Compleet in 4 deelen prijs f 6.00.
IK
DOOK quot;■gt;
H. KLETKE.
L E I U K IN . I». NOOTHOVEN VAN GOOK.
VIERDE DEEL.
U jVJü i ii T-8 £ J 2 i M iA £ Si i X A
to
I k
X-^
. li $ ' /
^ ^ yyiiïké
r'hlidS'' ' '
Mi r. i f ^ ^ /^
■■c
S f * r h
f'ftifti
, i.'lmór,
»0
iO
:io
(id
SO
.90
\ OO
gt;^r-. ^-v
i' 'in*/'*,,,
Sella a I gt; ;lt;ilt; .'»00 I Iquot;»'
/'// U ifhmttjt .'/,/
11
l.ilh. cm f-'/fquot; t int Ia\ \gt;ii.\igt;■ i-i/lt;im
:gt;*lt;• .ion
'id no
IN
DOOR
II. KLETKE
LEIDEN, I). NOOTHOVEN VAN GOOK.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
EEBSTE HOOFDSTUK.
Vertrek uit Orenburg. — Aankomst te Ueralsk. — l)c Kozakken van de Oeral. — De visscheiijcn in de Oeral....... I.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Afreis uit Oeralsk. — Zwavel-, asphalt- en zoutbronnen in de streek tusschen de Tok- eu Sokzwavelberg aan ile Wolga. — Wolsk. 21
DEKDE HOOFDSTUK.
De Duitecho koloniën aan de Wolga..........35.
VIEBDE HOOFDSTUK.
Het Elton-meer.................63.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De Hernhutter-kolonie te Sarepta. — Verzamelingen van den beer Zwiek. — Tartaarscbe ruïnen aan de Achtoeba. — Mineraalbron van Sarepta. — Jenotajewsk. — Kalmoekentempel op weg uaar Astrakan...................85.
ZESDE HOOFDSTUK.
De Wolga-vallei. — Armeniërs. — Joerten Tartaren. — Astrakan-sebe Kozakken. — Kalmocken............'.17.
ZEVENDE HOOFDSTUK-
Eene audiuntie bij eene Kalmoeksche vorstin. — De afgodentempel der Kaliuoeken. ... . . .........14ó.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Aankomst te Astrakan. — Gemengde bevolking. — beschrijving der stad. — Wijngaarden. — Kathedralen. — Perzische en Indische ba/ar. — Godsdiei st der Hindoes. — Fakirs, — Een Armenisch
IV.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Uitstapje naar de Kaspische zee. — Mondingen der Wolga. — Stoomvaart op de Wolga. — Het eiland Biroetsjikassa met de beneden-quarantaine. — Togt op de Kaspische zee. — Hoedanig-heid van het water der Kaspische zee. — Vuurbaak op het (iland Tsjetyre Boegri. — Visscherijeu in de Wolga. — Lage ligging der Kaspische zee.............215.
TIjSNDE HOOFDSTUK.
bezoek bij den Kalmoekschen vorst Sered Dsjab. — Niveau der
Kaspische zee; snel dalen van haren waterspiegel.— De Boegors. 298.
ELFDE HOOFDSTUK.
Het kamp eener Kirgizenhorde. — Terugkeer naar Berlijn . . . 335.
Vertrek uit Orenburg. Aankomst te Oeralsk. — De Kozakken van de Oeral. — Ue visscherijen in de Oeral.
Des morgens van don 24slcn September verlieten onze reizigers Orenburg. Hunne vrienden, de heeren von Gens en Soetsjkoff, begeleidden hen tot aan de Sakmara, welke rivier drie mijlcu van bovengenoemde stad verwijderd is, alwaar zij afscheid van hen namen. De heeren Hofmann en von Helmerson, die hen zoo lang hadden vergezeld, verlieten hen insgelijks en sloegen den weg in, die regelregt naar St. Petersburg voerde, alwaar zy elkander weder hoopten te ontmoeten.
Met eene pont staken zij de Sakmara over, welker oevers met hoog opgaand loofgeboomte, eiken en beuken, op de schilderachtigste wijze zijn beschaduwd; ook hier vindt men den rooden zandsteen ontbloot, welke aan den oever dei-Oeral in do nabijheid van Orenburg wordt aangetroffen. Zoodra men het eerste station Tsjernoretsjinsk heeft bereikt, hetwelk op 27 mijlen afstands van Orenburg is ge-legen, wordt het terrein bergachtig, hetwelk voortduurt tot aan het derde station Nisjne Osernaja, alwaar zij des avonds aankwamen. Dit station ligt op 89 mijlen van Orenburg. Het steppengebergte, de Ohsjtsjeï syrt, loopt hier zeer digt langs de Oeral; komt men echter verder, dan verwijdert het zich weder cn strekt zich uit in eeue oostelijke rigting, waardoor het de rivieren scheidt, welke
2
zich aan do eenc zijde in de Oeral, aan den anderen kant in de Wolga ontlasten; de laatstgenoemden naderen de Oeral, door de Sakmara bij Tsjernoretsjinsk, tot op 1 5 a 20 mijlen afstands. Aan gene zijde van Nisjne Osernaja wordt de weg weder meer effen, loopt verder digt langs de Oeral, welker oevers echter voortdurend steil blijven. In do laag gelegen gedeelten zijn zij mot espen, populieren en wilgen begroeid, welke boomsoorten insgelijks de vele in de rivier verstrooid liggende eilanden beschaduwen. Duidelijk bespeurt men, dat de bodem eeue groote hoeveelheid zout bevat, en kleine zoutmeren worden telkens aangetroffen. Des morgens van den 27quot;*'quot; September reden onze reizr-zigers Kirsanowskoï binnen en des namiddaags ten 5 ure kwamen zij te Oeralsk, welke stad op 304 mijlen van Orenburg is gelegen.
Oeralsk ligt aan de monding der Tsjagan, waar zij zich met de Oeral vereenigt, ter plaatse waar deze rivier eene zuidelijke rigting aanneemt; zij verdient eene der schoonste steden van zuidelijk Rusland te worden geheeten. De zeer aanzienlijke hoofdstraat is ter wederzijde met. eene menigte fraaije woningen, ja, zelfs prachtige huizen bebouwd. Eene der schoonsten, de woning van don ataman Borodin, waarvan ook hot inwendige op de sierlijkste wijze was ingerigt, werd het tijdelijk verblijf onzer reizigers. Verscheidene kort na elkander uitgebarsten branden, vooral die de stad in 1821 teisterde, zijn ten slotte do aanlei-dende oorzaak geweest tot hare verfraaijing. Ten jare 1849 telde zij 10,822 inwoners. Ook hier treft men, gelijk reeds door Pallas is aangemerkt, de lastige tarakanen, zoomede de groote zwervende ratten aan, uit de Samarische steppe herkomstig, die ten jare 17G6 in eone tallooze menigte de stad zijn binnengerukt en om zoo te zeggen een openlijken intogt hebben gehouden.
Oeralsk is de hoofdzetel der Oeralsche Kozakken. Vroeger werden zij de Jaïksche Kozakken geheeten, terwijl de rivier en de stad werden genoemd Jaïk en Jaïtskoï gorodok; deze benamingen werden veranderd na het dempen van het oproer onder Poegatsjeff ten jare 1774
uitgebroken, waarvan Oeralsk liet brandpunt was, hetwelk geschiedde ten einde alle herinneringen aan deze gebeurtenis zoo veel mogelijk uit te delgen. Wat betreft de vestiging der stad Oeralsk en liet karakter der Oeralscbe Kozakken, hieromtrent lezen wij het volgende.
Op het einde der lGdu eeuw trokken 600 a 700 Wol-gasehe Kozakken naar de Oeral, stichtten aldaar de stad Oeralsk en legden den grondslag tot de vorming van het tegenwoordig Oeralscbe leger. Op die wijze vormde een handvol Oeralbewoners, lang voor de vestiging der Oren-burgsche linie, als het ware een buitenpost, eene voorwacht van het zuidoostelijk gedeelte van het Russische rijk. Dewijl zij naar de Oeralstreken verhuisden in een tijdperk, dat de oorden in de nabijheid der Wolga nog niet geheel tegen de aanvallen der zwervende volkstammen beschut waren, zij in hunne nieuwe woonstede door vijandelijke stammen waren omringd en daarenboven niet zoo vruchtbare landerijen bezaten gelijk het geval was met de Kozakken van Klein-Rusland, waren zij om de opgenoemde redenen niet in de gelegenheid zich aan den akkerbouw te wijden; er moesten derhalve andere middelen van bestaan worden gezocht • die zij ter hand namen, bestonden in vischvangt, veeteelt en vooral paardenfokkerij. Dewijl zij een voortdurenden strijd voerden tegen de vijanden in de steppe rondzwervende, die, loerende op elke geschikte gelegenheid, gebruik maakten van een onbewaakt oogunblik om hen in harde slavernij te dompelen, waren zij onophoudelijk aan gevaren blootgesteld en moesten zij allerlei ontberingen lijden; hierdoor bleven zij de hoedanigheden behouden, welke de plaat-selijke gesteldheid van het oord, door hen bewoond, in zoo hooge mate tot ontwikkeling had doen komen en aange-rijpt, namelijk, de kennis van de steppe en van de Beneden linie, kennis van de zeevaart en do vischvangst, tegenwoordigheid van geest, geduld, matigheid, waakzaamheid, gehardheid van ligchaam en godsdienstigheid, welke nog heden de voornaamste karaktertrekken van dit volk uitmaken. Zoodra de monden van de Oeral in den winter
4
toegevroren zijn, gaan do bewoners dezer oorden in bunne .sleden ter visehvangst; menigmaal verwijderen zij zich 50, ja, 100 en meer mijlen van hunne woonplaats Goereff, en nemen bij dergelijke togten niet slechts mondbehoeften voor zich, maar insgelijks voeder voor hunne paarden mede. Niet zelden gebeurt het, dat zij door stormen worden overvallen, waardoor de zware ijskorst uiteen wordt gereten en zij op eene schots naar zee afdrijven. Is nu het voeder verteerd, dan wordt het paard geslagt, de huid gebezigd om de sleden te overtrekken en er eene sloep van te maken. Dan drijven zij op Gods genade rond, totdat de wind hen strandvvaarts voert. Zeer zelden gebuurt het, dat zelfs in dergelijke gevaarvolle omstandigheden een hunner het leven er bij inschiet.
Dewijl de bewoners dezer streken in voortdurenden strijd leven met de naburige volkstammen, gedurende langen tijd tot de dienst in de steppen gebezigd worden of ter visch vangst langdurige togten ondernemen, vermeerderde het zie lental niet zeer door het getal der geboorten. De vermeerdering van hun aantal moet in eene andere bron worden gezocht, namelijk, in het aantal landverhuizers, die uit velschillende streken van Rusland zich derwaarts begaven, veelal bestaande uit orthodoxen, waarschijnlijk ook strje-litsen en bewoners der naburige oorden. Dit laat zich thans nog bespeuren aan het onderscheid in gelaatstrekken, waardoor zij zich van de Russen onderscheiden. In hunne taal en zeden ontwaart men nog heden eene afspiegeling van het oude Rusland, vermengd meteen Tartaarschen tint; er worden nog op den huidigen dag velen onder hen ge vonden, die vleesch van het vee, door Russen geslagt, niet eten en die noch kameelmelk noch koemest drinken. Dewijl zjj langen tijd hunne eigene opperhoofden hebben gehad en naar hunne overoude zeden en gewoonten geregeerd werden, daarenboven in geenc aanraking kwamen met de Russen, uithoofde van de ongebaandheid der steppen, welke hunne woonplaats omringen, bleven zij vreemd aan alle hervormingen, welke het Russische rijk sedert Peter den Groote tot zulk eene verbazende hoogte hebben opgevoerd, öedert
(jchtor scholcii tc Ocralsk zijn opgerigt, is ook iiier dc grondslag voor verdere ontwikkeling gelegd.
Men schat het aantal Oeralsche Kozakken op 15,000 man, waaronder 5,500 worden gevonden in staat om de wapenen tc dragen, die ter kanselarij als zoodanig zijn ingeschreven on het regt hebben om in de Oeral te visschen; hiervoor zijn zij verpligt de wapenen op te vatten, zoodra dit wordt gevorderd. Gewoonlijk staan er 3,000 onder de wapenen. Indien de nood het vordert, zijn zij verpligt 10 regimenten tc leveren, elk van 500 man, in welk geval slechts 500 man ter bewaking der linie zou overblijven. Van de 3,000 man, die in werkelijke dienst staan, wordt dc helft gebezigd aan het cordon der Kaspische zee langs de Oeral tot 050 mijlen stroomopwaarts; dc overigen bevinden zich in verschillende declen van het Russische rijk.
De welvaart, die onder dc Oeral-Kozakken heerscht, moet hoofdzakelijk worden toegeschreven aan de rijke opbrengst der visscherij in de Oeral. Behalve in den wapenhandel, bestaat bijna hunne eenige bezigheid in de visch-vangst, want veeteelt en akkerbouw worden slechts als bijzaken behandeld. Men zegt, dat het volstrekt geenc zeldzaamheid is personen aan te treffen, die oen vermogen van SO a 100 duizend gulden bezitten. Dc vrouwen onder dc vermogende klasse dragen, wanneer zij in haar feestgewaad zijn gedost, eeue soort van huik in den vorm eens helms, welke van buiten geheel en al is bedekt met rijen paar-len van een aanzienlijke grootte, zoodat dergelijk hoofd-bedeksel op verscheidene duizende guldens te staan komt.
De visch, welke in de Oeral gevangen wordt, bestaat voornamelijk in groote trekvissehen als hausen (bjeloegi), steuren (ossetra), de zoogenaamde sefifroengen en de ster-leddej welke op bepaalde tijden in het voor- en najaar, in den tijd wanneer zij de kuit schieten, in zeer talrijke scholen uit de Kaspische zee de rivier opzwemmen. Driemaal 's jaars gaat men in de Oeral ter vischvangst, namelijk, in Januarij, van Mei tot Junij en in de maand October. Daarenboven wordt van het begin van December gevischt in de rivieren, welke zich in de Oeral ontlasten.
6
benevens de vischrijke meren der steppe; men bedient zich daarbij van netten, welke onder liet ijs doorgehaald worden. Dit zou dus een vierde vischtijd kunnen geheeton worden. De visscherij gedurende het laatstbedoelde tijdperk levert echter niet veel op, dewijl dan alleen vischsoorten voor eigen verbruik gevangen worden. De groote vischsoorten worden gedeeltelijk versch, voor het grootste gedeelte echter gezouten afgezet aan de kooplieden, die omstreeks dien tijd naar Oeralsk komen. De grootste hausen, welke in de Oeral worden gevangen, wegen naar opgave van Pallas 400 Ned. pond. Hansteen heeft er bij gelegenheid vau zijn verblijf aldaar gezien, welke eene lengte van G a 8 voet en om het middengedeelte de dikte van een man hadden. De marktprijs van een dergelijken visch bedraagt somtijds 1,000 gulden. Steuren worden er gevangen ter zwaarte van 200 Ned. pond en ter lengte van (j voet. De sterled is veel kleiner; hij bereikt eene lengte van 1 a l'/a voet, heeft eene geelachtige kleur, is vet en zeer aangenaam van smaak. Bij de zomervischvangst rangschikt men de waarde van den gevangen visch als volgt: seffroengen, steuren, hausen; de sterled komt zelden voor en wordt naar zijne grootte geschat. Des winters wordt de steur boven aan geplaatst; de IC Ned. pond wordt geschat op eene waarde van 21 gulden; de sefl'roeng op 20, de hause op 16 gulden. De sterled wordt in geringere hoeveelheid gevangen en in dat gedeelte des jaars niet zoo duur betaald, dewijl deze visch veel van zijn aangenamen smaak verliest, wanneer hij bevroren is.
Tot het zouten van den visch wordt door de Kozakken eene groote hoeveelheid zout gebruikt, hetwelk in die oorden in eene verbazende massa aanwezig is, en zonder moeite gewonnen wordt. Aan do Kozakken is het vergund daarvan zoo veel zij behoeven te verzamelen; voornamelijk verkrijgen zij het uit de omliggende meren, het Gresnoï osero (het modderige meer), hetwelk op een afstand van 250 mijlen ten zuidoosten van Oeralsk ligt. Hoewel dit meer eene geringere hoeveelheid zout afzet dan anderen, dewijl de zoutkorst slechts eene vingerdikte heeft, wordt gedurende
ilc maanden Julij en Augustus daar toch het meeste ge-wonnen, dewijl het digter bij Je stad ligt dan andere meren, welke eene grootere massa er van opleveren. Wijders ver krijgt men het insgelijks uit eeuige kleine meren, het Sa-krytzki-meer tusscheu de groote en de kleine Oeseën, en vooral uit het Inderski-meer. De hoeveelheid zout, welke verbruikt wordt, bedraagt 3,200,000 Ned. pond ; het laatstgenoemde meer levert daarvan ruim 1,000,000 pond op. De uitvoer van viseh wordt geschat op 0,400,000 pond, die van kaviaar op 960,000 pond, waarvan de gezamenlijke waarde op 7,960,000 guldens wordt begroot.
Terstond na den afloop der visscherij worden eenige van de grootste visschen uitgezocht en eene deputatie benoemd, die ze naar St. Petersburg voert om ze den keizer aan te bieden. Ter audiëntie toegelaten zijnde, ontvangt het hoofd der deputatie als vereering oen zilveren vergulden bokaal van aanmerkelijke grootte, welke den vorm heeft van eene tamelijke wijde vaas en ruim ter helft met dukaten is gevuld. De Kozak, bij wien Uansteen op de meest gastvrije wijze gedurende zijn verblijf te Oeralsk werd onthaald en geherbergd, toonde hem drie bokalen, die hem al.s hoofd eener dergelijke deputatie door den keizer waren vereerd, liet eenige wat hem, naar zijn verhaal, bij de audientien niet beviel, was de noodzakelijkheid waarin hy zich dan bevond om, volgens de etiquette aan het hof des keizers aangenomen, zich den baard te laten afscheren, waardoor hij op de te huis reis steeds aan tandpijn leed, totdat, de baard zijne gewone lengte en zwaarte op nieuw had verkregen.
Bij gelegenheid van de komst van Humboldt te Oeralsk zou de herfstvisscherij eerst vijf dagen later worden geopend. Ten einde zijne gasten echter in de gelegenheid te stellen om de zaak eenigzins te leeren kennen, had de ataman Borodin de welwillendheid om hun eene voorstelling in het klein daarvan te geven. Des avonds van den dag waarop zij waren aangekomen, voeren zij naar de oetsjoeg,— dat is het staketsel waarmede de rivier overdwars was afgezet, — welke zich op eenigen afstand stroomop-
8
waarts van do stad bevindt. De viseh hierdoor verhinderd hooger de rivier op te zwemmen, verzamelt zich in de nabijheid er van. Aldaar aangekomen zijnde, namen zij plaats in eene gereed liggende sloep, en voeren langs het staketsel, terwijl twee Kozakken in het water sprongen en — ieder aan eene zijde van het staketsel — met een ijzeren haak in dc hand insgelijks langs het bedoelde afschutsel zwommen. Met den haak, welke zij in de hand hielden, poogden zij nu den visch te vangen, die digt langs het paalwerk zich ophield; zoodra zij gevoelden, dat zij er een hadden getroffen, poogden zij hem naar boven te halen. Een paar andere Kozakken voeren hen met een sloepje na, ten einde de zwemraenden behulpzaam te zijn, zoodra zij een viseh aan den haak hadden, welke dan in hun vaartuigje genomen werd. Het duurde niet lang of zij hadden, behalve andere visschen, een paar zeer groote exemplaren gevangen, die aan Humboldt ten geschenke werden gegeven, liet waren twee hausen, van welke de grootste eene lengte had van ö'/a voet Rijnlandsch.
Een dergelijk afschutsel bestaat uit paalwerk, waar tus-schen netten zijn gespannen of die door middel van vlechtwerk zijn verbonden; het eerste is minder doelmatig cn wordt derhalve niet algemeen gebezigd. Bij Kasan worden dergelijke staketsels ook elders opgerigt dan in het bed dei-rivier, wanneer deze buiten hare oevers is getreden. Dit heeft alsdan plaats in die streken, waar laagten en holten van eenige uitgestrektheid in het terrein worden gevonden, welke het water loozen door naauwe openingen; deze worden dan afgezet bij gelegenheid dat de rivier weder binnen hare oevers terugkeert. De visch, welke zich daarin bevindt, wordt den terugkeer naar de rivier afgesneden, gevangen en deels ter markt gebragt, deels in vijvers gezet om later gevischt te worden.
Zoodra de rivier weder binnen hare oevers is getreden, wordt hot paalwerk in de rivier geslagen en dit op de straks vermelde wijze vereenigd. Hot nnt daarvan is tweeledig. Vooreerst kan de visch, welke des winters en gedurende het voorjaar de rivier hoog is opgezwoinmen, niet naar zee
9
afzakken 011 de scholen, die uit zee stroomopwaarts zwemmen, kunnen niet verder voortdringen. De viseh, waarvan hier voorn am en lijk sprake kan zijn, is steur en hause.
De wetten en reglementen, op de visseherij uitgevaardigd, worden ten strengste gehandhaafd. Nergens in ganseh Rusland is deze tak van nijverheid zoo goed geregeld als op de Oeral, volgens de mededeelingen van Pallas. Deze wetten en bepalingen zijn den Kozakken als het ware heilig, onschendbaar, cn niettengestaande de hartstogtehjkheid waarmede zij zich aan deze geliefkoosde bezigheid wijden, houden allen ten strengste vast aan de gemaakte bepalingen.
De duikers dragen gewoonlijk eene blaauwe broek en oen naauw sluitend buis of eenvoudig een hemd. De eenige maatregel van voorzigtigheid, welke zij bij hot duiken nemen, is dat zij een weinigje katoen in het oor doen, ten einde het inloopen van water te voorkomen. G-ereed staande om stil, zonder eenige beweging in den stroom te duiken, wapent hij zich met een ijzeren harpoen, waaraan zich scherpe weerhaken bevinden en een handsvat, gewoonlijk ter lengte van een voet Rijnlundsch. Aan de harpoen is een riem bevestigd, welke aan het uiteinde met eene lis ■ un zijn pols is geslagen.
Langzaam zwemt de duiker in het rond; is hij nog niet zeer geoefend, dan houdt hij zich aan liet net- of vlechtwerk vast. Zoodra hij een grooten viseh ontwaart, sluipt hij er heen en duwt hem den harpoen in 't lijf, waarna hij onmiddellijk tracht boven te komen. Menigwerf gebeurt het, dat hij onverrigter zake aan de oppervlakte van het water terugkeert om lucht te scheppen, en zich door een ander te doen vervangen. Is de viseh niet langer dan ruim een voet, dan is zelfs een ongeoefend duiker in staat om hem op te halen, maar groote steuren slepen den duiker somtijds mede naar beneden, zoodat zij door hunne makkers bijgestaan moeten worden.
1 [et schijnt, dat de avond cn de morgenstond, kort voor zonsopgang, de meest geschikte tijden zijn ter visch-vangst. Doch ook des nachts wordt de visseherij voort-
10
gezet, waarbij zij zich bedienen van platbodciude vaartuigen, waarop een helder brandend vuur up een ijzeren rooster wordt onderhouden. Gelijk bekend is, worden groote vis-schen door het schijnsel der vlam aangelokt, en de duiker heefi dan gemeenlijk nug rijker vangst, hoewel hij een groot gevaar bij de nachtelijke uitoefening van zijn bedrijf is blootgesteld.
Eene dergelijke wijze van visschen wordt, naar het verhaal van Cambecq, insgelijks gebezigd op de rivier de Karna; daar echter gebruikt men uitsluitend groote netten. Er worden ook fleuren gezet, welke menigwen mijlen ver worden weggevoerd, en ten einde de sterledde te lokken, worden insgelijks op platbudemde vaartuigen vuren aangelegd.
Gemiddeld genomen kunnen de duikers niet langer dan eene minuut onder water blijven.
liet bepalen van de hoeveelheid gevangen visch geschiedt op eene zeer eigenaardige manier, terwijl die op den oever ligt, namelijk, door er quot;op te rijden.quot; Een der Kozakken zet zich schrijlings op den visch, en naar gelang hij meer of minder ver met de beenen kan reiken, weet hij vrij naauwkeurig de zwaarte van den visch te bepalen.
Onder alle visschen is er geen, die zoo vroeg iu het jaar de rivier op zwemt als de zalm; dit heeft reeds in Fe-bruarij plaats. In groote hoeveelheid worden zij dan met den hengel en fleuren gevangen, waarvan de haken met stukjes vleesch als lokaas zijn voorzien. In het voorjaar en den herfst wordt deze vischsoort wel eens met netten gevangen, hoewel dit steeds tot de zeldzaamheden behoort. In do maanden Maart, April en Mei komen de steursoorten gewoonlijk uit zee de rivier in, en wel het eerst de hause, vervolgens de steur en daarna de sterled en op het einde van April deseffroeng; deze laatste vischsoort is het talrijkst, do hause daarentegen komt veel minder voor dan de andere. Al deze visschen zwemmen in scholen; dit is voornamelijk het geval met de seffroeng, welke in zulk een verbazend aantal bijeen zwemt, dat men het aan de beweging van het water duidelijk kan zien, wanneer eene school sefiroengen stroomopwaarts zwemt. Het menigvul-
11
digst wordt deze vischsoort aangetroffen in de nabijheid van Goerjeff. l) De Kozakken verhalen, dat de hoeveelheid visch in de Oeral in vroegeren tijd zoo talrijk was, dat het staketsel in de nabijheid van Oeralsk door het opdringen er van was bezweken, — hierbij moet eehter in het oog worden gehouden, dat er een ontelbare menigte zeer groote steuren onder werden gevonden, — zoodat men genoozaakt was kanonschoten te lossen, ten einde daardoor den visch te verschrikken en op die wijze uit elkander te jagen.
Naar het algemeen gevoelen houden de steur en de hause zich tot aan het invallen van den winter op in de rivier, ja, zij overwinteren er zelfs: de seffroeng daarentegen keert reeds gedurende den zomer weder zeewaarts. Zij hebben om die reden tot regel gesteld om bij de seffroeng-vangst, gedurende de maand Mei plaats grijpende, al de hausen en steuren, welke in de netten geraken, weder in de rivier te werpen; dit geschiedt dewijl van dezen visch, in den winter bevroren uitgevoerd wordende, veel hooger prijzen te bedingen zijn. Aan deze bepaling wordt zoo streng de hand gehouden, dat niet ligt iemand het zou wagen om haar te overtreden; wie zich daaraan schuldig maakt, kan zeker zijn, dat zijn gansche voorraad visch wordt afgenomen en hem buitendien een geducht pak slagen wordt toegedeeld.
De hausen en steuren worden derhalve het meest in de maand January met fleuren gevangen. Naar men verhaalt, legt de visch zich in den herfst in rijen in de diepste plaatsen der rivier, alwaar hij den winter, wel is waar niet
') Goerjefl', de sterkste en regelmatigste vesting aan Je lieneden-Oeral, ligt in cene zeer ongezonde streek, welke jaarlijks wordt overstroomd. Hoewel de grond in de vesting aanmerkelijk is opgehoogd, wordt hij echter nimmer goed droog, dewijl hij allerwege eene groote hoeveelheid zout bevat en uit klei bestaat, liet gevolg hiervan is, dat ineu zoowel in de stad als in de vesting, zelfs wanneer het hard waait, eeue zeer vochtige, stinkende moeraslucht inademt. Dewijl hier volstrekt geene groenten kunnen geteeld worden, moet de bevolking, welke uitsluitend uit Kozakken bestaat — zij telde in 1649; 1752 zielen — van do opbrengst der visscherij leven.
12
in een staat van gevoelloosheid, maar toch betrekkelijk gesproken in stille rust doorbrengt. Zeer moeijelijk, zelfs ondoenlijk is het jaarlijks de meest geschikte plekken te vinden, waar de visch zich ophoudt, want de bedding der rivier bestaat uit zand tn modder, welke jaarlijks door den stroom wordt verlegd, zoodat in dit opzigt telkens groote verandering plaats vindt.
Zoodra de fleurtijd is aangebroken, welke gewoonlijk den 3quot;un of ■l1'1'quot; Januarij aanvangt, wordt eene volksvergadering gehouden , waarop men den dag bepaalt tot opening der visscherij. Ter betere naleving der gestelde bepalingen wordt dan oen ataman gekozen, aan wien eenigc starsjinen of oudsten, elk met een jessaoel, adjudant, worden toegevoegd. De visschers verdeelen zich in ploegen van vijf, zes of meer man.
Het vischwant bestaat hoofdzakelijk uit sterke vischha-ken en stokken van verschillende lengte, waaraan zij worden bevestigd.
Op den dag van de opening der visscherij wordt aan ieder Kozak, die niet aan de linie onder de wapenen staat, een bewijs uitgereikt, voorzien van 's rijks wapen-Do gepasporteerde, of uit anderen hoofde niet in dienst staande Kozak mag van een ander, die niet ter vangst kan of verlangt te gaan, het regt daartoe voor den duur van een jaar koopen. Aan niemand wordt meer dan één bewijs afgegeven, behalve aan de ambtenaren dor kanse larij, die in dit opzigt worden bevoorregt. Aan den woïs-kowoï ataman worden volgens den aangenomen regel vier bewijzen geschonken; aan de voornaamste starsjinen of oudsten drie en aan al de overige ambtenaren, met inbegrip van den woïskowoï djak of syndicus elk twee be wijzen. Buitendien ontvangt elke echtgenoot van de starsjinen en die van de voornaamste ambtenaren, benevens do aanwezige geestelijken, ieder één dergelijk bewijs ; de schrijvers krijgen er twee met hun beiden. Al de laatstgenoemde personen hebben het regt het ontvangen bewijs te verkoo-pen, ten gevolge waarvan even zoo vele gepasportcerden, of jongelingen die nog niet den vereischten ouderdom be-
13
reikt hebben ora de wapenen te dragen ; deel kunnen nemen aan de visseherij.
Op den bepaalden dag, waarop de visseherij zal geopend worden, verzamelen zich al do daartoe geregtigden voor zonsopgang met hunne sleden en visehwant voor de stad , alwaar zij door den gekozen ataman worden gemonsterd, die naauwkeurig toeziet of ieder met een geweer is gewapend om, bij een mogelijken overval der Kirgizen, naar be hooren bijstand te verleenen. De vergaderde menigte wordt vervolgens door de woïskowye jessaoeli, dat is door de adjudanten des atamans toegesproken, en vermaand ora do vastgestelde bepalingen getrouw te onderhouden. Zoodra de dageraad aanbreekt, worden in de vesting twee kanonschoten gelost, welke het sein tot het opbreken geven. Ieder ijlt nu, zoo snel de paarden slechts kunnen galopperen, naar het oord , waar gevischt mag worden, ten einde eene gunstige plek te bemagtigen, welke hij vroeger heeft uitgekozen. Intusschen mag niemand beginnen om eene bijt te hakken, dan nadat alien ter bestemder plaatse zijn aangekomen en de ataman door eenige geweerschoten het sein daartoe heeft gegeven.
De rivier wordt in twee helften verdeeld, van welke de eene voor de voorjaars- en naj aars visseherij, de andere voor do fleurvisscherij bestemd is. Het laatstbedoelde gedeelte strekt zich uit van de stad tot aan den voorpost Antonofskoï, eene uitgestrektheid welke, den bogtigen loop der rivier volgende, welligt 400 mijlen bedraagt en in vele pereeelen wordt verdeeld. Van daar af tot aan de zee wordt niet gevischt dan met netten bij open water.
Het eerst wordt op negen mijlen van de stad eenen dag voor de behoeftige Kozakken geviseht, ten einde hen in staat te stellen de noodige levensbehoeften voor de opbrengst der vangst te kunnen koopen. Dit geschiedt niet in de meer onmiddellijke nabijheid der stad, dewijl de rivier aldaar te ondiep is cn de visseherij niet genoeg zou opleveren. Vijf of zes dagen later wordt de groote visseherij op een afstand van vijf en vijftig mijlen van de stad Goer-jeff aangevangen. Deze duurt negeu dagen. Vooral' reeds
14
is geregeld waar eiken dag gevischt zal worden. Ten slotte wordt op acht veertig mijlen van de stad de visscherij aangevangen, waar men in den regel slechts eenen dag bezig is, indien de vangst zeer voorspoedig gaat . blijft men er langer; dit geschiedt uitsluitend voor (igcn gebruik. Bij elk der aangewezen plaatsen moeten de Kozakken zich vóór het aanbreken van den dag verzamelen en het sein van den ataman afwachten, alvorens aan te vangen.
Op de plaats, waar ieder hunner zal visschen, maakt hij eene ronde opening van tainelijken omvang in het ijs-Deze mogen zij zoo digt nevens elkander hakken als zij goedvinden, maar niemand mag er meer dan een voor zich openen; wie echter een bijt door een ander gehakt, verlaten vindt, mag er gebruik van maken.
Op die wijze wordt door telkens eene andere plaats te kiezen, het gansche perceel, voor dien dag aangewezen, geheel afgevischt. Op ondiepe plaatsen bedient men zich van korte haken, waarvan men er twee te gelijk in de hand heeft, beide met de punt tegen den stroom gekeerd; dit geschiedt op deze wijze, omdat de visch, wanneer hy is gestoord, de gewoonte heeft om stroomopwaarts te zwemmen. De haken laat men eerst op den bodem der rivier zakken, en heft ze vervolgens eene handbreedte hoog van de bedding. Zoodra de langs den bodem zwemmende visch den haak met het lokaas gewaar wordt, vat hij het en trekt den baak naar beneden. Naauwelijks heeft de vis-scher deze beweging bespeurd, of hij haalt den haak zoo snel mogelijk opwaarts, totdat hij den visch met eene soort van speerhaak kan bereiken, ten einde hem door de opening op het ijs te halen. Op de diepe plekken visschende, kan men niet meer dan eenen haak te gelijk in de hand houden, uithoofde van zijne zwaarte. Men hakt de openingen daar op eene andere wijze, namelijk in de lengte, dat is in de rigting der rivier, ten einde den haak aldaar met de punt stroomopwaarts gcrigt te houden bij het neerlaten en opheffen. Daar de haken voortdurend in beweging worden gehouden en ginds en herwaarts bewogen om den visch op te zoeken en te storen, gebeurt het dikwerf.
15
dat twee Kozakken een en denzelf'Jon vi.sch te gelijkertijd vangen; in dat geval wordt liij, volgens aangenomen gebruik, tusschen de beide vissehers verdeeld. Zoo moet ook dcgeen, die de hulp van een ander heeft ingeroepen otn een grooten visch op te halen, de vangst met hem deelen. Bij deze eigenaardige visscherij gebeurt het menigwerf, dat één man het geluk heeft tien, ja, meer groote vis-schen boven te brengen, maar daarentegen staat een ander somtijds een of meer dagen , zonder een enkelen visch te bespeuren, ja, vangt gedurende den loop eener gansche maand niet genoeg om de kosten zijner uitrusting te betalen of de daartoe opgenomen gelden af te doen. Gewoonlijk doet ieder hunner voor zijn vertrek de gelofte om den eerste of zelfs verscheidene visschen aan de kerk te schenken, indien hij eene gelukkige vangst heeft.
Het is een algemeen verbreid volksgeloof, dat, wanneer een kikvorsch een haak heeft aangeroerd, de eigenaar er gedurende den ganschen winter geen visch meer vangt, al verwisselt hij terstond van haak en van plaats. Langdurige oefening heeft gemaakt, dat zij met zeer veel juistheid weten te zeggen, welke soort van visch aan den haak komt _ zelfs al behooren deze tot de kleine soorten.
De tweede groote visscherij is de seffroengvaugst in het voorjaar. Zoodra de wachthoudende Kozakken te Goerjeff in de maand Mei de komst van dezen visch in de rivier waarnemen, wordt onmiddellijk daarvan aan de bevolking kennis gegeven, die terstond daarop alles tot den aanstaanden togt in gereedheid brengt. De orde, daarbij in het oog gehouden, komt geheel en al overeen met die, welke in acht wordt genomen bij de visscherij gedurende het wintersaisoen en door ons vroeger is medegedeeld. De rivier wordt dau bovischt van den voorpost Antonowa tot uan Goerjeff, welke afstand in negen perceelen is verdeeld. Ten einde te verhoeden, dat de bepaalde grenzen worden overschreden, worden zij op last van den ataman van elk te bevisschen perceel aangewezen door een koord, dat over do rivier is gespannen. In de hooger gelegen perceelen wordt eene week lang gevischt; komt men
echter nabij Goerjcff, dan blijft men er slechts drie diigeu, dewijl de seffroeng dan reeds zeewaarts keert. Het laatst wordt geviseht nabij Saratsjik, vanwaar het buiten de monding der rivier gaat, doch er wordt slechts een enkelen dag aan besteed. Des nachts geeft men den seffroeng de gelegenheid om weder in het bevischte water op te zwemmen, maar ook met het opgaan der zon staan reeds allen gereed om het sein van den ataman af te wachten. Ieder spant dan alle krachten in om de voorste te zijn en de anderen vooruit te roeijen, alvorens hij zijne netten uitwerpt.
De visschers zitten elk afzonderlijk in eene kleine boot of sloep, roeijen zeiven en werpen ook zeiven hunne netten uit. Hunne vaartuigjes worden gewoonlijk gemaakt van de stammen van zwarte of blanke populieren, want deze zyn de eenige boomsoorten hier in dit gedeelte des lands, waarvan de stam dik genoeg wordt om tot dergelijk einde te dienen. De netten, waarvan men zich daarbij bedient, hebben eene lengte van 20 a 30 vademen en bestaan uit twee deelen, vormen als het ware een zak, waarvan de eene zijde wijder mazen heeft en een paar el langer is dan de tegenovergestelde zijde; het gevolg hiervan is, dat het net aan dien kant met eene bogt staat, terwijl het andere gedeelte van dit dubbele net, achter het bogtige gedeelte gespannen, strak is. Het uiteinde van dit dubbele net wordt met verscheidene drijvers vlot gehouden, het andere is door middel van twee lynen aan het vaartuig vastgespannen. Van onderen is het met steenen bezwaard, ten einde te verhoeden, dat het te snel door den stroom worde weggevoerd.
Zoodra het net dwars over de rivier is uitgespannen, laat de visscher zijn vaartuigje langzaam met den stroom afdrijven, zoodat het net weldra in eene schuine rigting ten opzigte van de rivier komt. De seffroeng, welke stroomopwaarts de rivier in komt, zwemt door de mazen van hot bogtig staande net en komt spoedig daarop in aanraking met het strak staande net met naauwere mazen, waarin hij niet de kieuwen en vinnen spoedig verward geraakt. De visscher weet door gewoonte te onderscheiden
17
of een groot clan wel een klein getal visschen in het net zyn. Zoodra hij oordeelt, dat de vangst voldoende do moeite van het ophalen beloonen zal, trekt hij het net op, haalt er den visch uit en werpt het zoo snel mogelijk weder in de rivier.
Ten gevolge van het groot aantal vaartuigen en het voortdurend ophalen der diep gaande netten, wordt het water eindelijk troebel, zoodat de visch de netten weldra niet meer kan bespeuren en steeds in grooter aantal gevangen wordt. In welke tallooze menigte de visch de rivier inkomt, hiervan kan het volgende ten bewijze strekken. Verschrikt door het luide geroep en geplas hoopt zich de visch aan de monding der rivier zoo talrijk op, dat; indien een visscher slechts op een geringen afstand voorbij de gestelde grens gaat, zijn net spoedig zoo vol loopt; dat hij het ter naauwernood kan ophalen.
Naauwelijks is de visscherij afgeloopen, dan vatten de Kozakken terstond een ander bedrijf ter hand, drijven handel, koopen granen aan de Wolga en de Samara, en komen in den nazomer te huis, ten einde hun land te hooijen. Is het hooi binnen gehaald, dan begint in de laatste dagen van September of in het begin van October de herfst-visehvangst, welke op de Beneden-Oeral plaats vindt; men bezigt daarbij werpnetten, waarvan de mazen zeer wijd zijn. Het is dan niet slechts vergund allerlei soorten van steuren, maar ook geringere vischsoortcn te vangen, waarbij wentelaars, baardvisschen en nog kleineren de hoofdrol spelen.
Na een rustijd van eenige weken volgt hierop het visschen onder het ijs in de nevenrivieren, alwaar slechts mindere visehsoorten worden gevangen. Vele Kozakken hebben echter de gewoonte om, na het eindigen der herfst-visscherij, waarvan wij zoo even hebben gesproken, de meren en do stepperivieren te gaan bevisschen.
Gedurende den tijd dat de steur- en seffroengvisschcrij in vollen gang zijn, vindt men kooplieden uit de meest verwijderde oorden van Rusland aan de boorden der Wolga. De steur wordt op de vroeger vermelde, zeer eigenaardige IV. 2
18
wijs gewogen en met kuit en al verkocht^ de koopman belast zich met verpakken en verzenden, waartoe men den viscli eerst laat bevriezen.
Eon hause van 400 Ned. pond gewigt levert 80 pond kuit of kaviaar op, welke echter niet veel waard is. uithoofde de kuit met eene grpote hoeveelheid slijm is vermengd. Des te hooger wordt de kuit of kaviaar van den steur geschat, om den aangenamen smaak. Men berekent, dat de grootste steuren, welke een gewigt hebben van 80 Ncd. pond, ongeveer 16 pond kuit of kaviaar opleveren.
D0 versch quot;quot;evangen kuit wordt door middel ^ an eeu uet met zeer naauwe mazen of een zeef gezuiverd van alle onreinheden; ton einde haar voor bederf te bewaren, voegt men er eenig zout bij. In den winter berekent men, dat op de 1(5 pond kuit ongeveer 2l/2 pond zout komt; in den herfst echter wordt er, ten einde haar voor bederf te behoeden, bijna drie pond bijgevoegd.
Dewijl de seöVoengvisscherij gedurende het wanne jaargetijde plaats vindt, worden de ingewanden er uitgehaald, de ruggegraat er uitgetrokken, verder de visch ingesneden en goed gezouten, waarop hij zoowel gedroogd als ongedroogd en ongepakt naar de olga vervoerd, om \an daar per scheepsgelegenheid naar verschillende doelen des lands verzonden to worden. Met even weinig zorg woiden de baardvisch en andore mindere soorten verzonden. He kuit van de seffroeng wordt ongeveer van gelijke waaide geschat als die van den steur en wordt ook in de Wolga-strokon, waar men dezen visch tot in den winter in het leven weet te behouden, vermengd met kuit van steuren. Aan de Oeral daarentegen kan hij niet anders dan gezouten worden bewaard, ten gevolge waarvan hij lager in pi ijs staat, waartoe de groote hoeveelheid van deze vischsoort natuurlijk het hare bijdraagt.
De kaviaar wordt in deze streken op drie verschillende wijzen bereid. Als de minste soort is de pajoesnaja ikia of geperste kaviaar bekend. Men ontdoet do kuit van de grofste onreinheden en mengt ongeveer acht once zout bij eene hoeveelheid van 16 Ned, pond; vervolgens wordt
39
dit mengsel op matten in do zon gedroogd en daarop plat getreden. Eene betere soort is de zoogenaamde grofkorrelige kaviaar, welke echter naar den smaak van velen te zout is; men noemt deze soort sernistaja ikra. De hiertoe gebezigde kuit wordt in langwerpige bakken gereinigd en op elke lü pond ongeveer drie pond zout gevoegd. Nadat het zout er goed mede vermengd is, wordt hij in vaatjes verpakt, 't Is de gewone spijs der behoeftige bewoners dezer oorden gedurende de vaste-dagen. De zuiverste en beste soort is do mesjesjnaja ikra, welke uit geheele korrels bestaat. De bereiding dezer soort geschiedt op de navolgende wijze: op don bodem van een langen, naauwen linnen zak wordt eene laag zout gelegd, vervolgens tot op de helft met versche kuit gevuld, waarop weder eene laag zout komt. Zoodra het zout goed doorgeloopen is, worden de zakken, welke aan dwarshouten zijn opgehangen, gekneed en uitgewrongen. Na deze bewerking laat men den kaviaar nog gedurende een twaalftal uren uitlekken, waarop hij in vaten verpakt wordt. Deze is de duurste soort.
Wijders worden van de seffVocngen de rugzenuwen gedroogd en in bundels van vijfentwintig in den handel ge-bragt; men noemt ze wesiga en ziet ze onder het volk vrij algemeen als spijs gebruiken. Ook de maag van den steur wordt tot voedingsmiddel gebezigd en is hier bekend onder de Tartaarsche benaming van tamak.
Een gewigtigcr gedeelte van don steur is de zwemblaas, welke zorgvuldig wordt verzameld. De kooplieden, die herwaarts komen oni den steur op te koopen, hebben de gewoonte om de zwemblaas weder aan do Kozakken over te doen, die er vischlijm uit bereiden. Dit geschiedt op do navolgende wijze. Zoodra de blaas uit don visch is gehaald, wordt zij gereinigd en in do lucht gedroogd, waarbij de zilverblanke binnenzijde aan de werking des dampkrings wordt blootgesteld. Het gevolg hiervan is, dat de binnenhuid gemakkelijk loslaat, welke daarop in een voch-tigen doek wordt gewikkeld. Vervolgons worden zij eeuig-zins gedroogd en later aan eene gespannen lyn in de
20
schaduw opgehaugen, tot zij volkomen droog zijn. De op deze wijze bereide vischlijm wordt zeer duur verkoclit. Die van seffroengen wordt als de beste beschouwd en gold, tijdens het verblijf van Pallas alhier tot tachtig gulden per 1€ pond; de vischlijm van steuren is minder waard eu het minst die van hausen. Ook van de zwemblaas der wentelaars wordt vischlijm vervaardigd, welke op hel oog tamelijk wit van kleur is, maar geene bijzondere waarde heeft.
Afreis uit Oeralsk. — Zwavel-, asphalt- en zoutbronnen in de streek tusschen de Tok- e.n Sok. — Zwavelherg aan de Wolga. —- Wolsk.
Onze reizigers vertoefden tot op den middag van den 28*tcquot; September te Oeralsk, en zetteden vervolgens hunne reis naar Astrakan voort. De weg tot aan Boesoeloek, op lOG'/a mijlen van Oeralsk gelegen, strekt zich uit in eene noordoostelijke rigting; aanvankelijk loopt hij over den linkeroever der Tsjagan, vervolgens over den linkeroever der Hoesoeloek, welke laatste bij do stad van gelijken naam zich in de Samara ontlast. Tusschen beide rivieren strekt zich dc Obsjtsjeï syrt uit, welke hier slechts een heuvelachtig terrein vormt. Voor het overige was dc weg uitmuntend, zoodat dc togt met snelheid kon worden voortgezet.
Omstreeks den middag van den 20,'cquot; September kwamen zij te Boesoeloek aan; een klein stadje, welker straten regt aangelegd en met houten huizen zijn bebouwd. In 1851 telde Boesoeloek eene bevolking van 4,82G zie len. Te dezer plaatse bereikten onze reizigers den groo-ten weg, die van Orenburg naar Moskou voert. Tot aan de stad Samara loopt hij 165 mijlen ver langs de rivier Samara en wel aanvankelijk langs don linkeroever tot aan het station Moïka, van waar hij verder langs den regter-oever is aangelegd. Het terrein is nog vlak en eene boom-
looze steppe gelijk; slechts een gedeelte is heuvelachtig en in de valleijen met loofgeboointe overschaduwd. Du boomen bestaan hier meerendeels uit cik.en; naaldenhout wordt hier niet aangetroffen. De groote weg is ter wederzijde met berken beplant, ten einde hem voor de hevige winden te beschutten, welke in deze streken zoo menigvuldig heerscheu.
De gansche streek wordt gevormd door de zuidelijke helling eencr heuvelreeks, ingesloten tusschen de Tok, welke bij Boesoeloek in de Samara uitloopt, en de meer noordwaarts stroomende Sok; zij strekt zich uit van de Oeral tot aan de Wolga en is bijzonder merkwaardig door de zout- cn asphaltbronuen, welke er in opwellen. Eene dergelijke zwavelbron bezochten onze reizigers des morgens van don 30'un September in de nabijheid van het prigorod of vlek Alexejewsk, gelegen ter plaatse waar de Kinel en Samara zamenvloeijen op een afstand van 27 mijlen van de stad Samara. Zij ontspringt aan den voet der heuvelen, welke langs den oever der Samara oprijzen en is omgeven met een door kunst gevormd bassin, waarin het bronwater zich vereenigt, alvorens het wegvloeit. De bron verspreidt een sterken reuk van zwavel waterstofgas, maar was toch doorschijnend en zuiver. Op eene plek van het bassin ontwikkelde zich eene menigte luchtbellen, waarschijnlijk ontstaande door opstijgend koolzuurgas, liet water had daar ter plaatse eene temperatuur van 6quot;,5 Réaumur, terwijl de warmtegraad dos dampkrings 8quot;,3 en van het daarnevens stroomende water der Samara 10° bedroeg. In hot bassin en ter plaatse waar het water afvloeit., had zich een sterk bezinksel gevormd, hetwelk, naar het oordeel van professor Rose, waarschijnlijk bestond uit een mengsel van zwavel en koolzure kalkaarde, ontstaan door de ootbinding van zwavelwaterstofgas en het vrij worden van koolzuurgas, hetwelk de koolzure kalkaarde had opgelost. Een dergelijk bezinksel werd insgelijks gevonden, ter plaatse waar het bronwater zich vereenigdc met de Samara, welke op een aanmerkelijken afstand in het rond troebel en wei-kleurig was.
23
Volgens het verhaal van Pallas, die deze streek van Simbirsk tut aan Buegoeliuinsk heeft doorreisd, zijn de uvorige zwavelbronnen voornamelijk gelegen aan de Boven-8ok. De voornaamsten worden gevonden in de nabijheid van het stadje Sergiewsk, aan de monding der Soergoet, waardoor zij zich in de Sok ontlast, op ongeveer 80 mijlen ten noordoosten van Alexejewsk. Deze bronnen worden thans reeds door vele personen ter heistelling hunner gezondheid bezocht. Ten jare 1811 was aldaar voor de ontvangst en huisvesting van badgasten nog zeer weinig geschied. De levendige schildering door professor Erdmann daarvan ontworpen, zal den lezer een te getrouw beeld er van geven, dan dat wij het hem niet zouden mededeelen.
oWie herwaarts reist, vervuld van het denkbeeld, dat hij er al de weelde en gemakken zal aantreffen, welke eene Duitsche badplaats opleveren, zal zich bij zijne aankomst niet weinig teleurgesteld zien, want hij vindt hier slechts eene tijdelijke kolonie, welke een zwervend leven leidt. Op eene heuvelachtige, met gras begroeide vlakte, vroeger behoorende tot de nabij gelegen Kalmoe-kensteppe, staan de woningen der badgasten zonder eenige orde of regelmaat verstrooid in het rond. Zij bestaan deels uit hutten van boomtakken en twijgen gevlochten, deels uit Kalmoeksche en Kirgische vilten tenten, deels uit hullen uit eenige staken in den haast op de eene ol' andere wijze bekleed, want ieder, die zich hier in deze woestijn nederzet, moet voor zijne woning zorg dragen. Ieder kiest zich daartoe eene plek uit, welke hem het meest bevalt of het geschiktst voorkomt. Vermogende edellieden in de omstreken gevestigd, zenden sommige hunner boeren herwaarts, ten einde hutten of tenten op te slaan, werwaarts zij dan later met eenig vee en bedienden verhuizen, want om in de onontbeerlijke melk te voorzien, voeren zij koeijen met zich, en schapen om zich het noo-dige vleesch te verschaffen. Zelfs badkuipen en ketels, benevens keuken- en tafelgereedschap worden meègebragt. M inder gegoede personen of badgasten, die uit zeer verwijderde oorden komen, vergenoegen zich met eene soort
24
van loofhutten, ja, somtijds van luitten met leemen wanden. Daar tusschen en alom in het rond grazen de medegevoerde paarden, koeijen en schapen vrij dooreen. Op die wijze wordt eene kolonie gevormd, welker leden deels uit noodzakelijkheid, deels uit zucht tot gezellig verkeer, een naauw aaneengesloten geheel vormen en, niettegenstaande het onderscheid van rang en stand, hetwelk tusschen hen bestaat, als het ware slechts een gezin schijnen uit te maken. Wie bij voorbeeld eene badkuip of een waterketel heeft medegebragt, leent deze voorwerpen aan ieder die er behoefte aan heeft; wie eene koe bezit, schenkt do overtollige melk aan dengene, die er gebrek aan heeft; wie schapen heeft medegevoerd, zendt aan zijne nieuwe vrienden een grooter of kleiner gedeelte er van, zoo dikwijls hij er een slagt, en indien iemand paarden behoeft om water te halen, vraagt hij ze zonder schroom aan dengene, die ze bezit. Zoodra de eerste en noodzakelijkste toebereidselen tot vestiging der verschillende leden van de kolonie gemaakt zijn, begint men aan de middelen te denken om het verblijf te veraangenamen, hetzij door spelen, wandelingen te voet ofte paard, of het doen van uitstapjes met rijtuig of met het lezen, want die boeken medebrengt, geeft ze aan elk die er om vraagt. In een woord, het bijzonder eigendom wordt eindelijk tot algemeen eigendom. Op die wijze verkrijgt het overigens zoo eentoonige leven alhier iets aantrekkelijks, door het denkbeeld van onafhankelijkheid en van een leven overeenkomstig den natuurstaat. En de zonderbare kontrasten, welke men hier elk oogenblik onder het oog heeft! Verbeeld u, dat hier eene naar de nieuwste mode gekleede adellijke dame, met een fraaijen Italiaanschcn stroohoed op het hoofd, uit een Kir-gische vilten tent treedt; zij heeft een kostbaren Turkschen shaivl om de schouders geworpen en gaat, in gezelschap van hare kamenier, een bezoek afleggen bij eene dame, die in gindsche hut woont, gedekt met een dak van twijgen en boombladeren, en die een aanval van hysterische krampen heeft. Elders zitten officieren en een grondeigenaar in eene kleine boerenwoning onder het drinken van een
25
glas punch aan cenc mahonyhouteu speeltafel. Hier staat een Engelsch verlakte theeketel naast eene heg, waar achter in de vrije lucht, aan eenige staken, de groote ketel hangt, waarin het badwater kookt en daarnevens stoo-men en dampen, op een haard van keistoenen gevormd de braadpannen, waaruit weldra een geurig middagmaal zal te voorschijn komen. Ginds wandelt een voornaam staatsdienaar in négligé naar de hut met loemen wanden, waar hij een bad zal nemen en verscheidene bedienden en kamerdienaars volgen hem met kleederen en linnengoed onder den arm en menigerlei voorwerpen in de hand.quot;
Bij gelegenheid dat dit oord,.in 1827, door professor Kupfer werd bezocht, waren er reeds eenige houten woningen gebouwd tot herberging der kranken; korten tijd later heeft men er, op last der regering, steenen woningen tot dat einde doen oprigten. Volgens Erdmann ontspringen de zwavelbronnen, welke men ten getale van vijf duidelijk kan waarnemen, uit eene helling op eene hoogte van ruim 70 voet; het daaruit zamengevloeide bronwater ver-eenigt zich in een door kunst gevormd bassin, waaruit het naar de Soergoet stroomt. Even als het mineraalwater te Alexejewsk is de zwavelbron hier volkomen kleurloos en helder, riekt gelijk bedorven eijeren, heeft eene temperatuur 70,5 Réaumur (volgens de opgave van Kupfer 60,5 Kéaumur) en vormt insgelijks een bezinksel van witkleu-rige aarde.
Do voornaamste asphaltbron ligt noordoostwaarts van Sergiewsk in de nabijheid der bronnen van Baïtoegan, eene kleine rivier, welke zich in de Sok ontlast. De asphalt welt uit den grond op te gelijk met het water, ter zijde van een met berken overschaduwden berg; het vereenigt zich aan de oppervlakte van het water in eene laagte van het terrein, welke men rondom de bron heeft gegraven. Naauwelijks heeft men de zaatngevloeide asphalt bijeen verzameld en weggeschept, of langzamerhand vloeit er weder bijeen en eenige dagen later is er weder eene vrij groote hoeveelheid te vinden, llij vormt eene taaije, op teer gelijkende massa, vermengd mot eene geringe hoeveelheid
20
zuivere naphta, welke op het water is waar te nemen, waarvan de asphalt is weggeschept. Hoewel de bron geene borrelende beweging heeft, bevriest zij zelfs bij de hevigste koude niet. liet water smaakt en riekt buitengewoon sterk naar asphalt. l-)e rlsoewasjen en lartaren, die in do omliggende streken wonen, gebruiken het bij keelontsteking, wanneer zij hot als geneesmiddel drinken of sleehts als mondspoeling bezigen. Ook de asphalt wordt door hen uit- en inwendig gebruikt als geneesmiddel, hetzij vermengd met boter als zalf, of als inwendig geneesmiddel door haar met melk te kooken. Niettegenstaande de asphalt, te dezer plaatse verkregen zeer taai is, dringt zij in. weinig weken door planken heen ter dikte van meer dan een duim.
De vroeger vermelde zoutbronnen worden in groote menigte aan de oostzijde der Wolga aangetroffen; hare zoutgehalte is echter gering. Daarentegen wordt aan de -westzijde der rivier aan de Oessolka, een beekje, dat schuin over Stawropol iu de Wolga stroomt, eene bron gevonden, welke zoo groote hoeveelheid zout bevat, dat men uit haar water in het nabij gelegen dorp Ossolië gedurende langen tijd door verdamping zout heeft bereid.
Het heerschende gesteente in deze streek beslaat uit kalksteen, gips en mergel. In den kalksteen vindt men op vele plaatsen gedegen zwavel; aan de groote hoeveelheid zwavel, welke in den grond alhier aanwezig is, moet naar alle waarschijnlijkheid het ontstaan der zwavelbronnen worden toegeschreven, welke hier opwellen. Het meest komen zij voor aan di-u regteroever der Wolga, aan den voet eens bergs, welke oprijst aan de Wolotsjka, een arm der Wolga, welke zieh met haar vereenigt regt tegenover de rivier de Sok. Deze berg rijst steil opwaarts ter hoogte van 776 voet boven den spiegel der rivier eu is bekend onder de benaming van Ser-uajagora, dat is, Zwavelberg; hij ligt op twee en twintig mijlen van de stad Samara en zes mijlen van het dorp Pod-gorje, hetwelk aan den graaf Panin behoort. Hij bestaat uit een geelachtig witten, digten kalksteen, waarin nesten zuivere zwavel met bladerige gips worden aangetroffen. De zwavel is meestal geheel onvermengd, half doorzigtig
27
vast of gekristalliseerd; hier wordt de zwavel in kleine hoeveelheden, elders in groote massa's, ter zwaarte van verscheidene ponden, en wol voornamelijk op den top des bergs aangetroffen. In het museum van natuurlijke historie te Berlijn worden verscheidene groote stukken kalksteen van dezen berg bewaard, welke met zwavel zijn vermengd; de zwavel is deels zuiver, deels met gips en zwavelzure strontiaan vermengd. Deze laatste zelfstandigheid, zoo als zij hier voorkomt, is meerendeels gekristalliseerd, zelden eene vaste massa; beide, zoowel de kristallen als de vaste massa's, hebben eene smeltblaauwe kleur en zijn doorschijnend tot doorzigtig.
Tot ontginning van de zwavel op de Sernaja gora waren vroeger verscheidene groeven aangelegd, wier bearbeiding echter ten tijde dat Pallas deze oorden bezocht, reeds was gestaakt. De stukken van eenigc grootte werden er uit gehakt; de fijne deelen daarentegen in eene smelterij, aan den voet des bergs opgerigt, door middel van destillatie in vuurvaste aarden retorten, van de onzuiverheden gereinigd. De hoeveelheid zwavel op die wijze verkregen, bedroeg jaarlijks 24,0UU Ned. pond, waaronder ruim 5 a 6 duizend pond aan groote stukken voorkwamen.
In de laatste jaren heeft men weder op nieuw de aandacht op den Sernaja gora gevestigd. In de zitting dooide aardrijkskundige vereeniging te St. Petersburg gehouden, op den 29quot;ltn November, 1854, is een verslag nitge-brpgt betreffende de expeditie in den loop dos zomers van het jaar 1853 naar de Kirgische steppe ondernomen. Bij die gelegenheid deelde de reiziger, de heer Auerbach, de resultaten mede van het onderzoek bij zijn terugkeer gemaakt naar de zwavelgroeven in het gouvernement Samara, «-■n voornamelijk wat betrof den boven vermelden Zwavelberg. Onder de delfstoffen, welke in verbinding met de natuurlijke zwavel worden aangetroffen, vestigde hij vooral de aandacht lt;gt;p de gekristalliseerde massa's blaauwe coelestin (zwavelzure strontiaan) en dit niet slechts uithoofde deze zelfstandigheid waarschijnlijk met vrucht door de vuurwerkers zou kunnen gebezigd worden, maar dewijl daardoor eene groote
28
overeenkomst wordt opgemerkt tusscben de zwavel, die men op gemelden berg en in Sicilië vindt. Volgens Auer-bach moet de oorzaak van het staken der ontginning dier zwavelgroeven worden gezocht in de lage prijzen van de destijds ingevoerde zwavel, en aan de onvoldoende werktuigen, welke ter ontginning der zwavelgroeven in dien tijd werden gebezigd. Naar zijn oordeel moet eene hervatting der werkzaamheden als eene zeer voordeelige en belangrijke industriële onderneming worden beschouwd, dewijl het brandhout in die oorden zeer goedkoop en het vervoer te water zeer gemakkelijk kan geschieden. Op grond van het onderzoek van den ongebruikten afval, meent hij met zekerheid eene rijke opbrengst te mogen voorspellen.
Onze reizigers hielden zich te Alexjewsk slechts zoo lang op als noodig was om do zwavelbronnen te bezoeken. waarna zij terstond de reis naar Samara voortzetto-den. Deze stad, welke zij kort daarna bereikten , ligt aan de regterzijde van de rivier Samara, ter plaatse waar zij zich met de Wolga verecnigt. Zij is gebouwd aan de helling van een tamelijk hoog rijzenden zandheuvel, van welks top men een verrukkend uitzigt geniet over de ma-jestueuse Wolga en den hoog zich verheffenden regter oever. Samara heeft geene andere dan houten huizen; zij bezit echter een aanmerkelijke uitgestrektheid en de handel, welke er gedreven wordt, is zeer belangrijk, liet aantal harer inwoners bedroeg, ten jare 1851, reeds 19,753 zielen.
Naar luid der berigten van Pallas is Samara gedurende de wintermaanden de verzamelplaats dor handeldrijvende Tartaren van Kasimoff. Mot do lamsvellen, welke zij aan do Oeral tegen andere voorworpen van de Kiigizen en Kalmoeken hebben ingeruild, begeven zij zich derwaarts, sorteren ze en doen ze bereiden door de aldaar gevestigde Christen-Kalmoeken; vervolgens worden do bereide lamsvellen aaneengenaaid tot pelsen of toeloepen, alvorens zij er mede naar Moskou of andere oorden van het Kussi-sche rijk vertrekken. Het grootste gedeelte der fijne lamsvellen, welke in Rusland worden verhandeld, komt van Samara. De pelsen van de huid der lamspooten gemaakt,
29
komen insgelijks bijna uitsluitend uit deze zelfde stad; deze worden aan de Kalmoeksche vrouwen, die de vachten zamennaaijen, in rekening gebragt, waarop zij ze eerst in strooken snijden, vervolgens gt;veder aan elkander zetten en op die wijze zeer goedkooper pelsen vervaardigen.
Heeft men zich 15 a 20 mijlen van Samara verwijderd, dan vindt men overal eene hoog gelegen steppe met zwarten bodem; gras en kruiden groeijen hier meer dan eene manshoogte, hetwelk in het voorjaar in brand moet worden gestoken. In dergelijke istreken is het, dat de Kozakken van Samara en omliggende oorden hunnen veestapel houden. De plaatsen, waar het vee weidt en gestald wordt heeten zij choetori.
Te Samara verliet ons reisgezelschap den grooten weg van Orenburg en sloeg aldaar een zijweg in, zuidwaarts van den grooten naar het oosten gerigten boog, welken de Wolga tusschen Stawropol en Sysran maakt; het was tegenover laatstgenoemde plaats, alwaar de rivier weder eene zuidelijke rigting aanneemt, dat zij zich naar den regteroever der rivier lieten overzetten. De weg doorsnijdt hier een vlak terrein, dat al het voorkomen eener steppe heeft; de heuvelen, welke ten noorden van Samara oprijzen, zetten zich aan de overzijde der rivier voort, en vereenigen zich met de Sjigoeleffsche bergen in het binnenste gedeelte van den boog door de Wolga beschreven, en strekken zich noordwaarts uit langs de 'bogt der Wolga tot aan Stawropol. Deze weg volgt den bogtigen loop der rivier niet, ja, ligt op zulk een afstand er van, dat men de rivier zelden in het gezigt krijgt. Dewijl in deze steppe de weg, dien men behoort te volgen, door niets wordt aangeduid en men derhalve ligtelijk zou kunnen verdwalen, begrepen onze reizigers, dat de voorzigtigheid vorderde om alleen bij dag den togt voort te zetten; des nachts hielden zij in een of ander dorp stil, maar verlieten hun rijtuig niet. De streken, welke zij nu doortrokken, zoomede die meer oostwaarts aan de Sok ligt, worden door Tsjoewasjen bewoond; hoewel de dorpen ver van elkander zijn gelegen en de woningen
30
daarenboven nog wijd uiteenstaan, mag worden gezogd dat deze streken vrij wel bebouwd zijn. Even als de Russen belijden de Tsjoewasjen de Grieksche godsdienst. Naar het uiterlijke, vooral wat betreft do kleederdragt der mannen, komen zij geheel en al met de Russische boeren overeen; de vrouwen echter hebben in hare kleederdragt nog menigerlei aardigheid overgehouden.
Des morgens bereikte men het dorp Nowa kostsji, op een afstand van 8 a 9 mijlen van deze plaats, even voorbij Sysran en wel tegenover het aan don regteroever liggende dorp Batrak, werden zij over de Welga gezet, liet duurde tot aan den middag alvorens zj de overzijde der rivier bereikten.
Door eene breede kloof, welke zich met zachte glooijing verhief, bereikten onze reizigers den hoogen oeverwand, waarop Let dorp is gebouwd. De gansche hoog rijzende regteroever der Wolga heeft de meest mogelijke overeenkomst met de steile wanden, waarin de jura-lagen eindigen, ten gevolge waarvan zij op eenigen afstand gezien op het glacis eener vesting gelijken. In het noordelijke gedeelte bestaat de gansche oeverwand uit jura-lagen. Heeft men Simbirsk bereikt, dan ontwaart men, dat deze lagen door de krijtformatie zijn bedekt; zij strekt zich zuid waarts zeer ver uit en bedekt do jura-formatie in het gansche zuidelijke Wolga-gebergte. Noordwaarts van Simbirsk houdt zij op en strekt zich, naar de onderzoekingen van Leopold von Buch, naar het westen uit, zoodat de rig-ting, waarin de jura-lagen in deze streken uit de krijtlagen te voorschijn komen en de oppervlakte des bodems vormen, bijna evenwijdig is aan den oostelijken loop der Wolga tusschen de Nisjne Nowgorod en Kasan.
Volgens het verhaal van Pallas is de oeverwand der Wolga, in de nabijheid van Simbirsk, in drie deelen afgedeeld, welke zich duidelijk van elkander onderscheiden. De bovenste laag is witte krijtmcrgel, waarin eene menigte gave en verbrijzelde mosselschelpen worden gevonden; daarop volgt eene grijze, kieselachtige klei, welke uiterlijk veel op aluinaarde gelijkt en vol versteeningen is, en
31
daarop komt eene zwarte, taaije, geheel pyriteuse klei, waarin eene menigte versteende Terebratulae cn vele als met een roodachtig vernis bedekte Ammoniten, somtijds tor grootte van anderhalve voet, worden aangetroSen.
In het dorp Gorodistsje, op een afstand van twintig mijlen hoven Simbirsk, worden in de gemengde kleiachlige teelaarde steeukolenvlotten aangetroffen, welke een aanmerkelijke dikte hebben, maar van geringe waarde zijn. De mindere soorten onder deze steenkolen schilferen af, zoodra zij aan den invloed des dampkrings zijn blootgesteld. Deze bevatten vooral Ammoniten, Belemniten, benevens Tellini-ten en fijne kammossclschelpen. Uit deze versteeningen blijkt, gelijk Leopold von Buch aanmerkt, dat deze lagen, waarin bovengenoemde versleeningen voorkomen, tot de middenste lagen der jura formatie behooren. Nabij Sysran vindt men dergelijke leiachtige steenkolen, bedekt met een vasten, witaehtigen grijzen kalksteen, waarin verscheidene soorten van Ammoniten voorkomen en welke laag bijna een zestal voeten dik is; daar boven ligt eene zeer dikke, bruinachtige kleilaag, welke eene tallooze me nigte kleine en groote Belemniten en andere zeeschelpen bevat. Nabij het dorp Kostytsji, 15 mijlen beneden Sysran, treft men in den mergelachtigen kalksteen des oeverwands eene groote hoeveelheid asphalt aan, welke er in voorkomt als tamelijk kleine korrels in den vorm van druppels en in brokken ter zwaarte van verscheidene ponden. Deze asphalt is zeer glansrijk en schelpachtig op de breuk, smelt en wordt vloeibaar in de vlam eener kaars gelijk zwart lak, ontbrandt eindelijk gedurende eenige oogenblik-ken en verspreidt daarbij een aangenamen reuk. De smeden bezigen de asphalt in plaats van pek, tot liet verlakken van ijzerwerk. In de middenste en bovenste lagen der jura-formatie worden elders geene kolenlagen aangetroffen en uit dien hoofde zijn die van Gorodistsje en van Kostytsji hoogst opmerkenswaardig.
Na hun vertrek uit Batrak volgden de reizigers den hoogen oever der Wolga, waarbij zij menig werf een schoon vergezigt genoten op den breeden stroom, den steilen oever-
32
wand en op do breede vlakte aan de overzijde, welke zich tut aan den horizon uitstrekte. Dit geeft aan dezen weg door de bijna onbewoonde en onbebouwde streek, welke zich kenmerkt door de grootste eentoonigheid, eene eigenaardige bekoorlijkheid. Men treft slechts zeer weinige dorpen aan en zelfs de stations, alwaar men van paarden verwisselt, bestaan slechts uit enkele hutten. Alleen in de dalen ontwaart men geboomte, want in de vlakte kan niets groeijen, ten gevolge van de hevige stormen, welke haar zoo menigwerf en vreesselijk teisteren; zelfs de bosschen, welke in de diepe dalen worden aangetroffen, bestaan uit dwergachtige eiken, linden, wilgen, esschen en populieren. Up een afstand van eenige mijlen van de plaats, waar zij de rivier moesten oversteken, bereikten zij de districtshoofdplaats Sysran, reden des nachts door Chwalynsk en kwamen des middaags van den 2^quot; October te Wolsk aan. liet aantal inwoners der laatstgenoemde stad bedroeg ten jare 1849: 14,570 zielen, zoodat zij hier een aanzienlijken rang bekleedt. Zij is zeer aangenaam gelegen in een ketelvormig dal, in de onmiddellijke nabijheid der Wolga, en is aan al de overige zijden tusschen bergen ingesloten, welke veel hooger rijzen dan die men op den bedoelden weg ontmoet. De hoogste bergen verheffen zich ten noorden der stad en hierover is de weg aangelegd. Het uit-zigt, hetwelk men van daar geniet op de stad beneden zich, de trotsche rivier en het omliggende landschap mag inderdaad schilderachtig en verheven worden genoemd. Het hoogste gedeelte der bergen bestaat uit een witten, fijnkorreligen zandsteen; nader bij de stad, derhalve het lagere gedeelte der borgen, treft men witten, digtcn kalksteen aan. In do stad zelve wordt men onaangenaam getroffen op het zien dor menigte onvoltooide gebouwen, welke bijna allen tot een puinhoop zijn geworden. De oorsprong dier gebouwen is als volgt. Eon voormalig bewoner dezer stad, Stowin geheeten, die zich door gelukkig geslaagde handolsondorneniingon oen groot vermogen had verworven, was op het denkbeeld gekomen om alhier een groot aantal huizon te doen bouwen, waarvan hij zich
33
don voordeellgston uitslag had voorgesteld. Deze onderneming mislukte echter ten eenen male, verslond zijn aanzienlijk fortuin, zoodat Lij ecnigen tijd later bankbreukig werd. liet grootste gedeelte dier huizen is onvoltooid ge-blevcu.
To \\'ol3k trof Ilamboldt den gouverneur van het gou-vernement fcaratolT aan, doii prins Gallitsin j deze had zich naar genoemde stad begeven, ton cindö onze reizigers uit te noodigen om hunnen togt voort to zetten tot aan Sara-toff, gelegen aan den linkeroever dor Welga, en bood zich tevens als geleider derwaarts aan. Hoezeer het vergevorderde jaargetijde Humboldt noopte tot het bespoedigen der reis, meende hij toch dat een zoo welwillend aanbod niet van do hand mogt gewezen worden; vooreerst dewijl de reis onder de leiding van Prins Gallitsin met buiteii-gewonen spoed zou worden voortgezet, en ten anderen dewijl hij daardoor de gelegenheid zou verkrijgen om, zonder veel tijdverlies, do Duitsehc koloniën aan den lagen of linkeroever der olga te kunnen bezigtigen, en tevens in staat zou gesteld worden om bij een later bezoek der koloniën aan den hoogen of regteroever der rivier door vergelijking beider toestand beter te loeren kennen.
Gedurende den namiddag van don 2Ilcn October vertoefden onze reizigers te olsk, en bragten er den volgenden nacht door, dewijl de toebereidselen tot het overvaren van de olga niet voor s avonds in gereedheid konden ge-biagt v,orden. Den vrijen tijd, hierdoor verkregen, bezigden zij tot hot doen van eenige uitstapjes in de omstreken. Zoo bezochten zij de bergen aan de westzijde der stad en vonden, dat zij allerwege uit krijt bestaan, welke kleur afgeeft en tot schrijven kan gebezigd worden. Eenige bronnen, welke uit dit gesteente opwellen, hadden eene temperatuur van 6°,5 en 7° Réaumur, bij ecu warmtegraad des dampkrings van 130,5; dewijl echter het water bij allen in een bokken wordt opgevangen, alvorens hot wegstroomt, kan deze waarneming niet als maatstaf dienen ter beoordeoling van den warmtegraad dos bodems, uithoofde het zamengevloeide water, ten gevolge van de IV. 3
34
temperatuur des dampkrings, in liet bekken een hoogeren warmtegraad had verkregen dan liet oorspronkelijk bezat, toen het uit den bodem te voorschijn kwam.
Des morgens van den 3d quot; October werden de rijtuigen in de vroegte met de ponten overgezet, terwijl de reizigers zelveu later in een vaartuig, vergezeld van Prins Gallitsin en de staatsraden Stutz en Ernst, de rivier overvoeren. Welk een aanzienlijke breedte de Wolga heeft, zal hieruit blijken, dat zij drie kwartier uurs behoefden om hare overzijde te bereiken.
Dc üuitsche koloniën aan de Wolga.
legenover do stad Wolsk ligt de eerste Duitsche kolonie, Schartliauscn geheeten, van waar de andere zich op eenigen afstand van de rivier de quot;Wolga in de rigting der ii\icr uitstrekken tot aan de kolonie Krasnoë Jar; deze laatstgenoemde is 25 mijlen verwijderd van het linssische dorp Pakrowskaja, alwaar het veer op Saratow wordt gevonden. Andere dezer koloniën zijn gelegen aan de Groote en dc Kleine Karaman, twee rivieren welke op een genngen afstand van elkander beneden Krasnoï Jar zich in de Wolga ontlasten. Dc meesten zijn slechts weinige mijlen van elkander verwijderd. Dc weg door onze reizigers gevolgd, voerde hen door dc navolgende koloniën: Schaffhausen, Baratajcwska, Basel, Zurich, Solothurn, Pa-ninskoï, Lueeru, Unterwalden, Susannenthal, Baskakowka, Ürlowskoï, Obermonjou, Katharinenstadt, Kuno, Philipps-fcld, Nicdermonjou, Swonarcwka, Todstepnoï en Krasnoï Jar.
len opzigte van liet ontstaan en den voortgang dezer koloniën, hare bronnen van bestaan, enz., zal dc volgende beknopte schets ccn voldoend overzigt verschafTen.
Ie midden van het uitgestrekte Russische rijk, aan dc majestucusc Wolga, wordt in het gouvernement Saratoff ecne menigte dorpen gevonden, wier gezamenlijke bevolking op ongeveer 200,000 zielen raag geschat worden. De voorvaderen der tegenwoordige bewoners verhuisden
uit Diiitscbland derwaarts en behielden de oud-vaderland-sche taal en zeden. Deze dorpen zijn bekend onder do benaming van Duitsehc koloniën. De reiziger, d.c deze oordon bezoekt, wordt aangenaam verrast, wanncei i.j 'J het binnentreden van dergelijk dorp een geheel andeien bouwtrant der huizen, cone verschillende inrigtmg ei \an, cone andere Weeding ontwaart dan elders, cn bovenal wanneer hij do Duitsche taal hoort spreken. Deze kolomen zijn eene der reusaehtigste en weldadigste seheppingen van keizerin Katharina de Tl-, die de bewoners dezer oorden,
tijde haver regering zoo onrustig, door hot voorboeld v au arbeidzaamheid, onderwerping aan de wetten t.c., auc s ^ de zedelijke cn stoffelijke voordooien, welke daannt om-spruiten, wilde opwekkeu om do nieuwe bevolkmg na te volgen, ten einde daardoor zegen en welvaart over eene groote provincie van haar onmetelijk rijk te verspreien, lleorliike vruchten heeft deze poging gedragen on een groot doel van hetgeen de kolonisten aan Rusland verschu -
Ld zijn, wordt door trouwe pligtvervnlling afgedaan, want
het waren moerendeels verarmde gezinnen aan w.e hier ee^ betere toekomst werd geopend, van welke ve en la.K een hoogen trap van welstand zijn opgeklommen. Al, -moone wolvaart wordt trouwens ook luer met g^on ^ Evenmin als elders is zij hier bestaanbaar, want hetzy m of zonder zijn toedoen, ziet men dezen verarmen, genen n het ongeluk storten, zoodat ook hier welvaart en armoede zijn vertegenwoordigd. Maar aan de andere z,jde onUa men hier een verblijdend bewijs van hetgeen de men. vermag, indien vlijt en arbeidzaamheid dc beschermmg van wüze wetten genieten. Thans reeds is dat ^vernem veel verschuldigd aan deze koloniën, want omstreeks twee derde gedeelten van den uitvoer zijn de vruchten van de
nijverheid der koloniale bevolking. . .npllfa
Het zijn dc bewoners dezer kolomen, die dc katoenfa
brieken in de gouverncments-hoofdstad hebben 0PSelIS -
waardoor arbeid aan vele handen wordt verscha . hebben de bewerking der ijzerwaren tot een hooS^ ^ van volkomenheid opgevoerd, zoodat dc meest geut t
37
ervaren wapensmeden in deze koloniën worden gevonden. Kaarden voor de bereiding van laken- en andere wollen stoffen, kammen en linnen worden hier in menigte vervaardigd ; tuin- en landbouw zijn tot hooge volkomenheid gebragt; de meeste molens zijn door hen gebouwd en verbeterd, en het grootste gedeelte van den uitvoer van meel naar Astrakan en Nieuw Tsjerkask komt uit deze koloniën.
Do bewoners dezer koloniën mogen, algemeen genomen, een fraai, gezond en krachtig slag van menschen worden genoemd; de huwelijken zijn vruchtbaar en de kinderen groeijen voorbeeldeloos op.
Nu reeds staat do bevolking, welke zoo zeer is toegenomen, in geene evenredigheid meer tot de uitgestrektheid gronds, welke haar is aangewezen; het is zeer te wen-schen dat haar nog andere streken in de Wolga-steppe tot woonplaats worden afgestaan, want ter naauwernood verkrijgt ieder hunner thans het vierde gedeelte van den grond ter bearbeiding, welke oorspronkelijk voor elk afzonderlijk kolonist bestemd was. Dit is het gevolg van de bepaling, dat jaarlijks bij loting de gansche uitge-strektheid lands onder hen wordt verdeeld. Dewijl in vele gezinnen vier geslachten worden aangetroffen, en ieder, die geschikt is om te arbeiden, aandeel verkrijgt bij de verdeeling der landerijen, uithoofde dit over liet zielental geschiedt, zoo volgt hieruit dat /.ij ruimer bevoordeeld worden, naar gelang het getal huisgenooten grooter is. Hiervan hangt in zekere mate de welvaart af, welke zij hebben bereikt, waartoe natuurlijk de vlijt des huisvaders, de spaarzaamheid zijner echtgenoot zeer veel bijdraagt. Hoe grooter het aantal kinderen is, dat de hand aan den arbeid kan slaan, des te meer kan hot gezin voortbrengen en des te aanzienlijker is het gedeelte der landerijen, hetwelk haar jaarlijks bij loting toebedeeld wordt. Het is waar, naar mate het gezin talrijker is, vermeerderen de uitgaven, maar deze staan toch niet in evenredigheid met hetgeen datzelfde gezin voorbrengt. Is hot hoofd des huisgezins ziekelijk, zijn de kinderen jong, dan is hij niet alleen buiten de mogelijkheid gesteld om vooruit te gaan,
38
maar de mate van welvaart, die hij welligt reeds bereikt heeft, zal vermindereiij dewijl voortdurende arbeidzaamheid een vereischte van hun bestaan is. Hebben zij meer personen om aan den arbeid deel to nemen dan zij behoeven tot bebouwing van het bij loting verkregen land, dan pachten zij landgoederen in de aangrenzende streken om de Kussen, hetgeen eene nieuwe bron van welvaart kan vormen.
De woningen der kolonisten zijn in alle koloniën op gelijke wijze gebouwd; er worden niettemin enkelen gevonden, die zoowel door bijzondere zindelijkheid als door meerdere uitgebreidheid uitzonderingen op den regel maken.
Alle kolonisten hebben een stuk gronds van gelijke grootte om cr zich een huis op te bonwen bevattende zijne woning, stallen, tuin en erf. Gewoonlijk bestaat de woning uit twee vertrekken, eene keuken en een voorhuis. Het eene vertrek dient tot slaapkamer, het andere tot woonkamer en, indien het gezin talrijk is, tevens tot slaapkamer voor de kinderen. Niet zeiden gebeurt het, dat meer dan een gezin hier binnen diezelfde ruimte woont, en de vader en moeder met deu gehuwden zoon, benevens diens vrouw en kinderen gemeenschappelijk onder hetzelfde dak leven; ja, men vindt voorbeelden dat drie gehuwde kinderen, met hunne gezinnen, bij hun vader en moeder inwonen. In dergelijke gevallen wordt het huis op deze wijze ingerigt: iu het eene vertrek staan langs den wand, zoo ver mogelijk van elkander, de benoodigde ledikanten voor do verschillende echtgenooten, welke zeer zindelijk worden gehouden, en van voeren bedden en bontklourige gordijnen zijn voorzien, fn het andere vertrek vindt men de slaapplaatsen der on-gehuwden en wel aan don oenen kant die der meisjes, aan den anderen kant die der jongens. Des morgens vroegtijdig is alles in beweging om de bodden weg te ruimen on dan wordt hot vertrek tot woonkamer gebezigd.
De moor gegoeden hebben hunne woningen vergroot, naar gelang hot gezin in leden sterker werd; behalve de twee genoemde vertrekken hebben zij gewoonlijk nog eene kamer en eene dusgonoomde zaal, ja, men vindt onkelo huizen mot vier vertrokken en eene zaal. ]5ij elk huis heeft men
39
de noodigc stallen en een ruim erf; tiaar achter ligt bij allen een tuintje, hetwelk gewoonlijk aan den tuin van een anderen kolonist grenst, zoodat de woonhuizen in twee verschillende straten staan, welke zeer breed en naar het vermelde plan regelmatig zijn bebouwd.
De vestiging der kolonisten in het gouvernement Saratoff had plaats van 1763 tot 1770, naar aanleiding van het keizerlijk besluit van 22 Jnlij, 17G3, onder toezigt van de kanselarij of weeskamer voor de buitenlanders, welke door keizerin Katharina de riquot;10 tot dat einde was opgerigt.
Een groot aantal personen uit Beijeren, Saksen, Wur-temburg, Hanover. Baden, Hessen, Tyrol, den Elsas, Lotharingen, Frankrijk, Zwitserland en de Nederlanden begaf zich naar deze oorden, ten einde in liet verwijderde oosten zich neder te zetten. Te Oranjeboom aangekomen zijnde ontvingen zij op bevel der keizerin, voor den verderen togt door het binnenland des rijks, de noodigc kleederen, voorspan voor hunne wagens en een bepaald daggeld, teneinde zich de vereischte levensbehoeften aan te schaffen.
In de districten Saratoff, Kamysjin, Atnarsk en Wolsk werden hun. ter wederzijde van do Wol ga, de vereischte landerijen aangewezen tor vestiging. De kolonie Sarepta in het district Tsaritsin, bewoond door leden van de gemeente der Broeders, hoeft bijzondere voorregten en behoort niet tot de hier bedoelde koloniën. De inwendige verdecling werd aan hen /.elven overgelaten. Zoo stond het hun, bii voorbeeld, vrij om zich aan de verschillende rivieren neder te zetten; vooral vond men in de omstreken der Irgis, nabij hare monding in de Wolga, uitstekend vruchtbare landerijen en rijke hooilanden, en dewijl bijna niemand in die oorden gevestigd was, hadden zij ruimschoots de gelegenheid om zich daar te ontwikkelen. Jammer echter dat do eerste bewoners dezer koloniën eene groote fout begingen. Bijna uitsluitend het oog gevestigd houdende op hetgeen zij voor het oogenblik hunner vestiging wen-schelijk achtteden, bouwden zij hunne dorpen te zeer in elkanders nabijheid, waarvan hunne nakomelingen slechts al te zeer de nadeelige vruchten ondervinden. De twintig
ccrsto koloniën hebben met de landerijen, welke er toe behooren, sleclits eene breedte van 20 mijlen. Toen in lateren tijd do bevolking zeer was toegenomen, zagen zij zich genoodzaakt het land tot op 15 20 mijlen van hunne woonplaats te gaan bebouwen, hetgeen natuurlijkerwijze groot ongerief opleverde.
De kolonisten werden in vier klassen verdeeld. De eerste klasse behoorde aan de kroon en werd; do regtstreek-sche genoemd. Do tweede behoorde aan den baron Bark, naar wien do kolonie Katharinenstad in het Russiseh insgelijks Baronskaja wordt geheetenj zij vormt tegenwoordig het district Katharinenstad, gelegen aan dc Kleine Karaman en aan dc Wolga. De derde, gevestigd aan de Groote Kara-man en de Groote Tarlik; bevat de drie districten Krasnoï Jar; Tonkosjoerowka en Tarlik en behoorden aan den directeur le Roy. De vierde, welke hare woonplaats had aan den bergachtigcn oever der Ilaffa, behoorde in eigendom toe aan den directeur Munny. Dc drie laatstgenoemde koloniën stonden onder het beheer der vermelde directeuren, aan wie zij vepligt waren het tiende gedeelte van al de vruchten harer nijverheid op te brengen. Deze inrigting gaf aanleiding tot misbruiken, zoodat het niet lang duurde of deze wijze van bestuur werd opgeheven, en al de koloniën werden onder het regtstreeksche gezag der kroon gebragt.
De koloniën zijn verdeeld in vier groepen, van welke twee op den regter- of bergachtigen oever der Wolga, in het gouvernement Saratoff, zijn gelegen.
De eerste groep ligt 35 mijlen van de gouvernementshoofdstad Saratoff stroomopwaarts van daar, aan de Wolga; hij bevat 41 koloniën, verdeeld in vier districten. Drie dezer districten, dat van Krasnoï Jar, Katharinenstad en Pa-ninski strekken zich idt ten noodoosten van Saratoff aan den linker- of lagen oever der Wolga-tot in de nabijheid van de arrondissements hoofdplaats Wolsk. De twee laatste districten behooren, naar de nieuwe indeeling, tot het arrondissement Nikolajew; het district Tonkosjoerow daarentegen strekt zich ten zuiden van het district Krasnoï Jar ver
41
tot in de Ocral-steppc uit en heeft de landen ter wederzijde van dc Grooto Karatnan ontgonnen. Do districten Krasnoï Jar enTonkosjoerowkabehooren tot het arrondissement Nowosens.
De tweede groep ligt ten zuiden van Saratoff, op een afstand van 40 mijlen van daar, en bestaat uit het arrondissement Tarlik mot 15 koloniën, wier wei- en bouwlanden zich oostwaarts gedeeltelijk tot aan, gedeeltelijk 10 mijlen voorbij den zoogenaamden zoutweg uitstrekken, welke van het Elton-meer naar Saratoff voert. Veertien van deze dorpen vormen een onafgebrokene reeks langs de Wolga; tusschen deze cn het vijftiende dorp liggen twee Russische dorpen.
De derde en grootste groep is gelegen tegenovei het arrondissement Tarlik aan den hoogen oever der Wolga en bevat 43 koloniën, verdeeld in de volgende districten: Sosnowka Norka, Kamenka en Ocstkoclalink. liet laatste district strekt zich met zijne koloniën uit tot aan het gebied der arrondis-sementshoofdstad Kamysjin; het distrikt Norka daarentegen is westwaarts gerigt en grenst tot aan de arrondissementshoofdplaats Atkarsk.
De vierde en laatste groep ligt ten noorden van Saratoff en bestaat uit drie koloniën ; uithoofde van den afstand, waarop zij van dc overigen zijn gelegen, maken zij een afzonderlijk district uit, bekend als dat van Jagodnajapolian.
Aanvankelijk had men de gewoonte de Duitsche dorpen te noemen naar het eerste burgerlijke hoofd ; in den offi-cielen stijl echter droegen zij meermalen, zoowel in het Russisch als in het Duitsch andere benamingen, liet bestuur dezer koloniën is te Saratoff gevestigd.
Dc 103 moederkoloniën, welke tot stand zijn gekomen van 17t)3 tot 1770, boezemen nog booger belang in, wanneer men ze beschouwt van het standpunt, waarin deze oorden verkeerden in het midden van de tweede helft der vorige eeuw. De stad Saratoff had destijds ter naauwer-nood een tiende gedeelte barer tegenwoordige grootte. Zij was destijds eenc weinig beteekenende open plaats, en slechts bekend als de zetel eens wojewoden van gering aanzien. Kamisjin en Tsaritsin waren nog van minder belang. Wolsk
42
on Atlkarsk behoorden toen tot den rang der kleine steden, wier eenige versterking bestond uit aarden wallen met palissaden bezet; zij hadden noch handel, noch inrigtingen van nijverheid, en dienden slechts als bolwerken togen de zwervende Aziatische 'volkstammen. Met deze luatsten hadden de kolonisten, aan den lagen Wolga-ocver gevestigd, vooral te kampen en velen vielen als helden in den strijd tegen deze woeste horden.
De kroondorpen aan de boorden der Irgis (Nikolajeffka) die aan de rivier Oesla (Nowoöesinskaja), zijn stichtingen van een later tijdperk. Tot op het oogenblik dat de Duitsche kolonisten zich aan den lagen oever der Wolga vestigden, waren deze streken niet anders dan eene onherbergzame woestijn, waar slechts wild gedierte huisde, namelijk saïgak (antilopen) en wilde paarden. Ook de bergachtige oever der rivier naar hot zuiden heen was woest cn onbebouwd, en rooverbenden maakten het verkeer op den grooten weg zeer onveilig.
Door do nijverheid der kolonisten, die zich in deze oor den hadden nedergezet, verkreeg do landbouw met elk jaar grooter uitbreiding, vermeerderde steeds de uitvoer van granen uit Saratoff, Ssaraara naar de zuidwestelijke en noordwestelijke deelen des Russisehcn rijks. Maar vooral steeg de welstand onder de bewoners, die zich aan de Wolga hadden nedergezet en wier aantal steeds toenam.
Door den linker- of lagen oever ontlasten zich de volgende rivieren in de Wolga: de Kleine en do Groote Kamman. de Tarlik en de Groote Jeroeslan. Zij vormen eenige kleine armen, die zich in de steppe verliezen, zoo als bij voorbeeld, de beek Gaïsool en de rivier van dien naam, de Metsjetna, do Kleine Metelka, de Kleine IVispik. de Grenoecha cn de Soesli. Bosschen en hooilanden vindt men aan deze rivieren niet veel; slechts in de nabijheid harer monden in de Wolga treft men iets dergelijks aan, want elke kolonie heeft daar bosschen cn hooilanden, ten gevolge waarvan de linkeroever der rivier veelal: de weikant wordt geheeten, Voorraad van water heeft men aan deze zijde der rivier
43
weinig; het gevolg daarvan is, dat er een gering getal molens wordt gevonden. Ten einde zooveel doenlijk in deze behoefte te voorzien, heeft men de meeste dier rivieren afgedamd, ten einde sterker stroom van water te verkrijgen. Op plaatsen, welke ver van den oever der Wolga zijn gelegen, heeft men putten moeten graven, welke eene diepte hebben hier van 3G, elders van ruim 100 voet, alvorens men water vindt. De bodem bestaat op de onderscheidene plaatsen uit zeer verschillende bestanddeelen. Uitgebreide streken zijn met salpeter of zout bezwangerd en kunnen alleen als weidevelden worden gebezigd. De regter- of bergachtige oever der Wolga daarentegen is door de natuur rijk van wouden en water voorzien. De Ilaffla en vele andere rivieren, welke op de hoogvlakte van Waldaï ontspringen, voeren haren rijken watervoorraad in vele armen naar de Wolga, waardoor eene menigte molens in beweging gebragt wordt. Wol is waar, de bewoners van deze hoog gelegen streken hebben niet de uitgestrekte bouwlanden, welke de steppe oplevert, maar daarvoor vinden zij eene schadeloosstelling in de vruchtbaarheid en uitstekend schilderachtige ligging der door hen bewoonde oorden.
De kosten der kolonisatie dezer streken kwamen aan de Russische kroon op 10,399,626 gulden, welke som als schuld den kolonisten werd aangerekend, die zij langzamerhand moesten afbetalen. Bij keizerlijk bevel, gedag-teekend 20 April, 1782, werd daarvan vernietigd verklaard en als reeds gedelgd beschouwd eene som van 2,429,394 gulden, zijnde het bedrag van sommige noodzakelijke uitgaven ten behoeve der kolonisten gedaan. Dat bedrag was verdeeld als volgt: 2,050,806 gulden dooide kroon besteed ter bestrijding van de eerste kosten ter vestiging van de kolonisten en tot het bouwen der be-noodigde kerken; 35,882 gulden gebezigd tot het verschaffen van geneeskundige hulp aan de behoeftigen onder hen en 272,940 gulden ter voldoening der schulden van gezinnen, op de reis van Oranjeboom naar Saratoff overleden, terwijl daarenboven 60,764 waren aangewend
44
tot vrijkooping van degenen, die in slavernij bij do Kir-gizen waren geraakt.
De overblijvende schuldenlast drukt natuurlijk alleen op degenen, die in hot land blijveiij want zij die naar hun vaderland terugkeeren, voldoen voor hun vertrek hun aandeel in dit bedrag.
Van 178G tot 1797 werd hierop door eiken kolonist van 1G tot GO jaar G gulden en van 1797 tot 1833 slechts 2 gulden jaarlijks betaald; deze som is inderdaad zoo gering, dat de regering wel niet met grooter toegevendheid heeft kunnen handelen. Later werd aan do kolonisten tot afdoening van het resterende gedeelte dor schuld een tijdvak van tien jaren ingewilligd, en op 1 January des jaars 1334 was er nog 3,703,468 gulden achterstallig.
Ton jare 1775 bedroeg het aantal mannelijke kolonisten 11,980, dat der vrouwelijken 11,198, derhalve een gezamenlijk aantal van 23,184 zielen. Zij maakten uit 5,502 gezinnen. Hieruit blijkt, dat hun aantal sedert het oogenblik hunner komst in Rusland was verminderd, dewijl het toen bedroeg 8,000 gezinnen, sterk 27,000 zielen. Verschillende oorzaken hadden daarop een ongunstigen invloed uitgeoefend. Vele kolonisten hadden zich in de krijgsdienst begeven, terwijl een groot aantal door het heimwee overvallen, of door de ongewoonte aan het klimaat en de bezwaren aan de eerste vestiging verbonden, binnen korten tijd ton grave waren gedaald. De eerste tijd hunner vestiging in de kolonie leverde werkelijk groote bezwaren op, niettegenstaande de ondersteuning door de regering geschonken en de maatregelen van voorzorg door haar getroffen. De kolonist, die hier in een hem geheel vreemd land zich nederzette, zonder eenigc kennis van den landbouw hoegenaamd, geheel onbemiddeld, had eene moeije-lijke school te doorloopen, want bijna allen handwerkslieden zijnde, konden zij in hun nieuw vaderland daarvan volstrekt geen partij trekken. Hierbij kwam nog bij velen gebrek aan vlijt en arbeidzaamheid en de zucht om in ledigheid het verkregen voorschot ten bedrage van 300 gulden voor elk
hoofd eens huisgozins, en dat hun ten jare 177G werd uitbetaald, te verteren. De ouden van dagen wisten voor eenige jaren veel lo verhalen van de moeijelijkhcden, welke hunne ouders bij hunne vestiging hadden ondervonden, dewijl zij volslagen onbekend waren met de eerste beginselen van den landbouw ; hoe zwaar het hun was gevallen om zich in hunne nieuwe omstandigheden te schikken en aan het ongewone klimaat en in de zon geheel andere levenswijze dan vroeger te schikken. De eerste kolonisten waren herkomstig uit do verschillendste klassen der maatschappij en in hun vaderland, van der jeugd af, aan gelieel andere bezigheden gewoon dan die zij toen ter hand moesten vatten, want slechts .zeer weinigen behoorden tot den stand van landbouwers. Aan deze laatsten werd de last opgedragen de anderen in den landbouw te onderrigten. Hoe toch was het mogelijk, dat personen, die nooit een ploeg hadden gezien en niet wisten hoe een paard moest worden aangespannen, den akker zouden kunnen beploegen, bemesten, bezaaijen, in een woord dien tot het dragen van vruchten geschikt maken? Zoo verhaalt men onder anderen, dat het in den eersten tijd menigwerf gebeurd is, dat deze of gene met paard en kar uitreed en, dewijl het niet goed aangespannen was, onder weg moest wachten of het toeval misschien een ander langs dien zelfden weg zou voeren, die beter dan hij in staat was om met paarden om te gaan. Hierbij kwamen nog, gelijk wij reeds met een enkel woord hebben gezegd, traagheid, zorgeloosheid, onwil, zoodat de ontginning in den aanvang met langzame schreden voorwaarts ging. Het is een bekend feit, dat de eerste kolonisten dos morgens moesten gewekt worden om den arbeid aan tc vangen; dat zij in plaats van het land te beploegen of den oogst in de schuren te halen, nblaauwen maandagquot; hielden, waarbij aog dikwerf de volgende dag werd getrokken. Toen echter de veeteelt en do landbouw in zekere mate aanvingen te bloeijeu, begon een nieuw tijdperk voor de kolonisten aan tc breken.
Ten jare 1797 was het aantal mannelijke kolonisten geklommen tot 19,485 zielen, terwijl dat der vrouwelijke
46
leden der koloniën naar evenredigheid was gestegen. In 1810 telde men 31,195 mannen, 29,990 vrouwen en in 1831 ruim 52,000 mannen en 50,000 vrouwen, derhalve meer dan 100,000 zielen. Van 1833 tot op 1852 is dat aantal tot op 160,483 zielen d. i. 84,504 mannelijke en 81,919 vrouwelijke bewoners geklommen.
Dc koloniën aan den lagen Wolga-oever hebben eene uitgestrektheid van 252,200 bunders bouwland en 180,075 bunders steppeland. De koloniën aan den hoogen Wolga-oever bezitten 230,039 bunders bouwland en 238,552 bunders steppeland; de drie koloniën van het arrondissement Jagodnajapoli en de drie koloniën aan de Medwediza zijn de eenigc, welke bosschen oezitten.
Berekend naar het getal mannelijke leden der koloniën, genomen volgens de telling van de 1797, wordt aan ieder hunner twee en twintig bunders land toegewezen. De overheid houdt het toezigt hierop, dat aan elke kolonie, naar den genoemden maatstaf, de vereisehte bundertalen worden verstrekt. Wat de verdere verdeeling betreft, deze wordt gelijk wij reeds vroeger met een woord hebben gezegd, aan de leden van elke kolonie overgelaten; in sommigen heeft de verdeeling plaats naar het aantal mannelijke leden, in in anderen naar het aantal gezinnen. Ook de duur waarvoor deze verdeeling wordt aangegaan, is verschillend, want in deze geschiedt het voor 6, in gene kolonie voor 10 jaren. Hooi- en grasland, benevens tuingronden worden afzonderlijk en wel bij loting verdeeld, dit is insgelijks het geval met het houtgewas, maar dit wordt er weinig gevonden gelijk wij reeds hebben vermeld. De gewone brandstof bestaat uit mist.
Ten gevolge van de toeneming der bevolking is in verscheidene koloniën het bouwland, hetwelk aan ieder der leden wordt toegewezen, zoo gering geworden, dat het verre beneden het door de regering vastgestelde aandeel is gedaald. Dewijl al het omliggende land, hetwelk aan de koloniën grenst, reeds aan andere personen is uitgegeven, volgt hieruit dat met der tijd een groot aantal kolonisten naar andere oorden zal verplaatst behooren te worden. De
47
vruchten van den bodem der koloniën bestaan grootendeels uit zomerkoorn, winter- en zomenogge, haver, gerst, spelt, gierst, aardappelen, lijnzaad on tabak. In do koloniën, gelegen op het hoogste gedeelte dos lagen oevers, bestaan de hoofdvoortbrengselen des bodems in tarwe en tabak, hoewel ook de andere veldvruchten aldaar worden aangebouwd; in het lagere gedeelte aan diezelfde rivier wordt daarentegen voornamelijk tarw, maar veel minder tabak geteeld dan in het hoogere gedeelte.
Bij ceu goeden oogst wordt in de koloniën gewonnen 20,000 last zoinertarw, 23,334 dito winterrogge, 100 dito zomerkoorn, 1,333 dito gierst, 16,607 dito haver, 4,666 dito gerst, 07 dito erwten, 13 dito linsen, 07 dito lynzaad, 200 dito hennip, 400,000 mud aardappelen en 4,000,000 pond tabak. In de laatste jaren is do opbrengst des bodems nog veel vermeerderd. Ten jare 1854, bij voorbeeld, oogstte men 14,442 last wintergraan, 72,148 dito zomergraan en 0,051,854 Ned. pond tabak. Dat de kolonisten zoo veel lijnzaad verbouwen moet hieruit worden verklaard, dat zij des winters lampen branden en tot dat einde zelfs olie uit het tabakzaad slaan. Duidelijker bewijs van de vlijt en de nijverheid der kolonisten kan er bezwaarlijk worden gegeven, dan de boven vermelde opgaaf van hetgeen zij door hunnen ijver aan den bodem ontwoekeren. Wijders mag hieromtrent nog het volgende worden medegedeeld, hetgeen als een nader bewijs ten dien opzigte zal kunnen dienen. In de kolonie Brokhausen had de aldaar gevestigde kolonist Stump, tegen het einde der maand October, niet slechts zijn graan binnengehaald, maar alles afgedor-selien. Met drie ploegen, twee knechts en zijn eigen gezin, waartoe behalve hij cu zijne vrouw, eene dochter en haar echtgenoot, zijn schoonzoon behoorde, had hij zijne akkers beploegd, bezaaid, gewied, het graan ingeoogst en later tot het verschepen gereed gemaakt. De oogst had hem opgeleverd 600 mud wintertarw, 300 dito winterrogge, 80 zak haver en 40 dito gerst.
Tot de groenten, welke alhier worden geteeld, behooren verschillende soorten van kool, fijne augurken, gele worte-
48
len en dergelijken. Dit geschiedt uitsluitend voor eigen gebruik, behalve in de kolonie Sebastianowka en in de drie anderen, welke £ian den weg naar Moskou zijn gelegen; zeer veel fraaijc kropsalade wordt door de kolonisten geteeld, welke groentesoort zij zeer veel met eijoren ou spek nuttigen. Moerbeziënboomen worden in alle koloniën in grooten getale aangetroffen: de beste soort groeit in en nabij de kolonie Schaffhausen, alwaar een te Woisk als koopman ingeschreven kolonist ongeveer 8 pond zijdo per jaar wint.
Geone producten worden zoo gemakkelijk en met zoo veel voordeel afgezet als granen en tabak. Het gevolg hiervan is, dat de kolonisten zich in hot bijzonder op do teelt dezer voortbrengselen toeleggen. Alleen de tabaksvelden worden bemest. Even als in het gansche gouvernement Saratofif beschouwt men ook hier het bemetsen van den akker als nadeelig, uithoofde de bodem zoo bijzonder vruentbaar is en het klimaat den groei der veldvruchten zoo zeer bevordert. Slechts regen on nogmaals regen, regen ter regter tijd, dit is het ecnige, hetwelk men behoeft.
Waar den kolonisten eeue geringe uitgestrektheid gronds ter bearbeiding is overgelaten, volgen zij het Dreifelder stelsel; bebouwen zij echter de steppe, dan behoeven zij zich aan geen vaste regelen te binden, want de akker eischt slechts vruchtbaarmakend zaad ora, zonder verdere moeite, een rijken oogst voort te brengen. Do bouwgereedschappen zijn van gelijken aard als die gewoonlijk in Duitschland worden gebezigd. Tot het zoogenaamde scheuren van de steppe, bedienen zij zich van ploegen, met spits toeloopende schaar; tot het beploegen van tabak-of aardappelland wordt de ploeg met ronde schaai gebruikt.
Een voordeelige oogst levert het tien- of veertienvoud van het uitgezaaide op; oen algemeen misgewas is iets ongehoords, want zelfs ten jare 1833, ja. in 1815 welk jaar zoo bekend is door de langdurige droogte, welke destijds heerschte, nog verergerd door eene kleine soort van sprinkhanen, die een gedeelte van het graan vernielden, hoeft de kolonist nog immer minstens eene dubbele opbrengst verkregen.
49
De veeteelt en paardenfokkerij zijn twee takken van nijverheid, welke niet onbeduidend zijn te achten, indien daarbij op den voorgrond wordt gesteld, dat hier van uitstekende rassen geen sprake kan zijn. De veestapel be-fiiaat uit 80,000 paarden, 200.000 stuks hoornvee, 80,000 varkens, en 100,000 schapen van liet Russische ras. Behalve deze treft men in deze koloniën aan 5 Spaansche schapenfokkerijen, met 1,500 ooijen van het merinosras; de hoeveelheid wol jaarlijks van deze merinos schapen verkregen, bedraagt ongeveer 1,000 Ned. pond, welke tegen G gulden per lö pond wordt verkocht. De winter voeding duurt gewoonlijk zes maanden en bestaat uit hooi en stroo.
De kooijen der Spaansche schapen zijn van hout gebouwd. Hier en daar ziet men stallen voor het vee, welke uit ruwe steenen en plaggen zijn gevormd.
In de koloniën telt men 620 weefgetouwen; jaarlijks leveren zij 900,000 el grove lakenen en wollen stoffen, welke deels tot eigen verbruik dienen, en deels in den handel worden gebragt.
Men treft er aan 191 watermolens en 195, welke dooiwind worden gedreven; de pacht dezer molens verschaft aan de koloniën een jaarlijksch inkomen van 50,000 gulden, terwijl bovendien de koloniën, welke aan de Wolga zijn gelegen, zeer aanzienlijke voordeden uit de visscherij trekken.
De tabaksteelt is mede eene zeer aanzienlijke bron van inkomsten j zij levert betrekkelijker wijze zeer veel op, dewijl de arbeid op het veld geschiedt door vrouwen en kinderen, terwijl gedurende dien tijd de mannen zich met anderen veldarbeid kunnen bezig houden. De teelt van den tabak geschiedt hoofdzakelijk in die koloniën, welke aan den vlakken, lagen oever der Wolga worden gevonden ; men verbouwt er twee soorten, den zoogenaamden Duitschen of Virginie tabak en den dus gcheeten Kussischen of boeren tabak. Het land, waarop men de beste soort teelt, wordt reeds in den herfst omgeploegd, ten einde do vochtigheid des dampkrings des winters en gedurende het voorjaar des te beter in den lossen bodem te doen doordringen ; IV. 4
5ü
bovendien wordt er in den herfst mest op gebragt, welke in het voorjaar over het land verdeeld en er ingewerkt wordt. Is de tijd van het pooten van den tabak genaderd, dan gaat het gansche gezin van den kolonist aan den arbeid. Er worden lijnen op den akker gespannen, waar tusschen een kolonist met eene klaauw in de hand doorgaat en op bepaalde afstanden ter wederzijde van de lijnen gaten in de grond maakt, en hier naast ligt eene dochter of een kind een jonge plant. Op deze beide personen volgt weder een ander kolonist of eeu volwassen zoon, die do opening waarin de plant wordt gezet, vol water giet, hetwelk door een derden kolonist aangebragt wordt en niet zelden op een grooten afstand van den akker moet gehaald worden. Na dezen komt de vrouw van den kolonist of eene volwassen dochter, die de plant in de met water gevulde opening poot en de aarde vastdrukt. Is hot veld op deze wijze beplant, dan laat men de verdere zorg aan de natuur over 5 er wordt niet besproeid, want gedurende het overige gedeelte van het voorjaar of den zomer heeft de mau volop bezigheden, hetzij met het bewerken van andere akkers, het inoogsten van hooi of granen, enz., en keert niet weder daarnaar terug dan om den gewonnen tabak te sorteren en te verkoopen.
De vrouwen en kinderen echter hebben weldra de handen vol om het onkruid in de tabaksvelden te wieden, waardoor de jeugdige plant weldra zou verstikt worden, indien de akker niet zorgvuldig daarvan werd gereinigd; hoeft deze eenmaal zekere grootte bereikt, dan zijn de rollen omgekeerd, want de tabaksplanten behouden dan de overhand op het onkruid, dat zelfs wegsterft. De bladeren spreiden zich meer cn meer uit en beschutten den grond tegen den gloed der zon, zoodat zij voortdurend beschaduwd is en vochtig blijft. Zoo groeit de tabak voort tot aan zijn bloeitijd, wanneer men den knop en de toppen der plant afbreekt, ten einde den wasdom der bladeren te bevorderen. Op deze wijze behandeld wordende, draagt de \ irginie plant 4 a 8 bladeren, de Russische daarentegen een veel grooler getal, maar veel geringer van omvang. Enkele planten laat
51
men ongestoord opgroeijen, ten einde er zaad van te winnen.
Zoodra de onderste bladeren geel beginnen te worden, is de tabak wat men heet rijp, en vrouwen en kinderen gaan weder aan het werk om de bladeren af te plukken, en den middenstengel uit het blad te snijden; om ze beter te doen droogen, worden deze aan staken geregen en opgehangen. Deze met tabaksbladeren voorziene staken worden later van het veld naar dé loodsen gebragt, alwaar zij op de volgende wijze worden behandeld. De tabaksloodsen zijn houten gebouwen met stroo gedekt, wier wanden bestaan uit teeneu horden, ten einde aan alle zijden doortogt te verschaffen aan de vrije lucht. De met bladeren behangen stokken plaatst men in horizontale rigting, van den grond af tot boven in de loods, to beginnen ojj eenigen afstand van den wand en vervolgens eenigzins van elkander, totdat de gansche loods vol hangt, waardoor deze in een zeker getal gangen wordt afgedeeld. Hier droogen de stelen gedurende den Ioojj des zomers volkomen uit; men laat ze dan nog gedurende den herfst en zelfs tot in het begin van den winter hangen, ten einde ze eenigzins vochtig en daardoor weder buigzamer te doen worden. Is dit het geval, dan haalt men de staken in huis, neemt de bladeren van de staken af, sorteert ze naar gelang van de kwaliteit en legt blad voor blad, na het op de tafel te hebben uitgestreken, op elkander. Heeft men op deze wijze eene dikke laag of bundel verkregen, dan wikkelt men een ander blad om het dikke uiteinde. De bundels worden vervolgens eenigermate zaamgeperst, waardoor de bladeren, ten gevolge van de zich ontwikkelende warmte, weder eenigzins vochtig worden, — dat men zweeten noemt, — hetgeen zeer bevorderlijk is voor do hoedanigheid van den tabak. Op die wijze laat men den gewonnen voorraad liggen, totdat zij wordt verkocht.
Sommige kolonisten drijven een vrij aanzienlijken handel in tabak, door dien van de medekolonisten op te koopen en naar Saratoff te voeren, alwaar eeno grootc rook- en snuiftabakfabriek wordt gevonden, en zij hunnen tabak afzetten; hier wordt het artikel verder bewerkt en vervol-
52
gens naar verschillende oorden verzonden. Buitendien komen er Russische handelaars in de koloniën, die den tabak insgelijks opkoopen. De Russische tabaksoort levert een ruimeren oogst op dan de Virginia tabak, zoo als reeds vroeger is vermeld; dc bladeren zijn kleiner, maar in veel grooter getal en daarenboven dikker en zwaarder. Van deze soort wordt eene zeer groote hoeveelheid aan de step-penbewoners, Kalmoeken, Kirgizen en Tartaren afgezet.
Als brandstoffen bezigen de kolonisten mest van het hoornvee, welke echter grootendeels vooraf bereid en daartoe geschikt gemaakt wordt, want slechts weinige koloniën, welke aan de hellingen van het gebergte zijn gevestigd, hebben bossehen in hare omstreken. Die aan den vlakken oever der Wolga of op het gebergte zijn aangelegd, bezitten volstrekt geen hout, en bezigen om vuur aan te leggen de takken van de genista tinctoria, zoomede van wilgen en populieren, welke aan den oever der Wolga en op dc eilanden in dc rivier grocijen. Meststof voor den akker wordt hier slechts in zeer enkele gevallen gebezigd, want de bodem is nog zoo rijk aan plantaardig voedsel, dat het opbrengen van mest op den bodem in den regel als schadelijk wordt beschouwd; ten gevolge hiervan bezigt men de uitwerpselen van het hoornvee bijna uitsluitend als brandstof.
