ocr page 1
ocr page 2

gt;1

Q. qu.

36Ï

Vv'

■

■

■

.

ocr page 3

.

,

■

■

i

' Ult; '•■■! ■ ' ^

:;:V- . ' '■■ ; /' 1 ' ■ .vX '■

4 ■■■■ ■ '

:■

ocr page 4
ocr page 5

^ ft \ mo;

VAN EEN

NATTEN GASMETER

MET

STANDVASTIG WATERVLAK

EN

VERKLARING VAN ZIJNE WERKING

DOOR

s

IJKER} CHEF VAN DIENST, TE 's G1UVENHAGE, LEEEAAR a/d POLYTECHNISCHE SCHOOL TE DELFT.

iéü

üitppen door liet Dcnartemeiit van Waterstaat, Eaniel en Nijyerlieiil.

GEDRUKT TEE ALGEMEENÉ LANDSDRUKKERIJ.

1889.

is p., «I00RS

ocr page 6

■ ] r' gt; ■ ': ' ■ ■ ^jfij ~i ' ■• gt; :-' v wri,

' . ■ ,quot;' 1 • '■ quot; • . ' '. ' - '. ' .'■■• • • ;• . •■ •'• .•'•■■-■■ ■ . -. • r ' •. :. ■ •:• : • . •■ • • • '•. •■,■•(•. ' ••■ ,■-■■ .• •.,•/; i-Vvquot;. ^ u:

V:.,-,'-:.. quot;,■■.:■■■ ;■■ r-'': vr ^ ; •' ' : , ■

! ■•gt;■■- •'■■ ■ ■■■: z:' v vö

y,ï ' ■:■■.■■.'■ .i. ^ V ' v; gt; :- :ï.p^; ,. •■■ ■-^ V1.

■■li ■■■■■■■■■■■«■■■■■■■■■■■■Iamp;

Mr- ■ . .v ■ V;quot;';: ■ V' ■' - ' - i'V ' v;:. ■

Ms- ' . . A ■ ■ ■ ■ i■'' ■ V%ó .

si::® ■ - : ; ■; sif ■ ' : quot; ■: •• .. ijiiiip

• :ï«ö Eïj

' ..:--K^ ; '■ ■ ■ , ■' ( ': ^ ' '

^ -vsv ■■ i, \ -y' .'■: ^' - ^quot; :-y':

...... : •vS ; -■

■ ■■ :.v; 4^!;' :

.h. . ..

:: • ■ •:•• /4c' - . . v . • - ■ , ' , . ' ■ . ••-•;•

quot; ■ i.' ■ ■ ■ -, ■■,, •-.quot; ' ' - • . ■ gt; ; . ... ' ..... ■'• - - , ' A ''

■Biïè ■ 1 |fo ■ - : V...::: '■ .7- V,-

ipfi ;-: Wl §amp; li: /'ii ||ikSï:: ■: ■ lisIssi'u

Ta : .. M:r'ègt; 'SMa'm'i m^'.o ' ■

BÉ;

WMCB' MB- yBBB'mV: .

V:' ., ^ V-./'

. : .- ' ■ • ■ ,

ocr page 7

BESCHRIJVING

van een

NATTEN GASMETER

met

STANDVASTIG WATERVLAK

KN

VERKLAEIN6 VAN ZIJNE WERKING

DOOB

IJKER, CHEF VAN DIENST, TE 's GliAVENHAOE, LEERAAR a'd I'OLÏTECHKISCHE SCHOOL TE DELFT.

üitgegem door öet Departemeut yau Waterstaat, Handel en NyyeiM.

gedkukt tkr algemeene landsdrukkerij,

1880.

ocr page 8

.

ocr page 9

INHOUD.

Bladz.

A. Besclirijving van de inrichting van den gasmeter............3

B. Vulling van den gasmeter en loop van het water.............6

C. Gasmeter zonder vlotter, hefboom en kleppekast............8

D. De vlotter met toebehooren....................10

E. De bevestiging van het telwerk..................11

F. Hoogste en laagste -waterstand....................12

G. Nadere beschrijving van het doel en de werking der bakjes f7, en (/j en der buizen V, fF en Z.......................13

H. Inhoudsproeven........................17

I. Opmerkingen.........................20

ocr page 10
ocr page 11

Het vraagstuk; «Een natten gasmeter to constrneeren, wiens metende inhoud, bij verandering van de hoeveellieid water die lilj bevat, zoor nabij standvastig blijft,quot; hoeft roeds velen bezig gehouden.

Meer dan één middel is aan do hand gedaan om genoemd vraagstuk tot eeno ge-wenschte oplossing te brengen, meer dan één ontwerp is daartoe in tooiiassing gebracht. iedere der voorgestelde methoden heeft hare eigenaardige verdiensten. Het is evenwel oen feit, dat allo in de praktijk onbruikbaar zijn gebleken on men tot heden de verlangde constructie nog niet hooft gevonden.

De gewone natte gasmeters, dat zijn dio , welke een onderling sterk afwijkenden hoogsten en laagsten waterstand toelaten, zooals zij op eenige uitzonderingen na. in Nederland, en naar ik meen, ook in België, Frankrijk, Duitschland, Oostenrijk-Hongaryo en Italië in gebruik zijn , geven den inhoud alléén dan juist aan als de waterstand met den zoogenaamd normalen samenvalt, een geval dat zich slechts bij uitzondering voordoet.

Zakt het water in dorgolijkon meter, hetzij door uithaling, hetzij door verdamping, beneden het normale peil, dan is de door hot wijzerwerk aangewezen hoeveelheid gas te klein, dus ten nadeele van den gasleverancier; rijst daarentegen het water ten gevolge van overvulling of condensatie boven genoemd peil. dan is do aangewezen hoeveelheid gas te groot, en in dit geval ten nadeele vau don gasverbruiker.

Dit verschil in „te kleinquot; en „te grootquot; kan zeer belangrijk zijn.

Het is zeer gemakkelijk, door de vulopening, water uit den gasmeter to zuigen en aldus het peil aanmerkelijk te doen dalen; nog minder moeite kost het den waterstand, door overvulling van den gasmotor, op to hoog peil te brengen. Dat van beide middelen meermalen wordt gebruik gemaakt is niet twijfelachtig.

Om dit togen te gaan bedraagt in Engeland do speelruimte, die bij oen geijkten gasmeter is toegelaten 5 percent, en wel 2 percent ten voordeelo van den gasfabrikanten 3 percent ten voordeelo van don gasverbruiker.

Het behoeft echter geen betoog, dat bij de gewone inrichting van den gasmeter oen zoo gering verschil in waterstand, als met opgegeven speelruimte overeenkomt, tot groote moeiclijkheden moet aanleiding geven en noodwendig hot gebruik van natte gasmeters moet belemmeren. Deze toch moeten, bij een zoo gering verschil in uiterste waterstanden, te dikwijls worden bijgevuld, om te voorkomen dat door te weinig water in den meter de vlotter deii gas toevoer sluit of dat hij te gevoelig wordt (1). Ook verdient het opmerking dat een meter als hier bedoeld de doorgestroomde hoeveelheid gas in den regel te groot zal aanwijzen.

Om de kosten en de moeite te ontgaan die aan hot herhaald bijvullen van den natten gasmeter zijn verbonden, wordt in Engeland het meest gebruik gemaakt van droge gasmeters, hoewol ook daar te lande vrij algemeen wordt erkend, dat de natte gasmeter,

(1) In l'Vankryk heeft men in der tijd iiet voorstel gedaan een vovschil van 3 ii i percent voor deil hoogston en 4 iï fl percent voor den taagsten waterstand toe te laten, maar nipn heeft hot niet doenljik of raadzaam geoordeeld, zelf» die limieten te stellen en er van afge/.ien.

ocr page 12

mits op normaal jieil gehouden, als meetwerktuig boven den droge ver de voorkeur verdient (1).

In Frankr\jk '/ijn reeds sedert jaren de droge gasmeters, om luinne mindere vertrouwbaarheid in de aanwijzing van den inhoud, buiten gebruik gesteld.

In Nederland bestaan geen voorschriften betrekkelijk den hoogsten of laagsten waterstand in den gasmeter. Het is daar voldoende als de meter bij normaal peil, met eene speling van l'/j percent in of—, juist aanwijst. En meermalen heb ik in mijne betrekking gasmeters goedgekeurd, waarvan het verschil in inhoud, bij hoogsten en laagsten waterstand, 20 percent en meer bedroeg; een kleiner verschil dan van 10 percent heb ik nooit aangetroffen.

