Samp;o /9 amp; ^
Vakonderwijs aan
Ambachtslieden,
MET
OPENBRIEF
aan den directeur van 's Rijks-normaalschool voorteekenonderwijzers, den heer \V. It. G. MOLKENBOER, te A in s t e r d a in.
DOOR
B. F. PLASSCHAERT.
LeeHAAH AAN' uk BuiiGKl!AVO.N'DSCHOOL e.v DE h. b. s. te delft.
ci gt;i ac/i lt;jgt;czrgt;
amp;
â /cn
Toon ik mijn brochure schreef I. Vakonderwijs aan Ambachtslieden, dacht ik aan het waarschuwend woord van père Silexce ') âSi tu notes tous les détails, e'est que tu ân as pas vu 1'ensemble.quot; Daarom bepaalde ik mij bjj een paar hoofdzaken; lo. bij de richting van het examen voor de akte M. O. M2. ; en 2o. was heter mij om te doen om scherpen duidelijk te bewijzen, dat do directeur van 's Rijks-normaalschool voor teekenondeiwijzers te Amsterdam, van de practijk van het vakonderwijs, aan ambachtslieden te geven, niets kent of begrijpt, en dus geen vertrouwen verdient, waar hij als voorlichter der Regeering in deze materie optreedt.
Ik achtte het mijn plicht tegen een en ander te waarschuwen, om het groot maatschappelijk belang, dat hierbij op het spel staat. Immers de zoogenaamde ambachtsstand omvat in ons land een zeer groot gedeelte van ons volk. Daar de welvaart en het geluk van hen. die tot dezen stand behooren, voor een groot deel afhangen van do bekwaamheid en geschiktheid, die zij tot de uitoefening van hun vak of ambacht bezitten, dient hierop te worden gelet; omdat de rust en de welvaart der maatschappij hiermede ten nauwste samenhangen.
Wij staan hier voor een stuk âSociale quaestiequot; van veel grooter maatschappelijk belang, dan sommigen wel meenen.
') Voir La Nouvelle Revue iss.s.
IV
Dc grootste denkers van het buitenland en ook in ons land, van verschillende godsdienstige en politieke richting, hebben er bij herhaling op gewezen, dat in den desolaten toestand, waarin een deel van hen verkeert, die van hun arbeid moeten leven, gevaar schuilt voor de geheele maatschappij. Ik heb hier o. a. slechts de aandacht te vestigen op Maurice; âLearning and working,quot; op âSociale rechtvaardigheidquot; door professor Quack en op âHandenarbeidquot; door Dr. Ktujper, om dit te bewijzen.
Ik weet zeer goed, dat mij in den strijd tegen de schadelijke invloeden, die ons ambachtsonderwijs, door onkunde of om andere redenen, beheerschen, eer noch voordeel wacht; dit mag echter geen reden voor mij zijn om te zwijgen, en wel, omdat ik niet aan een toeval geloof.
Ik kan het zeer goed begrijpen, dat de heer Molkexboer, o, zoo gaarne, de quaestie zou laten rusten. Ik kan het zeer goed begrijpen, dat de directeur van 's Rijks-normaalschool voor teekenonderwijzers te Amsterdam, die zich een schepseltje heeft aangetrokken, dat door kunstmiddelen in 't leven moet worden gehouden, het niet aangenaam vindt, dat ik aan het streven om het leven van dat schepseltje te rekken, het ambachtsonderwijs, de belangen van andere onderwijsinrichtingen en de belangen der practisch gevormde leeraren, niet wensch opgeofferd te zien, zonder een ernstige poging te wagen om dat te beletten. Al weet de heer Molkenboeb van de practijk van het ambachtsonderwijs niets af, zoo dom is hij niet, of hij heeft zeer goed begrepen dat, als het voorstel door mij in de vergadering der examencommissie gedaan, dat n.1. de eandidaten voor M2 bewijzen zouden de noodige kennis te bezitten van de vakken, in welke zij krachtens die akte bevoegd worden verklaard onder-
wijs te geven, (1) niet was afgestemd, het schepseltje een govoeligen schok zou hebben ontvangen, omdat daarvan toch waarlijk niet kan worden gevergd, dat het blijken zou moeten geven âvan ernstige studie en practische kennis.quot; De redeneering van den voorzitter der examen-commissie tegen mijn voorstel kwam hier op neer, dat het altijd zoo geweest is als bij dit examen, en dat ook de heeren B. eu C. (geen leden der commissie) dat gezegd hadden; (argumenten van stavast) en dat, wat ik wensch, volgens de wet niet mag worden geëischt. Waar toch een wet al niet voor wordt gebruikt, of misbr u i kt, als men zijn doel a tort et a travers bereiken wil!
't Ts alsof in Titel II, Hoofdstuk I. Art. 13 van de wet op het M. O. niet geschreven stond: âDe burgerscholen bestemd âvoor aanstaande ambachtslieden en landbouwers, zijn dag- en âavondscholen.quot; 't Is alsof er geen Memorie van toelichting bestond. Ik stip dit hier nu slechts aan om te bewijzen, dat de wet wil wat ik wensch, n. 1. dat het onderwijs aan ambachtslieden, een practische strekking hebbe. En al is het nu altjjd zoo geweest als bij d i t examen; al zeiden dit de heeren A. B. C. D. â Z toe, evenals de heer Molkenboer; al was er reeds een eeuw lang, instede van een kwart eeuw, geëxamineerd evenals bij het examen in 1888, dan nog houd ik vol, dat de door mij gewraakte examenrichting, naar mijn innige overtuiging, is in strijd met de wet, en zeerstellig in strijd is met het waarachtig volksbelang, waarvoor de burgerscholen zijn opgericht en betaald worden. Ik kom hierop en op de
'). Dit was do strekking van inijn voorstel, ik geef dat hier in deze woorden gcformnleerl weer, opdat ook de leek, ilio hot teeken-ondenvys niet kan beoordeelen, mij begrijpen zou.
Vi
organiaatio der liij ka-normaalschool voor teckenomlorwijzers te Ainsterdaiu, later uitvoeriger terug.