Gedurende de zomermaanden graast het vee in de steppe en vergadert men de uitwerpselen, welke bij den hoogen hittegraad, door de zon aan den bodem en aan den dampkring medegedeeld, spoedig droog worden. Die lust en tijd daartoe heeft, houdt zich met het verzamelen er van bezig en voert ze bij wagenvrachten naar het dorp. Hier wordt de opgehaalde mest in loodsen opgetast en in den winter als brandstof gebezigd. Dc winternest wordt op de volgende wijze behandeld. In het voorjaar, nog voor den tijd dat het beploegen van den akker aanvangt, wordt de mest uit de stallen gehaald en met het vertreden stroo en het onbruikbare hooi op het veld ge-bragt, in hoepen gelegd en zoolang met water bevochtigd, totdat dc gansche massa wreek en kneedbaar is. Men
53
maakt vervolgens dc oppervlakte van do hoepen gelijk, verdeelt ze in lagen ter dikte van één bij twaalf voet breedte, en laat er vervolgens dc paarden zoo lang op rondloopen of rijdt ze daarop zoo lang in het rond, totdat alles goed dooreengeinengd en tot eene vaste massa is geworden. Deze massa wordt vervolgens in houten vormen gedrukt op de wijze als bij het steenbakken worden gebezigd ; telkens worden vier of zes dezer vormen te gelijk gevuld. Na verloop van eenige dagen zijn deze steenen droog genoeg om op hun kant geplaatst te worden; later nadat zij wat droog geworden zijn, bouwt men er groote hoopen van met togtgaten, waarna men ze laat staan tof aan den herfst; wanneer nu de veldarbeid geëindigd is, brengt men ze naar huis om ze als brandstof te bezigen.
Een gedeelte der Duitsche kolonisten belijdt de Katholieke godsdienst, de meerderheid echter is de Evangelische leer toegedaan. Van dc koloniën, door ons reisgezelschap bezocht, zijn slechts Solothurn, Paninskoï, Lucern en Obcr-monjou Katholiek, de overigen allen Protestantsch. De oorspronkelijke verscheidenheid in taal, uitspraak, godsdienst, zeden, gebruiken en kleederdragt is zeer verminderd, ten gevolge van een langdurig verkeer en de naauwe betrekking, waarin zij gedurende eene eeuw tot elkander hebben gestaan, ja, zij in vele opzigten geheel verdwenen. Moge er Kussisch worden gehoord, algemeen spreekt men er de Duitsche taal en is de levenswijze nog geheel overeenkomstig die van het land, dat zij verlaten hebben. Professor Rose zegt daaromtrent het navolgende : ullet was ons een zeer aangenaam en verrassend schouwspel, op zulk een grootcn afstand van het land onzer geboorte, de vader-landsche taal te hooren, vaderlandsche zeden en gebruiken te ontwaren; streelend was het inderdaad te mogen zien, dat de bewoners dezer koloniën door dc zorg cener welwillende regering gelukkig en met hun lot tevreden zijn. Zeer waren wij er Prins Gallitsin dankbaar voor, dat hij ons had aangemoedigd tot het ondernemen van deze reis, welke door zijne vriendelijke tusschenkomst voor ons even aangenaam als leerrijk was geweest.quot;
54
De Duitschc kolonisten aan de Wolga gevestigd, dio Katharina de IIdc vereeren als dc vorstin, aan wie zij al hunne welvaart verschuldigd zijn, hebben haar in de kolonie Katharinenstad een gedenkteeken opgerigf, als een bewijs van don eerbied, welken zij voor hare nagedachtenis koesteren. Dit gedenkteeken is op de plcgtigste wijze onthuld op den G Julij, 1852, den geboortedag van wijlen keizer Nikolaas. liet bronzen standbeeld der keizerin, ver vaardigd door den baron von Kloth te St. Petersburg, is opgerigf ter plaatse waar zich vroeger het altaar verhief der eerste Evangelische kerk, welke later is afgebroken. Katharinenstad is dc hoofdplaats der koloniën, alwaar behalve den landbouw, vele andere takken vau nijverheid worden beoefend.
Het was reeds 4 ure des avonds, toen onze reizigers te Petrowskaja aankwamen, van waar zij de reis nog dien zelfden nacht naar de gouverneinents hoofdstad Saratofif voortzetteden. Aanvankelijk bestond het plan om slechts den nacht en een gedeelte van den volgenden dag aldaar te vertoeven, ten einde de gewone magnetische waarnemingen te maken. Dit voornemen werd echter niet ten uitvoer gebragt, dewijl prins Gallitsin hen met zoo veel vriendelijkheid ontving, dat hun verblijf nog een dag werd verlengd. Nadat zij op een prachtig diner door hem waren onthaald, bezochten zij onder zijn geleide de voornaamste bezienswas1 rdigheden der stad, als liet gymnasium, het krankzinnigen-gesticht en andere inrigtingen van verschillenden aard; vervolgens begaven zij zich naar eene plaats in de nabijheid der stad, alwaar korten tijd te voren eene belangrijke aardstorting had plaats gehad, welke groot opzien had verwekt. De ligging van Saratofif heeft zeer veel overeenkomst met die van Wolsk, maar liet ketelvormige dal, waarin dc stad is gelegen, is veel uitgestrekter dan dat van Wolsk en vormt eene tamelijk breede vlakte aan den oever der Wolga, aan welker zuidoostelijken uithoek dc stad is gebouwd. Zij is verdeeld in eene nieuwe en oude stad; dc eerstgenoemde is regelmatig gebouwd, heeft regtc straten, verscheidene pleinen en eene menigte steenen ge-
55
bouwen, welke gedeeltelijk zeer smaakvol verdienen genoemd te worden. Do bergen aan dc noordzijde der stad, alwaar de aardstorting had plaats gehad, bestaan uit zandsteen. Eenige lagen, rustende op eene sterk hellende kleilaag, waren naar beneden gegleden en hadden verscheidene huizen weggesleept en anderen beschadigd.
De stichting van Saratoff had plaats ten jare 1591 op last van tsaar Feodor Iwanowitsj. Dewijl de horden in de omstreken van het tegenwoordige Saratoff en vooral aan gene zijde der Welga rondzwervende, alle vlekken en dorpen, in die oorden aangelegd verwoesteden, kwam men tot hot besluit om eenige versterkte steden aan den cover der Wolga aan te leggen, ten einde hunne rooftog-ten te verhinderen. Dit voornemen werd verwezenlijkt en was de aanleiding tot het stichten der Samara, Saratoffquot; Tsaritsin. Een volksverhaal wil, dat Saratoff zeven mijlen stroomopwaarts van de plaats, waar zij thans ligt, aan het riviertje Saratoff het eerst is gesticht. Die plek, waar inderdaad overblijfselen van voormalige gebouwen zijn aangetroffen, is naauwkeurig onderzocht. Zij bevat geen spoor van een dubbelen aarden wal, zoo als hot algemeen verhaal wil dat aldaar moet hebben bestaan, noch van eenig vestingwerk, op de wijze zoo als in dien tijd werd aangelegd. En dat een open vlek, vooral aan den linkeroever der Wolga in de steppe destijds onmogelijk kon blijven bestaan, behoeft niet nader te worden betoogd.
Gedurende langer dan eene eeuw is Saratoff aan den kant van het gebergte met houten wallen, torens en poorten omringd geweest. Op eene hoogte aan de noordzijde der stad (Sokolowije gori) stond een wachttoren; do wachthebbende soldaten sloegen terstond alarm, zoodra zij eenige zwervende horde in de steppe waarnamen. Overigens waren het niet enkel de volkstammen uit verwijderde oorden, die strooptogten in de omstreken vau Saratoff en andere steden maakten, maar de Kozakkon zeiven, vooral die aan dc oevers der Wolga gevestigd waren. Do Kozak Stenka Rasin gelieeten, was gedurende langen tijd do schrik dezer
56
oorden. Astrakan werd door hem geplunderd en ten jare 1671 onderging de stad Saratoff hetzelfde lot, nadat de bewoners haar aan hem hadden overgeleverd; bij die gelegenheid werd de wojewode Koesma Lapoechin, benevens zyne lijfwacht vermoord. Te dier tijde had Saratow slechts drie houten kerken en een omtrek van ter naauwernood eene Ned. mijl.
De eerste stap ter vergrooting van de stad geschiedde in 1700; er werden destijds vele soldaten derwaarts gezonden, die zich tevens met den akkerbouw moesten bezig houden. Maar hetgeen nog oneindig meer toebragt om Saratoff in aanzien te doen stijgen, was het besluit van keizerin Katharina de H'1quot;, uitgevaardigd in het jaar 1781, waarbij werd bepaald, dat zij do zetel eens stedehouders zou zijn. Zeven jaren te voren, op den 7dcn Augustus 1774, had een vreesselijk onheil haar getroffen; zij was namelijk door de opstandelingen onder Poegatsjeff geplunderd, waarbij omtrent alle ambtenaren om het leven werden gebragt. Haar eigenlijke opkomst heeft zij te danken aan het besluit van keizerin Katharina de II % waarbij zij tot den zetel eens stedehouders werd verheven. Sedert het jaar 1804 is de stad met verbazende snelheid in aanzien en uitgebreidheid gestegen; dit zal den lezer des te duidelijker worden, wanneer hij slechts in aanmerking neemt, dat zij sedert dat tijdstip tienmaal grooter is geworden, niettegenstaande zij in 1822 totaal in de asch gelegd en in 1819, 1820, 1821 en 1822 door zware branden is geteisterd. Thans telt de stad 354 steenen huizen en 2,821 houten woningen, 12 Griekseh-Russische kerken, 2 kloosters, eene Evangelische kerk met eene school, insgelijks van steen opgetrokken, eene houten Katholieke kerk en een dergelijk bedehuis der Mohammedanen. In 1851 was de bevolking der stad geklommen tot 73,988 zielen.
Zoo lang de Wolga vrij van ijs is, gaan twee wachten langs de rivier op en neder, ten einde toe te zien dat er geene stoornis in de vaart plaats grijpe; daarenboven is een ambtenaar van wege het bestuur der bruggen en wegen belast met het innen der verschuldigde regtcn; hij doet uit-
57
spraak in alle politie-ovcrtredingcn van het scheepsvolk cn in de geschillen, gerezen tusschen hen en de roeders of schippers.
Als de zetel eens bisschop heeft Saratoff een seminarie ter opleiding van jonge lieden, die zich tot den geestelijken stand voorbereiden ; het aantal dezer laatstbcdoelden bedraagt 600.
De fabrieken, welke men hier vindt zijn; weverijen, kousenmakerijen en touwslagcrijen. Met inbegrip van twee aldaar gevestigde tabaksfabrieken, bedraagt de waarde dei-bewerkte goederen 500,000 gulden. Het getal fabriekarbeiders beloopt 300. Van veel grooter gewigt zijn cenigc andere takken van nijverheid, als do klokkengieterij, pottenen pannenbakkerij, zeepziederijen, vier bierbrouwerijen en twee wasbleekerijen; zij geven jaar in jaar uit aan ongeveer 400 personen arbeid, cn in sommige gedeelten van het jaar meer dan het dubbel van het getal. De waarde van het fabrikaat der laatstgemelde takken van nijverheid wordt geschat op 1,600,000 guldens.
De waarde van de uitgevoerde artikelen bedraagt jaarlijks ruim 12 millioen guldens, behalve het bedrag der bovengemelde fabrikaten, en de hoeveelheid meel aan de Kauka-sische troepen geleverd, ter waarde van 600,000 gulden, niet medegerekend; de waarde van den doorvoerhandel bedraagt ruim 17 millioen guldens. De invoer bestaat hoofdzakelijk in de navolgende artikelen: koffij, thee, suiker, laken, zijden en katoenen stoffen, pelterijen, poreelein, voorwerpen van weelde, glas en aardewerk, ijzer, graan, talk, vellen, zout, visch, hoornvee, paarden, enz.
De uitvoer bestaat voornamelijk in; graan, talk, zout, huiden, visch, schorsmatten, touw, en wordt verzonden naar de gouvernementen St. Petersburg, Moskou, Toela Kasan, Astrakan, Orenburg en Don. Het graan, voornamelijk de tarwe gaat deels de Wolga op naar Kasan, deels stroomafwaarts naar Astrakan en naar het land der Don-schc Kozakken; talk, visch en nog andere artikelen worden grootcndeels per as naar Moskou en St. Petersburg verzonden. Met uitzondering van de aanzienlijke hoeveel-
58
held granen, welke wordt uitgevoerd, bestaat Saratoff hoofdzakelijk van den doorvoerhandel.
liet aantal vaartuigen, dat jaarlijks te Saratoff aankomt, bedraagt ongeveer 250 ;i 300; de waarde van de daarmede verscheepte prodneten wordt geschat op 4 k 5 inillioen gulden. Daarenboven verzendt men per as 60 a 100 ■wagenvrachten, waarvan de waarde 3 a 4 inillioen gulden wordt geraamd.
De visscherij, welke een groot deel dor bevolking bezig houdt, is insgelijks zeer belangrijk; het gedeelte der rivier, dat tot deze stad behoort, heeft eene lengte van 30 a 40 mijlen en gemiddeld genomen eene breedte van eene mijl.
Des morgens van den 5'lin October verlieten onze reizigers de stad Saratoff. In de plaats van de heeren Stutz en Ernst, werden zij nu begeleid door den hofraad En-gelke, die in last had hen de Duitsche koloniën aan den hoogen oever der Wolga gelegen in oogeuschouw te doen nomen. Nadat zij een afstand van 12 mijlen hadden at-gelegd, bereikten zij een aanmerkelijke hoogte, van waar zij nog een laafsten blik tot afscheid op de stad wierpen. Nu zetteden zij de reis voort over een vlak terrein en verwijderden zich allengs verder van de Wolga. Bij het tweede station beginnen de Duitsche koloniën; zij strekken zich uit tot aan Kamysjin en reiken niet alleen tot aan den grooten weg, maar insgelijks tot in de nabijheid der Wolga, Te ïaloffka aangekomen zijnde, stapten onze reizigers af ten huize van het hoofd der plaats, den heer Mittag; hier vonden zij de woningen der kolonisten even zindelijk en net als in de koloniën aan don linkeroever der Wolga. Z;j troffen onderscheidene putten aan, welke op eene diepte van 42 h 48 voet een zeer drinkbaar water opleverden, dat tot het koken van spijzen met het beste gevolg kan gebezigd worden. De temperatuur dezer bronnen werd onderzocht en men bevond, dat zij een warmtegraad hadden van 4',,6; 4quot;,8 en 4°,8 Réaumur. De tweede kolonie, het derde station van Saratoff, goheeten Oest-Salicha, bereikte men eerst na zonsondergang; de overigen werden des nachts gepasseerd.
59
Van Oest-Salicha tot aan de districtshoofdplaats heeft men vier stations. Onze reizigers hadden het voornemen opgevat om van daar de reis voort te zetten naar het Elton-meer, hetwelk in eene zuidoostelijke ilgting 127 mijlen van Karaysjin is gelegen en eene groote vermaardheid heeft verkregen door de verbazende hoeveelheid zout, welke het jaarlijks oplevert. Van daar wilden zij de reis voortzetten naar het op gelijken afstand van daar verwijderde vlek Doebowka, hetwelk westwaarts van het genoemde meer ligt, ten einde op die wijze weder den grooten weg naar Astrakan te bereiken. Uithoofde het transport van het zout uit het Eltonraeer per as geschiedt, deze wagens met ossen worden bespannen en de dorpen, alwaar men paarden tot voorspan kan verkrijgen, alleen in de nabijheid der Wolga zijn gelegen, worden jaarlijks ten behoeve der ambtenaren, belast met het toezigt op de zoutproductie, zeer vele paarden in gemelde dorpen gestati-onneerd. Zoodra aan de plaatselijke autoriteiten kennis wordt gegeven van het vertrek der ambtenaren, dragen deze zorg, dat het vereisehte getal paarden naar de bestemde plaatsen wordt gezonden. Door de welwillende beschikking van den gouverneur-generaal van Saratoff was bevel gegeven; dat de bedoelde paarden insgelijks ter beschikking moesten gesteld worden van ons reisgezelschap. Ten einde don togt met te meer spoed te kunnen voortzetten, had hij eene aanschrijving gezonden aan de postmeesters, waarin hun werd bevolen het vereisehte aantal paarden tot het verwisselen van voorspan vooruit op de stations te zenden, zoowel op de uit- en terugreis langs de gansche route van Kamysjin naar Doebowka langs het Elton-meer.
De directeur van politie van Kamysjin was Humboldt te Eamenka, het eerste station van Oest-Salicha, reeds te gemoet gekomen ; hier was het, dat hij het straks vermelde bevel ontving van prins Gallitsin. Do bode was reeds te Kamysjin geweest en den genoemden ambtenaar aldaar niet vindende, was hij weder tot deze plaats teruggekeerd, waar hij korte oogenblikken na de aankomst onzer reizigers binnenkwam. Hel afzenden van het vereisehte getal
60
paarden op dc onderscheidene stations had derhalve voorat niet kunnen plaats grijpen. De directeur van politic wcnschte echter de noodige maatregelen te nemen om dit verzuim te herstellen. Hij stelde aan de reizigers voor om dien nacht te Kamenka door te brengen en eerst den volgenden morgen naar Kamysjin te vertrekken, alwaar zij bij hunne komst alles zouden geregeld vinden om de reis den 7dcn naar het Elton-meer voort te zetten. Humboldt was echter van oordcel, dat er geen tijd mogt verloren worden, weshalve het uitstapje naar het Elton-meer opgegeven en de reis regtstreeks naar Kamysjin voortgezet werd.
Des morgens van den (iAen October hadden onze reizigers Bjeloglinskaja, het eerste station voorbij Kamysjin, reeds bereikt. Het bestaat uit niets anders dan uit een posthuis, dat tusschen kale bergen ligt; voor zoo verre zij bij de snelle manier van reizen in staat waren daar over te oordeelen, bestonden deze bergen uitsluitend uit hard krijt, dat zeer weinig kleur afgeeft.
Dergelijke geheel alleen staande posthuizen, gelijk dat van Bjeloglinskaja treft men insgelijks aan op de overige stations tot Doebowka. De dorpen daarentegen zijn digter bij de Wolga gelegen in do bergkloven.
De weg loopt op een grooten afstand van de Wolga over het hoogc terrein, hetwelk dor en eentoonig is; slechts in de lagere gedeelten, zoomede in de kloven en dalen, welke naar de Wolga zijn gerigt, groeijen eiken en andere loofboomen. Dennen- en pijnboomen treft men hier volstrekt niet aan. Op die wijze kwamen zij des morgens vroegtijdig te Doebowka aan, alwaar zij de Wolga weder bereikten.
Doebowka ligt in de onmiddellijke nabijheid der Wolga, aan dc helling der hoogten, welke hier echter niet zoo hoog rijzen als elders het geval is. Het is een vlek, dat een zeer levendigen handel drijft, waarvan dc oorzaak moet gezocht worden in de nabijheid van dc rivier dc Don, welke op ccn afstand van 60 mijlen van daar in de Wolga valt. Dc producten van Kasan, de Oeral
61
en van Astrakan herwaarts gevoerd zijnde, worden van Doe-bowka per as naar de rivier de Don getransporteerd en aldaar verscheept naar de verschillende havens, aan de zee van AzofF gelegen en naar andere deelen van Europa. De nabijheid der beide groote rivieren de Don en de Wolga op dat punt, heeft reeds menigmaal het plan doen ontwerpen om ze door middel van een kanaal met elkander te verbinden, maar tot heden wacht dit denk beeld nog steeds op zijne verwezenlijking. Sommigen hebben voorgesteld om dit kanaal hier in de nabijheid der stad te graven, anderen hebben het voorstel gedaan om het bij Tsaritsyn aan te leggen, dewijl de afstand tnsschen de beide rivieren daar nog geringer is dan bij Doebowka; te dier plaatse namelijk stroomt de Kamy-sjenka, welke zich in de Wolga ontlast, op een afstand van slechts vijf mijlen van do Ilawla, die zich met de Don vercenigt. Reeds tweemaal heeft men hier de hand aan do uitvoering geslagen, de eerste keer in 15G8 onder de regering van Selim den de andere maal onder Peter
den Groote ten jare 1716. Nog heden ontwaart men de sporen dier beide werken, namelijk twee breede maar droogc grachten, welke zich van Kamysjenka een goed eind weegs in westelijke rigting uitstrekken. Later is dit zelfde plan weder opgevat onder de regering van Katharina de irIe, die den sterrekundige Lowitz naar Kamysjin zond om de vereischte opmetingen en waterpassingen te bewerkstelligen. Alvorens hij zijnen arbeid had voltooid, verloor hij bij den opstand onder Poegatsjeff het leven in het jaar 1774. Hoewel het plan onder de regering van keizer Alexander de Iquot;quot; op nieuw is opgevat en de opmetingen verder ten einde gebragt, is het kanaal tot heden nog niet tot stand gekomen. De gedane waterpassingen hebben aan het licht gebragt, dat de spiegel der Wolga 100 voet lager ligt dan die van de Don. Het is niet onmogelijk, zegt professor Rose, dat het sterke verval van het verbindingskanaal, dat 100 voet bedraagt en de aanleg der waterbouwwevken daardoor noodzakelijk geworden , veel hebben bijgedragen tot het herhaaldelijk uit-
02
stellen vau het beraamde plan; zeker echter is het, dat de kosten van den aanleg in geene vergelijking zonden staan tot de voordeelen, verkregen door de uitvoering van dit groote werk.
Te Doebowka aangekomen zijnde, vernamen onze reizigers, dat het noodige voorspan, hetwelk op last des gouverneurs-generaal op de verschillende stations van het Elton-meer naar de genoemde stad ten hunnen behoeve moest gezonden worden, ter bestemder plaatse was aangekomen. Daar de togt naar het Elton-meer derhalve zeer uitvoerbaar was geworden, besloot Humboldt derwaarts te reizen, weshalve onmiddellijk de noodige toebereidselen ter uitvoering van dat plan werden gemaakt. Deze bestonden hoofdzakelijk hierin, dat het meerendeel der ba-gaadje achtergelaten en slechts het onontbeerlijkste werd gepakt in kleine wagens, gelijk in Rusland gebruikt worden: deze wagens verkreeg men spoedig door tussclien-komst van den directeur van politie. Dewijl het vervoer der groote reiswagens over de Wolga met zoo vele bezwaren vergezeld ging, kwam het onzen reizigers doelmatiger voor ze te Doebowka achter te laten, dewijl zij later toch weder derwaarts moesten terugkceren. Ten 9 ure waren onze reizigers reeds de Wolga overgezet, waarop zij de reis door de steppe, onder begunstiging van het schoonste weder aanvingen.
liet KI ton meer.
Ue afstand van Doebowka naar het Elton-meer wordt geschat op 102 mijlen. Zeven mijlen van de Welga treft men het Russische dorp Rachinka aan; heeft men dit achter zich, dan komt men nog aan enkele afzonderlijk slaande boerenwoningen (choetora), maar ook deze worden allengs zeldzamer, naar gelang men zich van de Wolga verwijdert. Het terrein is bijna vlak; slechts hier en daar rijst en daalt het eenigzins golfvormig, maar dit is van zoo geringe beteekenis, dat men algemeen genomen mag zeggen, dat de horizon even onbeperkt is als die van den oceaan, liet jaargetijde reeds ver gevorderd zijnde, was het plantaardige bekleedsel des bodems reeds grootendeels verdord. Slechts hier en daar ontmoette het oog verscheidene soorten van chcnopodien en het laag groeijende Polygonum oviculare, welks ranken zich verre in het rond uitstrekken en welke plant zoo kenbaar is aan hare roode kleur. Reeds sedert lang hadden de zouttransporten, welke eene zekere levendigheid aan deze oorden verschaffen, geheel opgehouden, want dit heeft slechts plaats in het voorjaar en in den zomer, zoodat men niets ontwaarde dan eene dorre, eenzame vlakte. Nu en dan bespeurden onze reizigers in de verte eenige Saïga-Antilopen, van tijd tot tijd tot kleine troepen vereenigd, die in snelle vlugt voortijlden; op en nevens den weg ontwaarde men den heiligen kever Ateuchus sacer,
bezig met het voortrollen van balletjes uit mest gevormd, waarin liet dier zijne eitjes luid gelegd. liet wordt bijna geheel en al door deze balletjes voor het oog verborgen en slechts wanneer men zeer naauwlettend acht geeft, bespeurt men dat het diertje ze met de achterpootcn voortduwt naar de plaats, waar het zijne onderaardsche woning heeft gegraven. Deze kever behoort tot dezelfde soort, welke professor Rose in de woestijnen van Afrika had aangetroffen, welke ook daar bijna het eenige levende wezen was, dat er wordt gevonden; dit diertje ook hier aan te troffen, wekte bij professor Rose niet geringe vreugde.
Van afstand tot afstand komt men aan kleine bronnen , welke met planken in het rond zijn voorzien en op last der regering worden onderhouden, ten einde de voerlieden der zouttransporten in de gelegenheid te stellen om hunne paarden te kunnen drenken. De eerste bronnen, welke men aantrof, waren 20 mijlen verwijderd van Rachinka en worden Korotkoï kalodets, d. i. korte bronnen geheeten. Er waren twee bronnen bij elkander, welke eene gelijke diepte hadden, namelijk 13 Ned. el en eene temperatuur van 6°,2 Reaumur, bij een warmtegraad des dampkrings van 1G0,5. Een andere bron op hunnen weg gelegen, had eene temperatuur van G0,4 Reaumur; zij was lü mijlen verwijderd van de vorigen en lag in de onmiddellijke nabijheid van den Go-lowin choetor, de laatste boerenwoning of eigenlijk stalling voor het vee, aan den weg door onze reizigers gevolgd. Hier was het dat zij het eerste voorspan vonden; later verwisselden zij nog driemaal van paarden. Toen zij het laatste station kort na zonsondergang bereikten, troffen zij aldaar geene versclie paarden aan, weshalve zij zich verpligt zagen met hetzelfde voorspan de reis voort te zetten en het nog overige gedeelte van den weg af te leggen, of met andere woorden er nog veertig mijlen verder mede voort te rijden. De nacht was koud, maar de wind bedaard; was dit in zekeren zin gunstig voor ons reisgezelschap, het veroorzaakte hun aan den anderen kant in de lage rijtuigen gezeten, des te meer last van het stof, hetwelk de snel voortijlende paarden van den zoo droogen weg
C5
doden oprijzen. Ten 2 nro bereikten zij eindelijk het Elton-meer, alwaar zij natuurlijkerwijze door niemand werden opge-waclit en niet dan met zeer veel moeite onder dak konden komen; eindelijk na lang zoeken troffen zij eene woning aan, gelegen ten westen van het meer. Gedurende den winter, wanneer elke arbeid hier wordt gestaakt, blijft slechts een enkel ambtenaar op deze plek, benevens een Kozakkenofficier met eenige manschappen, ten einde tot bewaking te dienen van de gebouwen en het opgeslagen zout.
Eenige bijzonderheden nopens dit oord mogen hier eene geschikte plaats worden ingeruimd. Tot aan het begin der IS'1quot; eeuw voerden de zwervende volkstammen der Kal-mooken heerschappij in deze streken. Zij noemden dit meer Altkan nor, dat is het Gouden meer, hetzij naar den glans, welke de oppervlakte verlicht, wanneer zij door de avondzon wordt besehenen, die een goudkleurig schijnsel verkrijgt, of wel omdat zij in het meer eene bron van groote winsten vonden door het verkoopen van het zout, hetwelk het opleverde. Een groot getal handeldrijvende liassen, die een ruilhandel dreven met de Kalmoeken in deze oorden, en voor de aangevoerde waren zout in betaling namen, bouwde hier ten jare 17U5 eene aarden verschansing, ten einde zich tegen de aanvallen der vreemde stammen in veiligheid te stellen; door hen werd de benaming van Elton aan het zoutmeer gegeven.
\ an dat tijdstip begonnen de bewoners van Saratoff en Kamysjin zich bezig te houden met den uitvoer van het zout, hetwelk door hen in het, meer werd gevonden. Er werd eene belasting geheven van 6 cents per 16 Ned. pond, welke naar de nabij gelegen provinciën werden uitgevoerd. Ten gevolge van de voortdurende rooverijon en aanvallen, gepleegd door de omzwervende Kalmoekeu, werden op last der regering ambtenaren derwaarts gezonden, eene bijzondere administratie voor de zoutproductie van het meer ingesteld en nieuwe verschansingen aangelegd om hen tegen de Kalmoeken te beschermen; deze werden mot geschut gewapend en van de vereisehte bezetting voor-
66
zien. Thans worden ter naauwernood nog eenige geringe sporen van deze voormalige verschansingen hier ter plaatse aangetroffen.
Ten gevolge der nieuwe grensbepalingen, uitgevaardigd in het jaar 1780, werd het Elton-meer gevoegd bij het gouvernement Saratoff; sedert dien tijd, van welken tevens de verdrijving der zwervende volkstammen in deze oorden zich dagteekent, is het Elton-meer in het uitsluitend bezit van Rusland gekomen.
Het Elton-meer is gelegen in eene vlakke steppe, welke naar de barometer-metingen, gedaan door Goebel, IS1^ Ned. el lager is dan de spiegel der Wolga, nabij Kamysjin en slechts 19 el hooger dan de Kaspische zee. Het is ovaal van vorm; zijn grootste middellijn loopt van het oosten naar het westen en is 20 mylen lang; de kleinste middellijn, van het zuiden naar het noorden genomen, heeft eene lengte van 16 mijlen, en de gansche omvang bedraagt 47 mijlen. Naar de opmeting, gedaan door den president Ko-bulin, heeft het meer een oppervlakte van 150 vierkante mijlen. De oever heeft op verscheidene plaatsen eene hoogte van 6 i 14 el en bestaat uit klei. Sporen van schaaldieren — Pallas vond versteende kormosselen — werden noch door Goebel, noch door Rose in deze klei aangetroffen. Onder deze klei, welke bedekt is met eene dunne laag teelaarde, vindt men zand op verschillende diepte van 6 tot 24 el.
Aan de westelijke zijde van het meer loopt de weg, welke van Kamysjin en Saratoff naar het meer voert, over eene breede kloof, bedekt met eene houten brug. Aan den noordelijken oever groeit veel riet. Tusschen den oever en den zoom der watervlakte vindt men een moerassigen bodem, welke met planten is begroeid, waarin eene groote menigte watervogels zich schuil houden. Slechts aan de regterzijde van het meer, lot aan het riviertje Charysacha is de bodem des oevers zandig. Naar gelang de wind van dezen of genen kant waait, wordt het water aan de eene of .aan de andere zijde van het meer opgestuwd, terwijl aan de tegenovergestelde zijde eene groote uitgestrektheid van water
C7
ontbloot geraakt; dit hoeft beurtelings nu hier dan ginds plaats, waardoor dc bodem in zijne gansehe uitgestrektheid steeds moerassig blijft en een hoogst onaangenamen reuk verspreidt. Dewijl de bodem derhalve zeer zacht is, heeft men kanalen gegraven, dammen aangelegd en bruggen gebouwd, ten einde het zout, hetwelk in het meer wordt gebroken, naar den oever te kunnen vervoeren. In dc nabijheid van het meer en aan de oevers der riviertjes, welke zich in het meer ontlasten, groeijen in de steppe zeer vele planten, welke uitsluitend op den met zout bezwangerden bodem voorkomen.
Acht kleine riviertjes hebben hare mondingen in het meer; aan de westelijke zijde vindt men Salenka en Lan-tsocg; ten noorden Oöclan sacha, Charysacha en Tsjer-naffka; ten oosten de Groote Smorogda, en ten zuiden de Kleine Smorogda en Gozkaja. Het water van al deze riviertjes is brak of bitter in het voorjaar; in den zomer staan zij droog met uitzondering van de rivier Charysacha, welke eene lengte heeft van 40 mijlen, alvorens zij in het Elton-meer hare wateren stort. In het voorjaar heeft zij, naar luid van do mededeelingen van Goebel, eene breedte van 45 cl, dewijl zij gedurende dat gedeelte des jaars door het smelten der sneeuw een ruimen toevloed van water erlangt.
Op een geringen afstand der zoutpakhuizen aan het meer heeft men veertien putten gegraven, waarin ter diepte van slechts weinige voeten het overheerlijkste water wordt gevonden.
Hoe dik de zoutlaag op den bodem van het moer is, heeft men tot heden nog niet nagegaan. Van deze vaste korst wordt in het voor- en najaar door het sneeuw- en regenwater en dat der riviertjes, welke in het meer uit-stroomen, zulk een aanmerkelijk gedeelte opgelost, dat de bodem steeds mot oeno oververzadigde zoutoplossing is bedekt. In hot voorjaar verkrijgt deze eene hoogte van twee el; in don zomer echter, wanneer eene grooto hoeveelheid van het moer door dc steeds heersehende winden en dc sterke zonnehitte verdampt, is dit iets minder. Door hot
68
verdampen van de vloeistof gedurende den zomer scheiden zich voortdurend kristallen af uit de oververzadigde watermassa, welke zich tot kleine groepen vereenigen, op de oppervlakte van het meer korsten vormen en later door hun zwaarder soortelijk gewigt, zoodra deze korsten door den wind zijn gebroken, op den bodem zinken. Gedurende den ganschen duur des zomers herhaalt zich dit spel van het vormen en weder verbrijzelen van zoutkristallen, zoodat zich allengs op den bodem van het meer eene nieuwe zoutlaag vormt. De kleur van deze kristallen is min of racer roodachtig; zij zijn van geringen zamenhang en lossen zich op wanneer zij aan deti dampkring zijn blootgesteld, uithoofde van de groote hoeveelheid chloorcalcium; het zout heeft een te bitteren smaak om in spijs gebruikt te worden. Allengs pakken de kristallen zich vaster op een, en vormen eene enkele compacte massa met de vroeger afgezette zoutlagen op den bodem van het meer. In het daarop volgende voorjaar wordt deze zoutlaag door de met kracht in het meer zich ontlastende beken en rivieren doorsneden en losgespoeld, het chloorcalcium lost zich op en het zout verliest zijn bitteren smaak, liet onopgelost gebleven en ge zuiverde keukenzout pakt zich steeds vaster op een en wordt rotsachtig hard; dit noemt men rroud zoutquot;. De kleur van dit zout is eenigermate blaauwaehtig, het heeft een zuiveren smaak, is vast, zwaar van gewigt en grof van korrel. Op deze zoutlaag wordt eene zwarte modderdachtige massa afgezet, waardoor de oude van de later gevormde laag, die in een volgend jaar ontstaat, wordt gescheiden. De nieuwe zoutlaag vormt zich gedeeltelijk uit het zout, hetwelk naar het meer wordt afgevoerd door de beken en rivieren, welke zich er in ontlasten, gedeeltelijk uit het zout vroeger reeds in het meer aanwezig, hetwelk op de meer vermelde wijze wordt opgelost en later weder tot vorming van nieuwe kristallen bijdraagt.
Ten einde de dikte der zoutlagen te leeren kennen, werd ten jare 1802 op twee mijlen van den oever een gat gegraven ter diepte van 4 Ned. el, waardoor men de volgende resultaten verkreeg. De eerste zoutlagen hadden
C9
eene dikte van 3 iï 11 duim. iNTiuliit mon 42 lagen liad geteld, vond men anderen ter dikte van bijna 3 palm; het zout had daar meer vastheid dan in de hoogere lagen en was veel beter van hoedanigheid. Toen men eindelijk 10U lagen had doorboord, kwam men op zulk eene vaste massa, dat de ijzeren werktuigen er op gebroken werden. Deze massa was natuurlijk zoo compaet geworden door de drukking der bovenste lagen, welke er sedert duizende jaren op gerust hadden. Toen men op de diepte van G el was gekomen, moest de arbeid worden opgegeven, dewijl de put voortdurend vol liep met water uit de wanden en daarenboven de lucht, welke men daar inademde, zoo bedorven was, dat de arbeiders er niet langer dan een tiental minuten in konden blijven. Het blijkt derhalve uit het hier vermelde, dat het Elton-meer een onuitputtelijke zoutbron mag genoemd worden. Tot heden echter wordt het graven van zout slechts in de nabijheid des oevers en aan de oppervlakte der lagen voortgezet, want er is nog geen voldoende afzet om het graven op grooter schaal aau te vangen.
Ten opzigte van de analysen van het Elton-water, gemaakt door Erdmann, Goebel en Ilcinrich Goebel, wordt door professor Rose het volgende aangemerkt. Vergelijkt men de resultaten'met elkander, dan moet er een groot onderscheid in het onderzochte water hebben bestaan ; dit zal afhangen van het jaargetijde, waarin de waarneming werd gedaan; ja, zelfs het uur van den dag, waarop het water wordt geschept, brengt een groot onderscheid te weeg in de hoedanigheid er van. De hoofdbestanddeelen van het water, dit blijkt uit alle analysen, zijn als volgt; natron, talkaarde, chloorwaterstofzuur en zwavelzuur, benevens de vier zouten, welke ten gevolge daarvan in het water aanwezig zijn: chloornatrium, chloormagnesium, zwavelzure natron en zwavelzure talkaarde. In het voorjaar zal de hoeveelheid chloornatrium in buitengewone mate toenemen, dewijl door het smelten van de sneeuw in de steppe eene groote massa zuiver water naar hot meer wordt afgevoerd, hetwelk tot verzadiging met keukenzout wordt bezwangerd. Daar het
70
bitterzoet bij cenc gemiddelde temperatuur bijna even oplosbaar is in water als keukenzout, zal in den zomer bij voortdurende hitte en de verdamping, welke hut gevolg daarvan is, niet anders dan keukenzout worden nedergc-ploft; moge gedurende de koelere zomernachten al eene geringe hoeveelheid bitterzout worden afgescheiden, dit zal ongetwijfeld gedurende don loop des daags weder opgelost worden. In den herfst kristalliseert zich weder zeer veel bitterzout, zoo als de heer Rose doet opmerken, en in den winter door voortdurende afwisseling cn het vormen van chloormagncsium ontstaat er glauberzout. Hieruit volgt, dat de verhouding van hot keukenzout tot het bitterzout en tot het chloormagncsium in het voorjaar cn in den zomer veel grooter zal zijn dan in den herfst, cn de hoeveelheid er van in den verderen loop van hot jaar in omgekeerde evenredigheid van do hoeveelheid bitterzout en chloormagncsium zal afnemen. Dit blijkt algemeen uit de gemaakte analysen. Dewijl dc hoedanigheid van het Elton-watcr, wat betreft dc onderlinge evenredigheid der bestanddcclen, zoo zeer aan verandering onderhevig is, dat deze zelfs eiken dag meermalen afwisselt, volgt daaruit dat het water in het verloop der jaren veranderen moet. Dit is dan ook werkelijk het geval. Even zeker mag hot geacht worden, dat hot water van het meer aanvankelijk niet verschilde van dat der rivieren en beken, welke zich or in ontlasten. Mot den loop dor jaren moest de gehalte aan bitterzout en chloormagncsium steeds toenemen, dewijl deze bestanddeelen slechts op den bodem van hot meer blijven, terwijl bij de verdamping slechts keukenzout wordt afgezet. Dit onderscheid in de gehalte van het water is bij de geringe hoeveelheid bitterzout en chloormagncsium, welke dc Charysaeha cn welligt ook de overige rivieren en beken met zich voeren, in den loop van eenige weinige jaren zeer onbeduidend; maar zeker is het, dat het zeer aanmerkelijk zou zijn, indien hot water uit verschillende eeuwen of tien cn honderdtallen van eeuwen met elkander kon vergeleken worden. Misschien zou hef onderscheid reeds bemerkbaar zijn, indien men eenige jaren achtercen
71
analysen vaii het water maakte met in achtneming van deze voorzorg, dat het steeds op denzelfden dag van het jaar en op hetzelfde gedeelte van den dag werd geschept. Uit de waarneming door professor Rose gemaakt, dat aan de randen der uitgedampte plassen nabij den zoom van het meer gipskristallen worden gevonden, laat zich met grond opmaken, dat het water een aanmerkelijke gehalte aan gips bevat.
Dat ook het water der rivieren en beken, welke in het meer nitstroomen, zout afvoeren, levert tevens het bewijs dat in de nabijheid zoutlagen moeten bestaan, waarvan het bronwater het zout oplost, hetwelk naar het meer stroomt. Dewijl het stcenzout geen bitterzout bevat, is het zeer waarschijnlijk dat het laatstbedoelde door het water wordt opgenomen bij zijn loop van de bronnen naar het meer. Niet alle steppemeren hebben eene gelijke gehalte aan bitterzout; hier wordt meer, in anderen weder minder bitterzout aangetroffen, ja, in sommigen ontbreekt het geheel. Tot deze soort behoort onder anderen een der drie zoutmeren der steppe, het Baskoentsjatski of Bogdo-meer; niettegenstaande dit veel zuiverder zout bevat dan het Elton-meer, wordt er tot heden volstrekt geen gebruik van gemaakt. Tot de rijkste bittermeren moeten de meren van Kardoeansk worden gerekend; zij zijn 7 in getal en worden aldus geheeten, dewijl zij gelegen zijn in de nabijheid van het cordon Kardoeansk aan de Kigatsj, den oostelijken arm der Wolga, op geringen afstand van hare monding. Goebel heeft een dezer meren bezocht en vond dat er ongeveer l'/s voet water stond, bedekt met eene laag keukenzout ter dikte van 2 duim Rijnlandsch, zuiver wit van kleur en in zeszijdige kristallen gescheiden; had de laag tijdens zijne komst slechts eene dikte van 2 duim, in den loop des zomers zou zij, naar de ingewonnen berigten, eene dikte verkrijgen van 1 h voet. Onmiddellijk onder deze korst van keukenzout wordt eene doorzigtige zoutlaag gevonden, ter dikte van een voet, geheel en al in prisma's gekristalliseerd, bestaande uit eene verbinding van zwavelzure talkaarde en zwavelzuren natron. In deze meren van
Kardoeansk, welke allen, naar men zegt, van gelijke hoe-danigheid zijn, ontlasten zich noch rivieren, noch beken en uit dien hoofde bezitten zij niet dien onuitputtelijken voorraad zout gelijk het Elton-meer en meer dergelijken.
Met het breken en op den vasten wal voeren van het EIton-zout houden zich zoowel kroon- als andere lijfeigenen bezig, voornamelijk woonachtig in het gouvernement Pensa, met wie eene overeenkomst dienaangaande is gesloten. Het aantal arbeiders daartoe gebezigd, hangt af van de hoeveelheid zout, welke moet geleverd worden, üm 16 millioen pond zout uit het meer te verkrijgen gedurende den loop des zomers, behoeft men 125 man. Die arbeid behoort tot de moeijelijksten en bczwaarlijksten, welke bijna ergens ter wereld bestaan. 1 )e arbeiders staan daarbij tot aan de lendenen in het bijtend bovenwater, — dit bevat gewoonlijk 25 pro cent zoutzure en zwavelzure zouten,— terwijl de hitte des dampkrings door de gloeijende zonnestralen, weike uit den wolkenloozen hemel op hem nederschieten, somtijds tot löo Réaumur stijgt. Eu toch niettegenstaande dat alles, vindt men hier arbeiders, wier vader, grootvader en overgrootvader op gelijke wijze werkzaam zijn geweest. De arbeiders begeven zich in het begin van April derwaarts, herstellen of bouwen hunne woningen, waarin zij hun verblijf honden en welke uit plaggen en leem bestaan, repareren hunne platbodemde vaartuigen, waarmede zij het zout uit het meer naar den oever voeren, benevens de houten losplaatsen, waarop het zout wordt gedroogd, en diepen de kanalen uit, welke dienen om den oever en de losplaatsen te bereiken. Ten einde het zout te breken, bedienen zij zich van breekijzers, houweelen, stangen, schoppen en spaden met ijzeren beslag.
Nadat deze voorloopige werkzaamheden zijn geëindigd, hetwelk hen gewoonlijk tot in het midden van Mei bezig houdt, gaat de opzigter der zoutwerken met de gravers het meer in, ten einde de plaatsen aan te wijzen, alwaar het zout moet gegraven worden. Gewoonlijk geschiedt zulks aan de westelijke zijde van het meer, op den afstand van eenige mijlen van den oever tusschen do mondingen der
73
riviertjes Solinka en Gorkaja. Men kiest daartoe eene zoo verwijderde plek van den oever, dewijl het zout in de nabijheid cr van onzuiver is en in dunner lagen wordt aangetroffen. Ten einde do aangeduide plaats te herkennen, slaat men palen in den bodem, waarop men den arbeid op de volgende wijze aanvangt. In elke boot begeven zich twee arbeiders, die haar aan de bedoelde palen vastbinden; hierop stappen zij uit de boot in het meer, een hunner maakt met de ijzeren stang hot zout op den bodem los, terwijl de andere het met de schop of spade opschept, in het water afspoelt en zoodra het gereinigd is in do boot werpt, Zijn de stukken zeer groot, dan worden zij met een houten hamer verbrijzeld daarna afgespoeld en mede in de boot geworpen. Zoodra het vaartuig gevuld is, wordt de massa door een der kanalen naaiden oever gevoerd en aan de losplaats opgetast. Gedurende het voorjaar is de waterstand in het meer hoog genoeg om, al boomende, den oever te bereiken; in den zomer daarentegen, wanneer ten gevolge van de verdamping de waterstand zeer verminderd is, wordt de arbeid veel bezwaarlijker, want dan moet de bobt over den bodem voortgeduwd of gesleept worden. De kanalen, waarvan wij reeds hebben gesproken, zijn ongeveer C00 el lang.
Zoodra het opgestapelde zout droog is, wordt liet per as naar de magazijnen vervoerd; deze bevinden zich gedeeltelijk in de nabijheid van het meer, gedeeltelijk aan den linkeroever der Wolga te Pokroffskaja in de nabijheid van Saratoff en te Nikolajewskaja nabij Kamysjin.
Met het graven van zout gaat men voort tot omstreeks het midden van September; is liet weder gunstig, dan ontschepen do arbeiders dagelijks 3 a 5 schuitenvrachten, waarbij telkenmale 2,4(10 Ned. pond wordt aangebragt. Treffen zij daarentegen ongunstig weder, dan wordt slechts ongeveer de helft aangevoerd, ja, menigwerf gebeurt het dat de arbeid geheel moet gestaakt worden. Daar het meer in de vlakke steppe is gelegen en deze menigwerf door hevige stormen wordt geteisterd, gebeurt het wel dat, niettegenstaande de geringe diepte van het
74
water, meer dan twee mijlen des bodems geheel bloot staat, terwijl het aan de tegenovergestelde zijde buitengewoon hoog wordt opgestuwd, ten gevolge waarvan de arbeid niet kan worden voortgezet. Het behoeft derhalve naauwohjks te worden gezegd, dat stil weder een vereischtc is om met het graven van zout tc kunnen voortgaan. Vooral is koel weder of althans eene matige warmte zeer gtinstig, benevens een waterstand van minstens eene halve el. Bij sterke regenbuijen of hevigen wind kan er niet gewerkt worden; hetzelfde is het geval bij zeer groote hitte, want hot water, dat met keukenzout en chloorkalk verzadigd is, oefent dan een zoo nadeeligen invloed uit oj) de huid, dat de geringste beleediging er van terstond pijnlijke wonden veroorzaakt. Des zomers verrigten de arbeiders hun werk geheel naakt en trekken dan lange lederen broeken aan, op de wijze van lange schachten van laarzen. De voeten beschutten zij tegen beleediging der huid door middel van schoenen van gevlochten boomschors vervaardigd, waaraan houten zolen zijn bevestigd. Is het dagwerk geëindigd, dan baden zij zich in het water der nabij zijnde putten.
De eenige ongesteldheid, waardoor zij, en dan nog zeer zelden, worden aangetast, bestaat in scheurbuik of zweren, het gevolg van de werking van het zoute water. Ter verpleging der zoutgravers en andere personen, die daarbij werkzaam zijn, is te dier plaatse een ziekenhuis, benevens een apotheek door de regering opgerigt; niet de geneeskundige dienst is een geneesheer, met het vereischte personeel ter zijner hulp, aldaar aanwezig. De arbeid wordt betaald naar het gewigt. Tot dat einde zijn de vereischtc inrigtingen aanwezig, alwaar de wagens, tot het vervoer gebezigd, worden gewogen. Zoodra ze beladen zijn, worden zij andermaal gewogen en men vindt terstond het gewigt van de aangevoerde hoeveelheid zout. Voor de 16 Ned. pond zout, dat aan de magazijnen van den staat wordt afgeleverd, ontvangen de arbeiders 6 cents, liet overige gedeelte, dat op de landingsplaatsen gelost is, blijft voor rekening der zoutgravers liggen, totdat het
75
door lien wordt aangevoerd. Dewijl in elk jaar en wel in den herfst 48 millioen pond zout moet afgeleverd worden, erlangen do werklieden een voorschot van 2 cents per 16 pond van het ganschc bedrag, welk voorschot het volgende jaar bij de aflevering van het zout wordt ingehouden en waarvoor tevens de verzamelde hoeveelheid aan de losplaatsen als waarborg mag beschouwd worden. Tot dat einde is een afzonderlijk fonds opgerigt, ten bedrage van 60,000 gulden.
De magazijnen in de nabijheid van het meer, van regeringswege opgeslagen, moeten dienen om de dépots aan de Wolga te voorzien, in geval de omstandigheden niet ver-oorlooven om gedurende een lang tijdsverloop zout in het meer te graven. De voorraad wordt in de steppe in de nabijheid van de woningen der ambtenaren voor de zout-productie opgeslagen. Men stapelt het in kegelvormige hoopen op, welke elk 50,000 pond zout bevatten. Van daar wordt het zout op gelijke wijze weder afgeleverd in de magazijnen, in de nabijheid der Wolga, als het van do zoutgravers is overgenomen. Sedert 1834 wordt echter ook aan het Elton-meer zout verkocht, tot welk einde een ambtenaar van het ministerie van financiën aldaar is geplaatst.
Ter bewaking van de zoutmagazijncu en andere gou-vernemensgebouwen is te dier plaatse eene wacht van 10 man aanwezig, onder het bevel staande van een onderofficier; tot het afweren van een mogelijken aanval van de zijde der zwervende Kirgizen en het sluiken bevindt er zich eene halve kompagnie Kozakken, sterk 48 man, benevens eene halve kompagnie artillerie, welke een stuk geschut heeft. Ter verdere beveiliging is rondom het Elton-meer, op ecnigen afstand van daar, een cordon Kozakken opgerigt.
Een der ambtenaren en een klerk, benevens de militaire bezetting, blijven des winters aan het Elton-meer. De overige ambtenaren benevens de arbeiders verlaten het omstreeks den aanvang der maand October, dewijl de werkzaamheden alsdan worden gestaakt en er voor hen der-
halve niets meer te verrigten valt. Eerst in het daarop volgende voorjaar koeren zij derwaarts terug.
In de nabijheid van liet Elton-meer worden de navolgende gebouwen aangetroffen. Eene kerk met woonhuis voor den geestelijke, twee andere ■woningen voor den op-zigter en zijne klerken, een gasthuis en een apotheek en woning voor den geneesheer met keuken en kelder, vier kasernen, waarvan drie bestemd zijn voor de militaire bezetting, en een voor de zoutgravers, een gebouw voor de comptabiliteit, een tuighuis, benevens zes gebouwen, waarvan elk eene waag heeft. Met uitzondering van het gebouw, waarin de administratie gevoerd en het geld bewaard wordt, zijn zij allen van hout opgetrokken.
De uitvoer van zout naar de magazijnen of depots aan de Wolga geschiedde vroeger door boeren, die acht verschillende dorpen bewoonden, gelogen in het gouvernement Saratoff en daarvoor bijzondere voorregten genoten; dit heeft voortgeduurd tot in hot jaar 1828. Sedert dien tijd echter heeft do administratie, de toenemende bevolking en veranderde omstandigheden in aanmerking nemende, het voordeeliger geacht om het zout te doen vervoeren door vrije voerlieden. De bewoners der bedoelde dorpen werden derhalve ontslagen van de op hen berustende verpligtingen, waardoor zij in den rang der gewone lijfeigenen der kroon werden geplaatst. Thans geschiedt het transport door personen van onderscheiden stand, voornamelijk echter door boeren uit de dorpen Pokrovvskaja en Nikolajewskaja, welke tot de acht bovengenoemden bohooren, wier inwoners ver-pligt waren om als heerendienst het vervoer van het Elton-zout te verrigten. Het geschiedt met wagens, bespannen mot ossen of paarden. De voerlieden ontvangen van de ambtenaren der zoutadministratie een geleibillot, waarop do hoeveelheid zout staat uitgedrukt, en tevens onder waarborg dor plaatselijke autoriteit van hot dorp, waar zij te huis bohooren, oen dorde van do vracht als handgeld. Zoodra hunne wagens aan het meer zijn aangekomen en geladen zullen worden, worden zij in de waag vooraf gewogen; vervolgens onder het opzigt \an een der amb-
77
tenarcn geladen en dan andermaal in een der straks genoemde gebouwen terug gevoerd, ton einde nogmaals te worden gewogen om op die wijze het netto gewigt te kunnen bepalen. i)c lading wordt nu met matten bedekt en, voorzien van het geleibillet, vertrekt de voerman naar de plaats zijner bestemming.
Van het meer tot aan de zoutrnagazijnen aan de Welga geschiedt het transport uitsluitend door landerijen, behoo-rende tot de kroondomeinen, welke tevens moeten dienen tot weidevelden voor de paarden of ossen door do voerlieden gebezigd. Tot dat einde zijn de landerijen rondom het Elton-meer binnen een kring van 15 mijlen en wijders ter breedte van 40 mijlen van het meer tot de zoutmaga-zijnen aan de boorden der Wolga, en binnen den kring van 15 mijlen rondom deze laatsten uitsluitend bestemd tot weidevelden. Van de strook lands, welke zich ter breedte van 40 mijlen uitstrekt van het meer tot aan de magazijnen, wordt gewoonlijk met meer dan ter breedte van een tiental mijlen gebezigd; het overige wordt gedeeltelijk gebruikt door de kolonisten aan dc Wolga gevestigd, terwijl al het andere nog geheel ongebruikt ligt. Op verschillende punten langs den weg, dien de voerlieden van het meer naar de magazijnen volgen, zijn bronnen gegraven, ten einde het vee te kunnen drenken; deze liggen op 10 mijlen afstands van elkander, zijn 82 in getal en leveren een ruimen voorraad van goed drinkbaar water op. Tot het in stand houden dezer bronnen, der acht bruggen, welke op den weg moeten gepasseerd worden, wijders tot het opnemen en verplegen van het vee, dat onder weg ziek wordt, en tot het opslaan van beschadigde goederen, zijn in de onmiddellijke nabijheid van elk der stations, waar de bronnen worden gevonden, 29 gezinnen van kroonboeren ge\estigd, die voor de hulp, welke zij daardoor bewijzen, vrij zijn van de militaire dienst en van alle belastingen. Veertien dier gezinnen zijn gedurende de zomermaanden verpligt om postpaarden te onderhouden, ten behoeve waarvan hun jaarlijks 300 a 400 gulden wordt toegelegd. Al deze gezinnen staan het ouder toe-
78
zigt van een afzonderlijken ambtenaar. Dc moeljelijkhe-den, bij liet vervoer van het zout ondervonden, veroorzaken dikwerf ziekte onder hot vee, dat voor dc wagens wordt gespannen, veelal bestaande in verlamming der gewrichten en in zweeren in den mond, welke echter niet gevaarlijk zijn en niet in vergelijking komen met de besmettelijke ziekten, welke in dc stroken nabij de Wolga gelegen, zoo menigwerf woeden.
Bij de aankomst der voerlieden aan do magazijnen geven zij hun gcloibillet af, het zout wordt andermaal gewogen en vervolgens in de magazijnen afgeleverd. Tot het ontladen der wagens bevinden zich aan de magazijnen arbeiders, die voor elke wagenvracht 60 cents aan arbeidsloon verdienen.
Aan vracht tot het vervoeren van het zout van hot moer tot aan de magazijnen te Pokrowskaja, gelegen tegenover Saratoff, wordt 60 cents en tot aan Nikolajewskaja, tegenover Kamysjin, 76 cents per 16 pond betaald. Dewijl door het vervoer altijd eenig zout verloren gaat, hooft de administratie bepaald, dat de voerlieden slechts dan verantwoordelijk zijn, indien bij de aflevering in dc magazijnen van Pokrowskaja de oorspronkelijke hoeveelheid met meer dan 32 pond is verminderd, of moer dan 16 pond blijkt verloren te zijn bij het afleveren in do magazijnen te Nicolajews-kaja. In deze gevallen wordt aan de voerlieden het bedrag tegen den vastgestolden prijs op de vracht afgehouden.
Van Mei tot October kunnen op die wijze 5 i 6 togten worden gemaakt naar Saratoff, 8 a 10 tot aan Kamysjin. Dewijl elke wagenvracht dooreen raag gerekend worden op 850 pond, volgt daaruit dat bij gunstig weder en zonder bijkomende nadoelen, mot eiken wagen ongeveer 200 guldon aan vracht kan verdiend worden. Aanvankelijk bedroeg de uitvoer van zout, van het Elton-meer naar de magazijnen aan de Wolga: 216,000 Ned. pond; dit nam met elk jaar toe, zoodat in 1807 die hoeveelheid tot 160 inillioon pond was geklommen. Sedert een groot gedeelte van het benoodigde zout van elders verkregen wordt, is de uitvoer van zout uit het Elton-meer
79
allengs weder verminderd; thans bedrangt die nog 16 ;l 48 raillioenen pond per jaar. Te rekenen van het jaar 17-47 tot aan 1835, derhalve in een tijdsverloop van 8ü jaren, is uit het Elton-mcer naar de magazijnen aan de Wolga afgeleverd: 5,854 millioen Ned. pond zout.
Volgens de nieuwe statistieke opgaven van Kobulin is van 1747 tot 1851 te Nikolajewskaja en te Saratoff afgeleverd: 5,953,648,410 Ned. pond zout. Sedert 1849 is de hoeveelheid, welke jaarlijks moet afgeleverd worden, van regeringswege bepaald op 90 millioen pond. De officiele stukken door den heer Kobulin in het licht gegeven, toonen aan dat de productie op de volgende wijze is toegenomen. In het jaar 1747 werd afgeleverd: 212,410 Ned. pond, hetgeen in het tijdsverloop van 100 jaren het geringste bedrag was. Het eenige jaar, gedurende hetwelk niets werd afgeleverd, is 1770. De grootste hoeveelheid gedurende 100 jaren leverde liet jaar 1809 op, namelijk 188,457,744 Ned. pond. Het jaar 1829 leverde minder op dan eenig ander gedurende deze eeuw, namelijk 15,679,040 pond. In het jaar 1832 werd eene hoeveelheid van 33,543,712 pond gegraven, volgens de opgave van Goebel; de 10 Ned. pond kwamen toen de regering te staan op OO'/i cents te Saratoff, en te Kamysjin op 47 cents, terwijl die hoeveelheid te Saratoff opleverde 2,00 en te Kamysjin 2,40 cents. De regering verkreeg hierdoor eene zuivere winst van 4,331,614 gulden. Van 1834 tot 1851 heeft het Elton-zout, naar de opgaven van Kobulin, per 10 Ned. pond gemiddeld 50 cents opgebragt. Van het Elton-meer wordt thans evenmin gebruik gemaakt als van de overige zoutmeren. Professor Rose doet de opmerking, dat dit zeer te bejammeren is, dewijl het zoute water gebezigd zou kunnen worden tot het vervaardigen van soda. Wanneer men bedenkt, dat soda thans in zoo vele fabrieken kan gebezigd worden, als in zeepziederijen, verwerijen, zoomede tot het vervaardigen van glas en met meer vrucht dan potasch, waarvan men zich tot heden algemeen bedient, dan laat zich ligtelijk begrijpen van hoeveel gewigt de sodafabricatie voor Rusland zou kunnen zijn, dat onder
80
de voornaamste uitvoer artikelen de potasch rangschikt.
Uit de navolgende ofliciele opgaaf, getrokken uit den Annuaire du journal des mines do Riissic, kan blijken in welke verhouding de zoutproductie van het Eiton-meer tot de overige zoutproductie in het Russische rijk staat; de opgaaf heeft betrekking op hot jaar 1832.
1°. Do zoutmijnen in Perm leverden op: de particulieren 81,593,008, die van het domein: 11,151,616 Ned. pond; die van Ledenga in het gouvernement Wologda: 1,724,440 Ned. pond ; van Staraja Roessa in het gouvernement Novgorod : 2,098,128; van Irkoetsk in het gouvernement van dien naam; 2,674,383 Ned. pond.
2°. De zoutmeren van Astrakan en in don Kaukakus leverden op 20,182,208Ned. pond; van Bessarabic 5,590,560; van het gouvernement Taurië en wel dat van Perecop 116,191,872 pond, dat van Jenitsja 4,435,284 pond, van Kinboern 457,792, van Kertsj 20,989,729 en van Eupatoria 24,589,360 Ned. pond.
3°. De zoutmijn Ilotsk, in het gouvernement Oremburg, 11,720,204 pond en de overige zoutmeren als anderzins 3,253,805 Ned. pond.
Volgens do ofliciele opgaven, vervat in den Petersburger kalender, heeft men in 1853 verkregen uit de zoutmijnen als anderzins aan do kroon behoorende, do navolgende hoeveelheid; uit Bessarabie 2,226,336 pond; uit het Elton-meer 112,000,000 pond; uit do Krim, 128,724,784 pond; uit Astrakan 21,005,200 pond; uit Uetsk 16,018,352 pond; uit Dedjoechinsj 9,393,152 pond; uit Staraja Roessa 43,003 pond; uit Oneja 992,160 pond;, uit Siberië 10,401,984 pond; uit de Trans-Kaukasischo streken 9,709,606 pond; uitmakende een totaal van 310,574,577 Ned pond.
De zoutmijnen, welke aan bijzondere personen behooren, leverden in genoemd jaar op 91,992,864, derhalve een totaal generaal van 402,507,441 Ned. pond uitmakende.
Tot het opslaan van het Elton-zout zijn te Saratoff en te Kamysjiu, zoomede aan den oever dor Wolga tegenover deze steden, uitgestrekte magazijnen gebouwd; die tegenover Saratoff worden gevonden, bevinden zich in het dorp
81
Pokroffskaja, de anderen tegenover Karaysjin ziju opgerigt in het dorp Nikolajewskaja. Die zich bevinden in genoemde steden worden volgens besluit van het jaar 1813 geheeten: magazijnen voor den vrijen zoutverkoop; die in de dorpen zijn opgorigt, heeten; voorraadiiuagazijncn. Die welke gevonden worden aan den lagen oever der Wolga, zijn bestemd om er het zout, uit het Elton-meer aangevoerd, op te slaan, ten einde van daar de magazijnen aan den hoogen Wolga-oever, benevens de kroonmagazijnen en die van steden in verscheidene gouvermenten te voorzien van de vereischte hoeveelheid zout. Het verzenden voor rekening van het gouvernement is in de laatste jaren uiterst gering geworden en bedraagt ter naauwernood 380,000 Ned. pond per jaar. De oorzaak daarvan moet gezocht worden in de aanmoediging van regeringswege geschonken aan den handel. Ten einde dit doel te bevorderen, is de prijs van het artikel in de magazijnen te Saratoff en te Kamysjin zoo gesteld, dat het publiek met voordeel er handel in drjjven kan. Daarenboven heeft het aanvullen der magazijnen te Saratoff en te Kamysjin sedert eenige jaren bijna geheel opgehouden; ter besparing der vracht voor het overvoeren van het zout uit de groote magazijnen te Pokroffskaja en Nikolajewskaja, is ook het artikel aldaar verkrijgbaar gesteld. De jaarlijksche afzet bedraagt 31 a 64 millioen Ned. pond.
De verkoop van het zout in de magazijnen geschiedt bij het gewigt, en de ambtenaren zijn slechts dan verantwoordelijk voor de afgeleverde hoeveelheid, indien er meer dan 320 pond op de 16,000 pond te kort schiet; in dat geval zijn zij verpligt het ontbrekende tegen den verkoopprijs te betalen.
Ten jare 1834 bevond zich in de magazijnen te Po-kroffskaja eene hoeveelheid van 14,402,800 Ned. pond, te Nikolajewskaja 11,679,008 pond, bij het Elton-meer 36,634,960 pond en in de dépots der zoutgravers 48,752,521 pond. derhalve in het geheel 110,461,376 Ned. pond; daarentegen staan de magazijnen te Saratoff en te Kamysjin geheel ledig. De verkoop van hel artikel
82
geschiedt in genoemde plaatsen, hetzij tegen contante betaling of op acht maanden, in welk geval behoorlijk onderpand of op voldoende wijze borg moet gesteld worden. Ter bewaking der Wolga-magazijnen is aldaar eene bezetting geplaatst, bestaande uit 4Ü man met drie onderofficieren, onder het bevel van een luitenant en een vaandrig.
Te Pokroftskaja zijn 25, te Nikolajewskaja 10 magazijnen opgerigt; elk dier magazijnen kan 1,GOO;000 pond zout bevatten, daarenboven zijn er te Saratoff 10, te Ka-mysjin 15 dergelijke magazijnen aanwezig.
De hoofddirectie van deze administratie is te Saratoff gevestigd.
Keeren wij na deze kleine afleiding tot ons reisgezelschap terug. Den voormiddag van den 8stcquot; October werd besteed tot het bezigtigen van het Elton-meer. Zij voeren door een der kanalen het meer op, lieten zich de wijze waarop het zout wordt gegraven, op de plaats zelve aanwijzen, vulden eene flesch met meerwater, hetwelk eene temperatuur had van 903 Réaumur; deze flesch werd goed gesloten, met het doel om het water ter gelegener tijd scheikundig te onderzoeken; vervolgens verzamelden zij exemplaren van hot aldaar gevonden zout, waarna zij terugkeerden naar den oever. Nu wandelden zij het meer om, ten einde insgelijks de naaste omstreek te leeren kennen. In de onmiddellijke nabijheid van het water, aan den zoom des oevers, vonden zij eene tallooze menigte kevers en insecten, vooral sprinkhanen, welke de stormen in het meer hadden geworpen, en hier echter volkomen goed bewaard gebleven waren. Men trof er bijna eene volledige Fauna der steppe aan, en professor Ehrenberg verzamelde van de omgekomen kevers en insekten ongeveer 200 verschillende soorten. Ook vogels bevonden zich onder deze dieren 5 menigwerf gebeurt het, dat de laatsten levend gevangen worden, wanneer zij in het meer zyn gevallen ; zoodra hunne veeren van het water, dat met zout verzadigd is, doorweekt zijn, kunnen zij zich niet meer verheffen en vallen derhalve ten prooi van dengene, die er zich meester van wil maken.
83
Nadat nnzn reizigers dc overige inrigtingen aan het Elton-mcer in oogenschouw hadden genomen, Humboldt de noodige waarnemingen iiad gedaan ter bepaling van do ligging van het meer en professor Ehrenberg het geraamte van een saïga-antiloop, hetwelk hij van een officier der Kozakken ten geschenke had gekregen, zoover geprepareerd had, dat hot medegenomen kon worden, verlieten onze reizigers het Elton-meer en keerden langu den derwaarts gevolgden weg terug naar de boorden van de Wolga. Toen zij het laatste station hadden bereikt, had een klein ongeval plaats; een der wielen van hot rijtuig waarin Humboldt gezeten was, geraakte door den snellen rid in brand. Gelukkig had dit plaats in de nabijheid van eene der bronnen, welke aan dezen weg worden gevonden, gelijk wij vroeger reeds hebben medegedeeld, waardoor de vlam kon gebluscht worden, alvorens het wiel en de as zoodanig waren beschadigd, dat zij niet moer konden gebruikt worden; de as werd op nieuw geteerd en de togt kon nu zonder hindernis on met weinig tijdverlies tot aan de Wolga worden voortgezet. Des morgens ten 6 ure bereikten zij don oever der genoemde rivier, alwaar de bestelde vaartuigen reeds gereed lagen, waarop de reizigers terstond na hunne aankomst aldaar naar Doebowka werden overgezet.
Ie Doebowka verwijlden zij slechts zoo lang als noodig was om de nieuw verzamelde voorwerpen te rangschikken; zoodia zij hiermede gereed waren, werd de reis weder voortgezet. Nog steeds volgde de groote weg den hoogen oever dor Wolga; nadat zij twee stations achter zich hadden, kwamen zij in de districts-hoofdplaats en vesting Tsaritsyn, welke op den hoogen oever in de onmiddellijke nabijheid der rivier ligt. Aan dien kant door de Wolga gedekt, is zij aan de tegenovergestelde zijde met wallen en grachten omgeven. De stad is reeds oud; zij werd aangelegd onder de regering van Iwan den II'1quot; , terstond na de verovering van Astrakan; eerst door Peter den Grooto word haar de sterke stolling aangewezen, welke zij thans inneemt ter hoogte vau 120 Ned. el boven den spiegel der rivier.
84
Hij bestemde haar tot eene der voornaamste vestingen des rijks aan de Beneden-Wolga, ten einde het te beschermen tegen de aanvallen der zwervende volkstammen, die de steppe nabij de Kaspische zee bewoonden. Van dit punt af strekte zicli het zoogenaamde cordon van Tsaritsyn in eene noordwestelijke rigting 60 mijlen ver uit, tot aan de rivier de Don; hier en daar ontmoet men nog enkele overblijfselen van dit voormalige verdedigingswerk. Ten einde de inwoners der stad tot moedige daden aan te sporen, vereerde hij hun den hoed en den stok, welke hij bij zijne komst aldaar droeg, welke beide voorwerpen nog heden op het raadhuis worden bewaard. Terwijl do versche paarden werden aangespannen, bezagen onze reizigers de merkwaardigheden der stad. Bij het verlaten van het raadhuis hadden zij het genoegen zich te verlustigen in do beschouwing eener grootc verzameling heesters, welke op de bloem-markt in grootc, menigte werden gevonden; zij mogten als een bewys worden beschouwd van de zachtere luchtstreek, waarin zij zich nu reeds bevonden.
De stad Tsaritsyn telde ten jare 1849 reeds 4,754 inwoners.
Dc Hernhutter-kolonie te Screpta. — Verzamelingen van den heer Zwick. — Tartaarsche ruïnen aan de Achtoeba. — Mineraalbron van Sarepta. — Jenotajewsk. — Kalmoeken-tempel op u-eg naar Astrakan.
Beneden Tsaritsyn verlaat de Wolga de zuidwestelijke rigting, waarin zij tot op dat punt haren loop beeft voortgezet, vormt een regten hoek naar hel zuidoosten en stroomt zeewaarts heen; zij treedt aldaar de steppe weder binnen, welker westelijken zoom zij van Kamysjin heeft gevolgd. De heuvelketen die haar tot dusverre heeft gevolgd, strekt zich zonder van rigting te veranderen, verder zuidwaarts uit, en blijft den westelijken zoom vormen van de steppe, welke zich ter ■wederzijde van de Wolga uitsteekt. Ter plaatse waar zij van rigting verandert, neemt zij aan hare linkerzijde de Sarpa op, welke rivier langs den voet der zuidwaarts loopende heuvelketen stroomt, en wel in eene tegenovergestelde rigting van de Wolga; gedurende het overige gedeelte van haren loop tot aan de Kaspische zee, hetwelk op ruim 50 mijlen mag geschat worden, neemt zij geen enkele rivier meer in haren schoot op.
Moge het tafereel inderdaad treurig zijn, hetwelk de steppe in den herfst oplevert, waar men de ontelbare menigte tulpen en irideën, waarmede het voorjaar deze oorden siert, door de alles verdorrende droogte en hitte des zomers zijn verwelkt en de grijskleurige artemisien
ÖG
ilen budcni tot oen eentoonig kleed strekken, des te meer wordt de reiziger, die do steppe van deze zijde imdort, verrast en getroffen, wanneer liij liet stadje Sarepta binnentreedt. liet is de laatste Duitsche kolonie, welke op dezen weg wordt aangetroffen. Oe bewoners behooren tot de broederschap der Hernhutters, gelijk in Duitschland worden aangetroffen. Heeft men eenige schreden binnen dit stadje gedaan, dan staat men aangenaam verrast op het zien dier huizen in Dnitschen trant gebouwd, die regte, zindelijke straten, ter wederzijde niet ftaliaansche populieren beplant, dat sierlijke marktplein met de hoog springende fontein en de kerk daar tegenover. Dit maakt een des te dieperen indruk op don beschouwer, wanneer hij, gelijk onze reizigers, zoo lang den schadnwloozen weg over don hoogen oever der Wolga heeft gevolgd, en niet dan Russische steden en dorpen heeft doorreisd, waarin geen enkele boom de breede straten siert. Hun oor vernam weder de vader-landsche klanken; allerwege ontwaarden zij inrigtingen aan den Duitsehen bodem en Duitsche zeden ontleend, ja, zij waanden zich onder hunne landslieden te midden des vaderlands verplaatst. Zij troffen er een zeer zindelijk logement aan, dat hun vele. lang ontbeerde gemakken verschafte.
Het was ongeveer ten 4 ure in den namiddag toen zij te Sarepta aankwamen, alwaar zij reeds werden opgewacht door den hofraad Engelkc, met wien zij het Elton-meer hadden bezocht en die hen naar Sarepta was vooruit gereisd. In gezelschap van de heeren Langerfeld en Zwick, beide voorgangers der gemeente, maakte hij zijne opwachting bij Humboldt; allen werden /.ij ter tafel go-noodigd en bragten liet verdere gedeelte van den avond met onze reizigers door, die zij naauwkeurige inlichtingen nopens do, kolonie mededeelden.
De kolonisten honden zich hoofdzakelijk bozig mot weverijen van verschillenden aard, het fabriceren van snuiftabak, inostard, het stoken van likeuren, enz.; in deze en andere fabrikaten drijven zij een belangrijken handel, zelfs met de Kalmoeken on de Kozakken aan de boorden van do Don gevestigd. In vele steden hebben zij magazijnen of
67
dépots als te Saratoff, Moskou cu in andere groote steden. Buitendien leggen zij zich met zeer veel vrucht op de veeteelt en den landbouw toe, hoewel de uitgestrektheid hunner akkers niet zeer aanmerkelijk is, uithoofde van de zilte hoedanigheid dos bodenis en de dorheid van het klimaat. Allen hebben zij aldaar groote of kleine tuinen achter hunne woningen, waarin zij tabak loeien, eene groote menigte ooftboomen en wijngaarden hebben; van hunne druiven maken zij een zeer drinkbaren wijn. Tegen het einde van Mei stijgt de hitte alhier zoodanig, dat zij verzengend mag genoemd worden; gedurende eenige weken staat de thermometer dan voortdurend op 30° liéaumur, terwijl de oostewind, welke dan voortdurend heerscht elk spoor van wolken aan den hemel onzigtbaar maakt en geen enkele regendruppel do smachtende natuur komt laven. Het gevolg hiervan is, dat alle planten verdorren en de steppe het tafereel eener ijzingwekkende woestijn oplevert.
Ten gevolge eener uitnondiging van keizerin Katharina de II'lc aan de Duitsche Hernhutter-gemeenten gezonden, werd de kolonie Sarepta alhier ten jare 17(55 gesticht, waarbij haar bijzondere voorregten en vrijheden werden verleend. Ten gevolge hiervan steeg zij spoedig in bloei en welvaart, waartoe het uitstekende beheer harer opzieners, eit het vervaardigen van eene menigte voorwerpen, destijds in Rusland deels onbekend, deels moeijolijk te verkrijgen en de handel met de naburige Kalmoeken elk het zijne toebragt. Weldra geraakte de kolonie tot hoogen bloei. In de laatste jaren is de aftrek der door hen vervaardigde artikelen zeer verminderd, en wordt achteruitgang waargenomen in hunne bronnen van handel en nijverheid. De redenen er van moeten hierin gezocht worden, dat diezelfde voorwerpen, vroeger uitsluitend door de inwoners van Sarepta vervaardigd, thans ook elders verkrijgbaar zijn, want dergelijke fabrieken bestaan insgelijks te Saratoff, Astrakan en in vele andere steden, flierbij zijn nog andere nadeelen gekomen als groote branden, zoo als die welke de kolonie in 1823 teisterde, waarvan de treurige sporen nog op vele plaatsen zigtbaar zijn, het
88
baukroet gaan der handelshuizen, waaraan vclo bewoners een. groot gedeelte van hun vermogen hadden toevertrouwd en dergelijke onheilen meer. Ten gevolge van do raoeijclijk-lieden, waarmede do ontginning des bodems gepaard gaat, do dorheid van het klimaat, de afgelegenheid van hot oord hunner inwoning, waardoor zij als afgesneden zijn van den omgang met de beschaafde wereld, beeft zich een geest van neerslagtigheid van de inwoners van Sarepta meester gemaakt, welke de reizigers bij hunne komst te dier plaatse en vooral in den loop van den volgenden dag slechts al to dikwerf waarnamen.
Daags na hunne komst werden de andere ambtenaren en voornaamste inwoners aan hen voorgesteld, waartoe onder anderen moeten geteld worden: de predikant Nitsch-mann, den apothecar Wunderlieh en den directeur van politie Hamel. Vervolgens bczigtigden zij do kerk, het broeder- en zusterhuis, de magazijnen en de daarin voorhanden fabrikaten, de apotheek, benevens de overige bezienswaardigheden der kolonie, welke van gelijken aard zijn als bij andere Hernhutter-vereenigingen.
Van groot belang voor onze reizigers waren de bijzondere verzamelingen van den heer Zwick, welke uitsluitend betrekking hadden op de Kalmoeken, bewoners der naburige steppe, ouder welke horden hij gedurende vele jaren als zendeling had verkeerd: nog in het jaar 1823 was door hem eene reis ondernomen naar de Kalmoeken-horden, in het gouvernement Astrakan rondzwervende. Het verhaal van dezen togt, door hem gemaakt in gezelschap van den heer J. G. Schil!, is op last van het Russische bijbelge nootschap in 1827 in het licht gegeven. 1) Het doel met deze reis beoogd, was het verspreiden van den bijbel, welke in de Kalmoeksche taal was overgezet, want daartoe beperkte zich dc werkkring van hot bijbelgenootschap
') Het is uitgegeven onder den titei van: Reise von Sarepta in ver-schicdene Kalmülccn Horden des astraehausehen Gouvernements im Jahre 1823 in Angelegenlieiten der russischen Bibelgesellschaft uu tem ommen von H.A-Zwick und G. Schill, uad voa Erstcrcm ueschrieben. Leipzig. 1857.
der Hernhutters .sedert 1822, toen van regeringswege was bepaald, dat Kalmoeken uitsluitend in de Griekselie kerk mogten opgenomen worden. Bij het Jangdurig verkeer met de Kalmoeksche volkstammen en de naauwkeurige kennis, welke de heer Zwiek door die reizen had verkregen van hunne zeden en gebruiken, was liet onderhoud met hem nog uit een ander oogpunt zeer belangrijk voor onze reizigers, dewijl hij in de gelegenheid was het gesprokene door eene volledige verzameling van voorwerpen, bij hen in gebruik, op te helderen en toe te lichten. De bijdrage door hem geleverd ter vermeerdering van hunne kennis omtrent dit volk, was inderdaad zeer aanmerkelijk. Onze reizigers hadden onder anderen de gelegenheid om in zijne verzameling te beschouwen eene volledige collectie van alle gereedschappen, door hen gebezigd bij de uitoefening hunner godsdienst, hunne afgodsbeelden, geschreven gebeden en eene menigte andere opmerkelijke voorwerpen. De afgodsbeelden, van koper gegoten en later verguld, zijn mee-rendeels zeer kloin, op zijn meest een voet hoog; uit de beschrijvingen en afbeeldingen door Pallas 1) geleverd, zijn zij voldoende bekend. De gebeden zijn allen in het Tibetaausch geschreven, want deze taal wordt uitsluitend bij het bedienen der godsdienst gebezigd, hoewel de gewone Kalmoek haar niet verstaat en cr zelfs vele pristers worden aangetroffen, die haar evenmin begrijpen. Deze gebeden zijn gewoonlijk op lange strooken katoen geschreven, ten einde ze gedurende godsdienstoefening, aan staken gehecht zijnde, door den wind iu fladderende beweging te doen houden. Zij hebben namelijk de gewoonte om geene gebeden op te zeggen, maar ze op de boven vermelde wijze aan een slaak te doen wapperen, hetgeen zij minstens als even nuttig en zegenrijk beschouwen. De meeste der opgenoemde voorwerpen kan men nicl dan zeer bezwaarlijk verkrijgen, dewijl zij noch gekocht, noch tegen andere voorwerpen ingeruild kunnen worden. Ho( eenige middel
') Zie zijne; Keise dureh verschiedene Prtninzen iles mssisclieu Keichcs Th. J. 8, 333 u. ff, —
90
is, dat zc ten geschenke worden gegeven en in dit opzigt zijn de Knltnoeken volstrekt niet gul. Bij het doorreizen der steppe heeft men echter menigmaal gelegenheid geschreven geboden te verzamelen. De Kalinoeken hebben namelijk de gewoonte ter eere van de lama's of priesters; die zich door een bijzonder heilig leven hebben onderscheiden, kapellen of tsatsa's in de steppe op te rigten en daarin eene menigte dier strooken neder te leggen. Deze tsatsa's zijn slechts klein, vierkant en van gebakken steen opgetrokken, welke met kalk zijn vastgehecht. Nimmer zal een Kalmoek zoodanige strook wegnemen; dit geschiedt alleen door andere personen. Komt er derhalve geen vreemde in dergelijke kapel, dan verrotten zij er eindelijk.
Behalve deze merkwaardige voorwerpen, betreffende de Kalmoeken, was de heer Zwick in het bezit van eene zeer rijke verzameling Oostersche munten, van welke het grootste gedeelte is gevonden in de ruïnen der Tartaarsche steden aan de linkerzijde van de Achtoeba, Pallas heeft eene zeer uitvoerige beschrijving dier verwoeste steden geleverd in het vroeger vermelde werk. Do uitgostrektste ruïnen worden gevonden in de nabijheid van liet dorp Tsareffka, tegenover Sarepta en verder nabij Selitrennoï gorodok, het salpeterstadjc, — zoo gcheeten, omdat men vroeger op die plaats salpeter hooft gewonnen, tegenover Jenota-jewsk ; het gevolg hiervan is, dat men mi eens deze, dan gene puinhoopen heeft genomen voor de overblijfselen van liet seraï of saraï, de residentie der chan's van de Gouden horde. Naar liet oordeel van Pallas, ') hetwelk bevestigd wordt door Müller,'') moet de noordelijkst gelegen plaats worden beschouwd als de zomerresidentie, de andere als het winterverblijf dier chan's. De meeste ruïnen bestaan thans nog uitsluitend uit niets anders dan brokken muurwerk, opgetrokken van gebakken steen, grootere
1) Zie zijne: Roisc in die sudlichen SUitthiilterscliaftcu iles russiseiicn Keiehes, Tli. T. s. 167 u. If.
2) Vergelijk: Der Ugrisehe Volkstamm, Th. ]. Abth. 2. s. 57 u ff.
91
en kleinere steenhoopen, welke menigmaal met grafheuvelen, dusgenaamde koergaven, zijn omringd. De bedoelde ruïne te Tsareffka bestaat is een vlak gewelf, uit zes aan elkander grenzende, zeer vlakke deelen, welke op een vierkant terras zijn gebouwd; zij zijn met aarde overstelpt en vornien een grafheuvel, waarvan do omvang op een 150 tal vademen mag geschat worden, en die geheel omringd is met een grondslag, zijnde een dikke muur van zandsteen. Te Selitrennoï gorodok heeft men de overblijfselen gevonden van een langwerpig, vierkant gebouw, waar van de muren aau de buitenzijde sieraden van gebakken en met glazuur bedekte aarde hebben; deze sieraden zijn verschillend van kleur. Aan den eenen kant ontdekt men nog de sporen van stucco in gothischen stijl. Hoezeer deze puinhoopen op zich zelf onbeduidend mogen genoemd worden, blijkt toch uit hare uitgestrektheid, dat de residentie van den chan der Gouden horde een zeer grooten omvang moet gehad hebben. Dagelijks als hot ware verminderen deze puinhoopen, dewijl de bewoners van deze oorden de steenen van daar halen, ten einde hunne woningen te bouwen. Bij het afbreken van het oude muurwerk gaat steeds veel meer verloren dan er bruikbaars van verkregen wordt, uithoofde het zoo buitengewoon vast aau elkander zit; dit moet als de oorsprong worden beschouwd van de groote puinmassa's, welke nabij het oude muurwerk worden aangetroffen. Uit de mededeelingen van Krdmann blijkt onder anderen, dat nog voor korten tijd al de steenen, benoodigd tot het bouwen eener nieuwe kerk te Tsareffka uit de ruïnen zijn gehaald, zoodat deze reiziger in 1805 niets vond van do zes vlakke gebouwen, waarvan Pallas in zijn reisverhaal van 1703 gewag maakt. Uit de ruïnen van Selitrennoï gorodok werden gansche scheepsladingen van dergelijke steenen naar Astrakan gevoerd. Volgens het gevoelen van Pallas zijn de aanwezige ruïnen niet herkomstig van voormalige woningen, maar moeten zij beschouwd worden, deels als overblijfselen van voormalige mesdsjiets of moskeen, gedeeltelijk van grafgesteenten, waarop kapellen waren gebouwd. Het mag toch als meer
92
(Tiiu waarschijnlijk, ja, als zeker worden beschouwd, dat de chan's van do Gouden horde evenmin gezind zullen zijn geweest huizen te bewonen als thans het geval is met de chan's of vorsten der Kalmoeken, nieltegenstaande men ten hunnen behoeve de vesting Jenotajewsk aangelegd en aldaar huizen voor hen heeft gebouwd. In de bedoelde grafgesteenten zijn in vroegeren tijd schatten aan gouden en zilveren kleinooden, paardentuigen met edele metalen versierd, doodkisten met zilveren beslag en dergelijken meer gevonden, van welke kostbaarheden slechts een gering gedeelte in de verzameling der academie van wetenschappen is gekomen. Munten, zilveren en koperen voorwerpen worden in deze puinhoopen even als te Bolgari nog heden door de bewoners in menigte gevonden en aan de reizigers verkocht. liet giootste gedeelte dier puinhoopen is afkomstig uit de veertiende eeuw.
Buitendien bezat de heer Zivick eene voortreffelijke zoölogische en botanische verzameling, waaruit onze reizigers de Fauna en de Flora der steppe leerden kennen. Het rijkst was de entomologische verzameling, waarbij de heer Zwick, een grondig kenner en beoefenaar der natuurlijke historie, de aandacht onzer reizigers vooral vestigde op de vergiftige schorpioenen der steppe, op een weinig bekende, maar zeer vergiftige soort van spinnekop, welke door de Kalmoeken Belbessuch narra, d. i. de zwarte weduwe, gehee-ten wordt en voor welk dier zij groote vrees koesteren; wijders op de sprinkhanen, deze vreesselijke plaag der steppen, welke somtijds in zoo groeten getale in deze oorden worden aangetroffen, dat zij den helderen dag in een duisteren nacht herscheppen en alles vernielen, waar zij neervallen.
Met het bezigtigen dezer even belangwekkende als rijke verzameling werd de gansche voormiddag besteed. Humboldt had zich reeds iels vroeger verwijderd, ten einde zijne magnetische waarnemingen voort te zetten. Professor Ehrenberg bezocht daarop den heer Wunderlich en zijne botanische verzamelingen, terwijl Professor Rose, in gezelschap van den heer Zwick, zich naar de digt bij de stad
93
gelegen bron begaf, «elke haar van drinkwater voorziet, ten oir.de de temperatuur er van te onderzoeken Hij bevond, dat zij een wanntegraad had van B05 Réaumur. Wel is de bron door planken omringd en loopt haar water in een groot bassin, alvorens het naar de stad wordt geleid, maar toch schijnt het weinig van zijne warmte te verliezen, ten gevolge van den invloed des dampkrings. Zeer speet het onze reizigers, dat de beschikbare tijd hun niet veroorloofde een togtje te maken naar de mtneraalbronnen, welke op een afstand van 9 mijlen van Sarepta in de heuvelketen van Sarpa ontspringen. Ten tijde dat geene andere mineraalbronnen in Rusland waren aangetroffen of opgespoord, waven deze zeer beroemd; nog op den huidigen dag worden zij veelvuldig gebezigd om haar water te drinken en er zich in te baden.
Nadat onze reizigers in den loop van den middag het genoegen hadden gehad door de ambtenaren der kolonie te worden bezocht, namen zij afscheid van hunnen gastheer en van zijne overige vrienden, die hun kortstondig verblijf te Sarepta even aangenaam als leerrijk hadden gemaakt ; tevens namen zij afscheid van den hofraad En go.lke, die weder naar Saratoff terugkeerde. Wat henzelven betrof, zij zetteden hunne reis naar Astrakan voort. Dit geschiedde in gezelschap van den heer Stranaek, dien de gouverneur-generaal van Astrakan, de heer Ossipoff, hun te Sarepta te gemoet gezonden had. De heer Stranack was een geboren Engelschman, die echter voor vele jaren in Russische staatsdienst was overgegaan. Lange jaren te Astrakan gewoond hebbende en daardoor met de eigenaardigheden des lands volkomen bekend, was hij onzen reizigers door zijne mededeelingen van zeer veel nut, terwijl hij daarenboven een uiterst beschaafd en gezellig man zijnde, tot een aangenaam geleider strekte.
Het was reeds tamelijk laat, toen zij Sarepta verlieten. Zonder zich onder weg op te houden, reden zij den gan-schen nacht door, tot aan de districtshoofdplaats Tsjcr-noïjar, ontbeten des morgeus te Gratsjewskaja, ten huize van een Kozakken-officier, op een afstand van 30 mijlen
94
van eerstgenoemde sfad. Tsjernoijar beeft haren naam ontleend aan den Imogen, zwarten oever der Wolga, want al loopt de groots heuvelketen niet meer langs de rivier, toch is de oever nog voortdurend zeer hoog. Heeft men Gratsjewskaja achter den rug, dan wordt de oever weder vlak, de omstreek krijgt allengs woester aanzien en de bodem vertoont ten duidelijkste, dat hij met eene groote hoeveelheid zont is bezwangerd, want op zeer vele plaatsen ontwaart men bitterzout aan de oppervlakte van den weg en het naastbij gelegen terrein, flerogeld vindt men op een afstand van 20 iï 30 mijlen van elkander dorpen, door Kozakken bewoond; zij worden stanitsen gehoeten.
Met het aanbreken van den nacht bereikten zij de districtshoofdplaats .Tenotajewsk, welke in zeker opzigt geheel afwijkt van alle overige Russische steden, want zij is zeer digt bijeengebouwd, hoewel zij geene andere dan houten huizen heeft. In liet jaar 1849 bedroeg hare bevolking 1,455 zielen. Dewijl te Jenotajewsk het regterlijk collegie der Kalmoekcn is gevestigd, treft men aldaar eene veel grootere menigte Kalmoeken aan, dan in eenige andere stad in deze oorden. Dit collegie bestaat uit acht Kalmoeken, tot dat einde door hunne stamgenooten gekozen uit dc verschillende horden. Onder het voorzitterschap van een russisch opper-pristaff of inspecteur van politie, doet deze regtbank uitspraak in geschillen en regtskwestiën; tevens is dit collegie het orgaan bij de regering voor de Kalmoekcn.
Voorbij Jenotajewsk wordt het terrein zeer zandig, en hier en daar rijzen hoogc duinen ol' heuvelen op. De beide oevers der rivier zijn gelieel vlak en statig stuwt de prach tige rivier hare wateren door de menigte armen, waarin zij is verdeeld. Dc zandige weg werd zoo diep door de wielen der rijtuigen doorsneden, dat men zich genoodzaakt zag stapvoets te rijden. Op hunnen weg kwamen onze reizigers voorbij verscheidene kibitken van Kalmoeken en scharen van deze bewoners, die hunne paarden, schapen of kameelcn hoedden; wijders reden zij langs een geheel afgezonderd staande Kalmoeken tempel, omringd van eenige
I
95
kibitkcn. Ook itii bedehuis was oen klein, langwei-pig vierkant gebouw, van hout opgetrokken; aan eene der korte zijden van liet. gebouw was de ingang, zijnde eene smalle deur, terwijl aan do beide lange zijden de vensters werden gevonden. Bij den ingang was ook hier eene lange staak geplant, waaraan strooken katoen, met gebeden beschreven waren bevestigd. Het fladderen dier vreemdsoortige wimpels en de klank eener schelle muziek, verkondigden onze reizigers reeds op eenigen afstand dat er godsdienstoefening in gehouden werd. Begeerig om getuigen eener dergelijke plegtigheid te zijn, volgden zij al aanstonds de uitnoodiging van den beer Stranack; eenige Kalmoeken, die zich aan den ingang des tempels bevonden, stelden volstrekt geene pogingen in het werk om dit voornemen tegen te gaan. In liet gebouw getreden zijnde, ontwaarden zij nabij den wand tegenover de deur een altaar, bestaande uit eene tafel, op welker blad pyramidaal zich verheffende kleinere tafels waren geplaatst, versierd met afgodsbeelden van gegoten koper en later verguld; aan de linkeren de regterzjjde hingen bont gekleurde afbeeldingen van goden aan de beide wanden. Op de tafel bespeurden zij eene menigte kleine schalen, gevuld niet vruchten, water, gedroogd vleesch, kaas en andere offeranden, welke in de nabijheid der afgodsbeelden waren geplaatst. Tusschen de deur en het altaar zaten in twee rijen, tegenover elkander zes priesters met de beenen kruiselings op den grond; ter regterzijde boven aan, dus het digtst bij de goden, bevond zich de lama of opperpriester; de overigen waren gellongs of priesters van minderen rang, die verschillende muziekinstrumenten bespeelden, wier schelle toonen zij reeds in de verte hadden gehoord. De lama had eene schel in de hand; de gellongs, die tegenover hem zaten, bedienden zich daarbij van bekkens, welke zij met kracht op elkander sloegen; de derde priester en degene die tegenover dezen was geplaatst, hadden eene soort van trompetten, de vijfde had een keteltrom, waarop hij met stokken sloeg en de zesde blies eene soort van bazuin. Deze muziek, indien het vreebselijk misbaar, dut zij op die wijze maken, muziek
96
miig genoemd worden, wisselt af met een dergelijk gezang. Nadut heide eenigen tijd hadden aangehouden, verhief zich de opperpriester, waarop de muziek zweeg. Evenmin als de overige priesters en aanwezigen, iiad hij tot op dat oogenblik oen enkelen oogwenk naar de vreemdelingen geslagen; nu echter trad hij naar hen toe, cu begroette ze. Hij was r(j.eds bejaard, maar betoonde zich zeer vriendelijk jegens hen. De heer Stranack sprak hem aan in het Russisch en stelde lieui Humboldt voor. De lama bood hem hierop thee aan, waarvoor Humboldt eeTiter vriendelijk bedankte. Hierop nam hij afscheid van den priester en verwijderde zich met zijn overig reisgezelschap.
De W'olga—vallei. — Armeni'evs. — Joerten Tartaren. — Astrakansche Kozakken. — Kalmoeken.
Alvorens wij de reizigers op hunnen verderen togt begeleiden, zullen wij enkele schetsen niededeelen, ontleend aan het werk van een Russisch schrijver, P. T. Rebolsin, welke ons met levendige kleuren een tafereel zullen opleveren van de Wolga-rivier en eene duidelijke schildering van do zeden cn gehmikon van de bewoners dier oorden.
AARDRIJKSKUNDIGE SCHETS.
De Wolga deelt de vallei, welke zij doorstroomt, in twee deolen, in de zoogenaamde bergzijde of hoogen oever cn Weiden- ot lagen kant. In voormaligen tijd werd de eerstgenoemde de Krimsche zijde geuoemdj dewijl de zwervende volkstammen, die den hoogen oever bewoonden, onder de heerschappij stonden der chans van de Krim; de andere werd destijds de Nogaïsche zijde geheeten, dewijl zij door Nogaïers werd bewoond, en als weidevelden diende voor de menigte ooloessen of dorpen der Kalmoeken, o\ei wie de chan der Gouden horde den schepter zwaaide. 1 hans noemt men do streken van den hoogen oever: de Wolga-steppe; die aan den overkant-de Weiden- of ook de Trans-Wolga-steppe. Deze benamingen, welke uit de taal des volks zijn ontleend, geven tevens een duidelijk denkbeeld wat deze vallei eigenlijk is. Waarheen men de
98
blikken ook moge wenden, niets ontwaart het oog dan eeno vlakke, oentoouige, schaduwlooze steppe. Dorre stroken, zoutmeren, stuifzand en gemis aan stroomend water zijn de kenteekenen dezer oorden, welke de gansche noordelijke omstreken der Kaspische zee uitmaken en die, naar het schijnt, sedert vele eeuwen uitsluitend tot woonstede hebben kunnen dienen van zwervende stammen.
Toch klinken deze uitdrukkingen vreemd in het oor van hem, die met deze oorden niet naauwkeurig bekend is en geen onderzoek heeft gedaan naar hunnen toestand. Hoe? zegt hij, mag het land, waardoor de prachtige Wolga en do rivieren stroomen, welke zij in haren schoot opneemt, mag dat een land worden geheoten, hetwelk gemis aan vruchtbaarmakend water heeft V Is de breede landstreek, waarin zoo vele en talrijk bewoonde oorden worden gevonden, slechts bestemd om tot woonstede te dienen van zwervende volkstammen? liet is waar, reeds voor do Wolga de stad Tsa ritsyn bereikt, verdeelt zij zich in verscheidene armen, tnsschen Doebowka en Tsaritsyn zet zij haren hoofdarm af, welke de benaming van Achtoeba hcquot;rt 011
stroomt zij door 67 mondingen in de zee; het aantal harer beken groot en klein, welke de vallei tusschen haren oever en den linkerarm doorsnijden, klimt hooger dan oen twee-hondtal; treedt zij buiten hare oevers, dan vormt zij met hare nevenarmen een stroom ter breodto van 30 ïi -10 mijlen, maar waar vindt men stroomend water behalve in het bed van deze reusachtige rivier? Wat treft men aan in de breede streek van den hoogen oever tot aan de Sarpa en de Koema, en aan den lagen oever tot aan de Oeseeën, ja, verder nog tot in de onmiddellijke nabijheid van het strand der zee ? Niets anders dan eene dorre steppe, door hot gebladerte van niet een enkelen boom beschaduwd, waarop de gloed der zon, welke haar gedurende de verstikkend hcete zomermaanden blakert, tot zelfs het minste grasscheutje doet verdorren. De winter is hier gewoonlijk kort, de koude gering, de sneeuw blijft los liggen, pakt zich niet zamen, zoodat het gebruik dor sleden weinig tijds duurt. Reeds in hot begin van Maart geraakt de
99
Wolga nabij Astrakan van ijs bevrijd en in Junij vangt eene verschroeijende hitte aan ; de thermometer stijgt dan niet zelden tot 40° lléaumur, de nachten zijn zwoel cn drukkend, ja, bij volkomen windstilte bereikt liet kwikzilver dan menigmaal 25° op de schaal van Réaumur. De aangenaamste tijd van liet jaar is het einde van September, de maand October en veelal nog November.
Eerst in de nabijheid barer monding verdeelt zich de Wolga in die menigte kleine armen; gedurende haren loop vormt zij een groot aantal eilanden, en de armen, welke deze omvatten, worden wolosjka's geheeten, ten einde ze te onderscheiden van de eigenlijke Wolga. Deze armen verdeden zich veelal weder in beken, kleine natuurlijke kanalen, welke het land in verschillende rigtingen doorsnijden om zich later echter met den hoofdstroom te vereenigen. Deze natuurlijke kanalen worden jerik of, met ecne Tartaarsche benaming, oesek geheeten. Menigeen dezer jerik's dringt dieper landwaarts in, ja, baant zich een weg tot in de steppe; anderen worden allengs breederquot;....... -rr^n eindelijk eene werkelijke rivier. Elders ziet men juist het tegendeel; de jerik verdroogt reeds nadat zij kort te voren de hoofdrivier heeft verlaten en wordt een ihnen geheeten, welke met der tijd geheel met riet begroeit.
De oevers der Wolga zijn, in het benedengedeelte van haren loop, algemeen genomen vrij laag cn ongelijk. Boo-men, welke door de kracht van het afstroomend water zijn ontworteld, verrotten onder den spiegel der rivier en worden allengs met zand overstelpt. Behalve in de zoogenaamde karsjen of geulen, is het stoombed bezaaid met rotsbrokken en klippen, hard geworden platen en zandbanken, welke door de kracht des strooms nu her- dan derwaarts worden gestuwd. Boven Astrakan heeft de rivier in het hoofdvaarwater eene diepte van 45 el en tegenover de Samianowska stanitsa — alsdus geheeten naaiden naam van een voormaligen Kalmoekschen vorst, Taïsji Samian — vermeerdert deze tot 60 el. Niet ver van deze plaats strekt de Wolga aan hare linkerzijde een
100
nieuwen arm uit, de Boesan geheelen, terwijl de eerste, de Achtoeba, zich in twee armen, de Groote en Kleine Achtoeba verdeelt, de beek Asjoeloek en eene menigte jeriks vormt, welke zich allen later weder met elkander vereenigen eu in de Boesan uitloopen, met welker wateren zij zich in een voormaligen zeeboezem, de zoogenaamde Kleine blaauwe zee ontlasten.
Bij do bewoners der Wolga-vallei beteekent het woord; mortso, eigenlijk eene kleine zee, een zeetje of een zeeboezem; zoo zegt men: het Zeetje van Enseli, het meertje van Koerchaï, of een steppcmeer, hetwelk zich van een ilmen, dat is een eigenlijk meer, slechts onderscheidt door zijne veel grootere uitgestrektheid, liet quot;Blaauwe zeetjequot; is naar de volksoverleving vroeger een boezem geweest der Kaspische zee en zeer rijk aan zout. Met het verloop der eeuwen werd het allengs ondieper, naar de zeezijde verzandde het, riet groeide er in steeds grooter massa, en eindelijk sijpelde er uit de Wolga zoet water in door; do waterstand nam allengs meer en meer af, zoodat men zelfs met kleine vaartuigen niet overal meer kon varen en thans staat er niet meer dan 3 voet water. Nu stroomt er water in uit de Wolga, en is het volkomen zoet, indien niet een sterke morjan of zeewind er water uit de Kaspische zee heenstuwt. Dit geschiedt echter niet alleen in het Blaauwe zeetje, maar insgelijks in allo mondingen der rivieren, welke zich in do Kaspische zee ontlasten. Algemeen genomen is dat gedeelte dezer streken, hetwelk in do nabijheid van de Kaspische zoo is gelegon, zeer rijk aan zoet water. Te rekenen van de westelijkste Wolga-monding, de beek Basargi, tot aan de oostelijkste monding der genoemde rivier, die Dsjambajo wordt go-heeten, welke beide mondingen eene streek lands insluiten ter breedte van 150 i 160 mijlen, is het water allerwege zoet; voortdurend stroomt derwaarts een rijke overvloed er van uit de ilmen en de mondingen der verschillende beken en natuurlijke kanalen.
Twee aanzienlijke armen strekt de Wolga uit naar de Boesan, oostelijk de Rytsjoe en de Baldoc; de laatstge-
101
genoemde rivier wordt volgens de opmerkingen der bewoners, die in de nabijheid er van gevestigd zijn, van jaar tot jaar breeder, dewijl de sterke stroom don linkeroever voortdurend ondermijnt en doet instorten, waardoor de breedte der rivier natuurlijkerwijze als met den dag toeneemt. Dit laat zich reeds bij eene oppervlakkige beschouwing waarnemen. Tevens voert de stroom gehecle, ver in de rivier uitstekende landtongen mede, die men jare heet; hij zet die op eene andere plaats neder aan den oever, ondermijnt hem elders, doet hem afbrokkelen om van datzelfde materiaal op een andere plek eene zandbank, eene plaat, ja, groote eilanden in de bedding te vormen, waardoor hare stroomrigting verandert, zij een nieuw bed moet uitspoelen en te gelijker tijd allengs ondieper wordt. Bij het wassen der rivier, na het smelten der sneeuw, is do stroom der Wolga zeer snel; zij bereikt dan eene snelheid van vier knoopen in het uur en in de naauwe gedeelten der bedding stijgt die tot zeven knoopen per uur.
Aan gene zijde van Astrakan verdeelt de Wolga zich in een groot aantal armen. Nadat zij zich in eenige deelen heeft gesplitst, behoudt de Bachtemir do overhand in watermassa en diepte, en biedt nog den meest geschikten waterweg van allen aan, terwijl zij zelve den naam verkrijgt van Oude Wolga, als ware de rivier door hare hooge jaren en de uitgestrektheid van haren stroom zoodanig verzwakt, dat zij niet meer in staat is zwaar beladen schepen op haren rug te torschen. Later vereenigt zij zich weder met de Bachtemir, door middel van een breed kanaal, dat de benaming draagt van beek van Ocroes of Oeroestob, valt vereenigd met deze in het riviertje Marakoesja, vormt eene menigte eilanden gering van omvang, maar zeer hoog van terrein; ten gevolge van hunnen vorm geeft men er de benaming aan van boeger, dat is heuvel. Aan gene zijde der Marakoesja strekken zich breede, maar ondiepe uitwateringen dor Wolga-armen ver landwaarts in, gelijk veelvuldig nabij riviermondingen worden aangetroffen. Het einde der Oude Wolga, indien men zich aldus raag uitdrukken, is hot zoogenaamde Baklany kanaal of Protok,
102
Aan de overzijde der grens, tot waar al die stroomen, beken en kanalen zich uitstrekken, bevochtigt geen druppel water de wijd en zijd zich uitbreidende, met zand of zoutnitslag bedekte vlakte; nergens vindt de wandelaar eene beschaduwde plek, waar hij zich kan beschutten togen de brandende stralen dm- zon; nergens spreidt een boomgroep een verfrisschenden lommer op den uitgedroogden bodem. In de streken, welke dc Beneden Wolga doorstroomt, wordt geen bosch aangetroffen in den zin, welke daaraan in de hooger gelegen landen wordt gehecht. Het eenige wat de blikken heinde en verre ontwaren, zijn weide velden en laag groeijend struikgewas. Wel is waar, men vindt hier vele wijngaarden en fijne vrnchtboomen, welke aangekweekt worden op de plekken voor den tuinbouw bijzonder geschikt, maar deze kleine oasen mogen beschouwd worden als zeldzame uitzonderingen op de algemeene physiognomic dezer landstreek. Men treft ook hier personen aan, die door daden willen toonen, dat quot;volhardende arbeid alle zwarigheden te boven komt;'' zij schijnen echter te vergeten, dat men de natuur der dingen geen geweld kan aandoen. Zij ploegen het land, pooten eikels, in dc zekere, maar ijdele hoop, dat zij binnen korten tijd een eikenwoud uit den bodem zullen zien opschieten; in een zandgrond, in een zilten bodem, schiet de eikel geene kiem. Hoe jammer dat zij, die zich zoo bijzonder geneigd betoonden tot het nemen van allerlei proeven, niet slechts tijd en moeite te vergeefs verspild hebben, maar zaken uit het oog verloren, welke men niet had mogen verwaarloozen. Om slechts t5én voorbeeld aan te halen. In de Wolga-stcppe groeijen in het wild eenige graansoorten, maar aan het meerendeel dergenen, die de steppe in een woud poogden te herscheppen, zijn zij zelfs idet bij name bekend. Terwijl het algemeen gerucht den lof verbreidt van eene plant uit het verwijderde Amerika herkomstig, allerlei pogingen worden in het werk gesteld om planten en kruiden aan te kwee-ken, welke men uit vreemde oorden heeft doen overzenden, slaat men geen acht op dc gaven der natuur, welke bij ons de plaats konden vervangen van tarwe, rogge en aardappelen.
103
In dc streken gelegen aan de IBcnedeu-Wolga wordt van den landbouw zeer weinig werk gemaakt. Men vindt er nergens eenig spoor van, behalve in de onmiddellijke nabijheid des oevers, aan de boorden der Sarpa en nabij die der Oeseeën; doch ook daar is deze tak van nijverheid tot zeer geringe ontwikkeling gekomen en kan niet strekken om het noodige graan voor de bevolking dier streken op te leveren: zonder toevoer van granen kan het land niet bestaan.
In de uitgestrekte steppe der Wolga wordt geen water gevonden, groeit geen hout, bestaat dc landbouw niet, en toch waren deze uitgestrekte vlakten eeuwen lang door zwervende volkstammen bewoond. De eerste vraag, welke zich derhalve aan den geest voordoet is: hoe leefden deze menschen? Waarmede hebben zij zich gevoed'? Welke bezigheden stonden met hunne gewone levenswijze in verband?
Niettegenstaande de Wolga-vlakte zeer zandig is, uitgestrekte streken met zout zijn bezwangerd, levert zij zeer vele planten op, welke een uitmuntend veevoeder mogen genoemd worden voor dat vee, hetwelk daaraan gewoon is. Dc eenige bron vau bestaan bij die volkstammen is derhalve: de veeteelt. De zand- en zoutstreken hebben daarbij nog een voordeel, het zout tempert de ruwheid van het voeder en vermeerdert het voedend beginsel in het schrale gras aanwezig; het zand met zijne quot;bolchoens, barchans en sjiehansquot; of heuvelen van stuifzand, beschut het vee tegen de ruwheid van het winterweder en de sneeuwstormen, terwijl het daarenboven ten bewijze strekt van de aanwezigheid van water onder de oppervlakte der aarde. Bij het gemis aan stroomend water voorzien de zwervende stammen zich op een andere wijze van deze onmisbare vloeistof, door middel van het graven van putten, welke gedeeltelijk sedert overoude tijden alhier aanwezig zijn en ten bewijze strekken, dat deze oorden sedert onheugelijke eeuwen zijn bewoond; anderen daarentegen zijn in dc laatste jaren gegraven. Deze putten of, zoo als zij in den mond des volks worden genoemd, deze nukastenquot; worden gegraven en wel zóó diep, totdat men aan een
104
ader komt, welke den put binnen weinig tijds met water vult; wordt de rand met steenen of met hout belegd, dan noemt men dien eene quot;bronquot;. Ter plaatse waar het vee gedrenkt wordt, treft men gewoonlijk een tiental dergelijke bronnen aan, om de eenvoudige reden dat ééno bron niet eene voldoende hoeveelheid water zou opleveren voor eene talrijke kudde. Het water, hetwelk deze bronnen opleveren, is dikwerf bitter, inenigwerf brak, maar altijd onsmakelijk; de bewoners dezer streken drinken dit water niet, het vee daarentegen, hetwelk van jongs af daaraan gewoon is, drinkt het. zonder eenigen schadelijken invloed daarvan te ondervinden. Maar het vee bezigt liet water niet zco als liet in de bron opwelt; eerst moet hot er uitgeschept worden, ten einde dat gedeelte, hetwelk reeds lang gestaan heeft, te verwijderen, dan afgewacht dat er versch water in loopt, en dit met lederen zakken er uitgeschopt en in de drinkbakken gegoten.
Zij, die belast zyn met hoeden der kudden, wonen in huizen vau een zeer eigenaardigen bouwtrant. Eene dergelijke woning wordt quot;kosj' of ook wel kibitke, sommigen zelfs en dat zeer ten onregte joerten geheeten: dit laatste woord heeft eene geheel andere, hoewel niet altijd dezelfde beteekenis. Eene dergelijke woning of kosj wordt vervaardigd van ranken, '.velko worden zaamgevlochton op de de wijze van traliën, zoodat men ze naar welgevallen kan zamenvouwen en weder opzetten door middel van staken; ter bedekking van het bovengedeelte bedient men zioli van een dergelijk vlechtwerk, dat insgelijks op staken rust. Het gansche vlechtwerk, dat allerwegc doorzigtig is, wordt in het rond met strooken vilt belegd, welke kosjmen worden geheeten ; dat gedeelte, hetwelk tot doorgang wordt opengelaten, wordt door middel eener deur gesloten. Eene dergelijke woning is, beter dan olk andere, geschikt om den herder of koewachter te beschutten zoowel tegen de zwoele hitte als tegen de koude, togen sneeuwstormen en de ruwheid dos klimaats en hoezeer zij goedkoop mag heeten, kost zij hem toch nog honderd gulden. Binnen 10 minuten tijds kan men eene dergelijke kibitke uit
105
elkander nemen en zamenvouwen. zoodat zij op den rug van een of ander lastdier kan gepakt worden; even spoedig is zij opgeslagen en op nieuw tot bewoning geschikt. Dergelijke kibitken treft men aan in den Kankasus tot aan het uiteinde van het gebergte Choen-loen en van de bronnen der Oeral tot aan die van de Oxoes en tot in de vlakte der Wolgu. Aan gene zijde der Wolga worden zoo kleine kibitken gebezigd, dat men ze niet uit elkander neemt, !n:iar ze oeiivoudig ineenrolt en op den wagen legt, wanneer zij vervoerd moeten worden; de volkstammen, die dergelijke kleine kibitken bewonen, zijn niet zeer talrijk.
Het voedsel, hetwelk deze zwervende herders nuttigen, wordt hun door de kudde verschaft. Dewijl het vleesch zeer duur is, verkoopen zij liet vee meerendeels levend en eten zij slechts zeer zelden dierlijk voedsel; daarentegen nuttigen zij melk van paarden, koeijen en schapen, in onderscheid en vorm. hetzij vloeibaar als drank of als spijs, in den vorm van kaas; dit is hun hoofdvoedsel. Buitendien verzamelen zij verscheidene soorten van granen en wortelen, welke hetzij in de steppe of aan het strand in het wild groeljen. In den winter voeden zij zich insgelijks met meelspijzen, hetgeen van de lente tot aan den herfst zeer zelden het geval is. Dagelijks maken zij gebruik van de voedzame en gezonde tegelthee. hetgeen algemeen de gewoonte in Azië van de oevers der Zwarte zee tof iu China en niet slechts bij de zwervende volkstammen, maar insgelijks onder de Russen.
