V.
L qu.
m â â
ONTWERP
TOT
HEEZIElSriITGr
VAN HET
BURGERLIJK WETBOEK.
u~
1
ONTWERP
TOT
HERZIENING
VAN HET
BURGERLIJK WETBOEK
der Koningin aangeboden door de Staatscommissie tot voortzetting der herziening, ingesteld bij Beslnit van wijlen Zijne Majesteit Koning Willem III van 22 Augustus 1887, n0. 24.
TWEEDE BOEK.
'S-GRAVENH AGE.
1 8 9 9.
W:'
l'^i
f v
iiïiiiiii '903 3798
Het behaagde wijlen Zijne Majesteit den Koning om, bij besluit van den 22sten Augustus 1887, n0. 24, na ontbinding van de in 1880 benoemde Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek, eene nieuwe Staatscommissie in te stellen tot voortzetting dier herziening.
Aan deze Commissie werd opgedragen aan Zijne Majesteit tot voormeld einde, in den vorm van wetten met daarbij behoorende memoriën van toelichting, de noodige voorstellen te doen in aansluiting aan diegene, welke de vroegere Staatscommissie reeds had ingediend, en iverden tot leden dier Commissie benoemd de heeren Mrs. J. J. van Meekbeke, tevens Voorzitter, P. R. Feith, A. P. Th. Eyssell, H. J. Hamaker en Jhr. D. G. van Teijlingen, tevens Secretaris, terwijl als Adjunct-secretaris daaraan werd toegevoegd Mr. R. J. H. Patijn.
In de samenstelling dezer Commissie heeft geene wijziging plaats gehad, behoudens de vervanging van den Adjunct-secretaris Mr. Patijn door Mr. H. de Ranitz, nadat aan eerst genoemde, op zijn, ten gevolge zijner benoeming tot Commies-griffier van de Tiveede Kamer der Staten-Generaal, gedaan verzoek, bij Koninklijk besluit van den 29sten Maart 1890, eervol ontheffing van voormelde betrekking was verleend, onder dankbetuiging voor de door hem daarin bewezen diensten.
Reeds spoedig nadat de Commissie hare werkzaamheden had aangevangen, werd zij voor de vraag gesteld of zij, het spoor volgende van hare voorgangster, naar de volgorde van het bestaande Burgerlijk Wetboek de herziening zoude voortzetten, dan wel of zij die onderwerpen zoude ter hand nemen, waaromtrent, met het oog op veranderde maatschappelijke toestanden, eene wijziging door velen gewenscht werd. In het bijzonder had men toen het oog op de regeling van de huur en verhuur van diensten; doch, hoe aanlokkelijk het ook scheen om zich onmiddellijk te kunnen bezighouden met een onderwerp van actueel belang, zoo kwam het toch niet gewenscht voor een greep te doen in het verbintenissenrecht en regelen vast te stellen voor een onderdeel van de overeenkomsten van huur en verhuur, terwijl noch van het vaststellen van beginselen omtrent deze overeenkomsten in het algemeen en nog veel minder van algemeene beginselen omtrent de overeenkomsten sprake had kunnen zijn. Op dienzelfden grond meende de Commissie ook niet te kunnen ingaan op den wenk, haar later, naar aanleiding van het Verslag betreffende het IVde Hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1891, gegeven, om in de eerste plaats hare aandacht te wijden aan eene herziening van artikel 1638 van het Burgerlijk Wetboek, terwijl de in 1888 door de Af deelingen der Tweede Kamer geuite en aan de Commissie medegedeelde
II
wensch, om door partieele herziening verbetering te brengen ten aanzien van de rechten der gehuwde vrouw en andere onderwerpen uit het personenrecht, kon beantwoord worden met eene verwijzing naar het Ontwerp van het Eerste Boek, waarin, naar hare meening, voldoende bouwstoffen te vinden zijn om eene gedeeltelijke herziening, die door de algemeene herziening, waaraan zij hare krachten wijdde, niet behoefde belemmerd te worden, tot stand te brengen.
Een. en ander belette niet, dat de Commissie zich van den aanvang af bereid verklaarde om van advies te dienen, zoo dikwijls de Regeering dit mocht verlangen bij het in gereedheid brengen van de eene of andere wetsvoordracht of het op andere wijze aan de orde komen van onderwerpen van Burgerlijk Recht. Zoo had zij de eer, op verzoek van Zijne Excellentie den Minister van Justitie, haar gevoelen mede te deelen omtrent de door de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw in 1891 ingediende voorstellen tot wijziging van de wet van 12 April 1872 {Staatsblad w0. 25) â tot af koopbaarstelling der tiendenDesgelijks werd zij m dat zelfde jaar geroepen om advies te geven over eene wijziging der in het Burgerlijk Wetboek bestaande bepalingen betreffende de â olographische testamentenquot;. In den loop van het jaar 1892 werd in hare handen gesteld een. aan. den. Minister van Justitie door zijnen ambtgenoot van Fimanciën gericht schrijven, begeleidende het afschrift eener nota van de Vereeniging voor Kadaster en Landmeetkunde, betreffende de wemchelijkheid eener invoering Iner te lande van een eigendoms-kadaster. â Ook omtrent dit vraagstuk, diende zij een. rapport in.
Een enkele maal werden van particuliere zijde vragen, tot haar gericht, die, voor zoover zij in verband stonden met haren arbeid, werden beantwoord.
Wat den inhoud betreft, van het thans aan Uwe Majesteit ingediende ontwerp wordt in de eerste plaats er op gewezen, dat het âErfrechtquot;, hetwelk in de Titels XI-XVII van het Tweede Boek. van het Burgerlijk Wetboek wordt behandeld, niet in het ontwerp is opgenomen. Ter rechtvaardiging dezer uitsluiting, waartoe de Commissie na rijp beraad overging, diene het volgende.
' Het is bekend, dat het Burgerlijk Wetboek naar het stelsel der Instituten werd ingericht op het voorbeeld van het Ontwerp van 1820, welks samenstellers, blijkens hunne Ophelderende Memorie, voor dat stelsel eene groote bewondering koesterden. De plaatsing van het Erfrecht m het Tweede Boek wordt hierdoor verklaard, maar tevens veroordeeld. Het Inshtutenstelsel, toch, is in deze eeuw aan eene zoo scherpe en verdiende critiek onderworpen geworden, dat er thans tv el niemand is, die het in al zijne deelen goedkeurt en verdedigt. Een van de hoofdpunten, nu, waartegen de critiek zich richtte, was juist de opvatting van de erfopvolging als eene wijze van eigendomsver-krijqing en de daaruit voortgevloeide opneming van het Erfrecht in het Zakenrecht. Men zag in, dat' het groote complex van voorschriften, te zamen uitmakende de regeling van een vermogen, waarvan het subject door den dood des rechthebbende is weggenomen, noch als Wijze van eigen-domsverkrijging noch als zakelijk recht met juistheid werd opgevat en gekenmerkt. Vandaar dem alle nieuwe systemen en in onderscheidene wetboeken, tot stand gebrachte afzondering van het Erfrecht in een eigen, geivoonlijk het laatste. Deel of Boek, waar het als zelfstandig onderdeel, staande
niet onder, maar naast het familie-, zaken- en verbintenissenrecht wordt erkend en behandeld. ^
Naar het oordeel der Commissie behoort de toekomstige Nederlandsche Wetgever zich in dit opzicht bij de nieuwe wijze van indeeling aan te sluiten; een juist inzicht in het wezen des
Erf rechts zal er zonder twijfel door worden bevorderd.
Men heeft voorts gemeend ook de âBevoorrechte Schulden quot; niet im, het Tweede Boek te moeten opnemen. In het Ontwerp van 1820 waren zij geplaatst in den Veertienden Titel van het Vierde
ill
Boek, handelende over de rechtsmiddelen tot handhaving van recht. Eerst in 1825 werden zij voorgedragen en aangenomen als de Achttiende Titel van het Tweede Boek. Ofschoon eene van de Af deelingen der Tweede Kamer tegen de voorgestelde plaatsing opkwam, zijn daarvoor van Regeeringswege geen gronden aangevoerd. Uit het bekende werk van Mr. C. Asser , lid en secretaris van de Commissie tot redactie {Inleiding §3, bh. 12) blijkt echter, dat men, hoewel de bezwaren erkennende, beiuogen werd door de verwantschap, die men meende op te merken tusschen de Bevoorrechte Schulden eener- en pand en hypotheek anderzijds, en door de moeielijkheid om het onderwerp elders onder te brengen, daar het, intusschen reeds vastgestelde. Vierde Boek zoozeer afweek van het Vierde Boek van het Ontwerp van 1820, dat aan eene plaatsing van de Bevoorrechte Schulden daarin niet ware te denken. In de wetenschap zijn, gelijk bekend is, de meeningen over den aard der voorrechten, uit kracht der wet aan zekere schuldvorderingen verbonden, verdeeld. Terwijl Mrs. Opzoomer en Diephuis niet aarzelden daarin zakelijke rechten te zien, wordt door Mr. Land de zakelijke natuur van deze rechten niet minder heslist ontkend. Men heeft gemeend zich in deze vraag te moeten scharen aan de zijde van laatstgenoemden geleerde. Men zag niet in hoe een recht, dat eerst ontstaat nadat, ingeval van executie of bij gelegenheid van de liquidatie van een vermogen, die het gevolg is van faillisement, boedelafstand, aanvaarding van eene nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving enz., de goedeien zijn te gelde gemaakt en ontoereikend blijken voor de volledige voldoening van alle aangemelde schulden, en dat den bevoorrechten schuldeischer geene andere bevoegdheid verschaft dan die om tegenover zijne medeschuldeischers te vorderen, dat uit de opbrengst van alle goederen of van eenig bepaald goed zijne vordering eerder betaald worde dan de hunne, hoe zulk een recht onder de zakelijke rechten te rangschikken zou zijn. Dat het voorrecht van den verhuurder van huizen of landerijen een ander karakter vertoont, kan aan de juistheid van deze opmerking niets afdoen. Hetzelfde geldt van de bevoorrechte schulden op schepen, geregeld in het Wetboek van Koophandel. Er valt niets anders uit af te leiden, dan dat deze rechten, die in werkelijkheid de natuur hebben van eene stilzwijgende hypotheek op roerend goed, ten onrechte onder de bevoorrechte schulden zijn opgenomen. Gelijk de voorrechten op schepen in het Wetboek van Koophandel zijn opgenomen, zoo behoort dat van den verhuurder mettertijd eene plaats te vinden-in den Titel van huur en verhuur.
Uit al het gezegde volgt, dat het niet aanging om aan de Bevoorrechte Schulden in dit ontwerp eene plaats te geven. Waar zij wèl thuis behoor en, behoeft thans niet te worden beslist. Misschien zullen latere ontwerpers het Vierde Boek van het Ontwerp 1820 in eere herstellen en de Bevoorrechte Schulden daarin opnemen. Misschien zal men haar eene plaats geven in een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of in de Wet op het Faillissement. Misschien zal men nog anders handelen. Dit echter staat naar de meening der Commissie vast, dat ze moeiclijk slechter te plaatsen zijn dan onder de zakelijke rechten.
Daarentegen worden de bepalingen omtrent de â Verjaring quot;, die in den Zevenden Titel van het Viode Boek van het Burgerlijk Wetboek voorkomen, (voor zoover zij van toepassing zijn op de verwervende Verjaring), in den Titel âVan Eigendomquot; behandeld; voorts is het recht van âBeklemmingquot;, als behoorende naar de thans algemeen geldende leer tot de zakelijke rechten, in het ontwerp geregeld en zijn ten slotte een Titel ,, Van Bewindvoerdersquot; en een â Van de Openbare Registers van Onroerende Zakenquot; aan de overige Titels toegevoegd, de gronden voor welke toevoeging in de Memorie van Toelichting op genoemde Titels zijn ontvouwd.
IV
Alzoo vormen de onderwerpen in dit ontwerp, handelende over de Rechten op Zaken, bijeengevoegd een nagenoeg even zelfstandig onderdeel van ons Burgerlijk Wetboek als die van het Personenrecht, vatbaar om als zoodanig aan Uwe Majesteit te worden aangeboden.
De uitwendige vorm van het ontwerp stemt overeen met dien van het Ontwerp van het Eerste Boek, doch het zal de aandacht trekken, dat thans niet, zooals in laatstgenoemd ontwerp, nevens de verschillende artikelen de artikelen uit het Burgerlijk Wetboeh, die over hetzelfde onderwerp handelen, zijn vermeld. Deze afwijking is een gevolg van den inhoud van het tegenwoordige ontwerp en kenschetst min of meer den aard en den omvang van onzen arbeid.
In het verslag aan wijlen Zijne Majesteit den Koning van de iverkzaamheden der Staatscommissie ten aanzien van het Ontwerp van het Eerste Boek werd de nadruk er op gelegd, dat het niet gold eene doorgaande vernieuwing van den inhoud van het Wetboek, maar dat slechts wijzigingen van het bestaande werden beoogd, doch bij de samenstelling van dit ontwerp bleek, dat zoowel door de splitsing van bepalingen, die in het Burgerlijk Wetboek in hetzelfde artikel zijn samengevat , als door ingrijpende wijzigingen van groepeering en volgorde , een en ander door den inhoud der te regelen onderwerpen gevorderd, eindelijk ook door de vele verwijzingen van het eene artikel naar het andere, het gelijken tred honden met de artikelen van het Burgerlijk Wetboek niet meer mogelijk was, ten gevolge waarvan eene vermelding der daarmede correspondee-rende artikelen zoo al uitvoerbaar, dan toch weinig doeltreffend scheen.
Omtrent de wijze, waarop de Commissie hare taak heeft opgevat, wenscht zij nog het navolgende op te merken. Onderwerpen als die van Bezit, van Eigendom, van Hypotheekrecht â de twee laatstgemelde in verhand met het bestaande kadaster â van Beklemming enz. konden geen punten van herziening uitmaken, zonder dat, de meest fundamenteele vragen ter sprake kwamen, die met het oog op de nieuwere inzichten en de wetgevingen, die daarmede rekening hielden, tot geheel van de tegenwoordige voorschriften afwijkende wetsbepalingen moesten leiden.
Won daardoor alzoo het werk der Commissie in belangrijkheid, de bezwaren aan eene zoo uitgebreide behandeling der stof verbonden, konden niet uitblijven. De uitvoerige notulen van het verhandelde in de 230 door de Commissie gehouden vergaderingen bevatten het bewijs tot welk verschil van gevoelen hare besprekingen aanleiding gaven, hoe menigmaal het aanvankelijk voorgestelde moest omgewerkt worden en hoe groot het verschil in opvatting ten aanzien van gemelde punten bleef bestaan, totdat door samenwerking, bij wijlen ook door opoffering van eigen denkwijze, tot eene, zooal niet een ieder bevredigende dan toch geheel verdedigbare oplossing werd gekomen. Ten einde de geschilpunten juist te preciseeren en daardoor tot eene zuivere beoordeeling te geraken, zijn verscheidene nota's door de verschillende leden opgesteld moeten ivorden, hetgeen uit den aard der zaak veel tijd vereischte.
Wat omtrent de beioerking van gewichtige onderdeelen van den tekst is gezegd, deed zich, met de daaruit voortvloeiende moeielijkheden, ook bij het samenstellen der Memorie van Toelichting gevoelen, en zoo kon het dan wel niet anders of er moest geruime tijd verhopen eer de Commissie die, ten gevolge van de vele en uiteenloopende bezigheden van ieder harer leden, in den regel niet meer dan eens in den loop van veertien dagen kon bijeenkomen, de vruchten van haren arbeid aan Uwe Majesteit kon aanbieden. Zij vond bovendien in de tot hare teleurstelling waargenomen omstandigheid, dat de Regeering gedurende vele jaren blijk gaf in het iverk der
V
vorige Staatscommissie geene aanleiding te vinden tot het indienen van wetsvoorstellen, eene reden om zelve hare werkzaamheden niet met overhaasting voort te zetten en daaraan liever de in haar oog noodige zorg te besteden.
Ten aanzien van de buitenlandsche wetgevingen, die bij den arbeid der Commissie tot voorlichting hebben kunnen strekken, kan in hoofdzaak venvezen worden naar hetgeen dienaangaande in het verslag bij het Ontwerp van het Eerste Boek werd medegedeeld. Afzonderlijke vermelding verdient het Ontwerp van een Burgerlijk Wetboek voor het Dnitsche Rijk, dat door de zorgen van Uwer Majesteits Regeering met de daarbij behoorende uitgebreide Memorie van Toelichting aan ieder der leden der Oommissie werd toegezonden. Zoowel het eerste Ontwerp als het tweede en het ten slotte aangenomen Wetboek werden met groote belangstelling onderzocht en hebben vaak tot leiddraad voor hare beraadslagingen gestrekt.
In den loop der werkzaamheden hebben nog een tweetal monographieën het licht gezien, die niet zonder invloed zijn geiveest op de besluiten der vergadering, namelijk dc in 1892 verschenen studie van Mr. J. P. Moltzer, destijds Hoogleeraar te Amsterdam: âLandbouw en Kapitaalbeleggingquot; en het in 1894 uitgegeven werk van Mr. S. Gratama, destijds Rijks-archivaris in Drenthe: âHet Beklemrecht in zijne geschiedkundige ontwikkelingquot;.
Ook werden nu en dan deskundigen over technische punten in verband met den arbeid der Commissie geraadpleegd; zoo bijv. de Oud-Hoofdinspecteur van den Waterstaat G. vanDiesen, over de herziening van artikel 578 van het Burgerlijk Wetboek.
Ten slotte veroorloven wij om de hoop uit te spreken, dat het werk, door onze Commissie aan Uwe Majesteit aangeboden, zal geoordeeld ivorden te beantwoorden aan de eischen en de behoeften van onzen tijd, en voorts, dat daarvan zal kunnen worden gezegd, dat wij niet hebben misgetast bij ons ernstig streven om uit het vele goede, dat de rechtspraak en de rechtswetenschap gedurende de laatste zestig jaren voor de ontwikkeling van ons -nationaal rechtsleven hebben opgeleverd, het kernachtigste en voortreffelijkste te kiezen, om als toekomstig stellig recht te gelden. Mocht deze dubbele hoop niet ongegrond zijn, dan, vleien wij ons, zal onze arbeid vruchten dragen voor de herziening onzer Wetgeving.
's Gravenhage , 29 December 1898.
De Staatscommissie tot voortzetting der herziening van het Burgerlijk Wetboek,
J. J. VAN MEEKBEKE, Voorzitter.
P. R. FEITH.
A. P. Th. EUSSELL.
H. J. HAMAKER.
D. G. VAN TEIJLINGEN, Secretaris.
AViJ WIL HE LM IN A, bij de Gratie Gods, Koningin dior Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salutl doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is het Burgerlijk Wetboek te herzien;
Zoo is het dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze, ter vervanging van de Titels IâX, XIX en XX, benevens van de artikelen 1066, 1067, 1068 en 1069 â de beide laatste voor zoover zij van de bewindvoerders melding maken â van het Tweede Bock, van Titel VIII van het Derde Boek en van de artikelen 1990, 1992â1998, 2000â2003, 2014 en 2015 van het Vierde Boek, benevens van de artikelen 1985, 1987, 1999, 2016â2019, 2023â2026, 2028 en 2029 van dat Boek â voor zoover betreft hunne toepasselijkheid op de verwervende verjaring â van het Burgerlijk Wetboek, vast te stellen de navolgende bepalingen:
â
li m hpj mmm weïboel
TWEEDE BOEK.
Tan reclitcn op zaken.
EERSTE TITEL.
Algemeene bepalingen.
Art. 1.
Waar de wet het woord zaken gebruikt, worden daaronder alleen lichamelijke goederen verstaan.
Art. 2.
Zaken kunnen tot elkander in zoodanige verhouding staan, dat de eene tot de andere behoort als hare bijzaak of hulpzaak.
Art. 3.
Eene bijzaak is de zaak, welke met de hoofdzaak op zulk eene wijze verbonden is, dat zij, zoolang die verbinding duurt, geen zelfstandig bestaan heeft.
Wie een zakelijk recht heeft op de hoofdzaak, heeft gelijk recht op de bijzaak.
Art. 4.
Onafgescheiden natuurlijke vruchten zijn bijzaken van de zaak, waaruitzij voortkomen.
Art. 5.
Zoolang burgerlijke vruchten niet opeischbaar zijn, worden zij aangemerkt als bijzaken van de zaak, die ze oplevert.
i
2
Burgerlijke vruchten zijn: huur- en pachtpenningen, interessen en andere dergelijke geldelijke of op geld waardeerbare voordeelen, die als inkomsten van eene zaak genoten worden.
Art. 6.
Eene hulpzaak is de zaak, welke, met behoud van haar zelfstandig bestaan, blijvend ten dienste van de hoofdzaak bestemd is, en in eene die bestemming aantoonende feitelijke verhouding tot haar verkeert.
Wordt die verhouding met een voorbijgaand doel opgeheven, zoo verliest de hulpzaak hare eigenschap, als zoodanig, niet.
Art. 7.
Mits voldoende aan de vereischten, in het voorgaand artikel gesteld, worden als hulpzaken beschouwd;
lü. bij gebouwen, bestemd en ingericht tot uitoefening van eenig bedrijf, de aldaar gebruikt wordende werktuigen en gereedschappen;
2quot;. bij boerderijen, de aldaar gebruikt wordende werktuigen en gereedschappen, en de mesthoop of mestvaalt.
Art. 8.
Tenzij van eene tegenovergestelde bedoeling blijkt, zijn onder verbintenissen tot levering eener zaak de bij- en hulpzaken begrepen, die tijdens het ontstaan der verbintenis deze eigenschap bezaten.
Op gelijke wijze omvatten uiterste wilsbeschikkingen, eene zaak betreffende, de bijen hulpzaken, die op het oogenblik van den dood des erflaters deze eigenschap bezitten.
Art. 9.
Onder algemeenheid van zaken wordt verstaan een aantal roerende zaken, die onder een gemeenschappelijken naam samengevat en in het verkeer als één geheel behandeld plegen te worden.
Indien zoodanige algemeenheid het voorwerp van eene verbintenis tot levering of van eene uiterste wilsbeschikking is, gelden omtrent de afzonderlijke zaken de regelen in liet voorgaand artikel ten aanzien van bij- en hulpzaken gesteld.
3
Art. 10.
Onder onroerende zaken verstaat de wet:
1°. stukken grond;
2°. al wat op een stuk grond gebouwd is, mits het er door fondementen in bevestigd zij;
8°. al wat aan een stuk grond of een gebouw als bijzaak verbonden is.
Art. 11.
Zijn almede onroerend:
1°. zakelijke rechten op eene onroerende zaak;
2°. zakelijke rechten op zoodanig zakelijk recht;
3°. persoonlijke rechten, strekkende om eene onroerende zaak of een onroerend recht te verkrijgen of te herkrijgen;
4°. persoonlijke rechten, toekomende aan den eigenaar van eene onroerende zaak of een onroerend recht als zoodanig.
Art. 12.
Alle zaken, niet vervat in de bepalingen van artikel 10, en alle rechten, niet vervat in de bepalingen van artikel 11, zijn roerend.
Art. 13.
Geene andere zakelijke rechten worden erkend dan die in dit wetboek zijn geregeld.
Niettemin worden de bij de invoering van het wetboek reeds gevestigde zakelijke rechten van anderen aard gehandhaafd.
Art. 14.
Wanneer in de wet, in een uitersten wil, bij eene overeenkomst of bij eenige andere handeling de uitdrukkingen roerende goederen, inboedel, meubelen of huisraad, stoffeering, een huis met al hetgeen zich daarin bevindt, gemeubileerd huis of een huis met zijne meubelen zijn gebruikt, zonder dat uit eenige bijvoeging van de bedoeling blijkt om ze in ruimeren of engeren zin te bezigen, wordt daaronder verstaan;
Art. 15.
Onder roerende goederen, alle zaken en rechten, die volgens artikel 12 roerend zijn.
Art. 16.
Onder inboedel, alle roerende zaken, behalve: geld en geldswaardig papier, effecten en aandeelen in maatschappijen, familie-papieren en -gedenkstukken, koopmanschappen, grondstoffen en alles wat noodig is tot uitoefening van eenig bedrijf, eindelijk: bouwstoffen tot het opbouwen bestemd of van afbraak afkomstig.
Art. 17.
Onder meubelen of huisraad, al wat onder inboedel begrepen is, behalve: paarden en levende have, rijtuigen met hun toebehooren, kostbaarheden, zeldzaamheden en gedenkpenningen , edelgesteenten, boeken en handschriften, verzamelingen van beelden, schilderijen, porselein, teekeningen en prenten, op galerijen of in bijzondere vertrekken geplaatst, natuurkundige en andere wetenschappelijke werktuigen, wapens, kleederen en lijflinnen, granen, wijnen en andere levensmiddelen.
Art. 18.
Onder stoffeering, alleen die meubelen, welke tot gebruik en versiering der vertrekken dienen, als: gordijnen, tapijten en andere bekleedselen, bedden, stoelen, tafels, spiegels, pendules, beelden, schilderijen, porselein en dergelijke.
Art. 19.
Onder een huis met al hetgeen zich daarin bevindt, dat huis met alle daarin aanwezige roerende zaken, behalve het geld en geldswaardig papier en de effecten en aandeelen in maatschappijen.
Art. 20.
Onder gemeubeld huis of een huis met zijne meubelen, het bedoelde huis met die meubelen, welke er de stoffeering van uitmaken.
5
TWEEDE TITEL.
Firn bezit.
Afdeeling I.
Bezit van zaken.
Art. 21.
Bezit wordt verkregen, zoodra men de feitelijke macht over eene zaak uitoefent en zich hierbij als eigenaar, erfpachter, beklemde meier, vruchtgebruiker of pandhouder gedraagt.
Art. 22.
De houder wordt geacht zich als eigenaar te gedragen, zoolang niet blijkt, dat hij een der overige in het voorgaand artikel aangeduide rechten op de zaak uitoefent of haar houdt voor een ander.
Art. 23.
Wanneer men heeft aangevangen eene zaak voor een ander te houden of haar als erfpachter, beklemde meier, vruchtgebruiker of pandhouder te bezitten, wordt men geacht daarmede voort te gaan , zoolang niet blijkt, dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van de handeling van een ander, hetzij doordien men het recht tegenspreekt van dengene, voor wien men de zaak houdt of dien men als eigenaar tegenover zich heeft.
Art. 24.
Hij, die onder een algemeenen titel aan een bezitter of houder opvolgt, blijft bezitter of houder op denzelfden voet, zonder een zelfstandig bezit te kunnen aanvangen anders dan op de wijze in het voorgaand artikel omschreven.
Art. 25.
De bezitter behoudt het bezit, totdat hij het op eene der wijzen, in de volgende artikelen omschreven, verloren heeft.
6
Art. 26.
Men verliest het bezit vrijwillig, wanneer men de macht over de zaak kennelijk opgeeft of aan een ander overdraagt.
Art. 27.
Feitelijke overdracht is onnoodig, indien de zaak zich reeds bevindt in de macht des verkrijgers of op eene voor dezen toegankelijke plaats.
In het laatste geval is een enkel verlof om de zaak tot zich te nemen voldoende.
Art. 28.
Feitelijke overdracht is mede onnoodig:
1°. indien bij overeenkomst is bedongen, dat de zaak zal blijven in de macht van den vervreemder, als bonder voor den verkrijger;
2°. indien de zaak zich bevindt in de macht van een derde, doch ten behoeve van den vervreemder.
In dit geval is het voldoende, dat beide partijen den derden houder van de overdracht kennis geven.
Indien de derde houder, dadelijk na de ontvangst van deze kennisgeving, verklaart de zaak niet ten behoeve van den verkrijger te willen houden, is er geene overdracht.
Art. 29.
Het bezit wordt mede verloren, wanneer men feitelijk in de onmogelijkheid geraakt om macht over de zaak uit te oefenen, of een ander haar zonder de toestemming des bezitters in zijne macht brengt.
Eene voorbijgaande onmogelijkheid of eene voorbijgaande machtsuitoefening door een ander is daartoe niet voldoende.
Art. 30.
Ten aanzien van de persoonlijke bevoegdheid tot het verkrijgen en het vervreemden van bezit gelden de regelen omtrent de bevoegdheid tot het verkrijgen en het vervreemden van rechten.
Art. 31.
Ten aanzien van de verkrijging en het verlies van bezit door middel van een ver-
7
tegenwoordiger gelden de regelen omtrent de verkrijging en het verlies van rechten door middel van een vertegenwoordiger.
Art. 32
Het bezit eener zaak heeft voor den bezitter het gevolg, dat hij bij voorraad wordt aangemerkt als eigenaar, erfpachter, beklemde meier, vruchtgebruiker of pandhouder, naarmate van het recht, hetwelk hij uitoefent.
Art. 33.
De bezitter van eene onroerende zaak of van een schip, als bedoeld in het tweede lid van artikel 309 en in de artikelen 748 en 749 in verband met artikel 750 nquot;. 1 W. v. K., heeft het recht om in het bezit daarvan te worden gehandhaafd , wanneer hij daarin is gestoord, en te worden hersteld, wanneer het hem door een ander eigenmachtig ontnomen is.
Art. 34.
De vordering tot handhaving in het bezit kan worden ingesteld tegen ieder, die den bezitter in zijn bezit heeft gestoord of doen storen.
Deze vordering geldt ook tegen den eigenaar.
Zij kan niet worden ingesteld tegen hem, aan wien de bezitter het bezit binnen het jaar, aan de stoornis voorafgaande, eigenmachtig ontnomen heeft.
Art. 35.
De vordering moet worden ingesteld binnen het jaar, te rekenen van den dag, waarop de bezitter in zijn bezit gestoord is geworden.
Art. 36.
De vordering strekt om het bezit te doen erkennen en de stoornis te doen ophouden, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
Wanneer de daad door meer dan één persoon gepleegd is, zijn zij ieder voor het geheel verantwoordelijk.
Art. 37.
De vordering tot herstelling in het bezit kan worden ingesteld tegen hem, die de zaak aan den vroegeren bezitter eigenmachtig heeft ontnomen of doen ontnemen, alsmede tegen hem, die haar te kwader trouw overgenomen heeft.
De bepalingen van het tweede en derde lid van artikel 34, alsmede die van het tweede lid van artikel 36 zijn toepasselijk.
Art. 38.
De vordering moet worden ingesteld binnen het jaar, te rekenen van den dag, waarop het bezit verloren is gegaan.
Art. 39.
De vordering strekt om de zaak te doen teruggeven, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
Indien de vordering gericht wordt tegen hem, die de zaak overgenomen heeft, is deze alleen in zooverre tot schadevergoeding verplicht, als de zaak door zijn toedoen in waarde verminderd is, of hij zich door zijne bezitsverkrijging verrijkt heeft.
Art. 40.
Iedere medebezitter heeft, ook tegen zijne medebezitters, de vorderingen tot handhaving en tot herstelling.
Indien hij de vordering instelt tegen een derde, behoeft hij zijne medebezitters niet in het geding te roepen, maar hebben dezen het recht om zich daarin te voegen of tusschen te komen.
Art. 41.
Indien iemand eene zaak bezit als erfpachter, beklemde meier of vruchtgebruiker, is ook degene, die door hem als eigenaar erkend wordt, bezitter en heeft deze evenzeer de vorderingen tot handhaving en tot herstelling, wanneer eerstgenoemde gestoord of hem de zaak eigenmachtig ontnomen is.
Hetzelfde geldt, indien de bezitter iemand als gerechtigde tot een der andere in artikel 21 genoemde rechten naast zich heeft.
Indien iemand de feitelijke macht over eene zaak heeft öls huurder of krachtens een anderen in artikel 21 niet genoemden titel, is alleen degene, namens wien hij de zaak in zijne macht heeft, bezitter en kan alleen deze handhaving en herstelling vorderen.
9
Art. 42.
De houder eener roerende zaak, wien deze is ontnomen of die haar heeft verloren, heeft het recht om haar van eiken lateren houder terug te vorderen.
Indien hij houder was voor een ander, of haar in pand of in vruchtgebruik onder zich had, kan deze vordering ook worden ingesteld door hem, voor wien hij de zaak hield, of van wien hij haar in pand of in vruchtgebruik had.
De vordering moet binnen het jaar worden ingesteld.
Indien hij, wien de zaak is ontnomen of die de zaak heeft verloren, haar terugkrijgt, vervallen de rechten, in den tusschentijd door derden daarop verkregen.
Art. 43.
In het geval van het voorgaand artikel heeft de tot teruggave aangesproken houder recht op vergoeding van den prijs, dien hij voor de zaak betaald heeft, zoo hij haar kocht op eene markt of beurs, bij openbare veiling of van een koopman, gewoon in dergelijke zaken handel te drijven.
Indien hij de zaak op eene markt of beurs of wel van een koopman, gewoon in dergelijke zaken handel te drijven, in pand gekregen heeft, heeft hij recht op vergoeding tot het in artikel 404 nos. 2 en 3 aangegeven bedrag.
Hij heeft zoowel het recht van terughouding der zaak als eene zelfstandige vordering.
Afdeeling ii.
Bezit van rechten.
Art. 44.
Op het bezit van zakelijke rechten, waaraan het houden der zaak niet verbonden is, zijn de bepalingen der voorgaande afdeeling toepasselijk, voor zoover geene bijzondere voorschriften gegeven zijn.
Art. 45.
Bezit van eene erfdienstbaarheid, die de bevoegdheid tot het verrichten van bepaalde handelingen op het dienend erf medebrengt, wordt verkregen door het als gerechtigde verrichten van zoodanige handelingen met uitdrukkelijke toestemming van hem, die het dienend erf bezit.
2
10
Ook zonder die toestemming wordt het bezit verkregen, indien de verrichting van de bedoelde handelingen als gerechtigde gedurende één jaar geregeld is voortgezet, en de bezitter van het dienend erf niet bijtijds de hem in artikel 34 toegekende vordering heeft ingesteld.
Art. 46.
Bezit van eene erfdienstbaarheid, tot wier uitoefening werken noodig zijn, wordt ver. kregen door het als gerechtigde inrichten of gebruiken van zoodanige werken met uitdrukkelijke toestemming van hem, die het dienend erf bezit.
Ook zonder die toestemming wordt het bezit verkregen, indien zoodanige werken één jaar lang onafgebroken hebben bestaan, en de bezitter van het dienend erf niet bijtijds de hem in artikel 34 toegekende vordering heeft ingesteld.
Art. 47.
Bezit van eene erfdienstbaarheid, die bestaat in het den eigenaar van het dienend erf verboden zijn van bepaalde bundelingen, wordt verkregen door uitdrukkelijke erkenning van dat verboden zijn door hem, die het dienend erf bezit, of doordien deze, op het verbod van den bezitter van het heerschend erf, eene zoodanige door hem ondernomen handeling heeft gestaakt.
Art. 48.
Indien de in de drie voorgaande artikelen bedoelde bezitter het dienend erf als erfpachter , beklemde meier of vruchtgebruiker bezat, vervallen de rechten van hem, die het bezit van de erfdienstbaarheid verkregen heeft, zoodra het bezit van eerstgenoemde ophoudt.
Art. 49.
De wil om de in de artikelen 45 en 46 bedoelde handelingen te verrichten als gerechtigde wordt niet verondersteld, maar moet uit de omstandigheden duidelijk blijken.
Art. 50.
Bezit van eene grondrente wordt verkregen, doordien hij, die een onroerend goed als eigenaar bezit, het bestaan van zulk een last uitdrukkelijk of stilzwijgend erkend en ten minste ééne betaling gedaan heeft.
11 Art. 51.
De bezitter van eene erfdienstbaarheid of grondrente heeft het recht om in het bezit â¢daarvan te worden gehandhaafd, wanneer hij in de uitoefening daarvan is belemmerd, en te worden hersteld, wanneer hem die uitoefening is onmogelijk gemaakt.
Art. 52.
Op het bezit van andere zakelijke rechten, die krachtens de overgangsbepaling van artikel 18 gehandhaafd blijven, zijn de artikelen 44â51, voor zoover mogelijk, toepasselijk.
DERDE TITEL.
Van eigendom.
Afdeel ING I.
Algemeene bepalingen.
Art. 53.
Eigendom is het recht om van eene zaak het volle genot te hebben en daarover naar willekeur te beschikken, behoudens de beperkingen, op wet of verordening gegrond. Iedere eigendom wordt vermoed vrij te zijn.
Art. 54.
De eigendom van den grond omvat al wat in artikel 10 n0'. 2 en 3 genoemd is. Niettemin is hij, die den grond van een ander krachtens zakelijk of persoonlijk recht â onder zich heeft, eigenaar van de met dien grond verbonden zaken, indien en zoolang hij het recht heeft ze weg te nemen.
Art. 55.
De bepaling van het eerste lid van het voorgaand artikel geldt ook:
1°. als de eigenaar van den grond daarin boomen of planten van een ander geplant,
12
zaden van een ander gezaaid, of daarop met bouwstoffen van een ander gebouwd heeft.
Hij is verplicht tot betaling van de waarde van boomen, planten, zaden of bouwstoffen en tot verdere schadeloosstelling, indien daartoe gronden zijn;
2quot;. als hij, die zonder recht of krachtens een niet van den eigenaar afgeleid recht eens anders grond houdt, daarin zijne boomen of planten geplant, zijne zaden gezaaid, of daarop met zijne bouwstoffen gebouwd heeft.
Op de vordering van den eigenaar is hij verplicht met den grond het geplante , gezaaide of gebouwde over te geven; tot wegneming daarvan kan hij niet genoodzaakt worden, tenzij hij den grond te kwader trouw hield.
Omtrent de schadeloosstelling, waarop hetzij de houder, hetzij de eigenaar recht mocht hebben, gelden de regelen voor het geval van de opvordering van eigendom voorgeschreven.
Art. 56.
De eigenaar heeft het vrij genot van de ruimte boven zijn grond, tot zoover als hij zijne heerschappij daarover kan uitstrekken en voor zoover de bevoegdheid daartoe niet door wet of verordening beperkt is.
Art. 57.
Onverminderd het in artikel 59 bepaalde omtrent openbare wateren, is de eigenaar van den grond eigenaar van het water, dat op den grond staat of daarover stroomt.
Deze regel geldt ook dan, als het water afkomstig is van eene rivier, die buiten hare oevers getreden is of eene nieuwe bedding gemaakt heeft.
Art. 58.
De tusschen twee erven gelegen, met niet-openbare wateren bedekte, gronden worden geacht tusschen de beide erven verdeeld te zijn naar eene lijn, getrokken door het midden van het water.
Art. 59.
De eigendom van openbare rivieren, meeren en andere wateren brengt met zich den eigendom van den bodem, waarover het water stroomt of waarop het staat.
13
Art. 60.
Indien zulk eene rivier eene nieuwe bedding maakt, gaat het recht op den door liet water ingenomen grond voor den eigenaar verloren.
De Staat is verplicht hem schadeloos te stellen; het bedrag zal echter niet hooger zijn dan de waarde der verlaten bedding.
Art. 61.
Eene tijdelijke overstrooming of eene zoodanige, die het verdronken land niet inlijft bij het openbare water, doet den eigenaar zijn eigendom niet verliezen.
Art. 62.
Eilanden en platen, in de zee of in openbare rivieren, meeren en andere wateren ontstaan, behooren den Staat.
Art. 63.
Eigendom wordt op geene andere wijzen verkregen dan op die, welke bij de wet uitdrukkelijk of stilzwijgend als wijzen van eigendomsverkrijging zijn erkend.
Afdeel ing ii.
Eigendomsverkrijging door toeëigening.
Art. 64.
Wie zich eene aan niemand toebehoorende roerende zaak toeëigent, verkrijgt daarvan den eigendom, al heeft hij zich door eene ongeoorloofde handeling tot de toeëigening in staat gesteld, of al is de toeëigening zelve ongeoorloofd.
Art. 65.
Een schat behoort den eigenaar van de zaak, waarin hij gevonden is; wordt hij gevonden, mits bij toeval, door een ander dan den eigenaar, zoo behoort hij voor de helft aan den vinder.
14
Een schat is eene zaak, die zoolang in een onroerend goed is verborgen geweest, dat de eigenaar niet meer te ontdekken is.
Art. 66.
Wie eene verlorene of door eene andere oorzaak onbeheerde zaak vindt en tot zich neemt, verkrijgt daarvan den eigendom na drie jaren, te rekenen van den dag, waarop hij aangifte heeft gedaan aan den burgemeester of den commissaris van politie der gemeente , waar hij de zaak gevonden heeft, tenzij binnen dien tijd de rechthebbende zich heeft aangemeld om de zaak terug te bekomen.
Art. 67.
De in het voorgaand artikel genoemde ambtenaar zorgt voor bekendmaking op de in zijne gemeente gebruikelijke wijze.
Art. 68.
De vinder heeft te allen tijde het recht de door hem gevonden zaak aan den in de voorgaande artikelen genoemden ambtenaar, tegen ontvangbewijs, in bewaring te geven en is daartoe verplicht, indien deze zulks vordert.
Art. 69.
Indien de ambtenaar, aan wien de zaak in bewaring is gegeven, oordeelt, dat zij aan bederf onderhevig of moeielijk of niet dan met onevenredig hooge kosten te bewaren is, doet hij haar in het openbaar verkoopen.
De opbrengst treedt alsdan in de plaats der zaak.
Art. 70.
De zaak kan niet worden teruggevorderd dan tegen vergoeding der kosten, tot haar behoud en bewaring en tot opsporing van den rechthebbende gemaakt.
Art. 71.
Na afloop van den bij artikel 66 gestelden termijn kan de burgemeester den vinder
15
aanmanen om de zaak tot zich te nemen; indien deze drie maanden heeft laten voorbijgaan, zonder aan die aanmaning te voldoen, gaat zijn recht verloren en komt de zaak ten bate van de gemeente, waar zij gevonden is.
A F DEE LING III.
Eigendomsverkrijgimg door verbinding, zaaksvorming en afscheiding.
Art. 72.
Indien roerende zaken van verschillende eigenaars op zoodanige wijze met elkander verbonden worden, dat zij te zamen ééne zaak vormen, behoort deze in haar geheel aan den eigenaar der hoofdzaak.
Art. 73.
Kan geene van de verbondene zaken als hoofdzaak worden beschouwd, dan behoort het geheel aan de eigenaars van die zaken gezamenlijk, naar aandeelen geëvenredigd aan de waarde van ieders zaak.
Art. 74.
De bepalingen der beide voorgaande artikelen lijden uitzondering, indien de zaken zonder merkelijke beschadiging van ééne of meer harer en zonder onevenredig hooge kosten weer kunnen worden gescheiden; in dit geval blijft ieder eigenaar van het zijne.
Art. 75.
De bepalingen der voorgaande artikelen zijn mede toepasselijk bij vermenging van natte of droge stoffen, aan verschillende personen toebehoorende.
Art. 76.
De voorgaande artikelen gelden slechts voor zoover niet tusschen de eigenaars der verschillende zaken of stoffen anders is overeengekomen.
16
Art. 77.
Hij, die uit eeue hem niet toebehoorende zaak of stof, of uit onderscheidene hem niet of niet alle toebehoorende zaken of stoffen voor zich eene nieuwe zaak of stof vormt, is hiervan eigenaar.
Art. 78.
Onverminderd zijne verplichting tot vergoeding van schade, zoo daartoe gronden zijn, moet de nieuwe eigenaar in de gevallen van de artikelen 72 en 77 de waarde der zaak of der stof, voor zoover hij verrijkt is, aan den vorigen eigenaar vergoeden.
Art. 79.
De aanspoelingen of aanwassen, onder welken naam ook bekend, aan de oevers van de zee of van openbare rivieren, meeren en andere wateren behooren den eigenaar van den grond, waaraan de aanwas plaats heeft.
Dit geldt ook dan, als de grond aan de waterzijde eene door eenig werk afgebakende grens heeft, of in de eigendomsbewijzen melding is gemaakt van de hoegrootheid der landen.
Art. 80.
Als aanwas wordt niet beschouwd het stuk grond, dat in eens door het geweld van den stroom van het eene land afgescheurd en aan het andere aangeworpen is.
De eigenaar heeft gedurende één jaar het recht om zulk een stuk grond terug te nemen; na verloop van dit jaar behoort het hem, aan wiens grond het geworpen is.
Art 81.
Door oevers van rivieren worden verstaan de boorden der bedding ter plaatse waar die op gewone tijden, als het water op het hoogst is, door dat water worden overdekt, zonder dat het op den kant treedt.
Ter plaatse waar de glooiing zoo flauw is, dat het water bij den in het voorgaande lid bedoelden stand zich buiten de bedding uitstrekt, wordt als grenslijn van den oever aangemerkt de grens der regelmatige begroeiing met gras, rijshout, riet of bies, ook al wordt alsdan het begroeide land met water overdekt.
Zoover in de rivier vloedstroom gaat, loopt de oeverlijn langs de lijn van laag-water, of zooveel meer landwaarts als de lijn der regelmatige begroeiing zich bevindt, doch niet hooger dan de lijn van hoogwater.
Aan zee loopt de oeverlijn langs de grens van het strand.
Strand is de grond, die bij gewonen vloed met water overdekt wordt.
17
Art. 82.
Indien een aan eene zeeduin grenzend stuk grond door den wind zoodanig met zand wordt overstoven, dat het van de duin niet meer kan worden onderscheiden, wordt hij, aan wien de duin toebehoort, eigenaar van den grond, ten ware binnen vijf jaren eene minnelijke afpaling heeft plaats gehad, of eene rechtsvordering te dien einde is ingesteld.
Art. 83.
Hij, die eene zaak als eigenaar, erfpachter, beklemde meier of vruchtgebruiker bezit, verkrijgt den eigendom der vruchten door de afscheiding.
Indien de zaak door een bezitter in de macht is gesteld van een ander, met toekenning van de bevoegdheid om de vruchten er van te genieten, worden ze op gelijke wijze door dien ander verkregen.
Afdeeling IV.
Eigendomsverkrijging door verjaring.
Art. 84.
Eigendom, zoowel van onroerende als van roerende zaken, kan bekomen worden door bezit als eigenaar gedurende den bij de wet bepaalden tijd.
De rechter mag de verjaring niet in aanmerking nemen, tenzij de bezitter zich daarop beroept.
Art. 85.
De verjaring begint te loopen te middernacht na den aanvang van het bezit en is voltooid te middernacht na den laatsten dag van het vereischte tijdperk.
Art. 86.
Wordt bewezen, dat iemand het bezit op twee tijdstippen gehad heeft, dan wordt bij vermoed het ook in den tusschentijd onafgebroken te hebben voortgezet.
Art. 87.
Hij, die het bezit van eene onroerende zaak krachtens eenige wijze van eigendoms-
18
overgang ouder bij zonderen titel te goeder trouw verkregen heeft, wordt eigenaar van de zaak door voortzetting van het bezit gedurende tien jaren.
Hij, die op welke wijze ook te goeder trouw bezit heeft verkregen, wordt eigenaar vau de zaak door voortzetting van het bezit gedurende twintig jaren.
Bezit gedurende dertig jaren verschaft eigendom, al mocht het te kwader trouw zijn verkregen.
Art. 88.
Wie de verjaring van het eerste lid van het voorgaand artikel inroept, mag het bezit van zijne voorgangers mederekenen, indien ook hun bezit op gelijke wijze was verkregen.
Wie de verjaring van het tweede lid van dat artikel inroept, mag het bezit van zijne voorgangers mederekenen, zoo dat bezit hetzij overeenkomstig het eerste, hetzij overeenkomstig het tweede lid was verkregen.
De bevoegdheid bij de twee voorgaande leden gegeven betreft slechts bezit, dat zonder tusschenpoozen van minder deugdelijk bezit dan voor de ingeroepen verjaring wordt gevorderd is gekomen tot hem, die haar inroept.
Wie slechts het derde lid van het voorgaand artikel kan inroepen, mag tot aanvulling van de vereischte dertig jaren alle bezit van zijne voorgangers doen gelden.
Art. 89.
De goede trouw, bij het eerste en tweede lid van artikel 87 gevorderd, wordt geacht te hebben bestaan, indien niet is bewezen, dat de bezitter bij de verkrijging wist of had moeten weten, dat de zaak hem niet toekwam.
Art. 90.
De eigendomsverkrijging door tienjarige verjaring doet alle andere zakelijke rechten op de zaak te niet gaan, tenzij blijke, dat de verkrijger bij den aanvang van zijn bezit met het bestaan dier rechten bekend was of had moeten zijn, en mits die rechten gedurende den loop der verjaring niet zijn uitgeoefend.
De bepaling van het voorgaande lid is niet toepasselijk op hypotheek, noch op erfdienstbaarheden, welke in de verplichting om iets niet te doen bestaan.
Art. 91.
Eigendom van eene roerende zaak wordt verkregen door bezit gedurende twintig-jaren, indien het te goeder trouw is aangevangen.
19
Bezit gedurende dertig jaren verschaft eigendom, al mocht liet te kwader trouw zijn aangevangen.
De bepalingen der artikelen 88 en 89 zijn toepasselijk.
Art. 92.
De verjaring wordt gestuit, indien de bezitter het bezit opgegeven of overeenkomstig artikel 29 verloren heeft.
Art. 93.
Wordt het bezit aan hem, die het tegen zijn wil heeft verloren, binnen een jaar vrijwillig teruggegeven, of krijgt hij het, zij het ook later, krachtens een vonnis tot herstelling in het bezit terug, dan vervolgt de verjaring haren loop, met dien verstande, dat de tijd, verstreken tusschen het verlies en het herkrijgen, wordt begrepen in de berekening van het verjaringstijdperk.
Art. 94.
De verkrijger te goeder trouw, die de zaak door middel van de rechtsvordering van artikel 118 in zijn bezit terugbracht, kan de vroeger begonnen verjaring voortzetten, echter zonder mederekening van den tusschentijd.
Art. 95.
De verjaring wordt ten behoeve van hem, die het goed als zijn eigendom opvordert, gestuit van het oogenblik, dat de eisch is gedaan.
Heeft hij, die zijn eigendomsrecht aldus vervolgt, binnen de zes maanden, voorafgaande aan den eisch, met inroeping van zijn recht den bizitter bij deurwaardersakte aangemaand om het goed te zijner beschikking te stellen, dan treedt reeds met de betee-kening dier akte de stuiting in.
Art. 96.
Worden de aanmaning, de dagvaarding of andere schriftuur, waarbij de eisch is gedaan, ingetrokken of nietig verklaard; doet hij, die den eisch heeft ingesteld, afstand van de instantie; wordt de instantie vervallen verklaard; wordt de eisch zelf niet-ont-vankelijk verklaard of ontzegd; dan wordt de stuiting gehouden voor niet geschied.
20 Art. 97.
Dagvaarding voor een onbevoegden rechter brengt alleen dan stuiting te weeg, indien binnen zes maanden, nadat de onbevoegdverklaring kracht van gewijsde bekomen heeft, eene nieuwe dagvaarding is uitgebracht.
Art. 98.
Verjaring loopt niet tusschen echtgenooten, tenzij van tafel en bed gescheiden, noch ten behoeve van ouders, voogden of curators tegen de minderjarigen of onder curateele gestel den.
Art. 99.
De bezitter kan van de verjaring afstand doen, hetzij deze al dan niet voltooid is.
Ten aanzien van onroerende zaken geschiedt die afstand door eene daartoe strekkende verklaring, bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte gedaan.
De bepalingen van het derde lid van artikel 100, alsmede die van de artikelen 101â104 zijn toepasselijk.
Afdeel ING V.
Overdracht en afstand van eigendom.
Art. 100.
Overdracht van onroerende zaken geschiedt bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte, houdende verklaring van den eigenaar, dat hij den eigendom op den verkrijger overdraagt, en van dezen, dat hij den eigendom aanneemt.
Voorbehoud van zakelijke rechten , opschortende of ontbindende voorwaarden en andere bedingen, de eigendomsoverdracht betreffende, moeten in de akte omschreven zijn; bij gebreke daarvan geldt de overdracht voor onbeperkt.
De overdracht werkt niet, zoolang de akte niet in de openbare registers is overgeschreven ; overigens wordt de haar toekomende werking, met eerbiediging van de rechten, door derden in den tusschentijd door eene overschrijving verkregen, beoordeeld naar de omstandigheden van het oogenblik, waarop zij is verleden.
Beide partijen zijn gelijkelijk gerechtigd de akte te doen overschrijven.
Indien de akte afkomstig is van iemand, die ten tijde van het verlijden geen eigenaar
21
was, doch later den eigendom verkreeg, werkt de overdracht van het oogenblik dier verkrijging, indien de akte toen reeds overgeschreven was, en anders van het oogenblik der overschrijving.
Art. 101.
Indien eene overdracht lijdt aan volstrekte nietigheid, werkt deze nietigheid ook tegen hen, die onder bijzonderen titel eenig recht op de zaak afleiden van dengene, aan wien zij was overgedragen.
Art. 102.
Indien de overdracht verricht is door een minderjarige of onder curateele gestelde, werkt de nietigheid, zoo zij wordt ingeroepen, ook tegen hen, die onder bij zonderen titel eenig recht op de zaak afleiden van dengene, aan wien zij was overgedragen.
Art. 103.
In alle andere gevallen, waarin de nietigheid slechts door bepaalde personen kan worden ingeroepen, is de overdracht, tenzij voor eenig bijzonder geval anders is bepaald, vernietigbaar in dien zin, dat de nietigheid niet werkt tegen hen, die, vóór de vernietiging, onder bijzonderen titel eenig recht op de zaak verkregen van dengene, aan wien zij was overgedragen.
Art. 104.
In alle gevallen, waarin hetzij de wet, hetzij de titel, waarop de overdracht steunt, een recht erkent tot herroeping of ontbinding daarvan, werken deze niet tegen hen, die te voren onder bijzonderen titel eenig recht op de zaak verkregen van dengene, aan wien zij was overgedragen.
Art. 105.
Eigendom van roerende zaken wordt verkregen door overdracht van het bezit, indien de vervreemder den wil heeft den verkrijger tot eigenaar te maken en deze den wil om eigenaar te worden, ook al is de vervreemder zelf geen eigenaar.
Alle ten behoeve van derden op de zaak rustende rechten, wier voortduring niet bij de overdracht is bedongen, vervallen.
22
Art. 106.
Indien iemand verbonden is tot overdracht van den eigendom eener bepaalde zaak, is de schuldeischer bevoegd te vorderen, dat hem bij vonnis de eigendom dier zaak worde toegewezen.
Die bevoegdheid vervalt, indien vóór of gedurende het geding de schuldenaar, in het belang zijner schuldeischers, het recht om over de zaak te beschikken verliest.
Wanneer het eene onroerende zaak betreft, is ten aanzien van het vonnis de bepaling ATan het derde lid van artikel 100 toepasselijk.
Art. 107.
Afstand van eigendom van eene onroerende zaak geschiedt door eene daartoe strekkende verklaring, bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte gedaan.
De bepalingen van het derde lid van artikel 100 en van de artikelen 101â104 zijn toepasselijk.
Na de overschrijving wordt de Staat eigenaar.
A F D E E L I N G VI.
Rechtsvorderingen den eigenaar toekomende.
Art. 108.
De eigenaar heeft het recht om zijne zaak van eiken houder op te vorderen.
Indien de houder, die recht heeft op vrijwaring, zijn waarborg in het geding brengt, heeft dit de gevolgen omschreven in de artikelen 70 en 71 B. R.
Art. 109.
De houder is houder te kwader trouw, indien hij bij het verkrijgen der zaak wist of had moeten weten, dat zij hem niet toekwam, of dat de persoon, die haar in zijne macht stelde, geen recht had om over haar te beschikken.
Art. 110.
De houder is verplicht de zaak te ontruimen of af te geven.
23
Hij staat in voor alle schade, door zijn opzet of zijne schuld aan de zaak toegebracht sedert den dag der rechtsvordering.
De houder te kwader trouw staat in voor alle schade, aan de zaak toegebracht door zijn opzet of zijne schuld sedert het begin van zijne macht over de zaak.
Art. 111.
Door den houder worden afgegeven of, zoo zij niet meer in zijn bezit zijn, vergoed de vruchten, afgescheiden van de zaak sedert den dag der rechtsvordering.
Hij is schadeloosstelling verschuldigd voor de vruchten, die de zaak sedert dien dag-had kunnen voortbrengen, maar door zijn opzet of zijne schuld niet voortgebracht heeft.
Art. 112.
De houder te kwader trouw geeft af of vergoedt de vruchten, afgescheiden sedert het het oogenblik, waarop hij macht over de zaak verkregen heeft, alsmede die, welke de zaak sedert dat oogenblik had kunnen voortbrengen, doch door zijn opzet of zijne schuld niet voortgebracht heeft.
Art. 113.
Indien, na het instellen van de vordering, de houder geweten beeft of had moeten weten, dat de eischer eigenaar was, is hij van het oogenblik, waarop hij die wetenschap verkreeg of had moeten verkrijgen, verbonden als een schuldenaar, die in gebreke is.
Art. 114.
De kosten, gemaakt tot behoud van de zaak, worden den houder vergoed.
De kosten, gemaakt tot verbetering van de zaak, worden hem vergoed tot het bedrag, waarmede de zaak, op het oogenblik der teruggave, daardoor in waarde vermeerderd is.
De kosten, die noch noodig waren voor het behoud noch nuttig voor de verbetering der zaak, worden hem niet vergoed; hij heeft echter het recht de aangebrachte versieringen of andere toevoegselen weer weg te nemen, mits hij de zaak in haren vroegeren toestand herstelle.
De kosten tot onderhoud van de zaak worden hem vergoed, voor zoover zij niet door zijn genot van de zaak worden opgewogen.
De kosten, gemaakt tot verkrijging der vruchten, die hij behoudt, worden hem niet
24
vergoed; die, welke gemaakt zijn ter verkrijging van de vruchten, die hij moet verantwoorden , worden hem vergoed of bij de waardeering der vruchten in aanmerking genomen.
Art. 115.
Tot vergoeding van de in het voorgaand artikel bedoelde kosten is de eigenaar alleen dan gehouden, als de zaak, waaraan zij besteed zijn, in zijn bezit teruggekomen is, of tegen teruggave daarvan.
De houder heeft zoowel het recht van terughouding der zaak als eene zelfstandige vordering.
Art. 116.
De eigenaar van eene onroerende zaak heeft tegen dengene, die, zonder haar te houden, inbreuk op zijn recht maakt, eene rechtsvordering om hem te noodzaken daarmede op te houden, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
De bepaling van het tweede lid van artikel 108 is toepasselijk.
Art. 117.
De eigenaar van eene onroerende zaak, betreffende welke eene akte in de openbare registers is overgeschreven, die, hetzij omdat zij overeenkomstig de artikelen 101 of 102 nietig is, hetzij uit anderen hoofde geen rechtsgevolg kan hebben, heeft tegen dengene, die, zoo de akte geldig was, daaruit een recht verkregen zou hebben, of op wien dit zou zijn overgegaan, eene rechtsvordering om het niet-bestaan daarvan te doen uitspreken.
Art. 118.
Hij, die te goeder trouw het bezit eener onroerende zaak verkreeg krachtens eenige wijze van eigendomsovergang onder bijzonderen titel, kan haar, ook indien zijn voorganger geen eigenaar was, van eiken houder opvorderen, behalve van den eigenaar zeiven en van dengene, die haar insgelijks krachtens zoodanige wijze van eigendomsovergang te goeder trouw bezit.
Het bestaan,der goede trouw wordt beoordeeld overeenkomstig artikel 89.
De bepalingen van de artikelen 108â115 zijn op deze rechtsvordering toepasselijk.
25
Afdkeling VII.
Medéëig endow,.
Art. 119.
Indien de eigenaar een aandeel in zijne zaak vervreemdt of door eenzelfde feit twee of meer personen eigenaars worden van eenzelfde zaak, ontstaat medeëigendom.
Iedere medeëigenaar is eigenaar van een aandeel.
De aandeelen worden geacht gelijk te zijn, indien de grootte niet blijkt.
Art. 120.
De aandeelen kunnen worden vervreemd en bezwaard met pand, hypotheek, vruchtgebruik en grondrente, naar de regelen voor de overdracht van eigendom en de vestiging quot;van genoemde rechten geldende.
Zij vererven met het overige vermogen van den eigenaar.
Art. 121.
Iedere medeëigenaar van eene onroerende zaak kan van zijn aandeel afstand doen.
De afstand geschiedt door eene daartoe strekkende verklaring, bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte gedaan.
De bepalingen van het derde lid van artikel 100, alsmede die van de artikelen 101â104 zijn toepasselijk.
Het afgestane aandeel komt aan de medeëigenaars.
Art. 122.
Iedere medeëigenaar is ten allen tijde bevoegd den medeëigendom te doen eindigen dit recht gaat door geene verjaring te niet.
Art. 123.
Medeëigendom van eene onroerende zaak gaat, bij scheiding, in afzonderlijken eigendom over door eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte, houdende verklaring der medeëigenaars, dat zij de zaak aan een hunner toescheiden, en van dezen, dat hij haar aanvaardt.
4
26
De bepalingen van de laatste vier leden van artikel 100, alsmede die van de artikelen 101â104 en 106 zijn toepasselijk.
Art. 124.
Medeëigendom van eene roerende zaak gaat, bij scheiding, in afzonderlijken eigendom over, doordien de medeëigenaars aan dengene, aan wien zij de zaak hebben toegewezen, het uitsluitend bezit daarvan overlaten met den wil om hem tot eenigen eigenaar te maken en deze dat bezit aanvaardt met den wil om eenige eigenaar te worden.
Art. 125.
Het recht van den medeëigenaar om zijn aandeel te vervreemden en te bezwaren, gelijk dat om scheiding te vorderen, kan bij overeenkomst, tusschen alle of enkele medeëigenaars aangegaan, beperkt of buiten werking worden gesteld voor een termijn van ten hoogste tien jaren; deze overeenkomst kan worden vernieuwd.
Betreft zij een onroerend goed, dan werkt zij tegen derden, mits zij bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte aangegaan en deze in de openbare registers
overgeschreven is.
*
Art. 126.
lederen medeëigenaar komen, ten aanzien van zijn aandeel, de vorderingen toe in de artikelen 108 en 116 den eigenaar toegekend.
Hij, die te goeder trouw een aandeel in eene onroerende zaak verkregen heeft overeenkomstig artikel 118, heeft voor zijn aandeel de bij dat artikel bedoelde vordering.
Tegenover derden kunnen deze vorderingen ingesteld worden ten aanzien van de geheele zaak.
De medegerechtigden behoeven in dit geval niet in het geding geroepen te worden, maar hebben het recht om zich daarin te voegen of tusschen te komen.
Art. 127.
Iedere medeëigenaar heeft een gelijk recht op het gemeenschappelijk beheer van de zaak.
Recht op medegebruik of medegenot komt ieder hunner toe in evenredigheid met zijn aandeel.
Art. 128,
Do medeëigenaars kunnen het beheer, gebruik of genot van de zaak regelen bij eene
27
overeenkomst, die voor de opvolgers in het aandeel, ook onder bijzonderen titel, verbindend zal zijn.
Bij gebreke van dergelijke overeenkomst kan ieder hunner van de overigen vorderen, dat zij hunne toestemming verleenen tot eene zoodanige regeling, waarbij de belangen van alle medeëigenaars evenzeer zijn in acht genomen.
Indien die toestemming niet van allen verkregen wordt, kan zij vervangen worden door een rechterlijk vonnis, waarbij eene bepaalde regeling op vordering van een der medeëigenaars wordt goedgekeurd.
De rechter kan de ontworpen regeling naar aanleiding van de daartegen ingebrachte bezwaren wijzigen.
Bij verandering van omstandigheden kan wijziging eener bestaande regeling gevorderd worden.
Art. 129.
Indien een der medeëigenaars gekrenkt wordt in de rechten, die hij aan de bepalingen der beide voorgaande artikelen ontleent, heeft hij eene rechtsvordering tot handhaving in die rechten en tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
Art. 130.
De voorgaande bepalingen gelden, voor zooverre niet voor bijzondere gevallen van gemeenschappelijken eigendom door de wet afzonderlijke regelen worden gesteld.
VIERDE TITEL.
Van rechtsbetrekkingen tusschen eigenaars van naburige erven.
Art. 131.
Onverminderd de wettelijke voorschriften omtrent den waterstaat, moeten erven, die lager liggen, het water ontvangen, hetwelk van hooger gelegen erven natuurlijk afloopt, ook al mocht die afloop bevorderd worden door het gebruik, dat van den bodem gemaakt wordt.
De last van dien waterafioop mag voor het ontvangend erf niet verzwaard worden door werken; op dit laatste mogen evenmin werken tot belemmering van den afloop worden aangelegd.
28
Art. 132.
De loop van oen niet-openbaar stroomend water, hetwelk erven aan verschillende eigenaars toebehoorende bespeelt, mag door geen hunner gewijzigd worden ten nadeele der overige erven.
Art. 133.
De eigenaar van een erf is bevoegd van den eigenaar van het daaraan belendend erf te vorderen, dat op de grens hunner erven behoorlijk waarneembare afpalingsteekenen gesteld of do bestaande, zoo noodig, vernieuwd worden.
De rechter bepaalt naar billijkheid ieders aandeel in de kosten.
Art. 134.
Bij geschil over de grens tusschen twee erven zal de rechter, indien van de ware grens niet blijkt, als zoodanig de grens van het wederzijdsch bezit aanwijzen.
Bij ontstentenis ook van zulk eene grens zal hij het gebied, waaromtrent onzekerheid bestaat, tusschen de beide erven verdoelen in gelijke of, naar omstandigheden, in ongelijke deelen, in het laatste geval met toekenning van evenredige schadeloosstelling aan dat erf, dat het minste deel ontvangt.
Art. 135.
Indien in het geval van het eerste lid van het voorgaand artikel de bezitsgrens wordt aangewezen door een naar de bepalingen van dezen Titel gemeen (mandeelig) werk, zal de grenslijn getrokken worden door het midden van dat werk en, indien die grens wordt aangewezen door een werk, aan een der erven behoorend, daar waar de buitenkant van
het werk den grond raakt.
Hetzelfde geldt, indien de bezitsgrens wordt aangewezen door eene gemeene sloot of heg.
Art. 136.
Tenzij uit titel of teeken het tegendeel blijkt, wordt iedere muur tusschen erven, bebouwd of onbebouwd, geacht gemeen te zijn.
Indien de door den muur gescheiden gebouwen ongelijk van hoogte zijn, wordt de hoogte, tot welke de muur gemeen is, op elk punt aangewezen door de hoogte van het minst verheven gebouw.
29
Art. 137.
Teekeus, dat de scheidsmuur niet gemeen is, zijn onder anderen:
1°. dat het bovenvlak van den muur zoodanig is ingericht, dat het hemelwater naar slechts ééne zijde daarvan afloopt;
2'. dat, bij het stichten van den muur, slechts aan éénen kant hetzij eene kap, hetzij pilasters, hetzij steenen lijsten en uitstekende steenen zijn aangebracht;
8°. dat de muur slechts aan éénen kant een gebouw of terras steunt; vroegere aanwezigheid van zoodanige werken ook aan den anderen kant kan echter als tegenbewijs worden aangenomen.
De muur wordt in deze gevallen geacht te behooren tot het erf, op hetwelk het water moet afloopen, of aan welks zijde de kap, de pilasters, de lijsten en steenen, het gebouw, het terras zich bevinden.
Art. 138.
Herstel of, zoo noodig, herbouwing van den gemeenen muur kan door iederen medeeigenaar worden geeischt en komt ten laste van hen te zamen, naar evenredigheid van ieders recht op den muur.
Iedere medeëigenaar kan zich van dezen last ontslaan door afstand te doen van zijn recht op den muur en op den ondergrond, tenzij do muur een hem toebehoorend gebouw steunt, of in het aaneengebouwde deel der gemeente dient om de aanhoorigheid van een gebouw af te sluiten van daaraan belendende erven.
De afstand geschiedt door eene daartoe strekkende verklaring, bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte gedaan.
De bepaling van het derde lid van artikel 100 is toepasselijk.
Art. 189.
Niemand mag eene heining zetten in plaats van den gemeenen muur.
Het omgekeerde is iederen medeëigenaar geoorloofd, mits voor zijne rekening en onder de verplichting om de meerdere dikte te nemen van zijn erf.
Art. 140.
Iedere medeëigenaar mag van den gemeenen muur het gebruik maken, dat overeenstemt met zijn aard en gesteldheid, en waardoor een gelijk gebruik door den medege-rechtigde niet wordt belet.
30
Art. 141.
Iedere medeëigenaar mag tegen den gemeenen muur aanbouwen, en daarin tot op de helft der dikte balken, ribben, ankers of andere hout- of metaalwerken aanbrengen.
Nissen en andere blijvende holten mogen niet gemaakt worden zonder toestemming van den medegerechtigde.
Art. 142.
Iedere medeëigenaar mag den gemeenen muur hooger optrekken op zijne kosten en onder de verplichting tot betaling van eene vergoeding wegens den zwaarderen last, dien de gemeene muur thans te dragen heeft.
Hij heeft, indien de muur den last niet dragen kan, de keus tusschen versterking en geheele verbouwing daarvan, doch is in beide gevallen verplicht de meerdere dikte te nemen van zijn erf.
Art. 143.
Het staat den medeëigenaar van den muur, die tot' de verhooging niet heeft bijgedragen , vrij door betaling van de helft van de waarde het opgetrokken gedeelte gemeen te maken.
Art. 144.
In den gemeenen muur mogen geen vensters of andere openingen gemaakt worden.
Hij, die den gemeenen muur op eigen kosten optrekt, mag lichten maken in het opgetrokken gedeelte, doch niet anders dan gelijktijdig met die optrekking en naar de voorschriften van artikel 148.
Indien de nabuur medeëigenaar van de verhooging geworden is, kan hij het wegnemen der lichten vorderen, zoodra hij tegen den muur gaat aanbouwen.
Art. 145.
De medeëigenaar, die bij het aanbrengen van werken op, in of tegen den gemeenen muur of bij eenig ander gebruik, dat hij van den muur maakt, den muur of de daarop, daarin of daartegen door zijn medegerechtigde bevoegdelijk aangebrachte werken beschadigt, moet deze schade vergoeden, indien hij die door het aanwenden van de zorg van een goed huisvader had kunnen voorkomen.
31
Art. 146.
Noch door middel van balkons of andere vooruitspringende werken, noch door vensters of andere muuropeningen mag men rechtstreeks uitzicht hebben op het afgesloten of onafgesloten naburige erf, zelfs niet op de daartoe behoorende blinde muren, tenzij op een afstand van ten minste twee meter.
Dit verbod is niet toepasselijk, indien tusschen de erven zich openbare wegen of watereu bevinden.
Het uit dezen hoofde toegelaten uitzicht blijft toegelaten, ook nadat die wegen of wateren aan den openbaren dienst onttrokken zijn geworden.
Art. 147.
De in het voorgaand artikel bepaalde afstand wordt gemeten rechthoekig uit den buitenkant van den muur, waarin de opening gemaakt is, of uit den buitensten rand van die zijde van het vooruitspringende werk, die naar het naburig erf gekeerd is, tot de grenslijn der erven.
Art. 148.
In niet-gemeene muren, staande binnen den in artikel 146 aangeduiden afstand, mogen lichten worden gemaakt, mits van metalen netwerk of traliën voorzien en met vaststaande ramen van matglas.
De mazen van het netwerk mogen geene grootere binnenruimte hebben dan van één vierkanten decimeter; de traliën mogen niet verder dan één decimeter van elkander verwijderd zijn.
Art. 149.
Het bij de artikelen 136â1.38 en 140â148 ten opzichte van muren bepaalde is, zooveel de aard der zaak het toelaat, op alle van hout of andere bouwstoffen vervaardigde afsluitingen toepasselijk.
Art. 150.
De eigenaar van een gebouw met onbebouwde aanhoorigheid in een aaneengebouwd gedeelte der gemeente kan van de eigenaars der aan het zijne belendende erven vorderen medewerking om eene afsluiting tot stand te brengen; de kosten en lasten worden gedragen naar evenredigheid van ieders recht op die afsluiting.
32
Do wijze en hoogte der afsluiting worden geregeld naar plaatselijk gebruik.
Bij gebreke daarvan moet zij geschieden door muren of heiningen, zich op alle punten ten minste twee meter verheffende uit het hoogstgelegen erf.
Art. 151.
Indien de eigenaar van een erf bij het stellen van gebouwen op zijnen grond de grenslijn daarvan te goeder trouw heeft overschreden en de eigenaar van den ingenomen grond niet binnen drie maanden daarna er tegen opkomt, kan eerstgenoemde de wegneming van het gebouwde voorkomen door aanbod en betaling van schadevergoeding voor het gebruik van den grond.
Art. 152.
Wanneer liet tot het onderhouden, herstellen of verbeteren van een gebouw en hiertoe behoorende werken noodzakelijk is over den daaraan helendenden grond bouwstoffen aan te dragen of daarop steigerwerk te plaatsen, is de eigenaar gehouden dit na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling toe te staan.
De toestemming kan, om gewichtige redenen, tijdelijk geweigerd worden.
Art. 158.
Iedere eigenaar is verplicht de afdekking zijner gebouwen en hiertoe behoorende werken zoodanig in te richten, dat daarvan het hemelwater niet afloope op eens anders erf-
Art. 154.
Iedere eigenaar is verplicht te zorgen, dat geen water of vuilnis van zijn erf in de goten van eens anders erf kome.
Art. 155.
Indien gebouwen , schoorsteenen of andere werken door bouwvalligheid eens anders erf in gevaar brengen, moeten zij op aanmaning van den eigenaar van dat erf hersteld of afgebroken worden.
33
Art. 156.
Iedere eigenaar, die tegen of nabij een gemeenen of een aan een ander toebehoorenden scheidsmuur of soortgelijke afsluiting een put, riool, goot, schoorsteen, stookplaats, oven, fornuis, stal, mestbak, of eenige andere voor den muur gevaarlijke of schadelijke inrichting wil maken, is verplicht daarbij in acht te nemen de plaatselijke gebruiken en politieverordeningen, waarbij het laten van een afstand tusschen de inrichting en den
muur of eenige andere maatregel tegen schade aan dezen is vastgesteld.
%
Art. 157.
Iedere eigenaar, die op zijn eigen erf wil graven of heien, is verplicht daarbij in acht te nemen de plaatselijke gebruiken en politieverordeningen, waarbij maatregelen tot beveiliging van de naburige erven zijn vastgesteld.
Art. 158.
Regenbakken, putten, sekreten, riolen, goten en dergelijke werken, tusschen naburige erven gemeen, moeten op kosten der eigenaars van die erven onderhouden, geruimd en gereinigd worden; ruiming moet , voor zoover de plaatselijke gesteldheid dat toelaat, beurtelings nu over het eene, dan over het andere erf geschieden.
Iedere eigenaar kan zich van dezen last ontslaan door afstand te doen van zijn recht op het werk.
De afstand geschiedt door eene daartoe strekkende verklaring, bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notariëele akte gedaan.
De bepalingen van het derde lid van artikel 100, alsmede die van de artikelen 101â104 zijn toepasselijk.
Zoodanige afstand, gedaan door den eigenaar van het erf, waarop het werk geheel of gedeeltelijk gelegen is, geldt ten laste van zijn erf en ten behoeve van de erven der overige eigenaars als verleening der erfdienstbaarheden, noodig om ten nutte dier erven het werk te hebben, te onderhouden en te reinigen.
Art. 159.
Tenzij uit titel of teeken het tegendeel blijkt, wordt iedere sloot of gracht, die twee erven scheidt, geacht gemeen te zijn.
Het onderhoud van gemeene slooten en grachten komt ten laste van de medeëigenaarf; naar evenredigheid van ieders recht.
5
34
Ieder hunner is gerechtigd en verplicht om hetgeen daarbij wordt uitgegraven naar dezelfde evenredigheid op zijn erf te ontvangen.
Eenzijdige afstand van het recht op gemeene slooten of grachten is niet toegelaten.
Art. 160.
Tenzij uit titel of teeken het tegendeel blijkt, wordt iedere heg, die twee erven scheidt, geacht gemeen te zijn.
De bepalingen van het tweede en het vierde lid van het voorgaand artikel zijn toepasselijk.
Art. 161.
Opgaande boomen, die zich in de gemeene heg bevinden, behooren, evenals de van die boomen afkomende vruchten, voor gelijke deelen aan de eigenaars der erven, welke daar ter plaatse door de heg gescheiden worden.
Iedere medeëigenaar kan echter de rooiing van zoodanige boomen vorderen.
Art. 162.
Tenzij door plaatselijk gebruik een kortere afstand is toegelaten, mag men op zijn erf geen boomen planten op minder dan twee meter en geen heesters of heggen op minder dan een halven meter afstand van de grenslijn der erven.
Dit verbod is niet toepasselijk op het planten van leiboomen, mits die niet hooger reiken dan de tusschen de erven bestaande afsluiting.
Art. 163.
Degene, over wiens erf de beplanting van een naburig erf heen hangt, is bevoegd, mits daarbij op zijn erf blijvende, het overhangende weg te snijden en zich toe te eigenen, indien de eigetiaar dit niet op zijne aanmaning verwijdert.
Degene, op wiens erf wortels uit het naburig erf doorschieten, mag het doorschietende weghakken.
Eene met deze bevoegdheden strijdige erfdienstbaarheid kan niet door verjaring verkregen worden.
Art. 164.
De vruchten, die van do boomen van een erf op een naburig erf vallen, behooren aan hem, die het recht heeft om de vruchten van dit laatste erf te genieten.
35
Art. 165.
De eigenaar van een erf, hetwelk noch onmiddellijk noch middellijk toegang heeft tot een openbaren weg of een openbaar water, kan van de eigenaars der naburige landen een noodweg ten dienste van zijn erf vorderen, tegen vooraf te betalen of te verzekeren vergoeding van de schade, welke hun door dien weg wordt berokkend.
De noodweg wordt aangewezen in dier voege, dat daarlangs de openbare weg of het openbare water het naast, en tevens met den minsten overlast voor de bezwaarde landen, te bereiken is.
De noodweg vervalt, hoe lang hij ook hebbe bestaan, zoodra hij niet meer noodig is.
Art. 166.
Noodweg voor een erf, welks ingeslotenheid ontstaan is door splitsing van een grooter erf tengevolge van verkoop, ruiling, verdeeling of andere overeenkomst, kan niet gevorderd worden over andere landen dan die met het ingesloten erf één geheel hebben uitgemaakt; alleen indien over deze landen geen bruikbare noodweg is tot stand te brengen, zal zoodanige weg moeten verleend worden overeenkomstig het voorgaand artikel.
Art. 167.
Wegen, dreven, paden, gangen, waarvan geburen het gemeenschappelijk gebruik ten dienste hunner erven hebben, kunnen niet dan met gezamenlijke toestemming verlegd, vernietigd of tot eene andere bestemming gebezigd worden.
VIJFDE TITEL. '
Van erfdienstbaarheden. â ... â
Art. 168.
Erfdienstbaarheid is een op een erf ten behoeve van een ander erf rustende last, daarin bestaande, dat de eigenaar van het heerschend erf den eigenaar van het dienend erf kan noodzaken ten aanzien daarvan iets te dulden of niet te doen.
36
Art. 169.
Wanneer het dienend erf verdeeld wordt, blijven de afzonderlijke deelen met de erfdienstbaarheid bezwaard.
Wanneer het heerschend erf verdeeld wordt, blijft de erfdienstbaarheid ten behoeve van de afzonderlijke deelen bestaan, zonder dat de last, die op het dienend erf drukt, mag worden verzwaard.
Art. 170.
De uitoefening der erfdienstbaarheid moet op de voor het dienend erf minst bezwarende wijze geschieden.
Wanneer bij het verleenen geene regelen daaromtrent zijn gesteld, geschiedt zij overeenkomstig de plaatselijke gebruiken.
Art. 171.
Tenzij uit den titel blijkt, dat het recht van den eigenaar van het heerschend erf verder reikt, mag hij geene verandering maken in de oorspronkelijke inrichting der werken, dienende tot uitoefening der erfdienstbaarheid, indien de last hierdoor zou worden verzwaard.
Het staat den eigenaar van het heerschend erf niet vrij door verandering van de bestemming, de algemeene inrichting, of het gebruik van dat erf te bewerken, dat de erfdienstbaarheid meer of op hinderlijker wijze wordt uitgeoefend.
Art. 172.
De eigenaar van het dienend erf moet alle handelingen gedoogen, die tot uitoefening der erfdienstbaarheid noodig zijn.
Hij mag niets verrichten waardoor het genot van de erfdienstbaarheid wordt verminderd.
Hij mag, indien dit zonder dat genot te verminderen mogelijk is, in de plaatselijke gesteldheid verandering brengen, alsmede voor de uitoefening der erfdienstbaarheid een ander gedeelte van het dienend erf aanwijzen.
Art. 173.
De eigenaar van het heerschend erf is bevoegd om op zijne kosten op het dienend erf alles te maken en te verrichten wat tot uitoefening van de erfdienstbaarheid noodig is.
Hij is eigenaar van de te dien einde door hem gemaakte werken.
De kosten van onderhoud komen voor zijne rekening.
37
Hij is jegens den eigenaar van het dienend erf verplicht tot zoodanig onderhoud als in het belang van dat erf noodzakelijk is.
Art. 174.
Tenzij uit den titel het tegendeel blijkt, is de eigenaar van het dienend erf bevoegd om van de in het voorgaand artikel bedoelde werken mede gebruik te maken.
Indien hij dit doet, komen de kosten van onderhoud voor rekening der beide eigenaars.
Art. 175.
Bij het verleenen der erfdienstbaarheid kan bepaald worden, dat de eigenaar van het dienend erf verplicht zal zijn daarop de tot uitoefening van de erfdienstbaarheid noodige werken te maken en te onderhouden.
Art. 176.
Door erfdienstbaarheid van voetpad verkrijgt men het recht om over iemands land te gaan, door die van rijpad het recht om daarover te rijden, door die van dreef het recht om vee daarover te drijven, door die van weg het recht om met wagens, door menschen of dieren voortbewogen, daarover te rijden.
De erfdienstbaarheid van rijpad wordt geacht die van voetpad in zich te bevatten, de erfdienstbaarheid van dreef die van rijpad, de erfdienstbaarheid van weg die van dreef.
Art. 177.
Door erfdienstbaarheid van waterloop verkrijgt men het recht om schoon water, door die van gootrecht het recht om zoowel schoon als vuil water op of door iemands erf te loozen-
Art. 178.
Door erfdienstbaarheid van rioolrecht verkrijgt men het recht om faecale stoffen op of door iemands erf te loozen.
â 38
â â ⢠= I â Art. 179.
Door erfdienstbaarheid van waterleiding verkrijgt men het recht om water uit of over iemands erf te leiden.
Art. 180.
Door erfdienstbaarheid van vrij licht verkrijgt men het recht om het noodige licht over iemands erf te scheppen, door die van vrij uitzicht het recht om daarover een open uitzicht te hebben.
Art. 181.
Door erfdienstbaarheid van vensterrecht verkrijgt men het recht om een of meer vensters te hebben, onverminderd de bevoegdheid van den eigenaar van het dienend erf om hierop naar goedvinden te bouwen en te planten.
Art. 182.
Erfdienstbaarheden ontstaan:
1°. door verleening;
2°. door verjaring;
3°. door bestemming.
Art. 183.
Behoudens het geval, voorzien bij het tweede lid van artikel 100, geschiedt verleening bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte.
De bepalingen van de laatste vier leden van artikel 100, alsmede die van de artikelen 101â104 en löö zijn toepasselijk.
Art. 184.
Op de verjaring zijn de bepalingen van de artikelen 84â89 en 92â99 toepasselijk.
Art. 185.
Wanneer de eigenaar van twee erven, die zoodanig ingericht zijn, dat daardoor alleen reeds eene verhouding als van heerschend tot dienend erf bestaat, over een van die erven beschikt, ontstaat door bestemming eene aan dien feitelijken toestand beantwoordende erfdienstbaarheid. ,
39
Art. 186. â â . , v ⢠;
' ' ' i. â¢quot; i⢠â¢quot; â ''' '' â iu i
Iedere medeëigenaar is bevoegd om ten behoeve van het gemeenschappelijk erf eene erfdienstbaarheid te doen ontstaan of voortbestaan.
Art. 187.
Erfdienstbaarheden gaan te niet:
1°. door afstand ;
2°. door vermenging;
3°. door verjaring ;
4quot;. door bevrijding van het dienend erf overeenkomstig artikel 90;
5'. door het eindigen van het herroepelijk of tijdelijk recht, krachtens hetwelk de erfdienstbaarheid is verleend.
Art. 188.
Erfdienstbaarheden, verleend voor een tijd of onder eene ontbindende voorwaarde, gaan mede te niet door het verloopen van den tijd of door de vervulling van de voorwaarde.
Art. 189.
Afstand van eene erfdienstbaarheid geschiedt door eene daartoe strekkende verklaring, bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte gedaan.
De bepalingen van het derde lid van artikel 100, alsmede die van de artikelen 101â 104 zijn toepasselijk.
Art. 190.
Vermenging heeft plaats, wanneer de eigendom van het heerschend erf met dien van het dienend in ééne hand vereenigd wordt, terwijl geen der beide erven met een recht van erfpacht, beklemming, of vruchtgebruik is bezwaard.
Art. 191.
Verjaring heeft plaats, wanneer van de erfdienstbaarheid gedurende dertig jaren geen gebruik is gemaakt.
40
Is de erfdienstbaarheid gedurende dien tijd niet in haren vollen omvang uitgeoefend, dan vervalt zij voor zoover zij ongebruikt is gebleven.
Indien voor de uitoefening der erfdienstbaarheid eene handeling noodig is, bestaat het niet gebruik maken van de erfdienstbaarheid in het niet verrichten van die handeling dan, wanneer voor het verrichten daarvan aanleiding zoude bestaan hebben.
Indien voor de uitoefening der erfdienstbaarheid een werk noodig is, wordt men geacht van de erfdienstbaarheid gebruik te maken, zoolang dat werk in bruikbaren toestand verkeert.
Art. 192.
Verjaring heeft mede plaats, wanneer de eigenaar van het dienend erf de uitoefening van de erfdienstbaarheid door het maken van daarmede strijdige of het wegnemen van daartoe aanwezige werken heeft belet en de eigenaar van het heerschend erf tien jaren heeft laten verloopen zonder herstel van den oorspronkelijken toestand te hebben gevorderd.
Wanneer de uitoefening der erfdienstbaarheid slechts is belemmerd of in omvang verminderd, geldt deze verjaring evenzeer ten aanzien van de wijze van uitoefening en den omvang van de erfdienstbaarheid.
Art. 193.
Hij, aan wien een recht van erfdienstbaarheid toekomt, heeft tegen ieder, die de uitoefening daarvan belet of hem in die uitoefening stoort, eene rechtsvordering strekkende tot het doen ophouden der belemmering, alsmede tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
De bepalingen van artikel 118 zijn toepasselijk.
ZESDE TITEL.
Van erfpacht.
Art. 194.
Erfpacht is het recht om bezit en gebruik te hebben van eens anders onroerende zaak, onder verplichting om aan den eigenaar eene jaarlijksche pacht te voldoen.
41
Art. 195.
Erfpacht kan zoowel voor altijd als voor een bepaalden tijd worden gevestigd,
Is noch het een noch het ander geschied, dan duurt zij dertig jaren.
Art. 196.
Tenzij anders is bedongen, is erfpacht deelbaar in dien zin, dat, bij splitsing van den grond, het recht op de afzonderlijke stukken aan verschillende personen kan toebehooren.
Niettemin blijft in zoodanig geval ieder stuk voor de geheele pacht aansprakelijk.
Art. 197.
De erfpachter kan vermindering van de pacht vorderen in de gevallen, waarin, en volgens de regelen, naar welke dit in de artikelen 1628â1632 B. W. den huurder is toegestaan.
Art. 198.
Tenzij anders is bedongen, heeft de erfpachter recht op het volle genot van de zaak.
Art. 199.
De erfpachter oefent alle rechten van een eigenaar uit.
Hij mag echter niets doen waardoor de waarde van de zaak vermindert, tenzij het recht daartoe hem uitdrukkelijk is toegekend, of de bedoeling om het hem toe te kennen kan worden afgeleid uit de bestemming der zaak tijdens de uitgifte, of uit andere omstandigheden.
Hij mag het gebruik der zaak aan een ander om niet of onder bezwarenden titel afstaan.
Art. 200.
De erfpachter draagt alle gewone en buitengewone belastingen, die op de zaak zijn of worden gelegd.
Art. 201.
De erfpachter is verplicht de zaak te onderhouden, daaraan de gewone herstellingen te doen, en in het algemeen haar als een goed huisvader te beheeren.
De eigenaar is niet tot het doen van eenige herstelling verplicht.
6
42
Art. 202.
De erfpachter heeft het genot van de aanwassen en is, indien het recht voor altijd is gevestigd, tot indijking daarvan bevoegd.
Art. 203.
De erfpachter is bevoegd om weg te nemen hetgeen hij onverplicht op den grond gebouwd of geplant heeft.
Hij heeft gelijke bevoegdheid ten aanzien van gebouwen of beplantingen bij den aanvang van zijn recht aanwezig, indien hij die heeft betaald.
Na het eindigen van zijn recht vervallen de gebouwen en beplantingen aan den eigenaar, indien hij, na daartoe door dezen te zijn aangemaand, van zijne bevoegdheid om ze weg te nemen niet binnen een redelijken termijn heeft gebruik gemaakt.
Art. 204.
De erfpachter, die overeenkomstig het voorgaand artikel zijne gebouwen of beplantingen wegneemt, is verplicht de schade te herstellen of te vergoeden, die door dat wegnemen aan de zaak mocht zijn toegebracht.
De eigenaar is bevoegd om de voorwerpen, die de erfpachter tot zich kan nemen, terug te houden totdat laatstgenoemde aan deze verplichting heeft voldaan.
Art. 205.
De erfpachter is bevoegd om op de in erfpacht uitgegeven zaak, voor zoolang zijn recht duurt, erfdienstbaarheden te vestigen.
Art. 206.
Wanneer de erfpachter verzuimt de pacht te betalen, heeft de eigenaar het recht om de erfpacht te verkoopen, ten einde op de opbrengst daarvan de achterstallige, binnen de laatste vijf jaren opeischbaar geworden pachten met de op den verkoop gevallen kosten te verhalen.
Art. 207.
De in het voorgaand artikel bedoelde vordering heeft rang boven de op de erfpacht gevestigde hypotheken; de eigenaar wordt, ten aanzien van de uitoefening zijner rechten op de erfpacht, als hypotheekhouder aangemerkt.
43
De bepalingen van de artikelen 344â370 zijn, zooveel de aard der zaak het toelaat, toepasselijk, met dien verstande, dat het domicilie van den eigenaar voor het in artikel 355 genoemde domicilie in de plaats treedt.
Indien de erfpacht verdeeld is, zijn ook de bepalingen van de artikelen 342 en 343 toepasselijk.
Art. 208.
Erfpacht ontstaat:
1°. door verleening;
2°. door verjaring.
Art. 209.
Behoudens het geval, voorzien bij het tweede lid van artikel 100, geschiedt verleening bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte.
Plet bedrag der pacht moet, op straffe van verlies van den bij artikel 207 toege-kenden voorrang, in de akte worden uitgedrukt.
De bepalingen van de laatste vier leden van artikel 100, alsmede die van de artikelen 101â104 en 106 zijn toepasselijk.
Art. 210.
Op de verjaring zijn de bepalingen van de artikelen 84â90 en 92â99 toepasselijk.
Art 211.
De erfpachter is bevoegd om zijn recht aan een ander over te dragen.
Overdracht geschiedt op de wijze in de artikelen 100â104 en lOü omschreven.
De verkrijger treedt in de verplichtingen den erfpachter bij den titel opgelegd, en is aansprakelijk voor de verbintenissen van den vorigen erfpachter als zoodanig jegens den eigenaar.
Ook door verjaring kan de erfpacht op een nieuwen verkrijger overgaan.
Art. 212.
Erfpacht gaat te niet:
1°. door wederzijdsche toestemming van den eigenaar en den erfpachter;
44
2°. door vermenging van den eigendom en de erfpacht;
3° door vervallenverklaring;
4°. door het overlijden van den erfpachter, indien deze geene erfgenamen heeft nagelaten;
5°. door verjaring;
6°. door bevrijding van de zaak overeenkomstig artikel 90;
7°. door het eindigen van het herroepelijk of tijdelijk recht, krachtens hetwelk de erfpacht is verleend.
Het te niet gaan van de erfpacht op een van de wijzen genoemd onder de nommers 1â4 werkt niet ten nadeele van derden, die op de erfpacht eenig zakelijk recht hebben verkregen.
Art. 213.
Erfpacht, verleend voor een tijd of onder eene ontbindende voorwaarde, gaat mede te niet door het verloopen van den tijd of door de vervulling van de voorwaarde.
Art. 214.
Wanneer evenwel, na het verloopen van den tijd of de vervulling van de voorwaarde, de erfpachter in het bezit van de zaak is gelaten, blijft de erfpacht tot weder-opzeggens toe bestaan.
De opzegging moet ten minstens één jaar te voren geschieden.
Art. 215.
De wederzijdsche toestemming wordt verleend door eene daartoe strekkende verklaring, bij eene uitsluiténd met dat doel opgemaakte notarieele akte gedaan.
De bepalingen van het derde en het vierde lid van artikel 100 zijn toepasselijk.
Art. 216.
De erfpachter kan van zijn recht worden vervallen verklaard, met veroordeeling tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien hij grof verzuim heeft gepleegd in de nakoming der hem bij de artikelen 199 en 201 opgelegde verplichtingen.
Tenzij het tegendeel is bedongen kan hij, zelfs nog hangende het geding, de vervallenverklaring voorkomen door zijne verplichtingen alsnog na te komen, zooveel noodig den vorigen toestand te herstellen, de toegebrachte schade te vergoeden en voor het vervolg zekerheid te geven.
45
Art. 217.
Verjaring heeft plaats, wanneer de erfpacht gedurende dertig jaren niet is uitgeoefend.
Art. 218.
,1
Niettegenstaande het eindigen van de erfpacht blijven op den erfpachter de hem in artikel 201 opgelegde verplichtingen rusten, totdat hij de zaak ter beschikking van den eigenaar heeft gesteld.
De kosten van onderhoud en beheer komen in dit geval voor rekening van den eigenaar.
: Ã
'li !'h:i
Art. 219.
Na het eindigen van de erfpacht heeft de eigenaar tegen den erfpachter eene rechtsvordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen wegens nalatigheid van hem of zijne voorgangers in de nakoming hunner verplichtingen.
Het tweede lid van artikel 204 is in dit geval toepasselijk.
Art. 220.
!i I'
De erfpachter heeft de rechtsvorderingen bij de zesde afdeeling van den derden Titel, hij den vierden Titel en in artikel 193 omschreven, zelfs tegenover den eigenaar.
Art. 221.
De bepalingen van de artikelen 119, 120, 122, 123 en 125â130 zijn toepasselijk.
ZEVENDE TITEL.
Van heklemming.
Art. 222.
:f i
ii
it i ij:,
' Hil
Beklemming is het recht om altoosdurend en onopzegbaar bezit en gebruik te hebben van eens anders land, onder verplichting om den eigenaar eene vaste en onveranderlijke
irii
46
jaurlijkschc huur te betalen, en te voldoen de bij overdracht, erfopvolging en huwelijk iu de wet of tusschen partijen vastgestelde geschenken.
Art. 223.
De bepaling van het eerste lid van artikel 196 is toepasselijk.
De bepaling van het tweede lid van dat artikel is toepasselijk zoowel ten aanzien van de geschenken als van de huur.
In geval van verdeeling kan iedere verkrijger den eigenaar bij exploot doen aanzeggen , dat hij het gedeelte aanwijze, welks meier, zoolang de beklemming verdeeld blijft, ten aanzien van het verschuldigd worden der geschenken wordt geacht de eenige meier der geheele beklemming te zijn.
Zoolang deze aanzegging niet is gedaan, wordt ten aanzien der geschenken iedere verkrijger als eenige meier beschouwd; is zij gedaan, dan heeft tot op de aanwijzing de eigenaar geen recht op eenig geschenk.
Art. 224.
De meier heeft recht op het volle genot van het in gebruik gegeven land.
Art. 225.
Tenzij anders bedongen is, zijn de geschenken verschuldigd overeenkomstig de volgende artikelen.
Art. 226.
Bij overdracht onder de levenden wordt door den verkrijger aan den eigenaar betaald eeue som gelijkstaande met twee jaren huur.
Art. 227.
Bij wettelijke erfopvolging wordt door de erfgenamen in de nederdalende en de opgaande lijn betaald eene som gelijkstaande met één jaar huur;
door de erfgenamen in de zijlijn en den echtgenoot eene som gelijkstaande met twee jaren huur.
Indien tegelijkertijd erfopvolging plaats heeft in verschillende lijnen, is het hoogste geschenk verschuldigd.
47
Art. 228.
Wanneer de beklemming door het huwelijk van den meier ingebracht wordt in eenige gemeenschap, is eene som verschuldigd gelijkstaande met één jaar huur.
Valt zij in eene bestaande huwelijksgemeenschap, dan wordt, boven het overigens verschuldigde geschenk, eene som betaald gelijkstaande met één jaar huur.
Art. 229.
Indien de beklemming tusschen echtgenooten gemeen is, is bij overlijden van één hunner geen geschenk verschuldigd, wanneer de beklemming tusschen den langstlevenden echtgenoot en de erfgenamen des overledenen onverdeeld gehouden of aan den langstlevende, hetzij alleen hetzij met anderen, toegescheiden wordt.
Art. 230.
Bij overgang ten gevolge van uiterste wilsbeschikking op hem, die volgens de wet voor het geheel of voor een deel tot de nalatenschap gerechtigd is, is artikel 227 toepasselijk.
Indien de beschikking gemaakt is ten voordeele van een ander, wordt eene som betaald gelijkstaande met drie jaren huur.
Art. 231.
Indien de beklemming toebehoort aan een rechtspersoon, is eene som gelijkstaande met twee jaren huur als geschenk verschuldigd, voor het eerst dertig jaren nadat de beklemming is verkregen, en voorts telkens na verloop van dertig jaren zoolang de beklemming aan denzelfden rechtspersoon blijft toebehooren.
Art. 232.
Indien de beklemming aan meerderen toebehoort, zijn deze bevoegd aan den eigenaar één uit hun midden aan te wijzen, die, zoolang de medegerechtigdheid duurt, ten aanzien van het verschuldigd worden der geschenken wordt geacht de eenige meier te zijn.
Overlijdt de aangewezene of houdt hij op medegerechtigde te zijn, dan zijn de overgeblevenen tot eene nieuwe aanwijzing bevoegd.
Indien de aanwijzing niet binnen drie maanden is geschied, wordt, tot op het tijdstip dat zij geschiedt, iedere medegerechtigde als eenige meier beschouwd.
48
Art. 233.
De bepalingen van de artikelen 199â211 zijn toepasselijk.
De bepalingen van de artikelen 206 en 207 gelden ook voor het geval de meier verzuimt de verschuldigde geschenken te betalen.
Art. 234.
Bij de verleening kan bedongen worden, dat de eigenaar verplicht zal zijn om, wanneer de meier dit verlangt, zijn recht aan dezen over te dragen tegen betaling van de waarde daarvan.
De bepalingen van artikel 106 zijn toepasselijk.
De vordering wordt ingesteld bij den rechter van het arrondissement, waarbinnen het land is gelegen.
Bij gebreke van overeenkomst daaromtrent worden het te betalen bedrag en de overige voorwaarden der overdracht door den rechter, na verhoor van deskundigen, bepaald.
Art. 235.
De bepalingen van de artikelen 212â221 zijn toepasselijk, met uitzondering van hetgeen in de artikelen 213 en 214 voorkomt ten aanzien van het te niet gaan door het verloopen van den tijd.
Art 286.
De bepalingen van dezen Titel zijn alleen toepasselijk op beklemmingen na de invoering van dit wetboek ontstaan.
Voor reeds bestaande beklemmingen, hetzij tijdelijke hetzij altoosdurende, blijft het vroeger geldende recht van kracht, met dien verstande, dat zij voor het vervolg onvoorwaardelijk als zakelijke rechten gelden, dat de wettelijke bepalingen omtrent overdracht en huwelijksgoederenrecht daarop toepasselijk zijn, en dat daarover bij uitersten wil kan worden beschikt.
ACHTSTE TITEL
Van grondrente.
Art 237.
Grondrente is een op eene onroerende zaak rustende last, daarin bestaande, dat de
49
eigenaar van die zaak verplicht is om op regelmatig terugkeerende tijdstippen eene geldsom aan een als rentheffer aangewezen persoon uit te keeren.
Art. 238,
De grondrente rust bij uitsluiting op de zaak zelve; de eigenaar is daarvoor in zijne overige goederen niet aansprakelijk.
Bij overgang van de zaak aan een nieuwen eigenaar blijft zij met de achterstallige rente belast.
Art. 239.
Bij verdeeling van de zaak tusschen verschillende eigenaars blijft, tenzij anders is bedongen, ieder gedeelte daarvan voor de geheele rente aansprakelijk.
Art. 240.
Wanneer de eigenaar verzuimt de rente te betalen, heeft de rentheffer het recht de zaak, waarop de grondrente rust, te verkoopen, ten einde op de opbrengst daarvan de achterstallige, binnen de laatste vijf jaren opeischbaar geworden renten met de op den verkoop gevallen kosten te verhalen.
Art. 241.
De in het voorgaand artikel bedoelde vordering heeft rang boven de hypotheken na de grondrente ontstaan; de rentheffer wordt, ten aanzien van ae uitoefening zijner rechten op de zaak, als hypotheekhouder aangemerkt.
De bepalingen van de artikelen 344â370 zijn, zooveel de aard der zaak het toelaat, toepasselijk, met dien verstande, dat het domicilie van den rentheffer voor het in artikel 355 genoemde domicilie in de plaats treedt.
Indien de zaak verdeeld is, zijn ook de bepalingen van de artikelen 342 en 343 toepasselijk.
Art. 242.
De bepalingen van de artikelen 208â210 en van het eerste, tweede en vierde lid van artikel 211 zijn toepasselijk.
7
50
Art. 243.
Bij de verleening kan bedongen worden, dat de rentheffer verplicht zal zijn om, wanneer de eigenaar dit verlangt, in den afkoop der grondrente toe te stemmen.
Art. 244.
Grondrente gaat te niet:
1°. door afstand;
2quot;. door vermenging van den eigendom en de grondrente;
3®. door den in het voorgaand artikel bedoelden afkoop;
4quot;. door het overlijden van den rentheffer, indien deze geene erfgenamen heeft nagelaten;
5°. door verjaring;
6°. door bevrijding van de zaak overeenkomstig artikel 90;
7tf. door het eindigen van liet herroepelijk of tijdelijk recht, krachtens hetwelk de grondrente is gevestigd.
Het te niet gaan van de grondrente op een van de wijzen genoemd onder de nommers 1â4 werkt niet ten nadeele van derden, die op de grondrente eenig zakelijk recht hebben verkregen.
Art. 245.
Grondrente, verleend voor een tijd of onder eene ontbindende voorwaarde, gaat mede te niet door het verloopen van den tijd of de vervulling van de voorwaarde.
Art. 246.
Afstand van grondrente geschiedt door eene daartoe strekkende verklaring, bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte gedaan.
De bepalingen van het derde lid van artikel 100, alsmede die van de artikelen 101â 104 zijn toepasselijk.
Art. 247.
Afkoop van grondrente moet erkend worden bij eene verklaring, waarop de bepa,-lingen van het voorgaand artikel toepasselijk zijn.
51
Indien de rentheffer hierin nalatig is, is de eigenaar bevoegd om te vorderen, dat het te niet gaan der grondrente bij vonnis worde uitgesproken.
De vordering wordt ingesteld bij den rechter van het arrondissement, waarbinnen het goed gelegen is.
Bij gebreke van overeenkomst daaromtrent wordt de prijs door den rechter, na verhoor van deskundigen, bepaald.
De bepalingen van de laatste twee leden van artikel 106 zijn toepasselijk.
Art. 248.
Verjaring heeft plaats, wanneer het recht gedurende dertig jaren niet is uitgeoefend.
Art. 249.
De bepalingen van de artikelen 119â123 en 125â130 zijn toepasselijk.
NEGENDE TITEL.
Van vruchtgebruik.
Afdeeling I.
Vruchtgebruik van zaken.
Art. 250.
Vruchtgebruik van eene zaak is het recht om eens anders zaak te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten, onder verplichting om haar zelve in stand te houden.
Art. 251.
Voor vruchtgebruik zijn vatbaar alle zaken, wier bestemming niet is verbruikt of uitgegeven te worden.
Aan toonder luidende effecten en aandeelen in maatschappijen worden voor de toepassing van dit artikel als zaken aangemerkt.
52
Art. 252.
Vruchtgebruik kan verleend worden ten behoeve van één bepaald persoon, of wel ten behoeve van meerdere om daarvan genot te hebben, hetzij gezamenlijk hetzij bij opvolging.
In het laatste geval moet ook de later geroepene op het oogenblik der verleening hebben bestaan.
Art. 253.
Vruchtgebruik ontstaat:
1°. door de wet;
2°. door verleening;
3°. door verjaring.
Art. 254.
Behoudens het geval, voorzien bij het tweede lid van artikel 100, geschiedt verleening ten aanzien van onroerende zaken bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte.
De bepalingen van de laatste vier leden van artikel 100, alsmede die van de artikelen 101â104 en 106 zijn toepasselijk.
Art. 255.
Buiten het geval van voorbehoud geschiedt ten aanzien van roerende zaken de verleening door overdracht van het bezit met den wil om den verkrijger tot vruchtgebruiker te maken, indien deze den wil heeft om vruchtgebruiker te worden, ook al is de verleener geen eigenaar.
De bepalingen van het tweede lid van artikel 105, alsmede die van artikel 106 zijn toepasselijk.
Art. 256.
Op de verjaring zijn de bepalingen van de artikelen 84â99 toepasselijk.
Art. 257.
De vruchtgebruiker is bevoegd om zijn recht aan een ander over te dragen.
53
Overdracht geschiedt op de wijze in de artikelen 100â106 omschreven.
Ook door verjaring kan het vruchtgebruik op een nieuwen verkrijger overgaan.
Art. 258.
Tenzij de zaak onder bewind gesteld is, moet de vruchtgebruiker, in tegenwoordigheid of ua behoorlijke oproeping van den eigenaar, eeue beschrijving der zaken doen opmaken, met vermelding van hare waardeering, voor zoover het roerende zaken zijn.
Beiden hebben het recht om daarin alle bijzonderheden te doen opnemen, die dienstig zijn om den toestand, waarin de zaak zich op dat oogenblik bevindt, te doen kennen.
De kosten komen ten laste van den vruchtgebruiker, tenzij die uitdrukkelijk ten laste des eigenaars gebracht zijn.
De beschrijving kan ondershands worden opgemaakt, indien de eigenaar tegenwoordig is en zich met den vruchtgebruiker omtrent de bewaring daarvan heeft verstaan.
Art. 259.
De vruchtgebruiker kan van de in het voorgaand artikel omschreven verplichting niet worden vrijgesteld.
De kantonrechter van zijn domicilie kan hem daarvan ontheffen, indien uit andere voor den eigenaar toegankelijke bescheiden genoegzaam blijkt wat hij na het eindigen van het vruchtgebruik zal moeten verantwoorden.
Alvorens op het daartoe strekkend verzoek te beschikken hoort de kantonrechter den eigenaar.
Op dit verhoor is artikel 500 B. I toepasselijk.
Ten aanzien van het hooger beroep en de cassatie zijn de bepalingen van de artikelen 507â509 B. I toepasselijk.
Art. 260.
Voor zoover de vruchtgebruiker overeenkomstig de bepalingen der beide voorgaande artikelen tot het opmaken van eeue beschrijving verplicht is, kan hij de afgifte der zaak niet vorderen dan onder aanbod om tot die beschrijving tegelijkertijd over te gaan.
Art. 261.
Tenzij de zaak onder bewind gesteld is, heeft de vruchtgebruiker het recht om haar te beheeren, mits hij persoonlijke of zakelijke zekerheid stelt, dat dit naar behooren
54
geschieden zal, dat van de zaak geen ongeoorloofd gebruik zal worden gemaakt, en dat zij na het eindigen van het vruchtgebruik aan den eigenaar zal worden teruggegeven.
De gestelde zekerheid blijft in stand, indien het vruchtgebruik aan een ander wordt overgedragen.
De bedoelde verplichting rust niet op hem, die daarvan uitdrukkelijk is vrijgesteld, noch op ouders, die het wettelijk vruchtgebruik hebben van de goederen hunner kinderen.
Art. 262
Zoolang de vruchtgebruiker geene zekerheid stelt, heeft de eigenaar het recht om de zaak te beheeren, mits van zijne zijde zekerheid stellende, dat hij de regelen vaneen goed en ordelijk beheer zal in acht nemen.
Bij gebreke hiervan bepaalt de kantonrechter van het domicilie des vruchtgebruikers, op verzoek van dezen, wie van beide partijen het beheer zal hebben, of stelt hij de zaak onder bewind van een of meer derden.
De bepalingen van de laatste drie leden van artikel 259 zijn toepasselijk.
De kantonrechter kan aan zijne beschikking zoodanige voorschriften verbinden als hij dienstig acht, en haar ten allen tijde, op verzoek van den vruchtgebruiker of den eigenaar, wijzigen.
De vruchtgebruiker behoudt altijd de bevoegdheid om, tegen het stellen van zekerheid, of wel na daartoe bekomen toestemming des eigenaars, het beheer over te nemen.
Art. 263.
Indien de zaak komt onder het beheer van den eigenaar, is deze verplicht om jaarlijks rekening en verantwoording aan den vruchtgebruiker te doen en hem de zuivere vruchten en inkomsten uit te keeren.
Indien de zaak door den kantonrechter is gesteld onder het bewind van een of meer derden, zijn op dezen de bepalingen van de artikelen 424â430, 433, 434, 436,437,439, 440, 444, 445, 447â449, 451 (met uitzondering van het eerste lid), 452 en 454 toepasselijk.
Dc in artikel 433 omschreven verplichting vervalt, indien de vruchtgebruiker eene beschrijving heeft doen opmaken.
Art. 264.
De vruchtgebruiker mag de zaak gebruiken overeenkomstig haren aard, en zonder de bestemming, die zij bij den aanvang van het vruchtgebruik had, ten nadeele des eigenaars te veranderen.
Hij heeft het genot van alle rechten, die den eigenaar toekomen.
55
Art. 265.
De vruchtgebruiker mag alle vruchten genieten, welke de zaak oplevert; bij de uitoefening van dit recht behoort hij de regelen van een goed en ordelijk beheer in acht te nemen.
Hij heeft het genot van de aanwassen.
Art. 266.
Natuurlijke vruchten, die bij den aanvang van het vruchtgebruik van de hoofdzaak nog niet zijn afgescheiden, komen ten voordeele van den vruchtgebruiker.
Die, welke zich in gelijken staat bevinden op het oogenblik, dat het vruchtgebruik eindigt, komen ten voordeele van den eigenaar.
Er heeft noch aan de eene noch aan de andere zijde vergoeding der kosten van voortbrenging plaats.
Art. 267.
Burgerlijke vruchten komen ten voordeele van den vruchtgebruiker, wanneer het tijdstip, waarop zij opeischbaar worden, binnen den duur van het vruchtgebruik valt.
Art, 268.
De regelen der beide voorgaande artikelen gelden ook voor de verrekening tusscheu elkander opvolgende vruchtgebruikers.
Art. 269.
De vruchtgebruiker van een bosch mag de zij naar het plaatselijk gebruik houwbaar zijn;
toeval op den grond zijn geworpen, mag hij zich het bosch met andere boomen aanvullen.
Art. 270.
De vruchtgebruiker mag de ontginning van mijnen, steen- of kolengroeven, veenderijen en andere af- of uitgravingen voortzetten, indien die bij den aanvang van het
opgaande boomen omhouwen, wanneer ook doode boomen en die, welke door toeëigenen; in beide gevallen moet hij
56
vruchtgebruik begonnen was; eene nieuwe ontginning mag hij niet openen, tenzij het recht daartoe hem uitdrukkelijk gegeven is.
Art. 271.
De vruchtgebruiker mag óf zelf de zaak gebruiken en de vruchten genieten, öf de bevoegdheid daartoe, hetzij om niet hetzij onder bezwarenden titel, aan anderen geven.
Art. 272.
Verhuringen of verpachtingen, door den vruchtgebruiker aangegaan, blijven na het eindigen van het vruchtgebruik van kracht, tenzij zij zijn aangegaan meer dan twee jaren vóór den aanvang van de huur of pacht, en het vruchtgebruik vóór dien aanvang ophoudt, in welk geval de eigenaar daaraan niet is gebonden.
Verhuringen van huizen voor langer dan vier jaren of verpachtingen van landerijen voor langer dan zeven jaren kunnen na het eindigen van het vruchtgebruik door den eigenaar tot op gemelden duur worden ingekort.
Art. 273.
De vruchtgebruiker heeft de rechtsvorderingen bij de zesde afdeeling van den derden Titel, bij den vierden Titel en in artikel 193 omschreven, zelfs tegenover den eigenaar.
Art. 274.
De vruchtgebruiker draagt alle gewone belastingen, die op de zaak zijn of worden gelegd.
Buitengewone belastingen, waarmede de zaak wordt bezwaard, draagt de eigenaar, terwijl de vruchtgebruiker gehouden is hem de renten van hetgeen hij daarvoor betaald
heeft te vergoeden.
Heeft de vruchtgebruiker zoodanige belastingen voldaan, dan mag hij dit voorschot na het eindigen van het vruchtgebruik terugvorderen, doch zonder renten.
Art. 275.
Dc vruchtgebruiker is verplicht om de zaak te onderhouden, daaraan de gewone herstellingen te doen, en in het algemeen haar als een goed huisvader te beheeren.
57
Art. 270.
De vruchtgebruiker is verplicht om, wanneer buitengewone herstellingen noodig zijn, van de noodzakelijkheid daarvan aan den eigenaar kennis te geven, en dezen de gelegenheid tot het doen daarvan te verschaffen.
De eigenaar is niet tot het doen van eenige herstelling verplicht.
Art. 277.
De bepalingen van de artikelen 203 en 204 zijn toepasselijk.
Art. 278.
De vruchtgebruiker van een gebouw of van andere roerende zaken dan effecten en aandeelen in maatschappijen is verplicht om die zaken tegen brandschade te verzekeren; de vruchtgebruiker van een schip is verplicht om dit tegen de gevaren der zee te verzekeren : een en ander voor zoover hij het beheer over die zaken heeft en ten name des eigenaars.
Art. 279.
Indien de vruchtgebruiker grof verzuim pleegt in de nakoming zijner verplichtingen, kan de eigenaar vorderen, dat hem liet beheer toegekend, of wel de zaak onder bewind van een of meer derden gesteld zal worden.
De rechtbank kan hangende het geding de zaak bij voorraad onder bewind stellen.
De rechtbank kan aan hare beschikkingen zoodanige voorschriften verbinden als zij dienstig acht.
Indien de zaak onder het bewind van derden wordt gesteld, zijn het tweede en derde lid van artikel 263 toepasselijk.
Art. 280.
De bepalingen van de artikelen 119, 120 en 123 â 130 zijn toepasselijk.
Art. 281.
Vruchtgebruik gaat te niet:
ln. door den dood van den vruchtgebruiker;
8
58
2''. door afstand;
3°. door vermenging van den eigendom en het vrnchtgebruik;
4°. door verjaring;
5°. door bevrijding van de zaak overeenkomstig artikel 90 of overeenkomstig het tweede lid van artikel 105;
6°. door het eindigen van het herroepelijk of tijdelijk recht, krachtens hetwelk het vruchtgebruik is verleend.
De afstand en de vermenging werken niet ten nadeele van derden, die op het vruchtgebruik eenig zakelijk recht hebben verkregen.
Art. 282.
Indien het vruchtgebruik verleend is voor een tijd of onder eene ontbindende voorwaarde, gaat het mede te niet door het verloopen van den tijd of de vervulling van de voorwaarde.
Art. 283.
Indien het vruchtgebruik toekomt aan een rechtspersoon, wordt het te niet gaan van dezen als zoodanig gelijk gesteld met den dood.
Zulk een vruchtgebruik gaat mede te niet door een verloop van dertig jaren na zijn ontstaan.
Art. 284.
Indien het vruchtgebruik verleend is aan onderscheidene personen gezamenlijk, gaat het te niet door den dood van den laatst overblijvende.
Het aandeel van eiken overledene vervalt, tenzij bij den titel anders is bepaald, aan de overblijvenden.
Art. 285.
Indien het vruchtgebruik door den oorspronkelijk gerechtigde aan een ander is overgedragen, gaat het, behalve door den dood van dezen, ook te niet door den dood van eerstgenoemde.
Art. 286.
Afstand van vruchtgebruik van eene onroerende zaak geschiedt door eene daartoe strekkende verklaring, bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte gedaan.
59
De bepalingen van het derde lid van artikel 100, alsmede die van de artikelen 101â104 zijn toepasselijk.
Art. 287.
Indien het vruchtgebruik verleend is aan onderscheidene personen gezamenlijk, werkt afstand daarvan door één hunner gedaan ten voordeele van de overigen, tenzij eene andere bedoeling is uitgedrukt.
Art. 288.
Verjaring heeft plaats, wanneer het vruchtgebruik gedurende dertig jaren niet ia uitgeoefend.
Art. 289.
Bij aflossing van een aan vruchtgebruik onderworpen effect of aandeel is de vruchtgebruiker, tenzij hij anders met den eigenaar overeenkomt, verplicht de ontvangen gelden te beleggen op een der Grootboeken van de Nationale Schuld in eene met het vruchtgebruik bezwaarde inschrijving ten name van den eigenaar.
Art. 290.
Indien wegens het te niet gaan van of schade aan de zaak tegen een derde eene vordering ontstaat tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, is deze inschuld aan het vruchtgebruik onderworpen.
Art. 291.
Indien de zaak door den vruchtgebruiker verzekerd is ten name van den eigenaar, is de uit die verzekering ontstane inschuld aan het vruchtgebruik onderworpen.
Art 292.
Na het eindigen van het vruchtgebruik is de vruchtgebruiker, of zijn zijne erfgenamen verplicht om de zaak ter beschikking van den eigenaar te stellen, en tot zoolang de in artikel 275 omschreven verplichtingen te blijven nakomen.
De daaraan verbonden kosten komen in dit geval voor rekening van den eigenaar.
60
Art. 293.
Na hetzelfde tijdstip heeft de eigenaar tegen den vruchtgebruiker of zijne erfgenamen eene rechtsvordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen wegens nalatigheid in de nakoming der hun opgelegde verplichtingen.
Indien de vruchtgebruiker zijn recht door overdracht van vroegere vruchtgebruikers verkregen had, rust gelijke aansprakelijkheid op ieder hunner voor het geheel.
Bij de waardeering der schade worden de onverplicht aangebrachte verbeteringen in aanmerking genomen.
De eigenaar is bevoegd om de voorwerpen, die de vruchtgebruiker of zijne erfgenamen ingevolge artikel 277 tot zich kunnen nemen, terug te houden, totdat zij aan hunne verplichting tot schadevergoeding hebben voldaan.
Art 294
Indien het vruchtgebruik verleend is aan onderscheidene personen gezamenlijk, rust de in het voorgaand artikel omschreven aansprakelijkheid op ieder hunner voor het geheel , tenzij de schade ontstaan is nadat zijn genot heeft opgehouden.
Indien het verleend is aan onderscheidene personen bij opvolging, rust gelijke aansprakelijkheid op ieder hunner voor het geheel, tenzij de schade ontstaan is vóór den aanvang of na het einde van zijn genot.
Apdeeling II.
Beperkt vruchtgebruik.
Art. 295.
Bij de verleeniug van vruchtgebruik kan het genot worden beperkt.
De bepalingen der artikelen 264â272 zijn in dit geval alleen toepasselijk, voor zoover daarvan bij de verleening niet is afgeweken, of in de volgende artikelen niet anders is voorgeschreven.
Art. 296.
De eigenaar, wien ten gevolge van eene beperking in het genot des vruchtgebruikers een deel der vruchten toekomt, is verplicht naar evenredigheid bij te dragen in alle lasten en kosten, die, naar de bepalingen van de voorgaande afdeeling, voor rekening van den vruchtgebruiker komen.
61
Art. 297.
Indien enkel het recht van gebruik eener zaak verleend is, heeft de rechthebbende de bevoegdheid om haar te gebruiken op de wijze in artikel 264 omschreven, en er de vruchten van te genieten, die hij voor zich en zijn gezin behoeft.
Art. 298.
Indien enkel het recht van bewoning van een huis verleend is, heeft de rechthebbende de bevoegdheid om het met zijn gezin te bewonen.
Art. 299
Hij, die een der in de beide voorgaande artikelen omschreven rechten heeft, mag zijn recht niet aan een ander overdragen, noch ook de zaak door een ander laten gebruiken, of het huis door een ander laten bewonen.
Afdeeling III.
Oneigenlijk vruchtgebruik.
Art. 300.
Oneigenlijk vruchtgebruik is het vruchtgebruik van eene roerende zaak, waarbij de vruchtgebruiker ontslagen is van de verplichting om haar zelve in stand te houden en na het eindigen van het vruchtgebruik terug te geven.
Ten aanzien van zaken, wier bestemming is verbruikt of uitgegeven te worden, wordt de bedoeling om oneigenlijk vruchtgebruik te verleenen ondersteld; ten aanzien van andere moet zij bepaaldelijk zijn uitgedrukt.
Art. 301.
De vruchtgebruiker wordt eigenaar der zaak en mag er over beschikken naar welgevallen.
Art. 302.
De bepalingen van de artikelen 252, 253 en 255â263 zijn toepasselijk, met dien verstande, dat de zekerheid gesteld wordt voor de in artikel 304 omschreven teruggave.
62
Art. 303.
De bepalingen van de artikelen 281â285 en 287 zijn toepasselijk.
Art. 304.
Na het eindigen van het vruchtgebruik is de vruchtgebruiker of zijn zijne erfgenamen verplicht om te hunner keuze aan den eigenaar terug te geven eene gelijke hoeveelheid zaken van dezelfde soort en hoedanigheid, of wel de waarde in geld, zooals die bij den aanvang geschat is.
A F D E R L I N G IV.
Vruchtgebruik van rechten.
Art. 305.
Op het vruchtgebruik van een recht zijn de bepalingen omtrent vruchtgebruik van zaken toepasselijk, voor zoover de aard der zaak het toelaat en daarvan bij de volgende artikelen niet is afgeweken.
Art. 306.
Vruchtgebruik is alleen bestaanbaar van rechten, die voor overdracht vatbaar zijn.
Art. 307.
Ten aanzien van de verleeniug en overdracht van het vruchtgebruik van niet aan toonder luidende inschulden en andere rechten gelden dezelfde bepalingen als omtrent de overdracht dier rechten.
Art. 308.
Beschikkingen ten aanzien van het recht, waarop vruchtgebruik gevestigd is, afstand daarvan door den gerechtigde, te niet gaan daarvan door vermenging, werken niet ten nadeele van den vruchtgebruiker.
63
Art. 309.
Indien voor de instandhouding van het recht maatregelen noodig zijn, is de vruchtgebruiker tot het nemen daarvan bevoegd, en daartoe verplicht, wanneer die, naar de regelen van een goed en ordelijk beheer, behooren te worden genomen.
Art. 310.
Indien het vruchtgebruik gevestigd is op eene inschuld op naam, werkt het ten aanzien van den schuldenaar niet dan nadat het ontstaan of de overdracht er van aan dezen is beteekend of door hem schriftelijk is erkend.
Art. 311.
Indien het vruchtgebruik gevestigd is op eene grondrente, eene lijfrente of eene rentedragende inschuld, heeft de vruchtgebrui ker recht op alle uitkeeringen of interessen, die binnen den duur van het vruchtgebruik opeischbaar worden.
Art. 312.
Indien het vruchtgebruik gevestigd is op eene opeischbare inschuld, is de vruchtgebruiker bevoegd om die in te vorderen, en daartoe verplicht, wanneer het, naar de regelen van een goed en ordelijk beheer, behoort te geschieden.
Hij is niet bevoegd om op andere wijze over de inschuld te beschikken.
Art. 313.
Indien het vruchtgebruik gevestigd is op eene inschuld, wier opeischbaarheid afhangt van eene opzegging door den schuldeischer, kan zij slechts door den schuldeischer en den vruchtgebruiker gezamenlijk worden opgezegd.
Ieder hunner kan vorderen, dat de ander daartoe medewerkt, wanneer de opzegging, naar de regelen van een goed en ordelijk beheer, behoort te geschieden.
Art. 314.
Indien de inschuld, waarop het vruchtgebruik gevestigd is, door betaling wordt voldaan, zijn de aldus verkregen zaken aan het vruchtgebruik onderworpen.
64
Bestaan die in geld, dan is artikel 289 toepasselijk.
Ten aanzien van andere zaken ontstaat, naar gelang van haren aard, een eigenlijk of oneigenlijk vruchtgebruik, waarop de daartoe betrekkelijke bepalingen toepasselijk zijn.
Afdbeling V.
Vruchtgebruik van een vermogen.
Art. 315.
Vruchtgebruik van een vermogen wordt aangemerkt als vruchtgebruik van de afzonderlijke daartoe behoorende zaken en rechten; daarop zijn alle bepalingen der voorgaande afdeelingen toepasselijk.
Art. 316.
De eigenaar is bevoegd van de baten zooveel terug te houden als tot betaling der opeischbare schulden noodig is.
Heeft dit bij den aanvang van bet vruchtgebruik geen plaats gehad, of wordt de schuld eerst later opeischbaar, dan kan hij alsnog van den vruchtgebruiker afgifte vorderen van goederen of gelden tot het noodige bedrag.
De keuze der zaken staat aan den eigenaar.
Art. 317.
Indien tot de lasten van het vermogen behoort eene lijfrente, of eene rentedragende schuld, tot wier betaling geene goederen of gelden zijn teruggehouden of afgegeven, komen de renten, die binnen den duur van het vruchtgebruik opeischbaar worden, voor rekening van den vruchtgebruiker.
Art. 318.
De bepalingen der voorgaande artikelen zijn op hem, aan wien vruchtgebruik van een deel van een vermogen verleend is, toepasselijk naar evenredigheid van het hem toekomend gedeelte.
TIENDE TITEL.
Van hypotheek.
Afdeeling I.
Algemeene bepalingen.
Art. 319.
Hypotheek is het recht op eene onroerende zaak of op een onroerend recht, strekkende om daarop eene schuld bij voorrang boven andere schuldeischers te verhalen.
Art. 320.
Voor hypotheek zijn alleen vatbaar;
1°. onroerende zaken;
2quot;. erfpacht;
8°. beklemming;
4°. grondrente;
5°. het vruchtgebruik van onroerende zaken of rechten;
6quot;. de rechten op onroerende zaken, die bij het tweede lid van artikel 13 gehandhaafd zijn.
Art. 321.
De volgende bepalingen van dezen Titel omtrent hypotheek op zaken zijn, zooveel de aard der zaak het toelaat, ten aanzien van hypotheek op rechten toepasselijk.
Art. 322.
Hypotheek is ondeelbaar.
Zij is in haar geheel gevestigd zoowel op al de verbonden zaken te zamen als op elke van haar en op ieder gedeelte daarvan in het bijzonder.
Verdeeling van de schuld of van het recht van inschuld tusschen meerdere schuldenaars of schuldeischers heeft geene verdeeling van de hypotheek ten gevolge.
9
66
Art. 323.
Hypotheek kan slechts verleend worden op bepaalde in de akte of het vonnis aangewezen zaken.
Art. 324.
Hypotheek is slechts van waarde, indien do som, waarvoor zij verleend is, zeker en in de akte of het vonnis uitgedrukt is.
Art. 325.
Hypotheek kan verleend worden tot zekerheid van eeue voorwaardelijke inschuld; van eene, wier bedrag onbepaald is; van de vorderingen, die uit een geopend crediet, uit een toevertrouwd geldelijk beheer en, in het algemeen, uit eene bestaande rechtsbetrekking zullen kunnen voortvloeien.
Zoodanige hypotheek geldt niet verder dan tot het beloop der som, waarvoor zij is toegestaan.
Zij heeft rang van het tijdstip der overschrijving, onverschillig wanneer de voorwaarde vervuld is, het bedrag der inschuld bepaald is geworden, of de vordering is ontstaan.
Art. 326.
Hypotheek kan verleend worden tot zekerheid van eene verbintenis aan order, mits deze bij dezelfde akte zij aangegaan, waarbij de hypotheek wordt verleend.
In zoodanig geval oefent de geëndosseerde, tenzij het endossement geschied is na den vervaldag, de rechten van hypotheekhouder uit, onafhankelijk van de verweringen, die de schuldenaar aan zijne bijzondere rechtsbetrekking tot eenigen endossant kon ontleenen.
Ook deze hypotheek heeft rang van het tijdstip der overschrijving.
Art. 327.
Hypotheek kan verleend worden ten behoeve van houders van aandeelen op naam of aan toonder in eene geldleening.
In zoodanig geval moet zij gesteld worden ten name van één of meer bepaalde personen , die deze houders vertegenwoordigen.
Voor zoover de bevoegdheid dier vertegenwoordigers niet bij de akte beperkt is, zijn zij tegenover den eigenaar, den schuldenaar en andere derden bevoegd tot alles waartoe zij bevoegd zouden zijn, indien zij zeiven de schuldeischers waren.
67
Art. 328.
Hypotheek kan niet verleend worden tot zekerheid van andere dan de in het voorgaand artikel vermelde aan toonder luidende verbintenissen.
A F D E E L I N G II.
Verleening en overdracht van hypothelcen.
Art. 329.
Hypotheek ontstaat door verleening.
Behoudens het geval, voorzien bij het tweede lid van artikel 100, geschiedt verleening bij eene notarieele akte, waarin, behalve de hypotheekverleening, alleen de hoofdverhin-tenis mag worden opgenomen.
De bepalingen van de laatste vier leden van artikel 100, alsmede die van de artikelen 301â104 en 106 zijn toepasselijk.
Art 330.
Indien iemand verbonden is tot verleening van eene hypotheek, zonder dat eene bepaalde zaak is aangewezen, is de bepaling van artikel 106 toepasselijk, met dien verstande, dat bij het vonnis de zaak of de zaken worden aangewezen, waarop de hypotheek gevestigd zal zijn
Art. 331.
Bij de verleening kunnen bedingen worden gemaakt, strekkende tot uitsluiting of beperking der bevoegdheid van den eigenaar om de verbonden zaak te verhuren of onder anderen titel in gebruik te geven, of wel om vooruitbetaling der huurpenningen te ontvangen , of het recht op de huurpenningen aan derden af te staan.
Art. 332.
Bij do verleening kan bedongen worden, dat, in geval van schade aan de verbonden zaak overkomen, de assurantiepenningen iu de plaats der zaak zullen treden.
Indien dit beding aan den assuradeur beteekend of het bestaan daarvan schriftelijk door dezen erkend is, gaat het recht om de assurantiepenningen in te vorderen op den
68
schuldeischer over, en is rle verzekerde onbevoegd om de overeenkomst te wijzigen of op te zeggen of om over de daaruit voortvloeiende rechten te beschikken, zonder toestemming des schuldeischers.
De schuldeischer verrekent de door hem ontvangen penningen met .den eigenaar overeenkomstig de bepaling van artikel 359.
Art. 338.
De in de twee voorgaande artikelen bedoelde bedingen werken voor en tegen derden , zoodra zij in de openbare registers overgeschreven zijn.
Art. 334.
Elk beding, waarbij den schuldeischer het recht gegeven wordt om zich de verbonden zaak toe te eigenen, is nietig.
Art. 335.
Op het aan den bewaarder over te leggen afschrift stelt de schuldeischer eene door hem onderteekende verklaring, inhoudende keuze van domicilie aan eene woning binnen den kring van het kantoor; met de akte wordt ook die verklaring overgeschreven.
Deze verklaring geldt voor eiken opvolger in de hypotheek, totdat van de bij het volgend artikel toegekende bevoegdheid is gebruik gemaakt.
Is eene keuze van domicilie niet gedaan of niet overgeschreven, dan geldt als gekozen domicilie de griffie der rechtbank, binnen welker rechtsgebied het kantoor gelegen is.
Beteekeningen, den schuldeischer aan het gekozen domicilie gedaan, gelden, ingeval van zijn vooroverlijden, als gedaan aan zijne erfgenamen.
Art. 336.
Do schuldeischer is bevoegd om het gekozen of het, bij ontstentenis van keuze, aangewezen domicilie te vervangen door een ander, gelegen binnen den kring van het kantoor van overschrij ving.
De vervanging geschiedt bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte, waarop de bepaling van het derde lid van artikel 100 toepasselijk is.
O)) het nieuw gekozen domicilie zijn het tweede en vierde lid van het voorgaand artikel toepasselijk.
69
Art. 337.
De schuldeischer is bevoegd om de hypotheek aan een ander over te dragen, mits in haar geheel en te zamen met de door haar verzekerde inschuld of een deel daarvan.
De overdracht geschiedt op de wijze in de artikelen 101â104 en 106 omschreven.
Art. 338.
Wanneer de hypotheek verleend is tot zekerheid van eene aan order gestelde inschuld, geschiedt het endossement op de grosse der akte, waarbij de hypotheek verleend is.
Endossement in blanco is niet toegelaten.
Art. 339.
Vervanging van een of meer der personen, te wier name eene hypotheek ten behoeve van houders van aandeelen in eene geldleening verleend is, geschiedt bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte.
De bepaling van het derde lid van artikel 100 is toepasselijk.
Art. 340.
De werking der hypotheek duurt niet langer dan tien jaren, tenzij de overschrijving der akte vóór het verstrijken van dien termijn vernieuwd is.
De aanvraag tot vernieuwing, vóór dien tijd gedaan, verzekert den schuldeischer het behoud van den rang en de rechten, door de oorspronkelijke overschrijving verkregen.
Indien de aanvraag later geschiedt, wordt de rang der hypotheek bepaald door het tijdstip der nieuwe overschrijving.
De bepalingen van dit artikel zijn ook op de vernieuwde overschrijving toepasselijk.
Afdeel ing III.
Rechten van den hypothecair en schuldeischer.
Art. 341.
De schuldeischer oefent zijn recht uit op de verbonden zaak, in welke handen zij zich bevinden moge.
70
Art. 342.
Indien voor eene zelfde inschuld meerdere zaken gezamenlijk verbonden zijn, worden deze, wanneer zij aan verschillende eigenaars toebehooren, of wanneer eene of meerdere daarvan met meer dan ééne hypotheek bezwaard zijn, gelijktijdig uitgewonnen.
Afzonderlijke uitwinning van ééne of meerdere zaken is geoorloofd, wanneer daarin door den eigenaar of de eigenaars en de verdere hypothecaire schuldeischers is toegestemd.
In dit geval behoudt de schuldeischer, wanneer zijne vorderingen uit de opbrengst der uitgewonnen zaak niet geheel voldaan kunnen worden, het recht tot uitwinning der overige zaken.
Art. 348.
Bij de gelijktijdige uitwinning, in het voorgaand artikel bedoeld, komt de schuld ten laste van elke zaak voor zoodanig gedeelte als evenredig is aan hare, voor de betaling dier schuld beschikbare opbrengst.
Zijn de zaken als één geheel voor éénen prijs verkocht, dan wordt het aandeel van elke zaak in dien prijs bepaald naar evenredigheid van hare waarde, vergeleken met die van het geheel.
Art. 344.
Gedeelten van eene verbonden zaak mogen niet worden uitgewonnen zonder uitdrukkelijke toestemming van den eigenaar.
Art. 345.
Behoudens de rechten van derden, oefent de schuldeischer zijn recht uit op:
1°. de verbonden zaak in den toestand, waarin zij zich bevindt op het oogenblik, dat hij begint zijn recht uit te oefenen, met al hetgeen er alsdan op gebouwd of als bijzaak aan verbonden is;
â 2=. de hulpzaken, die op hetzelfde tijdstip tot de verbonden zaak behooren;
3:gt;. de vruchten, die na hetzelfde tijdstip afgescheiden worden, en de op dat tijdstip reeds afgescheidene, voor zoover zij zich nog op het terrein bevinden;
4°. de bouwstoffen van de afbraak van een gebouw afkomstig, voor zoover zij zich op hetzelfde tijdstip op het terrein bevinden.
Art. 34(1.
Zakelijke rechten, tijdens de overschrijving der hypotheek-akte ten laste of ten bate
71
der verbonden zaak bestaande, maar later te niet gegaan door vermenging, herleven door de uitwinning.
Art. 347.
Zakelijke rechten, na de overschrijving der hypotheek-akte op de verbonden zaak ontstaan, gelden niet ten nadeele van den schuldeischer, tenzij deze daartoe zijne medewerking of uitdrukkelijke toestemming gegeven heeft.
De schuldeischer heeft de bevoegdheid de zaak als vrij van die rechten uit te winnen.
Maakt hij van deze bevoegdheid gebruik, dan heeft degene, wien het te niet gegane recht toekwam, tegen den eigenaar eene aanspraak op schadevergoeding, die bevoorrecht is op de opbrengst der uitgewonnen zaak en rang neemt onmiddellijk na de aan het ontstaan van het recht voorafgaande hypotheek.
Voor de afzonderlijke uitwinning, bedoeld in artikel 342, is de toestemming ook van dezen belanghebbende noodig.
Art. 348.
Indien de eigenaar niet tevens schuldenaar is, is hij jegens den schuldeischer aansprakelijk voor de schade, door hem aan de zaak toegebracht door opzet of schuld, en zijn, wat betreft zijn recht op vergoeding van gemaakte kosten, de bepalingen van artikel 114 toepasselijk.
Indien bij de uitwinning het bedrag der vergoeding, waarop hij aanspraak heeft, tusschen hem, de onderscheidene hypothecaire schuldeischers, hen, die hun belang aan het voorgaand artikel ontleenen, en den schuldenaar vaststaat, kan hij vorderen, dat in de voorwaarden der veiling bedongen wordt, dat de kooper dit bedrag aan hem zal uitkeeren.
Art. 349.
Tot op het oogenblik der toewijzing is de eigenaar bevoegd de uitwinning te stuiten door betaling van de schuld, waarvoor zij plaats heeft, en de onkosten.
Art. 850.
Tot uitwinning is de schuldeischer eerst bevoegd, wanneer de schuldenaar met de voldoening der verbintenis in gebreke is en deze, zoo zij geen geld tot voorwerp had, in eene geldschuld is overgegaan.
Zij geschiedt door middel van openbaren verkoop, op de wijze en met de gevolgen in de volgende artikelen omschreven.
72
Art. 351.
De schuldeischer doet ten minste zes weken vóór den dag der verkooping, of vóór dien van de eerste daartoe te houden zitting, van den voorgenomen verkoop bij exploot aanzegging aan den schuldenaar en, zoo deze niet tevens eigenaar is, ook aan dien laatste.
Overdracht van de zaak maakt op zich zelve geen hernieuwing van het exploot noodzakelijk.
Art. 352.
Het exploot van aanzegging moet inhouden:
1°. de vermelding van den titel, uit kracht waarvan de verkoop zal geschieden ;
2°. de vermelding van het laatste gekozen domicilie;
8°. de aanduiding, overeenkomstig artikel 463, van den aard en de ligging der te verkoopen zaken;
4°. de opgave van de plaats, waar, en van den dag en het uur, waarop de verkoop zal plaats hebben;
5°. de opgave van de plaats, waar de voorwaarden der veiling ter inzage zullen liggen.
Art. 353.
Nadat het exploot van aanzegging gedaan is, rusten, ten aanzien van niet verhuurde of verpachte goederen, op den eigenaar de verplichtingen van een gerechtelijken bewaarder.
Indien hij handelingen pleegt, waardoor de waarde der zaak vermindert, kan de rechtbank op verzoek van den schuldeischer, na verhoor of behoorlijke oproeping van eerstgenoemde, een ander tot bewaarder benoemen.
Art. 354.
De schuldeischer kan aan de huurders en pachters van de verhuurde of verpachte goederen bij exploot aanzegging doen van den voorgenomen verkoop; de alsdan nog niet betaalde huur- en pachtpenningen worden daarna betaald aan den schuldeischer, teneinde ook daarop zijne vordering te verhalen.
Art. 355.
Indien de zaak tijdens het doen van het exploot van aanzegging ten behoeve van
73
meerdere schuldeischers verbonden is, moet de schuldeischer hun, ten minste zes weken vóór den dag der verkooping of vóór dien van de eerste daartoe te houden zitting, bij exploot aan het gekozen domicilie aanzegging doen van den voorgenomen verkoop.
Het exploot moet inhouden hetgeen in artikel 352 vermeld is.
Ten opzichte van de schuldeischers, wier hypotheek eerst op of na den dag van het in artikel 351 bedoelde exploot is ontstaan, is hij tot geene aanzegging verplicht.
Art. 356.
Indien de uitwinnende schuldeischer niet is de eerste hypotheekhouder, kan deze laatste, mits ook hij volgens artikel 350 tot uitwinning bevoegd zou zijn, gedurende veertien dagen na de in het voorgaand artikel bedoelde aanzegging aan den schuldeischer, die haar gedaan heeft, kennis geven, dat de uitwinning door hem zal geschieden.
Het exploot moet worden gedaan aan het gekozen domicilie en moet inhouden eene opgave van den termijn, binnen welken de verkooping zal plaats hebben.
Deze termijn mag niet langer zijn dan van drie maanden.
De schuldeischer, die de uitwinning had aangevangen, kan daarmede eerst dan voortgaan, als de eerste hypotheekhouder den door hem gestelden termiin heeft laten verloopen zonder de verkooping te doen plaats hebben.
Art. 857.
De verkooping moet plaats hebben in het openbaar, ten overstaan van een notaris.
Zij geschiedt in eene der gemeenten van het arrondissement, waarin de zaak of het grootste gedeelte daarvan gelegen is, ter keuze van den schuldeischer, en met inachtneming der plaatselijke gebruiken.
De voorwaarden worden door den schuldeischer bepaald; zij worden ten minste dertig dagen vóór de verkooping ter inzage gelegd.
De verkooping wordt ten minste veertien dagen te voren door aanplakking volgens plaatselijk gebruik en door aankondiging in een dagblad der gemeente, binnen welke de verkooping zal geschieden, en, bij ontstentenis van zoodanig dagblad, in dat eener naburige gemeente bekend gemaakt.
De schuldeischer is bevoegd om mede te bieden en om de in veiling gebrachte zaak op te houden.
Art. 358.
Indien de schuldeischer de voorschriften van het eerste lid van het voorgaand artikel niet heeft opgevolgd, is de verkoop nietig.
Indien hij een der overige in de artikelen 351, 352, 355, 356 en 357 omschreven
10
74
formaliteiten verzuimd heeft, of, bij de bepaling der voorwaarden, de belangen van den eigenaar, Aran de overige schuldeischers, te wier behoeve de zaak verbonden is, of van den schuldenaar noodeloos benadeeld heeft, is hij tegenover hem, die op deze wijze schade geleden heeft, tot vergoeding daarvan verplicht.
Art. 359.
Behalve in de gevallen, waarin overeenkomstig artikel 361 eene gerechtelijke rang. schikking kan gevorderd worden, is de kooper verplicht den koopprijs uit te betalen aan den schuldeischer, die daarvan afhoudt al hetgeen hij te vorderen heeft wegens hoofdsom en renten tot op het overeenkomstig artikel 324 uitgedrukte bedrag, benevens de onkosten en de door hem betaalde, boven de zijne bevoorrechte, schulden.
De schuldeischer keert het overschot aan den uitgewonnen eigenaar uit.
Art. 360.
De schuldeischer is verplicht om binnen ééne maand na den dag, waarop de koopprijs betaalbaar gesteld is, rekening en verantwoording te doen aan den uitgewonnen eigenaar, en, zoo deze niet tevens de schuldenaar is, ook aan dien laatste.
Indien de zaak is opgehouden, blijven de onkosten voor rekening van den schuldeischer, behoudens diens recht om ze later, wanneer de zaak verkocht wordt voor eene som, hooger dan die, waarvoor zij opgehouden is, in rekening te brengen, voor zoover zij uit de meerdere opbrengst kunnen voldaan worden.
Art. 361.
Indien de zaak met twee of meer hypotheken bezwaard is, zijn zoowel de kooper als de eigenaar en de hypothecaire schuldeischers bevoegd eene gerechtelijke rangschikking te vorderen tot Verdeeliug van den koopprijs.
Dezelfde bevoegdheid bestaat, indien meerdere gezamenlijk verbonden en gelijktijdig uitgewonnen zaken aan verschillende eigenaars toebehooren, ook al zijn zij niet, of al is geen barer met meer dan ééne hypotheek bezwaard.
Art. 362.
Op de in het voorgaand artikel bedoelde rangschikking zijn de bepalingen van de artikelen 551â562 B. R. toepasselijk, en worden voorts daarbij in acht genomen de bepalingen der artikelen 363â368.
Zoolang zij niet is vastgesteld, kan de kooper niet tot betaling van den koopprijs genoodzaakt worden.
75
Art. 363.
Bij het opmaken van het bedrag der inschulden worden periodieke uitkeeringen , na begrooting door deskundigen, volgons de gewone waarde van dergelijke uitkeeringen, met inachtneming van het tweede lid van artikel 325, tot hoofdsom gelmicht
Bij het opmaken van het bedrag der schadevergoeding, bedoeld in artikel 347, wordt, na begrooting door deskundigen, de waarde aangenomen, die het verloren recht ten tijde der toewijzing hebben zou.
Art. 364.
Voorwaardelijke vorderingen en die, welker bedrag nog onbepaald is, worden voor de volle ingeschreven som op de rangschikking gebracht.
Art. 365,
De kooper betaalt aan de schuldeischers, wier vorderingen opeischbaar zijn, het hun blijkens de rangschikking toekomende.
Hij houdt den koopprijs onder zich tot het beloop der som, waarmede de zaak belast blijft , en keert aan den uitgewonnen eigenaar uit wat de koopprijs meer bedraagt.