Ik heb den brochurevorm voor mijn beschouwingen overam-bachtsonderwijs gekozen ;
lo omdat ik daardoor bij collega's en belanghebbenden gemakkelijker de overtuiging kan doen rijpen of versterken : âSi la théorie âd'un art ou d'un métier ne peut s'enseigner qu'a l'école, âl'apprentissage pratique ne peut se faire qu'a 1'atelierquot;; ')
2o om de studie van dit âhoogst belangrijkquot; â ) onderwerp ook voor belangstellenden, die niet bij dit onderwijs zijn geplaatst, gemakkelijker te maken; en 3o om den directeur van 's Rijks-normaalschool voor teekenonderwijzers te Amsterdam, en de redactie van 't âMaandbladquot; voor het teekenonder wijs, in de gelegenheid te stellen, stukjes te schrijven of te laten drukken over zaken, die ze niet kennen, waardoor de belangen van liet teekenonderwijs zeer worden gebaat en het vertrouwen op de onpartijdigheid der redactie zeer wordt versterkt.
Hoeveel brochures ik zal noodig hebben om mijn denkbeelden over Vakonderwijs aan Ainbachtsliedon geheel te ontwikkelen, kan ik zelfs bij benadering niet ramen; de stof is zoo verbazend uitgebreid, ilaar do niet officieele schrijver, die in ons land een zaak van algemeen belang behandelt, dient er ook rekening mee te houden, of hij bij zijn arbeid niet nog daarenboven zijn geld opoffert.
Delft, Juni 1889. B. F. PLASSCIIAERT.
Aan de Redactiën der Dag- en Weekbladen, die mijn arbeid
') Rapport eenur commissie in BclgiO over professioneel onderwijs. â ) Geliefkoosde uitdrukking van den heer .M.. als liij over miiii Iiro-chure spreekt.
VII
waardig keurden om in hun kolommen besproken te worden betuig ik hier mijn dank.
Van verschillende zijden, uit verschillende oorden van ons land, ontving ik na de uitgave mijner brochure âI. Vakonderwijs aan Ambachtsliedenquot;, brieven, briefkaarten en naamkaartjes als blijken van sympathie, (waaronder zeer treffende); men boude mij ten goede, dat ik langs dezen weg daarvoor mijn dank betuig. Voor mededeelingen over de zaak, zooals ik die ontving van HH. Collega s, beveel ik mij bijzonder aan.
P.
il
Vakonderwijs aan Ambachtslieden,
OPEN BRIEF aan den directeur van ?s Rijks-normaalschool voor teekenonderwijzers, den heer W. B. G. MOLKENBOER, te Amsterdam.
Nog voor mijn brochure, I. Vakonderwijs enz., was verschenen, kwam in het Mei-nummer van het âMaandblad gewijd aan do belangen van het teekenonderwijs en de kunstnijverheid in Nederland.quot; ') onderstaand bericht voor, (waarvan een letterlijk atgeschreven copie mjj medio Mei door bevriende hand word toegezonden.)
âNaar wij vernemen zal or binnen eenige dagen eene brochure âverschijnen, geschreven door den heer B. F. Plasschaert âleeraar aan de H. B. S. en B. A. S. te Delft in 1888 lid âder examencommissie voor de akte M 2.
âTn dit belangrijk geschrift zal don toestand van het Teeken âOnderwijs bij ons te lande uitvoerig worden besproken, ook âaan de richting der te Amsterdam gevestigde R. Normaalschool en aan de examen-programma's voor de Middelbare âTeekenakten zal een groot gedeelte van dit opstel zijn gewijd.
âIn een uitgebreide Memorie moet de heer P. in het begin
(') Redactie: Eon Commissie uit liet Bestuur der Vereeniglng. Adres der Redactie: den Secretaris der Vereeniging, D. Lako, te Zwolle.
BESTUUR DER VEREEK IG1XG:
Jhr. Mb. V. E. L. De Stvkhs, Den Haag. Eere-Voorzitter; W. B. G. Molkkxboek, Amsterdam, Voorzitter: ,1. D. Belmer, Kampen, Onder-\ oorzitter : 1). Lako, Zwolle, Eerste Secretaris: B. W. Wif.hi.vk Amsterdam, Tweede Sucretaris: Ã. Bouwmeester, Den Bosch' 1 cniiingineester; H. L. Boersma, Dcu Haag; J. D. Huibeks. Amstcrdani.
10
âvan dit jaar aan den Minister van Binnenl. Zaken zijn inge-ânomenheid hebben betuigd met een en ander; hij heeft aan âdat stuk eenige uitbreiding gegeven en maakt het nu in het âbelang van ons Teeken Onderwijs openbaar.quot;
Do heer Molkenboer schrijft in 't âMaanbladquot; :
âAls de heer Kraanen de geheele toedracht der zaak kende enz.quot; (zie hier achter) zou ZEd. tot een andere overtuiging komen. Hij tracht er zich met een flauwe aardigheid af te maken, waaronder hij heel behendig de ontkenning van een feit tracht aan den man te brengen.
Daarom laat ik hier ook afdrukken den inhoud van een brief, dien ik van den heer M., en dien van een briefkaart, die de Uitgever der brochure van hem ontving ; (ik behoef waarlijk niets geheim te houden) opdat de heer Kraanen en allen, die niet hem belang in deze quaestie stellen, hun overtuiging op goede gronden kunnen vestigen. Dit heeft ook nog een andere goede zijde; de heer M., schijnt eenigszins kort van memorie te zijn ; wat ik te zeggen heb, zal die weder opfrisschen.
âclan den QV.amp;d. JCccz
S. 01c. cKfe-mfie-t-fi te §ocxquot;
âAMSTERDAM, 4 Mei '89.quot;
âlt;%Vêd. êe-G. Mcezlquot;
âTk ontvang heden uit Goes een expl. van een bro-âcliure door den WelKd. Geb. Heer Plasschsiert te Helft âgeschreven. Ik vermoed dat ik U moet bedanken voor âdie vriendelijke toezending.
11
âAauvaanl W.E.Hccr niijii oprechten dank voor het âovermaken van dit hoogst belangrijk geschrift.»
