maken.

De Duitsche Civilprozessordnung geeft in § 594 de bevoegdheid om de curateele van een Duitscher, die in het buitenland woont, bij de rechtbank van zijn laatste domicilie in Duitschland aan te vragen , onbeperkt. Zoo ver gaat het ontwerp niet. Het schijnt onbillijk, iemand , die sedert geruimen tijd het land verlaten heeft, te noodzaken om hier een wellicht moeielijk, maar

ocr page 412

252

zeker onaangenaam proces over den toestand zijner geestvermogens te voeren ; terwijl het ook voor den rechter, die altijd moet beginnen met een zelfstandig onderzoek dienaangaande, meer en meer moeielijk wordt, zich de noodige gegevens daartoe te verschaffen.

Art. 464.

Wanneer de ondercurateelestelling van een krankzinnige noodzakelijk is, is zij dit niet alleen in het belang van dien krankzinnige, maar evenzeer in het openbaar belang. Daarom behoort aan het openbaar ministerie, zonder eenige beperking, de bevoegdheid te worden toegekend om de ondercurateelestelling te vragen. Dit brengt evenwel de uitsluiting van echtgenoot of bloedverwanten niet mede. Voor zoover deze geacht kunnen worden door hunne betrekking tot den krankzinnige meer van nabij met diens toestand bekend te zijn, en in diens belang te willen handelen, kan tevens het openbaar belang door hunne tusschenkomst uitnemend bevorderd worden.

Is er aldus voor gezorgd, dat het aanvragen der curateele nooit achterwege behoeft te blijven, dan is er ook geene reden meer om aan eiken bloedverwant de bevoegdheid toe te kennen om het verzoek te doen. Eerder is er aanleiding om, met de bloedverwanten tot een beperkten graad (waarvoor de zesde is aangenomen), aanverwanten in denzelfden graad daartoe gerechtigd te verklaren. Het optreden van aanverwanten mogelijk te maken is niet alleen wen-schelijk voor het geval dat bloedverwanten ontbreken , maar ook omdat voor hen min bezwarend kan wezen datgene te doen , wat hier ter voldoening aan een familieplicht te verrichten is.

Am. 465—476.

De voorgedragen procedure tot ondercurateelestelling wegens krankzinnigheid wijkt vooral hierin van de bestaande bepalingen af, dat zij in eersten aanleg tot eene zaak van vrijwillige rechtspraak gemaakt, en alleen in hooger beroep aan de regelen van een gewoon geding onderworpen is.

Ofschoon onze wetgever, op het voorbeeld van den Franschen, haar als een gewoon geding beschouwt, is toch, gelijk de afwijkingen, welke hij zelf noodzakelijk achtte, duidelijk aan-toonen gt; de vorm der vrijwillige rechtspraak meer overeenkomstig met haren bijzonderen aard.

Bovendien, iet men op de materieele zijde van het onderzoek, dan kan de rechter hier niet door de voordrachten van partijen gebonden worden ; hij mag zich met de formeele waarheid niet tevreden stellen , maar moet zijn onderzoek op materieele waarheid richten. Wat de formeele zijde van het onderzoek aangaat, de ondervraging van den onder curateele te stellen persoon en het hooren van deskundigen , waardoor de rechter voornamelijk tot een juist oordeel in staat gesteld moet worden, kan hij ambtshalve doen plaats hebben , en voor zoover hij meer licht behoeft, is tot de aanwending van de daartoe noodige middelen noch het initiatief, noch de tusschenkomst van den verzoeker noodig.

In verreweg de meeste gevallen zal, wanneer eene ondercurateelestelling langs den aangewezen weg werd uitgesproken, van geen betwisting sprake zijn, en kan zij alzoo in den regel op eenvoudiger en minder kostbare wijze dan thans tot stand komen. Voor de enkele gevallen

ocr page 413

253

van betwisting kunnen de dan eerst noodzakelijke meerdere waarborgen van een geding op tegenspraak in het appel worden gevonden. Z.eer oneigenaardig ware het, het hooger beroep in dit geval bij verzoekschrift te doen aanbrengen.

De voorgestelde regeling wordt niet te meer vertrouwen als eene verbetering van de bestaande beschouwd, omdat zij in hoofdzaak overeenstemt met die, welke in het reeds aangehaalde Duitsche wetboek, § 593 en vlgg., wordt aangetroffen.

Art. 465.

Art. 491 B. W. spreekt van hewijsstukken (pieces justificatives) en getuigen. « Aanwijzing «van de middelen, waardoor die feiten kunnen worden bewezen», drukt dezelfde gedachte uit, doch daarbij wordt niet verlangd, wat, gelijk vooral met hewijsxtukken het geval is, niet altijd aanwezig is.

Art. 466.

Dit artikel stemt zakelijk overeen met art. 492 B. W., in zoover geen onderzoek door den rechter wordt ingesteld, wanneer niet een zooveel mogelijk gerechtvaardigd vermoeden voor het beslaan der krankzinnigheid kan worden aangenomen. Doch de rechter behoeft daartoe niet alleen op de aangevoerde feiten af te gaan. Om hem met meerdere zekerheid over de ontvankelijkheid van het verzoek te doen oordeelen, is hem, evenals in § 597 van het Duitsche wetboek, de bevoegdheid toegekend om de overlegging van eene verklaring van een geneeskundige te gelasten.

Overigens zal de rechter in de opgegeven feiten of in het verslag slechts de aanleiding vinden tot het nader onderzoek. Hij is daaraan niet gebonden, maar is, gelijk reeds boven ontwikkeld werd, geheel vrij in het onderzoek, dat hij ambtshalve instelt.

Verhoor van verwanten is niet, als in art. 492 B. W., verplicht. Een advies van den familieraad over de ondercurateelestelling behoeft de rechter niet, en of juist de bloedverwanten en aange-huwden omtrent den toestand van den onder curateele te stellen persoon opheldering zullen kunnen geven, is onzeker. Mocht dit werkelijk het geval zijn , dan heeft de rechter natuurlijk door art. 468, derde lid, Ontw. de bevoegdheid, om hen , evenals alle anderen , van wie hij inlichtingen meent te mogen verwachten, daartoe voor zich te roepen.

Art. 467.

De persoonlijke ondervraging is zeker een gewichtig element voor 's rechters oordeel. Doch een onbeperkt voorschrift zou, streng genomen, de ondercurateelestelling in sommige gevallen onmogelijk maken, in andere tot onnoodigen omslag aanleiding geven, soms op den onder curateele te stellen persoon nadeelige uitwerking hebben. Daarom is, evenals in § 598 van het Duitsche wetboek, aan 's rechters oordeel overgelaten, haar niet te doen plaats hebben, indien hij bevindt, dat zij om de eene of andere reden niet uitvoerbaar zou zijn.

Hetzelfde geldt van den bijstand van geneeskundigen bij het onderzoek. In den regel zal deze den rechter bij zijne ondervraging van groot nut zijn, doch hij zal dit in ieder geval zelf

ocr page 414

254

hebben te beoordeelen, gelijk art. 34, n®. 4, der wet van 1884 dit bepaalt ten aanzien van de ondervraging dergenen , die in een gesticht geplaatst zijn. Ook blijve de rechter vrij in de keuze van den geneeskundige, zelfs wanneer de ondervraging in een gesticht plaats heeft, al zal ook in de meeste gevallen de bijstand van den geneeskundige van het gesticht door hem ingeroepen worden.

In het algemeen zal het wel van de omstandigheden afhangen, of de ondervraging aan een rechter-commissaris wordt opgedragen. Men meende alleen dan de rechtbank de verplichting daartoe te moeten opleggen, wanneer de ondervraging geschiedt in de woning van den onder curateele te stellen persoon, ten einde het aantal dergenen, die bij de ondervraging tegenwoordig zijn, zooveel mogelijk te beperken.

Opdracht van de ondervraging aan een kantonrechter is niet toegelaten, ten einde de rechtbank altijd mededeeling kunne ontvangen van de persoonlijke indrukken, welke de rechtercommissaris bij zijne ondervraging verkreeg.

Art. 468.

De noodzakelijkheid, althans wenschelijkheid, van een advies van deskundigen, tot waarborg tegen ongegronde ondercurateelestelling, zal moeieiijk kunnen betwist worden. Het is in § 599 van het Duitsche wetboek onbepaald voorgeschreven, en wordt in het ontwerp als regel voorgesteld. Alleen dan kan eene nadere voorlichting overbodig schijnen, wanneer de rechter, gebruik makende van de hem in art. 4G6 Ontw. verleende bevoegdheid, reeds vóór den aanvang van zijn onderzoek zich eene geneeskundige verklaring heeft doen overleggen. Of daarna een nieuw advies noodig zal zijn, is eene vraag, die in elk voorkomend geval aan 's rechters oordeel overgelaten moet worden.

Omtrent de wijze, waarop de deskundigen hunne voorlichting zullen geven, is aangenomen, dat dit zoowel mondeling als schriftelijk kan geschieden. Het oordeel ook daarover hangt van allerlei omstandigheden af, die op de keuze invloed kunnen uitoefenen.

Dat de rechter buiten de deskundigen ook andere personen ondervragen kan, wier verhoor hij noodig acht, is een gevolg van het hem opgedragen zelfstandig onderzoek. Deze ondervraging treedt in de plaats van het thans gebruikelijke getuigenverhoor.

Art. 469.

Deze bepaling staat in onmiddellijk verband met het toegelaten hooger beroep.

Art. 470.

Dat de procedure tot ondercurateelestelling ten aanzien van hen, die in een krankzinnigengesticht zijn opgenomen, op enkele punten kan afwijken van die, welke in gewone gevallen gevolgd wordt, is een denkbeeld, ontleend aan art. 34 der wet van 27 April 1884 (Sthl. n0. 95). Toch zijn die afwijkingen in aantal verminderd; hoofdzakelijk een gevolg daarvan, dat enkele bepalingen, bij die wet voorgeschreven voor de daar bedoelde krankzinnigen, in het ontwerp tot algemeene voorschriften gemaakt zijn. Zoo is de tegenwoordigheid van een geneesheer bij het

ocr page 415

255

verhoor van den onder curateelc te stellen persoon, in n0. 4 der wet van 1884 vermeld, reeds als regel opgenomen in art. 467 Ontw.; terwijl de noodzakelijkheid der onder de nos 2, 5 en 7 aangebrachte vereenvoudigingen verviel, doordien de geheele procedure thans vergemakkelijkt is.

De voornaamste afwijking, die overbleef, is ontleend aan n0. 1 der wet van 1884, en bestaat hierin, dat de procedure aanvangt met de overlegging van een beredeneerd verslag van den geneesheer van het gesticht. Zulk een verslag zal uit den aard der zaak vollediger kunnen, maar ook moeten zijn, dan de enkele verklaring, wier overlegging de rechter overeenkomstig art. 466 Ontw. in gewone gevallen gelasten kan. Met haar vervalt daarom de noodzakelijkheid om in het verzoekschrift of requisitoir feiten op te geven en bewijsmiddelen aan te wijzen ; en is voor den rechter de meest geschikte grondslag verkregen , naar aanleiding waarvan hij zijn onderzoek instellen kan. Dat dit onderzoek zelf ten aanzien van hen, die in een gesticht verpleegd worden, even noodig is als bij andere krankzinnigen , zal niet ontkend worden: van de artt. 466 en 468 Ontw. wordt dan ook niet verder afgeweken, dan dat de geneeskundige verklaring, die nevens het beredeneerd verslag overbodig zou zijn, vervalt (nrs. 1, 3, 5).

Eene tweede afwijking (n0. 2, overeenstemmend met n0. 3 der wet van 1884) betreft de beteekening. Ware het mogelijk, die altijd tot den persoon zelf, wiens ondercurateelestelling gevraagd wordt, te richten, dan zou dit zeer wenschelijk zijn; zeker is het van belang, dat de ihhoud van het verzoekschrift of requisitoir te zijner kennis komt. Toch dienen voor de gewone procedure ook hier de regels van de artt. 1 en vlgg. W. B. Rv. behouden te blijven, wil men niet een in vele gevallen onuitvoerbaar voorschrift geven : alleen wanneer hij zich in een gesticht bevindt, is de zaak anders, ofschoon ook dan op zijn toestand gelet moet worden. De wijze van beteekening, indien zij niet aan den persoon zelf kan gedaan worden, is in zoover veranderd , dat ze niet meer aan het bestuur, maar aan den hoofdbeambte geschiedt: dit is eenvoudiger en geeft dezelfde waarborgen.

Als laatste afwijking is onder n0. 4 opgenomen, dat de ondervraging van hem, wiens curateele verzocht is, zal geschieden door de rechtbank van het arrondissement, waar het gesticht gelegen is. Waar de duidelijke woorden van art. 467 Ontw. elke opdracht aan den kantonrechter onmogelijk maken , scheen eene dergelijke bepaling niet overbodig.

Art. 471.

De thans in art. 495 B. W. aan de rechtbank gegeven bevoegdheid, om, na de ondervraging van hem, wiens ondercurateelestelling verzocht is, een provisioneelen bewindvoerder te benoemen, is uitgebreid tot eiken stand der zaak, waarin de rechtbank dien maatregel noodig acht: dus, indien daartoe aanleiding is, ook reeds vóór de ondervraging.

Voorts is het artikel aangevuld door omtrent de mogelijkheid om de vrouw tot bewindvoerster te benoemen, de beperking van de rechtsbevoegdheid van den onder curateele te stellen persoon, en den aard van het door den bewindvoerder te voeren beheer, eenige voHMohrifte.i op te nemen, ontleend aan hetgeen in de artt. 32 en vlgg. der wet van 1884 bepaald is i aanzien van hem, die in een krankzinnigengesticht geplaatst is, en den vooi dezen te benoemen bewindvoerder. Nadere verklaring behoeven zij overigens niet.

ocr page 416

256

Art. 472.

De noodzakelijkheid om het openbaar ministerie te hooren is opzettelijk algemeen gesteld, en ziet ook op het geval, dat de officier van justitie de ondercurateelestelling requireerde. Immers, na het indienen van zijn requisitoir moet ook hij het onderzoek aan de rechtbank overlaten.

Dat de beslissing niet meer in de openbare terechtzitting behoeft te worden uitgesproken, is een gevolg van het gewijzigd karakter der geheele procedure, die enkel kan eindigen met eene beschikking op het oorspronkelijk verzoek of requisitoir.

Art. 473.

Dat, bij afwijzing van eene door het openbaar ministerie gedane aanvraag, de kosten ten laste van den Staat moeten komen, spreekt van zelf. Het openbaar ministerie treedt immers op als orgaan van het Staatsgezag. Doch ook de echtgenoot en de verwanten komen niet voor hun eigen belang op; door hunne tusschenkomst wordt het openbaar belang behartigd. Bovendien is de verzoeker geen partij in het geding. Hij moge door zijn verzoek tot 's rechters onderzoek aanleiding hebben gegeven , op den gang der procedure heeft hij geen invloed gehad. Hij heeft het onderzoek aan den rechter moeten overlaten. Ligt daarin eene afdoende reden om in den regel den verzoeker niet te bezwaren met de kosten van een geding, dat hij niet voerde, en dus ook niet verloor, die reden vervalt, wanneer het verzoek zonder redelijken grond werd gedaan , doordien het b. v. gegrond werd op geheel onbewijsbare feiten. Ook voor deze bepaling gaf het Duitsche wetboek het voorbeeld in § 601.

quot;Wordt de curateele uitgesproken , dan brengt dat wetboek de kosten ten laste van den onder curateele gestelde; hetgeen billijk is, omdat men in dit geval moet aannemen, dat de maatregel bovenal in zijn belang werkt. Alleen bestaat de mogelijkheid, dat, ook al betreft het geen eigenlijk onvermogende, de kosten toch zoo hoog geloopen zijn, dat zij den onder curateele gestelde te zeer zouden bezwaren. De rechter wordt daarom in het ontwerp bevoegd verklaard om ze ook dan naar gelang van omstandigheden geheel of gedeeltelijk ten laste te brengen van den Staat.

Art. 474.

De nakoming der thans in art. 498 B. W. aan den verzoeker opgelegde verplichting, om het vonnis binnen tien dagen aan den onder curateele gestelde te beteekenen en in verschillende nieuwsbladen openbaar te maken, is vergemakkelijkt, doordien de griffier gehouden zal zijn, binnen zes dagen na de dagteekening der beschikking, een afschrift daarvan aan den verzoeker of den officier van justitie toe te zenden. Ook is de termijn voor de beteekening tot twintig dagen verlengd.

Dat, in plaats van de officieele dagbladen en een nieuwspapier der provincie, gesteld is het nieuwsblad, bedoeld bij art. 93 Ontw., is overeenkomstig den voor dergelijke gevallen aangenomen regel; terwijl, evenals bij art. 34, nu. 6, der wet van 1884, ten opzichte van de beteekening aan hen , die in een gesticht zijn opgenomen, hetzelfde is voorgeschreven als voor de beteekening van het verzoekschrift.

ocr page 417

257

Art. 475.

Het Duitsche wetboek bevat in de §§ 605—615 eene uitvoerige regeling van het hooger beroep, dat niet alleen door den onder curateele gestelde, maar ook door zijn echtgenoot en verwanten ingesteld kan worden, en altijd vervolgd wordt tegen het openbaar ministerie, terwijl de oorspronkelijke verzoeker in het geding geroepen wordt. Noodzakelijkheid voor eene dergelijke regeling schijnt niet te bestaan; blijkt de zaak, doordien er appel ingesteld is, van minder eenvoudigen aard te zijn, dan kan zij zeèr goed als gewoon geding behandeld worden, opdat niet alleen de onder curateele gestelde, maar ook hij, wiens verzoek tot de geheele procedure geleid heeft, in de gelegenheid zij alles aan te voeren, wat tot staving dér verschillende beweringen bij te brengen is. Alleen in zoover moeten de gewone 'regelen van procedure worden aangevuld, dat den rechter de gelegenheid niet mag onthouden worden om den onder curateele gestelde zelf te ondervragen , en zich aldus een op eigen waarneming gegrond oordeel over zijnen toestand te vormen.

Dat het hooger beroep gebonden is aan den termijn van eene maand, is wenschelijk om den rechtstoestand van den onder curateele gestelde niet te lang onzeker te laten , en stemt overeen met § 605 van het Duitsche wetboek.

Volgens § 613 van dat wetboek heeft de opheffing der curateele ten gevolge, dat zoowel de handelingen van hem, die in eersten aanleg onder curateele gesteld wérd, als die van den curator geldig blijven. Ten aanzien van eerstgenoemde volgt naar het ontwerp hetzelfde beginsel uit art. 484; voor de handelingen des curators scheen eene bijzondere regeling niét wenschelijk, omdat dezelfde moeielijkheid zich kan voordoen, indien de benoeming van een voogd of van den curator in een faillissement later vernietigd wordt. In dergelijke gevallen moet naar algemeene rechtsbeginselen geoordeeld worden.

Art. 476.

Het Duitsche wetboek geeft in § 604 aan den verzoeker en het openbaar ministerie, ook ingeval de aanvraag afgewezen is, recht van hooger beroep. Dit schijnt niet wenschelijk. Moet, ingeval van twijfel, de beslissing ten gunste van het behoud der zelfstandige persoonlijkheid uitvallen, dan is afwijzing van een hooger beroep, dat de onzekerheid van den rechtstoestand misschieh zeer lang'doet voortduren, alleszins gerechtvaardigd. Daar komt bij, dat, al is aan enkele personen uit de naaste omgeving van hem, dié vermoed wordt krankzinnig te zijn, het recht gegeven om zijne curateele te verzoeken, het toch alleen zijn belang, nooit het hunné is, dat daarbij in aanmerking kan komen. Bij afwijzing behooren zij in de gevallen beslissing te berusten: een rechtmatig belang om de zaak verder door te zetten mag bij hen niet worden aangenomen.

Artt. 477, 478,

Wanneer de curateele door den persoon zelf gevraagd wordt, is ondervraging van den verzoeker zeker noodzakelijk om den rechter te overtuigen , dat het verzoek ernstig gemeend is en de aangegeven toestand bestaat. Is nadere toelichting noodig, dan is het hooren van echt-

hh

ocr page 418

258

genoot en verwanten daartoe voldoende. Blijkt de gegrondheid van het verzoek den rechter dan nog niet, zoo zal eene afwijzing gerechtvaardigd geacht mogen worden. Doch juist omdat de persoon zelf curateele verlangt, moet in dat geval hooger beroep vrijstaan.

Artt. 479—483.

De wetgever moge met de ondercurateelestelling wegens verkwisting ten slotte het belang van den verkwister zelf bevorderen, toch wordt zij bovenal door het belang der familie zoowel uit een moreel als materieel oogpunt gerechtvaardigd. Daarom zijn de echtgenoot en de bloedverwanten tot in den vierden graad, evenals naar de tegenwoordige wet, bevoegd verklaard deze ondercurateelestelling te vorderen. Daardoor mag ook het openbaar belang, voor zoover het hierbij betrokken kan zijn, geacht worden voldoende behartigd te zullen worden. Het kwam althans niet raadzaam voor, ook aan het openbaar ministerie die bevoegdheid toe te kennen, omdat het daardoor te veel aanleiding zou hebben om zich niet de verniogensaangelegenheden der bijzondere personen te bemoeien.