Veeteelt en veehandel deze zijn de voornaamste takken van bedrijvigheid der zwervende volkstammen. Het spreekt echter van zelf, dat niet allen zich daarmede kunnen bezig houden en dat sommigen hunner op een andere wijze in hun onderhoud voorzien, 't zij door zich als daglooner te verhuren of zich op de vischvangst toe te leggen. De Kaspische zee en de Wolga-vlakte leveren ten dezen opzigte een onuitputtelijke bron op, en eene verbazende massa visch wordt van daar in andere oorden ter markt gebragt. Natuurlijk kan niet ieder voor eigen rekening tor vischvangst gaan, want het regt ter uitoefening van dezen
106
tak van bedrijf' behoort aan de eigenaren der landgoederen in do nabijheid der zee of van de rivieren gebouwd; sommigen hunner verpachten het visehwater aan anderen, die zich aanzienlijke uitgaven tot dat einde moeten getroosten en ecu groot aantal personen in hunne dienst hebben. Een dergelijk visscher mag niet alleen over de vangst niet beschikken, maar zelfs er niets van gebruiken tot zijne voeding. Hierbij komt nog, dat de visch eene bepaalde lengte moet hebben om als quot;volquot; aangemerkt te worden; zijn zij slechts eenigo strepen onder de maat, dan worden zy als tthalve vischquot; beschouwd. Zijn zij nog kleiner, dan gelden zij slechts als een derde van dergelijken visch, welke de maat heeft; zeer kleine visch wordt brak, dat is uitschot geheeten en is bijna onverkoopbaar. Deze wijze van berekenen van deu prijs is geene nieuwe inrigting, maar door langdurig gebruik gewettigd; dat de gewoonte reeds lang heeft bestaan, blijkt overtuigend uit oude overeenkomsten, gesloten ten dezen opzigte in het begin der 17'lu eeuw. liet bevisschen der Kapische zee is con zeer bezwaarlijke arbeid, welke den visscher zeer weinig voordeel oplevert. Zoo mogelijk verlaten zij dien tak van bedrijf en begeven zich naaide Wolga om aldaar te visschen, of verhuren zich als moesoeren of matrozen op de schepen, welke de Kaspische. zee bevaren, terwijl anderen bij voorkeur den zoo zwaren arbeid in de zoutmeren verkiezen boven den genoemden tak van bedrijf. De tegenwoordige bevolking van de Beneden-Wolga bestaat uit zeer verschillende natiën. Men treft er aau Russen, Armeniërs, Tartaren, van verscheidene stammen, Turkomannen, Karakalpaken, Kalmoeken en Kirgizen. Te Astrakan waren in vroeger jaren insgelijks Hindoes; thans echter worden er geene meer aangetrofifen. Slechts twee personen vindt men er van tijd tot tijd, die als Hindoes worden beschouwd; zij zijn echter uiet meer te dier plaatse gevestigd, maar komen er nu eu dan, ten einde er de handelszaken te besturen van Perzische kooplieden.
De eenigen, die zich op den landbouw toeleggen, zijn Kus-
107
sen; zij bewonen grootendeels liet platteland en bestaan uit lijfeigenen en Kozakken. Elke landbouwer zoekt eene geschikte streek op, alwaar hij zich nederzet; de strooken lands, welke hein vruchtbaar toeschijnen, bebouwt en bezaait hij, ten gevolge waarvan tusschen de akkers menig-vverf uitgestrekte velden worden aangetroffen, welke geheel woest zijn blijven liggen, hetzij dat deze streken reeds uitgeput of niet ter bebouwing geschikt zijn. Waar slechts stilstaand water wordt gevonden, kan de grond evenmin bebouwd worden als bestond hij uitsluitend uit dor zand. Overigens is het besproeijen des bodenis er gansch niet onbekend, ten blijke waarvan de meloentuinen en bachtsjis der Tartaren kunnen dienen, welke zij insgelijks kunstmatig besproeijen; maar vooreerst wordt dit niet algemeen op den landbouw toegepast en niet ieder is in staat om de daartoe vereischte uitgaven te bestrijden.
Het gemis aan hout in deze oorden vergoedt de natuur door een rijken voorraad van riet, hetwelk de zwervende volkstammen en degenen, die zich aldaar hebben nedergezet, als brandstof gebruiken; zij bezigen het zelfs en met goed gevolg tot het bakken van steenen. Van riet vlecht men horden en tuinen om perken op te slaan, ten eiude het vee in op te sluiten, beuevens zoogenaamde lobasen en toerloesjkcn, namelijk, kleine hutten. De oud-Russische kleederdragt ontwaart men hier te lande niet meer; er moet echter bij aangemerkt worden, dat zulks eerst sedert een twintigtal jaren het geval is. De meisjes der eigenlyke inboorlingen droegen bij plegtige gelegenheden, optogten, in de kerk bij de viering van het avondmaal of op hooge kerkelijke feesten, eene soort van krans, zoogenaamde koko-sjniks, waaronder een band of cirkel met edelgesteenten zich bevond, waaraan versierselen gehecht waren, welke tot op de wenkbraauwen afhingen; een lang kleed, met roode stof aan het bovengedeelte der wijde mouwen versierd, werd daarbij als onmisbaar beschouwd. De gewone dragt der jonge meisjes bestond uit een wit hemd met blinkende witte, lange mouwen, welke tot aan de hand reikten, een onderrok van gekleurde stof, daarover een jepannetsjka, eene
108
«ooi-t van manlel, vervaardigd van gekleurde stof, welke tot aan de knie afhing en insgelijks van wijde mouwen was voorzien; om den hals droegen zij een snoer paarlen of barnsteenen koralen, aan de handen armbanden en ringen aan de vingers. Tc huis zijnde, bestond het hoofddeksel uit een kalpak, lange strooken «it of gekleurd katoen, en wanneer men gezelschappen bezocht, werd hierom een gekleurde zijden doek geknoopt. Dc gehuwde vrouwen gingen ongeveer op gelijke wijze gekleed, met dit onderscheid dat zij. in plaats een krans, een hoofddeksel droegen, hetwelk met een doek werd vastgebonden. Ook het schoeisel was vroeger geheel verschillend van hetgeen thans algemeen in gebruik is; de jonge meisjes droegen gekleurde pantoffels in den vorm van muilen met hooge hakken; dc meer bejaarde vrouwen daarentegen droegen dezelfde soort van pantoffels, maar zonder hakken; zij hadden de gewoonte om dunne plankjes onder de voeten te binden, wanneer zij uitgingen.
Het middenpunt der Wolga-vlakte is Astrakan, hetwelk door de bewoners dezer oorden gewoonlijk Rasbaloeï gorod wordt geheeten.
I)i: Armeniëk.s.
Reeds voor vele eeuwen werd Rusland bezocht door Armeniërs, en iu dc oorkonden van dc l/i'1' eeuw wordt al van hen gesproken; op het einde der IG'1quot; eeuw bezaten zij te Moskou een eigen bazar. Zij verkregen van tsaar Alexeï Michaelowitsj zeer vele privilegiën; dit geschiedde met het doel om regelmatige handelsbetrekkingen met hot Oosten aan te knoopen. Behalve het bereiken van dit hoofddoel, verwachtte de tsaar, dat hunne komst in Rusland con gunstigen invloed zou to weeg brengen op dc vermeerdering van do bevolking der Wolga vlakte cn dc uitbreiding der zijdeteelt cn den tuinbouw. Ten jare 1744 werden, met betrekking tot hun verblijf in het land, de navolgende bepalingen gesteld; 1°. liet zal aan dc Armeniërs vergund zijn Rusland vrijelijk te bezoeken tot bet drijven van hunnen handel. 2°, Tc Astrakan zullen
109
zij tijdelijk in den rang der inwoners worden opgenomen en als zoodanig voor dien tijd als onderdanen worden beschouwd. 3°. Zij zullen vrijdom genieten van de gildebe-lasting, maar er zal een billijk gesteld inkomend regt worden geheven op hunne koopwaren. 4°. Do terugkeer naar hun vaderland zal hun ten allen tijde worden toegestaan. ó0. De regtspleging zal geschieden overeenkomstig hunne eigene wetten en gebruiken. 6°. In de uitoefening hunner godsdienst zullen zij geene belemmering ondervinden. 7Ö. Zij genieten vrijdom van alle heeren-diensten en behoeven geene transporten te verrigten. 8°. De huizen, door hunne eigenaren bewoond, zullen vrij zijn van inkwartiering; de grondbelasting zal geheven worden onder het toezigt van de plaatselijke overheid. 9°. Er zullen hun bijzondere sloboden of voorsteden ter bewoning worden aangewezen, en 10°. het zal hun vergund zijn fabrieken en mijnen aan te leggen, mits zij hiervan kennis hebben gegeven aan de bevoegde autoriteit, zullende zij gedurende een bepaald aantal jaren vrij zijn van alle belastingen dienaangaande.
Ten gevolge van deze gunstige bepalingen kwamen vele Armeniërs van tijd tot tijd naar Kusland, die zich te Astrakan noderzetteden; zij kwamen uit Turkije en Perzië, voornamelijk uit de provinciën Karabag, Gandsja, Dsjoelfa, Nachitsjewan, Sjemacha, benevens uit Georgie. Ter beslechting van twistgedingen werd ten jare 1765 een afzonderlijke regtbank te Astrakan opgerigt, onder de benaming van Aziatische regtbank, welke door do Armeniërs werd bekostigd. Dewijl er echter bij de Armeniërs geene bepaalde regelen bestaan, waarnaar de regtsbedeeling geschiedt en slechts na oude herkomsten en gewoonten uitspraak wordt gedaan in de gedingen, is deze regtbank, als geheel overtollig, ten jare 1839 opgeheven; thans staan zij, wat de regtsbedeeling betreft, met alle andere Kussische onderdanen gelijk.
De eerste telling der Armeniërs had plaats ten jare 1795; destijds bevonden er zich te Astrakan 290 van hot mannelijke geslacht. Ten dien tijde behoefde zij slechts 48
110
gulden aau de politie te betalen, ter bekostiging van een afzonderlijken agent, benevens eene som ten bedrage van ongeveer 3;000 gulden voor den vrijdom van inkwartiering. In 1827 werd door de regering de vraag opgeworpen: is liet regtvaardig dat vreemdelingen voortdurend privilegiën genieten boven inboorlingen des lands? Ter beantwoording hiervan werd op den 2lle,1 Junij, 1831, ceu besluit uitgevaardigd, waarbij werd bepaald, dat de voorregten aan de Armeniërs, te Astrakan, in der tijd verleend, van kracht zouden zijn voor degenen, die sedert 1795 aldaar waren gevestigd; aan alle anderen zou een termijn van zes maanden worden verleend om zich tc verklaren of zy onderdanen des rijks wilden worden of gerangschikt wenschten te zijn onder de niet handeldrijvende vreemdelingen. Bij keizerlijk besluit van 183G is bepaald, dat zij ten opzigte van de rijksbelastingen langzamerhand zouden gelijk gesteld worden met de inboorlingen; eindelijk werd in 1848 een besluit uitgevaardigd, dat voortaan alle Armeniërs op gelijke wijze zouden belast, worden als de inboorlingen, met uitzondering van de gezinnen, die zich voor 1*97 te Astrakan hadden nedergezet; deze zouden kunnen volstaan met de betaling 5 gulden per woning. Het gevolg hiervan is, dat de Armeniërs, te Astrakan gevestigd, in drie klassen zijn verdeeld: tot de eerste klasse behooien 12/ personen van het mannelijke geslacht, die nog het privilegie van 1795 genieten; tot de tweede soort moeten gerekend worden 2,192 personen van het mannelijke geslacht, die, behalve de lands en stedelijke belastingen, nog 5 gulden betalen voor hunne woningen, terwijl tot de derde klasse 131 personen van het mannelijke geslacht behooren, die in gelijke mate als andere onderdanen in de belasting worden aangeslagen.
De Armeniërs uit Perzië en Georgie afkomstig volgen de regelen van Gregorius; zij zijn 5,051 zielen sterk. De Armeniërs uit de Turksehe provinciën herkomstig, hebben zich bij de Roomsch-Katholieken aangesloten en tellen 176 zielen.
De gelaatstrekken der Armeniërs zijn aan ieder onzer lezers
Ill
bekend en behooren tot het Hebreeuwsche type. Algemeen zijn zij zeer regelmatig en bijna zonder uitzondering ovaal van vorm. De kleur der huid is eenigzins donker; zij hebben zwarte haren met een blaauwachtigen gloed, een regten neus met een bultje, dat echter niet misstaat. De vrouwen mogen inderdaad fraai worden geheeten. In het algemeen hebben de Armeniërs groote, zwarte, schitterende oogen, en vooral die der vrouwen zijn vol vuur. Te Astrakan was het gerucht sedert onheugelijken tijd in omloop, dat de Armenische vrouwen hare oogen verwden, ten einde de kleur zwart en den blik schitterend te maken. Dit komt geheel overeen met hetgeen reeds in de vorige eeuw werd gezegd, en vermeld staat in een werk getiteld: quot;Beschrijving van alle in Rusland wonende volken.quot; Aldaar leest men het navolgende: quot;De moeste (Armenische) vrouwen bedienen zich van een zeer fijn poeder, hetwelk zij door middel van een veder of eene pen in liet oog brengen, ten einde er die zwarte kleur aan te geven, welke zij bijna allen hebben. Veel geld wordt door haar besteed voor dit schoonheidsmiddel. Uit gedane proefnemingen is gebleken, dat bedoeld poeder uitsluitend bestaat uit gewreven spiesglas.quot; Waar is het, dat do Armenische vrouwen, zoowel ouden als jongen zonder onderscheid, zich blanketten, dat wil zeggen roodc wangen en het overige gedeelte van het gelaat blank maken, terwijl zij de wenkbraauwen zwart schilderen; dit laatste geschiedt eenvoudig mot gebrande amandelen 01 mot de verbrande pit eener kaars; het rood, waarmede zij de wangen verwen, is amarantkleurig en bestaat uit plantaardige stoffen.
Do Armeniërs zijn van middelmatige lengte. Volheid van vormen, welke echter verwijderd moet zijn van zwaarlijvigheid, wordt als zeer fraai beschouwd. De kracht des ligchaams is weinig ontwikkeld; bijzondere vlugheid van bewegingen bezit bijna geen enkoio hunner, want het gansche leven van een Armeniër biedt hom als hot ware geen enkele gelegenheid aan om zijne spierkracht tc oefenen of te versterken. Gewoonlijk bedienen zij zich van hunne eigene taal, hoezeer zij het Russisch vloeijond
112
en naar den vogel, maar eenigermate met een vreemden tongval spieken. Opmerkelijk is het, dat zij aan vele landen in hunne taal benamingen geven geheel verschillend van die, welke zij in andere talen dragen; zoo liceten zij bij voorbeeld, Rusland: Roesostan, do Kalmoeken: Skvvioe tatsi; eiken Mohammedaan, hetzij hij een Perziaan is of niet; Tadsjik; den Kaukasus: Koffkas; de Zwarte zee: Sjefftsoff, de Kaspische zee: Kaspitsoff; do Wolga bij do oude benaming: de Idyl; de Koema: Goemi; Tiflis: Typhis; Georgie: Wratstoen; Griekenland: Choenatstoen ; Perzië: Parskastoen.
Ten gevolge der meer en meer toenemende beschaving in deze oorden, zijn de meeste Aitrakansche Armeniërs zoo als sommigen hunner geloofsgenooten, die in de olga-vlakte wonen, zich uitdrukken — in den volsten zin des woords -Prantsoesenquot; geworden; zij gaan naar de Fransche modes gekleed en leven geheel op de Europesche wijze; de andoren hebben de Armenische klcederdragt bewaard. Er wordt bijna geen enkel gezin in de gansche stad gevonden, in welks woning niet minstens één vertrek met breede houten quot;narenquot; in het rond is bezet, welke even ah de vloer met tapijten en kussens zijn bedekt.
Koffij is een van de meest geliefkoosde warme dranken dei vrouwen; thee daarentegen drinken zij niet veel. Bij de dames-vereenigingen zelfs, wanneer zij des avonds plaats hebben, wordt steeds koffij rondgediend, nimmer thee. üe mannen drinken hot liefst wijn, welke niet hooft uitgegist. De Armeniër behoeft geen Chateau-Lafitte, geen Rijn- of Champagnewijn, want allen achten zij die smakeloos en nadoelig voor de gezondheid, dewijl zij zoo duur zijn. üe niet uit-gegiste wijn daarentegen vereenigt alle goede hoedanigheden in zich: hij is bijzonder goedkoop, bedwelmend en derhalve gezond tc gelijkor tijd.
In de keuken der Armeniërs gebruikt men geene aarden potten cn pannen, maar koperen en ijzeren braadpannen en dergelijk gereedschap. De lievelingsschotels zijn de zoogenaamde quot;kabakenquot; van verschillende soort, als: Sjisj-kabak, dat is schapenvleesch in stukken gesneden en aan het spit gebraden; Ijoeli-kabak of sjisjlyk, d. i. fijn gehakt
113
schapenvleesch over het vuur geroosterd; kasan kabak, d. i. schapenvlcesch met vruchten en look in cene bijzondere sous gekookt; verder dalma, d. i. gehakt schapenvleeseb, met peper en andere kruiderijeu vermengd en gewikkeld in druivenbladen en vervolgens gekookt. Ten einde dit lieve-lingsgeregt ook in den winter gereed te kunnen maken, worden druivenbladen ingezouten; wenseht men hiervan gebruik te maken, dan worden deze bladen vooraf geweekt. Een dergelijke dalma wordt steeds met wei genuttigd; somtijds kookt men de dalma met appelen, kweeën of met augurkjes. De zoo algemeen in gansch Azië, van China tot aan Calcutta en van daar tot aan Kasan, gelijk door het gansche Oosten en Egypte genuttigde pillau, wordt insgelijks door de Armeniërs veel gebruikt, maar even als hunne overige spijzen steeds met saffraan toebereid. Algemeen genomen zijn zij zeer gesteld op scherpen, bijtenden kost, zoodat bijna elke schotel met look, knoflook, nagelen, Spaansche peper en dergelijke specerijen wordt toebereid. Gedurende de vasten mogen zij vleesch, noch visch, zelfs geene kreeften gebruiken.
De Armeniërs te Astrakan, die de Europesche modes volgen, dragen niet gaarne een rok; overigens houden zij zich en voornamelijk de dames gestreng, ja, bijna slaafs aan de voorschriften der mode. Zeer bejaarde lieden hebben veelal de nationale kleederdragt behouden; bij gelegenheid dat de vrouwen zich in de kerk bevinden, ontdoen zij zich van hare hoeden en mantilles.
liet eigenlijke Armenische kostuum, hetwelk voor 20 h 25 jaar nog algemeen werd gedragen, bestond uit de volgende kleedingstukken; de meisjes dragen: een sjabik, d. i. een gekleurd, bij voorkeur rood linnen of zijden hemd met lange wijde mouwen, die aan de pols en aan den hals worden toegestrikt; het voorgedeelto is sterk uitgesneden en tot aan den gordel met eene breede geer voorzien. Onder dit hemd wordt een kruis gedragen; zij die door onge-steldheid of ziekte zijn aangetast, dragen nog daarenboven vele kabalistieke teekenen en talismans, welke in een zakje worden zaamgenaaid.
114
Wijders dragen zij een pockan of Isar, dat is: cene lange broek, welke tot aan de enkels reikt en van onderen .net een zilveren boord is voorzien. De Armenische vrouwen dragen deze broeken niet zoo wijd als bij de Perziaan-schen do gewoonte is; zij worden vervaardigd van zijde, linnen of eenvoudig van rood katoen, naar gelang van den
stand, waartoe zij behooren, die dit kleedingstuk gebruiken. Het schoeisel bestaat uit aboersjoemi, namelijk; zijden kousen, niét zijden of gouden kousenbanden om het been vastgebonden,— hierop worden de voorletters van den „aam der bezitster of ook wel de naam voluit gestikt — benevens pantoffels of masjik, vervaardigd van gekleurd marokijn met zeer hooge hakken. Het bovenkleed, archa-loek geheeten. is de korte bovenrok, welke m gansch Azk-algemeen in zwang is; dit kleed is vervaardigd van zi|de 011°hetzij geheel effen of zeer bont van kleur, en allen met -elijke figuren bestikt. Sedert overoude tijden wordt dit kleed op de borst open gedragen tot aan den gordel, waaide archaloek met een koord, een met silver doorweven shawl, cene fraai bewerkte speld of haak wordt vastgehecht. De kapa, het kleed met de lange, wijde mouwen, wordt vervaardigd van de fraaiste stoffen; ook dat kleed bedekt niet geheel en al den maagdelijken boezem, althans voor zoo verre de schuchterheid en de reinheid van zeden dit veroorloven. De doloma of het opperkleed wordt over de schouders geworpen even als de japanetsjka; dit kleed ■s lang, insgelijks met lange mouwen, welke naar beneden allengs naauwer worden en langs het kleed afhangen. liet hoofdversiersel der jeugdige schoonen is zeer eigenaardig; vijf of zes vlechten van het haar zijn echt; een gely v jretal vaischen wordt aan de einden met linten en strikken versierd en hangt los en vrij langs hals en schouders. Hoe langer deze tressen of staarten zijn, des te hoo-o-er wordt de schoonheid der jeugdige maagd geroemd. Wijders dragen zij gouden oorringen, welke naar de Aziatische wijze zeer groot en kostbaar zijn; men noemt deze versierselen cyrga. Om den hals worden kettingen gedra-üon van aan elkander geregen gouden munten en penmn-
iirgt;
gpn, welke zij mask! lieeten en over de .schouders afhangen; de armen en polsen zijn versierd met armbanden, welke in het Armeniseh kalbach worden genaamd; de vingers glinsteren door de menigte ringen. Het hoofd omwikkelen zij met een zwart zijden damasten .strook, welks uiteinden van hot achterhoofd afhangen. Dit hoofdversiersel wordt nog heden gedragen. De slnijer is slechts in gebruik bij de ongehuwde meisjes, die niet zeer jong meer zijn; zij heelen dien tsjadra; dit is een groot stuk katoenen stof, dat degene, die het kleedingstuk draagt, van het hoofd tot de voeten bedekt. Daar zij het niet niet smaak wisten te draperen, stond het niet zeer sierlijk, vooral wanneer men ze van achteren beschouwde. In den winter hadden zij de gewoonte een met bont gevoerden doloma te dragen, terwijl zij het hoofd ter verwarming in een Perzischen shawl wikkelden. Algemeen genomen is de kleeding der gehuwde vrouwen niet verschillend van die der ongehuwden ; het voornaamste onderscheid bestaat hierin, dat de sjabik en pochan niet van roode, maar steeds van blaauwe stof worden vervaardigd en aan den rand niet zware koorden zijn omzet. Des zomers dragen zij, in plaats van een archaloek, een wit zijden jakje zonder mouwen, mei zilveren of gouden haken vastgehecht, terwijl het om het middenlijf sluitend wordt gemaakt. Dit wordt bij velen aaneengehecht door middel van een haak of speld, met edelgesteenten versierd. Oorringen, armbanden en valsehe vlechten dragen zij niet. maar daarentegen valsche haren of een toer, welke tsjawlik wordt geheeten, waarvan de krullen over de ooren en den hals afhangen en gedeeltelijk de wangen bedekken; dit geschiedt ten einde er den schijn aan te geven, als of hel haar aan de slapen zeer zwaar en glinsterend zwart van kleur is. Tevens dragen zij aan de slapen van het hoofd eene gouden plaat, in den vorm van eenc halve maan, ter lengte van vier duim, welke plaat is bezet met edelgesteenten. Het paar dei gelijke platen heet men dsjinansir, terwijl or nog bovendien een dsjinachoe aan bevestigd was. Van de eene naaide andere plaat loopt onder de kin een kostbare snoer
llö
paavlen, bekend onder de benaming van oesjoentsji, hetwelk baard buteekeut; over de kin wordt de sililc gedia-gonJ bestaande uit een gouden versiersel niet edelgestecn-ten ingelegd; dit laatste is echter zeer smal. Om den hals dragen zij verschillende gouden kettingen, bestaande uit medaillons, vervaardigd van goud in den trant dei-bekende Venetiaanscho medaillons; het middengedeelte wordt gevormd door ecno gouden plaat, almede met paar-len en edelgesteenten versierd.
Zoodanig was vroeger de dragt der Armenische vrouwen en meisjes. Hoewel deze versierselen thans byna niet meer worden gedragen, worden '.ij bijna in alle gezinnen dor gegoede Armeniërs als aandenken aan do oorspronkelijke nationale kleeding bewaard. Tegenwoordig is nog bij de gehuwde vrouwen in gebruik het dragen van een zijden doekje om het hoofd, waarover zij een giooten witten doek binden; anderen weder bezigen tot dat einde moesselien of gaas, dat van achteren niet naalden wordt vastgehecht; hiervan worden niet de punten, maar de breede kanten af hangend gedragen. Dergelijk hoofdversiersel woidt letsjik geheeten en over dezen letsjik gaat een band op de hoogte van het voorhoofd, in het Arnienisch tasjkinak genaamd.
Gelijk bij alle Oostersche volken wordt opgemerkt, hebben ook de Armeniërs algemeen de gewoonte zich van een rozenkrans te bedienen; met lezen, hetzij van boeken of nieuwspapieren, houden zij zich zeer weinig bezig. Ook de jongelieden van beiderlei kunne lezen zeci weinig of in het geheel niet; zij verdrijven of doodenden tijd met kaartspelen. Allen zijn groote beminnaren \an muziek; waar eenigc Armeniërs, hetzij vrouwen of mannen te zamen zijn, wordt muziek gemaakt of gezongen. Voor iemand, die aan Europesche muziek gewoon is, raag het bijna onmogelijk heetcn zoo iets te kunnen bijwonen, zelfs is het ondoenlijk de schoonste hunner liederen te hooren voordragen. Zij zingen gewoonlijk door den neus en huuiie nielüdiën zijn verbazend woest en wild. De oorspionke-lijke Armenische muziekinstrumenten geraken echter meer
117
en meer in onbruik; alleen worden nog de navolgenden gebezigd: de fsoengoer, eene soort van balalaika met vijf metalen en snaren en de nagaru, zijnde eene aarden pot met en kalfsvel overtrokken. Waar muziek gemaakt wordt, treft men gewoonlijk een paar dezer instrumenten aan, welke door een nedergehurkten Armeniër worden geslagen.
Wat de meest gebruikelijke dansen betreft, zonder dat zij hunne nationale dansen geheel in onbruik hebben doen komen, zijn toch de Franschc quadrille en ecnige polka's zeer algemeen. Twee oude dansen, de chirkoeijkoff en gasmi zijn nog zeer algemeen in zwang, üe eerste is eene soort van Kozakkendans en wordt door twee perso né» uitgevoerd, hetzij twee mannen of twee vrouwen; aan den anderen dans nemen uitsluitend mannen of vrouwen deel of ook somtijds twee mannen en twee vrouwen. De bewegingen daarbij zijn zeer langzaam, op de wijze gelijk het geval is bij de nationale Russische dansen. Met de handen maken zij daarbij allerlei sierlijke bewegingen; nu eens heffen zij die opwaarts, dan plaatsen zij die op de beupen of breiden ze zijwaarts uit.
Algemeen ziet men ten duidelijkste, dat de Armeniërs meer en meer de Russische zeden en gebruiken aannemen ; van hunne oude gewoonten hebben zij zeer weinig overgehouden, dat niet reeds een Russischen tint heeft aangenomen, zelfs in hunne godsdienstige gebruiken nemen zij meer en meer van de Russen over. Het uithuwelijken geschiedt bij de Armeniërs geheel en al op de Russische manier, door middel van tusschenpersonen; het langdurig vrijen is «•ene zeldzaamheid, want de Armeniërs zijn allen met elkan der bekend. De verloving geschiedt ten huize der bruid, en heett plaats zonder feesten. De bruiloft wordt bijua zonder uitzondering bij nacht, zeer zelden des daags gevierd. l]ij liet sluiten van het huwelijk vereenigt de priester bruid en bruidegom met een koord, bevestigt de beide uiteinden met lak en drukt daarop, door middel van het kruis, een zegel; deze koorden worden de jonggehuwden, onder het uitspreken van gebeden, door de priesters weder afgenomen, 24 uren nadat zij door middel daarvan aan elkander
verbonden zijn en gedurende dien tijd blijven de zusters en vriendinnen der bruid dug en nacht bij de jong gehuwden.
Tegenwoordig drijven de rijke Armeniërs volstrekt geen handel of nering, houden zich noch met den landbouw, noch met zijdeteelt of' tuinbouw bozig. Do gegoeden onder hen, die verbazende rijkdommen bezitten, hebben slechts een middel van bestaan, namelijk, het voorschieten van gelden ,,i) onderpand. i)e minder gegoeden daarentegen drijven handel met de Kalmoeken en Kirgi/cn, die zij tot dat einde in do steppen bezoeken; anderen houden zich met commissiehandel bezig in de Russische steden of in Astrakan zolve en voorzien zich van hunne waren uit Moskou, St. .Petersburg of Nisjni Nowgorod. lion klein gedeelte houdt zich met andere takken van bedrijf onledig, als het vervaardigen van kaarsen, zijdeweverijen of loorlooijerijon. Dc on-bemiddelden onder hen zijn veehandelaars ot kleinhandelaren.
Zeer te regt mag gezegd worden, dat de Armeniërs te Astrakan vredelievend, beloetd en zeer voorkomend zijn; enkelen betoonen zich trotsch en opgeblazen, maar allen zijn vrolijk, bekwaam in hun bedrijt en in alles wat geldzaken aangaat, zeer bedreven. Zeer geneigd om zich naar het uitwendige te beschaven, betoonen zij volstrekt geen lust oin wetenschappen te beoefenen of den geest met nuttige kundigheden te verrijken.
De JoEin k.n-Taktaüen.
Deze maken eene bijzondere afdeoling uit der kroonboe ren, in de Wolga-vlakte gevestigd. Zij zeiven heeten zich Nogaiers en zeggen, dat zij afstammelingen zijn van do Nogaiërs der Gouden horde, de stichters van Astrakan. Het woord joert beteekont in het hodendaagsehe Tartaarsch in liet algemeen quot;woonplaats' of iroord' en Joerten-'I artaren wil derhalve zeggen: Tartaren die eene vaste woonplaats hebben, üun aantal is niet zeer groot, welligt 100,000 zielen. Zij wonen deels in do zuidwestelijke voorstad van
119
Astrakan, ïsarowo of Tiek geheeten, deels in 14 naburige dorpen. Tot een dezer dorpen, Solenka, behooren nog ongo-veer een honderdtal kibitken, welke omstreeks 1,000 zielen tellen, die zomer en winter verblijven in de zoogenaamde matsjagen, dat is in de noordwesteliikc, moerassige, digt met riet begroeide oevers der Kaspische zee. Met uitzondering van deze laatstgenoemden zijn alle anderen, sedert onheugelijken tijd. in vaste woonplaatsen gevestigd in hunne dorpen. De bewoners van liet dorp Toeloegan verlaten het hunne in hef voorjaar en begeven zich naar de streken der Koendrowisehe Tartaren. Dit geschiedt echter in gee-nen deele, omdat zij gedurende dat gedeelte van het jaar een zwervend loven leiden, maar uit noodzakelijkheid, de wijl het dorp met zijne omstreken des zomers onder water geraakt.
Do Tartaren, die in de dorpen gevestigd zijn, worden in tegenstelling der zwervende stamgenooten: Aoel-Tarta-ren genoemd.
Onder do oudsten van hen is dc volgende overlevering bewaard gebleven: toen de Gouden horde haren ouden glans en magt had verloren on de overblijfselen der eenmaal talrijke stammen zich in de .steppe der Wolga-vlakte en de oevers der Kaspische zee hadden verstrooid, begaven dc Nogaiërs, dc voorvaderen der Joerten-Tartaren, zich in den zomer naar de boorden van dc Oeral, — in het Tartaarsch: Ajak, in het Russisch: Jaïk, — waar zij rondzwierven en .slechts zelden dc Emba, Dsjem, Jem of Sets overtrokken. In dc Oerai-vlakte bevond zich een versterkt kamp, orda of saraï. van een andoren stam der Nogaiërs, die Baraïtsjik werden goliccten. Dc Joerten-Tartaren waren onafhankelijk van de Saraïtsjik, gelijk mede van den chan van Kasan, hoewel beide, de chan van Kasan en die der Saraïtsjik, menigwerf invallen deden en telkens schatting van hen vorderden. Des zomers trokken zij door de streken langs do Wolga en de Emba; des winters begaven de Joerten-Tartaren zich naar de omstreken der Wolga, waar zij in de vlakte ecne vesting bouwden.
Elke zwervende stam heeft twee kampen, een kamp voor
120
don winter, een ander om er den zomer in door te brengen. De meesten heeten gorod en gorodok (stad en stadje), hetgeen bij de Tartaren saraï en orda, de Kalmoeken oerga en koere, — waaruit de Kozakken hun koeren hebben gevormd; deze woorden beteekenen het hoofdkamp of de hoofdlegerplaats, namelijk, cl • woonplaats van het hoofd des stams, zijn gevolg en van degenen, die onder hem staan. Des winters hielden zij hun hoofdkwartier steeds op eene en dezelfde plaats; dos zomers echter werd het kamp voortdurend verlegd, naar gelang dc behoefte hen daartoe drong; dewijl in de hoofdplaats al hunne bezittingen ver-eenigd werden, kon het wel niet r.nders, of dit middenpunt moest menigwerf een aanval van zwervende roof-stammen verduren. Hieruit ontstond de noodzakelijkheid om dat punt to versterken. Daartoe werden gebezigd palissaden, wallen, grachten, poorten, muren, eerst van leem, later van gebakken steen; wijders karavanserais voor hot drijven van handel, benevens moskeen, beide van gebakken steen gebouwd. Dergelijke versterkte woonplaatsen worden door de liassen steden geheeten. In de Wolga-vlakte kon men geene houten gebouwen oprigten, dewijl hot ver-eischte materiaal daartoe ontbrak; om die reden werden de steden met hare vestingwerken van gebakkon steen gebouwd. Bij sommigen bezigde men daartoe eenvoudig leem. Overblijfselen van dergelijke steden vindt men aller-wego in de vlakte, in het land der Basjkieren, in de Kir-gizensteppen en in dc oorden, welke door de Kalmoeken worden bewoond. Geeft men acht op hetgeen nog heden gebeurt, dan ziet men dergelijke steden nog allerwege dooide zwervende staramen oprigten. Dergelijke bevestigde legerplaatsen hadden de Joerton-Tartaren insgelijks verschei denen gebouwd.
Do eerste en, naar men wil, de belangrijkste Nogaïsche stad heette Dsjigyd; zij stond bijna op dezelfde plaats, alwaar thans Selitrcnnoï-gorod ') is gelegen. Daar vond men ten uilen tijde do belangrijkste winterlegcrplaats der
') Zie bladzijde 90 van dit deel
121
Joerten-Tartaren. Dat up die pluk steeneu gebouwen werden gevonden en dat aldaar handel werd gedreven, hiervan ziet uien nog het bewijs in de overblijfselen der oude muren, welke blootgelegd worden bij het bebouwen der velden en het aantreffen van zilveren en vooral koperen Tartaarsehe munten. Het tegenwoordige Selitrennoï goro-dok ligt ongeveer 100 mijlen boven Astrakan. In oude historische documenten, uit den tijd van tsaar Alexeï Mi-chaïlowitsj, wordt menigmaal gewag gemaakt van het nabij gelegen Saraï, dat 80 mijlen van Astrakan was verwijderd, en van het quot;ver verwijderde Saraï,quot; hetwelk 20 mijlen hooger op lag. Waarschijnlijk had dit laatste betrekking op de plaats, welke door de tegenwoordige Wolga-bewo-ner.s Dsjigyd wordt geheeten, terwijl onder het rmabij gelegen Saraïquot; het zoogenaamde Dawljoet cham zal verstaan worden.
Behalve Dsjigyd en Dawljoet-cham bestond er nog een stadje aan den regter Wolga-oever, zeven mijlen boven het dorp Solenka, ter plaatse waar thans het dusgenaamde Stre-letskaja wataga l) wordt gevonden. Do Tartaarsehe benaming van de bedoelde plaats is Koejock kala, dat is: afgebrand stadje. Men zegt, dat Jamgoertsjcï, de werkelijke of welligt de vermoedelijke stichter van Astrakan, hier des zomers zijn verblijf hield. Nog heden vindt men vele inenschen-bcenderen, gebakken steenen, Tartaarsehe munten in dat gedeelte des oevers, hetwelk door de Wolga bij gelegenheid der overstroomingen ter dier plaatse wordt weggespoeld. Vroeger werd hier nog een andere stad gevonden, namelijk Tsjoengoer, op eene halve mijl afstauds van het dorp Masjaïk en zeven mijlen van Astrakan. Gmelin deelt mede, dat, tijdens hij zich aldaar bevond, herhaaldelijk zilveren en gouden Tartaarsehe munten, ringen, oorversierse-len, armbanden, enz., werden gevonden. De meest belangrijke stad was echter Astrakan zelve, welke de Tartaren
') Aldus worden dc gebouwen geheeten aau den oever van rivieren staande en dienen tut liet uitoefenen van de visseherij; die aau het strand der zee zijn opgerigt, worden promysel genoemd.
122
Ilaïdar chan, in liet gewone spraakgebruik echter lladsji Tarehan noemden. Mag men geloot slaan aan de verhalen der Joerten-Tartaren, dan bevond zich op het eiland, waarop Astrakan is gebouwd, de winterlegerplaats der Nogaiërs. Een priester nit het geslacht van Ali, Tartan geheeten, deed deze plaats omringen met een aarden wal en een steenen muur, en sedert dien tijd is het aantal bewoners dier plaats allengs vermeerderd. Uithoofde van de ligging dier stad en de voordcelen, welke daaruit noodzakelijkerwijze voortsproten, moest aan deze plek verre de voorkeur boven üsjigyd worden geschonken en eindelijk vestigden dc Kagaiërs zich op die plaats voor goed. De kleine vesting Hadsji Tarehan, waaruit de Kussen Astrakan hebben gemaakt, was gelegen op dat gedeelte van het tegenwoordige kreml der genoemde stad, hetwelk het naast aan de Wolga grenst. Destijds stroomde do Wolga langs den muur der vesting; thans wordt zij op oen aanmerkelijken afstand van Astrakan gevonden. Do Tartaarsche masarkon of begraafplaatsen waren in de onmiddellijke nabijheid van het tegenwoordige kreml tot op eene halve mijl van daar, waar in do stad het ronde plein der voornaamste straat wordt gevonden cn dekeik, aan de heilige maagd gewijd, is gebouwd. Hevige stormen en plasregens Spoelen den bovengrond, uit zand en klei bestaande, weg en te midden der stad ontwaart mon van tijd tot tijd hot afzigtelijkc schouwspel, dat de grond met schedels en üieii sch en boen der e n is bezaaid.
In vroeger jaren waren dc Joerten-Tartaren verdeeld in oeloessen of taboenen, welke onder een der oudsten stonden; nit de beschrijvingen van gezantschappen, voor eeuwen door dc Russen naar dezen Ivalmoekschen AU} n chan afgevaardigd, worden deze hooiden tabocnan genoemd. Klke oeloes had zijne bijzondere benaming en word daarenboven nog naar den naam van den taboen genoemd. Hel getal dor laboenen was negen: zeven hunner had-
'j In zuidelijk Rusland liceft het woord tabocn de betcukenis van eeii lioep paardeu.
123
den den tilel van aga, twee anderen dien van moersa.
15Iko familie — en de inec-te oeloessnn bestonden uit éëne enkele familie, bij sommigen hadden zich twee familiën ver-oenigd — had haar eigen laniga, welke als stempel, cachet of wapen diende. Uoze tamga werd bij de Joerten-Tartaren niet gebezigd oin het vee le merken, want daartoe hadden zij een afzonderlijk merk.
Tijdens de verdeeling in oeloessen bij do Joerten-Tar laren nog in iiare volle kracht bestond, hadden zij oeloe.s-mannen en emesj-mannen ( van emek of dsjemek). Oeloes-mamien werden degenen genoemd, die gezamenlijk een taboen vormden; emesjmannen die tot den taboen behoorden in hoedanigheid van dienaren des aga's en van de taboe ncn. liet schijnt, dat deze ongeveer in dezelfde betrekking tot den oeloes stonden als bij de Kirgizen, in de verder verwijderde trans-Ü. ralsehe steppe, met de tulengn's en bij de Kalmoeken niet de kenteutsjiner het geval is.
De landerijen der Joerten-Tartaren liggen niet allen bijeen, maar hier en daar in afzonderlijke deelen, hetzij aan de Welga, of aan de armen dezer rivier. Volgens oiKciele opgaven hebben zij hoogstens een uitgestrektheid van 88,000 bunders, van welke ongeveer een derde gedeelte geschikt is om tot den landbouw of tot het winnen van hooi gebezigd te worden; al het overige is dor, volslagen onvruchtbaar. Hoewel een gedeelte hunner bezittingen tot aan de Wolga reikt, hebben de Tartaren echter niet het geringste aandeel in de visscherijen der rivier.
Wat betreft de bezigheden der Joerten-Tartaren, mag worden aangemerkt, dat de inwoners der dorpen Bobroftsko en Jesaoelskoje, even als degenen die in de nabijheid der grenzen gevestigd zijn, zich uitsliiiteiul met de veeteelt onledig houden. De inwoners der dorpen, gelegen in de nabijheid van Astrakan, leggen zich algemeen toe op het toeli'ii van velerlei groentesoorten, welke zij in genoemde stad ter markt brengen; aan de teelt van meloenen en komkommers moet de eerste plaats worden ingeruimd. Een ander gedeelte houdt zich met de veeteelt bezig. Algemeen genomen verhuren de Joerten-Tartaren zich als daglooners;
124
er moet echter aangemerkt worden, dat weinigen tor visch-vangst gaan, hetzij op de rivieren ot ter zee; grooter is het getal dergenen. die als inoesoeren of boerlaken (matrozen) dienen. Dewijl zij zich voor verre het grootste gedeelte niet uit hunne woonplaatsen behoeven te verwijderen om in hun onderhoud te voorzien, mag men tot de gevolgtrekking komen, dat er veel welvaart heerscht en er weinig gebrek wordt geleden.
Dk Astrakansche Kozakken.
De eerste grondslag voor de vorming van hel Astrakansche Kozakken-leger werd gelegd ten jarc 1730; het eerste Kozakkenregiment van Astrakan bestond uit 300 Kalmoeken, die de Christelijke leor hadden aangenomen. Ten jare 1750 werd de sterkte van dit regiment gebragt op 500 man, en steeds voltallig gehouden door het aannemen van verschillende soort van personen, die niet onderworpen waren aan het hoofdgeld, kinderen van voormalige strelitsen, Donsche Kozakkeu en nieuw bekeerde Kalmoeken en Tartaren. Gedurende de regering van keizerin Katharina werden drie stedelijke commandos daarmede vcreenigd, namelijk, die van Tsjernojar, Jenotajcwsk en Krasnojar; in het jaar 1801 werd dit toegepast op de commando's van Saratofif, Tsaritsyn cn Kamysjin. In het jaar 1804 werden bij dit korps al de voormalige Wolga-Kozakken getrokken, die bij de verplaatsing van het Wolga-regiment naar de linie van den Kaukasus, in 1777, in hunne woonplaatsen waren achter gebleven. Op die wijze ontstond het Astrakansche Kozakken-leger, hetwelk in lateren tijd zijne bijzondere inrigting verkreeg.
Tegenwoordig is dit leger gestationeerd langs de Wolga, te rekenen van dc stad Astrakan tot aan fearatoft de rivier opwaarts. Op dezen weg, ter lengte van 775 mijlen, bevinden zich 13 stanitsen of dorpen, elk met 100 a 200 huizen, waarin de zes commando's verdeeld zijn. Twaalf dezer stanitsen zijn gelegen aan den regtcr- of westelijken oever dor Wolga en een in de nabijheid van Astrakan, aan den linkeroever. Het leger is afgedeeld in drie regimenten en
125
eene brigade rijdende artillerie; cr zijn drie arrondissementen wat de landelijke iiideeling lietreft. Tot de landerijen van het eerste arrondissement behooren vijf stanitsen van het district Astrakan, twee in het district Jenotajewsk en in het commando van Krasnojar.sk. Het tweede arrondissement bevat vier stanitsen en drie commando's; in het derde anou-dissement zijn twee stanitsen in het arrondissement Tsaritsyn, benevens twee commando's, dat van Kamysjin en van Saratoftquot;. De uniform bestaat uit den gewonen Kozakken-jas, tsjek-men geheeten, nifit gele opslagen. Het gansche aantal der daartoe behoorende bevolking bedroeg ten jare 1850, 15,822 zielen, waaronder 7,098 van het mannelijk geslacht. Het leger bestond uit 8H staf- en mindere officieren, en 2,644 onder-officieren en manschappen; het getal uitgediende militairen bedroeg 20 officieren en 1,174 onderofficieren en manschappen, Het aantal kinderen van het mannelijk geslacht bedroeg 3,772.
Eigen bezittingen, wat vaste goederen betreft, hebben de Kozakken niet; ieder stafofficier verkrijgt tot zijn go-bruik 440 bunders land, een officier 220, en elk der manschappen 33 bunders van de landerijen, ten behoeve van het leger bestemd. Gelijk wij reeds bobben vermeld, zijn deze landerijen gelegen aan do Wolga en hare armen, gedeeltelijk aan den hoogen, gedeeltelijk aan den lagen oever in het Achtoeba dal, te midden van landerijen behoorende aan de kroon, aan bijzondere personen, aan verschillende steden, en die aan de Kalmoeken zijn afgestaan voor de veeteelt. Men berekent, dat het leger dor Astrakansche Kozakken thans 165,000 bunders vruchtbaar en 257,000 bunders onvruchtbaar land bezit; de overige 183,700 bunders onvruchtbaar land staan onder het behoor eener bijzondere commissie, welke te Astrakan haren zetel heeft. Met uitzondering van een klein gedeelte, is al het land, hetwelk tot het eerste arrondissement behoort en aan den regteroever dor Wolga is gelogen, zandig en onvruchtbaar, maar do weilanden van dit gedeelte zijn uitstekend; wijders wordt er zeer goed bouwland onder gevonden. In het tweede arrondissement is de landbouw reeds tof grooter
120
ontwikkeling gekomen, wanneer m.'u liet geluk heeft over-vloedigen regen in hel voorjaar te hebben. De Kozakken in het derde arrondissement gevestigd, waartoe enkele streken van Saratoff tot aan Tsaiitsyn behooren, bezitten zeer vruchtbare landerijen; liet gevolg hiervan is, dat zij zich bijna uitsluitend bezig houden niet den landbouw, welke hun groote voordeelen oplevert. Wat het houtgewas betreft, ten dezen opzigte deelen al deze landerijen in het algemeene lot; slechts hier en daar treft men enkele bosch-jes van geringe uitgestrektheid aan, voornamelijk in die streken, welke in het voorjaar onder water loopen.
Het leger der Astrakansche Kozikken heeft een aandeel in de visseherij in de Welga. De Kozakken houden zich echter met dien tak van nijverheid niet bezig; zij verpachten het regt daartoe aan anderen, onder voorwaarde dat het hun vrij sta tot eigen gebruik te vissollen. De opbrengst der verpachting werd vroeger gebezigd ter bcstrij-ding van uitgaven ten algemeenen behoeve gedaan, terwijl het batig slot onder de officieren en manschappen werd verdeeld; thans wordt de geheele som in de kas van het leger gestort. De opbrengst der verpachting bedraagt thans 32,000 gulden, maar was in vroeger jaren meer uan het dubbele dier som. De Kozakken in het eerste arrondissement gevestigd, maken nog al vrij wat werk van de visseherij, terwijl degenen die het derde arrondissement bewonen, algemeen den landbouw beoefenen ; toch hebben zij allen dit gemeen, dat de veeteelt allenvege op eene uitgebreide schaal wordt gedreven. Het leger heeft ruim 12,000 paarden, een veestapel, welke even talrijk is, benevens 20,000 schapen. Groot is het aantal Kozakken, dat de kennis om met vee om te gaan bij de naburige Kalmoeken heeft geleerd; zij leggen zich met uitstekend goed gevolg op dezen tak van nijverheid toe en bezitten zeer talrijke kudden schapen en een groot aantal paarden. Het grootste gedeelte van het vee vindt een gereeden afzet in de arrondis-sements hoofdplaatsen, in de nabijheid der stanitsen gelegen; vooral wordt in het voorjaar in liet dorp Stawka, dat is, legerplaats, eene groote markt gehouden; daar was
127
het, dnt in vooruialigen tijd de chan der Boekeï Kirgizon-horden zijn verblijf hield; wel is waar, deze chan trekt rond in het gebied van Astrakan, maar behoort onder het Orenburgsche commando.
In vroegeren tijd hadden de Kozakken het regt om al liunne officieren, tevens civiele ambtenaren, zeiven te benoemen; deze betrekkingen werden slechts tijdelijk aan de gekozenen opgedragen. De Kozakken van de Don en Tsjernomorië hadden zelfs hot regt hunne ataraannen te kiezen; bij de overigen worden tot die waardigheid gewoonlijk officieren der geregelde ruiterij benoemd. Heizelfde geschiedt bij do Kozakk n der Kaukasische linie en van de Don met do brigade en regiments kommandanten, bij dio van het Orenburgsche cordon met do brigade-kommandanten. Bij de oudste Kozakken is derhalve dit voormalige privilegie het. minst verkort. Hot regt tot benoeming dor officieren is hun echter geheel en al ontnomen. Zij worden allen door den keizer benoemd. Zelfs tot de mindere graden moeten uitslui tend Kozakken worden gekozen voor hun gansche leven. Dat do hoogero graden aldaar door niet-Kozakken worden bezet, geschiedt minstens oven zeer om staatkundige als om krijgskundige redenen want men heeft bespeurd, dat de Kozakken niet zeer geschikt zijn tot het vervullen van dergelijke betrekkingen en dat die troepen boter strijden onder vreemden dan under opperhoofden van hiui eigen stam. De hoogste bevelhebbers worden goheeten Kosjewoï of woïskowoï ataman, dat wil zeggen: atamannendes legers.
Sedert do democratische vorm is afgeschaft bij het benoemen van do verschillende ambtenaren en dit geschiedt door keizerlijke aanstellingen, heeft zich onder de Kozakken een erfelijke adel gevormd, terwijl vroeger allo Kozakken volkomen gelijk in rang waren; niettogenstaande dat bestonden ouder hen ten allen tijde aanzienlijke, invloedrijke geslachten, ais bij voorbeeld die van Platoff, Grekoft', Krassnotf, Koetsnetsoff, Orloff, Denissoff, delo-waïsky en andoren; de nieuwe adel vermeent aanspraak te mogen maken op gelijken rang als do Russische adel. Uithoofde de gemeenschap van grondbezit, gelijk dit nog
128
heden bestaat onder de Kozakkeu aan de Oeral, sedert de vorige eeuw bij sommige stammen is opgc'neven, begon deze Kozakken-adel aan de Don lijfeigenen op hunne goederen aan te nemen. Ten gevolge van de oneenigheden, welke daaruit zijn voortgesproten, is liet land aan de Don eindelijk in vijf districten verdeeld, waarvan een aan de adellijken behoort; in dit district alleen is het den adel lijken veroorloofd lijfeigenen te hebben.
De Kozakken betalen geen hoofdgeld, zijn niet onderworpen aan de conscriptie, hebben het regt brandewijn te stoken en bier te brouwen, zout voor eigen gebruik te bereiden, terwijl zij groote visscherjjen en jagten bezitten. Monopoliën van regeringswege bestaan bij hen niet, wat betreft hetgeen zij voor eigen gebruik behoeven. Voor al deze vrijheden dienen zij te paard, waar zulk» door de regering wordt gevorderd. Soldij en onderhoud voor man en paard wordt slechts dan verstrekt, wanneer zij ten dienste des lands de wapenen hebben opgevat. Daarentegen bekomen zij van de regering krijgsbehoeften, zoo voel zij behoeven.
Het leger der Kozakken is ingedeeld in regimenten, ba-taillons en batterijen. De regimenten en bataillons zijn afgedeeld in sotnen, hetgeen honderd man beteekent; kleine eskadrons ter sterkte van 120 a 150 paarden en manschappen, of kompagniën bij de infanterie en kavallerie. Elk regiment heeft niet een gelijk aantal sotnen; gewoonlijk echter telt elk regiment er zes. Zoodra zij moeten uittrekken, worden de regimenten gevormd, welke alsdan een nummer of een naam verkrijgen.
Naar gelang de omstandigheden dit vereischen, wordt een of meer regimenten onder de wapenen geroepen, hetzij om dienst te doen op de linie tegen de oproerige grensbewoners, hetzij om in het binnenland behulpzaam te zijn tot bewaring der rust, tegen het sluiken te waken of ter beveiliging des legers bij het doen van togten in 's vijands land.
De indeeling der Kozakken in regimenten en sotnen komt geheel en al overeen met de iurigting van het bur-
129
gerlijk bestuur en komt geheel en al overeen met de in-rigting van de Pruissische landweei-bataillons. Gewoonlijk wordt elk regiment, na een diensttijd van drie Jaren, door een ander afgelost. Waar een geringer aantal manschappen in dienst staat, geschiedt de aflossing bij sotnen.
Ieder Kozak is verpligt de wapenen te dragen. Elk regiment moet van het vereischte aantal paarden en wapenen zijn voorzien. De gegoeden onder hen schaffen zich zeiven paard en wapenen aan; wie daartoe niet in staat is, verkrijgt ze uit de reginientskas, want elk der Kozakken-regimenten heeft zijne eigene kas, tuighuizen, in (-én woord, wat tot de wapening en het onderhoud er van benoodigd is.
De Kozakken worden, naar gelang van hunnen ouderdom, in drie klassen verdeeld. De eerste klasse bevat dejongo lieden van IS tot 25 jaren, die in de rijkunst, de wapenoefening en de courierdienst geoefend worden. De tweede klasse bevat die van 25 tot 40 jaren en vormt de regimenten, terwijl de meer bejaarden tot de reserve behooren. !)
liet is zeer natuurlijk, dat in de Kozakkenlanden, wier stammen niets meer te vreezen hebben van onrustige naburen en wier bewoners sedert lange jaren door de beoefening van velerlei takken van nijverheid tot welvaart zijn geklommen, — gelijk aan de Don en, hoewel minder algemeen, aan de Oeral in Siberië en zelfs bij de Tsjerno-moren het geval is, — het is zeer natuurlijk, dat bij hen geene groote geneigdheid bestaat om de wapenen op te vatten. De dienst op de linie aan den Kaukasus en die ter handhaving van orde en rust in het binnenland des rijks, welke weinig voordeel opleveren en waarbij de tucht voor Kozakken, die aan vrijheid zoo gewoon zijn, steeds ge-
130
streng moet toeschijnen, in één woord, de dienst waarbij zij paard en wapenen bederven en bijna niets verdienen, terwijl nog daarenboven dc takken van bestaan, welke hun aanzienlijke voordeden verschaften, verloopen en eindelijk te niet gaan, moet den Kozakken wel zeer weinig aanlokkend voorkomen. Hieruit is als het ware noodzakelijkerwijze een stelsel van plaatsvervanging ontstaan, waarvan eenvoudigheid het ware kenmerk mag genoemd worden.
Zoodra een Kozakken-stanitse het bevel heeft ontvangen om een bepaald contingent te leveren, wordt eene vergadering gehouden door alle dienstpligtige mannen. Deze vergadering heeft plaats op het marktplein. Indien nu, bij voorbeeld, een derde gedeelte der manschappen in dienst moet treden, verdeelen zij zich in drie groepen, namelijk die geen lust hebben om de wapenen op te vatten en die door plaatsvervanging iets willen verdienen. De vrijstelling van de dienst geschiedt dan door middel van opbod. Een hunner zegt: ik betaal eene som van zooveel, aan dengene, die voor mij uittrekt; een tweede biedt grooter som gelds aan en zoo vervolgens; die eindelijk het minst heeft geboden, trekt uit en verkrijgt hot geld, dat de beide anderen geboden hebben.
Het schijnt, dat deze wijze van rcmplacering aanleiding heeft gegeven tot verkeerdheden, welke een nadeeligen invloed op de dienst hebben uitgeoefend, want voor korten tijd is deze vrijheid door den minister van oorlog Tsjernitsjen zeer beperkt.
Ten jare 1837 werd voor de dienst de onmiddellijke wapening van vier regimenten, elk van 550 man, gevorderd. Binnen den tijd van drie weken waren zij bereden, gewapend en uitgerust ter bestemder plaatse aanwezig. Van gemeente tot gemeente werd het bevel overgebragt, dat zij op het marktplein tc Oeralsk zich moesten verzamelen. De woskawoï, dc plaatsvervanger en adjudant van den attaman, reed op den bepaalden dag onder de verzamelde menigte en het bevel des keizers boven het hoofd houdende, riep hij uit: rtAttamannen ! De keizer eischt, dat gij de wapenen zult opvatten ten getale van vier regimenten!'
131
Daarop ontblootte hij het hoofd en las het keizerlijk bevelschrift voor, waarbij de plaats werd aangewezen, alwaar zij zich moesten verzamelen. Eu hiermede was alle bemoeijing der regering met de voorgeschreven wapening afgeloopen. Ter plaatse waar zij zich bevonden, verdeelden zich de aanwezigen op do vroeger vermelde wijze. Gewoonlijk heeft dit plaats bij wijze van familie. Indien één op de 5 of 7 man moet uittrekken, dan vereenigen zich de naaste verwanten en die van hen het best kan gemist worden of die lust heeft voor de dienst, neemt do wapenen op; de overigen betalen hem eeno bepaalde som gelds, bekostigen zijne uitrusting en verzorgen zijne vrouw en kinderen, indien hij gehuwd is. Gebeurt het dat hij aan den drank is verslaafd, dan wordt het geld niet aan hem, maar aan een zijner bloedverwanten ter hand gesteld. De som gelds, welke aan een plaatsvervanger op die wijze wordt uitbetaald, is nu eens hooger, dan weder lager dan vroeger; dit hangt van de omstandigheden af. Is het getal dergenen, die de wapenen moeten opvatten, zeer gering, dan verkrijgt degene, die voor een ander uittrekt, eene vrij aanzienlijke som golds, want velen dragen daartoe bij. Gebeurt het. bij voorbeeld, dat ëón op de 8 of 10 man moet dienen, dan draagt ieder hunner ligtehjk 200 h. 400 gulden daartoe bij. Worden recruten voor de garde des keizers of der keizerin gezocht, waartoe natuurlijk geene dan knappe, groote mannen aangenomen worden, en daar dienst bij de garde zeer mocijelijk is, betaalt men den rempL^ant somtijds 10 «i 12 duizend gulden. Op gelijke wijze wordt voorzien in de dienst op dn wachtposten aan de grenzen; die het digtst er bij wonen, nemen de dienst voor anderen waar en hiervoor ontvangen zij jaarlijks 4 a, G honderd gulden. Eens op een tijd was het zoover gekomen, dat van de 3 man 2 moesten uittrekken; de derde betaalde zekere som gelds, welke tusschen de beide anderen gelijkelijk werd verdeeld. Slechts zeer rijke personen of die volstrekt niet konden gemist worden, mogten te huis blijven, waarvoor zij een aanzienlijk gedeelte van hun vermogen ten offer moesten brengen. De prijs van een plaatsvervanger bedroeg 1,800
132
k 4,000 gulden. Elfhonderd rijke Kozakken bragten gedurende eon paar dagen ruim drie millioenen guldens op, ten einde zich van de dienst vrij te koopen! — Den vierden dag na do uitvaardiging van het bevel, waren allen op het marktplein te Oeralsk vergaderd. Elk der 4 regimenten had zijne bijzondere loopplaats, waar het kader der officieren reeds bijeen was. Nu traden de verschillende partijen in overleg met elkander; wie niet wenschte uit te trekken, bepaalde de som gelds, welke hij daarvoor wilde afstaan, en weidia waren de beide partijen het eens. Zoodra zij onderling waren overeen gekomen, gaven zij elkander de hand, een der officieren lei de zijne er op en het contract was gesloten en regtsgeldend. Vervolgens keerden allen huiswaarts en veertien dagen later stonden de vier regimenten slagvaardig. Veel tijd wordt er bij dergelijke gelegenheden niet verspild, want waren zij het binnen veertien dagen niet eens over de zaak, dan zou de regering tusschen beide treden en den eerste den beste in dienst stellen, op wien zij do hand kon leggen, totdat het ver-eischte aantal manschappen onder de wapenen stond.
Ten opzigte van de orde en regelmaat, waaraan de Kozakken als militairen thans zijn onderworpen, leest men het volgende. Niet slechts de Kozakken aan de Don gevestigd, maar ook de Saporogen en Klein-Russische Kozakken heeft men het verwijt gedaan, dat zij van hunne voormalige dapperheid waren ontaard. Men bedenke echter, dat Hannsteen, ten jare 1730, reeds van dezelfde beschuldiging heeft gewag gemaakt; als zeker mag beschouwd worden, dat hot invoeren der krijgstucht meer als het gevolg dan als de oorzaak van den minder krijgszuchtigen aard, welke de Kozakken thans bezielt, moet beschouwd worden.
Kwam het ooit iemand in den zin om de Kozakken volkomen op gelijke wijze te behandelen en een aanval met hen te ondernemen, zoo als met een regiment geregelde kavalerie; wilde men bij hunnen krijgszuchtigen geest, welke zelfs het kenmerk is van den meest verwijfde onder hen, dat zij als geregelde troepen slechts werktuigen zouden zijn in de hand des aanvoerders, dan zou men dc
133
geestdrift, bij hen uitdooven, en oneindig minder met hen uitrigten dan hetgeen geregelde troepen zeer gemakkelijk zouden verrigten.
Aan den anderen kant moet in aanmerking worden genomen, dat do krijgshaftige geest zich bij hen niet meer op gelijke wijze als vroeger kan ontwikkelen, en zij veilig in de door hen bewoonde oorden gevestigd zijn, sedert er geen chan's in de Krim meer worden gevonden, die zich verbasterd waanden van hunne voorvaderen, indien zij niet minstens eenmaal do scherpte van hun zwaard aan de bewoners der Oka-oevers, in de nabijheid van Moskou, hadden doen gevoelen. Sedert de Kalmoeken en Basjkieren bedwongen, de Nogaïers over de Koeban en Terek zijn teruggedrongen, sedert dien tijd is alle gevaar aan de boorden van de Don, de Donets en de Wolga verdwenen. De voormalige buitenposten, waar een Kozak op een houten stelling stond, met een hoop brandhout in zijne nabijheid, waarin hij bij het geringste teeken van onraad de fakkel wierp, ten einde binnen weinige oogenblikken het gansche land in rep en roer te brengen, zij worden aan de genoemde rivieren of hare omstreken niet meer gevonden, maar staan zij thans aan liet cordon van de Koeban en Terek en nog verder oostwaarts, ten einde de Kirgizen der Kleine horde en de Tartaren van China in bedwang te houden. Tot aan die verwijderde streken zijn de kreposten, dat is, dc kleine forten achterwaarts gedrongen.
De jonge Kozak aan do Don leert den wapenhandel in eene zeer vreedzame school. Rijdt hij door de steppe, dan ziet hij niet met scherpen blik naar alle zijden rond of welligt niet hier of daar een loerende vijand wordt bespeurd; en gebeurt het, dat de omstandigheden veranderen, dat er oorlog zal gevoerd worden, dan heeft dit niet plotseling, niet onverhoeds plaats, maar gewoonlijk is hij maanden te voren er van verwittigd.
liet opflikkeren der vlammen, welke dc naburige stanit-zen in de asch leggen, roept hen niet langer in den zadel, die in staat zijn de lans, dc kantsjoe of de sabel te voeren, die met pistool of boog kunnen omgaan. Niet langer worden
134
de Kozakken uit den slaap gewekt om naar de waadbare plaatsen van de Uon en de Donets te ijlen, om er de met buit en gevangenen beladen Tartaren te plunderen. De tijden zijn voorbij, waarin do bewoners van de Don of de Donets, zonder hulp van anderen dc stad Asoff, het Amsterdam der Zwarte zee, innamen on Trebisonde plunderden.
In den waren zin des woords zijn dc eigenlijke Kozakken bewoners van onveilige grenzen des lands, uit andere oorden derwaarts getrokken om die tegen de aanvallen van naburen of anderen te verdedigen, waarvoor zij het land, door hen bewoond, in huur houden en daarvoor een onophou-delijken krijg voeren. Waar de afstammelingen dier eigenlijke Kozakken gevestigd zijn gebleven, terwijl Rusland zijne grenzen steeds verder heeft uitgebreid, worden zij tot allerlei diensten gebezigd, als ambtenaren tot wering van sluikerij, marchaussée; goede vreedzame burgers zijn zij geworden, maar van Kozak hebben zij niet anders dan de benaming behouden. Men geeft hen wel eens na, dat de oude herinnering aan de dapperheid en heldenmoed hunner voorvaderen eerder bij hen is verloren gegaan, dan die aan hetgeen deze zich veroorloofden ten opzigte vau de bezittingen van andere personen, met wie zij niet in oorlog waren. In hun land zijn de Kozakken ongetwijfeld eerlijke, brave lieden. Dieverijen worden hoogst zelden onder hen gepleegd; zij weten echter niet altijd even goed onderscheid te maken tusschen den tegenwoor-digen tijd en de vorige eeuw; zij verliezen wel eens uit het oog, dat thans niet meer op de voormalige wijze krijg gevoerd wordt ten meesten voordeele van ieder, die dc wapenen heeft opgevat. Op die wijze slechts de overlevering ten dezen opzigte raadplegende, vinden zij er niets onteerends in om de bewoners van een vijandelijk land te beroovcn.
De Kalmoeken.
De Kalmoeken, bewoners der oorden aan de Wolga gelegen, waren vroeger aan gene zijde van het Altaï-gebergtc gevestigd. Uit die streken begaven zij zich naar de steppe der Kirgizen, waar zij even als in hunne oorspronkelijke
135
woonplaats nog een zwervend leven leiden; zij bereikten de bronnen der Tobol, der Jemba, trokken over de Oeral en verschenen reeds in de 17'quot;' eeuw aan den lagen of linker oever der Wolga, in vervolg van tijd insgelijks de No-gaïscbe zijde gebeeten, zoodat zij beide oevers der rivier in bezit namen. Van dien tijd heersebten zij over de steppe van de Oeseeën en Naryn Pesski tot aan de hoogte van Erghene en de Koema.
Do Kalmoeken hceten zich Eloeth; zij vormden in vroeger tijden, met eenige andere stammen der Mongolen, ééne enkele horde of, zoo als de Kalmoeken het noemen: een Derboen oïroetli, dat is een viervoudig verbond der stammen; doze vier stammen waren: de Dsoengarcn Tergeten of Torgoöeten, Chosjoöeten en Choïten.
liet eerst zakten de Tergeten naar Rusland af. Ten gevolge der banden van bloedverwantschap tusschen de hoofden dozer Tergeten en die van eenige andere stammen, kwamen later sommigen hunner insgelijks naar Rusland. In vervolg van tijd trokken eenige gedeelten dezer stammen, die aanvankelijk hunne oorspronkelijke woonstede niet hadden verlaten, zelfs naar de verwijderde vlakte der Wolga, alwaar zij in de vruchtbare, vette weidevelden hun zwervend leven voortzetteden.
Nadat de Kalmoeken ruim eene eeuw in deze vlakte hadden rondgezworven, vingen zij aan zich bij gedeelten van het algemeen verbond los te scheuren; een deel van hen trok weder het Altaïgebergte over, een ander begaf zich verder westwaarts, waar betere weidevelden werden gevonden, terwijl zeer velen de Heidensche leer afzwoeren, de Christelijke omhelsden en tevens met de godsdienst de zeden en gebruiken der Russen aannamen. De overigen, die in de streken aan de Wolga bleven voortzwerven, bestonden uit een mengsel van de stammen, die vroeger zich naar die oorden hadden begeven. Hun aantal vermeerderde vooral, nadat de chan der Kalmoeken, Oeboesja gebeeten, de grenzen van Rusland had verlaten niet de horden, die aan zijn gezag onderworpen bleven; de overigen, namelijk, die hem niet waren gevolgd, werden met hunne geloofsgc-
136
nooten verecnigd onder de hoofden, die de naast gelegen streek bewoonden, waar zij vroeger zich hadden opgehouden. Thans zijn de Kalmoeken aan de Wolga in negen hoofdgroepen verdeeld, die allen onder de benaming van oeloessen een afzonderlijk, op zich zelf staand geheel vormen, maar oorspronkelijk zijn uit de vier opgenoemde stammen.
De meerderheid der Wolga-Kalmoekon behoort aan de kroon, en maakt uit hetgeen men noemt; de kroon-oeloessen. Aan hun hoofd bevinden zich personen, door de kroon benoemd; zij staan ouder het bestuur der domeinen, dat te Astrakan zijn zetel heeft. Andere oeloessen zijn bijzonder eigendom van edellieden, afstammelingen van Kalmoeksche hoofden, die zich noïonen noemen en even als de kroon-Kalmoeken afhankelijk zijn van het bestuur der domeinen. Buitendien worden nog eenige oeloessen gevonden, wier leden weinige in getal zijn, aan de zoogenoemde ukleine hoofdenquot; toebehooren en bij de overigen worden gerekend, liet gebeurt mede, dat verscheidene oeloessen bijeen worden gevoegd, ten einde het bestuur tc vergemakkelijken. Met het doel om bejaarde en behoeftige stamgenooten te verzorgen, hebben de beoefenaars van verscheidene takken van bedrijf — vooral onder do Kalmoeken, die hun onderhoud vinden in de zoogenaamde nMotsjagen,quot; gelegen aan de noordwestelijke kusten der Kaspische zee — bijzondere instellingen in het leven geroepen; allen die zich daar ophouden, vormen onafhankelijke vereenigingen of oeloessen, en staan bekend als Motsjager Kalmoeken. Onder deze laatsten vindt men Kalmoekcn van alle stammen eu vertakkingen van dit volk, zoowel van hen die aan de kroon, als die tot de talrijke oeloessen behooren, welke bijzonder eigendom zijn.
Sedert overoude tijdon bestaat bij de kolonisten het gebruik om giften van verschillenden aard in te zamelen; dit wordt alban gehcetcn. De opbrengst hiervan strekt ten behoeve van het volk of, zoo als zij het noemen, ten dienste van den noetock, voor dc noetogia gharoed, dat is, ten dienste van het gansche volk. Dc uoetoek wordt dat
137
gedeelte des lands of die streek geliceten, waarop een der stammen zijn zwervend leven leidt. De hoofden der stammen, die zich vroeger taïsjen, later noïonen hebben ge-heeten, veranderden deze. inzamelingen in zoo verre, dat zij in plaats van voorwerpen van verschillenden aard, nit-sluitend geldelijke bijdragen ontvangbaar verklaarden te zijn. Deze dienden eindelijk niet langer om te voorzien in de behoeften des volks, maar alleen ten hunnen behoeve, terwijl zij daarenboven de hoegrootheid der som, in die collecte bij te dragen, naar willekeur vaststelden. In 1825 maakte de Russische regering aan dit alles een einde, door te bepalen dat do alban niet hooger mogt gesteld worden dan 15 gulden j)er hoofd. Deze som wordt thans jaarlijks geheven en vloeit in de kas der domeinen, wat betreft do kroon-oelocssen, in do beurs der noïonen of hoofden, wat aangaat de bijzondere of erfelijke oeloessen.
Hetgeen meer dan dit alles belang inboezemt, maar tevens het bezwaarlijkst is om met naauwkeurigheid daaromtrent onderrigt te worden, is de plaats te vernemen, waar een Kalmoeksehe stam rondzwerft en de wijze waarop dic landstreek onder de leden van den stam verdeeld wordt. Dikwerf hoort men verhalen, ndat do zwervende volkstammen van daag hier, morgen weder elders hun kortstondig verblijf opslaan, dat zij zonder eenig plan of doel ronddolen, naar gelang het toeval dit medebrengt.quot; Al wat daaromtrent wordt verhaald, is volkomen bezijden de waarheid.
Wat kan den mensch wel dierbaarder zijn dan het land, hetwelk hij bewoont, dat hem voedt en waar hij in do behoeften des levens kan voorzien? Behoorcn wij nu de zwervende volkstammen als halve, zoo niet als geheel wilde volken te beschouwen, het laat zich toch niet aannemen, dat zij volstrekt geeno gehechtheid zouden koesteren voor do landstreek, welke de regering hun hoeft geschonken, waarop zij hunne kudden weiden en van welker vruchtbaarheid hunne welvaart uitsluitend afhangt. liet gewone gezegde, dat rrhoden deze stam, een jaar later weder een geheel andere door diezelfde streek dwaalt,quot; (rdat zij doelloos do streken, door hen bewoond, doortrekken,quot; dit en
138
andere dergelijke gezegden zijn geheel uit de lucht gegrepen. Men behoeft de zaken slechts met eenige aandacht na te gaan, om al spoedig tot de overtuiging te komen, dat alle zwervende stammen, hetzij Kalmoeken, Kirgizen of anderen, naar een vast aangenomen stelsel te werk gaan.
Vangen wij onze beschouwing aan met het wintersai-soen. Gedurende de wintermaanden blijven de zwervende volkstammen gewoonlijk in euue en dezelfde streek gevestigd. Zij slaan hunne tenten op en omgeven die met eene omheining, waar binnen hunne kudden weiden en die tevens eene zekere beschutting verleent aan hunne ligte woningen tegen de stormen en hot ruwe weder, welke gedurende den winter zoo menigwerf heerschen. Het kleine vee wordt in de nabijheid der tenten of kibitka gehouden en met hooi gevoederd, of wel men veroorlooft hot vee in de nabij gelegen weiden zijn voedsel te zoeken. Kundvee en schapen blijven slechts des daags buiten; des nachts worden zij binnen de omheining gedreven. Alleen de paarden blijven dag en nacht in 't veld, en weiden t zij in de nabijheid of op eenigen afstand van de gemeenschappelijke woonplaats.
Is de bodem echter zoo vruchtbaar, leveren de weidevelden zulk een rijken voorraad van gras, dat men ze niet behoeft te hooijen, ten einde voor wintervoeder zorg te dragen, en bestaat er geene vrees voor nachtvorst, dan houden zij zich des winters niet voortdurend in dezelfde plaats op, maar trekken in de door hen bewoonde landstreek rond. Hoe dit geschiedt, naar welk plan men daarbij te werk gaat, dit zullen wij terstond nader in oogenschouw nemen, zoodra wij een blik hebben geworpen op de levenswijze dergenon, dio gedurende den winter zich voortdurend in eene en dezelfde plaats ophouden.
Zoodra de sneeuw in het voorjaar is gesmolten en het eerste groen der weidevelden zigtbaar wordt, breken do zwervende volkstammen hunne tenten op, pakken ze met al hun huisraad op kamcelen of, — waar deze niet meer worden aangctroft'en, — op ossen ot paarden, en zij vangen hun zwervend leven weder aan; zij trekken nu in de rig-
139
ting voort, welke naar aloude gewoonte telken jaro wordt gevolgd.
Heeft men een weg van drie, vijf, somtijds van tien mijlen afgelegd, dan houdt de aoel der Tartaren, of de choton der Kalmoeken stand; beide deze woorden: aoel en choton beteekenen een door bloedverwantschap of gelijke belangen zaamverbonden aantal gezinnen. — Uc mannen onderzoeken de hoedanigheid der weidevelden of er gras genoeg groeit voor de kudden en of er een voldoende hoeveelheid water wordt aangetroffen in de bronnen. Levert dit onderzoek een voordeeligen uitslag op, dan vangt men terstond aan met het opslaan der teuten, het vee wordt in de weiden gebragt 011 voor de paarden, runderen en schapen een bepaald gedeelte afgezonderd. Het opslaan der tenten wordt aan de vrouwen overgelaten; het huisraad wordt ter behoorlijke plaats gestold, bet eten gekookt en in de huisselijke behoeften naar eisch voorzien; op een vastgesteld uur wordt het vee, de paarden en de geiten gemolken, terwijl do mannen de bronnen reinigen en hnt vee drenken. Het overige gedeelte van den dag zijn do vrouwen bezig met anderen huishoudelijken arbeid; zij maken kleoderen, her-stelleu het bekleedsel der teuten, vervaardigen vilt en ver-rigten andere bezigheden, welke tot de huishouding in den uitgestrekten zin des woords mogen gerekend worden.
Na verloop van acht dagen, iets langer of korter naar gelang het vee de weiden in de omstreken dor plek, waar hot tijdelijk verblijf is gevestigd, heeft afgegraasd, breekt de de aoel of de choton weder op, zot zich vijf a zeven mijlen verderop neer, naar mate de gelegenheid daartoe gunstig is. Op deze regelmatige wijze gaat men dagen, weken, ja, maanden lang onafgebroken voort.
Tegen het einde des zomers bereiken zij de grenzen der streek, waar binnen zij jaar uit jaar in rond zwerven; in Augustus ot in September keercu zij langs den vroeger ingeslagen weg terug of volgen een andoren, zoodat zij langs een omweg do plek weder bereiken, van waar zij zijn uitgegaan. Geschiedt dit langs den vroeger gevolgden weg, dan weiden zij hunne kudden niet ter plaatse waar
140
het gras vertreden en afgegeten is; maar zij kiezen daartoe andere plekken, op eenigen afstand van daar, ten einde beter voeder aan de kudden te versehaflfen. Op het einde van den herfst bereiken zij liet vroegere winterverblijf, dat zoodanig als het meest geschikte is uitgekozen; derwaarts is het, dat het noodige voeder voor het vee wordt heengevoerd, hetwelk zij op hunne togten hebben gehooid.
Bij deze togten gebeurt het menigwerf, dat de wegen door verschillende aoels of chotonen gevolgd, elkander kruisen; maar nimmer zal de plek, waar een stam of een gedeelte er van zich gewoonlijk nederzet, door een ander in beslag worden genomen. Om verschillende redenen heeft iets dergelijks nimmer plaats. Vooreerst zet elke stam zich het eerst op de gewoonlijk door hem bezochte plekken neder, waarbij hij steunt op het regt des eersten bezitters, nog versterkt en als het ware geheiligd door eene gedurende onheugelijke jaren bestaande gewoonte; dit geeft elk van hen een onschendbaar regt op die plekken. Ten andere worden de velden, tot op eenigen afstand van liet middenpunt waar de stam is gevestigd, zoodanig door het vee afgegraasd, dat zij voor andere stammen onbruikbaar mogen beschouwd worden. En hierbij mag vooral niet uit het oog worden verloren, dat de aartsvaderlijke zeden en gebruiken der zwervende stammen niet dulden, dat de geringste inbreuk geschiede op hetgeen door langdurige gewoonte het karakter van onschendbaarheid heeft verkregen.
Ten gevolge van dezen eerbied voor hetgeen van oude herkomst is, worden de grenzen der streken, waarin elk der oeloessen zich gewoonlijk nederzet, nimmer door anderen overschreden en is de gansche uitgestrektheid der vlakte, waar zwervende volkstammen zich ophouden, tusscben de verschillende stammen en gezinnen verdeeld. Wie derhalve do levenswijze dier volkstammen heeft leeren kennen, zooquot; mede de plaats waar zij zich op houden, zal tevens in staat zijn te bepalen waar een oelocs of een geheel geslacht of wel een gedeelte er van op oen bepaald tijdstip zich zal ophouden, liet behoeft wel niet gezegd, dat op den alge meenen regel, welken wij hier met betrekking tot de levens-
141
■vvij/.e der zwervende volkstammen hebben medegedeeld, uitzonderingen voorkomen, welke als het gevolg mogen beschouwd worden van ooizaken van meer of minder belang. Mag het bovenstaande worden beschouwd als de algemeene regel, met betrekking tot de levenswijze der nomaden, het geldt voornamelijk ten opzigte van de Kalmoeken. Langdurig en naauwkeurig onderzoek heeft ons de overtuiging verschaft, dat de steppe ter wederzijde van de AVolga, tot de Koema en de rivier Jegorlyk onder de talrijke oeloessen der Kalmocken en eenige naburige stammen is verdeeld.
Het meerendeel der oeloessen en der verschillende volkstammen brengen den winter aan de boorden van de Koema door. Deze kwartieren betrekken zij in October of November; des zomers houden zij zich in andere streken op, waar zij en hunne kudden minder door muggen geplaagd werden. Andere oeloessen overwinteren aan de oevers der Welga of aan de boorden van kleinere rivieren der steppe. Hoe menigwerf de wegen, door de verschillende stammen gevolgd, elkander kruisen in de steppe, toch mag men zeker zijn, dat de vroeger door ons medegedeelde regelen ten opzigte van de halten, enz., door allen worden in acht genomen. In plaats van dit gedeelte hunner levenswijze verder tol in de bijzonderheden na te gaan, wenschen wij liever een blik te werpen op de zeden en gebruiken der Kalmoeken.
Bij do Kalmoeken bestaan drie standen, welke door de Russische regering zijn erkend en elk hunne bijzondere regten hebben. De eerste stand is die der noïonen, die gelijk staan met de edelen; de tweede die der caïssanger, die naar gelang van den trap, waarop zij in het bestuur als ambtenaren staan, de regten van het persoonlijke of eere-burgerschap genieten; tot den derden stand behooren de gewone Kalmoeken, die gelijke regten bezitten als de boeren in andere oorden. Maar buitendien is er nog een stand, namelijk, die der geestelijken. Gelijk de lezer weet, belijden de Kalmoeken de Bhoeda-godsdienst. Die leer veroorlooft de geestelijken niet om in het huwelijk te treden. De tempels of bedehuizen noemen zij koeroelen.
142
De geestelijken zijn in drie graden verdeeld, namelijk, glie-loengen of priesters van don eersten rang, gezoelen of priesters van den tweeden rang cn mansjiken of leerlingen. Do noïonen, saissagen cn geestelijken worden por hoofd aangeslagen, do overige Kalmoeken bij geslachten of kibit-ken; met tamelijk veel zekerheid mag elke kibitka of tont op drie personen van liet mannelijk on nrio personen van hot vrouwelijk geslacht worden gerekend.
Bij do Kalmoeken bestaat do gewoonte om zich het hoofdhaar in het rond tot op tv ee a drie vingors breedte van de kruin tot aan den nok weg te scheren; het ovcrigo godoclto dragon zij mot eene naad in hot midden op de wijze der Kozakkon. Uon baard scheren zij mode af; alleen den knevel laat men grooijen, maar deze wordt nimmer omgekruld. Grijsaards snijden bot haar niet af, maar vlechten hot op het achterhoofd tot oen staart to zamen. Bijna clko Kalm eek draagt in hot linker oorlapje oen ring, en oen ring aan eon dor vingers.
Het hoofddeksel der Kalmoeken bestaat uit eene muts, met oen rond van schapenvacht omzet, vervaardigd van geel laken mot oen vierkant bovenstuk, waaraan een roodo kwast hangt. Do vrouwen dragon dergelijke mutsen, maar somtijds van kostbare stof, van zijdo met goud- of zilverdraad gestikt en met kostbaar bontwerk omzet. Hot haar wordt in hot midden gescheiden en in twee lango vlechten gedragen, welke over de schouders voor langs do borst hangen; aan het einde is een haarzakje van zwart plusch bevestigd.
De eigenlijke steppc-Kalmoeken dragen hooge mutsen, op de wijze van de chako's der lansiers. Als zoor sierlijk geldt het afscheren van hot haar rondom hot hoofd bij do mannen, terwijl het bij do vrouwen oono vaste gewoonte is om zich te blankotton en aan de korte vlechten van hot hoofdhaar valscho vlochten van paardchaar to binden, indien zij, namelijk, aanspraak op sierlijkheid willen maken.
Zoowel mannon als vrouwen dragen hot hemd, hetwelk slechts tot aan don gordel reikt, op de borst geheel open, en zeer wijde broeken. Over het hemd dragen de
143
mannen eene soort van overjas van blaauw nanking; in don lieifst en bij regenachtig weder eene korte pels van paardclmid vervaardigd, en in den winter een langen jas met schapenvachten gevoerd, waarvan de bovenstof meer of minder kostbaar is, naar mate van den stand des dragers. De vrouwen dragen een bovenkleed van sits of zijde, hetwelk met een zijden gordel om liet midden wordt vastgemaakt; over het bovengedeelte wordt de lange hemdskraag omgeslagen, liet bovenste der overkleden is vervaardigd van nanking, sits, katoen, zijde of fluweel en gewoonlijk met strooken van zijde of andere stof bestikt. Bij het paardrijden draagt men dergelijke klceren, maar zonder wijde mouwen en met een schoot van voren en van achteren. Een zakdoek in do hand en ringen aan de vingers worden als onmisbare voorwerpen beschouwd om zich een sierlijk uiterlijk te verschaffen. Bij de jonge meisjes is het de gewoonte om den ring aan deu pink te dragen, bij de gehuwde vrouwen daarentegen aan den wijsvinger; daarenboven hebben de ongehuwde vrouwen dc vaste gewoonte om de vlechten naar achteren, de gehuwden daarentegen ze over de borst te dragen, hetwelk als een onbedriegelijk teeken ten dezen opzigte mag beschouwd worden.
Vrouwen en mannen zijn hartstogtelijke rookers; geen enkele Kalmoek, 't zij oud of jong, man of vrouw, gehuwd of ongehuwd ziet men ooit zonder eene pyp bij zich te hebben, welke zij zeiven vervaardigen. Hun voedsel komt geheel en al overeen met dat der naburige Mohammedaamsche stammen. Hunne leer verbiedt hun het gebruik van brandewijn niet, en zij zijn zeer gesteld op dezen drank. In den zomer drinken zij eene groote hoeveelheid brandewijn, bereid met paardemelk, welke arsa wordt geheeten; in den winter daarentegen drinkt men brandewijn van granen gestookt. Behalve paardemelk bezigt men insgelijks koeye-en schapenmelk om arsa te bereiden. Met uitzondering van de geestelijken eten alle Kalmoeken paardevleesch; van dit voedsel mag echter niet aan de goden worden geofferd, evenmin als van de geestrijke dranken. Wild zwijuenvleesch is een zeer geliefdkoosde schotel; gewoon
144
varkensvleesch wordt /.eev veel gegeten, maar ten gevolge van het voortdurend heen en weder trekken, zijn zij niet in staat een groot getal varkens te houden. Wijders versmaden zij het vleesch van een gestorven paard niet, mits het niet zij bezweken aan de Siberische ziekte; de voorschriften der Hhoeda-leer veroorloven hun niet dergelijke ziekte te behandelen.
Ecnc audientie hij eene Kalmoeksche vorstin. — De afgodentempel der Kalmoeken.
Ten einde den lezer tevens in staat te stellen een blik te werpen op de inwendige huishouding, de zeden en gebruiken van het volk naauwkeurig te loeren kennen, voegen wij bij het voorafgaande eene karakterschets, ontworpen door een man, ') die gedurende langen tijd onder de volkstammen heeft geleefd, welke in de Wolga-vlakte omzwerven.
Eene audientie uu bene kalmoeksche vorstin.
De vorst der Kleine Derbeten horde heerscht over tien of twaalfduizend tenten of gezinnen, welke in groepen door
') l'c hier bedoelde reiziger is de schilder Kiesenetter van Berlijn. Bij de in fiksche, levendige trekken ontworpen schetsen van de gebeurtenissen door hem bijgewoond, der mededeelingen, betreffende de zeden en gebruiken dezer volkstammen, heeft hij eene menigte leekeningen gevoegd ter opheldering vau den tekst, welke rijk is aan wetenswaardigheden. Gedurende 16 jaren heeft hij Zweden en Rusland bezocht, onder de Aziatische nomaden, Kalmoeken, Kirgizen, Tartaren, Indische vuuraanbidders, de bewoners vau de Krim, Armeniërs, Perzianen, de krijgsha'.'tige Tsjerkcssen en andere volken verkeerd; de resultaten dezer reizen zijn het, welke hij in het bedoelde geschrift heeft te bock gesteld. Dat het werk, hoezeer niet groot van omvang, rijk en degelijk van inhoud is, laat zich reeds hieruit met grond opmaken, dat Alexnuder von Humboldt en Carl Ritter eene voorrede er aan toegevoegd hebben,
146
de steppe zwerven. De groep of afdeeling, in welke de vorst of chan zich bevindt, bestaat in drie hoofdkwartieren. In de onmiddellijke nabijheid van de vorstelijke hut wonen de raadsheeren of regters, benevens de leden van den hoogsten adel; op eenigen afstand van daar hebben de leden van den lagen adel hunne tenten opgeslagen en een gedeelte des volks. Op een afstand van daar, welke binnen het bereik der stem ligt, — hetgeen ongeveer 300 el zal zijn, — bevindt zich de legerplaats der geestelijken en de tempel. De derde afdeeling, op omstreeks 900 el van gene verwijderd, is de bazar of marktplaats.
Tijdens mijne komst in het legerkamp bevond zich de regerende vorst bij een verwijderd gedeelte der horde; ik -wendde mij derhalve tot den minister of opperregter, die bij afwezigheid des vorsten met het beleid der regering was belast. Ik trof hem aan in de tent; waarin de regters vergaderden, welke hem tevens tot woning diende. Bij mijn binnentreden zat hij op den achtergrond der tent tegenover de deur, op eenige vilten dekens onder eene soort van troonhemel van Perzische zijde. Aan den wand ter wederzijde van den opperregter hingen eene menigte houten bakken, lederen flesschen met inelkbrandewijn gevuld, kameelraagen met kaas; benevens verschillende stukkon van een pas geslagt schaap; de zoon van den eersten minister was op dat oogenblik bezig om de vacht er van om het lijf te slaan, ten einde die als kleedingstuk te bezigen. Verscheidene regters waren aldaar tegenwoordig; zij zaten op kleine vilten tapijten, sommigen in groepen bijeen, zich bezig houdende met het beraadslagen over een of ander onderwerp, terwijl anderen als in diep gepeins verzonken, roerloos stil nederzaten; aldus vormden zij een breeden kring uit de edelste Kalmoeken bestaande, om een ijzeren ketel waarin soep werd gekookt. Een dergelijk ge-regt wordt bereid uit tegeltheo, melk, schapenvet en zout. De ketel, welke diende om het gereed te maken, hing in het midden van de tent over een vuur van gedroogde mest en takken. Do rook en waterdamp, welke hot vertrek vervulden dwarrelden nu eens naar deze, dan naar
147
die zijde, zoodat beurtelings de verschillende groepen der aanwezigen voor mijn oog zigtbaar of verborgen waren. Een blaauwkleurig licht verspreidde zich van tijd tot tijd over de regters; dit viel door eene ronde opening en baande zich nu en dan een weg door de dampen. Dan weder kreeg de roode glans van het vuur de overhand, zoodat de aanwezige personen afwisselend met een rood-of blaauwachtig licht werden beschenen, dan weder in een helderen dag of chiara osenra zaten, dit alles afgewisseld door de tallooze tinten, welke het helderste licht in duisternis doen overgaan. Het spel van licht en schaduw, hetwelk de zonderlingste kontrasten vormde, maakte ze nu voor mijn oog zigtbaar, en omhulde ze een oogenblik later met do donkerste schaduwen.
De minister was gekleed in een rood- en blaauwge-streepten pantalon, met een witte schapenvacht om de schouders; hij rookte zeer bedaard uit een kort eindje pijp. Zijn vol en bloeijend gelaat, dat overschaduwd werd door een zware pelsmuts, benevens zijne vriendelijke Chi-nesclic oogen lieten duidelijk genoeg zien, dat hij tot dien tijd nog niet met staatkundige oppositie had te kampen gehad. Ter zijde van den opperregter stond een aarden vat met zand gevuld op den grond, benevens e^n inktkoker, waar naast een wetboek lag. De echtgenoot des ministers, gekleed in een blaauw gewaad met roode zijde gestikt en eene gele Kozakkenmuts op het hoofd, zoomede hare moeder, die het jongste kind des huizes droeg, stonden achter den troonhemel.
Nadat ik de tent was binnen getreden, had ik my twee schreden ter linkerzijde van den ingang begeven en, zonder iemand te groeten, mij op den grond nedergezet, dewijl do beleefdheid dit vorderde. Aangezien ik de Kal-moekschc taal nog niet vlug genoeg sprak, zou een Kal-moek mij tot tolk verstrekken; deze was verpligt zich op de knieën neder te leggen, daar hij minder in rang zijnde, niet op de gewone wijze met de beenen kruiselings over elkander mogt aanzitten, liet gebruik elscht, dat men bij het binnentreden in eene tent niet terstond iemand toe-
148
spreekt, maar eerst eenigen tijd later deel neemt !n het gesprek; dit is dan alleen veroorloofd, wanneer men een ongeluk heeft te boodschappen. Nadat wij allen een tijd lang stilzwijgend hadden nedergezeten, gaf de minister aan mijn tolk het toeken, dat het onderhoud kon worden aangevangen.
Het eerste gebruik, hetwelk ik maakte van de verkregen vergunning om te mogen spreken, was dat ik verlof verzocht om van tijd tot tijd plat op den grond te mogen gaan liggen, daar de dikke rook op eenigen afstand van den vloer mij in hel spreken zeer hinderlijk zou zijn. Ik verhaalde daarop aan de achtbare vergadering van mijn langen togt, hoe ik uit het verre land van Pruissen en wel uit Berlijn, dat is te zeggen, uit dat gedeelte der Pruissische horde waar het legerkamp des vorsten is gevestigd, was gekomen en hoe ik gedurende mijne veeljarige reizen om tot hen te geraken, was getrokken door de landen van zeer vele beschaafde en onbeschaafde volkstammen. Ik toonde hun vervolgens mijne schetsen en teekeningen, liet hen afbeeldingen zien van Tartaarsche mannen met half kaalgeschoren hoofd en langen baard, van hunne vrouwen met rood geverwde haren en dito vingertoppen; Russische boeren met gekleurde kielen; bedevaartgangers in een klooster hunne met hennepolie gekruide soep etende; Russische nonnetjes in lange zwarte sluijers gehuld en tevens lustige bruidstrooisters, die zich haastten den bruilofsgast te kussen, tot dank voor het aangeboden geschenk. Ik liet hun het afbeeldsel eener jonge bruid der Dalekarliërs zien, behangen met snoeren bonte glaskoralen, die onder eene goudpapieren kroon aan het publiek wordt ten toon gesteld, en eene Tartaarsche bruid, die, in een digten sluijer wordt gewikkeld, als in het geheim wordt gevoerd naar het afgelegen slaapvertrek baars bruidegoms.
Ik verhaalde him nu, dat ik het voornemen had opgevat om dergelijke schetsen, waaruit men de zeden en gebruiken eens volks kon leeren kennen, ook bij hen te vervaardigen en dat ik de hulp en bijstand der edele vergadering tot dat einde inriep. Nadat ik dezen arbeid zal voltooid hebben,
149
zoo ging ik voort, zet ik mijne togten naar do overige volkeren der aarde voort, ten einde de gansche wereld in mijne verzameling op te nemen. Velerlei zijn de zeden en gebruiken bij allo volken der aarde; waar zij kinderlijk en eenvoudig zijn gebleven, strekken zij tot bevordering van 's menschen geluk, terwijl nergens ter wereld zulke dwaze en bespottelijke zeden en gewoonten worden gezien, dan bij de volken, die meenen door hun verstand boven alle anderen verheven te zijn. Uit mijne verzameling zullen alle volkeren der aarde elkander leeren kennen; is dit eenmaal het geval, dan is de eerste schrede gedaan op den weg om elkander te leeren liefhebben en zoodra zij elkander wederzijds achten, eeren en beminnen, dan zullen zij weldra zich zeiven leeren kennen.
Nadat ik mijne rede had geëindigd, zetteden de raads-heeren zich bijeen en vormden een kleinen kring rondom den eersten minister. Eenigc sloegen de beenen kruiselings onder zich; anderen, die tot een lageren rang behoorden, knielden in den kring, terwijl alleen de voornaamste heeren naar believen of op den buik of op den rug mogten gaan liggen. De echtgenoot van den eersten minister trad digter bij den kring der raadsheeren; duidelijk bespeurde ik bij het heldere licht des hemels, wanneer dit het gelaat der edele dame bescheen, dat zij mijn verzoek ondersteunde. Het resultaat der beraadslagingen viel echter niet ten oenen male ten mijnen voordeele uit. Ecne dergelijke onderneming als de mijne was tot dus verre bij hen nog nimmer op touw gezet, en in hun wetboek kwamen geene bepalingen ten dien opzigte voor. Do minister, wiens gelaat nu weder door den rooden gloed van het vuur werd verlicht, durfde de verantwoordelijkheid van zoo iets niet op zich nemen. Hij deed derhalve het voorstel om een koerier naar den vorst te zenden, aan wien verslag van het gebeurde zou gedaan en tevens zijne beslissing omtrent dit netelige vraagpunt worden ingeroepen. Dit voorstel met algemeene stemmen goedgekeurd zijnde, werd mij intusschen eene woning in de nabijheid van de tent des eersten ministers aangewezen, alwaar ik de terug-
150
komst van den bode op mijn gemak zou kunnen afwachten.
Voorzien van de noodige instructiën, werd een bode naaiden vorst gezonden, waarop ik mij naar mijne woning begaf. Voor ik haar bereikte, bespeurde ik reeds dat de echtgenoot des eersten ministers naar de tent der gemalin van den vorst ijlde. Weinige oogenblikken later kreeg ik bevel eenige mijner teekeningen en schelsen ter bezigtiging voor de vorstin af te staan. Na verloop van een half uur kreeg ik ze terug en zag een tweeden bode in vliegenden ren over de uitgestrekte vlakte ijlen; het was een van de dienaren der vorstin, die zich in rassche vaart als met arendssnelheid voortspoedde met het doel om den eersten bode in te halen en voorbij te streven. Nu bleef mij geen twijfel meer over betreffende het toestaan van mijn aanzoek, want wie zich van den bijval der vrouwen weet tc verzekeren, mag zich overtuigd houden, dat hij zijn doel bereikt.
De huisvrouw van dit gastvrije gezin, in welks tent ik de beschikking van het lot, dat mij te wachten stond, moest afwachten, haastte zich kort na mijne aankomst een dei-lammeren uit de kudde to halen en het te slagten in de tent, waarin ik mijn tijdelijk verblijf had opgeslagen; eenige oogenblikken later was zij reeds bezig om het op verschillende wijze voor mij toe te bereiden. Terwijl dit geschiedde was het overige personeel ijverig bezig om mijn persoon aan een zeer naauwkeurig onderzoek te onderwerpen, ton einde zoo mogelijk te ontdekken in welk opzigt een Pruis van een Kalmoek verschilt. Deze menschkundige studiën werden echter spoedig gestoord door de onverwachte komst van een bediende der vorstelijke familie, die uit naam der vorstin-moeder mij het verlangen kenbaar maakte zijuer gebiedster om mijne teekeningen te bezigtigen. Zij was, namelijk, zoo even van eene wandeling te paard teruggekeerd en had van hare doorluchtige dochter vernomen met welk genoegen deze mijne schilderstukken en tafereelcn had bezigtigd. Hot sprak van zelve, dat ik mij haastte om aan het gedaan verzoek te gehoorzamen. Spoedig daarop ontving ik een bewijs harer hooge tevredenheid, bestaande iu eene lederen flesch met melkbrandewijn; — dit geschenk ging
151
echter gepaard met het verzoek om de flesch terug te zenden, zoodra ik den vloeibaren inhoud had opgebruikt.
Den volgenden dag keerden de beide koeriers, wier paarden met stof cu zweet waren bedekt, in het legerkamp terug, op eenigcn afstand gevolgd door eene kleine karavaan. Een man, wiens kaftan met zilveren tressen was versierd, geleidde een kameel bij den teugel, beladen met roodgeverwde stangen, dekens van kemelsgaren, koorden en andere voorwerpen, benoodigd tot het opslaan eener volledige tent. Vlak achter hem reed eene kar met twee wielen, het bcnoodigde huisraad voor eene tent aanvoerende, hetwelk bestond in: een ijzeren ketel, een driestal en eenige houten bakken. Achter de kar zag ik een perso-naadje, van welks pantalon de bovenste helft uit roode, de onderste uit blaauwe stof bestond, en die een vet schaap met zich voerde. De gansche karavaan begaf zich regel-regt naar de open plek, tusschen de vorstelijke tenten en den tempel, en eenige minuten later was eene prachtige tent opgeslagen. De eerste minister liet mij uit naam van den vorst boodschappen, dat de bedoelde tent ten mijne gebruike was bestemd, dewijl zijn heer en meester mijn verzoek had ingewilligd. Bij de tent behoorde al hetgeen ver-eischt werd tot eene goed ingerigte huishouding, waarvan wij hier boven de bestanddeelen hebben opgenoemd. Een tolk en twee bedienden werden mij toegevoegd, en om de drie dagen zou ten behoeve van mij en van mijne dienaren een vet schaap worden geleverd, onder voorbehoud echter dat het schapenvel het eigendom zou blijven van de koninklijke schatkamer.
Mijne gansche huishouding was reeds in volkomen orde, toen ik mijne nieuwe woning eenige ©ogenblikken later binnentrad. Te midden van de tent brandde een helder vuur, waarop een ijzeren ketel hing; mijne bedienden waren ijverig bezig om het schaap de vacht af te trekken, ten einde het ten behoeve des vorsten te bewaren. Terwijl liet middagmaal gereed gemaakt werd, traden verscheidene gasten binnen, met wien ik de eer had kennis te maken. Zij behoorden meerendeels tot de klasse dergenen, in wier
152
tent welligt nimmer een vet schaap was geslagt, waar misschien zelden het vuur behoefde aangemaakt te worden, en die derhalve naar een rookenden schoorsteen liaddou omgezien en op die wijze den weg naar mijne tent hadden gevonden. Buiten mijne tent stonden de honden van al mijne nieuwe geburen; aangelokt door den aangenamen reuk, welke zich uit mijne tent verspreidde, snuffelden zij nieuwsgierig in het rond, likten zich de lippen vlijtig af en staken den snuit onder het vilten bekleedsel mijner tent door. De tolk, die te gelijker tijd de waardigheden van ceremoniemeester en die van hofmeester bekleedde, deelde zonder eenig aanzien des persoons daarbij in acht te ne-men, groote porties vleesch uit aan al de aanwezigen. Het gevolg dezer gastvrijheid was, dat wij des anderen daags zeiven naar een rookenden schoorsteen moesten omzien, ten einde eten te krijgen.
Mijn eerste werk was om van de stangen, waarmede de tent werd opgezet, met behulp van koorden, een schildersezel te vervaardigen. Zoodra dit gereed was; begon ik mijne verwdoos in orde te brengen, want door het rijden op paarden en kameelen was alles niet weinig dooreen geraakt. Toen ik mijne toebereidselen gemaakt had, liet ik door tusschenkomst van mijn tolk de vorstin om eene audiëntie verzoeken, ten einde haar portret te schilderen. Eerst na verloop van eenige dagen zou mijn wensch worden verwezenlijkt. Een praatziek hofdametje verhaalde aan mijn ambassadeur, — onder voorwaarde dat hij de toevertrouwde woorden in het diepste van zijn hart zou bewaren, — dat de vorstin vóór zij mij in haar paleis toeliet, eerst hare vertrekken wat wenschte op te sieren en een nieuw kleedje door hare hofdames wilde doen vervaardigen.
Hot beste dat mij onder dergelijke omstandigheden overbleef, was mijne hut insgelijks van binnen op te knappen, dewijl mijn ceremoniemeester van oordeel was, dat ik eerst het portret der vorstin behoorde te maken, alvorens ik aan dat van anderen begon, dewijl het tegen de regelen der wellevendheid zou zijn anders te handelen. Bovendien gaf hij mij den raad eene bepaalde orde en regelmaat, zekere
153
hierarchie in het oog te houden bij mijn arbeid, en eerst liet portret te schilderen van do vorstin, dan dat des lama's of opperpriesters, vervolgens van de verschillende priesters van lageren rang, dan het portret aan te vangen van den eersten minister, daarop van de raadsheeren, der leden van den hoogen en den lagen adel en eindelijk van het volk. Op die regelmatige wijze te werk gaande, kon ik zeer gevoegelijk zeggen, dat ik met bezigheden overstelpt was, want ik zou minstens 100,000 personen hebben moeten schilderen, 't Was een schoon vooruitzigt! Ten einde niemand te kwetsen, had ik er het volgende middeltje op bedacht. Ik zou eene groote schilderij vervaardigen; op den voorgrond zou de vorstin worden voorgesteld aan het hoofd van haar zwervend volk, dat zich op den achtergrond der schilderij in eene wolk van damp en stof zou verliezen. Kwam er dan iemand klagen, dat hij niet duidelijk genoeg zigtbaar en te herkennen was, dan zou ik hem antwoorden, dat hij zich nog op te grooten afstand bevond, maar slechts geduld moest oefenen, totdat hy nader bij was gekomen.
Daar ik niets anders te doen had, begon ik mijn atelier in orde te brengen en, zoo goed mogelijk als de omstandigheden dit toelieten, het op te schikken. Naauwelijks was ik hiermede bezig of er kwam een man binnenloopen, die ons het overlijden bekend maakte van een der gebu-ren. Terstond begonnen mijne bedienden alles, dat op don grond lag of stond, op te pakken en aan don wand op tc hangen en te bevestigen; een van hen ijlde naar buiten om de pennen, welke in den grond waren gestoken, ten einde de tent vast te zetten, uit den grond te trekken. Onmiddellijk daarop zetteden zich de wanden der tent in beweging, zoodat mijne bedienden allen op gelijken afstand van elkander staande, mijn gansche huis hadden opgeligt; zij hielden het eenige duimen van den grond en liepen er op die wijze mede voort. Toen ik deze beweging zag, vatte ik terstond mijne verwdoos en mijn ezel op, zonder nog goed te weten wat dit alles te beduiden had, of waar mijn atelier heen gebragt zou worden. Tot mijne niet geringe
154
verwondering bespeurde ik door de opengeslagen deur, dat de tenten van al mijne buren, als het ware door eene on-zigtbare hand, op gelijke wijze werden voortgestuwd; liet was in den waren zin des woords een wandelend dorp.
De tenten der Kalmoeken zijn op eene zeer kunstige wijze uit hondorde staven zaamgesteld, welke door middel van koorden aaneen gehecht zijn; het geheel laat zich gemakkelijk verplaatsen. Met koorden, bevestigd aan houten pennen, welke in den grond worden geslagen, zet men de tent vast, maar de vorm wordt er daardoor niet aan gegeven.
Mijn h uis en dak werd eenige honderd schreden ver van do plaats, waar het vroeger gestaan had, weder neder gezet, waarop wij ons allen terstond beijverden om de zaken in de gewone orde te brengen. Dit ging des te gemakkelijker, dewijl wij niet met onze kudden waren opgebroken, bij welke gelegenheid de tenten uit een genomen en op kameelen geladen worden. Het bleek mij later, dat wij ons slechts van den overleden buurman hadden verwijderd, wiens stoffelijk overschot op de plaats, waar hij den geest had gegeven, onder eenige steenen moest begraven worden.
Bij het ter aarde bestellen is gewoonlijk een priester tegenwoordig, die onder het uitspreken van vele gebeden en het verrigten van ceremoniën, het lijk met heilige tee-kenen inzegent, ten einde te verhoeden, dat de ziel tot straf voor het gepleegde kwaad na den dood met net lijk vereenigd bhjve. Somwijlen worden hier en daar insnijdingen in liet ligchaam gemaakt, met het dool om de ziel des te beter gelegenheid te verschaffen het ligchaam te verlaten. Houdt men zich overtuigd, dat de ziel het stoffelijk omhulsel werkelijk uitgegaan is, dan wordt dit laatste door middel van een der vijf Mongoolsche elementen : hout, vuur, aarde, ijzer of water ter ruste ge-bragt. Dit geschiedt door het te begraven, te verdrinken, te verbranden of met steenen te bedekken; de wijze waarop icinaiids stoffelijk overschot ter ruste wordt gebragt, hangi af van deu ouderdom, welken hij bij zijn overlijden heeft bereikt.
155
Het jaar der Kaltnoeken wordt in twaalf deelen of maanden verdeeld, welke naar dieren zijn genoemd, als de muis, het rund, do tijger, de liaas, de draak, de slang, het paard, het schaap, de os, liet hoen, de hond en het zwijn. Deze benamingen worden verveelvuldigd door een der genoemde vijf elementen, zoodat 60 jaren een tijdvak vormen, waarvan de versehillende afdeelingen nog verder door mannelijk en vrouwelijk geslacht zijn onderscheiden. Het tijdvak vangt aan met een mannelijk hout-muizenjaar, het volgende is een vrouwelijk hout-runderjaar; daarop komt een mannelijk vuur-tijgerjaar, een vrouwelijk vuur-hazenjaar, enz. Had ik het ongeluk gehad mijn leven onder de Kalmoekon te eindigen, dan zou mijn ontzield ligchaam in het water zijn geworpen, dewijl ik in een mannelijk water-paardenjaar was geboren.
Mijn ceremoniemeester had mij met de regelen der Kal-moeksehe etiquette reeds bekend gemaakt, toen ik het bevel ontving om voor de vorstin te verschijnen. Niet zonder schroom, maar toch met zekere mate van zelfvertrouwen, voortspruitende uit het bewustzijn, dat ik door de vorstin in bescherming was genomen , begaf ik mij op weg naar de hoftent, gevolgd door mijne dienaren. Voor den stoet trad de ceremoniemeester met statigen tred, die als mijn tolk bij het gehoor moest dienen, dat mij zou verleend worden. Hij was gedost in een kaftan van ka-meelgaren, bezet met zilveren tressen, een zijden pantalon van blaauwe stof; aan zijne vierkante muts was een rood zijden lapje bevestigd, waarin een stukje papier was genaaid met een gebed beschreven, hetwelk als talisman moest dienen. Zijn lederen gordel was in het rond met zilvren knoopen bezet; hieraan hing een kort mes in lederen schede, benevens een lederen tabakszak. In de linkerhand droeg hij mijn schildersezel en in de regterhand hield hij zijne pijp, welke hij van tijd tot tijd aan den mond bragt om er ecnige rookwolken uit te trekken. Op eenigen afstand van hem volgde ik in mijne hoedanigheid van Kalmoeksch hofschilder; achter mij volgden mijne beide dienaren met mijne verwdoos, penceelen en palet. Voor
156
de vorstelijke teute aangekomen zijnde, welke geheel en al met die van de onderdanen overeenkwam, behalve dat zij meer ruimte aanbood, ontwaarde ik eene kleine witte vlag aan een stang, welke rood gekleurd was. Toen wij haar tot op aeht sehreden waren genaderd, begaven zich mijne dienaren ijlings ter wederzijde van den weg; eensklaps werd het voorhangsel weggeslagen en met langzame, statige schreden wat nader gekomen zijnde, ging ik tusschen hen door de tent in en begaf mij drie schreden ter linkerzijde van den ingang, alwaar een tapijt voor mij was nedergelegd , waarop ik mij nederzette.
Toen ik de tent binnen getreden was, had ik niet kunnen nalaten de regelen der etiquette te oversehnjden, want ik had het gewaagd mijne oogen even op te slaan ; ik bespeurde toen, dat de vorstin te midden vau haren hofstoet onbewegelijk met de beenen kruiselings over elkander zat. Mijn tolk was mede de tent binnen getreden en had zich te midden van de opene ruimte nedergehurkt, waar een van de bedienden der vorstin bezig was om een hoop gedroogde plaggen aan te blazen, ten einde het vertrek te verwarmen.
Gedurende geruimen tijd heersebte er een diep stilzwijgen. üe regelen der Kalmoeksche wellevendheid vorde ren, dat men zonder eenig geruisch in gezelschap verschijne, ten einde het gesprek, hetwelk bij het binnentreden wordt gevoerd, niet te storen; eerst nadat men gedurende geruimen tijd in het gezelschap aanwezig geweest en met den gang van het onderhoud goed bekend is geworden, mag men daaraan deel nemen. Deze gewoonte gelijk zoo vele anderen, wier oorsprong goed en nuttig was, is ontaard in eene bloote pligtpleging, die niet dan last en onaangenaamheid veroorzaakt.
Toen het oogen blik eindelijk was genaderd, waarop ik zonder tegen de wellevendheid te zondigen, in het rond rnogt zien, bespeurde ik dat de vorstin hare oogen reeds had opgeheven. Zij zat tegenover de deur aan de tegenovergestelde zijde van liet vertrek, op eene lage sofa, onder een troonhemel met roode stof behangen en versierd met
157
bonte linten. Zij droeg een lang gewaad en daarover een korten kaftan van gele zijde met goud en zilverdraad gestikt, aan het middenlijf vastgehecht met een zilveren gordel. Zij droeg wijders eene roode vierkante muts, versierd met roode vederen, welke eene soort van kroon vormden, hieruit kwamen ter wederzijde van het gelaat glimmend zwarte vlechten te voorschijn, gedeeltelijk gehuld in zwart fluweelen zakjes, aan het uiteinde waarvan gevlochten paardehaar was gehecht, ten einde ze langer te doen schijnen. Voor de sofa stond de kroonprins, een knaapje van ongeveer vier jaren, gekleed in een violet zijden kostuum; ter wederzijde van de vorstin zaten eenige hofdames in lange blaamve kleederen, welke op de borst met roode wol waren gestikt. Ter regterzijde van de vorstin stond een altaar, mot metalen huisgoden, welke kleedjes aan hadden van de verschillendste kleuren; vlak voor de afgoden bevonden zich kleine, met snijwerk versierde tafeltjes, waarop zilveren offorschaaltjes waren geplaatst met offeranden uit spijs en drank bestaande. Ter linkerzijde van de vorstin ontwaarde ik eenige koffers met Perzische tapijtjes belegd; dergelijke tapijtjes lagen insgelijks op den vloer. De zachte toonen eener speeldoos klonken mij te gemoet, en het scheen mij toe, dat zij onder dc sofa dei-vorstin verborgen was.
Toen de tijd van zwijgen eindelijk voorbij was, vatte de vorstin een borduurraam ter hand en vingen de hofdames aan met het afwinden van de wol, welke dc vorstin voor haar werk zou gebruiken. Ik had mijn ezel voor mij geplaatst en een begin gemaakt met de verschillende groe. pen van personen, in de tent aanwezig, op het doek te schetsen, waarbij de beeldtenis der vorstin op den voorgrond werd gesteld. Terwijl ik hiermede bezig was, begon de zittende houding, op mijne knieën, mij zeer moeijelijk te worden; wel was dit de houding, welke door de hofetiquette werd gevorderd, maar toch waagde ik het om te doen verzoeken, dat het, mij mogt worden vergund om plat op den grond te gaan zitten. Nadat ik eenigen tijd in tegenwoordigheid der vorstin had doorgebragt, werd
158
in houten bakken ecne theesoop opgedragen. Een dor be-dlenden vulde zoovele houten schoteltjes als er personen aanwezig waren en, nadat aan de huisgoden cene offerande was aangeboden, werd aan elk oen der schoteltjes toegereikt; de bediende bnod ze ons aan, terwijl hij op de knieën rondkroop.
De vorstin had intusschen een gesprek met mij aangeknoopt betreffende het vorstelijk geslacht, hetwelk in mijn vaderland op den troon was gezeten. Dit ging niet bijzonder vlug van de hand, dewijl de wellevendheid vorderde, dat telkens tusschen elke vraag en elk antwoord een geruime poos moest voorbij gaan. Dit moet dienen om op het moest geschikte antwoord na te denken, opdat het gesprek niet een zinledig onderhoud worde. Gedurende ons gesprek, dat met de meest mogelijke bedachtzaamheid werd gevoerd, was de speeldoos eindelijk afgeloopen; de toonen volgden al langzamer elkander op en schenen eindelijk geheel te verstommen, toen ik duidelijk hoorde dat de doos weder werd opgewonden. Ik vroeg den tolk of cr iemand verborgen was onder do sofa dor vorstin, van waar mij de toonen te gemoet klonken; ik verwachtte hierop een regtstreeksch antwoord in de Russische taal. Mijn tolk beschouwde de vraag als eene officiële vraag en vertaalde die terstond op plegtige wijze. Het gevolg hiervan was, dat do hofetiquette voor eenige oogenblikken uit het oog werd verloren, zoowel door de vorstin als door de dames van haar gevolg ; allen hadden zij grooto moeite om niet uit te barsten in een luid gelach. Het bleek nu, dat de vorstin de speeldoos van een Armenisch koopman had ingeruild ; zij onderstelde, dat aan een man van de Pruissische horde een dergelijk werktuig volslagen onbekend moest zijn. Toen zij zich in hare verwachting bedrogen zag, verkreeg de hofdame vergunning om uit haren schuilhoek met de speeldoos te voorschijn tc komen.