âHoogachtend,quot; (Is GETEEKEXD) c6. 9]CO^fieU/6oCl'.quot;
De brief aan mijn adres is van den volgenden inhoud: ,,,©cn ^C,(S3. écC-», JCecz-c6, cF. §-taMc(iaazt
te ©cfft,quot;
âAMSTERDAM, 4 Mei '89.quot;
âQVamp;d, JCec-z-!quot;
âReeds voor een paar weken werd mij meegedeeld âdat door U iu een brochure zon worden voortgezet âwat in uw adres aan den Minister d.d. 5 Januari 1889 âwas begonnen en in een andientie was besproken.
âHeden heb ik een afdruk van die brochure ontvan-âgen. Het kwam nit Goes ik heb daarom den Uitgever âdank gebracht voor de welwillende toezending van] dit âhoogst belangrijk geschrift. Hij zal dit gedaan hebben âop nw aanwijzing, daarom bel» ik de eer ook U mijn âerkentelijkheid voor die vriendelijke toezending te betuigen.
âUit eerbied voor den Minister was ik verplicht op âuw adres van 5 Jan. te antwoorden; voordat ik de hier âbij mij liggende brochure had gezien stond het bij mij âvast daarop in geen geval eenig woord lot repliek te âgeven.
âHoud het mij ten goede dat ik dus Uw vriendelijken âopen brief zonder antwoord zal laten.
12
âHot doet mij waarlijk genoegen om U, dat de toon âuwer brochure eeu andere is dan die van het adres.
âU heht U hij dit tweede geschrift hlijkbaar te verghengen gehad over.betere raadslieden dan bij het adres âhet geval was.
âTot wederdienst gaarne bereid en met de meeste hoogachting
âUw Dw. Dr.quot;
(ISGETEEKEXD) âQV, cB, §. fjCnGo^.quot;
Wat mij in 't ingezonden stuk in't âMaandbladquot;, maar vooral in de briefkaart en den brief bijzonder bevalt, is de welwillendheid van den heer Molkenbokr; ZEd. is directeur van 's Rijksnormaalschool voor teekenonderwijzers te Amsterdam, en toch heeft hij niet alleen de groote vriendelijkheid gehad âUit eerbied voor den Minister,quot; mijn âmemoriequot; te beantwoorden, wat ik zeer lief van hem vind, daar de inhoud dier âmemoriequot; niet zoo bijzonder streelend voor hem is uitgevallen; maar daarenboven is hij zoo welwillend mijn eenvoudige brochure tot tweemaal toe, een âhoogst belangnj k geschriftquot; te noemen. En niet alleen dat de heer M., door deze onverwachte en op hoogen prijs gestelde waardeering van mijn arbeid, mijn schrijvers ijdelhcid kittelt, maar hij heeft ook nog de groote goedheid zich âtot wederdienst gaarne bereidquot; te verklaren.
't Is mij zeer aangenaam.
Om de rechte waarheid te zeggen, zag ik er eerst wel een weinig tegen op, om mijn denkbeelden over âVakonderwijs aan Ambachtsliedenquot; openbaar te maken, zonder eerst de
13
goedkeuring van den heer Molkenboer gevraagd te hebben ; maar na den brief, van ZEd. ontvangen, heb ik geen vrees meer om dat te doen; immers als de heer M. bij herhaling mijn eerste brochure reeds een âhoogst belangrijk ge-ge schriftquot; noemt, zal mijn roem zich wel uitbreiden als ik een geheele reeks brochures over dit onderwerp heb geschreven.
Wat verder de âtoonquot;' van mijn schrijven betreft, die van mijn âmemoriequot; schijnt niet erg in den geest van den heer M. gevallen te zijn. Nu 't gebeurt wel eens meer, als de sluier van de godin der waarheid eventjes wordt opgelicht, dat sommigen dat niet prettig vinden; maar ik zal mij wol oefenen. Als de heer M. nu reeds vooruitgang constateert, staat ook dat geval niet hopeloos, misschien dat ik, als deze brochure gedrukt en uitgegeven is, wel weer een pluimpje krijg, ik zal mijn best doen om dat te verdienen.
't Schijnt dat het âhoogst belangrijk geschriftquot; toch, ondanks of om de totaal onware en valse he voorstellins:
o /
door het âMaandbladquot; van den inhoud gegeven, de aandacht getrokken heeft; immers in het Juni-nummer van't âMaandbladquot; bladz. 9 komt, van de hand van den heer P. A. Kraaxex, leeraar aan de 11. B. S. en aan de 13. A. S. te Tilburg, het volgende ingezonden stuk voor:
âAan de geachte Redactie van het Maandblad!''
âOnder do rubriek l 'ibliographie en Leermiddelen in de jongste âaflevering van het Maandblad, las ik de aankondiging eener âbrochure van den heer Plasschaert, waarbij eene korte om-âschrijving van den inhoud, waaronder ook dat schrijver âZijne ââingenomenheidquot; betuigde met een en ander. Na het lezen âvan die omschrijving had ik geen plan het boekje te koopen,
14
âdoch als door een toeval kreeg ik hetzelve in handen en hervond al heel spoedig dat de Schrijver alles behalve ingenomen-âheid betuigt, doch integendeel ongemakkelijk âvan leer trektquot;: âik las in dat boekje heel wat anders dan onder Bibliographic âvermeld stond.
âMag ik vragen: is dit te wijten aan de Redactie? Zoo ja, âdat zou mij zeer spijten, ik vind zulke fouten mag eene âRedactie niet begaan; men brengt de lezers op een dwaalspoor.
âZonder nu in dezen strijd, tusschen de heeren Plassciiaert âen Molkenboer, onmiddellijk partij te trekken (de laatste toch âwordt meer direkt aangevallen) wil ik toch, na het vluchtig âlezen der genoemde brochure, bij dezen mijne indrukken weer-âgeven, die dezelve op mij maakte.
âIn de Exumen-Commissie Teekenen 1888 werd er geducht âstrijd gevoerd, de heer Plasschaert was daar âde vreemde âeend in de bijtquot;, maar eene eend die zich geducht roerde; âverder, dat het den betrokken Minister moge behagen den âheer Plasschaert wederom te benoemen als lid der aanstaande âExamen-Commissie Teekenen, want al wordt den heer Plasschaert âoverstemdquot;, de strijd mag niet uit wezen, want ook âbuiten de Examen-Commissie zijn er, naar ik meen, verschei-âdene leeraren, die minder of meer zijn gevoelen deelen.quot;
âMet de plaatsing van dezen in het eerst volgerd nummer âvan het Maandblad, zult ge. Geachte Redactie, ten zeerste âverplichten, Uw dw. dr.quot;
(Is geteekend) âP. A. KRAANEN.quot;
âTilburg 23 Mei '89.