De toestand van den verkwister is niet van dien aard, dat hij zich niet omtrent het hem te laste gelegde gedrag zou kunnen verantwoorden. Indien hij wil, is hij zelf tot tegenspraak bij machte. Daarom is hier geen reden , de regelen van het gewoon geding uit te sluiten, ook niet, zooals dit in het Burgerlijk Wetboek geschiedt, door de procedure voor curateele bij krankzinnigheid toepasselijk te verklaren. Wel is het niet te ontkennen, dat de rechter het ook hier van belang kan achten den persoon zelf te hooren, maar hij kan dit doel tot zekere hoogte bereiken door gebruik te maken van zijne bevoegdheid om eene persoonlijke verschijning van partijen te gelasten. Laat de verkwister verstek gaan, zoo bestaat er geen reden om aan dit verstek andere dan de gewone gevolgen te verbinden.

De benoeming van een provisioneelen bewindvoerder kan hier niet minder dan bij krankzinnigheid noodig zijn. Z,org voor den persoon komt hier evenwel niet te pas, en waar eene machtiging tot handelingen, die buiten den kring van beheer vallen, vereischt wordt, kan de onder curateele te stellen persoon zelf gehoord worden, en de omslag van een verhoor van verwanten worden vermeden.

Art. 484.

Dit artikel stemt, behoudens eenige verbetering van redactie, overeen met art. 500 B. W. In het eerste lid wordt, duidelijker dan in de tegenwoordige wet, uitgesproken, dat, indien de beschikking of het vonnis, waarbij de curateele verleend is, in hooger beroep wordt bevestigd, de curateele niet van het bevestigend arrest, maar van de eerste uitspraak werkt. In het tweede en derde lid scheen het regelmatiger, uit te spreken, welke bevoegdheden de onder curateele gestelde verliest, dan de nietigheid zijner handelingen, die slechts een gevolg van dat verlies

kan zijn, op den voorgrond te stellen.

/V

De artt. 501 en 502 B. W. zijn niet overgenomen, omdat zij schijnen te berusten op eene quot;verwarring van de gevolgen der curateele met die der krankzinnigheid. Handelingen, verricht door iemand, die niet in staat was zijn wil te bepalen, zijn op dien grond nietig; het bewijs

ocr page 419

259

van die omstandigheid in verband te brengen met de omstandigheid, dat eene curateele is gevraagd of verleend, is met de billijkheid evenzeer als met de ware rechtsbeginselen in strijd.

Art, 485.

Terwijl in het vorige artikel sprake was van burgerlijke handelingen, die met de waarneming der geldelijke belangen van den onder curateele gestelde samenhangen , was het wenschelijk, daarnaast eene regeling te treffen voor de zuiver persoonlijke rechten, die uit het familierecht voortvloeien. Als voorbeelden kan men wijzen op het recht om echtscheiding te vragen, een onwettig kind te erkennen, de benoeming of het ontslag van een voogd uit te lokken, en dergelijke.

Den curator in zulke gevallen voor den onder curateele gestelde te laten handelen, gaat niet om het geheel persoonlijk karakter dezer bevoegdheden; terwijl de vraag, of hare uitoefening aan den onder curateele gestelde zeiven zonder bezwaar kan worden overgelaten, niet vatbaar is voor algemeene beantwoording. Daarom wordt voorgesteld te onderscheiden tusschen de verschillende gronden van curateele; en den verkwister toe te staan, wat voor den krankzinnige onmogelijk zou wezen, en aan hem, die wegens zwakte van geestvermogens curateele verzocht heeft, slechts onder Zekere waarborgen geoorloofd moet zijn.

Art. 486.

De vraag, thans in art. 507 B. W. behandeld, wie de zorg voor de minderjarige kinderen van den onder curateele gestelde op zich zal nemen, is in den veertienden titel voldoende beantwoord; indien slechts vast staat, dat curateele wordt aangemerkt als een der gevallen, waarin de uitoefening van het ouderlijk gezag onmogelijk is (artt. 331, 337 Ontw.). Wat de geldelijke belangen des kinds aangaat, zou dit ongetwijfeld reeds volgen uit art. 484 Ontw.; voor het ouderlijk gezag ten opzichte van zijn persoon is het daarentegen niet zoo zeker. Het belang van het kind, dat hier meer in aanmerking komt dan het recht van den onder curateele gestelde, vordert eene regeling als de voorgedragene. De vader heeft dan boven den voogd nog althans dit voorrecht, dat, terwijl deze laatste de voogdij onherroepelijk verliest (art. 405 Ontw.), hij, bij het wegvallen van het tijdelijk beletsel, de uitoefening van zijn gezag terug krijgt.

Art. 487.

Dit artikel stemt, behoudens eenige wijziging van redactie, overeen met art. 503 B. W. Het laatste lid is ontleend aan art. 450 Ontw.

Art. 488.

Het eerste lid van art. 506 B. W. is niet overgenomen, omdat de gelijkstelling van den onder curateele gestelde met een minderjarige niet verder gaat dan de waarneming hunner geldelijke belangen, en deze Feeds in de nieuwe redactie van art. 484 Ontw. uitgesproken was;

ocr page 420

260

het tweede evenmin, omdat de artt» 86 en 194 Ontw. het geval, dat iemand, die Wegens verkwisting (of zwakheid vaji vermogens) onder curateele gesteld is, zich in het huwelijk wil begeven, op afdoende wijze regelen.

In het derde lid zijn, evenals in het thans voorgedragen artikel, de bepalingen omtrent voogdij, die daarvoor vatbaar waren, op de curateele toepasselijk verklaard. Daar deze aangeduid moesten worden mét de nieuwe nummers, waaronder zij in het ontwerp Voorkomen, is de thans bestaande onzekerheid ten opzichte van de artt. 441 en 442 B. W. van zelf vervallen,

Op art. 507 B. W. volgen thans eenige artikelen, welke om verschillende redenen in het ontwerp niet meer worden aangetroffen. Ook zonder art. 508 zal geen curator bezwaar maken, de inkomsten van een krankzinnige zooveel mogelijk te besteden om zijne genezing te bevorderen; maar heeft de krankzinnige een gezin, dan behoort de curator vrijheid te hebben om daarbij met de omstandigheden te rade te gaan. De opsluiting van een krankzinnige wordt in de wet van 25 April 1884 [Stbl. n0. 96) geregeld, die dan ook reeds de artt. 509 en 510 ingetrokken heeft; terwijl de opsluiting van een verkwister, waartoe de artt. 511-313 de gelegenheid geven, moest vervallen, als in strijd met de eischen der persoonlijke vrijheid en het zuiver financieel karakter dezer ondercurateelestelling. Eindelijk was art. 514 overbodig, daar, indien het minderjarig kind van .een onder curateele gestelde een huwelijk wil aangaan, art. 87 Ontw. hem ontheft van de verplichting om de toestemming van dezen te vragen. quot;Wiens toestemming hij daarna zal behoeven , en wiens medewerking hij voor het maken van huwelijksvoorwaarden noodig zal hebben, volgt voldoende uit de toepassing van art. 486 Ontw. op de desbetreffende bepalingen.

Artt. 489—492.

Daar de nieuwe redactie van art. 489 uitdrukkelijk eene benoeming des mans vordert, bestaat er mogelijkheid om, waar hij klaarblijkelijk ongeschikt is, waar scheiding van tafel en bed is uitgesproken, of andere gewichtige redenen bestaan , een ander aan te stellen. Ook kan er nu geen twijfel bestaan, of naast hem moet een toeziende curator worden benoemd.

De curateele over iemand, die getrouwd is, kan niet volkomen met die over een ongehuwde worden gelijk gesteld. Zelfs wanneer de andere echtgenoot benoemd wordt, maar veel meer, wanneer dit niet het gpval is, komén de rechten van den curator in botsing met dié, welke krachtens den zesden titel den anderen echtgenoot toekomen. Art. 505 B. W. voorziet daarin eenigszins door de bepaling, dat de kantonrechter, bij benoeming der vrouw tot curatrice, den vonn en de voorwaarden der besturing regelen zal. Beter is het echter alle onzekerheid te voorkomen, door in de wet zelve bepalingen daaromtrent op te nemen'.

Het meest stemt '.net de beginselen, die de. beide rechtsinstituten beheerschen, overeen, dat, zoo dikwijls de eene echtgenoot de bewilliging of medewerking van den ander tot eenige rechtshandeling behoeft, die eisch vervalt,'indien hij tot curator is aangesteld: is een vreemde benoemd, dan neemt deze de geldelijke belangen van den onder curateele gestelde waar, en komt er in zoover geen verandering in.de rechten en verplichtingen van den anderen echtgenoot.

Ziedaar den regel, waarop het billijk scheen een tweetal uitzonderingen ten behoeve der vrouw, die niet tot curatrice. benoemd is, toe te laten. De eerste betreft het beheer van het

ocr page 421

261

goed der gemeenschap, dat volgens art. 140 Ontw. den man toekomt, en dus op den curator zou moeten overgaan; het beginsel van art. 151 Ontw. vordert echter, dat de rechter in de mogelijkheid zij haar daarmede te belasten. In de tweede plaats geeft art. 145 Ontw. den man de vrije beschikking over de inkomsten der vrouw ten behoeve van de huishouding en de opvoeding der kinderen, terwijl hij de vruchten van de goederen der gemeenschap natuurlijk voor hetzelfde doel gebruiken kan. Daar bij ontstentenis van den man de vrouw aan het hoofd der huishouding komt, en de uitoefening van het ouderlijk gezag overneemt, komt haar ditzelfde recht van beschikken toe.

Art. 493.

Dit artikel wijkt van art. 515 B. W. alleen in zoover af, dat de termijn van acht jaren vervangen is dooi- den meer gebruikelijken van tien jaren, en het verzoek gedaan moet worden aan denzelfden rechter, die ook in de gevallen van art. 401 Ontw. ontslag verleent.

Artt. 494—498.

Dat de opheffing der cuiateele in art. 516 B. W., door de verwijzing naar de formaliteiten , welke de wet voorschrijft om curateele te bekomen , op gebrekkige wijze is geregeld, behoeft geen betoog. Zij vordert bijzondere bepalingen , die dan ook in het Duitsche wetboek , §§ 616—620, uitvoerig gegeven zijn, maar op eene wijze, die zich zooveel mogelijk aansluit aan de procedure, ten aanzien van de aanvrage tot ondercurateelestelling gevolgd. In het ontwerp heeft men gemeend, de zaak zeer te kunnen vereenvoudigen.

De bevoegdheid om de opheffing te vragen is uitsluitend aan den onder curateele gestelde zeiven toegekend. Niet alleen is hij de uitsluitend belanghebbende, maar het vervallen der redenen moet ook niet aangenomen worden, zoolang dit niet wordt beweerd door hem, dien de toestand van curateele drukt.

Voortdurend verblijf in een krankzinnigengesticht sluit de mogelijkheid uit om herstelling aan te nemen.

Wat hier verlangd wordt, kan niet van eene tegenpartij gevorderd worden. Een verzoek, aan den rechter door den onder curateele gestelde gericht, is het eenige middel, en daarmede is de weg der vrijwillige rechtspraak van zelf aangewezen. De rechter zal dan , naar aanleiding van het verzoek, zelfstandig naar zijn toestand onderzoek doen op de wijze als dit in art. 497 is aangegeven; alleen in geval van ondercurateelestelling wegens krankzinnigheid zal hij in een beredeneerd verslag van een geneeskundige tot nader onderzoek grond vinden.

Dat alleen eene afwijzing van het verzoek vatbaar is voor hooger beroep, is een natuurlijk gevolg daarvan, dat, bij toewijzing door ontstentenis van tegenpartij, een bij de vernietiging der uitspraak belanghebbende ontbreekt.

ocr page 422

2G2

ACHTTIENDE TITEL.

Yan de formaliteiten met betrekking tot rechterlijke beschikkingen krachtens de voorgaande titels, en van de rechtsmiddelen daartegen.

De beschikkingen, welke de kantonrechter en in sommige gevallen de rechtbank krachtens bepalingen -van de vier voorgaande titels te geven heeft, zijn beschikkingen buiten rechtsgeding. Zij vinden hare aanleiding in de bijzondere bescherming, die aan minderjarigen en aan meerderjarigen, welke hunne zaken niet zelf besturen kunnen, bij de wet wordt verleend, en behooren tot het gebied der zoogenaamde vrijwillige rechtsmacht. Zoowel de aard der bedoelde handelingen, die veeleer in de oefening van gezag en toezicht dan in eigenlijke rechtspraak bestaan, als het bijzondere vereischte , dat de rechter niet beschikt zonder de wettelijke vertegenwoordigers van hen, wier belang het geldt, benevens in den regel hunne nabestaanden te hebben gehoord, brengen bijzondere regelen van rechtspleging mede, die slechts ten deele bij de artikelen zeiven zijn gegeven. Voor zoover ze namelijk vatbaar zijn, om als algemeene bepalingen te worden voorgedragen , schijnt hare vaststelling in dien vorm verkieselijk boven het, telkens waar het te pas komt, herhalen van denzelfden tekst, of het toepasselijk verklaren nu eens van dit, dan weder van een ander voorafgaand artikel of onderdeel daarvan.

De bedoelde voorschriften zijn van drieërlei soort.

Vooreerst de zoodanige, die tot aanvulling strekken van het korte voorschrift tot «verhoor van den familieraad». Daarin voorziet thans art. 388 B. W., waarvan de oorspronkelijke lezing de familieleden aanwijst, die moeten worden opgeroepen, terwijl een bij de wet van 15 November 1876 [Sthl, n0. 195) aan het artikel toegevoegd lid dient om, bij niet-verschijning van de opgeroepenen, den rechter in staat te stellen zich door het hooren van anderen de noodige inlichtingen te verschaffen.

Ten tweede: processueele voorschriften. De bestaande zijn onvolledig. Opzettelijke regeling wordt in het Wetb. van Burg. Rechtsv. niet gevonden, en daarin ontbreken, ten opzichte van de oefening der vrijwillige rechtsmacht, ook algemeene beginselen, die voor alle gevallen zouden kunnen gelden, waar bijzondere regeling wordt gemist. Van dat wetboek zijn dus slechts enkele voorschriften in werking, met name die omtrent de explooten; voorts art. 345 met eenige daarbij behoorende bepalingen betreffende het hooger beroep, terwijl het overige deels in art. 389 B. W., deels in art. 2 der wet van 18 April 1874 [Stbl. nu. 68) moet worden gezocht.

Ten derde; voorschriften omtrent het recht, om tegen de verleende beschikkingen op te komen, ter bepaling, aan wie de daartoe strekkende rechtsmiddelen zullen toekomen.

Het ligt in den aard der zaak, dat gemelde voorschriften op meer dan e'e'n punt elkander moeten raken, en in elkander grijpen. Ze tot een geheel te verbinden is dus wenschelijk, en voor de vaststelling bij afzonderlijken titel bestaat mede voldoende grond. Wel bepaalt zich de toepasselijkheid der artikelen, die bij de eerste afdeeling van den vijftienden titel zijn voorgedragen , geenszins tot het gebied der voogdij, en hadden dus de bepalingen, waarvan thans sprake is, deel van die afdeeling kunnen uitmaken, doch de uitvoerigheid der nieuwe regeling, in vergelijking met de artt. 388 en 389 B. W., zou dan dat deel van gemelden titel aan-

ocr page 423

263

merkelijk hebben doen uitdijen, en daardoor de onevenredigheid tusschen het opschrift en den inhoud in een scherp licht hebben gesteld, — terwijl, van een anderen kant, de fout, die hij de inrichting van het ontwerp schijnbaar is begaan door voorschriften van gelijke natuur en strekking te scheiden , inderdaad niet bestaat, omdat, de toepasselijkheid der bepalingen van den achttienden titel zich meer algemeen dan die der artt. 366—376 over de voorgaande titels verdeelt, en de bepalingen zelve met elkander een stelsel vormen, waartoe de artt. 366—376 niet behooren.

Art. 500.

Eerste lid. — Deze bepaling is niet overbodig. Immers art. 445 W. v. Str. gaat van hel denkbeeld uit, dat oproeping krachtens rechterlijk bevel is voorafgegaan. En zoodanig bevel wordt dan ook thans uitgevaardigd, wanneer de bloed- en aanverwanten in de gevallen, waarin de wet hun verhoor voorschrijft, niet vrijwillig verschijnen. Het bevelschrift heet «ce'dule», welke term in het vroegere Fransche recht «verlof om te dagvaarden» te kennen gaf; zie nog art. 6 C. de Pr. C. Krachtens zoodanig stuk worden in Frankrijk, naar aanleiding van art. 411 C. C., de leden van den familieraad, zoo noodig, opgeroepen, en dit heeft zich bij ons staande gehouden.

Overigens zal, hetgeen thans gewoonlijk geschiedt, wel regel blijven, namelijk, dat de nabestaanden vrijwillig voor den kantonrechter verschijnen. — Voorts zij nog opgemerkt, dat, voor zooveel noodig, zal behooren te worden bepaald, dat het bevelschrift des rechters vrijgesteld wordt van de formaliteit der registratie, onverschillig of het ambtshalve of op een ingediend request wordt uitgevaardigd. Zie Mr. Greeve derde uitgave van Mr. C. van der Kemp's Ontwikkeling van het recht betrekkelijk de kantongerechten, § 120, bl. 394 en 395.

Tweede lid. — Het kan niet in strijd geacht worden met het karakter van het ambt des griffiers, dat hij bevelen van het gerecht ter kennis brengt van hen, die het aangaat. De bestaande wetgeving heeft hem dit hier en daar opgedragen. Men vergel. art. 765 W. v. Kh. en art. 884 W. B. Rv. En die opdracht schijnt bij vrijwillige rechtspraak volkomen op hare plaats, omdat de rechter, in kennis gesteld met het verzoek, verder ambtshalve handelt, en dus iemand als tusschenpersoon tot zijn dienst moet hebben. De ambtenaren van het openbaar ministerie kunnen niet in aanmerking komen , omdat verreweg de meeste der bedoelde beschikkingen door de kantonrechters worden verleend, en bij de kantongerechten geen openbaar ministerie in burgerlijke zaken fungeert. De Duitsche Civilprocessordnung gaat zoo ver, dat zij, wanneer in eigenlijke rechtsgedingen enquêtes moeten gehouden worden, den Gerichtsschreiber voor de dagvaarding der getuigen laat zorgen (§ 342), hetgeen overigens met deze eigenaardigheid dier wet samenhangt, dat, wanneer eenmaal gedagvaard is, het tot 's rechters roeping behoort, de voortzetting der zaak ambtshalve te regelen.

Ook voor zoover het voorschrift de aanteekening van den brief vordert, heeft het in de bestaande wetgeving een aanknoopingspunt. Men zie art. 82 W. v. Kh., zooals dat is gewijzigd bij de wet van 4 Juli 1874 (Sthl. n0. 89) en art. 1202 B. W., zooals dat is gewijzigd bij de wet van 8 Juli 1874 [Sthl. nu. 95); bij welke artikelen, ingeval van verkoop, ter uitoefening

ocr page 424

064

hunner rechten , door een commissionnair of pandhouder kennisgeving aan den commissiegever of pandgever wordt bevolen, en dan gezegd, dat bericht per telegraaf of bij aangeteekenden brief voor behoorlijke kennisgeving geldt. De geschiedenis dier bepaling leert, dat zij is ontleend aan de Duitsche wisselwet (Wechselordnung), die tevens uitdrukkelijk vaststelt, dat het door de postadministratie afgegeven bewijs van aanteekening het door hem, te wiens naam het opschrift luidt, ontvangen van de bedoelde kennisgeving bewijst, voor zoover hij niet aantoont, dat het aangekomen stuk een anderen inhoud had. Zie Handel, van de St.-Gen., Bijl. 1873/74, n0, 25. — Hierbij verdient opmerking, dat de Duitsche wetgever de brievenpost dienstbaar maakt aan allerlei behoeften van het rechtsverkeer. Explooten (Zustellungen) kunnen door de post gedaan worden, luidt de algemeene bepaling van § 176 der Ci\ilprocessordnung. Het te beteekenen stuk wordt dan door den deurwaarder of griffier in een met zijn ambtszegel voor-zienen omslag gesloten , en Ier plaatse van bestemming door een brievenbesteller aan den persoon of het domicilie van hem, voor wien het bestemd is, uitgereikt; de postbode maakt van die uitreiking een relaas op, dat aan den afzender wordt overgemaakt.

In vergelijking hiermede is de voorgedragen bepaling een zeer bescheiden schrede op een weg, waarop metdertijd misschien verder kan worden voortgegaan. Het behoeft overigens nauwelijks te worden gezegd, dat men door administratieve voorschriften de goede werking dei-bepaling kan bevorderen. Zoo zou b. v. uitreiking aan de woningen der opgeroepenen slechts op eenigszins ruimer schaal doen plaats hebben, wat thans reeds geschiedt, wanneer de geadresseerden wonen in buitenwijken.

Wie niet aan de oproeping voldoet, valt in de termen van art. 445 W. v. Str., dat straf bedreigt tegen hem, die «voor den rechter geroepen, niet verschijnt», zoodat het toepasselijk zou zijn, al werd de aanteekening van den door den griffier te verzenden brief niet gevorderd, behoudens altijd bet voor de toerekenbaarheid der overtreding onmisbaar vereischte, dat de opgeroepene feitelijk kennis van de oproeping heeft bekomen.

Derde lid. — De wet kent in art. 389 uitdrukkelijk aan de verwanten en aan den toe-zienden voogd de bevoegdheid toe, om zich door een bijzonderen gemachtigde te laten vertegenwoordigen, maar zwijgt van den voogd, en geeft daardoor aanleiding tot de gevolgtrekking, dat hij steeds in persoon moet verschijnen. «Er wordt echter» zegt Mr. Greeve , «dagelijks tegen «de wet gezondigd, want de practijk, veel verstandiger dan de wet, ziet er geen bezwaar in lt;«om den voogd of de voogdesse, wanneer zijn of haar tegenwoordigheid niet bepaald noodig is, «ook bij gemachtigde voor den kantonrechter te doen verschijnen.» Zie het aangehaalde werk, § 125, bl. 437.