Het den overigen schuldeischers blijkens de rangschikking toekomende voldoet hij, zoodra de schuld zelve opeischbaar geworden is.
In den tusschentijd voorziet hij in do betaling der renten, voor zoover deze de wettelijke interessen niet te boven gaan.
Blijven zij daar beneden, zoo wordt bet verschil den uitgewonnen eigenaar uitbetaald.
Art. 866.
Indien door schuld van den kooper of zijne rechtverkrijgenden de zaak zoodanig in waarde vermindert, dat de zekerheid der belanghebbenden geheel of gedeeltelijk verloren gaat, kunnen deze vorderen, dat de ingehouden gelden dadelijk worden betaald en belegd in eene inschrijving op een der Grootboeken van de Nationale Schuld; onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn.
Indien de eisch wordt toegewezen, benoemt de rechtbank tevens een bewindvoerder, die zich met de ontvangst belast en te wiens name de inschrijving gesteld wordt.
Art. 367.
Indien bij de rangschikking blijkt , dat het geheele bedrag der op de zaak rustende
76
hypotheken den koopprijs overtreft, verleent de rechter-commissaris den kooper op diens verzoek eene beschikking tot aanwijzing der niet batig gerangschikte hypotheken, of, indien eene hypotheek slechts voor een deel batig is gerangschikt, tot aanwijzing van het niet-batig gerangschikte gedeelte.
Art. 368.
Indien bij de uitkomst blijkt, dat hij, te wiens behoeve eene overeenkomstig artikel 325 verleende hypotheek batig werd gerangschikt, niets te vorderen heeft, of minder dan het batig gerangschikte bedrag, wordt het dientengevolge vrijgevallen gedeelte van don koopprijs uitgekeerd, hetzij aan de schuldeischers, wier vorderingen niet batig waren gerangschikt, met inachtneming van den rang waarin zij geplaatst waren, hetzij aan den uitgewonnen eigenaar.
In de beschikking tot aanwijzing van de niet batig gerangschikte hypotheken maakt de rechter van dit recht der schuldeischers melding.
Art. 369.
De schuldeischer draagt den eigendom der zaak over op de wijze en met de gevolgen in de artikelen 101â104 en 106 omschreven.
De kooper heeft geene aanspraak op eenige vrijwaring.
Art. 370.
Indien de zaak is uitgewonnen onder handen van hem, die de hypotheek oorspronkelijk verleend had, of van een derde, op wien zij van dezen was overgegaan, kan de kooper vorderen, dat de kantonrechter, onder wiens rechtsgebied het verkochte goed is gelegen, de ontruiming bevele.
De bepalingen van de artikelen 122â124 B. R. zijn toepasselijk.
Het vonnis kan tegen den huurder of pachter ten uitvoer worden gelegd, zoodra diens recht geeindigd is.
Afdeeling IV.
Te niet gaan en nietigverklaring der hypotheken.
Art. 371.
Hypotheek gaat te niet;
1quot;. door het te niet gaan der door haar verzekerde verbintenis;
77
2°. door afstand;
3°. door vermenging van den eigendom en de hypotheek;
4''. door de betaling van kooppenningen overeenkomstig de artikelen 359, 365 eu 368 ;
5quot;. door gerechtelijke rangschikking, ten aanzien van daarbij niet batig gerangschikte hypotheken;
6'. door niet-vernieuwing overeenkomstig artikel 340;
7°. door de rechterlijke beschikking bedoeld in artikel 428 B. I;
8quot;. door het eindigen van het herroepelijk of tijdelijk recht, krachtens hetwelk do hypotheek is verleend.
Art. 372.
Indien de hypotheek verleend is voor een tijd of onder eene ontbindende voorwaarde, gaat zij mede te niet door het verloopen van den tijd of de vervulling van de voorwaarde.
Art. 373.
Afstand geschiedt door eene daartoe strekkende verklaring, bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte gedaan.
De bepaling van het derde lid van artikel 100 is toepasselijk.
In het geval van artikel 430 B. I wordt de afstand gedaan door den toezienden voogd.
Art. 374.
Indien voor eene zelfde inschuld meerdere zaken gezamenlijk verbonden zijn, kan de schuldeischer van zijn recht op eene of meerdere daarvan geen afstand doen dan met toestemming van de in artikel 842 genoemde medebelanghebbenden.
Art. 375.
Wanneer van meerdere op eene zelfde zaak gevestigde hypotheken ééne is te niet gegaan door vermenging van den eigendom en de hypotheek, wordt zij, ingeval van uitwinning, in zóóverre als nog bestaande aangemerkt, dat de door haar verzekerde vordering in haren vroegeren rang op de rangschikking wordt gebracht.
Art. 376.
Indien eene hypotheek is te niet gegaan zonder dat daarvan uit een vonnis of eene
78
rechterlijke beschikking blijkt, is de schuldeischer jegens den eigenaar gehouden het te niet gaan bij eene notarieele akte te erkennen.
Gelijke verplichting heeft hij, te wiens behoeve eene hypotheek overeenkomstig artikel 825 verleend is, zoodra het blijkt, dat hij uit dien hoofde niets te vorderen heeft.
De kosten der akte komen voor rekening van den eigenaar.
Voldoet de schuldeischer niet aan zijne verplichting, dan is de eigenaar bevoegd te vorderen, dat het te niet gaan dor hypotheek bij vonnis worde uitgesproken.
Art. 377.
Indien eene door hypotheek verzekerde verbintenis gedeeltelijk is te niet gegaan, is de schuldeischer jegens den eigenaar gehouden bij eene notarieele .akte te erkennen, dat de som, waarvoor de zaak verbonden is, met hetzelfde bedrag is verminderd.
De kosten der akte komen voor rekening van den eigenaar.
Voldoet de schuldeischer niet aan zijne verplichting, dan is de eigenaar bevoegd te vorderen, dat de vermindering der hypotheek bij vonnis worde uitgesproken.
Art. 378.
Onder overlegging van de in de voorgaande artikelen bedoelde beschikking, akte of vonnis, kunnen belanghebbenden vorderen, dat het te niet gaan der hypotheek of de vermindering van haar bedrag in de openbare registers worde aangeteekend.
ELFDE TITEL.
Van pandrecht.
A P D E E L i N G I.
Pandrecht op zaken.
Art. 379.
Pandrecht op eene zaak is liet recht om, tot zekerheid voor de voldoening eener verbintenis, die zaak onder zich te houden en de schuld daarop hij voorrang boven andere schuldeischers te verhalen.
79
Art. 380.
Voor verpanding zijn vatbaar alle roerende zaken, papier aan toonder en aan order daaronder begrepen.
Art. 381.
Pandrecht is ondeelbaar.
Het is in zijn geheel gevestigd zoowel op al de verbonden zaken te zamen als op elke van haar en op ieder gedeelte daarvan in het bijzonder.
Verdeeling van de schuld of van het recht van inschuld tusschen meerdere schuldenaars of schuldeischers heeft geene verdeeling van het pandrecht ten gevolge.
Art. 382.
Pandrecht kan verleend worden tot zekerheid van eene voorwaardelijke inschuld; van eene, wier bedrag onbepaald is; van de vorderingen, die uit een geopend crediet, uit een toevertrouwd geldelijk beheer en, in het algemeen, uit eene bestaande rechtsbetrekking zullen kunnen voortvloeien.
Art. 383.
Aan order of aan toonder luidende verbintenissen kunnen door pand verzekerd worden.
Art. 384.
Pandrecht kan verleend worden ten behoeve van houders van aandeelen in eene geldleening.
In zoodanig geval moet het pand gesteld worden in het bezit van een of meer personen, die deze houders vertegenwoordigen, of van een derde voor hen.
Voor zoover de. bevoegdheid der vertegenwoordigers niet beperkt is, zijn zij tegenover den pandgever, den schuldenaar en andere derden bevoegd tot alles waartoe zij bevoegd zouden zijn, indien zij zei ven de pandhouders waren.
Art. 385.
Pandrecht wordt verleend door eene daartoe strekkende overeenkomst en overdracht van het pand in het bezit des schuldeischers.
80
Overdracht is niet noodig, indien de schuldeischer het verpande voorwerp reeds in zijne macht heeft.
Voor zoodanige overdracht kan niet in de plaats treden eene bloote erkenning van den schuldeischer als bezitter, terwijl de zaak blijft in de macht van den pandgever.
Indien overeengekomen is, dat de macht over het pand bij een derde berusten zal, ontstaat het pandrecht door overdracht van de zaak in diens macht.
Voor de verleening van pandrecht op papier aan order wordt endossement vereischt.
Art. 386.
Verpanding van cognossementen, ontvangcedullen, bewijzen van opslag of andere papieren van gelijke strekking geeft pandrecht zoowel op het daarin vermelde goed als op het papier zelf.
Art. 387.
Verpanding van papier aan toonder of order, houdende eene betalingsbelofte, geeft pandrecht op de beloofde geldsom, zoodra die door den pandhouder geind is.
Art. 388.
Pandrecht ontstaat ook dan, als het verleend wordt door een niet-eigenaar.
Het gaat boven de zakelijke rechten, die op het oogenblik der verleening op de zaak reeds gevestigd waren.
Art. 389.
Overdracht van de door pand verzekerde inschuld sluit in zich overdracht van het pandrecht, tenzij tusschen vervreemder en verkrijger anders werd bedongen.
De verkrijger der inschuld heeft, uit kracht van de overdracht alleen, tegen den vorigen schuldeischer en eiken anderen houder de rechtsvordering van artikel 394.
Bij gedeeltelijke overdracht der inschuld wordt, tenzij het tegendeel blijkt, de ver-vreemder geacht het pandrecht aan zich gehouden te hebben.
Art. 390.
Tenzij anders is bedongen, heeft de pandhouder geen recht om de zaak te gebruiken.
De vruchten, die de zaak oplevert, zijn aan het pandrecht onderworpen.
81
Bestaat het pand in rentedragend papier, dan int hij de rente en verrekent haar met de interessen van de door het pand verzekerde inschuld en wat er overblijft met de hoofdsom.
Art. 391.
De pandhouder moet voor het behoud der zaak zorgen als een goed huisvader en de kosten tot onderhoud zoo noodig voorschieten.
Art. 392.
Na de voldoening van de hoofdverbintenis en de in artikel 404 n0'. 2 en 3 genoemde bijkomende verbintenissen, of nadat deze verbintenissen op andere wijze zijn te niet gegaan, is de pandhouder verplicht de zaak aan den pandgever terug te geven.
Indien echter het pand door den schuldenaar zelf gesteld was en er na de verpanding tusschen hem en den schuldeischer een nieuwe schuld is aangegaan, die opeischbaar was op het oogenblik, waarop de door het pand verzekerde schuld te niet ging, is de schuldeischer tot geene teruggave verplicht, zoolang niet ook de nieuwe schuld betaald of te niet gegaan is.
Art. 393.
Indien de pandhouder grof verzuim pleegt in de nakoming van zijne verplichtingen, kan hij ook buiten het geval van het voorgaand artikel tot teruggave genoodzaakt worden.
Art. 394.
De pandnemer heeft eene rechtsvordering tot opvordering van de zaak tegen eiken houder.
Op deze rechtsvordering zijn de artikelen 108 en volgende toepasselijk.
Art. 395.
Elk beding, waarbij den pandhouder het recht gegeven wordt om zich de in pand gegeven zaak toe te eigenen, is nietig.
Art. 396.
Tenzij anders is bedongen, heeft de pandhouder, indien de schuldenaar met de vol-
ii
82
doening der verbintenis in gebreke is en deze, zoo zij geen geld tot voorwerp had, in eene geldschuld is overgegaan, het recht om de zaak te verkoopen en het hem verschuldigde uit de opbrengst te verhalen, naar de hierna volgende regelen.
Art. 397.
Tenzij anders is bedongen, moet de pandhouder, die tot den verkoop wil overgaan, den schuldenaar en, zoo het pand door een derde gesteld werd, ook dozen ten minste twee dagen te voren bij exploot aanzegging doen van den voorgenomen verkoop, met vermelding van tijd en plaats.
De aanzegging moet zoo nauwkeurig mogelijk de som aangeven, waarvoor het pand kan worden gelost.
Art. 398.
De verkoop geschiedt in het openbaar, ten overstaan van een daartoe bevoegden ambtenaar, naar plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden, in de gemeente, waar de schuldeischer of de derde, onder wiens bewaring het pand gesteld is, woont, of, indien het bestaat uit in eene andere gemeente opgeslagen koopmansgoederen, in die gemeente.
De pandhouder is bevoegd om mede te bieden.
Wordt de zaak hem toegewezen, dan wordt hij geacht den koopprijs ontvangen te hebben.
Het recht van bieden komt insgelijks den schuldenaar en den pandgever toe; hun wordt de zaak niet toegewezen dan tegen contante betaling.
Art. 399.
Door overeenkomst tusscben pandgever en pandhouder kan eene andere wijze van verkoop, dan die in het voorgaand artikel is omschreven, worden vastgesteld.
Deze overeenkomst kan niet worden aangegaan, dan nadat het recht van den schuldeischer tot verkoop geboren is.
Art. 400.
Tenzij anders is bedongen, moet den schuldenaar en, zoo het pand door een derde gesteld is, ook dezen van den volbrachten verkoop uiterlijk den volgenden dag kennis gegeven worden.
Bericht per telegraaf of bij aangeteekenden brief geldt voor behoorlijke kennisgeving.
83
Art. 401.
Bestaat het pand uit koopmansgoederen, effecten, aandeelen, handelspapier, Neder-landsche negotiepemiingen , of vreemde muntspeciën, munt-of bankbiljetten, die ter markt of beurze courant zijn, dan kan de verkoop aldaar geschieden door tusschenkomst van twee makelaars in het vak.
Art. 402.
Overtreding van eene of meer der bepalingen van de voorgaande artikelen staat aan de eigendomsverkrijging door den kooper niet in den weg.
Art. 403.
De, behalve het pandrecht, op de zaak gevestigde zakelijke rechten blijven slechts dan bestaan, als zij bij den verkoop zijn voorbehouden.
Art. 404.
De koopprijs wordt betaald aan den pandhouder, die zich daaruit voldoet:
1°. de op den verkoop gevallen kosten;
2quot;. de door hem tijdens zijn bezit gemaakte kosten tot behoud of onderhoud van de zaak;
3°. de schuld, waarvoor liet pand gegeven is, met de renten.
Het overschot moet aan den pandgever worden uitgekeerd.
Het bedrag, door den pandhouder op de zaak te verhalen, kan bij overeenkomst worden beperkt.
Art. 405.
Bestaat liet pand uit Nederlandsche gangbare muntspeciën of muntbiljetten, of uit biljetten van de Nederlandsche bank, dan is de pandhouder onmiddellijk nadat de schuld opeischbaar werd, en zonder voorafgaande aanzegging, bevoegd en, zoo de pandgever het vordert, verplicht zich te voldoen overeenkomstig het voorgaand artikel.
De bepaling van artikel 400 is toepasselijk.
Art. 406.
De pandhouder, wien het bij de artikelen 396 en volgende omschreven recht tot
84
verkoop bij beding werd ontzegd, kan desniettemin van den kantonrechter van zijn domicilie machtiging verzoeken om het pand op de door dien rechter te bepalen wijze te verkoopen, of wel om het tot een, bij de beschikking vast te stellen, bedrag in betaling te houden.
Alvorens op het daartoe strekkend verzoek te beschikken, hoort de kantonrechter den pandgever.
De bepalingen van de laatste twee leden van artikel 259 zijn toepasselijk.
Art. 407.
Pendrecht gaat te niet:
1°. door het te niet gaan der door het pand verzekerde verbintenis;
2°. door afstand;
3°. doordien de pandhouder de zaak teruggeeft aan den pandgever;
4°. door vermenging van den eigendom en het pandrecht;
5°. door bevrijding van de zaak overeenkomstig het tweede lid van artikel 105;
6°. door pandverkoop;
7°. in het geval van artikel 393.
Art. 408.
Pandrecht, verleend voor een tijd of onder eene ontbindende voorwaarde, gaat mede te niet door het verloopen van den tijd of de vervulling van de voorwaarde.
Art. 409.
Is het pand, na de inpandgeving, in de macht van den pandgever teruggekomen, dan wordt vermoed, dat hij het van den pandhouder heeft teruggekregen.
Art. 410.
De verpanding van een aandeel in of het vruchtgebruik van eene roerende zaak valt, indien zij geschiedt met overdracht van deze zaak in het uitsluitend bezit des schuld-eischers, onder de bepalingen van deze afdeeling, met dien verstande, dat het recht des schuldeischers tot verkoop beperkt is tot het aandeel of het vruchtgebruik.
Door het te niet gaan van het vruchtgebruik gaat ook het pandrecht daarop te niet.
Afdeeling II.
Pandrecht op rechten.
Art. 411.
Voorwerp van verpanding kunnen zijn alle rechten, die vatbaar zijn voor overdracht, met uitzondering van die, welke genoemd worden in artikel 320.
De bepalingen der voorgaande afdeeling zijn, voor zooveel de aard der zaak hot toelaat en er in de volgende artikelen niet van is afgeweken, op dit pandrecht toepasselijk.
Art. 412.
De pandovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan.
Indien voor de overdracht van het recht bijzondere bepalingen gelden, zijn deze ook op de verleening en de overdracht van het pandrecht toepasselijk.
Art. 413.
De pandgever blijft gedurende het bestaan van het pandrecht het in pand gegeven recht uitoefenen en de voordeelen daarvan genieten.
Beschikkingen ten aanzien van bet in pand gegeven recht, afstand daarvan door den gerechtigde, te niet gaan daarvan door vermenging, werken niet ten nadeele van den pandhouder.
Indien voor de instandhouding van bet in pand gegeven recht maatregelen noodig zijn, is de pandhouder tot het nemen daarvan bevoegd, en daartoe verplicht, wanneer die, naar de regelen van een goed en ordelijk beheer, behooren te worden genomen.
Art. 414.
Bij de verpanding of bij latere overeenkomst kan den pandhouder de uitoefening van het in pand gegeven recht en het genot der voordeelen, die het oplevert, worden toegekend.
Art. 415.
Indien het pandrecht gevestigd is op eene inschuld, werkt het ten aanzien van den schuldenaar van deze niet dan nadat bet ontstaan of de overdracht er van aan hem is beteekend of door hem schriftelijk is erkend.
86
Art. 416.
Verkoop van het in pand gegeven recht door den pandhouder, tot verhaal van het hem verschuldigde, kan slechts geschieden op de wijze door den kantonrechter van het domicilie des pandhouders te bepalen.
Alvorens op het daartoe strekkend verzoek te beschikken, hoort de kantonrechter den pandgever en, indien het eene inschuld betreft, den schuldenaar van deze.
De bepalingen van de laatste twee leden van artikel 259 zijn toepasselijk.
Het staat partijen vrij bij overeenkomst, mits aangegaan nadat voor den pandhouder het recht tot verkoop geboren was, van dit voorschrift af te wijken.
Art. 417.
De artikelen 388 en 403 zijn op de verpanding en den pandverkoop van rechten niet toepasselijk.
Art. 418.
Indien het pandrecht gevestigd is op eene inschuld, kan, zoolang de schuldenaar der door het pand verzekerde inschuld niet in gebreke is, de in pand gegeven inschuld slechts door den pandgever en den pandhouder gezamenlijk worden opgezegd.
leder hunner kan vorderen, dat de andere daartoe medewerkt, wanneer de opzegging naar de regelen van een goed en ordelijk beheer behoort te geschieden.
De invordering geschiedt door den pandhouder, die daartoe verplicht is, wanneer zij, naar de regelen van een goed en ordelijk beheer, behoort te geschieden.
Indien de in pand gegeven inschuld door betaling wordt voldaan, blijven de aldus verkregen zaken als onderpand bij den pandhouder.
Bestaan die in geld, dan is hij, tenzij hij anders met den pandgever overeenkomt, verplicht dit te beleggen hetzij in eene inschrijving op een der Grootboeken van de Nationale Schuld, hetzij in de Rijkspostspaarbank tot het bedrag, waarvoor rente wordt vergoed.
Art. 419.
Zoodra de schuldenaar van de door het pand verzekerde inschuld in gebreke is, komt de bevoegdheid om de in pand gegeven inschuld op te zeggen, zoowel als die om haar in te vorderen, uitsluitend den pandhouder toe.
Hij is tot een en ander verplicht, wanneer dit, naar de regelen van een goed en ordelijk beheer, behoort te geschieden.
87
Indien de in pand gegeven inschuld door betaling wordt voldaan, oefent de pandhouder op de aldus verkregen zaken door pandverkoop of op de wijze in artikel 405 omschreven de rechten uit, den pandhouder in de voorgaande afdeeling toegekend.
Art. 420.
Tot verkoop van de in pand gegeven inschuld is de pandhouder slechts dan bevoegd, als zij op het oogenblik, waarop zijn schuldenaar in gebreke geraakt, nog niet opeischbaar is.
Art. 421.
Tenzij anders bedongen is, int hij, aan wien eene inschuld in pand gegeven is, de daarvan verschuldigde interessen, voor zoover zij gedurende het bestaan van zijn pandrecht vervallen, en verrekent ze met de hem zelf verschuldigde interessen en het meerdere met de hoofdsom zijner vordering.
TWAALFDE TITEL.
Van heu'i/iiilvoerders.
Art. 422.
Over eene nalatenschap of een gedeelte daarvan en over zaken, bij uitersten wil vermaakt of onder de levenden geschonken, kunnen door don erflater of schenker een. of meer bewindvoerders worden gesteld, om die gedurende het leven des verkrijgers of korteren tijd te beheeren, en laatstgenoemde in alle tot het bewind betrekking hebbende burgerlijke handelingen te vertegenwoordigen.
Ingeval de verkrijger een rechtspersoon is, duurt het bewind ten hoogste dertig jaren.
Art. 423.
Instelling van bewind onder de levenden geschiedt bij de akte van schenking zelve.
Instelling van bewind na doode geschiedt öf bij uitersten wil, óf bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte.
Ten aanzien van onroerende zaken werkt het bewind niet tegen derden, die daarvan geen kennis droegen of hadden moeten dragen, tenzij de akte van instelling die zaken uitdrukkelijk aanwijst en in de openbare registers is overgeschreven.
88
Art. 424.
Indien meerdere bewindvoerders zijn benoemd zonder verdeeling hunner werkzaamheden en iemand der benoemden uitvalt, verblijft, tenzij bij de benoeming anders is bepaald, het bewind bij de overigen.
Onderscheidene personen kunnen worden aangewezen om het bewind bij opvolging te voeren.
Aan de benoemden kan de macht worden verleend om zich medebewindvoerders toe to voegen, of opvolgers te kiezen.
Ook aan rechtspersonen kan bewindvoering worden opgedragen.
Getrouwde vrouwen en zij, die onbekwaam zijn om zich te verbinden, kunnen geene bewindvoerders zijn.
Art. 425.
Niemand is gehouden eene benoeming tot bewindvoerder te aanvaarden.
De benoemde wordt geacht aanvaard te hebben, zoo hij niet binnen ééne maand, nadat de benoeming te zijner kennis is gekomen, haar uitdrukkelijk heeft geweigerd.
Art. 426.
De bewindvoerder, die aanvaard heeft, kan zich aan de bewindvoering niet onttrekken , tenzij hij ontslag heeft bekomen van den rechter van het kanton, waarin de erflater laatstelijk, of de schenker tijdens de schenking domicilie had.
Alvorens te beschikken hoort de kantonrechter den eigenaar, en bij inwilliging van het verzoek voorziet hij tevens, zoo noodig, in de bewindvoering.
Art. 427.
Indien de door den erflater of schenker gedane benoemingen geen gevolg hebben, of indien de benoemden zijn overleden of ontzet, wordt op verzoek van belanghebbenden of ambtshalve in het bewind, zoo noodig, voorzien door den in het voorgaand artikel bedoelden kantonrechter.
Art. 428.
De bewindvoerder kan door de rechtbank, op vordering van den eigenaar, worden ontzet, indien hij :
1quot;. krankzinnig is;
89
2°. in zijn bewind onbekwaamheid aan den dag legt of verplichtingen verzuimt, hem door de wet of bij de akte van instelling van het bewind voorgeschreven;
3°. wegens onbekwaamheid of plichtverzuim uit een ander bewind, uit eene voogdij of curateele is ontzet;
4°. ingevolge artikel 355 n0. 1 B. I het beheer over de goederen van zijn kind heeft verloren, of krachtens artikel 523 B. I uit het daar bedoelde beheer is ontslagen;
5°. in staat van faillissement verkeert.
De bepalingen van de artikelen 408 en 409, alsmede van artikel 412 en van het eerste lid van artikel 413 B. I zijn toepasselijk.
Art. 429.
Indien den bewindvoerder ter zake van zijne bemoeiingen geene belooning, noch eenig legaat of eenige schenking met deze bijzondere bestemming toegekend is, kan hij en, zoo er meerderen zijn, kunnen zij te zamen het loon in rekening brengen, bij artikel 376 B. I omschreven.
Art. 430.
Indien er meerdere bewindvoerders zijn, kan ieder hunner alleen werkzaam wezen; voor de gevolgen van tekortkoming in hunne verplichtingen zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.
Geene veroordeeling wordt uitgesproken tegen hem, die bewijst het zijne gedaan te hebben om de tekortkoming te verhinderen, of tot die verhindering buiten staat te zijn geweest.
Heeft de erflater of schenker de werkzaamheden tusschen de bewindvoerders verdeeld , dan kan ieder van hen slechts binnen den hem aangewezen kring werkzaam zijn, â¢en is hij niet aansprakelijk voor hetgeen buiten zijn kring geschied is, tenzij en voor zoover hij daartoe heeft medegewerkt.
Art. 431,
Bij de akte, waarbij het bewind is ingesteld, kan de erflater of schenker voorschriften omtrent dat bewind en de verantwoording daarvan geven, alsmede den bewindvoerder de verplichting tot het stellen van zekerheid opleggen.
Art. 432.
De bewindvoerder zorgt, dat de bij het derde lid van artikel 423 bedoelde overschrijving zoo spoedig mogelijk plaats heeft.
12
90
Art. 433.
Binnen drie maanden, nadat het bewind is aanvaard, zorgt de bewindvoerder voor het opmaken, in tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van den eigenaar, van eene beschrijving der onder zijn bewind gestelde zaken, met vermelding van hare waardeering, voor zoover het roerende zaken zijn.
De beschrijving kan ondershands worden opgemaakt, indien de eigenaar tegenwoordig is en zich met den bewindvoerder omtrent de bewaring daarvan heeft verstaan.
Art. 434.
De kantonrechter kan den termijn voor het opmaken der beschrijving verlengen; hij kan ook van de verplichting daartoe vrijstellen, indien uit andere voor den eigenaar toegankelijke bescheiden genoegzaam blijkt wat onder des bewindvoerders beheer is gekomen.
Alvorens te beschikken hoort de kantonrechter den eigenaar.
Art. 435.
Indien een erfdeel in een nog onverdeelden boedel onder bewind is gesteld, komt het recht om boedelscheiding te vorderen aan den bewindvoerder toe en worden hem de aan den eigenaar toebedeelde zaken afgegeven; voor de boedelscheiding geldt het tweede lid van artikel 1117 B. W.
Art. 436.
De bewindvoerder is gehouden tot de zorg van een goed huisvader en tot inachtneming van de voorschriften, hem bij de akte van instelling van het bewind gegeven.
Art. 437.
Tenzij de erflater of schenker andere bepalingen heeft gemaakt, zijn ten aanzien van den verkoop van roerende zaken en de belegging van gelden de voorschriften van de artikelen 434 en 435 B. I toepasselijk.
Art. 438.
De bewindvoerder mag zonder verlof van den kantonrechter:
91
1°. geene onder zijn bewind gestelde onroerende zaken, schepen, effecten, aandeelen of rechten vervreemden of bezwaren;
2°. geene gelden opnemen;
3°. geene dading aangaan, behalve in het geval van artikel 19 B. R.
Alvorens te beschikken hoort de kantonrechter den eigenaar.
De bepalingen van de artikelen 438, 439 en 440 B. I zijn, zooveel de aard der zaak het toelaat, toepasselijk.
Bij de akte, waarbij het bewind is ingesteld, kan de noodzakelijkheid van het verlof des kantonrechters worden beperkt of opgeheven.
Art. 489.
De bewindvoerder mag, zonder dat de kantonrechter, na verhoor van den eigenaar, de te sluiten overeenkomst goedkeurt, geene aan zijn bewind onderworpen zaken koopen of huren.
Ingeval van openbare verkooping of verhuring moet de goedkeuring binnen ééne maand daarna zijn aangevraagd.
Art. 440.
Heeft de bewindvoerder in de gevallen, waarin, volgens de beide voorgaande artikelen, het verlof of de goedkeuring des kantonrechters vereischt wordt, eenige handeling zonder dat verlof of die goedkeuring verricht, of wel zich niet gehouden aan de hem bij het verlof gegeven voorschriften, dan kan de eigenaar, enkel op dien grond, de nietigverklaring der handeling vragen.
Hetzelfde geldt, indien, in het geval bedoeld bij het tweede lid van het voorgaand artikel, de goedkeuring niet binnen ééne maand is aangevraagd.
De eigenaar kan tegen de handeling niet opkomen, indien hij geen nadeel door haar geleden heeft, of indien hij haar uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft goedgekeurd.
Art. 441.
Indien onder bewind gesteld is een kapitaal, in eene onderneming van landbouw, handel of nijverheid geplaatst, wordt deze vereffend, tenzij de erflater of schenker den bewindvoerder uitdrukkelijk tot voortzetting der zaken heeft gemachtigd of die voortzetting heeft bevolen.
In die gevallen wordt de ontheffing van artikel 438 nos. 1 en 2 geacht te zijn verleend.
De eigenaar heeft het recht jaarlijks afschrift van de balans te vorderen, met inzage van de daartoe betrekkelijke bescheiden en van de boeken der onderneming, ook wanneer derden medebelanghebbenden zijn.
92
Art. 442.
De kantonrechter kan ten allen tijde, op verzoek hetzij des bewindvoerders, hetzij des eigenaars, de staking van het bedrijf bevelen.
Is op het in de zaken geplaatste kapitaal van den eigenaar een verlies van dertig ten honderd geleden, dan wordt, zonder verlof van den kantonrechter, het bedrijf niet langer voortgezet.
In beide gevallen hoort de kantonrechter, alvorens te beschikken, op het verzoek des bewindvoerders den eigenaar, en op dat van den eigenaar den bewindvoerder.
Art. 443.
De bepalingen der twee voorgaande artikelen gelden slechts voor zoover de rechten van derden dit niet verhinderen.
Art. 444.
Alvorens als eischer of verweerder in rechte op te treden, of tegen eenige uitspraak op te komen, kan de bewindvoerder te zijner verantwoording de goedkeuring van den kantonrechter vragen.
Alvorens te beschikken hoort de kantonrechter den eigenaar, tenzij hij om gewichtige, bij zijne beschikking te vermelden, redenen dit verhoor overbodig verklaart.
De bewindvoerder, die op eigen gezag handelt, kan, onverminderd zijne verplichting tot schadevergoeding, zoo daartoe gronden zijn, persoonlijk in de proceskosten worden veroordeeld.
Art. 445.
Wanneer de bewindvoerder, met goedkeuring des kantonrechters, te verleenen op de wijze in het voorgaand artikel vermeld, in een tegen hem ingestelden eisch berust, wordt hij vermoed in het belang des eigenaars te hebben gehandeld.
Art. 446.
Zoolang het bewind duurt, kan de eigenaar de daaraan onderworpen zaken niet vervreemden of bezwaren, en kunnen daarop slechts vorderingen die zaken betreffende worden verhaald.
Ter zake dezer vorderingen is de eigenaar in zijn overig vermogen niet aansprakelijk.
93
Art. 447.
Tenzij uit de bepalingen der akte, waarbij bet bewind is ingesteld, iets anders volgt, is de bewindvoerder verplicht om jaarlijks rekening en verantwoording aan den eigenaar le doen en hem de zuivere vruchten en inkomsten uit te keeren.
Art. 448.
De bewindvoerder is bij het eindigen van het bewind verplicht ter zake daarvan aan den eigenaar rekening en verantwoording te doen; van deze verplichting kan hij niet worden vrijgesteld.
Indien het bewind geëindigd is in den persoon van den bewindvoerder, is de bepaling van artikel 450 B. I toepasselijk.
Art. 449.
Bij de rekening worden den bewindvoerder alle noodzakelijke en betamelijke uitgaven, die behoorlijk gerechtvaardigd zijn, goedgedaan.
Voor hetgeen hij buiten den kring van het gewone beheer heeft verricht of nagelaten, is hij bij zijne eindrekening verantwoordelijk, ook al heeft de eigenaar hem vroeger goedkeuring of ontheffing te dier zake verleend.
Art. 450.
Indien onder bewind gestelde zaken zijn onderworpen aan vruchtgebruik, zijn, zooveel de aard der zaak het toelaat en onder inachtneming van het navolgende, de voorgaande artikelen toepasselijk.
Art. 451.
Tenzij uit de bepalingen der akte, waarbij het bewind is ingesteld, iets anders volgt, blijven de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken onder bewind, zoolang dat recht duurt.
Ten aanzien van de bij artikel 433 bedoelde beschrijving heeft de vruchtgebruiker gelijke bevoegdheid als de eigenaar.
Indien de rechter, eer hij eene beschikking geeft, den eigenaar moet hooren, hoort hij mede den vruchtgebruiker.
Naar omstandigheden kunnen de rechtsvorderingen of verzoeken, tot welke in dezen Titel de eigenaar wordt bevoegd verklaard, ook door den vruchtgebruiker worden ingesteld of gedaan.
94
Art. 452.
De uitkeering en de rekening en verantwoording, bij artikel 447 bedoeld, geschiedt aan den vruchtgebruiker.
Rekening eu verantwoording, ingevolge artikel 448, wordt gedaan zoowel aan den vruchtgebruiker als aan den eigenaar.
Art. 453.
Tenzij do erflater of schenker het tegendeel bepaald heeft, kan de vruchtgebruiker, zoolang het bewind duurt, zijn recht niet vervreemden of bezwaren.
Art. 454.
In alle gevallen, waarin krachtens bepalingen van dezen Titel de rechter tot eenige beschikking of beslissing wordt geroepen, is daartoe, met uitzondering van de gevallen in de artikelen 426 en 427 bedoeld, de rechter van het domicilie des bewindvoerders aangewezen.
In elk geval, waarin geen andere Nederlandsche rechter bevoegd zou zijn, is de rechtbank te Amsterdam of de rechter van het eerste kanton aldaar aangewezen.
Ten aanzien van alle beschikkingen zijn de bepalingen van de laatste twee leden van artikel 259 toepasselijk,
DERTIENDE TITEL.
Van de openbare registers van onroerende zaken.
Art. 455.
In elke der gemeenten, die daartoe door den Koning worden aangewezen, is een kantoor, bestemd tot het houden der openbare registers van de onroerende zaken binnen den daarvoor aan te wijzen kring.
Art. 456.
Het houden der in het voorgaand artikel bedoelde registers is voor elk kantoor opgedragen aan een door den Koning benoemden bewaarder, die, wat betreft de nakoming der verplichtingen, hem bij dezen Titel opgelegd, onderworpen is aan het toezicht van den Minister van Justitie.
95
Art. 457.
Behalve de akten, wier werking in de voorgaande Titels van eene overschrijving in de registers is afhankelijk gesteld, zullen daarin worden overgeschreven, met hetzelfde gevolg:
1°. alle akten houdende beschikkingen, waarvan opheffing of beperking van de vervreemdbaarheid van eene zaak het gevolg is;
2°. alle akten houdende verbetering, aanvulling of wijziging van reeds overgeschreven akten;
3U. vonnissen strekkende tot toewijzing of opheffing van zakelijk recht;
4°. de vonnissen strekkende tot de vernietiging, herroeping of ontbinding, bedoeld in de artikelen 103 en 104.
Art. 458.
Alle stukken, den bewaarder ter overschrijving aangeboden, worden door hem onmiddellijk in ontvangst genomen en naar de orde van aanbieding op het dagregister gebracht^
Hij geeft een bewijs van ontvangst af, vermeldende den dag der aanbieding, benevens het deel en nummer van het dagregister, waaronder de aanbieding in dat register geboekt is.
Art. 459.
Het tijdstip, waarop de aanbieding in het dagregister is geboekt, bepaalt den aanvang van de werking der stukken, zonder dat de dagteekening van de akte of het vonnis zelf in aanmerking komt.
Art. 460.
De aanlegger van eene rechtsvordering tot opheffing van zakelijk recht, of tot de vernietiging, herroeping of ontbinding, bedoeld in de artikelen 103 en 104, is bevoegd zijne dagvaarding te doen overschrijven.
Heeft hij van deze bevoegdheid gebruik gemaakt, dan werkt de overschrijving van het vonnis, waarbij de eisch werd toegewezen, terug tot aan de overschrijving van de dagvaarding.
Art. 461.
Buiten den daarvoor aan te wijzen kantoortijd mogen door den bewaarder geene ter overschrijving aangeboden stukken worden in ontvangst genomen, en heeft geene boeking in het dagregister plaats dan van binnen dien tijd aangeboden stukken.
96
Art. 462.
De bewaarder houdt registers, waarin de aangeboden stukken, na hunne inboeking in liet dagregister, voluit worden overgeschreven.
Het aantal en de inrichting dezer registers worden bij algemeenen maatregel van bestuur voorgeschreven.
Na de overschrijving wordt ten aanzien van hen, die, bij een later overgeschreven stuk, van denzelfden persoon recht verkregen hebben op dezelfde zaak, de inhoud van het stuk bepaald door het daarvan op het register aanwezige afschrift, tenzij zij, bij verschil , zich op deu inhoud van het stuk zelf beroepen.
Fouten bij de overschrijving gemaakt worden op de bij algemeenen maatregel van bestuur voorgeschreven wijze verbeterd door den bewaarder, die de verbetering dagteekent en onderteekent; eerst van die dagteekening werkt de verbetering.
Art. 463.
In de ter overschrijving aangeboden akten moet, hetzij door opgave van de kadastrale kenmerken, hetzij op andere wijze, nauwkeurig worden aangeduid welke goederen of' gedeelten van goederen door partijen bedoeld zijn.
Art. 464.
Behalve testamenten, in de gevallen van artikel 423 en van artikel 1033 B. W., worden geene andere akten overgeschreven dan die in authentieken vorm verleden zijn.
De volmachten, uit kracht waarvan in die akten gehandeld wordt, moeten zijn notarieel, of onderhandsch met gelegaliseerde handteekeningen.
Van de legalisatie moet in de over te schrijven akte melding zijn gemaakt.
Art. 465.
De legalisatie der handteekeningen onder de volmachten geschiedt door een kantonrechter , den griffier van een kantongerecht, een burgemeester of een notaris.
Deze ambtenaar verklaart daarbij, op den eed bij de aanvaarding zijner bediening afgelegd, dat de onderteekening in zijne tegenwoordigheid is geschied, en dat de onderteekenaar is de persoon, dien hij opgeeft te zijn.
Indien de lastgever hem onbekend is, kan hij de legalisatie verrichten op de verklaring van twee hem bekende, meerderjarige, binnen het Koninkrijk wonende getuigen van het mannelijk geslacht; deze moeten hunne verklaring door hunne medeondertee-kening bevestigen.
97
Art. 466.
Akten, in een vreemd land in den daar bepaalden authentieken vorm verleden, kunnen worden overgeschrfeven, mits zij in de Nederlandsche taal gesteld zijn en door de arrondissements-rechtbank, binnen wier ressort de goederen gelegen zijn, daartoe machtiging is verleend.
Alle in het buitenland verleende volmachten, uit kracht waarvan in de bij dit artikel en artikel 464 bedoelde akten gehandeld wordt, moeten bij authentieke akte zijn verleend.
Art. 467.
De overschrijving heeft plaats naar een authentiek afschrift.
De overschrijving der aan de oorspronkelijke akte gehechte stukken wordt niet vereischt.
Art. 468.
Na de overschrijving is de bewaarder desverlangd verplicht aan den belanghebbende de stukken terug te geven, en op het overgelegde afschrift te vermelden den dag dei-aanbieding, het deel en nummer van het dagregister, waaronder zij geboekt is, en het deel en nummer van het register, waaronder de overschrijving heeft plaats gehad.
Art. 469.
Ook buiten het geval, vermeld in art. 378, kan in het algemeen, wanneer uit eene akte, of wel uit een vonnis of eene rechterlijke beschikking, die in kracht van gewijsde gegaan zijn, blijkt, dat een overgeschreven stuk nietig, vernietigd of uit anderen hoofde krachteloos is, of wel zijne werking geheel of ten deele is opgeheven, de belanghebbende vorderen, dat hiervan in de registers aanteekening worde gedaan.
Zoodanige aanteekening geschiedt naast de bestaande overschrijving, met vermelding van de akte, het vonnis of de beschikking, waaraan zij is ontleend.
De bewaarder doet de aanteekening in den bij algemeenen maatregel van bestuur voorgeschreven vorm en houdt het overgelegde stuk, of een authentiek afschrift daarvan, onder zich.
Indien het stuk eene akte is, gaat hij tot de aanteekening niet over dan nadat hij zich overtuigd heeft van de bevoegdheid der personen, die daarin handelend zijn opgetreden.
Art. 470.
De bewaarder is verplicht aan ieder, die zulks verlangt, inzage te verleenen van zijne openbare registers cu van de te zijnen kantore berustende stukken, krachtens welke
13
98
aanteekeningen in die registers hebben plaats gehad; afschriften en uittreksels te geven van de in die registers voorkomende overschrijvingen, en, betreffende eene aangewezen zaak, getuigschriften af te geven, vermeldende alle overschrijvingen of alle overschrijvingen van eene bepaalde soort, welke te haren aanzien op de registers voorkomen, of wel houdende de verklaring, dat er geene bestaan.
In de afschriften en uittreksels worden opgenomen, en in de getuigschriften vermeld, de naast de overschrijvingen gestelde aanteekeningen.
Art. 471.
Indien de bewaarder eene ambtsverrichting weigert, is hij jegens hem, die de handeling verlangd heeft, verplicht de gronden daarvoor onmiddellijk schriftelijk mede te deelen.
Deze kan zich bij verzoekschrift wenden tot de arrondissements-rechtbank, binnen wier ressort het kantoor van den bewaarder gelegen is.
De rechtbank beslist, na verhoor van den bewaarder, den verzoeker en, zoo zij het dienstig acht, van andere belanghebbenden, over de gegrondheid der weigering en gelast, zoo zij den bewaarder in het ongelijk stelt, de geweigerde handeling.
Op dit verhoor is artikel 500 B. I toepasselijk.
De verzoeker kan in hooger beroep komen binnen ééne maand na de dagteekening der beschikking.
Art. 342 B. R. is niet van toepassing.
Art. 472.
Hij, die zich door eene aanteekening, als bedoeld in de artikelen 378 en 469, bezwaard acht, kan zich bij verzoekschrift wenden tot de in het voorgaand artikel aangewezen rechtbank.
Deze beslist, na verhoor van den bewaarder, den verzoeker en, zoo zij het dienstig acht, van andere belanghebbenden, over de handhaving der aanteekening.
De laatste drie leden van het voorgaand artikel zijn toepasselijk.
De uitspraak wordt naast de in artikel 469 bedoelde overschrijving aangeteekend.
Art. 473.
Indien de bewaarder eene hem opgelegde verplichting niet of niet behoorlijk vervult, is de Staat gehouden tot vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade, onverminderd zijn verhaal op den bewaarder zeiven.
De verantwoordelijkheid van den Staat duurt tien jaren, te rekenen van den dag, waarop de daad of het verzuim, waaruit de schade ontstaan is, heeft plaats gehad.
INHOUD.
B IJ R Ã B ft L IJ K WETBOEK.
TWEEDE BOEK.
Blz.
TITEL I. Algemeene bepalingen.............i.
â II. Van bezit.................5.
â III. Van eigendom................U.
â IV. Van rechtsbetrekkingen tusschen eigenaars van naburige
erven................27.
â V. Van erfdienstbaarheden.............85.
â VI. Van erfpacht.................40.
â VIL Van beklemming...............45.
â VIII. Van grondrente................48.
â JX. Van vruchtgebruik..............51.
â X. Van hypotheek................65.
y) XI. Van pandrecht................78.
â XII. Van bewindvoerders..............87.
,, XIII. Van de openbare registers van onroerende zaken ... 94.
ONTWERP
TOT
HEEZIENING
VAN HET
BURGERLIJK WETBOEK.
TOELICHTING.
ONTWERP
TOT
HERZIENING
VAN HET
BURGERLIJK WETBOEK
der Koningin aangeboden door de Staatscommissie tot voortzetting der herziening, ingesteld bij Besluit van wijlen Zijne Majesteit Koning Willem 111 van 22 Augustus 1887, n0. 24.
TWEEDE BOEK.
TOELICHTING.
'S-GRAVENH AGE. 1 8 9 9.
MEMORIE VAN TOELICHTING.
TWEEDE BOEK.
Van rechten op zaken.
Het opschrift van het Ontwerp Tweede Boek stemt niet overeen met hetgeen dienaangaande in het Burgerlijk Welhoek wordt aangetroffen. Nadat het ontwerp aan het hoofd van het Eerste Boek de woorden «Van personen» had geplaatst, lag het voor de hand thans te spreken van « Zaken ».
Toch scheen dit minder juist. Het woord «zaken», in zijne algemeene heteekenis van «ver-mogensbeslanddeelen » , tegenover « personen » , zou ook de « verbintenissen » omvatten, en het lag niet in de bedoeling dezen laatsten eene andere plaats in het ontwerp te gunnen dan tot nu toe in het geldend recht het geval was geweest Hetgeen in het Tweede Boek is vervat betreft meer in het bijzonder de zakelijke rechten, de jura in re, doch ook dit opschrift zoude niet geheel en al voldoen, want, al maken deze wel is waar het hoofdbestanddeel uit, reeds uit den Eersten Titel zoude blijken, dat ook andere onderwerpen zijn behandeld dan de zakelijke rechten.
Zoo werd dan de uitdrukking gekozen: «Van rechten op zaken», waardoor de gelegenheid werd geopend om, behalve over de jura in re, ook te spreken over de «zaken» zelve en het onderling verband, waarin zij tot elkander staan, over sommige persoonlijke rechten in verband tot de zaken, en eindelijk over die eigenaardige wijze van beschikken over zaken, die in den Titel « Van bewindvoerders » is uiteengezet.
EEBSTE TITEL.
Algemeene bepalingen.
In wetboeken, waarin een Algemeen Deel voorkomt, zouden bepalingen als die van den eersten Titel in zoodanig Algemeen Deel kunnen opgenomen worden, zooals het in 1896 tot stand gekomen
a
Burgerlijk Wetboek voor het Duilsche Rijk heeft gedaan; doch nu men in dezen het voetspoor van het bestaand Burgerlijk Wetboek heeft gevolgd, bestond er geen bezwaar om die onderwerpen als « Algemeene bepalingen» in dit Tweede Boek vooraf te laten gaan.
Het zal reeds dadelijk de aandacht trekken, dat de dertig artikels van den thans geldenden Eersten Titel, die soms van vrij grooten omvang zijn en in vijf afdeelingen zijn verspreid, tot een twintigtal weinig omvangrijke artikels, in ééne afdeeling vereenigd, zijn ingekrompen. De oorzaak hiervan ligt, behalve in het niet nader bepalen van hetgeen voor roerend moei worden gehouden, vooreerst in de eenvoudige en, naar het schijnt, tevens meer wetenschappelijke, onderscheiding der zaken en voorts in het bijna geheel weglaten van den inhoud der vijfde afdeeling.
Onder de artikels, die niet aan eene scherpe critiek ontkomen zijn, behoort artikel 561 B. W., en de verwarring van verlruikbare en nxet-verbruikhare zaken met vervangbare en niet- vervang hare (zie Goudsmit, Pandecten Systeem I, § 42, noot 3, en Diephuis, Het Ned. Burg. liegt I, p. 481), welke tijdens de samenstelling van ons Wetboek blijkbaar veelal heerschte, is ook elders in dat Wetboek doorgedrongen en komt vooral bij artikel 1791 B. W. in een helder licht.
Het zou dus allereerst op den weg liggen van dit ontwerp om deze fout te herstellen, maar, daargelaten, dat het geven van eene juiste omschrijving vAn verbruikhare en niet-verbruiklare en van vervangbare en niet-vervangbare zaken, welke eigenschappen niet onvoorwaardelijk objectief kunnen genoemd worden, op groote moeielijkheden zoude stuiten, â indien het ontwerp de gemelde onderscheidingen opneemt, dan bestaat er evenveel reden om aan andere, die op gelijke lijn staan en hetzij in wetboeken en handboeken, hetzij enkel in handboeken behandeld worden, insgelijks in dezen Titel eene plaats te geven. Men denke met name aan de onderscheiding tusschen deelbare en ondeelbare zaken, welke in artikel 927 Ontw. 1820 en in Th. I, 2, § 43 Allg. Pr. Landr. wordt aangetroffen. Hier stuit men echter al dadelijk op het verschil in juridieke beteekenis, waarin de woorden deelbaar en ondeelbaar, naar gelang van de soort van verdeeling, die in aanmerking komt, of ook voor het rechtsinstituut, waartoe men zich het begrip in betrekking denkt, in de wet voorkomen.
Om deze verschillende redenen is artikel 561 B. W. niet overgenomen, en heeft men er schier geheel van afgezien om onderscheidingen als die, waarop dat artikel betrekking heeft, bij wettelijk voorschrift vast te stellen. Slechts na veel aarzeling en na rijp beraad is dit besluit genomen ten opzichte van de op zich zelf zoo belangrijke onderscheiding der zaken in zaken in en buiten den handel. Het is bekend, dat onze wet die zaken hier en daar aldus vermeldt; dat de schrijvers over het Fransche recht zich reeds beklaagden over de onbepaaldheid, waarin de Code het begrip, dat als onderscheidend kenmerk moet dienen, gelaten had; en dat, toen de Nederlandsche wetgever op zijne beurt voor de moeielijkheid stond, hij er zich van heeft afgemaakt, door ze op den rechter te schuiven. Stelt men zich nu de vraag, hoe in de leemte te voorzien, en raadpleegt men de schrijvers, dan wordt men door allen, ook door diegenen, die bij de vervaardigers van den Code Civil het hoogst in aanzien stonden, bijv. Domat, Les Lois civiles, Livre prél., Tit. HI, Sect. 2, naar de bepalingen van het Romeinsche recht verwezen.
Wilde men eene wettelijke regeling op die grondslagen maken, dan ware in de eerste plaats eene bepaling wenschelijk , waarbij de wet uitdrukkelijk zegt wat zij onder zaken buiten den handel verstaat. Daarbij zou zij de zaken, die uit haren aard extra commercium zijn, volledigheidshalve vermeldende, de res sacrae, religiosae, sanctae natuurlijk met stilzwijgen moeten voorbijgaan enden
3
nadruk moeien leggen op de res publico usui destinatae. Van den anderen kant zou zij moeten rekening houden met het, voor wat openbare wegen betreft, zoo dikwerf voorkomend geval, dat, zonder dat zulks aan de blijvende bestemming van den weg, als zoodanig, te kort doet, de eigendom niet aan den Staat of een publiek lichaam, maar aan een particulier behoort. Eene bepaling als de bedoelde zou derhalve kunnen luiden: «Zaken buiten den handel zijn; iquot;, zaken door haren aard «of door uitdrukkelijke wetsbepaling aan het verkeer onttrokken; 2quot;. zaken, door dengene, die recht « heeft over haar te beschikken, tot gebruik en tot nut van allen of tot den openbaren dienst bestemd. »
Schijnt in dier voege genoegzaam bepaald welke zaken aan het verkeer zouden zijn onttrokken; wanneer men nadenkt tot welk samengesteld en ingewikkeld geheel onze tegenwoordige staatsinstellingen den openbaren dienst hebben gemaakt en hoe tallooze voorwerpen ten behoeve van dien dienst gebezigd worden, dan kan men niet nalaten eenigszins terug te deinzen voor de werking van een beginsel, dat voor zoovele zaken een uitzonderingsrecht schept. Men bedenke, dat het gelijkelijk voor roerende en voor onroerende zaken zou werken, voor kanonnen, cavaleriepaarden, equipement-stukken evenzeer als voor een stadhuis of een stuk grond tot 's lands vestingwerken behoorende; dat alzoo die roerende goederen, zoo ze niet weder door het openbaar gezag in hel verkeer gebracht zijn, aan niemand hunnen toebehooren; dal noch de goede trouw bij het verkrijgen, noch het verloop van lijd, waardoor anders, vroeg of laat, onwettig bezit in wettig overgaat, hier van eenigen invloed zou zijn, en dat dus, om liet zoo uit te drukken, een altijddurend droit de suite ten opzichte van de bedoelde mobilia zou gelden.
Wil men met liet oog op deze bezwaren alleen onroerende zaken met de bedoelde uitsluiting treffen, dan stuit men op nieuwe moeielijkheden. Nu het Burgerlijk Wetboek bijv. bij art. 1210 alleen de zaken, welke in den handel zijn, voor hypotheek vatbaar verklaart, rijst natuurlijk de vraag, of niet op gelijke wijze uitdrukkelijk zou moeten worden gezegd, dal alleen zaken in den handel vatbaar zijn om met erfdienstbaarheden te worden bezwaard.
Intusschen, wil men ook dit laatste in de wel opnemen, dan komt in hel helderste licht, dat het Burgerlijk Wetboek bij de regeling van hel geheele onderwerp eigenlijk de grenzen van het burgerlijk recht zou overschrijden. Immers een dergelijk verbod zou noodwendig van de overweging moeten uitgaan, dal de erfdienstbaarheden belemmerend zouden kunnen worden voor den openbaren dienst, en nu kan men toch moeielijk ontkennen, dat de roeping, om daartegen .te waken, niet is die van het Burgerlijk Wetboek, een wetboek, waarin de rechten en verplichtingen der bijzondere personen en van den Staal, in zoo ver hij met dezen gelijk staat, worden vastgesteld, maar de roeping van de wetten en verordeningen, bestemd om den publieken dienst te regelen en te handhaven, met andere woorden van publiekrechtelijke en administratiefrechtelijke voorschriften.
De juistheid dezer beschouwing of althans hel tweeslachtige der regeling, welke de tegenwoordige voorschriften opleveren, komt niet minder uil bij de uillegging, die men zich gedrongen gevoeld heeft aan artikel 1368 B. W. te geven. Men zou bij de eerste lezing meenen, dat hier de absolute onbestaanbaarheid wordt uitgesproken van verbintenissen ten opzichte van zaken huilen den handel, onverschillig of die verbintenissen op eigendomsoverdracht gericht zijn of enkel op het verschaffen van gebruik en genot van de zaak. Maar niemand vat het artikel zoo streng op, en de een komt langs dezen, een ander weder langs een anderen weg tot hel resultaat, dat slechts op die praeslaliën gedoeld wordt, waaronder de openbare dienst zou kunnen lijden; zie Laurent, Principes de droit civil, XVI, n0. 79, pg. 110.
4
Bevindt men alzoo, wanneer men voorschriften omtrent de zaken huilen den handel wil ontwerpen, telkens opnieuw, dat men met publiekrechtelijke elementen te doen krijgt, welke elementen daarenboven het zwaarste gewicht in de schaal leggen; overweegt men van een anderen kant, dat het in onze tegenwoordige maatschappelijke toestanden nagenoeg ondenkbaar is, dat ten algemeenen gebruike of voor den openbaren dienst bestemde onroerende zaken door particulieren in bezit genomen worden, zonder dat het openbaar gezag dat \erhindert, en dat derhalve voorschriften als thans in de artikelen 593 en 1990 B. W. worden gevonden weinig practisch nut hebben; denkt men eindelijk aan de bovengemelde gevolgen van onttrekking aan het handelsverkeer van zooveel roerende zaken, dan schijnt er ruimschoots voldoende grond aanwezig te zijn om de geheele regeling, die het hier geldt, aan het publiek recht over te laten en in het Burgerlijk Wetboek over zaken in en hniten den handel geheel te zwijgen. Wil de wetgever op staatsrechtelijk gebied, om welke reden dan ook, zaken geheel of ten deele aan het privaatrecht onttrekken, hij kan het daar gereedelijk doen, en deze behandeling biedt het groote voordeel aan, dat de onttrekking dan steeds met juistheid kan beantwoorden aan hetgeen het onderwerp, dat aan de orde is, vordert.
Dat standpunt, waarop het ontwerp zich heeft gesteld, brengt ten opzichte van de artikelen van den tegenwoordigen Eersten Titel, welke op 'slands publiek domein betrekking hebben, namelijk de artikelen 577, 578, 579, 580 en 581 B. W., mede, dat die bepalingen uit het Wetboek moeten verdwijnen. Het Burgerlijk quot;Wetboek beschouwt den Staat dan als ieder ander eigenaai, onvei-schillig welke bestemming de goederen hebben, maar het eerbiedigt daarom niet minder de uitzonderingen op zijne gewone voorschriften, welke de wetgever mocht goedvinden ter bescheiming van ten algemeenen gebruike bestemde zaken tegen aanmatigingen van particulieren nog bijzonder vast te stellen. Dit behoeft overigens niet uitdrukkelijk in het wetboek te worden gezegd, daar, wanneer de publiekrechtelijke wetten en verordeningen het zóó bevelen, het niet minder zal gelden indien het enkel in die wetten te lezen staat, dan wanneer het Burgerlijk Wetboek het nog eens bevestigt.
Zoo vervalt dan alle aanleiding om van de onderscheiding tusschen zaken in en huilen den handel eenig gewag te maken. Hierbij zij nog opgemerkt, dat het Burgerlijk Wetboek voor het Duitsche Rijk zich nagenoeg op hetzelfde standpunt heeft gesteld en de onderscheiding insgelijks ter zijde laat, »Die Unterscheidung ist», zeggen de Motive, III, S. 26, ((an sich dunkel und auch wegen ihies « Zusammenhanges mit staatsrechtlichen Einrichtungen und Anschauungen der alten Römei wenig « geëignet der heutigen Gezetzgebung als Grundlage einer allgemeinen Eintheilung der Sachen zu dienen. »
Aan de onderscheiding tusschen roerende en onroerende zaken knoopt zich, door ons geheele burgerlijk recht heen, zooveel verschil in rechtstoestanden en in rechtsgevolgen vast, dat men gerust die onderscheiding de gewichtigste van alle mag noemen. Het kan dus niet twijfelachtig zijn, dat deze Titel er zich mede moet bezig houden. Behalve deze wordt in het ontwerp nog slechts ééne onderscheiding op den voorgrond gesteld, n. 1. die tusschen hoofdzaken aan de eene en hijzaken en hulpzaken aan de andere zijde. Het Burgerlijk Wetboek miskent den aard van deze laatste onderscheiding door op hulpzaken toe te passen wat slechts voor bijzaken behoort te gelden, en het zal geen betoog behoeven, dat het wetenschappelijk juister is de juridieke betrekking tusschen de hoofdzaken en hulpzaken aan te duiden, dan aan deze laatste een karakter toe te kennen, waarop zij, zelfs in betrekking tot de hoofdzaak beschouwd, geen recht hebben.
De reden waarom de artikels 577â581 B. W. niet zijn overgenomen werd hierboven uiteen-
gezet; over de andere artikels van de vijfde afdeeling is evenzeer reeds de staf gebroken (zie o. a. Diephuis I, p. 491, noot 3). Alleen zij hier opgemerkt, dat het stelsel van het Bui'gerlijk Wetboek, in het eerste gedeelte van artikel 576 uitgedrukt, in artikel 107 van het ontwerp door een ander is vervangen, terwijl artikel 584 B. W. bij artikel 13 van het ontwerp zal worden besproken.
Art. 1.
De Eerste Titel, en tevens dus ook het Tweede Boek, vangt in het ontwerp aan met een inleidend artikel, waarvan de beteekenis niet nader behoeft aangeduid te worden. De bedoeling van het artikel is niet om daardoor de onderscheiding tusschen lichamelijke en onlichiamelijke zaken aan te stippen, gelijk het Burgerlijk Wetboek in artikel 559 doet, doch waarvan de noodzakelijkheid niet werd gevoeld, veelmin om het begrip van onlichamelijke zaak, zooals het ons door het Romeinsche recht overgeleverd is, als wetenschappelijk begrip te verwerpen, maar om vereenvoudiging te brengen in de terminologie van bet ontwerp. Aan de wetenschap zij het overgelaten te beslissen in hoeverre de beginselen, waarop de bepalingen van dezen Titel berusten, ook toepasselijk zijn op onlichameMjke zaken, op rechten; uit den inhoud van de overige Titels zal blijken, dat daar met het in dit artikel vervatte rekening is gehouden.
In artikel 555 B. W. wordt het tegenovergestelde gezegd van hetgeen in het voorgedragen artikel is vooropgezet; voor het overige zal wel niet betwist worden, dat behalve stoffelijke goederen ook rechten bestanddeelen van het vermogen kunnen zijn.
Het Duitsch Wetboek heeft een dergelijk artikel als het hier besprokene opgenomen.
Artt. 2 en 3.
De beide woorden « bijzaak» en «hulpzaak» staan tegenover «hoojdzaak». In het Wetboek is deze terminologie onbekend. Toch is er, blijkens de geschiedenis van het artikel 556 B. W., meer verband tusschen den inhoud dezer artikelen van het ontwerp en artikel 556 dan bij den eersten oogopslag schijnt.
De bedoeling toch was niet om in laatstgemeld artikel (zie Voorduin, Gesch. en Beg, der Neet Weth. III, p. 305) een regel voor de eigendomsverkrijging door verbinding of zaaksvorming te stellen, maar om te bepalen wat men door zaken moet verstaan, en, in dit licht beschouwd, was de opmerking van de centrale afdeeling wellicht niet ongegrond, dat bepalingen in de wet: «dat «al wat tot eene zaak behoort, en daaraan nog verbonden is, een gedeelte dier zaak uitmaakt en « dat vruchten voorwerp van eigendom kunnen zijn», overtollig kunnen worden geacht,
Het ontwerp nu heeft zich niet van het woord «.deel-» bediend, maar van « hij zaak » gesproken, ten einde te doen uitkomen, dat men niet in het licht behoeft te stellen, dat eene zaak uit verschillende deelen (bestanddeelen) kan bestaan en dat hij die recht heeft op de zaak ook recht heeft op ieder harer deelen, maar wèl, dat zaken, en dit geldt zoowel voor onroerende als voor roerende, in zoodanige verhouding tot elkander kunnen staan, dat de eene, tengevolge harer verbinding met de andere, en zoolang die verbinding duurt, zich als het ware daarin oplost, doch als zelfstandige zaak begint te leven of herleeft, zoodra de verbinding heeft opgehouden; voorts dat, daargelaten welke rechten op de vroeger verbonden zaak zullen kunnen uitgeoefend worden indien de afscheiding heeft plaats gegrepen , tot aan die afscheiding de bijzaak het lot van de hoofdzaak volgt.
Dit in de wet uit te drukken achtte men niet overtollig; vandaar de definitie in het eerste gedeelte en de bepaling in het tweede gedeelte van artikel 3.
O
Omtrent het begrip « hulpzaken » werd in de inleiding reeds een enkel woord gezegd. De definitie hiervan volgt in artikel 6. Hier ter plaatse zij het voldoende te herinneren, dat de onderscheiding tus-schen « hoofdzaken » en « bijzaken » en die tusschen « hoofdzaken » en « hulpzaken » beide steunen op den regel: « res accessoria sequitur rem prineipalem », maar dat de werking aanmerkelijk verschilt. Terwijl toch de bijzaak zich zóózeer met de hoofdzaak vereenzelvigt, dat de zakelijke rechten , welke de hoofdzaak betreffen, zich van zelve ook tot de bijzaak uitbreiden, volgt de hulpzaak de hoofdzaak slechts op het terrein van het obligatierecht en van het recht der uiterste wilsbeschikkingen, immers voor zoover niet van eene tegenovergestelde bedoeling blijkt.
Art. 4.
Ofschoon in het voorgaand artikel het algemeen kenmerk voor de hijzaken is opgegeven, mochten afzonderlijke bepalingen omtrent de vruchten niet achterwege blijven. Immers de voorstelling dat vruchten, inzonderheid wanneer ze tot rijpheid gekomen zijn, zelfstandige zaken zijn, is verre van onnatuurlijk, en het Romeinsch-rechtelijk beginsel geldt dan ook niet algemeen. Het Allg. Preuss. Landrecht bepaalt in Th. I, 9, § 221: «die Früchte einer Sache sind, gleich bei ihrem Entstehen, «das Eigenthum desjenigen, weieher das Niitzungsrecht der Sache bat», en huldigt derhalve de tegenovergestelde leer. Het ontwerp, daarentegen, is niet van het geldend recht afgeweken en beschouwt dus de vruchten, in het bijzonder hier ter plaatse de natuurlijke vruchten, als één geheel uitmakende met de (hootd)zaak , waaruit zij voortkomen.
Het artikel is algemeen gesteld; het omvat dus ook de door nijverheid verkregen, in artfkel 558 B. VV. afzonderlijk genoemde, vruchten. De tusschen beide soorten aldaar gemaakte onderscheiding heeft voor ons recht alle belang verloren. Het omvat desgelijks de vruchten van dieren, alsmede die voortbrengselen van den grond, welke tot de delfstoffen behooren. Het Duitsche Wetboek § 99 rekent tot de vruchten eener zaak: «Die Erzeugnisse der Sache und die sonstige Ausbeute, «welche aus der Sache ihrer Bestimmung gemass genommen wird ». Het, in stand houden der zaak is geen vereischte voor het begrip van «vruchten», en de voortbrengselen van den grond verliezen het kenmerk van vruchten niet doordien zij, gelijk de Motive van het Duitsche Ontwerp het uitdrukken, v auf Kosten des Kapitals » worden verkregen, indien zij slechts genomen worden overeenkomstig den aard en de bestemming van den grond, en dat dit met steenkolen uit de steenkolengroeven, turf uit de veenderijen enz. het geval is, scnijnt niet twijfelachtig.
Art. 5.
Wat omtrent natuurlijke vruchten niet noodig werd geacht, namelijk het geven van eene omschrijving van hetgeen men daaronder te verstaan heeft, scheen bij burgerlijke vruchten onvermijdelijk. Zoo men het begrip van natuurlijke vruchten een natuurlijk, een uit de natuur der dingen voortvloeiend, begrip zou kunnen noemen, dat van burgerlijke vruchten is zeer zeker een rechtskundig begrip. Het eerste lid behelst eene bepaling, die zich aan het voorafgaand artikel onmiddellijk aansluit. Artikel 557 B. W. behandelt de burgerlijke vruchten in het wezen der zaak op gelijken voet als de natuurlijke; zoodanige gelijkstelling aanvaardt het ontwerp niet. Zich geheel en al stellende op het standpunt van hetgeen burgerlijke vruchten in werkelijkheid zijn en met de
7
daarvan in het tweede lid te geven omschrijving voor oogen, zegt het, dat zij als bijzaken worden aangemerkt van de zaak, die ze oplevert, zoolang zij niet opeischbaar zijn. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van artikel 3, zal het pandrecht op een effect zich derhalve ook uitstrekken tot de onafgeknipte coupons. Ten aanzien van verbintenissen en uiterste wilsbeschikkingen zij voorshands verwezen naar artikel 8.
Het tweede lid, eene nadere aanduiding gevende van burgerlijke vruchten, komt in hoofdzaak overeen met het derde lid van artikel 558 B. W. Het Duitsche Wetboek neemt in de meergemelde § 99 het kenmerk op, dat de bedoelde voordeelen krachtens eenige rechtsbetrekking â «vermoge eines Uechtsverhaltnisses» â worden verworven. Theoretisch is dit zeker juist, maar de uitdrukking-is zóó veelomvattend, dat het wetsvoorschrift door die hijvoeging niet in bepaaldheid, althans niet in duidelijkheid, wint en het de voorkeur verdient van de bekende voorbeelden uit te gaan, en dan verder aan te geven wat de wetgever als kenschetsend daarin wil hebben aangemerkt, ten einde dit als grondslag voor analogische toepassing te doen bezigen.
Art. 6.
Werd ten aanzien van hijzaken in artikel 3 op den voorgrond gesteld, dat deze, zoo lang de verbinding duurt, (jeen zelfstandig bestaan hebben â bij hulpzaken is het daarentegen een kenmerk, dat zij haar zelfstandig bestaan behouden. Overigens ligt het zwaartepunt van het voorschrift in het blijvend' bestemd zijn. In dit opzicht is het ontwerp niet afgeweken van artikel 563 B. W.; alleen â het artikel zegt niet, dat de eigenaar de zaken tot een blijvend gebruik aan de hoofdzaak heeft verbonden. In den regel zal alleen van eene blijvende bestemming door den eigenaar sprake kunnen zijn, maar men heeft geen voedsel willen geven aan de meening, dat hetzelfde ook niet door een bezitter, een erfpachter of een beklemden meier zou kunnen geschieden.
Evenmin is het een vereischte, dat de hulpzaak op de eene of andere wijze (zonder dat er nog sprake is van eene meer innige verbinding, die haar tot hijzaak der hoofdzaak zou maken) verbonden zij aan de hoofdzaak; de blijvende bestemming behoeft slechts door de feitelijke verhouding, b. v. door de plaats waar het voorwerp zich bevindt, en het gebruik dat er van gemaakt, wordt, te worden aangeduid.
Bij vergelijking met den verderen inhoud van artikel 563 zal blijken, dat de daarin genoemde voorwerpen, voor zoover zij niet onder de hijzaken te rangschikken zijn en niet behooren tot die zaken, die slechts zeer oneigenlijk onder de hulpzaken te brengen zouden zijn (artikel 563, n'1. 3), onder de gekozen omschrijving vallen. De bouwstoffen van de afbraak, bestemd om het gebouw weder op te trekken, kunnen zeker niet tot de hulpzaken gerekend worden. Ze zouden, op grond van hare vroegere verbinding met de onroerende zaak, als onroerend kunnen worden vermeld (zie Opzoomer, Het Burg. Weih. verkl. III, p. 45), doch deze vermelding, alleen van belang voor den hypothecairen crediteur, ware onder deze algemeene bepalingen minder op hare plaats. De bepaling, voor zoover zij practische gevolgen heeft, is dan ook hierna in artikel 345, nu. 4 opgenomen.
Reeds hierboven werd herinnerd, dat de hulpzaken even als de hij zaken behooren tot de «accessoires », zij het dan ook , dat in het karakter daarvan tusschen beide soorten groot verschil bestaat. Het Ontwerp 1820 maakte in de artikelen 931 en 939 de onderscheiding, die sedert meer en meer ingang heeft gevonden, zoodat. afzonderlijke definitiën van «Zubehörungen» en
8
«Zubehören», in hoofdzaak overeenkomende met de thans in het ontwerp voorgedragene, gevonden worden in het Wetboek van Saksen, § 65, Ontwerp Beieren {Entwurf nines hürg. Gesetzb. 1864), artikel 150, Duitsch Wetboek § 97.
Het bepaalde in het tweede lid behoeft ter nauwernood eenige uitlegging. Het spreekt van zelf, dat eene zaak, die aan het vereischte, in het eerste lid gesteld, voldoet, haar kenmerk van hulpzaak niet verliest, indien zij, b.v. om hersteld te worden, tijdelijk aan hare bestemming wordt onttrokken.
Art. 7.
Naast de algemeene omschrijving in het voorgaand artikel wordt in dit artikel over enkele voorwerpen afzonderlijk gesproken. Men zou kunnen beweren, dat deze afzonderlijke vermelding onnoodig is, omdat de hier genoemde zaken volkomen passen in het kader, dat in artikel 6 werd getrokken; aan den anderen kant kan men zeggen, dat er wel een zeer nauw verband bestaat, bv. tusschen het fabrieksgebouw en de machines, welke men daarin gebruikt, maar dat de laatste daarom nog geen huiszaken zijn van de eerste, omdat ze, op gelijken voet, heide onmisbaar zijn voor den fabrikant. Hoe het zij, en ook al neemt men deze laatste opvatting als de meest juiste aan, het ontworpen artikel sluit zich bij het geldend recht aan, niet alleen ten aanzien van het bij ons bestaand Burgerlijk Wetboek, maar ook met het oog op de nieuwere buitenlandsche wetgevingen, zooals het Wetboek van Saksen en het Duitsche Wetboek, en voor zoodanig bij elkander behooren der vermelde zaken valt dan ook op economische gronden veel te zeggen.
Het artikel zegt in het sub i0. opgenoemde: «tot uitoefening van eenig bedrijf», â derhalve zeer algemeen, hetzij eenige tak van nijverheid, hetzij een ambacht, hetzij de landbouw, voor zoover de werktuigen geacht kunnen worden tot de gebouwen te behooren, zooals bij dorschmachines, werktuigen voor zuivelbereiding enz. het geval kan zijn.
Daardoor is evenwel de vermelding van boerderijen enz. sub 2°. niet overtollig. Vooreerst is zij van belang voor de werktuigen, die op het land gebruikt worden en in geen verhouding tot een gebouw verkeeren, ten andere voor de mesthoop of de mestvaalt. Wat deze laatste aangaat, men heeft niet over het hoofd gezien, dat zich op eene boerderij mest in voorraad kan bevinden, bestemd om verkocht te worden, en die dus, streng genomen, niet tot de hulpzaken kan worden gerekend; doch in den regel dient zij tot bemesting van het tot de boerderij behoorende land en is er niet genoeg grond om eene in dezen moeielijke onderscheiding te maken. Bovendien is artikel 8 daar , om moeielijkheden in de toepassing te voorkomen.
In afwijking o. a. van het Duitsche Wetboek is het vee niet onder de hulpzaken begrepen. Ten onzent is het geen gebruik het vee de boerderij te laten volgen, â integendeel, het wordt steeds afzonderlijk verhandeld.
Art. 8.
De werking, welke zich aan de door het woord « hulpzaken » uitgedrukte hoedanigheid knoopt, is reeds met een enkel woord aangestipt (zie hierboven ad artt. 2 en 3). De wenschelijkheid om haar in een daartoe strekkend artikel te omschrijven kan voor niemand twijfelachtig zijn. Het ontwerp gaat evenwel niet zoover als het Duitsche Ontwerp (eerste lezing), dat, in aansluiting aan het Wetboek
O
van Saksen en het Ontwerp Beieren, in § 790 ') bepaalde, dat elk «Reclitsgeschiift unter Lebenden» ten aanzien eener zaak zicli ook uitstrekt tot de lulpzaken. (In § 1859 werd eene dergelijke bepaling voor de legaten gegeven). Het houdt zich, ten aanzien van liet obligatierecht, uitsluitend aan de verbintenissen tot levering, maar gebruikt dan ook «levering » niet in den zin van «elyen-domsoverdracht, maar van iedere feitelijke inhezitslelling, hetzij deze geschiedt ter voldoening aan een contract van koop en verkoop of van huur en verhuur, of wel van een pandcontract. Ging men verder en strekte men de bepaling uit tot verbintenissen of burgerlijke handelingen onder de levenden in het algemeen, dan zou men bij eene verbintenis tot het verrichlen van eenigen arbeid aan de hoofdzaak (afwasschen, opschilderen) kunnen eischen, dat dezelfde werkzaamheid aan de hulpzaken geschiedde, â en dit gevolg zou het doel der bepaling zeer zeker voorbijstreven. Voor de wijze van levering der hulpzaken, alsmede voor de vraag welke rechten daarop kleven, volgen zij het algemeene recht omtrent roerende zaken.
Behalve van hulpzaken gewaagt het artikel ook van de bijzaken. Het opnemen daarvan zou wellicht overbodig kunnen worden genoemd, omdat wel niemand op het denkbeeld zal komen voor hijzakeu een ander beginsel aan te nemen, doch het heeft in zooverre zijn nut, dat daardoor de meening wordt voorkomen als zouden partijen niet kunnen overeenkomen, dat de bijzaak van de levering uil gesloten bleef.
De bij- en hulpzaken moeten die eigenschap bezitten tijdens het ontstaan der verbintenis; de reden voor deze bijvoeging ligt voor de hand â de stilzwijgende bedoeling van partijen kan alleen ondersteld worden ten aanzien van de zaken, die op het oogenblik van het tot stand komen dei-wilsovereenstemming tot de bij- of hulpzaken behoorden. Dit neemt intusschen niet weg, dat partijen uitdrukkelijk kunnen overeenkomen dat zaken, die later als bijzaken zijn ontstaan of als hulpzaken worden toegevoegd, in de levering der zaak zullen worden begrepen.
Na hetgeen gezegd is omtrent de verbintenissen kan de toelichting van het tweede lid, dat over de uiterste wilsbeschikkingen handelt, kort zijn. De zaken moeten de vereischten van bij- of hulp-zaken bezitten op het oogenblik van den dood des erflaters. Ditzelfde beginsel vinden wij in artikel 1010 van ons Burgerlijk Wetboek terug; het ware onbillijk en in strijd met de vermoedelijke bedoeling-des erflaters te vergen, dat zij de eigenschap reeds hadden ten tijde van het maken der erfstelling.
Art. 9.
Het ontwerp 1820 behelsde in artikel 903 en volgende eenige bepalingen ten aanzien van eene algemeenheid van zaken en ving die bepalingen aldus aan: «Voor zooverre echter meerdere af-« zonderlijke bepaalde zaken, als deelen tot een geheel kunnen behooren, kan ook dit geheel, als Keen afzonderlijk onderwerp van regt, dat is, als eene zaak op zich zelve, beschouwd worden».
Het Burgerlijk Wetboek onthoudt zich van eenige omschrijving van eene algemeenheid van zaken en laat zich dan ook evenmin over de rechtsgevolgen van zoodanige universitas rerum uit. Terwijl het Wetboek van Saksen en het Ontwerp Beieren het onderwerp niet onvermeld laten, heeft het
1) Keeds in tweede lezing werd dit artikel overgebracht naar het Tweede Boek, hehandelende âdas Hecht der Schuld-verhiütnissequot;. In de afdeeling over den inhoud der contracten leert § 314 van liet Wetboek; âVerpflichtet sich Jemaud zur Vermssermg oder Belastuwj einer Sache, so erstreckt sich die Verpflichtung im Zweifel auch auf das Zubehör der âSachequot;. Hieruit blijkt, dat men de ver strekkende bemaling van het oorspronkelijk ontwerp niet heeft willen handhaven.
b
10
üuitsche Wetboek geene bepaling daaromtrent en wordt deze onthouding in de Motive, III p. 28 , hoofdzakelijk met deze woorden verdedigd: «In der Theorie des gemeinen Rechtes überwiegt jelzt die « Ansicht, dass eine Sachgesammtheit nicht Gegenstand von Rechten sein könne. »
Het Duitsche Ontwerp werd daarover hard gevallen door Otto Gierke in zijn werk: «Der Entwurf eines bürgerlichen Gesetzbuchs und das Deutsche Recht, s waarin zelfs de spot gedreven wordt met het in het Ontwerp vasthouden aan de «Sachindividuen» als eenige mogelijke objecten van recht tegenover de « Sachgesammtheit » als «ideales Objekt».
De vraag diende dus overwogen te worden of men, het voorbeeld volgende van ons bestaand recht en zich vereenigende met de in de geldende rechtsleer aangenomen beschouwing, dat aan eene algemeenheid van zaken geen eigenaardige rechisgevolj/en verbonden zijn, er over zoude zwijgen, dan wel of men, tot tegemoetkoming aan de practische bezwaren aan deze beschouwing eigen, eene of meer bepalingen dienaangaande in het ontwerp zoude opnemen. Het kan niet ontkend worden, dat de thans geldende strenge leer tot groote moeielijkheden en onbillijkheden kan aanleiding geven. Dat hij, die een aantal zaken, welke de hij dit artikel bedoelde eenheid samenstellen, opvordert, den eigendom van iedere individueele zaak, waaruit die eenheid is samengesteld , moet kunnen aantoonen , kan hard en onbillijk zijn, maar aan den anderen kant aan te nemen, dat een bock tot eene boekerij of een schaap tof eene kudde behoort, alleen omdat het boek in de bibliotheek staat of het schaap met de kudde medeloopt of zich in denzelfden stal bevindt, ging evenzeer te ver. De bewijslast, die in het eerste geval te zwaar zou drukken op den eigenaar iler algemeenheid, zou nu de taak van hem, die eenig recht wil aantoonen op de individueele zaak, te moeielijk maken.
Het ontwerp heeft dus een middenweg gekozen. In de eerste plaats behelst het artikel eene definitie van eene algemeenheid van roerende zaken en wordt daarmede tevens te kennen gegeven, dat aan eene algemeenheid van unroenmle zaken (een landgoed, een boerderij) geene bijzondere rechtsgevolgen worden verbonden. ')
In de tweede plaats wordt bepaald, dat, indien zoodanige algemeenheid het voorwerp is van eene verbintenis tot levering of van eene uiterste wilsbeschikking, de afzonderlijke zaken de algemeenheid volgen zoo als, ingevolge het voorgaand artikel, de bij- en hulpzaken de hoofdzaak. Er wordt derhalve niet gezegd, dat de afzonderlijke zaken als bij- of hulpzaken zijn te beschouwen, hetgeen trouwens met de daaraan toegekende begrippen niet ware overeen te brengen ; er zou dan alleen van «bijzaken» sprake kunnen zijn in eene zeer speciale beleekenis, aangezien bijzaken geen anderen eigenaar kunnen hebben dan dien van de hoofdzaak, terwijl bij eene algemeenheid van roerende zaken derden ongetwijfeld de bevoegdheid moeten hebben hun recht op een der afzonderlijke zaken te laten gelden.
Wanneer iemand eene kudde schapen verkoopt, zal hij moeten leveren de schapen, die op het oogenblik van het sluiten der overeenkomst de kudde vormen, â niet de kudde, zoo als deze op het oogenblik der levering zal zijn samengesteld, â immers, zoo niet van eene tegenovergestelde bedoeling blijkt. Uit die bedoeling zal kunnen voortvloeien, zoowel dat de inmiddels geboren jongen aan den verkooper zullen verblijven, als dat de in den tusschentijd gestorven dieren door andere zullen moeten worden vervangen.
1) Zie daarentegen; Vonnis Arr. Rechfb. te 's Hertogenbosch, 10 3Iei 1895, AVbl. Ci28.
11
Art, 10.
Reeds herhaaldelijk is de opmerking gemaakt , dat van nature onroerend alleen is de grond en dat alle andere zaken, hoe vast en hecht ook aan den grond verbonden, in haar geheel en zonder dat zij van vorm of inhoud hehoeven veranderd te worden, kunnen worden verplaatst.
Het ontwerp zegt dus niet, dat de volgende zaken onroerend zijn, maar dat de wel onder onroerende zaken verstaat:
stukken grond, of rnet andere woorden, begrensde deelen van de oppervlakte der aarde.
In de tweede plaats noemt het artikel: ai wat op den grond gebouwd is, mits het door fondementen daarin bevestigd zij. Waar men dus kan aantoonen, dat het gebouw op fondementen rust, die als het ware de schakel vormen, waardoor de materialen van het gebouw aan den grond verbonden worden en den grond en het gebouw één geheel doen uitmaken, daar wordt het gebouw als onroerend beschouwd.
Als onroerend worden dus niet beschouwd; los op den grond staande loodsen , tenten , kramen en dergelijke.
Binnen deze uiterste grenzen zijn er evenwel nog gebouwen, die niet door fondementen met den grond zijn verbonden en evenmin los van den grond zijn, zoo als schuren en andere houten gebouwen, die door geheide palen of op eene andere wijze tot een meer blijvend doel dan tenten enz. op en in den grond zijn geplaatst. Aan dergelijke gebouwen, alsmede aan planten, boomen, onafgescheiden vruchten enz. wordt in het derde nommer gedacht. Hier wordt een algemeen kenmerk aangegeven: het als bijzaak verbonden zijn met een stuk grond of een gebouw. De toepassing er van zal bij ieder voorkomend geval aan het oordeel van den rechter zijn overgelaten. Ten aanzien van spiegels, schilderstukken enz. zij nog opgemerkt, dat deze uit den aard der zaak slechts dan als onroerend zullen kunnen worden beschouwd, indien hel gebouw, waarin zij zich bevinden, zelf tot de onroerende zaken kan gebracht worden.
Art. 11.
Ofschoon rechten van nature geene hoedanigheid kunnen aannemen, welke al of niet vatbaarheid voor verplaatsing in de ruimte veronderstelt, heeft de wijze, waarop verschillende rechtsinstituten zich op den bodem van het Gerrnaansche recht hebben ontwikkeld, er toe gevoerd om de verdeeling der zaken in onroerende en roerende tot eene alle bestanddeelen van het vermogen omvattende uit te breiden, en om dus ook de onlichamelijke zaken onder een van beide rubrieken te brengen.
Artikel 5C4 B. W. doet dit door eene opsomming te geven van de rechten, die als onroerende zaken moeten worden aangemerkt. Het ontwerp geeft uiting aan diezelfde gedachte door in hoofdtrekken aan te geven welke rechten onroerend zijn. Het ligt voor de hand in de eerste plaats te noemen: zakelijke rechten op eene onroerende zaak. Behalve die in artikel 564 genoemd behoort daartoe ook hel recht van hypotheek; trouwens: het niet vermeld zijn in artikel 564 weerhoudt ook thans onze rechtsgeleerden niet het recht van hypotheek voor onroerend te verklaren (Diephuis 'Ned. Burg. liegt I. p. 472). Dat intusschen de strijd op dit punt nog niet uitgestreden is, bewijst de vergelijking van artikel 567 Avant-Frojel van Laurent, waar de lypothèque insgelijks onder deimmmMes
12
wordt gerangschikt, met § 1551 van het Duitsehe Wetboek, waar, bij de regeling van het huwelijks-goederenrecht , bepaaldelijk wanneer «Fahrnissgemeinschaft» is bedongen, tot het unbewegliches Vermogen worden gerekend « die Rechte an Grundstücken mït Ausnahme der Hypotheken , Grund-((schulden enz.».
Ten aanzien van den eigendom is het ontwerp niet afgeweken van de, door de rechtswetenschap reeds uit het Romeinsche recht overgenomen en door het gebruik gewettigde opvatting, dat men door het noemen van de zaak, die eigenlijk slechts is het object van het recht, dat recht zelf te kennen geeft.
In de tweede plaats: zakelijke rechten op zoodanig zakelijk recht. Men kan hierbij denken aan vruchtgebruik van een erfpacht of van eene beklemming, of wel in het algemeen van een vermogen , waarin zich verschillende zakelijke rechten bevinden.
In de derde plaats worden de persoonlijke rechten genoemd, strekkende om eene onroerende zaak of een onroerend recht te verkrijgen of te herkrijgen. Terwijl in de vorige nummers sprake was van de jura in re, wordt hier het terrein betreden van de jura ad rem. Strekken deze jura ad rem mmolilem, dan verklaart het artikel ze voor onroerend. Met net oog hierop is de uitdrukking «doen leveren 6 van artikel 569 8°., althans naar de tegenwoordige terminologie van het Wetboek, niet boven alle bedenking Immers ook de huurder van een huis heeft het recht het huis door den verhuurder «te doen leveren » , en het gaat niet aan liet recht op die levering te immobiliseeren, daar zij niet strekt om een onroerende zaak in het vermogen van den scbuldeischer te brengen. Men vergelijke hierbij artikel 567 Avaut-Projet van Laurent en § 1551 van het Duitsehe Wetboek.
Naast « verkrijgen » wordt « herkrijgen » gebezigd met het. oog op ontbindende voorwaarden, nietigverklaring van overeenkomsten en andere oorzaken , die de strekking hebben een zakelijk recht in iemands vermogen terug te brengen.
Eindelijk worden nog genoemd; de persoonlijke rechten, toekomende aan den eigenaar van eene onroerende zaak of een onroerend recht als zoodanig. De strekking van deze bepaling is om de actie tot betaling van den canon, die tot voldoening der geschenken bij het beklemrecht en, voor zoover deze mochten bestaan, meer dergelijke uit den eigendom van onroerende zaken of rechten voortspruitende rechtsvorderingen tot verkrijging van roerende zaken, onroerend te verklaren.
Nu reeds is onze jurisprudentie tot dit resultaat gekomen '), doch of dit met het oog op het geldend recht juist is, kan betwijfeld worden. Daarom is het raadzaam allen twijfel weg te nemen; eene tegenovergestelde oplossing, immers, zou b. v. ten gevolge hebben, dat de eigenaar van een in erfpacht gegeven land voor de betaling van den canon bij eene andere rechtbank zoude moeten pro-cedeeren dan voor de opvordering van zijn grond, â en dit kan niet gewenscht zijn.
Art. 12.
Het is inderdaad opmerkelijk, dat zoo weinig schrijvers aanstoot nemen aan de uitvoerigheid, waarmede de Code Civil, na in bijzonderheden te hebben vastgesteld welke zaken voor onroerend moeten worden gehouden, daarna nog de roerende zaken behandelt. Dit ware te verklaren, indien de wetgever, even als hij goed, dat van nature roerend is, tot onroerend heeft gestempeld, ook
1) Arrest van den Hoogen Raad (ld. 8 November 1889, Ned. Rechtspr. dl. CLIII, p. 176.
13
het omgekeerde had gedaan, maar nu dit het geval niet is, kan het niet anders dan vreemd en noodeloos omslachtig voorkomen, dat de wet zich niet eenvoudig heeft bepaald tot de verklaring, dat al hetgeen ligt buiten het nauwkeurig door haar afgebakende gebied der onroerende zaken roerend is. Mourlon, een der weinige schrijvers, die de kracht dezer redeneering gevoeld hebben, zegt in n0. 1384 van zijne Répétitions éorites, dat het bedoelde hoofdstuk van den Code schijnbaar overbodig is, omdat men, in algemeene bewoordingen, had kunnen zeggen, que les biens meubles sont tous ceux qui ne sont pas immeubles, en vervolgt dan: «ïoutefois, certains points «auraient pu présenter quelques difficultés: il fallait les fixer et surtout prévenir les doutes «qu'aurait pu faire naitre 1'autorité historique. G'est dans ce but que notre chapitre a óté fait».
Welnu, voor ons zal er wel geen reden meer bestaan om twijfelingen te voorkomen, waartoe Fransch recht uit de vorige eeuwen kan aanleiding gegeven hebben, en voor het overige is de leidende gedachte der wet voldoende uit de voorschriften omtrent onroerende zaken op te sporen , om voor zooveel of zoo weinig als zulks in het algemeen mogelijk is een richtsnoer voor onzekere gevallen te verkrijgen.
Art. 13.
Ten opzichte van artikel 58-4 B. W. is zoowel gewezen op het. geringe nut, dat er uit getrokken kan worden, als op de onjuiste plaats, die het artikel in de vijfde afdeeling heeft ingenomen. Intusschen valt het niet te ontkennen, dat het van belang is om partij te kiezen bij de vraag of men het aantal der zakelijke rechten zal beperken, dan wel of men den weg open zal laten tot het scheppen van nieuwe zakelijke rechten naar gelang de behoefte daaraan zich mocht doen gevoelen. Ons hoogste rechterlijke college besliste (zie arresten van 2 November 1855 en van 30 Januari 1880 , te vinden o. a. in de Ned. Rechtspr. dl. 51, § 30, en dl. 124, § 15), dat artikel 584, slechts enumeratief zijnde, niet verhindert andere dan de daar genoemde zakelijke rechten te erkennen, doch het ontwerp achtte het verkieslijker den weg daartoe af te snijden en niet toe te laten, dat de eigendom door allerlei willekeurig uitgedachte, aan geene wezenlijke behoefte beantwoordende zakelijke rechten, zoude kunnen besnoeid worden.
Slechts diende men te zorgen, dat de verkregen rechten werden geëerbiedigd. Alzoo ontstond nevens de bepaling van het eerste lid, dat geen andere zakelijke rechten dan de in het Wetboek geregelde erkent, die van het tweede lid, waardoor het laten voortbestaan van reeds gevestigde tiendrechten, jacht- en vischrechten of veerrechten en dergelijke wordt gewaarborgd.
Artt. 14â20.
Laurent laat de artikelen 533â536 Code Civil in zijn Avant-T?rojel weg vooral op grond, dat ze meer processen zouden hebben uitgelokt dan gekeerd; zie Tome III, p. 19. Dat is hier te lande geenszins het geval, en het nut, dat de beteekenis der inderdaad zeer gebruikelijke uitdrukkingen, welke in artikel 568 B. W. worden opgesomd, zooveel mogelijk vaststa, kan toch moeielijk worden ontkend. Het met 1 Januari 1866 ingevoerde Italiaansche wetboek is dan ook in zijne artikelen 421â424 den Code blijven volgen. Daarbij verdient het volgende de aandacht. Met het meerendeel der bedoelde uitdrukkingen hebben zich onze vadeilandsche rechtsgeleerden uit de 17de en 18de eeuw bij de behandeling der uiterste wilsbeschikkingen bezig gehouden. Inhoel is al het yeheel van
14
het tilhaer goed, dat in een huis werd bevonden; huisraed is 7geheel van 'tyunt eighenlijk lot dienst van ' t huis behoort, als bane ken, stoelen, kassen, zegt de Groot, Inleyd. B. II, dl. 22, n0. 17; en daarmede stemmen van Leeuwen , Voet en anderen in hoofdzaak in. Laat het ontwerp nu de artikelen 569 en volgende, die eene zeer gedetailleerde opsomming bevatten, vervallen , dan zullen wellicht de vroegere beteekenissen der uitdrukkingen herleven, een voordeel, in zoover ze iets meer met de levende taal overeenkomen, maar waaraan het grootere nadeel kleeft, dat ze voor eene beslissing omtrent de bijzondere voorwerpen minder dienstig zijn.
Daarbij komt, dat onze rechtsgeleerden ook op dit terrein niet altijd eenstemmig dachten. Voet bijv. legt de uitdrukking: «een huis met al hetgeen zich daarin bevindt» uit. als 572 B. W. doet; Wassenaar, van Testamenten, enz., C. 18, n0. 06, zondert daarentegen, behalve het geld en de « schulden ofte crediten », ook clt; koopwaren en dieren of beesten » uit.
Het ontwerp neemt dus de artikelen 568 â574 van het Burgerlijk Wetboek over. Kleine wijzigingen, bepaaldelijk in de rangschikking der voorwerpen en van taalkundigen aard behoeven geen nadere toelichting.
Ten aanzien van de artikelen 16 en 17 wordt hier nog opgemerkt, dat men door de woorden «inboedel» en «meubelen of huisraad» genoegzaam te kennen gegeven acht, dat schepen, al moge de wet die voor roerend verklaren, daaronder niet kunnen worden begrepen. Vermits «schuldvorderingen en rechten» geen zaken in den zin van het ontwerp zijn, behoeven zij niet uitgesloten te worden. (Artikel 570 B. W.)
«Familiepapieren en (familie)gedenkstukken» moeten geacht worden toe Ie komen aan den persoon of de personen, die tot de bedoelde familie behooren, â zij zijn dus niet vatbaar om onder de algemeene rubriek van «inboedel» of «meubelen of huisiaad» te worden gerekend. (Vgl. artikel 168 Ontwerp Eerste Boek.)
«Koopmanschappen, grondstoffen en alles wat noodig is tot uitoefening van eenig bedrijf.» Dit laatste woord «bedrijf» is hier in denzelfden algemeenen zin genomen als in artikel 7 sub 1°.; derhalve valt ook het landbouwbedrijf er onder en zullen bijv. werkpaarden, die noodig zijn tot uitoefening van dat bedrijf, niet tot den inboedel kunnen worden gebracht; grondstoffen alleen dan , wanneer zij niet bestemd zijn tol verwerking voor handelsdoeleinden.
Artikel 17 spreekt van (.(verzamelingen van beelden, schilderijen enz. op galerijen of in bijzon-et dere vertrekken geplaatst». Alleen dus wanneer deze voorwerpen tot eene collectie zijn bijeengevoegd, kunnen zij niet onder «meubelen of huisraad» worden gerangschikt. Vandaar dat in artikel 18 de «beelden, schilderijen, porselein en dergelijke» geacht worden tot de «stoffeering» te behooren , omdat daar niet van eene verzameling dier voorwerpen wordt gesproken.
TWEEDE TITEL.
Van bezit.
Bij de behandeling der vraag in hoeverre het ontwerp zich zoude aansluiten aan de bestaande bepalingen van het Burgerlijk Wetboek omtrent Bezit, moest meer dan ooit rekening gehouden
worden met de denkbeelden, die in den loop der jaren ten aanzien van dat leerstuk zich hadden ontwikkeld, en zoo schijnt het dan ook gewenscht om in de memorie van toelichting op dezen Titel, zonder zich op den breeden weg der bespiegelingen over den aard van het Bezit te begeven en in eene uiteenzetting te treden van de daarmede in verband staande vraagstukken, met een enkel woord het standpunt aan te geven, waarop men zich te dezen aanzien heeft geplaatst.
Dat men zich hier niet heeft bepaald bij wijzigingen van redactie of vereenvoudigingen aan den eenen en aanvullingen aan den anderen kant, zal geen verwondering wekken. Geen Titel wellicht uit het geheele Burgerlijk Wetboek, die aan zulke heftige aanvallen van de zijde dei-beoefenaars van de rechtswetenschap heeft blootgestaan als juist deze, en zelfs zij , die , met het oog-op de bruikbaarheid der in den Titel vervatte bepalingen, dezen hebben verdedigd, hebben toch niet kunnen nalaten te wijzen op de onjuistheden en tegenstrijdigheden , die daarin voorkomen, zoodat de wetenschappelijke waarde van die bepalingen niet hoog staat aangeschreven. Zoo zullen, om een voorbeeld te noemen, de artikelen, die handelen over de wijze waarop het bezit verloren gaat, moeielijk aan eene afkeurende critiek kunnen ontsnappen, terwijl ook de regeling der bezitsacties wel door niemand in bescherming zal worden genomen.
Intusschen zou men zich vergissen, indien men mocht meenen, dat het geheel loslaten van ons geldend recht en het volgen van de nieuwere richting, waarin zich de doctrine beweegt, van zelf tot eene volkomen oplossing der moeielijkheden zoude brengen. Onwillekeurig grijpt men ook hier naar hetgeen ons als de laatste proeve van -wetgeving bekend is, en wel naar de beide lezingen van het Duitsche Ontwerp en het daaruit ontstane üuitsche Wetboek. Aan het hoofd van de tweede afdeeling van het Derde Boek stonden de woorden t Besitz und Inhabung », en de eerste paragraaf 797) luidde aldus: « Der Besitz einer Sache wird erworben durch die Erlangung der thatsachlichen Gewalt « über die Sache (Inhabung) in Verbindung mit dem Willen des Inhabers die Sache ais die seinige zu « haben (Besitzwille)» : De samenstellers van dat Ontwerp volgden hierin het voetspoor van het Wetboek vanSaksen, § 186, en tot toelichting werd (Motive III, p. 80) o. a. het navolgende aangevoerd: « Seit « dem römischen Bechte wird zu der Erwerbung des Besitzes das Zusam men treffen des Besitzwillens «mit der thatsachlichen Gewalt über die Sache, corpus und animus gefordert.» En iets vroeger (p. 78): «Den Besitz als Becht zu bezeichnen, ist nicht unbedenklich. Dagegen kann der Besitz «ohne Bedenken als eine Bechtsposition bezeichnet werden; denn er giebt bei Behauptung und « Geltendmachung des Eigenthumes eine vortheillutte Stellung.» Het standpunt, waarop het Duitsche Ontwerp zich aldus stelde, is niet onbesproken gebleven, â integendeel, van vele zijden is men daartegen te velde getrokken, en terecht mocht Mr. Drucker in het zevende deel van het Bechts-geleerd Magazijn (p. 552) nevens zijne opmerking, dat men van Romeinsche opvattingen en van den invloed der Pandekten-leerboeken zich niet zoo had losgemaakt als het veranderd standpunt had gevorderd, spreken o. a. van de «bijtende» critiek van Gierke over dit gedeelte van het voorstel van wetgeving. Vóór alles noernt Gierke (t. a. p. , p. 295) de onderscheiding tusschen « Besitz)) en «Inhabung» onhoudbaar («unertraglich gt;) en eene miskenning van de rechten van den huurder, den pachter, den vruchtgebruiker, den pandhouder, den erfpachter. Onder verwijzing naar andere schrijvers, in het bijzonder naar Baehr en Jhering, verwerpt hij ten eenenmale ^der Besitzwille. » Een verdere grief vindt hij in het niet in het Ontwerp opnemen van het «Rechfs-besitz ii en, wanneer later sprake is van de bezitsactiën (p. 306/7), komt de schrijver op tegen de radicale wijze, waarop deze bescherming aan alle « Inhaber » in den ruimsten zin wordt toegekend.
16
Er is hier slechts een greep gedaan in de beschouwingen van den meergenoemden schrijver, voldoende om aan te toonen met welke geringe ingenomenheid liet Ontwerp in dit opzicht werd begroet.
O. Bami vond aanleiding om in 1891 een «Gegenentwurf» aan te bieden en, ofschoon geen voorstander zijnde van liet geven van eene definitie van bezit, ving hij toch aldus aan: «Besitzer «einer Sache ist, wer in Ausübung eigenes Bechtes an der Sache die thatsachliche Gewalt über « dieselbe iibt. » Nu moge het waar zijn, dat hier de gewraakte « Besitzwille », de « animus domini », niet als een vereischte wordt gesteld en bezit dan ook door hem wordt toegekend aan den «Nutz-besitzer» (den pachter, vruchtgebruiker, enz.), maar te ontkennen valt het niet, dat ook volgens dezen schrijver de «thatsachliche Gewalt» op zich zelf niet voldoende is, maar gesteund of nader omschreven moet worden door eene « Ausübung eigenes Bechtes.» En wat de heerschappij aangaat, rnen heeft slechts de noot van den schrijver op deze paragraaf in te zien om tot de overtuiging te komen, dat ook de omvang en de beteekenis daarvan alles behalve vastslaan. !) Zes jaren na de indiening van het Duitsche Ontwerp in eerste lezing verscheen in 1894 de tweede lezing. Ongetwijfeld zijn de beschouwingen der verschillende schrijvers over de eerste lezing en de critiek daarop uitgeoefend van overwegenden invloed op den inhoud van deze tweede lezing geweest en wordt aldaar, om ook thans niet verder te gaan dan de eerste paragraaf, die over het verkrijgen van bezit handelt, geen melding meer gemaakt van een «Besitzwille» of van eene «Ausübung eigenes Bechtes», doch , (en biermede stemt het Wetboek overeen) dit verkrijgen alleen afhankelijk gesteld van die « thatsachliche Gewalt . »
Of de in het Duitsche Welhoek vastgestelde regeling van het Bezit zoowel aan de practijk als aan de rechtswetenschap zal voldoen, kan onbesproken gelaten worden, maar ten aanzien van het hierbij aangeboden ontwerp zij opgemerkt, dat men geineend heeft zich niet te ver te moeten verwijderen van wat men zoude kunnen noemen de oude leer omtrent het bezit, waarop ook ons geldende recht in hoofdzaak gebouwd is. Bij een onderwerp als dit, waar iedere bepaling, ja, bijna iedere uitdrukking het resultaat is eener langzame ontwikkeling, zoude men aldus zonder noodzaak afstand doen van de mogelijkheid om, voor de verklaring van het recht, te putten uit de geschiedenis en wetenschap van vroegere eeuwen. Indien omtrent de nieuwe meeningen reeds zooveel eenstemmigheid verkregen was, dat zij geacht konden worden in hoofdzaak vast te slaan, zou beslist breken met het bestaande gewenscht kunnen zijn. Maar in plaals daarvan geeft ieder nieuw voorstel aanleiding tot zulk eene levendige critiek, dat een ontwerp, in volkomen strijd met het bestaande, gevaar loopt niet minder scherpe bestrijding dan de tegenwoordige regeling uit te lokken en spoedig als evenzeer verouderd te worden op zijde gezet.
Een noodzakelijk gevolg van het standpunt, waarop men zich ten aanzien van de onderscheidene theorieën gesteld heeft, was, dat men moest trachten zich zooveel mogelijk te bepalen tot hel uitspreken van regels van positief recht en alle bepalingen vermijden, die geacht konden worden eenigszins van leerstelligen aard te zijn.
Het gevaar van dergelijke bepalingen kan blijken uit hetgeen in het Burgerlijk Wetboek voorkomt omtrent het verlies van het bezit, bepalingen, die alleen passen in de overigens niet doordat
1) Men vergelijke hierbij ook Mr. Drucker t. a. p. en volgg.
17
â wetboek aangenomen opvatting, dat het bezit is een van den feitelijken toestand onafliankelijk recht. Het â vervallen daarvan behoedt het ontwerp voor zoodanig gevaar, schenkt daaraan eene groote eenvoudigheid van voorstelling en verschaft den wetenschappelijken beoefenaar van het recht eene veel grootere vrijheid bij de vervulling zijner taak.
Daarentegen behoefde uit het ingenomen standpunt niet voort te vloeien, dat men zich vijandig zoude stellen tegenover die verbeteringen van meer practischen aard, welke de schrijvers van den lateren tijd, onafhankelijk van hunne verschillende bespiegelingen, hadden aanbevolen, en die in de bestaande regeling konden worden opgenomen zonder met de historische ontwikkeling te breken. De behandeling der verschillende artikels zal dit van zelf in het licht stellen, terwijl hier reeds gewezen mag worden op een paar wijzigingen, waarvan het gewicht meer op den voorgrond treedt.
In de eerste plaats zal het de aandacht trekken, dat bezit van zaken en bezit van rechten afzonderlijk zijn behandeld, met dien verstande evenwel, dal onder «rechten» alleen die zakelijke rechten begrepen zijn, waaraan het houden der zaak niet verbonden is, zoo als erfdienstbaarheden, grondrenten enz. Het bezit der overige zakelijke rechten, die wèl het houden der zaak medebrengen, valt onder het bezit van zaken, omdat, en hier ontmoet men eene tweede wijziging van beteekenis, het ontwerp het bezit der zaak ook toekent aan den erfpachter, beklemden meier, vruchtgebruiker en pandhouder.
Een derde wijziging van belang treft men aan in de regeling der bezitsacties. Het ontwerp blijft de beide van ouds bestaande acties erkennen, nl. die tot handhaving in geval van stoornis en die tot herstelling in geval van eigenmachtige ontneming van het bezit; maar, terwijl het Burgerlijk Wetboek onderscheid maakt tusschen het al of niet met geteeld ontnemen van het bezit en in het laatste geval de actie tot herstelling (of liever, volgens de terminologie van de artikelen 618 en 621, «tot herstelling en handhaving») toekent tegenover iederen houder, heeft het ontwerp die onderscheiding laten varen en de rechtsvordering gelijkelijk gegeven aan ieder, wien het bezit eigenmachtig is ontnomen, en gewild, dat zij gericht zou worden tegen den dader of tegen hem, die de zaak te kwader trouw overgenomen heeft. Haar ook tegen derden, die aan de eigenmachtige handeling geheel vreemd waren, toe te staan schijnt alleen mogelijk, indien men het bezit als een zakelijk recht, in karakter geheel met de andere gelijk staande, beschouwt. Een bezwaar kan de terugkeer tot de Romeinschrechtelijke beginselen niet opleveren, omdat, zooals in den Titel van Eigendom zal blijken, door hel opnemen van eene rechtsvordering als de actio Publiciana aan den bezitter, wiens verjaring nog niet afgeloopen is, eene bescherming wordt verleend, die de uitbreiding van de onderhavige actie tot eene zakelijke bezitsactie onnoodig maakt.
Behalve de reeds gemelde acties , die alleen betrekking hebben op onroerende zaken of op zaken, die daarmede gelijk gesteld worden, geeft het ontwerp nog eene actie aan iederen houder, wien eene roerende zaak is ontnomen, of die eene roerende zaak heelt verloren , â de in het 2de lid van artikel 2014 B. W. geregelde actie.
De opmerking kan gemaakt worden, dat men hier niet met eene actie, uit het hezlt voortvloeiende, te maken heeft, doch op de vraag of zij dan beter geplaatst ware in den Titel van Eigendom, kon het antwoord niet anders dan ontkennend luiden, omdat zij niet alleen aan den eigenaar, wien eene zaak is ontnomen of die haar verloren heeft, toekomt, maar in het algemeen aan iederen houder, die in dat geval verkeert, dikwijls zelfs tegenover hem, die eigendom verkregen heeft. Ze draagt dus meer een possessoir dan een petitoir karakter.
c
18
Afdeel ing I.
Bezit van zaken.
Art. 21.
De eerste afdeeling behandelt het bezit van zaken, d. i. van lichamelijke goederen, en begint met aan te geven op welke wijze bezit wordt verkregen.
Na heigeen ter inleiding van dezen Titel is gezegd ligt het voor de hand, dat men niet getracht heeft, door overneming of vervorming van artikel 585 B. W., eene aannemelijke omschrijving van bezit te geven. Meer dan noodig zou men alsdan partij hebben moeten kiezen in den strijd over den aard van het bezit; noch het Ontwerp Beieren, noch het Wetboek Saksen, noch het nieuwe Duitsche Wetboek hebben dan ook eene definitie van bezit opgenomen. Biliin, t. a. p., erkent, dat de zaak door het geven van eene definitie niet tot helderheid komt, maar moet blijken uit de verdere bepalingen omtrent hel bezit, waardoor de definitie «Fleisch und Blut erhalt. »
Evenmin heeft het ontwerp hier ter plaatse het onderscheid gemaakt, tusschen bezit te goeder en bezit ie kwader trouw, van de stelling uitgaande, dat het bezit door goede of kwade trouw niet van aard verandert, zoodat het juister scheen over deze onderscheiding te spreken daar ter plaatse, waar ze practische gevolgen heeft, in het bijzonder bij de verjaring. De artikelen 586â589 B. W. kwamen daardoor te vervallen.
Voor het verkrijgen van bezit wordt in de eerste plaats gevorderd, dat men « de feitelijke macht over eene zaak uitoefent». Artikel 594 B. W. eischt «eene daad van eene zaak onder zijne magt te brengen.» Door deze wijziging van redactie vermijdt men de fout, aan het bestaande artikel aangewreven, alsof er altijd eene daad van onder de macht brengen noodig zoude zijn van de zijde van hem, die het bezit wil verkrijgen, terwijl zoodanige daad noch bij de traditio hrevi manu . noch bij het constitnUm possessorium te pas komt. Overigens is in het wezen der zaak, ten aanzien van het vereischte van feitelijke heerschappij over de zaak, geen verandering in het bestaande recht gebracht. Ditzelfde kan niet gezegd worden van het tweede vroeger algemeen erkende vereischte voor bezit, n.l. de animus domini.
Reeds met een enkel woord werd in de inleiding van dezen Titel gewag gemaakt van de in het ontwerp gebrachte uitbreiding van het bezit tot hen, die de zaak houden krachtens het zakelijk recht, dat zij daarop uitoefenen. Door deze wijziging wordt liet practisch voordeel verkregen, dat allen, die belang hebben bij de bescherming van den bestaanden bezitstoestand, het daartoe noodige middel verkrijgen, en wordt een slap gedaan in de richting van samensmelting der Romeinsche en Germaansche beginselen ten aanzien van dit punt, zonder dat men zich al te ver verwijdert van datgene, wat in het classieke Romeinsche recht gold. Immers ook dat recht, hetwelk bij pand, precarium, sequestratie, emphyteusis en superficies bezit aannam, hield aan het vereischte van den animus domini niet zoo streng vast als ons Burgerlijk Wetboek doet
Intusschen heeft men niet zoo ver willen gaan om bezit toe te kennen aan ieder die, onder welke omstandigheden ook, de zaak onder zijne feitelijke heerschappij heeft, en beide begrippen aldus te doen samenvallen. Noch het Germaansche, noch het Romeinsche recht kenden eene zoodanige regeling. Maar bovendien mag men afgescheiden van elke theoretische beschouwing aannemen, dat, naar de ook thans ten onzent geldende opvatting, hij die eene zaak onder zich heeft, omdat hij eenig toezicht er over uitoefent in het belang van den eigenaar, of omdat hij haar moet bewaren
â 19
of herstellen en na korleren of langeren tijd aan den eigenaar moet teruggeven, zich in een geheel andere verhouding tot die zaak bevindt dan hij, die haar tot zijn eigene doeleinden aanwendt, omdat hij zich als eigenaar daarvan beschouwt, of wel omdat hij, zij het ook tijdelijk, in andere hoedanigheid het genot er van heeft.
Wordt een van beiden door een derde in zijne heerschappij gekrenkt, dan zal inliet gunstigste geval de eerste bereid zijn om voor de belangen van hem, dien hij vertegenwoordigt, op te treden, terwijl de laatste zich in zijne eigene rechten en belangen onmiddellijk getroffen zal voelen. Alle reden is er dus om, waar men het vereischte van animus domini Iaat vervallen, den eisch te stellen, dat men zich althans gedrage als zelfstandig recht, hebbende op de zaak; in hoofdzaak wordt daarmede hel voorbeeld van Biilir gevolgd.
Tot hiertoe werd het in den regel aldus voorgesteld, dat, waar de een eigenaar is, dj ander zakelijk gerechtigde, de eigenaar bezitter is van de zaak, de rechthebbende daarentegen bezitter van het zakelijk recht. Deze voorstelling kan niet bevredigen, omdat het bezitten van een recht, waarvan het macht hebben over de zaak een hoofdvereischte is, tegenover een bezitter der zaak, die zich van elke macht over de zaak moet onthouden, eene ongerijmdheid schijnt. Het bezitten van het recht lost zich hier werkelijk op in het bezitten der zaak zelve, â alleen is het noodig de verhouding te regelen tusschen het bezit van hem, die een zakelijk recht heeft, en de rechten van den eigenaar, zooals dan ook, gelijk hierna blijken zal, in het ontwerp is geschied. (Zie de artikelen 34, 37 en 41.) Ten opzigte van de verjaring kan deze oplossing geen bezwaar opleveren, want de cattfia posaiditiidi is dan beslissend.
Onder hen, die zakelijke rechten uitoefenen, is ook de pandhouder opgenomen. Men zou de wenschelijkheid daarvan in twijfel kunnen trekken, omdat zijn recht, als betrekking hebbende op eene roerende zaak, niet door bezitsacties beschermd wordt en hem alleen de aan iederen houder toekomende actie wegens diefstal of verlies der zaak ten dienste staat; doch, wanneer men let op de mogelijkheid, dal hij door verjaring een pandrecht zou kunnen verkrijgen, is de gelijkstelling van den pandhouder met de andere rechthebbenden gerechtvaardigd en is er in alle gevallen geen reden om te zijnen aanzien eene uitzondering op den voorgedragen regel te maken.
Daarentegen is de huurder niet opgenomen onder de personen, die bezit eener zaak kunnen hebben, en het ontwerp wijkt hierin van de Duitsche voorbeelden af.
De reden daarvan is, dat, met enkele uitzonderingen (zooals h. v. in de artikelen 4612 vlgg B, W.), onze wet de huurovereenkomst beschouwt als eene gewone overeenkomst, waaruit alleen persoonlijke rechten en verplichtingen voor partijen ontstaan, geenszins als een tegen derden geldend recht. Waar dus hij, die als huurder rechten zoude hebben, geen mogelijkheid heeft om die tegen derden geldend te maken, zou hel weinig daarmede strooken, indien hij, die zich enkel op eene feitelijke uitoefening van zoodanige rechten beroepen kan, werd gehandhaafd tegenover handelingen, die niet onder hel gewone begrip van artikel 1401 B. W. vallen. Daarbij komt, dat de noodzakelijkheid om liet bezit als afzonderlijk rechtsinstituut te regelen voor een groot deel gelegen is in den wensch om hem, die bezig is door verjaring een recht te verwerven, reeds vóór den afloop van den termijn te beschermen. Waar nu van verjaring van het recht des huurders geen sprake is, was er geen belang om hem bezit toe te kennen, en zou alleen daarvan sprake kunnen zijn, indien zijne verhouding lot de zaak geheel gewijzigd werd. Mocht dit bij eene lalere herziening van het Derde Boek gebeuren, dan zou ook de vraag te pas komen of er aanleiding was om de thans voorgedragen bepaling uit te breiden.
20
Ten slotte zij nog herinnerd dat, vermits gebruik en lemoning in het ontwerp als hcperkt vruchtgebruik worden beschouwd, voornoemde rechten onder de benaming vruchtgebruik (vruchtgebruiker) zijn begrepen.
Artt. 22 en 23.
Artikel 22 is eene reproductie van artikel 590 B. W., gewijzigd naar den inhoud van het voorgaand artikel.
Artikel 23 treedt in de plaats van de artikelen 59i en 592, alsmede van artikel 1997 B. W.
Voorop wordt gesteld, dat ieder verondersteld wordt voor zich zeiven te handelen en, zoo hij dat doet, daarbij het meest uitgebreide recht, n.1, dat van eigendom uit te oefenen. Is men echter eenrnaal begonnen eene zaak voor een ander te houden (niet; te bezitten, zoo als artikel 59i B. W, zegt) of wel die zaak te bezitten, uitoefenende een minder recht dan dat van eigendom, dan moet er eene ondubbelzinnige daad t.usschenbeiden komen om aan dien toestand een einde te maken. Zoodanige daad kan zich op tweeërlei wijze vei toonen ; zij kan n, 1. ontslaan door de handeling van een ander, of wel door de tegenspraak van het recht door den houder of bezitter.
De handeling van een ander. Artiliel 1997 B. W. zegt: «oorzaak die van eenen derde afkomt». Tegen de uitdrukking «eenen derde» konden gegronde bedenkingen aangevoerd worden (zie Diephuis, Ned. Burg. liegt, dl. VI., p. 440), vermits de daad ook afkomstig kan zijn van een ander dan een derde, bijv. van den persoon, van wien de houder of bezitter zijn recht ontleent. Dientengevolge is eene ruimere uitdrukking gekozen. Evenmin kon het woord «oorzaak» geheel bevredigen. In den zin, waarin het in artikel 592 B. W. voorkomt, laat het zich nog verdedigen als vertaling van den bekenden regel: «causam possessionis nemo sibi mutare potest», maar, wanneer sprake is van de oorzaak, die van een derde of van een ander afkomt, dan schijnt het duidelijker en eenvoudiger om daarvoor in de plaats te stellen: de handeling van een ander, waarbij het woord «handeling» in de beteekenis van «rechtshandeling» dient te worden genomen.
Tegenspraak van het recht. In artikel 1997 luidt het: «tegenspraak tegen het regt van den «eigenaar». Ook in deze uitdrukking was wijziging noodzakelijk, omdat hier evenzeer rekening moest worden gehouden met de ruimere opvatting omtrent het bezit. In de eerste plaats heeft men te doen met hem, die de zaak voor een ander houdt en die dus het recht van dezen laatste moet tegenspreken, welke de eigenaar kan zijn der zaak, maar welke ook kan zijn de erfpachter, de beklemde meier of de vruchtgebruiker. In de tweede plaats is gedacht aan den bezitter krachtens eenig zakelijk recht, die een ander als eigenaar erkent, en dus, om tot een bezit te komen dat tot eigendom zou kunnen leiden, het recht van dien eigenaar moet betwist hebben.
Artikel 593 B. W. is niet overgenomen. Zooals bij de toelichting voor den eersten Titel is gezegd, heeft het ontwerp aan de onderscheiding tusschen zaken in en buiten den handel geen plaats gegeven, â daardoor verviel het eerste lid van zelf. Ten aanzien van het bezit van erfdienstbaarheden wordt verwezen naar de toelichting tot de tweede afdeeling van dezen Titel.
Art. 24.
Terwijl over de opvolging in het bezit, door hem die de zaak onder lijzonderen titel heeft ontvangen, bij do verjaring zal worden gesproken, is, in aansluiting aan het bepaalde bij artikel 597 B W. , hier ter plaatse te kennen gegeven, dat, bij opvolging onder algemeenen titel, de persoon
21
van den voorganger ten opzichte van hel bezit wordt voortgezet. Artikel 597 gewaagt alleen van hetgeen een overledene heeft bezeten, â er was geen grond om dit niet uit te strekken lot iedere opvolging onder algemeenen titel, zooals bij gemeenschap van goederen , ten gevolge van huwelijk ontstaan. Ten overvloede is er bijgevoegd, dat door den opvolger een zelfstandig, van zijn voorganger onafhankelijk, bezit kan worden aangevangen, indien een van de gevallen, in het voorgaand artikel genoemd, zich te zijnen opzichte voordoet.
Art. 25.
Dit artikel, dat in meer algemeene bewoordingen is gesteld dan het daarmede overeenstemmend artikel 598 B. \V., kan hoofdzakelijk beschouwd worden als eene inleiding voor de volgende artikelen. Intusschen vervult het toch ook nog eene andere rol; daardoor, immers, wordt te kennen gegeven dat hij, die eenmaal krachtens artikel 21 bezit verkregen heeft, ook zonder dat er van zijne zijde eene nieuwe handeling plaats grijpt, geacht wordt bezitter te blijven.
Art. 26.
Omtrent het verlies van het bezit worden in het Burgerlijk Wetboek bepalingen aangetroffen, die bezwaarlijk konden worden overgenomen. In de inleiding van dezen Titel werd dit reeds aangestipt. Eene bepaling als die van artikel 601 , dat. men het bezit eerst verliest, wanneer hij, die zich eigenmachtig in het bezit der zaak gesteld heeft, het rustig genot daarvan gedurende een jaar behouden heeft, laat zich alleen verdedigen, indien men een zelfstandig bezitrecht aanneemt, dat onafhankelijk van dien feitelijken toestand blijft voortduren, zoolang de mogelijkheid bestaat om daaraan, door het instellen eener vordering, een einde te maken. Dit is echter in strijd met de artikelen 585 en 594 B. AV,, evenzeer als met artikel 21 van het Ontwerp, die den nieuwen verkrijger terstond het bezit toekennen. Maar ook wat de gevolgen betreft voert de bedoelde voorstelling tol een min gewenscht resultaat., omdat de algemeene beginselen zeker eischen, dat tegenover derden de nieuwe verkrijger terstond gehandhaafd wordt, en gelijktijdig bezit van beiden niet wel kan worden aangenomen. Veel eenvoudiger is liet dus te stellen, dat het bezit bij den nieuwen verkrijger berust, zoodra hij aan de gewone vereischten voldoet, en den vorigen bezitter ts helpen door aan zijne actie alle gevolgen te verbinden, die noodig zijn om de gepleegde onrechtmatige handeling te zijnen aanzien ongedaan te maken.
Over de toepassing van dit beginsel zal hierna bij artikel 29 nog een woord kunnen worden gezegd; hier ter plaatse is hel voldoende aangeduid te hebben op welk standpunt het ontwerp zich ten aanzien van het verlies van bezit heeft geplaatst.
Artikel 26 handelt dus over het vrijwillig verlies van het bezit, waarbij men vergelijke de artikelen 599 en 600 B. W. Het verlies van het bezit wordt daar verbonden aan het overdragen of het kennelijk verlaten van het lezit. Men kent den strijd over de beteekenis van dit woord in den gedachtengang van den wetgever, en op zich zelf beschouwd schijnt het zelfs eene tautologie te zijn om te verklaren, dat men het bezit verliest door het te geven aan een ander of het althans geheel van zich af te werpen. Vandaar dat het artikel spreekt van het kennelijk opgeven of aan een ander overdragen van de macht over de zaak. Bij deze uitdrukking is niet over het hoofd gezien, dat liet overgeven van de zaak in handen van een ander of het zich feitelijk aan de zaak onttrekken
22
met voldoende zijn om hel bezit te verliezen, maar dat het element van den wil daarbij moet komen, m. a. w. dat de bedoeling, waarmede dit een of ander plaats grijpt, van invloed is op de gevolgen der handeling. Uit de omstandigheden, waaronder deze geschiedt of die haar vergezellen, moet derhalve blijken, dat men den wil heeft gehad óf om de geheele beschikking over de zaak aan een ander over te geven, óf om zich verder met de zaak in het geheel niet meer in te laten.
Arit. '27 en 28.
Na hetgeen in artikel 26 gezegd was omtrent het verlies van het bezit door overdracht van de macht over de zaak aan een ander, kon eene bepaling, inhoudende hoe het van den een op den ander overgaat, achterwege blijven. Daarentegen was het noodig in de wet te kennen te geven in welke gevallen eene feifelijlce overdracht der zaak onnoodig was. Tot die gevallen behoort in de eerste plaats de iraditio hrevlmanu, omdat, waar de zaak zich reeds in de macht des nieuwen verkrijgers bevindt, er inderdaad geen uitwendig waarneembare handeling noodig is om zijne machtsuitoefening een aanvang te doen nemen, en artikel 21 in dit opzicht geene meerdere eischen stelt. Met het hier bedoelde geval staat gelijk dat, waarin de zaak zich bevindt op eene voor den verkrijger toegankelijke plaats, omdat de gelegenheid om macht uit te oefenen hem onder die omstandigheden ten allen tijde open slaat. De plaats behoeft niet voor een ieder, maar moet voor den volffendeu lezi/ter ioegm-kelijk zijn. Voorts moet dezen de bevoegdheid worden gegeven van die gelegenheid om zijne macht over de zaak uil te oefenen gebruik te maken, waartoe een verlof van den vroegeren bezitter, om de zaak tol zich te nemen, natuurlijk voldoende is.
In de tweede plaats is feitelijke overdracht, onnoodig bij het oonslituinm possessoriimi. De bestaande wel zwijgt over dit instituut, en toch wordt hel ook ten onzent door de rechtswetenschap en de jurisprudentie als geldend beschouwd. Voor het maatschappelijk verkeer zijn zoowel de iraditio hrevi m.anu als hel constUidu m. possesso r i urn onmisbaar, en, al moge kunnen aangetoond worden, dat vooral het laatste aanleiding geeft tot misbruiken, de mogelijkheid daarvan mocht niet leiden tot hel verbieden van deze wijze van inbezitstelling, waardoor groot ongerief zoude veroorzaakt worden aan het algemeen belang.
Bovendien zij, die bedrog willen voorkomen, zouden er inderdaad weinig mede gewonnen hebben, want het niet toelaten van overdracht door het consütutum possessorium zoude alleen het gevolg hebben, dat eene schijn vertoon ing plaats had van overgave van hand tot hand, waartoe de oneerlijke vervreemder gemakkelijk ware te vinden, maar die voor den eerlijken handel een onver-dragelijke last zoude worden, en eindelijk vergete men niet, dat, waar de wetgever meent, dat hel gevaar \oor bedrog te groot is, niets hem verhindert eene werkelijke overgifte te eischen , gelijk in artikel 385 gedaan wordt.
De beide in artikel 28 genoemde gevallen behoeven geene omstandige toelichting. Het eerste geval heeft op het. oog het eigenlijk constHutum possessorium; hel tweede kan evenzeer zijne toepassing vinden in het handelsverkeer, â men denke b. v. aan koopwaren, in pakhuizen van een derde opgeslagen â, zoodat eene dergelijke bepaling dan ook voorkomt in de meergenoemde Duitsche ontwerpen of wetboeken, hoewel zij in de tweede lezing van het Ontwerp voor het Duitsche Rijk en in het Duitsche Wetboek niet is overgenomen, hel onderwerp althans op eene andere wijze daarin is geregeld.
23
Art. 29.
Het standpunt, waarvan uitgegaan wordt bij de regeling van het onvrijwillig verlies van bezit, is bij artikel 2G nader in bijzonderheden ontwikkeld. Men verliest het bezit, zoodra een ander de zaak zonder toestemming van den bezitter in zijne macht brengt, â aan eene voorbijgaande machtsuitoefening is dat gevolg niet verbonden. Uit het verband van deze beide bepalingen volgt, dat het feitelijk in zijne macht brengen op zich zelf nog niet voldoende is om zich voortaan als bezitter te doen beschouwen; uit de voortduring van die machtsuitoefening in verband met het ontbreken van toestemming van de zijde van den bezitter kan de conclusie getrokken worden, dat er eene werkelijke inbezitneming heeft plaats gegrepen door den nieuwen verkrijger. In dat geval is het bezit voor den vroegeren bezitter verloren, â behoudens zijn recht om, waar het onroerende zaken betreft, gedurende een jaar het bezit terug te eischen, in welk geval, indien zijne vordering hem wordt toegewezen, het jictione legis, met het oog op de verjaring, wordt geacht nooit verloren te zijn
geraakt (Artikel 93).
Wanneer het roerende zaken betreft, zal hij gebruik kunnen maken van de vordering hem in artikel 42 toegekend.
De tweede oorzaak van onvrijwillig verlies is de voortdurende onmogelijkheid om macht over de zaak uit te oefenen. Bij onroerende zaken denkt men in de eerste plaats aan overstroorningen of overstuivingen, bij roerende zaken aan verlies. Wanneer het stuk grond ten gevolge van doorbraak in eene wateroppervlakte is veranderd en niet in zijnen vorigen toestand kan teruggebracht worden dan door het verrichten van langdurige en kostbare werkzaamheden, zijn daden van macht of heerschappij over dien grond uitgesloten; het ligt dus in den aard der zaak, dat het bezit, waartoe daden van macht en heerschappij in de eerste plaats noodig zijn, in zoodanige gevallen verloren gaat. Indien daarentegen de overstrooming een gevolg is b. v. van het tijdelijk buiten zijne oevers treden van een stroom, die van zelf binnen zijne bedding terugkeert, dan is de verhouding tot de zaak natuurlijk eene geheel andere.
Bij roerende zaken is de onderscheiding van voortdurende en tijdelijke onmogelijkheid om macht over de zaak uit te oefenen, ofschoon theoretisch denkbaar, voor de praktijk van weinig belang, omdat daarbij in den regel alles zal afhangen van de vraag of een ander zich inmiddels vau de zaak heeft meester gemaakt, â in diit geval staat hem de vordering van artikel 42 ten dienste. Heeft dit niet plaats gehad en komt de zaak later weder in zijne macht, doordien hij óf haar terug vindt óf haar laat te voorschijn brengen van de plaats waar hij weet, dat zij zicli bevindt (ophalen b. v. van een voorwerp uit het water), dan zal wel niemand hem het verlies van het bezit tegenwerpen.
Art. 30.
Dat zij, aan wie de wet het beheer over het vermogen van anderen opgedragen heeft (voogden, curators, gehuwde mannen) , ook in zoo verre de belangen van dezen waarnemen , dat zij voor hen bezitten, spreekt van zelf, en behoeft niet uitdrukkelijk gezegd te worden, zooals artikel H45 Ontwerp 1820 deed.
Maar hieruit behoeft niet te volgen, dat de aldus vertegenwoordigde personen zeiven geen bezit verkrijgen kunnen. Het ontwerp 1820 ontkent, dit terecht voor «zinneloozen en allen, die gerekend worden geenen wil of oogmerk te kunnen hebben». Er zijn echter onder hen velen, op
24
â wie deze omschrijving niet toepaRselijk is. Een scherp onderscheid tusschen hen bij de wet te maken schijnt onmogelijk. Onze wet verwerpt de mogelijkheid bij zinneloozen, ofschoon hel zeer denkbaar is, dat zij op sommige tijden en ten aanzien van sommige zaken den wil om te bezitten kunnen hebben. Daarentegen wordt zij aangenomen bij minderjarigen, waaronder ook zeer kleine kinderen kunnen vallen. Het Duitsche Ontwerp (eerste lezing § 800) onderscheidde tusschen « geschaftsunfahige » en quot;Oh der Geschtiftsfahigkeit beschrankte» personen '), eene onderscheiding, die wij tot nu toe missen, en die bovendien als meer van rechtskundigen dan van feitelijken aard voor het hier bedoelde onderwerp niet aanbevelenswaardig is. Beter scheen het daarom een vorm te kiezen, waardoor een algemeene regel werd gesteld, waaraan ieder voorkomend geval kon worden getoetst. Zoodanigen regel heeft, het ontwerp verkregen door geheel te zwijgen van de vraag, wie in staat zijn om den voor de toepassing van artikel 21 noodigen wil te vormen, en, voor zoover het verkrijgen van bezit op eene rechtshandeling berust, ten aanzien van de bevoegdheid daartoe te verwijzen naar de gewone regelen voor het verkrijgen van rechten geldende. Kleine kinderen, zinneloozen kunnen den hier vereischten wil niet hebben; kinderen, die tot oordeel des onderscheids gekomen zijn, zinneloozen in lucido iniervallo, onder curateele gestelden en getrouwde vrouwen zijn daartoe wél in staat, dat is van ouds rechtens, en hierin wordt geene verandering gebracht. Maar komen daarbij handelingen in aanmerking, die de betrekking van den nieuwen houder tot de zaak bepalen â waarbij natuurlijk in de eerste plaats aan overdracht te denken is â, dan behooren de gewone regelen van bevoegdheid ten aanzien van de rechtmatigheid dier handelingen te gelden. Hij, die bevoegd is door eigen daad eigendom, hypotheek, recht van inschuld te verwerven, moet ook bevoegd zijn door eigen daad bezit te verkrijgen; hij, die daartoe niet bevoegd is, moet dit evenmin zijn ten aanzien van bezit. Dat men noodig geacht heeft dit te dezer plaatse uit te spreken, vindt zijn grond vooral daarin, dat het ontwerp het bezit niet als een gewoon recht aanmerkt.
Op gelijke wijze als het verkrijgen van bezit geregeld is, wordt ook het vervreemden, d. i. het vrijwillig verliezen van bezit behandeld. Evenmin als van hunnen eigendom en andere rechten moeten minderjarigen en dergelijke personen zich rechtsgeldig kunnen ontdoen van hun bezit; en de verkrijger moet, niettegenstaande zoodanige overdracht, behandeld worden als had hij zich het bezit eigemnacldig toegeëigend.
Art. 31.
Ten aanzien van het. verkrijgen en het verliezen van bezit door middel van een vertegenwoordiger behoefde geen onderscheid gemaakt te worden tusschen de wettelijke en de vrijwillige vertegenwoordiging, nu men zich daarin, even als bij de persoonlijke bevoegdheid, bepaald heeft tot eene verwijzing naar de regelen van het gemeene recht. Kan de minderjarige door de handelingen van den voogd als zoodanig bezit verkrijgen of verliezen? De beginselen omtrent de verhouding tusschen den voogd en den minderjarige en zijne bevoegdheid ten aanzien van de verkrijging en de vervreemding van eigendom en andere vermogensbestanddeelen moeten het uitmaken.
Kan men bezit verkrijgen of verliezen door middel van een lasthebber of van een zaakwaarnemer? De beginselen omtrent lastgeving of omtrent zaakwaarneming moeten beslissen. Intusschen kunnen zich bij lastgeving en bij zaakwaarneming grootere moeielijkheden voordoen dan bij de in de wet geregelde vertegenwoordiging, omdat bij eerstgenoemde alles afhangt van de vraag hoever partijen
1( Het. Wetlxiek heeft deze onderscheiding niet overgenomen.
25
hebben gewild, dat de bevoegdheid van den vertegenwoordiger zoude gaan. Gaat de volmacht b. v. zóóver, dat de lasthebber den eigendom eener zaak zal kunnen verkrijgen namens zijnen lastgever, of diens eigendom namens hem zal kunnen overdragen, dan zal hij zeker ook de heerschappij over de zaak, en daarmede het bezit kunnen verkrijgen of overdragen. Daarmede heeft hij evenwel nog niet de bevoegdheid erlangd om in het algemeen namens zijnen lastgever het bezit van zaken te verkrijgen en evenmin om zoodanig bezit over te dragen.
Voorts zal, indien de lasthebber buiten de volmacht gaat, evenals bij rechten, de goedkeuring van den lastgever noodig zijn om de gevolgen der handeling voor dezen bindend te maken, zij het ook met terugwerkende kracht tot het oogenblik, waarop de bezitsverkrijging of het bezitsverlies heeft plaats gegrepen.
Wordt de vertegenwoordiger uit de heerschappij ontzet, dan zal het antwoord op de vraag of de vertegenwoordigde zijn bezit verloren heeft daarvan afhangen of hij, die de handeling pleegde, daardoor bezitter geworden is. In het eerste geval verliest de lastgever het bezit, in het tweede niet.
Art. 32.
Van de verschillende bepalingen, die in de vier nommers van artikel 604 en de drie nommers van artikel 605 B. W. voorkomen, is hier slechts ééne overgenomen, n. 1. die van artikel 604 sub 1°. (605 sub 1°.).
De gevolgen van het bezit voor de verkrijging van den eigendom door verjaring zullen bij de verjaring worden behandeld; het genot der vruchten en de gevolgen te dien opzichte, indien de zaak wordt terug gevorderd, zullen bij de eigendomsverkrijging door afscheiding en de rechtsvorderingen den eigenaar toekomende ter spi-ake komen, terwijl de bezitsacties in de hierna volgende artikelen worden besproken.
Tengevolge van de ruimere opvatting omtrent bezit, heeft ook de hier besproken bepalingeene uitbreiding moeten ondergaan, waarvan de beteekenis genoegzaxm voor de hand ligt. Door de tegenwoordige redactie blijkt meer nog dan onder de vroegere, dat het artikel niet is geschreven om een regel te stellen voor den bewijslast, maar om te kennen te geven, dat de bezitter die rechten bij voorraad kan uitoefenen, die hij zou kunnen uitoefenen, indien hij werkelijk eigenaar, erfpachter, beklemde meier, vruchtgebruiker of pandhouder ware.
Art. 33.
Zooals in de inleiding tot dezen Titel reeds werd gezegd, heeft het ontwerp de onderscheiding in twee acties, die in beginsel reeds voorkwam in het Romeinsche recht (uti possidetis en unde vi), zoowel als in het Fransche (complainte en réintégrande), evenals in het Duitsche Wetboek, behouden.
De acties zijn beperkt tot het bezit van onroerende zaken, hetgeen eene kortere uitdrukking is voor wat onze wet noemt «een stuk lands of erf, een huis of gebouw.» Met onroerende zaken zijn in dit opzicht, evenals in vele andere, de groote schepen gelijk gesteld. Bezit van roerende zaken geeft, omdat hun eigendom anders geregeld is, geen aanleiding tot eigenlijke bezitacties, ook niet wanneer zij tot eene «algemeenheid» vereenigd zijn. Denkt men daarbij vooral aan den boedel van een overledene, of een deel daarvan, dan zou het bezit van zulk een boedel samenvallen met bezit van het erfgenaamschap, wat geen onderwerp van werkelijk bezit kan vormen, terwijl voor andere
d
â¢26
algemeenheden, bepaaldelijk dc bij artikel 9 vermelde, geen grond is om haar bezit van dat van enkele zaken te onderscheiden.
Van de op artikel 606 B. W. volgende bepalingen zijn die van de artt. 607â612 hier ter plaatse geheel vervallen. Of hij, die van een onbekwame eene zaak bekomen heeft, be/,itsacties zal kunnen instellen, hangt af van deze andere vraag, of hij al dan niet bezit, eene vraag waaromtrent hot noodige bij de toelichting op artikel 30 is gezegd. De artikelen 608 en 609 betreffen het bezit van rechten, terwijl de drie laatste (610â612) onderwerpen bevatten, die elders reeds ter sprake zijn gekomen.
Art. 34.
In dit en de twee volgende artikelen worden de aard en strekking van de actie tot handhaving in het bezit omschreven.
De eerste twee zinsneden van dit artikel stemmen overeen met het bepaalde in het eerste lid van artikel 613 B. W., en, ofschoon het wel aan geen twijfel zal onderhevig zijn, dat het beroep op eigendom den gedaagde in het rechtsgeding over het bezit niet kan baten, scheen het toch wenschelijk in dezen de redactie van het B. W. te volgen, door daarvan uitdrukkelijk melding te maken. Intusschen moge hier nog herinnerd worden, dat de bepaling van hel tweede lid van het onderhavig artikel dan ook in denzeltden zin moet opgevat worden, zoodat men in de eerste plaats te denken heeft aan het geval, dat hij die eene zaak als eigenaar bezit staat tegenover den waren eigenaar, die hem in dat bezit stoort (of hem dat ontnomen heeft), â het geval, dat ook artikel 613 B. W. op het oog heeft. Het geval kan zich evenwel ook in dezen vorm voordoen, dat hij die de zaak bezit als zaakgerecïitigde, b. v. als erfpachter, gestoord wordt in dit bezit door den eigenaar der zaak ; ook voor dat geval heeft het tweede lid zijne toepassing.
Met hem, die de stoornis heeft gepleegd, wordt gelijk gesteld hij, die den last er toe gegeven heeft. In hoeverre en met welk gevolg hij, die, onbewust van de strekking zijner handeling, als manus ministra opgetreden is, zal kunnen worden aangesproken, moet naar de algemeene regelen omtrent de aansprakelijkheid voor onrechtmatige daden worden beoordeeld; van eene bezitsactie kan tegen hem geen sprake zijn.
De vraag is gesteld, of de vordering ook tegen de erfgenamen van den stoorder als zoodanig kan worden ingesteld. Daar dezen geheel in de plaats van hun erflater treden, en den bezitter het recht niet kan ontzegd worden eene beslissing omtrent zijn recht uit te lokken, moet zij toestemmend beantwoord worden, ofschoon eene uitdrukkelijke bepaling in de wet onnoodig werd geacht.
De derde zinsnede is ontleend aan de tweede zinsnede van artikel 613, doch met een tweetal wijzigingen, die niet van belang zijn ontbloot. In de eerste plaats wordt de exceptie gegeven aan iedsr, wien het bezit eigenmachtig ontnomen is. Ten aanzien van den aard en de gevolgen van het bezit is geene onderscheiding meer gemaakt tusschen het al of niet met geweld of heimelijk verkregen bezit, omdat deze onderscheiding, aan de Bomeinsche interdicten ontleend, thans geene beteekenis meer zoude hebben; van bezit ter bede, als geen bezit in den zin van het ontwerp zijnde, kon evenzeer gezwegen worden. Voor zoover men mocht meenen, dat volgens het bestaand recht het tegenovergestelde geldt, is thans duidelijk te kennen gegeven, dat de exceptie alleen geldt tegenover hem, die de daad der eigenmachtige ontneming verrichtte.
In de tweede plaats heeft men de exceptie aan eene tijdsbepaling onderworpen. Waar hij, wien
27
men het bezit ontnomen heeft, slechts één jaar den lijd heeft om de vordering tot herstelling daarin aan te vangen, behoort hij, ook in het belang der openbare orde, geene vrijheid te hebben om daarna handelingen te verrichten, die nu als onrechtmatige stoornissen in het rustig bezit van den nieuwen houder te beschouwen zijn.
Het artikel heeft alleen gewag gemaakt van feitelijke stoornis. Wat daaronder moet verstaan worden hangt te zeer van allerlei omstandigheden af dan dat eene omschrijving in de wet mogelijk zoude zijn, maar het heeft toch een punt van ernstige gedachten wisseling uitgemaakt of afzonderlijk melding zoude worden gemaakt van wat men pleegt te noemen: troubles de droit. Ten slotte is men niet tot deze afzonderlijke vermelding overgegaan. Voor zoover het betrof loutere tegenspraak van het recht, meende men de gevolgen te moeten overlaten aan de bij de verjaring te stellen vereischten voor het stuiten daarvan; waar de tegenspraak van het recht gepaard mocht gaan met handelingen om daaraan kracht bij te zetten of waar ze zich voordeed in den vorm van het scheppen van rechtsbetrekkingen tot anderen, in strijd met die, welke met den tegen-woordigen bezitter bestonden, daar meende men, dat werkelijk reeds feitelijke stoornis aanwezig was. Men zie b. v. het geval, behandeld in het. arrest van den Hoogen Raad van den 29sten April 1887 [te vinden o. a. Wbl. 5436, en Ned. Rechtspr., dl. 145, § 73.]. Daarbij was sprake van het door een ander ontvangen en aannemen van de huur, en het zich dus stellen als eigenaarverhuurder nevens (zoo niet in de plaats van) hem, die tot dusverre als zoodanig de huurpenningen had ontvangen. Indien de huurder beschouwd wordt als de persoon, die de feitelijke heerschappij voor den verhuurder uitoefent, dan is ook die feitelijke heerschappij niet meer ongestoord, indien nevens den eersten nog een tweede verhuurder optreedt, die zich als zoodanig met den huurder in verbinding stelt en van dezen de huurpenningen ontvangt.
Art, 35.
Tegen eene overneming van artikel 614 B. W. kon geen bezwaar zijn, en nadere toelichting dezer bepaling mag overbodig worden geacht.
Ten aanzien van gevallen van stoornis, die bestaan hetzij in eene reeks van gelijksoortige handelingen , hetzij in de vestiging van een blijvenden toestand, kan verwezen worden naar de artikelen 45 en 46, waar de gevolgen van zoodanige handelingen worden geregeld, in zóóverre als uit deze bepalingen volgt, dat door verloop van één jaar van de eerste handeling af, of van hel begin af van den blijvenden toestand, het bezit van eene erfdienstbaarheid ontstaan kan en dus aan de bezits-actie van den bezitter van het erf van zelf een einde komen moet.
Voorzoover zich gevallen laten denken van het ontstaan van een blijvenden toestand , die evenwel niet tot het bezit van eene erfdienstbaarheid kan leiden, zal de beoordeeling te veel afhangen van de feitelijke omstandigheden dan dat de wet daarvoor een regel zou kunnen aangeven ten aanzien van het oogenblik , waarvan het jaar zoude moeten worden berekend.
Art, 36.
Ook in dit artikel is in hoofdzaak de thans geldende bepaling van het B, W. (artikel 614) gevolgd. In plaats van de uitspraak van den rechter, dat hij den bezitter handhaaft in zijn recht, wordt verlangd, dat de rechter het bezit zal erkennen.
'28
Eene erkenning door den rechter, dat het bezit bij den eischer is, kan in de eerste plaats strekken tot inleiding voor hetgeen hij verder in zijne uitspraak heeft te bevelen omtrent het doen ophouden der stoornis en het vergoeden van kosten, schaden en interessen, maar bovendien heeft deze erkenning voor den bezitter practische waarde, indien de stoornis is uitgegaan van iemand, die rechten op de zaak beweert te hebben, en tegenover wien de houder, met het oog op eene loopende verjaring, belang kan hebben als bezitter te worden erkend.