Het antwoord van de redactie van het âMaandbladquot;, op het ingezonden stuk van den heer Kraanen luidt als volgt:
15
âDe redactie had voor het verschijnen der brochure van iemand, âdie vermoed kon worden op de hoogte der zaak te zijn, een âbericht ontvangen in den geest zooals in het Maandblad is âopgenomen.
âVan de brochure zelve had de redactie toen nog geen kennis âgenomen. Zij heeft die thans gelezen en vindt ook met den âheer Kraaxen dat âingenomenheidquot; hier niet is het juiste âwoord.quot;
âDen WelEd. Geb. Heer P. A. KRAANEN te Tilburg.quot;
âToen ik den Heer Plasschaert per brief mijn dank bracht âvoor de vriendelijke toezending van de brochure hierboven âbedoeld heb ik ZEd. tevens medegedeeld, dat ik geen woord âtot repliek zou geven. Als men de moeite wil nemen de verflagen der Ex-(amen) Com missiën van de laatste 8 jaren na âte slaan, zal men zien dat de geachte schrijver uit Delft vol-âstrekt niet de eerste is. die wenschen formuleert in het belang âeener wijziging der examenprogramma's. Maar zoo lang de âzaak blijft zooals zij thans is, geeft de Akte M2 de bevoegdheid âtot het geven van onderwijs in:
âRechtlijnig teekenen en de perspectiefquot; en dat is heel wat âanders dan een âdiploma voor bouw- en werktuigkundig e.quot;
âAls de heer Kraanen de geheele toedracht dor zaak kende, âzou hij tot de overtuiging komen, dat uitdrukkingen: âgeduchte âstrijd,quot; âvreemde eend in de bijt,quot; âroerende eendquot; en âoverstemdquot; hier volstrekt niet op hare plaats zijn.quot;
âDat is al wat ik te zeggen heb.quot;
âHoogachtend, (Is geteekend) W. B. G. MOLKENBOER.quot;
âAmsterdam, 1 Juni 1889.quot;
16
Allereerst een woord van dank aan den heer P. A. Kraanen te Tilburg, voor ziju flink en mannelijk woord. Uit dit stuk van den heer Kraanex blijkt niet, of hij al of niet mijn denkbeelden deelt over de quaestie, die aan de orde is; maar daaruit blijkt overtuigend een zin voor onpartijdigheid en waarheidsliefde dien ik ten hoogste -waardeer. De heer Kraanex heeft zich blijkbaar geërgerd aan iets ir. het bewuste bericht van 't Maandblad, dat men in de pers gewoon is âslechte manierenquot; te noemen, en dat strekt hem tot eer.
Wat te zeggen valt van de rectificatie van de redactie van 't âMaandblad,quot; laat ik aan anderen over.
Ieder, die mijn eerste brochure gelezen hoeft, zal toestemmen, dat niet ik door het schrijven dier brochure, maar de heer Moi.kexboer door zijn brief aan den heer Kraaxex, de quaestie van het terrein waarop zij behoort, heeft trachten af te dringen, om te trachten daarvoor een persoonlij ko quaestie in de plaats te stellen, die natuuurlijk met het vakonderwijs aan ambachtslieden zoo goed als niets gemeen heeft, en die slechts in zooverre iets beteekont als daardoor blijkt dat mijn beginsel lijnrecht staat tegenover do voor genoemd onderwijs schadelijke richting door den heer Moi.kexboer in't Verslag der examencommissie voorgestaan en met zijn handteekening bekrachtigd.
Ik heb opzettelijk alles vermeden, wat den heer M. persoonlijk zou kunnen krenken; daarom heb ik geen enkelen keer zijn naam genoemd.
Niet tegen den heer M. als privaat persoon, maar tegen den directeur der R N. S. voor teekenondorwijzers, den voorzitter van de examen-commissie voor de teekenakten heb ik den strijd aangebonden. De heer M. vertegenwoordigt in zekeren zin door woord en daad het beginsel van Staatsmonopolie
17
voor do opleiding van leeraren en onderwijzers voor het teeken-ondcrwijs in ons land. Dat beginsel acht ik voor de vrije ontwikkeling van het teekenonderwijs verderfelijk. Aan al do energie en aan al do toewijding van bijzondere personen, van veroenigingon en van sommige onderwijsinrichtingen zal langzaam maar zeker door het drijven van den directeur van 's R. N. S., zijn geestverwanten en adepten, de kop worden ingedrukt. Na de resultaten, die ik van de R. N. S. heb waargenomen, acht ik het genoemde drijven, ten kosto van 's lands penningen, ten eenenmale ongemotiveerd.
Ook daartegen heb ik de pen opgevat. Men vergete niet, de heer M. is sinds jaren lid of voorzitter der examen-com-missiën voor de teekenakten, en oefent daardoor den meest mogelijken invloed uit ten bate van de richting, die hij voorstaat, en die zich niet regelt naar de behoeften van goed vakonderwijs voor ambachtslieden, maar die behoeften ondergeschikt tracht te maken aan een school; de verkeerde wereld dus.
Een examen-commissie wordt ontbonden, en met de enkele leden is elke betrekking met de Regeering, over quaesties, die bij een examen zijn voorgekomen, verbroken. De directeur van R. N. S. is rijksambtenaar en blijft tor beschikking der Ke-ireerinquot;-. Daaruit vlooit voor hem een tweede voordeel voort,
O O
daar ook uit zijn brief aan mij gericht blijkt, dat hij âuit eerbied voor den Ministerquot; âmemories,quot; als de mijne bijv. de vriendelijkheid heeft te willen beantwoorden, en daarbij wel zorg zal dragen, dat het voordeel aan zijn zijde is. Van den heer M. is voor hut ambachtsonderwijs en voor de belangen der practisch gevormde candidaten niets te verwachten, doch daar sommigen hem gezag toekennen, moet ik zijn schrijven in 't âMaandblad'quot; beantwoorden, opdat niet-desknndigen overtuigd
IS
worden, dat ook aan 't geen hij in den brief aan den hoer Kraaxex over Rechtlijnig teekenen en Perspectief zegt, niet de minste waarde moet worden toegekend. Ik zal met mijn antwoord zoo kort mogelijk zijn.