Bij het voorloopig verslag omtrent het wetsontwerp tot aanvulling van de artt. 388 en 389 B. W. wees men op de bevoegdheid, die nu aan den rechter zou worden toegekend, om persoonlijke verschijning te gelasten, en vroeg, of daarin geen grond gelegen was, om ook de vertegenwoordiging bij gemachtigde van den voogd toe te laten. De Regeering bleef echter bezwaar maken. Daarvoor schijnen geen voldoende redenen te bestaan, en het ontwerp, zich aansluitende aan de practijk, heeft geene uitzonderende bepaling noodig geacht, zoodat voogden en curators, even als anderen, bij gemachtigde kunnen verschijnen.

Daarentegen heeft men het tweede lid van art. 389, volgens hetwelk dezelfde gemachtigde

ocr page 425

265

slechts in naam van ëén persoon mag optreden, laten vervallen. De ervaring leert, dat men het doel, dat men daarmede beoogt, namelijk den rechter heter bekend te maken met de bijzondere inzichten van ieder der vertegenwoordigde nabestaanden, er niet door bereikt. De omslag en kosten , aan de naleving van hel voorschrift verbonden, kunnen dus worden vermeden.

Vijfde lid. — Dit voorschrift ziet hoofdzakelijk op de gevallen, waarin behalve de voogd en toeziende voogd, de vader of de moeder en de aan dezen toegevoegde raadsman, de curator en toeziende curator, de familieraad moet worden gehoord. Waar het bestaande wetboek de oproeping van bloedverwanten en aangehuwden gelast, onderstelt het, dat zij gelijktijdig verschijnen en te zamen worden geraadpleegd; en bij het eerste lid van art. 414 vordert hét dit uitdrukkelijk voor de benoeming van een voogd.

Toen men echter in 1876 aan den rechter de bevoegdheid gaf om, wanneer een der opgeroepenen niet is verschenen, de verschijning van een ander te gelasten, of te bevelen, dat hij, die zich heeft laten vertegenwoordigen, in persoon verschijnen zal, heeft men begrepen, dat het in die gevallen niet aanging, hen, die tegeuwoordig geweest waren, op nieuw te doen opkomen, en daarom aan art. 414 B. W. een nieuw lid toegevoegd, bepalende, dat de ingevolge art. 388, tweede lid, en art. 389, derde lid, B. W. opgeroepen bloedverwant of aangehuwde ook afzonderlijk kan worden gehoord.

Daarmede is met het vereischte der gezamenlijke raadpleging, als verplichte formaliteit, in beginsel gebroken. Het ontwerp aarzelt te minder op den ingeslagen weg verder te gaan, omdat het den familieraad in geen enkel opzicht wil beschouwd hebben als een lichaam, dat, als zoodanig, adviezen vaststelt, en waarin het dus op meerderheid van stemmen aankomt; om welke reden het dan ook de bepaling van art. 415 B. W. ter zijde laat, volgens welke de mogelijkheid, om tegen eene benoeming tot voogd bij den hoogeren rechter op te komen , afhankelijk is gesteld van de omstandigheid, of die benoeming al of niet met de keus dei-meerderheid overeenkomt.

Het ontwerp handhaaft dus de gezamenlijke raadpleging, waarvan het nut zeker niet te betwisten valt, als regel, nooit als gebiedend, voorschrift. De rechter blijve vrij, om naar gelang van personen en omstandigheden te handelen. Dit is de geest van de in het vijfde lid van het artikel voorkomende bepaling.

Artt. 501—504.

Dat men het stelsel van het Burgerlijk Wetboek, waarnaar aan de familie geenerlei gezag in voogdijzaken is toegekend, maar zij enkel wordt geroepen om door haren raad en hare voorlichting de deugdelijkheid van 's rechters beschikkingen te bevorderen, bepaaldelijk wat dit gewichtig punt betreft, niet van karakter heeft willen doen veranderen, zal wel niet worden afgekeurd. Een familieraad met de Fransche attributen wenscht niemand terug. Wat het ontwerp alleen aan den Code, zooals die bij ons gegolden heeft, ontleent, is de naam. Die naam is in zwang gebleven, en duidt in het gewone spraakgebruik aan, wat de wet met de woorden: «verhoor van de bloedverwanten of aangehuwden» pleegt uit te drukken. En liet zijn niet enkel leeken, die zich van het woord bedienen; meer en meer vindt het in rechtsgeleerde geschriften ingang, en zelfs in de parlementaire stukken, die ter voorbereiding van de openbare

ii

ocr page 426

266

beraadslagingen over wetsontwerpen worden opgemaakt. Men zie het Voorioopig Verslag betreffende het wetsontwerp tot aanvulling der artt. 388 en 389 B. W., Handelingen der Tweede Kamer, zitting 1875/76, bijl. 100, n0. 4. Trouwens, uit een taalkundig oogpunt schijnt tegen die benaming, ook als rechtsterm, geen bezwaar te bestaan. Wel duidt «Raad» gewoonlijk een college aan , uit vaste leden saamgesteld , en meestal tot het geven van beslissingen geroepen, maar de uitdrukking «Scheepsraad», b. v. in art. 358, 7°, W. v. K., geeft iets dergelijks te kennen, als onder familieraad zal moeten worden verstaan. Immers, ook daar is niet vooruit te bepalen, welke individuen in ieder bijzonder geval zullen moeten worden geraadpleegd, en de schipper is evenmin als de rechter gehouden zich aan inzichten te storen, die hij niet deelt. Zie art. 367, tweede lid, W. v. K.

Bij de voorgedragen artikelen heeft men gepoogd, met handhaving van gemeld beginsel, dat de rechter zelfstandig beschikt , de medewerking der familie en de wijze van raadpleging hamleden beter dan thans aan het oogmerk te doen beantwoorden. Vóór de wet van 15 November 1876 [Sthl. n0. 195) schreef art. 388 B. W. slechts de oproeping van de vier bij dat artikel aangeduide verwanten voor. Het middel, dat art. 2 dier wet den rechter aan de hand heeft gedaan , om zich door het hooren van anderen meer kennis van den feitelijken toestand te verschaffen, is zeker doelmatig, maar het is slechts toegelaten, in geval aan de oproeping der vier geen of slechts gedeeltelijk gevolg is gegeven. Van deze voorwaarde maakt het ontwerp 's rechters bevoegdheid los. «Nu, in tegenstelling met de wetgeving van vóór 1838, de rol «des rechters niet eene lijdelijke is, maar de beslissing aan hem blijft» — leest men in het Voorioopig Verslag omtrent gemelde wet van 1876 — «zoude het zelfs rationeel zijn, dat de «wet den kantonrechter vrij liet om diegenen op te roepen, wier verhoor hij voor het doel «van het meeste belang acht.» De Regeering antwoordde; «den rechter geheel vrij te laten «in de keuze der te hooren bloedverwanten is niet raadzaam, omdat hij vooraf onmogelijk kan «weten, welke bloedverwanten het meest onpartijdig, het best ingelicht en derhalve het meest «geschikt tot bereiking van het beoogde doel zijn. Het voorschrift, dat zij uit de naaste moeten «worden gekozen, vindt zijn grond in het alleszins gerechtvaardigd vermoeden, dat deze het «meest aan de gestelde vereischten zullen voldoen.»

Bij de vaststelling van het ontwerp heeft men gemeend, dat de waarheid, in de over en weder gemaakte opmerkingen vervat, kon leiden tot het. stelsel, dat, hetzij de vier eerst-opgeroepenen verschijnen of niet, de rechter nog te rade kan gaan met die familieleden, welke hem voorkomen de onpartijdigste en best ingelichte raadgevers te zullen zijn. Dit kan ongetwijfeld, wanneer men zich angstvallige kantonrechters voorstelt, de kosten verhoogen, maar deze bedenking geldt evenzeer ten aanzien van de vele andere bevoegdheden des rechters, die aan belanghebbenden kosten veroorzaken: men moet aannemen, dat daarvan slechts wordt gebruik gemaakt, wanneer met grond verwacht kan worden , dat het resultaat de kosten waard is.

Behalve de uitbreiding van art. 1 der wet van 15 November 1876, bevat deze titel nog een ander middel om den rechter zoo volledig mogelijk in kennis te stellen met hetgeen de juistheid zijner beslissingen kan bevorderen. Aan de verwanten, mannen en vrouwen, tot den zesden graad ingesloten, is namelijk een recht van initiatief toegekend, zoodat, wanneer hunne belangstelling in den minderjarige of onder curateele gestelde er hen toe drijft eenige mede-

ocr page 427

267

deeling aan den rechter te doen, zij zich gehoor kunnen verschaffen. Het kan gebeuren, dat de verzoeker het bestaan van dezen of genen bloed- of aanverwant verzwijgt, omdat hij tegenspraak vreest, en dan maar voorgeeft, dat de door hem genoemde de naaste zijn, of dat er geen andere zijn. Wie aldus wordt voorbijgegaan , zal zich zelf kunnen aanmelden. — Het kan ook gebeuren, dat, terwijl de voogd b. v. een nabestaande van vaderszijde is, slechts mannelijke verwanten van denzelfden kant, of, waar het een minderjarige geldt, die onder ouderlijk gezag staat, slechts mannelijke bloedverwanten van hem, die dat gezag uitoefent, krachtens art. 501 Ontw. moeten worden opgeroepen. In zoodanig geval kunnen vrouwelijke nabestaanden uit het geslacht, dat geen deel heeft aan de raadplegingen, art. 504 Ontw. te baat nemen, om den rechter te wijzen op het eenzijdige van het advies, dat misschien te wachten is van de op te roepen verwanten, zoo dezen tot een ander kerkgenootschap behooren dan de minderjarige. — In de derde plaats heeft het bedoelde voorschrift buitenslands wonende verwanten op het oog. Bij de voorgedragen bepalingen worden dezen, zooals straks nader zal blijken, geheel met binnen het Rijk wonenden gelijk gesteld, behoudens dat de rechter hunne oproeping niet yelast, en hij het vereischte viertal aanwijst, alsof zij niet bestonden. Intusschen zullen juist zij dikwerf de beste inlichtingen kunnen verstrekken. Willen zij die uit eigen beweging ter kennis van den rechter brengen , zij zullen daartoe moeten worden toegelaten.

De voorschriften tot het hooren der nabestaanden hebben natuurlijk hun grond in de veronderstelde belangstelling der naaste familieleden, en de kennis, die men in den regel bij dezen aantreft, van den financieelen en maatschappelijken toestand van den minderjarige of onder curateele gestelde; Een verhoor van verwanten in verwijderden graad zou geen doel treffen, en het is daarom rationeel eene grens te trekken, waarbij de bedoelde verplichting en het daarmede correlate recht ophouden. Bij welken graad? De dagelijksche ervaring leert, dat het besef van tot dezelfde familie te behooren reeds bij den zesden graad aanmerkelijk verflauwt. Van daar de beperking lot verwanten van dien graad. Bij het trekken dier grens is niet over het hoofd gezien, dat men van den bij art. 908 B. W. vastgestelden erfelijken graad afweek. Doch, al mocht de twaalfde graad als zoodanig behouden blijven, behoeft daaraan de regeling, die thans aan de orde is, niet te beantwoorden; daar het hier alleen de vraag kan zijn, of het te verwachten is, dat de voorlichting en de raad van familieleden buiten den aangeduiden kring nog met vrucht zullen worden ingewonnen.

Art. 501.

Art. 388 B. W. geeft aanleiding tot den twijfel, of het er in de eerste plaats op aankomt, de vier naaste bloedverwanten te hooren , zoodat uit beide liniën slechts wordt gekozen, wanneer daarin bloed- of aanverwanten van gelijken graad zijn, dan wel of de wet, vóór alles, de vertegenwoordiging van beide geslachten vordert; in welke laatste onderstelling het verder de vraag is, of de op te roepen personen voor de helft tot de eene en voor de wederhelft tot de andere lijn moeien behooren. Het ontwerp sluit zich aan de tweede — naar het bestaande recht de minst aannemelijke — opvatting aan, maar verlangt niet, dat uit elk geslacht juist twee leden worden opgeroepen; m. a. w., in geval er b. v. vier broeders des vaders en twee neven der

ocr page 428

268

moeder aanwezig zijn, kan de rechter twee ooms met de twee neven, of drie ooms met e'én neef, maar niet enkel de vier broeders des vaders doen ontbieden. De hoofdgrond, om verhoor van beide familiën , elk op zijn minst door e'e'n harer leden vertegenwoordigd, imperatief voor te schrijven, ligt in de omstandigheid, dat, indien de nadere graad onvoorwaardelijk den doorslag geeft, de rechter in vele gevallen uitsluitend de inzichten verneemt van verwanten, die tevens verwanten van den voogd zijn , of, waar het de uitoefening van het ouderlijk gezag door den langstlevenden der ouders geldt, verwanten van dezen. Stelt men zich nu halve weezen uit een gemengd huwelijk voor, tot het kerkgenootschap van den overleden echtgenoot behoorende, dan valt terstond in het oog, van hoeveel gewicht het kan zijn, verwanten van dien overledene te hooren, al staan ze eenige graden verder van den minderjarige af dan de nabestaanden aan de zijde van den nog levenden der ouders. Dat bij verschil in godsdienst tusschen den pupil en e'e'n of beide voogden, den onder curateele gestelde en e'e'n of beide curators, en zelfs tusschen de naaste familieleden onderling, zich eveneens dikwerf moeielijk-heden voordoen, leert de dagelijksche ervaring; terwijl dit verschil niet het eenige is, dat de familiën kan verdeeld houden. Er zijn soms familietraditiën en familiebelangen van anderen aard, die met elkander in botsing kunnen komen, en waaromtrent het verstandig is, beide partijen hare inzichten aan den rechter te laten blootleggen.

Op al deze beschouwingen steunt de eisch van art. 501 Ontw. tot oproeping van verwanten aan beide zijden , wanneer dit binnen de gestelde grens mogelijk is.

Het vereischte van art. 407 C. C.; moitié du cóté paternel, moitié du cóté maternel, werd niet overgenomen, als onnoodig ter bereiking van het beoogde doel. In het Fransche recht hangt het samen met de bevoegdheid van den familieraad om bij meerderheid van stemmen te beslissen. Uit dat oogpunt is de zorg van den Franschen wetgever om te voorkomen, dat, bij verdeeldheid van belangen, de invloed der eene familie grooter zij dan die der andere, alleszins verklaarbaar. Nu bij ons de familieraad slechts heeft raadgevende stem, schijnt het voldoende, dat elke familie, des noods slechts door e'én voorstander harer denkbeelden , wordt vertegenwoordigd. Overigens laat zich verwachten , dat de rechter aan elke zijde twee zal nemen, wanneer hij geen bepaalde reden heeft, om van dien in den aard der zaak liggenden regel af te wijken.

Het Fransche artikel schrijft bovendien gebiedend voor, dat zal gevolgd worden de orde van naaste bloedverwantschap in elke lijn. Hetzelfde wil, zij het dan ook niet onvoorwaardelijk, het ontwerp. Alleen om de mogelijkheid niet geheel uit te sluiten, dat verwanten van verderen graad voorgaan, wanneer het belang der zaak hèt dringend vordert, is het voorschrift door de woorden «bij voorkeur» getemperd, maar de rechter zal in den geest der bepaling handelen, indien hij op den natuurlijken voorrang van den naderen graad slechts noode inbreuk maakt.

Dat hij, die ten onrechte voorbijgegaan is of zich .voorbijgegaan waant, zijne toevlucht tot art. 504 Ontw. kan nemen, was een grond te meer, om geen voorschrift van zoo strikte toepassing voor te dragen als het Fransche.

Derde lid. — Toen het ontwerp der wet van 15 November 1876 bij de Tweede Kamer aanhangig was, werd de vraag gedaan: «is het wel noodig, dat het in art. 388 B. W. verft boden hlijve, diegenen op te roepen, welke buiten het Koningrijk, doch in de onmiddellijke

ocr page 429

269

« nabijheid wonen ? ware het niet voldoende, te verklaren, dat hunne persoonlijke tegenwoor-«digheid niet kan worden gelast?» — De Minister antwoordde: «de bevoegdheid te verleenen «tot het oproepen van personen, te wier opzichte geen dwangmiddel bestaat om hen tot het «voldoen aan de oproeping te noodzaken, acht de ondergeteekende niet wenschelijk; indien zij «echter vrijwillig verschijnen, schijnt geen enkele bepaling hun verhoor te beletten.» — Dit laatste is wel eens betwist, doch ook zij, die het verbod in de wet lezen, keuren het af, en art. 504 Ontw. neemt voor het vervolg allen twijfel daaromtrent weg. Maar het bezwaar, waarop de Regeering destijds heeft gewezen, is inderdaad een afdoende grond om geen oproepingen krachtens rechterlijk bevel aan buitenslands wonenden te richten. En vermits het niet aangaat, zich op verzekeringen of beloften, dat zij wel zonder oproeping zullen verschijnen, te verlaten, blijft het ontwerp, in overeenstemming met het bestaande wetboek, onvoorwaardelijk vorderen, dat vier binnen het Rijk wonende personen door den rechter worden aangewezen. Verschijnen dan in den vreemde gevestigde verwanten uit eigen beweging, dan zullen zij of met de opgeroepenen of wel afzonderlijk worden gehoord, maar zal dit niet geschieden met uitsluiting van een of meer van hen , die op last van den rechter zijn opgekomen.

Art. 502.

Art. 42, nquot;. 5, G. P. noemde het recht van stemming bij de beraadslagingen der familieraden onder diegene, waarvan de strafrechter in bepaalde gevallen kan ontzetten. Deze bepaling werd reeds vóór de vervanging van dat artikel door art. 8 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl. nu. 102) geacht met de afschaffing van het stelsel der familieraden naar het Fransche recht te zijn ver-Vallen , en bij de behandeling van gemelde wet is er niet meer over gesproken. De wetgever van 1880 heeft de bedoelde straf niet in den vorm van ontzetting van het recht om als bloedverwant of aangehuwde omtrent de belangen van minderjarigen enz. te worden gehoord , doen herleven, vermoedelijk, omdat hij daarop van toepassing achtte, hetgeen bij de toelichting tot art. 28 W. v. St. (zie Mr. Smidt, I, hl. 323) ten opzichte van de onbevoegdheid om getuigenis in rechte af te leggen of als deskundige op te treden wordt gezegd; namelijk, dat men veeleer te doen heeft met plichten dan met rechten. De Memorie voegt er echter uitdrukkelijk bij, dat niets belet bij de wetten , die de uitoefening van zoodanige rechten of bevoegdheden regelen, de bekwaamheid om ze uit te oefenen te ontzeggen aan hen, die wegens misdrijf zijn veroordeeld. Het ontwerp begaat dus geen fout tegen het stelsel onzer wetgeving in haar geheel, door de onbekwaamheid, waarover art. 502 handelt, te knoopen aan veroordeelingen van den strafrechter tot de bijkomende straf van art. 28, 5quot; of art. 30 W. v. St.

Voor zoodanige regeling pleiten hoofdzakelijk twee gronden.

Vooreerst de aard dier voorschriften, of liever de wijze, waarop ze, naar het oogmerk van den wetgever, zullen moeten worden toegepast. De rechter toch is nimmer verplicht eenige bijkomende straf op te leggen. Hij heeft dus in elk gegeven geval met de omstandigheden van het misdrijf en de individualiteit van den dader te rade te gaan; terwijl het meerendeel der veroordeelingen, waarop het eerste nummer van het voorgestelde artikel slaat, wel zal worden uitgesproken, krachtens art. 30 W. v. St., in welke gevallen het feit zelf toont, dat de dader zijn kind op de weg des misdrijfs brengt of althans hem daarvan niet afhoudt of

ocr page 430

270

wel dat hij zich niet ontzien heeft, zijn kind in hulpbehoevenden staat te brengen of te laten, of diens burgerlijken staat, eerbaarheid, leven of gezondheid aan te randen. — Er zal dus, wanneer de bedoelde straf is opgelegd, in den regel schennis dier eerste plichten hebben bestaan, wier stipte vervulling de door de wet gewilde zorg voor minderjarigen onvoorwaardelijk eischt.

Ten tweede: het stuitende en tegenstrijdige, zoo de burgerlijke wet de voorgestelde onbekwaamheid niet aan de bijkomende straf van art. 28, 5°, W. v. St. verbindt. Zou het houding hebben, zoo een vader, die van het ouderlijk gezag is ontzet, op grond van het tweede lid van art. 351 Ontw. moest worden gehoord, wanneer zijne, nu het ouderlijk gezag uitoefenende, echtgenoote het bij dat artikel vermeld verlof aan den kantonrechter vraagt, of dat hij, ingeval die echtgenoote buiten de mogelijkheid geraakt om het ouderlijk gezag uit te oefenen , als naaste bloedverwant tot het houden van familieraad moest worden opgeroepen, om te beraadslagen over de opdracht eener tijdelijke voogdij? Zie art. 337 Ontw. En , zoo hij niet tot den familieraad kan worden toegelaten , die over de belangen zijner eigene kinderen wordt geraadpleegd, kan hij evenmin toegang hebben tot dien, waarin over de belangen b. v. van broeders- en zusterskinderen wordt gehandeld

Zoo volgt uit de noodzakelijkheid der eene uitsluiting die der andere. — Men zou echter kunnen vragen, waarom geene onbekwaamheid gehecht is aan veroordeelingen tot de bijkomende straf van art. 28, 4°, W. v. St. in het algemeen? Daarvoor bestaan deze redenen, dat, naar het stelsel van het Wetboek van Strafrecht, de bijkomende straf van art. 28, 4U, minder zwaar is dan die van art. 28, 5quot;, en dat, wilde men de zaak in harmonie met beide nummers regelen, men in onderscheidingen zou moeten komen, die de wet zouden compliceeren. — Men heeft zich dus bepaald tot de gevallen, waarin van de rechten, omschreven in art. 28, 5quot;, W. v. St., is ontzet.