Van handhaving is niet gesproken, omdat deze uitdrukking alleen van waarde kan zijn, indien men in verband daarmede in de wet te kennen geeft, dat het bezit, niettegenstaande de stoornis,
wordt geacht steeds bij den gestoorden bezitter te hebben voortgeduurd. Het ontwerp heeft een dergelijk voorschrift niet uit het geldend recht (artikel 616 B. W.) overgenomen. In den Titel van Eigendom is bij de verjaring uiteengezet wanneer deze moet geacht worden gestuit te zijn,â voor het overige heeft de stoornis geen invloed op het bezit, en kon dus over het al of niet ongestoord voortduren daarvan hier ter plaatse gezwegen worden.
Met vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn.
Door deze laatste bijvoeging heeft men te kennen willen geven, dat de handelingen, waarover de bezitter zich beklaagt, zeer wel eene stoornis in zijn bezit kunnen opleveren, en hem recht geven om daarin te worden gehandhaafd, ook al is er geene in geld waardeerbare schade geleden. Beweert hij, dat dit wel het geval is, dan heeft hij twee vorderingen, die het wenschelijk is, overeenkomstig de van ouds in dit opzicht gegolden hebbende regeling, in één geding te vereenigen, maar die elk op zichzelf voor eene zelfstandige beslissing vatbaar zijn.
Uat, indien meerderen in de zaak betrokken zijn, allen hoofdelijk worden aansprakelijk gesteld, is ontleend aan het tweede lid van artikel 619 B. W.; er schijnt geen grond om te dezen aanzien tusschen stoornis en bezitsontneming te onderscheiden.
Alvorens tot de bespreking over te gaan van de actie tot herstelling in het bezit, dient met een enkel woord de reden opgegeven te worden, waarom artikel 617 B. W. geene plaats in het ontwerp heeft bekomen.
De beteekenis van dat artikel kan men leeren kennen uit Pothier, (Possessiou, § 105.) Slechts in ééne zaak (waarover het vonnis Maastricht van 15 Februari 1855 Wbl. 1625 en het arrest Limburg van 18 Februari 1856 Wbl. 1784 loopen,) heeft men beproefd het ten onzent toe te passen, maar de toen ondervonden moeielijkheden hebben aangetoond, dat het daarvoor eigenlijk niet vatbaar is. Dat toch de rechter een ten possessoire aangevangen rechtsgeding zal veranderen in een ander ten petitoire, is in strijd met al onze begrippen omtrent de lijdelijkheid des rechters en de gehoudenheid des eischers aan het onderwerp van zijn eisch; ook zou de toepassing van artikel 54 n0. 4 B. O. in zulk een geval op onoplosbare . zwarigheden stuiten. Maar ook een bevel des rechters aan partijen om een nieutv geding ten petitoire te beginnen, en voorschriften omtrent hetgeen daarbij gelden zal, zijn weinig minder met onze regelen van procedure in strijd. Wat toch zal geschieden, wanneer partijen zulk een bevel niet nakomen?
Om al deze zwarigheden te voorkomen, heeft men gemeend de bepaling, die zeker niet voorziet in practische behoeften en in de Duitsche Ontwerpen en Wetboeken gemist wordt, achterwege te kunnen laten.
Art. 37.
In aansluiting aan hetgeen reeds in de inleiding tot dezen Titel werd gezegd zij op den voor-
'29
grond gesteld, dat men getracht heeft de actie tot herstelling in het bezit zoo eenvoudig mogelijk te regelen.
Het Duitsche Wetboek begint met aan den bezitter het recht te geven om zich tegen onrechtmatige aanvallen met geweld te verdedigen en, indien hem het bezit ontnomen is, de zaak terstond met geweld terug te nemen. Het scheen niet wenschelijk dit als een der civielrechtelijke gevolgen van bezit voor te stellen. Dat ieder zich tegen wederrechtelijke aanranding verdedigen mag, leert artikel 41 W. v. S., terwijl uit het hierna volgend artikel 29 duidelijk volgt, dat eene voorbijgaande inbezitstelling door den aanrander den bezitter als zoodanig niet schaden kan. Heeft daarentegen de aanrander zich blijvend in het bezit kunnen handhaven, dan zou de vroegere bezitter zich zelf aan eene ongeoorloofde eigenrichting schuldig maken, indien hij niet den weg van rechte insloeg om zijne zaak terug te krijgen.
Voor het instellen der vordering is noodig, dat de zaak den vorigen bezitter ontnomen zij, onverschillig of hierbij al dan niet geweld gepleegd is. Dat onze tegenwoordige wet tusschen beide gevallen onderscheidt, en het verlies zonder geweld als eene soort van stoornis beschouwt, berust op historische gronden, aan de ontwikkeling van het interdictum unde vi en de réintégrande ontleend, en hangt samen met het aannemen van een in het laatstbedoelde geval blijvend bezitrecht. Dit alles verhinderde echter niet, dat het hoofddoel der actie gericht moest blijven op teruggave der zaak, of m. a. w. herstelling in het bezit. De wet scheen dus, in plaats van twee, drie acties te kennen, terwijl de artikelen 618â623 geredigeerd werden op eene wijze, die tot voortdurende verwarring leiden moest. Dit alles wordt vermeden door alle gevallen, waarin bezit ontnomen is, samen te voegen en op eenvoudige wijze naast de stoornis bij behoud van bezit te stellen.
De actie wordt gegeven tegen ieder, die ontnomen /zeeft, niet tegen eiken houder, zooals nu in geval het bezit zonder geweld verloren is gegaan door artikel 618 B. W. bepaald is. Daargelaten dat voor deze achterstelling van hem, wien het goed met geweld ontnomen is, weinig grond schijnt te bestaan, zou het aannemen eener zakelijke rechtsvordering tegen derden zich alleen laten verklaren, indien het bezit werd opgevat als een recht, hetgeen men, gelijk in de inleiding werd ontwikkeld, heeft willen vermijden,
Dat de actie ook gegeven wordt tegen hen, die zich te kwader trouw van het bezit ontdaan hebben (artikel 620 B. W.), kon niet worden overgenomen, waar alleen op hei feitelijk ontnemen door den gedaagde en niet op zijn bezit gelet wordt. Daarentegen zijn wel met de daders gelijk gesteld zij, die te kwader trouw de zaak overgenomen hebben. Zonder deze bepaling zou de uitsluiting van de actie tegen derde houders allicht het gevolg hebben, dat de bezitter machteloos bleef tegenover het door i hem geleden onrecht, terwijl er niets onbillijks is gelegen is ook hem voor het voorgevallene aanspra
kelijk te stellen, die desbewust daarvan voordeel getrokken heeft.
Op deze actie is niet alleen de tweede zinsnede van artikel 34 en die van artikel 36, maar ook, in afwijking van het thans geldend recht, de derde zinsnede van eerstgemeldartikel toepasselijk verklaard. Wil men den eerlijken bezitter zooveel mogelijk tegen onrecht beschermen, dan behoort de onderscheiding, evenals in het Duitsche Wetboek, te vervallen.
Art. 38.
De redactie van het eerste lid van artikel 621 B. W. kon vereenvoudigd worden, omdat het
30
Ontwerp de bezitsontneming scherp van enkele stoornis onderscheidt en aan den anderen kant geen verschil maakt tusschen de verschillende wijzen, waarop het bezit ontnomen is.
Het tweede lid van genoemd artikel is niet overgenomen.
Dat men nief tegelijk ten petitoire en ten possessoire ageeren mag, is een voorschrift in de artikels 130 en 250 n0. 3 W. v. B. Rv. gegeven en , ter voorkoming van voor de hand liggende verwarring, aanbevelenswaardig. Is echter de vordering ten petitoire met ongunstig gevolg afgeloopen, dan is er geen voldoende grond om den bezitter, die in het bewijs van zijn recht te kort schoot, op dien grond alleen de bescherming te weigeren, die aan alle bezitters, onafhankelijk van eenig eigendomsrecht, toekomt. Vervalt het tweede lid van artikel 621, dan zal artikel 131 B. R. daarmede in overeenstemming gebracht moeten worden.
Art. 39.
Dat de vordering in de eerste plaats strekt om de zaak te doen terug geven, blijft waar, ook al kan zij niet meer tegen den houder als zoodanig worden ingesteld. Is de dader werkelijk buiten de mogelijkheid om aan dit deel van den eisch te voldoen, dan zal het een der elementen van de door hem te betalen schadevergoeding vormen.
Eene belangrijke afwijking van het tegenwoordige recht ligt daarin, dat de eischer niet beschouwd wordt alsof hij het bezit nimmer verloren had. Dit is een noodzakelijk gevolg van het niet aannemen van een blijvend bezitrecht bij verlies van feitelijk bezit. Overigens wordt omtrent den bijzonderen invloed, dien de terugverkrijging van het bezit op de berekening der verjaring zal hebben, naar de regeling van dit laatste onderwerp verwezen. (Zie artikel 93.)
Artikel G23 B. W. is vervallen, omdat de leer der eigendomsverkrijging van vruchten elders behandeld is, en artikel 624, omdat de daarin vervatte bepaling van zelve spreekt.
Art. 40.
Artikel 2 van het Ontwerp Beieren luidt als volgt: « Eine und dieselbe Sache kann nach «Bruchtheilen (gedachten Theilen) im Mitbesitze mebrerer Personen stehen » en iets dergelijks bevat § 192 van het Wetboek van Saksen. Evenmin liet het Ontwerp 1820 het medebezit onvermeld; artikel 1147, immers, vangt aldus aan: «Men kan zoowel alleen als met anderen gezamenlijk be-«zitten». Over zoodanig medebezit zwijgt onze wet, en de vraag, hoe ieder hunner zijn recht zal kunnen handhaven, hetzij tegenover derden, hetzij tegenover zijne medebezitters, is in de jurisprudentie meermalen verschillend beslist. Omtrent de eerste vraag, die in de arresten van 15 Februari 1856 en 29 October 1858 (Wbl. 1725 en 2005) ter sprake kwam, heeft de Hooge Raad nog geene bepaalde beslissing gegeven; wat de tweede aangaat, verwierp hij de mogelijkheid eener bezits-actie bij arrest van 8 Januari 1869 (Wbl. 3082), maar nam haar aan, stilzwijgend, bij arrest van 29 Januari 1841 (Wbl. 194), uitdrukkelijk bij arrest van 28 April 1876 (Wbl. 3991).
Men beeft gemeend die leemte te moeten aanvullen door dat recht van handhaving in zijn tweeledigen vorm van handhaving en van herstelling ook aan de medebezitters toe te kennen. Eene omschrijving van medebezit werd niet opgenomen , die te minder wenschelijk scheen , nadat het ontwerp zich ook van eene omschrijving van bezit had onthouden; eene verklaring, dat eene en dezelfde zaak in het medebezit van meerdere personen zich hau bevinden â daargelaten of dit met zoovele woorden behoefde te worden gezegd, â vloeit reeds voort uit de bepaling, die in dit artikel voorkomt.
31
Het werd niet raadzaam geacht om in eene regeling van de wederzijdsche bevoegdheden der medebezitters te treden; hier hangt alles te veel af van den feitelijken toestand en van de bron, â waaruit het medebezit is ontstaan; â het scheen voldoende om duidelijk te kennen te geven, dat het medebezit aanspraak geeft op bescherming ook tegenover hen, die op gelijken voet met den bezitter staan. Indien de wederzijdsche bevoegdheden niet reeds geregeld zijn, b, v. door eenen erflater of door eene tusschen partijen gesloten overeenkomst, dan zal, tenzij het medebezit slechts van zeer tijdelijken aard is, het eigenbelang ongetwijfeld een sterke drijfveer zijn om tot de vaststelling van eene billijke en bruikbare verhouding tusschen de belanghebbenden over te gaan.
In de tweede zinsnede wordt een voorschrift van procesorde gegeven, ter vermijding van onnoodige proceskosten. In den regel, toch, zullen, indien de vordering moet worden ingesteld tegen een derde, de medebezitters dezelfde belangen hebben en op dezelfde wijze gestoord zijn als hij, die optreedt om zijn rechten te handhaven. In dat geval komt de rechterlijke beslissing van zelf aan belanghebbenden ten goede. Zij hebben evenwel de bevoegdheid zich in het proces te mengen voor het geval zij of bevreesd zijn, dat de gemeenschappelijke belangen niet voldoende zullen worden behartigd, of een van dat van de gedingvoerende partij afwijkend belang hebben, zoodat zij moeten zorg dragen dat, nevens de rechten welker handhaving door laatstgenoemde wordt gevraagd, ook hunne eigene rechten beschermd worden.
Art. 41.
Terwijl in het voorgaand artikel het geval behandeld werd, dat meer dan één persoon gezamenlijk gerechtigd zijn tot een gelijksoortig bezit, wordt hier ter plaatse de verhouding geregeld tusschen den bezitter-eigenaar en den bezitter krachtens het zakelijk recht. Beiden zijn bezitters, zegt het artikel, en in zóóverre wordt dus gebroken met het adagium: «Plures eandem rem in « solidum possidere non possunt ».
Intusschen blijkt reeds dadelijk uit de woorden, die er op volgen, dat dit tweeledig bezit voornamelijk van belang is voor de verjaring, die door leider bezit wordt voltooid, maar waarom dan ook aan heiden de gelegenheid moet worden gegeven om de bezitsaclie in te stellen. Indien derhalve het bezit eener onroerende zaak, krachtens eene wijze van eigendomsovergang onder bijzonderen titel, ter goeder frouw, verkregen is van een niet-eigenaar en de bezitter de zaak in erfpacht, beklemming enz. geeft aan een derde, die, eveneens te goeder trouw, bezitter wordt als erfpachter of beklemde meier, dan zal laastgemelde na tienjarig voortgezet bezit (artikel 87) zoo voor zich als voor den bezitter van den blooten eigendom de rechtsgevolgen van de verjaring verkregen hebben.
Beschermt hij evenwel zijn bezit niet voldoende, dan kan de bezitter als eigenaar voor zijne eigene belangen waken door tijdig de vereischte bezitsacties in te stellen, waardoor na tien jaren hetzelfde doel zal bereikt zijn.
Overigens is het bezit voor beide gerechtigden aan zekeren modus onderworpen. De bezitter-eigenaar zal tegenover den erfpachter enz. slechts in zóóverre zijn bezit kunnen uiloefenen als hij niet in strijd komt met dat van laatstgenoemde, en hoe meer de rechten van dezen zijn beperkt door den titel, waarop zijn zakelijk recht rust, des te grooter zal de omvang van het bezit van den eigenaar kunnen zijn.
Het tweede lid veronderstelt het geval, dat meer dan twee bezitters tegenover elkander staan, b.v. een bezitter als eigenaar, een als erfpachter en een als vruchtgebruiker.
32
Het derde lid dient slechts als verduidelijking voor de beide overige, ten einde nog te herinneren, dat zij, die een ander recht, een persoonlijk recht, op de zaak hebben, of die in eene andere verhouding tot de zaak staan (de bewaarnemer, de zaakgelastigde), geen bezit hebben, en in die gevallen alleen de eigenaar, of hij, die een ander zakelijk recht uitoefent, als bezitter kan worden aangemerkt.
Art. 42.
In de inleiding tot dezen Titel is bereids van deze actie melding gemaakt en medegedeeld op welken grond men gemeend heeft haar niet in den Titel van Eigendom te moeten opnemen, maar haar een plaats te geven bij de eigenlijke bezitsacties.
In de toelichting op den volgenden Titel zal zich de gelegenheid voordoen om het stelsel van het ontwerp ten aanzien van den eigendom van roerende zaken in bet algemeen te ontvouwen; hier zij het voldoende er op te wijzen, dat men in de plaats van het thans in artikel 2014 B. \V. uitgesproken vermoeden uitdrukkelijk heeft bepaald, dat derde verkrijgers van roerende zaken door de enkele overdracht van het bezit eigenaars worden, ook al was hij, die de overdracht deed, zulks niet.
Stelt het ontwerp zich dus in de toekenning van eigendom aan derde bezitters op een ander standpunt dan het tegenwoordig wetboek, dit behoefde er niet toe te leiden om in de rechten van den bestolene of den verliezer eenige verandering te maken. Evenals het tweede lid van artikel 2014, welks bepaling zich aansluit aan het oude recht, en waartegen ook in onze dagen geene bezwaren worden aangevoerd, wordt hun ook hier, enkel op grond van de omstandigheden, waaronder de zaak uit hunne handen geraakte, eene bijzondere bescherming verleend. Is zij nog in handen van den dief ol' den vinder, dan is daartegen zeker in geenerlei opzicht eenig bezwaar; en is zij in den eigendom gekomen van den nieuwen verkrijger, dan geldt aanvankelijk deze eigendom alleen tegen derden. Hij , die de zaak tegen zijn wil verloor, heeft rechten, die in den eersten tijd nog voorgaan boven die van een nieuwen verkrijger; hem mag dus ook tegenover dezen de gelegenheid worden gegeven om de zaak in zijne macht terug te krijgen, en daarmede alles wat er sedert den diefstal of het verlies mede gebeurd is ongedaan te maken.
De daartoe strekkende vordering komt toe aan den houder eener roerende zaak, wien zij, al was het niet ter kwader trouw, werd ontnomen, of die haar verloor. Men heeft haar derhalve niet tot de gevallen van ontvreemding en verlies willen beperken. Zij komt te pas, zoodra de zaak, buiten den wil des houders om, in vreemde handen geraakt.
De actie is gegrond niet op de wijze, waarop die houder macht over de zaak had, maar, zoo als reeds werd opgemerkt, op de wijze, waarop zij buiten zijne heerschappij geraaakte. Zij komt daarom toe aan den houder voor een ander zoo goed als aan den houder voor zich. Slechts schijnt het wenscbelijk haar, indien de zaak ontnomen werd aan den houder voor een ander, bovendien aan dezen laatste, den eigenlijk belanghebbende, toe te kennen.
Met houders voor een ander worden gelijk gesteld de pandhouder en de vruchtgebruiker, die naar de thans gebruikelijke terminologie onder die benaming zouden vallen en ten aanzien van wie eene zelfde regeling moet gelden.
De vordering moet binnen het jaar worden ingesteld. De termijn van drie jaren, in artikel 2014 B. W. gegeven, is derhalve ingekort. Al is, zoo als reeds vroeger werd opgemerkt, de hier besproken actie geen eigenlijke bezitsactie, zoo bestaat er toch analogie genoeg tusschen deze vordering
33
en die tot herstelling in het bezit van eene onroerende zaak om den termijn voor beide gelijk te stellen. Ten aanzien van verloren zaken zij hier nog gewezen op de bepaling van artikel 66, waaruit volgt, dat den verliezer een termijn van drie jaren wordt gegeven om de revindicatie in te stellen tegen den eerlijken vinder, â ten opzichte van ontnomen zaken blijft de revindicatie gedurende dertig jaren geldig.
Wil men de gunstige bepaling van dit artikel van practiscli nut doen zijn, dan is eene toevoeging als die van het laatste lid noodzakelijk. In de eerste plaats is hier gedacht aan den nieuwen eigenaar, wiens eigendom door toewijzing van de vordering des houders te niet gaat. De eigendom, â welken artikel 105 hem verleende, was in het bedoelde geval geene onvoorwaardelijke; het verband van beide artikelen brengt mede, dat de toepassing van artikel 42 als eene ontbindende voorwaarde werkt. Men denke ook aan het licht voorkomende geval, dat de dief de zaak onmiddellijk in pand geeft aan een derde. Op grond van de artikelen 388 en 394 zou de pandnemer, na de zaak te hebben teruggegeven, haar dadelijk weder kunnen terugvorderen van dengene, wien de zaak was ontstolen, indien de onderhavige zinsnede zoodanig in den tusschentijd ontstaan pandrecht niet vervallen verklaarde.
Art. 43.
Tegenover het recht van dengene, wien de zaak ontnomen is of die haar heeft verloren, staat natuurlijk het recht van hem, die verondersteld kan worden de zaak te goeder trouw en op eerlijke wijze in handen te hebben gekregen; â eene overname van artikel 637 B. W. moest dus met de vaststelling van het hier voorgaand artikel samengaan. Intusschen heeft de bepaling eenige uitbreiding ondergaan. In de eerste plaats heeft men uitdrukkelijk melding gemaakt van het gekocht zijn van de zaak op eene beurs, â de beurs en de markt moeten in dit opzicht gelijk staan.
In de tweede plaats is met hem, die de zaak gekocht heeft, gelijk gesteld hij, die haar onder gelijke omstandigheden in pand gekregen heeft. Ook deze moet geene schade lijden; daar echter het begrip van koopprijs, hoe ruim men het ook nemen moge, te zijnen opzichte vervalt, wordt hem uitdrukkelijk aanspraak gegeven op eene vergoeding, tot het bedrag hetwelk, naar artikel 404 sub 2° en 3°, de pandhouder op het pand verhalen kan. Daarentegen is niet afzonderlijk melding gemaakt van ruiling of van andere overeenkomsten, krachtens welke de houder de zaak tegen eene niet in geld uitgedrukte praestatie verkregen heeft; het artikel ware op die wijze noodeloos omslachtig geworden , daar in den regel de voor koop geschreven bepaling voor analogische toepassing vatbaar zal zijn.
Uit artikel 637 B. W. volgt niet, dat de houder, behalve dat hij de zaak kan terug houden tot hem de koopprijs is uitbetaald, ook eene zelfstandige vordering kan instellen om die vergoeding te verkrijgen, en tóch kan het van belang zijn hem dit recht te geven, indien hij vrijwillig heeft gehoor gegeven aan de opvordering van den vroegeren eigenaar, in welk geval hij niet in een slechteren toestand mag verkeeren dan wanneer hij een proces had afgewacht.
A F D E E L I N G II.
Bezit van rechten.
Art. 44.
De tweede afdeeling behandelt het bezit van rechten; maar reeds dadelijk wordt dit onderwerp beperkt tot de zakelijke rechten, waaraan het houden der zaak niet verbonden is. Het bezit van
e
34
zakelijke rechten komt in onze wet niet alleen voor ten aanzien van erfdienstbaarheden (artikelen 593, 608, 609, 742 B. VV.), maar kan in het algemeen worden afgeleid uit de artiken 585,603 en 606. Het wordt dan ook in de jurisprudentie aangenomen bij opstal, erfpacht, beklemming', grondrenten en tienden (vgl. Léon, ad artt. 585, n*8 7 en 9; 598, n0, 2; 606, n0. 2 b ene; 612, n0. 4; 614, nis 2â5). Waarom in deze afdeeling niet zal gesproken worden over de zakelijke rechten, waaraan het houden der zaak wèl verhouden is, is reeds bij de toelichting op artikel 21 hierboven uiteengezet. ïen aanzien van de overige zakelijke rechten had het ontwerp zich alleen bezig te houden met de erfdienstbaarheden eti de grondrente â andere zakelijke rechten worden niet geregeld en dus ook niet erkend (vgl. artikel 13) â, een en ander behoudens het bepaalde in de slotbepaling van dezen Titel in verband met de tweede zinsnede van artikel 13 voornoemd.
Het geldend recht geeft geene nadere uitwerking van het bezit der zakelijke rechten. In het algemeen kan men ook hier volstaan met eene verwijzing naar de bepalingen omtrent het bezit van zaken, doch vooral de wijze, waarop het bezit wordt verkregen, vertoont zich bij de voormelde zakelijke rechten in zulk een geheel ander licht dan bij de (lichamelijke) zaken, dat het wenschelijk scheen hieromtrent in eenige bijzonderheden te treden.
Artt. 45, 46, 47 en 49.
Het ontwerp heeft, zooals later bij de toelichting op den Titel van Erfdienstbaarheden zal blijken, gebroken met de onderscheiding tusschen zicMbare en niet zichtbare, voortdurende en niet voortdurende erfdienstbaarheden; â bepalingen als die van artikel 593, tweede lid, artikel 608 en 609 B. W. konden dus niet in stand blijven. De uitsluiting, trouwens, van het bezit voor niet voortdurende en niet zichtbare erfdienstbaarheden, in ons oud recht onbekend, maar aan de Fransche praktijk ontleend, moge haren te verdedigen grond gehad hebben in de vrees, dat op zich zelve staande handelingen, buiten weten van den eigenaar van het dienend erf of met zijn welwillende toestemming gepleegd, tot verjaring zouden leiden, â daar staat tegenover, dat het niet minder onbillijk is, indien b. v. een recht van overgang, dat sedert onheuglijke tijden zonder titel is uitgeoefend, of op eenen titel berust, waaraan eenig gebrek kleeft, plotseling ontzegd wordt aan hem, die te goeder trouw meende daarop aanspraak te kunnen maken. De bezwaren kunnen trouwens grootendeels worden weggenomen door uitdrukkelijke toestemming of stilzwijgende berusting van den bezitter van het dienend erf te vorderen, en bovendien den bepaalden eisch te stellen, dat aan de zijde van den bezitter van het heerschend erf de wil om eene erfdienstbaarheid uit te oefenen ontwijfelbaar vaststa.
Waarin de uitoefening bestaan zal, hangt af van den aard van het recht, waarop de bezitter van het heerschend erf aanspraak maakt. Men heeft getracht de gevallen, op het voetspoor van het Beiersch Ontwerp (artikelen 44â46), onder drieërlei gezichtspunt samen te vatten.
In de eerste plaats heeft men op het oog gehad de erfdienstbaarheden, waarvan de uitoefening bestaat in het verrichten van telkens terugkeerende handelingen, zooals het recht van voetpad, van overgang en dergelijke. Wanneer hij , die van het voetpad gebruik maakt, dit doet als gerechtigde, m. a. w. indien uit zijne wijze van handelen blijkt, dat hij zich niet verplicht rekent acht te slaan op de al- of niet-goedkeuring door den eigenaar, maar de handelingen op eigen gezag verricht, heeft hij van zijne zijde de voorwaarde vervuld voor het verkrijgen van het bezit der erfdienstbaarheid.
35
De bedoeling van den dader moet evenwel niet twijfelachtig zijn, â artikel 49 geeft dit uitdrukkelijk te kennen.
Van gelijke strekking is het eerste lid van artikel 46 ten aanzien van erfdienstbaarheden, voor wier uitoefening werken noodig zijn: het hebben van eene goot of eene waterleiding op iemands erf, het. vensterrecht. en dergelijke.
Van den bezitter van het dienend erf wordt uitdrukkelijk toestemming geëischt, waaronder natuurlijk verleening, als bevattende eene voorafgaande toestemming begrepen is. Ontbreekt eene wilsverklaring, dan is eene stilzwijgende berusting van zijne zijde voldoende. Deze stilzwijgende berusting wordt geacht dan, maar ook dan alleen, aanwezig te zijn, wanneer de bezitter, niettegenstaande de handelingen ah gerechtigde gedurende één jaar geregeld zijn voortgezet of de werken één jaar lang onafgebroken hebben bestaan, zijnerzijds geene vordering heeft ingesteld om in zijn bezit, dat door het voorgevallene gestoord is, gehandhaafd te worden.
Dit samenvallen van stilzwijgende berusting met het niet tijdig instellen van de vordering tot handhaving in het bezit schijnt volkomen gerechtvaardigd. Ware dit niet het geval, dan zoude eene stilzwijgende berusting, uit de omstandigheden volkomen duidelijk blijkende, niettemin haar effect kunnen verliezen door het instellen van de in artikel 34 omschreven vordering, en omgekeerd zoude men kunnen opkomen tegen de bewering, dal er stilzwijgende berusting was, niettegenstaande de daad van stoornis als zoodanig niet meer kon worden bestreden.
Ten aanzien van het geregeld voortzetten van de verrichting der handelingen en het onafgebroken hebben bestaan der werken zij nog opgemerkt, dat onder het eerste moet verstaan worden het verrichten van de handeling, wanneer er aanleiding bestaat om van die erfdienstbaarheid gebruik te maken, zooals ook in artikel 191 bepaald is, dat het onder die omstandigheden niet gebruik maken van de erfdienstbaarheid kan leiden tot het te niet gaan der dienstbaarheid door verjaring. Maar het spreekt van zelf, dat tot het verkrijgen van bezit na één jaar eene zekere pluraliteit van handelingen noodig is; eene enkele handeling toch kan een zoo voorbijgaand karakter hebben, dat er geene noodzakelijkheid is om den bezitter te verplichten terstond de in artikel 34 bedoelde vordering in te stellen. Vandaar, dat men spreekt van (/eregeld voortzetten.
Wat het tweede betreft: onder het onafgebroken hebben bestaan der werken zal men, in verband met het meergenoemde artikel 19i, dienen te verstaan: het voortdurend in bruikharen toestand geweest zijn der werken.
Het derde geval van verkrijgen van bezit is omschreven in artikel 47 en heeft betrekking op de erfdienstbaarheden, die bestaan in iets niet te doen. De handelingen noodig om bezit aan te nemen zijn hier natuurlijk van geheel anderen aard dan in de gevallen van de twee voorgaande artikelen. Onder het uitdrukkelijk erkennen is, evenals bij de uitdrukkelijke toestemming, ook het verleenen der erfdienstbaarheid begrepen.
Van eene berusting blijkende uit het niet bij tijds instellen van de vordering bedoeld in artikel 34 kan hier geen sprake zijn, â de berusting in het. verbod moet in dit geval ondubbelzinnig blijken uit het staken van het aangevangen werk of, in het algemeen, van de ondernomen handeling.
â Art. 48.
Ook de erfpachter, de beklemde meier en de vruchtgebruiker zijn bezitters en als zoodanig
36
kunnen zij ook erfdienstbaarheden veiieenen. hunne toestemming uitdrukkelijk geven, of wel door stilzitten den eigenaar van het heerschend erf bezit doen verkrijgen van eene erfdienstbaarheid. In-tusschen kan het recht van laatstgenoemde niet langer duren dan het zakelijk recht duurt van hem, die het bezit van de erfdienstbaarheid deed ontstaan , â dit volgt ten aanzien van de erfpacht en de beklemming voornamelijk uit de artikelen 205 en 235. Wel is waar treden zij hier op in hunne qualiteit van bezitters, maar vermits dit bezit zelf behoort te eindigen door het ophouden van het zakelijk recht, waaraan zij het ontleenen, kan op dien grond ook de verleende erfdienstbaarheid geen langeren levensduur hebben. Dit laatste betoog geldt ook voor den vruchtgebruiker. Wel is hem de bevoegdheid niet gegeven erfdienstbaarheden te vestigen, maar artikel 21 verleent hem bezit, en er is geen voldoende grond om ten aanzien van het. geval, dat hier geregeld wordt, tusschen hem en andere bezitters onderscheid te maken. Het spreekt van zelf, dat daardoor niet wordt te kort gedaan aan zijne verantwoordelijkheid jegens den eigenaar, die daarenboven, indien het een geval geldt waarin de vruchtgebruiker stil zit, krachtens artikel 41 zelf met eene bezitsactie kan opkomen.
Art. 50.
Meer nog dan voor erfdienstbaarheden is omschrijving van hetgeen als bezit eener grondrente beschouwd wordt noodig om te voorkomen, dat betalingen, waarbij eene andere bedoeling heeft voorgezeten, als zoodanig worden aangemerkt. Het hoofdmoment ligt natuurlijk in de betaling zelve, maar bovendien wordt gevorderd eene uitdrukkelijke of stilzwijgende erkenning van den last. Onder uitdrukkelijke erkenning is ook nu weder de verleening begrepen, terwijl de vraag, of in een gegeven geval stilzwijgende erkenning aan te nemen is, geheel naar de omstandigheden beantwoord zal moeten worden.
Art. 51.
Aan den bezitter van de erfdienstbaarheid of van de grondrente moet een middel worden gegeven om zich tegen stoornis in of eigenmachtige ontneming van zijn bezit in kunnen verzetten; daarop spreekt het artikel van belemmeren en onmogelijk maken en verbindt het aan het eerste de vordering tot handhaving, aan het laatste die tot herstelling. Bij erfdienstbaarheden kan men zich de gevallen van stoornis en ontneming gemakkelijk voorstellen; immers zij zullen van denzelfden aard zijn als die, welke hem, wien een recht van erfdienstbaarheid toekomt, de bevoegdheid geven de vordering van artikel 193 (actio confessoria) in te stellen; de gronden voor deze actie liggen voor de hand en komen in de practijk herhaalde malen voor. Minder in de practijk voorkomend zijn de gevallen van stoornis in of ontneming van het bezit van eene grondrente. Als zoodanig zal men kunnen beschouwen, wanneer een derde den betaler overreedt om hem , en niet den bezitter van het recht, de grondrente te voldoen, of ook wanneer een derde eenvoudig de grondrente in ontvangst neemt, die hem uit eigen beweging door den eigenaar van het onroerend goed wordt betaald.
Art. 52.
Bezit van jacht- en vischrecht, zoowel als van de rechten van veer- en bruggeld, is ook onder onze tegenwoordige wet aangenomen, al kunnen zulke rechten niet meer gevestigd worden; (vgl. Léon, ad artt. 606, n0. 5; 641, nis 6, 9.) Ook de gevallen, waarin bezit van tiendrecht aangenomen is, zullen wel meestal van vóór de invoering onzer wetgeving gedagteekend hebben. Voor de toekomst
37
moet deze opvatting bestendigd worden; de uitoefening van rechten, die erkend worden krachtens de overgangsbepaling vari artikel 43, valt onder het begrip van bezit.
DERDE TITEL.
Van eigendom.
Gedeeltelijk om eene systematische behandeling van de verschillende in dezen Titel voorkomende onderwerpen te bevorderen, gedeeltelijk ook omdat de omvang van den Titel een onafgebroken voortzetting der artikels minder wenschelijk deed zijn, werd hij op het. voetspoor van het Ontwerp 1820 in verschillende afdeelingen gesplitst. Het zal later blijken, dat er onderscheidene onderwerpen in zijn behandeld, die in het Burgerlijk Wetboek niet of althans niet daar ter plaatse voorkomen (het zich toeêigenen van gevonden goederen, eigendomsverkrijging door verjaring, medeëigendom), terwijl ten opzichte van andere, zooals de overdracht van den eigendom en de rechtsvorderingen den eigenaar toekomende, meer in bijzonderheden is getreden, door welk een en ander de onderhavige Titel vrij wat uitgebreider is dan de Derde Titel van het Burgerlijk Wetboek.
In het ontwerp blijft de eigendom, voor zooveel betreft zijn aard, zijn wezen en zijn inhoud, wat hij is in het B. W.; nadere toelichting op dit punt is derhalve onnoodig. Onder de meest ingrijpende veranderingen behooren die, welke hebben plaats gegrepen ten aanzien van de beide laatste hierboven aangestipte onderwerpen; de wijze van overdracht van eigendom en zijne bescherming door acties.
Alvorens tot de bespreking der verschillende artikels over te gaan, schijnt het niet van belang ontbloot vooraf het standpunt aan te geven, waarop liet ontwerp zich ten aanzien van beide punten heeft geplaatst.
A. Overdracht van eigendom.
a. Van onroerende zaken.
b. Van roerende zaken,
a. Van onroerende zaken.
Het ligt voor de hand, dat aan de vraag in hoeverre de bepaling van artikel 671 B. W. zoude moeten in stand blijven, zich tal van beschouwingen vastknoopen, waartoe de inhoud van dat artikel aanleiding gaf. In de eerste plaats was het een onafwijsbare eisch voor eene wetenschappelijke behandeling van het onderwerp, dat men zich niet uitsluitend zou bezig houden met de overdracht van eigendom, maar tevens met de vestiging en de overdracht van de overige zakelijke rechten , waarvan de regeling in ons geldend recht zeer veel te wenschen overlaat, niet alleen omdat ze gebrekkig en onvolledig, maar ook omdat ze in de hoogste mate ongelijkmatig is. Eene vergelijking van artikel 671 met de artikelen 742 en 743 voor erfdienstbaarheden, 760 voor recht van opstal, 767 voor erfpachtsrecht, 784 voor grondrenten, 806 en 807 voor vruchtgebruik en de reeks artikelen uit den Twintigsten Titel voor hypotheek stelt dit duidelijk in het licht.
In de tweede plaats deed zich de vraag voor of men zich ten aanzien van een en ander zoude houden aan het thans geldende zoogenaamde negatieve stelsel, dan wel of men deze gelegenheid
38
zoude aangrijpen om eeue meer radicale hervorming tot stand te brengen in den aard en de bewijskracht onzer openbare registers, door zich, op welke wijze dan ook, te begeven op het terrein van het zoogenaamde positieve stelsel. Het is bekend hoe de vraag of niet tot eene invoering van dit laatste moet worden overgegaan nog steeds aan de orde is en met welke kracht dit stelsel aan de eene zijde wordt aanbevolen , en aan de andere zijde â althans voor ons land en met het oog op de ten onzent heerschende toestanden â wordt bestreden.
De Staatscommissie van 1867, ofschoon, zooals men weet, ingesteld «voor de herziening der «wetgeving op de eigendomsoverdragt van onroerende goederen, het hypotheekstelsel en het notariaat», die derhalve de quaestie in haren geheelen omvang, en haar voornamelijk onder de oogen had te zien, waagde zich niet aan eene dergelijke ingrijpende verandering en meende, dat het aannemen van het positieve stelsel, als niet steunende op de volksovertuiging, fe verwerpen zou zijn, terwijl ook theoretisch daarvoor geene voldoende gronden konden worden aangevoerd.
In 1893 stond het punt. op de agenda der .Turistenvereeniging en, voorgelicht door drie adviezen, waarvan twee zich bewogen in de richting van behoud van den bestaanden toestand en één (dat van den welbekenden strijder voor het torrens-stelsel, den heer J. Boer Hz.) met klem aandrong op het aannemen van het positieve stelsel, was de te Utrecht gehouden vergadering in de gelegenheid om, na het voor en tegen te hebben gelezen en gehoord, haar oordeel over dat belangrijk vraagstuk uit te spreken.
Met 38 tegen 31 stemmen beantwoordde men de gestelde vraag: Behoort het negatieve stelsel omtrent den eigendom van den grond te worden verlaten? â ontkennend. De vragen, ten doel hebbende uit te maken well positief stelsel het meest begeerlijke zoude zijn : het stelsel van mobilisatie van den grond, een stelsel in den geest van dat van Torrens, of wel een grondboekstelsel in den geest van het Pruissische (thans ook in het Duitsche Wetboek gehuldigd), bleven uit den aard der zaak onbeantwoord, al waren die alle bij de beraadslagingen ter sprake gekomen.
Het thans ingediend ontwerp is op denzelfden weg voortgegaan, â men heeft ook thans geen voldoenden grond aanwezig gevonden om het bestaande stelsel den rug toe te keeren.
In de Memorie van Toelichting op het Ontwerp 1870 komt eene zinsnede voor ten aanzien van het invoeren van eene nieuwe hypothecaire boekhouding, die ook hier niet misplaatst schijnt. «Bij het bestaande rekent men», zoo luidde ongeveer de redeneering, «met bekende factoren. « Elke nieuwe boekhouding moet in de praktijk de waarde der a priori voorgespiegelde voordeden nog doen kennen, en zal ongetwijfeld zeker op menig onvoorzien bezwaar «doen stuiten.» Inderdaad, eene dergelijke overweging mag gelden ten opzichte van de omverwerping van eenen bestaanden toestand, die niet van dien aard is, dat er zelfs geen gelegenheid tot verbetering of tot wegneming der ernstigste grieven zoude bestaan, en de in de plaats stelling van eenen nieuwen toestand, waarvan men de werking wel in andere landen kan nagaan, maar die een nieuwe plant zoude zijn op een ouden bodem, waarvan men dus de groeikracht, en zelfs de levensvatbaarheid aan eene gevaarlijke proef zoude onderwerpen. Het is hier de plaats niet om in het breede uit te wijden over den aard en de werking van het positieve stelsel en toch, indien men een juist inzicht wilde geven in de wijze, waarop b. v. het Pruissische grondboekstelsel werkt, zoo zoude men tot eene vrij omvangrijke uiteenzetting moeten geraken. Doch. wanneer men slechts een oogenblik de aandacht vestigt op datgene, wat voor de werking van het grondboek, zoo al niet onmisbaar dan toch hoogst wenschelijk is, n, 1. een behoorlijk ingericht kadaster, dan stuit men ten
39
onzent reeds dadelijk op zeer ernstige bezwaren. Samengesteld met een fiscaal doel, ten einde een basis te hebben voor het heffen der grondbelasting, deugt ons kadaster, allereerst door gemis aan nauwkeurigheid, in geenen deele voor het met juistheid opgeven der grootte en het afbakenen van de grenzen der eigendommen. Het samenstellen van zulk een kadaster behoort zeker niet tot de onmogelijkheden, maar men telle de moeielijkheden niet gering om in een geparcelleerd land als het onze en met de uitbreiding, die de groote steden in de laatste jaren hebben ondergaan, en nog ondergaan, eene geheel nieuwe omschrijving en daarmede in verband staande inkaartbrenging der eigendommen te bewerkstelligen, inzonderheid zoo men die tot eene voor de eigenaars verhindende wilde maken.
Een tweede punt, dat niet uit het oog mag worden verloren, is de bij het gebruik van een grondboek niet te vermijden inmenging van de overheid. De overheid (de grondboekambtenaren) maakt uit of hij, die den eigendom van de onroerende zaak zal overdragen, de werkelijke eigenaar is; diezelfde overheid maakt uit of de rechtshandeling, krachtens welke de eigendom zal worden overgedragen, wat betreft vorm, inhoud, bekwaamheid der partijen, echtheid en wat verder daarbij in aanmerking komt geldig is.
Nu moge hierdoor de taak van den verkrijger aanmerkelijk verlicht worden, de ingenomenheid met deze landsvaderlijke zorg schijnt aan twijfel onderhevig, waar onder meer een gevolg van dit toezicht is, dat, zoo het onderzoek niet in allen deele bevredigend is, de inschrijving in het grondboek niet geschiedt, al ware de handelende persoon ook bereid een deel van de absolute zekerheid op te offeren met het oog op het groote belang, dat hij bij de verkrijging heeft. Ook bij dit punt zij nogmaals herhaald wat bij den aanvang van het betoog op den voorgrond is gesteld: het is niet de eenige vraag of het besproken stelsel voordeden aanbiedt van meer gewicht dan de daaraan klevende bezwaren, maar bovendien, en nog meer, of het geraden is op dien grond omver te werpen dat, waarmede sedert tal van jaren is gewerkt, waaraan men gewoon is en waarvan men de gebreken kent, zoodat men deze dan ook zooveel mogelijk kan neutraliseeren.
Het is bekend, dat, men bij het negatieve stelsel uitgaat van den regel, dat niemand meer rechten kan overdragen dan hij zelf bezit, terwijl in het positieve stelsel het ingeschreven staan in het grondboek de toetssteen is om te weten of men met gerustheid eenige overeenkomst ten aanzien van de onroerende zaak kan aangaan. Het gevolg van dit verschil is, dat in het laatste stelsel de nieuwe verkrijger meerdere rechtszekerheid heeft, terwijl in het eerste de wezenlijke eigenaar, hij, die tegen den uiterlijken schijn in de beste rechten heeft, grootere zekerheid bezit, dat hem de zaak, die de zijne is, niet zal worden ontnomen, en aangezien iedere nieuwe verkrijger op zijn beurt de persoon wordt, die zijn verkregen recht op de zaak wenscht te behouden, is hel al weder de vraag of men met het wegwerpen van het bestaande en het aannemen van het nieuwe ook in dit opzicht aan een algemeen gekoesterden wensch zou voldoen.
Men wil, vooral door het ToRRENs-stelsel (om niet te spreken van de uiterste consequentie, gelegen in het mobilisatie-stelsel), tegemoetkomen aan de behoefte aan sneller verkeer ten aanzien dei-onroerende zaken. De zucht om bij het verhandelen hiervan minder bezwaren te ontmoeten zoude een gevolg zijn van de gebleken noodzakelijkheid om de onroerende zaken telkenmale te brengen in de handen van hem, die er het meeste nut uit weet te trekken. In het midden gelaten in hoeverre hiervoor een deel der rechtszekerheid zoude moeten worden ten offer gebracht, mag er toch twijfel rijzen of feitelijk juist is wat men dienaangaande beweert.
40
De meening, dat in het maatschappelijk verkeer zulk een spoed gemaakt wordt, of althans dat. men er naar haakt meer spoed te hunnen maken bij het verhandelen van onroerende zaken, wordt door deskundigen zeer bepaald tegengesproken.
Het ontwerp heeft dus, zooals gezegd is, het negatieve stelsel niet verlaten, maar niettemin getracht aan enkele daaruit voortvloeiende bezwaren tegemoet te komen. Hierboven werd reeds te kennen gegeven, dat men er zich op toegelegd heeft eene gelijkvormige regeling samen te stellen voor alle zakelijke rechten op onroerende zaken, zoodat in dezen Titel voorschriften worden gegeven, waarnaar bij de behandeling der overige zakelijke rechten kon worden verwezen.
Op den voorgrond is gesteld, dat alleen notarieele akten ter overschrijving kunnen worden toegelaten , doch die dan ook niets anders mogen inhouden dan het overdragen en aannemen van den eigendom, benevens de voorwaarden en bedingen daarmede in verband staande.
Met de notarieele akten worden gelijk gesteld de vonnissen, waarbij de eigendom wordt toegewezen , indien de eene partij, ofschoon zich verbonden hebbende om de zaak over te dragen, weigert hare medewerking daartoe te verleenen.
Terwijl, zoo als later bij de verjaring zal blijken, de rechtszekerheid betreffende de verkrijging van onroerende zaken in niet geringe mate is bevorderd door het verkorten van den termijn der verjaring, en door het aannemen van eigensdomsverkrijging door verjaring ook indien het bezit te kwader trouw is aangevangen, mag het ontwerp geacht worden ook nog in een ander opzicht eene belangrijke verbetering te hebben aangebracht, door de werking der nietigheden, waaraan eene overdracht zoude kunnen lijden, te omschrijven en te beperken. Er is een scherp onderscheid gemaakt tusschen de gevolgen eener volstrekte nietigheid en der betrekkelijke nietigheid op grond van onbekwaamheid aan den éénen, en alle andere gevallen van nietigheid of vernietigbaarheid aan den anderen kant. Alleen ten aanzien van de beide eerste soorten heeft men de nietigheid tegenover iederen lateren verkrijger volgehouden. Ten opzichte van de andere is de werking der nietigheid of vernietigbaarheid beperkt tot de eerste hand.
Door eene bepaling op te nemen, dat en hoe men afstand kan doen van den eigendom eener onroerende zaak, is mede eene leemte in het geldend recht aangevuld.
h. Van roerende zaken.
Het stelsel van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de verkrijging van den eigendom van roerende zaken is niet zoo klaar als wenschelijk zijn zou; meestal neemt men aan, dat de bepaling van artikel 2014 al. 1 tot eigenaar verklaart den bezitter, onverschillig hoe of van wien hij het bezit verkregen hebbe. Wie de zaak bezit, is er eigenaar van: wie haar niet bezit, is geen eigenaar, ook al heeft hij haar vroeger op rechtmatige wijze verkregen en er niet aan gedacht zijn recht over te dragen of op te geven. Staat zoo iemand tegenover een bezitter en toont hij aan, dat hij de zaak door aankoop, door toeéigening, door zaaks vorming of op welke andere der erkende wijzen van eigendomsverkrijging dan ook, verworven heeft, het zal hem niet baten. De ander heeft de zaak en behoudt haar, ook al weet hij tot rechtvaardiging van zijn bezit niets aan te voeren. Slechts dan zal hij verplicht zijn de zaak af te geven als de eischer kan bewijzen, dat de zaak hem ontstolen of door hem verloren is, of dat hij haar aan de detentie van dezen gedaagde toevertrouwde tegen belofte van restitutie. Doch het is in deze gevallen niet meer de wijze van eigendomsverkrijging, waarop hij zich eerst beriep, aankoop, toeéigening enz..
41
die den eischer doet zegevieren, maar eenig en alleen de nadere grond door hem aangevoerd, de diefstal, het verlies, het contract, â gronden die geheel buiten den eigendom der zaak vallen.
Ãat, indien deze beschouwing juist is, de voorschriften in de artikelen 640 vgl. B, W., omtrent de wijzen, waarop eigendom van roerend goed verkregen wordt, moeilijk te verklaren zijn, behoeft geen betoog. Ãén van de twee: óf men houdt, zich aan artikel '2014- al 1, maar beschouwt dan ook elk voorschrift van het Wetboek, dat over den eigendom van roerend goed handelt, als niet geschreven, óf men houdt zich aan deze voorschriften, maar schrapt dan ook artikel 2014 al. 1 of geeft het eene beteekenis, die het strikt genomen naar de woorden, waarin het vervat is, niet hebben kan.
Het spreekt van zelf, dat men begrepen heeft de tweeslachtigheid van het Wetboek te moeten vermijden. Men heeft niet geaarzeld omtrent den weg, dien men tot dit doel had in te slaan. Liever dan den eigendom van roerend goed op te offeren heeft men artikel 2014 al. 1 gewijzigd. Het is moeilijk in te zien, waarom de man, die zich eene roerende zaak met opoffering van een deel van zijn vermogen of door zijn arbeid verworven heeft, machteloos moet staan tegenover een bezitter, die niets kan aanvoeren, noch ter bestrijding van des eischers recht, noch ter verdediging van zijn eigen bezit. Het ontwerp verklaart daarom hem, die eene roerende zaak verworven heeft door eene der van ouds bekende en ook in het B. W. erkende wijzen van eigendomsverkrijging, tot eigenaar, niet in naam maar metterdaad, en bepaalt dat eigendom van roerende zaken ook wordt verkregen dooi' overdracht, n.1. dooi- overdracht van het bezit, terwijl tevens zal moeten blijken, dat partijen van weerszijden den eigendom willen overdragen en aannemen. Intusschen heeft men niet gebroken met hetgeen de wetgever met het in artikel 2014 bepaalde voornamelijk op het oog had, n.l. rechtszekerheid te geven aan het verkeer ten aanzien van roerende zaken.
Hij, die door overdracht eene roerende zaak verkrijgt, moet zonder, meestal ondoenlijk, onderzoek naar het recht van zijn auteur de zekerheid kunnen hebben, dat hij eigenaar is van de zaak, m. a. w. zijn recht moet onafhankelijk zijn van dat van hem, die hem de zaak overdraagt. Hij moet, door de regelmatige wijze, waarop hij de zaak verkreeg, alleen reeds gewaarborgd zijn tegen elke opvordering door vroegere bezitters.
Van daar de bepaling in artikel 105, dat overdracht eener roerende zaak ook dan tot eigenaar maakt, als zij gedaan is door een niet-eigenaar.
B. ReeliUvordenngen den eigenaar toekomende.
Ook ten opzichte van de acties wijkt het ontwerp van het bestaande recht af.
Wat betreft de revindicatie ligt het verschil minder in de regeling, dan in de praktische beteekenis van de instelling. Tot nog toe is de revindicatie, niet in de wet maar feitelijk, bepaald tot onroerende zaken ; naar het ontwerp zal zij ook ter terugbekoming van roerende zaken kunnen worden ingesteld. Hij, die door toeëigening, natrekking, zaaksvorming enz., of door overdracht eigenaar werd van eene roerende zaak, zal haar kunnen terugvorderen van eiken houder, die niet bewijzen kan, dat na het. ontstaan van des eischers recht hij zelf' eigenaar geworden, of althans des eischers recht weer te niet gegaan is.
Naast de revindicatie is niet alleen de actio negatoria, maar ook de Publiciana opgenomen. Aan het bestaan van eerstgenoemde ook in het tegenwoordig recht valt niet te twijfelen; hel ontwerp, haar vermeldende, bevestigt haar, doch voert haar niet in. Anders is het gelegen met de Publiciana. Uit het stilzwijgen van het B. W. over haar schijnt te volgen, dat zij aan het bestaande
f
42
recht ontbreekt. Deze leemte behoort dan te worden aangevuld, en dat te meer, nu de bezitsactie wegens verloren bjzit, in overeenstemming met haren aard, niet langer tegen eiken houder, doch slechts tegen hem, die de zaak eigenmachtig aan den vroegeren bezitter heeft ontnomen, zal kunnen worden ingesteld. Er moet een middel zijn om hem, die de zaak op rechtmatige wijze verkreeg, al is het niet van den waren eigenaar, in zijn betrekkelijk recht te handhaven tegenover personen, die niet eens zooveel kunnen aanvoeren.
Het behoeft geen betoog, dal deze rechtsvordering slechts ten aanzien van onroerende zaken te pas kan komen. De actie, die hierboven is omschreven als de revindicatie van roerende zaken en die daar ook werkelijk revindicatie is, omdat ze niet eene andere nog sterkere actie achter zich heeft, is ongeveer gelijk aan de Publiciana ten aanzien van onroerende zaken.
A F D E E L I N G I.
Algemeem hepalingen.
Art. 53.
Ofschoon geene noodzakelijkheid bestond om eenè definitie van eigendom te geven, zoo heeft men toch het voorbeeld van artikel 025 B. W. gevolgd, door in enkele woorden uit te drukken wat men onder eigendom te verstaan heeft en tevens in hoever dit uitgebreide recht onderworpen is aan de beperkingen, door het maatschappelijk belang en het maatschappelijk samenzijn geboden. Dat men niet afzonderlijk melding gemaakt heeft van de «rechten van anderen» en evenmin van «de onteigening ten algemeenen nutte», zal wel niet worden gewraakt, wanneer men in aanmerking neemt, dat beide een uitvloeisel zijn van de wet, terwijl de vraag of de daad, die men mei een beroep op zijn recht van eigendom zou willen verdedigen, doch die aan een ander schade heeft toegebracht, de rechten van dezen laatste heeft gekrenkt, zal moeten beantwoord worden naar de beginselen van artikel 1401 B. W.
Door de toevoeging van het tweede lid is de inhoud van het eerste lid van artikel 627 B. quot;VV. opgenomen. Het tweede lid van dat artikel kon, als geene andere beteekenis hebbende dan hetgeen in artikel 1902 B. W. als algemeene regel is vastgesteld, gemist worden.
Art. 54.
Na de omschrijving van eigendom in het voorgaand artikel kon in dit artikel volstaan worden met eene overname van het eerste lid van artikel 620 B. W. Immers wat in de beide volgende alinea's daar ter plaatse wordt gezegd is in algemeene bewoordingen in het hier voorafgaand artikel 53 vervat.
Door eene redactie te kiezen, die zich aansloot aan den inhoud van den Eersten Titel, heeft men niet iets anders willen zeggen dan in het genoemde artikd van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven. Men heeft evenwel getracht duidelijk te doen uitkomen, dat het hier een regel geldt, waarvan niet mag worden'afgeweken, zoodat. dan ook, zonder feitelij fee scheiding, geen afzonderlijke eigendom mogelijk is van hetgeen op bovenvermelde wijze met den grond is verbonden. Eene afwijking van dien regel, waardoor de een eigenaar zou zijn van den grond, de ander van den boom
43
of van het huis, of de een van de benedenverdieping, de ander van de daarboven gelegen verdieping', zou alleen dan te rechtvaardigen zijn, indien zulke toestanden ten onzent inheemsch waren. Dergelijke verdeelingen van den grond en hetgeen daarmede één geheel uitmaakt komen in ons land zelden of nooit voor, tenzij als gevolg van de eene of andere erfdienstbaarheid of van eenig ander zakelijk recht als opstal, erfpacht, beklemming enz., zoodat men dan ook kon volstaan met het bestaan van zulke toestanden aan de gevolgen dier zakelijke rechten over te laten.
Met het oog hierop scheen het volkomen gerechtvaardigd de uitzondering toe te laten, waarvan bet tweede lid gewag maakt. Het bezwaar tegen horizontale eigendomsverdeeling van onroerende zaken vervalt in dergelijke gevallen, omdat het eigendomsrecht van den eigenaar van den grond tijdelijk werkeloos is,
Intusscben zij hierbij nog opgemerkt, dat, al wraakt men horizontale verdeelingen, gelijk hier boven is uiteengezet, daarmede niet is uitgesloten het hebben van uitbouwsels of enclaves boven ot onder de woning van een ander. In zulke gevallen maken die uilbouwsels of enclaves een deel uit van het daarnevens staand gebouw. Van eene horizontale verdeeling van den grond en belgeen daarmede één (jeheel uiimaaki is dan geen sprake.
Het artikel spreekt niet alleen van zakelijk recht, maar ook van persoonlijk recht, â het geldt dus evenzeer voor den huurder. In den Zesden Titel wordt het recht van den erfpachter tot wegneming van het gebouwde en geplante nader geregeld, naar welke bepalingen ten aanzien van hen, die een ander zakelijk recht op den grond hebben, wordt verwezen.
Het gevolg van een en ander zal zijn, dat, indien de eigenaar den grond, tijdens het beslaan van het zakelijk of persoonlijk recht, heeft vervreemd ot bezwaard, derden geen recht hebben verkregen op hetgeen door den erfpachter enz. op den grond is gebouwd of geplant, maai' tevens dat, zoo de erfpachter de hem gestelde voorwaarden voor het wegnemen niet heeft vervuld, het gebouwde en geplante eo ipso vervalt aan den eigenaar van den grond (artikel 203).
Art. 55.
Het artikel vervangt de bepalingen van de artikelen 057â660 13, W. Men bevindt zich hier op het terrein van het verkrijgen van eigendom door nat rekking, maar, vermits hier dezelfde regelen moeten gelden als bij de beantwoording der vraag welke zaken de wet onder de onroerende begrijpt, lag het voor de hand het hier bepaalde te laten aansluiten aan hetgeen in het voorgaand artikel ten aanzien van den eigendom van den grond was gezegd. Op deze wijze is het verband tusschen de artikelen 3 en 10 uit den Eersten Titel en het hier besproken artikel behouden, en konden de artikelen 655 en 656 B. W. als overbodig worden beschouwd. Artikel 643 B. W. komt, voor zoover het meer bijzonder betrekking heeft op de verkrijging van eigendom door verbinding, bij artikel 7'2 ter sprake.
In hoofdzaak zijn de bepalingen van de artikelen 657â660 slechts vereenvoudigd. Vooreerst beeft men dadelijk het bouwen, planten en zaaien te zamen genomen, vermits voor alle drie gevallen hetzelfde moet gelden. Over de vraag of voor de toepasselijkheid van het hier bepaalde bet wortel-schieten der planten of zaden noodzakelijk is kon in het ontwerp het stilzwijgen worden bewaard, omdat daarin niet het criterium moet gelegen zijn, maar in het feit of er zoodanige vereeniging met den bodem heeft plaats gegrepen, dat de plant of het zaad als bijzaak van dien bodem moet
44
worden beschouwd; â de artikelen 10 jquot;. 3 moeten het antwoord geven. Ook het Ontwerp 1820 stelde den eisch van wortelschieten niet. art. 1069 schreef voor: « Wat op eenen grond geplant «of gezaaid is, behoort aan den eigenaar van den grond, mits het zich dadelijk met dien grond « vereenigd hebhe. »
In de tweede plaats is er meer overeenstemming gebracht tusschen hem, die den grond te goeder en hem die den grond te kwader trouw hield. In beide gevallen moet hij, die bouwde, plantte of zaaide, het gebouwde enz. aan den eigenaar op diens vordering overgeven en wordt de schadeloosstelling, aan den eigenaar of aan den houder te voldoen, berekend naar de regelen bij de revindicatie voorgeschreven. Wat daar omtrent de impensne uecessariae, -utiles en volaptnariae wordt gezegd zal ook hier gelden; naar den daiir gestelden maatstaf, n. 1. of de zaak al dan niet in waarde vermeerderd is, zal ook moeten beslist worden of de kosten voor bezaaiing en beplanting moeten worden teruggegeven, en de vraag, of den eigenaar schadeloosstelling moet worden gegeven voor hetgeen op zijn erf ten nadeele daarvan is verricht, zal evenzeer naar hetgeen bij de revindicatie is bepaald moeten worden beoordeeld. Eene afzonderlijke wijze van berekening der schadeloosstelling nevens die, welke bij de revindicatie wordt aangetroffen, zooals in het Burgerlijk Wetboek geschiedt, kan geacht worden onnoodig te zijn, want de grond voor het toekennen van schadevergoeding is in beide gevallen dezelfde.
Omtrent één punt bevat het artikel nog eene stellige bepaling, n. 1. dat de houder tot wegneming van het gebouwde enz. slechts dan kan worden genoodzaakt, indien hij den grond te kwader trouw hield; â ook in dit opzicht is men, terwijl van het geldende recht niet wordt afgeweken, in harmonie met hetgeen bij de opvordering van den eigendom is bepaald.
«Tenzij hij den grond le kwader trouw hield.» Men vergelijke daarbij artikel 109. Er moet kwade trouw aanwezig geweest zijn hij het verkrijgen der zaak. Later opgekomen kwade trouw, b. v, toen de houder bouwde of plantte, komt niet in aanmerking; immers hij deed dit als gevolg van zijne heerschappij over de onroerende zaak, eene heerschappij, die hij bij het verkrijgen dier zaak als rechtens hem toekomende zich heeft voorgesteld.
Art. 56.
Het ontwerp is in dit artikel te gemoet gekomen aan de bezwaren, die zich in de practijk reeds hebben voorgedaan, en hoe langer zoo meer zullen voordoen, indien men vasthoudt aan de voorstelling, dat de luchtkolom boven den grond aan den eigenaar van dezen toekomt onbegrensd en onbeperkt. Men heeft in de eerste plaats doen uitkomen, dat er van een eigendom van de luchtkolom uit den aard der zaak en in redelijken zin geen sprake kan zijn, voorzoover de eigenaar van den grond daarover geen heerschappij kan uitoefenen; trouwens, er zal wel nooit beweerd zijn, dat het zich bevinden b. v. van een luchtballon op aanzienlijke hoogte boven de oppervlakte der aarde eene schending van den eigendom ten aanzien van de eigenaars der ondergelegen gronden zoude medebrengen; zelfs heeft men gemeend zich juister uit te drukken door, in plaats van te spreken van een recht van eigendom op de luchtkolom, te bepalen dat de eigenaar (van den grond) het vrij genoi heeft van de ruimte boven zijn grond.
Eene tweede grens voor dit «vrij genot» heeft men, in aansluiting aan hetgeen reeds in artikel 53 was vooropgezet, gemeend te moeten stellen, indien de bevoegdheid daartoe door wet of
45
verordening beperkt is. Het spannen van telegraaf- of telefoondraden als gevolg van eene in liet algemeen belang vastgestelde wet of verordening mag niet verhinderd worden doordien de eigenaar zich beroept op het vrij genot van de ruimte boven den grond, ook al zijn geen voorwerpen aanwezig (schoorsteenen, torens enz.) , die aan het spannen van die draden in den weg staan. Dit te verbieden zou het maatschappelijk belang en het verkeer noodeloos aan banden leggen. Het is zeer wel denkbaar, dat de eigenaar van den bodem daarvan eenigen last ondervindt, of dat het hem in het laten bouwen van hooge inrichtingen eenigszins kan belemmeren, maar zoodanige hinder of belemmering wordt niet drukkender geoordeeld dan zoo menige andere uit de tegenwoordige bouwreglementen voortvloeiende.
Ten aanzien van de ruimte beneden de grondoppervlakte heeft het ontwerp geen voorschrift gegeven. Ook te dezen opzichte ligt het in de rede, dat men , aan den eenen kant den eigendom niet kunnende beperken tot de bovenste aardlaag, aan den anderen kant zich geen eigendom kan voorstellen doordringende tot het middenpunt der aarde, mede op grond dat de mogelijkheid van heerschappij op zekere diepte ten eenenmale ophoudt. Tocli mag men de zaak niet op volkomen gelijke wijze beoordeelen als omtrent de luchtkolom is geschied, al ware het alleen omdat hier een samenhang met den bodem aanwezig is, die daar ontbreekt. Indien er sprake is van het ontginnen van eene mijn of het graven van een tunnel, zal het van den aard van den bodem en de diepten waarop men de graafwerken wil maken afhangen in hoeverre men kan zeggen, dat daardoor de belangen van den eigenaar van den bovenliggenden bodem worden gekrenkt. Het scheen dus verkieslijk de beoordeeling daarvan aan den rechter over te laten en daaromtrent geen voorschrift in de wet op te nemen.
Artt, 57 en 59.
In de wet dient uitgemaakt te worden welk beginsel moet gelden ten opzichte van den bodem en het daarover stroomend water, of de eigendom van den eerste dien van het laatste, of omgekeerd de eigendom van het laatste dien van den eerste moet medebrengen.
Art. 646 B. \V. laat den eigendom van stroomen en rivieren den eigendom medebrengen van den grond, waarover het water loopt. De hier voorgestelde bepaling keert voor niet-openbare wateren den regel om, doch handhaaft hem niet alleen voor openbare rivieren en stroomen, maar, evenzeer in het algemeen, voor alle openbare wateren.
Particulier eigendom van de bedding van een openbaar water heeft óf niet de minste practische waarde óf zou, indien men er zekere bevoegdheden uit ging alleiden, storend kunnen zijn voor het verkeer. Waar men echter met niet-openbare wateren te doen heeft, moet de bodem het water na zich trekken. Men is eigenaar van een water, omdat het zich bevindt op dat gedeelte van den bodem, dat ons toebehoort. Verandert het water van plaats, dan behoort het aan den persoon, die als eigenaar van den nieuw bedekten grond gerechtigd is ieder ander van de beschikking over het water uit te sluiten.
Het spreekt van zelf, dat de voorgestelde bepaling in bestaande toestanden geen verandering brengen kan. Evenmin behoeft het betoog, dat ook in het vervolg, wanneer bij eene akte een water wordt overgedragen, de bedoeling van partijen zal kunnen zijn overdracht, van het perceel, zooals het daar is, grond met water bedekt. Voorts zal ook nu nog het langdurig bezit van een water ten gevolge kunnen hebben, dat men door verjaring eigenaar wordt niet alleen van het water, maar
46
ook van den bodem, waarop liet staat of waarover het stroomt, In deze gevallen heeft men echter niet te zien eene natrekking van den grond door het water. Het eerste steunt op eene uitleggingvan de bedoeling van partijen, het tweede daarop, dat hij die het water bezit ook den grond beheerscht; hij bezit het perceel, zooals het nu eenmaal is, en zoo als het daar is verkrijgt hij het in eigendom.
üe bepaling van artikel 647 B, W. gold voor alle daar genoemde wateren, onverschillig of zij tot de bevaarbare en vlotbare dan wel tot de onbevaarbare en onvlotbare behoorden. Met betrekking tot de rivieren, die aan particulieren toebehoorden, was de regeling zeker in de hoogste mate onpractisch; het in ruiling ontvangen van gronden, die zelden aangrenzend zullen zijn aan die welke zijn verloren, ja wellicht op grooten afstand daarvan midden tussclien de bezittingen van anderen zijn gelegen, kan wol niet anders dan met groote moeielijkheden en onbillijkheden gepaard gaan. In het systeem van het. ontwerp kon de regeling veel eenvoudiger en doeltreffender zijn. Ieder behoudt zijn grond in eigendom; alleen zal bij den één de met water overdekte grond droog geworden en bij den ander de grond, die vroeger niet met water was overdekt, overstroomd zijn. In hoeverre daardoor nadeel of voordeel wordt ondervonden hangt natuurlijk van omstandigheden af, maar dergelijke voor- of nadeelen komen evenzeer voor bij aanslibbing of afneming van den grond, zonder dat daarvoor eene tegemoetkoming op de eene of andere wijze is noodig geoordeeld. In al die gevallen heeft men met werkingen van de natuur te maken, waarin de wet niet behoeft te voorzien.
Art. 58.
Dit artikel past op wateren tusschen twee erven gelegen het beginsel toe, dat ook voor muren en andere, twee erven scheidende, werken is aangenomen.
Uit heigeen in het voorgaand artikel werd bepaald volgt, dat niet behoeft te worden gesproken over eilanden, platen, of aanwassen in de aan bijzondere personen toebehoorende wateren ontstaan.
Wie daarvan, en voor welk gedeelte ieder daarvan eigenaar zal zijn volgt nu uit dit artikel van zelf voort. Van eigendomsverkrijging door natrekking is geen sprake meer, â- men heeft hier alleen te doen met eene verandering van de gesteldheid van den bodem, waarvan de eigendom tusschen de eigenaars der aanliggende erven vast staat.
Artikel 644 B. W. behoeft dus hier ter plaatse niet overgenomen noch vervangen te worden en voor een voorschrift als dat van artikel 645 B. W. is evenmin eenige grond aanwezig, nu het bedekken van den bodem door het water bet verlies van den eigendom niet meer tengevolge heeft.
Art. 60.
Het beginsel aangenomen bij particuliere wateren kon, gelijk hierboven hij de toelichting van de artikelen 57 en 59 werd uiteengezet, niet toepasselijk worden verklaard ten aanzien van openbare wateren. Hier is het water hoofdzaak en de grond, waarover het water stroomt, bijzaak. Dientengevolge moest ook de regeling, voor het geval de rivier eene nieuwe bedding maakt, van de in het tweede lid van artikel 57 vastgestelde afwijken. In overeenstemming met het in artikel 647 B. W. bepaalde verliest de eigenaar zijn grond door de overstrooming, maar de Staat behoudt tevens den eigendom van den droog geworden grond en betaalt aan de vroegere eigenaars eene som in geld,
47
â waarmede zij in den regel beter geholpen zullen zijn dan met de verlaten bedding der rivier. De schadeloosstelling mag niet hooger zijn dan de waarde der verlaten bedding, m. a. w. de Staat moet teruggeven datgene, waarmede hij verrijkt is. Tot volledige schadeloosstelling scheen geen grond te zijn; â ook hier geldt wat gezegd is bij het veranderen van de bedding eener rivier aan particulieren toebehoorende, n.1. dat de zaak niet anders is dan bij andere werkingen der natuurkrachten, zooals bij oversiroomingen en dergelijke, in welke gevallen de Staat evenmin lot schadeloosstelling gehoviden is.
Men heeft het niet noodig geacht eene bepaling op te nemen als die van artikel 645 B. W. De redactie van het straks volgende artikel 62 is van dien aard, dat bij de daar bedoelde eilanden niet anders kan gedacht worden dan aan een eiland uit den hodem opkomende of zich vormende.
Art. 61.
Terwijl het tweede lid van artikel 669 B. W. niet is overgenomen, omdat het een onderwerp behandelt, dat geheel buiten het burgerlijk recht staat, en een geval regelt, waarin met behulp van de onteigeningswet kan worden voorzien, zijn artikel 648 en het eerste lid van artikel 649 B. W., met aanvulling van het daarin bepaalde, bijeengevoegd.
Dat eene tijdelijke overstrooming den eigendom niet doet verloren gaan, zal wel niet nader behoeven te worden toegelicht, maar men heeft gemeend, dat met de tijdelijke overstrooming, wat haar rechtsgevolg betreft, moet gelijk gesteld worden die, welke wel blijvend is, maar niet van dien aard, dat de ontstane watervlakte geacht kan worden zelve tot het openbare vaarwater te behooren , b.v. tengevolge van de te geringe diepte of omdat zij geheel ligt buiten het openbare vaarwater. De eenige reden, toch, om den Slaat den eigendom toe te kennen, de eischen van het openbaar verkeer, ontbreekt in zulk een geval. Aan den anderen kant is de bepaling van artikel 649 in hare algemeenheid niet blijven bestaan. Verdronken landen kunnen komen in den eigendom van den Staat, mits zij tot het openbare vaarwater gaan behooren.
Art. 62.
In de toelichting van den Eersten Titel zijn de redenen ontvouwd, waarom de artikelen 577 en volgende B. W., als betrekking hebbende op het puhliek domein , niet zijn overgenomen.
De bepaling van dit artikel is eigenlijk slechts een gevolg van het beginsel, dat de eigendom van een openbaar water dien van den bodem medebrengt.
Art. 63.
Het ontwerp heeft de vermelding der verschillende wijzen van eigendomsverkrijging, zooals die in artikel 639 B. W. wordt aangetroffen, niet overgenomen. Het is doeltreffender voorgekomen eenvoudig geene andere wijzen van eigendomsverkrijging te erkennen dan die op de wet, hetzij door uitdrukkelijke vermelding, ot wel door stilzwijgende erkenning, steunen. Het woord « wet» is natuurlijk in eene algemeene beteekenis genomen; niet alleen het Burgerlijk Wetboek, maar iedere wet kan eene wijze van eigendomsverkrijging doen geboren worden; men kan op voorbeelden wijzen als de
48
Onteigeningswet, het Wetboek van Sliafrecht, voorzoover liet de verbeurdverklaring van goederen behandelt, enz.
De bepaling zegt derhalve, dat de wijzen van eigendomsverkrijging worden geregeld door de wet, zoodat de afspraken en overeenkomsten der bijzondere personen niet kunnen bewerken, dat er wèl eigendom verkregen wordt, waar dit volgens de wet het geval niet is, noch omgekeerd, dat er geen eigendom verkregen wordt, waar dit volgens de wet bet geval wèl is.
In boeverre de in artikel 6.19 genoemden wijzen van eigendomsverkrijging ook in het ontwerp zijn erkend, zal reeds ten deele uit de bepalingen van dezen Titel blijken.
Ten aanzien van de wettelijke of testamentaire erfopvolging deed zich uit den aard der zaak de vraag voor of men van het. beginsel moet uitgaan, dat een legaat slechts een persoonlijk recht tot levering kan geven tegen de erfgenamen of tegen hem, die volgens het testament met het legaat belast is, dan wel of de legataris, evenals een erfgenaam, van rechtswege eigenaar zal worden van hetgeen hem is gelegateerd. Zoowel met het oog op het tijdstip, waarop de verjaring begint te loopen, als bij de regeling van de eigendomsoverdracht en van de wijzen, waarop zakelijke rechten als erfdienstbaarheden, erfpacht, vruchtgebruik enz. ontstaan, diende men met de beantwoording dezer vraag rekening te houden. Men heeft gemeend de zienswijze te moeten volgen van hen, die door een legaat sleehts een persoonlijk recht willen toegekend zien.
Hel is in dezen Titel minder de plaats om deze oplossing principieel te verdedigen, maar het is zeker niet ongegrond te beweren, dat men in dezen heeft aangenomen wat door de rechtsleer meerendeels als het juiste beginsel wordt gehuldigd.
A f rgt; e e l i n g I I.
Eigendomsverkrijging door toeihgening.
Art. 64.
Men heeft, evenmin als in artikel 640 B. W. geschied is, geene omschrijving van het begrip van toeëigening gegeven, die daarentegen in artikel 1001 Ontwerp 1820 wordt aangetroffen. Men meende, dat dit begrip eene vaststaande en bekende heteekenis heeft, zoodat eene omschrijving onnoodig was. Evenmin heeft men het noodig geoordeeld op het voorbeeld van liet Ontwerp 1820 t. a. p. en van het Duitsche Wetboek (§ 958 en volgende) bepaalde soorten van aan niemand toe-behoorende zaken en hare toeëigening afzonderlijk te bespreken.
Het meest voor de hand liggende voorbeeld van de gevallen bedoeld in de laatste woorden van artikel 64 is de toeëigening van wild, dat in gesloten jachttijd of zonder akte of op den grond van een ander zonder recht, of met verboden middelen gedood ot gevangen is, of waarvan de toeëigening eens voor al verboden is. Men heeft gemeend, dat het ongeoorloofd, ja strafbaar karakter der handeling niet wegneemt, dat er toeëigening eener aan niemand behoorende zaak en daarom eigendomsverkrijging plaats beeft. Of de jager eigenaar blijven zal, of hij niet verplicht zal zijn het toegeëigende weder af te staan of toe te zien, dat het verbeurd verklaard wordt, is eene andere vraag, waarmede men zich te dezer plaatse niet heelt bezig te houden. Hij, de bezitter van eene zeker aan
49
niemand anders toebohoorende zaak, begint met daarvan eigenaar te zijn, en liet is moeielijk in te zien hoe eene andere beslissing' mogelijk wezen zou. Zie echter § 958 Diütsch Wetboek,
De bepaling van artikel 641 13. W. is niet overgenomen. Dat de eigenaar van den grond of het water het recht beeft om te jagen en te visschen, volgt uit de definitie van eigendom. Dat hij het niet, als zakelijk recht, aan een ander kan afstaan, is af te leiden uit. het, in het ontwerp uitgesproken, beginsel, dat er geene andere zakelijke rechten kunnen gevestigd worden ilan die de wet erkent, in verband daarmede, dat dit met de rechten van jacht en visscherij niet geschied is. De bestaande rechten van dien aard, eindelijk, zijn in artikel 13 uitdrukkelijk gehandhaafd.
Art. 65.
Ten aanzien van het vinden van een schat is de regeling in hoofdzaak dezelfde gebleven. Toch heeft de vergelijking met andere wetgevingen of ontwerpen er toe geleid enkele wijzigingen of verduidelijkingen aan te brengen. Vooreerst heeft men gemeend, dat een schat niet alleen kan gevonden worden in den grond, maar in het algemeen in eene onroerende zaak, derhalve ook in een gebouw, tusschen de muren of in eenig metselwerk; aan den anderen kant wilde men niet zóó ver gaan om ook van een schat te spreken, indien die gevonden werd in eene roerende zaak, in een of ander meubel; in dit laatste geval moet hij toekomen aan hem , wien die roerende zaak toebehoort. Voorts diende uit te komen, dat, terwijl de schat den eigenaar van de onroerende zaak, krachtens recht van natrekking, toebehoort, onverschillig of bij dien bij toeval vindt, dan wel of hij er naar zocht, omdat hij wist of vermoedde dat or een verborgen schat zoude zijn, de niet-eigenaar zijn recht op de helft slechts kr.n doen gelden, indien hef eerste geval zich heeft voorgedaan. Wist hij, dat er een schat zou gevonden worden, of vermoedde hij dit, en is hij aan bet zoeken gegaan in plaats van den eigenaar te waarschuwen, dan verdient hij de belooning niet, waarop dit. artikel hein anders het recht zou geven. Eindelijk is ook de omschrijving van waf een schat kan genoemd worden eenigszins gewijzigd door meer nadruk te leggen op den tijd, gedurende welken de zaak moet verborgen zijn geweest. Door de plaats waar zij gevonden is of door haren aard zeiven zal men tot het besluit kunnen komen, dat zij te lang verborgen is geweest om te kunnen ontdekken wie thans de rechthebbende zou zijn.
Ten slotte zij nog herinnerd, dat het artikel van de veronderstelling uitgaat, dat de vinder den gevonden schat tot zich neemt. Eerst door het tot zich nemen wordt hij eigenaar.
Men vergelijke bij dit artikel: §§ 233 en 234 Wetboek Saksen, artikel 118 Ontwerp Beieren, § 984 Duitsch Wetboek, alsmede de Groot , ltd. II , boek 4, § 38.
Art. 66.
Het Burgerlijk Wetboek houdt, zoo als rnen weet, geene bepalingen in op welke wijze men den eigendom verkrijgt van gevonden (roerende) zaken. Volgens bet Wetboek van Strafrecht wordt het wegnemen van gevonden zaken, met het doel zich die wederrechtelijk toe te eigenen, als diefstal beschouwd, of wel men geeft aan het gepleegd feit do qualificatie van verduistering, indien de zaak zonder arglistige bedoeling wordt genomen, doch later wederrechtelijk wordt toegeëigend. Daarmede is evenwel de vraag niet opgelost welken weg de «eerlijke vinder» moet inslaan om de zaak voor zich te kunnen houden, indien zij door niemand wordt opgevorderd. Men heeft gemeend te moeten
trachten eene regeling in liet ontwerp te maken, waardoor eensdeels bevorderd wordt, dat de ver-
g
50
loren zaak in de handen komt van hem, die er recht op heeft, en anderdeels de vinder zoo al niet beloond, dan toch voor schade en nadeel wordt behoed. Zoodanige regeling heeft mede tengevolge, dal de gevonden zaken niet, zonder iemand ten goede te komen, geruimen tijd behoeven bewaard te blijven.
Het. Duitsche Wetboek heeft in een achttiental artikels deze aangelegenheid op vrij omslachtige wijze geregeld, zonder dat men intusschen zal kunnen zeggen, dat in alle mogelijke gevallen is voorzien, zoodat het doelmatiger scheen in dezen het voorbeeld van het WetboekSaksen en het Ontwerp Beieren te volgen, waarin eene beknopte regeling van de eigendomsverwerving van gevonden zaken wordt aangetroffen, een leiddraad , waarnaar men zich in dergelijke gevallen zal hebben te gedragen. (Wetboek Saksen, §§ 239â243; Ontwerp Beieren, artikelen 121 â126; Duitsch Wetboek, §§ 965-983).
Er wordt in hel algemeen gesproken van eene «verloren» zaak, zoodat het door hel Wetboek Saksen gemaakte onderscheid tusschen het den vinder al of niet bekend zijn van den verliezer niet is in het oog gehouden. Is de verliezer hem bekend en is hij te goeder trouw, waarom zou de vinder dan niet den koristen weg volgen en het voorwerp ter beschikking stellen van den recht-matigen eigenaar'? Is de vinder niet te goeder trouw, dan zal hij evenmin aangifte doen bij de aangewezen autoriteit. Daarentegen is het, bij mogelijken twijfel wie eigenaar is, van belang voor den vinder, dat hij den zekeren weg van aangifte kan volgen. Bovendien ligt de grond voor de eigendomsverkrijging niet in de goede trouw van den vindei- of de onbekendheid met den verliezer, maar in het vinden van den een in verband met het niet opkomen van den ander.
Onder « onbeheerde » zaken kan men ook rekenen voorwerpen in stations of in spoorwegrijtuigen enz, achtergelaten. Het Duitsche Wetboek wil juist de regelen omtrent gevonden zaken hier niet toepasselijk doen zijn, en geeft daarom voor deze gevallen eene afzonderlijke reeks van bepalingen, waarvan de eerste het voorschrift inhoudt, dat. die voorwerpen onverwijld moeten afgegeven worden aan de daar aan het hoofd staande autoriteit of aan het bureau van de aan het hoofd staande inrichting.
Volgens dit ontwerp zal het de vraag zijn of de zaak al of niet onbeheerd is. Wanneer de reglementen van zeker middel van vervoer aan de reizigers de verplichting opleggen om bovenvermelde voorwerpen aan het station of aan een of ander bureau te bezorgen, dan zullen zij daaraan moeien voldoen, maar dan zijn de zaken te hunnen opzichte ook niet onbeheerd, want de aan het. hoofd staande maatschappij neemt in zóóverre het beheer op zich. Blijven colli's onafgehaald, dan zal het er van afhangen wat de dienstreglementen der maatschappij daaromtrent inhouden, omdat de verzenders zich stilzwijgend aan die voorschriften onderwerpen. Bij gebreke daarvan zal men het. hier bepaalde kunnen aanwenden, ten einde zich tegen latere reclames te kunnen vrijwaren.
Als voorwaarde voor de eigendomsverkrijging na drie jaren wordt gesteld de aangifte bij het hoofd der politie; voldoet, de vinder niet, aan die voorwaarde, dan kan hij alleen door de gewone verjaring den eigendom verkrijgen.
Bij de keuze of men de aangifte zal laten geschieden ter plaatse waar de vinder woont, of waar de zaak gevonden is, verdiende hel laatste de voorkeur, omdat, de verliezer dan in den regel gemakkelijker zal kunnen ontdekt worden.
51
Art. 67.
Eene bepaling als die van artikel 555 Wetboek van Koophandel ten aanzien van strandvonden heelt men gemeend ook hier te moeten inlasschen. Wel is waar zou men mogen veronderstellen, dat dergelijke bekendmaking ook zonder deze bepaling niet achterwege zoude blijven, en aan den anderen kant spreekt het wel van zelf, dat het niet voldoen aan het hier gegeven voorschrift nooit ten nadeele kan strekken van hem, die zijn recht van toeëigening zal willen doen gelden, â doch volledigheidshalve scheen het gewenscht deze verplichting van het hoofd der politie buiten twijfel te stellen.
Art. 68.
De grond voor deze bepaling, die aan het Duitsche Wetboek § 967 is ontleend, kan met weinig woorden aangegeven worden. Het voorwerp kan van dien aard zijn, dat het bewaren door den vinder aan te groote bezwaren onderhevig is, b. v. losloopende dieren, of wel van zoo groote waarde, b. v. diamanten, dat in het ééne geval aan den vinder de gelegenheid moet. worden gegeven zich van de zorg voor het gevondene te ontslaan, en in het andere geval de politie de bevoegdheid moet hebben een veiliger bewaarplaats aan het voorwerp te geven.
Art. 69.
Het ligt voor de hand, dat de gevonden zaak aan bederf onderhevig kan zijn en derhalve in het belang van alle partijen dient verkocht te worden. Ditzelfde geldt, indien de kosten om de zaak te bewaren niet evenredig zijn aan hare waarde, zoodat óf de eigenaar meer aan onderhoudskosten enz. zou moeten betalen dan de zaak waard is, óf de gemeente met dezen schadepost gedurende drie jaren zoude belast blijven. In beide gevallen beslist de ambtenaar, aan wien de zaak in bewaring is gegeven. De vinder mag niet op eigen gezag tot dezen maatregel overgaan en zal dus, indien hij meent dat verkoop raadzaam is, de zaak, overeenkomstig het voorgaand artikel, aan den ambtenaar moeten afstaan.
Art. 70.
Dit artikel geldt zoowel voor den verliezer als voor den vinder, wanneer deze laatste de zaak na verloop van drie jaren terugvordert van den ambtenaar, die haar in bewaring heeft genomen. De kosten tot opsporing van den rechlhebbende moeten vergoed worden ook dan wanneer zij niet tot eenig resultaat hebben geleid, m. a. w. den bewaarder moeten alle kosten vergoed worden, die het uitvloeisel zijn van zijne zorg voor de hem toevertrouwde zaak en van zijne bemoeiingen om haar aan den eigenaar terug te bezorgen. Uit het artikel volgt verder, dat de vergoeding alleen verschuldigd is, indien de zaak wordt teruggevorderd; wordt zij geabandonneerd, dan kan geene vergoeding geeischt worden.
Men heeft gemeend het voorbeeld van de Duitsche wetgevers niet te moeten volgen in het toekennen van eenig loon voor den vinder, evenmin als men recht heeft willen geven op een be-waarloon. Voor dit laatste bestond geen grond met het oog op de zooeven besproken vergoeding, en wat het eerste betreft, men achtte de regeling te veel aanleiding gevende tot moeielijkheden en
52
processen dan dat het. raadzaam zon zijn de teruggave der zaak daarvan afhankelijk te stellen. Het vooruitzicht om óf de zaak in eigendom te krijgen óf van den eigenaar vrijwillig eene belooning. te ontvangen scheen voldoende prikkel te zijn om zich de verloren of onbeheerde zaak aan te trekken.
Art. 71.
Ten slotte is liet noodig geacht eene bepaling op te nemen, waardoor ondubbelzinnig vaststaat hoe en wanneer de vinder geacht moet worden van zijn recht te hebben afstand gedaan.
Men zou de meening kunnen verdedigen, dat reeds door het niet terugvorderen der zaak, onder aanbieding van de verschuldigde vergoeding der kosten, de vinder getoond heeft de zaak te aban-donneeren, maar eene regeling als de onderhavige, waardoor de vinder in de gelegenheid wordt gesteld hetzij door zijne handeling, hetzij door zijn stilzitten duidelijk zijn wensch te kennen te geven, kan niet anders dan bevorderlijk zijn voor de rechtszekerheid.
Dat de zaak komt ten bate van de gemeente, waar zij gevonden en dientengevolge bewaarden verzorgd is, is niet meer dan billijk.
afueeling 111.
Elgéndotiisverh'ijgiiKj door verbindiny, zaaksvorming en ufschiiitlhig.
Terwijl in de eerste afdeeling die gevallen van natrekhing zijn behandeld, die samenhingen met de vraag wat tot eene onroerende zaak behoort, en daarom bij de algemeene bepalingen te huis behoorden, is in deze afdeeling saamgevat. wat in het Burgerlijk Wetboek verder als natrekking wordt beschouwd, ofschoon het slechts ten deele dien naam verdient en daardoor tot begripsverwarring aanleiding geeft.
Het Ontwerp 1820, daarentegen, onderscheidde de eigendomsverkrijging door zaaksgevolg of natrekking aan den eenen tegenover die door «zaaksvorming en vermenging» aan den anderen kant. Het Duitsche Wetboek behandelt in de §§ 946â952: Verbindung, Vermischung, Verarbeitung, en het opschrift dezer derde afdeeling stemt hiermede in hoofdzaak overeen. Het is evenwel niet noodig geoordeeld afzonderlijk daarbij gewag te maken van de vermenging van natte en droge stoffen, als vallende onder den algemeenen naam van « verbinding » , terwijl ten slotte nog vermeld is de «afscheiding» , niet zoozeer omdat de gevolgen van denzelfden aard zijn als die, welke aan de verbinding en zaaksvorming zijn toegekend, als wel omdat deze wijze van eigendomsverkrijging, tenzij men eene afzonderlijke afdeeling daaraan wijdt (Zie b. v. Saksen § 244, Duitschland § 953), het meest zich aan de vorengenoemde aansluit.
Art. 72.
üe beteekenis van dit artikel is zeker gewichtiger dan die van artikel 643 B. W., dat slechts als eene inleiding voor de daarop volgende artikelen kan worden beschouwd, doch op zich zelf geen rechtsregel geeft.
« Natrecking », zegt de Groot {Inl. II, dl. 9 principle), «is wanneer van twee t'samengevoegde « Zaecken de waerdiger d'ohwaerdiger tot haer treckt».
53
Hoe kernachtig het in bovenstaande woorden ook moge uitgedrukt zijn, men zal moeten toegeven, dat de toepassing van den gestelden regel tot moeielijkheden kan aanleiding geven, ja, dat er zelfs gevallen zijn, dat omgekeerd hetgeen de meeste waarde heeft het voorwerp van minder waarde volgen moet; men denke aan gouden inlegwerk, borduursel van eene kostbare grondstof op een kleedingstuk aangebracht, en dergelijke. Het ontwerp neemt in aanmerking of eene der zaken als hoofdzaak kan beschouwd worden en wil, dat de andere zaak haar zal volgen. Er is hier niet van hijzaak gesproken, ten einde te voorkomen, dat aan dat woord eene verkeerde beteekenis worde gehecht met het oog op het bepaalde in artikel 3. Zooals in de toelichting van dat artikel is gezegd, heeft men daarin slechts te kennen willen geven, dal zaken (ook voerende) in zoodanige verhouding tot elkander kunnen staan, dat de eene, tengevolge har er verbinding met de andere, en zoolang die verbinding duurt, zich als het ware daarin oplost, maar als zelfstandige zaak begint te leven of herleeft, zoodra de verbinding heeft opgehouden. Hier daarentegen is het de vraag, welke van de twee zaken, afcjescheiden van hare verbinding, als de voornaamste zaak, als de hoofdzaak is te beschouwen. M. a. w. in artikel 3 is «bijzaak» een juridisch begrip, in dit artikel zou het een geheel feitelijke beteekenis hebben.
Het Duitsche Wetboek § 947 onthoudt zich van eene nadere omschrijving wat men onder hoofdzaak zal moeten verstaan en laat de beslissing daarover (zie Motive III, pg. 359) geheel aan den rechter, die daarbij zich zal moeten regelen naar de opvatting van het verkeer. Ook het hier besproken artikel heeft denzelfden weg gevolgd en vaste regelen zijn inderdaad niet te geven; nu eens zal de aard der voorwerpen beslissen, dan weder het gebruik, dat van de tot één geheel verbonden zaak gemaakt wordt of pleegt gemaakt te worden, somtijds zal de waarde der zaken in aanmerking kunnen komen. Intusschen is de taak van den rechter gemakkelijk gemaakt door de bepaling van het volgend artikel.
Art. 73.
Wat in artikel 662 B. VV. is voorgeschreven voor het geval er rermengiug heeft plaats gehad, is hier aangenomen wanneer in het algemeen zaken zijn verbonden, waaromtrent niet uit te maken is welke zaak als de hoofdzaak moet worden beschouwd.
Deze regeling stemt overeen o. a. met die van het Duitsche Wetboek.
De waarde der zaken moet natuurlijk berekend worden naar het tijdstip, waarop de verbinding heeft plaats gegrepen. Het scheen onnoodig dit met zoovele woorden in het artikel te vermelden.
Art. 74.
Bij het overnemen van artikel 664 B. W. heeft men gemeend het woord «gevoegelijk » eenigs-zins nader te moeten omschrijven. Immers, het kan niet voldoende zijn, dat de mogelijkheid tot afscheiding aanwezig is, maar deze laatste moet kunnen geschieden op zoodanige wijze, dat er geene of bijna geene sporen van de verbinding meer overblijven, welke sporen zich kunnen vertoonen óf door de materieele beschadiging der zaken óf doordien men zich groote geldelijke opofferingen moet getroosten om de verbinding te doen ophouden. Is noch het een noch hel ander aanwezig, dan blijkt daaruit van zelf, dat de verbinding niet innig genoeg is geweest om het. vooropgezette rechtsgevolg te doen ontstaan. Het artikel zegt dan ook, dat in zoodanige gevallen ieder eigenaar blijft van het zijne.
54
Art. 75.
Wat voor verbinding van twee of meer zaken werd bepaald scheen ook te moeten gelden voor die soort van verbinding, die men vermenging pleegt te noemen. In den regel, wel is waar, zal van eene afscheiding geen sprake meer kunnen zijn, vooral niet bij natte stollen, maar hierin mocht geen grond gevonden worden om principieel andere regelen te stellen dan voor de verbinding in het algemeen.
De vraag óf er eene hoofdzaak is en zoo ja, welke zaak als zoodanig moet worden beschouwd, zal ook hier beslist moeten worden naar de opval ting van het verkeer. Dikwijls zal de grootere hoeveelheid beslissen, maar de gevallen zijn ook denkbaar, dat de kleinere hoeveelheid van zulk een overwegenden invloed op het mengsel is, dat aan haar de voorrang moet worden toegekend. Bij het mengen van wijnen of van granen zal ook artikel 73 vaak van toepassing kunnen zijn.
Art. 76.
Deze bepaling eischl geene breedvoerige toelichting. Alleen zij hier opgemerkt, dat het woord «overeengekomen» niet in engen zin moet worden opgevat, en zoowel geldt voor stilzwijgende als voor uitdrukkelijke overeenkomsten. Aan den anderen kant moet men zoodanige overeenkomsten uitsluiten, die mei de geldende rechtsbeginselen in strijd zouden zijn. Zoo zullen partijen nooit mogen overeenkomen, dat de eigendom eener door verbinding ontstane zaak haar pro diviso zal toebehooren , zoodat b.v. bij gouden inlegwerk de een eigenaar blijven zou van het goud, de ander van het hout of van het metaal, waarin het is aangebracht.
Arl. 77.
Hier ter plaatse heeft men voorzien in de eigenlijke speoijicatie, de zaaknvorming, en wel op dezellde wijze als in het Burgerlijk Wetboek (artikelen 661 en 663) is geschied, behoudens de wijze van schadevergoeding, waarvan in het volgend artikel sprake is. Artikel 661 spreekt van een voorwerp van eene nieuwe «soort», waaruit men zou kunnen opmaken, dat de regel niet gold, indien b.v. van een zilveren beker, na opsmelting, wederom een beker was gemaakt. Het artikel zegt daarom « eene nieuwe zaak of stof».
Nog in een ander opzicht is het artikel verduidelijkt, n. 1. door aan te duiden, dal men niet alleen van eene aan een ander toebehoorende slof of door vereeniging van onderscheidene aan verschillende eigenaars toebehoorende stoffen eene nieuwe zaak kan maken, maar dat zoodanige zaak ook kan gemaakt worden van eene andere zaak of andere zaken, en voorts dat men ook door de vereeniging van verschillende stof'en eene nieuwe stoj kan verkrijgen. Of men in dit laatste geval met zaaksvorming dan wel met vermenging zal te maken hebben hangt natuurlijk daarvan af, ot er al dan niet eene nieuwe slof is ontstaan. Bij chemische samenstellingen zal zich in den regel het laatste voordoen. Zoo ook bij de verbinding van metalen, b. v. brons,
Arl. 78.
Een algemeene regel is hier gesteld voor de vergoeding, verschuldigd door hem, die, hetzij ten gevolge van eigen toedoen, hetzij ten gevolge van toevallige omstandigheden, door de plaats
55
gehad hebbende verbinding, vermenging of zaaksvorming verrijkt is ten nadeele van een ander, die de hem toebehoorende zaak of stof daardoor heeft, verloren. Artikel 661 B. W. doet het voorkomen alsof het betalen van den prijs der stof eene opschortende voorwaarde is voor het verkrijgen van den eigendom; het onderhavige artikel heeft deze onjuistheid vermeden, maar bovendien achtte men het onbillijk hem, die te goeder trouw de daad pleegde, de waarde der stof te laten betalen, ook dan wanneer hij daarvan niet het minste voordeel had genoten. Dit zou ook in strijd zijn met artikel HO, volgens hetwelk de bezitter te goeder trouw vóór den dag der rechtsvordering niet aansprakelijk is voor schade aan de zaak toegebracht, al is die het gevolg van zijne eigene daad. Vandaar dat geene verplichting tot schadevergoeding is opgelegd, maar tot uitkeerhig ten gevolge van onrechtmatige verrijking. De vraag, of de nieuwe eigenaar bovendien schadevergoeding verschuldigd is, hangt af van andere beginselen, van zijne kwade trouw en in het algemeen van het al of niet plegen van eene onrechtmatige daad, waarnaar in den aanhef van het artikel verwezen wordt mot de woorden: «Zoo daartoe gronden zijn.»
Art. 79.
Artikel 651 B. W. maakt geen onderscheid tusschen openbare en niet-openbare rivieren en andere wateren. Door hel aannemen van het stelsel in de artikelen 57 en volgende van het ontwerp neder-gelegd, ten gevolge waarvan de bodems der niet-openbare rivieren stroomen en andere wateren loe-behooren aan de eigenaars der aangrenzende landen, kon ervan eene eigendomsverkrijging door alluvio alleen sprake zijn bij de openbare wateren, tenzij zich het zeldzamer voorkomend geval voordoet, dat, tusschen twee strooken land in, een niet-openbaar vaarwater loopt, dat blijkt aan een derde te behooren en niet, aan de aangrenzende eigenaars. Voor dit laatste geval heeft men geen recht van aanwas aangenomen, maar den toestand gelaten zooals hij was, n.1. dat de eigenaar van den door water bedekten grond eigenaar blijft van hetgeen zich door aanwassen of aanslibben boven het watervlak komt te verheften.
Overigens handhaaft het artikel hel bestaande recht (artikelen 651 en 652 B. W.) in eenvoudiger vorm. Eene definitie van « aanspoelingen » is overbodig geoordeeld, evenals de grooto verscheidenheid van namen, waarmede het tegenwoordige recht de zaak, die in den grond altijd dezelfde is, aanduidt. (Men vergelijke de monographic van J. van der Toorn , « Over de schorren , aanwassen en kwelders in 'Nederlands). Artikel 651 gebruikt de woorden: «natuurlijk, langzamerhand en ongemerkt». Van deze drie uitdrukkingen, waarmede men de wijzen van ontstaan der all'ivio heeft willen aanduiden, zou alleen het woord «langzamerhand» kunnen overgenomen worden, doch de tegenstelling met de avulsio is door de woorden van artikel 80 genoegzaam aangeduid. Het al of niet ongemerkt aangroeien zal zeker wel niet als kenteeken kunnen dienst doen, en het gebruik van het woord natuurlijk is niet zonder gevaar, omdat het den indruk geeft ids zoude het ongeoorloofd zijn door het maken van werken, zooals kribben, slijkvangen en dergelijke, het voortzetten van de aanwassing te bevorderen. Beeds in het Oud-Hollandsch recht (zie van Leeuwen, Hoorns-Hollands regt, p. 119) was zulks geoorloofd , mits «sonder hindernis van een derde of van de gemeene vaart», en, ofschoon in het Ontwerp 1820 (artikel 1066) deze bevoegdheid werd uitgesloten, heeft men geen grond gevonden om dit verbod in dit ontwerp op te nemen en daardoor aan de eigenaars de gelegenheid te benemen hunne eigendommen te doen toenemen, mits zij zich niet begeven buiten hun recht
56
van eigendom en geen schade of hinder toebrengen aan de publieke vaart, waarlegen de Slaat, of in het algemeen bet, publiekrechtelijk lichaam, dat met het toezicht daarop belast is, zal hebben te waken (zie VoonnuiN, Gesch. en Beg., dl. 111, p. 452/3, en arresten van den H. R., d.d. 3 Februari 1873 en 18 Febriari 1898, Wbl. 4207 en 7085). Ten aanzien van de Publicatie van 24 Februari 4806 heelt het ontwerp geene verandering in den tegenwoordigen rechtstoestand willen brengen.
Het tweede lid is ten deele uit artikel 65-1 B. W. overgenomen, ten deele aangevuld om twijfel weg te nemen voor het geval het land door een uitwendig werk, b. v. door eene beschoeiing of eene kade, eene zichtbare afgebakende grens heelt bekomen. Men zou kunnen beweren, dat dergelijke twijfel niet kan bestaan, indien slechts in de eigendomsbewijzen van de hoegrootheid der landen is melding gemaakt, doch er bestaat een historische grond om in dezen de bepaling van het tweede lid van artikel 651 over Ie nemen; immers, zij was eene reactie legen het Oud-Hollandsch recht (zie O. a. df. GROOT. hl. II, dl. 9, n0 18), dat, wanneer het land «bij roe-talen» is uitgegeven, de aanwas aan de Grafelijkheid komt.
Art. 80.
In plaats van den termijn van drie jaren, die den eigenaar in artikel 654 B. W. wordt gegeven om zijne rechten te doen gelden op het afgescheurde stuk grond, heeft men, artikel 1067 van het Ontwerp 1820 volgende, een termijn van één jaar voldoende geacht. Voorts heeft men gemeend duidelijk als eisch te moeten stellen, dat de eigenaar het stuk grond terugneemt en op deze wijze den vroegeren toestand herstelt. In een land als het onze, waar de kracht van den stroom niet zoo groei is en dus slechts van zeer kleine stukken grond sprake kan zijn, levert deze opvatting geeu bezwaar op, en het is bovendien meer overeenkomstig den aard van het recht, omdat de voormalige eigenaar weinig gebaat kan zijn met het bezit van een stukje grond van zijne overige bezittingen verwijderd, en hel evenmin aan den eigenaar van den grond, waartegen het stuk is aangeworpen, aangenaam kan zijn door de avulsie een nieuwen eigenaar naast zich te krijgen en beroofd te worden van de ligging aan het water, waaraan groole voordeelen verbonden kunnen zijn.
Art. 81.
Artikel 578 B. W. is, zoo als reeds is besproken bij de toelichting lot den Eersten Titel, niet overgenomen. Door geene melding te maken van een eigendom van den Staat jure publico verviel ook het genoemde arlikel, waarvan de strekking was om het voorafgaand artikel 57/ nader toe te lichten. Intusschen bleef het belang bestaan om, met het oog op het bepaalde omtrent de aanwassen in artikel 79, uit te maken, wat. men onder de oevers van de openbare rivieren en van de zee te verslaan heeft, ten einde te kunnen beslissen waar de grens is tusschen den eigendom der bijzondere
personen en het openbare water.
Artikel 578 spreekt van « gewone lijden , als het water op het hoogst is » en stelt daartegenover
«watervloeden», die overstrooming Ie weeg brengen. Het is mei te ontkennen, dat. deze aandui-dingen eenigzins vaag zijn. Zal men b. v. met deze bepaling voor oogen het recht op de uiterwaarden kunnen betwisten, die door het water bedekt worden, wanneer aan eene overstrooming door een
watervloed nog niet kan gedacht worden'?
Het ontwerp heeft, ten aanzien van de oevers der rivieren, eene drieledige onderscheiding gemaakt.
57
In de eerste plaats heeft men tegenover elkander gesteld steile en glooiende oevers, en voorts eene afzonderlijke regeling gemaakt voor rivieren, die den invloed ondervinden van eb en vloed.
Het eerste lid gaat alzoo van de veronderstelling uit, dat de natuur zelve eene afgebakende grens heeft gegeven voor de bedding der rivier, n. 1. door het aanwezig zijn van steile oevers. Het hoogste punt van den oever wordt in dit geval aangeduid door den hoogsten waterstand in gewone tijden, zonder dat de oevergrens ooit hooger kan zijn dan de bovenkant der boorden. Wordt de bovenkant der boorden overschreden, dan is de waterstand hooger dan gewoonlijk, en mag dus met dezen stand geen rekening gehouden worden. Van «gemiddelden zo nerstand » te spreken, waarmede bedoeld wordt het gemiddelde der standen van het water gednrende de zes zomermaanden berekend over tijdvakken van iO jaren, schijnt minder wensehelijk, omdat, naar het gevoelen der deskundigen, die standen onderling te zeer verschillen, zoodat daarin geen vaststaand kenmerk kan worden gevonden.
Het tweede lid heeft op het oog die rivieren of gedeelten van rivieren, waar glooiende oevers zijn. Bij deze wordt ais grens aangenomen de regelmatige begroeiing, en wel in den ruimsten zin genomen. Men heeft hier niet alleen gedoeld op de uiterwaarden en dergelijke, waar de bodem slechts gedurende een gedeelte van het jaar door het water wordt overdekt, maar evenzeer op stukken grond, bestemd voor het voortbrengen van zoodanige planten of gewassen, die, zoo niet altijd, dan toch in den regel in het water staan en groeien. Zoodanige gronden zijn evenzeer voor privaat gebruik vatbaar en mogen dus niet meer gerekend worden tot de bedding der rivier te behooren.
In ons voor een groot gedeelte aan de zee gelegen land moest uit den aard der zaak rekening gehouden worden met den invloed van eb en vloed op onze benedenrivieren , een invloed, die, zooals bekend is, soms tot zeer ver in het land merkbaar is.
Zoover de vloedstroom gaat is de grens in den regel aangewezen door de laaf/waler\\\n, m.a. w.: men heeft in den regel alleen te maken met de rivier als zoodanig. Indien evenwel de invloed van het zoute water zoo groot is, dat de regelmatige begroeiing landwaarts teruggedrongen wordt, dan houdt ook het belang voor het privaat gebruik op en moet dit gedeelte evenzeer gerekend worden tot het openbare water te behooren. Dat als uiterste grens moet beschouwd worden de hoogwaterlijn is weder in overeenstemming met heigeen in het eerste lid is vooropgezet, en straks omtrent de grenzen van het strand volgt.
Ten slotte wordt te kennen gegeven waar de oeverlijn van de zee loopt. In het Romeinsche recht wordt de vloedlijn als grens voor het publiek domein aangenomen ; het Engelsche recht neemt de laagwaterlijn als zoodanig aan; de Groot (Tul. II, dl. 1, § 21) houdt rekening met den gemiddelden waterstand («voor soo veel het den meesten tijd ofte ter halver vloed met de zee bedect werd»), In overeenstemming met het bestaande recht (zie artikel 577 B. W.) heeft men als oeverlijn aangenomen de grens van het strand landwaarts, daar waar de hoogwaterlijn loopt; het gewone spraakgebruik schijnt voorts mede te brengen, dat men tot het strand moet rekenen die oppervlakte, lt;Jie regelmatig tweemaal in een etmaal door de zee wordt ingenomen.
Art. 82.
Het eerste lid van artikel 650 B. W., dat slechts als eene inleiding voor hetgeen volgt kan beschouwd worden, is weggelaten.
h
58
Overigens woidt het beslaaiuie recht gehandhaafd en slechts in zóóverre eene uitbreiding daaraan gegeven , dat met het plaats gehad hebben van eene minnelijke afpaling gelijkgesteld wordt het ingesteld zijn van eene rechtsvordering om tot afpaling te geraken.
Art. 83.
Dat de eigenaar der zaak tevens eigenaar is der vrachten, die met de zaak verbonden zijn, volgt uit de artikelen 3 en 4.
Indien hij ook eigenaar wordt van de vruchten, nadat zij door afscheiding zelfstandige zaken zijn geworden, zoo is dit niet een uitvloeisel van zijn recht van eigendom, maar van de omstandigheid, dat hij de zaak bezittende, daarbij een recht uitoefent, waaraan in den regel het volle genot der zaak verbonden is. Ook aan anderen kan een gelijksoortig bezit toekomen; van daar de gelijkstelling met dengene, die de zaak als erfpachter, beklemde meier of vruchtgebruiker bezit. Aan den pandhouder is de eigendom der vruchten niet gegeven. Artikel 390 houdt daarentegen in, dat de vruchten, die de zaak oplevert, mede aan het pandrecht zijn onderworpen.
Artikel 604 n0. 3 B. W. bepaalt, dat de bezitter de vruchten geniet «tot op de gerechtelijke terugvordering ». Deze laatste beperking is niet overgenomen. De bezitter van de zaak moet eigenaar ij ii van de vruchten, die zij gedurende zijn bezit opbrengt, en zich tegenover derden als zoodanig kunnen doen gelden, al is er misschien achter hem een ander, die ten slotte blijken zal de ware eigenaar der hoofdzaak te zijn en met wien hij daarom ter zake dier vruchten zal moeten afrekenen. Bij de revindicatie, de rechtsvordering waarmede onder andere ook die afrekening gevorderd wordt, zal dit punt nader geregeld worden.
Hel tweede lid van het artikel betreft de personen, die als huurder, pachter, in één woord krachtens een met den bezitter gesloten contract, de zaak onder zich hebben, met het recht de vruchten daarvan tot zich te nemen. Hier heeft men wel is waar niet met bezitters te maken, maar toch met personen, die de zaak voor zich, dat is in hun eigen belang, onder zich hebben. Hoe en van welk oogenblik af zij den eigendom van de vruchten verkrijgen, is in het Burgerlijk Wetboek niet bepaald en daarom min of meer onzeker. De onderhavige bepaling stelt dit geval, dat feitelijk met het in het eerste lid genoemde zooveel overeenkomst heeft, ook in de gevolgen daarmede gelijk.
Het in het artikel bepaalde heeft uitsluitend betrekking op de vruchten.
Voor andere bestanddeelen van eene zaak, die ter afscheiding worden verkocht, boomen, een huis ter afbraak, geldt het beginsel dat zij niet dan door levering, dus eerst door de inbezitneming, aan den kooper in eigendom overgaan. En ook ten aanzien van vruchten behoudt dit beginsel zijn volle kracht, indien zij ter afscheiding zijn verkocht of, gelijk het veelal heet, op stam zijn verpacht. Slechts dan is de uitzondering in het tweede lid van toepassing, als het recht op de vruchten het uitvloeisel is van een contract of andere rechtshandeling, waarbij de hoofdzaak gesteld werd in de uitsluitende heerschappij van hem, die de vruchten genieten zal.
59
Afdeeling IV.
Eig encïomsver krijg ing door verjaring.
De behandeling in ons Burgerlijk Wetboek van de beide soorten van verjaring alsof het onder-deelen waren van betzelfde rechtsinstituut, kan niet anders dan als eene systematische fout beschouwd worden. Hoeveel beide instellingen ook met elkander mogen gemeen hebben, het verschil van haar voornaamste rechtsgevolg is te groot dan dat zich de samenvatting, welke in artikel 1983 B. W. wordt aangetroffen, laat rechtvaardigen. Het ontwerp licht dus uit den Zevenden Titel van het Vierde Boek van het bestaande wetboek wat op de verwervende verjaring betrekking heeft en behandelt deze wijze van eigendomsverkrijging, in aansluiting aan de overige, in den tegenwoordigen Titel, zooals reeds het Ontwerp 1820 heeft gedaan, en in de wetboeken en ontwerpen van den lateren tijd geregeld geschiedt. Ware voor haar eene benaming te vinden geweest in den trant van het Duitsche « Ersifzung », welk woord vooral door toedoen van Savigny (Sijst. IV, S. 208 in de Duitscbe rechtstaal ingang heeft gevonden, men zou niet geaarzeld hebben zich daarvan te bedienen; doch nu zelfs de Groot, die zich beijverde Latijnsche termen door kernachtige Hollandsche te vertolken, «verjaring» in de beide bekende beleekenissen bezigt en dit altijd gebruikelijk is gebleven, scheen de kans om een nieuw woord in liet juridiek spraakgebruik wortel te doen schieten te gering om daartoe eene poging aan te wenden.
Art. 84.
Door verjaring wordt zoowel van onroerende als van roerende zaken de eigendom verkregen. In de inleiding tot dezen Titel werd er reeds op gewezen, dat het ontwerp, door wijziging van de bepaling van artikel 2014 B. W., aan den eigendom van roerende zaken meerdere vastheid heeft willen geven. Een gevolg hiervan is geweest, dat men besloot de verwervende verjaring ten aanzien van roerende zaken toe te laten en, zooals bij artikel 91 later blijken zal, te regelen.
Het artikel spreekt van « zaken » en van « bezit als eigenaar », en het onderwerp der verjaring wordt hier dan ook alleen behandeld met het oog op de eigendomsverkrijging van (lichamelijke) zaken. Ten aanzien van het door verjaring verkrijgen van eene erfdienstbaarheid, van eene grondrente of van een zakelijk recht, waaraan het bezit der zaak verbonden is, zullen de bepalingen van deze afdeeling moeten worden toegepast met zoodanige wijziging als de aard der zaak telkens zal medebrengen ; bij de verschillende hierna volgende Titels zal er gelegenheid zijn daarop meer in bijzonderheden te wijzen. Het beginsel in artikel 1987 B. W. nedergelegd is in het tweede lid van het voorgedragen artikel overgenomen.
Art. 85.
Het is in zekeren zin onverschillig welke berekening men zal volgen bij het aanvangen en bet eindigen van den verjaringstermijn, zoo maar duidelijk blijkt hoe zij moet plaats hebben. Artikel 1999 B. W. laat, evenals artikel 2261 C. G., ruimte voor den twijfel of de dies a qiio al dan niet moet worden medegerekend. Het voorgesteld artikel beslist in laatstgemelden zin.
00
Het schijnt onnoodig een voorschrift als § 548 van het Pruissische Landrecht en artikel 2390 van het Avant-Frojet van Laurent, strekkende om te voorkomen, dat schrikkeljaren voor een jaaien een dag geteld worden , in het ontwerp op te nemen. Eene dergelijke opvatting zou geheel in strijd zijn met hetgeen men in het dagelijksche leven onder het begrip «jaar» verstaat, ook al is liet jaar een schrikkeljaar.
Art. 86.
Onder een eenigszins gewijzigden vorm wordt in dit artikel hetzelfde gezegd wat in artikel 1994 B. W. wordt aangetroffen. De redactie is eenvoudiger en de woorden « van ouds v zijn vermeden, die den schijn hebben nog iets anders te willen aanduiden dan werkelijk in de bedoeling ligt. De voorgestelde bepaling wordt in ongeveer gelijke bewoordingen aangetroffen in § 139 van het Beiersche Ontwerp en § 938 van het Duitsche Wetboek.
Men zou misschien kunnen vragen of het artikel niet overbodig is ten gevolge van het bepaalde in artikel 25, dat de bezitter het bezit behoudt, totdat hij het verloren heeft. Het antwoord zou evenwel ontkennend moeten luiden, omdat de artikelen inderdaad niet de uitdrukking zijn van dezelfde gedachte; artikel 25, toch, gaat uit van het verkrijgen van het bezit en veronderstelt dus dat dit moment, de oorsprong van het bezit, vast staat; artikel 86 laat dezen oorsprong geheel in het midden en stelt slechts op den voorgrond, dat er twee tijdstippen bekend zijn, op welke die feitelijke toestand van bezit kan worden aangetoond.
Art. 87.
De voornaamste verandering, die dit artikel in het bestaande recht brengen zal, is zeker wel deze, dat bezit gedurende dertig jaren eigendom verschaft ook al mocht het te kwader trouw zijn verkregen. De wet stelt thans onvoorwaardelijk het vereischte, dat het bezit moet verkregen zijn \.e. goecler trouw. Artikel 2262 C, C. vorderde dit niet voor de prescription trentenaire, en men heeft dan ook gemeend, dat er te veel aan de rechtszekerheid is gelegen om het gebrek aan het bezit klevende, doordien dit te kwader trouw is aangevangen, niet ten slotte te laten wijken, wanneer het bezit gedurende een tijdvak van dertig jaren is uitgeoefend.
Het. artikel bepaalt zich tot onroerende zaken, en spreekt niet, zooals artikel 2000 B. W. doet, van « rente of eenige andere, aan toonder niet betaalbare, inschuld », zaken die zelfs geen voorwerp van hezil Kunnen zijn.
Het bezit moet verkregen zijn krachtens eenige wijze van eigendomsovergang onder bijzonderen titel. Eigendomsovergang onder algemeenen titel komt voor deze verjaring niet in aanmerking, omdat men alsdan slechts eene aangevangen verjaring kan voorizetlen, terwijl in dit artikel sprake is van het beginnen van eene verjaring, waarvan het verkrijgen van het bezit het uitgangspunt is. De eigendomsovergang kan op verschillende titels berusten; zijj kan het gevolg zijn van eene akte van overdracht, maar ook van een vonnis van onteigening of van eene toewijzing krachtens executorialen verkoop. In al die gevallen moet de overschrijving in de openbare registers hebben plaats gehad, alvorens de termijn van verjaring een aanvang kan nemen. Ten aanzien van de akten van overdracht volgt zulks uit het derde lid van artikel 100, en deze eisch mag gerechtvaardigd heeten, nu eenmaal de overschrijving der akte als positief vereischte voor de eigendomsverkrijging is gehandhaafd.
61
Met dezen strengen eisch voor oogen heeft men gemeend den termijn van twintig jaren tot tien jaren te kunnen verkorten. Deze termijn scheen toch nog voldoende in een land van kleinen omvang als het onze, waar de gelegenheid om het oog te houden op hetgeen ten aanzien der onroerende goederen plaats grijpt zooveel ruimer is dan in landen van grooteren omvang. In verband hiermede kon de termijn voor de verjaring zonder titel op twintig jaren worden teruggebracht. Een tijdsverloop van dertig jaren werd voldoende geacht voor de verjaring ten gevolge van bezit te kwader trouw verkregen. Door dezen laatsten termijn is het verband met de voorschriften omtrent de exstinc-tieve verjaring behouden. Immers, veelal zal op hetzelfde oogenblik., dat voor den verkrijger de eigendom ontstaat, voor den vroegeren eigenaar het recht om de zaak door de revindicatie terug te vorderen , vervallen.
De artikelen 2001â2003 B. W. zijn niet overgenomen. Wat artikel 2001 betreft; indien er werkelijk van nietigheid of van vernietiging sprake is, betzij van de overeenkomst van eigendomsoverdracht, hetzij van de in de registers overgeschreven akte, hetzij in het algemeen van den rechtsgrond waarop de eigendomsovergang steunt, zoodat deze als niet bestaande moet beschouwd worden, dan is het niet noodig voor te schrijven, dat ook de verjaring, op zoodanigen titel gegrond, niet kan plaats hebben, terwijl, indien niet alle werking daaraan kan worden ontzegd, het artikel te ver zoude gaan.
Hetgeen in artikel 2002 wordt gezegd volgt uit de bewoordingen van het hierna volgend artikel 89, terwijl zoowel dit artikel als het hier besproken artikel 87 zoodanig zijn geredigeerd, dat eene afzonderlijke bepaling als die van 2003 onnoodig is geworden.
Art. 88.
Inzoover artikel 1995 B. W. geen onderscheid maakt tusschen opvolgers onder een algemeenen en die onder een bijzonderen titel en daardoor grond geeft voor de verkeerde opvatting, als stond het den eersten even als den laatsten vrij het bezit van hun auteur, naar gelang hun dit geraden voorkomt, al dan niet aan het hunne toe te voegen, is de redactie van dat artikel zeker hoogst gebrekkig. Van eene bevoegdheid om dit al dan niet te doen kan bij eerstgenoemden geen sprake zijn. Daarentegen brengt de aard der zaak mede, dat de opvolger onder een bijzonderen titel, wiens bezit inderdaad een zelfstandig bezit is, het vermogen hebbe het bezit van zijn voorganger tot zijn voordeel aan te wenden, of wel zich tot het zijne te bepalen; het artikel spreekt dus alleen van de opvolging onder hijzonderen titel. In de artikelen 2391 en 2392 van \\oX Avaut-Frojel van Laurent wordt dezelfde fout van artikel 2235 C. C. op gelijke wijze verbeterd.
Het voorgesteld artikel gaat nu in bijzonderheden na, hoe het beginsel van het in rekening brengen van het bezit van den voorganger, met. het oog op het bepaalde in artikel 87, moet worden toegepast. Wanneer het geldt de verjaring van het eerste lid van artikel 87, de tienjarige, moet de auteur van hem, die zoodanige verjaring inroept en het bezit zijns voorgangers wil mederekenen, de onroerende zaak insgelijks krachtens eigendomsovergang onder bijzonderen titel, te goeder trouw, hebben verkregen. Intusschen leide men daaruit niet af, dat de omstandigheid, dat de onmiddellijke voorganger bezitter is geworden door opvolging krachtens algemeenen titel, het mederekenen van diens bezit absoluut zoude verhinderen; integendeel, de regel blijft gelden, zoo men kan aantoonen, dat diens voorganger de zaak op de vereischte wijze heeft verkregen en, indien ook deze opvolger onder
62
algemeenen titel mocht zijn geweest, zoo voort, tot dat men op hem teruggegaan is, wiens titel aan de voorwaarden van het eerste lid van artikel 87 voldoet. Deze laatste toch beslist over den aard van het bezit zijner opvolgers, die de een na den ander krachtens algenieenen titel het bezit hebben voortgezet, totdat het gekomen is bij hem, die de zaak krachtens wijze van eigendomsovergang onder bijzonderen titel heeft o.ergedragen. Wanneer A, die de zaak te goeder trouw door koop verkregen had, de zaak verkoopt aan B, daarna B sterft en de zaak nalaat aan C, zal D, de zaak koopendc van C, zich met vrucht op het bezit van A, B en C kunnen beroepen
Het tweede lid van het artikel slaat terug op het bezit zonder titel, waarvan het tweede lid van artikel 87 gewag maakt. Dat daar, waar geen titel vereischt wordt voor het inroepen der verjaring en het bezit, mits ter goeder trouw verkregen, voldoende is, ook niet verlangd wordt, dat het bezit van den voorganger op een titel van eigendomsovergang zal berusten, spreekt wel van zelf; vandaar dat, nevens het bezit in artikel 87 al. 1 aangeduid, ook dat in het tweede lid van artikel 87 genoemd in rekening mag worden gebracht.
Het derde lid komt lot zekere hoogte in de plaats van artikel 1992 B. W., in zóóverre namelijk, dat het begrip van onafgebroken voortduren van het bezit hier op den voorgrond geplaatst wordt. Indien dus de voorganger of een der voorgangers van hem, die de verjaring inroept, b. v. te kwader trouw heeft bezeten, zal noch met diens bezit noch met dat wat aan zoodanig minder deugdelijk bezit is voorafgegaan rekening kunnen worden gehouden.
Over de beteekenis van het vierde lid zal weinig in het midden behoeven te worden gebracht. Hij, die de verjaring inroept, zal in dit geval slechts hebben aan Ie toonen, wie zijne voorgangers waren en dat deze de zaak in bezit hebben gehad.
Art. 89.
Men vergelijke hierbij de artikelen 587, 588, 2002 en 2003 B. W. De bewoordingen zijn zóó gekozen, dat duidelijk blijkt èn dat de goede trouw wordt verondersteld, zoodat hij, die kwade trouw beweert, deze moet bewijzen, èn dat het voor het bestaan van goede trouw voldoende is^ dat zij bestond op het oogenblik der verkrijging van de zaak, zoodat het bewijs van het bestaan van kwade trouw op een later oogenblik aan het aannemen der goede trouw niet in den weg staat.
Art. 90.
Omtrent het hier bedoelde rechtsgevolg eener verjaring zijn de gevoelens verdeeld. De meeste Fransche schrijvers staan het hier opgenomen stelsel voor; onze juristen, waaronder Diephuis {Ned. Bwcj. liegt VI, p. 472) en Goudsmit {Themis IX, p. 678) houden vol, dat de zakelijke i-echten, waarmede het goed ten behoeve van derden bezwaard is, daarop onvoorwaardelijk blijven kleven, zoolang ze niet te gronde gaan naar de bijzondere regelen , dat verlies betreffende , onverschillig of het goed in dezelfde hand is gebleven dan wel in andere handen is overgegaan.
Men heeft gemeend, dat het voorgedragen stelsel het juiste is, en dat het billijk is om, indien men, krachtens titel van eigendomsovergang het bezit eener zaak verkregen hebbende, dit gedurende den vereischten termijn van tien jaren voortzet, zonder dat bij dien overgang melding gemaakt is van het bestaan van het zakelijk recht, terwijl de gerechtigde evenmin iets van zich heeft laten hooren, â tegelijk met het recht van den waren eigenaar de op de zaak gevestigde zakelijke
63
reehten te doen te niet gaan. Als voorwaarde wordt intusschen ook in dit opzicht de goede trouw van den verkrijger vereischt. Zoodanige goede trouw ontbreekt, indien kan worden aangetoond, dat de verkrijger mot het bestaan van het recht bekend was of wel had moeten zijn, b. v. wanneer blijkt, dat de akte van verleening van het recht in de registers is ingeschreven. Indien hij, toch, door inzage van die registers zich had kunnen overtuigen dat hetgeen hij verkreeg niet onbezwaard was ^ kan hij zich niet met de bewering dekken, dat het bestaan van het recht hem onbekend was; men mag van de veronderstelling uitgaan, dat het raadplegen der openbare registers niet wordt verzuimd, waar het in eigendom ontvangen van onroerende zaken betreft; â in zóóverre is dus het loeten met het moeten weten gelijk gesteld.
Dat de rechten gedurende den loop der verjaring niet mogen zijn uitgeoefend, is een billijke eisch; daardoor, toch, vervalt de grond dezer verjaring, n.1. het tienjarig bezit van de zaak als eene vrije, niet met zakelijk recht bezwaarde, zaak. Voorts mag men aannemen, dat onder uitoefenen van het recht ook moet verstaan worden het in rechte handhaven daarvan; immers ook daaruit moet de gevolgtrekking worden gemaakt, dat van het recht geen afstand is gedaan.
De beide uitzonderingen in het laatste lid opgenoemd vereischen geene uitgebreide toelichting, en de reden voor hare opname ligt voor de hand. Van het uitoefenen van het recht van hypotheek zou alleen sprake kunnen zijn, indien voor den hypotheekhouder het oogenblik gekomen is om van zijn recht van executie te gaan gebruik maken, terwijl, waar het geldt erfdienstbaarheden als in het artikel bedoeld, de eigenaar van het heerschend erf eerst dan in de gelegenheid is om zijn recht uit te oefenen, wanneer de eigenaar van het dienend erf in strijd met het zakelijk recht heeft gehandeld , zoodat tegen dezen de actio confessoria moet worden ingesteld.
Art. 91.
Onder verwijzing naar hetgeen omtrent de verwervende verjaring ten aanzien van roerende zaken hierboven bij de toelichting van artikel 84 is gezegd, zij hier nog opgemerkt, dat men niet geschroomd heeft bij de regeling van dit onderwerp zich op hetzelfde standpunt te plaatsen als bij de onroerende zaken. Van eene toepassing van het eerste lid van artikel 87 kan geen sprake zijn, omdat bij roerend goed in het daar bedoelde geval de eigendom onmiddellijk verkregen wordt en verjaring dus onnoodig is. Voorts is ook hier aangenomen, dat bij te goeder trouw aangevangen bezit een tijdperk van 20 jaren, bij bezit te kwader trouw een tijdperk van 30 jaren den eigendom verschaft. Is het noodig, om den eigendom eener roerende zaak dadelijk te verkrijgen, dat er overdracht van het bezit plaats hebbe gehad en wordt de revindicatie, niet alleen in naam maar inderdaad , voor roerende zaken erkend, dan is het consequent om de verwervende verjaring toe te staan, zoodat de bezitter niet alleen veilig kan zijn tegen de rechtsvordering tot opvordering van den eigendom , indien deze door de exstinctieve verjaring hare kracht heeft verloren, maar ook in den volsten zin des woords eigenaar der zaak kan worden. Dat het belang bij roerende zaken (men denke aan kostbare steenen, schilderijen, effecten, papieren aan toonder, enz.) minder groot zoude zijn dan bij onroerende, zal wel niet worden beweerd.
Art. 92.
In dit en de volgende artikelen worden de gevallen van stuiting en schorsing der verjaring
64
behandeld, waarbij de bepalingen van de vierde en de vijfde afdeeling van den Zevenden Titel van Boek IV B. W. zijn te vergelijken, benevens artikel 1992 B. W.
Het â vereischte, dat het bezit moet zijn openbaar en niet dubbelzinnig, is niet overgenomen; het scheen voldoende, dat in artikel 84 het als eigenaar bezitten op den voorgrond was gesteld. In hoeverre het bezit voortdurend, onafgebroken en ongestoord moet zijn, kan uit de bepalingen, die thans volgen, blijken.
Als eerste regel wordt gesteld, dat de verjaring wordt gestuit, indien de bezitter het bezit opgegeven , of overeenkomstig artikel 29 verloren heeft. Na inzage van den Titel van Bezit zal de wijziging in artikel 2015 B. W. gebracht weinig toelichting behoeven. Voormeld artikel, toch, houdt verband niet het beginsel, waarop de tegenwoordige artikelen 601 en 603 B. W. steunen; daarvoor hebben de artikelen 26 en 29 van het ontwerp een ander beginsel in de plaats gesteld, dat hier wordt toegepast. Over de overdracht van hel bezit is niet gesproken, omdat het wel van zelf spreekt, dat in dat geval de vroegere bezitter niet meer de verjaring kan inroepen.
Noch in het bestaand recht, noch in dit ontwerp wordt, zooals in sommige Duitsche wetgevingen jjet geval is, gezegd, dat deze stuiting de mogelijkheid eener nieuwe verjaring, met beroep op den oorspronkelijken titel, niet uitsluit. Dit kan inderdaad niet twijfelachtig zijn; indien er geene erkenning van het recht van een ander heeft plaats gehad, noch door vonnis is uitgemaakt dat een ander recht heeft op de zaak, is er geen reden denkbaar waarom men de gestuite verjaring niet weder op nieuw krachtens denzelfden titel zou kunnen aanvangen. (Zie b. v. artikel 143 Ontwerp Beieren.)
Art. 93.
Al veroorlooft het aangenomen stelsel niet bezit, dat in werkelijkheid verloren is, als nog voortdurend te beschouwen, daarom behoeft nog niet elk verlies onvoorwaardelijk het gewone rechtsgevolg der stuiting teweeg te brengen. Het ware hoogst onbillijk het bezit van hem, die het tegen zijn wil kwijt raakt, maar binnen het jaar in rechte terugvordert, als verjaringsbezit waardeloos te doen zijn. Het ontwerp neemt dus aan, dat de verjaring, bij het herkrijgen van het bezit, haren loop voortzet.
Wat voor het terugbekomen door tusschenkomst van den rechter geldt, moet ook gelden bij vrijwillige teruggaaf binnen betzelfde tijdperk. Immers in zoodanig geval vervalt voor hem, die van zijn bezit beroofd is geweest, de reden om herstelling in rechte te vragen.
Men is zelfs een stap verder gegaan en heeft bepaald, dat het tijdperk verstreken tusschen het verlies en het herkrijgen van het bezit mag worden medegeteld. Beeds thans geldt dit krachtens artikel 616 13. W. voor het geval, dat het bezit bij vonnis teruggegeven wordt; op gronden van billijkheid heeft men gemeend de fictie in beide gevallen te mogen aanwenden. Genoemd artikel, dat, buiten het geval van verjaring, geenerlei belang heeft, is op dezen grond in den Titel van Bezit niet overgenomen.
Art. 94.
Ook voor het geval de zaak door middel van de later te bespreken actio Publiciana in handen van den verkrijger is teruggekomen heeft men de eigendomsverkrijging door verjaring willen vergemakkelijken. Door het toewijzen van deze rechtsvordering, toch, is het betere recht van den ver-
65
krijger erkend en de billijkheid gebiedt voor dat geval den eiseh van het onafgebroken en voortdurend bezit te laten varen. Intusschen is in zóóverre rekening gehouden met de gewijzigde rechtspositie , dat de tusschentijd, de tijd, gedurende welken het bezit niet bij den verkrijger is geweest, buiten rekening moet blijven voor den verjaringstermijn.
Art. 95.
Ten aanzien van de, naar aanleiding van het in artikel 2016 B. W. bepaalde, te stellen vraag, of iedere aanmaning, ook eene zoodanige die niet door eene dagvaarding wordt gevolgd en dus niet veel meer is dan eene schijnbedreiging (zie Goudsmit , Pandecten l, p. 253, noot 3), de aangevangen verjaring al dan niet zal stuiten, is in het ontwerp een middenweg gekozen. Als punt van uitgang meende men vast te moeten houden aan het oogenblik, dat de eisch is gedaan. Die eisch kan gedaan worden bij dagvaarding, hij kan ook worden gedaan in reconventie of door tusschenkomst. Maar aan den andoren kant wilde men aan eene aanmaning gelijke stuitende kracht toekennen, indien de inhoud duidelijk den wil om zijn recht te handhaven te kennen geeft, de aanmaning in den wettelijken vorm is geschied en het tijdsverloop tusschen haar en de akte waarbij de eisch wordt gedaan niet te lang is. Het geval is denkbaar, dat men, in kennis gesteld met het wederrechtelijk bezit van een ander, nog den tijd heeft om bij exploit in korte termen zijne aanspraken ter kennis te brengen, maar dat het voor den aanlegger hoogst gewenscht is nog een termijn van zes maanden voor zich te hebben om de akte, waarbij zijn eisch zal omschreven zijn, na nauwkeurige kennisneming der feiten en omstandigheden, te overwegen en in schrift te brengen.
Als het juiste oogenblik, waarop de eisch is gedaan, zal bij eene dagvaarding moeten beschouwd worden het oogenblik, waarop zij is beteekend, bij andere akten het oogenblik, waarop de schrift uur ter kennis van de gedingvoerende partij is gebracht.
Art. 96.
De inhoud van artikel 2018 B. W. is hier slechts verduidelijkt en aangevuld. Zoo is de uitdrukking ; « verjaring is niet gestuit» vervangen door de juistere, dat de stuiting wordt gehouden voor niet geschied; nevens de aanmaning en de dagvaarding wordt nu ook genoemd de schriftuur, waarbij de eisch is gedaan ; behalve de ontzegging van den eisch noemt het artikel ook de niet-ontvankelijk verklaring. Wat de aanmaning betreft zal het. wel onnoodig zijn te herinneren, dat, â wanneer zij wordt ingetrokken of nietig verklaard, alleen de mogelijkheid vervalt om den termijn van zes maanden, in het voorgaand artikel bedoeld, Ie verkrijgen. Immers op zich zelve kan zij geene stuiting te weeg brengen.
Dat artikel 2018 niet toepasselijk zoude zijn, indien het vonnis van den rechter niet eepe ontzegging van den eisch , maar eene niet-ontvankelijk verklaring inhoudt, is door sommigen beweerd, maar door de meesten weêrsproken, en ook onze jurisprudentie laat zich in den laatsten zin uit {N. Holland 2 Nov 1848, Wbl. 1030; H. R. 11 April 1850, Wbl. 1115) j om eiken twijfel dienaangaande weg te nemen heeft men van de niet-ontvankelijk verklaring afzonderlijk melding gemaakt. Daarmede is evenwel niet gezegd, dat elke exceptieve verwering hetzelfde gevolg moet hebben, ook dan wanneer over het fond der zaak niet is beslist. Tot dergelijke exceptiên behooren die van litis-pendentie en connexiteit, exceptiên, die de zaak au fond in het minst niet raken en dan
66
ook alleen dat gevolg hebben, dat bij toewijzing daarvan de zaak gevoegd wordt bij eene reeds aanhangige, waarmede zij voortaan een geheel uitmaakt.
Art. 97.
Met. eene algeheele overname van artikel 2017 13. W. kon men zich niet vereenigen. A.an eene dagvaarding voor een onbevoegden rechter dezelfde kracht toe te kennen als ware zij geschied voor den cornpetenten rechter, m. a. w. eene handeling, die geheel zonder gevolg moet blijven, gelijk te stellen met die, welke tot het beoogde doel heeft geleid, daartoe kon men geen vrijheid vinden. Aan den anderen kant scheen het onbillijk elke waarde daaraan te ontzeggen en alzoo het mogelijk te maken, dat, door in een twijfelachtig geval van competentie partij te kiezen, het recht van hem, die beweert eigenaar te zijn, tengevolge van het inmiddels verstrijken van den termijn voor de verjaring zou verloren gaan.
Met het systeem ton aanzien van de aanmaning aangenomen voor oogen heeft men hier bepaald, dat hij, die eene akte van stuiting heeft doen uitbrengen, doch daartoe een verkeerd middel heeft aangewend, door voor den onbevoegden rechter te dagvaarden, blijk moet geven, dat hij de stuiting ernstig heeft gewild, zoodat hij binnen zes maanden op nieuw moet dagvaarden. Hij kan de beslissing tot in het hoogste ressort afwachten, of wel zich bij het gewezen vonnis neerleggen, maar moet zich dan binnen den gestelden termijn tot den bevoegden rechter wenden.
Art. 98.
Ten aanzien van de schorsing der verjaring heeft men zich tot een enkel voorschrift bepaald, waarvan de grondtrekken in de artikelen 2024 en 2025 B. W. worden teruggevonden. Voor de overname van artikel 2023 B. W. vond men geen grond; wat daarin wordt te kennen gegeven spreekt van zelf en de inhoud scheen niet belangrijk genoeg om het artikel ter wille zijner historische beteekenis te behouden. Be bevoordeeling in artikel 2024 aan Ao. personaa miserahiles toegekend kon slechts gedeeltelijk instemming vinden. Immers ten gevolge hunner verplichte vertegenwoordiging door voogden of curators zijn zij genoegzaam tegenover derden beschermd en bestaat er geen reden om die derden tegenover hen in eene ongunstiger stelling te plaatsen dan tegenover anderen. Sommige wetboeken (b. v. Saksen § 154) maken eene uitzondering voor het geval er tijdelijk geen vertegenwoordiger mocht zijn, doch dergelijke uitzondering zou eene regeling in bijzonderheden noodzakelijk maken, zonder dat men , met het oog op den vrij langen verjaringstermijn, kan beweren, dat zij in eene wezenlijke behoelte zoude voorzien. Niettemin scheen het wenschelijk te bepalen, dat ouders. voogden en curators, die geroepen zijn om de belangen der aan hen toevertrouwde personen te behartigen, niet zelf voordeel kunnen genieten uit de verwaarloozing dier belangen, zoodat zij zich niet tegen de minderjarigen op de verjaring mogen beroepen. De bevoordeeling is niet wederkeerig; men zou kunnen beweren, dat het in het algemeen aanbeveling verdient processen tusschen personen, die in zulk eene nauwe betrekking tot elkander staan, te vermijden, maar men vond daarin toch geen grond genoeg om van den regel af te wijken en de begunstiging verder uit te strekken dan lot dc fersonae mïsbrabiles zeiven. (Zie artikel 3619 Ontwerp 1820.)
In de tweede plaats heeft men de schorsing der verjaring noodig geacht tusschen echtgenooten,,
67
doch is in zóóverre van artikel 2025 afgeweken, dat het voorgedragen artikel de schorsing laat ophouden, indien er scheiding van tafel en bed heeft plaats gehad. (Zie artikel 3620 Ontwerp 1820). De grond voor de bepaling, het niet in de waagschaal stollen van de goede verstandhouding tusschen man en vrouw, houdt op, indien de samenleving door eene scheiding van tafel en bed is vervangen.
Terwijl artikel 2027 B. W. geacht kan worden alleen op de exstinotieve verjaring betrekking te hebben en dus te dezer plaatse buiten beschouwing kon blijven, zijn ook de artikelen 2026, 2028 en 2029 niet. in het ontwerp overgenomen. Enkele Fransche juristen (zie Marcadé op artikel 2256 C. C.) schijnen er in geslaagd te zijn een geval te construeeren , waarin het sub 1° van artikel 2026 gegeven voorschrift toepassing zou kunnen vinden, doch de. geringe kans, dat zich ooit. een dergelijk geval zal voordoen, deed besluiten hiervan in het ontwerp niet te gewagen. Het sub 2° bepaalde kan in zekeren zin beschouwd worden als eene consequente toepassing van de bepaling van artikel 2025, omdat ten slotte de vrouw eene rechtsvordering legen den man zoude moeten uitlokken; doch, al heeft men het noodig geoordeeld de bepaling van artikel 2025 in hoofdzaak over te nemen, zoo heeft men toch geen aanleiding gevonden om ook hierin het. bestaande recht te volgen, omdat in casu het belang van een derde op het spel staat en dit niet mag worden opgeofferd aan den wensch om elke aanleiding tot oneenigheid tusschen gehuwden uit den weg te ruimen. Artikel 2028 al. 2 en artikel 2029 zijn overbodig, daar de verjaring doorloopt zoolang geen schorsing in de wet is voorgeschreven. Ook artikel 2028 al. \ heeft geen plaats in het ontwerp bekomen; door sommigen wordt de stelling verdedigd, dat dit artikel ook kan toegepast worden bij de wtwewwffo verjaring, doch de woorden, waarin het is vervat, geven daartoe geene aanleiding, wijl bet alleen van inschulden (créances) gewag maakt. Voor het overige, al sluit men zich bij bovenstaande meening aan, ook dan nog scheen het onnoodig dit voorschrift te handhaven, vermits artikel 703 B. R. den beniflciairen erfgenaam den weg wijst om zijne rechten tegenover den boedel te laten gelden.
Art. 99.
Het eerste lid van dit artikel vervangt de artikelen 1984 en 2019 B. W. Op den voorgrond is gesteld, ofschoon het niet. met zoovele woorden is gezegd, dan men niet vooraf afstand kan doen van eene verjaring, m. a. w., dat men niet kan laten varen wat men nog niet, zelfs niet gedeeltelijk, verkregen heeft. Tot zoover heeft men zich bij hel geldende recht aangesloten. Aan den anderen kant. heeft men gemeend afstand te moeten toelaten niet alleen van eene geheel voltooide, maar ook van eene slechts gedeeltelijk afgeloopen verjaring; niet alleen dus van de 10, 20 of 30 jaren, indien zij reeds geheel verstreken zijn, maar ook van de 5 jaren b. v., indien op het. oogenblik van den afstand het bezit nog slechts 5 jaren heeft geduurd. Men was van oordeel, dat de handeling in beide gevallen hetzelfde karakter heeft, daar zij zoowel in het eene als in het andere niets anders is dan eene verklaring, dat men geen beroep zal doen op het tot zoolang geduurd hebbend bezit, terwijl eveneens in beide gevallen van hel oogenblik af, dat de verklaring is afgelegd , eene nieuwe verjaring begint te loopen, indien de vereischten daarvoor aanwezig blijven. Het eenige verschil, n.1. dat men in het ééne geval zich ontzegt het beroep op een tijdsverloop, dat op zich zelf voldoende zou zijn geweest als grondslag van bet. recht, terwijl in liet andere hel verloopen van den tijd eerst beteekenis zoude hebben verkregen door hetgeen daarna zou zijn gevolgd, scheen niet van essentieelen aard te zijn.
Van daar dus artikel 99 al. 1, hetwelk afstand van verjaring toelaat, hetzij deze al dan niet
is voltooid. De schijnbaar gewichtige afwijking van artikel 198i is evenwel meer van formeelen dan van materieelen aard, vermits in het Burgerlijk Wetboek datgeen, wat het ontwerp beschouwt als een afstand van eene nog niet voltooide verjaring, in artikel 2019 wordt opgeval als een grond van stuiting onder den naam van erkentenis van het recht der tegenpartij, met volkomen hetzelfde rechtsgevolg. De verandering is evenwel, daar zij strekt om wat in waarheid gelijk is onder één gezichtspunt te vereenigen, voor de theorie niet van belang ontbloot.
Uit den aard der zaak is de regeling van dit onderwerp vooral van belang voor onroerende zaken, en evenals de afstand van eigendom eener onroerende zaak door eene daartoe strekkende notarieele akte moet worden gedaan, is ditzelfde ook bij den afstand der verjaring een noodzakelijk vereischte. Derde verkrijgers, die bij het verkrijgen der zaak rekening hielden met het hun bekende bezit van hunne voorgangers, mogen niet bedrogen uitkomen door de tegenwerping, dat dit bezit alle waarde heeft verloren ten gevolge van eene hun onbekende daad van afstand.
Ten aanzien van hetgeen verder in dit artikel wordt vermeld zij het te dezer plaatse voldoende Ie verwijzen naar de toelichtingen op de later te bespreken artikels 100 en 107.
Atdeeling V
Overdracht en afstand vau eigendom.
Art. 100.
Tegen den inhoud van artikel 671 B. W. zijn vele bedenkingen gerezen. In de eerste plaats schijnt de bedoeling van den toenmaligen wetgever niet juist door de woorden te zijn teruggegeven; terwijl het toch, blijkens de gevoerde beraadslagingen, Ie doen was om de werking van de overdracht. tegenover derden aan do voorwaarde der overschrijving te onderwerpen, luidt de bepaling algemeen en moet zij dus, zoo als zij daar ligt, geacht worden het oog te hebben op de overdracht ook tusschen partijen-, ja, zelfs de vraag is gewettigd of de uitdrukking: « werking van de overdracht tegenover derden gt;gt; nog niet te ruim is, en of de geschiedenis van het Oud-Hollandsch recht en van de wijze, waarop artikel 671 is ontstaan, niet aanleiding geeft te veronderstellen, dat men eigenlijk niet anders gewild heeft dan te zorgen, dat alleen die derde geen nadeel zoude ondervinden van de niet overgeschreven overdracht, die zelf, met eene latere overdracht derzelfde zaak gewapend, de overschrijving het eerst heeft doen plaats hebben.
