Kast 224 PI. 4 Nquot;. 2
HET KAMERLID
IN SEDERLANDSCH-LN'DIB.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
'Ml/
(T^ f ♦ C-X ^ «i
DOOR
Tcekeijiiig*©!! door .Thr. .T. O. l '1 'AH I).
LEIDEN. - A. W. SUTHOFF
■ ' V :
iifiii
wm TmWffffn™™»8»
■.; quot;ft .•.*••' *, •*.....
I? r waren enkele maanden verloopen, sedert mevrouw en mijnheer Van Berkenstein te Batavia teruggekeerd waren. Zij hadden hun intrek genomen in het Marine-hotel. De plannen toch waren om nog veel van ons zoo schoon Insulinde te zien en niet naar Nederland terug te keeren, dan wanneer oververzadiging hen daartoe zou dwingen. Hun verblijf te Batavia zou dus betrekkelijk zeer kort zijn. Wel had de familie Keremans het jonge paar te logeeren gevraagd; maar, hoe ook over de ruimte der officiers-woningen uitgebazuind wordt, mevrouw Yan Berkenstein had die ruimte leeren waardeeren, wanneer een gezin met kinderen gezegend was, zoodat dan ook voor de invitatie hartelijk bedankt werd.? r waren enkele maanden verloopen, sedert mevrouw en mijnheer Van Berkenstein te Batavia teruggekeerd waren. Zij hadden hun intrek genomen in het Marine-hotel. De plannen toch waren om nog veel van ons zoo schoon Insulinde te zien en niet naar Nederland terug te keeren, dan wanneer oververzadiging hen daartoe zou dwingen. Hun verblijf te Batavia zou dus betrekkelijk zeer kort zijn. Wel had de familie Keremans het jonge paar te logeeren gevraagd; maar, hoe ook over de ruimte der officiers-woningen uitgebazuind wordt, mevrouw Yan Berkenstein had die ruimte leeren waardeeren, wanneer een gezin met kinderen gezegend was, zoodat dan ook voor de invitatie hartelijk bedankt werd.
Ook hadden zij er een oogenblik aan gedacht hun intrek in het Commensalen-huis van mevrouw Wallis te nemen, maar de gedachte er aan, dat daar slechts jonge lieden woonden, had hen weerhouden. Van Berkenstein en zijn Ernestine gingen evenwel de officiers-weduwe opzoeken en vonden daar een dankbaar gezin. De zaken gingen goed en de blozende gezichtjes van de kinderen getuigden voor de doelmatige moederlijke zorgen. „Mijnheer Van Berkenstein1quot;, prevelde de weduwe met een traan van erkentelijkheid in het oog, „mijn kinderen en ik zijn u alles verschuldigd. Dat de hemel het u vergelde!
Bij zijn nasporingen omtrent Leeghancker had Van Berkenstein eindelijk vernomen dat deze naar Nederland was vertrokken. Hij had doodziek een toevlucht in het hospitaal genomen, ook om van nonna Antjie verlost te zijn, die aan zijn ziekte niet vreemd scheen. Ettelijke bekenden van Leeghancker beweerden zelfs dat er poging tot vergiftiging in het spel was, en waren er, die van „ikan boentalquot; ') mompelden. Maar Leeghancker had uit
') Ikan Boental is een vingerlang groen vischje, (lat, wanneer het uit het water is, zich geweldig, tot barstens toe, kan opblazen. Zijn vleesch zou zeer vergiftig zijn.
TOEBEKEIDSELEN TOT DE l{EI8.
een gevoel van schaamte, als willende zijn naam niet aan een vergiftigingsproces verbonden zien, geen vervolging doen instellen en iedere toespeling op liet gebeurde het zwijgen opgelegd.
Eindelijk was hij iets beter geworden; maar toen openbaarde zich een bedenkelijk leverabces, hetwelk de geneesheeren noopte, den jeugdigen Hollander een terugkeer naar het vaderland aan te raden. Zich zeer ziek gevoelende, had hij aan dien raad gehoor gegeven en eindelijk passage gevonden aan boord van de „Liberaalquot;, een flink klipper-fregatschip. Hij had wel met een der mailbooten willen vertrekken, maar geen der agenten had hem, met het oog op zijn ziekelijken toestand, passage willen verleenen. Van Berkenstein vernam dat de „Liberaalquot; reeds sedert een paar weken vertrokken was.
Van Berkenstein vernam ook van Krip Junior, dat diens broeder overleden was. Zijn hersenaandoening was in zooverre aan de betere hand geweest, dat er gegronde hoop bestaan had, dat een volkomen herstel zoude volgen. Een acute dyssenterie trad toen evenwel in, die in weinige dagen een einde aan het aardsche lijden van den patiënt maakte.
„De kinderen zijn in het Parapattan-weezengesticht opgenomen, mijnheer Van
Berkenstein,quot; sprak Krip Jr. „Zij hebben het daar zeer goed. Maar____ zou het mij
veroorloofd zijn, mevrouw Van Berkenstein mijn gelukwenschen aan te bieden? Ik zond n wel mijn kaartje, toen ik uw huwelijk vernam, doch ik zou gaarne mevrouw nog eens mondeling feliciteeren.quot;
„Zoudt gij dat niet een paar dagen uitstellen, mijnheer Krip! Ernestine zal u dadelijk bestormen met een aantal vragen, welker beantwoording gij moeilijk zult kunnen ontduiken. Het overlijden van uw broeder zal haar zeer schokken. Vergun mij dat ik haar eerst op dat doodbericht langzaam voorbereid!quot;
Krip kon daartegen niets hebben. Toen hij evenwel eenigen tijd later zijn opwachting bij mevrouw Van Berkenstein kwam maken, ontmoette hij deze met betraande oogen, terwijl zij zich omtrent de laatste oogenblikken van den afgestorvene liet inlichten. De overgang van het leven tot den dood was zacht geweest, zooals dat bij dyssenterie-lijders gewoonlijk is. Van zijn vroegeren hartstocht voor Ernestine Van liosendal had de ongelukkige sedert zijn hersenaandoening geen woord meer gerept. Mevrouw Van Berkenstein nam zich voor, de arme weesjes in het Parapattan-gesticht te gaan opzoeken en alles te doen, wat in haar vermogen was om hun lot te verzachten en volvoerde dat voornemen getrouw.
Op zekeren morgen ontving mevrouw Van Berkenstein een pakket, dat haar door tusschenkomst van de post bezorgd werd. Zij zat juist met haar gemaal te ontbijten, toen het haar werd overhandigd.
„Wat zou dat zijn?quot; vroeg zij nieuwsgierig. „Het is zoo plat alsof het een portret ware.quot;
„Kijken, lieve!quot; antwoordde Van Berkenstein.
TOEBEKEIDSELEX TOT DE liEIS.
Met ongeduldige hand sneed de jonge vrouw de touwtjes, die het pakket omwoelden, door, ontvouwde het papieren omhulsel en uitte een kreet, toen zij een blik op de aquarel liet vallen, die uit dat pakpapier te voorschijn kwam.
„Wat is er, Ernestine?quot; vroeg Van Berkenstein, verwonderd over dien kreet.
„Kijk eens!quot; riep de jonge vrouw, terwijl zij opstond, op haar echtgenoot toetrad en haar hoofdje aan zijn borst verborg.
Van Berkenstein nam de plaat over en kon, toen hij haar bekeek, een glimlach niet weerhouden. En waarlijk, daar zat hij, afgebeeld met zijn vrouw, in een snoeperig gemeubelde achtergalerij, bezig aan het rijsttafelen. Hij was op zijn echt Indisch gekleed met witte pantalon en wit jasje en tegenover hem zat Ernestine, huiselijk gekleed in sarong en kabaai. Beiden geleken frappant; maar— wat minder geleek, althans niet gelijken kon, was een kleine bengel, die op een tabouret zat en door zijn nènëh gevoerd werd. Was het guitigheid van den schilder of was het een voorspellende penseelstreek, maar die knaap leek sprekend op zijn vader; hij had evenwel het voorhoofd en den vriendelijken oogopslag zijner moeder. Het was die gelijkenis, welke Ernestine zoo verlegen blozen deed.
„Wat er nog niet is, dat kan je nog krijgen,quot; neuriede Van Berkenstein tusschen de lippen, terwijl hij zijn vrouwtje aan het hart prangde. „Ik hoop dat de ooievaar ons zoo'n lekkeren jongen brengen zal, als daar geteekend staat.quot;
„Het ziet er gezellig uit in die kleine achtergalerij,quot; zei Ernestine. „Kjjk, overal hangen „kree'squot; (matten van fijn gespleten bamboelatjes) ter afwering van het zonlicht. Kijk dat lieve kleine buffet, en hoe ijverig de jongen u voordient en met wat een leelijk gezicht de „spenquot; ') het bier ontkurkt.quot;
„Ja, het is aardig,quot; zei Van Berkenstein, terwijl hij zijn vrouwtje tot zich trok en haar op zijn knie vlijde, om de plaat nog eens met haar te bezien. Maar.... dat is die nènèh...!quot;
„Welke nènèh?quot;
„Wel, die nènèh bij Binnendam, die zulke leelijke gezichten tegen mij getrokken heeft. Ik heb u toch die latah-geschiedenis verteld, nietwaar?.... Maar.... daar gaat mij een licht op. Teekent Clotilde Neuwald niet?quot;
„Ja, en zij is vaardig met het penseel ook. Ik heb althans alleraardigste aquarellen
van haar gezien.quot;
„Dan is zij het, die deze plaat gemaakt heeft! Ik vind de verrassing alleraardigst, maar ik zal het dat jolige ding wel betaald zetten.
Keremans kwam in dat oogenblik binnenstuiven. Hij maakte steeds een morgen-wandeling en liet zelden een dag voorbijgaan zonder bij het jonge paar binnen te komen om een kop koffie te slurpen. Toen hij Ernestine schuchter van den schoot haars echtgenoot,s zag opvliegen, zeide hij glimlachend:
') Spen is de verkorting van toekan dispens (dispens-jongen).
3
TOEBEREIDSELEN TOT DE REIS.
„Geneert u niet, jongelui, geneert u niet. Zoenen is niet verboden. De vergunning is verleend!quot;
„Wij bekeken deze plaat, die zooeven met de post is aangebracht,quot; zei Van Berkenstein, terwijl hij de fraaie aquarel aan Keremans overreikte.
„Te drommel! Dat's mooi! En dat lijkt sprekend! Maar die kleine booswicht!quot; En zich niet een kennersoog tot mevrouw Van Berkenstein wendende, die zich blozend achter haar echtgenoot verborg: „Kom, wees nu niet kinderachtig. Die oogen, dat voorhoofd zijn frappant de uwe. Een echte snaak, de ontwerper van die plaat! Dat belooft voor de toekomst!quot;
Ernestine greep niet een wip de aquarel en vloog heen, terwijl zij riep:
„Ik ga voor de koffie zorgen!quot;
„Hoe schuchter!quot; lachte Keremans. „Is er____V
„Neen, dat zou ook eenigermate mijn plannen in duigen werpen. Ik wil eerst met mijn vrouwtje ons heerlijk Insulinde zien; daarna zal ik, wanneer ik in oud-Nederland terug zal zijn, de vadervreugde volgaarne genieten, dan zal ik dankbaar zijn.quot;
,,Ik zou den dienst maar uitmaken,quot; grinnikte Keremans. „Ge hebt het maar voor het commandeeren!.... Maar, nu over iets anders. Zooeven, toen ik het Marine-hotel binnentrad, zag ik daar een aantal vreemde gezichten.quot;
„Ja, dat zijn reizigers, die gisternamiddag met de „Emirnequot; van Singapore aankwamen. Zij komen kersversch met de „Iraouaddyquot; van de Fransche Messageries, van Marseille. Het zijn vier Pranschen en twee Denen.quot;
„Het moeten rijke luitjes zijn, want zij hebben een paar Europeesche bedienden bij zich. En dat wil nogal wat zeggen in deze streken.quot;
„Het zijn welgestelde jongelieden,quot; antwoordde Van Berkenstein, „die onze Oost-Indische bezittingen komen bezoeken. Gisteren bij het diner maakte ik met hen kennis.
En____ laat ik er maar geen doekjes om winden. Ik ben reeds in besprek met hen om de
reis mee te maken.quot;
„En Ernestine?quot;
„0! die gaat mee.quot;
„Zoo alleen als dame tusschen al die heeren J Kent gij die lieden ?quot;
„Een paar dier Fransche heeren ken ik bij naam. En die namen hebben een goeden klank. Ik zal evenwel nog eens bij den heer Garnier, den Franschen consul, aanloopen. Ik heb zoo iets opgevangen dat een van het gezelschap gehuwd zou zijn, zoodat Ernestine niet zonder vrouwelijke conversatie zou wezen.quot;
„Weet zij daar reeds van?quot;
„Zij was bij ons gesprek gisteravond tegenwoordig en juicht het plan zeer toe.quot;
„Zoo! bestaat er al een plan?quot;
„Ja, maar nog zóó ijl, nog zóó vluchtig, dat er nog veel bepraat en nog meer besloten zal moeten worden, alvorens het vorm zal krijgen.quot;
m
mm.
Mk'ti WW
m$m
«Jlv
.; ..''••'••f /
mi
§ü
m-
TO
i
fAt
:■■ ■.;'
'
BWBk' - - • . '■» v ---r v-.-:
:,■quot; , ; • :v-v ^ ' -■ ■
. ■•', ■ gt;;■: •• v.. -r'^r^ ^
; . ': ' quot;V -a' 'f'uL' •..■■■k....\..:' :ï '« - •■■••• x---;. ' :■:■
Mp
^iWi I' jjquot;.
l;i li
.•••' • ■■
i'A'.
ll :T
'
v
' :•gt;'• ' V: ■ ■'
\iV.- T
'êM-
. '•.:*lt; ri
■';-:;lt;.
mm^.,
»;f5y
fevi In
Wtt.
■.: * if ^
mm.
:■:* .,■quot; ' • v ■■ '• quot; .
P:;k'
mi
?.,A-'
TOEBEREIDSELEN TOT HE REIS.
„Kunt gij er mij wat van meedeelenT
„Waarom niet? Clij weet dat ik besloten was, Java verder met Ernestine te bezoeken en ons daartoe per boot naar Semarang en Soerabaia te begeven, van waaruit wij uitstapjes naar en tournees door het binnenland zouden maken. Ik was wel moedeloos; want ik heb mij hier ter Secretarie vervoegd om een aanbevelingsbrief te verkrijgen, een soort introductie bij de machthebbenden, zonder welke het niet geraden is, zooals ik hoor, zich in het binnenland te wagen, wil men althans medewerking of, beter uitgedrukt, geen tegenwerking ondervinden.quot;
„Die raad was goed — en____V
„Ik ben ontvangen geworden als een hond in een kegelspel. Ik had nog gemeend door voorspraak van Krip eenigermate te mogen hopen. Dat doet mij met een bezorgden blik de poging van die vreemde heeren gadeslaan. Wanneer ik als Nederlander zoo ontvangen ben geworden, dan mag de vraag wel rijzen: welk bescheid dien vreemdelingen zal ten deel vallen1?quot;
„Maak u daarover niet ongerust. Een Nederlander kan niets gedaan krijgen, een vreemdeling alles. Laat eens een Nederlander de latitudes vragen, die b. v. een Carl Bock op Borneo, een Money op Java gehad hebben. Dan zoudt gij eens wat zien! Het is waar, een Nederlander kan zoo moeilijk gevraagd worden, een werk als „How to manage a colonicquot; of als „Reis in Oost- en Zuid-Borneoquot; te schrijven. Wellicht, dat die tot zoo'n pluimstrijkerij minder genegen zou bevonden worden. Nu, laat die vreemdelingen de aanvraag maar doen; juist omdat ze vreemdelingen zijn, is het succes verzekerd. Maar wat zijn de verdere plannen ?quot;
„Er werd gisteren besproken een vaartuigje van de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij te charteren; dan kunnen wij de kusten aandoen, waar wij willen, en dat vaartuig ook benutten om de andere Nederlandsche bezittingen te bezoeken.quot;
„Dat is geen gek plan, maar wel een. dat geld zal kosten.quot;
„Wat mij betreft, ik heb er een heele som voor over. Als nu de andere heeren bemiddeld zijn en er ook zoo over denken, dan zullen de onkosten ons niet afschrikken.quot;
„Het zal zaaks zijn, bij zoo'n tocht een goeden gids te hebben.quot;
„Ja zeker, en misschien zoudt gij ons daarin behulpzaam kunnen zijn?quot;
„Ik?quot;
„Ja, gij, met uw bekendheid te Batavia, met uw kennissen bij het Departement van Oorlog. Gij hebt toch ook bekenden onder de lieden der Secretarie, nietwaar?quot;
„Een presentkaasje van de Secretarie moet gij niet hebben. Die u daarvan meegegeven werd, zou vooraf zijn instructiën ontvangen; zoodat uw reisindrukken veel zouden hebben van een schilderij, bekeken door een andermansbril. Wacht eens.... ik geloot dat ik beter heb____Ja.... neen____dat verdraaide engagement, dat er tusschen komt.quot;
„Welk engagement ?quot;
5
TOEBEKEIDSELEN TOT DE REIS.
„Hoe lang denkt ge dat uw omzwervingen zullen duren?quot;
Ja, hoe wil ik daaromtrent iets bepaalds kunnen zeggen? Het geheele plan hangt nog zoo in de lucht. Maar, hebt gij iemand op het oog?quot;
„Zeker,quot; antwoordde Keremans. „Gij hebt den luitenant Visbergen leeren kennen te Buitenzorg. Hij zou de persoon zijn, dien gij hebben moet. Hij telt verscheiden jaren dienst bij de militaire verkenningen, waardoor hij het voorrecht genoten heeft een groot gedeelte van Java te zien. Vóór hij bij die verkenningen geplaatst werd, heeft hij bovendien den halven Archipel doorkruist, omdat men van zijn aanleg als opnemer zooveel mogelijk partij wenschte te trekken. Hij is een goed opmerker en heeft nogal gevoel voor natuurschoon. Dat zou uw man wezen, als____quot;
„Als wat____?quot;
„Als die Clotilde daar niet tusschen kwam!quot;
„Dat is in allen gevalle een naam, dien ik opteeken. Wien ik ook wel aan onzen omzwervingstocht zou willen verbinden, zou een Inlandsch kind zijn. Ik meen dat die zoo overal te huis zijn in de Indische maatschappij.quot;
„Voorzeker. Maar het zou iemand van ontwikkeling moeten wezen, nietwaar?quot;
„Natuurlijk! Wat zouden wij aan een ongelikt natuurmensch hebben?quot;
„Wel, laat er mij nog eens over denken. Misschien zal ik u wel iemand kunnen recommandeeren____En nu....quot;
Ali, de bediende van de familie Van Berkenstein, kwam met twee kopjes koffie op een blaadje en bood dat den heeren aan. Mevrouw volgde hem op den voet.
„Ik moet mijn verontschuldigingen maken,quot; zei ze, „dat het zoolang geduurd heeft. Maar de filtreerkan heeft zulke fijne gaatjes, dat het vocht er maar droppelsgewijs dcor kan.quot;
„De koffie is er ook te lekkerder om, lieve mevrouw,quot; betuigde Keremans, terwijl hij zijn kopje slurpte. „Ik zal mijn huisplaag bij u zenden, om het koffiezetten van u te leeren.quot;
„Net of ik het niet van haar geleerd heb!quot; merkte mevrouw Van Berkenstein lachende op.
„Nu, dan gaat zij met te veel zuinigheid te werk. Dat zal ik haar gaan zeggen. Tot ziens!quot;
En weg was hij.
Des avonds kreeg Van Berkenstein bericht van zijn nieuwe kennissen dat zij uitmuntende aanbevelingsbrieven vanwege den Gouverneur-Generaal zouden erlangen voor de hoofden van gewestelijk bestuur, zoowel op Java als op de Buitenbezittingen.
„Votre Secrétaire-Général est un ange,quot; betuigde een der Fransche heeren.
Verder vertelden onze vreemdelingen, dat zij met de Nedeidandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij in besprek waren over de huur van een stoomadvies-vaartuig, waarvoor een som van f 8000 's maands zou betaald worden.
6
TOEBEREIDSELEN TOT DE HEl.S.
„Wij zijn met ons zessen,'quot; had Van Berkenstein geantwoord, „dat maakt voor ieder /' 500. Ik kan het niet anders dan billijk noemen.quot;
„Ja, maar wij moeten zelf in onze voeding voorzien.quot;
„Dat is buiten quaestie. Maar hoelang zal ons tochtje duren ?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Dat zal zoowat in verband met onze beurs dienen bepaald te worden. G ij, mijnheer Van Berkenstein, zijt reeds eenigen tijd in Indië. Gij waart zelf van plan, zoo'n reis te ondernemen. Deel ons eens mede, welke plannen gij gemaakt hadt.quot;
„Er is nog al verschil, antwoordde Van Berkenstein, „of wij met een groot gezelschap reizen en of ik die reis met mijn echtgenoote alleen zou doen. Maar, ziethier wat ik gedacht had. Ik wilde de voornaamste plaatsen van Java bezoeken en meende daaraan ongeveer van twee tot drie maanden te besteden. Voor een bezoek aan eenige der Buitenbezittingen rekende ik zes maanden. Maar nu wij met zoo'n gezelschap uittrekken, kunnen wij den tijd iets ruimer nemen.
„Laten wij dan drie tot vier maanden voor Java en negen maanden voor het overige gedeelte van Nederlandsch-Indië tot grondslag van onze berekening nemen,quot; was de meening der overige heeren.quot;
„Dus ruim een jaar,quot; zei Van Berkenstein.
Hij deelde zijn hoorders nu mede dat hij, door tugschenkomst van een kapitein van het Departement van Oorlog, een jeugdig luitenant op het oog had, die vroeger bij de militaire verkenningen had gestaan en van wien derhalve, met zijn meer dan algemeene kennis van Neêrlands bezittingen onder den Evenaar, uitstekende diensten te verwachten waren; terwijl hij ook nog hoop had om een kleurling aan hun tocht te verbinden, die niet minder zou zijn.
Een hoezee begroette deze mededeeling.
„Dan valt de verhouding van die twee heeren te regelen,quot; zei een der beide Denen, die de kassier van het reisgezelschap was.
„Deze zal met uw welmeenen zeer eenvoudig zijn,quot; hernam van Berkenstein. „Eén hunner ken ik. 't Is een uiterst welopgevoed jongmensch; de ander zal niet minder zijn, weest daarvan overtuigd. Van honorarium aanbieden, kan geen sprake wezen. Zij zijn officier en kunnen derhalve niet anders dan onze gelijken zijn. Wij zullen hen uitnoodigen de reis met ons mede te maken en kunnen hun niet anders aanbieden dan vrije passage aan boord en tegemoetkoming, wanneer zij, in verband met de reis, onkosten te maken hebben.quot;
„Bravo!quot; was de algemeene instemming.
„Maar er is nog iets, en ik vrees dat dit mijn goede verwachtingen zal komen verstoren. Een der twee personen is verloofd en staat op het punt van trouwen.
„Nogmaals bravo! Dat valt uitmuntend!quot; riep een der Franschen. „Laat die jongelieden trouwen; dan zullen wij hun verzoeken hun huwelijksreis met ons te maken. Uw
7
TüEBEKEIDSELEN TOT DE KEIS.
echtgenoote gaat ook mede, nietwaar, mijnheer Van Berkenstein? Dan zullen wij drie dames aan boord hebben.'quot;
„Drie? vroegen bijna allen tegelijk.
„Ja, drie. Ik heb hedenochtend een brief ontvangen van mijn broeder, die bij ons vertrek van Marseille ongesteld was. Hij schrijft my, dat, wanneer wij onze tonmée niet al te vlug beginnen, hij met zijn vrouwtje naar Batavia wil komen om ons te vergezellen. Ik zal hem morgenochtend dadelijk telegrapheeren. Over zes a zeven weken kan hij dan hier wezen en in dien tijd kan uw protégé getrouwd zijn, zoodat wij dan onze reis kunnen beginnen.quot;
Een driewerf bravo begroette ook deze mededeeling.
Toen werd de quaestie omtrent de voeding behandeld en tot algemeen genoegen opgelost door de benoeming van den heer Montauban, een der Fransche reizigers, tot chef de gamelle, in welke functie hij door den heer Nielsen, den kassier van het gezelschap, zou bijgestaan worden.
Eenige dagen later reden deze beide heeren naar de stad, om de benoodigde inkoopen bij de firma Van Vleuten amp; Cox te doen en alles te doen gereedzetten, om op een gegeven oogenblik ingescheept te kunnen worden. Van Berkenstein en nog een der heeren zorgden voor den aankoop van wapens en slaagden in de toko van John Pryce, tien Remmington-geweren, van deugdelijke hartsvangers voorzien, machtig te worden. Ook kochten zij daar een gelijk getal Le Faucheux-revolvers, met de noodige patroontasschen, holsters en ceinturons, terwijl natuurlijk de noodige munitie niet vergeten werd.
Een paar andere heeren van het gezelschap zorgden voor verdere benoodigdheden, als: helmhoeden, slobkousen, veldflesschen enz. enz., zoodat ieder zijn aandeel in de beslommeringen der uitrusting had.
Van Berkenstein vertrok op een morgen naar Buitenzorg om met Visbergen, die reeds eenigermate op de hoogte gebracht was door kapitein Keremans, de zaak te bepraten.
Toen hij evenwel aankwam, vond hij de deur wijd open, maar, hoe hij ook klopte, niemand verscheen. Eindelijk liep hij de binnen- en achtergalerij door en zag hij den bediende in de smalle galerij der bijgebouwen bezig schoenen te poetsen, terwijl zijn vrouw gehurkt een vuurtje zat aan te blazen, waarop een pot stond te pruttelen. Hun kindje droeg brandhout aan. Djardin, zoo heette de bediende, wilde juist vertellen dat zijn „toeanquot; naar de „roemah holaquot; (sociëteit) was, toen deze binnentrad.
„Ik vernam uw komst,quot; sprak Visbergen.
Toen beiden gezeten waren, ontwikkelde Van Berkenstein zijn voorstellen, die een gretig oor vonden, vooral des namiddags bij Clotilde Neuwald, die met zoo'n huwelijksreis in den hemel was.
„Maar, dat is immers snoezig, zoo'n reis!quot; juichte zij.
„Gij zijt er dus mee in uw schik, mijn lieve plaagster?quot; vroeg Van Berkenstein.
8
.vV7/-. gt;
quot;ÉföTtï-S
TOEBEREIDSELEN TOT DE RELS.
„O! dol! dol!quot;
„Reist gij dan zoo gaarne, juffrouw Clotildef
„Ook dat! Maar— ik heb nog een andere reden. St!____ kom dicht bij mij;
Visbergen mag het niet hooren.quot;
„Wat is dat dan?quot;
„Wel, dat hij in dien tijd niet naar Atjeh behoeft te gaan! En wie weet, misschien is na die achttien maanden dat ellendige vechten daar uit.quot;
Arm kind! wat een illusies!! De Atjeh-oorlog in achttien maanden uit!!! Hij duurde toen al ruim elf jaren.
's Daags daarna deed Visbergen zijn aangifte bij den ambtenaar van den burgerlijken stand en des Zondags daarop prijkte een paar namen in het getraliede kastje bij het bureau van den assistent-resident en verkondigden die namen aan de wereld, dat twee minnende harten aan elkander wenschten gesmeed te worden.
Keremans bracht Van Berkenstein in kennis met luitenant Vogels, een flink opgeschoten kerel van ruim zes voet, met een gezicht zoo blank als een slecht gepoetste laars, maar met een hart! 0, de reizigers zouden hem weldra un coeur d'or noemen. Wij zullen wel gelegenheid vinden nader kennis met hem te maken. Vogels was opgetogen, evenals Visbergen, over het voorstel, dat hem gedaan werd. Beide officieren zouden wel buitenlandsch verlof voor twee jaren hebben willen aanvragen, maar de bepalingen daaromtrent zijn niet te ontgaan. Het traktement bij zoo'n verlof wordt, zonderling genoeg, slechts in Nederland betaalbaar gesteld. Zij vergenoegden zich dus met een verzoek in te dienen om non-activiteitsstelling onder aanduiding der beweegredenen, hetgeen hun, ter wille van de vreemdelingen, die men zeer galant believen wilde, maar ook onder den invloed van kapitein Keremans bij het Departement van Oorlog, ingewilligd werd.
Juist op den datum, dat uitgerekend was, kwam de verwachte Franschman met zijn echtgenoote via Singapore te Batavia aan, zoodat toen ons reisgezelschap compleet was.
Het huwelijk van mejuffrouw Clotilde Ne uw aki met luitenant Visbergen werd te Buitenzorg met allen luister voltrokken en Van Berkenstein en zijn echtgenoote woonden, volgens gedane belofte, de plechtigheid bij.
's Daags daarna was het groote receptie bij kapitein Keremans op het \\ aterloo-plein tot afscheid van de familie Van Berkenstein. Half Weltevreden was genoodigd, ja meer dan dat. Zelfs de Legercommandant, ook de Algemeens Secretaris waren verschenen om aan het feest luister bij te zetten. Zelden hadden onze Fransche en Deensche reizigers, die natuurlijk ook van de partij waren, een zoo hartelijke bijeenkomst bijgewoond als hier te Batavia. De toosten volgden elkander op een gegeven oogenblik op als een snelvuur. Iedereen kreeg een beurt: onze Koning Willem III, onze Koningin, de Gouverneur-Generaal, de Legercommandant, kapitein Keremans, de reizigers ieder afzonderlijk en daarna gezamenlijk. Er kwam geen einde aan, totdat een der Fransche heeren opstond en in een sierlijke rede
9
TUEBEKEID.SELEN TOT DE REIS.
de dankbaarheid van het reisgezelschap jegens den heer Algemeenen Secretaris voor de ondervonden hulpvaardigheid betuigde. Gaarne erkende de spreker, dat, zonder die bereidwilligheid, van de voorgenomen reis weinig zou gekomen zijn, in ieder geval, dat zij dan aan belangrijkheid veel zou verloren hebben. Het „h, plein verre, mes amis!quot; werd met een zoo daverend gejuich beantwoord, dat het luid over het ruime Waterloo-plein weerklonk. De Algemeene Secretaris had dien speech met innig genoegen aangehoord. Zijn gelaat straalde van genot, toen de uitgebrachte toost zoo uitbundig beantwoord werd; maar zijn gelaat nam een nog tevredener uitdrukking aan dan het kon, toen kapitein Keremans hem hartelijk op den schouder klopte, zijn hand greep, die hartelijk drukte en hem in het oor fluisterde:
„Njo Flensje, die hulde heb je ten volle verdiend!quot;
De zelfvoldoening van den Algemeenen Secretaris kende geen grenzen. Hij nam zich voor, steeds voor vreemdelingen en vooral voor Franschen, kon het, nog meer bereidwilligheid aan den dag te leggen.
10
Au bccrd ran de „Zeemeeuwquot;,
De „Zeemeeuwquot;, welke op de re ede van Batavia onder den aandrang van den vloed en van den doorkomenden landwind in den ochtend van den 20e „Zeemeeuwquot;, welke op de re ede van Batavia onder den aandrang van den vloed en van den doorkomenden landwind in den ochtend van den 20sten Mei van het jaar 1884 voor anker lag te zwaaien, was een beeldig mooi scheepje. Het was zeer scherp en rank gebouwd, vertoonde een zuiver afgeteekende waterlijn, lag vooraan veel hooger op het water dan achter, allemaal eigenschappen, welke een snelle vaart verzekerden. Het scheepje werd door een schroef voortgestuwd, welke op haar beurt door een machine met een kracht van honderd twintig paarden gedreven werd. Het had een vrij ruimen salon, waarlangs zich aan weerszijden vijf hutten uitstrekten, waarvan vier ruime familiehutten. Verder waren er onder de trap, die breed en gemakkelijk was, twee flinke badkamers, welke door de stoommachine gevoed werden en van overheerlijke douche-inrichtingen voorzien waren. Het geheel leverde voor de passagiers veel comfort op en was sierlijk en smaakvol ingericht, terwijl de salonpaneelen en hutdeuren in fraai mahonie afgewerkt, en het plafond van de hutten en van den salon, alsook de innerlijke kapstutten in lichtblauw met zilver afgezet waren. Ook het verblijf voor de scheepsofficieren, dat mid-scheeps, en het matrozen-logies, dat vooruit was aangebracht, waren smaakvol ingericht. De kapiteins-kajuit en kaartenkamer konden zelfs ruim genoemd worden. Beide vertrekken waren op het dek daargesteld en daartusschen strekte zich de brug uit, waarop het stuurrad stond, dat met zijn stuurreepen het roer moest in beweging brengen. Langs de verschansing waren op het dek gemakkelijke banken aangebracht, terwijl nog een menigte vouwstoeltjes toegeslagen tegen de trapkap aangeleund stond, gereed om den passagiers tot doelmatige zitplaatsen te verstrekken.
Het scheepje voerde twee masten en was als schoener getuigd, zoodat, kwam er ook al een gebrek aan de machine, de naaste haven wel te bezeilen was.
AAN BOORD VAN DE „ZEEMEEUWquot;.
De equipage bestond uit den kapitein, twee stuurlieden, drie machinisten eu twintig stokers en matrozen. Dat laatste twintigtal waren allen inlanders, de overigen allen Europeanen.
De kapitein was een rijzig man van omstreeks veertig jaren. Met zijn hoekig gelaat en zijn bakkebaarden had hij veel van een Engelschman. Hij was evenwel een volbloed Hollander en daarenboven een man van zeer beschaafde vormen. Hij heette Meerman en stond bij de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij, zoowel om zijn zeevaartkundige kennis en ervaring als om zijn degelijk en vriendelijk karakter, hoog aangeschreven.
De beide stuurlieden aan boord, Barendt en Schipperhein, waren mede beschaafde lieden, geheel voor hun vak berekend, en verschilden slechts daarin met elkaar, dat de eerste stuurman Barendt een kort, dik ventje was met vriendelijk lachend gelaat, waarop haakvormige knevels prijkten, en een donkerbruinen kroeskop, alsof hij in Nubië geboren was, hoewel al die krulletjes, ofschoon natuurlijk, toch door den koketten stuurman met het krulijzer een handje geholpen werden om in fatsoen te blijven; en dat stuurman Schipperhein een jongmensch was, die, hoewel niet mager, toch geen aanleg vertoonde om ooit dik te worden, en daarbij blonde haren had, waaronder een glad, ernstig, maar toch niet onvriendelijk gelaat zich vertoonde.
De twee machinisten Wouters en Van Stolker waren ook knappe lieden, met een fatsoenlijk uiterlijk, dat gunstig voor hen innam.
Het Europeesch personeel, aan boord van de „Zeemeeuwquot;, kon niet anders dan bevredigend genoemd worden en de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij had daar alle eer van.
Het Inlandsch personeel was van minder allooi. Daaronder bevonden zich ettelijke Bantammers, Lampongers, Maleiers van Sumatra's Westkust en van Palembang, Riouwers, Bandjareezen eu zelfs een paar Boegineezen. Het was een waar samenraapsel van echte zeeschuimers. Onversaagd, Hink volk, dat onder de tucht, die kapitein Meerman wist te handhaven, uitstekende diensten presteerde.
„Ziet gij nog niets?quot; vroeg de kapitein aan stuurman Schipperhein, die, met den langen scheepskijker voor het oog, de monding van het havenkanaal in het gezichtsveld hield.
„Ik zie rook.... Ah, daar verschijnt de „Tjiliwoengquot;. Zij heeft de vlag der Neder-landsch-Indische Stoomvaartmaatschappij in top. Ziet, daar wordt ze tusschen de hoofden van het havenkanaal zichtbaar. Zullen wij ook de nummervlag hijschen, kapitein?quot;
Deze knikte van ja en nam den kijker over.
Stuurman Schipperhein bracht zijn fluitje aan den mond, deed eenige stooten, waarop een paar manschappen verschenen en op zijn bevel de bedoelde nummervlag in den voorsten top haalden eu de Nederlandsche driekleur van de gaffel lieten waaien.
Tien minuten later schoot de „Tjiliwoengquot; de „Zeemeeuwquot; op zijde, stopte, sloeg een paar slagen achteruit en bleef daarna onbeweeglijk liggen.
12
AAN BOORD VAN DE „ZEEMEEUWquot;.
In weinige oogenblikken waren de passagiers overgestapt en hun goederen overgescheept. De „Tjiliwoengquot; liet haar fluit gillen, sloeg vooruit en stoomde naar het havenkanaal terug. Zoodra de „Zeemeeuwquot; vrij gekomen was, klonk het bevel:
,Klaar bij 't anker!quot;
De matrozen grepen de handspaken, die sierlijk langs beide boorden in hun rakken lagen, tuigden het gangspil op en toen de ankerketting er om geslagen was, werd onder het eentonig maatgezang der Inlandsche matrozen van: „Oong! leeleh-oong!quot; waaraan zich het geklikklak van de ijzeren pallen, welke bij een ongeval het plotseling terugloopen van het spil moesten beletten, zich paarde. Nauwelijks was liet anker uit den grond, of kapitein Meerman commandeerde door de spreekbuis, die van de brug naar de machinekamer leidde:
„Voorwaarts, halve kracht!quot;
Toen het anker opgehaald was en langs boord hing, klonk het bevel van de brug:
„Volle kracht!quot;
De „Zeemeeuwquot; stoomde vooruit, manoeuvreerde bevallig tusschen de ter reede liggende schepen door en salueerde met haar vlag als afscheidsgroet die bodems, welk saluut trouw gereciproceerd werd. Eenigszins vrij geloopen van de vele vaartuigen, welke op de reede lagen, stuurde ons adviesjacht noordoostwaarts op, om tusschen de eilanden Poeloe Njamok besar (Eiland Leiden) en Poeloe Njamok ketjil (Eiland Enkhuizen) door te stevenen en in die richting boven Moeara Bloeboek aan de noordwestelijke punt van den hoek van Krawang te geraken.
„Zie, lieve,quot; sprak Van Berkenstein, „daar ligt de „Prins van Oranjequot;, die ons naar Indië overvoerde.quot;
„Et voilk „rEmirnequot;! riep een der Franschen, „qui nous amenat de Singapore!quot;
„Wat een boel schepen,quot; juichte mevrouw Visbergen.
„Daar hebt gij de „Koningin Emmaquot; van de maatschappij „Nederlandquot;,quot; lichtte stuurman Barendt toe, „daar naast de Prins van Oranjequot;. De een is gisteren van Nederland aangekomen; de ander vertrekt overmorgen derwaarts. Daarginds ligt de „Gelderlandquot;' van de Rotterdamsche Lloyd. Iets verder ligt de Italiaansche pakketboot van de (lenueesche maatschappij Rubatino en C0.quot;
Aller oogen waren op die schepen gericht, die als voorbijtrokken en hun vlaggen op- en neerhaalden, als wuifden zij de vertrekkenden toe.
Plotseling riep mevrouw Van Berkenstein:
„Ziet dan toch eens die fraaie eilandjes, waartusschen wij doorvaren! Net ruikers op een spiegelvlak!quot;
En waarlijk, het was een fraai gezicht, die eilandjes, welker grondvlak zich even boven het waterpas verhief. De vergelijking met een ruiker, door mevrouw Van Berkenstein gemaakt, was treffend van juistheid. Die eilandjes schenen voor het oog cirkelrond van
13
AAN BOOKD VAN I1E „ZEEMEEUWquot;.
oppervlakte te zijn, terwijl zij door den plantengroei, die hen bedekte en waarvan de hoogste boomen in het midden groeiden en de grootte der gewassen naar den oever toe langzamerhand afnam, zoodat het slechts zeer lage struikjes waren, die de uiterste grens van den begroeiden zoom vormden, het relief van een zeer stompen kegel hadden aangenomen. Een boord van sneeuwwit zand en koraaltakken, waarin het blauwe water der zee grillig binnendrong en daaraan het aanzien van een uitgeknipte kant verleende, voltooide de gelijkenis.
Toen men die eilanden voorbij was, kreeg de „Zeemeeuwquot; het ruime sop voor zich. Men liet den hoek van Krawang een gezicht ver rechts liggen. Het scheepje liep bij stil water twaalf tot dertien mijl in de wacht. In dit seizoen had men evenwel den stroom tegen, terwijl de noordoostenwind, die in open zee aangetroffen werd, ook voor de vaart niet gunstig was. Toen kapitein Meerman den hoek van Krawang dwarsscheeps had, liet hij de „Zeemeeuwquot; zuiver Oost voorleggen.
Op het dek zag het er zeer gezellig uit. Ons reisgezelschap had intusschen een heerlijk dejeuner genoten, waarbij al dadelijk gebleken was, dat de gamelle zich in goede handen bevond. Daarna had men plaats op het dek genomen om de frissche zeebries, die met kracht doorwoei, te genieten. De zonnetent beveiligde de reizigers tegen de blakende stralen der dagvorstin. Het uitspansel was geheel en al onbewolkt en van een helderheid, zooals die slechts tusschen de keerkringen kan waargenomen worden. Het hemelazuur weerkaatste in de oppervlakte der zee en verleende rondom het schip donkerblauwe tinten, die nog des te heerlijker uitkwamen door de witte schuimranden, waarmede de doorstaande wind de aanrollende golven kuifde. Bij den horizon, die zich zuiver, als met den passer getrokken, rondom de „Zeemeeuwquot; voordeed, bleekte het donkerblauw eenigermate af en ging in helder lichtblauw over. Door de wieling van de schroef werd in het donkerblauwe water een melkwit zog geboren, dat zich achter het schip tot aan den gezichteinder uitstrekte en het azuur der golven met een beweeglijk kantwerk van schuim overdekte, zoo fijn en met zulke fraaie arabesken geteekend, dat de meest kunstige kantwerkster, noch te Brussel, noch te Mechelen, noch te Appenzell of waar ook ter wereld, dat zou kunnen ter zijde streven.
Dat het ook niet aan gezelligen kout ontbrak, zal wel duidelijk zijn. Mevrouw Van Berkenstein met haar aangenaam karakter en haar gemoedelijken ernst, mevrouw Visbergen met haar jolige en geestige dartelheid zouden reeds voldoende geweest zijn om licht en leven in dat gezelschap te brengen. Maar zij stonden niet alleen. Het derde vrouwtje, dat aan boord was, de echtgenoote van den heer H. Jaffrezic, van wien straks, was haar geslachtsgenooten ten volle waardig. Zij was een slanke, lieve en zeer schoone Franpaise, uit de Provence afkomstig, derhalve een brunette, maar een brunette met zoo'n doorschijnend witte teint, met zoo'n regelmatig besneden gelaat, als ooit een blondine zou kunnen wenschen. Zij heette Jolande, was ongeveer negentien jaar oud en had zich van
14
AAN BOORD VAN DE „ ZEEiV.EEUwquot;.
het eerste oogenbik, dat zij haar ontmoette, tot Ernestine en Clotilde aangetrokken gevoeld. De beste harmonie heerschte dan ook onder dat drietal, hetwelk door schoonheid, lieftalligheid en geestigheid als type der drie gratiën kon aangehaald worden.
Maar ook de mannen waren waard om deel aan zoo'n gezelschap te nemen. De heeren Van Berkenstein en Visbergen zijn reeds onde bekenden voor de lezers; ook van Vogels hoorden zij kapitein Keremans een vluchtige schets geven, genoeg, om bij hem slechts stil te blijven staan om mede te deelen, dat hij geen groote prater, ja eer ietwat te schuchter was om op den voorgrond te treden, maar dat, wat hij sprak, van de degelijkheid zijns karakters getuigde.
Montauban, ook genaamd monsieur Le Comte, omdat hij van een oud-adellijk geslacht uit Nimes afstamde, was een rijzig man van omstreeks vijf en dertig jaar, met zeer regelmatige gelaatstrekken, die een Grieksche afkomst verrieden, met donkerbruin, maar kort geknipt haar, met donkere, maar levendige oogen, die door dichte, doch regelmatig geplante wenkbrauwen overschaduwd werden, met een vollen ringbaard, die zijn gelaat fraai omlijstte en ook zijn geheele zorg innam. Hij had altijd een haarborsteltje in den zak om dien baard steeds in de vereischte plooi te dwingen. Hij was bezitter van een groot vermogen, dat hij van een tante, wier oogappel hij geweest was, geërfd had. Hij had een uitmuntende opvoeding genoten, was tot bachelier ès sciences bevorderd, maar had er niet toe kunnen komen om zich aan eenigen bepaalden tak van wetenschap of nijverheid te wijden of eigenlijk zich een loopbaan te kiezen. Op nog jeugdigen leeftijd was de reisduivel in hem gevaren. Aanvankelijk had hij aan dezen slechts terloops kunnen offeren, maar toen hem de erfenis ten deel viel, brak die hartstocht in lichterlaaie uit. Hij had reeds Noord- en Zuid-Amerika doorreisd, had een paar tochten naar de Noordpool medegemaakt, had Barra in centraal-Afrika vergezeld en was nu in Nederlandsch-Indië „pour y prendre vuequot;, zooals hij dat noemde, om daar een kijkje te nemen. Zijn makkers beweerden dat Jules Verne's roem hem belette te slapen en dat hij bouwstoffen verzamelde om dien genialen schrijver ter zijde te streven. Zooveel is zeker, dat monsieur Arthur Montauban veelvuldige nota's nam. Men trof hem bijna altijd aan met zijn calepin en zijn potlood in de hand.
De twee heeren Henri en Louis Jaffrezic waren afkomstig uit Bretagne, uit de omstreken van Quimper. Zij vertoonden dan ook al de kenteekenen van het Gaëlische ras. Ze waren blond, met blauwe oogen, hadden baardelooze gezichten, terwijl hnn bovenlip slechts met een lijn stroogeel kneveltje was versierd. Er was iets goedigs in de gelaatstrekken van die twee broeders, die zoo sterk op elkander geleken, dat men hen met elkander zou hebben kunnen verwisselen. Sommigen meenden dat zij tweelingen waren, zóó weinig verschil was er bij hen op te merken. Toch waren zij dit niet. Henri Jaffrezic was ongeveer dertig jaren, terwijl Louis er slechts twee en twintig telde. Maar beiden waren stevig gebouwd en van een middelbare lengte. De twee broeders, ofschoon niet zoo rijk
15
AAN BOOUD VAN DE „ZEEMEEUWquot;.
als Montauban, hadden evenwel een onafhankelijk fortuin. Dat zij Roomsch, ja fijn Roomsch waren, zal van die Bretagners wel niet vreemd voorkomen. Henri had zijn eerste opleiding te Vannes in het bisschoppelijk seminarie aldaar genoten, was daarna op de zeevaartkundige inrichting te Brest opgenomen geworden en vervolgens zee-officier geworden. Als zoodanig had hij verscheiden reizen naar Saigoon gemaakt en had bij een dezer met het Fransche transportschip „La Sarthequot; Batavia aangedaan. Bij die gelegenheid had hij zoo'n verlangen ondervonden, om ons zoo schoon Insulinde te bezoeken en van meer nabij te leeren kennen, dat. toen zijn onde moeder overleden was en hij in het bezit van de hem toekomende nalatenschap kwam, hij van de Fransche Regeering een onbepaald verlof vroeg, om aan dat verlangen te kunnen voldoen. Hij trouwde alvorens met de vrouw zijner keuze. Zijn broeder Louis studeerde ook in het bovenvermelde seminarie te Vannes en legde wel het voornemen aan den dag om priester te worden. Henri hing hem evenwel zulke tafereelen op van hetgeen de aarde schoons en edels in Gods lieve schepping te zien gaf, dat hij er in slaagde, hem zijn geestdrift voor het reizen te doen deelen. In het kort: toen Henri het denkbeeld opperde om naar Batavia te reizen, was Louis klaar om hem te vergezellen. De heide broeders waren kennissen van Montauban en zij slaagden er in met hem een gezelschap tot stand te brengen, om gezamenlijk aan hun reislust bot te vieren. Maar toen onze reizigers zich te Marseille op de „Iraouaddyquot; zouden inschepen, werd de heer H. Jaflfrezic zóó ernstig ongesteld, dat van een meegaan voor het oogenblik geen sprake was. Hij bleef dus met zijn echtgenoote te Marseille achter, terwijl de overige leden van liet reisgezelschap vertrokken. Doch, waren het de goede zorgen van zijn eega, of was het het meer zuidelijke luchtgestel, dat de genezing bevorderde? Wie zal dat zeggen? Hoe 't zij, alle dreigende teekens verdwenen, en weldra was de heer Jaflfrezic in zooverre hersteld, dat de behandelende geneesheer geen enkel bezwaar tegen een reis naar tropische gewesten maakte. Het paar reisde toen, na een verblijf van anderhalve maand, te Marseille met de „Avaquot; naar Singapore en van daar met de „Emirnequot; naar Batavia, alwaar het, zooals wij zagen, bijtijds aankwam.
Mijnheer Boisjolin was een jongmensch, die door zijn ouders voor de diplomatie bestemd was geworden, maar wiens eerlijke natuur in opstand gekomen was tegen de dubbelhartigheden van die gekunstelde wereld. Hij was te waarheidlievend van aard om zich ooit te huis te gevoelen in een kring, waarvan een der voornaamste corypheeën, Talleyrand Périgord, aan zijn adepten doceerde: la langue est donnée a 1'ho mme pour déguiser sa pensee. En een ander: la force prime le droit. Bijtijds was hij die omgeving ontvlucht en had van Montauban, dien hij te Parijs had leeren kennen, den hartstocht tot reizen ingezogen. Hij was omstreeks twintig jaren oud, eenige zoon van schatrijke ouders, die hem zijn luimen lieten volgen en volgaarne de middelen tot bevrediging daarvan verstrekten, nu die luimen den vorm van een ongeneeslijke zucht tot reisavonturen aangenomen hadden. Overigens was ook hij een flink uit de kluiten geschoten
16
AAN BOORD VAN DE „ZEEMEEUWquot;.
jongmensch met een gladde kin en bovenlip en een overigens weinig beduidend gelaat, dat evenwel met zijn bruine krullen de dames-wereld niet onverschillig liet.
De heeren Nielsen en Ollerupp waren twee Jutlandsche jongelieden, die met hun blanke huid en geel-blonden, weelderigen haardos hun Scandinavische afkomst onmogelijk loochenen konden. Zij waren op weg, om een toer rondom de aarde te ondernemen, toen zij te Parijs met Montauban en Boisjolin op een partij in het hotel van het Deensch gezantschap in kennis kwamen. Toen zij het plan dier twee vrienden vernamen, was hun verzoek, om deel van het gezelschap uit te maken, snel gedaan en even spoedig aangenomen. Nielsen werd tot kassier van de reizende vennootschap aangesteld. En waarlijk, de geldelijke belangen konden aan geen waardiger handen toevertrouwd zijn. Zonder vrekkig of ook maar gierig te zijn, was onze Deen toch uiterst zninig1 en zonder loven en dingen zou hij zeker nooit iets betaald hebben.
„Wat afgedongen wordt,quot; zeide hij als stelregel, „is het eerste betaald.quot;
Toen ieder van het reisgezelschap eenige duizenden gulden bij elkander gebracht had als eersten inzet voor de reis-onkosten, betuigde hij zijn leedwezen, dat hij dat geld niet op rente bij de een of andere bank kon plaatsen. Het zou zoo gemakkelijk zijn, van uit iedere plaats, waar zij zouden aanlanden, wissels op die bank te trekken. Het kostte moeite om Nielsen aan het verstand te brengen dat dit zoo gemakkelijk niet was. Door tusschenkomst van den Algemeenen Secretaris had hem de Directeur van Financiën evenwel gouvernements-wissels verstrekt op de voornaamste lands-kassen in Nederlandsch-Indië, maar daarvoor had hij het bedrag te Batavia renteloos moeten storten en dat ging hem aan het hart.
Van de twee Europeesche bedienden, die de reizigers vergezelden, zullen wij slechts mededeelen dat liet ook Franschen waren, de één een Grasconjer, dus een bluffer, de ander een Normandiër, bijgevolg een leugenaar, waarmede wij ons niet verder zullen inlaten.
Met het rijzen der zon stak ook, zooals gewoonlijk in deze streken in dit seizoen, de noordoostenwind meer en meer op.
De golven, die op de „Zeemeeuwquot; afkwamen, werden al grooter en grooter, zoodat het schip ze met zijn boeg niet meer vermocht te doorsnijden, maar door hen opgelicht werd. Het vaartuig begon in één woord te stampen. Dat was evenwel voor onze dames een minder gewenschte beweging. Wel waren mevrouw Van Berkenstein en mevrouw Jaffrezic, als meer bevaren dames, er eenigermate tegen bestand, maar zij zagen toch bleek en gevoelden zich vrij onwel; want in die binnenzee waren de golven korter en bijgevolg meer steil dan in den vollen Oceaan en veroorzaakten dus een meer onaangename beweging. Mevrouw Visbergen echter werd geheel zeeziek en wel zoodanig, dat zij te bed moest gebracht worden. Of het dartele vrouwtje toen nog die huwelijksreis zoo prettig vond? Haar echtgenoot verzorgde haar zoo goed als hij maar kon.
Toen zoo omstreeks één uur de luncheon of beter de rijsttafel voorgediend werd.
17
AAN BUOKD VAN »E „ZEEMEEUWquot;.
waven de passagiers, hoe goed de spijzen ook klaargemaakt waren, volstrekt niet hongerig. Het stampen van de „Zeemeeuwquot; belemmerde den eetlust. Des avonds bij het diner ging het iets beter. De Inlandsche kok, die door Montanban te Batavia was geëngageerd, had eer van zijn werk; en waren er ook nog, bij wie de eetlust nog niet wilde vlotten, hij troostte zich met de gedachte dat zijn landslieden, de matrozen en stokers, er wel bij voeren. Want al de gerechten bijna vonden hun weg van het salon naar het volkslogies, waar zij volkomen gewaardeerd werden.
Bij het dalen der zon evenwel begon ook de wind te vallen. Toen de dagvorstin achter een dikken nevelband, die het westen begrensde, ondergegaan was, trad geheel en al windstilte in. De zee slechtte dra af en wel in die mate, dat, toen de stuurman van de wacht vijf glazen sloeg, — halfzeven des avonds, — de zee glad was en nog maar lange deininggolven vertoonde, die op de „Zeemeeuwquot; aanrolden en deze zachtkens, zonder onaangenaam gevoel, deden op en neer gaan. Het was een zacht rijzen en dalen, dat het vaartuig onderging, zonder schokken of stooten. Al de passagiers waren weer voor den dag-gekomen. Een gedeelte der zonnetent was opgerold en allen zaten gezellig in een kring op het dek den heerlijken avond te genieten en den prachtigen zuidelijken sterrenhemel te bewonderen. Zelfs de zeezieke Clotilde was haar hut ontvlucht en zat, nog een weinig loom, op Visbergen geleund, de frissche avondlucht in te ademen.
„Zie,quot; wees Van Berkenstein zijn vrouw, „daar hebt gij, vlak boven onzen boeg, het Zuiderkruis en daar vlak boven ons Orion met Bellatrix rechts en Aldabaran links daarvan.quot;
„Ik meen zooeven een ster vlak vooruit, dicht bij den horizon, gezien te hebben,quot; sprak Henri Jaffrezic. „Thans is ze weg. Zou dat ook een licht van een vaartuig kunnen wezen? Dan moeten wij voorzichtig zijn.... Kijkt, daar is het weer.quot;
„Kapitein Meerman, wat is dat voor een licht?quot; vroeg Van Berkenstein aan den gezagvoerder, die juist voorbijging om zich naar de brug te begeven.
„Dat is de lichttoren van de Boompjes-eilanden, mijne heeren.quot;
„Wij loopen er vlak op aan,quot; merkte Louis Jaffrezic op.
„Nog maar een poos,quot; antwoordde de kapitein, „dan zullen wij ietwat zuidwaarts afvallen, om tusschen die eilanden-groep en den hoek van Indramajoe door te stevenen.quot;
„Het is een wit draailicht,quot; verklaarde Visbergen, „met verduistering om de minuut, hetwelk den geheelen horizon verlicht. Was het dag, dan zouden wij een opengewerkten, wit geschilderden ijzeren toren te zien krijgen, die op 108o22/50// Oosterlengte van Greenwich en op 5° 54'' 40' Zuiderbreedte gelegen is.quot;
Zoodra de „Zeemeeuwquot; den lichttoren nog wat genaderd was, werd het roer bakboord gelegd. De boot wendde zuid-oostwaarts en hield dien koers nagenoeg een vol halfuur, waarna weer zuiver Oost voorgelegd werd, totdat men den vuurtoren geheel dwars had. Toen werd de koers in Zuidoost ten zuiden veranderd, waardoor de boot de deining dwars inkreeg en daardoor niet meer op en neer ging, maar nu een zacht wiegen ondervond.
18
AAN BOOK!) VAN DE „ZEEMEEUW''
Het was ongeveer halftien, toen men het staand rood havenlicht van Tagal in het gezicht kreeg. Een uur later stopte de machine en ratelde de ankerketting door de kluisgaten en lag de „Zeemeeuwquot; weldra rustig voor haar anker te wiegelen.
De boot was vrij nabij den wal geankerd. Kapitein Meerman verklaarde dat, wanneer het dag was, hij nog meer zou hebben kunnen naderen; maar dat hij zich op dit uur niet te midden der reven, die Tagals reede onveilig maakten, had durven wagen.
„Het is jammer,quot; sprak de zeeman, „want gij zoudt een zeer fraai schouwspel gezien hebben.quot;
„Welk dan?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Kijk maar eens daarginds, op een tiental kabellengten van het schip.quot;
„Welnu, daar zie ik de branding.quot;
„Voorzeker; maar kijk er maar een oogenblik naar.quot;
„Mijn God.... ja.... het is of het daar in de verte vlak op de oppervlakte van het water weerlicht! Wat is dat?quot;
„Kijkt nu eens overboord, daar vlak bij het schip.quot;
Allen deden dat. En een kreet van verrassing ging uit ieders mond op. De zee phosphoresceerde zóó prachtig, als ooit één hunner dat had kunnen waarnemen. Ieder golfje, dat tegen de scheepsboorden kwam sterven, brak en veranderde in hetzelfde oogenblik in gesmolten zilver van een schitterend uitstralende witheid, waarvan de weerkaatsing op deu zwarten scheepsromp duidelijk zichtbaar werd. Onder de werking van den stroom op het schip stond de ankerketting stijf gespannen, maar het was alsof daar een staaf gloeiend metaal, in schalmen verdeeld, zich in het donkere water in schuine richting uitstrekte en welker vurige omtrekken in dat heldere kristal bijna tot op den bodem te volgen waren. Achter den spiegel van het schip vormde zich door den stroom, die langs zij ging, een kielwater, aan een vurigen lavastroom gelijk. Daarin dwarrelden lichtende punten, schitterend wit, aan electrische koolspitsen gelijk, die zich wentelden, draaiden, voorbijstoven, uiteenspatten en zich in het lichtend medium oplosten, waaruit zij te voorschijn getreden waren. Hier en daar schoot een visch voorbij, wiens vormen duidelijk waren waar te nemen, omdat ze in gesmolten goud gegoten schenen te zijn. Allen waren verrukt en verstomd over dat schouwspel. De kapitein liet één der matrozen met een schepnet aan een steel de valreepstrap afdalen en daarmede in het water ploeteren. Het was betooverend. De mazen van dat net schenen van gouddraad gebreid te zijn; de steel vertoonde zich, zoover hij in het water kwam, als een staaf goud.
„Komt in de sloepen!quot; riep kapitein Meerman.
Op zijn bevel werden twee sloepen te water gelaten en ieder met zes roeiers bemand, terwijl hij in de eene en de eerste stuurman in de andere de stuurpen ter hand namen. In een oogwenk waren de passagiers in de beide vaartuigen afgedaald. Op het commando: „dajoeng!quot; vielen de riemen te water en schoten de sloepen vooruit. De riemen, die in het water plasten, verschenen alsof zij van gloeiend ijzer waren; iedere waterdroppel, die opspatte, was een vurige vonk, welke, op de oppervlakte der zee nedervallende, andere vonken deed
11)
AAN BOOK!) VAN DE „ZEEMEEUWquot;.
opvliegen, die op haar beurt een poos op het watervlak als een vurig oog bleven schitteren en daarna uitdoofden. Het boegwater, dat voor den steven brak, was aan vloeibaar zilver gelijk en het lichten van dat water was zóó sterk, dat de reizigers den weerschijn daarvan op elkanders gelaat konden waarnemen.
Kapitein Meerman zette met voordacht koers naar „Karang Djeroekquot;, een koraalklip, die op weinige kabellengten oostwaarts van de „Zeemeeuw11 gelegen was. Hij kon dat gerust doen. Er heerschte volkomen windstilte en de zee deinde nog maar even onder den invloed van den wind, die overdag geheerscht had. Het was of deze zacht ademhaalde.
Rondom de klip, die bij de ingetreden eb even boven de oppervlakte uitstak, peilde men acht en tien vademen water. Maar toen men den buitenrand van het rif genaderd was, deed zich een merkwaardig schoon schouwspel voor de oogen onzer toeristen op. De zachte deininggolven braken met murmelend geluid op de koraaltakken, spatten in vuur op, verlichtten den horizon, verhieven zich in dwarrelende vlammen, om in een vonkenregen neer te plassen. De koraaltwijgen, die op het rif onder de kiel van de sloepen zichtbaar waren, de prachtigste fljnvertakte madraporen, schenen als met zilver overtogen. De garnalen, de krabben, de „mimi's1' '), de zeepalingen, welke te midden van die prachtvolle koraalvegetatie rondkrioelden, de visschen, welke te midden van het lichtende en zachtgolvende zeegras en zeewier als bliksemstralen heen en weer schoten, dat alles was als in vuur gevat, scheen als met pantsers van het schitterendste goud omsloten.
Onze reizigers waren den kapitein Meerman wel dankbaar voor het genot, dat hij hun verschaft had, en toen men daarvan volop genoten had, keerden de sloepen naar boord terug. Nog onder den indruk van het wondervolle schouwspel, hetwelk zij bijgewoond hadden, hieven de beide Bretagners, bij dien terugtocht, vol geestdrift, maar met bewogen stem, het Ave maris stella2) aan.
Op de „Zeemeeuw11 teruggekomen, zat het gezelschap nog lang, zeer lang aan het dek die fraaie lichtspelingen te genieten en de stuurman van de wacht had even twee glazen (één uur na middernacht) laten weerklinken, toen men besloot de hutten op te zoeken om rust te genieten.
„Goeden nacht, stuurman Barendt,11 zeiden de dames.
„Goede wacht, stuurman Barendt,11 verbeterden de heeren.
„Goede nacht, dames! goede nacht, heeren!11 antwoordde de stuurman. „Och, die hondenwacht is met zoo'n schouwspel nog zoo onaangenaam niet.11
') Mimi = degenkrab, [iimultis Polyphemus.
2) Avo maris stella =r; Gegroet, o ster der zee. Eene Roomsche hymne aan Maria.
20
Daags na aankomst van de „Zeemeeuwquot; op de reede van Tagal, zat de llesident vanaags na aankomst van de „Zeemeeuwquot; op de reede van Tagal, zat de llesident van
die plaats des namiddags met zijn eega in de voorgalerij van het Eesidentie-hnis. Het was het uur van de namiddagbezoeken en verscheiden dames zaten daar reeds in gezelschap van de vrouw en den heer des huizes, welke laatste, den traditioneelen gebruiken getrouw, in een helderwit jasje zat te kouten, blij als de geachte hoofdambtenaar was, dat hij met zijn Residentierok ook het otticiëcle dwangbuis had kunnen afwerpen. Keek de opmerker evenwel goed, dan zon hij ergens in een hoek de pet met hreeden gouden band op een knaapje of in de hand van een oppasser hebben kunnen ontwaren; ook moest ergens achter den een of anderen pilaar der galerij een standaard zijn aangebracht, waarin een drietal pajoengs zich her verhief. De pajoeng is het teeken van schier vorstelijke waardigheid. Zonder die twee emblemata is een Residentie-huis op Java ondenkbaar.
„Ik heb straks mededeeling van den havenmeester ontvangen,quot; sprak de Resident tot de dames, „dat er hedennacht een stoomscheepje, de „Zeemeeuwquot;, op de reede gekomen is.quot;
De dames keken elkander aan. Zij vatteden het doel van die mededeeling niet. En toch, wanneer een Resident iets mededeelt, dan moet daarachter iets schuilen. De Resident begreep den gewisselden blik en ging voort;
„Ik twijfel er niet aan, of de dames zullen in dat nieuwtje wel eenigernmte belangstellen, wanneer ik er bijvoeg, dat dat scheepje een gezelschap Fransche, Deensche en Hollandsche heeren en dames aan boord heeft, die een pleiziertoer door onze koloniën maken.quot;
Ja, de dames popelden en luisterden, maar nog begrepen zij het medegedeelde niet ten volle.
TAGAL EK OMSTREKEN.
„Zij hebben uitmuntende aanbevelingsbrieven,quot; vervolgde de Resident, „aanbevelingsbrieven van de Regeering niet alleen, maar ook van den Algemeenen Secretaris persoonlijk, zoodat zij uitstekend ontvangen moeten worden en er gedurende hun verblijf alhier minstens een partij plaats zal hebben.quot;
Nu schitterden al die fraaie oogen. De Resident had de kwetsbare plaats gevonden.
„Daar ginds wandelt een onbekend paar,quot; sprak de Residentsvrouw. „Zie eens, hoe ze hier heen kijken!quot;
„Hm! die luitjes ken ik,quot; sprak de Resident, terwijl hij zich de oogen wreef. Maar.... dat is Van Berkenstein en zijn vrouw, die ik eenige maanden geleden te Buitenzorg getrouwd heb.quot;
Van hun kant waren mevrouw en mijnheer Van Berkenstein blijven staan.
„Kijk eens, lieve.quot; sprak hij, „ik zou zweren, dat dit de heer Nederpelt is.quot;
„Die in dit witte jasje?
„Ja, er is maar één heer in die voorgalerij aanwezig,quot; antwoordde Van Berkenstein lachende. „Kom, ik vergis mij niet; laat ons er heengaan!quot;
„Wel, mevrouw Van Berkenstein, welk een verrassing, u hier te Tagal te kunnen begroeten!quot; was de uitroep van den Resident, die de trappen der voorgalerij afdaalde om de jonge vrouw den arm te bieden.
„Wel, mijnheer Nederpelt, welk een verrassing voor ons, u hier te Tagal te zien!quot; antwoordde Van Berkenstein.
De voorstelling aan mevrouw Nederpelt en aan de aanwezige dames was snel geschied. Daarna gingen allen op de gemakkelijke wipstoelen zitten, mevrouw Van Berkenstein naast den Resident.
„Heel kort na uw vertrek van Buitenzorg, mevrouw,quot; sprak deze tot zijn buurvrouw, „ben ik bevorderd en als hoofd van gewestelijk bestuur in de residentie Tagal geplaatst.quot;
„Wel, dan moeten wij u feliciteeren,quot; spraken de nieuwaangekomenen tegelijk.
Handjes werden gedrukt, complimenten gewisseld.
„(lij waart nog niet uit de Preanger Regentschappen terug, toen ik reeds naar mijn nieuwe standplaats op reis was. Het gaat alles met spoed hier in Indië, vooral een verplaatsing. En ziedaar de verklaring van mijn tegenwoordigheid hier. En nu gij? hoe komt gij te Tagal?quot;
„Wij zijn hedennacht op de reede gekomen,quot; antwoordde mevrouw Van Berkenstein.
„Met de „Zeemeeuwquot;?quot; vroeg de Resident.
„Met de „Zeemeeuwquot;,quot; bevestigde mevrouw Van Berkenstein.
„Gij behoort dus tot dat gezelschap toeristen, waarvan de havenmeester mij heden berichtte ?quot;
„Ja, Resident,quot; antwoordde Van Berkenstein. „Wij zijn gisteravond laat op de reede gekomen. Wij hebben toen de heerlijkheden der zee bewonderd. Zij phosphoresceerde
22
'H ';
J:iP£SïfM l
. I
'-V:
vr;\-'fcf :3Sv-'--•--jv r ' ■ ?■ :, '
gt;v ■.' ■:-■■■: . v. - ^§;v: ''o :^ /-• -
■'V- v* ' • • • . ■ -
'W
TAGAL EX OMSTREKEN.
prachtig. Het is zeer laat geworden vóór wij gingen slapen en het was zeer laat, toen wij hedenochtend opstonden. Om naar den wal te gaan, daaraan was toen geen denken meer. De noordoostenwind stond met kracht door. Wij konden de branding zien, die het Tagalsche strand beukte. Daarenboven woei de blauwe vlag.1'
„Dat het ons aan boord verveelde, kunt ge nagaan,quot; vervolgde mevrouw Van Berkenstein; „de „Zeemeeuwquot; danste als een tol voor haar anker. Bijna al onze reisgenooten waren zeeziek. Gelukkig kwam een prauw langs zijde, die aanbood de passagiers aan wal te brengen. Gij kunt begrijpen, hoe dat voorstel aangenomen werd. In onbegrijpelijk korten tijd waren passagiers en goederen aan boord van dat vaartuig en zoo zijn wij aan wal gekomen. De meeste onzer tochtgenooten liggen nog te bed uit te rusten van de akeligheden der zeeziekte.quot;
„Van harte heet ik u welkom,quot; antwoordde de Resident. „Maar was het niet gewaagd met een prauw naar binnen te komen, terwijl de blauwe vlag woei?quot;
„Het was een tien kojangs-prauw, waarmee de overtocht gemaakt werd. Kapitein Meerman verzekerde ons, dat daarmee geen gevaar was. Wij zijn alleen flink door elkaar geschud, vooral, toen wij te midden der branding waren. Het vaartuig hield zich evenwel uitmuntend.quot;
„En wat zijn uw plannen? vroeg de Resident.
„Die komen wij u morgen ontvouwen. Het geheele gezelschap komt morgen zoo omstreeks tegen elf uren bij mevrouw en u zijn verschuldigde opwachting maken. Dat zou reeds heden geschied zijn, maar gij moest eens kunnen zien in welk een desolaten toestand de dames en ook eenige heeren, ten gevolge der zeeziekte, verkeeren.quot;
„Hoeveel dames zijn er aan boord, lieve mevrouw?quot; vroeg de echtgenoote van den Resident aan Ernestine.
„Wij zijn met ons drieën: een Fransche, een Indische en mijn persoon, een Nederlandsche.quot;
„Zijn er ook jonge meisjes onder?quot; vroeg een der aanwezige dames, die blijkbaar den „backfischquot;-tijd eventjes ontgroeid was.
„Neen, juffrouw,quot; was het antwoord, „wij zijn allen gehuwd.quot;
„En ,...?quot;
„Nu, wat en....'?quot; vroeg de Resident ondeugend. „Kom, Mathilde. geen moordkuil
van het hart gemaakt!quot;
„Wat wilde juffrouw Mathilde nog weten?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Of al de heeren, aan boord van de „Zeemeeuwquot; tegenwoordig, ook gehuwd zijn?quot; snapte een vriendin van Mathilde, die evenwel getrouwd was. Mathilde bloosde, alsof zij
op onraad betrapt werd.
„Neen, dat zou onbarmhartig voor de achterblijvende echtgenooten zijn,quot;quot; gaf Van Berkenstein lachend ten antwoord. „Van de vier Fransche heeren zijn drie ongehuwd,
23
TAGAL EN OMSTKEKEN'.
van de drie Nederlanders twee gehuwd. De twee Denen, die aan boord zijn, zijn nog a prendre. Dat laatste zal evenwel au vol moeten geschieden; want het plan is slechts twee, hoogstens drie dagen te Tagal te blijven.quot;
Teleurstelling teekende zich op het gelaat der lieve schoonen.
„Nietquot; — zoo betuigden zij — „omdat de heeren, die a prendre waren, de vlucht zouden nemen, maar omdat er geen tijd tot feestvieren zou overblijven.quot;
„En waar gaat de reis van hier heen? Met de „Zeemeeuwquot; naar Semarang?quot; vroeg de llesident Nederpelt.
„Neen, de „Zeemeeuwquot; vertrekt overmorgen naar Semarang, ten einde daar op ons te wachten. Wij gaan een toer over Java maken, en het is daaromtrent, dat wij morgen en corps uw medewerking komen inroepen.quot;
„0! die medewerking is u verzekerd, dat weet ge. Maar, hebt gij reeds ergens uw intrek genomen? De logeerkamers van het Residentie-huis staan ten uwen dienste.quot;
Mevrouw en mijnheer Van Berkenstein bedankten voor dat aanbod. Zij konden moeilijk zich van hun reisgenooten. die hun intrek in het logement genomen hadden, scheiden. Zij bleven in die gezellige voorgalerij nog een oogenblik praten; toen zij eindelijk opstonden om heen te gaan, gaf de Resident het voornemen te kennen, hen naar het hotel te vergezellen.
„Ik doe dat niet zonder reden,quot; zeide hij. „Vooreerst neem ik wat beweging. Denk er om, dat ik den geheelen dag achter de schrijftafel heb doorgebracht. Dan nog is het in een klein plaatsje als Tagal lang niet onverschillig, dat de logementhouder weet, dat gij bekenden van het hoofd van gewestelijk bestuur zijt.quot;
In een oogwenk had de heer Nederpelt zijn wit jasje voor een blauwen rok verwisseld, zijn breed gegalonneerde pet opgezet en wandelde nu, gevolgd door een oppasser met den onvermijdelijken pajoeng, met het jonge paar mede, dat inmiddels van mevrouw Nederpelt en de overige dames afscheid genomen had.
Bij het logement gekomen, ontdekten de wandelaars, dat van het geheele troepje toeristen de heeren slechts te voorschijn gekomen waren. De dames waren nog met haar toilet bezig, om aan tafel te kunnen verschijnen. De voorstelling van de aanwezigen aan den Resident was spoedig geschied. De hoofdambtenaar nam een oogenblik te midden van dien gezelligen kring plaats, terwijl de oppasser, met den pajoeng in de hand, op de trappen van de voorgalerij was neergehurkt, als om den volke te verkondigen, dat de Groote Heer daar onder dat dak had plaats genomen. De logementhouder boog dan ook als een knipmes, was in de weer alsof het niet op een warme strandplaats van Java was, dat hij zich bewoog, en was geheel en al jubel, toen de Resident hem bij het heengaan te kennen gaf, dat het gezelschap toeristen, hetwelk zyn intrek bij hem genomen had, onder de hooge bescherming der Regeering stond.
De heer Nederpelt noodigde de heeren en dames uit, om den volgenden morgen
24
TAGAIi EN OMSTREKEN.
een wandelrit met hem door de omstreken van Tagal te maken, hetgeen dankbaar werd aangenomen.
Reeds toen de dageraad den volgenden ochtend het uitspansel in het Oosten begon te kleuren, stonden twee ruime tentwagens voor het logement gereed, terwijl de begeleidende oppasser Van Berkenstein mededeelde, dat de Toean Bezar zich aan het kleeden was. Het ontbijt was ras genoten en fluks hadden allen plaats genomen in de rijtuigen.
„Jamais de ma vie, je n'ai été si matineuse!quot; verzekerde mevrouw Jaffrezic.
„Gij zult eens ondervinden,quot; antwoordde Clotilde Visbergen, in een allerliefst, koddig, correct school-Fransch, .,hoe heerlijk zoo'n rit in de morgenlucht op ons Java is.quot;
„Je ne sais,quot; mompelde de Frangaise met een bekoorlijk pruilend gezichtje, „j'au ra is préféré l'édredon.quot;
De Resident stond reeds klaar; hij had spoedig plaats genomen in het eerste rijtuig en voort ging het.
Van het Residentie-huis af werd dadelijk de weg westwaarts op ingeslagen. Die weg voerde door groote sawahvlakten, die zich, zoover het oog reiken kon. uitstrekten ter linkerzij tot aan den voet van het gebergte, ter rechterzij tot aan den oever der Java-zee, waarmede die weg daar op een afstand van ettelijke palen nagenoeg evenwijdig liep.
Het was een heldere morgen. De lucht was in haar lichtblauw gewaad, tijn gestreept met lichte bevallige vederwolkjes, die zich hoofdzakelijk van het Noordoosten naar het Zuidwesten uitstrekten. Het Oosten was geheel in purper gehuld en kondigde de aanstaande verschijning der dagvorstin aan. Over de sawah-vakken lag een tijne, lichte nevel uitgespreid, die straks door de zonnestralen zou opgerold worden, maar die nu het landschap als met een matzilveren kantwerk overtoog, waarboven de toppen der klapper- en andere vrucht-boomen, die ze omgaven, sierlijk uitstaken.
Het was doodstil in de natuur; geen blad bewoog aan de uiteinden der dunne takken. Toch woei den reizigers een frissche luchtstroom te gemoet, door het snelle rijden veroorzaakt, welke hun gelaat heerlijk afkoelde en den haardos der dames onder de lieve hoedjes bevallig deed fladderen.
„0! wat een genot, in die koelte zoo voort te ijlen!quot; betuigde mevrouw Van Berkenstein.
„Je ■ Favoue, c'est tres agréable,quot; antwoordde mevrouw Jaffrezic; „pourtant j'aurais préféré de me dorloter encore quelque temps dans mon lit.quot;
„Les gouts et les couleurs ne sont point a disputer, madame!quot; meende de Resident.
Aanvankelijk was de weg vrij eenzaam, maar langzamerhand begon hij meer te verlevendigen. Van allerwegen, uit alle paden, die van de desa's ') op den grooten weg uitliepen, kwamen Javanen te voorschijn, die hun zware „krandjangsquot; (manden), met
') Désa of kampong = dorp. In Oost-Java wordt de eerste benaming, in West-Java de tweede gebruikt.
TACiAL EN OMSTREKEN.
vruchten en groenten beladen, torsten en op een sukkeldrafje naar de hoofdplaats ijlden, om daar hun producten ter markt te brengen. Bij de beweging, door dat sukkeldrafje veroorzaakt, lieten' de „pikolanV (draagstokken) een piepend, krakend geluid hooren, dat voor Europeesche ooren minder aangenaam klonk. Opmerkenswaardig was het, dat dit geluid bij het naderen der rijtuigen zweeg, zoodat de Franschen en de Denen, alsook Ernestine, in het eerst niet wisten, waaraan dat geluid toe te schrijven.
Zij zagen wel die lastdragers bij het naderen der rijtuigen hun vrachten neerzetten en gaan hurken, maar hadden er geen begrip van, dat dit geluid van hen voortkwam.
„Wat doen die menschen daar?quot; vroeg Ollerupp aan Vogels, die met Nielsen, Boisjolin, Louis Jaftrezic, Montauban en Visbergen het personeel van het tweede rijtuig uitmaakten.
„Zij geven „hormatquot; (eerbetoon) aan den Resident.quot;
„Hoe weten zij dat de Resident bij ons is?quot; vroeg Boisjolin.
„Ziet gij dan niet dien oppasser, die dien dichtgevouwen pajoeng op zijn hoogen stok omhooghoudt, op de achtertrede van het rijtuig staan?quot;
„Ah, diable!quot;
„Wat is toch dat onaangenaam piepend geluid, dat ik in de verte hoor,quot; vroeg mevrouw Van Berkenstein aan Clotilde in het andere rijtuig, „en wat ons maar niet nadert?quot;
„Dat zijn de „pikolan'squot; der koelies (lastdragers), die dat geluid maken,quot; antwoordde mevrouw Visbergen. Kijk daar, dan kunt gij het zien, Ernestine, daar bij dien man, die ginds staat. Zijn „pikolanquot; is van twee platte stukken veerkrachtig bamboe vervaardigd, die op elkander gebonden zijn, maar bij het wippen van het dragen over elkander wrijven en zoo dat knarsend geluid veroorzaken.quot;
„Cest souverainement désagréable,quot; pruttelde mevrouw Jaffrezic. „^'a vous agace les nerfs.quot;
„Qu'y faire, ma chère Jolande? Hans cette musique le Javanais ne saurait porter ses fardeaux,quot; antwoordde Clotilde.
„Oh! nu gaat gij te ver, mevrouw!quot; viel de Resident in. Hij kan zeer goed zijn lasten dragen zonder die muziek. Maar dat gepiep geeft hem de cadence, den rythmus van zijn gang aan; het doet, wat de trom bij de militairen doet: het verlicht hem den marsch. Toch zult gij niet willen beweren dat de trom een welluidend instrument is. Vraag straks eens aan de heeren Vogels en Visbergen, of zij de trom afgeschaft wenschen te zien.quot;
„Dat behoeft gij niet te vragen,quot; viel Clotilde in. „Ik heb Visbergen genoeg hooren fulmineeren, toen bij het Fransche leger de trommen werden afgeschaft. Hij vreesde, dat dit hier bij de bezuinigingswoede navolging zou vinden.quot;
„Waarom keeren ons die menschen den rug toe?quot; vroeg Boisjolin.
„Dat is „hormatquot;, antwoordde Vogels.
„Maar bestaat de „hormatquot;, die, in iemand de partes posteriores toe te keeren?quot; vroeg Nielsen in het tweede rijtuig.
26
TAOAIi EN OMSTREKEN.
„Dat doen de vrouwen alleen,'' antwoordde Yisbergen. „Zie, zij zetten hun vrachten, welke zij in een „bakalquot; (mand) door middel van een „slendangquot;, een soort sjerp, een kleedingstnk, op den rug dragen, neder, bukken voorover en steunen het voorhoofd tegen een boomstam of een muur. Dat is afkomstig van de eerste invoering van den Islam op Java. Gij weet, dat de rechtgeloovige vrouw haar gelaat door geen „kafirquot; mag laten aanschouwen. Het afwenden van het gelaat is later als een eerbewijs in de zeden des volks opgenomen geworden. Zie, de mannen gaan anders te werk. Zij gaan hurken of beter zij gaan zitten met de beenen kruiselings onder het lichaam gevouwen, buigen het hoofd voorover en leggen zich de binnenvlakken der handen op de hersenpan. Men noemt dat den „sembahquot; maken.quot;
Iets verder kwamen de toeristen groote troepen tamme eenden tegen, die door een man gehoed werden. De Resident vertelde, dat die dieren voornamelijk aangelokt werden om hun eieren, waarvan „telor assinquot; (gezouten eieren) gemaakt worden. De eieren worden namelijk wekenlang in modder gelegd, die overvloedig met pekel gedrenkt is. Wanneer de zon die modder opgedroogd heeft, worden de eieren er uitgehaald en zijn ze, door de poreuze schaal heen, vrij sterk gezouten. Als toespijs bij de rijst zijn zulke eieren wel te waardeeren. Er wordt daarin dan ook een uitgebreide handel gedreven. Een andere handel, die ook tot de aanfokking van dat gevogelte aanleiding geeft, is die van „bebek assapquot; (gerookte eenden). De vogels worden, na natuurlijk gedood te zijn, geplukt en daarna in den rook van een houtvuur gehangen. Vooral de „bebek assapquot; van het naburige Pekalongan zijn zeer gewild.
„Maar gij weet,quot; eindigde de Resident zijn toelichting, „alle pafcés de foie gras komen niet uit Straatsburg. Zoo is het ook met de „bebek assapquot;. Vele worden van Tagal uitgevoerd, die den lekkerbekken evengoed voldoen als die van Pekalongan.'
Gredurende die gesprekken hadden de moedige paarden voor de rijtuigen ruim baan gemaakt. Het was nog geen zeven uren, toen Brebes, een volkrijke negorij, bereikt werd. Aldaar was niet veel te zien. Het plaatsje werd daarom slechts doorgereden; daarna sloeg men zuidwaarts in. Op een kleinen afstand van Brebes, bij den kampong Pakalang, werd verspannen. De toeristen maakten van de gelegenheid gebruik om zich wat te vertreden en stapten dus uit. De Resident sloeg voor, een wandeling door de désa te maken, wat met geestdrift aangenomen werd. Het was vooral voor de vreemdelingen, de Franschen en de Denen, een vreemd gezicht, dat zich voor hen opdeed. Daar voor hen schaarden zich ter weerszijden van een weg, die zich voor hen uitstrekte en, zonder verhardings-materiaal, slechts den kleibodem tot bovendek had en hier eens breed en iets verder weer smal was, eenige bamhoehutten in de meest ordelooze bouworde, welke maar te bedenken viel. Het eene huis had het front naar deze windstreek, het andere naar gene gekeerd. Het waren uiterst primitieve gebouwen, waaraan geen spijker, geen schroef, geen slot, geen hengsel of eenig ander ijzerwerk gebezigd was. De stijlen, de balken, de omwandingen. de
TAOAL EN OMSTREKEN.
kap, de deur, de vensterluiken, dat alles was van bamboe; de dakbedekking alleen was van nipabladeren ') vervaardigd. De denrbengsels bestonden uit rottanlussen, de sluitingen van vensters en deur uit dito lussen, die met een pin verzekerd werden. Het was eenzaam in dien kampong. De meeste mannen en vrouwen waren naar de hoofdplaats getogen, want het was heden „hari Ponquot; 2), een voorname marktdag. De overige mannen waren aan den veldarbeid en de achtergebleven vrouwen hielden zich met hun huiselijke bezigheden onledig. Een enkele moeder stond voor haar huis eenige vruchten van een rondventer in te koopen. Visbergen, die mevrouw .laft'rezic den arm geboden had, wees haar op een paar kinderen, die onbezorgd en onbeschroomd naakt ronddartelden;
„Le costume du paradis, moins la feuille de vigne,quot; zei hij.
„Un pareil costume ne coüte pas cher, c'est sur,quot; meende Montauban.
„Zijn ze de Parijzer modes vooruit, of zijn zij ten achteren?quot; vroeg Louis Jaffrezic.
„Zij zijn vooruit,quot; besliste Nielsen. „Want gaat men in de beschaafde wereld voort, althans wat het schoonere gedeelte van het menschelijk geslacht betreft, met zich te ontblooten, zooals men dat op partijen ziet, dan zullen wij het nog beleven dat onze dames even oorspronkelijk gekleed als die kinderen zullen rondkuieren.quot;
„Ik hoorde dienaangaande een aardig gezegde, dat niet van geest ontbloot was,quot; zei Visbergen.
„Laat hooren dat gezegde!quot; riep Boisjolin.
„Het was van een uwer landslieden. Hij beweerde: que les dames d'aujourd'hui s'habillaient pour aller au bain, mais qu'elles se déshabillaient pour aller au bal.quot;
„Mooi gezegd!quot; riep Van Berkenstein.
„Trés joli!quot; was ook de meening van Ollerupp.
Mevrouw Visbergen dreigde haar echtgenoot met den vinger, terwijl de overigen het uitschaterden. De oppasser van den Resident kwam waarschuwen dat de paarden verspannen waren. In een wip was het gezelschap weer in de rijtuigen.
Een halfuur later reden de toeristen door Djatibarang, een groote desa, waaide weg een elleboog maakte en nagenoeg Oost ten Zuiden voerde tot bij Kemanglen, waar hij een driesprong vormde, waarvan de zuidwaarts voerende tak naar de binnenlanden en de noordwaarts voerende naar Tagal richtten. Natuurlijk werd deze laatste ingeslagen.
Op dien weg werden verscheidene suikerfabrieken voorbijgereden. De heer Nederpelt deelde mede, dat in de Residentie Tagal een achttal dergelijke fabrieken aanwezig was,
') Nipa =• Nipa fruticans; volgens sommige geleerden tot de Palmae, volgens andere tot de Fandaneae bchooronde.
:') De Javaan telt vijf marktdagen, genaamd: Wage, Kliwon, Legi, Palling en Pon, die elkander geregeld en onafgebroken opvolgen. Het gevolg daarvan is, dat de marktdagen telkens verspringen en met andere dagen der week overeenkomen. Is b. v. de laatste Pon, op een Zaterdag geweest, dan zal de daaropvolgende Pon op een Donderdag plaats hebben. Pon is do voornaamste en meest bezochte marktdag van allen.quot;
28
TAGAL EN' OMSTKEKEN'.
waarvan Pangka over een aanplant van 500 bouw» ■) suikerriet beschikte, Adiwerna, Kemanglen, Doekoewringien, Djatibarang en Bandjerdawa 00 bonws aanplant hadden, terwijl de twee overigen, Pagongon en Tjomal, minder uitgestrektheid, namelijk de eerste slechts 150 en de andere 300 bouws, bezaten.
„Zouden wij zulk een fabriek niet eens kunnen bezichtigen?quot; vroeg Van Berkenstein.
„(lij zoudt er niets aan hebben. Daar is nu niets te zien,quot; antwoordde de Resident. „Zooals gij ziet, staat het riet nog te velde. Het is eerst over een maand, dat de maaltijd begint. Ja, dan is het uiterst interessant zoo'n fabriek te bezoeken. Gij zult er evenwel op uwen weg genoeg ontmoeten.quot;
De weg van Kemanglen tot Tagal liep door een dicht bevolkte streek. De desa's lagen als aaneengeschakeld langs de beide oevers der Kalie 2) Clong, ook rivier van Tagal geheeten, met welker hoofdstrekking de weg evenwijdig aangelegd was. Hij leverde dus een levendig gezicht van al de menschen en voertuigen van alle soort, rijtuigen, als: milords, tentwagens, dos a dos, bendies, „kahar peerquot; en „grobaksquot; (vrachtkarren), die van de markt kwamen, of nog derwaarts op weg waren. Het was ongeveer tien uren, toen het gezelschap, hoogst voldaan over dien rijtoer, binnen Tagal teruggekeerd was. Een uur latei-zaten allen gezellig in de voorgalerij van het Residentie-huis hun aanstaande reis te bespreken. De heer Neder pelt verzekerde hen van zijn medewerking voor zoover zijn gewest betrof en gaf dadelijk de noodige bevelen, toen hij vernam, dat de reizigers het voornemen hadden, den volgenden dag den weg om de Zuid in te slaan en over de hellingen der uitloopers van den Cloenoeng Slamat de Residentie Banjoemaas binnen te dringen.
Wijders noodigde hij het reisgezelschap uit een eenvoudige dansreceptie te willen bijwonen, die denzelfden avond in het Residentie-huis zou plaats hebben, waartoe allen hun woord gaven.
De mensch wikt. God beschikt! Die partij zou een buitengewonen luister erlangen.
') Een bouw = 500 vierk. Rijnl. roeden of TO'gQS vierk. M.
2) In de Sunda-districten heet rivier; tji; beoosten do Losarie evenwel: kalie.
29
Toen ons gezelschap zoo omstreeks één uur het Residentie-huis verliet, zag het den top van den Slamat in dichte wolken gehuld, welke een donkerblauw, ja zwartachtig voorkomen hadden.oen ons gezelschap zoo omstreeks één uur het Residentie-huis verliet, zag het den top van den Slamat in dichte wolken gehuld, welke een donkerblauw, ja zwartachtig voorkomen hadden.
„Ik geloof niet, dat het hedennamiddag droog zal blijven,quot; was de banale opmerking van Van Berkenstein.
„Dat geloof ik ook niet,quot; antwoordde Vogels. „Ik meen zelfs, dat het in meer dan één opzicht niet droog zal blijven.quot;
Niemand sloeg acht op dat antwoord. Maar terwijl onze reizigers aan tafel zaten, rolde de donder reeds en schoten verblindende bliksemstralen door het luchtruim. De donderbui scheen zich evenwel om den top van den Slamat te houden, althans zij schreed niet noordwaarts. Het gezelschap ging dan ook gerust een afleiding voor de drukkende warmte zoeken in een dolce far niente, of beter, op zijn Indisch uitgedrukt: in een namiddagslaapje.
Het kon zoo omstreeks drie uren wezen, toen mevrouw Van Berkenstein gewekt werd door een vreeselijk misbaar, dat op het erf van het logement gemaakt werd. De jaloezieën van deur en ramen waren gesloten om de daghitte buiten te sluiten. Het was dus vrij donker in het slaapvertrek. Ernestine wilde het bed uitspringen om een der ramen te openen, ten einde te vernemen, wat de oorzaak van dat misbaar was. Een kreet ontglipte haar, toen haar lieve kleine voetjes den grond raakten. Zij was tot over de enkels in het water gestapt. Haar fraaie „tjenela'squot; (sloffen) dreven in de kamer rond, zoo ook de bottines van Van Berkenstein. De jonge vrouw vloog naar het raam, rukte dat open en stond versteld over hetgeen zij zag. Het geheele erf stond blank. Het Inlandsche bedienden-personeel krioelde door elkander en beijverde zich 0111 de benedenverdieping te ontruimen
— NAAR BANJOEMAAS.
31
BANDJIR,
en alles wat bederven kon in de achtergalerij van het hoofdgebouw, welke hooger dan de bijgebouwen lag, te sleepen. Het water scheen nog te wassen, want met kracht drong het het erf op. Ernestine wekte Van Berkenstein, maar alvorens die nog den slaap goed uit de oogen gewreven had, ging de deur open en keek het schalksch hoofdje van Clotilde Visbergen om den deurpost.
„O! het is „bandjir! bandjir!quot; heerlijk! kom toch naar buiten!quot; riep zij opgetogen.
Toen zij echter Van Berkenstein achter de bedgordijnen ontwaarde, stoof zij weg.
„Wat meent zij toch met haar „bandjirquot;, met haar heerlijk?quot; vroeg Ernestine.
„Och, het is overstrooming,quot; antwoordde Van Berkenstein nog loom.
Hij sprong evenwel ook het bed uit en deed de deur open. Daar buiten stond het geheele reisgezelschap in de galerij der bijgebouwen. De dames zoowel als de heeren stonden blootsvoets in het overigens niet koude water. Aan de slaapbroeken der eersten en de sarongs der anderen kon men zien, dat zij al wat in het vocht gedarteld hadden. Ja, de beide Denen stonden buiten de galerij, besproeiden elkander met handenvol water en plonsten en ploeterden dat hun kabaja's en de overige kleeding geen droge plek meer aanwezen. Mevrouw Jaffrezic was op een tafel gaan staan, maar de oogen van Clotilde schitterden van verlangen om met de Denen mee te gaan doen.
„Komt, laten wij vóór eens gaan kijken!quot; riep zij uit.
En, door het water wadende, dat hen, zoodra zij de galerij uitstapten, tot aan de knieën reikte, gingen zij naar het hoofdgebouw, welks vloer boven het peil der overstrooming gelegen was. Maar ook daarin was alles in rep en roer. De logementhouder en zijn vrouw waren insgelijks bezig om alles in veiligheid te brengen, niet voor het water, maar voor een andere plaag, die vergelijkenderwijs een ramp kon genoemd worden. De „rajapsquot; (witte mieren) namelijk, door de overstrooming uit haar onderaardsche holen verjaagd, braken overal tusschen de vloersteenen door en bedreigden de rottanmatten en het meubilair met verderf.
Vóór in de galerij echter raakte de opgewondenheid onzer toeristen ten top. Toen zij daar verschenen, ontrolde zich een schouwspel voor hun oogen, dat hun wel iets als een vastenavondklucht geleek. De geheele weg, zoover het oog reikte, stond onder water en overal was jong en oud bezig met schuitjevaren. Hier stevende een flinke boot, waarin een geheele familie gezeten was, onder den aandrang van een deftigen roeislag daarheen; daarginds zaten een paar dames in een tobbe, welke een heer poogde voort te boomen en by de geringste beweging om haar middelpunt draaide. Elders dreef een deur, waarop een paar knapen aan het laveeren waren. Iets verder ploeterden en plasten een paar deerns op een tafel, welke omgekeerd met haar pooten omhoog op het water dreet; daar vermaakte zich een geheel gezelschap van beider kunne op een vlot, dat uit saamgebonden bamboehalmen bestond. En dat alles schoot en gierde door elkander, de kreten van „mahin bandjir! mahin bandjir!quot; (overstroominkje-spelen) schalden door de lucht, en dat
KAAK BANJOEMAAS.
'62
BANDJIR. —
alles had pret en juichte, wanneer hier een tobbe en daar een deur omkantelde en den lieven last over boord wierp, die dan uit het water kroop en, bij het kleven van de luchtige kabaja en sarong of van de „tjelana monjetquot; (apenbroeken) bij de „backfischenquot; op het lichaam, soms vormen te zien gaven, die den meest koelbloedige en den meest onverschillige een glimlach ontlokten.
„Üiable!quot; mompelde Montauban, „voilii un spectacle qu'Emile Zola n'a jamais entrevu!quot;
Maar terwijl ons gezelschap zich onledig hield met naar dat „mahin bandjirquot; te kijken, zagen zij van den kant van het Residentie-huis eenige schuiten komen aanvaren, in welker voorste, toen zij naderbijgekomen was, allen het hoofd van gewestelijk bestuur herkenden.
„Waar gaat dat heen?quot; riep Van Berkenstein. „Gaat gij ook „mahin bandjirquot;?quot;
„Hoort gij niet?quot; antwoordde de heer Nederpelt, terwijl hij met de hand in de richting van een gardoe wees.
„De „tontongquot;!quot; riep Vogels.
„Ja, de „tontongquot;!quot; antwoordde de Resident. „Er zijn daar eenige. désa's in nood.quot;
En werkelijk, in de verte lieten zich de verdubbelde slagen hooren, die op het holle houtblok gegeven werden. Den Eranschen en Denen werd medegedeeld dat de „tontongquot;, welk woord blok beteekent, de Europeesche alarmklok vervangt.
„Gaat gij mede?1' riep de Resident den heeren toe.
Tot antwoord stapten dezen onversaagd door het water en namen plaats in de schuiten, die onverwijld voortmaakten.
Het was een treurig gezicht en geheel verschillend met hetgeen zij een oogenblik vroeger aanschouwd hadden, wat zich thans voor hun oogen opdeed. Zoodra de booten de Kota Tagal uitgevaren waren, was de geheele sawahvlakte, zoover de blik reikte, aan een onmetelijke, drabbige zee gelijk, welker water veel overeenkomst, wat kleur betreft, met chocolade had. Daarginds in de verte staken eenige klapperboomen boven de watervlakte uit en daarbij stonden eenige hutten, waarvan de daken nog alleen maar zichtbaar waren. Op die daken hadden de door den „bandjirquot; overvallen huisgezinnen plaats genomen en keken mannen, vrouwen en kinderen, die daar op de wiegelende dakvlakten in doodsgevaar verkeerden, angstig naar de naderende redding uit.
„0! daar komen prauwen!quot; gilde een jonge deern. „Kijk, daar komt Pa Saminah! 0! nu zijn wij gered!quot;
„Kijk, daar komen nog meer vaartuigen!quot; juichte een vader. „Hierheen! hierheen! Daar is ook de Toean Bezar! Hij zij gezegend, die zóó zijn plichten als bestuurder opvat!quot;
Bij de geestdrift, door de tegenwoordigheid van den Resident teweeggebracht, werden alle krachten ingespannen en waren dan ook weldra alle gezinnen gered. Het was aan-
mÊmÊsm
xm v;
NAAI! BANJOEMAAS.
33
BANDJIR, —
doenlijk te zien, hoe die Inlanders, zoowel mannen als vrouwen, voor hun kroost zorgden, met hoeveel zelfopofferende liefde en toewijding zij hun kinderen in de vaartuigen hielpen, met hoeveel angstvalligheid zij rondkeken of niemand hunner achterbleef. Neen, zij hadden geen enkele gedachte voor zichzelven, ofschoon de hut onder den aandrang van het water zwiepte en gevaarlijk balanceerde, hoewel het dak onder hun voeten kraakte en dreigde zich te begeven. Neen, zij hadden geen blik voor hun „baleh-balehquot; (rustbank), voor hun huisraad, voor hun have en goed, die daar wegdreven. En toch was dat hun geheele schamele rijkdom, die daar verloren ging. Maar, wat bekommerden zij zich daarom? Hun kinderen waren gered; dat was het voornaamste. Een „Allah akhbar!quot; (God is groot) ontvlood als dankgebed aan hun mond; terwijl een paar moeders aan de voeten van den Eesident hurkten en den zoom van zijn rok en zijn handen met kussen overdekten.
Toen er niets meer te redden viel, werd de terugtocht naar Kota Tagal aangenomen. De desa, waar men redding aangebracht had, was geheel verwoest. Voor en na stortten de huizen onder den drang des waters in en dreven naar zee of tornden met hun daken tegen de klapperboomen op, die zij deden buigen en zoo ook met vernieling dreigden. Onderweg nam men nog de opvarenden van een vlotje op, dat de ongelukkigen in dei-haast van „kudebokhquot; (pisangstammen), met bamboelatten aan elkaar geregen, hadden vervaardigd. De rampzaligen barstten in tranen uit, toen zij in de schuiten buiten gevaar waren. Ja, zij hadden het leven behouden; maar alles wat zij bezaten, was te gronde gegaan.
„Wijs mij de plaats, waar gezaaid isquot;
waren Multatuli's woorden, welke Vogels tusschen de tanden mompelde.
Ja, het was feest dien avond in het Residentie-huis. Want alle Europeanen, zoowel mannen als vrouwen, hadden hun plicht gedaan, de eersten door daadwerkelijk te hulp te schieten, toen de nood hoog was, toen de sombere golven naar zoo menig menschen-leven hunkerden; de anderen door de geredden liefderijk te verzorgen, door de naakten te kleeden, de hongerigen te spijzen, door de bedroefden te troosten.
Hoe de genoodigden op de partij kwamen? Ja. dat's waar ook. Alles stond nog blank; het water was wel zakkende, maar nog niet geheel weggeloopen. Het was een kluchtig 'schouwspel! Dat natuurlijk al de rijtuigen gerequireerd waren, is buiten kijf. Maar te Tagal zijn de rijtuigen niet talrijk. Daarenboven moesten zij de genoodigden te Kemanglen, te Doekoewringien, te Brebes, te Djatibarang, Bandjerdawa enz. halen. Niets zou evenwel de danslustigen weerhouden; zij zouden zich met vlotjes, met prauwtjes enz. behelpen en, toen het water al meer en meer wegzakte, verschenen luisterrijk uitgedoste schoonen op den rug van eerzame koelies, die onder den last niet hijgden, al was die nog zoo lief en al was die soms nog zoo zwaar. Bij aankomst gleed dan zoo n schoone, \\el met eenigszins verfomfaaid kostuum, van den rug van den Javaanschen lastdiagei in de aimen \an een
BANDJIH. —- NAAK BANJOEMAAS.
dev jongelieden, die als commissarissen van liet feest fungeerden en dan ook post hadden gevat op de trappen der galerij om den lieven last over te nemen.