De heer M. schrijft in zijn antwoord aan den heer Khaanen, dat ik niet de eerste ben, die âwenschen formuleer in't belang eener wijziging der âexamen-programma'squot; (ik cursiveer). Mag ik den heer M. doen opmerken, dat hij zich alweer vergist; immers niet ik heb âwenschen geformuleerdquot;; ik acht geen wijziging van 't e x am en - pro gram ma en geen uitbreiding der examens voor M2. noodig; ') ik heb dit zeer duidelijk in de vergadering, en in mijn adres aan Z.Exc. den Minister van 13. Z. gezegd. Hoe komt de heer M. er toe, om mij juist te willen laten doen, wat ik bestreden heb? Ook tegen het âformuleeren van wenschenquot; door deze commissie, (welke schadelijk kunnen zijn voor het onderwijs,) is mijn brochure gericht. Wat ik verlang is: korter duur en vereenvoudiging der akte-examens voor M2.
Ik verlang dit allereerst in 't belang der candidaten, die nu op Zondag moetende reizen, 10 a 11 dagen arbeid hebben en veel geld moeten opofferen voor dit examen. Ik acht dit volstrekt niet noodig en zal later bewijzen, dat mijn opvatting zeer goed practisch uitvoerbaar is, zonder iets aan den waarborg, die het examen moet opleveren, te schaden. In de tweede plaats verlang ik, dat bij de eischen voor het examen voor M2. de practische kennis der bouwvakken van den candidaat een
') Ik zal later verklaren, waarom ik hierin verschil van de Commissie. gekozen uit de leden der ..Maatschappij tot bevordering der bouwkunstquot; in L88ü.
19
overwegenden invloed op het besluit, tot al of niet toelating, uitoefene.
Om den lezer te bewijzen, dat ik geen voorstel tot wijziging van het examen-programma heb gedaan, maar dat de heer M., die toch mijn âmemoriequot; kent, zoo maar wat schijnt neer te schrijven, zal ik het gedeelte van mijn adres, aan genoemde Excellentie dd. 5 Januari 1889, dat op deze zaak betrekking heeft, hier laten afdrukken. Ik heb o. a geschreven:
...........quot; Over al het vorenstaande zou ik, als mij
meer persoonlijk rakende, zeer waarschijnlijk hebben gezwegen, maar na de slotvergadering der Commissie op 17 December 1888 is het mij eerst recht duidelijk geworden, dat de ook door deze examen-commissie gevolgde examenrichting niet den minsten waarborg geeft, dat de bezitter der aldus verkregen Akte M2., bekwaam en geschikt zij tot het geven van onderwijs aan onze vakscholen voor ambachtslieden, mede bedoeld in letter e van het programma voor de akte M2.
Ik heb de vrijmoedigheid gehad dit punt in de volle vergadering van de commissie ter sprake te brengen, en nu is het gemakkelijk den eenling, zonder hem het tegendeel te kunnen bewijzen, dood te stemmen, maar daarmede is het feit niet te niet gedaan, dat het vakonderwijs aan den ambachtsman te geven, in banden van ongeschikte leeraren wordt gesteld, die van de ambachten over het algemeen niets kennen of begrijpen.
Door het scheppen van alweer nieuwe examens, van alweer een nieuwe akte M2, zooals de Commissie wenscht, wordt aan dit mijn bezwaar niet te gemoet gekomen, men zal daarvan een soort theoretisch architecten examen maken, waar jonge menschen met wat van buitengeleerde kennis zullen doorkomen.
20
maar waarvoor de op het werk, practiach en theoretiBch gevormde mannen zullen druipen, terwijl het juist de laatstgenoemde mannon zijn, die wij voor het onderwijs aan den ambachtsman zoo zeer noodig hebben.
Naar mijn overtuiging zijn noch een nieuwe akte, noch meerdere examens noodig, daarvoor is het voldoende de kennis van o.a. de flora van Nederland, van perspectief en schaduwleer eenvoudiger op te vatten, terwijl op de kennis van eenvoudige bouw- en werktuigkundige constructiën, die aan den smids-, timmermans-, metselaars-, steenhouwers-jongen enz. moeten worden onderwezen, de nadruk wordt gelegd en waarvoor de wet naar mijn opvatting het recht geeft. Het , examen voor de akte M2 zal dan een waarborg zijn dat het vakonderwijs onzer ambachtslieden niet aan menschen wordt opgedragen, die van wat zij den ambachtsman moeten onderwijzen, bitter weinig of niets afweten.quot;
Dat heb ik aan ZExc. den Minister van B. Z. geschreven, en lees gerust het geheele Verslag der Commissie door, dan zal het blijken, dat er geen tittel of jota in quot;t geheele Verslag aan zou doen denken, dat er tusschen de leden der commissie een principieel verschil bestond over een âhoogst belangrijkequot; quaestie. Men heeft mij eenvoudig eerst âdood gestemdquot; en in 't Verslag âdoodgezwegenquot;, terwijl ik meen dat quot;zoo'n oflieieel Verslag een waar beeld moest zijn van 'tverhandelde in een commissie, liet âformuleeren van wenschenquot; door mij is dus in den brief aan den heer Kraasex een phrase, üat de akte M2 (ook bij deze wijze van examineeren, helaas nog) de bevoegdheid geeft tot het geven van onderwijs in :
âRechtlijnig teekenen en do perspectiefquot; is de (piaestie niet; en dat âdat heel wat anders is dan een diploma voor bouw-
21
âen werktuigkundigequot;, is een waarheid als een koe.
Zeker mijnheer M., een akte voor Franse h is heel wat anders dan een akte voor Duitsch; en 'tis ook zeker, een akte voor handteekenen is heel wat anders dan eon akte voor lijntcekenen.