Eene ernstiger grief bestaat hierin, dat men, met voorbijgang van het ondersciieid tusschen den titel der overdracht, de koop. de ruiling, de schenking enz., in één woord de causa, die aan de overdracht ten grondslag ligt, en de overdracht, het transport zelf, heeft bepaald, dat «de akte» in de openbare registers zoude worden overgeschreven, eene grief te zwaarder aan te rekenen, wijl het Ontwerp 1820 in de artikelen 1016 en 1018 duidelijk dit onderscheid op den voorgrond stelde, en o. a. in eerstgemeld artikel deed uitkomen , dat de eerste slechts eene persoonlijke rechtsvordering doet geboren worden om de overdracht te eischen, doch alleen de laatste den eigendom doet overgaan.
De Staatscommissie van 1867 trachtte aan dit bezwaar te gemoet te komen door te vorderen, dat de vervreemder toestemming zoude verleenen tot het doen plaats hebben van de overschrijving en stelde dientengevolge als tweede en derde lid van artikel 671 voor:
69
«Die overschrijving geschiedt met toestemming of machtiging van den vervreemder, verleend, «hel zij bij de akte zelf, hetzij bij eene latere authentieke akte, gelijktijdig en op dezelfde wijze als «de akte van vervreemding openbaar te maken.
«Overschrijving, zonder die toestemming of machtiging gedaan, is nietig.»
Blijkens de Memorie van Toelichting (pag. 161) gaf men in de eerste alinea aan de uitdrukking «titel van aankomst» de voorkeur boven die van « akte », omdat de verplichting tot levering niet altijd het gevolg zal zijn van eene overeenkomst, maar ook haren grond kan hebben in een rechterlijk vonnis. Tot zóóver het ontwerp van de Staatscommissie.
Het thans ingediend ontwerp gaat verder. Het vordert niet de overschrijving van den «titel van aankomst», door gemelde Commissie ook «akte van vervreemding» genoemd, maar, gedachtig aan de algemeen gehuldigde leer, dat, wanneer de eigendom door traditie overgaat, die overgang niet plaats heelt op grond van de levering in verband met de causa, maar enkel op grond van de in de levering zelve opgesloten overeenkomst, eischt het niets meer dan de overschrijving der akte, welke die overeenkomst bewijst Derden kunnen wel is waar belang er bij hebben te weten uit welke oorzaak de overdracht heeft plaats gehad, doch het vermelden hiervan ligt buiten de bestemming (Jer openbare registers, die slechts hebben aan te toonen, dat er is overgedragen.
Behalve dat door deze regeling aan een wetenschappelijkeii eisch is voldaan , biedt zij bovendien niet gering te achten practische voordeelen aan. Vermits de akte slechts heeft in te houden en zelfs niets anders mag inhouden (behoudens het in het tweede lid van het artikel vermelde) dan de verklaring van den eigenaar, dat hij den eigendom op den verkrijger overdraagt, en van dezen, dat hij den eigendom aanneemt, zal zij eenvoudig en duidelijk kunnen zijn. Daarenboven moet zij dooi een notaris zijn opgemaakt, zoodat daarin een waarborg voor de nauwkeurigheid van de namen dor handelende personen en van de omschrijving der goederen kan worden gezocht. Uit de openbare registers moet niet alleen blijken aan wien de zaak is overgedragen, maar derden moeten ook ingelicht worden omtrent de bedingen, die van invloed zijn op de eigendomsoverdracht, â van daai de bepaling van het tweede lid.
Voorbehoud van zakelijke rechten. Bij de toelichting van den Tienden Titel, luuulelende over hypotheek , zal de gelegenheid zich voordoen om rekenschap te geven waarom het ontwerp het borderellen-stelsel heeft doen plaats maken voor dat van de oveischrijving der akten , maar reeds hier bestaat aanleiding er op te wijzen hoe deze wijziging van het bestaande recht bevorderlijk is voor de eenvormigheid ten aanzien van de vestiging der zakelijke rechten. De bepaling van artikel 1227 B. W. heeft hare eigenaardige moeielijkheden; het bedingen van eene hypotheek, waarvan de inschrijving eerst binnen acht dagen na de overschrijving van de koop-akte behoeft te geschieden om rang te hebben ook boven andere hypotheken, die binnen datzelfde tijdperk op dezelfde zaak zouden zijn verleend en gevestigd, brengt een misstand op de registers te weeg, die niet vermeden kan worden. Indien toch een borderel van eene gewone hypotheek ter inschrijving wordt aangeboden vóór de inlevering van het borderel eener voorbehouden hypotheek, dan heeft deze laatste, mits de inlevering binnen de acht dagen heeft plaats gehad, rang hoven de eerste, en zulks niettegenstaande deze op het dagregister eene hoogere plaats inneemt.
Door de nu voorgestelde regeling vervalt dit bezwaar, omdat de overschrijving van de akte van overdracht, die in éénen adem de overdracht en de hypotheek op het dagregister brengt, tegelijkertijd den rang van beide bepaalt. Maar bovendien behoeft thans voor de hypotheek geene andere wijze
70
van handelen gevolgd te worden clan voor de overige zakelijke rechten, â want ook deze kunnen bij de akte van overdracht worden voorbehouden, hetgeen vooral bij erfdienstbaarheden, indien aaneensluitende landerijen tegelijkertijd in verschillende perceelen worden verkocht, veelvuldig kan voorkomen.
De opschortende en ontbindende voorwaarden moeten de eigendomsoverdracht betreffen, rn. a. w. laatstgenoemde moet van eerstgenoemde afhankelijk gesteld zijn. Wanneer de titel, waarop de overdracht steunt, de titel van aankomst, voorwaarden inhoudt of krachtens de wet aan voorwaarden is onderworpen , dan geldt niet dit artikel, maar artikel 104.
De overdracht werkt niet, zoolang de akte niet in de openbare registers is overgeschreven.
De Staatscommissie van 1867 betoogde in hare Memorie van Toelichting (pag. 160), dat ter bevordering van de zekerheid van den eigendom openbaarmaking moet gevorderd worden van den titel, die tot de eigendomsoverdracht leidt, alvorens deze kracht zal erlangen zelfs tusschen partijen. In het Ontwerp is hetzelfde aangenomen voor wat de akte van eigendomsoverdracht betreft. Hoe men over de eigenlijke bedoeling van den wetgever van 1838 ook moge denken, de algemeen aangenomen leer is, dat, volgens ons bestaand recht, de eigendom ook tusschen partijen niet overgaat dan na de overschrijving der akte, of, zooals men het pleegt, uit te drukken: «het goed moet eerst op naam staan». Aan deze opvatting wenscht men ook voor het vervolg vast te houden; zij sluit de mogelijkheid van het tegelijkertijd bestaan van tweëerlei eigendom ten aanzien derzelfde zaak uit en bevordert het spoedig overschrijven der akte. Intusschen zoude men te ver gaan, indien het vooropgestelde beginsel te streng doorgevoerd en daaruit afgeleid werd, dat de akte vóór de overschrijving alle kracht moet missen. Het tweede gedeelte der zinsnede brengt mede, dat hel overlijden van den vroegeren eigenaar of wel de verandering van zijn persoonlijken staat, zijn faillissement of het beslag inmiddels op zijne goederen gelegd, de werking van de akte van overdracht niet opheft, ook al was die niet overgeschreven op het oogenblik , waarop die gebeurtenis plaats greep. Artikel 35 van de faillissementwet van 30 September 1893 (Stbl. '140) bepaalt, dat de door artikel 671 B, W. gevorderde overschrijving van vóór de faillietverklaring opgemaakte akten niet geldig meer kan geschieden. Het ontwerp heeft, zooals hierboven is aangetoond, een geheel ander stelsel gevolgd dan in het thans bestaand artikel 671 ligt opgesloten, zoodal de nieuwe bepaling van artikel 35 buiten invloed kon blijven op het hier vastgestelde. De tusschenzin: «met eerbiediging van de rechten door «derden in den tusschentijd door eene overschrijving verkregen», mag misschien eenigszins overbodig heeten, doch dient om, zij het dan ook ten overvloede, er aan te herinneren, dat de rechten voor derden uit eene inmiddels gedane overschrijving voortvloeiende door geenerlei omstandigheid kunnen gekrenkt worden.
Dat heide partijen gerechtigd moeten zijn de akte te doen overschrijven, spreekt wel van zelf. De onwil of het berouw van den een, of wel de onmogelijkheid om zijnerzijds mede te werken, mogen den ander niet belemmeren in het doen verrichten van eene handeling, waarhij deze het grootste belang heeft om zeker te kunnen zijn van zijne rechten op de zaak.
Door de bepaling in het laatste lid van het artikel wordt erkend, dat het nog niet eigenaar zijn der zaak de nietigheid der handeling niet meer onherroepelijk met zich brengt, doch alleen ten gevolge heeft, dat uit den aard der zaak de handeling geene uitwerking kan hebben, zoolang hij die overdraagt den eigendom niet heeft bekomen. Indien b. v. een bezitter zijne rechten afleidt van een niet-eigenaar , doch op weg is om door verjaring den eigendom der zaak te verkrijgen, zou het hoogst
71
onbillijk en ook schadelijk voor het maatschappelijk verkeer zijn, indien kon beweerd worden, dat de zijnerzijds gedane eigendomsoverdracht nooit eenig gevolg kan hebben, omdat zij geschiedde op een oogenblik, dat hij nog niet als eigenaar over de zaak kon beschikken. Door het hier bepaalde is men in strijd gekomen met artikel 1507 B. W. , doch men meende, dat geen bezwaar behoefde gemaakt te worden om af te wijken van de daarin vervatte leer, waarvan men de verdediging allerminst op zich zoude wenschen te nemen. Van nog grooter practisch belang is het, dat door de voorgestelde bepaling in verband met artikel 329 aan den keeper de gelegenheid wordt gegeven om geld op te nemen onder hypothecair verband van de te koopen of reeds gekochte, maar nog niet in eigendom overgedragen zaak. Nadeel van dit laatste zal wel niet te duchten zijn, want hij, die geld onder zoodanig hypothecair verband zou moeten voorschieten, zal daartoe niet overgaan, indien hij niet hetzij in den persoon, hetzij in de reeds plaats gehad hebbende handelingen voldoende waarborg heeft, dat de koopprijs zal worden betaald en de eigendomsoverdracht zal plaats hebben.
Art. 101.
In de inleiding tot dezen Titel is er reeds op gewezen, dat men, bij het behoud van het negatieve stelsel, niettemin getracht heeft verbeteringen daarin te brengen en dat daaronder eene eerste plaats bekleedt de regeling van de absolute en de relatieve nietigheid der rechtshandelingen betreffende onroerende zaken. De vraag is niet ongegrond, welke beteekenis men aan het woord «nietigheid» hecht. Er kunnen rechlshandelingen verricht zijn, of, om bij den inhoud van dit en de volgende artikelen te blijven, er kan eene overdracht hebben plaats gehad, die eigenlijk geen overdracht is; â men denke b. v. aan eene overdracht zonder voldoende aanwijzing van de zaak die, of van den persoon aan wien wordt overgedragen; ten aanzien van dergelijke gevallen behoeft de wet geene voorschriften te geven. Daarentegen kan men in het algemeen zeggen, en op dit standpunt plaatst zich het ontwerp, dat van nietigheid moet gesproken worden in de gevallen, dat de handeling zelve van overdracht (van verleening, van afstand, van toescheidingquot;) aanwezig is en volgens haren inhoud zou kunnen werken, maar deze werking mist, omdat zij tengevolge van andere wetsbepalingen aan een gebrek lijdt, waardoor de overdracht met nietigheid wordt getroffen.
In de eerste plaats wordt het geval genoemd, dat de overdracht lijdt aan volstrekte nietigheid.
Zoodanige volstrekte nietigheid zal aanwezig zijn, indien de overdracht niet. is geschied in den vereischten vorm, b. v. indien zij niet bij notarieele akte is geconstateerd, of indien de notarieele akte niet geldig is wegens strijd met een op straffe van nietigheid gegeven voorschrift van de wet op het notariaat. De gevolgen van deze nietigheid moeten werken tegen ieder, die zijn recht afleidt van hem, aan wien de zaak bij de akte was overgedragen. De akte hield, wel is waar, naar haren inhoud eene overdracht in en op zich zelf was er geen grond om haar werking te ontzeggen, maar de wetsbepaling van artikel 100 gebiedt, dat de overdracht, wil zij geldig zijn, bij notarieele akte zij geconstateerd, en dit gebrek moet zijn invloed doen gevoelen op ieder, die aan die niet geldige akte eenig recht zoude willen ontleenen. Een geval van volstrekte nietigheid zoude ook aanwezig zijn, indien de overdracht heeft plaats gehad door een infans of door een krankzinnige, personen, die niet in staat zijn een wil te vormen, of wel indien in eigendom werd overgedragen eene zaak die, krachtens openbaar gezag voor den publieken dienst aangewezen, geen voorwerp van eigendomsoverdracht zou mogen uitmaken. Het ontwerp heeft, zoo als bij de toelichting van den
72
Ãersten Titel is uiteengezet, liet onderscheid tusschen zaken in en luiten den handel niet opgenomen, maar niettemin de geldigheid van publiekrechtelijke wetten en verordeningen erkend, die, in het algemeen belang, de inwerking van particulieren ten aanzien dier zaken zouden kunnen tegengaan, en deze dus feitelijk aan het verkeer zouden onttrekken.
Art. 102.
Wat ten opzichte van de volstrekte nietigheid bij het voorgaand artikel is gezegd, geldt ook bij de betrekkelijke nietigheid, waarvan hier sprake is. Zij moet dus werken tegen ieder, die zijn recht afleidt van hem, aan wien de zaak was overgedragen. Het belang van de in hel artikel genoemde personen vordert, rlat men zich niet met eene meer beperkte werking tevreden steil. Indien de minderjarige de door hem vervreemde onroerende zaak onherroepelijk verliest, zoodia zij gekomen is in de tweede hand, loopen zijne belangen te groot gevaar. Derden zullen onder deze nietigheid kunnen lijden, maar hunne belangen moeten bij die van den minderjarige of onder cura-teele gestelde achterstaan. Bovendien kan men bij een eenigszins nauwkeurig onderzoek in den regel gemakkelijk te weten komen, of bij eene overdracht als deze de rechten van personen als deboven-genoemden betrokken zijn.
De getrouwde vrouwen zijn hier voorbijgegaan, omdat het geval te haren opzichte anders is dan len opzichte van minderjarigen of onder curaleele gestelden. Hare onbevoegdheid tot handelen is een gevolg, niet van eene bescherming, die zij noodig zouden hebben wegens gebrek aan inzicht in hare wezenlijke belangen, maar van hare onderworpenheid aan hare echtgenooten; men zou dus kunnen zeggen, dat de onbevoegdheid is in het belang van deze laatsten. Dit belang voor te trekken boven dat van derde verkrijgers der goederen scheen niet. alleen niet noodig, maar zelfs ten eenen-male misplaatst.
Art. 103.
In dit artikel heeft men alle andere dan de in de beide voorgaande artikelen genoemde gevallen op het oog, waarin de nietigheid door den belanghebbende kan worden ingeroepen, doch waarvan de werking niet verder gaat dan lot hem, die de zaak op die gebrekkige wijze heeft verkregen. Ter wille van de belangen van derden heeft men niet verder dan tot de eerste hand willen gaan. Dit artikel zal toepasselijk zijn, indien eene getrouwde vrouw zonder bijstand van haren man hare goederen vervreemdt; indien beweerd wordt dat de overdracht geschied is ter bedriegelijke verkorting der rechten van de schuldeischers, of de bepalingen omtrent het faillissement het terugbrengen in den boedel bevelen; indien de handeling geschied is onder den invloed van geweld, bedrog of dwaling; indien de erfgenaam beweert, dat zijn wettelijk erfdeel is verkort.
Art. 104.
Ten slotte heeft men de aandacht willen vestigen op bedingen, die niet in de akte van overdracht zijn opgenomen, en dus alle zakelijke werking missen, doch in den titel van aankomst zijn vervat. Men denke daarbij aan eene ontbindende voorwaarde, aan een beding van wederinkoop en dergelijke. Zoodanige bedingen kunnen ook uit de wet voortvloeien, zooals bij wederkeerige overeen-
73
komsten het geval is. Na heigeen bij het voorgaand artikel werd in het midden gebracht kan het wel niet twijfelachtig zijn, dat het ontwerp aan die bedingen geen verderen invloed heeft willen toekennen dan tusschen partijen , die de overeenkomst hebben gesloten.
Art. 105.
Duidelijker dan in artikel 067 B. W., waar bepaald wordt hoe de levering van roerende zaken moet geschieden, heeft het ontwerp, in overeenstemming met het aangenomen stelsel ten aanzien van onroerende zaken, te kennen gegeven, dat ook bij roerende de eigendom wordt verkregen door overdracht, afgescheiden van de causa, die tot de overdracht aanleiding heeft gegeven. Zoodanige overdracht wordt ook in de nieuwere Duitsche wetgevingen geêischt (Ontwerp Beieren artikel 93, Duitsch Wetboek § 929).
Het artikel spreekt in het algemeen van overdracht van hezit. De wijzen van overdracht, waarhij geen overgang van hand tot hand plaats vindt, zijn dus niet uitgesloten, met name niet het constitutum possessorium, noch de traditio hrevi manu. Het heeft een punt van overweging uitgemaakt of niet, ter voorkoming van misbruiken, welke door het consütutum, possessorium worden gemakkelijk gemaakt, de mogelijkheid om aldus bezit over te dragen moest worden afgesneden door feitelijke overgave te vorderen. Op de gronden evenwel, bij de toelichting van de artikelen 27 en 28 ontwikkeld, heeft men besloten in het als bestaande aangenomen recht geene wijziging te brengen. In die artikelen zijn dan ook beide wijzen van bezitsoverdracht erkend.
In aansluiting aan hetgeen bij artikel 100 ten aanzien van onroerende zaken is gezegd, zij ook hier de opmerking gemaakt, dat men de overdracht, afgescheiden van de causa, voldoende heeft geacht en dat men dus niet heeft te vragen welke die causa is geweest en of daaromtrent wilsovereenstemming tusschen partijen heeft bestaan.
Tot de rechtsgeldige overdracht wordt niet geêischt, dat de vervreemder zelf eigenaar zij. Den eisch te stellen, dat de overdracht door den eigenaar moet geschied zijn, zoude eene te groote belemmering voor het. verkeer te weeg brengen. Intusschen is de verkrijger onderworpen aan de bepalingen van artikelen 42 en 43. Aan deze evictie staat hij bloot.
De rechten, welke op de vervreemde zaken waren gevestigd, gaan ten gevolge van de vervreemding te niet; dit is eene consequentie voortvloeiende uit het voorafgaande, dat zelfs het recht van den waren eigenaar bij de overdracht niet in aanmerking komt. Welke de rechten van den pandhouder en vruchtgebruiker zijn, indien de zaak is ontnomen of verloren en op deze wijze in handen van een derde is gekomen, bleek uit de artikelen 42 en 43 voormeld. Dat bij de overdracht het voortbestaan der rechten kan worden bedongen, wordt ten overvloede in het artikel herinnerd.
De bepalingen van artikel 668 B. W., handelende over de levering van onlichamelijke roerende zaken, mogen in het bestaande wetboek, dat inschulden en schuldvorderingen als voorwerpen van eigendom aanmerkt, in den Titel van Eigendom op hare plaats zijn, in het ontwerp, hetwelk geen eigendom aan rechten kent, zijn ze dal niet. Om dezelfde reden behoort hier geen sprake te zijn van de levering van inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, d. i. van de overdracht van rechten
op altijddurende renten ten laste van den Staat, al steunt de wettelijke regeling van dat onderwerp
j
u
op de grondgedachte, dat de ingeschreven kapitalen eigenaars hebben en dat de eigendom daarvan door overschrijving wordt overgedragen. En d'Hir het ontwerp almede tegen zijn eigen stelsel zou zondigen, zoo het hier ging verklaren wat thans in het tweede lid van artikel 669 B. W. voorkomt, vermits ook op naam staande aandeelen in maatschappijen liggen buiten de sfeer van het eigendomsbegrip, dat het huldigt, zoo blijft er van de artikelen 668 en 669 niets over, dat in dezen Titel zou dienen te worden overgenomen.
Eindelijk zij nog vermeld, dat artikel 670 B. W. is weggelaten, omdat liet volmaakt overbodig is. Er bestaat niet het minste gevaar, dat eenig rechtsgeleerde de beteekenis van voorschriften, voor bijzondere zaken en gevallen gegeven, zoozeer zal miskennen, dat hij de algemeene bepalingen, waarop men juist eene uitzondering heeft willen maken, toch toepasselijk zou achten.
Art. 106.
Het Ontwerp 1870 voegde aan de boven reeds aangehaalde bepalingen van artikel 671 B. W. nog eene vierde zinsnede toe van den volgenden inhoud' «Hij, die zich tot de levering verbonden «heeft, kan daartoe genoodzaakt worden bij vonnis, dat dezelfde kracht beeft alsof hij in de over-« schrijving had toegestemd», en tot toelichting daarvan werd gezegd, dat het geen betoog behoeft, dat bij ongegronde weigering der toestemming of machtiging eene rechterlijke uitspraak tot de overschrijving van den titel van aankomst moet kunnen noodzaken.
Het thans ingediende ontwerp gaat van eene geheel andere gedachte uit. Naar het stelsel van het Ontwerp 1870 is het, bij weigering van den vervreemder om machtiging te geven tot de overschrijving van den titel van aankomst, nog slechts te doen om eene formaliteit; al is aan die handeling het gewichtige gevolg van overgang van den eigendom verbonden , zoo is zij toch slechts van formeelen aard. Dat men in het bedoelde geval eene machtiging des rechters laat treden in de plaats van de machtiging van den vervreemder, spreekt bijna vanzelf. In het stelsel van het tegenwoordig ontwerp daarentegen, dat ten strengste het zakelijk en het persoonlijk recht scheidt, is op het oogenblik, waarop de vervreemder weigert, zelfs geene kiem van de overdracht aanwezig. Wanneer desniettemin 's rechters tusschenkomst den eigendom zal doen overgaan, dan is dit alleen denkbaar, zoo die tusschenkomst liet karakter draagt van een toewijzen van den eigendom, â iets geheel anders dus dan eene overdracht. Het vonnis heeft hetzelfde karakter als dat, krachtens hetwelk, bij gelegenheid van eene gerechtelijke tenuitvoerlegging op onroerend goed, overeenkomstig artihel 522 B. B., of van eene onteigening ten algemecnen nutte, eigendom verkregen wordt. Vandaar de wijze, waarop in het eerste lid de vordering wordt omschreven. Vandaar ook het tweede lid, volgens hetwelk gedurende het geding de eischer als een gewoon crediteur wordt beschouwd; van dit standpunt ontbreekt elke grond om zijn bloot persoonlijk recht te doen voorgaan aan dat van andere crediteurs.
Het artikel spreekt van eene «bepaalde zaak». Wat bij een bedongen hypotheek mogelijk is, nl. dat de rechter ook de zaak aanduidt, die met het zakelijk recht zal worden bezwaard, is bij eigendomsoverdracht niet toegelaten. Eene overeenkomst dus, waarbij een terrein verkocht wordt geschikt om daarop een fabriek op te richten, zonder nadere aanwijzing, kan niet leiden tot een vonnis van den rechter, waarbij deze een aan den schuldenaar toebehoorend perceel aangeeft en den eigendom daarvan aan den schuldenaar toewijst.
Het ontwerp maakt in dezen geen onderscheid tusschen roerende en onroerende zaken. Wel is
75
waar is in de wijze van eigendomsoverdracht tusschen beide verschil, omdat de overdracht bij roerende zaken plaats heeft door inbezitstelling, terwijl bij onroerende daartoe eene akte van transport noodig is, â maar in beide gevallen helpt de Staat, indien hij bij onwil van den schuldenaar de zaak ter hand neemt, den schuldenaar op geheel andere wijze dan door te doen wat de schuldenaar nalaat; ook bij roerend goed wijst de Staat onmiddellijk den eigendom toe en bepaalt zich niet tot de inbezitstelling, welke de schuldenaar had moeten verrichten.
De vraag diende gesteld te worden of aan het vonnis terugwerkende kracht moet worden verleend , dan wel of het vonnis eerst werkt van het oogenblik der uitspraak. Het antwoord op die vraag kon, met het oog op het bovenontwikkelde, wel niet anders dan in laatstgernelden zin worden gegeven, vermits door het vonnis niet wordt geconstateerd wat reeds bestaat, maar eigendotn zelfstandig wordt tocgeirezan.
De grond voor de bepaling van het derde lid ligt voor de hand. Nu de toewijzing door den rechter in de plaats treedt van de akte van transport, moeten ten aanzien van de eerste dezelfde regelen gelden als voor de laatste.
Art. 107.
Het mag twijfelachtig heeten of men volgens het geldend recht afstand kan doen van eene onroerende zaak in dien zin en met dat gevolg, dat men zijn recht van eigendom daarop verliest en do zaak na dat oogenblik dus geen eigenaar meer heeft. Men is geneigd met Mr. Diephuis (t. a p. VI, p. 121) de vraag ontkennend te beantwoorden en toch schijnt het van belang de bevoegdheid daartoe te erkennen. De lasten aan den eigendom van eene onroerende zaak verbonden kunnen zóó groot zijn, dat men verlangt er van bevrijd te worden en men ook hier den regel op zich wil toege past zien, dat niemand legen zijn wil eigenaar eener zaak behoeft te blijven, een regel die bij-roerende zaken uit den aard der zaak gemakkelijker dan bij onroerende in toepassing kan worden gebracht. Het Ontwerp 1820 erkent deze bevoegdheid in artikel 1092, doch regelt verder de wijze niet, waarop liet abandonnneeren van onroerende zaken moet plaats hebben. In de Duitsche wetgevingen geschiedt dit door eene verklaring voor de ambtenaren van het grondboek (zie o. a. Saksen § 284, Duitsch Wetboek § 928, Ontwerp Beieren artikel 152), volgens dii ontwerp door eene verklaring bij notarieele akte gedaan. De vorm dier akte (en dit geldt natuurlijk voor alle gevallen van dien aard, zooals bij de artikelen 99, 121, 138 enz.,) diende zich aan te sluiten aan dien voorgeschreven voor de overdracht van eigendom. De akte mag dus niets anders inhouden dan de verklaring van afstand en verkrijgt eerst werking door de overschrijving in de openbare registers. Na de overschrijving wordt de Staat, eigenaar.
Ingevolge artikel 576 B. W. behooren aan den Staat gronderven en andere onroerende zaken, die onbeheerd zijn en geenen eigenaar hebben. Dit is (zie inleiding tot den Eersten Titel) niet in het Ontwerp overgenomen; er bestond geen reden om in dezen aan den Staat een voorrecht te geven boven bijzondere personen, terwijl nu zoowel de een als de ander door inbezitneming en verjaring den eigendom der onbeheerde zaak kan verkrijgen. Bij geabandonneerde zaken is het anders; men kan daarbij aannemen, dat het verkrijgen der zaak door niemand begeerd wordt , en in zulk een geval is hel wenschelijk, dat er onmiddellijk een met gezag bekleed lichaam optreedt om in het algemeen belang de zaak tot zich te trekken en te beheeren.
76
Afdeeling VI.
Rechtsvorderingen den eigenaar ioekonmide.
Art. 408.
Behalve de slotwoorden van artikel 629 13. W. is het voorgedragen artikel, wat het eerste lid aangaat, bijna eensluidend daarmede. In de inleiding is reeds opgemerkt, dat het ontwerp door verschillende bepalingen aan den eigendom van roerende zaken meer recht heeft willen laten wedervaren , en een van de gevolgen zal daarvan zijn, dat de revindicatie van roerende zaken, die bij de geldende uitlegging van artikel 2014 B. W. bijna eene doode letter was, thans hare beteekenis zal hebben hernomen, üe eigendom van roerende zaken wordt wel gemakkelijker verkregen en ook verloren dan van onroerende zaken, maar zoolang de eigenaar eigenaar is, zóólang heeft hij de actie tot terugvordering tegen eiken houder, die zijnerzijds niet kan aantoonen eigenaar der zaak te zijn geworden.
De vraag wie houder eener zaak is, kan in sommige gevallen twijfelachtig zijn. Hij, die de detentie verleende , kan voortdurend in eene zoodanige verhouding tot de zaak blijven verkeeren, dat hij en niet de detentor als houder moet beschouwd worden, â men denke hierbij aan huisbewaarders, aan personen, die een voorwerp als het ware onder de oogen van den eigenaar vervoeren, en dergelijke.
Overigens zijn alle houders gelijk gesteld en staan zij allen aan de revindicatie bloot, behoudens hunne bevoegdheid om hunne auteurs in vrijwaring te roepen, indien daartoe gronden zijn. Deze bevoegdheid , ofschoon niet uitdrukkelijk erkend, bestond ook volgens het geldend recht en kon uit artikel 68 B. B. afgeleid worden.
Men heeft gemeend hiervan als van een onderwerp van materieel recht in het ontwerp gewag te moeten maken, derhalve uitbreidende hetgeen ten aanzien van den huurder in artikel 1594 B. W. in dit opzicht is bepaald. Voorts kwam het billijk voor in al die gevallen aan den houder de gelegenheid te geven zich buiten het geding Ie laten stellen en de zakelijke vrijwaring, tot het inroepen waarvan artikel 70 B. B. den gedaagde in het revindicatie-proces geen bevoegdheid schijnt te geven , ook aan dezen toe te staan.
Art. 109.
In de artikelen 630â636 B. W. worden de gevolgen geregeld, die de terugvordering der zaak heeft voor hem, die bezitter was. Het ontwerp heeft met den bezitter iederen houder gelijk gesteld; immers, men moei. aannemen dat, terwijl de actie kan worden ingesteld tegen lederen houder, de rechten die men tegenover die rechtsvordering kan laten gelden ook aan iederen houder moeten toekomen. (Vgl. artikelen 1133â1140 Ontwerp 1820 )
Als inleiding tot de verschillende bepalingen wordt in dit artikel te kennen gegeven wat onder een houder te kwader trouw moet worden verstaan. Het komt aan, wordt gezegd, op het oogenblik van het verkrijgen der zaak , niet, gelijk in het Duitsche Wetboek § 990, op het oogenblik van de inzameling der vruchten, ofschoon juist ten aanzien van de verplichting tot uitkeering of vergoeding van vruchten de invloed der kwade trouw zich doet gevoelen. Men heeft gemeend zich hier te moeten houden aan het voor de verjaring aangenomen beginsel. Het zou van hardheid niet zijn vrij te pleiten, indien men den houder, die zijn geld heeft gegeven om de zaak te verkrijgen en bij zijne
77
berekeningen van de veronderstelling is uitgegaan, dat hij recht op de zaak verkreeg, van slechter toestand liet worden door het feit, dat hij later toevallig omtrent zijn eigen minder goed recht of dat van zijn auteur beter wordt ingelicht. Hij ondervindt reeds schade genoeg, indien hij te eeniger tijd genoodzaakt wordt de zaak aan den rechthebbende over te geven, en het mag billijk worden geacht hem in den tusschentijd de voordeelen te laten genieten van zijne aanvankelijke, op het voor hem beslissende oogenblik aanwezige, goede trouw.
Art. 110.
Dat de houder verplicht is de zaak, indien zij onroerend is, te ontruimen en, indien zij roerend is, af te geven, is niet twijfelachtig. Maar moet hij ook instaan voor de schade aan de zaak toegebracht, of voor haar te niet gaan, ten gevolge van opzet, schuld, of zelfs van toeval? Het tegenwoordig recht beantwoordt deze vraag bevestigend voor den bezitter te kwader trouw (artikel 634 nquot;. 3 B. W.); de bezitter te goeder trouw mag, argumento a contrario, geacht worden noch voor opzet, noch voor schuld, nuch voor toeval in te staan, zoolang de revindicatie niet is ingesteld. Van dat oogenblik af staat hij met den bezitter te kwader trouw gelijk (artikel 588 al. 2 B. W.).
Men heeft gemeend, dat deze aansprakelijkheid van den bezitter te kwader trouw te streng genomen is. Zij steunt op de onderstelling, dat het bezit te kwader trouw op zich zelf reeds eene ongeoorloofde, onrechtmatige daad is, wier gevolgen den dader in hun vollen omvang moeten treffen. Dit nu schijnt eene dwaling. Hij, die desbewust eene zaak koopt, in erfpacht aanneemt, huurt van een niet-eigenaar, doet daarmede niets ongeoorloofds. Het zou zeker niet zijn in het belang van de maatschappij noch in dat van den waren eigenaar zelf, indien zaken, waarvan het bekend is of bij eenig onderzoek bekend zou kunnen zijn, dat zij zich bevinden in de handen van iemand, die er geen eigenaar van is, buiten het verkeer werden gesteld, en toch zou dit het gevolg zijn, indien reeds het sluiten van contracten omtrent dergelijke zaken was eene onrechtmatige daad. Maar is het zich, op overigens rechtmatige wijze, inlaten met de zaak van een derde geen onrechtmatige daad , dan moet ook de aansprakelijkheid van den bezitter te kwader trouw voor toeval, als regel, vervallen. En vervalt zij voor den bezitter te kwader trouw, dan kan er van haar ook voor den bezitter te goeder trouw, na den aanvang van de rechtsvordering, geen sprake zijn.
De gevolgen van eene onrechtmatige daad liggen geheel buiten de bepalingen van dit artikel. Wanneer de houder zich door eene onrechtmatige handeling in het bezit der zaak heeft gesteld, staat hij ook in voor de schade die hij, nu hij de zaak eenmaal had, niet meer kon verhinderen, doch deze aansprakelijkheid vloeit niet voort uit de betrekking, die hij tot de zaak als houder had, maar uit het plegen van de onrechtmatige daad, waarvan alle gevolgen voor zijne rekening komen.
Eene uitzondering op den regel, dat de houder niet voor toeval heeft in te staan, zal hierna bij artikel 113 behandeld worden.
Artt. 111 en 112.
Deze bepalingen geven weer het ook thans omtrent de vruchten geldende recht. De door toeval niet genoten vruchten behoeven niet vergoed te worden, behalve wanneer, naar hetgeen hierboven is gezegd, in het algemeen voor toeval moet worden ingestaan.
78
De eigenaar heeft een recht op de afgescheiden vruchten, onafhankelijk van het recht, dat artikel 83 aan den bezitter of houder op de vruchten toekent.
In artikel 112 is de tusschenzin van artikel 411 «zoo zij niet meer in zijn bezit zijn» niet herhaald; de uit den samenhang der artikelen voortvloeiende bedoeling is evenwel, dat ditzelfde ook voor artikel 112 moet gelden, m. a. w., dat de houder niet de keuze heeft om óf de vruchten te geven of ze te vergoeden, maar dat dit laatste alleen te pas komt, indien hij tot het eerste niet meer in staat is.
Art. 113.
De aansprakelijkheid moet verder reiken, indien , bij of na de opvordering van de zaak door den eigenaar, de bezitter geweten heeft, of heeft moeten welen, dat hij, die de zaak verlangt te hebben, is de ware eigenaar. Weigert hij nu de afgifte of de ontruiming, dan maakt hij zich schuldig aan eene onrechtmatige poging om den rechthebbende het zijne te onthouden.
Het is niet met het recht in strijd, dat zaken door anderen dan den waren eigenaar worden bezeten, indien de houders slechts bereid zijn hun plaats te ruimen, zoodra de ware eigenaar zich aanmeldt. Hij, die daarna nog in het bezit blijft, handelt ongeoorloofd en moet dan ook bet toeval voor zijne rekening nemen. De vorm der bepaling van dit artikel is ontleend aan § 934 van het Duilsche Ontwerp (eerste lezing).
Het behoeft geen betoog, dat in die gevallen, waarin de bezitter, tengevolge van het onrechtmatige van zijne wijze van doen, instaat voor toeval, meer algemeen door hem moeten worden vergoed alle kosten, schaden en interessen, behoudens het geval voorzien in het tweede lid van artikel 1480 B. W.
Art. 114.
In het geldend recht is dit punt niet met de vereischte duidelijkheid geregeld. De wet handelt afzonderlijk over het recht van den bezitter te goeder trouw en over dat van den bezitter te kwader trouw en maakt tusschen deze beiden onderscheid in het vergoeden van de gemaakte kosten. Wat den eersten betreft spreekt artikel 630 al. 2 B. W. over de kosten tot het hekoud eu ten nutte der zaak, artikel 036 over de kosten tot nui en verfraaiing, artikel 630 al. 1 en artikelen 631 en 632 over de kosten gemaakt tot het verkrijgen van vruchten, en eindelijk artikel 633 over de kosten tot onderhoud der zaak. Wat den tweeden betreft noemt artikel 634 sub 1°. B. W. de kosten tot hehond der zaak, artikel 636 de kosten tot nut en verfraaiing en artikel 634 sub 1°. de kosten tot het verkrijgen van vruchten. Bovendien kunnen de artikelen 658â660 B. W. nog geacht worden tot dit onderwerp te behooren, terwijl '..en slotte artikel 635 B. W. het geval behandelt van een bezitter, die zich op gewelddadige wijze in het bezit gesteld heeft.
In het ontwerp is men tot een veel eenvoudiger regeling van dit onderwerp overgegaan.
De houders worden allen op dezelfde wijze behandeld; de goede of kwade trouw, de daad van geweld , waardoor men zich het bezit verschaft heeft; zij hebben geen invloed op den omvang van de verplichting des eigenaars tot vergoeding van kosten. Men heeft niet kunnen inzien waarom de houder te kwader trouw in dit opzicht van slechter conditie zou moeten zijn dan de houder te goeder trouw; voor eene straf wegens de kwade trouw, toch, is het hier niet de plaats. Aan den anderen
79
kant wordt wel onderscheid gemaakt tusschen de verschillende soorten van kosten, al naarmate zij noodzakelijk, nuttig of noch het een noch het ander waren. De eerste worden ten volle vergoed, onverschillig of zij ten slotte den eigenaar voor dit volle bedrag ten goede komen. Het is in het belang van de eigenaars zeiven, dat houders niet bevreesd behoeven te zijn voor het maken van deze soort van kosten. De in de tweede plaats genoemde worden slechts vergoed voor zoo verre zij den eigenaar verrijken; zijne verplichting steunt uitsluitend op het beginsel, dat niemand zich zonder grond behoort te verrijken ten koste van een ander. De kosten van de derde soort eindelijk worden niet vergoed. De onderstelling is hier, dat, ten gevolge der gemaakte kosten, de zaak misschien fraaier of aangenamer geworden , maar niet objectief in waarde vermeerderd is. Den eigenaar nu toch te dwingen tot vergoeding, zou zijn hem te noodzaken tot het doen van uitgaven voor zijn genoegen. Het reeds in artikel 636 B. W. toegekende recht om de voorwerpen tot zich te nemen is voor dit geval gehandhaafd, indien het zonder onherstelbaar nadeel voor de zaak kan worden uitgeoefend en onder de verplichting van den houder om haar in haren vroegeren toestand te herstellen. Overigens is de mogelijkheid natuurlijk niet uitgesloten, en in de meeste gevallen zal zelfs de oplossing wel op deze wijze geschieden, dat partijen het over eene schikking eens worden , waarbij de eigenaar de aangebrachte versieringen enz. voor een billijken prijs overneemt; â hem een racld te geven dit tegen den kostenden prijs te doen, scheen niet wenschelijk, ten einde onbillijkheden tegenover den houder, die persoonlijk aan de toegevoegde zaken gehecht kan zijn, te voorkomen.
De kosten van onderhoud worden thans, ingevolge het bepaalde in artikel 633 B. W., niet teruggegeven. De grond voor deze uitzondering zal wel hierin gelegen zijn, dat deze opgewogen worden door het genot dat men van de zaak heeft gehad, maar, wanneer het zoo is, dan is het ook billijk hiermede rekening te houden en de kosten van onderhoud te laten teruggeven, wanneer daartegenover geen genot der zaak staat. Men kan zich zeer goed het geval voorstellen, dat de verkrijger begonnen is met het aanwenden van kosten tot onderhoud, terwijl hij korten tijd daarna, aangesproken om de zaak terug te geven, geen of bijna geen genot daarvan heeft gehad. Er is niet nader aangegeven wat onder kosten van onderhoud moet verstaan worden. Men heeft gemeend dit aan de regels van het spraakgebruik, in verband met den aard van elk bijzonder geval, te kunnen overlaten.
De bepaling van het laatste lid van dit artikel steunt op een gelijk argument van billijkheid en schijnt niet nader toegelicht behoeven te worden.
Art. 115.
De verplichting van den eigenaar tot vergoeding van de kosten is daarvan afhankelijk, dat hij de zaak terugbekomt. Gaat zij vóór dien tijd te niet, of verlangt de eigenaar haar niet terug, misschien wel begrijpende, dat de door hem te vergoeden kosten de waarde der zaak zouden overtreffen, zoo is hij tot geenerlei vergoeding gehoudén.
Tot. handhaving van zijn recht op vergoeding geeft het ontwerp den houder niet alleen een recht van terughouding, maar ook eene zelfstandige rechtsvordering. Er is geen reden denkbaar, waarom de houder, die, door den eigenaar tot teruggave aangemaand, vrijwillig voor zijn beter recht bukt en de zaak in der minne afstaat, in een minder gunstigen toestand zoude zijn dan de houder, die het op een proces laat aankomen.
80
Het recht van den houder op verfjoeding is afhankelijk daarvan, dat de zaak, hetzij dan ten gevolge van een proces, hetzij in der minne, uit zijne handen in die van den eigenaar terugkomt. De voorgangers van den laatsten houder kunnen van deze bepaling geen gebruik maken. Integendeel, het recht, dat zij zouden gehad hebben, indien zij de zaak gehouden hadden, wordt nu uitgeoefend door hun opvolger in de detentie, die zich beroepen kan niet alleen op de door hem zeiven, maar ook op de door hen gemaakte kosten, â verondersteld natuurlijk, dat hij werkelijk is opgevolgd in hun bezit. Is zijn bezit zelfstandig verworven, dan heeft hij met de door vroegere houders gemaakte kosten niet te maken. (Zie § 999 Duitsch Wetboek.)
Men zou kunnen vragen of hetgeen hier is bepaald niet strijdt met het voorschrift in artikel 110, waar de houder (te kwader trouw) alleen in moet staan voor zijn opzet of zijne schuld sedert het begin van zijne macht over de zaak, terwijl hij hier de kosten, ook door zijnen voorganger gemaakt, in rekening mag brengen. Dit verschil schijnt intusschen volkomen gerechtvaardigd. Vooreerst wordt in het onderhavige artikel geen onderscheid gemaakt tusschen houder te goeder en te kwader trouw, maar bovendien en vooral: de houder, die de zaak van den niet-eigenaar overnam, ontving haar met al de daaraan verbonden rechten en voordeelen en betaalde door een hoogeren koopprijs eene vergoeding voor de door den verkooper aangebrachte verbeteringen en gedane uitgaven; het is dus niet meer dan billijk, dat hij van den waren eigenaar, die van deze verbeteringen ei. uitgaven de voordeelen zal genieten, vergoeding erlangt voor die hoogere koopsom.
Art. 116.
De tweede eigendomsactie, die in deze afdeeling behandeld wordt, is de actio negatoria. Het Burgerlijk Wetboek zwijgt over deze rechtsvordering. Hoewel dit stilzwijgen geen nadeel heeft berokkend, daar wetenschap en practijk begrepen hebben de leemte te mogen aanvullen, heeft men het beter geacht het voorbeeld van het tegenwoordig wetboek niet te volgen en eene uitdrukkelijke bepaling opgenomen.
De grond voor en de beteekenis van deze actie behoeven niet breedvoerig besproken te worden. De eigenaar moet in staat zijn zijn recht te handhaven niet alleen tegenover hem, die de zaak ondet zich heelt, maar ook tegenover dengene die, zonder de zaak onder zich te hebben, hem in zijne macht over en zijn genot van de zaak belemmert, of zich daden van machtsuitoefening daarop veroorlooft. Zoodra de feiten van dien aard zijn, dat, zij door den eigenaar niet eigenmachtig kunnen worden te keer gegaan, moet er voor hem een middel zijn om, met. inroeping van zijn eigendomsrecht en gesteund door eene beslissing van den rechter, dergelijke daden, die door het telkens herhalen allicht een blij venden toestand doen geboren worden, en juist daardoor het kenmerk verkrijgen van inbreuk te maken op eens anders recht, te doen ophouden.
De actie wordt toegekend tegen hem, die inbreuk op eens anders (eigendoms)recht maakt. Gewoonlijk zal de onrechtmatige toestand, op welks opheffing de actie gericht is, beantwoorden aan den inhoud van eene erfdienstbaarheid, maar het spreekt vanzelf, dat dit geen vereischte is. Het is voldoende, dat er in het algemeen eene voortdurende of telkens herhaalde machtsuitoefening zij door een niet-bezilter over het door een ander bezeten goed.
De actie is, in overeenstemming met het Romeinsche recht, beperkt tot onroerende zaken. Het Duitsche Wetboek § 1004 maakt deze onderscheiding niet, doch men kon niet inzien, dat ten
81
aanzien van roerende zaken, die de eigenaai' onder zich heeft, door een ander handelingen zouden kunnen plaats hebben als boven bedoeld, waardoor liet instellen van de actio iiegalorïa zoude gerechtvaardigd zijn.
De rechtsvordering strekt om door den rechter een einde te laten maken aan den toestand, waarin hij, eigenaar, zelf niet mag ingrijpen. Na de tenuitvoerlegging van het vonnis zal hij, op grond van de erkenning van zijn recht, door afsluitingen of andere physieke middelen herhalingen kunnen trachten Ie voorkomen of aangebrachte werken kunnen doen opruimen; hij zal ook vergoeding van kosten, schaden en interessen kunnen vorderen, indien de vereiscliten voor het instellen van eene actie uit onrechtmalige daad aanwezig zijn. (Vgl. daaromtrent, hetgeen bij artikel 36 is opgemerkt.)
Het tweede lid behoeft, na hetgeen hierboven bij artikel 108 ter toelichting is gezegd, niet nader besproken te worden.
Art. 117.
De hier opgenomen bepaling sluit zich nauw bij de voorgaande aan en moet dan ook in het licht van de daar behandelde actio negatoria beschouwd worden. De eigenaar wordt, wel is waar, niet in zijn feitelijk genot gestoord, maar in werkelijkheid kan hij van de ongeldige overschrijving groot nadeel ondervinden. Wanneer de bepaling niet bestond, zou de rechter, van wien eene uitspraak omtrent het onrechtmatige der overschrijving werd gevraagd, juist omdat er geen feitelijke inbreuk op liet recht, was gemaakt, haar kunnen weigeren, op grond dat eigendom niet medebrengt het recht om daarmede strijdende openbaarmakingen uit de openbare registers te weren. En toch zal liet wel geen betoog behoeven, dat, al houdt men in het oog, dat het ontwerp het negatief stelsel heeft behouden, in de practijk de vrije beschikking over de zaak ten zeerste wordt belemmerd, indien een ander dan de ware eigenaar als zoodanig op de registers te boek staat, of het goed volgens den inhoud dier registers als met zakelijke rechten bezwaard moet worden beschouwd, zij het ook dat dit in werkelijkheid het geval niet is, omdat de overschrijving geen rechtsgevolg-kon hebben.
Dat aan dergelijke uitspraak van den reenter door aanteekening in de registers openbaarheid kan worden gegeven, volgt uit het bepaalde in artikel â 469.
Art. 118.
Het artikel voert hier, in aansluiting aan de eigenlijke revindicatie en aan de negatoria, in de actio Publiciana. In het Burgerlijk Wetboek komt zij niet voor en de C. G. vermeldt haar evenmin. Het Ontwerp '1820 daarentegen omschrijft haar in artikel 9D5. Het ontwerp heeft dit voorbeeld nagevolgd, op de gronden in de inleiding van dezen Titel in het kort uiteengezet. De rechtsvordering komt toe aan hem, die de (onroerende) zaak verkreeg, d. i. aan wien het bezit werd overgedragen, en zulks ten gevolge van eene wijze van eigendomsovergang onder bijzonderen titel, en strekt om hem dit bezit, zoo hij dit te eeniger tijd verloor, terug te bezorgen. Op het voorbeeld van bet Romeinsche recht en van alle latere rechten wordt bovendien geëisclit zijne goede trouw, of liever ontstentenis van kwade trouw, op het oogenblik der verkrijging. Voorts is, in aansluiting aan het Romeinsch-rechtelijk begrip, volgens hetwelk de Publiciana steunt op de fictie van vol-
k
82
tooide verjaring, de redactie in overeenstemming gebracht met die van artikel 87, zoodat dan ook hier evenals daar vereischt wordt, dat de overschrijving der akte in de openbare registers hebbe plaats gegrepen. De actie Svordt toegewezen tegen iederen houder, die niet bewijzen kan zelf eigenaar te zijn of de zaak te bezitten evenzeer krachtens een titel van eigendomsoverdracht en te goeder trouw. Dat, waar eigenaar en niel-eigenaar tegenover elkander staan, de eerste moet winnen, behoeft geen betoog, maar het spreekt evenzeer vanzelf, dat het bezit ook niet kan ontnomen worden aan een rechlmaügen hezlUer ten behoeve van iemand, die niets anders kan aanvoeren, dan dat hij vroeger rechtmatig bezitter is geweest. Het recht van dezen is door het latere recht van den tegen-woordigen bezitter te niet gegaan.
Afdeeling VII.
Medeëigeudom.
Terwijl onze wet, zooals bij de toelichting van artikel 40 werd opgemerkt, over het medebezit geheel zwijgt, wordt de medeëujendom in verschillende artikelen van het Burgerlijk Wetboek erkend (artikelen 628, 1112â1114, 1212 enz. B, W.), zonder dat daaraan evenwel eene opzettelijke behandeling is ten deel gevallen. In het ontwerp is daarentegen eene afzonderlijke afdeeling aan den niedeëigendom gewijd, waarin men getracht heeft duidelijk te maken hoedanig het karakter van zoodanigen eigendom is, welke bevoegdheden de medeëigenaars ten aanzien van de in gemeenen eigendom hun toekomende zaak hebben, en waarin voorts eenige voorschriften ten aanzien van de verhouding tusschen de medeëigenaars onderling zijn gegeven. Ten aanzien van het eerste zij opgemerkt, dat alleen behandeld wordt de eigendom van aandeelen, niet de eigendom van meerderen fjezameuderhand (Gesammteigenthum); het laatste artikel van deze afdeeling herinnert evenwel aan de mogelijkheid van het bestaan van verschillende gevallen van zoodanigen gemeenschappelijken eigendom.
Art. 119.
Artikel 986 van het Onwerp 1820 constateerde, dat «meerdere personen gezamenlijk regt van «bijzonderen eigendom op eene zaak (kunnen) hebben » , en ook de Duitsche wetgevingen of ontwerpen houden eene inleidende bepaling van dergelijken aard in. Het onderhavige artikel, ofschoon men met eenig recht zoude kunnen beweren, dat het daar gezegde ook zonder opzettelijke vermelding aldus begrepen zou worden, bevat in ieder geval iets meer, door te kennen te geven op welke wijze medeëigendom ontstaat en daarmede tegelijkertijd den aard van zoodanigen eigendom nader aan te duiden.
Het Wetboek van Saksen bepaalt in § 225, dat de eigendom eener zaak niet onverdeeld aan meerderen tegelijkertijd kan behooren, maar wel « nach ideëllen Theilen». Ook het ontwerp gaat van de veronderstelling uit, dat men te maken heeft met denkbeeldige deelen, maar heeft desniettemin in het tweede lid van het artikel verklaard, dat iedere medeëigenaar eigenaar is van en niet voor een aandeel. Deze laatste uitdrukking zou met grond te verdedigen zijn, maar door de eerste te bezigen heeft men dadelijk op den voorgrond willen stellen, dat ieder aandeel als een afzonderlijk vermogensbestanddeel moet worden beschouwd.
83
Ail. 120.
Zooals hij de toelichting van het voorgaand artikel werd gezegd: de aandeelen vormen bijzondere vermogensbestanddeelen; daarom worden zij, voor zooveel mogelijk, naar de gewone regelen voor (lichamelijke) zaken behandeld. Zij kunnen worden vervreemd hetzij onder de levenden, hetzij bij legaat en maken deel uit van de nalatenschap. Aan executie, onteigening en verjaring zijn zij onderworpen, gelijk de zaken zelve, ook zonder dat het opzettelijk behoeft te worden gezegd. Hunne vatbaarheid om bezwaard te worden met zakelijke rechten daarentegen is beperkt. Erfdienstbaarheid op, erfpacht en beklemming van een aandeel kan men zich niet voorstellen; zoowel de eerste als de beide andere rusten noodzakelijk op het lichamelijk voorwerp en wel op het voorwerp in zijn ganschen omvang.
Hypotheek en grondrente op een aandeel, aan den anderen kant, laten zich zeer goed denken; zij onderstellen niet de feitelijke beheersching van eene zaak, doeh geven slechts een verkoop-recht met preferentie, dat ten aanzien van aandeelen in zaken even goed hestaankan als ten aanzien van de zaken zelve.
Ten aanzien van pand kan verwezen worden naar de tweede afdeeling van den Elfden Titel, waar hel. pandrecht op rechten is geregeld.
Ook in hel vruchtgebruik ligt niets, dat zich tegen de toepassing van dit recht, op aandeelen in zaken verzet. De vruchtgebruiker treedt tijdelijk in de plaats van den eigenaar en oefent zijne rechten uit; de vruchtgebruiker van een aandeel treedt tijdelijk in de plaats van een medeëigenaar en oefent diens rechten uit; daarin ligt niets zonderlings.
Voor den vorm, waarin de vervreemding of de bezwaring geschieden moet, gelden de gewone regelen; het aandeel in eene roerende zaak wordt dus geleverd door het overdragen van minstens die mate van macht over de zaak, die aan een medeëigenaar toekomt. Voor de levering van het aandeel in eene onroerende zaak worden vereischt eene akte van overdracht en de overschrijving van die akte in de registers. En voor de vestiging van zakelijke rechten gelden, in hoofdzaak, dezelfde regelen. De aandeelen kunnen ook voor een deel vervreemd of bezwaard worden. Aan het vermeerderen van het aantal «leelgerechtigden kunnen voor de overige medeëigenaars bezwaren verbonden zijn, doch hunne bevoegdheid om scheiding te vorderen geeft het middel aan de hand om die bezwaren te doen ophouden.
Het behoeft wel niet te worden opgemerkt, dat bij dit alles sprake is van de overdracht enz. van aandeelen. Deze staan ter uitsluitende beschikking van hun eigenaar. Hoe medeëigenaars van eene zaak komen kunnen tot de vervreemding of bezwaring, niet van de aandeelen, maar van de zaak zelve, moet in de leer der verbintenissen, bij de gemeenschap, behandeld worden.
Het tweede lid van het artikel, hoewel strikt genomen overbodig, is van belang, omdat daardoor een der karakteristieke verschilpunten tusschen medeëigendom en eigendom van meerderen ge-zamenderhand te voorschijn treedt. Bij den laatstgenoemden eigendom, toch, kunnen zich gevallen voordoen, dat het recht niet vererft, maar ten behoeve der medegerechtigden acresceert; bij medeeigendom daarentegen, gaat het aandeel steeds op de erfgenamen over.
Art. 121.
Evenals een eigenaar, ingevolge het bepaalde in artikel 107, in de gelegenheid moet gesteld
84
worden afstand te doen van den eigendom der hem toebelioorende onroerende zaak, moet een medeeigenaar afstand kunnen doen van zijn aandeel in de gemeene onroerende zaak.
De vorm voor dien afstand is in beide gevallen dezelfde.
Niet alzoo wat de gevolgen aangaat. Immers bij eigendom gaat de geabandonneerde zaak na de overschrijving der akte over aan den Staat; hel aandeel der gemeene zaak, daarentegen, komt na den afstand aan de medeëigenaars ten goede. De reden voor die afwijking ligt voor de hand. Ten gevolge van de deelgerechtigdheid van meerdere personen ten aanzien van dezelfde zaak wordt het recht van ieder hunner daarop teruggedrongen tot het recht op een onverdeeld aandeel; het is dus geheel in overeenstemming met het karakter van medeëigendom, dat bij het vrijvallen van een deel dit als een accres voor de overige deelen wordt beschouwd. Wil hij , die afstand wenscht te doen, deze gevolgen niet, dan kan hij zijn aandeel overdragen hetzij aan een ander persoon, hetzij aan den Staat.
Art. 122.
Gelijk niemand kan gedwongen worden om in een onverdeelden boedel te blijven, moet ook aan iederen medeëigenaar de bevoegdheid worden toegekend om zich los te maken van den band, die hem door zijn medeëigendom aan anderen bindt. Een recht om lichamelijke verdeeling te eischen kan hem niet onvoorwaardelijk worden gegeven . â immers de zaak kan van dien aard zijn, dat zij óf in het geheel niet óf niet dan met groot, geldelijk nadeel verdeeld kan worden; maar wèl kan hij vorderen, de onverdeeldheid worde opgeheven, hetzij door lichamelijke verdeeling, hetzij doordien de zaak aail een of meer der deelgerechtigden wordt toegescheiden en daartegenover eene betaling in geld plaats heeft, of wel de zaak verkocht en de opbrengst verdeeld wordt.
Over het tijdelijk beperken en buiten werking stellen van het recht orn scheiding te vorderen wordt hierna in artikel 125 gehandeld.
Artt. 123 en 124.
In deze beide artikelen wordt bepaald op welke wijze de medeëigendom ten gevolge van scheiding in afzonderlijken eigendom overgaat. Over de vraag, of men hier moet denken aan eene overdracht van eigendom, dan wel of de scheiding eerder moet beschouwd worden als een zich terugtrekken uit of opgeven van den eigendom, met het gevolg, dat het aandeel in de zaak van den een strekt tot vergrooting van liet aandeel van den ander , â bewaart het artikel het stilzwijgen. De beslissing hierover zij aan de wetenschap overgelaten. In aansluiting aan hetgeen in de vijfde afdeeling ten opzichle van de overdracht van eigendom was bepaald moest hier ter plaatse enkel de weg gewezen worden langs welken hij, die met anderen gerechtigd was tot de eene of andere zaak, tot den uitsluitenden eigendom kan geraken.
De eerste alinea van artikel 123 houdt verband met die van artikel 100; er wordt nu niet van overdragen van eigendom gesproken, maar van toescheiden. De tweede alinea verklaart de bepalingen, voor de overdracht van eigendom gemaakt, op de toescheiding toepasselijk. Deze toepasselijk-verklaring behoeft geene nadere toelichting. Alleen zij hier opgemerkt, dat, wanneer verwezen wordt naar de vierde alinea van artikel 100, waarvan de inhoud luidt: «.beide partijen zijn gelijkelijk ge-« rechtigd de akte te doen overschrijven», het niet moet opgeval worden alsof al de medeëigenaars
85
gezamenlijk staan tegenover hem, wieu de zaak is toegeseheiden, zoodat zij gezamenlijk de akte moeten doen overschrijven; iedere inedeëigenaar is tot tiet doen verrichten dier handeling bevoegd. Door verwijzing naar artikel 100 is hij, wien eene onroerende zaak bij scheiding was toegewezen, in staat gesteld zijne medeëigenaars desnoods te dwingen hem tot eenigen eigenaar van die zaak te maken. Willen zij niet tot het opmaken van de in de eerste alinea bedoelde akte medewerken, dan treedt het vonnis, krachtens artikel 106 verkregen, in de plaats van de akte.
De inhoud van artikel 124 sluit zich bij dien van artikel 105 aanj de afwijkingen in de keus der woorden worden voldoende gerechtvaardigd door liet verschil dat er bestaat tusschen het overdragen van den eigendom eener zaak door den eigenaar aan een derde en het in afzonderlijken eigendom overgaan eener zaak, waarop de toekomstige uitsluitende eigenaar reeds een recht van medeëigendom had.
Art. 125.
Uit artikel 1112 H. W. werd overgenomen de mogelijkheid het beding, dat de vordering tot scheiding gedurende eenigen tijd niet zal mogen worden ingesteld. De termijn van vijf jaren werd evenwel tot tien jaren uitgebreid, ten einde eenige meerdere vrijheid van handelen aan de gerechtigden te geven , zonder dat zij telkens tot eene vernieuwing van de overeenkomst behoeven over te gaan. Bovendien kan bij overeenkomst worden bepaald, dat de medeëigenaar zijn aandeel gedurende tien jaren niet zal mogen vervreemden noch bezwaren. Men heeft de mogelijkheid van zoodanige overeenkomst nevens het eerstgenoemd beding noodzakelijk geacht, omdat, wordt het vervreemden en bezwaren geheel en al vrijgelaten, de oorspronkelijke medeëigenaars zich gedwongen zouden kunnen zien om gedurende jaren verbonden te zijn aan een vreemde, zonder dat zij in staat, zouden zijn door scheiding een einde aan den gedwongen toestand te maken.
Het recht om te vervreemden of te bezwaren of om scheiding te vorderen kan niet alleen huilen verking gesteld, maar ook beperkt worden; ofschoon men zou kunnen beweren, dat in dezen liet mindere in het meerdere ligt opgesloten, is het er niettemin ten allen overvloede bijgevoegd.
Voorts heelt het ontwerp ten aanzien van het beperken en buiten werking stellen der genoemde rechten bepaald, dat de overeenkomst niet alleen tusschen alle medeëigenaars, maar ook tusschen enkelen hunner kan worden aangegaan. Het belang van dit laatste springt in het oog, indien men bedenkt, dat zonder deze bijvoeging alle medeëigenaars zouden moeten medewerken om de overeenkomst tot stand te brengen, terwijl het geval zich kan voordoen, dat sommigen niet verlangen mede te werken óf omdat zij het niet raadzaam achten zich daartoe te verbinden, of omdat de overeenkomst voor hen van geen belang is.
De voorwaarde in de tweede alinea van het artikel uitgedrukt is insgelijks nieuw. Zij strekt om aan het in het eerste lid van het artikel bepaalde zakelijke werking te verschaffen.
Artt. 126.
Bij de beantwoording der vraag in hoeverre de actie tot opvordering van den eigendom aan den medeëigenaar kan worden toegekend is verschil gemaakt tusschen het geval, dat de eischer zich stelt tegenover zijne medeëigenaars, en het geval, dat hij optreedt tegenover derden.
Tegenover beiden heeft hij slechts zijn medeëigendom of zijn aandeel in den eigendom te be-
86
wijzen om te kunnen slagen in zijne revindicatoire actie. Nevens deze is hem ook de bevoegdheid gegeven de negatoria in te stellen hetzij tegen zijne medeëigenaars, heizij tegen derden. In de derde plaats (en ook dit geldt zoowel tegenover medeëigenaars als tegenover derden) heeft het ontwerp bepaald, dat het aandeel zal kunnen worden opgevorderd krachtens de actio Puhliciaua, overeenkomstig artikel l i 8 van het ontwerp. Tot zoover staan dus de acties tegen medeëigenaars en tegen derden gelijk.
Tegenover zijne medeëigenaars kan hij evenwel niet meer vorderen dan zijn aandeel in de gemeens zaak. Dit aandeel, ook nu als een afzonderlijk vermogensbestanddeel beschouwd, vordert hij op van hem of van hen, die de zaak houdt of houden, met andere woorden: hij verlangt nevens zijn medeëigenaar of zijne medeëigenaars als medegerechtigde tot de zaak te worden erkend.
Tegenover derden daarentegen heeft men gemeend nog een stap verder te mogen gaan en de gelegenheid te moeten geven om de geheele zaak op te vorderen en, in liet algemeen, om de besproken acties ten aanzien van de geheele zaak iu te stellen. Bij arrest van den Sisten Mei 1867 (te vinden o. a. in de Ned. Rechlspr., dl. 86, p. 87 en vlgg.) werd door den Hoogen Raad beslist, dat een medeëigenaar van een onverdeeld goed onbevoegd is om alleen voor al de medeëigenaars te zatnen (ofschoon hij dezen insgelijks had gedagvaard om hetzij mede te procedeeren, hetzij de revindicatoire actie te gehengen en te gedoogen) de revindicatoire actie in te stellen. Terwijl de juistheid van deze beslissing moeielijk kan ontkend worden met het oog op ons geldend recht, scheen het om practische redenen raadzaam voor het vervolg zoodanig optreden door een der medeëigenaars mogelijk te maken. Het geval laat zich denken, dat de overige of slechts één hunner, onwillig of door afwezigheid buiten staat zijn handelend op te treden, terwijl één of meer hel in hun welbegrepen belang verkieslijk achten hunne rechten tegenover derden te doen gelden.
De eischer behoeft niet juist de geheele zaak op te vorderen; hetzelfde kan geschieden ten aanzien van een deel der zaak, indien b.v. van een landgoed een stuk door een derde is in bezit genomen. Geheele zaak staat tegenover onverdeeld aandeel.
Het is niet als eene verplichting gesteld, dat de eischer zijne medegerechtigden in het geding roept. Indien dezen niet wenschen mede op te treden, dan kan het slechts tot vermeerdering van kosten leiden, wanneer men het in het geding roepen voorschrijft. Daarentegen mag hun hel recht niet ontnomen worden door voeging of tusschenkomst voor hunne belangen te waken, indien zij dit wenschelijk achten. In ieder geval geschiedt de afgille van de zaak ten behoeve der gezamenlijke medeëigenaars.
Art. 127.
In dit en de beide volgende artikelen zijn voorschriften gegeven betreffende de onderlinge verhouding der medeëigenaars. Het Duitsche Wetboek (§§ 744 en 745) geeft aan deze en dergelijke bepalingen eene plaats in het Tweede Boek, itdioudende het « Recht der Sclmldverldltnisse, en de opmerking ware dan ook zeer gerechtvaardigd of de hier ontworpen artikelen niet zouden te huis behooren in het Derde Boek, ter plaatse waar over de verbintenissen uit de wet voortvloeiende zoude worden gehandeld. Intusschen heeft men gemeend hier ook zoodanige bepalingen te moeten opnemen, die, ofschoon betrekking hebbende op de gevolgen van mcdeëigendom ten opzichte van
87
lt;le gerechtigden onderling, een uitvloeisel zijn van het zakelijk recht en dus eene zakelijke werking hebben.
Op de» voorgrond is gesteld, dat er onderscheid dient gemaakt tusschen het recht van beheer eenerzijds en het gebruik en genot der zaak anderzijds. Terwijl het recht op beheer van de zaak voor ieder gelijk moet zijn en geene overheersching van het kleinere aandeel door het groolere mag worden toegelaten, laat het zich zeer goed denken, dat de omvang van het medegebruik en het medegenot gelijken tred houdt met de grootte van het aandeel, waartoe men gerechtigd is.
Ieder medeêigenaar heeft een gelijk recht op het gemeenschappelijk beheer van de zaak. Het woord «gemeenschappelijk» doet uitkomen, dat iedere medeêigenaar niet het volledig beheer over de geheele zaak voor zich kan eischen, maar dat de bedoeling deze is, dat de medeêigenaar daarin evenveel te zeggen zal hebben als iedere andere medegerechtigde, onafhankelijk van de meerdere of mindere grootte van zijn aandeel.
Art. 128.
Het spreekt vanzelf, dat, nevens het in liet voorgaand artikel uitgesproken beginsel, een middel moet aangewezen worden om tot een modus vivendi te komen voor het geval men het over de wijze van beheer, gebruik of genot niet eens kan worden' Indien eene overeenkomst daaromtrent tusschen de medegerechtigden wordt tot stand gebracht, bepaalt het artikel, dat zij voor de opvolgers in het aandeel, ook onder bijzonderen titel, verbindend zal zijn. Voor zooveel noodig blijkt uit, de voormelde woorden, dat de verplichting om zich aan die overeenkomst te houden voor de opvolgers onder algemeenen titel als vaststaande kan worden aangenomen. Dat ook de opvolgers onder hijzonderen titel zich niet aan de gevolgen der overeenkomst zouden kunnen onttrekken, werd wen-schelijk geacht, opdat niet, door vervreemding van het, aandeel, de gesloten overeenkomst voor een iler medegerechtigden niet-verbindend zoude worden en dus haar doel zoude missen. In de nieuwe Duitsche wet wordt bepaald , dal bij meerderheid van stemmen (berekend naar de grootte der aandeden) het beheer en het gebruik der zaak kunnen worden geregeld. Deze overheersching van de meerderheid heeft het ontwerp niet overgenomen. Hillijker scheen hel den rechter te doen beslissen, nadat het initiatief lot het, vaststellen eener regeling van de zijde der medegerechtigden zoude zijn genomen. Ieder hunner kan de overigen verzoeken en, zoo noodig, sommeeren tot het geven van toestemming voor eene regeling, die hij, met inachtneming van hunne rechten en belangen, zal hebben ontworpen. De belangen moeten gelijkelijk zijn in acht genomen, dat wil zeggen in overeenstemming met het beginsel in het vorig artikel uitgedrukt. Bij weigering om aan het gedaan verzoek te voldoen, is de medeêigenaar bevoegd de hulp van den rechter in te roepen en diens beslissing in contradictoir geding te vragen, terwijl het dezen vrij zal staan de ontworpen regeling te wijzigen, indien de opgeworpen bezwaren hem daartoe aanleiding geven.
Dezelfde wijze van procedeeren is voorgeschreven voor het geval een der gerechtigden meent, dat de vastgestelde overeenkomst niet meer in de veranderde omstandigheden past.
Het Duitsche Wetboek stelt in § 747 vast, dat, terwijl ieder over zijn aandeel kan beschikken, over het vervreemden dei' gemeenschappelijke zaak slechts met algemeene stemmen eene beslissing-kan genomen worden (zie ook § 330 Wetboek van Saksen). Zooals hierboven werd opgemerkt (zie pag. 83) geldt het vervreemden der zaak een onderwerp , waarvan de behandeling in het Derde
88
Boek behoort plaats te hebben, zoodat in het tegenwoordige ontwerp hierover gezwegen wordt en in het algemeen de vraag, welke onderwerpen door meerderheid van stemmen en welke me) alge-meene stemmen moeten worden beslist, hier niet behoeft gedaan te worden
Art. 129
Door de bepaling van dit artikel wordt de nakoming gewaarborgd van de verplichtingen, die de medeëigenaars tegenover elkander op zich hebben genomen. Door het toekennen van de hier omschreven rechtsvordering heeft men tevens de mogelijkheid willen uitsluiten om de, uit de alge-meene regeling omtrent overeenkomsten voortvloeiende, actie tol ontbinding in te stellen. Het werd niet wenschelijk geacht, dat de geheele overeenkomst zoude kunnen worden ontbonden verklaard, omdat één der medeëigenaars niet aan zijne verplichtingen kan voldoen.
Art. 130.
Van het doel van dit artikel, dat overigens lot geene opmerkingen aanleiding geeft, werd in den aanvang van de toelichting op deze afdeeling reeds melding gemaakt.
VIERDE ï IT E L.
Vau rechUleirekkingen timcheu eigenaars van naburige erven.
Het is bekend, dat de Fransche Code Civil de bepalingen van het burenrecht brengt onder de erfdienstbaarheden, en ze niet beschouwt als eene regeling, welke haren oorsprong ontleent hetzij aan de natuurlijke ligging der erven, hetzij aan de voorschriften der wet, en tevens dat de rechtswetenschap over het algemeen die wijze van beschouwing afkeurt. Het Ontwerp 1820 bracht die afkeuring in woorden door in artikel 1182 het navolgende te leeren:
« Door erfdienstbaarheden moeten derhalve in dezen titel geenszins verstaan worden zoodanige «verpligtingen, welke voortvloeijen uit de natuur en de gesteldheid van den grond, of uit eene « algemeene wet of plaatselijk gebruik, maar integendeel dezulke, welke van de wetten of de gebruiken «der plaats waar do erven liggen, in het een of ander afwijken». Dat het Ontwerp 1820 in dit opzicht in overeenstemming was met het Oud-Hollandsch recht, kan blijken uit den inhoud van het 34ste deel van het Tweede Boek uit de Inleijding van de Groot.
De vraag deed zich nu evenwel voor, of nog niet. eene schrede verder zoude worden gedaan op den weg, dien de samenstellers van ons Burgerlijk Wetboek hadden gevolgd, namelijk doorgeen afzonderlijken Titel aan dit onderwerp te wijden, maar het onder eene afzonderlijke afdeeling in den Titel van Eigendom in te lijven. Niettegenstaande het voorbeeld, in dezen door het Duitsche Wetboek gegeven, waarin de bepalingen van hel burenrecht gevonden worden in den Titel, ten opschrift hebbende: « Inhalt ') des Eigenthumes», en hoewel er goede gronden kunnen
1) In hot ontwerp (eerste lezing) luidde het opschrift: âInhalt nnd Beyremuny des Eigenthumes.quot;
89
worden aangevoerd om dit voorbeeld te volgen, is hiertoe niet overgegaan; eensdeels, omdat de Titel van Eigendom vrij uitgebreid was geworden en bereids zeven afdeelingen telde, maar ten anderen ook, omdat het vereenigen van de verschillende voorschriften, het burenrecht rakende, in een afzonderlijken Titel in sommige opzichten zelfs aanbeveling verdiende. Immers, het kan niet ontkend worden, dat, al mogen de onderwerpen, die daarin worden behandeld, alle betrekking hebben op den eigendom van onroerende zaken, zij niettemin onderling zeer verschillend van aard zijn, zoodat eene samenvoeging, op hel voetspoor van ons geldend Burgerlijk Wetboek, in een afzonderlijken Titel ook op dezen grond te verkiezen schijnt. In plaats van; « regten en yerpligtingen » is de uitdrukking gekozen : « rechtsbetrekkingen » , welke uitdrukking zich door hare ruimere beteekenis aanbeveelt. Het woord: «eigenaars» is behouden gebleven; men zou daartegen kunnen aanvoeren, dat de eigendom als zakelijk recht in dezen niet het grootste gewicht in de schaal legt, maar dat het er voornamelijk op aankomt of men «nabuur» is, d. i. of men feitelijk het eigendomsrecht uitoefent, doordien men hetzij als eigenaar hetzij als erfpachter, beklemde meier of vruchtgebruiker de onroerende zaak bezit. Doch, wanneer hier van «eigenaars» gesproken wordt, wordt ongetwijfeld het meest voorkomend geval genoemd, en zij, die, behalve den eigenaar, door hunne verhouding lot de zaak gerechtigd zijn zich op de bepalingen van het burenrecht te beroepen, leiden hun recht tocli af van den eigenaar.
Art. 131.
Over artikel 672 B. W. is de staf reeds gebroken en de reden, waarom het geene plaats in het ontwerp heeft bekomen, mag als bekend worden aangemerkt. Het zou, maar dan toch zeker niet in den bestaanden vorm, als een inleidend artikel kunnen worden bestendigd, doch de noodzakelijkheid daarvan werd niet ingezien, zoodat dadelijk kon worden overgegaan tot het artikel, handelende over den waterloop. Gelijk artikel 53 van het ontwerp de rechten van den eigenaar onderworpen doet zijn aan de beperkingen op wet of verordening gegrond, zet artikel 131 op den voorgrond, dat er voorschriften van overheidswege kunnen worden vastgesteld, die den lager gelegen nabuur dwingen water te ontvangen, dat niet natuurlijk afloopt, doch door werken op zijn erf wordt gebracht, en in het algemeen den waterloop regelen afgescheiden van de burgerrechtelijke verhouding tusschen de eigenaars van naburige erven. Eene verduidelijking, om niet te zeggen uitbreiding, is in alinea '1 aangebracht door de toevoeging der woorden: «ook al mocht, die afloop bevorderd worden door het «gebruik, dat van den bodem gemaakt wordt».
Artikel 673 B. W. spreekt van « (water) hetwelk natuurlijk afloopt, zonder dat zulks door menschen toedoen «bevorderd worde», en het is bekend, dat de zin dezer woorden niet gelijkelijk wordt opgevat. (Men zie b. v. arrest van het Gerechtshof van 's Hertogenbosch d. d. 19 Maart 1875, VVbl. 3935). De vraag, toch, of er ook dan natuurlijke afloop is, indien niet geheel vrij spel gelaten is aan de natuur, maar toch ook niet blijkt hoe en wanneer de gebruiker van het hooger gelegen land den loop van het water eenigszins kunstmatig heeft geleid, kan tot moeielijkheden aanleiding geven en men heeft gevoeld, dat het niet aanging de bepaling zóó eng op te vatten, dat alles aan de natuur zou moeten overgelaten worden en dat elke wijziging in den waterafvoer, ook al was zij een bloot gevolg van de bebouwing van den bodem, ongeoorloofd zoude zijn tegenover den lager gelegen nabuur.
1
90
Hel Duitsche Ontwerp § 856 ') bepaalde alleen, dat het eene stuk grond het water moet ontvangen van het andere , zoover het daarvan afvloeit ten gevolge « der natürlichen Bodenverhiiltnisse doch de samenstellers van het ontwerp hebben het bovenvermelde bezwaar niet over het hoofd gezien en de oplossing (Zie Motive III, pag. 280) gezocht in de al- of niet-mogelijkheid voor den eigenaar van het lager gelegen erf om, door instelling van de actio negatoria, herstel zijner grieven te verkrijgen. Eene meer practische oplossing geeft het Wetboek Saksen, door in § 355 te bepalen , dat het nemen van maatregelen in het belang van het oeconomiseh gebruik van den grond geoorloofd is, ook al mocht daardoor verandering in den afloop van het water ten nadeele van het lager gelegen erf gebracht worden. Iets dergelijks heeft het ontwerp opgenomen, doch uit het verband tot de tweede alinea blijkt, dat het maken van werken ongeoorloofd blijft, indien de nabuur dien-lengevolge meer last van het afloopend water ondervindt. Overigens is het onverschillig welk gebruik van den grond wordt gemaakt, met name of de grond in het vervolg voor industrieele doeleinden zal worden aangewend (men denke b.v. aan steenbakkerijen), terwiil er tot nog toe landbouw ot veeteelt werd uitgeoefend.
Het tweede lid geeft in meer algemeene bewoordingen weder wat artikel 673 tweede lid B. W. reeds inhoudt. Aan den rechter zal het in ieder gegeven geval te beoordeelen staan of er al dan niet een werk is gemaakt, onder welk begrip wel niet zal vallen het maken van greppels bij het veranderen van weiland in bouwland, en omgekeerd hef slechten der greppels indien het bouwland weder tot weiland wordt gemaakt. Overigens valt het in het oog, dat de invloed van dergelijke wijzigingen en , in het algemeen, de gevolgen van veranderingen in den waterafloop slechts in sommige gedeelten van ons land van overwegende beteekenis kunnen zijn.
Art. 132.
In het Burgerlijk Wetboek volgen thans eenige voorschriften, die in het ontwerp slechts voor een klein gedeelte zijn overgenomen. In de eerste plaals is het onnoodig geoordeeld eenige bepaling op te nemen ten aanzien van de waterbron (artikelen 674 en 675 B. W.) Omtrent eene bron, in den zin van eene wel, is het onnoodig te zeggen, dat zij behoort aan den eigenaar van den grond, waaruit zij ontspringt, en dat deze er mede handelen kan naar welgevallen; voor zoover zij noodzakelijk mocht zijn voor de levensbehoeften van anderen en daarbij niet mocht vallen in de termen van hel stroomend water, waarvan liet ontwerp gewag maakt, wijst de wel regelende de onteigening ten algemeene mille den weg, die in zoodanig geval zou moeten worden gevolgd. Wordt met waterbron evenwel bedoeld de oorsprong van een stroomend icater, dan geldt hel hier behandelde artikel, dat strenger is dan het beslaande artikel 676 B. W. Immers, volgens de bestaande wet kan de eigenaar, wiens erf door het stroomend water wordt doorsneden, daarvan gebruik maken naar goedvinden, hij kan zelfs den loop er van over zijn erf veranderen, mits hij daaraan ter plaatse, waar zijn erf eindigt, den natuurlijken loop teruggeeft, en zulks onverschillig of door dat veranderen van den loop nadeel wordt toegebracht aan de eigenaars der overige aanliggende erven ; het ontwerp laat dit ruim gebruik niet toe, maar stelt als voorwaarde, dat de overige erven er geen nadeel van ondervinden, niet alleen indien de richting, waarin hel water zich beweegt, veranderd is, maar ook wanneer er wijziging is gekomen in het verval van het stroomend water of in
1) In tweede lezing is deze paragraaf vervallen.
91
de hoeveelheid, die de erven der andere eigenaars bespoelt. De vraag wie recht iieeft op het slroo-mend water wordt heheerscht door de artikelen 57 en 58.
Het voorschrift van artikel 677 B. W. is almede niet overgenomen. Ofschoon het doel van hel aldaar behandelde voor de hand ligt, n.1. om praclische wenken te geven aan den rechter, die geroepen wordt over dergelijke geschillen te oordeelen, zoo is het. toch niet gebleken, dal de practijk werkelijk het nut er van heeft ondervonden , â vermoedelijk doordien dergelijke geschillen zelden of nooit voor den rechter zijn gebracht. Trouwens in een land als het onze, waar zulk een groot gedeelte van den bodem tot de polderlanden behoort en wel juist dat gedeelte, hetwelk het meest aanleiding zoude kunnen geven tot geschillen als hier bedoeld , zijn polder- of waterschapsbesturen de aangewezen autoriteiten om de vereischte regeling te treffen. Bovendien zou men kwalijk kunnen volstaan met den inhoud van het thans geldende artikel; bij wettelijke regeling van dit onderwerp voor den burgerlijken rechter zou onder de oogen gezien moeten worden welke personen door den rechter zullen moeten worden gehoord, welke de kracht van de te geven beslissing zal zijn tegenover de niet in geschil zijnde eigenaren en, in het algemeen, welke wijze van procedeeren ten deze zal moeten in acht genomen worden. Eene regeling van zoo grooten omvang zoude niet gerechtvaardigd zijn door het belang, dal er bij betrokken is, zoodat. het practischer geoordeeld is er over te zwijgen en de eventueele behandeling van geschillen als de onderhavige aan de regelen van het gemeene recht over te laten.
Art. 133.
De in het eerste lid van dil artikel voorkomende afwijking van hel beslaande artikel 078 B. W. betreft meer den vorm dan het wezen der zaak. Zoowel hier als daar heeft men op het oog het droil de honiMje, het recht om de grens, waarover geen geschil bestaat, door waarneembare teekenen te doen aangeven. Dat dit altijd ten gemeeneu koste, in den zin van gelijkelijk te verdeeleu kosten, zonde moeten geschieden, gelijk de tweede zinsnede van artikel 078 bepaalt , werd niet billijk gevonden. Het belang van den eenen eigenaar kan te veel verschillen van dat van den ander, â vandaar: verdeeling der kosten naar billijkheid. Onder deze kosten moeten verstaan worden «//ö kosten, die met de afpaling in verband slaan, opmetingskosten en andere voorafgaande kosten daaronder begrepen. De proceskosten, die een gevolg zijn van eene eventueel ingestelde rechtsvordering, b.v. om den nabuur lot medewerking te noodzaken of om tol eene vaststelling der van weerszijden te betalen afpalingskosten te geraken, liggen geheel buiten het hier bepaalde; â daaromtrent moeten natuurlijk de regelen van Burgerlijke Rechtsvordering gelden.
De artikelen 079 en 680 B. W. zijn in het ontwerp vervallen. Het behoud van het eerste, dat, gelijk bekend is, aan hislorische gronden zijn aanzijn ontleent (zie b.v. Demolombe, Cours de Code Napoléon, dl. XI, p. 311), zoude alletn nog gerechtvaardigd zijn, indien het artikel in verband gebracht werd met het volgende, doch er bestaat evenmin voldoende grond om hiervan in het ontwerp melding te maken. Raadpleegt men verschillende schrijvers over dit onderwerp (Pothier, Coutumes d'Orleans, art. 145; Aunnv et Rau (Zachariae), dl. II, p. 377; Brunner, Deutsche liechfsgeschiohte, dl. I, p. 195 enz) dan blijkt het, dat rechten als die van klaauwengang en stoppelweide overblijfselen zijn uit den tijd van het communaal grondbezit en dat, zoo niet. in alle, dan toch in de meeste coutumes de bevoegdheid werd gegeven om door afsluiting zijn grond
92
aan de uitoefening ilier rechten te onttrekken. Al mocht dus kunnen worden aangenomen, dat het recht om door afsluiting zijn grond vrij te maken van den bedoelden last, niet uit den aard daarvan voortvloeit, zoo is dit toch niet overwegend genoeg om de bepaling te handhaven voor het schier ondenkbare geval, dat zoodanig recht nog beweerd, laat staan, bewezen zou worden. Opmerking verdient dan ook, dat zoowel het Wetboek Napoleon als het Ontwerp 1820 over het recht van klaauwengang en stoppelweide zwijgen en dat daarvan evenmin bij de Gud-Hollandsche schrijvers als de Groot en Voet melding wordt geraaakl. (Over den aard van dit recht, zie ook Themis L1X, p. 243 vin.. ]Jgt Heeselaarshroek te Echt van Mr. van Wijnbergen).
Artt. 134 en 135.
Werd in liet voorgaand artikel op den voorgrond gesteld, dat er geen geschil over de grens bestond , in deze beide artikelen wordt zoodanig geschil integendeel verondersteld. Het ontwerp laat geheel in het midden welke de aard is van de actie, die ten deze moet worden ingesteld , met name of men hier te doen zal hebben met eene opvordering van eigendom dan wel met eene vordering tot regeling der grenzen. De grens tnsschen deze beide acties is moeieiijk te trekken en de rechter zal in ieder concreet geval hebben te beoordeelen of de eischende partij op de feitelijke gegevens het daarop passend recht heeft gevraagd. Voor het begrenzen der beide acties is te minder grond voor ons recht, dat, van minder formeelen aard dan het Romeinsche, veel grootere vrijheid gedoogt in de wijze om zijn recht te vervolgen.
In de onderhavige artikelen wordt aan den rechter, en indirect daardoor ook aan partijen, een leiddraad gegeven hoe geschillen over de grens tusschen twee naburige erven moeten worden opgelost. Indien van de ware grens niet blijkt, zegt artikel 134, zal de rechter de grens van het weder-zijdsch bezit als zoodanig aanwijzen. De bepaling is hoofdzakelijk overgenomen uit het Duitsche Ontwerp § 852, dat op zijne beurt een voorganger had in het Wetboek van Saksen § 365. Bij onzekerheid omtrent den bezitstoestand heeft de rechter de bevoegdheid het. stuk waaromtrent onzekerheid heerscht tusschen de strijdende partijen te verdeelen, zoo als hij zal goedvinden, met toekenning van schadevergoeding aan hem, die bij die verdeeling een stuk van geringer waarde mocht hebben ontvangen dan aan den ander is toebedeeld. Hij dus , die zijn nabuur aanspreekt om samen over te gaan tot afpaling hunner wederzijdsche bezittingen, zal óf zelf eene grens moeten aangeven óf, indien hij daartoe zich niet in staat voelt, den rechter moeten verzoeken die grens te bepalen. De gedaagde kan, door den aard van het proces en omdat de wet hem dwingt tot afpaling mede te werken, zich niet volkomen lijdelijk houden, doch moet, tenzij ook hij zich aan 's rechters oordeel gedraagt, gemotiveerde tegenspraak doen en zijnerzijds stellen welke grens door hem voor de ware wordt gehouden. Op deze wijze kan door wederzijdsche overlegging van stukken en kaarten tot het vaststellen van de ware grens besloten worden en , zoo het geproduceerde niet voldoende is, de bezitstoestand worden aangetoond. Het Duitsche Ontwerp wil, bij gemis van gebleken bezitstoestand, aan partijen een even groot stuk toekennen; het ontwerp heeft daaromtrent een billijker regeling voorgesteld en tevens aan de mogelijkheid gedacht, dat het kleinste deel meer waarde heeft dan het grootste, zoodat alleen schadevergoeding wordt gegeven aan hem, die niet het kleinste maar het minstwaardige deel onvangt. â¢) Men zou wellicht nog kunnen vragen welke waarde men op het oog heeft, de volstrekte of de hetrekhelijh waarde; het antwoord zal ongetwijfeld in den eerstgenoemden zin
i) Bij de tweede lezing en in § 920 van het Wetboek is dan ook voor eene billijker verdeeling de gelegenheid geopend.
93
moeten gegeven worden. Wanneer twee stukken evenveel waard zijn, dan is er geen reden waarom men schadeloosstelling zal laten betalen door hem, voor wien dat stuk door ligging enz. toevallig grootere waarde heeft, ten voordeele van hem, die voor zich geen schade noch gemis aan bijzonder voordeel heeft ondervonden.
Artikel 135 behandelt een bijzonder geval, n.1. dat de door den bezitstoestand vastgestelde grens aangewezen wordt door een gemeen (mandeelig) werk. Het woord «mandeelig» is hier in parenthesi er bijgevoegd, omdat deze benaming voor em werk tusschen twee of meer naburen zich bevindende en hun in onverdeelden eigendom toebehoorende, in het noordelijk gedeelte van ons land algemeen wordt gebruikt.
Het slot van het eerste lid kan tengevolge hebben, dat de fundamenten van den muur zich bevinden in het erf van den nabuur, indien zij namelijk breeder zijn dan de muur zelf. Voor het geval evenwel daaruit moeielijkheden mochten ontstaan zal artikel 151 den weg aanwijzen om daaraan eene bevredigende oplossing te geven. Overigens is de zin van het, artikel duidelijk; alleen dient men de vraag te stellen of hetgeen hier bepaald is als eene pruemm.tio juris et de jure of slechts als eene praesumüo juris op te vatten is. Het eerste zou uit een practisch oogpunt de voorkeur verdienen, en eene gemakkelijke oplossing geven, in sommige gevallen, waarin het maken van eene geschikte regeling tot moeielijkheden zoude aanleiding geven, doch daartegenover staat de onbillijkheid, dat iemand den eigendom van zijn grond zou verliezen, alleen omdat er een gemeen werk op staat. De bedoeling van het ontwerp is dus, dat tegenbewijs zal kunnen worden toegelaten. De nabuur zal mogen aantoonen, dat de muur, die lot. afscheiding dient, op zijn grond slaat, zoodat de grenslijn aan gene zijde van den gemeenen muur ligt.
Artt. 136.
Terwijl de beide voorgaande artikelen nauw aan elkander sloten, omdat zij beide handelden over het vaststellen der grenzen, vormde het laatste tevens een overgang tot het hier toe te lichten artikel, hetwelk met de negen volgende den rechtstoestand regelt van de eigenaars, wier erven door een gemeenen muur worden gescheiden. Al dadelijk zou men de vraag kunnen stellen of die rechtstoestand niet beheerscht wordt door de bepalingen omtrent den medeëigendom, en of het dus niet voldoende zoude zijn in hoofdzaak daarheen te verwijzen, onder aanwijzing van de punten van verschil, die er tusschen beide onderwerpen bestaan, en met aanvulling, voor zoover de eigenaardige toestand van een gemeenen muur dit zou vereischen. Het ontwerp heeft deze vraag evenwel niet in een bevestigenden zin beantwoord; men is daarbij van de stelling uitgegaan, dat, al moge men den gemeenen muur als een voorwerp van medeëigendom in den gewonen zin van het woord kunnen beschouwen, er zoovele punten van verschil in de toepassing der bepalingen omtrent den medeëigendom zijn en zoovele eigenaardige verhoudingen bij den gemeenen muur zijn te regelen, dat het niet gerechtvaardigd zoude zijn in dezen van de historische lijn af te wijken.
Het woord « titel » moet in de bedoeling van het ontwerp (en dus zonder ten aanzien van het geldende recht partij te kiezen in den bekenden strijd tusschen Mrs. Opzoomer en Diepiiuis) in een algemeenen zin verstaan worden, zoodat elke grond van eigendomsverkrijging er onder valt, ook de verjaring. Zoo zal men ook als «titel» kunnen aanvoeren het feit, dat men den muur op zijne eigene kosten heeft gebouwd. De onzekere beteekenis van «litel»â nu eens als schriftelijk bewijs-
94
stuk, dan weder als dooi1 de wet erkenden grondslag van rechten en verplichtingen (Laurent Principe» de droit civil Francais VII, hquot;. 532) â heeft in den regel het gebruik van dit woord in het ontwerp doen vermijden; te dezer plaatse echter leent, naar men meende, juist die onzekerheid zich tot aanduiding van eiken billijken grond om te beslissen, dat het wettelijk vermoeden van mandeeligheid wijkt.
Met de woorden «tusschen erven bebouwd of onbebouwd d heeft men te kennen willen geven, dat in beginsel de mandeeligheid evenzeer bestaat, indien de muur staat tusschen gebouwde ot tusschen onbebouwde erven, als indien hij zich bevindt tusschen gebouwde aan de eene en onbebouwde erven aan de andere zijde. Door deze redactie is volkomen vrijheid gelaten om naar omstandigheden te beslissen of er een titel of teeken van het tegendeel bestaat, waaronder in den regel, ingevolge n0. 3 van het volgend artikel, zal behooren het geval, dat en voor zoover aan de eene zijde een gebouw en aan de andere een open erf gelegen is. he bepaling van artikel quot;149 brengt mede, dat het woord «bebouwd» niet uitsluitend in den zin van steenen gebouwen moet worden opgeval.
Het tweede lid herstelt eene onduidelijkheid, die in artikel 68d B. W. wordt aangetroffen, doordien men uil de daar gebruikte bewoordingen zoude kunnen opmaken, dat van het hoogste punt van het laagste gebouw uil eene horizontale lijn moet worden gelrokken, beneden welke lijn de muur gemeen zal zijn, terwijl, althans volgens hel ontwerp, de bedoeling is, dat de lijn tol op welke de muur gemeen is samenvalt met de lijn langs welke hel laagste gebouw legen het hoogste is aangebouwd. De opvatting, dal de hoogte van het dak, voor zoover dit niet tegen den muur steunt, niet. in berekening komt, moet ook voor het ontwerp gelden.
Art. 137.
Artikel 682 B. W. is slechts verduidelijkt en aangevuld.
Hel sub i0. bepaalde is vooreerst ruimer gesteld, maar bovendien is duidelijker uitgedrukt waar hel in deze op aankomt, n.1. dat, tengevolge van de constructie van den muur, het hemelwater slechts aan ééne zijde afloopt.
Aan de sub 3quot;. van artikel 682 B. W. opgenoemde versieringen is, met het oog op hetgeen bij het bouwen veelvuldig geschiedt, eenige uitbreiding gegeven. Vandaar, dal het ontwerp sub 2°. ook gewag maakt van « pilasters ».
Voorts zij opgemerkt, dat bewijs wordt gevorderd, dat de kap enz. bij het stichten van den muur is aangebracht, een eisch, die bij het. sub 1°. vermelde niet voorkomt. Dat dit verschil groot onderscheid in de zwaarte van den bewijslast maakt is niet voorbijgezien, maar voldoende grond daarvoor werd aanwezig geacht in de omstandigheid, dal hel maken van eene verandering aan het bovenvlak niet aan het oog des medeëigenaars is te onttrekken, terwijl hel aan eigen zijde aanbrengen van b.v. een pilaster aan den muur ter sluiks zou kunnen geschieden.
Sub 3°. heeft hel ontwerp zich in hoofdzaak gehouden aan hel geldende recht, dal, ten aanzien van het al of niet steunen van gebouwen, uilgaal van den beslaanden toestand. Slechts in zóóverre is rekening gehouden met het in vroegeren lijd aanwezig geweest zijn van werken, dat deze omstandigheid, zoo zij mocht blijken, den rechter aanleiding kan geven om daarin een tegenbewijs tegen het niel-gemeen zijn van den muur te vinden.
Het slot van het artikel is natuurlijk een terugslag op hetgeen is voorafgegaan.
95
Ten overvloede zij hier nog herinnerd (trouwens de aanhef van het artikel duidt het voldoende aan), dat de opsomming geheel enuntiatief en het aantal teekens onbeperkt is. Zoo zal, ook indien gedeelten van den muur zoo ingericht zijn, dat zij zouden wijzen op mandeeligheid er van, de niet-niandeeligheid kunnen afgeleid worden uit de omstandigheid, dat een erf aan alle zijden op dezelfde wijze, hoe verschillend de belendingen ook mogen zijn, is afgesloten.
Art. 138.
Terwijl in artikel 683 B. VV. het recht om herstel of herbouwing te eischen implicite wordt erkend, wordt in het ontwerp dit recht den medeëigenaar uitdrukkelijk gegeven, tlij, tegen wien het wordt ingeroepen, kan zich van dezen last ontslaan door afstand te doen (éénzijdig en zonJer dat die afstand door den anderen medeëigenaar behoeft te worden aangenomen) van zijn recht op den muur en op den ondergrond. Dit laatste hangt samen met de veronderstelling, waarvan het ontwerp uitgaat, dat de grond waarop de gemeene muur staat niet gemeen eigendom is, maar voor de helft aan ieder der aangrenzende eigenaars toebehoort. Immers, dit volgt uit artikel 135, behoudens, zooals werd aangetoond, bewijs van het tegendeel. Doch daarvan dient dan ook het gevolg te zijn, dat hij , die van zijn recht op den muur afstand doet, dien afstand ook moet uitstrekken tot den ondergrond. Een gevolg van het tegendeel zoude zijn, dat zich een niet-gemeene muui ten deele bevond op den grond van een ander, en men oordeelde het wenschelijk alle vraagpunten, welke aan zoodanigen toestand konden worden ontleend, af Ie snijden.
In hoofdzaak wordt overigens hierin teruggegeven wat in artikel (583 2de lid is bepaald. De uitdrukking «afscheiding van aan elkander grenzende huizen» is onnoodig, wanneer reeds het geval vermeld is, dat «de muur een hein toebehoorend gebouw steunt». De bedoeling is voorts, dat ten minste één der erven eene aanhoorigheid van een gebouw is; â het andere erf kan ófeene aanhoo-righeid zijn óf ook niet tot een gebouw in betrekking staan.
De vorm voor het doen van afstand is overeenkomstig hetgeen in de artikelen 99 en 107 reeds is bepaald en vereischt geene nadere toelichting.
Art. 139.
De bepaling van artikel 691 B. VV. is hier overgenomen, doch door eenige bepalingen aangevuld. Het woord «heining» moet niet in te beperkten zin worden opgevat; â het hier bepaalde moet ook gelden voor hekken en dergelijke, waardoor eene soortgelijke afscheiding is tot stand gebracht. Omgekeerd zal het niet toepasselijk zijn op heggen, grachten en slooten, die van geheel anderen aard zijn, en die dus niet door een muur zullen mogen worden vervangen. «Voor eigen rekening» , dat is: alle kosten komen voor rekening van hem , die den muur laat zetten.
Art. 140.
Op den voorgrond wordt alzoo gesteld, dat elke medeëigenaar van den muur kan gebruik maken als ware hij alléén eigenaar, mits hij den muur niet «mbruikt en aan de overige medeeigenaars de gelegenheid niet. beneemt op dezelfde wijze er gebruik van te maken. In § 922 van het Duitsche Wetboek is hetzelfde beginsel uitgedrukt. De toepassing van dit beginsel is in de volgende artikelen neérgelegd.
96
Art. 141.
In de eerste plaats worden den medeëigenaar dezelfde bevoegdheden gegeven , die artikel 684 B. W. hem heeft toegekend ; liet voorbehoud aan het slot daarvan voorkomende kon gemist worden , omdat het voorgaand artikel reeds elke handeling van den medeëigenaar afhankelijk doet zijn van de gesteldheid van den muur; maar bovendien heeft het ontwerp eene tweede bepaling in het leven geroepen, die, nevens het voorgaand artikel, het gebruik van den gemeenen muur beheerscht, n.1. artikel 145, welk artikel te bestemder plaatse zal worden besproken.
De b 'teekenis van hlijvende holten is duidelijk ; â holten gemaakt om balken of ribben in den muur te brengen kunnen uit den aard der zaak niet onder de verbodsbepaling begrepen zijn. Dat hier gesproken wordt van de mogelijkheid, dat de medegerechtigde toestemming geeft om van den regel af te wijken, terwijl daarvan elders bij de regelen van het burenrecht geen melding wordt gemaakt, moge geen aanleiding geven tot eene redeneering a contrario, bet verband met het eerste lid van het artikel rechtvaardigt de hier gemaakte bijvoeging.
Art. 142.
In de tweede plaats heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 685 B. W., de medeëigenaar het recht den gemeenen muur hooger op te trekken. Hij moet dit doen op zijne kosten, dat wil zeggen, dat alle kosten, waartoe het nieuwe werk aanleiding geeft, door hem moeten worden gedragen; een voorbeeld daarvan zal men hierna (aan het slot der toelichting van artikel 145) behandeld vinden ten aanzien van de goot, die door den buurman op den muur is gelegd. Dat het onderhoud van dit gedeelte evenzeer voor zijne rekening komt, spreekt van zelf. Voorts heeft het artikel, evenals artikel 685 B. W., twee gevallen op het oog, n.1. dat de muur den last kan diagen , en dat de muur deze capaciteit niet bezit. In het eerste geval is hij alleen verplicht de nadeelige gevolgen van den zwaarderen last voor den gemeenen muur te vergoeden. Zoo de muur blijkbaar lijdt onder den grooteren last, en deze dus de onderhoudskosten van den muur doet stijgen, zal hij, die de verhooging heeft aangebracht, den medeëigenaar eene vergoeding moeten geven, die. naar dat partijen overeen komen, kan bestaan in eene vaste som in eens of in eene jaarlijksche bijdrage in geld of wel in liet op zich nemen van een grooter aandeel in het onderhoud.
Wanneer de muur den last niet kan dragen, hetzij dat dit blijkt uit een voorafgegaan deskundig onderzoek, hetzij dat dit voortvloeit uit den lateren toestand van den muur, zoo zal hij, die de verhooging aanbrengt of aangebracht, heeft, de keus hebben tusschen versterking van den muur of algeheele verbouwing daarvan.
De meerdere dikte moet van zijn erf genomen worden. Hier geldt dus hetzelfde wat bij artikel 1,35 is opgemerkt ten aanzien van de praesumtie omtrent de grenslijn tusschen de twee erven.
Het vergoeden van andere schade, die een gevolg kan zijn van de wijze waarop de verhooging is aangebracht of ook van het niet in acht nemen van de noodige voorzorgen vóór of onder het maken van het werk, moet beoordeeld worden naar artikel 145.
Art. 143.
Het beginsel, in artikel 688 B. W. op den voorgrond gesteld, is niet in het ontwerp opge-
97
nomen. Met het oog op artikel 661 G. C. 1), waar het tegenovergestelde gold, kon, bij de invoering van het B. W. van 1838, de bepaling van het voormelde artikel eenig nut hebben, â thans schijnt zij geheel onnoodig en is het voldoende aan te geven op welke wijze de medeëigendom van de verhooging kan worden verkregen. De nabuur kan dit doel bereiken «door betaling van de helft van de waarde». Artikel 687 B. W. luidt eenigszins anders. Het verlangt «, betaling van de helft «der onkosten, mitsgaders de helft der waarde van den grond, indien dairvan tot verbreeding is «gebruik gemaakt». Het ontwerp acht het eerste voldoende; waaneer de eene nabuur het, in zijn belang acht den muur op te trekken, desnoods met opoffering van een deel van zijn groni, dan bestaat er geen reien om den anderen nabuur te mo Izaken meer bij te dragen dan hjtgeen hij er bij wint, namelijk de helft van de waarde van de verh'jogingj. Tegenover de rnogelijkh ;id, dat hij er nog op eene 1 andere wijze voordeel van geniet, staat e3n even groote mogilijkhaid , dat de verhooging hem verre van aangenaam is.
De bewoordingen, waarin de voorwaarde is vervat, doen duidelijker uitkonmn dan in artikel 687 B. VV. het geval is, dat de medeëigenaar zijn aandeel in den medeëigendom niet verkrijgt alvorens hij het krachtens het artikel verschuldigde heeft betaald. (Zie Rechtb. Amsterdam 16 October 1894, Wbl. 6701.)
Art. 144.
Aangezien dit artikel in hoofdzaak teruggeeft wat in artikel 692 B. VV. wordt aangetroffen, behoeft ter toelichting niet veel in het midden gebracht te worden. Slechts op een paar punten zij de aandacht gevestigd. Vooreerst is aan hem die den muur optrekt de bevoegdheid gegeven om lichten te maken naar de voorschriften van artikel 148. Van venstors wordt niet gesproken , omdat volgens de bepalingen van laatstgenoemd artikel alleen sprake kan zijn van lichten, in den zin van vensters van ww^glas, die alleen voor verlichting dienst kunnen doen.
Voorts is in het derde lid te gemoet gekomen aan een verschil van gevoelen omtrent de vraag, die vooral de Fransche schrijvers verdeeld houdt, of hij die, door betaling, medeëigenaar geworden is van de verhooging, nu ook het recht verkrijgt de lichten te laten wegnemen, die in strijd met het eerste lid van het artikel zijn gemaakt. Dit. recht zal hij eerst dan verkrijgen, wanneer het bestaande licht hem verhindert dat. gedeelte van den muur aan te wenden voor den aanbouw , dien hij zich op zijn erf voorgenomen heeft. Eerst op dat oogenblik, toch, moet het vroeger verkregen recht om lichten te maken wijken voor het gebruik van den gemeen geworden muur, dat hem in artikel 140 is gewaarborgd.
Art. 145.
Deze bepaling is in een zeker opzicht nieuw. Zij vervangt de twee laatste leden van artikel 689 B. W. Beeds werd bij de artikelen 141 en 142 op den inhoud van dit artikel gewezen. Hij, die den gemeenen muur gebruikt, door er balken, ribben, ankers enz. in aan Ie brengen en niet vooraf onderzoekt noch laat onderzosken of de muur daartegen bestand is, of daarbij op eene zorge-
1) In het Avant-Projet van Laurent is het artikel niet overgenomen.
m
98
looze wijze te werk gaat of wel liamlelt tegen liet advies van deskundigen in, hetzij ten aanzien van de mogelijkheid om den muur daarvoor te gebruiken, hetzij met betrekking tot de te nemen voorzorgen, â handelt zeer zeker in strijd met de zorg van een goed huisvader, tenzij hij kan aantoonen, dat een voorafgaand onderzoek of bijzondere voorzorgsmaatregelen in de bestaande omstandigheden niet noodig waren en de beschadiging een gevolg was van onvoorziene gebeurtenissen. Dit geldt evenzeer voor het verhoogen en in het algemeen voor elk gebruik van den muur, dat hem overigens als medegerechligde geoorloofd mocht zijn.
liet ontwerp kan geacht worden deze aangelegenheden doelmatiger te hebben geregeld dan tot nu toe het geval was. In de eerste plaats is de bepaling veel algemeener gesteld dan in artikel 689, maar bovendien is het bekend, dat het thans geldende recht tot verschil in de toepassing aanleiding-geeft en met name, dat men niet eenstemmig denkt over de wijze waarop men tot de voorzorgsmaatregelen moet geraken, over het dragen der kosten die daarvan het gevolg zijn, alsmede over de schadevergoeding, indien, niettegenstaande het nemen van de voorgeschreven maatregelen, schade door den medegerechtigde geleden wordt.
Ten slotte, alvorens van de voorschriften, waartoe het hebben van een gemeenen muur aanleiding geeft, af te stappen, nog een enkel woord over artikel 686 B. W., dat geene plaats in het ontwerp heeft bekomen. Aannemende, dat het de bedoeling is te kennen te geven, dat iedere medeëigenaar eene goot op den muur mag leggen aan zijne zijde, van den muur, is het voorschrift onnoodig, vooral na heigeen in algemeene bewoordingen in artikel '140 van het ontwerp is voorop gesteld. Met betrekking tot het. verhoogen van den muur geeft het hebben van eene goot daarop aanleiding lot eenige moeielijkheid in de praclijk, omdat het aanwezig zijn van dit werk niet mag leiden tot het ontnemen van de bevoegdheid om de verhooging aan te brengen, en aan den anderen kant de waterloozing voor het lagere gebouw wordt verstoord, indien de goot, tengevolge van het opbouwen van den muur, moet verdwijnen. De naburen zullen dus hieromtrent eene schikking moeten treden.
Artikel 685 B. W. maakt melding van het dragen van «de kosten van verhooging» , het ontwerp zegt in het algemeen, dat hij den muur kan optrekken «op zijne kosten». De bedoeling is, dat onder die kosten ook komen de zoodanige, die veroorzaakt worden door het veranderen van de waterloozing van het aangrenzende gebouw.
Artt. 146 en 147.
Het ontwerp heeft het verbod om in de schuinte uitzicht te hebben niet overgenomen, maar zich bepaald tot de revltstreehoJw uitzichten, waarvan artikel 695 B. VV. gewag maakt. De heden-daagsche wijze van bouwen, vooral in de groote steden, waar van iedere handbreedte grond partij moet worden getrokken, terwijl de gewoonte om opene of gesloten verandah's of serres aan le brengen schier algemeen is, moet den wetgever nopen om van dezen eisch afstand te doen. Tevens zal dit bevorderlijk zijn aan het van alle zijden doen toetreden van licht en lucht, hetgeen voor kleinere huizen van groot belang is. Maar bovendien geeft het verbod in de toepassing tot moeie-lijkheden en ongelijkheden aanleiding, terwijl het voor den wetgever niet doenlijk is eene zoodanige omschrijving in de wet op te nemen, dat genoegzaam blijkt welke de bedoeling is, zoodat ongelijkheden , en daaruit ontstaande onbillijkheden, in de toepassing kunnen geacht worden te zijn uitgesloten.
99
Het eerste lid voegt er aan toe: «zelfs niet op de daartoe behoorende blinde muren». In den strijd over de vraag of, bij het zien op een blinden muur, al dan niet sprake is van uitzicht op een erf, heeft het ontwerp dus partij gekozen voor de eerstgenoemde opvatting. Men is het er algemeen over eens, dat, bij eene tegenovergestelde leer, de vensters of openingen zullen moeten verdwijnen, indien door verlaging van den blinden muur werkelijk een uitzicht, ontstaat, en dat het recht om zulks te vorderen niet door verjaring kan te niet gaan; het ontwerp voorkomt door zijn stellig voorschrift, dat naburen verzuimen rekening te houden met voormelde in de rechtswetenschap en de jurisprudentie gehuldigde opvatting, en neemt daardoor tevens eene bron van onaangenaamheden tusschen naburen weg.
Het tweede lid van artikel 146 is evenzeer nieuw en dient om eeti oud strijdpunt in de rechtswetenschap op te lossen. Men zoude wellicht kunnen beweren, dat de uitzondering van weinig practisch belang is, omdat de wegen en wateren (in de steden meestal straten of grachten) wel bijna altijd eene grootere breedte dan van twee meters zullen hebben, â voor in oudere stadsgedeelten talrijke nauwere stegen, waar het er het meest op aankomt, kan intusschen de uitzondering haar nut hebben, en dal zij inderdaad wenschelijk is, zal wel niet betwist worden. Onder openbare wegen of wateren zijn ook te verstaan die, welke aan particulieren toebehooren, doch met een onus publicum zijn bezwaard, daarentegen niet in het algemeen alle gronden, aan eenig publiek lichaam toebehoorende, die wel voor den openbaren dienst, maar niet voor het algemeen verkeer bestemd zijn. De bedoeling van den slotzin is niet om eene erfdienstbaarheid van uitzicht te scheppen, maar alleen om te ontheffen van de verplichting om de eenmaal aanwezig zijnde vensters of openingen weder dicht te rnaken.
In artikel 147 wordt nader aangeduid, hoe het verbod van artikel 146 omtrent de recht-streeksche uitzichten moet toegepast worden.
«Rechthoekig uit den buitenkant van den muur». Men trekt dus uit den buitenkant eene denkbeeldige loodlijn, en de afstand langs die loodlijn moet ten minste twee meter bedragen.
Bij de woorden: «uit den buitensten rand van die zijde van het vooruitspringende werk. die « naar het naburig erf gekeerd is» denke men b.v. aan een balkon, waarop men, zich vrijelijk naar alle zijden heen bewegend, op geen der punten op een minderen afstand dan van twee meter van de grenslijn verwijderd mag zijn.
Het ontwerp heeft getracht duidelijker datgene uit te drukken, wat de bedoeling van het geldende recht in artikel 697 B. W. schijnt te zijn.
Art. 148.
Het artikel vervangt de artikelen 693 en 694 B. W.
Reeds bij artikel 144 werd hierboven opgemerkt, dat er alleen sprake is van lichten, â niet van lichten en vensters. Deze wijziging staat in verband met het niet overnemen van artikel 694 B. W. en het voorschrift, thans opgenomen, dat de ramen moeten zijn van matglas.
De beperkingen, in artikel 694 verplichtend gesteld, dienen uit den aard der zaak om de gelegenheid te benemen door de vensters naar buiten te zien; zij kunnen dus vervallen indien de vensters van matglas moeten zijn, zoodat daardoor reeds de mogelijkheid van naar buiten te zien is uitgesloten. Door het gebruik van het woord «lichten» valt nu in het oog, met welk doel het hier omschreven verlof is verleend. Behalve van traliën is ook gesproken van neiwerh, en in verband
100
hiermede wordt in het tweede lid van het artikel de geoorloofde ruimte in vierkante maat opgegeven.
De opmerking is gemaakt, dat het verband tusschen de bepalingen van de artikelen 693 en 695 B. W. niet duidelijk is en met name, dat niet voldoende uitkomt, dat niel-gemeene muren, staande binnen den in de wet u.angeduiden afstand, geen andere lichten of vensters kunnen hebben dan ingericht op de wijze in artikel 693 omschreven.
Het ontwerp neemt daaromtrent eiken twijfel weg.
Art. 149.
In twee opzichten is dit artikel van wijdere strekking dan het daarmede overeenstemmende artikel 698 B. W. Vooreerst bepaalt het zich niet tot afsluitingen van hmil, maar het artikel breidt het voorschrift, met het oog op mogelijke veranderingen in de wijze van bouwen, uit tot «hout of andere bouwstoffen », waarbij in de eerste plaats aan metalen als ijzer enz, moet worden gedacht. Intusschen duidt de bijvoeging: «voor zooveel de aard der zaak het toelaat» aan, dat de bouwstof van zoodanigen aard moet zijn, dat de van haar vervaardigde afsluiting met die van een muur kan worden gelijk gesteld. Het geldt dus niet voor hek- of latwerk of gegalvaniseerd ijzerdraad enz.
In de tweede plaats geldt het artikel voor alle afsluitingen van hout enz. en is de beperking tot scheiding tusschen gebouwen, opene plaatsen en tuinen, waardoor men wellicht slechts zou kunnen denken aan praedia vrhanu, niet overgenomen.
Art. 150.
Hel eerste vereischte is dus, dat de eigenaar, die de afsluiting wenscht, eigenaar is van een gebouw met onbebouwde aanhoorigheid; op dit vereischte werd reeds bij de behandeling van artikel 138, dat eene dergelijke uitdrukking bezigt, gewezen. De eigenaar, wiens medewerking wordt verzocht, niet alleen om bij te dragen in de kosten, maar ook om, zoo noodig, zelfs door beschikbaarstellen van grond de gelegenheid te verschaffen tot het maken der afsluiting, voor zoover dit van hem mocht afhangen, kan zijnerzijds er zich niet op beroepen, dat zijn erf geen aanhoorigheid is, ofschoon dit in den regel het geval zal zijn, omdat de eisch alleen kan gedaan worden ten aanzien van aaneencjehouwüe gedeelten der gemeente. Dit tweede vooropgezette vereischte is toepasselijk op alle gemeenten;, onverschillig onder welken naam, hetzij van steden, of van dorpen of vlekken, zij zouden kunnen gebracht worden. Ook een gehucht kan er onder vallen, indien het van zoodanige uitgebreidheid is, dat men daar ter plaatse van een aaneengehouwd gedeelte kan spreken.
Ieders aandeel in de kosten en lasten regelt zich naar de uitgestrektheid van hetgeen tot afsluiting van zijn erf dient.
Wat de wijze en de hoogte der afsluiting aangaat wordt verwezen naar plaatselijk gebruik,â niet naar « bijzondere verordeningen ».
Het is een onderwerp van zorgvuldig onderzoek geweest in hoeverre het raadzaam zoude zijn hier en elders te verwijzen naar plaatselijke verordeningen. Uit het omvangrijke werk van Mr. S. .1. Hingst, «.het Plaatselijk Burgerlijk Hecht-», blijkt dat tal van gemeenten, met de eerste stad des Rijks aan het hoofd, verordeningen hebben vastgesteld naar aanleiding van de in het Burgerlijk Wetboek voorkomende verwijzingen, in het bijzonder ook ten aanzien van de in artikel 690 B. W.
101
bedoelde afsluitingen. Sommige gemeentebesturen hebben zich zelfs in bijzonderheden begeven, waarvan de beteekenis niet zoo gemakkelijk te raden is.
In hoeverre het van practisch nut is om nevens plaatselijk gebruik ook plaatselijke verordeningen te hebben tot regeling van het burgerlijk recht, zij voorloopig in het midden gelaten, en men zou daarentegen de vraag kunnen stellen of het regelen bij plaatselijke verordening al of niet in strijd is met artikel 150 der Grondwet. Mr. Hingst t. a. p., pag. CXXXVI, ontkent het en beweert, dat het bestaan van «het plaatselijk burgerlijk recht» even goed in overeenstemming is met voornoemd artikel als het bestaan van provinciale en gemeentelijke strafverordeningen novens het Wetboek van Strafrecht. Zie ook t. a. p. pg. XLVI en volgende. Deze bewering schijnt betwistbaar. De gemeentewet draagt aan de gemeentebesturen op het maken van verordeningen, die in het belang dei-openbare orde, zedelijkheid en gezondheid worden vereischt, met of zonder strafbedreiging. Ten aanzien van het burgerlijk recht komt zoodanige opdracht in genoemde wet niet voor, en het zou twijfelachtig kunnen wezen, of het Burgerlijk Wetboek de plaats ware om haar op dit punt aan te vullen. Maar, wat daarvan zij, zeker moeten er overwegende redenen zijn om, met opoffering van de voordeelen aan eenheid van wetgeving verbonden, de gemeentebesturen te belasten met eene taak, die niet tot hun gewonen werkkring behoort. Zulke redenen bestaan er ten opzichte van het onderwerp, dat hier behandeld wordt, zeker niet.
Voor zoover partijen het niet eens kunnen worden over de vraag hoe zij de gemeenschappelijke afsluiting zullen inrichten, is eene verwijzing naar het plaatselijk gebruik, hetwelk in den regel omtrent «de wijze en hoogte» duidelijker gegevens zal verschaffen dan de plaatselijke verordeningen, voldoende en is men beter geholpen met de toevoeging van het derde lid van het artikel, waarin door de wet zelve een regel voor de hoogte der afsluiting wordt gegeven. Het ontwerp volgt hierin het voorbeeld van artikel 663 C. C. en artikel 730 van het Wetboek 1830. De bedoeling van de slotwoorden is , dat de afsluiting zich op ieder punt twee meter uit het hoogste grondvlak daar ter plaatse moet verheffen, â niet, dat de muur doorgaand twee meter boven het hoogste punt van het hoogste erf moet uitsteken.
Art 151.
Het ontwerp is dooi' dit artikel te gemoet gekomen aan eene leemte, die in het. geldende recht gevoeld wordt.
De voorschriften omtrent de inaedijicatie kunnen hier niet van toepassing zijn. Niet alleen, dat de vordering tot overgave van het gebouw, gesteld zij ware, met het oog op do eenheid van het gebouw en de in den regel geringe overschrijding van de grenslijn, uitvoerbaar, tot de grootste onbilijkheid zoude leiden, men gevoelt bovendien, dat men bij de grensoverschrijding met eene geheel andere casuspositie te doen heeft en dat het hier een onderwerp geldt, dat eigenaardig bij het burenrecht tehuis behoort. Zóó is het ook in onderscheidene Duitsche wetsontwerpen begrepen, Zoowel het Ontwerp Hessen als dat. van Beieren en het Duitsche Wetboek hebben eene dergelijke bepaling opgenomen als het onderhavige artikel 151 bevat, doch, terwijl in de beide eerstgenoemde is bepaald, dat de grond, waarop gebouwd is, tegelijkertijd aan hem die de grens overschrijdt, zal overgaan, heeft het ontwerp zich gericht naar het Duitsche Wetboek, alwaar in § 912 slechts dulden van het gebouwde aan den eigenaar van den grond is opgelegd, tegen genot van schade-
402
vergoeding, â een en ander zoolang het gebouwde blijft bestaan. In enkele opzichten is van het Duitsche Wetboek afgeweken. Zoo is o. a. in artikel 151 een termijn genoemd, binnen welken de nabuur tegenspraak zal moeten doen, terwijl in § 912 Duitschland men zich bepaald heeft bij het voorschrift, dat dit «vor oder sofort nach der Grenzüberschreitung» zal moeten geschieden. In het ontwerp is vooropgezet, dat de bouwer de grens te goeder trouw moet hebben overschreden, §912 Duitschland stelt als vooi waarde: «ohne dass ihm Vorsatz oder grobe Fahrlassigheit zur Last fiillt». In het laatstgenoemde wetboek moet dus opzet of (grove) schuld worden aangetoond, in artikel 151 heeft eene verwijzing naar artikel 89 omtrent den bewijslast ten aanzien van goede en kwade trouw niet plaats gehad, ten einde den rechter meer vrijheid te laten bij het heoordeelen der goede trouw en het bewijs daarvan te doen rusten op den eigenaar, die de grenslijn heeft overschreden. In de woorden « schadevergoeding voor « het gebruik van den grond » ligt opgesloten, dat men hier te denken heeft aan eene vergoeding in geld, hetzij jaarlijks hetzij in eens te betalen.
Het ontwerp heeft de vrij ingewikkelde regeling van het Duitsche wetboek omtrent de hegroo-ting en betaling eener « Geldrente » alzoo evenmin overgenomen en zich vergenoegd met het beginsel van schadevergoeding op den gewonen voet hier toepasselijk te verklaren, daarbij geheel aan het oordeel van den rechter overlatende welke vergoeding in het gegeven geval billijk zal zijn.
Dat de eigenaar van den grond wederom in het volle bezit van de ingenomen strook terugkeert, indien het gebouwde is weggenomen of door eenige andere oorzaak is verdwenen, volgt genoegzaam uit den inhoud van het artikel.
Art. 152.
De meeste wetgevingen hebben eene bepaling van dezelfde strekking en in hoofdzaak overeenkomende met artikel (599 B. W. Zoo beval het Ontwerp 1820, artikel 1234, eene dergelijke bepaling, alsmede het Wetboek van Saksen §350, Ontwerp Zurich §§ 613â615, Ontwerp Beieren artikel 187.
Door de woorden; «onderhouden, herstellen of verbeteren » heeft men de te beperkte uitdrukking «reparatie» verruimd, Voorts is het, wenschelijk geoordeeld om tevens te spreken van « hiertoe behoorende werken». Men kan hier denken aan herstelling van muren, reiniging van beerputten of goten enz. De beoordeeling of er sprake was van «hiertoe behoorende werken» staat natuurlijk in ieder gegeven geval aan den rechter, gelijk deze ook zal hebben te beslissen of het gebruik, dat men van den grond maakte, valt in de termen van «bouwstoffen aan te dragen of daarop steiger-werk te plaatsen ». De hier gebruikte woorden moeten niet in al te strengen zin opgevat worden, zoodat de klemtoon minder op déze dan wel op het in den aanhef van het artikel vermelde moet vallen, n.1. dat het moet dienen om het onderhouden, herstellen of verbeteren mogelijk te maken. De noodzalcelijkteid moet vóór alles vast staan. Intusschen ligt in het woord «aandragen» de bedoeling, dat het gebruik van voertuigen in ieder geval moet uitgesloten zijn. Tot het toelaten van zoodanig gebruik van den grond kan de eigenaar niet gedwongen worden.
Het geldende recht legt de verplichting aan den eigenaar op om het te dulden. Het ontwerp eischt het geven van toestemming, na behoorlijke kennisgeving. In dit laatste ligt opgesloten, dat aan den eigenaar bekwame tijd moet gelaten worden om zich te beraden alvorens de toestemming te verleenen, die om gewichtige redenen tijdelijk geweigerd kan worden, ook al is er geen wettelijke grond aanwezig om haar niet te geven. Ziekte of andere omstandigheden
103
kunnen oorzaak zijn, dat het zeer moeielijk valt in den eerstvolgendon tijd liet verlangde gebruik toe te staan. De schadeloosstelling zal in den regel eerst na het gebruik van den grond kunnen vastgesteld worden; â in ieder geval is het vooraf betalen daarvan geene voorwaarde voor dat gebruik.
Artt. 153 en 154.
Deze beide artikelen handelen over bet laten loopen van water op het erf of in de bij liet erf behoorende goten. Het is bekend, dat liet in hel eerste artikel bepaalde steun vindt in het Oud-Hollandsch recht, en wel in dezen vorm: «Nae 't gemeen recht moet yder sijn water op 'tsijne «leiden», en later, naar aanleiding van het recht, van waterloop-, «ofte door't sijne ter straten uit» (de Groot, Inleijding, Boek II, dl. 34). In het midden gelaten of de grond voor de laatste woorden gelegen is in hetgeen Laurent op artikel 681 G.G. aanteekent; «il peut les verser sur la voie «publique, parceque tel est l'un des usages que les riverains peuvent faire des voies de communi-«cation » , â het scheen niet gewenscht om, gelijk artikel 700 B. W. doet, hier te gewagen van het laten loopen van water over den openbaren weg. Indien men aanneemt, dat het burenrecht niet geschreven is waar het geldt de belending van openbare wegen (gelijk de Hooge Raad aannam bij arrest van 31 October 1895, Wbl. 6732), dan is het laten loopen van het water daarover zeer zeker niet verboden, tenzij plaatselijke verordeningen het verbieden, â doch van het een noch bet ander behoeft melding gemaakt te worden.
Het woord «afdekking» heeft eene ruimere beteekenis dan «daken», zoodat dan ook door de bijvoeging der woorden: «en hiertoe behoorende werken» dezelfde verplichting wordt, uitgestrekt tot muren en dergelijke, die minder juist met den naam van gehouioen zouden aangeduid worden, en die wel eene afdekking, maar geen dak plegen te hebben.
Het tweede artikel zegt met eenigszins andere bewoordingen hetgeen in artikel 701 B. W. wordt voorgeschreven. Alleen is het verbod in een meer positieven vorm gesteld en werd het onnoodig geoordeeld het slot van bet voormeld artikel over te nemen.
Art. 155.
Bij vergelijking van dit artikel met artikel 702 B. W. valt het in het oog, dat het ontwerp ruimer is gesteld. Het recht om het herstellen of afbreken te vorderen geldt voor alle werken, die door bouwvalligheid een erf in gevaar brengen, en onverschillig of het erf dat is van den nabuur of van een eigenaar, die verder van de grenslijn afligt. Bij hooge gebouwen en schoorsteenen is deze uitbreiding gewenscht. In één opzicht gaat het ontwerp iets minder ver dan het geldende recht. Het maakt namelijk geen melding van werken, «die over hetzelve heen hangen». Indien dit met eenig werk plaats heeft, zonder dat er gevaar voor eens anders erf uit ontstaat, kan de verbouwing of wegneming niet gevorderd worden op grond van dit artikel. De vraag of de eigenaar van het werk alsdan tot het een of het ander moet overgaan kan zich alleen voordoen, wanneer de bepaling van artikel 56 tegen hem wordt ingeroepen.
Art. 156.
Bij de vaststelling van dit artikel deden zich vooraf een tweetal meer principieele vragen voor. In de eerste plaats of men het voorschrift alleen zal laten gelden voor gemeene scheidsmuren en de
104
niel-gemeene scheidsmuren, die aan een ander toebehooren, dan wel of het evenzeer van toepassing zal zijn voor scheidsmuren, die toebehooren aan den eigenaar van den grond, die liet werk op zijn terrein wil maken. Ook door de Fransche schrijvers wordt daarover verschillend gedacht. Hel ontwerp gaat van de meening uit, dat men niet zóóver moet gaan om den eigenaar van den muur evenzeer aan banden te leggen. Het doel van het artikel is bescherming van den muur en, al moge het waar zijn, dat de werken aan de eene zijde gemaakt ook aan het terrein aan de andere zijde gelegen schade kunnen veroorzaken, â de bepalingen van het burenrecht moeten zich niet dan bij uitzondering uitstrekken lot het Ie keer gaan van dergelijke meer verwijderde invloeden, waardoor de vrije uitoefening van het recht van eigendom moer dan noodig wordt belemmerd. De vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad blijft daarbij natuurlijk onverkort. De tweede vraag betrol het al of niet verband houden met de wet van 2 Juni 1875 (Stbl. n0. 95) ') â de hinderwet â hetzij door in dit arlikel een verbod op te nemen om werken te maken in strijd met de bepalingen van voornoemde wet, en alzoo een preventief werkend rechtsmiddel aan den aangrenzenden eigenaar te geven, wanneer hij gevaar voor zijne eigendommen vreest, hetzij door zelfs in sommige gewichtige gevallen een recht van schadevergoeding toe te kennen niettegenstaande de voorschriften der voormelde wet zijn nageleefd, b.v. indien men zijne woning, door het aanbrengen van eenige inrichting, geheel onbruikbaar ziet worden. Ook op deze vraag is een ontkennend antwoord gegeven. Wat het laatstvermelde aangaat, men wenschte in dat opzicht niet te gaan builen de vereischten van artikel 1401 vlg. B. W. en dus vast te houden aan het criterium, dat de daad onrechtmatig was; en, wat het eerstvermelde betreft, meende men, dat de zorg voor de nakoming der administratieve voorschriften aan het openbaar gezag moest worden overgelaten en dat er geen grond beslaat en het evenmin wenschelijk is om bovendien aan den eigenaar de bevoegdheid te geven zich bij den hurr/er-lijken rechter te beklagen en daar recht te zoeken.
Wat men ten aanzien van de wet van 1875 aannam is niet doorgevoerd met betrekking tot de politie-verordeningen. De belangen, die men hier wil beschermen, missen het algemeen karakter, hetwelk in den regel aan de voorschriften, krachtens de wet van 1875 gegeven, eigen is; hunne handhaving kan dus zonder bezwaar voor een gedeelte aan bijzondere personen worden opgedragen.
Het Duitsche Wetboek heeft in § 906 eene bepaling van vrij ver reikende strekking. Zij luidt aldus: «Der Eigentbümer eines Grundstücks kann die Zuführung von Gasen, Dampten, Gerüchen, «Rauch, Russ, Warme, Gerausch, Erschütterungen und iihnliche von einem anderen Grundstück « ausgehende Einwirkungen insoweit nicht verbieten, als die Einwirkung die Benützung seines Grundstücks « nicht oder nur unwesentlich beëintrUchtigt oder durch eine Benützung des anderen Grundstücks her-« beigeführl wird, die nach den örllichen Verhaltnissen bei Giundstücken dieser Lage gewöhnlich ist. » Bij de bespreking der vraag of ook hieraan een voorbeeld zou worden genomen, heeft men zich op hetzelfde standpunt geplaatst als, gelijk hierboven werd medegedeeld, ten aanzien van de wet van 1875 werd ingenomen. De overname van eene dergelijke bepaling werd dan ook niet raadzaam geachl , vooreerst omdat de voormelde wet van 1875 reeds in vele der in § 850 Duitschland genoemde gevallen voorziet, maar ook omdat het voor het behoud van den vrede tusschen naburen niet wenschelijk scheen den weg te openen voor het klagen over de uitoefening van het eigendomsrecht van den eenen nabuur, zonder dat er sprake kan zijn van eene onrechtmatige daad, doch
1) Met de latere wijzigingen opgenomen in Staatsblad van 1896 u0. 22-2.
105
waar men in eene beoordeeling zal moeten treden of er werkelijk hinder is veroorzaakt aan het aangrenzend goei en of die al dan niet is veroorzaakt door het gewone gebruik van den grond, of wel of de grenzen van het plaatselijk gehndk zijn overschreden.
De woorden «of soortgelijke afsluiting» zijn hier ingevoegd, omdat het voorafgaand artikel l^Q niet naar het latere artikel 156 kon verwijzen.
Van «sekreten» is nevens de woorden «put» en «riool» geen melding gemaakt, ten einde te voorkomen, dat men liet artikel ook zou moeten toepassen op hel tonnenstelsel, ofschoon het dan tot moeilijkheden zoude aanleiding geven, terwijl het in zulke gevallen niet noodig is afstanden in acht te nemen.
Het afzonderlijk opnoemen van «verzamelplaatsen of voorraadplaatsen van zout of bijtende stoffen » scheen niet noodig, terwijl daarentegen het woord «goot» er bijgevoegd is, omdat in menige plaatselijke verordening voorschriften worden aangetrolïen omtrent de wijze, waarop eene goot tegen een scheidsmuur moet worden aangelegd. (Zie Mr. Hingst t. a. p. passim). De verplichting, opgelegd bij het «maken», geldt ook bij het «hebben» van de vermelde werken, zoodat hij, die, zonder verzet van zijn buurman, in strijd met het voorschrift een of ander werk heeft gemaakt of die het reeds gemaakte van een ander heeft overgenomen, zich niet op een verkregen recht kan beroepen, maar desgevorderd tot amotie verplicht is, en dit blijft, zoolang de actie niet is verjaard, of eene ertdienst-baarheid (tot behoud van de bedoelde inrichtingen) niet door verjaring is ontstaan.
Art. 157.
Terwijl in het voorgaand artikel de bescherming van den muwr werd beoogd, is in dit artikel eene schrede verder gegaan en eene bepaling opgenomen, die, met het oog op de veelvuldig voorkomende schade, door de daar bedoelde werkzaamheden aan de aangrenzende terreinen berokkend, geacht kan worden gerechtvaardigd te zijn. De omvang van de schade kan in sommige gevallen zóó groot zijn, dat het gewenscht scheen den eigenaar een wettelijken grond te geven om zijn nabuur aansprakelijk te stellen voor eiken voortgang van het ondernomen werk in strijd mei de plaatselijke gebruiken of politie-verordeningen. Het ontwerp is niet zóóver gegaan als artikel 191 Ontwerp Beieren, dat den nabuur de verplichting oplegt uit eigen beweging zwdmige maatregelen te nemen, dat diens grond niet kan «nachstürzen ».
Art. 158.
Aan het bepaalde in de artikelen 704 en 705 B. W. heeft m3n het een en andjr tojgevoegd , daarbij in het algemeen den inhoud van artikel 1218 ontwerp 1820 volgende, De uitdrukking van artikel 704; «tusschen naburige erven gemeen» is behouden; daardoor immers wordt duidelijk te kennen gegeven, dat er een condominium aanwezig is ten opzichte van die werken en dat men niet moet denken aan werken, die het eigendom zijn van slechts één der naburen, doch waarvan het gebruik ook aan anderen toekomt, tengevolge van eene op het erf rustende erfdienstbaarheid.
Het «beurtelings» ruimen zoude in sommige gevallen tot grove onbillijkheid aanleiding kunnen geven, indien het verrichten van die werkzaamheid langs het eene erf zonder eenige moeielijkheid kan geschieden, terwijl het over het andere erf aan schier onoverkomelijke bezwaren onderhevig zoude zijn. Van daar de toevoeging; «voor zoover de plaatselijke gesteldheid het toelaat».
n
106
Het recht van afstand is, wat de «heimelijkheid» aangaat, bij de Groot {luleljd'iug t. a. p.) reeds bekend en wordt daar in éénen adem genoemd met het afstand doen van zijn recht op den gemeenen muur, terwijl het Ontwerp 1820 het recht tot alle werken als regenbakken en dergelijke uitstrekt. Het ontwerp heeft dit overgenomen en voorts de bepaling van artikel 138 in dezen op den voet gevolgd. Het laatste lid is een noodzakelijk complement voor liet in de daaraan voorafgegane leden toegestane recht. Indien de eigenaar van het erf', waarop het werk zich bevindt, afstand doet van dat werk, mag hij niet, zich beroepende op zijn recht van eigendom op den grond, hetzij het werk wegnemen, hetzij beletlen, dat men er gebruik van maakt, door den toegang te weigeren aan de medeëigenaars of aan hen, die het werk moeten onderhouden, herstellen of reinigen. Zijn erf wordt dus belast met eene erfdienstbaarheid, ten gerieve van zijne vroegere medeëigenaars, of liever ten behoeve van de naburige erven, tusschen welke en het zijne het werk gemeen was. De inhoud dezer bepaling is in overeenstemming met hetgeen in den volgenden Titel ten aanzien van den omvangen van het ontstaan der erfdienstbaarheden (artikel 173 en 182) is vastgesteld.
Art. 159.
De artikelen 706â709 B. W. zijn opgelost in artikel 159 van liet ontwerp. Terwijl in het eerste lid het algemeene beginsel van artikel 706 wordt teruggevonden, heeft men artikel 707 niet overgenomen. In een polderland als het onze grootendeels is, waar in tal van reglementen voorschriften omtrent het uitdiepen van slooten worden aangetroffen, zoude het op zich zelf reeds gevaarlijk zijn groote beteekenis toe te schrijven aan het feit, dat de opgeworpen aarde zich aan ééne zijde bevindt, maar bovendien ware het dan toch wenschelijk eene tijdruimte aan te geven, gedurende welke die toestand zoude moeien voortgeduurd hebben, om aan het teeken eenige waarde te kunnen hechten. Volgens sommige Fransche schrijvers (zie Demolombe t. a. p., dl. XI, n0. 455) spreekt het van zelf, dat die toestand een jaar moet hebben voortbestaan, en het Ital. Burg. Wetb. eischt in artikel 566 drie jaren. Zoowel het een als het ander kan geacht worden vrij willekeurig te zijn en het ontwerp onthield zich er dus van om uit het in artikel 707 gestelde gegeven eenig vermoeden te putten.
Artikel 708 werd behouden door het tweede lid van het onderhavige artikel, waarvan de inhoud in overeenstemming is met het eerste lid van artikel 138, handelende over den gemeenen muur. Ieder aangrenzend eigenaar zal ook, even als bij den gemeenen muur, de medewerking van den medeëigenaar der sloot kunnen vorderen, ten einde haar te onderhouden, en tot de vereischte diepte uit te baggeren. Hier ter plaatse zij nog herinnerd aan het bepaalde in het laatste lid van artikel'135, waardoor uitdrukking gegeven is aan den ook in het Oud-Hollandsch recht bekenden regel; «In «gemeene slooten wordt elk van de erven gehouden te komen ter helft van dezelve». (Zie artikel 1238 Ontwerp 1820 j0. de Groot t. a. p. Boek 111, dl. 28 in fine),
Terwijl de opname van eene bepaling als die van artikel 709 niet noodig werd geacht, omdat het recht van de aangrenzende eigenaren om gebruik te maken van de sloot reeds uit den gemeen-schappelijken eigendom voortvloeit en het opnoemen van enkele bevoegdheden daarenboven tot onjuiste gevolgtrekkingen zoude kunnen leiden, â heeft het ontwerp omtrent één speciaal punt een voorschrift meenen te moeten geven, en wel ten aanzien van het recht en de verplichting om de uitgegraven stoffen te mogen en te moeten ontvangen. Men zou wsllicht ook in dit opzicht zich kunnen
407
beroepen op den algemeenen regel omtrent medeeigendom, maar het kan zijn nut hebben door deze bepaling te doen uitkomen, dat, wie de uitdieping ook moge verrichten en aan welke zijde van de sloot dit ook moge geschieden, de daaruit komende specie mag en moet verdeeld en ontvangen worden naar evenredigheid van ieders recht.
Het laatste lid dient om buiten twijfel te stellen wat tot hiertoe door de rechtswetenschap zeer is betwist. Dat de bevoegdheid om van zijn recht op de sloot afstand te doen in ons grootendeels uit poldergronden bestaand land in vele gevallen uitgesloten is door de op dit stuk geldende reglementen, spreekt van zelf, maar ook daar, waar het verbod niet door publiekrechtelijke lichamen is gegeven, scheen het verkieslijk den afstand niet toe te laten. Bij landelijke eigendommen kan iedere nabuur er het grootste belang bij hebben, dat de scheidingsloot behoorlijk onderhonden nn op de vereischte diepte en breedte gehouden worde.
Art. 460 en 464.
Na belgeen bij het voorgaand artikel ten aanzien van de gemeene sloolen is gezegd, kan de toelichting van artikel 460 kort zijn. De artikelen 744 en 742 B. W. zijn niet overgenomen, het eerste niet, omdat het daar bepaalde begrepen is in de verplichting tot onderhoud, het tweede niet, omdat de daar gemaakte gevolgtrekking te ver gaat, zij bet ook, dat bet feit, dat een erf aan alle zijden door heggen omringd is, terwijl de aangrenzende erven geene afsluiting hebben, kan worden aangemerkt als teeken, dat die heggen niet gemeen zijn. De reden, waarom gemeend werd eenzij-digen afstand niet te mogen toelaten, is, dat eene heg in den regel niet bet minste gemak of voordeel oplevert en iedere medeëigenaar genoopt zou zijn zoo spoedig mogelijk van zijn recht afstand te doen, ten einde bevrijd te worden van de onderhoudskosten.
In artikel 464 is eenige uitbreiding gegeven aan het bepaalde in artikel 740 tweede lid B. W.
De opgaande boomen en de van die boomen afkomende vruchten zijn gemeen, onverschillig waar ter plaatse die boomen in de gemeene heg staan, ook al staan ze niet op de grenslijn, maar geheel op den grond van een der naburen. Hierin ligt dus eene afwijking van den algemeenen regel, dat wat niet in gelijke mate op de erven gegroeid is geacht moet worden in eigendom toe te behooren aan de naburen naar evenredigheid van de ruimte, die het op ieders erf inneemt (Hf.sse , J)ilt;; Rechit-verhültnisse zwischen Grmuhtüvkmohharn, p. 540â544; Baudry, Précis du droit civil, p. 824 , n0. 4298). Met de woorden: «welke daar ter plaatse door de heg gescheiden worden» wordt aangeduid in de eerste plaats, dat, waar eene doorloopende heg nu eens erven aan A en B toebehoo-rende, dan weder erven aan A en G toekomende scheidt, de boomen gemeen zijn tusschen de eigenaren van die erven, die werkelijk daar ter plaatse door de heg worden gescheiden, en in de tweede plaats dat, zooals hierboven werd gezegd, de boomen niet op de grenslijn behoeven te staan, maar dat het alleen een vereischte is, dat de heg gemeen is.
Het woord «rooien» is te verkiezen boven het woord « omhakken »; het voldoet beter aan het denkbeeld, dat er aan ten grondslag ligt: het met wortel en al wegruimen van het geplante.
Art. 462.
Het is bekend, dat artikel 743 B. W. eene vertaling is van artikel 674 C. C., doch dat bij
108
'lie vertaling eene onderscheiding is te loor gegaan, nl. van «arbres a haute tige» en «autres arbres», hetgeen tot moeielijkheden in de practijk heeft aanleiding gegeven. Door in het artikel te spreken van «heesters» nevens «hoornen» en «heggen» is men aan dit bezwaar te gemoet gekomen. Van «hoog opschietende» boomen wordt daarentegen niet meer gesproken, omdat het niet doenlijk schijnt de grens tusschen deze en de niet-hoog opschietende hoornen aan te geven. Artikel 671 C. G., zoo als het thans gelezen wordt na de Wet van 20 Augustus 1881, (zie Baudry t. a. p. p. 872, Nquot;. 1520) maakt melding van «arbres, arbrisseaux et arbustes» en geelt den afstand op van twee meter voor beplantingen, die hooger komen dan twee meter, en van een halven meter voor andere beplantingen. Laurent, Avant-projet, volgt dit voorbeeld in artikel 692.
Hel Ital. Burg. Wetb. heelt in artikel 579 getracht de verschillende boomen te brengen onder de toogstammige of onder de niet-hoogstammige boomen , maar met (Laurent Avant-projet III, p. 157) is men gerechtigd te zeggen: «l'essai n'a pas réussi.»
Met het oog op het doel der bepaling, nl. dat het erf van den nabuur niet zal lijden door te ver doorschietende wortels of te hoog opschietende boomen, schijnt de onderscheiding van het ontwerp, nl. van «hoornen» en «heesters», de meest aanbevelingswaardige. De billijkheid, toch, gebiedt om heesters, die door hunne wijze van groeien veel minder schadelijk zijn dan opgaande boomen, niet aan eene maximum-hoogte b.v. van twee nieter te onderwerpen.
Het artikel luidt, evenals artikel 713 B. W., algemeen voor alle gronden en maakt dus geen uitzondering voor de steden enz., zoo als door Laurent t. a. p. is geschied. Indien er werkelijk bezwaren bestaan om den in de wet voorgeschreven afstand in acht. te nemen, dan zal het plaatselijk gebruik, waarnaar verwezen wordt, zeer zeker een korteren afstand aangeven; â het maken van eene uitzondering voor de stedelijke eigendommen kan dus geacht worden onnoodig te zijn.
Voor de reden, waarom alleen van plaatselijk gebruik en niet van plaatselijke verordeningen wordt gesproken, kan verwezen worden naai' hetgeen bij artikel 150 is opgemerkt.
Het tweede lid van het artikel is ontleend aan de meergenoemde Fransche Wet van 1881. Het belang om eene uitzondering te maken voor de leiboomen is nog grooter in dit ontwerp, waar het in acht nemen van afstanden afhangt niet van de hoogte der boomen, maar van hunnen aard. Leiboomen zullen in den regel wel niet de hoogte van twee meier overschrijden, maar vrucht-hoornen kunnen geacht worden eerder tot de hoornen dan tot de heesters te behooren.
Indien de muur gemeen is, zullen beide naburen hunne leiboomen daartegen kunnen doen steunen, â in het tegenovergeslelde geval kan alleen de eigenaar van den muur dit doen. Dit laatste volgt van zelf uit den uitsluitenden eigendom van den muur, zonder dat het noodig is dit, gelijk de Fransche Wet doet, uitdrukkelijk te zeggen.
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat uit den aanhef van het artikel volgt, dat hij, tegen wien de eisch tot wegneming der boomen is gericht, hel aanwezig zijn van plaatselijk gebruik, waardoor een kortere aftand zoude toegelaten zijn, moet bewijzen. De twijfel, die daaromtrent in ons geldend recht schijnt te bestaan (zie Mr. Hingst t. a. p., pag. LXXXVII), is daardoor opgeheven.