Behoeft er verteld te worden, dat er gedanst, veel gedanst, uitbundig gedanst werd? De regent van Brebes, Raden Toemenggoeng Tjokro Adi Negoro, die met zijn confraters, de regenten van Tagal en Pemalang, het feest met zijn tegenwoordigheid vereerde, had zijn muziekcorps, hetwelk, tusschen twee haakjes gezegd, zeer goed was, aangeboden; het werd letterlijk gezegd afgebeuld. De arme drommels konden geen oogenblik verademing nemen of de commissarissen, onder den aandrang der lieve dames, riepen met luider stem; muziek! muziek! Gelukkig dat de Residentsvrouw voor de noodige ververschingen gezorgd had; anders hadden de arme kerels het niet uitgehouden.
Het middernachtsuur sloeg, toen, van een oogenblik verpoozing gebruik makende, Montauban opstond en het woord vroeg. Hij wenschte, — zoo sprak hij, — door de ongelukken, welke dien dag plaats gehad hadden, in het geheugen terug te roepen, geen wanklank bij de heerschende feestelijke stemming te doen hooren. Maar er waren rampen te lenigen en .... weldoen en feestvieren, meende hij, konden heel goed met elkander hand aan hand gaan. Hij zou het zoo schoone vers: Pour les pauvres, van Victor Hugo, reciteeren en daarna de ongelukkigen in liefderijk aandenken bij de aanwezigen aanbevelen. Op die toezegging werd het doodstil in de ruime binnengalerij. De schoone en zoo keurig getoiletteerde dames en de heeren in hun zwarte rokken verdrongen zich om den spreker, ademloos en stil, om geen woord van de goddelijke taal van den ouden bard te verliezen. Montauban stond daar met zijn bezielenden blik, met zijn fraai besneden gelaat en sprak met zachte, maar toch mannelijke stem, en met die harmonische intonatie, welke alleen bij de beschaafde Franschen van de zuidelijke departementen aangetroffen wordt:
Dans vos fetes d'hiver, riches, heureux du monde,
Quand le bal tournoyant de ses feux vous inonde,
Quand partout ii rentour de vos pas vous voyez Briller et rayonner cristaux, miroirs, ballustres,
Candélabres ardents, cerclo étoilé des lustres,
Et la danse, et la joie au front des conviés;
Tandis qu'un timbre d'or, sonnant dans vos demeures,
Vous change en joyeux chant la voix grave des heures,
Oh! songez vous parfois que, de faim dévoré,
Peut-être un indigent dans les carrefours sombres S'arrête et voit danser vos lumineuses ombres Aux vitres du salon doré ?.............
En zoo ging Montauban voort. 0! aller ooren hingen aan zijn lippen. Die harmonische akkoorden, nog welluidender dan de fraaiste muziek, roerden aller harten. Wat klonken die woorden zacht, lieflijk, biddend, smeekend, als een stem uit den hemel, toen Montauban bij het slot van dat schoone gedicht zacht lispelde:
:U
BANDJIR. - NAAK BANJOEMAAS. 35
Donnez ! pour étre aimés du Dieu, ijui se fit homme,
Pour que le mócliant même en s'inclinant vous nomine,
Pour que votre foyer soit calme et fraternel:
Donnez! afin qu'un jour a votre lieure dernière,
Contre tous vos péchés vous ayez la prière D'un mendiant puissant au ciel!
Montauban zweeg. Maar in weerwil van dat zwijgen, ruischten die woorden toch nog daar binnen die wanden en was ieders oor nog aan de lippen van den Franschman geketend, alsof er nog iets komen moest. En.... ja, daar kwam nog iets. Op zijn stem antwoordde een ander, die nog lietlijker, als het kon, en met die welluidendheid, welke slechts als reine zilverklank van vrouwenlippen kan ontsnappen, het slotvers van de vertaling van Hugo's schoon gedicht door Ten Kate voordroeg:
O geeft! Wie weet hoe ras de sclieidensure nadert.
Die weldeed heeft omhoog een blijvend goed vergaderd:
Gezegend, hij wiens graf een dankhre schare schreit!
O geeft! opdat in 't uur, als gij met al uw zonden Voor God verscliijnen moet, één arme zij gevonden,
Die biddend om uw vrijspraak pleit.
Het was de stem van mevrouw Van Berkenstein, die daar zoo bekoorlijk, zacht-smeltend ruischte en aller harten aan haar geboeid had. Met een blik overzag zij de uitwerking. Zij wilde de betoovering niet laten wijken. Het hoofdje vooroverbuigende, fluisterde zij de Residentsvrouw, alsook mevrouw Visbergen en mevrouw Jaffrezic iets in het oor en met haar vieren traden zij tusschen de feestvierenden, hielden het fraaie handje op en smeekten met lieiijjk biddend gelaat om een gift voor de slachtoffers van de over-strooming. De Europeanen in Nederlandsch-lndië zijn mild. Daarenboven, in die lieve, kleine handjes, die zich tot hen uitstrekten, konden geen rijksdaalders, geen guldens gestopt worden. Neen, er moest goud. er moest bankpapier in! Die dat niet bij zich had. krabbelde onder den indruk van de betoovering een bon en legde dien in het teedere handje. Het was een wedstrijd van menschlievendheid, een wedstrijd in vrijgevigheid.
Toen de Resident de gaven, die voor de noodlijdenden in zijn gewest geofferd waren, geteld had, deelde hij mede, dat hij ruim drie duizend gulden had ontvangen.
De danspartij had laat geduurd. Het was dan ook niet vroeg meer, toen onze toeristen, in hun reiswagens gezeten, den weg, die naar het Zuiden voerde, insloegen. Tot Lebaksio leidde die weg door vlak land. Daar begonnen de eerste terreingolvingen waargenomen te worden. Daar voerde hij ook gedurende een wijl westwaarts, om later zich in zuidwestelijke
BANDJIR. — NAAK BANJOEMAAS.
en eindelijk weer in zuiver zuidelijke richting te slingeren. Bij Boemi Ajoe begon het eigenlijke bergterrein eerst. De bergketen, die den Slamat met den Goenoeng Pembarissan verbindt, moest overschreden worden. De weg was evenwel uitmuntend en de paarden waren vurig, sterk en gewillig. Toch waren er vele plekken, waar een voorspan van buffels moest genomen worden en waar de reizigers uitstapten, om de inspanning van de arme dieren eenigermate te verlichten. De weg voerde tusschen de hellingen van den Slamat en den top van den Talaboga. „Een dwergknaap naast een reus!quot; Visbergen merkte dat den reizigers op.
„De een is slechts 11)00, de ander bijna 11,000 voet hoog,quot; zeide hij.
Van Tagal af had men den Slamat steeds voor oogen gehad. Bij Lebaksio was hij eenigszins ter rechterzij afgeweken. De reizigers hadden zijn noorderhellingen kunnen bewonderen; nu zij op den bergpas waren, hadden zij het volle gezicht op zijn westelijke en zuidwestelijke ribben. Visbergen vestigde de aandacht er op, dat, van welke zijde men dien vulkaan ook bekeek, zijn witte dampzuil, die uit het hoogste gedeelte van zijn kratermuur spoot, overal zichtbaar is.
«Hij is na de Semeroe ') de hoogste berg op Java,quot; deelde Visbergen als topograaf mede. „Hij verheft zich op het smalste gedeelte van het eiland Java tusschen de hoofdplaats Tagal, aan het noorderstrand aan de Java-zee gelegen, en de monding der Kalie Serajoe, die zich in den Indischen Oceaan werpt. Hij ligt evenwel iets dichter hij de noordkust. Hij is een van de meest regelmatig gevormde vuurbergen op Java en wordt ten opzichte van die regelmatigheid slechts ter zijde gestreefd door den Tjerimai in Cheribon, den Merbaboe op de grenzen van Kedoe en Semarang, den Soembieng en den Sindoro op de grenzen van Kedoe en Bagelen.'quot;
„Het is een prachtige berg! betuigde Van Berkenstein.
„C'est une vue magnifique!quot; riepen de Franschen en Denen als uit één mond.
Het was omstreeks één uur, toen men te Adjibarang aankwam. Daar, in den „passa-grahanquot;, werd snel gerijsttafeld en verder een bezoek gebracht aan den waterval, welke op een duizend passen oostwaarts van die plaats door de Kalie Datar gevormd werd. Een lavawand, die zich van een hoogte van ongeveer dertig voet neergestort had, was in dien val gestold en het was langs dien wand, dat zich de genoemde beek met een machtigen straal loodrecht afstortte, nadat zij den rand van de lavarots inet een twintig voet diepe, maar slechts vijf voet breede gleuf had doorgesleten. Woest was hier het gezicht van die lavamassa, waardoor het water, als saamgeperst, zich met geweld baan gebroken had.
„Komt, volgt mij!quot; riep Visbergen, die hier den weg goed scheen te weten.
Het gezelschap klonterde langs een smal pad, in den lavawand uitgehouwen, naar beneden, waar het bij de bedding der beek beneden den val aankwam. Door Visbergen
') De Semeroe, in de Residentie Probolingo, is 11,730 en de Slamat 10,948 voet hoog.
37
geleid, naderden de toeristen de waterzuil al meer en meer, zelfs zoodanig, dat zij in den luchtstroom kwamen, die door den val des waters teweeggebracht werd. Ulinsterende spatten, die als diamanten schitterden, bereikten hen en zij zagen voor hun oogen de fijne waterstofdeeltjes als een tijn kantweefsel rijzen, dalen en dansen onder de saamgeperste luchtgolvingen en door de zonnestralen beschenen, een kleinen regenboog vormen, waarvan de prismatische kleuren zóó fraai en zóó scherp afgeteekend waren, dat de waarnemers bekennen moesten, dat zij nooit zoo iets te zien hadden gekregen.
Visbergen stapte steeds voort. Hij sloeg den hoek van een rots om en bracht het gezelschap achter den straal van den waterval. Een kreet van verrassing ontsnapte aan onze reizigers.
„Oh! que c'est beau! que c'est imposant!quot; riep mevrouw Jaffrezic uit.
En schoon was het tafereel te noemen, dat de reizigers voor oogen hadden. Hoewel de rots, waarlangs de beek zich afstortte, uit compacte lava bestond, zoo had het water deze toch uitgehold en daardoor een achterwaarts inspringenden bocht gevormd, waardoor gelegenheid gegeven werd, achter den waterval te komen. De straal vertoonde zich volmaakt helder als kristal, met een licht-blauwachtige tint, waarschijnlijk een weerspiegeling van het azuur des hemels. Langs de grenzen van dien straal brak het licht in prismatische kleuren en omgaf hem alzoo met een zoom van een tooverachtig effect. Rechts en links van de waterzuil hadden de reizigers van uit die uitholling, waarin ze stonden en waarin een zacht blauwachtig halfduister heerschte, op de omliggende landstreek wonderschoone vergezichten, die zich aan de eene zijde woest en wild, aan de andere zacht en lachend aan de bewonderende blikken der toeschouwers als in een diorama voordeden.
Van den waterval geleidde Visbergen het gezelschap naar een kloof op ongeveer, een paal ten Zuid-Zuidwesten van Adjibarang gelegen. Men volgde den linkeroever van de Kalie Datar, die na den val een poos in zuidelijke richting voortstroomde en zich eindelijk met een ander riviertje, Kalie Tadjem genaamd, vereenigde. Dit volgden de reizigers een wijl in noordwestelijke richting, toen zij plotseling voor een lange rotsspleet stonden, die zich tot op een verbazende diepte in de lavalaag opende en zich slechts op weinige passen afstands bevond van den rand van den loodrechten rotswand, die het riviertje omzoomde als het ware; zoodat het lavablok tusschen den wand en de spleet, op een smalle bazis steunende, ieder oogenblik in het dal der Kalie Tadjem dreigde to storten. Die spleet was ongeveer tweehonderd voet lang en liep evenwijdig aan den rotswand. Nu en dan verengde zij zich, soms verdween zij geheel en al onder de puinbrokken en de aarde, waarmede ze opgevuld was, maar gaapte iets verder opnieuw en grijnsde den toeschouwers schrikverwekkend uit haar zwarte diepte aan, terwijl de kruin van het als alleenstaande rotsblok zich tot op 200 voet boven den spiegel van de Kalie 1 adjem verhief.
„ Deze spleet of dit hol,quot; verhaalde A ogels. ,.hlt;vi bij de inlanders „batoe bla (gespleten steen). Tijdens het rijk van Djokdjokarta /uh lot over de grenzen der Preanger
BANDJIR. — NAAK BANJOEMAAS.
Regentschappen uitstrekte, werden, op last der Sultans, de misdadigers, die het leven verbeurd hadden, daarin geworpen. Maar niet alleen misdadigers ondergingen dat gruwelijk lot; ook zij, die in ongenade bij die hooge gebieders gevallen waren, of zich aan staatkundige vergrijpen hadden schuldig gemaakt, werden in die spleet geworpen om daar beneden in dat sombere en onpeilbare duister een schrikkelijken dood te sterven.quot;
Onze toeristen keerden in vrij ernstige stemming naar Adjibarang terug. Zij vonden de rijtuigen gereed, de paarden aangespannen. Weldra waren allen in de rijtuigen gezeten en ging het andermaal in vliegenden galop voorwaarts. De weg richtte zich van Adjibarang bijna zuiver oostwaarts tot een paar palen voorbij Poerwokerto, een klein plaatsje, zetel van een regent, dat ten Zuiden nagenoeg onder den meridiaan van den Slamat gelegen is. De reizigers hadden derhalve het genot ook de zuiderhellingen van dien vulkaan van vrij nabij te kunnen waarnemen. Even voorbij Poerwokerto voerde de weg zuidwaarts over Soekaradja naar Banjoemaas, de hoofdplaats van de residentie van dien naam. Het was ongeveer vijf uren des namiddags, toen zij die plaats binnenreden.
Bij het naderen hadden de reizigers reeds opgemerkt, dat zich veel volk op den weg bevond en dat allen, mannen, vrouwen en kinderen, zich naar de hoofdplaats spoedden. Hoe meer de rijtuigen Banjoemaas naderden, hoe meer de menigte samenpakte. De koetsiers en loopers klapten oorverdoovend met de zweep, riepen, schreeuwden, scholden en schimpten; het gaf niet veel. Van in galop rijden was geen sprake meer. De reiswagens sukkelden in langzamen stap voort, en, om ongelukken te voorkomen, waren de loopers verplicht zich bij de paarden te begeven en dezen bij het gebit vast te houden. In de verte liet zich muziek hooien, waarachtige muziek, Europeesche muziek, wanneer die dien naam mocht voeren. De rijtuigen bleven stilstaan. Het ware waanzin geweest, te beproeven door die volksmenigte heen te rijden.
„Dat zal niet lang duren,quot; sprak Vogels. ,,Dat's maar een oponthoud van weinige oogenblikken.quot;
„Maar wat is er aan de hand?1' vroeg Van Berkenstein.
„Qu'y a t'il!quot; vroeg mevrouw Jafirezic.
„C'est une noce, madame!quot; antwoordde Vogels.
„üne noce? Quelle noce? Les noces de Jeannette?quot; vroeg de jonge Framjaise lachende.
„Ou les noces de la fille de Madame Angot, de Clairette?quot; vroeg Boisjolin.
„Neen, neen,quot; antwoordde Vogels. „Een Javaansche huwelijksoptocht.quot;
Allen keken aandachtig toe. De tonen der muziek deden zich al meer en meer nabij hooren en weldra konden onze reizigers zich aan den optocht zeiven verlustigen. Het eerste, wat zij zagen, waren twee reusachtige beelden, van bamboe of rottan vervaardigd, die met de meest grillige kleeding uitgedost waren. Die beelden droegen groote zwaarden van hout, met zilverpapier beplakt, in de hand. In die beelden, welker geraamte evenals
BANDJIR, - NAAR HAX.TOEMAAS.
mandenwerk van rottan of bamboe gevlochten was, waren twee Javanen geborgen, die hen lieten dansen en de meest koddige bewegingen uitvoeren. Daar vlak achter werden twee lange bamboestaken gedragen, die rood en wit geschilderd waren en welker boveneind een soort versiersel droeg, dat uit goud- en zilver- en ander veelkleurig papier, zoo bont mogelijk, bestond. Daarachter volgde een muziekcorps, uit een paar clarinetten, een paar saxhoorns, een cornet-a-piston, een fluit en de onmisbare dikke trom bestaande. Op dat laatstgenoemde instrument werd onbarmhartig geranseld, hoewel erkend moest worden, dat de overige partijen niet onverdienstelijk bezet waren. De muzikanten, waren allen met een lang „badjoe toroquot;, een soort lange jurk, gekleed, hadden witte pantalons aan en den nationalen hoofddoek om de slapen gewonden. Achter dat muziekcorps volgde de bruidegom, op een paard gezeten, dat sierlijk opgetuigd was en door twee zijner vrienden bij de teugels geleid werd. De bruidegom had een rood linnen „dastarquot; (tulband) op het hoofd. Ook hij had een ,,badjoe toroquot; eu een witte pantalon aan, maar dat „badjoequot; was van roode zijde en van voren om den hals en op de borst met gouddraad gestikt en doorweven. Hij had de voeten gestoken in groote roodlakensche muilen, die ook met goud cannetillewerk geborduurd waren. Vlak achter den bruidegom volgde de bruid, in een draagstoel gezeten, welker bamboestijlen rood en wit geschilderd waren. Het gehemelte van dien draagstoel, welke door vier mannen getorst werd, prijkte met een grooten, witten, fan tast ischen vogel, met wijd uitgestrekte vleugels, die veel op een zwaan geleek.
De bruid, die daarin zat, had het hoofd versierd met een krans van bloemen van dun geslagen goud, welke „amas kajoe matiquot; heette en welker trossen van guldenbloemen „soentieng amasquot; genoemd werden. Het fraaie zwarte haar, in een zwaren „kondehquot; (wrong) naar achteren opgebonden, was op het voorhoofd gescheiden; haar wenkbrauwen waren gelijkgeschoren en haar oogleden eenigszins zwart gemaakt. Om den hals droeg zij een gouden ketting met sluitstuk van schitterend gesteente. Haar ,badjoe koeroeng' (jakje) was van helroode zijde gemaakt. Aan haar armen prijkten zware gouden ,,galangsquot; (armbanden). In haar handen hield zij een zijden zakdoek, waaraan een bos zilveren sleutels gebonden was, als zinnebeeld, dat de huiselijke zorgen voortaan haar deel zouden zijn. Haar „sarongquot; (onderrok), die onder het „badjoequot; uitkwam, was van donkerroode zijde en rijkelijk met gouddraad doorweven. Haar muiltjes waren van rood fluweel en rijkelijk met bloemen in goud geborduurd.
Het gelaat, de handen, de hals, in het kort: alles, wat van bruid en bruidegom voor het oog zichtbaar was, was, door middel van „borehquot; '), een gelijkmatig gele klem-gegeven, die Boisjolin deed uitroepen;
„Mais, que diable! ces deux éponx ont la jaunisse!
Achter den draagstoel der bruid volgden eenige priesters, die op de „rebanaquot; (een
') Uoreh is een verfstof, welker voornaamste bestanddeel de koenjiet santen of Curcuma purpuraseens is.
40
soort tamboerijn) sloegen en daarbij versetten uit den koran met lieesche stemmen krijschten. Achter de priesterschaar verdrong zich de menigte, die den stoet volgde en geen noot van de muziek en geen galm van het gezang liet verloren gaan.
Alle leden van ons reisgezelschap betuigden hun genoegen, dat zij zoo'n optocht hadden kunnen waarnemen. Mevrouw Van Berkenstein vroeg of bij elk huwelijk zoo'n optocht plaats had. Vogels antwoordde bevestigend en verhaalde dat de voltrekking des huwelijks of juister de priesterlijke inzegening ten huize der bruid geschiedde, waarna het bruidspaar met de praal, die de reizigers gezien hadden, naar zijn eigen woning geleid werd.
„En is dan het huwelijk voltrokken?quot; vroeg Van Berkenstein.
Op die vraag vloog een ondeugende glimlach over het gelaat van mevrouw Visbergen. Wel trachtte de lieve Clotilde zoo spoedig mogelijk haar lippen tot een ernstige plooi te dwingen, maar niet spoedig genoeg of Montauban en Nielsen hadden het toch gezien. Op hun aandringen vertelde Vogels:
„Gelijk ik zooeven zeide, gaan de jonggehuwden naar hun nieuwe woning; daar worden zij in zittende houding en met gekruiste beenen ouder het lichaam naast elkander op een ledikant onder een fraai versierden bedhemel geplaatst. De menigte gaat alsdan koffie en gebak nuttigen en daarna naar huis; maar de jeugdige echtelingen moeten in die houding en in die kleeding onder de hoede van twee oude vrouwen gedurende drie dagen en drie nachten bijna onbeweeglijk en bijna zonder te spreken blijven zitten. Eerst na het verstrijken van dien tijd verdwijnen de oude bestjes en laten de jonggehuwden alleen.quot;
Boisjolin opende den mond, om zijn bevreemding over zoo'n huwelijksnacht te kennen te geven en om wellicht een Franschen kwinkslag te uiten, maar de stoet was voorbij: de koetsiers lieten de zweepen knallen; de paarden schoten vooruit. De kwinkslag bleef tot aller genoegen achterwege en weldra zat het geheele gezelschap in het logement bij elkander.
Karang Bollong, — Naar Wonosobo.
\ /1 en hield een dag rust te Banjoemaas; maar den daarop volgenden morgen ging Ë de reis voort naar Karang Bollong. De weg, na eerst door heuvelland in zuid-waartsche richting geloopen te hebben, voerde daarna oostwaarts door vlak land, dat slechts in de nabijheid van den Groenoeng Djampang eenigszins golvend werd, daar men de uitloopers van dien berg — als een hoogte van nog geen 2600 voet op Java dien naam verdient — te passeeren had. De reis ging voorspoedig en het was nog vroeg, toen men de grens tusschen de residentiën Banjoemaas en Bagelen overtrok. Ook in laatstgenoemd gewest was de postweg goed, als het kon nog beter onderhouden dan in de andere residentie. Men reed Gombong voorbij, waar het tort Generaal Cochins zich op de zuidervlakte verhief'. Visbergen verhaalde het reisgezelschap, dat wat men daar in het voorbijrijden te zien had gekregen, nog slechts het reduit was van de versterking, die geprojecteerd was en die den vorm van een achtpnntige sterreschans zou erlangd hebben. Toen evenwel het reduit klaar was, kwam er in Nederland een der gewone periodieke bezuinigingskoortsen opzetten en werd het werk gestaakt. Het is nooit hervat geworden. Dat reduit met zijn zware schildmuren en zijn bomvrije lokalen werd tot verblijf ingericht voor de pupillen; in den regel verlaten kinderen van gemengd ras (van Europeesche vaders en Inlandsche moeders), waarbij door de oprichters beoogd werd, die verlaten wezens tot degelijke militairen en nuttige leden der maatschappij op te leiden.
Iets voorbij Karang Anjer werd een zijweg ingeslagen, die zuidwaarts naar het zuiderstrand voerde, en toen men den Indischen Oceaan nabijkwam, werd bij de desa Petanahan links gewend en den weg gevolgd, die westwaarts evenwijdig aan de zuidkust liep. Te Karang Anjer waren Van Berkenstein, Montauban en Visbergen gedurende het verspannen der paarden uitgestegen en hadden een bezoek bij den assistent-resident
KAKANO BOLIiONG. - NAAK WONOSOBÜ.
aldaar afgelegd. Zoodra die ambtenaar kennis had genomen van de Regeeringsbrieven, die aan de reizigers te Batavia verleend waren, en hij hun verlangen vernomen had, stelde hij zich dadelijk ter hunner beschikking. Spoedig had de heer Van Nes — zoo heette de assistent-resident — bij de reizigers plaats genomen, na alvorens evenwel een oppasser spoorslags langs binnenwegen vooruitgezonden te hebben, om de noodige voorzieningen te treffen — en voort ging het langs het zuiderstrand.
Het was een fraaie morgen. De zon scheen helder, de hemel was rein en wolkenloos. Het zou warm, zeer warm geweest zijn; want de weg, dien men volgde, verhief zich slechts weinig boven de oppervlakte der zee. Maar de zeewind, die gewoonlijk zoo omstreeks 9 uren des morgens doorkomt en als een wegstervende adem van den zuid-oostpassaat te beschouwen is, bracht frischheid en levensgenot aan. Hoewel de weg op ruim een paal van het strand verwijderd bleef, liet het geluid der branding zich zóó duidelijk en nabij hooren, alsof men er vlak bij was. Soms overstemde het gedonder van de brekende en neerploffende deininggolven het gekeuvel in de rijtuigen en was het onzen reizigers onmogelijk zich te doen verstaan. De afstand van Petanahan tot Karang Bollong is niet groot — tien a elf palen hoogstens — en was vrij vlug afgelegd. Toen men bij de rivier Tjintjing Goelong gekomen was, moest het gezelschap uitstijgen. Een brug over die rivier bestond er niet en had ook niet veel gegeven; want aan de overzijde verhieven de trachietrotsen zich schier loodrecht boven het terrein. De overtocht van de kleine baai, die de uitwatering van genoemde rivier vormde, geschiedde in „gethèksquot; (kleine vaartuigen), die zich thans uitmuntend hielden, hoewel zij op de hooggaande deining dermate heen en weer schommelden, dat de dames van tijd tot tijd onderdrukte angstgilletjes slaakten, maar die veel gevaar konden opleveren, wanneer de Oceaan daarbuiten onstuimig was en zijn wilde golven de kleine baai instuwde.
De rijtuigen zouden onder het poststation Sowook de reizigers afwachten. De assistent-resident gaf de noodige bevelen voor het vertrek, dat tegen halfdrie bepaald werd. Toen het gezelschap de overzijde der Kalie Tjintjing Goeloeng bereikt had, vond het een drietal draagstoelen klaar staan, waarin de dames plaats namen. Met zoo'n lieve vracht beladen, werden die stoelen ieder door vier Javanen naar boven gedragen. De vooruit-geijlde oppasser had zich goed van zijn opdracht gekweten.
„Wij zitten hier net als die bruid van laatst!quot; riep Clotilde Visbergen den heeren in het voorbijgaan toe.
Voor die heeren was dat naar boven klimmen een zwaar stuk werk. Het pad — als dat een pad mocht genoemd worden — was zóó steil, dat het oog soms angstig naar een steunpunt te midden dier grove vulkanische conglomeraten, waaruit de bergmassa van het district Karang Bollong bestond, zocht en dat de gehuwden eenige vrees voor de dames in die draagstoelen niet konden onderdrukken. Maar alles liep goed af; men bereikte — wel is waar ten koste van menigen zweetdruppel — de kruin van den Groenoeng Bollong,
42
KABAXO H0LL0N6. — NAAK WONOSÜBO.
welke zich op ruim 250 voet boven de oppervlakte der zee verhief. Van dien top had het gezelschap een prachtig uitzicht èn op het Karang Hol longgebergte, waarvan de hoogste top, de Goenoeng Poleng, zich op 1500 voet verheft, èn op den Indischen Oceaan, waarvan de lange deininggolven statig kwamen aanrollen om den voet der rots donderend te beuken, waarop onze reizigers vol bewondering stonden.
Van den rotswand, die steil in zee neerdaalde, was van boven niet veel te ontwaren. Voor hen, die den moed hadden den rand te naderen en op den buik te gaan liggen om zoo een blik naar beneden te werpen, ontrolde zich een woest en wild tafereel, dat slechts een chaos te zien gaf van wild opspringende golven, die heftig tegen de rotsbasis klotsten, in schuim, millioenen vonken onder de tropenzon, in fijn waterstof, dat als wolkenmassa opsteeg en waarin de zonnestralen zich in hun prismakleuren ontleedden, uiteenspatten en een geluid teweegbrachten, aan voortdurend gerol des donders gelijk. Die vergelijking scheen des te juister, daar de trilling, die de rots onder den aandrang van de aanrollende watermassa soms onderging, niet ongelijk was aan de dreuning, welke door onze Europeesche gebouwen bij hevige donderslagen ondervonden wordt. Boorde de blik bij geduldsoefening eenigermate door die schuimmassa, door die waterspatten, door dien witten nevel heen, dan ontwaarde hij soms holen in den rotswand, eenigen met hoog, anderen met laag gewelf bij de normale watervlakte, maar waarvan verscheidene onder de aanrollende golf bedolven en voor het oog onzichtbaar werden.
Hoe aangrijpend en duizelingwekkend dat gezicht ook was, toch lieten zich de dames niet weerhouden om ook een blik in die dwarrelmassa te werpen. De dochteren Eva's deinzen in den regel niet terug, wanneer het er op aankomt moed en vastberadenheid te betoonen.
„Willen de dames en heeren wel gelooven dat er menschen langs dien rotswand afdalen, om een schamel stuk brood te verdienen?quot; vroeg Vogels.
„Daar langs afdalen!quot; riep Louis Jaffrezic ontzet.
„Ja, het is daar, in die holen ginds beneden, dat de vogeltjes huizen, die de eetbare vogelnesten voortbrengen, waarop de Chineezen zoo verlekkerd zijn.
„Tiens! tiens! c'est ici qu'on receuille ces nids d'hirondelles mangeables?quot; vroeg Montauban.
„Ja,quot; ging Vogels voort. „En uw uitdrukking van nids d'hirondelles is juister dan gij misschien wel denkt. Het is een zwaluwen-soort, welke die nesten bouwt. Ivijkt, daai vliegen er een paar. Zooals gij ziet, is het vogeltje zelf vrij klein, maar vertoont nogal wat met zijn staart, die nagenoeg zoo lang als zijn geheele lichaam is. Heeft het dieitje de vleugels uitgestrekt en den staart uitgespreid, zooals gij vooral bij zijn dalende bewegingen kunt bemerken, dan verkrijgt het een schijfvormige gedaante. De kleur is grijsachtig zwart met een lichten groenen weerschijn; achter op den rug bij den staart en het benedenlijf gaat dat grijsachtig zwart in het muisvale over, terwijl het borstje een blauwachtige tint
43
vertoont. Het vogeltje, dat door den Javaan „lawetquot; '), soms ook „manoek lawetquot; genoemd wordt, heeft een eenigszins platgedrukt ko2)je, dat door de veeren zich rond en in evenredigheid met het lichaam groot voordoet. De bek is breed en opent zich zeer wijd en is voorzien van een zwarte, elsvormige, nederwaarts gebogen kleine punt. De vier vingeren der pootjes zijn gewapend met zwarte, kromgebogen, scherpe, lange nagels, waardoor het den vogel gemakkelijk is, zich langs de wanden van rotsen en klippen vast te hechten.quot;
„Mooi!quot; zei Van Berkenstein. „Wij kennen nu het vogeltje, dat de nesten maakt. Vertel ons nu iets omtrent die nesten.quot;
„Die nesten worden van een slijmachtige zelfstandigheid gemaakt,quot; ging Vogels voort, „welke in de maag van die diertjes aangetroffen wordt. Zij bedekken de plek van den rotswand, dien zij uitgekozen hebben om er hun nest aan vast te hechten, met een laagje van dat slijm. Wanneer dat laagje gedroogd en behoorlijk verhard is, wordt er een tweede laagje over heen gestreken, dat ook weer drogen moet, alvorens de bewerking te kunnen vervolgen. Zoo wordt door het diertje voortgegaan, totdat het nestje, dat den vorm verkrijgt van een schoteltje van geringe middellijn, dat door midden gebroken en met den breukkant tegen den rotswand gehecht zoude zijn, klaar is. De nestjes dienen slechts een jaar, of beter voor één broedtijd; want kort na het uitvliegen der jongen beginnen de nesten te stinken en vallen af. Hieruit volgt: dat wij ons die nestjes niet moeten voorstellen als een zwaluwnest of een kraaiennest in Europa. Het is een gelei-achtige massa, die een lichtgele kleur heeft en soms, tegen het licht gehouden, eenigermate doorschijnend is. De Chineezen zijn er zeer verlekkerd op niet alleen, maar schrijven er een groote geneeskracht aan toe, terwijl zij die nestjes vooral als aphrodisiacon gebruiken, Zietdaar, wat ik er van weet,quot;
„Maar nu de inzameling dier nesten?quot; vroeg Van Berkenstein. „Die blijft nog ter behandeling over,quot;
„Ja, daaromtrent laat ik het woord aan den heer Van Nes. Die is hier de baas van het spel en zal u beter kunnen inlichten.quot;
„Zouden wij niet eens een kijkje in de opzienerswoning gaan nemen ?quot; vroeg deze lachend. „Wij staan hier aardig in het zonnetje. Ik vrees dat de teint uwer dames onder die felle stralen zal lijden.... Neen, lacht niet, dames! De dagvorstin heeft hier kracht en al beveiligt gij u nog zoo goed met uw zonneschermen, gij zult er „koeliet langsepquot; van krijgen . . . .quot;
„Wat zullen wij er van krijgen?quot; vroeg mevrouw Van Berkenstein.
„Koeliet langsepquot;. Het is een spreekwijze om een bruine, geelachtige huid aan te duiden. Koeliet beteekent schil of huid. Langsep -) is een vrucht, die met een geelbruine schil
') Lawet = Hirundo esculenta.
2) Zi(! omtrent de langsep de noot op Idadz. 21 van het 2de deel.
KAKANÖ B0LL0N6. —
45
NAAK WOXO8OBO.
bedekt is. Werkelijk, dames, dat zou niet fraai zijn. Daarenboven is bij die opzienerswoning ook wel iets te kijken, wat in verband staat met het verhaal, dat ik te leveren heb.quot;
„En avant done!quot; zei Montanban.
Een laatste blik werd nog gewijd aan de schoone omgeving, aan den Oceaan, die daar, donkerblauw van kleur, in lange golven - men zou zeggen in lange plooien — deinde en onder de keerkringszon schitterde. Daarna stapte men naar de désa Karang Bollong, waarbinnen de bedoelde woning gelegen was. Die woning was een steenen gebouw, dat onzen bezoekers ruimte genoeg aanbood om wat uit te blazen. De assistent-resident gal' de noodige bevelen voor de rijsttafel, die straks; daaraan twijfelde niemand, na den reeds afgelegden tocht van Banjoemaas tot hier, goed zou smaken. Van de voorgalerij dier woning had men een fraai gezicht op het zuidelijk voorgebergte, maar op een kleinen afstand stond op een heuveltop een koepel van bamboe, vanwaar men hetzelfde gezicht genoot, maar daarenboven aan de oostkust een prachtigen blik door een kloof op den Oceaan had, waardoor men het spel der baren kon gadeslaan. De assistent-resident Van Nes stelde voor, daar te gaan zitten; en toen allen, zoo goed en zoo kwaad als het ging, plaats genomen hadden, begon hij:
„De inzameling der vogelnestjes geschiedt driemalen 'sjaars. De eerste pluk wordt Oedoean kesongo genaamd en begint in het laatst van April, de tweede of Oedoean tellor begint half Augustus en de derde of Oedoean kapat in December. Wanneer de tijd tot inzameling nadert, komen de hoofden van de omliggende dessa's van het district Karang Bollong hier voor de woning van den opziener bij elkander om de gelden voor de te maken onkosten bij elkander te brengen. Die onkosten worden veroorzaakt door den aankoop van buffels en geitenhokken en wierook voor de noodige offeranden, door de aanschaffing van de benoodigde rottantouwen, bamboezen en fakkels. Vanwege het Gouvernement worden aan de kamponghoofden en de arbeiders belangrijke hoeveelheden opium uitgereikt. Als dat alles geregeld is, wordt iemand naar de Goa Nogosarie (Nogosarie-grot) gezonden, vergezeld van de hoofden van de buurt, waar die klip gelegen is, om een zestal nestjes te halen, ten einde te kunnen oordeelen of de inzameling kan geschieden. De Goa Nogosarie is de meest genaakbare grot en daarom wordt die gekozen. Zijn de nestjes nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen, dan wordt de pluk nog eenigen tijd uitgesteld. Wordt evenwel bevonden, dat de nestjes hun ware grootte bekomen hebben, dan worden de voorbereidende maatregelen ■ onmiddellijk aangevangen. De rottanladders en de bamboestaken worden in gereedheid gebracht, de „gamelanquot; en „anklongquot; ') worden bijgehaald en men houdt zich voornamelijk bezig met het schoonmaken van de Goa Bollong, waarin het feest gegeven zal worden. Die werkzaamheden moeten steeds des Donderdags middags afgeloopen zijn, omdat het feest dien avond bij het ondergaan der zon moet beginnen en den geheelen
') Namen van inuzifkinstnimenten, waarover later.
46 KAKAH BOLLONG. — NAAK WONOSOBO.
Vrijdag voortgezet te worden. Die Vrijdag wordt Ngaderan genoemd. In de Groa Bollong weerklinken de gamelang en de anklong dan en wordt een wajangvertooning gehouden, die uit zeven bedrijven bestaat. Een wajangspel bestaat, evenals een Chineesch schimmeispel, uit poppen, die van bordpapier of van leer vervaardigd zijn. Daarna worden ettelijke buffels geslacht, waarna men eenige stukjes vleesch van de tongen en van de ingewanden der geslachte dieren in bakjes van gevlochten bamboe als offers aan de ingangen der Goa's Bollong, Watoe Toempang en bij de wachthuizen van de Goa's Gedeh, Wolo, Dahar, Nogosarie en Medjing-klak brengt, terwijl bij laatstgenoemde klip bovendien nog een geitenhok geofferd wordt.
„Tijdens het wajangspel aan denquot; gang is, heeft de „toekan gedoengquot; (opzichtster), een oude vrouw, het bed van Njahi Eatoe Segarii Kidoel, ook wel Ratoe Lara Kidoel genaamd, in orde gebracht en worden daarbij ook bakjes met vleesch. bloemen, vruchten, sirih, enz. als offer neergezet.quot;
„Wie is die Ratoe Lara Kidoelquot;?1' vroeg Van Berkenstein.
„Dat is de Koningin van het Zuiden, een machtig bovenaardsch wezen. Njahi is de titel van een voorname vrouw, zooveel als ons mevrouw; Ratoe beteekent koningin, Segara: zee, Kidoel: zuiden en Lara: maagd. Gewoonlijk wordt zij afgebeeld als een zeer schoone vrouw, met de voeten staande op den overwonnen stier en met zeven armen, in de handen waarvan zij verschillende voorwerpen houdt, waaronder een zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild, enz. In één woord, het is Doerga, de gemalin van Siva uit den eeredienst van Brahma, die door de Javanen hier als Ratoe Lara Kidoel vereerd wordt.
„Als al die plechtigheden en feestelijkheden afgeloopen zijn, dan worden de gereedgemaakte ladders stevig aan boomen, die op de kruinen der rotsen staan, bevestigd en laat men die omlaag zakken. De hoofden gaan andermaal naar beneden om een zestal nesten te plukken, ten einde die met de reeds vroeger geplukte als standmonster te vergelijken. Acht men de ontwikkeling voldoende, dan worden de toebereidselen verder beëindigd en begint de algemeene pluk den volgenden dag. en men gaat daarmede voort, totdat de inzameling is afgeloopen, hetgeen zoo omstreeks binnen drie weken plaats heeft.
„Om een begrip te hebben van het gevaarlijke van die inzameling, diene dat de afdaling langs den schier loodrechten rotswand langs die rottanladders plaats heeft. Die ladders hebben een breedte van ongeveer 15 centimeters en een lengte van 77 voet. Soms worden twee, drie of meer ladders aan elkander bevestigd, naar gelang der hoogte van den rotswand, waarlangs moet afgedaald worden om den ingang der grotten te bereiken. De saamgevoegde ladders, die daarginds naar de Djoembling-grot voeren, zijn 660 voeten lang. Soms springt de rotsmassa achterwaarts in; dan hangt de klouteraar als het ware in de lucht boven de branding, die onder hem kookt en woelt, en slingert hij her- en derwaarts onder den invloed van het geringste zuchtje, dat om hem heen dartelt. Soms moet hij zich een schommelende beweging geven om den rotswand te kunnen bereiken en zich daaraan vast te klemmen.quot;
KAKANG BOLLONG. — NAAR WONOSOBO.
„Maar die ladders moeten stevig zijn,quot; was de opmerking van Van Berkenstein. „Daarginds bij die kloof hangt er een. Ziet, de hoofdtouwen bestaan elk uit twee om elkander gedraaide rottans, die ieder ruim drie centimeters doorsnee hebben. De houten sporten hebben een dikte van vijf centimeter en staan ongeveer drie decimeter van elkander. De heeren waren op de ladder toegetreden. Plotseling zei Boisjolin tot Ollerupp: „Zoudt gij durven omlaag klimmen ?quot;
„In Godsnaam, doe zoo iets niet!quot; riep de assistent-resident. „Nog nooit heeft een Europeaan zich daaraan gewaagd.quot;
Maar onze Deen, die een toonbeeld was van Noordsche kalmte, gepaard aan onbedwingbare voortvarendheid, stond reeds op de eerste sporten en daalde, daalde. Zijn onderlijf verdween onder den rotsrand, toen zijn borst, toen zijn hoofd. Nu waren nog slechts [zijn handen zichtbaar, die de bovenste sport omklemd hielden; maar zij lieten ook één voor één los ....
„Wat waaghalzerij!quot; riep Van Nes, die plat op den buik ging liggen, om den vermetele met de oogen te volgen.
Maar de ladder boog ten gevolge van den druk van den zuid-oostenwind onder den bovenrand, die overhelde, in, zoodat Ollerupp na weinige oogenblikken onzichtbaar was.
Het was een oogenblik van ontzettende spanning. Ook de dames waren naderbij-gekomen.
„De Bollong-rots is ruim tweehonderd voet hoog boven de oppervlakte der zee! was de min bemoedigende bemerking van Van Nes.
In die spanning ging een onmetelijk lang kwartier voorbij. Eindelijk begon men eenige beweging aan de rottanladder te bespeuren. Van Nes wierp zich weer op den grond.
„Daar is hij!quot; riep hij. „Maar God, wat ziet hij bleek! Houdt mij goed bij de beenen vast, dat ik hem grijpen kan!quot;
Montauban en Vogels, als de twee stevigste van het gezelschap, omvatten die beenen
met krachtvolle vuist.
„Houden!quot; riep Van Nes, terwijl hij de weifelende hand van Ollerupp greep, die
naar de bovenste sport tastte.
Met inspanning van alle krachten haalde de assistent-resident toen den roekelooze naar zich toe. Van Berkenstein vloog hem te hulp en weldra zat de geredde op een stoel in den koepel. Hij had een vogelnest tusschen de tanden geklemd.
„Een teug wijn! een slok cognac! stamelde hij, terwijl hij het nest uit den
mond nam.
De opziener verschafte het gevraagde onmiddellijk.
„Zoo iets onderneem ik nimmer meer!quot; zei Ollerupp, toen hij wat gekalmeerd was. „Verbeeldt u, zonder dralen, zonder iets onaangenaams te ondervinden, ben ik tot bij den ingang der grot gedaald. Verder kon ik niet, daar het vloed was en de deininggolven.
47
KARANG BOLLONG. —
48
NAAK WONOSOBO.
terwijl zij de grot met geweld in- en uitspoelden, mij bijna bereikten. De ladder, welker uiteinde in de zee hangt, werd onder den aandrang van de golven lievig heen en weder geschud. Dat alles deerde mij evenwel niet. Vlak bij den ingang, aan den binnenkant, zag ik dit nest; ik wilde dit als zegenteeken medebrengen, als bewijs, dat ik tot bij de vogelnestjes geweest was. Een golf sleurde het benedeneinde der ladder de grot in. Hangende volgde ik de beweging. Ik greep het nest, brak liet van de rots af, maar ternauwernood was ik daarmede klaar, of ik werd tegen het gewelf gesmakt met een geweld, dat mij hooren en zien vergingen. Ik haastte mij naar boven, maar onderweg werd ik door duizelingen overvallen. 0, wat ik toen geleden heb! De afgrond onder mij grijnsde, neen, trok mij aan. Soms zag ik de rotsen bloot onder mijn voeten. Een oogenblik daarna kookte en raasde de zee met woest geweld onder mij. En dan die brandende zon op mijn schedel! Mijn hoed was afgewaaid. Alles duizelde mij voor de oogen. Soms was het of bliksemschichten mij dooide hersenkas schoten! Hoe ik bovengekomen ben, begrijp ik nog niet. Alle hoop begon mij te begeven, toen ik mij plotseling den pols omklemd gevoelde en ik naar boven getrokken werd. 0! wie uwer mij die hulp verleende, ik dank hem innig, innig! Die hulp kwam zoo ter rechter tijd. Nog één seconde, dan ware ik in den afgrond geploft.quot;
„Zoo'n gevaar te loopen! En dat voor een vogelnest!quot; zei mevrouw Jaftrezic. „Het is onvergeeflijk!quot;
„En ware het nog maar een nest van den „lawetquot;, dan kon het nog als zegenteeken dienen,quot; zei Van Nes. „Maar ziet, het is uit grassprieten en takjes met slijm te zamen gelijmd. Het is slechts het nest van de „lintjiequot;, ook een zwaluwsoort, hetwelk volstrekt geen waarde bezit.quot;
„Toch zal ik het meenemen,quot; mompelde de Deen. „Dat nestje is nu voor mij onwaardeerbaar geworden.quot;
„Wanneer de inzamelaars den ingang der grotten bereikt hebben,quot; ging Van Nes zijn uitlegging thans voort, „dan blijft hun nog een zware arbeid over, namelijk het spannen der rottans in horizontale richting in het binnenste der grotten. De „lawetsquot; bouwen steeds hun nest in horizontale lagen in het hoogste gedeelte van het verwulf der grotten. Sommige grotten, welker ingang bij de zee slechts 10 tot 20 voet hoog is, bereiken binnen een hoogte van 80 voet. Gij kunt dus begrijpen welk een zware arbeid het is, die dwars-rottans langs die binnenwanden te spannen, waarlangs de inzamelaars zich tot in het hoogste gedeelte der rotsgewelven moeten kunnen bewegen om hun pluk te volbrengen. Die arbeid zou onmogelijk te verrichten zijn, wanneer de grove vulkanische breksie niet tal van uitspringende punten aanbood en inspringende hoekeu vormde, waarlangs de arbeiders met apenvlugheid gymnastiseeren. Voegt daar nu bij dat de zee zich met iedere deininggolf in al die holen stort, dat de ingang van sommige holen door iedere golf bedolven en voor het daglicht afgesloten wordt, dat bij het terugijlen van de baar het water door de saamgeperste lucht met een machtigen straal uitgespoten wordt, verbeeldt
KARANG BOLLONG. —•
10
NAAK WONOSOBO.
ii nu nog verder de halve duisternis, waarin de arbeider zijn taak volbrengt, het gedonder en het geklots der machtige baren, die uit den vollen Indischen Oceaan aanrollen, dan zult ge eenigermate kunnen beseffen met hoeveel gevaar dat inzamelen dier vogelnestjes gepaard gaat en welke mannenharten het moeten zijn, die deze inzameling volbrengen.quot;
„Hoe diep strekken zich die grotten onder den grond uit?quot; vroeg Nielsen.
„Dat is zeer verschillend,quot; antwoordde Van Nes. De Groa Dahar bijvoorbeeld heeft een lengte van 500 voet. Haar breedte bedraagt 50 en haar hoogte op sommige plaatsen (50 voet. De Goa Gedeh meet slechts een lengte van 150 bij een breedte van 100 en een hoogte van 25 voet. — De meeste nestjes worden met de hand van den rotswand afgebroken. Die zich zóó hoog bevinden, dat men er niet bij kan, worden met een ijzeren haak, aan een langen bamboe bevestigd, afgetrokken. De geplukte nestjes worden in een zak geborgen en zoo naar boven gebracht.quot;
„Hoeveel van die nestjes worden er jaarlijks ingezameld1?quot; vroeg Van Berkenstein.
„De jaarlijksche productie wordt gemiddeld op een half millioen nesten gerekend. Honderd nestjes wegen ongeveer een katie r). Zij worden verpakt in manden van 25 katies en zoo in de Gouvernementspakhuizen afgeleverd. De Chineezen betalen gaarne vijf duizend gulden voor een pikol2), hetgeen tien stuivers per nestje maakt.
„Zietdaar de geheimen van de inzameling van de „saroeng boeroengquot;, zooals de Inlanders die nestjes noemen, ontsluierd,quot; eindigde Van Nes zijn toelichting.
„Met uw verlof, heer assistent-resident, onze weetgierigheid is nog niet geheel bevredigd,quot; sprak Van Berkenstein. „Gij hebt ons nu wel verteld, wat de Chineezen aan het Gouvernement voor die vogelnestjes betalen; vertel ons nu ook wat het Gouvernement aan de arbeiders daarvoor vergoedt.quot;
Het aangezicht van den heer Van Nes betrok. Hij aarzelde een oogenblik.... daarna vermande hij zich en zeide: „Voor iederen zak, door den arbeider in 's lands pakhuis afgeleverd, ontvangt hij .... vijftien centen.quot;
„Vijftien centen!quot; riep Montauban uit. „Dat is negen en twintig centimes!... Schandelijk!'
„Maar hoeveel nestjes gaan er in zoo'n zak?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Tachtig, mijnheer Van Berkenstein, zoodat het gouvernement 400 gulden ontvangt, waarvoor het den armen drommel met vijftien centen afscheept,quot; haastte zich \ogels, alvorens de Assistent-Resident aan het woord kon komen, te antwoorden.
„Le comble de l'exploitation de l'homme par I'liomme,' mompelde Montaubantusschen de tanden.
Men ging nu aan tafel. De opziener had er eer van; de maaltijd was uitmuntend; hij oogstte aller lof in. Gaarne betaalde Nielsen de vijt gulden, die per persoon in rekening
') Kiitie = 0.6176 kilogram.
) Een pikol = 100 katies.
KARAXG BOLLONÖ, — NAAK WONOSOBO.
werden gebracht. De rijsttafel was nauwelijks verorberd, toen een oppasser kwam boodschappen, dat de paarden aangespannen waren en alles tot vertrek gereed was. De afdaling van den Karang Bollong was ook nu niet van bezwaren ontbloot; zij leverde evenwel niet die afmatting op, welke de beklimming veroorzaakt had. De dames hadden bij die afdaling de voorkeur aan haar voetjes boven de draagstoelen gegeven. De overvaart van de Kalie Tjintjing Groeloeng werd vlug genoeg volbracht en weldra rolden de twee rijtuigen daar heen den weg op, dien zij des morgens langs gekomen waren.
Het was laat geworden, toen het reisgezelschap te Poerworedjo aangekomen was. Maar van Karang Bollong tot daar was ook een heele rit geweest. Men had den weg over Keboemen en Koeto-Ardjo gevolgd en den heer Van Nes in eerstgenoemde plaats afgezet, van waar hij dienzelfden avond nog naar Karang Anjer had kunnen terugkeeren.
Men vond het logement te Poerworedjo ruim, de tafel uitmuntend en den kastelein voorkomend, zoodat men besloot aldaar een paar dagen uit te rusten van de vermoeienissen van den vorigen dag. Men besteedde die dagen om een bezoek aan den resident van Bagelen te brengen, met het militaire kampement Kedong Kebo in oogenschouw te nemen en zich verder met al het bezienswaardige van de plaats, wat niet veel was, bekend te maken. Onze toeristen vonden hierbij gelegenheid kennis te maken met de fabricatie van Javaansch papier, welke geheel in handen van de priesters hier was. Van den zeer vezeligen bast van den (laloegoe 1 j wordt touw gedraaid, maar bij voorkeur wordt hij tot brei geklopt, met rijstwater besprenkeld en, na een gisting en na met een gladde schelp gewreven te zijn, tot een grofvezelig papier bereid, dat tot vele doeleinden, maar wel het allerminst om beschreven of bedrukt te worden, aangewend wordt.
Onze reizigers verlieten Poerworedjo voldaan en vooral uitgerust. Tot afwisseling in hun omzwervingen zouden zij nu wederom eens het gebergte bezoeken. Het doel, waarheen zij zich nu wendden, was het Diënggebergte.
Tot bij post Benner, op ongeveer vijf paal afstands van Poerworedjo, liep de weg door vlak terrein. Daar splitste hij zich in twee takken, waarvan de eerste over het Minorehgebergte naar Magelang voerde, en de andere naar Wonosobo leidde. Het was deze laatste, dien onze reizigers zouden volgen.
50
Die weg was een waar kunststuk te noemen. Poerworedjo kan gerekend worden op een hoogte van 300 voet boven de oppervlakte der zee gelegen te zijn, terwijl Wonosobo op ongeveer 2560 voet ligt. Dat zou nu over de ± 25 paal, welke die weg van Benner tot Wonosobo meet, niet zoo veel zijn, maar onderweg ligt de bergketen Talok, die met zijn vertakkingen en nitloopers moest overschreden worden, waardoor de weg voortdurend rees en daalde en men soms dieper terechtkwam, dan men een halfuur te voren was. Soms
') Galoegoe = Broussonetia papyrifera, een hooge boom, tot de Artocarpeae behoorende.
KAHANG BOLLONG. — NAAR WONOSUBO.
slingerde de weg zigzagsgewijze naar boven en wendden de rijtuigen ijzingwekkend snel de scherpe hoeken om, terwijl het oog in de diepe dalen boorde, die zich als een afgrond openden.
Bij Sapoeran kregen de reizigers een Europeesche woning in het gezicht, welke op een kleinen afstand van den weg gebouwd was. Deze woning was wel opmerkenswaardig, vooreerst door de eenzaamheid, waarin zij zich bevond, maar ook door het schilderachtige tooneel, dat zij aanbood met haar witte muren en roode pannendaken, te midden der weelderige vruchtboomen, die zich rondom haar verhieven. Voor den toeschouwer, die dat hier van den weg waarnam, verhief de Soembing rechts zijn machtige kruin, terwijl links van die woning de zadelrug zichtbaar was, waardoor die vulkaan met zijn tweelingbroeder, den Sendoro, verbonden was.
„Dat zou een plekje zijn,quot; meende Boisjolin, „om het ton coeur et une chaumière te verwezenlijken! Zoo prettig eenzaam, zoo dichterlijk, te midden dier fraaie vegetatie!quot;
De gehuwden beantwoordden dien uitval van den jonkman niet. Op het gelaat dei-dames teekende zich een wel eenigszins spotachtige trek.
„Wie zou hier zoo alleen wonen?quot; vroeg Louis Jaffrezic. „Zeker een kluizenaar ol een menschenhater, die een afschuw van burenkabaal heeft!quot;
„Dat is eenvoudig een contróleurswoning,quot; antwoordde Vogels. „Iedere residentie is in een zeker aantal contróle-afdeelingen verdeeld, b. v. de residentie Bagelen in zes, waarvan Sapoeran er één is. Uit den aard der zaak heeft men die controles zoo mogelijk te midden der te contróleeren cultuur-ondernemingen geplaatst. Let op, deze contróleurswoning staat hier te midden der Gouvernements-koffietuinen. De meeste contróleurswoningen in de binnenlanden van Java zijn naar dat model gebouwd en kunnen zich op een niet meer levendige omgeving beroemen. Er zijn er evenwel zeer weinig, welke zoo liet schilderachtig gelegen zijn als deze.quot;
Die woning van Sapoeran was reeds lang uit het gezicht. De weg slingerde steeds op- en neerwaarts. Hij voerde thans dicht langs de kruin van den Goenoeng Sirandit, die ongeveer 3000 voet hoog was; en onze reizigers kwamen eindelijk, zoo omstreeks tegen elt uren, te Wonosobo aan.
51
Onze reizigers bevonden dat Wonosobo, zoo niet het liefste, dan toch een der liefste plaatsjes van geheel Java mocht genoemd worden. Hoewel het tegen het middaguur liep, toen zij er aankwamen, had niemand last van de warmte. Integendeel, een fdssche bergwind stroomde hen tegen, die, met graagte ingeademd, iedere matheid, iedere loomheid verbande en een heerlijken levenslust opwekte. Een hotel of logement was er te Wonosobo niet. Onze toeristen waren bij den assistent-resident, den heer Van Meurs, afgestapt en ondervonden ook bij dien de traditioneele Indische gastvrijheid. Wel was het een toer om in een kleine plaats als deze zooveel reizigers tegelijk onder dak te brengen, maar bij den goeden wil, die bij de gastvrijen voorzat, en het weinig eischende, dat de anderen bezielde, kwam alles spoedig ten algemeenen genoegen terecht. Montauban, Louis Jaffrezic, Boisjolin, Vogels en de beide Denen Ollerupp en Nielsen werden bij enkele Europeesche ingezetenen als het ware ingekwartierd en daar met open armen ontvangen. De assistent-resident en zijn echtgenoote hadden de getrouwden bij zich verzocht.nze reizigers bevonden dat Wonosobo, zoo niet het liefste, dan toch een der liefste plaatsjes van geheel Java mocht genoemd worden. Hoewel het tegen het middaguur liep, toen zij er aankwamen, had niemand last van de warmte. Integendeel, een fdssche bergwind stroomde hen tegen, die, met graagte ingeademd, iedere matheid, iedere loomheid verbande en een heerlijken levenslust opwekte. Een hotel of logement was er te Wonosobo niet. Onze toeristen waren bij den assistent-resident, den heer Van Meurs, afgestapt en ondervonden ook bij dien de traditioneele Indische gastvrijheid. Wel was het een toer om in een kleine plaats als deze zooveel reizigers tegelijk onder dak te brengen, maar bij den goeden wil, die bij de gastvrijen voorzat, en het weinig eischende, dat de anderen bezielde, kwam alles spoedig ten algemeenen genoegen terecht. Montauban, Louis Jaffrezic, Boisjolin, Vogels en de beide Denen Ollerupp en Nielsen werden bij enkele Europeesche ingezetenen als het ware ingekwartierd en daar met open armen ontvangen. De assistent-resident en zijn echtgenoote hadden de getrouwden bij zich verzocht.
Het hoofddoel van de reis naar Wonosobo was, om het Diënggebergte te bezoeken. Dat punt werd dan ook al dadelijk na de eerste begroetingen en kennismakingen ter sprake gebracht.
„Kunnen de dames paardrijden?quot; vroeg de assistent-resident.
De beide Hollandsche schoonen gaven te kennen, dat zij echte Amazonen waren. „Herinnert gij u nog onzen tocht naar ïelaga BodasT vroeg Ernestine Van Berkenstein aan haar echtvriend.
„Ja, zeker!quot; was het antwoord. „Gij zijt een flink, moedig vrouwtje!quot;
„En onze rijtoertjes in de omstreken van Buitenzorg?quot; vroeg Clotilde Visbergen aan haar man. „Herinnert gij u nog dien rit, toen die razende karbouw ons achternaholde?quot;
ZESDE HOOFDSTUK.
■ v -• r ,7- :••.-* v * • . ' quot; • ... '. .. . -Vf- - ; •••quot; v--•
'■ {■■'::■', v,. ;■ ■■ quot;, v:;-
, fi4, ■ • • • • '•■• vi'- • v gt;.■ • •-■• • ' ,vv -• . • ■• ■ - - ...•-.
.- vl : ^ ; . •• - .
■gt; l.fi'M ■ • , v..,^ . : ■ «.■■■ ■
■ rTk:' . -^ .1#:. ^ ^ ^ ;■ V-
VV ' • ' . ^ ■ ■ ■ .......;r r-.^. :- ^A -■.•■■■;■■•.
^ . v - .f .vquot;
v : ' ■ ' ■■*^ quot; ^,-v.' ,quot; .'^N' '■■
• ■ . - - __________
HINDOE,SCHE GENESIS.
58
DE DIÊNG. —
„Te drommel ja! dat ging er van langs,quot; antwoordde de luitenant met een glimlach. „Voor u behoeft niemand te vreezen. Maar nu mevrouw Jaffrezic....?quot;
Oh! je monte aussi a cheval,quot; antwoordde deze. „Et je ne suis pas peureuse, vous le verrez bien.quot;
„Dat vereenvoudigt de zaken zeer,quot; hernam de assistent-resident, „dan zijn er geen draagstoelen noodig. 'k Zal dadelijk bevelen geven, dat de „passangrahanquot; in orde gebracht worde en er levensmiddelen zullen worden heengevoerd.quot;
Dit laatste lokte een woordenstrijd van de zijde van Montauban uit, die beweerde, als „chef van de gamellequot; bij het reisgezelschap, daarvoor te moeten zorgen.
„Aan boord van de „Zeemeeuwquot; alleen!quot; antwoordde de heer Van Meurs. „Hier in Ledok ') niet; hier ben ik chef der gamelle!quot;
De strijd werd ten gunste van het vrijheidsbeginsel beslist. Montauban mocht zich met niets bemoeien.
Maar tot het treffen van die toebereidselen was tijd noodig. Men was in den „passangrahanquot; zoo maar niet ingericht om zoo'n talrijk gezelschap op te nemen en vooral geen dames, die daar al heel zelden een bezoek brengen. Er werd dus uitgemaakt, dat de reizigers een viertal dagen te Wonosobo zouden blijven. Dat was hun niet onaangenaam.
Het klimaat van Wonosobo is toch het heerlijkste van geheel Java. Overdag is er de warmte aangenaam getemperd door de bergwindjes, des avonds en des morgens is het er heerlijk frisch, terwijl de nachten er zóó koel zijn, dat een wollen deken er geen luxe is en de rustende er zicli met een gevoel van welbehaaglijkheid inrolt. Wandelingen in den omtrek waren dan ook aan de orde van den dag, waarbij de reizigers volop de geuren der rozen en der reseda's, die allerwegen de tuinen der ingezetenen versierden, genoten. De rozen werden er zóó overvloedig aangetroffen, dat b. v. de verdedigingsheggen op de bermen der grachten van het fortje uit dichte rozenstruiken bestonden, die, doelmatig geleid, een ernstig beletsel voor een stormenden vijand konden opleveren 2).
Ook genoten onze reizigers te Wonosobo de heerlijkste Europeesche groenten en aardappelen en moesten zij bekennen, dat die in de gematigde luchtstreek niet beter konden aangetroffen worden. Vruchten — Europeesche wel te verstaan — waren er niet veel, maar die er waren: een kleine soort gele pruim en aardbeien, werden overheerlijk bevonden.
Daarbij was de omgang met de ingezetenen allerprettigst. Wandelingen, kegelpartijen, gezellige avonden, waarbij het muziekmaken niet ontbrak, wisselden elkander at en deden het onzen toeristen betreuren, dat de tijd zoo snel voorbijvlood.
') Ledok is de naam van het Regentschap, waarvan Wonosobo de hoofdplaats is.
2) In 1867 was hot glacis van het fort te Wonosobo dicht beplant met Aloëstruiken (Aloë vulgaris), die met zijn stekelachtige en scherp getande en gepunte bladeren een ernstig beletsel voor de naderenden opleverden, — Dat fort was toen nog bezet; sedert is het evenwel ontruimd.
DE DIËN'G. — HINDOESCHK GENESIS,
De vertrekdag was eindelijk daar. Het was zoo vroeg niet meer, toen de stoet, bestaande uit onze twaalf reizigers, waarbij de heer Van Meurs en eenige Javaansche hoofden met hun volgelingen zich aansloten, zich op weg begaf. Men behoefde de warmte niet te schuwen.
Toen allen te paard gestegen waren, vormde de stoet een ware cavalcade, die de nieuwsgierigen op het pad lokte, om haar te zien voorbijtrekken.
Hoewel de weg oploopende was, kon toch tot Kalibeber een flinke draf onder-houden worden. Maar van daar klom het terrein zoodanig, dat niet anders dan stapvoets kon worden gereden. De weg was overigens goed en slingerde zich hoofdzakelijk over de uitloopers van den Sendoro, die zijn kegelvormige massa statig verhief en welks kraterrand op een hoogte van 9980 voet boven de oppervlakte van de zee gelegen was. Aan hun linkerhand hadden de reizigers een diep ravijn, waarin de Serajoe, de rivier, die zij in de vlakte bij de hoofdplaats Banjoemaas kalm en bedaard tusschen haar kleioevers hadden zien voortstroomen, hier over haar rotsachtig bed schuimde en bruiste. Zij reden nog een poos voort tot voorbij de desa Groemilar; toen kregen zij, terwijl de Sendoro meer op den achtergrond terugweek, een bergmassa ter rechterzijde in het oog, welker nokrand zich kringvormig voor het gezicht uitstrekte, maar die zich scherp op het azuur der lucht afteekende en nu eens dalende, dan zich weer verheffende, vele kleine en steile spitsen vormde en wel zoodanig, dat geheel eigenaardig tusschen elke twee hoogten een lengtekloof voor het oog verscheen en die spitsen zeiven de hoogste punten bleken te zijn der lengteribben, die, evenals bij alle andere kegelbergen, langs de buitenhellingen van die verbrokkelde bergmassa afdaalden. Het was een zonderling woest gezicht, dat men daar voor oogen had.
„Welke berg is dat?quot; vroeg Van Berkenstein aan den heer Van Meurs, die naast hem reed.
„Dat is de Groenoeng Telerep,quot; antwoordde deze, „een overblijfsel van een voormaligen vulkaan, die veel hooger was dan de Sendoro en de Goenoeng Praoe, waar hij tusschen inligt. Bij een geweldige uitbarsting is hij ingestort en wat wij daar zien zijn slechts de puinhoopen zijner voormalige grootheid.quot;
„Hoe hoog rekent gij de hoogste dier spitsen?quot; vroeg Montauban aan Visbergen.
„Die scherpe daarginds is gemeten en bereikt 6000 voet boven de oppervlakte dei-zee. Al die spitsen scharen zich rondom een bekken, welks bodem ongeveer duizend voet lager ligt.quot;
„Op welke hoogte zijn wij hier?quot; vroeg Nielsen.
„Dat is slechts bij gissing uit te maken,quot; antwoordde Visbergen lachende. „Ziet gij, daarginds boven, dat dorpje? Dat is de désa Djadjar; die ligt op 4650 voet. Wij zullen hier ongeveer 800 voet lager staan, en, is die gissing juist, dan hebben wij zoo omstreeks de hoogte van 3850 voet bereikt.quot;
5
DE DIËNGt. — HINDOESCHE GENESIS. 03
„Hoe hoog is het Diëng-plateauvroeg Ollerupp.
„Bijna 6300 voet.quot;
„Zoodat wij nu nog 2450 voet te stijgen hebben,quot; was de opmerking van Nielsen. „Is de afstand van hier tot het plateau nog groot ?quot;
„Neen, volstrekt niet,quot; antwoordde Visbergen. „Hemelsbreed reken ik nog ongeveer 8 K. M. Maar de weg slingert nogal.quot;
„Het is toch in allen gevalle ruim driehonderd voet klimmen per kilometer,quot; meende Ollerupp.
„Wat niet erg zou zijn,quot; hernam Visbergen, „als de weg gelijkmatig naar boven steeg. Maar wij hebben een menigte „djoerangsquot; (enge dalen, ravijnen) te passeeren, waardoor de beken van de berghellingen naar beneden spoeden. En het zijn die, welke het voor onze paarden zeer moeilijk maken.quot;
Men steeg en daalde en steeg voortdurend. Eindelijk kwam men het plateau nader. De weg slingerde dicht langs een trechtervormige verzakking, op welker bodem een fraai waterbekken onder het zonlicht glinsterde. Dat was het meer Menjer, hetwelk een cirkelvormige gedaante had en ongeveer duizend voet in doorsnede meette. De reizigers hielden de paarden een oogenblik in om dat fraaie bekken te bewonderen.
„Mon Dien! que c'est beau!quot; riep Boisjoliu uit. „Kijkt toch, het geheele meertje is omzoomd door rotsen, die overal steil uit het water oprijzen! Hoe hoog zou die rotswand wezen?quot;
.Hij is niet overal even hoog, zooals gij ziet,quot; antwoordde Van Meurs. „Daarginds in het noorden bereikt hij zjjn hoogste punt en is ruim tweehonderd voet boven den spiegel van het meer verheven.quot;
„Die rotswand sluit ook niet volkomen om de watervlakte,quot; merkte Visbergen op, die zijn kijker over de watervlakte had laten waren. „Ziet, hier dicht bij ons, in het zuiden, bij die terreinplooi daar, moet een ontlastingskanaal zijn. Komt, laten wij een twintigtal passen vooruitrijden.quot;
En werkelijk, op de aangeduide plaats ontsnapte een heldere beek aan het fraaie bekken en baande zich schuimend haar weg over het rotsig gesteente om de Serajoe, die niet ver van daar voorbijstroomde, een aanzienlijken watertoevoer te brengen. In die beek, alsook in het heldere water van het meer, zagen de reizigers een groot aantal visschen zwemmen; zij vernamen dat dit waterbekken, hetwelk een diepte van 300 voet peilde, het vischrijkste water was van de vele meren, die in deze bergstreken aangetroffen werden.
„Eigenaardig is de aanblik van dien waterspiegel, die het azuur des hemels rein en onberispelijk weerkaatst en waarop op die diepte daar geen rimpeltje te bespeuren is,quot; merkte Visbergen aan. „Ziet die kale rotswanden zich betooverend scherp in dat heldere water afspiegelen, terwijl de ' kale hellingen van den berg, die de verzakking bevatten.
HINDOESCHE GENESIS.
56
DE DIÉNS. —■
waarin het meer zich voordoet, door haar eenvoudige grasbekleeding, zonder aanwezigheid van eenig geboomte, den indruk nog verhoogen.quot;
Men trok verder. De weg slingerde zich nu over de uitloopers van den Goenoeng I'akoeodjo en van den Goenoeng Kendil, die begrensd werden door een smalle kloof, op welker bodem de Serajoe woest donderde en klotste. Die kloof vormde de scheiding tusschen de hellingen van de zooeven genoemde bergen en die van den Goenoeng Praoe. De weg daalde in die kloof af en men volgde dien tot bij den „passagrahanquot;, die niet ver van de kleine desa Diëng opgericht was.
De reizigers hadden alzoo het Diëng-plateau bereikt. Het was nog vroeg. Want hoe lang de rit ook wegens den steilen weg geduurd had. tot het afleggen van die vijftien palen, die Wonosobo van het plateau Diëng scheidden, toch had men niet meer dan een vijftal uren noodig gehad. Het was zoo omstreeks halftwee, toen de „passagrahanquot; bereikt was. De eetlust der toeristen was evenwel ten gevolge van dien rit en van de fijne berglucht opgewekt, zoodat allen werkelijk honger hadden. Gelukkig, dat. dank zij dei-goede zorgen van den heer Van Meurs, de rijsttafel niets te wenschen overliet en die dan ook overheerlijk smaakte.
Toen die lunch afgeloopen was en men wat uitgerust had, stelde de assistentresident voor, de paarden te laten zadelen, om de tournee door het Diëngsche gebergte te beginnen. Maar de dames protesteerden; zij verklaarden gekookt en gebraden te zijn, na ongeveer vijf uren in of beter op het zadel doorgebracht te hebben!
„J'ai les genoux contournés!quot; verzekerde mevrouw Jaffrezic.
„En ik niet minder,quot; zei mevrouw Visbergen.
Mevrouw Van Berkenstein stemde met haar geslachtsgenooten in.
„Dan zullen wij ons tot een wandeling bepalen.quot; zei Van Meurs. „Die zal de stramheid der ledematen wat verdrijven. Bedenkt evenwel, dat wij in allen geval morgenochtend te paard moeten stijgen en dus in geen geval aan die loomheid mogen toegeven: anders is het morgen geheel en al mis. De beenen van hen, die het paardrijden niet gewoon zijn, zouden dan zóó stijf worden, dat zij van de tournee zouden moeten afzien. Komt, dames en heeren, en route!quot;
Het kon ongeveer halfvier zijn, toen het gezelschap den „passagrahanquot; verliet. De zon schitterde in al haar pracht aan den wolkenloozen hemel; maar bij den zachten bergwind, die heerschte, had men van de warmte geen last. Voor den „passagrahanquot;, die aan den voet van een der ribben van den Goenong Praoe stond, strekte zich een vlakte uit, die voor het oog ovaalrond was en van het Noord-Noordwesten naar het Zuid-Zuidoosten ruim 1690 en over haar grootste breedte 626 M. meette. Waarde het oog langs de berg-nokken, die de vlakte allerwegen omgaven, dan kon men het denkbeeld niet van zich zetten, dat men zich op den bodem van een groeten krater bevond, waarvan de omringende bergketenen de kratervvanden vormden. De vlakte was in haar noordelijkst gedeelte het
DE DIËNG. — HINDOESCHE GENESIS. O (
hoogst gelegen en daar met een fraai kort en fijn gras overdekt. Tussclien dat gras prijkten duizende en nog eens d ui zend e fraaie bloemen, z. a.: „kembang ') Andahanquot; 1), tot de rozen-soorten behoorende, „kembang Angin angin'1 :!) en „kembang Kellor goenoengquot; 2), fraaie ranonkel-soorten, „kembang Gagang goenoengquot;3) en „kembang Tjigigequot; 4), allerliefste viooltjes, welke allen dat groene tapijt schilderachtig met hnn prachtige, veelkleurige petalen stoffeerden.
Het middelgedeelte en de zuidkant der vlakte werden bevonden iets lager te liggen en waren daardoor eenigszins moerassig. Daar waren de graszoden vervangen door waterplanten, als: „Bawang Kaladdiquot; 5), „B. Krissanquot; 6), „Wilingiquot; 7), „Babawangan Burroemquot; 8) en verder door verscheidene Calamus- (rottan) soorten, terwijl uit een moerassig meertje de Kali Toelis zich ontlastte, welk beekje op de hellingen van den Goenoeng Praoe ontsprong, bij den „passagrahanquot; de vlakte intrad, deze nagenoeg in twee gelijke deelen verdeelde en haar vrij moerassig maakte.
De wandelaars hielden langs het droogste gedeelte van het plateau aan. Onderweg beijverden zich de dames om viooltjes en ranonkels te plukken en tooiden haar keurs met de bevallige tuiltjes. In de verte zag men een viertal bouwvallen, die in het midden der vlakte schenen te staan. Hoewel het terrein in die richting uiterst drassig was en men slechts over boomstammen, welke de moerassige plaatsen overbrugden, naderen kon, werd daarop aangehouden. Toen men naderbij gekomen was, ontwaarde men, dat de ruïnes wel nog in de vlakte, maar toch dicht bij den voet van den Goenoeng Panggonang gelegen waren. Het waren vier kleine Siva-tempels, die in een rij zuiver van Noord naar Zuid gebouwd waren en die zich ongeveer 25 voet boven het omliggend terrein verhieven. Onze reizigers bevonden, dat deze waren opgetrokken uit lavasteenen, die kubiekvormig gehouwen en welker zijden zorgvuldig gladgeslepen waren, en wel zoodanig, dat zij zonder kalkof zonder eenig ander bindmiddel op en naast elkander hadden kunnen geplaatst worden, en die zóó volkomen aan elkander sloten, dat het iem van een pennemes niet tussclien de voegen te brengen was. Ieder dier tempels had slechts één deur, die naar het Westen gekeerd was. Het binnenste dier gebouwen was klokvormig. Die gedaante werd verkregen doordat de teerlingsteenen, als vormden zij de treden van een omgekeerde trap, naar binnen sprongen, waardoor de ruimte naar boven gedurig verminderde en koepelvormig
) Andahan = Alchemilla villosa.
') Kellor goenoeng r= Thalictrum glyphocarpum.
'') Gagang goenoeng r= Viola alata.
'■) Tjigige r= Viola serpens.
) Bawang Kaladdi =Scirpus juncoidea.
quot;) 11. Krissan = Scirpus macrothyrsus.
quot;) Wilingi = Scirpus sundanus.
,n) Babawangan Burroem = Xyris calocephala.
DE DIËN'G. ■—• IIINDOESCHE GENESIS.
eindigde. Zoowel in de buiten- als in de binnenomwandingen waren nissen aangebracht; maar de beelden, die eenmaal daarin prijkten, waren verdwenen. Hier en daar lagen er nog ettelijke halfverweerde overblijfselen van in het gras en in de modder. De buitenwanden waren evenwel vroeger meer versierd dan het binnengedeelte; dat was nog gemakkelijk op te merken.
„Ce sont des chapelles!quot; zei mevrouw Jaffrezic. „A quels saints étaient-elles vouées?quot;
„In de landstaal worden die tempels Tjandi Ardjoeno genoemd,1' antwoordde Vogels. „Er ligt daarin een vingerwijzing en die is ook overeen te brengen met de gevonden beelden bij deze bouwvallen, dat zij eenmaal aan Ardjoeno, zijn twee vrouwen en zijn dienaar gewijd zijn geweest.quot;
„Ardjoeno? Qui est cela'? Je ne connais point ce saint,quot; vroeg mevrouw Jaffrezic.
„Ardjoeno is geen heilige uit den Koomschen kalender,quot; antwoordde Vogels. „Hij was de vurigste en voornaamste volgeling van Christna.quot;
„Un sectateur du Christ? Je n'en ai jamais entendu parler!quot; was de bemerking der ijverige Katholieke.
„Green volgeling van onzen Christus, maar van Christna, de eerste incarnatie van Vischnou, van Christna, den zoon van de maagd Devanaguy, die 3500 jaren voor onze tijdrekening geboren werd.quot;
„Ah! fl! un faux dieu!quot; zei de vrome Francjaise.
„Oh! mevrouw,quot; antwoordde Vogels met vuur, „zeg niet foei. De Boudhistische godsdienst is in veel zijner deelen verhevener dan de Christelijke, die er eigenlijk een ellendig en mislukt plagiaat van is.quot;
„Voilii qui est fort!quot; riepen de beide Jaffrezics. „La preuve! La preuve!quot;
„Wil ik u een staaltje van die meerdere verhevenheid mededeelen'!.. .. Ja?.... Welnu, laten wij daarginds een plekje op de helling van den Panggonang uitzoeken om te gaan zitten.quot;
De namiddag was schoon. De zon naderde de nok van den Goenoeng Pakaraman, die de vallei in het Westen omsloot, en schoot haar stralen reeds in schuine richting over het aardrijk. Op de zool der vallei begon een laagje witte nevel zichtbaar te worden, dat zich al meer en meer uitspreidde en den bodem het aanzien gaf, alsof hij spaarzaam met katoen vlokken bedekt was. Maar hoog boven ruischte een zacht windje harmonisch door de boomen, die de hellingen van den Panggonang bekroonden. Het gezochte plekje was snel gevonden. Het geheele gezelschap had op het zachte grastapeet plaats genomen en ieder hunner gaf aan Vogels te kennen, dat zij allen geheel oor waren. Deze begon:
„Ik zal den dames een bladzijde uit de Hindoesche genesis verhalen. De schepping-van het eerste menschenpaar en de verdrijving uit.... het paradijs, zooals die in de Ramatsariar, liet boek der Commentariën op de Veda's, te lezen staat en zooals zij nog
58
HE DIËNG. — IIIXDUESCHE GENESIS.
steeds in den mond der Hindoe's in Voor- en Achter-lndie, op Bali en op het Tenger-gebergte in den Oosthoek van Java voortleeft:
„De aarde was met bloemen getooid, de takken der hoornen hogen onder het gewicht der vruchten, duizende dieren dartelden in de vlakten, in de kruinen der hoonien en in de lucht. De witte olifanten graasden vreedzaam onder het lommer der machtige wouden. Brahma begreep, dat toen het oogenblik gekomen was om den mensch te scheppen, die dat oord zou bewonen.
„Hij ontvonkte uit zijn groote ziel een zuivere ijlstof, een levenskiem, waarmede Hij twee lichamen bedeelde, die Hij van het mannelijk en van het vrouwelijk geslacht schiep, m. a. w. dat Hij ze tot de voortteling geschikt maakte, evenals de planten en de dieren. Maar Hij begiftigde haar met de „ahankaraquot;, d. w. z.: met het bewustzijn en met de spraak, waardoor zij, boven al het geschapene, maar beneden God en de Deva's stonden.
„Hij schonk den man de kracht, de slankheid van bouw en de majesteit en heette hem Adima, in het Sanskriet: de eerste mensch.
„De vrouw kreeg de bevalligheid, de zachtmoedigheid en de schoonheid ten deel en Hij noemde haar Heva, in het Sanskriet: die het leven volmaakt.
„ Brahma wees toen Taprobana (Ceylon) aan Adima en aan zijn vrouw Heva tot woonplaats aan.
„„Gaat,quot; zeide Hij, „en vermenigvuldigt u. De wezens, die gij zult verwekken, zullen u door alle eeuwen heen gelijken. Ik, Heer van het heelal, heb u geschapen om Mij te aanbidden. Zij, die in Mij vertrouwen, zullen Mijn zaligheid deelen, wanneer al het aardsche vernietigd zal zijn. Leert dat uw kinderen; dat zij zich steeds Mijner herinneren; want zoolang zij Mijn naam zullen aanroepen, zal Ik met hen zijn.quot;
„Toen verbood Hij aan Adima en aan Heva om Taprobana te verlaten en vervolgde aldus:
„Uw taak is om dit heerlijk oord, waarin Ik alles vereenigd heb tot uw genoegen, tot voldoening van uw nooddruft en tot uw gemak, te bevolken. Het overige gedeelte van het aardrijk is nog onbewoonbaar. Later, wanneer uw kinderen dermate zullen vermenigvuldigd zijn, dat dit woonoord niet meer voldoende zal wezen om hen te bevatten, dat zjj Mij dan te midden der offeranden raadplegen; dan zal Ik Mijn wil kenbaar maken.quot;
„Na die woorden gesproken te hebben, verdween de Schepper.
„Toen keerde Adima zich naar zijn jonge vrouw en keek haar aan!, .. . Zijn hart bonsde hem in de borstkast, toen hij die volmaakte schoonheid ontwaarde. Zij stond voor hem en glimlachte met maagdelijke onschuld. Zij trilde van onbekende verlangens. Haar weelderige haardos omkronkelde heur schoon lichaam, omlijstte met bevallige krullen het kuische gelaat en den onbedekten boezem, die van aandoening op en neer bewoog.
„Adima naderde haar, maar de knieën knikten onder hem. De zon stond op het punt
59
HIXDOESCHE GENESIS.
CO
DE DIÊNG. —
in het Westen in den Oceaan onder te duiken; de banaanbloemen verhieven haar kelken om den avonddauw dp te slurpen; duizenden veelkleurige vogels snaterden zachtkens hoog boven in het loof der tamarinden en der palmen; de glimwormpjes begonnen te gonzen en in de lucht rond te vliegen. En al dat aardsch gemurmel steeg op tot bij Brahma, die zich in zijn hemelsche woning verblijdde.
„Adima verstoutte zich toen, zijn hand door het welriekende haar zijner gezellin te laten glijden.... Hij voelde dat door het lichaam van Heva een rilling voer, die zich ook aan hem mededeelde.... Hij sloot haar toen in zijn armen en gaf haar den eersten kus, terwijl hij zacht, zeer zacht dien naam van Heva uitsprak, die haar gegeven was.... Adima!.... stamelde zachtkens de jonge vrouw, terwijl zij dien kus ontving. En -wankelend, zichzelve onbewust, zonk haar schoon lichaam in de armen van haar echtgenoot....
.,De nacht was gedaald; het vogelenkoor zweeg in het loover. Brahma was voldaan, want de liefde was geboren.
.,Dat was volgens Brahma's wil om zijn schepselen te leeren, dat de vereeniging van den man met de vrouw zonder liefde een monsterachtigheid te noemen was, die met de natuur en ook met Zijn wet in strijd zou zijn.
„Adima en Heva genoten gedurende eenigen tijd een volkomen geluk. G-een leed, geen ongemak kwam hun welzijn bedreigen. Zij hadden slechts de hand uit te strekken om de schoonste vruchten te kunnen plukken. Zij hadden slechts te bukken om de fraaiste en de lijnste rijst te kunnen inzamelen.
„Maar een onbestemde onrust begon hen te bekruipen. De vorst der liakchasa's, de geest des kwaads, naijverig op hun geluk en op het werk van Brahma, blies hun allerlei onbekende verlangens in.
„„Kom, wij zullen dit land rondwandelen,quot; zeide Adima tot zijn gezellin, „en wij zullen onderzoekeu of er niet een nog schooner oord dan dit bestaat.quot;
„Heva volgde haar echtgenoot. Zij stapten gedurende dagen, gedurende maanden voort en rustten uit bij heldere bronnen, onder het looverdak van reusachtige hoornen, waar de zon niet doorheen kon dringen.... Maar, terwijl zij voortschreden, voelde de jonge vrouw dat een onverklaarbare angst haar bekroop en zij werd door een vreemdsoortige vrees overstelpt.quot;
„ „Adima,quot; zei ze, „laat ons niet verder gaan. Ik heb een gevoel alsof wij God ongehoorzaam zijn. Wij hebben de plek reeds verlaten, die Hij ons tot woonoord aangewezen heeft!quot;
„Wees niet angstig,quot; antwoordde Adima; „dit is toch die woeste, onbewoonbare aarde niet, waarvan Hij gesproken heeft.quot;
,,En zij stapten steeds voort....
„Eindelijk bereikten zij het uiteinde van het schiereiland Taprobana. Vlak voor
— HINDOESCHE GENESIS.
61
DE DIËNö.
zich zagen zij een zeeëngte, die niet breed was. Aan de overzijde daarvan zagen zij een groot vastland zich tot in het oneindige uitstrekken. Een smal pad, uit een rotsbank bestaande, stak boven den waterspiegel uit en verbond hun woonoord met dat onbekende vastland.
„De beide reizigers stonden opgetogen stil. De streek, die zij ontwaarden, was met hoog geboomte overdekt, tusschen welks loof duizenden veelkleurige vogels rondHadderden.quot;
„ „Ziedaar een fraai land,quot; zei Adima. „En wat moeten daar heerlijke vruchten groeien! Kom, laten wij ze gaan proeven! En is dat land beter dan dit hier, wel, dan zullen wij dat tot woonoord kiezen.quot;
„Maar Heva, bevende van angst, smeekte Adima om toch niets te doen, wat den Heer kon vertoornen.quot;
„ „Zijn wij niet goed hier?quot; sprak zij. „Wij hebben het helderste water, de over-heerlijkste vruchten. Wat kunnen wij daar toch anders gaan zoeken!quot;
„„Welnu, wij zullen hier terugkomen,quot; antwoordde Adima. „Wat kau er voor kwaad in steken, dat wij een onbekend land, hetwelk zich aan onze oogen voordoet, bezoeken ?quot;
„En hij naderde de rotsbank. Heva volgde hem, bevende. Hij tilde haar toen op zijn schouders en overschreed het beletsel, dat hem van zijn verlangen scheidde.
„Maar nauwelijks hadden zij den wal aan de overzijde van de zeeëngte bereikt, of een vreeseljjk gedonder deed zich onder hun voeten hooren. Boomen, bloemen, vruchten, vogels, in één woord alles, wat zij van de overzijde ontwaard hadden, verdween voor hun oogen. De rotsbank, die hun als verbindingsweg gediend had, stortte in. Slechts eenige weinige rotspunten bleven boven de wateroppervlakte uitsteken, om het pad aan te duiden, dat door Gods toorn vernietigd was ').
„De prachtige plantengroei, die zij in de verte gezien hadden, was slechts een gezichtsbedrog geweest, door den vorst der Rakchasa's te voorschijn geroepen, om hen tot ongehoorzaamheid te verleiden.
„Adima viel weenende op het barre zand neder, maar Heva trad tot hem, wierp zich in zijn armen en sprak:
„ „Wanhoop niet; laten wij den Almaker bidden, dat Hij ons vergeve!quot;
„En terwijl zij zoo sprak, weerklonk een stem uit de wolkeu, die deze woorden sprak:
„„Vrouw! gij hebt slechts gezondigd uit liefde tot uw echtgenoot, dien Tk 11 bevolen had te beminnen. Daarenboven hebt gij niet aan Mij getwijfeld. Tk vergeef u en Ik
') Die rotspunten bestaan nog tusschen de oostkust van Voor-Indië en het eiland Ceylon en hceton in de volkstaal daar ,Palam Adima of Adima's brugquot;. Hij de Noordwestkust van het eiland verheft zich een alleenstaande bergtop, die Adamspiek gelieeten is. Volgens do volksoverlevering zou liet eerste menschenpaar daar den eerston stap op den weg der ongehoorzaamheid gezet hebben.
DE DIËNG. — HINDOESCHE GENESIS.
vergeef hem ter wille van u. Maar gij zult geen voet meer zetten in het heerlijke verblijf, dat Ik tot uw geluk bereid had. Door uw ongehoorzaamheid aan Mijn bevelen heeft de geest der duisternis macht op aarde gekregen. Uw zonen zullen aan het lijden onderworpen zijn; zij zullen door uw schuld gedoemd zijn den grond te bewerken. Zij zullen slecht worden en zij zullen Mij vergeten. Maar Ik zal Vischnou tot het menschdom zenden. In den schoot eener vrouw zal Hij vleesch worden en Hij zal aan allen de hoop op belooning in een ander leven brengen, alsook het middel aangeven, om door het gebed tot Mij hun kwalen te lenigen.'1
„Zij stonden getroost op. Sedert echter moesten zij zich harden arbeid getroosten om hun nooddruft aan den bodem te ontwoekeren . ...quot;
Vogels hield hier op.... Allen zwegen een poos. Die genesis, ontvouwd hier, op de
plek, waar het Hindoeïsme haar hechtste grondzuil bezeten had op Java, had een diepen
t
indruk gemaakt.
„O! dat was overheerlijk!quot; barstte mevrouw Van Berkenstein eindelijk los. „Ik dank u, luitenant Vogels, dat gij ons dat hoofdstuk uit de godgewijde geschiedenis der Hindoes hebt medegedeeld!quot;
„Wel,quot; vroeg deze aan mevrouw en de heeren Jaflrezic, „is dat niet fraai? Is dat verhaal niet verhevener en troostrijker dan de lachwekkende appel geschiedenis bij de Christenen? Ziedaar Eva! ziedaar de vrouw! ziedaar de grondvorm, waaruit later de Verlosser moet spruiten; Eva, die slechts uit liefde afdwaalt en die bij haar feilen het vertrouwen in de Almacht niet verliest. Had ik geen gelijk, toen ik beweerde dat de Veda's verhevener bladzijden bevatten dan ons oud of nieuw testament? Denkt nu niet dat dit scheppingsverhaal op zichzelf staat, of dat ik tot staving van mijn beweren een juweeltje heb uitgekipt. Wanneer ik u de offerande van Adgigerta, die met de legende van Abraham eenige overeenkomst heeft, wanneer ik de incarnatie van Vischnou en de geboorte van Christna verhaalde en zooveel andere legenden mededeelde, dan zoudt gij nog iets fraaiers hooren als bet mogelijk was, dan die scheppingsgeschiedenis, dan zoudt gij my gelijk geven. Maar.... genoeg theologie! Ik meen dat het koud begint te worden! br! br!quot;
„Ja, de zon is achter de Pakaramankruin verdwenen/' zei Van Meurs. „De hemel is helder boven ons, terwijl de nevellaag in dikte is toegenomen en over den dalgrond voortkruipt. Ziet, zij is reeds langs de Tjandi's gestegen. Die tempels zijn reeds onzichtbaar voor ons oog. Het is alsof een sneeuwkleed den dalbodem bedekt. Komt, laat ons ons voortspoeden! De nacht gaat invallen en het wordt werkelijk kil.quot;
Ons gezelschap sprong op. Maar toen merkte men eerst, dat het koud geworden was. Allen bibberden.
„Br! br!quot; riepen de dames, terwijl zij in de kleine handjes bliezen.
„Br! br! br!quot; riepen de heeren, terwijl zij met de voeten trappelden.
„Daarvan hebben wij zooeven niets gevoeld!quot; merkte mevrouw Visbergen op.
02
DE DIËNG. — HINDOESCHE GENESIS. 63
„Dat geloof ik wel,quot; antwoordde Montauban; „luitenant Vogels heeft ons zóó gebiologeerd, dat wij voor niets anders vatbaar waren, dan voor de genietingen van zijn schoon verhaal. Allona, en avant!quot;
De afstand naar den „passagrahanquot; was snel afgelegd. Daar vond men een tiinken haard, waarin de houtsblokken luid knapten en de vlammen vroolijk opdwarrelden. Het was een pret voor onze Europeanen zich weer eens om den haard te kunnen scharen. Zelfs mevrouw Visbergen en luitenant Vogels, hoewel beiden op Java geboren, schenen dat genoegen te waardeeren. De avond vloog dan ook onder geestigen en opgewekteu kout om.
Toen onze reizigers den volgenden morgen buiten traden, was liet nevelkleed, dat zij des avonds te voren ontwaard hadden, verdwenen en de geheele vlakte met rijp overdekt, welke de grassprietjes en bloempjes met liaar fijne en teedere naadjes bevallig tooide.oen onze reizigers den volgenden morgen buiten traden, was liet nevelkleed, dat zij des avonds te voren ontwaard hadden, verdwenen en de geheele vlakte met rijp overdekt, welke de grassprietjes en bloempjes met liaar fijne en teedere naadjes bevallig tooide.
„Drommels!quot; zei Boisjolin, „nu begrijp ik het, waarom ik het vannacht zoo koud had. Het heeft, bij mijn ziel, gevroren. Gevroren onder den zevenden graad Zuiderbreedte!''
„Zeven veertien,quot; verbeterde Visbergen.
„Dankje! Gevroren onder 7° 14/!quot;
„Ja, maar op een hoogte van 6300 voet; vergeet dat niet!quot;
„Nu, om het even, ik had aan mijn twee wollen dekens niets te veel. Ik heb mijn jas nog over mij uitgestrekt. Ik kon waarachtig niet in slaap komen.quot;
De dames kwamen buiten om het glinsteren van den rijp onder de eerste zonnestralen waar te nemen, maar bij de aanraking met de fijne buitenlucht, die door hare ijlheid nog kouder scheen, trokken zij de neusjes terug.
„Br! br! brü wat is het koud.quot;
„De ongewoonte, dames!quot; sprak Visbergen. De thermometer was straks maar even beneden het vriespunt.
„Daar komen de paarden!quot; zei Van Meurs. „De zon begint boven den Goenoeng Praoe uit te kijken. Wij moeten in het zadel.quot;
Dat was snel genoeg geschied; en voort ging het. Aanvankelijk werd het plateau westwaarts doorsneden. De weg was goed, het gras op het plateau was kort en de paarden waren vurig. Bij de geringste aansporing sloegen zij in galop. De afstand tot het dal tusschen den Goenoeng Panggonang en den Pagger Kendeng was dan ook zeer
OP VULKANISCH GRONDGEBIED.
spoedig afgelegd. Men volgde toen de Kali Dolog, die in genoemd dal in de diep Ingesneden rotsbedding als door een kloof schuimde en bruiste, tot bij de desa Dolog. waar het pad zich eenigszins van de kalie verwijderde. Een paar honderd passen ten Westen van die dësa stonden onze reizigers eensklaps voor een ketelvormige verzakking, waarin zich meertjes gevormd hadden, die allerwegen met Sajor kodokh ') overdekt waren, waardoor zij een buitengewoon lieflijken aanblik vertoonden met hun zacht lichtgroen, waartusschen het heldere water in de zonnestralen glinsterde. Van Meurs herhaalde dat die meertjes te zamen den naam van Telaga 1) Wiwi droegen. Iets voorbij die verzakking vormde het pad een viersprong, waarvan de armen nagenoeg in de richting der vier windstreken voerden. De reizigers sloegen het pad in, hetwelk noordwaarts leidde. De overtocht van de Kalie Dolog, welker bedding daar ter plaatse vrij diep ingesneden en niet overbrugd was, baarde eenig oponthoud. Die schuimende en donderende beek was niet te paard te doorwaden. De ruiters stegen dus af en de paarden werden aan de hand door de Inlanders van het gevolg van den assistent-resident aan de overzijde gebracht. De heeren, die zulks wagen wilden, moesten van rotssteen tot rotssteen springen en liepen daarbij veel gevaar door de glibberigheid van de met slijmerig mos begroeide lavarotsen een nat pak, zoo niet erger op te loopen. Boisjolin en Ollerupp lieten zich op de schouders van een koelie overdragen, Montauban en Henri Jaffrezic ontdeden zich van hun schoeisel en kousen, stroopten de pantalon tot boven de knie op en waadden dapper door het water, terwijl de dames in een draagstoel, door de zorgen van Yan Meurs aanwezig, één voor één den overkant bereikten. Ka dien overtocht was de desa Broemboeng in een oogenblik bereikt, waar de paarden werden achtergelaten, omdat zij op het terrein, hetwelk men ging betreden, meer hinder veroorzaken dan wel nuttig zonden ziju. Zij konden zelfs gevaar opleveren.
Ka een paar honderd passen over een fraaie grasvlakte afgelegd te hebben, die onder zachte helling daalde, stond het gezelschap eensklaps voor een ovaalronde kom, die zich bij het Westen eenigermate verlengde en daar smaller werd. Een kreet van verrassing ontsnapte aan onze reizigers, vooral aan de dames. Zij stonden daar op een rand, die zich in zijn hoogste gedeelte op ongeveer honderd voet boven den bodem van het bekken verhief. Aanvankelijk was echter weinig te ontwaren van hetgeen zich daar aan hun voeten bevond. De geheele kom, ongeveer 1700 voet lang en ruim 500 breed, was gevuld met witte dampwolken, die zich, onder de frissche morgenluclit eenigermate verdicht, in kogelvormige massa's over den bodem wentelden. Het was alsof men zich boven een bekken bevond, waarin een onmetelijke stoomfabriek uit honderden veiligheidskleppen den
65
) In Oost-Java wordt de a veelal als a veranderd. Zoo heet meer in Hautain, Batavia, Tagal, Preanger, Krawang, Cheribon en Banjoemaas: Telaga; in Bagelen reeds: Teliïga.
OP VULKANISCH ÖEONDOEBIED.
afgewerkten waterdamp harer machines liet ontsnappen. Onder de zonnestralen vertoonden die stoommassa's een eigenaardig gezicht en mevrouw Van Berkenstein merkte zeer ter snede op, dat hier in het klein vertoond werd, hetgeen zij bij haar bezoek te Telaga Bodas gezien had, namelijk dat de toeschouwer, hooger dan de wolkenmassa staande, op dat grillig dak nederziet. En werkelijk, het was op een wolkendak, dat onze reizigers staarden. Maar terwijl zij daar zoo stonden, scheerde een windje over de kom, verdeelde de dichte dampen en joeg ze grootendeels in oostwaartsche richting het bekken uit. Toen vertoonde zich voor den opgetogen blik onzer toeristen een onregelmatig gevormd meer, boven welks spiegel zich bevallig eenige eilandjes verhieven, die met den weelderigsten plantendos getooid waren. Die eilandjes vertoonden zich als sierlijke bloemruikers, die op de watervlakte dreven, waartoe de fraaie gele bloemkelken van de Kajoe waroe '), die er de overhand had, en een menigte andere bloemen het hare bijbrachten. Tusschen en op die eilandjes lagen groote steenklompen, die, witgebleekt, daar aan marmeren puinhoopen, overblijfselen van bouwvallen, deden denken. Het water van het meer had een geelwitte tint, hetgeen het frissche groen van de eilandjes nog helderder deed uitkomen. Maar wat het tooneel bijzonder opmerkelijk maakte, was de menigte beken, die voornamelijk aan de zijde van den Goenoeng Kendeng, die met hoog bosch bedekt was, ontsprongen en onder het uitstooten van verbazende stoommassa's, zich in dezen kom ontlastten. Het waren allen heetwater-beken, die ziedend en stoomend het vulkanische van den bodem, waarop men stond, aanduidden. Wolken stoom trachtten zich op te heffen en over het meer te verbreiden, maar werden door het heerschende windje teruggedrongen en over den noordelijken bekkenrand gejaagd. Vol bewondering stond ons reisgezelschap dat fraaie meer en de daarop spelende en nimmer eindigende fantastische dampvorming gade te slaan.
„Het is niet zoo verheven woest als de Telaga Bodas,quot; merkte mevrouw Van Berkenstein op.
„Neen,quot; antwoordde haar echtgenoot, „maar het is lieflijker. Die bloemrijke eilandjes, die bouwvallen daartusschen, de geringe verhevenheid der wanden van het bekken, dat alles heeft iets zachts. Men kan zich nauwelijks verbeelden in een vulkanisch gebied te zijn. Hoe heet dat meer?quot; vroeg hij aan Van Meurs.
66
„Dat is de Telaga Leri,quot; antwoordde deze, welke gerekend wordt op 5765 voet boven de oppervlakte der zee te liggen. De beken, die zich daarin uitstorten, zijn bijna allen brandend heet. De minst warme teekent toch nog 105°, de warmste 178° Fahrenheit. Het voornaamste bestanddeel van die heete beken is aluinaarde en zwavelzuur. Ziet, daarginds op die steenen en die boomstammen ontwaart gij een witte laag, alsof er sneeuw door den wind tegengejaagd was. Dat is vederaluin, die zich daar in de fijnste kristallen heeft afgezet.quot;
') Kajoe waroe = Litsaea densifolin.
OP VULKANISCH ORONDGEBIED.