Maar d it is alweer de quaestie n iet; de q u a est i e is of aan een persoon die een akte verkrijgt voor 't F ranse h, zonder dat hij voor 't Duitsch is geexfnnineerd, door iemand tevens de bevopgdhoidzal worden toegekend om onderwijs te geven in de laatste taal; en zoo iets is het ongeveer, (met verwisseling dor vakken natuurlijk.) wat bij de uitreiking der Akte M2 ieder jaar opnieuw gebeurt; hetgeen ik blijf meenen, dat in strijd is met de wet; in strijd is met een gezonde opvatting van 't examen programma en in strijd is met de practische ervaring gedurende een kwart eeuw, van de waarde dio in 't algemeen aan de Akte M2 wordt of werd toegekend.
Om met mijn antwoord aan den heer M. te kunnen eindigen zullen wij eerst nog eens naslaan het eigen Verslag der examen commissie io ISSS.
âAlgemeene opmerkingen.quot; (Verslag bladz. (i.)
âRechtlijnig teekenen. De meeste candidaten bleken âzeer zwak te zijn in de kennis van axonometrie en scheeve âprojectie, vooral in de toepassing. Daar juist deze practische âwijze van afbeelden van groot nut is in de bouwkunst, de âkunstnijverheid en de werktuigkunde, is verbetering hierin âhoogst gewenscht.quot;
Mag ik vragen ; Wat hebben de candidaten voor M2. met de practische toepassing van axonometrie en scheeve projectie noodig voor de bouwkunst enz., als toch in genoemde vakken niet naar den eisch mag worden geëxamineerd. Aan welke school
22
zouden de caudidaten voor M2 in axonometrie en scheove projectie les moeten geven als apart vak?
Waarom is verbetering dan hoogst gowenscht ?
Kan er een ander antwoord op deze vraag gegeven worden dan dit; wel natuurlijk is verbetering hierin hoogst gewenseht; als de candidaten de akte krijgen zullen zij immers in âbouwkunstquot; enz. les moeten geven.
Voelt de heer M. niet, dat de tegenstelling in dit verband, van de akte âRechtlijnig teekenen en de perspectiefquot; met bouwen werktuigkunde, onzin is?
Als ârechtlijnig teekenenquot; bij het examen voor dc akte M2 niet zooveel kennis van bouwkunde enz. in zich sluit dat de candidaat aan den aanstaanden ambachtsman les in dit vak moet kunnen geven, welke beteekems heeft dan het volgende in 't Verslag? (bladz. 7.)
âOpmerkelijk is het, dat men over 't geheel bij het recht-âlijnig teekenen van den aanstaanden ambachtsman, (timmer-âman en meubelmaker), van geen kopieëren naar plaat wil weten, âal blijkt het ook, dat de candidaat groote moeite heeft om de âbenaming en beteekenis van de eenvoudigste bouwkundige constructies naar plaat toe te lichten, terwijl het hem volstrekt âniet mogelijk is die samenstellingen uit het hoofd te schetsen.quot;
Als sommige candidaten toch de akte M2. krijgen, al kennen zij van bouw- en werktuigkunde zoo goed als niets, en van de practijk der ambachten in quot;tgeheel niets, waarom moet dan de akte voor M2 worden gewijzigd; en waarom maakt dan de commissie in dit verslag ZEx. den Minister opmerkzaam op het feit, dat de candidaten in dezo vakken niet voldoende ontwikkeld zijn?
2B
Dient dan alles wat in de wet op het M, O. over de practische richting van het onderwijs aan de burgerscholen, alles wat in 't examenprogramma voor M'J en ook in dit Verslag voorkomt, over bouw- en werktuigkunde, feitelijk voor boerenbedrog, om den niet-deskundige een rad voor de oogen te draaien?
Van tweeën een: óf de wet, het examenprogramma en bovenal de practijk willen, dat de candidaten voor M2, bewijzen leveren, dat zij voldoende kennis bezitten van bouw- en werktuigkunde, om aan een ambachtsjongen degelijk onderwijs in die vakken te kunnen geven, of de wet wil dat niet. In 't eerste geval moet dan naar eisch in die vakken worden geëxamineerd, opdat er waarborg zij. In 't tweede geval moeten die vakken uit het examenprogramma verdwijnen, waardoor, zooals ik in mijn le brochure bewees, duidelijk is uitgemaakt, (en van ofïicieele zijde bekrachtigd is), dat de akte M2 niet de minste waarde heeft voor het onderwijs aan ambachtslieden, voor wie ook, volgens de wet de burgerscholc-n zijn opgericht en in stand worden gehouden. Aan dit dilemma is niet te ontkomen.
Verder zegt de heer Molkenboer in zijn brief:
âAls de heer Kkaanex de geheele toedracht der zaak kende, âzou hij tot de overtuiging komen, dat de uitdrukkingen: âge-âduchte strjjd,quot; âvreemde eend in de bijt,quot; âroerende eendquot; âen overstemdquot; hier volstrekt niet op hare plaats zijn.
âDit is al wat ik te zeggen heb.quot;
Toen ik dit gelezen had, heb ik lang zitten denken, wat de heer Kraanen meer zou moeten weten dnn hetgeen in mijn le brochure vermeld is âom de geheele toedracht der zaakquot; te kennen. Daarom schreef ik hierboven de briefkaart en den brief van den heer M. letterlijk af. Maar dat zal niet veel licht geven. Misschien, zoo dacht ik, doolt de heer M. op mijn
24
adres aac ZEx. don Minister vau B. Z- Daarom zal ik van dit adres nog enkele hoofdzaken aanstippen, en ais do beer M. meent dat dit nog niet voldoende is, dan kan in een volgende brochure het gebeele adres worden afgedrukt.
Weet dan, geachte heer Kraanen* dat ik ZEx. den Minister gewezen bob op do examenregeling voor Ml'; ik heb daarvan gezegd dat het mij voorkwam, dat dit examen niet of zeer slecht georganiseerd was. De heer M. zal met zijn papieren roostertje komen om bet tegendeel te bewijzen ; maar do practijk, de uitvoering beslist hier. Ik kan bewijzen dat het examen zoor slecht geregeld was; ik heb ZEx. daarop gewezen in hot belang der candid a ten en van don noo-digen waarborg, die van een examen M. O. moet worden goeischt.
Als deze verklaring niet voldoende is, zal ik de feiten noemen, die mij recht geven dit tc zeggen. Wenscht do heer M. dit ?