De schilderkunst is bij de Kalmoeken niet geheel onbekend; hunne priesters schilderen de goden en heiligen, die zy bij duizenden tellen, met waterverw op papier. Om echter een gelijkend portret te schilderen, dit was tot
159
op mijne komst onder hen nog nooit gelukt. Kon het derhalve wel anders of liet portret, hetwelk ik van de vorstin had gemaakt, moest groot opzien baren? De vorstin vroeg of zij het mogt behouden, er bijvoegende, dat het mij welligt niet moeijelijk zou vallen om een ander por tret te vervaardigen. Van heinde en verre kwamen de Kalmoeken toestroomen om do beoldtenis hunner vorstin te aanschouwen. De lama en de geestelijken, de minister met zijne raadsheeren en al de loden van don adel en van het volk, die ik later nog heb geportretteerd, gevoelden zich daardoor zeer gevleid en gaven duidelijk te kennen, dat zij mij beschouwden als den grootsten kunstenaar onder de Kalmoeken.
EENB AFGODENTEMPEL DER KALMOEKEN.
Nadat ik het portret der vorstin had geschilderd, gedost in haar prachtig galakostuum, begaf ik mij naar den lama, ten einde ook zijne bceldtonis te vervaardigen. Hij was zeer verheugd en gevoelde zich zeer gevleid, toen ik hem te kennen gaf, dat ook zijne beoldtenis aan de groote, hem onbekende wereld zou worden vertoond. Ten einde zich op eene waardige wijze te kunnen voordoen, schikte bij met de meeste zorgvuldigheid de voorwerpen, welke hom omringden en die in de schilderij zouden worden op-geuomen. Toen hij mij eene zitting gaf om geportretteerd te worden , waren zijne lippen voortdurend in beweging, dewyl hij zoo gaarne op zijn portret wenschte te zien, dat hij biddend was afgebeeld.
Een zeer hooge ouderdom en het veelvuldig genot van opium hadden diepe voren in zijn gelaat gegroefd, hetgeen een zekeren glimp van gelatenheid aan zijn uiterlijk gaf. Hij zat tegenover mij aan het andere einde der tent met de handen over elkauder op eene sofa, onder een vergulden, met beelden van heiligen rijk versierden troonhemel. Over een rood misgewaad met gele mouwen, droeg hij een zijden band van den regter- naar den linkerschouder afhangende, zijnde het teeken der priesterlijke waardigheid; zijn kaal geschoren hoofd was bedekt met eene muts, ver-
160
sierd met bont, waarop een rood lapje laken was bevestigd, in hetwelk een op papier geschreven formuliergebed was genaaid.
Ter zijde van hem stond een altaar met de huisgoden van den lama, welke rijk versierd waren met zijden stof en goudpapier; voor elk der afgodsbeelden ontwaarde ik offerschalen, gevuld met de verschilleudste offeranden uit spijs en drank bestaande. Nevens het altaar hingen eenige afbeeldingen van heiligen; hij zelf had ze met waterverw op papier geschilderd in de manier van Chinesche tee-keningen. Er bevonden zich verscheidenen onder, welke inderdaad zeer net waren uitgevoerd.
Toen ik den lama mijne schetsen en teekeningen toonde, gaf hij mij zijn vermoeden te kennen, dat ik in mijn land tot den geestelijken stand moest behooren. Ik antwoordde hem: de schilders in mijn vaderland hebben, wel is waar, de geestelijken steeds ter zijde gestaan, maar toch maken zij een afzonderlijken, gewijden stand uit, welks leden de oorspronkelijk onzigtbare goden en heiligen onzer priesters voor de menschen afmalen.
Nadat de beeldtenis van den lama gereed was, gaf ik hun mijne begeerte te kennen om insgelijks etüi tempel te malen. Ik werd hierop door de priesters, in de tent aanwezig, uügenoodigd om voor den lama neder te knielen, ten einde van hem do noodige wijding te erlangen om den tempel te mogen betreden, iïij bevochtigde hierop mijn voorhoofd met wonderdadig water, raakte mijn hoofd eenige malen aan met den gewijden kraag van zijn priesterlijk gewaad en geleidde mij, onder het geluid eener schel en den klank cener kleine dubbele keteltrom, de deur der tent uit naar den tempel.
De platte grond des tempels zal eene oppervlakte hebben gehad van ongeveer zeventig voet; de hoogte zal omtrent zeventien voet hebben bedragen. Hij was gebouwd van honderde kunstig zaamgevoegde, rood geverwde staven, welke aan het boveneinde in een grooten houten ring uitliepen, die tot schoorsteen diende. Het benedengedeelte, uit kruiselings zaamgebonden staven bestaande, vormt een aan-
Kil
geschakeld geheel, een rasterwerk ter hoogte van zes voet, hetwelk rond van vorm is, zoodat het gemakkelijk vervoerd kan worden. Eenige langere staken, met lederen riemen aan het bovenste! bevestigd, steken boven den straks vermelden houten ring nit en vormen het dak. Dit geheele zamenstel, hetwelk op hot eerste gezigt veel op eene vogelkooi gelijkt, is met dekens bedekt van bi-meelsvel vervaardigd.
Op de verschillende feestdagen der Kalmoeken wordt de tempel telkens op eene bijzondere wijze versierd. Tijdens ik mij in den tempel bevond, vierde men aldaar het lentefeest. Reeds bij het krieken van den dag klonk de schelle muziek in het rond, en verkondigde aan het volk den aanvang van de godsdienstige plegtigheden. Depriesters hadden zich op eene plek in de nabijheid der tenten vereenigd, en trokken in plegtigen optogl tempelwaarts.
Twee bazuindragers, het hoofd ontbloot, trokken voor den stoet uit. Op hunne schouders rustte het zware einde van het metalen instrument, hetwelk eene lengte had van omstreeks zeven voet, waaruit toonen klonken, welke den gelieelen omtrek deden daveren. De bazuinblazer, gekleed in een rood gewaad, trad op eenigen afstand van bovengenoemde instrumentdragers met liet mondstuk in de hand; van tijd tot tijd blies hij niet alle mogelijke inspanning op zijn instrument en liet dan enkele toonen liooren.
Een aantal fluitspelers volgde hierop in den stoet, die onder een afzonderlijken directeur stonden; deze scheen er zich volstrekt niet over te bekommeren of de bazuinblazer de gelegenheid had gehad om adem te scheppen en in staat was om op nieuw zijn instrument te blazen, maar behandelde zijne fluit, waarin zes gaten waren en door middel waarvan bij juist zes ver schillende toonen kon voortbrengen, op zoo onafhankelijke wijze als of hij de eenige muziekant bij den ganschen stoet was; dit was duidelijk te zien, dat hij op de overigen hoegenaamd geen acht sloeg. Do fluitspelers hadden allen de blikken gevestigd op hunnen directeur; zoodra hij, bij voorbeeld, den wijsvinger der regterliand opligtte, deden zij
1C2
allen lictzelfclc; zij schenen cr zich op toe te loggen om allen hctzclfile geluid voort tc brengen. Eeiiige paukers, ilic hunne muziekinstrumenten aan staven droegen, betoonden zich niet minder vlijtig om cr fiks op los te slaan; hiertoe bedienden zij zich van schapenpooten. Het gevolg hunner vereenigde pogingen was, dat do lucht voortdurend daverde van het muziekalc geluid der verschillende instrumenten.
Achter hot muziekkorps volgde vooreerst de lama, aan het hoofd dor overige geestelijkheid. Deze telt drie verschillende klassen, namelijk: de geloengen, gczoelen en mansjiken, dat wil zoggen; de hoogc en lage geestelijkheid en de aankomende priesters. De geloengen waren meerendeels gedost in scharlaken roode kleederen; cenige van hen droegen eene soort van kroon, waaraan de afbeel-sels van verscheidene booze godheden waren vastgehecht. Op het bovenste gedeelte der kroon bevond zich een stukje papier, waarop een gebed was geschreven; het was er zoodanig op bevestigd, dat het door den wind ginds en herwaarts kon bewogen worden, waardoor de kwade geesten ter gunste van dengene, die het bedoelde formulier droeg, werden gestemd. De gezoelen waren niet zoo kostbaar gekleed als de geloengen; sommigen van hen droegen groene kragen of korte mantels met zilver bestikt, terwijl anderen waren gesierd mot een rooden band, het teeken der priestelijke waardigheid. De leerlingen of aanstaande priesters waren meerendeels gedost in een gewaad met schapenvacht bezet; op hunne vierkanten mutsen waren papieren, met gebeden beschreven, vastgehecht, ten einde den toorn dor goden van hen af te leiden.
Ton gebruike bij doze plegtighoid was mij door een der priesters geleend oen wit kleed, mot schapenvacht gevoerd en omzet, wijders nog versierd mot breede blaauwc banden; om den schouder droeg ik een negen voet lang priesterlint. Op die wijze toegerust, mogt ik het vrijelijk wagen met don stoot voort te treden, nadat ik mijn hoofddeksel had voorzien van het onontbeerlijke papier, waarop een gebod was geschreven. Langzaam wandelden wij verscheidene malen rondom den tempel en hielden vervolgens stil
163
voor don lagen ingang, welke wij in gebukte houding binnentraden. Do lioogere geestelijkheid zotte zich in het midden des tempels in twee rijen, mot de boenen kruiselings over elkander, op den grond neder; deze was geheel mot tapijten bedekt, liet muziekkorps, benevens de aankomende priesters namen plaats langs den wand.
Tegenover de deur, welke wij waren binnen getreden, verhief zich het altaar op den achtergrond; het was belegd met een wit zijdon kleed, bestikt met gekleurde en gouden draken, liet afbeeldsel van den goddolijken draak, die den bliksem en den donder in zijne magt heeft, sierde den troonhemel, welke zich boven het altaar verhief. Op het altaar stonden verscheidene metalen afgodsbeelden in beschilderde houten nissen. Do opperste godheid Dsjagd-sjatnoeni, was voorgesteld als eeno vrouwelijke figuur met zoor groote ooren. Tor zijde er van bevond zich Erlik kan. ecuc booze god. Hij scheen in do hoogste woede eene vrouwelijke Kalmoeken-ziel te vertreden, welke uitgestrekt aan zijne voeten lag. In zijne regterhand hield hij een donderbeitel, waarmede hij de zondares bedreigde, terwijl de schel, welke hij in de linkerhand had gevat, moest dienen om den roep harer euveldaden te verbreiden. Als hoofddeksel droeg hij eene vlam, waaruit overal de hoofden van priesters staken; zijn gordel werd gevormd door aan elkander geregen hoofden van zware misdadigers. Voor dozen god stond eene godin met acht handen en vierentwintig hoofden in eene smookende houding, die hem bad zijn toorn te matigen. Al deze afgodsbeelden waren hol, en gevuld met de beenderen en de asch van eervol na hunnen dood verbrande opperpriesters.
\ lak voor het altaar was eene lage tafel geplaatst, in het rond niet snijwerk versierd; hierop stonden de zilveren offerschalen, waarop velerlei vruchten, zaden en wortelen lagen. Deze offeranden worden heilig geacht en mogen slechts bij zeer gevaarlijke ziekten als geneesmiddelen gebezigd worden. Twee zilveren vazen, welke insgelijks op de tafel stonden, waren gevuld met wonderdadig water; zij zijn met paauwenvederen versierd, op de wijze van bloemruikers.
1G4
Voor deze offertafel was eene staaf in de» grond gesteld, waarop de detsji-schaal voor do dagelijksehe offeranden was geplaatst; deze mogen door de priesters worden genuttigd, zoodra zij eenigen tijd ter eere vau de goden zijn ten toon gesteld.
Ter wederzijde van liet altaar zijn twee halve ballons, van zijde vervaardigd en op roode stellingen geplaatst; deze dienen ora de goden voor regen of zonneschijn te bewaren, wanneer zij op zekere feestdagcn aan het volk worden vertoond. De gewone Kalmoeken mogen den tempel niet binnentreden; het is hun slechts veroorloofd op handen en voeten kruipende, het bedehuis te naderen, wanneer zij den goden eene offerande brengen, ten einde op die wijze des priesters voorspraak bij de goden te erlangen. Ter regter-en ter linkerzijde van het altaar hangen de beeldtenissen der goden en heiligen op roode zijde, welke tevens als grondkleur der schilderij strekt. Hierom heeft men lijsten geplakt van gekleurde zijde, hot geheel is bedekt niet een gordijn. De goede goden zijn gedeeltelijk voorgesteld in een kostbaar priesterlijk gewaad en omgeven van lichtstralen en vlammen, dewijl zij hemelligchamen bewonen. Volgens do nieening der Kalmoeksche priester bestaat de zon uit vuur en glas, do maan daarentegen uit water en glas, terwijl in beide hemelligchamen eene godheid met een blakend gelaat haar verblijf houdt. De sterren zijn licht gevende glazen bollen, van welke de grootste eene middellijn heeft van drie duizend ellebogen.
De meeste hunner goden zijn afgemaald als afschrikwekkende monsters; deze worden het meest vereerd en aangeboden. Naar hun oordeel kunnen de goede goden slechts goed doen, en om die reden achten zij het noodzakelijk de booze goden door het opzenden van gebeden tot zachtiieid te stemmen.
Regts van de deur staat een gebedenwerktuig. Dit bestaat uit een grooten en een kleinen cylinder, welke geplaatst zijn op een sierlijk gevormd voetstuk, dat met bonte kleuren is beschilderd. Door middel van een koord kan men beide cylinders, die van binnen hol en met gescbre-
165
ven gebeden gevuld zijn, in beweging brengen. Dit draai-jen der cylinders gescliiedt voornamelijk bij gelegenheid van onweder of andere natuurverschijnselen, welke als voor-hoden of teekenen van den toorn der goden moeten beschouwd worden. De kleinste der beide cylinders, welke bovenop ligt, bevat gebeden gerigt aan de goden van den eersten rang, de groote daarentegen die voor de goden van den tweeden en derden rang bestemd. Schijnt het den priester toe, dat er gevaar aanwezig is, dan wordt de rol zoo snel mogelijk ot^gedraaid. Naar het gevoelen der Kal-moeksehe priesters is het bewegen dezer rollen met gebeden even dienstig en even doelmatig als de beweging der lippen bij hot opzeggen of prevelen van gebeden. Voor den tempel was een lange, rood geverwde stok of staak geplant, waaraan men ecne strook katoen had bevestigd, waarep gebeden waren geschreven. Elk dezer strooken zendt' gebeden naar de goden, zoodra zij door den wind in beweging wordt gebragt en dit geschiedt met meer nadruk en ijver, naar gelang zij door den wind met meer kracht in fladderende beweging worden gebragt. Do Kalmoeken laten het derhalve aan de goden zeiven over om meer of minder gebeden tot zich te doen opzenden.
Nadat wij onze zitplaatsen zoo gemakkelijk mogelijk hadden ingerigt, want wij zouden den gansehen dag in dep tempel doorbrengen, heersehte er ecne diepe stilte in de kerk. De opperpriester nam daarop eenige korrels graan uit. een offerschaal, welke een gellocn hem toereikte, wierp ze in de lucht en goot daarop eenige druppels saffraanwa-ter in een schaaltje, welke hij aan de goden ten offer bragt. Nu ving een baszanger een eentoonig gezang aan, hetgeen eigenlijk niet veel meer dan een dof gebrom mogt heeten; het tweede vers werd reeds op luider toon gezongen en zoo ging hij allengs hooger en hooger. De andere zangers vielen de een na den andere mede in, naar gelang hunne stem dit veroorloofde, zoodat eindelijk allen medezongen. Niet lang had dit geduurd of de een zweeg voor en de andere na, dewijl zij niet hooger konden opklimmen en eindelijk bleven alleen de leerlingen en dat
IGG
wel de allerjongsten over. Het hoofd achterover brengende, verwrongen zij wenkbraauwen en gelaat, ten einde zoo mogelijk do toonladder nog hooger op te klitn-unen. Maar ook van deze drie viel er eindelijk een af, weldra volgde de tweede en nu hoorden wij nog de schelle fausset van den jongsten knaap, die met niets beters te vergelijken was dan niet de toonen eener flageolet. Terwijl de kleine knaap zijn zang nog voortzette, verhief zich eensklaps een luid gebrom ; de priesters hadden hunne rozekransen, uit 108 kralen bestaande, ter hand genomen, en prevelden zoo vlug doenlijk het heiligste gebed der Boedha-leer, luidende aldus: noen ma vi pad ine choro.quot; Deze woorden of liever klanken hebben eigenlijk geene beteekenis hoegenaamd, althans de Kalmoeksche priesters verzekerden mij, dat dit het geval was; zij bezigen echter dit gebed, dewijl er geen enkel gebed bekend was, waarbij zij de lippen zoo snel kunnen bewegen.
Zoodra de rozekrans driemaal door de handen der priester was gegaan en voor de drie honderd vier en twintigste maal het rroen ma vi pad me chomquot; van hunne lippen was gegleden, traden twee mannen den tempel binnen met een vat koemis, namelijk, zure paardemelk. Ieder priester en leerling was voorzien van een houten bak, welken zij in de borst van hun opperkleed of in een doek hadden medegenomen; ook ik had niet vergeten om mijn bak mede te brengen, dewijl het mij reeds bekend was, dat geen waar Kalmoek zich honderd schreden van zijne tent verwijdert zonder zich van zijn bak te voorzien, ten einde in staat te wezen om den maaltijd te gebruiken, waar hij de gelegenheid daartoe vindt.
Nadat wij de goden elk onze offerande gebragt en ons gelaafd hadden aan de koemis, werden onze bakken gereinigd. De mandsji bedienden zich daarbij eenvoudig van hunne tong; de leden der hoogere geestelijkheid streken den bak uit met den duim, welken zij daarop aflikten.
Ten einde den tempel goed te overzien, had ik met mijn ezel en verwdoos plaats genomen in de nabijheid van het gebedenwerktuig, van waar ik alles gemakkelijk overzien
If)?
en eene schets van het geheel kon ontwerpen. De priesters hielden zich onafgebroken bezig met bidden en zingen, daarbij velerlei bewegingen met het ligchaam makende. Nu eens werden gebeden opgezegd en vlogen de koralen der roze-kransen vlug door de vingers, dan weder werd niets gedaan dan prevelen onder begeleiding van kleine schellen en pauken. Sommige afgodsbeelden werden omsluijerd, anderen daarentegen onthuld. Uit het volk, hetwelk rondom den tempel was zaamgeschaard en van heinde en verre zich derwaarts luid begeven, zag men er op handen en voeten langzaam naar de deur des tempels kruipen; aldaar aangekomen, reikten zij een der nabij staande priesters een Perzisch of Russisch muntstuk toe, waarop zij zich in dezelfde houding weder verwijderden, nadat zij van den priester met een toegevouwen kraag een slag op het hoofd hadden gekregen.
Reeds hadden de priesters eenige duizende gebeden naar de troonen hunner verschillende goden opgezonden, en was een groot gedeelte der aanwezige personen op mijn penseel gebragt, toen onze arbeid gedurende eenige oogen-blikken moest worden gestaakt, want er werd een groote ketel met soep binnen gebragt. Na de soep werd gekookt schapenvleesch rondgediend; bij het nuttigen van eene spijs worden geene andere werktuigen gebezigd om ze klein te maken, dan do vingers. Brood hebben de Kal-moeken niet, dewijl hunne zwervende levenswyze hun geene gelegenheid verschaft om zich op den landbouw toe te leggen. Slechts eene soort van kransen, welke zij van tijd tot tijd op do markten, in de naburige steden inruilen, worden op hoogc feestdagen bij do thee genuttigd.
Toen wij dos avonds van het bidden en werken langzamerhand vermoeid waren geraakt, werden eenige houten kannen binnen gebragt, gevuld met theesoep, eene spijs bij de Kalmoeken bijzonder geacht. Deze soep was bereid uit togeltliee, schapenvet, melk en zout. Nadat ook deze was genuttigd, werd aan de goden nog een kort dankgebed toegobragt en stonden wij gereed om te vertrokken, toen er een hevig onweder boven onze hoofden
108
losbarstte, hetwelk ons dwong nog eenigen tijd binnen de tempelwanden fe vertoeven. Eenige priesters stapten naar buiten om do tent met koorden aan paaltjes, op eenigen afstand er van in den grond geslagen, beter te bevestigen en tegen omverwaaijen te beschutten.
Gelijk dn bevelvoerder van een door storm beloopen vaartuig, zoo deelde de lama zijne bevelen uit. Er werden andere afgodsbeelden op liet altaar geplaatst, aan de wanden andere heilige beelden opgehangen, terwijl weder anderen met gordijnen werden bedekt; tevens werd een man aan het gebodenwerktuig gesteld. Ieder hunner deed ijverig zijn pligt. Maar niettegenstaande dit alles nam de storm hand over hand toe cn wel zoodanig, dat ik elk oogenblik vreesde den ganschen tempel voorde woede van den storm te zien bezwijken; ik haastte mij zoo spoedig mogelijk mijne verwdoos te sluiten en mijne schetsen te bergen, welke ik in den tempel had ontworpen, teu einde te verhoeden, dat zij met het oorspronkelijke werden verbrijzeld. Eene hevige windvlaag duwde twee sparren van liet dak van hunne plaats en het scheen, dat de storm zich nu een weg zou banen door den tempel. Op dit gevaarvolle oogenblik gaf de lama bevel om het grootste afgodsbeeld op het altaar te onthullen, waarop het een der priesters gelukte de sparren weder op hunne plaats te stellen en met koorden te bevestigen. Kort daarop maakte ik de ontdekking, dat de biddende vlag, voor do deur des tempels, onklaar was; door den hevigen storm gezweept, was zij om den stok gewikkeld geraakt en derhalve tot zwijgen gebrngt. Toen ik de aandacht van den machinist van het gebedenwerktnig daarop vestigde, ijlde hij onmiddellijk naar buiten, ten einde de biddende vlag weder in beweging te brengen; ik hield mij intusschen bezig met het verrigten der bezigheid, welke aan hem was opgedragen, namelijk, met het ronddraaijen van het gebedenwerktuig. Wij deden al wat den mensch gegeven is te doen ter bezwering om een onweder cn hadden eindelijk het genoegen te zien, dat het voorbij trok.
i
Aankomst In Astrakan. — Gemengde bevolking.— Beschrijving d':r stad. — Wijngaarden. — Kathedralen. — Perzische en Indische bazar. — Godsdienst der Hindoes. — Fakirs.— Een Annenisch bal.
Kceren ^vij thans terug tot onze reizigers, die wij op don weg naar Astrakan hebben verlaten.
In de nabijheid van Astrakan wordt de grooto weg allengs levendiger door liet, drukke verkeer. Ter regter-en ter linkerzijde van den weg ontwaarden zij vele hofsteden en uitgestrekte wijngaarden , waarin de uitstekende Astrakansche druiven worden aangekweekt. Eindelijk kwamen zij aan een Tartaarseh dorp, dat als eene voorstad zich langs den oever der rivier uitstrekte en eeni-gen tijd later zagen zij de overzijde van den breeden stroom. Een mastbosch van schepen verborg de gansche stad schier voor hunne blikken, waarboven slechts de blanke torens en koepels zich verhieven.
Ten 4 ure in den namiddag kwamen onze reizigers ter plaatse, waar men de rivier gewoonlijk oversteekt. Aldaar lag reeds eene stoomboot gereed, welke do gouverneur-generaal Ossipoff ten hunnen dienste had afgezonden. Onder liet lossen van het geschut doorkliefde het vaartuig zoo snel mogelijk de baren, zonder de rijtuigen in te laden, dewijl daarmede te veel tijd zou
170
zijn verloren geworden. Andere vaartuigen werden gebezigd om de reiswagens van het gezelschap naar Astrakan te voeren. Een groote toevloed van personen, wier nieuwsgierigheid door de buitengewone maatregelen was geprikkeld, wachtte onze reizigers op, toen zij te Astrakan aau wal stapten. Bij hunne aankomst stond een rijtuig met vier paarden gereed en werden zij onmiddellijk naar de woning geleid, welke voor hen bestemd was. Zij werden gedurende hun verblijf te Astrakan, met de meeste gastvrijheid geherbergd door den heer Foderoff, een bejaard maar zeer rijk koopman, wiens vermogen op ruim zes miliioen gulden werd geschat, en die vier huizen te Astrakan in gebruik had. De gansche beneden-etage van een dier huizen was ingerigt ten verblijve van onze reizigers; zij bestond uit eene groote zaal, benevens verscheidene hooge en ofschoon op ouderwetsche manier, toch prachtig gemeubileerde vertrekken; deze hadden liet uitzigt op de straat. Anderen daarentegen, welke op de binnenplaats uitzagen, waren geheel iu verval, hetgeen een des te scherper kontrast maakte met den glans en den rijkdom der vroeger genoemden. Naauwelijks waren onze reizigers in hunne tijdelyke woning afgestapt, toen zij een bezoek ontvingen van den gouverneur-generaal, hetwelk zy beantwoordden, zoodra zij hun reisgewaad voor een ander kostuum hadden verwisseld.
De bevolking van Astrakan is niet talrijk; in het jaar 1839 bedroeg haar zielental 4-1:,798. Vroeger echter was dit veel aanzienlijker en voor ongeveer eene eeuw telde deze stad ongeveer 70,000 inwoners. In de laatste eeuwen is Astrakan door vele zware rampen geteisterd.
Nadat deze stad gedurende geruimen tijd had behoord tot het rijk Kapsjak, gesticht door Batoe chan, verhief zij zich in het begin der 15de eeuw tot een onafhankelijken staat. Honderd vijftig jaren later ving de hevige kampstrijd aan tusschen de Russen en de Tartaren, welke het land der tsaren van het juk der verdrukkers eindelijk verlostte. Ten jare 1554 bcmagtigde Iwan de Gruwzame half door verraad, half door de kracht zijner wape-
171
nen het gebied des Tartaarschen chans, gelegen in de nabijheid der Kaspische zee. Hij was de eerste grootvorst, die den titel aannam koning van Kasan en Astrakan. Deze overwinning was voor het Russische rijk van zeer groot gewigf, en had de onderwerping ten gevolge van alle naburige volkstammen; die zich niet onder den liussischen sehepter stelden, verlieten de oorden door hen bewoond en trokken elders heen. Sedert dit tijdstip behoort Astrakan tot Rusland, maar do welvaart der stad nam tevens van dat oogenblik af en nimmer heeft zij den glans herkregen, welken zij onder de heerschappij der Tartaren van de Gouden horde vroeger had bezeten, en die haar destijds zoo beroemd had gemaakt. Vijftien jaren na de inneming der stad door de Russen ondernamen de Turken, geholpen door de Tartaren uit de Krim, een veldtogt tegen Astrakan; deze togt werd echter niet met een gelukkigen uitslag bekroond, want bijna het geheelo Turk-sche leger versmolt in do steppe van Manytsj. Omstreeks het eiude der 17'k' eeuw (in 1070), werd do stad fel geteisterd. Stenka Ratsin had de vaan des oproers opgeheven, bemagtigde Astrakan en joeg eene menigte harer inwoners over do kling; deze opstand breidde zich zoodanig uit, dat de veiligheid en hot bestaan van Rusland gedurende een geruimen tyd in groot gevaar verkeerden. Na 11)92 en 1093 heerschte do pest er in die mate, dat 14,000 harer inwoners door die ziekte ten grave werden gesleept. Veel had zij in het jaar 1705 van de strelit-sen te lijden, en niet minder was dit het geval bij gele genheid dat zij in 1719 door de Perzen werd geplunderd. Na 1707 leed zij een nieuwen ramp, want de vlammen verteerden haar bijna geheel en al. Thans is de hoofdstad van hot voormalige rijk der Tartaren afgedaald tot den rang eener hoofdplaats van een gouvernement, hetwelk eene oppervlakte heeft van -4,000 p] mijlen, maar welks bevolking niet hooger is gekloinmen dan 380,700 zielen, waaronder 200,000 bewoners gevonden worden, die een zwervend leven leiden.
Niettegenstaande de betrekkelijk genomen geringe be-
172
volking van Astrakan, znl men niet ligt eene stad aan treffen, welker inwoners uit zoo vele verschillende volkstammen zijn zamengesteld, die uit de afgolegenstc deelen van Europa en Azië tot het drijven van handel aldaar zijn vereenigd. Behalve do Russen, die ongeveer do kleinste helft der bevolking uitmaken, do Kozakken en de overige hier gevestigde Europeërs, treft men hier aan Armeniërs, Georgiers, Boeeharen, Chiwonsen, Troeehmenen, Perzen, Hindoes, Kirgizen en Kalmoeken, bij gevolg belijders van zeer verschillende godsdiensten: Christenen, Mohammedanen, volgelingen van Brahma en Boedha. Er zijn insgelijks Israëlieten, doch hun getal is niet groot; de reden daarvan moet gezocht worden in de overeenkomst, welke tusschen hun karakter en dat der Armeniërs bestaat, ten gevolge waarvan zij hier niet in hun onderhoud kunnen voorzien.
Reeds des morgens van den 13dequot; October hadden onze reizigers ruimschoots de gelegenheid om dit bonte mengsel van verschillende volken met eigen oogen waar te nemen, want bijna van elk dier volkstammen werden deputation naar Humboldt afgevaardigd, ten einde hem te begroeten, die elk op hare beurt door den gouverneur-generaal aan hem werden voorgesteld. Aan het hoofd van allen verscheen de burgemeester met de oudsten der kooplieden, die naar de gewoonte der Russen hem de bewijzen van hunnen eerbied overhandigden. In plaats van daartoe te gebruiken brood en zout, naaide aloude herkomsten, bedienden zij zich van de voortreffelijke vruchten, welke Astrakan oplevert, druiven, groote pruimen, appelen en zout. Vervolgens kwam de adel, de officieren en het garnizoen en daarop de afgevaardigden der Armeniërs, Perzen, Hindoes, Tartaren en andere volkstammen. Onder do Aziatische bewoners der stad zijn de Armeniërs het talrijkst. De leden hunner deputatie droegen naauw sluitende rokken en daarover kaftans met opengesneden mouwen, wijde pantalons, naauwe laarzen en hoogc, met bont beklocdo mutsen. Sedert hebben zij gelijk wij reeds vroeger mededeelden,
173
bijna allen do gewone Pransclie kleederdragt aangenomen. De Hindoes zijn lang en mager, zeer kenbaar aan liun brninkleurig gelaat, gekleed in lange, witte kaftans en het hoofd met den witten tulband gedokt. De Tartaren onderscheiden zich niet van hunne elders in Rusland gevestigde stamgenooten. Do Perzianen zijn bijna zon der onderscheid slank van bouw, smal van gelaat en zwart van baard. Zij dragen twee kaftans over elkander, op de borst open en om het middenlijf bevestigd met een gordel; de onderste is van gebloemde sits, de bovenste effen van kleur en gewoonlijk van blaauw laken. De mouwen van dit overkleed zijn lang, van den onder-kaftan daarentegen zeer naauw; de mouwen van den opperkaftan zijn opengesneden en hangen langs het lijf. Zij dragen sokken van bontkleurige wol en als schoeisel lederen pantoffels; hot hoofd wordt gedekt met eene hooge pelsmuts. De bovengenoemden mogen beschouwd worden als de voornaamste volkstammen te Astrakan gevestigd, want do Kozakken uit de omringende stanitsen (dorpen), do Kalmoeken en do Kirgizen uit de steppe ziet men, wel is waar, dikwerf in de straten, maar dit mag slechts toevallig worden gehoeten, dewijl zij er niet gevestigd zijn; ditzelfde is insgelijks het geval met de Boecharen, Chiwensen en Troechmenen.
Nadat deze voorstelling was afgeloopen, doorwandelden onze reizigers, onder het geleide van den hoer Ossipoff, de voornaamste gedeelten dor stad, ton einde haar van naderbij te loeren kennen. Zij is gebouwd aan de noordelijke zijde van oen dor Wolga-eilanden, Dolgoï ostroff of het lange eiland gehoeten. Aan de oostzijde wordt do stad door de rivier zelve, ten noorden en ten oosten door de Koetoem, een arm der Wolga bespoeld, welke hier bijna een regten hoek vormt met de hoofdrivier. Haar grootste lengte hoeft zij van het oosten naar het westen. Zij is verdeeld in de vesting, kreml geheoten, de witte stad of beloï-gorod en do voorsteden of sloboden. De vesting en do witte stad liggen op een hoog plateau, dat nimmer dooide Wolga ouder water wordt gezet; zij zijn in de on-
174
middellijke nabijheid der rivier gebouwd, zuidwaarts van do Koetoem; dj voorsteden daarentegen zijn laag en ge legen ten oosten en ten zuiden van de witte stad. Het kreml en de witte stad waren oorspronkelijk met muren en torens omringd, welke thans ge'ieel en al zijn vervallen, zoodat beide volkomen open liggen. Men ziet er bijna uitsluitend steenon gebouwen, regte maar ongeplaveide straten en pleinen. In het kreml vindt men de hoofdkerk, do woning van den Grieksellen aartsbisschop, hot klooster der drieëenhoid en de kazerne van hot garnizoen. Eigenlijk wordt er in do gansehe stad sleehts een enkel plein gevonden, en wel in het westelijk gedeelte er van; rondom dit plein treft men do bovengenoemde kerk en andere gebouwen aan. Wijders vindt men er do voornaamste gouvernements gebouwen en de verschillende bazars dor onderscheidene volksstammen. De slo-boden bestaan bijna uitsluitend uit houten gebouwen, maar oven als in de stad hebben zij regte straten. De voornaamste voorsteden zijn: de oude Armenische, oostwaarts van do witte stad, en ten noorden en ten oosten door de Koetoem omgeven; de nieuwe Armenische, en do Tartaarsehe voor stad, zuidwaarts van de witte stad en do Armenische voorstad gelegen. Tnsschen de laatstgenoemde, het kreml en de witte stad loopt een kanaal, dat eene lengte heeft van 3,G00 el, en van het oosten naar het westen is gerigt; hot verbindt de Wolga met de Koetoem en scheidt het noordelijk gedeelte des eilands , waarop Astraken ligt, van het overige gedeelte af. Voor het vervoer is dit kanaal van zeer groot gewigt. Dit had men reeds voor vele ja ren ingezien, want in 1745 werd het gegraven; later verviel hot zoodanig, dat hot niet langer kon gebruikt worden, totdat een zeer vermogende Griek, Warwazi geheeten, bewoner dor stad Astrakan, het op eigen kosten in 1712 bevaarbaar deed maken, liet is met wilgen beplant, welke echter in den ziltigen bodem van Astrakan, geteisterd door do veelvuldige stormen, die er des winters hoerschen, niet bost schijnen te grooijen. Teu noorden van de monding van het kanaal wordt do haven van Astrakan gevonden.
175
Tot de voornaamste gebouwen der stad behoort in de eerste plaats de hoofdkerk of groote kathedraal, Oespens-koï sobor genaamd. Zij werd gesticht ten jare 1()96 door den metropolitaan Samson, die al de uitgaven voor den bouw vereischt, uit eigen fondsen bekostigd. Gelijk de meeste Grieksche kerken vormt zij een vierkant, waar boven vijf met kruisen voorziene koepels zich verheffen, waarvan de grootste iu het midden staat, omringd door vier kleineren van gelijke afmeting. Deze kerk is echter ruimer en hooger dan gewoonlijk in Rusland worden aangetroffen. Het inwendige is prachtig, maar eenigzins smakeloos versierd ; uithoofde van de zware muren en dikke pilaren , welke den middcnkoepel onderschragen, heerscht er zelfs op den helderen middag een schemerduister, want de ramen zijn zeer hoog geplaatst en, met betrekking tot den omvang van het gebouw, zeer klein. Men vindt er eene menigte kostbaarheden, als een rijk verguld Mariabeeld, een zilveren doopbekken ter zwaarte van 98 pond, benevens vele met gouddraad gestikte en met paarlen bezette misgewaden uit vroeger eeuwen herkomstig, mijters rijk met goud, zilver en edelgesteenten versierd. Deze laatstgenoemde kostbaarheden worden bewaard in eene groote kast, geplaatst in een gewelf, hetwelk boven de sacristij wordt gevonden. .Men treft cr wijders aan de portretten, in olieverw geschilderd, van den tegen-woordigen aartsbisschop, van den vroeger vermelden Griek Warwazi en van den Russischen koopman SaposjikofF, die zich door hot schenken van vele kostbaarheden aan de kerk groote verdiensten had verworven. Behalve deze kathedraal bevat Astrakan nog negentien Grieksche, benevens vier Armenische kerken; deze laatsten staan onder een afzonderlijken bisschop, dewijl do Armenische godsdienst, zoowel in de geloofsartikelen als in de plegtigheden van de Grieksche kerk afwijkt. De Tartaren hebben zestien moskeen, waarvan het mccrendeel van hout is gebouwd.
Het merkwaardigste gedenkstuk, hetwelk Astrakan bevat, is de kleine kerk in het fort door Peter den Groote gebouwd. Iwan do Vierde wordt beschouwd als de stich-
17«
ter dezer kerk. Zij is gebouwd in Moorschen stijl en bedekt met cene nienigte versierselen, welke vim hooge waarde zijn voor de geschiedenis der kunst. Zeer is bet tc bejammeren, dat zij sedert vele jaren niet meer tot de viering der godsdienst wordt gebezigd, maar slechts tot magazijn dient.
Sedert cenige jaren bezit Astrakan in de nabijheid van de mondingen der Wolga, op een afstand van 75 mijlen der stad, een quarantaine gebouw, welks stichting der vermelding w-el verdient. Voor deze inrigting op de plaats was gebouwd, waar zij thans wordt gevonden, heeft men zich meermalen gedwongen gezien de vroegere stichtingen van dien aard te verplaatsen, uithoofde de ligging er van zoo ongunstig was. Telkenmale had men groote sommen besteed om dc inrigting aan het oogmerk tc doen beantwoorden. Nadat men op die wijze veel geld en tijd had verloreiij wees een ingenieur cene geschikte, plaats aan tot het stichten van een dergelijk gebouw, en wel op een der eilanden in dc rivier, waar het thans wordt aangetroffen. Eenige jaren later vond men in dc archieven van de stad eene nota van de hand van tsaar 1'cter, waarin juist ditzelfde eiland werd aangewezen, als de meest geschikte gelegenheid aanbiedende tot het bouwen van cene inrigting als boven is bedoeld. Een enkele blik had hem overtuigd, dat het bovenvermelde eiland dc meest geschikte plaats tot het bouwen van een ziekenhuis opleverde, terwijl vele ingenieurs als het ware eerst na jaren lang zoeken en rondtasten op dat denkbeeld kwamen.
Tijdens het bezoek door onze reizigers tc Astrakan afgelegd, was het bestraten van den openbaren weg er nog eene onbekende weelde; zandig gelijk dc omstreken, zijn de straten gedurende het grootste gedeelte van den dag geheel verlaten, uithoofde dc groote hitte hot begaan er van zeer bezwaarlijk maakt. Moeijelijk echter is het een levendiger en .schilderachtiger tooncel te bedenken, dan diezelfde straten gedurende de avonduren aanbieden; dau ontwaakt de gausclic stad tot een nieuw leven, ieder schudt de sluimering en dc loomheid van zich af, waarin hij bij cene
177
liittn vnii 30° graden Róaumur nederzinkt. Dan ijlt ie-dov naar buiten om do frissehe luelif in fe ademen; de straten worden allengs drukker bezocht en levendiger, de zaken worden hervat, de winkels krijgen eene menigte bezoekers, dnizende wandelaars verspreiden zich in de straten, op de brnggen en langs de met boomen be-pl.uifo kaaijcn, het kanaal wordt bedekt met eene menigte kaïks, beladen met meloenen en andere saprijke vrnchten, de vi gil anten, dro-jka's. equipages, welke onderling in sierlijkheid wedijveren, snellen in allerlei rigtingen dooide stad, welke een regt feestelijk aanzien heeft verkregen. Onze reizigers stonden niet weinig verwonderd op hot zien van al die levendigheid en dat vrolijke gewoel. Men vindt hier alles vereenigd wat men op reis schilderachtigs en boeijendi heeft gezien. Nevens eene Tartaarsche woning ontwaart men een gebouw in den Gothischen stijl opgei igt, door liet verloop van eeuwen grijs geworden, welks vormen onze denkbeelden vele honderde jaren terugvoeren. Tegenover een karavanserai ziel men een meuwerwetsch magazijn, waarin de nieuwste modevormen ten toon gesteld zijn. In de schaduw van de prachtige metropolitaankerk vindt men eene sierlijke moskee met bare bron, waarin do goloovigen zich reinigen voor het gebed. Op een balkon in Moorselien stijl gebouwd, ziet men eenige jonge Enropesche dames, wier kieeding even smaakvol is als ware zij zoo uit de hand gekomen dei-voornaamste modemaakster te Parijs, terwijl de witte schaduwen met slanke, strenge vormen door de zuilengangen van overoude paleizen zweven, en een geheimzin-nig gevoel zich van den beschouwer meester maakt. Zoodanig vereenigen zich alle kontrasten en niet ver behoeft men zijne wandeling uit te strekkeu om duizenderlei waarnemingen gedaan, en herinneringen uit vele eeuwen en oorden te hebben opgezameld. Do Russen mogen trotsch zijn op het bezit eener stad, welker oorsprong in eene lang vervlogen eeuw moet gezocht worden en waar men niet die eenvormigheid en vaste regelmaat voor oogen heeft, welke men allerwege in het Russische rijk ontwaart
178
In de bovenstad heeft men eene artesische bron geboord; men was reeds tot op eene diepte van 130 Ned. el gekomen, maar had nog geen water gekregen; daarentegen iiad eene groote hoeveelheid koolwaterstof zich op die wijze een uitweg gebaand, hetwelk gedurende verscheidene weken brandde en eene groote helderheid verspreidde.
De stad heeft thans lö6 straten met 3,883 huizen, van welke slechts 288 van steen gebouwd zijn.
Het klimaat van Astrakan is droog en zeer warm. Gedurende langer dan drie maanden daalt de thermometer zelden beneden 28° Réaumur. Deze hitte wordt nog verhoogd, dewijl de zonnestralen den zandigen bodem beschijnen, welke de warmte terugkaatst; ligchaam en geest worden daardoor verzwakt, en hieruit verklaart zich de bekende traagheid der inwoners. Maar ten gevolge van de droogheid des dampkrings, is de lucht zoo zuiver, dat een schilder er opgetogen over zou staan; alle voorwerpen, 't zij van nabij of van verre gezien, verkrijgen daardoor eene warmte van toon, de lucht is zoo doorzig-tig als of men zich onder een Italiaanschcn hemel bevond. Eene groote plaag voor de inwoners van Astrakan en moer nog voor eiken vreemdeling, is de groote menigte muggen en andere insekten, welke in sommige gedeelten van het jaar de lucht als het ware vervullen. Geen middel is in staat om ze te verdrijven of om zich tegen hunne steken te beveiligen. Te vergeefs bedekt men zich des nachts met gaas; te vergeefs herschept men den dag binnen 's huis in een donkeren nacht; men is niet minder blootgesteld aan al het kwellende hunner beten en steken, en er blijft niets over om zich tegen den onzigtbaren vijand te verdedigen, wiens aanvallen zonder ophouden worden voortgezet.
Nadat onze reizigers de straten doorreden en zich in staat hadden gesteld om een juist denkbeeld van het uitwendige er van te vormen, begaven zij zich naar buiten, ten einde een wyngaard te bezoeken, om den wijnbouw te leeren beoordeelen, gelijk die in de omstreken van Astrakan plaats vindt; hij maakt een der voornaamste takken van nijverheid aldaar uit. De wijnstokken groeijen in
170
deze, zoomede in alle overige wijngaarden rondom de stad niet aan staken, maar aan heggen, welke op rijen nevens elkander staan. Des zomers worden zij gedurende de droogte besproeid, en des winters met aarde bedekt. Groote zorg wordt gedurende het heete jaargetijde aan het be-sproeijen der wijngaarden besteed. Allerwege ziet men in de wijngaarden torens of hooge gebouwen, in den trant onzer windmolens, welke gewoonlijk staan op een gemetseld bassin; hieruit wordt in vaten water opgehaald, dat in houten goten wordt uitgestort. Deze goten liggen door den gansehen wijngaard, waaruit hot weder in gleuven uitloopt, door middel waarvan de wortels der wijnstokken worden besproeid. Men ziet in deze wijngaarden verschillende soorten van wijnstokken, welke meest allen zeer groote, sappige druiven hebben. Meerendeels echter groeit er eene soort van druif met dikke schil, welke zeer zoet en smakelijk is, en groote overeenkomst heeft zoowel in smaak als vorm mot Malaga-druiven. Veel ziet men hier de zoogenaamde kisjmisj, eene druif welke geen pitten heeft. De Astrakansche druiven worden voor het grootste gedeelte versch gegeten, en wijd en zijd verzonden. Zoo verzendt men ze in groote hoeveelheid naar St. Petersburg, welke stad ongeveer 2,152 mijlen van Astrakan verwijderd is, waar zij op de tafels der voornamen steeds worden gevonden. Waarheen men in Rusland goederen verzenden kan, is men zeker Astrakansche druiven aan te treffen.
De wijze, waarop men deze druiven bewaart is zeer eenvoudig, ten gevolge waarvan men ze te St. Petersburg hot geheelc jaar door uitstekend van kwaliteit kan verkrijgen. Voor de druif rijp is, wordt zij afgesneden, waarbij men vooral zorg draagt, dat men den tros niet met de handen aanraakt; de druiven, welke op ecnigerlei wijze zijn aangetast, worden er uit genomen. Vervolgens worden zij in zeer groote gebakken aarden potten golegd, in dier voege dat do trossen elkander niet aanraken; de tusschenruimte wordt gevuld met gierst. De pot wordt door middel van een aarden deksel gesloten, en dit lucht
180
digt te doen heeft grootc mocijelijklieid in, dewijl de pot naav boven eenigzins naamver toeloopt. Dit geschiedt op do Chinesche manier, door langs den kant van het deksel eene dikke laag stopvenv te leggen, waarop men vervolgens papier plakt. Geschiedt dit met do noodigo zorg, dan kan men de druiven, naar de verzekering der kooplieden in dit artikel te St. Petersburg woonachtig, langer dan twee jaren goed houden.
Minder algemeen bedient men zich van de Astrakan-sche druiven om wijn te maken. Naar het gevoelen van Pallas zijn die druiven te waterachtig om een goeden, krachtigen wijn op te leveren. De inheemsche soorten, welke onze reizigers te Astrakan dronken, waren verre van goed te noemen; beter smaakten do wijnsoorten uit het zuiden van Rusland, welke zuidwaarts van Astrakan, te Kislar aan de Terek, in de nabijheid van de Kaspische zee, waren geteeld ; in ver.schillende opzigten kwamen zij van nabij overeen met goede Fransrhe wijnen. Ook ooft teelde men in de wijngaarden door onze reizi-nors bezocht, namelijk, uitstekende poeren en appelen, /ij troffen er onder anderen een tamelijk grooten eikenboom (quercus peduneulata) aan, hetgeen in deze oorden eene zeldzaamheid mogt genoemd worden.
Naar de opgaven der wetenschappelijke reizigers is het gebied van Astrakan zeer dor. De landbouw levert bijna niets op, behalve maïs en gierst; alle andore levensmiddelen worden uit Saratoff aangevoerd. Ton gevolge hiervan is de scheepvaart op de Wolga zeer levendig, want behalve dat op die wijze het benoodigdc graan naar Astrakan en omliggende plaatsen wordt aangevoerd, voorziet men uit het gouvernement Saratoff insgelijks in de behoeften dor inwoners van Goericff cn omliggende streken, benevens van de armoe aan de Terek en zelfs van de Trans-Kaukasische landen.
Zeer belangwekkend zijn de verschillende bazars der onderscheidene volken, die te Astrakan vertegenwoordigers in menigte hebben. Er worden verscheidene Russische, Turtaarscho en Armenische bazars gevonden, benevens
181
ecne Perzische en eone Illndoe-bazar. liet zijn nllea vierkante gebouwen, met winkels aan de buitenzijden en eene binnenplaats, waartoe men door eene poort toegang verkrijgt. De Perzische bazar is van steen gebouwd, welke in de tweede verdieping woningen bevat; het grootste gedeelte der Porzianen, die zich te Astrakan ophouden, woont daar bijeen. Bijna allen zijn zij handelaren. Volgens Erdmann zijn er ongeveer vijfhonderd in de genoemde stad, meest allen afkomstig uit de provinciën Masanderan en Gilan, de zijde producerende streken van Perzië, in welk artikel zij meest allen handelen. In den regel zijn zij ongehuwd en a!s agenten van handelaren in de genoemde Perzische provinciën in die stad werkzaam, zoodat zij telkens komen en gaan. Zeer weinigen hebben zich met der woon te Astrakan gevestigd; onder deze worden enkelen gevonden, die met Tartaarsche vrouwen zijn gehuwd. Deze wonen dan niet in de bazar, maar in de stad zelve. De cenige handel, welken zij drijven, is in Perzische zijden shawls en doeken, Indische artikelen, gedroogde Perzische vruchten en dergelijken. Wanneer zij zich niet bezig houden met het aanprijzen hunner waar, hebben zij de gewoonte om voor hunne winkels te staan cn den tijd met praten door te brengen. Zij bezitten te Astrakan geene moskee en bezoeken slechts zelden een van de talrijke mesdjiets der Tartaren, dewijl zij tot eene andere sekte der Mohammedanen behooren. Hansteen had bij gelegenheid van zijn verblijf te Astrakan de gelegenheid eene moskee, in hot huis eens Perzi-schen koopmans ingerigt, te bezoeken. In een ruim vertrek stond, nabij een der wanden, eene kast met verscheidene vakken, waarin verschillende afgodsbeelden van brons of koper stonden ; de glazen deuren der kast waren geopend en op eene uitgetrokken lade, van het beneden gedeelte dei-kast, waren eenige metalen vaten geplaatst met brandenden spiritus, waaruit groote vlammen opstegen. Voor dit luoubel stonden eenige Perzianen; zij lazen hunne gebeden en bragten herhaaldelijk de hand in de spiritusvlammen als het ware om die te reinigen of ze te heiligen. Na-
182
dat de plogtiglioid was afgcloopcn, veroorloofden de aanwezigen den heer Hanstcen digter bij de kast te treden en do afgodsbeelden van nabij in oogcnscbouw to nemen; bet was hem echter niet vergund ze aan te raken.
Volgens een ander reiziger, Hommaire de Heil, verlaten de Pcrzianen de een na den ander do stad, even als vroeger het geval is geweest met de Hindoes. Het verbodstelsel, hetwelk in Rusland wordt gehuldigd, heeft al hunne handelsbronnen doen opdroogon; thans vindt men er nog eenige honderden, die de armoede slechts in hun aangenomen vaderland doet blijven, alwaar zij op eenc zeer karige wijze door den kleinhandel in hunne behoeften voorzien. Ik heb, zoo verhaalt gemolde reiziger, de verbazend lange rijen winkels der Perzische bazars doorgewandeld, maar te vergeefs er gczocht naar de kostbare voort-werpen, waardoor zij eenmaal zoo beroemd waren. De magazijnen, ze zijn schier geheel ledig en slechts met moeite kan de reiziger conige cashmiorcn shawls, zijden, termalams en eenige andere producten van Azië vinden, welke onze nieuwsgierigheid zoo zeer wekken en eenmaal voor deze stad eene bron van rijkdommen waren.
Van veel belang voor de kennis van het karakter der Perzianen is hetgeen Hanstcen hoeft medegedeeld, ten opzigte van zijne betrekking tot Mirza Abdoella Viziroff.
Genoemde Mirza, dien Hanstcen loerde kennen ten huize van den Engolschen zendeling Glen te Astrakan, was vroeger vizier geweest bij den sjah van Perzic. Dewijl hij de hand had gehad in eene zamenzwering, welke de onttrooning van den sjah ton doel had, maar tijdig genoeg ontdekt werd, alvorens dc zamenzweorders hun oogmerk bereikt hadden, was hij genoodzaakt geworden zijn leven door eenc snelle vlugt te redden. Hij had zich daarop naar Astrakan begeven, alwaar hij met dor woon gevestigd was. Ten einde de herinnering aan zijne voormalige bongo betrekking des te levendiger in het geheugen te doen blijven, had hij den bijnaam aangenomen van viziroff. Te Astrakan is voor
183
vele jaren een gymnasium opgerigt, alwaar onderwijs wordt gegeven in de Oostersche talen, welke in de aangrenzende landen worden gesproken; aan dit gymnasium werd Viziroff als leeraar in de Perzische taal aangesteld, terwijl hij nog bovendien den heer Glen behulpzaam was in het vertalen van den bijbel in het Perzisch. Hij behoorde tot het echte Perzische ras, bad scherp geteekende gelaatstrekken, glinsterend zwarte oogen en een ligten tred. Wanneer hij op straat ging, bestond zijn schoeisel uit ligte houten pantoffels, met hooge verlakte hakken, waarvan het voorgedeelte was vervaardigd van groen leder met figuren bestikt. Aan de deur eener woning gekomen, deed hij de pantoffels uit, en had dan aan de voeten eene soort van sok of korte kous, vervaardigd van zeer dun, zacht, lichtgroen leder. Ik vroeg hem eens om mijn naam met Perzische letters op papier te schrijven, tot een aandenken van den eersten Perziaan, dien ik op mijne reizen had leeren kennen. Als een bewijs hoe aangenaam hem deze beleefdheid was, vroeg hij mij wederkeerig om mijn naam voor hem uit te schrijven, ten einde dien insgelijks tot een aandenken te bewaren. Gemakshalve gaf ik hem een visite-kaartje, waarop de volgende woorden stonden: Chr. Hansteen, professeur de mathématique appliquée et d'astronomie a l'université de Christiania.quot; Eenige dagen later overhandigde hij mij twee vol geschreven kwarto-bladen, waarop het navolgende gelezen werd. Op het eene blad werd eene omschrijving gevonden der bovenstaande woorden in de Perzische taal, maar in een geschrift op Oostersche wijze overladen met strikken, krullen en allerlei versierselen; het andere behelsde de aanspraak, welke hij aan Humboldt had gehouden bij gelegenheid zijner komst aldaar, vier weken voor ik te dier plaatse was aangekomen. De inhoud van het eerste was naar de vertaling van den zendeling Glen als volgt:
quot;De geringste onder do dienaren Mirza Abdoella Viziroff, die eene plaats heeft onder de leeraren van het gymnasium te Astrakan, beeft op verlangen van een der
184
voornaamste geleerden der wereld, die zich onledig houdt met het naauwkeurig waarnemen der uren van den dag en den nacht, cn van dc plaats on den tijd van op- en ondergang der dwaalsterren, een der geleerdste sterrekundigen van onze eeuw en onderwijzer der wiskundige wetenschappen, even uitstekend door de uitgebreidheid zijner kennis als de scherpzinnigheid zijns verstands, namelijk, Chiistopliorus Ilansteen, die eene eervolle plaats beslaat onder de go-leerden der universiteit in de vriendelijke stad Ghristiania in het koningrijk Zweden, en als reiziger Astrakan heeft bezocht, het bovenstaande als een gering aandenken zijner hand in geschrifte gesteld op den lö15'quot;1 Februarij, 1830 der Christelijke jaartelling.quot;
Het andere, bevattende de aanspraak aan Humboldt go-houden, luidde aldus:
tfEerwaurdig heer, uit wien als een onuitputtelijk rijke bron, de edelste deugden en eigenschappen voortvloeijen, en in wiens geest, ais in eene schatkamer, de kostbaarste paarlen der wijsheid en kennis zijn neergelegd, zijt verzekerd, dat zoo het niet al in de magt staat van don onderdanigsten uwer dienaren om door woorden de vreugde te schilderen, welke de komst binnen Astrakan's muren van uwe excellentie, die de schitterende zon in glans evenaart, in zijn hart heeft gestort, die alles wat edel, wol luidt en goed is, ziet en door en door begrijpt, do herinnering aan hot geluk, dat ons door uwe komst is bereid, voor u — al» een stofje in een zonnestraal — nu wij het aangezigt hebben mogen aanschouwen van een der geleerdste mannen der wereld, den Plato onzer eeuw, wiens gelaat ons allen vreugde brengt, die herinnering zoo diep in onzen boezem is gegriffeld, dat zij nooit uit het hart uwer onder-danigste dienaren zal uitgewischt worden.quot;
Mirza Abdoola toonde Hansteen het klad dezer beide blaadjes, waarop de regels kromme lijnen vormden. L)e redon or van moet hierin gezocht worden, dat de Oosterlingen op sofa's zitten, en het gebruik van stoelen en tafels hun geheel en al onbekend is. Uij het schrijven gaan zij derhalve op do volgende wijze te werk; zij plaatsen het papier
185
op de regterknie, en terwijl zij de hand van de regter- naar de linkerzijde bewegen, wordt het papier omgedraaid, en wel in eone tegenoverge.stelde rigting. Dit geschiedt ten einde de plaats, waarop dc pen nederkomt, steeds op het midden der knie te honden. Toen dit concept in liet net was geschreven, was er geen bogtje hoe gering ook, in het schiü't te bespeiiven. Het kan niet anders of het overwinnen dezer groote moeijclijkhc.id in de uitvoering, behalve het uitdenken van :i! deze bloemrijke uitdrukkingen zal dc oorzaak zijn geweest, dat er verscheidene dagen verliepen, alvorens het beloofde geschrift gereed was.
Op eeu geringen afstand van de Perzische bazar wordt die der Hindoes gevonden, welke laatste slechts van hout is opgetrokken. Het getal Hindoes, hetwelk zich te Astra kan ophoudt, is gering. Tijdens Erdmann die stad bezocht, woonden er 70; toen Goebel er vertoefde, telde men er niet meer dan 17. Zij zijn allen herkomstig uit de provincie Mueltan. Al de Hindoes drijven handel of zetten gelden uil tegen een woeker van 12 a 3Ü per cent; allen zijn /.ij rijk, want bij do groote winsten, welke zij op die wijze verwerven, leven zij zeer matig. Ook zijn zij ongehuwd. Ten einde diegenen te vervangen, die door den dood of uit anderen hoofde aan het getal zijn ontvallen, laten zij van tijd tot tijd bekenden uit hun vaderland derwaarts komen, die aanvankelijk als bedienden, later als deelhebbers in de zaken worden gebruikt. Langzamerhand is dit kleine getal nog verminderd, zoodat volgens de berigteu van een reiziger, die Astrakan voor korten tijd bezocht, er thans niet meer werden aangetroffen, met uitzondering van enkele priesters, die zijn achter gebleven om eene menigte processen te voeren, de gevolgen der zaken door hunne geloofsgenooten gedreven. Uit den omgang der Hindoes met Kalinoeksche vrouwen zijn eenlge kleurlingen voortgesproten, die zeer oneigenlijk Tartaren worden geheeten. De vermenging dezer twee werkelijk Aziatische rassen heeft eene type doen geboren worden, «elke noch de scheef gerigte oogen der Kalmoeken, noch de bronskleurige huid der Hindoes heeft, maar daaientegen
186
van nabij overeenkomt met het Europesche of Kauka-sische ras. In het karakter en de gewoonten hebben deze laatstgenoemden evenmin iets, dat aan hunne oorspronkelijke rassen herrinnert. Te midden der vadsige bevolking levende, leggen deze kleurlingen in al hun doen eene bedrijvigheid en vastberadenheid aan den dag als behoorden zij tot een Noordsehen volkstam. Zij zijn meerendeels lastdragers, voerlieden of matrozen, die geen arbeid schuwen, hoe moeijelijk hij ook moge zijn. Met een breed geranden, spits toeloopenden hoed op het hoofd, ziet men deze mannen, die bijna allen hoog van statuur zijn en een kloek uitzigt hebben, allerlei zwaren arbeid verrigten. Opmerkelijk is de overeenkomst, welke zij bezitten met de Spaansche muilezeldrijvers.
Algemeen getuigt men, dat de Hindoes goedaardige, eerlijke mensehen zijn, in welk opzigt zij veel verschillen van de Armeniërs, die als gewetenloos worden afgeschilderd. Reeds Gmelin hangt een treurig tafereel op van de zedeloosheid der laatstgenoemden. Ook de Hindoes wonen allen in hunne bazar, alwaar zij hunne godsdienst vieren. Onze reizigers hadden den gouverneur het verlangen kenbaar gemaakt om eene dergelijke plegtigheid bij te wonen, ten gevolge waarvan zij zich des namiddaags ten 5 ure derwaarts begaven, want de Hindoes vangen hunne gebeden telkens aan met het ondergaan der zon.
De plaats, alwaar de Hindoes de godsdienst vierden, was een laag vertrek van middelmatige grootte, hetwelk slechts twee vensters had, regt tegenover de deur, welke toegang tot do kamer verleende. Met uitzondering van eene kleine plek vlak voor de deur, was de vloer hij wijze van estrade in de gansche kamer opgehoogd; hierop lag een tapijt; een paar trappen geleidden tot dit iioogere gedeelte. Hegts in den hoek naast een der vensters stond eeiie tafel, met een zijden kleed bedekt, waarop zich eene pagode bevond, waarvan het beneden gedeelte ongeveer l'/a voet lang en breed was; hierop stond een pyramidaal zich verheffende troon en een op vier roodgeverwde houten zuilen rustende hemel. Op en nevens den troon stonden
187
dc afgoden, wanstaltige menschelijke figuren, ter hoogte van 15 a 30 Nederl. duim. Deze afgoden, vervaardigd van gegoten koper en later verguld, waren omhangen met blaauwe en roode manteltjes, zoodat zij veel op poppen geleken. Voor deze afgoden was de seligram geplaatst, zijnde een zwarte, onbehouwen steen, ter hoogte van 5 en ter lengte van 10 duim, welke do menschwording van Visjnoe beteekent, en bij don aanvang van elke godsdienstoefening op nieuw wordt gekleurd. Verseh geplukte bloemen sierden het overige gedeelte der tafel. Op do vensterbank stond eene olielamp met twee pitten, welke steeds brandend wordt gehouden.
Toen ons reisgezelschap het vertrek binnenkwam, was een der brahminon juist bezig met het beschilderen van den seligram. Hij had hot gelaat gewend naar de pagode en ging voort met zijne bezigheid, zonder zich in het minst door het binnentreden der vreemdelingen te laten storen; achter hem stond een andere brahmicn, insgelijks met het gelaat naar do pagode gekeerd en nevens dezen bevond zich een derde, met het aangezigt naar het venster gewend; dc tweede hield in elko hand een bekken, de dorde had in dc regterhand een koord, door middel waarvan hij een paar klokjes in beweging bragt, welke aan het bovenste gedeelte van den wand hingen. Rondom deze priesters stonden de overige Hindoes ten getale van ongeveer dertig, die allen hunne pantoffels uitgetrokken hadden; onder deze laatsten haddon ook onze reizigers plaats genomen. Nadat de eerste brahmicn den seligram had beschilderd, plaatste hij dien voor zich op de tafel, vulde eene schelp met water uit eene ter regterzijdc van hem geplaatste schaal; terwijl hij met de linkerhand eene schol voortdurend in beweging hield, beschreef hij met de regterhand, waarin hij eene schelp hield, kringen om de afgoden, waarbij hij telkens een gedeelte van liet
') Pallas heeft deze afgoden uitvoerig beschreven in zijne; Reise in die sUdlicben Statthaltcrsehaften des russischen eichs, Th. I. !?. 225 en volgenden.
188
water in de scliaal goot, totdat de schelp geheel ledig was. Vervolgens hieven de achter en nevens hem Staande priesters een eentoonig gezang aan, waarbij de eerstgenoemde onophoudelijk schelde, de tweede priester op een bekken sloeg en de derde geestelijke de schellen op de maat geluid deed geven, welk een en ander in het kleine vertrek een tamelijk luid gedruisch maakte. Dit eentoonigc gezang hield vrij lang aan. Nadat het geëindigd was; nam de eerste priester een stuk brood, schepte met een grooten lepel eenig water uit de schaal, dronk er eene teug uit en reikte dien vervolgens toe aan de andere priesters en de aanwezige Hindoes. Daarop nam hij een kandelaar met vijf kleine waslichten ter hand, ontstak die aan de lamp, hield die elk der Hindoes voor, waarop ieder hunner een tijd lang de handen buven de brandende kaarsen warmde en ze vervolgens togen de oogen drukte.
Hiermede was de plegtigheid geëindigd, welke eenige overeenkomst verried met de gebruiken der Christelijke kerk. Terstond daarop verlieten de meeste Hindoes het vertrek.
Onze reizigers weiden hierop door de Brahminen onthaald op druiven, gedroogde dadels, abrikozen, pistaches, rozijnen, suikergoed en gebak, eene beleefdheid welke niet van de hand gewezen mogt worden.
Niet onbelangrijk zal het zijn hiermede het verhaal te vergelijken, hetwelk Hommaire de Heil heeft gegeven van eene godsdienstoefening door hem bijgewoond. Het luidt aldus: quot; Men geleidde ons terstond na onze komst te Astrakan naar het huis vau een Brahmien, ter bijwoning van het avondgebed, hetwelk aldaar i.ou worden gehouden. Wij werden door den oppersten geestelijke met de meeste welwillendheid ontvangen. Het vertrek, waarin de plegtigheid zou plaats hebben, had het uitzigt naar het westen; de eenige meubelen in het vertrek, waren groute sofa's, gelijk in Turkije worden gebruikt. Hetgeen het meest onze aandacht trok, was eene kleine kapel in den muur, waarbij twee priesters stonden. De
189
eonc liiold de blikken voortdurend naar liet westen ge-rigt on volgde met aandaclit de zonnescliijf, welke den horizon reeds zeer nabij was gekomen. Deze Brahminen waren gekleed in een lang, bruinkleurig gewaad, waarover in eene dwarsche rigting eene witte sjerp was geworpen, welker uiteinden op den vloer liingen. Een tulband van wit moesselien omgaf in breede plooijen liet bruinkleurigc gelaat, welks j rofiel een eclit antieken vorm verried.
De opperpriester, die minder aandachtig de plegtigheid verrigtle, lachte ons telkens toe, terwijl lii; met zijn rens-aehtigen Porzischeu waaijer ons in een frisschen luchtstroom hulde. Weldra daalde de zonneschijf beneden de wester-kim. Het oogenblik, waarop zij geheel uit het oog verdween, werd aangekondigd door den scherpen toon ceuer zeeschelp. Terstond ontstak een priester verscheidene kaarsen, welke voor een beeld in de kapel stonden. Een ander hield zich onledig met hel reinigen van zonderling gevormde vaten, vulde ze met water en wierp zich met diepe aandacht vervuld voor de schalen neder. Een groote, grijs-kleurige steen, welke in den muur was gemetseld, scheen het hoofdvoorwerp der aanbidding te zijn. Volgens de verklaring van den opperpriester was de ziel van een beroemden heilige, om de wereld en de menschen te ontvlieden, in dezen steen gevaren. Om die reden wordt dit mystieke voorwerp als een groot heiligdom beschouwd, waarvan de aanblik alleen voldoende is om wonderen to doen plaats grijpen. Nadat do opperpriester eenigen tijd in het gebed had doorgebragt, verbrandde hij eene welriekende stof, ten gevolge waarvan het vertrek met oonc rookwolk werd vervuld, waardoor allo voorwerpen in een geheimzinnige schemering werden gehuld on de voorwerpen zich in onbestemde vormen aan het oog voordeden. De scherpe, doordringende geur van de stof door den opperpriester verbrand, de hitte welke in het vertrek heerschte, benevens hot zeldzame van het verschijnsel, dit alles oefende zoodanig een zonderlingen invloed op ons uit, dat wij woldra het ware niet meer van het schijnbare konden onderscheiden en vervuld werden van de zonderlingste denkbeelden.
Deze geestvervoering kwam volkomen overeen met de stemming, waarin de Brahtninen zich bevonden. Hun godsdienstige verrukking klom allengs hooger, zoodat zy zich wel dra niet meer bepaalden tot herhaaldelijk te knielen en weder op te staan, welke ceremoniën met inachtneming van een diep stilzwijgen had plaats gegrepen. Op een gegeven toeken knielden twee priesters voor den heiligen steen, onder hot uitspreken van een gebed; de toon hunner stem kwam uit het diepste der borst. Een andere priester plaatste zich vlak voor de kapel, met de armen kruiselings over de borst geslagen; van tijd tut tijd bragt hij eene fluit aan den mond, waarop hij eenige schelle, door dringende toonen blies. De laatstgenoemde met de zeeschelp In de haud ging op een der sopha's staan, verhief zijne stem en begeleidde de overigen, die allengs rasscher en luider begonnen te spreken. Zijne oogen begonnen te glinsteren, zijne ledematen werden stijf, onbewegelijk, allengs sloeg men harder en met sneller bewegingen op de schelp, de klokken werden heftiger geluid, de opperpriester schelde met meer geweld, zoodat er een helsch gedruisch ontstond, zoo woest en wild en zoo zonderling, dat men in de verzoeking kwam om te gelooven, dat de Brahtninen van den booze waren bezeten. Hunne gebaren waren zoo wonderlijk, dat hot eer eene duivelsbezwering scheen te zijn dan een gebed. Onbeschrijfelijk is het gevoel, dat zich van onzen geest had meester gemaakt; het best laat het zich vergelijken met eene zonderlinge mate van verbazing, gepaard met nieuwsgierigheid, afschuw en vrees. Uitgeput van vermoeijenis zonken zij eindelijk neder, nadat dit helsch gedruisch ongeveer tien minuten had geduurd. Ware dit niet het geval geweest, dan geloof ik, dat wij niet in staat zouden geweest zijn langer er getuigen van te wezen. Te Konstantinopel heb ik de draaijende en huilende derwisjen gezien; het is een zonderling en schrikbarend tooneel, hetwelk zich laat vergelijken met de St. Vitusdansen der middeneeuwen. De godsdienstige muziek der Kalmoeken heeft groote overeenkomst met deze zinsverbijstering, maar de godsdienstplegtighoden der Hindoes
191
schijnen te wedijveren met hetgeen de overige godsdiensten het buitensporigst vertoonen ; zij mogen te regt het uitvloeisel worden geheeten van hetgeen in het brein eens waanzinnigen kan opkomen.
iToen het afschuwelijke concert ten einde was, nam de opperste priester een handvol gele bloemen, welke veel op boterbloemen geleken, dompelde ze in water uit den Ganges en bood ons ieder er een van aan; vervolgens kneedde hij een stuk deeg tusschen de vingers, gaf' daaraan een symbolischen vorm, stak er zeven kleine brandende kaarsen in, zwaaide daarmede in allerlei rig-tingen rond, terwijl bij voor de kapel stond en maakte daarop gelijke bewegingen, nadat hij zich naar ons had gekeerd. Ten slotte nam hij eene kleine witte mosselschelp ter hand, welke steeds naast den heiligen steen had gelegen, vulde dien met heilig Gangeswater, en be-sprenkelde ons daarmede. Terwijl hij daarmede bezig was, plaatsten do andere priesters eenige ververschingcn op eene tafel, bestaande uit gebak en vruchten, welke de opperste priester ons met groote vriendelijkheid aanbood. Op die wijze eindigde het schouwspel, hetwelk wij hadden bijgewoond, dat bezwaarlijk naar waarheid te beschrijven is en waarvan de indruk nimmer zal verloren gaan.quot;
Keeren wij na deze uitweiding tot ons verhaal terug. Op de binnenplaats van de bazar stonden eenige houten gebouwen; daarenboven was er een tuintje aangelegd, waarin de bloemen werden geteeld, welke tot versiering van den tempel benoodigd waren. Nevens de houten gebouwen had men een beschot opgerigt, alwaar op eene plank, met eene opening voorzien, een fakier nedergehurkt zat, met de kin steunende op de knieën, wiens lange, sneeuwwitte baard tusschen zyne beenen door tot op den grond hing. Hij was geheel naakt, en tegen de guurheid van het weder slechts bedekt met eene los 02) zijne schouders liggende schapenvacht. Naar men verhaalde, zut hij reeds vijftien jaren lang op dezelfde plaats, zonder die ooit te hebben verlaten. Wanneer men in aanmerking
192
ncoint, dat. to Astrakan, liopwol op crnlijken breedtegraad llggotide als Venetië, de temperatniir dos winters zoo laag daalt, dat do Wolga maanden lang met ijs bevloerd is, dan staat men verbaasd over dergelijk foit. TTii was reeds ond en blind, on had nagels ter longto van eonige dnimen. ITii werd door de overige Hindoes onderhouden, die hem van tijd tot tijd eten en drinken bragten; geld nam hij niet aan, maar des te meer was hij gesteld op snuiftabak.
Op gelijke wijze loefde hier nog een andere fakier, van wien Ilansteen melding maakt. quot;Men verhaalde ons,quot; zegt Hanstoon. quot;dat op de markt eon Hindoo fakier sedert vele jaren op cono en dezelfde plaats verblijf hield, hetgeen onze nieuwsgierigheid niet weinig opwekte. Terstond word het plan beraamd om hem te bezoeken. Tot dat einde namon wij een handwerksman ann, die ons tot geleider zou strekken. Weldra bevonden wij ons op de aangeduide plaats; onze gids opende eene deur, welke nimmer met slot of grendel werd gesloten en wij traden eene soort van houten loods binnen, maar ontwaarden niets dan eene morsige schapenvacht op don grond. Onze gids gaf daarop een zeer schellen kreet, — naar wij vermoedden riep hij den Hindoe bij zijn naam, — en tot onze groote verwondering bespeurden wij, dat de schapenvacht bewogen en eindelijk opgeslagen werd, en eene menschelijke gedaante te voorschijn kwam, welke eene zittende houding aannam; mot de armen hiof hij do schapenvacht opwaarts en zag ons met woeste blikken aan; zijne oogen waren geheel en al met bloed opgespoten. Zijne huid was koffijkleurig, ge-deeltflijk van do onreinbuid, godooltolijk het natuurlijke gevolg van het ras, waartoe hij behoorde. Men had ons verhaald, dat het grootste genoegen, hetwelk mon hom kon doen, bestond in het schenken van eene hoeveelheid snuiftabak. Wij boden hem een papieren zakje met snuif aan ; terstond greep hij er naar en onmiddellijk daarop nam hij or eene duchtige greep uit, om zich daarop te vergasten. Naauwelijks iiad hij aan deze begeerte voldaan, of hij lag het hoofd in den letterlijken zin tusschen de
lO.'i
beenen en kroop weder onder do schapenvacht. Zeker is het, dat weinig kunstenaars hem zouden kunnen evenaren in liet buigen van don ruggegraat. Eene dergelijke houding was stellig veel rnoeijelijker en pijnlijker dan het zoogenaamde kroinsluiten, dat zoo lang als straf op militairen is toegepast. Opmerkelijk mogt het worden genoemd, dat do man, die gedurende zoo vele jaren als het ware toegevouwen had gelegen, nog kracht genoeg bezat om zich op te rigten. Ten einde te verhoeden, dat hij onder de schapenvacht stikte, had hij er eene kleine opening in gemaakt op de plaats, waar hij met het hoofd lag; deze opening was zoo groot, dat men er een paar vingers kon doorstoken. Tijdens wij ons te Astrakan bevonden, was de koude zoo hevig, dat de thermometer van Réaumur 20° toekende, en toch was de plek waar hij zich ophield, slechts eene houten loots, waarin de buitenlucht ongehinderd kon binnendringen. Ter naauwornood zou oen dergelijk afdak eene voegzame schuilplaats voor een dier worden geacht. Do bewoners der stad verzorgden hom van spijs en drank; eiken dag kreeg hij eene kruik vorsch water en eenigo brokken brood en eens in het jaar gaf men hem eene nieuwe schapenvacht, waarvan hij de wol naar binnen keerde. Op do vraag hoe veel jaren hij reeds te dier plaatse had doorgobragt, werd ons geantwoord: n ongeveer twaalf jaren geleden kwam hij herwaarts. Gedurende al dien tijd is hij niet van die plek geweest, want de man is doerack'1 (krankzinnig).quot; Men hield liet er dus voor, en dat niet ten onregte, dat een dergelijk streven naar heiligheid moest beschouwd worden als een bewijs van krankzinnigheid. Waartoe zou een man, die zoo veel kracht en vastheid van wil bezat, niet in staat zijn geweest, indien hij daarvan tot een nuttig doel gebruik had gemaakt!
Gelijk wij vroeger reeds hebben gemeld, maken de Russen het voornaamste gedeelte der bevolking van Astrakan uit; na hen zijn de Armeniërs het talrijkst. Bijna allen drijven zij handel, dewijl de Russische regering hunnen adel niet erkent; daartoe is hun echter een middel ter IV. 13
194
hand gegeven, door namelijk in 's lands dienst te treden. Sommigen hnnner bezitten grooto rijkdommen. Zoo maakten onze reizigers onder anderen kennis met een Armeniër, Simon Jerjiwitsj Iwanoff genaamd, die ter eere van Humboldt een kostbaar diner, en des avonds daarop een luis-terlijk bal gaf in zijne prachtige woning. Zeer eigenaardig mogt het schouwspel heeten, hetwelk onze reizigers aldaar ontwaarden, want groot was het onderscheid in de dragt der aanwezige gasten. In het gezelschap der Europeërs, wier uiterlijk in alle oorden der wereld ongeveer hetzelfde is, zagen zij den tulband der Armeniërs, den langen blaauwen kaftan met de opengesneden mouwen der Perzianen, waar tusschen het bruine gelaat der Hindoes, met de kaalgeschoren kruin, niet weinig in het oog liep. Welk een zonderling kontrast vormde de kleedij der Russische dames, die allen de Franschen mode volgden, met de nationale dragt der Armenische vrouwen! Onze reizigers beschouwden deze laatsten met des te meer opmerkzaamheid, dewijl zij op de straat wandelende, geheel en al in een sluijer gewikkeld zijn, en op het bal althans een gedeelte van het gelaat ontblootten. Op het bovengedeelte van het hoofd droegen zij een wit kapje van zwart lint, hetwelk over het voorhoofd om het achterhoofd was geknoopt, waaraan een witte zijden doek was vastgehecht, welke met eene punt afwaarts hing, wijders een zwaar zijden kleed, veelal donker van kleur, en om den hals dikke gouden ketenen, met een of meer medailles er aan. De ongehuwden onderscheiden zich door de wijze, waarop zij het haar dragen, dat bij de eerstgenoemden in lange vlechten uit het hoofddeksel te voorschijn komt, terwijl de anderen de vlechten rondom het hoofd winden. Evenzeer als met de kleeder-dragt het geval is, wijken de dansen der Armeniërs af van die, welke bij de Europeërs in zwang zijn. Zij worden slechts door één paar uitgevoerd, en bestaan uitsluitend hierin: dat de heer en dame elkander met opgeheven armen beurtelings trippelend naderen of zich van elkander verwijderen. Hoe eenvoudig en eentoonig dergelijke dans ook moge zijn, wordt hij door sommigen der Armenische
195
dames, onder welke velen worden aangetroffen, die (schitterend zwarte oogen en een fijn besneden gezigt hebben, op zoo behagelijke wijze uitgevoerd, dat ieder onzer reizigers het even gaarne zag. Behalve deze nationale dansen werden insgelijks de gewone polonaises, écossaises. walsen en anderen gedanst. Vele voorname Armeniërs waren niet in de dragt hunner landslieden, maar naar de gewone Europesche mode gekleed op het feest verschenen.
Wat betreft de Tartaren, deze zijn afstammelingen van de voormalige bewoners der stad en van het land; hun aantal is ook thans nog zeer groot. Zij hebben eene groote overeenkomst met de Tartaren van Kasan; even als in genoemde stad zijn zij de eigenlijke industrieëlen, eigenaren van fabrieken; voornamelijk leggen zij zich toe op het vak der verwerij, 't zij van zijden of van wollen stoffen, leerlooijerij en zeepziederij. De Astrakansche mee-krapverwerijen zijn beroemd. Professor Kose bezocht eene dier fabrieken, behoorende aan een Armeniër, Sacharoff geheeten, onder het geleide van den heer Stranack. De eigenaar der fabriek toonde hom met de meeste voorkomendheid de gansche bewerking, en beschreef alles volkomen op dezelfde wijze als Pallas dit in zijn werk ') uitvoerig heeft te boek gesteld. De heer Sacharoff klaagde zeer over den achteruitgang van het vak, want in de plaats van 3 k 4 duizend pond wollen garen, welke hij toen nog verwde, had hij den tijd beleefd, dat hij ruim 30,000 pond per jaar had bewerkt. De meekrap wordt ingevoerd uit Derbend, en de geverwde wollen garens quot;worden grooten-deels verzonden naar de jaarmarkt te Nisjni Nowgorod. Vergezeld van dezen fabrickant, bezochten zij vervolgens een andere fabriek, eene blaauwzijden-verwerij, alwaar insgelijks groen en geel werd geverwd; tot dat einde bezigde men indigo en wouw, welke laatstgenoemde grondstof men uit Saratoff aanvoert, alwaar zij wordt geteeld.
Ten opzigte van den handel, welke te Astrakan in vroe-geren en lateren tijd is gedreven, ontleenen wij uit het
') Zie zijne Reise in Südrusslaud. Tlie'l I. S, 203 en volifenden.
196
werk van den bekenden reiziger Hommaire de Heil nog het navolgende.
Onder alle steden van oostelijk Europa wordt welligt geene enkele gevonden, welke eeno zoo schitterende rol heeft gespeeld in de handelsbetrekkingen tusschen Europa en Azië als Astrakan. Gelegen aan het uiteinde van een der grootste bevaarbare rivieren van Europa, staat deze stad door middel van dc Kaspische zee met Turkomanië en de noordelijke provinciën van Perzië in regtstrceksche verbinding, terwijl dit aan do andere zijde, door middel van de rivier de Don en de Wolga, hot geval is met het middengedeelte van het Russische rijk en de gansche kuststreek der Zwarte zee. Het kon wel niet anders of deze plaats moest, door het bezit van dergelijke natuurlijke voor-deelen, het centrum worden van den handel in Indische producten gedurende de middeleeuwen, toen de weg om de Kaap de Goede Hoop nog onbekend was en do Europesche zeelieden de Perzische golf nog niet waren binnen gedrongen. Tegen het midden van de IS116 eeuw, na de stichting van hot rijk Kaptsjak en dat van Klein-Tartarijë, nam de handel in Indische producten op de Kaspische zee allengs hoogor vlugt, welke om dit in het voorbijgaan te zeggen niet geheel onbekend waren aan de Patsjenegers, do bewoners van Taurië alvorens de Tartaren aldaar aankwamen. De voornaamste handelsteden der Tartaren waren Astrakan aan de eene zijde en Saldaïa aan de Zwarte zee. Door tus schenkomst der karavanen, die over de Kooban en langs de Wolga hunnen weg namen, dreven deze beide zeesteden een levendigen ruilhandel in Europesche en Aziatische producten. Van Saldaïa werden Indische koopwaren naar Konstantinopel uitgevoerd, van waar zij of naar het binnenland werden gezonden, of aan de voornaamste kooplieden, die deze hoofdstad bezochten, werden verkocht. In lateren tijd verloor Saldaïa als handelsplaats al haar gewigt, ton gevolge van de veroveringen der Genuezon, die omstreeks 1280 de kuststreken van Taurië in bezit namen; toen werd de prachtige kolonie Kaffa het middenpunt van den handel op Azië. De handelsbetrekkingen met Indië
197
namen omstreeks dezen tijd eene nieuwe vlugt, toen de Genuezen onder Hadji Dewlet Gireï zich meester hadden gemaakt van Tana aan de Don en liet rijk Kaptsjak door hen ten onder was gebragt. liet duurde niet lang of de gansche handel in specerijen en welriekende waren, zijden en andere artikelen uit Indië, welke in Europa zoo zeer werden getrokken, was geheel en al overgegaan in handen dier onverschrokken Etaliaansche handelaren, die hunne handelsbetrekkingen over de Kaspische zee, de Perzische Golf en verder, door tusschenkomst van karavanen, tot in Indië zelf uitstrekten.
Spoedig daarop brak een nieuwe storm boven het Oosten los, welks verwoestingen vreesselijker waren dan ooit vroeger ondervonden waren. Ten jare 1453 werd Konstantinopel veroverd door Mohammed den II'1® , en twintig jaren latei-vielen al de koloniën der republiek Genua de eene na de andere in de handen der Turken. Te vergeefs beproefde Venetië den handel op de Zwarte zee aan zich te trekken; hare pogingen bleven vruchteloos. De Turken verboden hierop aan alle andere natiën om door de Dardanellen te varen. De aloude handelsbetrekkingen tusschen Azië en Europa werden afgebroken. Het gevolg hiervan was, dat de uitstekende producten van Indië niet meer naar Europa konden worden overgevoerd. Daar zij echter sterk werden gevraagd en zeer duur betaald, vonden de handelaren eindelijk een anderen weg en Smyrna werd de stapelplaats der Indische producten.
De 1 igging dezer nieuwe handelstad was echter niet van dien aard, dat daardoor al de nadeelen van een langdurig, gevaarvol en zeer kostbaar transport te land werden opgewogen. Tot op het tijdstip dat Vasco da Gama den weg om de Kaap de Goede Hoop vond, was en bleef de handel op Indië, betrekkelijker wijze gesproken, kwijnend, kwam hij nimmer tot ontwikkeling.
Gedurende 250 jaren bleef Smyrna de eenige stapelplaats voor den handel op Indie en Perzië, het entrepot der Indische producten, welke over de Perzische golf door Afghanistan cn Beloedsjistan derwaarts werden
198
gevoerd. Deze waren werden deels in het land verbruikt; het overige gedeelte werd over Bagdad en Erzeroem naar Smyrna, deels over de Kaspische zee en Georgië naar Rusland uitgevoerd. Ten gevolge der groote otnkeering, welke in den wereldhandel door het vinden van den weg om de Kaap de Goede Hoop werd veroorzaakt, verloren de zuidelijke provinciën van het Russische rijk al haar gewigt voor den ruilhandel, tot op dien tijd tusschen Azië en Europa gedreven. Toen de groote stapelplaatsen voor de Indische producten, namelijk Kaffa en Tana, waren verwoest, hield alle verkeer langs de groote wegen door Azië. welke naar genoemde handelsteden leiden, geheel en al op. Van de talrijke karavanen, welke vroeger de Wolga en de Kocban waren langs getrokken, om die groote middenpunten des handels te bereiken, werd weldra geen spoor meer waargenomen; de scheepvaart op de Kaspische zee hield bijna geheel op, en Astrakan's handel was uitsluitend beperkt tot dien voor eigen gebruik en van de bevolking der naastbij gelegen landen.
Honderd jaren na de inneming van Konstantinopel plantte Iwan de Schrikwekkende zijne zegenrijke vanen aan den oever der Kaspische zee, en de voormalige hoofdstad van de Tartaren der Gouden horde moest bukken voor het zwaard des Russischen tsaars. Sedert dien tijd levert de geschiedenis van Astrakan slechts eene lange reeks onheilen, en in de laatste drie honderd jaren is deze stad, vroeger zoo bloeijend, veroordeeld tot den doodslaap. Het schijnt echter, dat Rusland onder de regering van Iwan den VT'e en zijne naaste opvolgers van Perzische producten en eenige Indische waren uit Astrakan werd voorzien. Ten jare 1580 beproefde zelfs een En-gelsche maatschappij een handelsverdrag met Perzië en de landen, door de Turkomannen bewoond, aan te knoopen en zich een weg te banen over de Kaspische zee. Alle pogingen tot dat einde in het werk gesteld, leden echter schipbreuk. En toen later de Hollandsche en Engelsche vlag in de Perzische golf verscheen, werd aan de bewoners van Astrakan alle hoop ontnomen om hunne oude handels-
199
betrekkingen met die landen immer weder te zien herleven. Van dat tijdstip hield de scheepvaart op de Kaspische zee op en de geringe hoeveelheid Aziatische producten, welke Rusland niet kon ontberen, werden langs den even kostbaren als gevaarlijken landweg derwaarts gevoerd. Toen omstreeks het midden der l?'10 eeuw Alexis Michaelowits den troon van Rusland besteeg, was de herinnering aan den vroeger gevolgden weg naar Perzië over de Kaspische zee schier uit de herinnering van de bevolking dier oorden verdwenen. Aan dezen vorst komt de eer toe pogingen in het werk te hebben gesteld om den handel, over de Kaspische zee, weder tot den vroegeren bloei op te voeren. Onder de leiding van Iloll andsche zeelieden werd ten jare 1660 eene expeditie te Astrakan uitgerust. Ongelukkig voor de ontworpen onderneming had juist destijds de opstand der Kozakken plaats; de voordeden aanvankelijk door de opstandelingen onder Stenka op de Russische troepen behaald, verijdelden de verwezenlijking van dit plan geheel en al. Sedert dien tijd werden geene pogingen tot herstelling van den voormaligen bloei meer gemaakt, totdat eindelijk de hand op nieuw aan het werk geslagen werd, namelijk, op den tijd dat Peter de Groote den troon beklom. Destijds heerschte te Astrakan in alle takken van handel en scheepvaart de rust des doods.
Onder het bestuur van dezen grooten hervormer van Rusland werden handel en de zeevaart niet uit het oog verloren. Met al de kracht zijns geestes vestigde Peter de P10 zijne aandacht op do belangen zijns rijks, wat betreft het ban delsverkeer, hetwelk vroeger had bestaan met Azië en hoe dit tot nut en voordcel zijner onderdanen weder zoo levendig kon worden gemaakt als vroeger. Geheel ver vuld van deze grootsche plannen, begaf hij zich naar Astrakan, ten einde zelf de middelen aan te wijzen, ter verwezenlijking van het ontwerp om den uitvoer van Aziatische producten naar de Europesche markt door zijne staten te doen plaats hebben. Tot dat einde doorreisde hij de streken, waar de Wolga zich door verscheidene mondingen in de Kaspische zee ontlast, wees de
200
meest geschikte plok aan tot het oprigten van oen qnaran-taine-gebouw, liet do kusten der Kaspische zoo door Hollanders opnemen en op kaart brengen. Dit alles geschiedde met hot doel om, met geweld van wapenen, de vereischte koloniën te stichten op dat gedeelte dei-kust, welke aan Perzië behoorde. Het oogenblik der uitvoering van deze ontwerpen zou daar zijn, zoodra do oorlogen, in andere oorden door hem gevoerd, met een gelukkigen uitslag bekroond zouden zijn. Do verwinningen door de Russische wapenen aan gene zijde van don Kaukasus behaald, hadden destijds niet de gowenschtc verlevendiging van den handel en het verkeer met do Aziatische landen ton gevolge, want de betrekking tusschen Centraal-Azië en Europa werd voortdurend onderhouden over Smyrna en de Indische zee, terwijl 71a het overlijden van Peter do staatkunde, ten opzigte van de uitbreiding van het Russische rijk naar do kant van Azië en de aanspraak door den grooton keizer gemaakt op hot bezit van de zuidelijke kust der Kaspische zee, werden opgegeven.
Do uitbreiding der Russische bezittingen tot aan de oevers van de Kooban en Terek in het zuiden, tot aan de Oeral-keton in het oosten, leverde echter aanmerkelijke voordooien op. De reis door Georgië kon nu zonder gevaar geschieden cn het gevolg hiervan was, dat de handel op I'orzië terstond zich verlevendigde. Gelijk vroeger het geval was goweest, zag Astrakan weder karavanen uit China en Boechara met do Perzische cn Hin-doe-handolaren binnen hare muren /aankomen, de westen oostkust dor Kaspische zee werden op nieuw door handelsvaartuigen bezocht en do talrijke zwervende horden, die in do oorden door do Welga en Kooma doorsneden, have tenten hadden opgeslagen, droegen niet weinig bij om den ruilhandel tusschen Rusland en do Trans-Kauka-sische landen gedreven, te vergemakkelijken en uit te breiden. ')
,) Onder de verschillende horden, die destijds zich ophielden in de uitgestrekte landen tot het Kebied. van Kusland behoorende, moeten
201
Onder d« regering van Katharina do IIdlt;' verschenen de Kussen andermaal aan gene zijde van den Kankasns, aan den oever der Kaspische zee, maar eerst onder keizer Alexander werd hunne heerschappij aldaar voor goed gevestigd. Eenmaal in het bezit van eene verbazende uilgestrektheid lands, grenzende aan Perzië en Turkije, waardoor Rusland te gelijkertijd de kuststreken der Kaspische en der Zwarte zee voor een gedeelte aan zijne magt had onderworpen, stonden tevens de middelen ter be schikking van den tsaar om den ruilhandel tussehen Europa en het aanzienlijkste deel van West-Azië op de voordeeligste wijze te ontwikkelen. Door de vaart op do Kaspische zee en de Wolga was Rusland in staat om de zijden en katoenen fabricaten, de verwstoffen en andere producten van Perzië tot in het hart des lands te vervoeren ; wijders had het do gelegenheid verkregen om quot;den ganschen doorvoerhandel uit de groote liandclsteden van Duitschland langs den Donau aan zich te trekken. Aanvankelijk .scheen de Russische regering zeer geneigd om het aanknoopen dezer handelsbetrekkingen en het uitbreiden er van, door alle ten dienste staande middelen, te bevorderen. Deze vrijzinnige beginselen werden echter niet lang toegepast, want weldra ging de regering over tot het nemen van beperkende maatregelen en betrad op die wijze den weg tot het uitbreiden van het verbodstelsel. hetwelk zij later heeft aangenomen.
In den aanvang der regering van Alexander bestond de oude handel met Perzië nog, en ruw katoen, uitstekend
in de eerste plaats worden genoemd de Kalinoeken, bestaande uit meer dan 124,000 huisgezinnen; de krim telde meer dan 400,OHO zielen. Sedert de regering van Peter den Groote hebben deze oorden een ganseh ander aanzien gekregen. Het grootste gedeelte der Kalmoeken heeft deze landen verlaren en is naar China getrokken, terwijl van de aanhangers der leer van Mohammed destijds aldaar gevestigd, naan-welijks 1 io gedeelte is overgebleven. Welk een nadeeligeu invloed eene dergelijke vermindering van de bevolking op den handel en het verkeer met de meer verwijderde landen van A/ie heeft moeten uitoefenen, laat zich gereedelijk bevroeden.
202
van kwaliteit, werd destijds door de Russen nog in groote hoeveelheid te Masanderan aangekocht tot een zeer lagen prijs. ') De handelaars betaalden de producten in klinkende specie, namelijk, in ducaten, de eenige gouden munt, welke ter markt werd gebezigd. In het jaar 1812 en 1813 werd de uitvoer van ducaten herhaaldelijk en telkens onder scherper bepalingen verboden. Het gevolg hiervan was, dat uitsluitend zilveren munt tot betaling der gekochte producten kon gebezigd worden. Dewijl nu de Perzische handelaren geen zilver in voldoening van hunne waren in ontvang wilden nemen, hield deze handel als het ware eensklaps op. Terstond maakten Engelsche kooplieden gebruik van deze omstandigheid; zij bezochten de markt te Masanderan, kochten het katoen op en verzonden het naar de Perzische golf, van waar deze producten naar Engeland werden verscheept. Aanvankelijk werd de gekochte waar met ducaten betaald, maar langzamerhand werden zoodanige Engelsche fabricaten daarvoor af gezet, welke in dat gedeelte van Perzië gereeden aftrek konden vinden. Deze bestonden voornamelijk uit bewerkte wollen en katoenen stoffen, voor welke artikelen Europa destijds bijna gesloten was. Toen de Russische minister van koophandel en nijverheid het geheele verval van den handel op Perzië ontwaarde, werd terstond eene poging gedaan om dien weder te verlevendigen; het verbod op den uitvoer van gouden munt werd ingetrokken, maar zonder vrucht. Het nadeel reeds te weeg gebragt, kon niet worden hersteld; de afgebroken handelsbetrekkingen lieten zich niet weder aanknoopen. Maar zelfs deze zoo gevoelige les bragt geene heilzame vruchten voort. Ten einde een enkele fabriek, te Moskou gevestigd, te kunnen hevoordeelen, werd al het buiten 's lands vervaardigde fluweel, hetwelk tot wederuitvoer naar Perzië, de Russische
') Aan de hellingen van het Elbroets-gebergte groeit het beste katoen in Perzië. Jaar in jaar uit kunnen die streken zeer gemakkelijk 1 '/2 millioen Ned. pond katoen aan de markt brengen, welke daar ter plaatse 30 k 35 cents per pond geldt.
203
grenzen overschreed, met een zoo hoog donrvoerregt belast, dat het als eene verbodsbepaling mogt gelden. Van dit oogenblik hield alle doorvoer van dit in Perzië zoo gezochte en, ten gevolge daarvan, in zoo aanzienlijke hoeveelheid ingevoerde fabricaat, geheel en al op.
Ten jare 1821 scheen de Russische regering ten dezen tot meer gezonde begrippen te zijn teruggekeerd, want de vrije invoer van Europesche goederen in de havens van Georgië werd toegestaan. Als het ware in hetzelfde oogenblik, dat dit besluit was genomen, ontwikkelde zich een levendige handel tnsschen Turkije, Perzië en de groote Duitsche middelpunten van handel en verkeer. De weg waar langs de waren de plaatsen harer bestemming moesten bereiken, lag door Rusland en liep over Radziwilow, Odessa, Redoet Kaleh en Tiflis. Doch ook deze nieuwe bron van handel en welvaart, welke zoo schitterende voor-deelen voor de toekomst beloofde, verdroogde spoedig, want in 1831, derhalve tien jaren na het openen der havens van Georgië, worden zij andermaal gesloten voor de Europesche producten en eensklaps werden de schoone plannen, welke men te regt had mogen koesteren, vernietigd. Ook thans weder was daardoor een hoogst gevaar lijke mededinger ontstaan, in geval men op den noodlottige maatregel ware terug gekomen, gelijk vroeger was geschied. Het naburige Trapezoent, het middenpunt van den handel met Perzië, kwam binnen zeer korten tijd tot een voorbeeldeloozen trap van bloei. Groot was de hoeveelheid Engelsche bewerkte waren, die aldaar werden aangevoerd, waarvan de waarde thans jaarlijks op ruim 25 millioen gulden wordt begroot. Maar niet alleen verloor Rusland daardoor de voordeden aan den doorvoerhandel verbonden, ook de handel in verwstoffen en artsenijen verliep geheel en al, dewijl ook deze producten langs een anderen weg werden afgezet.
Niettegenstaande de bewoners van Perzië en Turkije de vroeger gevolgde handelswegen niet langer konden betreden en andere hulpbronnen en uitwegen voor hunne producten poogden te ontdekken, strekte de Russische
204
regering haar aangenomen verbodstelsel allengs meer en meer uit. De uitvoer zelfs van aardewerk, dat vroeger in verbazende hoeveelheid naar Chiova en Boechara, ten behoeve van dc aldaar rondzwervende Tartaren en Kal-nioekcn werd verzonden, moest worden gestaakt, dewijl de regering ook daarop het verbodstelsel toepaste. Bij het nemen van dergelijke allerverderfelijkste maatregelen zonk Astrakan, reeds beroofd van haren handel op Azië door middel der karavanen en het verval der vaart op de Kaspische zee, allengs dieper in het niet terug; dc herinnering aan hare voormalige grootheid werd schier uitgewischt en hare welvaart vernietigd door dn slagen, welke het verbodstelsel haar toebragt. Ten jare 1830 telde Astrakan niet meer dan 47 kooplieden van het eerste gild, tot welk getal uog de vrouwen en kinderen moeten gerekend worden ; het gezamenlijke getal schepen bedroeg niet meer dan 48, metende 9,000 ton. Van deze behoorden 9 aan do kroon, 21 aan bijzondere personen, welke uitsluitend werden gebezigd tot het vervoeren van levensmiddelen en krijgsbehoeften. Tot hot drijven van handel waren derhalve niet meer dan 12 schepen over, van welke het dorde gedeelte gewoonlijk ongebruikt bleef, dewijl er geen vracht te bekomen was. Nimmer zul Rusland het zoo ver brengen, dat de Mohammedanen, in het zuiden des lands gevestigd, Russische fabriekgoederen koopen in de plaats der Aziatische producten, welke zoo veel beter met hunne zeden en gebruiken overeenkomen. Dc uitbreiding van den h andel in het westelijke gedeelte van Azic is buitengemeen groot en al zoo goed gevestigd te beschouwen, dat Rusland dien niet kan bedwingen of zelfs beperken. Gestold dat de Russische producten in prijs en hoedanigheid konden mededingen met de Engclsehe goederen, dan nog zon de Kaspische zee geen uitweg aan deze producten openen, dewijl het verbodstelsel en het verval van den transito-handel reeds voldoende zijn om allen uitvoer naar dien kant onmogelijk te maken, waarbij nog in aanmerking moet genomen worden, dat de bewoners van Azië bij voorkeur handelsbetrekkingen aanknoopen met do hande-
205
laren, die hun goederen leveren, welke tot linn eigen gebruik kunnen dienen. De waarde der in 1835 te Astrakan en Bakoe uitgevoerde goederen bedroeg 5,583,000 gulden, de waarde der ingevoerde artikelen 7,000,876 gulden. In 183!) was de waarde der artikelen, uitgevoerd zoowel te land als te scheep over de Zwarte en do Kaspische zee : 7,779,41-1 gulden, terwijl do waarde dor ingevoerde producten was gedaald tot op 5.792,016 gulden, derhalve twee millioen minder dan iu het jaar 1835. In het laatstgenoemde jaar bedroeg de waarde dor producten, uit Porzië en de Kaukasische provinciën in Rusland ingevoerd: 9,090,662 gulden; uit do statistieke opgaven der Russische regering blijkt, dat do ingevoerde goederen niet bestonden uit ruwe grondstoffen maar zonder uitzondering uit zijden en katoenen bewerkte waren, want niettegenstaande do hoogo invoerregten, welke door do Russische regering op die goederen worden geheven, ziet men toch dat do Aziatische volken, die in dit deel van Rusland wonen, de voorkeur blijven geven aan de duurzame Perzische goederen, boven de middelmatige producten der Russische nijverheid. Hierbij moot niet uit hot oog worden verloren, dat deze goederen te Astrakan en ia do omliggende oorden niet goedkoop zijn, daar zij uit Moskou, de eenige groote fabriekstad, moeten aangevoerd worden, terwijl do mode- en pronkzucht onder de Aziatische volkstammen niet bekend is en alles bij hen steeds blijft bij do oude aartsvaderlijke gebruiken. De Porzianen, die in Rusland slociits weinige bewerkte waren vinden, welke overeenkomen mot hetgeen zij naar hunnen smaak en gewoonte behoeven, verruilen de grondstoffen, welke de bodem huns lands oplevert en die uit Midden-Azië worden aangevoerd, tegen producten, welke uit Europa worden anngebragt en in groote hoeveelheid ten gevolge van liet zoo levendige verkeer to Trapozoent en Tauris worden opgeslagen. Tegenwoordig wordt geene zijde van Ghilan, ') geen katoen uit Masanderan, galnoten
') Iu 1836 werd uit Gliilau eenu hoeveelheid zijde uitgevoerd, waarvan de waarde bijna 18 millioen guldeu bedroeg
206
uit Koerdistan, geen tabak uit Sjiras, gommen, safraan of andere artikelen te scheep over de Kaspische zee of te land over Tiflis naar Redoet Kaleh meer gevoerd; al de producten dier oorden worden thans over Erzeroem naar ïrepazoent gezonden. Hetgeen vooral strekt tot verlevendiging van het verkeer langs dezen weg, zijn de geringe transportkosten en de lage doorvoerregten, welke daarop aan de Turksche grenzen worden geheven. Deze bedragen 3 per cent van de waarde, indien zij worden doorgevoerd door Europeërs, 4 per cent indien dit geschiedt door Perzianen. Het is echter bekend, dat de handelaren zelden meer betalen dan de helft. Het transport van Konstantiuopel tot Tauris verhoogt den prijs der waren niet meer dan 10 per cent. Hieruit laat zich ge-reedelijk bevroeden, dat het Rusland zeer bezwaarlijk zal zijn met andere landen op de Perzische markt mede te dingen en tevens welk een groote misslag de regering beging, toen zij allen doorvoerhandel vernietigde, in de hoop dat de Trans-Kaukasische bevolking daardoor zou worden gedwongen om, in de plaats van vreemde, Russische producten te koopen.
Bekend is het, welke uitzigten en verwachtingen Peter de Groote koesterde en welke gevolgen, gelijk hij hoopte, voor Rusland zouden voortspruiten uit het bezit der Zwarte en Kaspische zee met de Trans-Kankasische landen, hieromtrent behoeven wy derhalve niet in eenige ontwikkeling te treden. Trachten wij liever kortelijk deze vraag te beantwoorden: zal het aan Rusland te eeniger tijd mogelijk zijn den Indischen handel te dwingen den vroeger gevolgden weg te hernemen?
Wanneer men in aanmerking neemt welke verbazende vooruitgangen in den scheepsbouw en de scheepvaart zijn gemaakt, hoedanig de toepassing der stoomkracht op de schepen, waarmede de Euphraat bevaren en de Indische oceaan wordt beploegd, thans als een opgelost vraagstuk mag beschouwd worden; wanneer men nagaat hoe gering de scheepsvrachten thans zijn, dan mag veilig worden aangenomen, dat de Russische regering geene hoop meer mag
207
koesteren, dat het vervoer der Indische waren door hare staten zal geschieden. Rusland grenst aan China en sedert lange jaren bestaan regelmatige handelsbetrekkingen tus-schen de bewoners van dit en van het Hemelsche rijk. En niettegenstaande dat verkoopen de Engelschcn te Odessa en in geheel Zuid-Rusland met groot voordeel de thee, welke langs den weg om de Kaap de Goede Hoop derwaarts wordt gevoerd. En do ligging van Indië is, wat betreft den uitvoer zijner producten naar Rusland, nog ongunstiger dan China. Zoodra het meer van Aral in het bezit vau Rusland is en de Sir en Amoer (de Jaxartes en Oxus) bevaarbaar zijn, zal de weg naar Boechara en Samarkand zijn geopend. Reeds Peter de Groote had het besluit opgevat om dit plan te verwezenlijken. Zijne herhaalde en steeds vruchtelooze pogingen, gedaan ter verovering dezer landen, bewijzen dat die taak niet zoo gemakkelijk is, en dat legers gelijk die thans zijn zamengesteld, niet ongestraft de durre steppen der Kirgizen en Turkomaunen doortrekken. Hoe toch zou het mogelijk zijn een zoo gemakkelijk en regelmatig middel van gemeenschap tot stand te brengen tusschen Indië en Rusland, wanneer men zijn weg moet nemen door Perzië en Boecharije, een middel dat even weinig kostbaar is als datgene, hetwelk de scheepvaart ons aanbiedt? Door de veranderingen, welke in de scheepvaart hebben plaats gehad en hare verbazende ontwikkeling, zijn de denkbeelden van Peter den Groote hersenschimmig geworden.
Gelijk wij reeds met een enkel woord hebben vermeld, dagteekent zich het verval der scheepvaart op de Kaspische zee van het tijdstip, waarop de handel langs dien weg is te niet gegaan. Niettegenstaande dat alles is het niet van belang ontbloot een blik te slaan op de soort van schepen waarmede en de wijze, waarop de vaart op de Kaspische zee en de Wolga wordt onderhouden. Naar hunnen bouw kunnen zij gevoegelijk in vijf klassen worden verdeeld. Tot de eerste soort bchooren de schepen, welke alle havens der Kaspische zee aandoen; tot de tweede soort moeten gebragt worden die schepen, welke de havens
208
in de nabijheid van Astrakan bezoeken; de schepen der derde klasse worden slechts gebezigd tot het bevaren van do mondingen der Wolga van Astrakan tot aan de zee; de vierde klasse bevat do riviervaartuigen, welke niet anders bevaren dan de Wolga en do vijfde dio in de Perzische provinciën te buis behooren. De eerstgenoemde schepen hebben eene Hollandsche benaming, zij worden »schuiten'' geheeten en hebben in den bouw van den romp de meeste overeenkomst met Hollandsche sche pen. Zij worden van slecht hout en geheel en ui tegen de regelen van den scheepsbouw getimmerd. Hoewel het aantal dier vaartuigen slechts 80 ongeveer bedraagt, is het toch te groot voor de behoeften der vaart; dergelijke vaartuigen hebben een inhoud om GO a 120 ton. De reeders hebben de gewoonte oude schepen te Nisjni-Nowgorod te koopen; deze worden gesloopt en van het daaruit verkregen hout timmeren zij hunne schuiten; zonder hierbij in aanmerking te nemen, dat zij op die wijze minder stevig en minder regelmatig gebouwd worden, ten gevolge waarvan zij minder goede zeeschepen worden. Do bemanning dezer vaartuigen is even slecht als het schip zelf, almede het gevolg van dit stelsel van bezuiniging. Groot is het aantal ongelnkken, dat jaarlijks gebeurt, hetgeen eindelijk handelaars en andere personen zoodanig zal afschrikken, dat niemand er zijne waren mede verzenden zal. Met deze schuiten vervoert men Russische en Perzische koopwaren, de arbeiders, netten en andere behoeften voor de visscherijen tusschen Salian, Spithitoerinsk, Akhrabad en Astrakan, benevens krijgs- cn mondbehoeften voor de militaire bezettingen der westelijke deelen van den Kaukasus. Alleen het vervoer dor laatstbedoelde artikelen levert nog voordeden op, terwijl overigens èn ten gevolge van de bestaande mededinging, èn door de geringe boeveelheid vrachtgoederen, — ieder vreest ze te verliezen bij de zoo telkens plaats grijpende schipbreuken — alles medewerkt om de vaart geheel tot verval te doen geraken.
De kustvaartuigen, welke voor de vaart op de Kas-
209
pische zee in de nabijheid van Astrakan worden gebezigd, heet men rassjiwa. Zij verschillen in hunnen bouw weinig van de schuiten. De equipage dier schepen is verdeeld in mangisjlaks en aslams. Do eerstgenoeinden worden zoo gehceten naar de haven, van waar zij in vroegcren tijd de producten en andere goederen afhaalden, welke door de karavanen aldaar waren aangebragt en naar Astrakan moesten overgevoerd worden. Tot deze scheepvaart werden uitsluitend Tartaren als zeelieden gebezigd, dewijl deze alleen bij het aan land komen van de Kirgizen eu Turko-mannen geen leed te vreezen hadden. Ten jare 1832 telde men niet meer dan acht mangisjlaks en deze waren niet allen meer geschikt voor de dienst. De aslams worden gebezigd tot het vervoeren van levensmiddelen, hout, in een woord van al hetgeen voor de visschcrijen benoo-digd is; de beteekenis van het Tartaarsche woord aslam is voerman en zij worden aldus genoemd naar het bedrijf, hetwelk zij uitoefenen. Zij bezoeken Kistar, Goeriëff, Tsjet-sjentse en andere plaatsen, gelegen aan de noordwestelijke kust der Kaspische zee, van de monding der Wolga tot aan die der Terek; zij brengen mondbehoeften naar den Kauka-sus, ten behoeve van het leger, en voeren als retourvracht uit: wijn, rijst en vooral den zoo zeer gezochten brandewijn van Kislar. Zij zijn ongeveer vijftig in getal en maken elk vijf reizen per jaar. Deze kustvaart levert meer voordee-len op dan de eerstbedoelde, nam. de vaart op de Kaspische zee met schuiten; dewijl zij steeds in het gezigt der knst blijven, is insgelijks het getal schipbreuken op deze vaart veel geringer.
De vaartuigen, waarmede men de mondingen der Wolga bevaart, zijn niet allen van een dek voorzien; dewijl zeer weinig water in de mondingen der rivier en zelfs daar buiten wordt gevonden, dienen zij hoofdzakelijk als ligters. De vaartuigen, welke de rivier tot aan Nisjni Nowgorod opvaren, komen bijna allen op vaste tijden te Astrakan aan, namelijk, in Mei, Junij en September. De stoomboot maakt geregeld eene reis in het jaar naar Nisjni Nowgorod; bij do opvaart zijn -10 c'i 50 dagen noodig, bij het afvaren der IV. ' 14
210
rivier worden slechts 15 dagen voor de reis gevorderd. Naar men van de schippers verneemt, wordt de vaart elk jaar moeijelijker en het schijnt wel, dat de waterstand der Wolga gedurende de laatste eeuw veel is verminderd. Voegt men hier nog bij, dat hot transport van alle Russische goederen naar den Kaukasus bestemd, te land derwaarts geschiedt, dan kan men duidelijk daaruit opmaken, dat de vaart op de Kaspische zee noodzakelijkerwijze moet afnemen en eindelijk geheel en al worden gestaakt.
Gelijken tred houden nijverheid en handel te Astrakan en omliggende oorden; eigenlijk zijn het de visscherijen op de Wolga, waardoor de bevolking dezer streken zich voedt of althans mogon zij als de hoofdbron van haar bestaan worden beschouwd. De verschillende gedeelten der rivieren, welke voor de uitoefening der visscherij geschikt zijn, behooren hetzij aan bijzondere personen of aan het rijk ot zij maken vrije visscherijen uit, waar ieder in de gelegenheid is te visschen. De vischrijkste streken behooren aan de prinsen Koerakin, Joessoepoff, Besborodko en anderen. — De thans aan de kroon behoorendc visscherijen waren vroeger gemeente-eigendommen; zij zijn gevoegd bij de visscherijen der districts hoofdplaatsen van het gouvernement Astrakan, met welke zij aan bijzondere personen worden verpacht. De visscherijen van prins Koerakin werden voor niets aan de stad afgestaan; op gelijke wijze is het bevisschen der Emba aan ieder veroorloofd en de oeverstreek dezer rivieren heeft eene uitgestrektheid van 500 Nederlandsche mijlen. Bij keizerlijk besluit van 31 Maart, 1803, is de robbevangst in de Kaspische en het bevisschen der wateren rondom het eiland Tsjetsjentse l) aan ieder vrijelijk veroorloofd. Op dit eiland worden thans uitgestrekte inrigtingen aangetroffen, tot het. rooken, zouten en droogen van den gevangen visch, benevens een groot aantal visscherswonin-gen. liet gansche jaar door wordt hier gevischt; men vangt bjeloega's, steuren van eene verbazende zwaarte, zalmforellen, twee verschillende karpersoorten, benevens
') Een eiland iu dc nubijlteid van de Golf van Agrachan gelegen.