Art. 163.
Het Duitsche Ontwerp § 861 ') maakte geen onderscheid tusschen de takken en de wortels en
1) In tweede lezing (§ 824) is men hierop teruggekomen en heeft men in dit opzicht tusschen beide onderscheid gemaakt. Zie ook § 910 van het Duitsche Wetboek.
109
geeft ten aanzien van beide slechts dan de bevoegdheid om zelf handelend op te treden, indien de nabuur verzuimt aan de tot hem gerichte aanmaning gevolg Ie geven. Het onderhavige artikel, daarentegen , heeft het onderscheid behouden (zoo ook Ontwerp Beieren artikel 198), eensdeels omdat men hij het afkappen van takken den boom door gebrek aan kennis en door zorgeloosheid in groote mate kan beschadigen, terwijl verschil in de wijze, waarop men de wortels weghakt, niet van grooten invloed kan zijn op hel, lot van den boom, ten anderen, omdat men vaak, bij het bearbeiden van zijn eigen grond, onwillekeurig schade aan de wortels van zijn buurman kan veroorzaken, hetgeen bij het snoeien van den boom zich minder goed laat denken. Het eerste lid van artikel 714 B. W. is niet overgenomen, als zijnde geheel overbodig; bovendien, het in dit artikel toekennen van de bevoegdheid om de wegneming te eischen van hetgeen in strijd met de voorschriften van het burenrecht is verricht zoude tot eene niet gewenschte redenering a contrario kunnen leiden bij andere gevallen, waarin deze bevoegdheid evenzeer vaststaat.
Het derde lid heeft ten doel te voorkomen, dat de eene buurman het slachtoffer zou worden van zijne welwillendheid tegenover den anderen, wiens boom hij jaren lang voor schade en ontsiering heeft willen sparen. Het ontwerp heeft hier gehandeld in navolging van de meergemelde Fransche Wet van 1881.
Art. 164.
Door dit artikel wordt wettelijk bekrachtigd wat toch reeds uit een algemeen verspreid rechtsbewustzijn allerwege gold. Men kan eenigszins twijfelen over de wijze, waarop men het zal formuleeren (Vgl. Mr. Diephuis Het Ned. Burg. liegt, VI, p. 276). Het Duitsche Wetboek beschouwt in § 911 de afgevallen vruchten als afkomstig van den bodem, waarop zij zijn nedergekomen, en met deze beschouwing heeft het ontwerp zich vereenigd. Door de hier gebezigde bewoordingen wordt nog duidelijker te kennen gegeven wie in werkelijkheid het genot van de vruchten heeft, nl, in het eene geval de eigenaar, in een ander geval de vruchtgebruiker of de huurder of de erfpachter
Hetgeen omtrent de vruchten bepaald is zal bij analogie ook gelden ten aanzien van de takken, de bladeren of de bloemen. Dat overigens het beginsel zelf steun vindt in het Oud-Hollandsch recht, blijkt, uit ue Groot, Inl. B. II, dl. 34, § 21, waar het navolgende wordt geleerd: «de Grondheer mag «'t gunt over syn grond hangt doen korten, en doet hy zulcks niet, zo komen hem toe de over-«hangende vruchtenquot;, zij het ook dat, daar niet de eisch gesteld is, dat de vruchten op het erf zijn gevallen, een eisch, die uit den aard der zaak van belang is voor het beoordeelen van den rechtsgrond, waaruit de bevoegdheid van den nabuur om zich de vruchten toe te eigenen moet worden afgeleid. Het Wetboek van Saksen bepaalt dan ook in § 363, dat de overhangende vruchten toebehooren aan den eigenaar van den boom, die evenwel niet, op het ert van zijn buurman mag komen om de vruchten te plukken. De afgevallen vruchten, daarentegen, komen toe aan hem, wien de grond toebehoort, waarop ze zijn gevallen.
Art. 165 en 166.
Bepalingen omtrent een noodweg zullen wel in bijkans alle wetgevingen worden aangetroffen, en het ontwerp kon zich dan ook hoofdzakelijk bepalen bij het in eenvoudigen vorm teruggeven van
110
hetgeen in de artikelen 715â718 B. VV. wordt aangetroffen. Na vergelijking van liet bij ons geldende recht met Ontwerp Beieren (artikelen 183 en ^Ig.), Wetboek Saksen (§ § 345 en vlg.), Wetboek üuitschland § 917, Wetboek Zurich (§ § 573â575), Ital. Burg. Wetb. (artikel 595) en het nieuwe artikel 684 C. G. (wel van 1881) is het evenwel noodzakelijk geacht in het bijzonder te letten op het geval, dat de toestand van ingeslotenheid een gevolg is van de vrijwillige daad van den eigenaar van het erf. Men is niet zóóver gegaan als de Duitsche wetgevingen, die in het algemeen de gehoudenheid om in zoodanige gevallen een noodweg te verschaffen ontkennen en daarvoor alleen eene uitzondering toelaten voor het geval er eene splitsing van gronden tengevolge van verkoop, ruiling enz. heeft plaats gehad, als wanneer zij den eigenaars der gesplitste gronden de verplichting opleggen over hunne erven den noodweg toe te laten; evenmin vond het voorbeeld van Zurich instemming, om in zoodanige gevallen eene dubbele schadeloosstelling toe te kennen; doch op het voorbeeld van de Fransche wet van 1881 heeft het ontwerp, bij splitsing der gronden, alleen die eigenaars lot het verschaffen van een uitweg willen noodzaken, wier gronden vroeger één geheel met het ingesloten erf hebben uitgemaakt, doch tevens subsidiair het recht oin een uitweg te vorderen tegenover alle andere eigenaars bestendigd, voor zoover op eerstgemelde wijze geen bruikbare noodweg tot sland te brengen zoude zijn. In den regel zal voor zulk een uitweg gezorgd zijn bij het contract, waarbij de splitsing is tot stand gekomen, hetzij met of zonder toekenning van schadeloosstelling. Mocht het verzuimd zijn, dan moet de uitweg op voormelde wijze verleend worden met schadeloosstelling, indien die gevorderd wordt.
Voorts zal men in het algemeen moeten aannemen, dat, bij het zich vrijwillig, met opzet ol door achteloosheid brengen in een toestand van ingeslotenheid, deze omstandigheid van invloed kan zijn op de hoegrootheid der schadeloosstelling , al gaat men niet met het Wetboek Zürich mede om haar alsdan steeds op het dubbel bedrag te willen vastgesteld zien.
Artikel 165 zegt; «onmiddellijk noch middellijk»; bij dit laatste heeft men o. a. het oog gehad op de gemeenschappelijke wegen van artikel 167.
Onder het woord « landen » moeten ook begrepen worden de aanhoorigheden van bebouwde erven.
«Tegen vooraf te betalen of te verzekeren vergoeding van de schade». Door deze tusschen-voeging heeft men den eigenaar, die den nood- of uitweg moet geven, willen behoeden tegen schade, veroorzaakt door een onwilligen of onvermogenden nabuur.
« Schade door dien weg berokkend» geldt niet alleen de schade, die onmiddellijk aan den grond wordt toegebracht, maar ook de schade, die op andere wijze, b.v. door verminderde verkoopwaarde van den grond, wordt geleden. Meer indirecte schade, aan den nabuur b.v. door mogelijk geworden bedrijfsconcurrentie berokkend, kan uit den aard der zaak niet in aanmerking komen.
Het tweede lid van artikel 165 vervangt artikel 716 B. W.; arlikel 1247 Ontwerp 1820 strekte daarbij tot voorbeeld. Men meende met recht van «bezwaarde» landen te kunnen spreken, vermits het hier eene verplichting geldt, die de kenmerken van eene erfdiensthaarheld draagt en alleen door het bepaalde van het derde lid daarvan wordt onderscheiden. Toch is de plaatsing-in dezen Titel gewettigd, omdat de bevoegdheid eenerzijds en de verplichting anderzijds rechtsstreeks voortvloeit uit de nabuurschap der beide erven.
Het derde lid brengt in de bepaling van artikel 718 geene verandering. Na de woorden: «hoe lang hij ook hebbe bestaan » scheen hel onnoodig nog uitdrukkelijk er op te wijzen, dal een noodweg niet door verjaring in een gewone erfdienstbaarheid van weg kan overgaan. Evenmin kan de
Ill
noodweg door non-usus te niet, gaan, daargelaten of dit practiscli denkbaar is voor een noodweg in een bevolkt en algemeen bebouwd land als het onze. Alleeen het niet meer noodig zijn doet de verplichting ophouden. Voor eene bepaling als die, welke vervat is in artikel 717 B. W., bestond dan ook geen grond. Bovendien kan men zeggen, dat het geval, hetwelk men daar op het oog-heeft, nl. het door verjaring te niet gaan van het recht op schadevergoeding, bij de nu voorgestelde redactie, zoo ooit, dan toch zelden zal voorkomen.
Art. 167.
Bij de vaststelling van dit artikel is het oog gehouden op twee arresten van den Hoogen Raad, nl. van 3 Januari 1845 (van den Honert B. 1\., dl. VI, p. 248 en vlgg.) en van 1 Mei 1884 (van den Honert B. R., dl. XLIX, p. 369 en vlgg.) 1). Dientengevolge zijn de woorden: «aan «verscheiden geburen gemeen» uit artikel 719 B. W. veranderd in «waarvan geburen het ge-
« meenschappelijk gebruik.....hebben. » Het is dus niet de vraag wie de eigenaar is van den
weg of in hoeverre deze pro diviso of pro indiviso aan de verschillende geburen in eigendom toebehoort, maar of de weg in (jehruïk is bij verschillende personen.
Ter voorkoming van de meening, dat de buurweg tevens zou moeten zijn een eenige uitweg of althans een uitweg, is van dit laatste in het ontwerp gezwegen.
Door bijvoeging van het woord «gangen» is de bepaling ten behoeve der stedelijke eigendommen nog eenigszins verruimd.
Ten slotte zij nog de navolgende opmerking bij dezen Titel gemaakt. Het ontwerp heeft niet overgenomen artikel 720 B. W., omdat het onnoodig is te herinneren, dat al wat van overheidswege, in den meest ruimen zin genomen, bevoegdelijk wordt bevolen of voorgeschreven, onafhankelijk is van de civiele verhouding tusschen personen, die, tengevolge van de nabuurschap hunner erven of gronden, in rechtsbetrekking tegenover elkander komen te staan. De nog slechts sedert korten tijd in werking getreden «veiligheidswet» van 20 Juli 1895 (Stbl. n0. 137) b v. zoude len gevolge kunnen hebben, dat er voorschriften werden gegeven, die hinderlijk waren voor den nabuur en in strijd met hetgeen hij krachtens het burenrecht zou kunnen eischen. Zooals werd opgemerkt, heeft het ont werp in artikel 131 gewag gemaakt van de voorschriften omtrent den waterstaat; ook dit ware misschien onnoodig geweest, doch het moge zijne rechtvaardiging hierin vinden, dat men daar te doen kan hebben met voorschriften, die zóózeer strijden met de belangen der eigenaars en in zulk eene mate indruischen tegen hetgeen het burenrecht op dat stuk tusschen de naburige eigenaars vaststelt, dat eene herinnering aan de publiekrechtelijke regeling niet ondienstig scheen te zijn. Ook heeft het een onderwerp van beraad uitgemaakt, of hetzij in dezen Titel, hetzij in den volgenden, handelende over de erfdienstbaarheden, te kennen zoude worden gegeven, dat door deze laatste wijzigingen kunnen gebracht worden in hetgeen overigens tusschen geburen recht is. Men heefl zoodanige bepaling niet opgenomen, omdat zij kon geacht worden overbodig te zijn en tol de meening konde leiden, dat men niet door persoonlijke, alleen tusschen partijen geldige, overeenkomst van het burenrecht zou mogen afwijken.
1
De Hooge Raad heeft bij die jurisprudentie volhard bij arrest van 18 November 1895, Wbl. 6740.
112
V IJ F D E T I T E L.
Van erfdienstbaarheden.
In dezen Titel zijn geene ingrijpende veranderingen gebracht. Slechts op één punt dient hier in liet bijzonder de aandacht fe worden gevestigd. De onderscheiding, namelijk, tusschen voortdïirende en niei-voorldwende, alsmede tusschen zichtbare en uiet-zichtbare of onzichlhan; erfdienstbaarheden (zie de artikelen 724 en 725 B. W.) is niet in het ontwerp opgenomen. Het behoud der in de vermelde artikelen voorkomende omschrijvingen dier verschillende soorten scheen allerminst gewenscht, maar ook het nut der onderscheiding zelve werd niet ingezien. Daargelaten of de dubbele onderscheiding wel juist was en of niet in ieder geval met recht zou kunnen beweerd worden, dat de begrippen: voortdurend en zichtbaar aan den éénen en niet-voortdurend en onzichtbaar aan den anderen kant elkander, althans in verreweg de meeste gevallen, dekken, â zoo scheen ook zelfs de enkele onderscheiding tusschen voortdurend en niet-voortdurend alleen van belang voor hel ontstaan der erfdienstbaarheden door bezit en verjaring en door bestemming, alsmede voor het te niet gaan der erfdienstbaarheden door verjaring, en kwam het doelmatiger voor bij die onderwerpen het genoemde verschil in het oog te houden en, hetzij mét heizij zónder het gebruik van die woorden, recht te laten wedervaren aan het onderling afwijkend karakter der erfdienstbaarheden. In hoeverre in den Titel van Bezit, daaraan gevolg is gegeven, is uit dien Titel gebleken; ten aanzien van liet ontstaan door bestemming zal dit onderwerp bij artikel 185 ter sprake komen, terwijl in de artikelen 191 en 192 hij de exslinctieve verjaring andermaal gelegenheid zal zijn op dit onderscheid het oog te slaan.
Art. 108.
Evenals in ^len Titel van Eigendom wordt ook hier eene omschrijving van liet zakelijk recht op den voorgrond gesteld, â evenwel met dit onderscheid, dat het recht nu niet wordt omschreven , gezien van de zijde van den rechthebbende, maar van de zijde van hem, die den last draagt, â eene afwijking genoegzaam gerechtvaardigd én door de heteekenis van het woord «erfdienstbaarheid » èn door het voorbeeld, door het Burgerlijk Wetboek in artikel 721 gegeven.
In het artikel is datgene samengevat, wat uit de artikelen 721â723 B. W. diende overgenomen te worden. Dat eene bepaling als die van artikel 723 geheel gemist wordt, zal zeker niemand bevreemden; hetgeen in artikel 722 wordt geleerd heeft zijne plaats gevonden aan het slot van het voorgedragen artikel, en de tweede alinea van artikel 721 meende men te kunnen weglaten, nu de omschrijving van erfdienstbaarheid duidelijk genoeg te kennen geeft, dat \a.n persoonlij Jee dienstbaarheden in dezen Titel geen sprake kan zijn, noch in den eigenlijken zin, als slavernij, lijfeigenschap of heerendienst, noch in den zin van dienstbaarheid van een erf aan een bepaald persoon.
Het artikel spreekt van « een ander erf» in afwijking' van artikel 721, alwaar gezegd wordt: «een erf, hetwelk aan eenen anderen eigenaar toebehoort». Door deze wijziging is tegemoetgekomen aan de meermalen gemaakte opmerking, dat men zich zeer goed eene erfdienstbaarheid kan denken
113
tusschen twee erven, die denzelfden eigenaar hebben, doch waarvan het. eene of die beiden met zoodanige zakelijke rechten zijn bezwaard, dat de erfdienstbaarheid haar reden van beslaan lieeft, even goed ais indien de erven aan verschillende eigenaars toebehoorden. Dit beginsel zal men ook bij de vermenging (artikel 190) toegepast zien.
Art. 169.
Men vindt in dit artikel terug betgeen in het geldende recht in de artikelen 737 en 741 B. VV, is vastgesteld. Eene doctrinaire bepaling omtrent de ondeelbaarheid van erfdienstbaarheden, zooals b.v. het Ontwerp Duitschland in § 968 ') te lezen gaf, voldeed minder dan het in hoofdzaak behouden van den inhoud der voormelde artikelen. Het scheen intusschen gewenscht de beide bepalingen in één artikel te vereenigen en tevens, door verandering van hare plaats, het beginsel meer op den voorgrond te stellen. De bijvoeging in artikel 741: « voor zooveel tot derzelver uitoefening noodzakelijk is» werd niet overgenomen, ook al vindt men eene dergelijke beperking in de vreemde wetboeken of ontwerpen van wet terug, (Zie o.a. § 1026 Duitsch Wetboek). Zoo men er mede wenscht te kennen te geven, dat op een afgesneden stuk grond de erfdienstbaarheid vervalt, indien door de ligging er van hare uitoefening langs of over dat stuk volstrekt onmogelijk is, dan is de toevoeging overbodig; meent men evenwel verder te mogen gaan en de erfdienstbaarheid als vervallen te mogen beschouwen, indien de hulp van het afgesneden stuk in het vervolg voor de uitoefening waarschijnlijk niet noodig zal zijn, dan is de beperking niet zonder gevaar.
Evenmin is het tweede lid van artikel 737 hier opgenomen. Voorbeelden om aan te toonen, hoe de wet moet toegepast worden, behooren in de geschreven wet niet te huis. Intusschen mag als eene juiste toepassing aangenomen worden, dat, wanneer het eene erfdienstbaarheid van overgang geldt langs een bepaalden weg, diezelfde weg zal moeten gevolgd worden, indien het heerschend erf zal zijn verdeeld, en ook dal, indien eene erfdienstbaarheid van overgang in het algemeen bestond, zoodat de eigenaar van het heerschend erf de keus had welke richting hij aan den te gebruiken weg zoude geven, na verdeeling van dat erf de deelgerechtigden zich aan de door hunnen auteur gedane keus zullen moeten houden of wellicht, evenzeer eene keus zullen kunnen doen, maar dat in ieder geval allen van dienzelfden gekozen weg zullen moeten gebruik maken.
Artt. 170â172.
In deze artikelen is datgene samengevat wat betrekking heeft op de wijze van uitoefening der erfdienstbaarheden en zijn algemeene regelen gesteld ten aanzien van hetgeen de eigenaars onderling hebben in acht te nemen. In het Burgerlijk Wetboek zijn die voorschriften vervat in de artikelen 738â740, terwijl de artikelen 727 en 731, evenals het slot van artikel 740, voorbeelden van toepassing dier voorschriften bevatten, welke voorbeelden om dezelfde reden als bij het voorgaand artikel genoemd uit het ontwerp zijn weggelaten.
Als hoofdbeginsel is vooropgesteld , dat de uitoefening moet geschieden op de minst bezwarende wijze. Deze eisch van redelijkheid beheerscht. de uitoefening der erfdienstbaarheid en moet in het oog
1) In de tweede lezing is dit artikel geschrapt.
o
114
worden gehouden bij de toepassing van het recht, hetwelk men uit titel, verjaring of bestemming zou kunnen laten gelden.
Als aanvulling van de bepalingen bij de verleening gemaakt, wordt in artikel 170 alleen verwezen naar de plaatselijke gebruiken, â niet naar de verordeningen. Na hetgeen ten aanzien van de plaatselijke verordeningen bij het burenrecht is vermeld (zie hierboven ad art. 150) zal tot toelichting van deze afwijking niet veel gezegd behoeven te worden. Dat zoodanige verordeningen bestaan of bestaan hebben, kan blijken uit de verhandeling van Mr. Hingst , reeds genoemd, maar, terwijl het grondwettig bezwaar zeker hier niet minder geldt dan bij het burenrecht, is ook de wenschelijkheid om den plaatselijken wetgever in dezen eenigen invloed toe te kennen, moeielijk aan te toonen. Bij het verleenen kunnen, en zullen ook, zoo niet alle, dan toch de meeste voorschriften omtrent de uitoefening zijn gegeven. Voorzoover mocht blijken dat men daarin is te kort geschoten, zal juist het plaatselijk gebruik de leemte aanvullen, terwijl de invloed van eene verordening huiieu of tegen het plaatselijk gebruik niet kan worden begeerd.
De bepaling van het tweede lid van artikel 738 B. W. heeft, zooals bekend is, tot moeielijkheden in de practijk geleid en meermalen de vraag doen rijzen: welke verandering moet als eene niet-geoor-loofde beschouwd worden, wijl daardoor de toestand van het dienstbare erf is verzwaard'? (Men vergelijke arrest van den H. B. d. d. 27 October 1865, Ned. Bechtspr. dl. 81, p. 78 en arrest van den H. B, d. ft. 0 Juni 1873, Ned. Bechtspr. dl. 104, p. 101; arrest van het Hof van Amsterdam d. d. 10 Mei 1878, Weekbl. 4389). Het ontwerp onderscheidt in artikel 171 twee van elkander verschillende gevallen; in het eerste lid wordt gesproken van veranderingen die aan de werken worden aangebracht, in het tweede lid heeft men slechts op het oog eene uitbreiding van het gebruik, die verder gaat dan geacht moet worden in de bedoeling van partijen te hebben gelegen, toen de erfdienstbaarheid ontstond. De strekking van het artikel is niet om eenvoudig te kennen te geven, dat men de door den titel aangeduide grenzen niet zou mogen overschrijden, â een dergelijk verbod ware overbodig, â maar om in meer algemeene bewoordingen het beginsel uit te spreken, waarvan de artikelen 727 en 731 B. W., blijkens de daar gegeven voorbeelden, uitgaan.
Zoo zal, indien eene erfdienstbaarheid van vensterrecht is verleend, zonder bepaling van het aantal vensters, de eigenaar van het heerschend erf van zijn recht op de meest onbeperkte wijze kunnen gebruik maken, doch, eenmaal duidelijk hebbende te kennen gegeven hoe hij van dat recht wenscht gebruik te maken, geen nieuwe vensters nevens de reeds aangebrachte mogen laten maken, noch deze laatste door anders ingerichte mogen laten vervangen, tenzij uit den titel blijkt, dat ook dit hem geoorloofd is. Luidt de erfdienstbaarheid evenwel: het recht om b.v. zes vensters te hebben, dan zal de eigenaar zeer zeker niet gedwongen kunnen worden alle zes vensters tegelijk te laten maken, â hij zal zulks kunnen doen naarmate hij ze noodig heeft, âdoch zullen daarentegen de afmetingen van die vensters en de wijze van inrichting van ieder hunner niet mogen worden gewijzigd, indien de last daardoor zoude worden verzwaard.
Het tweede lid steunt, nog meer dan het eerste, op het arbitrium judicis. Alles hangt hier af van de feitelijke omstandigheden. Het ontwerp heeft alleen willen te kennen geven, dat, met volle eerbiediging van de rechten van den eigenaar om zoodanige bestemming aan zijn onroerend goed te geven als hij wil, en met erkenning van de wenschelijkheid om de economische ontwikkeling van eene streek niet onnoodig aan banden te leggen, er zich toch gevallen kunnen voordoen, dat de erfdienstbaarheid door een en ander zóó bezwarend voor den eigenaar van het dienend erf zou
115
worden, dat zij, op deze wijze uitgeoefend, met het oog op den titel waarop zij steunt, niet meer gerechtvaardigd zoude zijn. Een voorbeeld van zoodanige ongeoorloofde uitbreiding vindt men in liet arrest van den H. R. d. d. 27 Oct. 1865 (hiervoren vermeld). Het gold daar eene erfdienstbaarheid van weg, vóór de invoering der Fransche wetgeving hier te lande door verjaring verkregen, ten behoeve van weiland. Op een der perceelen weiland werd een steenoven geplaatst en ook ten behoeve van dien steenoven werd nu het recht van uitweg gepretendeerd. De Hooge Raad zag hierin eene verzwaring der erfdienstbaarheid, die, met het oog op artikel 738 B. W. , niet behoefde geduld te worden. Wanneer men evenwel zou willen beweren, dat ditzelfde moet worden aangenomen, b. v. indien het weiland wordt veranderd in bouwlaud, zoodat niet alleen melkkarren, waterwagens of hooiwagens, maar ook ploegen, eggen, mestwagens, zaai- en dorschmachines langs den weg zullen worden vervoerd, of wel, indien een particulier woonhuis wordt veranderd in eene kostschool of in arbeiderswoningen, dan gaat men in de toepassing te ver. Immers eene dergelijke verandering van bestemming, inrichting of gebruik is niet van zóó ingrijpenden aard, dat hij, die de erfdienstbaarheid oorspronkelijk verleende, haar niet als mogelijk kon veronderstellen, tenzij uit de bewoordingen van den titel of uit om standigheden, die tot het verleenen van de erfdienstbaarheid hebben aanleiding gegeven en kunnen dienen om minder duidelijke bewoordingen van den titel te verklaren, zoude kunnen afgeleid worden, dat door die verandering werkelijk buiten de bedoeling van partijen is getreden.
Artikel 172 omvat den inhoud van de artikelen 739 en 740 B, W. eerste gedeelte. Dat al wat tot de uitoefening vau de erfdienstbaarheid behoort «op de minst bezwarende wijze» moet geschieden, behoefde niet herhaald te worden na hetgeen daaromtrent in artikel 170 op den voorgrond is gesteld.
De bevoegdheid , den eigenaar van het dienend erf in het laatste lid van dit artikel gegeven, is eene bestendiging van het geldende recht; dat zoodanige veranderingen komen voor rekening van dien eigenaar is in het ontwerp niet uitgedrukt; â men kin het er voor houden, dat dit van zelf spreekt.
Art. 173â175.
In deze artikelen wordt, meer omstandig dan in het B. W., de verhouding van de eigenaars der beide erven tot de op het dienend erf zich bevindende werken geregeld. In de eerste plaats wordt in artikel 173, in ' eenigszins ruimere bewoordingen, gezegd wat in artikel 735 B. W. is vermeld; het sluit zich onmiddellijk aan bij hetgeen in artikel 172 is voorafgegaan, â immers het is een gevolg van de verplichting het gedoogen van alle handelingen, die tot. uitoefening der erfdienstbaarheid noodig zijn.
Het tweede lid van artikel 173 beslist aan wien de werken toebehooren, die op het dienend erf zijn gemaakt, en maakt daardoor een einde aan eene strijdvraag, die o.a. in Themis (jaargang 1887, p. 235 en volgende) in het breede is uiteengezet en besproken; dat de eigenaar van het heerschend erf er alleen als zoodanig eigenaar van zal kunnen zijn, zoodat de eigendom der werken overgaat op iederen nieuwen eigenaar van dat erf, behoeft niet in de wet te worden opgenomen; het vloeit uit den aard der zaak voort.
Het laatste lid van het artikel is uit het Duitsche Wetboek §1020 overgenomen. De billijkheid dezer bepaling springt in het oog: het mag den eigenaar van het heerschend erf niet vrij slaan ora
116
de werken, voor welker onderhoud hij zorg moet dragen, zoodanig te laten vervallen, dat het dienend erf daarvan schade zoude kunnen ondervinden.
Terwijl van de veronderstelling wordt uitgegaan, dat de werken alleen ten behoeve van het heerschend erf zijn gemaakt en dus ook alleen door den eigenaar van dit erf worden gebruikt, is in artikel 174 toch aan het geval gedacht, dat het dienend erf er belang bij heeft mede van die werken gebruik te maken. Het ontwerp geeft daartoe aan dien eigenaar de bevoegdheid, mits de titel hem die bevoegdheid niet ontneemt, en onder gehoudenheid om in de kosten gelijkelijk bij te dragen. Eene verdeeling van de kosten naar evenredigheid van de grootte der erven of van de â¢waarde van hel genot scheen slechts aanleiding te kunnen geven tot moeilijkheden, en dus niet gewenscht.
Artikel 732 B. W. is niet overgenomen; nog minder kan het daar bepaalde tot een algemeen beginsel uitgebreid worden. Men zou dan van het denkbeeld motten uitgaan, dat in den regel de eigenaar van het dienend erf moet. zorgen voor de instandhouding van datgene, waarop de erfdienstbaarheid wordt uitgeoefend, â in strijd met den lijdelijken aard van het zakelijk recht; en, zoo men er slechts (ene bepaling van billijkheid in wil zien voor het geval, dat. de eigenaar van het dienend erf de zorg voor de instandhouding heeft op zich genomen, dan ligt het op den weg van partijen om, zoo dit niet reeds bij het verleenen van de erfdienstbaarheid is geschied, daaromtrent, alsnog eene overeenkomst Ie sluiten, die, ter verkrijging van zakelijke werking, in de openbare registers kan worden overgeschreven.
Van zondanig beding wordt in het volgend artikel 175 melding gemaakt. Er wordt alleen gesproken van: «bij het verleenen», maar het spreekt van zelf, dat het beding ook later kan gemaakt worden, met inachtneming van de zooeven vermelde vereischten voor openbaarheid. De Titel handelende over de openbare registers erkent die gelijkstelling door het bepaalde in artikel 457 sub. 2°. Wat in artikel 736 B. W. als mogelijk is verondersteld, wordt in het voorgedragen artikel met zoovele woorden geleerd. Hel hootdbeslanddeel van artikel 736, de bevoegdheid om in zoodanig geval een gedeelte van het dienend erf aan den eigenaar van het heerscbend erf af te staan, is niet overgenomen. Op het voetspoor o.a. van Laurent [Avant-prqjet, artikel 715) en Ontwerp Beieren (artikel 286 al, 2) zou het in ieder geval de voorkeur verdienen afstand te vorderen van het dienend erf in zijn (jelieel\ maar zoodanige bevoegdheid behoeft niet te worden gegeven; zij volgt reeds uit artikel 107 van het ontwerp, waarvan het. gevolg is dat, tenzij de eigenaar van het heerscbend erf zich met den eigenaar van het dienend erf over de overname verstaat , het goed overgaat aan den Staal. Voor deze regeling pleit de overweging, dat nu alle bezwaren vervallen, die er gelegen zijn in het doen van afstand ten behoeve van een bepaald persoon, die wellicht met dien afstand volstrekt niet is gediend, terwijl hij aan den anderen kant, ter wille van de bruikbaarheid van zijne bezitting, onmogelijk de erfdienstbaarheid kan laten varen.
Art. 176â181.
Het ontwerp geelt in de nu volgende zes artikelen omschrijvingen van enkele erfdienstbaarheden. Het nut van deze omschrijvingen kan misschien in twijfel worden getrokken en met het oog op de oneindige verscheidenheid, die zich bij de erfdienstbaarheden kan voordoen, maken zij allerminst aanspraak op volledigheid.
i 17
Toch heeft men gemeend het voorbeeld van de bestaande wetgeving te moeten volgen en, ter wille van de piactijk, voor enkele vaak voorkomende erfdienstbaarheden den aard en omvang wettelijk te moeten bepalen.
Artikel -176 geeft artikel 733 B. W. terug, met dien verstande, dat nu duidelijker de vier daarin voorkomende graden uit. elkander worden gehouden. Het ontwerp volgt daarin het voetspoor van de Groot. (Inl. Boek II dl. 35, § 2â5). Ten aanzien van de breedte der paden of wegen voorziet de algemeene bepaling van artikel 170.
Artikel 177 vervult de plaats der artikelen 729 en 730 B. W. en dient dan ook, evenals deze, voornamelijk om uit te doen komen, dat hij, die de erfdienstbaarheid van waterloop (of drop, welker afzonderlijke vermelding niet noodig scheen) heeft, zich moet bepalen tot het loozen van schoon water, terwijl het loozen van vuil water onder het gootrecht valt.
Nevens deze beide erfdienstbaarheden is in artikel 178 afzonderlijk genoemd het. rioolrecht, waaruit voortvloeit, dat het loozen van faecale stoffen niet geoorloofd is aan hem, die slechts een gootrecht heeft. In beide artikelen wordt door de woorden « op of door » aangeduid, dat de erfdienstbaarheden , daar genoemd, zich niet behoeven te bepalen tot het laten afvloeien der stollen op bet dienstbaar erf, maar ook kunnen medebrengen de bevoegdheid om ze over of door dat erf verder weg te leiden. Uit artikel 173 volgt verder, dat, zoo de eigenaar van het heerschend erf voor de uitoefening van zijn recht werken noodig heeft, hij deze op het dienend erf mag aanleggen.
In artikel 179 is de bepaling van artikel 734' B. W. overgenomen. Door do beide voorzetsels «uit» en «over» wordt te kennen gegeven, dat het water op het dienend erf zijn oorsprong kan hebben of van een achterliggend erf kan worden afgevoerd, zoodat het dienend erf alsdan slechts de geleidingen zal hebben te dulden
De artikelen 180 en 181 behandelen enkele gevallen betrekking hebbende op het hebben van licht. Het ontwerp treedt hier in eenige meerdere bijzonderheden dan het. B. W., dat in bet tweede lid van artikel 727 slechts het verschil tusschen licht en uitzicht aanstipt en in artikel 728 eene bepaling laat volgen, waarvan de zin en beteekenis niet volkomen duidelijk zijn. In het gebruiken van het bijvoegelijk naamwoord «vrij» heeft het ontwerp de Groot (t. a. p. dl. 34, ^ 20) gevolgd.
'len aanzien van het vensterrecht, waarvan artikel 181 spreekt, heeft men geheel in het midden willen laten in wiens muur het. vensterrecht zal uitgeoefend worden; â dit zal dus uit den titel moeten blijken. De Groot (t. a. p, § 22) verbindt het recht aan den mum-van den eigenaar van het heerschend erf en ziet er dus een inbreuk op het burenrecht in. Voet daarentegen {Ad Pandeclas lib. VIII, tit. II) meent, dat men hier te doen heeft met het hebben van vensters in eeus anders muur. Zoo spreekt het Wetboek van Saksen in § 547 van «das Recht, «ein Fenster in fremder oder gemeinschaftlicher Mauer zu haben ». Met bet oog op dit verschil van opvatting was het gewenscht de lechnische uitdrukking niet enkel op één dezer gevallen te laten slaan. Tevens is, om quaesties omtrent het al of niet hebben van vrij licht of van vrij uitzicht, als gevolg van het vensterrecht, uit te sluiten, bepaald, dat de bevoegdheid van den eigenaar van het dienend erf om hierop naar goedvinden te bouwen en te planten door het vensterrecht niet wordt verkort. Door de woorden « naar goedvinden te bouwen en te planten » lieeft men willen te kennen geven, dat de eigenaar van het dienend erf, al moge het hem niet vrijstaan de vensters, verondersteld dat die in zijn eigen muur zijn gemaakt, te betimmeren, zoodat het verleende recht daardoor zoude vernietigd worden, toch op voormelde wijzen eigendomsrechten kan uitoefenen, ook
118
al zoude daardoor het belang, dal men bij het vensterrecht had, verloren gaan. Wil men dus tegelijkertijd met het vensterreeht ook vrij licht of vrij uitzicht verkrijgen, dan zal de titel daaromtrent hel noodige moeten vermelden.
Art. 182.
Terwijl in den Titel van Eigendom met opzet (zie artikel 63) geene opsomming van de wijzen van eigendomsverkrijging is geplaatst, kon het hier zonder bezwaar wèl geschieden. Wat meer is; het schijnt volkomen juist gedacht om, zoowel bij de erfdienstbaarheden als later bij de behandeling-der overige zakelijke rechten, in strikt llmitalieven zin op te geven welke de wijzen zijn waarop deze rechten, welke inbreuk maken op den eigendom, die vermoed wordt vrij te zijn, kunnen ontstaan.
Het Burgerlijk Wetboek behandelt het ontstaan, even als later hel te niet gaan der erfdienstbaarheden , in eene afzonderlijke afdeeling. Het ontwerp heeft de bepalingen omtrent een en ander aanmerkelijk vereenvoudigd en daardoor het maken van afzonderlijke afdeelingen onnoodig gemaakt. Uit de beperking tot de drie gevallen in artikel 182 genoemd blijkt, dat, overeenkomstig hetgeen reeds bij de eigendomsverkrijging werd besproken, door het legateeren van eene erfdienstbaarheid slechts eene persoonlijke vordering tot het verleenen daarvan tegen den erfgenaam ontslaat en de uiterste wil niet rechtsstreeks als bron voor eene erfdienstbaarheid is erkend, en voorts, dat. men evenmin ten aanzien van het rechterlijk bevel het voetspoor van het Ontwerp 1820 heeft wenschen te volgen. Wat bel rechterlijk hevel aangaat werd geenszins over het hoofd gezien, dat, bij boedelscheidingen , de rechter kan geroepen worden, bij verschil van gevoelen tusschen partijen ten aanzien van het maken van kavelingen, zelf aan te geven op welke wijze door het verleenen van erfdienstbaarheden aan de geopperde bezwaren moet te gemoet gekomen worden, doch de vraag blijft gewettigd of in zoodanige gevallen de erfdienstbaarheden werkelijk door hel rechterlijk bevel ontstaan, dan wel of het inderdaad niet de boedelscheiding, met andere woorden de overeenkomst, is, die ten grondslag ligt aan het ontstaan van de erfdienstbaarheden. Het scheen althans niet raadzaam te dezer plaatse zich in den eerstgenoemden zin uit te laten.
In plaats van «door titel» heeft men in 1° gezegd; «door verleening». Over de mindere wenschelijkheid om het woord «titel» te gebruiken is bij de toelichting van artikel 136 reeds een woord gezegd. In de artikelen 742/3 B. W. schijnt het woord gebruikt te zijn in den zin van de akte, die het verleenen van de erfdienstbaarheid inhoudt. De hier gebruikte uitdrukking past geheel en al in den gedachlengang van het ontwerp, in. het bijzonder ten opzichte van de overdracht van eigendom, waarmede dit onderwerp in zeer nauw verband slaat.
Art. 183.
Van dit verband geeft, artikel 183 het bewijs. Al wat omtrent overdracht van eigendom van onroerend goed in de vijfde afdeeling van den Titel van Eigendom voorkomt is ten aanzien van het verleenen van erfdienstbaarheden toepasselijk verklaard. De inhoud van het eerste lid van artikel 100 is echter slechts in zóóverre in het hier behandeld artikel overgebracht, dat te kennen wordt gegeven ,
119
dat de erfdienstbaarheid wordt verleend bij eene uitsluitend met dat doel opgemaakte notarieele akte. De inhoud van die akte wordt niet verder omschreven, doch die omschrijving kan gemist worden, vermits de inhoud geen andere dan deze kan zijn, dat de eene eigenaar de erfdienstbaarheid ten behoeve van het erf van den anderen eigenaar verleent en dat laatstgenoemde dit ten behoeve van zijn eigen erf aanneemt.
Het spreekt van zelf dat de artikelen, handelende over de overdracht van eigendom, ten dezen slechts gedeeltelijk voor rechts.)uhche toepassing vatbaar zijn.
In het algemeen kan men zeggen, dat, waar in artikel 100 en volgende de woorden «.overdracht» of «eigendomsoverdracht» worden gebruikt, die woorden, bij toepassing van liet onderhavige artikel, moeten vervangen worden door «verleening» of «verleening van erfdienstbaarheid». Het op deze wijze toepasselijk verklaren van bovengemelde wetsbepalingen is theoretisch volkomen gewettigd, waar de eigenaar wel niet zijn eigendom vervreemdt, maar toch een deel van zijn onbeperkt genot aan een derde afstaat.
Intusschen, wanneer men die verschillende bepalingen nader beschouwt, zal men ontwaren, dat naar den aard der zaak sommige in het geheel niet, andere slechts in zekere mate op het hier behandelde onderwerp kunnen worden toegepast. Zoo is het «voorbehoud van zakelijke rechten», dat bij eigendomsoverdracht kan voorkomen en ook, zooals de aanhef van artikel 183 aangeeft, in de plaats van uitdrukkelijke verleening der erfdienstbaarheid kan treden, als modificatie van de erfdienstbaarheid zelve niet denkbaar.
Het eerbiedigen van rechten door derden verkregen in het tijdperk tusschen bet opmaken van de akte van verleening en de overschrijving in de openbare registers zal ten gevolge hebben, dat, indien in dien tusschentijd een derde door overschrijving eigenaar geworden is van het dienend erf, de verleening der erfdienstbaarheid geen gevolg meer hebben kan.
Waar het laatste lid van artikel 100 de gevolgen regelt van de eigendomsoverdracht door iemand, die nog geen eigenaar was, maar het later werd, zal men voor eigenaar moeten lezen ; « gerechtigde om eene erfdienstbaarheid te verleenen », vermits ook een erfpachter of beklemde meier tot het verleenen daarvan bevoegd is.
In dit licht moeten ook de andere aangehaalde artikelen worden beschouwd.
Art. 184.
Als tweede wijze voor het ontstaan werd in artikel 18'2 genoemd: de verjaring.
Nu het ontwerp het onderscheid tusschen voortdurende en niet-voortdurende, zichtbare en onzichtbare erfdienstbaarheden heeft laten varen, is er voor de artikelen 74-4â746 B. VV. in dezen Titel natuurlijk geen plaats. Ten aanzien van de al- of niet-mogelijkheid van verkrijgen door verjaring moet, het werd reeds in den aanvang van de toelicnting op dezen Titel gezegd, verwezen worden naar den Titel van Bezit.
Overigens worden de bepalingen omtrent verjaring uit de vierde afdeeling van den Titel van Eigendom hier toepasselijk verklaard, â immers voor zoover het betreft het door verjaring verkrijgen van eigendom van onroerende goederen. Ook hier geldt hetgeen bij het voorgaand artikel is gezegd, nl. dat de toepassing naar den aard der zaak moet worden gewijzigd, zij het ook niet in die mate als daar het geval was. Zoo zal artikel 84 ten aanzien van erfdienstbaarheden moeten gelezen worden alsof er stond :
120
« Eene erfdienstbaarheid kan bekomen worden door bezit als gerechtigde gedurende den bij de wet « bepaalden tijd »; op dezelfde wijze moet de toepasselijkheid der overige artikelen worden opgevat. Ten aanzien van artikel 94 zij het navolgende opgemerkt. In dat artikel wordt, aan hem, die de zaak door de in artikel 118 gegeven actie opvorderde, het voorrecht toegekend zich op het vroegere verja-ringstijdperk te kunnen beroepen, ook al was het bezit in den tusschentijd verloren gegaan. Op erl-dienstbaarheden toegepast zal dit artikel den volgenden zin hebben: « De verkrijger te goeder trouw «eener erfdienstbaarheid, die door middel van de actio utilis confessoria in zijn recht werd hersteld «(zie hierna art. 193), kan de vroeger begonnen verjaring voortzetten, echter zonder mederekening « van den tusschentijd ».
Waar in artikel 95 gesproken wordt van het opvorderen van «het goed als zijn eigendom » moet men ten aanzien van erfdienstbaarheden denken aan het instellen der actio negatoria, die in artikel 110 aan den eigenaar is toegekend.
Art. 185.
In de derde plaats ontstaan de erfdienstbaarheden door bestemming. Dij de regeling van dit onderwerp is de weglating van de onderscheiding tusschen voortdurende en niet-voortdurende, z'icld-hare en onzichtbare erfdienstbaarheden slechts in zóóverre niet zonder invloed gebleven, dat men ook hier van die onderscheiding niet met zoovele woorden gewag vindt gemaakt, ofschoon in het wezen der zaak geene verandering in het geldende recht is te weeg gebracht. Voor de afzonderlijke behandeling dei' twee in de artikelen 747 en 748 D. W. genoemde gevallen, die toch eigenlijk in beginsel op hetzelfde neerkomen, bestond allerminst reden en in zóóverre zou het de voorkeur verdiend hebben de veel eenvoudiger redactie van artikel 1258 Ontwerp 1820 te volgen. Doch men heeft zich in het voorgedragen artikel liever aangesloten aan het Ontwerp Beieren, hetwelk in artikel 307 eisclit, dat « die eine (Liegenschaft) der anderen mittels einer besonderen Vorrichtung thatsachlich «dient ». Deze redactie heeft men in het ontwerp trachten weder te geven. Door het eischen , toch, van een «thatsachlich dienen mittels einer besonderen Vorrichtung», gelijk het Ontwerp Beieren doet, ontgaat men de vage uitdrukking van het Ontwerp 1820, hetwelk, door zich tevreden te stellen met « het bestaan van een zichtbaar teeken van dienstbaarheid », aanleiding geeft om erfdienstbaarheden af te leiden uit het aanwezig zijn van een uitwendig teeken, dat wel wijst op het bestaan van eenige erfdienstbaarheid, maar niet het voorwerp is waardoor of waarmede de erfdienstbaarheid wordt uitgeoefend. En dit laatste achtte men noodzakelijk.
Voor eene uitbreiding van de mogelijkheid om door bestemming eene erfdienstbaarheid te doen ontslaan zoude zeer zeker iets te zeggen zijn. Waarom zoude men bv. de «destination de père de familie» niet mogen laten gelden, wanneer de ligging van de beide erven zoodanig is, dat men van het eene niet dan over het andere op den openbaren weg kan komen? Aan den anderen kant echter is de rechtszekerheid er door gediend, indien men zooveel mogelijk het tot stand komen van erfdienstbaarheden anders dan door verleening (m. a. w. door geschreven en openbaar gemaakte akten) tegenhoudt. Bovendien is eene beschikking over zoodanig erf nauwelijks denkbaar zonder dat partijen dien feitelijken toestand in het oog gehouden hebben, terwijl in het, uiterste geval artikel 165 te stade kan komen. Wanneer het artikel dus spreekt van het; «zoodanig ingericht zijn», dan wordt daarmede bedoeld een «inrichten », waarvan door een of ander werk blijkt. Wanneer tusschen
121
de betrokken erven alsdan, en door dat. inrichten alleen reeds, eene verhouding als van lieerschend tot dienend erf bestaat, kan, na den verkoop van een der beide erven, de eene buurman den ander niet tot eene wijziging in den toestand dwingen , en alle erfdienstbaarheden, die onmiddellijk en feitelijk uit dien toestand voortvloeien, verkrijgen rechtsgeldigheid. Bevindt zich een venster te dicht bij de grens, er zal eene erfdienstbaarheid van vensterrecht ontstaan; ligt eene goot van het eene erf op of door het andere, er zal, naar omstandigheden, eone erfdienstbaarheid van waterloop of van gootrecht gevestigd zijn; maar een recht van voetpad of weg, waarbij van feitelijke uitoefening; alleen dan sprake kan zijn als de eigenaar daarover loopt of rijdt, zal op voormelde wijze niet kunnen ontstaan.
Art. 186.
Het scheen hier de geschikte plaats om het beginsel, in artikel 749 13. W. nedergelegd, inliet ontwerp over te nemen. Het is bekend, dat het beginsel zelf, met het oog op de ondeelbaarheid der erfdienstbaarheden, bestrijding heeft ondervonden (Opzoomer Het, Burg. Wetb. verkl. III, p. 385), maar het theoretisch bezwaar woog te weinig om in dezen van het bestaande recht af te wijken. Overigens is het in overeenstemming met het bepaalde in het derde lid van artikel 126. Door te spreken van «doen voortbestaan» is met een enkel woord herinnerd aan het beginsel in artikel 757 B. W. uitgedrukt. Het scheen overigens onnoodig daarop door het invoegen van een desbetreffend artikel bijzonder de aandacht te vestigen, omdat immers door elke uitoefening der erfdienstbaarheid, in hoe geringe mate en door wien ook, de exstinctieve verjaring wordt gestuit.
Art. 187.
Het valt in het oog. dat onze bestaande wet in hare bepalingen omtrent het te niet gaan van erfdienstbaarheden aan de eene zijde zeer onvolledig is, doch aan de andere zijde in meer dan één artikel het oog heeft op het niet gebruik maken van de erfdijnstb tarh iden en op de gevolgen die daaraan zijn verbonden, bepalingen, waarvan de zin en bïdoeling evenwil niet duidelijk zijn en die dan ook verschillend worden opgevat.
In de eerste plaats is in het ontwerp getracht naar volledigheid in het opsommen der wijzen van te niet gaan, waarbij èn het Ontwerp 1820 èn het Ontwerp Beieren tot voorbeeld, althans tot uitgangspunt, konden strekken. Ofschoon beide ontwerpen ook als oorzaak van te niet gaan opnemen de geheele vernieling of het geheel vergaan van een der beide erven , heeft men deze oorzaak niet er bij opgenomen, evenmin als men zulks bij de overige zakelijke rechten heeft gedaan. Waar inderdaad sprake is van een geheel vergaan der zaak behoeft de wet. de gevolgen daarvan te dezen aanzien waarlijk niet te regelen; voorzoover het evenwel niet in dien volstrekten zin moet worden opgevat, zoodat (bv. in geval van overstrooining) nog gedacht kan worden aan een geheel of gedeeltelijk weder opdoemen van het onroerend goed en van de daaraan verbonden erfdienstbaarheid, heeft het ontwerp de gevolgen willen regelen door toepassing van de vereischten voor de exstinctieve verjaring, in de artikelen 191 en 192 behandeld.
In verband hiermede heeft het ontwerp niet behoeven over te nemen hetgeen in de artikelen 750â752 en 755 B. W, wordt aangetroffen en is eene beschouwing over den zin dier artikelen,
P
122
of men hel oog heeft gehad op een te niet gaan of wel in het algemeen op eene verandering van den toestand der erven, waaruit een gedwongen niet gebruik maken van de erfdienstbaarheid ontstond, overbodig geworden.
De afstand, de vermenging en de verjaring zullen hij de volgende artikelen ter sprake komen. Ten aanzien van het sub 4° opgenoemde: «door bevrijding van het dienend erf overeenkomstig «artikel 90» zal het voldoende zijn om op te merken, dat het hier geldt eene verwijzing naar het daar behandelde gevolg der verjaring, volledigheidshalve gedaan, doch dat de vereischten voor de toepassing in artikel 90 zelf moeten worden gezocht.
Met het in de vij ('de plaats opgenoemde zijn bedoeld de gevallen, dat de erfdienstbaarheid te niet gaat, doordien het recht vervalt van hem, die haar deed geboren worden; zoo vervalt eene erfdienstbaarheid wanneer het recht van den erfpachter of van den beklemden meier, die haar heeft verleend, ophoudt te bestaan.
Art. 188.
Geheel afgescheiden van die in het voorgaand artikel genoemd, staan de in dit artikel bedoelde gevallen, die aan de wijze van verleening der erfdienstbaarheid zelve zijn verknocht. Men kan beweren, dat deze wijzen van te niet gaan niet afzonderlijk hadden behoeven vermeld te worden, doch terwijl het niet van belang ontbloot is, in tegenstelling met de in het voorgaand artikel opgenoemde gevallen, op de hier behandelde de aandacht te vestigen, mag ook voor de opname pleiten de historische grond, die waarschijnlijk ook tot het opnemen in de heide laatstelijk genoemde ontwerpen heeft geleid, dat volgens streng Romeinsch recht erfdienstbaarheden op praedia rustïca slechts in. perpetuum konden worden gevestigd. (Windsciieid, Lehrh. des PandeUenr\, 608),
Art. 189.
Afstand van erfdienstbaarheid wordt in het Burgerlijk Wetboek niet als wijze van te niet gaan genoemd. Toch zal het wel aan geen redelijken twijfel onderhevig zijn, dat zoodanige afstand zal kunnen geschieden evengoed als men afstand kan doen van eigendom of van eenig ander zakelijk recht. De eenige vraag die zich hier voor kan doen is deze, of de afstand kracht heeft ook zonder toestemming van den eigenaar van het dienend erf. Het Ontwerp Beieren eischt die toestemming (of aanneming) in artikel 312. Intusschen werd de noodzakelijkheid daartoe niet ingezien en is de bepaling dan ook geheel in overeenstemming met de mogelijkheid van te niet gaan der erfdienstbaarheid door niet gebruik maken, waarover in de volgende artikelen van het ontwerp wordt gehandeld.
Dat men niet alleen afstand kan doen van de geheele erfdienstbaarheid, maar ook van een deel, door te verklaren, dat men de wijze van uitoefening of den omvang der erfdienstbaarheid wenscht te beperken, of ook door een stuk van het dienend erf voor het vervolg van den last te ontheffen, zal wel niet behoeven herinnerd te worden. (Zie hierbij de artikelen 191 en 192 tweede lid).
Wat den vorm aangaat, die bij het doen van afstand zal behooren in acht genomen te worden ,
123
ook hier is hetzelfde voorschrift gevolgd dat in de artikelen 99, 107, 138 en andere wordt aangetroffen, â nadere toelichting hieromtrent schijnt onnoodig.
Art. 190.
Ten aanzien van de vermenging is de bepaling van artikel 753 B. VV. gevolgd. De vraag is gewettigd of het artikel niet had kunnen gemist worden, ja zelfs of het beginsel gerechtvaardigd is en ol niet zou dienen aangenomen te worden, dat door vermenging de erfdienstbaarheid slechts in slapendnn toestand geraakt, doch herleeft indien zij door het overgaan van den eigendom der erven in verschillende handen haar reden van bestaan terugerlangt. In dit licht zoude men ook het in artikel 748 B. W. gestelde geval van ontstaan der erfdienstbaarheid door bastemming kunnen beschouwen, (Zie Marcadé, Explication duC. N. II, p. 667). Intusschen scheen het verkieslijker in dezen het gemeene recht te volgen en te blijven aannemen, dat door vermenging de erfdienstbaarheid voor goed verdwijnt, daargelaten welke gevolgen men zal kunnen vastknoopen aan den toestand der erven op het oogen-blik dat zij later weder in verschillende handen komen. Nu de omschrijving in artikel 168 ruimer genomen is dan in artikel 721 B. W., kan de bepaling moeielijk gemist worden ; zij is evenwel binnen engere grenzen gebracht door het slot van het artikel, waarvan hierboven reeds bij artikel 168 gewag werd gemaakt. Het zal natuurlijk de aandacht trekken, dat het artikel zeer algemeen is gesteld en niet al de gevallen noemt, die zich, tengevolge van de op de erven rustende zakelijke rechten, in geval van vermenging kunnen voordoen, doch men zal tevens moeten erkennen, dat het niet wel doenlijk was al die mogelijke gevallen in een wetsartikel op te nemen.
De meest denkbare gevallen zijn bv. deze: iemand verkoopt zijn erf, waarop eene dienstbaarheid rust, aan den eigenaar van het erf ten behoeve van hetwelk het servituut, is gevestigd, doch bij den verkoop behoudt hij zich het vruchtgebruik van het dienend erf voor; iemand legateert den eigendom van het dienend erf aan den eigenaar van het heerschend erf, doch vestigt er eene erfpacht op ten behoeve van een derde; en zoo vervolgens.
Artt. 191 en 192.
In deze beide artikelen heelt, het ontwerp de gevolgen der exstinctieve verjaring geregeld. Het verschil tusschen de twee artikelen springt onmiddellijk in het oog; in het eerste is niet, in het tweede daarentegen wèl sprake van eene met de erfdienstbaarheid strijdige daad.
Met het geheel of gedeeltelijk te niet gaan der erven (of der erfdienstbaarheid) is, naar reeds werd opgemerkt, niet afzonderlijk rekening gehouden; ten aanzien van de bestaande wet. kunnen derhalve alleen de artikelen 754- en 756 B. W, ter vergelijking in aanmerking komen. Op den voorgrond diende gesteld te worden, of men in het ontwerp het niet gebruik maken van de erfdienstbaarheid op zich zelf, en zonder dat van eene strijdige daad, in het bijzonder van de zijde van den eigenaar van het dienend erf, sprake was, als wijze van te niet gaan zoude opnemen. Over de wenschelijk-heid van die opname kan men verschillend denken. Men kan niet zonder grond beweren, dat. het een ieder vrij moet staan ten allen tijde zooveel en zoo weinig van zijn recht gebruik te maken als hij zelf wil, zonder dat hij bloot staat aan de eventueel te maken tegenwerping; «Gij hebt uw recht niet gebruikt en dus verloren.» De verjaring zoude alsdan teruggebracht moeten worden
124
tot de gevallen, waarin zij zich in de gedaante vertoont, van eene verjaring van het vonle-riuf/srecht, geboren uit de wederrechtelijke handeling van een ander.
Daartegenover staat, dat het algemeen belang en de rechtszekerheid niet kunnen gediend zijn met de mogelijkheid van het herleven van een toestand, waarvan liet bestaan zelfs niet meer kan vermoed worden. Bovendien zouden, indien men de verjaring uitsluitend wilde beschouwen als eene praescriptie van het vorderingsrecht, er vele erfdienstbaarheden zijn, waarbij een te niet gaan door verjaring tot de onmoydijIheden zoude behooien, zoodat zij, ook na eeuwen niet gebruikt te zijn , door het te berde brengen van een ouden titel zouden kunnen herleven. Nagenoeg alle erfdienstbaarheden, immers, die bestaan in het hebben van eene inrichting in strijd met het burenrecht, kunnen nimmer aanleiding geven tot het plegen van eene wederrechtelijke handeling van de zijde van den eigenaar van het dienend erf, zoodat, van het instellen van eene actie door den eigenaar van het heerschend erf geen sprake kan zijn. Op deze gronden heeft men besloten aan den non-usus in het algemeen als wijze van te niet gaan eene plaats in het ontwerp te geven. Door dit besluit is men verder gegaan dan het Fransche recht, hetwelk (artikel 707 C. C.) alleen voov niet-voortclurende evi-dienstbaarheden ' geen «acte contraire» vorderde (desgelijks artikel 667 Ital. Burg. Wetb.); het vindt evenwel steun in de bepalingen van het Ontwerp Beieren. Het Duitsche Wetboek, daarentegen, heelt in § 902 in het algemeen vastgesteld, dat alle zakelijke rechten, die in het grondboek zijn ingeschreven, niet door verjaring kunnen te niet gaan, een voorschrift dat voor ons ontwerp, waarin van geen grondboek sprake is, van geen belang kan zijn.
De twee eerste leden van artikel 191 bepalen alzoo, dat de erfdienstbaarheden door niet-gebruik gedurende 30 jaren geheel, door beperkt gebruik gedurende dienzelfden tijd ten deele, te niet gaan.
Voor het niet gebruiken is het nu onverschillig of zulks geschiedt, omdat de rechthebbende het niet verlangt , dan wel omdat hot hem, door het gedeeltelijk of geheel te niet gaan der zaak, niet mogelijk is ; in beide gevallen kan het artikel worden ingeroepen. Het Burgerlijk Wetboek behandelt in artikel 726 in dit opzicht een speciaal geval, doch, vermits de juistheid van het daar bepaalde wel niet zal worden betwijfeld, scheen het onnoodig daarvan afzonderlijk melding te maken.
Wanneer hel tweede lid spreekt van niet uitoefenen der erfdienstbaarheid in haren vollen omvang, dan heeft het daarbij het oog zoowel op den quaütaticveu als op den quantitatieven omvang. Immers men kan den omvang beperken door eene erfdienstbaarheid van minderen graad uit te oefenen (in plaats van het rijpad als zoodanig te gebruiken, gebruikt men het alleen als voetpad), maar men kan het ook doen door dezelfde erfdienstbaarheid niet in die uitgebreidheid uit te oefenen als waartoe men recht had (een vensterrecht van zes vensters oefent men b.v. gedurende dertig jaren uit door het hebben van slechts vier vensters).
In de twee volgende leden van het artikel heeft het. ontwerp nader omschreven, wat onder niet gebruik maken moet worden verstaan. Zijn er werken aanwezig, voor de uitoefening der erfdienstbaarheid noodzakelijk, dan vertoont zich het prijsgeven van het recht in het laten vervallen van die werken; zoolang dit niet het geval is wordt de erfdienstbaarheid geacht gebruikt te worden. Deze bepaling is uit het Ontwerp Beieren (artikel 325) overgenomen. Het spreekt van zelf, dat men hier te doen heeft met eene veronderstelling, waartegen geen tegenbewijs is toegelaten, en dat geene strijdige daad in dezen van invloed kan zijn,indien en voorzoover het werk in bruikbaren toestand is gebleven. Wanneer het evenwel geldt eene uiet- voor (durende erfdienstbaarheid , dan wil het ontwerp onder niet gebruik maken verstaan het
125
niet verrichten van de handeling als servituutsgerechtigde, indien de omstandigheden van dien aard zijn, dat eene gewone wijze van handelen juist tot het verrichten daarvan had moeten nopen.
Indien iemand een recht van weg heeft, zoodat hij met zijn wagens over het erf van zijn buurman den openbaren weg kan bereiken, en hij neemt dertig jaren lang een anderen weg om op den openbaren weg te komen, zonder ooit van zijn recht gebruik te maken over het erf van den buurman, dan zal deze laatste met grond mogen aannemen, dat het belang voor het heerschend erf om van het dienend erf gebruik te maken is vervallen. Eveneens zal de eigenaar van het heerschend erf zijn recht door niet gebruik maken verliezen, indien hij door het verdwijnen van den weg (bv. door overstrooming) niet in de mogelijkheid verkeert om van de erfdienstbaarheid gebruik te maken. Een herstel van den vroegeren toestand na verloop van dertig jaren staat dan aan bet inroepen van de verjaring niet in den weg.
Nevens den algemeenen regel van artikel 191 behandelt artikel 192 een bijzonder geval: n.1. dat er is eene strijdige daad van de zijde van hem, die de erfdienstbaarheid moet gedoogen. De bewoordingen van het artikel duiden genoegzaam aan, dat de daad een blijvend karakter moet dragen en ondubbelzinnig in strijd met de erfdienstbaarheid moet zijn. Dat het niet noodzakelijk is, dat reeds van het recht is gebruik gemaakt, en dat de regel evenzeer geldt, indien de eigenaar van het dienend erf eene daad verricht, waardoor die uitoefening van den beginne af aan belet wordt , spreekt wel van zelf. Onder vooropstelling van bovengemelde strenge eischen scheen het billijk de verjaring reeds na tien jaren te doen plaats grijpen.
In het tweede lid van artikel 192 is, evenals in het tweede lid van artikel 191, het beginsel van artikel 756 B. W. overgenomen.
Art. 193.
Het laatste artikel van dezen Titel is gewijd aan de actie, die den servituutsgerechtigde ten dienste staat.
Ons Burgerlijk Wetboek laat. zich daarover niet uit. Het Ontwerp 1820, daarentegen, verbindt in de artikelen 1194 en volgende, gelijk hel ook elders bij andere rechten doel, aan het recht van erfdienstbaarheid de acties, die daaruit voortspruiten, doch doet dit op eene wijze, die om haren leerstelliger! vorm geene aanbeveling verdient. Zoowel het Wetboek van Saksen als het Ontwerp Beieren wijden eenige artikelen aan dit onderwerp. Desgelijks § 1027 Wetboek Duitschland. Ons ontwerp heeft zich bepaald bij het toekennen van de actio confessoria, waarvan de strekking met niet vele woorden nader behoeft te worden aangeduid. Eene verklaring van den rechter inhoudende de erkenning van het recht (zie artikel 1194 Ontwerp 1820 en § 532 Wetboek Saksen) is niet overgenomen , omdat eene formeele rechterlijke uitspraak daaromtrent, al moge die bij de hezitsacüe van artikel 36 niet gemist kunnen worden, hier kan geacht worden niet volstrekt noodig te zijn. Onder het doen ophouden der belemmering is natuurlijk ook te verstaan het wegruimen van hetgeen lot de belemmering heeft medegewerkt.
Vergoeding van kosten, schade en interessen zal verschuldigd zijn, indien daartoe gronden zijn. Over de beleekenis van deze toevoeging behoeft, na hetgeen daaromtrent bij vorige gelegenheden is gezegd (zie o. a. de artikelen 36, 39, 116 en 129), hier ter plaatse geene nadere toelichting gegeven te worden.
Het heeft een punt van overweging uitgemaakt of, op het voorbeeld van andere wetgevingen,
126
eene straf zou bedreigd worden tegen hem , die andermaal de uitoefening zou beletten of den rechthebbende in die uitoefening zou storen, doch ten slotte is men daartoe niet overgegaan, voornamelijk op grond dat deze nieuwe bepaling in ons recht, daargelaten of zij met ingenomenheid zou worden begroet, toch maar eene beperkte practische waarde zoude hebben; immers aan de bedreiging zoude geen gevolg kunnen gegeven worden dan door het voeren van een nieuw proce.s; op zich zelve zoude zij niet voor uitvoering vatbaar zijn.
In het tweede lid van het artikel komt eene verwijzing voor naar de actie van artikel 118. Ten aanzien van de in bet eerste lid toegekende actie, die immers in zóóverre eene eigendomsactie is, dat hij, die beweert de erfdienstbaarheid te hebben, eensdeels, ten aanzien van het heerschend erf, zijn eigendom stelt en, aan den anderen kant, met betrekking tot de erfdienstbaarheid, beweert deze van den waren eigenaar Ie hebben verkregen, â is de toepasselijk verklaring van voornoemd artikel 118 geheel consequent. Met dit artikel gewapend kan hij, die voornoemde actie wenscht in te stellen, zich, èn ten opzichte van zijn eigendom èn ten opzichte van zijn recht op de erfdienstbaarheid, op de minder strenge bewijsvoering in dat artikel toegestaan beroepen.
ZESDE TITEL.
Van erfpachl.
In het ontwerp i.s geen afzonderlijke Titel voor het in ons Burgerlijk Wetboek behandelde «Regt van opstal» opgenomen. Historische gronden zouden er voor pleiten om opstal en erfpacht van elkander te onderscheiden; ook kan niet ontkend worden, dat, wat den omvang dier zakelijke rechten aangaat, er verschil tusschen beide is en dat b.v. het Burgerlijk Wetboek , ten aanzien van het wegnemen der gebouwen en beplantingen en de aan die wegneming verbonden gevolgen, de beide instituten niet gelijkelijk regelt, â maar toch scheen een en ander niet gewichtig genoeg om den bestaanden Zesden Titel van het Tweede Boek te behouden. In de practijk komt het vestigen van een recht van opstal betrekkelijk zelden voor en voor zoover daaraan nog behoefte mocht bestaan, scheen het voldoende de bepalingen omtrent erfpacht zoodanig te verruimen, dat datgene wat thans door het recht van opstal wordt verkregen kon behandeld worden als een beperkt recht van erfpacht, en daardoor eene eenvoudiger regeling te maken dan in het geldende recht het geval is.
De uitbreiding der grenzen van het recht van erfpacht liet zich nog op een anderen grond aanprijzen. Zoowel de in het begin van het jaar 1892 in druk verschenen monographie van den toenmaligen Amsterdamschen Hoogleeraar Mr. J. P. Moltzér (Landbouw en Kapitaalbelegging), als de kort te voren gepubliceerde beschouwingen van de Landbouwcommissie in haar aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid in November 1891 uitgebracht rapport, gaven aanleiding om, bij het ontwerpen van dezen Titel, de in die geschriften behandelde economische vraagstukken in ernstige overweging te nemen. Uit de verschillende artikelen en de toelichting daarvan zal blijken in hoeverre men aan de uitgesproken wenschen heeft meenen te kunnen voldoen , maar de bruikbaarheid van het erfpachtsrecht en de mogelijkheid om het, nevens het gewone pachlcontract, bij het voor den landbouw ten gebruike geven van onroerende goederen in
127
toepassing te brengen, worden zeker in geene geringe mate bevorderd door de bepalingen rekbaarder te maken dan thans het geval is en den omvang van het recht meer in beginsel aan de bijzondere bedingen van partijen over te laten. De waarde van zoodanige erfpacht, die, tengevolge van haar zakelijk karakter en den gewoonlijk langeren duur dan dien van het huur-of pachtcontract., op vastere grondslagen steunt, werd ook door de genoemde Landbouwcommissie ten volle erkend.
Art. 194.
Reeds uit de omschrijving van het recht blijkt, dat het ontwerp zich op een ruimer standpunt heeft geplaatst. Bezit en gebruik van eens anders onroerende zaak zijn, nevens het voldoen van eene jaarlijksche Dacht, de hoofdkenmerken van de hier behandelde erfpacht. Het hezü der zaak scheen, als behoorende tot het wezen van het recht en zonder hetwelk het niet denkbaar is (Vgl. artikel 1289 van het Ontwerp 1820), allereerst in de omschrijving niet te mogen ontbreken. Wat hel gebruik aangaat, uit het hierna volgend artikel 198 vloeit voort, dat dit uitgebreider en. minder uitgebreid kan zijn naar mate zulks bij de verleening (of, zoo de erfpacht door verjaring is ontstaan, door den omvang van het uitgeoefende recht) is bepaald. Er is niet op den voorgrond gesteld, dat de erfpachter het vol genot der zaak heeft, en evenmin heeft men hier gesproken van de voldoening der erfpacht als van eene erkentenis van den eigendom van hem, die het recht verleende. De pacht is in het algemeen beschouwd als eene contra-praestatie tegenover het verkregen recht en in dit opzicht met den gewonen pacht- of huurprijs gelijk gesteld.
Om de mogelijkheid open te laten, dat de pacht zal bestaan in eene hoeveelheid voortbrengselen van den grond is in plaats van «betalen» de ruimere uitdrukking «voldoen» uit artikel 767 B. W. behouden, zonder dat het daarom noodig scheen met zoovele woorden melding te maken van «voort-«brengselen of vruchten.»
Met de woorden (.(.jaarlijksche pacht» heeft men de mogelijkheid van eene pacht voor een tijdvak van minder dan een jaar in geenen deele willen uitsluiten; de bedoeling is geweest, dat eene pacht zoude worden bedongen, die op geregeld terugkeerende tijdstippen moet worden voldaan.
De inhoud van het tweede lid van artikel 767 komt eerst bij artikel 209 van het ontwerp ter sprake.
Art. 195.
Een van de wenschen in de studie van Mr. Molïzer nedergelegd is, dat de erfpacht altoos-durend zoude zijn, ten einde den bewerker van den grond zekerheid te geven, dat hij de vruchten zal plukken van hetgeen hij aan den grond ten koste heeft gelegd. Het zou evenwel, naar men meende , niet bevorderlijk zijn voor het. meer ingang doen vinden van de erfpacht bij hen, die hunne landerijen voor den landbouw willen ten gebruike geven, indien zij gedwongen werden tot eene altoosclurende erfpacht over te gaan. Daarom heeft men partijen daarin geheel vrij willen laten, en zoo zal, indien mocht blijken, dat eigenaar en gebruiker gebaat zijn door eene erfpacht voor altijd, de practijk zich van zelf in die richting bewegen.
Door het bepaalde in het tweede lid van het. artikel is aan het doel, waarvoor artikel 766 jquot; artikel 783 Ft. W. in de wet werd opgenomen, beantwoord. Doorvoor te schrijven, dat de erfpacht in het daar omschreven geval na dertig jaren per se eindigt, is de verhouding tusschen eigenaar en erfpachter vaster
128
geregeld; eerie opzegginjr is derhalve niet noodig. Eerst indien na verloop van de dertig jaren de erfpachter fn het bezit der zaak gelaten is, treedt de toestand in, dat het eindigen van de erfpacht van eene opzegging afhankelijk is (zie hierna artikel 214).
Art. 196.
De inhoud van artikel 1303 uit het Ontwerp 1820 luidde eenigszins anders dan die van artikel 775 B W., n.l,: «De verplichting tot betaling van den vollen erfpacht, mag, ten aanzien «van den eigenaar van het goed, niet gesplitst worden, ofschoon het erfpachtsregt verdeeld wierd, «maar elk gedeelte blijlt daarmede, voor het geheel, belast», en in de Inleyding van de Groot wordt, ook gesproken van het «niet schuldig zijn den erfpacht te smaldeelen, indien van het «.erfpachtrecld eenig deel weid verkocht.» De mogelijkheid van het gerechtigd zijn tot een onverdeeld aandeel in een recht van erfpacht wordt in het laatste artikel van den hier behandelden Titel erkend en, met verwijzing naar de voorschriften voor den medeëigendom vastgesteld, geregeld.
Op het voorbeeld van artikel 775 15. W. heeft men willen doen uitkomen, dat het hier betreft het verdeelen van den in erfpacht uitgegeven grond. Het recht van den erfpachter om zoodanige splitsing van den grond met het daarop rustende zakelijke recht te doen plaats hebben wordt dus als regel op den voorgrond gesteld, doch men heeft de mogelijkheid niet willen uitsluiten , dat de ondeelbaarheid van de erfpacht werd bedongen. Eveneens heeft men het beding toelaatbaar geacht, dat het verhaal ter verkrijging van de verschuldigde pacht op de verschillende gesplitste stukken zou worden uitgeoefend, zoodat met de volstrekte ^splitsbaarheid te dien aanzien gebroken is. Indien is bedongen, dat de verschuldigdheid der pacht over verschillende gedeelten kan worden gesplitst, zal bij wanbetaling van een deel slechts het zakelijk recht op het aangewezen stuk grond kunnen worden uitgewonnen. In het tegenovergestelde geval is de eigenaar bevoegd het recht van erfpacht hetzij over ieder deel afzonderlijk, hetzij over den geheelen in erfpacht uitgegeven grond aan te spreken, met inachtneming van de regels in artikel 207 laatste lid jis artt. 3-42 en 343 voorgeschreven.
Bij splitsing of verdeeling kan de vervallenverklaring van het recht ter zake van gepleegd grot verzuim (zie artikel 216 hierna) zich niet verder uitstiekken dan tot het deel, ten opzichte waarvan het grof verzuim is gepleegd.
Men heeft gemeend niet zóóver le moeten gaan, dat men de splitsbaarheid van de pacht lot eene bepaling van dwingend recht maakte en den eigenaar dwong, bij splitsing van hei erfpachts-recht door den erfpachter, ook aan eene splitsing van de pacht zich te onderwerpen, nadat uitgemaakt zoude zijn naar welken maatstaf deze over den in erfpacht uitgegeven grond zoude moeten worden verdeeld. Daargelaten , dat het geen aanbeveling verdient op deze wijze den eigenaar le dwingen tot eene wellicht zeer bezwarende verandering in de wijze van beheer zijner bezittingen, â hetgeen voor het langzamerhand in de plaats treden van de erfpacht voor het pachtcontract weder niet bevorderlijk zoude zijn, â telde men ook de bezwaren niet gering om, vooral bij stedelijke eigendommen , eene billijke verdeeling van de pacht , naar evenredigheid van de waarde van den grond en de daarop gebouwde panden, te maken.
129
. ^ Art. 197.
t' i ;. ' ; '
De bepaling van artikel 776 B. W. moge te verdedigen zijn met het oog op de geringe pachtsom, die bij het in erfpacht uitgeven van te ontginnen gronden verondersteld werd te zijn bedongen, â nu in het ontwerp van de veronderstelling wordt uitgegaan, dat hier sprake is van eene gewone pacht als geheel of gedeeltelijk aequivalent voor het gebruik van stukken grond, lag hat in den aard der zaak, dat die voor den pachter bezwarende bepaling niet kon blijven bestaan. Eene gelijkstelling met den huurder (zie ook artikel 728 van het Avaul-projiit van Laurknt) scheen dus billijk. De vraag ot' de artikelen -1628â1632 B. W. zullen moeten gewijzigd worden, zal hare beantwoording vinden, wanneer de herziening van den Titel van Huur en Verhuur aan de orde is.
Met het denkbeeld om verder te gaan en den pachter een benejicium, competentiae te verzekeren , waardoor hij van de voldoening der pacht geheel of ten deele zoude ontslagen worden, zoodra hij als landbouwondernemer buiten zijne schuld door de onvoorwaardelijke nakoming zijner verplichtingen zou verarmen of in schuld geraken (zie Moltzer t. a. p. pag. 114) kon men zich niet vereenigen. In ieder geval zoude men het slechts als regelend, niet als dwingend recht in de wet willen opnemen, maar, daargelaten dat het alsdan spoedig vaste gewoonte zoude worden van dit beding afstand te laten doen, scheen het, vooral waar het geldt stedelijke erfpachten, in de meeste gevallen niet bereikbaar om, zonder den eigenaar geheel aan de willekeur van den pachter over te laten, tot eene beoordeeling te komen, ot er werkelijk termen aanwezig zijn om op bovenvermelde gronden tot eene vermindering van de pachtsom over te gaan.
Artikel 777 B. W. is niet overgenomen. Reeds bij de beraadslagingen over dit artikel (zie Voorduin dl. III, p. 726) werd het door sommigen als onnoodig beschouwd en zeker bestaat er thans nog minder reden om dit verbod in de wet op te nemen.
Art. 198.
Terwijl het niet wenschelijk was om het recht op het volle genot der zaak als een kenmerk van het recht van erfpacht in de definitie op te nemen, kon het niet schaden als regel aan te nemen, dat het in zoodanigen omvang wordt uitgeoefend.
Voor het overige geeft het artikel de bevoegdheid om door verschillende bedingen den omvang van het genot te beperken, en, gelijk reeds in de inleiding hierboven werd te kennen gegeven, ook zoodanige bepalingen ie maken, dat het genot bestaat in hetgeen het « regt van opstal» volgens artikel 758 B. W. beoogde, n.1. het hebben van gebouwen, werken of beplantingen op eens anders grond.
Art. 199.
Bij dit en de volgende artikelen is van de veronderstelling uitgegaan, dat het recht in zijn vollen omvang is verleend.
In het eerste lid wordt onder andere bewoordingen de zin van hetgeen in de eerste woorden van artikel 768 B. W. wordt gelezen, teruggegeven.
Ten aanzien van de bevoegdheid om de zaak te gebruiken is den erfpachter meerdere vrijheid gelaten dan in artikel 768 B. W. hem werd toegekend. Het mag een te strenge eisch genoemd
q
130
â worden, dat de erfpachter nimmer zoodanig gebruik van den grond zou mogen maken, waardoor de waarde er van vermindert, tenzij bij het begin van zijn recht reeds met dusdanig gebruik een aanvang is gemaakt. De bevoegdheid tot het op voormelde wijze exploiteeren van den grond moet niet van dit laatste afhankelijk zijn, maar wel van de bedoeling, waarmede de eigenaar geacht kan worden de hem toebehoorende zaak in erfpacht Ie hebben uitgegeven. Deze bedoeling kan allereerst blijken uit eene uitdrukkelijke omschrijving van het recht, maar bovendien kan zij uit andere omstandigheden voortvloeien, bv. uit de bestemming der zaak tijdens de uitgifte. Deze bestemming zelve kan natuurlijk afgeleid worden uit het feit, dal met het exploiteeren reeds een aanvang is gemaakt, maar men kan haar even goed afleiden uit den aard en de gesteldheid van den grond of uit de wijze waarop in de onmiddellijke nabijheid gelegen gronden van denzelfden aard of gesteldheid worden geëxploiteerd. Men heeft 'gemeend hieromtrent de meest mogelijke vrijheid te moeten laten in de beoordeeling van de feitelijke omstandigheden. Men vergelijke ook artikel 1292 van het Ontwerp 1820.
Ten slotte is het raadzaam voorgekomen met zoovele woorden te kennen te geven, dat de erfpachter het gebruik der zaak aan een ander mag afstaan. Men zou deze bijvoeging wellicht overbodig knnnen achten, maar, terwijl eene dergelijke bepaling in den Titel van Vruchtgebruik niet kon gemist worden, met het oog op het bij artikel 297 bedoelde recht van gebruik, waarbij de bevoegdheid om het aan een ander af te staan niet wordt gegeven, scheen eene regeling van dit punt ook bij erfpacht (en beklemming) niet te mogen ontbreken.
Art. 200 en 201.
Eerstgenoemd artikel geeft in kortere bewoordingen den inhoud van artikel 774 B. W. terug.
Artikel 201 is ruimer gesteld dan de daarmede overeenkomende bepalingen van de artikelen 769 en 770 B. W. Het derde lid van laatstgenoemd artikel is niet overgenomen, vermits bet overbodig scheen, doch, terwijl het eerste lid van artikel 769 slechts een bijzonder geval regelt van wat men zou kunnen noemen de «wirthschaftliche Verfüguny» over de zaak, heeft het ontwerp den erfpachter in het algemeen opgedragen de zaak als een goed huisvader te beheeren. Vooreerst wordt daardoor erkend, dat in den regel de belangen van den eigenaar en van den erfpachter het best gediend worden, indien laatstgenoemde in de wijze van beheeren niet te veel aan banden wordt gelegd, rnaar bovendien was eene overname van artikel 769 ook daarom niet wenschelijk, omdat het werkelijk in het belang van het goed kan zijn geene andere boomen in de plaats van de om-gevallene Ie planten, terwijl daarentegen uit het daar bepaalde zou kunnen afgeleid worden, dat het den erfpachter niet vrij zou staan bosschen te dunnen, zelfs dan niet, wanneer een goed beheer dit zoude medebrengen. Dat de erfpachter aanspraak kan maken op de door toeval omgeworpen of uitgerukte boomen is, met het oog op artikel 199, niet aan twijfel onderhevig.
Art. 202.
Men mng aannemen, dat hij, die het volle genot der zaak heeft, ook in het genot moet komen van de uitbreiding van den grond ten gevolge van daaraan ontstane aanwassen. Ten aanzien van het recht van indijking heeft men gemeend te moeten onderscheiden tusschen de gevallen, dat de
131
erfpacht eeuwigdurend of slechts tijdelijk is. Bij eeuwigdurende erfpacht is het onderscheid tusschen eigendom en erfpacht zóó gering, dat men niet geschroomd heeft ook het recht van indijking aan laatstgenoemd zakelijk recht te verbinden. De gevolgen er van reiken te ver dan dat men ook den tijdslijken erfpachter die bevoegdheid zou mogen verleenen.
Art, 203.
In artikel 54 van het ontwerp is het beginsel nedergelegd, dat hij, die den grond van een ander krachlens zakelijk of persoonlijk recht onder zich heeft, eigenaar is van de met dien grond verbonden zaken, indien en zoolang hij het recht heeft ze weg te nemen. In artikel 203 vertoont zich een der gevallen in eerstgemeld artikel bedoeld. Al wat de erfpachter onverplicht op den grond gebouwd of geplant heeft, of wat hij heeft betaald, indien hij de gebouwen of beplantingen bij den aanvang van zijn recht heeft aanwezig bevonden, mag hij wegnemen. De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (in de inleiding tot dezen Titel werd er reeds met een enkel woord op gewezen) zijn ten opzichte van het wegnemen van gebouwen en beplantingen bij het «regt van opstal» anders dan bij het «erfpachtsregt.» (zie de artikelen 761â763, 769 tweede lid, 772 en 773 B. W.), in het bijzonder wat de verplichting aangaat van den eigenaar om, na het eindigen van het zakelijk recht, de waarde der gebouwen en beplantingen te betalen. Het ontwerp heeft voor alle gevallen dezelfde regels gesteld. Voorzoover de erfpachter verplicht was gebouwen te zetten of aanplantingen te doen, zal hij niet bevoegd zijn het gebouwde of aangeplante weder weg te nemen, tenzij het tegendeel â¢werd overeengekomen; aan den anderen kant zou het niet met den aard van het zakelijk recht strijden , indien bedongen werd, dat alle gebouwen en beplantingen, door den erfpachter gedurende het bestaan van het zakelijk recht onverplicht aan den grond toegevoegd, daaraan verbonden zullen moeten blijven en dat hij het recht niet zal hebben ze weder weg te nemen. Voor die gevallen wordt de erfpachter geen eigenaar van het gebouwde em?. en behoudt de in artikel 54 vooropgezette regel: « superficies cedit solo » zijn kracht.
Dat dezelfde bevoegdheid van wegneming ook wordt toegekend, indien de erfpachter de aanwezig zijnde gebouwen en beplantingen heeft betaald, mag in de eerste plaats als eene billijke gevolgtrekking beschouwd worden uit hetgeen ten aanzien van de door den erfpachter zeiven gestelde gebouwen enz. is bepaald. Bovendien is het in overeenstemming met hetgeen in het tweede lid van artikel 54 is vastgesteld, waar geen onderscheid gemaakt wordt ten aanzien van de verschillende wegen, langs welke hij. die den grond krachtens zakelijk of persoonlijk recht onder zich heeft, de bevoegdheid heeft bekomen om de met den grond verbonden zaken tot zich te nemen.
Wat er moet geschieden met het op den grond gebouwde of geplante, indien de erfpachter, na het eindigen van zijn erfpacht, een en ander niet wegneemt, is volgens het bestaande recht niet in bijzonderheden geregeld; ten aanzien van opstal treedt, volgens artikel 762, de eigenaar bij het eindigen van het recht in den eigendom dier gebouwen, werken en beplantingen (onder gehoudenis om de waarde er van te betalen). Het ontwerp bepaalt, dat den erfpachter, ook na het eindigen van zijn recht, een redelijke termijn moet gelaten worden om van zijne bevoegdheid tot wegneming gebruik te maken. De eigenaar moet beginnen met den erfpachter aan te manen en, bij verschil tusschen hen beiden, zal, zoo noodig, de rechter beslissen, of laatstgenoemde den redelijken termijn al dan niet ongebruikt heeft laten voorbijgaan. Deze regeling mag geacht worden billijker te zijn
132
dan die, welke öf den erfpachter dwingt reeds te sloopen en te slechten terwijl hij nog in hetgt; genot der zaak is, óf hem zijn eigendom door het eindigen -van zijn recht doet verliezen; de eigenaar heeft het thans in zijne macht om, met inachtneming van de wederzijdsche belangen, binnen een bekwamen tijd de zaken tusschen hem en den erfpachter te regelen.
Art. 204.
Het recht op schadevergoeding alsmede dat op terughouding, ook in het Burgerlijk Wetboek erkend (artikelen 761 en 772), zijn in bet ontwerp overgenomen.
Het artikel ziet in de eerste en de voornaamste plaats op de wegneming van gebouwen enz. na het eindigen van het recht van erfpacht; van een recht van terughouding zal in den regel alleen in dat geval sprake zijn.
Wordt er door het wegnemen gedurende den loop van het erfpachtsrecht schade toegebracht, dan zal in de eerste plaats de bepaling van artikel 201 toepasselijk zijn, maar bovendien zal de eigenaar een beroep kunnen doen op artikel 204f, terwijl ook het aanwenden van het recht van terughouding in zulk een geval denkbaar is, indien de voorwerpen om de eene of andere reden zich nog op het goed bevinden.
Art. 205.
De artikelen 759 en 771 B. W. maken ook melding van het vervreemden van het recht en van het belasten daarvan met hypotheek. Wat het eerste aangaat: over de overdracht van de erfpacht wordt hierna in artikel 211 gesproken. Omtrent het belasten met hypotheek of met vruchtgebruik heeft men gemeend te moeien beslissen ter plaatse waar, bij de behandeling dier rechten, zal aangegeven worden; op welke zaken zij zullen kunnen worden gevestigd. Zoo zal uit den Titel van Vruchtgebruik en uit dien van Hypotheek (artikelen 318 en 331) blijken , dat erfpacht met vruchtgebruik en hypotheek kan worden bezwaard.
Met betrekking tot het vestigen van erfdienstbaarheden moet men aannemen, dat eene erfdienstbaarheid, bij voorbeeld die van inbalking, kan worden gezegd te rusten op de in erfpacht uitgegeven zaal', ook al is het gebouw eerst na het ontstaan van de erfpacht opgericht.
Art. 206.
Eene van de voornaamste grieven tegen de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de erfpacht is, dat men de bevoegdheid aan den eigenaar heeft gegeven om de vervallenverklaring van de erfpacht te vorderen, en, meer in het bijzonder, dat men ingevolge het bepaalde in het tweede lid van artikel 780 B. W., de vervallenverklaring kan eischen ter zake van wanbetaling der pacht. De Landbouwcommissie achtte zulk eene vervallenverklaring onbillijk, omdat het erfpachtsrecht veel grooter waaide kan hebben dan de schuld en de erfpachter in slechte tijden of bij geringe nalatigheid van de vruchten van zijn arbeid en kapitaal kan worden beroofd, terwijl bovendien het vestigen van hypotheek door den erfpachter feitelijk onmogelijk wordt, wanneer het recht bij wanbetaling vervalt»
J 33
Ofschoon de bezwaren wellicht eenigszins breed uitgemeten zijn, Vooral met het oog op den thans gestelden eisch, dat de betaling der pacht gedurende vijf op elkander volgende jaren moei zijn achterwege gebleven, heeft men toch gevoeld,, dat het hier geldt het opleggen van eene zeer buitengewone straf, waarvan onbillijke verrijking van den eigenaar ten koste van den erfpachter het gevolg is of althans kan zijn, zoodat het ontwerp, in aansluiting aan hetgeen reeds in artikel 813 van liet Wetboek 1830 werd aangetroffen (zie Voorduin t. a. p. p. 524), een verhaal op het zakelijk recht ter zake van wanbetaling heeft mogelijk gemaakt, en de mogelijkheid eener vervallenverklaring alleen voor het geval van grof verzuim in de nakoming der overige op den erfpachter rustende verplichtingen heeft behouden.
Bij gebleken verzuim om de pacht te betalen kan de eigenaar het zakelijk recht verkoopen-Dit recht heeft hij zoodra de erfpachter ten opzichte van één jaar pacht in gebreke is, maar hij kan niet meer pachten verhalen dan die binnen de laatste vijf jaren opeischbaar zijn geworden. Over de wijze waarop de uitwinning kan geschieden zal bij het volgend artikel gesproken worden; Ie dezen aanzien worde hier slechts herinnerd, dat bij de waardeering van het zakelijk recht als waarborg voor een te verleenen crediet met de mogelijkheid, dat de eigenaar de voormelde pacht-termijnen kan verhalen, rekening zal moeten worden gehouden. Voor zoovermen mocht meenen, dat het niet van hardheid vrij te pleiten is, indien het recht reeds na verzuim in de betaling van één termijn kan worden geëxecuteerd, zij er op gewezen, dat ook thans na het eerste jaar den schuld-eischer reeds een recht van uitwinning van de goederen van den schuldenaar toekomt, doch alsdan met al den omslag en al de onkosten, die aan dergelijke gewone uitwinning zijn verbonden, waardoor de geldelijke belangen van den erfpachter-schuldenaar zeker niet worden bevorderd.
Het maximum der te verhalen pachten is vastgesteld in overeenstemming met de bepaling van artikel 2012 B. VV.
Art. 207.
Bij het toekennen van parate executie aan den eigenaar voor het verhaal van niet betaalde pacht moest men er toe komen de verhouding tusschen hem en den hypothecairen crediteur, die geld op de erfpacht heeft geschoten, te regelen.
Dat de eigenaar voor zijne vorderingen bevoorrecht moet zijn boven den eersten hypotheekhouder spreekt van zelf; bij de toelichting op het voorgaand artikel werd er i-eeds aan herinnerd, dat de geldschieter, bij het beoordeelen van de waarde der erfpacht, op dezen voorrang zal moeten rekenen. De vraag, hoe de loop der executie verder zoude moeten zijn, kon verschillend worden beantwoord. Men had een voorbeeld kunnen nemen aan de regeling van de artikelen 508 en vlgg. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoodat de hypothecaire crediteur, die bij den eigenaar moet achterstaan, evenals in het geval van artikel 508 de executant bij den hypotheekhouder van artikel 1223 B. W.. zich had terug te trekken, indien de eigenaar zijn recht wil vervolgen, maar de zaak scheen wel zoo eenvoudig geregeld, indien de eigenaar als eerste hypotheekhouder werd beschouwd, waardoor de geldschieter met eerste hypotheek op de erfpacht in werkelijkheid tweede hypotheekhouder werd, Tegen deze regeling bestond te minder bezwaar nu het ontwerp aan den tweeden hypotheekhouder dezelfde rechten van uitwinning toekent als aan den eersten. Op grond hiervan kon men te dezer plaatse met een verwijzing naar de desbetreffende
134
bepalingen uit de derde afdeeling van den tienden Titel volstaan, onder bijvoeging dat de toepassing slechts kan plaats hebben «zooveel de aard der zaak het toelaat.»
De reden waarom niet verwezen is naar artikel 341 ligt voor de hand. Bij hypotheek kunnen schuldenaar en eigenaar van het verhypothekeerde goed verschillende personen zijn, bij erfpacht kan zulks niet plaats hebben, dewijl de verplichting om de pacht te betalen, ook die welke bij de overdracht van het recht reeds verschuldigd was, op den nieuwen verkrijger overgaat (zie artikel 211).
De verwijzing naar de artikelen 344â370 is strikt genomen te algemeen, vermils althans de artikelen 346 en 348 op het hier bedoelde geval van het door den eigenaar uit te oefenen recht van uitwinning geacht moeten worden niet van toepassing te kunnen zijn. Ter vereenvoudiging in de aanhaling zijn deze artikelen evenwel niet uitgezonderd, eene onnauwkeurigheid, die, met het oog op de woorden: «zooveel de aard der zaak het toelaat», zonder nadeel kon toegelaten worden.
Bij het verleenen der hypotheek moet, volgens artikel 335, domicilie gekozen worden dooiden schuldeischer, en naar dit gekozen domicilie verwijst artikel 355. Zulk eene domiciliekeuze komt bij erfpacht niet te pas, zoodat in die leemte moest worden voorzien door hel bepaalde in het tweede lid van hef voorgestelde artikel.
Bij de toelichting op artikel 196 is er reeds op gewezen, dat de bevoegdheid van den eigenaar om bij de niet opgeheven aansprakelijkheid van ieder stuk grond voor de geheele pacht de erfpacht hetzij over ieder stuk afzonderlijk hetzij over den geheelen in erfpacht uitgegeven grond aan te spreken, onderworpen is aan de bepalingen van de artikelen 342 en 343. Het geval, dat meerdere zaken gezamenlijk voor ééne zelfde inschuld zijn verbonden, doet zich hier voor, en, bij gelijkstelling van den eigenaar met een hypotheekhouder, moest ook deze consequentie aanvaard worden.
Art. 208 en 209.
Behalve hetgeen in de artikelen 760 en 767 2(1(! lid B. W. wordt voorgeschreven, bevatten de tegenwoordig geldende Titels van het «regt van opstal» en «het erfpachtsregt» niets omtrent de wijzen, waarop voornoemde rechten ontstaan. Beide artikelen spreken van het overschrijven van den titel van aankomst in de daartoe bestemde openbare registers en maken dus melding van eene voor het ontslaan van het recht noodzakelijke handeling, zonder zich uit te laten over hetgeen aan die handeling moet voorafgaan, evenmin als over de mogelijkheid of nog op andere wijzen aan een der voornoemde rechten het, aanzijn kan worden gegeven.
Op het voetspoor van hetgeen in artikel 182 voor de erfdienstbaarheden is bepaald, zijn in artikel 208 de twee wijzen opgenoemd, waarop erfpacht kan ontstaan. De op artikel 182 gegeven toelichting kan ook voor het hier voorgestelde artikel voldoende geacht worden, zoodat daarheen kan worden verwezen. Hetzelfde geldt van artikel 209, waarbij de toelichting op artikel 183 worde vergeleken. Daar ter plaatse werd de opmerking gemaakt, dat «voorbehoud van zakelijke rechten» als modificatie van erfdienstbaarheid niet denkbaar is. Bij erfpacht geldt die opmerking niet. Het verleenen van erfpacht onder voorbehoud eener erfdienstbaarheid â bv. van uitzicht â ten behoeve van het aangrenzend erf kan zich zeer wel in de practijk voordoen.
De i-echten van derden zullen ook in zóóverre moeten geëerbiedigd worden, dat indien de eigenaar, alvorens de akte is overgeschreven, de zaak vervreemdt, andermaal in erfpacht geeft of
135
met eenig ander recht bezwaart en deze tweede rechtverkrijgende, mede vóór dat tijdstip, de akte doet overschreven, deze laatste, en niet de eerste, moet voorgaan.
Gelijk het bedrag eener hypotheek, zoo zal, juist wegens het daaraan ingevolge artikel 207 verbonden recht van voorrang, het bedrag der pacht uit de registers moeten blijken; en evenmin als bij ontstentenis van openbaarmaking van het bedrag der hypotheek van deze laatste, evemin zal in hetzelfde geval bij erfpacht van het recht van voorrang voor de pacht sprake kunnen zijn. Hetzelfde geldt in geval van verhooging der pacht; ook deze zal bij, uitsluitend met dat doel opgemaakte, notarieele akte moeten worden bedongen, terwijl de akte in de registers zal moeten worden overgeschreven, zonder dat de verhooging van invloed mag zijn op de rechten van hen, die vóór de overschrijving zakelijk werkende bedingen hebben verkregen.
Art. 210.
De bepalingen omtrent eigendomsverkrijging door verjaring in de vierde atdeeling van den derden Titel van het ontwerp vervat zijn, behoudens het artikel handelende over de verkrijging van roerende goederen door verjaring, op de erfpacht toepasselijk verklaard.
Nog gemakkelijker dan bij erfdienstbaarheden kunnen die bepalingen op de erfpacht worden toegepast. Voor de uitdrukking; «bezit als eigenaar» leze men: «bezit als erfpachter» en voor: «eigenaar der zaak » gebruike men de woorden: « erfpachter der zaak » enz.
Artikel 90 werd in artikel 184 niet opgenomen; dat het in het geval van verkrijging door verjaring der erfpacht wèl van toepassing kan zijn, zal wel niet nader behoeven te worden aangetoond.
Vermits in artikel 220 de rechtsvorderingen, bij de zesde afdeeling van den derden Titel omschreven, den erfpachter worden toelt;rekend, levert de toepassing van artikel 94 geene zwarigheid op, terwijl artikel 95 ingeroepen kan worden ook door hem, die als erfpachter meent de zaak van den op dat oogenblik als zoodanig fungeerenden te kunnen opvorderen.
Art. 211.
De erfpachter heeft de bevoegdheid om zijn recht te vervreemden; artikel 771 B. W. (zie ook artikel 759 B. quot;W.) kent hem evenzeer dit recht toe. Naar de in de artikelen 100â104 en 106 voor eigendomsoverdracht gestelde regels had men slechts te verwijzen, om aan te duiden hoe die overdracht moet plaats grijpen. Verdere toelichting op dit punt schijnt onnoodig.
Met het oog op de bepaling van artikel 219, was het noodzakelijk de verhouding tusschenden vroegeren en den nieuwen erfpachter te regelen. Hieraan heeft het derde lid van artikel 211 zijn ontstaan te danken. De bedoeling is, dat de nieuwe erfpachter, niet alleen ten aanzien van de bedingen , waaronder het recht is gevestigd, en die hem uit den in de openbare registers overges chreven titel bekend kunnen zijn, in dezelfde verhouding tot den eigenaar komt te staan als degene, van wien hij het recht overnam, maar dat hij ook diens verbindtenissen op zich neemt, m. a. w., dat hij aansprakelijk is voor de tekortkomingen van den vorigen erfpachter, b.v. in het betalen van de verschuldigde pacht, of in het niet behoorlijk zorg dragen voor de in erfpacht gegeven zaak , zoodal. ook het door laatstgenoemde gepleegd grof verzuim tot het instellen van een eisch tot vervallenverklaring tegen
-136
dén nieuwen erfpachter zoude kunnen aanleiding geven. Met het optreden van dezen laatste wordt de band tusschen den eigenaar en den vroegeren erfpachter verbroken en houdt de aansprakelijkheid van dezen op. Tegen de schade, die zou kunnen voortvloeien uit het overdragen van het recht aan een onbekwamen of niet-vertrouwbaren persoon, kan de eigenaar waken door te bedingen, dat geene overdracht mag geschieden zonder zijne toestemming, of wel, hij kan zich de bevoegdheid van inspectie voorbehouden, waardoor de mogelijkheid om bij lijds van het recht van vervallenverklaring te kunnen gebruik maken wordt bevorderd; â op dien grond meende men, dat er geen voldoende reden bestond om eene subsidiaire actie tegen den vroegeren erfpachter toe te laten.
Door het bepaalde in het laatste lid van het artikel is eene aanvulling beoogd van het in artikel 208 vastgestelde, dat erfpacht ontslaat door verjaring, ten einde de opvatting te voorkomen, dat de verjaring alleen in aanmerking zou komen bij het eerste ontstaan van het recht en dit niet het geval zou zijn bij de beoordeeling van het recht, dat hem toekomt, aan wien eene erfpacht door een daartoe niet gerechtigde wordt overgedragen, terwijl men mag aannemen, dat juist in die gevallen een beroep op de verjaring het meest zal te pas komen.
Art. 212.
Terwijl de artikelen 765 en 783 B. W. slechts gevallen opnoemen, waarin, onder anderen, opstal en erfpacht kunnen te niet gaan, heeft het ontwerp, evenals bij erfdienstbaarheden, de gevallen voor het te niet gaan der erfpacht zoo volledig mogelijk opgegeven, en daarbij eveneens bet Ontwerp 1820 (artikel 1316) tot leiddraad gekozen. Ten aanzien van sommige punten, als het te niet gaan der zaak en de in n08. 6 en 7 genoemde gevallen, kan hier ter plaatse met eene verwijzing naar de toelichting op artikel 187 worden volstaan.
In de eerste plaats wordt genoemd; «wederzijdsche toestemming van den eigenaar en den erfpachter». Ofschoon in het algemeen ieder afstand kan doen van een hem toekomend recht, heeft men gemeend zoodanige eenzijdige handeling bij een recht als erfpacht, waaruit wederzijdsche verplichtingen en in het bijzonder praestaties van de zijde van hem, die afstand zoude willen doen, voortvloeien, niet te mogen toestaan. Het ontwerp 1820 maakt van een eenzijdigen afstand evenmin melding.
In de tweede plaats gaat erfpacht te niet door «vermenging van den eigendom en de erfpacht». Ook artikel 765 B. W. noemt dien grond voor het te niet gaan op en eene nadere toelichting kan dus als overbodig beschouwd worden.
Over het te niet gaan door vervallenverklaring en door verjaring zal hierna bij de toelichting op de artikelen 216 en 217 gesproken worden.
Het ontwerp heeft onder n0. 4 nog opgenomen: «het overlijden van den erfpachter, indien «deze geene erfgenamen heeft nagelaten». Zooals uit de toelichting op den Titel van Beklemming zal blijken, heeft men laatstgenoemd recht nauw aan dat van erfpacht doen aansluiten; dientengevolge kwam men er als van zelf toe eene bepaling als deze, die overigens meer aan het karakter van beklemming dan aan dat van erfpacht beantwoordt, naar deze laatste over te brengen. Trouwens, dat onder de heerschappij van het Oud-Hollandsch recht de dood van den erfpachter onder zekere omstandigheden (en niet alleen krachtens beding) een grond kon zijn voor het te niet gaan van het recht, blijkt uit verschillende schrijvers over dat recht (zie de Groot, Inl., Boek II, deel 40, §16;
137
quot;van Leeuwen liooms-UollamU-liegt, Boek II, deel 10, no. 7; Voet, Si ager vectigal., L. VI, T. III, no. 14, alsmede Groenewegen op de Groot).
Bovendien schijnt de bepaling volkomen rationeel. Indien bij de regeling van het erfrecht bepaald mocht worden, dat de Staat als erfgenaam optreedt van hem, die, zonder wettelijke of testamentaire erfgenamen na te laten, sterft, dan zal de Staat in voornoemde hoedanigheid de erfpacht overnemen. quot;Wordt de Staat daarentegen geen erfgenaam, dan is de eigenaar de naaste om zijn goed, thans onbezwaard, terug te nemen.
Het laatste lid van het artikel was noodzakelijk om te voorkomen. dat derden zouden benadeeld worden door omstandigheden, die zij niet hadden kunnen voorzien en waarvan eene onbillijke verrijking van den eigenaar het gevolg zoude zijn. Al heeft zich dus de erfpacht op eene der voormelde wijzen in het vermogen van den eigenaar der zaak opgelost, de hypotheekhouder b.v. (en van dezen zal in den regel hier sprake zijn) kan zijn recht op de erfpacht, als ware zij een afzonderlijk vermogensbestanddeel, uitoefenen, zoodat zij door verkoop weder in handen van een derde kan komen, een en ander tenzij de eigenaar in de gelegenheid is geweest eene schikking met den hypotheekhouder te treffen.
Artt. 213 en 214.
Eerstgenoemd artikel is van denzelfden inhoud als artikel 188. Volledigheidshalve is de bepaling ook hier ingelascht.
Artikel 214 treedt in de plaats van artikel 779 B. W. In navolging van hel bepaalde bij huur en verhuur (artikelen 1623 en 1634 B. W.) is als voorwaarde er bij gevoegd, dat de erfpachter in het bezit van de zaak moet zijn gelaten; juist deze omstandigheid is een bewijs voor de stilzwijgende toestemming van den eigenaar der zaak. Billijk is het dan ook . dat in zoodanig geval de eigenaar niet op ieder uogenblik de erfpacht kan opzeggen, maar dit slechts mag doen met inachtneming van den termijn van een jaar.
Art. 215.
Hierbij zij alleen opgemerkt, dat ten aanzien van het tenietgaan door wederzijdsche toestemming dezelfde regelen moeten gelden als bij afstand van zakelijke rechten (zie de artikelen 99, 107, 121, 138 en 189), met dien verstande, dat, nu het eene handeling geldt van twee partijen, ook het vierde lid van artikel 100 toepasselijk verklaard moest worden.
Art. 216.
Dat de vervallenverklaring voor het plegen van grof verzuim is behouden gebleven, werd reeds bij de toelichting van artikel 206 opgemerkt. Men heeft er geene onbillijkheid in gevonden om, tegenover den in den regel langen duur van de erfpacht en de uitgebreidheid der rechten, die den erfpachter worden toegekend, den eigenaar het middel, hem in de bestaande wet gegeven om de ontrouw van den erfpachter in het behartigen zijner belangen te straffen, te laten houden. Men zou aan eene onbillijke verrijking van den eigenaar kunnen denken, indien door den erfpachter
138
eene koopsom is betaald voor het hem afgestane recht, maar daartegenover staat, dat (evenals in de bestaande wet) alleen op grof verzuim vervallenverklaring is gesteld en dat den erfpachter zelfs dan nog ruimsclioots gelegenheid wordt verschaft de fouten te herstellen, zoodat onder die omstandigheden van eene onrechtmatige begunstiging van den eigenaar geen sprake kan wezen.
De erfpachter kan van zijn recht worden vervallen verklaard «met veroordeeling tot vergoeding «van kosten, schaden en interessen.» Door deze laatste woorden wordt, duidelijker dan in artikel 780 B. W., te kennen gegeven, dat de vergoeding tegelijk met de vervallenverklaring dient gevraagd te worden. Voorts wordt het grof verzuim meer in onmiddellijk verband gebracht met de in de wet opgenoemde verplichtingen van den erfpachter. Zoo als bekend is, wordt artikel 781 B. W. in verschillenden zin uitgelegd, in het bijzonder ten aanzien van het tijdstip waarop de erfpachter nog bevoegd zou zijn om, door herstelling van de toegebrachte schade, te ontkomen aan de dreigende of reeds tegen hem uitgesproken vervallenverklaring. Het tweede lid van artikel 216 stelt dit buiten twijfel; hij kan het doen (tenzij het tegendeel is bedongen) zelfs nog hangende het geding, dat wil zeggen; zoolang nog niet, door in kracht van gewijsde gegaan vonnis, een definitief oordeel dooi' den rechter is uitgesproken.
Hij moet de toegebrachte schade vergoeden. Artikel 781 B. W. zegt dit niet met zoovele woorden, maar het spreekt van zelf, dat de erfpachter daartoe thans evenzeer verplicht zal zijn, wil hij de vervallenverklaring voorkomen. Ook de betaling van de door den eigenaar gemaakte proceskosten zal hij op zich moeten nemen.
Dat bij verdeeling van de erfpacht de vervallenverklaring van het recht zich niet verder kan uitstrekken dan tot het deel, ten opzichte waarvan het grof verzuim is gepleegd, werd reeds hierboven bij de toelichting van artikel 196 opgemerkt.
Art. 217.
Ten aanzien van de verjaring als oorzaak van het te niet gaan der erfpacht kan verwezen worden naar de toelichting op de artikelen 191 en 192, waar over het te niet gaan der erf dienstbaarheden door verjaring is gesproken. Eene met het recht strijdige daad, als uitgangspunt voor de exstinctieve verjaring, is dus hier evenmin als in het algemeen bij erfdienstbaarheden noodzakelijk.
Art. 218.
Door dit artikel is de twijfel opgeheven, die zou kunnen ontstaan omtrent de vraag of de erfpachter, na het eindigen van zijn recht, de zaak mag abandonneeren, dan wel of hij aansprakelijk blijft totdat hij, door overgave der zaak of althans door haar ter beschikking van den eigenaar te stellen, dezen de gelegenheid heeft gegeven de zorg daarvoor op zich te nemen. Het ontwerp heeft, op het voetspoor van artikel 829 B. W., waaruit eene verplichting als de hier bedoelde voor vruchtgebruik zoude kunnen worden afgeleid, bepaald, dat de erfpachter er zich niet. van af kan maken door de zaak aan haar lot over te laten, ook dan wanneer het van het grootste belang zou zijn de noodige maatregelen tot hare instandhouding te nemen, maar dat hij voort moet gaan met haar als een goed huisvader te beheeren. In den regel zal de eigenaar met het eindigen van het zakelijk
139
recht bekend zijn, doch, indien zulks plaats heeft ten gevolge van de vervulling eener ontbindende voorwaarde, laat zich het geval denken, dat hij van deze omstandigheid geen kennis heeft gekregen.
Omtrent de wijze, waarop de zaak ter beschikking van den eigenaar moet worden gesteld, zijn verder hier ter plaatse geen voorschriften gegeven; voorzoover men de op den erfpachter tegenover den eigenaar rustende verplichting kan beschouwen als eene persoonlijke verbintenis, zal men daarbij te rade moeten gaan met hetgeen ten aanzien van de wijzen, waarop men zich van verbintenissen kan kwijten, is of zal worden bepaald.
Het tweede lid van het artikel steunt op voor de hand liggende gronden van billijkheid en heeft geene nadere toelichting van noode.
Art. 219.
De inhoud van artikel 778 B. W. laat aan duidelijklieid Ie wenschen over en onder de vragen, waartoe dat artikel aanleiding geeft, behooren ook deze: in hoeverre de latere erfpachter aansprakelijk is voor de verzuimen van zijne voorgangers, van welk tijdstip af die aansprakelijkheid een aanvang neemt en tot hoelang zij duurt. Door het bepaalde in artikel 211 zijn die vragen op voldoende wijze beantwoord.
Thans bleef nog ter regeling over datgene, waarop artikel 778 B. W. meer bepaald het oog heeft, n. 1. de afrekening, om het zoo eens te noemen, met den laatsten erfpachter bij of na het eindigen van de erfpacht. Men zal zich de zaak zóó hebben voor te stellen, dat de eigenaar, na het bezit der zaak te hebben overgenomen en te hebben nagegaan in welken toestand zij hem wordt teruggegeven, den laatsten erfpachter ter verantwoording kan roepen voor de tekortkomingen van iiem en van al zijne voorgangers. Op het oogenblik dat de erfpacht eindigt, ontstaat dit recht voor den eigenaar, onverschillig van welk tijdstip de nalatigheid dagteekent. Over de middelen, die de eigenaar kan aanwenden om zich tegen de schade te vrijwaren, die, door het overdragen van de erfpacht op minder geschikte personen, voor hem zoude kunnen ontstaan, is bij de toelichting op artikel 211 gesproken.
Art. 220.
Het Burgerlijk Wetboek behelst geeue bepaling, waaruit kau blijken welke rechtsvorderingen den erfpachter ten dienste staan. Artikelen, zooals 828 j0. 821 en 825 B. W. voor vruchtgebruik, kent onze wet voor erfpacht niet. In die leemte is door bet hier voorgedragen artikel voorzien.
Het Ontwerp 1820 kende in artikel 1307 den erfpachter eene reëele actie toe «tegen alle bezitters , «schoon deze de eigenaars van het goed zelve mogten zijn, ten einde te worden gehandhaafd in «zijn regt van erfpacht» enz. Men heeft gemeend niet Ie kunnen volstaan met een dergelijk algemeen luidend voorschrift, maar met name te moeten aanduiden welke verschillende rechtsvorderingen de erfpachter kan instellen, ten einde zijn recht te kunnen uitoefenen en handhaven. In de eerste plaats worden hem gegeven de eigendomsacties, omschreven in de zesde afdeeling van den derden Titel; in de tweede plaats de acties uit het burenrecht voortvloeiende, en in de derde plaats de confessoria, met het oog op zijne belangen als erfpachter van een heerschend erf, natuurlijk' met dien verstande, dat, waar anders het eigendomsrecht, hier het erfpachtsrecht. als grondslag van
â¢140
den eisch wordt gesteld. Deze verschillende rechtsvorderingen kan de erfpachter dan ook instellen tegen den eigenaar, waarmede natuurlijk niet gezegd is, dat hij niet ook van andere acties, b. v. die uit bezit of uit eenig bijzonder beding van zijn titel voortvloeien, zal kunnen gebruik maken.
Het spreekt evenwel van zelf, dat hier hetzelfde geldt wat bij de toelichting op artikel 199 op den voorgrond werd gesteld, n. I., dat bij deze toekenning van de veronderstelling wordt uitgegaan, dat de erfpachter bevoegd is het recht in zijnen vollen omvang uit te oefenen. Wanneer hij door verschillende bedingen in zijne rechten is beperkt, kan dit van invloed zijn op de rechtsvorderingen, die hij ter handhaving van zijn recht zou kunnen instellen. Artikel 1307 Ontwerp 1820 voornoemd vermeldt, dat hij kan vorderen «te worden gesteld in het dadelijk bezit van het goed, mitsgaders «van al de regten daartoe behoorende, en aan den eigenaar niet uitdrukkelijk voorhehouden.i) Dit voorbehoud, waarvan de toepassing vooral bij de rechtsvordering van artikel 116 (de neyatoria), licht kan voorkomen , werd evenwel niet noodig geacht uitdrukkelijk in de wet te maken.
Art. 221.
Ten aanzien van het gerechtigd zijn tot een onverdeeld aandeel in een recht van erfpacht kan met eene verwijzing worden volstaan naar de voorschrilten omtrent medeéigendom. Eene uitzondering moest worden gemaakt voor het recht om afstand te doen. Vermits de erfpachter het recht daartoe niet bezit, kon dit evenmin aan den medegerechtigde voor een aandeel worden toegestaan.
ZEVENDE TITEL.
Van beklemming.
Het scheen een onafwijsbare eisch, om bij de behandeling der zakelijke rechten, te overwegen óf en, zoo ja, op welke wijze en in welken vorm eene plaats aan het recht van beklemming moest worden ingeruimd.
De vraag, of men aan dat recht eene plaats in het ontwerp zoude geven en trachten daarvoor bruikbare regelen samen te stellen kon wel niet anders dan bevestigend beantwoord worden, ook al zouden de bestaande beklemmingen slechts ten deele aan de nieuwe regeling onderworpen zijn. Van alle zijden wordt er op aangedrongen om aan de onzekerheid een einde te maken, die thans ten aanzien van het bedoelde recht heerscht, en in het bijzonder wijst de Landbouwcommissie in haar, vroeger reeds vermeld, rapport van 1886 er op hoe «het beklemrecht», ware het wettelijk geregeld, ook in andere deelen van het land, naarmate de behoefte bleek, zou kunnen ingevoerd worden, en het van het grootste belang is, dat de mogelijkheid worde geopend om ook buiten Groningen rechtsverhoudingen in het leven te roepen, die, naar hel oordeel van alle deskundigen, in die provincie zulke uitmuntende gevolgen gehad hebben. De economische waarde van het instituut is ook van andere zijde met krachtige gronden betoogd ; men leze b. v. in het meermalen aangehaald
141
werk van Mr. Moltzer (Laudhouv: en Kapitaalbelegffhig) de bladzijden 19 en volgende; de beklemming wordt daar in het algemeen en afgescheiden van eenige bezwaren, waaraan zoude moeten tegemoet gekomen worden, «een voortreffelijke grondslag van landbouwbedrijf» (zie t. a. p het inhoudsoverzicht, p. I) genoemd. Op een van de voordeelen van het «uitdoen» van land in beklemming zij hier met een enkel woord gewezen. De landbouwer, wiens vermogen niet groot genoeg is om eigenaar te worden van eene boerenplaats, kan deze voor een veel geringer som in heMemming bekomen. De meier zal de rente missen van de som, die hij aan den eigenaar ter verkrijging van de beklemming moest voldoen, welke rente daarentegen aan den eigenaar ten goede komt, en bovendien moet hij eene vaste huur en nu en dan eene buitengewone uitkeering aan den eigenaar betalen (Mr. Moltzer duidt dit laatste aan met «eene streelende kans»), maar deze vaste huurprijs is veel lager dan de som, die de gewone pachter als pachtsom voor het land zoude moeten geven, terwijl den meier voor zich en zijne erfgenamen een altoosdurend onnpzegbaar gebruik van het land is toegekend, zoodat hij zeker is de vruchten van 'jijn arbeid en van het meer productief maken van den grond te zullen trekken. De wijze van wederzijdsche kapitaalbelegging, waartoe dit instituut aanleiding geeft, brengt dus te weeg, dat de eigenaar zijn onroerend goed in handen weet van iemand, wiens belang, dat de zaak goed beheerd worde, met het zijne hand aan hand gaat, terwijl hij zeker kan zijn de niet hooge huursom geregeld te zullen ontvangen, terwijl de meier het kapitaal, hetwelk hij er in gestoken heeft, ruimschoots vergoed ziet door de voordeeliger wijze, waarop hij gebruiker is geworden. Later zal op dit een en ander nog nader de aandacht worden gevestigd, wanneer de wijze en de vorm der regeling zullen ter sprake komen. Voorshands zij het voldoende er op te wijzen, dat het in beklemming uitdoen van gro^d eene economische zijde heeft, die zeer wordt gewaardeerd. Wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat nog steeds gronden in beklemming worden uitgedaan (zie o. a. Mr. Diephuis VII, p. 61 en vlgg.) en dat er op dit oogenblik geene wettelijke regeling bestaat, dan scheen de beslissing niet moeie-lijk of men zou trachten te gemoet te komen aan de wenschen van hen, die reikhalzend daarnaar uitzien.
Dat het recht van beklemming als een zakelijk recht zoude moeten worden beschouwd, zoodat de te dien aanzien te geven voorschriften eene plaats zouden moeten vinden in het Tweede Boek , scheen ter nauwernood aan twijfel onderhevig. Er mag eenig verschil van gevoelen bestaan of in den aanvang, bij het ontstaan van het recht, slechts sprake is geweest van een persoonlijken band, dan wel of het van zijne geboorte af een zakelijk karakter heeft gedragen, zoodat men alleen door den invloed van het Romeinsche recht, en wellicht ook door het woord « huur» en den oorspronkelijk beperkten termijn van 6 jaren , er toe gekomen is het eigenlijk karakter van het recht te miskennen, â nadat de beklemming, zelfs sedert eeuwen, allengs in vastheid is toegenomen, zoodat zij zich thans, misschien behoudens enkele uitzonderingen, alleen vertoont in den vorm van een altoosdurend, onopzegbaar, en voor overdracht vatbaar landgebruik, kan elk verschil van meening geacht worden opgeheven te zijn en is er maar ééne opvatting, en wel in den zooeven aangeduiden zin, mogelijk.
Grootere moeilijkheid levert de vraag op in welken vorm en op welke wijze het onderwerp zal worden geregeld. Zal men de beklemming beschouwen als eene soort van erfpacht, zoodat men zou kunnen volstaan met in den Titel van Erfpacht enkele bepalingen, al ot niet in eene afzonderlijke afdeeling bijeengevoegd, op te nemen, die meer bijzonder toepasselijk zijn op het beklemrecht,
142
of zal men een afzonderlijken Titel er aan wijden, waardoor liet als een op zich zelf staand en van elk ander onderscheiden zakelijk recht te voorschijn treedt? Voor eerstgenoemde wijze van behandeling pleit de omstandigheid , dat geene der eigenaardigheden , aan het recht van beklemming verbonden , van dien aard is, dat zij zou strijden met het karakter van erfpacht, vooral nu het ontwerp laatstgenoemd recht op zooveel ruimeren grondslag heeft opgebouwd, waaruit zoude volgen, dat partijen volkomen bevoegd en in staat zouden zijn tot het doen ontstaan van eene erfpacht mede te werken , overeenkomende met de rechtsverhouding tusschen den eigenaar en den beklemden rneier.
Toch scheen deze, op het oog althans, zeer eenvoudige oplossing niet gewenscht. In de eerste plaats mocht men de oogen niet sluiten voor het argument, dat men, alleen door de deur van een der zakelijke rechten wijd open te zetten, een ander dergelijk recht, met eene langdurige historische ontwikkeling en samengegroeid met het volksbestaan van een deel onzer Noordelijke provinciën, langzamerhand uit het maatschappelijke verkeer zou doen verdwijnen, maar bovendien, de beide instituten van erfpacki en heklemming mogen in hunne gevolgen en in de regeling van de rechtsverhouding tusschen eigenaar en gerechtigde niet zóóver uit elkander liggen, dat zij niet onder één hoofd zouden kunnen samengevat worden, â in oorsprong en geleidelijke ontwikkeling wijken zij zeer van elkander af. Ieder, die beeft kennis gemaakt met het in 1895 verschenen werk van Mr. S. Gratama, destijds Rijks-Archivaris in Drenthe; a Het heklem.recht en zijne geschiedkundige ont-« wikkeling », zal daaruit hebben kunnen vernemen, hoe het recht in zijn tegen woordigen omvangen vorm tot ons is gekomen, en er mede instemmen, dat daaraan eene geschiedenis verbonden is, die geenerlei verwantschap aantoont met het op Romeinsch-rechtelijken bodem steunende zakelijke recht van erfpacht. Op het economisch belang van het in beklemming uitdoen van land werd hierboven reeds gewezen en ook hierin mag een grond gevonden worden om het zakelijk recht, waaraan eene dergelijke gedachte ten grondslag ligt, zelfstandig in de wet te regelen.
Doch ook andere eigenaardige kenmerken, aan het recht van beklemming verbonden, deden de schaal lot eene afzonderlijke behandeling overslaan. Het alloosdurawle en ouopzeghare landgebruik zoude overeenkomen met de eeuwigdurende erfpacht, maar, terwijl voor de laatste eene jaarlijksche pacht wordt betaald, die volgens dit ontwerp aan vermindering onderhevig is evenals de huur of pacht in het. verbintenissenrecht, staat hier de vastheid en onveranderlijkheid der huur (dit laatste woord in zijne beteekenis met het oog op het beklemrecht genomen) op den voorgrond. Het betalen van de buitengewone bijdragen, de geschenken, hetzij men die beschouwe als behoorende tot het wezen der zaak, hetzij men daarin slechts wil zien een natuurlijk uitvloeisel van de beklemming, maakt een te gewichtig deel der op den meier rustende verplichtingen uit , dan dat men er geheel over zou kunnen zwijgen, of wel met een enkele aanduiding er zich van af zou kunnen maken. Eindelijk; de bevoegdheid tot afkoop (gedwongen overdracht van het recht van den eigenaar aan den beklemden meier) is alleen te verdedigen met het oog op de tusschen den landheer en den meier bestaande eigenaardige rechtsverhouding, zoodat daarvan zoude moeten gezwegen worden, indien men het hier besproken recht had gedwongen in bet keurslijf van een erfpachtsrecht, waarbij van gedwongen afkoop van den eigendom geen sprake zou mogen zijn.
Terwijl alzoo de voorkeur werd gegeven aan eene afzonderlijke behandeling van het recht van beklemming, heeft men er geen bezwaar in gezien in onderscheidene gevallen te verwijzen naar de voorschriften uit den Titel van Erfpacht, teneinde noodelooze herhalingen te vermijden, evenals zulks bij de hierna te behandelen rechten van grondrente en van vruchtgebruik is geschied.
143
Art. 222.
In het hierboven aangehaalde werk van Mr. Gratama worden op de bladzijden 125 en vlgg. onderscheidene definities van beklemming medegedeeld, terwijl ten slotte de voorkeur wordt gegeven aan de omschrijving van Mr. Diephuis :
«Het recht van beklemming is een zakelijk recht om land, dat in eigendom aan een ander «toebehoort, op behoorlijke wijze te gebruiken, onder verplichting tot betaling der lasten en van «eene jaarlijksche huur.»
Wanneer genoemde schrijver later op bladzijde 358 van zijn werk eene ontwerp-regeling ter overweging aanbiedt, kan men dan ook in artikel 1 eene bijna gelijkluidende definitie terugvinden.
Het mag als bekend verondersteld worden, dat eene commissie uit de Staten van Groningen (benoemd 3 Uec. 1878) een tweetal ontwerpen van regeling van het recht van beklemming en van de afkoopbaarstelling daarvan aan de Staten indiende met het voorstel, dat de Staten mochten besluiten «onder indiening van het tweede ontwerp, bij eerbiedig adres aan Z. M. den Koning te verzoeken, «dat een daarmede overeenstemmend voorstel van wet worde gedaan», en dat na langdurige discus-siën, op het rapport der centrale afdeeling (die zelve verre van eensgezind scheen te zijn), door de Provinciale Staten op den 2en December 1879 het besluit werd genomen om aan de Hooge Regeering een adres te richten met verzoek dat eene wet worde voorgesteld, waarbij de afkoopbaarstelling der eigendommen van onder beklemming gebruikte gronden worde geregeld. Van verdere codificatie , waaromtrent men het nog minder eens scheen te zijn dan omtrent de afkoopbaarstelling, werd afgezien.
Het zal wel niet aan twijfel onderhevig zijn, dat van de twee in druk gepubliceerde ontwerpen het. eerste verre achter het tweede staat, zoowel wat vorm als wat juridische constructie aangaat. Het heeft den schijn alsof men in het eerste ontwerp, overtuigd van het onredelijke der verplichte afkoopbaarheid van het eigendomsrecht door den beklemden meier, getracht heeft het recht van beklemming in een kleed te steken, waardoor dit minder in het oog springt. Het tweede ontwerp tracht de klip niet om te zeilen, maar plaatst ons voor het feit, dat er hier geen sprake is van een eigenaar, die de lasten op zijn land drukkende mag afkoopen (zooals bij tiendrechten), maar van een eigenaar, die moet gedoogen, dat hij door hem, die een eigenaardig recht van gebruik op zijn grond heeft, wordt ontzet van zijn eigendomsrecht.
Intusschen leveren die beide ontwerpen, samengesteld door eene commissie, waaraan kennis van de in Groningen gebruikt wordende beklemcontracten zeer zeker niet zal worden ontzegd, niet te versmaden bouwstoffen voor eene codificatie op. Volledigheidshalve zij ook van een dezer ontwerpen de definitie hier medegedeeld. Die van het tweede ontwerp luidt aldus :
«Beklemming is in deze wet, een zakelijk regt van altoosdurend onopzegbaar landgebruik, onder «gehoudenis van den beklemden meijer om alle op het land liggende of te leggen belastingen en «lasten te voldoen en te dragen, en om den eigenaar jaarlijks te betalen eene zuivere onver-«anderlijke huur.»
De in het hier aangeboden ontwerp opgenomen omschrijving van het recht van beklemming sluit zich het meest bij de laatstgemelde definitie aan en de punten van verschil (behoudens hetgeen omtrent de geschenken is opgenomen) zijn van ondergeschikten aard. Zoo is het woord «bezit» er bijgevoegd, ten einde in dit opzicht niet af te wijken van erfpacht (artikel 194) en is
144
van het voldoen der belastingen en lasten niet gesproken, omdat daarin geen kenmerk van het. zakelijk recht, evenmin als bij erfpacht, kan gevonden worden. Daarentegen heeft men met opzet, het. woord «huur» behouden (Mr. Gratama. schijnt tegen de opname van dit woord, zonder verdere uitlegging, bezwaar te hebben) als den term, die, voor het aan den eigenaar te betalen bedrag voor het gebruik van zijn land, sedert eeuwen is gebezigd. De huur is vast en onveranderlijk. In hoeverre bij indijking van land eene vermeerdering van huur moet plaats hebben, zal van omstandigheden afhangen. Het beding eener huur per hectare kan b. v. aanleiding geven om te besluiten, dat parlijen, hij vergrooting van de in beklemming uitgegeven gronden, eene evenredige vermeerdering der huur hebben bedoeld. Tegen zoodanige vermeerdering levert de hier gebezigde uitdrukking geen bezwaar op.
Aan het woord «jaarlijksche» moet, evenals in artikel quot;l94 bij erfpacht het geval is, geen te beperkte beleekenis worden gehecht, zoodat ook hier geldt wat bij de toelichting van artikel 194 reeds is opgemerkt, n. 1. dat het bedingen van een korteren tijd dan een jaar niet is uitgesloten.
Zooals reeds in het voorbijgaan werd opgemerkt is op één gewichtig punt afgeweken van de opvatting der Groningsche commissie, door het voldoen van de met name genoemde geschenken als essentieel vereischte voor het recht van beklemming in de wet op te nemen. Men kan hieromtrent van gevoelen verschillen. Gaat men na op welke wijze de schrijvers uit het laatst der vorige en de eerste helft der tegenwoordige eeuw (van Swinderen, Thesling, Driessen, Gockinga) zich over den aard van het. recht uitlaten, dan wordt daarbij altijd in meerdere of mindere mate van de geschenken gewag gemaakt; desgelijks spreekt artikel 2998 van het Ontwerp 1816 (zie Voorduin V, p. 252) van het regt om de huur te vernieuwen «onder verplichting van de daartoe staande «geschenken » en artikel 3003 van het betalen van beklempenningen « boven den bedongen huurprijs en geschenken n. Mr. Ff.ith (liet Groninger beldemregt, 1837) zegt (dl. II, p. 520), dat het geschenk niet behoorde tot de essentie van eene beklemming, en haalt daartoe voorbeelden aan, waaruit zoude voortvloeien, dat geschenken voorkwamen ook bij huur van vrije, onhehuisde landen, ja zelfs zeer algemeen ook bij andere verhandelbare rechten. Intusschen mag daaruit de gevolgtrekking nog niet gemaakt worden, dat er heklemrningen zouden voorkomen, waarin niet van geschenken sprake zou zijn.
Mr. Ghat am a heeft t. a. p., p. 330, medegedeeld, dat uit de toelichting op het ontwerp van de Groningsche Commissie blijkt, dat met opzet de vermelding van de geschenken hier is weggelaten, en men mag op grond van hetgeen verder te dezen aanzien door den schrijver wordt in het midden gebracht aannemen, dat men het beding van geschenken facultatief heeft willen laten, in dien zin nl., dat de verplichting tot betaling wordt geacht bedoeld te zijn, zoo dienaangaande in den beklembrief niets is gezegd.
Het zoude te ver voeren, om in hel breede uit te wijden over de wijze, waarop het betalen van geschenken, op den voet zooals het volgens de tegenwoordig geldende contracten geschiedt, zich uit de vroegere toestanden heeft ontwikkeld; ter verdediging van de voorgedragen omschrijving zij het voldoende op den voorgrond te stellen, dat ook al gaal men van de stelling uit, dat het betalen van dergelijke buitengewone bijdragen eenig en alleen zijn oorsprong heeft in de, om de zes jaren terugkeerende, vernieuwing van het huurcontract, en later in de overdracht van het recht, een en ander in verband met de inbocking van den nieuwen huurder, â het aleatoire karakter van de beklemming nog steeds in contracten wordt vastgehouden en dat daarmede het geringe bedrag van de huur ook verband houdt. Bij de ruimte, die de Titel van Erfpacht aanbiedt, om land in lang-
145
durige, zelfs in eeuwigdurende pacht uit te geven, onder al zulke voorwaarden als men in het belang van den landbouw zal meenen te moeten vaststellen , scheen het gerechtvaardigd de beklemming zooveel mogelijk op zoodanige wijze in het ontwerp af te teekenen, dat zij zich met hare eigenaardige karaktertrekken scherp van de overige zakelijke rechten onderscheidt. De Landbouwcom-missie is in haar rapport te velde getrokken legen de geschenken, zij zoude wenschen ze te verbieden, als aanleiding gevende « tol veel ongenoegen en gekibbel», doch, nu het betalen van de geschenken geheel afgescheiden is van eenige inboeking, die, zooals later blijken zal, niet meer wordt vereischt, heeft men niet kunnen inzien, waarom uit de verplichting tot betaling van geschenken in bepaald omschreven gevallen meerdere twisten en processen zouden voortvloeien dan uit iedere andere bepaling van een contract, die onder zekere omstandigheden tot verschil van gevoelen aanleiding kan geven.
Er vioeten dus geschenken worden gegeven ; men is bevoegd het bedrag daarvan bij de overeenkomst te regelen, ook heeft men de vrijheid nog andere geschenken te bedingen, maar de in het artikel opgenoemde worden door dwingend recht geboden; het zijn die, welke, uit de ontwikkeling van het recht voortgekomen, ook thans in het Groninger beklemrecht worden aangetroffen.
Art. 223.
Artikel 14 van het ontwerp der Groningsche commissie luidt: «Beklemming is onsplitsbaar». Deze slotsom, waartoe de voormelde commissie kwam, klinkt, zooals door Mr. Moltzer (t. a. p, p. 28 en volgende) wordt herinnerd , vreemd na de in de vergadering der Provinciale Staten van 1877 uitgesproken meening, dat vooral «.de ondeelbaarheid is een drukkende last»; zij kan alleen verklaard worden door de moeilijkheid om eene wijziging in dien toestand te brengen, waarmede de belanghebbenden zich in hoofdzaak zouden kunnen vereenigen, want aan den eenen kant staat het belang van den meier om te mogen splitsen en daardoor bij verkoop hoogere prijzen te kunnen verkrijgen en aan den anderen kant het belang van den eigenaar, die in den regel liever één gerechtigde tegenover zich ziet en één onverdeeld onroerend goed, dat voor de betaling van huur en geschenken ruimschoots waarborg aanbiedt, dan meerdere gerechtigden en een verbrokkeld landbezit,
De Landbouwcommissie gaat in hare eischen ver, waar zij zou willen, dat de meier de bevoegdheid had splitsing van de vaste huur te vorderen voor ieder kadastraal perceel in verhouding tot de onderlinge waarde der perceelen, ja zelfs hem den verkoop van grond voor bouwterrein zou willen toestaan, al voegt zij daaraan toe, dat het aan zeer gegronden twijfel onderhevig is of splitsing onbeperkt zoude moeten worden toegelaten. Het ontwerp heeft zich aangesloten bij het bepaalde in den Titel van Erfpacht, waar de deelbaarheid als regel is aangewezen, doch levens de bevoegdheid is gegeven om door beding van dezen regel af te wijken. Nu men zich op het standpunt had geplaatst om de beklemming op te nemen in de rij der zakelijke rechten, niet zoozeer om daardoor eene wijze van ingebruikgeving van onroerende zaken aan de hand te doen, onder alle omstandigheden en in alle streken van het land bruikbaar, maar als een type van landiütgifte, waaronder de landhouw in eene bepaalde streek van ons land tot hoogen bloei is geraakt, en die dan ook, zoo niet uitsluitend dan toch hoofdzakelijk daar ter plaatse in gebruik zal blijven, scheen het nog in meerdere mate dan bij erfpacht gerechtvaardigd de mogelijkheid open te laten om het land zoodanig in be-
446
klemming uit te geven of «uit te doen», dat de onsplitsbaarheid, die tot nu toe aan dü beklemmingen eigen was, bewaard bleef, daarbij niet uit, het oog verliezende, dat deze voorwaarde van groeten invloed op den huurprijs zoude kunnen zijn. Voor het geval de ondeelbaarheid niet is bedongen, zijn de bepalingen van artikel -196 toepasselijk en kan dus verder naar de toelichting op dat artikel worden verwezen, onder de bijvoeging, dat wat daar omtrent de pacht is gezegd hier ter plaatse van toepassing is op de huur en de geschenken.
De beteekenis van het derde lid van het hier behandelde artikel staat in verband met hetgeen omtrent de geschenken in de volgende artikelen is voorgeschreven. Het ontwerp gaat van de veronderstelling uit, dat de meier, gebruik makende van zijn recht om een deel van zijne beklemming aan een ander over te dragen, twee (of meer) gerechtigden tegenover den eigenaar plaatst. In het, recht van dezen laatste om de geheele huur en het, geheele verschuldigde geschenk op ieder gedeelte van den in beklemming uitgegeven grond te verhalen wordt, tenzij anders is bedongen, geene verandering gebracht en te dien aanzien wordt andermaal verwezen naar hetgeen tot toelichting van artikeH96 is aangevoerd.
Doch, vermits de verschuldigdheid der geschenken afhangt van de omstandigheden, die zich met betrekking tot den beklemden meier voordoen (overdracht der zaak, erfopvolging of huwelijk), diende, bij het ontstaan van meerdere beklemmingen, bepaald te worden ten opzichte van welken meier die omstandigheden in aanmerking komen, tenzij men mocht meenen, dat er zelfstandige rechten van beklemming zijn ontstaan ook in dien zin, dat geschenken verschuldigd zijn, zoodra ten aanzien van welke gerechtigden dan ook de bedoelde omstandigheden plaats grijpen. Dit, laatste nu heeft men niet billijk geoordeeld, tenzij eene evenredige verdeeling van den hunrprija mocht bedongen zijn, waaruit zoude kunnen voortvloeien, dal de bedoeling is geweest geheel van elkander afgescheiden rechten van beklemming te doen ontstaan.
Den eigenaar moet de keus gelaten worden welk gedeelte hij wil aangewezen zien. vermits de daad van gedeeltelijke overdracht, eene vrijwillige is en de mogelijkheid moet worden voorkomen, dat de meier, door een gedeelte over te dragen, de gelegenheid aangrijpt om den eigenaar ten aanzien van de kans om geschenken te ontvangen in een ongunstiger toestand te brengen.
Opdat de betrokken partijen niet afhankelijk zouden zijn van hare wederzijdsche bereidwilligheid om aan het in dit artikel gegeven voorschrift te voldoen, is in het laatste lid eene bepaling opgenomen ten einde baar daartoe te dwingen; nadere toelichting hiervan schijnt achterwege te kunnen blijven.
Art. 2'24.
In artikel 198 werd ten aanzien van erfpacht er bij gevoegd: «tenzij anders is bedongen». Deze bijvoeging is hier weggelaten, omdat eene beperking van het genot tfin aanzien van het recht van beklemming niet kan worden toegelaten, als in strijd met den aard van het. recht; wil men eene dergelijke uitgestrekte bevoegdheid niet aan den meier toekennen, men kieze dan den vorm van uitgeven in erfpacht, onder zoodanige beperkingen als men zal goed vinden.
A rit. 225â232.
In de acht volgende artikelen wordt voorgeschreven wat ten aanzien der geschenken als recht moet gelden, indien eigenaar en meier geene andere schikkingen hebben getroffen.
147
Bij overdracht onder de levenden moei fle verkrijger aan den eigenaar betalen eene som gelijkstaande met twee jaren huur. Door Mr. Gratama., t. a. p. p. 222/3, wordt, naar aanleiding van het vroeger door hem betoogde, geresumeerd, dat het geschenk gegeven wordt voor de toestemming van den eigenaar om met den nieuwen meier in rechtsbetrekking Ie treden, zoodat het in zijn oorspronkelijken aard en wezen niets anders is dan het geschenk van inhuring, betaald voor en bij het aangaan der overeenkomst. Voorts wordt nog herinnerd dat, in verband met de uitboeking van den ouden en de inboeking van den nieuwen meier, de helft door den overdrager en de helft door den verkrijger moest worden betaald. Vandaar dan ook, dat in het eerste ontwerp van de Gro-ningsche commissie sub 11° eene dergelijke gedeelde verplichting den overdrager en den verkrijger â¢werd opgelegd.
Nu van uitboeking en inboeking geen sprake meer zal zijn, scheen er ook geen grond om aan deze vroegere wijze van handelen vast te houden en is, in overstemming met de artikelen 9 en 12 van het tweede ontwerp, de verkrijger als de persoon aangewezen, die het geschenk moet voldoen. Van hetzelfde gevoelen is Mr. Gratama blijkens zijn voorstel van wetgeving op dit punt. Het middel om den nieuwen meier te dwingen aan zijne verplichting te voldoen ligt in het bepaalde bij liet hierna volgende artikel 233.
In artikel 227 worden de gevallen van wettelijke erfopvolging geregeld. Over de erfopvolging zelve was het onnoodig eene bepaling op te nemen, nu het ontwerp voor beklemming geene uitzondering heeft willen maken op de algemeene regelen van erfrecht. Het is bekend, dat reeds sedert geruirnen tijd in vele contracten van heklemming het recht in alle lijnen voor erfopvolging vatbaar werd verklaard, vooral nadat de beklembrieven in hoofdzaak naar een door Mr. Feith (Handboekje voor heklemregt ten dienste van eigenaars en beklemde meijers, Groningen 1848) ontworpen model werden opgesteld (vgl. ook Mr. Gratama I. a. p. p. 215, in wiens monographic wordt uiteengezet, hoe de erfopvolging aanvankelijk alleen in de nederdalende linie, als steunende op de éénheid van het huisgezin van den meier, later zich, eerst tot de opgaande linie en vervolgens tot de zijlinie, heeft uitgebreid). Het lag dus voor de hand zich bij deze gewoonte aan te sluiten en in de wet hetzelfde erfrecht voor beklemming als voor alle overige vermogensbeslanddeelen te erkennen.
Bij wettelijke erfopvolging in de nederdalende linie is het bedrag van één jaar huur als geschenk algemeen aangenomen; minder overeenstemming beslaat er ten aanzien Aamp;v opgaande \i]n. Het ontwerp heeft in dit opzicht het tweede ontwerp der Groningsche commissie gevolgd. Hoewel Mr. Gratama voorstelt, in aansluiting aan hetgeen tegenwoordig als de meest gewone regeling wordt beschouwd, de opgaande met de zijlijn gelijk te stellen, geeft de schrijver toch elders (p. 268) een grond op, die voor de in het ontwerp voorgedragen som pleit, nl., dat bij bloedverwanten in de opgaande lijn, althans in vroegeren tijd, geen sprake is van personen, geheel staande buiten het huisgezin.
Nevens de erfgenamen in de zijlijn is ook genoemd de echtgenoot. Men heschouwe deze bepaling in verband met hetgeen in het volgend artikel omtrent het huwelijk is vastgesteld. Te dezer plaatse wordt de betrekking van den eenen echtgenoot tot den anderen geheel afgescheiden gehouden van de gevolgen eener tusschen de echtgenooten bestaande gemeenschap en heeft men alleen op het oog gehad het geval, dat de echtgenoot als erfgenaam volgens de wet optreedt (artikel 879 B. W.) Dat deze erfgenaam alsdan, evenals de bloedverwanten in de zijlijn, twee jaren huur als geschenk moet betalen, kan geen overdreven eisch genoemd worden.
De beteekenis van het derde lid van artikel 227 is duidelijk. Tot de erfgenamen, immers,
148
kunnen bv. behooren èn de ouders èn broeders of zusters; in dat geval zal hel geschenk moeten bestaan in twee jaren huur, onverschillig aan wien de beklemming bij de scheiding mocht worden toebedeeld en ook afgescheiden van den, volgens artikel'232 , aan te wijzen persoon , indien de beklemming tusschen de erfgenamen gemeen mocht blijven.
Het betalen van een geschenk bij huwelijk van den meier of van de meiersche is van oudsher gebruikelijk geweest als een gevolg van het door het huwelijk gezamenlijk (rnet gesamende hand) optreden van üoee personen in plaats van één, waardoor de kans op caduciteit voor den eigenaar verminderde en tevens de kans op geschenken ter zake van overdracht of van erfopvolging geringer werd. Volgens het bestaand recht dient het geven van een geschenk samen te vallen met het in de hnwelijks-gemeenschap komen van de beklemming; daarvan, toch, en niet van het huwelijk alleen, hangt het af of de eigenaar een «gesamende hand» tegenover zich geplaatst ziet.
Artikel 228 behandelt de beide gevallen, nl. èn dat de meier (of meiersche) huwende de beklemming in de gemeenschap inbrengt, èn dat de in gemeenschap gehuwde meier (of meiersche) eene beklemming bekomt, die daardoor in de gemeenschap valt. Er -wordt gesproken van «eenige gemeenschap» ten einde te kennen te geven, dat de bepaling niet beperkt is tot de algeheele gemeenschap van goederen, maar ook geldt bij eene beperkte gemeenschap (bv. van de onroerende zaken) of bij eene gemeenschap alleen van winst en verlies. De huwende of gehuwde meier is, voor het voldoen van het geschenk, uit den aard der zaak de aansprakelijke persoon als voerende het beheer over de gemeenschap, ook al wordt de beklemming door de vrouw in de gemeenschap ingebracht (zie ook artikel 12 van het tweede Groningsche Ontwerp).
Het bepaalde bij artikel 229 is een gevolg van het zoo even besproken betalen van een geschenk in geval van huwelijk. Wanneer een der echtgenooten overlijdt, blijft de langstlevende in het verband en komt dus het betalen van een geschenk niel te pas; zoodia evenwel boedelscheiding heeft plaats gegrepen en dientengevolge de langstlevende echtgenoot uit het verband is getreden, gelden de gewone regelen voor erfopvolging en moet het betalen van een geschenk daarnaar beoordeeld worden. Zoo bepaalde ook artikel 5 van het Groningsche Ontwerp dat, wanneer eene beklemming aan twee echtgenooten te zamen behoort, geen geschenk verschuldigd is 1°. in geval van vererving op den langstlevende, en 2°. in geval van vererving op anderen, zoolang de langstlevende medegerechtigde blijft. Behalve dat in het voorgedragen artikel, tengevolge van het aangenomen stelsel, niet van vererving de rede kon zijn, heelt men met de laatstgenoemde gevallen ook gelijk gesteld het geval, dat de bestaan hebbende gemeenschap niet is gescheiden en de beklemming onverdeeld is gebleven tusschen den echtgenoot en de erfgenamen.
Artikel 230 bespreekt de opvolging krachtens testament. De bevoegdheid om bij testament over de beklemming te beschikken werd den meier eerst in de laatste 40 jaren gegund. (Zie hierover Mr. Gratama t. a. p. p. 216 en 268). In het model-contraot van Mr. Feith is dit beding dan ook nog niet opgenomen; in de beide ontwerpen der Groningsche commissie daarentegen wel.