Verder behoeft het geen herinnering, dat men door den syphon zoo veel oiKjcmclen gas kan halen als men verkiest, zelfs bij de gasmeters die van een waterzak zijn voorzien. In dit laatste geval evenwel niet met een onafgebroken stroom.

Uit een en ander blijkt, dat de gewone natte gasmeter als meetwerktuig nog veel te wenschen overlaat, omdat zoowol door den gasleverancier als door den gasverbruiker, bedrog kan worden gepleegd en alzoo de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat een gasmeter, hoewel juist bevonden en geijkt, zeer onnauwkeurig aanwijst. Dit te voorkomen is ontegenzeggelijk van het grootste belang. De meter moet onpartijdig zijn en hciilc partijen behooren de zekerheid te bezitten, dat (jecii oiki'le aanwijzing ten nadeele van een van beide him plaats hebben.

In dit opstel wensch ik eene beschrijving te geven van een model-gasmeter, die, buiten de later te bespreken voordeden, dit boven den gewonen gasmeter voor heeft, dat hij onafhankelijk van de hoeveelheid water die hij bevat, het volume gas tot op minstens l'/i percent nauwkeurig doet kennen.

(1) Zelfs in Engeland mag, bü liet onderzoek van gasmeters door gasmeters, alléén de natte als contro'.enr dienst doen.

ocr page 13

A. Beschrijving der inriehtinf/ van den gasmeter.

•

De achterkast van deu gasmeter, de trommel die daarin is bevat, de as van don trommel waarop de .schroef zonder eind J, fig. 1, is bevestigd, deze schroef zelf, de staande spil met koker li, het rad C dat op de staande spil is vastgemaakt en waarop de schroef zonder eind A werkt, de op deze spil gesneden worm I), die het raderwerk in beweging brengt, het raderwerk zelf', de syphon E /iquot;,, benevens de kleppekast A'met de cirkelvormige schijf of klep O, al deze deelen en de steunstukken waarop zij rusten, zijn gelyk of althans nabij gelijk aan die welke bij een gewonen gasmeter — dien wij bekend onderstellen — worden aangetroffen.

De overige deelen zijn of verplaatst èf gewijzigdterwijl er eenige deelen zijn bijgevoegd, die b\i een gewonen gasmeter niet voorkomen.

Wij zullen laatstbedoelde deelen het eerst beschrijven en daarbij aannemen, dat de voorwand van de voorkast en die van den zoo straks te bespreken waterzak, van glas en dus doorzichtig zijn en dat de voor- en de achterkast tot de lijn a h. fig. 1 en 2, en de waterzak tot de lijn e f met water zijn gevuld.

Onderaan de voorkast bevindt zich een waterzak FGI'\, fig. 1, waarin het onder-| einde 7?, van den syphon E Ex uitkomt.

i In de voorkast zijn, sluitende tegen den bovenwand en de zijwanden, twee, (fig. 3

vooraanzicht en fig. 4 bovenaanzicht) door eene horizontale buis A', met elkaar verbonden vierkante bakken J en L geplaatst. Deze bakken reiken beneden liet vlak ah, fig. 2: in den bodem van iederen bak is eene opening van ± 2 c.M2. oppervlak.

Beide bakken met buis worden, op later te beschrijven wijze, met hol water gevuld dat het vlak ah, bij wegvloeiing van water uit den meter, gedurende geruimen tijd, zeer nabij op dezelfde hoogte zal houden.

Het boveneinde E van den syphou, fig. 1, en de staande spil It vallen binnen de ruimte, die tusschen de beide bakken begrepen is, terwijl de kleppekast sluit tegen den bovenwand van den bak J, die daar ter plaatse — het gearceerde gedeelte in fig. 1 zooveel lager is als de hoogte van deze kast bedraagt.

Fig. 2 stelt den gasmeter voor, als het samenstel van bakken en buis in de voorkast is geplaatst. Eenige deelen, die in fig. 1 zichtbaar zijn, worden na de plaatsing der bakken iti den gasmeter geheel of gedeeltelijk aan hot oog onttrokken; duidelykheidshalve zijn deze deelen, met uitzondering van de kleppekast N en de klep O, in fig. 2 weggelaten,

De kleppekast, opgesloten tusschen den bak J en den bovenwand van do voorkast, is langer dan de bak J, zoodat de cirkelvormige opening, die in den bodem van de kleppekast is gemaakt, met de klep O medo binnen de ruimte valt, die tusschen de bakken J en L begrepen is.

Aan de klep O, fig. 2, is eene stang 1' vastgemaakt (1), die aan het ondereinde met eenige speling op eene pen rust welke aan den hefboom Q R S is bevestigd. Deze hefboom

(1) De klep of schijf 0 is aan do onderzijde bolvormig waardoor zij, ook dan als do stang waarop ru8t niet volkomen verticaal is gericht, toch volkomen sluit in dc uitgeholdo ring van do opening; bovendien is zij niet vast op de stang /' bevestigd, maar zij rust op het boveneinde in een scharnier, die haar, in elke richting , eenige beweging in een verticaal vlak toelaat.

k

ocr page 14

4

ligt met zijn vrij lange us bij 11 op twee vaste steunstukken en draagt in Q den vlotter T. die zich binnen den bak / bevindt en daarin van boven, door eene ronde pen , spelende in een vast geleidingstuk, in nagenoeg verticalen stand wordt gehouden. De stang van den vlotter gaat aan de onderzode door do opening die in den bodem van den bak J is aangebracht.

Aan bet uiteinde S van den lief boom QRS is een gewicht vastgemaakt, zwaar genoeg om den hefboom met toebehooren in evenwicht te houden als het water in den bak J nog ± 1 c.M. boven de lijn a h staat. Rijst het water nog hooger in de bakken , dan wordt tie vlotter en daardoor de klep O opgelicht, zoodat alsdan bet gas door de cirkelvormige opening der kleppekast binnen do voorkast van den gasmeter en van hier door den syphon binnen de voorruimte van den trommel kan treden.

Nog bevindt zich in de ruimte tusschen de bakken J en L een vierkant, vanboven open bakje, dat door een beschot C, dat loodrecht staat op bet vlak van teekening, in twee afzonderlijke bakjes f/, en L'. is verdeeld. In den bodem van elk dezer bakjes is eene cirkelvormige opening gemaakt, waardoor zij met het water in de voorkast en dus ook onderling gemeenschap hebben. De wanden dezer bakjes steken I a 2 c.M. boven het watervlak a h uit.

Binnen bet bakje 17, bevindt zich de monding van eene sterk gebogen buis FV, Jr2, die tegen het linkervlak van het beschot C' is vastgesoldeerd, verder luchtdicht bij il door den onderwand van de voorkast gaat en wier uiteinde r2 in den waterzak op ± 2 c.M. afstand van den bodem uitkomt. De monding van deze buis bepaalt zeer nabij den hoogst iiKigclijheu waterstand, vermits blijkbaar al het water (de meniscus in aanmerking genomen) dat boven die monding in de voorkast wordt gestort, onmiddellijk door die buis in den waterzak stroomt.

In het bakje U.gt; is, tegen het rechtervlak van het beschot 6', een verticaal gerichte, vertind koperen buis Z X, vastgesoldeerd. Deze buis X Xx is aan eene horizontale buis ^ X. rem gemalthdijk buighaai' melaul, vastgemaakt, welke laatste weer aan de verticaal gerichte buis Z: Z3, die in den bak L uitkomt, verbonden is. De buis Zt Z„ ligt gedeeltelijk binnen eene ruimte, die daartoe van boven in den bak L is vrijgelaten.

Deze rivormig gebogen buis Z Z, Z2 Z:t wier eene monding Z, bij den hier te beschrijven (tieulichts-)gasmeter 2 m.M. boven de monding van de buis F is gelegen, dient om toegang te geven aan het gas uit de voorkast tot de ruimte in de bakken, als het water in de voorkast iets meer dan 2 m.M. beneden de monding X is gedaald ,(1). De monding van deze buis bepaalt (ook hier de meniscus in aanmerking genomen) zeer nabij den laagst morjelijkm waterstand in den gasmeter.