Het reisgezelschap ondernam nu de beklimming van den Goenoeng Pagger Kendeng, welke bij uitstek slaagde. Toen men den bovenrand bereikt had, stond men voor een afgrond, waarin het huiveringwekkend was, neer te blikken. Het was een krater, die daar aan hun voeten gaapte en een cirkelvormige bovenmonding had, die in doorsnede ruim 2000 voet meette. Loodrecht daalden allerwegen de rotswanden in de diepte neder en het was alleen aan den westkant mogelijk naar beneden te klauteren. De heeren volvoerden die nederdaling; de dames met hare amazones bleven wijselijk onder de hoede van Visbergen en Vogels boven. Voor deze laatsten was zoo iets geen nieuwtje meer. De klauteraars bevonden dat die kraterkolk nagenoeg een bolvormige gedaante had en dat de wanden, die een fraaie ontblooting van het eruptie-gesteente vertoonden, hoofdzakelijk uit grof kristalinische veldspaath bestonden, die een witachtige, in het geel overgaande kleur bezat. Soms werd deze veldspaath door lichtgrijzen, fijnkorreligen trachiet afgewisseld, welke beide steensoorten dan zóó innig met elkander verbonden waren, dat de een onmerkbaar in de andere overging. Op den bodem van den krater, die driehonderd voet onder den kraterrand gelegen was, werd geen spoor van vulkanische werking bespeurd, hoewel de Telaga Leri als de solfatara van dien krater, die aan zijn buitenhelling gelegen was, aangemerkt kon worden.
Toen de heeren bovengekomen waren, zocht het gezelschap de paarden weer op. Ras zaten allen in het zadel en voort ging het op nieuw. Men volgde het pad, dat van de desa Broemboeng op eenigen afstand rondom het meer Leri voerde on ten Zuidwesten van dat bekken de Kalie Dolog overschreed, nagenoeg ter plaatse, waar de kokendheete beek, die het ontlastingskanaal van genoemd meer vormde, zich in haar uitstortte. Men betrad nu de noorderhellingen van den Nogosarie, een kratertop, die tot het Diëngstelsel gehoorde, totdat men andermaal de Kalie Dolog genaderd was. Het pad voerde ook nu weer over dat riviertje en men bevond zich thans op de uitloopers van den Goenoeng Pakaraman. Men was het zoogenaamde Doodendal genaderd. De reizigers zagen daar niets anders dan een komvormige uitholling, die allerwegen met een weelderige vegetatie bedekt was, maar in welker middengedeelte een kleine kale plek ontwaard werd, die van plantengroei beroofd was.
„Wat is hier te zien!quot; vroeg een der dames. „Ik zie niets.quot;
„Als eenig antwoord liet de assistent-resident een hond naar beneden drijven, die binnen weinige oogenblikken onder stuiptrekkingen door verstikking stierf. De dames waren verontwaardigd over dien moord, zooals zij dat noemden, en bedreigden den Javaan, die den hond naar beneden gebracht had, tot zijn groote verbazing met hare vuistjes.
„Onder op den bodem van die kom,quot; verklaarde Van Meurs, „verwijlt somtijds een laag koolzuur, die zelden hooger dan twee tot drie voet reikt. Een mensch kan er dus in rechtopstaan, zonder eenigen hinder te ondervinden, terwijl een hond ellendig omkomt. Heerscht er sterke wind, dan wordt die doodelijke gaslaag gewoonlijk weggeveegd en hare uitstrooming uit de rotsspleten, die den bodem vormen, is niet zoo beduidend, dat zij spoedig
1)7
01' VULKANISCH ÖKONDGEBIED.
weer aangevuld is; daartoe zijn bij rustige atmosfeer soms twee dagen noodig, om haar tot een hoogte van twee voet te laten stijgen. Gij ziet, het zoogenaamde Doodendal geeft niets bijzonders te zien. In vroegere jaren moet evenwel de gasuitstrooming aanmerkelijker geweest zijn; want toen werden er vele krengen en geraamten van dieren in gevonden, die er door hadden willen gaan en door den dood overvallen waren. Mag men aan de verhalen der Inlanders gelooven, dan zou dit Doodendal in vroegere tijden tot strafplaats gediend hebben. De terdoodveroordeelden werden, aan handen en voeten gebonden, in die kom afgelaten en stierven binnen weinige oogenblikken door verstikking.quot;
„Drommels,quot; zei Montauban, „dat spaarde de onkosten eener guillotine of van een strop. Dat was goedkoop.quot;
Van liet Doodendal reden onze toeristen voort naar de Kawah Segarawedi, een kleinen kraterkolk, aan den voet van den berg Pakaraman gelegen. Toen het gezelschap daar was aangekomen, vond het een klein kratervormig bekken van ongeveer vijftig voet middellijn, dat met troebel water gevuld was. Dat water werd door de daarin opstijgende dampen voortdurend in heftige beweging gehouden. In het midden welde het met sterk gebruis ter hoogte van vier of vijf voet op en veroorzaakte daardoor in het bekken een sterke golving, die met kracht tegen den oever klotste en brak. De witte dampen, die zich uit het midden van die kom ontwikkelden, stegen hoog in de lucht op. Het bekken, dat in de helling van den berg gelegen was, werd door een bijna loodrechten wand ingesloten, die zich aan het hooger gedeelte ruim veertig voet boven de oppervlakte van het water verhief, terwijl dit aan het benedengedeelte over den rand wegvloot. Wand en bodem bestonden uit een vrij losse, bruine boschaarde en er was geen spoor van lava of rotsgesteente te bespeuren. Alleen was die aarde aan den binnenwand wit aangeslagen.
„Dit bekken is zeer klein,quot; zeide Montauban, „maar toch zeer interessant. Een werkende krater in miniatuur! Hoe warm zou dat water wel zijuJquot;
„Ruim 183° Fahrenheit,quot; antwoordde Van Meurs. „Het is met veel aluinaarde bezwangerd, maar zet bovendien nog een geelwit, zwavelachtig bezinksel af.quot;
Een paar honderd pas van dien Kawah, verder de helling van den Pakaraman op, werd een allerliefst meertje aangetroffen, dat onze bezoekers na die vulkanische verschijnselen weldadig aandeed. Het was een cirkelvormige kom van een middellijn van ongeveer 2000 voet. Slechts in het midden van den waterspiegel zichtbaar, die daar zoo omstreeks een doorsnede van 500 voet had, maar door een breeden band van waterplanten met haar donkergroene, naar het blauwe zweemende bladeren, die zich tot aan den oever uitstrekte, omgeven was. De wanden van dat bekken waren niet steil en daardoor allerwegen zwaar begroeid met hoogstammig woud van Kajoe Soerën '), Kajoe Segoeng 2), waartusschen twee
') Kajoe Soerèn = Cedrela Toona, ook wel C. febrifuga.
2) Kajoe Segoeng = Echinocarpus Sigoen.
08
OP VULKANISCH ÖEONBGEBIED.
pracht varens: de Pakis tangan ') met haar knoestigen stam van ongeveer 30 voet hoog, met haar horizontaal veruitgestrekte kale takken, die slechts aan hun uiteinden van bladeren, aan lange stelen bevestigd, en van lange bloempluimen voorzien waren, en de Pakis tjeboek -) met haar lange, vosroode viltharen, welke alle bladstelen ruig bedekten, het oog der bezoekers uitermate boeiden. Wat vooral dat woud verrukkelijk maakte, waren de bloemrijke heesters, waaronder de Tjoerei1) met zijn wilgenachtige bladeren en rijke, prachtvolle, witte pluimbloemen, die tusschen de hooge stammen groeiden en liet alles eeu vriendelijk uiterlijk gaven.
„Wonderfraai,quot; betuigde Van Berkenstein: „dat hooge woud langs die hellingen, die fraaie bloemen te midden van dat geschakeerd loof van hoogwoud en struiken, die donkergroene band, welke het meer omzoomt, en eindelijk die kristalheldere watervlakte, waarin zich het oog des daags spiegelt en waarin het reine blauw des hemels weerkaatst wordt! Maar.... hoe heeten die waterplanten, welke dat meer als insluiten?quot;
„De bevolking noemt ze „Deringoequot; '2),quot; antwoordde Van Meurs. „En het is naar die waterplant, dat het meer Telaga Deringoe geheeten wordt. Als gij goed kijkt, dan ziet gij het tusschen die waterplanten wemelen van eendjes, die daar ongestoord nestelen.quot;
Allen bewonderden dit fraaie tooneel met onverholen genot en waren ongeneigd van die bekoorlijke plek te scheiden. Van Meurs wees evenwel op den stand der zon eu berichtte dat onzen toeristen nog een heel eind weegs te wachten stond. Nog een Idik dus aan dat goddelijke Deringoe-meer, daarna den teugel gewend en voort ging het weer, het pad af, dat men gekomen was.
Toen de cavalcade tot dicht bij Telaga Wivvi was genaderd, werd een zuidwaarts voerend pad ingeslagen, hetwelk langs de désa Karang tengah over de zachtglooiende zuidwestelijke uitloopers van den Groenoeng Panggonang voerde. Zoolang het pad over die hellingen liep, was het tamelijk goed en konden de reizigers, hoewel stapvoets rijdende, voortmaken. Maar toen zij de enge spleet naderden, waardoor de Kalie Toelis zich kronkelde, werd het moeilijker. Het pad daalde onder zeer scherpe hellingen naar beneden, en het ware volslagen onmogelijk geweest die afdaling te bewerkstelligen, wanneer de weg niet zigzagsgewijze in de ravijnwanden ware uitgehouwen geweest. Op raad van Van Meurs werd afgestegen en die moeilijke passage te voet afgelegd, terwijl de paarden door Javanen aan de overzijde gebracht werden. De overgang der Kalie Toelis geschiedde zonder moeite. Wel schuimde en klotste en donderde die beek daar met oorverdoovend geweld, maar in haar bedding lagen verscheidene wij platte rotsstukken, waartusschen het water in pijlsnelle
■') Tjoerai = BucMleia densiflora.
') Deringoe = Acorus terrestris, door .Tunghuhn A. calami geheeten.
') Pakis tangan = Hedera rugosa.
(IP VULKANISCH GRONDGEBIED.
vaart voortschoot, die echter met een sprongetje te bereiken waren, waarbij de heeren niet nalieten aan de dames de behulpzame hand te bieden. Aan de overzijde slingerde het pad andermaal zigzagsgewijze langs den zeer steilen bergwand naar boven. Toen de krnin van den smallen bergrug, die zich tusschen de Kalie Sakoenoeng en Kalie Toelis uitstrekte, bereikt was, kon weer in tiinken gang doorgestapt worden. Het was evenwel huiveringwekkend om vooral op het eerste gedeelte van die nok, die zeer smal was en zich slechts langzamerhand verbreidde, voort te schrijden. Aan beide zijden toch' daalde de helling steil, schier loodrecht naar onder, en daar beneden donderden de beide bergstroomen over hun rotsbeddingen, vervulden de nauwe spleten, waardoor zij zich wrongen, met fijne waterstotdeeltjes, en deden bijwijlen den rotswand, waarover het pad liep, onder haar geweld voelbaar dreunen.
Bij de désa Sakoenang, die op het punt ligt, waar de beide bergstroomen zich van elkander afwenden en de bergnok in het dal overgaat, dat zich tusschen den Goenoeng Panggonang en Goenoeng Kendil uitspreidt, werden de paarden achtergelaten en stapte het reisgezelschap onder geleide van Van Menrs verder. Dicht bij het pad, hetwelk men volgde, werd een solfatara aangetroffen, Kidang genaamd, die een onuitsprekelijken indruk op iedereen maakte. Daar, te midden van het hoogwoud, dat zich langs de uiterst steile zuidelijke hellingen van den Goenoeng Panggonang verhief, hoogwoud, dat hoofdzakelijk bestond uit de zoo fraaie Tjemara's ') met haar koperkleurige stammen en de zoo zwaar-stammige Kambehrong 2), werden twee dicht bij elkander gelegen kale plekken aangetroffen, die door eenig boomgewas van elkander gescheiden waren. De eerste of kleinste leverde niets bijzonders op, doch op de tweede, welker midden door een kom ingenomen werd, waaruit borrelend en sissend een beek ontsprong, welker water bevonden werd 183° Fahrenheit te teekenen, terwijl zich èn uit die kom ën uit vele gaten, die rondom in den grond aangetroffen werden, zich zwaveldampen ontlastten en rondom de openingen dier gaten tie fraaiste zwavelkristallen aangeslagen bevonden werden. Zelfs de takken en bladeren van boomen en struiken, die in de nabijheid stonden, waren met lichtgele, gesublimeerde zwavel overtogen. Rondom lag een menigte rotsblokken, uit trachietlava bestaande, waarvan er enkele grootendeels vergaan waren, andere een zwarte Meur aangenomen hadden, terwijl er waren, die een bruine, andere, die een scherproode tint vertoonden.
Het was een treffend natuurtafereel, dat zich daar voor onze toeristen te midden van dat dichte woud voordeed. Ernstig, streng en verheven waren alle onderdeelen daarvan: het hooge woud rondom, de zóó steile berghelling, dat zij met ternederstorting dreigde, het borrelende water, de sissende dampen, de verweerde rotsen, de zwavelaanslagen, in
') Tjoniüru = Podocarpus cupressina. Bijna alle naalddragers, als de Podocarpus-, de Casuarina-, de Cedrela-soorten worden dooi- de Javanen ïjemam of Tjemara genoemd.
2) Kambehrong = Astronia spectabilis.
70
OP VULKANISCH GKONDGEBIED.
één woord alles, vooral het donderend geloei, dat zich bij de bovenvermelde gaten in den schoot der aarde liet hooren en bijwijlen den grond deed dreunen, gat' aan, dat men hier voor een, al was het ook langzaam wegstervende, evenwel toch nog indrukwekkende krachtsuiting van de natuur stond. En te midden van al dien ernst, van al die verhevenheid, die geen glimlach toeliet op het gelaat der toeschouwers te ontluiken, klonk daarboven, te midden der dichte naalden van de Tjemara's, het o! zoo harmonische gefluit van den „Tèkoèsanquot; '), Java's kleinen bergzanger, en sprankelden die harmonieuze tonen, te midden van dat sombere woud, boven die onheilspellende plek, verheven schoon door- de lucht en waren niet ongelijk, wanneer de genietingen van gevoel en gehoor voor het oog konden worden getransponeerd, aan dauwdruppelen, aan de punten der bladeren dier boomen onder de eerste zonnestralen schitterende.
Met aandacht luisterden onze reizigers naar het gekweel van dien lieven zanger en niet zelden verstomden voor hen de donderende slagen, welke daar den grond deden dreunen, voor de zachte, klankrijke tonen, die alleen de gehoorvliezen wisten te boeien.
Slechts een paar honderd passen verwijderd van die sulfatani werd een andere bespeurd, waardoor het pad, dat van de désa Sekoenoeng naar het plateau Diëng voerde, heenleidde. Deze heette Kawah Tjondro di moeka. Hier nagenoeg hetzelfde ernstig verheven schouwspel als bij Kawah Kidang. Ook hier allerwegen sissende stoom, die uit aardspleten spoot, zwaveldampen, die uit gaten kronkelden en al het omringende, zooals steenen en rotsen, verweerden, en struiken en boomtakken met zwavelkristallen overdekten. Van Meurs waarschuwde ernstig om dicht bij elkander te blijven, want het pad, dat men betrad, was gevaarlijk. Werkelijk, men voelde den bodem veerkrachtig onder zich buigen, als ware het een dunne ijsschol, en de dames konden enkele gilletjes van angst niet onderdrukken, wanneer zij' door de gevormde reten aan hun voeten de geelwitte zwaveldampen zagen omhoogkronkelen. Visbergen drong dicht bij het pad zijn wandelstok diep in den bodem en trok hem er daarna uit. De stok was, zoo ver hij in den grond geweest was, brandend heet en uit het gat, hetwelk hij gevormd had, sisten aanvankelijk witte dampen; spoedig daarna evenwel borrelde kokendheete, deegachtige modder daaruit op, welke zich tot een blaas verhief, die met een knal als een pistoolschot uit elkander barstte. Allen, maar de dames niet het minst, maakten een beweging achterwaarts.
Eenige passen verder wees Van Meurs op een paal, die in den grond stond en overal met gesublimeerde zwavel bedekt was.
„Daar, op die plek,quot; sprak hij, „zakte de controleur Brunnekamp, een man, die voor de wetenschap blaakte, en zich, door zijn ijver gedreven, te ver waagde, door de aardkorst, in de kokendheete modder. Hoewel men hem terstond ter hulp snelde, was zijn lichaam
') Tèkoèsan — Musicapa cantatrix.
op vulkanisch grondgebied.
tot aan zijn heupen dermate gebrand, dat alle hoop ijdel was. Hij bezweek dan ook na een paar dagen y;ui folterend lijden.quot;
Stoven onze toeristen straks reeds achterwaarts, thans was er geen honden aan. Van Menrs had moeite om hen bij die rngwaartsche beweging in het rechte spoor te houden. Toen zij weer vasten bodem onder den voet gevoelden, stegen eenige verzuchtingen van: Goddank! en van: La Sainte Vierge soit louée! uit menige beklemde borst op. Visbergen beweerde later, gezien te hebben, dat de beide gebroeders Jaffrezic een medaille van hun bloote borst te voorschijn gehaald en met alle godsvrucht gekust hadden. Clotilde deed hem zwijgen, althans maande hem aan, met zulke zaken niet te spotten.
Te Sakoenang werd weder te paard gestegen. De weg, dien men nu volgde, was niet erg moeilijk, hoewel die over den Goenoeng Kendil voerde, den bergrug, die zich tusschen den Goenoeng Panggonang en den Pakoeodjo uitstrekte en eigenlijk als een lange nitlooper van den Goenoeng Wisma te beschouwen was. Toen men den Kendil overschreden had en de helling afdaalde, kreeg men een désa in het gezicht, welker dubbele rij huizen, te midden van nijver bebouwde akkers gelegen, zich ter weerszijden van een vrij goeden weg uitstrekte. De mensch blijft altijd mensch. Na al die natuurtafereelen was een landschap, waar de hand der menschen weer ontwaard werd, niet van bekoorlijkheid ontbloot. Die desa lag daarenboven niet onbevallig. Van het standpunt op den Kendil gezien, verhieven zich die bruingele hutten daar schilderachtig te midden der open vlakte, die allerwegen bepoot en bezaaid en door afsluitingen in vakken verdeeld was. Op den achtergrond verhieven zich de verbrokkelde toppen van den eenmaal geduchten vulkaan Pakoeodjo, die overal met zwaar geboomte begroeid was. Tusschen die bergtoppen en de desa kronkelde zich in onregelmatigen vorm een vrij uitgebreid bekken, dat levendig in het zonlicht fonkelde en voor die désa een prachtvollen achtergrond vormde.
„Men zou zeggen een opera-decoratie!quot; riep mevrouw Jaffrezic.
„Dan toch van de Meyningers,quot; antwoordde Van Berkenstein. „Die uitgezonderd, gelijken de tooneeldecoratiën in den regel zooveel op de natuur als een gaper boven een drogistenwinkel in Nederland op een borstbeeld van Thorwaldsen.quot;
„Hoe heet die desa, mijnheer Van Menrs?quot; vroeg mevrouw Van Berkenstein.
„Dat is de desa Simpoengan en dat meer is de Telaga Tjeboeng. Deze zijn het hoogst gelegen meer en de hoogst gelegen desa van Java. Zoover bekend, ligt nog maar één waterbekken in Nederlandsch-Indië hooger, te weten: het meer Singalang, op Sumatra.quot;
„Hoe hoog liggen dit meer en die désa hier?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Op 6610 voet, terwijl het Singalangmeer op ruim 9000 voet ligt,quot; luidde het antwoord van Visbergen, die, als het op topographic aankwam, de cijfers als in het geheugen geroest had.
Men bereikte spoedig de désa Simpoengan. De akkers, die hem omgaven en waarin uitsluitend Europeesche groenten en gewassen, als: uien, aardappelen, boontjes, salade.
OP VULKANISCH GEONDGKBIED.
selderij, peterselie, worteltjes, enz. geteeld werden, troffen onze reizigers. Het gezicht daarvan riep hun gedachten voor een oogenblik naar het ver verwijderde vaderland terug. Toen een ieder zich aan dat gezicht genoegzaam vergast had, volgde het gezelschap den weg, die een tijd dicht langs de boorden van het schilderachtige meer voerde en eindelijk tusschen de hellingen van den Goenoeng Pakoeodjo en den Goenoeng Kending door een nauw dal liep, tot hij eindelijk bij desa Parekesit aansloot aan den weg, dien men, van Wonosobo komende, gevolgd was. Eenmaal daar, was de „passangrahanquot; op het plateau van Diëng spoedig bereikt. En teleurstellend was dat niet. Ons gezelschap was sedert het krieken van den dag op de been en nu was de zon reeds in haar dalenden tak. De tijdmeters, die thans eerst geraadpleegd werden, wezen aan, dat het drie uren was. Dat was een tocht van ruim negen uren, waarbij, al had men te paard gezeten, de voeten niet gespaard waren geworden en waarbij menige moeilijke beklimming volbracht was. Allen, en de heeren niet het minst, bekenden dat zij doodmoede waren. Het bestoven pak werd snel tegen een ander verwisseld, waarna ieder volgens zijn geaardheid de meest gemakkelijke houding op stoelen en „baleh haleh'squot; (rustbanken van bamboe) aannam. De gemaakte toer was evenwel het hoofdonderwerp van het gesprek, want allen moesten bekennen, dat die hun belangstelling in hooge mate geprikkeld en hun verwachting verre overtroffen had. Allen waren dan ook geheel oor, toen Visbergen, in afwachting van het diner, een kleine monographie van het Diëngstelsel voordroeg en daarbij uitlegde, hoe het plateau den bodem van een overgrooten krater was, wiens onmetelijke kratermuur gevormd werd door den Goenoeng Praqe in het Noorden, Noordoosten en Oosten, door den Pakoeodjo in het Zuidoosten, door den Goenoeng Kendil in het Zuiden, door den Goenoeng Wisma in het Zuidwesten, door den Goenoeng Nogosarie in het Westen en den Goenoeng Pakara-man en den Goenoeng Gadjah moendoer in het Noordwesten. En de instemming daarmee, na alles wat men heden gezien en waargenomen had, gold ook de betuiging dat de Goenoeng Panggonang, met zijn fumarolen, zijn solfatara's en heete bronnen rondom, het middelpunt van dien grooten krater was en dat zich daar, toen de Diëng had uitgewerkt, een laatste veiligheidsklep gevormd had, die zich ook langzamerhand zoude sluiten.
Zal nog moeten verteld worden, dat, toen het diner genuttigd was, het gesprek spoedig kwijnde, dat, toen de maag verzadigd was, het lichaam naar rust haakte, vooral ook toen, bij het ondergaan der zon, de dampkring onaangenaam afkoelde1? De „passangrahanquot; van Diëng overdekte weldra niets anders dan rustende menschen en daarin werden niets anders dan zachte en regelmatige ademhalingen, afgewisseld door ronkende geluiden, waargenomen.
7:^
10*
Een, Theetuin.. — Tusschen de twee Gebroeders door,
Den volgenden morgen werd de terugtocht naar Wonosobo aangenomen. In het voorbijgaan evenwel werd een bezoek gebracht aan de Telaga Werno, die aan de westelijke afhelling van het voorgebergte, hetwelk met den Cloenoeng Praoe het ravijn omgeeft, waarin de Kalie Serajoe voortbruist, op een korten afstand van den weg gelegen is. Tegen dat voorgebergte sloten de nitloopers van den Goenoeng Kendil aan, zoodat het meer van alle zijden door gebei'gte omgeven scheen. Onze bezoekers moesten erkennen dat van de verscheiden meren, die zij bezocht hadden, dit nog het meest verrassende gezicht opleverde. Dat verrassende bestond daarin, dat het in zijn waterspiegel duidelijk verscheiden tinten liet waarnemen. Onze reizigers bevonden zich op den oostelijken rand en blikten van daar in het meer, welks heldere wateren zich op een geringen afstand als groen getint voordeden, echter van die fraaie levendige schakeering, waaraan men den naam van appelgroen gegeven heeft. Werd de blik naar den tegenoverliggenden oever, naar de westkust gewend, dan nam het water een geelachtige tint aan, die waarschijnlijk teweeggebracht werd door een zwavelbezinksel, dat althans in de beek, waardoor het meer zich ontlastte, aangetroffen werd; terwijl aan den noordkant, waar een gedeelte van het meer door een strook waterplanten van bet overige afgescheiden werd, dat gedeelte een donkerbruine, ja, zwarte kleur vertoonde. Door de hooge bergen rondom beschut, was het duidelijk dat noch stormen, noch heftige winden dat fraaie veelkleurige watervlak konden beroeren. Het werd slechts zachtjes bewogen en gerimpeld door de vele wilde eenden, die daar rustig nestelden en met hun glinsterende witte borsten al zwemmende lange strepen op de stille watervlakte trokken.en volgenden morgen werd de terugtocht naar Wonosobo aangenomen. In het voorbijgaan evenwel werd een bezoek gebracht aan de Telaga Werno, die aan de westelijke afhelling van het voorgebergte, hetwelk met den Cloenoeng Praoe het ravijn omgeeft, waarin de Kalie Serajoe voortbruist, op een korten afstand van den weg gelegen is. Tegen dat voorgebergte sloten de nitloopers van den Goenoeng Kendil aan, zoodat het meer van alle zijden door gebei'gte omgeven scheen. Onze bezoekers moesten erkennen dat van de verscheiden meren, die zij bezocht hadden, dit nog het meest verrassende gezicht opleverde. Dat verrassende bestond daarin, dat het in zijn waterspiegel duidelijk verscheiden tinten liet waarnemen. Onze reizigers bevonden zich op den oostelijken rand en blikten van daar in het meer, welks heldere wateren zich op een geringen afstand als groen getint voordeden, echter van die fraaie levendige schakeering, waaraan men den naam van appelgroen gegeven heeft. Werd de blik naar den tegenoverliggenden oever, naar de westkust gewend, dan nam het water een geelachtige tint aan, die waarschijnlijk teweeggebracht werd door een zwavelbezinksel, dat althans in de beek, waardoor het meer zich ontlastte, aangetroffen werd; terwijl aan den noordkant, waar een gedeelte van het meer door een strook waterplanten van bet overige afgescheiden werd, dat gedeelte een donkerbruine, ja, zwarte kleur vertoonde. Door de hooge bergen rondom beschut, was het duidelijk dat noch stormen, noch heftige winden dat fraaie veelkleurige watervlak konden beroeren. Het werd slechts zachtjes bewogen en gerimpeld door de vele wilde eenden, die daar rustig nestelden en met hun glinsterende witte borsten al zwemmende lange strepen op de stille watervlakte trokken.
Dat was het laatste, wat men van Diëng zou zien. Toen men dat fraaie meer genoeg bewonderd had, werd de reis naar Wonosobo vervolgd. Maar men was er nog niet, vooral
EEN THEETUIN. — TUSSCHEN DE TWEE GEBROEDEKS DOOR.
als men op liet pad was met een cicerone als den assistent-resident Van Menrs. Die man begreep, wat hij aan een gezelschap toeristen als het onderhavige verschuldigd was.
Tusschen de Telaga Menjer en den G-oenoeng Telerep gekomen, wees hij op de theetuinen, die allerwegen de hellingen van het omringend gebergte bedekten. Hij stelde voor die te gaan bezichtigen. Veel zin hadden de dames er niet in; maar toen de heeren, waaronder voornamelijk Van Berkenstein, er op aandrongen, de gelegenheid niet te laten ontsnappen, ten einde een overzicht van die cultuur te verkrijgen, gaf het schoone geslacht toe, ook wel ten gevolge van den onbewusten wensch, om toch eens te weten te komen, hoe de plant groeit, van welker bladeren haar geslachtsgenooten zoo'n lekkeren drank weten te zetten.
Men sloeg ter hoogte van de désa Telaga een zijweg in, die een paar honderd pas verder naar de theefabriek Tambie voerde. Ons gezelschap trof het; de administrateur, de heer Jacobson, was juist 's daags te voren van een reis naar Tjilatjap, waarheen de voornaamste afvoer van de theeën uit het Regentschap Ledok geschiedt, teruggekeerd. De voorstelling werd door den heer Van Meurs spoedig gedaan en ook het motief blootgelegd, hetwelk het gezelschap op de fabriek voerde. De heer Jacobson was een welopgevoed man van top tot teen; hij begon met de ruimste gastvrijheid uit te oefenen en zich daarna als theeplanter ter beschikking van onze toeristen te stellen.
Wat de gastvrijheid betreft, daarvan zou in zooverre gebruik gemaakt worden, dat het gezelschap dien dag gedeeltelijk te Tambie zou doorbrengen, maar de wensch werd daarbij uitgedrukt om des avonds te Wonosobo teruggekeerd te zijn.
„Ik ben al drie dagen van huis,quot; sprak Van Meurs. „Ik durf aan den stapel ofliciëele paperassen niet denken, die zich gedurende dien tijd opgehoopt heeft.quot;
Toen het gezelschap wat uitgeblazen had, stelde de heer Jacobson voor een wandeling door de tuinen te maken. Dat werd te eerder aangenomen, daar op de hoogte boven de oppervlakte der zee, waarop men zich bevond, een wandeling in de open lucht, al bevond men zich ook op een korten afstand van den Evenaar, niets onaangenaams in zich had, maar integendeel gelijk te stellen was met een toertje op een schoonen Meidag in het vaderland.
„Ik zal den dames evenwel aanraden hun zonneschermen te gebruiken,quot; zei de heer Jacobson, „want zij zullen de ondervinding wel opgedaan hebben, dat, hoe lieflijk zacht getemperd de atmosfeer is, die ons omringt, de zon toch brandendheete stralen afzendt, die haar teere huid al heel spoedig bruineeren, verschroeien en zelfs in pijnlijke blaren optrekken zou.quot; ')•
De dames wezen lachend op haar parasols, die zij dapper zouden gebruiken, verzekerden zi j.
') Dat minder pleizierig verschijnsel, wellicht door de ijlheid der lucht teweeggebracht, wordt steeds in hoog gebergte waargenomen, en vergalt het overigens zoo heerlijk gevoel van behaaglijkheid, deerlijk.
— TUSSCHEN DE TWEE GEBROEDERS DOOR.
De theetuinen lagen in den onmiddellijken omtrek; zij waren dus spoedig bereikt. Zij leverden met hun betrekkelijk kleine heesters, die in rij en gelid geplant stonden, met hun gladde en lederachtige bladeren, die in het zonlicht glinsterden, een eigenaardig gezicht op, dat, hoewel bevallig, toch niet van een zekere eentonigheid vrij te pleiten was. De tuinen waren door breede wegen, die elkander nagenoeg rechthoekig sneden, in perken van twee tot drie bouws afgedeeld, terwijl van schaduwboomen, zooals in de koffie-aan-plantingen, geen spoor te zien was. Hetgeen het oog nogal bekoorde, was dat die theeheesters, nagenoeg van gelijke hoogte, de berghellingen gelijkmatig volgden en die met hun zacht, levendig en glinsterend groen overtogen.
„De theeheester, door de geleerden Thea Chinensis genoemd,quot; aldus begon de heer Jacobson gedurende de wandeling zijn inlichtingen, „behoort tot de familie der Thern-stroemiaceeën, die als cultuurplant hoogstens zes voet bereikt, maar waarvan in het rijk Assam specimina in het wild worden aangetroffen, die twintig voet hoog zijn.
„De Thea Chinensis is een altijd groene heester, met — zooals ge zien kunt — kort-gesteelde elliptisch-lancetvormige bladeren, welker randen als een zaag getand zijn. Die bladeren zijn in hun jeugd nagenoeg bruinrood en aan beide vlakken met zeer tijne haartjes bezet. Op lateren leeftijd zijn zij glad en lederachtig. In de bladoksels ontspruiten de bloemen, die wit zijn en een fijnen geur verspreiden. Haar kelk is vijf- of zesbladig, terwijl de bloembladen van zes tot twaalf in getal zijn. De stijl is driespletig, de zaaddoos bevat drie hokken, die ieder een zaadkorrel bevatten, welke in drogen staat zwart is en er als een kleine noot uitziet. De kiem bezit dikke, vleezige, olieachtige zaadlobben. Tachtig ponden ontbolsterde jutten worden gerekend 30,000 zaden te bevatten.
„De theeheester behoort in het zuidoostelijk gedeelte van China tehuis. Hij vereischt een gematigd en vochtig klimaat, dat men op Java in het gebergte moet zoeken. De zone van omstreeks 700 tot 4000 voet schijnt voor hem de meest gunstige verhoudingen aan te bieden. Laatstgenoemd cijfer wordt voor den thee-aanplant op Java niet overschreden; omdat de warmtegraad daar op den duur te laag zou zijn voor een loonende cultuur. Vlakten of plateaux worden vermeden, omdat voor den theeheester niets nadeeliger is dan stilstaand of ondergronds-water. Toch is de nabijheid van stroomend water zeer gewenscht, omdat bij langdurige droogte besproeiing noodzakelijk is.quot;
„Dat alles zoo toegelicht,quot; zei Van Berkenstein, „is voor ons zeer begrijpelijk. Maar hoe worden de tuinen aangelegd?quot;
„Is het oorspronkelijk, bosch, waarop de aanleg zal geschieden, uitgeroeid en opgeruimd,quot; antwoordde de heer Jacobson, „dan worden de wegen getraceerd, waardoor het terrein in het noodige aantal vakken afgedeeld wordt. De grond wordt diep bewerkt, waardoor toetreding der lucht zoo diep mogelijk wordt. Een zandhoudende leemgrond, bedekt met een flinke laag teelaarde, is voor de theeplant het gunstigst. Er moet evenwel op gelet worden, dat de onderlaag uit genoeg losse bestanddeelen bestaat, om het regenwater door te laten.
EEN THEETUIN.
EEN THEETUIN. — TUSSCHEN DE TWEE GEBROEDERS DOOR.
„Er bestaan twee methoden van aanleg, namelijk liet zaad op kweekbeddingen te laten ontkiemen en het onmiddellijk ter plaatse, waar de planten in de tuinen verlangd worden, uit te zaaien. Beide methoden hebben haar voorstanders.quot;
,En welke wordt hier gevolgd?quot; vroeg Montauban, die ijverig aanteekeningen maakte.
„Wij bezigen beide methoden. Wij leggen kweekbeddingen aan en, waar de gronden niet schraal zijn en gemakkelijk besproeid kunnen worden, zaaien wij direct uit. De aarde der kweekbeddingen mag nimmer beter zijn dan de schraalste perceelen van het aanstaande plantsoen, om geen teleurstelling te ondervinden. De aarde daarvan moet evenwel goed gezuiverd en niet te diep bewerkt worden. De lengte der kweekbeddingen kan willekeurig genomen worden, de breedte wordt nooit meer genomen dan tweemaal een armslengte, om de arbeiders in staat te stellen, zelfs het middelgedeelte der bedding te bereiken, zonder schade aan te richten.
„De zaden worden op de beddingen in rijen uitgelegd op onderlinge afstanden van '/4 voet van elkander, terwijl tusschen die rijen een afstand van een halven voet bewaard wordt. Zoodra uitgelegd, worden de zaden met mulle aarde bedekt en verder van tijd tot tijd begoten. Het onkruid wordt zorgvuldig en met de hand gewied; een lichte beschaduwing wordt aangebracht, die evenwel weer verdwijnen moet, zoodra de plantjes een viertal blaadjes gemaakt hebben. Zijn de plantjes zoo omstreeks een halven voet boven den grond, dan brengt men ze voorzichtig in de tuinen over, waar zij op twee a drie voet in rijen geplant worden, welke rijen op drie a vier voet van elkander blijven.
„Wordt eenvoudig uitgezaaid, dan worden een maand vooraf plantgeulen, ter breedte van 9 en ter diepte van 12 duim, uitgegraven. Enkele dagen vóór de zaaiing wordt de uitgegraven aarde weder daarin geworpen. Eindelijk zaait men op de plek, waar men een theeheester verlangt, twee of drie zaden uit, niet te dicht bij elkander, waarna men ze met wat muilen teelgrond dekt en overigens goed besproeit.
„In de eerste weken, nadat de aanplant geschied is of de zaden opgekomen zijn. moet het jeugdig plantsoen zorgvuldig nagegaan worden, om iedere plant bij ongunstige omstandigheden te hulp te komen of ziekelijke of doode theeplantjes onmiddellijk te vervangen. Verder dient iedere tuin twee- a driemalen 'sjaars flink omgespit te worden, hetgeen echter met het noodige overleg moet geschieden, ten einde de worteluiteinden, die bij den theestruik vooral teer zijn, niet te beschadigen.
„In het 3do of 4de jaar, naar gelang van den aard der gronden, wordt de plant oogstbaar geacht. In goed ontwikkelde tuinen kan de pluk gedurende het geheele jaar door geschieden. Hij regelt zich evenwel voornamelijk naar den tijd, die beschikbaar is, en naar het aantal handen, in verband met de onkosten, die men er aan besteden kan. Bij den oogst onderscheidt men top-, fijn-, middel- en grofblad. De topbladeren dienen tot de bereiding van de fijnste en kostbaarste theesoorten, zoowel van de groene als van de zwarte; de andere voor de mindere soorten.quot;
77
EEX THEETUIN. - TUSSCHEN DE TWEE GEBKOEDEKS DOOK.
„Zietdaar de theecultuur ontvouwd,quot;' eindigde de heer Jacobson zijn monographie. „Ik hoop duidelijk genoeg geweest te zijn en voor de dames niet al te vervelend.quot;
„Integendeel, mijnheer Jacobson,quot; betuigde mevrouw Van Berkenstein, „gij hebt mij althans geboeid.quot;
„En ons ook!quot; verzekerden de dames Visbergen en Jaffrezic.
„En wij kunnen slechts erkentelijk zijn voor het inderdaad duidelijk overzicht, dat ons geleverd is,quot; zei Montauban.
„Maar, mijnheer Jacobson,quot; merkte mevrouw Van Berkenstein op, „mij is als ervaren theeschenkster iets in uw mededeeling opgevallen.quot;
„En dat is, mevrouw?quot;
„Gij verteldet zooeven dat de topbladeren gebezigd worden tot de bereiding van de kostbaarste theesoorten, zoowel van de zwarte als van de groene thee. Ik heb altijd gemeend dat Java slechts zwarte thee produceert en dat de groene thee uitsluitend uit China komt, waar haar de groene kleur door een behandeling met koperzouten gegeven wordt.quot;
„Niets is meer bezijden de waarheid dan dat, mevrouw! Ons gezegend Java brengt zoowel groene als zwarte thee voort. Beide soorten worden van dezelfde bladeren, van denzelfden struik verkregen. Het product hangt slechts van de bereidingswijze af en deze laatste regelt zich geheel en al naar de eischen van de markt.
„Maar hoe worden die beide soorten bereid?quot;
„O! gij hebt gaarne de puntjes op de i's,quot; gaf de heer Jacobson ten antwoord; „welnu, luistert:
„Wanneer men zwarte thee wil bereiden, dan worden de geplukte bladeren op hoopen gelegd om te verflensen. Dit te hoop liggen der versche bladeren doet een gistingsproces ontstaan, hetwelk nog bevorderd wordt door de bladeren, gedurende de twee dagen, dat dit proces duurt, herhaaldelijk met de hand te kneuzen en te rollen. Na die gisting, of beter: wanneer die tot het gewenschte punt gestegen is, worden de bladeren op platen óf gebraden of geroosterd boven een kolenvuur, óf zij worden in de zon gedroogd, al naarmate de qualiteit, welke beoogd wordt.
„De groene thee wordt aan geen gistingsproces onderworpen. De versch geplukte bladmassa wordt onverwijld verwerkt, d. w. z. zij wordt, tot voor kort geleden, onverwijld in sterk verhitte pannen gebraden.
„Thans gebruikt men in plaats van die pannen een zoogenaamden „Sirocco thee-drogerquot;, een soort oven, waarvoor allerlei brandstof, als: steenkolen, gepatenteerde geperste kolen, hout, bamboe, rietgras enz. gebruikt kan worden en waarin door een zelfwerkenden heeten luchtstroom tot 60 KG. thee per uur gedroogd kunnen worden. De thee wordt in bakken in den oven geschoven, over die bakken een geperforeerde deksel aangebracht, waardoor de heete luchtstroom door de bakken zoodanig geregeld wordt, dat gelijkmatig drogen in lederen bak gelijktijdig verzekerd wordt en de thee in het midden even snel als
78
EEN THEETUIN.
in de hoeken gedroogd wordt. De ontlaste heete lucht wordt tevens gebruikt om bet groene blad in de theekamer te verschroeien.
„Wanneer de thee goed droog is, wordt zij op Java, zooveel mogelijk nog warm, in kwart, achtste, zestiende of twee en dertigste kisten verpakt, die bruto 100, (50, 35 en 15 en netto 80, 45, 25 en 10 halve KG. wegen. Die kisten zijn van binnen met een dunne laag lood bekleed, welke, na vulling, dichtgesoldeerd wordt, terwijl zij van buiten met Chineesch papier beplakt en door een vernis, bestaande uit dammar mata koetjing (een harssoort), in terpentijnolie opgelost, verder waterdicht gemaakt worden.
„Zietdaar nu ook de thee voor de afzending gereed. Gij zult mij ten goede houden, dat ik het daarbij laat. De afvoer naar het strand, de verscheping, de handel in Europa, och, ik zou u daarover nog lang kunnen onderhouden, maar zelfs een theepraatje heeft zijn grenzen.quot;
„Wij danken u voor uw welwillende inlichtingen,quot; antwoordde Van Berkenstein. „Zij zijn zoo volledig mogelijk, althans voor toeristen, die, zonder in de geheimen te willen dringen, algemeene, maar toch degelijke indrukken van het land, hetwelk zij bezoeken, wenschen mede te nemen. Hoe volledig echter gij uw inlichtingen ook voordroegt, wensch ik toch nog iets daaromtrent aangevuld te zien. En dat is: welke uitgestrektheid heeft de thee-plantage, waarop wij ons bevinden?quot;
De thee-aanplant Tambie, die zoo naar de plaats genoemd wordt, waar de fabriek gelegen is, en waaronder de tuinen te Telaga, Tempoeran, Kra en Serang sorteeren, meet ruim 140 bouws '). De eerste tuinen werden eerst in 1855 aangelegd. Toen werd het product te Tampoeran verwerkt, maar de daar opgerichte fabriek werd in Maart 1859 door een rukwind vernield. Na eenige moeilijkheden met de Ned.-Indische Regeering, kwam de tegenwoordige fabriek in 1862 in gereedheid. De onderneming strekte zich aanvankelijk slechts over 75 bouws uit, welke langzamerhand tot het zooeveu genoemde getal opgeklommen zijn.
„De eigenaars van deze onderneming hebben hier in het Regentschap Ledok nog veel uitgebreider thee-aanplantingen, die met dezen te zamen 760 bouws beslaan. Langs welken weg zal het gezelschap Wonosobo verlaten?quot;
„Wij zijn van plan over Temanggoeng naar Magelang te reizen,quot; antwoordde Visbergen.
„Nu, dan zal uw weg u nog door uitgestrekte theetuinen voeren, die onder anderen bij Retja en Djoerang Dj era aangetroffen worden.quot;
Onze reizigers waren den heer Jacobson zeer dankbaar ën voor zijn inlichtingen en voor de gastvrijheid, die hij hun na de wandeling in de tuinen aanbood. Een glas madera met een beschuitje vormde voor de dames le coup de l'étrier. De heeren plengden
') Do bouw is gelijk aan 7096,5 vierk. M.
79
TDSHCHEN DE TWEE GEBROEDERS DOOK.
80
EEN THEETUINquot;. —
een offer aan vader Cambrinus met een schnimend en kristal-helder glas Haantjes-bier. De beer Jacobson gaf middelerwijl nog een beknopt overzicbt van de theegeschiedenis en verhaalde dat het gebruik van dien drank zich in den nacht der oudheid verliest.
„Kong-foe-tsee, zooals Confucius in China eigenlijk heet,1' zoo vervolgde hij, „die van (i2 tot 54:1 vóór Christus leefde, gewaagde er toch reeds van, en Kaempher herinnert in een zijner verslagen over Japan aan de zoo dichterlijke legende, volgens welke een zekere heilige Boedhist, uit Indië afkomstig en Darma geheeten, een pelgrimstocht in het jaar 519 ua Christus naar China ondernam om zijn godsdienst door woord en voorbeeld daar te verspreiden. Hij had een gelofte gedaan om de nachten wakende, in de beschouwing der volmaaktheden van de schepping, door te brengen. Maar zijn menschelijke natuur was te zwak om die gelofte geheel te kunnen volbrengen. Zoo gebeurde het eens, dat hij te midden zijner overpeinzingen door den slaap overmand werd en indommelde. Toen hij verschrikt wakker werd, rukte hij zich vertoornd de deksels van de oogen, wierp die op den grond en hervatte zijn veelomvattende beschouwingen. Den volgenden morgen ontwaarde hij evenwel, dat die afgerukte oogleden bij aanraking van den bodem wortel hadden geschoten en zich tot een fraaien, maar tot toen onbekenden heester ontwikkeld hadden. Verbaasd over dat wonder, beproefde hij de bladeren van die plant en gevoelde zich wonderlijk opgewekt en zoodanig tot voortzetting zijner overpeinzingen gestemd, dat hij zijn volgelingen het gebruik aanbeval. Dezen, opgetogen over de uitwerking, brachten er veel toe bij om het gebruik onder alle volksklassen te roemen en aan te bevelen.
„In 1667 schreef de Franschman Jouquet...zoo wilde de heer Jacobson vervolgen, maar de heer Van Meurs viel hem in de rede;
„Willen wij nog bijtijds te Wonosobo aankomen, dan dienen wij de verdienstelijke verhandeling van den heer Jacobson in den steek te laten en te paard stijgen. Allen drukten den gastheer de hand, wipten in het zadel en voort stoven zij, hoogst voldaan over hetgeen zij gezien hadden.
De afstand van Tambie tot Wonosobo werd, daar de weg bergafwaarts voerde, binnen betrekkelijk zeer korten tijd afgelegd.
Óns reisgezelschap had nagenoeg drie dagen, van des morgens tot des avonds, te paard gezeten en de tijd daarvan buiten het zadel doorgebracht was nog besteed geworden om te voet tochten te ondernemen langs steile bergpaden, door indrukwekkende ravijnen, waar het gevaarlijk ware geweest op iets anders dan op eigen beenen te vertrouwen. Was het wonder, dat de dames zich uiterst vermoeid gevoelden en een paar dagen rust verzochten? Wonosobo, met zijn goddelijk lief klimaat, leende zich uitstekend daartoe en zoo bleven onze reizigers een viertal dagen daar, rustten uit van de doorgestane vermoeienissen en gaarden krachten om weer nieuwe te gemoet te treden. Inmiddels beijverden de ingezetenen van Wonosobo zich — en zij hadden daartoe het goede voorbeeld
81
van de familie Van Meurs inderdaad niet noodig — om hun gasten die dagen zoo aangenaam mogelijk te doen slijten. Hun pogingen gelukten zóó wel, dat, toen het uur van vertrek sloeg, onze toeristen de aangenaamste herinneringen met zich voerden en zich geweld moesten aandoen, om zich uit dien kring los te rukken.
„Oh! les bonnes gens!quot; snikte mevrouw Jaffrezic, toen de rijtuigen zich in beweging stelden. „Comment est-il Dieu possible de rencontrer tant d'affection et d'affabilité chez des étrangers!quot;
Om Magelang te bereiken, werd de weg, welken men gekomen was, tot bij désa Kretek gevolgd. Daar splitste zich die weg, en in stede van den tak, die Zuidwaarts voerde en dien men gekomen was, te volgen, werd de weg, die Noordoostwaarts tusschen de beide vulkanen Soembieng en Sendoro doorvoerde, ingeslagen.
Zooals de heer Jacobson gemeld had, reed ons gezelschap bijna voortdurend tusschen theetuinen door, die slechts door gouvernements-koffietuinen afgewisseld werden. Van Wonosobo tot Kretek was de weg nogal gedaald. Maar van die desa af steeg het terrein aanmerkelijk. Kretek toch kan gerekend worden te liggen op een hoogte van 650 M. of 2070 voet, terwijl het hoogste punt, hetwelk de weg, bij het overschrijden van den zadelrug, die de beide vulkanen verbindt, bij de desa Kletong bereikt, op 1-105 M. of ruim 4488 voet gelegen is.
„Dat is dus ruim 2400 voet stijgen,quot; merkte Van Berkenstein aan Visbergen op, welke laatste die topographische bijzonderheden medegedeeld had. „Over welken afstand strekt die stijging zich uit?quot;
„Over 67» paal of bijna 10 K. M, Dat maakt zoo wat een rijzing van 75 M. per kilometer.quot;
„Die stijging is nogal aanmerkelijk,quot; meende Montauban.
„De weg van Buitenzorg naar de Preanger Regentschappen, die over den Megamen-doeng voert, vertoont scherper helling,quot; verklaarde Van Berkenstein. „Daar stijgt de weg niet zoo geleidelijk. Het is er meer berg op en berg af.quot;
„Omdat die meer dwars over de bergribben naar boven voert en deze grootendeels tusschen twee ribben naar den zadelrug stijgt.quot;
„Maar heb ik niet gelezen, dat de bergpas van Megamendoeng de hoogste was, waarover de groote postweg voert? Gij vergist u zeker, wanneer gij de hoogte van dezen zadelrug op ....quot;
„Op 4488 voet stelt? Neen, .ik vergis mij niet,quot; antwoordde Visbergen glimlachende. „Ik heb te lang hier rondgedwaald in deze residentiën, om mij te kunnen vergissen. Maar vergist gij u niet? Het signaal Poentjar, dat op het hoogste punt van den weg over den Megamendoeng staat, ligt op 4720 voet en bijgevolg nog ruim 230 voet hooger dan dit.quot;
„Gij hebt gelijk. Ik was in de war. Maar deze weg bestaat toch nog niet lang, nietwaar '! Op vele kaarten staat hij niet eens aangeteekend!quot;
n**
82
„Toch is het al ruim achttien jaar geleden, dat hij voltooid werd. Maar het duurde vrij lang, voordat men hem in gebruik nam, of beter gezegd: voordat er postpaarden langs dien weg gestationneerd werden, zoodat die weg, hoe breed hij ook is, langen tijd slechts door voetgangers gebezigd werd. Hij is hoofdzakelijk uit een strategisch oogpunt aangelegd geworden, namelijk om de vesting Willem I, die in Midden-Java gelegen is, in verbinding met de vesting Tjilatjap aan het zuiderstrand te brengen.quot;
„De zoogenaamde groote postweg is door Daendels aangelegd, nietwaar?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Ja, op zijn bevel werd die weg van Batavia naar Soerabaia aangelegd in één jaar tijds. Die weg meette toen 589 paal of 295 uur gaans. De einden van Anjer naar Batavia en van Soerabaia naar Soember Waroe zijn er later bijgemaakt; zoo ook de vertakking, die van Samarang zuidwaarts naar de Vorstenlanden voert en waarbij deze weg zich aansluit.quot;
Intusschen hadden de paarden voortgemaakt en had men eindelijk Kletong, het hoogste punt van den zadelrug, bereikt. Daar werd een oogenblik halt gemaakt, want Visbergen verzocht den reizigers om uit te stappen. Maar ternauwernood hadden zij de rijtuigen verlaten, of een kreet van bewondering ontsnapte aan aller monden. En wel mocht die geslaakt worden. Want daar voor hen strekte zich de fraaiste dalvlakte uit, welke het meest dichterlijke brein zonde hebben kunnen uitdenken.
Een poos geboeid door dat overschoone panorama, dat zich daar ontrolde, stonden onze toeristen in stille verbazing en scheen het alsof hun geheele levensuiting slechts door het gezichtsvermogen plaats had. Eindelijk was de aandoening niet te bedwingen en werd het voor ieder een behoefte elkander hun gewaarwordingen mede te deelen.
„Oh! c'est le paradis!quot; riep Louis Jaffrezic, terwijl hij de handen als in aanbidding te zamen sloot. „Ce ne peut être que le paradis!quot;
„Oui! c'est le paradis terrestre!quot; antwoordde Vogels lachende.
„Ziet eens hoe bevallig die sawah's terrasgewijze langs de berghellingen afdalen,quot; sprak mevrouw Van Berkenstein, „en hoe fraai de heldergroene rijsthalmen onder de bries buigen en zich bewegen alsof het groene golven waren, die zacht voorwaarts bewegen,quot;
„En ziet eens hoe fraai die koffietuinen daarginds in de vlakte en langs de berghellingen aangelegd zijn,quot; merkte Nielsen op. „Met hun ijlloofdige en licht genuanceerde schaduwboomen, waaronder het dichte donkergroen, maar glinsterend gebladerte van de millioenen koffiestruiken scherp afsteekt, met den vaksgewijzen aanleg der tuinen, waar-tusschen het oog de wegen en paden soms tot op de bergtoppen kan volgen, bieden zij een zóó lieflijk vergezicht aan, dat de weerga daarvan moeilijk te vinden zal zijn.quot;
„En ziet dat dorpje daarginds eens. 0! hoe heerlijk ligt dat daar met zijn bamboehutten, waartusschen die witte gebouwen zoo lief afsteken!quot; riep mevrouw Jaffrezic met verrukking, terwijl zij vol geestdrift in de handen klapte. „Hoe heet dat plaatsje'?quot;
EEN THEETUIN. - TUSSCHEK DE TWEE GEBROEDERS DOOK.
„Dat daar, mevrouw?quot; vroeg Visbergen, terwijl hij den vinger in oosteljjke richting uitstak. „Dat is Temanggoeng, de meest beduidende plaats na Magelang van de residentie Kedoe. Een der liefste plekjes, welke Gods zoo schoone aarde aanbiedt. Wij komen er straks door. Dan zult gij eenigermate kunnen oordeelen.quot;
„En hoe heet die berg, welke daarginds zijn verbrokkelde massa hoog ten hemel verheft en daar zoo'n indrukwekkenden achtergrond vormt?quot; vroeg Montauban.
„Die daar, welke zich Noordoost ten Oosten van ons bevindt? Dat is de Oengarang. quot;Wel moogt ge van een verbrokkelde massa spreken. Het was vroeger een vulkaan; maar het moet een geweldige omwenteling geweest zijn, die hem zijn tegenwoordige gedaante gaf. Die top daarginds, de hoogste van die puinmassa, heet de Soerolaja; die is 2050 M. of ongeveer 6550 voet hoog. Die andere, de Boetak, meet 2030 M. of ruim 6510 voet.quot;
„O! hij vormt een prachtigen achtergrond voor die zoo schoone dalvlakte, welke zich aan onze voeten uitspreidt. Wat is dat voor een bergketen, die zich daar ten Noorden van ons uitstrekt?quot;
„Dat is de verbindingsrug, die den Oengarang met den öoenoeng Praoe, welken gij daarginds achter den Sendoro ziet uitsteken, verbindt. Hij draagt naar zijn toppen verscheiden namen, als: Goenoeng Maran, Goenoeng Keteh, Goenoeng Krikil. Goenoeng Tlompo, Goenoeng Bandjar enz. Ziet ge, de laatste sluit bijna bij den Praoe aan.quot;
Bij het kijken naar den Praoe, vestigden zich de blikken der reizigers op den Sendoro en bemerkten zij nu eerst, van het standpunt, waar zij waren, welken regehnatigen kegelvorm die vulkaan had. De berg lag daar in die gedaante zoo zuiver, alsof een teekenaar hem ontworpen had. Zijn lengteribben waren duidelijk zichtbaar en vertoonden onder de zonnestralen, die de oostelijke zijden daarvan helder verlichtten en de andere in de schaduw lieten, het regelmatige geraamte van den prachtigen kegel, die nagenoeg zonder plantengroei was en daardoor des te scherper uitkwam. Allen waren opgetogen over dat schouwspel.
„Keert u nu om,quot; sprak Visbergen.
Die raad werd gevolgd en een kreet van verbazing ontsnapte schier aan ieders mond. Want was het tooverij? Dezelfde fraaie en zuivere kegelvorm stond daar voor onze natuurbewonderaars in allen deele gelijk aan den Sendoro, dien zij den rug toekeerden.
„Hoe is het mogelijk, dat twee bergen zoo aan elkander gelijk kunnen zijn P was de bemerking van Van Berkenstein. „Het is bewonderenswaardig.quot;
„Die beide vulkanen worden dan ook de „Twee Gebroedersquot; geheeten. Hoe gelijk die beide bergen ons van hier ook schijnen, zoo is er toch eenig verschil in. De Soembieng is namelijk iets hooger dan de Sendoro. De top van laatstgenoemde verheft zich 3124 M. of 9980 voet boven de oppervlakte der zee, terwijl deze hier, die daar voor ons staat, een hoogte van 333(5 M. of 10658 voet bereikt. De Sendoro verheft zich tusschen twee zadel-
— TÜSSCHEN DE TWEE GEBROEDERS DOOR.
84
EEN THEETUIN.
ruggen: deze, waarop wij ons thans bevinden, die de Twee Gebroeders aan elkander, en die, welke liem met den Goenoeng Praoe verbindt.quot;
„Wat is dat voor een ver verwijderden top, die daar ter zijde van den Soembieng komt uitkijken?quot; vroeg een der reizigers.
„Dat is de Merbaboe,quot; antwoordde Visbergen. „Die zullen wij wel meer te zien krijgen, want aan diens voet is Magelang gebouwd. Stond ons de Soembieng niet in den weg, dan zouden wij den Merapi ook zien.quot;
„Het is schoon, zeer schoon!quot; riep Nielsen uit, waarmede al onze toeristen instemden.
„0! kijkt daar vlak beneden ons,quot; riep mevrouw Jaffrezic uit, „dat zilveren lint, hetwelk door dat landschap kronkelt!quot;
„Dat is de Kalie Galeh,quot; aldus zette Visbergen zijn topographische uitlegging voort. „Dat riviertje ontspringt hier dichtbij, tusschen twee lengteribben van den Soembieng. Zooals gij zien kunt, voegen zich vele beekjes, die al murmelend en schuimend en klotsend van beide vulkanen afstroomen, bij haar.
„Wat is dat fraai,quot; riep Clotilda Visbergen opgetogen uit, „al die zilveren draadjes, die naar elkander toesnellen om dien kronkelenden zilveren band te vormen! En ziet, daarginds, achter Temanggoeng, vereenigt zich die band weer met een anderen!quot;
„Daar valt de Galeh in de Progo. 0! hadden wij thans paarden ter onzer beschikking, dan zouden wij de bronnen van de laatstgenoemde rivier gaan bezoeken. Gij zoudt dan wat fraais zien. Verbeeldt u, op de noordoostelijke helling van den Sendoro ontspringt die rivier bij de desa Djoemprit plotseling uit een grot, die aangetroffen wordt in de zool eener lengtekloof, die daarboven volkomen droog is en geen spoor van water laat ontwaren. Die spelonk, welker wanden uit trachiet-lava bestaan, is bij haar monding twintig-voet hoog, maar vermindert weldra zoodanig, dat zij op een afstand van twintig passen reeds in een nauwe spleet overgaat, waaruit het water met een machtigen straal, die haar geheel vult, met geweld te voorschijn treedt. Verbeeldt u daarbij dat de geheele grot schilderachtig overschaduwd is door eeuwenoude Wariengienboomen met hun dicht loof en hun ver uitgespreide vertakkingen, dan zult ge kunnen beseffen hoe fraai dat plekje daar moet wezen. Maar.. ..quot; ging Visbergen met een zucht voort, „het is niet anders. Zonder paarden is vooral voor de dames de tocht niet te doen en gij moet u dus maar met mijn vluchtige schets tevredenstellen. Nu evenwel wordt het tijd, dat wij weer in de rijtuigen stappen. Wij hebben nog een heel eind te rijden, voordat wij Magelang, het einddoel onzer reis voor vandaag, zullen bereikt hebben. Komaan, maakt u gereed om in te stijgen!quot;
Nu ging het in vliegenden galop voorwaarts. Wel hadden de koetsiers de achterwielen geremd, maar de hellingen waren zoodanig, dat de paarden duchtig aangevuurd moesten worden om door de rijtuigen niet te worden achteropgerold. Onze Fransche en
EEN THEETUIN. — TUSSCHEN DE TWEE «EBROEDERS DOOR. 85
Deensche reizigers, die zoo'n rit nog niet bijgewoond hadden, keken eerst wel ietwat bedremmeld, maar toen zij hun Hollandsche reisgenooten, vooral de dames Van Berkenstein en Visbergen, zoo kalm zagen zitten, alsof er niets gebeurde, ja over hun bezorgdheid hoorden spotten, toen keerde ook het zelfvertrouwen bij hen terug en konden zij volop de genieting van zoo'n snellen rit met volle teugen smaken.
Te Temanggoeng werd slechts gepleisterd om te verspannen. Weldra was bij Setjang de groote heirbaan van Semarang naar Djokdjokarta bereikt en een uur later waren onze reizigers in het logement te Magelang afgestapt.
De hoofdplaats van de Residentie Kedoe is een der bevolkingcentra van Java,e hoofdplaats van de Residentie Kedoe is een der bevolkingcentra van Java,
dat liet verst uit elkander is gebouwd, hetgeen nogal wat te beteekenen heeft in een land, waar het op ettelijke tientallen bouws niet aankomt. Onze reizigers konden daar dan ook naar hartelust toeren en wandelen, waarbij zij moesten erkennen dat de rijen wandelwegen niet alleen uitmuntend, maar ook met smaak en zonder bekrompenheid Avaren, aangelegd.
Bij een bezoek, dat zij in den vooravond van den dag hunner aankomst aan den Resident van Kedoe brachten, verzocht die hoofdambtenaar hun om den volgenden ochtend zoo vroeg mogelijk hun bezoek te herhalen. Zij zouden het vroege opstaan niet betreuren.
„O! ik dacht het wel,quot; sprak Vogels, toen het gezelschap het residentiehuis verlaten had en vóór het diner nog wat rondwandelde, „ik dacht het wel, dat de Resident u tot dat morgenbezoek zou uitnoodigen. Bereidt u voor, iets zeer fraais te zien.quot;
„Wat dan, mijnheer Vogels?quot; vroeg mevrouw Jaffrezic met echt vrouwelijke nieuwsgierigheid, waarbij zij trouw door hare geslachtsgenooten werd bijgestaan.
„Bedwingt uw ongeduld, dames,quot; gaf Vogels lachend ten antwoord. „De verrassing zal het genot vergrooten,quot;
„Gij zijt weinig toegevend voor onze zwakheden, mijnheer Vogels,quot; sprak Clotilde Visbergen met dreigend opgeheven vinger.
„Daar is de G-oenoeng Tidar!quot; riep Visbergen.
„Dat een goenoeng (berg)?quot; vroeg mevrouw Van Berkenstein met eenige minachting in hare stem. „Dat suikerbrood een berg!quot;
„Het is maar een heuveltje, dat geef ik gewonnen,quot; sprak Vogels, „een heuveltje, dat zich slecht 380 voet boven het maaiveld van het omliggende terrein verheft
- HET PKOGODAIi.
87
MAGELANG.
„Mooi gezegd, dat „maaiveld van het omliggende terrein'V' viel Van Berkeustein hem lachende in de rede. „Maar, ga voort.quot;
„Evenwel bij de Javanen van veel beteekenis is,quot; vervolgde Vogels. „Volgens hen is de Goenoeng Tidar vlak in het midden van het eiland gelegen. Die heuvel zou de kop van den spijker zijn, waarmee Java aan de ingewanden der aarde is vastgenageld.
„Zoodat,quot; vroeg Montanban, „werd die spijker uitgetrokken, het eiland Java op de oppervlakte der zee drijvende zou zijn?quot;
„Ja, en met gunstige gelegenheid naar Europa zou kunnen stevenen,' merkte Ollerupp op.
„Voorzeker, maar niet door het kanaal van Suez,quot; antwoordde A isbergen lachende. „De schepping van De Lesseps, die al vrij smal voor een eenigszins groote stoomboot is, zou onmogelijk ons eiland doortocht kunnen verleenen. Maar, wat zeg ik.' Het eiland zou zelfs straat Bab-el-Mandeb niet kunnen passeeren, daar reeds het internationale vaarwater verstoppen en derhalve voorzeker internationale verwikkelingen veroorzaken. Neen, laat Java blijven waar het is!quot;
„Het zou toch wel wat waard zijn, dunkt me, wanneer de Europeanen eens een kijkje op ons schoon eiland konden nemen,quot; was de opmerking van Vogels. „Mij komt het voor, dat de Hollanders wel het gekste gezicht van alle blankhuiden zouden zetten, want, af te gaan op hetgeen zoo nu en dan in de Nederlandsche Vertegenwoordiging over de Koloniën uitgekraamd wordt, weten die er het allerminst van en laten ze zich bij gelegenheid gaarne door een Money of een Comte de Beauvoir allerkoddigst inlichten of nog dwazer bewierooken.quot;
„Maar, ligt de Tidar wel in het midden van het eiland!quot; vroeg Van Berkeustein, die zichtbaar leed onder die aanklacht, tegen zijn landgenooten en hun vertegenwoordigers gericht en welke hij niet vermocht te weerspreken. Toch waardeerde hij de ontboezeming van den halfbloed, waaruit wel belangstelling, met hetgeen in Nederland omtrent de Koloniën verkondigd werd, sprak.
„Dat scheelt niet veel,quot; antwoordde Visbergen. „Vrij algemeen wordt door de topografen de stelling van Junghuhn aangenomen, dat de Soembieng op de helft der lengte-as van het eiland gelegen is en dat die vulkaan ook even ver van den Indischen Oceaan als van de Java-zee verwijderd is. Die berg zou dus de spijker zijn, waarop de Javanen doelen.quot;
De weg, welken onze wandelaars volgden, voerde hen tusschen den Tidar, die ten Zuiden van Magelang zich verheft, en het fortje door, hetwelk die plaats heet te beschermen. Toen zij den weg betraden, die naar Djokdjokarta voerde, was de zon reeds ondergegaan, en op de korte schemering, die in tropische gewesten dag en nacht scheidt, zou spoedig een volslagen duisternis ingetreden zijn, wanneer de maan niet de taak op zich genomen had, om het aardrijk met haar zachte stralen te overgieten. Het was een overschoone
HET PROGOUAL.
88
MAGELANG.
avond; een van die avonden, welke tusschen de keerkringen zoo veelvuldig voorkomen en van welker heerlijkheid de bewoners van Noordelijker of Zuidelijker streken zich geen denkbeeld kunnen vormen. Het was evenwel nog geen tijd om huiswaarts te gaan. Men besloot om nog een omweg te maken, waartoe de wandelwegen van Magelang alle gelegenheid aanboden. Ons reisgezelschap wandelde door lanen van zware Kanarie-boom en '), tusschen welker zware loofkronen de maan lieflijk scheen en wondervolle spelingen van licht en schaduw vertoonde.
„Ik zie telkens daarginds in het Oosten een lichtend punt hoog in de lucht als het licht van een vuurtoren,quot; merkte Nielsen op, „maar telkens wordt het door de kruinen der hoornen onzichtbaar. Wat zou dat kunnen zijn ?quot;
„Straks zult gij dat wel zien,quot; antwoordde Visbergen, terwijl hij den weg naar Tagal Redjo, een groote desa in de nabijheid van Magelang, insloeg.
Die weg voerde over de Kalie Ello. ïoen de wandelaars de brug over die rivier betraden, openden zich plotseling de rijen boomen, die tot nu toe den weg omzoomd hadden, en gunden ze een vergezicht, dat allen een kreet van bewondering afperste. Daar, in het Oosten, verhieven zich twee bergen, die zich bij de zachte maanverlichting scherp op het donkerblauw van den zuiveren dampkring afteekenden. Op den Zuidelijksten dier twee bergen was een schitterend rood licht te zien, dat te midden van een witte damp-pluim, welke door den heerschenden zwakken Zuidoostenwind in de richting van Magelang gebogen werd, een wonderlijk effect maakte. Eenigszins boven den zadelrug, die beide bergen verbond, vertoonde zich de maan, welke bijna vol was, overgoot de beide reuzen met haar zilverachtig licht en deed de lengteribben, die hen van beneden naar boven doorploegden, scherp uitkomen, terwijl het voorgelegen landschap, dat langzaam en afwisselend opliep, tot waar de beide kegels zich meer steil verhieven, zich onder die verlichting lief en bevallig voordeed.
„De „toekan-arangquot; (kolenbranders) zijn zeker daarboven bezig houtskolen te branden,quot; zei mevrouw Visbergen. „Dat heb ik in het Buitenzorgsche meer gezien.quot;
„Maar, Clotilde,quot; zei haar echtgenoot, „arang-branden in dit gedeelte van het jaar! Hoe komt gij er toe? Dat geschiedt eerst op het einde van den oostmoesson, zoo in het laatst van Augustus of in September. Neen, kijk eens goed.quot;
„Het is als ware die berg daar de Vesuvius bij Napels,quot; zei mevrouw Jaff'rezic.
„Juist gezien, mevrouw,quot; zei Visbergen. „Die bergen, welke wij daar voor ons hebben, zijn twee vulkanen: een sedert lang uitgebrande, die Merbaboe geheeten wordt, terwijl de andere, die van al de vuurspuwende bergen op Java, en hun aantal is groot — drie en veertig, als ik het wel heb — de meest werkzame is en Merapi2) heet.
') Canarium commune.
2) Mer beteekent in Oudjavaansch berg. Mer api = Vuurberg.
HET PBOOODAL.
89
MAGELANG. —
Zwijgend stonden de toeristen dat schoone tooneel een poos aan te staren. Eindelijk maande Vogels tot den terugtocht. De practische man wees er op, dat het reeds acht uren was en dat men in het hotel waarschijnlijk den hond in den pot zou vinden. Dat was een zeer beslissend argument; want de wandeling, die men gemaakt had. had grage magen veroorzaakt. Terwijl het gezelschap terugwandelde, deelde Visbergen nog mede, dat dit lichtende punt, hetwelk men gezien had, slechts zelden waar te nemen was, dat dit naar zijn meening een verhoogde werking des vulkaans aanduidde, maar dat dit weer weersproken werd door de ontsnappende damppluim, die, geheel krachteloos uitgedreven, zich niet rechtstandig kon ontwikkelen, maar dadelijk onder den invloed van den passaatwind over den kraterrand omboog.
„Wat was die pluim fraai,quot; merkte mevrouw Van Berkenstein op. „Even boven den krater was zij dik en vol, bleef dit na haar ombuiging nog een wijl, maar dunde daarna, dunde nogmaals.... al meer en meer, totdat zij eindelijk op het blauwe hemelgewelf in een uiterst fijn punt te niet ging.quot;
„Ja, het was zeer fraai,quot; antwoordde Montauban. „Maar.... wat drommel, komt ons daar te gemoet? Hél dat is aardig.quot;
En werkelijk, het was aardig. Onder de geheimzinnige schaduwen van de Kanarie-laan kwam een „bendyquot; (sjees) aangereden, waarin een jong paartje gezeten was, hetwelk zich het genot veroorloofde van een toertje in den maneschijn te maken.
„Waarschijnlijk verliefden,quot; merkte Boisjolin op.
„Niet waarschijnlijk, maar zeker zijn het verliefden,quot; antwoordde Montauban. „Gehuwden gaan zoo dichterlijk niet samen toeren.quot;
„Drommels, zoo'n toertje zou toch wel gezellig zijn, nietwaar Clotilde?quot; protesteerde Visbergen.
De jonge vrouw bloosde. Gelukkig dat het avond was. Maar zij kreeg hulp van de beide overige dames, terwijl de lieer en Van Berkenstein en Jafirezic Visbergen ondersteunden, zoodat Montauban met zijn scepticismus omtrent het huwelijksgeluk alleen bleef staan. De andere ongehuwde heeren mengden zich wijselijk niet in den strijd.
„Ik heb zoo'n voertuig, zoo'n bendy, nooit gezien,quot; betuigde Van Berkenstein. „Toch ben ik reeds geruimen tijd in Nederlandsch-fndië.quot;
„Zij zijn door de meer doelmatige dos-a-dos vervangen,quot; antwoordde Vogels. „Vroeger bestond er op de hoofdplaatsen van Java bijna geen ander voertuig om plaatselijk rond te rijden. Toen behoorde het bezit van een bendy, natuurlijk met bijbehoorend paard, tot het ideaal van ieder jong Europeaan in Indië. Thans is zoo'n rijtuig nog maar alleen bij uitzondering hier of daar in de binnenlanden aan te treffen. Het zal niet lang meer duren, of de bendy's zullen geheel en al verdwenen zijn.quot;
Onze wandelaars waren inmiddels het hotel genaderd en bereikten dat met ongeveinsd genoegen. Hoewel het reeds negen uren was, vonden zij den hond niet in den pot.
MAGELA-N6. — HET PE0Ö0DA.L.
Integendeel, de kastelein liad zichzelven overtroffen. Hij en zijn kok verdienden een tevredenheidsbetuiging, die hun dan ook niet ontging. Het diner smaakte uitmuntend; een
uurtje werd er nog nagetafeld, maar____de morgenrit en de avondwandeling misten hun invloed
niet. Eerst dropen de dames af, daarna verontschuldigden de heeren echtgenooten zich en eindigden de anderen ook met de bekentenis, dat zij zich vermoeid gevoelden en naar rust haakten.
De eerzame „pradjoerit ')) die vóór, of beter ter zijde van het residentiehuis te Magelang op schildwacht stond, had den volgenden morgen ternauwernood een slag op de metalen klok, die naast zijn schilderhuis opgehangen was, gegeven, om aan te duiden dat het halfzeven was, toen ons reisgezelschap aan het uiteinde van de prachtige, boomrijke laan, die naar de residentswoning voerde, verscheen en weinige oogenblikken later zijn opwachting bij dien hoofdambtenaar en zijn echtgenoote maakte.
„Onze verwachting is zeer gespannen, heer resident,quot; zei mevrouw Van Berkenstein na de eerste begroeting. „Pas op, dat zij niet teleurgesteld worde, want wij zouden na de vermoeienissen, die wij gisteren doorstaan hebben en waarvan wij nog niet geheel bekomen zijn, u moeilijk kunnen vergeven, dat wij zoo vroeg zijn opgestaan.quot;
„Ik hoop, mevrouw, dat gij niet te klagen zult hebben,quot; antwoordde de gastheer. „Komt, heeren en dames, volgt mij naar de voorgalerij!quot;
Langs de zijgalerij werd de voorgalerij bereikt; ons gezelschap vond dat daarvan de „kreesquot; neergelaten waren. Slechts spaarzaam drong het daglicht tusschen de fijne bamboelatjes van die soort gordijnen door; het liet alles in een geheimzinnig halfdonker. Op een wenk van de vrouw des huizes vlogen de bedienden rond en boden den gasten een kop geurige koffie met een lekkere Samarangsche beschuit aan, welke in dien frisschen morgenstond overheerlijk smaakten. Toen die gastvrijheidsplicht volbracht was, gaf de resident een teeken aan een zijner bedienden, die een der „kreesquot; evenals het gordijn in een schouwburgzaal omhooghaalde. Het panorama, dat zich toen voor aller oogen opdeed, was in den volsten zin des woords verrukkelijk. Allen traden naderbij.
De voorgrond van het landschap, dat zich daar voor den blik ontrolde, werd gevormd door het smaakvolle park, bij het residentiehuis behoorende, waarin, te midden van de fraaiste bloemperken en heesterboschjes, welke laatsten laag genoeg waren om den blik niet te begrenzen, allerwegen steenen beelden uit het Hindoe-tijdperk zich verhieven. Het terrein van dat park liep zacht glooiend af tot op een diepte van ongeveer 150 voet, waarna het weer klom, maar thans meer steil. De Progo bruiste en schuimde in de zool van dat dal over grijze lava-trachietrotsen, vormde hier versnellingen of kleine watervallen, splitste zich elders in twee of meer armen, die iets verder weer tot één stroom samenvloten, kronkelde
') Pradjoerits zijn regentstroepen, dio gekleed en gewapend zijn als de infanterie van het N.-I. leger, en slechts dat onderscheid vertoonen, dat zij den nationalen hoofddoek behouden hebben, waar bovenop de politiemuts prijkt.
90
■ •- ■ ■ Ï...C ■ ■quot; • - •...■gt;^V V;:v ■ ,:;.^ quot;.■# ■■::'
■ 'C- ; • AuWï'-'; 'v:
1- C, . :
4 ' , r \ - - gt; 1 - 3 •' 1 ,,
-wy . ■ ■ ^ quot;f^y- y-'1-. m-: ^ m^yy-'quot;, y:*
M ' ^ . ,o
91
zich door den vrij breeden dalbodem in ontelbare bochten alsof zij, hoewel onstuimig in haar bewegingen, aarzelde zulke schoone dreven te verlaten, en leverde zoo een waterpartij, soms lief en zacht, dan weer woest en vol geweld, maar steeds verheven en schilderachtig, die het landschap een weergalooze bekoorlijkheid bijzette. Aan de overzijde van de Progo steeg het terrein scherp glooiend omhoog, was daar met sawah's overdekt en vertoonde als zoodanig smalle terrassen, die als breede trappen omhoogklommen. De zacht-groene rijsthalmen, die hun vollen wasdom reeds nabij waren, wuifden en bogen zacht onder den. morgenwind en verleenden aan die terrassen het voorkomen, alsof zij met een beweeglijk groen fluweelen kleed overspannen waren, dat zacht op en neer golfde. Die sawah-terrassen verhieven zich tot aan den dalrand, welke aan gene zijde nagenoeg hetzelfde waterpas bereikte als aan deze, en van waar het terrein zacht opklom en eigenlijk slechts een onmetelijke sawah vormde, die zich tot aan den voet van den Soembieng uitstrekte. Op die vlakte, welke minder besproeiing ontving en ook onder den meer rechtstreekschen invloed der zonnestralen stond, vertoonden de rijstplanten meer rijpheid en lag er een lichtgeel waas over dat gedeelte van het landschap, alsof er een lichte tint van verguldsel aan verleend was.
Daar, op den achtergrond van die sawahvlakte, verrezen plotseling met scherpe hellingen de kegelvormige omtrekken van den Soembieng, die zich op ruim 9000 voet boven het omliggende terrein verhief. Het uitspansel was volmaakt helder. In dien vroegen morgenstond wierp de zon haar stralen schuin op de oostelijke omtrekken van de bergmassa; de dampkring was daarbij zóó doorzichtig, dat al de ribben, al de kloven, ja de oneffenheden van den vulkaan helder en duidelijk in het oog vielen en zelfs de paden, die zigzagsgewijze over die ribben opwaarts voerden, waren waar te nemen. Zelfs de alleenstaande boomen in de nabijheid van de kruin des bergs, zoo ook de schaduwen, die zij onder de schuine zonnestralen op den berg wierpen, lieten zich met het ongewapende oog onderscheiden. De berg zelf scheen kaal en was slechts met kort gras overtogen, waarbij de weinige getuigen van boomgroei, welke hier en daar op zijn hellingen ontwaard werden, zeer afstaken. Op zijn voet evenwel spreidde zich een menigte desa's uit, welker hutten duidelijk ontwaard werden te midden der vruchtboom-boschjes, die zich als eilandjes te midden der grasvlakte voordeden en zich door hun donkergroen duidelijk deden herkennen.
Achter den Soembieng was de top van den Sendoro even waarneembaar en scheen hij als een knaap over den reus te turen.
Van Berkenstein en zijn echtgenoote erkenden dat, wat zij ook in de Preanger Regentschappen gezien hadden, geen enkel gezicht daar zooveel bevalligs en tegelijkertijd zooveel verhevens aanbood.
De Franschen en de Denen van het gezelschap waren uitbundig in hun lof eu betuigden dat, bij de meest levendige verbeelding, zij nooit hadden kunnen denken, dat zulke fraaie natuurtafereelen bestaan konden.
Een tijdlang bleef ieders oog op het verheven landschap gevestigd. De zon kreeg
MAGELANG. — HET PRODOÖAL.
evenwel, naarmate zij naar het zenith steeg, al meer en meer kracht. Zij begon den bodem langzamerhand te verhitten. De luchtlagen, daarmede in aanraking, begonnen in beweging te komen. Daardoor verkreeg de dampkring, zoowel in de nabijheid van den dalzool als op de hellingen des bergs, trillingen en golvingen, die het oog onaangenaam aandeden en vooral zijn helderheid aanmerkelijk deden verminderen. De lengteribben, de bergplooien, die een oogenblik zoo duidelijk te zien waren, wischten uit, smolten in elkander en lieten niets anders meer ontwaren dan onduidelijke voren op den kegelvorniigen omtrek des bergs, welke laatste evenwel nog even scherp op het hemelazuur afstak. De vrucbtboomboschjes aan den voet des bergs, waarboven zooeven de fraaie gevederde kruinen der klapper-, areng- en pinang-boomen nog vriendelijk wuifden, gaven het voorkomen aan dien bergvoet, alsof hij met een in groen gedoopte spons gewasschen ware, zoodat in dat beeld alle duidelijkheid verdwenen was.
„Het is jammer,quot; betuigde mevrouw Jaffrezic met een zucht, terwijl zij het gelaat afwendde, „dat het zoo spoedig gedaan is. Zoo'n heerlijk gezicht moest steeds blijven duren.quot;
„Het duurt ook gewoonlijk veel langer,quot; antwoordde de resident. „Maar wij zijn in den vollen Oostmoesson; dan is de dampkring gewoonlijk kort na zonsopgang niet meer zoo helder, waarschijnlijk door de stofdeeltjes, die met de verwarmde lucht mede opstijgen. In den Westmoesson, of ook maar nadat een overvloedige regen gevallen is, vertoont zich het vergezicht, dat gij zoozeer bewonderd hebt, nog veel fraaier en schijnt de vulkaan nog veel dichter bij dan gij hem zoo straks gezien hebt.quot;
Onze reizigers betuigden den resident hun dank voor het prachtige schouwspel, dat hij hun verschaft had, en maakten zich gereed om te vertrekken.
„En wat zijn uw plannen nu voor vandaag?quot; vroeg de hoofdambtenaar met belangstelling.
„Ik heb de rijtuigen doen klaarhouden om naar Bóróboedoer te gaan,quot; antwoordde Visbergen, „zoodat, wanneer wij het hotel bereiken, wij dadelijk zullen kunnen instappen.quot;
„O! dames, dan zult gij heden veel moois te zien krijgen,quot; verzekerde de residentsvrouw.
„Q-aat gij over Mendoet er heen of neemt gij den weg langs Salaman?quot; vroeg de resident aan Visbergen.
„Ik moet bekennen, dat ik daar niet over nagedacht heb,quot; antwoordde deze. „Ik wilde dat aan een koetsier overlaten. Mij dunkt evenwel, dat de weg langs de Kalie Ello de kortste is.quot;
„Dat is zoo. Maar mag ik een raad geven, dan is die: om den weg langs de Progo te volgen. Wel is hij iets langer dan de andere, maar gij krijgt dan een fraai gezicht op de Minoreh-bergketen, langs welker voet die weg gedurende een poos voert. Gij kunt dan langs den anderen weg terugkeeren.quot;
Nogmaals bedankten de reizigers den resident en zijn echtgenoote en een kwartier later waren ze, in hun rijtuigen gezeten, op weg naar Bóróboedoer.
92
ie Eóróboedoer. — Een vulkaan In arbeid.,
In vliegenden galop jjlclen de twee rijtuigen, waarin onze toeristen gezeten waren, den Minoreh-keten te gemoet. Visbergen in het eene voertuig en Vogels in het andere deelden mede, dat de weg, dien men volgde, de gemeenschap met Poerwaredja, Bagelens hootdplaats, vormde en daartoe in zuidwestelijke richting voerde; maar dat bij de désa Salaman die weg zich splitste en een tak nagenoeg zuiver oostwaarts naar Bóröboedoer liep. De atstand, die af te leggen was, bedroeg ruim 15 paal, maar de weg was goed en aan een kolfbaan gelijk; de paarden waren vurig, zoodat de tocht niet veel te beduiden zou hebben en binnen den tijd van twee uren afgelegd zou zijn.n vliegenden galop jjlclen de twee rijtuigen, waarin onze toeristen gezeten waren, den Minoreh-keten te gemoet. Visbergen in het eene voertuig en Vogels in het andere deelden mede, dat de weg, dien men volgde, de gemeenschap met Poerwaredja, Bagelens hootdplaats, vormde en daartoe in zuidwestelijke richting voerde; maar dat bij de désa Salaman die weg zich splitste en een tak nagenoeg zuiver oostwaarts naar Bóröboedoer liep. De atstand, die af te leggen was, bedroeg ruim 15 paal, maar de weg was goed en aan een kolfbaan gelijk; de paarden waren vurig, zoodat de tocht niet veel te beduiden zou hebben en binnen den tijd van twee uren afgelegd zou zijn.
Het terrein liep van Magelang zacht hellend af naar de Progorivier, die daar ter plaatse overbrugd was en aan welker linkeroever de bouwval van een kleinen tempel aangetroffen werd. Van Berkenstein wees er op en vroeg of dat de Bóróboedoer was.
„Dat Bóróboedoer!'quot; riep Visbergen uit. .,Dan hadden wij den tocht herwaarts wel kunnen sparen. Want daaraan is niet veel meer op te merken dan aan de tempelbouw-vallen, die wij op Diëng gezien hebben. Neen, ik zal u wat anders laten zien; weest daar verzekerd van. Dit is de Tjandi Pawoen. Hij wordt ook Tjandi Dapoer genoemd. Wat de eerste benaming beteekent, heb ik niet kunnen ervaren. De tweede kan vertaald worden door keukentempel. Of door dien naam de betrekking van dit gebouw tot Bóröboedoer, als de plaats, waar de spijzen voor de priesters klaargemaakt werden, moest aangeduid worden, is nog niet uitgemaakt, daar de eene oudheidkundige dit beweert en een ander verkondigt dat deze kleine tempel slechts bestemd was om den geloovigen pelgrim, die zijn schreden naar Bóróboedoer richtte, te stichten en op het betreden van het heiligrlom voor te bereiden. Merkwaardig is het, dat aan den anderen kant van Bóróboedoer ook zoo'n kleine tempel bestaat, Tjandi Mendoet geheeten, dien wij straks zullen voorbijkomen en die beter bewaard is gebleven dan deze.'1
— EEN' VULKAAN IN' AKBEIO.
n
DE BÓKÓBOEDOEK.
„Eu dezen, rijden wij dien zoo maar voorbij1?quot; vroeg Van Berkenstein. „Zouden wij niet even halt maken?quot;
„Daar is geen tijd toe,quot; was liet antwoord. „Gelooft mij, dat het toch avond zal geworden zijn, alvorens wij de terugreis naar Magelang zullen kunnen ondernemen. Wel kunnen wij op maanlicht rekenen, zoodat wij niet op een uur of wat te letten hebben, maar ter wille van den Tjandi Dapoer zouden wij slechts tijd verspillen met het bekijken van een bouwval, waarvan de beelden en wandversieringen grootendeels vergaan en onherkenbaar geworden zijn. Maar buigt nu eens het hoofd buiten het rijtuig en kijkt eens vooruit.quot;
„De rijtuigen waren nu kampong Salaman gepasseerd en reden thans in vliegenden galop oostwaarts. Op de aanbeveling van Visbergen vestigden zich zooveel mogelijk aller blikken vooruit.
„Maar.... dat is een stad, welke zich daarginds tegen de hellingen van den Merapi afteekent!quot; riep Van Berkenstein verrast.
„Dat is Bóróboedoer!quot; riep Visbergen. „Komt, dames en heeren, uitstijgen! Wij moeten het heiligdom eerbiedig naderen.quot;
Allen stegen uit. Ja, daarginds stak, tegen de donkere massa van den vulkaan, een bleekgrijze steenwereld af, welker omtrekken, ofschoon scherp verlicht door de zon, in de sterk verhitte en trillende luchtlagen, nog onduidelijk en als in een nevel gehuld, te voorschijn traden. Men kon zich in het eerst geen denkbeeld vormen van wat men zag. Steen en waren het, steenen en nog eens steenen, die, zich op elkander stapelende, een machtigen chaos vormden en de vlucht van de stoutste verbeeldingskracht tartten. Onze reizigers waren in bewondering blijven stilstaan. Ja, daar was een toren, die zich in de lucht verhief, daar vertoonden zich in den trillenden ether daknokken, schoorsteenen, koepels, dakvensters, archivolten, architraven, walgangen, bastions, schilderhuizen, puien, kanteelen, een geheele wereld in één woord, maar een tooverwereld, die op het gemoed van ieder haren invloed niet miste.
„Komt, vooruit,quot; riep Vogels, „wij hebben al te veel schatting aan den eersten indruk betaald! Het is warm in het zonneke.quot;
De toeristen stapten vooruit. Zooals zij naderden, ontsluierde zich die steenchaos voor hun verbaasde blikken. De poorten, de nissen, de beelden, die het grootsche gewrocht versierden, traden te voorschijn, daarna de doorzichtige klokken, die op de bovengalerij prijkten; later kwamen ook de omgangen en de trappen, die er heen leidden, duidelijk uit: eindelijk ook het relief-beeldhouwwerk en de arabesken, die de muren versierden en het geheele onmetelijke steenmonumenfc tot een heerlijk en in allen deele sprekend dichtstuk maakten.
Het kunstgewrocht lag op den top van een heuvel, dien onze reizigers langzaam beklommen. Bij iederen stap, dien zij nader traden, onthulde zich een nieuwe bijzonderheid,
■ ■ ■ ■ '
iarailiie
ft,
#tUw?1tj(;Oigt;,;i€ [
m ;,■J,■■ 'lt;*'■ ';i
■■
l................................
WÊSÊÊmm- 'w
v'■■■::■■^ :-,1 ; ' ■ ■ ■ ■ ,■ ■ ,' ««
WmÊamp;Smü: •■' ■ WmM' 1 ' ■■'■
, VA' v./'» \ sBIHHH
■
m mm :
■' : ' Mi ■
^^■HnHI
DE BÓUÖBOEPOEK. EEN VULKAAN IN AKBEIP.
en werden zij al meer en meer verrast, totdat zij voor de hoofdpoort stonden en Visbergen en Vogels hen uitnoodigden de trappen te beklimmen om het verheven bouwwerk van binnen te bezoeken. Toen zij de drie buitenterrassen bestegen hadden, waarop zich het monument verhief, en op het punt waren de poort in te gaan, hield Visbergen hen een oogenblik staande en deed hen opmerken, dat het geheel eigenlijk gebouwd was rondom den heuvel, waarop het zich verhief en waarvan de top gerekend kon worden op 150 voet boven de omliggende vlakte verheven te zijn, en dat die terrassen als de fundeering van het gebouw moesten beschouwd worden. Vervolgens de poort binnentredende, geleidde hij het gezelschap de zeven treden op, die naar den eersten omgang voerden.
„Ziet,quot; sprak Visbergen, „de geheele Bóróboedoer heeft een vierkante, pyramidale constructie, waarvan de basiszijden van het onderste terras ieder 151.6 M. of 202 passen meten. Wij zullen zoo vijf omgangen te beklimmen hebben, die elk natuurlijk meer teruggetrokken en evenals deze door een balustrade beschermd zijn. Op het midden van ieder der vier zijden van het monument verleenen hooge poorten toegang tot de volgende verdieping. Alleen de poorten, van den eersten naar den tweeden omgang voerende, zijn bij een aardbeving ingestort; de trappen daarheen werden erg beschadigd, zóó zelfs, dat, om de gemeenschap met de bovenverdiepingen te onderhouden, een der laatste residenten van Kedoe, door het opstapelen van de losgevallen steenen, een soort trap heeft doen daarstellen.quot;
Het gezelschap wandelde dien omgang rond en bewonderde de basreliefs en de beelden, die de muurplaten, zoowel van het hoofdgebouw als van de borstwering, versierden. Van afstand tot afstand werden nissen aangetroffen, waarin een zittend mansbeeld, dat gewoonlijk door twee kolommen ingesloten werd, welker boven- en benedeneinden uit zeer samengesteld, maar smaakvol lijstwerk bestond. Het beeldhouwwerk van dezen omgang was evenwel zeer beschadigd; een groot gedeelte der borstweringsmuren was naar beneden gevallen en ontbrak dus.
De tweede omgang werd echter meer ongeschonden aangetroffen. Visbergen geleidde het gezelschap door de oostelijke poort, of beter door de ruimte, waar zij gestaan had, naar boven. Hij sloeg dadelijk links af en vestigde de aandacht der bezoekers op het beeldhouwwerk, hetwelk het hoofdgebouw versierde en in twee reeksen boven elkander een aantal van twee honderd en veertig basreliefs te aanschouwen gaf, welke een der incarnaties van Boeddha voorstelden. Het geheel zoowel als de detailfiguren waren uiterst kunstig en smaakvol bewerkt.
„Ziet,quot; zeide Visbergen, op een der muurplaten wijzende, „hier hebt gij de voorstelling van de bevalling van Maja Devi, de moeder van den geïncarneerden God. Zij staat, omgeven door een aantal Dewa's (goden), recht overeind, maar geleund tegen een tak van den heiligen Plaksjahboom. Brahma en Indra staan vlak bij haar. De laatste heeft de gedaante eener oude vrouw aangenomen en wil den jonggeborene in ontvangst nemen, die, in een
95
[)E BÓEÓBOEDOKH. — EEX VULKAAN IN' ARBEID.
kostbaar kleed van Kashische zijde gekleed, ter wereld verschijnt. De jeugdige Boeddha heeft evenwel geen hulp noodig; zelf neemt hij plaats op een groote witte lotusbloem, die onmiddellijk uit den grond is opgeschoten op de plek, die de knaap het eerst met den voet heeft aangeraakt.quot;
„Zeer belangwekkend,quot; betuigde Montauban.
„De geschiedenis van die incarnatie vervolgt zich in die tafereelen. Ziet, hier sterft Maja Devi, Boeddha's moeder, aan de gevolgen harer bevalling.quot;
Onze toeristen hadden dien omgang omgewandeld, hadden overal stilgestaan en met genoegen de uitlegging vernomen, die door Vishergen gegeven werd. Eindelijk bevonden zij zich weer bij het punt van uitgang, gingen door de poort en klommen de trappen op, die tot den derden omgang geleidden. Hier werd Boeddha aangetroffen, meestal in de houding van iemand, die onderwijst en betoogt. In honderd acht en twintig basreliëfs werd hier de geschiedenis van het verkeer van den wijsgeer op aarde geleverd.
„Zeer kenmerkend voor dezen omgang,quot; merkte Vishergen op, „is het groot aantal heilige vrouwen, meestal vorstinnen, die hier voorgesteld zijn.quot;
„En allen zijn fijn gemodelleerd en fraai besneden,quot; bracht Boisjolin in het midden.
Op den vierden omgang werden geen Boeddhabeelden op de hasreliefs aangetroffen. In acht en zestig afbeeldingen werd een aantal geschiedenissen verzinnelijkt, waarvan de oudheidkundigen de beteekenissen nog niet hebben kunnen vatten.
Op den vijfden omgang werden twee en zeventig hasreliefs aangetroffen, waarop zoo'n overvloed van Boeddhabeelden werd aangetroffen, dat er alleen zeventien op een enkel basrelief te vinden waren. Op dezen omgang kwam ten volle uit, dat de verheerlijking van Boeddha het hoofddoel, waarschijnlijk wel het eenige doel van den reuzenbouw, geweest is.
Door de poort van den vijfden ringmuur klommen de reizigers op het boventerras, hetwelk in zjjn buitenomtrek een vierkant vormde met een voorsprong in het midden van elk der vier zijden van het monument. Dat terras was zonder borstweringsmuur. Dat boventerras bestond eigenlijk uit drie terrassen, die, evenredig kleiner van oppervlakte, zich ongeveer 1.8 M. boven elkander verhieven. Op de twee bovenste terrassen werden Dagoebs aangetroffen, die in het bijzonder aller aandacht trokken. Op het middelste stonden 32, op het bovenste terras 1(). allen op gelijken afstand van elkander, doch op ongeveer een halven meter van den buitenrand geplaatst. Die Dagoebs waren klokvormige koepels met een cirkelvormig grondvlak van 3.80 M. middellijn en hadden een hoogte van ruim 4 M. De klokwand van den koepel was ruitvormig a jour gewerkt en daaronder zag men zittende beelden van Boeddha, die wonderfraai geproportionneerd waren en welker gelaat volstrekt niet het Maleische, maar wel het Eaukasische ras in herinnering bracht.
Eindelijk naderden onze reizigers den middelkoepel, die eigenlijk de bekroning van het geheele monument was. De middellijn van het grondvlak mat 15.5, terwijl de hoogte van het terras tot bij het vierkant, dat op het gewelf rust en waarop in vroeger tijden
96
BE BÖKÓHOETiOEK. -— EEN VULKAAN IN AliBEID.
een pijnakel gestaan moet hebben, 8.80 M. bereikte. De geheele klok was uitwendig met allerhande versieringen als klokogiefbanden, lijstwerk, arabeskbanden, lotusbanden enz., getooid. Aan de oostzijde was de wand van dien koepel geheel ingestort en de reizigers konden langs die bres tot in het heiligdom dringen. Helaas, daarbinnen was slechts een tooneel van verwoesting te aanschouwen. Een gedeelte van den steenen vloer bestond nog maar en in een grooten kuil lag, half onder de aardei- bedolven, een Boeddhabeeld met grove omtrekken, dat eenmaal in dezen koepel op zijn voetstuk prijkte, maar daarvan gestort was, toen hebzuchtigen den grond doorwoelden om naar schatten te zoeken.
Na bezichtiging van dien koepel, geleidde Visbergen het gezelschap langs een trap, welke slechts uit opeengestapelde steenen van den bouwval samengesteld was, boven op het gewelf, waarop een afdakje van bamboestijlen, met atap gedekt, tegen de stralen van de zon, die zich op die steenmassa duchtig had laten gelden, dekte. Een flinke steenen bank was dubbel welkom, want allen, zoowel de heeren als de dames, waren vermoeid van dat ronddrentelen langs die omgangen en van dat trappenklimmen. Maar bovenal was hun geest vermoeid, want zij hadden zooveel gezien, dat het hun van beelden, van nissen, van koepels, van basreliefs, van poortversieringen, van lotussen, in één woord van beeldhouwwerk van alle soort voor de oogen wemelde. Eenige rust was dus noodzakelijk. Maar terwijl onze toeristen daar omgewandeld, dat beeldhouwwerk bewonderd en onder de leiding van Visbergen zich bij iederen tred in de Hindoe-mythologie verdiept hadden, had van zijn kant de tijd ook niet stilgestaan. Toen zij daarboven onder dat afdak gezeten waren, ontwaarden zij dat de zon in haar dalenden tak en de nok van de Minoreh-bergketen, die in het westen gezien werd, nabij was.
„Wat drommel, hoe laat is het?quot; vroeg Boisjolin.
„Het zal bij vijven zijn,quot; antwoordde Yan Berkenstein, zijn uurwerk voor den dag halende. „Inderdaad, het is er al tien minuten over.quot;
„Is het daarom, dat mijn maag zoo reclameert?quot; merkte Nielsen op. „Ik geloof, dat wij vergeten hebben om twaalf uren te rijsttafelen.quot;
„Wees gerust,quot; suste Visbergen hem. „In den „passangrahanquot; heb ik voor het diner gezorgd. Wij hebben maar op te letten; om halfzeven zal men ons wel roepen.quot;
„Nog anderhalf uur!quot; zuchtte de Deen met kluchtig ontsteld gelaat.
„Kom, die tijd zal ook wel omkomen. Wij zullen onze magen met een praatje tevreden stellen,quot; zei Montauban lachende.
„Juist,quot; antwoordde Visbei-gen. „Ik heb u gedurende de wandeling op de beteekenis van den Bóróboedoer gewezen, hoe hij vooral het Boeddhisme verzinnelijkt. Laat u nu eens door Vogels de legende mededeelen, die de Javanen daaromtrent verhalen. Middelerwijl ga ik eens in den „passangrahanquot; een kijkje nemen en voor de „makananquot; (diner) zorgen.
„Hier, in Middel-Java, heerschte in vroegere tijden,quot; zoo begon Vogels op algemeene uitnoodiging zijn verhaal, „een groot vorst, Dewa Kesoema genaamd, die als zoon van een
13**
HE BÖRÓBOEDOER. EEN VULKAAN IN AKBEID.
hoogepriester met zeer veel macht bedeeld was. Die vorst had een aanvallig dochtertje, dat hij zeer liet' had. Dat kind werd hem, toen het twee jaar oud was, door een zijner hovelingen, dien hij eens zwaar heleedigd had, ontvoerd. De troostelooze vader zocht, zocht lang, zocht overal, maar tevergeefs! Zijn eenig kind, zijn schat, was weg en bleef weg.
„Eens, — het was twaalf jaren later, —- op de jacht zijnde, ontmoette Dewa Kesoema een overschoone maagd, die zijn zinnen betooverde en zijn hart, dat hij dood waande, van verlangen deed kloppen. Verlangen en de lust bevredigen zijn nagenoeg gelijkluidend voor Oostersche vorsten. Hij nam de maagd tot vrouw en verwekte bij haar een zoon. Nu was het oogenblik voor den beleedigden hoveling gekomen om zich afdoend te wreken. De ellendeling naderde den vorst, maakte hem bekend dat zijn zoon zijn kleinzoon was, want dat de vrouw, die hij zijn sponde had laten deelen, de ontvoerde dochter was. Grij kunt u den schrik en het afgrijzen verbeelden van den vorst over die misdadige geboorte. Hij raadpleegde de priesters, hoe hij voor zoo'n bloedschennis, hoewel in onwetendheid gepleegd, de Trimourti (de Drieëenheid: Brahma, Siva en Vishnoe) zou verzoenen. 0! verzekerde de heilige bende hem; er was geen vergeving mogelijk. Ja, toch! er was nog een middel om de vreeselijke, maar gerechte straf te ontkomen. Wanneer hij namelijk binnen tien dagen een tempel bouwde, waarvan hem het aantal beelden en de aard der versieringen opgegeven werden, dan zon het heilig driemanschap zich laten vermurwen.