211
de Siluris glanis. Onder de robbevangers bestaat sedert onlieugelijken tijd do vaste gewoonte om voor den 13d'a April geen robben te dooden; wie deze bepaling overtreedt, verliest zijn aandeel in de vangst, hetwelk onder de overige visscbers wordt verdeeld. Gedurende den zomer doodt men ze op het strand of vischt ze met netten in zee, in den winter slaat men ze dood op de ijsscbotsen met knodscn of men schiet ze met bus of jagtgeweer. Buitendien bezigt men nog een ander middel; ter plaatse waar de robben in een opene plek tussehen de ijsscbotsen boven komen om lucht te scheppen, worden zij opgewacht en dood geslagen. In dlt;'n zomertijd weejjt eene rob 15 kilo, in den herfst ongeveer 30 en des winters veelal omstreeks 50 Ned. pond.
De plaatsen of streken, alwaar voortdurend wordt ge-vischt, heet men watagen; die waar men de visscherij slechts tijdelijk uitoefent, worden oetsjoegen genoemd. De laatst-gemelden worden op de volgende wijze gevormd; door middel van palen wordt de rivier afgezet, ten einde den vloed af te sluiten; is deze zeer sterk, dan worden de palen met dwarsbalken aan elkander verbondon. Beneden dit paalwerk plaatst men een toestel, hetwelk in bef Russisch samoloff wordt geheeteu. Een dergelijke toestel is gevormd uit twee deelen. Een er van bestaat uit tonnen, door middel van eene lijn aan elkander verbonden; aan deze lijn zijn snoeren gehecht met haken voorzien. De andere toestel is op gelijke wijze gevormd, met dit onderscheid, dat er aan de snoeren geen haken, maar levende visch als lokaas is vastgemaakt. De visscbers hebben daarbij niet anders te verrigten dan den visch, welke aan den haak zit, er af tc nemen. Deze wordt terstond naar een afdak of loods gebragt, welke op palen in de rivier is gebouwd, waar hij ontdaan wordt van de kuit, het vet en de spieren, en vervolgens op een eigenaardige wijze wordt behandeld.
Het paalwerk verhindert den visch hooger stroomopwaarts te zwemmen; de beste visch wordt in de ondiepe plaatsen gevangen. De regering heeft het aanleggen van oetsjoe-
212
gen verboden, zoomede hot bezigen van dergelijken hen-geltoestel. Do ondervinding heeft geleerd, dat men op die wijze ter naauwernood een van do honderd visschen vangt. De overigen scheuren zich van de haken los en gaan bij gevolg verloren, zonder dat men er eenig nut of voordeel van heeft. Men wil, dat het aanleggen van dergelijk versperringsmiddel reeds in zwang was hij de oude Tartaren onder de khans van Astrakan. Daar de vis-scherijen voor hen een der voornaamste takken van bedrijf waren en een der belangrijkste handelsproducten opleverden, is hot zeer waarschijnlijk dat zj dergelijke versperring der rivieren hebben bedacht en aangewend, ten einde den visch te verhinderen stroomopwaarts te zwemmen en op die wijze de hoogere deelen der Wol ga le bereiken.
De watagen, welke gewoonlijk in de hooge rivieroevers worden aangelegd, bestaan uit holen, waarin de visch eerst gedroogd en vervolgens gezouten wordt. Voor den ingang wordt eene vooruitstekende planken aanlegplaats gebouwd, door middel van horden tegen den wind beschut. Daar wordt de visch gesneden en verder ter verzending gereed gemaakt. Hier bedient men zich van netten, welke verscheidene honderd Ned. el breed zijn. De regering heeft verboden om gebruik te maken van netten, welke de gansche breedte der rivier beslaan.
Er zijn verschillende tijdperken in het jaar voor de visscherij. Het eerste tijdperk is van Maart tot Mei, dat is van het oogenblik, waarop de rivier van ijs is bevrijd tot op zijn hoogsten waterstand: dit heet men den kavi-aartijd. Het is tevens het gewigtigste en levert de grootste hoeveelheid kaviaar, lijm en pezen op. Het tweede tijdperk duurt van Junij tot Augustus, wanneer de rivier weder binnen hare oevers is terug gekeerd en de visch, die inmiddels de kuit heeft geschoten, zeewaarts zwemt. Het derde loopt van September tot November, zijnde de tijd dat do bjeloega, de kleine steur en de sefifringen of stersteur de diepe plekken in de rivier opzoeken. Deze vischsoorten vangt men insgelijks des winters met bijzonder daartoe iiigerigtc netten. Gedurende dit jaargetijde maken de
213
visschers menigwerf togten van verscheidene mijlen over het ijs. Hiertoe bezigen zij .sleden, ingerigt voor twee man en bespannen mot een paard. De netten, waarvan zij zich alsdan bedienen, hebben somtijds eene lengte van 3,000 Ned. el; zij vangen dan verschillende steursoorten, welsen en robbon. Dergelijke visscherij gaat mot groot gevaar gepaard, want het gebeurt wel, dat zich een hevige kustwind verheft, waardoor het ijs lo.s geraakt en zeewaarts gedreven wordt. Loopt de wind later niet om, dan is de visscher onfeilbaar verloren. Ervaren visschers beweren, dat zij dc verandering van wind en weersgesteldheid het eerst bespeuren aan de paarden, die onrustig on ongeduldig worden en op die wijze hunne meesters vooraf oplettend maken op het dreigende gevaar. Naar zij verhalen, nemen dc aangespannen paarden uit zich zeiven don weg naar den oever of naar de kust en loopen zoo snel mogelijk, zonder dat zij er toe aangespoord behoeven te worden.
De visschers van Astrakan verdoelen den visch in drie soorten; tot de eerste bohooren dc bjeloega, de sefTVingen en de eigenlijke steur, welke onder do algemeene benaming van roodvisch bekend zijn. Tut do tweede soort wordt gerekend dc zoogenaamde witvisch, als zalmforellen, do oneigenlijke bjeloega, dc sterledde, do karper of potsan, de soedak (perca asper), benevens de wels. De derdo soort bevat in het algemeen don kleinen visch, welke niet zeer gezocht is; hij wordt gezouten en naar binnen's lands verzonden.
Er zijn afzonderlijke opzigters der visscherij. Zij geven aan do visschers visch acten af, waarbij het hun veroorloofd wordt dit bedrijf uit te oefenen; zij houden wijders liet oog op de verkiezing der oudsten, zonden onderopzigters naar de verschillende watagen en oetsjoegen, ten eindo tegen het bedrijven van önordehjkhodcn te waken en houden wijders de noodige aantoekeningen betreftendc do visehvangst. Ten jare 1H38 hielden zich 8,887 personen met do eigenlijke visehvangst bezig en 251 met de zee-hondonvangst. Er werden gevangen 43,033 steuren, 653,164
214
seffringcn, 23,096 bjeloega's, welke gezamenlijk hebben opgeleverd 369,516 kilo kaviaar, 18,328 kilo spieren en 19,600 kilo lijm. Bovendien werden in datzelfde jaar nog gevangen 8,335 soedaiks en niet minder dan 98,584 robben. Men schat de opbrengst der steurvisscherij per jaar op 4 millioen gulden, maar de onkosten daaraan verbonden zijn insgelijks zeer aanzienlijk. De pacht der visscherijen op de Wolga levert aan de regering jaarlijks 480,000 gulden op.
Uitstapje naar de Kaspische zee. — Mondingen der 11 olga. — Stoomvaart op de Wolga. — Heicdand Biroelsjilcassa mei de beneden-quarantaine. — Togt op de Kaspische zee. — Hoedanigheid van het water der Kaspische zee,— Vuurbaak op het eiland Tsjeiyre Boegri. — Visscherijen in de Wolga. — Lage ligging der Kaspische zee.
Op den 14du,, October deden onze reizigers een togt naar de mondingen der Wolga en op de Kaspische zee, daartoe uitgelokt door hot fraaije herfstweder. Talrijk zijn de mondingen, waardoor de Wolga zich in zee ontlast; zij omvatten eene delta, welke aan de zeezijde eene breedte heeft van ruim 140 mijlen. Hoewel de Achtoeba zich boven Tsaritsyn reeds van de Wolga scheidt en door middel van eene groote menigte armen met de hoofdrivier in verbinding staat, vangt dc eigenlijke splitsing der Wolga en de vorming van de delta eerst 10 mijlen boven Astrakan aan. Hier ontspringt uit haar vooreerst de Boesan, welke in een oostelijke rigting vloeit, om spoedig daarop dc evenwijdig met haar voortstroomendc Achtoeba op te nemen en, na dc stad Krasnojarsk ie hebben besproeid, zich door een afzonderlijken mond in de zee te ontlasten. Drie mijlen stroomopwaarts scheidt zich van haar de Bolda; bij de stad Koetoem is dit het geval met de rivier
216
van fVen naam, welke zich Ligcr met do Bolda verecnigt. De armen, waarin de Wolga zich beneden Astrakan verdeelt, zijn: da Tsarewa in de onmiddellijke nabijheid der stad, de Bachniakoflka, de Tsjagan, de Iwantsjoek en de Bachtemir; deze zijn de voornaamste rivieren, welke haren oorsprong er in vinden.
Al deze armen, zoowel de bovenste als die lager uit de rivier ontspringen tot op de Bachtemir, stroomen door den linkeroever. De rigting, waarin zij zeewaarts vloeijen, is zuidoostelijk en zuidelijk, terwijj de hoofdrivier steeds aan de regterzijde blijft, welke een grooten boog beschrijft, alvorens zij zich in de zee ontlast. Van het punt, alwaar de Boesan haar verlaat, stroomt zij niet meer zuidoost-, maar zuidwaarts en beneden de stad gekomen zijnde, neemt zij eene zuidwestelijke rigting aan. In diezelfde rigting strekt zich insgelijks de kust der Kaspische zee uit. De hoofdrivier vormt op die wijze bijna overal de westelijke grens van de delta, heeft ten gevolge daarvan tot aan hare monding eene lengte van 85 mijlen, terwijl de lijnregte afstand der stad tot aan zee slechts 30 mijlen bedraagt.
Uithoofde van den aanmerkelijken afstand, waarop Astrakan van den hoofdmond der Wolga is gelegen en men daarenboven een togije wenschte te maken op de Kaspische zee, scheen het raadzaam dit met eene stoomboot te doen. Destijds waren er reeds verscheidene stoomschepen in de vaart, namelijk, eene van de regering en 3 aan een bijzonder persoon behoorende, namelijk, aan den Astrakan-schen koopman Jevreïnoff. Zij werden voornamelijk gebezigd als stoomslepers om de schepen de rivier op en af te brengen. Eene dier booten gebruikte de heer Jevreïnoff om eens in het jaar zijne koopwaren naar Nisjni Nowgorod ter jaarmarkt te brengen. In de jongst ver-loopen jaren heeft de stoomvaart op de Wolga een aanmerkelijke ontwikkeling verkregen. De vaart op deze rivier levert echter groote moeijeiijkheden op, want niettegenstaande hare breedte bij Astrakan nog 714 el bedraagt, is het vaarwater, ten gevolge der jaarlijksche overstroo-
217
mingen, aan groote veranderingen onderhevig. Op deze plaats wordt het zand des oevers weggerukt om naar andere plekken te worden heengevoerd, waardoor ondiepten en eilanden in het vaarwater ontstaan, waar vroeger r.iets dergelijks werd gevonden. Zoodanige veranderingen hebben vooral plaats in de mondingen der rivier bij aanhoudenden zuidoostewiud, waardoor het afloopen van het water wordt verhinderd en het medegevoerde zand bij gevolg bezinkt en het stroombed verandert.
De hoofdrivier is ton gevolge daarvan reeds meermalen van hare oorspronkelijke rigting afgeweken. Het schijnt, namelijk, dat zij vroeger in eene lijnregte rigting zeewaarts heeft gestroomd; zelfs in den jongsten tijd heeft daarin nog menige wijziging plaats gehad. Op een afstand van 15 mijlen beneden de stad, in de nabijheid van het quarantainegebouw Bertoel, zet de Wolga twee armen af; de westelijkste arm wordt de Bachlemir genoemd, de andere welke van geringe beteekenis moet geaeht worden, heet men de Tsjelirna. Tijdens Ginelin deze streken bezoeht, was de Wolga hier de hoofdstroom, en op een driemastschip voer hij deze rivier af naar zee, toen hij zich naar Perzië begaf. In het begin dezer eeuw is zij zoodanig verzand, dat zij thans niet dieper is dan vier voet, terwijl daarentegen de Bachtemir dieper is geworden en thans de hoofdrivier vormt. Nu echter verzand ook deze rivier. Een der grootste bezwaren levert hier de beruchte Rakoesja op, eene zandbank ter lengte van meer dan 1,800 el, gelegen tusschen het oude en het nieuwe quarantainegebouw, waarop zelden meer dan 4 i\ G voet water staat. Do korvet, waarmede Eichwald ten jare 1828 den togt op de Kaspische zee deed, had slechts acht voet diepgang en niettegenstaande dat bleef het vaartuig langer dan vier weken er op vastzitten, totdat eindelijk een aanhoudende zuidewind het water in de rivier opstuwde, zoodat er tien voet water stond, de korvet weder vlot geraakte en van de baak kon gesleept worden. Het jaar te voren bad de korvet gedurende drie maanden op die bank gezeten. Nog erger is het, dat de waterstand in de Wolga
218
voortdurend afneemt, al is liet ook langzamerhand, zoo het schijnt, hetgeen natuurlijk het bezigen van schepen van aanzienlijken tonnelast ondoenlijk maakt en een somber vooruitzigt opent voor Astrakan's handel en nijverheid. Reeds sedert vele jaren kunnen de schepen van Perm niet mot zoo groote lading naar Astrakan komen als in het begin der achttiende eeuw het geval was. Het schijnt, dat er ernstig aan gedacht wordt om het plan te volgen door Gmelin voorgesteld om, namelijk, de haven van Astrakan, welke schier verzand is, op te heffen en naar de monding der Wolga tc verleggen.
Behalve de opgenoemde bezwaren, welke de vaart op de Wolga voor schepen van eenigen diepgang in het algemeen oplevert, ondervindt de stoomvaart nog een andere moeijelijkheid: het gebrek aan steenkolen. De thans in gebruik zijnde stoomschepen bezigen hout; deze brandstof, welke uit ver gelegen streken wordt aangevoerd, is niet slechts zeer duur, maar er wordt eene groote scheeps-ruimte gevorderd om ze te bergen. Moet een groote afstand worden afgelegd, dan heeft men aan boord niet zoo veel beschikbare ruimte, dat de noodige hoeveelheid hout kan ingeladen worden, zoodat men in dergelijke gevallen nog afzonderlijke booten of schepen op sleeptouw moet nemen, geladen met hout. Naar het oordeel van professor Rose zal dit bezwaar met der tijd echter worden opgeheven, zoodra de steenkolenmijnen van Loegan aan de Donetz op groote schaal zullen ontgonnen worden en het middel zal gevonden zijn om het transport er van op de Wolga te vergemakkelijken.
Hieraan is het voornamelijk toe te schrijven, dat Humboldt zijne reis niet uitstrekte tot aan de moddervulkanen van Batoe, welke men in den loop van twee en een halven dag van Astrakan kan bereiken, indien men eene voldoende hoeveelheid brandstoffen aan boord heeft.
Met het doel om den voorgenomen togt te doen, had Humboldt de groote stoomboot van Jevreïuoff gehuurd, welke twee stoomwerktuigen had, elk van dertig paardenkrachten en een 30 duims cylinder. De stoomwerktuigen
219
waren verva.irdigd in de fabriek van Batrd, een Engelsch-man, die zicb tc Petersburg bad nedergezet. In 24 uren hadden zij voor 200 a 250 gulden aan hout noodig.
Onze reizigers hadden het plan opgevat om des morgens vroegtijdig reeds te vertrekken, maar verschillende herstellingen, welke de stoomwerktuigen behoefden en een sterke west-zuidwestewind veroorzaakten eenige vertraging, zoodat zij eerst des namiddaags de reis konden aanvaarden. Ten 4 ure werd het anker geligt en stoomde men met rassehe vaart stroomafwaarts. Het weder was buitengewoon aangenaam, en bij een helderen hemel teekende de thermometer 12° Réaumur. Zij voeren voorbij de scheepstimmerwerven en de groote menigte Wolga-schepen, welke voor Astrakan ten anker lagen. Nog gedurende langen tijd ontwaarden zij de hooge kathedraal en de menigte torens, welke zich in de stad verheffen, totdat de zon ten ö'/z ure onder de westerkim dook en de invallende duisternis eindelijk het uitzigt op de stad en de omringende voorwerpen benam. Onze reizigers stoomden den ganschen nacht door; de vlakke met riet begroeide oevers leverden niets bijzonder merkwaardigs op. Des morgens ten 7 ure bereikten zij het kleine eiland Biroetsjikassa, hetwelk nabij den regteroever in de monding der rivier is gelegen; de afstand van daar tot Astrakan bedraagt 85 mijlen. Reeds vroeger zouden zij het eiland hebben bereikt, indien zij niet op eene ondiepe plaats aan den grond waren geraakt; dit was veroorzaakt door de duisternis. Ten einde niet andermaal een dergelijk ongeval te ontmoeten, waren zij tot aan het krieken van den dag aldaar blijven liggen, hetgeen een aanmerkelijk oponthoud had veroorzaakt.
Op het eiland Biroetsjikassa was destijds de beneden-quarantaine, terwijl de boven- of hoofdquarantaine op het eiland Bertoel, 15 mijlen beneden Astrakan was aangelegd. Sedert 1833 is het hoofdquarantainegebouw naar eerstgenoemd eiland verplaatst. — Nabij dit eiland moeten alle schepen, uit Perziö komende, 4 6 dagen vertoeven en indien de pest in dat land heerscht, zijn zij
220
vcrpligt zich langer aldaar op te houden. Van daar begeven zij zich naar het eiland Bertoel, waar zij hunne lading lossen en minstens 12 dagen moeten blijven. Op het verst verwijderde der beide eilanden zijn uit dien hoofde slechts eenige houten woningen gebouwd, ten ver-blijve der opzigtersj zij bevinden zich digt aan den oever, welke cenigzins van het riet, dat overal even welig groeit, is ontdaan. Dewijl Humboldt niel verzuimen wilde om de inclinatie van de magneetnaald aan het zuidelijkste uiteinde van het eiland waar te nemen, stapten zij hier aan wal. Daar de rivier te geringen waterstand had in de nabijheid des eilands, moest het stoomschip op stroom blijven liggen en roeiden zij met de sloep naar land.
Terwijl Humboldt zich bezig hield met het doen zijner waarnemingen, onderzochten Ehrenberg en Roze de groote hoopen kalksfeenblokken, welke aan den oever lagen; zij waren als ballast medegebragt en gelost uit de schepen van Bakoe. Hot onderzoek dezer steenblokken was derhalve gewigfig ter beoordeeling van de steensoorten, welke aldaar worden gevonden. De kalksteen bestaat bijna uitsluitend uit fragmenten van schelpen, welke meer of minder waren verbrijzeld en zonder eenig verbindingsmiddel waren zamengehecht. Het is blijkbaar ecne zeer nieuwe formatie, indien zij niet tot het tegenwoordige tijdperk behoort, want de Mytiluspolymorphus, welke van nabij overeenkomt zoo in vorm als grootte met een kleine Mytilus, die in dit gesteente wordt gevonden, leeft nog heden in de Kaspische zee en werd op dezelfde plaats, waar de ballast was uitgeworpen, in menigte door professor Ehrenberg aangetroffen en verzameld. Een dergelijke kalksteen met »overblijfselen van Cardium en Mytilusquot; heeft Eichwald te Bakoe gevonden en beschreven. Dit gesteente wordt echter niet slechts hier ter plaatse en op het schiereiland Absjeron aangetroffen, waar het wordt opgeworpen uit de moddei vulkanen, maar insgelijks op de gansche kust, zoowel zuidwaarts tot Koer als noordwaarts bij Derbend en Tarki.
Nadat liose en Ehrenberg eenige exemplaren van dezen
221
kalksteen hadden verzameld, staken zij in gezelschap van den lieer Stranack met dc sloep een inham over, ten einde een hooger rijzend gedeelte des eilands te bezoeken, alwaar een watage of visschersdorp was gebouwd, behoorende aan den vroeger vermelden Griek Warwari; verderop werden nog enkele Kalmceksche kibitken aangetroffen. Deze waren grootendeels gesloten, dewijl de bewoners bijna allen afwezig warenj in een der kibitken zagen zij eene jonge Kalraoeksche vrouw, bezig met het kaarden van wol. Zij mogt inderdaad fraai genoemd worden met hare roode wangen; haar zwarte lokken hingen in zware vlechten langs schouders en rug, hetgeen als liet bewijs mogt beschouwd worden, dat zij nog onge-Imwd wras. Onze reizigers achtten het evenwel noodzakelijk om zich op eenigen afstand te houden van de schoone Kalmoekschc maagd, uithoofde van de buitengewone onreinheid, welke in hunne tenten heerscht. Deze is niet slechts het gevolg van :iloude gewoonten, maar zij wordt daarenboven bevofderd door hunne godsdienst. De leer der zielsverhuizing, welke zij aannemen, verbiedt hun eenig dier te dooden; het gevolg hiervan is, dat zelfs de lastige gasten, die voedsel zoeken op hun hoofd, worden verschoond en slechts met de hand verwijderd, indien het aantal er van wat al te groot wordt en zij zicli te vrijpostig gedragen. De lieer Zwick verhaalde onder anderen, dat hij bij gelegenheid van zijne omwandelingen onder de Kalmoeken, telkenmale dat bij een bezoek bij een lama, een vorst der Kalmoeken of bij een der adellijke heeren van een stam aflei, steeds dergelijk gedierte tegen zijne klee-deien zag opklimmen en elk nieuw bezoek bragt nieuwe inkwartiering van dergelijk gespuis. Even vertrouwelijk als do omgang der Kalmoeken, om zoo te zeggen, is met deze kruipende insecten, zoo grooten afkeer voeden zij togen dc springende roodrokken; do walging, welke eerst-genoemden den Europeër inboezemen, voeden zij voor de laatstbedoelden. In het hoog rijzend gedeelte van het eiland wemelt het van slangen (Coluber scutatus en Dione), welke zich rustig in de zonnestralen lagen te koesteren en door
222
professor Ehrenbcrg met groote behendigheid werden gevangen. Onder de struiken vonden zij eene menigte hagedissen, die echter zeer schuw waren en op het zien der reizigers ijlings de vlugt namen; in het zand ontwaarden zij overal trechtervormige holen, waaruit de pooten te voorschijn kwamen van de zwarte tarantula. Behalve het struikgewas, hetwelk hier en daar den bodem bedekte, was het eiland allerwege kaal en zandig.
Toen Ilnmboldt zijne waarnemingen geëindigd had, was de gouvernemenfs stoomboot aangekomen, welke in do nabijheid van het eiland het anker wierp. Omstreeks den middag begaven zij zich aan boord van dit vaartuig, ten einde daarmede een toglje op de Kaspische zee te doen. De bevelhebber van het stoomschip, de heer Kniger, was een zeer beschaafd en innemend mensch; niettegenstaando zijn Duitschen naam was hij echter de Duitsche taal niet magtig, maar daarentegen sprak hij vloeijend Engelsch, dewijl hij gedurende een gernimen tijd in Engeland had vertoefd. Naauwelijks hadden zij het eiland Biroetsjikassa gepasseerd, of zij bevonden zich in de Kaspische zee. Links van zich verloren zij weldra het land uit het gezigt, ter regterzijde zagen zij van tijd tot tijd nog eenige met riet begroeide eilanden, welke aan de noordwestelijke zijde langs de kust zich uitstrekken tot aan het eiland Tsjityre boegri, dat is; het eiland met vier heuvelen. Het ligt op 20 mijlen afstands van Biroetsjikassa en op het zuidelijke uiteinde is de vuurtoren of majak gebouwd. Zonder zich aldaar op te houden, voeren zij voorbij het kustlicht en stevenden nu de eigenlijke Kaspische zee in. Do wind was oostzuidoost, maar mogt niot anders dan een zacht koeltje worden gehceten; de zee was effen en vlak, en slechts het wentelen der raderen duidde eenige beweging aan van het stoomschip. Kort daarna begon de avondschemering te vallen, de maan verhief zich boven den horizon en verlichtte met hare blanke stralen den effen spiegel der zee. Het was een warme zomeravond, welke onze reizigers door zijne schoonheid nog lang op het dek bijeenhield, totdat zij zich eindelijk naar de kajuit begaven. Voortdurend
223
was men genoodzaakt het lood uit te werpen, ten einde niet op een ondiepte vast te geraken en langen tijd hoorde men niet anders dan den telkens herhaalden uitroep van risje.st s' polominoïquot; d. i. zes en een half voet, nu en dan afgewisseld met nsjest s' tsjetwertjoequot; d. i. zes en een kwart voet. Eindelijk begaven de reizigers zich ter rust. Ten 3 ure werd professor Rose door den kapitein der boot gewekt, die hem kennis gaf, dat hij uit gebrek aan hot benoodigde hout den togt niet verder wenschte voort te zetten en het derhalve, noodig oordeelde om terug te keeren. Naar zijue berekenig waren zij 75 mijlen van het eiland Tsjityre boegri en 95 van Biroetsjikassa verwijderd. Professor liose vulde op die hoogte eenige flesselien met zeewater, hetwelk niettegenstaande den grooten afstand, waarop zij zich van dc mondingen der Wolga bevonden, zoo weinig met zoutdeelen was bezwangerd, dat men het zeer goed drinken kon. De temperatuur van het water bedroog 13° Réaumur, van den dampkring 130,3 en de diepte van het water op die plaats 7l/2 el. Van hot phosphoriseren dei-zee ') werd geen spoor waargenomen; wclligt moest dit woiden toegeschreven aan den helderen maneschijn, want dit verschijnsel heeft, naar het verhaal van velen, op andere lijden gewoonlijk plaats; fucussoorten zoo als in andere zeeën werden noch in zee. noch aan de kust aange troffen. Het water was volkomen helder.
Hoe gering do gehalte aan zout van het zeewater was, bleek nog duidelijker, toen Rose te Astrakan was teruggekeerd. Hij deed den inhoud van eene der flesschon verdampen en de hoeveelheid bezinksel was uiterst gering. Het overige water werd onderzocht door den heer 11.
') llnbiizl zag in Mei des jaars 1774 te Enzelli deu modder, welke met een anker werd opgewonden, phosphoriseren, zoomede in sehelpen van Mjtilüs polymorphns. De lichtende diertjes waren wijfjes van Cancer pulex, welke kleine gele eijeren onder aau den bnik dragen. Doode vissehen zag^ hij insgelijks phosphoriseren. Eichwald daarentegen ontwaarde geen spoor van het phosphoriseren der zee, maar vernam van vele zeelieden, dat dit verschijnsel des zomers ia de zuidelijke gedeelten der Kaspische zee werd opgemerkt.
224
Rose, professor aan de universiteit te Berlijn en broeder van den reisgenoot van Humboldt; het specifieke gewigt van dit water, bij eene temperatuur van 10° Reaumur, was 1,0013 derhalve niet veel meer dan dat van bronwater.
Eene veel grootere gehalte aan zout had het water, hetwelk door Goebel 40 mijlen bezuiden de mondingen van de Oeral in de Kaspische zee werd geschept; hierbij moet echter in aanmerking worden genomen, dat deze rivier van geringe betéekenis mag genoemd worden in vergelijking van de Oeral. Men moet echter aannemen, dat het water iu het noordelijke gedeelte der Kaspische zee, waarin behalve de Wolga en de Oeral, de Emba, Koer en Terek uitwateren, niet zoo zout kan zijn. Naar de waarnemingen van Eichwald oefent de instroomende massa zoutwater op de hoedanigheid van het zeewater haar invloed uit tot over de zoogenaamde Zuivere bank, waar de diepte van 7 Va el plotseling vermeerdert tot 30 el. Hier wordt het water eerst werkelijk zilt en verkrijgt het do eigenaardige zeegroene kleur; ') komt men nog verder zuidwaarts, dan ontwaart men, dat de zoutgehalte van het water der Kaspische zee nog toeneemt.
Opmerkelijk mag het worden genoemd, dat het water der Kaspische zee zoo bitter is. Zelfs in het noordelijke gedeelte, alwaar het water slechts eenigzins brak is, merkt men er eene grootere hoeveelheid talkaardige zouten in op dan betrekkelijkerwijze in andere zeeën het geval is. Goebel vond in het water der Kaspische zee — in het noordelijke gedeelte — bij 0,03 per cent vaste bestand-deelen 0,124 bitterzout, terwijl naar de analysen van genoemden scheikundige in het water der Zwarte zee, bij 1,764 percent vaste bestanddeelen, slechts 9,147 bitterzout gevonden wordt. Verder zuidwaarts schijnt de gehalte aan bitterzout te vermeerderen, naar gelang het water meer keukenzout bevat. Wel is waar, wij hebben van Eichwald geene analysen, waarop dit aangehaalde steunt, want de flesschen, welke hij met water had gevuld in de
') Zie zijue Reise auf dem kaspischen Mcere ïh. I. S. 46
225
verschillende deeleii der Kaspische zee, zijn gebroken geworden op zijne reis, maar op den smaak laat zich dat reeds beoordeelen. Is het water bij kaap Tuk-Karagan tegenover de Zuivere bank reeds zeer bitter, verder zuidwaarts nabij Baku is dit in zoodanige mate het geval, dat het drinken er van schier braking veroorzaakt.
Deze groote gehalte aan bitterzout, beschouwd in verband met de bijzonderheid dat de Kaspische zee geen afvoerkanaal bozit en de groote hoeveelheid water, welke de verschillende rivieren er in uitstorten, slechts door middel van verdamping er uit verloren gaat, terwijl alle vaste bestanddeeleu moeten achterblijven en zich allengs meer ophoopen, kan zeer wel aanleiding hebben gegeven tot het vermoeden, dat de Kaspische zee oorspronkelijk eene zoetwaterzee is geweest, welke haar gehalte aan zout allengs heeft verkregen uit de aangrenzende steppe. Dit gevoelen wordt insgelijks door Goebel voorgestaan. Hiermede laat zich echter de aanwezigheid van zoogdieren in de Kaspische zee niet vereenigen. Het is waar, zij zijn niet talrijk noch ^at hunne soorten, noch wat hun aantal betreft, maar de groote vischrijkheid, welke de Kaspische zee zoo vermaard hoeft gemaakt, bestaat uitsluitend in die gedeelten, gelegen nabij do mondingen der rivieren, waar veel riet groeit en het water niet zout is. Dc eigenlijke zee moet, naar het verhaal van vele reizigers, weinig visch bevatten, hoewel het aantal soorten volgens het overzigt door Eichwald gegeven niet zoo ge» ring is als algemeen wordt vermoed. Onder de soorten door laatstgenoemden reiziger opgeteld, komen werkelijke zee-vissehen voor als haringen en Atherina en Syngnathus.
Later zijn door von 13acr, lid der keizerlijke academie van wetenschappen te St. Petersburg, naauwkeurige onderzoekingen in het werk gesteld, waaruit wij het volgende uittreksel ontlcencn. !)
Reeds ten jare 1854 had ik, zoo schrijft von Baer, in
') Zie de: Kaspische Studicu, in de wetenschappelijke bijvoegsels der St. Petersbnrger Zeitung 1858, no. 51 en volgenden getrokken uit het Bulletin de ia Closse phys. mtitlie'm. de l académie imperiale des sciences.
226
de uiibijheiJ van dc kaap, welke iu liet Russisch Tjoek Karagan, in liet Tartaarnch Tuk Karagan wordt geheetun. een aantal tlesschen met water gevuld mot het doel om dit chemisch te doen onderzoeken. I5ij mijn terugkeer te St. Petersburg nam de heer Mehner, een bekwaam scheikundige, het analyseren er van op zich. Zoo ver bekend is, mag deze als de eerste analyse van het water der Kaspische zee worden gehouden.
Voor wij overgaan tot het mededeelen der analyse, zullen wij eerst eene meer uitvoerige beschrijving geven van die oorden, waar het water was geschept; hieruit zal dan kunnen blijken, dat het onderzochte water inderdaad zeewater mag geheeten worden. Het spreekt van zelf, dat hier de wijzigingen of veranderingen buiten berekening worden gelaten, welke het water ondergaat ten gevolge van de verschillende diepte der plaats, of van de uitdampingen, welke iu het midden van het bekken onophoudelijk geschieden en waardoor de hoedanigheid van het water zoo niet chemisch, althans stellig ten gevolge van dc plaats grijpende vermengingen verandert. Reeds vroeger was bij overlevering bekend en Karelin heeft er van gesproken, dat de Kaspische zee voortdurend toevoer krijgt door de oostelijke golf Kara Hoegas; dit verhaal is bevestigd dooide onderzoekingen van luitenant Sherebtsoff en het is gebleken, dat dit water zoo zout is, dat er geen visch, ja, zelfs geen levend dier in gevonden wordt. Op den bodem der golf l;ig, volgens de waarnemingen van laatstgenoemden onderzoeker, eene zoutlaag, over welker dikte zelts bi) benadering niet kon worden geoordeeld. Het schijnt, dat het water dezer golf bijna geheel met zout is verzadigd en dus een overgrooten voorraad zoutdeeleu bezit, waaruit het reusachtige bekken wordt voorzien. De grootste lengte dezer golf bedraagt 85 zeemijlen, de grootste breedte op 41° 10' noorderbreedte 75 zeemijlen ; hare oppervlakte mag volgens do kaart van Sliereblsofif worden begroot op 3,000 £] zeemijlen. Behalve dit bassin, hetwelk in regtstreek-sche verbinding staat met het groote bekken, zijn er nog vele anderen, welke zich door bijzondere eigenschappen
227
onderscheiden. Zoo heeft ook de smalle golf, welke in den noordwestelijksten hoek zieh naar het zuidwesten uitstrekt en op onze gewone kaarten Kara Soe en insgelijks Kaïdak wordt genoemd, volgens de mededelingen te Nowa Petrowsk opgedaan, een scherp bitter of bitter zoutachtig smakend water. Zelfs het breedere gedeelte der zee, waarmede de Kara Soe zich vereenigt, de Mertwyï Koel-toek, heeft water dat van het vorige geheel verschilt, indien namelijk waar is, hetgeen de voormalige bewoners der vesting Nowa Alexandrowsk beweerden, dat er volstrekt geen visch in wordt gevonden. quot;Volstrekt geen visch beteekent, in de taal der vissehers van de Kaspische zee, niet dat er geen enkele visch wordt gevangen, maar geen dusgenaamde roodvisch of anderen, naar welke met voordeel geviseht kan worden. De heer Nikolskiï, vroeger geneesheer in de thans verlaten vesting Nowa Alexandrowsk, een man van veel bekwaamheid, verzekerde dat men in de omstreken van genoemde vesting nimmer had geviseht, dewijl men steeds van gevoelen was geweest, dat de zee aldaar geen visch opleverde. Dat dit gedeelte, der zee nimmer door Astrakansche vissehers wordt bezocht, bevestigen daarenboven de heeren Danilewski en Semenoff; wel hebben zij de Koeltoek nimmer bevaren, maar de noo-dige inlichtingen daaromtrent bij de vissehers der omliggende oorden ingewonnen. De Mertwyï Koeltoek is zeer ondiep en indien het zand des bodems, zoo als dit bij groote vlakten gewoonlijk het geval is, veel in beweging wordt gebragt, verhindert dit alle ontwikkeling van organisch leven en wordt er geen voedsel voor de visschen gevonden. Vele voorbeelden hebben mij de juistheid daarvan overtuigend doen zien. Kan men zich slechts eenigermate verlaten op de uitspraak der vissehers, dan mag men wel aannemen, dat de oorzaak van dat verschijnsel eenigermate moet gezocht worden in de bijzondere eigenschap van hel water. Dit wordt te meer waarschijnlijk, wanneer wij nagaan in welke betrekking de Koeltoek tot de omringende deelen staat. Nergens in hot rond bestaat eenige toevloed van zoet water. De hoeveelheid, welke de Oeral
228
in de Knspisclie zee uitstort, is gering, en die van de Emba, behalve in het voorjaar, zeer onbeduidend. Do oppervlakte van het uitdampend water is zeer groot en het uiteinde der Mertwyï Koekoek staat in regtstreeksche verbinding met de Kara Soc, welke laatste waarschijnlijk moet beschouwd worden als eene zoutzee in het eerste tijdperk harer ontwikkeling. Hierbij komt nog, dat de geringe hoeveelheid water, welke de nabij gelegen Oesfjoert in do zee uitstort, zeer bitterzoutachtig moet zijn, naar de verzekering des heeren Nikolskiï. Van de kleine golven, welke insgelijks zoutzeeën worden, willen wij hier niet spreken. In het zuiden zijn er twee van grooten omvang, die van Astrabat en Enselij de eerstgenoemde vooral ontvangt eene groute massa zoet water en kan bij gevolg niet een aan merkelijke zoutgehalte bezitten.
Neemt men deze afzonderlijke deelen er af, dan blijft het groote bekken over, hetwelk in twee deelen kan gescheiden worden, het noordelijke of ondiepe en het zuide üjke of diepe bekken. Gelijk men weet is de gansche noordelijke kust niet slechts vlak, maar de diepte neemt slechts zeer langzaam toe tot op 24 voet. In do nabijheid van het Zeehonden-eiland verheft zich do bodem weder, vormt eene breede vlakte, waar zeer weinig water staat en do werking er van nog in den jongsten tijd nieuwe eilanden heeft doen ontstaan; deze zijn Koelaly, Mors-koï, Swjatoï en Podgornyï. liigt men van do Wolgamon-dingen don koers daarentegen zuidwaarts, dan ontwaart men, dat zoodra men eene diepte van 27 el heeft bereikt, de overgang tot 30 el zeer spoedig plaats vindt en men nog veel sneller grootere diepte verkrijgt. Trekt men nu een parabool, welks toppunt naar de Wolga is gerigt, van kaap Agrachan naar het oosten en niet naar kaap Tjoek Karagan, gelijk gewoonlijk geschiedt, maar tot op een derde van den afstand tusschen deze kaap on het zuidoinde van Koelaly, dan snijdt deze lijn een noordelijk gelegen, ondiep bekken af, welks grootste lengte van het oosten naar het westen is gerigt. liet ondiepe, noordelijke bekken heeft in dat gedeelte, hetwelk buiten de lijn ligt,
229
niet meer dan 27 el diepte; dewijl de breede Wolga, do Terek, de Oeral en de Emba zich daarin ontlasten, bevat bet slechts een brak smakend water op een grooten afstand der noordelijke kust, want in de nabijheid er van is het bijna zoet. Hoedanig het langzamerhand meer bitter wordt en de zoutgehalte er van toeneemt, dit zal eerst kunnen beoordeeld worden, wanneer de analysen van het water, door Semenoftquot; van zijne reis medegebragt, zullen bekend zijn.
Het zuidelijke bekken daarentegen neemt spoedig in diepte toe en wel zoodanig, dat het zelfs in de nabijheid der kust bij Tarki een aanmerkelijke diepte heeft. Keeds in de lGdlt;: eeuw stevende hierheen de Engelsche handelsagent Arthur Edwards, die de opmerking maakte, dat hij op een afstand van 12 mijlen van de kust, op 41° 28' noorderbreedte, op 200 vademen nog geen grond gepeild had. In het midden zegt men, dat geen grond kan gevonden worden. Hoe veel water daar staat, laat zich niet beoordeelcn, want de peilingen tot dat einde gedaan, zijn hoogst onvolledig. Zoo veel heeft men echter reeds geleerd, dat dit diepste gedeelte weder in tweeën moet gesplitst worden, namelijk, in een zuidelijk en een noordelijk deel. De grens der beide gedeelten ligt ter plaatse, waar de zee het naauwst is, tusschen kaap Opsjerom en Kras-nowodshi. Reeds sedert lang was het bekend, dat men te rekenen van dit naauwe gedeelte, met een gewoon peillood den bodem kon vinden tot op eene groote uitgestrektheid van de genoemde voorgebergten ; men was van oordeel, dat de beide kusten waren vereenigd door middel van een hoog rijzenden kam. Ijij gelegenheid echter, dat op bevel van den minister van marine officieren derwaarts zijn gezonden om een bapaald onderzoek in het werk te stellen naar de diepte der zee in die oorden, heeft men bevonden, dat er in het midden, tusschen de beide oevers, meer dan 100 vademen water stond. Het noordelijke gedeelte schijnt dieper te zijn dan het zuidelijke, want op sommige plaatsen, tamelijk ver van den oever verwijderd, staat meer dan 35 vademen water. De oostelijke oever strekt zich
230
ver zeewaarts zeer vlak uit, tiif getuigen Kolotkin en Karelin beide. In het middengedeelte der zuidkust up 49Vi0 oosterlengte van Parijs, wordt 50 vademen water gevonden volgens Kolotkin; dit is opeen afstand 8 zeemijlen van de kust. Nabij den rand wordt het bekken steeds ondieper, het gevolg van de aanslibbingen der uitwaterende rivieren en het zand uit de oostelijke steppe aangevoerd, door den heorschenden oostewind. Dezelfde oorzaken brengen gelijke gevolgen te weeg in het zuidoostelijke uiteinde van het diepe bekken. Reeds vroeger heeft Ewersman medegedeeld, dat het land aan de oostkust van liet ondiepe bekken zich steeds verder zeewaarts uitbreidde, ten gevolge van zandverstuiving, waardoor kleine eilanden ontstaan, welke zieh allengs het een na hef andere met het vasteland vereenigen. De heeren Danilewski en Semenoftquot;, die mij op mijn togt vergezelden, bevestigen beide de juistheid dier opmerking. In de streken door hen bezocht, vonden zij niet een enkel der eilanden, door Kolotkin op de kaart door hem geteekend. Algemeen mag worden aangenomen, dat ten dezen opziglo groote afwisseling plaats vindt; dit hangt grootendeels af van de rigting, waarin do wind gedurende geruimen tijd blijft waaijen. In dc westelijke streken neemt de aanslibbing nog veel spoediger toe en aan de monding van de Terek in voel grooter mate dan nabij de Wolga In de nabijheid van de Prorusa, den noordelijken arm van de Terek, heb ik eeue watage bezocht, nam. eene plaats, waar viseh gedroogd en gerookt wordt; zij lag vroeger in de onmiddellijke nabijheid der rivier en was bij mijne komst aldaar een grooten afstand van het strand verwijderd. De bejaardste bewoners der watage herinneren zich nog zeer goed, dat zij in hunne jeugd van den top des heuvels, welke in de nabijheid er van oprijst, dc zee konden zien; bij onze komst te dier plaatse was de kust ongeveer 20 mijlen van daar verwijderd. Dat de plaatselijke gesteldheid sedert vroeger inderdaad zoodanig veranderd is, blijkt ten duidelijkste uit de benaming, welke zij draagt. Deze watage wordt nog heden liynak, dat is, het Zwarte voorgebergte geheeten. Kvnak beteekent in de landtaal een
231
voorgebergte, dat rond van vorm i.s. In de nabijheid der Wolga is deze benaming zeer algemeen. De bedoelde watage is aldaar gevestigd in de tweede helft der vorige eeuw cn thans is do zee van daar niet langer zigtbaar. Waar de zandige bodem der steppe ophoudt, ontwaart men eene scherpe afscheiding, namelijk, eene smalle strook van zoute aarde en daarop volgt zoo ver het oog reikt een moerassige grond, grootendeels met riet begroeid. Het is derhalve geen bodem door de zee opgeworpen, maar afgezet door den rivierarm. Aan den zuidelijken arm der Terek is de landaanwinning nog veel aanmerkelijker, want daar strekt de bodem zich nog veel verder zeewaarts uit. De nieuw gevormde bodem is minstens twee mijlen digter bij het voorgebergte van Agrachan genaderd volgens de nieuwere kaarten. Naar wij van een visscher vernamen, bedraagt de afstand niet meer dan l1^ mijl. In het diepe zuidelijke bokken neemt alleen het land aan de monding der Koera aanmerkelijk toe.
In het ondiepe bekken is het water op een grooten afstand der kust zeer troebel, ten gevolge van de aarddeelen, waarmede het bezwangerd is; in het westenis dit nog veel verder liet geval, want daar bespeurt men het nog in de nabijheid van kaap Agrachan, terwijl dit aan de oostzijde minder ver reikt. Midden in het bekken bespeurt men het tot aan de bank, waarvan later melding van gemaakt zal worden, dat is ter plaatse waar eene geringe daling van den noordelijken zoom wordt waargenomen. Daar wordt het water weder helder, doorschijnend en verkrijgt het eene fraaije zeegroene kleur.
Neemt men hierbij nog in aanmerking, dat het ondiepe bekken aan alle zijden is omringd door eene vlakke steppe, met uitzondering alleen van dat gedeelte, waar de Mert-wyï Koeltook in de Kara-Soe overgaat, in de streek waaide voormalige vesting Nowo Alexandrowsk gebouwd was, en kaap Oestjoert zich ver in zee uitstrekt, terwijl het diepe bekken meerendeels is omringd door hooge oevers, hier en daar met een smal strand, hetwelk dc hoog rijzende kust van do zee scheidt, en aan do oostkust langs
232
de Kara Boegas en de golf Krosnowodsk tot aan As-trabat allenvege eene vlakke streek wordt gevonden, dan vermeeneu wij, dut de lezer zich een vrij duidelijk denkbeeld van de Kaspische zee kan vormen.
Wanneer wij vroeger de lijn, welke het diepe van hut ondiepe bekken scheidt, niet bobben getrokken van kaap Tjoek Karagan, maar op een derde gedeelte van den afstand tusschen dit punt en de zuidspits Koelaly, dan geschiedde dit omdat rondom het genoemde voorgebergte een diep kanaal loopt. Naar het beweren der visschers staat er ruim 12 vademen water; ook de kolonel Iwa-sjintsoff, die het vaarwater heeft onderzocht, deelt gelijke resultaten daaromtrent mede. Zelf heb ik er slechts 11 vademen gepeild, maar deze waarneming steunt slcehts op enkele peilingen, zoodat ik welligt de diepste plaatsen niet gevonden heb. Dit heb ik echter waargenomen, dat het gedeelte, hetwelk slechts 10 vademen water heeft, zeer smal is, derhalve eene soort van kanaal vormti want op een paar mijlen afstands van de kust neemt de diepte zeer spoedig toe; eenige mijlen verder staat slechts 8 en nog iets verder niet meer dan 6 vademen water, wanneer men op ongeveer een derde gedeelte van den afstand tusschen het zuidelijkste punt van het eiland Koelaly en de kust is genaderd. Het schijnt mij toe, dat in dit kanaal in den regel een stroom van het zuidwesten naar het noordoosten wordt waargenomen, want de schepen varen van de haven, welke ten zuid-zuidwesten van de spits des eilands ligt, in veel korteren tijd derwaarts, dan van dat uiterste gedeelte van het eiland naar de haven. Nog andere oorzaken maken het bestaan van dergelijke strooming zeer waarschijnlijk. Dewijl de verdamping in de oostelijke helft van het noordelijke, ondiepe bekken een groot gedeelte van den watervoorraad doet verloren gaan, hetwelk door den geringen toevoer der Oeral en de nog geringere hoeveelheid, welke de Emba er in doet stroomen, niet kan worden opgewogen, wordt hier eene strooming uit het westen gevorderd om het evenwigt te herstellen, en vooral omdat het specifiek zwaardere zoute
233
water vnn het diepe bekken liet minder zoute water in die rigting moet voortstuwen. Om diezelfde redenen zou aan de oppervlakte van het water eene strooming ontstaan, welke eene tegenovergestelde rigting heeft, indien de Oeral en de Emba eene grootere hoeveelheid water in liet bekken uitstortten, dan door verdamping uit het bekken verloren gaat. Dit is stellig niet het geval, want ook aan de oppervlakte is- eene westelijke strooming waar te nemen. De eenigc toevoer, welke beide bekkens ontvangen, zoowel het diepe als het ondiepe, is uit de Wolga, Terek, de Koer en eene tallooze menigte kleine beken. In vergelijking hiervan is do toevoer der Emba en Atrek van zeer geringe beteekenis. Maar zelfs voor het geval, dat in bedoeld kanaal van kaap Tjoek Karagan geene voortdurende of zelfs heerschende stroom uit het diepe naar het ondiepe bekken werd waargenomen, en het kanaal door middel van de kracht van den stroom, welke nu in deze dan in een andere of tegenovergestelde rigting zich deed gevoelen, — door de kracht van den wind, — diep werd gehouden, ook dan nog zou deze plek moeten beschouwd worden als het punt, alwaar het water der beide bekkens zich moet vereenigen en zamenvloeijen, of als de streek waar men de meest geschikte gelegenheid moet vinden om de gemiddelde hoedanigheid van het water der Kaspische zee te onderzoeken.
Uit dit kanaal was het water geschept, hetwelk ik aan den heer Mehner ter hand had gesteld om het te analyseren. liet is niet op een aanmerkelijke diepte geschept, maar slechts aan de oppervlakte. Hoedanig de zoutgehalte toeneemt, naar gelang men dieper komt, of welke wijzigingen het verder zuidwaarts aan de oppervlakte ondergaat, dit zal men dan eerst kunnen beoordeelen, wanneer de proeven, door den heer Semenoff geschept, zullen onderzocht zijn. Men mag echter met grond van zekerheid aannemen, dat de zoutgehalte van het diepe bekken grootcr is dan in het ondiepe, vooreerst uithoofde het dieper is en er een geringere toevoer van zoet water bestaat. Dit vermoeden verkrijgt nog meer waarschijnlijkheid, uithoofde
234
da smaak van het water dit aanduidt en er in iiet iaatst-genoctndo grootore schelpen worden gevonden.
Volgens de analyse van den heer Mehner bedroeg dc zoutgehalte van dit water 1,4 per cent, derhalve liet dubbel van de gehalte aan zout door Gocbel gevonden in het water, geschept in de nabijheid van do monding dor Wolga cn meer dan achtmaal zoo groot dan in het water, hetwelk liose 95 mijlen aan gene zijde der monding van de Wolga hij Birjoetsja Kossa schepte. Wij verkrijgen derhalve de volgende data.
Het water der Kaspische zee bevat:
Zoutgehalte.
lquot;. op een graad ten zuiden van de zuidwestelijke monding dor Wolga,
volgens de analyse van Rose. . . 0,1654 p. c.
2°. op een halven graad ten zuiden van de monding dor Oeral, volgens Goobel.......... 0.6294 »
3quot;. voor kaap Tjoek Karagan, volgons
Mehner.......... 1,4000 quot;
Hieruit blijkt, dat het water in het noordelijke gedeelte van liet ondiepe bekken niet slechts eeue geringere zoutgehalte heeft, maar tevens de waarschijnlijkheid, dat het diepe bekken verder zuidwaarts oen rijkeren voorraad zout bevat dan ter plaatse, waar hot in hof ondiepe bekken overgaat.
Rose en Goebol hadden hunne prooven op oen geringen afstand van de mondingen dor rivieren geschept, maar men zou zich zeer vergissen, indien men onderstelde, dat het water aan do noordelijke kust tusschen dc beide rivieren eene geringere zoutgehalte had. Bijna in hot midden tusschen den oostelijkston arm van de Wolga cn don westelijksten arm der Oeral, op oen afstand van 30 a 40 mijlen van de kust, heb ik het water geschept, tot de voorgenomen proeven bestemd; reeds do smaak van het water deed duidelijk bespeuren, dat hot eene geringe zoutgehalte bezat, zelfs zoo weinig dat een groot g dceltc van hel
235
drinkwater, dat in dc omstreken vitn de Kaspische zee wordt gebuzigd, ecno groote gehalte aan zout beval. Wij hadden op die plek 2 vademen water, liet komt mij derhalve als zeer waarschijnlijk voor, dat het water der Kaspische zee, bij stil weder, zoo lang men geen grootere diepte dan 2 vademen bereikt, zoet is tussehen de Wolga en de Oeral. Verder oostwaarts is dit echter niet het geval.
Dat de zoutgehalte van het water der Kaspische zee in sommige gedeelten aan groote afwisseling onderhevig is, naar gelang van wind on stroomen, dit behoeft naau-welijks te worden aangemerkt. Men beweert zelfs, dat het wel eens gebeurt, na aanhoudenden en hevigen weste-wind, dat het water der Wolga nabij Astrakan brak is, hoewel het mij toeschijnt, dat dit overdreven is; maar als zeker mag het beschouwd worden, dat menigmaal het water der Wolga half weg tussehen Astrakan en de monding der rivier brak is.
Geen onkel bewijs is mij voorgekomen, dat de molusken fauna der Kaspische zee afneemt. Allerwege omvaart men, wel is waar, een grooter aantal ledige schelpen dan levende schaaldieren, maar deze verhouding tussehen de levende en de doode schelpdieren bestaat waarschijnlijk overal, indien de ledige schelpen door eene zeer sterke strooming niet zijn weggevoerd. Zij duren zoo lang in de lucht, hoeveel te meer niet in zuiver water. In verschillende deden der Kaspische zee treft men dikke lagen ledige schelpen aan, welke gedeeltelijk zijn verbrijzeld. Eens haalden wij eene zoo groote hoeveelheid er van op, dat wij na drie dagen lang de levenden er uit gezocht te hebben, daarna dc rest, ter zwaarte van een kleine vijftig pond over boord hebben geworpen. De gansche hoeveelheid, welke wij in eencn trek hadden opgehaald, woog meer dan 160 Ned. pond. Slechts de kleinere soorten van schelpen waren nog met levende weekdieren gevuld; de grootere schelpen waren allen verbrijzeld. Later vonden wij iets dieper, ongeveer dezelfde soorten Het schijnt, dat in de lengte van het ondiepe bekken ver zeewaarts in zich eene
236
schclpbank uitstrekt cü dat wel in de rigting, waarin de bodem buitengewoon langzaam van 3 tut op H'/a vademen dalende, eindelijk veel spoediger in diepte toeneemt. Ik ben van oordeel, dat de baren uit het zuiden komende aanrollen, op deze plek eene branding doen ontstaan, waardoor de vaste deelen, welke het water medevoerde, worden weggeslingerd en daardoor allengs een dam of bank van schelpen wordt gevormd; eene geringe rijzing van den bodem is slechts noodig om dergelijke rotsen, uit verbrijzelde schelpen, te doen ontstaan, gelijk er thans aan de oost- en westkust der Kaspische zee boven dien waterspiegel oprijzen. Groot is het aantal schelpen, hetwelk men allerwege op die plaatsen der kust aantreft, waar het strand niet met zeer langzame glooijing daalt. De heer Dani-lewski, die voor mij de eilanden Koelaly en Morskoï bezocht, heeft daaromtrent gezegd, dat zij bestaan uit zand, opgeworpen zeegras en schelpen. Ten opzigte van Morskoï, hetwelk tot de hedendaagsche formatie behoort, heeft eigen onderzoek mij de juistheid dier opmerking bevestigd. Het is bedekt met kleine heuvelen of duinen, welke reeds in de verte zigtbaar zijn door hunne witte kleur. Zij bestaan grootendeels uit verteerde schelpen, welke door den wind ginds en herwaarts worden gedreven, totdat cenige grasscheuten of andere planten er een steun aan geven. Wat betreft het eiland Koelaly, geloof ik dat de vroeger aangehaalde woorden juist zijn ten opzigte van de kust, w aar men meer schelpen en slakken dan zand vindt; het overige en hoogere gedeelte des eilands is hoofdzakelijk gevormd uit zand, vermengd met een aanmerkelijke hoeveelheid schelpen. Het schijnt mij toe, dat die schelpen door den wind grootendeels derwaarts zijn gedreven, want zy zijn zeer ligt, dewijl er eene groote hoeveelheid dunne schelpen van Adacnen of Pholadomyen onder voorkomen en het meerendeel der andere soorten zeer klein is. Hoe ligt de schelpen, welke hier worden aangetroffen, door den wind worden bewogen, hieromtrent heb ik de volgende zeer eigenaardige opmerking gemaakt.
Ik wenschtu het niveau te leereu kennen eener bron,
237
in een duin gegraven in Je nabijheid der haven van Tjoek Karagan, ten einde dit te vergelijken met het niveau der zee. Eene dergelijke bron bestaat eenvoudig uit een put in het zand gedolven, waarin later een ton is gezet, ten einde de wanden te ondersteunen. Om tu verhoeden, dat de bron vol zand gerake, heeft men er een bcdeksel op gesteld van riet, in den vorm eener tent. Met hut waterpassen tot aan de bron genaderd zijnde, zag ik geen ander middel om verder voort te gaan dan om een gedeelte van het spits toeloopende deksel te doen wegnemen en eene lat in verticale rigting in de bron te doen plaatsen. Het woei dien dag vrij hevig, zoodat ik moeite had om met den kijker de cijfers af te lezen. Naauwehjks was het deksel van de bron afgenomen, of door de opening steeg eene menigte schelpen opwaarts, welke in de opening der bron rond dwarrelden. Ik was omringd door eene wolk van schelpen en fijn zand, toen ik den afstand des waterspiegels mat, cn moest mij haasten om de bron weder te bedekken; wilde ik niet dat zij vol zand en schelpen zou geraken. Grove zandkorrels schijnen door den wind niet zoo hoog te worden opgeheven. Het zou mij niet verwonderen, dat men menigwerf voorwereldlijke schelpen vond, wel niet in de nabijheid van Tjoek Karagan, maar verder noordwaarts in de Wolga-steppe.
Wat betreft do vraag of de mollusken fauna der Kaspische zee werkelijk afnemende is, de beantwoording dezer vraag is in zooverre van gewigt, dewijl de schelpdieren het voornaamste voedsel van den zoogenaamden roodvisch uitmaken.
Niemand betwijfelt, dat do Noord-Kaspische steppe, gelegen tusschen de Wolga en de Oeral, eenmaal de bodem vormde der Kaspische zee, en dat zij dit was tijdens deze reeds zijne tegenwoordige fauna had, dewijl in allo scheuren des bodems Kaspische schelpen worden aangetroffen. Uit eigen onderzoek heb ik de noordelijke grenzen van dit voormalige zeebokken niet loeren kennen. Ik twijfel echter niet of de streek van hot Elton-meor was reeds uiet zout water bedekt, want dikwijls vindt men in
238
de scheuren des bodems, welke het afloopendc water in liet voorjaar uitsjioelt, Cardium trigonoides en C. crassura van zoodanige grootte als tegenwoordig niet meer in het ondiepe, maar alleen in het diepe bekken of aan zijne grenzen worden aangetroffen. Allerwege ziet men zout-watersehelpen, en dit feit mag als een bewijs worden beschouwd, dat het vermoeden van Pallas zeer gegrond is, wanneer hij zegt, dat, naar zijn gevoelen, de Donsche hoogsteppe eenmaal de kust is geweest der voormalige Kaspische zee. Gelijk men weet, stroomt de Wolga sedert langen tijd langs den rand van deze hoogsteppe. Ter regter-zijde van de rivier heeft me i derhalve eerst het krijtgebergte, vervolgens do Donsche hoogsteppe, links eene veel lager gelegen grassteppe, en dan de zilte steppe, welke zich onderscheidt door zilte kruiden en artemisien. Nabij Tsaritsyn en nog duidelijker bij Sarepta wendt de wand der hoogvlakte zich van de tegenwoordige Wolga-bedding af, en deze doorstroomt den voormaligei! zeebodem. De regteroever blijft steeds hooger, dewijl de rivier, westwaarts stroomende, aan hare linkerzijde een lagen, steeds afdalenden oever heeft. In dezen regteroever ontwaart men ter plaatse, waar hij steil is ingestort, ecne laag schelpen, welke volkomen het karakter van zoutwaterschelpen hebben. Men ziet deze schelpen reeds hier en daar in de nabijheid van Sarepta, maar in grooter hoeveelheid iu den steilen oever, waarop Tsjernoï jar gebouwd is. Ouk verder stroomafwaarts bespeurt men deze laag schelpen van tijd tot tijd zeer duidelijk. De grootste soorten behooren tot Dreissena poly-morpha eu een andere Dreissena, welke nimmer in zoet water voorkomen en deze soorten maken tevens verre de meerderheid uit; wijders treft men er myaeeën aan, die slechts klein mogen genoemd worden. De cardiën zijn de kleinsten en komen het zeldzaamst voor. In dc nabijheid van den regteroever der Wolga zal wel de voormalige kust moeten gezocht worden. Gewoonlijk liggen de schelpen in zandlagen bedolven. Waar dc steppebodem dezer streek, — cene taaije kleilaag, — de oppervlakte vormt, komt de laag schelpen niet bloot, en ontwaart men haar slechts in
239
dooraniide aan den ingestortcn oever. In de nabijheid van Lebe.sje wigt de kleilaag uit, de bodem wordt zandig en gaat hier en da ; in struiken over. Te dezer plaatse, waaide sehelplaag oorspronkelijk zeer nabij de oppervlakte des bodems was gelegen, heeft de werking van den wind de laag bloot gemaakt en de ligtste deden opgewerkt. Terwijl ik tegen eenn langzaam oprijzende hoogte reed, zag ik tot mijne niet geringe verwondering blinkende strepen, welke zieh heinde en verre over den bodem uitstrekten en dien als het ware met een net bedekten. Bij nader onderzoek bleek het mij, dat een talloos tal kleine scherven vanquot; sehelpen, waaronder enkele grootere stukken werden aangetroffen, over den bodem verspreid lagen ; door den wind van tijd tot in beweging gebragt zijnde, hadden zij zieh over den zandbodem verdeeld en vormden tusscben de rimpels of golvingen van het zand schier regelmatig gevormde mazen van een verbazend uitgebreid net. Onder de nog herkenba.c schelpbrokken worden ook zoodanigen aangetroffen, welke tot zeer groote soorten hebben behoord, waaruit men met grond mag opmaken, dat de zee hier reeds eene zeer aanmerkelijke diepte moet gehad hebben.
En tot welke gevolgtrekking leidt ons dit ? Indien deze schelpen en de scherven van zoo vele millioencn bij mil-lioenen anderen, sedert eeuwen aan den invloed des darap-krings blootgesteld en door den wind nu ginds dan herwaarts beengestuwd, niet zijn verweerd, hoe zou het dan mogelijk kuunen zijn, dat zij bedolven in den bodem, spoedig zouden verweren? En indien schelpen zoo lang blijven bestaan, dan kan bet wol niet anders of men moet telkens bij bet visschen naar schelpen met de levenden te gelijkertijd een groot aantal ledige, uitgestorven schelpen ophalen. In de nabijheid der mondingen van de Wolga kan men zeker zjjn, dat, onder 1,000 exemplaren Paludina vivipara, ter naauwernood twee levenden worden aangetroffen. En wie zou durven beweren, dat deze soort of het geslacht in de Wolga aan het uitsterven is? Het is waar, aan de kust der Kaspische zee en op sommige eilanden ontwaart men hier en daar banken, uitsluitend
240
bestaande uit schelpen duor de zee opgeworpen, maar al wat ik van dien aard aldaar heb aangetroffen, is toch onbeduidend te heeten. In vergelijking echter van de Oostzee, waar de schelpen niet met dreggen of netten worden gevischt, maar stuk voor stuk worden opgezocht, is de overvloed er van in do Kaspische zee verbazing wekkend te heeten.
In een andere mededeeling gaat den heer vou Baer de onderstellingen en beschouwingen na, betreffende het meer of minder waarschijnlijke van het uitsterven der mollusken fauna en de wijze, waarop het dierlijk leven in de wateren der Kaspische zee in stand wordt gehouden.
Wij laten de veranderingen, welke het bekken der Kaspische zee in den loop der tijden heeft ondergaan onvermeld, en beschouwen haar alleen gelijk zij zich thans aan onze blikken vertoont. Aan de noordzijde vinden wij haar omringd door eene wijduitgestrekte steppe, welker bodem eene verbazende hoeveelheid zout bevat, van hetwelk voortdurend een gedeelte door het regenwater wordt opgelost, dat daardoor naar zee wordt afgevoerd. Dewijl dit zonder ophouden plaats vindt, zoo dikwerf regenwater uit de steppe zeewaarts vloeit, hebben sommige natuuronderzoekers op grond daarvan ondersteld, dat het zeewater aldaar in eenigen tijd niet meer geschikt zal zijn tot het onderhouden van het dierlijk leven, zoodat eindelijk het eenige levende wezen in de Kaspische zee zou zijn die kleine kreeftsoorten, Artimisia, welke ook in zeer zout water kunnen leven. Het is niet belang ontbloot de gegrondheid dezer bewering nader te onderzoeken, want tot heden heeft de Kaspische zee eene zoo groote menigte visschen als stellig in geen oord ter wereld worden gevonden op gelijke oppervlakte. Belast zijnde met het uitbrengen van een rapport nopens den toestand der visscherijen in do Kaspische zee, moest het mij natuurlijkerwijze zeer gewigtig zijn de beantwoording te verkrijgen der vraag: zijn er bewijzen te vinden voor de juistheid der bewering, dat de verschillende diersoorten in de Kaspische zee uitsterven, of indien dit niet het geval is, mag worden aangenomen, dat de
241
natuurlijke gesteldheid der zee en hare omstreken grond geeft tot het vermoeden, dat haar water voortdurend zouter zal worden ?
Goebel heeft het vermoeden geopperd, dat de Kaspische zee oorspronkelijk een zoetwatermeer is geweest, hetwelk allengs zouter is geworden, door den toevoer van zout-deelen uit de naburige steppe. Eichwald heeft gezegd, dat het water der Kaspische zee reeds zeer zout en bitter is; hij verklaart daarenboven, dat het dierlijk leven aan het uitsterven is, en dat zeker althans vele schelpdieren, waarvan men nog de schelpen aantreft, niet meer levend er in gevonden worden. Hommaire de Heil heeft, naar aanleiding daarvan, aangenomen dat het water der Kaspische zee eene gehalte van 5 per cent zout heeft, en derhalve meer zoutdeelen bezit dan zeewater in het algemeen, zoodat deze zee reeds in eene zoutzee is overgegaan. Stuckenberg gaat nog verder, hij spreekt eene soort van lijkrede uit over de Kaspische zee; hy zegt onder anderen: n de Kaspische zee heeft zich overleefd; zij lijdt aan verzwakking, dewijl het dierlijk leven in haar uitsterft.quot; ')
Goebel drukt zich op de volgende wijze uit: »men zou bijna geloovcn, dat de Kaspische zee in der tijd een zoet-watermeeer is geweest, hetwelk zijne zoutgehalte uit de nabij gelegen steppe heeft verkregen. Wij gelooven echter, dat de beantwoording dezer vraag even moeijelijk is als aan te wijzen, van waar de oceaan de zoutdeelen heeft erlangd, welke zijne wateren bevatten. Sedert Aristoteles heeft men tallooze pogingen gedaan om dit vraagstuk op te lossen, en tot heden is men ten dien opzigte schier even ver als te dier tijde.quot; 2)
Wat betreft de beantwoording der eerste vraag, deze schijnt mij niet toe bijzonder moeijelijk geheeten te mogen worden. liet aantreffen van cardaceën en andere zoutwa-
1) Zie zijn bekettl werk; H}drographie des russischeu Reiehs. Th. IV. S. 38.
s) Vergelijk Goebel; Reise in die Steppe des südlicheu Russlauds. B. II. S. 104.
242
terschclpen in ontelbare menigte in allerlei lagen door de
Kaspische zee afgezet, hetzij van rotsachtigen aard of dat die lagen uit los zand bestaan, zal wel als een bewijs mogen gelden voor de onderstelling, dat de Kaspische zee sedert eeuwen zout water heeft bevat, en dat dit waarschijnlijk reeds het geval was in dat tijdperk harer ontwikkeling, toen zij van den oceaan nog niet was gescheiden en daarmede een geheel uitmaakte. Mag dan eerder het bestaan worden aangenomen van eene steppe, welke eene verbazende zoutgehalte bevat en tot bodem strekt aan een zoetwatenneer, dan te onderstellen dat de bodem der steppe zijne zoutdeelen uit de zee heeft gekregen?
Wat de tweede vraag aangaat, het is waar men hoort haar dikwerf herhalen, maar het schijnt mij toe, dat zij van gelijken aard is als, bij voorbeeld, de volgenden: Hoe komt de melk in de koe? Hoe komen de bloedbolietjes in het bloed of do knoppen aan den boom? Naar het mij toeschijnt, behoorde mende vraagaldus te stellen; hoe komen zij er uit, dat wil zeggen, hoe worden zij gevormd? Dat het zoete water uit de zee komt door middel der uitdamping, dit is een algemeen erkende waarheid; waarom moet dan tevens liet bestaan van een oorspronkelijk zoet water worden aangenomen? Zou dit noodig zijn, ten eiude mensch en dier te kunnen drenken?
Er was door de Voorzienigheid zorg gedragen, dat zoet water bestond vóór mensch of dier door dorst kon gekweld worden. Al de dierlijke overblijfselen uit de oudste vormingen des aardbols hebben hunne verwanten, 't zij van verre of van nabij, onder de zoetwaterdicren niet alleen, maar insgelijks onder de bewoners van het zoute water. Op grond waarvan mag men derhalve aannemen, dat er een oorspronkelijke zoetwaterzee heeft bestaan, welke men van onderen met zout voorziet, ten einde haar water niet te doen bederven ?
Wat betreft het afsterven der fauna, ten dezen opzigte mag uit het feit, dat aan het strand vele ledige schelpen worden gevonden, het besluit niet worden getrokken, dat in de zee gecne exemplaren van dezelfde soorten, wier schel-
243
pen ledig zijn, meer worden aangetroffen. Het schijnt wel, dat in een vroeger tijdperk dieren in de Kaspische zee hebben geleefd, welke er hedendaags niet meer in gevonden worden, zoo als bij voorbeeld de schelpen die voornamelijk in de hooge, rotsachtige kust nabij Mangisjlak worden aangetroffen, Mactra caspia bij Eiehwald, eene andere die op eene Pectenschelp gelijkt en anderen meer. Hoe ver dat tijdperk van ons verwijderd is, kan men met geene mogelijkheid bepalen; daarenboven laat zich daarover slechts in zoo verre oordeelen, dat men weet dat in onzen lijd dergelijke soorten nog niet levend of of versch zijn waargenomen. Maar verwante of daarop zeer gelijkende soorten vindt men allerwege. Even zeker is het, dat onder de schelpen, welke in de steppe verstrooid liggen, niet zoo vele uitgestorven soorten voorkomen als velen onderstellen. Wat betreft do schelpen, welke in den laatsten tijd zijn opgeworpen, van al deze soorten heb ik levende exemplaren in de Kaspische zee opge-vischt.
Buitendien heb ik bij mijne onderzoekingen do volgende opmerking gemaakt. Bij gelegenheid van het bezoeken der kusten van het eiland Tsjetsjen heb ik voornamelijk aan do westkust een ongelooflijke menigte versclie schelpen gevonden dier soort, welke Eiehwald Adacna laevigata noemt. Het scheen mij toe, dat zij eenige dagen te voren op het strand waren geworpen door een storm, welke ons verhinderd had onzen togt naar genoemd eiland voort te zetten. Het kwam mij des te waarschijnlijker voor, dat zij eerst voor zeer korten tijd op de kust waren geworpen, dewijl de schelpen door de banden nog aan elkander waren verbonden. Van de weekdieren zeiven was echter geen spoor meer in de schelpen aanwezig. Dit vermoeden zag ik spoedig bewaarheid. Gedurende den storm, waarvan ik zoo even heb melding gemaakt, had de militaire gouverneur van Astrakan, de schoutbij-nacht Wassiljeff, in de nabijheid van het eiland het anker geworpen, ten einde gunstiger weder af te wachten. De beide natuuronderzoekers Semenoff en Weideman, die hem
244
vergezelden, hadden velen dier schelpen, met levende weekdieren er in, opgevischt en medegebragt, van welke zij mij verscheidene exemplaren len geschenke hadden gegeven. Deze Adacnen nu behooren juist tot die soorten, welke volgens het algemeen gevoelen reeds zijn uitgestorven of. volgens anderen, aan het uitsterven zijn. Hieruit blijkt overtuigend, dat het dierenrijk in de Kaspische zee niet is afgenomen, gelijk sommigen beweren. De geschiedenis der visscherij bevestigt dit volkomen. Het blijkt namelijk, dat de opbrengst van jaar tot jaar toeneemt, naar gelang men de visscherij op grooter schaal gedreven en de middelen heeft vermenigvuldigd. Of echter de opbrengst in verhouding tot het aantal der aangewende middelen is toegenomen, deze vraag laat zicii minder gemakkelijk be-oordeelen. Boven allen twijfel is het echter verheven, dat de gezamenlijke opbrengst gunstiger mag genoemd worden dan vroeger. Verscheidene millioenen ponden visch worden jaarlijks in de Kaspische zee gevangen. Hun ontstaan mag niet gezocht worden in het zoute water, maar de oorzaak daarvan moet gevonden worden in de dierlijke zelfstandigheden in het zeewater aanwezig.
Dat deze zee door ouderdom tot verval neigt en het dierlijk leven er aan het afnemen is, gelijk Stuckenberg beweert, mag als onjuist worden beschouwd. Die onderstelling is onjuist, dewijl de Kaspische zee cene nieuwere vorming is dan andere zeeën. Zij bevindt zich nog in een tijdperk van ontwikkeling en dit zal nog zeer lang voortduren. Door het afstroomend water en den wind ontvangt zij nog onophoudelijk een aanwas van vaste doelen en ondergaat haar bodem voortdurend verandering. De werkzaamheid der onderaardsche hitte laat zich nog steeds waarnemen. Daardoor hebben onophoudelijk veranderingen plaats, welke niet worden opgemerkt in haar oudere zuster, de Zwarte zee. Overgroote werkzaamheid, een overmaat van jeugdig vuur, mag eer beschouwd worden als het gebrek der Kaspische zee, in gcenen deele hot gemis aan hernieuwende kracht, het bewijs van een afgeleefden ouderdom.
Maar de zaak heeft insgelijks eene zeer ernstige zijde.
245
De Kaspische zee is rondom ingesloten en heeft in een wijden omvang niet dan steppen, welke een verba/.enden rijkdom aan zont in haren schoot verbergen. Indien het bekken der tegenwoordige Kaspische zee al het zout moest opnemen, hetwelk in de omringende steppen aanwezig is, zonder dat het een groot gedeelte daarvan weder verloor, dan zou ten laatste in het kleine bekken, hetwelk thans de Kaspische zee vormt, al de voorraad zout worden gevonden, welke vroeger in diezelfde zee aanwezig was, toen zij zich uitstrekte tot Chwalinsk of tot Spask. Dan zou bet mogelijk zijn, dat een gedeelte der dieren, welke tegenwoordig er in zijn, niet voortdurend er in zou kunnen leven, en daar de Kaspische zee van alle zijden gesloten is, kan er wel geen sprake zijn, dat zij te eenigertijd door andere zoutwaterdieren zou bevolkt kunnen worden. De noordelijke helft van het ondiepe bekken zal wel nooit ander dan hoogstens brak water bevatten, dewijl hier voornamelijk de toevoer plaats heeft van het zoete water, hetwelk door verdamping gedeeltelijk verloren gaat. Hier zal derhalve steeds eenc groote massa organische stof worden gevormd, gelijk ook thans in de bogten en inhammen nabij de AYolga hot geval is en deze zal steeds bijdragen tot het onderhouden en voeden van cene groote menigte visschen. Maar noodlottig zou het mogen geheeten worden, indien het water in het diepe bekken der Kaspische zee zoodanig met zout werd bezwangerd, dat het organische loven zoo niet geheel er uit verdween, althans zeer beperkt werd. De visch zou zich dan verzamelen binnen de enge grenzen van het ondiepe bekken en zijn prijs gegeven aan de hebzucht der visschers, tenzij de regering krachtige maatregelen nam ter beperking der visscherij.
Gelukkigerwijze is het bekken der Kaspische zee geen porceleinen schaal, waarin zout water wordt uitgestort en waaruit al het zoete water verdampt, zoodat alleen het zout er in overblijft. Er wordt zout in uitgestort, maar het verliest tevens zout en de vraag is nu slechts of hetgeen er uit verloren gaat opweegt tegen hetgeen er inkomt.
246
liet schijnt mij toe, dat de hoeveelheid zout, welke er wordt aangevoerd, veel geringer mogt geschat worden dan men gewoonlijk onderstelt, indien men daarbij uitgaat van het denkbeeld, hetwelk vroeger is ontwikkeld, terwijl de hoeveelheid zout, welke verloren gaat, waarschijnlijk zeer groot is, hoewel dit gewoonlijk geheel en al buiten berekiMiing wordt gelaten.
Even als het geval is in hare tweelingzuster de Zwarte zee, vormt de Kaspische hare zoutmoerassen en zoutmeren, en dergelijken worden zelfs gevonden in vele gedeelten van den oceaan. In de Kaspische zee kan de verloren hoeveelheid zout niet herkregen worden dan uit bare eigene kusten en de daaraan grenzende stroken. Wat den oceaan betreft, hierbij kan dit verlies volstrekt niet in aanmerking worden genomen. Bij zeeën, welke een geringen afvoer barer wateren hebben, gelijk het geval is met de Oostzee en de Zwarte zee, hangt de gehalte aan zout zoodanig af van de hoeveelheid instroomend zoet water in verhouding tot het uitstroomende zeewater in den oceaan, van het instroomen van water uit den oceaan, enz., dat uitgestrekte zoutlagen binnen hare grenzen ter naauwernood eenigen invloed op hare zoutgehalte te weeg brengen.
Het afdeelen der zee door lange zandbanken, welke zich van de kust zeer verre uitstrekken, vindt in de Kaspische zee niet in die mate plaats als het geval is in de Zwarte zee of in de Golf van Mexico, maar toch vindt men er hier en daar en vooral aan de oostkust. Niet verre van de Alexandersbaai is het smalle zoutmeer Karakoel geheeten, hetwelk eene lengte beeft van ruim 40 mijlen en door eene zandbank van de Kaspische zee is gescheiden. De verder zuidwaarts gelegen zandbank is nog langer dan de zoo even bedoelde, en men mag zich overtuigd houden, dat ook deze binnen korteren of langeren tijd een gedeelte van de zee zal afsluiten; Karelin beeft deze zandbank op kaart gebragt. Wat betreft de Golf van Astrabad en die van Sensilinski, deze zullen niet ligtelijk ingesloten geraken, ten gevolge van den grooten toevloed van zoet water, hetgeen vooral het geval is met de eerstgenoemde. Hoe diep
247
de Golf van Konderlinski ook moge zijn, kan het als zeker beschouwd worden, dat zij eenmaal van de zee zal gescheiden worden. Was hier vroeger slechts een .smal eiland, dat zich verre in de lengte uitstrekte, later heeft men gezien, dat dit eiland aan de zuidzijde reeds met het vasteland verbonden is geraakt. Op het eerste gezigt van don vorm, welken deze golf heeft, laat zich reeds beoordeelen, dat zij geen toevoer van water kan hebben en dat een ophooping van zand aan hare monding moet plaats hebben. Het zal slechts hierop uederkomen, hoe lang het zeewater, dat van tijd tot tijd door den wind er in opgestuwd wordt, door het uitstroomen tegen het instroomende water zal kunnen opwegen om de monding open te houden. Het zuidelijke gedeelte zal echter zonder twijfel binnen korten tijd in een zoutmeer worden veranderd, gelijk in de inham van Mangisjlak of Tjoek Karagan reeds het geval is geweest.
Aan do spits van het schiereiland Mangisjlak, tusschen de vesting Nowo-Petrowsk en de haven, worden drie of eigenlijk vier zoutmeren digt bij elkander aangetroffen. Duidelijk ontwaart men daaraan, dat zij in verschillende tijdperken hunner ontwikkeling zich bevinden, zoodat zij uitstekend geschikt mogen geacht worden om de wijze, waarop zoutmeren ontstaan, regt duidelijk voor oogen te stellen. Daar wij gedurende langen tijd in de gastvrije woning van den bevelhebber van Nowo-Petrowsk vertoefden, hadden wij ruimschoots de gelegenheid deze zoutmeren tot een punt van onderzoek te maken.
Men weet, dat het schiereiland Mangisjlak, waarvan do spits bekend is onder do benaming van Tjoek Karagan, eene hoogvlakte vormt, bestaande uit kalkrotsen eener jongere formatie. Op een geringen afstand ten zuiden van het uiterste punt ligt, aan de westelijke kust. de inham alwaar de schepen binnenloopen, welke proviand en krijgsbehoeften voor de vesting aanvoeren of waarmede do handel met de Kirgizen en verder met de bewoners van Chiwa en Boechara wordt onderhouden. Deze inham dringt niet door in het rotsgevaarte van het schiereiland zelf, maar
248
ligt er voor, want aan den voet van den westelijken rotsmuur heeft zich een laag voorland gevormd, bestaande uit zand en schelpen door de baren uit de diepte opgeworpen. Hoe verder men noordwaarts gaat, des te breeder wordt dit voorland. Aan den voet der rots, waarop de vesting is gebouwd, heeft het reeds eene breedte van ll/2 mijl, en bijna vlak onder de vesting ligt een dier zoutmeren. Des zomers is het bekken van het meer geheel met zout gevuld ; slechts aan den westelijken rand, aan de zeezijde, zagen wij eene kleine plek, waar geen zout werd waargenomen. Wij vernamen van de bewoners der vesting, dat daar ter plaatse nooit geen vast zout, maar alleen zeer zout water of rapa wordt gevonden. Gedurende het voorjaar, wanneer de ontdooide sneeuw het gansche bekken met zoet water heeft gevuld, ontwaart men slechts een uitgebreide watervlakte. Sommige personen verzekerden ons, dat er alsdan geen gekristalliseerd zout wordt aangetroffen in het bekken. Dit zal echter niet juist zijn, want men vindt onder de bovenlaag, in den loop van het jaar gevormd, zonder eenige moeite, een andere, waarop eene dunne laag modder wordt aangetroffen. Of de onderste laag uit meer dan eene bestaat, kan niet met juistheid worden opgegeven, dewyl do noodige boringen niet zijn gemaakt. Er worden zoutmeren gevonden, waarin verscheidene lagen zout op den bodem worden gevonden, gelijk het geval is in het Elton-meer, terwijl andere meren worden aangetroffen, alwaar het lager liggende zout, de koren gelijk de Russen het noemen (dc wortel), uit eene enkele vaste massa bestaat. Uithoofde echter het stuk zout, hetwelk men voor mij uit het meer had gehaald en dat men verklaarde lager te hebben weggebroken dan de bovenlaag, eene boven- en bcncdenzijde bleek te hebben, vermoed ik, dat er verscheidene lagen op elkander voorkomen. Het water van het meer, waarin zich do bovenste laag en, door den modder heen, nog zoo veel van liet lager liggende zout oplost, dat het water bijna volkomen verzadigd is, verdampt in den zomer door de zonnehitte, waardoor zich een gedeelte van het opgeloste zout weder kristalliseert en andermaal
249
eone zoutlaag vormt. Omstreeks liet midden van Augustus zagen wij hot meer bijna geheel gevuld met oen roodachtig zout, met uitzondering van het westelijke godeeite. Dit was reeds vroeger hot geval geweest, dewijl men sedert lang aan het zout breken was. Gedurende de maanden Augustus en September staat het zout of geheel bloot, zoo dat men droogvoets over den bodem kan gaan, zonder de zolen nat te maken, of er staat hoogstens een duim water op; dit hangt af van de rigting, waarin de wind waait, en het laatstvermelde heeft plaats na langdurigen weste-wind. Naar mijn oordeel is de benaming van zoutmeren, gegeven aan deze ondiepe plekken met zout gevuld, zeer onjuist; men zou het beter zouttroggen kunnen lieeten. In de steppe worden er gevonden, welke gedurende den zomer geheel droog staan en als het ware aan ijsvlakten gelijk zijn. Dat zout zich oplost, wanneer er water op staat, is bekend. In die meren, welke niet bevaarbaar zijn, staat er slechts zeer weinig. In het zoutmeer Cha-radoesoenski, gelegen ten westen van Astrakan, heb ik in gezelschap van den directeur der zoutwerken met een rijtuig met drie paarden bespannen, rond gereden liet zoutmeer in de nabijheid van Nowo-Petrowsk heeft de natuur nog niet voltooid, want de lezer zal wel reeds hebben opgemerkt, dat in den hoek tegenover de zee nog voortdurend water insijpelt, zoodat het daar ter plaatse niet geheel verzadigd kan worden. Men bespeurt dit terstond in den bodem van het bekken. Door middel van een stok, welken ik in den bodem van het meer had geslagen, poogde ik te bepalen hoe hoog het zeewater van tijd tot tijd werd opgestuwd bij aanhoudenden ooste-wind. Ik had den stok in eene kleine geul geslagen, aan de oostkust van het meer, waar het nimmer droog staan kon. Ik ontwaarde nu, dat het water bij hevigen westewind omstreeks een duim hooger steeg ; in het andere, noordelijke gedeelte van het meer, hetwelk geen toevoer van de oostzijde kan hebben, steeg het water aan den oostelijken rand ongeveer evenveel, ten gevolge waarvan ik de verandering van het niveau des waters aan een
250
andere oorzaak toeschreef, namelijk, aan het opstuwen van het water in het meer zelf. Bovendien was de waterstand aan groote afwisseling onderhevig, want naauwelijks hield de storm op, of het water daalde onmiddellijk en eenmaal heb ik het bijgewoond, dat de oostelijke helft drie dagen later weder geheel droog stond. Hierom moet men aannemen, dat er voortdurend water door de tamelijk breede duinstrook sijpelt. Dit laat zich tevens zeer gemakkelijk verklaren, dewijl de oppervlakte van de zoutlagen 33/4 Engelsche voet lager ligt dan het vlak der zee. Hoezeer de toavloed gering mag he.eten, moet het bekken langzamerhand meer met zout worden gevuld. Behalve het insijpelend water krijgt dit bekken of zoutmeer nog toevloed van water, welke vrij aanmerkelijk mag genoemd worden, hoewel de hoeveelheid zout, op die wijze verkregen, zeer gering zal zijn. Aan den voet des bergs, waarop de vesting is gebouwd, in de onmiddellijke nabijheid van den rand, welke het bekken aan die zijde insluit, zijn verscheidene putten en cene badplaats gegraven. Uit een dezer putten welt eene bron op, welker watervoorraad na de putten te hebben gevuld, een klein beekje vormt, dat, hoezeer niet sterk, toch eene vrij lange geul in do zoutlagen heeft uitgespoeld en steeds op gelijke diepte houdt. In deze geul was het, dat ik het paaltje had geslagen om den stand van het water in het bokken te meten. Ken dergelijk beekje vloeit insgelijks uit de badplaats. Het water hetwelk uit de put opwelt, wordt gedronken, hoewel het eenigzins brak is; het andere is zouter van smaak en uit dien hoofde wordt het alleen gebezigd om er zich in te baden. Beide beekjes voeren eene geringe hoeveelheid zout aan. Dit voorbeeld, waar eene kleine vlakte van ongeveer driekwart Q mijl door verdamping meer verliest, dan twee beken er in uitstorten en het insijpe-pelende water door de duinen er aan toevoegt, kan wel strekken om een duidelijk begrip te verkrijgen hoe het mogelijk is, dat de Kaspische zee eene grootere hoeveelheid water verliest, dan zij van zoo vele verschillende zijden ontvangt.
251
Verder noordwaarts heen, digter bij do haven, is een ander zoiiiineer, dat meer dan het vorige die benaming verdient, want het heeft op den bodem eene vaste zoutlaag, waarop men zonder schroom kan staan, maar tevens zooveel water, dat een man cr in kan zwemmen, zelfs gedurende het late gedeelte van den zomer. In het midden staat bijna een vadem water, maar niettegenstaande dat ligt do spiegel van dit meer beneden dien van het vroeger beschrevene; de spiegel lag namelijk 1,5 el beneden den vorige, welke tijdens de meting zijn gemiddelden stand zal gehad hebben. Dit moer ontvangt hoegenaamd geen toevoer van de landzijde, maar daarentegen des te meer ten gevolge van het doorsijpelend water aan de zeezijde. Groot is de hoeveelheid zeewater, welke zich op die wijze een weg door de duinen baant. De duinstrook, welke het meer van de zee scheidt, hoeft eene breedte van ruim 300 cl en bestaat uit grof zand; dewijl deze scheidsmuur zich aanmerkelijk verheft boven den spiegel van het meer, mag hij eene duinrij worden geheetcn. liet hooger liggende gedeelte is geheel droog. Door het lagere gedeelte baant zich, op vier verschillende plaatsen, het water een weg en vormt het vier boekjes, welke op eenigen afstand boven den spiegel van hot meer te voorschijn komen, zoodat zij een eind weegs voortstroomen, alvorens zich mot hot moorwater te vermengen. Het hoeft een gelijken smaak als het zeewater der baai. Naar gelang het water door den wind hooger in de baai wordt opgestuwd, is de toevoer, welke het meer op die wijze verkrijgt, aanmerkelijker. liet laat zich duidelijk begrijpen, dat do voorraad zoutdeelen in dit meer allengs moet toenemen en dat wel ten koste van de hoeveelheid zout in de Kaspische zee aanwezig.
Het voorland, waarin de beide meren worden gevonden, is op de hoogte van het laatstbedoelde veel breeder dan ter plaatste, waar hot vroeger beschreven meer ligt Aldaar worden in het breede strand nog twee andere meren gevonden, welke echter geringer van uitgestrektheid zijn dan do beide vorigen en tevens digter bij de kust zijn gelegen. liet eene strekt zich in de lengte uit en zal ongeveer eene opper-
252
vlakte hebben van eene kwart mijlQ; men vindt er een zeer zout water, maar tot heden is er geene zoutlaag in afgezet. Het laatste of vierde meer is nog veel geringer van omvang. Bij gelegenheid van mijn bezoek aldaar stond het geheel droog en werd er slechts eene zeer dunne laag gekristalliseerd zout in gevonden.
Wij hebben hier derhalve vier zoutmeren voor oogen, in verschillende tijdperken hunner ontwikkeling genaderd. In het eerste is het bekken bijna geheel met zout gevuld; dit zoowel als de de drie anderen zijn ontstaan ten koste van de Kaspische zee, hieraan bestaat geen twijfel hoegenaamd. Bevindt men zich op de naburige hoogte en laat men de blikken alsdan weiden over de zoutmeren en de golf, welke zich voor den beschouwer uitbreidt, dan ziet men dat zij niets anders zijn dan afzonderlijke deelen van de wijd uitgestrekte golf, waarin reeds de beginselen van een nieuw bekken worden gezien, hetwelk echter in het allereerste tijdperk van zijn ontstaan is. Van het voorland, hetwelk zich voortdurend verder uitbreidt, strekt zich eene landtong uit, die minstens eene lengte heeft van twee mijlen; zij scheidt de baai voor het grootste gedeelte van de zee af, zoodat deze tusschen haar en de rotsachtige kust een grooten kom vormt. Zij verheft zich als eene tamelijk hooge duinrij boven den waterspiegel. Aan het uiteinde dezer duinstrook rijst een smalle zandrug op, welke aanvankelijk een regten hoek maakt met de duinreeks en verder op zich zuidwaarts rigt. Hierdoor wordt de eigenlijke haven gevormd, de beste welke in de gansche Kaspische zee wordt gevonden, waar de schepen tegen eiken wind veilig ten anker kunnen komen; zij laat slechts in een opzigt iets te wenschen over, namelijk, dat zij niet zeer diep is. Het schijnt mij toe, dat de eerstbedoelde landtong in vervolg van tijd zeer gevaarlijk zal worden voor de haven, want deze zal er door worden gesloten. Hiervoor bestaat zeer gegronde vrees. De noordelijke stormen drijven de baren, met het zand en de schelpen aan den bodem ontweldigd, naar het andere einde der baai. Eeu gedeelte van de aangevoerde vaste deelen zullen afgezet
253
worden tusschen het uiteinde der baai en het tweede zoutmeer en aldaar eene bank doen ontstaan; het overige gedeelte zal strekken tot verlenging van do bog'ige landtong. Deze laatste is niet aan de werking van wind en golven blootgesteld, zoodat zij steeds in uitgebreidheid moet toenemen. Op een afstand van ongeveer eene halve mijl onstaat reeds eene nieuwe bank. Worden daardoor nieuwe meren gevormd, dan zal de reeks der kleineren, niet die der meer uitgebreiden er door toenemen, want het uiteinde der baai is veel breeder dan voor eenige eeuwen het geval was. Daarenboven werken nog andere oorzaken daartoe mede, namelijk, twee zeer verre zich uitstrekkende ruggen der lager gelegen rotsmassa's, welke de oorspronkelijke baai vernaauwden, en welke thans strekken om al het zand en den modder, door het zeewater bij hoogen vloed naar binnen gestuwd, daar achter te doen bezinken en die ten gevolge daarvan het aanslikken bevorderen. De banken, welke daardoor vroeger reeds zijn ontstaan, behoefden zich slechts te vereenigen met de aanslikking rondom de bestaande landtong, ten gevolge waarvan het thans aanwezige breede strand is ontstaan, en de meren zijn afgesloten. De schelpen, welke gelijk men weet in een droogen bodem zoo buitengewoon lang onvergaan kunnen bewaard blijven, ver dienen hier zeer onze aandacht. Aan de randen dezer meerbekkens treft men eene menigte kleine paludineën aan, welke thans nog in groot aantal in de baaijen der Kaspische zee, maar in haar zelve niet of althans zeer zelden gevonden worden en dan altijd ledig. In of eigenlijk meer op den taaijen kleibodem der nabij zijnde baai vindt men ze in grooten getale. De bodem der zoutmeren bestaat insgelijks uit taaije klei, terwijl het kleine bekken grootendeels een zandigen bodem heeft.
Dit geeft aanleiding tot de onderstelling, dat zijn watervoorraad niet alleen is verdampt, maar ook gedeeltelijk in den grond weggesijpeld. Dat er bij al deze overeenkomst in do plaatselijke gesteldheid onderscheid bestaat in de hoedanigheid van het gevormde zout, is naar het mij toeschijnt, zeer wel te verklaren. In beiden heeft het
254
eene roodachtige kleur, maar in het eene bekken is het vrij zuiver en regelmatig in groote zeszijdige kristallen gescheiden, in het andere daarentegen is het onzuiver. Aan den rand van dit laatstbedoelde ontwaart men veel bloem van glauberzout, hetgeen niet het geval is in het eerstgemelde; de kristallen, welke aanvankelijk in het tweede insgelijks zeszijdig zijn, gaan spoedig in onregelmatige stukken over. liet verschil in de zoutgehalte der beide meren moet zijne oorzaak hebben in de hoedanigheid des bodems. Het schijnt, dat de zwarte naar zwavelwa-terstofgas riekende modder, welke gevonden wordt in zoodanige meren, wier zout zeer zuiver is, een gunstigen invloed uitoefent op het regelmatige kristalliseren van het keukenzout. Nabij de randen en tusschen de zoutlagen in het eerstbedoelde meer is dergelijke modder in groote hoeveelheid aanwezig; het andere daarentegen bevat volstrekt geen modder en is in dit opzigt zoo zuiver als ware het eene zorgvuldig schoon gemaakte voorraadschuur.
Het is wel mogelijk, dat zich verder zuidwaarts reeds vroeger zoutlagen hebben gevormd, die echter later onder het zand zijn bedolven geraakt, dewijl de duinreeks hier den voet van den rotswand meer is genaderd. Bevindt men zich aan het zuidelijke uiteinde van het zuidelijk gelegen zoutmeer, dan ontwaart men tusschen het strand en den voet van den rotswand eene stronk van het strand, begroeid met Salicornia herbacea, welke strook op sommige plaatsen een aanmerkelijke breedte verkrijgt. Deze plant kan in een zeer zoutrijken bodem gedijen; men ziet dat zij hier en elders tot aan den rand der zoutlaag nadert, indien de bodem aldaar slechts eenigormate vochtig is en in dat geval heeft de plant eene donkerroode kleur. Het bekken van het Elton-meor, bij voorbeeld, is omringd door een purperrooden zoom en zoo ver mij bekend is, groeit geen enkele andere plant zoo nabij de zoutlagen. Ook te Nowo Petrowsk bestonden derhalve voorbeelden van don meest ontwikkelden vorm dezer formatie: namelijk zout door de zee afgezet en met zand als steenzout overstelpt. Dergelijke met zand overstelpte zoutbekkens
255
zijn in de nabijheid van Astrakan volstrekt niet zeldzuam, en ik heb er zelf verseheidenen waargenomen, welke reeds meer dan ten halve onder het zand waren bedolven geraakt.
In het land der Kirgizen worden vele zoutmeren, zout-troggen en lagen (secundair steenzout) gevonden. Die het digtst bij de kust zijn gelegen, hebben hun ontstaan ongetwijfeld te danken aan de thans bestaande zee. Uit den aard der zaak volgt, dat dergelijke zoutbekkens eene groo-tere hoeveelheid zout bevatten dan kon worden opgenomen in het water, dat er op een of ander tijdstip van zijn bestaan in aanwezig was, zoodat de naburige zee daardoor van een gedeelte harer zoutgehalte is beroofd geworden.
Buitendien treft men allerwege baaijen aan, welke insgelijks eene groote hoeveelheid zout bevatten. Reeds vroeger hebben wij melding gemaakt van dat gedeelte der Mertwyï Koeltoek, hetwelk naar het zuid zuidwesten is geiigt en Kara Soe wordt geheeten. Voor langen tijd werd ten opzigte van een andere groote baai aan de oostkust, de Kara Bogas, reeds verhaald, dat haar water te zout was voor visschen om er in te kunnen leven en dat er voortdurend water instroomde, terwijl er nimmer uitstroomde. Sedert den togt door Karelin ondernomen, waarop hij vergezeld werd door Biaremberg en Völkner, heeft men juistere berigten daaromtrent verkregen. Dewijl de opgaven en kaarten nopens hare uilgebreidheid en do gesteldheid der kust zeer uiteeuloopend waren, werd op last van den minister van marine in ISIT een nader hydrographisch onderzoek dezer oorden bevolen. Dit werk geschiedde onder het toezigt en de leiding van den luitenant ter zee She-rebtsoftquot;; hij bevond zieli aan boord van het kleine stoomschip Wolga, dat minder dan vier voet diepgang had. Het bleek nu dat de golf Kara Bogas, van het oosten naar het westen, eene veel grootere uitgestrektheid had, terwijl de breedte van het zuiden naar het noorden niet zoo aanmerkelijk was als men verwacht had. Naar luid van de opgaven door Sherebtsoff gedaan, bedraagt de uitgestrektheid van
256
het zuiden naar het noorden 85, van het oosten naar hot westen 75 mijlen. Waarschijnlijk moei dit laatste cijfer als te gering worden beschouwd, want gelijk genoemde officier mij mededeelde, had hij het oostelijk uiteinde niet kunnen onderzoeken, dewijl de tijd hem daartoe ontbrak. Ton einde do kust goed te kunnen waarnemen, voer men die langs, maar toen de vaart zoo veel langer duurde dan men aanvankelijk had vermoed, zag men zich genoodzaakt terug te keeren, uit vrees dat men gebrek aan steenkolen zou krijgen, want men moest naar Bakoe terugstoomen, zonder in de gelegenheid te zijn nieuwen voorraad in te nemen. Uit dien hoofde zag men zich evenzeer genoodzaakt van het voornemen af te zien om do baai dwars door te varen, hetwelk men wenschte te doen, zoodra de kusten waren onderzocht. Bij de vaart langs de kust vond men afwisselend '2 a G vademen water; de ingang der baai wordt gevormd door een kort en bogtig kanaal, hetwelk op eene plaats niet broeder is dan 80 vademen. Aanvankelijk heeft men in dit kanaal 4 vademen water, maar dit vermindert zeer spoedig. Ter plaatse waar het zich verbreedt, vindt men reeds plekken alwaar niet meer dan 3 voet water staat. In de nabijheid van de kust vond men eene geul ter diepte van 9 ü 12 voet water, welke echter verderop slechts 5 voet water had. Een grooter schip dan do Wolga had derhalve door deze geul niet kunnen binnenloopen. De luitenant Sherebtsoff zegt uitdrukkelijk, dat cr eene voortdurende strooniing door dit kanaal in de baai wordt waargenomen, welke bij westewind op 21/2, bij oostewind op l'/a knoopen mag geschat worden; waar dit kanaal in do baai overgaat, ter plaatse waar 5 voet water staat, bedraagt de snelheid van den stroom '/2 23/4 knoopen. Niettegenstaande den heerschenden oostewind bloek de stroom toch eene tegenovergestelde rigting te hebben, tijdens Karelin en Blarem-berg hunne onderzoekingen aldaar voortzettedon; naai luid der opgaven van Sherebtsoff laat zich de strooming, op een afstand van 25 mijlen van de monding van het kanaal, bijna niet meer waarnemen of bedraagt zij slechts 1/4 è, 1li knoop. Het water in de baai is quot;bijtend zout.quot;
257
Geen visch wordt er aangetroffen. Komt er bij geval viseli in, dan wordt hij eerst blind on sterft binnen weinige dagen. Volgens mondelinge opgaven wordt aan het strand nimmer eenig levend dier aangetroffen. Hij stil weder hangt er steeds nevel over de baai. De bewoners dei-omstreken tot de Turkomannen behoorende, heeten den ingang Kara Bo gas d. i. zwarte spelonk; de baai zelve noemen zij Adshikoöessar dat wil zeggen: de bittere bron.
Nadat luitenant Sherebtsoff de baai was uitgestoomd, vond men op den bodem des stoomketels eene zoutkorst ter dikte van 3/4 duim? niettegenstaande men gedurende de vijf dagen van den togt den ketel elke tien minuten uilgeblazen had. Toon men de korst weggehakt had, bleek hei dat de ketel doorgebeten was. Het merkwaardigste verschijnsel op dezen togt waargenomen, was dat de bodem der baai uit zout bleek fe bestaan; slechts digt bij den ingang en nabij een zuidelijk voorgebergte, op i'U zeemijlen van den ingang zich verheffende, vond men zand en modder.
Hier had mon derhalve een zoutmeer in de ware betec kenis des woords, hetwelk reeds zout heeft afgezet, derhalve in dat tijdperk is genaderd, waarin do overgang tnt zoutbek-ken reeds een aanvang heeft gemaakt, maar een meer op reusachtige schaal, in oppervlakte gelijk staande met het keurvorstendom Hessen. Eene omstandigheid mag hier niet uit bet oog worden verloren, namelijk, dat Herodotus reeds spreekt van de Kaspische zee, welke destijds
x) Dc heer von Hner voegt cr bij, dat al de boven medegedeelde bijzonderheden zijn getrokken uit liet rapport van den luitenant Sherebtsoff of uit zijne mondelinge opgaven. Wat betreft het blind worden der visscben, dit zal door niemand zijn waargenomen; men mag bet als zeer waarschijnlijk aebten, dat dc bewoners dier oorden bij doode visscbec het hoornvlies dof en ondoorzigtig vindende, tot dc onderstelling zijn gekomen, dat dit aan blindheid moet worden toegesehreveu. Het ontstaan van zout in het bekken is nog niet als zeker aan te nemen. De heer Abicb, lid der keizerlijke academie van wetensebappen, heeft een brokstuk onderzocht, hetwelk uit den bodem van het bekken der baai Kara liogas herkomstig was en uit gips bestond, waaraan eenigc zoutdeclon waren bevestigd.
IV. 17
258
reeds in gelijken toestand verkeerde als thans; ware die toestand toen ter tijd geheel nieuw geweest, dan mag men aannemen, dat het herigt daarvan tot hem zou gekomen zijn efi hij dit zon hebben medegedeeld. Indien derhalve de Kaspische zee zonder eenigen twijfel reeds meer dan derdehalf duizend jaren in denzelfden toestand verkeert als thans, ja, indien dit welligt reeds veel langer het geval is en gedurende die cenwen in dit kolossale bekken steeds zout water binnenstroomt, dat zout afzet, aan welke oorzaken moet dan worden toegeschreven, dat die korst niet reeds veel dikker is, vooral in de oostelijke helft van het bekken ? Bestonden er tegenstroomin-gen in de diepte, ten gevolge waarvan het water niet mot zout kan verzadigd geraken, dan mag men aannemen, dat die te eeniger tijd zouden zijn waargenomen. In elk geval is dit eene bijzonderheid, welke de aandacht van alle bezoekers dezer oorden in de hoogste mate verdient. Zeer moet het worden bejammerd, dat de diepte van het bekken in het middengedeelte niet is gemeten. Vormt zich hier werkelijk een zoutbekken, dan mag men onderstellen, dat het bekken in het midden niet veel dieper zal zijn dan nabij zijne randen. Gewoonlijk hebben de zoutlagen eene horizontale rigting, of wijken zij daarvan althans niet veel af, gelijk zich reeds vooraf laat verwachten. Raadpleegt men de oude verhalen en overleveringen, dan verneemt men dat de bodem in het midden der Kaspische zee onmogelijk kon gepeild worden, dewijl men waarschijnlijk van de onderstelling uitging, dat er op onberekenbare diepte een afvoerkanaal bestond. Of zou er werkelijk eene verandering hebben plaats gehad, lang nadat de Kaspische zee reeds was gevormd, waarvan de gevolgen zich nog niet geheel hebben ontwikkeld ? Zou mogen aangenomen worden, dat het ganschc uitgestrekte bekken eerst in lateren tijd is gedaald en daardoor aan het water der Kaspische zee een grooter bekken heeft verschaft? Maar hiermede is in strijd de ervaring in den historischen tijd opgedaan, gedurende welken voorbeelden van verzakkingen op kleine schaal zich hebben voorgedaan, maar dit geeft geen regt om deze
259
theorie op zoo groote sehaal foe te passen. Daarenboven is, naar het schijnt, de vorm van het ingangskanaal, niet vereenigbaar met liet denkbeeld, dat iets dergelijks ooit zou zijn geschied. Had eene verzakking op zoo groote uitgestrektheid plaats gegrepen, dan mag worden aangenomen, dat het vater, hetwelk uit liet groote bekken binnenstroomde, bet ingangskanaal verder van een gereten zou hebben, dewijl de bodem naar men op goeden grond meent te mogen aannemen, uitslnitend bestaat uit broozen kalk, meerendeels van schelpen gevormd, welke tot de nieuwere formatie behoort.
Maar er kan eene vee! eenvoudiger en waarschijnlijker uitlegging aau gegeven worden. Om ons een denkbeeld te vormen hoedanig de verandering hier kan plaats gehad hebben, behoeven wij ons slechts het oude twistgeding over het ontstaan van de Oxus te herinneren. Wij zullen ecl--ter do zoo herhaaldelijk elkander tegensprekende gerueh -ten hier niet opsommen, maar ons bepalen tof de vermelding van hetgeen Humboldt daaromtrent heeft gezegd. Op grond van de getuigenissen van Aboelghasi, Hamdallah en Pomponius Mela, is hij van oordeel, dat de Oxus zich hetzij door een arm of door hare hoofdmondingen ontlastte in de Scytische golf, welke naar zijne meening niet anders is dau de Kara Bogas. Hiermede wordt echter, niet ontkend, dat die rivier niet tevens zich kan ontlasten in de Balchan-golf.
De bewoners der oorden, gelegen aan den ingang van de Kara Bogas, die luitenant Sherebtsoff aldaar aantrof, verhaalden hem, dat, naar zij van hunne voorvaderen hadden vernomen, het water der Kaspische zee vroeger niet zoo zout was als in den toenmaligen tijd , zoomede dat vonrmaals zeehonden op de eilanden aan don ingang van de Kara Bogas werden aangetroffen, maar dat onk daai van thans geen voorbeeld meer werd gevonden. Ontlastte zich vóór eenige eeuwen een arm der Oxus in de Kara Bogas. welke, in een oostelijke rigting afstroo-mende, /.on voel toevoor slechts ontving, dat bi- kon vor-Jampen ? Maar ge-told .-.elfs, dat doze arm ^ehoel ver-
260
droogde, dan zou het regenwater in het voorjaar in het voormalige bed der rivier zamenvloeijen, en welligt is dit werkelijk het geval. Jenkinson verhaalt, dat hij inderdaad een dergelijk verschijnsel heeft waargenomen. In dat geval zou het verzadigen van het water met zoutdeelen en het vormen van vast zout welligt uitsluitend in lateren tijd zijn begonnen en misschien jaarlijks slechts gedurende een korter of langer tijdperk plaats hebben. Ten einde alle losse onderstellingen omtrent de rivier Oxus te doen ophouden, behoort de Kara Bogas naauwkeurig te v/orden onderzocht, zoomede de kust, terwijl tevens het stroombed der rivier, hetwelk men in de Balchan golf meent te hebben ontdekt, minstens een honderdtal mijlen ver moet worden nagegaan , kan het zijn tot aan Chiwa.
Na al hetgeen ik van de zoutmeren en hunne wijze van ontstaan en voortgang in de Wolga-Oeralsteppe had waargenomen, gevoegd bij mijne latere kennis omtrent dit onderwerp aan de oostelijke kust der Kaspische zee opgedaan, kwam het mij voor, dat een togt naar de noordwestkust der Kaspische zeo, uitsluitend ondernomen met het doel om de aldaar bestaande zoutmeren naauwkeurig te onderzoeken, niet als volstrekt noodzakelijk mogt beschouwd worden. Toch vond ik mij hiertoe genoopt door de verkeerde opgaven omtrent de zoutmeren door Hommaire de Heli, in zijne verhandeling over dit onderwerp, te boek gesteld.
De directeur der zoutadministratie te Astrakan, de heer Bergstrasser, had dc welwillendheid mij derwaarts te begeleiden. Langs den door ons gevolgden weg kwamen wij in de nabijheid der digt nevens elkander gevonden boegors en de daar tusschen liggende limans. De zoutmeren, westwaarts van Astrakan, zijn schier allen langwerpig van vorm; slechts die zeer geringe uitgestrektheid hebben en als overblijfselen schijnen beschouwd te mogen worden van voormalige grootere meren, zijn rondaehtig van vorm. Zeer dikwerf, ja, bijna steeds worden veleu op eene rij gevonden, hetgeen als een noodzakelijk gevolg mag geacht worden
261
van hunne ligging tusschen de boegors. De zoom of rand, welke het eene meer van het andere scheidt, is dan in den regel zeer laag. Laat men de blikken over deze streek weiden, dan ontwaart men duidelijk, dat deze meren indien zij aan een verbonden waren, eeu liman of eene reeks van ihnen zouden vormen. Dat deze opvatting de ware is, blijkt hieruit: dewijl het lengtedal, in hetwelk verscheidene zoutmeren afwisselend voorkomen met zout-gronden van meer of mindere uitgestrektheid, in een ander dal overgaat, waarin nog heden zoetwaterlimans, met hunne ilinens (breede gedeelten) en jeriks (smalle gedeelten), worden aangetroffen. In dit geval echter schijnt de strook, welke den liman van het naastbij gelegen zoutmeer scheidt, breeder te zijn dan die, waardoor de zoutmeren onderling van elkander zijn gescheiden; deze bestaan gewoonlijk slechts uit een opeenhooping van vaste deelen uit dut water bezonken.
Bij eene naauwlettende beschouwing der atlassen, mij door de hoofdadministratie der zoutwerken verschaft, en de kaarten aanwezig in de bureaux van het civiel hoofdbestuur van het gouvernement, is mij gebleken, dat een groot gedeelte der zoutmeerdalen en zoetwaterlimans in elkander uitloopt; op grond hiervan houd ik mij overt tuigd, dat de alhier aanwezige zoutmeren zijn ontstaan ten gevolge van afgescheiden geraakte limans. Hoedanig dit heeft plaats gehad, laat zich zeer natuurlijk en gemakkelijk verklaren. Laat ons vooraf een blik werpen op de limans zeiven. Zij zijn niet slechts verbonden met de Wolga, maar ook onderling en, ten gevolge daarvan, tevens met de zee, waarin zij eindelijk overgaan. Elke verandering in den waterstand, hetzij van de Wolga of van de zee, heeft invloed op dien dor limans, zoodat het water van tijd tot tijd ook in dat gedeelte vrij hoog staat, hoewel er geen afvoerkanaal wordt gevonden. Daarenboven hebben nog andere oorzaken invloed op hunnen waterstand. In het voorjaar bij voorbeeld, wanneer de sneeuw smelt, stroomt een groo-tere of geringere hoeveelheid water er binnen, naar gelang er veel of weinig sneeuw in den winter in de steppe
262
is gevallen en nug daarenboven verkrijgen zij toevoer uit hunne eigen boegors en bassins. Het gevolg hiervan is een algemeens beweging des «aters van het westen naar het oosten, dat is naar de Wolga en de zee. Nu stijgt ook de rivier en de limans ontvangen een grooteren toevoer van die zijde, zoodat het water westwaarts wordt opgestuwd. Zij nemen met de ilmen der delta zoo veel water o]), dat het wassen der Wolga, hetwelk bij Astrakan nog aannierkelijk is, aan de hoofdmonding nabij Birjoet sjaja Kossa, waar men nog geen openbare zee heeft, naau welijks bemerkbaar is. Ten jare 1833, bij voorbeeld, rees de waterstand der Wolga hooger dan bij mensehenheuge-nis ooit het geval was gew-eest; de stad Astrakan, die veel hooger ligt dan de gewone spiegel der Welga en bovendien nog met dijken is omgeven, lag rondom in het water en scheen in een eiland te zijn herschapen. Het bleek, dat de waterspiegel 11 voet duim was gestegen. Men zegt, dat te Birjoetsjaja Kossa, alwaar dagelijks waarnemingen werden gedaan, ter naauwernood eene rijzing van , een halven voet werd bespeurd. Daalt het water der Wolga, dan moet de gansche hoeveelheid uit de limans weder naar de rivier terugstroomen. Behalve deze jaarlijks wederkeerende rijzing en daling brengt het stijgen der zee snellere ver anderingen te weeg, welke echter onregelmatiger zijn. Heerschen zuidoostelijke winden, dan wordt de zee opge stuwd in de rigting van den noordwestelijken hoek nabij Birjoetsjaja Kossa, ten gevolge waarvan de waterstand aldaar verscheidene voeten hooger stijgt dan gewoonlijk; het afstroomen der Wolga wordt verhinderd en hef water door de zuidelijke ilmen en de Wolga in de noordelijke ilmen gedrongen. Hierdoor is eene groote massa zand in de limans gevoerd, hetzij uit de Wolga hetzij van den voet der boegors, dat nn eens hierheen, dan weder naar elders wordt gedreven, tengevolge waarvan die vorm — als koralen aaneen geregen — is ontstaan, welke hier wordt opgemerkt, want allerwege ziet men bekkens of kleine vijvers door middel van smalle kanalen onderling verbonden. De naanwe verbindingskanaleu zijn tusschen dammen van dit
263
bewegelijke zand ingesloten. Zij worden door de sclmring van het water uitgespoeld en staande gehouden door de drukking, welke de op verschillende hoogte staande waterbekkens op elkander uitoefenen.