Dat, in aansluiting van het eerste nummer van het artikel, een tweede moest worden opgenomen voor de gevallen, waarin de burgerlijke rechter, op zijn gebied, eene uitspraak heeft gegeven van gelijke strekking en werking als de bedoelde veroordeeling van den strafrechter, is, zonder verder betoog, duidelijk. En, vermits de ontzetting door den burgerlijken rechter is eene ontzetting uit eene bepaalde curateele, niet, zoo als die door den strafrechter, van het recht van het zijn van curator, kon men onder dit nummer begrijpen de gevallen, dal iemand is ontzet uit de curateele over zijn vader of moeder, of zijn echtgenoot, welke gevallen, van het standpunt, waarop men zich bij dit artikel heeft te plaatsen, met eene ontzetting van de curateele over eigen kinderen mogen gelijkgesteld worden.

Art. 503.

Dit artikel vordert nog eenige toelichting, voor wat de bevoegdheid des rechters betreft, om ook vrouwelijke verwanten te doen oproepen. Dat hij daartoe last zal geven, wanneer hem eene beschikking omtrent financieele aangelegenheden is gevraagd, zal wel tot de zeldzaamheden behooren. Maar, waar het benoemingen geldt, zal aan het gevoelen van vrouwen soms

ocr page 431

271

te recht veel waarde worden toegekend. Deze of gene kan de vertrouwelinge geweest zijn van een overleden broeder of zuster; moet nu in de voogdij worden voorzien, dan is zij de aangewezen persoon, om, als het ware uit naam dier overledenen, den een aan te bevelen en tegen den ander te waarschuwen? Ook is het geen onverschillige zaak, of voogd en pupil zich aan elkander zullen hechten en of de eerste den tweeden vertrouwen zal weten in te boezemen. Omtrent dit en dergelijke punten nu zal het doorzicht der vrouw op zijn minst met dat van den man mogen gelijk gesteld worden.

Art. 504.

Legt men aan de vrouwen de verplichting op, om voor den rechter te verschijnen, wanneer zij daartoe opgeroepen worden , dan moet men haar ook laten deelen in het bij dit artikel geschonken recht.

Art. 505.

De grond en, naar men vertrouwt, ook het nut dezer bepaling behoeven geen breede toelichting. Men denke aan de vele jongelieden beneden de e'e'n-en-twintig jaren, die zelfstandig in de maatschappij werkzaam zijn, en waarvan er sommige, bijv. bij het onderwijs, reeds betrekkingen van zeker gewicht bekleeden. Mag men, waar het de regeling hunner eigen belangen geldt, zoo geheel voorbijzien, dat de maatschappij hen nagenoeg op elk ander gebied in staat acht zich een juist oordeel over zaken en personen te vormen ? Overigens is hetgeen het ontwerp hun geven wil, minder dan hetgeen elders te hunnen behoeve reeds is vastgesteld. Volgens art. 251 Ital. wetb. heeft de minderjarige boven de zestien jaren het recht de bijeenkomsten van den familieraad bij te wonen, en Laurent neemt die bepaling in art. 405 van zijn avant-projet over. Het ontwerp verbiedt natuurlijk niet, dat, wanneer de rechter den minderjarige iaat oproepen, hij de vergadering der verwanten in diens bijzijn houdt, en hem dan gelegenheid geeft zijne wenschen en bezwaren bloot te leggen.

Voor zoover het artikel onder curateele gestelden betreft, kan de wenschelijkheid der bepaling nog minder worden betwijfeld. Men denke aan hen, die wegens aanhoudende kwalen, lichaamsgebreken of hoogen ouderdom op eigen verzoek onder curateele gesteld zijn; zelfs aan krankzinnigen, die tijdelijk wel bij het hoofd zijn, terwijl er ook geen grond bestaat, om personen, die wegens verkwisting in den bedoelden staat verkeeren, onvoorwaardelijk onbekwaam te achten hunne denkbeelden over hunne financieele belangen aan den rechter kenbaar te maken.

Art. 506.

Dat de billijkheid meebrengt, aan hen, die verplicht zijn de comparities van den familieraad bij te wonen, zoo zij verlangen hunne te dier zake gedane uitgaven en de schade, welke zij door tijdverzuim in eigen zaken kunnen lijden, vergoed te krijgen, die vergoeding toe te kennen, zal wel niemand betwisten. Maar voor zoo ver het ontwerp bij het tweede lid van het artikel veroorlooft, dat de rechter de schadeloosstelling ten laste van het Rijk brengt, is het niet overbodig te vermelden, door welke gedachte men zich hoofdzakelijk heeft laten leiden.

ocr page 432

272

Vindt, zeide men, de door tusschenkomst des rechters gevoerde oppervoogdij van den Staat haren grond in de roeping van het openbaar gezag om voor hulpbehoevenden te zorgen , en moet daarom al hetgeen tot die zorg behoort als eene aangelegenheid van openbaar belang worden aangemerkt, dan laat het zich ook rechtvaardigen, dat de Staat, zoo noodig, de kosten, waarvan thans sprake is, voor zijne rekening neemt. Z,oo noodig; omdat men van een andere zijde niet mag voorbijzien, dat de bijzondere bescherming, welke aan de bedoelde personen moet worden verleend, noodzakelijk is geworden door omstandigheden, waarop de Staat geen invloed uitoefent.

Vat men de bepalingen omtrent het loon, dat de voogd, de curator, enz. op grond van de artt. 376, 488 Ontw., en de vergoeding, welke de verwanten, toeziende voogden, toeziende curators, enz. op grond van het tegenwoordig artikel vorderen kunnen, saam, dan verkrijgt men dit resultaat, dat het eerste steeds ten laste van den minderjarige of onder cu ra teele gestelde komt, maar het tweede slechts, zoo diens vermogen het in redelijkheid lijden kan ; heeft men met een klein kapitaaltje te doen, dat door elke uitgaaf gevoelig wordt getroffen, dan kan de rechter dit gedeelte van den last op het Rijk overbrengen.

Art. 507.

Of beschikkingen des kantonrechters, houdende benoeming tot voogd of curator, vatbaar zijn voor hooger beroep, hangt, naar het bestaande recht daarvan af, of de rechter de betrekking opdraagt aan een ander dan hem door de meerderheid der verschenen nabestaanden wordt aanbevolen. Iets dergelijks bevat art. 446 B. W. omtrent de bij dat artikel bedoelde beschikkingen. Van waar dat stelsel? — Met het Fransche recht stemt het niet overeen. Ieder, die in den familieraad anders heeft gestemd of geadviseerd dan waartoe besloten wordt, kan, volgens de artt. 883 en volgende van den Code de Proce'dure eerst bij de rechtbank, en wanneer hij dan ongelijk krijgt, bij het hof in hooger beroep komen. En zulks zoowel ten aanzien van benoemingen als van andere besluiten. Raadpleegt men de geschiedenis van art. 415 B. W., dan bevindt men, dat, hoezeer onze wetgever van de Fransche bepalingen omtrent het appel niet wilde weten, hij toch wel iets wilde toegeven aan de toen nog talrijke voorstanders van den familieraad met de Fransche attributen. Van Grombrugghe, lid van de commissie van redactie, zeide in de zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 24 Maart 1823; «Ie voeu, que la grande majorite' de cette chambre avait ëmis pour la con-«servation des conseils de familie, presides par le juge de canton comme autorite' charge'e de «confe'rer la tutelle, n'a pas e'te' adopte' par le Rei; mais sa Majeste' n'a pas suivi non plus «Topinion de quelcjiies membres de la minorite qui voulaient donner au juge de canton seul le «pouvoir de nommer des tuteurs. II en est résulte' un système mitoyen » enz. waarbij «le «juge du canton ne nommera jamais un tuteur de sa seule autorite' contre le voeu de la «familie.» (Noordziek , Geschiedenis, 1822/23. I, blz. 209 en 210). — Wij hebben dus met een hoogst onbeduidende nawerking te doen van eene bevoegdheid van den familieraad naar zijne Fransche inrichting, maar waarbij van de oorspronkelijke bepalingen is afgeweken. Het bedoelde voorschrift laat zich dan ook inderdaad niet rechtvaardigen. Het verzwakt den waarborg, dat ten slotte de opdracht geschiedt aan hem, wiens benoeming het meest in het

ocr page 433

273

belang van den minderjarige of onder curateele gestelde is; het doet zulks, terwijl bij minder gewichtige zaken de omstandigheid, dat een der verwanten met zijne meening alleen heeft gestaan tegenover de drie anderen, hem geenszins belet tegen de beschikking op te komen; het geeft aanleiding tot allerlei vragen omtrent staken van stemmen , en betrekkelijke meerderheid, en het zou, zoo men het wilde handhaven, onderscheidene nadere bepalingen noodig maken voor de gevallen , waarin de rechter gebruik maakt van de bevoegdheid, hem bij het vierde lid van art. 500 en bij art. 503 Ontw. gegeven.

Om deze redenen heeft men de bevoegdheid om tegen benoemingen op te komen op gelijke lijn gesteld met die om zich tegen andere beschikkingen in hooger beroep te voorzien.

Aan wie dat recht van appel wordt toegekend, zegt het voorgedragen artikel. Ook in dit opzicht gaat het ontwerp verder dan de wet van 1874, naar luid waarvan hooger beroep kan worden ingesteld « door den verzoeker en door ieder, die op het verzoek gehoord is. » Z,ie art. 2, tweede lid. Bij de behandeling dier wet, als ontwerp, in de Afdeelingen der Tweede Kamer «was het velen raadzaam voorgekomen de bevoegdheid tot het instellen van « hooger beroep ook aan niet gehoorde verwanten te verleenen , omdat de oproeping voor de «eerste instantie mogelijk niet met de noodige onpartijdigheid is geschied.» Verslag, blz. 5. De Minister de Vries kon zich daarmede niet vereenigen. «Waar zou», vroeg hij, de grent «zijn? aan welke niet gehoorde verwanten zou men dat recht toekennen, men zou ten minste (( een uitersten graad moeten bepalen. »

Het ontwerp geeft aan het destijds geopperde denkbeeld gevolg, en voldoet tevens aan het vereischte, dat de Regeering voor dat geval noodzakelijk achtte; het recht van art. 504 Ontw. hebben alleen de verwanten tot en met den zesden graad. Overigens zij opgemerkt, dat de vraag, of men zich in overeenstemming met de wet van 1874 tot de gehoorde nabestaanden zal bepalen, dan wel de schrede verder doen, waartoe het ontwerp strekt, slechts eene prac-tische is. De rechten en verplichtingen der verwanten, waarover deze titel handelt, vinden enkel hun grond in de familiebetrekking en worden bepaald door het belang van den minderjarige of onder curateele gestelde. Appel toe te kennen aan iemand, die buiten de eerste instantie gehouden is, of zich daarbuiten gehouden heeft, is dus geen theoretische misslag. Waar het alleen op aankomt, is, of de eene of de andere regeling meer waarborgen voor eene juiste eindbeschikking oplevert, en nu heeft men gemeend, dat de voorgestelde de meeste aanbeveling verdient.

Bij de overwegingen daaromtrent is niet voorbijgezien, dat het wellicht juister ware geweest, ten behoeve van de bedoelde niet gehoorde familieleden een recht van verzet door derden vast te stellen , maar men is daarvan weerhouden door de vrees, dat dit het tot stand komen der eindbeschikking zeer zou kunnen vertragen.

Art. 508.

Omtrent het eerste lid van dit artikel valt op te merken, dat in het ontwerp niet is overgenomen de aanhef van art. 2 der wet van 1874. Dit voorschrift heeft ten doel om

kk

\

ocr page 434

274

hen, die gehoord zijn, bekend te maken met den dag, waarop de termijn van appel een aanvang zal nemen, en bij den eersten oogopslag schijnt het daartoe ook zeer geschikt. In de practijk geeft het echter aanleiding tot vele moeielijkheden, getuige de kantonrechter Mr. Grkf.vk , die het daarom met grooten nadruk bestrijdt. Z,ie diens derde uitgave van van dér Kemp's handboek, hl. 374 en 375.

Art. 509.

Uit het hiervoren tot toelichting van art. 507 gezegde volgt, dat, zoo men onder de nabestaanden, aan wie men het recht van appel toegekend heeft, heeft willen begrijpen de bij art. 504 Ontw. genoemde, zelfs wanneer zij van hun recht van initiatief, om bij den rechter gehoord te worden, geen gebruik hebben gemaakt, dit er niet toe behoeft te leiden om diezelfde personen bevoegd te verklaren zich van het middel van cassatie te bedienen. De juistheid der beschikking in hooger beroep kan door de feitelijke gegevens, welke zoodanige verwanten ter kennis van den rechter brengen, worden bevorderd, maar is het feitelijk onderzoek afgeloopen , dan bestaat voor hun optreden geen reden meer, en is het zelfs niet wenschelijk het nog ter elfder ure toe te laten. Daarom wordt de bevoegdheid tot het instellen van een beroep in cassatie bij het tweede lid van het artikel alleen gegeven aan den verzoeker en aan hen, die vroeger gehoord zijn.

NEGENTIENDE TITEL.

Van afwezigheid.

De leer van het Romeinsche recht ten aanzien van de afwezigheid was zeer onbepaald, en hetgeen in de tegenwoordige wetboeken op dien toestand betrekking heeft, is de vrucht van een gewoonterecht, dat eerst van de veertiende eeuw dagteekent. Vaste, door de uitnemendste rechtsgeleerden eenparig aangenomen, beginselen worden gemist, en de wettelijke voorschriften, zoo hier te lande als elders, dragen de blijken, dat het rechtsinstituut nog niet tot rijpheid is gekomen.

Wanneer iemand van zijne woonplaats afwezig is, zonder behoorlijk orde op het beheer zijner zaken gesteld te hebben, kan het noodig zijn, dat het Staatsgezag, zoowel te zijnen behoeve, als ten bate van zijne schuldeischers en andere dergelijke belanghebbenden, handelend optreedt. Het vermoeden van zijn leven blijft aanvankelijk overwegend boven dat van zijnen dood; terwijl de waarschijnlijkheid van zijn terugkeer aangenomen wordt, behoeft alleen gezorgd te worden, dat zijne belangen zoo min mogelijk schade lijden. Er wordt dus een bewindvoerder aangesteld om zijn vermogen te beheeren en hem te dien einde te vertegenwoordigen.

Duurt echter zijne afwezigheid eene reeks van jaren, dan treedt, de waarschijnlijkheid, dat hij nog in leven zou zijn, telkens meer op den achtergrond, en wint de waarschijnlijkheid van

ocr page 435

275

zijnen dood aan kracht. Ook dan ontstaat behoefte aan eene bijzondere regeling, maar uit een geheel ander oogpunt; wat nu in de eerste plaats in aanmerking komt, zijn de belangen van zijne erfgenamen en anderen, die rechten kunnen uitoefenen , afhankelijk van zijnen dood, maar die daartoe nooit zouden geraken, indien zij verplicht werden om een volkomen afdoend bewijs van zijn overlijden te leveren. Zijn de omstandigheden van dien aard, dat er grond bestaat om zijnen dood zoo al niet zeker, toch hoogst waarschijnlijk te achten , dan kan eene rechterlijke uitspraak dit vermoeden tot een rechtsvermoeden verheffen, en kunnen zij, wier rechten van zijn dood afhankelijk zijn, gemachtigd worden om die uit te oefenen, alsof deze voorwaarde vervuld was. Daar de dood echter ook na de rechterlijke verklaring niet volkomen zeker is, behooren er voor het altijd mogelijke geval van zijne terugkomst eenige waarborgen gegeven te worden, dat hij in het genot zijner rechten , voor zoover zulks mogelijk zal zijn, hersteld worden kan.

De noodzakelijkheid van meerdere regelingen neemt het ontwerp niet aan. Gelijk bekend is, bevat het Burgerlijk Wetboek nog eene afdeeling, gewijd aan de rechten, opgekomen aan een afwezige, wiens bestaan onzeker is. Hieromtrent geldt thans als hoofdbeginsel, dat, terwijl verkregen rechten niet verloren worden, nieuwe rechten door iemand, die in den bedoelden staat verkeert, niet worden verworven. Ten opzichte van deze, d. i. van de zoodanige, wier uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde het is, dat de rechthebbende op het tijdstip van hun openvallen in leven is, heeft de wetgever zich, voor het geval zoodanig recht aan een afwezige opkomt, op het standpunt geplaatst, dat de gewone regelen van bewijs hun vollen eisch moeten hebben. Wie beweert, dat zulk een recht van een ander is verkregen, en van dezen op hem zelf overgegaan, moet. naar den algemeenen regel van art. 1902 B. W., het leven van dien anderen op het beslissend tijdstip bewijzen, en, vermits hij dit niet kan , laat de wet het recht, als niet door den afwezige zelf verkregen, ook niet op diens rechtverkrijgenden overgaan.

Het is duidelijk, dat, had zij diegenen, die eerst bij ontstentenis van den afwezige tot het genot van bedoelde rechten gerechtigd zijn, op gelijken voet bejegend, zij van dezen het bewijs van het overlijden zou hebben moeten vorderen.

Dat doet zij niet; zij ontheft van dat bewijs, niet op theoretische gronden, maar enkel^ omdat^ nu de bedoelde rechten niet in de lucht kunnen blijven hangen, de knoop op'de eene of andere wijze moest worden doorgehakt. «L'absent, zegt Marcadé, Exilic. Ill, pag. 343, «ifest ni prouve' mort, ni prouve' vivant; mais il est e'vident que la loi, pour e'tablir une dispo-«sition, devait prendre un point de depart quelconque; elle ne pouvait pas declarer, qu'elle le « supposait être ni mort ni vimnt. II fallait bien s'arrêter ii un parti, faire une supposition et (( dire: On ayira comme sil était vivant, sauf preuve postérieure de sa mort; ou bien: « On agira comme sil était mort, sdu\ preuve postérieure de son existence. Cest a ce dernier « parti que la loi s'est arrête'e. »

De wetgever had dus even goed van de eerste onderstelling kunnen uitgaan; en het ontwerp doet dit werkelijk, totdat eene verklaring van vermoedelijk overlijden is uitgesproken. Reeds de gewijzigde beteekenis van die verklaring, in vergelijking met de absence declare'e van den C. C., noodigt als het ware daartoe uit, en men vereenvoudigt aanmerkelijk de behandeling

ocr page 436

276

van het geheele onderwerp, wanneer men ook ten aanzien van de bedoelde nieuwe rechten eerst dan van de onderstelling uitgaat, dat de afwezige overleden is, wanneer de techter omtrent het vermoeden van overlijden uitspraak heeft gedaan. Daarmede kan tevens vervallen de uiteenloopende werking der tegenwoordige voorschriften b. v. ten aanzien van het recht, dat kinderen van een afwezige op de na de vermissing van dezen opengevallen nalatenschap van hun grootvader voorloopig verkrijgen, en het recht, dat zij op de goederen van den afwezige zelf — eerst na de verklaring van diens vermoedelijk overlijden — kunnen uitoefenen; voor welk verschil uit een practisch oogpunt al zeer weinig schijnt te pleiten.

Is men er eenmaal over heen, om ten aanzien van de bedoelde rechten de onderstelling des levens tot aan de verklaring van vermoedelijk overlijden te laten gelden, dan is het beter, verder door te tasten en — zoo als het ontwerp bij art. 514 doet — den geheelen rechtstoestand van den afwezige te laten beheerschen, eerst door een stellig vermoeden van leven, en later door een stellig vermoeden van overlijden. Er zijn er, die het eerste beschouwen als een terugtred naar eene leer, die, in de vorige eeuw door Leyser en anderen in het Romeinsche recht gelezen, sedert zou zijn verlaten. Door een vermoeden van leven — altijd totdat de afwezige zekeren leeftijd kan hebben bereikt — aan te nemen , miskent men, zeggen zij, de natuur der verklaring van vermoedelijk overlijden, welke enkel beteekent, dat te rekenen van het aangenomen tijdstip de afwezige niet meer zal hebben geleefd, maar geheel in het midden laat, of zijn leven zich zoover heeft uitgestrekt of reeds vroeger was geëindigd. Daartegenover hebben echter anderen aangetoond, dat reeds sedert de glossatoren naast het vermoeden van overlijden een vermoeden van leven is aangenomen, met gelijke kracht in omgekeerden zin. Dit vermoeden heeft — behalve in den Code Civil en de daarop steunende wetboeken — in alle wetgevingen ingang gevonden, en ligt bepaaldelijk aan § 1990 van het Saksische wetboek ten grondslag, terwijl het door twee rechtsleeraren, die in den laatsten tijd groot gezag hebben verkregen, Windscheid ') en Stobbe 1) in bescherming wordt genomen. Het ontwerp kan dus nooit den blaam verdienen, dat het een gebrekkig en verouderd recht weder in het leven roept.