Aan het boveneinde der koperen buis Z Z, is eene verticaal gerichte schroef I aangebracht, die door den bovenwand van de voorkast gaat en aldaar van eene vlak tegen dien wand sluitende moer is voorzien, welke dient om, bij het justeer en van den gasmeter, de mondingen F en Z, die ieder voor zich aan het beschot C', dus ook onderling vast verbonden zijii. te samen even veel schroefgangen, die met cm bekend aantal percenten van dan inhoud des gasmeters ovcrecnlmmen, te kunnen naar beneden duwen of naar boven trekken, en aldus den juisten waterstand a b te verkrijgen (2).

(1) De monding / kan minstens 2 m.M. boven de monding \ liggen, omdat — zooals ondei» i', blz. 12 zal blijken - bij geringer afstand van de monding tot het watervlak a h, de aanhangende menis-eus het uiteinde der buis nog voldoende gesloten houdt.

(2) Bedoelde schroef en moer worden tydens de inhoudsproef met vet ingesmeerd om de ontsnapping van gas tegen te gaan. Zij vallen binnen liet telwerkkastje en behoeven dus bü den ijk van geen stempel te

ocr page 15

5

Nog is in den bale L eeue lievelvonnig goibogon buis ÏÏr aangebracht, wier cene monding iii liet bakje Us ligt, terwijl do andere in den bak L is gelogen; beide mondingen liggen benedon de lijn tih als in de figuur is aangeduid; liet doel van dezo buis is de vulling van het bakje r/a te bespoedigen als do meniscus aan de monding van do buis Z verbroken is.

In den bovenwand van don bak L, fig. 2, 3 en 4, is oene buis M gesoldeerd , waardoor hot water móet worden gegoten, dat den gasmeter on de bakken vult, terwijl in den bovenwand van do voorkast oeno opening is gemaakt waar de buis M mot luchtdichte afsluiting doorgaat.

Aan de achterzijde van den tusschenwand (die de voor- van de achterkast scheidt) is eene buis aangebracht wier monding Y, fig. 2, oenige c.M. boven do lijn ah ligt en wier ondereinde in den waterzak bij F, uitkomt. Deze buis geeft derhalve aan hot reeds gemeten gas toegang tot do bovonruimte van don waterzak en zij maakt het onmogelijk , zooals straks zal blijken, dat ongemeten gas uit den gasmeter kan worden gehaald.

In den zijwand van den waterzak bevindt zich oene opening A% die mot oeno schroot kan gesloten worden on die do monding is van eene in horizontale richting volgens ooji rechten hoek tweemaal gebogen buis, waarin zich aan hot uiteinde oeue opening bevindt Op die van buiten af niet kan worden bereikt, zoodat het onmogelijk is binnen deze buis eenig voorwerp te brengen, waardoor men den waterstand in den waterzak zoukmnien verlagen, deze buis is een klein verticaal gericht buisje geplaatst, dat dient om de lucht gologonlioid te geven binnen den waterzak te dringen, als hieruit, langs do opening A, water stroomt (1'.

Do in- en de uitlaatbuis van don gasmeter zijn ieder van eene kraan voorzien , zoo-dat de gasmeter geheel op zichzelf' kan worden afgesloten.

Eindelijk is ovhr de soiihoei', dia de. bids M sluit, oen dop aangebracht waardoor die buis verzegeld kan worden on het onmogelijk wordt langs deze buis water uit den gasmotor te halen of er in te storten zonder hot zegel te beschadigen '2).

worden voorzien. Is de juiste waterstand getroffen, dan wordt de moer aan de schroef en aan den bovenwand van do voorkast vastgesoldecrd, nadat de overtollige schroefdraad in afgesneden. Het is duidelijk, dat door deze inrichting de gasmeter tijdens de verificatie, met groote juistheid kan worden gejusteerd, en dat,tlidens het vervoer van den gasmeter, do mondingen der buizen zich niet kunnen verplaatsen.

(1) Deze gebogen buis moet by de door de fabrikanten te leveren gasmeters in het midden van de voorplaat van den waterzak worden geplaatst, zooals in tig. 2 door gestippelde lijnen is aangewezen.

(2) Deze tiop heeft aan de binnenzijde een paar ruime sehroefgangen, waardoor zij gemakkelijk op de buis M kan worden gesohroetil en heeft, evenals do buis A/, een platten koperen band met oene opening er in. Deze twee openingen worden tegenover elkaar gebracht; door beide wordt een dikke tinnen draad gestoken en de uiteinden hiervan verzegeld door ze tusschen den bek van ten zegeltang in één te drukken. Zie hieromtrent „Du Compteur a Gaz par E. Durand, Paris au Bureau du Journal „Ie Gazquot;, page 29,

ocr page 16

R. I'ii I Uit ij van den gasmeter en htop van het water.

Gesteld, dat de gasmeter met de in- en de uitlaatbuis aan de gasleiding is gekoppeld en voor liet eerst met ■water moet worden gevuld, dan worden vooraf de kranen van de in- en de uitlaat gesloten en de schroeven hij M en A', fig. 2, weggenomen.

Vervolgens wordt water in de buis M gestort, dat in den bak L en' van hier, dooide opening die in den bodem van dezen hak is gemaakt, in de voorkast valt om verder, door een of meer openingen H, die in den tusschenwand, dicht bij het ondervlak van de voorkast zijn aangebracht, in de achterkast te stroomen.

Langzaam rijzende, vult het water de voor-en de achterkast tot ruim 2 m.M. boven de monding van de buis /T, F„; het daarna ingestorte water loopt langs deze buis uit de voorkast in den waterzak, tot dat hier het watervlak samenvalt met de lijn c /'.

Het water dat nu nog wordt ingegoten, vloeit langs de opening A', buiten den gasmeter.

Zoodra er water door de opening X ontsnapt, staakt men het ))ijgieten en men wacht tot zich geen water meer straalsgewijs uit tie opening verwijdert.

Daarna sluit men ook de opening by X (1).

Thans giet men op nieuw water in de buis bij M (2), tot het. water hier overloopt, als wanneer ook deze buis met de schroef volkomen luchtdicht wordt gesloten en men hierover den dop aanbrengt en verzegelt.

Het laatst ingestorte water boven het vlak a b vult de bakken ./ en L en bij het begin der ingieting, als namelijk het watervlak in de bakken ongeveer 1 c.M. boven het vlak a It is gekomen, begint de vlotter te werken en maakt de opening b\) O vrij.

Van het laatst ingestorte water, van dat ul. hetwelk na de sluiting der opening bij X is ingestort, vloeit slechts eene geringe hoeveelheid buiten de bakken in de voor-least, omdat, de in- en uitlaatkmnen en de opening bij X gesloten zijnde, de lucht, die zich in den gasmeter, buiten de bakken bevindt, niet kan ontwijken; deze lucht zal alleen een weinig worden samengedrukt. Het verschil in volume van de lucht in den gasmeter voor en na de instorting van het laatstbedoelde water, geeft de hoeveelheid water aan, die tijdens de laatste ingieting uit de bakken in den eigenlijken gasmeter is gedrongen.

Neemt men nu aan, dat tie afstand van het hoogste watervlak in tie bakken tot de lijn a h ± 10 c.M. bedraagt en de ruimte van den gasmeter, die niet door het water is ingenomen, 9 liter, dan zal nabij 1 d.L. water buiten de bakken in de voorkast gedrongen en van hier, langs tie buis FV, V.2 in den waterzak overgestort zijn.

Aangezien de ruimte van tien waterbak boven de lijn e/'ruim 1.5 L. bedraagt, bestaat er geen vrees, dat tie syphon zal worden verstopt. De gasmeter is dus nu tot het hoogste peil gebracht.

Men behoeft, zooals reeds is opgemerkt na de eerste ingieting van het water niet te wachten tot de uitvloeiing bij X geheel heeft opgehouden, vermits de stand van

(1) Tot nu toe is de vlotter buiten werking gebleven, omdat het water nog niet hoog genoog in den bak J i» gerezen om hem op te heften.