„De vorst verzamelde zijn kunstenaren, zijn werklieden. Met ijver werd aan het werk getogen. Het werk vorderde, de steenen stapelden zich op elkander. De beitels verrichtten wonderen en ten slotte was het kunstgewrocht 'op het bepaalde tijdstip klaar. De priesterschaar kwam om het heiligdom over te nemen. De beelden werden geteld .... helaas! er ontbrak één aan het vereischte getal. Nu was de Trimourti onverzoenbaar. Dewa Kesoema werd met vrouw en kind in de nabijheid in een koepelvormig gebouw gemetseld en daar in steen veranderd. Wanneer wij straks naar Magelang terug zullen rijden, zullen wij een kleinen tempel passeeren, Tjandi Mendoet geheeten, waarin de drie beelden nog opgesloten zitten. Ziet daar,quot; aldus eindigde Vogels zijn verhaal, ,, de legende der Javanen omtrent Bóróboedoer. Zijn de dames en heeren tevreden?quot;
„Ze zullen wel moeten,quot; klonk de stem van Visbergen, die bij het einde van het verhaal weer naar boven gekomen was. „Ik heb evenwel op die legende wat aan te merken of beter er wat bij te voegen. Vooreerst zijn er onder de drie beelden van Mendoet geen vrouw en geen kind te ontdekken. Het zijn drie mannenbeelden; ze stellen voor Boeddha, die aan twee zijner volgelingen onderricht in de wijsbegeerte geeft. Dan heeft de geachte verhaler meegedeeld dat Dewa Kesoema met vrouw en kind ingemetseld zouden zijn. Metselen geeft te verstaan een opbouwing van steenen, die door middel van kalk aan elkander gevoegd zijn. Nu is aan den geheelen Bóróboedoer en ook aan Tjandi Mendoet geen lood kalk gebruikt. De steenen, die uit lava-trachiet bestaan, zijn glad geslepen en eenvoudig met de gladde zijden op elkander gelegd. Er is hoegenaamd geen bindmiddel
98
— EEN' VULKAAN IN AEBEIH.
DE BÓRÓHÜEDOEK.
91)
gebruikt geworden. Wat nu de legende zelve betreft, moet ik opmerken, dat zij het krachtigst bewijs is, dat zelfs het laatste spoor van geschiedkundige herinnering aan de stichting van Bóröboedoer bij de bevolking is verloren gegaan. Zietdaar, wat ik er bij te voegen had. Maar, nu wat anders: ik heb uitstekende berichten aan Nielsen mede te deelen over het diner. Wij zullen ons nog een halfuur onledig houden met het schoone gezicht, dat ons omringt en daarna den „passangrahanquot; gaan opzoeken.quot;
Visbergen had niets te veel gezegd. De vlakte, die zich ten noorden van Bóróboedoer uitstrekte, was overschoon te noemen. Het was een vlakte, met klapperboomen en désa's als bezaaid. Links van de toeschouwers verhief zich de Minoreh-keten, waarachter de zon was ondergegaan en die voor het oog met de hellingen van den Soembieng ineenliep. In het noorden strekte zich een gebergte uit, dat de Twee Gebroeders met den Oenarang scheen te verbinden. En van dezen laatsten berg liep, onder den naam van Wirógómó en Telómójó, een bergnok naar den Merbaboe en den Merapi, welke laatsten de vlakte in het westen begrensden. In dat oogenblik steeg de maan, die bijna vol was, even boven de zuidelijkste helling van den Merapi en bloedrood als zij was, overtoog zij het landschap, dat na zonsondergang in een halfdonker gehuld was, met een wondervol licht. Onze reizigers stonden daar zoo een oogenblik naar de boven de kim rijzende Phoebé te turen, toen plotseling de dampwolk, die nog steeds uit den Merapi opsteeg en haar eentonige witte pluim in noordwestelijke richting strekte, een helwitte verlichting in haar middelgedeelte vertoonde, hetgeen bij de bloedroode verlichting van de maan in dat oogenblik scherp afstak. Verbaasd keek ons reisgezelschap naar dat verschijnsel. Een paar malen was het of de damppluim van den vulkaan door heldere bliksemschichten doorkliefd werd. Plotseling werd een zwaar gedonder gehoord, alsof in de verte verscheiden batterijen zwaar geschut werden losgebrand, en plechtstatig, alsof geen Zuid-oost-passaat meer bestond, steeg een zwarte rookkolom ten hemel, dik, vol en recht als de loodlijn, steeg, steeg nogmaals, terwijl het boveneind, steeds omhoogschietende, zich rolde, zich kronkelde en zich wentelde als de rook, die uit een losgebrand stuk geschut voort zou kwellen. Op een paar duizend voet boven den krater gekomen, was het of dat boveneinde tegenstand ontmoette en halt in zijn stijging maakte. Die onmetelijke kolom breidde zich daarboven uit, nam den vorm van een overgrooten paddenstoel op slanken stengel aan, breidde zich nog meer uit. overdekte de maan, die nog maar weinig boven de berghelling verheven was, en dompelde zoo het aardrijk in een akelig duister. Terzelfder tijd liet zich een akelig gedreun en geknars hooren, hetwelk met een hevig schudden van den koepel gepaard ging, waarop onze reizigers plaats genomen hadden.
„Naar benedén! Naar beneden!quot; riep Vogels met een angstige uitdrukking in zijn stem. „Naar beneden, dat is aardbeving! En bij zoo'n natuurverschijnsel is het hier op dat bouwvallig monument niet gezond!quot;
Hij greep mevrouw Jaffrezic bij een arm en ijlde met haar de gebrekkige trap at
100
naar beneden, gevolgd door het geheele gezelschap. Visbergen was bij de eerste beweging op zijn Clotilde toegeschoten en had haar medegeslenrd. Van Berkenstein had zijn Ernestine niet in den steek gelaten. Gedurende de afdaling, die zoo spoedig mogelijk geschiedde, dreunde en knarste het kolossale monument; steenen raakten uit hun voegen en rolden de vluchtelingen achterna; bogen en poorten stortten achter hen in. Hadden de toeristen in dat oogenblik bij hun ontsteltenis bewustzijn van het schouwspel gehad, hetwelk zij onder de oogen hadden, dan zouden zij de beelden en koepels allerwegen hebben zien waggelen, de lijnen der basreliefs zien golven. Maar zij voelden den bodem onder zich schudden, zij hoorden het geknars der steenen tegen elkander en maakten slechts voort. Later herinnerden zij zich het waggelende en zwiepende tooneel, dat zij aanschouwd hadden, zooals men na het ontwaken de vluchtige beelden van een akeligen droom, van een nachtmerrie, in de herinnering terugroept.
Toen zjj beneden aan den voet gekomen waren, was alles stil. Het was pikdonker; er was geen hand voor oogen te zien; alleen op den top van den Merapi was een overgroote toorts ontstoken, die daar in het Oosten de met aschdeeltjes bezwangerde lucht bloedrood kleurde, alsof daar een kolossale brand woedde. Visbergen geleidde de toeristen naar den „passangrahanquot;, waar alles in rep en roer was. In aller haast en schier staande werd het gereedstaande middagmaal gebruikt. De onrust was te groot, en het ongeduld van allen, maar vooral der koetsiers, gedoogde niet, dat aan het diner behoorlijk eer werd gedaan. Visbergen was wanhopend, want hij had voor die tafel zijn maatregelen zoo goed getroffen. Toen de reizigers buitentraden, flikkerde hun een ware illuminatie in de oogen. Vogels had zich beijverd een groot aantal „ohorsquot; (fakkels) op te duikelen of van di-oge bamboe of van droge bladstelen van den areng- of van den klapperboom te doen vervaardigen. De loopers waren ieder van zoo'n „oborquot; voorzien, terwijl nog een aantal dësa-lieden door Vogels aangenomen was, om den weg voor de rijtuigen tot voorbjj Tjandi Mendoet te verlichten. Dat was zeer noodig; want van den „passangrahanquot; af helde de weg vrij sterk naar den oever van de Progo, die, evenals de Ello, welke beide rivieren zich op een zeer kleinen afstand van daar vereenigden, door een bamboe-hangbrug over-spannen was. Ware het dag geweest, dan zouden onze reizigers die hangbrug, het merkwaardige kunstgewrocht van een Javaan, hebben kunnen bewonderen. Nu ontwaarden zij bij het fantastische fakkellicht slechts het hooge geraamte van den bovenbruggenbouw, dat zich te midden van den walm en den rook der „oborsquot; en door die vreemdsoortige verlichting beschenen, als een monster-spinneweb tegen den zwarten nacht afteekende.
Even voorbij Mendoet lieten de koetsiers hun vierspannen, die zeer onrustig waren en met moeite bedwongen werden, eenigermate den teugel vieren. Moedig sprongen de edele dieren vooruit, eerst in matigen, toen in versnelden draf, later in galop en eindelijk in zóó'n ren, als slechts op Java aanschouwd kan worden. Aanvankelijk ti-achtten de fakkeldragers de rijtuigen vóór te blijven, wat ook een poos vrijwel gelukte. Het was een
DE BÓRÓBOEDOEE. — EEN VULKAAN IN ARBEID.
eigenaardig schouwspel die hijgende mannen met hun fakkels boven liet hoofd daai- voor en naast die rijtuigen te zien rennen. Maar de beweging versnelde allengskens; voor en na gaven de „oborquot;-dragers de poging op en bleven achter. Slechts een paar beijverden zich, met inspanning van alle krachten, het voorste span ter zijde te blijven tot bij de kromming, waar de weg zich aan de heirbaan, die van Djokdjokarta naar Magelang voerde, aansloot. Eenmaal dien elleboog gerond, lieten ook zij af en weldra glommen hun fakkels achteruit nog slechts als een paar lichtende punten, welke ook spoedig verdwenen.
Nu begon een ren, die veel had alsof voertuigen, paarden, koetsiers eu loopers uit Dante's Hel ontsnapt waren. De duisternis was zóó dik, dat men haar, om zoo te zeggen, zou hebben kunnen snijden. De paarden holden snuivend en brieschend voorwaarts en waren niet meer te bedwingen door de koetsiers, die voor hun bok rechtopstonden, de teugels met vaste vuist omklemd hielden en met de rechterhand de lange zweep klappend voerden om de spannen gelijken tred te doen houden. Op de achtertreden stonden de loopers, ieder zijn fakkel ter weerszijden van de rijtuigen zwaaiende of haar tegen de wielen kloppende om haar helderder te doen branden en alzoo een vonkenregen te midden van den rook en den walm verspreidende, terwijl zij hun stemmen aan die van de koetsiers paarden en de lucht van een woest en wild rrh! en ssh! deden weergalmen. Het was een zonderlinge rit in dien zwarten nacht langs die laan van hooge kanarie-boomen, welker stammen, takken en loofkronen, door de hel flikkerende fakkels der loopers kortstondig met een rooden weerschijn verlicht, als spookgestalten verschenen en als dwarrelende en grillige schaduwen te midden van vlammen en van rook verdwenen. En daar op zij, hoog in de lucht, tusschen de boomenrijen, was de Merapi te ontwaren met zijn gloeienden krater, waaruit een hel verlichte rookkolom hoog, hoog naar haar zenith opsteeg, alsof het onmetelijke vlammen waren, die uit die kolk te voorschijn traden. Onder het schijnsel van die gloeiende kolom had het landschap een wonderlijke tint aangenomen. Alle te voorschijn tredende voorwerpen, die naar den vulkaan gekeerd waren, zoowel de grootste, b. v. boomstammen, takken en loofkronen. daknokken en huisboeken, als de kleinste, b. v. heggedeelten, struiken, bloemen, zelfs de grassprieten, waren met de donkerpurper kleur overtrokken, die vreeselijk afstak bij de zwarte somberheid van den nacht. Noch maan, noch sterren waren zichtbaar; het was of zich in de grondelooze diepte der hemelen een gitzwart gordijn tusschen de aarde en het uitspansel had uitgestrekt, waartegen hoog boven den krater diens mond bloedrood weerkaatste. Op dien donkeren grond glinsterden lichtende punten, nu eens schitterend rood, alsof het Bengaalsch licht was, dan weer verblindend wit, alsof het de sterren der vuurpijlen van een vuurwerk waren. Hier en daar doorkliefde een vurige massa het luchtruim en deed een fluitend geluid hooren; het waren de rapilli, de gloeiende lavabreksiën en de vulkanische bommen, die door den vulkaan met donderend geweld uitgestooten werden en die, aanvankelijk hoog opgevoerd, rondom den vulkaan als een vonkenregen, als een gulden fontein, op zijn hellingen neder-
101
DE BÓKÖBOEDOEK. — EEN VULKAAN IN AKBEID.
stortten, daar opspatten, weer neervielen, andermaal opvlogen en rolden, en eindelijk vurige strepen op de bergjukken teekenden, die aan dat schouwspel een woeste bekoorlijkheid bijzetten.
„Verheven, verheven schoon!quot; riepen onze reizigers opgetogen uit, terwijl zij de handen samenvouwden, als om een dankgebed over zooveel natuurschoon te prevelen.
Het was ongeveer negen uren, toen de rijtuigen voor het hotel te Magelang stilhielden. Op Kedoe's hoofdplaats was alles in rep en roer, en nadat de eerste ontsteltenis over den ondervonden aardbevingsschok bedaard was, bewonderden allen het verheven schouwspel van den werkenden vulkaan. Bij het binnenkomen van het hotel trad de Resident van Magelang onze reizigers te gemoet.
„Ik begon mij ongerust over u te maken,quot; sprak hij, „en was op het punt lieden ter uwer opsporing uit te zenden. Maar wat zegt ge van dat schouwspel? Prachtig, nietwaar T
Allen betuigden hun opgetogenheid.
„Ja, gij treft het bijzonder,quot; ging het hoofd der residentie voort. „Wil ik u echter thans een goeden raad geven? Ja? Welnu, gij hebt heden nogal wat vermoeienis doorstaan; gaat nu allen gerust slapen.....quot;
„Slapen!quot; was de algemeene uitroep, die hem in de rede viel. „Slapen! dat zullen wy niet kunnen uit angst voor de aardbeving.quot;
„O! dat heeft geen nood,quot; was het antwoord. „Er zullen nog wel trillingen van den bodem en lichte schokken ondervonden worden, maar die zijn zonder gevaar. Neen, de gevaarlijke schok was, toen de vulkaan begon te werken en hij alle krachten moest inspannen om den prop in zijn verweerde kraterschacht op te ruimen, ten einde daarlangs ontspanning te erlangen. Toen golfde en schokte de bodem onder de geweldige spanning der gassen, welke een uitweg zochten. Toen was er gevaar. Maar nu die gassen hun uitweg gevonden hebben en de uitbarsting in volle werking is, kunt gij gerust gaan slapen.quot;
„Nu, wij zullen uw raad gedwee volgen. Maar zonder inzicht geeft gij dien niet,quot; was de vragende opmerking van Montauban.
„Gij zult dan goed uitgerust zijn en dat zal u te pas komen,quot; was het lachende antwoord van den resident. „Ik kom u morgenochtend heel vroeg afhalen, en.... wij zullen den Merapi beklimmen en de natuur in haar geheimzinnigste werkplaats trachten gade te slaan!quot;
Een hoezee vol geestdrift was het antwoord op dit voorstel.
102
Het was niet noodig dat de resident de toeristen den volgenden morgen wekte.et was niet noodig dat de resident de toeristen den volgenden morgen wekte.
Weinigen hunner hadden een oog geloken, waartoe het geloei van den vulkaan en het trillen van den bodem van tijd tot tijd, maar vooral de opgetogenheid over den aanstaanden tocht, het hunne hadden bijgebracht. Toen de rijtuigen voorreden, waren allen dan ook gereed en hadden ze heel spoedig plaats genomen.
Het was nog schemerdonker, toen de paarden zich in beweging stelden, zoodat het uitzicht naar buiten weinig of niets bijzonders aanbood. Maar toen men de hoofdplaats achter den rug had en de dag de schemering verving, keken allen verbaasd op en wreven
zich de oogen, want____ zij wisten werkelijk niet wat zij zagen. Een wintergezicht was
het niet. Neen, daartoe ontbrak de heldere witheid der sneeuw, daartoe ontbrak de kaalheid van het geboomte. Maar, wat was het dan, dat aller aandacht trok ! De lucht was grauw; de aarde was grauw; de hoornen, de heesters, de bloemen, de bladeren, de daken der huizen, de leuningen der bruggen waren grauw: in één woord: alles was grauw. Het duurde niet lang, of de koetsiers en loopers, de paarden en zelfs de reizigers in de rijtuigen waren grauw. Het was verbazend. Ieder vroeg zichzelven af, of hij met kleurenblindheid was geslagen. Eindelijk barstte Boisjolin in een homerisch gelach uit.
„Ventre saint gris! je vois gris, je suis et vous tous vous ètes gris!
Allen lachten om den zet.
„Münheer Boisjolin heeft gelijk,quot; zei de Resident. „Alles is grijs. Dat komt van den aschregen, die alles in den omtrek met een grijze laag heett overdekt. Ziet, het is een grauw poeder, zóó fijn, dat het tusschen de vingers volmaakt onvoelbaar is. Hadden wij een loupe.... Ah! hebt gij er een, mijnheer Montauban?.... Ziet, de grauwe stof, die gij op uw kleederen ontwaart, heeft dezelfde kleur als de steenen, die gij hier overal op de
ELFDE HOOFDSTUK.
or PEN' MERAPI.
velden of in de beken verspreid ziet liggen, als de steenen, waarvan Boroboedoer gebouwd is. Het is dan ook uiterst fijne lava-trachiet, die door den vulkaan uitgeworpen is. Als gij goed kijkt, zult gij een menigte matwitte en zelfs glinsterende stippen ontwaren, die met liet bloote oog niet te zien zijn en waarvan de eersten uit hornblende — de anderen uit glazige veldspaathkristallen bestaan. Het is maar te hopen, dat spoedig een flinke regenbui die trachietlaag afspoelt, want onder den invloed van de zonnestralen kan ze aan den plantengroei zeer veel nadeel veroorzaken.quot;'
„Ik heb wel eens gehoord,quot; zei Van Berkenstein, „dat zoo'n aschregen aan de koffietuinen veel voordeel aanbrengt, daar hij als natuurlijke bemesting kan beschouwd worden.quot;
„Dat is ook zoo,quot; antwoordde de Resident, „mits de bladeren en takken er niet mede overdekt blijven. Onder den invloed der zon worden ze dan door die asch zoo sterk verwarmd, dat het loof en de groene takken verschroeien. Soms wordt de aschlaag ook zóó zwaar, dat de takken breken en afscheuren. Daardoor wordt soms meer schade veroorzaakt dan die bemesting kan goedmaken.quot;
De weg, die gevolgd werd, was dezelfde, dien de reizigers den avond te voren, evenwel in omgekeerde richting, gereden hadden. Hij werd nu echter tot de désa Moentilan vervolgd^ van waar een zijweg ingeslagen werd, die rechtstreeks naar den Merapi voerde. De rijtuigen konden dien bergweg nog een drietal palen volgen; toen vonden de reizigers rijpaarden, waarmede de tocht vervolgd werd tot de desa Gemer Sabrang, die op 2500 voet boven de oppervlakte der zee en derhalve op 1270 voet boven Magelang gelegen was. Naarmate die desa genaderd werd, het het geloei des vulkaans zich duidelijker waarnemen. Soms werd er zoo'n geraas vernomen, dat de paarden verschrikt stilstonden en de ooren spitsten.
104
Van Gemer Sabrang moest de tocht te voet voortgezet worden en werd richting genomen naar den Djengger, een smallen bergrug, die op ongeveer vier palen of zes K. M. van genoemde desa gerekend werd. Maar het bereiken van dien bergrug was niet gemakkelijk, vooral voor de dames. Het pad was door glagah-wildernissen ') gebaand en klom ruim 2000 voet, zoodat de nok van dien bergrug op ruim 4500 voet lag. Maar met geestdrift werd de tocht aanvaard, met volharding voortgezet en met alle succes bekroond. Wel moesten de heeren soms hulp verleenen, om hun gezellinnen met haar ondoelmatige japonnen door de glagahstruiken, welke ter hoogte van de knie schuin afgesneden waren en met hun scherpe spitsen die falbalas opvingen, heen te werken of ook wel om haar over een of ander rotsgevaarte, dat het pad versperde, en vanwege de glagah niet om te trekken was, heen te tillen. Het was dan een gillen, een lachen, een stoeien, hetwelk aanduidde, dat de aanvallige schepseltjes zich op dien tocht uitstekend vermaakten.
') Glagah is oen grassoort, die tot 10 voet hoog wordt en welker stengels de dikte eens vingers erlangen. Do botanische naam is Saccharum spontaneum.
or HEX MERAPI.
De bedoelde bergrug werd zeer gepast Djengger (hanekam) genoemd, want het was slechts een nokrand, die door loodrechte rotswanden gedragen werd en in zijn lager gedeelte slechts een breedte van ongeveer 10 voet aanbood en door een reeks van opvolgend zich hooger verheffende heuveltoppen werd gevormd.
„Ziet,quot; zei de resident, terwijl hij op de afgronden links en rechts wees: „de hanekam, waarop wij ons bevinden, is tusschen twee diepe ravijnen of kloven gelegen, die aan zijn boveneinde ineenloopen. De een wordt Djoerang (kloof) Blonkeng, de ander Djoerang Lamat genoemd. In eerstgenoemde ontspringt een riviertje, dat zich in de Progo uitstort.quot;
„Wat een verschil in uitzicht!quot; riep Van Berkenstein uit. „Ziet, deze Djoerang Lamat is tot in haar onderste diepte met glagah en struiken dicht begroeid, terwijl de Djoerang Blonkeng, woest en naakt, slechts zand en steenen vertoont.quot;
„Dat heeft zijn oorzaken,quot; antwoordde de resident; „hier, bij het eindigen van den Djengger, van onzen hanekam, kunt gij ontwaren dat de Lamat-kloof, rechts ombuigende, in de Blonkeng verloopt. Die ombuiging belet grootendeels de vulkanische asch in de Lamat te schuiven.quot;
„Met uw permissie, resident,quot; zei Montauban, „maar waarom begroeit de Blonkeng-kloof niet en de Lamat wel? Dat is mij niet duidelijk. Beider zool en wanden bestaan uit dezelfde vulkanische asch!quot;
„Wel, eenvoudig omdat in de Blonkeng-kloof daartoe geen tijd gelaten wordt. De Merapi is een der meest werkzame vulkanen van Java. De eruptie-kegel, waardoor de massa's asch en steenen uitgebraakt worden, is aan alle zijden door een vrij hoogen kratermuur omgeven, behalve aan deze zijde. Hier is die kratermuur, waarschijnlijk ten gevolge van een hevige uitbarsting, vernield geworden en gaan de puinbrokken van dien kegel geleidelijk en onbegrensd in de Blonkeng-kloof over. Maar.... wat is dat?quot;
De reizigers waren middelerwijl het uiteinde van den hanekam genaderd en keken daar in de woeste en naakte diepte van de Blonkeng-kloof neder.
„Wat bedoelt gij, resident?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Daar, ziet daar beneden in het diepste gedeelte der kloof, daar is een kleine heuveltop, dien ik bij vroegere bezoeken niet ontwaard heb. Die moet hedennacht bij deze uitbarsting ontstaan zijn. Komt, laten wij in de kloof nederdalen; dat moeten wij onderzoeken!'
„Is daar geen gevaar bij?quot; vroeg Jaffrezic, die zijn echtgenoote met bezorgden blik aankeek.
„Neen, de vulkaan is sedert vannacht merkelijk bedaard. Het is te voorzien, dat hij zich na de uitbarsting een geruimen tijd rustig zal houden. Komt, volgt mij!quot;
De afdaling ging gedeeltelijk door mulle vulkanische asch en geschiedde vrij spoedig; zij had eer haar komische dan wel haar moeilijke zijde. Soms toch schoof die fijne asch onder het gewicht van den een of ander der touristen weg, die clan meegleed,
14**
01' HEN MERAPI.
wanhopige pogingen aanwendde om stand te houden, de voeten wijd uiteenzette, de handen diep in de fijne stoflaag sloeg, maar eindelijk bij de voortschuivende beweging van de been raakte, rolde, rolde, rolde.... totdat een steen, een rotsblok, waarmede die hellingen bezaaid waren, de beweging stremde en den rollende veroorloofde onder algemeen gelach het evenwicht te hernemen en weer overeind te krabbelen. Vooral had zoo'n tegenspoed, die Clotilde Visbergen overkomen was, de vroolijkheid zeer gaande gemaakt. De lieve jonge vrouw was óók aan het glijden geraakt, was daarbij omvergeslagen en verder gerold, maar geraakte bij de buitelende bewegingen in haar japon en onderrokken zoodanig verward, dat, toen zij tot stilstand kwam, zij slechts een verwarden hoop kleedingstukken en asch te aanschouwen gaf, zoodat haar echtgenoot, geholpen door de twee andere dames, werkelijk niet te veel waren om dien hoop te ontwarren en er weer een menschelijk figuur uit te voorschijn te halen. De jonge vrouw moest zelf lachen, toen zij de beschrijving hoorde van de wonderlijke vertooning, welke zij geleverd had. Gelukkig, dat het zoo was afgeloopen. Het grootste gedeelte der verdere afdaling moest toch langs vrij steile wandrotsen geschieden en, trots aller behendigheid, was de grootste voorzichtigheid noodig, om dat klauterstuk tot een goed einde te brengen.
Maar, toen onze toeristen de zool der kloof bereikt hadden, trof hun de sombere omgeving in die woestenij. Men bevond zich op den bodem van een betrekkelijk nauwe spleet, welker wanden, van een zwartgrauwe kleur, kaal en woest waren, terwijl de hemel hoog, heel hoog boven hen zichtbaar was en zich als een blauwen band voordeed. In den bodem deden zich allerwegen scheuren voor, die, van boven van den Djengger gezien, zich slechts als onbeduidende strepen, als ontbladerde takken van boomen op de helgrijze asch voorgedaan hadden, en nu gapende afgronden bleken te zijn met loodrechte, zwartachtige wanden, waarvan de bodem niet te ontdekken was. Op sommige plaatsen stegen zwavel en waterdampen tusschen de voeten onzer reizigers uit de spleten en barsten op. De geheel e kloofzool was overdekt met woeste, ruwe trachietblokken, groot en klein, van de grilligste en vreemdste vormen. Er lagen daar blokken, die gerust op een inhoud van ruim duizend kubieke voeten konden geraamd worden. De meeste dier blokken waren, wanneer men de hand er op lei, nog brandend heet en schenen den vorigen nacht eerst uitgebraakt. Het was een plaats van ontzetting, die door ons reisgezelschap betreden werd.
„Voorzichtig vooruit!quot; beval de resident aan. „Anders zijn hier ongelukken te vreezen.quot;
De reizigers naderden den voet van den kleinen top, die hen in die kloof gelokt had, maar die kleine top viel uitermate tegen. Het was een verbazende kegel, die zich stomp op ruim 600 voet boven de zool van den Djoerang verhief en uit trachietrotsen, lavapuin en vulkanische gruislagen bestond, waartusschen slechts zeer weinig asch aangetroffen werd. Die kegel was blijkbaar doorboord en van een krateropening voorzien. Het onderzoek was evenwel onmogelijk, daar de geheele massa, die den kegel vormde, brandend
106
OP DEN MEK API.
heet was en onze reizigers door de uitstralende hitte op een afstand gehouden werden; terwijl uit talrijke spleten, die de zijden van den kegel doorgroefden, oververhitte stoom- en zwaveldampen ontsnapten.
Het was een prachtig schouwspel, dat onze reizigers daar voor oogen hadden. Nog waren zij onder den indruk der ontzetting, door dat schouwspel teweeg gebracht, toen een hevig gekraak zich deed hooien, hetwelk door een donderend geluid gevolgd werd, alsof alle kanonnen der geheele beschaafde wereld losgebrand waren. Tegelijkertijd trilde en schokte de bodem en zwiepten en golfden de wanden der kloof, alsof zij zouden instorten en brachten ze een oogenblik van angstige spanning teweeg.
„Een uitbarsting! een uitbarsting!quot; riep de resident. „Redt u!quot;
En mevrouw Jaffrezic, die het dichtst bij hem stond, bij de hand grijpende, vloog hij met haar naar een naastbijstaand rotsblok, waarachter beiden wegdoken. De andere reizigers volgden zoo spoedig mogelijk dat voorbeeld. En wël bekwam het hun! Want in een oogwenk was het bovengedeelte van de Blonkeng-kloof met een dikken, zwarten rook vervuld, die het licht onderschepte en den dag in nacht veranderde, terwijl massa's van steenen en lavaslakken met woest geraas langs den kegel, aan den voet waarvan onze reizigers gedoken zaten, afrolden of sissend en fluitend over hen heen vlogen en verder al springende en rollende in het benedengedeelte der kloof voor het oog verdwenen.
Het was een hachelijk oogenblik en wel geschikt om bij onze reizigers een Vreemde en bange gewaarwording teweeg te brengen. De kleine kegeltop, dien zij in de Blonkeng-kloof ontwaard hadden en waarop zij afgekomen waren, was tot uitbarsting gekomen, zoodat zij al heel dichtbij getuigen waren van een der vreeselijkste krachtsuitingen der natuur.
Angstig en steeds weggescholen achter hun trachietblokken, die hen naar den kant van den brakenden kegel beschermden, zaten onze reizigers dat verheven schouwspel te bespieden en ze moesten bekennen, dat de meest luisterrijke vuurwerken, door de beschaving bij onze feesten ontstoken, in het niet verzonken bij hetgeen daar voor hun oogen ten toon gespreid werd. Te midden der duisternis, welke in den Djoerang heerscbte, vlogen daar raketten, vuurpijlen, vuurslangen, zwermpotten, lichtkogels, vuurrozen door het ruim, beschreven sierlijke bogen boven den nieuw gevormden krater of vielen daarin terug, terwijl moorslagen zich deden hooren en door de wanden der kloof met honderdvoudige echo's weerkaatst werden, om hooren en zien te doen vergaan, en het geraas der neder-vallende en tegen elkander klotsende steenen de gaping tusschen twee donderroHingen aanvulde.
Die uitbarsting duurde zoo omstreeks tien minuten; toen hield zij op. Het gedonder en geraas zwegen eensklaps; ook hield het uitstooten van zwarte dampen even plotseling op, zoodat de zonnestralen na een poos zich weer konden doen gelden en bloedrood die rookmassa konden doorboren.
107
or DEN MERAPI.
„Nu is het tijd om heen te ijlen!quot; riep de resident uit. „Wij mogen hier door geen tweede uitbarsting overvallen worden.quot;
En het woord hij de daad voegende, gaf hij Jattrezic een teeken. Met hun beiden grepen zij diens echtgenoote bij de polsen en klommen met haar zoo spoedig naar boven als zij maar konden. Mevrouw Van Berkenstein werd door haar man en door Montauban op dezelfde wijze geholpen, terwijl Visbergen, bijgestaan door Boisjolin, zijn eega dezelfde zorgen wijdde. De overigen volgden in aller haast en maakten dat zij die gevaarlijke kloof uitkwamen. Gemakkelijk was het evenwel niet, want, had liet dalen reeds zijn eigenaardige voorvallen gehad, het klimmen langs die steile aschwanden leverde groote moeilijkheden op en deed de bewijzen van inspanning en warmte in dikke paarlen op aller voorhoofd zichtbaar verschijnen.
Na een moeitevol geklim van een paar uren, waarbij de heeren herhaalde malen verplicht waren de dames naar boven te duwen en te trekken, gelukte het den rand van
den Djengger te bereiken. Maar____ was het tooverij of zinsbegoocheling? Onze reizigers
snakten van vermoeienis, en zouden zich dadelijk op den grond hebben willen werpen om uit te rusten van de geweldige inspanning, die zij hadden moeten aan den dag leggen om daarboven aan te landen; toen zij.... maar het was niet mogelijk.... zij wreven zich de oogen.... maar toch, het was zoo, — toen zij daar op dien hanekam een zestal hutjes zagen prijken, wel licht en vlug van bamboe en atap saamgeflanst, maar waarvoor een aantal stoelen in een kring stonden, die allen een kreet van verrassing deden slaken. De resident — want hij was het, die deze voorzorgen had doen treffen — had er alle eer van.
„Ik wist, dat wij hier zouden terugkomen,quot; zeide hij lachend, „en.... heeft iemand eenige verdiensten, dan is het mijn echtgenoote, die met den „mandoor oppasquot; ') alles bedisseld heeft. Komt, gaat zitten!quot;
„Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat die uitnoodiging niet afgewacht was, want velen zaten reeds, toen zij gedaan werd.
„He! dat is heerlijk, zoo'n stoel,quot; zei Boisjolin met een verzuchting. „Maar.... de mensch leeft niet alleen van een. ... Drommels, daar had ik haast gezegd: van een stoel, en dat zou een dwaze parodiëering van een heilig woord zijn. Ik vul aan: de mensch, hoe vermoeid hij ook is, heeft niet genoeg aan een stoel.quot;
108
„Dat werd met zoo'n kluchtige uitdrukking gezegd, dat allen in een hartelijk lachen uitbarstten. De resident stelde den pruttelenden Franschman gerust met de verzekering dat het bij dien stoel niet blijven zou. En inderdaad, toen de toeristen een poos uitgerust en tot adem waren gekomen, verzocht de gastheer hen op te staan, en maande den heeren, de stoelen der dames en hun eigene te grijpen en hem te volgen. Toen geleidde hij het gezelschap aan de andere zijde der hutjes, waar, in de schaduw hunner daken, door
') Mandoor oppas. Het hoofd der politie-oppassers.
UI' DEN' MEBAPI.
de ten ondergang neigende zon teweeggebracht, tot verbazing van een ieder, daar een tafel stond — een paar schragen met een peloepoe horde — sierlijk gedekt en prijkende met.... „nassi, sajor lodeh, ajam pangang en dengdengquot;. Eenvoudiger kon het niet. Maaide ^nassiquot; was blanke rijst, droog en gaaf van korrel gekookt; de „sajor lodehquot;, als toespijs of saus voor die rijst, was overheerlijk toebereid en verspreidde haar eigenaardige aromatische geuren dermate, dat alle neusvleugels trilden en zich onwillekeurig begeerig spanden; de „ajam pangangquot; waren malsche kuikens, ingewreven met zout, peper en azijn en, aan een stok gestoken, boven het vuur gepoft en de „dengdengquot; was hertenvleesch iu dunne reepen gesneden, dat, na ingesmeerd te zijn met „katoembar djintenquot; '), m de zon gedroogd werd en nu even boven het vuur gebraden was. Dat alles was overheerlijk en werd nog smakelijker gemaakt door een glas Baourwijn, merk Pauillac Medoc, dat den Hertog van Penthièvre bij een bezoek aan Insulinde de betuiging ontlokte, dat negens ter wereld beter en lekkerder Fransche wijnen gedronken werden dan op -lava. Maar het maal werd nog het allerbest gekruid en smakelijk gemaakt door den gragen eetlust, welke, ten gevolge van de doorgestane vermoeienissen, door een ieder opgedaan was.
Alvorens aan tafel te gaan, had Visbergen rondgekeken en een zeer langen bamboe-staak ontwaard, die nog van den huttenbonw overig was. Hij tilde hem snel overeind, plantte hem vlak voor de tafel in hot mulle zand, en — waar zij zoo eensklaps vandaan kwamen, weet Joost •— daar golfden de fraaie driekleuren van Nederland eu Frankrijk boven elkander sierlijk in den wind. Het was een eigenaardig gezicht daar boven op dien hanekam die enkele hutjes, wier zilvergrauw alang-alangdak in de zon glinsterde, die tafel, waarboven zich die twee vlaggen ontplooiden en waaromheen een groep Europeesche dames en heeren zat te smullen; terwijl op den achtergrond de ascb- of sintelkegel van den Merapi zich somber en zwijgend verhief en door de zon als met een vuurmantel overtogen werd.
Zoo zaten allen vroolijk en opgeruimd de eenvoudige gaven des Heeren te genieten. Men was reeds aan het dessert bezig, dat uit eenige bossen pisang bestond, toen plotseling mevrouw Jaffrezic met een stem, welke van ontzetting getuigde, uitriep:
„Mon Dien, nous sommes treize a table!quot;
En waarlijk, goed geteld, bestond het gezelschap, dat aan tafel zat, uit dertien personen.
„Is het anders niet,quot; zei Vogels lachende. „Kom, resident, laat den „mandoor oppas maar mee aanzitten; dan heeft het noodlot een koopje.quot;
„Te laat!quot; riep mevrouw Jaffrezic wanhopig; „te laat! Ons maal is verorberd. Het noodlot zal moeten voldaan worden. Eén onzer krijgt zeker heden nog een ongeluk.
109
Allen beijverden zich de bijgeloovige Franpaise te sussen, hoewel noch de resident, noch Vogels, noch mevrouw en mijnheer Visbergen haar de verzekering vermochten te
') Katoembar — Coriandrum sativum. Djinten — Cuminuni cyminum.
OP DEN MEEAPI.
geven, dat in Indië dat bijgeloof geen aanhangers had. En alsof de Merapi aan de voorspelling klem wilde bijzetten, begon hij, na een rust van bijna vijftien uren genoten te hebben, weer verhoogde werkzaamheid te vertoonen. Met donderend gekraak dreef hij, evenals den vorigen avond, een pikzwarte rookkolom uit zijn hoofdkrater omhoog, die in een ommezien het zwerk als met rouwfloers overdekte, terwijl de steenen knetterend, fluitend en sissend langs de helling van den slakkenkegel afrolden.
„Komt naar beneden; laat ons vluchten!quot; bad mevrouw Jaffrezic.
„Vluchten!quot; sprak de resident. „Vluchten, mevrouw, in dit oogenblik? O, gij kunt er niet aan denken. Er zal zich straks, als de nacht gevallen is, een gezicht voor ons opdoen, dat ik meermalen waargenomen heb, maar dat gijlieden niet moogt missen.quot;
En waarlijk, hij had gelijk. Mevrouw Jaffrezic liet zich door haar echtvriend geruststellen, en hernam haar kalmte geheel en al, toen zij de beide andere dames gedurende het geraas van den vulkaan zoo bedaard zag zitten kouten met de overige leden van het gezelschap, alsof zij in haar salon of in de voorgalerij op visite bij den een of anderen bekende gezeten waren.
Na de verduistering dei- lucht door de uitgestooten aschwolken, viel de nacht schielijk in, vooral, daar . de zon de nok van de Minoreh-keten nabij was en daarachter als een glanslooze, bloedroode schijf wegdook.
Toen de nacht ten volle ingevallen was, trad de Merapi in zijn geheelen luister, in al zijn majesteit voor zijn bewonderaars op. Tegen het grauwe floers van den nacht teekenden de nog zwartere omtrekken van den berg zich vrij duidelijk af. Zijn slakkenkegel was geheel gloeiend en de vergelijking, welke Junghuhn eertijds bij een uitbarsting maakte, dat die kegel veel had van een onmetelijken hoop zware steenkolen, die van beneden tot boven in vollen brand stond, werd bevonden een juist gekozen beeld te zijn. Dikke rookwolken werden onder vreeselijk gebulder met pijlsnelle vaart uitgestooten, waarbij haar bolvormige kronkelingen door het inwendige vuur schitterend verlicht werden, hetwelk haar in haar wentelingen een fantastisch voorkomen gaf, dat onmogelijk beschreven en ternauwernood door het penseel van een groot schilder in natuurtafereelen zou kunnen weergegeven worden. Duizenden en nog eens duizenden wit-gloeiende steenen vlogen fluitend en knerpend door de lucht en vertoonden zoo het spel van een zeer groot vuurwerk. Die gloeiende trachietstukken vielen op de hellingen des bergs neder, sprongen weer op, verlichtten daarbij het stof, hetwelk zij in wolken bij hun val deden opstuiven, vlogen voort in steeds kleiner wordende sprongen en bogen, doorliepen al de schakeeringen van het wit-gloeiende, het kersroode, tot het donkerroode toe en bluschten dan, ver in de diepte, uit. Het oog verliet hen dan, om weer hetzelfde spel bij andere trachietbrokken te volgen. Maar, wat verreweg het verhevenste gezicht opleverde, dat waren de oogverblindende wit-gloeiende massa's van trachietbrokken, die langs den aschkegel afschoven, de donkere bergwanden en bergruggen met hel verlichte strepen overdekten, die, na ook de verschillende nuanceeringen
110
OP DEN MERAPI.
van afkoeling doorloopen te hebben, eindelijk uitdoofden. Dat afschuiven van die gloeiende blokken, die veelal elkander in lange rijen voortduwden, was ook een spel, dat zich voortdurend, nu op deze en dan op gene plaats, soms op verscheiden plekken tegelijk, herhaalde en dan steeds door zijn afwisselende verscheidenheid de opgetogen bewondering der toeschouwers tot zich trok. Dat schouwspel duurde zoo uren lang onafgebroken voort.
Ongeveer om één uur na middernacht staakte de vulkaan plotseling zijn werkzaamheid en trad er een stilte in, die te meer afstak, naarmate het gebulder een oogenblik te voren oorverdoovend had moeten genoemd worden. De gruis- en tijne aschdeeltjes, die hoog in de lucht opgedreven en daar, onder den steeds nieuwen aandrang, als zwevende gehouden waren, vielen nu met een zacht geritsel neder, hetwelk een eigenaardig getik op de dakbedekking der hutten teweegbracht. De maan begon zich met een bloedroode schijf vlak boven onze reizigers in de nog niet geheel gezuiverde lucht te vertoonen. Die schijf bleekte al meer en meer af, totdat de lieve nachtvorstin het geheele landschap, hetwelk aan de voeten onzer reizigers uitgespreid lag, met haar zacht en zuiver licht overgoot.
Voor de dames was naar omstandigheden een vrij doelmatige rustplaats bereid geworden, waarvan ze, na de vermoeienissen en na de aandoeningen, overdag ondervonden, dankbaar gebruik maakten. De heeren bleven onder het genot van een glas Baour gezellig bij elkander zitten praten en wachtten aldus de komst van den dageraad af.
Ill
Een Indische hofhouding., — Djokdjokarta en omstreken,
Daags na dien tocht op den Merapi, zat ons reisgezelschap in het hotel te Djokdjokarta.aags na dien tocht op den Merapi, zat ons reisgezelschap in het hotel te Djokdjokarta.
De 213U paal, die Magelang van die plaats scheidden, waren in den namiddag, dank zij den uitmuntenden weg en dank zij den goeden paarden, spoedig afgelegd. Onze toeristen waren vroeg genoeg aangekomen om nog een deputatie naar den resident aldaar af te zenden, ten einde den Gonvernementeelen aanbevelingsbrief te vertoonen. Allen zouden wel „en corpsquot; hun opwachting bij het hoofd van gewestelijk bestuur gemaakt hebben; maar, hoewel allen zich na hun terugkomst te Magelang van het vulkaanbezoek ter ruste hadden gelegd, waren de meesten toch volstrekt niet uitgeslapen en vooral de dames nog niet bekomen van de doorgestane vermoeienissen. Dezen hadden dan ook de reis naar Djokdjokarta gemaakt in het bevallige ochtendtoilet (sarong en kabaja), dat de dames in Indië dragen, wanneer zij het te lastig vinden zich in het korset, in dat dwangbuis der Westersclie beschaving, te rijgen. Men had in het hotel te Djokdjokarta fraaie appartementen bekomen, die op een afgeschoten gedeelte der achtergalerij uitkwamen, zoodat het voor de dames mogelijk was, zich voor het overige gedeelte van den dag en avond in hun ongedwongen kleeding te kunnen blijven bewegen. Zij dineerden in die achtergalerij en brachten daarin ook den verderen avond zeer gezellig te zamen door.
Van Berkenstein, Montauban, Nielsen en Visbergen hadden, dank zij het gunstige schrijven van den Algemeenen Secretaris, bij den resident van Djokdjokarta een gunstig onthaal genoten.
„Gijlieden treft het goed,quot; had die hoofdambtenaar gezegd; „morgen wordt aan het hof van den Sultan de verjaardag van een zijner kleinzonen gevierd. Het is dus morgenochtend groote receptie ten hove. Vereenigt u zoo omstreeks 11 uren hier op het residentiehuis, dan zult gij uw dag niet betreuren. Maar, heeren, vergeet niet dat gala-tenue de rigueur is!quot;
EEN INDISCHE HOFHOUDING. — DJOKDJOKARTA FA' OMSTREKEN'.
Met die uitnoodiging en die aanbeveling was de deputatie t'lmis gekomen.
Den volgenden morgen werden de vroeguren — die zoo volstrekt niet mochten heeten — besteed met het nemen van een bad in de heerlijke badinrichting van het hotel. Daarna werd het dejeuner verorberd met die kalmte en bedaardheid, welke de mensch zoo spoedig in warme luchtstreken opdoet. En warm was het voor onze reizigers te Djokdjokarta, nadat zij eenigen tijd in de heerlijke bergstreken te Wonosobo, op den Diëng en te Magelang hadden doorgebracht. Eindelijk was het oogenblik daar om toilet te maken, en de dames waren daarmede nog niet geheel gereed, toen, door de goede zorgen van den resident, drie fraaie en elegante hofrijtuigen, welke door den Sultan en door prins Pakoe Alam allervoorkomendst gezonden werden om onze reizigers naar het residentiehuis en van daar naar den Kraton over te voeren, voorreden. Onderweg konden onze toeristen de aangename ligging van het residentiehuis opmerken, dat vlak tegenover het fort gelegen was en daarvan door een breeden weg, door Wariengienboomen beschaduwd, en door een smalle strook gronds, die een pleintje vormde, gescheiden werd. Een ilinke oprit, welke om een fraai aangelegd grasperk voerde, waarop eenige sierplanten aangetroffen werden, maar waarop zich ook twee buitengewoon fraaie Wariengienboomen vlak voor het woonhuis verhieven, die wel de aandacht verdienden, verleende toegang tot de zeer ruime voorgalerij. Daar waren reeds al de civiele en militaire autoriteiten, alsook een groot aantal verdere ambtenaren en officieren, waarbij zich een menigte Europeesche particulieren, zooals: landhuurders, handelaren en industriëelen aangesloten hadden, vereenigd. Alle aanwezigen waren in gala-tenue, Vogels en Visbergen hadden zich dan ook in het offlciëele groot-tenue-pak gestoken, terwijl Henri Jaffrezic zijn uniform van Fransch zee-officier en de overige heeren den zwarten rok aangetrokken hadden. Nauweljjks waren onze toeristen in het residentiehuis aangekomen, of de stoet toog, met den resident en den militairen koni-mandant aan het hoofd en natuurlijk in een legio van rijtuigen gezeten, op weg naaiden Kraton.
De Kraton is het paleis, beter het woonoord der Indische vorsten. Gewoonlijk heeft zoo'n woonoord een groote uitgebreidheid en bestaat uit een groot aantal gedeelten, die allen door muren van elkander gescheiden zijn, maar door middel van poorten gemeenschap met elkander hebben. In zoo'n Kraton wonen soms over de 10,000 zielen, die meestal tot de familieleden van het Vorstenhuis behooren en de keizerlijke hofhouding uitmaken. In de verschillende Kratongedeelten vormen die woningen ware desa's. Te midden van het geheel staat de Dalam. Die Dalam bevat een groote „pandoppoquot;, loods of keet, die met verguldsel en bloemwerk rijk versierd is en waarachter de eigenlijke woonvertrekken des Sultans gelegen zijn. Die woonvertrekken worden door de Javanen „próboossoquot; genoemd. Op eenigen afstand ligt de Kapoetren, waarin de bijwijven van Zijn Hoogheid gehuisvest zijn. Deze bijzonderheden deelde Vogels aan zijn reisgenooten mede, die bij den tocht, welken zij maakten, deze mededeelingen uiterst belangrijk vonden.
118
114: EEN INDISCHE HOFHOUDING. — DJOKDJOKAKTA EN OMSTKEKEN.
„Ziet,quot; sprak hij, „wij treden thans de eerepoort binnen. Die poort tot den Kraton heet „Kori-sri-mangartiquot;, wordt slechts bij plechtige gelegenheden ontsloten en verleent alleen toegang aan Europeesche bezoekers. Merkt nu goed op; bij iedere poort, die wij doorgaan, wordt de stoet ontvangen door een vrouw der hofhouding, die hem tot aan de volgende poort vergezelt en daar aan een andere overgeeft.quot;
„Het zijn leelijke tantes, die dames der hofhouding,quot; pruttelde Boisjolin; „mij dunkt, als ik Sultan was, dan zou ik er lievere portiersters op nahouden.quot;
St....,quot; zei Vogels, „daar naderen wij de „pandoppoquot;. Ziet, daar in het midden dei-fraaie loods zit de Sri Padoeka Toewan Sultan ....quot;
„Hoe noemt gij hem?quot; vroeg mevrouw Jaffrezic met een ondeugend lachje. „Sir Pantouffle ... .quot;
„St.... st....,quot; hernam Vogels met nadruk. „Ik heb niet gezegd: Sir Pantouffle, maar Sri Padoeka, wat zoo ongeveer Zijn Hoogheid beteekent. Wat ik u bidden mag, lieve mevrouw, hier niet spotten in het verblijf van den machtigen Hamangkoe Boewono Senopati Ingalogo Ngahdoer Rahman Saïdin Panotogomo Kalifatoelah den VIPlwi, Sultan van Djokdjokarta.quot;
„Dien merci, qu'en voila la fin!quot; fluisterde de jolige Fran^aise. „C'est un nom, mesuré a raune!quot;
„St.... zachter!quot; maande Vogels. „Niet lachen, zelfs niet glimlachen; alles is hier ernstig, zelfs hoogst ernstig, en men staat hier erg op het stuk van etiquette. De stoel, waarop Zijn Hoogheid zit, heet „damparquot;. Het is een zwaar vergulde zetel. Achter den Vorst zitten de hofdames, die de Rijkssieraden dragen. Daarachter zitten weer andere vrouwen, die met boog en pijl gewapend zijn.quot;
„Net als Cupido,quot; fluisterde Boisjolin.
„Juist, maar die Cupido's vervullen hier de rol van lijfwachten. Ziet daar tusschen het hofpersoneel die „ orang ketèhquot; (dwergen), die ook tot de hofhouding behooren. Men pronkt hier met die mismaakte wezens, zooals men elders met elegante pages zou doen.quot;
„Kijkt die mannen daarginds eens met naakt bovenlijf gehurkt zitten,quot; sprak mevrouw Van Berkenstein met ietwat schuchters in haar stem.
„Dat is „adatquot; (quot;s lands gebruik), mevrouw,quot; sprak Vogels. „Geen inboorling van het mannelijk geslacht mag anders dan met het bovenlijf ontbloot en neergehurkt in tegenwoordigheid van den Sultan verschijnen, zelfs zijn kinderen niet. Die gij daar ziet zitten, zijn Javaansche hoofden; allen zijn van vorstelijk bloed en komen, evenals wij, hun opwachting maken.quot;
„Maar wat zien die lichamen er raar uit,quot; zei Ollerupp. „Het lijkt wel of zij aan-gegeeld zijn.quot;
„Dat zijn ze ook. Het geheele bovenlijf wordt met een dunne laag „borehquot; ') bedekt.
') Zie de noot op Madz. 39 van dit deel.
:; .^.ï0::- ^v--■• ■■■ ■ ■ •■• ■-- ■ ■■-/■ •■■* v. ■■-
amp; ■
.,iv-
|
' .. V^ ; , . |
'■ | |
|
' „y. ',i |
• •. 'iT;rfquot;--.lt; 'V ;•' ' .. . | |
|
• .lt;■■ ■'• ,•'. i •'•.lt;.■ ' • ' -Hquot; -Vquot;- ^ |
■—V ■.; .••■■ quot;r-:r: ^ •''■
quot;gt; ' ■ - v ' ' ' ;;quot;'Vv,;'^; • x gt; ■■quot;
•'• gt;•*•. ■' ' • .-^ quot;•' • ■.•■ . • ,-- .lt;■••.'• •' . . . ;''''quot; .' •quot;■ ^ •• •■*•'.■;.^V-3-squot; quot;'■ .•■'•■■'.
•• ■•,■.,■ quot;••gt; •. . *.gt;.'•quot; «j ; ••' .' . • ••■;••, ■gt;• •;• ■;.• ',: v' 5 * ■ A
*•'
' • ix-^-
'Tneamp;K '■?*quot;•'
■ •. . ■.. quot; ' ■■ i- quot;tfy' ' ', ■ J ■gt; r»'
' v %V ■ •'•-:■■. ', - ' • '■•. ï'quot; ■'•' •' . iV''quot;- r' '^V .v
. v . • ■ '■ ■ . ... ■• . ■quot;: • r;..; ■•
• s,^ . ■• ■ ■.■ ■ ■■■■■■■ -JV':?»: .y., ■■, - ■■ ;„y ^
• • .. • : ■'• .•■ •■ ., .■ • -ïti';.'- ■ ■' .•.•\Vquot; ,.....••-V•-.:•!■.lt;'**'*. - • ■:: -:.v';. ■ -i-
- .. r.- ■'-■
$}è5
amp;3 'i*.
|u: ■ ■■, , ,, ■ — ■■ , ■ ■ • ■ ■ ,v ., ■■,.;■ . ■■.- -.v ■■ -■ ■ ^r; -V . ■■»'
■' !.; ,, ■' 't ' ïi- 'r. .«•.' ■•■lt;: ■■•■.■;, , ■ ; ■, , . 'quot;'■.■■■
ï*. ■■.:*'■ ■, V. ■ f V, ■■ ï: ■■:gt;:.-r'::, ■ .,,
-; : -V;..;-■,..:; . -- ■:;-; ■' ^...^KÏ : •;''^
Lrquot; gt;gt; • .••. ■ '.':.: .' • :
WïmM'Mm
HF ÉM
te,?
EEN INDISCHE HOFHOUDING. — DJOKDJOKARTA EN OMSTREKEN.
Het geel is de officiëele, de deftige kleur zou ik haast zeggen, en geen man mag al weer den Vorst naderen, wiens bovenlijf die kleur niet vertoont. De officiëele brieven, die vanwege de Nederlandsche Regeering aan de Indische vorsten gericht zijn, worden steeds in gele zijde gewikkeld aangeboden. Maar kijkt, alle die hoofden hebben den „wadoengquot; op zijde, een statiezwaard met zilveren gevest en scheede, dat slechts bij plechtige gelegenheden aan het hof mag gedragen worden.quot;
„St!... st!. ..quot; werd er gefluisterd in de voorste rijen van den stoet, die den „pandoppoquot; binnengetreden was en nu den Sultan naderde.
Op een afstand van den zetel van den Vorst genaderd, hield de resident halt en boog het hoofd, terwijl zijn gevolg zich rechts en links van hem uitbreidde. Toen hield hij een speech in het Javaansch, die op den Sultan veel indruk scheen te maken; deze knikte althans herhaaldelijk met het hoofd. Toen die ambtelijke toespraak geëindigd was, wees de Sultan den gasten met een passend gebaar tegenover hem gereedstaande stoelen aan, hetgeen tot uitnoodiging strekte om te gaan zitten. Hij riep evenwel den resident en den militairen kommandant tot zich en deed den eerste rechts en den ander links van zich plaats nemen. Naast den civielen ambtenaar was de Kroonprins, ook met het bovenlijf naakt en aangegeeld, gezeten; terwijl naast den militairen kommandant de Pangeran Adipati Ario Praboe Soerio di Logo de V'H hoofd van het Pakoe Alamsche huis, in de uniform van Luitenant-Kolonel, plaats genomen had.
Toen allen gezeten waren, werd den gasten eerst een glas wijn aangeboden en bracht de resident een toost uit op den Sultan en op zijn jarigen kleinzoon. De Vorst bedankte met eenige welwillende woorden, waarna hij zijn gasten manilla-sigaren liet aanbieden. De resident liet het gunstige oogenblik niet voorbijgaan, maar benutte hot om onze reizigers den gebieder voor te stellen. Opvolgend noemde hij de namen der voorgestelden, ook der dames natuurlijk, en allen erlangden een welwillend woord in het Javaansch, dat voor ons Europeesch gezelschap totaal onverstaanbaar zou geweest zijn, maar dat door den resident en door Vogels vertaald werd. In het bijzonder onderhield Zijn Hoogheid zich met Henri Jaffrezic, die met zijn vreemde uniform 's Vorsten aandacht boeide. Toen hij vernam dat het een Fransch zee-officier was, moest deze hem een menigte bijzonderheden van de Fransche vloot en van het Fransche leger verhalen. Bij dat gesprek liet de resident gaarne de vertolking over aan Vogels, die als krijgsman meer met het vak vertrouwd was.
Die voorstelling had onzen toeristen het voorrecht geschonken den Sultan van Djokdjokarta goed te kunnen opnemen. Montauban had daarvan een zóó goed gebruik gemaakt, dat hij bij zijn thuiskomst Vogels ter zijde riep en daarna een oogenblik in zijn album zat te schrijven, waarna hij, op aandringen der dames, die nieuwsgierig waren zijn waarnemingen te toetsen, zijn reisgenooten voorlas:
„Zijn Hoogheid Hamangkoe Boewono Senopati enz. was een man van middelbaren
115
EEN INDISCHE HOFHOUDING. —
116
DJOKDJOKARTA EN OMSTREKEN.
, leeftijd, wiens haven reeds begonnen te grijzen. Hij had een goedig gezicht, dat evenwel „een zekere mate van vastheid van karakter, ook van heerschzucht aanduidde. Hij was „gekleed in een blauw zijden „sikapanquot; (baatje), versierd met bloemwerk in goud geborduurd „en met gouden knoopen, waarin prachtig fraaie briljanten gezet waren. Onder den „sikapanquot; „was een wit piqué vest zichtbaar, dat ook met juweelen knoopjes gesloten was. Hij had „het hoofdhaar glad naar achteren gekamd en daar in een dikke wrong, met een blauw „lint, samengebonden. Het hoofd werd gedekt door de „koeloekquot;, een soort hoed zonder „rand, welke met een smal galonnetje op de naden versierd was. Op de borst droeg hij „het Kommandeurskruis van den Nederlandschen Leeuw. Beneden den „sikapanquot; vertoonde „zich een fraai gebatikte „sarongquot;, terwijl zijn bloote voeten in rood fluweelen muilen „staken, die met gouden cannetilje geborduurd waren. Naast hem rechts stond, op een soort „tabouret, die rijk met bouillon-franjes versierd was, zijn gouden „sirihquot;-doos; terwijl achter „hem een fraaie lans stond, die rijk met goud gemonteerd was. Die lans werd gezegd tot de „Rijkssieraden te behooren.quot;
Toen de Sultan zijn gesprek met Henri Jatt'rezic besloot, gaf hij een teeken aan een der Ilijksgrooten, die met gekruiste beenen neergehurkt zat, zoo over den grond vooruitschoof tot voor den zetel des gebieders, daar zijn „sembahquot; maakte (de saamgevouwen handen op het gebogen hoofd leggen) en in die houding nadere bevelen afwachtte, die hem, na een poos toevens, vol waardigheid gegeven werden. De aangesprokene schoof, zonder van houding te veranderen, achterwaarts tot op een zekeren afstand, waarna hij, steeds deemoedig buigende, opstond en achter den kring Ilijksgrooten verdween.
Terstond liet zich een zachte en welluidende muziek hooren, voortgebracht door de bespeling van de „rebabquot;, de „tjemplongquot;, de „soelieugquot;, de „gambangquot;, de „gender'^ de groote en kleine „pernakh-an gedangquot;, de „kethoekquot;, de „kenoengquot;, de „gongquot; en de „bonangquot; '). Tegelijkertijd traden vier Javaansche maagden voor, die een nationalen dans zouden uitvoeren.
„Drommels,quot; zei Vogels; „wij staan in de gratie. Dat treft niet ieder vreemdeling: de „seriempie'squot; te zien dansen.quot;
„Wat zijn „seriempie'squot;?quot; vroeg mevrouw Van Berkenstein.
„„Seriempie'squot; zijn danseressen van vorstelijken bloede, die alleen ten hove voor Zijn Hoogheid mogen dansen. Andere danseressen worden „bedojoquot; genoemd.quot;
Nadat de vier „seriempie'squot; een bevallige buiging voor den Sultan gemaakt hadden, gingen zij op een voor haar gereed liggend matje zitten. Toen begon een voorzanger een
1) De rebab is een tweesnarige viool en de tjemplong een liggende harp. De soelieng is een fluit. De gambang en dc gender bestaan uit een schuitvormigen bak, op de randen waarvan latten liggen, die eenigszins bolvormig zijn, den bak overspannen, maar bij het eerstgenoemd instrument uit klankrijk hout, soms uit bamboe, bij het andere uit metaal bestaan. Die latten worden met houten hamertjes bespeeld. De overige genoemde instrumenten zijn metalen bekkens, waarop geslagen wordt en die in grootte en toon zeer verschillend zijn.
EEN I\niSCHE HUFHOL'DINd. —
117
D.IOKDJOKARTA EN OMSTREKEN.
soort eentonig lied uit een boek te zingen. De inhoud dier liederen omvat gewoonlijk een episode uit de geschiedenis en is steeds van oorlogszuchtigen aard en veelal een heldengedicht. Wanneer die zanger een verset ten einde had, stonden de „seriempieV op en dansten op de maat van de zachtklinkende muziek. Het werd dansen genoemd, maar onze reizigers konden waarnemen, dat hetgeen zij zagen met onze choregraphische kunst niets gemeen had. De „seriempieV1 plaatsten zich in een rij, vlak achter elkander, zonder dat er bijna eenige tusschenruimte tusschen haar overbleef. Op de maat, door de muziek aangegeven, maakten zij alle vier dezelfde lichaamsbewegingen, zonder dat daarbij eenig verschil was waar te nemen. Die lichaamsbewegingen bestonden in het verwringen van het bovenlijf, waarbij de armen in allerhande bochten bewogen werden. Onze toeristen waren verbaasd over de lenigheid der ledematen, welke daarbij ten toon gespreid werd. Bij dien dans konden zij ook opmerken, hoe prachtig die danseressen gekleed waren. De armen waren naakt, alsook het bovenlijf, tot op den boezem. Al de zichtbare lichaamsdeelen waren met „borehquot; aangegeeld. In den haardos, die zonder „kondèhquot; (wrong) opgemaakt was, was een „tjonthoongquot; (kam), in de gedaante van een vogel, aangebracht, waarbij nog eenige haarspelden gevoegd waren, die prachtige edelgesteenten bevatten. In de ooren prijkten zware gouden „soebangsquot; (oorknoppen) van grooten omvang, terwijl de hals versierd was door een gouden ketting, waaraan een „kalongquot; hing, zijnde dit een sieraad, uit verscheiden gouden platen bestaande, met diamanten bezet, hetwelk den vorm van een grooten vlinder had en den boezem bedekte. Aan de armen prijkten ook kostbare „galangsquot; (armbanden). Het „badjoequot; was van rood fluweel en met borduurwerk omgeven en de „sarongquot; uiterst kostbaar gebatikt. Om het middel droegen de „seriempieV een „oedatquot; (sjerp), welker afhangende uiteinden bij het dansen door haar in de linkerhand gehouden werden. De vier danseressen hielden ieder een pistool in de rechterhand.
Toen de „seriempieV zich zoo een poos, ten aanschouwe van de vergaderde menigte, gewrongen hadden, gingen zij weer zitten, waarna de voorzanger opnieuw een verset opdreunde, hetgeen andermaal door een dansende beweging der „seriempieV gevolgd werd. Dat duurde zoo ruim anderhalf uur, hetgeen ten laatste door de eentonigheid der muziek en ook van de bewegingen wel ietwat vervelend werd. Bij een der laatste dansuitvoeringen schoten de „seriempieV haar pistolen af, maar zóó gelijk, dat ze slechts één knal vormden, welke onze Europeesche dames niet weinig deed ontstellen en opschrikken.
Toen de dans afgeloopen was, boog de resident voor den Sultan, die hem een hand reikte. Onze toeristen herhaalden die buiging en verlieten toen gezamenlijk den Kraton. Zij moesten bekennen dat, behoudens de verveling, door de langwijligheid van den dans veroorzaakt, zij over de uren, in de vorstelijke woning gesleten, zeer tevreden waren. Zij bedankten den resident dan ook hartelijk voor het hun verschafte genot.
Des namiddags, terwijl de dames thee zaten te drinken, na een verkwikkend bad
EEN INDISCHE HOFHOUDING. — DJOKDJOKARTA EN OMSTREKEN.
genomen te hebben, maakte Vogels met de heeren van het gezelschap een wandeling door Djokdjokarta en benuttigde hij de gelegenheid om hen in een achterbuurt te voeren en daar een kijkje te laten nemen in een der pestholen, die als zooveel kankerbuilen moeten beschouwd worden, die aan de volkswelvaart der Javanen knagen. Hij voerde hen namelijk in een amfioenkit.
In een der afzichtelijkste steegjes van de Chineesche kamp verhief zich een krot, dat den naam van menschelijk verblijf niet mocht dragen. Geheel van bamboe gebouwd, gedekt met een pannendak, was het laag van omwanding en slechts zeer gebrekkig voorzien van vensterluiken, zoodat daarbinnen een akelig halfduister heerschte en het geheel uiterst bedompt was. De binnenruimte van het gebouw was in kleine hokjes afgedeeld, die ieder van een deur voorzien waren en waarin een „baleh-balehquot; (rustbank) tot ligplaats, tot zetel enz. diende. Toen ons gezelschap de opiumkit binnentrad, waren de meeste dier hokjes bezet en gaven hun tijdeljjke bewoners zich naar hartelust aan het opiumschuiven over. Wel waren de deuren gesloten en zou het niet vrijgestaan hebben, die uit bloote nieuwsgierigheid te openen, maar door de reten der bamboe-omwanding kon het bespiedend oog genoeg gluren. En wat daar bespeurd werd, kon niet anders dan walging verwekken. In verscheiden dier afgesloten ruimten toch werden zoowel mannen als vrouwen bespeurd, die, door het gebruik van het heulsap, dierlijk verstompt, in de meest onkiesche houdingen en schier naakt, hun roes lagen uit te slapen. Hier en daar was in een enkel hokje een schuiver in volle bedrijvigheid te ontwaren en werd daarbij door een vrouw, een dier vuile deerns, de vloek van haar geslacht, ter zijde gestaan. Een akelige zoetachtige geur, zoo onmiskenbaar eigen aan opium, die verbrand wordt, heerschte in het geheele gebouw en bracht een zoodanige walging teweeg, dat onze toeristen maakten, dat zij zoo snel mogelijk uit dat vunzige hol kwamen.
„Poeah! o foei!quot; riep Van Berkenstein, toen hij in de buitenlucht kwam en zich al kuchende de keel schraapte, en met den neus proeste om van dien akeligen geur ontslagen te worden. „Hoe kunnen menschen zich tot zoo iets verlagen?quot;
„De zegeningen der beschaving!quot; antwoordde Vogels lachend.
Van Berkenstein keek hem verwonderd aan.
„Ja, de zegeningen der beschaving!quot; hernam de Sienjo in antwoord op dien verwonderden blik. „Waarschijnlijk werd met den Islam ook het gebruik van het heulsap ingevoerd; maar.... de blanke overheerschers hebben alles, alles gedaan om die ondeugd aan te blazen ter wille van de vuile dubbeltjes, die uit zulke onzuivere bron opgevischt worden...
St!.... st!....quot; viel hem Visbergen in de rede. „Laat onze vreemde gasten wat vooruittreden!quot;
Vogels keek hem met eenige verbazing aan. Hij was van hem die terughoudendheid niet gewoon.
„II faut laver son linge sale en familie.quot;
118
een indische hofhouding. — pjokdjokarta en owstkeken.
Van Berkenstein knikte toestemmend. Toen de Franschen en de Denen op eenigen afstand voortschreden, ging Vogels voort:
„O! die ellendige tartnfferij. Ziet, zooals gij beiden zijt, zijn al de Nederlanders! Blozen voor de buitenwereld over het misdadige, dat onder hun vlag geschiedt, maar geen vin verroeren om aan dat kwaad paal en perk te stellen, wanneer het vuile geldzucht betreft. Angstvallig rondkijken of vreemdelingen ook iets van dat misdadige opmerkten, maar ... .quot;
„Permitteer mij een woord van verdediging...viel Van Berkenstein hem in de rede.
„Zoolang er in de Kamer der Vertegenwoordiging in Nederland geteemd en gehuild wordt,quot; viel hem de Sienjo met een soort van woestheid in de rede, „over het onzedelijke der inkomsten van de Staatsloterij; terwijl gezwegen, schandelijk gezwegen wordt over het depraveerende der inkomsten van het opium-monopolie en alles aangewend wordt, ja, de meest mogelijke onbillijke maatregelen getroffen worden om die inkomsten zoo hoog mogelijk op te voeren, zoolang is een verdediging onmogelijk, mijnheer Van Berkenstein! Wanneer ik zoo iets zie en ik aan de onheilen denk, welke door die onzalige geldmakerij gesticht worden, dan kan ik niet nalaten uit te roepen: Schande over het blanke ras, waartoe ik het ongeluk heb gedeeltelijk te behooren!quot;
Vogels had zich bij die woorden opgericht. Schoon waren de bruine gelaatstrekken van den Sienjo te noemen, nu zij door edelen hartstocht bezield werden, nu die neusvleugels van opgewondenheid trilden, nu die donkere oogen vuur schoten. Van Berkenstein had het hoofd gebogen en zweeg, onmachtig als hij zich gevoelde daartegen iets in te brengen ').
Den. volgenden dag maakten onze reizigers een toer door Djokdjokarta en omstreken. Zij brachten eerst een bezoek aan bet waterkasteel, des Sultans lusthof, welke een
') Terwijl dit vel gecorrigeerd wordt, heeft de schrijver voor zich liggen, „Java's grootste rampquot; van den heer E. B. Kielstra, (Gids, October 1888), die zich daarbij ten doel stelt, den strijd te hervatten tegen do opium-pacht. Dat gewezen Kamerlid schetst in bijzonderheden in dat artikel de schromelijke werking van dat stelsel van belastingheffing. „Het pachtstelsel,quot; zegt hij onomwonden, „leidt onvermijdelijk tot groven smokkelhandel en deze geeft aanleiding tot ondermijning van het gezag, door de uitvoerders van do bevelen der Regeering in de binnenlanden van Java maar al te veel in afhankelijkheid te brengen van de pachters en do sluikers. De opium-pachters maken van hun intellectueel en linantiëel overwicht over de Javanen gebruik, om dezen /oovool mogelijk te bederven en uit te zuigen, en de Regeering verleent daarbij haar krachtigen steun, ter wille van de hooge pachtsommen.quot;
O, dat de heer Kielstra moge slagen, waar schrijver dezes in zijn streven naar hetzelfde doel faalde! Deze schreef toch een paar jaren geleden een Opium-roman, getiteld; Baboe Dalima. Op weinig uitzonderingen na werd dat werk door de Nederlandsche pers verguisd, zeer waarschijnlijk uit vrees dat de vuile baten, gulden voor gulden, uit de vieze bron van inkomsten, als de opium-pacht is, opgevischt, te zien ebben. Een recensent noemde het boek zelfs een slecht boek. In Engeland dacht men over dat werk anders. Een geestelijke vertaalde het zonder coupures of weglating en het werd door het Engelsche publiek uitmuntend opgenomen.
II!)
EEN INDISCHE HOFHOUDING. — DJOKDJOKARTA EN OMSTREKEN.
ouderwetsche Europeesche woning mocht heeten met verbazend dikke muren en rondom met grachten omgeven, terwijl een groote vijver, in den tuin gelegen, aan het gebouw grensde en tot badplaats diende.
„Waartoe zoo'n smakelooze steenmassa moge gediend hebben?quot; vroeg Montauban.
„Tot toevluchtsplaats in oorlogstijden voor de Sultans-familie,quot; antwoordde Vogels. „Zij werd zoo omstreeks 1750 door Portugeesche architecten gebouwd. De benedenvertrekken en gangen kunnen binnen weinig oogenblikken onder water gezet worden. Daardoor wordt het door de Europeanen „waterkasteelquot; geheeten. Bij de Javanen heet het „Tawang-sariquot;, hetgeen bloementuin beteekent.
Vervolgens werd ook een bezoek gebracht aan Prambanan, een kleine désa, ten oosten van Djokdjokarta, op een afstand van ruim S'A paal, gelegen. De weg, die er heen voerde, was breed en fraai; het was de groote weg, die de hoofdverbinding vormde met Soerakarta, voordat de spoorweg van heide plaatsen naar Semarang bestond. In de nabijheid van Prambanan worden de „Tjandi sewoequot; (de duizend tempels) gevonden en het was daarheen, dat Vogels zijn reisgenooten geleidde.
„Het zijn er geen duizend,quot; verklaarde hij; „er zijn maar 240 kleine „tjandi'squot; (tempels), die in vier hoofdgroepen te verdeelen zijn, namelijk: de Tjandi-Loembong, de Tjandi Lara Djoenggrang, de Tjandi-sari en de Tjandi Kalasam. Er is ook nog een oud gebouw, hetwelk „Kadaton hatoe Bakaquot; (Kraton van den vorst Baka) genoemd wordt. Al die tempeltjes waren grootendeels in puin, maar gaven toch nog zulke wonderen van Hindoesche beeldhouwkunst te bezichtigen, dat ons geheele gezelschap opgetogen daar tusschen die bouwvallen wandelde.
„Ziet,quot; merkte Vogels op, „deze tempel hier is de grootste van allen. Hij verheft zich verre boven allen en is ruim 65 voet hoog. Wij zullen binnentreden. Ziet, hier hebt gij het beeld van Njahi Lara Kidoel, waarvan de assistent-resident Van Nes ons te Karang Bollong verhaalde. Hier heet dat beeld, hetwelk ruim zes voet hoog is, Ratoe Lara Djoenggrang. Hoewel met acht armen begiftigd, zult gij wel bemerken dat dit beeld fraai besneden en keurig geëvenredigd is. Het mag dan ook wel de fraaiste voorstelling van vrouwelijk schoon heeten, die de Hindoesche beeldhouwkunst als stigma van vroegere hoogere beschaving op Java achtergelaten heeft.quot;
„Wat is dat voor een dier, waarop Ratoe Lara Djoenggrang staat 1quot; vroeg Boisjolin.
„Dat is de getemde wilde stier Mahasa, uit de Veda's. Ziet, zij houdt den staart van het overwonnen dier in de rechterhand, terwijl zij met de linkerhand het lange hoofdhaar van den Rakchasa (boozen geest) Asoera omvat houdt. In de handen der overige armen houdt zij een zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild en een voorwerp, dat meestal voor een zeeschelp gehouden werd. Het hoofd is getooid met een hoogopgaanden, fraaien diadeem; de boezem is naakt en weelderig, maar keurig gemodelleerd; de slanke lendenen zijn sierlijk met een lange sjerp omwonden, terwijl hals, armen
120
EEN INDISCHE HOFHOUDING. — DJOKDJOKARTA EN OMSTREKEN.
en vingers rijk met snoeren, ringen en braceletten zijn getooid. Aan al die zinnebeeldige teekenen is dadelijk de godin Doerga, de echtgenoote van Siwa, te herkennen.quot;
Des namiddags brachten onze reizigers een bezoek in de Pakoe Alaman, zooals de Kraton van den Pangeran Adi Pati Ario Praboe Soerio di Laga geheeten wordt. Deze onafhankelijke vorst ontving het reisgezelschap uitmuntend, had voor allen een vriendelijk woord en kweet zich met echt Oosterschen tact van de plichten der gastvrijheid. Hoogst voldaan keerden onze toeristen vry laat in hun hotel terug.
121
De indigo-teelt. — Een rarapokpartij, — Suikerfabrikatie.
Daags daarna vertrok ous gezelschap naar Soerakarta. De reis werd ditmaal gemaakt per spoortrein. Wel had men van nit den waggon een fraai gezicht op den Merapi, aan den voet van wiens Zuiderhellingen de spoorbaan getraceerd was, maar toch moesten de reizigers erkennen, dat een reis per spoortrein volstrekt die belangrijkheid niet aanbood, als een rit per gewoon rijtuig. Den dag te voren, bij den rit naar Prambanan, had Montauban Vogels reeds op eenige hooge schoorsteenen gewezen en gevraagd, wat dat voor fabrieken waren, en zich toen tevreden gesteld met de wetenschap, dat dit suiker- en indigo-fabrieken waren. Thans, nu hij diezelfde schoorsteenen in de verte zag, drong hij er op aan, om iets meer van die fabrieken te weten.aags daarna vertrok ous gezelschap naar Soerakarta. De reis werd ditmaal gemaakt per spoortrein. Wel had men van nit den waggon een fraai gezicht op den Merapi, aan den voet van wiens Zuiderhellingen de spoorbaan getraceerd was, maar toch moesten de reizigers erkennen, dat een reis per spoortrein volstrekt die belangrijkheid niet aanbood, als een rit per gewoon rijtuig. Den dag te voren, bij den rit naar Prambanan, had Montauban Vogels reeds op eenige hooge schoorsteenen gewezen en gevraagd, wat dat voor fabrieken waren, en zich toen tevreden gesteld met de wetenschap, dat dit suiker- en indigo-fabrieken waren. Thans, nu hij diezelfde schoorsteenen in de verte zag, drong hij er op aan, om iets meer van die fabrieken te weten.
Van een suikerfabriek geloof ik, dat ik best zal kunnen zwijgen. Eén dezer dagen zult gij er wel een te zien krijgen en dan zult gij waarschijnlijk een betere uitlegging erlangen dan van mij te verwachten is. Van een indigo-fabriek zal ik u vertellen, wat ik weet.quot;
„Zou zoo'n fabriek niet te bezichtigen zijn?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Welzeker,quot; antwoordde Vogels. „Maar of de dames en gij allen mij wel dankbaar zoudt wezen, wanneer ik ulieden in zoo'n pesthol bracht, betwijfel ik hard. Laat mij de verwijten onzer reizigsters ontgaan en stelt u allen tevreden met hetgeen ik n omtrent zoo'n fabrikatie vertellen zal.
„De indigo-plant, welke in ons Indië in cultuur gebracht wordt, behoort tot de familie der Leguminosae en tot het geslacht Indigofera. Dit geslacht is evenwel rijk vertegenwoordigd; want het telt reeds 140 soorten, waarvan een twintigtal in Indië aangetroffen wordt. Onder die mag de Indigofera tinctorea als type gelden en ze wordt dan ook hier voornamelijk aangetroffen. Kijkt, daarginds knnt gij een indigo-veld waarnemen. Jammer, dat de
DE INDIGO-TEELT.---EEN BAMPOKPAETIJ. — SUIKEBFABRIKATIE.
trein zoo snel voortsnort. Maar gij hebt toch kunnen opmerken, dat het een lage heester is, van ongeveer een meter hoogte, met slanke, uitgebreide takken. Wat gij echter bij die snelheid niet hebt kunnen waarnemen, is, dat die takken hoekig en met liggende haartjes bezet zijn. De bladeren staan in een spiraal om den tak, zijn van 7—10 c.M. lang en oneven gevind, hebben korte steeltjes en zijn aan den voet van steunblaadjes voorzien. Zij zijn ovaal, gaafrandig en dof blauwgroen op de bovenvlakte, iets bleeker aan de ondervlakte en daar ook met liggende haartjes bezet.
„De Inlanders noemen de indigo „taroemquot; en onderscheiden haar in „taroem kembangquot;, die van zaailingen, en in „taroem kajoequot;, die van stekken gewonnen is.
„De ondervinding heeft geleerd dat de indigo het best tiert in leemachtige gronden, die kalkhoudend en, zooals hier aan den voet van den Merapi, met vulkanische asch vermengd zijn. De gronden, die gewoonlijk vooraf zijn gebezigd voor de teelt van rijst of van maïs, worden drie- of viermaal geploegd en geëgd, waarna de stekken of de vooraf gekweekte zaailingen op l'A tot 2 voet afstands regelmatig uitgeplant worden. Na het plantsoen gedurende een maand ongeveer met rust gelaten te hebben, worden do indigo-tuinen herhaaldelijk diep bewerkt, ook om het onkruid daardoor uit te roeien.
„Zoo omstreeks 120 tot 150 dagen na de uitplanting, zijn de heesters geschikt om voor den eersten keer gesneden te worden. De beste kenmerken, dat de bladeren hun volkomen rijpheid erlangd hebben, zijn, dat zij een donkergroene tint hebben en dat de bloesem zich rijkelijk ontwikkeld heeft. Het snijden geschiedt des morgens vroeg, om te beletten dat de warmte de bladeren doet verflensen.
„De gesneden bladeren worden op het veld in bossen saamgebonden en met karren onmiddellijk naar de fabriek gereden. Daar worden ze in fermenteerbakken gelegd en van de bindsels ontdaan. Zes tot negen karrevrachten vullen zoo'n bak. Als hij gevuld is, worden op de groene massa eenige bamboehalmen uitgespreid, die door een zestal balken gedrukt en op hun plaats gehouden worden. Nu wordt helder zuiver water toegevoerd in zoo'n ruime mate, dat de geheele massa overdekt is. Na een zestal uren trekkens verkrijgt dat water een groenachtig oranjekleurige tint, tevens een zoeten en prikkelenden geur. Men laat nu het vocht in bakken afloopen, waarin het heftig beroerd wordt, door middel van schepraderen, om het zooveel mogelijk met steeds versche dampkringslucht in aanraking te brengen en het voorhanden zijnde koolzuur er uit te drijven. Als die omroering drie tot vier uren geduurd heeft, verkrijgt het water een roodbruine kleur en dit is het teeken, dat de kleurstof zich voldoende heeft afgezet.
„Nu wordt het vocht afgetapt in zoogenaamde lekbakken, waaruit het water weg-sijpelt en de kleurstof als een dikke pap achterblijft. Zes uren zijn in den regel voldoende om de kleurstof van het water te scheiden. Die achtergebleven pap wordt in tonnen naaide kookhuizen gebracht en daar in pannen verwerkt, waarin zij met driemaal haar gewicht aan water aangelengd en daarna gekookt wordt. Na voldoende uitdamping, wordt de heete
\2'ó
massa op een linnen doek uitgegoten om gefiltreerd te worden. De verkregen brij wordt nu in kisten tusschen lilterdoek gedurende twee etmalen geperst, waarna een zelfstandigheid wordt verkregen, die zich in de gewilde koekjes laat snijden. Die koekjes worden op bamboezen rekken in een pakhuis te drogen gelegd. Bij gunstig weer is dat drogen in 8 of 10 dagen afgeloopen en kunnen de koekjes in kisten verpakt worden.
„Zietdaar,quot; zoo eindigde Vogels zijn verhandeling, „hoe de wereld aan die fraaie blauwe kleur komt.quot;
„Drommels,quot; zei Montauban, „ik maak u mijn compliment. Het was soms of ik een indigo-fabrikant zelf hoorde spreken. Zijn alle officieren zoo op de hoogte van de cultures van het land1?quot;
„Pardon,quot; sprak de Sienjo, met een blos op de bruine kaken. „Ik ben hier te Klatten, dat wij al voorbijgestoomd zijn, een tijd in garnizoen geweest en had toen ruimschoots gelegenheid de naburige fabrieken te bezoeken: vandaar de bron mijner pedante voordracht.quot;
De indigo-verhandeling had nogal wat geduurd. De trein, welke ons gezelschap vervoerde, was om 10.51 van Djokdjokarta vertrokken; het was 12.50, toen hij het station van Solo binnenreed. Onze toeristen lieten zich naar het hotel Van Eecke brengen, dat hun bijzonder aanbevolen was, en maakten dienzelfden namiddag nog hun opwachting bij den resident, die zich beijverde, hen den volgenden dag bij den „Soesoehoenanquot; (Keizer) van het Soerakartasche rijk te introduceeren. De ontvangst in den vorstelijken Kraton geleek ten volle op die, te Djokdjokarta genoten, en Zijn Hoogheid de Soesoehoenan was even vriendelijk en lieftallig voor zijn gasten als zijn ambtgenoot de Sultan. Hij verwaardigde zich hen uit te noodigen op een „rampokkanquot; voor dien, en op een „senënnanquot; voor den volgenden dag, welke uitnoodigingen, op het voorbeeld van den resident, met een hoogst dankbare buiging werden aangenomen.
Van den Kraton geleidde de resident de toeristen naar de Mangkoe Negaran, het verblijf van Pangeran Adi Pati Ario Prabo Prang Wedana, onafhankelijk prins, die mede ons reisgezelschap uitmuntend ontving. Toen deze vorst van den resident vernam welke aanbevelingsbrieven de reizigers van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië hadden medegekregen; maar vooral toen hij hoorde welke feestelijkheden de Soesoehoenan ter hunner eer aanrichtte, verzocht hij hen op een dansreceptie, welke hij wenschte te geven. Van Berkenstein, wien de inspanningen van een bal in het warme Soerakarta weinig toelachten, opende reeds den mond om een beleefde verontschuldiging te stamelen, toen de resident hem een onzichtbaar duwtje met den elleboog gaf en zich haastte aan het woord te komen, om ook die uitnoodiging dankbaar aan te nemen. Toen dat Hoofd van Gewestelijk Bestuur evenwel in het gesprek liet doorschemeren, dat ons reisgezelschap een vereeniging van menschen was van hooge ontwikkeling, wien het niet alleen te doen was, de zeden en de gebruiken der bewoners van de streken, welke zij bereisden, te leeren kennen; maar dat zij ook wenscliten bekend te worden met de voortbrengselen van die streken, om zoodoende
DE INDIGO-TEELT. — REM RA5IPOKPAKTIJ. - SU1KEBFABRIKA.TIE.
hun reis niet alleen aangenaam, maar ook nuttig te doen zijn, helderde het gezicht van den Prins, als het kon, nog meer op, en beijverde hij zich het gezelschap uit te noodigen, om den volgenden morgen een zijner suikerfabrieken in de omstreken te bezichtigen. Vooral deze uitnoodiging werd door onze toeristen met geestdrift aangenomen.
„Ziet ge wel,quot; zei Vogels, toen zij buiten de Mangkoe Negaran gekomen waren, „ziet ge wel, dat gij een suikerfabriek te zien zoudt krijgen, zooals ik gisteren voorspelde1?quot;
„Diable!quot; zei Montauban, „onze tijd is hier goed verdeeld. Straks die „rampokkanquot;, morgen een bezoek aan die suikerfabriek, morgennamiddag die „senènnanquot; en morgenavond die clansreceptie. De resident heeft slag om de zaken te organiseeren en ons, vreemdelingen, in den kortsten tijd het meest mogelijke te laten zien.quot;
Des namiddags stonden al heel vroeg — zoo omstreeks drie nren — eenige hof-rijtuigen voor het hotel klaar, om ons reisgezelschap naar den „aloonaloonquot; l) over te brengen, waar de „rampokkanquot; zou plaats hebben. Voortvarend en volijverig als echte westerlingen, hadden allen daarin weldra plaats genomen en was de plek der feestelijkheid spoedig bereikt, alwaar zij den resident reeds aantroffen. Zijn Hoogheid de Soesoehoenan had' zicli laten verontschuldigen: hij kon wegens een lichte ongesteldheid de „rampokkan' niet bijwonen.
„Och, hij heeft zoo iets zóó herhaalde malen gezien,quot; zei Vogels lachende, „dat het den ouden man niet euvel genomen kan worden, dat hij een ongesteldheid veinst om een paar uren verveling te ontkomen.quot;
Op den „aloon aloonquot;, die vol volks was en waar het grootste gedeelte van het Europeesche personeel der plaats, zoowel dames als heeren, zich vereenigd had, stond een soort van tribune, waarop de resident met onze toeristen plaats nam. Zoodra dit geschied was, werd een uitgestrekt carré afgezet door drie en vier rijen Javanen, die met lange lansen gewapend waren. Het carré werd zoodanig gevormd, dat de tribune tegen een dei-zijden aanleunde, zoodat onze reizigers een vrij uitzicht op de binnenruimte hadden. In die binnenruimte stond een kleine kooi, waarin een „matjang toetoelquot; 2) opgesloten zat. Op een teeken van een der Rijksgrooten, die op de tribune bij den resident en zijn gezelschap stonden, naderde een Javaan die kooi, ging daarbij op de hurken zitten, maakte zijn „sembahquot; (groet), opende haar en prevelde eenige woorden om den panter te verzoeken te voorschijn te treden. Toen dat niet lukte en het roofdier in de kooi verscholen bleef, stak hij het tusschen de traliën door met een puntigen bamboestok en toen ook dat niet hielp, nam hij eenige bossen droog „alangquot;-gras 3), die gereed lagen, stapelde die tegen den achterkant der kooi op en stak ze in brand. Daarop ging hij weer gehurkt zitten tot de tijger,
125
') Aloon aloon. Zie do noot op bladz. 201 van het Ho deel.
) Matjang toetoel = panter. Felis pardus.
;l) Alang-gras behoort tot de Graminoeën en wordt door de geleerden Imperata arundinacea geheeten.
126 DE INDIGO-TEELT. — EEN RAMPOKPARTIJ. - SUIKERFABKIKATIE.
door de vlammen verjaagd, te voorschijn trad. Toen eerst nam bij den terugtocht naar een der flanken van het carré aan. Hy had evenwel een vlechtwerk van bamboe, in de gedaante van een halven bol, in zijn nabijheid, waaronder hij een toevlucht mocht nemen, wanneer hij gevaar duchtte en de moed hem begaf. „Zelden,quot; zoo verzekerden de resident en Vogels, „wordt van dat beschermingsmiddel gebruik gemaakt.quot;
Toen de panter te voorschijn trad, maakte hij eenige vervaarlijke sprongen om zijn verstijfde ledematen te ontspannen, maar raakte geheel van streek door het cannibalisch geschreeuw, dat hem uit duizenden monden van allerwegen begroette. Angstig rende hij eenige malen de binnenruimte op en neder, meette zichtbaar met het oog den sprong, dien hij te maken had, wanneer hij over de levende barrière heen, die hem van de buitenwereld afsloot, de vrijheid wilde herwinnen. Overal evenwel, waar hij de menschen-omheining naderde, boog een dreigende muur van lansspitsen hem tegemoet. Eindelijk, nadat het door angst gefolterde dier vele malen die noodlottige ruimte op en neer geloopen had, meende het een gunstige plek te ontwaren en waagde den sprong....
„Oh! que c'est beau, la fauve dans son élan!quot; kreet Boisjolin vol geestdrift.
En waarlijk, die sprong was het schoonste van het geheele schouwspel. De panter had een oogenblik te voren neergehurkt, alsof hij van het heen- en weerdrentelen vermoeid was. Maar met kleine glijdende bewegingen bewoog hij zich naar het punt, dat hij uitgekozen had. Plotseling verhief hij zich, nam een aanloop in vollen galop, stutte de vier pooten als vier veerkrachtige ballen op den bodem, gaf zich met een onweerstaanbare beweging op, zweefde in de lucht, met het hoofd in den nek, de vier pooten horizontaal naar voren en naar achteren uitgestrekt, terwijl de slanke staart de beide dijen zweepte;
maar____ door twintig, dertig lansen tegelijk opgevangen, was zijn doodsstrijd zeer kort.
Duizenden Javanen stroomden nu toe om hun krissen in het bloed van het slachtoffer te doopen en daardoor dat wapen te heiligen.
„0!quot; riep mevrouw Van Berkenstein, „ik ben blij, dat dit schouwspel afgeloopen is. Men kan wel zien, dat hier te lande geen afdeeling der dierenbeschermers bestaat.quot;
„Dan moest gij eens een gevecht van een tijger met een karbouw zien,quot; sprak Vogels. „Dan zoudt gij eerst walgen. Verbeeld u dat, zooals ik het gezien heb, de tijger door den geduchten kop van den karbouw met gekraakte ribbenkast ter neder ligt, dat hem dan brandend stroo op het lijf geworpen wordt om hem weer tot den aanval te doen overgaan. Ik heb het gezien, dat het arme stervende dier akelig lag te stenen, terwijl de vlammen hem overal lekten en zijn verkolende ooren als ware vuurspitsen glommen____quot;
„Oh! houd op! wat ik u bidden mag,1' smeekte mevrouw Van Berkenstein. „Zoo'n dierenmishandeling is allerschandelijkst.quot;
Den volgenden morgen was ons reisgezelschap zoo omstreeks zeven uren in de voorgalerij van het residentiehuis vergaderd, toen drie prachtige rijtuigen, ieder door een
MMM
m
I^H ^^miiii
DE INDIGO-TEELT. — EEN KAMPOKPAKTU. — SÜIKERFABRIKATIE.
zesspan getrokken, het erf opreden en voor de gezegde galerij stilhielden. Onze toeristen moesten erkennen, dat zij nooit fraaier paarden gezien hadden dan de achttien Persianen, welke daar voor die rijtuigen stonden te trappelen. De Prins Prang Wedana zelf was in het voorste gezeten. De resident, mevrouw en mijnheer Van Berkenstein namen plaats bij Zijn Hoogheid, de anderen bestegen naar willekeur de overige rijtuigen en voort ging het, in gestrekten galop, terwijl vóór en achter de rijtuigen een paar rot dragonders, tot de lijfwacht van den Prins behoorende, als eskorte dienden.
Het doel van den tocht was Malang Djiwan, een en wel de fraaiste der den Prins toebehoorende suikerfabrieken, die door de gebroeders Kampf volgens de nieuwste methode was ingericht. De acht palen, die Soerakarta van Malang Djiwan scheidden, waren spoedig afgelegd, en weldra betraden onze toeristen, onder geleide van den Prins en van den directeur, de fabriek.
„Ziet,quot; sprak deze laatste, zijn rol als cicerone beginnende, „het ruim en luchtig opgetrokken gebouw heeft den vorm van een latijnsch kruis. Aan het uiteinde van den langsten verticalen arm hier bevindt zich de rietmolen, die, door een waterwiel van 32 voet middellijn in beweging gebracht, het suikerriet tusschen zijn omvangrijke stalen cilinders verplettert. Het sap wordt in den daaronder geplaatsten vergaarbak opgevangen; terwijl. ...quot;
„Hoeveel bedraagt dat sap met betrekking tot de hoeveelheid gemalen wordend riet?quot; vroeg Montauban, die in Noord-Frankrijk ettelijke beetwortel-fabrieken bezocht had en nu in de vervaardiging van de rietsuiker veel belang stelde.
„Ruim 75%,quot; antwoordde de directeur. „De vezelige overblijfselen van het riet treden hier aan de andere zijden van de cilinders te voorschijn en worden, naar bevind, nogmaals geplet om de laatste vochtdeelen er uit te halen ....quot;
„Daarna zijn die vezels geheel waardeloos, nietwaar]'1 vroeg Montauban, met zijn calepin in de hand.
„Greheel waardeloos? Neen . . ..quot;
„Men zal ze toch niet als de beetwortel-koeken kunnen bezigen tot veevoeder?quot;
„Neen! Die vezels worden in de zon gedroogd en leveren alsdan voor het drijven der machines een kostbare en schier onontbeerlijke brandstof, „ampasquot; genaamd, op. Vergeet niet, mijne heeren, dat steenkolen in Indië uiterst duur zijn.
„Het verkregen sap wordt, zooals gij hier zien kunt, door deze goot naar den nabijstaanden bak gevoerd.quot;
„Welk suikergehalte heeft dat sap?quot; vroeg Montauban, die er het fijne van wilde weten.
„Dat sap teekent, bij het verlaten van den rietmolen, van 7—10° aan den vocht-meter van Beaumé,quot; antwoordde de directeur. „De bedoelde bak staat in verbinding met dezen cilinder, die montejus genoemd wordt en 1500 liter sap kan bevatten. In dien
127
DE INDIGO-TEELT. — EKN RAMPOKPARTIJ. — SÜIKERPABRIKATIE.
cilinder reikt tot aan liet grondvlak een Imis, die in verbinding staat, zooals gij ziet, met die pannen daarboven, welke 25 voet hooger geplaatst zijn. Is de montejus gevuld, dan wordt er stoom in gelaten en onder die drukking wordt bet rietsap door die buis in die pannen opgevoerd.quot;
„Zijn dat ijzeren pannen?quot; vroeg Montauban, ijverig schrijvende.
„Neen, volstrekt niet! Komt, volgt mij daarboven. Ziet, het zijn koperen bekkens, die door een ijzeren buitenmantel omgeven zijn om er stoom tusschen te kunnen laten. Hier, in deze pannen, ondergaat bet sap een eerste zuivering, défécatie genaamd, en wordt het van liet daarin aanwezige albumine, hetwelk de kristalliseering van de suiker in den weg staat, door verwarming en door toevoeging van tot poeder gestampte verkoolde beenderen en van kalkmelk, ontdaan. Zoodra het sap het kookpunt nabij is, scheidt het albumine zich af' en komt, zooals gij daar op gindsche pan zien kunt, als een vuil schuim op de oppervlakte drijven.
„De kalk, die, als hoofdbestanddeel van de kalkmelk, bij de détecatie aan het sap werd toegevoegd, is lang niet gunstig voor de suikerfabrikatie en moet op zijn beurt verwijderd worden. Om dat te bereiken, wordt het sap, nadat het ongeveer een kwartier na de verwarming in die pannen verwijld heeft, afgetapt en over de Dumont-filtres gevoerd, welke bewerking hltreeren genoemd wordt. Ziet, daar staat zoo'n filtre. Zooals gij bemerken kunt, bestaat die uit een aantal hooge, ijzeren cilinders, welker tusschenruimte met kleine stukken verkoolde beenderen (beenzwart) opgevuld zijn.
„Het aldus van eiwit, kalk en andere onreinheden gezuiverde vocht wordt nu in die groote platte pannen daar, batterijen genaamd, geleid en tot op 20° a 80° ingedampt. Die bewerking heet: uitdamping boven open vuur. Ziet, iedere batterij bestaat uit vijf pannen, en er zijn, zooals gij zien kunt, drie zulke batterijen in de fabriek ....quot;
„Hoeveel sap verwerkt iedere batterij per etmaal1?quot; vroeg Montauban.
„O! die cijferman!quot; pruttelden de dames-
„Iedere batterij verwerkt in de vier en twintig uren 45,000 liter sap. Gij ziet: de verdamping gaat onafgebroken voort en de aanvoer is zoodanig geregeld, dat in de eerste pan een er batterij zooveel sap van 7—10° wordt binnengelaten, als aan de laatste pan sap van 20—22° ontvoerd wordt.
„Dit verkregen vocht, tjeng of diksap genoemd, wordt andermaal door dezen montejus op de Dumont-filtres gebracht en voor de tweede maal gefiltreerd. Die heldere tjeng wordt nu door luchtledigheid in een zoogenaamde vacuum-pan, zooals gij er hier een ziet, opgehaald, om daarin tot suiker gekookt te worden. Groote hitte is nadeelig voor de kristalvorming van de suiker, zoodat een uitdamping in de open lucht een minder voldoend product zou opleveren
„Hoe dat zoo?quot; vroeg Van Berkenstein, als oningewijde.
„De tjeng kookt eerst bij een hitte van 260° Fahrenheit,quot; antwoordde de directeur,
128
DE INDIGO-TEELT. — EEN RAMPOKPABTIJ. — SUIKEEFABRIKATIE. 129
„en zoo een hitte zou de kristallisatie grootendeels belemmeren. Om hierin te gemoet te komen, heeft de koking plaats in een vacuum-pan, waarin, door de werking van deze luchtpomp, de tjeng onder een luchtijlheid van een kwikkoloni van 28 Engelsclie duim gebracht wordt. Onder dat gedeeltelijk luchtledige kookt de tjeng bij een hitte hoogstens van 115° Fahrenheit.
„Hoe lang kookt ieder kooksel en hoeveel bedraagt het aan gewicht?quot; vroeg de onverbeterlijke Montauban.
„Luistert,quot; vervolgde de directeur; „na ongeveer 4'A uur aldus gekookt te hebben, is de tjeng tot een dikke brij uitgedampt. Kijkt, daar wordt een vacuum-pan geopend en kunt gij zien, hoe die brij in dien op rails loopenden wagen valt. Ieder kooksel in zoo'n vacuum-pan bedraagt ongeveer 3600 K. Gr. Die brij wordt nu uit dien wagen in die groote, minder diepe bakken daarginds verwerkt om af te koelen.
„In nagenoeg vier dagen is die afkoeling geschied en de brij tot een harde bruine suiker geworden. Deze wordt nu, zooals gij hier in dezen bak zien kunt, met schoppen uitgewerkt en, na toevoeging van eenige stroop, in dezen molen weer tot een dikke brij gemalen. Die brij wordt in de centrifuges gedaan om de suiker van de aanhechtende stroopdeelen te ontdoen .. ..quot;
„Wat zijn centrifuges?quot; vroeg Boisjolin.
„Wij komen er bij,quot; antwoordde de directeur. „Ziet,quot; ging hij voort, toen het gezelschap zich rondom zoo'n toestel geschaard had, „dit is een centrifuge. Zooals gij bemerkt, is het een bolvormige ijzeren trommel, waaraan iets minder dan de bovenhelft ontbreekt. Die trommel, van kleine gaten voorzien, is inwendig met heel tijn kopergaas bekleed. Zij en de daarnaaststaande worden door middel van een riem in de rondte gedraaid en maken 1200 omwentelingen in de minuut. Gij zult daarvan nu de werking zien.quot;
De directeur gaf een teeken aan een der werklieden. De centrifuge werd met bruine brijsuiker geladen en de machine in beweging gesteld. Onze toeristen keken met aandacht. Eensklaps riep mevrouw Jaflrezic:
„Mais c'est miraculeux; cela devient blanc comme la neige!quot;
En waarlijk, het was een verrassend gezicht. Door de middelpuntvliedende kracht werd de brij tegen het kopergaas opgedrongen, verwijderde zich de stroop en bleven de suikerkristallen voor de tijne gaatjes van het gaas zitten. Onder de oogen der toeschouwers helderde die vuile, bruine, taaie massa op en ging ze in 5 of 6 minuten tot het helderste wit over.