Moest de vierde afdeeling van den tegenwoordigen titel om de opgegeven redenen vervallen, ook de vijfde kon gemist worden, omdat de onderwerpen, daarin voorkomende, reeds op andere plaatsen geregeld zijn. Zij handelt over de gevolgen der afwezigheid met betrekking tot het huwelijk en de kinderen- Ten aanzien van het eerste punt is in art. 229, 2quot;. Ontw. aangenomen, dat het oude huwelijk blijft voortbestaan, totdat de echtgenoot, nadat het rechtsvermoeden van overlijden uitgesproken is, op nieuw in den echt getreden is; terwijl volgens art. 165, 4°. Ontw. de gemeenschap van goederen reeds door die uitspraak ontbonden wordt. Door deze bepalingen kon eene bijzondere regeling hier vervallen, en is alleen bij art. 531 aan den echtgenoot eene aanspraak op uitkeering toegekend, die strekken kan om, indien het nieuwe stelsel tot onbillijke gevolgen zoude leiden, deze te voorkomen. En van het ouderlijk gezag behoefde in dezen titel in het geheel geene sprake te zijn, daar de afwezige zeker in de onmogelijkheid verkeert om het hem toekomend gezag uit te oefenen, en de artt. 331 en 337 Ontw. derhalve in alle behoeften volkomen voorzien.

1

llandbuch des Deutsche» Privatrechts, I, B. § 38, S. 231 en noot 23.

ocr page 437

277

EERSTE AFDEELING.

Alt. 510.

Om tot de aanstelling van een bewindvoerder over te gaan , is niet meer noodig dan dat, de betrokken persoon afwezig is, en er noodzakelijkheid bestaat om in het bebeer van zijn vermogen te voorzien. Al weet men, niet alleen dat hij in leven is, maar zelfs waar hij zich bevindt, kan het nog zoo moeielijk zijn, van hem zelf de noodige voorzieningen te verkrijgen, dat eene tusschenkomst des rechters gewettigd heeten mag. De aan den bewindvoerder opgedragen last is korter omschreven dan in art. 519 B, W., zonder dat in de zaak zelve eene verandering bedoeld is; de vertegenwoordiging gaat zoo ver als onvermijdelijk is voor het beheer; dit komt duidelijker uit, doordien het woord daarbij vervangen is door te dien einde.

Wanneer iemand als afwezig te beschouwen is, behoort de wet aan te wijzen. Be hier gegeven bepaling komt overeen met hetgeen vrij algemeen door de tegenwoordige uitdrukking «het verlaten zijner woonplaats» wordt geacht te zijn bedoeld; terwijl van de «gemeente, waarin hij domicilie heeft», gesproken is in overeenstemming met den vierden titel van het ontwerp, die niet de gemeente, maar bepaaldelijk het huis of de woning aanneemt als plaats van bet domicilie.

Heeft de afwezige eene volmacht achtergelaten, dan bestaat er geene noodzakelijkheid om in het beheer, voor zoover de lastgeving strekt, te voorzien. Om deze reden is al, wat art. 519 B. W. ten aanzien van volmachten zegt, weggelaten.

Ook schijnt het overbodig, uitdrukkelijk te verwijzen naar de bijzondere wetsbepalingen voor het geval van faillissement of kennelijk onvermogen. Al zegt de wet het niet, zal niet betwijfeld worden, dat de voor bijzondere gevallen geschreven bepalingen aan de algemeene, betreffende de afwezigheid , voorgaan.

Art. 511.

Zoolang het rechtsvermoeden van overlijden niet is uitgesproken , en de afwezige dus nog geacht wordt in leven te zijn, wordt hij beschouwd door zijne afwezigheid te verkeeren in den toestand van eene persona miserabilis, wier belangen op onbillijke wijze zouden verwaarloosd worden , indien het Staatsgezag zich die niet aantrok. De benoeming van een bewindvoerder rust op hetzelfde beginsel, als die van den voogd voor een minderjarige of den curator voor een krankzinnige; een noodzakelijk gevolg hiervan is, dat voor het beheer van den bewindvoerder in het algemeen dezelfde regels gelden als voor dat van den voogd.

Volgens het Burgerlijk Wetboek bestaat tusschen beiden in zoover verschil, dat ten aanzien van de boedelbeschrijving, welke de bewindvoerder opmaakt, wordt gezegd, dat, zoo noodig, eene verzegeling voorafgaat, en hem wordt voorgeschreven, het gereede geld te storten in de kas der gerechtelijke consignatiën. Daarentegen ontbreken voorschriften omtrent het overbrengen van een ondershands opgemaakten inventaris naar de griffie, en is hij ontheven van de noodzakelijkheid om voor zijn beheer zekerheid, te stellen. Redenen voor die afwijking schijnen niet te bestaan, althans geene, die voor alle bewindvoerders in het algemeen gelden; heeft de voogd, tenzij art. 433 Ontw. toepasselijk is, de effecten en gelden, na zekerheidstelling, onder zich, waarom zou dan niet hetzelfde voor den bewindvoerder gelden?

ocr page 438

278

Niet, overgenomen is de beperkende bepaling; «voor zoover die op zijn beheer van toepassing kunnen worden gemaakt». Zij slaat blijkbaar op hetgeen in de artikelen, waarnaar verwezen wordt, voorkomt omtrent den toezienden voogd en den familieraad; het was beter, dit uitdrukkelijk te zeggen.

Dat ook andere voorschriften, ten aanzien van het beheer van den voogd geldende, hier overbodig of zelfs moeielijk uitvoerbaar zullen zijn , is daarmede niet geloochend. In al die gevallen kan de rechtbank daarvan vrijstelling verleenen; eene uitdrukking, die de voorkeur verdient boven die van art. 520 B. W., «tenware omtrent dit een of ander door de rechtbank anders mocht zijn bepaald». Is de bedoeling hiervan, dat de rechter geheel afwijkende voorschriften kan geven, dan wordt op die wijze de deur voor allerlei willekeur opengezet, en aan den rechter de taak des wetgevers opgedragen ; hetgeen niet wenschelijk is.

Terwijl thans twijfelachtig is, of art. 520 B. W. de rechtbank toelaat den bewindvoerder van bet opmaken van den inventaris vrij te stellen, of hem vergunning te geven dezen ondershands te vervaardigen, volgt uit de algemeene bewoordingen van het ontwerp, dat de rechtbank die bevoegdheid heeft. Er bestaat geene reden om het opmaken eener boedelbeschrijving onvoorwaardelijk voor te schrijven, omdat het beheer van zoodanigen aard kan zijn, dat het vervullen dier formaliteit geheel doelloos zou wezen.

Ten aanzien van het loon is dezelfde berekening aangenomen , als volgens art. 376 Ontw. voor den voogd geldt, en daar nader toegelicht is. De tegenwoordige onzekerheid omtrent hetgeen als ontvangst of uitgaaf te beschouwen is, en het bezwaar, dat de bewindvoerder het in zijne macht heeft, door de wijze, waarop hij beheert, zijn loon op te drijven, zijn dus vervallen.

Art. 512.

Gelijk de voogd om de twee jaren aan den toezienden voogd een staat overlegt van hetgeen voor rekening van den minderjarige ontvangen en uitgegeven is, en de geldswaardige stukken, welke hij onder zich heeft, vertoont (art. 392 Ontw.), moet de bewindvoerder van den afwezige hetzelfde doen aan het openbaar ministerie. Thans is deze verplichting voor den voogd om de twee jaren , voor den bewindvoerder jaarlijks voorgeschreven: eene geldige reden voor dit onderscheid is niet te vinden.

Waarom de overlegging niet langer den naam van summiere rekening draagt, is bij art. 392 Ontw. opgegeven. Ten aanzien van dit punt, en van het voorschrift om den staat in dubbel op te maken , wordt naar de toelichting van dat artikel verwezen. Eindelijk zij opgemerkt, dat, nu er geene sprake is van het goedkeuren eener, zij het zelfs summier afgelegde, rekening, het tweede lid van art. 521 B. W. vervallen kon. Dat het overleggen van den staat aan het recht van den afwezige of van andere belanghebbenden geen nadeel kan toebrengen, spreekt van zelf.

Art. 513.

Het Burgerlijke Wetboek zwijgt geheel van het ontslag des bewindvoerders; zoodat dit schijnt te behooren onder de maatregelen, waartoe de officier van justitie, na ontvangst der jaarlijksche rekening, eene voordracht aan de rechtbank kan doen. Is deze opvatting juist, dan is de zaak

ocr page 439

279

in tweeërlei opzicht onvoldoende geregeld. Aan de eene zijde kan reeds vóór het tijdstip, waarop die rekening gedaan moet worden , hlijken van zoodanige onbekwaamheid of plichtverzuim bij den bewindvoerder, dat de benoeming van een ander wenschelijk wordt. Maar aan den anderen kant heeft de bewindvoerder ook geen waarborg, dat hem niet, zonder dat bij daartoe eenige aanleiding gegeven heeft, de opdracht ontnomen wordt; hetgeen niet alleen geldelijk nadeelig, maar ook voor zijne eer krenkend kan zijn. Daarom is het nieuwe artikel voorgedragen, waarbij (evenals reeds in art. 357 Ontw. ten aanzien van bewindvoerders over goederen, aan minderjarigen toekomende, gedaan was) als eenige reden van ontslag is aangenomen, hetgeen onder n0. 3 van art. 406 Ontw. voorkomt; overneming der verdere redenen, in dit artikel opgenoemd, was niet wenschelijk, als meer den persoon des minderjarigen betreffende, en dus hier niet te pas komende.

Art. 514.

Na hetgeen bij de inleiding gezegd werd, behoeft dit artikel weinig toelichting: het beginsel, waarvan het ontwerp uitgaat, is hier opzettelijk uitgesproken.

De leeftijd van honderd jaren is ontleend aan art. 129 C. C. en art. 540 B. W., en behouden, ofschoon het gemeene recht in Duitschland, met het oog op Psalm 90 v. 10, den vermoedelijken dood aanneemt, zoodra zeventig jaren na de geboorte verloopen zijn. Men vergete echter niet, dat daarna nog altijd eene Edictalladung noodig is, terwijl in ons artikel sprake is van een vermoeden, dat, zonder eenige voorafgaande formaliteit, als praesumtio juris geldt. Door den langsten termijn aan te nemen, voorkomt men moeielijkheden, als zich in Duitschland hebben voorgedaan, toen iemand, die ouder was dan zeventig jaren , vermist werd, en de vraag werd opgeworpen, welke berekening nu gevolgd moest worden; terwijl belanghebbenden het altijd hunne macht hebben, de verklaring van vermoedelijk overlijden uit te lokken, en alzoo reeds vroeger aan den toestand van onzekerheid een einde te maken.

TWEEDE AFDEELING.

Art. 515.

Terwijl thans twijfel bestaat, of de termijn begint te loopen van den dag, waarop hier te lande bericht van het leven des afwezigen is ingekomen, dan wel van dien, waarop hij volgens dat bericht nog leefde, stelt de nieuwe redactie vast, dat de laatste wijze van berekening moet gevolgd worden. Ook is niet noodig, dat het bericht van hem zeiven afkomstig zij; bet is voldoende, indien bet van dien aard is, dat hij blijkt op den daarin genoemden dag nog in leven geweest te zijn. Alleen de zekerheid, dat hij toen nog leefde, komt in aanmerking; hoe en wanneer die verkregen wordt, is onverschillig.

Tijdsbepalingen, verschillende naarmate de afwezige al dan niet eene volmacht heeft achtergelaten, zijn niet vastgesteld; vooreerst omdat bij de thans bestaande middelen van correspondentie het eene groote zeldzaamheid zal zijn, dat iemand, die werkelijk in leven is, in vijf jaren niets van zich laat hooren, ten andere, omdat aan de rechtbank de bevoegdheid wordt, gegeven hare uitspraak nog vijf jaren uit te stellen.

ocr page 440

280

Art. 516.

De verkorting van den termijn in de beide hier omschreven gevallen is ontleend aan de wel van 9 Juli 1855 [Stbl. nquot;. 67); waarbij alleen valt op te merken, dat bet eerste nummer uitgebreid is tot alle noodlottige gebeurtenissen. Wanneer de afwezige bij brand, watersnood of dergelijke ongevallen vermist is, kan het, even goed als bij schipbreuk, voorkomen, dat zijn dood aan geen redelijken twijfel onderhevig is, terwijl het toch onmogelijk zou zijn tot het opmaken eener akte van overlijden te geraken.

Art. 517.

Het is gewis niet in het belang van den afwezige, die in leven is, dat hij vermoedelijk overleden wordt verklaard. En evenwel zal volgens de tegenwoordige wet in den tegel recht moeten worden gedaan op bewijsstukken, die de eischer den rechter gelieft onder de oogen te brengen. Beter zal voor den afwezige gezorgd zijn , indien zijne zaak niet langer behandeld wordt, alsof zij tot de voluntaire jurisdictie behoorde, maar daarvan een werkelijk rechtsgeding wordt gemaakt, te voeren tegen een bijzonderen voor hem aangewezen vertegenwoordiger. Deze zal, wil hij zich van zijn plicht kwijten, een nauwkeurig onderzoek moeten doen naar de waarheid van het feit, dat er inderdaad, ook bij anderen dan de eischer, geen bericht van den afwezige ingekomen is, en naar de mogelijke redenen, die voor dat stilzwijgen bestaan. Wordt dooiden eischer bewijs bijgebracht, dan zal hij door het leveren van tegenbewijs, indien daartoe aanleiding is, zorgen , dat de rechter daaraan niet meer waarde hecht dan met den werkelijken stand van zaken overeenstemt. Kortom, hij kan de belangen des afwezigen waarnemen, beter dan den rechter, die van de hem voorgelegde bewijsmiddelen afhankelijk is, ook bij de meeste nauwgezetheid mogelijk is.

Tweede lid. — Het is twijfelachtig, of de bewindvoerder, naar de algemeene regelen voor de interventie, als tusschenkomende partij zou kunnen worden toegelaten. Toch kan hij allicht door het beheer, dat hij voert of gevoerd heeft, met omstandigheden bekend zijn geworden, die op de beslissing van invloed kunnen zijn, en moet hem daarom de bevoegdheid worden verleend om zich in het geding te voegen.

Art. 518.

Tweede lid. — In art. 523, 2de lid B. W. wordt alleen gesproken van het doen blijken van het leven van den afwezige op den dag der terechtzitting. Het zou echter kunnen gebeuren , dat bewezen werd, niet dat de afwezige op dien dag, maar wel, dat hij binnen het tijdsverloop, voor het instellen der actie gevorderd, nog in leven was. In dit geval zou de vordering moeten worden afgewezen, omdat de grondslag, waarop zij volgens art. 515 Ontw. behoort te berusten , vervallen zou zijn; en eerst wanneer vijf jaren na de nu bekend geworden laatste tijding verloopen zullen zijn , voor eene nieuwe vordering grond zou ontstaan. Voor nieuwe dagvaardingen in het aanhangig rechtsgeding is mitsdien geene aanleiding.

ocr page 441

281

Derde lid. — Volgens het laatste lid van art. 523 B. W. moet de rechtbank bij het eerste \erlof de nieuwsbladen aanwijzen. Het is echter mogelijk, dat zij, na iets meer van de zaak gehoord te hebben, de plaatsing in andere couranten wenschelijker acht. Daarom wordt voorgesteld , dat zij bij het verleenen van ieder verlof de couranten zal hebben op te geven.

Omtrent de vraag, welke nieuwsbladen de rechter behoort aan te wijzen, en hoe vele, bevat het ontwerp geene regeling. Veelal zullen buitenlandsche bladen het best aan het doel beantwoorden; bij de geheele vrijheid, die den rechter gelaten is, zal hij dienaangaande met de omstandigheden te rade kunnen gaan.

De aanplakking aan de voorname deur der vergaderplaats van de rechtbank, thans bij art. 523 B. W. voorgeschreven, is vervallen, omdat zij geen waarborg oplevert, dat het instellen der vordering inderdaad tot de kennis zal komen van hen , die omtrent het lot van den afwezige inlichting geven kunnen. Eerder bestaat hierop kans bij de ingezetenen zijner laatste woonplaats: de aanplakking aan het gemeentehuis, die er toe kan bijdragen om de aandacht van dezen op de zaak te vestigen , is daarom behouden.

Art. 519.

Zijn alle formaliteiten nageleefd, en de vereischten aanwezig, voor het instellen der actie voorgeschreven, dan bestaat er geene reden , waarom de rechter de vordering niet zou moeten toewijzen; waartegen te minder bezwaar kan bestaan, indien, gelijk hier, evenals bij het tweede lid van art. 525 B. W., geschiedt, den rechter de bevoegdheid wordt gegeven zijne uitspraak een geruimen tijd uit te stellen.

Een voorschrift als het eerste lid van art. 525 B, W. schijnt daarbij overbodig, omdat het in den aard der zaak ligt, dat de rechter alleen dan zijne uitspraak zal uitstellen, wanneer in het proces omstandigheden zijn aan het licht gekomen, die het in leven zijn van den afwezige min of meer waarschijnlijk maken.

Het stelsel van de tegenwoordige wet omtrent de terugwerkende kracht der verklaring van vermoedelijk overlijden is in strijd met de werkelijkheid. Het is toch niet waarschijnlijk, dat een afwezige reeds daags na zijn vertrek of na de laatste tijding zal zijn overleden. De wet zelve neemt aan, dat hij nog vijf jaren daarna kan geleefd hebben, zonder iets van zich te doen hooien. Waar men dus, bij gebreke van elke stellige zekerheid, zoeken moet naar eenen dag, waarop het overlijden vermoed mag worden te hebben plaats gegrepen, scheen het eenvoudigst zich daaraan geheel te houden, en den dag, waarop de wetgever het vermoeden van leven voor dat des doods wijken doet, als den waarschijnlijken sterfdag aan te merken. De bepaling van ieder ander tijdstip, b. v. van een jaar na de laatste tijding, zou zuiver willekeur zijn; terwijl de opdracht aan den rechter om in iedere zaak naar gelang van omstandigheden zelf een dag aan te wijzen , zeker in de practijk tot geen betere resultaten voeren zou.

Doet men de bepaling van den dag, die als vermoedelijke sterfdag aan te nemen is, afhangen van het instellen der vordering, dan is er geene reden om, in strijd met de gewone declaratieve natuur van het vonnis, het vermoeden van het overlijden op den dag der uitspraak te doen ingaan. Daar komt bij, dat het voor hem, die belang zou hebben bij de aanwijzing

11

ocr page 442

282

van een lateren dag, gemakkelijk zon zijn, het geding te rekken, en alzoo den dag der uitspraak te verschuiven. Wil men voor alle gevallen eene vaste regelmatige wijze van berekening houden , dan kan alleen de dag der eerste dagvaarding in aanmerking komen.

Iets anders is het, wanneer iemand vermist is bij gelegenheid van eene ramp, die hij hoogst waarschijnlijk niet heeft overleefd, of zich bevonden heeft aan boord van een vaartuig, waarvan men wel als zeker kan stellen , dat het 'geen vijf jaren rondgevaren heeft, zonder dat bij de reeders eenig bericht ingekomen is. Hier is men zeker het dichtst bij de waarheid door aan te nemen, dat hij in het eerste geval op denzelfden dag, waarop de ramp geacht wordt te hebben plaats gegrepen, in het tweede zeer kort na den dag der laatste tijding overleden is.

Art. 520.

Volgens art. 118 C. C. zond de ambtenaar van het openbaar ministerie het vonnis aan den Minister van Justitie, die voor de openbaarmaking zorg droeg; eene regeling, die nog in het Wetboek van 1830 behouden werd. Bij de laatste herziening van 1832 werd de tegenwoordige redactie van art. 527 B. W. daarvoor in de plaats gesteld, die alleen zegt, dat de verklaring van vermoedelijk overlijden algemeen bekend moet worden gemaakt, maar in het midden laat, wie daarvoor heeft te zorgen. Is daarbij aan den eischer gedacht, dan behoort het artikel zeker te worden aangevuld door eene regeling der gevolgen, welke een mogelijk verzuim hebben zal. Daar het hier echter den staat geldt van den vermoedelijk overleden verklaarde, die op allerlei rechtsbetrekkingen invloed hebben kan, komt eene veroordeeling tot schadevergoeding niet te pas; terwijl eene vervallenverklaring van het vonnis weer tot andere moeielijkheden leiden zou. Beter is het daarom, terug te keeren tot de vroegere regeling, en het openbaar ministerie voor de bekendmaking te doen zorgen; waarbij, in overeenstemming met den in 1823 geuiten wensch der afdeelingen (Voorduin, III, hl. 222), de tusschenkomst des Ministers als overbodig weggelaten is. Eene bekendmaking door den officier van justitie komt, in geval van curateele wegens zwakheid van vermogens, reeds in art. 499 B. W. (478 Ontw.) voor.

Art. 521.

Gelijk bij de inleiding gezegd werd, drukt dit artikel, in verband met art. 514 Ontw., het beginsel, waarop de geheele regeling van dezen titel berust, nauwkeurig uit. Het scheen wenschelijk, die uitspraak te dezer plaatse op te nemen, ofschoon de gelijkstelling van den vermoedelijk overleden verklaarde met een overledene, totdat van zijn bestaan alsnog blijkt, ook thans, niettegenstaande het Burgerlijk Wetboek er van zwijgt, wel als geldend recht zal mogen worden aangenomen.

Het werkelijk overlijden doet sommige rechtsbetrekkingen te niet gaan, b. v. maatschap, lastgeving; wijzigt andere, art. 1335 B. W.; heeft invloed op de bewijskracht van onderhandsche akten, art. 1917 B. W., en op de rechtspleging, artt. 254 en vlgg. W. B. Bv. In den regel zal het vermoedelijk overlijden dezelfde gevolgen moeten hebben.