(2) Zorgende dat dnarbjj do lucht uit de bakken langs het instroomende water kan ontsnappen.

ocr page 17

7

liet watervlak in den waterzak van niet den minsten invloed is op de nietende ruimte van den gasmeter en de syphon nog open blijft, zelfs dan als de waterzak geheel is gevuld. Voor het flikkeren der lichten, door het gedeeltelijk vol loopen van den syphon, bestaat dus geen vrees. Wil men echter zekerheidshalve het meest overtollige water uit den waterzak verwijderen, dan heeft men slechts even de schroef bij A' — natuurlijk bij gesloten opening M — te openen.

ocr page 18

0. Gitsmiilcr, zoinlor violier, hefboom en hlcppeliasl.

1°. Ts het telwerk van vier wijzers voorzien, dan kunnen or 10,000 M'. gas dooiden nieter stroomen vóór het noodig is den stand van het wijzerwerk opnieuw op te nemen.

Gesteld nu, dat de gasmeter, zonder ophouden, gedurende 10maanden, 10vlammen voedt en elke vlam 140 L. gas per uur verbruikt, dan zullen er in 10 maanden ongeveer

10,000 M3. gas door den gasmeter zijn gestroomd. r i • iqa i

De bakken J en L houden, 1 c.M. boven de lijn rt /), ongeveer 1.8 L., d. i. 180 c.Ij. water in; gesteld dus verder, dat per dag 0.0 c.L. water uit de voor- en de achterkast verdampt of wegvloeit, dan zal het water in de bakken het watervlak a lgt; gedurende ongeveer 10 maanden op normaal peil houden. Vermits nu echter de meter niet zonder ophouden dienst zal doen en er ook gemiddeld geen 0.6 c.L. water per dag verdampen of wegvloeien zal, zoo zal liet in den regel voldoende zijn, den gasmeter slechts eenmaal m het jaar bij te vullen; wordt het om de zes maanden gedaan, dan is het zeker genoeg.

2°. Bij dit bijvullen ga men aldus te werk;

De in- en de uitlaatkraan en de opening bij A' gesloten zijnde, wordt de buis m o-eopend en liierin water gegoten tot het overloopt. Men sluit daarna de huis M en neemt de schroef bij .V weg. In den regel zal nu langs de opening .V water wegvloeien, omdat liet water in den waterzak zoo goed als geen gelegenheid heeft te verdampen en de waterzak meestal tot boven de lijn c/'zal gevuld zijn.

Vloeit er echter geen water langs de opening A . dan zal dit byua altijd een bewijs zijn , dat de gasmeter lok is of geweest is en het is dan zaak den gasmeter op lek te oiiflcrzoeken of de controle bij den gebrniker te verscherpen.

In elk geval dient de buis bij M dan een weinig te worden geopend, waardoor water uit de bakken in de voorkast en van hier in den waterzak vloeit, tot het voor een deel langs de opening bij A den gasmeter verlaat. De opening X wordt dan gesloten en de bakken verder bijgevuld.

3°. In vele gevallen zou de vlotter, de hefboom en de kleppekast kunnen worden we quot;gel aten. Immers zoolang het water in de bakken niet beneden de lijn ah is gezakt, is Tooals later blijken zal, de inhoudsaanwijzing van den gasmeter juist; en wij hebben zoo even gezien, dat het water in de bakken bet watervlak ah zeker gedurende zes maanden op voldoend peil zal honden.

Is echter het water in de bakken, bij een gasmeter zonder vlotter, beneden de lijn Kh gedaald, dan kunnen in geen geval de bakken door den gebruiker van den gasmeter worden bijgevuld, vermits de opening bij M verzegeld, d. i. gesloten is (I).

(1) Kr zal wel reeds zyu opgemerkt, dat, bi.) de door de fabrikanton te vervaardigen gasmeters, de bakken ./ en /. niet, zooals bij liet hier bcschrcven model, los in do voorkast geplaatst, maar bliv. tegen de üiiwanden der voorkast vastgcsoldecrd moeten worden, waardoor, bij gelijke diepte van de voorkast, de bakken zeil rnimer kunnen worden gemaakt, terwijl er tevens minder materiaal noodig is. Dit kan als volgt

Kisdneden.^^ ^ ^ ^ syp,lon wov(|,.n elk met een klein stuk van den boven- en den ondenvand der

ocr page 19

(I

111Ükt dus bij tijdig»1 controle van d«lt;n gaMntoto vsmwog'e den jpslovemneier, dat er meer dan de gewone hoeveelheid water in den gasmeter moet -worden gestort, zóóveel, dat men er uit ma}; opmaken, dat al het water uit de hakken is verdwenen, dan moet de ji'aameter ei-yens lek zijn of geweest zijn, en in het laatste geval heeft er zeer waarschijnlijk fraude plaats gehad. Dit onderzoeke de gasdeverunciev en liij vervange, zoo noodio', den gasmeter door een' met een vlotter.

voorkast, tegen liet tusschenseliot van den gasmeter geplaatst, terwijl tie voorkaai niet de, voorplaat er op voorlooplg los bljjft.

In lt;le voorkast worden nu do kleppekast mot do inlaat, de bakken met de buis M, tig. 2, enz. aan-gebraeht.

Met is duidelijk, dat do bovenwand van de voorkast tevens tot bovenwand van de kleppekast dient en do boven-, zij- en voorwanden van de voorkast tevens do boven-, z|j- en voorwanden van do bakken nitmaken, waardoor, bij gelijke afmetingen van do voorkast, met minder materiaal, grooter ruimte in de bakken wordt verkregen.

Zijn mi nog de vrije kanten van de vier zijwanden van de voorkast omgehaald, dan kan deze nauwsluitend tegen liet tnssolienscliot en om de staande, spil en den syplion aangelegd en vastgesoldeerd worden waarna de waterzak kan worden aangebracht.

o

ocr page 20

1(1

D. l)r rlullif wel Idi'hi'l, iitji'cn.

Do licfbooin QRS, waarop do vlotter T, fig. 2, en de stang P ruston, is van oen ycwicht iS' voorzien, dat langs oene seliriiof kan worden bewogen 011 bij jnisten stand daarop vastgesoldeerd moet worden.

Deze stand is bereikt, indien de hefboom mot toebehooren in evenwicht is als liet water in den bak J ongeveer 1 c.M. boven do lijn n b stnat.

Daarbij moet de vlotter, die :i a 1 e.M. hoog moet zijn, ten naastenbij ter halver hoogte in water zijn gedomjiold. Hij moet rond, van onder vlak ot eenigszins hol ou zoo groot mogelijk van middellijn zijn en op minstens 10 m.M. afstand van eiken wand verwijderd blijven (1).

De as It van don hefboom moet zieh in hare pannen ruim kannen bewegen, opdat zij niet licht vast roeste.

Ook moeten de oogen bij Q en I' met vrij voel speling op de gelijknamige pennen

rusten.

De vlotter van don hier beschreven gasmotor heeft oene middellijn van 80 m.M.; elke schijf van ]0 m.M. hoogte heeft dns eeno draag- of oppersende kracht van 50 (i. Mocht dns al eens een der punten bij Q, V of It een weinig zijn vastgeroest, dan zal dit bij eenige dalintr of stijginy van het water in de bakken spoedig worden losgewrongen.

(1) Mm lit de lii'l'lmnm ol'do vlolter n'gons z|in vastjïProoat fn dn vldltcv dns d(i diilinR'van liet walci' nii't voltfen, (l:iii /nu ('iiiilcljjk de adhaesie Insschcii het crni^s/iiiM IioIIk ondervlak vim don vinder m hei water mcdehi'liion, mot eene Uraelit van ongeveer 0.35 O, per c.Mquot;. om den vlolter na:ir beaeilon letri;kken.

ocr page 21

XI

E. Ür bovvsli'iiiiij van lui IrlnrrL.-

Niet zeldzaam zijn in Nederland de yevallcu geweest, dat, ook Wij geijkte gasmeters, onjuiste telwerken werden aangetroffen, hetgeen in der tijd de tegenstanders van den ijk der gasmeters als een argument hebben doen gelden voor de onniogelijklieid om gasmeters grondig te onderzoeken en als een motief om dien ijk af te schuffeii.

Ik meen daarom geen onnut werk te doen, door hier eone beschrijving te geven van de wijze waarop het telwerk op den in de vorige paragrafen beschreven gnsmeter is geplaatst.

De beide horizontale staafjes, die de twee platen van het telwerk verbinden en in evenwijdigen stand houden, zijn bij bedoeld telwerk niet rond maar plat en hebben elk, nabij de einden, twee cirkelvormige (naar boven eenigszins toeloopeudei openingen.