Ik heb er ZEx. don Minister kennis van gegeven, dat ik bet niet eens was mot de voorstellen of âwenschenquot; van do Commissie, op de wijze zooals ik hier boven letterlijk uit mijn adres heb overgeschreven.
Dat de hoer Kraanen recht heeft te zeggen, dat ik in de vergadering der commissie, âoverstemdquot; ben, (zooals hij dat noemt,) is waarheid. Hoe de heer M. dat durft tegenspreken begrijp ik niet; mijn voorstel of conclusie, hierboven genoemd, werd afgestemd met 7 tegen I stem, op grond van de argumenten almede reeds genoemd. Noch van mijn voorstel, noch van de stemming daarover, staat een woord in 't Verslag; is dit bijgeval geen âdood zwijgen?quot;
Ik heb mij bij Z.Exc. don Minister beklaagd, dat het mij, die tocii wettig benoemd lid dor examon-com-missio was, bijna onmogelijk is gemaakt, om eenigon invloed
van betcekonis op hct examcu te kunnen uitoefenen, tot ik nijj daartegen heb verzet. Is dit niet waar ? Zal ik de feite n noemen?
Of de heer M. al of niet repliceert, ia mij totaal onverschillig; na do van zooveel scherpzinnigheid getuigende vergelijking van de Akte M2. met het diploma van een bouwen werktuigkundige, is het laatste woord door hem gesproken: dit is al wat hij te zeggen heeft, schrijft hij.
'tls mij wel. Maar wat te denken van een directeur van 's Rijks-normaalschool voor teekenonderwijzers, die vóór hij een nhoogst belangrijk geschriftquot; over akte-examens voor teekenen heeft gezien, reeds vaststelt âdaarop in geen geval een woord van repliek te gevenquot;? Ik zeg dit natuurlijk niet voor mijzelven; ik heb geon inlichtingen over dit onderwerp van den heer M. noodig, Haar als de ouders van leerlingen, die hun jongens voor leeraar in 't Rechtljjnig teekenen wenschen opgeleid te zien, nu ook eens mijn brochure en het ingezonden stuk van den heer Kkaanex hebben gelezen, en daaruit zien, dat er meer leeraren zijn, die mijn gevoelen deelen, en daarom niet gerust zijn over do toekomst hunner jongens, wat zal de Directeur van 's Rijks-normaalschool voor teekenonderwijzers dan aan die ouders antwoorden ?
Wel, dan heeft Z.Ed. immers slechts te verwijzen naar het âMaandbladquot; van 1 September 1887, bladz, 84, waar hij schreef: (âEen antwoord.quot;)
âHet is zeker waar, dat het thans niet zoo gemakkelijk gaat âom een akte voor een der teekenvakken â Middelbaar of âLager Onderwijs â productief te maken als dit voor een âtiental jaren het geval was ; maar is dit met diploma's voor âandere vakken van onderwijs niet evenzoo? Toch is het thans âop enkele uitzonderingen na, aan do gediplomeerden der
â¢Jfi
âR.-normaalschool van T. O. gelukt, zich door hun akten van ,bevoegdheid een werkkring, een positie in de maatschappij of âhet begin tot het verkrijgen van een positie te verschaffen.quot;
De ouders, die hun kinderen voor een betrekking bij het teekenen wcnschen opgeleid te zien, behoeven zich dus niet zoo erg ongerust te maken over hun toekomst; echter, en daar dient opgelet, schijnt het aanbeveling te verdienen, hun kinderen met hot echte fabrieksmerk dor Rijksnormaalschool te laten stempelen.
De heer Molkenboer schrijft in zyn boekje getiteld: âWat is noodig, nuttig en uitvoerbaar?'' bladz. 54:
âL'adoration mutuelle, eeu onderling bewierooken, zal âons geen stap verder brengen, integendeel; maar een âkloek gesproken woord, al moet het dan ook een afken-ârend, soms verpletterend woord zijn, is in de eerste plaats ânoodig om de oogen te openen van velen, die reeds recht âmeenen te hebben op lauweren.quot;
Dat ben ik volkomen met hem eens.
Hiermede kan ik nu wel afscheid nemen van den directeur van 's Rijks-normaalschool voor teekenonderwijzers te Amsterdam.
Mocht ZEd. stukjes in â't Maandbladquot; willen schrijven, over mijn brochure, dan sluit ik met zijn eigen woorden âTot wederdienst gaarne bereid.''
In mijn le brochure heb ik bewezen: dat het examen voor de akte M. O. rechtlijnig teekenen en de perspectief (M2), niet den minsten waarborg geeft, dat de bezitter der aldus verkregen akte M2 bekwaam en geschikt zij tot het geven van vakonderwijs aan
27
ambachtslieden, mede bedoeld in letter e van het programma voor do akte M2.
In de tweede plaatsheb ik bewezen: Als de âwenachenquot; of meeningen, in haar Verslag ter kennis gebracht van ZExc. den Minister van B. Z. door de e x a me n-e ommis s i e voor de teekenakten in 1888, wet worden, zij ons ambachtsonderwjjs zullen doen zinken beneden het allerlaagste peil, dat denkbaar is.
Van geen enkele zijde is, zelfs in de verte niet, de geringste poging aangewend, om mijn bewijzen te bestrijden. Maar hiermede is het pleit niet gewonnen. Zoolang de Regeering meent te moeten volharden in hot stelsel, om bijna altijd in de examencommissie voor do teekenakton mannen te benoemen, die de door mij gewraakte examenrichting zijn toegedaan, is van deze examens voor het ambachtsonderwijs niets te verwachten.
Zoolang do Wet van 2 Mei 1863 (Stbl. No. 50) op het M. O. bestaat, zijn meestal als examinatoren voor deze examens mannen benoemd, die te hoog of te laag stonden, (al naar men wil), om de eischen te kennen, die aan de candidaten voor de akte M2 moeten worden gesteld, ten einde goed, degelijk onderwijs aan ambachtslieden te kunnen geven. En al dwaalt er een enkele keer eens âeen vreemde eend in de bijt,quot; dan kan hij toch niet veel uitvoeren tegen een meerderheid, die zich zeer druk maakt over zaken, die door den practisch en theoretisch gevortnden deskundige, slechts in de tweede plaats, worden in aanmerking genomen.