„Dit eerste product,quot; ging de directeur met zijn verklaring voort, „heet hoofdsuiker. De stroop, door de centrifuges verwijderd, wordt andermaal gereinigd, nogmaals in de vacuum-pan ingedampt en later gecentrifugeerd. Dat tweede product heet stroopsuiker, is minder wit en mist dien fijnen, zoeten smaak, waardoor het eerste product zich onder-
180
scheidt. Beide suikersoorten worden nu daarginds op ijzeren platen, die door afgewerkten stoom verwarmd worden, gedroogd en vervolgens met zware houten stampers in manden van bamboe, van binnen met katjangmatten bekleed, verwerkt, waarna de suiker voor de markt gereed is.quot;
Hier hield de directeur op. Hij had met het reisgezelschap de geheele fabriek doorgewandeld en de verklaarde werkzaamheden waren onder aller oogen geschied, zoodat de verklaring niet duidelijker had kunnen uitvallen. Allen waren dan ook dankbaar, niet het minst de dames, die blij waren zooveel wetenswaardigs vernomen te hebben van de suiker, welke toch voor ieder vrouwenverhemelte zooveel aangenaams aanbiedt.
„Wij zijn opgetogen,quot; verklaarde Montauban, „over hetgeen wij gezien en gehoord hebben. De Prins heeft alle voldoening van zulk een bezitting, terwijl den directeur alle eer toekomt voor de zoo wetenschappelijke, tevens doelmatige inrichting der fabriek. Toch wenschte ik de zoo boeiende verhandeling nog eenigermate aangevuld te zien door eenige bijzonderheden omtrent het riet, dat toch de grondslag der suikerfabrikatie is.quot;
„Gaarne wil ik die leveren,quot; betuigde de directeur. „Maar mag ik dan het gezelschap voorgaan naar mijn woning? Dan kan ik mij van mijn plichten als gastheer kwijten en zal ik mededeelen, wat van mij zal kunnen verlangd worden.quot;
Toen allen gezeten waren en den dames een mengsel van rijnschenwijn met selzerwater aangeboden was, alsook een schoteltje met „goelaliquot; (suikerwerk) der fabriek, en de heeren een glas portwijn slurpten, begon de directeur:
„Het suikerriet behoort tot de familie der Gramineeën en heet bij de geleerden Saccharum officinarum. De wortelstok is geleed en dicht met bijwortels bezet. De stengel wordt tot 4 M. hoog en van VU—5'A c.M. dik; hij is onvertakt, veelknoopig, uitwendig geel, bruin of zwart, glanzig, hard, en inwendig met een sponzig, saprijk merg gevuld. De bladeren zijn lijnvormig, vlak, langpuntig, onbehaard, met fijne zaagboorden, en worden tot 1'/ï M. lang. Zij rusten op bladscheden, die wijd om de stengelleden zitten en door een harig, bekervormig vliesje van de bladschijf gescheiden zijn. De bloemen bestaan uit een dichte, wijdgetakte pluim, die tot 6'A d.M. lang wordt. De vrucht is een vrije, onbehaarde dopvrucht.
„De Inlandsche bevolking plant veel suikerriet voor eigen gebruik, hoofdzakelijk om het als een lekkernij te kauwen, en gebruikt daarvoor de soorten: „teboe awoequot; en „teboe mangisquot;. Alle soorten op te noemen, die voor de suikerfabrikatie aangeplant worden, zou slechts langwijligheid veroorzaken.
„De grond, voor de rietvelden bestemd, wordt herhaaldelijk en goed omgeploegd en van afwateringsgoten voorzien. Daarna worden de „larikansquot; (plantgeulen) geploegd. Men legt dan de stekken, die ongeveer een voet lang zijn en drie of vier geledingen bevatten, horizontaal in de voren en overdekt ze met aarde, waarna de aanplant veelvuldig besproeid wordt. Voor dat de aanplant begint op te schieten, omheint men de velden met stevige
DE INDIGO-TEELT. — EEN KAMPOKTARTIJ. — SUIKEHFABRIKATIE. 131
heggen, om ze voornamelijk tegen „tjellengsquot; ') (wilde varkens) te beschermen. De spruiten van een welig uitbottend suikerrietveld leveren in de eerste dagen op een afstand het uitzicht als van krachtig gras of van jonge paddi.
„De rijping van het riet is zeer afhankelijk van de weersgesteldheid. In deze streken rekent men dat daartoe 9—12 maanden tijds noodig zijn. Hier oogst men van Juni tot September. Bij den oogst worden de rietstokken iets boven den grond afgekapt en van de groene uiteinden en bladeren ontdaan. Die rietstengels worden in bossen van 25 stuks gebonden en op karren naar de fabriek gevoerd en, zooals gij gezien hebt, door den rietmolen in ontvangst genomen. En hiermede meen ik mijn overzicht te kunnen besluiten,quot; meende de directeur.
Nadat de toeristen hun dank nogmaals hadden uitgesproken, werden de rijtuigen weer bestegen en zoo was men tegen het middaguur in Soerakarta terug.
') Tjelleng = Sus verrucosus.
V E E R TIE N D E HOOF D S rr U K.
De rijsttafel was spoedig gemittigd. Een siesta daarna van een klein uur was niet ongevallig; want de hitte deed zich onaangenaam gevoelen. Zoo omstreeks halfvier toog het gezelschap naar den aloon aloon, waar men het plein, evenals bij de rampokkan, met menschen gevuld vond. Dicht bij de tribune weerklonk een gamelan-spel, dat evenwel de aandacht onzer toeristen niet boeide. Er was iets anders, dat het oog onmiddellijk tot zich trok. Daar, midden op dat plein, waarvan het middengedeelte door de toegestroomde menigte vrijgelaten was, stond een troep ruiters op één gelid geschaard. Het waren er zeker twintig, die daar aanwezig waren. Maar zonderling was de aanblik van die ruiterbende. Op uitermate fraaie paarden, welke keurig geharnacheerd waren, zaten Javaansche jongelingen, allen zoons van hoofden, en van vorstelijk bloed, met bloot bovenlijf, dat met „borehquot; aangegeeld was. Hun hoofd was gedekt met den „koeloekquot;, een soort hoedje, met galon bezet, zonder rand; verder hadden zij om de heupen een sarong geslagen, welke door middel van een ceinturon om de lendenen bevestigd was. De beenen staken in een smalle pantalon, welke van onderen door een galonnetje om het been gesloten was, terwijl de voeten onbedekt en ongeschoeid in de stijgbeugels staken. Over het zadel lag een kleine chabrac, die met een rand van schreeuwende kleur, als schel rood of blauw, geboord was. Onder die chabrac staken witte versieringen uit, die veel hadden van ganze- of kippevleugels, maar bij het rijden ratelden alsof zij van blik vervaardigd waren. De stijgbeugels waren niet met riemen aan het zadel verbonden, maar met ijzeren stangen, waaraan de beugels met een paar ringetjes vastzaten. Allen waren met een lans gewapend, welker punt evenwel afgestompt was.e rijsttafel was spoedig gemittigd. Een siesta daarna van een klein uur was niet ongevallig; want de hitte deed zich onaangenaam gevoelen. Zoo omstreeks halfvier toog het gezelschap naar den aloon aloon, waar men het plein, evenals bij de rampokkan, met menschen gevuld vond. Dicht bij de tribune weerklonk een gamelan-spel, dat evenwel de aandacht onzer toeristen niet boeide. Er was iets anders, dat het oog onmiddellijk tot zich trok. Daar, midden op dat plein, waarvan het middengedeelte door de toegestroomde menigte vrijgelaten was, stond een troep ruiters op één gelid geschaard. Het waren er zeker twintig, die daar aanwezig waren. Maar zonderling was de aanblik van die ruiterbende. Op uitermate fraaie paarden, welke keurig geharnacheerd waren, zaten Javaansche jongelingen, allen zoons van hoofden, en van vorstelijk bloed, met bloot bovenlijf, dat met „borehquot; aangegeeld was. Hun hoofd was gedekt met den „koeloekquot;, een soort hoedje, met galon bezet, zonder rand; verder hadden zij om de heupen een sarong geslagen, welke door middel van een ceinturon om de lendenen bevestigd was. De beenen staken in een smalle pantalon, welke van onderen door een galonnetje om het been gesloten was, terwijl de voeten onbedekt en ongeschoeid in de stijgbeugels staken. Over het zadel lag een kleine chabrac, die met een rand van schreeuwende kleur, als schel rood of blauw, geboord was. Onder die chabrac staken witte versieringen uit, die veel hadden van ganze- of kippevleugels, maar bij het rijden ratelden alsof zij van blik vervaardigd waren. De stijgbeugels waren niet met riemen aan het zadel verbonden, maar met ijzeren stangen, waaraan de beugels met een paar ringetjes vastzaten. Allen waren met een lans gewapend, welker punt evenwel afgestompt was.
Toen onze toeristen, bij wie zich de resident bij aankomst op den aloon aloon gevoegd had, gezeten waren, maakte een der Inlandsche grooten, die bij afwezigheid van
EEN SENÈNNAN. — SALA.TIÖA.
den Soesoehoenan de honneurs waarnam, een teeken, waarop twee der ruiters, naast elkander rijdende, van de overzijde van het plein de tribune in matigen draf begonnen te naderen. Toen zij evenwel op een bepaalden afstand gekomen waren, bevestigden zij de teugels in een daarvoor expresselijk aan den ceinturen aanwezigen haak, zett'en de paarden in galop en grepen nu met beide handen de lans, waarmede zij pogingen aanwendden om elkander uit het zadel te lichten. Dat gelukte evenwel niet, want zoodra de paarden geen teugel meer voelden, sloegen zij in een woesten ren, zoodat hun berijders bekwame ruiters moesten zijn om in het zadel te blijven. Na de ruimte van het plein doorgerend te hebben, sloten beide ruiters zich weer bij den hoofdtroep aan. Inmiddels hadden andere paren zich afgescheiden, om dezelfde bewegingen met hetzelfde resultaat uit te voeren. Het was alsof het een afspraak was; zoodra zij de tribune naderden, sloegen de paarden op hol en daarbij viel niet anders dan de rijkunst der ruiters te bewonderen. Het ontbrak evenwel niet aan lachverwekkende tooneelen; er waren namelijk een paar gladdakh-paarden waarop afschuwelijk leelijke poppen gebonden waren, die dwars door alles heen renden, soms tusschen de toeschouwers instoven en menig koddig tooneel veroorzaakten.
Toen al de ruiters een paar malen denzelfden rit volvoerd hadden, waarbij het aan geen enkelen gelukt was zijn tegenpartij uit het zadel te lichten, stegen zij af, naderden de tribune en omgaven haar in een halven cirkel. Een reeks matjes werd op den grond uitgespreid, waarop de senënnan-ruiters zich met gekruiste beenen neer zett'en, terwijl hun gevolg met de uitgespreide „pajoengsquot; (zonneschermen) achter hen insgelijks neerhurkte en ze zoo gezamenlijk een eigenaardig schouwspel vormden. Zij bleven daar zitten, totdat de vertegenwoordiger des Keizers hun in het Javaansch eenige woorden toesprak, waarop ieder der ruiters boog, zijn „sembahquot; (groet) bracht, opstond en zich verwijderde.
i:«
De zon was de westelijke kim nabij, toen de senènnan was afgeloopen. Onze toeristen spoedden zich naar huis. Zij hadden hun tijd wel noodig; want na het diner, dat tegen zeven uren genuttigd zou worden, moesten de dames zich toiletteeren voor de danspartij, waartoe de Pangeran Adi Patti, onzen toeristen ter eere, zijn uitnoodigingen rondgezonden had. Geheel Soerakarta was opgekomen; al wat het schoons en voornaams bezat, had aan de oproeping van den Prins volijverig gehoor gegeven. Toen onze reizigers dan ook de pandoppo in de Mangkoe Negaran binnentraden, trof hun een schouwspel, dat wel geschikt was te boeien. De geheele ruimte was smaakvol met de Nederlandsche kleuren, welke zich door haar levendigheid daartoe zoo uitstekend leenden, keurig gedrapeerd en met ruikers versierd. Het geheel zwom in een zee van licht, dat door een menigte candelabres verspreid werd en te midden waarvan de zoo keurige inrichting van die pandoppo met haar festoenen, haar vazen, haar beelden allerwegen, waaronder een paar bronzen Japansche, in levensgrootte, wel de aandacht trokken, een grootsch, maar toch aangenaam effect maakte.
') Gladdakh-paarden zijn (lieren van het minste ras.
EEN' SENÈNNAN. — SALATIGA.
Toen ons gezelschap aankwam, hief het muziekcorps van den Prins het „Wilhelmusquot; aan, hetwelk zacht en uiterst welluidend op een afstand, alsof een echo telkenmale antwoordde, door de gamelan herhaald werd. De Prins, in tenue van kolonel, omgeven door een staf van jeugdige officieren, ontving zijn gasten met zulk een minzaamheid en beschaving, als menig Westersch gastheer hem zou hebben kunnen benijden. Toen de voorstelling aan de Eaden Ajoe 0 en aan de verdere leden der prinselijke hofhouding afgeloopen was, werd er een kop thee of koffie gepresenteerd, waarna onmiddellijk de muziek een polonaise deed hooren en de Prins mevrouw Van Berkenstein den arm bood en een paar officieren van zijn gevolg, allen van vorstelijke afkomst, zich bij de dames Visbergen en Jaffrezic aanmeldden. De Raden Ajoe maakte de polonaise mede aan den arm van Van Berkenstein, terwijl Montauban zich bij de echtgenoote van den resident vervoegd had en de overige leden van ons reisgezelschap al heel spoedig een aantal lieve kopjes opgemerkt en daarbij geen weigerend gebaar ontmoet hadden.
„Diable!quot; had Boisjolin na de polonaise uitgeroepen, „je crois que nous aurons une soiree famense!quot;
En hij had gelijk; het zou „une soiree fameusequot; worden, want men danste, danste____
danste nogmaals, totdat het morgenschot, dat zich met een indrukwekkend rollende echo liet hooren, den terugkeerenden dageraad aankondigde en het dansgezelschap uit elkaar deed spatten als een zeepbel.
Een paar uur later zaten onze toeristen in hun reiswagens en ijlden ze den weg naar Salatiga op, welke plaats het einddoel hunner reis voor dien dag zou wezen.
„Zou de reis per spoortrein niet gemakkelijker geweest zijn?quot; vroeg Van Berkenstein aan Vogels. „Ik gevoel mij na die danspartij zóó vermoeid, dat het mij wat waard zou geweest zijn om dadelijk na de aankomst te rijsttafelen en daarna een flinke siesta te houden.quot;
Vogels glimlachte ondeugend.
„En dat zoudt gij meenen te bereiken, wanneer gij per spoortrein vertrokken waart1?quot; vroeg hij.
„Voorzeker; zou het niet?quot;
„Oordeel! Wij zouden per trein om 6.50 van Soerakarta vertrokken zijn. Te 10 uren zouden wij te Kedoeng Djatie aankomen. Van die plaats zouden wij een kwartier later vertrekken, om te 12.15 te Toentang aan te komen. Dan zouden wij nog ongeveer een uur in een rijtuig moeten zitten, zoodat het ruim één uur zou zijn, wanneer wij te Salatiga zouden aankomen.quot;
184
„En nu? Het zal toch wel later worden, nietwaar?quot;
') Kaden Ajoe is de titel van de eerste vrouw der Javaansche Rijksgrooten. De oudste vrouw vanregeerende Vorston heet Ratoe.
135
„Zeker niet. Wij zijn zoo omstreeks 7 uren vertrokken. De afstand is ongeveer 28 paal. Het is waar, de weg is niet fraai te noemen; dat zult gij straks wel gewaarworden ; maar, wij zouden wederwaardigheden moeten ondervinden, anders zijn wij zoo omstreeks 12 uren te Salatiga. Wij kunnen dan dadelijk aan tafel gaan en gauw gaan dutten.quot;
„Excellente idee!quot; zei mevrouw Jaffrezic. „Je tombe de sommeil.quot;
„Ik ook,quot; betuigde mevrouw Van Berkenstein. „Toch zit ik met genoegen de pret van hedennacht te herdenken. Het was een keurige partij. Welwillende gastheer, goede muziek, heerlijke ververschingen en een minzaam, beschaafd publiek: alles was er vereenigd om dien avond genotvol te doen zijn.quot;
„Wat waren die bruine officieren élégant en welopgevoed,quot; merkte mevrouw Jaffrezic op.
„De blanke officieren niet?quot; vroeg mevrouw Visbergen, zich herinnerende, dat ze met een Europeesch officier getrouwd was.
„O, ongetwijfeld,quot; antwoordde mevrouw Jaffrezic, „van die is niet anders te verwachten. Meer verwondering baart het, deze volbloed Javanen zich zoo vrij en ongedwongen op zoo'n partij te zien bewegen. Als men in Europa over de bevolking van .lava hoort spreken, dan ligt de meening, die geuit wordt, niet ver, dat zij uiterst onbeschaafd is, ja uit wilden zou bestaan.quot;
Ja, en die meening wordt niet het minst gekoesterd in Nederland, waar men beter moest weten,quot; zei mevrouw Van Berkenstein.
„Behooren die officieren tot het Nederlandsch-Indische leger?quot; vroeg Montauban, die al met zijn calepin in de hand zat.
„Neen en ja,quot; zei Vogels.
„Voila une jolie réponse de diplomate!quot; bemerkte de Franschman lachende.
„In de vorstenlanden Soerakarta en Djokdjokarta, die wij bereisd hebben,quot; antwoordde Vogels, „zijn de onafhankelijke vorsten van de huizen Mangkoe Negara en Pakoe Alam volgens contracten verplicht ieder een legioen op de been te houden, hetwelk in tijden van oorlog ten dienste van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement moet gesteld worden.quot;
„Hoe groot is het legioen van Pangeran Mangkoe Negara?quot; vroeg Montauban.
„Het bestaat uit een bataljon infanterie, een eskadron cavalerie en een batterij artillerie.quot;
„En zijn die troepen goed onderwezen en geoefend?quot; was de nieuwsgierige vraag van den Franschman.
„Zij worden door Nederlandsche officieren onderwezen en zij zijn goed, zelfs zeer goed geoefend; dat verzeker ik u.quot;
„Dat noem ik met vuur bij een vaatje buskruit spelen,quot; meende Van Berkenstein; „want bij een opstand, waarin de Prins betrokken kan zijn, heeft men dadelijk een zekere gedisciplineerde troepenmacht tegenover zich, waaromheen de bevolking zich kan aansluiten'
EEN' SENÈNXAN. — SALATIGA.
„Zij hebben ooren, maar zij hooren niet!quot; declameerde Vogels met boertigen ernst. „Op dien toestand, welke nog ernstiger is dan gij denkt, is zoo dikwijls gewezen, zonder gehoor te verwerven.quot;
„Nog ernstiger.. .T'
„Ja, nog ernstiger. De vader van dezen Prins heeft op zijn onderhoorige landen ingesteld, dat zoodra de onder de wapens zijnde onderofficieren en manschappen van zijn legioen behoorlijk gedrild en geoefend zijn, zij door andere vervangen moeten worden. Zoodoende zijn al de weerbare mannen geoefend en aan krijgstucht gewoon. Bij een opstand zou men er op moeten rekenen, ruim 10,000 goed gedisciplineerde en ten deele goed gewapende troepen tegenover zich te hebben.quot;
Intusschen hadden de rijtuigen niet stilgestaan. Tot Bojolali liep de weg door vlak terrein en was hij bijgevolg betrekkelijk goed. Maar van dat plaatsje af liep hij dwars over de ribben van den Merapi en van den Merbaboe, die thans oostelijk gepasseerd werden. De weg voerde op en af door diep ingesneden „djoerangsquot;, smalle dalspleten, door de beken nitgeschuurd, die de reis wel bemoeilijkten. Daarbij kwam nog, dat op het grondgebied van den Soesoehoenan het onderhoud en van de bruggen èn van den weg zeer veel te wenschen overliet. Na de désa Ampel gepasseerd te zijn, kwam men evenwel op Grouvernements-grondgebied en was dat hobbelend leed weldra vergeten. Onze reizigers konden nog van geluk spreken. Wel verre van tegenspoed ondervonden te hebben, was de reis zóó voorspoedig geweest, dat het ongeveer halftwaalf was, toen de beide rijtuigen het erf van het logement te Salatiga opreden.
De verrassing was aangenaam, want de reizigers waren doodmoe, ook van het schokken op dien fatalen weg. Fluks lieten zij de rijsttafel voordienen en weldra lagen ze in diepe rust.
De wandeling des namiddags deed hen al de onaangenaamheden der reis vergeten. Gedurende die wandeling gaf Visbergen als topograaf alle inlichtingen, die onze reizigers maar verlangen konden.
„Zooals gij ziet,quot; sprak hij, „is Salatiga een allerliefst plaatsje, dat tot woonoord aan verscheiden Europeesche familiën strekt. Het aanlokkende voor hen is voornamelijk het heerlijke klimaat, dat hier het geheele jaar door heerscht. Het is een bijna eeuwigdurende lente, die zich hier doet gevoelen. Alleen in de maanden Juli en Augustus waaien er soms zeer gure winden en kan het er des nachts vrij koel zijn.quot;
„Hoe hoog ligt Salatiga?quot; vroeg Montauban.
„Op ruim 1800 voet boven de oppervlakte der zee!quot;
Onze toeristen hadden de heerlijke laan afgewandeld, die zich van het logement tot de woning van den assistent-resident uitstrekte en gevormd werd door een rij prachtige Kanarie-boomen aan weerszijden, welke den weg over zijn geheele breedte een verkwikkende schaduw verleenden.
EEN SENÈNNAN. — SALATIÖA. 1:J7
„Kijk, wat een alleraardigst gebouwtje, daar op dat pleintje!quot; riep mevrouw Van Berkenstein uit.
„Mais c'est une chapelle! Probablement dódiée a la Vierge!quot; riep mevrouw Jaffrezic. „Voyez quel gentil petit clocher. Ah! vous verrez, qu'il y a une cloche pour tinter rAngélus.quot;
Visbergen glimlachte.
„Ja, mevrouw, het is een kapel,quot; zeide hij. „Of beter, het is een kerkje, dat echter niet aan de Maagd gewijd is. Oorspronkelijk is dat gebouwtje bestemd geweest tot buskruitmagazijn. Toen ter tijd stond daarginds op dat heuveltje een fortje, dat de beide richtingen van den grooten weg, die daar bij de woning van den assistent-resident een rechthoek maakt, met zijn kanonnen bestreek. Het fortje is gesloopt en lang, zeer lang daarna stond het buskruitmagazijn er nog tot ontsiering van het pleintje, maar vooral tot grooten angst van de vreedzame ingezetenen.quot;
„Een buskruitmagazijn midden in de kom van een bewoonde plaats, dat kon niet anders dan een schrikbeeld zijn,quot; meende Montauban.
„Later heeft men aan de andere zijde van Salatiga — kijkt, daarginds, waar het terrein zich begint te verheffen en de voet van den Merbaboe schijnt aan te vangen, dat gele gebouwtje — een buskruitmagazijn, gebouwd en den angstverwekkenden inhoud van hier naar ginds verhuisd. Eindelijk is men op de gedachte gekomen van dat magazijn een bedehuis te maken. Men heeft er toen een rondgaande galerij omgetimmerd en er een torentje op gezet. De Groetenis des Engels kan er evenwel niet kleppen, mevrouw Jaffrezic, om de eenvoudige reden, dat er geen klokje in is.quot;
„Wat is dat kerkje lief gelegen,quot; sprak Ollerupp; „ziet die rij huizen hier en daar. Ze omgeven het pleintje schilderachtig. Wat zijn dat voor hoornen met die fraaie ronde kruinen, welke daar aan de Noordzijde die laan vormen?quot;
„Dat zijn Tandjoeng-boomen 'j,quot; antwoordde Vogels. „Het zjjn bepaald sierboomen, welker onaanzienlijke kleine bloempjes door de dames zeer gezocht zijn, om den aange-namen en zachten geur, dien zij verspreiden. Maar wendt den blik nu eens naar het Zuiden en aanschouwt den Merbaboe, die door de dalende zon nu zeer eigenaardig beschenen wordt, waardoor de Oostelijke wanden van zijn kraterkloof helder verlicht worden! Dat topje, dat gij daar links ziet uitkomen, met die rookpluim op, „dat is dezelfde Merapi, dien wij van nabij gezien hebben.quot;
De wandeling werd voortgezet. Het kampement werd bezocht en zeer fraai bevonden. Men bracht ook een bezoek aan den aloon aloon, maar de zon dook in het Westen onder, een goede reden om de wandeling te staken en naar huis te gaan. De dames ontveinsden zich niet, dat zij zich geducht vermoeid gevoelden; zij hadden ook den vorigen nacht geen enkelen dans overgeslagen. Niemand van ons reisgezelschap bleef daarom lang na het diner
') Tandjoeng —- Misusops Elengi.
138
op; integendeel, toen de klok tien sloeg, genoot iedereen, in een weldadigen slaap gedompeld, de noodige rust.
Den volgenden morgen wekte Vogels de reizigers bij het rijzen der zon.
„Komt er uit!quot; riep hij. „Naar de Kalie Taman, een verkwikkelijk had nemen!quot;
Die uitnoodiging was aanlokkelijk genoeg. Weinige minuten later zaten de toeristen in een paar rijtuigen, welke door de zorg van Vogels klaarstonden. Op het kerkplein gekomen, stapte het gezelschap in den Noordoostelijken hoek er van uit, wandelde of beter daalde door de désa Kalie Taman naar beneden in een vallei, waar een helder beekje al murmelend en stoeiend zich tusschen de steenen en rotsblokken, die zi)n 100P trachtten te vertragen, baanbrak. Eindelijk stond het gezelschap voor een klein planken gebouwtje, dat toegang tot een bekken gaf, hetwelk het helderste water van de wereld bevatte en gevoed werd door een dikken straal, welke uit een ter zijde gelegen heuveltje ontsprong. De dames baadden eerst, terwijl de heeren ouder een paar prachtige Wariengiens; die voor het badhuisje stonden en het gebouwtje met hare wijduitloopende takken overschaduwden, op eenige platte steenen plaats namen. Toen ook deze laatsten — de heeren wel te verstaan — de zoo heerlijke verkwikking genoten hadden, werd de terugtocht naar de rijtuigen aanvaard en nog een rijtoer door en om Salatiga ondernomen.
„Het is jammer, dat wij niet een bezoek aan Kalie Soetjojo gebracht hebben,quot; zei Vogels met leuke stem aan het dejeuner.
„Om wat te doen?quot; vroeg Visbergen met ietwat nijdigs in zijn stem.
„Om wat te doenquot;?...quot; herhaalde Vogels met gemaakte verwondering. „Wel, mij dunkt dat, wanneer drie jonge paren de gelegenheid hebben een bad in de Kalie Soetjojo te nemen, zjj zulks niet mogen verzuimen.quot;
„Komt, komt, wij zullen de Kalie Soetjojo maar zonder bezoek laten,quot; zei Visbergen lachende. „Misschien dat ik er eens om zal denken, wanneer onze reis door den Archipel afgeloopen is en ik hier in de nabijheid geplaatst word. Dan zal het tijd zijn, nietwaar Clotildef
„Ik weet niet waarover gij het hebt,quot; antwoordde het jonge vrouwtje in alle onschuld. „Gij weet, ik houd veel van baden. Als wij de Kalie Soetjojo nu kunnen bezoeken, bij voorbeeld heden namiddag, wel, dan moeten wij het maar doen.quot;
„Neen, neen, volstrekt niet!quot; riep Visbergen, niet zonder koddige drift. „Wij vertrekken zonder dat, het is zoo beter.quot;
Vogels schaterde het uit.
Ja, na deze weigering was de nieuwsgierigheid der dames door die vroolijkheid geprikkeld. Zij bestormden met allerhande vragen de beide officieren, die alle moeite deden om er zich van af te maken, maar vruchteloos. Eindelijk sprong Vogels op en verliet lachende de pandoppo, waar het gesprek gevoerd werd, zijn makker nu voor de verklaring alleen latende.
EEN SENÈN'NAN. — SALATIGA.
„Kom,quot; zei Clotilde met ondeugenden glimlach, „wees nu niet zoo geheimzinnig. Wat is er met die Kalie Soetjojof
„Wees nu niet zoo geheimzinnig,11 aldus hielden ook Ernestine Van Berkenstein en Yolande Jaffrezic aan.
„Wel, als de dames het dan weten willen,quot; antwoordde Visbergen. „Luistert.... maar komt wat dicht bij mij, dat de ongetrouwde heeren het niet hooren. Het recept mag niet te zeer verbreid raken. Zoo.... Welnu, wanneer een getrouwde dame zich met haar echtvriend in die kalie baadt, dan ....quot;
„Welnu, dan...?quot; vroegen drie damesstemmen met gedempt ongeduld.
„Dan is dat het meest probate middel om mama te worden!'1
Drie blosjes verschenen tegelijkertijd op drie paar wangen. Clotilde riep haar man driftig toe:
„ „Diam nakal!quot; (stil, stouterd).
„St!... ik houd mij stil.... Neen, die anderen behoeven dat niet te weten,1 antwoordde Visbergen lachend. „Maar ik ken een kapitein, die met zijn gade een bezoek aan die bron bracht. Ik heb ze gezien in badkostuum geknield liggen, met een brandende waskaars in de hand.quot;
„En met welk gevolg!quot; vroegen de drie dames tegelijkertijd.
„Hm! negen maanden later....11
„Shut!quot; beveelden de dames thans, „geen indiscreties!quot;
Den volgenden morgen waren onze toeristen al vroeg op weg naar Toentang, om met den trein van 7.38 naar Semarang te vertrekken.
Het moest een fraaie weg genoemd worden, dien de reizigers thans volgden. Niet alleen, dat hij goed aangelegd en uitmuntend onderhouden was, maar hij verleende ook menig schilderachtig uitzicht. Gedurende een viertal palen voerde hij over de heuvelenrij, die het dalbekken van Ambarawa in het Oosten omgaf, terwijl in het Zuiden de statige Merbaboe met zijn voorgebergten; de Andong, de Telomqjo en de Kleer een grillige en fantastische omlijsting leverden en het laatstgenoemde gebergte zich in het Westen aansloot aan het Djamboe-gebergte, dat de omstrengeling van dat hekken in het Noorden volbracht. Het was een waar keteldal, hetwelk zich daar betooverend schoon voor het oog uitspreidde. Het vertoonde slechts één sawah, die amphitheatersgewijze naar beneden samenvloeide. De rijsthalmen, welke dat dal overdekten, waren het rijpen nabij; toch hadden zij hun groene kleur nog niet geheel verloren. Alleen waren zij ietwat met een lichtgele tint overtogen, zoodat het was alsof de zachtgroene zee, die daar onder den morgenwind golfde, een gulden weerschijn vertoonde. Die rijstzee omgaf bevallig een aantal désa's, die, verscholen als zij waren te midden hunner vruchtboomen en bamboebossciien, zich als donkergroene eilanden voordeden. Zoowat in het midden der vlakte verhief zich een grooter eiland, dat meerendeels met wuivende Tjemaraboomen was beplant, waaitusschen een torentje zichtbaar was. Onze reizigers wezen het elkander en maakten de opmerking, dat dit torentje aan een dorpje in Europeesche dreven deed denken.et moest een fraaie weg genoemd worden, dien de reizigers thans volgden. Niet alleen, dat hij goed aangelegd en uitmuntend onderhouden was, maar hij verleende ook menig schilderachtig uitzicht. Gedurende een viertal palen voerde hij over de heuvelenrij, die het dalbekken van Ambarawa in het Oosten omgaf, terwijl in het Zuiden de statige Merbaboe met zijn voorgebergten; de Andong, de Telomqjo en de Kleer een grillige en fantastische omlijsting leverden en het laatstgenoemde gebergte zich in het Westen aansloot aan het Djamboe-gebergte, dat de omstrengeling van dat hekken in het Noorden volbracht. Het was een waar keteldal, hetwelk zich daar betooverend schoon voor het oog uitspreidde. Het vertoonde slechts één sawah, die amphitheatersgewijze naar beneden samenvloeide. De rijsthalmen, welke dat dal overdekten, waren het rijpen nabij; toch hadden zij hun groene kleur nog niet geheel verloren. Alleen waren zij ietwat met een lichtgele tint overtogen, zoodat het was alsof de zachtgroene zee, die daar onder den morgenwind golfde, een gulden weerschijn vertoonde. Die rijstzee omgaf bevallig een aantal désa's, die, verscholen als zij waren te midden hunner vruchtboomen en bamboebossciien, zich als donkergroene eilanden voordeden. Zoowat in het midden der vlakte verhief zich een grooter eiland, dat meerendeels met wuivende Tjemaraboomen was beplant, waaitusschen een torentje zichtbaar was. Onze reizigers wezen het elkander en maakten de opmerking, dat dit torentje aan een dorpje in Europeesche dreven deed denken.
„Ligt daar een dorp?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Dat is het torentje van de vesting Willem I, welke daar midden in het keteldal gebouwd is,quot; antwoordde Visbergen.
Montauban schudde met het hoofd, maar zeide niets.
„Ziet,quot; ging Visbergen voort, „daarginds in het Noorden, die witte stippen, daar
NMK HET NOOHDERSTKAND.
langs de helling van het gebergte, dat zijn de woningen der Europeesche burger-ingezetenen van Ambarawa.quot;
De aanwijzing werd hier afgebroken. De rijtuigen joegen door de postloods nabij de desa Dragoeman. Daarna ging het een tijdlang steil langs den Goenoeng Tjikallor naar boven, terwijl karbouwen tot voorspan dienden. Het uitzicht was hier door de omlijsting van koffietuinen beperkt. Ook was de weg nabij den top van den heuvel Tjikallor diep ingesneden, zoodat de reizigers rechts en links tegen de bruinroode kleiaarde der taluds aankeken. Toen die top bereikt was, ging het in vliegenden galop naar beueden. Dichtbij de brug over de Toentang zwenkten de rijtuigen rechts en stonden ze weldra voor het haltegebouw van den spoorweg aldaar stil.
„Dit is de richting naar de vesting Willem I, nietwaar?quot; vroeg Van Berkenstein aan Visbergen, terwijl hij over de Toentang ging. „Waarom maken wij niet een uitstapje derwaarts?quot;
„Och, veel had ik daar tegen,quot; antwoordde de officier met een zucht. „Waart gij met uw echtgenoote alleen, of waren onze overige reisgenooten allen Nederlanders, dan had ik er u zeker heen gebracht. Ik zag er tegen op, om vreemdelingen voor dat pronkstuk te brengen. Het gezicht daarvan had uitleggingen uitgelokt, die niet dan ten uadeele van onze vestingbouwkundigen zouden uitgevallen zijn ....quot;
„En de namen dier vestingbouwkundigen staan nogal sierlijk in vergulde letters boven de poorten en poternes, boven reduits- en kasemat-ingangen, in de gewelfssluitsteenen gegrift, alsof het jammer ware geweest, dat die namen voor de nakomelingschap verloren waren gegaan,quot; voegde Vogels er bitter bij.
Een luid gegil liet zich hooren. Het was de trein, die van Willem I in aantocht was en eenige oogenblikken later voor het perron stilhield. In een oogwenk waren onze reizigers ingestegen en voort ging het.
Bevallig volgde de spoorbaan een poos de kronkelingen der Toeutang-rivier, die schuimend over haar rotsachtig bed vloot en hier en daar een kleinen, maar schilderachtigen waterval vormde. Toen slingerde de spoortrein zich door bergterrein, waarin de ingenieurs met het pikhouweel en de mijupatroon dwars door de rotsbanken baan hadden moeten breken. Onze reizigers konden zich overtuigen, dat de berglijn, die zij thans bereden, een waar ingenieurs-kunstwerk te noemen was. De baan kronkelde, rees, daalde ontelbare malen on bood daarbij over de verschillende dalgedeelten, waarin de kalie Toentang telkens ontwaard werd, zulke bevallige gezichten, dat onze reizigers verrukt waren. De paddi begon daarenboven op de velden al meer en meer te rijpen, hetgeen een eigenaardig gezicht leverde over de sawahvakken, welke soms tegen de bergtoppen schenen op te klimmen. Allen zaten wezenlijk te genieten, tuurden door de raampjes en konden geen oog van die overschoone tafereelen afwenden.
„Wat is dat daarginds voor een inrichting,quot; vroeg Boisjolin, „daar, dat afdakje, waaronder die twee knapen zitten?quot;
141
NAAR HET NOOBDERSTKAND.
De trein had juist bij de halte Briengien gestopt. De locomotief moest daar gewoonlijk water innemen, zoodat er tijd genoeg was om de inrichting, waarop Boisjolin wees, in oogenschouw te nemen.
„Dat,quot; zei Vogels, „is een „goeboekquot;, een wachthuisje om de rijstdiefjes van de rijstvelden te jagen. Die lieve blauwachtige vogeltjes met roodachtigen bek, bij de inlanders „glatikhquot; ^ geheeten, worden in den oogsttijd een ware plaag. Zij verschijnen in zóó'n menigte, dat hun vluchten soms een zwarte wolk gelijken, die nadert, terwijl hun getjilp overal in de lucht weerklinkt. Strijken zij op een rijstveld neer, dan is bij hun talrijkheid en gulzigheid de schade onmetelijk te noemen.quot;
„Hoe verjaagt men die diertjes?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Ziet, die „goeboekquot; bestaat uit vier lange bamboe-staken, welke in den grond geplant zijn. Op een zekere hoogte, die een goed overzicht over de velden verleent, is tusschen die staken een vloertje aangebracht, waarboven zich een licht dak uitspreidt ter afwering van de brandende zonnestralen, zoodat er hoog boven den grond een soort huisje gevormd is. Van dat huisje uit loopen in alle richtingen een aantal touwtjes, welke zich even boven de sawahs verheffen. Aan die touwtjes zijn veelal gekleurde lapjes gebonden, die, door er aan te trekken, heen en weer bewogen kunnen worden. Soms zijn er ook stukken bamboe aan bevestigd, die bij de geringste beweging tegen elkander klepperen. Al spelende bewijzen die twee knapen daarginds aan de eigenaren van die sawahs een groeten dienst. Ik heb eens een dolle gebeurtenis bijgewoond, waartoe zoo'n „goeboekquot; aanleiding gaf. Maar.... ik vrees, dat u het verhaal daarvan minder zal bevallen.... en daarom____quot;
„Kom, kom, geen ontijdige zedigheid! Vooruit met dat verhaal,quot; riep Montauban. „ Gij ziet, hoe onze dames de ooren reeds gespitst hebben. Dat zal ons trouwens den tijd korten; wij kunnen heel goed kijken en luisteren.quot;
De trein had zich weer in beweging gesteld en de „goeboekquot; was reeds uit het gezicht, toen Vogels begon:
„In Maart 1871 was ik in de omstreken van Tempoeran met twee mijner vrienden op jacht. Wel was men druk bezig met het aanleggen van den spoorweg, maar van rijden was er nog geen sprake. De omstreken van Tempoeran waren berucht door de hoeveelheid tijgers, die daar destijds huisden. Wij hadden evenwel het terrein gedurende een paar dagen afgekmist, zonder zelfs de schaduw van groot of klein wild ontwaard te hebben. Des avonds vroegen wij nachtverblijf aan het hoofd van dësa Soekiwaras en vertelden hem onze teleurstelling. De man lachtte geheimzinnig en beloofde ons, dat wij niet zonder tijgerhuid zouden te huis komen. Hij hield ridderlijk woord.
142
„Terwijl wij zoo met hem stonden te praten, viel ons oog op een „goeboekquot;, welke te midden van een kleine sawahvlakte, geheel door djati-bosch omsloten, opgericht was.
') Glatikh = Amadina oryzivora, door sommigen oneigenaardig Padda oryzivora genoemd.
NAAK HET N'OORDliliSTUAND.
Wat wij evenwel toen niet opmerkten, was, dat het vak, waarop die „goeboekquot; verrees, met een soort „paggerquot; (lieg) omheind was. Het was in den vollen kenteringstijd, en het woei bijna een orkaan, zoodat die kleine „goehoekquot; op haar bamboestruiken heen en weer wiegelde, alsof zij bezeten was. Een dolle gedachte, zooals zij slechts der overmoedige jeugd kan invallen, werd geuit:
„„Wie durft den nacht op dat ding doorbrengen?quot; klonk het.
„Wij keken elkander aan. Niemand der twee anderen had er lust in, dat waggelende huisje tot slaapkamer te kiezen. Van een andere zijde beschouwd, konden wij er staat op maken, dat wij het bij den „loerahquot; (desahoofd) niet te breed zouden hebben, ongeacht of wij wel vanwege het ongedierte, waardoor de woningen der Inlanders gewoonlijk verpest zijn, op een rustigen nacht konden rekenen. Niemand onzer antwoordde evenwel op die uitdaging; de „goeboekquot; zwiepte te zeer.
„ „Och, wat 'n bluf,quot; zei ik eindelijk tegen den spreker. „Gij durft liet ook niet!quot;
„ „Niet durven!... Ik wed, voor al wat gij wilt, dat ik er den nacht doorbreng,quot; was het antwoord. „Komt, wie wedt voor zes flesschen champagne1?quot;
„ „Den nacht doorbrengen....quot; sprak ik, „ja, gij rekent er zeker op, dat wij tot over middernacht bij elkander zullen zitten praten; en om vier uren zoudt gij weer present zijn. Die weddingschap zou te gemakkelijk te winnen zijn.quot;
„ „Neen, van zonsondergang tot zonsopgang zal ik daarboven op dat ding blijven en slapen als een mormeldier. Neemt gij het aan1?quot;
„„Top!quot; was mijn antwoord, „maar gij zult u moeten haasten, want zie, de zon heeft met haren onderrand de nok van gindschen heuvel reeds aangeraakt.quot;
„Ik had ternauwernood uitgesproken, of mijn makker was reeds op de „goeboekquot; toegeloopen. Er stond een lichte ladder bij. In een oogwenk was liij boven.
„ „Goeden nacht!quot; riepen wij hem lachende toe.
„ „Goeden nacht!quot; wenschte hij terug. „Salamat sama koetoe boesoekh,quot; (mijn groet aan het wandgedierte).
„De „loerahquot; deed al het mogelijke om onzen kameraad van z;ijn voornemen af te brengen. Tevergeefs. Wij lachten den goeden Javaan uit, zoodat hij, met de discretie, zijn landaard zoo eigen, zijn vertoogen staakte. Toen wij de rijst, die onze gastheer ons voorzette en waarvan onze makker daarbuiten ook zijn deel bijtijds voor den donker kreeg, verorberd hadden, bemerkten wij dat wij vermoeid waren. Wij namen plaats op de aangewezen baleh-baleh (rustbank van bamboe) en sliepen spoedig in. Wij werden evenwel eenigen tijd later wakker gemaakt door een ondraaglijk gejeuk, dat zicli over ons geheele lichaam het ontwaren.
„ „Wij zijn aan een invasie ten prooi,quot; pruttelde ik.
„ „De salamat van onzen makker heeft ons geen geluk aangebracht.quot;
Wie weet hoe lekker de kerel daarbuiten in de zuivere lucht ligt te ronken en wij hier in dat muffe hok . .. .quot;
NAAK HET KüOKUEUSTKAND.
„Maar wat was dat J.... Een dreigend gebrul, afgebroken door een herhaald hoeh!... hoeh!...waarvan wij de beteekenis zeer goed begrepen, weerklonk luide. Er was geen vergissen mogelijk, een tijger was nabij. En hadden wij kunnen dwalen, de paarden van den „loerahquot; hinnikten en trappelden van angst in hun „gedogansquot; (stallen) daarbuiten. Wij beiden vlogen op, grepen onze geweren en stormden naar buiten. Maar.... het was een stikdonkere kenteringsnacht, het zwerk was zwart bewolkt, men kon geen hand voor de oogen zien. Wij zouden zonder licht geen pas hebben kunnen doen. De Westenwind gierde huilende ons om de ooren. Daarbij liet zich het gebrul en het angstverwekkend hoeh!... hoeh!... om zoo te zeggen van alle kanten hooren. De „loerahquot; bad en smeekte ons om toch binnen te komen, anders zouden er nog ongelukken gebeuren. Hij was nog bezig ons te overreden, toen een doordringend hoeh! zich zóó nabij liet hooren, alsof het van onder het huis van den „loerahquot;, dat op palen gebouwd was, vandaan kwam. Het was alsof wij den heeten adem van het ondier over ons gelaat hadden gevoeld. Wij stoven verschrikt naar binnen. Een weinig tot bedaren gekomen, hadden wij slechts gedachten voor onzen makker, die daarbuiten zat. Wij wilden weer naar buiten, doch de „loerahquot; verzekerde ons, dat die geen gevaar liep, mits hij boven op de „goeboekquot; bleef. Bij de volslagen duisternis, die er heerschte, bleef ons niets over dan den morgenstond af te wachten. Toen ik mijn horloge raadpleegde, was het ongeveer drie uren. Wij hadden nog twee en een half uur in de meest mogelijke spanning door te brengen. Vanlieverlede werd het gebrul al heviger en heviger; de hoeh! hoeh's! volgden elkander al sneller en sneller op, toen eensklaps, zoo omstreeks vier uren, alles zweeg en wij niets meer vernamen dan het huilen van den wind, die met machtigen adem door het dak der hut gierde. Hoe lang dat laatste uur mij toegeschenen heeft, zal ik niet trachten te beschrijven. Ten laatste evenwel werd een fletse streep aan den horizon zichtbaar; die streep breidde zich uit, een grauw licht schemerde. Het was de morgenstond niet, waarvan de dichters altijd den mond vol hebben; neen, een grijs, regenachtig wolkendak joeg boven onze hoofden en aan den horizon dooreen en belette de zon iets van haar pracht te vertoonen. Wij moesten geduld oefenen. Maar, eindelijk was het licht genoeg om, zonder gevaar van overvallen te worden, naar buiten te kunnen treden. AVij grepen onze geweren en ijlden naar de sawah. Ik sprong het eerst over de omheining, waarvan ik straks sprak, maar struikelde over een tijger, die evenwel roerloos bleef liggen. Jets verder zag ik er nog een liggen. Gij kunt begrijpen, hoe verschrikt ik was. Met het geweer in den aanslag spoedde ik mij voort naar de „goeboekquot;. Toen ik daarbij kwam, vond ik de ladder omgekanteld. Fluks richtte ik haar op en klauterde naar boven, terwijl mijn makker beneden aan den voet met gespannen haan het omliggend terrein bespiedde. Toen ik bovengekomen was, vond ik den buitenblijver op den vloer uitgestrekt en nog sidderende van angst. Toen hij mij zag, vloog hij op, greep mij in zijn beide armen, drukte mij aan de borst en riep: „gered! gered!quot;
„ Wij gingen omlaag en keerden naar het huis van den „loerahquot; terug. Daar vernamen
NAAK HET NOOBDEKSTKAND.
wij wat er gaande geweest was. Den nacht te voren had dat desahoofd een paard verloren, dat door een tijger uit de gedogan gehaald was. Toen het dag was, had hij met eenige zijner onderhoorigen het ondier opgespoord en van zijn prooi verjaagd. Hij had toen het lijk van zijn paard naar de bedoelde sawah, waarop bij toeval die goeboek stond, laten dragen en die doen omheinen. Vervolgens had hij met een scherpen bamboe in dat kreng diepe, doordringende wonden gestoken en daarin een vergift gebracht, hetwelk hij uit een slingerplant, „Kalakambingquot; 1) genaamd, getrokken had.
„ „ Begrijpt gij nu1?quot; vroeg de Javaan met een onnoozel gezicht.
„ „Volstrekt niet!quot; barstte die mijner makkers uit, die den nacht op de „goeboekquot; had doorgebracht.
„„Wel,quot; ging de loerah voort, de „kiahi'squot; 2) zijn gekomen, hebben gepeuzeld en de gevolgen hebben zich niet laten wachten. Zij hebben „sakiet proetquot; (buikpijn) gekregen.quot;
„„0! nu begrijp ik het! En met hun „sakiet proetquot; hebben ze als dollen door die afgepaalde ruimte gerend, en in hun doodsangst hebben zij gebruld als bezetenen en hun hoeh! hoeh! uitgestooten, alsof het mij daarboven gold, die in den stikdonkeren nacht niets, niets zien kon. Zij hebben mijn ladder het onderste boven geloopen. O! toen dacht ik, dat mijn laatste uur geslagen had. God! God! Wat heb ik een angst uitgestaan!quot;
„Onwillekeurig konden wij ons lachen niet weerhouden. Toen wij het terrein gingen opnemen, vonden wij vier tijgerlijken. Wij hebben den loerah de premie laten opsteken, maar wij hebben ieder een tijger naar huis laten dragen. De huid daarvan bezit ik nog. Onze overmoedige wedder evenwel heeft sedert nooit meer op een goeboek den nacht doorgebracht, ja, hij heeft nooit meer aan eenige jacht willen deelnemen.quot;
„Drommels,quot; zei Montauban, „dat begrijp ik. Maar kijk, wat een woeste omgeving hier. Het is alles bosch, wat men ziet. Ik kan begrijpen dat hier tijgers huizen.quot;
„De omstreken van Kedoeng Djati zijn niet aanlokkelijk,quot; antwoordde Visbergen. „Ah, daar rijden wij het station binnen.quot;
Dat was slechts overdrachtelijk gesproken, want van een overdekt station is te Kedoeng Djati geen sprake. De geheele inrichting munt uit door groote eenvoudigheid; zelfs het stationsgebouw is, om onkosten te vermijden, uit riviersteenen, die eenigermate vierkant bekapt zijn, opgetrokken. Onze reizigers hadden een uur tijd om rond te wandelen en alles op te merken. Men moest op den trein, die van Soerakarta kwam, wachten, om daarmee door naar Semarang te stoomen.
Toen die aangekomen was, ging de reis voort. Nog een poos snorde de trein door heuvelland; daarna betrad hij de vlakte en dat was de kustvlakte, welke zich tot aan de Java-zee uitstrekt.
145
19**
') Kalakambing = Sarcolobus dichotomus.
) De Javaan noemt don tijger nimmer bij zijn naam, wanneer hij van hem spreekt, maar geeft hem dan steeds een eeretitel, zooals „kiahiquot;.
NAAR HET NOORDERSTRAND.
Bij Tanggoeng trof hun de eenzaamheid, waarin de halte aldaar gelegen was. Heinde en ver was geen spoor van désa of zoo iets te ontdekken, Alleen heel ver bij den rand van het djatibosch, dat op den achtergrond teruggeweken was, werden een paar roode daken ontwaard, die gezegd werden, aan een paar loodsen te behooren van houtkap-ondernemingen, welke daar gelegen waren. Op de opmerking van Van Berkenstein omtrent de zonderlinge eenzaamheid van deze halte, antwoordde Vogels:
„Men heeft bij het aanleggen van den spoorweg Semarang-Vorstenlanden andersom meenen te moeten handelen, dan men in Europa gewoonlijk doet. Daar zoeken de spoor-weglijnen de bevolking-centra op. Hier is men van de meening uitgegaan, dat die centra de spoorweglijnen zouden opzoeken. Die rekening is gefaald. Vandaar die eenzaamheid. Had men de spoorbaan evenwijdig aan den grooten weg van Semarang via Oenarang, Salatiga, iSoerakarta naar Djokdjokarta aangelegd, ja dan zou die baan meer geld gekost hebben, dat is waar; maar de bevolking zou oneindig meer gebaat zijn en men zou daarenboven nog betere zaken gemaakt hebben dan thans; want het vertier zou wel tienmaal grooter zijn dan het nu is. Maar kom.... laten wij daarvan zwijgen. Het lust mij niet om de kuiperijen te ontvouwen, die tot zoo'n verwaarloozing van alle belangen gevoerd hebben. Wilt gü daaromtrent gesticht zijn, dan raad ik u de daarover handelende brochures van den ingenieur Stieltjes te lezen, die duidelijk genoeg zyn gevoelen bekend maakte en de waarheid huldigde.
14:6
■.'quot; t '-■■ ' ~ v , - . . ;■ ■:• ■■ ■, ■'•:.
■ ■. ■gt;■■ *quot;■'■■:-■-amp;-■': • ■■ ygi-, ■ '■■• .■ -•■gt;,
■. ■■ :..\i- ■/■■ /■ ;gt;. ,• ■■■■•■ ■■. • . ■■*';•.;■■ - ■ : ■;. ;v.; • ''••■■v. ■ ;W: ,y--v • -gt;;■ ■ ,
:. 'amp;quot;- A .: ' 'V'f'-- ■: V -r-'' ïy-'1''''■■■'i ' ■ ■' /■ ■ •'• quot;• . ' ... ' ■ '
-',,,... *:■ t ;-.,•'■• 'V. , • ■ •.' •• '■ ■ quot; . ■•, ;.i ■•• ■ '■gt;$' 1 quot;.' .gt; ' '■• • • -• '' . if • ... ■ •'. , ■• - i*';. ; / . .. —• • ■-.-••• •:
■ ■ '■ ■ * ■-V ■; ;v-.' ■ i-- ,■ '
?*•• •■ • ' ; ■
i;:'' ■■ ■ ■'. ' .. .'Vv::quot; K':'-'--. lt;■ ri '
^ ■ JV-:- ■ •!' v ■ '■=- ■■ .■■■■
' ■; :lt; ...V?;'•'i--: . A 'gt; •:'••- i ■ '
,, A . ' V ^ JW- ■ •■•VÏ .f 'y -U . .
$*■ ■ •; : -.jl. .ï. i,:. ' ,l:vA.^ -V/.
|
Te Semarang nam ons reisgezelschap zijn intrek in het Paviljoen, een hotel aldus genaamd, dat even buiten de stad, tegenover de „aloon aloonquot; op den Bodjongschen weg gelegen was. De afspraak was, dat men eenige dagen in de hoofdplaats van Middel-Java zou vertoeven en dat, wel verre van aaneengesloten te blijven, zooals men tot heden gedaan had, ieder hunner volle vrijheid zou hebben, om zich te bewegen, zooals hij verkoos. De Fransche en Deensche heeren maakten plannen om hun opwachting bij hun respectieve consuls te maken. Van Berkenstein zou eenige bekenden opzoeken. Vogels en Visbergen ontbrak het niet aan vrienden en krijgsmakkers bij het garnizoen. In het kort: ieder zou handelen, zooals hij wilde. Bij de rijsttafel en bij het diner in het hotel zou men zooveel mogelijk te zamen komen, dan verslag uitbrengen over de merkwaardigheden, die ieder voor zich gezien had.e Semarang nam ons reisgezelschap zijn intrek in het Paviljoen, een hotel aldus genaamd, dat even buiten de stad, tegenover de „aloon aloonquot; op den Bodjongschen weg gelegen was. De afspraak was, dat men eenige dagen in de hoofdplaats van Middel-Java zou vertoeven en dat, wel verre van aaneengesloten te blijven, zooals men tot heden gedaan had, ieder hunner volle vrijheid zou hebben, om zich te bewegen, zooals hij verkoos. De Fransche en Deensche heeren maakten plannen om hun opwachting bij hun respectieve consuls te maken. Van Berkenstein zou eenige bekenden opzoeken. Vogels en Visbergen ontbrak het niet aan vrienden en krijgsmakkers bij het garnizoen. In het kort: ieder zou handelen, zooals hij wilde. Bij de rijsttafel en bij het diner in het hotel zou men zooveel mogelijk te zamen komen, dan verslag uitbrengen over de merkwaardigheden, die ieder voor zich gezien had.
Daags na hun aankomst brachten Montauban en Nielsen bij de lunch rapport uit, dat zij naar de reede geweest waren en de „Zeemeeuwquot; in den besten toestand gevonden hadden. Zij hadden met kapitein Meerman afgesproken, dat het scheepje vier dagen latei-naar Soerabaia zou vertrekken.
„Wij hebben heden Donderdag, dus aanstaanden Maandag zal de „Zeemeeuwquot; tot ankerlichten gereed zijn.quot;
„Ik ben gisteravond in Amicitia geweest,quot; vertelde Vogels. „Het was sociëteitsavond, ik heb er mij perfect geamuseerd. Natuurlijk heb ik veel bekenden ontmoet.quot;
„Ik ben er ook geweest,quot; sprak Visbergen. „Ik heb een paar partijen biljart gespeeld; daarna ben ik naar huis gegaan.quot;
„Een onaangenaam nieuws is mij evenwel ter ooren gekomen,quot; sprak Vogels.
„En dat is?quot;
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
— ONDER STOOM.
148
SEMAHAXG.
„Kapitein Keremans moet zóó ongesteld zijn, dat een geneeslumdige commissie een reis naar Europa tot herstel van gezondheid noodig acht.quot;
„Kapitein Keremans zoo ongesteld ?quot; vroeg mevrouw Van Berkenstein met bekommering.
„Ja, mevrouw.quot;
„Wat scheelt hem?quot; vroeg de jonge vrouw.
„Een lever-abces, dat zich eensklaps heeft geopenbaard.quot;
„M aar ik heb hem nooit van leveraandoening hooren gewagen.quot;
„Dat zjjn zoo van die ziekten, welke iemand hier in Indië plotseling overvallen, mevrouw.quot;
„Ik zou haast zeggen een naar land ....quot;
„Spreek dat niet uit, wat ik u bidden mag, mevrouw,quot; viel haar Vogels in de rede. „Ieder land heeft zijn eigenaardige ziekten. Hebt gij in Nederland niet de longziekte, de tering, het pootje en ik weet niet wat?quot;
„Ja, u moet Vogels omtrent Indië niet te na komen; dan vliegt hij op als buskruit,quot; zei mevrouw Visbergen lachend.
„Die arme Keremans....quot; mompelde mevrouw Van Berkenstein als in zichzelve. „Komt, willen wij naar Batavia terugkeeren! Die goede mevrouw met haar twee kinderen zal in zulke oogenblikken hulp noodig hebben.quot;
„Tut, tut, tut,quot; sprak Van Berkenstein, „mijn vrouw is wel haastig gebakerd. Gij weet niet eens of het bericht, dat Vogels gebracht heeft, juist is.quot;
„Ik heb slechts oververteld, wat mij ter ooren is gekomen,quot; sprak deze. „Voor de waarheid kan ik niet instaan. Er loopen soms zulke dwaze geruchten.quot; •
„Ziehier een brief, dien ik straks ontving.....quot;
Mevrouw Van Berkenstein liet haar echtgenoot niet uitspreken, maar vloog op en greep met klimmende aandoening den brief.
„Goddank! Goddank!quot; sprak zij; „de ongesteldheid is niet zoo onrustbarend als gij te verstaan hebt gegeven, mijnheer Vogels.quot;
„Ik zeg met u: Goddank! mevrouw, en het spijt mij dat ik u door mijn valsch nieuws zoo geschokt heb. Vergeef het mij.quot;
Mevrouw Van Berkenstein reikte hem de hand.
„Het is wel een leveraandoening geweest,quot; vervolgde zij haar mededeeling, „en de geneeskundigen vreesden voor een abces, maar bij doelmatige behandeling is ieder gevaar geweken en de geheele herstelling als aanstaande te beschouwen. Ik dank u voor den brief,quot; zei zij verder, terwijl zij Van Berkenstein de hand drukte. „Maar, ventje, waarom me dat niet dadelijk gezegd?quot; vroeg zij met vleiende stem, waarin toch een zweempje van verwijt te bespeuren was.
„Omdat vrouwtjelief ventje den tijd niet liet om aan het woord te komen,quot; bootste Van Berkenstein zijn vrouw na.
SEJIAR.VNO. —
149
ONDEK STOOM.
„Nu, ik ga dadelijk een zeer langen brief aan mevrouw Keremans schrijven,quot; zei de jonge vrouw.
Dat was het sein tot opstaan en weldra waren allen in hun vertrekken verdwenen om de siesta te genieten, die in het warme Semarang op die uren van den dag een ware uitkomst was te noemen.
Overigens werd de tijd goed besteed en alles, wat Semarang bezienswaardig bad, bekeken, üe heeren bezichtigden het militair hospitaal, dat zeer doelmatig bevonden werd; het stadhuis, waarover maar één roep opging, namelijk, dat het een vormlooze, leelijke steenmassa was, die door de baksteen-roode kleur, welke er aan was gegeven, nog wanstal-tiger scheen; het fort Pontjol, dat door den oudsten Jaffrezic „un établissement de bains de mer k l'abri de la bombequot; genoemd werd.. Allen, zoowel de dames als de heeren, woonden een Zaterdagavond in de sociëteit de Harmonie bij, genoten daar de zeer goede muziek van de Semarangsche schutterij, die bijna geheel uit Klingaleesche en Moorsche artisten samengesteld was en haar fraaiste nummers voordroeg. Met een nieuwsgierig oog-bemerkte ons reisgezelschap een zwerm rijtuigen, die op de ruimte, welke zich tusschen de rivier en de sociëteit uitstrekt, post hadden gevat en waarin bij het heldere maanlicht de liefste kopjes te zien waren: zoowel lieve smachtende kreoolschen met zacht blauwe oogen, grondloos diep als het firmament, met een diadeem van blonde krullen om het lelie-blanke voorhoofd en gelaat, als overschoone brunetten met vurige oogen en licht gebronste wangen als echte dochteren der zon, met overfraaie lokken van gitzwart haar. De meesten dier schoonen waren luchtig in sarong en kabaja gekleed en luisterden, in hare rijtuigen gedoken, bij de frissche avondlucht naar de heerlijke muziek.
„Wat drommel,quot; zeide Boisjolin, .,een nieuwe manier om muziêk te genieten!quot;
„En een manier, die in Indië veel in zwang is,quot; lichtte Vogels toe. „Zjj, die bij de heerschende warmte geen lust gevoelen om zich te corsetteeren, te toiletteeren, te decolletteeren, laten inspannen en rijden, zooals gij ziet, zoo luchtig mogelijk gekleed, tot in de nabijheid van het gebouw, waar feest gevierd wordt, vatten daar post en luisteren naar de muziek, terwijl de oogen de duisternis doorboren en.... soms vele geheimpjes ontdekken, soms ook in menig geheimzinnig tafereel zelf een rol vervullen. Men noemt zoo iets „nontongquot; en er zijn er die, te Batavia nontongende, naar een dansreceptie bij den Gouverneur-deneraal of naar de opera of, zooals hier, naar een muziekuitvoering ia de sociëteit gaan.quot;
„Wat! ook naar de opera?quot; vroeg Montauban. „Daar zal de directeur toch veel tegen hebben.quot;
„Natuurlijk; maar daar is niets aan te doen. De Inlander zou het „nontongquot; onder de „adatquot; (gebruiken, gewoonten, waarvan niet mag afgeweken worden) sorteeren. Ja, in de opera zijn soms vele ledige plaatsen, terwijl het buiten krioelt van nontongers te voet en per rijtuig. En onder die nontongers bevinden zich soms familiën, b. v. van Raden van
SEMARANG. —
150
OXDEli STOOM.
Indië, van Directeuren van Algemeen Bestuur enz., altemaal menschen, die hun plaatsen in het gebouw zeer goed zouden kunnen betalen. Maar.... 's lands wijs, 's lands eer.quot;
„Het is en blijft toch een soort van oneerlijkheid, nietwaar?quot; vroeg Boisjolin.
„Dat zal niemand onzer tegenspreken,quot; antwoordde Visbergen. „Maar verandert er evenwel iets aan! Het is als in de zeden ingeweven.quot;
Des Zondags kwam de kapitein van de „Zeemeeuwquot; aan wal en maakte zijn opwachting bij zijn passagiers in het hotel.
„Dat vind ik aardig van u, kapitein Meerman,quot; betuigde Van Berkenstein. „Gij zijt heden onze gast.quot;
„Ik dank u voor die uitnoodiging en neem haar gaarne aan,quot; antwoordde de kapitein met zeemansrondheid. „Ik wenschte evenwel de heeren en natuurlijk ook de dames over een aangelegenheid, ons vertrek betreffende, te spreken.quot;
„En die is?quot; vroeg Montauban. „Alles is toch in orde aan boord?quot;
„All right!quot; stelde hem de kapitein gerust. Maar, er is afgesproken, dat wij morgenochtend vertrekken zouden. Nu is er gisteravond door den eersten machinist Wouters een klein gebrek aan de machine ontdekt, dat ik morgenochtend wenschte te laten herstellen, alvorens naar zee te gaan. Onder goedvinden van de heeren dient dus het vertrek tot morgenmiddag uitgesteld te worden.quot;
De reizigers raadpleegden elkander met den blik, waarop Van Berkenstein sprak:
„Daar is niets tegen; alleen wenschte ik te weten, hoe laat gij denkt te vertrekken en of wij nog vóór het vallen van den avond den uitstekenden punt van Japara te boven zullen komen. Heb ik niet gehoord, dat de meeste gezagvoerders dien hoek het liefst bij dag ronden?quot;
„Wat andere kapiteins het liefst doen, weet ik niet. Nooit heeft er eenig bezwaar bestaan om dien hoek te boven te komen en nu minder dan ooit, nu te Japara een licht ontstoken is, waarop des nachts onmisbare peiling kan genomen worden. Daarenboven, ik had den dames en heeren het volgende willen voorstellen. Ik zal zorgen, dat morgennamiddag bijtijds de sloepen van de „Zeemeeuwquot; bij de brug hier dichtbij gereed liggen. Wanneer gij nu zorgt omstreeks halfvijf af te steken, dan kunt gij, indien de oostenwind niet te sterk doorstaat, om vijf uren aan boord zijn. Ik zal, om daarin te gemoet te komen, de „Zeemeeuwquot; verhalen en haar een paar streken west van de riviermonding ten anker brengen. Staat dan de moussonwind door, dan kan de „Zeemeeuwquot; zeilende bereikt worden.quot;
„O, overheerlijk! zoo'n tochtje,quot; juichte Clotilde Visbergen, in de handen klappende.
„Zoodoende zijt gij zeker om vijf uren aan boord,quot; vervolgde kapitein Meerman, „mits gij bijtijds afvaart. Wij gaan dan dadelijk anker op en voor dat de zon ondergaat, liggen wij oost voor en zijn wij in den goeden koers.quot;
„Top, kapitein,quot; zei Van Berkenstein, „dat alles is dus afgesproken.quot;
SEJIARANG. — ONDEK STOOM.
Des namiddags gingen de reizigers gezamenlijk nog een rit door en om Semarang in een paar rijtuigen maken. Op voorstel van Visbergen reed men de stad door tot Karang Bidara, zooals haar Oostelijk uiteinde genoemd wordt, sloeg daar den weg naar Oengarang in en volgden dien tot de desa Djoemblang. Tot hier vormde een dubbele rij Assamboomen 1) met hun volle kruinen van lijn gebladerte een laan, die fraai had kunnen genoemd worden, wanneer de weg onder den invloed van het droge seizoen niet uitermate stofferig en de bladerendos niet met een vrij dikke grijze laag overdekt ware geweest. In die dagen snakte Semarang naar regen en menig oog richtte zich bij het dalen der zon verlangend naar het Zuiden, naar den Goenoeng Oengarang, om te zien of zich rondom diens toppen geen wolken begonnen te vormen. Achter die Tamarinde-rijen strekte zich aan weerszijden van den weg een schier eindelooze reeks van Chineesche en Inlandsche winkeltjes en werkplaatsen uit, onder welke laatsten de smeden, blikslagers, meubel- en karrenmakers ruimschoots vertegenwoordigd waren.
Bij Djoemblang, alwaar de eerste hoogten, de uitloopers van den Oengarang, zich begonnen voor te doen, werd de weg, die Zuidwaarts voerde, verlaten en Noordwestwaarts ingeslagen. Ook deze weg was door allerhande geboomte rijkelijk beschaduwd. Hij voerde te midden van uitgestrekte klappertuinen en langs Europeesche en Chineesche begraafplaatsen, door een veel minder bevolkte buurt, Randoe Sarie genaamd, naar den zoogenaamden Bodjongschen weg, alwaar Visbergen de rijtuigen halt deed houden en de aandacht van het reisgezelschap vestigde op het residentiehuis, dat zich met zijn twee verdiepingen en zijn zuilengalerijen schilderachtig voordeed aan het uiteinde van dien weg, die, door verscheidene rijen zware Kanarie-boomen overschaduwd, de prachtigste laan vormde, die te bedenken was. Achter de boomrijen verhieven zich, aan weerszijden van den weg, welke zeer breed en 2lli kilometer lang was, allerwegen fraaie villa's — waaronder de woning van den bevelhebber der 2de Militaire Afdeeling op Java wel de voornaamste en fraaiste was — die, allen door smaakvol aangelegde parken omgeven, aan die laan een bekoorlijk aanzien gaven. Daarbij was het Zondag en alzoo de geheele beau monde van Semarang op de been om op dien fraaien Bodjongschen weg de heerlijke avondkoelte te genieten. Allerwegen kruisten zich de prachtigste equipages of snelden ze elkander voorbij, de een bespannen met een paar deftige maar lompe Sidney-paarden, de andere met een paar vurige doch zoo fraai gebouwde Makassaren, of kleine Bimaneezen, die uit een kinderspeelgoeddoos ontvlucht schenen, en daartusschen de dampende, amechtige en afgejakkerde paarden der hum-rijtuigen, die op een sukkeldrafje met diep hangenden kop de voorbijijlende gelukkige rasgenooten met een fietsen blik poogden na te oogen.
Onze reizigers hadden een toer van ruim acht palen gemaakt; toch was de avond nog niet geheel gevallen, toen zij het hotel du Pavilion weer bereikt hadden. Daar
') Assamboom — Tamarindus iiulica.
SEMARANG. — ONDER STOOM.
vlak voor het hotel speelde de schutterij-muziek op den aloen aloen en lokte ze ons gezelschap tot een wandeling uit om zich van dien langen rit wat te vertreden. Het schouwspel op dat plein was daarenboven aantrekkelijk genoeg, want daar wandelde het overig gedeelte van het Semarangsche publiek en konden de heeren zich overtuigen van hetgeen zij des avonds te voren reeds bij het nontongen bevroed hadden, namelijk dat Semarang op een schare schoonen kon bogen, die menige plaats, zoowel in Europa als in Indië, haar benijden kon. De Fransche en Deensche heeren waren vol bewondering voor zooveel schoons en luchtten zich in de meest vurige en dichterlijke uitdrukkingen.
Zeer voldaan over hun namiddagrit en wandeling keerden onze toeristen in hun hotel terug.
Daags daarna, het kon omstreeks kwart over vieren geweest zijn, verliet ons reisgezelschap het hotel du Pavilion en wandelde naar de brug, alwaar de sloepen, die kapitein Meerman toegezegd had, gereed lagen. Het was niet ver, — slechts het militaire hospitaal voorbij, de brug over en vlak tegenover de Concordia: daar was de inschepingsplaats. Door de zorgen van Montauban en stuurman Schipperheyn, die mede aan wal was gekomen om de inscheping te beredderen, was de bagage in een dier vaartuigen geladen, zoodat onze reizigers de groote sloep te hunner beschikking hadden. De inscheping-was snel geschied, de twee vaartuigen zakten de Semarang-rivier — door de Javanen Kali Ngorong genoemd — af. Wel was het nog warm op dat uur van den dag, maar stuurman Schipperheyn had voor een doelmatige zonnetent gezorgd, zoodat men de dagvorstin trotseeren kon.
„Poeahüquot; riep eensklaps Boisjolin, „wat een stank!quot;
„Je neemt ook alles met je grooten neus voor je rekening en gunt een ander niets,quot; antwoordde Louis Jaffrezic lachend.
Maar hij zweeg spoedig en deed wat de anderen en in de eerste plaats de dames met hun fijngevoelige neusjes reeds gedaan hadden: hij greep zijn zakdoek en verborg zijn reukorgaan daarin.
„Eoh! eoh!1quot; aldus maande stuurman Schipperheyn met klem de roeiers tot spoed aan: „dajong lakas! (komt, komt, snel roeien).
Met kracht sloegen zij met hun pagaaien in het smerige water en de booten snelden met spoed vooruit.. De rivier kronkelde er achter het Moorsche kamp en hoeveel minder vuil en hoe schilderachtig zich dat kwartier soms ook voor het oog voordeed, wanneer men door de straten en stegen wandelde, hier op de rivier, waarboven de bijgebouwen, die onmogelijk genoemd kunnen worden, gedeeltelijk opgetrokken waren en waarlangs alle vuilnis afgevoerd werd, konden onze reizigers een denkbeeld erlangen van de afzichtelijke onreinheid, waarin sommige Oostersche volkeren zich wentelen kunnen.
„Is deze rivier de eenige toegang van de zeezijde naar Semarang?quot; vroeg Montauban.
152
'
II
gt;v
— ONDER STOOM.
153
SEMARANG.
„Neen,quot; antwoordde Visbergen, „aan de Oostzijde van de stad heeft men een havenkanaal gegraven, dat vrij wel voldoet. Het heeft evenwel lang geduurd alvorens men daartoe is overgegaan. Wij zouden ook daar in de sloepen hebben kunnen stappen, maar dan had uw bagage een heel eind per „grobakquot; (kar) of per koelie moeten vervoerd worden. Wij zeiven, al hadden wij ook het traject per rijtuig afgelegd, zouden veel vroeger bij de hand hebben moeten zijn: reden waarom wij met kapitein Meerman overeenkwamen, den tocht langs de rivier te maken.quot;
„Merci en tout cas pour le parfum!quot; antwoordde Boisjolin lachende. „C'est presque de l'eau de la Haye 1).,,
Toen de reizigers het kantoor van in- en uitgaande rechten, waar zij, ter wille der gebruikelijke formaliteiten, een zeer klein oponthoud hadden, voorbij waren, werd geen enkele woning meer ontwaard. Het vlakke en modderige strand was met kreupelgewas overdekt, grootendeels uit Rhisophoren bestaande, welker stammetjes, op hooge luchtwortels gedragen, zich als op stelten schenen te verheffen. Hier en daar werd het oog tusschen die struiken enkele groepen Nipah's gewaar, die hun langbladerige palmtakken hoog boven het kreupelhout uitstaken.
Toen de sloepen buitenkwamen, woei er nog een lichte bries, als de wegstervende adem van den stijven noordoostenwind, welke overdag doorgestaan had. Ware de reede van Semarang niet door den hoek van Japara gedekt geweest, dan zouden voorzeker zware brandinggolven het strand gebeukt en de vaart onzer sloepen gevaarlijk gemaakt hebben; nu werden de vaartuigen, terwijl zij onder den zwakken druk hunner zeiltjes lichtelijk bakboord overhelden, zachtkens door de aanrollende deining gewiegeld. Kapitein Meerman had woord gehouden. Hij had de „Zeemeeuwquot; laten verhalen en deze lag nu vlak tegenover Oedjoeng Karang Anjer, dus ongeveer N. t. W., in vier vademen water, zooals stuurman Schipperheyn mededeelde, ten anker. Bevallig lag het scheepje voor zijn ketting te dobberen. De ebstroom, die in dit jaargetijde om de Oost was, trachtte het achterschip oostwaarts te wenden, maar daartegen verzette zich de oosterbries, die het achterschip weer westwaarts drong. Onze reizigers bewonderden het lieve vaartuig, dat zich daar bevallig en fijn van lijnen en omtrek voor het oog vertoonde. Aan den top van den grooten mast woei een vlag met de letters N. I. S. M. en aan den voormast een andere, waarop de letters T. J. Q. R. prijkten. Aan de gaffel wapperde Neêrlands driekleur in sierlijke plooien.
„Wat beteekenen die letters op die vlaggen?quot; vroeg Boisjolin aan stuurman Schipperheyn.
„Aan den grooten mast waait de Maatschappij-vlag en beteekenen de letters
') De lezer moet in herinnering houden, dat dit in 1884 gezegd was. Do jolige Pranschman zou in het laatst van 1888 van geen Eau de la Haye meer gesproken hebben. Daarentegen in den zomer van 1889 wol weer.
20**
154 SEMAEANÖ. — ONDEK STOOM.
N. I. S. M. ^ederlandsch-Iudische Stoomvaart-Maatschappij. Aan den achtermast waait de seinvlag, die volgens het internationale seinboek voor alle zeevarende natiën den naam van het schip aangeeft.1'
Bij de kalme zee en den gunstigen wind was de oversteek met de sloepen naar het stoomscheepje spoedig volbracht en de overscheping van reizigers en bagage al heel snel bewerkstelligd. Gedurende die overscheping reeds weerklonk het geklikklak der spil-pallen hij het ankerwinden. Nog een paar minuten en het anker was bij den boeg op zijn plaats bevestigd en toen de sloepen in haar davids geheschen waren, commandeerde kapitein Meerman, die op de brug stond;
„quot;Voorwaarts, halve kracht!quot;
„De „Zeemeeuwquot; schoot vooruit, zwaaide bevallig onder den druk van het roer en beschreef een boog, totdat zij zuiver Noord voor lag. Toen klonk het bevel:
„Tolle kracht!quot;
Kapitein Meerman keek in dat oogenblik op zijn horloge en riep Van Berkenstein toe:
„Vier minuten voor vijven; net zooals ik gezegd heb.quot;
Tan Berkenstein knikte bevestigend.
Onze reizigers stonden op het achterdek en keken naar den Goenoeng Oenarang, die zich daar in het z;uiden op den achtergrond statig verhief. De zon, die zich in de Kreeft bevond en een noorder-declinatie aantoonde van 23° 25, wierp in dat uur haar stralen schuin op de noordwestelijke hellingen van den berg en bescheen wonderbaarlijk fraai de lengteribben en kloven, die zich onder die verlichting uiterst scherp begrensd en met haar slagschaduwen voor het bloote oog zichtbaar, vertoonden. Aan den voet van den berg ontwikkelde zich een fraai landschap, dat zich met de bevallige desa's, op de zachte liellingen verspreid, in haar klapper- en andere vruchtboomboschjes verscholen, tot aan den zee-oever uitspreidde.
„Wat zijn die witte stippen daar?quot; vroeg Montauban aan stuurman Barendt, die dicht bij hem stond.
„Wel, mijnheer, dat zijn de huizen der stad,quot; antwoordde de zeeman, verwonderd dat hem die vraag gedaan werd; want de „Zeemeeuwquot; was nog zóó dicht onder den wal, dat de witte huizen van Semarang met hun roode daken nog duidelijk herken-baar waren.
„Neen, stuurman, niet die huizen, welke ik wel onderscheiden kan, maar die groep witte stippen, welke zich daar op de eerste helling van den achtergrond, aan den voet van den berg, boven dat klapperbosch vertoonen.quot;
„0! meent u die? Dat zijn de graven van Randoe Sarie. Zoo noemen wij ze altijd. Zij strekken ons, zeelieden, tot peiling om op Semarangs reede te komen. Op de meeste zeekaarten komen zij dan ook voor. Zooals mij verteld is, moet dat daar ;een familiekerkhof zijn, hetwelk achter Bodjong gelegen is.quot;
SEMAKANÖ. — ONDER STOOM.
„Weet gij ook van welke familie?quot;
„Neen, mijnheer Van Berkenstein; wij, zeelieden, breken ons met zoo iets weinig het hoofd.quot;
„Het is een schoon gezicht, dat men op dat landschap met dien majestueusen berg daar, op den achtergrond, geniet.quot;
„Schoon?.... ik heb er niets tegen,quot; sprak de stuurman. „Maar ik begon knapjes genoeg van dat gezicht te krijgen.quot;
„Hoezoo dat?quot;
„Bedenk dan toch, mijnheer Van Berkenstein, dat de „Zeemeeuwquot; bijna een volle maand hier op de reede van Semarang ligt. Steeds datzelfde gezicht voor oogen! Drommels, ik geloof dat niet alleen een zeeman, maar ook de meest beweginglooze landkrab daar beu van zou worden.quot;
„Dus zijt gij blij dat wij onder stoom zijn?quot;
„Of ik!quot; was de gulle uitroep van den zeeman.
De „Zeemeeuwquot; repte zich. Onverpoosd sloegen haar schroefbladen het water onder het achterschip tot schuim. Langzaam week het land terug. De voorwerpen aan het strand begonnen zich minder duidelijk voor te doen. Huizen, boomen, heuvels, alles vertoonde zich al kleiner en kleiner en met minder scherpe omtrekken. Eindelijk loste zich alles onder den invloed ën van den steeds vermeerderenden afstand ën van de stralen dei-dalende zon in een goudgroenen band op, die den berg omgaf; terwijl ook deze zich langzamerhand scheen te verwijderen, zijn omtrekken onbestemder werden, de hoofdmassa eerst een donkerblauwe tint aannam, welke al lichter en lichter werd en zich eindelijk als een nevelwolk in het azuur des hemels onmerkbaar oploste. Middelerwijl was de zon den westelijken gezichteinder genaderd. Onze reizigers stonden op het achterdek en staarden het verheven schouwspel, dat een zonsondergang vooral op zee altijd aanbiedt, in de meest plechtige stilte aan. De lucht was helder en doorschijnend, donkerblauw in het Oosten, schitterend verguld in het Westen. De zonneschijf had een roodgouden tint aangenomen en overgoot alles met haar purpergloed, het vaartuig zoowel als de golfjes, die er om dansten. Het schip scheen van goud, de masten schenen van goud; de zwarte rook, welke door den schoorsteen uitgebraakt werd, was omzoomd met een gulden rand; de golfjes, die den scheepsromp kwamen lekken, schenen gesmolten goud en klaterden in gulden droppels en in gulden schuim, wanneer zij in hun dartelheid tegen dien romp braken en opsprongen. Intusschen scheen de zon loodrecht op de watervlakte neer te dalen. Dat was daar in 't Westen geen goud, geen purper meer; de zee stond daar in volle vuur en de weerkaatsing van dien vuurgloed trok een streep over de beweeglijke spiegeloppervlakte van den horizon tot aan het schip. De zonnerand raakte het water — dompelde eerst een klein segment daaronder, daalde nog meer. Een derde, de helft van deze prachtvolle schijf was reeds verdwenen. Zij dook nog meer.... nog meer.... Eindelijk was nog maar een onbeduidend
SEMABANG. —
156
ONDEK STOOM.
segment van deu bovenboog te ontwaren; dat segment verkleinde, verkleinde nog meer. Van dat segment bleef nog maar een fijn boogje over. Dat boogje smolt ook in het water weg, het was nog maar een sikkeltje.... een boogvormig lijntje.... eindelijk een punt, een vurige punt en .... toen niets meer. In hetzelfde oogenblik weerklonk de scheepsklok; vier slagen lieten zich hooren. En alsof kapitein Meerman op dat signaal gewacht had, nauwelijks was de metaalklank over de watervlakte weggestorven, of hij sprak eenige woorden tegen den roerganger, die bij hem op de brug stond. Deze noopte het stuurrad, dat hij in de hand had, een halve omwenteling te maken, waardoor de „Zeemeeuwquot; oploefde, totdat haar boeg zuiver naar het Oosten gewend lag. Die koers werd gehouden totdat het licht van Japara Zuid-ten-Westen bespeurd werd; toen werd Oost-ten-Zuiden voorgelegd.
Een dansreceptie bij dei Majoor-Chinees.
Het was ongeveer twee uren des namiddags van den volgenden dag, toen de „Zeemeeuwquot; ter hoogte van het lichtschip aankwam, dat als baken voor het Westgat van Soerabaia overdag een zwarten bol op den top van den raast en des nachts een wit staand licht vertoont. In de verte zwalkte een kotter. Op een sein, van boord gegeven, kwam deze nader en weldra was de loods, een kleurling, aan boord, die het schip op de reede van Soerabaia zou brengen.et was ongeveer twee uren des namiddags van den volgenden dag, toen de „Zeemeeuwquot; ter hoogte van het lichtschip aankwam, dat als baken voor het Westgat van Soerabaia overdag een zwarten bol op den top van den raast en des nachts een wit staand licht vertoont. In de verte zwalkte een kotter. Op een sein, van boord gegeven, kwam deze nader en weldra was de loods, een kleurling, aan boord, die het schip op de reede van Soerabaia zou brengen.
In een paar uur stevende de „Zeemeeuwquot; het fort Erfprins voorbij, dat eertijds tot verdediging van de toegangen tot de reede van Soerabaia met veel kosten aangelegd was, later tot gevangenis gebezigd en eindelijk geheel verlaten werd; vervolgens het plaatsje Grissee, dat zich schilderachtig aan de zeeëngte gelegen voordeed, en kwam ons vaartuig zoo omstreeks te vier uren op de reede van Soerabaia aan, waar ten anker gegaan werd.
In een oogwenk was de kleine „Zeemeeuwquot; door een vrij groot aantal „tambangansquot; (inl. sloepjes) belegerd, welker opvarenden de dolste kreten en geluiden voortbrachten om de aandacht der passagiers tot zich te trekken en hen te overreden van hun vaartuigen gebruik te maken, om naar den wal gebracht te worden. Vogels, meer gewoon met dat volkje om te gaan, zocht een viertal tambangans uit, maakte prijs met haar djoeroemoedi's (stuurlieden), waarna begonnen werd de bagage alvast in een der vaartuigen over te laden. Een halfuur later namen de reizigers andermaal afscheid van kapitein Meerman en zijn equipage en gaven ze hem tot punt van samenkomst de baai van Patjitan, aan Java's Zuidkust gelegen, op. De tambangans staken van boord en stevenden de Kalimaas, de rivier van Soerabaia, in. Aan het tolkantoor, waar het oponthoud onbeduidend was, stapten onze reizigers in een drietal plaatselijke rijtuigen, welke daar gereed stonden, en weldra bevonden ze zich in het Soerabaia-hotel, alwaar zij hun intrek namen.
EEX DANSKECEPTIE BIJ DEN MAJOOR-CHINEES.
Het was dien avond te laat geworden, om nog uit te gaan, zoodat men, na het diner, den avond, gezellig onder de voorgalerij van het hotel gezeten, sleet. Alleen Vogels was de stad ingetrokken om, zooals hij dat noemde, poolshoogte te nemen.
De stad ingetrokken? Hij had zich eenvoudig in de onmiddellijke nabijheid met een veerschuit de Kalimaas laten overzetten, was een gangetje doorgegaan en terechtgekomen in het militair kampement, dat bij de citadel Prins Hendrik gelegen is. Hij had daar eenige krijgsmakkers opgezocht en .... kwam met gewichtige tijdingen te huis.
„Dat's bij mijn ziel een buitenkansje,quot; sprak hij den volgenden ochtend bij het ontbijt tot zijn tochtgenooten. „Gijlieden zijt op uw omzwervingen niet ongelukkig. Eerst een uitbarsting van den Merapi, een rampokpartij en een senènnan te Solo. Er zijn veel Europeanen, die twintig jaren op Java waren en dat niet gezien hebben, en nu eindelijk ...
De Sienjo hield halt, om de verwachting te spannen.
„Welnu, en eindelijk?...quot; vroeg Montauban, met echt Fransch ongeduld.
Vogels draalde nog met zijn antwoord.
„Welnu, mijnheer Vogels,quot; sprak mevrouw Jaffrezic, „maak een einde aan ons ongeduld.quot;
„Zijn de dames zoo ongeduldig? Zij vooral zullen met mijn nieuws hoogelijk ingenomen zijn.quot;
„Voor den drommel, vooruit met dat nieuws!quot; riep Ollerupp. „Stel ons aller ongeduld niet langer op de proef.quot;
„Welnu, de majoor der Chineezen The Boen Ke geeft hedenavond een luisterrijke dansreceptie, en als een oud bekende van dien majoor heb ik hem gisteravond nog een bezoek gebracht, hem medegedeeld dat een gezelschap toeristen, waaronder Nederlanders, Denen en Franschen, onder mijn geleide Java bezoekt. Ik heb bij het gesprek laten invloeien dat eenigen uwer van plan waren China te bezoeken. In het kort: ik heb een invitatie voor u allen om het feest bij te wonen.quot;
Een uitroep van tevredenheid was de belooning, welke Vogels voor zijn bemoeiingen ontving.
„Hoe moeten wij getoiletteerd zijn?quot; vroeg mevrouw Van Berkenstein.
„0! mevrouw, la toilette de bal est de rigueur. De heeren gerokt en met gestukadoorde halzen. Wij, officieren, in gala-tenue. Gij zult eens zien, hoe deftig het er zal wezen.quot;
„Deftig! dan zal het er vrij stijf en vervelend zijn,quot; zei Clotilde Visbergen, terwijl zij, met een zweem van kleinachting, het lieve neusje optrok.
„Daarin vergist gij u. De partijen bij de Chineesche hoofden te Soerabaia munten steeds uit door gepaste ongedwongenheid en vroolijkheid.quot;
„Gij spreekt daar van hoofden? vroeg Montauban, die alweer zijn calepin in de hand had. „Zijn er dan meer hoofdenquot; dan de genoemde majoor?quot;
158
159
„Te drommel ja,quot; antwoordde Vogels. „Hier te Soerabaia hebt gij de geheele subalterne militaire hiërarchie. Gij hebt er een majoor, een kapitein, vier kapiteins-titulair en vijf luitenants der Chineezen. Te Batavia, te Semarang en op andere plaatsen, waar veel Chineezen wonen, bestaat nagenoeg een gelijke indeeling.quot;
„Het is toch wel wat dwaas, dien Chineezen militaire rangen te geven,quot; meende Montauban, „Dragen zy ook de uniform van hun rang?quot;
„Die rangen,quot; hernam Vogels, „zijn niets als lekkermakerij. Die luitjes moesten een voor ons Europeanen gemakkelijk uit te spreken titel hebben. Welnu, men vond het het eenvoudigst, hen majoor, kapitein en luitenant te noemen.quot;
Het ontbijt was afgeloopen. De dames hadden de hoofden bij elkander gestoken en fluisterend een conferentie gehouden.
„Mijnheer Vogels,quot; sprak Mevrouw Jaffrezic eindelijk op vleienden toon, „wij, dames, hebben een beroep op uw hulpvaardigheid te doen.quot;
„Geheel tot uw dienst,quot; antwoordde de galante Sienjo.
„Ziet u, voor de partij van hedenavond hebben wij eenige toiletbenoodigdheden aan te schaffen. Een lintje, een strikje, een bloempje, in één woord ....quot;
„0! dat de dames zich zoo lieftallig mogelijk willen voordoen, is zeer natuurlijk. Maar.... zijn die bloempjes, die strikjes en lintjes nog wel noodig, om ....quot;
„Juist, Jolande! Mijnheer Vogels heeft gelijk,quot; viel Henri Jaffrezic den Sienjo in de rede. „Met gezichtjes als die onzer dames is opschik eigenlijk....quot;
„Overbodig, wilt gij zeggen, nietwaar mijn heer en echtgenoot?... Maar iaat mij u zeggen: daar hebben de heeren geen verstand van. Mijnheer Vogels....quot;
„Mevrouw!quot;
„Gij zijt te Soerabaia bekend, nietwaar?quot;
„Voorzeker, mevrouw!quot;
„Wel, dan verzoeken wij u ons tot geleide te strekken. Wij zijn hier geheel vreemd. Wij hebben eenige emplettes te maken. Gij moet ons naar de best voorziene magazijnen van dames-artikelen brengen.quot;
„Naar den artillerie-constructie-winkel,quot; lachte Visbergen.
„Kom, maak nu geen gekheid,quot; antwoordde Vogels. „Ik zal de dames brengen in de toko's van Mauritz Martens, van Karthaus en Leuring, van mevrouw Riemens, van mevrouw Butteweg, van ..,
„Hou op!quot; riep Visbergen. „Niet in alle toko's tegelijk! De wissel, die op de heeren echtgenooten getrokken zal worden, zal groot genoeg zijn.quot;
„Hoort die echtgenooten eens brullen!quot; zei Vogels lachende. „Maar, dames, ik ga dadelijk een rijtuig bestellen, dan kunnen wij onmiddellijk er op uitgaan.quot;
En weg was hij. De heeren spraken af dat zij hun correspondentie zouden voeren. Zij hadden juist vernomen, dat de mail heden sloot. Daarna zouden zij, onder geleide van
KEN DANSKECEPTIE BIJ DEN MAJOOR-CHINEES.
Yisbergen, een bezoek aan de Sociëteit Concordia brengen, oin daar de couranten en tijdschriften in te zien. Be dames waren weldra niet Vogels op weg en de heeren in hun schrijverij verdiept.
Aan de rijsttafel waren allen weer bij elkander. De dames waren tevreden over hun inkoopen, — zij hadden niet durven hopen, zoo beweerden zij, zulke fraaie magazijnen te Soerabaia aan te treffen; — de heeren waren voldaan over hetgeen zij gehoord en gelezen hadden in de sociëteit. Zij roemden daarenboven die inrichting zeer en verklaarden haar een van de smaakvolste sociëteitsgebouwen, die zij nog gezien hadden.
Aan een „siëstaquot; dachten de dames natuurlijk niet. Daartoe hadden zij veel te veel te doen. Tulle en kant gleden haar door de nijvere vingertjes en dat hield hen gedurende den geheelen namiddag bezig. Maar, toen zij dan ook des avonds te voorschijn traden, om in de rijtuigen te stappen, welke hen naar het feest zouden brengen, konden de respectieve echtgenooten een kreet van bewondering niet onderdrukken, bij het zien van zooveel bevalligs en zooveel schoons. Zou de getrokken wissel, waarvan Visbergen gesproken had, ook al tegenvallen, nu de gemaakte onkosten gediend hadden om zooveel bekoorlijks te omhullen, was van pruttelen geen zweem meer te ontdekken.
De afstand van het Soerabaia-hotel tot aan de woning van den feestvierende in het Chineesche kamp was in zeer korten tijd afgelegd. Toen de rijtuigen de straat insloegen, waarin die woning gelegen was, blonk onzen toeristen een schitterende illuminatie tegen, die zoowel voor den gevel van het woonhuis als o^er de geheele breedte van de straat, waarover sierlijke bogen met haar archivolten spanden, aangebracht was. Een dichte menigte verdrong zich in de nabijheid van die verlichting; maar zij was zóó bescheiden, dat de weinige politie-agenten, die aanwezig waren, geen moeite hadden om de orde te bewaren en om aan de vele rijtuigen, welke van alle kanten kwamen aansnellen, vrij baan te bezorgen.
Zoodra de rijtuigen voor de deur stilhielden en de portieren geopend waren, traden eenige jonge Chineezen, in nationaal kostuum gekleed, nader, boden den dames eerst de met wit glacé geganteerde hand, om haar bij het uitstijgen behulpzaam te zijn, daarna den arm om hen naar binnen te geleiden. De toegang voerde door een tuin, welke zeer smaakvol aangelegd was en als voorhof diende van de feestzaal.
„Mevrouw,quot; sprak een der jeugdige Chineesche cavaliers tot mevrouw Van Berken-stein, in onberispelijk Maleisch, dat Fransch van Azië, „mag ik mij aan u voorstellen? Ik ben The Boen Hie, de oudste zoon des huizes; ik geloof de eer te hebben, mevrouw....quot;
„Van Berkenstein,quot; hielp de dame glimlachend.
„Juist, mevrouw Van Berkenstein te geleiden?quot;
Zij traden in dat oogenblik de zaal binnen.
,.Ik zal u aan mijn ouders en zusters voorstellen,quot; zei The Boen Hie.
160
161
Dezelfde plichtpleging vervulden The Boen King, de tweede zoon, en The Twan Lok, de neef van den heer des huizes, ten opzichte van de dames Jaffrezic en Visbergen.
„Een weinig plaats voor de dames,quot; fluisterde The Boen Hie met zachte stem tot de groepen genoodigden, die den toegang wel ietwat versperden.
Bij den majoor The Boen Ke gekomen, die zich met zijn echtgenoote aan het boveneinde van het vertrek ophield, had de voorstelling vormelijk plaats. De majoor en zijn vrouw, ook beiden in nationaal kostuum gekleed, de majoor met de gouden medaille van verdiensten, hem door den Koning der Nederlanden geschonken, op de borst, reikten de dames een hand en stelden hen aan hun drie dochters en aan een aantal vriendinnetjes van dezen voor, die zich in hun nabijheid bevonden. Die lieve bevallige bloemen van het Oosten begonnen dadelijk een gesprek met de nieuw aangekomenen, waarbij Clotilde Visbergen met haar bedrevenheid in het Maleisch als tolk uitnemend te stade kwam.
Inmiddels traden ook de heeren van ons reisgezelschap naderbij en werden door Vogels aan de ouders en door The Boen Hie aan zijn zusters voorgesteld. Boisjolin, een kenner, uitte bijna een kreet van bewondering, toen hij die lieve wezentjes aanschouwde.
„Bigrrre!quot; mompelde hij tusschen de tanden, „mais ce sont les Parisiennes de TAsie.quot;
En werkelijk, een lieflijker, bekoorlijker en bevalliger verschijning dan deze drie zusters in haar Chineesche kostumes waren, was wel niet te bedenken. Hij stond daar nog in een bewonderenden aanblik, die trouwens door al de heeren van het gezelschap gedeeld werd, verzonken, toen eensklaps de muziek buiten het Wilhelmus liet hooren. Het was de Kesident van Soerabaia, die binnenkwam, en als vertegenwoordiger van Neêrlands Koning aldus ontvangen werd. Een poos nadat die hoofdambtenaar zijn compliment aan de vrouwen aan den heer des huizes gebracht had, klonk de Polonaise. De Resident bood zijn arm aan de echtgenoote van den gastheer. Vogels gaf Montauban en Boisjolin een teeken, naderde met hen de Chineesche dames en vertolkte den wensch der beide Pranschen, om die Polonaise met haar te mogen wandelen. Met een glimlach stonden de lieve schoonen op, namen den aangeboden arm en verdwenen in het gewemel.
„Zij walsen en polkeeren als de gratiën in persoon,quot; had Vogels den beiden Pranschen nog in het oor gefluisterd.
Ook de andere heeren, het succes hunner reisgenooten ziende, waren genaderd en hadden aan de overige Chineesche dames den arm geboden, welke met een bevallige nijging was aangenomen. De Chineesche heeren lieten zich ook niet onbetuigd, maar boden heel galant den arm, de majoor-Chinees aan de Residents-vrouw, The Boen Hie aan mevrouw Van Berkenstein, The Boen King aan mevrouw Jaffrezic en The Twan Lok aan mevrouw Visbergen. Ja, toen na de Polonaise, Tinvitation a la valse weerklonk, sloegen onze gestaarte natuurgenooten van het Hemelsche rijk den arm om de leest der Europeesche schoonen en gaven, evenals hun lieve zusjes, bewijzen, dat de grondige beoefening der danskunst een deel hunner opvoeding had uitgemaakt.
EEN DANSRECEPTIE BIJ DEN M.UOOE-CHINEES.
„Mais ces Chinoises dansent comme des déesses,quot; betuigde Boisjolin, toen hij zijn danseuse naar haar plaats gebracht had.
„En zij babbelen over alles mee,quot; betuigde Visbergen, „dat het een pret is, om een gesprek met haar te voeren.quot;
„Voor u wel mogelijk,quot; antwoordde Montanban, „maar wij, die geen Maleisch verstaan, wij hebben ons met de taal der gebaren en der oogen moeten vergenoegen.quot;
„Met het weinige Maleisch, dat ik machtig ben, ben ik nogal terechtgekomen en ik onderschrijf het oordeel van Visbergen: die Chineesche dames converseeren geheel ongedwongen,quot; betuigde Van Berkenstein.
„Maar wat lieve kleeding voor een bal,quot; zei Boisjolin glimlachende. „Die zijden kabaai plooit onvoelbaar onder den druk van uw arm, uw hand omklemt een slanke, buigzame leest, die, door geen keurs ompantserd, de zachte lichaamswarmte aan die hand mededeelt. Voegt daar nu bij die allerliefste, fijn besneden gezichtjes, met die matte teint, die fraaie, amandelvormige oogen, zoo vol smachtende uitdrukking, dien ravenzwarten haardos, nu zoo echt a la Chinoise opgebonden, de cadence van den dans en het wegsleepende der muziek, oef! dan zult gijlieden begrijpen, dat ik.... blij was, dat de dans was afgeloopen.quot;
„St!..waarschuwde H. Jaffrezie, „daar naderen onze dames.quot;
„Hoe vindt gij de decoratie van de zaal?quot; vroeg Vogels aan Van Berkenstein, als overgang in het gesprek.
„Zeer vreemd, maar toch fraai,quot; antwoordde deze. „De verlichting met die lantaarns....quot;
„Met die „lollengsquot;,quot; verbeterde Vogels. „Hier in Indië worden alle Chineesche lantaarns lollengs genoemd.quot;
„Die verlichting met die lollengs dan, hetzij van glas, hetzij van gekleurd papier, is van een lief effect. En die zwaar vergulde, uitgesneden pilaren, architraven en korbeelen komen dat effect nog verhoogen, terwijl die rosé banderollen, welke overal langs de wanden aangebracht zijn en als draperieën van het snijwerk der balken afhangen en waarop die vergulde of zwarte letters als hieroglyphen prijken, het feestelijk aanzien machtig vermeerderen. Het is eigenaardig dat die banderollen slechts rooskleurig zijn. Mij dunkt dat een doelmatige schakeering van kleuren het aangename voor het oog vermeerderd zon hebben.quot;
„Het rosé is de feestkleur bij uitnemendheid. Die kleur brengt geluk aan. Zij stelt, volgens het begrip der Chineezen, de kleur der perzikbloesems voor en de perzikboom wordt in China geacht de kwade geesten en de nadeelige invloeden, die deze meebrengen, te verjagen.quot;
„Wat beduiden die opschriften op die banderollen? Kunt gij ze lezen?quot;
„Neen, het Chineesche letterschrift is Chineesch voor mij, zoowel in de overdrach-
162
EEN ÜANSIiECEl'TlE BIJ HEN MAJOOR-CHINEES.
telijke als in de letterlijke beteekenis van het woord. Toch weet ik wel iets er van, wat die opschriften beteekenen. Zij worden over het algemeen „müng lijênquot; geheeten. Kijk, de vier karakters op die groote breede banderol, die daar in het midden hangt, beteekenen, althans zoo is mij wel eens uitgelegd: mogen de vijf zegeningen nederdalen over deze woning!quot;
„Wat verstaat de Chinees onder de vijf zegeningen1?quot;
„Een lang leven, rijkdom, vrede en rust, liefde voor de deugd, en een goed einde, dat het leven kroont.quot;
„En wat staat daar op gindsche banderol met dikke vergulde letters?quot;
„Die vier letters beteekenen: Mogen de gasten als wolken komen!quot;
„Zeer aardig.quot;
„De letters op de lollengs hebben dergelijke beteekenis. Het opschrift aan de eene zijde beteekent: hemellantaam; dat op de andere is in den regel een zegenvvensch of zegenbede, als: moge het geheele gezin vrede en rust genieten of: wij smeeken u om geluk en voorspoed.quot;
Van Berkenstein kon niet anders dan voldaan over de uitlegging zijn. Het feest had inmiddels zijn voortgang en het was eerst nadat het middemachtsuur geslagen had, dat de resident het sein tot den aftocht gaf.