Het telwerk rust met deze staafjes op twee op den bovenwand der voorkast stevig bevestigde, rechtstandige en onderling evenwijdige koperen steimstukken, iig. 5, die elk aan den bovenkant van twee kegelvormige pennen zijn voorzien, die ieder ± l'/s c.M. lang zijn, nauwsluitend in de openingen der bovengenoemde staafjes passen eu van boven puntig uitloopen. Het is duidelijk, dat het wijzerwerk, aldus op de steunstukken gedrukt, geen zijwaartsche of dalende verplaatsing meer toelaat.

De rijzende beweging, die nu nog de eenig mogelijke is, wordt tegengegaan door geslagen koperen veeren, waarvan er een aan elk steunstuk is aangebraeht en hier vry sterk tegen aandrukt. Elke veer is van boven voorzien van een breed, vrij dik plaatje, in den vorm van een ongelijkzijdigeii rechthoekigen driehoek, waarvan de lange reelit-hoekszijde (aan den top des driehoeks een weinig buitenwaarts gebogen) tegen de veer sluit en de andere horizontaal gerichte rechthoekszijde met het bovenvlak van het staafje samenvalt.

Het wijzerwerk, aldus aangebracht, kan, zooals de ervaring mij heeft geleerd, zrer gemakkelijk afgenomen en opgezet worden en het is daarbij iiicl inuijclijk het in een on-juisten stand te plaatsen.

Het groote voordeel, aan deze inrichting verbonden, valt dadelijk in het oog. De ijker nl. kan het telwerk van den gasmeter in de hand nemen en het aldus grondig en gemakkelijk onderzoeken.

Het behoeft niet te worden opgemerkt, dat ook het literrad van de staande spil afgenomen en er op geschroefd moet kunnen worden.

ocr page 22

12

F, Hoogste en huKjsle, wulerslaml.

Valt het watervlak in de voorkast juist met de moiuliag fig. 2, samen eu wordt flau nog eene zéér kleine hoeveelheid water in de voorkast gestort, dan y.al dit niet door de buis V V, 1\ in den waterzak vloeien, maar het zal rondom den omtrek der monding J' worden opgeheven eu een laagje water blijft boven het horizontale vlak, dat met demon-ding der buis samenvalt, in den gasmeter aanwezig.

Wordt daarentegen, bij geheel of gedeeltelijk gevulde bakken eenig water uit den gasmeter gehaald, dan zal als het watervlak iets beneden de monding X is gedaald, niet onmiddellijk water uit de bakken stroomen, maar een deel van het water zal zich aan do monding X blijven vasthechten eu deze gesloten houden.

In beide gevallen zal zich dus een meniscus vormen. Men zal derhalve de monding / iets hoogcr kunnen plaatsen dan de monding V, zonder dat zich daarom, bij de geringste daling van het watervlak in den gasmeter, water uit de bakken zal ontlasten.

In den hier beschreven gasmeter is werkelijk de monding X zeer nabij 2 m.M. boven de monding T geplaatst en het verschil tusschen den hoogsten en den laagsten waterstand , dat bij gezegden gasmeter kan worden bereikt, bedraagt toch nog ongeveer 4 m.M. (1).

Ondanks dezen geringen afstand in de uiterste standen is, zooals later blijken zal, de gasmeter onder alle voorkomende omstandigheden volkomen goed bruikbaar en in geenen deele te gevoelig, want als bijv., terwijl alle branders gesloten of geopend zijn de in- of de uitlaatkraan plotseling wordt geopend of gesloten, dan ontlast zich toch nog geen merkbare hoeveelheid water uit do bakken, zelfs niet bij grooten overdruk.

Onder hoogsten waterstand nu wordt die stand verstaan waarbij het voldoende is nog slechts één druppel in de voorkast te storten om water door de buis V V, F* in den waterzak te doen vlooien; en onder laagsten waterstand , die stand, waarbij geen druppel water meer uit de voorkast kan worden gehaald zonder dat de meniscus aan de monding / verbroken en deze dus vrij wordt.

(1) Dat wil zoggen by geen overdvak. Is de gasmeter in werking dan bedraagt de afstand tnssclicn hoogsten en laagsten stmd minder; zoo b\)v. bij doorstrooming voor 10 lichten en een overdruk van 103 in.M., slechts ruim 2 m.M.

ocr page 23

13

G. Nadere hcsrlirijimij mn hrt doi'l en ilc nmkiiKj der hakjes fquot;, en U*

en der huizen F, IT en /.

De bakjes f7, en U3, lïg. 2, ziju in den gasmeter geplaatst, u. a. om te voorkomen flat de sterke en plotselinge dalingen en rijzingen van het watervlak in de vrije ruimte der voorkast, ontstaande bij het plotseling openen of sluiten van de in- of de uitlaatkraan by grooten overdruk, zich ook zouden doen gevoelen op het water dat in de nabijheid ligt der mondingen V en Z.

Uit proeven toch is gebleken, dat als bijv. bij geopende inlaat en 10 geopende branders, bij een overdruk van 103 m.M , de gesloten uitlaat met een ruk wordt geopend, het watervlak in bedoelde vrije ruimte plotseling 'J a KJ m.M. daalt om onmiddellijk daarna te rijzen. Het is klaar, dat als het water nabij de mondingen F en Z deze schommelingen volgde, er telkens eene groote hoeveelheid water uit de bakken in de vrije ruimte der voorkast en hieruit weer in den waterzak zou wegvloeien en nieu derhalve de bakken herhaaldelijk zou moeten bijvullen.

Nu echter de mondingen /' en Z ieder in een afzonderlijk bakje zijn geplaatst, dat betrekkelijk weinig genieenschap heeft met het water in de voorkast, oefenen de schommelingen van het water in de voorkast ook weinig invloed uit op dat in de bakjes. In hot bakje f/, is deze invloed bijna niet merkbaar en in het bakje f.'',, zooals zoo straks zal blijken, weinig hinderlijk.

Gaan wij nu na wat er geschiedt als de meniscus aan de monding Z wordt verbroken, in de onderstelling dat de middellijnen der buizen Z Zl en Z. Z3 vrij groot en nagenoeg aan elkaar gelijk zijn.

Deze verbreking kan plaats hebben onder twee verscliillende omstandigheden; zij kan nl. ontstaan:

1°. door het geleidelijk en langzaam dalen van het quot;watervlak ten gevolge van verdamping;

2°. door het plotseling invoeren van gas van hooge spanning binnen den gasmeter.

Ad 1quot;. Aangenomen, dat terwijl gas van zekere spanning iu den gasmeter aanwezig is, liet watervlak eindelijk zoo laag is gedaald, dat de meniscus aan de monding Zwordt verbroken, dan is het duidelijk:

(i. dat o/i datzelfde omjeuhlili de drukking op het vlak n h binnen en buiten de bakken J en L even groot is; en

h. dat iinmidde.llijk daarna een deel van het water dat in de buis Z Zl is bevat door zijne zwaarte, zal wegvloeien.

Hieruit volgt dus, dat er onmiddellijk na bedoeld oogenblik, op het laagje water dat samenvalt met het vlak der monding Z3, twee ongelijke krachten werken in tegengestelde richting.

De eerste kracht, die trachten zal het laagje water dat samenvalt met de monding Zz weg te duwen in de richting van naar Z., is gelijk aan de spanning van het gas

ocr page 24

u

vermiinlcnl met do drnfekmg van ecue waterkolom wiev lioop'te golyk is aan den afstand Tim tot a h; de tweede kniclifc, die trnchteu zsil liet lnagje wey te duwen iu de riditing \iiji Z. naar /£,, is gelijk aan de spanning van het gas reniiPiinlcril met de drukking van eene waterkolom wier lioogte gelijk is aan den afstand van liet laagste laagje water inde liuis ^X[ en liet horizontale vlak dat door gaat.

De laatste kraeht zal, door het onmiddellijk geheel of gedeeltelijk lecgloopen van de latis Xt /. grooter zijn dan de eerste en het verschil komt overeen met do drukking van eene kolom water wier hoogte door den afstand van het laagste laagje water in de huis y.x Z tot het vlak (i h wordt aangegeven.