Sommigen zijn zoo regelmatig gevormd, als ware 's men-schen hand daaraan zigtbaar. Zoo zagen wij onder anderen een beekje, dat ter naauwernood twee voet breedte had en zich een kanaal had uitgespoeld ter diepte van meer dan twee voet en dat nog steeds zijn bed lager deed dalen; anderen daarentegen zijn breeder en ondieper. In het begin des zomers, wanneer de waterstand voortdurend hoog is, worden die dammen van los zand veelal weg-gespould. Er staat dan gedurende eenige weken water genoeg om het zout, in groote kanen, van de stapelplaatsen naar de magazijnen te Bertoel over te brengen. Bij het wegstroomen van den grooten watervoorraad ontspruit aan de wanden der limans allerwege gras; waar het water langer blijft staan, ter plaatse waar de limans in elkander overgaan en een bocgor eindigt, groeit gewoonlijk l iet in bossen tot een aanmerkelijke hoogte; aan de smalle gedeelten van het dal wordt de zandbedding zigtbaar met de smalle verbindingen of jeriks der afzonderlijke vijvers of ilmen, wier bodem zeer modderig is. Hier en daar ziet men in het zand een krans van roode salicorniën.
Het ontstaan van zoutmeren is het gevolg van het afgesloten geraken van een geheeleu liman of van een gedeelte er van; hierdoor houdt de verbinding van dat gedeelte met de Wolga of de zee op. Wordt een gedeelte afgesloten, dan kan het nimmer anders zijn dan een of meer uiterste, dat is, ■westelijke deelen; gansche limans kunnen in de zuidelijke boegorstreek niet van de gemeen schap met tic overigen worden afgesneden, dewijl de verbindingskanalen met do zee te breed en te diep zijn; de boegors vormen hier slechts eilanden. Aan den noordelijken rand der boegorstreek bestaat daartoe nog de moeste aanleiding, dewijl de verbindingskanalen oorspronkelijk enger waren, de Wolga daarenboven vele vaste, deelen aldaar afzette en hare bedding allengs dieper is
264
geworden, ten gevolge waarvan de verbinding met eenige duidelijk herkenbare limans opgehouden heeft te bestaan. Het versperren van de afvoerkanalen aan het westelijke uiteinde van sommige limans geschiedt ongetwijfeld zeer dikwerf door hevige, maar kort durende zeewinden. Wordt het water in den noordwestelijken hoek der golf door eeu storm uit het zuidoosten eeuige voeten hoog opgestuwd, dan dringt het met geweld de limans binnen; de uaauwe kanalen kannen het water niet verzwelgen, het zand wordt voor een gedeelte verplaatst, er wordt een dam gevormd, waarover het water voortstroomt tot in het naastbij gelegen bekken; dit loopt vol en oefent eene gelijke werking uit op het naastvolgende bekken, dat weder op zijn westelijken nabuur en zoo vervolgens. Valt nu het water, alvorens het verwijderdste bekken is bereikt, dan vindt het water een beletsel om weg te stroomen, want al bestaat het slechts uit los zand, toch heeft het water geen kracht genoeg om den dam door te breken. Uit de meer oostwaarts gelegen bekkens, waarin het water hooger was opgestuwd, stroomt het weder oostwaarts af en de afvoerkanalen blijven geopend. Door verdamping, welke in deze oorden zeer sterk is, verliezen deze bekkens veel meer water dan er inkomt door den regen, ten gevolge waarvan de waterstand voortdurend afneemt. Nu hangt het hiervan af: is het later andermaal opgestuwde water der VVolga in staat om den nieuw gevormden dam te breken of niet? Is de aandrang van het water daartoe niet voldoende of wordt er nieuwe modder en klei heengevoerd, die op den bodem der limans is gevormd, ten gevolge van den aldaar ontstanen plantengroei, zoodat de dam allengs zwaarder en sterker wordt, dan is het toekomstige lot van het bekken beslist: het wordt een zoutmeer en de dam, welke het voormalige kanaal verspert, neemt door den plantengroei, die er zich op ontwikkelt, allengs in hechtheid toe. Hetgeen nu heeft plaats gehad met den westelijksten vijver, kan nog in den loop van hetzelfde jaar het lot worden van zijn oostelijken nabuur.
Hoedanig het zout zich daarin ophoopt, zullen wij zco
2Ö5
Hanstonds onderzoeken. Lit de verschillende ontwikkelingstijdperken, waarin zicli de zoutzeeën bevinden, blijkt dat hun ontstaan werkelijk in dier voege moet worden verklaard, liet oord. gelegen tusschen den westelijken arm der VVolga en de steppe, hetwelk zich zuidwaarts een weinig verder uitstrekt dan de plaats, waar Astrakan ligt en ten zuiden tot aan zee reikt, zullen wij kortheidshalve de eigenlijke boegorstreek heeten, hoewel het gebied der afzonderlijke boegors veel verder zijne grenzen heeft In de eigenlijke boegorstreek worden de zoutmeren het nienigvuldigst aangetroffen in het noorden, alwaar zij lange rijen vormen, en insgelijks aan den westelijken zoom, waar zij meer afzonderlijk of in korte rijen worden gevonden. Wat verder zuidwaarts en wat meer naar het oosten wisselen rijen zoutmeren met limans onderling af. In deze streek alleen wordt tegenwoordig zout voor do Astrakansche magazijnen gegraven, dewijl het aanvoeren van het zout door de limans bij hoog water zoo gemakkelijk geschiedt. Aan de oostelijke grenzen in de nabijheid der Wolga, zoomede aan de zuidelijke grenzen vindt men volstrekt geene zoutmeren, dewijl alle dalen tusschen do boegors met zoet water zijn gevuld.
Beschouwen wij dit onderwerp thans meer in de bijzonderheden, tot welk einde de kaarten, van welke wij hier boven hebben gesproken, van veel nut zijn. Volgt men den grooten weg van Astrakan naar Kisljar, welke door het dorp Soljanka loopt, dan ontwaart uien eenige wersten aan gene zijde van laatstgemeld dorp, vijf langwerpige zoutmeren achter elkander in hetzelfde dal; de groote weg neemt van daar eene meer zuidelijke rigting, terwijl men op de kaart ziet, dat diezelfde rij zich nog verder westwaarts en wel ongeveer 58 mijlen ver uitstrekt. Men vindt namelijk vijf meren, welke nog langwerpiger zijn dan die vroeger werden vermeld. Toen zij nog onderling met elkander verbonden waren, hebben zij gezamenlijk t5én liman gevormd. Van de noordzijde gerekend is deze rij niet de eerste, want noordwaarts liggen nog twee anderen, welke evenmin eene volledige herschepping hebben onder-
2(16
gaiin. Dc bedoelde rijen liggen niet volkomen van liet oosten naar het westen, maar wijken van 12 i 20° van hot noordoosten en zuidwesten af, welk verschijnsel insge hjks wordt waargenomen bij de noordelijke boegors nabij de Wolga. In de vierde rij ontwaart men in het westen verscheidene groote zoutmeren, oostwaarts een lang zoet watenneer en een klein zoutwatermecr. Zoo zeldzaam deze schijnbare uitzondering moge voorkomen, even gewigtig mag zij worden genoemd, liet kleine meer, dat nergens eenig afvoerkanaal heeft, is reeds een zoutmeer; liet groote daarentegen niet. Het is echter buiten allen t'vijfel, dat zoodra er door overstrooming geen water meer wordt heengevoerd, ook dit meer weldra in de rij der zoutmeren zal worden opgenomen, want men treft van tijd tot tijd nieuwe zoutmeren aan, welke niet anders zijn dan voormalige zoetwatermeren. ') Ku eerst volgt dc eerste liman, welke niet rondom is ingesloten; zijne lengte bedraagt in eeno westelijke rigting ongeveer 30 mijlen; aan zijn nooide-lijken zoom ligt het eerste poststation, aan den zuidelijken het dorp, Nikolskaja. liet oostelijk uiteinde is onregelmatig gevormd; duidelijk ontwaart men dat de oostelijke uiteinden van twee limans er in zijn opgenomen, uit wier westelijk ge dedte twee rijen afgesloten meren zijn ontstaan. De liman, van welken wij zoo even gesproken hebben, strekt zich westwaarts uit door middel van grootere zoutmeren, die ins-ge'ijks eenc lengte van 30 mijlen beslaan. Zij worden Kosjkakasjinskije en Besjkoelskije gchecten. Daarop volgt verder zuidwaarts een zoetwatcrliman, welke zeer lanjr is en daar achter komt de rij zoutmeren van Darminski; verder zuidwaarts vindt men een naar het westen gerigt zoutmeer en zoutgronden, terwijl oostwaarts een tamelijk lange liman wordt aangetroffen, welke niet veel verder /.ich uitstrekt dan het tweede station Koerotsjkinskaja
') Zoo heeft men in het jaar 18Ö4 weder een nieuw zoutmeer ontdekt cn we! in eeue druk bezochte streek, gelegen in de bezittingen des prinsen Dolgoroeki. Dat dit meer vroeger niet bekend was, is om de bovenvermelde reden als geheel onaannemelijk te beschouwen; dat het een zoutmeer was geworden, dit was nieuw.
2gt;i7
Dan treft men weder eene reeks zoetwaterbekkens of een liman aan, en daar achter eene ri; zoutmeren, welke echter niet zoo ver oostwaarts zich uitstrekt als de vroeger ge melde. De reeksen zoutmeren worden allengs korter. Hij het derde station, van Astrakan gerekend, heeft men ten westen van den weg 7 zoutmeren in een dal te zamen, vervolgens komen zij meer afzonderlijk voor, terwijl ten oosten van den weg de limans reeds een uitgestrekt net vormen.
Hoedanig een van allen toevoer afgesneden zoetwater-bekken in een zoutmeer overgaat, hiervan werd mij een merkwaardig voorbeeld verhaald, hetwelk kort geleden had plaats gehad. Het meer Chosjatinski werd voor een veertigtal jaren nog bevischt en er leven nog vele personen, din in hunne jeugd aldaar de visscherij hebben uitgeoefend. Thans vindt men drie zoutmeren ter plaatse, waar vroeger slechts één zoetwatermeer bestond.
Achter het zoutpristan (stapelplaats) Bassy, wordt een bijna geheel afgesloten ilmen gevonden, welke riet telken jare toevoer verkrijgt. Komt er geen nieuwen watervoorraad in het meer in het voorjaar, dan wordt het brak in den zomer. De inspecteur van het zoutwezen te Bassy, heeft het voorstel gedaan om het smalle toevoerkanaal — den jerik — af te dammen, ten einde mot der tijd een zoutmeer te verkrijgen, hetwelk in de onmiddellijke nabij l eid van de magazijnen is gelegen. De directeur van hot zov.twezen heeft dan ook het voornemen te kennen gegeven om den voorgestelden maatregel te nemen.
Maar vraagt men zich af: van waar komt het zout in een dergelijk meer? Zonder twijfel moet de bron er van worden gezocht in den bodem en wel in het bijzonder in de naburige boegors; welligt komt het gedeeltelijk regt-streeks uit het dal, indien dit nog niet geheel is uitgeloogd. Men mag echter als zeker aannemen, dat do boegors het grootste aandeel daarin hebben, want deze meren bezitten een des te grootereu rijkdom aan zout, naar gelang de boegf.rs , in de nabijheid er van gelegen, uitgestrekter en hooger zijn en naar gelang het bekken, waarin de meren
268
worden gevonden, in de rigting zijner lengtens uitgehoold is, zoodat zij niet slechts van ter zijde, maar insgelijks van het voor- en aehtergedeelfe toevoer van water nit den bodem verkrijgen. De boegors zijn hier zandiger dan gewoonlijk, maar toch mag men er de benaming van zandbergen niet aan geven. Jji dat geval zouden zij waarschijnlijk reeds al hun voorraad van zout hebben verloren. Het sneeuw- en regenwater dringt door in de zandmassa, welke bovendien aan haren voet of zoutmeren — die in liet voorjaar vol water geraken, — ot' zoetwaterlimans hebben; gedurende het gansche jaar blijft de bodem dier meren derhalve vochtig. Hij verschillende zoutmeren ontwaart men aan den voet der bergen de sporen van smalle geulen langs hun voet. Loopt dit zoute water in een bekken, dat geen anderen toevoer heeft, dan wordt door de aanhoudende verdamping in den zomer het zout geconcentreerd. Ditzelfde herhaalt zich gedurende den volgenden zomer, totdat het eindelijk kristalliseert. De zwarte modder, welke zich afzet en de benedenste laag niet slechts bedekt, maar zelfs geheel en ai doordringt, zal uit de organische bestanddee-len van plantaardige overblijfselen zijn ontstaan, welke met het afstroomende regen- en sneeuwwater jaarlijks in het bekken komen. Deze planten bevatten insgelijks zoutdee-len, welke zij bij de ontbinding loslaten. Heeft zich eenmaal eene zoutlaag gevormd, dan wordt dio jaarlijks door het voorjaarswater, dat daarop zamenstroomt, weder opgelost en eene nieuwe zuivere laag wordt gevormd, ten koste van de vroeger onzuivere, bijna zwarte zoutlaag. Hoe velo zoutlagen hier op elkander worden aangetroffen, is nog nimmer met do noodige zorgvuldigheid onderzocht; waarschijnlijk is het getal dier lagen niet groot. Indien ik mij niet vergis, worden er naar het zeggen der ambtenaren bij de zoutadministratie slechts twee gevonden, namelijk, eene bovenste kortelings gevormde, zuivere laag, en eene benedenlaag, welke wortel geheeten wordt en welligt zeer dik is. Toen ik een stuk zout van den wortel verlangde, bragt men mij een stuk der laag, die vlak onder de bovenste, zuivere laag was gelegen. In andere zoutmeren
269
treft men welligt een grooter getal lagen aan; zoo volkomen gevormde lagen als in het Eltonmeer voorkomen, worden hier niet gevonden. Het duidelijke bewijs daarvan heeft men gezien, toen men de werkzaamheden wilde aanvangen en het bleek, dat van do 18 zoutmeren, welke hier nu bearbeid worden, slechts twee zoo ver in hunne ontwikkeling waren voortgegaan, dat zij met voordeel konden bewerkt worden. Het had gedurende den ganschen winter sterk gesneeuwd en ook in de eerste weken van den daarop gevolgden zomer was veel regen gevallen. Toen de regens hadden opgehouden, nam de kristallisatie niet terstond een aanvang, hetgeen waarschijnlijk hiervan het gevolg was, dat het water niet op voldoende wijze was verzadigd. Het Darminski-meer behoorde insgelijks tot degenen, welke niet konden bewerkt worden, als ten spot van de bewering van Hommaire de Hell, die er zoodanigen voorraad aan had toegeschreven, dat het in geen tien eeuwen kon worden uitgeput. Toen wij het meer in de maand October bezochten, ontwaarden wij de nieuw afgezette zoutlaag. In het algemeen mag geen der meren, in deze streek gelegen, onuitputtelijk worden genoemd. De ambtenaren bij de zoutadministratie verhaalden mij, dat reeds sedert gerui-men tijd een stelsel van afwisseling in praktijk is gebragt, zoodat de meeste meren om het andere jaar of om de twee jaren rust hebben. Ook het Darminski-meer behoort tot de zoodanigen, welke naar de getuigenis dier ambtenaren steeds afwisselend rust hebben gehad. Buitengewoon groot is het aantal meren in deze streken; daarenboven zal dit voortdurend vermeerderen, want de boegors zijn in verre na nog niet uitgeloogd, gelijk de zoute kruiden, waarmede zij als bedekt zijn, op voldoende wijze aantoonen. Daarenboven zal men op andere plaatsen, welke voor het transport beter gelegen zijn, zout kunnen delven, indien men vooraf slechts de noodige boringen in het werk hoeft gesteld, ten einde te ontdekken waar zoutlagen in don bodem voorkomen en men het naburige dal afdamt.
Dat de meren in deze streken als overblijfselen van de voormalige Kaspische zee moeten beschouwd worden en
270
dat in de dalen daardoor oere zorr groote hoeveelheid zout is afgezet, mag niet als waarschijnlijk worden beschouwd; omgekeerd schijnt men te moeten aannemen, dat in al de dalen eene verbinding met de nieuw gevormde zee is blijven bestaan, welke in deze streek zeer spoedig van haar zout moest beroofd worden. Men behoeft den oorsprong van het hier aanwezige zont uit die bron niet te zoeken, want in den bodem is eene voldoende hoeveelheid (ivergebleven. Moge liet op het eerste gezigt ongeloofelijk toeschijnen, dat er voldoende voorraad zont uit den bodem zou verkregen kunnen worden tot het doen ontstaan van zoo uitgestrekte zoutlagen, dit zal echter verdwijnen, wanneer men in aanmerking neemt welk eene verbazende aardmassa deze dal-hellingen uitmaken. Stel bij voorbeeld, dat de zoutgehalte Vioooo van het totale gewigt uitmaakt, dan nog zal men zich daarover verbazen, ja, zelfs indien die gehalte slechts Viooooo van het gezamenlijke gewigt bedroeg, ook dan nog verkrijgt men voor de bekkens, welke eene lengte van verscheidene mijlen hebben, gelijk het geval is met de meesten, eene hoeveelheid zout zoo groot als waarschijnlijk in geen enkel dezer natuurlijke magazijnen thans wordt aangetroffen.
Dat de thans bestaande Kaspische zee in eenig opzigt bijdraagt tot het leveren van do hier gevormde zoutlagen, is niet denkbaar. In tegendeel do Kaspische zee verkrijgt toevoer van zout uit den bodem. Tot heden heb ik de afgesloten limans beschouwd als '.ootwaterkanalen, maar dat ook zij een geringen toevoer van zoutdeelen erlangen, blijkt uit do met Salicornia herbacea begroeide breede plekken, welke hier en daar worden waargenomen. Gewoonlijk treft men deze plekken aan in de nabijheid van het water en dat wel waar de bodem een aanmerkelijke helling heeft, ten gevolge waarvan natuurlijk eene grootere hoeveelheid water doorsijpelt. Deze bewering wordt daarenboven nog nader bevestigd door de getuigenis der in de stapelplaats gevestigde ambtenaren bij de zoutadministra-tie te Darma, die mij daaromtrent de navolgende, zeer opmerkenswaardige mededeeling hebben gedaan. In plaats
271
dat het zeewater, bij lipt stijgen, een grooteren volt;ii raad zont aanvoer!, ten gevolge waarvan liet water in de ilinen of limans brak zou moeten worden, wordt bet water bolder. wanneer er in den nazomer een zeewind waait, nadat dit :n langen tijd niet bet geval is geweest Neemt men nu daarbij in aanmerking, dat de liman aan deze zijde gesloten is, dan wordt deze bewering niet slechts zeer waarschijnlijk, maar zij is volkomen in overeenstemming met al hetgeen wij omtrent den aard en do gesteldheid er van hebben medegedeeld. De geringe toevoer van zout, welke de limans zonder twijfel verkrijgen, zoo als blijkt uif de. roode salicornia, ') wordt als hot ware onbetceko-nend, ten gevolge van den grooten toevoer van water in het voorjaar, hetwelk later weder wegstroomt; ook gedu rende den zomer komt er van tijd tot tijd Wolgawater in, dat later afvloeit. De geringe boeveelheid water, welke dan blijft staan, zal vooral aan de gesloten uiteinden waarschijnlijk te brak zijn om bet te drinken. 1) Do zeewind stuwt het water in de Wolga op, doet het zijwaarts in de limans stroomen, en het brakke water wordt met eene groote hoeveelheid zoet water vermengd, dat later weder afstroomt. Het insijpelen van zeewater kan onmogelijk de bron van hot zout wezen, dat in de zoutmeren wordt gevonden, want zij hebben veelal oen hooger niveau, vooral in den herfst, dan de nabij gelegen limans. De eerstge-melden kunnen derhalve door het wegsijpelen van water slechts van hunnen voorraad verliezen.
Zij, die zich mocijclijk kunnen overtuigd houden, dat de bron der zoutgehalte van deze verschillende meren in den
) Een der opzigters te Darma bevestigde het feit van hel brak worden van het water, indien er in een geruimen lijd geen zeewind heeft geheerscht. Daarenboven ontstaan er in de limans zoo vele lagen van de langste soort, dat het water er ondrinkbaar door wordt, indien het niet van tijd tot iijd afstroomt.
272
bodem zclven moet gezocht worden, zijn welligt met den lieer Karsten van gevoelen, dat zoute bronnen liet aanvoeren. Hierop moet ik antwoorden, dat er nergens eenig spoor van dergelijke bronnen door mij is waargenomen, tenzij men de sporen van onbeteekenende nitsijpelingen uit het gebergte met die benaming wilde bestempelen. Maar dan ook behoort men eiken berg, welke in de nabijheid van een zoutmeer oprijst, te beschouwen als met zoutmijnen gevuld, en op dergelijke gewaagde onderstelling zal niet ligt iemand een stelsel willen bouwen. Zoutmoerassen of moerassige plekken heb ik nergens aangetroffen, behalve den met riet bedekten zoom der limans. Niemand der bewoners heeft ooit eenig spoor eener zoute bron gevonden. Geene andere zoutlagen kent men dan die in de dalen worden aangetroffen, welke uit het zoute water worden gevormd en nadat het water geheel verdampt is, als eene drnoge laag overblijven en later veelal onder het stuifzand bedolven geraken.
Het behoeft hier naauwelijks te worden herhaald, dat deze gansehe beschouwing geheel en al afwijkt van de theorie door Hommaire de Heil voorgestaan, behalve natuurlijk het punt ton opzigte van de aanwezigheid van zout in den bodem. Zonderling mag het worden genoemd, dat Hommaire de Heil dit in het algemeen aanneemt, en het bij zijne gansehe beschouwing nopens den oorsprong der meren in deze oorden geheel en al buiten berekening laat en alleen terugbrengt tot de Kaspische zee, hetzij de voormaals of de thans bestaande.
Keeren wij na deze uitweiding tot ons reisgezelschap l'-rug.
Nadat zij zeewater geschept hadden, begaven zij zich langs den vroeger govolgden weg terug naar de plaats, van waar zij gekomen waren. Ten lO1/^ ure van den 16'lequot; October bevonden zij zich nabij Tsjityre boegri; zij voeren de plaats nu niet voorbij, maar stapten er aan land met het doel om het eiland te lecren kennen. Het landen ging echter met moeijelijkheid gepaard, uithoofde de kust zoo vlak is, dat het stooraschip op ruim drie
273
mijlen iifstands van het eiland op sfruom moest bl:jven liggen. Zij stegen nn in eene der sloepen en toen deze nog te veel diepgang had, gingen zij in een visschersbootje over; dat zij met eenigo visschers bemand toevallig in hunne nabijheid gi-waar werden. Deze riepen zij te hulp, werden door hen nog nader naar het eiland gevoerd, en toen ook dit kleine vaartuig niet verder kon komen, werden zij donr de visschers de een na den andere aan wal gedragen.
Even als met de overige eilanden het geval is, zijn die gedeelten, welke dour het zeewater veelal worden besproeid, allerwege met riet bewassen; verderop is de bodem met gras bedekt. Het gras had men voor korten tijd gemaaid en het hooi op hoopen gesteld; deze waren met greppels en heggen omringd, ten einde het vee er af te houden. Achter de weilanden verheft zich een hooger, zandig plateau, hetwelk tot aan het zuidelijk uiteinde van het eiland reikt, waarop het kustlicht is gebouwd, benevens eenige houten woningen. De baak is zeer oud en bouwvallig, van hout opgetrokken, zeszijdig en spits toeloopend Door mid del van touwen, welke aan het boveneinde zijn vastgemaakt en aan palen bevestigd, wordt het gebouw tegen omverwaaijen behoed. Het is drie verdiepingen hoog; do beide bovenste verdiepingen hebben ramen in het rond eu men bereikt die door middel van ladders, welke even mor sig als gevaarlijk zijn. In de bovenste verdieping had n;en vlakke schalen, met traan gevuld, nabij de ramen geplaatst, waarin katoenpitten hingen. In do tweede verdieping waren voor elk der drie ramen, aan de eene zijde der baak, drie dergelijke lichten geplaatst. Hij den meer en meer toenemenden handel van Astrakan behoorde deze baak door een andere vervangen te worden, welke meer overeenkomstig is met de waardigheid van het Russische rijk.
Een gunstiger indruk maakte op onze reizigers de woning van den opziener der vuurbaak, welke zindelijk en net mogt genoemd worden. Zij werden door zijne vrouw met voorkomendheid ontvangen en op een ontbijt onthaald, waarop zij van het hare rijkelijk ten beste der reizigers verschafte. Op dit hoogere gedeelte des eilands zagen IV. 18
274
zij een veel grooter aantal gaten van tarantula's dan te Ri-metsjieassa; wijders vonden zij er eene groote menigte hagedissen. Des namiddags keerden zij, op gelijke wijze als zij op het eiland gekomen waren, naar het gouverne-inents stoomschip terug.
Dewijl de reizigers voor hunne terugkomst te Astrakan de beroemde visscherijen in de Wolga wenschten te leeren kennen, welke tak van bedrijf hoofdzakelijk op de neventakken der rivier wordt uitgeoefend, volgden zij niet den reeds bekenden weg naar huis, maar sloegen te Biroetsji-cassa regts af, ten einde den oostelijken arm der Wolga, de Tsjagan, in te varen, alwaar de visscherijen van den heer Saposjmkoff werden gevonden. Zij konden den togt echter niet lang voortzetten, want weldra verhief zich plotseling een zware nevel, zoodat zij het anker moesten uitwerpen. Op die wijze bleven zij wachten tot den volgenden dag, toen bij het aanbreken van den morgenstond de nevel wegtrok. Bij het opkomen der zon bleek het, dat zij zich reeds in de Tsjagan bevonden, eene smalle rivier, welker oevers zoo vlak zijn en derwijze met riet waren begroeid, dat men van de nabij gelegen streken niets kon zien. Eerst toen zij de rivier een eind wegs waren opgevaren, werden de oevers hooger, hoewel zij nog immer met riet begroeid waren; dit was allerwege het geval tot aan de watage des heeren Saposjnikoff, alwaar zij ten 3 ure aankwamen.
Onze reizigers stapten aan land in de nabijheid van een zeer fraai gebouw, hetwelk de heer Saposjnikoff bij gelegenheid van de reis van keizer Alexander I naar den Oeral, ten jare 1824, had doen stichten, in de hoop dat de keizer naar Astrakan komen en dan tevens zijne visscherijen zou bezoeken, hetgeen echter niet plaats vond. De heer Saposjnikoff van de komst der reizigers verwittigd zijnde, ontving hen in zijne woning met de meeste voorkomendheid. Na het gebruiken van eenige verver-schingen, begaven zij zich terstond naar de visscherij; zoowel hier als in de overige visscherijen in de Wolga worden gelijke vischsoorten gevangen als in de Oeral,
275
waaromtrent wij derhalve in geene nadere omschrijving behoeven te treden. liet schijnt, dat de viseh steeds bepaalde streken bezoekt, en als zoodanig de voorkeur geeft aan zekere armen der Wolga; welke deze armen zijn, heeft men door onderzoek geleerd en daar is het, dat men bij voorkeur de visscherijen heeft aangelegd. Tot een der vischrijkste takken der Wolga behoort de Tsjagan, welligt ten gevolge van hare breede, met riet begroeide oevers; wijders mogen nog als zoodanig in aanmerking komen de Iwantsjoeg, Oewari en Koemoesik. ^Even ills in de Oeral was de rivier mat paalwerk — een oetsjoeg — afgezet, hetwelk beurtelings, uit- en inspringend als de tanden eener zaag, dwars door de rivier ging. Aan de inspringende hoeken van den oetsjoeg — wanneer men stroomopwaarts gaat — waren openingen gelaten, aan de buitenzijde gesloten door middel van een teenen vlechtwerk, dat tot aan den bodem reikt en aan het voorgedeelte een halven cirkel vormt. De groote hausen en steuren zwemmen stroomopwaarts door deze openingen in den oetsjoeg en komen in de met vlechtwerk omgeven binnenruimte, waaruit zij zich niet kunnen verwijderen, dewijl zij niet in staat zijn zich om te wenden. De op die wijze gevangen visch wordt met haken opgehaald.
De visschen, welke de verraderlijke openingen niet spoedig vinden, verzamelen zich in groote menigte voor den oetsjoeg en van deze tracht men zich op de volgende wijze meester te maken. Dwars door de rivier spant men touwen, welke op den bodem liggen. Aan deze touwen zijn op afstanden van anderhalve span touwen bevestigd, ter lengte van een paar span, waaraan ijzeren haken zijn vastgemaakt, welke door middel van andere daaraan vastgeknoopte koorden, aan wier uiteinden drijvers zijn, worden opwaarts gehouden. Op bepaalde afstanden heeft men dergelijke touwen in de rivier gespannen. De steuren, seffroengen en hausen, welke buitengewoon gulzig van aard zijn, happen naar de drijvers, brengen daardoor den baak in beweging en stooten zich dien in het lijf. Hierop d.-.en zij pogingen om zich los te nikkrn, waarvan
276
he! gevolg is, d;it dquot; visch zioh nog glt;lt;\aarlijker wondt en daarenboven menigwerf in andere haken verward geraakt.
Van tijd tot tijd varen de visschers in een bootje langs de drijvers, halen met haken den visch op en brengen hem naar eene met horden omheinde plek in de rivier, alwaar niet veel water staat; daar laat men den vissehen, totdat men ze benoodigd heeft.
Toon onze reizigers in cene boot op de rivier rondvoeren, werden in hunne tegenwoordigheid vele vissehen opgehaald; ten einde te doen Jien hoe men er verder mede omging, werden zij terstond met eenige slagen op den kop afgemaakt. Vervolgens bragt men ze naar de werkplaats der watage, zijnde een bouten gebouw, hetwelk op palen in de rivier was gebouwd, ter plaatse waar do oover eenig-zins hooger was dan in de nabijheid er van. liet stond zoo digt bij den oever, dat men aan de landzijde met wagen en paarden er kon aanrijden, terwijl men aan den andei üi kant met vaartuigen er bij kon aanleggen. Do vloer was op gelijke hoogte met den oever aangelegd en bestond uit planken, welke niet aan elkander sloten, ton einde bet bloed van den geslagten visch in de rivier te doen wegstroo-men. Aan de tegenovergestelde zijde liep een hellend vlak van den vloer tot op de hoogte der aanliggende vaartuigen, waar langs de vissehen met haken opgetrokken worden
Toen al de gevangen vissehen waren opgehaald, hadden onze reizigers do gelegenheid hen meer naanwkeurlg ia oogenschouw te nomen. Hef meerendoel bestond uit hausen i icipenser Huso, bjeloegon in liet Russisch); daarop volgde een andere steursoort, de aeiponsei Güldonstadtii, welke in het lïussisch ossetr wordt geheeten. Van do steursoort acipenser stollatus, sefifroengen in het Russisch genoemd, waren slechts twee exemplaren onder de gansoho massa. De grootsten kwamen voor onder de eerstgenoemde visch soort, want er waren vissehen bij ter lengte van 9 voet 5 duim Par. maat. Zij bereiken echter veel aantnerkolijkor lengte, want volgons Pallas worden er gevangen for lengte van 12 a l-l voet; Gmelin zegt dat er worden gevonden
ter lengte van 25 a 35 span, hetgeen ongeveer overeenkomt met 18 a 24 voet. De ossctrs en seffroengen zijn algemeen genomen kleiner; de eerstgenoemden bereiken volgens Gmelir. zelden meer dan 9; gewoonlijk slechts 5 h 7 span, de seffroengen hoogstens 8, gewoonlijk slechts 5 a li span. De sterledde zijn nog kleiner, want het mag als eonigt; zeldzaamheid worden beschouwd, indien zij langer zijn dan 2 voet. De visch werd nu gedood. Met de bijl spleet men den kop; sneed hem dan met een scherp mes den buik open, nam de kuit, ingewanden en zwemblaas er uit, leide elk dezer deolen in een afzonderlijk vat, daarbij acht gevende dat de verschillende vischsoorten niet onder .•Ikiidor geraken; vervolgens reet men do rugzennwen mei hut ruggemerg uit de riiggegraat cn spleet den visch daarop in tweeën. De rugzenuwen werden nu uitgespoeld en van hot ruggemerg ontdaan, welk laatste wordt weggeworpen.
Hierop werd een begin gemaakt met het bereiden van den kaviaar; dit bestaat echter uitsluitend hierin, dat men de kui' met de hand door eene zeo.f drukt, ten einde haar van de vetdeelen en het celachtig weefsel te ontdoen; zoodra de korrels dour de zeef zijn gegaan, worden zij gez-uten. De kaviaar wordt met eene grootere 'gt;f geringere hoeveelheid zout vermengd, naar mate hij langer of korter moet bewaard worden. In het laatste geval wordt er slechts wat zout doorgeroerd, maar in het eerste wordt hij in sterke pekel gestort en daarin omgeroerd. Heeft dit plaats gehad, dan wordt de kaviaar in linnen zakken gedaan om uitgeperst ie worden; daarna wordt hij verknipt, en ten einde hem voor bederf te bewaren, met vischvet bedekt. Het vet en het celachtig weefsel, dat op de zeef is gebleven, wordt niet weggeworpen, maar met de ingewanden gebruikt om er traan van te koken.
Aanzienlijk Is de hoeveelheid kuit, welke deze . ischsoor-te;; bevatten. Groote hausen hebben eene kuit, welke 80 Ned. pond weegt, volgens de opgaven van Pallas; ') de-
') Zie zijne n Kuise in versohiedene Prov. Th. I. S. 13amp;. Op een
278
wijl naai- de opgaaf vanquot; genoemden natunronderzoekei- vijf hause-eijeren een grein wegen, bevat eene dergelijke kuit omstreeks 7 millioen eijeren, hetgeen de buitengewone vermenigvuldiging dezer vischsoort begrijpelijk maakt. De ossetrs en seffroengen hebben betrekkelijkenvijze minder kuit; volgens Pallas is de knit der eerstgenoemden nimmer zwaarder dan 480, van de laatstgemelden 160 a 192 Ned. pond. De eijeren dezer steursoort zijn veel kleiner dan van den hause, want men berekent dat er zeven op een grein gaan; daarentegen geldt de kaviaar der ossetrs en seffroengen en vooral die van de sterledde als de smakelijkste. Het gevolg hiervan is, dat deze soort veel duurder in prijs komt dan de kaviaar van hause, welke om de groote hoeveelheid slijm de minste waarde van allen heeft.
Van de rugzenuwen, welke gedroogd worden, bedient uien zich in Rusland tot het bereiden van soep en sausen, ten einde ze krachtiger te maken, door de in die zenuwen aanwezige gelei; gedroogd worden zij wesiga geheeten. Buitendien bezigt men ze nog op een andere wijze, namelijk, door ze fijn te hakken en op eene soort van gebak te strooijen. hetwelk in Rusland zeer algemeen, in plaats van brood, met bouillon, wordt gegeten.
De gespleten visch wordt in verscheidene strooken gesneden, vervolgens eenige dagen in pekel gelegd en daarna in kuipen gepakt met lagen zout er tusschen. Deze vaten worden in eene bijzondere soort van kelders bewaard, uitgehouwen in do steile helling der AVolga oevers ; de begane grond vormt het gewelf, het voorgedeelte de steile oever der rivier, waaraan de deur uitkomt. Zij hebben den vorm van een langwerpig vierkant. Van den ingang in de smalle voorzijde loopt een gang tot in het achtergedeelte, ter linker- en regterzijde waarvan drie groote kuipen of bakken in de rots zijn uitgehouwen, waarin de in strooken gesue-
andere plaats van ditzelfde werk (Th. II. S. 343) deelt hij mede, dot ten jare 1769 in de Bagatoï Koekoek, d. i. de rijke baai, op ongeveer 70 mijlen van de monding der Oeral gelegen, een hause werd gevangen ter lengte van 7,/j el, welks gewigt op 1,120 Ned. pond werd geschat; de kuit alleen woug 320 pond.
279
den viscb afwisselend met lagen zout wordt gepakt. Boven den middengang zijn eenige valluiken in het gewelf aan-gebragt, ten einde zoo noodig den kelder te verlichten. Om deze bewaarplaats voortdurend zeer koel te houden, zijn langs de drie binnenwanden zware ijslagen gelegd, ter dikte van ö'/a Ned. el ongeveer en ter hoogte van G'/j el. Deze laag ijs vermindert gedurende den loop eens zomers tot op een vierde gedeelte van hare oorspronkelijke dikte, en wordt in den volgenden winter weder aangevuld.
De hause levert een zeer smakelijk geregt op, dat echter moeijelijker te verteeren is dan de ossetrs en seffroengen, om welke reden de voorkeur wordt gegeven aan de beide laatste vischsoorten en vooral aan de ossetrs. Versch genuttigd kunnende worden, is de sterled van alle steur-soorten het meest geschat, uithoofde van den aangenamen smaak van dezen viseh. Ora die reden wordt de sterled hetzij te Astrakan, in de Boven-Wolga of in de daarin uitwaterende rivieren, vooral de Koema en Oka gevangen, met groote kosten levend naar Petersburg gezonden, waar hij zeer duur betaald wordt.
Behalve de \ isscherijen van den heer Saposjnikoff worden in de verschillende armen der Wolga nog anderen gevonden ; de belangrijksten behooren aan den reeds vroeger genoemden majoor Warwazi. Hoewel de visscherij op do Wolga door keizer Alexander in der tijd voor ieder is vrijgesteld, blijft zij steeds gelijk vroeger in handen van eenige weinigen en ia derhalve nog als een monopolie in zekeren zin te beschouwen. Die gedeelten der rivieren, waar de viseh bij voorkeur zich ophoudt, zijn door bijzon dere personen in beslag genomen. Dewijl de rijke eigenaren dezer visscherijen allerlei pogingen in het werk stellen om het ontstaan van andere dergelijke visscherijen te voorko men, blijven zij alzoo in het uitsluitend bezit van dezen tak van nijverheid. Ten bewijze van de belangrijkheid er van behoeven wij slechts te vermelden, dat de heer Saposjnikoff de zijnen .slechts heeft gehuurd van prins Koerakin en van twee andere edellieden, de heeren Bes-borodski en Wsewolodski en hun jaarlijks de navolgende
276
lief gevolg is, dat d1quot; viscli zioh nog gevaarlijker wondt en daarenboven inenigwerf in andere haken verward geraakt.
Van tijd tot tijd varen de visschers in een bootje langs do drijvers, Imlen niet haken den vi.sch op en brengen hem naar ecne met horden omheinde plek in de rivier, alwaar niet veel water staat; daar laat men den vissehen, totdat men ze benoodigd heeft.
Toen onze reizigers in cene boot op de rivier rondvoeren, werden in hunne tegenwoordigheid vele vissehen opgehaald; ton einde te doen zien hoe men er verder mede omging, werden zij terstond mef eenige slagen op den kop afgemaakt. Vervolgens bragt men ze naar de werkplaats dor watage, zijnde een houten gebouw, hetwelk op palen in de rivier was gebouwd, ter plaatse waar de oever eenig-zins hooger was dan in do nabijheid er van. Het stond zoo digt bij den oever, dat men aan do landzijde mot wagen ou paarden er kon aanrijden, terwijl men aan den andei 'n kant met vaartuigen er bij kon aanleggen. De vloer was op gelijke hoogte met den oever aangelegd en bestond uit planken, welke niet aan elkander sloten, ton einde het bloed van den geslagten visch in de rivier te doen wegstroo men. Aan de tegenovergestelde zijde liep een hellend vlak van den vloer tot op de hoogte der aanliggende vaartuigen, waar langs de vissehen met haken opgetrokken werden.
Toen al do gevangen vissehen waren opgehaald, hadden onze reizigers de gelegenheid hou moer naanwkeurig iu oogenschonw te nemen. Hef meerendeel bestond uit hausen i icipenser Huso, bjeloegon in hot Russisch); daarop volgde een andere steursoort, de aeipensoi Güldenstadtii, welke in hot Russisch ossetr wordt geheeten. Van do steursoort aeipenser stellatus, seffroengen in het Russisch genoemd, waren slechts twee exemplaren onder de gansche massa. De grootsten kwamen voor onder de eerstgenoemde viseh soort, want er waren vissehen bij ter lengte van 9 voet 5 duim Par. maat. Zij bereiken echter veel aanmerkelijkor lengte, want volgens Pallas worden er gevangen ter lengte van 12 a 14 voet; Gmelin zegt dat er worden gevonden
ter Imgte \an 25 a 35 span, hetgeen ongeveer overeenkomt met 18 fi 24 voet. Do ossetrs en seffroengen zijn algemeen genomen kleiner; dc eerstgenoemdcn bereiken volgens Grmelin zelden meer rlan 9, gewoonlijk sleehts 5 h 7 span, do seffroengen hoogstens 8, gewoonlijk slechts 5 a (i suan. De sterledde zijn nog kleiner, want het mag als eeno zeldz-iamhcid worden beschouwd, indien zij langer zijn dan 2 voet. De visch werd nu gedood. Met de bijl spleet men don kup, sneed hom dan met een scherp mes den buik open, nam de kuif, ingewanden en zwemblaas er uit, leide elk dezer deden in een afzonderlijk vat, daarbij acht gevende dat de verschillende vischsoorten niet onder .■lka:ider geraken; vervolgens reet men de rugzenuwen mol hot ruggemerg uit de ruggegraat en spleet den visch daarop in tweeën. De rugzenuwen werden nu uitgespoeld en van het ruggemerg ontdaan, welk laatste wordt weggeworpen.
Hierop word een begin gemaakt met liet bereiden van don kaviaar; dit bestaat echter uitsluitend hierin, dat men do kui' met de hand door eene zeof drukt, ten einde haar van de vetdeolon en het colachtig weefsel te ontdoen; zoodra de korrels do.jr de zeof zijn gegaan, worden zij gezouten. De kaviaar wordt met eeno grootere of geringere hoeveelheid zout vermengd, naar mate hij langer of korter moot bewaard worden. In het laatste geval wordt er slechts wat zout doorgeroerd, maar in het eerste wordt hy in sterke pekel gestort en daarin omgeroerd. Heeft dit plaats gehad, dan wordt de kaviaar in linnen zakken gedaan om uitgeperst te worden; daarna wordt hij verknipt, en ten einde hem voor bederf te bewaren, met visch vet bedekt. Het vet en het celachtig weefsel, dat op de zeef is gebleven, wordt niet weggeworpen, maar met de ingewanden gebruikt om er traan van te koken.
Aanzienlijk is de hoeveelheid kuit, welke deze visehsoor-lc;; bevatten. Groote hausen hebben eene kuit, welke 80 Ned. pond weegt, volgens de opgaven van l'allas; ') do-
*) Zie zijne r; Rcisc in verschiedcne Prov. J h. I. 135. Up ecu
278
wijl naai' de opgaaf vanquot; genoemden natuuronderzoeker vijf hause-eijeren een grein wegen, bevat eene dergelijke kuit omstreeks 7 millioen oijeren; hetgeen de buitengewone vermenigvuldiging dezer vischsoort begrijpelijk maakt. De ossetrs en seffroengen Lebben betrekkelijkerwijze minder kuit; volgens Pallas is de kuit der eerstgenoemdeu nimmer zwaarder dan 480, van de laatstgemelden 160 ;i 192 Ned. pond. De eijeren dezer steursoon zijn veel kleiner dan van den hause, want men berekent dat er zeven op een grein gaan; daarentegen geldt de kaviaar der ossetrs en seffroengen en vooral die van de sterledde als de smakelijkste. Het gevolg hiervan is, dat deze soort veel duurder in prijs komt dan de kaviaar van hause, welke om de groote hoeveelheid slijm de minste waarde van allen heeft.
Van de rugzenuwen, welke gedroogd worden, bedient men zich in Rusland tot het bereiden van soep en sausen, ten einde ze krachtiger te maken, door de in die zenuwen aanwezige gelei; gedroogd worden zij wesiga geheeten. Buitendien bezigt men ze nog op een andere wijze, namelijk, door ze fijn te hakken en op eene soort van gebak te strooijen, hetwelk in Rusland zeer algemeen, in plaats van brood, met bouillon, wordt gegeten.
De gespleten visch wordt in verscheidene strooken gesneden, vervolgens eenige dagen in pekel gelegd en daarna in kuipen gepakt met lagen zout er tusschen. Deze vaten worden in eene bijzondere soort van kelders bewaard, uitgehouwen in de steile helling der Wolga oevers ; de begane grond vormt het gewelf, het voorgedeelte de steile oever der rivier, waaraan de deur uitkomt. Zij hebben den vorm van een langwerpig vierkant. Van den ingang in de smalle voorzijde loopt een gang tot in het achtergedeelte, ter linker- en regterzijde waarvan drie groote kuipen of bakken iu de rots zijn uitgehouwen, waarin de in strooken gesne-
andcre plaats van ditzelfde werk (Th. 11. S. 343) deelt hij mede, dat ten jare 1769 in de liagatoi Koeltoek, d. i. de rijke baai, op ongeveer 70 mijlen van de monding der Oeral gelegen, een hause werd gevangen ter lengte van 7l/j el, welks gewigt op 1,120 Ned. pond werd geschat; de kuit alleen woog 320 pond.
279
den viscL afwisselend met lagen zout wordt gepakt. Boven den middengang zijn eenige valluiken in het gewelf aan-gebragt, ten einde zoo noodig den kelder te verlichten. Om deze bewaarplaats voortdurend zeer koel te houden, zijn langs de drie binnenwanden zware ijslagen gelegd, ter dikte van 5'/2 Ned. el ongeveer en ter hoogte van G'/s el. Deze laag ijs vermindert gedurende den loop eens zomers tot op een vierde gedeelte van hare oorspronkelijke dikte, en wordt in den volgenden winter weder aangevuld.
De hause levert een zeer smakelijk geregt op, dat echter moeijelijker te verteeren is dan de ossetrs en seffroengen, om welke reden de voorkeur wordt gegeven aan de beide laatste vischsoorten en vooral aan de ossetrs. Versch ge-nuttigd kunnende worden, is de sterled van alle steur-soorten het meest geschat, uithoofde van den aangenamen smaak van dezen visch. Om die reden wordt de sterled hetzij te Astrakan, in de Boven-Wolga of in de daarin uitwaterende rivieren, vooral de Koema en Oka gevangen, met groote kosten levend naar Petersburg gezonden, waar hij zeer duur betaald wordt.
Behalve de s isscherijen van den heer Saposjnikoff worden in de verschillende armen der Wolga nog anderen gevonden ; de belangrijksten behooren aan den reeds vroeger genoemden majoor arwazi. Hoewel de visseherij op do Wolga door keizer Alexander in der tijd voor ieder is vrijgesteld, blijft zij steeds gelijk vroeger in handen van eenige weinigen en is derhalve nog als een monopolie in zekeren zin te beschouwen. Die gedeelten der rivieren, waar do visch bij voorkeur zich ophoudt, zijn door bijzon dere personen in beslag genomen. Dewijl de rijke eigenaren dezer visscherijen allerlei pogingen in het werk stellen om het ontstaan van andere dergelijke visscherijen te voorkomen, blijven zij alzoo in het uitsluitend bezit van dezen tak van nijverheid. Ten bewijze van de belangrijkheid er van behoeven wij slechts te vermelden, dat de heer Saposjnikoff de zijnen slechts heeft gehuurd van prins Koerakin en van twee andere edellieden, de heeren Bes-borodski en Wsewolodski en hun jaarlijks de navolgende
280
sommen als pacht betaald: aan prins Koerakin 1,000,000 gulden, aan den heer Besborod.ski 350,000 en den heer Wsewolodski 000,000 gulden. ') Noemt men hierbij in aanmerking welke verbazende kosten worden vereischt om de tot de visscherijen vereisehte inrigtingen, netten als anderzins, zich aan te schaffen cn in goeden staat te houden, het groote aantal personen benuodigd tot uitoefening van dezen tak van nijverheid, dan eerst zal men zich een denkbeeld kunnen maken van het gewigt er van voor Astrakan en de omstreken der stad.
Tc oordeelen naar de opgaven van Pallas zijn zij de uitgestrekste cn belangrijkste visscherijen niet alleen van gansch Rusland, maar overtreffen zij die van alle andere landen, met uitzondering welligt van de visscherijen op dc kust van Newfoundland. Zij zijn voor Rusland nog uit een ander oogpunt zeer belangrijk, dewijl zij aan de bevolking van het land het hoofdvoedsel leveren gedurende de vastedagen, door de Grieksche kerk voorgeschreven, welke ruim een derde gedeelte van het jaar uitmaken.
Uithoofde van het gewigt der zaak voegen wij bij het vroeger medegedeelde nog een uittreksel, ontleend aan het verslag over de visscherijen in de Kaspische zee, bij het ministerie van Binuenlandsche Zaken ingeleverd dooiden heer von Baer, getiteld; quot; Verslag omtrent de werkzaamheden en verrigtingen der expeditie naar dc Kaspische zee gedurende het jaar 1852.'' 2; Deze expeditie was naar de genoemde oorden gezonden op gezamenlijke kosten van het ministerie van Binnenlandsche Zaken en dc Maatschappij tot bevordering der aardrijkskunde. Zij vertrok
') Men vergelijke hieromlrenl het werk van Ërdmann, getiteld; Bei-trilge zur Kenntniss des Innern von Itussland, Th. II S. 195. De ussclierijeu van prins Koerakin behoorden vroeger aan de kroon en werden door keizer Paul aan den prins ten geschenke gegeven, denijl dc Astrakansehe kooplieden, die ze gepacht hadden, steeds klaagden, dat /ij daarvoor te veel moesten opbrengen. De pacht destijds door hen betaald, bedroeg 30,000 gulden 1
2) Zie Bijvoegselen van nu. quot;/33 cn Ü34 der Gazette dc St. Pcter»-bourg, 1854.
281
in gunoemd jaar uit St. Petersburg, onder de leiding van den heer von Baer, die bijzonder in last had de visscherijen in de Kaspische zee te onderzoeken.
quot;De bevelhebber der vesting Nowo Petrowsk,quot; zoo schrijft do lieer von Baer, quot; deelde ons naauwkeurige berigten mede omtrent de visseherijen in de Kaspische zee, in de nabijheid dier plaats gelogen en over den jaar lijkscben vooruitgang er van sedert 1850, waaruit bleek dat de opbrengst met elk jaar vermeerdert. Hieruit volgt ec.h ter, naar mijn oordeel, nog niet, dat ook de visch in iioe veelheid jaarlijks toeneemt, want de vermeerderde opbrengst zal wel ongetwijfeld het gevolg zijn van meer bekwaamheid der visschers, liet toenemen van het aantal middelen ter vangst, hoewel aan den anderen kant de hierbij gevoegde staat geene aanleiding geeft tot de on derstelling, dat de visch üi de Kaspische zee aan het afnemeu is.
Gedurende de navolgende jaren werd gevangen:
|
Zwemblazun |
Zeehonden | |||
|
Visch. |
van hausen. |
Kaviaar |
vellen. | |
|
N. pond. |
N. pond. |
N.pond. |
stnks. | |
|
1850 |
15,330 |
38 |
87 |
10 |
|
1851 |
28,932 |
69 |
80 |
49 |
|
1852 |
46,111 |
114 |
179 |
134 |
|
1853 (tot 1 Oct.) 37,506 |
538 |
115 |
1455 | |
Wat betreft de schijnbare vermindering der opbrengst iredurende 1853. hieromtrent moet in aanmerking worden
O '
genomen, dat do opgaaf slechts loopt tot aan het einde der maand September; dewijl derhalve nog drie maanden iüin het jaar ontbreken, mag met grond worden aangenomen, dat het jaar 1853 de vorigen ver zal overtrefTen.
Ook omtrent de visch vangst in de zoo rijke Alesanders-baai verkregen wij van den genoemden bevelhebber zeer naauwkeurige berigten. Ten opzigte van de verder zuidwaarts liggende visseherijen, aan de oostkust der Kaspische ZlC, wist men ons niets mede te deelen. Dit cchtcr
282
was bekend, Jat de Russische visschers de Naphta-eilanden bezoeken en reeds sedert eene reeks van jaren een ruilhandel drijven met de Turkomannen, waarbij hunne eenige waar bestaat in den viscli door hen gevangen. Deze handel is echter gedurende geruimeu tijd gestremd geworden, ten gevolge van het vermoorden van een der Russische handelaars, maar is later weder hervat.
In de baai van Tjoek Karagan wordt eene kleinere vischsoort gevangen, behoorende tot de Atherina L., welke als een zeer smakelijk geregt wordt beschouwd en menigvuldig in de Zwarte zee voorkomt De Kozakken noemen dezen visch lepelspierling, hoewel hij geheel verschillend moet geacht worden van den gewonen lepelspierling. l'allas en professor Eichwaldt hebben reeds melding gemaakt van deze vischsoort, maar zeggen niet dat hij in deze oorden zoo menigvuldig voorkomt. Zeker is het, dat het hoogst belangrijk zou zijn het middel op te sporen om deze vischsoort zoodanig te behaudelen, dat hij verzonden kon worden. Mogt daardoor al geen nieuw artikel van uitvoer aan de markt worden gebragt, wij honden ons echter overtuigd, dat het voor den binnenlandschen handel en eigen verbruik van zeer veel gewigt zou kunnen worden, liet is niet onmogelijk, dat de groote hoeveelheid bitlerzout (zwavel zure magnesia) nadeel doet aan den smaak van den rood-visch, nabij de oostelijke kust der Kaspische zee gevangen. Dit zal dan ook als de waarschijnlijke oorzaak moeten beschouwd worden, waarom de Astrakansche handelaars minder geld bieden voor don visch op de genoemde kust gevangen, dan voor anderen visch, hoewel zij zeiven, zoo ver ik heb vernomen, bij den verkoop geen gedeelte hunner waar tegen lageren prijs afzetten. Die groote menigte le-pelspierling is en blijft echter eene zaak van gewigt en dit te meer, dewijl deze vischsoorten geen zoet water behoeft om de kuit te schieten en zich buitengewoon snel vermenigvuldigt.
Ziekte verhinderde mij de Zeehonden-eilanden persoonlijk te bezoeken; de heeren Schulz en Danilewski, die zich derwaarts begaven, bragten mij naauwkeurige berigten be-
283
treffende dien tak der visseherij. De zeehond, welke in de Kaspische zee voorkomt, is naar men onderstelt eene bijzondere soort; hij heet l'liocu caspica.
Tevens hadden beide genoemde medeleden der expeditie den last van mij ontvangen om de geologische gesteldheid dier eilanden gade te slaan. Zeer gewigtig kwam mij het eiland Morskoï voor, hetwelk op de kaart van Kolod-kin niet wordt gevonden, dewyl het ontstaan er van wordt beschouwd als een der voornaamste bewijzen tot staving der theorie, dat de waterstand van de Kaspische zee sedert de jongste dertig jaren voortdurend dalende is. Zij bezochten de eilanden Koelala, Morskoï en Sswjatoï ; het bleek hun daarbij, dat de hoogte der beide eerstgenoemde eilanden oogenEchijnlijk zeer weinig verschilde. Zij bestaan uit bijna evenwijdig loopende aanwassen van zeegras, schelpen en zand. Naar het gevoelen van üanilewski ontstaan zij door bet opstuwen der losse massa's, door de ijsschotsen aan de naburige zandbanken en ondiepten onttrokken en opwaarts gestuwd; het eiland Morskoï is echter veel later ontstaan dan de beide anderen. Dergelijke zandbanken worden hier dikwerf binnen korten tijd gevormd; nabij het eiland Koe lala bij voorbeeld, staat thans niet meer dan 4 voet water, terwijl op de kaart van Kolodkin nog ruim '2 vademen water aangeteekend staat, liet genoemde eiland, dat smal maar zeer lang is, was reeds voor 120 jaren aan den zeevaarder Ssoïmonoff bekend ; indien ook Jit ware ontstaan ten gevolge van het dalen des waterspiegels, dan zou het veel hooger moeten zijn dan het eiland Morskoï. Deze opmerking geldt evenzeer met belrekking tot het Zeehonden-eiland, hetwelk op de kaart van Kolodkin slechts voorkomt als eune zandige ondiepte, — up de kaart van Ssoïmonow staat een tamelijk groot eiland te dier plaatse afgebeeld, — terwijl er tegenwoordig verscheidene visschers-woningen op gebouwd zijn. De kleine meren, welke volgens de kaart van Kolodkin op het eiland Koelala worden aan-gi troffen, zijn thans reeds geheel uitgedroogd, gelijk ook luitenant Ssokolow in zijne »Aanteekeningen betreffende de hydiographische opmetingenquot; doet opmerken.
284
Tc No wo Petrowsk werden mij mededeclingen verschaft nopens ilf ligging en den tegenwoordigen loop dcr Emba, welke naar ik ineen te mogen onderstellen zeer naauwkenrig zijn, d t w 1 zoggen zoo naauwkeurig als dat mogelijk i.-., zonder zelf de zaken in oogcnschouw te hebben genomen. Zij werden mij verschaft doigt;r het hoofd van een Kirgizeu-stam, welke den ganschen winter nabij den oe\er dezer rivier had doorgebragt, en door een Kozak, die zich gedurende den zomer van 1839 aldaar had opgehouden. Beide kwamen in dit opzigt overeen, dat de monding der Emba, welke gedurende de wintermaanden zeer waterrijk is en zich door vijf armen in de Kaspische zee oiitlast; des zomers zoo weinig water heeft, dat zij voor de kleinste vaartuigen geen voldoenden waterstand heeft behouden; tot Julij althans blijft de gemeenscha}) met de Kaspische zee voortduren, hetgeen naar de getuigenis van alle personen, die ile westkust hebben bezocht, met de Kama niet het geval is Deze vermeende staking van de gemeenschap niet dr zee, welke op sommige kaarten aangeteekend staat, beru-t derhalve op eene dwaling en het verminderen van de opbrengst der Emba visscherijen moet derhalve niet zoozeer aan natuurlijke hinderpalen worden toegeschreven, maaleerder aan het toenemen der bedrijvigheid op en aan deze rivier; waar is het echter, dat vooral in dat gedeelte der K ispische zee voortdurend nieuwe zandbanken en ondiepten ontstaan en weder even spoedig verdwijnen. ')
') Volgens een berigt, gelezen in eene der zittingen van de Maatschappij tot bevordering der aardrijkskunde, te St. Petersburg gevestigd (vergelijk de Nordiscte Hiene, n0. 66, jaargang 1855), is in den herfst des jaars 1854 eene ontdekkingsreis gedaan naar de mondingen der Emba. dooide heeren Danilewski en Semenoff. Noch de gezagvoerder van liet vaartuig, aan boord waarvan zij zicli bevonden, noch de visschers, die zij bij menigte in deze streken aantroffen, konden hun eenige inlichtingen mededeelen omtrent de mondingen der Emba, welke zij wenschten te onderzoeken. T'e zee was in de Kmba-baai zoo ondiep, dat de kleinste boot met vlakken bodem eindelijk geen water genotg had en ruim eeae mijl van de kust aan den grond bleet' zitten, — gelijk in het meer van Asoff het geval is, — zoodat de reizigers uit de boot stapten en door het water naar de kust waadden. De grens, tot waar het
285
Na onze tenisjkomst van Nowo Petrov.sk te Astrakan bezochtfin wij nog twee visscherijen, gelegen nabij de mon lt;Hng der Wolga, benevens de kolossale zeehondentraan-stnolterij met stoomkracht, toebehoorende aan de hoeren Snpo.sjnikoff op hot eiland Ikrjanoï (Kaviaar-eiland) en de /.oogenaamde klein visscherijen, 1) welke op nog grooter .-elüial worden uitgeoefend en insgelijks aan de bovenge-noemde eigenaren behooren. Dit was le belangrijker, dewijl wij ons vroeger uitsluitend hadden bezig gehouden met f1e vangst van roodviseh. Ten slotte namen wij nog eene bijzondere soort van visscherij in oogenschouw quot;schwemme * goheeten; deze vangst heeft plaats voor bot invallen van
water zich verheft, is niet steeds op dezelfde plaats te vinden, maar het breidt ziel» verder landwaarts uit. naar gelang er een zeew'nd heerscht of omgekeerd. Duidelijk zagen de reizigers een stroom blaauw-, kleurig, bijna zoet water, welke geheel verschillend was van het zeewater. lt; )ugeveer acht mijlen ver gingen zij naar het zuiden en kwamen daarbij door uitgestrekte oorden met hoog wassend riet begroeid tot aan eene plek, waar het rietveld eensklaps ophield, maar die met 'ster Tripolium L. bedekt was, alwaar zij de lang gezochte rivier aantroffen. Ten gevolge van den heerschenden zeewind was het water hoog opgestuwd; de gansche omstreek stond onder en het verval van water was zoo gering, dat het schier onbemerkbaar was. De diepte bedroeg hier 48/'3 I-ng. voet, de breedte der rivier zal omstreeks 350 voet zijn geweest. De monding der rivier was echter duidelijk waar te nemen; naar het noorden vormde de oever een grooten boog, terwijl de linkeroever als eene lange zandlaag ver in zee uitstak. Uithoofde van den hevigen zeewind waagden de reizigers het niet zich verder van de boot te verwijderen. De vraag nopens de plaats waar de monding der Emba werd gevonden, was derhalve opgelost en de bcrigten der Kirgizen volkomen bevestigd. De beide reizigers overtuigden zich, dat sedert het tijdstip, waarop Kolodkin de kust had opgenomen, aanmerkelijke veranderingen hadden plaats gehad. De eilanden Jertsjasjnvï, Sjiloï, Solenvï en anderen, welke destijds voor de kust lagen, hadden zich met het vasteland vereenigd. De Embensky Koeltoek bestond niet meer, hij lag geheel droog en te rekenen van het Zeehonden-eiland was de waterstand aanmerkelijk verminderd. Waar op de kaart van Kolodkin ?-i a •.quot;'8 voet staat aangeteekend, vonden zij niet meer dan IT'/a en l53;4 voet.
De dusgenoemde kleinvisch wordt gevangen met netten, wier mazen zeer naauw zijn; men noemt de kleinere vischsoorien aldus in tegenstelling van de roodvissehen, d. i. hans en, steuren, sterledde, enz., welke n.ter waarde hebben.
286
de vorst, wanneer de uit zee in de rivieren opzwemmende viseh met netten van een bijzonder zamenstel wordt gevangen ; dit geschiedt door ze schuw te maken en op die wijze in de netten te jagen.
Eene bijzondere aandacht werd door my geschonken aan liet volgende onderwerp, namelijk, liet voedsel der visschen, want om de wijze, waarop zij zich voortplanten, van naderbij te leeren kennen, moet men zich in het voorjaar te dier plaatse bevinden.
Hoe verbazend ook de rijkdom aan visch der Kaspische zee moge zijn, blijft het niettemin een uitgemaakte waarheid, dat de inheemsche soorten verre van talrijk mogen genoemd worden; Gmelin, Pallas; Menétrier, Brandt, Lo-wezki en Eichwald hebben ze in hunne werken allen beschreven. Ik meen echter, dat de roodbrasem, welke in de Kaspische zee voorkomt, die van den brasem uit noordelijke streken zeer verschilt, in geen enkel wetenschappelijk werk met name is genoemd. De witoog is door Pallas beschreven, maar niet afgebeeld en toch verdiende deze visch naauwkeuriger bekend te zijlij vooral uit dezen hoofde, dewijl men buiten Rusland in het denkbeeld ver keert, dat de witoog eene bijzondere vischsoort is, het gevolg van de verkeerde berigten ton dien opzigte medegedeeld. Later echter heeft Nikitin eene naauwkeurige afbeelding er van geleverd. Uit een zoölogisch oogpunt beschouwd is het echter van veel meer gewigt de Russische benamingen met de wetenschappelijke, met de systematische benamingen in overeenstemming te brengen, dan nieuwe vischsoorten te beschrijven. Pallas had schier geeue gelegenheid om de alhier voorkomende visschen met die uit andere oorden te vergelijken, ten gevolge waarvan hij omtrent eenige punten heeft gedwaald, welke verkeerde begrippen door anderen zijn overgenomen. Zoo beschouwt hij den steur, welke in de Kaspische zee wordt gevonden, als geheel en al tot dezelfde soort behoorende als die in de Oostzee leeft; Brandt daarentegen heeft het onderscheid daarvan reeds aangetoond, terwijl ik te Kasan tot de overtuiging ben gekomen — op het zien van een opgezetteu
287
steur in de .letysj gevangen — dat ik eene geheel van de heide anderen verschillende en derhalve eene derde soort voor oogen had. Pallas beschouwt do vischsoort, welke hier bekend is onder de benaming van taran als eene en dezelfde met den Cyprinus vimba van het Peipoesmeer, hoewel ik laatstgenoemde soort hier nimmer heb gevonden en zeer betwijfel, dat zij in de Kaspische zee leeft. Gelijke aanmerking geldt ten opzigte van de wobla en verscheidene andere vischsoorten, welke alhier worden aangetroffen. Sommige natuuronderzoekers van den lateren tijd hebben aan eenige vischsoorten der Kaspische zee nieuwe benamingen gegeven; ten gevolge waarvan bij de naluuronderzoekers op dit gebied schromelijke verwarringen zijn ontstaan. Daarbij komt nog, dat de visschers in het algemeen en zelfs de meer wetenschappelijk gevormde opzigters der visscherij aan die visschen, welke niet in den handel voorkomen, slechts zelden eenige op merkzaamheid wijden. Het gevolg hiervan is, dat onder de visschers, de mannen van het vak, groot verschil van meening omtrent sommige punten bleek te bestaan, zon dikwerf wij nopens den taran of andere soorten mededee-lingen poogden in te winnen. De benaming van taran, bij voorbeeld, wordt gegeven aan elke vischsoort, welke niet in den handel voorkomt, dewijl zij daarvoor niet geschikt is. Deze onzekerheid betreffende do beteekenis van het woord taran zon zonder eenig gewigt zijn, ware het niet dat de taran, tot het maken van traan, in de smel-terijen van zeer veel belang was.
Wat betreft de levenswijze der visschen, ten dezen opzigte geven de visschers uitsluitend acht op die eigenaardigheden, welke een onmiddellijken invloed uitoefenen op den tijd, de plaats en de wijze waar en hoe de visch wordt gevangen • al het overige is hun volkomen onverschillig en zelden gebeurt het, dat men iets wetenswaardigs te dezer zake van hen vernemen kan. Om een bewijs mede te deelen van de vooroordeelen, welke bij hen algemeen zijn aangenomen, diene bij voorbeeld het volgende; bijna ieder visscher houdt zich vast overtuigd, dat drie
288
korrels eener kuit vereischf worden oni een visrli to iloen ontstuan.
Uithoofde van de beperktheid liimner kennis betroffendo alles, dat niet regtstreeks behoort tot de wijze waarop zij gewoon zijn hun beroep uit te oefenen, was het mij niet mogelijk iets te vernemen of de visch in de Kaspische zei' en vooral de roodvisch door vunrglans wordt aangetrokken. Een bejaard en bekwaam opzigter der vis-seherijen, die mij omtrent menig punt zeer naauwkeurige mededeelingen had gedaan, verklaarde rond weg op die vraag, dat hij daaromtrent geheel in onzekerheid verkeerde. dewijl men in de Kaspische zee nimmer bij het schijnsel van vuur had gevisebt, zich overtuigd houdende dat niemand onder de visschers daaromtrent iets bepaalds zon kunnen mededeelen.
Ik ben overtuigd, dat het na de lezing van hef \erslag door mij zaamgestcld, uiterst inoeijelijk zijn zal voor den statisticus om, met eenigen goeden grond, eene raming te maken van het gezamenlijk bedrag der vi--scherijen in de Kaspische zee en de rivieren, welkquot;, zich er in ontlasten. Tot heden is men nog steeds ver-] ligt zich van ruwe of althans vrij onzekere opgaven te bedienen, om daaruit cene gevolgtrekking te maken lt; mtrent het al of niet afnemen van den rijkdom aan visch der Kaspische zee.
Drie verschillende opgaven, verkregen van omzigtige en ervaren personen, komen hier. p neder; een hunner schatte de waarde van den visch jaarlijks in en nabij de Kaspische zee gevangen, op 8,000,000 guldens, de tweede ' ]gt; 0,400,000 en de derde op 9,660,000 gulden. Neemt men van deze opgaven het gemiddelde bedrag, dan ver krijgen wij eene waarde van 8,800,000 gulden, waarbij echter in aanmerking moet genomen worden, dat hierbij niet is begrepen :
1°. de opbrengst der visscherijen in de Oeral en in de monding der rivier;
2°. dat hier slechts in berekening komt de visch, welke in den handel wordt gebragt, terwijl bet verbruik door
289
dc visschers cn andere personen, hoewel zeer aanmerkelijk, geheel buiten berekening is gebleven.
Wijders moet hier nog de vraag worden beantwoord: welken invloed hebben de visscherijen op de Kaspische zee en de daarin zich ontlastende rivieren, met uitzondering van die in de Boven- en Midden-Wolga, uitgeoefend op den toestand des lands cn zijne bewoners? Dc opzigters der visscherij, benevens het talrijke personeel in dc hoofdzetels der visscherijen gevestigd, cn al de kustbewoners voeden zich schier uitsluitend met visch; daarenboven heeft de Russische gastvrijheid het tot een vasten regel gemaakt, dat alle voorbij zeilende vaartuigen, indien zij op dc ondiepten voor anker liggen, hetgeen somtijds zeer lang duurt, kosteloos van visch worden voorzien, hetgeen insgelijks het geval is met do equipages van alle ■wachten inspectieschepen ten oosten van de mondingen der Wolga. Hoewel hiertoe mcerendeels kleine visch wordt gebezigd, waarvan de prijs zeer gering staat, is toch de hoeveelheid, welke op die wijze wordt verbruikt, zoo verbazend groot, dat zij niet buiten berekening kan blijven, indien wij eene raming wenschcn te maken van do totale opbrengst der visscherijen. Zelfs van do zoo veel duurdere kaviaar wordt eene groote hoeveelheid als geschenk gebezigd, ja, de gastvrijheid gaat zoo ver, dat men tot gemeld einde ccno bijzondere soort van dit smakelijke geregt vervaardigt. Op grond hiervan meen ik te mogen aannemen, dat dc gezamenlijke opbrengst der genoemde visscherijen op ruim 10,000,000 gulden mag geschat worden. Is deze raming niet overdreven, cn mcu mag aannemen, dat dit niet het geval is, dan volgt hieruit dat de opbrengst is toegenomen: dit komt volkomen overeen met de opgaven, welke men in verschillende oorden nopens dc visscherijen verkrijgt, waaruit blijkt dat thans eene grootere hoeveelheid voedingstof uit de Kaspische zee verkregen wordt dan vroeger ooit het geval is geweest. Wat betreft de wijze, waarop dit gunstige resultaat is bereikt, dit moet grootcndccls hieraan worden toegeschreven, dat do visscherij aan alle kusten der zoo wordt gedreven, men dit bedryf te-IV. 19
290
vens veel verder in zee uitoefent dan in vroeger jaren geschiedde en fleuren zet op plaatsen, waar zeventig vademen water staat.
Dewijl de uitgebreide visscherij bijna uitsluitend plaats heeft met liet doel om roodviseh te vangen, die betrek-kelijkerwijze hooger waarde bezit voor den handel, en alleen aan de mondingen der rivieren zulke visselio-rijen worden gevonden, dan komt het mij voor, dat de bewering: do Kaspische zee bezit thans een geringeren rijkdom aan visch dan vroeger, zeer waarschijnlijk als ongegrond moet beschouwd worden. Pallas heeft eeno raming medegedeeld van de opbrengst der visseherijen in de Kaspische zee, waarschijnlijk gegrond op de mededee-lir.gen, welke hij gedurende zijn verblijf te Astrakan heeft verkregen van eigenaren van visseherijen en vischhandela-ren; met uitzondering van de opbrengst der visseherijen in do Oeral en hare mondingen, begroot hij do waarde van den gevangen roodviseh op o,737.9GO gulden, terwijl de hoogste raming van de opbrengst in don tegenwoordigen tijd klimt tot 7; 100,000 gulden. Naar de som beoordeeld, zou men thans het dubbel der toenmalige opbrengst heb-ben verkregen, ware het niet dat hierbij in het oog moest gehouden worden, dat do zilveren munt hier in dien tijd de dubbele waardo had van tegenwoordig, dat de visscherij destijds in verre na niet op zoo uitgebreide schaal werd gedreven als thans het geval is en dat het aantal der daarbij werkzame personen, die nu in do visscherij een middel van bestaan vinden, geen derde gedeelte bedroeg van degenen, die er tegenwoordig den kost mede verdienen. Om die reden mag men wel aannemen, dat de hoeveelheid visch, vooral op die plaatsen, waar de visscherij op grooto schaal eerst kortelings werd gedreven, in die dagen werkelijk grootcr was dan nu het geval is. Zoo verhaalt Pallas, dat nabij het paalwerk van Saljan op een enkelen dag somtijds 15,000 roodvisschon werden gevangen en dat, indien ten gevolge van de een of andere reden gedurende een tijdsverloop van vierentwintig uren de visch-vangst was gestaakt, de GO vademen breede en 28 voet
291
diepe rivier derwijze met visch was gevuld, dat zij in lagen boven elkander zwommen en de bovensten met den rug uit het water te voorschijn kwamen. Dergelijke gevallen nopens een buitengewonen aandrang van roodvisch nabij dc staketsels in de rivier leest men; dat insgelijks in de Oeral plaats vonden, zoodat men somtijds genoodzaakt was om met liet kanon er op te schieten, ten einde de visschen te verschrikken, dewijl men vreesde dat het staketsel voor de aandringende massa zou bezwijken; tegenwoordig komt men niet meer in de noodzakelijkheid om tot dergelijke middelen zijne toevlugt te moeten nemen.
Dc opgaaf, betreffende dc waarde van den gevangen visch door Pallas gedaan, is zeer onbepaald, zelfs indien men zeer matige prijzen berekent; als grondslag zijner raming neemt hij dc opbrengst der visscherijcn in verschillende oorden. Eenenveertig jaren later, toen dc visscherij eene veel grootere ontwikkeling had erlangd, werd aan Humboldt cenc raming medegedeeld van de waarschijnlijke waarde der visschcrijen, berekend naar het aantal gevangen visschen. In die opgaaf wordt reeds eene vermindering in het aantal visschen waargenomen, niettegenstaande de middelen ter vischvangst gebezigd een aanmerkelijke uitbreiding hadden erlangd; en werd er al eene vermeerdering in het aantal hausen — 4,500 stuks — waargenomen, toch weegt dc waarde van deze visschen niet op tegen het verlies, voortspruitende uit cenc vermindering van 27,000 steuren en bijna 120,000 seffroengen.
Aantal gevangen volgens Pallas volgens Humboldt verschil
hausen 103,500 108;000 -jquot; 4,500
steuren 302,000 275,000 — 27,000
seffroengen 1,445,000 1,325,875 — 119,125
Bij nader onderzoek blijkt het al spoedig, dat de tabel aan Humboldt medegedeeld, is opgemaakt bij benadering, met in acht neming van eenigc algemeene regelen; het gevolg hiervan is, dat men zich daarop niet veilig kan verlaten en op grond daarvan geen juist oordeel mag vellen over de werkelijke opbrengst der visscherijcn in de
292
Kaspische zee. Nog voor den tijd dat deze opgaven door Humboldt in het licht werden gegeven, verscheen in het Journaal van het ministerie van binnenlandsche zaken, jaargang 1832, een berigt betreffende de visscherijen in de Kaspische zee van het jaar 1830. Zeer is het te bejammeren, dat de bronnen, waaruit deze opgaven zijn geput, daarbij niet tevens vermeld werden. Het is echter als zeer waarschijnlijk te beschouwen, dat opgaven van de afzonderlijke visscherijen verkregen, hebben gestrekt tot zamen-stelling van het bedoelde overzigt; hot verschil, hetwelk dit overzigt oplevert met de opgaven door Pallas in de boven medegedeelde tabel gedaan, is zeer groot, gelijk uit het onderstaande blijkt:
Opbrengst volg. de Opbrengst volgens tabel van het minis- Vercriiii
Pallas in 1793. terie v. binnenlandsche zaken.
hausen 103,500 225,832 122,332
steuren 303,000 263,310 — 38,690
seffroengen 1,445,000 932,968 — 512,041
In de laatste tabel is het aantal gevangen steuren meer dan het dubbel van dat, voorkomende in de tabel van Pallas, terwijl de opbrengst wat de beide andere vischsoorten betreft, veel geringer is. Opmerkelijk mag het genoemd worden, dat het resultaat hetzelfde blijft, wanneer de opbrengst naar het gewigt, en niet naar het aantal der gevangen visschen wordt berekend. Indien men aan de eene zijde het gemiddelde bedrag van de grootere opbrengst der hau-senvisscherij in 1793 en de mindere opbrengst der steuren seffroengen vangst in 1830 naar hot gewigt berekent, dan verkrijgt men een bedrag van 800,000 li 1,300,000 Ned. pond visch. Neemt men daarentegen in aanmerking de cijfers, uitdrukkende de geldelijke waarde, welke in eene afzonderlijke kolom wordt opgegeven, dan blijkt daaruit, dat het jaar 1830 minder voordeelige resultaten heeft opgeleverd,dewijl de hausen hoogcr prijs gelden dan de seffroengen. Vergelijkt men ten slotte do tabellen over 1830 en 1834 naauwkeurig met elkander, dan komt men tot het resultaat, dat de hoeveelheid kaviaar en zwemblazen van hausen buiten verhouding
293
.staat tot hot aantal der te Saljan gevangen visschcn. Uit dien hoofde komf het mij waarschijnlijk voor, dat. de gedane opgaven zijn gegeven in een tijd, toen in die streken gedurende de zomermaanden geen visch werd gezouten, onder voorwendsel dat zij te Hgtelijk aan bederf onderhevig is, of wel dewijl men tegen de kosten opzag, verbon den aan eene behoorlijke inzouting. Ten slotte moet nog de opmerking worden gemaakt, dat naar luid der drie velschillende tabellen de totale hoeveelheid der aan de markt gebragte visschen ongeveer dezelfde gebleven is, want het af- of toenemen was steeds onbeduidend te heeten.
Kigtte de productie zich eenig en alleen naar de bestaande vraag en het verbruik van het artikel? Bleef de vraag voortdurend even groot? Om een dergelijk resultaat te kunnen verkrijgen, zou niet alleen het aantal visschers onophoudelijk iiebben moeten toenemen, maar tevens de opbrengst steeds grooter zijn geworden. In 1815 telde men in het gouvernement Astrakan ongeveer 7,Ü0Ü visschers; in 1830 was dit aantal tot 16 a 17 duizend geklommen. Tegenwoordig komt eene veel grootere hoeveelheid visch ter markt, dan in vroeger dagen, l) dewijl hot zouten van den visch te Saljan thans het gansche jaar door wordt voortgezet; ton gevolge daarvan neemt natuurlijkerwijze het aantal arbeiders toe cn vermeerderen to gelijkertijd de kosten aan de uitoefening van dezen tak van bedrijf verbonden.
Vat men al do berigteu te zamen, dan is hot zeer waarschijnlijk te achten, dat de hoeveelheid visch in de Kaspische zee thans niet zoo verbazend groot is als vroeger en blijkt er tevens uit, dat de visch tegenwoordig niet zoo groot en zoo zwaar is als er in der tijd werd gevangen of, om eene juistere uitdrukking te bezigen, dat men den visch den tijd niet meer gunt om zich zoo zeer te
') Al Je nieuwere berigteu omtrent de visselierijen stemmen daarin overeen, dat dc opbrengst naar liet gewigt van den gevangen visch wordt berekend en uit dien hoofde is het niet mogelijk de juiste vermeerdering in vergelijking van vroegeren tijd op te geven.
294
ontwikkelen als in vroeger jaren. De opmerking geldt niet sleelits met betrekking tot den roodviscli, maar insgelijks ten opzigte van allo andere vischsoorten. Zelden gebeurt het nu, dat men een duizendtal brasems van middelbare grootte bijeen vindt; ook do vroeger zoo bijzonder grootc karpers worden tegenwoordig zelden aangetroffen. Onder vele honderde welsen of wadelaars, die in mijne tegenwoordigheid werden gevangen, trof ik niet een enkele aan, welke 1^50 Ned. el lang was. Welsen van 480 Ned. pond zijn zoo zeldzaam geworden, dat binnen een tijdsverloop van verscheidene jaren in de gansehe Kaspische zee slechts eenige weinigen zijn gevangen. Hansen van 320 Ned. pond worden als eene zeldzaamheid beschouwd, want eene reeks van jaren wordt gevorderd om dergelijkeu visch eene zoo aanmerkelijke zwaarte te doen verkrijgen en daarenboven wordt er op zoo verschillende wijzen jagt op gemaakt, liet is derhalve zeer natuurlijk; dat de zee tegenwoordig in kleine munt den interest betaalt van het kapitaal, hetwelk in haren schoot is belegd, indien men zich van deze uitdrukking mag bedienen. Bij een derge-lijken stand van zaken is het mogelijk, dat eene nadeelige uitkomst wordt verkregen, in vergelijking van vroeger, al is het ook dat een gelijk aantal visscheu wordt gevangen, dewijl de roodviseh, welke bijzonder groot en zwaar is; betrek-kelijkerwijze veel hooger in prijs staat dan die slechts eene geringere grootte heeft bereikt.
Volgens de opgaven van Pallas, zaamgesteld in 1793, is het totale bedrag van den kaviaar 1,978,820 pond; naar de tabel van Humboldt moet dit op 1,912,788 pond worden gerekend, terwijl de heer Kosjeffnikow de geheele liocveelheid kaviaar, welke in don handel wordt gobragt, op 1,401,128 pond begroot. Volgens eene schatting, welke ons van eene andere zijde is geworden, bedraagt die hoeveelheid 2,412,760 pond. Is de visch niet tot volkomen wasdom gekomen, dan levert hij, gelijk bekend is, weinig kaviaar op. Zeer is het te bejammeren, dat in de jongste opgaven het aantal gevangen visschen niet is vermeld, maar alleen hun gewigt wordt opgegeven in ronde getal-
295
len, zoodat zich hiernaar geene borckcning laat maken. Even moeijelijk is het den gemiddelden prijs van den kaviaar te bepalen ; volgens Pallas moet die op ƒ G,25 per 16 Ned. pond worden gerekend, terwijl naar luid der jongste opgaven betreffende de visscherijen de prijs er van op 20 gulden wordt begroot.
In al hetgeen ik omtrent de vangst van den kleinvisch heb gelezen in do verschillende berigten, heb ik geen enkele opgaaf gevonden, waaruit ik met eenigen grond de gevolgtrekking kon opmaken, dat in dit opzigt eene vermindering zich heeft doen bespeuren. quot;Wanneer men derhalve de vraag poogt te beantwoorden: waarin moet wel de oorzaak gelegen zijn, dat bij do voortgezette vangst, waarbij geene de minste beperkingen worden in acht genomen, de voorraad van visch niet vermindert? dan moet men met danbaarheid erkennen, dat de natuurkrachten telkens en voortdurend worden hersteld en aan de zee hergeven, hetgeen 's menschenhand er aan ontwoekerd heeft. De verschillende rivieren en voornamelijk de Wolga met hare vele armen, welke jaarlijks eene zoj groote uitgestrektheid lands overstroomen, voeren eene buitengewone hoeveelheid organische zelfstandigheden mode zeewaarts, In vele streken wordt de bodem nimmer gemest en bezigt men de mest tot het aanleggen van dijken, om zich tegen overstrooming tc beveiligen of om het wegspoelen des oevers tegen te gaan; dit ziet men algemeen te Simbirsk bÜ voorbeeld en in de omstreken. Telkens wanneer er regen valt, wordt een gedeelte er van weg genomen en de rivier voert onophoudelijk een deel van dezen lossen bodem zeewaarts. Moge het allczins waar zijn, dat eene zeer groote hoeveelheid dergelijke uitwerpselen voor de visschen doodelijk is, dan staat hier tegenover, dat diezelfde stoffen waar zij verdund in eene groote watermassa worden gevonden, in een uitstekend voedingsmiddel worden herschapen. Maar nog rijkere voedingstoffen vindt de visch in de onmetelijke bies- en rietwouden, welke nabij en in de mondingen der Wolga en Oeral worden gevonden, en die
296
jaarlijks zich meer en meer uitbreiden in de streken dour het rivierwater tijdelijk overstroomd. Moge een groot gedeelte er van door de bewoners dier oorden lot brandstof worden gebezigd, oneindig grooter is de massa, welke, tegen het einde van het zomersaizoen van den wortel afgevallen zijnde, door den stroom naar zee wordt gevoerd. Daar gaat het allengs tot verrotting over en hoewel, zoo veel men weet, geen viscli den dorren stengel eet, dient het riet toch aan ecne tallooze menigte insecten, wormen, slakken en andere dergelijke diersoorten tot woonplaats, welke er hunne eijeren in loggen en eindelijk met de gan-sehe massa verrotten en tot voedsel voor de verschillende vischsoorten strekken. Op die wijze dient dit alles tot bevordering van den groei der vissehen, daarna tot voedsel van de verscheurende soorten onder hen en ten laatste ten nutte van den menseh. Ten einde te waken dat er steeds een voldoend aantal hongerige magen is, om deze massa te verslinden, moet de visch de gelegenheid niet worden ontnomen om de kuit te schieten; vooral behoort de te kleine visch niet te worden gevangen, welke nog geen kuit bezit. In dit opzigt mag het een ongeluk worden ge-heeten, dat do viscli tot voortplanting zijner soort zoo hoog in de rivieren opklimt, of althans de ondiepe plaatsen opzoekt, waar de menseh met list gewapend en door de ervaring geleerd zoo vele en goed slagende middelen bezigt om hem in een verbazend aantal te vangen.
Tot heden is echter nog eene buitengewoon groote hoeveelheid kleinvisch aanwezig, want allerwegc langs de oevers der Wolga tot aan Kasan wordt hij tegen zeer lagen prijs verkocht. Voor CO jaren bedroeg, naar de berekening van Pallas, do waarde van den kleinvisch bijna een derde gedeelte van die der gevangen roodvisschen; thans schat men de, waarde er van op ruim een derde, waarbij echter de hoeveelheid tot eigen verbruik gebezigd, niet in berekening komt. Welligt zal de stoomvaart, welke eerlang op deze stroomen en de Kaspische zee zich zal ontwikkeleiij medewerken tot uitbreiding van dezen tak
297
van nijverheid, hoewel liet niet waarschijnlijk is, dat die uitbreiding een gewigtigen invloed in dit opzigt zal uitoefenen op liet binnenste des rijks.
Koeren wij thans naar ons reisgezelschap terug. Nadat zij getuigen waren geweest van de wijze, waarop de visscherij wordt gedreven in de Tsjagan en door den heer Saposjnikoff met de uitstekendste gastvrijheid waren ontvangen en onthaald, bij welke gelegenheid onder anderen de kaviaar, in hunne tegenwoordigheid bereid, ter tafel kwam, vertrokken zij ten 6 ure met het stoomschip, hetwelk hen ten 1 ure des nachts te Astrakan terugvoerde.
Bezoek bij den Kahnoeksche.i vorst Sered Dsjab. — Niveau der Kaspische zee; snel deden van haren waterspiegel. — De boegors.
Onze reizigers hadden al dat bezienswaardig te Astrakan werd gevonden, naauwkeurig in oogenschouw genomen5 er bleef hun thans nog een wensch onvervuld: zij verlangden namelijk de levenswijze der Kalmooken en vooral van dcu raerkwaardigen vorst Sered Dsjab van naderbij te loeren kennen, die door zijne beschaving en wetenschappelijke kennis zich boven alle andere Kalmoeksche vorsten verheft. Hij is het hoofd der Kalmoeksche horde, die een zwervend leven leidt in do vruchtbare weidevelden, welke zich van de Welga tot aan do Achtoeba uitstrekken, alwaar hij zich ten jare 1770, na de vlugt der Kalmoeken van dc oostelijke steppe, met vergunning dor regering heeft nedergezet. Vorst Sered Dsjab hoeft niet slechts als aanvoerder zijner horde, maar van die der westelijke steppe insgelijks den oorlog tegen de Franschen medegemaakt en Parijs bij die gelegenheid bezocht; hij had den rang van Russisch kolonel en was met verscheidene ridderorden versierd. Na zijn terugkomst had hij zich in de nabijheid der Wolga cene zeer fraaije houten woning doen bouwen door Russische werklieden ; dit huis bewoont hij gedurende den winter, terwijl
299
hij den zomer op de aartsvaderlijke wijze al zwervend onder de tent doorbrengt. Op een geringen afstand van zijn paleis bad hij eenen steenen tempel voor zijne goden doen stichten door do priesters van zijn volk, want alleen door 's priesters hand mag dergelijk werk geschieden.
Dewijl de woning van vorst Sered Dsjab niet ver van de Wolga was gelegen, in de nabijheid van Semenoffskaja, het derde station van Astrakan op den groeten weg naar Sarepta, hadden onze reizigers het besluit opgevat den vorst op de terugreis van Astrakan te bezoeken, want uithoofde van de menigte kanalen en rivieren, welke door den linkeroever zich in de Wolga ontlasten en de landstreek tusschen deze rivier de Aehtoeba doorsnijden, kon de togt langs den linkeroever der Wolga derwaarts niet worden gedaan. Op den 21quot;°quot; October verlieten zij Astrakan in den vroegen ochtend; vergezeld van den heer Ossipoff, staken zij dc Wolga in een bootje over. Aldaar aangekomen, begaven zij zich naar do woning van mevrouw Sawarikin, alwaar zij de aankomst hunner rijtuigen afwachtten, dewijl deze in groote vaartuigen moesten overgebragt worden en daartoe meer tijd bcnoodigd was. Ten 10 ure waren deze aangekomen; kort daarop namen zij afscheid van den heer Ossipoff, nadat zij hem op de hartelijkste wijze hunnen dank hadden gelegd voor de opmerkzaamheid aan hen gedurende hun verblijf in dio oorden bewezen.
Dc terugreis geschiedde langs den weg door hen vroeger reeds gevolgd, welken wij in een vorig gedeelte van ons verhaal hebben loeren kennen. Dewijl deze aanvankelijk zeer zandig is, kwamen zij niet voor den avond te Semenoffskaja aan, welke plaats op 66 mijlen van Astrakan is verwijderd ; aldaar naar Toemenieffka, de residentie van vorst Sered Dsjab, moetende oversteken, bragten zij den nacht in genoemde plaats door. Nog denz'elfden avond van hunne komst aldaar werden zij verwelkomd door prins Seren Norwa, don jongsten broeder van vorst Sered Dsjab, dien hij op het berigt van hunne aankomst tot dat einde naar Semenoffskaja had gezonden, en die wijders in last had onze reizigers bekend te maken,
300
dat zijn broeder de regerende vorst hen verwachtte.. Prins Seren Novwa was een jong man, op de Tsjerkassische wijze gekleed in een korten jas van blaauwe kleur, in het rond met een zilveren galon omzet; voor op du borst waren zakken aangebragt tot hot bergen van patronen. Hij bleef dien nacht te Semenoffskaja en geleidde hen den volgenden morgen in eene boot, met twaalf krachtige Kalmoeken bemand, naar de overzijde dor rivier.
Do nacht was tamelijk koud geweest en zelfs des morgens ten 9 ure, toen zij de rivier overstaken, had de dampkring slechts een warmtegraad van 3° Réaumur. Het water had niet die lage temporatuur, dewijl de thermometer tot 7° 5 Réaumur steeg bij de indompeling in de rivier; de luchtlaag, welke in de onmiddellijke nabijheid der rivier was gelegen, ondervond daarvan de uitwerking, want onze reizigers ontwaarden do fraaiste luchtspiegeling. Dit verschijnsel was zoo buitengewoon duidelijk zigtbaar, dat het schier niet behoefde achter te staan voor de uitstekende voorbeelden, welke zij daarvan gedurende den loop des zomers in de steppe van het Altaï-gebergtc hadden waargenomen. De voorwerpen, welke op zekere hoogte boven den spiegel des waters aan den tegenoverge-steldon oever waren gelegen, vertoonden zich daardoor nog hooger en het onderste boven gekeerd, op gelijke wijze als de voorwerpen zich afspiegelen in het water. Onze reizigers voeren voorbij verscheidene eilanden met populieren begroeid. Op eenigen afstand van den oever lag het vaartuig stil, dewijl er te weinig water stond om de aanligplaats te bereiken. De Kalmoeksche roeijers sprongen terstond daarop in het water, vatteden elkander twee aan twee bij de hand, zoodat zij als het ware een zetel vormden en droegen onze reizigers daarop een voor oen naar den oever. Aldaar aangekomen, vonden zij een rijtuig met vier en een ander met twee paarden bespannen, benevens een groot aantal rijpaarden gereed staan eu door vorst Sered Dsjab derwaarts gezonden, ten einde Humboldt met zijn gevolg af te halen, dat hij zich veel talrijker had voorgesteld, dau het inderdaad was.
301
Nu begaven zij zich naar Toemeniëffka, do residentie van vorst Sered, gelegen op ongeveer twaalf mijlen van do plaats alwaar zij aan wal gestapt waren. Toemeniëffka heeft het aanzien van een Russisch dorp, en bestaat uit cene menigte onregelmatig gebouwde huizen en kibitken, waarboven zich het houten paleis van don vorst verheft. Dit heeft cene lengte van ongeveer 30 el en is twee verdiepingen hoog; de bovenste verdieping springt eenigzins binnenwaarts, rondom welke eene veranda loopt. In het midden van het gebouw verheft zich een glazen koepel. De kibitken, welke in het rond zijn opgeslagen, worden bewoond door Kalmoeken, de bonten woningen daarentegen door Russen, die zich aldaar hebben nedergezet en aan vorst Sered Dsjab onderworpen zijn.
Dj vorst ontving zijne gasten aan de deur van zijn paleis. Hij was een man van middelbaren leeftijd en droeg eene donkergroene koetka als Russisch officier; zijne borst was versierd met een aanmerkelijk getal ridderorden. Nevens hem bevond zich zijn derde broeder, Seren Dandoek ; deze droeg, gelijk het geval was met Scren Nowa de vierde broeder van Sered Dsjab, eene Tserkassischc klccding. Dc tweede broeder des vorsten, Batocr Oebasji, vertoonde zich niet, dewijl hij bedlegerig was, zoo als onze reizigers later vernamen.
Humboldt en zijn gezelschap werden iu eene smalle, lange zaal geleid, in het midden waarvan een billard stond ; langs dc wanden waren mahoniehouten meubelen geplaatst en verder tot versiering groote spiegels en speelklokken aangebragt. Uit deze zaal voerde hun gastheer hen in een aangrenzend vertrek van geringcren omvang; Humboldt en vorst Sered Dsjab namen aldaar plaats op cene canapé, bekleed met rood Perzisch leder, welk meubel tegenover de ranu-a van het vertrek was gesteld. De overige gasten zetteden zich op mahoniehouten stoelen, wier kussens waren overtrokken met Perzische zijde en geplaatst waren rondom cene groote ronde tafel, welke voor de canapé stond. Tegenover de canapé hingen de welgelijkende afbeeldsels van den keizer en de keizerin in olieverw
302
gescliildei-cl. Vorst Sercd sprak liet Russiscli zeer vloeijend en onderhield zicli met Humboldt door tussclicnkomst van de heeren Mensjenin en Stranack; de laatstgenoemde bad zich derwaarts begeven, ten einde Humboldt nogmaals te zien en van hom afscheid te nemen in de grensplaats van het gouvernement. Het onderhoud had nog niet lang geduurd, toen het eensklaps werd afgebroken door de onverwachte komst van een rijk gekleed jongman van Mongoolschcn gelaatsvorm, maar die zeer beschaafd was; hij was khan Dsjangir, het hoofd van de Kirgizenhorde, welke binnen de Russische grenzen woont. Ilij was vergezeld van een talrijk gevolg. Men vernam mi, dat hij zijn nabuur Sered D.sjab een bezoek willende geven, gehoord had dat Humboldt aldaar werd verwacht eu ten einde ook dezen te ontmoeten, zijn vertrek een paar dagen had uitgesteld. Ilij droeg een gewaad van blaauw laken, dat op de borst geheel open stond, benevens een naauw sluitend kleed van dezelfde stof, hetwelk met een breeden gordel om het lijf vastgemaakt en voor op de borst geopend was, zoodat men een gedeelte kon zien van het rijk met zilverdraad gestikte vest, benevens de groote gouden medaille, met brillanten omzet, welke hij van den keizer had ontvangen. Wijders droeg hij een wijden pantalon van violetkleurig fluweel en op het hoofd eene spits toeloopende muts van blaauw laken, waarover hij bij het heengaan nog een andere zette van rood fluweel, welke hij bij het binnenkomen in het vertrek in de hand hield. Ook hij sprak het Russisch zeer vloeijend, verstond daarenboven nog Perzisch en Arabisch, in welke laatstgenoemde taal professor Ehrenberg terstond een gesprek met hem aanknoopte. Vorst Dsjangir gaf nu zijn leedwezen te kennen, dat Humboldt zijne reis van Oren-burg niet genomen had door de streek, welke zijne stammen bewoonden, er bijvoegende dat hij dit vroeger gehoopt had. Met het oog daarop was het, dat hij voor cenigen tijd een groot aantal paarden in de steppe op verscheideno stations had doen gereed houden, ten einde de reis vau Humboldt te vergemakkelijken. Humboldt sprak hem vervolgens van zijn voormaligen leermeester Karelin te
303
Orenburg, dien hij gedurende langen tijd in de steppe bij zich had gehad en voor wien hij de meeste achting scheen te koesteren. Gedurende hot onderhoud werd koemis of tsjigan, gelijk de Kalmoeken de gegiste paardenmelk noemen, in glazen op een verlakt blikken presenteerblad aan de gasten aangeboden.
Nadat onze reizigers eenigen tijd in het paleis van vorst Öered Dsjab hadden vertoefd, bezochten zij in gezelschap van hunnen gastheer en do overige Kirgizen den tempel, alwaar op last van Sered Dsjab eene plegtige dienst zou worden verrigt, ter viering van den gelukkigen afloop des oorlogs door den keizer tegen de Turken gevoerd. Deze tempel, op eenigen afstand van de vorstelijke woning gesticht, is langwerpig vierkant en met een dak in den Japanschen stijl gedekt. De ingang wordt gevonden aan eene der smalle zijden, van waar zich ter wederzijde boogvormige zuilengangen uitstrekken, gelijk het geval is met de Kasankerk te St. Petersburg. Hoewel overigens streng naar het model dor tempels in Thibet gebouwd, had vorst Sered Dsjab er deze verfraaijing naar eigene vinding aan doen toevoegen.
Het binnenste des tempels had in de rangschikking der voorwerpen en afzonderlijke deelen van het gebouw groote overeenkomst met het binnenste van denKalmoek-schen tempel, welken de reizigers bij gelegenheid hunner uitreis in do nabijheid van Astrakan hadden bezocht; het eenige onderscheid bestond hierin, dat in dezen tempel alles op eene grootere schaal was aangelegd. Het inwendige gedeelte des tempels was zeer goed verlicht, de ramen bevonden zich in do muren der beide lange zijden van het vierkant en de wanden waren zeer net gewit. In dezelfde rigting strekte zich, ter wederzijde van do deur, eene rij vierkante pilaren uit in de gansche lengte des tempels, ten gevolge waarvan de binnenruimte was verdeeld in drie deelen, twee naar buiten gekeerd en een als het ware hel schip van het gebouw. Het middenschip was vrij wat langer dan de beide zijwaarts ge-keerden gangen, ten gevolge waarvan dit gedeelte aan het einde
304
tamelijk somber werd. Hier in dit gedeelte bevond zich, tegenover den ingang, liet altaar met de piramidale opzet-tafel, waarop de afgoden waren geplaatst, ter eere van welke men lichten had ontstoken. Aan do wanden der zijwaarts gelegen af'deelingen des tempels hingen tusschen en onder de ramen afbeeldingen der goden, van de boc-chanen of goede geesten, van D.sjagsjaïmoeni, Abida en Maïdarin; deze zaten met de beenen over elkander geslagen in eene biddende houding, terwijl Erlik-Khan, de booze geest, in eene dreigende houding stond. In het middengedeelte des tempels zaten ook hier de priesters, gelijk in don tempel bij Astrakan, in twee rijen met de beenen onder zich, en het gelaat naar elkander gekeerd, spelende op instrumenten, waarmede zij even ate de vroeger vermelden een geducht misbaar maakten. In elke rij zaten zes priesters, in een lang, bont gewaad gedoseht, dat hun eene buitengewone statigheid gaf; op het hoofd droegen zij zeskante, spits toeloopende mutsen met omgebogen randen. Deze rand was uitgesneden, in den vorm van Gothisehe kerkramen; op elk der spitse punten was het beeld van een afgod geschilderd. De lama, die ter regterzijde van liet altaar zat, had eene schel in de hand, de gelloengs bekkens en pauken voor zich op bijzondere voetstukken of gestellen, kleine regte hoorns en groote schelpen. De muziek, welke met deze instrumenten werd gemaakt, was des te oorverdoovender, dewijl in elk der buitenwaarts gekeerde afdeelingen des tempels twee gelloengs zaten, niet het gezigt naar den ingang gcrigt, die elk op eene trompet bliezen, welke ongeveer acht voet lang waren en uithoofde van hare buitengewone grootte op eene soort van voetstuk rustten.
Deze muziek, welke zich afwisselend met gezang deed hooren, schalde onze reizigers reeds uit de verte te ge-moet en duurde nog een geruiinen tijd nadat zij den tempel reeds waren binnengetreden, alwaar zij, met vorst Sered Dsjab aan het hoofd, in het middengedeelte des tempels tusschen de priesters bleven staan en toeluisterden. Om den mond van khan Dsjangir speelde een glimlach, dewijl
305
hij, een Mahommedaan, tliope verachting koesterde voor het Boedhaïsmns. Terwijl de priesters op de vroeger vermelde wijze muziek maakten, stond een der gelloengs op, nam een wierookvat van den voet des altaars, bewierookte het en hield het vat daarop voor het gelaat van elk der priesters. Toen deze plegtigheid geëindigd was, sprak de vorst een paar woorden met den lama, waarop de muziek weder aanving en dc ganschc dienst werd herhaald.
Reeds voor onze reizigers zich naar den tempel begaven, had Humboldt aan vorst Sered Dsjab den wensch te kennen gegeven om de bereiding van brandewijn uit koemis of verzuurde paardenmelk van naderbij te leeren kennen. Op last des vorsten zou eene dergelijke destillatie, in tegen-woordigheid van liumboldt, plaats hebben. Terstond na den afloop der godsdienstplegtigheden geleidde de vorst liumboldt cn dc overige reizigers naar de kibitke, waarin alles tot dat einde niet slechts in gereedheid was gebragt, maar met het destilleren reeds een aanvang was gemaakt.
In het middengedeelte der kibitke had men een vuur aangelegd, waarover een drievoet was geplaatst; hierop stond een lialf'kogclvormigc ijzeren ketel, met de koemis. Het houten deksel was voorzien van twee kleppen; in een der kleppen was eene, in de andere klep twee ronde openingen. Dc eerste diende om koemis in den ketel te gieteiij terwijl uit dc beide anderen gebogen houten buizen geleid waren naar twee ronde ijzeren potten, staande in eene kuip met koud water, welke als koelvat diende. De landen en dc kanten langs het deksel cn de ijzeren dcstil-leerketel, benevens de openingen, door welke dc ketel werd gevuld, waren luchtdigt gemaakt met een mengsel van paardenmest en aarde. De opening werd echter niet digt gestopt dan nadat do melk reeds aan het koken was; hierop werd het vuur onder den ketel verminderd. liet eerste kooksel, dat men op die wijze verkrijgt, heeft eene bruinachtige kleur, smaakt sterk naar aardappelcngenevcr en wordt araca genoemd. Dit wordt andermaal gedestilleerd, waardoor inen een blanker vocht verkrijgt, dat veel sterker is dan het eerste, maar toch nog cenigzins den
IV. 20
308
koffij rondgediend, waarna onze reizigers buitengewoon tevreden over de eigenaardige genoegens, welke zij dien dag hadden gesmaakt, afscheid namen van vorst Sered Dsjab en de terugreis aanvaardden. Bij hun vertrek schonk de vorst aan Humboldt eene flesch araca en vier ilesch arsa, waarom hij vroeger reeds had gevraagd; vorst Sered Dsjab voegde er eene lederen flesch bij tot aandenken van het bezoek. Hierop werden zij over de Wolga gezet, waarop zij in de equipages des vorsten, welke vooraf reeds aan de overzijde der rivier in gereedheid waren gesteld, naar Seroglasins-kaja, het vierde station voorbij Astrakan reden, tot waar zij door den jongen prins Seren Dandoek werden begeleid. Op die plaats vonden zij hun rijtuig, waarmede zij nu de terugreis bij het aanbreken van den nacht voortzetteden. Zij hadden zich allen goed in de pelsen gewikkeld, dewijl er eene gevoelige koude heerschte, want de winter naderde met rassche schreden. ,
De volgende dagen was de bodem reeds met sneeuw bedekt. Onze reizigers volgden tot ïsaritsin den weg op den togt herwaarts bereden, en passeerden de waterscheiding tusschen de Wolga en de Don. Dewijl de groote weg naar Moskou niet tot aan de Don loopt, maakten onze reizigers een uitstapje derwaarts, zoodra zij do Stanitka Tisjanskaja hadden bereikt; dit geschiedde met het doel om aldaar den stand des barometers waar te nemen. Deze was de laatste der vele barometermetingen, welke zij langs de gansche uitgestrektheid der Wolga op de uit- en te huisreis tot aan dit punt hebben gemaakt; die waarnemingen waren geschied met het doel om zoo veel doenlijk bij te dragen tot de beantwoording der vraag nopens de betrekkelijke hoogte van het niveau der Kaspische zee. Deze waarnemingen werden later vergeleken met de observation gelijktijdig te Kasan verrigt, waaruit scheen te blijken, dat er in verre na niet een zoo groot verschil in hoogte van niveau tusschen de Kaspische zee en den Atlan-tisehen oceaan bestaat als het geval schijnt te zijn volgens de barometer-waarnemingen ten jare 1811, tusschen de Kaspische en de Zwarte zee, gedaan door Parrot en Engeihardt.
309
Toch was het verschil in niveau nog zoo groot, dat ITumboldt later aarzelde om de nieuwe metingen in 1829 door Parrot verrigt, volgens welke er schier geen verschil in niveau zou aanwezig zijn, als juist te beschouwen, ja, ge-wigtige bedenkingen daartegen maakte, liet vraagstuk is eindelijk opgelost. Ten jare 1837 hebben G. von Fuss, Solier en Sawitsj, op last van keizer Nicolaas, liet terrein tusschen de Zwarte en de Kaspische zee trigonometrisch opgenomen. Hieruit is toen gebleken, dat het niveau der Kaspische zee 76, 32 Par. voet lager ligt dan het niveau der Zwarte zee. ')
Wij twijfelen niet ot' het zal den lezer aangenaam zijn hieromtrent een moer uitvoerig overzigt te erlangen; tot dat einde doelen wij een uittreksel mede uit de medodeelingen van don heer von lïaor met betrekking tot de jongste onderzoekingen door hem in het werk gestold. Zij zijn getrokken uit zijne: Studiën betrotfonde de Kaspische zee, het snel dalen van zijn waterspiegel en do boegors.
Een in het oog loopend bewijs voor de stelling, dat het niveau dor Kaspische zoo eene groote verandering hooft ondergaan, ligt hierin opgesloten. Wanneer men de steile, vooruitspringende rotswanden gadeslaat, ontwaart men ton duidelijkste, dat de branding der zee sporen heeft nagelaten in iiot gesteente boven de lagen, tot waar de branding thans reikt, lleods Murchison heeft melding gemaakt van do zonderlinge uitholingon, door do kracht dor golven te weeg gebragt. Dit verschijnsel bemerkt men voornamelijk aan de voorbergen van den grooton Bogdo, welke uit zandsteen bestaan. Het schijnt, dat zij niet enkel hot gevolg zijn van de kracht der golven, maar dat harde stoenbrokken daarin zijn omgedraaid en mot kracht langs gestuwd. Rolsteenen zijn hier nergens in een wijdon omtrek te vinden ; evenmin grootere steenbrokkon, zoo als op het gebergte in Finland worden aangetroffen. Deze
') Men vergelijke Humboldt's Centralasien, ïh. 2 S. 432 eu volg.
over liet it iiralo-caspiscUe Beeken,quot; en wijders u Berraerkungen über das aralo-easpische Beeken, door Willi. Mablmann, Th. 4, S. 351 cn volg.
306
ouden smaak heeft behouden. Dit laatste wordt arsa geheeten.
Do Kalmoeken bezigen echter niet uitsluitend koemis, namelijk, verzuurde melk om brandewijn uit te stooken. Des winters, wanneer de menies weinig melk geven, bedienen zij zich tot dat einde insgelijks van verzuurde koeijemelk, welke zij arjen en den brandewijn, daaruit bereid, dien zij araca heeten. Deze soort van brandewijn is niet slechts veel zwakker, maar hij wordt insgelijks in geringere hoeveelheid uit de koeijemelk verkregen, want uit G wedro (1 wedro =: 12 N. kan) tsjigan of koemis (verzuurde paardenmelk) wordt 4 wedro araca gestookt en uit 9G stuff araca 8 stoff arsa, derhalve uit 72 malen tsjigan 1 maat arsa.
Het bereiden van de koemis of tsjigan geschiedt op de volgende wijze: zoodra de melk is gemolken, wordt zij in een zak van schapenvel gegoten en voortdurend geroerd. Gewoonlijk is dc onreinheid van den lederen zak op zich zelve reeds voldoende om de melk te doen verzuren; veelal Iaat men oene geringe hoeveelheid koemis in den zak, ten einde het zuur worden der versche melk te bevorderen. Do tsjigan, welke met inachtneming der vereischte zindelijkheid is bereid, hoeft slechts een eenigzins zuurachtigcn, zeer aangenamen smaak en moet, naar men verzekert, buitengewoon voedzaam zijn. Do araca uit koeijemelk gestookt, is naar men zegt drabbig en minder smakelijk dan dc arsa uit paardenmelk bereid.
Sered Dsjab is een hartstogtelijk beminnaar der jagt, voornamelijk der valkenjagt, tot welk einde hij een aantal dienaren houdt, wier eenige bezigheid is het afrigten van valken. Dewijl Humboldt aan vorst Sered Dsjab den wensch bad te kennen gegeven om ook deze soort van jagt meer in dc bijzonderheden te lecren kennen, gaf dc vorst bevel om een valk en een zwaan voor te brengen, ten einde cene jagt in het klein te goven. Naauwelijks had men den valk laten vliegen, of deze steeg hoog op in do lucht, maar op bet zien van de zwaan daalde hij met bliksemsnelheid neder, sloeg met den snavel met
307
zoo veel gewold op den kop van de zwaan, dat Lij haar stellig zou gedood hebben, indien men do voorzorg niet had gebruikt den kop der zwaan met ccn dikken wollen doek te omwinden. Ja, ook dit middel bleek niet voldoende te zijn om de zwaan te redden, zoodat men genoodzaakt was om hom uit de klaauwen van den vogel te bevrijden.
Nadat onze reizigers nog den boomgaard achter het paleis gelegen, bezocht en de arjamaks of Boegaarsche renners in oogenschouw hadden genomen, die een voor een uit den stal werden geleid, keerden zij naar het paleis terug. Zij begaven zich nu naar eene zeer ruime zaal nevens de billardzaal, alwaar de tafel tot hunne ontvangst was gedekt. De vorst en zijne beide broeders, een Rus, secretaris van vorst Sered, Khan Dsjangir en natuurlijk Humboldt en zijne reisgenooten waren de eenigen, die daar eene plaats namen; het gevolg van den khan gebruikte het middagmaal in het naastbij gelegen vertrek. De vrouwen van vorst Sored, en in het algemeen de Kalmoeksche vrouwen, hielden zich schuil. De beide broeders van den vorst sneden voor. De spijzen waren op uitstekende wijze toebereid, want vorst Scred had een kok in zijne dienst, die zijn vak door en door verstond; de tafel was dan ook geheel en al op de Europesche wijze ingerigt. Onder al de geregten bevond er zich slechts een, dat een Kalmoeksche kost mogt genoemd worden, namelijk een isjkizen machan, bestaande uit fijn gesneden en gekookt schapen-vleesch. Zoodra de sterledsoep was gebruikt, werd dit geregt voorgediend. Champagne, benevens andere Fransche en inlandsche wijnen waren in overvloed op tafel. Gedurende den maaltijd voerde een muziekkorps, bestaande uit Kalmocken, met een Russischen kapelmeester aan het hoofd, ouvertures uit van Mozart, Rossini en andere componisten, benevens marschen en dansmuziek. Do vaardigheid der muziekanten verdiende zeer te worden geprezen; de Europesche muziekinstrumenten met zoo goed gevolg door Kalmocken te zien bespclen; leverde inderdaad een vreemd schouwspel op. Nadat de maaltijd was afgeloopen, werd
308
koffij rondgediend, waarna onze reizigers buitengewoon tevreden over de eigenaardige genoegens, welke zij dien dag hadden gesmaakt, afscheid namen van vorst Sered Dsjab en de terugreis aanvaardden. Bij hun vertrek schonk de vorst aan Humboldt eene flesch araca en vier flesch arsa, waarom hij vroeger reeds had gevraagd; vorst Sered Dsjab voegde er eene lederen flesch bij tot aandenken van het bezoek. Hierop werden zij over de Wolga gezet, waarop zij inde equipages des vorsten, welke vooraf reeds aan de overzijde der rivier in gereedheid waren gesteld, naar Seroglasins-kaja, het vierde station voorbij Astrakan reden, tot waar zij door den jongen prins Seren Dandoek werden begeleid. Op die plaats vonden zij hun rijtuig, waarmede zij nu de terugreis bij het aanbreken van den nacht voorfzetteden. Zij hadden zich allen goed in de pelsen gewikkeld, dewijl er eene gevoelige koude heerschte, want de winter naderde met rassche schreden. ,
De volgende dagen was de bodem reeds met sneeuw bedekt. Onze reizigers volgden tot Tsaritsin den weg op den togt herwaarts bereden, en passeerden de waterscheiding tusschen de Wolga en de Don. Dewijl de groote weg naar Moskou niet tot aan de Don loopt, maakten onze reizigers een uitstapje derwaarts, zoodra zij de Stanitka Tisjanskaja hadden bereikt; dit geschiedde met het doel om aldaar den stand des barometers waar te nemen. Deze was de laatste der vele barometermetingen, welke zij langs de gansche uitgestrektheid der Wolga op de uit- en te huisreis tot aan dit punt hebben gemaakt; die waarnemingen waren geschied met het doel om zoo veel doenlijk bij te dragen tot de beantwoording der vraag nopens de betrekkelijke hoogte van het niveau der Kaspische zee. Deze waarnemingen werden later vergeleken met de ob-servatiën gelijktijdig te Kasan verrigt, waaruit scheen te blijken, dat er in verre na niet een zoo groot verschil in hoogte van niveau tusschen de Kaspische zee en den Atlan-tischen oceaan bestaat als het geval schijnt te zijn volgens de barometer-waarnemingen ten jare 1811, tusschen de Kaspische en de Zwarte zee, gedaan door Parrot en Engelhardt.