Moet ten aanzien van deze of gene instelling eene andere regeling gelden, dan is het meest regelmatig, die op te nemen in den titel, die de voorschriften omtrent zoodanige instelling

ocr page 443

283

bevat. Zoo is in art. 229 Ontw. gezegd, dat het huwelijk niettegenstaande de verklaring van vermoedelijk overlijden in stand blijft, en eerst door een daarop gevolgd hertrouwen van den echtgenoot ontbonden wordt.

Hetgeen ten opzichte van de nalatenschap van den vermoedelijk overleden verklaarde rechtens moet zijn, zou, met het oog hierop, wellicht eigenaardig thuis behooren in deu titel betreffende erfopvolging. Om echter niet zonder noodzaak van het tegenwoordige wetboek af te wijken, heeft men gemeend, de voorschriften omtrent dit onderwerp hier weder te moeten opnemen.

Art. 522.

Daar uit het vorig artikel, in verband met de algemeene regels van het erfrecht, de bevoegdheid der erfgenamen tot inbezitneming zoowel als hunne gehoudenheid tot het betalen der schulden , voor zoover zij zich niet op het voorrecht van boedelbeschrijving beroepen, volgt, scheen het onnoodig dat recht en die verplichting, gelijk thans in de artt. 528 en 544 B. W. geschiedt, bepaaldelijk uit te spreken. Het ontwerp bepaalt er zich toe, de beide verplichtingen , welke zij moeten vervullen , alvorens de goederen in bezit te nemen, op te geven en in bijzonderheden te regelen.

Ten aanzien der boedelbeschrijving is de notarieele vorm voorgeschreven. Thans zwijgt de wet hieromtrent; zoodat, ofschoon Mr. Opzoomek (II, bl. 572) door eene redeneering, aan art. 830 B. W. ontleend, tot hetzelfde resultaat komt, het voorzichtig scheen, indien men dien vorm als waarborg voor de belangen van den vermoedelijk overleden verklaarde, ingeval hij nog terugkeert, wenschelijk acht, daarvan een uitdrukkelijk wetsvoorschrift te maken.

Ten aanzien der zekerheidstelling wordt in het Burgerlijk Wetboek wel bepaald, dat zij gerechtelijk moet worden goedgekeurd, maar niet door welken rechter. Men zou kunnen denken aan de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de erfgenamen wonen , of, in geval van hypotheek, de goederen gelegen zijn; beter is het, de zaak te laten afloopen bij den rechter, die de verklaring van vermoedelijk overlijden uitsprak, en dit, ten einde alle onzekerheid weg te nemen, bepaald te zeggen. Daarbij is aangenomen , dat er omstandigheden kunnen zijn, b. v. de geringheid van den boedel of de aard der goederen , die het stellen van zekerheid minder noodzakelijk maken: de rechtbank heeft om die reden de bevoegdheid om daarvan vrijstelling te verleenen.

Art. 523.

Dit artikel strekt om de naleving der verplichtingen, welke bij het vorig artikel in het belang van den vermoedelijk overleden verklaarde, zoo hij terug mocht komen, voorgeschreven zijn , beter te waarborgen , dan de tegenwoordige wet doet.

Thans is het al dan niet opmaken van een inventaris aan het goedvinden van de vermoedelijke erfgenamen overgelaten. Het is waar, dat, indien zij het verzuimen, zij het voorrecht van boedelbeschrijving missen, maar niet altijd zal dat voorrecht voor hen waarde hebben, b. v. wanneer zij zeiven niets te verliezen hebben , of wanneer het actief het passief te boven gaat. En juist in het laatste geval zal de teruggekomene er het meeste belang bij hebben , dat er een stuk bestaat, waaruit blijkt, wat de vermoedelijke erfgenamen onder zich genomen hebben.

ocr page 444

284

Wat betreft de zekerheidstelling, schrijft wel art. 529 B. W. voor, dat, bij gebreke daar van, de goederen onder beheer van een derde gesteld zullen worden; maar wie daarvoor zorgen zal, is niet gezegd, zoodat het zeer twijfelachtig is, of men inderdaad beletten kan, dat de vermoedelijke erfgenamen de nalatenschap onder zich nemen zonder zekerheid te stellen. De voor den afwezige benoemde bewindvoerder heeft tengevolge van de verklaring van vermoedelijk overlijden gedefungeerd, en er bestaat dus eenige grond voor de bewering, dat hij zich tegen de afgifte niet kan verzetten. Maar bovendien, er is niet altijd een bewindvoerder.

Deze bedenkingen hebben er toe geleid om in het vorig artikel te bepalen, dat èn de beschrijving èn de akte van zekerheidstelling ter griffie moeten worden overgebracht; terwijl hier aan den officier van justitie, die zich gemakkelijk kan vergewissen, of daaraan gevolg gegeven is, de verplichting wordt opgelegd om de benoeming van een derden beheerder aan te vragen.

De rechten en verplichtingen van den beheerder zijn nauwkeuriger omschreven dan in de tegenwoordige wet. Dat hij jaarlijks aan de erfgenamen rekening doet en hun het saldo daarvan uitkeert, is een gevolg van hun recht, daar hun wel het beheer ontnomen is, maar zij overigens in alle opzichten met vruchtgebruikers gelijk staan.

Ten aanzien van de bevoegdheid des beheerders en zijn ontslag gelden dezelfde beginselen als in de artt. 511 en 513 0ntw. omtrent den bewindvoerder, die vóór de verklaring van vermoedelijk overlijden optreedt, aangenomen zijn; alleen is het recht om zoo noodig zijn ontslag te vragen, dat daar aan het openbaar ministerie toekwam, hier aan de erfgenamen verleend.

Art. 524.

Daar bij verzuim van het opmaken van den inventaris een derde met het beheer wordt belast, bestaat er geen reden om tegen deze nalatigheid het verlies van het voorrecht van boedelbeschrijving te bedreigen, terwijl het voorrecht zelf behouden is, als door de billijkheid gevorderd. De afwezige kan na zijn vertrek, ook buitenslands, zooveel schulden gemaakt hebben, dat zijne erfgenamen anders altijd zouden blootstaan aan het gevaar om geroepen te worden tot het nakomen van verplichtingen, wier bestaan zij niet kenden, en zelfs met het nauwkeurigst onderzoek van hunne zijde niet konden ontdekken.

Art. 525.

Ook zonder dat er eene scheiding heeft plaats gehad, kan het vervreemden of bezwaren van vaste goederen noodzakelijk zijn; art. 537 B.W., dat alleen van dit geval spreekt, is derhalve te beperkt, en vervangen door eene nieuwe redactie, zoo ruim gesteld, dat zij den tijd, die aan de verdeeling voorafgaat, zoowel als die daarna volgt, gelijkelijk omvat.

Daar het verstrijken van den termijn van art. 533 Ontw. een anderen toestand doet ontstaan , en dat artikel aan de erfgenamen uitdrukkelijk de vrije uitoefening hunner rechten verleent, is het onnoodig hier te zeggen, dat de onbevoegdheid met het verloopen van dien termijn ophoudt.

Met vaste goederen zijn, evenals op andere plaatsen (artt. 140, 201, 437 Ontw.), de op naam

ocr page 445

285

staande inschulden, effecten, aandeelen en schepen gelijk gesteld. De aanleiding tot het geheele verbod ligt natuurlijk in den wensch om den toestand des boedels, voor het geval, dat de vermoedelijk overleden verklaarde alsnog terugkeert, zooveel mogelijk onveranderd te houden; een wensch, die ten aanzien van niet op naam staande roerende goederen moeielijk verwezenlijkt kan worden, maar wiens vervulling voor de hier bedoelde goederen, evenmin als voor onroerende, aan ernstige bezwaren onderhevig is.

Art. 526.

Dat de vermoedelijke erfgenamen de goederen , in wier bezit zij getreden zijn, en dus ook, voor zoover zij in hun bezit getreden zijn, voorloopig verdeden kuïinen, wordt thans in art. 534 B. W. geleerd: en tevens, dat zij daarbij in acht moeten nemen de voorschriften, omtrent boedelscheiding gemaakt. Daar hieronder ook art- 1115 B. W. gerekend zou kunnen worden te behooren, en de in dit artikel verleende vrijheid ten aanzien van de goederen van een vermoedelijk overleden verklaarde uitgesloten moet zijn, verwijst het ontwerp enkel naar het tweede lid van art. 1117 B. W. Van zelf spreekt, dat men daarmede niets meer wil te kennen geven dan dat dezelfde vormen moeten worden in acht genomen, alsof zich onder de deelgerechtigden jtevxonae miserahilcs bevonden; natuurlijk voor zoover de voorschriften daaromtrent voor toepassing vatbaar zijn. Zoo zouden, indien het tweede boek van het Burgerlijk Wetboek onveranderd bleef, de artt. 1119 en vlgg. moeten worden nageleefd.

Kunnen de onroerende goederen niet worden verdeeld, dan worden zij thans onder secjues-tratie gesteld. Daar de erfgenamen echter overeenkomstig art. 522 Ontw. zekerheid moeten gesteld hebben, neemt het ontwerp aan, dat een hunner met het beheer zal kunnen belast worden.

De werkkring van den kantonrechter brengt mede, dat deze beter dan de rechtbank kan beoordeelen, welke erfgenaam den meesten waarborg voor een richtig beheer oplevert. De opdracht van de aanwijzing aan den kantonrechter heeft ook dat voor, dat, wanneer deze tot het tot stand komen der deeling moet medewerken, hij gelijktijdig met het verleenen zijner goedkeuring den erfgenaam kan aanwijzen.

De slotbepaling van art. 534 B. W. houdt in, dat uit de deeling moet blijken, wat aan legatarissen of andere gerechtigden moet worden uitgekeerd. Waartoe dient dit voorschrift? Wat zijn de gevolgen, als het niet is nageleefd? Omdat men hierop geen bevredigend antwoord kon geven , heeft men deze bepaling weggelaten.

Art. 527.

De strekking van dit artikel, evenals van art. 536 B. W., is, de erfgenamen in de gelegenheid te stellen zich een bewijs te verschaffen van den toestand der goederen op het tijdstip, dat zij ze in bezit hebben genomen. Dit bewijs zal wel in niets anders kunnen bestaan dan in eene geloofwaardige beschrijving van de gesteldheid op dat tijdstip.

Dat zij geschiedt op kosten van hen , aan wie de goederen zijn toebedeeld, of die met het beheer daarvan belast zijn, scheen, evenals ten aanzien der in art. 522 Ontw. bedoelde formaliteiten, billijk, omdat de geheele inbezitneming een voorrecht is, aan de vermoedelijke erfgenamen

ocr page 446

286

verleend, en er geen grond is om naar aanleiding daarvan den boedel van den vermoedelijk overleden verklaarde met eenige kosten te bezwaren. Ook kan het aanleiding geven , dat niet zonder noodzaak tot den maatregel worde overgegaan.

Volgens het ontwerp behoeven niet altijd meerdere deskundigen benoemd te worden, maar kan men met een enkelen volstaan. Daar het soms moeielijk is, geschikte personen te vinden, en de rechterlijke benoeming altijd een waarborg tegen oneerlijke practijken oplevert, scheen tegen deze vereenvoudiging geen bezwaar te bestaan. Dat zij door den kantonrechter en niet door de rechtbank worden benoemd, is in overeenstemming met de regeling, in art. 435 Ontw. voor een soortgelijk geval aangenomen.

Het tegenwoordig art. 536 B. W. vordert behalve de beschrijving nog een verslag dei-deskundigen en goedkeuring daarvan door de rechtbank. Maar kan dit verslag iets anders zijn dan de beschrijving? En is dit het geval niet, hoe kan er dan van eene goedkeuring door de rechtbank, die van de goederen niets afweet dan wat de deskundigen mededeel en , sprake zijn?

Art. 528.

Dat de akte van boedelbeschrijving ter griffie moet worden overgebracht, staat nu in art. 535 B. W.; dat hetzelfde met de in het vorig artikel bedoelde beschrijving geschieden moet, in art. 536 B, W. Beide voorschriften, die noodig zijn in het belang van den vermoedelijk overleden verklaarde, indien hij alsnog terugkomt, zijn in dit artikel vereenigd; en als straf op het niet nakomen daarvan gesteld, dat de erfgenamen en beheerders zich in dat geval er niet op beroepen mogen..

Art. 529.

De in dit artikel uitgesproken gelijkstelling der vermoedelijke erfgenamen met vruchtgebruikers is ontleend aan art. 530 B. W.; waarbij alleen valt op te merken, dat de slotwoorden als overbodig weggelaten zijn. De bepaling zelve kan, ook naast art. 532 Ontw., haar nut hebben, om bij voorkomende moeielijkheden, gelijk de artt. 808 en vlgg. B. W. er vele regelen, een leiddraad voor de beslissing te geven.

Overigens zij opgemerkt, dat, evenals onze tegenwoordige wet, de vermoedelijke erfgenamen wel dezelfde rechten en verplichtingen hebben als vruchtgebruikers, maar daarom niet in ieder opzicht als zoodanig worden aangemerkt. Verder dan hunne verhouding tot den vermoedelijk overleden verklaarde, indien hij terugkomt, gaat de gelijkstelling niet; tegenover derden gelden zij natuurlijk als eigenaars.

Art. 530.

Dit artikel stemt geheel overeen met art. 531 B. W. Dat de legatarissen en andere hier bedoelde personen wel zekerheid moeten stellen, maar geene beschrijving behoeven op te maken, alvorens zij hunne goederen in bezit nemen, volgt thans uit de plaatsing van het artikel, maar-is in het ontwerp uitdrukkelijk gezegd.

Art. 531.

Volgens art. 539 B. W., in zoover overeenstemmende met art. 124 C. C., kan de echtgenoot van den vermoedelijk overleden verklaarde, indien hij de bestaande gemeenschap wil laten

ocr page 447

287

voortduren , zich tegen de provisioneele inbezitneming der erfgenamen verzetten , en het beheer der goederen op zich nemen of behouden. Dat hierdoor moeielijkherlen kunnen ontstaan , nu het van de willekeur van den echtgenoot afhangt, iemand, die door den rechter vermoedelijk overleden verklaard is, te zijnen aanzien als nog levend te doen aanmerken, en er geene afdoende reden is om in dit enkele geval de rechten der erfgenamen zooveel meer te beperken dan in alle andere, zal wel geen betoog behoeven. Daarom is het recht van den echtgenoot, dat in den Code Civil onbepaald gegeven was, in het Burgerlijk Wetboek beperkt tot tien jaren na den dag der verdwijning; eene verandering, die samenhing met de in art. 549 B. W. gegeven bevoegdheid om na dienzelfden termijn ook de ontbinding des huwelijks te vorderen (Voorduin , III, bl. 253). In het ontwerp is deze aanleiding voor de tegenwoordige regeling vervallen.

Verkieslijk scheen hel stelsel van het Italiaansche wetboek (artt. 26, 1441), volgens hetwelk de rechterlijke uitspraak ten aanzien van de goederen van den vermoedelijk overleden verklaarde steeds dezelfde werking heeft, hetzij hij gehuwd is of niet; de gemeenschap wordt voor altijd ontbonden (zie art. J65, 4°. en 166, Ontw.). Alleen in zoover is met de billijkheid, die ten voordeele van den echtgenoot pleit, rekening gehouden, dat hem eene tegemoetkoming kan worden toegelegd, die niet enkel gedurende tien jaren, maar, tenzij er andere redenen bestaan om haar te doen eindigen, voortdurend uitgekeerd wordt tot op den dag, waarop ook de overige provisioneele maatregelen ophouden, en het recht der erfgenamen onbepaald wordt erkend.

Door dit stelsel voldoet men aan alle billijke aanspraken van den echtgenoot zoowel als van de erfgenamen; terwijl het in volkomen overeenstemming is met art. 229 Ontw., dat, al moge de gemeenschap van goederen ontbonden wezen, toch den zedelijken band des huwelijks, niettegenstaande de verklaring van vermoedelijk overlijden, doet voortbestaan, totdat de overgebleven echtgenoot een nieuw huwelijk gesloten heeft.

Art. 532.

De tegenwoordige regeling van hetgeen teruggegeven moet worden kan tegenover den vermoedelijk overleden verklaarde onbillijk werken. Komt hij terug in het vijftiende jaar, dan heeft hij recht op de helft van al de gedurende zijne afwezigheid getrokkene vruchten en inkomsten; maar keert hij weder, misschien eenige dagen later, in het zestiende, dan kan hij slechts een vierde daarvan opvorderen. De verplichting tot teruggave van een vast deel van het genotene heeft dat bezwaar niet; zij heeft ook dit voor, dat zij het den bezitters mogelijk maakt, jaarlijks af te zonderen, wat zij eventueel hebben terug te geven.

Art. 533.

Vermits de bepaling, dat na bet in dit, artikel omschreven tijdsverloop de vermoedelijke erfgenamen hunne rechten als zoodanig onbeperkt kunnen uitoefenen, medebrengt, dat zij de nalatenschap kunnen aanvaarden, hetzij zuiver, hetzij onder het voorrecht van boedelbeschrijving, of ze kunnen verwerpen, en dat zij tot eene verdeeling, zoo deze niet heeft plaats gehad, kunnen overgaan, is de vermelding van dit een en ander onnoodig.

ocr page 448

288

Overigens is art. 540 B. W. alleen in zoover gewijzigd, dat, in plaats van het ontslag der borgen, de vervallenverklaring der gestelde zekerheid, die zoowel zakelijk als persoonlijk wezen kan, uitgesproken is.

Art. 534.

Komt, na afloop van den in het vorig artikel omschreven termijn, de vermoedelijk overleden verklaarde alsnog op, dan kan hij, daar zijne erfgenamen zich te goeder trouw als vrije eigenaars beschouwd hebben, van zijn boedel niet meer terug vorderen dan nog voorhanden is. Dit is de bedoeling van art. 542 B. W., en wordt in het voorgedragen artikel korter uitgedrukt. Daar deze vordering, als ware zij eene hereditatis petitio, strekt tot opeisching eener universitas, kan zij alleen gericht worden tegen de erfgenamen en de in art. 530 bedoelde personen: nooit tegen derde bezitters, die trouwens hun recht verkregen hebben van de erfgenamen. tijdens deze volkomen bevoegd waren om over de zaken onherroepelijk te beschikken. Dat met de personen, tegen wie de vordering toegelaten wordt, hunne erfgenamen en rechtverkrijgenden gelijkstaan, is niet uitdrukkelijk gezegd, omdat dit uit de algemeene rechtsbeginselen volgt.

Art. 535.

Indien niet de vermoedelijk overleden verklaarde zelf, maar zijne rechtverkrijgenden, na afloop van den in art. 533 Ontw. omschreven termijn , opkomen , beperkt art. 543 B. W. de mogelijkheid om hunne aanspraken geldend te maken tot de kinderen en verdere afkomelingen; en bindt zelfs dezen nog aan een termijn van dertig jaren. Wie zoo lang niets van zich doet hooren, heeft zich zeiven eene grove nalatigheid te wijten, die, indien ze al den afwezigen eigenaar zelf zijne rechten niet geheel ontnemen kan, toch in aanmerking moet komen; waar men de aanspraken der vermoedelijke erfgenamen, die hij hier achterliet, tegenover die van andere rechtverkrijgenden in billijkheid opweegt. Het ontwerp gaat iets verder dan de bestaande wet, door de vordering aan een termijn van tien jaren te binden.

TWINTIGSTE TITEL.

Van vereen igingen.

Het Burgerlijk Wetboek erkent in zijn derde Boek, Titel 10, als zedelijke lichamen (d. i. rechtspersonen), buiten die op openbaar gezag zijn ingesteld, alle vereenigingen van personen, die of door het openbaar gezag als zoodanig zijn erkend, of als geoorloofd zijn toegelaten, of alleen tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of goede zeden , zijn samengesteld. Eene uitdrukkelijke erkenning of toelating van wege den Staat werd dus als mogelijk verondersteld, niet als noodzakelijk voorgeschreven.

ocr page 449

289

Dit laatste vereischte is in onze wetgeving ingevoerd bij de wet tot regeling en beperking der uitoefening van het recht van vereeniging en vergadering, van 22 April 1855 [SM. n0. 32); en er bestaat alleszins reden om daaraan voor de toekomst getrouw te blijven. Niet alsof de rechtspersoonlijkheid eene zoo onnatuurlijke of verheven hoedanigheid vormde, dat zij slechts door het souverein gezag verleend kon worden; maar omdat het belang van hen, die met vereenigingen in aanraking komen, vordert, dat er geene onzekerheid besta omtrent de vraag, of zij zeiven als rechtspersonen, dan wel de individueele leden, die voor haar zijn opgetreden, verbonden zijn. Dit door een voor allen zichtbaar, uitwendig teeken uit te maken, is het hoofddoel der erkenning; terwijl er bovendien mogelijkheid moet bestaan om al zulke vereenigingen uit het burgerlijk verkeer te weren, wier werking in strijd zou zijn met het algemeen belang.