Dat de erfgenaam, die evenzeer krachtens wettelijke erfopvolging de beklemming zoude hebben verkregen, geen hooger geschenk zal behoeven te betalen nu de overgang op hem krachtens testament plaats heeft, wordt algemeen aangenomen (zie artikel 13 van het eerste en artikel 6 van het tweede Groningsche Ontwerp, alsmede Mr. Gratama, p. 334 en 360); eveneens, dal met verkrijging onder algemeenen titel verkrijging krachtens legaat hier gelijk moet gesteld worden. Wanneer de begiftigde niet tot de door de wet geroepenen behoort, worden voor de berekening van de geschenken
149
verschillende stelsels aangeprezen; het Groningsche Ontwerp wil den verkrijger laten betalen het geschenk voor wettelijke vererving, vermeerderd met het geschenk voor overdracht bepaald. Mr. Giutama maakt onderscheid tusschen de opvolging krachtens erfstelling en de verkrijging krachtens legaal, en stelt voor het eerste geval het bedrag vast op tweemaal en voor het tweede ^eval op driemaal de beklemhuur. Het voorgedragen artikel heeft voor alle gevallen het geschenk bepaald op drie jaren huur. Hij, die bij testament bevoordeeld is, ook al behoort hij tot de bloedverwanten in den erfelijken graad, staat, dit valt niet te ontkennen, altijd nog verder van den overleden meier verwijderd dan hij, die volgens de wet de naaste erfgenaam is, en daarmede laat zich hel hooger bedrag van drie jaren huur rechtvaardigen
Men heeft gemeend geen rekening te moeten houden met de omstandigheid, dat, in geval van legaat, nog eene overdracht van den erfgenaam op den legataris moet plaats hebben. Het is niet in te zien, dat het daartoe strekkend, eventueel in de wet op te nemen, voorschrift, steunende op de theoretische beschouwing, dat een legataris niet rechtstreeks opvolgi in de rechten van den testateur, van invloed zou behooren te zijn op het bedrag van het aan den eigenaar te betalen geschenk.
Indien de beklemming door een rechtspersoon wordt verkregen, geldt óf artikel 226 óf artikel 230 tweede lid. Voorts zal iedere dertig jaren een geschenk van twee jaren huur verschuldigd zijn , in de plaats komende van de geschenken die, waar het natuur lij kc personen betreft, bij overdracht of erfopvolging kunnen worden verwacht. De termijn van dertig jaren is willekeurig maar overeenkomende met wat men gemeenlijk een «menschenleven» pleegt te noemen (zie ook artikel 1 l van het Groningsche Ontwerp).
Eindelijk wordt in artikel 232 eene bepaling aangetroffen min of meer analoog aan hetgeen in het derde lid van artikel 223 is voorgeschreven, doch, terwijl daar sprake was van eene vrijwillige daad van den meier, die tot groot nadeel van den eigenaar kan strekken (zie hierboven op p. 146), n. 1. de overdracht van een deel van den in beklemming uitgegeven grond aan een ander, worden hier de gevolgen geregeld van eene gemeenschappelijke deelgerechtigdheid, die haren oorsprong kan hebben in hel overdragen van de beklemming aan meerderen, doch die ook het gevolg kan en zelfs meestal zal zijn van eene opvolging in hel recht door meerderen na het overlijden van den beklemden meier. Vandaar, dat de keuze, wie zal aangewezen worden, in het hier behandelde geval niet aan den eigenaar is overgelaten, maar door de gerechtigden zeiven kan geschieden.
Men heeft de vraag moeten beantwoorden welke de gevolgen zullen zijn van het overlijden vati den aangewezen persoon ot van zijn uittreden uit de gemeenschap. Het ontwerp heeft alsdan aan de overige gerechtigden de bevoegdheid gegeven eene nieuwe aanwijzing te doen. Intusschen zal het geschenk verschuldigd zijn. waarop de eigenaar ten gevolge van het overlijden van den aangewezene of van de overdracht van zijn aandeel recht heeft. Er bestond geen grond om, bv. bij overlijden, den erfgenaam van den aangewezene in diens plaats als zoodanig te doen optreden. Vooreerst zoude dientengevolge door eene omstandigheid, buiten den wil van de medegerechtigden liggende, een persoon kunnen aangewezen zijn tegen hun belang, of althans tegen hunnen wil, maar bovendien zoude men moeielijkheden te wachten hebben, indien niet één maar meer erfgenamen tegelijk in de plaats van den overledene kwamen. En ditzelfde geldt bij het overdragen door den medegerechtigde van zijn onverdeeld aandeel.
Het laatste lid van artikel 232 bepaalt de straf, wanneer de aanwijzing niet te bekwamer tijd , d. i. binnen drie maanden, is geschied. Uit deze bepaling volgt tevens, wat ook in andere ontworpen
150
regelingen min of meer gewijzigd is Ie kennen gegeven, dat binnen de eerste drie maanden geen geschenk verschuldigd is, tenzij de persoon reeds is aangewezen. De termijn van drie maanden moet, indien de gemeenschap ontstaan is door den dood van den vroegeren meier, gerekend worden van het oogenblik af', dat de erfenis is opengevallen of, in geval van legaat, de overdracht aan de gezamenlijke gerechtigden heelt plaats gehad. Hel spreekt van zelf, dal hierdoor geen inbreuk kan gemaakt -worden op heigeen in den veertienden Titel van het Tweede Boek van het Burgerlijk Wetboek ten opzichte van het recht van beraad is voorgeschreven ; gedurende den aan den erfgenaam vergunden termijn kan de bevoegdheid om een persoon aan Ie wijzen wel niet anders dan geschorst blijven.
Art. 233.
Door verwijzing naar de artikelen 199â'211 zijn de bepalingen uit den Titel van Erfpacht, betreffende de rechten en verplichtingen van den erfpachter, de wijze van executie indien hij de pacht niet betaalt, het ontstaan van het recht en de wijze van overdracht op de beklemming toepasselijk verklaard, In de eerste plaals kan dus naar de toelichting op die artikelen worden verwezen. Met betrekking tot hel recht van beklemming zij nog het volgende in het midden gebracht. Het mag aangenomen worden, dat de wijze van den grond te gebruiken ten allen tijde beheerscht is geworden dooi' de verplichting om de bestemming van het in gebruik gegevene niet uit het oog te verliezen en de inhoud van artikel 199 stemt dan ook volkomen overeen met hetgeen elders (zie Mr. Dif.phuis VII, p, 90/91) omtrent den omvang van het recht van den beklemden meier wordt geleerd, nl. «dat de meier in het algemeen met het land mag doen wat een eigenaar met het zijne «zou doen, mils hij zich onthoude van daden, waardoor de waarde voor den eigenaar verminderd «zoude worden.»
Door de Landbouwcommissie werd er op gewezen, dat onder de tegenwoordige omstandigheden het verbeteren van den grond door afgraving van terpaarde niet mogelijk is zonder de toestemming van den eigenaar, hoedanige toestemming veelal niet te verkrijgen is. Deze en dergelijke grieven zijn nu opgeheven ; de meier zal volgens de thans voorgestelde bepalingen zeer zeker daartoe gerechtigd zijn, indien een goed beheer zoodanige handelingen medebrengt, en uit de toelichting op de artikelen 199 en 201 kan blijken, dat werkelijk eene groote male van vrijheid van handelen aan hem, die het zakelijk recht heeft, is toegekend.
Het. is bekend, dat het recht van beklemming oorspronkelijk het plaatsen van een gebouw in zich bevatte en dat de benaming dan ook haren oorsprong heeft in de uitdrukking: «landen onder «huisingen beclemmet» (zie o. a. Mr. Ghatama t. a. p. p. 115), alsmede, dat in latere tijden ook onbe/misdti landen onder beklemming voorkomen. Die huizen, gebouwen of getimmerten behoorden aan den meier en de bevoegdheid om ze weg te nemen wordt dan ook niet betwist. De wijze waarop dit onderwerp in den voorgaanden Titel is geregeld scheen ook voor het recht van beklemming alleszins geschikt te zijn terwijl aan partijen in ieder geval de vrijheid is gelaten de hier vastgestelde regels naar omstandigheden te wijzigen.
Omtrent het recht van executie, in geval de meier de huur of de geschenken niet betaalt, is bet ontwerp in overeenstemming met de thans reeds geldende leer, dat het niet betalen van een en ander geen grond is voor caduciteit; artikel 23 van het tweede ontwerp der Groningsche commissie spreekt het verbod van te niet gaan dei' beklemming op dien
151
grond met zoovele woorden uit, doch geeft den eigenaar recht van voorrang op de beklemming en getimmerten, zelfs boven hypotheek. Hel ontwerp beperkt, zooals uit artikel 206 is gebleken, het recht van voorrang tot de erfpacht binnen de laatste vijf jaren opeischbaar geworden , eene beperking gegrond op de korte verjaring van artikel 2012 B. W. Ditzelfde geldt natuurlijk voor de achterstallige hwir. Deze beperking is evenwel niet van toepassing op de geschenken, vermits de grond daartoe ten eenenmale ontbreekt. De geschenken kunnen niet gerekend worden tot die soorten van periodiek terugkeerende inkomsten, waarvan in artikel 2012 de rede is, terwijl dan ook een voor den schuldenaar nadeelig opeenhoopen van verschuldigde geldsommen ten dezen niet is te vreezen. De uitdrukking: «binnen de laatste vijf jaren opeischbaar geworden pachten» duidt genoegzaam aan, dat de geschenken hierbuiten vallen, zoodat dit niet met zoovele woorden behoefde te kennen gegeven worden.
Beklemming ontstaat, evenals erfpacht, door verleening en door verjaring, terwijl verleening geschiedt, behalve door het voorbehoud, waarvan artikel 100 tweede lid spreekt, door eene uitsluitend met dat doel opgemaakte akte, onder de vereischten als in artikel 209 nader zijn omschreven.
Een tweetal opmerkingen mogen hier hare plaats vinden. Hierboven is reeds in het voorbijgaan gezegd, dat van « inboeking» en « uitboeking» van den meier geen melding meer wordt gemaakt, en het ontwerp heeft daarmede het voetspoor van de Groningsche ontwerpen gevolgd. Over de bel eekenis van hel inboeken en uithoeken in de latere tijden is veel gestreden. Stond in den beginne deze handeling in onmiddellijk verband met het geven van toestemming door den eigenaar voor de wederinhuring, in lateren tijd. toen het vragen en bekomen van die toestemming zich oploste in het, betalen van het verschuldigde geschenk, diende de in- en uitboeking zeer zeker in de eerste plaats ten bewijze, dat de geschenken waren voldaan. In hoeverre hare beteekenis nog gewichtiger was, met name of de meier geen recht had op landgebruik alvorens de formaliteit van inboeking had plaats gehad, is aan twijfel onderhevig en Mr. Gratama heeft in zijn meer besproken werk ook op deze vraag de aandacht gevestigd; het spreekt wel van zelf, dat bij eene weitelijhe regeling van het recht van beklemming geen invloed mocht, toegekend worden aan dusdanige eenzijdige daad van den eigenaar ten einde het ontstaan of, zoo men wil, de werking van het op wettige wijze ontstane recht daarvan te doen afhangen.
In de tweede plaats zij herinnerd, dat het tweede lid van artikel 209 ook op de geschenken toepasselijk is. Immers, waar de executie volgens de artikelen 206 en 207 ten aanzien der geschenken kan plaats hebben, moeten ook de aan die executie gestelde voorwaarden worden vervuld.
Art. 234.
Wat in de Groningsche ontwerpen «afkoopen» wordt genoemd, en wel in het eerste ontwerp: het ajhoopen van de verplichting tot betaling der uitkeeringen en het land tot vrijen eigendom maken, in het tweede ontwerp: het afkoopen van den eigendom, is hier geregeld in den vorm van eene verplichting aan de zijde van den eigenaar om zijn recht, desverlangd, aan den meier over te dragen. Grooter verschil dan in hel standpunt, hetwelk men, in geval van afkoop, ten aanzien van de wederzijdsche rechten van eigenaar en meier meende te moeten innemen, ligt in het feit, dat in de Groningsche ontwerpen de afkoophaarheid was, terwijl het onderhavige artikel
alles laat afhangen van den wil van partijen. Ook in dit opzicht heeft men dus gemeend eene
152
rekbaarheid aan hel inslituui le kunnen geven, ilie niet anders dan in het voordeel van zijne bruik-baarheid kan strekken Waar men te doen heeft met een altoosdnrend onopzeghaar landgebruik kan het van belang zijn de verhouding zoodanig te regelen, dat eene hereeniging van blooten eigendom en zakelijk gebruiksrecht in het verschiet wordt gesteld. Men kan dit van een tijdsverloop af hankelijk doen zijn, men kan het ook aan eenige voorwaarde verbinden, doch een verbod van afkoopbaarheid scheen niet gewenscht, evenmin als cene ver/dichte afkoopbaarstelling. Uit rechtskundig oogpunt kan tegen de ontworpen regeling geen bezwaar bestaan; juridisch laat het zich verklaren, dat een eigenaar zijn land in beklemming uitgeeft, maar aan het. voor zich houden van den blooten eigendom de voorwaarde laat verbinden, dat deze later door den meier kan verkregen worden en alzoo weder met het bezit en het gebruik der zaak kan worden verbonden.
Nu de vorm deze is, dat de eigenaar den eigendom moet overdragen en liij zich reeds voorat cum qnu tot die overdracht verbindt, heeft men zich eenvoudig tot eene toepasselijk verklaring van artikel 106 te bepalen, met aanduiding van den rechter, voor wien de vordering zoude worden gebracht.
Eene bepaling van de afkoopsom in de wet, zooals in de Groningsche ontwerpen, door vaststelling van een bepaald bedrag voor iederen gulden huur of uifkeering, geschied is, verdiende geene aanbeveling. Het scheen veiliger dit geheel aan den rechter, door deskundigen voorgelicht, over te laten.
Art. 235,
Ue gevallen, waarin oudtijds het recht van beklemming te niet ging, de gevallen van caducileil waren vrij talrijk. althans Mr. Gockinga. (in zijne bekende Brieven over het regt van beklemming) maakt, van een achttal melding. Zoo ook Mr. Diephuis (VII. p. 93). Ter regeling van dit onderwerp kon gevoegelijk naar de bepalingen van Erfpacht worden verwezen.
Wat vroeger meer eigenaardig als grond van te niet gaan van het recht gold, zooals het niet betalen der huur, het vervallen van den meier onder de macht zijner schuldeischers, het schandelijk en oneerlijk leven van den meier, â dit alles kan thans zeker niet meer in aanmerking komen, terwijl het gewicht van het vrijvallen door overlijden aanmerkelijk is verminderd, doordien het recht thans op de erfgenamen in alle lijnen overgaaf. Wat de vervallenverklaring wegens misbruik aangaat, volgens mr. Gratama (t. a. p. p. 165,6 en p. 303) mag men aannemen, dat, terwijl vroeger uitdrukkelijk was voorgeschreven, dat de meier ter zake van misbruik van de verdere uitoefening van het recht kon worden ontzet, langzamerhand de constitutieve bepalingen van landrecht en stadsrecht zoodanige voorschriften niet meer inhielden. Dat niettemin de ontzegging van het landgebruik op voormelden grond kon worden toegewezen, wordt niet ontkend, en evenmin, dal er alleszins aanleiding bestaat tot eeno analogische toepassing van de thans bestaande bepalingen der artikelen 780 en 781 B. W. Het ontwerp beweegt zich derhalve in diezelfde lichting, door naar de desbetreffende bepalingen van Erfpacht te verwijzen.
Dat de beklemming niet kan te niet gaan door verloop van een bij de verleening bepaalden tijd spreekt vanzelf; de mogelijkheid van eene ontbindende voorwaarde heeft men niet willen uitsluiten en niet onbestaanbaar geacht met het vereischte van altoosdnrend en onopzeghaar bezit en gebruik.
153
Art. 236.
De vraag of de ontworpen regeling' in haar geheel ook zoude gelden voor de bestaande beklemmingen kon wel niet anders dan ontkennend beantwoord worden. Zoo ooit zoude het hier gevaarlijk zijn in te grijpen in verkregen rechten en regelend op te treden ten aanzien van verhoudingen en toestanden, die hunnen ooi-sprong grootendeels ontleenen aan niet gecodificeerde gewoonten en gebruiken. Men kan de bedenking maken, dat, door de regeling alleen op toekomstit/e beklemmingen toepasselijk te doen zijn , de waarde der bestaande rechten wordt verminderd , doordien voor de eerstgenoemde eene rechtszekerheid zal ontstaan, die men bij de laatste te vergeefs zal zoeken. Daargelaten, dat dergelijk argument niet te veel gewicht in de schaal mag leggen waar men slechts langs dezen weg tot. eene eenigszins bevredigende oplossing der bestaande moeielijklieden meent te kunnen komen, verlieze men bovendien niet, uit het oog, dat voor vele eigenaars eene welkome gelegenheid zal geboren worden om mei hunne meiers tot eene herziening der tusschen hen bestaande contracten te geraken en voor beide partijen eene op wettelijke gronden steunende verhouding te scheppen.
Ten slotte zal het in het oog vallen, dat men gemeend heeft ten aanzien der reeds gevestigde beklemmingen in zóóverre te moeten ingrijpen , dat men een einde heeft willen maken aan enkele onregelmatigheden, waartoe de oude rechtstoestanden aanleiding geven.
Door te bepalen, dat zij voor het vervolg onvoorwaardelijk als zakelijke rechten zullen gelden, is alle twijfel ten aanzien van het karakter van het recht weggenomen, en, wanneer daaraan wordt toegevoegd, dat de wettelijke bepalingen omtrent overdracht toepasselijk zullen zijn, ligt het in den aard der zaak , dat de invloed daarbij van inboeking en uitboeking ook voor de bestaande beklemmingen is uitgesloten. Nog in een tweede opzicht wordt de kracht van hel. inboeken Ier zijde gesteld, namelijk met betrekking tot het Jmwelijksgoederenrecht, In het midden latende of, volgens het thans in Groningen geldende recht, het in de gemeenschap komen van de beklemming nog afhankelijk kan zijn van eene inboeking van den huwenden echtgenoot, zoo heeft men deze anomalie in ieder geval niet willen bestendigen. In hoeverre geschenken bij het huwelijk verschuldigd zijn is eene vraag, die afgescheiden blijft van de hier genomen beslissing ten aanzien der huwelijksgemeenschap. en die naar het tusschen partijen geldende recht beoordeeld moet worden.
Terwijl men , om allen twijfel daaromtrent weg te nemen, de bevoegdheid om bij uitersten loil over de beklemming te beschikken heeft uitgedrukt, is met opzet gezwegen over eene mogelijke beperking der erfopvolging. Het heeft een punt van overweging uitgemaakt of eene afwijking van de wettelijke erfopvolging, door de caduciteit ten behoeve van den eigenaar vroeger te laten intreden dan indien alle wettelijke erfgenamen ontbreken, zoude verboden worden. De beslissing hieromtrent hing af van de vraag, onder welk gezichtspunt zoodanige beperking moest worden beschouwd, ot men haar moest aanmerken als een uitvloeisel van vroeger algemeen geldende rechtsvoorschriften, dan wel als eene contractueele bepaling. In het eerste geval kon van bestendiging moeielijk sprake zijn; in het tweede geval, evenwel, zoude men zeer zeker in botsing komen met de verkregen rechten van den eigenaar. Op grond van de omtrent dit punt zeer tegenstrijdige meeningen (zie o. a. Mr. van Swinderen in deel III der Groningsche verhandelingen, uitgegeven door het Genootschap «Pro excolendo jure patrio»; Opmerkingen en mededeeliugen, deel VIII, p. 24 en vlgg. en deel IX, p. 260) en aannemende, dat de opvatting, als zoude hier sprake zijn van eene bij coniraal bedongen
t
154
beperking of ontbindende voorwaarde, werkelijk de meest verdedigbare is, heeft men besloten in de bestaande beklemmingen , wat dit punt aangaat, geene veranderingen te brengen.
ACHTSTE TITEL.
Van grondrente.
Bij de bespreking van de bepalingen uit den achtsten Titel van het Burgerlijk quot;Wetboek moest noodwendig in dp allereerste plaats behandeld worden de vraag, of in het ontwerp nog melding zoude worden gemaakt van de tienden. Het antwoord op die vraag luidde ontkennend. Het scheen niet te veel gezegd te beweren, dat de voorschriften, daaromtrent in onze bestaande wet gegeven, niets meer zijn dan een doode letter. Voor zoover men heeft kunnen nagaan zijn er na de invoering van het Burgerlijk quot;Wetboek geen nieuwe tiendrechten meer gevestigd, en, indien men ziet hoe te velde getrokken wordt tegen den last, die tengevolge van de bestaande tiendrechten -wordt gezegd op den landbouw te drukken, hoe, nu h:er dan daar in den lande, pogingen worden aangewend om zich aan dien last te onttrekken, en eindelijk hoevele duizenden guldens waarde sederl de wel van 1872 door afkoop aan het genoemde recht is onttrokken, dan mag men veilig aannemen, dat ook in het vervolg geen behoefte zal gevoeld worden aan eene regeling, die, tot heden toe althans, zonder practisch nut is geweest. Veel meer reden bestond er om het ontstaan van nieuwe tiendrechten â voorzoover dit nog denkbaar werd geacht â te voorkomen, zoodat men dan ook niet geaarzeld heeft om, door te zwijgen over het recht om tienden te heffen, dit recht niet meer te erkennen (vgl. artikel 13).
Een en ander gold niet voor het, mede in den achtsten Titel behandelde recht van grondrenien. Al moge men niet zóó groote waarde aan dit instituut toekennen als door sommigen wordt gedaan, zoodat men eensdeels de hypothecaire schulden op de landerijen rustende in eene matige grondrente zoude wenschen geconverteerd ie zien, terwijl men andersdeels haar zoude willen stellen in de plaats van het pachtcontract, met ontneming van den eigendom aan den eigenaar en toekenning daarvan aan den pachter (vgl. Moltzeu t. a. p. p, 200 en vlgg.), als credietmiddel, zoowel voor hem, die eigenaar wenscht Ie worden, als voor den eigenaar die geld wil opnemen ter exploitatie van den grond, kan de grondrente ontegenzeggelijk goede diensten bewijzen, en komt zij in de practijk, o. a. bij koop van bouwgrond in de steden, nog herhaaldelijk voor. Ten einde haar evenwel zooveel mogelijk aan haar doel te kunnen doen beantwoorden en eene regeling te maken, die met haar karakter van zakelijk recht zoude overeenkomen, zijn de thans bestaande bepalingen in meer dan één opzicht gewijzigd en aangevuld moeten worden.
Art. 237.
Artikel 1332 Ontwevp 1820 bepaalde, dat door grondrente moest worden verstaan eene jaar-lijksche schuldplichtigheid, door den eigenaar van een stuk onroerend goed bedongen tij de vervreemding ot vermaking van het goed. Deze opvatting strookte met. hetgeen bij de Groot omtrent het Cijnsrecht wordt gezegd, nl. dat het is eene «gherechtigheid van zeker inkomen jaerlicksch te
155
beuren.....dat iemand behoud als hij den eigendom van syn ontilbaer goed overgeeft » [Inleydiwj
Boek II, deel 46, § 1.)
Het is bekend, dat bij de beraadslagingen over artikel 784 B. W. (zie Diephuis VIF, p. 101) de wensch werd uitgesproken om aan het recht een ruimeren werkkring te geven, zoodat de redactie, die oorspronkelijk zich in hoofdzaak bij die van het Ontwerp 1820 aansloot, veranderd werd zoo als zij thans in voormeld artikel luidt, waarin ook gewag wordt gemaakt van het vestigen der grondrente, afgescheiden van vervreemding en vermaking, terwijl artikel 785 B. W. wederom meer herinnert aan den vroegeren vorm, waarin dusdanige rente voorkwam, door de mogelijkheid te veronderstellen van terugvordering van het goed door den voiigen eigenaar in geval van wanbetaling van de gevestigde rente. Het ontwerp heeft eene nog ruimere omschrijving gekozen en deze geheel losgemaakt van den grond, waarop het ontstaan van het recht zou kunnen steunen. De grondrente is een last rustende op «eene onroerende zaak». Hieruit volgt, dat zij niet alleen op een «stuk onroerend goed », waarbij men meer in het bijzonder denkt aan eene uitgestrektheid land, maar ook op een gebouw kan worden gevestigd.
Ingevolge het bepaalde in artikel 120 kan ook een onverdeeld aandeel in eene onroerende zaak met grondrente worden bezwaard. Vermits grondrente op eene onroerende zaak in haar geheel zich oplost in het verbonden zijn van den eigendom dier zaak, waren geene bijzondere voorschriften noodig voor bet geval dat, in plaats van dien eigendom, de eigendom van een onverdeeld aandeel werd verbonden. Behoudens de wijzigingen, welke uit den aard der rechtsverhouding van zelve voortvloeien, gelden dus bij eene toepassing van artikel 120 de gewone regels.
Volgens artikel 784 15. W. kan de uitkeering ook bestaan in voortbrengselen of vruchten. Het ontwerp heeft dit niet overgenomen, eensdeels omdat deze wijze van uitkeering weinig zoude strooken met het doel, dat men zich, vooral voor het vervolg, met het hier behandelde rechtsinstituut heeft voorgesteld, ten anderen, omdat de waardebepaling bij afkoop voor eene geldsom geene moeielijkheden oplevert, hetgeen bij vruchten enz. wèl het geval zou zijn.
Als element van het zakelijk repht wordt gesteld, dat de geldsom moet uitgekeerd worden op regelmatig terugkomende tijdstippen. Artikel 341 van het Ontwerp Beieren eisclit voor de « Beallasten » periodisch wiederkehrenden Leistungen en men heeft gemeend, dat de aard van de grondrent', zooals het ontwerp haar heeft geregeld, nóg duidelijker op den voorgrond zou treden , indien iets dergelijks in de omschrijving werd opgenomen.
Ons bestaand recht laat de rente strekken ten voordeele van hein , die haar bij de vervreemding-of vermaking voorbehoudt, ot ten voordeele van een derde. Het scheen voldoende te zijn uit te drukken, dat de geldsom moet uitgekeerd worden aan een als rentehefTer aangewezen persoon, â deze algemeene uitdrukking omvat zoowel het eene als het andere geval. De persoon moet evenwel worden aangewezen, en men beeft niet gewild, dat het recht zou kunnen worden gevestigd ten voordeele van den eventueelen eigenaar van eene andere onroerende zaak (§ 1105 Duitsch Wetboek); voor de invoering van deze bij ons onbekende rechtsfiguur bestond geen voldoende grond.
Art. 238.
Het bepaalde in hel eerste lid stemt overeen met hetgeen dienaangaande in artikel 78G B. W wordt aangetroffen; over de verdeeling der zaak woult in het volgende artikel gesproken en het tweede lid van artikel 786 kan buiten bespreking blijven als handelende over de tienden.
-156
In het tweede lid heeft meti het voorschrift van artikel 211 derde lid betreffende de erfpacht op de grondrente toegepast. De bestaande wet behelst eene dergelijke bepaling niet en men zou kunnen vragen of het voorgeschrevene niet reeds voldoende volgt uit den aard van het hier behandelde recht; als kenmerk van de zakelijke natuur der grondrente heeft men evenwel gemeend, dat de opneming der bepaling in het ontwerp niet van belang was ontbloot.
Art. 239.
Evenmin als men bij erfpacht de mogelijkheid heeft willen uitsluiten om de aansprakelijkheid voor de pacht te splitsen, heeft men de onsplitsbaarheid van de grondrente als dwingend recht willen bestendigen, maar partijen daaromtrent geheel willen vrij laten ; de onsplitsbaarheid is hier evenals daar als regel vooropgesteld, â men kan door speciaal beding daarvan afwijken.
Meer nog dan bij erfpacht zal zich de gelegenheid kunnen voordoen, dat de zaak wordt verdeeld ; wil de eigenaar bij het verleenen van het recht, in het vooruitzicht van zulk eene verdeeling, de aansprakelijkheid voor de rente naar evenredigheid van de te maken deelen regelen, dan is hij daartoe bevoegd, â voor derden, b.v. voor hen die geld willen voorschieten hetzij op de onroerende zaak zelve, hetzij op het recht van grondrente, moet uit de openbare registers blijken of er splitsing van de grondrente zal kunnen plaats hebben en op welken voet zij i ' dat geval zal geschieden. Eene splitsing der grondrente, zonder dat daarvan, of althans van hare mogelijkheid, uit de registers blijkt, mag nooit ten nadeele van derden strekken.
Art. 240 en 241.
Ten aanzien van de wijze waarop de rentheffer zijn verhaal moet uitoefenen, indien de eigenaar verzuimt de rente te betalen, worden in het Burgerlijk Wetboek geene bijzondere voorschriften gegeven. Uit artikel 786 B. W. blijkt, dat het onroerend goed aansprakelijk is, uit artikel 797 , dat de grondrenten verjaren door een tijdsverloop van vijf jaren. Het ontwerp heeft zich ook hier aangesloten aan hetgeen bij erfpacht omtrent de executie is bepaald. Na hetgeen bij de artikelen 206 en 207 ter toelichting is gezegd kan hier ter plaatse met eene verwijzing daarheen worden volstaan.
Dat de vordering tot betaling der rente alleen dan rang heeft boven de hypotheken, indien deze na de grondrente zijn ontstaan. zal wel niet nader behoeven te worden toegelicht.
Art. 242.
In plaats van in eene bijna woordelijke herhaling te treden van hetgeen bij erfpacht omtrent het ontstaan en het. overdragen van het recht was bepaald, heeft men met eene verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit. den zesden Titel van het ontwerp meenen te kunnen volstaan. Ditzelfde geldt omtrent de toelichting op die artikelen. Bij erfpacht is in artikel 209 sprake van het bedrag-der pacht, bij grondrente moet het bedrag der rente in de akte worden uitgedrukt, ten einde van den toegekenden voorrang te kunnen gebruik maken. Eene verwijzing naar het derde lid van artikel 211 was. na het bepaalde bij het tweede lid van artikel 238, onnoodig.
Art. 243.
In de eerste plaats viel, ten aanzien van het bepaalde in artikel 798 B. W., te beslissen ot de alkoopbaarheid der grondrente als dwingend recht zoude behouden worden. Het is bekend, dat
157
deze bepaling, die ook in het Ontwerp 1820 voorkwam, in strijd is met den oorspronkelijken aard van het recht. Bij de Groot i.1. vinden wij reeds de uitspraak ; «Cynzen en behoeft den cyns-«beurder niet te laten lossen of hij en wil» ; eerst de invloed van den C. G. deed den wetgever er toe komen, door overname van het bepaalde bij artikel 530 van den Code, een aan het verhin-ienimnrecht ontleend voorrecht over te brengen op het zakelijk recht van grondrente, en daardoor den aard van dat recht te miskennen.
Mocht deze beschouwing er nu toe leiden om tot verplichte owafkoopbaarheid der grondrente te komen 9 Het antwoord op deze vraag is ontkennend geweest. Niettegenstaande het pleidooi door Mr. Moltzer (t. a. p. p. 186 en vlgg.) hiervoor geleverd heeft het ontwerp wel de niet-afkoop-baarheid als naturale op den voorgrond gesteld, maar de contractsvrijheid niet zóó aan banden willen leggen, dat de afkoopbaarheid der grondrente onbestaanbaar zoude worden verklaard met het recht. Deze vrijheid om afkoopbaarheid bij de vestiging te bedingen, is voor de rekbaarheid, en tevens dus ook voor de bruikbaarheid van het zakelijk recht, niet van belang ontbloot Het gevolg zal zijn dat de eigenaar, die, om welke reden dan ook, zich geld wil verschaffen , meer of minder ontvangt naarmate hij bij het verleenen van de grondrente over de afkoopbaarheid zwijgt of haar bedingt; immers de som zal bij de onafkoopbaarheid allicht grooter kunnen zijn (ot omgekeerd de uit te keeren rente kleiner) dan in het tegenovergestelde geval, wanneer aan het gevestigde recht, door de mogelijkheid van afkoop, minder standvastigheid wordt gegeven.
Omtrent de wijze waarop men tot den afkoop kan geraken zal hierna bij artikel '247 worden gesproken. Hier ter plaatse zij er slechts op gewezen, dat, door te bepalen, dat in de akte van vestiging moet worden vermeld, dat de renthefier verplicht zal zijn in den afkoop toe te stemmen, zooveel mogelijk er naar gestreefd is het onderwerp eenvoudig te regelen en geschillen bij de uitvoering te voorkomen. Het spreekt vanzelf, dat bij het beding ook een termijn kan bepaald worden, vóór het verstrijken waarvan niet tot den afkoop der grondrente mag worden overgegaan (artikel 798 B. W, tweede lid).
Art. 244.
Ter toelichting van dit artikel kan voor een groot gedeelte verwezen worden naar hetgeen bij de artikelen 187 en 212 is in het midden gebracht.
Terwijl artikel 801 B. W. in de tweede plaats opnoemt «de onderlinge overeenkomst», is hier gesproken van «afstand.» Een eenzijdige afstand is bij grondrente zeer zeker geoorloofd, en het scheen onnoodig daarnevens nog te spreken van te niet gaan door onderlinge overeenkomst, vermits deze bevoegdheid -in die van afstand te mogen doen is begrepen.
Door de bijvoeging van de woorden «in het voorgaand artikel bedoelden» (afkoop) heeft men willen doen uitkomen, dat men het oog heeft op den te voren bedongen, en dus gedwongen afkoop, niet op een afkoop, die daarna met onderlinge toestemming plaats heeft, â deze laatste kan onder het te niet gaan door afstand worden begrepen.
Nadat was aangenomen, dat door overlijden van den erfpachter en van den beklemden meier, zonder erfgenamen na te laten, het zakelijk recht ophoudt te beslaan, lag het. in de reden ditzelfde ook voor de grondrente te bepalen. Door dit voordeel voor den eigenaar wordt hier, evenmin als daar, iemand benadeeld, behoudens het geval, waarvan in het laatste lid sprake is.
158
Ten aanzien van dit laatste wordt de aandacht er op gevestigd, dat ook de afkoop der grondrente aan derden, die op de grondrente eenig zakelijk recht hebben verkregen, geen nadeel mag toebrengen. Zoo hierbij met die rechten geen rekening werd gehouden, zou de grondrente, waarvan de afkoopbaarheid was bedongen, geheel onvatbaar zijn om met hypotheek te women bezwaard, â dit wenschte men te voorkomen. De eigenaar zal dus den hypotheekhouder moeten tevreden stellen, waaromtrent bij het afkoopen van de grondrente wel geen moeielijkheden te vreezen zijn.
Artt. 245 en 246.
Hierbij wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen 188 , 189 en 213.
Art. 247.
Bij de toelichting op artikel 243 werd de opmerking gemaakt, dat er naar gestreefd is den afkoop op eenvoudige wijze te regelen en tevens zoodanig, dat geschillen bij de uitvoering zooveel mogelijk worden voorkomen. Te dien einde heeft men zich aangesloten aan de bepalingen omtrent den afstand van grondrente, met dien verstande, dat, door het beding bij de verleening gemaakt, de toestemming van den rentheffer reeds vaststaat, zoodat alleen de wijze moet worden aangewezen, waarop de rentheffer, met vaststelling der voorwaarden, lot het doen opmaken van de noodige akte kan worden gedwongen. Wat dit laatste aangaat konden de voorschriften, bij eigendomsoverdracht gegeven, lot voorbeeld strekken.
Om tot eene regeling der voorwaarden te geraken stelt artikel 798 B. W. eveneens de overeenkomst van partijen op don voorgrond, terwijl, bij gebreke van dien, ingevolge artikel 799 het twinligvoud der grondrente als afkoopprijs moet worden toegekend. Dit laatste is door het ontwerp niet overgenomen, maar het vaststellen van het bedrag aan den rechter overgelaten, waardoor het voordeel werd verkregen, dat ten allen tijde met den rentestand rekening kan worden gehouden.
Artt. 248 en 249,
Ten aanzien van het te niet gaan door verjaring kan met eene verwijzing naar de toelichting op artikel 217 worden volstaan, terwijl de toepasselijkverklaring van de voorschriften omtrent medeëigendom op grondrente, die aan meerderen gezamenlijk en onverdeeld toebehoort, tot geen moeielijkheden zal aanleiding geven.
De uitzondering, bij erfpacht gemaakt ten aanzien van den afstand van een aandeel, geldt natuurlijk niet voor grondrente, waar de afstand onder de wijzen, waarop grondrente kan te niet gaan, is opgenomen.
â¢159
NEGENDE TITEL.
Van vruchtgehruik.
Wat den inhoud aangaat worden geene ingrijpende veranderingen in de bestaande regeling voorgesteld. Zij bepalen zich hoofdzakelijk tot vereenvoudigingen, verduidelijkingen en enkele aanvullingen, zooals bij de bespreking der verschillende artikelen zal blijken.
De indeeling van den Titel, daarentegen, heeft eene niet onbelangrijke wijziging ondergaan. Terecht heeft men als grief tegen den negenden Titel van het Burgerlijk Wetboek aangevoerd, dat de wet alleen het vruchtgebruik van lichamelijke zaken behoorlijk regelt, niet genoeg rekening houdt met het onderscheid tusschen vruchtgebruik van verbruikbare en dat van niet-verbruikbare zaken , en voor vruchtgebruik van rechten en van een verinogen zeer onvoldoende voorschriften geeft.
Het Duitsche Wetboek behandelt in drie afzonderlijke afdeelingen het vruchtgebruik van zaken , dat van rechten en dat van een vermogen, terwijl het Ontwerp Beieren, het vruchtgebruik van niet-verbruikbare zaken op den voorgrond stellende, daarna in eene tweede afdeeling de voorschriften opneemt voor het vruchtgebruik van verbruikbare zaken, van rechten en van een vermogen. Ook het Ontwerp 1820 maakt eene scheiding tusschen het eirjenlijk en het one'uje.nlijk vruchtgebruik en zoo heeft het thans ingediende ontwerp het vruchtgebruik van niet-verbruikbare zaken zoo volledig mogelijk geregeld, terwijl in een drietal volgende afdeelingen, handelende over oneigenlijk vruchtgebruik, vruchtgebruik van rechten en vruchtgebruik van een vermogen, grootendeels naar de bepalingen van de eerste afdeeling kon worden verwezen.
Bovendien is eene afdeeling gewijd aan het beperkt vruchtgebruik. Men kan namelijk verschillend oordeelen omtrent de vraag of de tiende Titel van het Burgerlijk Wetboek, ten opschrift voerende: «Van het gebruik en de bewoning)), als zoodanig zoude moeten worden overgenomen, dan wel of men gebruik en bewoning moet behandelen als een beperkt vruchtgebruik, en daaraan knoopt zich eene tweede vraag vast: zal men beperkingen van vruchtgebruik in het algemeen toelaten, zoodat de wet slechts aanvullend recht zoude geven, voorzoover de omvang van het vruchtgebruik niet in den titel zoude zijn omschreven ? Het is bekend , dat aan het recht van gebruik allengs meer uitbreiding is gegeven doordien een, zij het ook beperkt recht van vruchten te genieten werd erkend, terwijl de ums van het oud-Romeinsche recht alleen het gehruike.: op het oog had, waaraan, behoudens sommige gevallen, waarin het gebruik nood-wendig tol eenig genot van vruchten moest leiden, zoodanig genot niet was verbonden, de Groot (Inl. Roek II, deel 44, § 3) noemt Brtdck; Tochtsdeel, en omschrijft het aldus: «Bruick is eene gerechtigheid om nut te trecken van eene zaeck, maar «niet allerlei vruchten», en erkent dus de verwantschap, die tusschen beide rechten van Bmiclc en Lijftocht bestaat. De derde Titel van het Tweede Boek vrui den Code Civil heeft tot opschrift: «De 1'usufruit, de 1'usage et de 1'habitation », terwijl in het Ontwerp 1820 aan den twaalfden Titel van het Tweede Boek een dergelijk opschrift is gegeven, en in artikel 1451 het onderscheid tusschen vruchtgebruik en gebruik wordt aangegeven als hierin bestaande, dat aan den gebruiker alleen het recht toekomt om de meest dagelijksche vruchten der goederen te genieten, «en zulks « niet verder dan tot nooddruft van zich zeiven en zijn huisgezin », een eisch , die voor interessen en renten en voor roerende goederen, welke door het gebruik verloren gaan, niet wordt gesteld; ten aanzien daarvan worden gebruik en vruchtgebruik gelijk gesteld. Trouwens, al heeft men in het
160
B W. gebruik en bewoning niet als een onderdeel van vruchtgebruik beschouwd, uit de voorschriften van den tienden Titel zelve blijkt genoegzaam, dat men hier eerder te denken heelt aan een vruchtgebruik met verschillende beperkingen, dan aan een op zichzelf staand recht van gebruik.
He! Avant-projet van Laurent heeft in artikel 617, op voetspoor van het Ital. Burg. VVetb. aan het hoofd van den Titel den algemeenen regel gesteld, dat de rechten van vruchtgebruik, gebruik en bewoning worden beheerscht door den titel, waarbij zij zijn gevestigd, en dat alleen bij stilzwijgen van den titel de bij de wet gestelde regelen moeten worden opgevolgd. Het ontwerp is niet zóóver in die richting gegaan, maar op den voorgrond stellende, dat het vruchtgebruik bestaat in het samenstel van rechten en verplichtingen, die in de wet zijn uiteengezet, heeft het toegelaten, dat dit vruchtgebruik, wat de mate van het genot aangaat, kan worden beperkt, en voorts hel recht van gebruik en dat van bewoning als voorheelden van zoodanige beperking nader aangeduid, met dien verstande, dat de bepalingen der wet gelden tenzij daarvan uitdrukkelijk is afgeweken. Op deze wijze werd vereenvoudiging in het maken der voorschriften bevorderd en aan den anderen kant voorkomen, dat, door onbeperkte vrijheid in de wijze van verleenen van vruchtgebruik, onder den naam van laatstgenoemd in de wet erkend recht allerlei aan een persoon verbonden zakelijke rechten zouden worden ingevoerd, die met het vruchtgebruik niets dan den naam gemeen zouden hebben.
Afueeling 1.
Vruchtgebruik van zaken.
Art. 250
De voorgedragen omschrijving wijkt in zooverre van de bestaande af, dat naast het trekken der vruchten ook het genieten (naast het ÆÂ«Â« het uiï) genoemd is. De woorden «alsof men zelf eigenaar was » kunnen daarentegen vervallen. Dienen zij (gelijk door sommigen beweerd wordt) om het gebruiken te bepalen , dan doen zij dit zeker niet op duidelijke wijze ; maar bovendien zijn zij onjuist, daar, ook zelfs afgescheiden van de verplichting om de zaak in stand te houden, het genot van den vruchtgebruiker nog in menig opzicht beperkter is dan dat., hetwelk den eigenaar toekomt. Terwijl hij de omschrijving van erfpacht het bezit der zaak als kenmerk van het recht is genoemd, is daarvan bij die van vruchtgebruik geen melding gemaakt, omdat het bij laatstgenoemd recht, waar het beheer der zaak in onderscheidene gevallen aan de handen van den vruchtgebruiker kan worden onttrokken, niet op den voorgrond treedt zooals bij erfpacht het geval is (vgl. artikel 4398 van het Ontwerp 1820).
Art. 251.
Men is gewoon zich te bedienen van de uitdrukking verbruikbare en niet-verbruikhare zaken, wanneer het betreft het aangeven van het verschil tusschen de zaken, die aan een eigenlijk, en die, welke aan een oneigenlijk vruchtgebruik onderworpen kunnen zijn, maar bij de omschrijving,wat onder ver-
161
bruikbare zaken moet worden verstaan, komt men niet zelden tot verschil van opvatting en tegen de omschrijving, die men in artikel 561 B. W. aantreft., zijn althans gewichtige bezwaren aan te voeren. Bovendien zijn zaken, waaraan de eigenschap van verbruikbaarheid verbonden is, niet altijd voorwerpen van oneigenlijk vruchtgebruik en omgekeerd kan zich het geval voordoen, dat eene niet-verbruikbare zaak in oneigenlijk vruchtgebruik wordt gegeven. Op grond van deze overwegingen heeft het ontwerp, de woorden niei-verlndkhaar en verbruikhaar vermijdende, als regel voor eigenlijk vruchtgebruik vatbaar verklaard alle zaken, wier bestemming niet is verbruikt of uitgegeven te worden, en voor oneigenlijk vruchtgebruik zaken, wier bestemming het is verbruikt of uitgegeven te worden, doch, zooals uit de toelichting van artikel 300 zal blijken, zonder aan dien regel eene absolute werking te verbinden.
Bij het woord uitgeven heeft men gedacht aan geldsommen, waarvan men in den regel geen gebruik kan maken zonder ze uit te geven; voor den vruchtgebruiker zouden zij evenmin als ver-bruikbare zaken eenig nut hebben, indien hij ze ten behoeve des eigenaars bewaren moest (vgl. artikel 1442 van het Ontwerp 1820).
In het tweede lid van het artikel wordt de vraag beslist of effecten en dergelijke met betrekking tof vruchtgebruik moeten beschouwd worden ais schriftelijke bewijzen van een vorderingsrecht, in welk geval zij zouden aanleiding geven tot een vruchtgebruik van rechten, dan wel als lichamelijke zaken , die, vruchten afwerpende , op zich zelf een voorwerp van genot zijn. Theoretisch moge wellicht de eerste opvatting juister zijn, de laatste is zeker meer overeenkomstig de voorstelling, die men zich in het dagelijksch leven er van maakt. quot;Verder (Jan effecten en aandeelen aan toonder is men evenwel niet gegaan; staan zij op naam, dan ontbreekt, elke grondslag voor de gelijkstelling met lichamelijke zaken, omdat in dat geval het bezit van het papier op zichzelf geene bevoegdheid medebrengt om eenig recht uit te oefenen in dat papier erkend. De aanbieding van de ook dan veelal aan toonder luidende dividendbewijzen of coupons door den vruchtgebruiker kan geene moeielijkheid voor dezen opleveren, doch zoodra er sprake is van inwisseling van het aandeel of hef effect zelf (b.v. bij aflossing of conversie) of van inlevering van talons tot het verkrijgen van nieuwe couponbladen, zal men hoogst waarschijntijk weigeren den vruchtgebruiker als houder van het stuk, doch ten wiens name hef niet staat, voor den reehthebbende te erkennen.
Papier aan order is hier evenmin genoemd; ook te dien aanzien zal het vruchtgebruik (hetgeen zich wel alleen dan zal voordoen, indien het papier deel van een vermogen uitmaakt; artikel 315) beschouwd moeten worden als het vruchtgebruik van de daaruit voortvloeiende vordering; de rol, die zoodanig papier in den handel, en in het algemeen in de samenleving speelt, is niet van dien aard, dat daarbij aan een vruchtgebruik van eene lichamelijke zaak kan worden gedacht.
Bankpapier behoort tot de zaken, die bestemd zijn oin uitgegeven te worden; in den regel zal daarbij dus alleen van oneigenlijk vruchtgebruik sprake zijn.
Art. 252.
Terwijl artikel 804 B. W. ter sprake zal komen bij het oneigenlijk vruchtgebruik, valt hier op te merken, dal artikel 805 weinig verandering heeft ondergaan. Alleen zal het noodig zijn omtrent een tweetal uitdrukkingen eene toelichtende opmerking te maken.
u
162
Vooraf zij gezegd, dat men er niet toe lieeft kunnen overgaan het artikel als overbodig te schrappen. Laurent {Avant-projet ad art. 619) is -van meening, dat het ih dit artikel bepaalde otinoodig is, omdat het uit algemeene rechtsbeginselen voortvloeit, en men zou daarbij de bewering kunnen voegen, dat, door ten aanzien van het vruchtgehruih eene bepaling als deze in de wet op te nemen , aanleiding gegeven wordt tot eene niet gewilde redeneering a contrario ten opzichte van andere rechten; doch, wanneer men in aanmerking neemt, dat de kracht van het artikel berust :in het tweede lid, ten einde ongeoorloofde substituties, die vooral in den vorm van vruchtgebruik zich kunnen voordoen, te weren (zie o. a. Voorduin dl. III. p. 555/6), zoodat het eerste lid slechts als eene inleiding tot het in het tweede lid bepaalde kan worden beschouwd, dan bestaat er alleszins grond het voorschrift niet. uit de bestaande wet weg te nemen.
Het woord gezamenlijk omvat zoowel het vruchtgebruik van meerderen voor bepaalde (kelen als het vruchtgebruik in zijn geheel door meerderen ie eamen genoten, waarvan de gevolgen ten opzichte van overlijden en afstand dan ook gelijkelijk zijn geregeld, zooals bij de artikelen 284, 287 en 294 zal blijken.
Men moet in leven geweest zijn op het oogenblik, dat de verleening heeft plaats gegrepen, om van het vruchtgebruik bij opvolging te kunnen genieten. Hoe de verleening plaats heeft blijkt uit de hierna volgende artikelen; in het wezen der zaak is dus niet afgeweken van hetgeen in artikel
805 is voorgeschreven. Daar heet het; «op het oogenblik dat het regt van den eersten vruchtgebruiker «zijnen aanvang neemt», maar vermits, volgens het ontwerp, het oogenblik, waarop het zakelijk recht ontstaat, met dat der verleening samenvalt, zijn de beide bepalingen van gelijke strekking.
Artt. 253 en 254.
Ten aanzien van het ontstaan van het recht van vruchtgebruik kan verwezen worden naar de toelichting op de artikelen 208 en 209 in verband met die op de artikelen 182 en 183. Artikel
806 B. W. noemt ook de wet op als eene wijze, waarop vruchtgebruik kan worden verkregen. Het ontwerp heeft dit overgenomen en kon dit nog met meer recht doen dan zij, die het Burgerlijk Wetboek samenstelden, nu in het ontwerp van het 1ste Boek het woord vruchtgebruik het woord vruchtgenot heeft vervangen (zie de artikelen 359â365 aldaar.)
Art. 255.
Artikel 807 B. W. tweede lid houdt in, dat ten aanzien van roerend goed het zakelijk recht wordt geboren door levering. Het woord « levering» heeft men ook te dezer plaatse vermeden ; vooreerst deed de onbestemdheid der uitdrukking, waaraan men nu eens de beteekenis hecht van overdracht van het bezit, dan weder die van overdracht van den eigendom of levering in jwidieken zin, het wenschelijk zijn op andere wijze aan te geven hoe het vruchtgebruik van roerende zaken wordt verleend, maar bovendien zou het woord nog minder dan bij eigendomsoverdracht van roerende zaken met juistheid omschrijven wat voor het ontstaan van het zakelijk recht noodzakelijk is, n. I. de bedoeling waarmede de overdracht geschiedt.
Het artikel is dus in navolging van artikel 105 geredigeerd, met die wijzigingen, die een gevolg zijn van het hier behandelde zakelijk recht.
163
Ook de gevolgen der overdracht, zoowel met betrekking to! de mogelijkheid, dat de verleener geen eigenaar is, als ten aanzien van de rechten van derden, zijn op gelijke wijze geregeld.
Men zou kunnen beweren, dat eene dergelijke gelijkstelling niet gerechtvaardigd is, omdat bij vruchtgebruik de zaak na verloop van tijd weder terugkeert tot hem, die haar heeft overgedragen, wat bij eigendomsrecht het geval niet is, zoodat het argument, geput uit den wensch om de rechtszekerheid voor den nieuwen eigenaar Ie bevorderen, bij het hier behandelde onderwerp veel van zijne kracht verliest. Toch heeft men besloten die gelijkstelling te handhaven: èn bij eigendomsoverdracht èn bij verleening van vruchtgebruik kan er van schenking sprake zijn, maar bij beide is ook een verkrijgen onder bezwarenden titel mogelijk; vooral met het oog op dezquot;, laatste wijze van verkrijging heeft de vruchtgebruiker evenzeer belang hij rechtszekerheid; bovendien verkeert men, ten aanzien van het terugkeeren der zaak, bij pandrecht in hetzelfde geval, en ook daar zullen dezellde regelen moeten gelden, wil men het in pand geven van zaken mogelijk maken. Er scheen dus geen voldoende grond om voor vruchtgebruik eene uitzondering le maken.
Het artikel veronderstell ook de mogelijkheid van een voorbehoud van vruchlgebruik van roerende zaken. Ten aanzien van onroerende is de bevoegdheid lot voorbehoud van zakelijke rechten door het bepaalde in het tweede lid van arlikel 100 in beginsel erkend. Immers daar ter plaatse wordt zoodanig voorbehoud bij de akten van eigendomsoverdracht toegelaten en daarop steunen de bepalingen van de artikelen ISS, 209 en 254. De verleening kan geacht worden te hebben plaats gegrepen-in de notarieele akte, waarin de overdracht wordt geconstateerd.
Met betrekking tot roerende zaken ligt de gelijkstelling met de verleening van artikel 253 minder voor de hand en, waar de verleening zich te haren aanzien openbaart in de overdracht van hezlt met den uitgedrukten wil van vestiging van vruchtgebruik, zou de opmerking niet ongegrond zijn, dat er van een voorhehoud van zoodanig vruchtgebruik moeielijk sprake kan zijn, tenzij dit als eene afzonderlijke wijze van ontstaan van het zakelijk recht in de wet wordt eikend. Desniettemin heeft men de voorkeur gegeven aan de hier voorgedragen regeling, ten einde zooveel mogelijk in overeenstemming te blijven met heigeen voor het ontslaan van de overige zakelijke rechten in het ontwerp is voorgeschreven.
Art. 256.
Tot toelichting van dit artikel kan verwezen worden naar hetgeen met betrekking tot het verkrijgen der erfpacht door verjaring (artikel 210) is in het midden gebracht. Artikel 91 , handelende over de verkrijging van roerende goederen, behoefde hier ter plaatse niet te worden uitgezonderd.
Art. 257.
Over de vraag, of het recht des vruchtgebruikers vatbaar moet worden verklaard voor over-drachl, dan wel of hij alleen zijn genot, d. i. de uitoefening van zijn recht, moet kunnen afstaan, bestaat verschil van gevoelen. Ons arlikel 819 B. W. kent alleen liet laatsle, in navolging van het Romeinsche recht en de meeste Fransche schrijvers, die den grond daarvoor gelegen achten in den zuiver persoonlijkeu aard van het recht. Het Ontwerp voor het Duilsche Rijk had in § 1011 de bevoegdheid om vruchtgebruik over te dragen uitgesproken. In tweede lezing is men evenwel hierop teruggekomen en § 1059 van het Welhoek laat alleen toe hel uitoefenen van het recht aan een en ander over
164
te dragen. Daarentegen werd de mogelijkheid om hel vruchtgebruik zelf over te dragen reeds aangenomen in artikel 1427 van het Ontwerp 1820 en het Avant-projel van Laurent houdt in artikel 633 eene dergelijke bepaling in. En inderdaad, zoo het vruchtgebruik vatbaar is voor hypotheek, zal het wel aan anderen moeten kunnen overgedragen worden; daargelaten nog, dat alleen op die wijze tusschen de opvolgende rechtbebben den en den eigenaar eene zuivere verhouding geschapen wordt.
In de artikelen 285 en 293 zal de verhouding van den eigenaar tot den vroegeren en lateren vruchtgebruiker ter sprake komen, zoowel wat het eindigen van het zakelijk recht door den dood aangaat, als wal de aansprakelijkheid voor nalatigheid in het nakomen der verplichtingen betreft.
De inhoud van het artikel biedt overigens geene inoeielijkheden aan. Evenals bij erfpacht, beklemming en grondrente zijn de regels voor eigendomsoverdracht toepasselijk en de reden, die aanleiding gaf om bij erfpacht in artikel 211 te bepalen dal door verjaring hel recht op den nieuwen verkrijger kan overgaan, is ook hier van toepassing.
Art. 258.
Volgens § 1034 van het Duitsche Wetboek is het opmaken van eene beschrijving niet verplicht, maar hebben zoowel de vruchtgebruiker als de eigenaar het recht om daartoe over te gaan; volgens het Ital. Burg. Wetb. artikel 496 moet de vruchtgebruiker het doen, tenzij hem bij den titel vrijstelling verleend is, en heeft in dit laatste geval de eigenaar het recht om haar to doen maken; volgens hel Ontwerp 1820 artikel 1421 was de inventarisatie verplicht, maar alleen voor de roerende goederen, die bij den titel niet bepaaldelijk genoemd waren.
In tegenstelling hiermede is besloten om niet alleen vast te houden aan de verplichting om in elk geval eene beschrijving van alle zaken te doen opmaken, maar zelfs om de afgifte der zaken daarvan afhankelijk te stellen. Steeds is het, om na afloop van het recht de aanspraken van beide partijen te kunnen beoordeelen, noodig te weten wat er bij den aanvang was en in welken toestand de zaken zich bevonden. Vrijstelling van het opmaken eener beschrijving te verleenen zou in de meeste gevallen neerkomen op vrijstelling van de verplichting om de zaak in stand te houden, en dus in strijd zijn met het wezen van dit recht.
Indien de zaak onder bewind gesteld is, zijn de artikelen 433 en 451 toepasselijk. Twee inventarissen zijn natuurlijk onnoodig; en, waar de eindrekening door den bewindvoerder wordt gedaan, scheen het regelmatig de verplichting om eene beschrijving op te maken voor hem in stand te houden en voor den vruchtgebruiker te laten vervallen.
Ten aanzien van de beschrijving der goederen is in hoofdzaak de terminologie van artikel 681 n0. 3 B. Itv. gebruikt. De roerende zaken zullen moeten gewaardeerd worden, en ten aanzien van de onroerende kan niet volstaan worden met eene vermelding der kadastrale nummers, maar er zal eene beschrijving van haren toestand moeten gegeven worden. Hoever zulk eene beschrijving gaan moet in het opnemen van bijzonderheden kan de wet niet wel zeggen, maar toch wordt, om het beoogde doel zooveel mogelijk te bereiken, voorgesteld, dat zoowel de eigenaar als de vruchtgebruiker het recht zullen hebben om het opnemen van zulke bijzonderheden le verlangen.
Aan de belangen des vruchtgebruikers is in zoover te gemoel gekomen, dat de kosten bij den titel ten laste des eigenaars mogen gebracht worden; dat scheen billijk, omdat deze in den regel bij de beschrijving het meeste belang heeft.
165
Ook arlikel 830 B. W. houdt de bevoegdheid in om den inventaris ondershands op te maken, doch de vraag doet zich daarbij voor, bij wien de inventaris bewaard moet blijven. Artikel 417 van het Ontwerp Iste Boek schrijft voor, dat de door de zorg van den voogd opgemaakte beschrijving moet worden overgebracht naar de griffie van het kantongerecht daar genoemd. Het scheen hier doelmatiger te bepalen, dat eigenaar en vruchtgebruiker zich daaromtrent moeten verstaan. Kan dit niet geschieden, dan moet de beschrijving notarieel worden opgemaakt.
Art. 259.
Bij de toelichting van het voorgaand artikel werd opgemerkt, dat en waarom de vruchtgebruiker niet van zijne verplichting om eene beschrijving der zaken te doen opraaken kon worden vrijgesteld.
Toch heeft men, om dezelfde reden als, gelijk nader zal blijken bij de toelichting van artikel 434, bij het bewind, de mogelijkheid voorzien, dat het opmaken van zoodanige beschrijving geheel zonder nut zoude zijn, indien bv. door bewijzen van inschrijving op het Grootboek of door notarieele scheiding genoegzaam blijkt welke zaken aan het vruchtgebruik onderworpen zijn. Door te bepalen, dat de kantonrechter den vruchtgebruiker daarvan kan ontheffen en dat de eigenaar op het verzoek moet worden gehoord, is er voldoende waarborg, dat de belangen van beide partijen daarbij in het oog worden gehouden. De bescheiden moeten altijd ter beschikking van den eigenaar zijn, om daaruit te kunnen beoordeelen of de vruchtgebruiker ten allen tijde aan de op hem rustende verplichtingen voldoet en bij het einde van het vruchtgebruik hem eigenaar wordt teruggegeven wat hem als zoodanig toekomt.
In de beide laatste leden van het artikel wordt, door verwijzing naar de desbeti-elïende artikelen uit het Ontwerp Eerste Boek, aangegeven welke vormen bij het verhoor en bij hooger beroep en cassatie moeten worden in acht genomen.
Art. 260.
Dat de vruchtgebruiker de zaak overneemt in den staat, waarin zij zich bij den aanvang van zijn recht bevindt (artikel 829 B. W.), behoeft niet gezegd ta worden; bestond er voor den eigenaar eenige verplichting om haar in een anderen staat te brengen, dan zou dit uitdrukkelijk bepaald moeten worden. Maar noodig is het de bevoegdheid des vruchtgebruikers om afgifte te vorderen, die nu enkel bij gevolgtrekking uit genoemd artikel af te leiden is, meer op den voorgrond te stellen.
De aan den vruchtgebruiker gegeven bevoegdheid is afhankelijk van de vraag, of hij voldaan heeft aan zijne verplichting om eene beschrijving te doen opmaken, â immers voor zoover hij niet van die verplichting is ontheven. Volgens artikel 600 G. C. kon zijn genot niet beginnen vóór dat hij den inventaris gemaakt had; en ook volgens artikel 1421 Ontwerp 1820 kon hij de over-gifte niet eischen dan onder aanbod om voor zijne kosten den inventaris te laten maken. In onze wet wordt zoodanig voorschrift gemist, waarvan het gevolg is, dat het schijnbaar zoo absolute voorschrift van artikel 830 B. W. in de practijk straffeloos kan overtreden worden; het eenige gevolg, dat. daaraan door sommigen wordt toegekend, is het ontstaan van een vermoeden ten nadeele des vruchtgebruikers, dat
166
de zaak in goeden toestand afgeleverd is. Acht men liet opmaken van een inventaris noodig, dan dient men tot de ütrengere bepaling van den Code terug te keeren, of wel een voorschrift te geven in den geest van het genoemde artikel 1421 Ontwerp 1820. Aan dit laatste is de voorkeur gegeven, omdat het opmaken van een inventaris, zonder gelijktijdige afgifte der zaak, in vele gevallen voor den vruchtgebruiker moeielijk, zoo niet onmogelijk kan zijn.
Art. 261.
In dit en de beide volgende artikelen is het beheer van de aan vruchtgebruik onderworpen zaken geregeld,
Als regel geldt en wordt in het. ontwerp meer rechtstreeks dan in de bestaande wet Ie kennen gegeven, dat het beheer loekomt aan den vruchtgebruiker zeiven; maar, indien zekerheidstelling van hem gevorderd kan worden, moet deze voorafgaan. In dit opzicht heeft hel ont werp de bestaande wetsbepalingen gehandhaafd (artikelen 831 en 832 B. W.) Volgens deze laatste zijn er vier gevallen, waarin geene zekerheid behoeft te worden gesteld. Vooreerst kan de vruchtgebruiker daarvan bij de akte waarbij het vruchtgebruik wordt daargesteld worden ontheven; het ontwerp geeft deze zelfde uitzondering weder door de bepaling, dat de vruchtgebruiker daarvan uitdrukkelijk kan worden vrijgesteld. Evenzoo is de uitzondering gehandhaafd voor hen die het vruchtgenot (thans vrwcMigebruik') hebben van de goederen hunner kinderen en hetzelfde geldt van het geval dat de zaken onder bewind zijn gesteld. Daarentegen heeft men het niet noodig gevonden om van het stellen van zekerheid vrij te stellen, indien de zaak onder voorbehoud van vruchtgebruik is verkocht often geschenke gegeven. De akte, waarbij een dezer handelingen is geconstateerd, biedt gereede aanleiding om de bedoeling van partijen dienaangaande te kennen te geven.
De zekerheid behoeft niet gerechtelijk goedgekeurd te worden. Er is geen reden waarom partijen haar niet in der minne zouden mogen vaststellen; zijn zij het oneens, dan is er geene andere zekerheid denkbaar dan die door den rechter wordt goedgekeurd.
De wijziging in den innoud van de zekerheid gebracht geldt slechts eene verandering van redactie.
Door de bepaling, dat de gestelde zekerheid in stand, dat wd zeggen aan den eigenaar dei-zaak verbonden blijft, ook al is het vruchtgebruik aan een ander overgedragen, wordt alle twijfel uitgesloten, dat zij zou kunnen vervallen en vervangen worden door eene nieuwe, hetgeen voor den eigenaar bezwarend zou kunnen zijn. Dit verband omvat dan evenzeer het verhaal voor de tekortkomingen van den lateren als voor die van den vroegeren vruchtgebruiker.
Art. 262.
Het tegenwoordig artikel 833 B. W. regelt wel wat er met de goederen geschieden moet, indien noch de vruchtgebruiker noch de eigenaar zekerheid stelt, maar niet wie met de uitvoering daarvan belast is, Daarom is het beter in zoodanig geval terstond de tusschenkomst des rechters in te roepen, die aanwijst, wie beheeren zal, en voorts aan zijne beschikking zoodanige instructie kan verbinden, als in de plaats kan treden der voorschriften, die de wet nu bevat. Eene afzonderlijke bepaling als die van artikel 834 B. W. kan daarmede vervallen; is het bezit der zaak voor de uitoefening van het recht des vruchtgebruikers onmisbaar, dan is dit eene omstandigheid, waar de rechter op ie letten heeft.
167
De strekking van (ie zekerheid, door den eigenaar te stellen, is in hel ontwerp nader omschreven. Uit den aard der zaak, toch, heeft de eigenaar bij het voeren van beheer andere verplichtingen tegenover den vruchtgebruiker dan laatstgenoemde tegenover den eigenaar.
Het kan zijn nut hebben, dat de gelegenheid wordt opengesteld om wijzigingen te bekomen in de voorschriften, door den kantonrechter ten opzichte van het beheer gegeven, indien veranderde omstandigheden daartoe aanleiding geven. Bij het doen van het verzoek lot wijziging moeten de bepalingen der drie laatsle leden van artikel 259 evenzeer in acht genomen worden.
Dat de vruchtgebruiker ten allen tijde tegen het stellen van zekerheid het belieei kan overnemen, is ontleend aan § 1052 Duitsch Wetboek. De normale toestand moet terugkeeren, zoodra voor het belang des eigenaars voldoende waarborgen werden gegeven, of deze, ook zonder het geven van die waarborgen, mei de overname van het beheer door den vruchtgebruiker genoegen neemt. De bepaling van artikel 839 B. W. is niet overgenomen; dat de vruchtgebruiker het beheer terugneemt, indien het bewind ophoudt, behoeft niet uitdrukkelijk in de wet te worden gezegd, vooral niet nu uit artikel 451 blijkt, dat het bewind over aan vruchtgebruik onderworpen zaken voortduurt zoolang dat recht zelf duurt, tenzij uit de akte, waarbij het bewind is ingesteld, iets anders volgt.
Evenmin was er grond om artikel 835 B. W. over te nemen; de vraag, van welk tijdstip af de vruchten aan den vruchtgebruiker toekomen, zal bij de artikelen 266 en volgende ter sprake komen, en dat de vertraging in het stellen van zekerheid daarop van geen invloed kan noch mag zijn, spreekt van zelf.
Art. 263.
Het eerste lid van dit artikel is ontleend aan artikel 837 B. W.; de eigenaar moet de zuivere vruchten en inkomsten uitkeeren en is in dit opzicht gelijk gesteld met den bewindvoerder, die daartoe, ingevolge artikel 447, tegenover den eigenaar evenzeer verplicht is. Wat onder zuivere vruchten en inkomsten moet worden verstaan zal uit de toelichting van voormeld artikel nader blijken.
Ten aanzien van het bewind, door een of meer derden gevoerd, kon worden volstaan meteene verwijzing naar de hierop toepasselijke artikelen uit den Titel van Bewindvoerders (vgl. de artikelen 836â838 B. W).
De reden waarom eenige artikelen uit voornoemden Titel van de verwijzing zijn uitgesloten , zal wel niet behoeven ontvouwd te worden, â de aard van het hier behandelde recht bracht dit. van zelf mede. Ten aanzien van het evenzeer uitgesloten eerste lid van artikel 451 zij evenwel opgemerkt, dat de duur van ieder bewind natuurlijk nooit langer kan zijn dan die van het vruchtgebruik zelf, maar dat hij in het onderhavige geval beheerscht wordt door het voorgaand artikel 262, waaraan dit bewind zijn ontstaan ontleent, niet door artikel 451, waarin gehandeld wordt over het bij akte ingesteld bewind.
Het laatste lid van het artikel doet voor den bewindvoerder wèl de verplichting vervallen om een inventaris op te maken, maar niet het recht daartoe. Het kan voor den bewindvoerder van belang zijn om, indien de toestand der zaken vóór de aanvaarding van het bewind veranderd is, daarvan te kunnen doen blijken. Voorts moet de inventaris opgemaakt zijn; indien dit nog niet
168
geschied is, is de bewindvoerder hiertoe boven den vruchtverbruiker verplicht en zijne verplichting houdt eerst op, indien de vruchtgebruiker door een vroeger optreden hare vervulling overbodig heeft gemaakt.
' Art. 264.
De wijze, waarop de vruchtgebruiker de zaak gebruiken mag, is eenigszins anders omschreven. Nu vordert artikel 819 B. W., dat. hij zich zal gedragen naar het plaatselijk gebruik en de gewoonte der eigenaars, welke beide voorschriften te zamen een maatstaf vormen, die slechts zelden tot beslissing van voorkomende vragen zal leiden. Immers plaatselijke gebruiken omtrent de wijze, waarop men van eene zaak genot hebben «mag, zullen niet dikwijls bestaan; en hetzij men bij de eigenaars, wier gewoonte gevolgd moet worden, denkt aan de eigenaars van andere soortgelijke zaken, of aan de vroegere eigenaars van deze zaak (zooals in het geval van artikel 814 B VV. gezegd wordt), in beide gevallen zal ook de gewoonte van dezen moeielijk aan te wijzen zijn. Stelt men in de plaats hiervan, dat elke zaak gebruikt mag worden naar haren aard, dan heeft men een leiddraad, die ook wel niet alle onzekerheid opheft, maar die overal gevolgd kan worden, en in allen gevalle elk misbruik, waardoor de zaak ontijdig slijten moet, uitsluit.
Dat de vruchtgebruiker de bestemming niet veranderen mag, is een tweede voorschrift, uit artikel 810 B. W. overgenomen en ontleend aan de vermoedelijke bedoeling des verleeners. Beide voorschriften te zamen genomen schijnen voldoende om de uitoefening van het recht des vruchtgebruikers op behoorlijke wijze te omschrijven.
Door daaraan streng vast te houden kan men enkele toepassingen, die thans in de wet voorkomen, missen. In de eerste plaats artikel 812 B. W., hetwelk voorschriften geeft voor zaken, die wel door het gebruik niet te niet gaan (in dat geval zouden zij geen voorwerp van eigenlijk vruchtgebruik kunnen zijn), maar daardoor toch verminderen. Daargelaten dat dit laatste met de meeste zaken meer of min het geval is, lost het voorschrift zich op in niet veel anders dan onzen regel: de vruchtgebruiker mag er zich van bedienen tot het gebruik waarvoor ze bestemd zijn, d. i. overeenkomstig haren aard.
Door de in algemeene termen vervatte bevoegdheid uit te spreken, waarvan het tweede lid van dit artikel gewag maakt, verviel de noodzakelijkheid om nog afzonderlijk melding te maken van het genot van de erfdienstbaarheden of van dat van de jacht en visscherij (artikel 821 B. W.)
Art. 265.
Aan hel recht om te gebruiken sluit zich het recht om de vruchten te trekken van zelf aan , ofschoon beide niet samenvallen. Immers het vruchtgebruik eener zaak kan zich bepalen tot, haar gebruik, zij kan ook ten doel hebben de vruchten er van te trekken, of wel beide. Eene splitsing tusschen beide bevoegdheden, al is zij practisch niet altijd even gemakkelijk, is theoretisch zeker gerechtvaardigd.
De nieuwe redactie kent aan den vruchtgebruiker alle vruchten toe. Wel onderscheiden de artikelen 4 en 5 nog tusschen natuurlijke en burgerlijke vruchten (die van nijverheid worden
469
zooals hierboven bij de toelichting op artikel 4 werd herinnerd, niet meer afzonderlijk genoemd), maar de gekozen algemeene uitdrukking laat omtrent de bedoeling geen twijfel over.
Van meer belang dan deze wijziging van redactie , waardoor in het bestaande recht geene verandering wordt gebracht, is de bepaling, dat de vruchtgebruiker enkel die vruchten trekken mag, die de zaak volgens de regels van een goed en ordelijk beheer oplevert. In verband met zijne overige verplichtingen volgt hieruit, dat hij geene vruchten mag trekken, indien daardoor, in strijd met deze regels, de zaak zoude worden uitgeput, en dat, voor zoover ook door het innen van overigens geoorloofde vruchten de zaak in waarde achteruit gaat, hij zooveel aan haar ten koste moet leggen als noodig is om haar overeenkomstig haren aard en bestemming in behoorlijken staat te houden (vgl. § 1036 Duitsch Wetboek). Onze wet gaat natuurlijk van hetzeltde beginsel uit, maar geeft in plaats van het uit te spreken eene reeks beslissingen voor enkele gevallen, die, gelijk uit de volgende artikelen blijken zal, thans zeer konden bekort worden.
Met het oog op het bepaalde in artikel 202 ten aanzien van erfpacht mocht eene bepaling als die van het tweede lid van het hier besproken artikel niet ontbreken; artikel 824 B. W. is niet overgenomen, omdat wel niemand een schat, die op of in eene zaak gevonden wordt, tot de vruchten daarvan rekenen zal.
Art. 266.
Artikel 809 B. W. is onveranderd behouden, met weglating van de vruchten van nijverheid en van het voorbehoud ten behoeve van den deelhebbenden pachter; dit laatste omdat het overbodig scheen.
In § 1055 j0. § 592 Duitsch Wetboek wordt den eigenaar de verplichting opgelegd om na het eindigen van des vruchtgebruikers recht de kosten te vergoeden, die voor het verkrijgen der alsdan nog niet geïnde vruchten gemaakt zijn; maar een gevolg hiervan zou moeten zijn, dat hij daarentegen ook vergoed kreeg de kosten, die vóór den aanvang gemaakt zijn ter verkrijging van de eerste vruchten, die den vruchtgebruiker toevallen. Daar dit tot ingewikkelde verrekeningen zou kunnen leiden, is het beter te blijven aannemen, dat, beide kosten wel tegen elkander zullen opwegen.
Ten einde aan het begrip «kosten» eene wijdere strekking te kunnen geven wordt, in plaats van «kosten van bearbeiding en bezaaiing», de uitdrukking gebezigd van «kosten van voortbrenging»; in deze laatste zijn ook begrepen kosten van bemesting, alsmede de kosten tot voortbrenging van dieren (dekgelden) enz.
Vermits het ontwerp uitgaat van de stelling, dat door het legaat geen zakelijk recht op het gelegateerde wordt geboren, maar alleen een persoonlijk recht tot levering der zaak (zie de toelichting op artikel 63) zullen, tengevolge van de hier behandelde bepalingen omtrent de vruchten, deze laatste, bij het legaat van een vruchtgebruik, den vruchtgebruiker toekomen eerst van het oogenblik af, dat het zakelijk recht is ontstaan, hetgeen ten aanzien van eene onroerende zaak plaats heeft, indien de akte van verleening is overgeschreven. Of de legataris niettemin de vruchten zal kunnen verkrijgen, door de zaak opgeleverd vóórdat het recht door den erfgenaam is verleend, hangt af van de verhouding tusschen erfgenaam en legataris, welke elders, in den Titel van Erfrecht , zal worden geregeld (vgl. artikel 1006 B. VV.). Hier ter plaatse was slechts het zakelijk rechtsgevolg ten aanzien der vruchten te regelen.
470
Art. 267.
Met afwijking van hetgeen volgens het bestaande recht geldt (artikel 810 B. W.) heeft het ontwerp ten aanzien van burgerlijke vruchten dezelfde berekening gevolgd als bij natuurlijke. De redenen daarvoor zijn vele. Vooreerst is het zeker vreemd, dat. indien men het genot eener zaak verhuurt, de berekening anders zal zijn dan wanneer men haar zelf exploiteert. In de tweede plaats hebben zoodanige vruchten veel overeenkomst met lijfrenten, waarvoor onze wet reeds nu den regel van artikel 810 gedeeltelijk loslaat (artikel 811); de tegenovergestelde opvatting geeft voor lijfrenten, zoowel die door den vruchtgebruiker genoten als die door hem betaald worden, eene eenvoudige oplossing aan de hand (vgl. de artikelen 311 en 317). Eindelijk moge bij burgerlijke vruchten de berekening van dag tot dag gemakkelijker zijn dan bij natuurlijke: er zijn gevallen, waarin ook zij niet zoo eenvoudig is. Als voorbeelden kan men aanvoeren, dat tegenover huur onderhoudskosten en lasten gesteld worden; dat effecten verwisseld worden, enz.
Alles hangt dus af van het tijdstip waarop de vruchten opeischhaar worden, â dit is in overeenstemming met artikel 6, waar evenzeer de opeischbaarheid van de burgerlijke vruchten hetzelfde te weeg brengt wat de afscheiding doet ontstaan voor de natuurlijke vruchten, n.1. haar zelfstandig bestaan.
Ten aanzien van dividenden van naamlooze vennootschappen zal men als tijdstip van de opeiscti-baarheid wel niet anders kunnen aannemen dan het oogenblik , waarop het dividend betaalbaar is. Vóórdat het dividend is bepaald, is het onzeker óf er vruchten zullen worden genoten en nog veel meer hoe groot het bedrag daarvan zal zijn en, van dit standpunt uitgaande, kan er vóór dien tijd van opeischbaarbeid geen sprake zijn. In deze beschouwing wordt geene verandering gebracht voor het geval, dat men, op grond van den juridieken vorm, waarin het kapitaal der onderneming is bijeengebracht, zou kunnen aannemen, dat de aandeelhouders ieder voor hun deel eigenaars z\in der bezittingen van de onderneming, waaruit dan zoude kunnen volgen, dat door het ontstaan der vruchten dier bezittingen tegelijkertijd, ot althans na het eindigen van het boekjaar, een recht daarop voor ieder der aandeelhouders wordt geboren. Maar ook dan zou de uitoefening van het recht nog afhankelijk blijven van de beslissing der vergadering van aandeelhouders omtrent de aan die inkomsten te geven bestemming.
Art. 268.
Tot toelichting van dit artikel zij slechts de opmerking gemaakt, dat. tusschen opvolgende vruchtgebruikers bij den overgang van het recht geheel dezelfde toestanden ontstaan als bij den overgang tusschen eigenaar en vruchtgebruiker.
Art. 269.
Gelijk reeds werd opgemerkt, brengt de inhoud der artikelen 264 en 265 mede, dat de bepalingen in de artikelen 813â818 B. W. vervat aanmerkelijk konden bekort worden.
Alleen ten aanzien van opgaande boomen, waaromtrent men in twijfel zou kunnen zijn, in hoeverre ze onder het begrip van vruchten vallen, zijn enkele voorschriften behouden. De vruchtgebruiker
171
mag ze otnliouwen, zoodra ze naar plaatselijk gebruik houwbaar zijn, eene bepaling, die ontleend is aan art. 1413 Ontwerp 1820 en de voorkeur verdient boven de verwijzing naar de gewoonte der vorige eigenaars. Doet hij dit en houdt hij, onder toeëigening van de omgehouwen boomen , door aanplanting van jonge boomen het bosch in stand, dan trekt hij niet meer voordeel dan met eene regelmatige exploitatie in overeenstemming is.
Het zich toeêigenen van doode en omgevallen boomen schijnt nog minder onder het begrip van trekken van vruchten te vallen; de daaromtrent nu geldende uitdrukkelijke bepaling is dus behouden gebleven.
Ook hetgeen in de artikelen 816 en 817 B. W. voorgeschreven is kan niet gezegd worden meer te omvatten dan het gebruik der zaak volgens hare natuurlijke en economische bestemming.
Het spreekt van zelf, dat hetgeen in het hier besproken artikel wordt bepaald alleen betreft bosschen, die als zoodanig geëxploiteerd worden, niet die, welke deel uitmaken van een park of eene buitenplaats, â daaromtrent kan het alleen de vraag zijn, wat moet gedaan worden om de zaak te onderhouden en haar als een goed huisvader te beheeren.
Het vruchtgebruik eener kudde beesten komt in artikel 851 B. W. ter sprake bij de vraag, wat rechtens is als die door toeval of ziekte sterven. Dat alsdan de huiden aan den eigenaar komen, is eene bepaling van te weinig practisch gewicht om die in de wet op te nomen.
Van meer belang is het voorschrift, dat, indien de kudde niet geheel verloren is gegaan, de gestorven beesten zooveel mogelijk uil de jongen der kudde moeten worden aangevuld; intusschen heeft men gemeend over het vruchtgebruik van eene kudde, waarvan in ons land alleen bij eene kudde schapen, en dan nog wel in slechts zeer enkele gevallen, sprake zal kunnen zijn, geheel te moeten zwijgen en de wijze van uitoeferung te laten afhangen van de uit feitelijke gegevens te be-oordeelen bedoeling des verleeners.
quot;Voorzieningen omtrent het vruchtgebruik van enkele beeslen (artikel 852 B. W.) zijn onnoodig. Vallen zij onder het begrip van slachtvee, dan zal te hunnen aanzien oneigenlijk vruchtgebruik moeten worden aangenomen, en van andere dieren zal de vruchtgebruiker het gebruik maken, en de voordeelen hebben, die elks aard mede brengt.
Art. 270.
Volgens § 1037 Duitsch Wetboek heeft de vruchtgebruiker het recht om nieuwe steengroeven enz. aan te leggen, voor zooveel de economische bestemming van het goed daardoor niet wordt gewijzigd. Laurent, Avant-projet artikel 629, ontzegt hem daarentegen zelfs het recht om de exploitatie van bestaande mijnen enz. voort te zetten, indien hem dit niet uitdrukkelijk gegeven is. Bij dit verschil is er geen reden om af te wijken van de tegenwoordige regeling, die met de vermoedelijke bedoeling des verleeners het meest in overeenstemming is.
Door toevoeging van de woorden: «andere af- of uitgravingen» is ook rekening gehouden met zanderijen, afgravingen van klei, terpaarde, delverijen van oer enz., die ten onzent hier en daar kunnen voorkomen.
Artt. 271 en 272.
Nevens de bevoegdheid van den vruchtgebruiker, in artikel 257 hem toegekend om zijn recht over te dragen, is de bepaling van artikel 819 B. W. overgenomen, dat hij ook het gebruik en het genot der zaak aan een ander kan geven, zelfs om niet.
172
In het volgend artikel komen voorschriften voor ten aanzien van verhuringen of verpachtingen, door den vruchtgebruiker aangegaan. In het algemeen genomen moet de eigenaar de overeenkomsten dienaangaande eerbiedigen, ook al overschrijden zij in duur dien van het vruchtgebruik zelf. Het was noodig dit uit te drukken omdat, al is het waar, dat hoop geen huur breekt, men hier toch zou kunnen denken, dat niet alleen wat den omvang, maar ook wat den duur aangaat de vruchtgebruiker niet meer kon afstaan dan hij zelf bezat. Op dezen regel is de uitzondering toegelaten , die ook in artikel 820 B. W. wordt aangetroffen. In stede evenwel van te eischen, dat zoodanige verhuringen of verpachtingen op verzoek of op vordering van den eigenaar moeten worden vernietigd, waardoor deze zich aan eene kostbare en omslachtige inmenging van den rechter schijnt te zullen moeten onderwerpen , wordt alleen verklaard , dat de eigenaar aan zoodanige overeenkomsten niet gebonden is. Hij is bevoegd ze te eerbiedigen, maar hij kan ook te kennen geven, dat hij de huur of pacht niet verlangt te laten voortduren. Ditzelfde geldt ook voor het geval dat de verhuring of verpachting voor langeren tijd dan voor 4 of voor 7 jaren is aangegaan. Artikel 849 B. VV. geeft omtrent den tijd eener eventueele verhuring nog andere voorschritten aan de hand. Waar evenwel eene vaste regeling mogelijk is, kan de verwijzing naar onzekere plaatselijke gebruiken en gewoonten zeker gemist worden.
Art. 273.
Het voorschrift van artikel 828 B. W., waarin het zakelijk recht van den vruchtgebruiker uitgesproken wordt, is behouden, doch is de redactie van artikel 220 gevolgd, zoodat dan ook in het algemeen naar de toelichting op dat artikel kan worden verwezen. Door de toevoeging, dat de vruchtgebruiker de rechtsvorderingen ook tegenover den eigenaar heeft, kon artikel 825 B. W. vervallen, â daaruit, immers, blijkt voldoende, dat, deze hem niet belemmeren mag in de uitoefening van zijn recht. (Vgl. ook artikel 1436 Ontwerp 1820).
Art. 274.
In dit artikel zijn de bepalingen van de artikelen 843 en 844 B. W. samengevat. Artikel 845 B. quot;VV. zal bij het vruchtgebruik van een vermogen ter sprake komen en de bepaling van artikel 846 B. W. is niet overgenomen. Wat dit laatste artikel aangaat, het eerste lid kan zeer zeker als overbodig worden beschouwd, â niemand zal er aan twijfelen of de vruchtgebruiker is tot het betalen van de hypothecaire schuld niet verplicht. De inhoud van het tweede lid zoude in ieder geval moeten worden aangevuld met. eenige bepalingen ten aanzien van punten, die in het bestaande recht onbeslist gebleven zijn, in het bijzonder wat het betalen van de rente der schuld aangaat. Doch eene regeling hiervan ontmoet groote bezwaren, zoowel ten opzichte van de vraag wat ten aanzien van de verrekening, het tijdstip waarop die zou moeten geschieden en de rentevergoeding rechtens zoude zijn, indien óf de vruchtgebruiker óf de eigenaar de schuld heeft betaald, als ten aanzien van leeningen , wier aflossing met annuïteiten moet geschieden, waardoor men in omslachtige berekeningen zoude moeten vervallen. Het scheen dus raadzaam de vraag óf en op welken voet door den eigenaar of den vruchtgebruiker rente moet worden vergoed over te laten aan de beoordeeling van den rechter.
173
Artt. 275 en 276.
De inhoud van eerstgemeld artikel is ontleend aan artikel 201, uit den Titel van Erfpacht, en stemt in beginsel overeen met hetgeen in de artikelen 840â842 E. W. is voorgeschreven. Men is evenwel niet overgegaan tot eene omschrijving van wat onder grove reparatiën moet worden verstaan; het kan te zeer van omstandigheden afhangen wat daaronder valt, dan dat eene opsomming, zoo als thans in artikel 841 wordl aangetroffen, wenschelijk zoude zijn. Evenmin heeft men het noodig gevonden eene bepaling als die van artikel 849 B. W. afzonderlijk op te nemen; onder het als een goed huisvader beheeren mag zeker ook verslaan worden het waarschuwen van den eigenaar, waardoor deze in staat wordt gesteld voor zijne belangen te waken.
Volgens artikel 840 blijven de grove reparatiën ten laste van den eigenaar, eene uitdrukking, die het onzeker laat of de vruchtgebruiker hem tot het doen daarvan dwingen kan. Opzoomer (IV, p. 75) beantwoordt de vraag ontkennend; de Pinto (II, § 494) en Diephuis (VII, p, 229) bevestigend. Geheel in het midden latend wat daarvan zij naar het geldend recht beslist het ontwerp haar in eerstbedoelden zin. In de verhouding van den eigenaar tot den .ruchtgebruiker ligt niets, wat hem tot het doen van uitgaven ten behoeve van dezen verplichten kan; wil hij de zaak laten vervallen, misschien omdat hij haar later eene andere bestemming geven zal, dan moei hem dit vrijstaan.
Is de eigenaar dus niet verplicht om te herstellen, er toe bevoegd is hij zeker, omdat het zijn belang is de zaak later in behoorlijken staat terug te krijgen. En om hem in de gelegenheid te stellen dit recht uit te oefenen zijn aan den vruchtgebruiker enkele verplichtingen opgelegd, ontleend aan § 1042 Duitsch Wetboek. Verzuimt hij die, dan is hij tot schadevergoeding gehouden.
Dat de vruchtgebruiker het recht heeft om, zonder den eigenaar te waarschuwen, de reparaties, ook al vallen ze niet onder het gewone onderhoud, voor eigen rekening uit te voeren, is duidelijk; de vraag zou alleen kunnen zijn, of hij de kosten op den eigenaar verhalen mag. Het Duitsch Wetboek verwijst hieromtrent naar de voor de negoliorum gestio geldende regels (§ 1049). Het voorgedragen artikel houdt zoodanige verwijzing, die, ofschoon in beginsel juist, niet noodig scheen, niet in. Dat de kosten van grove reparatiën op den vruchtgebruiker zullen neerkomen, indien zij veroorzaakt zijn door verzuim van gewoon onderhoud, spreekt vanzelf, niet omdat door het gepleegd verzuim het doen van grove reparatiën. op zijne schouders is gelegd, maar omdat hij de schade moet vergoeden door het nalaten van zijne verplichtingen veroorzaakt (zie artikel 840 B. W. 2de lid).
Tot de verplichtingen, die volgens het thans geldende recht op den vruchtgebruiker rusten, behoort (artikel 848 B. VV.) ook het betalen van of bijdragen in de kosten der rechtsgedingen, waarin de vruchtgebruiker, hetzij alleen hetzij met den eigenaar, betrokken is. Een zoodanig voorschrift achtte men evenwel niet noodig. Het in het eerste lid van artikel 848 bedoelde geval behoeft zeer zeker geene regeling en wat het tweede lid betreft, is met het belang van den eigenaar tevens dat van den vruchtgebruiker gemoeid of omgekeerd, dan zal er van weerszijden wel geen bezwaar gemaakt worden om zich tot eene eventueele bijdrage in de kosten te verbinden. Zijn eigenaar en vruchtgebruiker beiden in het geding en volgt uit hun optreden daarin dat, na afloop van het proces, tusschen hen onderling eene verrekening, b. v. der te betalen proceskosten moet plaats hebben, dan zal bij deze verrekening hunne wederzijdsche verhouding van eigenaar en vruchtgebruiker als maatstaf moeten dienen, ook voor den rechter, wanneer deze in een later daarover onstaan geschil
474
uitspraak moet doen. Dat eene dergelijke vereemging van belangen als bij vruchtgebruik ook bjj erfpacht, beklemming en grondrente zich kan voordoen, behoeft nauwelijks herinnerd le worden.
Art. 277.
Het bestaande recht (artikel 826 B. W.) laat twijfel over omtrent de vraag, welke de gevolgen zijn voor den vruchtgebruiker, indien hij bouwt of plant zonder daartoe verplicht te zijn of daartoe verlof van den eigenaar te hebben bekomen, m. a. w. of deze handelingen moeten gelijk gesteld worden met het aanbrengen van verheteringen, dan wel of zij naar andere regels moeten beoordeeld worden. Hel ontwerp heeft den vruchtgebruiker in dezen geheel met den erfpachter gelijk gesteld en in zooverre de bepaling van artikel 827 B. W. uitgebreid en tot een algemeenen regel voor alle aangebrachte zaken gemaakt. Artikel 1498 vbii het Ontwerp 1820 kon hierin tot voorbeeld strekken en evenzeer artikel 634 van het Avant-projet van Laurent. Inderdaad pleit de billijkheid voor deze bepaling. Zoolang de vruchtgebruiker niet kan gezegd worden de zaak te wwbruiken bestaat er geen grond hem te belemmeren in het gebruik van de zaak, indien hij haar slechts in stand houdt en zich ten aanzien van het gebruik gedraagt aan de in artikel 264 gestelde regels. Dat de vruchtgebruiker geen recht heeft om schadeloosstelling te vragen voor aangebrachte verbeteringen behoeft niet gezegd te worden. Hetgeen in het tweede lid van artikel 826 B. W. is bepaald zal bij artikel 293 ter sprake komen.
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat de bevoegdheden en verplichtingen uit de artikelen 203 en 204 voortvloeiende ook gelden voor de erfgenamen van den vruchtgebruiker, wiens recht door den dood is te niet gegaan.
Art. 278.
Het lag in den aard der zaak om te overwegen in hoeverre aan het voorschrift van artikel 853 B. W. eenige uitbreiding moest worden gegeven; immers, bij de toenemende gewoonte om zich tegen allerlei gevaren te verzekeren, zou het weinig met de maatschappelijke toestanden overeenkomen zich te dien aanzien te blijven beperken bij de verzekering van een schip voor eene buitenlandsche reis. De vraag of men over dit onderwerp geheel zou kunnen zwijgen en alles laten afhangen van de regels omtrent het beheer in artikel 275 gesteld, scheen ontkennend te moeten worden beantwoord; hel groote verschil van opvatting omtrent de al- of niet-wenschelijkheid om sommige verzekeringen te sluiten, en de gewichtige financieele gevolgen die er aan verbonden zijn deden tot het besluit komen, dat men niet alles aan de beoordeeling van den rechter mocht overlaten, maar dat de wet daaromtrent regels moest stellen. Het ontwerp heeft den vruchtgebruiker den last opgelegd de meest gebruikelijke verzekeringen te sluiten en voor het overige partijen geheel vrij gelaten. Tot die gewone verzekeringen behoort het assureeren van gebouwen en roerende zaken tegen brandschade, met uitzondering van aan toonder luidende (want van deze is in de onderhavige afdeeling alleen sprake) effecten en aandeelen in maatschappijen, waarvan de kosten van assurantie buitensporig hoog zouden worden. Dat de vruchtgebruiker tot verzekeren slechts dan verplicht is, indien hij het beheer heeft, ligt in den aard der zaak; ingeval van onderbewindstelling rust de verplichting op den bewindvoerder.
175
Door de uitbreiding van het artikel ten aanzien van de zee-assurantie zullen thans ook vis-schersvaartuigen, al begeven zij zich niet op eene buitenlandsche reis, en in het algemeen binnen-landsche schepen, in de bepaling begrepen zijn; voor eene beperking, zooals die in het bestaande recht aanwezig is, kan inderdaad geen redelijke grond aangevoerd worden.
Door de bijvoeging, dat de verzekering moet geschieden ten name des eigenaars, wordt de verplichting op den vruchtgebruiker gelegd om op zoodanige wijze de overeenkomst te sluiten, dat den eigenaar de vordering tot bekoming der assurantie-penningen toekomt (vgl. artikelen 204 vlgg. Wetb. v. Kooph.) De tweede zinsnede van artikel 853 B. W. is niet overgenomen ; ook zonder dat de wet het zegt is het niet twijfelachtig, dat, bij verzuim, de vruchtgebruiker tot schadevergoeding tegenover den eigenaar verplicht is.
Bij de toelichting van artikel 290 zullen de gevolgen ter sprake komen voor het geval dat de assurantie-penningen in de plaats der in vruchtgebruik gegeven zaak zijn gekomen.
Art. 279.
Het recht om bij grof verzuim vervallenverklaring van het vruchtgebruik te vorderen, thans in de artikelen 862 vlgg. B.W. gegeven, gaat lever, en levert daardoor juist voor den eigenaar niet die waarborgen op, welke eene minder strenge bepaling geven zou. De rechter zal allicht huiverig zijn om er toe over te gaan, terwijl eene aan het gepleegde vergrijp geheel geëvenredigde straf daarin ligt , dat den vruchtgebruiker het beheer, hetwelk hij onwaardig gebleken is, ontnomen wordt. De rechtbank neemt dan dezelfde maatregelen als volgens artikel 262 de kantonrechter had kunnen nemen. De wijze, waarop het beheer den vruchtgebruiker kan worden ontnomen, is evenwel niet in overeenstemming met het in voormeld artikel bepaalde. Evenals de vervallenverklaring bij erfpacht (artikel 216) na contradictoir geding door den rechter bij vonnis moet worden uilgesproken, heeft men gemeend het ontnemen v;in het beheer niet anders dan door het instellen van eene daartoe strekkende vordering te kunnen doen plaats hebben. Het belang der zaak en de wederzijdsche verhouding der partijen brengen mede, dat eene contradictoire behandeling gewenschtis, terwijl bovendien alleen op deze wijze een executoriale titel kan verkregen worden om den onwilligen vruchtgebruiker tot het gehoorzamen aan de rechterlijke beslissing te dwingen.
Door de bepaling van het tweede lid is voorkomen, dat de eigenaar, tengevolge -van een langdurig geding, gedurende geruimen tijd machteloos is tegenover de verzuimen en misbruiken van den vruchtgebruiker.
Het eerste lid van artikel 263 is niet toepasselijk verklaard, omdat het vanzelf geldt in alle gevallen, waarin de zaak komt onder het beheer van den eigenaar; het tweede en lt;ierde lid van dat artikel moesten hier genoemd worden, omdat de tekst dier beide leden uitgaat vati de veronderstelling, dat de kantonrechter de zaak onder het bewind van derden gesteld beeft, en hel hier de rechtbank is, die zoodanige beschikking heeft genomen.
Art. 280.
Evenals bij erfpacht, beklemming en grondrente is ook bij vruchtgebruik naar de artikelen over medeëigendom verwezen, waar het. gold vruchtgebruik in onverdeelde aandeelen genoten. De
176
artikelen 121 en 122 konden hier niet van toepassing zijn, het eerste niet, omdat afstand van mede-vruchtgebruik in dezen Titel afzonderlijk wordt behandeld, terwijl het recht om ten allen tijde scheiding te kunnen vorderen moet beoordeeld worden naar de waarschijnlijke bedoeling van hem , die het vruchtgebruik instelde.
Artt. 281 en 282.
Over de wijzen van te niet gaan van vruchtgebruik in het algemeen valt slechts weinig ter toelichting aan te voeren; eene verwijzing naar hetgeen bij de artikelen 212 en 213 is in het midden gebracht kan voldoende geacht worden. In één opzicht, is van de bestaande wet (artikel 854 B. W.) afgeweken, doordien de geheele ondergang der zaak niet als eene der wijzen waarop vruchtgebruik kan te niet gaan is genoemd. Bij de toelichting tot artikel 187 is over deze oorzaak van het vervallen van het zakelijk recht reeds gesproken en hetgeen daar ter plaatse is aangevoerd is ook op vruchtgebruik toepasselijk. Om diezelfde reden is artikel 858 B. W. niet in het ontwerp overgenomen, terwijl eene verwijzing naar artikel 64.9 B. W. (artikel 858 al. 3) komt te vervallen, nu de bepaling van het tweede lid van voormeld artikel niet in het ontwerp is opgenomen.
Wanneer eene zaak als te niet gegaan moet worden beschouwd, hangt zoozeer van haren aard en van andere omstandigheden af, dat daaromtrent geen nadere voorschriften te geven zijn; de beslissingen in de artikelen 859 en 860 B. W. ten aanzien van een gebouw, een stuk land en een vaartuig gegeven, zijn dus weggelaten. In de artikelen 289â291 zijn gevallen behandeld, waarin de in vruchtgebruik gegeven zaak door eene andere wordt vervangen, waaraan het vruchtgebruik voortduurt.
Het overnemen van artikel 856 B. W. is niet noodig geacht. Het geldt daar meer eene uitlegging van de vermoedelijke bedoeling van hem, die hel vruchtgebruik verleende, dan eene op rechtskundige gronden berustende oplossing.
Art. 283.
Het eerste lid, ontleend aan artikel 855 lid 2 B quot;W., is noodig om te voorkomen, dat men , met toepassing van artikel 554 Ontwerp Iste Boek en 1702 B. W., het vruchtgebruik aan de laatste leden toekent, hetgeen zeker niet zou strooken met de vermoedelijke bedoeling des verleeners. Het Ontwerp 1820 gaf in artikel 1483 ook nog voorschriften voor het geval dat vruchtgebruik verleend was aan eene maatschap; daar de vermoedelijke bedoeling hier niet altijd dezelfde behoeft te zijn, is dit voorbeeld niet gevolgd. Immers, indien de bedoeling deze is, dat do verleener (erflater of schenker) personen wenschte te bevoordeelen, die tot elkander in betrekking staan als leden eener zelfde maatschap, maar onaf hanleelijh van deze betrekking, zoo zal het vruchtgebruik ook na de ontbinding dier maatschap aan de gewezen deelgenooten moeten verblijven; wilde hij hen daarentegen begiftigen als leden der maatschap, zoo zal het vruchtgebruik door de ontbinding te niet gaan.
Het tweede lid is uit artikel 857 B. W. overgenomen. Omtrent den termijn, die voor zedelijke lichamen moet aangenomen worden, kan men verschillend oordeelen. In de Duitsche wetgevingen wordt in den regel een langere termijn aangegeven (het üuitsch Ontwerp stelde in § 1014 honderd jaren, doch reeds in tweede lezing werd deze geheele bepaling geschrapt), het Ontwerp 1820 nam honderd jaren als den uitersten termijn aan, doch men achtte het verkieslijker niet van de bestaande wet af te wijken, en langdurige vruchtgebruiken in de doode hand niet te bevorderen.
477
Door bijvoeging der woorden «na zijn ontstaan» wordt te kennen gegeven, dat de termijn van 30 jaren niet begint op het oogenblik dat het vruchtgebruik voor den lechlspersoon een aanvang neemt, nadat, b. v. in geval van vruchtgebruik bij opvolging, het zakelijk recht eerst is uitgeoefend door een natuurlijk persoon, maar onmiddellijk na het ontstaan van het vruchtgebruik.
Artt. 284 en 285.
Bij de toelichting tot artikel 252 werd de opmerking gemaakt, dat het woord gezamenlijk in eene algemeene beteekenis moet genomen worden en alzoo omvat zoowel het vruchtgebruik aan meerderen voor bepaalde deelen gegeven als dat hetwelk in zijn geheel door meerderen te zanten wordt genoten. Voor beide gevallen geldt de regel, dat het vruchtgebruik te niet gaat door den dood van den laatst overblijvende (artikel 855 B. W.) Dal in geval van vruchtgebruik bij opvolging hetzelfde plaats heeft, behoeft niet gezegd te worden , â dit spreekt van zelf.
Ten aanzien van het vervallen van het vruchtgebruik , hetzij ten voordeele van de overblijvenden , hetzij ten voordeele van den eigenaar, bevat het tweede lid van artikel 284 den regel, dat het eerste moet aangenomen worden, tenzij uit den titel het tegenovergestelde blijkt. Onverschillig zal het daarbij zijn of er al dan niet bepaalde deelen aan de verschillende gerechtigden zijn aangewezen. Immers, al moge in het. geval van zoodanige aanwijzing de band tusschen hen niet zoo vast zijn als bij het ontbreken daarvan, zoo zullen toch in den regel hunne belangen nog in die mate samengaan, dat het niet gerechtvaardigd schijnt den aanwas te hunnen voordeele voor dat geval uit te sluiten , tenzij degene, die het vruchtgebruik heeft verleend, zijne bedoeling in anderen zin heeft te kennen gegeven.
Wanneer het vruchtgebruik aan een ander is overgedragen, scheen het billijk den duur van het recht te bepalen zoo door het leven van den oorspronkelijken als door dat van den nieuwen vruchtgebruiker. Door dat van eerstgenoemde, omdat de eigenaar door de overdracht niet in ongunstiger toestand mag komen, door dat van den laatste, omdat het vruchtgebruik uit zijnen aard niet langer duren kan dan het. leven van den vruchtgebruiker , welke hoedanigheid den nieuwen verkrijger toekomt. Een overgaan van het recht op de erven van laatstgenoemde, totdat ook de oorspronkelijk gerechtigde zal zijn gestorven, zoude onbillijk kunnen zijn ten aanzien van den eigenaar, die zijne aanspraken wellicht nu niet tegenover één enkelen persoon, maar tegenover meerdere erfgenamen zoude moeten laten gelden.
Artt. 286, 287 en 288.
Ten opzichte van den vorm, welke bij het doen van afstand van vruchtgebruik, waar het onroerende zaken betreft, moet in acht genomen worden vergelijke men de toelichting op artikel 189, en wat de verjaring betreft die op artikel 217.
Omtrent afstand van vruchtgebruik van roerende zaken is in het ontwerp geen nader voorschrift opgenomen, evenmin als in den Titel van Eigendom een vorm is aangegeven voor het doen van afstand van eigendom eener roerende zaak. Bij beiden komt het er op aan of de wil om afstand te doen duidelijk is gebleken, iets hetwelk natuurlijk geheel van de omstandigheden afhangt en ter beoordeeling van den rechter moet blijven.
Indien het vruchtgebruik aan één persoon is verleend, komt de afstand door hem gedaan den eigenaar te goede. Dit gevolg behoefde niet met zoovele woorden uitgedrukt te worden. Is het
w
178
vruchtgebruik aan onderscheidene personen gezamenlijk verleend, dan ligt het voor de hand, dat de regel , voor den dood van één hunner aangenomen, ook in het geval van afstand moet worden toegepast. «Tenzij eene andere bedoeling is uitgedrukt.» Bij de akte van afstand kan de vruchtgebruiker te kennen geven, dat hij zijne medevruchtgebruikers niet wenscht te bevoordeelen, in welk geval de afstand ten voordeele van den eigenaar komt.
Artt. 289, 290 en 291.
Deze artikelen en het later ter sprake komend artikel 314 bevatten de toepassing van een gewichtig beginsel, dat in onze tegenwoordige wel ontbreekt. Reeds Pothier (Douaire n0. 256) leerde: lorsque la chose chargée d'usufruit a changé de forme, et a été convertie en une autre chose, on doit décider que l'usufruit n'est pas éteint, et qu'il doit subsister dans la chose en laquelle a été convertie celle qui a été chargée de l'usufruit». Was dus het vruchtgebruik gevestigd op een gebouw, dat door eenig toeval vernield werd of door ouderdom instortte, dan nam hij aan, dat de vruchtgebruiker het genot behield van den grond en van de opbrengst der bouwstoffen (art. 624 C. N. = 859 B. W. leert het tegendeel); was het gevestigd op eene rentegevende inschuld, die afgelost werd, dan leidde hij uit hetzelfde beginsel af, dat het recht ten aanzien der aldus verkregen gelden bleef voortduren.
Dat het beginsel billijk en met de vermoedelijke bedoeling des verleeners overeenkomstig mag lieeten , zal vooral in het laatste geval geen betoog behoeven. Maar neemt men dit aan, dan volgt daaruit, dat het ook bij de regeling van andere punten den doorslag geven moet.
In de eerste plaats komt in aanmerking de aflossing van een aan vruchtgebruik onderworpen effect of aandeel (artikel 251). Nu zoodanige aflossing niet onder het gezichtspunt van betaling eener schuld gebracht kan worden (vgl. 3141, moet daarvan te dezer plaatse gesproken worden, om te voorkomen, dat. het vruchtgebruik als te niet gegaan worde aangemerkt.
Voor de wederbelegging is als regel de aankoop van eene inschrijving op het Grootboek voorgesteld. Vervanging door effecten van geheel gelijke soort zal niet altijd mogelijk zijn, en, liet men aankoop van andere effecten toe, dan zou dit tot allerlei bezwaren kunnen leiden. Evenmin scheen het raadzaam het geld aan den vruchtgebruiker te doen uitkeeren en een oneigenlijk vruchtgebruik in de plaats te stellen, omdat de nieuwe zekerheidstelling, die volgens artikel 302 in verband met artikel 304 een geheel ander karakter draagt dan die van artikel 261, licht moeielijkheden zonde opleveren, en bij gebreke daarvan de rechten des eigenaars niet voldoende gewaarborgd zouden zijn.
Onder aflossing moet niet alleen verstaan worden de aflossing van het effect in eigenlijken zin, maar ook het. geval dat, door vermindering van het maatschappelijk kapitaal, door liquidatie als anderszins, het geheel of een deel der op de effecten of aandeelen gestorte gelden wordt terugbetaald.
Voldoet de vruchtgebruiker niet aan zijne verplichting, dan is artikel 279 op hem toepasselijk.
Van den regel, dat de door aflossing ontvangen gelden belegd moeten worden in eene inschrijving op het. Grootboek, kan, na onderlinge overeenstemming tusschen eigenaar en vruchtgebruiker, afgeweken worden. Men is bij de redactie van artikel 289 uitgegaan van de veronderstelling, dat de vruchtgebruiker zelf het beheer voert, maar bet behoeft geen betoog, dat, wanneer dit beheer aan
179
een ander is toevertrouwd (zie artikel 262). op dezen dezelfde verplichting tot belegging' rust, met dien verstande, dat afwijking in de wijze van belegging niet kan geschieden dan met toestemming van eigenaar en vruchtgebruiker.
In de tweede plaats heeft men het oog gehad op de vernieling of beschadiging van eene aan vruchtgebruik onderworpen zaak. Beiden, eigenaar en vruchtgebruiker, kunnen er belang bij hebben, dat eene vordering wordt ingesteld tot het bekomen van schadevergoeding, maar de vordering zelve is eene, waarop de artikelen 312â314 toepasselijk zullen zijn.
Het gevolg van de invordering zal in den regel zijn, dat. eene geldsom aan den vruchtgebruiker wordt uitgekeerd, waarop de bepaling van artikel 289 toepasselijk is.
In de derde plaats is genoemd de uit de overeenkomst van verzekering voortspruitende vordering, indien deze gesloten wordt ten gevolge van de hierboven in artikel 278 omschreven verplichting van den vruchtgebruiker. Heeft laatstgenoemde zijn eigen belang verzekerd en ontstaat uit die overeenkomst eene vordering, dan vervolgt hij natuurlijk zijn eigen recht en ontvangt hij suo jure de verzekeringsom. Het artikel ziet dus op de assurantie ten behoeve van den eigenaar. De daaruit ontstane inschuld is aan vruchtgebruik onderworpen, en wat zoo even omtrent het voorgaand artikel 290 gezegd is, geldt ook hier.
In het Duitsche Wetboek § 1046 is bepaald, dat zoowel de eigenaar als de vruchtgebruiker kan vorderen dat de assurantiepenningen zullen worden besteed tot herstelling der zaak of wel tot het verschaffen eener vergoeding, (Beschajj'ung eines Ersatzes) een en ander voor zoover dit overeenstemt met een oordeelkundig beheer. Oppervlakkig beschouwd beveelt deze regeling zich aan, ook daarom omdat zij, bij het door brand te niet gaan van een gebouw (en in de practijk zal zich dat geval juist het meest voordoen), de meest gebruikelijke oplossing aan de hand doet. Toch heeft men het wenschelijker geacht dit punt geheel aan den wil van partijen over te laten en daaromtrent in de wet geene voorschriften te geven ; komen eigenaar en vruchtgebruiker daaromtrent tot overeenstemming, ook wat de inrichting enz. van het gebouw aangaat, dan geschiedt dit zonder dat de wet tusschenbeiden behoeft te komen, en is zulk eene overeenstemming niet te verkrijgen, clan zouden uit de wettelijke bepaling groote moeielijkheden kunnen voortvloeien, in de eerste plaats ten nadeele van den vruchtgebruiker, die inmiddels van elk genot zou verstoken zijn.
Art. 292.
In hoofdzaak stemt deze bepaling overeen met hetgeen ten aanzien van erfpacht in artikel 218 is bepaald.
Behalve hetgeen ter toelichting van dat artikel is gezegd, zij nog herinnerd, dat hier ter plaatse afzonderlijk van de erfgenamen moest melding gemaakt worden met het oog op het bepaalde in artikel 281 nu. 1, terwijl, wegens laatstgenoemde wijze van te niet. gaan van het vruchtgebruik. nog meer dan bij erfpacht grond was om eene bepaling als deze in het ontwerp op te nemen. Zoo kan ook bij het eindigen van het vruchtgebruik door eenzijdigen afstand buiten weten van den eigenaar het artikel van dienst zijn om te zorgen, dat de belangen van dezen laatste niet worden veronachtzaamd. Is de zaak ter beschikking van den eigenaar gesteld, dan moet de verantwoordelijkheid van den vruchtgebruiker of van zijne erfgenamen ophouden. Ditzelfde is bij erfpacht aangenomen.
180
Artt. 293 en 294.
De verplichting tot schadevergoeding, die thans in artikel 829 B. W. met een paar woorden vermeld wordt, is hier uitvoeriger geregeld. Vooreerst komt duidelijk uit, dat de verantwoording loopt over den geheelen duur van het recht, maar bovendien wordt uitgemaakt, dat, indien verschillende vruchtgebruikers elkander zijn opgevolgd, de eigenaar zich voor de vergoeding in de eerste plaats kan wenden tot den laatsten vruchtgebruiker, onverschillig door wien de nalatigheid is begaan. Indien het recht door overdracht tot den laatsten is gekomen, kan de eigenaar zich met, hetzelfde gevolg tot een der voorgangers wenden. Iedere voorganger is solidair aansprakelijk voor de verzuimen van zijne opvolgers en omgekeerd iedere latere vruchtgebruiker voor die van zijne voorgangers. Alleen op deze wijze, in verband met de bepaling van het tweede lid van artikel 261 , dat de zekerheid door den eersten vruchtgebruiker gesteld niet door de overdracht van het recht komt te vervallen, is de eigenaar gewaarborgd tegen schade, die, door het buiten zijne medewerking overgaan van het recht op een ander, voor hem zou kunnen ontslaan. In eerste lezing hield het Ontwerp Duitschland in § 4013 1) de bepaling in, dat degene, die het recht heeft overgedragen, als borg aansprakelijk zal blijven, doch men heeft gemeend den eigenaar de gelegenheid te moeten geven om op eenvoudiger en gemakkelijker wijze zijne aanspraken te doen gelden.
Dat bij de berekening der schade de aangebrachte verbeteringen, ook al kunnen die op zich zelve niet worden teruggevorderd en, door de wijze waarop zij zijn aangebracht, ook niet kunnen worden teruggenomen, in aanmerking mogen komen, is eene billijke bepaling, aan artikel 826 B. W. ontleend.
Het laatste lid van arlikel 293 behoeft geene toelichting.
In artikel 294 wordt de aansprakelijkheid geregeld voor het geval het vruchtgebruik verleend is aan verschillende personen gezamenlijk of hij opvolging.
Gezamenlijk is hier, evenals in de gevallen van de artikelen 252, 284 en 287, in algemeenen zin genomen. Intusschen hangt de aansprakelijkheid van den vroegeren vruchtgebruiker af van de omstandigheid of de schade ontstaan is al dan niet na het ophouden van zijn genot. Deze afwijking van de regeling in het voorgaand artikel omschreven is gerechtvaardigd, omdat in dit geval de opvolging in het genot, van den verleener zeiven is uitgegaan. Met het ophouden van het genot van den vroegeren vruchtgebruiker moet deze of moeten zijne erfgenamen van de verantwoordelijkheid, uit de daden van de overigen voortvloeiende, ontheven worden, doch door hen zal dan ook het bewijs moeten worden geleverd, dat de schade later is ontslaan. Het spreekt vanzelf , dat het artikel niet van toepassing is, wanneer het genot heeft opgehouden doordien een der vruchtgebruikers zijn aandeel heeft overgedragen, immers voor dat geval behoudt het voorgaand artikel zijn volle kracht.
Ten aanzien van hel vruchtgebruik hij opvolging moesten noodwendig twee tijdstippen in aanmerking genomen worden, om dezelfde billijkheid te kunnen betrachten.
Afdeeling II.
Beperkt vruchtgebruik.
Art. 295.
In de inleiding tot dezen Titel is met een enkel woord aangewezen op welk standpunt het
1
Zie hierboven de toelichting oji artikel 257, waaruit blijkt, dat reeds bij de tweede lezing de bevoegdheid tot overdragen van het recht uit het Ontwerp is weggenomen.
181
ontwerp zich ten aanzien van het recht van gehruik en bewoning heeft geplaatst en in welken zin het beperkt vruchtgebruik moet worden opgevat, n.1. als een vruchtgebruik met heperkt genot-, dit, nu, is in het eerste lid van artikel 295 uilgedrukt. Zoodanig beperkt vruchtgebruik kan plaats hebben zoowel .ten aanzien van roerende als van onroerende zaken; het kan ontstaan zoowel door verleening als door verjaring, al zal dit laatste, wat betreft de twintig- of dertigjarige verjaring-zonder titel, zich uit den aard der zaak in de practijk weinig voordoen.
In verband met den meergemelden aard der beperking verwijst het tweede lid naar de bepalingen van de vorige afdeeling, die het genot van den vruchtgebruiker omschrijven, en naar de hierna volgende artikelen, waarin de in de practijk meest gebruikelijke rechten van gebruik en bewoning worden aangeduid. Voor het overige gelden de bepalingen van het gewone vruchtgebruik.
Door den inhoud van het hier toegelichte artikel is rekening gehouden met hetgeen in de artikelen 865â867 B. W. is vervat, terwijl artikel 869 B. W. buiten bespreking kan blijven.
Art. 296.
Het artikel, ontleend aan artikel 875 B. W., is uitgebreid tot alle gevallen van beperkt vruchtgebruik. De redactie is eenigszins gewijzigd met het oog op de blijvende toepasselijkheid van de artikelen 274 vlgg. Heeft de gebruiker alle vruchten genoten, dan gelden de daar voorkomende bepalingen onveranderd; heeft er eene verdeeling plaats, dan moet, met het oog op de artikelen 274 vlgg., niet voor hem, maar voor den eigenaar eene bijzondere verplichting om in de lasten en kosten bij te dragen uitgesproken worden.
Art. 297.
Door de toepasselijkverklaring van artikel 264 en de beperking van het genot der vruchten tot den rechthebbende en zijn gezin (artikel 868 B. W.) worden een paar regels gegeven, die de bijzondere bepalingen der artikelen 871, 872 en 876 B. W. overbodig maken. Op denzelfden grond vervielen ook de artikelen 813â818 B. W. Van het recht op de jacht en visscherij is niet afzonderlijk melding gemaakt, en evenmin is te kennen gegeven , dat de gebruiker het genot der erfdienstbaarheden heeft; dat den gebruiker het genot van een en ander toekomt, volgt voor hem, evenals voor den gewonen vruchtgebruiker, uit artikel 264 tweede lid. Men heeft niet kunnen inzien waarom het recht van jacht en visscherij zoude moeten uitgesloten worden, tenzij de titel, waarbij het recht wordt verleend, daaromtrent eene uitzondering maakt Met het oog op het bepaalde in artikel 299 zal evenwel de uitoefening van de jacht niet aan anderen mogen worden toegestaan; overigens kan men aannemen, dat, indien de hier bedoelde rechten inderdaad van eenige beteekenis zijn, men niet zal verzuimen de noodige bepalingen in den titel op te nemen, â ook ten aanzien van het recht om hetgeen de gebruiker door het jagen of visschen heeft verkregen geheel voor zich te houden of wel alleen datgene wat hij voor zich en zijn gezin behoeft.
Art 298.
Het tweede lid van artikel 873 B. W. is in hoofdzaak overgenomen. Wel kan de vraag, wie tot iemands huisgezin behooren, soms moeeilijk te beantwoorden zijn, maar een ander woord zou
182
de bedoeling niet beter uitdrukken, en de zaak is van te weinig gewicht om eene in bijzonderheden afdalende regeling te geven. Beperking tot de naaste bloedverwanten zou ongerechtvaardigd zijn; niet op den graad van bloedverwantschap komt het aan, maar veeleer op de omstandigheid, of men huisgenoot is of niet.
Bij gebreke van eenige uitzondering ten nadeele van vrouwen of van hen, die tijdens de verleening van het recht ongehuwd waren, zullen ook zij bevoegd zijn hunne (of hare) gezinnen in de woning op te nemen. De slotwoorden van het tegenwoordige tweede lid zijn dus als overbodig vervallen.
Het derde lid is mede weggelaten om de opvatting te voorkomen, dat de gedeelten, die ter bewoning onnoodig zijn, door den eigenaar zouden kunnen betrokken worden. Een huis is in ons land meestal één geheel, en pleegt als zoodanig behandeld te worden, terwijl een zakelijk recht, tot een deel er van beperkt, gesteld al dat het ooit voorkwam, tot niets dan moeielijkheden zou leiden.
Art. 299.
Dit artikel, dat het geheel persoonlijk karakter der hier bedoelde rechten uitdrukt, is aan de artikelen 870 en 874 B. W. ontleend. Men heeft zoo duidelijk mogelijk willen te kennen geven, dat bij gebruik en bewoning niet slechts het recht zelf, maar ook het gebruik der aan het recht onderworpen zaken noch geheel noch gedeeltelijk aan een ander kan worden overgedragen of toegestaan.
A F DEELING III.
Oneigenlijk vruchtgebruik.
Art. 300.
Omtrent het vruchtgebruik van verbruikbare zaken komt thans in artikel 804 B. quot;W. slechts eene enkele bepaling voor. Daar dit recht echter, meer nog dan het vruchtgebruik van onlichamelijke zaken, van het eigenlijke vruchtgebruik afwijkt (reeds dadelijk daardoor, dat de zoogenaamde vruchtgebruiker eigenaar wordt), is het beter aan dit onderwerp eene afzonderlijke afdeeling te wijden (vgl. artt. '1442â1450 van het Ontwerp 1820).
In de omschrijving van wat oneigenlijk vruchtgebruik is heeft men te kennen gegeven in welk opzicht het zich onderscheidt van het eigenlijke vruchtgebruik, n.1. hierin, dat de vruchtgebruiker de zaak niet behoeft in stand te houden. Volledigheidshalve, ten einde het begrip met nog meer juistheid op den voorgrond te stellen, is er aan toegevoegd, dat hij ook de zaak niet behoeft terug te geven. quot;Welke verplichting daarvoor in de plaats treedt leert artikel 304.
Zooals reeds bij de toelichting van artikel 251 is opgemerkt heeft men de uitdrukking «ver-bruikbare zaken » verwisseld met die van «zaken, wier bestemming is verbruikt of uitgegeven te « worden » , en daarbij werd de grond aangegeven, waarom men zich niet aan de woorden der thans bestaande wet heeft gehouden.
Zoowel volgens onze tegenwoordige wet als volgens het Ontwerp 1820 was oneigenlijk vruchtgebruik alleen toegelaten ten aanzien van verbruikbare zaken. Toch schijnt de mogelijkheid niet te
483
moeten worden uitgesloten om ook andere zaken op die wijze in vruchtgebruik te geven; voor de zaken, waarop artikel 812 B. W. doelt, en zelfs voor andere kan het om deze of gene reden wen-schelijk zijn. Met eerbiediging van de vrijheid des verleeners wordt dus als regel aangenomen, dat zaken, wier bestemming is verbruikt of uitgegeven te worden, in oneigenlijk vruchtgebruik worden gegeven, terwijl de zaken, wier bestemming eene andere is, moeten geacht worden het voorwerp te zijn van eigenlijk vruchtgebruik, tenzij van eene tegenovergestelde bedoeling blijkt.
Onder de zaken, die het voorwerp van oneigenlijk vruchtgebruik kunnen zijn, treedt natuurlijk geld, of wat daarmede gelijk staat, zooals munt- en bankpapier, waarvan de bestemming is om te worden uitgegeven, op den voorgrond. Wellicht is het dus niet overbodig er op te wijzen, dat hier bedoeld is het, geval, dat de geldstukken of het munt- of bankpapier zelve aan vruchtgebruik onderworpen worden. Is er door den verleener bepaald, dat voor het geld effecten of eene inschrijving op het Grootboek gekocht moeten worden, dan zijn de voorschriften van de eerste of van de vierde afdeeeliug toepasselijk.
Art. 301.
Deze bepaling is ontleend aan artikel 1443 van het Ontwerp 1820 (zie ook Duitsch Wetboek § 1067). Zij schept geen nieuw recht, want ook volgens het bestaande recht zal hetgeen in dit artikel wordt gezegd wel als vaststaande gelden, doch men heeft gemeend daaraan uitdrukking te moeien geven in de wet als een van die rechtsgevolgen, die aan het oneigenlijk vruchtgebruik onafscheidelijk verbonden zijn.
Artt. 302 en 303.
De verwijzing naar de verschillende artikelen van de vorige afdeeling geeft geene aanleiding tot bijzondere opmerkingen. Ten aanzien van één punt evenwel kan het stilzwijgen niet geheel bewaard blijven. De vraag kan namelijk gedaan worden of het juist is ook te verwijzen naar de bepalingen omtrent het stellen der zaak onder bewind van den eigenaar of van derden (artikelen 262 en 263). Het Ontwerp 1820 neemt daaromtrent in artikel 14.50 aan, dat, wanneer de goederen of gelden onder administratie gebracht zijn (óf omdat dit bij den titel was bepaald, óf omdat de vruchtgebruiker geen zekerheid had kunnen stellen), het. oneigenlijke vruchtgebruik door een eigenlijk wordt vervangen, in dier voege, dat de administrateurs de goederen , niet in gereede penningen bestaande, moeten verkoopen en de opbrengst en alle andere gelden, in welke oneigenlijk vruchtgebruik bestaan heeft, moeten beleggen of uitzetten zooals dit voor voogden ten aanzien van de goederen van minderjarigen is bepaald. Men heeft evenwel gemeend, dat de mogelijkheid van het beheer eener geldsom door derden niet is uitgesloten, ook al wordt die geldsom niet uitgezet of belegd. Met betrekking tot het geval in artikel 262 bedoeld zal alles afhangen van de maatregelen, die de kantonrechter in het gegeven geval zal noodig achten. Zijn de omstandigheden, in het bijzonder de geldelijke omstandigheden, waarin de vruchtgebruiker verkeert, van dien aard, dat de kantonrechter het noodig oordeelt de gelden te doen beleggen en den vruchtgebruiker alleen de renten te doen genieten , dan vervalt het oneigenlijke vruchtgebruik ; doch het laat zic.h ook zeer goed denken , dat de rechten van den eigenaar voldoende verzekerd zijn, indien slechts van het geld een nuttig gebruik wordt gemaakt en dit gebruik door den bewindvoerder wordt geregeld; voor dat geval blijft het oneigenlijke vruchtgebruik als zoodanig bestaan.
Indien degene, die hef vruchtgebruik verleend heeft, de bepaling heeft, gemaakt, dat degelden
-184
onder beheer zullen komen van een derde, die ze echter niet zal mogen beleggen, dan zal ook tegen dat bewind geen bezwaar bestaan; â men kan aannemen, dat zoodanige beschikking in het belang van den vruchtgebruiker is genomen.
Arl. 304.
Volgens § 1067 Duitsch Wetboek moet de vruchtgebruiker altijd de geldswaarde teruggegeven, die de zaken Jjij den aanvang van zijn recht hadden, hetgeen te verdedigen is, omdat daardoor alle kansen, goede zoowel als kwade, voor den vruchtgebruiker zijn, en de eigenaar daarentegen eene vaste bepaald omschreven stelling inneemt. Volgens de Groot, Inleijding Boek II, dl. 39, § 20 moet hij in dit geval «niet dezelve saeck, maer even zoo veel nae de dood aen den ghenen, die als eigenaer is , laten volgen. » Omredenen van billijkheid is echter het recht van keuze, dat ook in artikel 1444 Ontwerp 1820 voorkwam, behouden; ontvangt de oorspronkelijke eigenaar eene gelijke hoeveelheid van gelijksoortige zaken terug, dan komt hij in allen gevalle in den toestand alsof er nimmer een vruchtgebruik bestaan had, en kan hij zich in zoover niet beklagen. Daar volgens artikel 258 eene schatting alt.ijd moet hebben plaats gehad, komt eene nadere schatting, als artikel 804 B. VY. veronderstelt, niet te pas.
Afdeeling iv.
Vruchtgebruik van rechten.
Vruchtgebruik van rechten komt, met uitzondering van het vruchtgebruik eener lijfrente (artikel 8'H B. W.) in ons tegenwoordig wetboek niet afzonderlijk voor. Toch schijnen bijzondere bepalingen niet te mogen ontbreken, vooral niet omdat het eene zaak betreft, die practisch van zoo groot gewicht is. Onder dit hoofd toch behoort het vruchtgebruik van inschrijvingen op het Grootboek, van niet aan toonder luidende effecten, van gewone rentegevende inschulden ; kortom, men kan aannemen, dat het even veelvuldig voorkomt en over even groote belangen loopt als het gewone vruchtgebruik van zaken.
Het Duitsche Wetboek regelt dit onderwerp op vrij uitvoerige wijze in de §§ 1068â1084; men heeft het niet noodig geoordeeld in zoovele bijzonderheden te treden als daar geschied is, maar zich te kunnen bepalen bij enkele algemeene voorschriften en de regeling van het vruchtgebruik op particuliere inschulden, waaruit verhoudingen tusschen schuldeischer, schuldenaar en vruchtgebruiker ontstaan, die allicht tot verwikkelingen aanleiding kunnen geven.
Art. 305.
Met een dergelijk inleidend artikel vangt ook het Duitsche Wetboek in § 1068 aan. Bij een onderwerp als het hier behandelde kan slechts van eene «entsprechende Anwendung» der artikelen over het vruchtgebruik van zaken sprake zijn, zoodat het toepasselijk verklaren dier bepalingen noodwendig vergezeld moet zijn van een « voorzoover de aard der zaak het toelaat».
Art. 306.
Eene dergelijke bepaling zal men ook in artikel 411, handelende over het pandrecht op
185
rechten, aantreffen. Haar inhoud behoeft geetie verdediging; het spreekt wel vanzelf, dat, indien het recht alleen kan uitgeoefend worden dooi' hem, te wiens behoeve het is gevestigd, een vruchtgebruik van dat recht niet denkbaar is, althans zonder gevolg zou blijven, omdat de vruchtgebruiker niet dat zoude verkrijgen, waarom het hem te doen is; het genot der zaak.
Art. 307.
Voor zoover het aan toonder luidende effecten en aandeelen in maatschappijen betreft is uit artikel 251 gebleken, dat de verleening en de overdracht van het vruchtgebruik beheerscht worden door de bepalingen omtrent verleening en overdracht van het recht ten aanzien van roerende (lichamelijke) zaken. Wat betreft de verleening en de overdracht van vruchtgebruik van inschulden, uiet aan toonder luidende, en van andere rechten, moeten de bepalingen toepasselijk zijn, die voor de overdracht der rechten zelve gelden. Zoo luidt ouk de bepaling van § 1069 van het Uuitsche Wetboek. Het voorschrift vereischt geene wijdloopige toelichting; reeds uit het bepaalde in het voorgaand artikel kan men de gevolgtrekking maken, die hier is uitgedrukt. Wat meer in het bijzonder het verleenen van vruchtgebruik aangaat, vermits de vruchtgebruikerzonder dat de eigenaar geheel en al ter zijde treedt, toch in de meeste opzichten in diens plaats de rechten uitoefent, schijnt eene gelijkstelling met overdacht der rechten ook te dezen aanzien volkomen gerechtvaardigd.
Art. 308.
Evenmin als afstand van vruchtgebruik of vermenging van den eigendom en het, vruchtgebruik mogen strekken ten nadeele van hen, die daarop eenig recht hebben verkregen (artikel 281) , evenmin mag afstand door hem, aan wien het aan vruchtgebruik onderworpen zakelijk recht toekomt, kwijtschelding door den schuldeischer van de aan vruchtgebruik onderworpen inscliuld, of te niet gaan van zulk een zakelijk of persoonlijk recht door vermenging, den vruchtgebruiker schaden. In het algemeen mogen beschikkingen ten aanzien van het recht, waardoor de belangen van den vruchtgebruiker zouden kunnen benadeeld worden, laatstgenoemde niet in een minder gunstigen toestand brengen. Men heeft hierbij het oog gehad op overdracht van het recht, beperking in het genot van eenig zakelijk recht, vermindering der rente eener inschuld en dergelijke.
Art. 309.
Waar den vruchtgebruiker in artikel 276 de verplichting is opgelegd de zaak als een goed huisvader te beheeren, zoude het onnoodig kunnen schijnen een artikel op te nemen van dezen inhoud; het is dan ook minder de bedoeling geweest om op deze verplichting nogmaals den nadruk te leggen, dan wel om Ie kennen te geven dat de vruchtgebruiker levoegd is maatregelen te nemen, die anders meer op den weg zouden liggen van den eigenlijk rechthebbende. Vooral ten opzichte van de exstinctieve verjaring is de hier besproken bepaling niet van nut ontbloot. In dit en dergelijke gevallen is de vruchlgebruiker de aangewezen persoon om den eigenlijk rechthebbende te vertegenwoordigen en maatregelen te nemen, vaak van spoedeischenden aard, om het te niet gaan of het vervallen van het recht te voorkomen. Een voorschrift, waardoor die bevoegdheid van handelen
x
186
ook tegenover derden vast staat, zoodat b. v. eene sommatie aan een derde gedaan niet alleen geldt tusschen den vruchtgebruiker en dengene, tegen wien het exploit is gericht, maar ook tusschen laatstgenoemde en den eigenlijk rechthebbende, is voor dezen laatste van groot belang.
Art. 310.
Deze bepaling is billijk tegenover den schuldenaar, teneinde hem niet de schade te doen dragen veroorzaakt door de betaling aan een persoon, die wellicht geen recht heeft de betaling te ontvangen. Het is dan ook in overeenstemming met hetgeen het bestaande recht in artikel 668 B. W. ten aanzien van de overdracht van schuldvorderingen heeft bepaald.
Art. 311.
Artikel 811 B. W. handelt alleen over lijfrenten, het voorgedragen artikel noemt daarbij in éénen adem de grondrenten en de rentedragende inschulden , en, ofschoon ook zonder die toevoeging de toepassing van het hier bepaalde zoude volgen uit artikel 267 jquot; artikel 305, scheen het vollediger ze beide nevens de lijfrenten te vermelden.
Het artikel, waarvan de strekking overeenslemt met den inhoud van § 1073 Duitsch Wetboek en artikel 264 Ontwerp Beieren, wijkt eenigszins van artikel 811 B. W. af.
De vruchtgebruiker van eene lijfrente is niet alleen, indien die bij vooruitbetaling wordt voldaan, vrij van teruggave van den door hem ontvangen laatsten termijn, maar zijn recht lost zich altijd op in ontvangst van de gedurende den duur van zijn vruchtgebruik vervallende termijnen, eene oplossing, die, zoo als bij artikel 267 reeds werd opgemerkt, zich door hare eenvoudigheid aanbeveelt. Laurent heeft in zijn Avant-projet de lijfrente beschouwd gedeeltelijk als kapilaal, gedeeltelijk als rente, en aan dit beginsel de bepaling ontleend, dat de vruchtgebruiker alleen recht heeft op de wettelijke renten (intéréts legaux du capital). Deze beschouwing is niet nieuw; zij wordt o. a. aangetroffen in de beraadslagingen over de vaststelling van artikel 811 B. W. (Voorduin III, p. 559), doch ook nu mag daartegen aangevoerd worden wat de Regeering destijds antwoordde, n.1., dat het tegen de bedoeling van den erflater zoude zijn, indien deze de geheele lijfrente aan den vruchtgebruiker heeft toegekend. En inderdaad kan het niet wenschelijk geacht worden daaromtrent een regel in de wet op te nemen, terwijl de erflater of schenker in staat is om, met het oog op den aard van de lijfrente, haar bedrag en andere bijkomende omstandigheden, zoodanige beperkingen aan zijne beschikking toe te voegen als hem geraden zal voorkomen. Dergelijke beperkingen kan men evenzeer verwachten, indien eene inschuld met annuiteits-betalingen in vruchtgebruik wordt gegeven, ten einde moeielijkheden te voorkomen in de berekening van wat als rente moet worden beschouwd en wat als teruggegeven kapitaal onder het voorschrift van artikel 814 moet vallen.
Artt. 312â314.
In een drietal artikelen worden regels aangegeven voor het vruchtgebruik van inschulden. Het Burgerlijk Wetboek behelst daaromtrent slechts één voorschrift in artikel 861 en laat zich overigens niet uit over verschillende vragen , die zich bij zoodanig vruchtgebruik kunnen voordoen.
Het ontwerp behandelt in de eerste plaats de opeischhare inschulden en geeft den vruchtgebruiker
187
de bevoegdheid die in te vorderen, eene bevoegdheid, die geheel en al strookt met het hem toevertrouwde beheer. In vele gevallen zal de vruchtgebruiker niet verzuimen van deze bevoegdheid gebruik te maken, omdat hij, door de voldoening het vruchlgehruik erlangende van de in betaling gegeven zaken, niet meer afhankelijk zal zijn van de meerdere of mindere soliditeit van den hem persoonlijk wellicht onbekenden schuldenaar. Bovendien is hij verplicht die invordering te doen plaats hebben, wanneer dit naar de regelen van een goed en ordelijk beheer zou moeten geschieden. Aan den eigenaar, wien het beheer der in vruchtgebruik gegeven zaken is onttrokken, kan niet ter beoordeeling worden overgelaten of het. wenschelijk is daartoe over te gaan, maar op den vruchtgebruiker rust dan ook de verantwoordelijkheid, indien hij, b. v. gedreven door de begeerte om gt;
hooge renten te blijven trekken, door stil zitten de rechten van den eigenaar in de waagschaal stelt. Overigens mag de vruchtgebruiker niet ten nadeele van den eigenaar over de zaak beschikken ; in dit opzicht is het artikel een terugslag op hetgeen in artikel 308 ten aanzien van den eigenaar is bepaald.
In de tweede plaats heeft het ontwerp de vraag beantwoord, wie tot de opzegging van eene nog niet opeischbare inschuld bevoegd is.
Dat, indien eene inschuld opzegbaar is, zij niet hetzij door den eigenaar hetzij door den vruchtgebruiker alleen opgezegd mag worden, is billijk; door zulk eene handeling zouden de belangen van de andere partij ernstig benadeeld kunnen worden. Maai' evenmin moet een hunner de bevoegdheid hebben om, door zijne medewerking zonder voldoenden grond te weigeren, die belangen te schenden.
Het Duitsche Welhoek bepaalt hetzelfde, doch alleen ten aanzien van eene reuiegevende inschuld; â is zij niet rentegevend, dan kan de vruchtgebruiker zoowel de schuld opzeggen als haar innen. Het ontwerp heelt dit onderscheid niet gemaakt, maar het billijker geoordeeld, dat alle opzeggingen met gezamenlijke toestemming moeten geschieden, of bij verschil van meening door den rechter moeten bevolen worden, zoodat het vonnis alsdan in de plaats van de toestemming treedt. Heeft de opzegging plaats gehad, dan staat de vruchtgebruiker op het standpunt waarop artikel 312 hem heeft geplaatst, â hij zorgt voor het innen der schuld en de schuldenaar kan alleen aan hem betalen. Het Duitsche Wetboek verlangt eene betaling aan beide belanghebbenden, doch ook hierin heeft men den Duitschen wetgever niet gevolgd, â de door den vruchtgebruiker gestelde zekerheid en het toezicht van den eigenaar op diens handelingen moeten geacht worden voldoende waarborgen voor eene behoorlijke waarneming zijner belangen op te leveren. Daarbij komt, dat do voorgestelde regeling minder omslachtig is zoo voor den vruchtgebruiker als voor den schuldenaar.
In de derde plaats houdt het ontwerp zich bezig met hetgeen plaats heeft, indien de inschuld door betaling is voldaan. Onder betaling heeft men ook willen begrijpen het geval dat de inschuld is geconverteerd-, het artikel blijft toepasselijk, heizij dat men de nieuwe inschuld beschouwt als eene betaling voor de vroegere, hetzij als eene nieuwe belegging van het, door de alternatief aangeboden betaling afgeloste, kapitaal.
In aansluiting aan hetgeen in de artikelen 289â-291 is voorgeschreven, en ingevolge artikel 861 B. W. ook volgens het bestaande recht geldt, is hier ter plaatse het beginsel vooropgesteld, dat, indien voor de inschuld, waarop het vruchtgebruik is gevestigd, eene zaak in betaling wordt gegeven, het zakelijk recht daarop overgaat. In de meeste gevallen zal die zaak eene geldsom zijn, en hel lag voor de hand den vruchtgebruiker alsdan dezelfde verplichting op te leggen als in artikel 289, bij aflossing van een effect of aandeel, is bepaald.
188
De in te vorderen schuld kan evenwel ook bestaan uit andere zaken; het sjheen voldoende daaromtrent te kennen te geven, dat in zoodanig geval van betaling een eigenlijk of oneigenlijk vruchtgebruik ontstaat al naar gelang de aard van de zaak op het een of op het ander heenwijst.
Afdeeling V.
Vruchtgebruik van een vermogen.
Art. 315.
Omtrent het vruchtgebruik van een vermogen komen in het bestaande recht in de artikelen 845 en 847 B. W. eenige bijzondere bepalingen voor, die, in een anderen vorm en met eenige wijziging wat den inhoud aangaat, in het ontwerp zijn overgenomen en met een tweetal algenieene bepalingen tot eene afzonderlijke afdeeling zijn vereenigd. In het eerste hier behandelde artikel is het beginsel uitgedrukt, dat het vruchtgebruik van een vermogen beschouwd moet worden als het vruchtgebruik van de verschillende zaken en rechten, waaruit het bestaat. Het vermogen is dus niet als eene eenheid, voor afzonderlijk vruchtgebruik vatbaar, beschouwd. Desgelijks artikel 266 Ontwerp Beieren en § 1085 Duitsch Wetboek. Het Duitsche Ontwerp had in eerste lezing het in vruchtgebruik geven van een vermogen, als eenheid, niet onmogelijk geacht en voor dat geval eenige voorschriften gegeven. Reeds bij de tweede lezing is men daarop teruggekomen en heeft men het zelfs met zoovele woorden uitgesloten. Voor ons recht scheen het niet twijfelachtig waarop de keus moest vallen; men moge zich een vtrmogen kunnen denken als het samenstel van zaken aan iemand toebehoorende; als een op zichzelf staand geheel, waarover men als zoodanig kan beschikken, en hetwelk voorwerp van eigendom en andere zakelijke rechten zou kunnen zijn, kan het niet in aanmerking komen.
Art. 316.
Hoe bij de vestiging van vruchtgebruik van een vermogen met de schulden gehandeld moet worden, is op het voetspoor van het in eerste lezing voorgedragen Duitsch Ontwerp § 1040 op eenvoudige wijze geregeld. Daarbij is aan den eenen kant het beginsel gehuldigd :« bona non intelliguntur nisi deducto aere alieno », en aan de andere zijde niet uit het oog verloren, dat niet de vruchtgebruiker , maar de eigenaar van het vermogen in zulk een geval schuldenaar is en voor de betaling te zorgen heeft. De geheele regeling kan in de plaats treden van ons artikel 845 B. VV., dat niet alleen omslachtiger is. maar bovendien slechts ten gevolge van een misverstand in ons wetboek overgenomen is; Opzoomer IV, p. 115 (vgl. § 1086/7 Duitsch Wetboek, § 633 Wetboek Saksen, artikel 1419 j0 1901 Ontwerp 1820).
Dat de keus der voorwerpen aan den eigenaar staal, is billijk, omdat hij de werkelijke schuldenaar is, van wien eene behoorlijke voldoening gevorderd kan worden; uit den aard der zaak is hij jegens den vruchtgebruiker verplicht de zaken tot het aangewezen doel te gebruiken, aangezien laatstgenoemde er belang bij heeft, dat de schuld inderdaad worde gekweten.
Art. 317.
Gelijk rentedragende inschulden en lijfrenten het voorwerp van vruchtgebruik kunnen zijn, kunnen, bij het vruchtgebruik van een geheel vermogen, ook renten van schulden en termijnen
189
van lijfrenten door den vruchtgebruiker verschuldigd zijn. De eenvoudige regeling van de artikelen 267 en 311, die ook overeenkomt met hetgeen in artikel 847 B. W. is voorgeschreven, is hier overgenomen.
Door hetgeen thans voorgedragen wordt kan het geheele onderwerp geacht worden op eenvoudige en voor alle partijen billijke wijze te zijn geregeld.
Art. 318.
Men zou kunnen beweren, dat dit artikel als van zelf spi ekend gemist kan worden. Daar echter artikel 847 B. W. (voor het daar geregeld onderwerp der lijfrente) eene soortgelijke bepaling bevat, heeft men gemeend het te moeten opnemen.
TIENDE TITEL.
Van hypotheek.
Ofschoon hel Burgerlijk Wetboek zich gunstig van den Code Napoléon onderscheidde door bij de regeling der hypotheken de beide hoofdbeginselen van specialiteit en publiciteit strenger toe te passen dan in laatstgenoemde wetgeving geschied was, duurde het niet lang of men begon te klagen over het groote gevaar om geld onder hypotheek te plaatsen. Beeds in 1842 werd eene brochure onder dezen veel zeggenden titel uitgegeven, en sedert kwam men herhaaldelijk op hetzelfde onderwerp terug. En nu moge het waar zijn, dat de in die geschriften ontwikkelde bezwaren veelal een theoretisch karakter dragen, terwijl in de practijk processen over het ontstaan en tenietgaan van hypotheken tot de zeldzaamheden behooren, toch is niet te ontkennen dat er gevaren bestaan, die, onder een ongunstigen samenloop van omstandigheden, tot groote rampen zouden kunnen leiden. Zeker is het dan ook de plicht des wetgevers daarop acht te slaan en tijdig de noodige maatregelen te nemen om daarin te voorzien, en niet te verwonderen is het dat tot twee malen toe de Regeering getoond heeft het bestaan van dien plicht te erkennen. Immers nadat reeds op 5 Januari 1860 een wetsontwerp, houdende o. a. verbeteringen van het hypothecair stelsel, aan de Staten-Generaal was ingediend, werd op 9 Februari 1867 eene commissie benoemd om op meer volledige wijze het werk der herziening te ondernemen. Door deze commissie is op 21 April 1870 een ontwerp aangeboden, dat echter met uitzondering van de beide kleine wetten van 5 Juni 1878 (Stbl. 89 en 90) tot nu toe geenerlei gevolg heeft gehad.
Allen, die zich over de zaak uitgelaten hebben, ook de Staatscommissie, die het Ontwerp van 1870 indiende, hebben de oplossing der bestaande moeilijkheden gezocht in deze richting, dat de rechten van den geldgever zooveel mogelijk werden verzekerd, en de gelegenheid om die door uitwinning uit te oefenen zooveel mogelijk vereenvoudigd. Dit is natuurlijk in het belang van den geldgever, maar niet minder in dat van den geldnemer, die aldus de kans verkrijgt om op de minst bezwarende voorwaarden geld te bekomen. Waar de staathuishoudkundigen het wensclielijk achten den grondeigendom, voorzoover zijn aard zulks toelaat, te doen deelen in de voorrechten, welke de eigendom
490
van roerende zaken verschaft, kan men eiken maatregel, die de strekking heeft om het hypothecair crediet te bevorderen, aanmerken als door het algemeen belang geëischt.