Ons reisgezelschap bracht zijn innigen dank aan de feestgevers en het duurde niet lang of allen waren in hun hotel teruggekeerd. Maar niemand gevoelde nog behoefte om te rusten. Men had zooveel gezien, zooveel genoten, hetwelk men elkander mededeelen wilde, dat besloten werd nog een half uurtje in de voorgalerij plaats te nemen, om het hart lucht te geven. Nu werden de tooneelen van het feest en de voorvallen van den avond in oogenschouw genomen, en kregen de lieftalligheid der Chineezinnetjes, het decorum van gastheer en gastvrouw, de pracht der verlichting, de sierlijkheid dei-decoraties, de uitnemendheid der muziek, de fijnheid en heerlijkheid der voorgediende gerechten en dranken achtereenvolgens een beurt en was er maar één roep over: dat men zich zoo goed geamuseerd had.quot;
„Hebt gij het lantaarnfeest der Chineezen te Batavia gezienquot;?quot; vroeg Vogels aan Montauban in den loop van het gesprek.
„Ja, ik heb er zoo een gezien,quot; sprak Van Berkenstein.
„Maar ik nog niet. Een lantaarnfeest'? Wat is dat voor een feest1?quot; vroeg Montauban.
„Op den eersten avond van Vollemaan in het nieuwe jaar wordt een feest gevierd, dat de Chineezen in China Siong G-oan en op Java Tjap Gow Mêh noemen. Het is aan den Thijen Koan of aan den Geest, die de hemelkracht bestiert, gewijd. Binnenshuis worden wierook, zoete koekjes en geconfijte vruchten aan den bedoelden geest op de offertafel voorgezet. Hetzelfde heeft ook plaats, maar op grootere schaal, in de tempels. Zoodra
164: EEN DANSEECEPTIE BIJ DEN CHINEES-MAJOOB.
de avond gevallen is, wordt allerwegen een groot aantal lollengs van gekleurd papier ontstoken, die de meest gedrochtelijke vormen hebben en meestal tijgers, slangen, krokodillen enz. voorstellen. Dan heeft de Chineesche wijk onder die illuminatie een zeldzaam eigenaardig voorkomen. Zoodra de Vollemaan genoegzaam gerezen is, om boven de huizen tusschen de hoornen zichtbaar te worden, dan vormen zich bij de verschillende familiën, die gewoonlijk in één huurt wonen, optochten, die dan in andere buurten bezoeken gaan afleggen. Zoo'n optocht wordt gewoonlijk voorafgegaan door een paar Chineezen, die lantaarns op rood geschilderde stokken torsen; achter die twee lantaarndragers komen twee andere zonen van het Hemelsche rijk, die zoo'n rozenroode banderol met een zegenwensch er op, ook aan roode stokken dragen. Daarachter volgen twee rijen Javanen, die fakkels zwaaien en waartusschen een gevaarte door een aantal Javaansche koelies getorst wordt, waarop nu eens een tuin verrijst, te midden waarvan een wonderfraaie bloem zich ontwikkelt, uit welker kelk zich een lief, aanvallig meisje in Chineesche kleederdracht verheft. Bij een anderen stoet staat op een rotsgevaarte een hert, op welks rug een Chinees overeindstaat en in de handen een rood geschilderden stok houdt. Een vogel, in de gedaante van een zwaan, schijnt bij te vliegen en bijt in dien stok, maar op den rug van dien vogel staat alweer een allerliefst meisje, keurig getooid, met den waaier in de hand. Eu zoo verschillen die optochten naar den smaak der familiën, die hen rangschikken. De figuren van volwassen menschen, dieren of tuinen en bloemen zijn meestal smaakvol van papier vervaardigd, de kinderen zijn evenwel steeds levende wezens en daartoe worden gewoonlijk zeer mooie, kleine Javaansche meisjes gehuurd. Iedere stoet wordt door een troep gongslagers gevolgd, die een leven als een oordeel maken. Zoo trekken die optochten het grootste gedeelte van den nacht rond en bezoeken ze voornamelijk de Chineesche kwartieren, die, vooral te Batavia, nogal uit elkander gelegen zijn. Bij die optochten sluiten zich gewoonlijk monsterachtig groote lollengs aan, die soms door zes of acht man gedragen worden, van binnen verlicht zijn en meestal vurige slangen, draken, wandelende oesterschelpen, prauwen enz., enz. voorstellen.quot;
„Zoo'n optocht moet nogal merkwaardig wezen,quot; merkte mevrouw Jaffrezic op; „ik wilde er zoo een wel te zien krijgen.quot;
„Heb ik niet hooren vertellen,quot; vroeg mevrouw Visbergen, „dat die kleine meisjes, die daar boven op die toestellen.... hoe heeten die ook?quot;
„Tjing Geh,quot; antwoordde Vogels.
„Die daar boven op die Tjing Geh staan, in hun onbeweeglijken stand soms van vermoeienis bezwijken?quot;
„Dat praatje heb ik ook wel gehoord, maar ik heb er nogal eens navraag naar gedaan, doch nooit is mij een onwraakbaar geval opgegeven geworden, of heb ik getuigen ontmoet, die mij pertinent verklaren konden, zoo iets zeiven gezien te hebben. Die meisjes worden in den regel met het geheele lichaam aan een verborgen ijzeren stang vastgebonden,
EEN DANSKECEPTIE BIJ PEN MAJOOK-CHINEKS. 165
zoodat zij daaraan een zekeren steun hebben. Ik geloof nu wel dat die wezentjes voorzeker zeer vermoeid zullen zijn na volbrachten optocht, maar dat zij ten gevolge daarvan zouden kunnen bezwijken, houd ik voor overdreven. Neen, een flinke, rustige nacht zal haar van die vermoeienis wel hersteld hebben.quot;
„Juist, zoo denk ik er ook over,quot; sprak Boisjolin geeuwende, „en daarom ga ik mijn kamer opzoeken. Bonsoir!quot;
Het viel niet te ontkennen: allen waren vermoeid, zoodat het gegeven voorbeeld onmiddellijk gevolgd werd.
Daags na het feest trokken onze toeristen uit om de stad Soerabaia in oogenschouw te nemen. Ja, zij bevonden dat Soerabaia met recht de industriëele, de fabrieksstad van Nederlandsch-Indië kon genoemd worden. Zij bezochten den Artillerie-constructiewinkel en de pyrotechnische werkplaats, die waardige mededingsters van de zusterinrichtingen te Delft, die gezamenlijk met elkander wedijveren om het Nederlandsch-Indische leger op het gebied van wapening en munitiën van het noodige te voorzien. Zij bezochten de Fabriek voor de Marine en het Stoomwezen, de ijzerfabrieken van verschillende particulieren, reden daarna de Roode brug over, het Moorsche kwartier door en bezichtigden het Marine-établissement en de scheepswerven aan den Oedjoeng met de daarbij gelegen Sociëteit Modderlust, de Citadel Prins Hendrik, op den rechteroever der Kalimaas gelegen, het laatste overblijfsel van de vestingwerken, welke nog slechts enkele jaren geleden Soerabaia omknelden en haar tot een vesting van den eersten rang maakten, maar te omvangrijk voor het kleine Indische leger waren en derhalve gesloopt werden. De toeristen namen een kijkje in den kampong Pengirian, ten oosten van de Citadel gelegen, waar zij de Inlandsche kopergieters in hun volle bedrijvigheid konden waarnemen, en keerden eindelijk door het Chineesche kamp terug, waarbij zij evenwel bij den Majoor der Chineezen The Boen Ke stilhielden, om dien nogmaals te bedanken voor de pret, hun den vorigen avond bereid. De goedhartige Chinees ontving hen minzaam, onderhield zich met hen, liet hen zijn geheele huis zien en bood zich eindelijk aan om hen door de Chineesche en de Moorsche kampen, die aan elkander paalden, te begeleiden.aags na het feest trokken onze toeristen uit om de stad Soerabaia in oogenschouw te nemen. Ja, zij bevonden dat Soerabaia met recht de industriëele, de fabrieksstad van Nederlandsch-Indië kon genoemd worden. Zij bezochten den Artillerie-constructiewinkel en de pyrotechnische werkplaats, die waardige mededingsters van de zusterinrichtingen te Delft, die gezamenlijk met elkander wedijveren om het Nederlandsch-Indische leger op het gebied van wapening en munitiën van het noodige te voorzien. Zij bezochten de Fabriek voor de Marine en het Stoomwezen, de ijzerfabrieken van verschillende particulieren, reden daarna de Roode brug over, het Moorsche kwartier door en bezichtigden het Marine-établissement en de scheepswerven aan den Oedjoeng met de daarbij gelegen Sociëteit Modderlust, de Citadel Prins Hendrik, op den rechteroever der Kalimaas gelegen, het laatste overblijfsel van de vestingwerken, welke nog slechts enkele jaren geleden Soerabaia omknelden en haar tot een vesting van den eersten rang maakten, maar te omvangrijk voor het kleine Indische leger waren en derhalve gesloopt werden. De toeristen namen een kijkje in den kampong Pengirian, ten oosten van de Citadel gelegen, waar zij de Inlandsche kopergieters in hun volle bedrijvigheid konden waarnemen, en keerden eindelijk door het Chineesche kamp terug, waarbij zij evenwel bij den Majoor der Chineezen The Boen Ke stilhielden, om dien nogmaals te bedanken voor de pret, hun den vorigen avond bereid. De goedhartige Chinees ontving hen minzaam, onderhield zich met hen, liet hen zijn geheele huis zien en bood zich eindelijk aan om hen door de Chineesche en de Moorsche kampen, die aan elkander paalden, te begeleiden.
„Het is wel een warme tocht op dit uur van den dag,quot; zeide hij, „maar ik geloof dat de njonja's (dames) en de toewan's (heeren) die warmte en de moeite niet betreuren zullen.quot;
SOERABAIA. — TOEBAN.
En werkelijk, hij bracht hen in een bont gewoel, waar, te midden van bijna al de natiën van Azië, als Maleiers, Klingaleezen, Arabieren, Perzen, Chineezen, Papoea's enz., ook Europeanen ontwaard werden. Het Chineesche hoofd bracht zijn gasten in en langs velerlei winkels; zij konden zich vergewissen, dat handel en nijverheid te Soerabaia hand aan hand gingen en goed beoefend werden. Hier stond naast een „warongquot; (draagbare gaarkeuken) een handelaar, die hoorn- en ivoor werken ventte. Daar zag men een „toekan kembangquot; (bloemenverkooper) met zijn krandjangs (manden), vol met geurige en smaakvol gerangschikte ruikers, naast een koopman in goud en zilverwerken; iets verder een handelaar in blik werk naast een uitventer van „aër krasquot;, dien ellendigen drank, uit den Sagueer-palm ') getrokken. Elders weer een „toekan ajamquot; (hoenderhandelaar) naast een kopersmidswinkel. Op den Passar, die hij de Roode brug aangetroffen werd, protesteerden de dames evenwel zóó ernstig vanwege de geuren, die gedroogde visch, trassie, doerian- en nangka-vruchten en andere kwalijk riekende koopwaren verspreidden, dat de heeren moesten toegeven, in weerwil, dat zij nog wel hun weetgierigheid verder hadden willen bevredigen. Zij bedankten dus den majoor The Boen Ke, stegen in hun rijtuigen en keerden naar het Soerabaia-hotel terug.
„Ouf! je suis en nage,quot; pruttelde mevrouw Jaffrezic, toen zij te huis was.
„Het valt niet te ontkennen, dat het heden zeer warm is,quot; zei Vogels, „maar wij zijn in Oost-Indië en daarvan moeten wij al de consequentiën weten te dragen.quot;
Des namiddags zaten de reizigers reeds te halfvijf in hun rijtuigen. Zij begonnen met een toer door de stad te maken. Daarna reden zij om de regents woning, de aloon aloon over, namen het station van den spoorweg naar Passaroean en Malang in oogen-schouw en reden verder naar Simpang, een voorstad van Soerabaia, welke op ongeveer twee palen daarvan verwijderd ligt, maar waarvan de weg derwaarts met villa's omzoomd is, wel niet zoo menigvuldig als op den Bodjongschen weg te Semarang, maar toch talrijk genoeg om den tocht naar Simpang tot een aangenamen wandelrit te maken. Bij het heengaan volgden de rijtuigen den weg langs de rivier, die, vol leven en vertier, bij hare veelvuldige kronkelingen, menig schilderachtig gezichtspunt aanbood. Bij den kampong Katapan vertoonde zij zich eensklaps ter dubbele breedte en had zij het voorkomen van een aanzienlijken stroom.
167
„Hier splitst de Kaliemaas 'zich in twee takken,quot; lichtte Visbergen toe, „waarvan de een, dien wij gevolgd hebben, dienzelfden naam blijft behouden en bij het tolkantoor zich in zee stort. Dat is die, welken wij bij aankomst te Soerabaia binnengekomen zijn. De andere heet Kalie Pengirian. Beide takken vormen een delta, waarop Soerabaia gedeeltelijk gebouwd is en welker noordelijk uiteinde door het Marine-établissement, dat wij hedenmorgen bezocht hebben, ingenomen wordt.quot;
') Sagueer-palm = Arenga Saccharifera.
SOERABAIA. — TOEBAN.
„Die rivier, zooals zij zich daar voordoet, moet een machtigen wateraanvoer hebben,quot; merkte Van Berkenstein op. „Een aanzienlijk bekken zal haar voorzeker schatplichtig zijn.quot;
„De Brantas — zoo heet deze rivier in haar hooger gedeelte — is na de Kalie Solo,quot; antwoordde Visbergen, „die wij nog wel te zien zullen krijgen, de grootste rivier van Java. Zij ontspringt in de assistent-residentie Modjokerto, op de zuidelijke hellingen van den berg Welirang, die 3150 M. of 10063 voeten hoog is. Zij stroomt eerst zuidwaarts door de residentie Passaroean en voorbij het plaatsje Malang, tot bij de desa Gempingan, waar zij een aanmerkelijken watertoevoer ontvangt uit de Kalie Lestie en dan van richting naar het Westen verandert. Zij stroomt nu door de residentie Kediri, langs de zuidelijke hellingen van den (loenoeng Boetak en den Groenoeng Kloet, verandert bij de desa Ngoenoet van richting en begint nu noordwaarts te stroomen, waarbij zij de hoofdplaats Kediri besproeit, tot bij de desa Kertosono, waar zij weer de assistent-residentie Modjokerto betreedt, tot desa Plosso in noordoostelijke richting vloeit en van daar zich oostwaarts wendt tot de desa Modjokerto, in welker nabijheid zij zich in twee takken splitst. De eerste, die eenigszins zuidoostwaarts stroomt, heet Kalie Porrong en stort zich in de Straat Madura in zee. De andere tak stroomt in noordoostelijke richting heen naar Soerabaia en stort zich onder den naam van Kaliemaas in den Trechter. De rivier beschrijft in haren loop bijna een cirkel.quot;
„Ik dank u voor die topographische beschrijving van deze rivier,quot; sprak Van Berkenstein.
De rijtuigen kwamen eindelijk op den eigenlijken Simpangschen weg uit. Zij reden het fraaie residentie-huis voorbij en onze reizigers bewonderden dat fraaie gebouw met zijn vele zuilen, die daaraan een sierlijk en luchtig voorkomen gaven. Zij wijdden ook een blik aan het Militaire Hospitaal, dat iets verderop lag, en prezen daarvan den aanleg en het nette voorkomen. De rijtoer werd verder tot bij de dësa Wonokromo voortgezet, die op ruim vijf palen van Soerabaia verwijderd ligt. Daar werd gewend en de terugtocht aangenomen.
Hoogst voldaan keerden onze toeristen in het hotel terug. Zij namen den volgenden dag rust, van welke gelegenheid Montauban, Nielsen en Vogels gebruik maakten, om een bezoek aan de „Zeemeeuwquot; op de reede te brengen en met kapitein Meerman de verdere afspraken te treffen. Men was namelijk overeengekomen, aangezien de afstand van Soerabaia naar Toeban — ruim 67 palen — wel wat vermoeiend voor de dames voorkwam en, behalve te Grissee, dat evenwel weer te dichtbij lag, er niet aan te denken viel om op een der tusschengelegen plaatsen voor zoo'n talrijk gezelschap behoorlijk onderkomen te erlangen, de reis naar dat plaatsje — Toeban wel te verstaan — per „Zeemeeuwquot; te volbrengen. Ten gevolge van de afspraak met kapitein Meerman kwamen de toeristen den volgenden morgen zoo omstreeks acht uren aan boord en werd het anker dadelijk gelicht.
Bevallig en licht gleed de „Zeemeeuwquot; over de watervlakte en repte ze zich vlug te midden der vloot van koopvaardijschepen, welke in den Trechter, die reede van Soerabaia,
168
— v ■
1
SOEKABAIA. — TOEKAN. 1 69
tusschen de beide oevers van den Java- en den Madura-wal, voor anker lagen. Het was een levendig schouwspel, hetwelk die zeeëngte daar bood. Hier gooide een vaderlandsche driemaster zijn zeilen los, om de reis naar Europa te ondernemen. Hij stevende zuidwaarts, om door Straat Madura en Straat Bali den Indischen Oceaan te bereiken. Daar maakten een paar kustvaarders dezelfde toebereidselen. Zij bewogen zich echter noordwaarts, om de Java-zee in te loopen. Overal roeiden of zeilden lichtere vaartuigen bij honderden in alle mogelijke richtingen en brachten een levendigheid teweeg, die het schilderachtige van het tooneel voltooide. Daar ginds koerste een stoomboot noordwaarts.
„0! dat is de „Amboinaquot;,quot; verzekerde stuurman Barend. „Dat is de mailboot van Banjermasin. Die zullen wij wel geklopt hebben, voor zij de Straat uit is.quot;
Maar, of stuurman Barend was niet op de hoogte van de vaart, dien de „Amboina'' ontwikkelen kon, öf hij vergiste zich in zijn berekening. Want bij het fort Erfprins gekomen, was de „Zeemeeuwquot; nog een paar kabellengten ten achteren en moest ze derhalve den strijd opgeven. Daar stuurde zij Noordwest, recht op Oedjoeng Pangkah aan, terwijl de „Amboinaquot; zuiver Noord bleef voorliggen. Beide schepen salueerden elkander bij het scheiden, door het driemaal op- en neerhalen hunner driekleur, en vervolgden hun koers.
Bij Oedjoeng Pangkah veranderde de „Zeemeeuwquot; haar richting in West-Noord-West tot bij Oedjoeng Pakis, den Noord-Oostelijksten uithoek van het eiland Java in de Java-zee, legde daarna zuiver West voor en was ongeveer te drie uren 's namiddags op de reede van Toeban. Vogels spoedde zich naar die plaats om „kwartier te makenquot;, zooals hij dat noemde, maar keerde met het bericht terug, dat er niet aan te denken viel om den nacht aan wal door te brengen. Men was bezig de woning van den assistent-resident belangrijke reparatiën te doen ondergaan, zoodat die ambtenaar met zijn gezin een onderkomen bij een zijner bekenden had moeten zoeken. Hij betreurde het, dat hij het gezelschap niet kon logeeren. Hij zou evenwel alles aanwenden, wat in zijn vermogen was, om den reizigers genoegen te doen.
„Maar bij den Regent dan1?quot; vroeg Visbergen. „In de Kaboepatèn 'j zal toch wel logies zijn1?quot;
„De Regent Raden Toemenggoeng Pandji Moerdo Kesoemo is met zijn geheele gezin naar Bodjo Negoro vertrokken, ter bijwoning van een huwelijksfeest bij den Regent aldaar. De Kaboepatèn is gesloten. Ik heb mij toen vervoegd bij den kapitein der Chineezen Tan Liang Hien, — ik had een recommandatie-epistel van onzen bekende, den majoor The Boen Ke van Soerabaia, — een paar gasten zou die wel kunnen bergen, evenwel een zoo talrijk gezelschap, als wij zijn, onmogelijk.quot;
„Maar, wat dan te doen?quot; vroeg Van Berkenstein. „Dat dunkt mij een koopje!quot;1
„Wat te doen?quot; viel kapitein Meerman in. „Wel, dat's gauw uitgemaakt. Eenvoudig
') Kaboepatèn is tie Javaansohe benaming voor Regentswoning.
SOEK AB AI A. — ÏOEBAN.
Men reed naar Toeban terug en bewonderde de zoetwaterbronnen, welke op het strand in de onmiddellijke nabijheid der zee opwelden en welker water zoo helder en smakelijk was als van de beste bron in het gebergte. Ja, op eenigen afstand, midden in zee, was een ommuurd vierkant te ontwaren, waarin het zoete water met kracht opborrelde. Als oorzaak van dat verschijnsel gaf de assistent-resident op, dat de geheele bodem van de districten Djenoe, Rembes en Rengel, welke Toeban omgeven, uit uitgebreide kalkformatiën bestaat en al de heuvels en bergen, welke in die districten aangetroffen worden, in waarheid kalkgebergten zijn. Die heuvels en bergen nu nemen gretig het regenwater op, hetwelk met zijn koolzuur het inwendige van dien bodem vervormt en onderaardsche kanalen uitholt, die bij de kust aan de oppervlakte treden en daar die heldere en zuivere bronnen doen ontstaan, waaruit het water met kracht opwelt.
Des namiddags kregen de reizigers nog een grot te zien, die de waarheid van de stelling, door den assistent-resident geopperd, bewees. Het was een grot, in de nabijheid van Toeban gelegen, die in een kalkheuvel door de natuur uitgehold was en waarin het gezelschap afdaalde om er, nadat de fakkels ontstoken waren, een wandeling te doen. Van Berkenstein maakte de opmerking, dat die grot wel eenige overeenkomst had met de onderaardsche gangen van den Pietersberg te Maastricht.
„Eenige overeenkomst is hier en daar wel te vinden,quot; antwoordde Visbergen, „vooral bij de poort, zooals wij den ingang maar zullen noemen. Maar de Pietersberg bestaat uit mergel, — een soort van zachten zandsteen; — terwijl de rots hier uit kalksteen bestaat. De gangen in den Pietersberg werden door menschenhanden uitgehouwen, bij de exploitatie van den berg tot verkrijging van de mergelblokken, die tot bouwmateriaal dienden; en 's men-schen hand is er overal zichtbaar. Hier daarentegen zijn deze gangen door het water gevormd. In den Pietersberg is geen spoor van hangende of staande druipsteenen te ontwaren; hier zijn ze, zooals gij ontwaren kunt, overal aanwezig. Neen, als ik een vergelijking moest maken, dan zou ik deze grot vergelijken met de grot van Han, nabij Rochefort, in Belgisch Luxemburg, hoewel ze op verre na de uitgestrektheid daarvan niet bezit.quot;
Ja, Visbergen had gelijk. De grot van Toeban kwam de grot van Han het meest nabij. Zij was zóó schoon, dat zij het geheele reisgezelschap verrukte, aangreep en tot een eerbiedig zwijgen noopte. Die geelwitte wanden, welke soms zoo weinig hoogte hadden, dat de reizigers het hoofd moesten bukken om te kunnen voortgaan, of zich bijwijlen zoodanig verhieven, dat het oog het gewelf, hetwelk meestal in een spitsen, maar stouten archivolt verliep, niet dan met moeite kon volgen, vertoonden zich in zulke grillige gedaanten, dat het was alsof zij hier reuzenbeelden, daar het lijnste bloemwerk, elders meer rechtlijnige omtrekken, als waren zij met meetkundige figuren overdekt, lieten ontwaren, terwijl de fantastische stalacmieten en stalactieten, soms hangende als het zwaard van Damokles, soms in rij en gelid staande als de gedrilde manschappen van een Pruisisch legercorps, aan liet geheel veel betooverends bijzett'en.
172
173
„Ces rochers suspendus, ces colonnes de pierre,
„Ces monuments caches au centre de la terre,
„Ces restes d'une époque, ou le monde naissant „Méconnaissait deja la voix du Tout-Puissant,
„Ce nóant, ce chaos, formé par la tourmente,
„N'est ce pas eet enfer, que rêvait le vieux Dan te?quot;
mompelde Montauban met zachte, maar toch verstaanbare stem, terwijl zijn metgezellen door hun eerbiedig zwijgen met die dichterlijke ontboezeming instemden.
Na het bezoek in de grot, geleidde de assistent-resident het reisgezelschap door het bevallige plaatsje en bracht het eindelijk bij een grooten Randoe Alias een monsterboom, die door zijn kolossale afmetingen allen in vervoering bracht.
„Mijn God, wat een stam!quot; riep Van Berkenstein.
De boom, dien de reizigers aanstaarden, wettigde dan ook dien kreet. Het was een stam, die, de uitwassen niet medegerekend, een omtrek van 90 voet bij de grondlijn vormde, maar die, wanneer men het snoer, de bochten en de in- en uitspringende hoeken dier wortel-uitwassen liet volgen, ruim 300 voet aan omvang meette. Zijn hoogte was niet in verhouding tot zijn dikte, daar die slechts 150 voet was en een betrekkelijk magere kruin droeg.
„Komt, volgt mij,quot; zei de assistent-resident, terwijl hij den toer van den boom maakte.
Aan de achterzijde vertoonde zich in den stam een kleine uitholling, die door verrotting ontstaan was. Deze vormde een grot, waarin een tafel, niet te groot, en zes stoelen een plaats hadden kunnen vinden. Ons geheele gezelschap kon er zich met gemak in ophouden.
„Hou oud zou die boom wel wezen?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Ja, dat weet ik niet anders dan van hooren zeggen,quot; antwoordde de assistentresident lachende. „Ik ben geen plantenkundige, maar ik heb den hoogleeraar Blume eens hooren beweren, dat die Randoe Alias over de vier eeuwen oud zou zijn.quot;
') Eandoe Alias = Sal mal ia Malabarica.
N E G E N T1ENDE H O O F D S rr U K.
Onze toeristen brachten een ongestoorder! nacht aan boord van de „Zeemeeuwnze toeristen brachten een ongestoorder! nacht aan boord van de „Zeemeeuw1' door.
Des morgens al heel vroeg lieten zij zich aan den wal zetten, nadat zij met kapitein Meerman afgesproken hadden, dat die onmiddellijk na hun vertrek onder stoom zou gaan, om het gezelschap in de baai van Patjitan te gaan opwachten.
„Gij zult geen tijd mogen laten voorbijgaan.'1 merkte Vogels den gezagvoerder op. „want over drie of vier dagen zullen wij aan de Zuidkust aangekomen zijn.quot;
Meerman beloofde allen spoed te zullen betrachten.
Toen de toeristen aan wal kwamen, vonden zij een paar reiswagens aan het strand gereed staan. De bagage werd dadelijk opgeladen en vastgebonden. Het gezelschap wisselde een handdruk van erkentelijkheid met den assistent-resident en zijn vrouw, die nog even opgedaagd waren, en voort ging het, naar het Zuiden toe.
Bij de désa Eengel, op ruim 19 palen van Toeban, geleidde Visbergen, terwijl de paarden verwisseld werden, zijn tochtgenooten naar een eenzame plek in het naastbijgelegen bosch, alwaar zij een riviertje, de Kalie Eong Rengel geheeten, van onder een kalkrots te voorschijn zagen treden.
„Hier ziet gij de stelling, gisteren door den assistent-resident omtrent de waterbronnen geopperd, nagenoeg bevestigd,1' sprak Visbergen. „Past op, gij moet u niet te zeer bukken; uit dat hol stroomt met het water ook koolzuurgas, dat door zijn soortgelijk gewicht bij de oppervlakte van den bodem blijft. Ik ben overtuigd dat, als men hier in die heuvelenrijen aan het zoeken ging, men onderaardsche gangen zou vinden, welke misschien bij die van Rochefort, waarvan ik gisteren sprak, niet ten achteren zouden staan.quot;
Een oogenblik stonden de reizigers naar dat tafereel, waarbij de natuur als op heeterdaad in haar vorming van bronnen betrapt werd, te turen; toen keerden zij weer
DJATi-BOSSCHKN'. — EEX WATERVAL. — EEN TÜPENG.
naar hun rijtuigen terug. Het oponthoud was slechts luttel geweest. Het was zoo omstreeks 9 uren in den morgen, toen men te Bodjo Negoro aankwam.
Maar nog voordat onze reizigers de désa Eengel bereikt hadden, was het hun volstrekt niet ontgaan, dat het landschap een merkbare verandering onderging. Was het voorkomen van dat landschap aanvankelijk lachend geweest, overdekt als het was met „sawah'squot;, met tabaks-aanplantingen enz., later begonnen zich gedeelten voor te doen, die geheel uit bosch bestonden en bijgevolg een streng karakter aannamen. Die gedeelten verschenen evenwel slechts bijwijlen. Zij wisselden nog af met cultuurvakken. De bosschen naderden wel nu en dan den weg, maar trokken zich weer terug, soms tot aan den horizon. Een enkele maal werd zoo'n boschgedeelte door den weg doorsneden en dat vertoonde zich dan als een smalle landengte tusschen twee machtige vastlanden; alsdan was de weg aan een berijdbaar kanaal van Suez gelijk, dat twee boschperceelen scheidde. Maar van Rengel af, werd het aantal dier cultuurvakken al minder, de bedoelde landengten werden al breeder, totdat de weg zich slechts door het bosch slingerde.
Maar welk een bosch! Hadden de reizigers gehoopt hier een tropisch woud te ontwaren met zijn veelvuldige stammen, met zijn struikgewas, met zijn festoenen van slingerplanten, met zijn ontelbare orchideeën, die allen, bij hun strijd om licht en om lucht, de ruimte aanvullen zouden,quot; met de prachtige loofkruinen, die een voor de zon ondoordringbaar dak zouden vormen, met de fraaie vlinders, die er door- en omheenfladderen, met het rijk gekleurde vogelenheir, dat er in snateren en kweel en zoude; hadden zij in één woord gedacht een algemeen loflied te hooren en te zien van de Schepping tot den Schepper, hoe bedrogen zagen zij zich! Ja, zij zagen daar een bosch! maar een bosch in rij en gelid geschaard als soldaten op een onmetelijk exercitie-veld. Geen fantastische gedaanten werden gedoogd; daar waren slechts boomstammen zoo recht als een kaars te ontwaren, geen festoenen van klimop, die den eenen tronk met den anderen verbonden, geen parasietplanten met haar wonderlijke vlindervormige bloemen op de stammen, geen struikje aan den voet der boomen, geen grasscheutje op den bodem, dat alles was óf door het snoeimes óf door het vuur opgeruimd, want dat zou de stammen beschadigd of een weinig voeding noodeloos aan den bodem onttrokken hebben. Neen, hier had de natuur geen poëzie, of beter: zij was hier van iedere poëzie ontdaan en vertoonde ze slechts op iedere plek van dat bosch 's menschen hebzucht in haar meest afzichtelijke gedaante.
„0, wat is dat somber hier!quot; betuigden de dames als om strijd. „Ziet die dorre bladeren aan die veruitstekende takken hangen als de lompen aan de magere armen eens bedelaars. En die zwartgebrande bodem! 0, wat is dat alles akelig! Blijven wij nog lang in dat bosch? Het is om er van te huiveren!quot;
„Neen, dames,quot; antwoordde Visbergen. „Ziet, daarginds vooruit, begint het bosch al ijler te worden; wij zijn weldra aan de Solo-rivier, die wij zullen oversteken. Aan de
17Ó
176
overzijde hebben wij dan tot Bodjo Negoro geen boscli meer, maar wij zullen morgen op onze reis naar Ngawi nog uren lang door dergelijke bosschen rijden.quot;
„Een prettig vooruitzicht,quot; pruttelde mevrouw Jaffrezic.
„Wat zijn dat voor bosschen?quot; vroeg Montauban.
„Dat zijn Djati-bosschen,quot; antwoordde Visbergen. „De Djati '), door de Engelschen Teak genoemd, de eikeboom van Indië, is hier in zijn waar vaderland. Hij komt op Java in het wild voor. De oorspronkelijke bosschen zijn evenwel voor het grootste gedeelte onder de bijl gevallen en bestaan nog maar in de meest ongenaakbare plaatsen, of daar, waar het vervoer van het te kappen hout te kostbaar zou zijn. Deze bosschen hier in de nabijheid van den weg en van de Solo-rivier zijn meerendeels aangeplant. Het grootste gedeelte van de oppervlakte der Residentie Eembang, voornamelijk haar zuidelijk gedeelte, is met Djati-bosschen overdekt.quot;
„Wat zijn dat voor verwondingen, bij sommige hoornen, veelal de grootste en meest volwassene, te bespeuren?quot; vroeg Van Berkenstein. „Kijkt, daar ziet gij er weer enkelen.quot;
„Die zijn gemerkt om aanstaande jaar onder de bijl te vallen. Men ontdoet den boom, zoo wat ter hoogte van een voet boven den grond, ter breedte van twee handen, van zijn schors. Die bewerking wordt „ringenquot; genoemd en het doel daarvan is om den boom op stam te doen sterven. Men beweert dat het hout van een geringden Djati-boom of beter van een, die op stam stierf, deugdzamer en minder aan splijten onderhevig is, dan dat van een, die zonder die voorbewerking levend geveld werd.quot;
„De exploitatie van Djati-bosschen levert belangrijke voordeelen op, nietwaar?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Voorzeker,quot; antwoordde Visbergen, „wanneer de afvoer van het gekapte hout niet te moeilijk is. Wij zullen te Bodjo Negoro daarvan wel het een en ander kunnen waarnemen. Wij zullen dan wel vlotten zien vervaardigen van de vierka,nt bekapte stammen der gevelde Djati-boomen; wij zullen die vlotten beladen zien met de takken dierzelfde boomen, die tot brandhout gekapt zijn, en met „arangquot; (houtskool), die, evenals het brandhout, op de hoofdplaatsen zeer gewild is en ook van zware takken en knoestige stammen gebrand werd.quot;
Gedurende deze mededeelingen was het bosch al ijler en ijler geworden. Eindelijk stonden de rijtuigen voor de Solo-rivier. Zij voeren die op aaneengekoppelde vaartuigen over en het duurde nu niet lang meer of men was te Bodjo Negoro aa,ngekomen. De reis was voorspoedig uitgevallen, want de dertig palen, die Toeban van Bodjo Negoro scheidden, waren in minder dan vier uren afgelegd. Het was even negen uren geslagen, toen de rijtuigen onder de postloods stilhielden. Visbergen en Vogels verzochten het gezelschap te blijven zitten. Zij stegen uit en begaven zich naar den assistent-resident. Toen zij terug-
') Djati — Tectona grandis.
DJATI-BOSSCHEN, — EEN WATERVAL. — EEN TOPENÖ.
kwamen, waren de paarden reeds verspannen en voort ging het, andermaal de Solo-rivier over in noordelijke richting op.
„Ik dacht dat Bodjo Negoro een pleisterplaats zou wezen?quot; was de vragende opmerking van Van Berkenstein.
„Dat zal het ook zijn. Wij komen er straks terug,quot; antwoordde Visbergen. „Wij maken nu maar een zijsprong van een kleine vijftien palen om een mooien waterval te zien.quot;
Die vijftien palen waren ook spoedig afgelegd, want het was even halfelf, toen de rijtuigen in de desa Djodjogan stilhielden. Hier stapte ons reisgezelschap uit en wandelde een kleinen halven paal daarbuiten, waarbij Visbergen zijn tochtgenooten langs een smal voetpad, dat aan weerszijden dicht begroeid was, een vrij steile hoogte opvoerde. Plotseling stonden de toeristen voor een vrij breede en diepe beek — de Ngaliriep genaamd, — die met kristalhelder water over haar rotsbed voortspoedde. Het donderend geruisch, hetwelk men hoorde, verkondigde dat de val vrij nabij was. En inderdaad, na nog een honderd passen de beek stroomafwaarts gevolgd te zijn, stonden de reizigers eensklaps op den bovenrand van een kalkrots, die zich 60 voet hoog ongeveer boven het daarbeneden liggende terrein verhief. De bedding der Ngaliriep breidde, alvorens dien rand te bereiken, zich in een bekken uit, zoodat de rivier zich waaiervormig uitspreidde en zoo over den rand naar beneden sprong. Van het punt, waar Visbergen het gezelschap gebracht had, was de aanblik overweldigend schoon. De uitgespreide watermassa, die bij het overstorten van den rand een lichtgroene tint vertoonde, schoot hier loodrecht naar beneden en was onder de zonnestralen aan een stroom glinsterend zilver gelijk, terwijl die stroom, waar hij neerplofte in de diepte en in kokend schuim opdwarrelde, de basis met een veruitspringenden rand van matzilver omlijstte. De rots, waarop de toeristen stonden, dreunde onder het gedonder van de nedervallende watermassa en had oogenblikken, alsof zij op haar basis schudde. De eigenlijke voet van den waterval was van boven niet te bespeuren. Door den val spatte de straal in millioenen en millioenen stofdeeltjes uit elkander, welke opstegen en dien voet in een melkwitte wolkenzee hulden. De toeristen klauterden dan ook ter zijden van den waterval langs den steilen rotswand naar beneden en werden door Visbergen naar een punt geleid, van waar een fraai overzicht van de geheele omgeving te genieten was. Hier zagen de toeristen dat de straal op een vooruitspringende trap viel, die zich in een boog aan den voet van den rotswand uitstrekte. Van die trap sprong het water op een tweede, die een grooteren boog vormde, daarna op een derde, eindelijk op een vierde, van waar het zich in een rotsachtig bekken stortte, en daaruit kalm en zacht met een lieflijk blauwe tint vervloot. Het was alsof die vier treden een grootsch amphitheater aan den voet van den waterval vormden en met een hermelijnen tapijt bedekt waren. In de opspattende waterdeeltjes braken de zonnestralen, welke werden ontleed in de levendige prismatische kleuren, waardoor allerwegen groote en kleine regenbogen gevormd werden, die verruimden en van plaats veranderden, naarmate van de plek, welke de toeschouwers innamen.
23**
177
178
„Komt, laten wij nu de rijtuigen weer opzoeken,quot; sprak Visbergen na een poos toevens. „Ik beken guluit, dat mijn maag na den gemaakten rit haar aanspraken laat gelden.quot;
De rijtuigen waren weldra bereikt en de afstand naar Bodjo Negoro werd spoedig genoeg afgelegd, hoewel lang niet met die snelheid, als wel door de hongerige magen van het reisgezelschap gewenscht werd.
Bij aankomst te Bodjo Negoro wachtte de assistent-resident de toeristen op. Hij verzocht de gehuwden bij zich te logeeren en bracht de overigen in den Kaboepatèn bij den Eegent onder dak.
„Gij zult het daar niet het slechtste hebben,quot; verklaarde die ambtenaar. „De liegent, Raden Toemenggoeng Titro Prodjo is een zeer gastvrij man. Daarbij is het feest in de Kaboepatèn en zult gij hedenavond een topeng-voorstelling kunnen zien. Ik heb ook een uitnoodiging voor de bij mij logeerende gasten tot bijwoning van die voorstelling.quot;
Toen onze toeristen de Kaboepatèn naderden, klonken hun reeds de tonen van de gamelan te gemoet.
„Ik vrees, dat er niet veel van onze siesta zal komen,quot; meende Montauban. „Toch gevoel ik er behoefte aan, na dien geforceerden rit van hedenmorgen.
„Vrees daar niet voor,quot; antwoordde Vogels. „De Javanen zijn te zeer doordrongen van de plichten der gastvrijheid, om te gedoogen, dat uw middagrust zoude gestoord worden. Die gamelan zal u niet hinderen, dat verzeker ik u.quot;
En werkelijk, toen de reizigers, na de eischen van de maag bevredigd te hebben, zich naar hun vertrekken begaven, verstomde de muziek wel niet, maar werden de bekkens bij het bespelen zóó zacht aangeraakt, dat de tonen zich als heel in de verte lieten vernemen, terwijl de maat van de overigens levendige muziek zoo langzaam en sleepend aangehouden werd; dat zij als het ware tot rust scheen uit te noodigen. Zoo vernomen, was het gamelanspel bijzonder bekoorlijk en oefende het op de zinnen der rustenden een bedwelmenden en slaapverwekkenden invloed uit.
Na een wandeling in de namiddaguren door Bodjo Negoro, verzamelden zich onze toeristen in de pandoppo des Regent's om daar de toegezegde volksvoorstellingen bij te wonen. Die pandoppo was schitterend verlicht. Het achtergedeelte was vrijgehouden om daar de topeng te vertoonen. Het overige gedeelte was door rijen stoelen en banken ingenomen, waarop de voornaamste ingezetenen van Bodjo Negoro, zoowel Europeanen als Inlanders, plaats hadden genomen. Op de trappen van de pandoppo, alsook aan den voet daarvan, stond een groote menigte geschaard, om mede van de zoo geliefkoosde voorstelling te genieten, maar spreidde daarbij zulk een orde en bescheidenheid ten toon, dat bij onze toeristen de meening zich als onwillekeurig opdrong, dat der Javaansche volksklasse veel zachter en beschaafder vormen deelachtig zijn dan het geval is bij de Europeesche.
Toen de familie en de gasten van den resident plaats genomen hadden, begonnen
;■ ■■•.■■■• v 1 ' ■'jV'
ï''p\\ gt;/;. '■ : ■: v: .• • -v ^ ' ' . •
w
••quot;■gt;, ; ■ • . . ..••• • .■ ; • , • •• ... ,V..' ■. • • •' ' V-V' --.a;'quot;
; , .. ' ■■ ■ -j-■;.■;;•-••■/-
^ -■ ■■ - • f ,v, ^
'; / i;/ — N
■ ■ •■*•.; .' . ' •' . .'A' .■!■. '■ . ■ ■ y-r . -V
DJATI-BOSSCHEN. - EEN WATERVAL. — EEN TOPENG.
de gamelan-spelers op al hun bekkens een luidruchtige „bogiroquot; (een soort ouverture) te spelen. Onmiddellijk daarop volgde een muziekstuk, hetwelk slechts door eenige gamelan-bekkens, alleen door de „rebabquot; (viool) begeleid, uitgevoerd werd.
„Let goed op,quot; waarschuwde Vogels. „Om Javaansche muziek te begrijpen, moet men weten, dat iedere uitvoering de vertolking van een verhaal is. Kent men dat verhaal niet, dan is die uitvoering slechts een zinlooze klanken-aaneenrijgerij. Dit stuk, wat daar begonnen is, heet „Djenti maniesquot;, of de „zoete pinkquot;. Luistert nu goed. Ik zal het stuk verhalen en zooveel mogelijk de muziek volgen:
„Djenti manies is een allerliefste jonge maagd, die in een bosch verloren geraakte. Zij kan onmogelijk haar weg terugvinden en het is haar onmogelijk uit dat bosch te komen. Zij dwaalt weken lang rond, voedt zich met wortels en boschvruchten en legt zich onder dichte struiken te slapen. Bij haar omzwervingen ontmoet zij een reus, wien eenige jaren vroeger een geliefde dochter ontvoerd is. Hij meent in Djenti manies zijn ontstolen kind te herkennen. Hoort gij, hoe zacht en lieflijk de „pernakan kendangquot;, de „kethoekquot; ') en de rebab de gemoedsstemming van den vader vertolken, die zijn kind wedervindt? Daar ligt liefde, verteedering, daar liggen tranen van dankbaarheid in. Djenti manies, gelukkig weer eens een menschelijke stem te vernemen, laat hem in zijn waan, houdt zich alsof zij zich noch haar vader, noch haar moeder herinnert en vertelt dat zij reeds lange jaren in het bosch omdoolt. De eigenlijke vader van de zwervende schoone, die uitgetrokken is om haar op te zoeken, komt haar op het spoor en vindt haar in gezelschap van den reus. Hij eischt zijn dochter op, die evenwel door den reus geweigerd wordt. Het komt tot een gevecht. Hoort hoe de „gongquot;, de „genderquot; en de „bonangquot; 2) spektakel maken om den strijd uit te drukken. De reus blijft overwinnaar. Hij velt den vader van de maagd, die .... hoort gij ? hem nu schril en scherp den dood van dien vader verwijt. Wroegingen grijpen hem aan. Luistert. Het is of de hel in zijn binnenste losgebarsten is. Hij geraakt zoodanig der wanhoop ten prooi, dat hij zich het leven beneemt. Ah! daar valt de „soelingquot; (de fluit) in. Hoort, hoe zij weeklaagt. Dat is Djenti manies, die in een solo haar smart te kennen geeft, dat zij geheel verlaten in de wereld achterblijft.quot;
„Ik moet erkennen,quot; betuigde Van Berkenstein, „dat ik het gamelan-spel nooit zoo opgevat heb; ik dacht dat het een meer primitieve....quot;
„St...!quot; viel hem Vogels in de rede. „Daar gaat de Topeng beginnen.quot;
„Topeng is de Javaansche opera comique,quot; lichtte Vogels nog snel toe. „Bijgevolg bestaat het gedeeltelijk uit zang, gedeeltelijk uit een recitatief. Het heeft steeds een geschiedkundig feit uit den voorouderlijken tijd tot onderwerp. Ziet nu goed toe.quot;
179
Verscheiden acteurs, allen familieleden van den Regent, verschenen en speelden, gekleed in de voorvaderlijke kostumes, hun rollen vrij goed. Zooals Vogels vertolkte,
') en 2) Zie de noot op bladz. 116 van dit deel.
DJATI-BOSSCIIEN. — EEX WATERVAL. — EEN TOPEXG.
gold de voorstelling een twist iusschen een Javaanschen en een Balineeschen prins, over een schoone Poetrie (prinses). Van beide zijden werden gezanten naar de ouders van de schoone gezonden. Dezen, als waardige diplomaten, trachtten elkander in list en geveinsdheid den loef af te steken. Te vergeefs! Beide partijen schenen aan elkander gewaagd. Eindelijk verschenen de verliefden in persoon, de een voor, de ander na, aan het hof der beminde. De Balinees bleek het rijkste te zijn. Hij verwierf dan ook den palm der overwinning en voerde de prinses in triomf weg. Nu ontbrandde een felle oorlog. Legers van twintig man ieder verschenen. De Balineesche vorst richtte een afgrijselijke slachting onder de Javanen aan. maar de Javaansche hakte even lustig onder de Balineezen. De legers verminderden, slonken.... eindelijk waren zij beiden gesneuveld en lagen daar uitgestrekt dood. Nu stonden de beide mededingers tegenover elkander. Onbegrijpelijk lange uitdagingen in sierlijke redevoeringen volgden nu; maar eindelijk het praten moe, ging de Balineesche Prins ten aanval over. Hij bracht zijn tegenstander een houw toe. Deze, met bovennatuurlijke macht begaafd, ontweek niet, verdedigde zich niet; integendeel, hij ging pal staan. De slag
viel knetterend hem op de schouders; maar____ wat was dat'? Het zwaard, waarmee de
slag toegebracht werd, krulde om als lood op de huid des Javaans. De verbaasde Balinees wierp het onbruikbaar wapen weg, greep een ander, sloeg andermaal toe, maar met hetzelfde gevolg. Alle zwaarden, die nu aangedragen werden — en het waren er nogal ettelijke — ondergingen hetzelfde lot. Ontzet en beteuterd, bleef den Balineeschen strijder niets anders meer over dan de genade zijns tegenstanders in te roepen. Maar daar hief deze mededoogenloos zijn knots omhoog, met één slag brak hij zijn medeminnaar de lendenen, met een tweeden sloeg hij hem dood en nu voerde hij de zielsbeminde heen naar Java, waar hij haar huwde en zijn troon deed deelen.
Oorverdoovend was het gejuich, dat onder de menigte daarbuiten ten gevolge van die overwinning opging. Toen dat eenigszins bedaard was, viel de gamelan weer in.
„Oh! dat is de „glatikh maasquot; (gouden rijstvogeltje). Dat is een allerliefst muziekstukje en een lief verhaal. Luistert,quot; vervolgde Vogels:
„Glatikh maas is alweer de naam van een bekoorlijke maagd. Deze heeft een liefdesbetrekking aangeknoopt met een buurjongen, een vriend harer jeugd. Zij tracht nu de toestemming van haar vader tot een huwelijk te verkrijgen. Hoort, hoe lieflijk zacht en toch hoe hartstochtelijk de soelieng haar smeekingen vertolkt! Die vader wordt bewogen, hij maakt geen tegenwerpingen, maar als hij met het huwelijksvoorstel bij zijn vrouw, bij de moeder van het meisje komt, vindt hij hevigen tegenstand. Luistert naar dat gekibbel van de gong met de gambang! Helaas, deze laatste wordt te schel, het zijn geen tonen meer, maar gillen, die zij slaakt. De gong zwijgt een oogenblik. Maar daar hervat zij, gesteund door de gender, den aanval. Is het niet of een krachtvolle man iets zachts, iets liefs, iets verteederends in zijn smeekgebeden legt? De moeder laat zich vermurwen; zij geeft haar toestemming tot het huwelijk. Hoort nu, hoe al de muziekinstrumenten door
180
1S1
elkander galmen. Dat is de vreugde des vaders. Hij zingt en danst van vreugde; in één woord, hij is dol. Maar luistert: terwijl hij zich zoo vreugdedronken aanstelt, vertolken de fluit en de gambang de meer ingetogen vreugde der twee geliefden.quot;
„Drommels! Gij hebt er slag van die muziek verstaanbaar te maken,quot; zei Van Berkenstein. „Het is, of gij er een studie van gemaakt hebt. Ik zou al dat moois er niet uit gehaald hebben.quot;
„Och, ik heb die gamelanstukjes zoo dikwijls gehoord,quot; antwoordde Vogels. „Ik heb ze mij ook zoo dikwijls laten uitleggen, dat, als ik van sommigen slechts de eerste tonen hoor, mij het thema voor den geest komt.quot;
Na afloop der topeng, verhaalde Vogels nog, dat een wajang een topeng-voorstelling in het klein was. Daarbij werden poppen van leder of bordpapier gebruikt, welker armen en beenen, van gewrichten voorzien, door den wajang-vertooner naar willekeur konden bewogen worden. Het wajangspel was een schimmenspel. Er werd een wit doek gespannen, waarachter de handeling plaats had. Een lamp werd op zoodanigen afstand opgesteld, dat de schaduwen der poppen behoorlijk op het doek verschenen. De onderwerpen der wajang-vertooningen waren dezelfde als die der topeng-schouwspelen.
Ons reisgezelschap had daags daarna een vrij moeilijker tocht te volbrengen om Ngawi, een plaatsje aan de samenvloeiing van de Solo- en Madioen-rivieren gelegen, te bereiken. Wel was de afstand — ongeveer 46 palen — niet bijzonder groot, maar men zon ondervinden, dat de weg lang niet gemakkelijk was. Aanvankelijk liep hij door vlak terrein in de nabijheid van en evenwijdig aan de hoofdrichting van de Solo-rivier. Soms verwijderde hij er zich van, maar bij iedere kronkeling, die de rivier zuidwaarts maakte, naderde hij den oever zoodanig, dat de rivier zijn taluds besproeide. Men had soms zeer fraaie gezichten over de vrij breede watervlakte, welke de stroom bijwijlen bood.ns reisgezelschap had daags daarna een vrij moeilijker tocht te volbrengen om Ngawi, een plaatsje aan de samenvloeiing van de Solo- en Madioen-rivieren gelegen, te bereiken. Wel was de afstand — ongeveer 46 palen — niet bijzonder groot, maar men zon ondervinden, dat de weg lang niet gemakkelijk was. Aanvankelijk liep hij door vlak terrein in de nabijheid van en evenwijdig aan de hoofdrichting van de Solo-rivier. Soms verwijderde hij er zich van, maar bij iedere kronkeling, die de rivier zuidwaarts maakte, naderde hij den oever zoodanig, dat de rivier zijn taluds besproeide. Men had soms zeer fraaie gezichten over de vrij breede watervlakte, welke de stroom bijwijlen bood.
„Dat is een fraaie rivier,quot; merkte Montauban op.
„Het is de grootste, die Java bezit,quot; antwoordde Visbergen.
Toen Padanga gepasseerd was, verwijderde de weg zich van de rivier en liep hij door meer heuvelachtig terrein. Het landschap was hier nog lachend. Tusschen de heuvelenrijen strekten zich „sawah'squot; uit, waarop het graan, in goudgelen dos, onder de zachte bries wuifde. Op sommige „sawah'squot; was de rijstoogst weer begonnen. Dat leverde wel een eigenaardig gezicht. In bonte massa's vertoonden zich hier en daar vrouwen en meisjes op de velden, zoodat hot meer van een kermis had dan van een geregelden arbeid. Montauban maakte ten minste die opmerking.
„Het is ook in den waren zin des woords een feest,quot; antwoordde Vogels. „Buren en familiebetrekkingen helpen elkander om den oogst binnen te halen tegen een vergoeding, welke soms het vijfde gedeelte van de ingezamelde „paddiequot; bedraagt. Het zijn voornamelijk vrouwen en meisjes, die de rijst snijden, en van die gelegenheid maken de vrijers en verliefden gretig gebruik om de aangebedenen te kunnen naderen. Menige liefdesgeschiedenis wordt daar te midden van die rijstaren afgesponnen, menige minnenhandel ontluikt daar.
»
I
,
if
DOOK HET ZUIDEKUEBEECiTE.
Men heeft beproefd om het gewone paddiesnijden door het meer westersche maaien te veiTangen, maar die proef is totaal mislukt. De gebruikelijke oogstwijze is zóó innig met het volksleven saamgeweven, dat aan een verandering vooreerst niet te denken valt.quot;
„Hoe geschiedt dat paddiesnijden?quot; vroeg Montauban, die zijn calepin alweer in de hand had.
„Zij, die oogst,quot; antwoordde Vogels, is gewapend met een eigenaardig mesje, „ani-aniquot; genoemd, waarmee de halm zoo omstreeks een voet onder de aar wordt doorgesneden. Heeft zij zooveel rijstaren gesneden als zij bij de halmen met de hand omvatten kan, dan legt zij die handvol, welke „potjongquot; geheeten wordt, achter zich. Ettelijke „potjongsquot; worden tot een bos ter zwaarte van ongeveer 8 K.Gr. saamgebonden. Zoo'n bos heet „gedëngquot;. Is de weersgesteldheid gunstig, dan worden de „gëdëngsquot; op het land opgestapeld om te velde te drogen. De padiesnijdsters nemen evenwel hun aandeel in den oogst, dat hun uitgereikt wordt als snijloon en „bawonquot; heet, iederen dag mee naar huis. Zoodra de paddie behoorlijk gedroogd is, wordt zij opgeschuurd. De gebouwtjes, die daarvoor dienen, heeten „loemboengsquot;.quot;
Terwijl zoo gekout werd, was het terrrin langzamerhand van gedaante veranderd. De „sawahsquot; waren verdwenen. Naarmate het terrein rees, werden de cultuurgewassen meer zeldzaam en overdekten zich de heuvelhellingen met struikgewas, dat er al wilder en woester uitzag, naarmate men vorderde. Eindelijk begonnen zich enkele Djatiboomen te vertoonen, als de voorposten, als de éclaireurs van een leger, dat in aantocht was. Die voorposten gaven evenwel een geringen dunk van de familie der Verbenaceeën, waartoe zij behoorden; want z;ij waren scheef, krom en knoesterig gegroeid. Vogels vertelde den reizigers, dat de Djatiboom alleen in gezelschap rechtop en welig tiert. Zoodra hij alleen staat, heeft hij te veel van de luchtstroomen te lijden. Op die alleenstaande boomen volgden meerderen, die langzamerhand groepen vormden. Het woud nam een aanvang. De boomen sloten al dichter en dichter op elkaar en eindelijk was het uitzicht der reizigers tot de breedte van den weg beperkt. Naakt en kaal stonden de stammen daar. Hun loof was, door de blakerende zon verschroeid, afgevallen. De bodem zag er zwart verbrand uit. Allerwegen grijnsden de verwondingen van het „ringenquot; den reizigers tegen en toonden de slachtoffers aan, die weldra onder de bijl vallen zouden. Het was een akelige tocht. Daarbij kwam nog, dat de weg slecht te noemen was. Onder den indruk van langdurige droogte was de bodem mul en sneden de wielen diep in de fijne poederlaag. De hellingen werden steil, vooral nadat men desa Ngrahoe gepasseerd was; de paarden toonden zich soms onwillig, de karbouwen lui. De reizigers moesten dikAvijls uitstappen om de voertuigen te verlichten en niet zelden sloegen de heeren de handen mede aan de wielspaken om krachtdadig hulp aan te brengen. Het was zoo'n ellendig getob op dat traject, dat, hoewel men met het krieken van den dag Bodjo Negoro verlaten had, het vier uren des namiddags was, toen ons reisgezelschap Ngawi binnenreed.
DOOK HET ZUIDERGEBEKGTE.
Te Ngawie was niets merkwaardigs te zien; maar het logement was er vrij goed en daarom besloten onze reizigers er een tweetal dagen uit te blazen van de afmatting, door het laatst afgelegde traject teweeggebracht. Ook om zich eenigermate voor te bereiden voor de vermoeienissen, die in zicht waren, want Visbergen beloofde nog een afmattenden tocht, alvorens Patjitan bereikt zou ziju.
De reis van Ngawi naar Ponorogo, welke daarop ondernomen werd, bood weinig merkwaardigs aan. De weg liep hier door het dal, hetwelk de twee vulkanen Lawoe en Wilis van elkander scheidt, en gaf slechts lachende landouwen te zien. Men reed de hoofdplaats der residentie Madioen slechts door, alleen zoolang daarbinnen ophoudende als noodig was om te verspannen.
„Is hier werkelijk niets te zien?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Het is het akeligste nest van de wereld,quot; antwoordde Visbergen. „Daarbij zou het traject Madioen-Patjitan te groot zijn, terwijl het traject van Ngawi-Madioen veel te klein zou wezen. Neen, wij moeten voort!quot;
En voort ging het. Het was omstreeks middag, toen onze toeristen Ponorogo bereikten. Daar had Vogels logies verzocht bij den assistent-resident, maar, evenals zijn collega te Bodjo Negoro, had die met den Regent afgesproken dat een gedeelte der reizigers in den Kaboepatën zou logeeren; want zoo'n talrijk gezelschap bij zich aan huis onder dak te brengen, daartoe zag hij geen kans.
184
Den volgenden dag werd de reis vervolgd. Over een afstand van twaalf palen, tot even voorbij de desa Slahong, kon nog met rijtuig gereden worden. Daar moest evenwel uitgestapt en de weg verder te paard worden vervolgd. Voor de dames waren „tandoe'squot; vervaardigd, waarin zij plaats zouden nemen. Visbergen was toch van meening geweest dat een rit van ruim 35 palen te vermoeiend voor de dames zou zijn. Toen dezen echter de toestellen zagen, waarin zij kruipen moesten, betreurden zij de genomen beschikking. Zij hadden oneindig liever den afstand van Patjitan te paard afgelegd. Zoo'n tandoe toch was slechts een draagbare ligplaats, waarop een buitzakje van twijfelachtige zindelijkheid uitgespreid was. Daarboven strekte zich een atappen ') dak uit, om den vervoerd wordenden persoon tegen de zonnestralen te dekken. Ook waren er voor en achter, rechts en links omwandingen van atap aangebracht, ten doel hebbende om tegen regen te beschutten. Ware het ding van planken vervaardigd, dan had het bijzonder veel van een doodkist gehad; nu geleek het veel op een „loemboengquot; (rijstschuur) in miniatuur. Het geheele toestel hing aan een bamboe, die door vier koelies, twee voor en twee achter, getorst werd. In de tandoe was zooveel ruimte tusschen het dakwerk en de ligplaats, dat de dames, wanneer zij er niet tegen opzagen om met hun hoedjes of kapsels in aanraking met de atap te komen, even overeind konden zitten.
') Atap is een dakbedekking, welke gewoonlijk van de bladeren van de Nipah vervaardigd wordt.
DOOR HET ZÜIDEEÖEBERGTE.
„Voila nne manière de voyager!quot; riep mevrouw Jaffrezic uit, terwijl zij lachende in haar tandoe kroop.
Toen evenwel de koelies de tandoes opnamen en hun sukkeldrafje begonnen, waarbij door den veerkrachtigen bamboe, waaraan het toestel hing, de dames vrij scherp op en neer gewipt werden, toen begonnen althans de twee volbloed Europeesche dames kleine gilletjes uit te stooten, half van angst, half van pret bij die ongewone beweging en kostte het nogal moeite, om hen eenigermate gerust te stellen en haar aan het verstand te brengen dat er geen gevaar bij was.
„Je me sens ballottée comme une boule élastique,quot; pruttelde mevrouw Jaffrezic. „Pour sur, j'aurai le mal de mer!quot;
Neen, de lieve jonge Fran^aise werd niet zeeziek. Men went aan alles, zelfs aan het gewip en gehos in een tandoe. De dames konden zich evenwel overtuigen, dat, den weg in aanmerking genomen, welke gevolgd werd, het vervoermiddel doelmatig gekozen was. Bij het verlaten van Slahong slingerde die weg zich toch al dadelijk tusschen de uitloopers van het Zuidergebergte door. Tot Tjiloempring ging het nogal; het was slechts een bergpad, dat voortdurend daalde en rees. Maar van die desa af, volgde dat pad een beekje, hetwelk diep in een spleet ruischte, en klemde zich als het ware aan de berghellingen vast, die soms loodrecht in het water nederdaalden. Voor een groot gedeelte was het pad in de rots van den bergwand uitgehouwen en volgde het dus den buitenrand van dat grillig gevormde terrein. Soms was de weg de wateroppervlakte nabij, een oogenblik later slingerde hij zich langs de toppen der heuvels en kon het oor ternauwernood het gemurmel der beek meer waarnemen en keek het oog in een schrikvervvekkenden afgrond neer. Er waren plaatsen, waar de ijzeren tanden van koevoet en pikhouweel geen vat op de granietrotsen, welke door de trachiet-formatie heenboorden, gevonden hadden. Daar had men palen in de bedding der beek geheid en op het rasterwerk, dat op die palen gelegd was, een plankon-vloer aangebracht. Zoo was er een brug met leuning ontstaan, die de rivier niet overspande, maar er naast, langs de naakte rots, liep en wel soms over een afstand van verscheidene honderd M. lang. Er waren gedeelten van den weg, welke zóó smal waren, dat den paarden ternauwernood plaats genoeg overbleef om hun hoeven te plaatsen. Daar struikelen, was de dood voor ruiter en voor paard. Hier zouden de dames onmogelijk in het zadel hebben kunnen blijven. De blik in den afgrond was te huiveringwekkend, om niet door duizelingen overvallen te worden. Nu was het al erg genoeg. In die passages toch schuurden de tandoes aan de eene zijde tegen den loodrechten rotswand, welker nok hoog daarboven bijna niet te ontwaren was; terwijl de grootste helft dier draagtoestellen over den afgrond bengelde, waarin men den bergstroom wel hoorde brullen, maar waarin de blik hem niet zien kon. Wendden de dames dan de oogen naar buiten, dan klopte haar het hart in den boezem en dan konden zij niet altijd een gil van angst bedwingen. Zou men in zulke passages ruiters ontmoet hebben, dan zou dat wel tot moeilijkheden aanleiding hebben gegeven;
185
DOOR HET ZUIDERGEBERGTE.
want daar een paard te laten keeren was nagenoeg onmogelijk. De assistent-resident van Ponorogo had dan ook de voorzorg genomen, om een paar hoofden spoorslags vooruit te zenden met last om op de daarvoor aangewezen plaatsen lederen ruiterstoet aan te houden, totdat onze reizigers gepasseerd zouden zijn. Zonder die voorzorg zou men voorzeker onaangename ontmoetingen hebben gehad, die tot veel tijdverlies aanleiding zouden gegeven hebben. Men ontmoette toch geheele troepen pikolpaarden, die, met zout en andere benoodigdheden beladen, op weg waren. Zij kwamen van Patjitan, waarheen zij vrachten koffie naar 's lands pakhuizen gedragen hadden.
„Hoe weinig menschen zijn bij zoo'n rij draagpaarden,quot; merkte Montauban op.
„Meer dan genoeg,quot; antwoordde Vogels. „Men kiest voor het eerste paard als aanvoerder der rij een moedig, flink dier en wanneer dat goed stevig en bedaard doorstapt, dan volgen de anderen zonder moeite.quot;
„Het is een eigenaardige manier van reizen, die gij onze dames laat doen,quot; zei Henri Jaffrezic lachende tegen Vogels.
„Ik heb u per stoomboot, per spoortrein, per reiswagen langs en over Java laten trekken. Ik dacht, dat ik u ook in nadere kennis moest brengen met het tandoe-reizen, dat vroeger meer gebruikelijk was. Heb ik niet goed gehandeld?quot;
„Voorzeker,quot; antwoordde de Franschman. „Ik ben evenwel blij, dat ik niet in zoo'n ding moet liggen. Maar zullen onze dames nog lang in die tandoes moeten verwijlen?quot;
„Ik hoop, dat wij hedenmiddag zoo omstreeks vier uren te Patjitan zullen aankomen.quot;
„Ik help het u wenschen,quot; zei Visbergen. „Kijk eens naar boven.quot;
De lucht begon te betrekken en wel in die mate, dat vrees gekoesterd werd, dat Tegal Oemboh niet vóór het losbarsten der bui bereikt zou worden. Het gerommel van den donder liet zich in de verte hooren.
„Tegal Oemboh, wat is dat?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Dat is een desa hier in het gebergte,quot; antwoordde Visbergen. „Daar is een passangrahan; daar kunnen wij schuilen, tot de bui over is. Komt, vooruit! Het zou akelig wezen, als wij nat werden.quot;
„Zeer akelig,quot; meende Boisjolin. „Wij zouden niet eens van kleeding kunnen verwisselen, daar onze bagage vooruitgezonden is.quot;
„Komt, voorwaarts dan maar!quot; riep Vogels. „Madjoe! madjoe! (vooruit! vooruit!)quot; moedigde hij de koelies, die de tandoes torsten, aan.
Vlug, zoo vlug als het terrein zulks toeliet, werd voortgestapt. Toch kwam men niet zoo snel vooruit als wel wenschelijk was. De koelies waren zeer vermoeid. Het was dan ook ongeveer halfeen, toen de stoet te Tegal Oemboh aankwam. Fluks kropen de dames uit haar tandoes en stegen de heeren van hun paarden; maar het was hun ook geraden vlug te zijn, want nauwelijks waren zij den passangrahan binnengetreden, of de
186
quot; :
DOOK HET ZU1DEKGEBEKGTE.
regen kletterde bij stroomen neer en de donder ratelde in die smalle bergkloof, om hoeren en zien te doen vergaan.
„Ik vrees, dat dit weer zal aanhouden,quot; mompelde Visbergen. „Men ziet het meer dat zoo'n onweer, in plaats van over te trekken, in zoo'n vallei blijft uitwoeden.quot;
En inderdaad, het werd twee uren, drie uren in den namiddag en nog steeds schoten verblindende bliksemstralen door het luchtruim, kraakten de donderslagen en plaste de regen in stroomen neer.
„Dat is een koopje,quot; merkte mevrouw Visbergen op.
„Ja, grooter koopje dan gij wel denkt, Clotilde,quot; antwoordde haar echtgenoot. „Er valt aan geen vertrekken van hier meer te denken, al verbeterde het weer op dit oogen-blik geheel en al. Het pad is nu zóó glibberig, dat het werkelijk gevaar zou opleveren om langs die afgronden voort te schrijden. Daarbij, hoor het water eens brullen! De beek, welker gemurmel en geklots wij straks bewonderd hebben, is nu tot een woesten bergstroom gezwollen, welke rotsblokken in zijn dolle vaart met zich voortsleept. Vele gedeelten van het te volgen pad, die naar de bedding der beek afdalen, zijn thans door den wilden stroom overdekt en onze paarden zouden daar bij liet geweld der wateren onmogelijk op de been kunnen blijven. Neen, wij moeten hier overnachten; wij kunnen niet verder. En, God geve, dat het water morgenochtend genoegzaam gevallen zij, om ons den doortocht te verleenen!quot;
„Hoe zullen wij het echter met ons diner aanleggen1!quot; vroeg Montauban als chef der gamelle. „De lekkernijen, die wij van Ponorogo medegenomen hebben, zijn daar straks bij de rijsttafel verorberd en... stellig is er niets meer; want op zoo'n teleurstelling heb ik niet kunnen rekenen.quot;
„Geen nood!quot; riep Vogels, die binnentrad, uit. „Ik ben reeds op verkenning uitgeweest en heb met de vrouw van den „wedonoquot; ') gesproken. Zult gijlieden straks niet te veeleischend zijn, dan zal een kippensoep, waar een kip aan geroken, en een „piendang ajamquot; 2), waar een kip doorheen geloopen heeft, u wel smaken. Gij zult rijst in overvloed met een sausje van „lombokh rawietquot; 3) kunnen verorberen, waarschijnlijk ook een paar stukjes karbouwen-dendeng, in ieder geval een schoteltje met „oesi-oesiquot; 4) zien verschijnen; maar daarna zult gij uw eetlust moeten bedwingen. Vergeet niet, dat wij hier niet in het Palais-lioyal zijn. Wij zijn te ïegal Oemboh en zyn daar door het onweder overvallen.quot;
Vooral de Fransche toeristen zett'en een bijzonder kluchtig gezicht, toen zij de lekkernijen hoorden opsommen, welke hun deelachtig zouden worden, en er den uitleg van
187
') Wodono — diHtrictshoofd.
^ Piendang ajam — toespijs voor de rijst, van kip vervaardigd.
) Lombokh rawiet of sejthan — Duivelspeper, Capsicum fastigiatum.
') Oesi-oesi := gebraden kippendarmen.
DOOR HET ZUIDEROEBERGTE.
hoorden. Maar, dat kluchtige klom tot het komieke, toen zij het diner op pisangbladeren voor eenig servies zagen voordienen. Zij onderwierpen zich evenwel goedsmoeds en kruidden met de levendigheid, hunner natie zoo eigen, dat zoo oorspronkelijk maal.
.,Wij zijn nu omtrent het diner ingelicht,quot; sprak Yan Berkenstein, toen hij het rapport van Vogels had aangehoord, „en zullen ons naar de omstandigheden weten te schikken. Maar, hoe is het met het logies van hedennacht? De avond begint te vallen. Zijn daaromtrent ook voorzieningen te treffen?quot;
„Ook daarmee zullen wij ons naar de omstandigheden moeten schikken en alweer bedenken dat wij niet in het Hotel du Louvre logeeren/' gaf Vogels lachend ten antwoord. „Er zijn maar vier kamertjes: op ieder der vier hoeken van den passangrahan één. Ik heb evenwel maar drie bultzakken kunnen opduikelen. Die blijven natuurlijk voor de dames gereserveerd. Daarginds staat een groote baleh-baleh; daarop kunnen de heeren plaats nemen. Zij zullen als veldsoldaten op een brits slapen en ik hoop, dat zij er een goede rust op zullen genieten.quot;
Een glimlach, waarop evenwel niemand lette, vloog hem over het gelaat bij het uitspreken dier laatste woorden.
Het onweder had intusschen uitgewoed; de hemel helderde op en de ondergaande zon bad nog gelegenheid de spitsen der bergpartijen, die Tegal Oemboh omgaven, voor een oogenblik met een laatsten purperstraal te vergulden. Nadat evenwel de dagvorstin ondergegaan was, viel de avond schielijk in. Na het diner, dat met gelatenheid, ja zelfs met vroolijkheid verorberd werd en menigen kwinkslag ontlokte, zaten de toeristen nog eenigen lijd bij een „palitaquot; ^ te kouten en te praten; maar eindelijk deed de slaap zich gelden en haakten allen naar rust. De dames zochten haar kamertjes op, de heeren strekten zich op de baleh-baleh uit. Daar deze niet al te groot was, zouden laatstbedoelden lepelsgewijze hebben moeten liggen, wanneer allen daarop plaats genomen hadden; maar Visbergen en Vogels hadden een paar luierstoelen bij [den wedono opgeduikeld, zett'en zich daarop, sloegen de beenen over de uitsteeksels en waren, evenals al de anderen, weldra in diepen slaap gedompeld.
Die rust zou echter niet van langen duur zijn. Eerst begon Boisjolin zich onrustig heen en weder op de baleh-baleh te wentelen. Aanvankelijk deed hij dat bedaard en behoedzaam, maar later werd hij driftig en wierp hij zich met zóó'n geweld nu op deze, dan op gene zijde, dat de bamboe-rustbank er van kraakte. Montauban begon die bewegingen na te apen. Ook de anderen deden mede. Eindelijk weerklonk met een woesten vloek:
„Ce n'est pas a supporter! (3'a me chatouille!quot;
') Palita is een eenvoudig bakje met olie, waarin een pit brandt. Is het een zeer deftige palita, dan is dat bakje vierkant, terwijl de hoeken in den vorm van tuitjes gebogen zijn, waarin dan vier pitten branden, en liet geheel op een voetstuk staat of met een kettinkje opgehangen kan worden.
188
DOOK HET ZUIDEROEBEROTE.
Het was Boisjolin, die opvloog. Zijn voorbeeld vond evenwel navolging. Al de heeren waren in een oogenblik op de been en schaarden zich pruttelend op hun stoelen in een kring, vast besloten zoo het overige van den nacht door te brengen. Niemand wilde zich weer op die noodlottige baleh-baleh wagen.
Een ieder begroette eindelijk den dageraad, welke met ongeduld afgewacht was, met een vreugdekreet^ zelfs de dames, die ook betuigden, dat zij geen oog geloken hadden.
„Het is goed, dat wij geen bagage bij ons gehad hebben,quot; zei mevrouw Van Berkenstein. „Die zou ook vergeven geworden zijn.quot;
In der haast werd wat „nassie ketanquot; verorberd en daarna te paard gestegen.
Wel was de beek nog erg gezwollen, maar de wedono betuigde, dat zij evenwel reeds zoover in haar bedding was teruggekeerd, dat de te volgen weg vrij was. Voort ging onze ruiterstoet dus.
Tot Tegal Oemboh had de trachiet-formatie hier en daar door oudere granietrotsen doorbroken de overhand gehad in dat woeste terrein van het Zuidergebergte. Van nu af begonnen zich kalkgesteenten voor te doen, welke langzamerhand vermeerderden en eindelijk over de trachietlagen de bovenhand behielden. Het was een nieuwere formatie, die de oudere dekte en deze nog slechts hier en daar vergunde om het daglicht te aanschouwen. Nu eens was het, of onze reizigers een kerkportaal van gothische bouworde met haar veelvuldige ogiven in de verte ontwaarden. Elders verhief zich een naald hemelwaarts, grillig, maar fijn en relief bewerkt. Ginds aanschouwde het oog burchten of oude riddersloten. Dan weer een onmetelijken boog, die, aan zijn ééne einde ingestort, toch nog stoutmoedig een ravijn half overspande. Overal woeste blokken, die aan het geheel iets ontzaglijk wilds verleenden; terwijl de natuur toch haar krachten inspande om met den verevenenden duim des tijds over de scherpe kanten dier steenmassa's te glijden en die af te ronden, om hier en daar een festoen rondom een zuil of een burcht te vlechten, om die rotsgevaarten hier en die poorten daar met het lieflijk groen van klimop te dekken en te tooien en zoo het hare er toe bij te brengen, om in die wilde en woeste omgeving een zachtere tint te penseelen, die het oog boeide en de geziene tafereelen tot onvergetelijke in de ziel grifte.
Ook de beek bracht het hare toe, om het landschap iets eigenaardig verhevens te verleenen. Ja, zij was nog maar een beek; maar door de regens van den vorigen dag gezwollen, ook door de aanvoeren uit meerdere dwarsdalen gevoed, begon zij, zonder haar bescheiden afkomst geheel te vergeten, de allures van een jeugdigen bergstroom aan te nemen. Hier murmelde en bruischte zij zacht en melodieus tusschen de zware kalkrotsen door en scheen zij zich soms daaronder te verliezen. Iets verder schoot zij langs een hellend vlak en tooide zich bij de hinderpalen, welke zij op dien weg ontmoette, met wit schuim, dat in helderheid met het krijt der oeverwanden wedijverde. Elders had zij zich in den kalksteen een bekken uitgehold, dat, breed en diep, een overgroote witmarmeren
189
DOOR HET ZUIDEliGEBEKGÏE.
badkuip gelijk was en waarin de watermassa, tot kalmte gekomen, effen, glad en bijna bewegingloos onder de stralen der zon schitterde en daarbij het azuur des hemels weerkaatste, dat een scherp contrast vertoonde met het schitterend wit van de gepolijste kalkwanden. Hier ontbraken slechts Diana met haar nymfen, om zich een mythologische badplaats te kunnen voorstellen. Uit dat bekken ontwrong de beek zich en stortte langs een loodrechten wand van een hoogte van dertig voet neer, terwijl de kalkrots, ter weerszijden door het water uitgehold en uitgewerkt, zich gedeeltelijk om den vallenden waterstraal als een fijne kanten mantel uitspreidde.
Onze reizigers moesten erkennen dat de tafereelen, die hen voortdurend en afwisselend onder de oogen kwamen, óf zeer indrukwekkend óf uiterst lieflijk waren.
Het was ongeveer middag, toen Patjitan bereikt werd. In de min of meer verwaarloosde kleeding, waarin onze toeristen den nacht te Tegal Oemboh doorgebracht hadden, wilden zij hun opwachting niet bij den assistent-resident der plaats maken; maar zij spoedden zich naar de baai, waar zij de „Zeemeeuwquot; op de zacht aanrollende deining zagen wiegelen. Aan den steiger lagen de booten te wachten en weldra waren allen aan boord en hadden ze, gezeten aan een welvoorzienen disch, al de geleden ontberingen spoedig vergeten. Dat zij de tafel aan boord zoo keurig gereed vonden, had men aan Vogels te danken, die, toen de cavalcade bij Ardjosari de vlakte, althans een meer bruikbaren weg, bereikte, zijn paard den teugel gevierd had en spoorslags de zeven palen tot Patjitan afgelegd had, om kapitein Meerman van de aankomst van het reisgezelschap te verwittigen.
Des namiddags werd een bezoek aan den assistent-resident gebracht en het plaatsje bezichtigd. Maar de toeristen keerden vroeg naar boord terug, want het gebrek aan rust gedurende den vorigen nacht maakte allen loom en verlangend om die schade in te halen.
„Zoo is dan onze toer over Java volbracht,quot; sprak Van Berkenstein, terwijl het gezelschap na het diner nog een oogenblik op het dek toefde, om den heerlijken avond te genieten. „Morgen dus onder stoom om naar Batavia terug te keeren!quot;
„Ja, morgen en route naar Batavia!quot; herhaalden de anderen. „Goeden nacht!quot;
Den volgenden dag was het zoo heel vroeg niet meer, toen er leven en beweging aan boord van de „Zeemeeuwquot; kwam. Onze toeristen waren nog slaperig. Toen evenwel het gesis van den stoom zich zoo omstreeks te 9 uren liet hooren en later het geratel der kettingen, onvermijdelijk bij het ankerwinden, toen viel er aan slapen niet meer te denken. Trouwens, de reizigers hadden een langgerekte nachtrust genoten. Nog voordat het anker uit den grond was, verscheen het geheele gezelschap op het dek.
Hoewel de zon reeds hoog stond, was het daar allerheerlijkst. De baai van Patjitan, in welker midden de reizigers zieh nagenoeg bevonden, lag daar als een onmetelijke spiegel, die het azuurblauw des hemels lieflijk weerkaatste, maar die omlijst was door een rand van trotsch omhoogsteigerend gebergte, hetwelk hoofdzakelijk met koffiestruiken begroeid
190
DOOR HET ZUIDEKGEBEliöTE.
was, hier en daar afgewisseld door oorspronkelijk bosch, met zijn hooge en omvangrijke stammen en zijn weelderige loofkruinen. Zoo van boord gezien, had de baai een cirkelvormige gedaante en vertoonde de nokrand van het omringend gebergte zich nagenoeg op gelijke hoogte. Dit was evenwel niet zoo, want Visbergen deelde mede dat die nok in het Noordoosten merkelijk lager was dan aan de zuidzijde, waar de bergwand een smallen doorgang vormde, waardoor de gemeenschap van de baai met den Indischen Oceaan plaats had en waarvan de poortposten, rechts en links van dien doorgang, steil omhoogrezen en 280 voeten boven de oppervlakte van het water bereikten.
Het anker was eindelijk uit den grond. De schroef werd in beweging gebracht en bevallig wendde de „Zeemeeuwquot; den steven en richtte hem zuidwaarts naar dien doorgang, welke haar toegang tot het ruime sop moest verleenen. Het was of zij op den bergwand instoomde. Die wand naderde, naderde, terwijl de opening, welke de beide poortposten scheidde, aanvankelijk smal als een nauwe spleet, waardoor het blauw der zee en dei-lucht zichtbaar werd, langzamerhand verbreedde en eindelijk een zeeëngte liet ontwaren, welker zacht deinende oppervlakte lieflijk tusschen die grootsche en verheven bergtoppen doordrong.
„Ziet gij daarboven op de rechter-rotspunt die gemetselde pyramideT vroeg Visbergen aan zijn reisgenooten. „Dat is een onzer geodesische signalen. Ik heb indertijd meegeholpen om dat punt te bepalen. De voet van die pyramide is 88 M. boven de oppervlakte der zee verheven en ligt op 8° 16'30 zuiderbreedte en op 111° 3'45quot; oosterlengte van Greenwich.quot;
De vaart in die zeeëngte duurde niet lang, evenwel lang genoeg om op te merken, hoe de aanrollende deining uit het Zuiden zich in die poort als het ware samenperste, er een hoogen deininggolf in het nauwste gedeelte vormde, die zich bij het binnentreden dei-baai uitbreidde, om haar oppervlakte zachtgolvend op en neer te doen gaan.
Eindelijk was de „Zeemeeuwquot; buiten. Maar in stede van om de West te wenden, stak zij in den Zuidoost-passaat, die in dit seizoen buiten doorstond, op en volgde de kustlijn van Java oostwaarts op.
„Gaan wij naar Soerabaia terug?quot; vroeg Van Berkenstein aan kapitein Meerman, die op de brug stond.
„Neen, zoo ver niet,quot; antwoordde deze lachende.
„Ik heb den kapitein verzocht naar de Pangool-baai te stoomen,quot; zei Vogels. „Dat is slechts een uitstapje van Aveinige uren. Ik ben verzekerd, dat u dit niet spijten zal.quot;
„Vooral niet,quot; antwoordde Montauban, „dewijl onze reis over Java veel minder lang geduurd heeft, dan wij aanvankelijk gerekend hebben. Vooruit dus maar naar cle Pangool-baai!quot;
De „Zeemeeuwquot; gleed over het water. De kapitein hield dicht onder den wal, die hier, steil en verheven, onzen reizigers de meest verrukkelijke tooneelen bood. De kust was
DOOR HET ZUIDERGEBERCtTE.
huBr grillig Gn soms zóó diGp ingosiiocloii, dut zicli t6lk6niiitil6 iii6iiw6 1 muicn. iii6uw6 Z6G1306Z61T1S voor cIg opgGtogGii blikltGii oiizGr TGizigGvs o | )Giiden. Zoo pilSSCGl do iugxi do TGloqs !) Si-GngGt, OgIogii Glantang, KoGripan Gn Damas Gn ggii mGiiigtG andGron, tG klGin om eon naam te dragen, maar die 6r het liunne toe bijbracliten om die geheele kust niet haar hoog gebergte en haar uitgeholde en teruggetrokkGn wandon, een grootsch en ontzagwekkend aanzien te geven.
Het was ongeveer 12 uren, toen de matroos, op uitkijk geplaatst, riep dat een
Nederlandsche vlag op Gen bergtop vlak vooruit te zien was.
„Dat is het signaal, dat den ingang der Pangool-baai aanduidt,quot; vertelde Visbergen. „Die vlag waait op den Goenoeng Gentoeng, die zich op 1150 voot boven de zee vGi-heft. Dat is ook nog een top, dien ik beklommen heb. Ziet nu, nog een oogenblik, dan krijgen wij den Goenoeng Trientjieng dwars voor ons. Zijn wij dien voorbij, dan hebben
wij de Pangool-baai opGn voor ons liggen.quot;
De „Zeemeeuwquot; spoedde vooruit en hield, toen eenmaal de genoemde berg voorbij-gestevend was, zuiver Oost aan, minderde vaart, toen zij zoowat in de heltt der baai gekomen was, stopte geheel en al, toen zij een kleine inham ingeschoten was, sloeg achteruit en liet daarna haar anker ratelend vallen.
„Wij zullen bedaard en zonder overhaasting de rijsttafel gebruiken,quot; zeide Visbergen, „daarna onze siesta houden; zoo omstreeks drie uren zullen wij de baai eons rondstooniGn en wanneer do zon aan hot dalen zal zijn en niet meer zoo onbarmhartig haar vuurheete stralon zal zGiidon, zullen wij een wandeling aan don wal gaan makon.quot;
Die afspraak werd gevolgd. Toen het anker gewonden werd, bovonden onzo roizigors zich op het dek. Dg prachtigG baai, welke men rondstoomde, word met recht bewonderd. Zij was in het klein, wat de baai van Patjitan in het groot was; maar juist daarom was zij ook lieflijkGr, omdat de blik haar bekoorlijkheden beter in haar geheel kon omvatten. Alleen was zij meer open dan de genoemde baai en vertoonde zij daardoor minder het karakter eener binnenzee, maar daardoor verleende zij ook meer toegang aan de statige deininggolven, die uit den Indischen Oceaan aanrolden en togen de rotsige kust van de oostelijke en westelijke oevors woest en wild aanklotsten on donderden, of op de zandige kust, die den noorderoever der baai tot een bekoorlijk strand maakte, in zilverwitte branding braken en de bocht der baai met een kring van schuim omlijstten.
192
De Pangool-baai is ruim 4 K. M. breed en 2 K. M. lang,quot; lichtte Visbergen toe. „Twee kalies storten hun water Gr in uit; do Godangan gu de Assem. De baai is geheel door gebergte omsloten, dat zich bij den ingang steil uit zee vorheft, zich evenwel in het Noorden, zooals gij ziet, van den zeeoever verwijdert en daar een onbeduidende strandvlakte vormt, welke zich evenwel langs de Gedangan- en Assem-valleiGn moor binnonwaarts
') Teloq beteekent inham.
DOOR HET ZUIDEKGEBEKGTE.
uitstrekt. Zooals uw oog ontwaren kan, wordt de baai door die eilandengroep daar, „Poeloe Godoquot; genaamd, in twee ongelijke helften verdeeld en verleenen die eilandjes haar veel schilderachtigs. Ah!,., daar naderen wij ons eerste ankerpunt; dat is ïeloq Assam. Wij stevenen nu den berg Sanggong om, die 895 voet boven het zeevlak bereikt en tegen wiens voet de deining met geweld klotst. Is het gezicht tegen die steile hoogte niet fraai?quot;
Allen beaamden dit met een knik.
„Ziet,quot; zoo ging Visbergen voort, „nu stoomen wij een kleine baai binnen. Dat is de Teloq Djokotro, die door haar twee evenwijdige steile rotswanden op een bassin gelijkt, naar de kleine desa genaamd, die gij daar in die terreinplooi tusschen de bergen Sanggong, Tierissan en Tjenger verscholen ziet liggen.quot;
„Maar ik zie daar een steiger, die in zee uitgebouwd is,quot; riep Van Berkenstein.
„Juist, en daar gaan wij debarkeeren,quot; antwoordde Visbergen.
De „Zeemeeuwquot; stopte, schoot den steiger op zijde en lag weldra daaraan gemeerd. De toeristen stapten aan wal en sloegen, onder geleide van Visbergen, den weg naar den Sanggongberg in. Eerst stapten zij de desa Djokotro door, een onaanzienlijk gehucht, waar slechts eenige zout- en kofflepakhuizen op te merken vielen. Toen men buiten de desa evenwel aan den oostkant trad, deed Visbergen de reizigers opmerken, dat hier de bodem geheel uit trachietgesteente bestond.
Die formatie omvat,quot; zeide hij, „het grootste gedeelte der ons omringende bergen, hoewel wij haar dadelijk afgebroken zullen zien.quot;
En werkelijk, nauwelijks hadden zij eenige honderd schreden in noordelijke richting gedaan, of de trachiet maakte plaats voor kalkformatie, die weldra overging in dichten kristallinischen kalksteen. De weg, die nu westelijk omboog naar de ver in zee uitstekende kaap van den Goenoeng Sanggong, was ter breedte van ruim twee meter op ongeveer 190 voet boven het zeevlak in de naakte rots uitgehouwen. Rechts van de wandelaars verhief zich schier loodrecht de wand, welke zich hoog, zeer hoog boven hun hoofden met plantengroei tooide; links blikte het oog in de diepte van den blauwen Oceaan, die regelmatig zijn lange, breede golven als legerscharen tegen den steilen rotswand aanvoerde en den voet daarvan met glinsterend schuim omgaf en soms daartegen opspatte, alsof zijn poging, om den weg daarboven te bereiken, ernst was. Visbergen vestigde de aandacht dei-toeristen op den rotsmuur, die rechts van hen omhoogsteigerde.
„Mais c'est du marbre!quot; riep Montauban ten hoogste verbaasd uit. „Et du marbre magnifique!quot;
„Ja,quot; antwoordde Visbergen, „gij hebt gelijk, dat is marmer. Die geheele wand bestaat uit die soort dichten, korreligen, kristallinischen kalksteen, die voor een groot gedeelte de formatie van den Goenoeng Sanggong uitmaakt. Ziet, hier vallen de marmerlagen geheel bloot. Zij zijn nogal door steil gerichte kloven verdeeld. Die breuken zijn evenwel niet zoo veelvuldig, dat het marmer daardoor ongeschikt tot ontginning zoude wezen. Integendeel,
198
DOOR HET ZUIDERGEBEKGTE.
die failles, zooals de mijnwerkers die breuken noemen, zouden den arbeid zeer begunstigen. De lagen, zooals gij opmerken kunt, hebben een dikte van minstens 2 M. Daar is er een, die ver daarboven gaat. De hoofdmassa van dat marmer bestaat uit twee soorten, namelijk een wit met grijze, gele en groenachtige aders en de andere wit met donkergrijze tot zwarte spikkels en aders. Geheele uitgestrektheden van smetteloos wit gesteente worden meer naar binnen gelegen aangetroffen. Het wit van dit marmer is niet zoo helder en niet zoo teekenachtig als het marmer van Livorno en staat dus, wat fraaiheid betreft, daarbeneden, maar het is ver daarboven te verkiezen door deugdzaamheid, namelijk door dichtheid, door fijnen kristallijnen korrel, door hardheid en weerstandsvermogen, maar vooral door de meerdere geschiktheid om gepolijst te worden.quot;
„Heeft men van dit laatste proeven genomen?quot; vroeg Montauban, die bezig was zijn aanteekeningen te maken.
„Welzeker. Er zijn indertijd dertien blokken uitgezaagd geworden, waarvan er enkelen naar Buitenzorg vervoerd en daar tot tafelbladen verwerkt zijn. In het mineralenkabinet, dat thans te Batavia gevestigd is, wekken die tafelbladen ieders aandacht, door hun fijnheid van teekening en hun glans. De specimina, die te Amsterdam op de Koloniale-en Uitvoerhandel-Tentoonstelling van 1883 te bezichtigen waren, konden iedere mededinging tarten.quot;
„Hoeveel marmer zou hier wel liggen? Zou dat de exploitatie waard zijn!quot; vroeg Montauban.
De gemiddelde oppervlakte, door die marmerlaag ingenomen, bedraagt 250,000 M2. bij een dikte der gezamenlijke lagen van 30 M., hetgeen 7.5 millioen M3. geeft.quot;
„Maar dat is onmetelijk! dat is een fortuin!quot; merkte Van Berkenstein op.
„En dat is lang nog alles niet,quot; ging Visbergen voort. „In den Goenoeng Gentong, dien berg, waarop die signaalvlag waait, welke wij bij aankomst in de Pangool-baai gezien hebben, alsook in den Goenoeng Tierissan daar, zijn marmerbeddingen aangehoord, die even fraai en minstens even uitgestrekt zijn als die hier in de Djokotro-baai.quot;
„En blijft die schat zoo maar onaangeroerd?quot;
„Och!quot; antwoordde Visbergen en hij trok de schouders op; „de ondernemingsgeest is er bij de Nederlanders uit. Die marmerlagen wachten op vreemd kapitaal om ontgonnen te worden. Dan zal er wel weer couranten-geschreeuw opgaan; maar.... intusschen zullen de vreemdelingen van ons gebrek aan energie gebruik maken en de dubbeltjes inpalmen.... Komt, het is beter daarover te zwijgen. Wat denken de dames er van? Zullen wij de wandeling verder voortzetten? Of' naar boord terugkeeren?quot;
„O! naar boord terug!quot; riepen dezen als uit één mond. „Het is hier onuitstaanbaar warm in de nabijheid van dien rotswand, die door de zon zoo fel beschenen wordt.quot;
De dames hadden gelijk. Hoewel de zeebries de temperatuur zooveel mogelijk matigde, was de uitstraling van warmte, door dien rotswand teweeggebracht, toch zóó
194
DOOK HET ZÜIDERÖEBEKGTE.
ondraaglijk, dat allen zich met onverdeeld genoegen naar boord terughaastten. Allen, vooral de heeren, waren evenwel voldaan over hetgeen zij gezien hadden. De inscheping was spoedig volbracht. De trossen werden losgegooid en weldra was de „Zeemeeuwquot; buiten de Pangool-baai en wendde ze, nadat zij een poos zuiver Zuidwest voorgelegen had, nagenoeg West en liep evenwijdig aan de kust.
De Zuidoost-passaat, die bij het vallen van den avond steeds minderde, maar in dit seizoen niet geheel wegstierf, was tot een lichte bries overgegaan, die de zeiltjes van de „Zeemeeuwquot; zachtjes vidde en het scheepje, dat in de langzaam aanrollende deining dwarszee's lag, tot steun diende, zoodat de geheele beweging in een zacht wiegelen bestond, dat voor onze reizigers niet onaangenaam was. Onder den druk der zeilen licht stuurboord overhellende, gleed het vaartuig, zijn naam niet ongelijk, als een slanke watervogel over de oppervlakte des Oceaans.
Het was een prachtige avond. Maan en sterren wedijverden met elkander om het scheepje in een toovercirkel van licht te hullen, die daarginds aan den noorder horizon door den donkerblauwen rand der gekartelde kustlijn gebroken werd. Uit zee bracht de zachte adem der bries frischheid aan. In het kort: alles werkte mede om onze toeristen met volle teugen te doen genieten.
Het was ongeveer zeven uren in den volgenden ochtend, toen de „Zeemeeuwquot;, die inmiddels West ten Noorden opgestoken was, de rotsen van Karang Bollong in het gezicht kreeg. Eenige uren later stoomde zij langs Noesa Kembangan, het bloemen-eiland, dat met zijn hoogen bergketen, van uit zee waargenomen, een schilderachtig gezicht opleverde. Daarna hield de boot Zuid westwaarts aan en kregen de reizigers in volle vier en twintig uren geen land meer te zien, totdat zij den volgenden morgen, iets vóór het opkomen dei-zon, Java-Hoofd ontwaarden en spoedig daarop de Behouden Passage, tusschen Prinseneiland en den Javawal, doorstoomden. Het was ongeveer één uur des namiddags, toen de „Zeemeeuwquot; Nieuw-Anjer in Straat Sunda passeerde en tegen negen uren des avonds het anker op de reede van Batavia liet vallen.
195
Eerste Hoofdstuk. uiadz. Toebereidselen tot de reis...................... 1.
Tweede Hoofdstuk.
Aan boord van de „Zeemeeuwquot;.................... 11.
Derde Hoofdstuk.
Tagal en omstreken........................21.
Yierde Hoofdstuk.
Bandjir. — Naar Banjoemaas....................30.
Viij 1de Hoofdstuk.
Karang Bollong. — Naar Wonosobo..................41.
Zesde Hoofdstuk.
De Diëng. — Hindoesche Genesis...................52.
Zevende Hoofdstuk.
Op vulkanisch grondgebied.....................6-1.
Achtste Hoofdstuk.
Een theetuin. — Tusschen de Twee Gebroeders door............74.
Negende Hoofdstuk.
Magelang. — Het Progodal.....................86.
INFIOITD.
De Bóróboedoer. — Een vulkaan in arbeid................93.
Elfde Hoofdstuk.
Op den Merapi..........................103.
Twaalfde Hoofdstuk.
Een Indische hofhouding. Djokdjokarta en omstreken...........112.
Dertiende Hoofdstuk.
De indigo-teelt, — Een rampokpartij. — Suikerfabrikatie...........122.
Yeertieude Hoofdstuk.
Een senënnan. — Salatiga............,.........132.
Vijftiende Hoofdstuk.
Naar het Noorderstrand.......................140.
Zestiende Hoofdstuk.
Semarang. Onder stoom.....................147.
Zeventiende Hoofdstuk.
Een dansreceptie bij den Majoor-Chinees.................157.
Achttiende Hoofdstuk.
Soerabaia. Toeban.......................166.
IVegentiemle Hoofdstuk.
Djati-bosschen. — Een waterval. — Een topeng..............174.
Twintigste Hoofdstuk.
Door het Zuidergebergte......................182.
mmmmrnsa
DE BUI TENBEZ1TTI X( i EN.
■ ■ ■
Tandjoeng Prioek en Poelce Morak..
In den vroegen morgen van den 25sten Augustus bevond ons reisgezelschap zich op het perron van het station Noordvvijk vereenigd, om naar Batavia of' eigenlijk om naar Batavia's haven te Tandjoeng Prioek te sporen, ten einde zich aan boord van de „Zeemeeuwquot; in te schepen en de afgesproken reis door den Indischen Archipel te vervolgen. Bij terugkomst van de vorige reis in Insulindes hoofdplaats had het gezelschap, daartoe genoodzaakt door gebrek aan ruimte, intrek in verschillende hotels genomen. Daarenboven hadden de Franschen en de Denen de gelegenheid benut om een uitstapje naar Buitenzorg en de Preanger Regentschappen te maken, zoodat de wegen van onze toeristen nogal uiteeuge-loopen hadden en dezen elkander, gedurende de twee maanden, dat het verblijf te Batavia gerekt was geworden, niet veel hadden ontmoet. ïïefc wederzien was dan ook hartelijk en vooral gaven de Franschen met luidruchtigheid blijken van hun tevredenheid. Dat allen zonder uitzondering op het rendez-vous tegenwoordig waren, zal wel geen verwondering wekken. Men was nog bezig handjes te drukken en complimenten te maken, toen de omnibus-trein van Meester-Cornelis aangestoomd kwam. Het was juist 6.15; hij kwam dus nauwkeurig op zijn tijd. Allen waren weldra ingestapt en in weinige oogenblikken was het station Batavia bereikt. Daar werd een korte poos gewacht, toen zette de trein zich andermaal in beweging en stoomde Oost ten Noorden op naar het einddoel van den rit.n den vroegen morgen van den 25sten Augustus bevond ons reisgezelschap zich op het perron van het station Noordvvijk vereenigd, om naar Batavia of' eigenlijk om naar Batavia's haven te Tandjoeng Prioek te sporen, ten einde zich aan boord van de „Zeemeeuwquot; in te schepen en de afgesproken reis door den Indischen Archipel te vervolgen. Bij terugkomst van de vorige reis in Insulindes hoofdplaats had het gezelschap, daartoe genoodzaakt door gebrek aan ruimte, intrek in verschillende hotels genomen. Daarenboven hadden de Franschen en de Denen de gelegenheid benut om een uitstapje naar Buitenzorg en de Preanger Regentschappen te maken, zoodat de wegen van onze toeristen nogal uiteeuge-loopen hadden en dezen elkander, gedurende de twee maanden, dat het verblijf te Batavia gerekt was geworden, niet veel hadden ontmoet. ïïefc wederzien was dan ook hartelijk en vooral gaven de Franschen met luidruchtigheid blijken van hun tevredenheid. Dat allen zonder uitzondering op het rendez-vous tegenwoordig waren, zal wel geen verwondering wekken. Men was nog bezig handjes te drukken en complimenten te maken, toen de omnibus-trein van Meester-Cornelis aangestoomd kwam. Het was juist 6.15; hij kwam dus nauwkeurig op zijn tijd. Allen waren weldra ingestapt en in weinige oogenblikken was het station Batavia bereikt. Daar werd een korte poos gewacht, toen zette de trein zich andermaal in beweging en stoomde Oost ten Noorden op naar het einddoel van den rit.