Hieruit blijkt, dat het gas het in de buis Xaanwezige water in de richting / x, X. zal wegduwen, en langs de monding X, binnen den bak zal stroomen, met eene kracht die verder nabij standvastig en ongeveer gelijk is aan de drukking van eene waterkolom wier hoogte overeenkomt met den afstand der monding X.t tot het vlak u Ik (I'.

Er zul dus, door het instroomende gas, eene zekere hoeveelheid water uit de bakken in do voorkast worden gedreven . hetgeen het watervlak aldaar doet stijgen. Deze vloeiing van gas in, en van water uit de bakken duurt zoolang voort tot het watervlak in het bakjo l': met de monding / samenvalt en deze sluit.

Xu zou, indien de buis W niet aanwezig was, het water in de bakken alléén door de openingen in de bodems dier bakken kunnen ontwijken, waardoor het watervlak in het bakjo U.2 niet zoo snel zou stijgen als daar buiten, omdat de betrekkelijk kleine opening iu hot bakje slechts geringeu toegang geeft aan hot water dat uit de voorkast in dat bakje tracht te dringen en een gevolg hiervan zou zijn, dat er nog gas door de buis Xinde bakken zou stroonien, of m. a. w. water uit de bakken in do voorkast zou vloeien, nadat reeds het watervlak in de vrije ruimte der voorkast, doch buiten het hakje f.'s, met de monding X samenviel, en het zou kunnen plaats hebben, dat daarna, bij het instroomen van water uit de voorkast in het bakje L',, een deel van het uit do bakken gedrongen water, langs de buis J'. in den waterzak werd overgestort en dus verloren ging. Om dit te voorkomen is de hevel vormige buis 11' aangebracht. De mondingen van deze buis liggen beido beneden de lijn n h: de eene in het bakje , de andere in den bak Ij.

Indien dus de monding / vrij komt, wordt plotseling, door het instroomende gas uit de voorkast in de bakken de spanning van het gas in de bakken verhoogd, welke verhoogde spanning ten gevolge heeft dat eene zekere hoeveelheid water uit de bakken moet wegvloeien. Dit water zoekt een uitweg voor een deel door de openingen die in de bodems van de bakken L en J zijn gemaakt en voor een deid door de buis IV. Is nu deze buis groot van middellijn, dan is het duidelijk, dat een groot deel van het water dat uit den bak L moet wegvloeien, langs deze buis zal ontsnappen.

Derhalve zal dan het omgekeerde van daar straks plaats hebben; nl. het watervlak in hot bakje zal sneller stijgen dun dat daar buiten. De monding der buis X zal dus nu spoediger door het water bereikt en gesloten worden. Xu begint wel onmiddellijk bij de sluiting der buis / het water in het bakje 1'., te dalen en het is mogelijk, dat daarbij do nieuw gevormde meniscus herhaaldelijk wordt verbroken en telkens weer hersteld. maar het is licht in te zien, dat thans het water in geen geval zoo hoog zal klimmen dat, als de watervlakken iu en buiten het bakje tot rust zijn gekomen, het gemeeue watervlak de monding der buis Z zal bereiken, zoodat thans voor wegvloeiing van water in den waterzak geen gevaar bestaat.

(1) Hot blijkt, (lilt ilo buis liet sud invloeien vuil gas togengaat, hetgiinn om cenc suh 2quot;. op to Reven reden gowcnscht is.

ocr page 25

Ail 2°. (iosteld. dat terwijl do uitlaat geopend en de inlaat gesloten is, de laatste, )gt;ij eeito groote drukking van het te meten gas, plotseling wordt geopend, dan zal liet water, in de vrije ruimte der voorkast, met een stoot naar beneden worden gedrukt.

Een deel van liet weggedrongen water ontsnapt in de achterkast waar de spanning van liet gas minder is, terwijl om gelijke reden een ander deel in de bakken dringt.

Dit binnendringen van hot water geschiedt echter met een krachtigen stoot, waardoor de spanning van liet gas in de bakken plotseling aanzienlijk hooger wordt en oen deel van het water uit de bakken L en ƒ zal, door do buizen IF on %X3, trachten te ontwijken in het bakje r.,.

Inmiddels werkt ook. onmiddellijk bij het openen van de inlaat, de spanning van het. instroomende gas op de bakjes l, en V, en tracht hierin de bovenste laag van het water naar beneden te drukken.

in het bakje f, blijft bet plotseling dillen van bet watervlak natuurlijk zonder eenig gevolg, maar niet in hot bakje U.2, omdat hier de monding X vrij komt als liet watervlakte veel (laait. In het bakje V.: kan het water niet alleen langs de kleine opening in de vrije ruimte van de voorkast, maar ook door de buizen 1!' en / naar de bakken L en ./ ontwijken. Op het water in liet vlak a h der buizen II en X werken dus twee krachten in tegengestelde richting; do eeno kracht echter, die het water uit liet bakje r8 in den bak L en in de voorkast tracht te dringen, werkt iets vroeger als de tegengestelde kracht, die meer dan de andere de inertie, van het water moet overwinnen.

Een gevoln- hiervan zal dus zijn, dat de eerste kracht één oogeiiblik alleen werkt op het water in het bakje U.:, waardoor werkelijk eeno zekere hoeveelheid water uit dit bakje binnen de buizen ïï' en X en van hier in de bakken zal worden geperst. Beide krachten zullen echter elkaar zeer spoedig ontmoeten en vernietigen.

Is nu intusschen, door liet wegvloeien van water uit het bakje r., en langs de kleine opening in den bodem ón langs de buizen //'en X, het watervlak in het bakje zoo ver gedaald, dat de meniscus aan de monding der buis X is verbroken, dan zal door do buis X Xi gas uit de vrije ruimte dor voorkast in do bakken vloeion. de spanning van hot gas in de bakken worden verhoogd en hierdoor water uit de bakken worden gedreven. voor een deel door de buis Jl in het bakje U2 en voor een deel onmiddellijk uit de bakken in de vrije ruimte der voorkast. Moe meer water zich in de bakken bevindt, dos te grooter zal ook het verschil in spanning zijn van hot gas in de voorkast en dat in de bakken, d. w. z. met des te meer kracht zal plotselino-, bij verbroken meniscus het gas uit de voorkast binnen do bakken drinyen.

Indien de bakken geheel of nagenoeg geheel gevuld zijn. bij grooten overdruk en het geopend zijn van oen groot aantal branders, zon, bij afwezigheid van de buis X X:, het invloeien van hot gas zóó krachtig en snel plaats hebben, dat het water rondom de monding / zou worden teruggedrongen en er zich geen meniscus zou kunnen vormen (1) met het gevolg, dat bij hersteld evenwicht in en buiten de bakjes, bot water boven den hoogsten stand zou stijgen en er dus eone zekere hoeveelheid water zon verloren gaan.

Door de aanwezigheid echter van de buis X. X, wordt hot instroomen van het gas in den bak h bomooielijkt on heeft dit veel langzamer plaats, zoodat er weinig gevaar moer voor bovenbedoeld waterverlies bestaat. Dit blijkt bovendien uit de volgende door mij genomen proeven.

ik vulde nl. de bukken ./ en /, boordevol, sloot de inlaat on opende, de uitlaat on 10 branders.

(1) Zin no it lp iil.'ulz. 11,

ocr page 26

I (I

Ik gaf aan liet «'as in dc meetklok oen overdruk van 40 m.M.

Thans opende ik plotsf.ling , mei cru mil, de inlaat en liet die eene halve iniuutit open. Na verloop van dezen tijd sloo1quot;. ik weer plotükijno, mei om nih, de inlaat en liet nu alles, mede eene halve minuut rusten; daarna opende en sloot ik de inlaat op gelijke wijze, telkens na verloop van een halve ininunt en herhaalde dit gedurende dertig minuten. Na afloop van deze proef bleek er volstrekt geen water uit de voorkast in den waterzak te zijn geloopen. Ik herhaalde deze proef bij een overdruk van 57 m.M. en er bleek nu evenmin water uit de bakken te zijn gestroomd.

Bij elke der vijf volgende proeven stroomde er eveneens gedurende dertig minuten gas door den nieter, waren tien branders geopend, word bij steeds geopende nitlaat de inlaat dertig maal, Irll.nis vi.otskuno , geopend en gesloten en daarbij vlooiden de volgende hoeveelheden water uit de voorkast in den waterzak.

Proef.

Drukking.

Toestand.

Weggevloeid water.

1ste.

70 m.M.

geheel

gevulde bakken.