De beide begrippen , die zoo even naast elkaar geplaatst zijn, vereenigingen en zedelijke lichamen, dekken , hoewel nauw verwant, elkander niet volkomen; en de vraag behoort dus gesteld te worden, waaraan te dezer plaatse de voorkeur te geven is. Corporaties of zedelijke lichamen worden gevormd door personen, die zich vereenigen tot bereiking van een blijvend doel; zij bestaan geheel onafhankelijk van de enkele leden, die komen en gaan, zonder dat zulks op de corporatie eenigen invloed uitoefent; het lidmaatschap der leden is geheel persoonlijk en alle winstbejag voor de individueele leden moet uitgesloten worden, als strijdig met het begrip zelf der corporatie, die alleen haar eigen zelfstandig doel beoogt. Daarnaast staan andere vereenigingen, die in zoover meer naderen tot het karakter, hetwelk de naamlooze vennootschap op het gebied van het handelsrecht vertoont, dat haar doel bestaat in het behalen van winst voor de enkele leden (zooals vereenigingen tot verveening of landontginning), of die een gemengd karakter vertoonen (zooals kunstlievende vereenigingen, die tegen entree openbare uitvoeringen geven). Daar het lidmaatschap hier eene geldswaarde kan vertegenwoordigen, en de persoonlijkheid der leden onverschillig is, moet er mogelijkheid worden gelaten, dat het lidmaatschap op de erfgenamen overga.

Dat onder de vereenigingen dus twee soorten te onderscheiden zijn, is zeker; de grens is echter zeer moeielijk te trekken. Ook onder de eigenlijke corporaties zijn er, bij wie het belang der leden (zij het ook niet altijd in geld waardeerbaar) in aanmerking komt; en bij allen zal men moeten toelaten, dat, indien door toevallige omstandigheden meer gelden in kas zijn dan voor bereiking van het gemeenschappelijk doel noodig is, het meerdere onder de leden verdeeld wordt. Maar, al ware dit niet zoo, nog zou het trekken eener scherpe grenslijn geen nut hebben; daar beide soorten op geheel gelijke wijze rechtspersonen zijn, en zelfs in het laatste geval de vordering der leden, om hun aandeel in de winst te bekomen, den vorm zou moeten aannemen eener gewone actie, tegen de vereeniging als rechtspersoon ingesteld.

Om deze redenen is het wenschelijk, in de wet het meest ruime begrip, hetwelk ook dat der wet van 1855 is, te behouden; en alleen te spreken van vereenigingen, waarvan dan de corporaties of zedelijke lichamen een niet afzonderlijk genoemd onderdeel uitmaken. Bij de verdere ontwikkeling zijn zoowel het Burgerlijk Wetboek als de wet van 1855 gevolgd, terwijl ook raadpleging van de wet tot regeling der coöperatieve vereenigingen van 17 November 1876 [Slhl. n0. 227) meermalen goede diensten gedaan heeft.

mm

ocr page 450

290

Art. 536.

Dit artikel stemt overeen met het eerste lid van art. 5 der wet van 1855. De eisch, dat de akte van oprichting notarieel verleden worde, welke ook voorkomt in art. 4 der wet van 1876, is gedaan ten behoeve van hen, die eene vereeniging willen tot stand brengen. De medewerking van een deskundige geeft hun een waarborg, dat aan alle eischen, welke de wet stelt, in behoorlijken vorm voldaan worde.

Art. 14 van eerstgenoemde wet is als overbodig weggelaten ; worden de vereenigingen als rechtspersonen in een titel'van het Burgerlijk Wetboek geregeld, dan kan er geene sprake van zijn, die regeling toe te passen op vereenigingen , die geene rechtspersonen zijn, of aan wier behandeling andere titels gewijd zijn. Dit geldt ook ten aanzien der wederkeerige verzekerings-of waarborgmaatschappijen, in de wet van 12 September 1866 (Sthl. nquot;. 123) bedoeld; vindt de wetgever redenen om die aan het gemeene recht te onttrekken, dan moet dat uit het Wetboek van Koophandel blijken.

Art. 537.

Dit artikel stemt overeen met de beide laatste leden van art. 5 en het eerste lid van art. 6 der wet van 1855. De erkenning bij de wet wordt gevorderd, wanneer de vereeniging wordt opgericht voor meer dan dertig jaren, om te voorkomen, dat zij, evenals thans, worden aangegaan voor 29 jaren en 11 maanden. Van goedkeuring der statuten wordt niet gesproken, ten einde geen voedsel te geven aan het valsche begrip, alsof de erkenning eenige meerdere waarde had dan de verklaring, dat de statuten niet in strijd zijn met het algemeen belang.

Art. 538.

Dit artikel stemt overeen met art. 8 der wet van 1855, behoudens dat ook hier van eene bekrachtiging der vroeger verleende erkenning, niet van eene goedkeuring der verandering gesproken wordt. De eisch eener notarieele akte is niet herhaald, omdat die bij veelvoudige wijziging van ondergeschikte punten lichtelijk belemmerend zou kunnen werken.

Art. 539.

Dit artikel werkt in bijzonderheden uit, wat in het tweede lid van art. 6 der wet van 1855 slechts kortelijk wordt aangegeven , en slnit zich in zoover aan bij art. 7 der wet van 1876. Van de daar voorkomende negen nummers zijn vier (3, 4, 7, 9) weggelaten, omdat die alleen belang hadden voor de coöperatieve vereenigingen , waarbij art. 19 eene subsidiaire aansprakelijkheid der leden aanneemt.

De voorgedragen nummers 1, 3, 6 kunnen als volstrekt onmisbaar worden aangemerkt. Is punt 4 behoorlijk in de statuten geregeld, dan is daarmede de rechtsvraag afgesneden, of de gezamenlijke leden het recht hebben , e'e'n hunner het lidmaatschap op te zeggen. Omtrent de punten 2 en 5 ware eene andere bepaling in de wet mogelijk, maar niet wenschelijk. Dan zou van Staatswege te regelen zijn, wat partijen ongeregeld lieten; waarom zou men dit beter achten?

ocr page 451

291

Artt. 540.

Dit artikel stemt overeen met art. 7 der wet van 1855. Dat de erkenning geweigerd kan worden, indien de statuten niet voldoende bevatten , hetgeen in art. 539 Ontw. als noodig is geëischt, is een noodzakelijk gevolg van dien eiscli. Overigens blijft de regel, dat de gronden van weigering alleen ontleend kunnen worden aan het algemeen belang, waaronder natuurlijk strijd met de wet begrepen is.

Art. 541.

Dit artikel stemt overeen niet art. 12 der wet van 1855. Dat vereenigingen, niet als rechtspersonen erkend, ook als zoodanig geene burgerlijke handelingen kunnen verrichten, spreekt van zelf; en zij, die namens haar gehandeld hebben, stellen zich dus persoonlijk verantwoordelijk voor de door hen getroffen overeenkomsten. Tusschen de leden onderling zou onder zekere omstandigheden eene geldige lastgeving kunnen worden aangenomen; maar tegenover derden kan men zich niet beroepen op eene niet bestaande kwaliteit. Het Rijk staat in dit opzicht met andere derden gelijk, zonder dat zulks uitdrukkelijk vermeld behoeft te worden.

Uit art. 6 der wet van 1876 is overgenomen de hoofdelijke aansprakelijkheid, die billijk schijnt als straf voor het aannemen van eene niet bestaande kwaliteit, en vergoeding voor het bij derden opgewekt vertrouwen. Van bestuurders wordt niet gesproken, omdat in het veronderstelde geval een bestuur evenmin bestaat als eene vereeniging, en er dus geene reden is om hen, die persoonlijk niet medegewerkt hebben , in de zaak te betrekken.

Art. 542.

Dit artikel gaat verder dan art. 9 der wet van 1855, hetwelk alleen openbaarmaking dooide Staatscourant vorderde; en sluit zich in zoover meer aan bij art. 5 der wet van 1876. Eene inschrijving ter griffie heeft, ook naast de openbaarmaking in de Staatscourant, waarde, omdat zij in latere jaren gemakkelijker te raadplegen is. Om dezelfde reden is aan de griffie der rechtbank de voorkeur gegeven boven die van het kantongerecht; mocht deze laatste voor de coöperatieve vereenigingen, die bestemd zijn om in kleineren kring te werken, verkozen zijn , als algemeen voorschrift verdient de eerste aanbeveling.

Ingeval van verschil tusschen hetgeen ingeschreven en bekend gemaakt is, geeft art. 6 dei-wet van 1876 tegenover derden de voorkeur aan het laatste. Daar aan de inschrijving niet minder waarde moet worden toegekend, is dit niet overgenomen, en zal in zoodanig geval de juiste tekst gelden; natuurlijk met gehoudenheid tot schadevergoeding voor hen, die door hunne nalatigheid aan anderen nadeel berokkend hebben.

Art. 543.

Dit artikel stemt overeen met art. 1701 B. W. en art. 13 der wet van 1855. Bij de redactie is men uitgegaan van het denkbeeld, dat de eigenlijke zedelijke lichamen het meest zuivere type vertoonen van eene vereeniging als rechtspersoon; om het lidmaatschap erfelijk te doen zijn, is dus een bijzonder beding noodig.

ocr page 452

292

Art. 544.

Dit artikel wijkt af van art. 1696 B. W., hetwelk aan ieder lid gelijk recht geeft om zijne stem uit te brengen. Voor zoover daardoor het stemrecht ook aan vrouwen verleend werd, zijn de moeielijkheden niet groot; en zou alleen de vraag kunnen opkomen, hoe men te handelen heeft, indien getrouwde vrouwen van haar recht gebruik willen maken. De beantwoording dezer vraag hangt samen met de wijze, waarop in het algemeen de rechten en verplichtingen der echtgenooten geregeld zijn; zij behoort tot het huwelijksrecht, hetwelk volgens de artt. 14t en 147 Ontw. deze oplossing medebrengt, dat, indien de man het vermogen der vrouw beheert, hij het stemrecht, verbonden aan aandeelen in maatschappijen, of aan het lidmaatschap eener vereeniging, dat geldswaarde vertegenwoordigt, behoort, uit te oefenen, maar in alle andere gevallen de vrouw zelve optreedt zonder zijne bewilliging noodig te hebben. Dit punt behoefde dus hier niet afzonderlijk geregeld te worden; maar grooter wordt de zwarigheid, wanneer aan minderjarigen of onder curateele gestelden het lidmaatschap eener vereeniging toekomt, zooais lichtelijk het geval kan zijn, hetzij door toepassing van het in art. 543 Ontw. bedoelde erfrecht, of ook, indien de statuten het lidmaatschap toekennen aan personen, die nog niet meerderjarig zijn. Als voorbeeld kan gewezen worden op de Ned. Herv. Kerk, waarvan men reeds door den doop (of de aanneming) lid wordt, en waar de bier bedoelde moeielijkheid zich meermalen heeft voorgedaan. Om haar voor het vervolg af te snijden , is het stemrecht in dit artikel ontzegd aan alle minderjarigen en onder curateele gestelden.

Dat overigens de hier gestelde regel alleen geldt bij ontstentenis van bepalingen, dooide leden zeiven gemaakt, is billijk. Er zijn groote lichamen, uit talrijke afdeelingen bestaande , gelijk de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, die departementsgewijze stemmen; in andere, waar het aantal leden bezwaar zou kunnen opleveren, gelijk in de groote gemeenten der Ned. Herv. Kerk, is het stemmen overgedragen op een kiescollegie; in nog andere kan het nuttig zijn , ook aan minderjarigen het stemrecht toe te kennen. Al deze en dergelijke schikkingen zijn overgelaten aan de statuten , gelijk zonder bezwaar geschieden kon, daar niemand zich kan beklagen, indien hij vrijwillig is toegetreden tot eene vereeniging, waar zijn stemrecht, aan beperking onderworpen is.

Daar de ernst der beraadslagingen vordert, dat alleen de tegenwoordig zijnde leden medestemmen , is als regel aangenomen, dat het besluit wordt opgemaakt bij meerderheid der aanwezigen ; ook hier echter zijn de leden vrij, in de statuten eene andere regeling te treffen.

Art. 545.

Dit artikel stemt overeen met art. 1692 B. W., en wijkt in zoover af van art. 9 der wet van 1876, dat, de mogelijkheid eener zelfstandige regeling in de statuten open blijft. Als men zulks noodig acht, moet men de vertegenwoordiging der vereeniging aan andere personen, of wel aan het bestuur, in overleg met zoodanige andere personen, kunnen opdragen.

Art. 1694 B. W. is als overbodig vervallen , omdat eene vereeniging zonder bestuur bij het voorschrift van art. 539, n0. 5, Ontw. niet wel denkbaar is, en, deed zich het geval toch voor, de persoon, die alsdan voor de vereeniging optrad, naar gemeen recht als negotiorum gestor zou gelden.

ocr page 453

293

Art. 546.

Ten einde misbruiken te voorkomen , is het wenschelijk, dat de beschikking over de eigendommen der vereeniging aan de algeineene vergadering voorbehouden blijft, natuurlijk tenzij de statuten anders bepalen.

Art. 547.

Het eerste lid van dit artikel stemt overeen met art. 1693 B. W., en heeft ten gevolge, dat de hier bedoelde handelingen in den regel voor de vereeniging niet verbindend zijn. Juist daarom kunnen zij echter schade veroorzaken, zoowel jegens de vereeniging, wier belang eene rechtsgeldige handeling gevorderd had, als jegens derden. Tegenover beiden worden de bestuurders aansprakelijk gesteld, en wel, op de gronden reeds bij art. 541 Ontw. ontwikkeld, hoofdelijk.

Daar hier een behoorlijk georganiseerd bestuur bestaat, behoeft de aansprakelijkheid niet alleen te drukken op hen, die het onwettige besluit hebben uitgevoerd, maar op alle bestuurders. Derden kunnen moeielijk onderzoeken, hoever de medewerking van ieder zich heeft uitgestrekt; en de onbillijkheid, die daarin somtijds zou kunnen gelegen zijn, wordt weggenomen door overneming van het beginsel, reeds in art. 11 der Armenwet gehuldigd, dat tegen hem, die bewijst, dat de zaak geheel buiten hem om is gegaan, geene veroordeeling wordt uitgesproken.

Art. 548.

Dit artikel stemt grootendeels overeen met art. 1695 B. W. en art. 16 der wet van 1876; en wijkt alleen in zoover daarvan af, dat, terwijl in het wetboek geen termijn voor de rekening gesteld wordt, en de wet van 1876 die binnen de eerste zes maanden na afloop van bet dienstjaar vordert, hier alleen gezegd wordt, dat zij, vergezeld van een verslag, jaarlijks gegeven moet worden. De vergadering, waarin zij wordt afgelegd, is eene gewone, waartoe alleen zij toegang hebben, die overeenkomstig art. 544 Ontw. stemhebbend zijn. Voldoen de bestuurders niet aan deze verplichting, welke op hen rust, zonder dat zelfs de statuten daarvan vrijstelling kunnen verleenen. dan heeft ieder lid, zonder eenige beperking, het recht, ben tot het afleggen eener rekening in rechte te dagvaarden. Dit recht is onafhankelijk van het stemrecht; behoort het lidmaatschap dus aan minderjarigen of onder curateele gestelden, zoo zal het worden uitgeoefend door den vader, den voogd of den curator.

Omtrent de gevolgen van zoodanig rekening-proces zwijgen de beide aangehaalde wetgevingen ; er was dus eene aanvulling noodig, waarbij aan den eenen kant moest voorkomen worden, dat het bestuur vervolgd kon worden door zoovele afzonderlijke acties als er leden zijn , en aan den anderen kant verhinderd, dat de goedkeuring, door e'e'n lid te kwader trouw aan eene ondeugdelijke rekening verleend, de rechten der overigen verwerkte. Dit dubbele gevaar is voorkomen door de voorgestelde regeling, die aan beide partijen het recht geeft de overige leden in het geding te brengen ; is zulks geschied, dan kan het vonnis voor allen verbindend zijn.

Art. 549.

Dit artikel stemt overeen met art. 10 der wet van 1876; voor het aantal leden is tweeërlei wijze van berekening aangenomen, om het voorschrift zoowel voor groote als kleine vereeni-gingen uitvoerbaar te maken.

ocr page 454

294

Art. 550.

Dit artikel stemt overeen met het tweede lid van art. 9 der wet van 1876, en is een noodzakelijk, gevolg van de betrekking van lastgeving, die tusschen de leden en het bestuur eener vereeniging bestaat. Een ander gevolg dierzelfde betrekking, welks uitdrukkelijke vermelding hier overbodig scheen, is, dat zij ook na hun ontslag met de actio mandati verantwoordelijk blijven voor het door hen als bestuurders verrichte.

Art, 551.

Ofschoon de hier bedoelde maatregel als eene sequestratie door rechterlijk bevel (artt. 1773— 1775 B. W.) beschouwd zou kunnen worden, is de uitdrukkelijke vermelding te dezer plaatse niet overbodig, om zooveel mogelijk de ergerlijke tooneelen te voorkomen, die nu en dan plaats hebben in kerkgebouwen, waarop twee partijen in dezelfde gemeente gelijk aanspraak maken. Hier is in eigenlijken zin geen geschil over den eigendom of het bezit der kerk tusschen twee of meer personen, maar eerder over de vraag, wie als uitsluitende vertegenwoordigers van den door beiden als eigenaar erkenden rechtspersoon te beschouwen zijn. Toch vordert behoud der openbare rust, dat belanghebbenden zoowel als het openbaar ministerie de bevoegdheid hebben om van den rechter de sequestratie uit te lokken van het gebouw, waarop beide partijen aanspraak maken.

Art. 552.

De bepaling van dit artikel wordt thans gevonden in art. 947 B. W., dat spreekt van openbare instellingen, godsdienstige gestichten, kerken of armeninrichtingen, en art. 1717 B. W., dat van openbare of godsdienstige gestichten melding maakt. Zij is hierheen verplaatst, omdat naast de algemeene bevoegdverklaring tot het genot van burgerlijke rechten de beperking dier bevoegdheid vermeld behoort te worden. Een gevolg der verplaatsing is, dat zij uitgebreid wordt tot alle vereenigingen en stichtingen, in overeenstemming met hare bedoeling, die opeen-hooping van goederen in de doode hand verhinderen wil, zonder dat het godsdienstig of weldadig karakter van den begiftigden rechtspersoon daarbij in aanmerking behoeft te komen.

Het tweede en derde lid regelen de wijze, waarop de machtiging werkt, en voorzien dus in eene bestaande behoefte.

De vraag, of art. 958 B. W. ook op deze makingen toepasselijk is, is in bevestigenden zin beslist, daar de ontduiking langs dezen weg anders al te gemakkelijk zou zijn, en reeds is voorgekomen.

Zoolang de artt. 947 en 1717 B. W. onveranderd naast de thans voorgedragen bepaling bestaan blijven, zullen zij van kracht zijn voor de openbare instellingen, welke niet onder dezen titel vallen; bij eene toekomstige herziening dier artikelen zal daarop gelet moeten worden.

Art. 553.

Dit artikel omvat de verschillende gevallen, waarin de vereeniging als rechtspersoon te niet gaat. Dat het desniettemin mogelijk is, dat zij als feitelijke vereeniging, berustende op eene

ocr page 455

295

overeenkomst der leden, blijft voortbestaan, zal geen betoog behoeven; reeds de wet van 1855 maakte, gelijk bij de toelichting van art. 3 Ontw. herinnerd werd, deze zeer juiste onderscheiding. Zij treedt dan echter niet meer als eenheid naar buiten op; zij heeft geen eigen vermogen ; tegenover derden geldt weder art. 541 Ontw.

Het eerste geval vereischt geene nadere toelichting; het is ontleend aan art. 1700 B. W. en art. 18 der wet van 1876.

Het tweede geval moest worden opgenomen om te voorkomen, dat eene vereeniging ook zonder leden zou voortbestaan; zoodat, wanneer later nieuwe personen zich onder denzelfden naam tot eene vereeniging vormden , dezen zich zouden kunnen beschouwen als in de rechten der oude getreden. Evenals in art. 1702 B. W., is het echter niet noodig geacht, dat er meef dan e'e'n lid zij, om den eens erkenden rechtspersoon als nog steeds bestaande aan te merken. Sterft dus eene vereeniging uit tot op een enkel lid, dan kan deze alle rechten, aan het lidmaatschap verbonden, uitoefenen, en zou b. v. niets hem verhinderen om alleen een besluit tot ontbinding uit te spreken.

Het derde geval is ontleend aan art. 1700 B. W. en art. 18 der wet van 1876. Alleenlijk zijn, om overrompeling te voorkomen, voor het ontbindingsbesluit der algemeene vergadering eenige bijzondere eischen gesteld, en zoo geredigeerd, dat zij bij de zeer uiteenloopende wijzen waarop het stemrecht volgens art. 544 Ontw. geregeld kan zijn, gelijkelijk kunnen worden toegepast.

Het vierde geval is ontleend aan art. 10 der wet van 1855, welks woorden in zoover zijn gewijzigd, dat men heeft doen uitkomen, dat de vervallenverklaring aan het goeddunken des rechters is overgelaten. De afwijking zou zoo gering kunnen zijn, dat zij de hier bedreigde straf niet wettigde.

In de beide laatste gevallen wordt inschrijving en bekendmaking van het besluit of vonnis gevorderd, ten einde derden daarvan in kennis te stellen, op gelijke wijze als ook de oprichting is openbaar gemaakt; in het eerste geval was dit onnoodig, daar het te niet gaan uit de bekend gemaakte statuten zeiven blijkt; in het tweede was het uit den aard der zaak onmogelijk.

Art. 554.

Dit artikel stemt overeen met het eerste lid van art. 1702 B. W. en art. 11 der wet van 1855.

Art. 555.