„Ziet,quot; sprak Visbergen, die weer gelukkig was, zijn topographische kennis te kunnen luchten, „ziet, de spoorbaan volgt thans een kanaal, waarvan zij door een rijweg gescheiden is. Dat kanaal is gegraven en de rijweg en spoorbaan zijn opgeworpen om de haven in verbinding met de stad te brengen.quot;
„Dat alles is op ruimen voet aangelegd,quot; merkte Montauban op, die reeds naar zijn carnet tastte, om aanteekeningen te maken.
ïANDJOENGt PRIOEK EN POELOE MEEAK.
„Het kanaal heeft een bovenbreedte van 25 en een bodembveedte van 15 M.,quot; deelde Visbergen mede. „De rijweg heeft een breedte van 15 en de spoorweg een van 10.50 M. Daarenboven bevindt zich nog een bermsloot van 9 M. breedte aan den rechterkant van de spoorbaan, terwijl zich aan den anderen kant van het kanaal een jaagpad bevindt, dat 6 M. breed is. Zooals gij ziet, zijn alle taluds onder halve natuurlijke helling opgezet.quot;
„Het aanleggen van die werken in dit moerassige terrein moet nogal bezwaren ontmoet hebben,quot; merkte Van Berkenstein op. „Hoe lang is dat kanaal?quot;
„Ruim vijf paal of iets meer dan 7V2 kilometer,quot; antwoordde Visbergen, steeds opgetogen, met zijn topographische cijfers te kunnen schermen.
Het was een moerassige streek, welke men doorstoomde; het waren slechts poelen en modderige plekken, overdekt met rietgewas en nipah-pahnen die den blik troffen.
„Zoo is bijna de geheele noordkust van het eiland Java,quot; ging Visbergen voort. „Die kust is grootendeels van alluviale vorming, een aanslibbing van de vele riviertjes, die op den centraal-bergketen ontspringen en zich naar de Noordkust spoeden. Ziet, daar sporen wij over het Goenoeng Sahari-kanaal, dat de oostelijke uitwatering van de Tjiliwoeng vormt. Daar, aan onze linkerhand, ligt de kampong Pekapoerang. Die weg daar door dien kampong voert naar de Moeara Antjol-batterij.quot;
„Bestaan er werken tot verdediging der reede van Batavia?quot; vroeg Henri Jatfrezic, die als zeeofficier daar nogal belang in scheen te stellen.
„Welzeker,quot; was het antwoord van Visbergen. „De reede is zelfs vrij goed beschermd door de batterijen te Moeara Angke en te Moeara Baroe, door de batterij het Loo, door de Welkomst-batterij, door de batterijen Castor en Pollux, door de reeds genoemde Moeara Antjol-batterij en door de beide fortjes Antjol, waarvan wij het grootste thans voorbijstoomen.quot;
„Zijn die batterijen goed bewapend?quot; vroeg Montauban.
„Voldoende om een landing krachtdadig te beletten,quot; antwoordde Visbergen ontwijkend. „Ziet,quot; ging hij voort, „hier doorsnijdt de Kalie Soenthar het kanaal, splitst zich bij het fort Antjol in twee takken, waarvan de een zich Westwaarts spoedt en Kaiie Antjol heet, en de ander onder den naam van Vinkevaart Oostwaarts stroomt, de Soengej Tiram opneemt, zich dan Noordwaarts wendt om daarginds bij den kleinen kampong Baroe in zee te vallen. Ah! daar doorsnijden wij den kampong Pengaringan, stoomen de Kalie Lagoa over en... . wij zijn aangekomen.
De trein hield halt bij den watertoren. Het gezelschap had nog slechts weinige passen te maken om de „Zeemeeuwquot; te bereiken, die aan den oostelijken kaaimuur van de binnenhaven vastgemeerd lag.
Maar, haperde er iets, of waren de bevelen, aan kapitein Meerman verstrekt, minder
') Nipah = Nipah fruticans.
2
ÏANDJOENÖ PKIOEK EN POELOE MEKAK.
duidelijk; geweest? Genoeg zij liet dat, toen ons gezelschap verscheen, de „Zeemeeuwquot; geen stoom op had.
„Hoe lang zal het duren, voor dat de boot zee zal kunnen kiezen?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Ruim een uur!quot; was het antwoord van den eersten machinist Wouters.
„Een uur! Dat is lang,quot; was het algemeen gepruttel.
„Dat is zoo,quot; antwoordde Vishergen, „maar dat uur kan nuttig besteed worden. Komt, laten wij van de morgenkoelte gebruik maken, om een wandeling rondom de haven te doen.quot;
Dat voorstel werd door de heeren met algemeene stemmen aangenomen. De dames begaven zich echter aan boord, om bezit van haar hutten te nemen en daarin alles te regelen.
„Over een uur zijn wij terug, kapitein Meerman!quot; riep Van Berkenstein.
„O! dan heeft de „Zeemeeuwquot; stoom op,quot; was des kapiteins antwoord.
„Ziet,quot; sprak Vishergen tot de heeren, die nu over den oostelijken kaaimuur wandelden. „De binnenhaven is bijna 200 M. breed, heeft een lengte van ruim 1000 M. en een diepte van 7.5 M. De kaaimuren van de haven zijn uiterst belangwekkend door hun grootsche afmetingen.
„Tonnerre! Oui, c'est une oeuvre gigantesque! 11 faut être Hollandais pour entre-prendre un travail pareil!quot; kreet Montauban. „Kunt gij mij eenige gegevens mededeelen omtrent dat werk1?quot; vroeg hij met aandrang.
„Welzeker,quot; antwoordde Visbergen lachend. „Gun mij slechts den tijd om mijn zakboekje te voorschijn te halen. Gijlieden zult toch begrijpen, dat ik dit alles niet in het hoofd heb.... Luistert:
„Zooals gij ontwaren kunt, zijn de bovenmuren van breuksteen opgetrokken. Die breuksteen bestaat uit uitgezochten trachiet, afkomstig van een strook van den Java-wal aan Straat Soenda, achter het eiland Merak gelegen. Dat eiland zullen wij straks wel zien. Men heeft dien breuksteen zoodanig bekapt, dat daaraan het uitzicht van bazalt gegeven is. Zooals gij bemerkt, zijn die bovenmuren gedekt door zware zerksteenen, waarin de meerringen, de schuurklampen, enz., die het kunstwerk voltooien, aangebracht zijn. Hier aan dezen kant is de kade onbebouwd, maar op den westelijken muur verheft zich een rij loodsen, die men, om echt Nederlandsch te blijven, met den Franschen naam van hangars begiftigd heeft. Dat zijn flinke, ruime keten, waarin heel wat koopmanschappen kunnen geborgen worden.quot;
„Jawel, dat alles zien wij,quot; zei Montauban, „maar nu het kunstwerk, dat wij niet zien?quot;
„Geduld,quot; sprak Visbergen, terwijl hij voorttrad en de heeren geleidde. „Ik wenschte u nog attent te maken, dat het geheele binnenbassin door een stel rails, in verbinding met
• » O
TANDJOENG PUIOEK EN POELOE MERAK.
den spoorweg, omgeven is, waardoor het lossen en liet laden zeer vergemakkelijkt worden. Nu gaan wij tot de onzichtbare bijzonderheden van den havenbouw over.
,De put, waarin de fundeering voor de kaaimuren is aangebracht, is met handenarbeid uitgegraven. Soms werden, wanneer koelies te kort kwamen, zoogenaamde grabs of excavators gebezigd. Na die uitgraving heeft men de beheiing aangebracht. Er zijn 11176 zware dampalen van 14 M. en 8051 nog zwaardere fundeeringspalen van 16 M. lang ingeheid geworden. Door krachtige centrifugaalpompen werd de fundeeringsput van het grondwater ontlast. De betonspecie werd nu in kipbakken door stoomkranen in de diepte neergelaten en zoo op de plaats gekipt. De voorkant van de kaaimuren is vervaardigd van kunst-steenen, die een halve ton wegen.quot;
„Het is een prachtig werk!quot; merkte Montauban op, toen Visbergen een oogenblik zweeg. „Maar, hoe lang zijn die kaaimuren?quot;
„Zij hebben een lengte van ruim 1388 M. en tot daarstelling van dit kunstwerk zijn 10,000 stères zand en 60,000 stères metselwerk benoodigd geweest.quot;'
„Kolossaal!... Hoe groot is het binnenbassinT
„Dat is 1000 M. lang, 175 M. breed en 7.5 M. diep. Het beslaat dus een oppervlakte van 17.5 hectaren en heeft tot een grondverzet genoodzaakt van 1,312.500 stères. Voegt bij dat laatste getal de 900,000 stères grond, die verzet zijn moeten worden om het kanaal, den rijweg en den spoorweg van Tandjoeng Prioek naar Batavia tot stand te brengen, telt daar nog bij de uitbaggering, benoodigd om de buitenhaven op de vereischte diepte te brengen, en dan kunt gij u een zwak denkbeeld vormen van den grond, het zand en de modder, die voor den bouw dezer haven zijn moeten worden verplaatst. Men heeft berekend dat dit te zamen 6,212,440 stères bedragen heeft.quot;
„Komt, laten wij nu eens naar de buitenhaven kyken,quot; sprak Boisjolin, wien die opsomming van cijfers blijkbaar verveelde.
Het gezelschap had langzaam den omtrek der binnenhaven afgewandeld. De heeren bevonden zich nu op de strook gronds tusschen de binnenhaven en een bassin, dat veel kleiner was en voor droogdok bestemd werd, en hadden nu de kom der buitenhaven voor zich.
„Ziet,quot; sprak Visbergen, „de buitenhaven heeft hier aan deze zijde een breedte van 1000 M. De havendammen loopen zoowat kegelvormig toe en naderen elkander daarginds bij den ingang zoodanig, dat zij een doorgang van 125 M. open laten; zij zijn ieder 1864 M. lang en bestaan uit ontzaglijke steenstortingen, die in aanleg gemiddeld 60 M. breed en tot 3.5 M. boven laagwater opgetrokken zijn. De bouw dezer havendammen heeft 766,436 stères stortsteen gevorderd. Zooals gij ziet: de stortsteen dier havendammen is met trachiet-blokken afgedekt geworden. In het oorspronkelijk project was opgenomen dat dit afdekken van den top der zeehoofden met beton zou geschieden, maar men is om verschillende redenen daarvan afgegaan.quot;
TANDJOENG I'RIOEK EX POELOE MKH\K.
Een schel gefluit, hetwelk over de oppervlakte der binnenhaven weerklonk, gaf het sein, dat de „Zeemeeuwquot; stoom op had en tot het vertrek gereed was.
„Komt,quot; sprak Visbergen, „laten wij nu voortspoeden en maken dat wij aan boord komen.quot;
„Ja, kom; maar vertel ons dan wandelende,quot; zei Montauban. „Hoe diep is die buitenhaven ?quot;
„Gij ziet er de grootste schepen voor anker liggen; weest dus gerust, gij zoudt ei-staande in kunnen drinken; maar het is u om cijfers te doen, nietwaar? Nu, dan kunt gij opteekenen, dat die buitenhaven 8.5 M. diep is.
„Waar vandaan is die stortsteen gehaald?quot; vroeg Montauban verder.
„Dat zal ik u straks vertellen, wanneer wij aan boord en onder stoom zullen zijn. Wij zullen de plek voorbijvaren, waar die specie gehaald is.quot;
„Hoe lang is men met dit werk bezig geweest?quot; vroeg de weetgierige Franschman.
„De raming was om het in tien jaren klaar te hebben.quot;
„Tien jaren! Vous vous moquez de moi! Tien jaren! dat is onmogelijk! Zoo'n kolossaal werk in tien jaren! Het graven van de haven van Triest, welker aanleg in oneindig minder moeilijk terrein plaats heeft, werd in 18G7 begonnen en is nu op lang na niet geëindigd. De kunstwerken daarvan hebben de helft van den omvang van deze niet.quot;
„Welnu, men is in Mei 1877 met de voorbereidende werkzaamheden voor deze haven begonnen. Die hebben een geheel jaar geduurd. Het is wel Mei 1878 geworden, voordat de eerste spade in den grond is kunnen gestoken worden. Wij hebben nu Augustus 1884; gij ziet dat al vlijtig van de haven gebruik wordt gemaakt. Er zijn nog maar eenige détail-werkzaamheden, die beëindigd moeten worden; maar ik vernam dezer dagen dat de offlciëele oplevering van het werk op ultimo December zal geschieden. Alles bij elkander gerekend, zal dan het werk 7,/2 jaar geduurd hebben.quot;
„Vous autres Hollandais, vous ètes étonnants, avec vos chefs-d'oeuvre hydrographiques!quot;
„Ja,quot; antwoordde Vogels lachend. „Als wij Hollanders ons in onze staatkundige bemoeiingen met onze waterstaats-ingenieurs konden behelpen, dan waren wij het eerste volk der aarde. Maarquot; .... en hij loosde een zucht, „maar.... wij zijn bij de „Zeemeeuwquot;.quot;
Toen men aan boord kwam, lag de boot geheel tot vertrek gereed. Nauwelijks was de laatste der heeren de loopplank overgestapt, of deze werd op den steiger geschoven, de tros, welke nog om den meeringspaal geslagen was, losgegooid en voort ging het.
Met halve kracht werkende, schoot het bevallige vaartuig de binnenhaven uit en wendde in de buitenhaven sierlijk tusschen de voor anker liggende schepen, wisselde de gebruikelijke groeten door haar vlag aan den gaffel op en neer te halen en stoomde tusschen de landhoofden door. Buiten gekomen, werd het roer bakboord gebracht en wendde de „Zeemeeuwquot; tot zy West voor lag. Toen klonk het commando:
„Volle kracht!quot;
TANWOENÖ PÜIOEK EN POELOE MEliAK.
Visbergen klom toen op de brug bij kapitein Meerman, verzocht hem zoo dicht langs de kust te houden als mogelijk was, en verder tusschen den Java-wal en het eiland Onrust door te stevenen. Dientengevolge liet de kapitein de „Zeemeeuwquot; een halve streek meer /Aiidelijk houden.
Toen de boot het oude havenkanaal voorbijstevende, stoomde juist de „Tjiliwoengquot;, dat kleine raderbootje, hetwelk de gemeenschap met de reede onderhield, tusschen de land-hoofden naar binnen. Het was een lieüijk gezicht: dat bootje op den voorgrond, dat met zijn raderschoepen het water in met zilver gekuifde golijes opzweepte, die „kojangsprauwenquot; en die „tambaugansquot; *), die, van den landwind gebruik makende, met volle zeilen naar buiten stevenden, die zeehoofden, die zich daar eindeloos ver uitstrekten, als wilden zij een brug van de stad naar de zee daarstellen, die boorden van lachend groen, welke de grens van land en zee aanduidden en daar achter, bij den horizon, dat blauwe gebergte, hetwelk een verrukkelijk en achtergrond vormde.
„Dat bootje heeft zijn schoonste dagen gekend,quot; sprak Vogels. „Hoe meer de haven van Tandjoeng Prioek in gebruik genomen zal worden, des te meer verlaten zal de reede worden. Maar zoo gaat het meer in de wereld.quot;
De koers werd nu Noordwest genomen op het eiland Kuijper, dat vrij spoedig gepasseerd werd, waarna het eiland Onrust voor de oogen van onze toeristen verscheen met zijn droogdok en zijn vele roode pannen daken van het marine-établissement aldaar. De „Zeemeeuwquot; nam nu richting op het eiland Middelburg, om tusschen dit en de vooruitstekende kaap Ontong Djawa door te stevenen. Onze reizigers genoten hier een lieflijk gezicht, omringd als zij waren door de vele eilanden, die Batavia's reede omgeven en die allen met hun frisch groen helder op het blauw der zee afsteken, opgeluisterd als zij daarenboven nog zijn door den helderwitten band van koraal-brecciën, die hen bijna allen omgeeft. Aan bakboordszijde had men den Java-wal met zijn Rhisophoren- en Nipah-vegetatie; aan stuurboordszijde vertoonden zich de eilanden Rotterdam, Schiedam, Amsterdam, Middelburg, Kleine Kombuis, Poeloe Lantjang, Groote Kombuis, enz. Soms was het bijna als'of de „Zeemeeuwquot; op een meer dobberde en door het land ingesloten was; maar dan openden zich eenige oogenblikken later weer allerwegen doorgangen tusschen de eilanden, die dan de lieflijkste vergezichten aanboden, öf op de blauwe zee, die zich daar buitengaats onder de doorstaande bries met witte kopjes kuifde, öf op een meer achterwaarts gelegen eiland, dat zich dan voordeed als een smaragd, die met een zilveren bandje in saphir gevat zoude zijn. Dat lieflijk betooverende schouwspel duurde totdat de boot tusschen Tandjoeng Kaik en het eiland Menscheter doorstevende en toen meer in open zee geraakte. Zij bleef evenwel onder den wal doorstoomen en hield op Poeloe Moejang aan, liep ten
') Ziet de noot op bladz. 36 van het Eerste Deel; tambangans zijn kleine vaartuigen, meer voor passagiers bestemd.
G
ffc'S ■• •quot;■ 1 ?■ . ■quot;:■quot;■lt;' .Jf
? •- ^ ■■■•;-,■: quot;■ v ' -.Hi , .... ■ ■■. ; '' ■ '*:
• ■,■ • .• ■' V- ' • ':, quot;■ ' i ' • ■ ■'■ '.V ■'' ■ V-HX '■ '■quot; ■' ''' ' r'i r-fquot;V
.'«v e' ■-.. • ■ ■ .■:■;■ quot;• ■ ^ ■-V ■
. ' ■ ' ' ^ quot; . ■. ■ ■., ■.■ Sri,
TANDJOENG FÜIOEK EN POELOE MERAK.
zuiden van dat eiland en Poeloe Panjong om en doorsneed zoo de Bantam-baai in haar volle breedte.
„Gij zijt te Serang geweest?quot; vroeg Vogels aan mevrouw Van Berkenstein.
„Ja zeker,quot; antwoordde deze, „Van Berkenstein en ik zijn van Buitenzorg over Serang naar Batavia gereisd.quot;
„Jawel, ik herinner mij dat uw echtgenoot mij dat verteld heeft.quot;
„Maar, waarom deedt gij mij die vraag?quot;
„Ik wilde u vragen of gij toen ook een bezoek afgelegd hebt bij den Regent aldaar.quot;
„Neen, maar waartoe die vraag?quot;
„Och, ik wilde mij omtrent iets vergewissen. Tijdens de voorganger van dezen Eegent het bestuur in handen had, was een gedeelte van den vloer zijner „pandoppoquot; belegd met wit en zwart marmeren vloersteenen en vermaakte hij zich soms daarop met den een of ander schaak te spelen. De figuren werden dan door levende wezens vervangen.quot;
„Is het mogelijk? Wat een idee! Echt Oostersch!quot;
„Ja,. Wanneer onze Raden Adipatti daartoe lust gevoelde, dan kleedde zich het noodige aantal van zijn talrijk bedienden-personeel in een daartoe bijzonder bestemd pak, hetwelk de figuren aangaf. De kasteelen b. v. hadden de kruin door een gekanteeld hoofddeksel gedekt. De paarden waren mannen, die een hoofdtooisel met een paardekop droegen. De raadsheeren waren breed getulband evenals een Rijksbestuurder. Koningin en Koning vertoonden de uiterlijke teekenen hunner waardigheid. Voor pions werden kleine kereltjes gebezigd.quot;
„En----hoe speelden zij daarmede?quot; vroeg mevrouw Jaffrezic. „Zoo'n levend figuur
liet zich toch zeker zoo gemakkelijk niet opnemen om verplaatst te worden?quot;
„Neen, dat zeker niet,quot; antwoordde Vogels lachend. „Ieder der beide spelers stond op een stoel om het spel te overzien en was met een stokje gewapend, waarmede hij de bedoelde figuur aanraakte, en dan zei hij haar waar zij zich te plaatsen had. Soms gebeurde het wel, wanneer de spelers niet bijzonder sterk waren, dat de figuren den zet verbeterden, maar dan in conflict kwamen met hun mede-figuranten, die zich door die verbetering, bedreigd waanden, zoodat er dan een tweeledige strijd gevoerd werd.quot;
„Zeer aardig, inderdaad,quot; sprak Boisjolin. „Maar ik herhaal, wat ik straks zeide; het is een eeht Oostersch idée. Er ontbrak nog maar aan, dat b. v. bij het nemen van een raadsheer of een pion, dezen onmiddellijk gekeeld werden.quot;
„Och! wie weet wat in vroegere eeuwen geschiedde, toen Java nog onder zijn eigen vorsten stond?quot;
De „Zeemeeuwquot; was inmiddels de Bantam-baai doorgestoomd en hield nu op een bergachtige kaap op de St.-Nikolaas-punt aan. Toen die gerond was, werd nagenoeg zuidwaarts gewend en recht op Poeloe Merak aangeloopen. Het kon ongeveer vier uren in den namiddag zijn, toen de boot tusschen dat eiland en den vasten wal doorstoomde. Op
TANDJOENö PlilOEK EN I'OELOE JIEEAK.
verzoek van Visbergen stoomde het vaartuig door de zeeëngte tusschen dat eiland en den Java-wal door.
„Gij vraagdet mij, van waar de trachiet kwam,quot; sprak hij, „waaruit de kolossale zeedammen van de haven Tandjoeng Prioek zijn opgetrokken. Dat geheele bergland, waarboven die twee toppen daar, de Goenoeng Gedeh en de Goenoeng Batoer, zoowat van gelijke hoogte, uitsteken, alsook het daartoe behoorende Poeloe Merak, dat als een afgescheurde brok er van te beschouwen is, bestaat uit grofkorreligen trachiet en het is hier tegenover dat eiland, op den Java-wal, waar men die steensoort voor die dammen heeft komen halen. Zooals gij, in weerwil van de verwoesting, door de vloedgolf bij de uitbarsting van den Krakatan veroorzaakt, zien kunt, heeft men van alle kanten de rotswanden, die vroeger 50 tot 60 M. schier loodrecht uit zee oprezen, aangevallen. Men verwijderde de aardlaag, die de trachietbeddingen dekte en gemiddeld 2 3 M. dik was, door middel van een transportkabel, waarna de rots niet handboren en machineboren aangetast werd. De dynamiet deed daarna haar werking. Er werd gerekend, dat men door middel van 1 K. G. dynamiet 10 stères steenblokken verkreeg, ongeteld de groote hoeveelheid puin. Men maakte tunnels in de rots, welke slechts door dunne pijlers van elkander gescheiden waren; die pijlers werden door dynamiet gelijktijdig weggeschoten. Het gewelf stortte dan in en verdeelde zichzelf door den val in stukken. De groote rotsblokken werden, ten behoeve van de buitenbestorting, de kleinere stukken voor het innerlijke der havendammen gebezigd. Lange steigers, op ijzeren schroefpalen rustende, waren toen in zee uitgebouwd, om de kolossale rotsblokken met behulp van stoomkranen zonder gevaar in de klepschouwen en hopperbarges te kunnen laden. Wanneer het benoodigde aantal werklieden steeds aanwezig had kunnen zijn, in verhouding tot de voorhanden zijnde krachtige machines, dan had dagelijks löOO ton steen kunnen afgeleverd worden. Gemiddeld is evenwel slechts 25,000 ton maandelijks geproduceerd.quot;
Gedurende die mededeeling had de „Zeemeeuwquot; haar tocht door de zeeëngte tusschen het eiland en den vasten wal door afgelegd en was weder in het breedere vaarwater van Straat Soenda aangekomen.
„Wat een lieve baai wordt daar door den hoogen wal van het eiland Java gevormd,quot; merkte Van Berkenstein op. „Dat men er zoo weinig gebruik van maakt! Door dat eiland Merak moet die voor alle hoogloopende zeeën gedekt zijn.quot;
„Dat is zij ook,quot; antwoordde Visbergen. „Eeeds onder Daendels was het oog op deze baai gevestigd en wilde die Gouverneur-Generaal een vluchthaven ten behoeve der oorlogsvloot daarvan maken. Daartoe moesten echter en op Poeloe Merak en op den Java-wal geduchte versterkingen aangelegd worden. Men begon later ook den bouw van een fort, maar ....quot;
Visbergen aarzelde.
„Ga voort,quot; vulde Vogels aan. „Ga voort, en verhaal, dat alvorens het fort klaar
8
TANDJOENG PKIOEK EN I'OELOE MERAK.
was, Nederland weer een zijner periodieke aanvallen van zuinigheidswoede kreeg, dat de arbeid toen weer, gelijk zoo dikwijls geschied is, gestaakt werd en dat het zoo schoone en zoo rijke Insulinde thans nog zonder doelmatige vlnchthaven is, waarin onze oorlogsvloot een schuilplaats zou kunnen vinden, wanneer zij door veel sterker macht bedreigd mocht worden, maar van waar zij ook het oogenblik zou kunnen bespieden om haar slag te slaan en van waar zij met nadruk zou kunnen optreden, wanneer dat vereischt werd. Het heette destijds, dat het verblijf op of bij Poeloe Merak niet gezond was, maar dat was ijdel gepraat. Het personeel der Bataviasche havenwerken heeft aldaar van de ongezondheid der streek niets te lijden gehad.quot;
„De nederzetting te Merak heeft bij de uitbarsting van den Krakatau zeer geleden, nietwaar1?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Zij is geheel vernield,quot; antwoordde Visbergen.
„Weet gij eenige bijzonderheden?quot;
„Ja, ik heb destijds een brief ontvangen van een mijner goede kennissen, den heer Pechler, die boekhouder bij het établissement te Merak was. Hij is de eenige Europeaan, die gered is geworden. Hij had in opdracht van den chef-mijnwerker Naumann om een telegram te bezorgen en was op weg om aan dien last te voldoen, toen de groote vloedgolf als een stormwind en met donderend geweld kwam opzetten en hij ternauwernood tijd had om dien hoogen heuvel daar ginds, aan welks voet de kampong Merak destijds gelegen was, op te klimmen. Ik zeg ternauwernood; want het water was vlugger dan hij en steeg hem reeds tot aan de knieën, toen hij, op een rotsblok klimmende, bewusteloos neerviel. Eerst den volgenden ochtend kwam hij tot bewustzijn en begaf zich op wegnaar Tjilegon.quot;
„Die kan zeggen, dat hij er goed van afgekomen is,quot; sprak Boisjolin.
„Weet gij nog andere bijzonderheden?quot; vroeg Montauban, die zijn potlood ijverig hanteerde.
„Luister maar,quot; vervolgde Visbergen. „De waarnemende adspirant-eontroleur Abels begaf zich, na ontvangst van het bericht, dat Merak was verwoest, in den ochtend van den 27«ten Augustus met den wedana (districtshoofd) van Tjilegon op weg; maar bij de kampong Sangkanila, nabij Merak gelegen, gekomen, zagen zij plotseling een kolossale vloedgolf komen opzetten, die over de hoogste klapperboomen heensloeg. Beiden konden het gevaar slechts ontloopen door de nabijgelegen heuvels in allerijl te beklimmen. Boven aangekomen, zagen zij de geheele kuststreek overstroomd en aan een onbeschrijflijke verwoesting ten prooi. Spoedig daarop werd het evenwel stikdonker en volgde er een overvloedige asch- en modderregen. Eerst te 2 uren in den namiddag werd het eenigszins helder en konden zij den terugtocht aannemen, die over de glibberige heuvelen zóó moeilijk was, dat zij eerst te 1 uur na middernacht te Tjilegon aankwamen. Zij hadden gedurende vier uren, van halfelf tot halfdrie, in de duisternis en met van modder doorweekte kleederen doorgebracht.
lt;)
TANDJOENfl PRIOEK EN POELOE MEEAK.
„ïe Merak is, op den boekhouder Pechler na, dien ik straks reeds noemde, het geheele personeel der mijnwerkers omgekomen, namelijk 13 Europeanen, waaronder 3 vrouwen en 5 kinderen en 173 Inlanders, De ingenieurs-woning, op een heuvel 50 voeten boven de oppervlakte van de zee gelegen, is door de zee weggeslagen en daarvan werd alleen de cementvloer teruggevonden. Van de woningen en ateliers van het mijnwerkers-personeel is niets, hoegenaamd niets meer aangetroffen geworden. Een locomotief werd geheel verwrongen en ten onderste hoven gekeerd op 500 M. van haar standplaats teruggevonden. De rails waren van de dwarsliggers losgescheurd en als linten in grillige bochten te zamen gewrongen. De lijken zijn op één na door de terugrollende vloedgolf naar zee medegevoerd. Ziedaar,quot; zoo besloot Visbei'gen zijn relaas, „de bijzonderheden, die ik kan mededeelen en voor welker nauwkeurigheid ik insta.quot;
„Verschrikkelijk!quot; zei mevrouw Jaffrezic.
„Wat mij het meest verwondert,quot; merkte mevrouw Van Berkenstein op, „is, dat er thans, juist een jaar na de ramp, zoo weinig sporen van over zijn. Ziet, de geheele kust is met lachend groeu getooid.quot;
„Ja, mevrouw, de herstellende kracht der natuur is groot tusschen de keerkringen,quot; antwoordde Visbergen. „Over ettelijke jaren, als dat jonge geboomte groot zal geworden zijn, zal er van de ramp niets meer te ontwaren wezen.quot;
„Tot hoe lioog is de vloedgolf hier te Merak gestegen?quot; vroeg Montauban.
„Volgens den ingenieur Nieuwenhuys, die met de hopperbarge „Tegalquot; reeds op den •JSsten Augustus te Merak aankwam, zou het water gemiddeld een hoogte van 30 M. boven hoogwaterpeil bereikt hebben.quot;
„Zóó hoog?1' vroeg Van Berkenstein.
„Ja, en verbeeld u, om er een denkbeeld van te maken, dat in de Noordzee zoo'n vloedgolf ontstond en die zich op onze kusten wierp, dan zoude bijna geheel Nederland als met een onmetelijke zeis geschoren worden en het water zou eerst door het hoogland van Oost-Gelderland en van Limburg gestuit worden.quot;
„God beware ons Vaderland voor zoo'n ramp!quot; zuchtte mevrouw Van Berkenstein.
10
Het was ongeveer vijf uren in den namiddag, toen de „Zeemeeuwquot; den boeg wendde en zich westwaarts richtte, om den oversteek van Straat Soenda te maken. Het was alsof de boot de dalende zon vlak te gemoet liep. Al spoedig kreeg men aan stuurboord vooruit een uiterst bevallig eilandje in het gezicht, dat den vorm van een suikerbrood had en welks dichtbegroeide kegel zich ongeveer 30 a 40 voet lieüijk boven den blauwen spiegel van het zeevlak verhief. De „Zeemeeuwquot; scheerde er bijna rakelings voorbij.et was ongeveer vijf uren in den namiddag, toen de „Zeemeeuwquot; den boeg wendde en zich westwaarts richtte, om den oversteek van Straat Soenda te maken. Het was alsof de boot de dalende zon vlak te gemoet liep. Al spoedig kreeg men aan stuurboord vooruit een uiterst bevallig eilandje in het gezicht, dat den vorm van een suikerbrood had en welks dichtbegroeide kegel zich ongeveer 30 a 40 voet lieüijk boven den blauwen spiegel van het zeevlak verhief. De „Zeemeeuwquot; scheerde er bijna rakelings voorbij.
„Dat is Poeloe Tampoeroeng,quot; zei Visbergen, „bij de Nederlandsche zeelieden beter bekend onder den naam van Toppershoedje. Ziet, aan bakboord vooruit, daar hebt gij het eiland Dwars in den weg, of, zooals de Inlanders het noemen, Poeloe Soenggiang, en daar ginder, stuurboord vooruit, liggen de Zutfensche eilanden, welke de zuidelijke spits van het eiland Sumatra tegen den golfslag der Java-zee dekken. Die zuidelijke spits van Sumatra wordt door onze zeelieden Varkenshoek, door de Inlanders evenwel Tandjoeng Toea geheeten. Die allen hebben van de uitbarsting van den Krakatau in meerdere of mindere mate geleden.quot;
„Kijkt, de zon raakt den top van dien kegelberg daarginds aan! O! wat is dat fraai!quot; riep mevrouw Jaffrezic.
En werkelijk, terwijl de „Zeemeeuwquot; westwaarts voortspoedde, liad ook de zon haast gemaakt. Zij raakte thans, zooals mevrouw Jaffrezic had opgemerkt, den top van den berg op het eiland Sebessi, maar deed dat met gulden vinger en overgoot dien top met goud. Op de oppervlakte der blauwe zee beefde een lange vuurstreep, voortgebracht door de zonneschijf, welker aanblik nog onverdraaglijk voor het oog was. Die schijf, waaraan reeds een gedeelte ontbrak, bedekt als dat was door den bergtop, verloor langzamerhand de kleur van gesmolten dukatengoud en ging meer tot het purper over. Zij dook al meer
IN STRAAT SOENDA.
en meer achter den berg. Thans was haar bovenste helft nog maar zichtbaar. Zooals de „Zeemeeuwquot; het eiland Sebessi naderde, was het alsof de zonneschijf niet daalde, maar zich met een snelheid bewoog, alsof zij viel. Nog was er slechts een randje zichtbaar, dat al kleiner en kleiner werd en eindelijk plotseling verdween, toen de boot, na door een lange golf, welke uit den Indischen Oceaan aanrolde, opgetild te zijn, weer in de diepte gleed. Toen zij zich andermaal op een deininggolf verhief, was er van de zon niets meer te bespeuren. Maar thans werd die kegelberg van achteren hel verlicht. Zijn omtrekken waren met een blinkenden goudglans omzoomd, terwijl heldere stralen naar alle zijden, naar rechts, naar links, door het zwerk schoten. Vooral de stralenbundels, die over den top van den kegel heenhraken, veroorzaakten een machtig effect. Aanvankelijk als zuiver goud uitschietende, verbleekten zij langzamerhand in het luchtruim en hadden ze reeds een mat-zilveren tint in het zenith. Die tint nam iets blauws, iets liefs aan, dat blauw nam toe naarmate de stralenbundels het Oosten naderden; iets verder waren de stralenbundels aan het blauw der lucht vrij gelijk, zonder zich evenwel daarmede te vermengen. Daarin kon men zich niet vergissen, het waren wel dezelfde stralen; de onafgebroken lijnen daarvan waren duidelijk met het oog te volgen. Daarginds bij den oostelijken horizon gingen zij in het donkerblauw, ja, in het zwart over; het was alsof die stralenbundels zich daar zoo ver van hun bron in nacht hulden.
De „Zeemeeuwquot; stoomde steeds vlak op Poeloe Sebessi aan en bleef alzoo in de slagschaduw van dat eiland. De wateroppervlakte, waarop zij zich bewoog, was elfen en donkerblauw van kleur, maar daar rechts en links van haar, waar de grenzen getrokken waren van de schaduw, door het eiland geworpen, daar kabbelden onder den drang dei-bries, welke uit volle zee woei, gulden golfjes, die zich soms vertoonden alsof vurige vlammetjes over den waterspiegel dansten. De „Zeemeeuwquot; stoomde steeds westwaarts op, totdat zij den Varkenshoek even voorbij was; toen hield zij Noordwest aan om de Lampong-baai binnen te loopen. In weinige oogenblikken was nu het prachtige schouwspel verdwenen. Nog eenige oogenblikken kreeg men de ondergaande zon tusschen de eilanden Sebessi en Seboekoe in het oog, maar dat was slechts kortstondig, want baar schijf raakte reeds het water en was bij de snelheid, waarmede zij in tropische landen onderduikt, spoedig verdwenen. De avond zou nu invallen, maar het schemerlicht gunde nog een blik op den Radja Bassa-Piek, die zich aan stuurboord ter hoogte van 4280 voet tegen het donkere azuur des hemels afteekende. Hoewel het duister begon in te treden, was het toch nog levendig op de zeeoppervlakte. Onder de kust stevenden een menigte prauwtjes, van de wegstervende bries gebruik makende, landwaarts naar hun respectieve kampongs, die talrijk aan den voet van den Radja Bassa verspreid lagen en voor het oog duidelijk waarneembaar waren. Het waren bevallige vaartuigen, die, door hun driehoekig zeil voortgestuwd, daar met snelheid heengleden. Al onze toeristen tuurden er naar.
„Wat zijn dat voor prauwtjes?quot; vroeg Van Berkenstein aan Vogels.
12
IN STRAAT SOENDA.
„Dat zijn visschersvaartuigen,quot; antwoordde deze. „Het zijn zoogenaamde „prahoe sajabquot; (ylerkprauwen), die door den geheelen archipel schier aangetroffen worden.quot;
Vlerkprauwen V
„Ja, ziet ge dat geraamte niet, dat in een hal ven boog over de prauw ligt en aan weerszijden een eind buiten de boot uitsteekt^ Dat is een geraamte, van zwaren bamboe vervaardigd, dat ten doel heeft om bij het overhellen van het vaartuig aan lij op het water te steunen en zoo het evenwicht te bewaren. Door dat toestel kunnen die visschers met die nietige vaartuigjes, ware notendoppen, bij sterken wind en hooggaande deining, zee bouwen, wat daarzonder onmogelijk zou zyn. Blaast de wind met kracht en helt het prauwtje bedenkelijk over, dan gaan een paar man der opvarenden te loevert buiten boord op het uiteinde van dat toestel gehurkt zitten om tegenwicht aan te brengen. Dat is wel geen prettige zitplaats, maar voor het doel toch probaat.quot;
De zon was reeds sedert eenigen tijd ondergegaan en langzamerhand verbleekte het avondrood in het Westen en vertoonde daarbij de meest lieflijke kleurspelingen, welke betoo-verend in de oppervlakte der zee weerkaatsten. Het avondduister daalde steeds over de wateren en voor en na verdwenen de vlerkprauwen onder de kust. Rechts had men steeds den Radja Bassa, die zijn sombere massa op den blauwen nachtelijken hemel scherp afteekende; links raakte het eiland Sebessi langzamerhand op den achtergrond en kreeg men de grillige omtrekken van het eiland Seboekoe, die zich scherp als een zwarte hoekige lijn tegen den nog eenigszins verlichten westelijken hemel teekenden, terwijl recht vooruit eenige kleine kegelvormige eilandjes ontwaard werden, die als kinderspeelgoed op de oppervlakte der zee verspreid schenen en Poeloe tiga genoemd werden. Kapitein Meerman had de zonnetent laten oprollen, waardoor de prachtige sterrenhemel zichtbaar werd en de lieflijke avondbries vrij over het dek kon scheren en de wangen streelen van onze toeristen, die in dezen schoonen avondstond gezellig op het dek zaten, om frischheid en levenslust te genieten. Zoo stevende de „Zeemeeuwquot; met vluggen schroefslag voort en het was, alsof het doffe en regelmatige geplomp der schroefbladen in het water een accompagnement vormde van het levendige gesprek, dat aan dek gevoerd werd. Natuurlijk was het hoofdonderwerp van de gedachtenwisseling, die in dit oogenblik, waarin ons reisgezelschap weer geheel vereenigd en ongestoord bij elkander zat, allen bezig hield, ieders wedervaren en opmerkingen gedurende het verblijf te Batavia.
„Weet gij wien ik niet ontmoet heb?quot; sprak Montauban. „Dat is kapitein Keremans. Ik heb tweemalen met Boisjolin getracht hem een bezoek te brengen, maar telkens vonden wij een gesloten deur en op ons herhaald kloppen werd niet opengemaakt.quot;
„Dat geloof ik wel,quot; antwoordde Vogels. „Kapitein Keremans is kort voor onze aankomst te Batavia met een zeilschip, als ik wel verstaan heb met de „Noach IIIquot;, naar Europa vertrokken.quot;
„Ja, wij hebben onze goede vrienden niet meer ontmoet,quot; merkte Van Berkenstein
13
IN STRAAT SOENDA.
met een zucht op; maar een rare inval, nietwaar, met een zeilschip? Waarom niet met een der vele stoomhootgel egenheden V'
„Gij herinnert 11 nog wel, dat ik u te Samarang de geruchten mededeelde over een leverabces?quot; antwoordde Vogels.
„Jawel, en ik sprak die geruchten op grond van een brief zeer ernstig tegen. Welnu1?quot;
„Welnu: die door mij opgevangen geruchten waren meer der waarheid nabij dan uw briefschrijver, mijnheer Van Berkenstein! Na wat getob moest toch tot de reis besloten worden.quot;
„Maar dat verklaart mij nog niet, waarom de reis niet per mail geschiedde.
„De heeren geneeskundigen zijn van oordeel, dat een lange zeereis voor leverziekten uiterst heilzaam is. En, inderdaad, er zijn gevallen aan te wijzen, dat zieken, in beden-kelijken toestand aan boord gebracht, reeds herstellend konden heeten, nog vóór zij Sint-Helena bereikt hadden, en fiksch en gezond in het oude Nederland aankwamen. Van een andere zijde mag niet uit het oog verloren worden, dat, volgens de reglementen, geen ernstige zieken aan boord der mailbooten mogen worden opgenomen, ook dat van een zorgvuldige verpleging van zulke zieken, ten gevolge van liet groot aantal der passagiers, waarmee die booten gewoonlijk overvuld zijn, geen sprake kan zijn.quot;
„Die arme mevrouw Keremans!quot; zuchtte Ernestine Van Berkenstein. „Wat heb ik het betreurd, haar niet meer te hebben ontmoet! Waren wij maar van Samarang naar Batavia teruggekeerd, dan had ik haar bij de vele bemoeienissen, die in zoo'n geval en bij zoo'n reis het deel van een zorgvuldige huisvrouw en moeder zijn, kunnen bijstaan. Wij hadden desnoods dan mee naar Europa kunnen vertrekken, om aan boord hulp en bijstand te verleenen.
„Naar Europa!!?quot; vroeg mevrouw Visbergen met verbazing. „Naar Europa! En onze reis dan?quot;
„In zulke gevallen moet het nuttige boven het aangename gaan, nietwaar Van Berkenstein?quot;
Deze drukte zijn vi'ouwtje toestemmend de hand.
„Ja, dat begrijp ik. Maar naar Europa! naar dat akelige, beroerde land....!quot;
„Maar Clotüde!.. . poogde mevrouw Van Berkenstein haar vriendin te stuiten.
„Naar dat land,quot; ging de jonge vrouw met saamgeknepen lippen voort, „waar de ondeugd ten troon zit, althans het hoogste woord heeft; waar vrouwen in de meest onbeschaamde kleeding of beter onbeschaamd ongekleed ten tooneele verschijnen en daar door de meest ontwikkelden der natie toegejuicht worden; waar een drama als „la Dame aux cameliasquot; of opera's als „le Jour et la Nuitquot; en als „la Mascottequot; de menigte zich doet verdringen, waar schaamtelooze deernen de mannen des avonds staande houden, waar inrichtingen. ...quot;
„Stop, vrouwtje, stop!quot; riep Visbergen.
14
IN STRAAT SOENDA.
„Neen, naur zoo'a IelrcI vvensch ik nimmer heen te gaan. Ik hoop dan ook,quot; ging de jonge vrouw met klimmenden hartstocht voort, „dat het Visbergen nimmer in het hoofd moge komen, om naar dat ellendige land te gaan; want.. .. bij God! ik zou hem niet volgen.quot;
„En wanneer u\r echtgenoot, evenals kapitein Keremans, naar zijn gebooi'tegrond gezonden werd, om zijn geschokte gezondheid te herstellen?quot; vroeg Ernestine, terwijl zij den arm om den hals larer vriendin sloeg. „Clotilde, zoudt gij hem dan ook niet volgen? O, dat kunt gij niet meerien T
De jonge vrouw bedekte zich het gelaat met beide handen en snikte. De overige reizigers keken elkaar bij dat onverwachte tafereel aan.
„Dat is een dei gevolgen,quot; merkte Vogels op, „van het voeren van luchtige gesprekken over ernstige onderwerpen. In den regel loopen die gesprekken, wanneer dames onder elkander zijn, ovet de onstandvastigheid der mannen in de liefde.quot;
„Zoo, mijnheer Togels, hebt gij dat opgemerkt?quot; vroeg mevrouw Jaffrezic met een fijn glimlachje.
„Laat mij voortgaan, mevrouw! Bij dergelijke gesprekken weten onze Noordsche zusteren wonderveel te vertellen van al het afkeurenswaardige, dat in de groote steden van Europa voorvalt. Of zij daarbij overdrijven, of zich tot de werkelijke gebeurlijkheden bepalen, laat ik quot;buiten bespreking; maar zij ontvonken een gevoel in het gemoed hunner reeds zoo ijverzuchtige geslachtsgenooten, dat dezen niet met achting voor het schoonere gedeelte van het volbloed Europeesche ras vervullen kan. En wanneer gij opmerkzaam rondom u gezien hebt, dan zult gij voorzeker opgemerkt hebben dat nagenoeg iedere Creoolsche vrouw en iedere vrouw van gemengd bloed om die reden er tegen opziet, naar Europa te vertrekken. lgt;e clank, dien zij hebben van de zedelijkheid harer geslachtsgenooten aldaar, is niet groot en in menig geval is een soort vijandigheid bij een eerste ontmoeting met tottokhsche dames, zooals zij wel eens genoemd worden, niet te miskennen, die daarin haar oorsprong heeft en die eerst verdwijnt, wanneer nadere kennismaking ieder wantrouwen heeft doen verdwijnen.quot;
„Ja, zóó voorgesteld, vind ik een gereeden uitleg voor menige minder aangename bejegening, die ik zoowel gedurende de reis van Europa herwaarts, als gedurende mijn verblijf in Indië in de eerste tijden ondervonden heb,quot; mompelde mevrouw Van Berkenstein voor zich.
„Maar, mijnheer Vogels, als men u zoo hoort spreken,quot; zeide Montauban, „is het alsof gij van de veronderstelling uitgaat, dat de Indische maatschappij in zedelijkheid boven de Europeesche staat en ik geloof dat dit moeilijk zal vol te houden zijn.quot;
15
„Ik ga zelfs verder,quot; sprak Van Berkenstein. „Eerst zal ik de vraag doen, of gij eenigen tijd geleden de heoordeeling van den heer Hoek over: Op Java langs weg en slingerpad van Verschuur in „De Tijdspiegelquot; waarvan ik te Batavia een paar
') Nquot;. 9 van 1882.
IN SïBAAT SOENDA.
jaargangen heb kunnen machtig worden, hebt gelezenquot;? -la? Dan zijn u voorzeker de volzinnen opgevallen, waarin die beoordeelaar zegt: „Bij de meeste boeken over Indië „en Indische toestanden wordt de lezer onaangenaam getroffen door een „zekere ruwheid en onbeschaafdheid, die door een dun vernisje heen-„schemert.... Wij kunnen niet aannemen, dat de Indo-Europeesche bevolking is gelijk ze ons dikwerf beschreven wordt. Zij kan zoo ruw, zoo „onbeschaafd, zoo laag ontwikkeld — laat ons het rechte woord spreken — „zoo ploertig niet wezen als sommige schrijvers ons doen gelooven enz.,quot; waaruit kan worden opgemaakt, dat het met de zedelijkheid — want daarop doelt de beoordeelaar — van het meerendeel der Europeesche ingezetenen in Indië ergerlijk gesteld is. Ik wil intusschen niet beweren, dat wat daar te verstaan wordt gegeven, onomstootelijke waarheid is; maar ik mag er de bevestiging uit putten voor mijn meening, dat de zedelijkheid in ons Europa hooger staat dan in Indië.quot;
„Ik zal de heeren Montauban en Yan Berkenstein collectief beantwoorden,quot; sprak Vogels met een soort van deftige kalmte, hoewel zijn stem eenigermate van hartstochtelijkheid trilde. „Ik meen niet beweerd te hebben, dat de Indische maatschappij* in zedelijkheid boven de Europeesche zoude staan. Hebt gij dat uit mijn woorden begrepen, dan moet ik mij verkeerd hebben uitgedrukt. Ik stelde mij alleen ten doel: te doen uitkomen, tot welke gevolgtrekkingen de door mij bedoelde voorstellingen voeren moeten. Hieruit mag nu ook weer niet afgeleid worden, dat ik de meening ingang zou willen doen vinden, dat, wat de zedelijkheid betreft, het omgekeerde plaats had, namelijk dat Indië beneden Europa zoude staan. Neen, waar menschen wonen, bestaan hartstochten en dan is het natuurlijk, dat er individuën zijn, die aan die hartstochten geen weerstand weten te bieden of beter: die aan die hartstochten onnadenkend botvieren. Ik geloof, dat ik de waarheid vrij nabij kom, wanneer ik beweer: dat op zedelijkheidsgebied de beide maatschappijen elkander niets toegeven, dat de een niet boven de ander staat.quot;
„O!quot; meende Van Berkenstein. „Is dat uw verdediging niet voorbijstreven'! Hoe zult gij met zulk een stelling de talrijke onwettigen geboorten van kinderen van gemengd ras verklaren?quot;
„Wel, met op de toestanden te wijzen, welke tot die geboorten aanleiding gaven. Vergeet evenwel niet, dat dc talrijkheid van die geboorten lang zoo groot niet meer is als vroeger. Het aangaan van een huwelijk ondervond destijds veel meer moeilijkheid dan thans. Er waren veel minder jonge dames a prendre dan nu en degenen, die er waren, meenden met het reiken harer hand kolossale fortuinen te moeten doen; daarbij waren allen, door de toenmalige schrielheid der Nederlanders in zake onderwijs, niet bijzonder ontwikkeld, wat ook alweer tegen het leggen van een onverbreekbaren knoop deed opzien. Daarenboven, door de heerschende weelde was destijds een huishouden zeer kostbaar. In het kort: alles werkte samen om slechts aan weinigen liet nemen eener wettige levensgezellin te veroor-
IN STRAAT SOENDA.
loven. Het gevolg daarvan was de samenwoning met de dochteren des lands en vandaar de onwettige geboorten. Ik zon wel eens willen weten, hoe het er onder dergelijke omstandigheden met de zedelijkheid in Europa zou uitgezien hebben. Intusschen is in dien toestand sedert de laatste twintig jaren veel verbetering gekomen, doordat een menigte Europeesche jonge dames herwaarts gekomen zijn en nog komen. En, dat zal gaandeweg nog meer verbeteren, naarmate de moeilijkheden, die het sluiten van een huwelijk in den weg stonden, meer en meer opgeruimd zullen worden. Gij wijst mij op de onwettige geboorten in Indië! Kan men wel een vaderlandsche courant in handen nemen, zonder dat men op de stereotype mededeeling stuit, dat een lijkje van een pasgeboren kind van dit of dat geslacht in de sloot of in de gracht gevonden is, met de hartverheffende verzekering, dat de politie de onnatuurlijke moeder op het spoor is? Zoo iets treft gij in ons Indië niet aan. Men moge er van zeggen en schi-ijven wat men wil, kindermoord is er hoogst zeldzaam. Als al die verdronken kinderen eens bleven leven, zouden die preutsche Hollanders dan ook zoo prat op de onechte kinderen van Indië kunnen wijzen ! Wat nu die heer Hoek heeft gelieven te schrijven, daarover kan ik kort wezen. Het is waar, dat vele schrijvers over Indië in hun mededeelingen ver zijn gegaan. Maar, dan kan men hen slechts beschuldigen van te openhartig te zijn geweest. Hetzelfde vindt men bij de schrijvers over Nederlandsche toestanden niet. Die nemen bij hun beschrijvingen een decorum in acht, dat aan goochelarij grenst, ja goochelarij is; omdat daaruit soms munt geslagen wordt, om te doen gelooven, dat de zedelijkheid in Indië op een lager peil zou staan dan die in Europa .... terwijl die Europeesche braafheid niets anders is dan huichelarij, geboord met misdaad.quot;
„Het havenlicht van Teloq Betoeng is reeds lang in het gezicht!quot; kondigde kapitein Meerman aan.
„Ik heb er nog een woord bij te voegen,quot; zei Vogels: „Zeker is in Indië alles nog zoo niet, gelijk het behoort; maar ik mag gerust beweren, dat de onzedelijkheid, ja de prostitutie er zich zoo onbeschaamd niet openbaart, als dat in groote steden van Europa, b. v. Amsterdam, Den Haag, enz. geschiedt. Men heeft er nog geen philanthr.. ..quot;
„Klaar bij het anker,quot; beval kapitein Meerman van de brug aan stuurman Barend, die vooruit stond.
„Al klaar!quot; was diens antwoord.
De „Zeemeeuwquot; schoot nog een honderdtal vademen vooruit en stuurde tusschen de ter reede liggende schepen door. Daarna klonk het:
„Halve kracht!quot;
Kort daarop:
„Langzaam aan!quot;
De vaart verminderde, verminderde; de „Zeemeeuwquot; gleed nog maar zachtkens vooruit. Eindelijk weerklonk:
„Stoppen!quot;
IN STRAAT SOENDA.
En kort daarop:
„Laat vallen je anker!quot;
Een plomp in het water, daarop een ratelen van den ankerketting, die door het kluisgat schoot. De boot, die nog een weinig vaart had, zwaaide daarna voor dien ankerketting, maar lag weldra, aan haar plaats gekluisterd, op de loom aanrollende deining zacht te wiegelen. Het was toen ongeveer elf uren. Ons reisgezelschap zat nog een uurtje gezellig bij elkander te konten, waarbij het geziene gedurende den overtocht van den Java-wal naar Teloq Betoeng het hoofdonderwerp van het gesprek uitmaakte.
De geheele Oostkust van de Lampongbaai had ten gevolge van de uitbarsting van de Krakatau zeer geleden, en vonden onze reizigers in den kapitein Meerman, die destijds als stuurman op het stoomschip „de Gouverneur-Generaal Loudonquot;, in Straat Soenda rondgevaren had, iemand, die hen menige bijzonderheid omtrent die noodlottige gebeurtenis ten opzichte van de kampongs Katiembang, Radja Bassa, Tjanti en Kalianda, die geheel verwoest werden, kon mededeelen.
„Wij hebben toen met de „Londonquot; ernstige dagen beleefd,quot; verhaalde hij; „maar wat ons schip het meest in gevaar bracht, waren de puimsteenvelden, waarin wij besloten geraakten.quot;
„Puimsteenvelden?quot; vroeg Van Berkenstein verwonderd. „Op welken datum waart gij dan met de „Loudonquot; in Straat Soendaquot;?quot;
„Op den 26sten, '27«ton en 28steigt; Angnstus 1883,quot; antwoordde Meerman.
„Wel, wij ook. Wij bevonden ons met de mailboot „de Prins van Oranjequot; terzelfder tijd in Straat Soenda; maar wij hebben van puimsteen niets ontwaard.quot;
„Gij zijt wellicht Krakatau ten zuiden voorbijgestoomdT
„Wij zijn vlak langs Krakatau gestoomd tusschen dat eiland en het Lang Eiland en het Verlaten eiland doorquot;
„God beware! Juist op de plek van de uitbarsting! Op welken dag, als ik vragen mag?quot;
„Wel, op den 26sten) zoo omstreeks het middaguur.quot;
„Dan zijt gjj als door een wonder ontkomen.quot;
„Waarschijnlijk wel; maar ik herhaal het, wij hebben van puimsteen niets gezien.quot;
18
„Dat is zeker onverklaarbaar. Wij hebben er ontzettend mede te worstelen gehad. Op den 28sten b. v. waren wij verplicht door Straat Lagoendi de wijk te nemen; omdat het gedeelte der zee tusschen den Varkenshoek daar en de eilanden Sebessi, Seboekoe en Poeloe Tiga geheel met drijvende puimbrokken opgevuld vonden. Toen wij Straat Lagoendi uitkwamen, om naar Anjer over te steken, raakten wij bezet in een puimsteenveld, dat ruim 2 M. dik was. Het ergste was, dat de schroefas door het fijne puimsteen heetliep. Wij hebben toen bange uren doorgebracht.quot;
') Krakatau litiüt bij de Inlanders van Straat Soenda Poeloe Rakata, Lang eiland, Poeloe Eakata Ketjiel en Verlaten eiland Poeloe Sentoeng.
IN STRAAT SOENDA.
„Heeft men lang last gehad van dien puimsteen1?quot; vroeg Montauban.
„Ja zeker, maandenlang, en die heeft wat inspanning veroorzaakt, om de geteisterde streken, die aan alles gebrek hadden, te kunnen approviandeeren. Eerst in December 1883 en Januari 1884 hadden de puimsteenvelden onder den invloed der krachtig doorstaande Noord-Westen-winden de Lampong- en de Semangka-baaien ontruimd en hebben zich langs de Noordkust van Java in oostelijke richting verspreid. Maar, dat er ook door de Indische zee puimsteenvelden ontweken zijn, kan blijken uit de journalen van verschillende schepen. Zoo ontmoette het Bremer schip „Barbarossaquot; op 31 Augustus 1883 op 7° 5'Z.Br. en 92o8 0. L. van Greenwich reeds veel puimsteen. Het Engelsche schip „Cleomenequot; trof op 1 September op 0'58' N. Br. en 86° 0. L. van Greenwich puimsteenvelden aan, waardoor men over een afstand van 450 tot 490 mijlen zeilde. In Maart 1884 is veel puimsteen op het eiland Eéunion en in Mei 1884 aan het N, W. gedeelte van Madagaskar aangetroffen geworden. Gij ziet dus, dat Krakatau nog al wat uitgeworpen heeft,quot; besloot kapitein Meerman zijn mededeeling.
Eindelijk zochten onze reizigers hun hutten op en weldra was het doodstil aan dek, waarop de stuurman en de manschappen van de wacht alleen zichtbaar waren.
19
De Lampong-baai, — De pepercultuur.
Den volgenden morgen ontscheepten de reizigers zoo omstreeks tegen tien uren. Van boord had men reeds waargenomen, dat Teloq Betoeng zeer schoon gelegen was. De witte huizen der plaats verhieven zich aan den voet van den heuvel Lampong, die zacht glooiend omhoog steeg en, zwaar begroeid als hij op zijn hellingen was, een statigen achtergrond vormde. Toen de sloepen aan den steiger aanlegden, maakte Visbergen de reizigers opmerkzaam, dat het havenlicht aan liet uiteinde van het steenen gedeelte van het landings-hoofd opgetrokken was.en volgenden morgen ontscheepten de reizigers zoo omstreeks tegen tien uren. Van boord had men reeds waargenomen, dat Teloq Betoeng zeer schoon gelegen was. De witte huizen der plaats verhieven zich aan den voet van den heuvel Lampong, die zacht glooiend omhoog steeg en, zwaar begroeid als hij op zijn hellingen was, een statigen achtergrond vormde. Toen de sloepen aan den steiger aanlegden, maakte Visbergen de reizigers opmerkzaam, dat het havenlicht aan liet uiteinde van het steenen gedeelte van het landings-hoofd opgetrokken was.
„Zooals gij zien kunt,quot; vervolgde hij, „is het een ijzeren lantaarnpaal op gemetseld voetstuk. Gisteravond hebt gij kunnen opmerken, dat het een rood staand licht is. De plaatsbepaling van dat licht is 5° 27' 15quot; Zuiderbreedte en 105° 16 Oosterlengte van Greenwich.quot;
De plaats was spoedig rondgewandeld. Veel was er niet te zien. Men bevond, dat de huizen verstrooid gelegen waren over de zacht oploopende strook gronds, die den voet vormde van den reeds genoemden Lampong-heuvel. Die strook was evenwel geheel zonder hoog geboomte en dus zonder schaduw. Verder zag men, dat die huizen smaakvol en doelmatig te midden hunner perken met nog jonge sierplanten aangelegd waren. Het was ongeveer elf uren, toen zich ons gezelschap ten huize van den resident aanmeldde, om bjj dat hoofd van gewestelijk bestuur zijn opwachting te maken. Helaas, men trof het niet bijzonder. Die hoofdambtenaar was wegens strandvondstzaken naar Anjer vertrokken en werd eerst over enkele dagen terugverwacht. De secretaris der residentie nam intusschen de plichten der gastvrijheid op zich, welke zich trouwens er toe bepaalden, om onzen toeristen inlichtingen te geven en tot gids te verstrekken, daar ons gezelschap besloten had den nacht aan boord door te brengen.
— DE PEPERCULTUÜB.
21
DE LAMPONG-BAAI.
„Heer secretaris,quot; begon Van Berkenstein het gesprek, „zooals kapitein Meerman ons mededeelde, heeft de hoofdplaats van dit gewest zeer te lijden gehad van de uitbarsting van den Krakatau. Zoudt gij ons daaromtrent bijzonderheden kunnen mededeelen? Gij zoudt ons daarmede zeer verplichten.quot;
„Ik zal u mededeelen, wat ik er van weet. Ik ben eerst kort na de ramp bier gekomen,quot; antwoordde de secretaris. „Als gij dat weinige voor lief wilt nemen, luistert dan:
„In den avond van den 26sten Augustus 1883, zoo omstreeks 1 uren, werd een hevige knal vernomen, die dermate van luchttrillingen vergezeld ging, dat velen de daardoor veroorzaakte dreuningen aan lichte aardschuddingen toeschreven. Twee uren later evenwel kwam de eerste golf aanzetten, die het geheele havenhoofd onder water zette en de wandelaars daarop tot een overijlde vlucht noopte. De pier, die bet havenhoofd vormde, werd toen zelfs over een lengte van 125 M. weggeslagen; terwijl een halfuur later een sterke asch-regen waargenomen werd, die vermengd was met stukjes puimsteen flapillij, ter grootte eener boon. Des nachts was het stoomschip „Grouverneur-Generaal Loudonquot; op de reede gekomen, maar had, door de uiterst woelige zee, geen gemeenschap met den wal kunnen hebben.
„Tegen zes uren begon weer aschregen te vallen en tegen halfzeven in den ochtend van den 27sten kwam een verbazend hooge vloedgolf aanstormen, die het havenlicht, de steenkolenloodsen en de pakhuizen, die op den dam stonden, als wegmaaide en het stoomschip „Berouwquot; '), dat oostwaarts van het havenhoofd op de reede lag, over den dam heen in de Chineesche kamp werd gezet. Kampong Kankoeng, waarin verreweg de meeste Europeesche woningen gelegen waren, werd daarbij geheel verwoest. Gelukkig waren allen bij het aanbreken van den dag naar het residentiehuis en naar het fort gevlucht, die beide op den heuvel Lampong, achter de plaats gelegen waren. Deze boden slechts ternauwernood redding aan, daar zij zich maar ter hoogte van 24 M. verhieven en de vloedgolf tot 22 M. steeg.
„De toestand binnen de gebouwen van die inrichtingen was, al konden de menscben-levens gered heeten, lang niet benijdenswaardig. Tegen halfnegen begon de lucht, die een aschgrauwe tint vertoond had, een koperkleurig aanzien te verkrijgen; terwijl in de richting van Krakatau voortdurend bliksemschichten ontwaard werden en de aschregen nog overvloediger viel dan tot nu toe geschied was. Het werd langzamerhand al meer en meer donker, toen te 10 uren eensklaps een losbarsting vernomen werd, alsof een groot aantal zware vuurmonden tegelijkertijd in de onmiddellijke nabijheid losgebrand werd, die een ieder van schrik en angst deed verstijven. Een vurige lichtschijn werd in datzelfde oogenblik in de richting van Krakatau waargenomen, welke evenwel schier onophoudelijk door
') De „Berouwquot; was een raderstooinschip van de Gouvernements-Maiine, van -iO paardenkrachten, bewapend met 4 kanonstukkon en bemand met 4 Europeanen en 24 Inlanders.
DE LAMPONG-BAAI. — DE PEPEKCITLTUUK.
gehakkelde bliksemschichten doorkruist werd. Onmiddellijk na dien vreeselijken knal nam de duisternis nog toe en tegen halfelf was zij zoodanig, dat zij beschreven werd „zwarter dan de zwartste nachtquot;, terwijl tegen dat uur een hevige modderregen begon te vallen, die ruim anderhalf uur aanhield.
„Gij kunt begrijpen, hoe de vluchtelingen binnen het residentiehuis en binnen het fort te moede waren. De gebouwen dreunden en kraakten geweldig, zoodat men, huiverig in die omstandigheden de petroleum-lampen brandende te houden, die uitgebluscht had. Het was stikdonker en te midden dier verschrikkelijke duisternis hoorden allen een ontzettend geweld, voornamelijk teweeggebracht door een hevigen wind, waardoor boonien ontworteld en zware takken gebroken werden, terwijl het vulcanisch slik met kracht tegen de deuren en vensters geslingerd werd. Bijna alle geluiden werden evenwel door het loeien van den stormwind overstemd. Wel beweren sommigen het eigenaardig gedonder gehoord te hebben van de tegen den heuvel opgestuwde golven; maar niemand der aanwezigen heeft van de groote golf, die op slechts dertig M. van hen machteloos brak, bij de heerschende duisternis iets gezien.
„Tegen den middag hield de modderregen op en bedaarde de stormwind; maar de aschregen en de daardoor veroorzaakte duisternis duurden tot drie uren in den morgen van den 28sten; toen de maan het terrein der verwoesting met haar üauw, bleek licht kwam beschijnen en niet tot opbeuring der angstige harten bijdroeg.
„Toen de dag aanbrak, kon men evenwel eerst den omvang van de ramp overzien. De geheele strandvlakte was tot aan den voet van den Lampongheuvel bezaaid met overblijfselen van huizen, boomen, drijfhout, verbrijzelde vaartuigen, lijken van menschen en dieren. Green enkel huis, geen enkele boom was blijven staan; alles was weggemaaid en alleen de overblijfselen, waarvan ik zooeven sprak, en een natte aschlaag, die een dikte had van ongeveer 0,35 M., getuigden van de ontzettende gebeurtenis, welke plaats gegrepen had. Het stoomschip „Berouwquot; was verdwenen. Het was door een monsterachtige baar in de Chineesche kamp andermaal opgetild geworden en hoog in de vallei van de Koeripan-rivier, waaraan Teloq Betoeng gelegen is, achter een bocht van het heuvelachtig terrein op den wal gezet, op 3300 M. afstand van zijn ankerplaats op de reede en op 2600 M. van het punt in de Chineesche kamp, waar het 's morgens te halfzeven geworpen was. Veel prauwen waren langs de oevers der vallei gestrand, een bebakenings-boei werd op de helling van den heuvel bewesten het kerkhof teruggevonden. En wonder boven wonder, het barkschip „Mariequot;, dat toch 570 ton meette en met zout geladen was, was behouden gebleven en lag tot aller verbazing rustig op de reede in diep water.quot;
„Was dat schip rustig ten anker gebleven?quot; vroeg de heer Jaffrezic Senior. „Dat is niet aan te nemen.quot;
„Neen, het werd in den morgen van den 27sten Augustus voor drie ankers weggeslagen en op het strand geworpen. Men kon toen droogvoets om het schip loopen. Omstreeks
22
DE LAMPONG-BAAI. — DE PEPEliCÜLÏUUK.
tien uren wierp een vloedgolf het vaartuig opzijde en liep de zee er overheen. Om drie uren des namiddags werd de „ Mariequot; andermaal door de golven gebeukt; maar bij die laatste teistering schijnt zij door de terugrollende golf naar zee medegesleept te zijn; althans, toen de duisternis verdwenen was en de dag aanbrak, dobberde zij op de reede.quot;
„Hoeveel menschen zijn te Teloq Betoeng omgekomen?quot; vroeg Montauban.
„Drie Europeanen,quot; antwoordde de secretaris, „waaronder een stuurman en een machinist van de „Berouwquot; en een soldaat van de bezetting en 714 Inlanders. En in de geheele residentie Lampongsche Districten verongelukten 5 Europeanen en 12461 Inlanders.quot;
„Ontzettend!quot; mompelde Boisjolin.
„Het is ons nu duidelijk,quot; sprak Van Berkenstein, „waarom de plaats zoo stil, zoo kaal geschoren zich vertoont. Zij is een menschencentrum in opkomst.quot;
„En veel te zien is er niet, zooals gij ontwaard hebt,quot; vervolgde de secretaris,
„maar---- hoe diep ligt de „Zeemeeuwquot;?quot; vroeg hij na een poos nadenken aan Van
Berkenstein.
„Ik weet het niet,quot; antwoordde deze.
„Ik meen 9 voet,quot; zei de oudste Jaffrezic.
„Wel, dan is uw stoomscheepje de geschiktste gelegenheid om een uitstapje te maken naar een klein eiland hier in de buurt, in welks nabijheid warme bronnen aangetroffen worden. Wij kunnen dan ook eens voet aan wal zetten en zien, of wij geen groot wild onder schot krijgen. De heeren zijn toch jagers, hoop ik?quot;
„Een groot dier? Welk, als ik u bidden mag?quot; vroegen de drie dames tegelijk.
„Bij voorbeeld: een tapir, een tijger of, als het kan, een olifant,quot; was het antwoord.
„Dan is ons nederig verzoek om thuis te blijven,quot; zei mevrouw Jaffrezic.
De boezem van Clotilde Visbergen hijgde zichtbaar, haar neusvleugels trilden. Zij was op het punt een protest te doen hooren.
„Ik zou den dames ook den raad geven om aan boord te blijven,quot; zei de secretaris. „De wandeling, die ik den heeren voorsla, is alles behalve aanlokkelijk voor het teedere geslacht. Vooreerst door de moeilijkheden, die de wildernis aanbiedt; terwijl er ook rekening dient gehouden te worden met de gevaren, die kunnen voorkomen, en die dan een onbevreesd hart en een vaste hand vereischen, om hen het hoofd te bieden.quot;
„Maar,quot; barstte mevrouw Visbergen hartstochtelijk los, „dat hart, die hand bez.....quot;
„St---- Clotilde,quot; sprak mevrouw Van Berkenstein. „Het blijft afgesproken, wij
blijven aan boord; wij zullen elkander gezelschap houden.quot;
De moedige Clotilde was maar zeer moeilijk te overreden.
„Ik noodig de dames en de heeren dan om bij mij de rijsttafel te gebruiken,quot; sprak de secretaris; „dan zullen wij daarna aan boord gaan, om ons bezoek aan de warme bronnen te brengen.quot;
Zoo gezegd, zoo gedaan. Het tafelen duurde nogal lang. De echtgenoote van den
23
DE LAMFONGBAAI. — DE PEPERCÜLTÜUR.
gastheer had voor een uitmuntende rijsttafel gezorgd. Er was onder anderen een schotel gebraden „tjoemi tjoemi,quot; ') die een kreet van bewondering deed opgaan, zóó lekker werd dat kostje bevonden. Het tafelen werd dan ook wel gerekt; want het was ongeveer drie uren, toen ons gezelschap, waarbij de secretaris zich thans voegde, aan boord van de „Zeemeeuwquot; terug was. Alvorens evenwel in de sloep te stappen, had die ambtenaar een zijner schrijvers naar den „Djoeraganquot; (gezagvoerder) van de gewapende boot, die voor Teloq Betoeng ten anker lag, gezonden met bevel, zich gereed te houden, om 's daags daarna door de „Zeemeeuw''' op sleeptouw genomen te worden.
Zoodra ons gezelschap aan boord was, ontving kapitein Meerman, die de uitnoodiging gekregen had om stoom op te houden, de onontbeerlijke aanwijzing van den secretaris, die trouwens een der „djoeroemoedie'squot; (roerganger) van de vooraf besproken gewapende boot medegenomen had, om als loods te dienen in dit vaarwater, en weldra was het anker gelicht en de „Zeemeeuwquot; onder stoom.
„Waarom hebt gij de kruisprauw zich doen gereed houden, om op sleeptouw genomen te worden?quot; vroeg Van Berkenstein aan den secretaris.
„Oh! de heeren zijn mij nog niet kwijt,quot; antwoordde deze. „Na dit jachttochtje zullen wij meer zuidwaarts stevenen en zal ik mij vereeren u uitgestrekte pepertuinen te laten zien.quot;
Een hoezee! was de belooning voor die toezegging.
„Maar, zullen wij dan mede aan wal kunnen gaan?quot; vroeg mevrouw Visbergen pruilend. „Of zal het weer zijn: de dames blijven aan boord? Ik vind die heer secretaris een naar mensch, nietwaar dames ?quot;
„Welnu, ik zal dien tocht zoodanig zien in te richten, dat de dames van de partij kunnen zijn,quot; antwoordde deze. „Ik maak evenwel dit beding, dat ik geen verwijtingen zal verdienen, wanneer onze schoenen van vermoeidheid zullen klagen. Bedenkt, dat wij hier niet zijn op Java met zijn spoorbanen, heirbanen en prachtige wegen.quot;
„Wij zullen alles bedenken, wat gij maar wilt,quot; zei mevrouw Visbergen.
„Maar, als wij vermoeid worden?quot; vroeg mevrouw Van Berkenstein.
„Dan zullen wij den heer secretaris niet beknorren, maar hem lieftallig verzoeken, ons op zjjne beurt te helpen dragen,quot; antwoordde Jolande Jaffrezic.
Of de secretaris met het vooruitzicht op de kans van uitvoering van dat verzoek ingenomen was?
De „Zeemeeuwquot; was inmiddels het eiland Posarang genaderd. Er werd nu gestopt.
') Tjoemi tjoemi = inktvisch. Is zeer lekkor en te Batavia ook door de Europeanen zeer gewild. In d(j
Lampongbaai heeft de schrijver bij den kampong Merak een inktvisch zien vangen, waarvan liet lichaam eene
middellijn van 50 cM. had en waarvan de vangarmen 75 cM. lang waren. Dus een ware „ p i e u v r e.quot; Die visch was zeer smakelijk.
24
DE LAMPONG-BAAI. —
25
DE PEPEECULTUUE,
De sloepen werden uitgezet en het gezelschap — ook de dames — nam daarin plaats. Toen men, in westelijke richting aanhoudende, genoemd eiland voorbij was, noodigde de secretaris de heeren uit, de hand in het zeewater te steken. Er was hoegenaamd geen gevaar, verzekerde hij. Het water was bloedlauw, hoewel er ongeveer 30 voet water op die plaats gepeild werd. Overal, rondom de sloepen, borrelde het water met kracht genoeg op, om spatten ver weg te slingeren; terwijl de reuk van zwaveligzure gassen niet te miskennen was.
„Hier zijn dus heete bronnen in zee,quot; merkte de secretaris op. „Straks zullen wij ze ook aan wal zien.quot;
De sloepen stevenden nog een honderd vademen westwaarts; toen bereikten zij den wal. Maar, daarmede was alles niet gezegd. De oever was kleiachtig en zeer modderig. De heeren, er op voorbereid, stapten door dik en dun heen. Twee aan twee strengelden zij de armen te zamen en vormden zoo een draagstoel, waarmede zij de dames aan wal brachten.
Toen men die modderstrook doorgebaggerd was, drong men het bosch in, dat hier geheel en al uit jeugdige Ehisophoren bestond. De secretaris geleidde de toeristen en bracht hen weldra op een plek, waar heet water uit den zachten kleigrond opborrelde en daarop een harde, witachtige korst achtergelaten had. Het water teekende 181° Fahrenheit; maar de secretaris verklaarde, dat, wanneer liet eb was, dit water het kookpunt bereikte. Hij deelde ook mede, dat die bronnen bij de Lampongers Kalidjadian geheeten werden.
Toen de heete bronnen bezichtigd waren, werd een heuvel bereikt en het maagdelijke bosch verder ingedrongen. Behalve den secretaris, hadden nog vijf onzer heeren hun geweren van boord medegenomen; zoodat dat uitstapje, met die bewapening, wel gewaagd kon worden.
Maar een uitstapje in den eigenlijken zin des woords was het niet. Het terrein liep hellend omhoog; zoodat de Ehisophoren weldra verdwenen. Hoogstammig woud vertoonde zich nu aan den blik der bezoekers, waartusschen struikgewas en liaan-soorten welig tierden. De bodem was met een dikke laag humus overdekt, een ware detritus van bladeren, takken en boomstammen, waarin onze wandelaars tot over de enkels zakten. Een weg was er niet. Onze reizigers moesten zich baanbreken door de wilde ranken, die allerwegen het voortdringen trachtten te beletten. Gelukkig, dat de secretaris een paar oppassers medegenomen had, die hun sabels ijverig hanteerden. Maar, dat was niet genoeg; want vooreerst ging dat voortdringen uiterst langzaam, anderdeels was het pad of beter de loopgraaf, die aldus in het dichte groen gevormd werd, zoo smal, dat er bijna niet langs voort te schrijden was. Telkens zat een van ons gezelschap in het dichte struikgewas verward en was zoodanig door de slingerplanten vastgeklemd, dat men hem of haar te hulp moest komen, om met de sabel weer ruimbaan te breken, Yooral hadden de dames het hard te verantwoorden met haar japonnen; het was of al de doornen van den omtrek
DE LAMPONG-BAAI. — DE PEPERCÜLTUUE.
het daarop gemunt hadden. Zij zaten vast of waren op het punt van vast te zitten. Tertium non datur.
„O! mes pauvres jupons!quot; jammerde mevrouw Jaffrezic. „Que d'accrocs!quot;
„En de mijne dan!quot; pruttelde mevrouw Van Berkenstein. „De doornen maken niet slechts winkelhaken in mijn kleeren, mijn handen hebben het ook al hard te verantwoorden gehad. Die zijn overal gekrabd.quot;
Clotilde Yisbergen zeide niets, maar stapte moedig, met saamgeknepen lippen, voorwaarts en schermde met en wrong zich door de onwillige lianen met een bewonderenswaardige standvastigheid. Het bosch werd al dichter en dichter, naarmate het terrein klom; de loofkruinen welfden zich eindelijk zoo dicht boven onze woudbezoekers, dat van het blauw des hemels geen streepje, geen plekje zichtbaar was, dat geen zonnestraal, hoe fijn gezift ook, tot het aardrijk doordrong. Men schreed in een dompige schaduw, in een halfduister voort. Plotseling stond men voor een zeer zwaren boomstam, een woudreus, die ter aarde lag. Voor het oog was de stam zeer gaaf. In een wip sprong Clotilde er op; maar.... er tevens ook door. In een oogwenk stond het levendige vrouwtje tot over de knieën in een zachte, vochtige stof, die een ondraaglijken muffen reuk verspreidde.
„Helpt!quot; riep zij, „helpt mij er uit! 0, het krieuwelt mij zoo langs de beenen!quot;
De heeren hielpen met ijver en toen de jonge vrouw uit haar komischen toestand ontzet was, bespeurde zij dat haar beenen met zwarte mieren overdekt waren, die haar gevoelig de stoornis betaald zett'en, welke zij ondervonden hadden. Een menigte groote houttorren liepen haar ook over de voeten en trachtten weer hun duistere holen in den verganen boom te bereiken. Dat haar echtgenoot volijverig was, om haar van die lastige insecten te bevrijden, zal wel geen betoog behoeven. Eindelijk kon men weer voortstappen.
Maar, nauwelijks was men nog een honderd passen doorgegaan; toen een dei-oppassers van den secretaris eensklaps stilstond en fluisterend zei:
„St.... diam! Gadjah!quot; (St.... stil zijn! Olifanten!).
Het gezelschap stond plotseling stil. Toen werd een geluid vernomen als het geklepper van molenwieken in de verte. Langzaam schreed men vooruit, tot men eensklaps een open plek in het woud ontmoette, door een poel of een miniatuur-meertje veroorzaakt. Op den voorgrond van het tooneel, dat zich voor onze toeschouwers opende, lag een kaaiman 1) op den rand van het water in de zon te slapen. Aan de overzijde van het meer stond een drietal olifanten, die bezig waren elkander door middel van hun snuiten met water te bespuiten. Het geklepper als van molenwieken werd veroorzaakt door hunne breede ooren, die zij vlug bewogen om vliegen te verjagen of zich lucht toe te wuiven. In de verte kon in het dichte bosch een groote beweging opgemerkt worden, waaruit
') Kaaiman = Crocodilus biporcatus.
:-iquot;r : ::: ■■: •
■ V-•••'amp;amp;. •*!'* ' .. { , •, . ' . - . ■ , . ••f ..1 . .. • 1
„■ ■ ■ ■.■-.■; •, ■ ;-s ' - ./■ ■ •
gt;quot;■' - 'rf'' ''•■'■ • - 't ■*■- K \ r ' ■■ •»» ■ ■ •' r-.v
•••/ • • ; j- : . v, .. « •■■ , / 4..ji ■ ■ . . . ; . . ■ ■ - ■
:\iS ' ... ' -Vv v' : • ' quot; *' v^- '*■ - •
^^ ^■
f.t '***''gt;. ■ '••.• ' .*quot;.;.•••• 'quot;'V; •-. ;r , . -• ■' . '
■'■■ ■ 'r .^■'S ■■■■ ;
l: r
'X f.M' ■ i • 1 : . ■. . . , ■■, ' - ■ ■ ■« *. .-Sr. '■ . ■
- . gt; .■ ■ ■ - v.
...quot; I '■ -/ V-:'':-v v
■ ^ ; ; ; ') , . quot;
. 7;. ■ . ■,■. .,4 gt;, ..* .O
• .■-Cv • v,- , ■ ,v - ^ ■
■ ï'; ■ ■ ■ . ■. ■
y* ;
DK LAMFOXG-HAAI. - DE PEPERCULÏÜUK.
af te leiden was, dat die drie olifanten tot een groote kudde behoorden. Nauwelijks hadden dezen onze toeristen in het oog gekregen, of zij staakten hun spel, verhieven de snuiten in de hoogte, stieten een machtig geluid uit, niet ongelijk aan trompet-geschetter met diepen toon, en deden eenige passen voorwaarts, alsof zij door het meertje heen de toeristen dreigend te geraoet wilden treden. Op dat gezicht was Boisjolin zichzelven niet meer meester; hij bracht zijn geweer aan den schouder en drukte af. Dat alles geschiedde in een ommezien. Van het oogenblik af, dat het gezelschap de open plek in het wond ontwaard had, totdat dit schot knalde, waren zeker geen tien seconden verloopen. Maar, op dat schot stormden de olifanten eerst eenige passen vooruit, alsof zij ten aanval wilden overgaan; daarna stoven zij de dichte struiken in en waren in een ondeelbaar oogenblik uit het gezicht verdwenen; de kaaiman, in zijn zoete rust gestoord, maakte een sprong in de lucht, alsof de kogel hem getroffen had, schoot onder water; en.... onze drie dames, verschrikt door de eerste beweging der dikhuidigen, stieten een gil uit en stoven in een wilde vlucht achterwaarts, met een vlugheid, die een oogenblik te voren niet bij haar verwacht kon worden. Daar was niets aan te doen. Het was een paniek. De heeren, wellicht meegesleept door het aanstekelijk voorbeeld, wellicht ook om de teedere sekse in dit bosch niet alleen te laten, volgden met zoo'n ijver, dat de beweging niet veel van een bedaard uitgevoerden terugtocht had.
Het ging door dik en dun, door struiken en over slingergevvassen heen. Men wachtte niet, dat de sabels der oppassers een doortocht baanden; men spoedde voort, voort strand-waarts heen, alsof de olifanten de vluchtenden achterna zaten. Allen hadden evenwel de bezinning niet verloren. Van Berkenstein, Montauban, Boisjolin, Nielsen en H. Jaffrezic dekten met hun geweren den aftocht; maar zij konden er niets toe bijbrengen, om de vluchtenden tot bedaren te krijgen. Hun stemmen werden niet gehoord.
Eindelijk was het gezelschap in de sloepen terug. Maar in welken toestand? Van de dames waren de bovenkleederen letterlijk van het lijf gescheurd. Bij eiken stap waren zij in die overhaaste vlucht gestruikeld, waren met hun lange kleeding in de slingergewassen verward geraakt en door de doornen gegrepen geworden. Zelfs bij minder aandrang tot spoed ware het onmogelijk geweest zich, daaruit zonder beschadiging der japonnen te ontwarren. Nu was het een trekken en scheuren geweest, om slechts voort te komen. Daarenboven hadden de dames bij het doorwaden der kuststrook, modder tot aan de knieën gekregen.
„Dat's voor ééns!quot; zei Clotilde Visbergen, toen men aan boord van de „Zeemeeuwquot; terug was; „mij krijgt men in zoon woud niet meer!quot;
De secretaris lachte fijntjes, maar antwoordde daarop niets.
„Van de jacht, die ik voor morgen beraamd had, kan nu niets meer komen,quot; sprak hij, toen allen zich gereinigd en verkleed hadden en op het dek bij elkander zaten. „De troep olifanten is door dat ontijdig schot aan den haal gegaan en zal in de eerste dagen
27
28
wel niet te naderen zijn. Toch was het voornamelijk een jacht op die dikhuidigen, welke ik op het oog had. Het ware wel aardig geweest, wanneer wij morgen met ettelijke olifantstanden, van dieren door nzelven geveld, aan boord waren teruggekomen.quot;
„Maar wij kunnen morgen nog probeeren,quot; zei Boisjolin, die zijn ontijdig schot trachtte te doen vergeten.
„Neen, dat zou noodelooze moeite zijn. Wij zouden een vreeselijk vermoeienden tocht maken, zonder zelfs in de gelegenheid te komen om een schot te lossen. Daar is nu eenmaal niets aan te doen.quot;
„Maar wat dan ?quot; vroeg Van Berkenstein.
„De zon is reeds achter het westelijk gebergte, dat de baai omzoomt, weggescholen,quot; sprak de secretaris. „Ziet, daar stijgt de maan, die overmorgen vol is, boven den oostelijken bergrand; wij zullen een fraaien nacht hebben en niets, nietwaar kapitein Meerman, kan verhinderen, dat wij naar Radja Bassa stoomenl Niet.... 'J Wel, dan zouden wij morgen ons bezoek aan de pepertuinen kunnen brengen.quot;
Alzoo werd besloten. Eenige oogenblikken later was de „Zeemeeuwquot; in volle vaart en stoomde naar Teloq Betoeng terug, om de gewapende boot volgens afspraak op sleeptouw te nemen. De secretaris nam de gelegenheid te baat, om even naar huis te gaan, ten einde zich ook te verkleeden.
Toen onze toeristen den volgenden morgen al vroeg ontwaakten, lag de „Zeemeeuwquot;, alsook de gewapende boot, vrij dicht onder de oostelijke kust van de Lampong-baai voor den kampong Radja Bassa ten anker. De sloepen weiden te water gelaten; maar toen de dames uitgenoodigd werden om daarin te stappen, bedankten zij, na een oogenblik te zamen beraadslaagd te hebben, hartelijk er voor, aan den tocht deel te nemen. Zij beweerden nog onder den invloed van den schrik, den vorigen dag doorstaan, te verkeeren. De heeren vertrokken bij gevolg alleen, op aanraden van den secretaris behoorlijk gewapend. Toen zij te Radja Bassa aan wal stapten, liet de secretaris het kampong-hoofd ontbieden en verzocht hem een „maliemquot; (gids) voor een tocht van dezen kampong langs Bandoeloe naaiden kampong Paloeboe. Kapitein Meerman had in opdracht gekregen naar laatstgenoemden kampong te stevenen en daar de toeristen af te wachten. De bedoelde „maliemquot; was spoedig gevonden, daar het kampong-hoofd zich als zoodanig aanbood.
Aanvankelijk liep de tocht tot bij kampong Eanali langs de kust en konden onze toeristen de fraaiste koraalbeddingen waarnemen, die daar de kuststrook vormden en bij eb bloot vielen. Maar van laatstgenoemden kampong af voerde het pad landwaarts in en slingerde langs een woesten bergstroom — die in ijlende vaart over de rotsbedding zijn wit schuim voortschoot — tegen de steile hellingen naar den Radja Bassa bergop. Het was een moeitevol klimmen; maar welgemoed stapten onze toeristen voort. Na ongeveer een tweetal uren geklommen te hebben, bereikte het gezelschap een plateau, dat geheel van bosch —
DE LAMPONG-BAAI. — DE PEPEKCULTUUK.
waardoor het pad tot nu toe geloopen had — ontdaan was. Van hieruit had men een prachtig gezicht. Het grootste gedeelte van Straat Soenda en de Lampong-baai strekte zich aan de voeten onzer reizigers uit. De eilanden Seboekoe, Sebessi, Krakatau lagen daar vlak voor hen, de twee eersten met hun kegelbergen, het andere met zijn grillig verbrokkelden vulkaan, en vormden als het ware een uitnemenden middelgrond voor de natuurschilderij, welke zich daar ontrolde; terwijl achter die eilanden de blauwe zee in het zonlicht tintelde en de witte zeilen van de tallooze vaartuigen, waaronder verscheiden driemasters, die haar beploegden, daarop schilderachtig uitkwamen. In het Zuiden waren de Java-kust en in het Westen het eiland Lagoendi als een donker-blauwe band, die daar den horizon begrensde, zichtbaar; terwijl de kleinere eilanden, als Poeloe Tiga, Poeloe Makoedoe en Poeloe Paloeboe, zich als drijvende ruikers op den blauwen oceaan vertoonden.
„Kijkt eens naar beneden, langs de steile berghelling af,quot; zei de secretaris.
„O! daar stoomt de „Zeemeeuwquot; langs de kust!quot; riep Van Berkenstein. „O, hoe lief is het gezicht van dat aanvallige scheepje, met zijn fladderende stoompluim, die zich achterwaarts daarover uitstrekt. Zou men ons aan boord kunnen zien?quot;
„Wie weet?quot; antwoordde de secretaris; „maar wij zullen de aandacht trachten te trekken.quot;
Hij fluisterde den „maliemquot; iets in het oor. Deze kwam een oogenblik later met een heelen langen bamboestaak terug, waaraan een witte zakdoek gebonden werd. Toen de staak overeind geplaatst was, vuurde de secretaris zijn geweer af. Een oogenblik later kon men, met behulp der kijkers, zakdoeken aan boord zien wuiven, hoewel de personen niet te herkennen waren. De vlag ging aan de gaffel van het vaartuig op en neer; terwjjl een witte rookkolom uit een der zijden van de „Zeemeeuwquot; voortschoot en zich in dichte kringen, welke al grooter en grooter van middellijn werden, over de oppervlakte der zee ontwikkelde.
„Wat rolt die rookkolom fraai over het water,quot; zei Boisjolin. „Maar, wat heeft ze te beteekenen?quot;
„Dat is een ...
Henri Jaffrezic had den tijd niet om zijn antwoord te voltooien. Daar rolde een machtige knal, honderdvoudig door de echo's van het gebergte herhaald, naar boven, bleef als hangen boven de bergvlakte, waarop onze toeristen stonden, weerkaatste achter hen tegen de steiloploopende wanden van den Radja Bassa-top naar de kegelbergen op de eilanden Seboekoe en Sebessie over, werd van daar weer teruggekaatst, zoodat een geluid ontstond, dat, eerst machtig en overweldigend, langzamerhand afnam, steeds afnam en in een gerommel eindigde, dat men nog minuten na den eersten knal meende te hooren. Allen betuigden, nooit zoo'n fraaie echo waargenomen te hebben. Het kanonschot, dat kapitein Meerman uit een bronzen éénpondskanon als saluut had laten geven, was betoo-verend van uitwerking geweest.
29
DE IAMPONG-BAAI. — TIE PEPEKCULTUUIi.
„Staan wij hier niet op het plateau van Bandoeloe?quot; vroeg Visbergen aan den secretaris.
Op diens bevestigenden hoofdknik ging de luitenant voort:
„In 1856 stond hier een vijandelijke versterking; daarginds kunt gij nog sporen van haar geduchte borstweringen opmerken. Zij was gevestigd door de Lampongsche opstandelingen, onder aanvoering van Raden Intan en Pangerang Singa Branta. Zij werd evenwel niet verdedigd, toen kolonel Waleson met een compagnie Infanterie en een paar mortiertjes er voor verscheen. Die ojjstand was in weinige maanden gedempt.quot;
Achter Bandoeloe kreeg men de eerste pepertuinen te zien.
„Het heeft veel van een aanplant van sirih,quot; merkte Tan Berkenstein op.
„Daarvan heeft het zeer veel,quot; antwoordde de secretaris. „De sirih-plant behoort ook tot de Piperaceae. Zooals gij ziet, is de peperplant een rankgewas, dat, om zich omhoog te kunnen richten, een boom, dus een andere plant, tot steun noodig heeft. Tot die steun-boomen wordt gewoonlijk de Dadap, die gij voorzeker in de koffietuinen hebt leer en kennen, gebezigd. In den handel en het huishoudelijk gebruik zijn voornamelijk twee soorten peper bekend; de zwarte en de witte peper. Beide zijn de vrucht van de „Piper nigrumquot;, die wij voor ons zien. De zwarte peper is een ongesteelde, kogelronde korrel, van ongeveer 372—m.M. middellijn, die in een bes besloten is, welke zich onrijp groen en rijp rood vertoont. De bessen groeien trosgewijze. De korrel, versch geplukt, is omgeven door een roodbruine zaadhuid, die later donkerbruin, ja zwart wordt; de witte peper is dezelfde korrel, die gedeeltelijk van die zaadhuid ontbolsterd is.
„De Piper nigrum is een klimmende heester met knobbeligen, aan de knoopen worteldrijvenden stengel. Zij heeft lederachtige, gaafrandige, breed-eironde bladeren. De bloemtrosjes, die 20 tot 30 vruchtjes voortbrengen, ontspringen, zooals gij bemerken zult, aan de tegenovergestelde zijde van den bladsteel.
„Om een pepertuin aan te leggen, worden stekken op een korten afstand van hoornen geplant. Een jaar na de uitplanting maakt men de uit dien stek ontwikkelde rank van haar steun los en begraaft haar rondom den boom. Talrijke loten ontspruiten nu, die zich als nieuwe, krachtige ranken ontwikkelen, zich om den boom opwaarts slingeren en dezen weldra met een dicht bladerenkleed overdekken. Die ranken kunnen tot 15 M. lang worden. Zij worden evenwel ingekort, om de vrucht meer onder het bereik te hebben. In goede aarde brengt de peperstruik in het vierde jaar reeds vruchten voort, heeft evenwel in het negende jaar zijn toppunt van productie bereikt; terwijl de voortbrenging op het vijftiende jaar begint af te nemen. Bij welslagen kan gerekend worden, dat iedere peperplant één K. G. vruchten opbrengt. Tusschen den bloeitijd en den oogst verloopen vier maanden; de inzameling geschiedt tweemaal 'sjaars.
„Zietdaar,quot; zoo besloot de secretaris, „het voornaamste, wat er van de pepercultuur te vertellen valt.quot;
DE LAMPONG-BAAI. — UE l'El'EHCULTUUK. 81
„Zijn de Lampongsche districten de voornaamste pepervoortbrengende streken?quot; vroeg Montauban. „En op hoeveel wordt de productie hier geschat
„Neen, de Lampongs zijn niet het voornaamste peperland,quot; antwoordde do secretaris. „Men beweert, dat Atjeh veel meer levert'; maar met den oorlogstoestand, die daar nog steeds heerscht, zijn de gegevens niet vertrouwbaar genoeg om cijfers mede te deelen. I)e uitvoer van die peper richt zich voornamelijk naar Penang en Singapore. Ook worden de Lampongs in productie aanmerkelijk voorbijgestreefd door den Eiouw-archipel, alwaar de uitvoer in 1878 400,000 en in 1879 78,900 pikols zou bedragen hebben. Van de Lampongs was de uitvoer in die twee jaren nagenoeg 27,000 en 88,000 pikols.
De reizigers waren gedurende die mededeelingen de grens der pepertuinen genaderd. De medegenomen gids vroeg nu, of hij naar de kust zou terugkeeren, of dat de heeren Paloeboe door het gebergte wenschten te bereiken. Die laatste weg was de kortste, verzekerde hij, maar ook de moeilijkste, als loopende door het dichte woud. Onze toeristen hadden voor elkander en ook voor hun eigen geweten hun paniek van den vorigen avond te vergeten. Bij acclamatie verkozen zij dan ook den weg door het gebergte.
Al dadelijk begon het pad door het dichte bosch te voeren en dermate te stijgen, dat er gedeelten waren, waar de reizigers zich van handen en voeten moesten bedienen, om tegen de steilten op te klauteren. Somwijlen moesten rotspartijen beklommen worden, waarbij het den achteraankomenden angstig om het hart sloeg, wanneer zij hun voorgangers daar hoog boven tegen de rots als tusschen hemel en aarde zagen zweven.
„Bigre!quot; bromde Boisjolin tusschen de tanden. Maar er viel niet meer aan terugkeeren te denken. Hij moest vooruit.
Opeens scheen de „maliemquot; het spoor bijster te zijn. Althans, van een pad was niets meer te bekennen. Men was langzamerhand te midden van het bosch geraakt en stapte onverdroten voort op de verzekering van den gids, dat men een pad nabij was. De man had gelijk. Maar, welk een pad!,...
Plotseling hielden de voorsten van den troep halt. Zij hadden een breken en een kraken in het bosch gehoord. Allen luisterden.... „Jawel, allën vernamen een knappen van takken en boomstammen. Voordat men eigenlijk goed wist, wat er gaande was, brak een kolossale kop uit het dichte groen te voorschijn en keek op zoo'n korten afstand onze reizigers aan, dat de heete adem van het monster door de voorsten van den troep gevoeld werd; terwijl het dier een dof gegrom liet hooren. Aan terugwijken was niet meer te denken. Allen herkenden een rhinoceros ; maar ook allen begrepen, als bij instinct, dat hier eendrachtiglijk te werk moest worden gegaan. Allen brachten de kolf van het geweer aan den schouder en mikten op de oogen van het monster, dat hen bijna rakelings tegen de hartsvangers van de geweren stond aan te grijnzen.
') Rhinoceros Sumatranus; wordt door de bevolking Badak genoemd.
HE LAMPONG-BAAI. — DE PEPERCULTÜUE.
„Vuur!quot; klonk het commando van Vogels.
De tien kogels troffen doel. Het ondier suizebolde onder die losbarsting en stortte ter aarde. Het krabbelde evenwel weer op en poogde brullend ten aanval over te gaan.
„Vuur!quot; klonk andermaal het commando.
En andermaal verrichtten de tien kogels der Remmingtons op dien korten afstand hun werk. Ten tweedenmale stortte de neushoorn neer; thans echter om niet meer op te staan. De „maliemquot; wierp zich op hem en hakte hem behendig met zijn hakmes de pezen achter in het gewricht der voorpooten door. Nu naderde Vogels, zette de tromp van zijn geweer in het oor van den gevallen vijand, en gat hem zoo het genadeschot. Toen sneed de „maliemquot; het ondier den kop af, welke door de oppassers door middel van een rottanstrik aan een draagstok werd medegevoerd.
Na die ontmoeting werd doorgemarcheerd en werkelijk stootten de toeristen op weinig afstands een zoogenaamd rhinoceros-pad. Dat was een uitholling, door het ondier, dat steeds nauwkeurig ter zelfder plaats passeert, in den bodem teweeggebracht. Men volgde dat pad nu bergafwaarts. Het was noch een heirbaan, noch een macadamweg; maar het was toch verreweg te verkiezen boven een niet bestaanden weg door de wildernis. Van afstand tot afstand ontmoetten de reizigers verbazende hoopen van excrementen, waarover zij zich met behulp van een polsstok moesten heen werken.
Eindelijk kwamen zij weer op een pad terecht, door menschenvoeten gevormd, dat hen nu in een paar uren te Paloeboe voerde, alwaar, op het sein van een geweerschot, de sloepen van de „Zeemeeuwquot; naar den wal roeiden en onze reizigers, dood vermoeid en hongerig, aan boord brachten. Het was toen ongeveer vijf uren in den namiddag.
32
li, — In den Indischen Oceaan,
Gedurende het diner aan boord sleepte de „Zeemeeuwquot; de gewapende boot tot buiten de bocht van Paloeboe, alwaar deze haar zeilen kon losgooien, om, met behulp van een zachte zuiderbries, de Lampong-baai in te stevenen en naar Teloq Betoeng terug te keeren. Het afscheid van den secretaris was uiterst hartelijk geweest. Handen waren daarbij gedrukt, heilwenschen waren uitgesproken. Zelfs Clotilde Visbergen had amende honorable gemaakt en haar dankbaarheid betuigd, dat de heer secretaris de dames vrijgesteld had van den tocht door de pepertuinen.edurende het diner aan boord sleepte de „Zeemeeuwquot; de gewapende boot tot buiten de bocht van Paloeboe, alwaar deze haar zeilen kon losgooien, om, met behulp van een zachte zuiderbries, de Lampong-baai in te stevenen en naar Teloq Betoeng terug te keeren. Het afscheid van den secretaris was uiterst hartelijk geweest. Handen waren daarbij gedrukt, heilwenschen waren uitgesproken. Zelfs Clotilde Visbergen had amende honorable gemaakt en haar dankbaarheid betuigd, dat de heer secretaris de dames vrijgesteld had van den tocht door de pepertuinen.
„Mijn God! wat had er van mij moeten worden, toen dat gevecht met dien „badakquot; aan den gang ging,quot; zei ze in volle oprechtheid, terwijl zij den kop van het monster, welke aan dek lag, angstvallig bekeek. „Ik geloof, dat ik weer weggeloopen zou zijn. Maar waarheen f' Die rhinoceroskop — het zij hier terloops medegedeeld — werd, aan een stevig touw bevestigd, achter het schip in het kielwater gehangen en zoo meegesleept. Binnen vier dagen was hij door de ontbinding, maar nog meer door de wrijving van het zeewater, van alle vleeschdeelen gezuiverd en vertoonde hij een fraai anatomisch preparaat, dat Montauban zorgvuldig in een kist liet pakken, om naar Europa mede te nemen.
De gewapende boot stevende noordwaarts, de „Zeemeeuwquot; westwaarts. Een tijdlang waren de witte zeilen van eerstbedoelde, tegen de hooge kust afstekende, en de kronkelende stoompluim, die over de stoomboot zacht heenboog en zich naar het noorden richtte, voor elkander zichtbaar. Al kleiner en kleiner werd die gewapende boot voor onze toeristen, die zich op het achterdek vereenigd hadden en nog een vriendschappelijk gewuif met den secretaris wisselden. Eindelijk was nog maar een wit stipje op het azuur der zee te ontwaren, dat ook voor het oog verdween, toen de „Zeemeeuwquot; tusschen de eilanden Sebessi en Seboekoe doorstoomde.
DOOR STRAAT LA60EXDI. — IN PEN INUISCHEN OCEAAN.