Zoo is het gekomen dat, wat hoofdzaak bij deze examens moet zijn, n. 1. de kennis van het ambacht en der bouwvakken, zoover die noodig zijn om aan den ambachtsman goed onderwijs
I'S
in zijn vak te kunnen geven, bijzaak is geworden en allengs tot een weinigje, in .beperkten tijd van buiten geleerde kennisquot; is gedaald.
Les hommes en place beroepen zich voor bun opvatting van deze examonrichting op hun voorgangers; ze beweren, dat het altijd zoo geweest is als bij de examencommissie, waarvan ik lid ben geweest.
Ik heb mij in t belang der zaak. die ik voorsta, de moeite gegeven om de geheele Wet van 2 Mei 1S63, met al de me-moriën van toelichting; met al de Verslagen dor commissie van Rapporteurs; met al de memoriën van beantwoording en met al de beraadslagingen, die bij deze Wet behooren, na te lezen, maar nergens kan ik een grond vinden, waarop de tegenwoordige examenrichting zou moeten steunen.
In de Staten-Generaal waren bij de bchandeliug dezer Wet twee stroomingen merkbaar; de eene wilde een meer theoretische, de andere een moer practische richting aan het technisch onderwijs aan ambachtslieden geven, dan in de Wet werd voorrresteld. Door den heer Van Heemstra werd
O
opgemerkt âdat bet intitule van deze Wet niet behoort te zijn: âwet tot regeling van het middelbaar, maar van een industrieel onderwijs.''
Als men met aandacht de beraadslagingen leest, dan is het duidelijk, dat ZExc. de Minister van B. Z. tusschen de twee genoemde stroomen door moest zeilen, om de Wet te doen aannemen.
De heer Heemskerk A z, (lie de toen pas opgerichte practische Ambachtsschool te Amsterdam had bezocht, meende, dat in de burgerscholen âoefeningen met gereed schap en draaibankquot; niet te verwerpen zijn.
âZonder dus iets in Art. i;5 te veranderen, geloot' ik dat er
29
âvrijheid voor de oprigtors en Je gemeentebesturen bestaat om âdie gereedschappen aan de school toe te voegen,quot; zegt Z.Exc.
ZExc. de Minister daarentegen, wenscht geen âprofessioneele instructiequot; op de school; ZExc. beroept zich op de ervaringen in België opgedaan, op het âRapport sur 1'organisation de l'en-âseignement industriel, adressé a M. Ie Ministre de l'Interieur par âla Commission, nommóe par arrêté royal du 14 Decembre 1851 In de Memorie van Toelichting lezen wij:
âWelk nu is het stelsel van scholen, berekend om hetgeen âhet middelbaar onderwijs geven moet, te schenken ?
âOp den eersten trap is te zorgen voor hen, die van den âarbeid hunner handen zullen moeten leven en, na lager onder-âwijs genoteu te hebben, nog slechts korten tijd aan schoolbezoek kunnen wijden.
âDe scholen, voor hen bestemd, sluiten zich aan het zooge-ânaamde lager onderwijs onmiddelijk aan; wanneer aldaar âwiskunde, beginselen van natuur- en scheikunde, van werktuigkunde en technologie, en het teekenen worden geleerd, âmoet daarbij het praktische, het verband met de toepassing âop den voorgrond staan.quot;'
Voegt men hier nu bjj do verklaring in de M. v. T. âDe âomschrijving van het programma der avondschool wordt, in âhet laatste lid, aan den gemeenteraad uitdrukkelijk overge-âlatenquot;, en ziet men, op welke wijze en in welke richting van de bevoegdheid tot het vaststellen van het programma voor deze scholen is gebruik gemaakt, door n. 1. aan de avondscholen het technisch onderwijs tot hoofdfactor te maken, dan blijkt toch duidelijk, dat bij het examen voor M 2. in verband met de wet en hot examen-programma aan theoretisch vakonderwijs moet worden gedacht, zooals het werkelijk aan de
30
burgeravondscholen en dergelijke iarielitingen wordt gegeven.
Voeg hier nu bij dat het aantal leerlingen aan burgeravondscholen en andere vakscholen voor ambachtslieden, veel grooter is dan aan H. B. S.; dat naar een globale raming dat getal misschien staat als 50 â 10, dan moet het toch in de hoogste mate bevreemding wekken, dat de akte M2., door deze exa-menrichting slechts voor het kleine getal hoogere burgers van eenig nut kan zijn, terwijl juist voor het onderwijs aan het groot getal scholen voor ambachtslieden, en het groot aantal leerlingen, die daarvan gebruik maken, de akte M2 in 't algemeen niet den minsten waarborg geeft.
{Wordt vervolgd.)
Delft, Juni 1889.
B. F. PLASSCIIAERT.
Van (lenzelfden sell rijver is wrschfiien bij P. HOUDA QUI XT, ti Aknuk.M :
Ucknopl praeliseli Leerboek tier Uurgerlijke en Wuter-ISouwkuiide. Tsvee deelen. Mot 1675 in den tekst en op 40 uitslaaudo platen gedrukto figuren. Prijs in 17 afleveringen f20.40: gebonden in 2 heel linnen stem-pelbaiulen f23.
Afzonderlijk: Deel I. Burgerlijke Bouwkunde, in af-levoringen 112,(30: gebonden f 13.75. Deel II. Waterbouwkunde. in afleveringen fll.St); gebonden f 13,75.
Het Detailleeren van Houwkundige Sanienstellingen.
iAfschrijven en uitslaan.) Handleiding voor eigen studie en prartisch onderwijs in de Bouwkunde. Eerste serie, eerste aflevering, bevattenfle Plaat No. 1 5: Kappen Xo. 1 â 5, niet beschrijving. Prijs 20 ets. per plaat met beschrijving.
De Infeekenaren verbinden zich voor ééne serie van 25 i)la-ten met besclirijving.
Van beide werken is eene uitvoerige Proef-aflevering door eiken Boekhandelaar gratis te ontbieden.
Rij den heer AV. BEETS verscheen:
Leerboek der beschrijvende Meetkunde, (Leer der projoe-tien». Voor Ambachtslieden aan Burgeravondscholen en tot zelfonderricht.