309
Toch was het verschil in niveau nog zoo groot, dat Humboldt later aarzelde om de nieuwe motingen in 1829 door Parrot verrigt, volgens welke er schier geen verschil in niveau zou aanwezig zijn, als juist te beschouwen, ja, ge-wigtige bedenkingen daartegen maakte. liet vraagstuk is eindelijk opgelost. Ten jare 1837 hebben G. von Fuss, Solier en Sawitsj, op last van keizer Nicolaas, het terrein tusschen de Zwarte en de Kaspische zee trigonometrisch opgenomen. Hieruit is toen gebleken, dat het niveau der Kaspische zee 76, 32 Par. voet lager ligt dan het niveau der Zwarte zee. 1)
Wij twijfelen niet of het zal den lezer aangenaam zijn hieromtrent een meer uitvoerig overzigt te erlangen; tot dat einde deelen wij een uittreksel mede uit de mededeelingen van den heer von ]5aer met betrekking tot de jongste onderzoekingen door hem in het werk gesteld. Zij zijn getrokken uit zijne: Studiën betrctfende de Kaspische zee, het snel dalen van zijn waterspiegel en do boegors.
Een in het oog loopend bewijs voor do stelling, dat het niveau der Kaspische zee eene groote verandering heeft ondergaan, ligt hierin opgesloten. Wanneer men do steile, vooruitspringende rotswanden gadeslaat, ontwaart men ten duidelijkste, dat de branding der zee sporen heeft nagelaten in het gesteente boven de lagen, tot waar de branding thans reikt. Reeds Murchison heeft melding gemaakt van de zonderlinge uitholingen, door de kracht der golven te weeg gebragt. Dit verschijnsel bemerkt men voornamelijk aan de voorbergen van den grooten Bogdo, welke uit zandsteen bestaan. Het schijnt, dat zij niet enkel het gevolg zijn van de kracht der golven, maar dat harde steeTibrokkcn daarin zijn omgedraaid en met kracht langs gestuwd. Rolsteenen zijn hier nergens in een wijden omtrek te vinden ; evenmin grootere steenbrokken, zoo als op het gebergte in Finland worden aangetroffen. Deze
') Men vergelijke Humboldt's Centralasien, Th. 2 S. 432 en volg.
over liet ti aralo-caspisclie I3ecken,quot; en wijders n Bermerkungea über das
aralo-easpische Beeken, door AVilb. Malilmann, Th, 4, S. 351 en volg.
310
holen loopen niet door tot onder in de rots, maar worden alleen op zekere, hoogte boven den waterspiegel gevonden. Ook do rotsen, waarop de vesting Nowo Petroffsk op hot scbiereiland Mangisjlak ligt, duiden aan, dat de oppervlakte der zee vroeger hooger was dan thans. Zij zijn doormiddel van eene breede kloof van het eigenlijke plateau gescheiden en vóór de rotsen strekt zich een laag voorland in zee uit. Toen derhalve het vlak dor wateren van de Kaspische zee veel hooger was dan thans, moet deze rots een rif hebben gevormd. Zoo als overal elders wordt opgemerkt, dat de wanden van dergelijke riffen meerendeels diepe groeven hebben als waren zij uitgeknaagd, ditzelfde verschijnsel ziet men insgelijks hier; zuidwaarts rijst eene vaste rotsmassa op, ten noorden waarvan eene reeks kogelvormige rotsen zich verheffen, wier omvang afneemt, naar gelang zij verder zijn verwijderd van de hoofdmassa, welke het zuidelijke uiteinde vormt. Uit het vroeger gemelde blijkt nu wel, dat de kracht der baren daarop invloed heeft uitgeoefend, maar hieruit laat zich nog niet met zekerheid een besluit opmaken nopens do hoogte tot waar het niveau der zee vroeger reikte. Beschouwt men de noordelijk gelogen lagere rotsen van naderbij, dan ontwaart men dat de kruinen geheel glad zijn als of baren, zand en rotsbrokken gedurende vele eeuwen er over heen hadden gespoeld. Hetzelfde verschijnsel wordt men ins gelijks gewaar bij alle andere lage gedeelten- der in zee uitstekende rotsen van Nowo Petroffsk, voor zoo verre die aan de werking der baren zijn blootgesteld geweest. Het hooger oprijzende gedeelte schijnt mij tot op zeker punt slechts de sporen te dragen, dat het water er invloed op heeft uitgeoefend, hetwelk mij bleek aan dc gladheid der oppervlakte en het uitspoelen van do zachtere rotslagen. liet scheen mij toe, dat do oorzaak van dit verschijnsel in de branding dor baron moest gezocht worden.
Buitendien komt het mij voor, dat het dalen van den waterspiegel der Kaspische zee betrekkelijkerwijze zeer snel is geschied en gepaard hoeft gegaan met geduchte verschijnselen. Met reusachtig schrift staat dit hier in het
311
rond gesclircvcn en ik vraag mij zeiven telkens af: hoe is het mogelijk, dat zoo vele schrijvers zich hebben bezig gehouden met de Kaspische zee en don toestand, waarin zij vroeger zal hebben verkeerd, cn dat niemand van hen, zoo ver ik weet, op die onuitwischbare teekenen gelet of den zin er van gevat heeft. Hetgeen ik hier bedoel zijn de evenwijdig gerigte heuvelen, welke zich zoo zeer in de lengte uitstrekken cn gevormd zijn uit vasten steppebodem ; zij worden vooral digt bij oen gevonden ter plaatse, waaide oevers der Kaspische zee het vlakke land tusschen de Dunsche hoogsteppe cn de voorbergen van den Kaukasus naderden, liet meest echter tegenover het westelijke uiteinde van het Manysj-dal. Dc mij opgedragen last heeft mij tot heden 1) niet veroorloofd hetTgansche verslag omtrent de ligging en den vorm dezer zoo eigenaardige heuvelen na te gaan. Ik wenseh derhalve vooreerst hieromtrent in geen dieper onderzoek te treden, maar er nog slechts dit bij te voegen: dat zij als de duidelijke bewijzen mogen beschouwd worden voor de juistheid der vroeger reeds medegedeelde bewering: dat de Kaspische zee in der tijd eeno snelle rijzing en daling van niveau heeft ondervonden, welke heeft plaats gehad door de Kama Manysj-valloi. Hierbij moet echter in hot oog worden gehouden, dat het afstroomen des waters langs dien weg misschien verscheidene weken of maanden hoeft geduurd. Of dit afstroomen is veroorzaakt geworden door do opheffing van het oostelijke of van eenig ander gedeelte van het bekken, door het snel dalen der Zwarte zoe of ten gevolge van eene andere oorzaak, hieromtrent zou ik wolligt oen oordeel durven vellen, indien alle omstandigheden, welke daarbij in aanmerking behooren genomen te worden, mij met juistheid bekend waren.
Vooraf moet worden medegedeeld, waarin het eigenaardige dier heuvelen bestaat. Indien men zich op een der
') Het verslag van den heer von Baer, medegedeeld in de wetenschappelijke bijvoegsels van het Journal de St. Petersbourg, is gedagtcekend: Astrakan 30 November, 1854.
312
Wolga armen bevindt en vooral indien men den weste-lijksten arm, liet tegenwoordige vaarwater voor groote schepen bevaart, bespeurt men zoo wel ten oosten als ten westen van zich, maar voornamelijk aan deze zijde, eene menigte heuvelen, die niet met langzame glooijing, maar eensklaps uit de vlakte oprijzen. Zij zijn allen langwerpig van vorm; de lengteassen dier heuvelrijen loopen bijna evenwijdig ten opzigte van elkander en zijn in deze streek ongeveer van liet westen naar het oosten gerigt. De naar de Wolga toegekeerde einden zijn bij zeer veien steil, en hetgeen bijzonder de opmerking verdient en mij gedurende geruimen tijd onverklaarbaar bleef, is dat die einden bijna altijd hooger zijn dan de anderen. De lengte dezer heuvelen is gemeenlijk '/2 * 3 mijlen ; de korteren zijn veelal vrij steil. Verder westwaarts vindt men heuvelen ter lengte van 5 a 7 en meer mijlen. De breedte is altijd geringer dan de lengte en hetgeen niet minder opmerkenswaardig is, de breedte schijnt tamelijk naauwkeurig af te hangen van de hoogte. Volgens oogmaat schijnt het mij toe, dat de hoogte der doorsnede, genomen aan de zijde, welke naar de Wolga is gekeerd, op Vso gedeelte van de basis mag geschat worden. De absolute hoogte verschilt onderling, maar indien men eenige heuvelen van geringere hoogte en een paar, dat zich verre boven de anderen verheft, van de massa uitzondert, dan hebben zij bijna allen eene gelijke hoogte op het oog gezien. Beneden Astrakan zullen zij algemeen iets minder of iets meer dan vier vademen hoog zijn, een gering gedeelte iets meer dan G vademen; komt men veel verder westwaarts, dan rijzen zij 8 a 10 vademen hoog. Boven Astrakan daarentegen zijn zij meerendecLs slechts 3 vademen hoog, ja, nog minder. ') Allen hebben zij een breeden rug en dalen met zachte glooijing naar allo
') Slechts een enkele der Wolgasehc heuvelen is door mij gemeten, namelijk, de Krasnoï Boegor, die door een der armen van de quot;Wolga bijna loodregt is doorsneden. Voor dat ik hem had gemeten, was deze hoegor op het oog geschat op eene hoogte van 4 vademen; bij de meting bleek de boogie '/n minder tc zijn.
313
zijden afwaarts. Uithoofde van den broeden, gewelfden rug is het veelal moeijelijk de strijkingslinic met juistheid te bepalen, dewijl de middellijn niet duidelijk in het oog valt. liet best laten zij zich vergelijken met golven, die niet door een storm tot stortbaren zijn opgezweept, maar door een zaehten wind zijn ontstaan, of door een breed voorwerp, hetwelk in het water wordt voortgestuwd. Van daar komt het, dat zij allen in vorm en grootte van nabij met elkander overeenkomen. De lagere heuvelen zou men mogen vergelijken met minder hooge golven; misschien is die geringere hoogte slechts schijnbaar, doordien de voet verder met aarde is bedekt. Inderdaad ziet men beneden Astrakan dat de bodem, welke de tussehenruimten vult, geheel en al verschilt van de massa der heuvelen zeiven. Hei spreekt wel van zelf, dat men ze niet moet beschouwen als volkomen gelijk van hoogte. Zoo is Astrakan, bij voorbeeld, gebouwd op verscheidene dergelijke heuvelen van geringe hoogte, welke digt nevens elkander oprijzen en allen van het oosten naar het westen zijn gerigt; deze opmerking was reeds door Gmelin gemaakt, die een naauw-keurig opmerker is geweest.
Deze heuvelen worden hier te lande boegry geheeten, want boegor, in het meervoud boegry, beteekent in de Russische taal in het algemeen: een heuvel. Dewijl deze heuvelen onderling allen op elkander gelijken, zal ik mij van dit woord bedienen om deze in de lengte zeer ontwikkelde en gelijkvormige heuvelen aan te duiden. Zij houden bij Astrakan niet op, maar verheffen zich nog mijlen ver stroomopwaarts langs do Wolga-oevers, maar niet op do eilanden in de rivier gelegen, waar ullc hoogten gelijk men vooraf mag verwachten, zich uitstrekken in de rigting van het stroombed; deze heuvelen bestaan uitsluitend uit los zand. Geen dorp, geen poststation is aan den regteroever der rivier gelegen, dat niet op een dergelijken boegor is gebouwd. In de nabijheid van Seroglasinskaja, op een afstand van 85 mijlen ten noorden van hier, kan men dezen terrein-vorm nog duidelijk ontwaren. Digter bij Astrakan wordt de bodem zandig met zeer onregelmatige heuvelen van
314
stuifzand, welke ongetwijfeld zijn ontstaan uit oorspronkelijk evenwijdig loopende heuvelen, welke insgelijks zich in de lengte uitstrekten, maar later dour den wind zijn verstoven. Aan gene zijde van Jenotajcwsk, waar do grond vaster en allerwege begroeid is, ontwaart men weder dergelijke evenwijdig loopende heuvelen, welke langwerpig van vorm zijn; deze bereiken echter niet do hoogte dei-vroeger vermelden, rijxen niet geheel afzonderlijk op en doen een golfvormig terrein ontstaan, dat zich tamelijk ver uitstrekt. Hier is het, naar het mij toeschijnt, dat de boegors ophouden, want reeds lang voor men Tsjernoï jar bereikt, is het terrein der steppe geheel effen, afgewisseld met eene door diepe beken doorsneden vlakte.
Het eigenlijke boegor terrein wordt westwaarts van de hoofdarmen der Wolga gevonden, dat zich uitstrekt naar do westkust der zee in de rigting dor Koema. Hier vormen zij eene lange reeks eilanden in zee, verheffen zich in digt nevens elkander oprijzende heuvelrijen op het vasteland. Daar tusschen worden smalle rivieren en beken gevonden, welker bronnen 30 a 40, ja, somtijds 60 mijlen ver landwaarts in liggen; de waterstand dezer beken en kanalen rijst nu eens ten gevolge van het water, dat er instroomt van den kant der Wolga, waarmede zij van de noordzijde in regtstreeksche verbinding zijn, dan weder van de zijde der zee, wanneer daar het niveau ten gevolge van aanhoudenden wind is gerezen. Dit heeft vooral plaats in de zuidelijke beken. Beziet men deze oorden, dan schijnt het als waren zij met eene reusachtige ploeg doorsneden, of als had iemand met den vinger in eene wecke massa diepe voren getrokken, zonder naauwkenrig acht te geven, dat daarbij de regte rigting in het oog werd gehouden, want menigwerf gebeurt het, dat deze voren in elkander uitloopen. Deze kanalen kan men op elke kaart, welke niet op te geringen maatstaf is vervaardigd, vrij duidelijk waarnemen. Pallas, bij voorbeeld, heeft er herhaaldelijk en zeer uitvoerig melding van gemaakt. Opmerkelijk is het, dat men echter over het hoofd schijnt te hebben gezien, dat de bocgors het kenmerkende karakter
315
aan het terrein jjevcn en er regelmatig voorkomen. De bovenvermelde kanalen worden hier ilmeny geheeten; eigenaardiger zou het, naar mijn oordeel zijn, er de benaming van limanen aan te geven, — onder de benaming van ilmeny wordt insgelijks iets geheel anders verstaan, namelijk, de laagten welke de Wolga van tijd tot tijd onder water zet —, vooral daar wij de lange, smalle nevenbogten der zee vroeger rc-eds limanen hebben geheeten, indien zij zich uitstrekken in een vlak terrein; de benaming fiorda wordt daarentegen gewoonlijk gegeven aan dat gedeelte 'der zee, hetwelk zich uitstrekt tussehen ver van elkander oprijzende rotsgevaarten, hier en daar met onregelmatige spleten in do afzonderlijk zich verheffende rotsen. Deze limanen vereenigen zich en loopen slechts hier en daar in een, ter plaatse waar een boegor ophoudt. Hieruit volgt dan ook, dat de limanen veel ongeregelder van vorm zijn dan de boegors, hetgeen voornamelijk het geval is met, de noordelijk gelegen limanen, welke zeer ongelijk van breedte zijn, indien men slechts het oog vestigt op de watervlakte, want die dezer noordelijk gelegen limanen bestaat niet zoo zeer uit een gelijkmatig kanaal dan wel uit eene reeks kleine meren, door middel - van kanalen met elkander verbonden, welke zoo smal zijn, dat men er bij laag water overheen springen kan.!) De oorzaak hiervan is, dat de bovenste limanen zeer veel zand hebben afgezet, dat gedeeltelijk van den voet der boegors afgestroomd, gedeeltelijk echter met het water der Wolga aangevoerd en alhier bezonken is. Modder daarentegen vindt men meer in de wijdere gedeelten, in de meren. Daalt de waterspiegel, dan komt een stroom uit een hooger westwaarts, naar een lager oostelijk gelegen
') In liet Kussisch heet men ilmeny alleen het wijde gedeelte der kanalen ; de naauwe gedeelten, welke gene met elkander verbinden, worden jeriki genoemd. Onder de benaming liman versta ik eene reeks meren, door raiddel van kanalen met elkander verbonden; naar gelang men digter bij de zee komt, neemt het onderscheid tussehen meren en kanalen racer en meer af. Eene kaart zon zeer geschikt zijn om den lezer een denkbeeld daarvan te geven, maar daarbij behoort tevens, dat zij op groote schaal zij vervaardigd.
316
meer. Van tijd tot tijd gebeurt het, dat het voortdurend ginds en herwaarts gevoerde zand den toegang tot een dier meren verspert, ten gevolge waarvan het, van allen nieuwen toevoer verstoken, eindelijk, geheel uitdampt en verdroogt. Hoe lager het terrein in de rigting van het zuiden wordt; des te meer breedte verkrijgen de limanen. Hieraan moet het dan ook worden toegeselireven; dat men verder zuidwaarts in den waren zin des woords een archipel aantreft van smalle, maar lange eilanden, terwijl het terrein naaiden westelijken kant der zee een met evenwijdige geulen en voren doorsneden vastland blijft. Vroeger heb ik reeds gezegd, dat de boegors het kenmerkend karakter van deze streek uitmaken, dewijl men in de eerste plaats geen tafelland vindt, dat door geulen en beken zoodanig is doorsneden, ja, als het ware doorzaagd gelijk eene kam, maar eene tallooze menigte heuvelen, welke zich in de lengte uitstrekken, en wier dalen met water zijn bedekt, ten andere dewijl de heuvelklingen veel regelmatiger van vorm zijn dan de limanen, en vooral die het noordelijkst gelegen zijn. Deze heuvelen hebben geene vertakkingen, verbroeden zich niet hier en daar; zij vormen in tegendeel lange, zich met zachte glooijing welvende ruggen, welke nevens elkander oprijzen. Aan de einden zijn zij hier niet afgebroken, met uitzondering echter van die heuvelen, welke zich ver in zee uitstrekken. Hebben zij aan hunnen voet een bog-tigen vorm, dan schijnt dit uitsluitend toegeschreven te moeten worden aan de ■werking van het water, hetwelk den grond door schuring heeft weggevoerd. Zij loopen bijna volkomen evenwijdig nevens elkander. Gaat men de rigting met groote naauwkeurigheid na, dan ontwaart men dat de noordelijke heuvelen ten westen van Astrakan dooreengenomen 10 graden afwijken van de rigting, welke van het oosten naar het westen loopt. Verder zuidwaarts bespeurde ik, dat de rij slechts 5 graden van die rigting was afgeweken, naar den magnetischen meridiaan gerekend. Op de hoogte van Ikrenoje, welke plaats nog verder zuidwaarts ligt, schijnen zij volkomen oost en west te liggen. Wat betreft de heuvelen, gelegen in de nabijueid van de mon-
317
ding der Koema, ik heb die streek zelf niet bezocht, maar oordeelende naar de kaart door Bassargin vau die oorden ontworpen, dan mag men aannemen, dat de eiland-boegors, naar gelang men verder zuidwaarts komt, allengs meer met het westelijk uiteinde naar het noorden zijn gerigt. Ik heb de watage Tsjernoï Rynok bezocht, welke omstreeks 40 mijlen van den voormaligen mond der Koema verwijderd ligt. Daar ter plaatse wordt van de Boegor-formatie schier geen spoor meer aangetroffen. De hoogte echter waarop de watage aangelegd was, scheen mij toe nog eenigermate het karakter eens boegors te hebben. Het westelijk uiteinde van deze geringe hoogte is schier naar het noordwesten gerigt. Eenc uitvoerige kaart van deze streek ontworpen, vertoonde duidelijk eenige weinige ver van elkander oprijzende heuvelen, wier strijkingslijn van het zuidoosten naar het noordwesten loopt; zij zijn echter van zoo geringe bcteekenis, dat ik op mijne dikwijls herhaalde vraag: n waar zijn hier de boegors?quot; telkens ten antwoord ontving: quot;Wij hebben in deze streek geene boegors.quot; Op de kaart laat zich echter zeer duidelijk de rigting waarnemen, waarin zij zich uitstrekken. Daarenboven zal ten gevolge van de sterke aanslibbing in deze streken menige boegor grootendeels uit het oog zijn ve r-dwencn. In do nabijheid van do Torek zijn de boegors dan ook inderdaad zeer onbeduidend en verheffen zij zich op grooton afstand van elkander. Ter plaatse waar men do laatste sporen der boegors ontwaart, loopt hunne strijkingslijn van hot zuidoosten naar het noordwesten; hooger opwaarts van het oost-zuidoosten naar het west-noordwesten, vervolgens van het oosten regt naar het westen, terwijl verderop hun westelijk uiteinde 5 i\ 10°, in de nabijheid van Jenotajoffsk 15° ou de laatste sporen er van nog meer van die rigting afwijken. Dewijl de strijkingslijn aldaar van het noordoost ten noorden naar hot zuidwest ten westen is gerigt, volgt daaruit dat do boegors aan den westelijken rand der boegorstreok wigvormig of waaijervormig uitloopen. De koorde van dezen waaijor of van dit segment is ruim ■100 mijlen lang, iudien wij tot aan de uiterste grens der
318
boegorsh-cek g.aan, of 300 mijlen indien wij ons beperken tot dat terrein, alwaar de boegor forraatie op de duidelijkste wijze te voorscliijn treedt.
Neemt men nu in aanmerking, dat 300 mijlen lange heu-velrijen wigvormig zamenloopen en dat het smalle uiteinde dezer wig gelegen is in het laagste gedeelte van het terrein, dat zij beslaan, namelijk, tusschen de hoogsteppe van de Don en de voorbergen van den Kaukasus, dan zou men welligt gelooven, dat de verklaring van hun ontstaan als het ware voor de hand ligt. Men zou kunnen onderstellen, dat zij de laatste sporen moeten zijn van het af-stroomend water. Eene voormalige binnenzee bestond uit twee groote bekkens; de Zwarte en de Kaspische zee, onderling verbonden door middel van een zeer naauw en ondiep kanaal. De massive, hooge rotswand, welke deze binnenzee van de Middellandsche zee scheidde, werd doorgebroken, de watermassa stortte zich door deze geopende poort en do spiegel der binnenzee daalde betrekkelijker-wijze zeer snel. Het water, in de Zwarte zee besloten, moest dezen zelfden weg volgen. Hierdoor ontstonden gleuven en voren in den weeken bodem, welke laatsten natuurlijkerwijze moesten convergeren in het laagste gedeelte van het terrein, waar langs de watermassa afstroomde, ten gevolge waarvan bij het droog worden des bodems heuvelruggen geboren werden.
Die redenering schijnt zeer eenvoudig en natuurlijk. Maar één groot bezwaar is daarbij over het hoofd gezien, namelijk: het niveau der Kaspische zee is thans 82 a 84 Engclsche voet lager dan de spiegel der Zwarte zee. Het water van die voormalige binnenzee kon niet meer afstroomen, toen het op gelijke hoogte stond als het geval was in de Zwarte zee; daarenboven de boegors zijn niet zoo hoog en hun voet is vooral in de streken, gelegen in de onmiddellijke nabijheid der plaats, waar do doorbraak waarschijnlijk zou moeten gevonden worden, nog veel lager dan het tegenwoordige niveau der Kaspische zee. Hieruit blijkt derhalve, dat groote zwarigheden het aanuemen der straks vermelde hypothese in den weg
319
staan. Gemakkelijker zou liet zijr^ inJion wij uitgingen van de onderstelling: dat een groot gedeelte der tegenwoordige oostkust binnen weinig tijds ware opgeheven, indien namelijk eenige grond voor dergelijke onderstelling ware te vinden. liet zeewater zou dan westwaarts zjjn afgestroomd, dewijl in die rigting liet laagste punt werd gevonden, op gelijke wijze als men het water uit eene schaal door eene buis laat afvloeijen. Maar de opheffing des bodems moest zeer aanmerkelijk zijn om aan het laatste gedeelte van het afvloeijende water die kracht te geven, dat het zoo diepe geulen en kanalen in den bodem, waarover het afstroomde, kon uitspoelen. ïlet natuurlijkst echter zou het ontstaan der boegors zich laten verklaren, indien er een voegzame grond aanwezig ware voor de onderstelling, dat de watermassa der Zwarte zee zich plotseling voor een groot gedeelte had uitgestort in het bekken der Kaspische zee. Indien eene buitengewone hoeveelheid water zich door een eng kanaal een weg baant in een wijd bekken, kan het evenzeer waaiervormig gerigte gleuven en insnijdingen in den bodem veroorzaken. Maar dan rijst de vraag, welke was de oorzaak van dergelijk verschijnsel? Moet zij gezocht worden in eene plotselinge daling van den bodem der Kaspische zee? Maar indien de overige omstandigheden onveranderd dezelfde bleven, dan moest natuurlijkerwijze het bekken weder tot op het voormalige niveau gevuld worden, en wat zien wij dat het geval is geweest? Eeu wijd uitgestrekt gedeelte des zeebodems ligt droog!
Daarenboven moet ook dit in aanmerking worden genomen: de boegor-formatie strekt zich verder uit dan het puut, door mij vroeger als zoodanig aangewezen. Hier en daar rijzen boegors op in de nabijheid der middelste armen in de Wolga-delki. Al de gebouwen tot het uitoefenen der vis-scherij gebezigd, de zoogenaamde watage's, zoomede de dorpen zijn in die streken op dergelijke boegors aangelegd; dit geschiedt ton einde zich tegen overstroomingen te beveiligen. Deze zelfde opmerking geldt insgelijks ten opzigte vau de begraafplaatsen, kloosters en wijnbergen iu de om-
320
streken van Astrakan. De boegors in de nabijheid van de middelste armen dor Wolga verheffen zich op een grooten afstand van elkander, zijn veelal laag en van geringe uitgestrektheid, dewijl de rivier met zijne verschillende armen voortdurend een gedeelte er van wegspoelt. Aan deze zijde der steppe worden geene boegors gevonden, ik heb althans op mijn weg van Kamysjin naar het Elton-meer, zijnde een afstand' van ongeveer 130 mijlen, nergens eenig spoor van een vrij aanmerkelijken heuvel ontmoet. Wel is waar heeft de steppe hare laagten, welke met riet zijn begroeid, maar de glooying is zoo zacht, dat het oog er niets van bespeuren kan; het eenige waardoor het duidelijk wordt, dat het terrein lager is dan elders in het rond, is de plantentooi. Op den weg van het Elton-meer naar den berg Rogdo en van daar naar Nowo Nikolskoje, gelegen tegenover Tsjernoï jar, heb ik evenmin een enkelen boe-gor ontmoet en de Bogdo heeft nog minder overeenkomst met een boegor dan een kameel met eene slang.
Vatten wij hetgeen omtrent de verspreiding der boegors is gezegd, kortelijk te zamen, dan zien wij dat zij in den noordwestelijksten hoek van het terrein, hetwelk zij bedekken, het digtst bijeen oprijzen en zich in den vorm van een waaijer uitstrekken naar het Koema Manytsj-dal; voornamelijk is dit het geval naar den kant van laatstgenoemde stepperivier. Wijders verheffen zij zich niet slechts aan de grootere Wolga-armen in de nabijheid der mondingen van gemelde rivier, maar zij worden insgelijks gevonden langs den oever ver stroomopwaarts, liet gevolg hiervan is, dat zij zoowel aan den regteroever van de Wolga als aan den linkerzoom der Achtoeba worden, aangetroffen. Op het nieuw gevormde land binnen het zeer lange dal, hetwelk door Humboldt met de eigenaardige benaming wordt bestempeld van; de kolk der Kaspische zee, treft men daarentegen geen enkelen boegor aan. Dit dal gaat eindelijk over in de delta der Wolga. Waarschijnlijk moet het aantreffen van boegors in de vertakkingen er van worden toegeschreven aan het zand des oevers, dewijl te rekenen van Krasnoï jar tot in de nabijheid van
321
het strand cene lange reeks dergelijku heuvelen zich uitstrekt tot aan den Bogatoï Koeltoek, welke baai den noordelijken uithoek der Kaspische zee vormt.
Dewijl deze afzonderlijk oprijzende heuvelrug noch door mij, noch door een mijner reisgenooteu is bezocht, kan ik niet met kennis van zaken verklaren, dat men er niet dan duinen vindt, gelijk op de voor mij liggende kaart is aangewezen. Maar deze hoogten zijn derwijze aangeduid, tusschen de afzonderlijke deelen loopen allcrwege zoo smalle, van het oosten naar het westen gerigte kanalen en beken, dat alles mij grond geeft tot de onderstelling dat de grenzen van de boegorstreek aan het einde van den Bogatoï Koeltoek worden gevonden. 1)
Ten einde den lezer te doen zien, dat de boegors iets anders zijn dan lange heuvelreeksen, wier rigting uitsluitend afhangt van de streek, waaruit de wind waait, wensch ik nog een en ander mede te deelen ten opzigte van hunnen inwendigen bouw, want tot heden hebben wij slechts den uitwendigen vorm der boegors besproken. Die nabij de oevers van do Wolga voorkomen, zijn allen van gelijken aard. Hunne oppervlakte is veelal zoo hard, dat men bij het gaan er over zelden een indruk dor voetstappen er in waarneemt, zelfs waar zij niet met gras zijn begroeid. Men zou derhalve ligtelijk tot het gevoelen kunnen overhellen, dat zij uit harde klei bestaau, en des te eerder dewijl de bovenste laag in menig gedeelte der steppe uitsluitend is gevormd uit vaste, taaije klei. De boegors der Wolga daarentegen bestaan voor een aanmerkelijk gedeelte uit zand, voornamelijk wat de bovenste laag betreft. Wrijft men een stuk van deze harde bovenlaag fijn, dan vindt men daarin eene zoo groote hoeveelheid fijn zand, dat men verbaasd staat hoe het mogelijk is, dat dit eene zoo vaste massa kan vormen. In den herfst wordt de daarin voorkomende klei zeer kneedbaar; legt men een kluit in
') Later heeft de heer SjewclefT mij de verzekering gegeven, dat de bedoelde heuvelen geheel overeenkomen in vorm en hoedanigheid met de heuvelen, welke wij iu andere streken aautrefl'en.
322
het water en poogt men het dan te vormen, dan blijkt dat de hoeveelheid leem of klei zoo gering is, dat men zeer hard moet drukken om er eene vaste massa van te maken.
De verhouding, waarin het zand tot de klei bij deze bovenste laag staat, is niet allerwege dezelfde. In de nabijheid van Astrakan en aan den westelijken arm der Wolga, uan de Baehtemir, wordt cene zoo groote hoeveelheid klei in de boegors, vooral in de benedenlagen gevonden, dat alle pannebakkerijen eene voldoende hoeveelheid grondstoffen voor haren tak van nijverheid uit de boegors trekken, maar daarentegen nog al hetgeen noodig is tot het metselen van steenovens, het bouwen van huizen, enz. Voor zoo ver mij bekend is, wordt er in de omstreken van genoemde stad slechts een enkele boegor aangetroffen, welke zooveel zand bevat onder de klei, dat hij door den wind verstuift.
De heuvel, welken ik hier bedoel, is dezelfde waarop de watage Obrastsowaja is aangelegd. Ten westen van Astrakan daarentegen, in de streek der zoutmeren, bevat de bodem eene grootere hoeveelheid zand dan in andere gedeelten van die streken. Heeft men zich eenige stations van de Koema verwijderd, dan vindt men bijna niet anders dan zand, dat aan de oppervlakte door den wind gedeeltelijk her- en derwaarts wordt gevoerd. Het komt mij derhalve zeer twijfelachtig voor, dat in de lagere streken , tusschen de Donsche bergsteppe en het Kaukasische gebergte, nog eenig spoor van den oorspronkelijken vorm van het terrein overig is. Volgens Pallas moeten de heuvelklingen bloot worden beschouwd als duinen. Vestigt men het oog op de groeven en insnijdingen in het törrein, welke van het oosten naar het westen zijn gerigt en stellig tot aan de monding der Koema reiken, neemt men daarbij in acht dat deze door de werking van het zeewater zijn ontstaan, dan ontwaart men dat oorspronkelijk dc hoogten en laagten zich in dezelfde rigting uitstrekten als thans liet geval is. Daarenboven ziet men op de kaart van het Madsjorische zoutmeer, dat in de nabijheid er van bergruggen of heuvelreeksen oprijzen, welke insgelijks van het oosten over het westen zijn gerigt. Waren het ge-
323
wone duinen, dan zouden zij, naar ik vermeen, van het noorden naar het zuiden moeten loopen.
Gelijk wij vroeger reeds hebben gezegd, het zameastel der boegors is niet allenvege hetzelfde ; noodzakelijk hangt dit geheel en al af van de zelfstandigheden, welke ter plaatse aanwezig waren, toen zij werden gevormd en de omstandigheden, die er mede gepaard gingen. Als ontwijfelbaar mag het beschouwd worden, dat zij niet uit een zeer vroeg tijdperk herkomstig zijn, want in de eigenlijke delta ontwaart men, dat hun voet met aanslibbingen is overstelpt. De plantentooi der boegors en van de aanslibbingen is zeer verschillend en met eene uiterst scherp ge-teekende grens van elkander gescheiden. Waarschijnlijk zal dan ook een schrijffout zijn geslopen in het geschrift van den staatsraad Eichwald, waar hij zegt: quot;terwijl ik op de ondiepe Kakoesja lag; wachtende op gunstig weder, heb ik de nabij gelegen heuvelen bezocht; zij bestonden uit stuifzand en schelpen.quot; Stuifzand is zeer bewegelijk; het wordt door den wind nu eens naar deze, dan weder naar gene zijde heengestuwd. Hier echter zijn alle inrigtingen visscherij en de dorpen, in een woord alle vaste woonplaatsen op bocgors aangelegd. Geen enkel dier boegors is nog verplaatst, zoo als met duinen uit los zand het geval is. Gelijk ik vroeger reeds heb medegedeeld, heb ik slechts een enkelen boegor aangetroffen, waarvan de vorm door den wind eeuigo verandering had ondergaan en ook deze bestond niet uit stuifzand, want hij verhief zich te midden van een moerassige streek. In andere oorden echter, waar het terrein uit stuifzand bestaat, zijn welligt daardoor boegors gevormd; wij zullen omtrent dit punt ecnige medcdeelingen doen.
Het schijnt, dat onder de bestanddeelen der boegors verscliillende schelpen eene meer of minder voorname plaats bckleedcn. Gave schelpen heb ik slechts zeer zelden in de boegors aangetroffen cn dan waren het steeds zeer kleine schelpen; al de overigen waren verbrijzeld. Treft men hier of daar een steilen wand aan, dan ontwaart men gewoonlijk, in plaats van verbrijzelde schelpen, slechts on-
324
regelmatige kleine witte strepen, bestaande uit een kalkachtig poeder. Als zeker mag meu aannemen, dat wij daarin de sporen zien van verbrijzelde schelpen, welke door den invloed van lucht en vochtigheid verweerd zijn, waartoe misschien de zoutdeelen, in den boegor aanwezig, het hunue hebben bijgedragen. Men behoeft slechts een voet diep te graven om terstond overblijfselen van verbrijzelde schelpen aan te treffen. Het komt mij dan ook zeer waarschijnlijk voor, dat de heuvelen of liever duinen van stuifzand, waarover de groote weg loopt te rekenen van het tweede station, uit niet anders zijn gevormd dan uit verwaaide boegors, wier hoofdbestanddeel zand was, want hier ziet men eeue menigte verbrijzelde schelpen op den bodem en tus-schen de kleine golvende effenheden, waar zij als het ware een net hebben gevormd. In droog zand kunnen schelpen zeer lang wederstand bieden aan den invloed van den dampkring en do vochtigheid; zij verwceren in dit geval niet spoedig. Liggen zij echter in een bodem, bestaande uit klei en zand, en kunnen lucht en regen er hunnen invloed op uitoefenen, dan verweeren zij in kortoren tijd.
Wijders bevatten de boegors zoutdeelen. Mogen er nog boegors bestaan, wier eenig bestanddeel is zuiver zand, deze behooren ongetwijfeld tot de uitzonderingen, want hoe zuiverder het zand is, des te spoediger wordt het door afstroomend regenwater medegevoerd, maar als zeker mag worden beschouwd, dat de vaste boegors zoutdeelen bevatten. Op zeer vele plaatsen treft men uitslag des bodems aan, hetwelk echter door het afstroomend regenwater telkens wordt weggespoeld, maar kort daarna weder te voorschijn komt. Het zout laat zich terstond reeds erkennen op don smaak. Ook aan do gebakken steenen en pannen ontwaart men veelal, dat cr zout in aanwezig is.
Geen enkel verschijnsel komt mij zoo gewigtig voor ter verklaring van hunnen oorsprong als de laagsgewijze formatie der boegors. Tot mijn leedwezen moet ik er echter bijvoegen, dat ik omtrent dit punt juist de minste mede-deelingen kan verschaffen. In de gansche streek, waar do boegors digt ueveus elkander oprijzen, zag ik gcene en-
32')
kele steile ontblooting, welke mij daaromtrent liet ver-eischte licht kon doen opgaan.
Op den voorgrond moet echter in aanmerking nordon genomen, dat de boegors in de Wolgastreek niet allen uit gelijke grondstoffen bestaan. Er zijn er, welke behalve in de meer ondergeschikte laagdeeling geen in het oogloopend onderscheid opleveren, zoo als bij voorbeeld het geval is in den Krasnoï bocgor. Zeer dikwerf echter ontwaart men, dat de groote hoofdlagen onderling afwisselen. De bovenste laag heeft bijna allerwege eene roodachtig gele kleur en bestaat uit een mengsel van klei en zand ter dikte van eenige voeten. Daarop volgt somtijds eene laag, welker kleur veel witter is, bestaande uit eene grootere hoeveelheid zand, hetwelk tevens veel grofkorreliger is dan hetgeen in de bovenste laag voorkomt. Vervolgens treft men eene meer kleiachtige laag aan, waarvan de liggende gewoonlijk bijna uitsluitend uit klei bestaat. Deze benedenlaag is het, welke in den regel in de pannen- en steenbakkerijen wordt gebezigd; dit is niet slechts hot geval in de nabijheid van Astrakan, maar allerwege in de omstreken dier stad. De meer zandige banken zijn daarenboven nog in dunne lagen afgedeeld. Dit verschijnsel nam ik voor de eerste maal waar bij het bezoeken van een steenoven, uitgegraven in den boegor, waarop de watage Ikre-naja is gebouwd. Deze lagen zijn zoo dun als dun bordpapier en met zoo scherp geteekende grenzen van elkander onderscheiden, dat ik ze aan alle kanten duidelijk kon waarnemen. Later heb ik deze laagsgewijze verdeeling ook elders bij natuurlijke en kunstmatige ontblootingen waargenomen, vooral bij de zoodanigen, waarvan de wand glad gemaakt was, ten einde de werking des dampkrings daarop tegen te gaan.
Wanneer wij dit alles zamenvatten, dan komt hot mij als zeer waarschijnlijk voor: dat de lagen der boegors naar beide zijden hellen, maar dat die der holling veel sterker, somtijds 25 a 30 graden meer is dan aan de kruin des boegors. Daaruit volgt dat ter zijde eene menigte korte lagen op elkander worden aangetroffen. Eene volledige
326
iloovsiiodc eens boegure; lieb ik nergens kunnen waarnemen, eensdeels dewijl ter plaatse waar een boegor door de werking van den stroom was weggenomen, zijn voet met de neergestorte massa gedeeltelijk was overstelpt of wel de gansche wand was reeds met planten begroeid.
Zoo lang niet gelicele lagen of' banken, uit weinig verbrijzelde schelpen bestaande, zijn aangetroffen, beschouw ik de boegors niet als het gevolg van het uitspoelen des bodems door hot zeewater, of als een voormaligen zeebodem. De wijd verspreide overblijfselen van verbrijzelde schelpen, liet gelijkmatig verbreide mengsel van klei en zand, dat zoowel in het bovenste ais in het benedengedeelte der boegors wordt aangetroffen, welke bcstanddee-len toch zoo verschillend van specifiek gewigt zijn, dit alles geeft geen grond tot de onderstelling, dat de boegors door eene onstuimige zee zijn gevormd. ITet ontstaan der dunne lagen zon ik hot liefst verklaren als het gevolg van oen vrij regelmatigcn golfslag, waarbij telkens oen gedeelte der vaste stoffen, in hot water aanwezig, is neer-goplofd. De waaijorvormige strijkingslagen der boegors naaide zijde van het Kooma Manytsj dal en de wijze waarop zij laagvormig zijn afgedeeld, geven naar mijn oordeel grond tot de onderstelling, dat zij allen gelijktijdig gevormd zijn door een stroom, welke derwaarts was gerigt of van die zijde is afgekomen.
Indien ik geene bepaalde werking voor do rigting van dien stroom opper, geschiedt dit niet dewijl ik vrees koester voor eene wederlegging en bestrijding er van. Een dergelijke schroom komt evenmin hier als in andere dergelijke twijfelachtige gevallen te pas, want eene bestrijding van oordeelvellingen of gevolgtrekkingen, welke slechts betrekking hebben tot enkele afzonderlijke feiten, leidt veel eerder tot het opsporen der juiste beschouwing dan alle onbestemde redeneringen, gelijk door Humboldt in zijne geschiedenis der aardrijkskundige ontdekkingen op de treffendste wijze is aangetoond. Do waarnemingen op dit punt gemaakt zijn in verre na niet voldoende om mij een duidelijk en klaar inzigt in de zaak te verschaffen; om die
327
reden is het mij derhalve niet mogelijk de zaak helder en klaar voor den geest te stellen. Mijn eigene waarnemingen hebben mij tot de volgende beschouwing geleid: dat de Wolga invloed heeft uitgeoefend op de boegors komt mij voor als boven allen twijfel verheven te zijn, zoowel wat betreft de vorming cr van, voor zoo verre zij in de nabijheid barer oevers voorkomen, als op het later wegspoelen van gedeelten dierzelfdc bocgors door de strooming van het water, ten gevolge van de rigting door de verschillende armen der rivier aangenomen, waartoe de aanleiding moet gezocht worden in de opgeworpen bocgors. Dit laatste verraadt de scherpe hoeken, welke in de rig' ting zelfs der groote armen worden waargenomen; dikwerf toch ziet men, dat de algemeene rigting plotseling door eenen anderen, welke hetzij naar het oosten of naar het westen gaat, wordt afgebroken. De Bachtemir, thans het groote vaarwater der Wolga, verandert menig werf eensklaps van rigting en loopt nn eens naar het oosten, dan weder naar het westen. Dit verschijnsel ontwaart men vooral in de rigting der oostelijke en westelijke ncven-armen, welke men op kaarten, naar een kleinen maatstaf vervaardigd, niet aangeteekend vindt. Maar de rigting der Wolga heeft zich niet slechts gewijzigd naarmate van de ligging der boegors, de rivier heeft een wezenlijk aandeel in hunne vorming gehad. Vooreerst blijkt dit hieruit, dat zij nergens op een grooten afstand van de rivier worden aangetroffen, want de boegorstrcek is beperkt tot de beide zijden van het Woigadal. Eenc omstandigheid, welke hier bovenal in aanmerking verdient te komen, is dat bijna altijd het hoogere uiteinde naar het Woigadal of — waar dit eene zeer groote breedte heeft verkregen — naar de afzonderlijke groote armen der rivier is gerigt en dat de Wolga juist dat hooger einde in den loop des tijds gedeeltelijk heeft weggespoeld.
Gedurende do vaart op de Wolga naar hare monding heb ik dit verschijnsel met aandacht nagegaan; het is mij voorgekomen, dat het als do regel moet beschouwd worden, hoewel ik gaarne wil bekennen, dat ik door den
328
afstand, waarop de boegors van do rivier oprijzen, wel eens aan vergissing zal hebben blootgestaan, want het van de rivier afgekeerde einde des boegors is natuurlijk verder van don beschouwer verwijderd dan het andere. Slechts een paar malen scheen het mij toe, dat de boegor een omgekeerde rigting luid, maar dan bleek het ook, dat hij door een novenann gedoeltolijk was weggespoeld, ten gevolge waarvan hij dion onregelmatigen vorm had verkregen. Ook bij de andere boegors was, naar hot mij toeschcen. het hooger uiteinde naar de rivier gekeerd, hoewel het minder duidelijk in het oog valt, wanneer de steile wand ontbreekt. Dat zij eene bank zouden gevormd hebben, ontstaan uit de vaste doelen eenor rivier, welke in haren loop werd gestuit, dit laat zich niet onderstellen, want eeno dergelijke bank zou de boog moeten vormen, welke de stroom gewoonlijk op verschillende plaatsen doorbreekt. in welk geval — indien dan tevens de gansche bank niet wordt weggevoerd — eene nieuwe boogvormige bank ontstaat. Dit is echter hier niet het geval: men ziet duidelijk, dat do boegors eene bepaalde rigting volgen, welke niet afhankelijk is v,quot;.n de rigting, waarin de rivierarmen zich uitstrekken. Ware do bodem zoo taai, dat stroom dien wol kon opwoeien, maar niet van daar wogvoereu, dan zou hij langs de lage, niet langs do hooge zijde er van zich een weg gebaand hebben. Moge de taayo klei, welke in hot binnenste van menigen boegor verborgen ligt, daaruit zijn oorspong hebben, de overige massa is van elders horkumstig. Dit blijkt duidelijk uit deze omstandigheid: had de stroom, welke de kloibank niet kon wegspoelen, haar met zand overstelpt, dan zou dio bauk aan de beide zijden een zeer verschillenden graad van glooijing hebben en hiervan is mij geen spoor voorgekomen.
Wat nu betreft het vroeger geopperde denkbeeld dei-tegen elkander inrollende golven, dan komt het mij voor, dat die uit het zuiden den moesten tegenstand moesten ontmoeten, waar do stroom door de rivier versterkt werd, alwaar zich dan ook de grootste hoeveelheid vaste doelen heeft afgezet. Ik meen daarenboven wel to mogen aanne-
329
men, zonder mij deswege schuldig te maken aan ongerijmde onderstellingen, dat de Wolga reeds destijds — hoewel hare bedding nog niet zoo diep was uitgespoeld als thans het geval is en zij de gansche breedte van het Wolgadal met hare wateren bedekte — toch op de eone plaats sterker strooming zal gehad hebben dan op de andere en dat zij, bij het dieper wegspoelen van hare bedding, juist de hoogere uiteinden der boegors moest wegnemen, ten einde hare wateren naar zee te stuwen. Indien ik deze beschouwing aannam, werd het mij verstaanbaar, waarom ter regter- en ter linkerzijde in de delta der Wolga grootere en tevens veel meer boegors zijn ontstaan dan in het middengedeelte er van, waar de armen der rivier van veel minder betee-kenis zijn. Zonder het behulp eener kaart, op zeer grooten maatstaf vervaardigd, laat zich dit niet in de bijzonderheden nagaan.
Of de stroom van het oosten dan wel van het westen is gekomen, hieromtrent wil ik niets bepaalds zeggen, want de twee eenigc boegors, wier laagsgewijze formatien in de rigting der lengteas ik met eenige naauwkeurigheid heb kunnen nagaan, verheffen zich op den linkeroever van een hoofdarm der Wolga. Ik ontwaarde, dat do strijking der bovenste lagen was naar het westen en dat zij te gelijker tijd naar de rivierzijde helden. Is nu do rigting der lagen aan de andere zijde der rivier dezelfde of is zij daar het tegenovergestelde? Dit laat zich niet vooraf bepalen en de noodige waarnemingen ontbreken tot heden om dit vraagpunt te beslechten.
Het scheen mij echter toe, dat hot aannemen van in tegenovergestelde rigting voortgestuwde golven, welke elkander gedurende eenigen tijd in dezelfde hju tegenstroo-men, wat gewaagd, ja, zelfs onwaarschijnlijk mogt heoten, om daaruit het ontstaan der boegors af te leiden. Ik had wel opgemerkt hoe het water somtijds wordt opgestuwd, wanneer het door eene goot zich uitstort, maar ik moet verklaren, dat ik het denkbeeld daarvan, om er de verklaring van hot ontstaan der boegors in te vinden, eindelijk als onhoudbaar liet varen. Het toeval wilde echter,
330
dat ik mij zou kunnen overtuigen, hoe lang dergelijke werking van het water kan aanhouden.
Dit gedeelte van mijn opstel was bijna gereed, toen ik vernam dat eene binnenhaven ter breedte van ongeveer 20 cl en welligt 200 el lengte ter zijde van de groote haven gegraven tot het opnemen van schepen gedurende den winter, zou geopend worden. Ik begaf mij in allerijl derwaarts, ten einde getuige te zijn van het binnenstroomen van het rivierwater. De ingenieur gaf mij te kennen, dat het niveau aan het water der Wolga minstens vijf voet hooger was dan in het bassin. Zoodra er eene opening ter breedte van 1 el ongeveer in den dam was gemaakt, stortte het rivierwater zich in den vorm van een overlangs doorgesneden hollen trechter naar binnen, welk verschijnsel mijne aandacht niet bijzonder boeide. Nadat het binnen-stroomende water de opening in den dam ongeveer tot het dubbel der oorspronkelijke wijdte had uitgespoeld en de waterval met. een geringcren bogt neerstortte, vormde bet water eene zacht glooijende vlaktt, waarop vijf convergerende opstuwingen zich lieten waarnemen. Do beide uitersten van den aanvang af zwakker dan de anderen, verdwenen spoedig; de drie middelstcn daarentegen hielden lang stand en dat wel op dezelfde plaats, waar zij het eerst zigtbaar waren geworden. Op dc middenste was het water zoo buitengemeen sterk zamengeperst, dat er een vrij booge kam op stond. Dit alles bleef onveranderd, zoo lang de opening, waardoor het water stroomde, niet breeder was geworden.
Nadat echter een groot aantal zamengevoegde balken, welke het voorfront van den dam vormden, was uiteengerukt door de kracht van het water, verdwenen deze en het bassin was spoedig vol. Van het verschijnsel, hetwelk ik hoopte waar tc nemen, heb ik slechts de helft gezien. Wie door eene schutsluis vaart, zal ontwaren dat zich na het volloopen der scluitkolk een golfslag vertoont naaide opene zijde van het kanaal, waartegen anderen van de tegenovergestelde rigting inkomen. Menigwerf heb ik dit verschijnsel waargenomen, maar dewijl het schip ter-
331
stond in beweging wordt guzet, zoodra dit gevoogelijk kan geschieden, is het mij nimmer mogen gelukken waar te nemen hoe lang deze tegen elkander inloopende golven zigtbaar zijn en of' zij gedurende eenigen tijd op dezelfde lijn neerkomen. Ook hier was het water aan het einde van het bassin zoo hoog opgestuwd, — de ingenieur gaf mij te kennen dat dit minstens een voet bedroeg — dat het met kracht naar de Wolga toestroomde in zeer regelmatige korte golven. Maar tegelijkertijd werden door het terugtrekkende water zoo vele balken en ander vlottend hout weder rivierwaarts gespoeld, er waren nog zoo vele gedeelten van den dam staande gebleven, dat do beweging van het water niet zijn natuurlijken gang had.
Ik laat liet aan het verlichter oordeel van zoodanige personen over, die meer bekend zijn dan ik met de beweging van uitgestrekte watermassa's, of wij hier zouden mogen aannemen, dat bij het afstroomen van een zoo wijd bassin als de Kaspische zee, een zoo groot aantal opstuwingen — aan de verhevenheden, op den waterspiegel ontstaan, weet ik geen andere benaming te geven — is gevormd als er heuvelreeksen worden gevonden in de boegor-streek. liet zou ook mogelijk zijn dat, toen de waterspiegel daalde, nieuwe opstuwingen binnen de vroegeren zich gevormd hebben. Het langer voortbestaan er van kan als geen bezwaar daartegen worden beschouwd. Wel is waar, ik heb dit verschijnsel niet langer dan gedurende eene minuut waargenomen, maar liet volloopen van liet bassin duurde slechts een kwartieruur; wij mogen hierbij echter niet uit het oog verliezen, dat het verschijnsel wel langer zou hebben aangehouden, indien de opening, waardoor het water binnenstroomde, niet zoo spoedig verwijd ware geworden.
Welke bedenkingen zich bij mij verheften tegen de aanneming van het denkbeeld, dat de boegors moeten beschouwd worden als liet gevolg van het uitspoelen des bodems door liet afstroomende water, deze zijn reeds vroeger door mij medegedeeld. Ik moet hierbij voegen, dat ik in mijn dagboek aan-teekeningen vind betreffende een boegor, waarin vele gave
332
schelpen voorkomen. Deze boegor ligt naar de zijde der noordelijke grens van de boegorstreek, ongeveer eene mijl ten noorden van de watage Seroglasinskaja; een gedeelte er van is door een arm der Wolga weggeslagen en heeft thans aan die zijde een stellen wand. In die ontblooting ontwaart men verscheidene lagenj welke onderling zeer ver-schillen. Deze gave schelpen vindt men in eene kleilaag, welke tot de onderste der ontblooting behoort; men ziet zelfs, dat van een groot aantal dier schelpen de beide schalen nog aan elkander vereenigd zijn en ongeveer twee el hooger vindt men een nog grooter aantal in eene zandlaag. In beide lagen komen de schelpen in nesten voor, zoodat ik groote klompen uit honderde schelpen bestaande, kon medenemen. Men kan dit beschouwen als het regtstreek-sche gevolg van liet woelende water. Nog meer bewijzen zal men daarvoor aantreffen, indien men bedenkt, dat schelpen slechts op een zandigen bodem kunnen gedijen. Waar de zeebodem meereudeels bestaat uit klei, trof ik tot heden niets aan dan kleine slakken en kleine exemplaren van Cardium edule, welke zich op den kleibodem het noodige voedsel weten te verschaffen. Buitendien is in onzen boegor de eene schelplaag over de andere te vinden. Maar toch moet worden aangenomen, dat tusschen het ontstaan der bovenste en der benedenste kleilaag niet een zoo groot tijdvak ligt als vereischt zou zijn om ze tot verschillende perioden te durven rangschikken. Men ziet derhalve overtuigend, dat er levende schelpdieren in overvloed aanwezig waren in den tijd, waarin de boegorformatie te huis behoort. Waarom treft men thans niet een grooter aantal gave schelpen aan in de boegors, welke in de nabijheid der monden van de Wolga zich verheffen ? Welligt zal men bij nader onderzoek een grooter aantal schelpsoorten ontdekken dan wij hebben gevonden, dewijl ons onderzoek slechts zeer oppervlakkig is geweest en slechts ter loops kon geschieden, want het eigenlijke doel onzer komst was het in oogenschouw nemen der watage en eerst langzamerhand werd onze aandacht op het zoo even besproken onderwerp geleid. Mogt derhalve bij later onderzoek in andere streken of
333
de gedeelten, welke door ons zijn bezocht, een grooter aantal schelpen worden aangetroffen, of mogt het later blijken van waar die groote voorraad herkomstig is, dan trek ik mijne vroeger gemaakte bedenkingen in en ver-eenig mij met de wijze van beschouwing, welke onder anderen tegenwoordig door den heer Danilewski als de meest waarschijnlijke wordt beschouwd, namelijk, dat de bodem regtstreeks door den vloed is uitgespoeld.
Om het verband aan te wijzen, hetwelk bestaat tusschen het ontstaan der boegors en andere groote gebeurtenissen in de geschiedenis der aarde, in dergelijke beschouwingen wensch ik niet te treden. Volgens het oordeel der geologen behoort de opheffing van den Kaukasus tot het nieuwe tijdperk. De voorbeelden zijn daar om te bewijzen, dat de myoceenformatie tot 6,000 voet is opgeheven. Maar wie zal het wagen om te beweren en vooral wie zal de noodige bewijzen aanvoeren tot staving van het beweren, dat de boegors zoo oud zijn als de nieuwe formatie van den Kaukasus? Golven en baren zullen bij dergelijk voorval in de natuur niet hebben ontbroken. Maar waarom neemt men dan niet de eenvoudige beschouwing aan, dat deze lange reeksen van heuvelen op gelijke wijze zijn ontstaan als het geval is met duinen, zal welligt menig lezer vragen. Ten slotte eenige mededeelingen omtrent dit punt, waaromtrent ik vroeger misschien te beknopt ben geweest.
Dat de boegors zouden beschouwd moeten worden als wezenlijke duinen, dat wil zeggen als opwerpselen der zee, welke door den wind zijn opeengestuwd, deze onclerstelling is onaanneembaar. Gedurende geruimen tijd heb ik een ander denkbeeld omtrent het ontstaan der boegors gekoesterd en gepoogd dit te verdedigen tegen de bedenkingen mijner reisgeuooten. Maar eindelijk heb ik ook deze gissing opgegeven: dat deze heuvelen moeten beschouwd worden als vaste strandwallen. Eigenlijke duinen bestaan uit zand, schelpen en in het algemeen uit zoodanige voor werpen, die de wind bijeen schuift. Dc geringe hoeveelheid klei, welke in sommige streken in deze boegors wordt
334
aangetroffen, liet zich welligt nog hierdoor verklaren, dat het stof, dat uit de steppe door den wind wordt opgedreven, van kleiachtige zelfstandigheid is. Maar hierin kan men volstrekt niet de oplossing van het verschijnsel vinden van het ontstaan der benedenste lagen, welke bij vele boegors grooteudeels uit leem zijn gevormd. Daarenboven het aantreffen van zoutdeelen in de boegors mag als een bewijs worden beschouwd, dat zij op eene andere wyze zijn ontstaan dan duinen, want ik twijfel zeer dat ergens zoutrijke duinen worden gevonden, hoewel natuurlijkerwijze zout water moet gehecht zijn aan de voorwerpen, welke uit zee herkomstig zijn. Hier is het zeewater thans bijna geheel zonder zoutdeelen. Er komt nog bij dat duinen, voor zoo verre ik die heb waargenomen, veel onregelmatiger van vorm en rigting ten opzigte van elkander zijn dan de boegors.
Het is onnoodig• meer bedenkingen aan te voeren tegen de bewering: dat de boegors overeenkomst hebben mot duinen, dewijl alle tegenwerpingen, gerigt tegen mijn oorspronkelijk denkbeeld, evenzeer mogen beschouwd worden het denkbeeld eener eigenlijke duinvorming te bestrijden.
Mijn oorspronkelijk denkbeeld was: dat de bedoelde heuvelen moesten beschouwd worden als vaste verhevenheden, welke eenmaal een deel hebben uitgemaakt van het strand der zee, gelijk in groote meren hier en daar worden gevonden. Het beste voorbeeld daarvan wordt gevonden aan het Peipusmeer, hetwelk eene wezenlijke duinrij heeft, namelijk aan zijne zuidelijke grens, van dat gedeelte alwaar de bodem van het meer uit los zand bestaat.
Langs een groot gedeelte van den oever des meers aan de Licflandsche zijde strekt zich een hooge, vaste wand uit om het meer, dewijl hetgeen de golven aldaar opwerpen met klei en modder is vermengd, welke door de Lieflandsche rivieren worden aangevoerd. De wal, die het meer thans aan die zijde tot grens strekt, heeft eene zeer geringe hoogte, namelijk, van drie, twee, ja, op sommige plaatsen slechts van een enkelen voet, waarin het water, dat in het voorjaar in het meer zaïncnloopt, op eenige plekken gaten
335
heeft gctspeeld. Vorder op vindt men op verschillende afstanden de duidelijk herkenbare overblijfselen van voormalige wallen, welke herkomstig zijn uit voorhistorische tijdperken, toen het meer eene veel grootcre uitgebreidheid had en destijds den oeverwal van het toenmalige meer vormden. Deze overblijfselen loopen allen bijna evenwijdig ten opzigte van elkander, zoo als uitvoerige, op groote schaal geteekende kaarten van deze streek nog duidelijk doen zien. Deze wallen zijn gevormd uit bijeengespoelde massa's en bevatten cene grootere hoeveelheid grind eu kalk-rolsteenen, naar gelang zij uit een vroeger tijdstip afstammen. Er is eenige overeenkomst aanwezig tusschen die wallen en de boegors, hoewel die heggen of wallen op grooteren afstand van elkander zijn gelegen dan de boe-gorreeksen van elkander oprijzen.
Toen ik echter later de streek bezocht, waar de boegors zoo digt nevens elkander staan, hield de overeenkomst geheel op. Het is niet denkbaar, dat de zee zoo herhaaldelijk en telkens schier een gelijken afstand is terug getreden, waarbij dan nóg elke maal zoo veel tijds moet zijn verloopen, dat die hoogten konden opgeworpen worden, terwijl de bodem in het algemeen zoo weinig is gedaald, dat nog heden ten dage hot water bijna door alle tusschen-ruimten stroomt. Hierbij kwam nog, dat ik niet bekend was met de strijkingslijn der lagen en evenmin wist dat de boegors zich oostwaarts voorbij het gebied der Wolga zoo ver uitstrekken, tot waar zand een der bestanddeelen van den bodem der zee uitmaakt.
Het kamp een er Kirgizenhorde, — Terugkeer naar Berlijn.
Vroeger hebben wij de redenen medegedeeld, welke onze reizigers noopten tot het bezoeken van Dsjangir, den khan der Binncn-Kirgizenhorde. Hansteen, die op zijnen togt ook deze horde bezocht, heeft uns in zijn vroeger vermeld werk eene zoo levendige schildering ontworpen van zijn verblijf bij die Kirgizen, en in zijn verhaal zoo wetenswaardige bijzonderheden medegedeeld, dat wij ver-meenen den lezer een aangename dienst te bewijzen door het mededeelen van eene zeer levendige en hoogst merk waardige schildering door hem van de zeden en gebruiken dier Kirgizen gegeven. Wij deelen hier ten slotte nog een uittreksel mede uit het werk van een Russisch schrijver, de heer Kittary, ten einde onze mededeelingen omtrent deze Kirgizenhorde meer volledigheid bij te zetten. ')
Nabij den noordwestelijken zoom der Binnen-Kirgizen-steppe, tusschen 48 a 49° noorderbreedte tot op 66° oosterlengte, op een afstand van 66 mijlen van het Elton-meer, wordt thans eene kleine kolonie gevonden, welke bekend is onder deu naam: tide tent van den khan.quot; Voor een twintigtal jaren was hier ter plaatse nog geen spoor eener menschehjke woonplaats te vinden. Zoo verre het oog kon reiken, ontwaarde men niets dan eene vlakke steppe, even
') Vergelijk Let Russische journaal van het Ministerie van liinnen-landsche /.aken.
237
dor als het strand der zee. De geschiedenis dezer kolonie is zeer kort. Tot op het jaar 1824 leidde Dsjangir, do khan der Binnen-Kirgizenhorde, nog een zwervend leven, gelijk het geval was geweest met zijne voorgangers en in het algemeen met allen, die tot dezen volksstam behooren. In genoemd jaar echter trad Dsjangir voor de derde maal in den echt met Fatima, de dochter van den Orenburg-schen moefti; deze verbindtenis had plaats in het begin der maand October van genoemd jaar. Fatima had eenc Europesche opvoeding genoten; zij was onderwezen in verschillende talen, bespeelde verscheidene muziekinstrumenten en was ervaren iu de danskunst. Nadat hij het overige gedeelte van den winter met zijne jeugdige echtgenoot aan den oever der Kaspische zee had doorgebragt, bleek het hem bij die gelegenheid duidelijk hoe onaangenaam voor eene vrouw, die eene Europesche opvoeding had genoten en gewoon was aan de gemakken eener goed inge-rigte woning, het verblijf in eene kitbitke moest zijn. Ook den winter van 1825 bragt Fatima in eene kitbitke door nabij het Tartaarsche dorp Kotsjetajeffka, maar nog onaangenamer moest het verblijf aldaar voor Fatima zijn, dewijl zij van Dsjangir gescheiden was, die eene reis naar St Petersburg had ondernomen, van waar hij eerst in het najaar van 182G terugkeerde. Met geschenken overladen, kwam hij uit de keizerlijke residentie in de steppe aan. Onder de vele blijken van 's keizers gunst had hij 20,000 gulden in geld ontvangen, bestemd om voor Fatima eene geschikte woning in de steppe te doen bouwen. Nog in den loop van hetzelfde jaar werd een aanvang daarmede gemaakt, door oen klein houten gebouw van eïn inwoner van Doeboff aan te koopen, hetwelk in de steppe op eene mijl afstands van de plaats, welke thans de quot;Tent des khansquot; heet, werd opgeslagen. Hierin bragt het gezin van den khan den winter van 1826 door. Vroeger was Dsjangir even als zijn vader Boekeë, de btichter van de Binnen-Kirgizenhorde, in den winter naar het zuidelijke gedeelte der steppo heengetrokken, ten einde gedurende de koude maanden des jaars in ecu zuidelijker oord aan den oever der Kaspische IV. 22
238
zee te vertoeven, alwaar liet klimaat veel zacliter en de sneeuw niet zoo hoog ligt als in de meer noordelijke streken der steppe. Dat liet eene zaak van veel gewigt is voor do Kirgizen of er in liet oord, waar zij des winters zich ophouden, veel of weinig sneeuw valt, zal den lezer hieruit duidelijk worden, wanneer hij bedenkt, d;it de mogelijkheid van het onderhouden hunner kudden, luin voornaamste rijkdom, daarvan grootendcels zoo niet geheel afhangt, dewijl deze ook des winters in de vrije lucht blijven en zich het voedsel onder de sneeuw moeten zoeken. Het mag derhalve eenige bevreemding baren, dat Dsjangir zijne woonplaats in een zoo hoog noordelijk gelegen oord vestigde. De voornaamste redenen hiervan waren de volgenden. Hij wilde aan de sultans der hem omringende horden en aan de overige Kirgizen het voorbeeld geven, dat men zich met goed gevolg eene vaste woonplaats kan kiezen. De plaats door hem tot dat einde gekozen, was allezins geschikt om het middenpunt te vormen eener vaste woonplaats, want juist daar worden bronnen in overvloed gevonden, een vol strekt vereisehte iu een land door geene stroomendc rivieren doorsneden. Daarenboven zijn op een geringen afstand van do irïent des khans'' eenige zeer uitgestrekte zoetwatermeren gelogen tot drenking van de zoo buitengemeen talrijke driften paarden, terwijl de breede, met riet bewassen oevers een ruimen voorraad brandstof opleverden. Oostwaarts van de quot;Tent des khans'' verhief zich een vrij uitgestrekt woud, hetwelk de nieuwe kolonie tegen de schier voortdurend heerschende oostelijke winden en het stuifzand, daardoor uit de zandwoestijnen van Ryn opgevoerd, zou kunnen beschutten. De zouthoudende bodem der zuidwaarts gelogen streken leverden een ruimen overvloed van veevoeder op. Buitendien moot nog in aanmerking worden genomen, dat de nabijheid der Wolga en van steden als Tsjernojar, Kamysjin en Saratoff ontwijfelbaar een zeer voordeeligen invloed moesten uitoefenen op de ontwikkeling der nieuwe kolonie, door het bevorderen en uitbreiden der handelsbetrekkingen. Deze zullen ■vvaarschyulijk de redenen zijn geweest, welke den khan heb-
239
ben geleid tot het kiezen van dit oord tot zijne vaste woonplaats.
Gedurende den loop van het jaar 1827 hield hij zich bezig met het doen bijeenbrengen van de vereischte bouw-stoffen tot het stichten van eene ruime, sierlijke woning met twee vleugels, welke echter aanvankelijk niet met het hoofdgebouw werden vereenigd. Tegen het invallen van den winter was de gansche aanbouw voltooid en met het begin van 1828 betrok de khan zijne nieuwe woning. Voor het groote aantal bedienden tot zijn huis behoorende, werden nevengebouwen opgerigt. Het voorbeeld door hem gegeven, bleef niet zonder invloed. Weldra vestigden zieh verscheidene sultans in zijne onmiddellijke nabijheid. Niettemin ging de uitbreiding slechts zeer langzaam voorwaarts, want na verloop van veertien jaren waren er nog niet meer dan 41 woningen opgerigt. Maar sedert dat jaar namen de zaken eene geheel andere wending, want 15 jaren later was liet aantal huizen reeds tot 89 geklommen. Deze snelle uitbreiding zal waarschijnlijk moeten toegeschreven worden aan het in 1823 genomen besluit tot het op-rigten eener jaarmarkt, die aanvankelijk wel is waar niet veel tot ontluiking van den handel en het verkeer bijdroeg, maar met elk jaar een grooter aantal Kirgizen cn vreemdelingen derwaarts lokte.
Van deze 89 huizen behoorden aan den khan 6, aan verschillende sultans 4, Russische inwoners 10, Kaukasi-sche Tartaren 13; Armeniërs 2, inwoners van Astrakan 10, Kirgizen 41 en aan Oeralsche cn Kaukasische Kozakken tot het cordon behoorende 2. Bij vele van deze huizen be-hooren tenten en magazijnen van hout opgetrokken, welke niet het geheele jaar door blijven staan, maar opgezet of weder afgebroken worden naar gelang de behoeften van handel en verkeer dit medebrengen.
De irTent des khansquot; vormt een lang dorp, welks hoofdstraat bijna regtstreeks van het oosten naar het westen is gerigt. De woningen zijn vrij regelmatig gebouwd, zoodat men verschillende blokken huizen en straten heeft; de hoofdstraat loopt door het gansche dorp. De gebouwen zijn
240
in vier groepen of soorten verdeeld. De eerste en voornaamste soort bestaat uit de steenen huizen, welke aan den klmn toebehooren; do tweede uit houten gebouwen met 4, 5 of G ramen in den voorgevel; de derde uit kleine houten woningen met 2 of 3 ramen aan do straatzijde en de vierde uit steenen woningen met 1 of 2 ramen in het front. De woning van den khan is een van hout opgetrokken, maar zeer uitgestrekt gebouw rustende op steenen binnenmuren; de wanden zijn met eene kalklaag bedekt en gewit, het dak bestaat uit ijzeren platen, welke groen zijn geverwd, met ijzeren goten tot afleiding van het regenwater; het heeft derhalve al hot uiterlijke van een steenen gebouw. De voorgevel is zeer sierlijk en met het hoofdgebouw in het midden en twee dubbele vleugels, zoodat het in vijf verschillende doelen is gescheiden. Het hoofd-•rebouw hoeft twaalf ramen cn in liet midden eene groote deur, welke naar een terras geleidt, hetwelk de breedte heeft van de vier middenramen. Over dit terras strekt zich een breed balkon uit, rustende op zes fraaije witte zuilen; het is buitendien met een net gevormd houten latwerk versierd, dat zes dminere zuilen heeft, waarop het dak rust, hetwelk zich over het gciieele balkon uitstrekt. Al do overige ramen van de woning des khans zijn voorzien van groen goverwdo buitenblinden. Vijf breede trappen geleiden van het terras naar een met zand bestrooid pad, dat uitkomt aan den ingang der moskee. Er zijn 33 ver-schillende kamers in het huis, welke gedeeltelijk bewoond zijnde door het gezin van den khan, derhalve niet allen toegankelijk waren.
De middenvleugel van het achterfront geleidt naar eene tamelijk groote voorkamer, naar de zaal, welke haar licht ontvangt door vier ramen en eene glazen deur, den toegang vormende tot het terras achter het huis. Deze zaal is geheel en al op de Europesehe wijze gemeubileerd. Tot de merkwaardigste voorwerpen aldaar aanwezig, behooren astronomische uurwerken, ter regterzijde van den ingang geplaatst. Zij zijn versierd met zeer kunstige ornementen van brous vervaardigd cn liggen op ecue commode van
241
rooskleurig hout, op de hoeken waarvan vier globen zijn gesteld, namelijk, cene aard-, cene hemel- en twee maan-globen. In de commode bevindt zich een toestel, waardoor de maangloben in beweging kunnen gesteld worden en een orgel, dat telkens speelt zoo dikwerf een der astronoml-Bchc uurwerken slaat.
In den regterwand der zaal is cene deur, welko geleidt naar een kleiner vertrek, mede op de Europeschc wijze gemeubileerd. Aldaar hangt het prachtig versierde portret des keizers, zoomede het portret van Dsjangir en diens zoon; het laatst bedoelde is een daguerréotype. Uegt tegenover de bovengemelde is cene deur, geleidende naar een klein vertrek, dat slechts door twee ramen wordt verlicht; langs den kant der ramen was de vloer ongeveer een drietal palmen hoogcr, vormende cene soort van lage, maar zeer breede vensterbank, welke twee trappen hoog was. Tijdens het leven van khan Dsjangir was deze bank bedekt met kostbare Perzische tapijten, waarop een groot met gouden franje en aan de hoeken met gouden kwasten versierd fluweolen kussen lag, juist in liet midden gedeelte der bank en digt bij den wand. Boven dit kussen hing aan den muur cene prachtige trophee van rijk versierde voorwerpen, zwaarden, sabels, dolken, enz., in het midden van de beido ramen en ter zijde er van kostbare paardetuigen, zadels en dergelijken. Ter zijde staan, op cene soort van estrade, twee smalle, hooge kasten van rooskleurig hout vervaardigd, met glazen deuren voorzien; daarin hingen verschillende Aziatische maliehemden, ijzeren scheen- en dijstukken, helmen cu andere deelen van wapenrustingen; onder deze voorwerpen trok vooral een helm de aandacht der bezoekers, welke den vorm had van cene Basjkicrscho platte muts, met goud gedamasscerd.
Voor het overige waren do wanden dezer zaal, welko de wapenkamer werd genoemd, in het rond voorzien van rood houten kasten, gcheci bedekt met glazen schuifdeuren ; op do planken vond men, sierlijk gerangschikt, geweren, buksen, sabels, duiken en ander wapentuig, waaronder zeer kostbare voorwerpen werden opgemerkt, als bj voorbeeld twee sa-
242
bels, een geschcnk van keizer Nicolaas, welke niet alleen niet goud waren versierd, maar daarenboven met eene menigte edelgesteenten verrijkt. Onder de geweren werden voornamelijk de volgenden met belangstolling bezigtigd. Het eene was door Aziatische, werklieden vervaardigd en mogt inderdaad buitengewoon fraai worden genoemd,— het had ruim 2,Ü00 gulden gekost, — terwijl het andere door zijne ougemeeno lengte bijzonder in het oog liep, want het was een vadem lang. Deze verzameling van wapenen gedurende eene reeks van jaren met veel zorg en kosten bij-eengebmgt, want vorst Dsjangir was een groot beminnaar van fraaije geweren, waaronder vooral Aziatisch wapentuig van bijzondere waarde werd aangetroffen, mogt eigen lijk het zeldzaamste genoemd worden van hetgeen de «Tent des khansquot; opleverde.
Uit de wapenkamer komt men door eene deur, tegenover die wij het binnentreden zijn doorgegaan, in een vertrek, dat door middel van twee ramen wordt verlicht. Vroeger even als do groote zaal geheel op de Europesche wijze gemeubeld, is het later ingerigt tot hot houden der vergaderingen van den raad, welke belast is met de leiding der zaken van de Boekeïscbe Kirgizenhorde. In don linkervleugel van het gebouw is insgelijks eene raadkamer, bestemd voor du zittingen van dun raad, bestaande uit sultans, bey.s en oudsten der horde. Ook dit vertrek ontvangt zijn licht door twee ramen; in het midden staat ceno tamelijk lange tafel, bedekt mot een rood laken versierd mot gouden franjes; rondom de tafol staan verscheidene armstoelen van roodkleurig hout vervaardigd. Aan den wand hangt do levensgroote beeldtenis van Djsangir, gekleed in een groen fluweelen kaftan, welke aan den kraag, do borst en don zoom der schoten, zoomede aan do opslagen met gouden borduursel was versierd; op het hoofd droog hij met ceno met gouddraad gestikte liasjkie-renmuts of zoogenaamde tjoobotaïka. Do linkerhand met een grooten ring versierd, rustte op eene prachtige sabel; over de schouders hing eeno pels van sabelbont, welke
do keizer aan Djsangir ten gcschcnko had gezonden bij zijne verheffing tot do waardigheid van khan.
Oj) do binnenplaats van het paleis des vorsten vindt men een allerzeldzaamst voorwerp, .namelijk, een tarpau d. i. een klein wild, maar buitengewoon fraai gevormd paardje (eqinis hunionus). Dit uiterst zeldzaam dier werd hem ten geschenkc gezonden uit Khiwa. Destijds ontving hij er twee, oen hengst cn ceno merrie, welke laatste echter eenige jaren daarna is gestorven, zoodat alleen de kleine hengst overbleef. Dit beest is zoo bijzonder tam geworden, dat het schijnbaar meer de geaardheid van ccn hond dan van een paard heeft verkregen, zoo speelsch is het. Laat men den tarpan losloopen, dan blijft hij bij ieder, dien hij tegenkomt staan of sluipt hem stil achterna cn pakt hem onverwachts de muts van het hoofd. Draagt men een of ander voorwerp in dc hand, dan neemt hij dat ook weg. Verzet men zich tegen zijne grappen, dan gaat hij steil op dc achterste pooten staan; met knapen speelt en rent hij op cn neder als een groote hond. Zonderlinge luimen heeft het kleine dier, want naauwelijks krijgt het eene vrouw in het oog of het vliegt cr ijlings heen, want het is er bijzonder op gesteld om door eene vrouwenhand te worden gestreeld; somtijds jaagt het dier de vrouwen, in wier midden hot zich bevindt, niet geringe vrees aan door zijne zonderlinge sprongen cn vreemdsoortige bewogingen. Om zich een juist denkbeeld te vormen van do levendigheid cn dc vlugheid dor bewegingen van dien tarpan behoeft slechts vermeld, dut in de gansche horde geen enkel Kirgies wordt gevonden, die hem durft te bestijgen.
Voor do woning of hot paleis van den khan heeft men een tuin aangelegd, welke langwerpig vierkant van vorm is. Aan do achterzijde is deze met een fraai houten latwerk afgesloten; ton zuiden cn ten westen heeft men tot dat einde slechts een gewonen planken heining er om heen gezet. De tuin biedt hoegenaamd niets merkwaardigs aan, in tegendeel hij ziet cr zeer verwaarloosd uit cn is allcr-wege met gras begroeid. Er wordt geen enkel bloemperk
244
in aaTigctroffen; alleen de laan van borkenboomen, welke langs de omheining loopt, levert het eenige bewijs op, dat men zicli op eene plek bevindt, welke nog eenig spoor der menscbelijke hand aanbiedt. In het middengedeelte van den tuin staat de moskee, het fraaiste gebouw dat hier wordt gevonden. Behalve de kunstige bouworde, welke geheel Europeeseh mag genoemd worden, verdient het ook hierom de aandacht, dat khan Dsjangir dc plannen, zoowel wat betreft den plattegrond als de fa9ade er van heeft ontworpen.
Het gebouw is van gebakken steen opgetrokken, van binnen met versierselen van stuc voorzien; dc muren zijn gewit. Het is langwerpig vierkant van vorm; de langste zijden zijn van het zuiden naar het noorden gerigt. De noordelijke wand loopt evenwijdig met het paleis van den khau; een terras breidt zich aan dc zijde der moskee uit, bedekt door het vooruitspringende dak van den tempel, dat op zes hooge zuilen van de Jonische orde rust. Tusschen de vier middelste zuilen is een breede trap van vijf treden aangelegd, waar langs men afdaalt naar eenc breede, met zand bestrooide allee, welke naar dc galavertrekken van het paleis geleidt. Hierdoor verkrijgt de plattegrond der moskee den vorm vaa een kruis. Het dakbekleedsel is van ijzer, hetwelk groen is geverwd. Op het middengedeelte van het dak verheft zicli eene zeer sierlijk gebouwde minareh, welke in twee deeleu kan worden verdeeld, het onderste gedeelte dat breed en vierkant van vorm is, en het bovenste gedeelte, hetwelk veel smaller en zeshoekig is, waarboven een door zes zuilen gedragen koepel oprijst. De spifs is versierd met een gouden bal, waarop een vergulde stang zich verheft, welke eciic wassende maan draagt. Het uitzigt, dat men van den hoogsten omgang der minareh over de omliggende streek geniet, is inderdaad zeer fraai.
Laat ons nu nog met een woord de overige gebouwen beschrijven ca daarbij vooreerst die soort kiezen, welke 4, 5 of G ramen breed is. Deze bestaan grootendeels uit een houten geraamte zonder steenen fondament, en met
245
planken bespijkerd, zoodat de wanden van hout zijn, hetgeen insgelijks het geval is met de daken. Van binnen zijn zij bepleisterd, bevatten vijf of zes kleine vertrekken, gewoonlijk op de Europesclie wijze gemeubileerd. Slechts enkelen hunner bewoners bedienen zich van tapijten op den vloer. In den regel worden de ingangen gevonden op do binnenplaats. Er zijn gewoonlijk twee opgangen eenige treden hoog; die het digtst bij de poort der binnenplaats wordt gevonden, is do hoofdingang. Slechts twee of drie dergelijke gebouwen hebben den hoofdingang aan de zijde der straat. Wijders heeft elke woning een binnenhof, ingesloten in het rond met planken heiningen; binnen deze omheining vindt men daarenboven nog de noodige gebouwen voor de bedienden, tot borging van de verschillende gereedschappen ; somtijds zijn er nog vleugels nevens het hoofdgebouw opgetrokken. Tuinen en grasperken worden nergens aangetroffen; in de plaats daarvan vindt men achter elke woning een zeer ruim plein, hetwelk ingerigt is tot berging van het vee.
De derde groep gebouwen bevat de zoodanigen, welko slechts twee of drie ramen in den voorgevel hebben. Met uitzondering van een vijf- of zestal, behooren zij allen aan Armeniërs of Russen en worden zij bewoond door Kozakken, Orenburgsche Tartaren en Kirgizen, ten gevolgo waarvan zij op de Aziatische wijze zijn ingerigt. Verscheidene dezer woningen zijn versierd met een klein grasperk, hier en daar met geboomte beplant, dat echter nog jong is. Deze huizen bevatten twee, sommigen drie vertrekken, waarvan de wanden bij wijze van een schaakbord, hetzij licht- en donkergroen of blaauw zijn geverwd. Op da binnenplaats vindt men, behalve do noodige woningen voor de mannelijke en vrouwelijke bedienden, de vereischto bergplaatsen voor de bouwgereedschappen. Deze woningen zijn slecht gebouwd, allerwegc hebben zij scheuren en reten in de wanden, terwijl het dak uit gras of riet is gevormd. Door die openingen, zoomede door de gaten in den bodem, baant zich een talloos heir van padden, enz., ecu weg, die jagt maken op de vliegen en muggen, welke in
246
nog grooter menigte des zomers in dergelijke woningen worden gevonden; om die reden worden de padden door de bewoners geduld.
Ten slotte moeten wij nog melding maken van eene vierde soort van huizen, namelijk, van nsteenenquot; huizen, met een of twee ramen in den voorgevel. Alvorens wij met de beschrijving er van een aanvang maken, bchooren wij vooraf een blik te werpen op de soort van bouwstoffen, en de wijze waarop deze bouwstoffen worden verkregen. Terwijl er noch in de nabijheid van de quot;Tent des khansquot; noch op verren afstand van daar graniet, marmer of kalksteen wordt aangetroffen, waarvan men blokken kan maken om huizen te bouwen, en gesteld dat dit al het geval ware, dat de Kirgizen er toch geen gebruik van zouden willen maken, heeft hier hetzelfde plaats gegrepen, dat men in Europa ziet: er wordt steen gebakken. Dewijl de grondstoffen, welke de Kirgizen gebruiken, geheel verschillend zijn van die welke in Europa worden gebezigd, bestaat er weinig overeenkomst tusschen hunnen gebakken steen en den onze. Do grondstof, waarvan zij tot het steenbak-ken gebruik maken, bestaat uit klei, welke echter in de steppe is vermengd met eene gioote hoeveelheid zand, zoodat zij niet taai genoeg is. Waar weinig zand in de klei aanwezig is, vindt men er keukenzout in groote hoeveelheden in. Waar dit het geval is, treft men de zoutbekkens of solontsjaki aan; zijn dergelijke plekken vochtig, loopt er water in te zamen, dan worden zij zout-moerassen of tsjak geheeten. Van deze twee kleisoorten bezigt men de laatstgenoemde als grondstof tot het vervaardigen van gebakken steen, dewijl zij meer zamenhan-gend is dan de met zand vermengde kleisoort. Tot ditzelfde doel laat zich met goed gevolg mergel bezigen, welke in groote hoeveellieid in de omstreken van den Bog-doberg wordt aangetroffen. Dewijl de Kirgizen in de nabijheid van de quot;Tent der khans'' een zoutmoeras hebben, gaven zij zich niet de moeite om op een grooteren afstand eene betere grondstof te zoeken.
O
Het vormen van den steen heeft plaats aan den oever
247
van een klein meer, hetwelk zich uitstrekt tot aan tic irTent des khans.quot; Uithoofde men echter aan den oever van dit meer noch ovens, noch loodsen bespeurt, vraagt ieder die deze oorden voor de eerste maal bezoekt, waar dan toch de steen woidt gebakken; later echter ontwaart hij, dat de Kirgies daartoe het middel heeft, zonder een eigenlijken oven te bezitten. Hun steen is ruim driemaal grooter dan de onze gewoonlijk wordt gemaakt. Hij het vervaardigen gaan zij op de volgende wijze te werk. Ten jare 1846 zag men aan den oostelijken oever van het bedoelde meer vele dagen achtereen vier of vijf Kirgizen, elk gezeten in een put van geringe diepte; zij hielden zich bezig met het kneden van klei met de voeten. Naar gelang zij dit noodig achtten, voegden zij er eerst eene zekere hoeveelheid water bij, en vermengden de taaije specie later met cene hoeveelheid versch gemaaid gras. De klei wordt dan naar het noordelijk gedeelte der kolonie gevoerd, heeft eene lichtgrijze kleur en een vrij zouten smaak; de zamenhang der klei is niet aanmerkelijk, en om die reden is het, dat de Kirgizen gras met de klei vermengen. Tut dat einde bezigen zij eene soort van gras, welke niet grof of breed van halm in. Zij kiezen daartoe vooral die soort, welke in groote hoeveelheden in de omstreken wordt aangetroffen. Nadat zij de klei, het gras, zand en zout op voldoende wijze dooreengekneed hebben, wordt het in den vorm gebrugt; zoodra de steen uit den vorm komt, wordt bij in rijen gesteld en wel zoodanig, dat zij allen afzonderlijk staan. Hoe groot ook het aantal moge zijn, men zal al zeer zelden een enkelen steen vinden, welke zuiver uit den vorm is gekomen. Dit moet echter niet aan den vormer te laste worden gelegd, maar het vermengen met gras is daarvan do oorzaak, dat aan de hoeken en kanten komende, do oppervlakte deels ongelijk bit don vorm doet te voorschijn komen. Bij eene hitte des dampkrings van 40° Kéaumur droogen de steenen zeer spoedig. Voor de steen echter zoo droog en hard is, dat hij gebruikt kan worden tot het bouwen van huizen, ondervindt de steenbakker raenigwerf allerlei
244
in ciangctroffen; alleen de laan van berkenboomen, welke langs de omheining loopt, levert het eenige bewijs op, dat men zich op eeno plek bevindt, welke nog eenig spoor der mcnschelijke hand aanbiedt. In het middengedeelte van den tuin staat de moskee, het fraaiste gebouw dat hier wordt gevonden. Behalve do kunstige bouworde, welke geheel Europeesch mag genoemd worden, verdient het ook hierom de aandacht, dat khan Dsjangir de plannen, zoowel wat betreft den plattegrond als de fa9adc er van heeft ontworpen.
Het gebouw is van gebakken steeu opgetrokken, van binnen met versierselen van stuc voorzien; de muren zijn gewit. Het is langwerpig vierkant van vorm; de langste zijden zijn van het zuiden naar het noorden gerigt. De noordelijke wand loopt evenwijdig met het paleis van den khau; een terras breidt zich aan de zijde der moskee uit, bedekt door liet vooruitspringende dak van den tempel, dat op zes hooge zuilen van de Jonische orde rust. Tusschen de vier middelste zuilen is een breede trap van vijf treden aangelegd, waar langs men afdaalt naar eene breede, met zand bestrooide allée, welke naar de galavertrekken van het paleis geleidt. Hierdoor verkrijgt de plattegrond der moskee den vorm van een kruis. Het dakbekleedsel is van ijzer, hetwelk groen is geverwd. Op het middengedeelte van het dak verheft zich eene zeer sierlijk gebouwde minareh, welke in twee deelen kan worden verdeeld, het onderste gedeelte dat breed en vierkant van vorm is, en het bovenste gedeelte, hetwelk veel smaller en zeshoekig is, waarboven een door zes zuilen gedragen koepel oprijst. De spits is versierd met een gouden bal, waarop een vergulde stang zich verheft, welke eene wassende maan draagt. Het uitzigt, dat men van den hoogstcn omgang der minareh over de omliggende streek geniet, is inderdaad zeer fraai.
Laat ons nu nog met een woord de overige gebouwen beschrijven eu daarbij vooreerst die soort kiezen, welke 4, 5 of G ramen breed is. Deze bestaan grootendeels uit een houten geraamte zonder steenen fondament, en met
245
planken bespijkerd, zoodat de wanden van Lont zijn, hetgeen insgelijks liet geval is met de daken. Van binnen zijn zij bepleisterd, bevatten vijf of zes kleine vertrekken, gewoonlijk op de Europesche wijze gemeubileerd. Slechts enkelen hunner bewoners bedienen zich van tapijten op den vloer. In den regel worden de ingangen gevonden op de binnenplaats. Er zijn gewoonlijk twee opgangen eenige treden hoog; die het digtst bij de poort der binnenplaats wordt gevonden, is do hoofdingang. Slechts twee of drie dergelijke gebouwen hebben den hoofdingang aan de zijde der straat. Wijders heeft elke woning een binnenhof, ingesloten in het rond met planken heiningen | binnen deze omheining vindt men daarenboven nog de noodige gebouwen voor de bedienden, tot berging van de verschillende gereedschappen ; somtijds zijn er nog vleugels nevens het hoofdgebouw opgetrokken. Tuinen en grasperken worden nergens aangetroffen; in de plaats daarvan vindt men achter elke woning een zeer ruim plein, hetwelk ingerigt is tot berging van het vee.
De derde groep gebouwen bevat de zoodanigen, welko slechts twee of drie ramen in den voorgevel hebben. Met uitzondering van een vijf- of zestal, behooren zij allen aan Armeniërs of Russen en worden zij bewoond door Kozakken, Orenburgsclic Tartaren en Kirgizen, ten gevolge waarvan zij op de Aziatische wijze zijn ingerigt. Verscheidene dezer woningen zijn versierd met een klein grasperk, hier en daar niet geboomte beplant, dat echter nog jong is. Deze huizen bevatten twee, sommigen drie vertrekken, waarvan de wanden bij wijze van een schaakbord, hetzij licht- en donkergroen of blaauw zijn geverwd. Op do binnenplaats vindt men, behalve de noodige woningen voor de mannelijke en vrouwelijke bedienden, do vereisebte bergplaatsen voor de bouwgereedschappen. Deze woningen zijn slecht gebouwd, allerwege hebben zij scheuren en reten in de wanden, terwijl het dak uit gras of riet is gevormd. Door die openingen, zoomede door de gaten in den bodem, baant zich een talloos heir van padden, enz., ceu weg, die jagt maken op de vliegen en muggen, welke in
24G
nog grooter menigte des zomers in dergelijke woningen worden gevonden; om die reden worden de padden door de bewoners geduld.
Ten slotte moeten wij nog melding maken van eeno vierde soort van huizen, namelijk, van ttsteenenquot; huizen, met een of twee ramen in den voorgevel. Alvorens wij met de beschrijving er van een aanvang maken, behooren wij vooraf een blik te werpen op de soort van bouwstoffen, en de wijze waarop deze bouwstoffen worden verkregen. Terwijl er noch in de nabijheid van do quot;Tent des khansquot; noch op verren afstand van daar graniet, marmer of kalksteen wordt aangetroffen, waarvan men blokken kan maken om huizen te bouwen, en gesteld dat dit al het geval ware, dat de Kirgizen er toch geen gebruik van zouden willen maken, heeft hier hetzelfde plaats gegrepen, dat men in Europa ziet: er wordt steen gebakken. Dewijl do grondstoffen, welke de Kirgizen gebruiken, geheel verschillend zijn van die welke in Europa worden gebezigd, bestaat er weinig overeenkomst tusschen hunnen gebakken steen en den onze. Do grondstof, waarvan zij tot het steenbak-ken gebruik maken, bestaat uit klei, welke echter in do steppe is vermengd met eene groote hoeveelheid zand, zoodat zij niet taai genoeg is. Waar weinig zand in de klei aanwezig is, vindt men er keukenzout in groote hoeveelheden in. Waar dit het geval is, treft men de zoutbekkens of solontsjaki aan; zijn dergelijke plekken vochtig, loopt er water in te zamen, dan worden zij zout-moerassen of tsjak geheeten. Van deze twee kleisoorten bezigt men de laatstgenoemde als grondstof tot het vervaardigen van gebakken steen, dewijl zij meer zamenhan-gend is dan de met zand vermengde kleisoort. Tot ditzelfde doel laat zich met goed gevolg mergel bezigen, welke in groote hoeveelheid in de omstreken van don Bog-doberg wordt aangetroffen. Dewijl de Kirgizen in do nabijlieid van do «Tent der khans'' een zoutmoeras hebben, geven zij zich niet dc moeite om op een grooteren afstand eene betere grondstof te zoeken.
Het vormen van den steen heeft plaats aan deu oever
247
van een klein meer, hetwelk zich uitstrekt tot aan Jo uTent des khans.quot; Uithoofde men echter aan den oever van dit meer noch ovens, noch loodsen bespetirt, vraagt ieder die deze oorden voor du eerste maal bezoekt, waar dan toch de steen wordt gebakken; later echter ontwaart hij, dat de Kirgies daartoe liet middel heeft, zonder een eigenlijken oven te bezitten. Hun steen is ruim driemaal grooter dan de onze gewoonlijk wordt gemaakt. Bij het vervaardigen gaan zij op de volgende wijze to werk. Ten jare 1846 zag men aan den oostelijken oever van hot bedoelde meer vele dagen achtereen vier of vijf Kirgizen, elk gezeten in een put van geringe diepte; zij hielden zich bezig met het kneden van klei met de voeten. Naar gelang zij dit noodig achtten, voegden zij er eerst eene zekere hoeveelheid water bij, en vermengden de taaije specie later mot eene hoeveelheid versch gemaaid gras. De klei wordt dan naar het noordelijk gedeelte der kolonie gevoerd, heeft eene lichtgrijze kleur en een vrij zouten smaak; de zamenhang der klei is niet aanmerkelijk, en om die reden is het, dat de Kirgizen gras met de klei vermengen. Tut dat einde bezigen zij eene soort van gras, welke niet grof of breed van halm in. Zij kiezen daartoe vooral die soort, welke in groote hoeveelheden in de omstreken wordt aangetroffen. Nadat zij de klei, het gras, zand en zout op voldoende wijze doorcengekneed hebben, wordt het in den vorm gebragt; zoodra de steen uit den vorm komt, wordt hij in rijen gesteld en wel zoodanig, dat zij allen afzonderlijk staan. Hoe groot ook het aantal moge zijn, men zal al zeer zelden een onkelen steen vinden, welke zuiver uit don vorm is gekomen. Dit moet echter niet aan den vormer te laste worden gelegd, maar het vermengen met gras is daarvan do oorzaak, dat aan de hoeken en kanten komende, do oppervlakte deels ongelijk uit den vorm doet te voorschijn komen. Bij eene hitte des dampkrings van 40quot; lléaumur droogen de steenen zeur spoedig. Voor de steen echter zoo droog en hard is, dat hij gebruikt kan worden tot het bouwen van buizen, ondervindt do steenbakker menigwerf allerlei
243
ongelukken, ja, hij ziet zijn ganscbcn arbeid somtijds verloren gaan, zoodat hij van den gevormdon steen volstrekt geen gebruik kan maken. Toch wordt hij, naar het schijnt, niet wijzer of voorzigtiger. Nu eens gebeurt het, dat spelende kinderen zijne op rijen gestelde steenen, terwijl zij noch vochtig zijn, door elkander werpen, of dat schapen, koeijen of paarden eene nog ergere verwoesting aan-rigten; ook gebeurt het dat eene zware regenbui er op nederstort en alles in eene vormelooze massa herschept. Dan raast en tiert de Kirgische steenbakker, en eindigt met het werk op nieuw weder aan tc vangen. Maar het zonderlingste is, dat hij zoo min voor als na die ongevallen er aan schijnt te denken om zijn produet tegen dat alles te beveiligen, cenvondiglijk door het bouwen van eene loods. Neen, hij vangt zijn arbeid op nieuw aan, en stelt zich telkens aan gelijko teleurstelliugeu bloot.
Op het droogen van den steen moest het bakken volgen, indien het mogelijk ware dat dit plaats greep, maar hiervoor bestaan twee goede redenen: 1°. is het niet mogelijk dat dit geschiedt, dewijl het. vermengen van de klei met gras de steenen zoodanig zou doen barsten en scheuren, dat zij onbruikbaar zouden worden; 2'. is het bakken tot de onmogelijkheden te rekenen, dewijl er geene brandstof is te verkrijgen; het is waar, men zou hout van dc Wolgaoevers kunnen bekomen, maar dit zou natuurlijk zeer hoog in prijs staan en do Kirgizen, die steenen huizen bewonen, zijn veel tc arm om het bekostigen. Ten einde echter in dit vereischte zoo goed mogelijk te voorzien, gaat de Kirgische steenbakker op do volgende wijze te werk: hij brengt den cenigzins gedroogden steen naar eene zandige plek, welke meer dan anderen aan do brandende stralen der zon is blootgesteld — en dergelijken zijn in overvloed aanwezig, — ten einde de steenen geheel to doen droogen. Wil men nu een huis bouwen, dan noemt men alle onreinheid weg, maakt den grond gelijk, bedekt hem met klei, welke pas getreden is, en daarop begint men de muren to stellen, welke een, tweo
249
of drie steens mnren worden, naar gelang de eigenaar er meer aan te koste legt. De steenen worden op de platte zijde op elkander gelegd en met klei onderling verbonden ; de vochtige klei, welke daartoe gebezigd wordt, is zoo aanmerkelijk, dat men bijna mag zeggen, dat er bier en daar een steen is gelegd, maar dat de muren grootendeels uit klei bestaan. Waar ramen en deuren komen, plaatst men dunne latten bij wijze van kozijnen. De zoldering vormt men zelden uit planken, welke te hoog in prijs staan; gewoonlijk bezigt men tot dat einde steenen met klei aaneen verbonden, rustende op dunne balken, wier uiteinden op de muren zijn gelogd. Het dak bestaat gewoonlijk uit boomschors, zelden uit dennen planken. Vele huizen hebben geen dak hoegenaamd. In do woning heeft men veelal slechts een vertrek; weinigen hebben meer ver trekken, voorzien van een Russischen kagchel.
Dergelijke steenen gebouwen zijn slechts eene schaduw van hetgeen wij in Europa een steenen gebouw noemen; daarenboven zijn er hier slechts enkelen, hoogstens zeven te vinden. Waarschijnlijk zal het getal er van niet ligtelijk toenemen, want bij aanhoudenden regen loopen zij groot gevaar geheel weg to spoelen; aanvankelijk komen er scheuren in, waardoor het water heendringt; dan wordt do grondslag door het water ondermijnd, en dadelijk stort het in en verandert in eene vornieloczo kleimassa. Gedurende deu zomer van het jaar 1846, welke zeer regenachtig was, had men er verscheidene voorbeelden van gezien.
Hoewel do bevolking van de quot;Tent des khans'' zich hier eene vasto woonplaats hoeft gekozen, heeft zij nog steeds hot karakter behouden eencr zwervende horde. Gedurende het voorjaar, tegen den tijd dat do jaarmarkten worden gehouden, neemt zij zeer in aantal toe, en onder do aankomenden behooron zoowol Kirgizon als leden van andere volkstammen. Is de markt afgeloopen, dan vermindert zij weder tot de helft van hot aantal, hetwelk des winters hier verblijf houdt, want oen groot gedeelte der Kirgizon en Tartaren alhier gevestigd in den winter, leidt in de zomermaanden het zwervende leven van vroe-
250
ger jiiren. Gedurende do herfstmarkt neemt het iinntal bewoners weder toe, maar klimt niet tot gelijke hoogte als het geval is staande de voorjaarsmis; later vermindert het weder tot op een vijfhonderdtai. Daaronder bevinden zieh ongeveer twintig handelaars, die GO ;'i 80 duizend gulden 's jaars omzetten; een van hen doet aanmerkelijke zaken, want de waarde der artikelen door hem aan de markt gebragt, bedraagt ruim 44 duizend gulden. Toch mag dit afgelegen oord als een vereenigingspunt van groot gewigt beschouwd worden. De waarde van de ter markt gebragte goederen is niet in staat om ons een hoog denkbeeld op te doen vatten van den rijkdom der Kirgizen; het zal derhalve geene verwondering baren, dat brandhout, hetwelk langs de quot;Wolga moet worden aangevoerd, slechts in ccne enkele woning wordt gebezigd, namelijk, in het paleis van den khan. De overige bewoners bedienen zicb tot dat einde van gedroogd gras. hetwelk zij in den herfst snijden en dat later vermengd wordt met krisik of niest.
De voorjaarsmarkt vangt aan tnssehen den 20'quot;*quot; April en den lquot;quot;'11 Mei, — dit hangt af van het weder, naar gelang de koude korter of langer aanhoudt — en eindigt op den lquot;quot;'n .Tunij. Dn herfstmarkt duurt slechts G of 7 dagen in het laatste gedeelte der maand September. Aanvankelijk werden deze jaarmarkten gehouden in liet open veld in Kirgische kibitken; in de laatste jaren zijner regering heeft khan Dsjangir een houten bazar doen bouwen, welke 235 afzonderlijke vertrekken of winkels bevat. Tot op het jaar ]845 was deze ruimte voldoende; later echter is het verkeer zoodanig toegenomen, dat een groot aantal handelaren zijne toevlugt moest nemen tot het opslaan van kibitken. Ten einde tegen rustverstoringen te waken, bevindt zich gedurende de beide tijdperken in de quot;Tent des khansquot; een officier der gendarmerie van het garnizoen van Astrakan ; de voorkomende twistgedingen worden door den hazar-sultan beslecht. Het aantal Kirgizen, hetwelk de jaarmarkt bezoekt, bedraagt afwisselend 2 a 5 duizend personen; zij brengen ruim 70,000 hamels en 12,000 stuks paarden ter markt. De najaarsmis, hoewel in menig opzigt verre bene-
den tie voorjaarsmarkt staande, is veel gevrigtiger dan deze wat betreft het aantal der aan de markt gebragte stukken hoornvee cn de hoeveellieid vet. Dit laatste wordt in ka-meelmagen gegoten en op die wijze ter markt gebragt. In liet jaar 184G werd de markt door ongeveer 4,000 perso-sonen bezocht, van welke twee derde gedeelten Kirgizen; de overigen vreemdelingen waren grootendeels Russen aan de oevers der Wolga en in de omstreken er van gevestigd. Er bevonden zich onder deze vreemdelingen insgelijks Tartaren, Armeniërs, Kalmoeken, Troechmenen cn bewoners van Khiroa.
Do Tent der khans is gebouwd op een vlakken, klei-aehtigen zandigen bodem, welke op vele plaatsen met zout is bezwangerd. In liet noordelijke gedeelte is de bodem zeer droog; er wordt in dat gedeelte slechts een meer gevonden, dat niet uitgebreid mag worden geheeten. Zuidwaarts echter paalt onmiddellijk aan de Tent der khans een zeer uitgestrekt moeras, waaruit tallooze heuvelen oprijzen. In dit moerassige terrein huist ecne talloozo menigte wild, dat de bewoners dezer streken ongemoeid laten en derhalve in niet geringe mate toeneemt. Aan den tegen overgestelden zoom van dit moeras, verder zuidwaarts, vindt men eene drooger en tevens hooger gelegen streek cn nog verder zuidwaarts eene verbazend uitgestrekte vlakte, zijnde eene aaneenschakeling van modderbekkens, welke ecne groote hoeveelheid zout bevatten. Gedurende het regenachtige jaargetijde loepen zij vol water, dat zeer veel zout in zich opneemt en worden dan door de bewoners sor genoemd. In den zomer doet dc buitengewone hitte al hot zaavngevloeide water verdampen, zoodat zij schijnbaar geheel uitdroogen; alsdan zijn zij bekend onder de benaming chak. Ik zeg schijnbaar droogen zij geheel uit, want eigenlijk blijven zij onder de korst, welke hard wordt, zeer vochtig en modderaehtig. Dit blijkt onder anderen hieruit, dat het vee hetwelk zich op dien bodem waagt, er doorzakt cn in den modder stikt. Ongeveer twaalf jaren geleden werd eene drift paarden van 1000 stuks op dezen bedriegelijken bodem gedreven cu allen zonken zij in den
252
modeler en kwamen er in om. Hieruit kan men zien, dat dc modderlaag eenc zeer aanmerkelijke dikte moet hebben. Ten westen van do Tent des khans is de bodem over eene breedte van zes mijlen zeer zandig; bier en daar verheffen zich duinen van eene tamelijke hoogte, gescheiden door diepe groeven of voren, welke in het voorjaar vol sneeuw of water zijn. Heeft men deze G mijlen breede zandstreek achter don rug, dan treft men een kleiachtigcn, zandigen bo« dem aan, welke op tien mijlen afstand van de Tent des khans wordt doorsneden door eene lange en diepe kloof, hier jarik of jerik genoemd. Gedurende den winter en den zomer vindt de bezoeker dezer oorden eene smalle, maar zeer doelmatige brug; in het begin der lente treft hij niets anders aan dan hare puinhoopen, want het afstroomende water gedurende het voorjaar verschoont deze ecnige brug in de steppe der Roekeï-Kirgizen niet. In het jaar 184G, zoo bekend door zijne overstroomingen en zware regens gedurende het voorjaar, stond do jerik in April vol drabbig water, dat zeer zout van smaak was; op de oppervlakte dreef een vlot; door middel waarvan de overtogt geschiedde. Het was echter zoo klein van omvang, dat slechts een ruiter met zijn paard te gelijk kon overgezet worden. Op die wijze poogde men in het gemis der brug, welke door den woedenden stroom was weggerukt, zoo goed doenlijk to voorzien.
Aan dc oostzijde van de Tent des khans begint, in de onmiddellijke nabijheid van het laatste huis, eene met zand bedekte vlakte, welke als eene breede strook in eene zuidoostelijke rigting door de gansche steppe loopt en eerst in de nabijheid der Kaspische zee eene westelijke rigting verkrijgt. Dit zandmeer noemt men Rachane of Kyn-zand-streck. Al deze rynen bestaan uit tamelijk hooge duinen, waar tusschen breede, diepe dalen worden aangetroffen, bedekt met een buitengewouen rijkdom van gras, hetwelk een uitstekend voeder voor paarden en vee oplevert. De Kir-gizen beweren, dat deze zandstreken in twaalf deelen of districten zijn afgedeeld, welke allen onder bijzondere benamingen zijn bekend. Gedurende den zomer verschaffen zij
253
nan liet vee ccn overvloed van gezond voeder; des winters strekken zij tot een veilig toevlugtsoord aan de Kirgizen, die in de diepe dalen, beschermd tegen de stormen door do naburige hoogten, hunne tenten opslaan. Het gevolg van de natuurlijke gesteldheid dezer strekeu is, dat de koude er in verre na niet zoo hevig is als in hooger gelegen oorden. Des zomers freft men in de dalen der rynen hier en daar kringvormige plekken aan, welke niet met graa zijn begroeid; het zijn de plaatsen, waar des winters do kibitken van Kirgizen hebben gestaan.
Hoe meer men do Tent des khans nadert, hne kleiner de duinen worden cu des te verder rijzen zij van elkander op, maar oo!i des tc grooter zijn zij in aantal. Besehouwt men deze zandstreek van een der omgangen der minarehs van Dsjangir, dan schijnt het een zandmeer, dat, golfvor-mig bewogen zijnde, eensklaps star en onbewegelijk is gebleven. De hoogte, waartoe zich deze duinen verheffen, is zeer verschillend, sommigen zijn slechts zes voet hoog, anderen meer dan het dubbel; zij zijn kegelvormig van gedaante mot stompen, rond toeloopenden schedel. Het zand dezer duinen heeft eene heldere, roodachtig gele kleur, bezit geene vreemde bijmengselen, behalve eene groote verscheidenheid van verbrijzelde schelpen. De top der heuvelen is geheel vlak, de hellingen zijn golfvormig. Het zand is zeer ligt; bij de minste windvlaag of wanneer er eenig voorwerp op valt, dan geraakt steeds eene groote massa in beweging. Van plantentooi ziet men op deze duinen nergens eenig spoor, behalve waar zij zich in den vorm van ccn langen zandrug uitstrekken; daar treft men aan kleine groepen van donkerroodo wilgen (salix fusca), blanke populieren (populus albus) en wilde wijngaarden (clematis glauca). Tusschen deze duinen ziet men diepe, trogvormige valleien, waarvan do bodem met digt begroeid moerasgras en menigwerf zelfs met water is bedekt.
Tloezcer het zand aan de oppervlakte der duinen volkomen droog is, behoeft men niettegenstaande do verzengende hitte, welke hier des zomers heerscht, slechts eene dunno laag van een paar duim tc verwijderen om vochtig zand IV. 23
254
te verkrijgen, en hoe dieper men cr in doordringt, des te meer water ontmoet men. De hoeveelheid daarvan in deze duinen is zoo groot, dat men niet diep behoeft te graven om binnen hot verloop van een half uur do holte half vol water tc zien staan. Hiervan maakt men ruimschoots gebruik tot hot graven van waterputten. Dit geschiedt op zeer eenvoudige wijze. Op eene lage, vlakke plaats in het zand. stelt men een kuip, welke niet meer tot de gewone einden kan gebezigd worden, dekt dien met eene plank om het instuiven van onreinheden te voorkomen en bintien 12 uren is de kuip volgeloopeu met hot helderste water; is het door lang staan bedorven, dan schept men het uit en laat er weder nieuw water inkomen.
Merkwaardig is het do werking des winds op deze duinen na tc gaan: het zand verstuift eerst, de vorm wordt daardoor veranderd, zij nemen in grootte af en worden eindelijk geheel verplaatst. Hoe groot de invloed daarvan is, dit ontwaart men nergens zoo duidelijk als in de geschiedenis van do Tent des khans. In do eerste jaren van van hare vestiging te dezer plaatse was dc ryno 14 uren oostwaarts van daar gelegen, en tusschen haar en deze zandstreek verhief zich een tamelijk uitgestrekt woud; de oudste bewoners herinneren zich deze bijzonderheid nog zeer goed. De behoefte, welke de bewoners van dit oord hadden aan timmer- en brandhout, was do oorzaak, dat het gansche woud binnen weinige jaren geveld was. Weldra echter openbaardon zich de nadeelige gevolgen daarvan; door den wind voortgestuwd, naderde dc ryne of zandstreek als het ware met den dag meer en meer en tegenwoordig is het reeds zoo ver gekomen, dat het zand even hoog is opgewaaid als de muur zich verheft, welke men aan die zijde van dc Tent des khans hoeft gebouwd om het verder voortrukken dor zandmassa tegen to gaan ; het waait er thans reeds over en bedekt den grond der binnenplaatsen en der tuinen. Daarenboven heeft het zand zich ten zuiden en ten noordoosten van de Tent des khans uitgebreid. Aan den laatstgenoemden kant dor bewoonde kom vindt men diepe groeven of kanalen, welke in het voorjaar vol loo-
255
pen en indien de zomor niet buitengewoon droog is, toi aan den winter gedeeltelijk altbans met water gevuld blijven. Hier laat zich een zeer zeldzaam verschijnsel waarnemen. In liet voorjaar is hot water dezer natuurlijke kanalen zoet en helder; langzamerhand verandert bet van kleur en smaak, zoodat bet in Julij reeds eene koffijkleur heeft verkregen en vrij bitter van smaak is. Dit verhindert cchter de bewoners dezer oorden niet om zich dagelijks ip dit water !e baden, niettegenstaande het eene zwartbruine kleur heeft; naar zij verzekeren, is dit zeer gezond.
Alvorens wij de zandstreek verlaten en ons naar de noordelijke grenzen van de Tent des kGans wenden, wenschen wij nog cenige opmerkingen bij het voorafgaande te voegen, botrolTciide de temperatuur van den bodem. In het jaar 1846 heb ik eene reeks waarnemingen te dien op-zigte gemaakt. Op een der duinen onderzocht ik vooreerst den warmtegraad van de oppervlakte en vervolgens ter diepte van 0, 8 en 10 duim. Bij bet opgaan der zon komt de warmtegraad der lucht geheel overeen met dien van de oppervlakte des bodems; dit is het cenige oogenblik van don dag, waarop dit liet geval is. Uit dien hoofde is dit vooral zeer opmerkelijk, dewijl het niet betrekking heeft op de gansche massa van bet duin, want op eene diepte van 8 duim is de temperatuur t hoogor en er op 10 duim slechts 2g hoogor dan aan de oppervlakte. Uoe hoogor do zon aan den hemel stijgt, des te meer klimt de hittegraad des dampkrings en van den bodem, maar in het zand stijgt de thermometer 2 ' hoogor dan in de lucht, zoodat het zand aan zijne oppervlakte ten 12 ure een hittegraad bereikt van 37 graden. Hoe dieper men nu in den grond doordringt, des te lager wordt do temperatuur, zoodat op G duim diepte de thermometer niet meer dan 26° toekont, op 8 duim 22i/20. Aanvankelijk neemt de warmte snel af, maar vervolgens al langzamer, naar gelang men dieper in den bodem dringt. Van 12 tot 2 ure blijft de temperatuur der zandheuvelen bijna onveranderd, uithoofde het zand de warmte lang behoudt, niettegenstaande de temperatuur der lucht reeds 3° is gedaald. Tot op 7 ure des avoids
256
bevond ik, dat de warmtegraad dor lucht voortdurend 2° beneden dien van dc zand massa aan hare oppervlakte bleef.
Noordwaarts van dc Tent des khans ligt eene geheel vlakke steppe, welker kleibodem een aanmerkelijke hoeveelheid zand beval. Op tien mijlen afstands van dc legerplaats werden te midden dezer steppe twee of drie zoetwiitcnno-ren gevonden; de grootste heeft eenc lengte van twee mijlen en wordt door de Kirgizon Tsjoelak kopa gehecten. Dit meer is ongeveer voor dc helft blank water, voor het overige gedeelte modderig en met gras begroeid ; het vormt een llevclingsoord voor ganzen, eenden en andere watervogelen, die er in zeer grootc menigte worden aangetroffen. Naar het verhaal van zeer bejaarde personen waren de oevers van dit meer in vroegeren tijd bedekt met hoog opgeschoten riet, waarin zelfs wilde zwijnen in niet gering getal zich ophielden; dit is echter alles veranderd, dewijl men al het riet langzamerhand heeft weggesneden om het als brandstof te bezigen.