De beide eerste leden van art. 1702 B. W. dragen , bij ontbinding van een zedelijk lichaam, de vereffening op aan de overblijvende leden, die met beneficiaire erfgenamen worden gelijk gesteld; art. 10 der wet van 1855 bepaalt, dat in het daar bedoelde geval (gelijkstaande met art. 553, n0. 4, Ontw.) de rechter een curator benoemt. Terwijl deze laatste bepaling in hoofdzaak behouden kon blijven, was zulks niet het geval met de eerste, die de zaak te veel ongeregeld laat. Als er tijdens de ontbinding een groot aantal leden is, dienen er personen te worden aangewezen, die bevoegd zijn om namens die allen te handelen en de vereffening ten einde te brengen. Het eenvoudigste was, in dit geval het voorbeeld te volgen, in art. 21 der wet van 1876 gegeven, en, indien er een georganiseerd bestuur bestaat, daaraan die taak op te dragen.

ocr page 456

296

Dat in elk geval de vormen , omtrent onbeheerde nalatenschappen vastgesteld , worden in acht genomen, maakt geen verschil in het bestaande recht, daar dezen, wat de schnldeischers betreft, volgens art. 1176 B. W. met beneficiaire boedels gelijk staan.

De strafbepaling van het derde lid van art. 1702 B. W. is noodig om te voorkomen, dat de vereifenaars tot verdeeling der baten overgaan, zonder de schnldeischers in de gelegenheid te hebben gesteld om hunne rechten te handhaven; een gevaar, dat zich ook buiten de liquidatie door de leden zeiven kan voordoen.

EEN EN TWINTIGSTE TITEL.

\an stichtingen.

Eene bepaalde regeling van den rechtstoestand der stichtingen komt in het Burgerlijk Wetboek niet voor. Toch was het reeds bij de Romeinen bekend, dat goederen tot een blijvend nuttig doel werden bestemd, en, ten einde die bestemming te bereiken, hun een eigen zelfstandig bestaan, onafhankelijk van eenigen eigenaar, verleend werd. Zoolang het Romeinsche recht ten onzent gold. kwamen zij ook in ons vaderland veelvuldig voor. Meermalen hebben de opvolgende regeeringen beperkende voorschriften te haren aanzien noodzakelijk geacht, die meer of min getrouw in de practijk werden gehandhaafd. Maar juist uit deze houding des wetgevers blijkt, dat de mogelijkheid om een vermogen met zoodanige bestemming aan te wijzen algemeen erkend werd, en er dus stichtingen bestonden, in bet genot van eene zelfstandigheid, die met het begrip, thans door het woord rechtspersoonlijkheid uitgedrukt, vrij wel overeenkwam.

Dat onze wetgever, door van dit onderwerp te zwijgen, niet de bedoeling gehad heeft alle bestaande stichtingen op te heffen, blijkt, voor zooveel noodig, uit art. 946 B. W., waar, met het oog op den regel, dat men, om uit krachte van een uitersten wil iets te kunnen genieten, moet bestaan op het oogenblik van den dood des erflaters, de (wonderlijke) bepaling voorkomt, dat dit niet toepasselijk is op personen , die geroepen zijn om uit stichtingen genot te trekken. Voorts is in de artt. 421 , 947 en 1717 B. W. sprake van gestichten, en kan men, daar deze veelal onder het begrip van stichtingen zullen vallen, ook hierin eene stilzwijgende erkenning van haar bestaan vinden. Het zal echter geen betoog behoeven, dat, indien de rechtspersoonlijkheid der stichtingen afhangt van de redeneering, te trekken uit artikelen, die alleen voor zeer bijzondere gevallen geschreven zijn, de grond, waarop zij rust, niet van de sterkste is.

Geldt dit van de oude stichtingen, de toestand van die, welke men thans opricht, is nog veel onzekerder. Men zou kunnen beweren, dat, bij gemis van eenig voorschrift, hoe de oprichting kan geschieden, zij onmogelijk is; en verwerpt men dit resultaat, dan volgt omgekeerd uit hetzelfde gemis, dat hier de meest volkomen vrijheid bestaat. Juist bij een onderwerp, waar ter bescherming van vele openbare en bijzondere belangen eene tusschenkomst des wetgevers gewenscht zou zijn, heerscht dan geheele wetteloosheid.

ocr page 457

297

Bij hét ontwerpen van den voorgedragen titel is in hoofdzaak die over de vereenigingen tot grondslag gelegd. Niet, alsof het hier hetzelfde onderwerp gold; integendeel, voor de vereeniging van personen komt een vermogen met bepaalde bestemming in de plaats, en dit onderscheid heeft ook practisch gewichtige gevolgen. Maar beiden stemmen daarin overeen, dat zij rechtspersonen zijn, omtrent wier ontstaan en tenietgaan eene wettelijke regeling noodig is, en dat die rechtspersoonlijkheid wordt uitgeoefend door colleges van bestuur, wier verantwoordelijkheid door wettelijke voorschriften moet gewaarborgd worden.

Evenals bij vereenigingen, en op dezelfde gronden, moet de rechtspersoonlijkheid worden afhankelijk gesteld van eene erkenning door het openbaar gezag. Ook hier vordert het belang van hen, die met stichtingen in aanraking komen, dat er geene onzekerheid omtrent dit punt besta; en niet minder dan bij vereenigingen, waar nog eenige verantwoordelijkheid voor de enkele leden overblijft, moet de Staat kunnen beletten, dat onder den vorm van stichtingen kapitalen blijvend bestemd worden voor een doel, hetwelk strijdig met het algemeen belang zou zijn.

Wat de rekenplichtigheid der bestuurders aangaat, is het noodig de werking van den Staat verder uit te strekken dan bij vereenigingen geschiedt. Deze laatsten toch bestaan uit leden, die voor hunne eigen belangen kunnen waken, en het bestuur ter verantwoording roepen, indien er misbruiken plaats hebben. Bij stichtingen is dit anders; daar zijn geene leden, en de stichter, die in den regel overleden zal zijn, heeft de uitvoering zijner bedoelingen grootendeels moeten overlaten aan de goede trouw der opvolgende bestuurders. Dat hier misbruiken mogelijk zijn, zal wel geen betoog behoeven; en er moet dus ook hier naast het bestuur eene macht bestaan, die toezicht op zijne daden houdt, en de belangen der stichting ook tegenover bestuurders behoorlijk weet te handhaven.

Het ware mogelijk, de aanwijzing dier macht van den stichter te eiscben, en hem uitsluitend met de taak te belasten, om niet alleen het bestuur der stichting te regelen, maar ook vast te stellen, door wie en hoe dat bestuur moet worden bewaakt. De Staat zou zich dan tot de daad der erkenning moeten bepalen, en het geheele lot der stichting overlaten aan den stichter, het voor onverschillig achtend, of haar doel al dan niet werd bereikt, haar vermogen al dan niet op het spel gezet.

Zulk eene onverschilligheid komt echter noch met de rechtstraditie overeen, noch met het algemeen belang. Is de Staat gewoon het bestuur te regelen, waar' het niet of niet voldoende door den stichter geregeld is; rekent hij de stichting tot de personae miserabiles, wier lot hij ter harte moet nemen; acht hij zich tot de zorg geroepen, dat haar goed niet aan zijne bestemming worde onttrokken; dan moet hij haar bestuur ook in de banden van zijn plicht houden. En hij kan dit slechts doen, door tegenover dat bestuur eene toeziende en wakende openbare macht aan te wijzen.

Dat dit toezicht aan de administratieve macht opgedragen is, en niet aan de rechterlijke, vindt zijn grond hierin, dat zij meer met verschillende omstandigheden kan te rade gaan , en een gunstigen invloed uitoefenen door voorloopige opmerkingen of waarschuwingen, waar de rechter genoodzaakt zou zijn terstond gestrenger te werk te gaan. Bovendien vervullen Gedeputeerde Staten volgens de Armenwet reeds eene gelijksoortige taak ten opzichte van de met stichtingen nauw verwante instellingen van weldadigheid.

nn

ocr page 458

298

Overigens spreekt van zelf, dat het toezicht zich steeds zal bepalen tot het geldelijk beheer der bestuurders, en hunne verantwoording niet verder zal gaan dan tot deze twee punten: dat het geld werkelijk is uitgegeven, en dat het uitgegeven is voor het doel, door den stichter aangewezen. Voor zoover deze hen omtrent de nadere bijzonderheden der uitvoering vrij heeft gelaten, zou de Staat zich op een zeer moeielijk en gevaarlijk gebied begeven, indien hij toezicht wilde houden op de richting, waarin bestuurders raeenen te moeten werkzaam zijn. Hier geldt het niet langer een algemeen belang; zoo de stichter zich te dezen aanzien niet had willen verlaten op het inzicht der bestuurders, door hem zeiven aangewezen, had hij hen kunnen en moeten onderwerpen aan al zoodanige beperkende voorschriften, als hij nuttig en noodig achtte.

Art. 556.

Vergel. art. 536 Ontw. Naast de akte onder de levenden moest hier vermeld worden de uiterste wil, die alleen in den vorm van het testament bij openbare akte is opgenomen, opdat de medewerking van een deskundige bij de redactie der beschikking den stichter wederom waarborge tegen de nietigheid of onwettigheid barer bepalingen.

Art. 557.

Vergel. art. 537 Ontw. Daar alle erkenning verleend wordt voor een vasten tijd, die bij art. 562 Ontw. gesteld is op hoogstens zestig jaren, is er geene reden, waarom zij in sommige gevallen bij de wet zou geschieden.

Art. 558.

Vergel. art. 539 Ontw. De drie eerste nummers stemmen overeen; en van de nummers 4 en 6 van dat artikel kan bij stichtingen geen sprake zijn. Wat het 5de aangaat, behoort ongetwijfeld ook bij dezen de samenstelling en bevoegdheid van het bestuur te zijn geregeld, vóór dat hare werking aanvangt; maar het was de vraag, of het wenschelijk mocht heeten, dat de wet den stichter zeiven met de regeling, die even goed van Staatswege kan geschieden, stellig zou belasten. De overweging, dat stichtingen een erkend algemeen belang plegen te dienen , heeft de mildere beschouwing doen zegevieren.

De eisch van het 4de nummer is nieuw, maar volgt noodzakelijk uit het begrip van stichting, die ondenkbaar is zonder een kapitaal, bestemd om tot bereiking van het aangewezen doel gebruikt te worden.

Art. 559.

Dit artikel is nieuw, maar was noodig om de uitvoering der beschikking te verzekeren, ook dan, wanneer de erfgenamen des stichters belang zouden hebben, dat daaraan geen gevolg gegeven werd, en hij verzuimd had, zelf eenige maatregelen daaromtrent te treffen. Dat de notaris in dit geval de aangewezen persoon is om te zorgen, dat aan het onder hem berustend testament gevolg gegeven wordt, blijkt uit de gelijksoortige opdracht, hem bij art. 39 der wet op het notaris-ambt verstrekt.

ocr page 459

299

Am. 560, 561.

Vergel. artt. 540 en 541 Ontw. De bekendmaking van het Koninklijk besluit in de Staatscourant is noodig om willekeur te voorkomen, en vervangt de mededeeling, die bij vereenigingen aan de belanghebbende aanvragers geschiedt.

Art. 562.

De vraag, of het wenschelijk is, de erkenning voor onbepaalden tijd te verleenen, of althans de mogelijkheid van zoodanige erkenning bij de wet open te stellen, is ontkennend beantwoord. Wil men te groote uitbreiding van het bezit van onroerende goederen bij stichtingen tegengaan, dan moet men beletten, dat kapitalen met hunne inkomsten voor altijd aan het verkeer onttrokken worden.

Zonder deze bepaling wordt de toekomst door het heden aan bunden gelegd. In den loop des tijds kunnen de omstandigheden geheel veranderen; het doel, thans niet in strijd met het algemeen belang, kan daarmede later in strijd komen. Der regeering het recht tot ontbinding te geven, wanneer het doel is bereikt, of de strijd met het algemeen belang ontstaan, schijnt aan den eenen kant niet afdoende, aan den anderen kant gevaarlijk. Niet afdoende, omdat de regeering in den regel zal schromen het redmiddel toe te passen; gevaarlijk, omdat de mogelijkheid bestaat, dat op een gegeven oogenblik de regeering, om welke reden ook, te sterk ingrijpt. Van daar het voorstel om in de wet een vooraf bepaalden tijd van hoogstens zestig jaren vast te stellen, met de mogelijkheid, ja zekerheid van verlenging, zoo geen strijd met het algemeen belang moet worden aangenomen.

Art. 563.

Vergel. art. 542 Ontw. Het laatste lid is noodig om te voorkomen, dat de goederen eerst van den stichter op zijne erfgenamen, en later weder van dezen op de stichting overgaan; hetgeen nutteloozen omslag en kosten zou veroorzaken. Bij vereenigingen was deze bepaling overbodig, omdat de leden daar vrij zijn, hunne voorloopige overeenkomsten zoo in te richten, dat een dergelijk gevaar vermeden wordt.

Artt. 564—567.

Vergel. artt. 545—547 Ontw. De bepalingen omtrent het bestuur wijken, gelijk bij de toelichting van art. 558 Ontw. gezegd is, in zoover af van die, welke voor vereenigingen gelden, dat, terwijl het onderwerp bij dezen in de statuten geregeld moet zijn, hier het Staatsgezag aanvullend optreedt. Een ander onderscheid is, dat bij de vereenigingen twee machten aangewezen zijn, die den rechtspersoon vertegenwoordigen; en dus in den regel de administratie van de beschikking over het gemeenschappelijk vermogen kan gescheiden worden. De stichtingen daarentegen werken slechts door e'e'n orgaan; zoodat de bestuurders in den regel tot alle handelingen bevoegd zijn, behoudens hunne verantwoordelijkheid overeenkomstig de volgende artikelen.

ocr page 460

300

Artt. 568, 569.

Deze artikelen regelen liet toezicht, dat op de boven medegedeelde gronden aan Gedeputeerde Staten is opgedragen. Dat de rekening en verantwoording alleen van geldelijken aard zal zijn, ligt voldoende in het woord opgesloten. Zoolang bestuurders dus het geld besteden voor het doel der stichting, en overeenkomstig de regels, welke de statuten aangeven, blijven zij geheel vrij; zij kunnen dan ook geen geoorloofd belang hebben om zich te beklagen over de hier voorgestelde belemmering. Te minder kan daartoe aanleiding bestaan, daar zij tegen eene te ver gaande inmenging van het administratief gezag gewaarborgd zijn door beroep op den rechter, die, indien de aanmerkingen slechts ondergeschikte punten betreffen, bevoegd, niet verplicht, is om de ontzetting uit te spreken.

De redenen, waarom zulks geschieden kan, zijn duidelijk; öf het ontbreken eener goedgekeurde rekening, of plichtverzuim in het beheer der hun toevertrouwde goederen en fondsen. Hangende het geding, en dus ook bij de uitspraak in eersten aanleg, kan de rechter de bestuurders schorsen; de definitieve benoeming van nieuwe is aan Gedeputeerde Staten opgedragen, omdat dezen, met alle omstandigheden bekend zijnde, beter personen kunnen aanwijzen, van wie een voortwerken in den geest en naar de bedoeling des stichters te wachten is. De verplichting der ontslagen bestuurders, om aan hunne opvolgers rekening te doen, en de toegebrachte schade te vergoeden , is opgenomen, omdat het onzeker zou kunnen zijn , of de gewone mandaat-actie wel tegenover bestuurders eener stichting gelden zou. Dat eindelijk al deze voorschriften van toepassing moeten zijn , zoowel wanneer een geheel bestuur uit zijne betrekking ontzet wordt, als wanneer dit slechts met c'e'n of meer zijner leden het geval is, is bij de redactie in het oog gehouden.

Art. 571.

De redenen, die aanleiding geven tot het tenietgaan eener stichting, zijn uit den aard dei-zaak andere dan die, welke eene vereeniging doen eindigen, of haar de rechtspersoonlijkheid ontnemen. Van de nummers 2 en 3 van art. 553 Ontw. kan hier geene sprake zijn; en het vierde zou niet leiden tot opheffing der stichting, maar om haar onder zekere omstandigheden een nieuw bestuur te verschaffen.

Nieuw daarentegen zijn hier het 2de nummer, hetwelk noodwendig volgt uit het beginsel, in art. 562 Ontw. uitgesproken, en het 3de, hetwelk nauw samenhangt met het boven omschreven karakter der stichtingen. De beoordeeling, of de hier bedoelde vermindering werkelijk is ingetreden, is geheel overgelaten aan het bestuur, ten einde de vrijheid der stichtingen niet meer dan noodig is te beperken.

Art, 572,

Dat bij het tenietgaan eener stichting hare goederen aan den Staat vervallen, volgt uit hun karakter als bona vacantia; bovendien zou de eenige andere oplossing zijn, dat zij tot de familie des stichters terugkeerden, en dit wordt belet door de groote moeielijkheid om na eene of meerdere perioden van zestig jaren de vertegenwoordigers dier familie op te sporen. Niet minder bezwaar zou het inhebhen, indien men makingen en schenkingen, die aan de stichting gedurende haar bestaan gegeven zijn, uit het vermogen moest terugnemen, en daarvoor eene afzonderlijke regeling treffen.

ocr page 461

301

Het spreekt overigens van zelf, dat de wetgever bevoegd is, de goederen voor een ander, aan het laatstbekende zoo nabij mogelijk komend gebruik te bestemmen, gelijk art, 9 der Armenwet voor de instellingen van weldadigheid voorschrijft. In de meeste gevallen zal zulk eene regeling zelfs wenschelijk zijn , om den schijn te vermijden , alsof de regeering belang had bij het weigeren eener nieuwe erkenning. Een bepaald voorschrift daaromtrent is echter niet vastgesteld, omdat eene gewone wet den wetgever moeielijk. kan voorschrijven, wat hij te doen heeft; en er gevallen denkbaar zijn, waarin het volstrekt onmogelijk zou wezen, eene nieuwe bestemming te vinden , die aan de oorspronkelijke bedoeling des stichters eenigermate beantwoordde.

De vraag, in hoever de voorgedragen bepalingen ook op de bestaande vereenigingen en stichtingen toepasselijk zullen zijn, behoort niet in het wetboek zelf beantwoord te worden, maar in een bijzondere wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving. Zij kan ook eerst naar behooren behandeld worden, nadat de wetgevende macht zich omtrent die bepalingen uitgesproken heeft. Toen er sprake was van eene afzonderlijke regeling der hier bedoelde zaak, waren aan het daartoe strekkend wetsontwerp de navolgende overgangsbepalingen verbonden.

Art. 555a. Vereenigingen, welke vóór de invoering van dezen titel bestonden, worden beoordeeld naar de wetten, waaronder zij zijn ontstaan.

De artt. 551 en 552 zijn op haar toepasselijk; en, voor zoover de wetten, waarnaar zij beoordeeld worden, of hare statuten geene daarmede strijdige bepalingen bevatten, ook de artt. 543—550 en 553—555.

Ar/. 572a. Stichtingen, welke vóór de invoering van dezen titel bestonden, worden beoordeeld naar de wetten, waaronder zij zijn ontstaan.

Art. 570 is op haar toepasselijk; en, voor zoover de wetten , waarnaar zij beoordeeld worden, of hare statuten geene daarmede strijdige bepalingen bevatten, ook de artt. 564, 566, 567, 571 en 572.

Ar/. 512 h. Bestaande stichtingen worden vermoed rechtspersoonlijkheid te bezitten, mits zij binnen drie jaren na de invoering van dezen titel doen inschrijven, hetgeen volgens art. 558 vereischt wordt om erkend te worden, en bekend maken, hetgeen onder n0. 1—3 van dat artikel voorkomt; een en ander op de wijze, in art. 563 vermeld.

Ar/. 572c. Bij gebreke van deze inschrijving en bekendmaking, of indien blijkt, dat onjuiste opgaven ingeschreven of bekend gemaakt zijn, gelden zij alleen dan als rechtspersonen, wanneer zij het onbetwist bezit van die hoedanigheid bewijzen.

Op zoodanige stichtingen zijn de artt. 568 en 569 toepasselijk, zoodra een daartoe strekkend besluit van Gedeputeerde Staten genomen en ter kennis van bestuurders gebracht is.

Art. 512 d. Voor alle bestaande stichtingen geldt art. 562 in zoover, dat zij binnen zestig jaren na de inschrijving, of na de in het vorig artikel bedoelde kennisgeving, de erkenning bij Koninklijk besluit op hare statuten moeten aanvragen; na die erkenning zijn de artt. 562 tot 572 geheel op haar toepasselijk.

ocr page 462
ocr page 463

INHOUD.

BUBGEBLIJK WETBOEK.

EERSTE BOEK.

TOELICHTING.

Blz.

TITEL

i.

Van het genot van burgerlijke rechten.......

1.

n

ii.

n

in.

27.

T)

IV.

34.

f)

V.

37.

V

VI.

Van de rechten en verplichtingen der echtgenooten . . .

70.

v

VII.

Van de wettelijke gemeenschap van goederen . . . . .

85.

V

VIII.

100.

V

IX.

117.

n

X.

147.

V

XL

156.

V

XII.

172.

V

XIII.

Van de verplichting tot onderhond tusschen verwanten . .

173.

n

XIV.

177.

r)

XV.

194.

n

XVI.

245.

V

XVII.

250.

XVIII.

Van de formaliteiten met betrekking tot rechterlijke

beschikkingen krachtens de voorgaande titels, en van

262.

de rechtsmiddelen daartegen.........

V

XIX.

274.

n

XX.

n

XXL

296.

ocr page 464

uzi

II

' : :

.

'

I

■

■

■

m

'

ocr page 465
ocr page 466
ocr page 467
ocr page 468