120 gram.

2de.

70 ,

half

V r

42 ,

3de.

90 ji

geheel

n ff

128 ,

4de.

103 ,

n

V 19

200 ,

nde.

103 .

half

* n

154 „

Hierbij zij opgemerkt, dat in de grootste steden van Nederland zelden meer dan .quot;)lt;) m.M. overdruk wordt gegeven en een overdruk van 70 m.M. ongetwijfeld ook buiten Nederland zelden voorkomt. Toch gaat bij 70 m.M. overdruk, onder de ongunstigste omstandigheden (1), bij elke opening en sluiting der hoofdkraan, slechts 4 gram water verloren. Dit watervorlies kan intusschen, zon vooiliij, nog kleiner worden gemaakt, door de mondingen /' en 1 a 1VS m.M. dichter bij elkaar te brengen, hetgeen op den inhoud geen in de praktijk merkbaar verschil zal doen ontstaan (2).

1

Dezf omstaniligticdon zullen, bjj do ovci'grooto moordorlmid vnn gMmcterfl, wel nooit voorkomen en behoeven zieli ook hjl nirl mi gasmeter voor to (loon.

ocr page 27

17

H. Inhoudsproeven.

De metende ruimte van den gasmeter is afhankelijk van den stand van het water in de voor- en de achterkast.

Uit eene reeks van proeven, door mij met den hier beschreven model-gasmeter genomen, is gebleken, dat de laagste waterstanden weinig afhankelijk van den overdruk en vrij nabij even hoog zijn, terwijl de hoogste waterstanden afhankelijk van dien druk zijn en steeds lager worden.

Liet ik nl. onmiddellijk na de vulling van den meter, — dus bij den eersten hoog-sten waterstand — langzaam water druppelen langs eene kleine opening, die bij g, flg. 2 is aangebracht en met eene schroef kan worden gesloten, dan liep er bij geopende in- en uitlaat en zonder overdruk, 418 gram water uit alvorens het watervlak tot het laagste peil was gedaald. Bij dezen stand werd de meniscus verbroken en vloeide er water uit de bakken in de voorkast, tot zich weer een meniscus had gevormd en dus de tweede hoogste waterstand was bereikt.

Liet ik nu nogmaals water uit de opening bij. q vloeien, dan daalde het water tot zéér nabij denzelfden laagsten stand van daareven, alvorens de meniscus werd verbroken, maar het ditmaal uitgevloeide water bedroeg slechts 200 G.; een bewijs dus dat de 2d8 hoogste waterstand merkbaar lager ligt dan de eerste. Bij de derde en volgende uitvloeiingen tusschen een hoogsten en den daarop volgenden laagsten stand, daalde telkens het watervlak tot bijna denzelfden laagsten stand van de vorige maal, doch werd gemiddeld iets, ofschoon bijna onmerkbaar lager, zoodat de eerste en de laatste laagste waterstanden zeer weinig van elkaar verschilden; maar de volgende hoogste stand was in den regel merkbaar lager dan de voorafgaande. Zoo vond ik bijv. bij geen druk, by de eerste uitvloeiing bovenbedoeld, dat 418 G. water was weggevloeid, hetgeen overeenkomt met eene daling van ± 4.5 m.M. van het watervlak; de 2de uitvloeiing wees een waterverlies aan van 200 G.; de 3de van 210; de 4de van 194; de 5de van 156; de 6de van 86; de 7de van 102; de 8ste van 90 G. en de volgende uitvloeiingen bleven allen beneden 100 G.

By eene tweede proef, insgelijks zonder overdruk, vond ik dat opvolgend 410, 194, 202, 134, 116, 112 gram water en vervolgens minder was weggeloopen.

Bij een overdruk van 103 m.M. en eene doorstrooming van gas voor 10 lichten vond ik eene uitvloeiing van opvolgend 264, 154, 182, 152, 146, 123 gram water en vervolgens, minder; eene volgende proef, mede bij 103 m.M. overdruk en 10 lichten wees opvolgend 296, 160, 176, 170, 116, 116 gram water en gaandeweg minder aan.

Ook by 39 m.M. overdruk en 5 lichten is eene dergelyke geleidelijke vermindering in de hoeveelheid uitgestroomd water waargenomen. By alle proeven bleek dus de laagste stand vry wel standvastig te zijn, terwyl de opvolgende hoogste standen, naar mate er minder water in de bakken overbleef, steeds lager werden. De eerste hoogste stand bleef steeds onder allen verreweg de hoogste.

Dat er bij een hoogen overdruk en het doorstroomen van gas voor tien lichten, by de eerste uitvloeiing minder water uitstroomt, dan bij een kleiner overdruk en minder lichten, is natuurlyk hieraan toe te schrijven, dat onmiddellyk bij het openen van de uitlaatkraan het watervlak in de voorkast aanzienlijk wordt neergedrukt, omdat eene zekere hoeveelheid water uit de voorkast in de achterkast wordt gedrongen, in de afdee-

ocr page 28

18

lingen waar zich gemeten gas bevindt, d. i. tusschen den trommel en den wand van de achterkast, henevens in de afdeeling van den trommel waaruit gemeten gas stroomt; de hoeveelheid weggedrongen water is natuurlijk grooter naar mate de overdruk en liet aantal lichten of m. a. w. het drukverlies tusschen in- en uitlaat toenemen.

Het verschil tusschen den hoogsten en den laagsten stand bepaalt de hoeveelheid ■water die bij de uitvloeiing wegstroomt en dit verschil is blijkbaar kleiner naar mate de overdruk en het aantal lichten toenemen.

De uiterste inhouden van den gasmeter, d. w. z. de kleinste en de grootste inhoud •worden dus aangewezen bij den eersten hoogsten stand en bij den har/sten stand.

Bij deze standen is de hier beschreven gasmeter beproefd, bij verschillende door-strooming en drukking (1); daarbij zijn de volgende verschillen in inlioudsaanwijzing tusschen de meetklok en den gasmeter gevonden, die ik hier onveranderd weergeef, d. w. z. zonder het aanbrengen van correctiën voor temperatuurs-verschillon e. d.

DATUM

Over

Aantal lichten.

Temperatuur van: (graden Celsius)

Fout in de aanwijzing op het literrad bij den

Verschil in inhoud tusschen

-van het onderzoek.

druk

in millimeters.

het gas

de lucht in het

het water

het water in den

hoogsten (2)

laagsten

den hoogsten en den laagsten

klok.

lokaal.

in de kuip.

gasmeter.

waterstand in den gasmeter.

waterstand.

8 Oct. 1887

12

1

15.2

14.8

14.0

14.0

-f0.45(/0

—O.85o/0

1.30 «/„

8 ,

39

5

14.9

14.2

14.0

14.0

0.8 ,

—0.85 „

1.65 ,

Sr i,

103

10

14.7

14.2

14.0

14.1

0.2 ,

-0.55 „

0.75 „

15 „ ,

12

1

9.3

9.0

9.3

8.5

0.7 „

-0.5 „

1.20 „

15 „ „

39

5

9.0

8.3

9.3

8.5

0.7 „

-0.5 „

1.20 ,

15 ,, «

103

10

8.9

■8.8

9.3

8.5

0.8 „

0 ,

0.80 ,

Nog liet ik, bij een overdruk van 103 m.M., 300 L. gas door den nieter stroomen, terwijl 10 branders geopend waren en de opening g, fig. 2, niet geheel gesloten was, zoodat er voortdurend water langs die opening druppelde.

Ik bevond, dat tijdens deze proef de meniscus eenige malen was verbroken, terwijl bij het einde der proef het literrad eene fout aanwees van — 0.3 percent. Bij een overdruk van 15m.M.. ée'n licht en eene doorstrooming van 100 L., bedroeg de fout — 0.8 percent.

(1) De in- cn uitlaatkranen werden bij hrt begin van elke proef zeer langzaam en met de uiterste behoedzaamheid geopend, om de uiterste standen zoo weinig mogeiyk te veratoren, d. i. om het inhoudsver-schil bi) den hoogsten cn den laagsten waterstand zoo groot mogeljjk te maken; dit bedenke men bij de beoordeeling der cyfera in de laatste kolom van den volgenden staat.