Noord westwaarts van deze legerplaats, 110 mijlen van Kamysjin en 180 mijlen van Saratow; is een andeio legerplaats, bekend onder do benaming van quot;dc zomertent dos khans;quot; ongeveer acht jaren geledon werd zij door khan Dsjangir aangelegd. In dc onmiddellijke nabijheid er van vliet de beek Torgoen. Hut getal woningen aldaar opgc-rigt is slechts gering; er zijn er niet moor dan negen, allen van hout opgetrokken en uitsluitend tol zomerverblijf ingerigt, want men vindt er geenc kagcbels of stookplaatsen in. Bij een dezer huizen is een tuin cn oen boomgaard aangelegd.
Ton slotte wenschen wij bij deze beschrijving van do woonstede der Kirgizon, nog die te voegen van oen meer huisselijken aard uit het leven van Khan Dsjangir. Ilansteen heeft haar in zijn werk medegedeeld. Zijn verhaal luidt aldus:
Eens op een middag liet vorst Dsjangir ons uitnoodigen om in zijn gewoon vertrek thee bij hem tc komen drinken. Terwijl ik naast hem op dc sopha zat, vroeg ik of hij eenig oudcrscheid tusscLen onze gelaatstrekken cn dio
257
der Ku=scn kor» opmerken, even als wij onderscheid zagen tusschen dc gelaatstrekken van de Kirgizen en de Russen. Nadat hij ons en het overige gezelschap goed had aangezien, gaf hij hierop een toestemmend antwoord. Daarop vroeg ik of het hem aangenaam zou wezen om eenigo onzer nationale dansen en andere ligcliaamsoefeningen te zien uitvoeren. Dit werd met vreugde aangenomen. De piano, welke ik in den voormiddag zoo goed mogelijk had gestemd, werd in het vertrek gebragt, alwaar wij ons bevonden. Alvorens het instrument te bespelen, vroeg ik om eene flesch, lag die op het tapijt en zette mij daarop neder — in dier voege, dat dc hals in de rigting van de voeten was gekeerd — en deed te gelijk den regterhiel op den grond en den linkerhiel op do teenen van den regtervoet rusten. In die houding balacerende, nam ik in elke hand een zilveren kandelaar met eene waskaars, waarvan de eene brandde, en poogde toen de andere kaars aan te steken zonder mijn evenwigt te verliezen. Na eenige vergeefsehe pogingen gelukte het mij eindelijk. Terstond daarop zette Dsjangirs oudste halvebroeder, prins ïaoeke, zich schrijlings op de flesch neder om het kunstje ua tc doen. 't Was zeer klugtig om te zien welke zonderlinge buigingen hij daarbij maakte; nu eens viel hij naar de linker-, dan weder naaide regterzijde over, en nadat hij herhaaldelijk de brandende kaars had uitgebluscht zonder de andere te kunnen aansteken, doofde hij haar eindelijk uit door ze tegen zijn neus te duwen en rolde toen zoo lang hij was over het tapijt. Vervolgens balaceerde ik nog op eenen arm op de zitting van een stoel, sloeg do beide becnen over de leuning heen, liep op beide handen, duikelde voor- en achterover en voerde allerlei sprongen uit. Verscheidene dezer ligchaams-bewegingen werden door luitenant Due met het beste gevolg nagedaan. Ook prins Taoeke poogde daarop zijne vaardigheid aan dea dag te leggen, maar met minder goeden uitslag. Hetgeen den algcmcenen lachlust niet weinig vermeerderde was het volgende; ten einde des te beter in staat te zijn om zich met gemak te bewegen, had hij zijn kaftan uitgetrokken eu yvas nu gekleed iu een wambuis van
258
Manchester, een wijden wit linnen pantalon, een paar grooto laarzen en eene spits toeloopende muts op het hoofd; ■wanneer inon nu daarbij zijne buitengewone dikte en plompheid van vormen in aanmerking num, dan gülcek hij volkomen op een paljas, gelijk men in Europa op de kermissen ziet. Bij elke nieuwe poging 0111 mij na te doen. rolde hij voor- of achterover, waarbij zijne spitse muts telkens afviel en zijn kaalgeschoren hoofd bloot geraakte. Prins ïaoeke geraakte bij dat alles niet uit zijne goede luim, maar khan Dsjangir vooral deed dit alles groot genoegen, want hij lachte zoo hartelijk, dat hij zich den buik moest vasthouden en de tranen hem langs de wangen rolden. Eindelijk verzocht ik luitenant Due om zich aan de piano te zetten on een vrolijken Noorweegschon hallingdans te spelen. Als knaap en jongeling had ik op feestdagen de boeren dien zonderlingen dans dikwerf zien ■uitvoeren en herinnerde mij nog zoo veel van de kunstige wendingen en grillige sprongen, welke daarbij behooren, dat ik hem met eenig goed gevolg kon dansen. Toen do dans ten einde was, kwam Karelin naar mij toe met het verzoek om den dans nogmaals te herhalen.
Op mijne vraag waarom lüj mij dit verzoek deed, gaf hij mij ten antwoord, dat hij daaromtrent iu geeno nadere bijzonderheden kon treden, maar mij dringend uit noodigde om aan zijn verzoek te voldoen.
Op nieuw ving ik den hallingdans aan en bespeurde nu, dat de deur welke naar de vertrekken der vorstin geleidde, half geopend was, waardoor ik in het donkere vertrek eene vrouwengestalte ontwaarde aan het witte kleed, hetwelk zij droeg.
Den daarop volgenden dag vernam ik van Karelin, dat de gemalin van den khan zich op ecu leuningstoel voor de half geopende deur had doen dragen, en van daar den den hallingdans, door mij uitgevoerd, in het geheim had aanschouwd.
Wij zouden onze reizigers, die, gelijk wij op bladzijde 308 vermelden, te Tsaritsin waren aangekomen, nog verder op hunnen terugkeer over AVoronesj, Toela, Moskou naar
250
St. Pctersljurg kuiincu vci-gozellcn. Vooreerst echter werd de togt met grooter snelheid dan vroeger gedaan, ten anderen ging die door reeds bezochte plaatsen, zoodat wij in een weinig belangrijke opsomming van gebeurtenissen zouden vervallen, welke reeds breedvoeriger zijn behandeld en derhalve den lezer geen belang zouden kunnen inboezemen. Wij voegen er dan nog slechts bij dat ons reisgezelschap vier weken te St. Petersburg vertoefde en den 28s'c'1 December, 1829, na eene afwezigheid van ruim uegen maanden, iu gezondheid te Berhju terugkeerde.
v au
Friedrich Ileinrich Alexander von Humboldt aanschouwde het eerste levenslicht te Berlijn op den 14',on September, 1769. Zijn grootvader had als kapitein gediend onder koning Prederik quot;Willem den l8'quot; en stamde af van een oud-adellijk en zeer vermogend geslacht in Achter Pommeren gevestigd, dat zich later in Brandenburg nederzette. De zoon van bovengenoemden kapitein had insgelijks de militaire loopbaan betreden, diende gedurende den zevenjarigen oorlog als majoor en adjudant van hertog Ferdinand van Brunswijk en werd later benoemd tot kamerheer van koning Prederik Willem den Groote; hij was de vader van de beroemde gebroeders 'Wilhelm en Alexander, den held van ons verhaal. Deze von Humboldt was gehuwd met de weduwe van den baron van Holwede, Theresa von Colomb geheeten, cenc afstammeling van een geslacht uit Bourgon-dië verdreven door de herroeping van het edict van Nantes. De heerlijkheden en Iladersleben en Hingenwalde behoorden aan dezen edelman, behalve nog het kasteel Tegel, vroeger een jagtslot der keurvorstelijke familie nabij de hoofdstad gelegen, hetwelk hij in erfpagt hield van de koninklijke houtvesterij.
Tn dit alleraangenaamst gelegen oord bragt Alexander von Humboldt zijne kinderjaren grootendeels door. Naauwe-
lijks had Iiij den ouderdom van aelit jaren bereikt, of zijn vader gaf hom en zijn ouderen broeder Wilhelm een uitstekenden leermeester in den heer Knnth, later geheim op-per-regeringsraad. Deze telde destijds even twintig jaren, maar was een zeer bekwaam jongman, die zijne academische studiën uit gebrek aan de voreisehtc geldelijke hulpmiddelen had moeten staken, maar niettemin zeer bedreven was in de Latijnschc, Fransehc en Dultsche talen en letterkunde, wijsbegeerte en geschiedenis, en in het algemeen tot een trap van ontwikkeling was opgeklommen, welke schier voorbeeldeloos mogt gehceten worden; daarbij had deze jeugdige loermecster nog een ander groot voordeel genoten, namelijk, omgang in de meest beschaafde kringen, zoodat hij ruimschoots in staat mogt geacht worden om de leiding der gewigtige taak op zich te nemen, welke aan hem werd toevertrouwd. Gedurende elf jaren heeft hij zich met den meesten ijver van die taak gekweten, llecds van den aanvang betoonde de oudste der beide broeders een zeer gelukkigen aanleg, gepaard met eene zeer vroegtijdige ontwikkeling; Alexander daarentegen, die twee jaren jonger was, had de grootste moeite om zijn broeder in de verte te volgen, vooral veroorzaakt door zijne zwakke gezondheid. Dit gaf aanleiding tot hot vermoeden, dat zijne intellectuele vermogens nimmer een aanmerkelijken graad van ontwikkeling zouden bereiken. Met het toenemen der lig-chamelijke krachten veranderde dit als het ware plotseling; eensklaps ontbrandde het licht des gcestes in het hoofd van don knaap, waaruit liet in latoren leeftijd mot onver-doofbaren glans over het gansche wereldrond zou stroomen.
Korten tijd voor do beide broeders naar de hoogeschool zouden vertrekken, begaven zij zich naar Berlijn, welke stad zij vroeger slechts nu en dan hadden bezocht, maar alwaar zij zich nu meer bepaald vestigden. Dit geschiedde niet het oogmerk om hen de openbare lessen van de bekwaamste mannen in verschillende vakken te doen bijwonen, en hen alzoo nog meer geschikt en rijp te maken voor het academisch onderwijs. Zij woonden destijds bij de voorlezingen van den beroemden Engel over de philosophic
363
cn cstlicticiij die van ilen bekwiimcii Dolnn over de statistiek in verband niet de politieke wetenschappen en anderen.
Aldus voortreffelijk toegerust, begaven de beide broeders Wilhelm en Alexander zich naar de hoogeschool te Frankfort aan den Oder, welke destijds in hooge eer stond; de oudste wijdde zich aldaar aan dc beoefening des regts, de andere, onze Alexander, leidde zich toe op de studie der staathuishoudkunde en aanverwante vakken.
Gedurende den herfst en den winter van 1787—1788 bleef Alexander te Frankfort. Don daaropvolgende!! zomer en winter bragt hij weder in do hoofdstad door, ten einde de technologie, in hare toepassing op het fabriekwezen, te beoefenen cn imu eerst zijn vlijtige» broeder met ijver nastrevendequot; — zoo verklaarde Alexander zelf — begon hij zich niet de borst op dc studie der Grieksche taal too te leggen. Gedurende zijn verblijf te Berlijn knoopte hij een naauwen vriendschapsband aan met don jeugdigen, maar toen reeds beroemden kruidkundige Willdenow en betoonde eene bijzondere genegenheid voor de studie der cryptogamen en do talrijke familie dor grassoorten. In het voorjaar van 1789 begaf hij zich naar Göttingen, waar hij een jaar lang zijn arbeid voortzette. In gezelschap van zijn broeder woonde hij dc voorlezingen bij over de philosophie in hot seminarium van Ileyne cn stelde in datzelfde jaar, als eerste proeve van zijne letterkundige nasporingen, oen werkje op het papier uover de weverijen bij do Grieken.quot; Deze eersteling van zijne hand werd door hem gezonden aan F. A. Wolf, wien hij verzocht hot te willen doorzien en hem zijn oordeel daaromtrent mode te doelen. Om redenen, welke onbekend zijn gebleven, is het nimmer in het licht verschenen.
Zijne zucht voor do beoefening der natuurwetenschappon vond ruimschoots voedsel te Göttingen in zijn om • gang on dc lessen van Blumenbach, Boekman, Lichtenberg cn Link; en verder door togten, ondernomen door het Hartsgebergte .en langs da oevers van den Rijn. De vruchten, bij dc laatstgcmelde reis opgedaan, heeft hij openbaar go-
364
maakt in zijn cerate work, hetwelk door den druk in het licht is verschenen; het was getiteld; quot;Over de basaltber-gen aan den Rijn (moer bepaaldelijk van de Uukelsclie steengroef), benevens onderzoekingen aangaande het syeniet en basaniet der Ouden,'' Deze arbeid, welke eene menigte ge-wigtigc oudheidkundige onderzoekingen bevat, wikkelde hem in een levendigen en door hein op zeer geestige wijze gevoerden pennestrijd met professor Witte te liostok, die de pyramideu in Egypte beschouwde als voortbrengselen der natuur, ontstaan ten gevolge eener vulkanische uitbarsting, terwijl de daarop aanwezige hieroglyphen, volgens dicnzelfden schrijver, moesten gehouden worden te zijn ontstaan door kristallisatie van het gesteente.
Ten huize van Heyne, den schoonvader van den talent-vollen, maar ongelukkigen George Forster, !) hadden de beide broeders kennis gemaakt met den laatstgenoemde en eene naauwe vriendschapsbetrekking met hem aangeknoopt. In het voorjaar vergezelde Humboldt Georg Forster, die de betrekking van bibliothecaris der universiteit te Maintz bekleedde, op eene reis door België, Holland, Engeland en Frankrijk, welke de rijkste vruchten voor de ontwikkeling zijns geestes droeg. Deze reis, de welwillende vriendschap, welke bij die gelegenheid door hem werd aangeknoopt met Sir J. Banks 1) deden de buitengewone zucht om verwijderde tropische oorden te bezoeken in hem ontwaken, aan welke zucht hij eerst later, na den dood zijner
i
) Sir Joseph 15anks, geboren te Reresby Abbey in Lineolnshire ten jare 1743, beoefende met den besten uitslag de natuurwetenschappen, doorreisde Newfoundland, vergezelde kapitein Cook op zijn eersto reis rondom de wereld in 1769—71. bezocht vervolgens IJsland, de Hebriden. en Shetlands-eilanden, beschreef het eerst de grot van StafTa en werd in 1778 benoemd tot president der koninklijke maatschappij van wetenschappen en in den adelstand verheven mrl den titel van baronet.
305
geliefde moedor, heeft gevolg gegeven, welker verwezenlijking zoo rijke vruchten voor do wetenschappen heeft opgeleverd.
Welke diepe wortelen de vriendschap voor dezen bui-tengewonen man, die reeds als zeventienjarig jongeling eene reis met kapitein Cook om do wereld maakte, in zijn gemoed had geslagen, bleek nog in lateien tijd uit den hartelijkcn en innigen toon, waarop hij van hem heeft gesproken in zijne geschriften. Dit zal wel niemand kunnen bevreemden, wanneer men bedenkt, dat de levendige omgang, de rijke verbeeldiiig.skracht, de zeldzame bekwaamheden en heldere aanschouwingen des levens, de echte humaniteit van dien talentvollen man een blijvenden indruk moesten maken op het gemoed van iemand als Alexander von Humboldt, die naar hart en geest met zoo uitstekende gaven was toegerust.
Wanneer wij ontwaren hoe ijverig Humboldt in zijn hoo-gen ouderdom zich met wetenschappelijken arbeid onledig hield, hoe helder zijne denkbeelden waren, welk eene frisch-heid verspreid lag over al wat uit zijne handen te voorschijn kwam, dan luidt het des te vreemder, dat hij voor bijna 70 jaren telkens met ziekten te kampen had. In een der brieven van Georg Forster aan Hcyne lezen wij hot volgende: rrDo heer von Humboldt is nog ten mijnen huize na onze terugkomst van de reis, maar heeft zich niet zoo goed gehouden als ik wel gewenscht had. Hot is echter waar, dat hij gedurende vijf jaren voortdurend ziek of ongesteld is geweest, naar hij mij verhaalt, en slechts na eene zware ziekte zich wat beter bevindt, maar langzamerhand zich minder goed begint te gevoelen, totdat hij weder op nieuw instort en ziek wordt, waardoor hij do overmaat van kwade sappen weder kwijt geraakt. Ik houd mij overtuigd, dat hij zoo lijdend is, dewijl zijn geest te levendig werkt, terwijl de manier waarop hij in zijne jongere jaren met bezigheden is overladen geworden stellig een nadeeligen invloed op zijn ligchaamsgestel heeft uitgeoefend.quot;
In Jul ij 1790 keerde hij uit Engeland terug en vertrok
366
spoedig daarop naar Hamburg, alwaar hij zich aan de han-delsacademic verder voor zijn aanstaande betrekking wilde bekwamen door het volgen der openbare leden over den geldsomloop, want hij was destijds nog bestemd om bij liet ministerie van finantiën zijne loopbaan aan te vangen. Gedurende zijn verblijf aldaar had hij de schoonste gelegenheid om zich te oefenen in dc kennis en het spreken der meest gewone levende talen, want aan de genoemde handelsschool van Büsch en Ebeling trof hij jongelieden aan uit alle oorden van Europa; zijn omgang met Klopstock, Voss, Claudius, de beide Stolbergs, in het naburige llol-stcin gevestigd, maakten hem het verblijf te Hamburg zoo aangenaam als nuttig ter uitbreiding zijner wetenschappelijke kennis.
Uit Hamburg keerde Humboldt weder naar Berlijn terug. Nadat hij zich gedurende vijf maanden aldaar en op het kasteel Tegel in de onmiddellijke nabijheid zijner moeder had opgehouden, vergunde zij hem een andere loopbaan te kiezeu, dan waartoe hij oorspronkelijk was bestemd. Zijn vurigste wensch was om in de vrije natuur, ver van het gewoel der groote steden te leven, tot welk einde hij verlangde bij de directie der mijnen geplaatst te worden. Hij had intusschen zijne kruidkundige togten met Willdenow voortgezet, ijverig zijne medemerking verleend aan het quot;Journaal voor plantenkundequot; van Ustcri, en de ontdekking gemaakt, dat de ontkieming van planten op de krachtdadigste wijze wordt bevorderd door dc aanwending van chloor.
In dc maand Junij, 1791, begaf Humboldt zich naar de academie voor mineralogie en mijnbouw te Freiberg, aan het hoofd waarvan de meest beroemde man in dat vak stond. Voor hij aldaar aankwam, was de directeur, de heer Werner, reeds met hem bekend; zijn geologisch werk over de basalten aan den liijn had hem reeds zeer gunstig voor Humboldt ingenomen. Nog dienzelfden dag bragt de directeur hem in kennis met Freiesleben eu reeds des daags daarna, den lö'1quot;1 Junij, maakte hij met hem een uitstapje door het gebergte, waarmede hij zijne nieuwe loopbaan opende. Al-
les was hem daarbij zoo schoon, zoo bocijcnd, zijne nieuwe studiën hielden hem zoo naar ligchaam en ziel bezig, dat hij eene week later een logt met Freiesleben ondernam door het Boheemsche MidJengcbergte. liet gevolg hiervan was ccne gcographische beschrijving van het genoemd gebergte door beiden gemeenschappelijk vervaardigd. Ook met Leopold von Buch, die aldaar zijne studiën voortzetle, maakte op nieuw kennis en de vriendschap toen aangeknoopt, heeft bestaan tot aan hunnen dood. Aan Leopold von Buch, irden genialen onderzoeker der natuur, den grootsten geoloog zijner eeuwquot;, droeg Humboldt het eerste deel zijner kleine geschriften op, als eene quot;blijvende herinnering aan eene zestigjarige, nimmer verkoelde vriendschap.quot;
Onder de leiding van Werner, met wien hij op zeer ver-trouwelijken voet stond, zette hij niet slechts zijne minera-logische studiën voort en oefende hij zich meer bijzonder in de kennis van den mijnbouw, maar hield hij zich tevens ijverig bezig mot het verzamelen van do bouwstoffen voor zijn groot werk over do flora der mijnen. Nadat hij gedurende acht maanden het Ertsgebergte had doorkruisd, stelde hij eene beschrijving to zamen dor onderaardsche eryptogamische planton, benevens zijne onderzoekingen betreffende de groene kleur van do phanerogamen, welke aan den invloed dor lucht onttrokken, maar blootgesteld zijn aan de werking van gassoorten voor de ademhaling ongeschikt. Dit werk verscheen eerst ten jare 1793 in het licht onder den titel van quot;Flora subterranea fribergensis et aphorismi ex physiologia chemica plantarum.quot; Dewijl er te Freiberg geon leerstoel voor chemie bestond, beoefende Humboldt do voor hom zoo boeijondc werken van Lavoisier, Berthollet cu andere Franscho scheikundigen van dien tijd. Tevens nam hij daaruit aanleiding om verschillende verhandelingen van physisch-chemischen aard te bewerken voor het Bcrgmiinnische Journal, welke door alle mannen van het vak om strijd werden geroemd, in welken geest hij verschillende kleinere stukken bearbeide voor de tijdschriften van Grell en Green.
Ontwaren wij hieruit hoedanig Humboldt zich in velerlei
368
rig tingen bekwaamde, zoo mag hier niet uit liet oog worden verloren welk een uitstekende getuigenis door een man als Treiesleben, die zijn arbeid met hem deelde, van Humboldt werd gegeven. quot;De hoofdtrekken van zijn beminnelijk karakter zijn eene goedaardigheid, welke bijna grenzenloos mag genoemd worden; verder is hij welwillend, milddadig, voorkomend, steeds gezind om anderen op de verpligtendste wijze bij te staan. Aan een hart, hetwelk warm slaat voor de vriendschap cn geopend is voor de reine indrukken der natuur, paart bij eenvoudigheid van gemoed, innemende hartelijkheid en laat hij zich op niets voorstaan. Altijd helder en opgeruimd van geest en zin, deelt hij gaarne de resultaten van zijne kennis cn ervaring mede aan ieder, die dit wenscht. Vrolijk, vol jokkernij en scherts, was hij reeds gedurende zijne jongelingsjaren aan de academie onder al zijne medestudenten zeer gezien en door allen bemind. Deze karaktertrekken zijn het, die hem in latere jaren in staat hebben gesteld om wilde, ruwe natuurmenschen, onder welke hij jaren lang heeft geleefd, te temmen en hun genegenheid voor zich in te boezemen, terwijl zij hem in de beschaafde wereld de bewondering en vereering van allen hebben doen verwerven. Jegens ieder was hij welwillend gezind, in den omgang met iedereen was hij aangenaam en wist steeds daaruit nut en voordeel voor zich trekken. Ruwheid, onregt-vaardigheid, opgeblazen trotsch en hardheid van gemoed waren hem onverdragelijk en met hevigheid wist hij hen, die zich daaraan schuldig maakten, deze feilen onder het oog te brengen; steeds gispte hij overdreven gevoeligheid cn gemaaktheid; pedanterie en gemis aan veerkracht van geest kon hij niet dulden.quot;
Door welwillende tussehenkomst van don minister Fr. von Ileinitz werd Humboldt reeds ten jare 1792 benoemd tot assessor bij de directie van het mijnwezen te Berlijn. Hiervan deed hij mededeeling aan Freiesleben op eene wijze, welke geheel en al zijn karakter kenschetst: -fik beschouw het als zeer onregtvaardig^dat de minister mij in eens heeft benoemd tot assessor, dewijl er een zoo groot aantal ka-deften bij het mijnwezen is, die veel langoren tijd dan ik
369
daarnaar liobben gestaan; mijne letferkundige kennis Le-hoordo daarbij niet in aanmerking te worden genomen. Dit heb ik rond weg te kennen gegeven en wat heeft men mij hierop geantwoord? Dat er bij het departement niemand om achteruit i.s gezet en dit .schijnt ook waar te zijn.quot;
In Jnlij van datzelfde jaar 1792 begeleidde hij den minister naar Baireuth, ten einde do mijnen en ijzersmelterijen aldaar in oogenscliouw te nemen. Spoedig daarop, in de maand Julij, werd hij benoemd tot oberbergmeister in het Fichtelgebergte, gelegen in de vorstendommen Anspach en Baireuth, welke eerst korten tijd te voren in Pruissen waren ingelijfd; het verslag omtrent het, mijnwezen en de smelterijen dier streken mag worden beschouwd als het begin van zijn offieielen werkkring. Destijds schreef hij aan een zijner vrienden het volgende: nAl mijne wenschen zijn vervuld; van heden leef ik uitsluitend voor de beoefening van den bergbouw en de mineralogie.quot;
Binnen een zeer korten tijd regelde Humboldt alles wat tot het mijnwezen in die streken betrekking had. Naar de getuigenis van Freiesleben is Goldkronach alleen aan Humboldt de herleving van den mijnbouw verschuldigd, welke daar reeds in de 13''quot; eeuw werd gedreven. Later echter ging deze tak van nijverheid daar weder te niet. Den zetel zijns verblijfs vestigde hij te Steben, in de nabijheid van Naila ; in die plaats stichtte hij eene school, waar theoretisch onderrigt in de mineralogie en de kennis van het mijnwezen werd gegeven, waarvan hij bijzonder veel werk maakte. Hij bleef gedurende vijf jaren, van 1792—1797, aan het hoofd der zaken in Anspach en Baireuth. Met schier onbeschrijfelijken ijver hield bij zich onledig, niet slechts met den arbeid, welke regtstreeks tot zijne betrekking behoorde, maar met menigerlei studie en zaken. Om hiervan slechts een enkel voorbeeld aan te halen, liet bij verscheidene kisten met documenten uit de 16'quot;quot; eeuw, welke in de vesting Flassenburg werden bewaard, naar Steben overbrengen, ten einde uit de oude stukken zich zoo mogelijk licht te verschaffen omtrent den staat van het mijnwezen in dien tijd.
24
370
Verschillende reizen werden gedurende de bovengenoemde jaren ondernomen, waardoor hij zich tijdelijk aan het beheer der hom toevertrouwde zaken onttrok. Zoo begaf hij zich op last van het Berlijnsche departement voor het mijnwezen, waartoe het Frankische niet behoorde, nog in het najaar van 1702 naar Beijeren, Salzburg en Gallicië, ten einde een onderzoek in het werk te stellen naar den toestand van het mijnwezen aldaar en daarover rapport uit te brengen. Zijne doorwrochte geschriften over de kleur en de ontkieming der planten, over do plantaardige spierve-zelen en andere onderwerpen der plantenphysiologie hadden zijn roem te Weenen reeds gevestigd, ten gevolge waarvan hij door velen en voornamelijk door Jacquin met open armen werd ontvangen. Op zijne terugreis nam hij den weg door Silozië, waar hij verscheidene mijnen in oogenschouw moest nemen met den minister, graaf Roden, benevens vele planten afteekenon in veroeniging met go-noemden minister; vervolgens begaf hij zich naar Berlijn, ten einde de zoutwerken te regelen en zijn werk, getiteld Flora fribergensis, door den druk in hot licht tc geven. Voor het gereed was verliep er echter nog eenige tijd want eerst in hot volgende jaar verscheen het. Naauwelijks was' het van de pers gekomen of het werd door den staatsraad Fischer in de Duitscho taal overgezet en uitgegeven. Ten bewijze hoedanig do mannen van het vak over dezen arbeid van Humboldt oordeeldon, behoeven wij slechts tc vermelden, dat professor Vahl te Kopenhagen, als een open baar bewijs van erkentenis zijner groote verdienslen, een prachtigen boom, welke in Oost-Indië groeit en door hom werd bestemd en beschreven, naar Humboldt's naam lluni-boldtia laurifolia noemde. Dergelijke oor is hem later herhaaldelijk tc beurt gevallen.
In het voorjaar van 1793 keerde Humboldt naar Stobon terug. Hij schroef kort daarna aan Freiosleben liet volgende: quot;Het algemeen vertrouwen, hetwelk ik hier geniet onder de mannen van het vak, tot zelfs bij ben, die tot de minste rangen bchooren, maakt dat mijne betrekking mij dierbaar is. Voor het overige ben ik hier in eoue zon-
371
dcrlingc stelling; ik doc eigenlijk meer dienst als gezworene dun als oberbergmeister.quot;
Gedurende zijn gausche leven licchtte IJmnboldt veel gewigt aan den arbeid, destijds door hem verrigt, dewijl die van grooten invloed op zijn vooruitgang in de wetenschappen is geweest. Van welken invloed zijne bemoeijin-gen met betrekking tot het mijnwezen destijds zijn geweest, laat zich hieruit opmaken, dat gedurende het jaar 1793 uit do aan hem toevertrouwde streken, welke in dit op-zigt vroeger bijna niets opleverden, met een personeel van 350 man, voor eene waarde van 300,000 florijnen aan ijzer, koper, goud en vitriool werd gewonnen.
In den zomer van 1794 werd Humboldt den last opgedragen de omstreken van Kolberg, de oevers van de Weich-sel ten zuiden van Thorn en zuidelijk Pruissen te onderzoeken, met het oog op den halurgischen rijkdom dier oorden. Naauwelijks had hij zich daarvan gekweten of hij werd onverwacht naar den liijn gezonden, ten gevolge van den toemaligen oorlog. In de maand April van het jaar 1791 had de Pruissische regering een verdrag gesloten met Engeland, waarbij was bepaald hoe vele hulptroepen er zouden geleverd moeten worden, ten einde den oorlog tegen de Fransche republiek voort te zetten. Ue minister van de Frankische vorstendommen, de baron von llarden-berg, werd naar Fraufort gezonden, met last om gedurende den tijd welken het tractaat zou loopen, in genoemde stad te resideren en de onderhandelingen voort te zetten met de Ilollandsche en Engelsche gezanten, den admiraal Kinkelen lord Malmesbury. Dewijl Humboldt in zeer naauwe vriendschapsbetrekking stond met genoemden minister, sloeg deze terstond het oog op den held van ons verhaal en verlangde, dat hij hem op zijne zending als kabinetssecretaris zou begeleiden naar het hoofdkwartier van den veldmaarschalk von Möllendorf. In een brief gedurende zijn verblijf bij het leger aan een zijner vrienden geschreven, liet hij zich daaromtrent op de volgende wijze uit: quot;Uit het Engelsche hoofdkwartier te Udcn in Noord-Brabant, 10 September, 1794. Zulk een leven vol afwisseling en
372
verscheidenheid van ontmoetingen als thans licb ik nonit gehad. Gednrende geruimen tijd ben ik uit mijne gewone bezigheden, belast met zaken welke met de politiek in een naamv verband staan; den meesten tijd heb ik doorgebragt in hut hoofdkwartier van den maarschalk Miillendorf; thans bevind ik mij op zijn bevel in hot Engelsehe leger. L)cn l-l'10quot; vertrek ik uit Uden naar het graafschap Altenkir-chcn; ten einde aldaar tegenwoordig te zijn bij de beraadslagingen door de generaals te houden; van daar vertrek ik naar het leger bij Kreuznach en later kom ik weder naar Frankfort. Dat gaat zoo onophoudelijk op gelijke wijze. Vrolijk, opgeruimd ben ik gedurende al dien tijd niet geweest, maar toch kan ik evenmin zeggen, dat ik treurig gestemd was, want daartoe had ik te veel afleiding. Eene zaak heb ik er bij gewonnen, de kring mijner denkbeelden is er door uitgebreid en mijn gaan en trekken door streken, welke van een geologisch standpunt bezien, zeer belangwekkend mogen genoemd worden, heeft vule bouwstoffen geleverd voor mijn werk over de verdeeling en ligging der lagen.quot;
Vier maanden later, in October 1794, keerde Humboldt in het gebergte naar Steben terug. Terstond hernam hij zijne gestaakte scheikundige proefnemingen, betreffende den aard der ontploffingen in de mijnen, verder de zeer gevaarlijke proeven met zijne lamp, welke in schadelijke gassoorten niet werd uitgebluscht, zoomede met zijn ademhalingswerktuig naar het stelsel van Beddoes; deze proeven werden genomen in vertrekken met ontplofbare gassoorten gevuld, zoodat hj daarbij groot gevaar liep op een ellendige wijze het leven te verliezen en dit om de eenige reden : ten einde nuttig te zijn voor zijne medemensehen. Toen reeds ontwierp hij zijne plannen voor de toekomst. Dit was de oorzaak, dat hij bedankte voor zijne benoeming tot chef der directie van het mijnwezen in Silezië. Wel werd hij in Mei, 1795, bevorderd tot opperbergraad in het departement van den minister von Hardenberg, maar hij bleef voortdurend werkzaam in Uayreuth, zich vooral onledig houdende met zijn groot werk: Over do geprikkelde zenuw- en spier-
373
vezelen, benevens beschouwingen over do chemisclie werking van hot levensbeginsel in hot planten- on dierenrijk. Dit werk werd door don druk openbaar gemaakt ten jarc 1797 in twee deelen, ondor het oog van Humboldt zeiven en niet door tusschonkomst en onder hot toezigt van Blu-menbach, golijk door anderen is modogodeeld. Daarenboven hield hij zioh sedert 17(J2 bozig met het doen van proefnemingen betreffende liet galvanismus. Dit gesohiedde naar aanleiding van hetgeen hij in dat jaar te Woencn had vernomen ton upzigte van do bewonderenswaardige ontdekkingen van Galvani, sedert wolken tijd hij zich ijverig had bezig gehouden met het verzamelen van de noodige bouwstoffen omtrent dit ontwerp. Niet alleen dood hij talloozc proeven tot dat einde op velerlei dioren, zolfs op insokten, maar daarmede was hij niet tevreden; door insnijdingen en trekpleisters liet hij zich do spieren van den rug ont-blooten, met het dool om op zijn eigen ligchaam de werking van het galvanismus naauwkourig to kunnen waarnomen.
In 1795 deed Humboldt in gezelschap van oen 'iijner beste vrienden, den luitenant Reinhard von Haften, eene reis door Tyrol naar Oppor-Italië en een gedeelte van Zwitserland naar Schaffhausen, waar hij afscheid nam van zijn vriend om op den 20quot;,quot;n September een togt te ondernemen door hot belangwekkendste gedeelte van hot Jura-gebergte, de Zwitsersche en Savooischc Alpen en een gedeelte van Italië. Drie maanden besteedde hij tot dat einde; dit gedeelte dor reis deed hij m gezelschap van Freieslo-ben. Mij knoopte bij die gelegenheid vriendsehapsbetrok-kingen aan mot volo geleerden, als met Volta te Rome, Scarpa te Pavia on vele anderen.
Froiesloben verhaalt ons ten opzigto van die reis ondor andoren hot volgende. Humboldt hield zich op dezen togt niet slechts onledig niet ijverige ondorzoekingon omtrent de laagsgewijze vordoeling der bergmassa's en het plantenrijk, maar geen enkel onderwerp, dat in eenigc. betrekking stond tot don physieken toestand dor aardkorst, den dampkring of do natuurlijke geschiedenis, werd door hom
374
uit liet oog verloren. Wanneer ik nog herdenk, dat wij binnen een tijdsverloop van zeven acht weken, meeren-deels te voet, door het gebergte van Sehaffhaasen, Zurich en Bern tot boven hot dal van Chamouny, vervolgens van Altdorf over den St. Gothard tot Airoio hebben gereisd, dan verheug ik mij nog over de nuttige wijze, waarop wij toen onzen tijd hebben besteed, want dit is iets. hetwelk Humboldt meesterlijk verstaat. Van zijuo prille jeugd hebben eene buitengewone zucht voor do wetenschappen cu een voorbeeldelooze ijver zijn gemoed beheerscht en hem aangespoord om zijn tijd nuttig door te brengen; ten einde hiermede des te langer zich te kunnen bezig houden, ontwoekerde hij menig uur aan zijne nachtelijke rust, waaraan hij zoo weinig tijds als doenlijk was besteedde.
Van November, 1795, tot aan Februarij van het volgende jaar bleef Humboldt zich bezig houden mot zijne ambtsbetrekking, zoowel te Steben, Laurenstein, Goldkro-nach en Arzberg in de nabijheid van Wunsidel. Daarenboven hield hij zich onledig met endiometrischen arbeid en met het doen van physiologische proeven over het levensbeginsel. Vooral waren het onderzoekingen omtrent het ontbranden van verschillende gassoorten en hot leven daarin van planten cn dieren.
Eene zware ziekte zijner moeder riep hem naar Berlijn, alwaar hij ten gevolge daarvan ecnige maanden vertoefde. De onverwaehte inval van hot Fransche leger in het hertogdom Wurtemberg, onder den generaal Moreau, cn de vlugt des hertogen deden den koning van l'ruissen de vrees koesteren, dat de Hohenlohesche bezittingen, bij het voortdringen van het Fransche leger, insgelijks in gevaar zouden komen cn geplunderd worden, dewijl de burggraaf do Mirabeau aldaar in het begin dor omwenteling, in 1701, een corps emigranten had georganiseerd, behoo-ronde tot het leger van Condé. Men hoopte intusschen den bevelvoerenden generaal er in te doen toestemmen om do bedoelde goederen van het vorstelijk huis. van Ho-henlohc te beschouwen als een enclave van Pruissen. Dit was te eerder het geval, dewijl sedert het sluiten van
375
den vrcdii mof hot Fnmsclio kabinet, dat door den baron von llrtrdenbcrg op don ó11'quot; April, 1795, te Hazel had plaats gehad, do betrekking tusschen beide regeringen steeds van zoor vriendschappolijken aard was geweest. Ten einde dit doel to boroiken, word 1 liiinboldt met den kapitein von Pirch on oon trompetter gelast om zich te begeven naar Ingolfingen; alwaar omstreeks het einde dor maand .liilij, 1796, het Fransche hoofdkwartier was gevestigd. Kort te voren had het gevecht bij Cannstadt plaats gehad. Op den weg derwaarts zagen zij den generaal de St. Cyr in een luchtballon. naar hot stolsel van Contë vervaardigd en aan een lang koord bevestigd — een zoogonaamden ballon captif — waarnemingen doen om do stolling des vij-ands te verkennen. Zij vernamen bij die gelegenheid, dat de ballon maanden lang gevuld was gebleven. De bekende welwillendheid van karakter des generaals Moreau mogt als de oorzaak worden beschouwd, dat Humboldt spoedig tot het beoogde doel geraakte; de bezittingen aan hot huis van Hohenloho bohoorende, zouden als Pruissisch grondgebied beschouwd en van eiken vijandelijken inval worden verschoond. Terwijl Humboldt zich in hot Fransche hoofdkwartier bevond, had hij het genoegen aldaar den generaal Dcsaix aan te treffen, die reeds destijds, 14 maanden vóór het teekenen des vredes te Campo Formio, bekend was met de plannen van Honaparte omtrent den togt naar Fgypte. Herhaaldelijk noodigdo genoemde generaal hom ten dringendste uit om zich aan te sluiten bij de Franscho expeditie naar Egypte en niet naar do tropische streken van liet westelijke vasteland te vertrekken. Toen alles geregeld was keerde Humboldt met den kapitein von Pirch en een Fransch officier naar Hohenloho terug, ten einde do voreischte maatregelen aan de grenzen te nemen, waardoor de Fransche troepen die zouden erkennen — er werden grenspalen geplant met den Pruissischen adelaar er op afgebeeld. Niettegenstaande dat de Pruissische trompetter voortdurend op de trompet blies, liepen zij bij die gelegenheid zeer groot gevaar om het leven te verliezen.
376
terwijl zij dos nachts door een woud reden, dat door Oos-tenrijksche en Fransche voorposten was bezet.
Do lang verwachte tijding van het overlijden zijner moeder, welk treurig voorval plaats greep op den 20!quot;quot; November, 1796, deed het plan tot het ondernemen van eene groote wetenschappelijke roiü tot rijpheid komen. Met het oog daarop had hij zich sedert geruimen tijd onledig gehouden inct het beoefenen der practische astronomie namelijk, het doen van waarnemingen met den sextant, ten einde in staat te zijn de juiste ligging der door hem bezochte plaatsen te bepalen ; dit was geschied op aanraden van den baron von Zach. Tevens koesterde hij den wensch om voor zijne afreize naar de nieuwe wereld, waar hij vele jaren zou doorbrengen, werkzame vulkanen te onderzoeken, zoowel den Stromboli als den Vesuvius en den Etna.
Toen dit voornemen ten uitvoer zou gelegd worden, gaf zijn broeder Wilhelm hem te kennen, dat hij do reis naar Italië wenschte mede te maken met zijne vrouw en kinderen. Dit voorstel deed Humboldt bijzonder groot genoegen. Ten einde zich geheel vrij en ongehinderd aan de reis te wijden en zich naar hartelust le oefenen in het gebruik der astronomische werktuigen, nam hij ziju ontslag uit de dienst. Hij verliet Bayreuth in het jaar 1797, met het vaste voornemen om voortaan zich uitsluitend te wijden aan de beoefening der natuurwetenschappen. Drie maanden woonde hij te Jena, waar hij in naauwe betrekking leefde tot Göthe en Schiller; gedurende dezen tijd hield hij zich hoofdzakelijk bezig met do beoefening der practische astronomie onder de leiding van professor Loder; tevens bestudeerde hij vlijtig de anatomie, waaraan hij zes h zeven uren per dag wijdde.
Gedurende zijn verblijf aldaar lag hij de laatste hand aan zijn werk over den invloed, welke de prikkeling op de zenuwen veroorzaakt. Hij had het genoegen te ontwaren, dat vele geleerden aan zijne beschouwingen over het levensbeginsel zoo groote waarde toeschreven, dat zij naar hun oordeel den grondslag eencr nieuwe wetenschap zouden uitmaken.
377
Ei ii gudccltu van deti zomer bragt Humboldt in gezel-sclmp zijns broeders en diens gezin te Dresden door, gedeeltelijk met liet doel om familiezaken te regelen, tot welk einde de geheimraad Kunth, zijn voormalige opvoeder, insgelijks derwaarts was gekomen, deels met zieh verder te oefenen in liet doen van astronomische waarnemingen onder de leiding van den heer Kohier. Uit Dresden begaven Humboldt, zijn broeder en diens gezin zich naar Wee-nen. Gaarne zou Humboldt zijn geliefd Freiberg nog eenmaal hebben bezocht, waaraan hij met dankbare herinnering dacht, uit erkentelijkheid voor de wetenschappelijke ontwikkeling hem daar ten deel gevallen, liet verblijf in de Oostenrijksche hoofdstad echter werd langer gerekt dan oorspronkelijk in hunne bedoeling lag, ten gevolge van den steeds voortdurenden oorlog. Op de reis naar Wee-nen en gedurende hun verblijf aldaar werden zij vergezeld door een vriend van Alexander van Humboldt, den heer Fischer, later staatsraad in Russische dienst en door de familie von Haften uit Westphalen. liet verblijf aldaar maakte Humboldt zich zeer ten nutte om zich verder te bekwamen voor zijne groote reis door zich in de prachtige verzameling van tropische gewassen in de tuinen van Schönbrunn in de botanie te oefenen, terwijl de vriendschappelijke omgang met Jacquin en van der Schott, ') die Brazilië had doorreisd, niet weinig daartoe medewerkten.
Het voortduren van den oorlogzuchtigen en revolutionairen toestand van Italië maakte de verwezenlijking van het voorgenomen plan, om eene wetenschappelijke reis door dat land te maken, voor 's hands onmogelijk. Humboldt's broeder vertrok hierop naar Parijs, terwijl hij zich met zijn vriend Leopold van üueh naar Salzburg en lierchtes-gaden begaf om aldaar den winter door te brengen en zich verder in het doen van meteorologische waarnemingen te oefenen; zij hoopten dat de rust met het aanstaande voorjaar in zoo verre in Beneden-ltalië zou zijn terugge-
Later directeur van den botauischen tuiu le Schöubrunu.
378
koord, dat zij dan do voorgenomen reis zouden kunnen volvoeren.
Kort nadat deze plannen waren gemaakt, werd llmnboldt door lord Bristol, die Dalmatic en Griekenland in allerlei rigtingen had doorkruisd en een jaarlijksch inkomen bezat van ruim 300,000 pond sterling (3,G00,000 gulden), uit-geuoodigd om met hem een togt te maken dnor Opper-Kgypte, waaraan acht maanden zouden worden besteed. Lord Bristol had vaartuigen tot dat einde doen uitrusten en verscheidene bekwame teekenaars aangenomen, die hem zouden vergezellen. Zij waren met zorg door hem gekozen, want hij zelfwas een zeer ervaren kunstkenner. Dit aanbod werd door Humboldt aangenomen onder deze bepaling, dat liet hem bij hun terugkeer te Alexandrië zou vrijstaan om zijne reis door Syrië en Palestina alleen voort te zetten. Terstond besloot Humboldt zich naar Parijs te bege ven, ten einde de noodige werktuigen aan te koopen : aldaar zou hij verblijven, totdat hij brieven van lord Bristol ontvangen zou.
Het was in Mei des jaars 1798; op den 20quot;'quot;quot; dier maand vertrok de generaal Buonaparte met zijn expediti-onnair leger uit de haven van Toulon naar Malta en vervolgens naar Alexandrië. In plaats van tijdingen van lord Bristol te ontvangen betreffende het oogenblik, waarop hij werd verwacht, las Humboldt tot zijne groote verbazing, dat lord Bristol op last van bet uitvoerend bewind in Frankrijk te Milaan in hechtenis was genomen, beschuldigd zijnde dat de door hem voorgenomen reis door Egypte in verband stond met cene heimelijke zending van het En-gelschc ministerie, met het doel om ten nadeele van den Franschen invloed op de bevolking uit te oefenen. Hoe ongegrond eene dergelijke beschuldiging ook mogt zijn, zeker is het dat de persoonlijke vrijheid van Humboldt groot gevaar zou geloopen hebben, indien men te Milaan brieven van zijne hand onder de papieren van lord Bristol gevonden had. Dit was echter niet het geval.
Toen Humboldt te Parijs aankwam, vond hij de leden van het institjut, de professoren van den Plantentuin, ja,
379
liet ganscho beschaafde gedeelte der maatscliappij met de levendigste hoop bezield op een gunstigen uitslag van het plan door de regering opgevat om onder den kapitein ter-zee Baudin eene reis rondom te wereld te doen maken. De expeditie zou onder anderen Buenos Ayres, Vuurland en de westkust van Amerika van Valparaiso tot aan de landengte van Panama aandoen, wijders vele eilanden der Zuidzee, Nieuw-Holland en Madagascar bezoeken en langs de Kaap de Goede Hoop terugkeeren. Hoewel hij geen vertrouwen stelde in de bekwaamheden van Baudin, nam hij toch deze eerste gelegenheid te baat om eene groote reis te doen; hij besloot derhalve op goed geluk af zich bij de togtgenooten aan te fluiten. Naau ■ welijks had bij het voornemen te kennen gegeven, dat hij de reis mede wilde maken, of het uitvoerend bewind gaf hem terstond de gevraagde vergunning; vooral geschiedde dit door tusschenkomst van Francois do Neufchateau en la Reveillère Lepaux, die er veel werk van maakten om den Plantentuin te verrijken. Aan Humboldt word toegestaan om zich bij de expeditie te voegen met zijne instrumenten, en haar te verlaten waar-hij zou goedvinden. Staatkundige redenen deden echter het uitvoerend bewind eindelijk het besluit nemen oin de reeds beschikbaar gestelde fondsen weder in te trekken en de togt moest derhalve tot lateren tijd, wanneer de omstandigheden gunstiger zouden zijn, worden uitgesteld. Terwijl Humboldt zich te Parijs ophield, kwam hij in kennis met een jong kruidkundige, Aimé Bonpland geheeten, die insgelijks bestemd was om de reis rondom de wereld mede te maken, met wien hij zeer spoedig in naauwe vriendschapsbetrekkingen stond. Niet slechts om zijne uitgebreide bekwaamheden, maar insgelijks om zijn beminnelijk karakter was Bonpland bij allen geëerd en gezien.
Terwijl Humboldt aldus zijne zoetste hoop in rook zag opgaan, kwam hij in aanraking met den Zwcedschen consul, Skjöldchrand, die belast was om geschenken uit naam zijns konings over te brengen aan den dcy van Algiers; het fregat, hetwelk ze had ingeladen, zou later in eene haven
380
van Frankrijk binnenloopen, alwaar zij zich aan boord zouden begeven en de reis derwaarts te zamen ondernemen. Met groote vreugde nam II umboldt het hein gedane aanbod aan. Terstond werden de reeds aangekochte werktuigen met anderen vermeerderd, welke bijzonder geschikt waren voor het land, dat hij zou bezoeken. Eindelijk nam hij afscheid van zijn broeder, wiens raad en voorbeeld steeds een zoo grooten invloed op hem en de rigting zijner denkbeelden hadden uitgeoefend, in de verwachting dat hij hem niet zou wederzien voor hij Algiers en Egypte had bezocht. De omstandigheden gaven echter eene geheel andere wending aan de zaken, dan hij had vermoed.
Het Zweedsche fregat, waarmede de consul naar Algiers zou vertrekken, werd tegen het einde van October te Marseille verwacht. Uit vrees van te Iaat te zullen komen, maakten Humboldt en Bonpland alles tot de aanstaande reis zoo spoedig mogelijk gereed. Weldra bevonden zij zich te Marseille, maar het fregat, welks aankomst met zoo reikhalzend verlangen werd te gemoet gezien, was aldaar nog niet aangekomen. Dagelijks begaven zich onze beide vrienden naar den top van den berg Notre Dame de la Garde, van waar men een uitgestrekt gedeelte der zee kan overzien, in de hoop eindelijk het lang verwachte vaartuig te zien opdagen. Later ontvingen zij het berigt, dat de Jaramas, zoo was de naam van het fregat, de haven van Cadix was binnengeloopen en niet voor het aanstaande voorjaar te Marseille zou aankomen.
Onze beide vrienden waren zoo vol ongeduld, dat zij hun verblijf te Marseille niet konden rekken, totdat het fregat was binnengeloopen. AVel is waar behaagde het klimaat hun buitengewoon, maar het zien der zee herinnerde hen onophoudelijk hunne mislukte plannen.
Voortdurend bleven zij de hoop koesteren naar Afrika te kunnen oversteken; eindelijk vonden zij daartoe oone gelegenheid, welke hun zeer geschikt toescheen. Ecu schijnbaar onbeduidend toeval verhinderde ook dit plan en redde hen uit het grootste gevaar.
Er bevond zich destijds in de haven van Marseille een
381
klein vaartuig, waarvan de gezagvoerder bereid waa naar Tnnis tc zeilen. Keeds hadden zij met hem alles bepaald omtrent de vracht als anderzins cn zouden zij des anderen daags aan boord komen, toen het volgende voorval plaats greep. Het vee, dat aan boord was genomen, om op dc reis te worden geslagt, was in de groote kajuit geplaatst. Toen onze vrienden dit zagen, verlangden zij dat voor hun vertrek de noodige maatregelen zouden genomen worden om te voorzien in de behoefte daardoor ontstaan. Terwijl men daarmede bezig was, vernamen zij dat de dey van Tunis zich de grootste knevelarijen en wreedheden veroorloofde jegens de Fransehen in Tunis gevestigd, die bijna allen in de gevangenis versmachtten. De vertraging door de ver-timmering ondervonden, was de oorzaak dat zij het zoo even medegedeelde berigt tijdig genoeg vernamen, om niet onwetend in het vreesselijkste ongeluk te worden gedompeld.
Ook dit plan mislukt zijnde, begaven zij zich naar Sj anje om aldaar den winter door te brengen, hopende in het eerstvolgende voorjaar, hetzij te Cartliagena of te Cadix, eeno scheepsgelegenheid naar de Levant te zullen vinden.
Langzaam zetleden onze beide reizigers hunnen togt voort, onderweg zich bezig houdende met herboriseren, hef bepalen der lengte en breedte der verschillende plaatsen door middel van astronomische berekening, verder met het doen van waarnemingen betreffende dc intensiteit en do inclinatie der magneetnaald. Op die wijze gingen zij over Perpignan, Barcelona, Montferrat en \ alentia naar Madrid, alwaar zij in het begin van Februarij des jaars 1799 aankwamen. Gedurende zijn verblijf in de Spaansche hoofdstad wijzigde Humboldt zijn plan geheel en al, ten gevolge van dc buitengewone gunst, welke bij genoot aan het Spaansche hof, grootendeels door dc tussehenkomst van den baron dc Forell, Saksisch gezant tc Madrid, die zeer ervaren was in de mineralogie, en van den . juister van buitenlandsche zaken don Mariano Luis de Arquijo. Dc laatstgenoemde gaf hem de verzekering, dat al de Spaansche bezittingen in Amerika en in den Indischen oceaan, de Marianne- en de Philippijnsche eilanden voor hem open
382
stonden, en dat wel op grond van hot vertrouwen, hetwelk hij in Humboldt's karakter had leeron stellen door persoonlijken omgang, want hij was hem door geene regering aanbevolen. Deze vergunning ging vergezeld van de noodige bevelen aan de gouverneurs en andere plaatselijke autoriteiten, gelijk sedert den togt van Bouguer enla Cou-damine aan geen vreemdeling waren uitgereikt. Aan Humboldt werden twee passen uitgereikt, een door den minister van buitenlandsehe zaken en een ander door den raad van Indië onderteekend.
Omstreeks het midden van Mei verliet Humboldt Aran-juez en Madrid; vergezeld van Bonpland trok hij, voortdurend waarnemingen doende door Oud Castilië, Leon en Gallicië over Villaplando, Astorga en Lugo naar de haven van Corunha; aldaar scheepten zij zich in den óquot;1quot;quot; Junij, 1799, aan boord vun het fregat de Pizarro, ten einde naar de nieuwe wereld te worden overgevoerd.
Weinige oogenblikken voor zijn vertrek uit Spanje schreef hij onder anderen het volgende aan Freiesleben: «Welk een gelukkig voornitzigt opent zich voor mij! Ik ben buiten mij zeiven van vreugde. Welke een schat van waarnemingen zal ik verzamelen voor mijn werk over liet za-menstel der aardkorst! De mensch moet hot goede en groote willen betrachten; het overige hangt van het lot af!quot; !)
Den 13jcquot; Junij zetteden onze reizigers voet aan wal te Santa Cruz op het eiland Teneriffe; zij vertoefden aldaar tot den 2ó'quot;cquot; dier maand, waarna de reis naar Amerika werd voortgezet. Hoewel eene hevige zenuwziekte aan boord van de Pizarro was uitgebroken, hadden zij toch het geluk om in welstand in de nabijheid van Cumana de nienwe wereld te betreden. Gedurende achttien maanden reisden zij door de provinciën, welke later tot republiek van Vcne
') Als een bewijs hoezeer Humboldt werkelijk geneigd was om, met groote opofferingen van zijne zijde, het goede en groote te betrachten, mag het volgende worden vermeld. Ten einde de kosten te bestrijden, aan zijne groote reizen verbonden, gaf hij last om het landgoed Kin-genwalde, dat hem toebedeeld was uit zijns vaders nalatenschap, te gelde te maken. De bekende dichter Franz von Kleist werd er kooper van.
383
zuela zijn geworden, bereikten in February des jaars 1800 Caracas en verlieten bij Puerto Cabello op nieuw de kust met het doel om zuidwaarts door de merkwaardige vlakte van Calabazo gaande, de rivier Apura en vervolgens de Orinoco te bereiken. In uitgehoolde boomstammen, zoo als de Indianen tot vaartuigen bezigen, voeren zij van de watervallen van Atures en Maypures voort tot aan de uiterste zuidelijke grenzen van het Spaansche grondgebied, na mclijk, tot aan liet fort San Carlos aan de Uio Negro, dat ter naauwernood twee graden van den aequator verwijderd is; van daar de Tuamini overstekende, gingen zij dwars door de wouden van Pimichin, waar zij de booten over land moesten doen slepen, bragten deze weder te water in de Cas.siquiare en keerden langs de Orinoco terug tot aan Angostura. Van daar begaven zij zich naar Cumana, welke stad zij bereikten, nadat zij eene geheel onbekende wildernis ter breedte 375 geographische mijlen te voet hadden doorgereisd. Bij deze gelegenheid werd door Humboldt eene op astronomische plaatsbepaling berustende beschrijving gegeven van de lang betwiste vorksgewijze verdeeling of splitsing van de Orinoco.
Vervolgens scheepte Humboldt zich in naar Havanna, waar hij in gezelschap van Bonpland verscheidene maanden doorbragt. Toen zij echter de tijding ontvingen, dat Haudin op do westkust van Amerika was aangekomen, — welk berigt later bleek geheel onjuist te zijn — snelden zij met den meesten spoed derwaarts, ten einde zich bij de expeditie te voegen. Van Batabano aan de zuidkust van Cuba stevenden zij in Maart, 1801, naar Cartagena de In • dias, met het voornemen om zich van daar verder naar de landengte van Panama te begeven. Dewijl het jaargetijde tot het volvoeren van dergelijken togt niet gunstig was, voeren zij gedurende 54 dagen de Magdalena-rivier opwaarts tot aan Honda, van daar maakten zij kleine tog-ten door de omstreken, ton einde de merkwaardigste oorden te bezoeken. De regentijd, welke inmiddels was aangebroken, verhinderde hen niet om zuidwaarts te trekken over Ibague, den Cordillera de Quindin,Cartago, Popayan aan den
384
voet des vulkaans vaTi Puracé gelogen, flcn Paramo de Almagner en de groofe hoogvlakte van Los Pasto»; na het doorworstelen van do grootste nineijelijkheden, bereikten zij den 6dcquot; Jannarij, 1802, de stad Quito. Doze reis had vier maanden geduurd. Vijf maanden lang besteedden zij tot het onderzoeken van hot hoogland van Quito, namelijk van don G'lcn tot don 9'Icn Junij, 1802, waarbij zij de keten met eeuwigdurende sneeuw bedekte vulkanen, welke hot genoemde plateau omringt, naauwkourig in oogon-sehouw namen. Begunstigd door de omstandigheden, beklommen zij vorscheidenon dier vulkanen on bereikten daarbij oene veel grootere hoogte dan vroeger ooit was geschied. Don 23quot;quot;' Jimij van datzelfde jaar bestegen zij den Chimborazzo en beklommen dien ter hoogte van 18,096 Parijsche voet. Zij stonden toen op het hoogste punt, waar ooit door monsehen op aarde don voet is gezet. Nu reisden zij door don bergpas der Andes naar Paramo de Assuay, alwaar de weg nabij Cadlnd ongeveer de hoogte bereikt van den Montbianc, over Cuen^a dooide wouden van Loxa, daalden af in hot dal van de Bo-ven-Amazorenrivier nabij Jaen do Bracamoros en bereikten door de vruchtbare hoogvlakte van Caxamarca, gaande over de stad Mieuipampa en over Montan, de westelijke holling van don Cordilleras van Poru. Hier was het, dat zij voor hot eerst de blikken konden doen weiden over het vlak der baron van de Zuidzee, toen zij zich bevonden op den Alto do Guangamarca, welke zich 9,000 voet hoog verheft. Nadat zij Truxillo, gelogen aan de kust, haddon bereikt, doorreisden zij de dorre zandwoestijnen van Ne-der-Peru en zettedon hunne reis voort naar liet mot tuinen omgeven Lima. Zoodra hot hoofddoel van don toi't was bereikt: de waarneming van don doorgang van Mercurius voorbij de zon, scheepten zij zich op het einde van December, 1802, te Callao in naar Guayaquil en stapten te Acapulco aan wal op den 23quot;'quot; Maart, 1803. Van hier vertrokken zij over Tasko en Cuernaraca naar Mexico, de hoofdstad des rijks, alwaar zij cenigu maanden vertoefden; later begaven zij zich noordwaarts heen, bezochten Guanaxuato en
Valladolid, donrrcisden do provincie Mechoacan, namen de kust der Zuidzee op in de nabijheid van den vulkaan van Jorullo en keerden over Tallica naar Mexico terug. Toen zij er zich ten tweeden male ophielden, besteedden zij den tijd tot het rangschikken van verschillende verzamelingen en tot het uitwerken dor gedane waarnemingen, terwijl zij wijders den aangenaamsten omgang mogten genieten met de inwoners der hoofdstad, die algemeen genomen en vooral de hoogere klassen zich onderscheidon door den trap van ontwikkeling, welken zij hadden bereikt. In Januarij, 1804, reisden Humboldt en Bonpland door de eikenwouden van Xalapa. nadat zij vooraf den vulkaan van Toluca, en den Cofre de Pirote hadden beklommen en gemeten; de bedoelde wouden vangen reeds aan ter hoogte van 2,800 voet boven het niveau der zee. Op die wijze zetteden zij don togt voort naar Vera-Cruz, alwaar zij groot gevaar liepen door het vomito prieto of zwarte braking ten grave gesleept te worden. Nu waren zij in staat om de barometer-metingen van de westelijke holling van het hoogland van Mexico (7,000 a 7,200 voet lang) naar de zijde van Vera-Cruz to vergelijken met de vroeger gedane barometer-metingen der westelijke helling naar den kant van Aca-pulco, aan de Zuidzee gelogen. Naar de aldus verkregen opgaven werd van de eene kust tot de andere eone lood-regto projectie of profiel zamengestold, hot eerste dat ooit van cenig land is vervaardigd. Op den 7,,cn Maart, 1804, verliet Humboldt do Moxikaansche kust, begaf zich aan boord van hot oorlogsfregat La O, dat hom naar Havanna overbragt, alwaar hij twee maanden vertoefde en de nog ontbrekende bouwstoffen verzamelde voor zijn werk, getiteld; i/Essai politique sur File de Cuba, hetwelk ten jare 1827 te Parijs in twee doelen hot licht zag. Don 29'ton April, 1804, scheepte hij zich in mot Bonpland naar Philadelphia, waar zij na een langen en gevaarlijken togt aankwamen.
Slechts weinige weken mogt Humboldt zich verbeugen in de woning van den edelen president Jefferson het meest gastvrije onthaal te genieten, want reeds op den O110quot; Julij IV. 25
386
verliet hij de niemve wereld. Don 2''quot; Augustus daaraanvolgende was de dag, waarop hij te Bordeaux voet aan wal zette.
Terstond begaf Humboldt zich naar Parijs, dewijl destijds geene plaats ter wereld een zoo rijken schat van wetenschappelijke hulpmiddelen aanbood, noch een zoo groot aantal bekwame, ijverige natuuronderzoekers bezat. Bij zijne komst iu die hoofdstad had hij het bijzonder genoegen do beminnelijke echtgenoot zijns broeders, met hare kinderen, aldaar aan te treffen ; zijn broeder bevond zich destijds als gezant te Rome. Hij vertoefde in de Fransche hoofdstad tot in Mei, 1805, en hield zich gedurende al dien tijd bezig met hot rangschikken zijner verzamelingen, maar hoofdzakelijk met het doen van chemische onderzoekingen betreffende dc bestanddeelen des dampkring?, deze proeven werden gezamenlijk vorrigt door hom en zijn vriend Cxav Lussao in het chemisch laboratorium der polytechnische school. In gezelschap van den genoemden geleerde, tot wien hij in naauwo vriendschapsbetrekking stond, deed hij eene reis naar Rome en Napels, in welke laatstgenoemde stad zij van het begin van Mei tot den 17''°quot; September, 1805, vertoefden.
In Augustus bevond Humboldt zich te Xapels, waar hij Leopold van Buch aantrof; met dezen geleerden vriend beklom hij den don Vesuvius en koerde later met
hem door Zwitserland naar Berlijn terug, waar hij op den Igiien November na eene afwezigheid van negen jaren aankwam. In den loop des winters van hot jaar 1806 nam Gay Lussac, die zoo lang den arbeid van Humboldt had gedeeld, afscheid van hem en begaf zich weder naar Parijs.
Do ongelukkige toestand, waarin zijn vaderland zich in 1800 bevond en de hoop dat door middel van diplomatieke onderhandelingen dc lasten, bij don vrede van Tilsit op Pruissen eelcird, zouden verligt kunnen worden, deden de
O O ' O '
regering het voornemen opvatten om prins Wilhelm, don jongslon broeder des konings, die door zijne dapperheid oven beroemd was als hij zich overal bemind gemaakt en aller
387
harten had weten te vervoeren door zijne welwillendheid en innemende rondheid van manieren, — deze uitstekend begaafde prins had destijds den ouderdom bereikt van vijf en twintig jaren, — naar Parijs te zenden om van Napoleon betere voorwaarden te bedingen dan aan Pruissen waren voorgeschreven. Men bevond zich destijds in de lento de^ jaars 180(5. Humboldt, die geheel en al voor de studiën leefde, bewoonde oen afgezonderd gelegen tnin te Herlijn, waar hij zich onledig hield met het doen van geregelde magnetische waarnemingen, welke ieder uur werden herhaald. Geheel onverwacht ontving hij van den koning het bevel om den prins naar Parijs te begeleiden; ten einde zijne moeijclijke diplomatieke zending te doen gelukken, werd hem den last opgedragen om zich onverwijld naar do Fransche hoofdstad te begeven, dewijl de redering begreep dat hij door zijne kennis van het terrein en de naauwe betrekking, waarin hij tot de meest invloedrijke personen aldaar stond, beter dan elk ander geschikt moquot;t
O O
geacht worden om de gewigtige zaak tot een goed einde te brengen. Tot in den herfst des jaars 1809 bleef Humboldt to 1 arijs, ton einde hot vroeger medegedeelde doel te bereiken. Dewijl destijds geene stad zoo geschikt was als do hoofdstad van Frankrijk om werken van groo-ten omvang in hot licht to doen verschijnen, schonk de koning van Pmisson, die Hnmboldt zeer genezen was, hom do vergunning als buitenlandsch lid der Parijsche academie van wetenschappen in genoemde hoofdstad zoo lang te vertoeven, als hij noodig zou oordeelen tot het openbaar maken van zijne bijcengobragte verzamelingen. Deze besloegen 20 deelon in folio en kwarto mot 1425 afbeeldingen in koper gegraveerd. Mot uitzondering van eenige uitstapjes door bom van tijd tot tijd ondernomen,
') In het quot;Leven van den minister baron von Steinquot; door Pertz lezen \vij liet volgende: quot;de prins ontmoette Alexander von Humboldt te Frankfort, die aan bet gezantschap was toegevoegd als zijnde een beroemd geleerde en uitstekend hoveling, wiens naam in de oude en nieuwa wereld den nieesten luislo' had verworven.''
388
heeft hij zich van 1808 tot 1827 voortdurend te Parijs opgehouden.
Gedurende zijn verblijf in de Fransche hoofdstad heeft Humboldt het grootste gedeelte zijner metingen en waarnemingen, op eene vijfjarige reis door de verzengde stroken van Amerika gedaan , in het licht gegeven. Behalve dit groote werk, waarvan do tekst in do Fransche taal is geschreven, werd door Humboldt te gelijkertijd te Stuttgart in 1808 in hot licht gegeven zijn beroemd werk, getiteld: Ansichten der Natur, vervat in twee deelen. Als zeker mag gestold worden, dat geen enkel geschrift zoo veel heeft bijgedragen tot het opwekken van de zucht om zich te oefenen in do natuurwetenschappen als deze Beschouwingen der natuur; deze geest ontwikkelde zich niet slechts bij den geleerden stand, maar voornamelijk bii de beschaafde klassen in hot algemeen. quot;Zij zijn,quot; gelijk Humboldt in de voorrede van de eerste uitgaaf zegt, fite boek gesteld onder den indruk van de groote natuurverschijnselen, hetzij op den oceaan, in de wouden van den Orinoco, in de prairiën van Venezuela, in de woestijnen van Peru en Mexico. Enkele stukken werden geschreven op de plaats zelve, welke later met hot geheel werden zaamge-smolten.quot;
Do eerste afdeeling van het bovengenoemde werk, hetwelk liet licht heeft gezien onder don titel van Voyage aux regions óquinoxiales du Nouveau Continent par A. de Humboldt et A. Bonpland. is verdeeld in tweeën; het eerste gedeelte bevat het geschiedkundig overzigt, hot andere de Vues dos Cordillères et Monuments des peuplos indigenes de rAmériqnc. Humboldt zegt omtrent dit laatste gedeelte onder anderen het volgende: quot;Dit werk moet strekken om eenige der indrukwekkendste verschijnselen, waargenomen in de Andesketen, te beschrijven, eenig licht te verspreiden over den toestand der beschaving onder de oude bewoners van Amerika, geput uit de beschouwing der aloude gebouwen, hunne hieroglyphon, godsdienst en astrologische droomerijen.quot;
Het tweede gedeelte bevat de Observations de zoölogie
389
et d'anatomie comparés; het derde Essai politique sur le royaume de la Nouvelle Espagne. Officiële stukken maken den grondslag uit van het werk, waarin een overzigt wordt gegeven van den physieken toestand van Mexico, de bevolking, de zeden der inwoners, den toestand der beschaving in voormaligen tijd en de staatkundige verdeeling van het rijk. Tevens geeft het de noodigc inlichtingen omtrent den staat des akkerbouws, de delfstoffelijke rijkdommen, do fabrieknijverheid, den handel, den finanticlen toestand en de middelen ter verdediging des lands.
Met vierde gedeelte bevat de Observations astronomi-ques, opérations trigonométriques et mesures barométriques redigées et calcnlées par Jabbo Ottmanns. liet vijfde gedeelte bevat de waarnemingen betreö'cnde de physique générale et géologie. Het zesde gedeelte is gewijd aan de kruidkunde en bevat de beschrijving: 1quot;. Plantes équinoxiales recueillies au Mexique, dans l'ile de Cuba, dans les provinces de Caracas, de Cumana et de Barcelune, aux Andes de la Nouvelle Grenade, de Chile et du Pérou et sur les bords du Uio Negro, de rOrénoque et dc la rivière des Amazones, Paris 1805 —1806, met 144 in koper gebragte platen. 2°. Monographic des Melastomes, Rhexia et autres genres du mêmo ordre. Paris 1806—23, met 120 gekleurde in koper gegraveerde platen. 3°. Nova genera et species plantarum, quas in peregrinationo ad plagam equinoctialcm orbis novi collegerunt, descripserunt et adumbraverunt A. Bonpland et A. de Humboldt, in ordinem digessit C. J. Kunth, Parijs 1815—-25, met 700 in koper gegraveerde platen. 4'. Mimoses et autres plantes léguininonses du nouveau continent, redigées par C. J. Kunth, Paris 1819—24. met 60 gekleurde platen. 5°. Synopsis plantarum quas in itinero ad plagam equinoctialem orbis novi collegerunt A. de Humboldt et Bonpland, auctore C. S. Kunth, Paris 1822—26. 6quot;. Révision des graminées publiées dans les nova genera et species plantarum de M. M. do Humboldt et Bonpland, précédée d un Travail sur cette familie, par C. J, Kunth, Parijs 1829—34, met 220 gekleurde afbeeldingen.
300
In 1834 kostte een compleet exemplaar der groote uitgaaf met platen, voor zoo verre fle uitgaaf der verzameling destijds was gevorderd, 10,000 franken, derhalve ongeveer het dubbel van den prijs van een exemplaar der Description de I'Egypte, tol welker uitgave de Fransche regering eene toelaag had geschonken van drie millioen franken. liet werk, door Humboldt bijeengebragt, zag het licht, niettegenstaande dezen huogen prijs, louter gesteund door de deelneming van het verlichte publiek. Het vervaardigen der in koper gegraveerde platen, 1300 in getal, benevens het drukken van het verk met inbegrip van het benoodigde papier, heeft eene som van 12,000 Louis d'or gekost (840,000 franken).
Behalve dit reusachtige werk verscheen tin jare 1805 te Parijs zijn beroemd geschrift, getiteld: Essai sur la géographie des plantes et Tableau physique des régions éqninoxiales, hetwelk zich aansluit aan dat gedeelte van zijne Natuurbesehonwingen, waarin gehandeM wordt over de physiognomic der planten, zoomede aan het volgende geschrift: De distribntione geographica planturnm secundum coeli teniperiem et altitudinem montium prolegomena (Parijs 1817). De eerste denkbeelden omtrent, dit onderwerp vindt men reeds in zijne Flora fribergensis. Door deze werken heeft de scheppende geest van dezen buiten-gewonen man een nieuwen grondslag geschonken aan de kruidkundige wetenschap, door huar in een naauw en innig verband te brengen met de uitbreiding der cultuur van den bodem en do ontwikkeling van het menschelijk geslacht.
Bij gelegenheid dat Wilhelm van Humboldt de portefeuille als minister van openbaar onderrigt neêrlei en als gezant naar Weenen vertrok, werd die betrekking aan Alexander van Humboldt niet slechts aangeboden, maar vele pogingen in het werk gesteld om hem die (e doen aanvaarden, blijvende het aan zijne keuze gelaten of hij den titel van minister daarbij verlangde aan te nemen of niet.
Humboldt wensehte echter onafhankelijk te blijven, teu einde zich ongestoord met de beoefening der wetenschap
391
pen onledig te houden en de uitgave voort te zetten van zijne werken over astronomie, zoologie en botanie, welke niettegenstaande de hulp van Oltmanns, Bonpland en Kunth niet spoedig genoeg voortgang vond naar zijn wensch. Daarbij kwam nog de volgende beweegreden ; hij had het plan gevormd tot het ondernemen van eene tweede wetenschappelijke reis naar Oost-Indië, den Himalaya en Thibet Ten einde zich tot dat einde voor te bereiden, hield hij zich met Sylvestre de Saey en André de Nerciat gedurende verscheidene jaren op hot ijverigst bezig met de beoefening der Perzische taal. Omstreeks dezen lijd (ten jare 1812) werd op last van keizer Alexander eene wetenschappelijke reis ondernomen door Siberië over Kasjgar en Yarkand naar de hoogvlakte van Thibet; de rijkskanselier graaf RomansofF, die persoonlijk met Humboldt bekend en bevriend was cn zijne kennis en ondernemingszucht op den regten prijs schatte, noodigde hem dringend uit om zich Lij deze expeditie te voegen. Met vreugde nam Humboldt dit aan. Do oorlog, welke kort daarna tusschen Rusland en Frankrijk uitbarstte, was oorzaak, dat deze gewigtige onderneming niet tot stand kwam.
Ten gevolge van de staatkundige gebeurtenissen, welke elkander van Maart, 1814, tot November, 1815, opvolgden, zag Humboldt zicii verpligt vele reizen te ondernemen, lij ging onder anderen naar Engeland, dat bij sedert 1790 niet had bezocht, de eerste maal in het gevolg des konings, namelijk in 1814, later met Arago tijdens zijn broeder Wilhelm te Londen als Pruissisch gezant gevestigd was, en eindelijk in do maand September van het jaar 1818, toen hij van Parijs over Londen naar Aken reisde, dewijl de koning en de minister von Hardenberg hem tijdens het congres aldaar in hnnne nabijheid wenschten te hebben. Het denkbeeld om eenmaal eene groote reis naar Azië te ondernemen, bleef Humboldt voortdurend bezielen en de koning was hiermede zoodanig ingenomen, dat hij hem eene jaarlijksche toelage schonk ten bedrage van 21,600 gulden. Niettegenstaande reeds maanden lang waren besteed tot het maken der toebereidselen, kwamen zij ook
392
dezen keer niet tot stand. Nadat Humboldt van den 13',quot;, October tot den 26quot;en November te Aken had vertoefd, vertrok hij weder naar Parijs. Ten jare 1822 begeleidde hij den koning naar Verona, waar destijds een congres werd gehouden en volgde hem later naar Rome en Napels. Terwijl hij zich aldaar bevond, deed hij andermaal de barometer-metingen op den Vesuvius, welke hij 13 jaren te voren in vereeniging met Gay Lussac en Leopold von Buch had gedaan. Daarenboven gelukte het hem den berg driemalen te beklimmen, op den 22,quot;:', en 25quot;'cquot; November en den l8quot;quot;' December, en bij die gelegenheid de ligging der kraterranden met naauwkeurigheid te bepalen. Deze arbeid is des te gewigtiger, dewijl hij het tijdperk van 1805 tot 1822 omvat en waarschijnlijk eenig in zijne soor: verdient genoemd te worden. Daardoor is het bewijs gehoord, dat de randen der kraters niet slechts, waar zij uit trachiet bestaan, maar allerwege veel minder aan verandering onderhevig te zijn dan naar de te oppervlakkig gedane waarnemingen te oordeelen, vroeger algemeen werd aangenomen.
Op de terugreis van Verona door Tyrol en Bohemeu naar Berlijn, vergezelde Humboldi den koning weder en kwam ten jare 1823 in de hoofdstad zijns vaderlands aan, welke hij gedurende de laatstverloopen 15 jaren niet had bezocht. Ook trof hij op Tegel zijn broeder aan, die, de staatsdienst verlaten hebbende, aldaar in stille afzondering voor de beoefening der wetenschappen leefde. Na een verblijf van weinige maanden te Berlijn, keerde Humboldt naar Parijs terug. Wel had de koning herhaaldelijk den wensch geuit, dat Humboldt zich in zijne nabijheid zou vestigen, maar eerst in de lente van het jaar 1829, toen Humboldt Parijs verlatende over Londen en Hamburg naar Berlijn terugkeerde, werd daaraan gehoor gegeven.
Alvorens hij zich voorgoed te Berlijn vestigde, had hij gedurende den herfst van 1826 een geriiinien tijd aldaar vertoefd en op zijne terugreis naar Parijs eenigen tijd te Weimar bij Göthe doorgebragt. Omtrent dit bezoek deelde Göthe het volgende aan zijn vriend Kckermann mede;
393
quot;Alexander von Humboldt liccft mij heden morgen bezocht en eenige uren bij mij doorgebragt. Welk een man is hij ! Ik ken hem reeds sedert zoo vele jaren en toch heeft hij mij op nieuw verbaasd doen staan. .Met het volste regt mag van hem worden gezegd, dat hij zijn gelijke niet heeft in kennis en wetenschap, lloe veelzijdig is zijne ontwikkeling! Nog nimmer heb ik dergelijk voorbeeld aangetroffen. Welk ook het onderwerp moge zijn, waarover wordt gesproken, steeds is hij daarin te huis en overstelpt hij ons met schatten van kennis. Hij gelijkt eene levende bron met vele buizen, waar onder men slechts eenig vaatwerk behoeft te plaatsen om er terstond een rijken overvloed, een stroom van wetenschap uit op te vangen. Hij zal hier eenige d;igen vertoeven; ik gevoel het, die weinige dagen zullen mij een genot opleveren, als of het zoo vele jaren waren.quot;
Den 3d''quot; Julij ving Humboldt in een der gehoorzalen van de academie van wetenschappen zijne openbare voorlezingen aan over zijn lievelingsonderwerp: de oorzaken van het onderscheid in temperatuur in de verschillende streken der aarde; in den herfst begon hij eene reeks van voorlezingen over de natuurkundige aardrijksbeschrijving, over welk onderwerp hij drie jaren te voren te Parijs in de Fransche taal had gesproken.
De eerste voorlezingen werden gehouden in een van de gehoorzalen der Berlijnsche Universiteit op den 3'''° November, 1829; hij besloot die op den 26'quot;quot; April van het volgende jaar niet de tjlquot;'* voordragt. De wijze waarop zij werden gegeven was zoo boeijend en leerrijk tevens, dat de zaal weldra te gering van omvang was. Daarenboven zag hij zich door velen uitgenoodigd om nog een cursus over hetzelfde onderwerp te houden in de groote zaal der muziekschool, welke ingerigt was voor een meer gemengd publiek. Maar het was daarom niet een minder beschaafd gezelschap, dat hier zijne toehoorders vormde, want aldaar vond men aan het hoofd de koning en het gansche koninklijke huis, de edolsten en voornaamstcn zoo vrouwen als mannen uit de hoofdstad, en hetgeen meer
394
zegt dan dit ;illes, zij woonden zonder onderscheid al zijne voorlezingen bij van hot begin tot het einde, zonder eene enkele te verzuimen.
Terwijl hij zich met dien arbeid onledig hield, werd hij door keizer Nikolaas uitgenoodigd om eene reis door de Oeral en Altai, naar Chineesch Dsjoengereï en de Kaspische zee te maken, welke groote reis geheel en al op kosten der Russische regering zon geschiede),;, en waarvan het plan cn de wijze van uitvoering aan Humboldt zouden worden overgelaten. Zijne voorlezingen moeiten echter eerst worden geëindigd, waartoe hij het noodige verlof vroeg, hetgeen natuurlijkerwijze onmiddellijk werd geschonken. Daarna besteedde hij een jaar tot het maken van de noodige voorbereidende studiën en ging hij voort met de wetenschappelijke onderzoekingen, waaraan hij werkzaam was.
Te gelijk was zijn invloed in velerlei rigtingen werkzaam. Op zijn verzoek werden in alle mijnen in Pruissen proefnemingen gedaan, nopens de temperatuur op verschillende diepte, welke later met elkander werden vergeleken. In den herfst van dat jaar opende hij do zevende zitting der natuuronderzoekers en geneesheeren te Herlijn met eene rede, waarin hij de strekking en het nut van dergelijke vereenigingen op zoo heldere en treffende wijze uiteenzette, dat spoedig daarop dergelijke inrigtingen werden tot stand gebragt in Engeland en Italië.
Op den 26quot;quot; Maai t overleed tot zijne innige smart de echtgenoot zijns broeders, eene vrouw, welke door hare gaven van hart en geest uitstekend mogt genoemd worden. Op hare menigvuldige reizen in aanraking gekomen zijnde met al wat de maatschappij zoowel te Rome, I'.irijs als te Wee-nen in kunst en wetenschappen voornaam en beroemd op-leverderde, was hare woning steeds hot middenpunt geweest, waar allen zich verzamelden, die geest en vernuft in den omgang op prijs stelden.
O]) den 12' quot; April, 1.S29, verliet Humboldt Berlijn in gezelschap der professoren Ehrenberg en Gustaaf Rose, nadat hij kort te voren een bewijs had ontvangen op wel ken prijs zijne hooge verdiensten door deu koning werden
geschat; hij werd namelijk benoemd tot staatsraad in wi-rkelijkr dienst. Hij vc-i trok mi-.l /.jjii gezelschap naar St. Petersburg en vervulgens naar Moskou. Kasan en verder door Azië.
Het verhaal dezor uitgestrekte reis is te boek gesteld door professor Gnstaaf Rose: hiermede maakt ais het ware een gehorl uit het onschatbare werk getiteld: L'Asie centrale. llccherches sur Ie- ehaincs de montagnes et la cli-matologie couiparée, dat te Parijs in 184iJ in .'i deelen het licht Wij vinden daarin de resultatfii zijner onder
zoekingen en waarnemingen op lt;lie n is gedaan, l)'.- groote onderneming had daarenboven nog een ander praktisch resultaat, namelijk, het stichten van een meteorologisch ob-servatinium te St. Petersburg.
De staatkundige gebeurtenissen van liL't jaar liS30 gaven aan do werkzu.imheden van Humboldt, ten deele althans, eene andere rigting, zonder dat hij deswege zijn wetenschapptlijken arbeid daarbij uit het oog verloor. Nadat hij den kroonprins van Prnissen in Mei 1830 had vergezeld op ijui reis naar Warschau bij geladenheid dat keizer Nikolaas in persoon den laatslnu eoustitutionelen rijksdag aldaar opende, begaf' hij zich kort daarop naar de badplaats Teplirz, waar men het berigt vernam van de omverwerping der regering in Frankrijk, den val van den oudsten tak der Bourbons en de trounsbestijging van Louis Philippe. Koning Friedrich Wilhelm lil zond Humboldt naar Parijs om aan den nieuwen monarch do tiding zijner erkenning door de Pruiosische regering over te brengen. Deze last werd aan Humboldt opgedragen, dewijl hij sedert lange jaren in naanwe betrekking tot hef huis van Orleans had gestaan Van September 1830. tot Mei 1832 en vervolgens in 183-1 en 18.quot;!.') bleef hij te Parijs gevestigd om staatkundige berigten aan zijne regering te doen toekomen. Dergelijke vertrouwelrkc /ending uenl hem in den loop der volgende twaalf jaren vijf herhaalde malen opgedragen; aldus bleef hij toen gedurende een vier of vijftal maanden te Parijs gevestigd. In dit tijdperk valt de uitgaaf van liet werk , getiteld Examen critique tie This-
396
toire de la géographie du nouveau continent et des pro-grès de l'astronomie nautlque aux quinzième et seiziéme siècles, hetwelk te Parijs in 1836 het licht zag. Korten tijd later truf hem een zeer smartelijk verlies door het afsterven van zijn broeder, die op den Squot;'quot;quot; April, 1835, te Tegel in zijne armen den geest gaf.
In January, 1812, vergezelde Humboldt koning Friedrich Wilhelm den IV'1quot; op diens reis naar Engeland tot bijwoning van de doopplcgtigheid des prinsen van Wales. Toen de koning in Mei van datzelfde jaar bij de viering van den honderd tweeden jaardag der troonsbestijging van Fre-derik den Groote, eene nieuwe klasse toevoegde aan de orde quot;Pour le méritequot; voor burgerlijke verdiensten, in welke klasse uitstekende geleerden en kunstenaars van alle landen zouden opgenomen worden, werd Humboldt benoemd tot kanselier dezer orde. Eenigen tijd later, in 1845, begaf hij zich voor een korten tijd naar Denemarken, en latei-vertoefde hij twee jaren te Parijs, namelijk van October 1847 tot in January 1848.
Nadat hij gedurende eene halve eeuw zich voortdurend met de beoefening van wetenschappelijke o iderwerpen had bezig gehouden en daarbij een buitengewonen ijver aan den dag had gelegd, deed bij de beschaafde wereld verbaasd staan door de uitgave van een nieuw werk van verbazen den omvang en diepe geleerdheid. AVij bedoelen zijn Kosmos, waarvan het eerste deel het licht zag ten jare 1845. Dewijl Humboldt bij de voordragten door hem over de natuurkundige aardrijksbeschrijving gehouden, of geheel niets, of althans nimmer iets anders dan de hoofdpunten opteekende en voor het overige voor de vuist sprak, hebben zij met den Kosmos niets gemeen dan de rangschikking der behandelde onderwerpen. Eerst ten 1843 ving hij aan met het schrijven van den tekst van zijn Kosmos. Ten opzigte van dit werk zegt Humboldt onder anderen, dat hein sedert meer dan vijftig jaren het denkbeeld tot verwezenlijking daarvan voor den geest had gezweefd. Hoewel liet plan niet geheel en al is afgewerkt, heeft hij het laatste deel toch in zoo verre voltooid, dat uit de na-
397
gclutcn geschriften hot werk kan worden zaamgesteld.
Een ander werk. van hetwelk wij reeds vroeger hebben gesproken, namelijk van de Natuurbeschouwingen, dit is in zekere mate verwant met den Kosmos. Beide werken zijn door Humboldt geschreven met het voornemen om het bewijs te leveren, dat eene grondige behandeling van zooda nige onderwerpen kan gepaard gaan met levendigheid van stijl. Het gevolg is dan ook geweest, dat alle beschaafde klassen dor maatschappij ze met even groote belangstelling hebben ontvangen.
Een ander niet minder belangrijk werk is de verzameling zijner Kleinere geschriften, van welke het eerste deel in 1853 verscheen; dit is getiteld: nGeognostische und physikalische Erinnerungen.quot;' Ook dezen arbeid heeft hij derhalve in zijne laatste levensjaren in gereedheid ge-bragt.
Op den 4'1cn Augustus, 1800. was Humboldt benoemd tot buitengewoon lid dor koninklijke academie van wetenschappen te Berlijn. Vijftig jaren later werd aldaar een zeldzaam feest gevierd. Do feestrede destijds door den even geleerden al-- beroemden professor Böckh gehouden, bevat veel schoons en wetenswaardigs betreffende den grooten man, die gedurende eene. halve eeuw de academie ten sieraad had gestrekt. quot;Humboldt,quot; zeide hij, quot;behoort niet tot eene, zelfs niet tot alle academiën; hij behoort r.an de gansche beschaafde wereld. Natuur en geest zijn tot in zijn binnenste doorgedrongen; met dichterlijke kracht en eene zeldzame meesterschap over de taal, verspreidt hij over de werkelijkheid hot betoovorend schoon der rijkste phan'a-sie. Met geestdrift bezield voor alles wat inderdaad nien-scholijk verdient genoemd te worden, is hij verheven boven alle vooroordeelen van stand en geboorte; hij neemt het levendigste aandeel in de werken en de pogingen van ieder, die eene edele zaak wenscht tot stand te brengen of een lofwaardig doel te poogt bereiken. Ieders verdiensten worden naar waarde door hem erkend. Het gevolg daarvan is, dat wij bij hem vinden: een vrij en openhartig oordeel,
398
con onnfhankolijken geo.^t. tnc-cvendhriil on wehvillend-
lieifl jegens iindevcn.
Van zijne instcloozo werkzaamlieid tot in de laatste dagen zijns levens hebben «ij reeds zoo menig bewijs aangevoerd, dat wij thans nog enkele bijzonderheden omtrent onzen grooten geleerden belxieven mede te .loeien om hem van eene andere zijde te loeren kennen. Wij mogen reeds vooraf de verzekering geven, dat zijn hart even edel was als zijne veelzijdige geleerdheid verdiende genoemd te worden.
Had ITumboldt niet in de hoogste mate de knnst verstaan om elk oogenblik van z.jn tijd ten nutte der wetenschap te besteden, dan zou het ongeloofelijk zijn, nat. hij werkelijk dat alles had gedaan, hetwelk inderdaad door hem is verrigt. Als staatsraad in werkelijke dienst werd hij door den koning (met wien hij zeer bevriend was, gelijk met de overige leden van het koninklijke hnis) niet alleen over alle, belangrijke onderwerpen geraadpleegd, maar geen enkele partij, geen enkel feest van eenig belang werd er aan het hof gegeven, waarbij Humboldt met tegenwoordig was. Ten einde don tijd als het ware uit tequot; koopen, had hij zich sedert zijne jongelingsjaren tot gewoonte gesteld, zoo laat naar bed te gaan als slechts eenigzins was overeen te brengen met de taak, die luj zich voor eiken dag had voorgeschreven; om des morgens vroegtijdig op te staan. Het spreekt van .elf, dat de nren ge ■ woonlijk aan den slaap gewijd, daardoor aanmerkelijk werden bekort. Wij zullen er al aanstonds een bewijs van aantreffen in het verhaal door N. Melgoenoff, een Russisch geleerde, omtrent een bezoek, hetwelk hij bij Humboldt had afgelegd, bekend gemaakt in het l-etcrsbnrger tijdschrift 'otet sjestwennija (Vaderlandsehe gedenkwaardigheden). Wij lozen daarin onder anderen het navolgende
omtrent Humboldt.
Voorzien van een introductiebrief des heeren Barnhage.n von Ense begaf zich do heer Melgoenoff naar de woning van Humboldt. Hij gaat verder aldus voort.quot; Op mijne vraag
399
of de baron von Humboldt tc hnis was, antwoordde men mij dat hij zich naar het paleis des konings had begeven. Ik stelde daarop aan den bediende het briefje van den heer Barnhagen von Ense niet mijn kaartje ter hand, en vroeg tc gelijkertijd op welk uur ik den lieer von Humboldt het best zou kunnen spreken. De jager en ecne bejaarde keukenmeid, die zich mede in het gesprek had ge mengd, zeiden wij hierop: quot;Mijnheer de baron brengt slechts den vroegen ochtend tc huis door, maar dan is hij gewoon • lijk voor niemand tc spreken. Togen den middag komt hij somwijlen te huis, maar nooit op een bepaalden tijd, en een vasten dag of uur, waarop hij menschen ontvangt, heeft hij overigens niet. maar, voegden zij er bij, quot;Wij zullen alles aan den baron boodschappen.quot;
Nog dienselfden dag ontving de heer MelgoenofT een uit-noodiging van Humboldt om hem den volgenden dug ten 8 ure te komen bezoeken. Dit vroegtijdige uur zal welligt velen zeer zonderling voorkomen; men bedenke echter dat Humboldt des zomers steeds ten 4 ure op de been is eu 8 ure bij hem vrij laat heet. Op den bepaalden tijd begaf ik mij derwaarts. Gedurende de korte oogenblikken dat ik werd aangediend, wierp ik de blikken om mij heen. Eene kleine zaal werd ik doorgeleid naar dc kamer, alwaar Humboldt bezoeken ontving, doch deze laatste bevatten geen enkel voorwerp, hetwelk den bezoeker op het vermoeden bragt. dat hij zich in de. woning van een geleerde bevond- Een twee- of drietal wetenschappelijke boeken in dc Frausche taal lag op cene der tafels; zij waren nog onopengesne-den en schenen eerst kort tc voren door een of anderen boekverkooper aan Humboldt te zijn toegezonden. In de kamer, waar ik den beroemden man zou ontmoeten, stonden eene canapé en twee tafels met de stoelen op de Russische wijze er om heen. Hetgeen men hier aantrof mogt zoomin aanspraak maken op praal of pracht als er angstvallige zucht in doorstraalde om zich naar de heerschende mode te rigten, maar even weinig vond men cr een zweem der zoogenaamde geleerde wanorde. Spoedig werden mijne
400
ffcdachten door do komst van Humboldt elders heengreleid.
O O
Hij was gekleed in een zwarten rok, witten das, waarschijnlijk dewijl liij gereed stond om zich naar den koning te begeven.
quot;liet is mij zeer aangenaam mijne vroegere bekendscliap met u te hernieuwen, mijnheer Melgoenoff. 0, ik herinner mij nog levendig u te Moskou te hebben ontmoet,'' met. deze woorden werd ik tot mijne niet geringe verbazing begroet. Het bleek mij kort daarna in den loop van het onderhoud, dat Humboldt verscheidene bijzonderheden ten bewijze van het bovenstaande wist aan te voeren. Aanvankelijk sprak hij niet veel, maar vroeg slechts, als ware het om zich te overtuigen met wicn hij in aanraking was gekomen. Spoedig echter veranderde dit geheel en al, en bleef hij later geheel alleen aan het woord. De levendigheid, de losheid zou men schier mogen zeggen, waarmede hij over de gewigtigste onderwerpen sprak, zijne uitdrukkingen, die steeds even helder en klaar getuigden van de diepe, grondige geleerdheid, welke bijna allo vakken van wetenschap scheen te omvatten, zoodat hij zijne meesterschap voortdurend wist te handhaven zonder zich ooit op den voorgrond te plaatsen, dit alles maakte dat mijn onderhoud met Humboldt mij sleeds onvergetelijk zal blijven. Over welke onderwerpen ons gesprek heeft geloopen, dit zou ik niet kun nen opgeven. De wijze waarop hij zich %iet anderen onderhoudt, is boeiiend in don hongsten graad; zijne gesprekken vloeijen over van vernuftige zetten en toespelingen . hij is even scherpzinnig als geestig en satirisch in zijne uitdrukkingen en bijtende scherts spaart hij niet, zelfs is degene, met wien hij zich onderhoudt, niet zelden het voorwerp er van.
quot;Toen reeds een uur was vervlogen, scheen het mij toe als had ik slechts eenige oogenblikken in zijn gezelschap doorgebrngt. Ik herinnerde mij, terwijl ik Humboldt hoorde spreken, eene uitdrukking van den vereeuwigden Poesjkin quot;onafgebroken vloten stroomen van geleerdheid over zijne lippen gelijk het water uit gindsche marmeren leeuwenkoppen in dubbele stralen, zoowel ter regter- als ter lin-
401
kerzijde. Met bewondering beschuuwde ik den man, die in Pruissen, in het land der aristocratische vooroordeelen, baron, kainerliecr7 staatsraad in werkelijke dienst, liet niet beneden zicli acbtto om openbare voorlezingen te honden en voor een talrijk auditorium den katheder te beklimmen. Met smart nam ik eindelijk afscheid van den even beroemden als bominnenswaardigen man.
Later heb ik Humboldt nog herhaaldelijk ontmoet in gezelschap van sommigen zijner vrienden. Menigmaal heb ik hem op de wandelplaats Unter den Linden zien voor-bijgaan, diep nadenkend, met het hoofd eenigzins voorwaarts gebogen en nu eens meer, dan minder snel voort-tredende. Nimmer heb ik liet gewaagd om hem op die plaats aan te spreken. Humboldt scheen mij dan toe eene rijpe, volle aar te zijn, welke door de tallooze menigte zware korrels, waarmede zij geladen was, ter aarde begon te neigen. Zeventig jaren had hij bereikt, toen ik hem te Berlijn ontmoette en zijne houding toonde nog naauwelijks een spoor van verval, terwijl schier niemand van GOjaren er in hot gelaat zoo frisch en krachtig uitzag als Humboldt.
Als een bewijs van de uitstekende hoedanigheden van gemoed, welke hij bezat, zal het voldoende zijn de volgende bijzonderheid mede te deelen, welke dezer dagen is bekend gemaakt door den sedert lang beroemden geleerde Agassiz. quot;Terwijl ik mij te Parijs bevond om mijne studiën voort te zetten, zag ik mij door de omstandigheden gedwongen de ingetreden loopbaan vaarwel te zeggen, dewijl mijne geldelijke middelen geheel en al waren uitgeput. •Steeds had ik mijn nood voor ieder verborgen gehouden, totdat ik s daags voor mijn vertrek afscheid van eenige mijner vrienden nam, aan wie ik op herhaald aandringen de oorzaak van mijn plotseling vertrek mededeelde. Den volgenden morgen zat ik in diep gepeins aan het ontbijt. Het zou de laatste dag zijn, welken ik te Parijs zou doorbrengen. Onverwacht wordt cr aan mijne deur geklopt, een bediende in liverei gekleed, treedt binnen, overhandigt mij een brief en alvorens ik van mijne verwondering mij heb
402
hersteld, is hij reeds verdwenen. Pe brief was van llum-boldt. Hij verzocht mij inlig^ende bankbiljetten, ten bedrage van 1200 franken, te willen aannemen, en Parijs niet te verlaten, maar mijne studiën ijverig voort te zotten. „Later, wanneer gij daartoe in staat zult zijn, zullen wij wel eens over de afrekening praten.quot; Toen ik den edelen man ging bedanken, wilde hij van niets hooren. Zoo heeft In, velen in het geheim ondersteund. De dankbaarheid, welke ik Humboldt verschuldigd ben, heeft mij genoopt dezen edelen trek na zijn verscheiden openbaar te maken, vi aartoe ik voor zijn dood de vrijheid niet had. Ik gevoelde mij gedrongen om deze hulde aan zijne nagedachtenis te bewijzen. Ik moet er nog bjvoegen. dat ik het geleende gold nimmer heb terug gegeven. Vele jaren na mijn vertrek uit Parijs, ontmoette ik voor het eerst na dien tijd mijn weldoener Mijn naam had destijds reeds eenige bekendheid ver-kregen — de even bescheiden als geleerde Agassiz had wel kunnen zeggen, dat zijn naam reeds beroemd was geworden - Nadat wij eenigen tijd over verschillende weten-schappelijke onderwerpen hadden gesproken, herinnerde ik Humboldt aan de schuld, welke nog steeds onafgedaan was gebleven, waarvan hij echter niets wilde hooren. ^at dc zaak eindelijk met vrij wat moeite door mij zoo dmdeh.) was gemaakt, dat Humboldt moest toegeven, verzocht In, mij dringend dat het gesprek over een dergelijk onderwerp niet verder zou worden voortgezet. Hierop smeekte ik hem om de gunst voortdurend zijne schuldenaar te mogen bh, ven hetgeen hem zigtbaar aangenaam was. Voor ons beiden was de som van geene beteekenis hoegenaamd en ik was van oordeel, dat eene dergelijke betuiging van mijn on-begrensden eerbied hem welgevalliger zou zijn dan elk andere regeling dezer zaak. De ongeveinsde hoogachting, welke ik ten allen tijde voor den onsterfehjken man heb gekoesterd. heef. het mij ten pligt gesteld hier openlyk deze hulde aan zijne nagedachtenis te brengen, dewijl het feit mij persoonlijk betreft. Andere dergelijke bewijzen zijner onbekrompen milddadigheid, welke mij bekend zxjn - en hoe velen zou ik van dien aard niet kunnen mededeelen . -
403
mag ik hior niet openharen, dewijl anderen daarvan het voorwerp zijn geweest.quot;
\ an hef jaar 1809 tot 1827 heeft Humboldt bijn.i voortdu-rend tn Panjs gewoond. Do wetenschappelijke werken ge durende dien tijd in liet licht gegeven, waarvan wij het grootste gedeelte hebben opgenoemd, kosten niet minder dan ƒ 5,400,00. Ook dnnr had hij even als wij vroeger met betrekking tof den voorlooper van den Kosmos tnede-dfnlde, openbare voorlezingen hi de Fransche taal gehouden, waartoe zijiie uitgebreide kennis van vele levende
talen - om van de doode falen niet fe gewagen _ hom de
geschiktheid gaven, want groot was het getal talen, waarin hij zich met het meeste gemak en de uiterste sierlijkheid uitdrukte.
Bevond hij zich vroeger in de nabijheid des konings en der leden van het koninklijkhuis, zoowel ten gevolge van zijne betrekking als kamerheer en staatsraad in werkelijke dienst als uithoofde van de waarde, waarop allen zijne tegenwoordigheid sehattede.u . met het begin dezes jaars zag hij zich om den zwakken staat zijner gezondheid buiten dr mogelijkheid gesteld om ten hove te verschijnen. Hoedanig deze afwezigheid werd opgemerkt, laat zich hieruit opmaken, dat de prins-regent, zijn zoon prins Friedrich Wilhelm, en andere leden van het koninklijk huis den ouden vriend in zijne woning kwamen bezoeken, ten einde hem bij de intrede van een nieuwen jaarkring, hunne geluk-wenschingen te komen aanbieden. ^ ij behoeven na een zoodanig openlijk bewijs van vereering geen enkel woord er bij fe voegen omtrent de hoogachting, welke het koninklijk gezin hem toedroeg. Maar daarenboven betoonde do gansche beschaafde maatschappij hem steeds den hoogsten eerbied
Indien Humboldt zich in hot openbaar vertoonde, werd hij steeds met alle teekenon van eerbied ontvangen en begroet. Nooit werd hij op straat ontmoet of allerwege in zijne nabijheid ontblootten allen hof hoofd, want bijna ieder was er van doordrongen, dat Humboldt mogt worden beschouwd als de genius des lands, als do man wiens hel-
404
der hoofd, ver reikende blikken, wiens onpartijdigheid en vrijzinnige denkbeelden niet genoog konden worden geroemd. wiens welwillendheid en invloed schier grenzenloos inugten genoemd worden, en die tevens de man was, op wicn men in tijd van nood en gevaar het oog met ver-trouwen kon opheffen. Het aanzien, hetwelk hij genoot, zijn oordeel, raad en voorlichting hebben duizendwerf de goede zaak doen zegevieren, waar onkunde, vooroordeel, onregt-vaardigheid als hinderpalen werden ontmoet door hen, die iets goeds, iets nuttigs tot stand wensehten te brengen on alle middelen daartoe ie vergeefs hadden beproefd. Allen die persoonlijk met hem in aanraking zijn geweest, verheffen om strijd zijn onvermoeide hulpvaardigheid, bescheidenheid en echte humaniteit. Bij den nitgebreiden kring van vrienden en bekenden, maar oneindig grooter aantal bewonderaars en hoogschatters, kon het wol niet anders of de belangstelling van het groote publiek openbaarde zich op do ondubbelzinnigste «ijze, toen zich de mare verbreidde, dat de edele en boroemdo grijsaard zoodanig in krachten afnam, dat voor zijn spoedig verscheiden mogt worden gevreesd; die belangstelling openbaarde zich in dier voege, als nimmer werd aanschouwd.
Den fiquot;10quot; Mei, 1859, omstreeks half drie ure, stierf Humboldt in de armen van den generaal von Hodemann en mevrouw von Bulow, welker familie don kranke gedurende zijne laatste ziekte heeft verpleegd. Kort voor zijn afsterven verscheen prins Karl aan zijne sponde en vertoefde er lang in do beschouwing des vereeuwigden. Nog in don loop van den avond keerde hij in het sterfhuis terug met den prins regent, en beide verwijlden langen tijd bij hot stoffelijk omhulsel van hunnen voonnaligen vriend. Door Mi-chaelis werd hij later afgebeeld on do beeldhouwer Glaeser nam een gipsen masker van zijn gelaat.
Gedurende don ganschon dag (den Squot;'quot;1) stroomde eeno tal looze menigte nnar de Oranienbuvgcrstraat, ton oinde er hot sterfhuis (N0. 67 aldaar) en don beroemden doodo in zijne werkplaats nog eenmaal te gaan bezoeken en een laatst vaarwel toe to roepen. In zijne bibliotheek, welke gedurende
405
/oo vole jaren was getuige geweest van zijn rusteloozon arbeid, stond een eenvoudige eikenhouten kist, waarin het .stoffelijk omhulsel van Humboldt was ter ruste gelegd. Slanke palmboomen en bloeijendc tropische gewassen omringden het tot weemoed stemmende beeld en herinnerden ieder der aanwezigen de togten door don naar kennis en wetenschap dorstenden man in der tijd naar de ver verwijderde oorden ondernomen, van waar die sierlijke planten herkomstig waren. Duizenden begaven zich derwaarts om den laatsten tol van dankbaarheid aan den grooten ont-slapene te betalen.
Dat de ter aarde bestelling van Humboldt getuigde van eerbied en hoogachting, dit behoeven wij naauwelijks te vermelden. Een vorst der wetenschap toch was uit het leven gerukt, cn zijn aardsch omhulsel, hetwelk ter laatste rustplaats moest gedragen worden, ontving schier koninklijke eer: de wijze waarop deze eer werd bewezen, was eenc treffende hulde aan den onsterfelijkcn geest, welke was heengevaren.
Den 10''quot; Mei, omstreeks Sure, werd de kist gesloten, ten einde het stoffelijk omhulsel naar de plaats te brengen, waar het voor omstreeks negentig jaren was heengevoerd om gedoopt te worden. Een aantal dienaren des koniugs droeg de lijkkist uit het huis en plaatste haar in de bjk-koets; welke met zes paarden was bespannen. Zoodra dit had plaats gehad, werd een indrukwekkend koraal aangeheven, begeleid van een groot aantal muziekanten. Om de lijkkoets stonden vele studenten der Berlijnsche universiteit met palmtakken in de hand. \1 de overige studenten trokken vooraf, mot ceremoniemeesters aan het hoofd, een bewijs dat hier een vorst dor wetensciiap ten grave werd gedragen. Aan het hoofd der talrijke geestelijken bevond zich de super-intemleut generaal Hoffmann. Daarop volgde de kamerheer graaf von Fürstenberg-Staninihcim, vergezeld van don kamerheer graaf Taczanowski en de kamerjonkers graaf von Dönhof en baron van Z-cdlitz; zij droegen op rood fluwoelen kussens de ordeteekeuen, welke vroeger de borst van den overledene hadden versierd. Achter de lijk-
406
koets kwamen ilc loden der familie, voorafgegaan door ridders der orde van den Zwarten Adelaar. Op het oogen-blik dat liet lijk uit de Oranienburgerstraat in de Friedrieh-straat aankwam, werd door do leerlingen van het Friedriehs-gymnasium een lied aangeheven, dat allen Ion diepste roerde. Waren reeds de woorden up zich zeiven daartoe voldoende, — zij schetsten hot wederzien na dit leven op zoo dichterlijke wijze, — dit werd nog verhoogd door de heerlijkste melodiën.
Op het Operaplein aangekomen, kon men den ganschen stoet als het ware overzien. Achter do lijkkoets ontwaarde men do beide neven des overledenen, zonun zijns broeders Wilhelm, bezitters dor hoorlijkhodon OUinachau en Fried-richseck in Silezië, geleid door den prins von Salm-Horst-mar en den veldmaarschalk baron von Wrangel. De generaal von Hedeinann, gehuwd met eene dochter van Wilhelm, werd geleid door prins Wilhelm van Kadziwill en van den generaal graaf von dor Gröben. Nevens don baron von Bulow, den kleinzoon van Wilhelm, gingen do generaal von Neumann en de prins Adolf vou Ilohenlohe. Daarop volgden de voornaamste staatsdienaren, do generaals in en nabij do hoofdstad aanwezig, do groot-officieren van 's konings huis, allon in gala-uniform, schier al de leden van het huis der heeren en van hot huis der vertegenwoordigers mot hunne presidenten aan hel hoofd, allon in gala-kleeding, do raden der verschillende ministeriën, do directeuren der onderscheidene i irigtingcn voor kunsten en wetenschappen. Hetgeen do hoofdstad bezat van aanzienlijken, vereerders van wetenschap, beminnaars van kunst, mannen van rang en beschaving, allen hadden zich naar de woning des vereeuwigden begeven met hot doe! om hem de laatste eer te bewijzen. De acadeinien van wetenschappen en fraaije kunsten waren mede door een groot aantal loden vertegenwoordigd; de rector magnificus en do professoren der nniversietoit waren gedost in hun plegtgewaad. Uit Prei-borg, waar Humboldt oen geruinien tijd de geologie en aanverwante wetenschappen had bestudeerd, was eene deputatie tegenwoordig; op gelijke wijze had do Lausitser maat
407
schappij van wetenschappen eenigen haren leden afgezonden, ten einde den grooten afgestorvene de laatste eer te be wijzen. Ue leden der maatschappij tot bevordering der aardrijkskunde ontbraken evenmin in den stoet. Vooraf-afgegaan door vele stadsboden ontwaarde men den opperburgemeester en den burgemeester, in wier midden zich be vond de prins Bogilav von Rad/.iwill, gevolgd door den ganschen stedelijken raad met de wethouders aan het hoofd, allen in ambtsbekleeding met de gouden ketenen versierd; zij waren omringd door ceremoniemeesters, die witte met zwart floers omhulde staven droegen. Daarop volgde het ganscho onderwijzers-personeel, met de beide inspecteuren der lagere scholen aan hun hoofd. Ter zijde van hen wandelden ceremoniemeesters, insgelijks met witte staven in rouwfloers gehuld ter hand; als zoodanig waren de jongelingen van de hoogste klasse der verschillende lagere scholen gekozen. Maar met hen was de rij niet gesloten. Op de laatstgenoemden volgde eenetallooze menigte personen van allen rang en stand, die zich geheel uit eigen beweging aan den stoet hadden aangesloten, ten einde een openbaar bewijs van hulde te brengen aan den grooten medeburger, dien zij kort tc voren hadden verloren en op wien het vaderland niet slechts, maar de gansche wereld roemen mogt.
Lit dien hoofde zag men ouder de vereerders van den overledene den Noord-Amerikaanschen gezant, begeleid door vertegenwoordigers van al de staten zijns vaderlands, die uit de verschillende deelen van Europa naar de hoofdstad waren geijld om dien laatsten pligt te vervullen. Zelfs uit Afrika en Azië waren vertegenwoordigers in dien talrijke stoet.
Op deze onafzienbare schaar volgden de rijkbespannen rijtuigen de.- konings en van al de prinsen van het koninklijk huis, allen met bedienden in gala-üverei; na deze koninklijke equipages kwam eene ontelbare menigte equipages van hertogen, prinsen, graven, baronnen en andere personen, in een woord van al wat de hoofdstad en hare omstreken edel en voornaam bezat. Aan de plegtige.
408
indrukwekkende harmonien der treurmuziek paarde zich liet statig geluid der zware klokken van de hoofdkerk.
Eindelijk was de stoet tot aan den dom genaderd. Hoven aan den opgang van het godshuis werd het stoffelijk omhulsel opgewacht door deu prins-regent, de koninklijke prinsen Friedrich Wilhem, zijn zoon, Albrecht, vader en zoon, George, Adalbert, prins August van Wurtemberg, den erfprins van Saksen-Meiningen en den prins van Iloheti-zollern Sigmaringen. Aan het portaal der domkerk werd de kist uit de lijkkoets genomen en voor het altaar geplaatst, op de daartoe gereed gemaakte estrade; dit geschiedde door lak kei) en van het huis des kouings. Do prinsen van het koninklijk huis en do andere vorstelijke personen geleidden de rouwdragende leden van Ilumbolt's maagschap tot voor liet altaar. Vier groote zilveren kandelabers, met eene menigte armen, stonden rondom de lijkkist en stortten eene zee van licht op de laatste woning des beroemden mans. Ter wederzijde er van stonden tabouretten, waarop de kussens met de ordeteekens werden geplaatst. In een broeden kring om het altaar ontwaarde men een bosch van palmen en cypressen, waar tusschen brandende waskaarsen zich verhieven en in het midden het gouden beeld dos Verlossers aan het kruis. Tusschen het altaar en de lijkkist waren de geestelijken verzameld. In een halven kring tegenover de zoo even ge noemden hadden do zonen en de kleinzoon van zijn broeder Wilhelm, met den generaal von Hedemann in huu midden, plaats genomen; ter regterzijde van hen stonden de prinsregent, ter linkerzijde prins Friedrich Wilhelm van Pruis-sen en achter hen allen de overige leden van het koninklijk huis, benevens de ridders van den Zwarten Adelaar. Ter zijde van de lijkkist hadden zich geschaard de ministers, de hooge staatsdienaren en voorname vreemdelingen en ter linkerzijde van het altaar de leden der academie en geleerde genootschappen. Ter linkerzijde van hot altaar in de prinsessen loge bevonden zich de prinsessen Friedrich Wilhelm, Karl, Friedrich Karl en Anna van Saksen; in de daaraan grenzende loge ontwaarde men de weduwe van
409
den minister van Bulow, dochter van Wilhelm von Humboldt. In de logo op de tribune, regt-s van het altaar, zag men de leden van het corps diplomatique, dat schier voltallig aanwezig was. Het gansehquot; schip en de nevengangen van den dom waren met belangstellenden gevuld. De kerkelijke plegtigheid ving aan met het zingen van het gezang: quot;Jesus meine Znversicht,quot; hetwelk door de gansche gemeente werd gezongen. De superintendent-gene-real, hof en domprediker Hoffmann, dien de vereeuwigde zelf in der tijd had verzocht de lijkdienst te vieren, trad daarop voorwaarts en sprak de/.c woorden: quot;Zalig zijn de dooden, die in den lleere sterven,quot; welke door het koor met het Hallelujah werden beantwoord. Vervolgens hield Dr. Hoffmann eene redevoering, waarin de verdiensten des overledenen op waardige wijze herdacht werden. Na het eindigen der rede en het uitspreken van den zegen, zongen liet koor en de gemeente het quot;Amenquot;, waarop het koor ten slotte hot indrukwekkende koraal: quot;Christus, der ist mein Lebenzong waarmede de plegtigheid eindigde.
Des avonds werd het lijk naar Tegel gevoerd, waar men het in het familiegraf ter ruste heeft gelegd. Ook derwaarts werd hot door eene zeer talrijke schaar vereerders en vrienden des vereeuwigden begeleid.
■ . i ■
_____
■
i
.;'vl ■
■
'■ ■'?! p
'V' •'•i ÏX
-- ' V •„ -..K
■