Ook liet tegenwoordig ontwerp gaat. van dezelfde denkbeelden uit. Dat daarbij van den arbeid der vroegere Staatscommissie in vele opzichten een dankbaar gebruik gemaakt is, spreekt vanzelf; vergelijkt men echter beide ontwerpen met elkander, dan zal blijken, dat het tegenwoordige opeen drietal hoofdpunten verder gaat, op een enkel minder ver dan de arbeid, die daaraan is voorafgegaan. De drie eerstbedoelde punten zijn 1. dat de hypotheek niet langer ontstaat door inschrijving van een borderel, maai' door overschrijving der akte, 2. dat het recht om bij niet-voldoening der schuld de zaak in het openbaar te verkoopen ook zonder beding aan alle hypotheekhouders gegeven is, 3, dat het recht, om na de uitwinning rangschikking te vragen aan alle belanghebbenden is toegekend, maar daarentegen de zuivering bij vrijwilligen verkoop is vervallen. Niet overgenomen werd het voorstel om 4. do inschrijving der hypotheek door de doorhaling te doen te niet gaan. Terwijl voor de toelichting der afzonderlijke artikelen verwezen wordt naar hetgeen volgt, is het hier de plaats om ten aanzien van deze vier punten het een en ander in het midden te brengen.
1. Volgens het Oud-Hollandsch recht werden voor het leggen van een speciaal conventioneel verband op onroerend goed dezelfde eischen gesteld als voor de overdracht, van eigendom; beide geschiedden voor het gerecht der plaats, waar het goed gelegen was, nadat de veertigste penning aan den Lande voldaan was.
In Frankrijk gold voor die streken, waar de Germaansche opvatting van kracht was, eene soortgelijke regeling, nantmemeni geheeten. Alle eigendomsoverdracht en vestiging van zakelijke rechten, ook hypotheek, had plaats doordien de verleener het over te dragen of te vestigen recht opdroeg aan den heer der plaats, of den rechter, die dezen verving, en deze laatste het dan weer aan den nieuwen verkrijger toekende. In de overige deelen van het land, waar het Romeinsche recht overheerschend was, nam men aan, dat alle authentieke akten, ook zonder tusschenkomst van het gerecht, van-zelve hypotheek medebrachten op alle tegenwoordige en toekomstige goederen van den schuldenaar; de hypotheek was een gevolg van het openbaar karakter, waarmede de notaris bekleed was. Daar bovendien een aantal stilzwijgende of wettelijke hypotheken bestonden, spreekt het vanzelf, dat omtrent de vraag of eenig goed vrij was steeds de grootste onzekerheid beerschte. Om daaraan althans eenigermate te gemoet te komen werd, na eene eerste mislukte poging van 1673, bij edict van Juni 1771 bepaald, dat bij verkoop van het goed de gelegenheid zou bestaan om het van alle daarop rustende verbanden te bevrijden. De kooper kon, na aan bepaalde voorwaarden voldaan te hebben, zuivering krijgen.
Tijdens de Revolutie zijn twee wetten uitgevaardigd, die op het hypothecair stelsel betrekking hadden. Het decreet van 9 Messidor an III paste het beginsel van openbaarheid, waaraan , ongetwijleld tengevolge van de vroeger ondervonden bezwaren, groot gewicht werd gehecht, streng toe door geene hypotheken toe te laten dan die b\j authentieke akte waren gevestigd en bovendien te bepalen, dat 'zij eerst blijvend werden verkregen door inschrijving van een uittreksel dier akte.
Later werd genoemd decreet, dat nooit ingevoerd is, vervangen door eene wet van 11 Brumaire an VII, waarin ook het beginsel der specialiteit is opgenomen, maar daarentegen op dat der publiciteit in menig opzicht inbreuk gemaakt door het herstel der wettelijke hypotheken. De inschrijving bleef behouden en geschiedde, indien het eene hypotheek betrof, die niet op de wet berustte, na aanbieding van een borderel, dat onder meer moest inhouden eene aanwijzing der goederen, waarop
191
de scliuldeischer «entend conserver son hypothèque»; tegelijk mei die aanbieding moest de oorspronkelijke titel of expeditie daarvan worden overgelegd. De inschrijving van wettelijke hypotheken had mede plaats na aanbieding van een borderel, waarin onder meer omschreven moest worden «la nature du droit qu'il s'agit de conserver» ; overlegging van een titel kwam daarbij uit den aard der zaak niet te pas.
In hoofdzaak werd deze regeling door den Code Napoléon gevolgd; en, indien men dus de vraag stelt, waarom bij de eerste invoering van openbare registers in Frankrijk een door den schuld-eischer in te leveren borderel gevorderd werd, dan kan daarop niet anders geantwoord worden dan door er op te wijzen, dat de inschrijving werd opgevat als noodig om voor den schuldeischer te «bewaren» rechten, die hij reeds vroeger ten gevolge van zijn titel of van eenige wetsbepaling bezat. Bovendien vond men in deze wijze van inschrijving een vorm, die zoowel voor de conventioneele als voor de wettelijke hypotheken paste, en bevorderde men aldus de bruikbaarheid der registers, waarin beide gelijkelijk werden opgenomen.
Toen bij de invoering onzer nationale wetgeving de wettelijke hypotheken vervielen en in elk geval eene verleening bij authentieke akte gevorderd werd, was er voor den wetgever aanleiding geweest om zich de vraag te stellen, of men niet behoorde terug te keeren tot het Oud-Hollandsche stelsel, en alle onderscheid op te heffen tusschen de wijze, waarop hypotheek wordt gevestigd, en die waarop eigendom overgedragen wordt. Zoo dit niet geschied is, is dit zeker een gevolg daarvan, dat de toenmalige wetgever zich wel menigmaal bereid toonde om nieuwe beginselen te aanvaarden, maai', teneinde zoo min mogelijk van zijn voorbeeld af te wijken, vaak verzuimde zulk een beginsel in al zijne gevolgen uit te werken. Hier althans zqg hij voorbij, dat er geene afdoende reden was om de eigenaardige Fransche wijze van inschrijving te behouden. Principieel is er tusschen de overdracht van den eigendom en de vestiging van zakelijke rechten , die als eene gedeeltelijke eigendomsoverdracht kan worden aangemerkt, geen verschil; regelmatig zou het derhalve geweest zijn voor al die rechtshandelingen eenzelfden vorm te eischen.
Is er dus in theorie geen grond om de bijzondere wijze van inschrijving der hypotheken te behouden, uit een practisch oogpunt zijn er vele en gewichtige redenen om haar af te schaffen. In de eerste plaats zij daaromtrent gewezen op het belang om de onderlinge verhouding van verschillende akten met betrekking tot hetzelfde goed beter te doen uitkomen. Dat van meerdere akten, ook al bevat eene daarvan ééne hypotheek verleening, de eerst ingeschrevene steeds van invloed is op de volgende, dat dus akten van eigendomsoverdracht of van verleening eener erfpacht, indien zij aan de hypotheekakte voorgaan, door den schuldeischer geëerbiedigd moeten worden, maar omgekeerd, indien zij later zijn ingeschreven , geen inbreuk op zijne rechten kunnen maken, moge ook thans waar zijn, alle aanleiding tot misverstand vervalt, indien de akten van gelijken vorm zijn en op dezelfde wijze in de registers voorkomen.
In de tweede plaats zijn nu verschillende onderwerpen, die zich ten aanzien van hypotheken op geheel gelijke wijze voordoen als ten aanzien van andere zakelijke rechten, zelfstandig behandeld. Is de beslissing dezelfde, dan leidt dit tot noodelooze herhaling, maar is er verschil, dan kan dit bij de uitlegging der wet moeielijkheden veroorzaken. Als voorbeelden mogen gelden het verbod om buitenlandsche akten toe te laten (artikel 1218 B. W.); de eisch, dat hypotheek alleen op tegenwoordige goederen kan gevestigd worden (artikel 1220 B. W.); de mogelijkheid om eene hypotheek voor onbetaalde kooppenningen binnen acht dagen na de overschrijving der koopakte in te schrijven, met terug-
192
werkende kracht (artikel 1227 B. W.). Bij de behandeling der onderscheiden artikelen zal op deze punten worden teruggekomen; hier wordt alleen aangestipt, dat, men van al de zwarigheden van theoretischen zoowel als practischen aard, die deze en dergelijke voorschriften opleveren, zich alleen kan bevrijden door het gemeene recht te volgen.
Eindelijk, en dat is wellicht de hoofdzaak, is er voor partijen een groot gevaar gelegen in de mogelijkheid, dat eene inschrijving penomen wordt zonder dat. de akte bestaat, waarnaar zij heette verwijzen, of wel dat er verschil is tusschen de borderellen en die akte onderling. Ten einde aan dit bezwaar te gemoet. te komen, vorderde het Ontwerp van 1870 de indiening van slechts één borderel, en eischte het voorts, in overeenstemming met het Fransche recht, de overlegging van een afschrift of uittreksel der akte, uit kracht waarvan de inschrijving verlangd wordt. Dat door slechts één borderel te verlangen, de moeielijkheid wel verminderd, maar niet weggenomen wordt, zal geen betoog behoeven; immers ook dit. kan van de werkelijke akte afwijken. Maar van meer belang is, dat de overlegging der akte zelve geen waarborg geeft, tenzij men den hypotheekbewaarder het recht verleent om het borderel met de akte te vergelijken en bij verschil de inschrijving te weigeren. Dit werd in genoemd Ontwerp niet voorgesteld, en zou alleen mogelijk zijn, indien men het positieve stelsel, maar dan met alle waarborgen, die daaraan verbonden zijn, in zijn geheel aannam. Waarom dit in hel tegenwoordig ontwerp niet wordt voorgesteld, is vroeger ontwikkeld; maar zeker beteekent eene overlegging der akte, zonder recht van onderzoek en weigering van inschrijving, zoo goed als niets om de hier bedoelde zwarigheid te keeren.
Een en ander heeft er toe geleid om rte vestiging van hypotheken op gelijke wijze te regelen als die van andere zakelijke rechten, t. w. door overschrijving van de akte, waarbij zij verleend zijn. Slechts één ernstig bezwaar schijnt daartegen te kunnen worden ingebracht, en de toelichting van het gedane voorstel zou dus niet volkomen zijn, indien daaraan niet eenige woorden werden gewijd. Door de bijzondere thans bestaande wijze van inschrijven is het gemakkelijk de hypotheken in een afzonderlijk register bijeen te brengen; daarentegen zal het voor den hypotheekbewaarder moeielijk zijn zich te vergewissen of er hypotheken op een bepaald goed rusten, indien de hypotheekveileening onder andere bedingen verscholen kan worden en de akten te midden van allerlei andere stukken worden overgeschreven. Om dit bezwaar weg te nemen, zij het voldoende te verwijzen naar de voorgedragen artikelen 329 en 402. De akten mogen (met enkele nader te verklaren uitzonderingen) niet anders bevatten dan de hypotheekverleening en zullen dus niet veel omslachtiger zijn dan de thans gebruikelijke borderellen. En wat de wenschelijkheid van afzonderlijke registers aangaat, is uitdrukkelijk bepaald. dat. het aantal en de inrichting der registers bij algemeenen maatregel van bestuur worden voorgeschreven. Wenscht men dus voor de hypotheekakten afzonderlijke registers, dan belet niets dat aan dien wensch gevolg gegeven wordt. Dit is eene kwestie van boekhouding, waarmede het ontwerp zich uit beginsel niet inlaat; voldoende is het den regel te stellen, dat, wat de wijze van overschrijving der verschillende akten aangaat, alle onderscheid vervallen is.
2. Noch de Code Napoléon, noch het nieuwe Duitsche Wetboek bevatten bijzondere voorschriften omtrent de uitwinning der verbonden zaak. Daaromtrent gelden de gewone regelen van executie; zij wordt op rechterlijk gezag verkocht.
Ook ons oude recht huldigde dezelfde opvatting. Toch kende men daar ook het beding, dat de schuldeischer bij wanbetaling tot verkoop gemachtigd zou zijn. Of zoodanig beding geldig was , scheen echter aan gegronden twijfel onderhevig ; de rechtsgeleerden dachten daaromtrent althans niet eenstemmig.
493
Bij de laatste behandeling van ons Wetboek in 1833 werd besloten de geldigheid van genoemd beding boven allen twijfel te stellen, door, gelijk reeds bij pand aangenomen was, ook bij hypotheek de mogelijkheid toe te laten, dat voor het geval van wanbetaling de eerste hypotheekhouder gemachtigd werd om de zaak in het openhaar te doen verkoopen (artikel 4223 B. W.). Enkele vormen werden daarbij voorgeschreven, waaraan hij bij de gebruikmaking van zijn recht gebonden zou zijn; maar in bijzonderheden werd de zaak verder niet geregeld.
Naar het schijnt is de tijd gekomen om een stap verder fe gaan, en, evenals ten aanzien van pand reeds in 4874 geschiedde, den schuldeischer het recht te geven om ook zonder hijzonder beding zich bij wanbetaling door den verkoop der zaak te dekken. Praclisch zal dit in den bestaanden toestand weinig of geene verandering brengen. Langzamerhand toch heeft zich deze in zulk eene ricbting ontwikkeld, dat geene hypotheken of althans geen noemenswaard getal nieer verleend worden zonder het bedoeld beding. Waar dus de vereenvoudigde wijze van uitwinning gebleken is zoozeer aan de behoeften der practijk te voldoen, dat zij de oude geheel verdrongen heeft, is er voor den wetgever geen reden om een toestand te laten voortduren, die zich alleen op historische gronden verklaren laat.
Ook de middenweg, dien men nog in 4874 ten aanzien van het pandrecht insloeg, schijnt hier geene aanbeveling te verdienen, t. w. het aan partijen verleenen van de bevoegdheid om hel recht van verkoop uit te sluiten. Een bijzonder beding om op de gewone wijze, voor de executie van onroerende goederen bepaald, te verkoopen, is met het oog op de algemeene toepassing, aan het Leding van artikel 4223 gegeven, niet te wachten; en eene eigen wijze, door den rechter voor elk geval te bepalen, moge voor roerende goederen denkbaar wezen, voor onroerende is daaraan zeker geene belioefte.
Door de voorgestelde wijziging wordt behalve de op zichzelve reeds aan he vel ens waai digo vereenvoudiging ook in de gevolgen een groot voordeel behaald. Bekend is de strijd of het beding, dat in artikel 4223 in overeenstemming met de oude terminologie eene machtiging genoemd wordt , inderdaad als eene, zij het ook gewijzigde, lastgeving aan te merken is. De schrijvers over ons recht beantwoorden haar gewoonlijk ontkennend; de jurisprudentie bevestigend. Op deze laatste opvatting zal vermoedelijk, behalve de woorden der wet, niet zonder invloed zijn de bedenking, dat bij de hoogst onvolledige wijze, waarop de zaak geregeld is, de rnandaatstheorie den rechter de gelegenheid verschaft om op allerlei vragen betreffende de verhouding tusschen den hypotheekgever, den schuldeischer en den kooper een antwoord te geven, waartoe hij anders alle gegevens missen zoude.
Wat hiervan zij, voor den weigever is de mandaatstheorie natuurlijk volkomen onnoodig om tot eene voldoende regeling te geraken. Het ontwerp stelt zich dus op het standpunt, dat de verkoop door den hypotheekhouder eene executie is, alleen met eenvoudiger vormen dan de gewone, en hij daartoe overgaande zijn eigen zelfstandig recht uitoefent, even goed als de gewone schuldeischer, die de artikelen 494 en vlgg. B. R. loepast.
3. Thans zijn de voorschriften , die het Burgerlijk Wetboek omtrent de verdeeling van den koopprijs bevat, gegeven naar aanleiding van het recht des koopers om zuivering te vragen. Dat zij op menig punt onvolledig zijn , kan uil eene vergelijking van de voorgedragen artikelen met de tegenwoordige wet blijken; maar niet alleen zoodanige aanvulling scheen wenschelijk, even noodig was het de geheele regeling los te maken van het genoemde recht des koopers, waaraan zij thans, op vrij wonderlijke en alleen uit historische gronden verklaarbare wijze, is vastgekoppeld. Immers ook de uitgewonnen eigenaar en de medeschuldeischers kunnen er groot belang bijhebben, dat de verdeeling van den koopprijs met inachtneming der wettelijke bepalingen geschiede. Eene zelfstandige regeling,
ij
194
waarbij de aanspraken van alle belanghebbenden in aanmerking worden genomen, wordt zeker gevorderd.
Was deze bedenking reeds voldoende om tot de voorgestelde wijziging te leiden, le meer werd zij noodig, nu men gemeend beeft de zuivering, d. i. liet te niet gaan der op de zaak rustende hypotheken ook voor zoover zij niet batig gerangschikt kunnen worden, als gewoon gevolg fe moeten verbinden aan de uitwinning, terwijl bij willige verkooping door den eigenaar zeiven daarvan in het vervolg geen sprake meer zal zijn. Bekend is het, dat deze laatste wijze van zuivering bij de boven aangehaalde ordonnancie van 1771 werd ingevoerd als hulpmiddel tegen het toenmalig volkomen gemis van openbaarheid der hypotheken, dat zij vandaar overging in den Code Napoléon, en zij in onze wetgeving geene plaats verkreeg dan tegen den herhaaldelijk uitgesproken wensch der Regeering. Als middenweg werd daarbij in artikel 1254 de mogelijkheid voor partijen aangenomen om haar bij het vestigen der hypotheek uitdrukkelijk uit te sluiten. Dat de Regeering goed gezien had, en de iner bedoelde wijze van zuivering door de eischen van het verkeer niet werd verlangd, heeft de ondervinding geleerd; even algemeen toch als het beding van artikel 1223 B. W. is dat van artikel 1254 geworden.
En nu is het natuurlijk niet te ontkennen, dat met zoodanig beding de eigenaar in de vrije beschikking over zijne zaak belemmerd wordt, en bij eventueelen verkoop daarvoor minder bekomen zal dan indien hij den vrijen eigendom kon overdragen; dit is echter een noodzakelijk gevolg van de hypotheek. Ook door het vestigen van andere zakelijke rechten zal een eventueele koopprijs gedrukt worden , zonder dat het. iemand in de gedachten komt daarin eene reden te zien om erfpacht of vruchtgebruik bij verkoop der zaak te doen eindigen. Kn wat bepaaldelijk de hypotheek aangaat, is er zeker geen grond om het recht van den hypotheekhouder op te offeren aan dat van den eigenaar. Wat hiervan overigens zij, waar de practijk duidelijk uitspraak heeft gedaan, door het beding van artikel 1254 B. W. tot regel te verheffen, is er voor den wetgever alleszins aanleiding om op de vroeger genomen beslissing terug te komen.
4. Omtrent het in de laatste plaats bedoelde punt is het Ontwerp van 1870 verder gegaan in de richting van versterking van de rechten des schuldeischers dan aanbevelenswaardig wordt geacht.
Over de gevolgen van het royement naai' ons tegenwoordig recht was aanvankelijk verschil van meening. Enkelen namen aan, dat, evenals eene hypotheek zonder inschrijving geen gevolg zou hebben, zoo ook, â wanneer de inschrijving vervalt, de hypotheek daardoor alleen reeds van kracht wordt beroofd. De meeste gezaghebbende schrijvers echter zoowel als de jurisprudentie, zich aansluitend aan het bekende arrest van den Hoogen Raad van 14 April 1843 (te vinden o. a. in de Ned. Rechtspr. dl. 13, § 96), huldigen eene tegenovergestelde opvatting. Daar de hypotheekbewaarder onbevoegd is om de innerlijke waarde der hem overgelegde akte of de bevoegdheid des verzoekers te beoordeelen , moet hij aan elke aanvraag tot royement, in wettigen vorm tot hem gericht, voldoen. Door het royement op zichzelf gaat de hypotheek niet fe niet; het heeft, geene andere waarde dan die eener aanteekening, die voor partijen eene aanleiding kan zijn om te onderzoeken of inderdaad eene der door de wet erkende wijzen van opheffing aanwezig is.
Hierdoor verliest ongetwijfeld het in artikel 1265 B. W. bedoelde getuigschrift veel van zijne waarde, en voor de practijk zou het dan ook gemakkelijker zijn, indien de hypotheekbewaarder niet alleen omtrent het feit der doorhaling, maar omtrent het werkelijk vervallen zijn der vroegere hypotheken eene afdoende verklaring kon geven. Te duur zou echter dit voordeel worden gekocht, indien men met het Ontwerp 1870 aannam, dat de doorhaling de inschrijving vernietigt, in dien zin, dat, wanneer
'li
i
P
5 u i:!
{
h
I
i!1
II
195
zij later van onwaarde verklaard wordt, het herstel geen nadeel toebrengt aan de inmiddels door derden op de zaak verkregen rechten. Op deze wijze toch wordt aan de handeling van den hypotheekbewaarder een gevolg toegekend, dat, in het positieve stelsel passend, met zijne door het negatieve stelsel gevorderde lijdelijkheid in volkomen strijd is. De redenen, waarom dit laatste stelsel behouden is, behoeven hier niet herhaald te worden; maar, neemt men hare juistheid aan, dan is er geene aanleiding om daarop in dit enkele geval eene uitzondering te maken.
In de opvatting, wier bestendiging thans wordt voorotesteld, was het eene verbetering, toen in 1878 artikel 1240 B. W. werd aangevuld door den eisch van eene schriftelijke volmacht; het tegenwoordig ontwerp bevat eene daaraan beantwoordende bepaling in artikel 464.
Afdeeling I.
Algemeens bepaling en.
Art. 319.
Waar in het karakter der hypotheek geene verandering gebracht is, kon de wijziging der definitie zich bepalen tot enkele verbeteringen van redactie.
Het woord «onderzetting» is vervallen, omdat de benaming «hypotheek» in onze taal volkomen burgerrecht verkregen heeft, en zeker door het niet-rechtsgeleerd publiek beter verstaan wordt dan de geheel ongebruikelijke vertaling. Evenals ten aanzien van «domicilie» en meerdere dergelijke kunsttermen is alleen de vreemde benaming behouden.
Dat hypotheek een zakelijk recht is, volgt uit de omschrijving als «recht op eene zaak», terwijl in plaats van de «voldoening eener verbintenis» gesteld is het woord «schuld», omdat volgens artikel 350 van uitwinning eerst sprake kan zijn nadat de verbintenis in eene geldschuld is overgegaan.
In het Ontwerp 1870 werd gesproken van «bepaalde» zaak, eene bijvoeging, die onnoodig scheen, omdat de eisch van specialiteit uit de geheele verdere regeling onmiskenbaar volgt. Daarentegen is uit dat Ontwerp overgenomen de bepaling, dat de hypothecaire schuldeischer zijne vordering op de verbonden zaak verhalen mag «bij voorrang boven andere schuldeischers. » Alleen door deze woorden in de definitie op te nemen wordt het eigenaardig karakter van zijn recht in het licht gesteld.
Art. 320.
De wijzigingen, in de opsomming van voor hypotheek vatbare zaken gebracht, bepalen zich tot redactieveranderingen.
1. Dat de zaken, om verbonden te kunnen worden, in den handel moeten zijn, spreekt vanzelf, maar behoeft niet gezegd te worden na hetgeen daaromtrent bij den eersten Titel aangenomen is. Zoo ook kan thans geen sprake meer zijn van het toebehooren eener zaak, dat door de wet als onroerend beschouwd zoude worden. Hoe ver de aanspraken van den hypothecairen schuldeischer zich uitstrekken ten aanzien van dit toebehooren, thans als bij- en hulpzaken omschreven, is in artikel 345 in overeenstemming met de aangenomen regeling van dit onderwerp nader bepaald.
Ingevolge het bepaalde in artikel 120 kan ook een onverdeeld aandeel in eene onroerende zaak
196
met hypotheek worden bezwaard. Na hetgeen bij de toelicbting- van artikel 237 ten aanzien van grondrente op een onverdeeld aandeel gevestigd, is in het midden gebracht, kan te dezer plaatse met eene verwijzing daarheen volstaan worden.
6. De vraag is behandeld, of de mogelijkheid om op deze rechten hypotheek Ie verleenen niet veeleer in de overgangswet thuis behoort. Daar het echter de bestaanbaarheid geldt van hypotheken, die onder de werking van het nieuwe wetboek gevestigd zullen worden, werd het beter geacht de zaak hier te regelen.
Artikel 1213 B. W., hetwelk in het Ontwerp van 1870 als laatste lid van dit artikel behouden was, kan vervallen. Wanneer herhaaldelijk gezegd wordt, dat voor hypotheek alleen onroerende zaken vatbaar zijn, behoeft de wetgever niet meer te verklaren, dat roerende daarvoor onvatbaar zijn.
Art. 321.
Het spreekt vanzelf, dat vele van de hierna volgende bepalingen niet direct van toepassing kunnen zijn, indien de hypotheek op een recht gevestigd is; en de vraag ontstaat dus, of het wenschelijk is, evenals bij vruchtgebruik en pand, eene afzonderlijke regeling voor die gevallen te geven. Het ontwerp doet dit. niet, omdat zoodanige regeling noodeloos omslachtig zou worden, en eene analogische toepassing der voor zaken geschreven bepalingen bij de toepassing weinig moeite kan kosten. Ten aanzien van de beide genoemde rechten, waar de bevoegdheid van den rechthebbende zich niet, gelijk bij hypotheek, in ééne handeling oplost, waren meerdere moeielijkheden te voorzien en is daarom een andere weg gevolgd.
Art. 322.
Dat het woord «ondeelbaar» de bedoeling des wetgevers niet. geheel zuiver uitdrukt, is meermalen opgemerkt ; eene verdeeling met onderling goedvinden van alle belanghebbenden wordt door den «aard» van het recht niet verboden. Toch is de uitdrukking behouden, omdat over hare werkelijke beteekenis geen verschil van gevoelen bestaat en zij bovendien door het Ihans voorgedragen derde lid nader bepaald en verduidelijkt wordt.
Het tweede lid is ontleend aan artikel 1209 B. W. met eene kleine verbetering van redactie.
Terwijl dat lid de gevolgen der ondeelbaarheid ten aanzien der verbonden zaak regelt, scheen hel wenschelijk daaraan een nieuw lid toe te voegen, waarin de gevolgen van hetzelfde beginsel ten opzichte van de schuld worden opgegeven. Reeds nu bevatten de artikelen 1335 en vlgg. B. VV. daaromtrent de bepaling, dat, indien een van meerdere erfgenamen in het bezit is der verbonden zaak, hij zich niet op de deelbaarheid der schuld beroepen kan, maar voor het geheel op die zaak vervolgd kan worden. Doch ook buiten het aldus geregeld geval is denkbaar, dat door onderling overleg van schuldeischer en schuldenaar eene verdeeling tot stand komt zonder dat men omtrent de hypotheek bijzondere schikkingen treft. Dan zal, als er meerdere schuldeischers zijn, door elk hunner, en, als er meerdere schuldenaars zijn, ten behoeve van elk deel der oude schuld de hypotheek in haar geheel kunnen worden vervolgd.
Art. 323.
Het beginsel van specialiteit, hetwelk de Staatscommissie, die het Ontwerp van 1870 indiende, gewichtig genoeg achtte om het reeds in de definitie op te nemen, wordt hier afzonderlijk uitgesproken.
197
Het artikel spreekt van bepaalde zaken , dus van zelfstandige vermogensbestanddeelen , en sluit daardoor de mojfelijkheid uit om, terwijl men eigenaar van de zaak in haar geheel blijft, een onverdeeld aandeel daarin te verbinden. Ook § 1114 van het Duitsche Wetboek verbiedt zulk eenegedeeltelijke hypotheek ; en terecht, omdat op die wijze later moeielijkheden bij de uitwinning voorkomen worden. Is de schuld in vergelijking met de waarde van de te verbinden zaak zoo gering, dat verband op een deel daarvan voldoende zou zijn, dan zal de eigenaar later geen bezwaar ontmoeten om voorde overwaarde een geldschieter te vinden; aan eenige behoefte zou dus de bevoegdheid, die den eigenaar hier ontzegd wordt, niet voldoen. Alleen wanneer de eigenaar zelf niet meer dan een onverdeeld aandeel in de zaak bezit, en de medeëigendom dus reeds onafhankelijk van eenige hypotheek bestaat, wordt zulk een aandeel als een zelfstandig vermogensbestanddeel aangemerkt, vatbaar om hypothecair verbonden te worden. Dit is, gelijk hierboven werd herinnerd, in artikel 120 uitdrukkelijk gezegd, en de overneming van artikel 1212 B. W. te dezei plaatse was daarom overbodig.
De tweede zinsnede van genoemd artikel is daarbij niet opgenomen, omdat die in strijd is met de erkenning van de rechten des schuldeischers. Immers van eene hypotheek, door den deelhebber in een onverdeelden boedel verleend, is hier geen sprake; en ten aanzien van medeëigendom moet worden aangenomen, dat eene latere verdeeling, ook al geschiedt zij niet ter bedriegelijke verkorting van de rechten des schuldeischers (liet eenige thans uitgezonderde geval), op zijne wettig verkregen rechten geen invloed kan uitoefenen. Is dit voor de overige eigenaren lastig, die last is niet grooter dan uit de onderlinge verhouding hunner rechten noodwendig voortvloeit.
Art. 324.
Dit artikel is overgenomen uit artikel 1221 B. W. en is noodig om den omvang van den op de zaak drukkenden last onder alle belanghebbenden te doen vast staan.
Alleen zul het in zooverre voor het vervolg eene ruimere toepassing erlangen, dat het mogelijk is geacht met het oog op het hier gegeven voorschrift artikel 1229 B. W. te schrappen.
De bepaling, dat de schuldeischcr voor de renten van twee jaren en het loopende jaar in denzelfden rang geplaatst zal worden als voor zijne hoofdzaak, is vrij willekeurig, terwijl van eene bevoegdheid om ten aanzien van andere renten bijzondere inschrijvingen te nemen geene sprake kan zijn in het stelsel van dit ontwerp. Het Duitsche Wetboek § 1118 strekt het recht van den hypotheekhouder uit tot alle wettige renten zonder beperking van tijd, maar geeft daardoor aanleiding, dat het voor derden zeer moeielijk wordt om na te gaan, hoe groot de werkelijk op eenig goed drukkende last is. Beter dan al deze voorschriften, die in het eene geval billijk, in het andere onbillijk kunnen werken, is het de zaak geheel over te laten aan partijen; het voorgedragen artikel geeft hun de bevoegdheid om desverkiezende de som, waarvoor de hypotheek verleend wordt, zoo te bepalen, dat daaronder behalve de hoofdsom ook een zeker bedrag voor eventueel verschuldigde renten begrepen is.
Art. 325.
De strekking van het voorgaand artikel was het maximum te doen vaststellen, waartoe het verband zich kan uitstrekken, maar daarom behoeft de vordering zelve, lot waarborg waarvan het verleend wordt, nog niet bepaald te zijn. Uit het Burgerlijk Wetboek is hier overgenomen de toela-
198
ling van voorwaardelijke schulden en schulden van onbepaald bedrag, alleen met deze wijziging, dat, terwijl thans eene schatting van de waarde der vordering gevorderd wordt, de voorgedragen redactie zich meer aansluit aan de bepaling van het voorgaand artikel. In de practijk zullen beide wel op hetzelfde neerkomen.
Op het voetspoor der Staatscommissie van 1867 is met deze soort van hypotheek gelijk gesteld die, welke verleend wordt tot zekerheid van de vorderingen, die uit een geopend crediet, uit een toevertrouwd geldelijk beheer, of in het algemeen uit eene bepaalde rechtsbetrekking zullen kunnen voortvloeien. Bij arrest van den H. R. van 22 Dec. 1871 (Wbl. 3414) is de geldigheid van crediet-hypotheken ook naar het tegenwoordig recht aangenomen, maar toch verdient het aanbeveling allen twijfel zoowel omtrent de geldigheid als omtrent het tijdstip, van waar zij rang hebben (want ook hierover is verschil van gevoelen) door eene uitdrukkelijke wetsbepaling weg te nemen.
In al de genoemde gevallen bestaat tnsschen partijen tijdens de verleening eene verhouding, die het mogelijk en waarschijnlijk maakt, dat er eene schuld ontstaan zal, wier invordering door de hypotheek verzekerd zal worden. Verder te gaan en de mogelijkheid te openen om hypotheek te verleenen voor alle verbintenissen, die ooit uit welken hoofde ook tusschen twee personen kuunen ontslaan, scheen onnoodig, en niet wenschelijk tegenover derden, die dan in de volstrekte onmogelijkheid verkeeren om zich op de hoogte van den stand der zaken te stellen.
Het Ontwerp 1870 sprak van « gelden , welke later aan den schuldenaar zullen worden toegeteld ». De zin dezer woorden scheen, vooral na het daaraan voorafgaande omtrent een geopend crediet, niet duidelijk. In plaats daarvan wordt thans algemeen gesproken van vorderingen, die uit eene bestaande rechtsbetrekking zullen kunnen voortvloeien. Behalve de in den tekst met name genoemde gevallen kan men daarbij denken aan de gevolgen eener lastgeving of andere verhoudingen, waaruit geldelijke verplichtingen kunnen ontstaan.
Art. 320.
Dit artikel bevat eene poging om in de practijk aan een nieuw beginsel plaats te verschaffen, door de hypotheek , indien zij verleend is tot zekerheid van eene verbintenis aan order, op eenvoudige wijze verhandelbaar te maken.
De voordeelen van eene gemakkelijke verhandelbaarheid zijn velerlei. Om op een paar te wijzen, zal de geldschieter eerder genegen zijn om tot eene leening over te gaan, indien hij weet, dat hij, om zijn geld terug te krijgen, het tijdstip der betaling door den schuldenaar niet behoeft af te wachten, en evenmin de kosten en den omslag eener gewone cessie te maken. In de tweede plaats zal hij veel gemakkelijker een kooper vinden, indien de overdracht geschiedt op zoodanige wijze, dat de cessionaris (wat bij eene gewone cessie niet het geval is) zijne rechten kan uitoefenen, onafhankelijk van de persoonlijke verweringen, die tegen den endossant konden worden aangevoerd.
In Frankrijk bestond reeds vóór de revolutie de hypotheek aan order, en is deze niettegenstaande het stilzwijgen der wet in gebruik gebleven, en door de jurisprudentie als geldig erkend. In 1850 heeft men getracht haar in de wet te regelen, door eene wijziging van artikel 2126 G. N.; het daartoe strekkende ontwerp is echter ten gevolge van het aftreden der toenmalige Regeering ingetrokken en sedert niet meer ingediend.
Bij de thans voorgedragen regeling heeft bedoeld ontwerp in menig opzicht tot voorbeeld gediend. Dat de verbintenis van den aanvang af aan order moet luiden, is noodig omdat volgens artikel
199
338 het endossement geschiedt op de grosse der akte, waarbij de hypotheek verleend is. Dat de geëndosseerde een zelfstandig recht heeft, onafhankelijk van de persoonlijke excepties tegen zijne voorgangers, zou misschien reeds uit den aard der instelling kunnen worden afgeleid, evenzeer als dat een endossement na den vervaldag geen werkelijk endossement is. Daar men echter zou kunnen twijfelen, of de gewone regelen betreffende handelspapier hier van toepassing zijn, is omtrent beide punten eene bepaalde uitspraak in de wet gegeven.
Artt. 327 en 328.
Aan den meermalen gestelden eisch, dat hypothecaire vorderingen even gemakkelijk als roerende zaken van hand tot hand moeten gaan, voldoet het ontwerp niet of slechts in zeer beperkte mate. Wil men dit, dan moet men den eigenaar veroorlooven pandbrieven uit te geven, die niet als de gewone hypotheek een accessoir karakter dragen, maar eene zelfstandige vordering op het verbonden goed verschaffen, en aan toonder luidend gemakkelijk in omloop gebracht kunnen worden. Eene dergelijke regeling, waarvan hier de bijzonderheden niet behoeven te worden nagegaan , is in Frankrijk beproefd door het reeds vermelde decreet van 9 Messidor an III, en in Pruisen ingevoerd door de wet. van 5 Mei 1872. Naast de bij deze wet geregelde z.g. Grundschuld, die ook in het nieuwe Duitsche wetboek eene plaats gevonden heeft, bleef echter, de gewone hypotheek bestaan.
Het tegenwoordige ontwerp stelt de invoering van zulk eene, zooals het genoemd wordt, mobilisatie van den grond niet voor. Om de voordeden te verkrijgen, die hare voorstanders van de circulatie dezer pandbrieven verwachten, zouden wij vooreerst ten onzent een grondboek moeten hebben, maar zou bovendien de waarde van de goederen, waarop deze pandbrieven betrekking zouden hebben, moeten vaststaan. Immers bij gebreke hiervan moet hij, die den pandbrief verkrijgt, weer in het meerendeel derzelfde onderzoekingen vervallen, die nu als belemmeringen in het verkeer gevoeld en afgekeurd worden. Het decreet van Messidor schreef dan ook voor, dat aan de uitgifte der pandbrieven eene waardeering der goederen, voor welker juistheid de hypotheekbewaarder aansprakelijk zou zijn, vooraf zoude gaan. Tot hoeveel onbillijkheid en ongelegenheid eene dergelijke regeling aanleiding moest geven , zal wel geen betoog behoeven.
Een ander bezwaar tegen het uitgeven van zoodanige pandbrieven met hypothecaire werking is, dat de namen der houders onbekend zijn. Eene uitwinning, waarbij het goed vrij geleverd wordt, gelijk het belang van crediteur en eigenaar beiden vordert, is dus zoo al niet onmogelijk toch hoogst inoeielijk.
Bij al die bezwaren kan het geene verwondering baren, dat de instelling in Frankrijk slechts zeer kort heeft gegolden, en in Duitschland tegenover de gewone hypotheek slechts eene ondergeschikte plaats inneemt. Tot eene invoering ten onzent bestaat economisch te minder noodzakelijkheid, omdat in de laatste jaren de uitgifte van pandbrieven door hypotheekbanken zich zoo aanzienlijk heeft uitgebreid, en deze, wel niet alle, maar toch de meeste voordeden aanbieden, die de voorstanders van het hier besproken stelsel zich van de door den eigenaar uit te geven pandbrieven voorstellen. In gemakkelijkheid van circulatie staan beide soorten zeker gelijk; en, zoo de eerste in zoover minder zekerheid geven, dat de goederen niet direct jegens de houders verbonden zijn, daar staat tegenover, dat dan ook alle moeite van onderzoek en aansprakelijkheid voor kwade kansen door de hypotheekbank gedragen worden.
Al deze overwegingen hebben geleid tot hef in artikel 328 uitgesproken verbod, maar toch wordt
200
een stap in de hier aangegeven richting gedaan door, op het voorbeeld van nei Ontwerp van 1870, de gelegenheid te openen tot het verleenen van hypotheek ten behoeve van houders van aandeden in eene geldleening, al zijn deze aan toonder gesteld.
Reeds nu komen zulke hypotheken bij ons voor, en hare bestaanbaarheid is bij arrest van het Prov. Gerechtshof van Noord-Holland, van 4 Febr. 1858 (Wbl. 1984) aangenomen. Toch is ook dit niet zoo boven bedenking verheven, of eene uitdrukkelijke erkenning is gewenscht.
Gelijk boven werd gezegd, is liet bezwaar tegen toelating van hypotheken aan toonder voor een grool deel gelegen in de onmogelijkheid om, waar de namen der houders onbekend zijn , hunne rechten bij uitwinning behoorlijk te verzekeren. Hieraan kan te gemoet worden gekomen door (zooals ook in de aangehaalde zaak geschied was) de gezamenlijke aandeelen te stellen ten name van één of meer bepaalde personen, die de houders vertegenwoordigen.
In de Juristenvereeniging, waar de zaak in 1885 ter sprake kwam, is aangedrongen op eene volledige regeling van het hier bedoelde onderwerp. Voor zooverre deze zou betreffen de betrekking tusschen de vertegenwoordigers en de houders der aandeelen, wordt daaraan in het ontwerp niet voldaan. Vooreerst toch is dit eene zaak, die voor algeineene regeling moeilijk vatbaar is, daar hel van de omstandigheden in ieder geval kan afhangen welke waarborgen de aandeelhouders voor de wettige waarneming hunner belangen noodig hebben. Maar bovendien is zoodanige regeling voor derden onverschillig; wil men de aandeelhouders beschermen, dan zou dit bij eene herziening van het Derde Boek kunnen geschieden; met hypothecair recht heeft dit niets te maken.
Alleen in zooverre behoort de toelating van zoogenaamde trustees hier ter sprake te komen, dat tegenover derden duidelijk moet vast staan, hoever hunne bevoegdheid gaat. Het Ontwerp van 1870 is daarom aangevuld met de bepaling, dat, tenzij uit de akte anders blijkt, hunne vertegenwoordiging tegenover derden als onbeperkt geldt. Een tweede punt is geregeld in artikel 339; verdere bepalingen schijnen te dezer plaatse overbodig.
De artikelen 1214â1216 B. VV. zijn vervallen, üe bepaling van het eerste, die uit de algemeene rechtsbeginselen volgt, behoeft bij hypotheek althans niet eerder dan bij andore zakelijke rechten te worden uitgesproken. Het tweede is in anderen vorm opgenomen in artikel 371 n0. 8. En het derde is zeker overbodig. Onder welke voorwaarden de zaken der in dat artikel genoemde personen verbonden kunnen worden , is in hel Ontwerp Eerste Boek geregeld ; onnoodig is het daarheen thans te verwijzen.
Eveneens is vervallen artikel 1222 B. quot;W. In het tegenwooi'dig quot;Wetboek had het alleen beteekenis als tegenstelling van artikel 2431 G. N., waarin voor enkele gevallen het tegendeel gold. Op zichzelt bevat hel eene bepaling, die niet behoeft te worden uitgesproken.
A-FDEELING II.
Verleening en overdracht van hypotheken.
Art. 329.
Na hetgeen in de inleiding gezegd is omtrent de wenschelijkheid der afschaffing van het borde-rellenslelsel, kan de toelichting van het voorgedragen artikel in dit opzicht kort zijn. Evenals de artikelen 183, 209 en 254, bevat het enkel eene verwijzing naar de artikelen 100 en vlgg.
201
Slfichts in één punt is er verschil tusschen de hier voorgedragen regeling en die der genoemde artikelen. Van den algemeenen regel, dat de akte moet zijn opgemaakt met het uitsluitend doel om het te vestigen zakelijk recht te verleenen en geene andere overeenkomsten bevatten mag, is in zooverre afgeweken, dat daarin ook de hoofdverbintenis mag worden opgenomen. De reden hiervan is duidelijk. Tusschen de hypotheek verleening en de verbintenis, die zij bestemd is te waarborgen, bestaat een zóó nauw verband, dat de eerste niet wel zonder de laatste gedacht kan worden en het niet alleen geen nut zou hebben, maar zelfs tot ernstig ongerief zou kunnen leiden, indien de akte van hypotheek vereening zich tot verwijzing naar eene andere niet openbaar gemaakte akte bepalen moest. De duidelijkheid behoeft er niet onder te lijden, daar de akte van schuldbekentenis niet uitvoerig behoeft te zijn, en in allen gevalle het beginsel gehandhaafd blijft, dat de akte geene aan het onderwerp geheel vreemde bepalingen mag inhouden.
Omtrent de kosten der inschrijving bevat artikel 1237 B. W. een voorschrift, dat in het Ontwerp van 1870 (artikel 44) werd uitgebreid in dien zin, dat die kosten, tenzij het tegendeel bedongen is, voor rekening zouden zijn van den schuldenaar, maar desgevorderd zouden worden voorgeschoten door hem, die de inschrijving verzoekt. Zulk eene bepaling kan gemist worden, althans in het Wetboek ; de vraag, wie de kosten der overschrijving voorschiet, behoort niet alleen voor hypotheekakten , maar voor alle stukken, die in de registers worden opgenomen, te worden geregeld bij den algemeenen maatregel van bestuur, die volgens artikel 462 noodig zal zijn, terwijl eene beantwoording der vraag, hoe zij tusschen partijen verrekend zullen worden, aan haar zeiven kan worden overgelaten.
De artikelen 1217, tweede lid, 1218 en 1219 B. W. konden vervallen, omdat de daar behandelde onderwerpen bij de artikelen 463â466 algemeen voor alle in de registers over te schrijven akten geregeld zijn. Evenzoo vervalt de in artikel 1231 1° B. W. aangenomen mogelijkheid om op de goederen van een overledene te zijnen name inschrijving te nemen; alleen waar het nemen van eene inschrijving als eene zelfstandige handeling van den schuldeischer tegenover den schuldenaar beschouwd wordt, kan zulk eene bepaling noodig zijn.
Terwijl de eigenlijke toelichting van het artikel hiermede als geëindigd beschouwd kan worden, is bet nog van belang er op te wijzen, dat de toepasselijkverklaring van artikel 100 de gelegenheid verschaft, om een paar onderwerpen, die thans juridiek zoowel als practisch bezwaar opleveren, op eenvoudige wijze te regelen.
In de eerste plaats zij hierbij gewezen op den eisch, dat men, om hypotheek te vestigen, eigenaar der te verbinden zaak moet zijn; eene hypotheek op toekomstige, d. i. later te verkrijgen goederen, is nietig; artikel 1220 B. W. Of dit reeds geldt voor het oogenblik, dat. de akte verleden wordt, dan wel enkel voor dat der inschrijving, is onzeker; de meeste schrijvers nemen het eerste aan, terwijl de Hooge Raad bij arrest van 28 October 1870 (Ned. Rechtspr. dl. 96, § 15) eene beslissing in laaistgemelden zin gegeven heeft. Wat hiervan zij, de bedoeling des wetgevers is overigens duidelijk: alleen de eigenaar kan zijne zaak rechtsgeldig verbinden.
Dat hiermede een aan het hypotheekrecht bijzonder eigen beginsel wordt toegepast, blijkt niet. Wèl kan de verleening door een niet-eigenaar den waren eigenaar niet schaden en mist zij in zoover het door partijen bedoelde gevolg; maar daarom behoeft zij nog niet volkomen krachteloos te zijn; en zeker is er geen reden om hier niet dezelfde beslissing te geven als bij eigendomsoverdracht of bij do vestiging van andere zakelijke rechten.
z
202
Omtrent de hier bedoelde vraag nu bevat artikel iOO eene regeling, die ook voor hypotheken met alle eischen der billijkheid overeenkomt. Om met volkomen gevolg hypotheek te verleenen moet men eigenaar zijn op het oogenblik, dat de akte verleden wordt; verliest men den eigendom, doordien eene akte van overdracht of afstand wordt overgeschreven vóórdat de hypotheek overgeschreven wordt, dan wordt het ontstaan van deze verhinderd, omdat het tijdstip van overschrijving der onderscheidene akten ten aanzien van haar werking beslist; verkrijgt men den eigendom eerst na de verleening der hypotheek, dan is deze niet volstrekt nietig, maar werkt zij eerst van het oogenblik der verkrijging, indien de akte dan reeds overgeschreven is; anders van dat der overschrijving.
Vooral ten aanzien van hypotheken verdient deze laatste regeling aanbeveling. Meermalen toch komt het voor, dat bij don koop van eenig goed de kooper, om den prijs te betalen, geld moet opnemen en daartoe de zaak verbinden, die hem eerst later, na de betaling, geleverd wordt. Nu zijn er, om dit te kunnen doen, allerlei, niet eens volkomen zekere, hulpmiddelen in gebruik; veel beter zal hel zijn, indien de kooper, terstond bij het ontvangen van het geld, eene, om zoo te zeggen, voorloopige hypotheek verleenen kan, die later, tegelijk met de overdracht, in werking treedt.
In de tweede plaats worde opgemerkt, dat door het tweede lid van artikel 100 de noodzakelijkheid vervalt van artikel 1227 B, W. Juridiek is de bepaling van laatstgemeld artikel met den te gelijk gestelden eisch, dat men hetzij op het oogenblik der verleening ofwel op dat, wanneer de inschrijving begint te werken, eigenaar moet zijn, natuurlijk niet overeen te brengen. Maar ook al wil men aan dien eisch , gelijk het tegenwoordig ontwerp doet, minder streng vasthouden, dan nog is zij met het geheele stelsel van rangorde der inschrijvingen in strijd en kan tot groote gevaren leiden. Derden toch, wien de kooper binnen de gestelde acht dagen de zaak opnieuw wil overdragen, of aan wie hij eenig zakelijk recht verleenen wil, kunnen nooit weten of de oorspronkelijke verkooper van zijn recht gebruik zal maken; de zaak is gedurende dien tijd feitelijk aan het verkeer onttrokken. En nu moge dit in de meeste gevallen zoo erg niet zijn, beter is het de hypotheek, die de verkooper zich tot waarborg van den koopprijs bedingt, te beschouwen als een door hem voorbehouden recht, eene voorwaarde der overdracht, die, met haar overgeschreven, vanzelve met haar in werking treedt. Zoo werd de zaak oudtijds, ook in ons vaderland, opgevat; en het eenig bezwaar, dat van Regeeringswege word aangevoerd tegen het denkbeeld om deze voorstelling in het Wetboek op te nemen, was ontleend aan de bijzondere wijze van inschrijving der hypotheken; met het vervallen van deze kan ook het aangevoerd bezwaar als vervallen worden beschouwd.
Art. 330.
Bij dit artikel, hetwelk in hoofdzaak overeenstemt met het derde lid van artikel 1217 B. W., kon men zich niet bepalen tot eene enkele verwijzing naar artikel 106, daar de tegenwoordige bepaling verder gaat dan in dat artikel ten aanzien van den eigendom bepaald is en er geene reden bestond om daarin verandering te brengen. Immers de verbintenis om eene zaak te leveren wijkt in zoo ver af van die om hypotheek te verleenen , dat de eerste niet gedacht kan worden dan met betrekking tot eene bepaalde zaak, terwijl voor de laatste elke voor hypotheek vatbare zaak, indien zij slechts eene voldoende waarde vertegenwoordigt, gelijk staat. Terwijl dus in het geval van artikel 106 eene aanwijzing der zaak door den rechter ondenkbaar zou zijn, heeft zij hier niets bevreemdends.
203
Vervallen is de vermelding van den voogd en den curator, die uit kracht der wel verplicht zijn hypotheek te geven, en eveneens de bevoegdheid der getrouwde vrouw om zonder den bijstand van haren man op te treden. In het laatste geval voorziet artikel 150 Ontwerp Eerste Boek, ten aanzien van het eerste zal eene herziening van de artikelen 424 en vlgg. van dat Ontwerp moeten plaats hebben, die ten gevolge van de nu voorgestelde wijze van overschrijving toch noodig' zal zijn.
Eindelijk is het overbodig met het tweede lid van artikeH220 B. VV. uitdrukkelijk te zeggen, dat de rechter ook die goederen kan aanwijzen, welke de schuldenaar eerst na het ontstaan der verbintenis gekregen heeft. Daar het hier niet betreft de verleening eener hypotheek, maar de belofte om die later te verleenen, zou de bepaling van het eerste lid van artikel 1220 ook nu reeds, al zweeg de wet daaromtrent, niet van toepassing zijn; in het voorgedragen stelsel behoeft er zeker niets van gezegd te worden.
Art. 331.
Uit het Ontwerp van 1870 is overgenomen de gelijkstelling van het onder anderen titel in gebruik geven met verhuren, uit § 1124 van het Duitsche Wetboek het verbod om het recht op de huurpenningen aan derden af te staan. Daar de huurpenningen volgens artikel 354 na aanzegging van den voorgenomen verkoop aan den schuldeischer toebehooren, en voor zoover de afstand latere huurpenningen mocht betreffen deze op den koopprijs invloed kan uitoefenen , moet de schuldeischer in de gelegenheid worden gesteld om elke beschikking daarover te verhinderen.
Daarentegen is uit hetzelfde Wetboek niet overgenomen § 1136, de nietigverklaring van bedingen, waardoor de eigenaar zich verbindt om de zaak niet te verkoopen of verder te belasten. Door zoodanig beding niet in het artikel op te nemen is daaraan in allen gevalle zakelijke werking tegen derden ontnomen; verder te gaan en het ook als persoonlijke verbintenis van den hypotheekgever te verbieden is onnoodig.
Van de wijze en den tijd der verhuring is geene afzonderlijke melding gemaakt, omdat deze begrepen zijn onder de algemeene beperking der bevoegdheid tot verhuren; het voorbehoud van artikel 1377 B. W. is â weggelaten, omdat vanzelf spreekt, dat dit geldt, ook al is geen beding daaromtrent gemaakt.
Art. 332.
Daar de artikelen 297 en 298 W. v. K. thans niet gelden ten aanzien van derde verkrijgers, heeft men het voorbeeld der Staatscommissie van 1867 gevolgd en het beding hier opgenomen, terwijl de redactie zoo volledig is gemaakt, dat de beide genoemde artikelen kunnen worden ingetrokken. Eene nadere toelichting, ook van het laatste lid, welks bedoeling duidelijk is, scheen daarom gemist te kunnen worden.
Ernstig is de vraag overwogen, of het niet beter ware, evenals in het Fransche Ontwerp 1850 en § 1127 van het Duitsche Wetboek, den hypothecairen crediteur ook zonder beding recht op de assurantiepenningen te geven. Wat daarvan teruggehouden heeft is de tnoeielijkheid om zulk eene indeplaatsstelling der assurantiepenningen voor de verbonden zaak in bijzonderheden te regelen,
204
De §§ 1128â1130 van genoemd Wetboek behandelen reeds enkele punten, maar er zijn er meer. Hoe zal het b. v. gaan, wanneer de hypotheek strekt tot waarborg van eene der in artikel 325 genoemde schulden'? Zullen dan de assurantiepenninyen worden uitgekeerd aan den crediteur, wiens vordering nog niet liquide is, of onder administratie gesteld?
Daar komt bij, dat, indien een beding gevorderd wordt, de schuldeischei' daaraan andere bepalingen kan verbinden, die hem in staat stellen om te zorgen, dat de zaak bij eene soliede maatschappij en voor een voldoend bedrag verzekerd worde en blijve. Van zoodanige bedingen is hier geen melding gemaakt, omdat daaraan geene zakelijke werking behoeft te worden toegekend. Omgekeerd kan de scbuldeischer, indien iiij dit veiliger acht, den eigenaar ten aanzien der assurantie geheel vrij laten en zijn eigen belang verzekeren.
Art. 333.
Dat partijen vrij zijn om overigens allerlei bedingen te maken, die tusschen haar persoonlijk zullen gelden (men denke b. v. aan pandgenot of aniichrese), spreekt van zelf. De strekking der voorafgaande artikelen is, dat de daar omschreven bedingen in de registers kunnen worden overgeschreven , met dit gevolg , dat derden er beroep op kunnen doen, en men ze ook tegenover derden zal kunnen inroepen.
Onder deze derden, die beroep op de hier bedoelde bedingen kunnen doen, behoort b. v. de kooper na uitwinning, wiens bevoegdheid om in het geval van artikell 230 B. W. vernietiging der huur te vragen thans aan ernstigen twijfel onderhevig is. En onder de derden, tegen wie zij zullen gelden, denke men b. v. aan den huurder, tegen wien het beding van artikel 331 , en den derden verkryger, tegen wien het beding van artikel 332 zal kunnen worden ingeroepen.
Art. 334.
Deze bepaling, uit artikel 1223 B. W. overgenomen en ook voor pand geldend (artikel 395), is te zeer noodig ter voorkoming van misbruiken dan dat haar behoud nadere toelichting zou behoeven.
Art. 335.
De verplichting om binnen den kring van het kantoor des bewaarders domicilie te kiezen is ontleend aan artikel 1231 1° B. W. Zoowel de eigenaar als de overige schuldeischers kunnen inde noodzakelijkheid komen om den hypothecairen scbuldeischer beteekeningen te doen of wel rechtsvorderingen tegen hem in te stellen. Wenschelijk is het, dat zij in zoodanig geval weten, waar zij zich te vervoegen hebben, en de vordering kunnen brengen voor denzelfden rechter, die over de zakelijke vordering des schuldeischers te oordeelen heeft.
In ^'plaats van de thans voorgeschreven opgave in het borderel is gekomen eene onderteekende verklaring op het afschrift van den titel; opneming in den titel zelf kon niet gevorderd worden, omdat ook bij vonnis hypotheek kan worden gevestigd.
Hel artikel is aangevuld met enkele bepalingen. Door den eisch te stellen, dat het domicilie gekozen moet worden aan eene woning en dus niet bij een persoon (artikel 77 Ontwerp Eerste Boek) ,
205
â wordt beter dan thans in artikel i 238 B. W. geschiedt voorzien in het geval, dat zoodanige persoon komt Ie overlijden. Dat de keus ook voor opvolgers in de hypotheek geldt, is reeds thans wellicht rechtens ; om allen twijfel af te snijden, is het wenschelijk dit uitdrukkelijk te zeggen. En dat, indien door eenig verzuim de keus achterwege gelaten is, bij de wet zelve een domicilie wordt aangewezen, verdient de voorkeur boven eene of andere strafbepaling, zooals het nietig verklaren der geheele hypotheek zou zijn, hetgeen trouwens artikel quot;1235 B. W, ook niet doet.
Het laatste lid vervangt het tegenwoordig artikel 1238 B. W., waarin, behalve de reeds vermelde bepaling , eenige voorschriften voorkomen, wier strekking niet heel duidelijk is Vergelijkt men het met artikel 1241 B. W., dan ziet men, dat, terwijl het eerste artikel geene verandering brengt in de competentie des rechters, voor de vorderingen, in het laatste artikel bedoeld, een bijzondere rechter aangewezen wordt; volgt daaruit, dat de overige bepalingen betreffende de werking van het gekozen domicilie in het geval van artikel 1241 evenmin gelden? En wat beteekent het, dat de schuldeischers in het geval van artikel 1238 gedagvaard worden aan hun persoon of aan hun gekozen domicilie «niettegenstaande hun overlijden?» Kan dan het geding tegen zulk een overledene worden gevoerd?
Een en ander heeft er toe geleid om zoowel artikel 1238 als artikel 1241 grootendeels te doen vervallen. De gewone regelen omtrent de competentie zoowel als die omtrent het gekozen domicilie blijven gelden; alleen ééne uitbreiding is daaraan gegeven door in geval van overlijden des schuldeischers beteekeningen aan het gekozen domicilie als voldoend te beschouwen. In den regel zullen dit zijn de beteekeningen, in artikel 335 bedoeld; en in dat geval is het zeker billijk den uit-winnenden schuldeischer, die tot de overige in geene rechtsbetrekking staat, niet op te houden door een onderzoek of deze laatsten nog leven, en zoo neen wie hunne erfgenamen zijn.
Art. 336.
Dat de schuldeischer (de oorspronkelijke zoowel als de later recht verkrijgende) bevoegd moet zijn om het eens'gekozen domicilie te veranderen, spreekt vanzelf; alleen moet de verandering in de registers worden opgenomen. Nieuw is de bepaling, dat, ook als aanvankelijk geen domicilie gekozen werd en dus de wettelijke aanwijzing van het voorgaand artikel geldt, dezelfde bevoegdheid bestaat. Daarentegen is vervallen de eisch, dat de opvolgers bij authentieke akte het recht van den oorspronkelijken schuldeischer verkregen moeten hebben; door zoodanigen eisch wordt b.v. de wettelijke subrogatie uitgesloten.
Aan het Ontwerp van 1870 is voorts ontleend de reeds in artikel 2152 C. N. gestelde eisch, dat de vervanging geschieden moet bij notarieele akte. Waar overschrijving in de registers gevorderd wordt, is deze vorm blijkens artikel 464 noodig.
Art, 337.
Evenals in de artikelen 211 en 254 wordt voor de overdracht gevorderd het opmaken eener notarieele akte en overschrijving daarvan in de registers. Bij hypotheek is dit zeker wenschelijk,. zoowel omdat derden dikwijls in de noodzakelijkheid kunnen komen om beteekeningen aan den. schuldeischer te doen, als omdat de persoon van dezen van belang kan zijn voor de beantwoording der vraag, of een der gevallen, in artikel 371 opgenoemd, aanwezig is. Het Ontwerp van 1870r
206
dat op andere zakelijke rechten geene betrekking had, stelde den eisch dan ook reeds voor hypotheken (artikel 10), terwijl het Duitsche Welhoek bij de overdracht van die hypotheken, waarvan geen brief is afgegeven, inschrijving in het grondboek vordert; § 1154.
Het recht van hypotheek heeft geen zelfstandig bestaan en kan zonder de inschuld , tot welker zekerheid het verleend is, niet gedaclit worden; eene overdracht der hypotheek alleen in dien zin , dat zij voor het vervolg aati eene andere inschuld verbonden is, is dus onmogelijk. Ook thans moet dit, niettegenstaande het stilzwijgen der wet, worden aangenomen. Wel wordt in Frankrijk de mogelijkheid erkend, dat de vrouw haar recht om op de goederen des mans inschrijving te nemen aan de schuldeischers van dezen afstaat; maar dan betreft het eene wettelijke hypotheek, die vóór de inschrijving wordt overgedragen, niet de overdracht van een gevestigd recht In Duitschland geldt hetzelfde beginsel; § 1153.
Uit de bij art. 322 uitgesproken ondeelbaarheid volgt, dat de hypotheek niet anders kan worden overgedragen dan in haar geheel, ook al wordt de schuld gesplitst. Wordt een deel der schuld overgedragen, dan blijft de hypotheek uitsluitend verbonden aan het overgedragen deel, indien dit wordt bedongen; anders blijft zij bij den ouden schuldeischer ter verzekering van het door hem behouden gedeelte.
Art. 338.
Dat de overdracht eener overeenkomstig artikel 326 verleende hypotheek geschiedt door eenvoudig endossement op de grosse, is noodig om deze soort, van hypotheek zoo gemakkelijk verhandelbaar te maken als met haar karakter overeenkomstig is. De oorspronkelijke redactie van het Fransche Ontwerp van 1850 was gelijkluidend; eerst bij de tweede lezing werd de mede-onderteekening van een notaris gevorderd. Dit voorbeeld is niet gevolgd, omdat aan den eisch der authenticiteit geheel voldaan is, doordien de oorspronkelijke akte de order-clausule bevatten moet, en de medewerking van een notaris dus eene onnoodige belemmering zoude opleveren.
Overschrijving van het endossement in de registers wordt niet gevorderd, omdat ook daardoor een groot deel van de gemakkelijke verhandelbaarheid zou wegvallen. Daar bovendien een der gevolgen van het endossement is, dat de laatste houder zijne rechten uitoefent onafhankelijk van de verweringen, die de schuldenaar tegen vroegere houders had, hebben derden geen belang om de namen der opvolgende houders te kennen.
Endossement in blanco is uitgesloten om dezelfde reden, die hypotheekverleening ten behoeve van aan toonder luidende verbintenissen verbieden deed.
Art. 339.
Dit artikel bevat eene noodzakelijke aanvulling van artikel 327. Laat men hypotheek ten behoeve vamp;n houders van aandeden in eene geldleening enkel toe, indien zij ten name van een bepaald aangewezen vertegenwoordiger der houders gesteld is, dan moet het geval voorzien worden, dal de vertegenwoordiger sterft, of op andere wijze komt te ontbreken. De wijze, waarop in de vacature voorzien zal worden, behoort in de voorwaarden der geldleening geregeld te worden, maar dezelfde reden, die tot artikel 33 7 leidde, wettigt den eisch, dat de benoeming in allen gevalle blijke uit eene notarieele, in de registers omschreven akte.
207
Art. 340.
De eisch van periodieke hernieuwing der hypotheken is ontleend aan artikel 42 van het Ontwerp 1870, waai' voorgesteld werd in dit opzicht terug te keeren tot het Fransche recht, en waarbij de wenschelijkheid van den maatregel zoowel als het onvoldoende der daartegen in te brengen bezwaren ontwikkeld werden op zoo uitvoerige wijze, dat hier kan volstaan worden met eene verwijzing naar de daar uiteengezette gronden (blz. 147â152).
Zonder periodieke vernieuwing, â de ondervinding heeft dit niet alleen in ons vaderland, maar in alle landen, die het negatieve stelsel huldigen, geleerd, â is het onmogelijk de registers zoo te houden, dat zij aan liet doel, waarvoor zij zijn ingesteld, volkomen beantwoorden. Wel heeft reeds volgens de tegenwoordige wet ieder eigenaar de gelegenheid om, indien eene op zijn zaak rustende hypotheek is te niet gegaan of nietig verklaard, de doorhaling daarvan te verlangen, maar de ondervinding leert, dat van die bevoegdheid niet zoo algemeen gebruik wordt gemaakt als men verwachten zou. Wat hiervan de reden is, kan in het midden worden gelaten;âgenoeg is, dat het feit bestaat, en de rechten van derden daardoor benadeeld kunnen worden.
Het groote bezwaar tegen de periodieke vernieuwing, dit is niet te ontkennen, bestaat daarin, dat evenals velen verzuimen voor de doorhaling te zorgen en daardoor aanleiding geven tot de verwarring, waarover nu geklaagd wordt, er ook vermoedelijk personen zullen zijn, die verzuimen voor de tijdige vernieuwing te zorgen en dan de slachtoffers van hunne onoplettendheid worden. De ondervinding heeft echter geleerd, dat dit gevaar zoo groot niet is en bet in de landen, waar de periodieke vernieuwing bestaat, eene zeldzaamheid is zoo deze verzuimd wordt. De reden daarvan zal wel gedeeltelijk daarin liggen. dat het belang hier veel grooter is. Als de schuldeischer de vernieuwing verzuimt, verliest hij zijn recht; als de eigenaar niet voor doorhaling zorgt, heeft hij alleen eenigen meerderen last bij verkoop of bij het sluiten van eene nieuwe hypotheek. Tot dien tijd kan hij wachten zonder eenig nadeel van zijne nalatigheid te ondervinden.
In 1878 heeft onze wetgever eene algemeene vernieuwing der hypothecaire registers bevolen, en de vraag zon dus gedaan kunnen worden, of dit voorbeeld er niet toe moet leiden om de zaak in het wetboek ongeregeld te laten; zoo noodig kan men tot herhaling van dien maatregel overgaan. Zij is ontkennend beantwoord, omdat het beter is de te wachten moeilijkheid door eene geschikte regeling te voorkomen. Bovendien moet in zoodanig geval elke hypotheek, ook de pas ingeschrevene, vernieuwd worden, en is het gevaar van verzuim zeker niet geringer dan wanneer men van den aanvang weet, dat de overschrijving slechts een tijdelijk karakter heeft.
Nog is de vraag gesteld, of de vernieuwing ook op voorbehouden hypotheken toepasselijk moet zijn; bij verzuim komt men daar tot het vreemde gevolg, dat dezelfde akte, wat een deel van haren inhoud betreft, van kracht blijft, en voor een ander deel hare werking verliest. Deze inelegantie, die bovendien bij het inrichten van een afzonderlijk register voor hypotheken niet opvallend zou zijn, is echter niet belangrijk genoeg om daarvoor op den algemeenen regel eene uitzondering te maken.
208
AFDEEL ING III.
Hechten van den hypothecawen schuldeisoher.
Art. 341
Dat het recht op de zaak vervolgd kan worden, in welke handen zij zich bevindt, volgt wellicht reeds voldoende uit hel daaraan toegekend zakelijk karakter; in allen gevalle is het voldoende het eens (niet, zooals thans, twee malen, t. w. in de artikelen 1209 en 124-2 B. W.) te zeggen.
Eene belangrijke vraag, die hierbij ter sprake komt, wanneer de zaak zich op het oogenblik der uilwinning bevindt in handen van iemand, die niet is de schuldenaar (de «derde bezitter » van ons Wetboek), is, of deze verhaal moet hebben tegen den scliuldenaar. Zoodanig verhaal wordt thans in artikel 1252 B. W. gegeven, maar is niet behouden, omdat het niet onder alle omstandigheden evenzeer gerechtvaardigd schijnt. Betreft het eene zaak, die van den aanvang af door den eigenaar ten behoeve van eene hem vreemde schuld verbonden is, dan mag men aannemen, dat hij bij het stilzwijgen der wet zoodanige bedingen maken zal als hij nuttig en noodig acht. En is hij eerst later eigenaar geworden van eene toen reeds verbonden zaak, dan hangt alles af van den titel, krachtens wel.;en hij de zaak verkreeg en van de verhouding, waarin hij dientengevolge tot zijn auteur staat. Een algemeen recht tot verhaal, aan de wet te ontleenen , en nog wel niet tegen dien auteur doch tegen den schuldenaar, is niet gewenscht, en komt ook in het Duitsche Wetboek niet. voor.
Art. 342.
Wanneer voor ééne zelfde inschuld meerdere zaken gezamenlijk verbonden zijn (welk geval in Duitschland door het woord «Gesammthypothek» wordt aangeduid) geven de artikelen 1244â1247 B. W. thans aan den eigenaar, die niet tevens schuldenaar is, twee bevoegdheden, waarvan althans de
laatste, die in artikel 1246 geregeld is, niet ongewijzigd kon worden overgenomen. Immers, zooals
â¢
de redactie daarvan luidt, kan zij ten onrechte leiden tot de onderstelling, dat hier sprake is van een recht, dat elders in de wet op ruimer schaal is toegekend. Toch is het juist genoemd artikel, dat een bijzonder geval van subrogatie schept; artikel 1438 n0. 3 B. W., waaraan door enkele uitleggers gedacht wordt, is hier zeker niet van toepassing.
Wat hiervan echter zij, een ernstiger bezwaar, dat. niet door eene kleine uitbreiding of redactieverandering weg te nemen is, bestaat daarin, dat beide den eigenaar toegekende rechten niet kunnen worden uitgeoefend zonder eene schatting van de waarde der onderscheidene goederen, die tot lastige processen kan voeren. In het geval van artikel 1244 zou zulk een proces eene ernstige belemmering opleveren voor den schuldeischer, die tot de uitwinning wil overgaan; in dat van artikel 1246 moge dit niet te vreezen zijn, daar staat men voor de vraag, of bij de verdeeling der aansprakelijkheid het oogenblik der uitwinning of betaling in aanmerking moet komen, ot wel eenig ander, b. v. dat, waarop de schuld werd aangegaan of de eigenaar de zaak verkreeg. Ook is niet duidelijk, in welken vorm de vraag aan het oordeel des rechters moet worden onderworpen, en zou voor het geval, dat de goederen in verschillende arrondissementen gelegen zijn, een bijzondere rechter moeten worden aangewezen.
Toch is niet Ie ontkennen, dat, wanneer de eigendom der zaken aan verschillende personen behoort, de onbeperkte uitoefening van het recht des schuldeischers om de zaak te kiezen, die hij
209
zal uitwinnen, onbillijk werkt. Al behoeven de eigenaars niet levens .schuldenaars te zijn, eenigo analogie tusschen hun toestand en dien van hoofdelijke schuldenaars is er zeker; tegenover den schuldeischer is in het eene geval iedere persoon. in het andere iedere zaak voor het geheel verbonden, maar dit belet niet, dat zij onderling ieder slechls voor zijn deel de schade behooren to dragen, en eene verrekening dan ook in de artikelen 1328 en vlgg. li. W. toegelaten wordt.
Onder deze omstandigheden is de meest eenvoudige en met de belangen van allen meest overeenkomende regeling deze, dat aan den schuldeischer de verplichting wordt opgelegd om, indien de zaken aan verschillende eigenaren toebehooren, alle gelijktijdig uit te winnen. Het gevolg hiervan is, dat er eene rangregeling komt, waarbij, zoo er een overschot is, het aandeel daarin van iederen eigenaar wordt aangewezen; de onderlinge verrekening ligt hierin vanzelf opgesloten.
Met het hier bedoelde geval kan worden gelijk gesteld dit andere, dat wel de zaken aan één eigenaar behooren, maar ééne of meerdere daarvan ook aan andere schuldeischers hypothecair verbonden zijn. Indien dan niet allen uit de opbrengst ten volle kunnen voldaan worden, is de inoeie-lijkheid van berekening en de wenschelijkheid eener algemeene liquidatie geheel dezelfde. Door ook hier eene gezamenlijke uitwinning te vorderen wordt hetzelfde doel bereikt als in het eerst omschreven geval.
Alleen wanneer alle belanghebbenden in eene afzonderlijke uitwinning der enkele zaken toestemmen, kan de verplichting des schuldeischers vervallen. Misschien zou men dit ook zonder dat de wet het uitdrukkelijk zeide wel aannemen; om echter de opvatting te voorkomen, dat ons artikel dwingend recht zou bevatten, is het uitgesproken. Komt zulk eene overeenkomst tot stand, dan is het zeker niet onmogelijk , dat het geschiedt op de wijze, in de artikelen 4244 en 1246 B, W. omschreven ; partijen kunnen dan een groot deel der moeilijkheden voorkomen, welke die artikelen thans opleveren.
Omtrent het derde lid zij opgemerkt, dat. men uit het beginsel der ondeelbaarheid zou kunnen afleiden, dat, indien meerdere zaken voor ééne schuld verbonden zijn, slechts ééne uitwinning geoorloofd is. Dit zou voor den schuldeischer een reden kunnen zijn om zonder dat iemand daardoor werkelijk gehaat werd de in het vorig lid bedoelde schikking achterwege te laten. Om dat bezwaar op te heffen is aangenomen, dat, indien hij zich aanvankelijk bepaalt tot uitwinning van enkele zaken, zijn recht op de overige onverkort blijft.
Art. 343.
Bij het eerste lid wordt eene regeling gegeven, die in de beide door het. voorgaand artikel bedoelde gevallen te pas kan komen. Om de bedoeling duidelijk te maken worde gesteld, dat voor eene schuld van /' 9000â verbonden zijn twee zaken: eene zaak ter waarde van Æ8000.â onder eerste hypotheek, en eene ter waarde van f 8000.â onder tweede hypotheek, terwijl op deze laatste bovendien eene eerste hypotheek van f 4000.â is gevestigd. In zoodanig geval zal voor de gemeenschappelijke schuld van f 9000.â beschikbaar zijn op perceel A Æ 8000.â en op perceel B /' 4000.â, dus'j te zanien /'12000.â Zij wordt dan over beide perceelen omgeslagen op zoodanige wijze, dat, voor A Æ 2000.â en voor B f 1000.â overblijft, hetzij voor den eigenaar ot wel voor volgende schuldeischers.
Het tweede lid is ontleend aan artikel !264 B. VV., en hierheen overgebracht omdat de noodzakelijkheid eener verdeeling van den koopprijs bij verkoop van meerdere zaken als één geheel zich ook buiten het geval van rangschikking kan voordoen. Verhoor van deskundigen is daarbij niet voorge-
aa
210
schreven, omdat vanzelf spreekt, dat de rechter zich op die wijze kan doen voorlichten, en het niet noodig is, indien hij de berekening uit andere gegevens kan opmaken, hem in dit opzicht aan banden te leggen.
Art. 344.
Dat de eigenaar bevoegd is zijne zaak, ook al rust daarop eene hypotheek, te verdeelen, is duidelijk; de rechten van den schuldeischer kunnen daardoor nooit worden benadeeld. Maar deze laatste is tot zulk eene verdeeling-, die een ingrijpen in de bevoegdheden des eigenaars zou kunnen wezen, en dezen wel zou kunnen benadeelen, onbevoegd.
Art. 345.
Dat de zaak verkocht wordt in den toestand, waarin zij zich bevindt, volgt thans uit artikel 1211 B. W. Alle verbeteringen, ook hetgeen door aanwas of opbouw met haar vereenigd is, vallen onder het recht des schuldeischers; daarentegen komen alle verslimmeringen te zijnen nadeele. Een recht om tegen deze laatste te waken, zooals het Duitsche Wetboek in ^ 1133 geeft, kent ons recht zelfs niet.
Dat de hypotheek zich uitstrekt tot de hulpzaken, volgt thans uit artikel 1210 n0.1 js artt. 562 en 563 B. W. Uit de omstandigheid, dat deze niet langer als onroerend beschouwd worden, behoefde geene beperking van het recht des hypotheekhouders te volgen. Integendeel wordt, door enkel te verklaren, dat hij ze mede verkoopen mag, op eenvoudige wijze hetzelfde uitgesproken, wat nu langs een omweg bereikt wordt.
Met de onafgescheiden vruchten, die als bijzaken lot de verbonden zaak behooren, worden gelijk gesteld die, welke na het oogenblik, waarop de schuldeischer begint zijn recht uit te oefenen, worden afgescheiden, en die, welke reeds vóór dat tijdstip afgescheiden waren, voorzoover zij zich nog op het terrein bevinden. Het eerste zou reeds uit de woorden van n0. 1 kunnen worden afgeleid, maar is hier ten allen overvloede uitgesproken, evenals het ook voorkomt in het door artikel 22 van het Ontwerp 1870 toepasselijk verklaarde artikel 507 B, B. Het laatste is ontleend aan §§ 1120 vlgg. van het Duitsche Wetboek.
In de vierde plaats worden genoemd de bouwstoffen van de afbraak van het gebouw afkomstig r thans in artikel 563 n0. 4 B. W. vermeld; door het wegvallen van dit artikel was het noodig ze hier op te nemen, wilde men niet het recht des schuldeischers te dezen aanzien verkorten, waartoe geen reden was.
Dat het recht van den schuldeischer in de laatste gevallen moet ophouden, wanneer de vruchten of bouwstoffen van het terrein vervoerd zijn vóórdat hij zijne uitwinning aanvangt, is duidelijk; een zelfstandig recht op die zaken heeft hij niet, en alle verband met de verbonden zaak heeft alsdan opgehouden.
Overigens geldt het geheele artikel alleen voorzoover de wettig verkregen rechten van derden geëerbiedigd worden. Zoc wordt daardoor b. v. niet het recht verkort van een pachter om met den grond verbonden zaken, die hem toebehooren, terug te nemen (artikel 54) of de vruchten ten eigen bate te innen (artikel 83). Omdat, zulke aanspraken zich onder allerlei vormen kunnen voordoen,, was het verkieselijk een algemeen voorbehoud voorop te stellen.
211
Art. 346.
Dit artikel is overgenomen uit artikel 1250 B. W. en behoeft weinig toelichting. Zakelijke rechten, die bij het vestigen der hypotheek ten laste of ten bate der zaak bestaan, bepalen hare baarde; wordt de zaak daarna verkocht, dan moet de schuldeischer geen voordeel of nadeel ondervinden van de toevallige omstandigheid der vermenging.
De bepaling is dan ook niet langer beperkt tot het geval, dat de rechten zijn te niet gegaan door overgang van de zaak aan een derden bezitter, mamp;ar tot alle gevallen van vermenging uitgebreid.
Art. 347.
Dit artikel is nieuw en behandelt een onderwerp, dat bij de Duitsche schrijvers en in de Duitsche wetgevingen tot vele scherpe onderscheidingen aanleiding gegeven heeft; in het nieuwe Duitsche Wetboek komen daaromtrent echter, behalve het algemeene voorschrift van § 879, geene bijzondere bepalingen voor.
Wanneer iemand op zijn goed een zakelijk recht vestigt, verliest hij daarmede zijn recht om er over te beschikken en er andere rechten op te vestigen niet, mits daardoor het eens verleende recht geen schade lijde. Nieuwe rechten gelden dus tegenover den eigenaar, die ze verleende, en tegenover derden, die ze moeten eerbiedigen; niet tegenover hen, die een vroeger recht ten aanzien der zaak verkregen hebben. Is dit vroegere recht eene hypotheek, dan volgt uit het voorop gestelde beginsel, dat de eigenaar bevoegd blijft om zakelijke rechten te vestigen, maar daardoor de financieele belangen van den hypotheekhouder in geval van uitwinning niet kan benadeelen.
Om tot de wetenschap te komen, of die belangen schade geleden hebben, bevat het Saksisch Wetboek (§ 519) eene zeer omslachtige regeling. De zaak wordt daar verkocht met eerbiediging dei-latere zakelijke rechten; maar indien de hypotheekhouder op die wijze niet geheel voldaan wordt, heeft eene nieuwe veiling plaats zonder die rechten, om te trachten op die wijze een beteren prijs te bedingen. Daar te betwijfelen valt, of die herhaalde veilingen de kosten zullen waard zijn, wordt in het voorgedragen ontwerp eene eenvoudiger regeling beproefd. Aan den schuldeischer wordt overgelaten bij de uitwinning te beslissen , of hij met het voorgevallene genoegen wil nemen, maar aan belanghebbenden de gelegenheid gegeven om zich vooruit van zijne toestemming te verzekeren.
Maakt de schuldeischer van het hem in het tweede lid toegekende recht gebruik, dan heeft hij, wien het te niet gegane recht toekwam, en die dus door de niet-erkenning daarvan benadeeld wordt, eene aanspraak op schadevergoeding, die in het tweede lid geregeld wordt. Dat. de vordering op de opbrengst van het goed bevoorrecht is, en wel in den rang, waarin het recht verleend is, volgt uit hetgeen boven gezegd is. Tegenover den eigenaar of volgende rechthebbenden geldt het bedoelde zakelijke recht wel; die hebben geen recht op het overschot der koopsom dan na aftrek der waarde daarvan, en zouden op ongerechtvaardigde wijze bevoordeeld worden, als de belanghebbende met eene zuiver persoonlijke actie tegen den eigenaar genoegen nemen moest.
Omtrent de wijze, waarop hij zijne aanspraak zal kunnen uitoefenen, zijn geene bijzondere voorschriften gegeven; zijne vordering wordt niet beschouwd als eene zakelijke, maar als eene gewone preferente vordering tegen den eigenaar, en hij heeft dus dezelfde rechten en verplichtingen als andere schuldeischers, die zich moeten aanmelden, zoo zij in de eventueele rangschikking begrepen willen worden. Alleen zijn hem een paar voorrechten toegekend, waar zulks geschieden kon zonder den
'212
schuldeischei' in de uitoefening van zijn recht tot uitwinning te belemmeren; de omstandigheid dat hij een, zij het onvolkoinen, recht gehad heeft, dat hem thans wordt ontnomen, maakt, dat dit billijk geacht werd. Als zoodanig zij er op gewezen, dat in het geval van artikel .'Wi ook zijne toestemming voor den gedeeltelijken verkoop wordt gevorderd, en dat bij toepassing van artikel 348 ook hij tot het in der minne vaststellen der schadevergoeding medewerken moet. Omtrent de begrooting der aan hem zeiven toe te kennen vergoeding vergelijke men artikel 363.
Art. 348.
De gelijkstelling van den eigenaar, die niet tevens de schuldenaar is, met een houder te kwader trouw, voorzoover beiden aansprakelijk zijn voor alle schade, door hun opzet of hunne schuld toegebracht, is ontleend aan artikel 1251 B. W. Beiden staan in zooverre volkomen gelijk, dat zij bij al hunne beschikkingen weten, dat zij vroeger of later geroepen kunnen worden om de zaak af te geven aan een ander, tot wien zij in geenerlei rechtsbetrekking staan.
Omtrent de vergoeding, die den eigenaar voor door hem gemaakte kosten toekomt, kon artikel 1-14, waar deze zaak ten behoeve van den houder bij revindicatie geregeld is, onveranderd worden overgenomen. Alleen hoeft deze volgens artikel 115 een recht van retentie, en de vraag kan dus ontstaan, of de derde bezitter in dit geval niet op hetzelfde voorrecht aanspraak moet kunnen maken. Zij is ontkennend beantwoord. Vooreerst geeft de derde bezitter het goed niet af aan den hypotheekhouder, die de vergoeding schuldig zou wezen, maar aan den kooper, die daarmede niets temaken heelt. Bovendien zou zulk een recht hem de gelegenheid geven om allerlei moeilijkheden te maken, en het vooruitzicht daarop den koopprijs zeker drukken. Een ander recht geeft hem het Ital. Burg. Wetb., artikel 2020, volgens hetwelk hij kan vorderen, dat de waarde der door hem aangebrachte verbeteringen te zijnen behoeve op den koopprijs gekort worde. Dit is beter, maar moet, indien die waarde niet vast staat, aanleiding geven tot ingewikkelde onderzoekingen, die het recht des hypotheekhouders belemmeren kunnen. Daarom is dit voorschrift overgenomen, maar alleen voor het geval dat over het bedrag geen verschil bestaat. Komen de onderscheidene belanghebbenden daaromtrent niet tijdig lot overeenstemming, dan blijft den uitgewonnene niet anders dan eene gewone vordering over.
Art. 349.
Het recht van den derden bezitter om den verkoop door betaling te doen ophouden kwam in artikel 2173 C. N. voor in verband met het délaissement, hetwelk gezegd werd daaraan geen afbreuk te doen, en wordt in artikel 1248 B. W. bepaaldelijk toegekend.
Thans is hel recht van eiken eigenaar, hetzij hij al dan niet de schuldenaar is, om den verderen loep der veiling te stuiten door betaling, ofschoon wellicht reeds uit artikel 1418 B. \V. volgend, uitdrukkelijk uitgesproken, vooral om uit te maken hoelang dit recht duurt, en wat hij te betalen heeft om het verlangde gevolg te bereiken.
Art. 350.
Reeds werd in de inleiding gewezen op de gewichtige uitbreiding, welke dit artikel aan de rechten des schuldeischers geeft. Onafhankelijk van eenig beding zal bij de zaak mogen verkoopen
213
zonder aan de vormen der gerechtelijke executie gebonden te wezen. De redenen, die daartoe geleid hebben , zijn vroeger ontvouwd; hier behoeven alleen de bijzonderheden der regeling te worden toegelicht.
Als voorwaarde voor de uitoefening van hel recht wordt in de eerste plaats gesteld, dat de schuldenaar in gebreke zij. Artikel 1223 B. W. en artikel 19 Ontwerp 1870 bevatten denzelfden eisch, die trouwens vanzelf spreekt; maar artikel 20 van genoemd Ontwerp vorderde bovendien, in overeenstemming met wat in artikel 1201 B. W. voor pand geldt, dat de schuldenaar bij exploot moet worden in gebreke gesteld. Het tegenwoordig ontwerp kent zoodanigen eisch noch bij pand noch bij hypotheek. Waar het op aankomt is enkel, dat de schuldenaar op eenigerlei wijze in gebreke zij; misbruiken zijn niet te vreezen, omdat in allen gevalle de verkoop tijdig moet worden aangezegd aan den schuldenaar zoowel als aan den eigenaar, indien zij velschillende personen zijn, en deze dus ruimschoots gelegenheid hebben om door gebruik te maken van de in artikel 349 gegeven bevoesjd-heid den verkoop te stuiten. Dat, indien de eigenaar niet tevens de schuldenaar is, eene afzonderlijke inmorastelling van dezen laatste, zooals thans artikel 1243 B. W. vordert, onnoodig is, werd reeds bij de beraadslaging over het Wetboek betoogd; vgl. Vooruuin IV, p. 635.
Als tweede eisch wordt gesteld, dal de verbintenis, zoo zij geen geld tot voorwerp had, in eene geldschuld moet zijn overgegaan. De reden hiervan is, dat de verkoop niet anders kan geschieden dan tegen geld, en eene niet aldus uitgedrukte vordering hierop moeilijk verhaalbaar zou zijn.
Art. 351.
Omtrent de wijze, waarop de verkoop geregeld is, kan men vergelijken de artikelen 20â24 van het Ontwerp 1870, zoowel als de nieuwe artikelen 537» en volgende B. B., die in hoofdzaak tot voorbeeld hebben gediend.
Aan genoemd ontwerp is ontleend de bepaling, dat de termijn, indien voor de verkooping meer dan ééne zitting gehouden werd, gerekend wordt van de eerste zitting en niet, gelijk thans, van de toewijzing; deze wijze van berekening biedt, waar de tijd tusschen beide zittingen in verschillende gemeenten veel kan verschillen, meer waarborgen voor eene gelijkmatige toepassing. De termijn zelf is op zes weken gesteld met het oog op artikel 357. hetwelk vordert dat de veilcondilies dertig dagen ter visie zullen liggen.
Dat de aanzegging niet alleen aan den eigenaar, maar ook aan den schuldenaar, indien deze een ander is, moet geschieden, is een gevolg van het vervallen der afzonderlijke inmorastelling. Zijn zij in slaat van faillissement, dan zal de aanzegging aan den curator moeten worden gedaan ; dit volgt uit den aard zijner betrekking, en is hier niet gezegd, ook omdat zulk eene bepaling, als zij noodig wordt geacht, in de Faillissementswet thuis behoort.
Overdracht van de zaak maakt, indien daar geene andere omstandigheden bijkomen, geen herhaling van het exploot noodig; dit is aangenomen, omdat het anders voor den eigenaar gemakkelijk zou zijn de uilwinning op deze wijze te belemmeren. Voldoende is het, dat hij, die op het oogen-blik der aanzegging als eigenaar bekend is, haar ontvangt; draagt hij daarna de zaak over, dan is het zijne schuld, niet die van den schuldeischer, indien de nieuwe eigenaar niet volledig op de hoogte is.
Art. 352.
Dit artikel wijkt van artikel 21 van hel Ontwerp 1870 alleen in zoover af, dat het onder
214
n0, 5 den eisch stelt, dat ook aan den schuldenaar, en, zoo deze niet tevens eigenaar is, aan dezen laatste de plaats, waar de veilcondities ter inzage liggen, worde bekend gemaakt. Waar het opmaken van deze geheel aan den schuldeischer verblijft, maar hij tot schadevergoeding verplicht is, indien hij de belangen van genoemde personen noodeloos benadeelt, schenen deze minstens evenveel recht op zoodanige kennisgeving te hebben, als de medeschuldeischers, te wier behoeve artikel 64 Ontwerp quot;1870 haar vordert.
Artt 353 en 354.
In plaats van, gelijk artikel 22 van het Ontwerp 1870 deed, den schuldeischer de bevoegdheid te geven om zijn exploot te doen inschrijven, waarna de artikelen 505 â 507 B. R. toepasselijk werden, is het verkieselijk geoordeeld geene overschrijving in de registers te eischen, en eene afzonderlijke, hoewel aan die artikelen zich aansluitende regeling voor te stellen. Immers niet alle bepalingen zijn hier, waar de zaak buiten den rechter omgaat, voor toepassing vatbaar, en die, welke het wel zijn, betreffen enkel de verhouding tusschen den schuldeischer en den eigenaar, voor wien eene openbaarmaking zeker niet noodig is.
Artikel 353 is op deze wijze ontleend aan artikel 506 B. R., terwijl artikel 354 beantwoordt aan het slot van artikel 507 B. B.; de aanvang van laatstgenoemd artikel behoefde niet te worden overgenomen, omdat het recht op de vruchten in artikel 345 nquot;. 3 geregeld is.
Artikel 505 B. R. is niet opgenomen. Eene vervreemding of verleening van tweede hypotheek zou wel den concurrenten schuldeischer , die beslag gelegd heeft, maar nooit den hypothecairen kunnen benadeelen, terwijl eene verhuring, althans indien van den kant van beide partijen kwade trouw aanwezig mocht zijn, door artikel 4377 B. W. getroffen zou kunnen worden.
Art. 355.
Dit artikel is ontleend aan artikel 23 van het Ontwerp 4870, aangevuld uit artikel 64 van hetzelfde Ontwerp; de termijn is op zes weken gebracht, om dezelfde reden, waarom dit in artikel 354 gedaan is.
Art. 356.
Dat niet alleen de eerste hypotheekhouder, maar ook de volgende, het recht hebben om, wanneer de schuldenaar te hunnen aanzien in gebreke is, de zaak uit te winnen, is een noodzakelijk gevolg van het hun toekomend hypotheekrecht; het verschil tusschen hen bestaat ook thans alleen hierin, dat, terwijl de eerste, mits hij het heeling van artikel 4223 B. W. gemaakt heeft, op eenvoudige wijze verkoopt, de overige den weg der gerechtelijke executie volgen moeten. Daar in het tegenwoordig ontwerp deze laatste wijze van uitwinnen verworpen wordt als minder waarborgen opleverend dan de eerste, moest aan alle hypothecaire schuldeischers, ook de latere , de eenvoudige wijze van verkoop worden toegestaan.
Toch is er eenig onderscheid overgebleven , niet zoozeer omdat anders de afwijking van het tegenwoordig recht te groot zou zijn, als omdat de billijkheid voor eene enkele bevoorrechting van den eersten hypotheekhouder pleit. Toen hij zijn recht verkreeg, had hij reden om er op te rekenen,
215
dat een eventueele verkoop zou plaats hebben op de wijze, die het meest met zijne belangen strookte; en nu mag een ander hem niet van dat vooruitzicht berooven. Bij samerispanning tusschen den tweeden hypotheekhouder en den eigenaar zouden zijne rechten ernstig schade kunnen lijden. Daarom wordt voorgesteld, dat hij gedurende veertien dagen bevoegd zal zijn om de uitwinning over te nemen, en die onder zijne leiding ten einde te brengen.
Art. 357.
Waarom de tegenwoordigheid van den kantonrechter vervallen moet, blijkt uit de Memorie van Toelichting tot het Ontwerp 1870, p. 157.
Ten aanzien van de keuze der gemeente, waar de verkooping geschieden zal, is een middenweg gevolgd tusschen algeheele vrijheid voor den schuldeischer en het voorschrift, dat zij moet geschieden in de gemeente, waar het goed gelegen is. Is er kans, dat in de hoofdplaats van het arrondissement of eene andere nabij gelegen plaats een betereprijs te bedingen is, dan behoeft de mogelijkheid daarvan niet te worden afgesneden.
Omtrent de bij de verkooping in acht te nemen formaliteiten heeft men zich zooveel mogelijk aangesloten bij de regeling, die het nieuwe artikel 537a. B. B. bevat. Daarentegen komt in artikel 537g. ten aanzien der veilcondities eene bepaling voor, die niet overgenomen kon worden. Volgens dat artikel wordt bij gerechtelijke executie de mogelijkheid van geschillen daarover, die tot eene rechterlijke beslissing kunnen leiden , ondersteld. Dit scheen hier , waar de verkoop in alle andere opzichten buiten den rechter omgaat, niet wenschelijk , om het tijdverlies en de kosten, die zulk een geschil zou kunnen veroorzaken. Er schoot dus niets anders over dan de veilcondities door den schuldeischer te doen vaststellen, maar hem de verplichting op te leggen daarbij als een goed huisvader te werk te gaan en alles te vermijden, wat de belangen van den eigenaar, de overige schuld-eischers en den schuldenaar noodeloos krenken kan. De toestand blijft dan dezelfde als thans, nu hij als lasthebber rekenplichtig is, terwijl men mag aannemen, dat de vrees voor eene mogelijke schadevergoeding er toe leiden zal om feitelijk de veilcondities in onderling overleg te doen opmaken.
Dat de schuldeischer zelf mede mag bieden, is bepaald in overeenstemming met hetgeen ten aanzien van den pandhouder voorkomt in artikel 398; en dat hij bevoegd is de zaak op te houden , is ter voorkoming van twijfel overgenomen uit artikel 26 van het Ontwerp 1870; beide rechten worden ook nu reeds, bij het stilzwijgen der wet, in de jurisprudentie aangenomen. Omtrent de verrekening der kosten bij ophouden vergelijke men artikel 360.
Art. 358.
Eene bepaling als de hier voorgedragene is noodig om, waar den schuldeischer groote vrijheid gelaten is, de rechten van den eigenaar en de overige belanghebbenden zooveel mogelijk te beschermen. Daarbij moet duidelijk vast staan welke formaliteiten op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven; de niet-inachineming der overige geven, zoo daartoe gronden zijn, recht om schadevergoeding te vorderen.
Art. 359.
De vraag, wat met den koopprijs geschieden moet, indien de uitgewonnen eigenaar tevens schuldenaar is (want anders geldt artikel 1249 B. W.) en artikel 510 B. B. niet toepasselijk
216
is, geefl thans zoowel bij de schrijvers ais in de jurisprudentie aanleiding tot verschil van gevoelen. De voorgedragen regeling is ontleend aan artikel 25 van hel Ontwerp 1870. Volgens dit artikel wordt liet geld, indien er geene termen zijn om tot gerechtelijke rangschikking over te gaan, ter hand gesteld aan den schuldeischer, die daarvan afhoudt hetgeen hem toekomt en het overschot in elk geval uitkeert aan den eigenaar. Verkeert deze in staat van faillissement, dan is artikel 59 der Faillissementswet van toepassing, zonder dat het noodig is daaromtrent hier eenig voorbehoud te maken.
Zij, die weigeren eene dergelijke oplossing voor ons tegenwoordig recht aan te nemen, wijzen op liet gevaar voor den kooper, indien er geen grond is om zuivering te vragen en er meerdere hypotheken bestaan, die aldus van kracht blijven. Daar dit. geval geregeld is in de artikelen 361 en vlgg., vervalt in het voorgedragen stelsel deze moeilijkheid.
Art. 360.
Dat de schuldeischer na den geheelen afloop der uitwinning rekenplichtig is, is een eisch van billijkheid, die thans uit zijne betrekking van lasthebber volgt. Nu deze voorstelling vervallen is, bestond te minder bezwaar om het voorbeeld van het Ontwerp 1870 (artikel 27) te volgen, en de verplichting niet alleen ten behoeve van den schuldenaar , maar ook ten behoeve van den eigenaar, zoo beiden verschillende personen zijn, uit te spreken. Heeft de schuldeischer de zaak opgehouden, dan heeft men hein geen verhaal voor de kosten op den schuldenaar, gelijk het Ontwerp 1870 kende, gegeven. Wat hij deed, was om de eene of andere reden in zijn eigen belang. Alleen indien later de zaak verkocht wordt voor eene som hooger dan die, waarvoor zij opgehouden is, en de eigenaar dus een bepaald in geld uit te drukken voordeel trekt, scheen het billijk hem dit niet te laten genieten dan na aftrek van de kosten, waardoor het verkregen is.
De bijzondere bepalingen , in het tweede en derde lid van genoemd artikel 27 Ontwerp 1870 voorkomende, betreffende het van rechtswege loopen der renten en de invorderbaarheid van het saldo bij lijfsdwang, zijn niet overgenomen. Noch de schuldeischer, noch de eigenaar behooren onder de personen, die op eene bijzondere bescherming aanspraak kunnen maken, zooals zij, waarvan in artikel 471 B. W. en artikel 585 n°. 9 B. B. sprake is.
Art. 361.
Het recht om rangschikking te vragen tot verdeeling van den koopprijs komt in ons tegenwoordig Wetboek voor als onderdeel van de bevoegdheid des koopers om in bepaalde gevallen zuivering te verlangen en bestaat dus alleen dan als op de zaak hypotheken blijken te rusten, die het bedrag van den koopprijs te boven gaan. Het ontwerp opent den weg tot eene rangschikking, zoodra op de zaak meer dan ééne hypotheek gevestigd is, onverschillig of zij te zamen den koopprijs al of niet te hoven gaan. Zijn er meerdere belanghebbenden, dan moet altijd de tusschenkomst des rechters tot aanwijzing van de rechthebbenden en van het deel, dat ieder hunner toekomt, kunnen worden ingeroepen.
Het recht om de rangschikking te vragen wordt dus gegeven aan alle belanghebbenden. Als zoodanig komen mede in aanmerking de onderscheidene hypothecaire schuldeischers, die aldus geraken tot uitbetaling van hun aandeel in de opbrengst, en de eigenaar, die, indien er een batig slot is, op dezelfde wijze vaststelling daarvan verkrijgt.
217
Met het in de eerste plaats bedoelde geval, dat er meer dan ééne hypotheek op de zaak rust, wordt gelijk gesteld een ander, t. w. dat meerdere gezamenlijk verbonden, maar aan verschillende personen behoorende zaken gelijktijdig uitgewonnen zijn. Uit artikel 342/3 volgt, dat tusschen die eigenaars, al is er slechts ééne hypothecaire schuld, eene verrekening kan noodig zijn, die alleen door het opmaken eener gezamenlijke rangschikking tot een goed einde te brengen is.
Art. 362.
Dat de rangschikking , behoudens de bijzondere voorschriften der volgende artikelen, plaats heeft overeenkomstig de gewone regelen, is ook in artikel 1256 B. W. bepaald; en dat, zoolang zij niet is vastgesteld, de kooper het geld onder zich houdt, is zeker reeds nu de bedoeling des wetgevers.
Het Ontwerp 1870 schreef in artikel 25 voor, dat de kooper, in geval hij rangschikking vorderde, aan den schuldeischer den koopprijs voldoen zou tot hel beloop van hetgeen deze krachtens zijn titel van den schuldenaar te vorderen heeft, met de kosten en andere schulden, die, boven de vordering van den verkooper bevoorrecht, door dezen betaald zijn Dit is niet overgenomen, omdat, al moge het voor den schuldeischer hard zijn te moeten wachten tot na de rangregeling, dit nog beter is dan den kooper de beslissing met de daaraan verbonden verantwoordelijkheid te laten omtrent het bedrag van hetgeen de ander uit verschillenden hoofde te vorderen heeft.
Wellicht is het niet overbodig ten slotte op te merken, dat eene rangschikking naar de bedoeling van het ontwerp eerst dan te pas zal komen, wanneer partijen omtrent de verdeeling tot geene overeenstemming geraken. Zijn allen het eens, dan kan deze met onderling goedvinden geschieden, en zal de kooper door de in artikel 376 bedoelde akte van erkenning den vrijen eigendom kunnen verkrijgen.
Art. 363.
Het artikel, in hoofdzaak ontleend aan artikel 1258 B. W., is aangevuld door een voorschrift omtrent de berekening der schadevergoeding in het geval van artikel 347. Daar de verleening der in dat artikel bedoelde rechten niet altijd tegen eene uitbetaling in geld behoeft geschied te zijn, en zelfs al is dit het geval deze uitbetaling niet altijd de werkelijke waarde behoeft te vertegenwoordigen, is als grondslag aangenomen de waaide ten tijde der toewijzing, ten tijde dus, wanneer de handeling, waardoor de schade ontstaan is, haar beslag krijgt.
Art. 364.
Dat hef hier bedoelde brengen op de rangschikking slechts een voorloopig karakter draagt, volgt uit artikel 368; beide artikelen stemmen, behoudens enkele vereenvoudigingen van redactie, overeen met de artikelen 1259, 1262 en 1263 B. W.
Art. 365.
Dat de kooper aan den uitwinnenden schuldeischer en aan de overige, wier vorderingen opeischbaar zijn, het hun toekomend bedrag betaalt, waardoor zijne zaak in zooverre bevrijd wordt, en den
bb
218
koopprijs onder zich houdt tot het bedrag, waarvoor zij bezwaard blijft, moge thans niet uitdrukkelijk gezegd zijn, het volgt uit het geheel der voor dit geval geldende bepalingen.
Omtrent hetgeen hij verder te doen heeft ten aanzien van de hypotheken, die in stand blijven, geeft het voorgedragen artikel eene regeling, die samenvat hetgeen in de artikelen 1257 (voor de gewone vorderingen) en 1260 B. W. (voor de voorwaardelijke on onbepaalde vorderingen) gezegd wordt. Slechts in zooverre wordt eene wijziging voorgesteld, dat vervallen is het tweede lid van eerstgenoemd artikel, volgens hetwelk de schuldeischer, wiens vordering voor een gedeelte batig gerangschikt is, dadelijk betaling kan vragen, ook al is de inschuld nog niet opvorderbaar. Voor eene dergelijke bevoordeeling bestaat te minder aanleiding, omdat, bij het veileenen van hypotheek pleegt bedongen te worden , dat reeds bij gedeeltelijk verzuim de geheele schuld opvorderbaar wordt. In de berekening dei' rente is eene kleine verandering gebracht, omdat er voor den schuldeischer in de omstandigheid, dat de zaak moest worden uitgewonnen, geen reden kan gelegen zijn om meer dan de bedongen rente te ontvangen.
Art. 366.
De bepaling van artikel 1261 B. W. is in zooverie vereenvoudigd, dat evenals in artikel 289 alleen belegging in eene inschrijving op een der Grootboeken van de Nationale Schuld is voorgeschreven; zoodra de noodzakelijkheid der belegging vervallen is, kan de inschrijving worden te gelde gemaakt. Voorts is aan den «bekwamen persoon, met de ontvangst der kooppenningen en de belegging der gelden belast», de naam gegeven van «bewindvoerder», om de voorschriften van Titel XII op hem toepasselijk te maken.
Art. 367.
üoor de hier bedoelde beschikking wordt, in verband met artikel 371 n0. 5, hetzelfde bereikt, wat in artikel 1257 B. W. aldus wordt uitgedrukt, dat de doorhaling bevolen wordt der niet batig gerangschikte inschrijvingen. De hypotheek heeft door de uitwinning hare volle werking gehad; zij vervalt ten opzichte van alle vorderingen. die de koopsom overtreffen, en blijft voor de overige alleen in zoover bestaan, als noodig is om den schuldeischer betaling te verschaffen.
Art. 368.
Gelijk reeds werd opgemerkt, woidt hier samengevat wat thans in de artikelen 1262 en 1263 B. W. voorkomt; de aanteekening in de registers betreffende het behouden blijven van het recht der schuld-eischers volgt uit hel verband van het tweede lid met de artikelen 367, 371 5° en 378.
Art. 369.
Volgens artikel 100 wordt eigendom verkregen door overschrijving eener akte, waarbij de eigenaar zijn wil om den eigendom te doen overgaan verklaart. Hier moet eene gelijkluidende verklaring door den uitwinnenden schuldeischer afgelegd worden. Voorzoover er iets vreemds in gelegen mocht zijn, dat hij aldus meer overdraagt dan hij zelf ooit gehad heeft, ligt in de hem hier opgelegde verplichting tevens zijne bevoegdheid daartoe opgesloten.
219
Dat de overschrijving der akte den kooper geene andere rechten geeft dan ilie, welke de uitgewonnen bezitter had, is niet uit artikel 535 B. R. overgenomen. De vermelding toch, dat de koop hij uilwinning geene oorspronkelijke wijze van eigendomsverkrijging oplevert, moge, waar het eene verkooping op openhaar gezag geldt, nuttig zijn om misverstand te voorkomen, bij de verkooping, waarvan hier sprake is, kan zij als geheel oveihodig worden aangemerkt.
Daarentegen was wel nooiiig eene bepaling, die voor den kooper alle aanspraak op vrijwaring buitensluit. Tegen den uitwinnenden schuldeischer komt zij evenmin te pas als in het geval van eene gerechtelijke executie; en tegen hem, die de hypotheek verleende, kan zij niet langer, zooals thans door de jurisprudentie geschiedt, worden toegelaten, omdat bij het vervallen der onherroepelijke volmacht de grond ontbreekt, waarom hij als verkooper zou kunnen worden behandeld.
Arl. 370
Dat de kooper den vroegeren bezitter op eenvoudige wijze tot ontruiming moet kunnen noodzaken, is een noodzakelijk gevolg van den executorialen aard der verkooping. De reden, die tot artikel 5'29 B. R. aanleiding gaf, geldt ook hier. Het in 1870 voorgedragen artikel 26 al. 2 is dus behouden met de enkele wijziging, dat de ontruiming niet reeds krachtens het proces-verbaal van verkoop kan gevorderd worden; eerst door overschrijving van de akte van overdracht wordt de kooper eigenaar.
Is het goed verhuurd of verpacht , dan spreekt vanzelt, dat de onlruiming wordt uitgesteld totdat het recht van den huurder of pachter is afgeloopen.
Afdeeling IV.
Te niet gaan en nietigverklaring der hypotheken Artt. 371 en 372.
Evenals in de artikelen 187, 188, 212, 213, 281, 282, worden hier zoo volledig mogelijk de gevallen opgenoemd, waaarin het zakelijk recht, eindigt.
Omtrent die, welke onder de nummers 2 en 3 voorkomen , bevatten de volgende artikelen nadere voorschriften. Omtrent n0. 4 zij opgemerkt, dat in de daar bedoelde gevallen niet de verkooping, maar eerst de betaling de hypotheek vervallen doet; dit is ook nu rechtens. In artikel 1257 B. quot;VV. wordt het uitdrukkelijk gezegd; in de overige gevallen volgt het uit den regel, dat de hypotheek eerst tegelijk met de hoofdverbintenis te niet gaat. Duidelijker is het echter, evenals ook in § 1181 van het Duitsche Wetboek geschiedt, voor alle gevallen van uitwinning het oogenblik aan te geven, wanneer de hypotheek ophoudt van kracht le zijn.
De overige gevallen zijn elders behandeld en vereischen hier geene verdere toelichting. Alleen kan nog ten aanzien van n0. 8 worden herinnerd, dat deze bepaling in de plaats treedt van artikel 1215 B. W.
Verjaring komt onder de redenen van te niet gaan der hypotheken niet voor, evenmin als in het Ontwerp '1870. Gaat de hoofdverbintenis op die wijze te niet, dan vervalt de hypotheek
220
vanzelf, terwijl eene afzonderlijke verjaring dezer laatste reeds daarom uitgesloten wordt, omdat, zoolang de schuldeischer met in gebreke is, van eene uitoelening der rechten van den hypotheekhouder geen sprake kan zijn. Op dezen zelfden grond zijn dan ook in artikel 90 bij de regeling der zoogenaamde usucapio libertatis de hypotheken uitgesloten.
Artt. 373â374.
Wat den vorm betreft van den afstand, is hetzelfde aangenomen als ten aanzien der overige zakelijke rechten. Omtrent zijne werking zijn geene bijzondere bepalingen gemaakt; bij zal dus alleen dan geheel ten voordeele des eigenaars komen, indien er geene latere hypotheken zijn; anders klimmen deze in rang op. In beginsel staan alle hypotheken gelijk: elke van haar geeft het recht om de inschuld, tot zekerheid waarvan zij verleend is, bij voorrang op de zaak te verhalen. Zoo dit niet altijd met het gewenschte gevolg geschiedt, is het te wijten aan de omstandigheid dat of de zaak minder opbrengt, óf wel andere scbuldeischers een gelijk recht, maar in hoogeren rang, hebben. Valt zulk een schuldeischer weg, dan treedt het recht van zijn opvolger in volle werking; afstand moet dus, evenals elke andere wijze van te niet gaan der hypotheek, in de eerste plaats ten goede komen aan hen, die, door het bestaan van het oudere recht, in de uitoefening van hun eigen recht belemmerd werden.
Volgens het Duitsch'e Wetboek § H68 wordt de hypotheek, indien de schuldeischer er afstand van doet, verkregen door den eigenaar. Zulk eene hypotheek op eigen goed, waarvan ook § 1163 een voorbeeld bevat, is bij ons tot nu toe onbekend. Met het beginsel, dat elke hypotheek strekt tot verzekering van eene bepaalde inschuld, en zonder deze geen zelfstandig bestaan heeft, schijnt zij niet wel overeen te brengen. In de practijk zal de zaak overigens vrij wel op hetzelfde neerkomen, daar de wet alleen een vermoeden kan uitspreken omtrent de bedoeling van hem, die den afstand doet. Is deze eene andere, dan zal hij verstandig doen met zijne rechten niet onbepaald af te staan, maar óf (in Duitschland) ten voordeele der opvolgende schuldeischers, ól (ten onzent) ten voordeele van den eigenaar de noodige schikkingen te treffen.
Een voorschrift als dat van artikel 374 wordt door de billijkheid gevorderd. Artikel 342 legt tusschen de eigenaars van meerdere voor ééne zelfde inschuld verbonden zaken een band, die in geval van uitwinning tot onderlinge verrekening der schade leidt; wordt nu één hunner door afstand van den schuldeischer ontslagen, dan zou de last der overigen naar evenredigheid worden verzwaard. Om dit te voorkomen, is bepaald, dat. in zoodanig geval alle belanghebbenden in den afstand moeten toestemmen.
Art. 375.
Wanneer eene dergelijke bepaling niet in de wet werd opgenomen, zou dit lot groote onbillijkheid aanleiding kunnen geven; het gevolg van eene vermenging van den eigendom en de hypotheek zou dan zijn, dat de opvolgende hypotheekhouder, voor wien deze vermenging, zoolang de schuld zelve bestaan blijft, eene geheel onverschillige zaak behoorde te zijn, een hoogeren rang verkreeg , terwijl de schuldeischer door zijne verkrijging van den eigendom misschien geldelijke schade leed. Om deze reden wordt het artikel, welks inhoud reeds in artikel 62 van het Ontwerp 1870
221
voorkwam, te dezer plaatse opgenomen. De Duitsche wetgever achtte evenzeer eene voorziening noodig, en doet in zoodanig geval de hypotheek overgaan in eene Grundschuld; § 1177.
Artt. 376â378,
Deze artikelen bevatten eene regeling van hetgeen thans « doorhaling » genoemd wordt, en wijken, wat den inhoud aangaat, weinig af van de artikelen 1239 en 1240 B. W. Reeds werd in de inleiding gezegd, waarom deze handeling haar tegenwoordig karakter behouden heeft, en ook in het vervolg de overschrijving niet vernietigt. Zij is en blijft eene eenvoudige bekendmaking, die aan belanghebbenden de gelegenheid moet verschaffen om na eigen onderzoek de vraag te beantwoorden, of de hypotheek op een der in artikel 371 genoemde wijzen te niet gegaan is.
De thans gebruikelijke naam is vervallen, omdat deze te veel doet denken aan een zelfstandig optreden van den hypotheekbewaarder. Daarenboven komen aanteekeningen als de hier bedoelde ook buiten het geval van doorhaling eener hypothecaire inschrijving voor (artikel 469). Om wel te doen uitkomen, dat de aanteekening overal hetzelfde karakter heeft, is voor alle gevallen dezelfde uitdrukking gekozen.
Alleen in zoover is het bestaande recht aangevuld, dat ook indien de inschuld gedeeltelijk is te niet gegaan aanteekening daarvan in de registers gevorderd kan worden. Deze bepaling is ontleend aan artikel 40 van het Ontwerp 1870, waar zij werd aanbevolen zoowel in het belang van den schuldenaar als ter voorkoming van verkorting der rechten van andere schuldeischers, indien de onderhandsche kwitantie, bij gedeeltelijke aflossing gegeven, later ingetrokken wordt.
ELFDE TITEL.
Van pandrecht.
Kon in de inleiding tot den vorigen Titel op een drietal punten gewezen worden, ten opzichte waarvan in het ontwerp een andere dan de tot dusver gebruikte weg werd gevolgd, met betrekking tot het pandrecht behelst het ontwerp geene ingrijpende wijzigingen en sluit de voorgestelde regeling zich aan bij het geldende recht, zooals dit bij de wet van 8 Juli 1874 (Stbl nu. 95) werd herzien. De beide groote veranderingen , die onder algemeene goedkeuring en in overeenstemming met de besluiten van de .luristenvereeniging in 1873 toen werden ingevoerd; de afschaffing nl. van de schriftelijke akte van eene zekere dagteekening voorzien en de invoering van het wettelijk verkooprecht zijn proefhoudend gebleken en in het ontwerpj overgenomen. De voornaamste taak van dit laatste bestond dientengevolge in aanvulling en verduidelijking van de onderdeelen.
Intusschen heeft men gemeend vooral ééne zaak meer op den voorgrond te moeten stellen, n.1. de regeling van de pandovereenkomst, de vaststelling van de wederzijdsche rechten en verplichtingen tusschen pandgever en pandnemer.
Artikel 1197 B. W. maakt melding van zoodanige pandovereenkomst, doch de bestaande wet
222
laat zich verder niet uit over de vraag hoe die overeenkomst wordt gesloten en welke hare gevolgen zijn.
Men mag aannemen, dat de pandgever in den regel tevens de schuldenaar zal zijn. en het geldende recht gaat in sommige zijner bepalingen ook van deze veronderstelling uit (zie artikel 1203 B. W. tweede lid), doch dit neemt niet weg, dat de overeenkomende partijen in het pand-contract zijn hij, die het pand afstaat en hij, die het als zoodanig ontvangt, en dat daaruit weder-zijdsche rechten en verplichtingen voortvloeien. Het recht tot terugvordering van het pand na afbetaling van de schuld, het recht op vergoeding van de schade aan het pand toegebracht in geval van misbruik, op uil keering van hetgeen het pand meer heeft opgebracht dan de schuld bedroeg, en op vergoeding van op de zaak gemaakte kosten worden hier beschouwd ais uitvloeisels van het pandcontract en dus toekomende aan den pandgever ol aan den pandnemer, m. a. w. aan de partijen in dat contract. Het is daarbij onverschillig of de pandgever tevens eigenaar is der zaak of niet; de eigenaar als zoodanig staat buiten de rechtsbetrekking en heeft ten hoogste een recht tot revindicatie. Deze opvatting en regeling van het onderwerp, die in het Romeinsche en ook in het moderne recht is aangenomen, verdient de voorkeur boven het stelsel, dat de genoemde rechten en verplichtingen zouden te beschouwen zijn als bestanddeelen van een Legalschuldverhaltniss, krachtens de wet bestaande tusschen pandhouder en eigenaar. Dit stelsel, bij de eerste lezing van het Duitsche Ontwerp aangenomen (zie o. a. § i 156 aldaar en de Motive op het Duitsche Ontwerp dl. III, p. 810 en vlgg.), is dan ook, blijkens de §§ 1215 en 1217 van het Duitsche Wetboek, later teruggenomen.
Evenals in den Titel van Vruchtgebruik is bij het Pandrecht eene scheiding gemaakt tusschen hef pandrecht op (lichamelijke) zaken en dat op rechten. In het Burgerlijk Wetboek bestaat deze scheiding niel , en het mag wel gedeeltelijk daaraan worden toegeschreven, dat de regeling van laatstgenoemd pandrecht zeer onvolledig is geschied. Door daaraan eene afzonderlijke afdeeling te wijden â werd de gelegenheid geopend om ook hieromtrent meer in bijzonderheden te treden en recht te laten wedervaren aan de gevolgen, die zoodanig pandrecht uit zijn aard medebrengt.
Afdeèling I.
Pandrecht op zaken.
Art. 379.
De omschrijving van pandrecht sluit zich aan die van hypotheek aan. Wat evenwel eerstgenoemde omschrijving van de laatste onderscheidt is de bijvoeging, dat de schuldeischer het recht heeft de zaak â zelf of door middel van een derde â onder zich te houden. Deze eigenaardigheid van het pandrecht mocht in de omschrijving niet ontbreken.
Artikel 1196 B. W. spreekt van eene terhandstelling der zaak door den schuldenaar «of door een ander in deszelfs naam». Laatstgenoemde woorden, die op verschillende wijzen kunnen worden uitgelegd, doch in ieder geval betrekking hebben op het in pand geven door een ander dan door den schuldenaar, konden vermeden worden, nu de pandovereenkomst in artikel 385 op zichzelve is behandeld.
223
Van de kosten van uitwinning en van die, welke na de inpandgeving tot behoud van de zaak gemaakt zijn, wordt geene bijzondere melding gemaakt. Dat eerstgenoemde vóórgaan hoven pand, volgt uit artikel 1185 1°. B. W., en laatstgenoemde worden, voorzoover zij door den pandhouder betaald zijn, vermeld in artikel 4-04. Of deze schulden in het algemeen, en dus ook ten behoeve van derden, boven pand bevoorrecht moeten blijven, kan bij de behandeling van den Titel betreffende bevoorrechte schulden ter sprake komen.
Art. 380.
Dat alle roerende zaken voorwerp van pandrecht kunnen zijn, geeft artikel 1190 B. W. in de definitie te kennen. Ten aanzien van pandrecht op papier aan toonder en aan order gelden volgens het ontwerp dezelfde regelen als voor het pandrecht op roerende (lichamelijke) zaken ; welke regelen het bestaande recht daaromtrent in acht genomen wenscht te zien , is moeiel ijk te zeggen. Inde artikelen 1198, 1198bis en 1199 B. W., waar de vorm der verpanding geregeld wordt, stelt de wet., wat dit punt betreft, het papier aan toonder gelijk met lichamelijke zaken, geeft het aan het papier aan order eene afzonderlijke plaats, en scheidt het beide scherp van de onlichamelijke roerende zaken. Maar dit alles werpt nog geen voldoend licht over de vraag, wat de wetgever zich in de bedoelde papieren als verpand dacht, het papier zelf dan wel de uit het papier voortvloeiende, den rechtmatiger! houder daarvan toekomende, rechten. Het Duitsche Wetboek behandelt beide gevallen in de afdeeling over het pandrecht op rechten, terwijl in de Motive op § 1226 van het Ontwerp (eerste lezing) uitdrukkelijk verklaard wordt, dat het pandrecht op papier aan toonder « für den Entwurf principiell ein Pfandrecht an Rechten» blijft. Tegen dergelijke beschouwing komt het voorgedragen artikel op. Het wil als voorwerp der verpanding het papier, dus eene (lichamelijke) zaak, aangemerkt hebben. De pandnemer verkrijgt ook wel de rechten uit het papier voortvloeiende, doch deze heeft hij niet omdat ze hem verpand zijn, maar omdat hij rechtmatig houder geworden is van het papier. Zijne positie is nu deze: tegenover derden, bepaaldelijk tegenover de schuldenaren uil het papier, is hij, omdat hij houder is, in staat als schuldeischer op ie treden; dat hij slechts pandhouder is, kan hem door hen niet worden tegengeworpen, want hij is het niet van de vorderingen, maar van het papier, en dit is een quaestie tusschen hem en den pandgever, waar zij buiten slaan. Tegenover den pandgever daarentegen is hij verplicht van de macht, die het bezit van het papier hem geeft, slechts zóóveel gebruik te maken als noodig is om voor het behoud van de rechten, die er aan verbonden zijn, als een goed huisvader te waken (artikel 391). Hij moet den wissel, indien hij na zicht getrokken is, ter acceptatie aanbieden en casu quo van non-accepl at ie doen protesteeren: hij behoort den wissel op den vervaldag aan te bieden ter betaling en, zoo noodig, bijtijds van non-betaling te doen protesteeren en daarna voor de notificatie van het protest te zorgen. Acceptaties of betalingen ter eere neemt hij aan. Wat. papier aan toonder betreft: hij incasseert de coupons, neemt ingeval van aflossing de aflossingsom in ontvangst, zorgt, door middel van den talon voor nieuwe coupons of dividendbewijzen. Zijn er zaken te regelen, die zijne bevoegdheid te boven gaan omdat ze meer inhouden dan de eenvoudige zorg voor het behoud van de zaak , zooals b. v, het al of niet deelnemen aan eene conversie, het deelnemen aan en stemmen in eene vergadering van aandeelhouders, waar gewichtige besluiten genomen zullen worden, dan treedt hij vooraf in overleg met den pandgever, niet omdat hij anders onbevoegd zou zijn â als houder van het papier heeft hij
224
volkomen macht, â maar om zijne verantwoordelijkheid tegenover den pandgever te dekken. Tot verkoop van het papier is hij, gelijk elk pandhouder, onbevoegd zoolang zijn schuldenaar niet in gebreke is. Er is derhalve volkomen overeenstemming met. het pandrecht op andere zaken. Wanneer men in dier voege de verpanding van papier aan toonder of aan order beschouwt als eene verpanding van het papier zelf, in aanmerking neemt welke de positie is , die de pandnemer als rechtmatig houder van het papier naar de algemeen erkende beginselen tegenover derden vanzelf inneemt, en voorts de bepaling van artikel 394 eenvoudig toepast, komt men tot eene gemakkelijke oplossing van alle vragen, die uit dit geval van pandrecht rijzen. Ziet men, aan den anderen kant, in deze verpanding eene verpanding der rechten uit bet papier voortspruitende, dan is, daar de bepalingen omtrent bet pandrecht op rechten, meer speciaal op inschulden op naam, zeker niet kunnen worden toegepast, eene afzonderlijke regeling noodig, waaraan groote moeielijkheden verbonden zouden zijn.
De reden, waarom vruchtgebruik van papier aan order niet beschouwd is als een vruchtgebruik van zaken, is hierboven bij de toeliclhting van artike 251 uiteengezet; de daar genoemde bezwaren zijn niet van toepassing op het pandrecht, waar het niet geldt het gedurende korteren of langoren tijd genieten van de vruchten eener zaak, maar het in zijne macht hebben der zaak om eene inscbuld daarop te verhalen.
Art. 381.
Ter toelichting van dit artikel kan verwezen worden naar hetgeen in den Titel van Hypotheek, naar aanleiding van het bepaalde in artikel 322, waarmede het onderhavige artikel geheel overeenstemt, is in het midden gebracht. In het bijzonder geldt dit ook voor hetgeen aangaande het begrip der ondeelbaarheid is gezegd. Dat partijen kunnen overeenkomen, dat de omvang van het pandrecht zal verminderen naarmate de schuld wordt afbetaald, is met de hier uitgesproken ondeelbaarheid in het minst niet in strijd. Het bestaande recht behandelt in artikel 1206 B. W. de ondeelbaarheid van het pand, louter evenwel met het oog op de omstandigheid, dat de schuld, door erfopvolging, actie! of passief, is overgegaan. Deze eenzijdigheid is door de meer algemeene strekking van het voorgedragen artikel vermeden.
Art. 382.
Dit artikel komt overeen met het eerste lid van artikel 325 uit den Titel van Hypotheek, en de naar aanleiding daarvan gegeven toelichting mag ook voor deze bepaling voldoende geacht worden. De vraag of toekomstige schulden door pand kunnen worden verzekerd, kan thans geene moeielijkheden meer opleveren.
Art. 383.
Na de toelichting bij artikel 326 gegeven valt ten opzichte van het hier te bespreken artikel, immers wat de verbintenis aan order betreft, weinig meer te zeggen. De inhoud der bepaling is korter, omdat uit den aard der zaak de verzekering door hypotheek tot grooteren omslag aanleiding
225
geeft dan de verzekering door pand; voor de belangen van derden behoeft hier geen zorg te worden gedragen. Evenmin was het noodig de gevolgen van het endossement te regelen, zooals dit in het tweede lid van artikel 326 is geschied; het geldt hier den houder van het papier, die tevens houder is van het pand, en dat hij in zijne laatstgenoemde hoedanigheid ook rekening moet houden met de regels, omtrent het endossement voorgeschreven, behoefde in de wet niet te worden vermeld.
Met betrekking tot de verbintenissen aan toonder kan hypotheek alleen verleend worden ten behoeve van aandeelhouders in eene geldleening op de wijze als in artikel 327 is omschreven ; zij kan niet worden verleend tot zekerheid van andere aan toonder luidende verbintenissen (artikel 328). Door pand, daarentegen, kunnen alle aan toonder luidende verbintenissen worden verzekerd. De reden voor dit onderscheid ligt voor de hand. In de toelichting op artikel 327 zijn de gronden opgegeven, â waarom men niet heeft voorgesteld hypothecaire vorderingen even gemakkelijk als roerende zaken van hand tot hand te doen overgaan; de daar geopperde bezwaren gelden niet voor pand, waar het voorwerp der verzekering mede van hand tot hand kan gaan.
Art. 384.
Andermaal wordt hier een artikel aangetroffen, dat gelijken tred houdt met de over dit onderwerp voorkomende bepaling in den voorgaanden Titel. In de toelichting op artikel 327 is uiteengezet, waarom men het noodig heeft geoordeeld wettelijke sanctie te verleenen aan de zekerheidstelling ten name van zoogenaamde trustees en eene regeling te maken voorzoover die noodig is ter uitoefening van het zakelijk recht. Ditzelfde geldt ook hier. Dac naar de nieuwere rechtsbegrippen pandrecht ten behoeve van niet bij name bekende personen door middel van vertegenwoordigers kan gevestigd worden, neemt het ontwerp als vaststaande aan; â de eenige vraag is; welke is de bevoegdheid dier vertegenwoordigers ten opzichte van het zakelijk recht, en dan geldt ook hier wat bij artikel 327 is in het midden gebracht, dat, terwijl de regeling der verhouding tusschen vertegenwoordigers en vertegenwoordigden aan hunne onderlinge overeenkomsten wordt overgelaten, hier ter plaatse slechts moet vastgesteld worden waartoe zij tegenover derden bevoegd zijn.
Het pand moet gesteld worden in het bezit van de vertegenwoordigers, hetzij dat het bezit door henzelven wordt uitgeoefend, hetzij dat zij het uitoefenen door middel van een derde (b.v. een bankier) , bij wien de in pand gegeven waarde berust. De bevoegdheid der vertegenwoordigers kan beperkt worden. Bij hypotheek geschiedt zoodanige beperking in de akte van hypotheekverleening, die, in de openbare registers overgeschreven, ter kennisneming voor een ieder bestemd is. Bij pand zal uit de akte van verpanding moeten blijken, in hoeverre van den in dit artikel gestelden regel is afgeweken.
Art. 385.
Pandovereenkomst en overdracht van het bezit worden hier voorgesteld als samen uitmakende de vestiging of als beide voor de vestiging evenzeer onmisbaar; eene overeenkomst, waarbij het pandrecht wordt verleend, is niet minder noodig dan de overdracht zelve, die, juist omdat zij strekt tot uitvoering van die overeenkomst, het pandrecht doet ontslaan. Het geldende recht, ofschoon het. in de artikelen HQS , 1198bis en 1199 B. W. van de pandovereenkomst zwijgt, heeft zich de toedracht der zaken zeker wel niet anders voorgesteld; dat bet de pandovereenkomst kent en met het zakelijk recht van pand in verband brengt, blijkt trouwens uit artikel 1197.
cc
226
Voor de pandovereenkomst wordt niet alleen niet, gelijk in het oude artikel 1197 B. W., een vorm voorgeschreven , het ontwerp bevat evenmin eene bepaling omtrent het bewijs, zooals in het tegenwoordig artikel 1197 gevonden wordt. Waarschijnlijk zal eene herziening van het bewijsrecht de afschaffing van bepalingen als die van artikel â¢1933 en andere B. W. tengevolge hebben; verdwijnen dergelijke voorschriften, dan heeft natuurlijk een voorschrift als dat van artikel 1197 geen zin. Maar bovendien, het is niet duidelijk, waarom de accessoire natuur van de pandovereenkomst op hare bewijsbaarheid van invloed zou moeten zijn; wordt het bewijs van de hoofdverbintenis niet geleverd, niettegenstaande de pandovereenkomst is bewezen, zoo is deze laatste zonder waarde, hetgeen evenzeer kan voorkomen, indien de hoofdverbintenis nietig of te niet gegaan is.
Het vereischte der overdracht van het pand in het bezit des schuldeischers wordt met eenigs-zins andere woorden in artikel 1198 B. W. genoemd het brengen van de zaak onder de macht des schuldeischers. Evenmin als de tegenwoordige wet laat zich het ontwerp uit over de vraag, hoe dit gebeuren kan. Zoodra de schuldeischer met den wil des pandgevers bezit heeft van het voorwerp, is het pandrecht gevestigd. Slechts in zooverre wordt de overdracht van het pand in het bezit des schuldeischers nader omschreven, als van den eenen kant de brevi manu traditio uitdrukkelijk wordt erkend, terwijl aan den anderen kant het constitutum possessorium en dat wat in het Engelsche recht attornment genoemd wordt niet minder duidelijk worden opzijgezet. Artikel 1198 B. W., dat van brevi manu traditio zwijgt, mag zeker uit artikel 667 al. 2 B. W. worden aangevuld en op dit punt beval dus het ontwerp niets nieuws.
De uitsluiting van het constitutum ligt thans in artikel 1198 al. 2 B. W.; in het derde lid van het voorgedragen artikel wordt het geval anders omschreven, maar de bedoeling is dezelfde. Het tegenwoordige recht laat de vraag onbeslist, ol pandrecht kan worden gevestigd door het eenvoudige feit, dat de derde, die als bloot houder de zaak voor den pandgever onder zich heeft, verklaart voor het vervolg den schuldeischer als bezitter te erkennen of, wat hetzelfde is, ten behoeve van den schuldeischer te zullen houden. Dat dit. geval volkomen analoog is aan het constitutum, springt in 't oog; waar het laatste niet erkend wordt, kan dus ook het eerste niet gelden.
De uitsluiting van het constitutum ingeval van pandrecht en het daardoor stellen van strengere eischen voor het brengen van de zaak in de macht van den pandhouder komt ook overeen met hetgeen daaromtrent in vreemde wetgevingen wordt aangetroffen. In de Motive op de eerste lezing van het Duitsch Ontwerp (p. 801 in noot) worden de verschillende wetgevingen opgenoemd. Het Duitsche Wetboek heeft evenals het genoemde ontwerp eene verwijzing naar het constitutum possessorium ingeval van pandrecht weggelaten.
Het vijfde lid is een gevolg daarvan, dat ook het pandrecht op papier aan order als pandrecht op eene zaak is beschouwd. De eenvoudige bezitsoverdracht is hier niet voldoende, omdat slechts het endossement den houder maakt tot rechtmatig houder en derhalve de pandnemer, die het papier zonder endossement onder zich kreeg, noch tot de daden van beheer, waartoe hij in het belang ook van den pandgever verplicht is, noch tot realisatie van het pand in staat zou zijn.
Er wordt hier gesproken van endossement zonder meer, niet van endossement en overgaaf, omdat de verplichting tot overdracht in het bezit reeds uit het voorafgaande volgt.
Art. 386.
In de practijk wordt de eigendomsoverdracht van het cognossement, het bewijs van opslag, de
227
ontvangceiJul en dergelijke beschouwd als eigendomsoverdracht van het in het stuk vermelde goed, voorzooverre het in het aangegeven schip, entrepot of pakhuis werkelijk aanwezig is, en hetzelfde geldt van de verpanding. Dit artikel is bestemd die opvatting van de practijk te bekrachtigen. Zulk eene bekrachtiging zou overbodig geacht kunnen worden, indien de wetenschappelijke verklaring van het verschijnsel vaststond. Maar dit is het geval niet. Terwijl sommigen den rechtmatigen houder van het papier beschouwen als bezitter van het goed door middel van den schipper , pakhuismeester enz., welke laatsten in die onderstelling niet meer zijn dan bloote houders, zien anderen in den schipper enz. den eigenlijken bezitter, en kennen zij den houder van het papier slechts eene persoonlijke vordering toe om van den schipper enz. uitlevering van het goed te eischen, wat geheel iets anders is, al zal het zeker veelal leiden tot dezelfde uitkomst. Weer anderen zouden er toe kunnen komen als bezitter en eigenaar nog steeds aan te merken hem, die het goed deed inladen of opslaan; ook voor die opvatting zoiij uit een zuiver theoretisch oogpunt althans, het een en ander ^ijn aan te voeren. Bij zooveel verschil van meening in de wetenschap schijnt het wenschelijk aan de practijk een vasten grondslag te geven door middel van eene wettelijke bepaling.
Verpanding van het papier is dus tegelijk verpanding van het daarin vermelde goed; de pandhouder van het papier is tevens pandhouder van het goed. Welke de stukken zijn, aan wier overdracht ten aanzien van het ingeladen of opgeslagen goed deze werking toekomt, wordt in het artikel niet heslist. Het noemt als voorbeelden de cognossementen aan order en de bewijzen van opslag, die evenzeer endossabel zijn; voorts de cognossementen aan toonder en de ontvangcedullen of ceelen , die ook aan toonder luiden. Maar dit zijn slechts voorbeelden. Indien hetzij door de wet, hetzij door eene vaste gewoonte andere papieren (volgbriefjes, facturen, vrachtbrieven) op het punt, waarover hier wordt gehandeld, met de uitdrukkelijk genoemde papieren zijn of zullen worden gelijk gesteld, zullen ook zij binnen het artikel vallen en hetzelfde zal gelden voor de dubbele ceel (of warrant en weight-note), indien zij ooit bij ons inheemsch wordt. Dat bij deze laatste de verhouding der betrokken personen tot het goed ingewikkelder wordt en zelfs een tijd lang onzeker blijft, doet tot het beginsel niet af.
De plaats, waar het goed zich bevindt, is in het midden gelaten; hierboven zijn genoemd schepen, entrepots, pakhuizen, â maar hetzelfde zal van toepassing zijn, zoolang het goed zich bevindt op eene slede, of op een wagen, waarmede het wordt vervoerd.
Art. 387.
Door hetgeen in het voorgaand artikel werd bepaald, ontstond geen strijd met het beginsel in artikel 385 nedergelegd; in beide gevallen wordt het papier door de overgifte verpand, maar ten opzichte van cognossementen enz. heeft tevens en tegelijkertijd verpanding van de goederen plaats. Het hier voorgedragen artikel geeft nu nog te kennen, dat, terwijl de pandhouder, omdat het papier aan toonder of aan order luidt, de rechten uitoefent, die den houder ah zoodanig toekomen, het pandrecht op de geldsom overgaat, indien de pandhouder, krachtens de in het papier vermelde betalingsbelofte, haar heeft geïnd. Dat hij tot dit laatste bevoegd is, werd bij de toelichting op artikel 380 reeds betoogd; dat dientengevolge het pandrecht op de geïnde geldsom overgaat, mag misschien geacht worden reeds voort te vloeien uit den aard van het papier, dat zijne waarde juist aan de betalingsbelofte ontleent. Intusschen scheen het toch gewenscht daarvan uitdrukkelijk melding te
'228
maken, eensdeels als tegenstelling aan de verpanding, waarvan het voorgaand artikel gewag maakt, ten anderen om de bedenking te voorkomen, dat tegelijkertijd met het uit handen geven van het papier, als voorwerp der verpanding, het recht zelf te niet zou moeten gaan.
Art. 388.
Het eerste lid vervangt artikel 1198 B. W, laatste lid en heeft dezelfde strekking; de voorgestelde redactie is in overeenstemming met artikel 105, waar de eigendomsoverdracht van roerende zaken wordt geregeld.
Het tweede lid past het beginsel van genoemd artikel 105 laatste lid toe op de verpanding. Onveranderd kon dit niet worden overgenomen. De nieuwe eigenaar moet de zaak geheel vrij verkrijgen , want elk zakelijk rechl, dat er op bleet rusten, ware voor hem noodzakelijk een nadeel. De pandnemer daarentegen heeft al wat hij verlangen kan, zoo zijn recht den voorrang heeft.
Art. 389.
De voorschriften in dit artikel vervat en ontleend aan de bepalingen der §§ 1250 en 1251 van het Duitsche Wetboek schijnen volkomen rationeel. De nieuwe schuldeischer treedt tot den pandgever in de verhouding, waarin tot nog toe zijn voorganger stond; het pandcontract met al zijne rechten en verplichtingen gaat op hem over. Ook zonder dat het gezegd wordt, zal dit wel gelden. Natuurlijk blijft de vorige pandhouder aansprakelijk voor zijne handelingen en verzuimen en heeft de nieuwe schuldeischer daarmede niet te maken, tenzij het geval zoo ernstig ware, dat artikel 393 toepasselijk geworden was; dat toch de actie uit dit artikel nu tegen den nieuwen pandhouder zou worden ingesteld, is duidelijk.
De Duitsche wetgever maakt den vorigen pandhouder tegenover den pandgever tot borg voor zijn opvolger. Deze, de verhoudingen zonder bepaalde noodzakelijkheid verwikkelende, bepaling is niet overgenomen.
Het laatste lid van het artikel was noodig om uit te maken wien door de wet het pandrecht wordt toegekend, indien de inschuld slechts voor een gedeelte wordt overgedragen. De in artikel 381 uilgesproken ondeelbaarheid van het pandrecht brengt mede, dat van een recht op gelijktijdige en evenredige verdeeling van de in pand gegeven zaak, verondersteld dat eene verdeeling mogelijk is, geen sprake kan zijn, tenzij de pandovereenkomst zelve reeds daarvoor eene regeling heeft gemaakt. Dat partijen bij de gedeeltelijke overdracht der inschuld omtrent het pandrecht eene schikking kunnen treffen, behoeft niet betoogd te worden. Het ligt in den aaid der zaak, dat, waar de wetgever te kiezen heeft aan wien hij het pandrecht in het gegeven geval zal toekennen, de voorrang wordt gegeven aan hem, wien het recht oorspronkelijk was verleend.
Art. 390.
Eene bepaling als die van het eerste lid komt in de tegenwoordige wet niet voor. Zij ligt echter in den aard van het pandrecht. Brengt de zaak niet vanzelf vruchten voort, doch zou zij vruchtdragend gemaakt kunnen worden, door haar te verhuren of op andere wijze, dan is de pandhouder
229
tot dergelijke exploitatie uit den aard der zaak niet bevoegd noch verplicht. Zijn recht en zijn plicht is te bewaren, meer niet. Alles, tenzij anders is overeengekomen.
De bepaling van het tweede lid is overgenomen uit § 1212 van het Duitsche Wetboek. Daaruit volgt tevens, dat de eigendom der vruchten verblijft aan den pandgever. Dat dit zoo moet zijn , volgt uit den aard van het pandrecht, waaraan wel bezit verbonden is, maar geen bezit, dat genot der zaak met zich brengt, tenzij daaromtrent eene bijzondere overeenkomst met den pandgever is aangegaan.
Het derde lid geeft weder wat in artikel 1204 B. W. is bepaald, en vloeit voort uit het bepaalde in het zooeven besproken tweede lid, n. 1. dat het pandrecht zich ook uitstrekt tot de voortbrengselen der zaak. De pandhouder int de rente (immers, indien het tegendeel niet is bedongen) , met andere woorden: hij treedt zelfstandig tegenover den pandgever op, en hij verrekent de rente niet alleen met de interessen van de inschuld, maar hij laat ze ook tot mindering strekken van de hoofdsom.
Art. 391.
De verplichting om voor de zaak als een goed huisvader te zorgen spreekt vanzelf en in zóóverre stemt de inhoud van dit artikel dan ook met dien van artikel 1203 eerste lid B. W. overeen. Ten aanzien van de kosten, die daarvoor moeten gemaakt worden, laat het geldende recht zich niet uit over de vraag in hoeverre de pandhouder verplicht is deze aan te wenden. De voorgestelde bepaling onderscheidt: de pandnemer heeft de kosten tot onderhoud kunnen voorzien en mag geacht worden de verschaffing daarvan voor zijne rekening genomen te hebben, behoudens natuurlijk zijn recht tot terugvordering; de kosten tot behoud daarentegen, waarop hij niet heeft kunnen rekenen, behoeft hij niet voor te schieten, al mag hij dit doen. Hij kan volstaan met, zoo mogelijk, den verpander te waarschuwen. Wat het recht des pandhouders op teruggave van gemaakte kosten betreft, vergelijke men artikel 404.
Art. 392.
Onder andere bewoordingen en met eenige aanvulling wordt in dit artikel hetzelfde bepaald als in artikel 1205 B. W.
De aanvulling bestaat in de eerste plaats daarin, dat elk te niet gaan der schuld met de afbetaling wordt gelijk gesteld. Wat het bestaande recht betreft kan men aannemen , dat het artikel 1205 vrij algemeen ook in dien ruimen zin wordt opgevat, maar het scheen wenschelijk eiken twijfel daaromtrent door eene stellige bepaling op te heffen.
Het tweede lid van artikel 1205 staat den schuldeischer toe in het daar omschreven geval het pand te behouden. Het hier voorgedragen artikel bestendigt dit recht, maar terwijl het, wat den vorm der bepaling betreft, duidelijker doet uitkomen, dat het hier een recht van retentie geldt en niet een nieuw pand/recht, heeft men bovendien gemeend het recht voor den pandhouder te moeten beperken tot het geval, dat de pandgever zelf de schuldenaar is. Het behoeft geen betoog, dat het onbillijk kan geacht worden den derde pandgever verder te verbinden dan waartoe bij het pand oorspronkelijk heeft afgestaan. De rechtswetenschap pleegt artikel 1205 in dien zin uit te leggen, maar ook in dit opzicht, scheen eene beslissing van don wetgever verkieselijk.
230
De vraag kan gedaan worden, of het niet beter ware het bedoelde retentierecht in hel geheel niet in de wet te erkennen. De Juristenvereeniging besloot in dien zin (zie Handelingen 1873, II, p. 167); het ontwerp volgt echter het voorbeeld van den wetgever van 1874, die de bepaling handhaafde.
Art. 393.
Het voorschrift bepaalt opzettelijk wat artikel 1205 al. 1 B. W. iinplicite te kennen geeft. De vorm, waarin de bepaling is gekleed, is ontleend aan gelijksoortige voorschriften in de reeds besproken Titels (zie b.v. de artikelen 216 en 279), Vermits het recht van gebruik van het pand in den regel den pandhouder niet toekomt, kwam de uitdrukking «misbruiken» in artikel 1205 hier ter plaatse minder juist voor. Voor het geval dit recht den pandhouder mocht zijn toegekend spreekt het vanzelf, dat het misbruiken naar omstandigheden onder grof verzuim kan begrepen worden.
Art. 394.
Artikel 1198 B. W. kent deze actie niet. Het derde lid van dat artikel bepaalt, dat het pandrecht te niet gaat. zoodra het pand uit de macht des schuldeischers geraakt, en geeft dezen eene actie alleen voor het geval van diefstal en verlies. Deze regeling is geheel in overeenstemming met de gangbare opvatting van de strekking van artikel 2014 B. W. Het ontwerp op zijne beurt, dat bij de regeling van den eigendom van roerend goed met die gangbare opvatting ten eenen male breekt, kan ook hier de zakelijke actie niet missen. Bij de toelichting op artikel 407 zal blijken, onder welke voorwaarde het pandrecht te niet gaat, indien de in pand gegeven zaak niet meer in handen van den scbuldeischer is gebleven. De artikelen 108 en vlgg. zijn bij deze rechtsvordering toepasselijk verklaard. Dit rechtsgevolg behoeft niet nader toegelicht te worden; dat de pandhouder bij het terugvorderen van de zaak tegenover den houder te goeder of te kwader trouw in dezelfde verhouding moet komen te staan als de eigenaar, die de hem toekomende zaak revindiceert, spreekt vanzelf.
Artt. 395 en 396.
Terwijl het eerste artikel het algemeen geldende beginsel vooropstelt, dat een zich toeëigenen van het pand ongeoorloofd is, zoodat dan ook elk beding, dat deze strekking zou hebben, nietig is, wordt in het tweede een aanvang gemaakt met de regeling van het executierecht.
Geen pandverkoop dan nadat de schuldenaar in gebreke is. De vraag, hoe hij in gebreke geraakt, moet naar de gewone regelen worden beantwoord. Als regel zal eene sommatie noodig zijn; er kan echter ook, uitdrukkelijk of stilzwijgend, eene mora ex re bedongen zijn. De schuldenaar moet in gebreke zijn met de voldoeiwig der verhintenis (zie artikel 379); met voordacht zijn de woorden van artikel 1'201 B. W. «ingeval lt;Ie schuldenaar of de pandgever niet aan zijne ver-pligtingen voldoet» niet overgenomen. De wetgever had deze redactie gekozen om ook voor het geval van niet-bijstorting van een bedongen surplus den scbuldeischer tot pandverkoop bevoegd te maken. Van een schuldenaar, die geen surplus geeft, kan men niet zeggen dat hij aan zijne verhintenis niet
231
voldoet, wel dat hij niet voldoet aan zijne verplichtingen, uit het pandcontract namelijk. Toch schijnt de hier voorgestelde redactie verkieselijk; één van de twee, óf het uitblijven van surplus heeft, naaide bedingen van het contract of naar de bedoeling van partijen, de opeischbaarheid der schuld en de mora des schuldenaars ten gevolge, en dan ontstaat de bevoegdheid tot pandverkoop ook bij de voorgestelde redactie, of opeischbaarheid der schuld is het gevolg niet, maar dan is ook niet in te zien, op welken grond het recht tot dadelijken verkoop steunen zou.