(2) Hierby /.[i opgemerkt, dat bij eiken overdruk de hoogste stand slechts éénmaal na elke vulling {eene mogeiyke verhooging van het watervlak door condensatie niet medegerekend) wordt bereikt.

ocr page 29

10

De grootste iulioudsfout, die ik onder al mijue talrijke en met zorg genomen proeven heb gevonden, gaf eene afwijking op den inhoud aan van 1.8 percent.

Bijna alle proeven, bij de uiterste waterstanden genomen, gaven eene fout aan beneden 1 percent; voor de gemiddelden uit al de proeven in plus vond ik - - 0.7, voor die in minus — 0.65 percent.

Ik ben dan ook overtuigd, dat bij een overdruk van 100 m.M. of minder en eene doorstrooming van gas voor hoogstens 10 lichten, de geoorloofde afwijking van de in-houdsaanwijzing van een, overeenkomstig deze beschrijving ingerichten gasmeter, aanzienlijk minder dan l1/, percent in -f- en in — kan bedragen; doch al bedroeg de fout 1'/i percent in -4- of in — dan toch zou zij, in vergelijking met de uiterste waarden die bij den gewonen gasmeter worden aangetroifen, klein mogen worden genoemd.

ocr page 30

20

I. Opmerkingen.

Na medecleeling van liet bovenstaande, meen ik te mogen besluiten, dat de hier beschreven gasmeter, bij horizontalen stand, werkelijk aan de hoofdvoorwaarde voldoet, van te zijn , een verlrouwbaar meetwerlduigquot;, dat overigens vele voordeelen hoeft bovenden gewonen gasmeter en geen nadeel dat ook niet bij den laatston wordt aangetroffen.

Hot zij mij ten slotte vergund in het kort die voordeelen te resumeeren.

1°. De uiterste inhoudsaanwijziugeii, die mogelijk zijn, hunnen met betrekking tot den juisten inhoud, bij elk geoorloofd aantal lichten en eiken druk, slechts eene fout van hoogstens 1quot;2 percent aanduiden;

2''. De bijvulling behoeft niet meer dan tweemaal 'sjaars te geschieden ;

3°. Er ban geen ongemeten gas uit den meter worden genomen;

4°. Het hinderlijk flikkeren van de vlam. door het gedeeltelijk vol loopen van den syphon, bijv. bij het plotseling openen van de hoofdkraan, kan niet plaats vinden;

S1. De meter kan, tijdens het onderzoek naar den inhoud, zeer gemakkelijk en bovendien volkomen juist worden gejusteerd zonder dat hij behoeft geopend te worden;

Gquot;. Voor het veranderen va;i den metenden inhoud tijdens het transport kan geen vrees bestaan, aangezien de deelen welke dien regelen, onderling en met de voorkast stevig zijn verbonden;

7°. De meter is in weinig tijd op een juist waterpeil gebracht, omdat men bij de vulling niet behoeft te wachten tot al het overtollige water is weggevloeid ; en

8°. Hot telwerk kan door den ijker, binnen enkele minuten afgenomen , deugdelijk onderzocht en weer volkomen juist opgezet worden.

Al deze voordeelen worden verkregen zonder vermeerdering van drukverlies van het gas, terwijl eindelijk nog de gasmeter onbeduidend weinig meer plaats inneemt en ook weinig meer 'kostbaar is dan de bestaande.

Het is gemakkelijk na te gaan, dat het voorgestelde middel, bij gasmeters van grooter meetvermogen dan van 1400 d.M3. in het uur, met minstens even veel voordeel en gemak is toe te passen als bij den hier beschreven model-gasmeter.

Bij een gasmeter voor bijv. honderd lichten zou men de voorkast boven de normaalwaterlijn slechts 65 c.M. lang, 11 c-M. diep en 14 c.M. hoog behoeven te maken om aan de bakken een inhoud te geven van 10 L.

Al het overige hetzelfde latende zouden dus deze bakken, bij eene dagelijksche verdamping van 0.55 d.L. gedurende zes maanden, den waterstand op een normaal peil kunnen houden , ofschoon de gasmeter feitelijk niet (jrooter zou zijn geworden.

ocr page 31

21

Eerst nadat mij de drukproeven van dit opstel in handen werden gesteld, gelukte liet mij door proeven uit te maken, dat eene kleine wijziging, die ik in de inrichting van den hiervoren beschreven model-gasmeter heb aangebracht, eene verbetering kan •worden genoemd.

De wijziging bestaat hierin, dat het boveneinde van de syphon iï , fig. 1, niet do stang P, fig. 2, samen in een kastje worden opgesloten, dat onderaan tegen dekleppekast is vastgesoldeerd en met het open beneden-einde diep onder het watervlak a b reikt, terwijl bovendien in het middenschot van den gasmeter, boven de waterlijn « b, eene opening is aangebracht.

Door deze wijziging wordt het gas, zoodra het binnen den gasmeter treedt, gemeten cn zijn al de buitenwanden van den gasmeter uitsluitend met gemeten gas in aanraking, terwijl dc schommelingen van het watervlak binnen de vrije ruimte der voorkast en vooral die in de bakjes V, en U.2, bij het plotseling openen der in- of uitlaatkraan bij gelijken druk en liGtzelfde aantal geopende branders, aanzienlijk kleiner zijn dan vroeger cn dit ondanks do openingen in de bodems dier bakjes grooter zijn gemaakt dan zij waren bij het nemen der proeven die op bladz. 16 zijn beschreven.

's Grravenhage, Februari 1889.

ocr page 32

■

ocr page 33

Steendr. k Getr c lanflen/iuysen, 'sf/sye

ocr page 34

h

■8

mamp;i Bi

ocr page 35

Stmii'. t i^r r/*#'/. '.»,m

ocr page 36
ocr page 37

Fiqquot;. S. O

j

K

I'ilt;y' ó. o

Fiv* 4

ll ^r

oiij

■#s

ferült

S.^

..|J.|4U

.\±an

HWf4 xLtLEt

K

Steendr k Jsor /. is.ywftu/sev. :/~j's

ocr page 38

_

ocr page 39

■

■

ocr page 40
ocr page 41

y'^:vW:

mm

' 'amp; P'iy.quot;- ■

V-' -

quot; /].y' !

' :• ■ •: ; i/. ' .• V quot;i ^ : , V ,

' y-./■!.

\.'v ':

i«'A

y:: - /■■■' . quot;■ , ■ , !

:v;;' ::t:^:;'-:^;Ms;i

■ .' ■ ■ . •• . ,' A ■ ' W

■ 'W

■ ■ ■ . ■ gt;•■ ' ■ '-i ■■■;■'■

■■■■'■■' ■■ 1-V:- . ■■ ' ■'

. .' -■•. . . ■ -

■

■ ' ' '■ ■■ '/ ' ,

■ ■ ■ ■■ - ■;

mm,

■ ;;c- r:-/:; -

fiïï !v; ■■ ■

; ' , .V

mÊmÊm

: . •, •, ''V..1., • '.■•• , , ' • ; .. : • • ,■. • ■ Vv

'i;-' ■ 'v'' ' • . . : ^

'Jf' ■: :é

'•l

/:■ quot; '

■ Sv.

■ : ,;;ó■: ■ ■ , ■ v;'V ■ ■ . .

WÊÊÊmt i-'wi

f?f

■;■' •-

■ ^ '

ï,'•%*;...•.quot;■y't'.ff'l ';■!

,r. ■; '■ -'/■

•quot; ■ ' . .. .

' '■ 'Vj

:7?v

fii

v

, :-;C

, *, ■,■

v: '\ '

■ //..

: . ;•.

■ . quot; ■ ■■ ■quot;■; 'ÏM

■ ' :•:#

..V'

■ '-:r'

■■ 'm

r ■ t' V'-'-'AA ' - ' '■ ■ ■■

l '. . i,4fewVj '

'rh:[y/wm

■ ■ 'ft. ■■

■■

»f®¥:

'■ -Pjy^ÊÊ

■ n.

1

i,';'.' •''quot;X- • V • ••;. •. . ' '•.,■• •

, ■ Wwjsffl

üi

' » ■ , • ■- ''••. •• . ■ •■• ■' ■ '•■

mRMippi

1.:quot;Ï.'.-A. v,'-

W:■' v's: ■:':v; :v ■ ■

V',,r''v''. ■ ^ : _.__:_' ■ ■■

■ ■ quot;

_______—_—_

ocr page 42
ocr page 43
ocr page 44