Zoo de verbintenis geen geld tot voorwerp had, moet zij in eene geldschuld zijn overgegaan. Hetzelfde is bepaald in artikel 350 en aldaar voldoende toegelicht.
Art. 397.
De geldende wet kent zulk eene aanzegging niet. Zij kent slechts de ingebrekestelling, een exploot dus van geheel andere strekking; en daar deze dikwijls, meestal misschien, achterwege kan blijven, zal het thans dus kunnen gebeuren, dat het pand verkocht wordt, zonder dat de schuldenaar op eenigerlei wijze gewaarschuwd is. Slechts achterna verneemt hij (artikel 1202 B. W. al. 2) wat er geschied is. Hoe gemakkelijk dergelijke regeling voor den geldschieter moge zijn, het ontwerp heeft haar niet overgenomen. Het verlangt sommatie en aanzegging, en zoo de eerste onnoodig is wegens de mora ex re, dan toch aanzegging, en wel aan schuldenaar en pandgever beiden. Zij moeten in de gelegenheid gesteld worden het pand te lossen. Overigens spreekt het vanzelf, dat sommatie en aanzegging in een en hetzelfde exploot kunnen geschieden.
De termijn van aanzegging is gesteld op twee dagen; bij sterk dalende markt moge het voor den schuldeischer onaangenaam kunnen zijn niet onmiddellijk te kunnen verkoopen, er staat tegenover dat verkoop onder die omstandigheden voor den pandgever allernadeeligst zijn kan en het dus, zoo ooit, juist dan noodig is hem te waarschuwen, opdat hij zie wat er tot voorkoming van den dreigenden slag le doen is.
De vraag, of de verplichting tot het doen der aanzegging bij beding kan worden uitgesloten , werd bevestigend beantwoord. De aard van de in pand gegeven zaak kan medebrengen, dat zelfs de korte termijn van twee dagen te lang is om den crediteur voor eventueele schade te behoeden, zoodat deze zich gedwongen zou gevoelen op eene andere wijze zich meerdere zekerheid te verschaffen, b.v. door het eischen van een hooger surplus, hetgeen niet anders dan belemmerend zou kunnen werken voor het bekomen van crediet.
De bepaling van het tweede lid (vgl. § 1234 van het Duitsche Wetboek) is noodig om den schuldenaar en pandgever zoo mogelijk in de gelegenheid te stellen den verkoop te voorkomen en het gevaar af te weren, dat zij, door het aanbieden van eene te geringe som, hunne pogingen zien mislukken. In den regel zal het bedrag zich bepalen tot de hoofdsom met de vervallen renten, maar het kan zijn, dat daarbij nog andere elementen in rekening moeten worden gebracht (gemaakte kosten tot behoud of onderhoud van de zaak of meer ingewikkelde renteberekening), die met juistheid nog niet zijn op te geven. Vandaar, dat gesproken is van een «zoo nauwkeurig mogelijk aangeven ».
Art. 398.
De wijze van verkoop is ontleend aan artikel 1201 B. W. Laatstgenoemd artikel spreekt echter
232
/
niet over de gemeente, waar de verkoop geschieden moet. Is het de bedoeling geweest op dit punt, dat toch den pandgever vooral niet minder dan den pandnemer aangaat, den laatste volle vrijheid van keus te laten, of is hier eene onwillekeurige leemte? Het is moeielijk te zeggen, daar de geschiedenis van het artikel geen licht geeft. Doch hoe dit zijn moge, het scheen wenschelijk voor het vervolg een regel te stellen. Het eenvoudigst was wel als plaats van verkoop de gemeente aan Ie wijzen; waar het pand zich bevindt of geacht kan worden zich te bevinden, d. i. de gemeente, binnen welke de schuldeischer of de derde houder van het pand gedomicilieerd is. Slechts voor ingeladen of opgeslagen en dan gewoonlijk op cognossement of ceel verpande koopmansgoederen was deze regel niet bruikbaar, omdat de plaats van opslag met het domicilie des schuldeischers in niet het minste verband staat. Vandaar de laatste woorden van het eerste lid.
Hetgeen in de laatste twee leden van het artikel wordt bepaald scheen wenschelijk om enkele theoretische bezwaren tegen iets, waartegen uit een practisch oogpunt niets te zeggen is. uit den weg te ruimen. Het Duitsche Wetboek behelst in § 1239 sooi'tgelijke bepalingen gt; doch stelt den eisch van contante betaling door den schuldenaar of den pandgever facultatief. Het ontwerp, daarentegen heeft het dwingend voorgeschreven, ten einde den ambtenaar, die in dezen de beslissing zou moeten geven, niet in moe lelijkheden te brengen tegenover de personen, die als bieders zijn opgetreden.
Art. 399.
Artikel 1204 B. W. staat toe, dat partijen een beding maken, waardoor den pandhouder het recht wordt ontzegd tot pandverkoop over te gaan, en het ontwerp heeft eveneens door den aanhef van artikel 396 en van het hierna volgend artikel 406 deze bevoegdheid erkend. Omtrent de wijze van verkoop in dat geval en de daarbij in acht te nemen regelen duldt de bestaande wet geene afwijking, met onderling goedvinden bedongen.
Het hier voorgedragen artikel heeft op het voetspoor van het Duitsche Wetboek (§ 1245) eene onderscheiding gemaakt. Zoolang het recht van pandverkoop door het in gebreke zijn van den schuldenaar nog niet is geboren, zijn de bepalingen van het voorgaand artikel van dwingenden aard; met name kan bij het sluiten der pandovereenkomst geene andere wijze van verkoop bedongen worden , noch afstand gedaan worden van de in dat artikel toegekende bevoegdheden. Het zou anders allicht gebeuren, dat de geldopnemer, onder den drang der omstandigheden, genoopt werd er in toe te stemmen , dat de bepalingen bij het pandcontract builen werking werden gesteld, en het zou feitelijk daarop nederkomen, dat de wet eenige belangrijke waarborgen voor den schuldenaar minder bevatte.
Is daarentegen het recht des pandhouders tot verkoop geboren, weet dus de pandgever waar het op staat, dan is er geen reden meer om hem te verbieden met den pandhouder de wijze, de plaats van den verkoop enz. naar goedvinden te regelen. Dat zoo iets zeer in het belang kan zijn van beide partijen, behoeft geen betoog.
Art. 400.
Dit artikel, waarvan de strekking met het in artikel 1202 tweede lid B. W. bepaalde overeenkomt, behoeft geene nadere toelichting.
Art. 401,
Bestaat het pand uit ter markt of ter beurze verhandelbare koopmansgoederen of effecten, dan.
233
zoo bepaalt artikel 1201 tweede lid B. W., kan de verkoop ook aldaar geschieden door tusschenkomst van twee makelaars in het vak. Men heeft deze regeling, waartegen, voorzooveire bekend, geene klachten gerezen zijn, niet willen doen vervallen, nu zij eenmaal bestond. Toch blijve de opmerking niet achterwege, dat de noodzakelijkheid van de tusschenkomst der makelaars zou wegvallen, indien men op het voorbeeld o. a. van het Duitsche Ontwerp (eerste lezing § 1226) -voorschreef «verkoop ter beurze of markt tegen den koers van den dag. » Zulk eene bepaling zou den pandgever bijna evenveel waarborg opleveren als hel tegenwoordig voorschrift, en goedkdoper uitkomen. In het prae-advies van den heer Tydeman (Hand. ,lur.-Ver. I., p. 94) is dan ook voorgesteld:» Bestaat het pand uit courante. koopmansgoederen, effecten ol obligation, dan kan die verkoop geschieden ter beurze, naar den prijs van den dag.» Intusschen heeft ook het Duitsche Wetboek door de bepaling van § 1221 (in verband met de §§ 1235 en vlgg.) de tusschenkomst van makelaars voor zaken, die een beurs-of marktprijs hebben, ingevoerd.
Met koopmansgoederen en ejlecten zijn in de eerste plaats gelijk gesteld: aandeden en handelspapier. Vermits auncleelen wel eens van ej'ecteu worden onderscheiden, zijn deze volledigheidshalve afzonderlijk vermeld. Dat handelspapier in den regel ter markt of ter beurze courant is, zal wel niet betoogd behoeven te worden, en evenmin, dat in zulk een geval daar ter plaatse de beste prijs zal te bedingen zijn.
Terwijl later, in artikel 405, sprake is van Nederlandsche gangbare muntspeciën enz., worden hier vermeld de vreemde muntspeciën, munt- of bankbiljetten. Zijn oeze courant, in. a. w. hebben zij ter markt of Ier beurze een koers, zoodat zij ook op prijscouranten worden vermeld, dan is te dezen opzichte evenzeer een verkoop ter markt of ter beurze verre te verkiezen boven den gewonen publieken verkoop, waarvan in artikel 398 gesproken is.
Eindelijk zijn ook genoemd: de Nederlandsche negotiepenningen-, men had daarbij op het oog b. v. de ducaten, die ten behoeve van de Nederlandsche Handelmaatschappij voor den handel op Japan worden geslagen.
Art. 402.
In den Titel van Hypotheek wordt, wat betreft de vraag of verzuim van formaliteiten nietigheid van den buitengerechtelijken verkoop ten gevolge heeft, onderscheid gemaakt tusschen de verschillende voorschriften. Er zijn er, wier overtreding nietigheid, er zijn andere, wier overtreding slechts vergoeding van veroorzaakte schade ten gevolge hebben zal. Zulk eene onderscheiding kwam, gelijk vanzelf spreekl, hier niet te pas. Wanneer de kooper van roerend goed eigenaar wordt, indien hij koopt van den niet-eigenaar, ja, indien hij koopt van iemand, die de zaak als bewaarder voor den eigenaar onder zich had, dan moet hij ook eigenaar worden door een pandverkoop, ook al mocht die, in welk opzicht dan ook, niet voldoen aan de wettelijke voorschriften. De pandverkooper pleegt echter eene onrechtmatige daad, voor wier nadeelige gevolgen hij aansprakelijk is; zonder dat het wordt uitgedrukt zal dit wel vaststaan.
Art. 403.
Dit artikel bepaalt, in overeenstemming met artikel 105, dat bij den verkoop der zaak de
dd
234
daarop rustende zakelijke rechten te niet gaan, tenzij zij zijn voorbehouden. Het vruchtgebruik zal dus alleen dan op de zaak blijven rusten, indien de pandverkooper de aldus bezwaarde zaak ten verkoop aanbiedt.
Art. 404
Ten aanzien van de vraag, of de aansprakelijkheid van hel pand zich ook moet uitstrekken tot verplichtingen, die de schuldenaar na de verpanding op zich heeft genomen, onderscheidt het Duitsche Wetboek in § 4210 tusschen het geval, waarin de schuldenaar zelf, en dal waarin een derde het pand stelde.
In het ontwerp wordl die aansprakelijkheid voor beide gevallen uitgesloten en vervalt dus de noodzakelijkheid van bedoelde onderscheiding. Tegenover de concurrente schuldeischers schijnt het hier voorgestelde billijker; bovendien is het in overeenstemming met het geldende recht, welks stilzwijgen over dit punt toch zeker niet in den zin van het Duitsche Wetboek kan worden uitgelegd.
De schuldeischer zal dus op het pand verhalen de schuld, zooals zij oorspronkelijk is aangegaan, met hetgeen er tengevolge van reeds dadelijk, althans vóór de verpanding, gemaakte bedingen, ot tengevolge van de bepalingen der wet, in verband met mora, opzet of schuld, bijkomt of voor in de plaats treedt. Dit. alles is begrepen onder het woord «de schuld met de renten d in 3'. Doch wat de schuld niet uit zichzelve voortbrengt, maar er van buiten aan toegevoegd of voor in de plaats gesteld wordt, daarmede heeft het pand niet te maken. De schuldeischer zal slechts, indien aan de vereischten van artikel 392 al. 2 voldaan is, kunnen hebben een retentierechl.
Wat de ten aanzien der zaak gemaakte kosten betreft, wordt voorrang op de opbrengst van de zaak gegeven voor kosten van onderhoud en kosten tot behoud. Van nuttige kosten wordt niet gesproken en voorrang bestaal derhalve daarvoor niet; wal niet belet, dat ze misschien, buiten hel pandrecht om, op grond van negotiorum f/estio, zullen kunnen worden teruggevorderd. Ook zonder uitdrukkelijke herinnering spreekt dit wel vanzelf.
Het tweede lid van het artikel stemt overeen mei het tweede lid van artikel 359.
Het derde lid staat in verband met een der punten, waaromtrent onderscheid is tusschen hypotheek en pand; bij de eerste moet, volgens artikel 324, de som, waarvoor zij verleend is, zeker en in de akte of het vonnis uitgedrukt zijn, bij het laatste is dit niet noodig, maar in de overeenkomst zal van eenige beperking kunnen blijken, indien partijen zijn overeengekomen het. verhaal, hetwelk de wet toekent, niet ten volle te doen plaats hebben.
Art. 405.
In haar gewijzigd ontwerp van 20 Sept. 1873 (Bijbl. 1873 -74 I, 25, p. 2) had de Regeering voorgesteld in artikel 1200 B. W. eene bepaling op te nemen over in pand gegeven geld en den schuldeischer uitdrukkelijk de bevoegdheid toe te kennen zich uit dit. geld te betalen. De Commissie van rapporteurs (zie haar verslag Bijbl. t. a. p., p. 7) kwam legen de voorgestelde bepaling in verzet: «het spreekt vanzelf», beweerde zij, «dat de schuldeischer ook in pand gegeven geld. ja bankbiljetten en soortgelijke waarden, compenseert. Dit onderwerp van rekening en verant-
235
woording behoeft hier geene regeling», en de Regeering gaf loe, zoodat de bepaling uit het Ontwerp werd gelicht.
Intusschen had het voorstel van de Regeering een beter lot verdiend en was de bestrijding daarvan niet gegrond. Men kan zeer zeker aan een schuldeischer, tot waarborg, geld ter hand stellen zóó, dat hij eigenaar wordt en later slechts met eene persoonlijke actie lot teruggave van gelijke som, onder altrek van het hem zeiven toekomende, tot eene rekening en verantwoording derhalve, kan genoodzaakt worden. Even goed echter kan men geld in pand geven, in den eigenlijken zin â des woords (b.v. geld in een verzegelden zak, munt-of bankbiljet ten, wier nummers men constateert), met dat gevolg, dat de schuldeischer niet eigenaar, maar pandhouder wordt onder de gewone verplichting van bewaren.
Nu is het duidelijk, dat de opmerking der Commissie van rapporteurs slechts toepasselijk is op gevallen van de eerste soort, terwijl het Regeeringsvoorstel blijkbaar gevallen van de tweede soort op het oog had.
Het ontwerp herstelt daarom het oorspronkelijke denkbeeld der Regeering. Dal de biljetten der Nederlandsche bank hier met geld en muntbiljetten gelijkgesteld worden behoeft wel geene rechtvaardiging.
De pandhouder is niet alleen bevoegd zich te voldoen uit de gelden, die hij onder zich heeft, hij is er ook toe verplicht, indien de pandgever zulks vordert. Wanneer b.v. renten bedongen zijn, kan de pandgever, althans indien hij tevens de schuldenaar is, er belang bij hebben de schuld ten spoedigste af te doen en mag hij daarin niet gehinderd worden door weigering van den pandhouder.
Art. 406.
De vraag ligt voor de hand, of uilsluiting van de bevoegdheid tot verkoop niet het gansche pandrecht wegneemt, zoodat er niets overblijft dan een, op zichzelf waarschijnlijk volkomen geldig contract, doch dat van partijen ten onrechte den naam van verpanding ontvangen heeft. Bij de beantwoording dezer vraag dient men te onderscheiden. Het is zeker denkbaar, dat partijen met de uitsluiting van het recht van verkoop bedoelen uitsluiting van elke uitwinning, de gerechtelijke zoo goed als de buitengerechtelijke. Is dit haar wil, dan zal er van pandrecht geen sprake kunnen zijn. Maar het kan ook zijn, dat zij slechts den huiteng er echtelijken pandverkoop hebben willen verbieden, overigens den schuldeischer zijn recht van uitwinning ongeschonden latende. In dat geval zal er â wel degelijk een, zij het dan ook eenigszins verzwakt, pandrecht zijn gevestigd.
Het onderhavige artikel, nu, heeft met de gevallen van de eerste soort niet te maken; het dient alleen om voor de gevallen van de tweede soort de bedoeling van partijen Ie bekrachtigen. Het is ontleend aan artikel 1202 al. 1 B. W., met weglating van het vereischte van in gebreke zijn en van de aanwijzing van dalgene, wat op de beschrevene wijze op de zaak zal worden verhaald, omdat dit alles vanzelf spreekt. In twee opzichten is verder van de bepaling van het geldende rechl afgeweken. Vooreerst wordt de bevoegdheid uitsluitend toegekend aan den schuldeischer, wien het recht tot gewonen pandverkoop werd ontzegd, terwijl artikel 1202 B. W. met de woorden «in allen geval» ook andere pandhouders omvat. Inderdaad kan de noodzakelijkheid voor dit laatste niet worden ingezien. Waar den pandhouder de bevoegdheid is toegekend om door openbaren verkoop of wel, waar hel effecten enz. geldt, door verkoop ter beurze, zijn recht op de meest eenvoudige en
'236
in den regel voor beide partijen meest voordeelige wijze uit te oefenen, en bovendien voor pandgever en pandhouder de gelegenheid is geopend om, indien zij door eene andere wijze van verkoop beter gediend zullen zijn, daartoe, ingevolge de bepalingen van artikel 399, over te gaan, daar scheen het niet noodig, en ook niet billijk tegenover den pandgever, om den pandhouder de gelegenheid te geven eene afwijking van hetgeen partijen verondersteld mogen worden bij de overeenkomst bedoeld te hebben, in rechte te vragen.
De machtiging tot verkoop of tot het in betaling houden moet, en hierin bestaat het tweede punt van verschil met artikel 1202, op een daartoe strekkend verzoekschrift van den Tcantonreehier worden verkregen. Deze machtiging kan eenigszins vergeleken worden met die, welke voogden of curators noodig hebben om goederen van personen, wier geldelijke belangen zij behartigen, te verkoopen. Bovendien moge de opmerking niet achterwege blijven, dat de bepaling van artikel 1202 «in regten vorderen» blijkbaar is ontleend aan artikel 2078 G. C. «faire ordonner en justice», onder welke uitdrukking door de Fransche schrijvers pleegt verstaan te worden eene machtiging op verzoekschrift, en niet eene door dagvaarding ingestelde vordering.
De ten onzent over het algemeen gevolgde jurisprudentie, dat niet aan den rechter de keuze is overgelaten of de zaak zal verkocht worden dan wel of zij in betaling zal worden gehouden, maar dat de keuze te dien opzichte staat aan den verzoeker, is ook hier gehandhaafd, â de redactie van het artikel geeft, dit duidelijk genoeg te kennen.
Artt. 407â409.
Het geldende recht behelst ten aanzien van het te niet gaan van het pandrecht slechts ééne bepaling, die evenwel, zooals bij de toelichting op artikel 394 reeds is aangestipt, niet in overeenstemming is met het beginsel, in het ontwerp ten aanzien van de opvordering van roerende zaken aangenomen. Het geraken der zaak uit de macht van den pandhouder (artikel 1198 al. 3 B. W.) doet op zichzelf het pandrecht niet te niet gaan, â den pandhouder komt het recht toe de zaak van eiken houder op te vorderen. Alleen het teruggeven van de zaak aan den pandgever maakt een einde aan het zakelijk recht, omdat de pandhouder, die de zaak in het bezit des pandgevers terugbrengt, geacht moet worden afstand te willen doen van zijn recht. Gelijk de overdracht der zaak aan den schuldeischer het pandrecht deed ontstaan, zoo maakt de teruggave, waardoor het gevolg van de overdracht wordt te niet gedaan, aan het pandrecht een einde.
Artikel 409 is bestemd om den bewijslast te regelen voor het geval, dat de zaak op een gegeven oogenblik blijkt in de macht des pandgevers teruggekomen te zijn: het staat dan aan den schuldeischer, die de zaak opvordert, te bewijzen, dat zij anders dan door restitutie in de handen des pandgevers is teruggekeerd.
Het. voorgedragen artikel 407 is, evenals artikel 408, op dezelfde leest geschoeid als de daarmede overeenstemmende artikelen uit de vorige Titels van het ontwerp (men zie b v. de artikelen 371 en 372), zoodat dan ook ten aanzien van verschillende onderdeelen naar de toelichting op die artikelen kan worden verwezen.
Wat het onder 1° genoemde geval betreft zij nog opgemerkt, dat onder «het te niet gaan dei-verbintenis» zoowel hel exceptief als hel van rechtswege te niet gaan begrepen is, en dat dus met voordacht eene bepaling als die van § 1254 Duitsch Wetboek niet is overgenomen. Het beroep op
zulk een te niet gaan van de verbintenis en daardoor vrij worden van het pand staat den derdepandgever zoo goed als den schuldenaar-pandgever open; een uitdrukkelijk voorschrift van die strekking scheen niet noodig (zie § 1211 Duitsch Wetboek).
Ook afstand is afzonderlijk genoemd als eene der wijzen, waarop pandrecht te niet gaat Het teruggeven der zaak aan den pandgever, waarvan het artikel sub 3° spreekt, zal in den regel de vorm wezen, waardoor de bedoeling om afstand te doen wordt te kennen gegeven , maar het spreekt vanzelf, dat van deze bedoeling evenzeer op andere wijzen kan blijken. Uit hetgeen onder 7° wordt vermeld blijkt, dat er nog eene teruggave is, die wel het pandrecht doet te niet gaan, maar geheel onderscheiden is van die, waarvan hierboven sprake was. De gedwongen teruggave, in artikel 393 bevolen, heeft met eene teruggave als afstand van het recht natuurlijk niets te maken.
In de zesde plaats is genoemd « pandverkoop », Bij de toelichting op artikel 371 is de opmerking gemaakt, dat niet de verkooping, maar eerst de hetaling het zakelijk recht (van hypotheek) doet vervallen. De aard van het pandrecht brengt mede, dat dit reeds bij den verkoop (dat wil zeggen verkoop met daarop gevolgde levering) te niet gaat, omdat, naar de beginselen omtrent verkrijging van eigendom of zakelijk recht op roerend goed, het behoud van het pandrecht met het recht des verkrijgers onbestaanbaar zoude zijn.
Art. HO.
Men zal wellicht de opmerking maken, dat dit artikel eene zonderlinge plaats heeft gekregen. Het strekt om een paar gevallen, die in zeker opzicht onder de tweede afdeeling te huis behooren, onder de bepalingen van de eerste afdeeling te brengen en is daarom op de grens tusschen beide geplaatst. De verpanding van het vruchtgebruik van allerlei rechten, van eene inschuld of eene inschrijving op het Grootboek b.v., behoort in de volgende afdeeling thuis, gelijk de verpanding van het vruchtgebruik van eene onroerende zaak in den Titel van Hypotheek. Ook op het in pand geven van het vruchtgebruik van eene roerende zaak, wanneer dit niet geschiedt door het stellen van de zaak in de macht des schuldeischers (men denke b.v. aan de verpanding van een vruchtgebruik , dat onder het bewind van een derde of van den eigenaar zelf is geplaatst), heeft het artikel geene betrekking. Het is toepasselijk alleen wanneer de aan vruchtgebruik onderworpen zaak in het uitsluitend bezit des pandhouders is gebracht. In dat geval is er werkelijk een pandovereenkomst van den gewonen inhoud, wier gevolgen door deze afdeeling moeten worden beheerscht. Alleen zal de pandnemer tegenover den pandgever verplicht zijn niet de zaak zelve, maar het vruchtgebruik daarvan aan pandverkoop te onderwerpen.
Het hier omtrent verpanding van een vruchtgebruik opgemerkte geldt mutatis mutandis ook van de verpanding van een onverdeeld aandeel in eene roerende zaak. Zulk een aandeel is een recht, en de verpanding daarvan derhalve de verpanding van een recht. Gaat deze echter gepaard rnet de overdracht der zaak zelve in het bezit des schuldeischers, dan zal zij niet onder de tweede, maar onder de eerste afdeeling van dezen Titel vallen.
Het tweede lid van het artikel dient om buiten twijfel te stellen, dat, indien b.v. door het verstrijken van den tijd het vruchtgebruik ophoudt, het pandrecht vanzelf moet te niet gaan.
238
ArDEELINC II.
Pandrecht op rechten.
Dat men behalve (lichamelijke) zaken ook rechten moet kunnen aanwenden als middelen tot het. verkrijgen van crediet, zal wel niet betwist worden. Twijfel is slechts mogelijk over de vragen: welke rechten als credielmiddelen zullèn worden erkend en in welken vorm zij als zoodanig zullen worden aangewend. Over beide vragen enkele woorden en wel in de eerste plaats over de laatste.
De vormen, die men zich zou kunnen denken, zijn drieërlei:
a. overdracht van het recht aan den schuldeischer met eene bijkomende overeenkomst, waarbij deze zich verbindt het recht op zijne beurt weer aan den schuldenaar over te dragen zoodra de schuld voldaan is.
b. overdracht van het recht aan den schuldeischer onder eene ontbindende voorwaarde, indien de schuld betaald wordt, en andere bijkomende bedingen. Van dezen vorm is de bekende koop en verkoop met beding van wederinkoop eene bijzondere soort.
c. behoud van het recht bij den schuldenaar, maar toekenning aan den schuldeischer van een zelfstandig recht tot tegeldemaking met voorrang op de opbrengst.
Indien een van de beide eerste vormen geacht kon worden te voldoen aan de behoeften der practijk, zou de wet over de verpanding van rechten kunnen zwijgen. De private personen zouden, gebruik makende van de erkende beginselen van zaken- en contractenrecht, door middel van hunne overeenkomsten zich zelve kunnen helpen. Doch dat zij onvoldoende zijn, meer bepaald dat ze te nadeelig zijn voor den schuldenaar en hem te zeer afhankelijk maken van de goede trouw en de soliditeit des schuldeischers, wordt algemeen erkend. Het ontwerp denkt er ook zoo over en stelt daarom de erkenning en regeling voor van den derden vorm, het pandrecht op rechten in den eigenlijken zin.
Het beginsel, dat aan de bepalingen van deze af deeling ten grondslag ligt, is hiermede reeds aangegeven. De schuldeischer verkrijgt niet het recht zelf, maar erlangt eene bevoegdheid tot tegeldemaking van het recht, voor het geval de schuldenaar in gebreke blijft. Tot aan die realisatie toe blijft het recht bij den verpander, die het uitoefent en geniet, en wiens uitoefening en genot alleen in zoover beperkt of zelfs op den schuldeischer overgedragen worden, als voor de zekerheid van den schuldeischer noodig of bij bijkomend beding overeengekomen is.
De vraag, welke rechten voor verpanding vatbaar zullen zijn, wordt door de tegenwoordige wet eigenlijk niet beantwoord. Schijnbaar erkent artikel 1199 B. W. een pandrecht op onlichamelijke roerende zaken zoo algemeen mogelijk , maar uit den voor dat pandrecht in hetzelfde artikel voorgeschreven vorm blijkt, dat men toch slechts aan rechten tegen een bepaald persoon, aan schuldvorderingen gedacht heeft en wel, daar het pqpier aan toonder en aan order in andere artikelen voorkomt , aan inschulden op naam. Bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de wijzigingswet van 1874 (Bijblad 1873--74 II, p. 1304 vlgg.) werd dan ook uitsluitend over inschulden en aandeden op naam gehandeld. Trouwens het in 1874 afgeschafte artikel 1198 B. W. sprak uitdrukkelijk slechts van inschulden.
Duidelijker dan onze wet is het Duitsche Wetboek, dat in § 1274 als eenigen eisch voor de ver-pandbaarheid van een recht stelt, dat het vatbaar zij voor overdracht, en eenige algemeene, op de verpanding van elk recht toepasselijke, regelen geeft.
239
Het ontwerp heefl gemeend dit voorbeeld te moeten volgen. Wel is waar zijn verpandingen van inschulden, naast die van zaken, de eenige waarvan veelvuldig gebruik gemaakt wordt, doch hierin ligt geen voldoende grond om de verpanding van andere rechten te verbieden. Aangenomen wordt dus de verpa,ndbaarheid van alle rechten, die vatbaar zijn voor overdracht.
Art. 411.
Het artikel voegt aan het hierboven reeds toegelichte beginsel de beperking toe, dat de rechten, die voor hypotheek vatbaar zijn, niet in pand kunnen worden gegeven; âdeze uitzondering ligt zóó voor de hand, dat eene nadere toelichting kan achterwege blijven.
Als voorbeelden van, naar de bedoeling van het ontwerp, verpandbare rechten mogen genoemd worden:
aandeelen in en vruchtgebruik van roerende zaken, wanneer het geval zich niet voordoet waarvan in het voorgaand artikel is gesproken;
rechten tegen een bepaald persoon, inschulden of vorderingsrechten, bepaaldelijk inschulden op naam. Inschulden aan toonder of aan order zijn in de voorgaande afdeeling ten aanzien van hel pandrecht als zaken beschouwd;
rechten van aandeelhouders in eene naamlooze of eene commanditaire vennootschap, met uitzondering van de aandeelen aan toonder;
het recht van erfgenaamschap of het recht op eene erfenis of op een evenredig deel daarvan (althans indien men met de meerderheid der schrijvers aanneemt, dat dit recht geschikt is om te worden overgedragen);
auteursrechten, rechten op een handels- of fabrieksmerk, of wel op een handelsnaam of firma en dergelijke (althans voorzoover zij als voor overdracht vatbaar zijn aan te merken).
Art. 412.
Verpanding is liet begin van eene overdracht. Hij, die verpandt, verklaart de zaak te willen overdragen aan den kooper, dien de pandnemer er later voor vinden zal. Hieruit volgt, dat voor de verpanding van eene zaak in het algemeen dezelfde vormen moeten gelden als voor de overdracht. Op dit denkbeeld steunt het voorgedragen artikel. Het gaat echter iels verder en verlangt voor de pandovereenkomst in elk geval eene schriftelijke akte, ook dan derhalve wanneer het recht zonder eenig geschrift zou kunnen worden overgedragen. Zoo zullen b.v. erfrecht, auteursrecht kunnen worden overgedragen mondeling, terwijl de verpanding van diezelfde rechten niet anders dan schriftelijk zal kunnen geschieden. Verpanding is zulk een gewichtig contract, zij geeft zooveel gelegenheid tot misbruik, het is bovendien zoo wenschelijk, dat partijen hare onderlinge verhouding daarbij bedachtzaam regelen , dat de eisch van een geschrift gerechtvaardigd schijnt.
Als voorbeelden van bijzondere bepalingen kunnen gelden : de beteekening, aanneming of erkenning bij overdracht van schuldvorderingen (artikel 668 B. W.); de verklaring bij overdracht van aandeelen op naam in eene naamlooze vennootschap (artikel 42 W. v. K.) en dergelijke; deze handelingen zijn dus, in denzelfden zin als voor de overdracht, ouk voor de vestiging van het pandrecht onmisbaar. Vgl. ook hierna artikel 415.
'J40
Art. 413.
De toelichting van deze bepaling werd hoofdzakelijk reeds in de inleiding gegeven. De pandgever blijft de ware gerechtigde; hij mag slechts niet over zijn recht beschikken ten nadeele van den pandnemer. Voor het geval van pandrecht op eene inschuld wordt de wederzijdsche verhouding van partijen in de artikelen 418 en 419 nader geregeld.
Onder de beschikkingen, waarvan in het tweede lid van het artikel wordt gesproken, behooren vervreemding van het vecht of bezwaring er van, dadingen ten aanzien van het recht aangegaan, vermindering van het bedrag der rente enz.
De bepaling van het derde lid berust op dezelfde beginselen als waarvan artikel 391 ten aanzien van zaken uitgaat, n.1. dat de pandhouder voor het behoud der zaak als een goed huisvader moet zorgen. Is hem eene hypothecaire schuld in pand gegeven, zoo zal hij voor de vernieuwing der hypotheek te bekwamer tijd moeten zorg dragen; beslaat er vrees, dat het recht van inschuld door verjaring zal te niet gaan, zoo zal hij maatregelen moeten nemen om de verjaring te stuiten, enz.
Art. 414.
Uit deze bepaling blijkt, dat het in het voorgaand artikel voorgeschrevene geen dwingend recht is. Willen partijen hare verhouding tot het verpande recht anders regelen dan de wet het doet, er bestaat geen reden het haar Ie beletten en zij hebben daartoe in de akte de geschikte gelegenheid. Dat de door den pandhouder genoten voordeelen met renten en hoofdsom worden verrekend, volgt uit artikel 390 in verband met artikel 411 tweede lid.
Art. 415.
De inhoud van dit artikel stemt overeen met dien van artikel 310 in den Titel van Vruchtgebruik; wat daar ter plaatse bij de toelichting is in het midden gebracht geldt ook hier.
Art. 41(3.
Het pandrecht op een recht geeft, indien de schuldenaar in gebreke is, den, schuldeischer bevoegdheid tot pandverkoop, evengoed als pandrecht op eene zaak. Wat de wijze van verkoop betreft houdt het ontwerp het midden tusschen hel thans bij ons geldende recht en het Duitsche Wetboek. Het B. W. kent ook ten aanzien van een verpand recht geen anderen verkoop dan dien hij publieke veiling, eigenmachtig door den schuldeischer bewerkstelligd. Het Duitsche Wetboek daarentegen, dat bij pand op zaken den gewonen pandverkoop toelaat, wil hier (§ 1277) niet anders dan executorialen verkoop krachtens vonnis. Met hety oog op het weinig courante van de voor verpanding vatbare rechten en het daaruit voortvloeiende gevaar, dat zij bij publieke veiling voor een geringen prij s van de hand gedaan zouden worden, scheen lechteilijk toezicht wenschelijk, terwijl aan den anderen kant de omslag en de kosten van eene uitwinning nadeelen zijn, die zoo mogelijk moesten worden vermeden. Vandaar het hier voorgestelde.
De tusschenkomst van den kantonrechter is derhalve niet noodig om den pandhouder het recht
241
tot verkoop te geven â dit recht, toch, bezit hij reeds krachtens de wet, â maar slechts om eene regeling te maken voor de wijze van verkoop, waarbij de belangen van den pandgever zijn betrokken. Vandaar, dat de kantonrechter den pandgever moet hooren. Betreft het eene inschuld, dan is ook het hooren van den schuldenaar voorgeschreven. Deze, toch, kan er groot belang bij hebben, dat de te zijnen laste bestaande vordering niet in publieke veiling komt of op andere wijze te koop wordt aangeboden, zoodat hij het verkieselijk vindt de schuld af te doen, indien de voorwaarden, waaronder de schuld is aangegaan, zich niet daartegen verzetten, of wel hij kan andere middelen aan de hand doen om den pandhouder te bevredigen. Het laatste lid van het artikel geeft partijen de bevoegdheid de wijze van verkoop, evenals in artikel 399 voor zaken is bepaald, bij onderling goedvinden te regelen.
Ten overvloede zij hier nog aangestipt, dat het artikel niet alleen ziet op vorderingen, zij het ook dat dit in den regel het geval zal zijn, maar op alle roerende rechten, die aan deneisch,in artikel 411 gesteld, voldoen.
Art. 417.
Nu de verpanding van een vruchtgebruik op, of een onverdeeld aandeel in, roerende zaken in artikel 410, onder de daarbij omschreven vereischten, zijn gelijkgesteld'met het pandrecht op de zaken zelve en in de eerste afdeeling is opgenomen, kan de werking der artikelen 388 en 403 ten aanzien van het in deze afdeeling geregelde pandrecht eenvoudig worden uitgesloten. Rechten zullen dus slechts door den werkelijk gerechtigde kunnen worden verpand, niet ocik door hem, die er den uiterlijken schijn van heeft gerechtigde te zijn. En de pandverkoop van een recht, die niet voldoet aan de door de wet gestelde eischen, draagt dat recht niet op den kooper over. De vraag kan gedaan worden of alle ten aanzien van den pandverkoop voorgeschreven formaliteiten £men bedenke, dat de artikelen 396 en vlgg. voorzooveel de aard der zaak het toelaat op dit geval toepasselijk zijn) van dat gewicht zijn, dat het verzuim daarvan nietigheid van de handeling tengevolge moet hebben. Het ontwerp meent hare beantwoording veilig aan wetenschap en rechtspraak te kunnen overlaten.
Volgens de bepaling van het voorgaand artikel bepaalt de kantonrechter, tenzij partijen onder elkander tot eene overeenkomst geraken, de wijze van verkoop. De opvolging der door hem te stellen regelen kan uit den aard der zaak nooit leiden tot eene nietigheid van den verkoop, a mochten deze in strijd zijn met heigeen in de voorgaande afdeeling ten aanzien van den pandverkoop is voorgeschreven.
Artt. 418 en 419.
In deze beide artikelen wordt eene beslissing genomen omtrent de vraag, welke de verhouding moet zijn van pandgever en pandhouder ten aanzien van de in pand gegeven inschuld. In den Tilel van Vruchtgebruik moest (artikelen 312â314) eene regeling gemaakt worden betreffende het vruchtgebruik van inschulden en, ofschoon de materie hier eene geheel andere is, ontmoeten de omtrent beide onderwerpen vastgestelde voorschriften elkander telkens, waar het ontwerp zich in de onderdeden der regeling moet begeven, Bij pandrecht is verschil gemaakt tusschen het geval, dat de schuldenaar van de door pand verzekerde inschuld niet, en het geval, dat hij. wil in
242
gebreke is. In het eerste (hierover wordt in artikel 418 gesproken) kan de in pand gegeven inschuld slechts door pandgever en pandhouder gezamenlijk worden opgezegd. Natuurlijk: zoolang de schuldenaar tegenover den schuldeischer zijne verplichting nakomt, bestaat er voor laatstgenoemde geen grond, en dus ook geen recht, om alleen handelend ten aanzien van de in pand gegeven schuld op te treden. Doch, evenals bij vruchtgebruik de vruchtgebruiker den eigenaar of schuldeischer kan dwingen mede te werken tol de opzegging van de inschuld, indien dit in beider belang noodzakelijk moet worden geacht, zoo kan ook de pandhouder eischen, dat zijne rechten niet in de waagschaal worden gesteld tengevolge van den onwil van den pandgever, die, vooral indien hij tevens schuldenaar is, onverschillig kan zijn ten opzichte van de kans om de in pand gegeven vordering geïnd te krijgen.
De invordering zelve is aan den pandhouder opgedragen, op wien dan ook de verantwoordelijkheid rust zulks te doen, indien een goed en ordelijk beheer dit zoude vorderen. Het Duitsche Wetboek behelst voor het hier besproken geval eene andere bepaling. Zoolang de schuldenaar niet in gebreke is, kan ook de hetaling slechts aan pandgever en pandhouder gezamenlijk geschieden, en beiden kunnen ook verlangen, dat het in te vorderen bedrag geconsigneerd of gesequestreerd zal worden. Dit ontwerp daarentegen ziet er geen bezwaar in den pandnemer reeds vóór dat in gebreke zijn het uitsluitend recht tot het ontvangen van de betaling der verpande inschuld toe te kennen en het betaalde bij hem als pand te laten blijven, naar de gewone regelen van het pandrecht op zaken. Eene hardheid tegenover den pandgever ligt daar niet in; wat natuurlijker dan dat het betaalde object van de verpande schuld naar zijnen aard de plaats inneemt, die tot nog toe dooide schuld zelve werd ingenomen ? En het is veel eenvoudiger. Intusschen heeft men gemeend ^r voor te moeten zorg dragen, dat de pandhouder de ingevorderde geldsom niet onder zich houdt zonder haar rentegevend te beleggen of wel dit op insoliede wijze doet, zeer tot schade van den schuldenaar; â vandaar de bepaling van het laatste lid van artikel 418 (men vergelijke hierlnj artikel 435 van het Ontwerp Eerste Boek , alsmede artikel 314 j0. artikel 289 van dit ontwerp). Terwijl bij vruchtgebruik de inschrijving op het Grootboek moet geschieden ten name van den eigenaar (artikel 289), heeft men er hier geen bezwaar in gezien, dat de pandhouder zulks op zijn eigen naam doet. De kans op misbruik is niet grooter dan bij het gewone pandrecht op zaken , indien de pandhouder het pand onder zich heeft, en voor dezen is het van overwegend belang, wanneer hij tot executie wenschtover te gaan.
Het thans geldende recht laat zich, zooals bekend is, over de hier behandelde quaesties niet uit. Uit de beraadslagingen in de Tweede Kamer over de wet van 1874 blijkt duidelijk, dat men zich, zonder zich de mogelijkheid van eene onderscheiding der beide tijdperken van vóór en na de in gebreke stelling voor te stellen, de bevoegdheid des pandnemers tot invordering toen als vanzelf sprekend heeft gedacht.
In het tweede geval (waarvan in artikel 419 wordt gesproken), nl. dat de schuldenaar der door pand verzekerde inschuld wèl in gebreke is, komt èn opzegging èn invordering den pandhouder toe. Dit kan niet twijfelachtig zijn, want het volgt onmiddellijk uit zijn recht van executie.
De bepaling van het tweede lid kan nuttig zijn voor het geval, dat door zorgeloosheid van den pandhouder het pand zou dreigen verloren te gaan tot zijn eigen nadeel, maar evenzeer ten nadeele van den pandgever.
Art. 420.
Bij de toelichting op artikel 413 is reeds gebleken, dat het ontwerp naast de invordering eener
243
verpande inschuld den pamlverkoop daarvan erkent. Men heeft echter gemeend de bevoegdheid tot dezen laatste te moeten beperken tot het geval, dat op het oogenblik, waarop hel recht tot pandrealisatie geboren wordt â het in gebreke geraken des schuldenaars van den pandnemer â, de verpande inschuld, als nog gebonden aan termijn of voorwaarde, niet opvorderbaar was. Het komt voor den pandgever in den regel zeker veel voordeeliger uit, dat de pandhouder tracht van den schuldenaar betaling te krijgen, dan dat hij de inschuld verkoopt De laatste weg moet daarom gevolgd worden alleen, indien de eerste niet toegankelijk is.
Art. 421.
Dit artikel geeft de bepaling van artikel 1204 B. W. met andere woorden weder en stemt overeen met hetgeen in artikel 890 hierover tèn aanzien van rentedragend papier is voorgeschreven.
TWAALFDE TITEL.
Van bewindvoerders.
Dat in het Boek, hetwelk de rechten op zaken behandelt, eene regeling van het instituut dei-bewindvoerders wordt voorgesteld, vindt zijne verklaring, en tevens zijne rechtvaardiging, in den aard van liet bewind, dat het onderwerp van dezen Titel uitmaakt, nl. het bewind over geschonken of bij uitersten wil nagelaten zaken. Zeer eigenaardig en in menig opzicht niet onjuist kenschetsen de schrijvers over het Oud-Hollandsch recht â die de bewind voering bespreken bij gelegenheid van het voogdij-recht, uit hetwelk de instelling zich bij ons historisch ontwikkeld heeft, âhaar als eene tutela rei. Men heeft getracht in den voorgedragen Titel dit karakter tot zijn volle recht te doen komen, en, als aan het slot van den Titel eenige bijzondere bepalingen worden voorgesteld voor het geval, dat onder bewind gestelde zaken aan vruchtgebruik zijn onderworpen, dan geschiedt dit niet om daarvoor andere beginselen te doen gelden, doch alleen, omdat men meende, dat op dit soort van bewind al het voorgestelde niet voetstoots kon worden toegepast.
Tot verdere toelichting van het standpunt, waarop men zich bij het vaststellen van dezen Titel heeft geplaatst, zij in de eerste plaats herinnerd, dat, terwijl bewind over zaken aan een ander toebehoorende eene instelling is, die onder het bestaande recht vaak wordt aangewend en, blijkens de artikelen 357, 471, 481 en 510 vlgg. van het Ontwerp Eerste Boek , ook reeds in de voorstellen tot herziening van het B. W, eene plaats bekleedt, de strekking van het onder bewind stellen lang niet altijd dezelfde is.
Het valt al dadelijk in het oog, dat in sommige gevallen slechts sprake is van eene zeer lijdelijke voorziening, terwijl in andere gevallen een maatregel van meer hlijvenden aard wordt beoogd. In dit opzicht kan men, wat het geldende recht aangaat, de opdracht van bewind in den loop van procedures tot onder-curateelestelling, ingeval van -plaatsing in een krankzinnigengesticht , of wel bij afwezigheid van recht- of belanghebbenden (artikel 495 B. W., artikel 33 Wet van 27 April 1884, Stbl. 96, artikelen 519 en 1117 B. \V.) stellen tegenover het bewind ingesteld over fideicommissaire goederen of aan andere makingen en schenkingen verbonden, of wel het bewind opgedragen over goederen met vruchtgebruik bezwaard of aan vruchtgenot onderworpen (artikelen 1025, 1066 jis 362, 836, 850, 863 B. W.).
244
Van meer belang is de onderscheiding, die men kan maken met het oog op het doel, hetwelk men met de bewindsopdracht heeft gehad. Zoo zal, uitzonderingen daargelaten, in de gevallen van onder-curateelestelling, van krankzinnigheid en van afwezigheid in de eerste plaats beoogd zijn de (voorloopige) vervanging van een eigenaar, die op zeker oogenblik buiten staat geraakt, of verondersteld wordt te geraken, om zijne eigene belangen waar te nemen. De aanwijzing van een bewindvoerder , daarentegen, over fideicommissaire goederen, of over zaken met vruchtgebruik bezwaard ot onder beheer staande van den vader van minderjarige kinderen heeft meestal ten doel de gerechtigden tot het goed te beschermen tegen mogelijke misbruiken van de zijde van hen, die anders de feitelijke macht over het goed zouden uitoefenen. In menig ander geval, eindelijk, in het bijzonder van making of schenking, is het onder bewind stellen gericht op bescherming van den bevoordeelde tegen zich zeiven, wanneer hij, die de zaak vermaakt of schenkt, bevreesd is voor een onoordeelkundig beheer of een lichtzinnig gebruik, zoodat hij, om de duurzaamheid van het geschonken voordeel te verzekeren, het bewind over de zaak aan een ander wil opgedragen zien. In de laatstbedoelde gevallen is de invloed van de onder-bewindstelling niet ongelijk aan dien van de voogdij of de onder-curateelestelling ten aanzien van het vermogen der minderjarigen of onder curateele gestelden, â zij het ook, dat bij dezen sprake is van een gemis van algemeene handelingsbevoegdheid, maar bovendien toont dit onder bewind stellen ook verwantschap aan met hel fideicommis. Hier, zooals daar, wordt beoogd het bewaard blijven van de geschonken of nagelaten zaak in het vermogen van den bevoordeelde, in beide gevallen menigmaal gedurende diens gansche leven. Daardoor wordt het onder bewind gestelde goed feitelijk min of meer aan het verkeer onttrokken en in de eerste plaats diende men zich dus af te vragen of zulk eene instelling in het ontwerp moest behouden worden. Naar den Code bij wetsduiding uitgesloten (tenzij men den in artikel 1055 voorkomenden tuieur van fideicommissair goed als een bewindvoerder in den geest van het Burgerlijk Wetboek aanmerkt) en bij artikel 1100 Wetboek 1830 uitdrukkelijk verboden, vond zij na de herziening weder eene plaats in onze wet (Asser, Verg. §§ 525 en 550), evenals zij in het Ontwerp 1820 (artikelen 2127â 2134) behouden was geworden. Doch de artikelen 1066â1069 B. W., die in hoofdzaak slechts de aanstelling, vervanging en ontzetting van bewindvoerders regelen, deden niet veel meer dan de instelling erkennen; zóózeer laten zij de positie van den bewindvoerder op menig punt in het onzekere, dat zij niet dan zijdelings de bevoegdheid erkennen om hem loon toe te leggen. Waarom men, met het Ontwerp 1820 voor oogen, zoo sober was in de regeling, toen men de oud-vaderlandsche instelling zelve weder opnam, blijkt niet.
Niettegenstaande deze onvoldoende regeling en de moeielijkheden-, die daaruit voortvloeien (waarover o. a. Mr. Coninck Liefsting in Themis 1872, p. 277 vlgg., en Mr. Karsten ibidem 1875, p. 19 vlgg.), is sedert 1838 een zeer ruim gebruik van de onder-bewindstelling gemaakt. Men heeft in deze uitspraak van de practijk omtrent hare wenschelijkheid en in de overtuiging, dat zij over het algemeen nuttig werkt, aanleiding gevonden om de bewindvoering in de wet te blijven opnemen. Intusschen spreekt het vanzelf, dat hare regeling dan meer moest worden uitgewerkt en het beginsel, waarop zij rust, beter tot zijn recht moest komen. Onder meer diende men uitdrukkelijk voor te schrijven, dat de « tutela rei» medebrengt onbevoegdheid van den eigenaar om de zaak te vervreemden of te bezwaren, ook langs zijdelingschen weg, door het maken van schulden, die op het onder bewind gestelde kunnen worden verhaald; aan de schuldeischers moest het recht om die zaken uit te winnen voor andere vorderingen, dan die op de zaken zelve betrekking hebben, worden
245
ontzegd. Een aantal andere voorzieningen, tot de evenvermelde in verband staande, zijn in den Titel voorgesteld.
Met de regeling op dezen voet voor oogen achtte men de plaatsing van den Titel in het Tweede Boek gerechtvaardigd, en tevens de grenzen der toepasselijkheid daarvan aangegeven. De Titel moest niet strekken om de bewindvoering te regelen voor alle gevallen, waarin zij in de wet wordt aangetroffen , maar zich bepalen tot het bewind over nagelaten of geschonken goederen, door den erflater of schenker ingesteld; de consequent op dezen grondslag gebouwde regeling kon niet passen voor elke andere opdracht van bewind, die (zooals boven werd aangewezen) vaak in zoo geheel verschillende bedoelingen haren oorsprong vindt.
Zeer zeker zouden verscheidene der hier voorgedragen bepalingen ook voor de andere gevallen van bewindvoering bruikbaar kunnen zijn, maar die bruikbaarheid vereischt een bijzonder onderzoek, en de toepasselijkverklaring zal dus deel moeten uitmaken van eene afzonderlijke regeling dezer soorten van bewind. De Titel van Vruchtgebruik gaf daarvan reeds een voorbeeld. Men heeft derhalve ook niet voorbijgezien, dat de Titel niet gelden kan als eene nadere regeling van de bewindvoeringen , voorkomende in het Ontwerp Eerste Boek; daartoe is hij dan ook niet bestemd. Er scheen te minder reden om op de betrokken punten wijzigingen in dat Ontwerp voor te stellen, omdat het nog op een aantal andere punten in overeenstemming zal moeten worden gebracht met het nu voorgestelde, eer beide te zamen tot wet kunnen worden verheven.
Eindelijk heeft men dezen Titel geheel los willen houden van de vraag, of de bevoegdheid om nagelaten goederen onder bewind te stellen tot het wettelijk erfdeel mag worden uitgestrekt. Deze vraag schijnt veeleer een vraag van erf recht en, al moge de wijze, waarop de bewindvoering hier ter plaatse is geregeld, er toe kunnen bijdragen om haar met meer juistheid te beantwoorden, het beginsel zelf zal ongetwijfeld bij de regeling van het erfrecht moeten worden uitgemaakt.
Uit de toelichting der afzonderlijke artikelen zal eene meer volledige ontwikkeling van de beginselen, waarop de bepalingen van dezen Titel rusten, vanzelf volgen.
Art. 422,
Van het beginsel uitgaande, dat de onder-bewindstelling ten doel moet hebben te zorgen, dat de bevoordeelde het hem vermaakte of geschonkene behoudt, zoodat dan ook, ingevolge het bepaalde in artikel 446, slechts vorderingen de geschonken of vermaakte zaken betreffende op deze kunnen worden verhaald, moet aan den bewindvoerder niet alleen het beheer zijn opgedragen, maar behoort bovendien door uitdrukkelijke wetsbepaling vast te staan, dat hij den verkrijger in zaken het bewind betreffende vertegenwoordigt. Immers alleen daaruit laten zich bepalingen als bij de artikelen 435, 438 en 444 voorgesteld rechtvaardigen, en het scheen ook wenschelijk het met zoovele woorden in de wet te kennen te geven, opdat niet, bij gemis daarvan, de uitlegger der wet de vertegenwoordiging zoude willen beperken tot de gevallen in de bijzondere wetsbepalingen omschreven, terwijl de aard der instelling medebrengt, dat de opdracht van het bewind â tot op bewijs van het tegendeel door stellige wilsverklaring van den insleller â zal medebrengen eene vertegenwoordiging in alle burgerlijke handelingen, tot het bewind betrekking hebbende.
Dat bij natuurlijke personen de uiterste grens van den duur der bewindvoering hun leven moest zijn, sprak vanzelf; bij rechtspersonen evenwel (en niets in den aard der instelling schijnt
246
aan eene onder-bewindstelling van aan rechtspersonen nagelaten of geschonken zaken in den weg te staan) diende een termijn bepaald te worden voor dien duur, en wel een termijn, die (behoudens hetgeen uit het bepaalde in den aanhef van artikel 451 volgen kan) niet te lang mocht zijn, met het oog op de weiischelijkheid om den eigendom der zaak niet blijvend van het beheer daarover te scheiden.
Art. 423. .
Bij schenkingen onder de levenden mag het bewind alleen bij de akte van schenking zelve worden ingesteld. Men achtte het niet toelaatbaar om, nadat de schenking voltrokken is en de bevoordeeling dus reeds heeft plaats gehad, daarop in zekeren zin weder terug te komen en het weggeschonken goed onder beheer van derden te stellen. Deze grond geldt niet bij makingen, die tot op het oogenblik van het overlijden van den erflater geenerlei gevolg kunnen hebben, zoodat eene onder-bewindstelling bij latere akte zonder bezwaar kon worden toegestaan, en daardoor de gelegenheid worden geopend om, zonder herroeping of vernieuwing van de uiterste-wilsbeschikking, maatregelen te nemen, door verandering van omstandigheden noodzakelijk geworden. De bepaling, dat zoodanige latere akte eene authentieke moet zijn, en dat eene dergelijke beschikking niet incidenteel in eene andere authentieke akte zal mogen geschieden, rechtvaardigt zich zelve, â daartoe is zij van te groot belang, terwijl de authentieke vorm, ook met het oog op het in het laatste lid bepaalde, noodzakelijk is. De bepaling van het laatste lid wil â wellicht ten overvloede zij het hier opgemerkt, â eene openbaarmaking als waarborg voor derden tegen mogelijk nadeel, wanneer zij, zonder dat hun dit bekend was, zouden blijken verkregen te hebben van iemand, wiens recht om te vervreemden of te beschikken door de instelling van het bewind is beperkt, eene bescherming, die evenwel alleen noodig is met betrekking tot onroerende zaken. Immers, al strekt de beperking der bevoegdheid van den eigenaar zich ook uit tot roerende zaken, de regelen voor de eigendoms-verkrijging van deze vastgesteld maken het onmogelijk, dat derden ooit nadeel zouden kunnen lijden door eene op zichzelve onwettige vervreemding door den eigenaar, die de zaak in zijne feitelijke macht mocht hebben gekregen. Wél zijn nog andere wijzen van openbaarmaking denkbaar, zooals aankondigingen van het bewind in de nieuwsbladen, met verwijzing naar ter griffie neder te leggen beschrijvingen van alles, waarover het bewind zich uitstrekt, doch door deze en dergelijke maatregelen voor te schrijven zoude men ten behoeve van derden de belangen van den eigenaar te zeer uit het oog verliezen.
De akte van instelling moet eene uitdrukkelijke aanwijzing bevatten van de onroerende zaken, ilie onder bewind gesteld zijn. Alleen op deze wijze kunnen derden de noodige zekerheid verkrijgen. Wanneer derhalve de erflater zijne nalatenschap of een deel daarvan onder den meer gemelden last vermaakt , zal hij zich de moeite moeten getroosten die zaken met name te noemen of aan té wijzen , wil hij verzekerd zijn, dat deze niet buiten den bewindvoerder om kunnen vervreemd of bezwaard worden. Bij eene gewichtige beschikking als deze mag het bezwaar, dat het tot eenigen omslag voor den erflater kan leiden, niet gelden. Daarentegen heeft men niet zóóver willen gaan van nietigheid dei-akte van instelling te bedreigen voor het geval de voormelde aanwijzing daarin niet had plaats gegrepen. Ten aanzien van schenkingen of legaten, waar van bepaalde zaken sprake is, zoude een dergelijk voorschritt weinig bezwaar opleveren, doch ten opzichte van erfstellingen stuitte men op
247
te groote moeielijkheden. De daaruit voortvloeiende eisch, dat bij iedere verkrijging van eenig onroerend goed de erflater zijn testament zou moeten wijzigen, zoude ten gevolge hebben, dat deze zijne beschikking ten voordeele van den bedoelden persoon achterwege liet, of wel de zaken niet onder bewind stelde, hoe gewenscht dit ook mocht geweest zijn.
Art. 424.
Met het eerste lid van dit artikel vergelijke men artikel 430. De opdracht van bewind beval in beginsel eene algemeene lastgeving, die door ieder der daartoe aangewezen personen in volle uitgestrektheid kan worden uitgevoerd, maar tevens schept zij â in dit opzicht afwijkende van het beginsel van artikel 1841 B. W., â eene onbeperkte aansprakelijkheid van ieder hunner, onverschillig wie handelend is opgetreden. Dientengevolge meende men dan ook, dat het uitvallen van een der bewindvoerders noch in den omvang der werkzaamheden, noch in de verhouding der overgeblevenen verandering kon brengen (anders artikel 2130 Ontwerp 1820). Op dezen regel kan de erflater zelf eene uitzondering maken, hetzij door de werkzaamheden der bewindvoerders te verdeelen , hetzij door, ook zonder zoodanige verdeeling, te bepalen, dat de uitvallende bewindvoerder door een ander zal worden vervangen. Het tweede lid van het artikel geeft hem de bevoegdheid om, door aanwijzing van een opvolger, op deze vervanging invloed uit te oefenen. De aanwijzing kan geschieden door den opvolger bij name te noemen, â zij geschiedt intusschen evengoed door elke andere aanwijzing, zoo slechts duidelijk blijkt wie in dezen bedoeld is.
Over de wenschelijkbeid in het algemeen om aan beheerders het recht te geven zich andere beheerders toe te voegen of opvolgers te kiezen, kan men verschillend denken. De tegenzin tegen het op deze wijze somtijds toekennen van voordeelen aan personen uit eigen kring is niet onbekend en ook niet geheel zonder grond. Toch heeft men gemeend daaraan in dezen geen te groot gewicht te moeten hechten, wanneer de insteller van het bewind zelf daarin geen bezwaar heeft gezien. Indien de bewindvoering uitsluitend het karakter had van lastgeving, ook in den meest uitgebreiden zin, dan zoude het verleenen van de meergenoemde bevoegdheid uit rechtskundig oogpunt tnoeielijk te verdedigen zijn; het is hier toch niet de erflater of schenker, maar de door hem aangewezen bewindvoerder, die niet alleen een medewerker, maar zelfs een opvolger aanstellen kan. Doch, zooals reeds werd in het licht gesteld, de instelling van het bewind brengt mede, dat het onder deze voorwaarde verkregene eenigermate buiten hel verkeer wordt gesteld, zoodat rechtsgevolgen daaraan verbonden zijn, verder reikend dan die eener bloote lastgeving. Indien nu de erflater of schenker, aan wiens oordeel het ontwerp, blijkens de artikelen 431, 438 in fine, 447, reeds zooveel wenscht over te laten, van meening is, dat het door hem beoogde doel het best bereikt wordt, indien de door hem aangewezen bewindvoerder de bevoegdheid verkrijgt medewerkers en opvolgers te kiezen, en het in hem gestelde vertrouwen zóó ver uitstrekt, dan scheen geen reden aanwezig om te eischen,. dat de opvolger door den rechter werd benoemd, en evenmin om te verbieden, dat de bewindvoerder zich een medewerker zoude toevoegen. Hiermede stemt artikel 2129 j® artikel 2093 van het Ontwerp 1820 overeen.
Het in het vierde lid van het artikel bepaalde dient om twijfel aangaande het daar veroorloofde, dat in geen enkel opzicht met den aard der instelling strijdt, uit te sluiten. Daarentegen zou het
248
wel in strijd zijn met dien aard, dat zij, die de wet geheel of ten deele onbekwaam acht om hunne eigene zaken zelfstandig te beheeren, bekwaam zouden worden geacht om, vooral in den omvang, waarin dit volgens dezen Titel zal kunnen geschieden, bewind te voeren over het goed van anderen. Vandaar het voorschrift in het laatste lid van het artikel.
Art. 425.
De aanhef van het artikel komt overeen met dien van artikel 4068 B. W. Waarom een bewindvoerder kan weigeren de hem opgedragen taak te aanvaarden, terwijl den voogd die bevoegdheid niet is gegeven dan in de bijzondere gevallen door de wet aangegeven, ligt voor de hand. Bij den eerste, toch, is niet, zooals bij den laatste, sprake van eene voor de maatschappij onontbeerlijke instelling in het belang van hen, die uit hunne natuur zelve buiten staat zijn voor zicbzelven te zorgen, maar slechts van eene facultatieve opdracht door hem, die, op gronden aan eigen inzicht ontleend, de bevoordeeling niet dan onder deze voorwaarde wil doen plaats hebben. Voor eene verplichting om zoodanige opdracht te aanvaarden zou dus niet de minste grond bestaan. Maar wel is er reden om, in het belang, zoo van bevoordeelde als van derden, onzekerheid uil te sluiten of de opdracht al dan niet is aangenomen; hiertoe strekt het bepaalde in het tweede lid van het artikel.
Artt. 426 en 427.
Dat er afdoende redenen kunnen bestaan, ook in het belang van den bevoordeelde, om een eenmaal aanvaard bewind neder te leggen, zal wel niet betwijfeld worden; zelfs bij het munus publicum der voogdij wordt de aanspraak op ontslag in sommige gevallen erkend. Het zou dan ook niet wenschelijk zijn in dit opzicht de bepaling van artikel 1068 B. W. na te volgen, door elke mogelijkheid af te snijden om ontslag te bekomen uit een eenmaal aanvaard bewind. Aan den anderen kant ware eene willekeurige nederlegging van de opdracht zeer zeker in strijd met dé belangen van het toevertrouwd beheer; vandaar dat artikel 426 wil eene ontheffing door den rechter, doch niet beperkt tot enkele in de wet omschreven omstandigheden, maar in elk voorkomend geval, waarin de rechter het verzoek gegrond acht. De kantonrechter schijnt de aangewezen autoriteit om daarover te oordeelen. Hetzelfde is van toepassing wanneer de bewindvoerder ontbreekt, hetzij ten gevolge van overlijden of ontzetting, hetzij omdat de door den erflater of schenker gedane benoemingen om welke reden ook geen gevolg hebben , waartoe wel in de eerste plaats zal behooren bet geval, dat de benoemden weigeren de betrekking te aanvaarden. Het hier voorgestelde sluit zich meer aan bij het bepaalde in artikel 2130 van het Ontwerp 1820, dan bij artikel 1067 B. W., hetwelk alleen van eene voorziening door de rechtbank gewag maakt.
Men heeft getracht de aanwijzing van den bevoegden rechter zóó te doen, dat geschil over de vraag tot welken kantonrechter men zich zal moeten wenden uitgesloten schijnt, en voor de enkele gevallen, dat de aanwijzing geen gevolg kan hebben, b. v. omdat de erflater of schenker zijn domicilie niet in Nederland had, voorziet de bepaling van artikel 454. Dat de keuze zich gevestigd heeft op den kantonrechter van het domicilie des erflaters of des schenkers, vindt hierin zijne verdediging, dat deze rechter, met personen en toestanden plaatselijk bekend, bij deri aanvang van het bewind de meest geschikte schijnt om de belangen van de betrokken partijen te behartigen, terwijl,
249
yoorzoover het latere voorzieningen betreft, daargelaten dg moeielijkheid der,beslissing welke kantonrechter dan zou moeten worden aangewezen, in den regel de hier genoemde de meest geschikte zal blijven.
De wenschelijkheid om, in het geval bij het eerste lid van artikel 426 omschreven, den eigenaar te hooien, zal wel niet nader behoeven te worden toegelicht.
Het meervoud «de benoemden» in artikel 427 duidt, in overeenstemming met het eerste lid van artikel 444, aan, dat eerst met hel wegvallen van den laaisten benoemde grond voor benoeming door den rechter ontstaat.
Art. 428.
Terwijl artikel 1069 B. W. alle redenen van ontzetting uit eene voogdij toepasselijk verklaart op bewindvoerders en het Ontwerp 1820 alleen grove nalatigheid of kwade trouw in het gevoerd beheer als gronden voor ontzetting erkent, sluit het voorgedragen artikel zich bij artikel 406 van het Ontwerp Eerste Boek aan, doch met deze afwijking, dat sommige redenen niet zijn overgenomen en ten aanzien van andere eene wijziging is voorgesteld. Zoo moge bekend slecht levensgedrag (artikel 406 n0, 2) afdoenden grond opleveren om iemand het toezicht over den persoon van dén minderjarige en de leiding van diens opvoeding te ontnemen, â de geschiktheid om bewind te voeren over zaken aan een ander vermaakt of geschonken wordt daardoor niet uitgesloten, terwijl er voor de vrees, dat een bewindvoerder, die zelf, of wiens vader, moeder, echtgenoote of kinderen een proces tegen den bevoordeelde voeren, zijne plichten als bewindvoerder minder zouter harte nemen, in het algemeen te weinig grond bestaat dan dat overneming eener bepaling als die van artikel 406 n0. 7 gerechtvaardigd zoude kunnen geacht worden. Trouwens, indien zoodanig gevolg zich mocht voordoen, dan zal in den regel n0. 2 van het voorgedragen artikel ingeroepen kunnen woi'den.
Het verschil tusschen artikel 406 n0. 3 Ontwerp Eerste Boek en het hier voorgedragen n0. 2 vindt zijne verdediging in het in dezen Titel voorgestelde bij de artikelen 431, 430, 438 en andere daarmede verwante bepalingen. Ook het verschil tusschen de nos 3 en 4 alhier en de nos 4 en 5 van voormeld artikel 406 schijnt geene uitdrukkelijke opheldering te eischen.
Het lag voor de hand om de procedure voor ontzetting van een voogd voorgeschreven en de daarbij toegelaten voorloopige maatregelen hier analogisch toepasselijk te verklaren; eveneens de voorzieningen voor het geval de voogd eene vrijheidstraf van meer dan één jaar moet ondergaan. Daartoe strekt de hier voorgedragen slotbejialing.
Artt, 429 en 430.
Terwijl de bepaling van eerstgemeld artikel geenerlei toelichting behoeft, kan, wat het tweede artikel aangaat, in hoofdzaak verwezen worden naar hetgeen tot toelichting van de artikelen 385 en S47 Ontwerp Eerste Boek is in het midden gebracht.
Het in het eerste lid bepaalde vloeit, zooals reeds bij de toelichting op artikel 424 werd opgemerkt, uit den aard der opdracht voort.
Dal , bij verdeeling der werkzaamheden door den erflater of schenker, de een niet bevoegd is zich in te laten met hetgeen tot den werkkring van den ander behoort en hij derhalve ook niet aansprakelijk is voor hetgeen buiten zijn werkkring door den ander is verricht , â is duidelijk. Men
... ff'
250
heeft zich evenwel ook het geval gedacht, dat de een zijne medewerking verleent tot eene werkzaamheid, waarvan de uitvoering behoort tot den tak van beheer van een ander. Voor zoodanige medewerking moet die bewindvoerder evenzeer aansprakelijk worden gesteld.
Art. 431.
Vooral in dit artikel is de gedachte uitgedrukt, die aan de regeling van het bewind in dezen Titel ten grondslag ligt, nl. dat de bewindvoerder de persoon is, wien de erflater of schenker zijn vertrouwen heeft geschonken, eene gedachte, waarmede eene bepaling als die van artikel 2089 Ontwerp 1820 (zie ook artikel 2129 van dat Ontwerp), dat een bewindvoerder als zoodanig op verzoek van belanghebbenden zou kunnen geweerd worden, omdat zij hem voor «verdacht» houden, ten eenenmale in strijd zoude zijn. Wèl verbindt het voorgedragen ontwerp, evenals bij voogdij en bij curateele, aan de vertegenwoordiging van den bevoordeelde in een aantal gevallen waarborgen tegen misbruik van die bevoegdheid, maar, indien de insteller van het bewind die waarborgen on-noodig oordeelt, kan hij ze grootendeels (vgl. evenwel artikel 448) opheffen. Omgekeerd kunnen den bewindvoerders andere verplichtingen worden opgelegd dan in de wet zijn genoemd. Maar, opdat hij vóór de aanvaarding der opdracht zoude weten welke verplichtingen hij daardoor op zich neemt, mocht alleen bij de akte van instelling zelve deze bevoegdheid aan den insteller gegeven worden.
Artt. 432, 433 en 434.
Men vergelijke hierbij de artikelen 258 en 259 uit den Titel van Vruchtgebruik.
Dat de bewindvoerder met de zorg voor den bij artikel 428 voorgeschreven maatregel van openbaarheid behoort te worden belast, scheen niet twijfelachtig en evenmin, dat hij voor het opmaken van de beschrijving der zaken, die onder zijn beheer komen, als grondslag zijner verantwoording, moet zorgen. Voor eerstgemelde verplichting is geen termijn voorgeschreven; men heeft begrepen, dat die in sommige gevallen allicht tekort. in andere gevallen allicht te lang zoude kunnen zyn, en dat het dus wenschelijk was den bewindvoerder tot spoedig handelen te nopen en hem daardoor voor iedere noodelooze vertraging aansprakelijk te stellen.
Aroor de verplichting om te inventariseeren is een termijn van drie maanden als regel gesteld, waarop de kantonrechter uitzondering kan veroorloven. Ten aanzien van de mogelijkheid om de beschrijving ondershands te doen plaats hebben en om zelfs vrijstelling te bekomen van het opmaken van die beschrijving, kan verwezen worden naar hetgeen ter toelichting van de artikelen 258 en 259 in het midden is gebracht. De opdracht aan den kantonrechter om in sommige gevallen vrijstelling te verleenen van het opmaken eener boedelbeschrijving sluit in zich de onbevoegdheid van den erflater of schenker om zelf die vrijstelling te geven; daardoor, toch, zou aan de eindrekening, van het doen waarvan de bewindvoerders niet kunnen ontslagen worden, veelal alle beteekenis worden ontnomen.
Art. 435.
Onder verwijzing naar hetgeen reeds op artikel 422 is aangeteekend zij nog het navolgende
251
opgemerkt. Indien aan hem, wiens erfdeel onder bewind is gesteld, het recht wordt toegekend om de boedelscheiding te vorderen, gaat het niet aan hem als partij bij de scheidingsakte te weren. Maar in dat geval zou ook alleen aan hem kunnen worden afgegeven wat hem werd toebedeeld, en, aangezien hij allicht weinig genegen zou zijn dit in handen van den bewindvoerder te stellen, zoodat deze zoude moeten aanvangen met het in rechte op te vorderen, scheen het wensclielijker ook in dit geval den bewindvoerder als zijn vertegenwoordiger te doen optreden. Aan den anderen kant diende gezorgd te worden, dat het belang van den vertegenwoordigde behoorlijk in het oog werd gehouden, zoodat het artikel voorschrijft scheiding in den voor minderjarigen voorgeschreven vorm en dientengevolge ook goedkeuring der scheiding door den kantonrechter, aan wien de erfgenaam al wat hem gewenscht voorkomt kan voordragen.
Art. 436.
De vermelding van den plicht, om de voorschriften der akte van instelling in acht te nemen, is van belang om dengene, wiens zaken onder bewind zijn gesteld, een grondslag te geven voor den eisch lot vergoeding van het nadeel, hetwelk hem door de niet-nakoming mocht zijn berokkend.
Art. 437.
Ofschoon voogdij en bewind zeer verschillende rechtsinstituten zijn, konden een aantal voorschriften aangaande het bestuur van den voogd over het vermogen van den minderjarige dienst doen om de belangen van hem, wiens zaken onder bewind gesteld zijn, te behartigen, of hem tegen benadeeling en misbruik van macht te beschermen.
In de eerste plaats heefl men het oog gehad op de wijze van beschikken over roerende zaken, voorzoover zij niet vallen onder die, waarvan in artikel 448 melding wordt gemaakt, en op de belegging van gelden. Te dien aanzien wordt verwezen naar de artikelen 434 en 435 van het Ontwerp Eerste Boek. De bepaling, dat de roerende goederen, die aan bederf of aanmerkelijke vermindering in waarde onderhevig zijn, te gelde moeten gemaakt worden, wordt aanmerkelijk verzacht door de in artikel 437 vooropgezette bepaling, dat de erflater of schenker daaromtrent andere beschikkingen kan maken, en ditzelfde geldt voor de wijze van geldbelegging.
Artt. 438 en 439.
In de tweede plaals wordt den bewindvoerder, evenals den voogd in artikel 437 Ontwerp Eeiste Boek de last gegeven voor sommige daden van beheer het verlof van den kantonrechter te vragen. Slechts drie van de in voornoemd arlikel 437 voorkomende gevallen konden hier van toepassing zijn; de reden daarvoor behoeft niet nader toegelicht te worden. De woorden: «inschulden of «andere onlichamelijke roerende zaken» heeft men in artikel 438, in overeenstemming met de terminologie van het ontwerp, vervangen door het woord: «rechten».
Artikel 438 noemt sub 2°. «het opnemen van gelden ». Artikel 437 3°. Ontwerp Eerste Boek voegt daarbij ; «ten laste van den minderjarige». Teneinde niet te praejudicieeren omtrent de vraag, die bij artikel
252
446 zal terquot; sprake komen, n.1. in hóeverre de eigenaar ook in zijn overig vermogen aansprakelijk moet zijn voor de verbintenissen, die de bewindvoerder in zijne hoedanigheid heeft aangegaan , is éene dergelijke uitdrukking hier ter plaatse vermeden. Dat de dadingen, waarvan artikel 438 sub 3°. gewag maakt, alleen kunnen betreffen de zaken, waarover het bewind wordt gevoerd, behoefde niet vermeld te worden. De analogische toepassing der verder aangehaalde artikelen biedt geene möeielijkheid aan.
Ook in deze gevallen kan, volgens hel laatste lid van het artikel, de insteller van het bewind: nader regelend optreden.
Artikel 439 is ontleend aan artikel 441 Ontwerp Eerste Boek.
Art. 440.
De bewindvoerder vertegenwoordigt, naar artikel 422, den verkrijger in de burgerlijke handelingen tot het bewind betrekkelijk, doch, zooals vanzelf spreekt, slechts binnen de grenzen zijner wettelijke bevoegdheid. Bij overschrijding dier grenzen is eene nietigverklaring der handeling derhalve principieel gerechtvaardigd; den geadministreerde af te schepen met eene vordering tegen den bewindvoerder tot vergoeding der hem berokkende schade zou in de practijk licht, tot duurzaam nadeel voor eerstgenoemde leiden. De nietigverklaring moet dus kunnen worden gevraagd, doch niet verder dan noodzakelijk is. Wanneer door hem, tegen wien de nietigverklaring gevorderd wordt, kan aangetoond worden, dat het verzuim of de overtreding geen materieel nadeel voor den eigenaar heeft ten gevolge gehad, moet het recht om tegen de handeling op te komen vervallen, en evenzeer, indien de eigenaar de handeling heett goedgekeurd, tot welke goedkeuring hij als belanghebbende, mits na het eindigen van het bewind, volkomen het recht heeft.
Deze laatste bepaling staat nevens, niet tegenover den inhoud van het laatste lid van artikel 449. Verlies van het recht om zich op de nietigheid der handeling te beroepen sluit niet in zich afstand van de aanspraak op vergoeding der veroorzaakte schade tegenover den bewindvoerder, die zich aan de hier bedoelde verzuimen heeft schuldig gemaakt.
Art. 441.
Ook bij dit en de beide volgende artikelen hebben de bepalingen uit het Ontwerp Eerste Boek, betreffende het bestuur van den voogd, tot leiddraad gestrekt. Intusschen stonden de beide gevallen niet geheel gelijk. Terwijl in geval van voogdij het voortzetten van de door den overleden vader gedreven zaak meestal in het belang der minderjarigen zal zijn, zoodat de voogd het verlof daartoe in den regel zal \ ragen, ligt deze veronderstelling, voor het geval een erflater of schenker liet bestuur' van het nagelaten ot geschonken kapitaal aan den meerderjarigen bevoordeelde niet toevertrouwt, minder voor de hand. Vandaar, dat men bij het bewind als regel heeft aangenomen, dat de zaak wordt vereffend, tenzij de erflater of schenker den bewindvoerder heeft gemachtigd haar voort té zetten (in welk geval de beslissing aan den bewindvoerder zal staan), of wel deze voortzetting heeft bevolen, â een en ander behoudens het bepaalde in artikel 443.
Vermits de voortzetting der onderneming belemmerd zou knnnen worden, indien geene ver-
253
koopingen of geldopnemingen konden plaats hebbenâ zonder voorafgaand rechterlijk verlof, heeft men in het tweede lid van artikel 441 de veronderstelling uitgesproken. dat hij, die verlof of bevel gaf tot voortzetting, tevens ontheffing verleende van de in artikel 448 sub l0. en 2°. voorgeschreven formaliteiten, â eene veronderstelling, die voor bewijs van het tegendeel natuurlijk zou nnoeten wijken.
Het derde lid van artikel Mi is ontleend aan artikel 447 Ontwerp Eerste Boek waar diezelfde bevoegdheid aan den toeziend⢠voogd is gegeven. Ook hier ter plaatse is eene herinnering aan artikel 443 niet ongepast. Derden mede-belanghebbenden, toch, kunnen het recht hebben om de kennisr neming van boeken en balans te weigeren.
Art. 442.
De bevoegdheid, den toezienden voogd in artikel 448 Ontwerp Eerste Boek gegeven, wordt hier in het eerste lid den eigenaar toegestaan. Ten gevolge van de staking zal nu de vereffening moeten volgen, in welk geval de bepalingen van artikel 438 sub 1°. en 2°. weder zullen moeten worden nageleefd. Eij â¢verlies van 30 quot;/â op het kapitaal wordt het bedrijf, ook zonder verlof van den kantonrechter, gestaakt. Mocht de bewindvoerder in deze en in de overige verplichtingen, hem in de hier besproken artikelen opgelegd, te kort komen, dan heeft de eigenaar in artikel 428 sub 2°. het middel om zich tegen verder nadeel te behoeden.
Art. 443.
Op het bepaalde in dit artikel werd hierboven reeds met een enkel woord gewezen.
Met eene beslissing over vereffenen of staken van de onderneming kunnen de rechten van derden gemoeid zijn, b.v. indien de erflater niet de eenige deelhebber was, of indien hij, nevens den geadministreerde, meerdere erfgenamen naliet, die evenzeer recht hadden om aan de onderneming deel te nemen. Het spreekt wel vanzelf, dat dergelijke gevallen niet door de artikelen 441 en 442 beheerscht kunnen worden; in hoeverre de bepalingen in die artikelen vervat moeten wijken voor de rechten van derden, behoort niet tot de regeling van het bewind. Daarom bevat artikel 443 niets anders dan de erkenning, dat de werking der artikelen eene grens vindt in zoodanige rechten.
Artt. 444 en 445.
Ook ten aanzien van het in rechte optreden, zoo eischend als verwerend, heeft men zich gericht naar de bepalingen omtrent voogdij, zoodat voor de toelichting van deze artikelen verwezen mag worden naar hetgeen ter toelichting van de artikelen 444 en 445 in het Ontwerp Eerste Boek is in het midden gebracht. Dat de eigenaar moet gehoord worden, komt overeen met hetgeen in de voorafgaande artikelen van dezen Titel is voorgeschreven. Alleen dient nog opgemerkt te worden, dat deze artikelen, in verband met artikel 422, de beslissing in zich sluiten, dat gedingen betreffende onder bewind gestelde zaken gevoerd worden niet door of tegen den eigenaar, maar door of tegen den bewindvoerder, als hem vertegenwoordigende.
254
Art. 446.
Hierboven is bij de toelichting op artikel 422 reeds opgemerkt, dat het hier voorgestelde behoort, tot die bepalingen, door welke het karakter der bewindvoering, als instelling om den bevoordeelde tegen zichzelven te beveiligen, op de meest ondubbelzinnige wijze op den voorgrond treedt. In de allereerste plaats moet den eigenaar dus de gelegenheid benomen worden de zaken te vervreemden of te bezwaren, doch, indien het onder bewind gestelde zoude blootstaan aan uitwinning ter zake van andere door den eigenaar verrichte handelingen, dan werd het doel om aan de bevoordeeling duurzaamheid te verschaffen, niet bereikt. Vandaar dat vorderingen, uit anderen hoofde tegen den eigenaar bestaande, niet op de onder bewind gestelde zaken zullen ku nnen worden verhaald; daarentegen moet de aansprakelijkheid dier zaken zich wèl uitstrekken tot alle schulden of verbintenissen reeds door den erflater of schenker aangegaan. Ten overvloede zij herinnerd, dat ten dezen slechts sprake kan zijn van civielrechtelijke vorderingen; â het verhaal ter zake van puhliehrecldelijlce praestaties ligt geheel builen deze beschouwingen. Wordt het onder bewind gestelde alzoo in bovenvermeld opzicht als een afzonderlijk vermogen beschouwd, zoo leidt de consequentie er toe omgekeerd het overige vermogen van den eigenaar onaantastbaar te verklaren voor de vorderingen uit het bewind voortvloeiende. Mocht uit deze niet-aansprakelijkheid van het overige vermogen van den eigenaar nadeel ontstaan voor den crediteur, dan moet deze laatste die schade lijden, die, met een bewindvoerder handelende, juist met het oog op de onder beheer gestelde zaken crediet verleende, â niet de eigenaar, die in dezen geheel builen de handelingen staat.
Art. 447.
In den regel zal eene jaarlijksche rekening en verantwoording met uitkeering der vruchten overeenkomen met den aard van het bewind en het belang van den eigenaar. Het kan evenwel ook anders zijn. De aard van de onder bewind gestelde zaken, de bijzondere bepalingen, die bij de akte van instelling zijn gemaakt, kunnen ten gevolge hebben, dat eene andere bedoeling door den erflater of schenker is uitgedrukt of verondersteld moet worden bij hem te hebben bestaan, zoodat eene rekening en verantwoording om de drie maanden, om het half jaar, wellicht om de twee jaren moet plaats hebben. Bij dit laatste denke men b. v. aan een bosch, dat niet telken jare voortbrengselen kan opleveren. Tevens zij hier opgemerkt, dat men het uitkeeren van vruchten en inkomsten niet zóó strengquot; aan hel doen van rekening en verantwoording heeft willen verbinden, dat hel den bewindvoerder niet zoude veroorloofd zijn voorloopige uilkeeringen aan den eigenaar te doen, indien dit zonder bezwaar voor het beheer en in het belang van den eigenaar mocht kunnen geschieden.
Met het beperken der verplichting tot de zuivere vruchten en inkomsten bedoelt het artikel niet alleen, dal de bewindvoerder bevoegd zal zijn om op zijne ontvangsten te korten wat hij reeds aan wettige kosten van beheer heeft uitgegeven en wat hem als loon toekomt, maar, indien zijn beheer als goed huisvader medebrengt om een deel der ingekomen gelden in te houden ter betaling van nog loopende rekeningen, belastingtermijnen enz., of omdat onkosten te verwachten zijn, die uit
255
de ontvangsten van den eerstvolgenden tijd niet zullen kunnen gekweten worden, â dan zal hem die inhouding veroorloofd zijn en mag eene dusdanige verantwoording als eene verantwoording van de zuivere inkomsten aangemerkt worden.
Artt. 448 en 449.
Indien de bewindvoerder van het doen van eindrekening kon worden vrijgesteld, welke mogelijkheid ten aanzien van de rekening en verantwoording, in het voorgaand artikel bedoeld, niet is uitgesloten, zoo zoude aan de instelling hare grondgedachte en rechtvaardiging, dat zij strekt tot welzijn van den geadministreerde, grootendeels ontvallen. Bij het eindigen van het bewind in den persoon van den bewindvoerder treedt de opvolgende bewindvoerder op in de plaats van den eigenaar en moet aan hem rekening en verantwoording worden gedaan, hetzij door den afgetredene, hetzij door de erfgenamen van den bewindvoerder, indien deze overleden is.
De aanduiding in artikel 449 van hetgeen de eigenaar daarbij in uitgaaf moet lijden (eene aanduiding, die ook voor de verantwoording in artikel 447 bedoeld van toepassing is) stemt overeen met die rakende de voogdijrekening, in artikel 449 Ontwerp Eerste Boek vervat. Nadere toelichting Ie dezen aanzien schijnt onnoodig: wat noodzakelijke en betamelijke uitgaven zijn, is te zeer van feitelijke omstandigheden afhankelijk dan dat daaromtrent nadere omschrijving zoude kunnen gegeven worden, â en ditzelfde geldt omtrent de vraag of zij behoorlijk zijn gerechtvaardigd.
Van eene rekening, af te leggen aan een door den erflater of schenker aangewezen derde, heeft het artikel, evenals het voorgaande, met opzet gezwegen , met de bedoeling, dat dergelijke aanwijzing niet zou worden toegelaten. Het zoude, zoo meende men, te ver gaan den overigens volkomen rechtsbevoegden eigenaar uit te sluiten van de beoordeeling der handelingen van den bewindvoerder.
De bepaling, in het tweede lid van artikel 449 voorgesteld, heeft ten doel de nakoming der bedoelingen van den erflater of schenker te verzekeren tegen het gevaar, dat de bewindvoerder uit gemakzucht of zwakheid toegeeft aan ongeoorloofde wenschen van den eigenaar. De wetenschap, dat tegen het gaan buiten den hem opgelegden last geene ontheffing van verantwoordelijkheid kan worden verkregen, noch bij de jaarlijksche rekening van artikel 447, noch op eene andere wijze, zal den bewindvoerder een spoorslag zijn om zich stipt aan de op hem rustende verplichtingen te houden en niet af Ie wijken van de in artikel 436 voorgeschreven gedragslijn.
Er wordt alleen gesproken van hetgeen hij heeft verricht of nagelaten «.buiten den kring van «het gewone heJieen. Al wat binnen den kring van dat beheer valt kan onder minder strenge voorschriften vallen. Het zou tot hoogst onrechtvaardige gevolgen kunnen leiden, indien de bewindvoerder bij de eindrekening nog verantwoordelijk kon worden gehouden voor handelingen, zelfs weinig beteekenende, van zuiver beheer, ten aanzien waarvan het debat omtrent, hare al- ot niet-doelmatigheid. na verloop van wellicht vele jaren, reeds op zichzelf moeielijk is, doch die bovendien gesanctionneerd zijn door de goedkeuring van den eigenaar, of doordien deze den bewindvoerder van alle verantwoordelijkheid te dien aanzien heeft ontheven.
Art. 450.
Beeds bij den aanhef der toelichting van dezen Titel is de opmerking gemaakt, dat de regelen, voor bewindvoering in het algemeen gegeven, niet zonder wijziging zouden kunnen worden toegepast ingeval van bewind over zaken met vruchtgebruik bezwaard.
25(j
Intusschen had men toen niet het oog op elke bewindvoering van dergelijken aard. Daar waar, evenals thans naar de artikelen 833, 836 eri 850 B. W , het beheèr over zaken onder vruchtgebruik wordt opgedragen aan derden, omdat noch door den vruchtgebruiker, noch door den eigenaar zekerheid wordt gesteld, is dit bewind reeds in bijzonderheden, en met inachtneming van de daarbij in aanmerking komende eigenaardigheden, geregeld in den Titel van Vruchtgebruik. Het geval, waarvoor de artikelen 450 â 453 geschreven zijn, doet zich voor, wanneer, zooals ook door den aanhef van artikel 450 wordt aangeduid, niet de ree/der, maar de erjlater of sahenker onder bewind heeft gesteld zaken, die tevens aan vruchtgebruik onderworpen zijn, â zooals menigmaal voorkomt bij legaten en erfstellingen ten behoeve van inrichlingen van liefdadigheid, onder voorbehoud van vruchtgebruik aan den echtgenoot of aan anderen. Bij een dergelijk soort van bewind dringt zich de vraag op, welk karakter daaraan moet worden toegeschreven. Moet men van de veronderstelling uitgaan, dat het is ingesteld, omdat men het beheer over de zaken niet toevertrouwde aan hem, wien het zoude toekomen, den vruchtgebruiker, of is het verlangen van den insteller geweest, dat het goed onder bewind zoude komen, afgescheiden van de bijkomende omstandigheid , dat het onder voorbehoud van vruchtgebruik is geschonken'?
Het scheen intusschen, dat eene beantwoording dier vraag in verschillenden zin niet tot verschillende regeling behoefde te leiden en de wetgever volstaan kon met eenige practische voorschriften te geven, gegrond op hetgeen aan het hier bedoelde geval meer bijzonder eigen is.
Art. 451.
In de eerste plaats heeft dit artikel eene beslissing gegeven omtrent den duur van het recht, en in dit opzicht is men van de veronderstelling uitgegaan, dat de wil van den insteller is gericht geweest op het in stand houden der zaak gedurende het vruchtgebruik, ten behoeve van den eigenaar, eene veronderstelling, evenwel, die zal moeten wijken voor gevolgtrekkingen van een tegenover-gestelden aard, uit de akte van instelling voortvloeiende.
De bepalingen, in het tweede en derde lid vervat, worden gerechtvaardigd door het belang, dat zoowel de vruchtgebruiker als de eigenaar bij de beschrijving en bij door den rechter te nemen beschikkingen hebben of althans kunnen hebben.
De grondregel voor de bevoegdheid om rechterlijke tusschenkomst te kunnen inroepen, nl. dat men belang heeft, zal den grondslag moeten geven voor de beslissing of, behalve de eigenaar, ook de vruchtgebruiker een verzoek kan doen of als eischer kan optreden; â de wetgever kan dus wel niet anders doen dan dit aan de omstandigheden overlaten; het bij artikel 431 en in andere artikelen aan den insteller verleende recht om voorschriften van bewind te geven kan van overwegenden invloed op de al- of niet-aanwezigheid van belang voor den vruchtgebruiker zijn.
Art. 452.
Dat alleen de vruchtgebruiker belanghebbendé is bij eene rekening en verantwoording, die slechts over de vruchten loopt, en bij de uitkeering van het saldo dier rekening, ligt voor de hand; vandaar het bepaalde in het eerste lid.
257
Het tweede lid berust op de niet te betwisten stelling, dat bij de eindrekening van artikel 448 zoowel eigenaar als vruchtgebruiker belang hebben.
Art. 453.
Terwijl den vruchtgebruiker in het algemeen de bevoegdheid is gegeven zijn recht over te dragen, zooals uit de bepaling van artikel 257 is gebleken, wordt deze bevoegdheid hem in dit artikel ontzegd, tenzij de erflater of schenker het tegendeel heeft bepaald. Men is hierbij van het denkbeeld uitgegaan, dat de erflater of schenker het bewind waarschijnlijk heeft ingesteld om den vruchtgebruiker het blijvend genot der inkomsten te verzekeren; deze bedoeling zoude verijdeld worden, indien den vruchtgebruiker de bevoegdheid werd gelaten zijn recht over te dragen. Den erflater of schenker moet dus de beslissing in de hand worden gegeven of het vruchtgebruik al dan niet vervreemdbaar zal zijn.
Art. 454.
Alleen voor beslissingen in de gevallen bedoeld in de artikelen 426 en 427 is aanwijzing van den rechter van het domicilie des erflaters of des schenkers aanbevelenswaardig. Daar, waar beslissingen noodig zijn ten aanzien van het beheer van den bewindvoerder, is opdracht van rechtsmacht aan den rechter van zijn domicilie het meest in het belang van alle betrokkenen. De tweede zinsnede van het artikel strekt, gelijk reeds bij de toelichting van artikel 427 is gezegd, om te zorgen dat geene uitspraak achterwege blijve, omdat de daartoe bevoegde Nederlandsche rechter ontbreekt. Een bevoegde Nederlandsche rechter, omdat het ontwerp ook hier vasthoudt aan het beginsel om den bodem van het internationaal privaatrecht niet te betreden.
Door de verwijzing naar artikel 259 bevat het artikel eene algemeene regeling van vormen en instantiën.
DERTIENDE TITEL.
Tan de openbare registers van onroerende zahen.
Het ontwerp heeft, door de bepaling in het derde lid van artikeHOO vervat en door de herhaalde verwijzing daarheen in de verschillende Titels van dit Boek, vastgehouden aan het beginsel, dat de werking van overdracht, en afstand van eigendom, alsmede die van vestiging, overdracht en afstand van zakelijke rechten, afhankelijk zijn van de overschrijving der daartoe betrekkelijke akten of vonnissen in de openbare registers. Daargelaten, nu, dat er nog andere onderwerpen zijn, waaromtrent de voor ieder toegankelijke registers het noodige licht moeten verschaffen (men denke bv. aan de bepalingen in den Titel van Bewindvoerders) , zoo levert het bovenstaande reeds op zichzelf
voldoenden grond op om de bepalingen, welke het Burgerlijk Wetboek in den Titel van Hypotheek
gg
258
en op enkele andere plaatsen bevat, aan te vullen en van toepassing te doen zijn in den omvang, dien gemeld beginsel medebrengt. Daartoe wordt bijeenvoeging der Depalingen in een afzonderlijken Titel gevorderd, hetgeen verkieselijk scheen boven het vermelden der voorschriften in aansluiting aan het artikel, waarin voor het eerst van het onderwerp sprake is, om dan later daarnaar telkens te verwijzen. In dit opzicht is het voorbeeld der Staatscommissie van 1867 gevolgd, terwijl men ook kon instemmen met de plaats, welke zij aan dien Titel in het Tweede Boek had toegedacht.
Wel geldt het hier voorschriften van algemeene strekking, rakende de onroerende zaken, die men geneigd zou kunnen zijn in den eersten Titel op te nemen in aansluiting aan de aldaar voorkomende algemeene bepalingen omtrent die zaken; daarvoor zijn ze echter, zoowel ieder voor zich als in hun verband, weder niet algemeen genoeg, terwijl, van een anderen kant, hun eigenaardig karakter er zich tegen verzet. Zij geven het antwoord op de vragen: waar en door wien worden de openbare registers gehouden; aan welke formeele vereischten moeten de akten en andere stukken voldoen om overgeschreven te worden ; wanneer begint de werking dier overschrijving; welke zijn de verplichtingen van den bewaarder te dien aanzien tegenover het publiek en welke is de sanctie dier verplichtingen op privaatrechtelijk terrein? Het zijn dus eigenlijk, althans in hoofdzaak , slechts voorschriften van uitvoering, samenhangende met de in de voorgaande Titels verspreide bepalingen, die de openbaarmaking tot voorwaarde van de daarvan afhankelijke bekende rechtsgevolgen stellen. Zoo zijn ze in zeker opzicht van ondergeschikten aard , en kan het geen fout van rangschikking zijn den Titel, die ze bevat, achteraan, namelijk aan het slot van dit Boek te plaatsen.
Welke bepalingen behoort de nieuwe Titel ten aanzien van de boekhoncliny te bevatten, m. a. w. welke der vele voorschriften, die in het een of ander opzicht voor het behoorlijk houden der openbare registers noodig of nuttig zijn, behooren in het Burgerlijk Wetboek tehuis? Zoowel de geschiedenis van het ontstaan der voorschriften rakende de bedoelde registers, die bij hypotheek in het bestaande Wetboek voorkomen, als hetgeen later ten aanzien van de openbare registers in het algemeen dooide Staatscommissie van 1867 is overwogen en vastgesteld, hebben tot de overtuiging geleid, dat, moge het noodzakelijk zijn in het ontwerp te doen uitkomen wat in het aangenomen stelsel ter kennisneming van het publiek in de registers moet worden opgenomen, de inrichting der hoehhoudiny daarin niet behoort te worden geregeld.
Terwijl de Code in de artikelen 2200â2203 de boekhouding op enkele punten regelde en daarbij omtrent één register â het dagregister â voorschreef wat het moest behelzen, meende de Hegeering, bij het voorstellen van de eerste ontwerpen van ons Burgerlijk Wetboek, dat deze bepalingen niet daarin behoorden te worden overgenomen, als zijnde verordeningen van reglementairen aard. Bovendien was men vervuld met het denkbeeld om een «registre unique» aan te leggen, waarvan de nadere regeling zoude geschieden in eene afzonderlijke wet, doch waarop de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek zouden moeten passen. Terwijl men zich voorstelde in dit register te vermelden ieder grondstuk, ieder kadastraal perceel, teneinde daarbij alles te kunnen opteekenen wat ten aanzien van dat grondstuk of perceel zoude plaats hebben â overdracht van eigendom, vestiging van zakelijke rechten, hypothecaire inschrijvingen â, was het volkomen rationeel, dat, in aansluiting daaraan, artikel 17 der wet van 5 Maart 1825 (artikel 1255 van het Wetboek 1830) werd vastgesteld met den volgenden inhoud: «de inschrijving der hypothecaire verbanden zal «plaats hebben in de openbare registers, welke bestemd zijn tot de overschrijving der akten van «overdracht van vaste goederen en andere rechten.»
259
Bij de herziening van voormeld Wetboek in 1833 is men teruggekomen op het vereenigen van inschrijvingen en overschrijvingen in één en hetzelfde register, docli aan de inschrijving op het perceel en niet op den naam des eiyenaars zou door deze verandering, zoo zeide men, geen de minste afbreuk worden gedaan. Vgl. Voorduin, dl. IV, p, 537.
Intnsschen, ook dat beginsel ontmoette in de uitvoering hindernissen, die het tot dusver hebben doen ter zijde stellen. Toen men zicli namelijk de inschrijvingen op de perceelen in het «registre unique» voorspiegelde, had men het kadaster voor oogen, dat wel iti 1825 nog onvoltooid was, maar zijne voltooiing naderde. En nu zouden de nommers van hel kadaster dienen om de grondstukken te individualiseeren en de volgorde der inboeking zou naar de volgorde der nommers geschieden. Zoo werd het in het K. B. van 1 Augustus 1828 voorgeschreven. Men zag toen over het hoofd, of liever, de ervaring had nog niet geleerd, hoe groot en hoe onophoudelijk de gedaanteverwisselingen zijn, welke de kadastrale perceelen in en door het verkeer plegen te ondergaan. Die perceelen worden gesplitst en bijeengevoegd, het laatste dikwerf bij gedeelten, afkomstig van verschillende moederperceelen, en zoo vormen zich telkens nieuwe eenheden, waaraan het kadaster een nieuw nommer toekent, en wier rechtstoestand dus, zoo men de grondgedachte had willen volgen, onder dat nieuwe nommer volledig had behooren te worden omschreven. Welk hoogst omslachtig en moeielijk werk, inzonderheid wanneer die rechtstoestand ton deele door dien van deze en ten deele door dien van gene moederperceelen wordt bepaald, daardoor onvermijdelijk wordt, laat zich bij eenig nadenken begrijpen. Voor die moeielijkheid is men reeds bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek teruggedeinsd, en het Besluit van 8 Augustus 1838 strekt, om, evenals in het Fransche stelsel, het eigenlijke overzicht van den rechtstoestand in een algemeen register op de namen der eigenaren of rechthebbenden te geven, waarnaast dan wordt gehouden een register van aanwijzing van kadastrale perceelen (het zoogenaamde register n0. 09), in hetwelk de bestaande en later alle nieuwe nommers worden ingeschreven, met verwijzing naast elk van die nommers naar het deel en de bladzijde van het zooeven aangeduide algemeene register , waar elk perceel als overgedragen of bezwaard is aangeteekend. Zie artikel 4 van het K. B. van 8 Augustus 1838 (Stbl. n0. 27).
Nadat in den boezem der Staatscommissie van 1867 hevige strijd was gevoerd over de vraag, of men in het Burgerlijk Wetboek voorschriften zou opnemen overeenstemmende met de thans bestaande inrichting der openbare registers, dan wel of men daarbij de voorkeur zou geven aan eene kort te voren aan het Departement van Financiën bewerkte boekhouding, waarin het beginsel dei-inschrijving op de perceelen op den voorgrond trad, werd len slotte besloten, nadat de Commissie nog het advies van bepaald deskundigen (hypotheekbewaarders en landmeters) had ingewonnen, tot handhaving van de regeling van 1838. Artikel 7 van den door haar voorgedragen Titel XXI, bepaaldelijk de nos 4 en 5 van dat artikel, zijn de vrucht van dat besluit, Intnsschen heefl artikel 1 van het K, B, van 30 Juli 1878 (Stbl. n0, 104), als uitvloeisel van de wet op de vernieuwing dei-bestaande hypothecaire inschrijvingen d,d, 5 Juni 1878 (Stbl, n0, 90), liet K, B, van 8 Augustus 1838 hierboven vermeld gewijzigd, en daarmede ook eene afwijking tot stand gebracht van hetgeen met zooveel zorg en nauwgezetheid door de Staatscommissie van 1867 was overwogen en ten slotte voorgedragen, door te bepalen dat «de hypothecaire verbanden, na 31 December 1878 in de openbare «registers in te schrijven, niet aangeteekend worden in het algemeen register bedoeld in art. 3 van «het besluit van 1838»,
260
Bij de zoo wisselende inzichten omtrent dit onderwerp, en met het oog op den aard van het negatieve stelsel, tengevolge waarvan een algemeen register toch niet anders zou kunnen zijn dan een hulpmiddel om den weg te vinden in de registers van overschrijving, waarop het ten dezen aankomt, heeft men gemeend in het ontwerp geene beslissing te moeten nemen. Het Burgerlijk Wetboek , hetwelk de onderlinge rechtsbetrekkingen der bijzondere personen regelt, behoorl zich niet verder met de registers in te laten dan noodig is om de rechtsgevolgen, die liet privaatrecht aan de inboeking verbindt, nauwkeurig te bepalen; maar de voorschriften, hoe die registers zullen worden ingericht en welke namen zij zullen dragen, raken de wijze, waarop de Staat hier zijne tusschenkomst verleent, en hebben dus een publiekrechtelijk karakter. Zij kunnen bij eene wet ad hou of ook, zooals tot dusver is geschied, bij Koninklijke Besluiten worden gegeven.
Er is een tweede punt, ten aanzien waarvan in het ontwerp afgeweken is van den door de Staatscommissie van d8(37 ingeslagen weg, te weten met betrekking tot den streng door haar volgehouden eisch om de onroerende goederen uitsluitend naar hunne kadastrale kenmerken aan te duiden (zie artikel 10 van voormelden Titel XXI). Deze eisch, toch, leidt tot ernstige moeielijkheden; eene der voornaamste daarvan doet zich bij het verhandelen van gedeelten van perceelen voor, omdat alsdan de nieuwe kadastrale kenmerken moeten vastgesteld worden naar aanleiding juist van de rechtshandeling, wier constateering bij akte hunne vermelding reeds vordert. Volgens de administratieve voorschriften verliest in het bedoelde geval het gesplitste perceel zijn nommer. terwijl het verkochte en niet verkochte gedeelte beide een nieuw krijgen. Maar dat geschiedt eerst na meting en bijteekening op hulpkaarten. Wordt inmiddels het verkochte gedeelte bezwaard, dan pleegt men het als een gedeelte van een nommer in de borderellen van inschrijving aan te duiden, hetgeen tengevolge heeft, dat van het niet bezwaarde gedeelte vóór de toekenning van het nieuwe nommer zeker geen, en ook daarna meestal hoogst moeielijk een getuigschrift van onbezwaardheid te verkrijgen is (zie Verslag van de Staatscommissie, p. 344).
Om in dat bezwaar te voorzien neemt de Staatscommissie van 1867 hare toevlucht tot de volgende regeling. Zij laat de onmiddellijke overschrijving of inschrijving toe, maar schort de werking daarvan op, totdat eene akte of een vonnis houdende aanvulling op dezelfde wijze is openbaar gemaakt, aan welke akte of vonnis zij dan terugwerkende kracht toekent, doch slechts voorzoover daardoor geen rechten door derden in den tusschentijd verkregen benadeeld worden. Dit zou hiertoe voeren, dat wie een gedeelte van een hem toebehoorend perceel verkoopt, dit gedeelte, in weerwil dat de kooper de akte in de registers heeft laten inschrijven, later nog geldig met hypotheek zou kunnen belasten of zelfs aan een ander verkoopen. Dat stelsel is reeds dikwerf bestreden en het thans ingediende ontwerp heeft er zich dan ook geenszins mede vereenigd. Wie het zijne heeft gedaan om den waarborg te erlangen, dien de openbaarmaking bestemd is te geven, moet zich niet meer bedrogen kunnen] zien, allerminst ten gevolge van omstandigheden, die hij niet beheerschen kan.
Doch. al kon men op doeltreffender wijze in het genoemde bezwaar voorzien, dan nog scheen het toekennen van zulk eene overwegende beteekenis aan de kadastrale kenmerken niet gerechtvaardigd. Niemand zou de grenzen der perceelen op de kadastrale kaart tot eigendomsgrenzen willen verheffen, ja, niemand, die de wording van het kadaster in bijzonderheden kent, zou zelfs in de wet willen geschreven zien, dat de grenzen op het kadastrale plan, behoudens tegenbewijs, zullen vermoed worden fa juiste te zijn. Immers, wat bij de vervaardiging van het kadaster is geconstateerd geworden, is ten hoogste geweest de toenmalige bezitstoestand en zelfs daarbij is men vaak opper-
261
vlakkig te werk gegaan. En nu ligt er al dadelijk zekere tegenstrijdigheid in, om de kadastrale aanduiding, die toch in zoo nauw verband staat tot de afscheiding der perceelen op de kaart, voor een juridiek doel verplichtend te stellen, terwijl men aan de grenzen op het plan alle juridieke beteekenis ontzegt.
Bovendien zijn aan dien eisch nog verschillende schaduwzijden verbonden. Alle deskundigen zijn het er over eens, dat de hypothecaire boekhouding overvloeit van fouten met betrekking tot de kadastrale aanduiding. Dit wordt in de eerste plaats daaraan geweten, dat in onderhandsche akten van eigendomsoverdracht de kadastrale kenmerken, zij het dan ook onverplicht, plegen vermeld te worden, maar het zeer dikwijls onnauwkeurig geschiedt. En van dat euvel zijn ook de notarieele akten niet vrij. Wel heett de Hooge Raad bij arrest van '23 Februari 1844 (Ned. Rechlspr, dl. 46, p. 409) omtrent artikel 37, tweede lid, der Wet op het Notarisambt uitgemaakt, dat de notarissen zich behooren te vergewissen omtrent het juiste kadastrale nommer, maar de daarin gelegen verantwoordelijkheid heeft, naar het oordeel van de mannen van het vak, niet veel te beteekenen, omdat op de overtreding slechts eene boete van /quot;40 is gesteld, de bewaarders, alvorens proces-verbaal op te maken, de notarissen in de gelegenheid moeten stellen de fout te verbeteren, en eindelijk de kans op ontdekking niet grool is, omdat de meeste hypotheekbewaarders de kadastrale kaarten niet raadplegen wegens gebrek aan technische kennis en uit vrees, dat zij anders zouden verantwoordelijk zijn voor de juistheid der vernommeringen bij het kadaster (vgi. «Tijdschrift voor Kadaster en Landmeetkunde», eerste jaargang p. 21â24, zesde jaargang p. 134 en vlgg.).
Dat vergissingen in die vernommeringen, die ook volgens de deskundigen gemakkelijk kunnen voorkomen, groote verwarring kunnen stichten en dus tegen de verplichte kadastrale aanduiding pleiten, behoeft geen betoog, en ditzelfde geldt van andere werkzaamheden bij het kadaster, zooals de zoogenaamde redresmetingen, die, in verband met die aanduiding, evenzeer tot veel ongerief en onzekerheid aanleiding kunnen geven.
Men heeft alzoo gemeend, dat handhaving van den eisch tot aanduiding door kadastrale kenmerken in klimmende mate gevaar voor de rechtszekerheid zal opleveren. Aan den anderen kant bestond er geen reden om het middel van aanduiding, dat, op zichzelf beschouwd, zoo doelmatig en zoo doeltreffend zou kunnen wezen, geheel en al te weren. Op gelijke lijn met andere middelen van aanduiding kan de gebruikelijke verwijzing, door sectie en nommer, naar de kadastrale kaart van groot nut zijn, en het is zelfs wenschelijk, dat die verwijzing in zwang blijve, omdat, zoo te eeniger tijd de bewerking en de boekhouding van het kadaster voldoende waarborgen mochten opleveren om er de boekhouding der onroerende zaken aan vast te koppelen, het publiek zich aan een daaraan beantwoordend wettelijk voorschrift niet als aan iets ongewoons behoeft te wennen.
Ten slotte zij nog gezegd, dat het ontwerp alleen spreekt van overschrijving. Doordien het bor-derellenstelsel niet is overgenomen, behoorde van inschrijvingen geene melding meer te worden gemaakt. Waarom men daartoe is overgegaan, is in de inleiding der toelichting op den Titel van Hypotheek uiteengezet. Voorts wordt nog gesproken van aauteehenïnyen', in de inleiding zoo even genoemd is hare beteekenis reeds aangegeven, alsmede bij de toelichting op artikel 378; â hierna zal deze wijze van vermelding in de registers andermaal ter sprake komen, en wel bij de toelichting op artikel 469.
Artt. 455 en 456.
Deze beide artikelen zijn ontleend aan de eerste twee artikelen van den door de Staatscommissie van 1867 voorgestelden XXIsten Titel, en de op p, 103 en 104 van het verslag dier Commissie voor-
p
1
262
komende toelichting is derhalve ook hier van toepassing. De hoofdstrekking van het eerste dezer artikelen is om vast te stellen, dat de openbaarmaking der handelingen betreffende vast goed moet plaats hebben aan het kantoor, binnen welks kring het goed ligt. Zooals men weet zou thans de overschrijving, bijv. ten kantore te Maastricht van eene akte van verkoop van eenig in Zuid-Holland gelegen perceel, niet met de wet strijden. En waar het vonnissen geldt, zou men zelfs kunnen beweren, dat de overschrijving moet geschieden daar, waar de rechtbank, die het vonnis wees, haren zetel heeft. Het zal wel geen betoog behoeven, dat belanghebbenden door de hier voorgestelde regeling gebaat zullen zijn.
Dat, een ambtenaar, wiens tekortkomingen zulke ingrijpende civielrechtelijke gevolgen kunnen hebben, met betrekking tot het ambt, waarvan de waarneming tot die mogelijkheid aanleiding geeft, behoort te zijn onderworpen aan het toezicht van den Minister van Justitie, ligt in den aard dei-zaak. Dit belet natuurlijk niet, dat, voorzoover hij tevens belast is met het invorderen van rechten van overschrijving ol aanteekening, hij onder de controle van het ministerie van Financiën kan staan. En het belet evenmin, dat de bewaarder ook bewaarder van het kadaster blijft en in die betrekking onder laatstgemeld departement behoort. Het bij de inleiding gezegde brengt namelijk geenszins mede, dat de bewaring van het kadaster, die sedert 1 Januari 1844 met de bewaring der hypotheken vereenigd is, daarvan weder gescheiden worde. Men zou dit integendeel betreuren. Want, al bestaat er bezwaar tegen om liet thans bestaande verband tusschen de beide boekhoudingen te bestendigen, het gedane kan niet ongedaan gemaakt worden en, zooals reeds werd opgemerkt, het is wenschelijk de door het publiek aangenomen gewoonte van aanduiding door middel van de kadastrale kenmerken, behoudens de juridieke werking daarvan, eer te bevorderen dan tegen te gaan.
Art. 457.
Wanneer thans overgegaan wordt tot vaststelling van hetgeen in de openbare registers zijne plaats moet vinden, wil het rechtskracht verkrijgen, dan moet in de eerste plaats melding gemaakt worden van die akten, in de vorige Titels vermeld, wier werking van eene overschrijving in de registers is afhankelijk gesteld. Die akten, toch, zijn in het verkeer de belangrijkste, en de bepalingen dienaangaande gemaakt sluiten zich, zooals bij de toelichting van de verschillende Titels is gebleken, aan bij eene hoofdbepaling, te vinden in het derde lid van artikel 100. Tot nadere toelichting hiervan is eene herinnering aan hetgeen voorgeschreven is in de artikelen 107, 121, 1H8, 158, 183, 189 enz. voldoende.
In al die gevallen is de overschrijving noodig om de akte te laten gelden zoo tusschen partijen als tegenover derden.
Behalve genoemde akten vermeldt het artikel: 1°. de akten houdende beschikkingen, waarvan opheffing of beperking van de vervreemdbaarheid van eene zaak het gevolg is. Men heeft daarbij het oog gehad o. a. op de erfstellingen over de hand, vermeld in artikel 1033 B. W., en in het algemeen willen te kunnen geven, dat ook de geheele of gedeeltelijke onvervreemdbaarheid eener onroerende zaak te beschouwen is als een zakelijke last, die, althans tegen derden, niet werkt, zoolang de akte, waarbij hij werd opgelegd, niet is overgeschreven. Of en in welke gevallen eene onroerende zaak onvervreemdbaar gemaakt kan worden, had men hier niet te beslissen.
Onder de akten, houdende verbetering van reeds overgeschreven akten, onder n0. '2 genoemd,
'263
heeft men te verstaan zoodanige akten, waarin wordt te kennen gegeven, dat er fouten in de over te schrijven akte, heizij haar origineel, hetzij het ter overschrijving aangeboden afschrift, zijn gemaakt, die men wenscht te herstellen, wel te onderscheiden van de verbetering van fouten door den bewaarder bij de overschrijving gemaakt, waarvan in artikel 462 de rede is. Dat op deze wijze fouten, op het kantoor van den notaris gemaakt, kunnen hersteld worden, vloeit dus uit het hier bepaalde voort. Ook aanvulling of wijziging eëner akte kan noodig zijn, indien b.v. verzuimd is het bedrag der pacht in de akte van verleening der erfpacht te vermelden (zie artikel 209) of verandering gebracht moet worden in dat bedrag.
In de derde plaats worden de vonnissen vermeld, strekkende tot toewijzing of opheffing van zakelijk recht. Behalve de vonnissen , waarvan in artikel 106 wordt gesproken, naar welk laatstgenoemd artikel weder in onderscheidene andere artikelen wordt verwezen (artt. 183, 209, 2li , 255, 257, enz.), behooren hiertoe evenzeer de vonnissen van toewijzing bij executorialen verkoop of van onteigening ten algemeenen nutte, terwijl een vonnis tot opheffing van een zakelijk recht het gevolg kan zijn van den eisch tot vervallenverklaring van de erfpacht (artikel 216) of van dien tol verklaring, dat eene grondrente door afkoop te niet gegaan is (artikel 247) enz.
Sub 4,). worden genoemd de vonnissen strekkende tot de vernietiging, herroeping of ontbinding, in de artikelen 103 en 104 bedoeld. Bij de toelichting op die artikelen is de beteekenis van die bepalingen uiteengezet en aangetoond, dat en waaróm de daar bedoelde nietigheid, herroeping en ontbinding niet verder werken dan in de eerste hand. Wanneer de rechter vonnis heeft gewezen, moet van het terugkeeren in den vorigen toestand blijken door de overschrijving van het vonnis in de registers. Zoolang deze niet geschied is zou hij, wien de zaak was overgedragen, haar aan een derde kunnen doen overgaan zonder nadeel voor dezen, behoudens hetgeen hierna in artikel 460 is bepaald.
Overigens spreekt het vanzelf, dat de hier gegeven lijst niet limitatief is in dien zin, dat, als de wetgever de overschrijving van andere stukken met hetzelfde of met een meer beperkt rechtsgevolg noodig acht, hij dit niet elders zou kunnen bepalen. Voorbeelden van zulke bijzondere bepalingen vindt men in artikel 423 ten aanzien van onder bewind gestelde zaken, en in de artikelen 505 en 770/; B. R. ten aanzien van de processen-verbaal van executoriaaal en conservatoir beslag.
Artt, 458 en 459.
De strekking van deze artikelen komt overeen met die, welke aan de artikelen 19 en 20 van het Ontwerp der Staatscommissie van 1867 ten grondslag ligt. Het doel is om duidelijk te doen uitkomen, op welke wijze de aangeboden stukken op het dagregister komen, en hoe dit register op afdoende wijze den rang moet bepalen, die aan de aangeboden stukken toekomt.
Er wordt alleen gesproken van stukken ter overschrijviug aangeboden. Artikel lö van hot Ontwerp der Staatscommissie maakte daarbij melding van « inschrijving, doorhaling en aanteekening ». Van deze drie zijn alleen nog de aanteekeningen behouden, waaromtrent in artikel 469 eenige voorschriften worden gegeven. De aard dezer aanteekeningen brengt evenwel mede, dat eene vermelding daarvan op het hier besproken dagregister niet te pas komt.
Het derde lid van voormeld artikel 19 geeft eene afzonderlijke regeling voor de inschrijving van dagvaardingen en processen-verbaal van inbeslagneming, die, bij het in dit ontwerp aangenomen
264
stelsel .an overschrijving- en de verwerping van het systeem van borderellen, niet kon overgenomen worden. Voor het overige kan men in hoofdzaak instemmen mot hetgeen de genoemde Staatscommissie lot aanbeveling van de overeenkomstige artikelen van baar Ontwerp heeft gezegd (Verslag p. 121 en 122). In de hier voorgedragen artikelen vindt men de gewichtige beslissing op welk tijdstip de akten en andere stukken, wier openbaarmaking de wet voorschrijft, moeten geacht worden te zijn openbaar gemaakt. Het tijdstip, waarop door partijen aan hare wettelijke verplichting te dien opzichte is voldaan, en dus de wettelijke gevolgen voor haar behooren in te treden, is dat der aanbieding vati het over te schrijven stuk aan den bewaarder, met tekennengeving van het daartoe strekkend verlangen. Vandaar het voorschrift van artikel 458 eerste lid, dat de ter overschrijving aangeboden stukken naar de orde van aanbieding op het dagregister worden geboekt, en dat van artikel 459, volgens hetwelk de rangorde in het dagregister beslist over den aanvang van de werking der stukken.
Het ontwerp breekt dus met de bepaling, die thans het tweede lid van artikel 1226 B. W. uitmaakt. Al bestond trouwens tegen die bepaling, enkel op twee of meer hypotheken toegepast, geen bezwaar, zij zou lot verwarring en ongerijmdheid voeren , zoo men haar in den voel ruimeren kring, waarin deze Tilel zal gelden, wilde laten werken. Stel, dat op denzelfden dag ter overschrijving worden aangeboden eene akte, waarbij iemand op een hem toebehoorend perceel eene erfdienstbaarheid verleent, die bet perceel aanmerkelijk deprecieert, b.v. houdende verbod om er op te bouwen, en later op denzelfden dag eene akte, waarbij hij het hypothecair verbindt. Tusschen die twee ongelijksoortige rechten is de oplossing van artikel 1226, dat zij, die op denzelfden dag zijn ingeschreven, gezamenlijk hel recht zullen verwerven, onmogelijk. Het is dus onvermijdelijk regels van boekhouding aan te nemen, waarbij het tijdstip, waarop de rechten beginnen te werken, kan wordon gekend.
Art. 460.
Bij de toelichting op artikel 457 werd hierboven reeds naar het hier voorgedragen artikel verwezen, en wel naar aanleiding van de vaststelling van het tijdstip, waarop de vonnissen tegen derden zullen werken. Door overschrijving van de dagvaarding, nu, werkt die van het vonnis tot aan eerstgemelde overschrijving terug.
Het Ontwerp 1870 hield in artikel 16 eene dergelijke bepaling, maar van veel wijdere strekking, in. Men bepaalde zich daar niet bij enkele gevallen van vernietiging, maar bet voorschrift luidde algemeen, zoodat in elk geval van vernietiging, onverschillig of er sprake was van eene vernietiging ex nunc of wel eene zoodanige, waaraan eene werking ex tune werd toegekend, de eisch moest worden overgeschreven, om althans het vonnis tot aan de dagvaarding te kunnen doen terugwerken.
Het hier toegelichte artikel laat de gevallen van nietigheid in de artikelen 101 en 102 behandeld onvermeld. Te dien aanzien moet de regel gelden, dat alle handelingen, krachtens de nietige handeling verricht, evenzeer nietig zijn. Terugwerkende kracht der nietigheid bestaat hier, blijkens genoemde artikelen, vanzelf. Geheel anders is het in de gevallen van de artikelen 103 en 104, waar de nietigheid, herroepelijkheid of ontbindbaarheid tegen derden eerst werken van het oogen-
265
Wik af, dat de nietigheid, heiToeping of ontbinding zijn uitgesproken, tenzij, ingevolge de bevoegdheid in dit artikel gegeven, de dagvaarding is overgeschreven, als wanneer terugwerking tot aan de dagvaarding plaats heeft. Overigens spreekt het vanzelf, dat, waar hier van herroeping ot ontbinding sprake is, niet gedacht moet worden aan bedingen, naar artikel iOO tweede lid in de akte van overdracht zelve opgenomen. Dat deze, juist omdat zij zijn overgeschreven, werken tegen een iegelijk en van den aanvang af, behoeft geen betoog.
Met de rechtsvorderingen tot opheffing van zakelijk recht heeft men het oog gehad op die, waarvan de vonnissen in artikel 457 sub 3° genoemd het gevolg zijn. Voor hem b. v., die de actie tot vervallenverklaring der erfpacht wegens grof verzuim instelt, is het van groot belang, dat het vonnis ook werke tegen hem, aan wien de erfpachter zijn recht tijdens de procedure overdroeg. Dat de, eveneens in artikel 457 sub 3° genoemde, vonnissen van toewijzing van zakelijk recht hier niet vermeld zijn, vindt zijne verklaring hierin, dat zoodanige vonnissen geen bestaand recht erkennen, maar het scheppen, zoodat daarbij van geene terugwerking sprake kan zijn.
Art. 461.
Bij het groote belang, dat men kan hebben om een ander voor te zijn, moet de bewaarder niemand kunnen begunstigen, ook niet door het buiten kantoortijd aannemen van stukken, waardoor deze bij de volgende opening van het kantoor per se de eerste zouden zijn. Het hier gegeven voorschrift strekt om dit te voorkomen en dus om de verschillende rechtsregels, naar welke eene vroegere vestiging van een recht voorrang of voorrecht geeft, rechtvaardig te doen werken; en uit dat oogpunt schijnt zijne opname in het Burgerlijk Wetboek alleszins gerechtvaardigd.
Art. 462.
In artikel 459 werd de belangrijke bepaling gemaakt, dat het tijdstip der aanbieding van de stukken aan den bewaarder ook tevens het oogenblik aangeeft, waarop de werking dier stukken aanvangt. De plaatsing op het dagregister is derhalve het gewichtig oogenblik, waarop de rechtstoestand, om het zoo eens uit te drukken, van de onroerende zaak wordt gewijzigd. Het dagregister kan evenwel uit den aard der zaak niet meer inhouden dan eene korte vermelding van den inhoud van het stuk; â die inhoud moet overigens uit het stuk, de akte of het vonnis zelf, blijken. Moge door deze boeking formeel aan het in artikel 100 derde lid gestelde vereischte van «overschrijving» zijn voldaan (en ditzelfde geldt natuurlijk voor alle gevallen, waarin de werking der handeling van eene openbaarmaking in de registers afhangt), â eene overschrijving der akte zal nog moeten volgen, teneinde een ieder, die de registers raadpleegt, volledig te kunnen inlichten omtrent hetgeen tusschen partijen is overeengekomen of in rechte tusschen partijen bij vonnis is uitgemaakt. Hoe die registers moeten ingericht worden bel reft de techniek der boekhouding, waarover het ontwerp geen oordeel uitspreekt.
De vraag deed zich hierbij voor welke regel zou moeten gevolgd worden, indien er verschil zou blijken te bestaan tusschen den inhoud van het stuk op het register en dien van hel oorspronkelijke stuk zelf. Hij, die inzage neemt van het register, moet kunnen vertrouwen op hetgeen daarin te boek staat, â voor hem is dus het register een te betrouwen gids; daarentegen bestaat er geen
hh
266
grond ditzelfde voor partijen aan te nemen, die geacht moeten worden met den waren inhoud bekend te zijn; voor en tusschen haar is dus alleen het oorspronkelijke stuk afdoende.
Het in het derde lid bepaalde stelt nog in een ander opzicht het oorspronkelijke stuk boven de overschrijving in de registers; indien nl. aan een derde blijkt, dat de inhoud van het eerstgenoemde voordeeliger voor hem is, bestaat er geen reden hem te verbieden daarvan ook te zijnen voordeele gebruik te maken. Zoo zal, wanneer het bedrag eener hypotheek bij vergissing in de overschrijving hooger is gesteld dan in de akte van verleening zelve, de derde, die het verhypothekeerde goed heeft gekocht, zich later tegen den hypothecairen schuldeischer op de oorspronkelijke akte kunnen beroepen, teneinde aan te toonen, dat het goed in werkelijkheid minder bezwaard is dan uit de overschrijving bleek.
Het spreekt vanzelf, dat men nu ook tevens moest te kennen geven, dat fouten, ten kantore van den bewaarder begaan, kunnen hersteld worden. In hoeverre de bewaarder kan aangesproken worden tot vergoeding van kosten, schade en interessen voor het door hem gepleegde verzuim, moet door het gemeene recht worden beslist (zie hierna artikel 473).
Art. 463.
Na het bij de inleiding gezegde behoeft dit artikel nauwelijks meer toelichting. Vraagt men, welke soort van aanduiding der goederen, nu de kadastrale niet meer gevorderd wordt, bedoeld is, dan kan verwezen worden naar hetgeen in België en Frankrijk gebruikelijk is. De grootte, de ligging door aanduiding der belendingen naar de vier windstreken, de aard door vermelding der bestemming, zullen voldoende gegevens opleveren om bet bepaalde perceel van alle andere te onderscheiden. Klachten, dat men zich daarmede niet zou kunnen redden, zoekt men in de Fransche en Belgische geschriften vruchteloos en processen over onvoldoende aanduiding komen zelden voor.
Artt. 464 en 465.
Herhaalde malen, in het bijzonder bij de toelichting op den Titel van Eigendom en de artikelen, handelende over overdracht van eigendom, is er op gewezen, dat alleen akten in authentieken vorm verleden in de registers kunnen worden overgeschreven. Dat daardoor de vertrouwbaarheid der registers in niet geringe mate wordt verhoogd, is reeds aangestipt en behoeft niet nader te worden aangetoond. In twee opzichten heeft men op dezen regel eene uitzondering moeten toelaten, nl. waar het geldt het bij uitersten wil onder bewind stellen van onroerende zaken en de fidei-commissaire erfstellingen, omtrent welke beide onderwerpen openbaarmaking is voorgeschreven, terwijl men te groote belemmeringen zoude veroorzaken bij het maken van testamenten, indien testamenten, zoodanige beschikkingen inhoudende, noodwendig in authentieken vorm moesten worden opgemaakt.
Artikel 1217 tweede lid B. W. vordert, dat de volmacht tot het verleenen van hypotheek bij authentieke akte wordt verleden. Ten aanzien van de doorhaling der inschrijvingen bepaalt artikel 1240 B. W. (na de bijvoeging door de wet van 5 Juni 1878 (Stbl. n0, 89)), dal de lastgeving schriftelijk moet zijn gegeven. In het ontwerp is de authentieke vorm voor alle rolmachten, krachtens welke in de hier bedoelde akten kan worden opgetreden, niet voorgeschreven, als aanleiding gevende tot te groote bezwaren en onkosten, maar daarentegen meende men ook niet te kunnen
267
volstaan, zooals het tweede lid van artikel 1240 B. W. doet, met het uitsluiten van mondelinge opdrachten, zoodat het denkbeeld der Staatscommissie van 1867, dat veel minder bezwarend is dan het voorstel in het wetsontwerp van 1860, waarbij de notarieele vorm als verplichtend was aangenomen, de voorkeur verdiende (zie artikel 11 van het Ontwerp 1870). Theoretisch laat het zich volkomen verdedigen. Ook thans reeds worden de legalisation gebruikt zoo wel om authentieke akten hare kracht, als zoodanig, ook buiten het ambtsgebied van den ambtenaar te doen behouden, als om de echtheid van handteekeningen onder onderhandsche akten, zooal niet volkomen zeker te maken, dan toch voldoende te waarborgen.
Het laatste lid van artikel 464 werd aldus door de Staatscommissie van 1867 vastgesteld naar aanleiding van artikel 25 der Wet op liet Notarisambt. (Verslag p. 117).
Artikel 465 is ontleend aan artikel 12 van het Ontwerp 1870 en behoeft geen nadere toelichting. In laatstgenoemd ontwerp vindt men de bijvoeging, dat de legalisatie moet geschieden door de daar genoemde ambtenaren respectievelijk «in het kanton, de gemeente of het arrondissement, waar de akte wordt onderteekend». Deze bijvoeging is als onnoodig weggelaten, omdat haar inhoud reeds volgt uit het bepaalde in het tweede lid van het artikel, dat de onderteekening in tegenwoordigheid van den ambtenaar geschiedt ; dat. deze geene ambtsverrichtingen kan doen buiten het ressort, waarvoor hij is aangesteld, zal wel niet behoeven uitgedrukt te worden.
Art. 466.
Dit artikel wordt door het internationaal verkeer, dat in de grensgemeenten van het Rijk voor een niet onannzienlijk gedeelte onroerende zaken pleegt te betreffen, dringend gevraagd; in het vaststellen der bepalingen is men intusschen niet verder gegaan dan de tegenwoordige begrippen omtrent internationaal procesrecht toelaten. Het artikel is aan het Ontwerp der Staatscommissie ontleend, die het zelf, althans in hoofdzaak, putte uit artikel 77 der Belgische wet van 16 December 1851. Maar, terwijl deze wet het onderzoek omtrent de vraag, of de akte naar de vreemde wet de ver-eischten der authenticiteit in zich vereenigt, opdraagt aan den president der rechtbank, binnen wier rechtsgebied het goed ligt, belast artikel 13 Titel XXI van genoemd Ontwerp met een en andjr het geheele college. Dit laatste schijnt, al moge er meer tijd mede gemoeid zijn, verkieselijk en is bovendien in overeenstemming met het derde lid van artikel 431 B. R.
Het Ontwerp der Staatscommissie stelt nog den eisch, dat de akte moet voldoen aan de voorwaarde aldaar in artikel 10 (het hier voorgedragen artikel 463) omschreven. Dit scheen onnoodig, waar de bewaarder bij het aanbieden van binnenlandsche akten niet het recht heeft om te onderzoeken of de aanduiding der goederen nauwkeurig genoeg is geschied en dus evenmin om de overschrijving op grond van gemis aan nauwkeurigheid te weigeren. Evenmin is hier gesproken van eene executoir-verklaring door de rechtbank, omdat in de overschrijving eener authentieke akte in de registers niet kon gezien worden wat men onder ten uitvoerlegging van zoodanige akte pleegt te begrijpen. Daarentegen is het wenschelijk geacht uitdrukkelijk te kennen te geven, dat in eene vreemde taal gestelde akten in de openbare registers niet mogen worden opgenomen. Mocht het door de eene of andere wettelijke bepaling in het buitenland, of om eene andere reden, onmogelijk zijn de akte in de Nederlandsche taal te doen opmaken, dan zullen partijen zich de moeite moeten getroosten de akte in Nederland te laten verlijden, waarvan de bezwaren,
268
vermits het in den repel goederen zal betreffen, die bij de grenzen zijn gelegen, niet onoverkomelijk zullen zijn.
Art. 467.
Artikel 41 der Wet op het Notarisambt verbiedt den notarissen behalve in de uitgezonderde gevallen, waartoe de hier bedoelde akten niet behooren, minuten uit hunne handen te geven. De overschrijving in de openbare registers moet dus naar een afschrift geschieden. Dit stelt het eerste lid vast, tevens bepalende, dat het afschrift moet zijn authentiek.
Het. tweede lid strekt om op een punt den twijfel op te lossen, die reeds in Frankrijk omtrent artikel 2181 C. C. is gerezen (Zie verslag van de Staatscommissie, p. 119).
Art. 468.
Dat hij, die openbaarmaking verzocht heeft, in den regel zal wenschen en er ook meestal belang bij heeft een stuk in handen te krijgen, waarop de dag der aanbieding staat uitgedrukt, en een bewijs, dat de akte of het stuk een volgnummer zoo op het dagregister als op het register van overschrijving heeft bekomen, behoeft geen betoog. Daarin voorziet dit artikel, dat tevens het nut heeft, dat de bewaarder er door gedrongen wordt met de van hein verlangde verrichtingen zooveel mogelijk voortgang te maken,
Art. 469.
Tot toelichting van dit artikel kan vooreerst, verwezen worden naar hetgeen ten aanzien der aanteekeningen op de registers in de inleiding der toelichting op den Tienden Titel is in het midden gebracht. Voorts zijn in de artikelen 376-378 van dien Titel gevallen genoemd, waarin zoodanige aanteekeningen kunnen gevorderd worden, zoodat de toelichting op die artikelen evenzeer hier kan worden aangehaald.
In den thans aan de orde zijnden Dertienden Titel scheen het de geschikte plaats te zijn, om èn eene meer algemeene bepaling omtrent de gezegde aanteekeningen op te nemen, èn daarbij tot eene zekere hoogte aan te geven, op welke wijze zij moeten geschieden.
De gevallen in de artikelen 376-378 genoemd vervangen de thans geldende bepalingen omtrent doorhaling van hypothecaire inschrijvingen, hetzij dat de geheele hypotheek is te niet gegaan, hetzij dat zulks slechts met een deel het geval is. Doch men kan zich buitendien menig geval denken, dat een overgeschreven stuk krachteloos is geworden, of zijne werking geheel of ten deele is opgeheven, terwijl er belang bestaat om het publiek daarmede in kennis te stellen. De aandacht valt al dadelijk op de werking der nietigheid, waarvan in de artikelen 101 en volgende sprake is; ook bij het te niet gaan der zakelijke rechten â men denke aan het eindigen van het vruchtgebruik enz., â alsmede bij het ophouden van het bewind kan het van het grootste nut zijn, dat, nevens de akte van verleening of van instelling, aan het publiek, dat onderzoek doet, de mede-deeling wordt gedaan, dat in den rechtstoestand, die door de overschrijving van het stuk is ontstaan, verandering is gekomen, dat de last, die op het goed drukte, niet meer bestaat, of slechts
'269
ten deele meer aanwezig is. Over de juistheid van die kennisgeving moet hij, die het onderzoek instelt, zelf oordeelen. De bewaarder doet de aanteekening naast de bestaande overschrijving, naar aanleiding en op grond van den inhoud van het hem overgelegde stuk, maat of hij eene juiste conclusie daaruit heeft getrokken slaat ter beoordeeling van hem, die de inlichtingen tracht te verkrijgen; deze is in de gelegenheid het stuk zelf in te zien, dat onder bewaring van den ambtenaar is gebleven.
Overigens laat het ontwerp zich niet uit over den vorm, waarin de aanteekeningen moeten geschieden; dit behoort meer tot de techniek der boekhouding, waarvan de regels door een alge-meenen maatregel van bestuur moeten worden vastgesteld.
In één opzicht moet de bewaarder zelfstandig oordeelen, nl. omtrent de vraag naar de bevoegdheid der personen, die in de akte, die zelve niet behoeft te worden overgeschreven en dus ook ondershands kan zijn opgemaakt, handelend zijn opgetreden. Deze eisch strekt om te voorkomen, dat verklaringen worden afgegeven en dientengevolge aanteekeningen worden te boek gesteld dooien ten verzoeke van personen, die óf uit hoofde van hunne persoonlijke hoedanigheid de bevoegdheid missen om in eene akte handelend op te treden (minderjarigen, onder curateele gestelden, zij, wier vermogen onder bewind is gesteld), óf wel in geenerlei betrekking staan tot liet overgeschreven stuk, aanteekeningen alzoo, waardoor het publiek, in stede van te worden ingelicht, op een dwaalspoor zoude worden gebracht. Mocht lui, die de aanteekening verzocht, meenen, dat de bewaarder ten onrechte bezwaar maakt om aan het verlangen te voldoen, dan kan hij de tusschenkomst van den rechter, krachtens het hierna volgend artikel 471, inroepen.
Art. 470.
Men vergelijke hierbij artikel 1265 B. W., alsmede artikel 23 van het Ontwerp der Staatscommissie van 1867. In artikel 1265 wordt gesproken van het inzage geven van «.hunne registers ;quot; het ontwerp heeft het woord «openbare» er tusschen gevoegd, teneinde hier niet te beslissen, of alle registers voor het publiek ter inzage moeien openstaan; dit is eene zaak, die meer de inwendige regeling der boekhouding betreft.
De verplichting om inzage te geven van de stukken, krachtens welke aanteekeningen in die registers hebben plaats gehad, volgt uit de bepaling van het voorgaand artikel. De stukken, krachtens welke overschrijvingen hebben plaats gehad, worden, zoo als uit artikel 468 is gebleken, teruggegeven, indien belangstellenden, hetgeen in den regel wel het geval zal zijn, die teruggave verlangen.
Art. 471.
Het ontwerp heeft zich, behoudens de uitzondering in het laatste lid van artikel 469 genoemd â eene uitzondering gerechtvaardigd door den aard van de daar bedoelde aanteekeningen â, streng gehouden aan het beginsel, dat de bewaarder lijdelijk is en zich over de waarde der aangeboden stukken geen oordeel aanmatigt. Hij mag niet in een onderzoek treden naar de innerlijke waarde der stukken, noch met betrekking tot de personen, die daarin voorkomen, noch ten opzichte der zaken, die er het onderwerp van uitmaken. Hij mag daarentegen wel beoordeelen of de vorm der stukken aan de voorschriften beantwoordt, of het als authentiek over-
270
gelegde stuk werkelijk die hoedanigheid bezit, of de zaak, waarop de akte betrekking heeft, binnen den kring ligt. van het kantoor waar zij wordt aangeboden, enz. Er kunnen dus gevallen voorkomen, waarin geschil blijkt te bestaan tusschen den aanbieder der stukken en den bewaarder, welke dezen aanleiding kunnen geven om de van hem gevraagde handeling te weigeren. Het ontwerp heeft daarom artikel 24 Titel XXI Ontwerp 1870 in hoofdzaak overgenomen. Vermits echter bij artikel 27 van het Ontwerp Eerste Boek de eigenaardige procedure van de artikelen 829 en volgende B. R., die de Commissie van 1867 tot leiddraad heeft gestrekt, in eene zuivere procedure op request is omgezet geworden, heeft men gemeend zich ook hier aan deze laatste te moeten houden. Aan de rechtbank wordt de bevoegdheid gegeven om ook andere belanghebbenden te hooren Het behoeft geen betoog, dat b.v. bij het verzoek tot het doen van eene overschrijving of aanteekening nog andere personen belang kunnen hebben dan hij, die zich met dat doel tot den bewaarder heeft gewend; men denke aan hem, die eene onroerende zaak heeft overgedragen, den verkooper, teiwijl de overschrijving der akte van overdracht is verzocht door den kooper. De rechtbank de weigering ongegrond achtende gelast, in den vorm eener beschikking, de handeling te voltrekken; de oorspronkelijke verzoeker heeft recht van hooger beroep.
Art. 472.
Met hetzelfde recht, waarmede belanghebbenden kunnen opkomen tegen eene weigering van den bewaarder om de eene of andere ambtsverrichting te hunnen verzoeke te doen, moeten zij zich kunnen verzetten tegen eene door dien ambtenaar gedane aanteekening, waarvan zij de rechtmatigheid ontkennen. Wel is waar scheppen de aanteekeningen geen recht, en dienen zij slechts om het publiek opmerkzaam te maken op hetgeen ten aanzien van het overgeschreven stuk en de daarin voorkomende zaak nader is geschied, maar, indien ten onrechte de aandacht is gevestigd op eene omstandigheid, die zou hebben plaats gehad, kan het van belang zijn aan te toonen, dat de gedane aanteekening strekt tot misleiding van het publiek, zoodat eene tenietdoening wenschelijk is. De eigenaar, die door de onjuiste aanteekening schade lijdt, heeft een gelijksoortig belang als in artikel 117 bedoeld is.
Evenals in het voorgaand artikel wordt ook hier van andere belanghebbenden gesproken. In de eerste plaats valt daaronder hij, die indertijd de aanteekening heeft verzocht, en in de meeste gevallen zal deze wel door den rechter op het verzoek worden gehoord. De noodzakelijkheid om hem te hooren heeft men niet willen voorschrijven, omdat zich gevallen kunnen voordoen, dat, tengevolge van het verloop van den tijd tusschen de gedane aanteekening en het verzoek tot opheffing, zijne oproeping niet of niet dan na langdurig onderzoek zoude kunnen plaats grijpen.
Art. 473.
Dat de ambtenaar, belast met de vervulling der formaliteiten, waarvan de beantwoording der vragen naar den eigenaar van eenig onroerend goed of van den gerechtigde tot zakelijke rechten op zoodanig goed in zooveel opzicliten afhankelijk is, jegens de particulieren, die door de wet verplicht worden tot zijne ambtsverrichtingen hunne toevlucht te nemen, aansprakelijk moet wezen voor de schade, die hij hun door zijne tekortkomingen kan veroorzaken, werd te recht èn in het
271
B. W. (artikelen 1266â1268) èn in het Ontwerp der Staatscommissie van 1867 (artikel 28) aangenomen.
Men heeft evenwel gemeend nog een stap verder te moeten gaan door te gemoet te komen aan de niet ongegronde grief, dat eene volledige schadeloosstelling dreigt te zullen ontbreken, indien men alleen verhaal toestaat op den amhtetiaar, terwijl er alleszins termen zijn om de aansprakelijkheid over te brengen op .den Staat, die de ambtenaren aanstelt en daardoor het publiek dwingt in die personen zijn vertrouwen te stellen. De door den ambtenaar te stellen borgtocht kan dan strekken tot middel van verhaal voor den Staat.
Het ontwerp heeft zich tot een eenvoudig voorschrift van algeraeene strekking bepaald. Niemand betwijfelt, dat de vier nommers van artikel 1266 B. W. slechts bijzondere gevallen zijn, waarin het beginsel van schadevergoeding tengevolge van onrechtmatige daad zou moeten gelden, ook al waren zij niet met zoovele woorden in de wet omschreven.
Dat eene dergelijke vermelding van bepaalde gevallen daar, waar het veld van toepassing van den regel veel grooter is, altijd gevaar oplevert voor een verkeerd gebruik van het argumentnm a con-trario, is bekend, en er bestaan dan ook rechterlijke uitspraken omtrent artikel 2197 G. G., dat de wet daarbij de aansprakelijkheid van den bewaarder zou hebben willen beperken tot de daarin uitdrukkelijk voorziene gevallen. Zie Laurent, Principes, XXXI, n0. 593.
De toevoeging aan n0. 2 van artikel 1266 B. W., strekkende om de verantwoordelijkheid der bewaarders voor het niet in hunne getuigschriften melding maken van eene of meer inschrijvingen op te heffen voor het geval «de misslag voortkwame uit onvoldoende opgave, die hun niet zoude «kunnen -worden ten laste gelegd )â gt;, is, zoo al onschadelijk, toch eveneens overbodig. Ook bier geldt het de toepassing van een algemeen beginsel, dat namelijk niemand kan aansprakelijk zijn vooi'hetgeen hem niet toerekenbaar is.
De Staatscommissie van 1867 besluit haar artikel 28, titel XXI, met eene algemeene bepaling als reeds voor een bijzonder geval in artikel 1267 B. W. wordt gevonden, strekkende om den bewaarder, die schade heeft vergoed, verhaal toe te kennen op hen, die door zijne nalatigheid een voordeel hebben genoten, waarop zij bij de vestiging hunner rechten rechtens niet konden rekenen.
Het ontwerp heeft deze bepaling, in overeenstemming waarmede den Staat regres zoude gegeven worden, niet overgenomen, omdat, zoo er voor zoodanig regres grond is, het moet steunen op de algemeene beginselen van het verbintenissenrecht, de toepassing bevattende van het adagium; nemo cum dam,no alterius locupletior fieri debet. Van de regeling van dit punt in het verbintenissenrecht behoort dus af te hangen, of den Staat de bedoelde vordering zal ten dienste staan om het geleden verlies weder geheel of gedeeltelijk vergoed te krijgen.
Door de bepaling van het laatste lid van het artikel heeft men willen voorkomen, dat de aansprakelijkheid van den Staat tot het oneindige zoude voortduren. De schade moet ontstaan zijn binnen tien jaren na het gepleegd verzuim. Is dit het geval, dan verkrijgt de benadeelde eene actie , en deze actie is aan den gewonen verjaringstermijn onderworpen.
INHOUD.
B TI I! (i E R L IJ K W E T B 0 E K.
TWEEDE BOEK.
TOELICHTINCt.
Bk. /
'J'ITEL I. Algemeene bepalingen........................].
â II. Van bezit.................
â HL Van eigendom..............................37,
â IV. Van rechtsbetrekkingen tusschen eigenaars van naburige
erven..................................88.
â V. Van erfdienstbaarheden............112.
â VI. Van erfpacht...............12(j.
â VIL Van beklemming..............140.
â VIII. Van grondrente...............154,
â IX. Van vruchtgebruik..............159.
â X. Van hypotheek...............189.
â XI. Van pandrecht...............221.
â XII. Van bewindvoerders.............243.
â XIII. Van de openbare registers van onroerende zaken . . 257,
. V
.
,
â