De zon was inmiddels ondergegaan en de nacht begon te vallen, toen de boot aan de andere zijde dier eilanden in volle zee kwam; maar een nacht, zooals slechts in tropische streken kan beleefd worden. Aan den oostelijken hemel, achter het eiland Sebessi en achter het hooge gebergte, dat den oostelijken oever der Lampong-baai omzoomde, was een lichtende streep zichtbaar, een voorteeken, dat de maan weldra boven die bergnokken verschijnen en alles met haar zacht licht overgieten zou. Vogels verzocht kapitein Meerman om ten Noorden van het eiland Lagoendi om te loopen en door de Straat tusschen dat eiland en den Sumatra-wal door te stevenen. Aanvankelijk toonde die gezagvoerder eenige verwondering over dat verzoek; maar het weder was zacht en bestendig, de sterren flikkerden helder aan het hemelgewelf, de maan zou straks de te doorloopen baan verlichten, de horizon was rein, de barometerstand was normaal en teekende geen schommelingen; zoodat de zeeman geen oogenblik aarzelde om aan dat verzoek te voldoen.
Het kon ongeveer negen uren zijn, toen de „Zeemeeuw1' Straat Lagoendi instoomde. Ons geheele reisgezelschap zat op het achterdek vereenigd, om den wonderfraaien avond te genieten. Allen hadden opgemerkt, dat kapitein Meerman, bijgestaan door zijn beide stuurlieden, bij het naderen dier Straat, ijverig, ja eenigszins angstvallig met behulp van het kompas kruispeilingen genomen had op de eilanden Sebessi en Seboekoe, die nog steeds hun kegelbergen scherp en duidelijk op den hemel af'teekenden, met Tandjoeng Balak, de spits van Sumatra, die in Straat Lagoendi uitstak. Hoe meer de „Zeemeeuwquot; die Straat naderde, hoe meer die zeelieden hun voorzorgen en waarnemingen verdubbelden. Het was zóó in 't oog loopend, dat Henri Jaffrezic wilde opstaan, om den gezagvoerder zijn diensten als zee-officier aan te bieden.
„Blijf zitten,quot; zei Vogels met gedempte stem. „Laat hen stil hun gang gaan. Zij kunnen hier geen voorzorgen genoeg nemen. Hier verging ettelijke jaren geleden een der schoonste booten der Xed.-Ind. Stoomvaartmaatschappij: de Luitenant-Generaal K r o e s e n.quot;
„Had die ramp hier plaats?quot; vroeg Van Berkenstein getroffen. „O, wat ik u bidden mag, vertel ons de bijzonderheden daarvan, welke u gewis bekend zullen zijn.quot;
„Een mijner beste vrienden was aan boord,quot; sprak Vogels. „Als uitstekend zwemmer wist hij zijn leven te redden. Uit zijn mond heb ik het verhaal, dat ik u leveren zal, opgeteekend. Luistert:
„In den laten namiddag van den 21sten Juni 1876 rondde de stoomboot Luitenant-Generaal Kroesen Tandjoeng Bliembieng, den zuid-westelijken hoek van Sumatra, stevende de Semangka-baai dwars door, en nam te (5 uren haar peilingen ën op het eiland Lagoendi èn op andere eilanden aan den ingang der Lampong-baai. Te zeven uren werden die peilingen herhaald. Men had toen het eilandje Sasaran, waarop wij nu rechttoe aanstevenen, O.-N.-O. vooruit. De kapitein liet daarenboven, met het oog op den stroom, die uit het Westen merkbaar was, veiligheidshalve nog iets oostwaarts aanhouden, zoodat aangenomen
u
DOOK STRAAT LAGOENDI. —
35
IN DEN INDISCHEN OCEAAN.
kon worden, dat het schip zich in den goeden koers bevond, om onder de westelijke kust der Lampong-baai langs te loopen. Het diner der passagiers was afgeloopen en het meerendeel hunner had zich naar dek begeven om daar, evenals wij nu doen, van den goddelijken avond te genieten. Het weer was aangenaam en zacht en de stemming onder die rampzaligen vroolijk en opgewekt. Velen hunner toch keerden van Atjeh terug en waren blij te moede, dat zij na een verblijf, dat voor sommigen van hen zeer gerekt was geworden, of hun kroost weer aan het hart mochten prangen, óf vrienden en bekenden weerzien en de hand zouden drukken. 0! de reis was zeer voorspoedig geweest! Ware het dag, dan had het opgetogen oog den Ja va-wal reeds kunnen onderscheiden, den bodem kunnen ontwaren, waarop hun dierbaren leefden, die ze den volgenden dag reeds zouden weerzien. IJdele hoop voor velen!
„Plotseling stootte het schip, dat met een achtmijlsvaart stoomde, kort en hevig en bleef vastzitten. Wel werd oogenblikkelijk met volle kracht achteruitgeslagen; maar dat hielp niets. Daarenboven stormde één der machinisten op het dek met de vreeselijke tijding, dat het water met kracht de machine-kamer binnendrong en de vuren uitdoofde.
„In allerijl werden de booten te water gebracht; maar bij het neerlaten van de eerste was het opdringen van de radelooze menigte zóó sterk en trachtte een ieder met zóó zinneloos geweld daarin een plaats te veroveren, dat de voortakel brak, de boot voor-overkantelde en haar geheelen inhoud te water wierp. Gij kunt begrijpen, welken indruk die gebeurtenis moest teweegbrengen. Handenwringend liepen de opvarenden onder het uiten van weeklachten op en neer, terwijl van buiten boord angstgegil en hulpgeschrei hartverscheurend weerklonken.
„De twee andere booten werden gevierd en gelukkig met beter gevolg te water gebracht. Dezen gelukte het nog een twintigtal van de drenkelingen te redden.
„Onmiddellijk na den stoot waren de dames gewaarschuwd geworden, zich in allerijl gereed te houden om plaats te nemen in de giek, die men bezig was te water te laten, toen plotseling het schip middendoor brak, de achtermast omstortte, daarbij een 50 of 60 menschen verpletterde, en het achterschip in de diepte verdween.
„0! het was een vreeselijk oogenblik. Het gebulder der zee, die als een onmetelijke baar, als een monsterachtige krul, bolvormig omgebogen en wild en dreigend, met een rand van wit schuim gekuifd, het achterschip overstelpte, het kraken en knappen van den vallenden mast met zijn tuigage, het scheuren, breken en versplinteren der hout- en ijzer-deelen van den romp, dit alles vormde een geluid, een klank, een toon, schrikkelijk en woest in die ondeelbare spanne tijds, die het gejammer en angstgeschrei der drenkelingen, het doodsgerochel der verpletterden overstemde.
„Het ergste, wat gebeuren kon, was geschied. Het schip was in tweeën gebroken en het achterschip was met alles, wat het bevatte, in de golven verdwenen. Een oogenblik hoopten de overblijvenden, dat het voorschip op de klip zou houden. Helaas! ook die
DOOK STRAAT LAGOENDI. — IN DEN INDISCHEN OCEAAN.
waan duurde kort. Het water golfde en deinde nog ten gevolge van het wegzinken van het achterschip, de draaikolken daarboven hadden zich nog niet geslecht, maar dwarrelden nog wild rond; toen het voorschip begon te hellen, tweemaal hard stootte, toen over één kant neigde, dook, zich nog eens oprichtte, alsof het zijn evenwicht wilde hernemen en toen ook in de diepte verdween. Er was van het oogenblik af, dat de boot stootte, totdat dit laatste gedeelte wegzonk, zeker geen kwartieruurs voorbijgegaan. Velen dergenen, die zich toen op het voorschip bevonden, sprongen te water en trachtten wrakstukken te bemachtigen, ten einde zich drijvende te houden en zich daarmede te redden.
„Helaas! er ontspon zich nu op die woelende, deinende en borrelende wateroppervlakte een strijd om het bestaan, een strijd om het leven, een strijd voor velen om dat leven slechts kortstondig te rekken! Om een plank, een potdeksel, een roeispaan, werd een gevecht op leven en dood gevoerd en veelal gebeurde het, dat de overwinnaar, uitgeput en afgemat van den strijd, de macht niet meer had om het veroverde voorwerp te omklemmen, zich daaraan vast te houden, maar het glippen liet en zoo naast den overwonnene ellendig verdronk. Vergeef mij,quot; sprak Vogels met hokkende stem, „dat ik die bijzonderheden niet nader uitwerk, Zoo'n strijd, in zulke omstandigheden, heeft niets menschelijks. Als het om het leven geldt, dan vaart er iets dierlijks in ons....quot;
Vogels zweeg een oogenblik. De indruk van dat verhaal was overweldigend op zijn toehoorders. Allen zaten daar stil en als gebukt onder een invloed, welke op allen met betooverende kracht werkte. De „Zeemeeuwquot; stoomde thans nagenoeg op dezelfde plek, waar zich dat ontzettende drama ontwikkeld had. Diezelfde watervlakte was daarvan getuige geweest. Hier had de lucht van de jammerkreten weergalmd. Diezelfde echo's dei-beide oevers, welke nu zoo kalm en bedaard het doffe en eentonige gestamp der machine en het gewoel en geplons der schroef van de „Zeemeeuwquot; weerkaatsten, hadden de wanhoopskreten, de jammerklachten, de angst- en doodsgillen aan elkander ironisch overgeseind en dat schrikkelijke oogenblik nog schrikkelijker gemaakt. Zagen onze toeristen over boord, dan was het, of bij het bleeke maanlicht zich daarbeneden in de diepte loodkleurige gedaanten bewogen. Verhief de boot zich op een aanrollende deininggolf en knarsten de windwijzers op hun ijzeren stangen daarboven op den top der masten; dan was het, of de kreet eens stervenden door het luchtruim voer, die ieder door het hart sneed.
Het was alsof aller gemoed herademde, toen de „Zeemeeuwquot; de Straat Lagoendi uitstoomde en het ruime sop koos. De knellende betoovering verdween eenigermate. De boot stoomde nu de Samangka-baai door, vlak op den lichttoren aan, die op Tandjoeng Bliembieng, de zuidwestpunt van Sumatra, opgericht was, en zijn wit licht, alle dertig seconden drie achtereenvolgende schitteringen, afgewisseld door een verduistering, liet schijnen.
„Hoe is het bij God mogelijk,quot; vroeg H. Jaffrezic, „dat met dezen vuurtoren achter zich en dat licht daar aan zijn stuurboord....quot; Hoe heet dat licht!quot;
- ' ■■ \ • A- . . • ••••• i' ■■ •■ , ■ .. ■• ■-' ■ •quot; -... v ■■ ik-' ■■ • •
i it. -iii j.quot;.. ;{fc
fSBsm i vv MB'MmmSlm
WÊÊÊÊÊÊÊ^^^m
mmvMÊmMÊÊ
-
DOOR STRAAT LAGOENDI. — IN DEN INDISCHEN OCEAAN.
„Dat is de vuurtoren op Tandjoeng Tjikoneng, Java's vierde punt.1'
„Welnu, met dien vuurtoren van Tandjoeng Tjikoneng stuurboord vooruit, hoe is het mogelijk geweest het vaarwater mis te loopen. Men had de mooiste kruispeiling van de wereld.quot;
„Met uw permissie,quot; antwoordde Vogels. „Die vuurtoren daar vooruit bestond toen nog niet. Die is eerst later gekomen. „Gij weet: als het kalf verdronken is, wordt de put gedempt.quot;
„Die paniek was ontzettend,quot; zei Van Berkenstein. „Ik geloof dat, wanneer er meer orde geheerscht had, er meer kans tot redding geweest ware.quot;
„Misschien,quot; was het antwoord van Vogels. „Maar gij moogt niet uit het oog verliezen, dat alles zóó snel in zijn werk ging, dat het meerendeel met den doodsstrijd aan het worstelen was, eer er nog tijd was, om aan maatregelen tot bestrijding van het gevaar te denken.quot;
„Gij spraakt daar straks van een uwer vrienden, die gered werd?quot; vroeg Van Berkenstein. „Zijn er veel menschenlevens bij die ramp omgekomen1?quot;
„Er waren 265 zielen aan boord; daarvan werden er 147 gered. Bijgevolg zijn er 118 verongelukt. Schrikkelijk, nietwaar ? Maar .... ik wil u niet onder den indruk laten van het laatste gedeelte van mijn verhaal, dat een vluchtige schets gaf der radeloosheid, die geheerscht heeft, en van de dierlijke aandrift, die de meesten bezielde bij den strijd om het leven. Er zijn ook nog wel enkele voorbeelden van zelfopoffering te melden. Eén daarvan wensch ik te verhalen. Er was een majoor der infanterie aan boord, die, toen hij te water geraakt was, de liefderijkste hulp van zijn Javaanschen bediende ondervonden heeft, die, toen hij met zijn heer naar Atjeh vertrok, aan zijn meesteres beloofde, de meeste zorg voor haar echtgenoot te zullen dragen. Hij heeft trouw woord gehouden. Hij ondersteunde zijn meester in het water, zwom rondom hem, ontdekte een plank, die hij hem toestak en waarop hij hem hielp zich vast te klemmen. Later, toen de nacht voorbij wasgt; zag hij in de verte een Inlander op een scheepsrooster drijven, dat meer steun verschafte dan die plank. Hij hielp zijn meester derwaarts zwemmen en was eerst tevreden, toen hij hem daarop plaats had zien nemen. Later ontmoette hij een Europeesch kind, dat door zijn moeder op een kussen gebonden was en daar ronddreef. De edele Javaan zwom derwaarts,
stootte het kussen voor zich uit en richtte zich naar een sloep, die hij in de verte ont-
\
waarde, en had het geluk die te bereiken en het kind opgenomen te zien. En dat kind ën de bedoelde majoor zijn gered geworden.
„Wie zich ook bijzonder verdienstelijk gemaakt heeft bij de redding der schipbreukelingen, was de controleur Tromp, die, toen hij te Teloq Betoeng de eerste tijding van den ramp kreeg, zich onmiddellijk met de gewapende boot naar de plaats des onheils begaf, om de schipbreukelingen, die gelukkig genoeg geweest waren zich te redden, op de onherbergzame kust op te sporen. Onder anderen ontmoette hij bij zijn ijverige nasporingen in het
37
DOOR STRAAT LAGOENIlI. — IN DEN INDISCHEN OCEAAN.
dichte bosch een gezelschap van een achttal personen, waaronder een Enropeesche dame, de moeder van het straks besproken kind, die den geheelen nacht en den daaropvolgenden dag op een plank rondgedreven en door de golven aan wal gespoeld was, en die, toen zij door den controleur gevonden werd, met haar rampgenooten aan het nijpendste gebrek ten prooi en op het punt was om van honger, maar voornamelijk van dorst, om te komen. Ik behoef u niet te vertellen, hoe gelukkig die rampzaligen zich gevoelden, toen er redding opdaagde. Zij genoten natuurlijk de meest liefderijke verpleging. Eerst werden zij naar Poeloe Lananang overgebracht en van daar met meerdere geredden naar Teloq Betoeng vervoerd.quot;
„Een verschrikkelijk drama, dat gij ons daar verteld hebt, mijnheer Vogels!quot; sprak mevrouw Van Berkenstein. „Ik weet niet of gij wel goed daarmede gedaan hebt. Ik zal heusch niet meer gerust kunnen slapen aan boord.quot;
„Kom, kom,quot; sprak haar echtgenoot geruststellend. „Wij hebben een flinke boot, waaraan wij ons lot toevertrouwd hebben. In kapitein Meerman hebben wij een degelijk en ervaren zeeman, die aan de meest ontwikkelde geestkracht de noodige voorzichtigheid paart. Mijn vrouwtje moet zich die schipbreuk maar uit het hoofd zetten.quot;
Het was middelerwijl elf uren geworden. De stuurman van de wacht sloeg zes glazen. Tandjoeng Bliembieng met zijn fraaien vuurtoren was gerond en de „Zeemeeuwquot; stoomde West-Noord-West op den Indischen Oceaan in, om tusschen het eiland Engano en den Sumatra-wal door te stevenen. Toen het lage en vlakke eilandje Poeloe Batoe Ketjiel, Klein Fortuin, gepasseerd was en de invloed van de lange deining zich in den open oceaan deed gevoelen, verdwenen onze toeristen van het dek en zochten ze hun kooien op.
Gedurende bijna drie volle etmalen kregen onze reizigers geen land te zien, tenzij heel in de verte als een donkerblauwen band aan den horizon, die even goed voor een wolk kon gehouden worden. In den morgen van den eersten dag, dat men zich zoo geheel alleen op de eindelooze zee bevond, had kapitein Meerman zich een loglijn laten aangeven, had daaraan een glinsterend vischje van blik, waaraan een stevige vischhaak bevestigd zat, gebonden en dat achteruit overboord geworpen. Dien dag was evenwel de poging, om een waterbewoner te verschalken, tevergeefs. Maar den volgenden dag deed een hevig schudden aan de verschansing bemerken, dat men gelukkiger was. En inderdaad, op het gefluit van den stuurman Schipperheijn schoten een paar matrozen toe, die niet zonder moeite een prachtigen dolfijn 'j binnen boord haalden, die ongeveer l'A M. lang was en onder het vertoonen van al de kleuren van den regenboog, waarmede zijn buitenhuid opvolgend overtogen werd, den adem uitblies. Later op den dag werd nog een exemplaar van dezelfde vischsoort gevangen, die evenwel veel kleiner van stuk en slechts een meter lang was. Deze laatste werd voor de kajuitstafel bestemd, daar de grootere, volgens beweren van
') Dolfijn — Delphinus delphis.
88
— IN DEN INDISCHEN OCEAAN.
den kok, droog vleesch zou bezitten, waarom hij dan ook naar de kombuis voor het volk verhuisde, tot groot genoegen van de matrozen, die daaraan een lekkeren beet zouden hebben. De kleine dolfijn werd in de kajuit overheerlijk bevonden. De kok had van den kop en de meest gratige gedeelten „piendang ikanquot; gemaakt, als toespijs voor de rijst, die allen lekker smaakte. Nog meer evenwel werden gewaardeerd de mooten, die heerlijk bruin gebakken op tafel verschenen. Kapitein Meerman had eer van zijn vangst. Hij werd dan ook uitgenoodigd de poging te herhalen.
„Zeker zal ik dat doen,quot; beloofde hij. „Maar de dolfijn wordt alleen in den Indischen Oceaan gevangen. Noch in Straat Soenda, noch in Straat Malakka, noch in de Java-zee wordt hij ontwaard.quot;
„Daar zullen wellicht andere visschen gevangen worden?quot; vroeg Boisjolin.
„Door booten onder stoom niet,quot; antwoordde kapitein Meerman lachende. „De dolfijn alleen schijnt moedig genoeg te zijn om zich in de nabijheid van die klepperende en stampende raderen en schroefbladen van een stoomvaartuig te wagen. Zelfs de haai, die tijger van den oceaan, vlucht in de diepte, wanneer hij dat geplons in het water hoort.quot;
„Hé, een haai!quot; riepen Nielsen en Ollerupp als uit één mond. „Zouden wij zoo'n monster te zien krijgen!quot;
„Waarschijnlijk, heeren,quot;
„En het ook vangen 1quot;
„Ja, dat kan ik niet verzekeren,quot; antwoordde kapitein Meerman lachend. „Wij zijn hier in het luilekkerland der haaien. Als wij er op de reede van Padang ontwaren, zullen wij de haken uitzetten.quot;
Tegen den morgen van den 21sten Augustus weerklonk eensklaps de stem van stuurman Schipperheijn, die riep: „land vooruit!quot;
„Dat is Poeloe Njamok,quot; zei kapitein Meerman. „Wij komen straks nog op de reede van Padang.quot;
En werkelijk, nadat genoemd eiland gepasseerd was, kreeg men een aantal eilandjes in het gezicht, waarvan de Toedjoe Poeloe (zeven eilanden), die de reede van Padang tegen de westelijke winden dekken, de voornaamsten zijn. Een uur later ratelde de ankerketting door de kluisgaten en lag „de Zeemeeuwquot; bij Poeloe Pisang ten anker.
„Ziet, daarginds westwaarts, daar is de Sumatra-wal,quot; wees kapitein Meerman. „Die inham om dien hoek daar, wordt door de rivier van Padang gevormd. Kijkt, daar komt reeds het stoombootje naar buiten! Voorzeker is onze aankomst reeds van den uitkijk geseind.quot;
En werkelijk, een halfuur later schoot dat bootje de „Zeemeeuwquot; op zyde en namen onze toeristen er plaats op, om naar den wal te gaan. Het was een lieve tocht van Padangs reede naar den wal. Glad en effen als een spiegel weerkaatste de zee ieder voorwerp, dat zij bespoelde, scherp en duidelijk. Hoe meer het bootje den wal naderde, hoe meer de details
DOOK STRAAT LAÖOENDI.
40
zich voor de opgetogen reizigers, clie gedurende drie dagen niets anders dan lucht en water gezien hadden, openbaarden. Het eerste, dat zich voor het verrukte oog voordeed, was een kegelvormige heuvel, welke steil uit de blauwe zee omhoog rees en waarvan de wanden overal met den krachtigsten plantengroei overdekt waren. Boven op den top van dien groenen kegel stond een seinmast, waaraan verscheiden veelkleurige vlaggen in den wind wapperden. Het bootje beschreef nagenoeg een halven cirkel om dien heuvel.
„Dat is de Apenberg,quot; zei Visbergen tot de bewonderende reizigers, „Het is de voorsprong van een takje \raii het Barisan-gebergte, dat hier in zee eindigt. Daar boven bij dien vlaggestok, welke zich op ruim 360 voet boven het zeevlak verheft, en op 0° 58 1quot; Z. B. en op 100° 20'13quot; O. L. van Greenwich gelegen is, geniet men een prachtig gezicht; maar dat gezicht is nog veel mooier iets meer zijwaarts van den heuveltop op den zadelrug, die den Apenberg met de daaraangrenzende heuvelenrij verbindt. Van daar heeft men een uiterst fraai panorama. Aan de ééne zijde het liefgelegen Padang met zijn witte huizen der Europeanen en zijn nederig in het groen verscholen kampongs der Inlanders; aan de andere zijde het schilderachtig oploopend hoogland, dat den blik in het Oosten en Zuid-Oosten begrenst. Eindelijk het vergezicht over de reede, die door de hagelwitte zeilen der lavee-rende schepen verlevendigd wordt en op welker golfjes het eilandje Pisang allerbekoorlijkst tegen het donkerblauw der zee en het meer zachte blauw van den hemel bij den horizon afsteekt.quot;
„Waarom wordt die heuvel Apenberg geheeten Jquot; vroeg Montauban.
„Kijkt, ziet gij dan niet die apen, die daar door de boomtakken gymnastiseeren ■? Ziet, daar zijn er een paar op dat rotsblok aan den oever der zee bezig met baden. Zaten wij in een sloep, dan konden wij hen naderen en dan konden wij hun een pisang of eenige andere versnapering toewerpen. O! zij zijn niets schuw. Zij zijn gewoon van de voorbijvarenden iets te ontvangen. Niemand, die hen ooit kwaad doet.quot;
„Wat is die kleine baai daar lief!quot; riep Nielsen uit. „Kijkt, daar bespeur ik een paar zeeschepen achter dat bosch.quot;
„Die haai!quot; zeide Visbergen, „dat is de riviermond. Die rivier heet Kalie Arau. Die gaan wij nu insteveneu. Daar, aan bakboord voor ons, liggen de Gouvernementspakhuizen.quot;
„Het is waarlijk een schoon gezicht, die riviermonding hier,quot; was de algemeene instemming.
Het bootje stoomde den Apenberg om, stak naar den rechter-rivieroever over en lag weldra bij het kantoor van in- en uitgaande rechten aan wal gemeerd. Een aantal rijtuigen stond gereed en een oogenblik later bevonden onze reizigers] zich in het Sumatra-hotel te Padang.
Onze toeristen troffen het in zekeren zin. Nauwelijks kwamen zij in het hotel aan en hadden zij bezit van hun vertrekken genomen, of er kwam bericht, dat de „Conradquot;, een der mailbooten van de Stoomvaart-Maatschappij „Nederlandquot;, van den uitkijk op den Apenberg geseind was. De hotelhouder deed nog aanzoek bij Vogels of de ongehuwden van ons toeristengezelschap niet twee aan twee hun kamers zouden betrekken, om zoodoende voor de verwacht wordende reizigers meer ruimte beschikbaar te hebben. Maar onze luitenant was doof aan dat oor.nze toeristen troffen het in zekeren zin. Nauwelijks kwamen zij in het hotel aan en hadden zij bezit van hun vertrekken genomen, of er kwam bericht, dat de „Conradquot;, een der mailbooten van de Stoomvaart-Maatschappij „Nederlandquot;, van den uitkijk op den Apenberg geseind was. De hotelhouder deed nog aanzoek bij Vogels of de ongehuwden van ons toeristengezelschap niet twee aan twee hun kamers zouden betrekken, om zoodoende voor de verwacht wordende reizigers meer ruimte beschikbaar te hebben. Maar onze luitenant was doof aan dat oor.
„Kom, kom,quot; antwoordde hij. „ons hebt ge voor een viertal dagen; terwijl de passagiers van de „ Conradquot; hoogstens vier en twintig uren te Padang zullen doorbrengen. Zoudt ge ons daarvoor willen verjagen?quot;
„Verjagen! God beware!quot; was het antwoord van den kastelein. „Maar.... ziet u, de concurrentie is groot, en.... men moet het ijzer smeden als het heet is.quot;
„Jawel,quot; antwoordde Vogels lachend. „Ge wilt ons in de heete smidse, die men Padang noemt, voor aambeeld gebruiken om munt te slaan. Hartelijk dank voor de goede intentie; maar daar komt niets van in.quot;
De kastelein droop teleurgesteld af.
Vogels had Padang een heete smidse genoemd. Eenigermate was zijn voorstelling onjuist te noemen. Wel is waar, ligt Padang nagenoeg onder de linie — 0° 58' Zuiderbreedte. Ook ligt het vlak aan strand en zou het bijgevolg een der warmste plaatsen van Nederlandsch-Indië kunnen zijn. Dat is het evenwel niet. Het is er niet zoo warm als b. v. te Semarang, of te Soerabaia, of als te Atjeh, om op Sumatra zelf een vergelijkingspunt te vinden. Het onderzoeken van de oorzaken daarvan zou ons te ver voeren. Maar van een andere zijde was Padang warm genoeg, om Vogels ten volle reden te geven, de
VIJFDE HOOFDSTUK.
42
transactie, hem door den kastelein van het Sumatra-hotel voorgeslagen, onvoorwaardelijk van de hand te wijzen.
Onze toeristen behielden dus hun kamers.
Een paar uren later — ons gezelschap zat aan de rijsttafel — stormde een aantal reizigers van de „ Conradquot; het hotel binnen. Wat geborgen kon worden, werd onder dak gebracht; maar verreweg het grootste gedeelte van den drom moest verderop zijn heil in het Atjeh-hotel gaan zoeken.
Des namiddags toerden die reizigers altemaal en maakten het door hun tegenwoordigheid te Padang zóó druk, dat er geen rijtuig te krijgen was. Onze toeristen vergenoegden zich dan ook om slechts een kleine wandeling door de plaats te maken. Het was een prettig schouwspel, de opgetogen gezichten der mail-reizigers te ontwaren, welke, met den Europeeschen blos der gezondheid op de wangen, zich niet onbetuigd lieten om de verwondering te kennen te geven, die, door het vreemde, dat hen omgaf, telkens op nieuw opgewekt werd.
„Ik heb eens — het was in December 1877 — zulk een geheele scheepslading jeugdige onderwijzeressen hier te Padang zien aankomen,quot; verhaalde Vogels. „Het was prachtig mooi en frisch volk, dat het Gouvernement aangeworven had....quot;
„Wel, hebt ge het ooit zoo gehoord!quot; viel mevrouw Van Berkenstein hem met koddige verontwaardiging in de rede. „Is het niet of die jonge dames voor het Indische leger aangeworven waren?quot;
„Daar bij zouden ze met veel geestdrift ontvangen zijn,quot; antwoordde Vogels lachende. „Te drommel, als ik daar eens onder had mogen werven.... Maar, och! een luitenant, wat valt er voor hem te werven 1.... Om evenwel op mijn verhaal terug te komen. Het was prachtig mooi en frisch volk, dat voor een oogenblik hier te Padang aan wal stapte, om den volgenden dag de reis naar Batavia te vervolgen, en dat het bewijs op de blozende wangen droeg, dat de draagsters volstrekt niet afkeerig waren geweest van de scheeps-erwtensoep, die voor de lekkerste ter wereld te boek staat. Als ik mij wèl herinner, waren het 84 jonge dames, waaronder de liefste meisjeskopjes, die zich hier in Insulinde aan het onderwijs wilden wijden.quot;
„Gij gaaft daar eerst te kennen, dat die dames door het Gouvernement aangeworven waren, nietwaar?quot; vroeg Van Berkenstein. „Dat is toch een bewijs, dat het bestuur het met het onderwijs ernstig meent. Ik heb dat wel eens hooren betwijfelen. Althans, ik heb meermalen harde verwijten gelezen, alsof voor het onderwijs niet genoeg gedaan werd.quot;
„Beter laat dan nooit,quot; antwoordde Vogels. „Het is evenwel sedert de vestiging der Nederlanders in deze gewesten met het onderwijs zeer ellendig gesteld geweest. Van de vele millioenen, die hier weggehaald werden, had men daarvoor niets over. De gevolgen zijn ook niet uitgebleven. Thans schijnt men een anderen en beteren weg op te willen, dat
PADANÖ. — NAAK BE ROVEN'LAN'DEN1.
moet erkend worden. Maar____ in de pogingen daartoe is men niet bijzonder gelukkig
geweest.quot;
„Hoe ^oo?quot;
„Wel, van die aanwerving, waarvan ik zooeven sprak, waren erb. v. van de 84 jonge dames drie maanden later ruim 70 getrouwd. Dat mocht voor belanghebbenden een uitkomst geweest zijn, voor de beschaving in deze gewesten zelfs een aanwinst, voor het onderwijs was het dat niet. Integendeel, het was een streep door de rekening.quot;
Den volgenden dag waren de passagiers van de , Conradquot; weer vertrokken en gingen onze reizigers hun opwachting maken bij den Grouverneur van Sumatra's Westkust. Was hun de nette aanleg van Padang reeds den vorigen dag bij het doen hunner kleine wandeling in het oog gevallen, thans overtuigden zij zich daarvan nog meer. Vooral merkten zij de prachtig en goed onderhouden wegen op, die zich bijna overal kruisten. Onder allen muntte evenwel de Belantong uit, een zeer lange laan, die fraai beschaduwd en aan beide zijden door lieve villa's, bijna alle door Europeanen bewoond, omzoomd was. Vogels vertelde, dat die Belantong het aristocratische gedeelte der plaats vormde. Aan het uiteinde van die laan, welke op het plein van Rome begon, lag links daarvan de woning van den gewestelijken militairen commandant en rechts die van den Gouverneur van Sumatra's Westkust. Evenals elders in Indië, waren de woningen van die grootwaardigheidsbekleeders ruim, net en weelderig ingericht, zelfs zóó, dat onze toeristen, in de voorgalerij bij den Gouverneur gezeten, hun bewondering niet konden onderdrukken, maar haar onverholen te kennen gaven.
Dat hun ook door dezen hoofdambtenaar het meest welwillende hulpbetoon toegezegd werd, zal wel niet verzekerd behoeven te worden.
Onze reizigers bleven een viertal dagen te Padang en bezichtigden, wat er te bezichtigen viel. Door Vogels en Visbergen geleid, brachten zij een bezoek aan de „Sawahquot;, een kwartier of een voorstad van Padang, alwaar het militair kampement opgericht is. Wel duidt de naam (rijstvelden) reeds aan, dat de plaats tot vestiging van die inrichtingen met den aankleve niet gelukkig gekozen was, toch moesten de bezoekers erkennen, dat de rit derwaarts hoogst aangenaam was; ook, dat — de plaatsing buiten bespreking latende — de kazernen en het militair hospitaal een hoogst gunstigen indruk maakten.
Verder werd een bezoek gebracht aan het fort, een kleine aarden redoute, op het plein van Rome gelegen, en daarmede was het voornaamste bezichtigd, dat Padang bevatte.
Terwijl zij het Michielsplein omreden, was hun een klein ijzeren monument in Gothischen stijl in het oog gevallen, dat ter nagedachtenis van den Generaal Michiels opgericht was.
„Ik zal dit monument in herinnering brengen,quot; sprak Vogels, „bij eene ander gelegenheid, die ons hier op de kust niet ontbreken zal.quot;
48
PADANÖ. — NAAE DE BOVENLANDEN.
„Het was een ongemakkelijk heer, die Michiels, nietwaar?quot; vroeg Van Berkenstein, „Ik heb althans staaltjes gehoord, die dat grif moeten doen aannemen!quot;
„Als gij de officiëele geschiedschrijvers daarop naslaat,quot; antwoordde Vogels, „dan vindt gij volzinnen als: „Zeker was hij streng, hetgeen wij hem evenwel „eerder als een deugd dan als een ondeugd aanrekenen. Wellicht is „hij ook wel eens hard geweest omtrent dezulken zijner ondergeschikten,
„die in zienswijze met hem verschilden____; enkelen der zoodaxiigen mag
„hij misschien met eenige lichtvaardigheid in hun betrekking hebben „geschorst en verwijderd. Te zijner verontschuldiging kunnen wij echter „aanvoeren, dat hij dien karaktertrek met vele groote mannen gemeen „had en o. a—quot; ') en dan volgen namen als van J. Pzn. Koen, H. W. Daendels, J. Yan den Bosch, enz., enz. Maar ge weet, de officiëele waarheid is niet altijd de waarheid, of, is zij dat eenigermate, dan is er toch steeds een zelfkantje aan. En die zelfkant mag vrij breed genomen worden, wanneer wij een officiëelen geschiedschrijver zoo vergoelijkend zien optreden. Hoe de ambtenaren uit die dagen over hem dachten, blijkt uit den Max Havelaar, waarin omtrent den Generaal het navolgend vierregelig vers voorkomt:
„Hot wandelend schors-besluit, dat schorsend ons regeert,
„Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,
„Had zijn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd....
„Als 't niet voor langen tijd finaal reeds was ontslagen.quot;
„Ja, maar is hetgeen wat Multatuli terneergesteld heeft, ten volle te vertrouwen?quot;
„Pardon,quot; antwoordde Vogels, niet zonder eenige drift, „Multatuli moge zich hartstochtelijk in zijn geschriften geuit hebben, hem moge verweten kunnen worden: de parlementaire schrijfwijze versmaad en de zaken steeds bij haar waren naam genoemd te hebben, geen enkele onwaarheid is in zijn menigvuldige geschriften aan te wijzen.quot;
„Uw uitdrukkingen wijzen op een soort antipathie,quot; hernam Van Berkenstein. „Gij zult toch niet willen ontkennen, dat Michiels een groot man was?quot;
„God beware! Ik heb alleen willen bevestigen de meening, die gij opperdet, dat Michiels een ongemakkelijk heer was. Gelief op te merken, dat die stelling van u nitgegaan is. Zeker was Michiels een groot man, of oneindig beter: hij was in de dagen zyner regeering hier op Sumatra's Westkust: the right man on the right place.quot;
„Generaal Michiels is immers hier te Padang gesneuveld, nietwaar?quot; vroeg Clotilde Visbergen.
u
„0, die dames met hun verwarde geschiedkundige herinneringen!quot; riep Vogels.
') „Het Nederl. O.-T leger ter Westkust van Sumatra,quot; door H. M. Lange. IIe deel, bladz. 543.
PADANG. — NAAE DE BOVENLANDEN.
„Ik meende dat, omdat dit monument hier staat. Wij, vrouwen, bekommeren ons nogal veel omtrent oude generaals!quot; zeide liet jolige vrouwtje lachend.
„Neen, Clotilde,quot; gaf Visbergen zijn eega ten antwoord. „Generaal Michiels is den 25sten Mei 1849 bij een nachtelijk gevecht te Kasoemba op het eiland Bali door een geweerkogel in het rechterbeen gewond geworden en dienzelfden dag te 11 uren des avonds, ten gevolge van de amputatie, aan boord van Zr. Ms. stoomschip „Etnaquot; op de reede van Padang Cove overleden.quot;
„Te drommel,quot; zei Boisjolin, „dat noem ik de puntjes op de i's zetten! Aan die détails mankeert niets.quot;
„En mevrouw had het bij het rechte eind, toen zij meende, dat die Generaal te Padang overleden was,quot; zei Montauban galant tot Clotilde Visbergen.
„Met dat onderscheid, dat dit overlijden te Padang op Bali, in plaats van te Padang op Sumatra heeft plaats gehad,quot; schertste haar echtgenoot.
„Ja, wie kan ook alles onthouden? Ik was al blij, toen ik mij herinnerde, dat die gebeurtenis te Padang plaats greep,quot; antwoordde het vrouwtje.
De beslommeringen voor de reis naar de Bovenlanden waren thans aan de beurt, en die waren niet gering. Wel bestonden er prachtige wegen, die gemeenschap tot de verschillende districten verleenden; maar.... door het gering getal reizigers, die deze streken bezochten, waren er geen reiswagens te bekomen, terwijl onzen toeristen ook verzekerd werd, dat, al zouden ook reiswagens te bekomen zijn, toch weggedeelten aangetroffen zouden worden, die de noodige breedte misten om door dergelijke voertuigen bereden te worden, zooals, werd er bijgevoegd: de Kloof en het Karbouwengat. Men moest dus van de-ncod een deugd maken en zich met de plaatselijke hulpmiddelen behelpen.
„Ik ben er eindelijk in geslaagd, vier dos-a-dos en een karretje in te huren,quot; sprak Vogels den derden dag van hun verblijf te Padang. „Waarachtig, ik begon te gelooven, dat de reis door een gedeelte onzer te paard had moeten geschieden; en hoewel dat nu zoo heel erg niet zou geweest zijn, zou de gezelligheid er niet door zijn bevorderd. Daarenboven, zoo dag in dag uit in het zadel te zitten, behoort in Insulinde ook niet tot de aangenaamste bezigheden van het leven. Men voelt zich des avonds, alsof men gekookt is. Het baantje van Centaurus is niet benijdenswaardig, vooral in tropische gewesten.quot;
„Maar, waarom zooveel voertuigen?quot; vroeg Nielsen als econoom van het gezelschap.
„Wij zouden met vier kunnen volstaan, maar dan hebben wij moeite met onze bagage,quot; antwoordde Vogels. „Neen, waarde Deen, er is geen overdaad; ik heb de meest mogelijke zuinigheid betracht. Straks komt het karretje reeds, dat onze bagage zal opladen, om daarmee dadelijk te vertrekken en zoo een voorsprong op ons te hebben.quot;
„Kapitein Meerman was gisteren aan wal,quot; vertelde Visbergen. „Ik heb hem de opdracht gedaan, om nog een paar dagen hier ter reede te blijven; maar dan naar Priamante stoomen en ons daar af te wachten. Hij antwoordde mij daarop, dat zulks in dit seizoen geen bezwaren
45
opleverde, daar liij een goede ankerplaats achter Poeloe Ansoe zou vinden; doch dat het voldoen aan die opdracht een paar maanden later onmogelijk zou zijn; omdat de reede van Priaman door de vele koraalreven zeer vuil en hij de dan doorstaande westelijke winden zeer gevaarlijk was.quot;
„Zoodat de „Zeemeeuwquot; overmorgen naar Priaman stoomt?quot; vroeg Van Berkenstein. „Mij wel; maar ware het niet heter, dat wij hier te Padang weer emharkeerden?quot;
„Drommels! bij den toer, dien Visbergen en ik geprojecteerd hebben,quot; antwoordde Vogels, „zouden wij een vervelenden rit langs het strand van Priaman af naar hier te maken hebben, waarhij wij het snikheet zouden hebben. En niets zou op dien rit eenige vergoeding voor dat ongemak en die verveling aanbieden.quot;
„Het was maar een denkbeeld van mij; wij geven ulieden met betrekking tot de itinéraire volle vrijheid.quot;
„Den volgenden morgen stapten onze toeristen bij liet krieken van den dag in de vier gereedstaande dos-a-dos en werd de tocht naar de binnenlanden aangevangen. In het eerste voertuig namen mevrouw Van Berkenstein en haar echtgenoot, alsook Vogels, plaats; in het tweede mevrouw Jaffrezic, haar echtgenoot en Montauban; in het derde mevrouw Visbergen, haar gemaal en Boisjolin, en eindelijk in het vierde L. Jaffrezic, Nielsen en Ollerupp. De verdeeling was zoo doelmatig mogelijk geregeld.
De dos-a-dos van Padang verschilden nogal met die, welke onze reizigers te Batavia gezien hadden. Het waren eigenlijk niet meer dan zoogenaamde „kaharpeerquot;, waarin de banken beweegbaar waren, zoodat, wie er lust in had, rug tegen rug kon gaan zitten. Onze reizigers gingen evenwel gezelliger te werk. De koetsier zat natuurlijk op de voorste bank en maakte front buitenwaarts naar zijn tweespan. Hij, die naast den automédon zat, had het aangezicht naar binnen gekeerd en kon zich aldus zeer gemakkelijk met de twee overigen onderhouden.
Tot Soenkay liep de weg door nagenoeg effen terrein. Men had een ruimen blik over de Sawah, waarop het militair établissement verrees, en die blik werd slechts in de verte begrensd door de heuvelenrij, waarvan de Apenberg een voorsprong was en die een zijtak mocht heeten van het Barissan-gebergte, een machtige bergketen, die het geraamte van Sumatra daarstelt en in de riclting van het Noordwesten naar het Zuidoosten, nagenoeg evenwijdig aan de westelijke kust loopt.
Bij Soenkay begonnen de eerste terreinverheffingen zich te vertoonen en ging de weg opwaarts. Hij volgde nu door een vrij lang dal een smal riviertje, hetwelk zuidwaarts op den Boekiet Limbang zijn bronnen heeft en zich een paar palen noordwestelijk van Padang bij Oedjoeng Karang (de Koraalkaap) in zee werpt. Het terrein steeg voortdurend; en de kleine kalie stoof schuimend en klaterend, soms dartelend en murmelend, maar ook soms woest en brullend langs haar baan en slingerde zich grillig en bevallig door haar nauwe en met steenen bezaaide bedding. In den dalzool, in en langs de rivier, lagen overal rots-
PADANO. — NAAR DE BOVENLANDEN.
blokken van porphierachtig trachiet, waarop hier en daar half verweerde veldspaatkristallen ontwaard werden, terwijl obsidiaanstukken, groote en kleine, overal verspreid aangetroffen werden. Nergens was iets van cultnuraanplantingen te ontwaren. Langs de steile hellingen van de dalwanden verhief zich weelderig het tropische woud, waarin de prachtigste boomen als: de „Balam palamparquot; '), de „Kajoe porisquot; en „Kajoe batoequot; 1), de „Kajoe-baaiquot; 2), de „Kamalandienganquot; 3) enz., enz. vertegenwoordigd waren en waartnsschen groepen van fraaie boomvarens, als: de „Pakoe tiang bodasquot; en de „Pakoe kidangquot; 4), haar fijn gevind en lieflijk bladerendak als licht, groen kantwerk boven het meer bescheiden struik- en heestergewas uitstaken, terwijl langs de stammen, de stronken en de takken, slingerplanten, als de „Akar kaitquot; G) en de „Kajoe briangquot; 5), kronkelden, zich vasthechtten en haar bevallige bloemtrossen en kelken allerwegen over den weg lieten afhangen en een onweerstaanbare aantrekkelijkheid boden voor de honderden en honderden vlinders, die in bonte menigte en in de meest mogelijke verscheidenheid behaagzuchtig elkander vervolgden en om de bloemen fladderden, om zich aan den honing, dien dezen bevatten, te laven. En hoog boven die overschoone tropenflora vertoonden zich de toppen van verscheiden bergen, waaronder links de Boekiet Batoe Kambing en de Boekiet Baroewangan en rechts de Boekiet Limbang en de G-oenoeng Talang de voornaamste waren en een schilderachtigen, maar ernstigen achtergrond voor het lachende landschap vormden.
Bij Loeboek Prakoe werd halt gehouden om te verspannen. Onze reizigers verlieten voor een oogenblik de voertuigen om den beenen eenige beweging te geven.
„Loeboek Prakoe ligt op \2[/i paal van Padang verwijderd,quot; verklaarde Visbergen; „en----quot;
„De Sumatra-paal meet 1852 M., nietwaar?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Dat is zoo; maar bij de jongste opneming heeft men de Ja va-palen van 1507 tot grondslag genomen. Wij zullen dat ook betrachten. Loeboek Prakoe is dus op I2V2 Java-paal van Padang verwijderd. Het gehucht, hetwelk uit niet meer dan een paar huizen bestaat, zooals ge ziet, ligt op een hoogte van 2000 voet; wij hebben nog maar weinig-te stijgen, om den zadelrug van het Barissan-gebergte te bereiken. Dan dalen wij weer, evenwel betrekkelijk slechts weinig.quot;
„Wat is de omgeving hier fraai. Bijna zoo prachtig als in de Preanger Regentschappen en in Ledok!quot;
47
) Kajoe poris on kajoe batoe — Homalium Sumatranum en H. grandiflorum.
8) Kajoe-baai = Guatteria parveana.
'*) Kamalandiengan — Albizzia montana.
) Pakoe tiang bod as en Pakoe kidang ~ Aisophila glauca en A. lurida.
) Kajoe briang = lasminum insigne.
48 PADANG. - NAAK DE BOVENLANDEN.
„Bijna?quot;____ vroeg Visbergen. „0! gij zijt nog slechts bij het begin van de reis.
Gij zult wel anders spreken.quot;
„Dkt valt al vast te constateeren,quot; zeide Vogels ernstig, „dat alles zich hier groot-scher, wilder en woester voordoet. De natuur is hier nog nagenoeg ongeschonden; de menschenhand is hier nog maar weinig zichtbaar.quot;
Zooals Visbergen voorspeld had, begon de weg al spoedig te dalen, doch zeer langzaam, want de kampong Solok, die nog op dertig palen verwijderd lag, verhief zich nog op een hoogte van 1200 voet. Men reed voortdurend te midden van een oorspronkelijke vegetatie, die het terrein verheven en schoon tooide.
Het was ongeveer drie uren in den namiddag, toen de kampong Loeboek Selassik bereikt werd. Daar zou overnacht worden. In dien kampong werd een vrij goede passan-grahan aangetroffen; maar onze reizigers wachtte een aangename verrassing. In de omstreken lag de koffie-onderneming van den heer Stibbe. De Gouverneur van Sumatra's Westkust had hem een woordje geschreven, waarin het doel van den zwerftocht onzer toeristen werd blootgelegd en waarin hij hen aanbeval. In Indië is de gastvrijheid inheemsch en heeft ze geen aanbeveling noodig. De heer Stibbe was dan ook by aankomst onzer reizigers tegenwoordig en betreurde het, dat zijn huis niet ruim genoeg was om al de reizigers op te nemen.
„Maar op een volksverhuizing als de uwe,quot; sprak hij lachende, „daarop heb ik niet kunnen rekenen.quot;
Wat het voornaamste was: de dames erlangden een keurig ingericht onderkomen op het landhuis. Maar ook voor de heeren was gezorgd; want toen men den passangrahan in oogenschouw nam, kreeg ieder de zekerheid, dat alles, maar vooral het heddegoed, kraakzindelijk was. Het diner zou op het landhuis genoten worden.
Des namiddags werd een wandeling door de nabijgelegen koffietuinen gemaakt en het établissement bezichtigd, alwaar de koffie gedroogd en verwerkt werd om het product voor het vervoer en de verscheping gereed te maken.
„Kijk,quot; lichtte de heer Stibbe toe, „in deze gemetselde bakken, die gij hier op den voorgrond ziet, worden de koffiebessen eenige dagen op hoopen gelegd, om een broeiing te ondergaan, die de omhulsels doet bersten. In die bakken daar worden de opengebarsten vruchten uitgespreid om te drogen. Daarin verblijven zij verscheiden dagen en worden ze in dien tijd vele malen omgeschoffeld. Is het product zoover gedroogd, dat de vruchtschil zwart geworden is en de boon in de hoornschil hoorbaar rammelt, dan wordt de koffie naar den molen daarginds gebracht. Die molen bestaat, zooals gij zien kunt, uit een paar dikke houtschijven, die over een trog loopen, evenwel zoodanig, dat zij den bodem niet raken. Dit is noodig om het breken der boonen te voorkomen. Na het malen worden de koffieboonen daar in die hoofdkeet door middel van „tampirsquot; (wanmolen) van de gebroken schillen gezuiverd en verder in jute- of goenizakken verpakt in balen ter zwaarte van 61.75 K. G. Het product is dan voor de markt gereed.quot;
I ■ ■ ■
I gt;f- - /:., - ■ ■ ■. . — ■: - .,lt;T: .;lt; ■ ■ v
I- ■ ■■■■■ '■■ ■■ lt;■ ■■ ■ i: 'ki ■' ■■; v '-- y^1'- ' ■ 'Ji .
•:quot;v ._Yr. . v;'quot;, | '■
Iv1quot;; ^ - v ^ ' ;■•■ - 1 - , . ,t; V s' ; ? vkgt;v - ^ ^ '• i ■ ^;:
■ ■ • • -ii-n ... M) . ; ' '■ 'lt;■■ •• ■ lt;y*4' : . v t$ht. ■ ?-. •■ . ••■.'•• .»«, ' ,quot;v | quot; v.-Jk ..jV ■■v-'; ■ quot; v quot; -v'- ■ ' •. ;.. ■ ,
■ . _ .V - . . . *. •■ . .1jL', '■ 3 . • ... - v
I ; ■■■'ll gt; % a '■ quot;- .,
I ■ i- ■• : ■,. .. ■ • quot; ■gt;■■■• -,;■•/ ,.■ , ^ ■ ^.S* Ï^-»'
I 7 H'quot;quot; v, • ■ ■■ •■■■■,, '■ ■ ' ■■;gt; ■■, ■ , -'.f'
V. ,: '::'.! ' ■'•' • -v, ■: ' ^ , , - r V, U ;•-■ . •'. ; . ■.quot; r ^hr ^ ■ •gt;
' ■ - • •• • • •',■.••. •■, •. N-- • 5. •- • ; • ,. - •..» • . ;•■■• ■ .-■•-r-v , *
i ' Wy :
^4'; ■, n y. ■ -•v ^ ^%r;-
PADANG. — NAAK DE BOVENLANDEN.
De heer Stibbe vertelde zijn gasten nog, dat de koffiecultuur op Sumatra een hooge vlucht beloofde te nemen, dat in deze Afdeeling der XX en XXIII Kotta's reeds vijf ondernemingen bestonden, waarvan evenwel Loeboek Selassie de voornaamste was, daar die ruim 1060 bouws besloeg, en dat in de Afdeeling Tanah Datar nog twee koffle-ondernemingen werden aangetroffen, door de Nederlandsche Handelmaatschappij en de Kotterdamsche Cultuurmaatschappij geëxploiteerd, die respectievelijk 1330 en 2040 bouws omvatten.
Onze reizigers betuigden hun dank voor de ontvangen inlichtingen en gevoelden zich hoogst voldaan.
49
Den volgenden morgen reed ons gezelschap verder. Het terrein was steeds overschoen.en volgenden morgen reed ons gezelschap verder. Het terrein was steeds overschoen.
De weg slingerde zich te midden van heerlijke bergstreken, die op ieder punt schier de fraaiste vergezichten opleverden. Men kwam zoo omstreeks te 9 uren te Solok aan, maar toetde daar slechts eenige oogenblikken om te verspannen en voort ging het weer. Van Padang had de weg nagenoeg een noordoostelijke richting gehad. Van Solok veranderde die in Noordwest. Toen men den kampong Soemani voorbij was, boog de weg oostwaarts om. Op aanraden van Visbergen stapten de reizigers uit de dos-ii-dos en daalden te voet een scherpe helling af en kregen toen plotseling een bewonderenswaardig vergezicht in het oog. Ja, de helling, die door den blik kon gepeild worden, was scherp, zij maakte minstens met het benedengelegen terrein een hoek van 45°, maar de weg was in het talud ingehouwen en liep, in de richting van de kruin der beheerschende hoogte, zacht glooiend naar beneden en maakte met den benedengrond een hoek van hoogstens 8 tot 10°. Van die helling spreidde zich een panorama uit, dat allen een kreet van verrukking afperste. Een groot meer, met kristalhelder water, waarin zich het blauw des hemel onbesmet zuiver en het beeld der tropische zon, onberispelijk scherp begrensd, weerkaatsten, spreidde zich aan de voeten van onze toeristen uit. Dat meer toonde een langwerpige gedaante te bezitten en Visbergen deelde mede, dat het over zijn lengteas bijna 15 palen meette, terwijl zijn grootste breedte iets meer dan zes palen bedroeg.
„De aanblik van die oppervlakte is overschoon,quot; betuigde Montauban. „Zij is lieflijk, ja lachend te noemen met haar azuurblauwen spiegel, waarin het levendige groen der prachtvolle plantenwereld, die haar boorden omgeeft, weerkaatst; zij vertoont tevens een ernstig en verheven karakter, omgeven als zij is met een diadeem van hoog gebergte, dat haar allerwegen insluit en dat in dien omhoog steigerenden bergwand daar in het Oosten....quot;
HET MEER VAN SINGKAEAH.
„Noordoosten,quot; verbeterde Visbergen.
„Noordoosten,quot; ging Montauban voort. „Wat zijn die topografen toch vervelende lui, nog erger soms dan Duitsche wijsgeeren!.... En dat in dien omhoog steigerenden bergwand in het Noordoosten zijn meest trotsche uitdrukking verkrijgt.quot;
„Het is een buitengewoon fraai bergmeer,quot; zei Van Berkenstein. „Op welke hoogte ligt het T
„Op ruim 1050 voet boven de oppervlakte der zee,quot; antwoordde Visbergen. „Zeker is het een fraai bergmeer. Maar, ik hoop ulieden er nog fraaier te laten zien.quot;
„Nog fraaier?quot; vroeg mevrouw JafFrezic. „Hoe zal dat mogelijk zijn? Ah!.... nu herinner ik liet mij. Bij het meer Tjeboeng, op het Diëng-gebergte, spraakt gij van een nog hooger gelegen meer, van.... ja, hoe heet hef?.... van het meer Sang.... Song.... Sing .... Help mij toch!quot;
„Singalaug, mevrouw! Uw geheugen was goed op weg.quot;
„Juist, tSingalïing. Zullen wij dat te zien krijgen?quot;
„Vergeef mij, mevrouw,quot; antwoordde Visbergen; „wel komen wij er dicht langs bij onze omzwervingen; maar, zooals gij reeds bespeurd zult hebben, Sumatra is Java niet. Wat op laatstgenoemd eiland mogelijk is, is dat hier niet, althans voor dames. Hier zijn geen wegen, geen paden. Hier moet de koene reiziger, die den top van den Singalang — kijk, daarginds vormt hij met den Merapi een prachtigen achtergrond voor bet vóór ons liggende meer — die den top van den Singalang wil beklimmen, zich met een flinke bijl, maar nog meer met moed, met onverschrokkenheid, en bovenal met voortvarendheid en taai geduld wapenen.quot;
„En is mijn heer en echtgenoot van meening,quot; vroeg mevrouw Visbergen, „dat ons, vrouwen, die moed, die onverschrokkenheid, die voortvarendheid en dat geduld zouden ontbreken ? De bijl zullen wij maar ter behandeling der heeren laten.quot;
„Juist, dat overlaten der bijl aan de mannen geeft mij het antwoord op uw vraag in den mond. Ziet, bij alle de schitterende deugden en hoedanigheden, die onzen lieven reisgezellinnen eigen zijn, zou de kracht, de lichamelijke kracht wel te verstaan, haar ontbreken, om nieb alleen de bijl te zwaaien, maar ook om al de vermoeienissen en ellenden, die aan zoo'n bergbestijging in een zoo oorspronkelijk land als dit onafscheidelijk verbonden zijn, te kunnen trotseeren. Bedenkt daarenboven, dat het hier op Sumatra in het dichte woeste teirein, dat wij bij zoo'n tocht te betreden zouden hebben, van wild gedierte
wemelt; en....quot; Hier lachte die snoode Visbergen ondeugend. „En____ de luisterrijke
terugtocht der dames bij onze ontmoeting met de olifanten bij Kalidjadian in de Lampongs is nog van te jonge dagteekening, om haar bloot te stellen aan een herhaling van zulk een beweging.quot;
„Dat is niet edel van u, mijnheer Visbergen,quot; mengde zich mevrouw Van Berkenstein in het gesprek, „op dien terugtocht — zooals gij dat noemt — te zinspelen.quot;
51
HET MEEK VAN SINGKAEAH.
„Bestaat er kans, bij zoo'n tocht olifanten te ontmoeten?quot; vroeg mevrouw Jaffrezic.
„Kans?!! kansH!quot; riep Visbergeu uit. „Geen kans, maar zekerheid! Niet alleen ééns, maar herhaaldelijk. jSTiet alleen om olifanten te ontmoeten; maar ook om door tijgers, panters, rhinocerossen, tapirs, pythons (reuzenslangen), bantengs (wilde stieren), enz., enz. verrast te worden.quot;
„Nu, dan pas ik hartelijk voor een bezoek aan het meer Singalang,quot; sprak de Fran^aise: „dan ga ik niet mee.quot;
„Als de helft van ons allen iets meer te huis bracht dan de metalen of ivoren knoopen aan hunnen japon of jassen en hun schoeisel, zou dat als een gelukkige gebeurtenis moeten beschouwd worden,quot; ging Visbergen voort.
„Schei maar uit, mijnheer Visbergen,quot; riep Jolande Jaffrezic, „wij zullen van dien tocht maar afzien. Maar,.... kijkt toch eens, hoe lief die kampongs daar om dat meer liggen. Hoe heeten die?quot;
„Die daar aan onze voeten, mevrouw,quot; antwoordde Visbergen, „met die enkele steenen huizen, dat is kampong Singkarah, waarnaar het meer genoemd wordt. Die daar iets verder, de eerste van het drietal, dat zich aan den voet van den noordoostelijken bergwand, die van hier gezien als loodrecht uit het water schijnt op te stijgen, uitspreidt, is kampong Takala en de twee anderen zijn kampong Djamboe en kampong Katjang di bawa geheeten. Daar verder aan denzelfden kant is kampong Samawang zichtbaar en geheel en al aan het uiteinde van het meer, daar in dien hoekzak, geeft iets geelachtigs in het groen de plek aan, waar kampong Batoe Beragong ligt. Aan den linkeroever liggen kampong Moeara pingi en daar heel in de verte, nauwelijks waarneembaar, kampong Goegoe en kampong Padang law as.quot;
„Schilderachtig en tevens verheven mooi!quot; betuigden de reizigers.
Het gezelschap had het benedengedeelte der helling bereikt en steeg weer in de voertuigen. Korten tijd later was men te kampong Singkarah aangekomen.
Daar was evenwel alles in rep en roer. De controleur der onderafdeeling XX Kotta's, wiens standplaats te kampong Singkarali was, had een brief van den Gouverneur te Padang ontvangen, waarbij hem onze reizigers aanbevolen waren. Maar, om in die plaats, waar geen garnizoen was, twaalf toeristen onder dak te brengen, ziet, dat had den gastvrijen ambtenaar veel hoofdbrekens en een paar slapelooze nachten gekost. In de controleurswoning, die schilderachtig aan den oever van het meer gelegen was en van waaruit een prachtig vergezicht daarover genoten werd, kon hij de drie getrouwde paren van het toeristengezelschap opnemen, waarbij hij evenwel nog de toegevendheid zijner gasten inriep, wegens het ongewone van het geval. Voor de overige reizigers was hij er eindelijk in geslaagd een Maleisch huisgezin te overreden, haar huis te ontruimen en dat voor een korten tijd aan de voorbijtrekkenden af te staan. Toen de controleur, na de getrouwden bij zich aan huis geïnstalleerd te hebben, de ongetrouwden naar die woning bracht, zagen
HBÏ KEER VAN SINGKARAH.
dezen, dat het een nette planken woning was, die, met eenige anderen, rondom een pleintje stond en waarvan, evenals dat bij de anderen het geval was, de stijlen, deurposten, daknokken, worsten en omwandingsplanken met sierlijk en werkelijk kunstig snijwerk voorzien waren. De geheele bouworde van het huis was niet ongelijk aan een plompen scheepsromp, die op palen zou gezet zijn. Het innerlijke was merkwaardig proper, te merkwaardiger, daar onze reizigers bij hun omzwervingen wel een ongunstigen indruk van de zindelijkheid der bewoners van Insulinde hadden moeten opdoen. Van den controleur vernamen zij, dat de bevolking van de Padangsche Bovenlanden daarop een gunstige uitzondering maakte. Alles was dus voor het beste geregeld en zelfs het beddegoed, dat evenwel slechts op „baleh baleh'squot; uitgespreid lag, mocht een glimlach van goedkeuring-verwerven.
Ook de rijsttafel, die de reizigers gezamenlijk bij den controleur nuttigden, werd overheerlijk bevonden. Wel was die ambtenaar ongetrouwd en was dus zijn huishouden van de zorgen eener waakzame en nijvere vrouwenhand verstoken; maar wat er ook aan dat maal mocht hebben ontbroken, het werd vergoed door de hartelijke gastvrijheid, door de ongedwongen en degelijke gesprekken en door de geestige scherts, die de gastheer ten toon spreidde.
Na de rijsttafel werd een korte „siëstaquot; gehouden, toen een kop geurige thee gedronken; waarna de controleur voorstelde een spelevaart op het meer te maken. Dat dit voorstel met gejuich beantwoord werd, zal wel nauwelijks vermeld behoeven te worden.
Aan den steiger lagen twee sierlijke booten, waarin onze reizigers stapten. De zeiltjes werden losgeworpen. In de eene boot nam de controleur en in de andere de oudste Jaffrezic de stuurreepen in de hand. Onder den druk van een goed doorstaande zuidwestelijke bries staken de vaartuigen van den oever af, en dobberden weldra te midden van het bekoorlijke meer. Dit waterbekken strekte zich van Zuidoost naar Noordwest uit; zoodat de bries ruim in de zeiltjes viel, de vaartuigen bevallig stuurboord deed overhellen en hen een bekoorlijke snelheid verleende. Het was een goddelijk fraaie achtermiddag. Wel stond de zon hoog aan den hemel, maar zij hinderde slechts door haar schitterende weerkaatsing in het kristalheldere meer. De vaartuigen waren van goede zonnetenten voorzien; daarenboven op deze hoogte, al was men ternauwernood een halven graad van den Evenaar verwijderd, daalde de bries koel en lekker van de omliggende bergtoppen neer en bracht, met een heerlijke frischheid, ook opgewektheid, vroolijkheid en levenslust aan. Stond de zon ook nog hoog aan den hemel; zij was evenwel in haar dalenden tak, maar bescheen daarbij prachtvol den oostelijken oeverwand, die zich, hoewel slechts bedekt met een grastapijt, door klein struikgewas geschakeerd, onder die verlichting in zijn fijnste bijzonderheden als een overschoon reliefwerk voordeed. De tegenovergestelde oever verhief zich niet zoo hoog, ook niet zoo trotsch steil; maar vertoonde met zijn heuveltoppen, die met zwaar
HET MEER VAK SINGKA.RAH.
bosch overdekt waren, een meer lieflijk beeld, zoo iets van een bevalligen, afwisselenden achtergrond van de schilderij van een grooten meester. Het water was kristalhelder, zoodat de bodem van het meer met zijn fantastische bekleeding van lange waterplanten en zijn oasen van verblindend zand met witte kiezelsteentjes, duidelijk aan lij te ontwaren was. Te loevert was dat onmogelijk. Daar dansten de golfjes onder den invloed der bries en klotsten schuimend tegen de sloepboorden, waarhij zij door hun beweeglijkheid honderdvoudig het beeld der zon weerkaatsten en de stralen der dagvorstin als bliksemschichten en vurige pijlbundels deden schieten. De zeilen der Inlandsche vaartuigen, die de gemeenschap der kampongs, op de beide oevers liggende, onderhielden, vertoonden zich wit en bevallig op de watervlakte, als waren het zwanen, die daar dobberden en hun beeld weerkaatsten in den helderen, maar toch zacht gerimpelden spiegel van het meer. Ook de kampongs, die onze reizigers voorbij gleden, deden zich, als half verscholen in het groen hunner bamboe- en vruchtboomboschjes, en zich spiegelende in den overschoonen plas, uitermate schilderachtig voor en zett'en het tafereel een zekere levendigheid en bevalligheid bij.
„Van hier, op gelijken afstand der beide oevers, kunt gij duidelijk ontwaren,quot; sprak de controleur, „dat het meerbekken een lengte-dal is, hetwelk zich tusschen de twee vulkanen, die daar vóór en die daar achter ons, zichtbaar als een terreinplooi uitstrekt.quot;
De beide bootjes stuurboord overhellende, zeilden vlak naast elkander; de opvarenden konden elkander bijna de hand reiken. Ieder woord, dat dan ook gesproken werd, was voor het geheele gezelschap waar te nemen.
„Wat doen die bergen zich prachtig voor op het blauw des hemels,quot; sprak mevrouw Van Berkenstein. „Kijk, hoe regelmatig kegelvormig de rechtsche daar vóór ons zich verheft en hoe woest en grillig zijn buurman naar den hemel opsteigert.quot;
„De eerste heet Merapi en is 9330 voet hoog; de andere, de Singalang, is 9550 voet hoog.quot;
„En die kegelberg daar achter ons?quot;
„Dat is de Talang, die slechts een hoogte van 6000 voet bereikt.quot;
„Het is een wonderschoon tafereel, dat zich voor onzen blik uitspreidt,quot; betuigden al onze toeristen.
„Hoe heet die kampong daar aan onze rechterzijde, dwars vóór ons1?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Laat zien,quot; sprak de controleur, terwijl hij een onderzoekenden blik rondom zich wierp. „Wij zijn nog op de Danau di bawa (het lagermeer). „Wel, dat is Katjang die bawa. Daarboven op de nok van den bergwand kant gij de eerste hutten van den kampong Katjang di atas ontwaren. En daar links, iets achter van ons, dat is de kampong Moeara pingi. Vooruit hebben wij reeds Samawang in het gezicht. Over een halfuur of drie kwartier zullen wij dien kampong voorbijstevenen.quot;
„Is het meer diep?quot; vroeg Montauban.
54
HET MEER VA.N SINGKARAH.
„Te oordeelen naar de duidelijkheid, waaronder de bijzonderheden van den bodem zich voor het oog voordoen, kan de diepte niet groot zijn,quot; meende Nielsen.
„O, dat bedriegt zoo! Het water is hier kristalhelder,quot; antwoordde Visbergen.
„Juist,quot; sprak de controleur. „Op deze hoogte alhier is het meer 738 voet diep Dwars van Samawang bedraagt die diepte ruim 1100 voet.quot;
„Te drommel, dat zou men niet zeggen,quot; zei Montauban. „Maar, ik merk niets van toevoer en afvoer.quot;
„Toch wordt het meer door vele, evenwel onaanzienlijke spruitjes gevoed. Het voornaamste daarvan is de Soengei Solok, die op den Talang ontspringt en zich niet ver van den kampong Singkarah in het meer werpt.quot;
„En het afvoerkanaal? Het Singkarah-meer zal toch niet, als de Kaspische Zee, zonder afwaterings-kanaal zijn?quot;
„Dat kanaal naderen wij thans. Zoodra wij kampong Samawang gepasseerd zullen zijn, kunnen wij een blik in de Soengei Orabilien werpen. Ziet, daar rechts van ons, krijgen wij de trechtervormige baai, die door haar gevormd wordt, reeds open.quot;
„De Soengei Orabilien?quot; vroeg Van Berkenstein. „Is dat het riviertje, waarnaar de Suraatrasche steenkolenvelden genoemd worden? Ja?____Krijgen wij die ook te zien?quot;
„Neen, daarvan blijven wij een geheel eind verwijderd. Het is ook geen terrein voor dames-toeristen; terwijl wij er buitendien niets dan wildernis zouden zien. De steenkolen-lagen liggen niet, zooals begrijpelijk is, aan de oppervlakte des bodems bloot.quot;
„Is de kolenrijkdom daar groot?quot; vroeg Montauban. „En is de qualiteit bruikbaar?'.
„Ik zal de tweede vraag het eerst beantwoorden,quot; zei de controleur, „en daartoe een kleine verhandeling omtrent de Indische steenkolen ten beste geven. De in Indië aangetroffen wordende kolenvelden behooren niet tot de steenkolen; het zijn inderdaad slechts pekkelen, die onderscheiden moeten worden, volgens den ingenieur Verbeek, in eoceene en mioceene pekkelen. De laatstgenoemden zijn van veel minder waarde en als niet veel beter te beschouwen dan bruinkolen. De eoceene evenwel — en het zijn deze, die den rijkdom van de Ombilien-velden uitmaken — staan slechts weinig bij de beste steenkolensoorten, b. v. bij de Newcastle, ten achteren. Wordt bij benadering de waarde dezer laatsten op 100 gesteld, dan staan de Ombilien-kolen op 95. Een eigenaardigheid dezer kolen is, dat zij over het geheel zeer vast en dicht van structuur zijn, en bij gedeelten zelfs zoo, dat zij zich tot gedraaide en gebeitelde voorwerpen, als: knoopen, kralen en zelfs sigarenkokers en tot andere voorwerpen van niet te groote afmetingen laten verwerken. Zij zijn zwart van kleur, zeer glanzend, vlak schulpvormig, en dwars daarop, hoekig, hakkelig op de breuk en gelijken daardoor bedrieglijk op de Engelsche Cardiff-kolen, uit de oudste steenkolen-formatie.
„Wat na uw tweede vraag betreft, valt te constateeren, dat voorzeker de voorraad kolen, die de eoceene formatie op Sumatra ter ontginning aanbiedt, niet te vergelijken is met de Europeesche en de Noord-Amerikaansche steenkolen-formatie, die ons voorbeelden
HET MEEK VAN SINÖKAKAH.
stelt van 3000 tot zelfs 4000 M. op elkander rustende gesteente-lagen, met meer dan 100 M. dikte aan kolen, verdeeld over CO en zelfs over meer lagen of beddingen. Het bekken toch, waartoe de steenkolen van de Rulir, van Aken en Kerkrade, Luik, Valenciennes en Mons, van New-Castle of de Tweed tot voorbij Bristol en verder van Ierland en Schotland behooren, vormt één enkelen samenhangenden, breeden gordel; en J^oord-Amerika levert niet minder indrukwekkende voorbeelden op van groote nitgestrektheden, die aan den dag of in de diepte geheel door gesteente eener onafgebroken kolen-formatie worden ingenomen. De gordel b. v., die zich van Tennessee langs Virginia en Ohio tot in Pennsylvanië, tusschen den 35steit en Alston breedte-graad uitstrekt, is daar van de drie of vier belangrijke kolenvelden de voornaamste. Hieruit volgt evenwel niet, dat de voorraad kolen, hier op Sumatra ter ontginning aanwezig, gering te schatten zoude zijn. Volgens Verbeek toch bezitten wij in de Sumatrasche kolenvorming een merkwaardig voorbeeld van het gelukkig samentreffen der voor het ontstaan van kolenbeddingen, gunstige omstandigheden uit den jongeren tertiairen geologischen tijd; want, altijd volgens den door mij genoemden ingenieur, heeft de kolenformatie hier een dikte van 570 M. zand- en andere laagvormige gesteenten, waarbij 10 M. kolen verdeeld over hoogstens 7 lagen.quot;
„Wel, dat is meer dan bevredigend,quot; spraken Van Berkenstein en Montauban bijna tegelijkertijd uit.
„Jammer maar,quot; ging eerstgenoemde voort, „dat tot het openen van afvoerwegen met die Ombilien-kolenvelden zulke groote, ja te groote onkosten benoodigd zijn. Heb ik niet hooren zeggen, dat de spoorweg van die streken naar Padang op 28 millioen gerekend wordt? En, gij zult wel weten, welke teleurstellingen zulke ramingen in het leven roepen.quot;
„Ja, juist, 28 millioen!quot; antwoordde de controleur met vuur. „Dat is de rekening der ingenieurs. Kom, laten wij het dubbele rekenen, om aan de teleurstellingen te gemoet te komen, waarop gij doelt. Dat zou dan 50 millioen zijn. Wat heeft dat sommetje te beduiden, vergeleken bij den niet te overzienen rijkdom, die daar in den schoot der aarde ligt? Onze mijnkundigen hebben berekend, — en die luitjes zijn ware Jantjes-sekuur! — dat de lagen, die nu reeds aangeboord zijn, een waarde van ruim een milliard guldens vertegenwoordigen.''
„Een milliard guldens!!quot; riep Van Berkenstein uit.
„Ja, een milliard guldens! Maar kom, laat die berekening overdreven zijn, laat baai-slechts de helft, het kwart, het tiende gedeelte van die som bedragen. Laat de opbrengst der steenkolen slechts het kapitaal van den spoorweg en zijn eigen exploitatiekosten vertegenwoordigen, dan nog zou het aanleggen van dien spoorweg niet alleen aanbevelenswaardig, maar ook noodzakelijk te achten zijn; omdat door dat versneld vervoermiddel een krachtige stoot aan den vooruitgang op den weg der beschaving in deze streken zou gegeven worden.quot;
„Maar, als die overtuiging bestaat omtrent de vooruitzichten, die gij voorspiegelt,quot; vroeg Van Berkenstein, „wat is dan de oorzaak, dat de exploitatie niet tot stand komt?quot;
56
HET MEER VAN SINGKARAH.
„Ja, dat's een netelige vraag,quot; antwoordde de controleur. „Vadsigheid en onverschilligheid, dat laisser-aller, hetwelk heeft doen uitroepen: „Die steenkolen zitten daar goed in den grond, laat ze daar maar zitten!quot; en reeds het tot stand brengen van zooveel nuttige zaken heeft belemmerd en verhinderd, zijn daarvan de hoofdfactoren. Men werpt het nu op de groote exploitatiekosten. Om te beoordeelen, hoe ongegrond dat argument is, kan ik mededeelen, — en ik spreek hier met kennis van zaken, — dat het bevaarbaar maken van de Soengei Ombilien, die lager: Batang Kwantan, en verder nog: rivier van Indragiri heet, welke op de Oostkust van Sumatra uitwatert, geen drie millioen zou kosten; zoodat zoo'n dure spoorweg niet noodig zou zijn. Neen, mijn waarde heer, al die opgeworpen moeilijkheden zijn praatjes voor den vaak.quot;
Onze zeil vaartuigjes repten zich voort. Het was of de bries nog aanwakkerde. Onze reizigers konden reeds de huizen van Batoe Beragong duidelijk onderscheiden. Nog een halfuurtje en zij waren daar aangekomen. De zon begon den westelijken bergrug te naderen, toen ons gezelschap bij dien kampong aan wal stapte.
„Hoe zullen wij doen om terug te keeren naar SingkarahT' vroeg Vogels den controleur. „Wij hebben, hier heenkomende, den wind zeer ruim gehad. Maar terugkeerende, zullen wij hem zeer schraal hebben, bijna op den kop.quot;
„Heb daar geen zorg voor. In den regel loopt de wind bij het ondergaan van de zon naar het Westen. Wij zullen hem dan even ruim hebben. Dat verschijnsel van winds-verruiming wordt hier dagelijks waargenomen en moet in verband staan — hoe, dat weet ik niet recht — met de groote verhitting, die den noordoostelijken hoogen meeroever onder den invloed der zonnestralen erlangt.quot;
Toen de vaartuigjes te Batoe Beragong aanlegden, was de zon haar ondergang nabij. Voor onze toeristen was zij reeds niet meer zichtbaar, daar zij achter den Goenoeng Ambatjang weggedoken was. Zij zette diens top daarbij in vuur, overtoog hem met een randje van het schitterendste purper en hulde hem in een stralenkrans als in een onmete-lijken nimbus, die prachtig schoon in het Singkarah-meer weerkaatste. Onze reizigers stonden daar een oogenblik aan den waterkant en bewonderden het schouwspel, dat de Ambatjang aan de landzijde aanbood, en keerden zich daarna om, ten einde den blik over het fraaie meer te laten waren en de onbeschrijflijk schoone lichteifecten van den zonsondergang op die zacht gerimpelde watervlakte waar te nemen. Terwijl ons gezelschap daarna in bewondering verzonken stond, weerklonk plotseling een wondervolle alttoon, die met een krachtigen metaalklank als van de klok eener Kathedraal van het Westersche halfrond, statig over de oppervlakte van het meer rolde, door al de echo's der omliggende bergwanden en bergtoppen, als om strijd, eerst scherp en duidelijk, later meer ineenvloeiend en eindelijk als een zacht murmelen, evenals een door de menigte uitgesproken gebed, herhaald werd. Toen de echo's zwegen, weerklonk andermaal die alttoon met dezelfde uitwerking, waarna hij zich ook voor de derde maal hooren liet:
HET MEER VAN SIN6KARAH.
„C'est F Angelus!quot; sprak mevrouw Jaffrezic.
Zij keek haar echtgenoot en diens broeder aan, die even verwonderd stonden te kijken. Daarop vouwden alle drie vroom de handen en prevelde de jonge vrouw:
„Angelus Domini nunciavit Mariaequot; ').
„Et concepit de Spiritü sanctoquot; 2), antwoordden de beide heeren.
„Ave Maria! gratia plena.... 3) enz.,quot; baden alle drie te zamen.
Die drie biddende personen op den rand van dat meer, terwijl die wonderlijke klok haar drie slagen nog tweemaal herhaalde en daarna in een ijverig geklep voortging, hetwelk eenige minuten aanhield, en daarbij statig en indrukwekkend haar tonen over de meer-oppervlakte sprankelde, vormden een aangrijpend schouwspel, dat zelfs op de Protestantsche aanwezigen zijn indruk niet miste. Bij de eerste woorden van het gebed, door Jolande Jaffrezic uitgesproken, hadden Montauban en Boisjolin het hoofd ontbloot en waren daarin door de andere heeren gevolgd geworden. Zoo stonden allen daar ernstig, totdat het gebed geëindigd was.
„Hoe kan hier de Angelus geluid worden?quot; vroeg Montauban. „Is hier een zendings-post in de buurt1?quot;
„Neen,quot; antwoordde de controleur lachende. „Maar daar komt onze klokluider aan.quot;
Het was Vogels, die van een kleine nabijgelegen hoogte nederdaalde. Zoodra de booten aangelegd hadden, was hij aan wal gesprongen en had zich, zonder dat men hem gemist had, voortgespoed.
„Wel, was het effect niet wondervol?quot; vroeg hij.
„Zeker,quot; betuigden allen; „maar waar is de klok, die gij geluid hebt?quot;
„Komt, ik zal ze u wijzen.quot;
Hij geleidde zijn reisgenooten naar een kleinen rotsgroep, die zich in de onmiddellijke nabijheid bevond. Daarbij gekomen, haalde hij een soort ijzeren hamer te voorschijn, dien de controleur in een der sloepen had laten meenemen, en sloeg daarmee krachtig en met herhaalde slagen op die rotsen. Statig klonk het geluid over het water en wekte allerwegen de echo's op.
„Daar is de klok!quot; zei Vogels lachend.
„De geleerden hebben nog niet uitgemaakt,quot; sprak de controleur, „of deze rotsen uit trachiet of uit bazalt bestaan. Zijn ze van trachiet, dan zijn ze zeer fijnkorrelig van structuur. Die rotsen heeten in de landstaal Batoe Beragong of: steen, die als een gong weerklinkt. Het dorpje daar voert denzelfden naam. Maar.... de zon is verdwenen, de nacht gaat snel invallen. Hoe denken de dames er over, om den terugtocht aan te
') De Engel des Heeren heeft Maria geboodschapt.
En zij ontving van den H. Geest.
:l) Wees gegroet, Maria! enz. De Groetenis des Engels, een gebed der Koomsch-Katholioken.
08
HET MEER VAN SINGKAKAH.
nemen? Wij hebben op geen maanlicht te rekenen; wij zullen evenwel een vrij helderen hemel hebben.quot;
Ras had het gezelschap zich weer ingescheept en staken de sloepen af. Zooals de controleur voorspeld had, was de wind, hoewel nog niet geheel West, evenwel genoeg geruimd, om, zonder te laveeren, de terugreis naar Singkarah te kunnen doen.
„De bries is nog wat scherp om spoed te maken,quot; zei de controleur, „maar alvorens wij Samawang dwars zullen hebben, zal zij wel zooveel omgeloopen zijn, om met ruimen wind te zeilen.quot;
En zoo was het ook. Het was een bekoorlijke tocht in die nachtelijke uren op dat fraaie meer, waarin de millioenen sterren, welke daar boven aan het donkerblauwe hemelgewelf prijkten, haar schitterende heerlijkheid weerkaatsten. De wind ruimde al meer en meer. De bootjes schoten snel vooruit, deden onder den druk der zeilen het water met zacht geklater tegen den boeg opdartelen; terwijl de golfjes zich met lieflijk gemurmel achter den spiegel weer sloten.
59
Het was nog niet ten volle tien uren, toen Singkarah bereikt werd. Het diner ten huize van den controleur was uitmuntend. Vooral smaakten de „ikan goeramiquot; '), een product van het meer, overheerlijk. Voldaan over hun tocht en het lichaam verzadigd, legden onze reizigers zich ter ruste.
') Ikan Goerami = Osphromeus olfax. Is de lekkerste zoctwatervisch, dien Indië oplevert.
Naar Foft Be Koek. Het Karbouwengat, — Het Heep van Manindjoe,
Den volgenden morgen zou de reis naar Pajakoembah vervolgd worden. De controleuren volgenden morgen zou de reis naar Pajakoembah vervolgd worden. De controleur
van Singkarah had onzen toeristen medegedeeld, dat de assistent-residentswoning te Fort Van der Capellen gerepareerd werd en er derhalve voor de dames op geen fatsoenlijk logies gerekend kon worden. „De tijd is te kort geweest, om daarin behoorlijk te gemoet te komen,quot; bad de assistent-resident geschreven. Hij had daarover zijn innige spijt betuigd.
„Wie is er militaire commandant te Fort Van der Capellen?quot; vroeg Visbergen.
„Luitenant Soltman,quot; antwoordde de controleur.
„Neen, die zal onzen dames geen logies kunnen aanbieden,quot; sprak Visbergen lachende.
„Maar, wat dan te doen?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Ik zou den dames en heeren den raad geven,quot; zei de controleur, „de reis tot Pajakoembah te vervolgen. Wel is de afstand niet klein te noemen, — 48 palen — maar ik heb voor goede paarden gezorgd en de assistent-resident van Fort Van der Capellen zal daar ook zijn zorgen wel aan hebben gewijd. Ik ben overtuigd, dat gijlieden straks tusschen drie en vier uren daar zult aangekomen zijn.quot;
„Dan vooruit maar naar Pajakoembah!quot; riepen onze reizigers.
„Maar,quot; vroeg de controleur, „wat gaat gij te Pajakoembah doenquot;? Roepen belangen u daarheen?quot;
„Belangen?quot; antwoordde Van Berkenstein: „geen andere dan die ons hierheen roepen, namelijk het land te zien.quot;
„Ja, het landschap langs den weg derwaarts is fraai,quot; hernam de controleur; „dat valt niet te ontkennen; maar niet fraaier dan gij hier in de Padangsche Bovenlanden overal elders kunt ontwaren. Pajakoembah zelf is als plaats onbeduidend en biedt den toerist niets aan dan de fraaie en lommerrijke laan, die naar de assistentswoning leidt. Die
controleur üwoning te fatsoenlijk gemoet te etuigd.
n lachende.
ie reis tot m — maar lapellen zal ks tusschen
n belangen
een roepen,
oleur; „dat lovenlanden i biedt den g leidt. Die
jsg,ï ïs:^;iï;3 ^mmsÊÊÈmÊiÊÊ^ÊÊm
-ïA
rmtm
m.
WM3W
NAAK FOKT DE KOCK. — HET KAKBOÜWENGA.T. — HET MEEK VAN MAN INI) JOE. 61
laan is waarlijk fraai; ziet, gij kunt er hier in mijn binnengalerij een afbeelding van zien. Gij zult echter op uw omzwervingen door Indië wel even fraaie lanen gezien hebben, b. v. te Buitenzorg of te Bodjong, bij Samarang. En, om nu alleen voor die laan een groote 20 paal uit den koers te gaan, vind ik wel wat. ... hoe zal ik het noemen?quot;
„Wel wat gek.... jawel, het is zoo,quot; sprak Van Berkenstein lachende. „Maar, wat dan te doen?quot;
„Mag ik mijn raad van straks aanvullen? In uw plaats zou ik Pajakoembah rechts laten liggen en naar Fort De Koek doorrijden. Het traject is wel iets grooter, maar gij zijt er tegen vijf uren met glans.quot;
„Drommels, tot vijf uren in zoo'n dos-a-dos te zitten, is ook niet alles,quot; pruttelde mevrouw Visbergen. „Waarschijnlijk nog wel zonder lunch?quot;
„Neen,quot; antwoordde de controleur lachende. „Ik beb gisteren een man te paard naar Fort Van der Capellen gezonden, om van ulieder komst te berichten. Ik twijfel er niet aan, of gij zult met geen hongerige magen van daar vertrekken.quot;
„Vooruit dan maar naar Fort De Koek!quot; riep Clotilde Visbergen met kluchtige onderwerping.
Nu zij van haar rijsttafel verzekerd was, was de goede luim bij de jonge vrouw in een ondeelbaar oogenblik weergekeerd.
Het afscheid was nu spoedig genomen. Onze toeristen drukten den controleur de hand en bedankten hem met innigheid voor de genoten gastvrijheid. Allen stapten in, de zweepen knalden en de vurige paarden schoten vooruit. Nog een groet, nog een gewuif met de handen; daar sloegen de voertuigen een hoek om en was de controleurswoning van Singkarah uit het oog verdwenen.
De weg liep gedurende een poos evenwijdig aan het meer, maar klom langs den steilen oeverwand omhoog, waarvan de kam eenige palen verder bij den kampong Katjang di atas bereikt werd. Naarmate de rijtuigen langs de helling opklommen, werd het gezicht over die watervlakte lieliijker en schilderachtiger en het kon bewonderenswaardig fraai genoemd worden, toen de nok van dien oeverrand bereikt was. De weg volgde dien nog een poos, sloeg toen noordoostwaarts in, waardoor het fraaie meer aan de bewonderende blikken onzer reizigers was onttogen.
Bij kampong Boekiet Koempang werd de Batang Ombilien overschreden. De wegslingerde zich nu voortdurend door hoogland, hetwelk als het voorgebergte van den Merapi, die zich vooruit in de verte vertoonde, te beschouwen was.
Het was omstreeks halfelf, toen de reizigers Fort Van der Capellen bereikten. De boodschap van den controleur van Singkarah had doel getroffen. Door de zorgen van den assistent-resident en den luitenant Soltman was in het cantinegebouw van het fort een tafel voor veertien personen gedekt, welker heerlijkheden onze reizigers zich goed lieten smaken.
02 NAAR PORT DE KOCK. - HET KAKBOUWENGAT. — HET MEER VAN MANINDJOE.
Na het maal geleidde luitenant Soltman de reizigers het fortje rond, om dat te bezichtigen. Zij ontwaarden bij die wandeling, dat deze versterking zich op een heuvel verhief, die ongeveer 50 voet hoog was en waarvan de hellingen zacht overgingen in de rondomliggende vlakte, welke door haar geschut beheerscht werd. Niet ver van het fort ruischte een lieflijk bergbeekje, de Sello genaamd, over haar rustig bed. Aan den westkant des heuvels verhieven zich aan zijn voet de gouvernementsgebouwen, waaronder de woning-van den assistent-resident en van den militairen commandant de voornaamste waren en waarachter de kegelvormige massa van den Merapi een treffenden achtergrond vormde. Aan de oostzijde des forts gekomen, wees luitenant Soltman op een rotsgroep, die steil oprees en haar grillig gevormde nok op ruim vierhonderd voet boven de vlakte verhief. Die vlakte was kaal te noemen. Zij vertoonde geen spoor van hoornen of struikgewas en was slechts met een kort stekelig gras of met sawah's overdekt.
„Die rotspartij heet bij de Inlanders: „batoe sangkarquot;, verklaarde de gids. „Batoe beteekent: steen en sangkar: vogelkooi. In die steengroep meenen zij de gelijkenis met een vogelkooi te erkennen; vandaar die naam. De kampong, dien gij daar in de nabijheid ziet, heet ook Batoe Sangkar.quot;
Het kon ongeveer één uur zijn, toen de dos-a-dos weer bestegen werden en onze toeristen de reis vervolgden. Men had nog ruim 22 paal te maken. De weg was evenwel uitmuntend en de paarden waren niet slecht, zoodat de voorspelling van den controleur van Singkarah vrijwel bewaarheid werd en ons reisgezelschap zoo omstreeks tegen halfzes in het hotel van de weduwe Wolff te Fort De Koek was afgestapt.
Fort De Koek is de zetel van een resident, die als bestuurder van de Padangsche Bovenlanden optreedt, en strekt tot garnizoen aan twee compagnieën van het 16(le bataljon infanterie, onder de bevelen van een majoor.
Den volgenden morgen maakten onze reizigers hun opwachting bij die autoriteiten en ondervonden ook bij hen het meest gunstige onthaal. Het plaatsje was spoedig bekeken. Het meest opmerkenswaardige daarvan was het fort, een sterreschans naar den Generaal De Koek genoemd, die haar naam aan de plaats verleend heeft. Door de Inlanders wordt het fort Boekiet tinggi (hooge heuvel) genoemd. Het was niet meer bezet en diende slechts tot militaire magazijnen. Verder bezochten onze reizigers nog het kampement, waarin het garnizoen gelegerd was, het militaire hospitaal, dat ruim en doelmatig aangelegd werd bevonden en zich, met den Goenoeng Singalang op den achtergrond en daartegen goed uitkomende, schilderachtig langs een groot plein verhief. Ook de sociëteit, die luchtig op haar steenen neuten een paar voet boven den grond gebouwd was, verwierf aller aandacht.
Onze reizigers namen een oogenblik plaats in de rondgaande galerij, die aan het geheele gebouw een ruime mate van frischheid verzekerde, en daar het trof, dat juist het grootste gedeelte van het Fort De Kocksche publiek in het gebouw aanwezig was, maakte do president der sociëteit van de gelegenheid gebruik om met een glas champagne een
63
toost op onze reizigers te brengen en hun alle heil en Toorspoed op hun omzwervingen toe te wenschen.
„Wanneer ik,quot; zoo ging hij voort, „onder de twaalf personen, die, om hun weetlust te bevredigen, hun schreden herwaarts richtten, een drietal leden van het teere, maar schoone geslacht ontwaar, die, door de banden der liefde aan de mannen harer keuze verbonden, niet van zich konden verkrijgen haar wederhelften de vermoeienissen en strapatzen van een reis door Insulinde alleen te laten ondergaan, maar zich liefdevol en met die toewijding, der vrouw zoo eigen, bij hen aansloten, dan kan ik niet anders dan een woord van bewondering voor die lieftallige wezens uiten en len wensch er bijvoegen, dat haar voorbeeld bij velen harer zusteren navolging moge vinden!quot;
Een daverend hoezee gaf aan, welken weerklank die woorden bij de aanwezigen vonden. Maar het moet gezegd worden: het compliment, aan onze dames gebracht, was alleraardigst geformuleerd. Het uurtje, in die sociëteit doorgebracht onder gezelligen kout te midden der ambtenaren en officieren van Port De Koek, zou gewis een dierbare plaats in de herinneringen onzer toeristen innemen.
„Gij gaat zeker het meer van Manindjoe bezoeken?quot; vroeg een der artillerie-officieren aan mevrouw Van Berkenstein. „Mag ik u een mijner rijpaarden voor den tocht aanbieden? Het is een vurige Batakker, maar daarbij zóó gewillig en zóó mak en gehoorzaam, dat ik het u wel kan aanbevelen.quot;
Vogels en Visbergen keken elkander glimlachend aan. Op die aanbieding hadden zij eenigermate gerekend. Andere heeren traden bij. Als om strijd boden zij hun rijpaarden den reizigers aan, zoodat die tocht in een oogwenk georganiserd was.
„Dat zal een briljante cavalcade worden,quot; zei de resident. „Ik wou wel van de partij zijn. Helaas! ik moet morgen den „rappatquot; ') presideeren.quot;
„Kan die niet verschoven worden, resident?quot; vroeg Togels.
„Onmogelijk, mijnheer! De laras-hoofden 1) zijn van heinde en verre opgeroepen. Er is geen tijd meer om die lieden tegenbevel te geven en ik kan en mag hen geen vergeefsche reizen laten doen.quot;
„Nu, ik zal u vervangen,quot; sprak de militaire commandant; „ik en mijn adjudant zullen den dames en heeren tot gidsen verstrekken, Maar, resident, de controleur te Manindjoe zal dienen gewaarschuwd te worden; want als wij hem met ons veertienen
onverwachts op zijn dak komen.....denk er om, hij is pas getrouwd .... en wie weet hoe
schraal zijn „dispensquot; voorzien is.quot;
„Zijn er geen goerami's in het meer?quot; vroeg Van Berkenstein.
) Laras = district.
()4 NAAR FOKT DE KOCK. — HET KARBOUWEN GAT. — HET HEER VAN MANINDJOE.
„Drommels, ja, die zijn er genoeg,quot; antwoordde de majoor lachende. „Maar.... een mensch wil toch nog wel iets meer genieten dan een goeramietje, al is het nog zoo lekker, nietwaar, dames?quot;
„Laat die zorg maar aan mij over,quot; sprak de resident. ,,Ik durf de verzekering geven, dat het reisgezelschap over de gastvrijheid te Manindjoe tevreden zal wezen.quot;
Ja, het was een ware cavalcade, die den volgenden morgen bij het krieken van den dag Fort De Koek verliet. Voorafgegaan door de beide zich vrijwillig aangeboden hebbende gidsen, den majoor en den luitenant-adjudant van het garnizoen, reed het troepje met vieren in draf het plateau over, dat zich ten westen van het établissement uitstrekte. Dat plateau was eenige honderden meters breed en werd begrensd door een gordijn van groen, door allerhande geboomte gevormd, waarvan de bamboestruiken met haar slanke halmen en fijngevinde bladeren wel het voornaamste gedeelte uitmaakten. De weg voerde voorbij een hutje, klein en onaanzienlijk, in welker nabijheid een „pedattiquot; (vrachtkar) en een afgespannen karbouw stonden. Het dier stond rustig zich aan een bos gras te goed te doen en had zelfs geen blik voor den voorbijdravenden troep.
„En te zeggen dat die karbouw haar naam geschonken heeft aan een der merkwaardigste natuurtafereelen, die ons onder de oogen /.uilen komen!quot; riep de majoor.
„Die karbouw ... .V vroeg Van Berkenstein.
„In sta. a. a. p!quot; klonk het langgerekte cavalerie-commando van den majoor.
Het was tijd ook. Het hoofd der ruiterkolonne was de groene gordijn genaderd, die het uitzicht begrensde, en stond eensklaps voor een spleet, die zóó steil naar beneden ging, dat het onzen reizigers duizelig voor de oogen werd, toen zij in die diepte neerblikten.
„Drommels, majoor, uw commando kwam juist op het nippertje,quot; sprak Henri Jaffrezic, een paar seconden later, dan ware een catastrophe niet te vermijden geweest.quot;
„Dat is het wereldberoemde Karbouwengat,quot; zei de majoor lachende. „Aan den ingang staat steeds een pedatti met karbouw gereed, om vrachtjes van hier naar Matoea en Manindjoe te vervoeren. Ik ben hier ten minste nooit voorbijgekomen zonder dien karbouw te zien. Naar men wil, zou de naam van Karbouwengat daaraan ontleend zijn. Maar.... voorzichtig hier, dames! Zooals gij ziet, dalen wij hier scherp naar beneden. De teugels slechts los in de hand houden, wat ik u bidden mag, om bij mogelijk struikelen het dier overeind te helpen. Overigens de paarden geheel naar willekeur laten voortschrijden. De edele dieren zijn met den weg bekend.quot;
Het was een ijzingwekkende rit, dien onze toeristen hier maakten. Zooals gezegd werd, daalde de weg zeer steil en slingerde zich tusschen twee rotswanden, die hoofdzakelijk uit grauwe trachietlava en gelen lavasteen gevormd werden. Ongetwijfeld had die spleet, waarin onze cavalcade nederdaalde, haar ontstaan aan de werking van vulkanische krachten te danken. Wellicht was zij gevormd door een machtige aardbeving, die de aard-
5.
■■ 'èfcb
v::;V
É
; 'f '
■ h
; :v;
rm
•• gt;
a m '
%
' V V- \V - ■ '
'' : • .' *r
ff'
„Maar.... een i het nog zoo
de verzekering wezen.quot;
rieken van den )oden hebbende iet troepje met uitstrekte. Dat dijn van groen, slanke halmen voerde voorbij chtkar) en een je goed te doen
een der merk-majoor.
najoor.
ti genaderd, die
I naar beneden pte neerblikten.
II sprak Henri en geweest.quot; mde. „Aan den er naar Matoea en zonder dien n ontleend zijn. iar beneden. De gelijk struikelen i voortschrijden.
.. Zooals gezegd iden, die hoofd-twijt'eld had die van vulkanische ig, die de aard-
*
■
WmÊÊmmÊlm
NAAR FORT DE KOCK. — HET KARBOUWEN GAT. - HET MEER VAN J[ANINDJOE. 65
korst tot in haar grondvesten had doen schokken en haar allerwegen had doen scheuren. Soms was de spleet nauw en smal en ontwaarden de reizigers hoog boven zich slechts een heldere strook der blauwe lucht. Soms naderden de rotswanden elkander onrustbarend; de weg slingerde zich dan aan hun voet en scheen zich als het ware daaraan vast te klemmen. Op andere plaatsen weken die wanden verscheidene honderd meters terug en openden aldus een bekken, dat, met frissche weilanden of nog frisschere sawah's bedekt zich in die omlijsting van hooge rotsen uiterst bevallig aan den blik vertoonde.
De nokken der rotswanden waren met zwaar geboomte bedekt, daarboven een, prachtvolle bekroning van het levendigste groen vormende, die wel afstak bij de grauwgele, schier loodrechte wanden, die haar torsten. Op sommige plaatsen waren de wanden ingestort en was de aarde naar beneden geschoven. Op die gedeelten had de tropische flora, welke de steile wanden onaangetast had gelaten, haar rechten hernomen en de glooiende helling met een Oostersch plantenkleed overdekt, waarin struikgewas en hoog geboomte ieder plekje innamen en om den voorrang streden.
De weg daalde, daalde steeds, totdat men een kleine beek bereikt had, waarlangs de weg verder kronkelde. Iets verder splitste zich de weg, waarvan een tak langs een zijkloof naar Kota Gedang, een grooten kampong in de nabijheid, voerde. Een paal verder kwam andermaal een beekje uit een der zijspleten en sloot zich by het eerste aan en vormden te zamen een waterpartij, die hier, te midden van het woeste der omgeving, verrukkelijk schoon moest genoemd worden. De majoor wees op een rotsgevaarte, hetwelk eenzaam zich verhief te midden van het bekken, door de terugwijkende wanden der kloof gevormd. Die rots scheen als door beekjes omkronkeld te zijn. Van alle kanten borrelden zij te voorschijn.
Die steen daar,quot; zeide hij, „wordt door de Maleiers „batoe Michielsquot; (Michielssteen) genoemd.quot;
Een oogenblik bleef ons gezelschap het verrukkelijk gezicht genieten, waarna de tocht werd voortgezet. Voor menschen en paarden begon nu het moeilijkste gedeelte van den rit. Was men eerst ongeveer 800 voet gedaald om den bodem van het Karbouwengat te bereiken, thans moest men weer evenveel stijgen om er uit te komen. De weg liep steeds tusschen twee rotswanden, die bij hun zigzag-beloop elkander evenwijdig bleven, zoodat de ééne een uitspringenden hoek vormde, waar de andere een inspringenden beschreef. Ook hier vertoonden zich nu en dan zijkloven, waaruit heldere beekjes murmelend en schuimend te voorschijn traden, om den Batang Massang te vormen, die naar de Westkust stroomt en zich op ongeveer 0° 5' Zuiderbreedte in den Indischen Oceaan stort.
De heeren waren afgestegen, om hun paarden te sparen, en geleidden de edele dieren bij den teugel. De dames bleven in het zadel; het zou voor haar krachten bijna onmogelijk geweest zijn, die scherpe hellingen te beklimmen. De flinke Bat-
(5(5 NAAR FORT DE KOOK. — HET KARBOUWENGAT. — HET MEEK VAN MANINDJOE.
taksche paarden torsten evenwel moedig den lieven last en brachten den tocht tot een goed einde.
Toen de bovenrand van het Karbouwengat bereikt was, verzocht de majoor de reizigers zich om te keeren. Zij volgden dien raad en hadden thans aan hun rechterzijde een verrukkelijk fraai panorama. De vlakte, waarop Fort De Koek met zijn witte gebouwen verrees, lag daar voor hen met den Goenoeng Merapi en den Goenoeng Ambatjang op den achtergrond; terwijl de Singallang, meer dichtbij gelegen, zijn trotsche kruin rechts van onze toeristen verhief. De drie bergen waren ter halverwege met een krans van wolken getooid, welke hun voet, maar vooral hun top, daarboven scherp deed uitkomen. De dames wezen elkander die sierlijke kransen en betuigden haar bewondering over dat verrukkelijk gezicht.
„Dat is de morgendauw,quot; verklaarde Visbergen, „die onder den invloed der zonnestralen uit het laagland optrekt en zich thans om die bergen verdikt, om straks öf geheel in den ether opgelost te worden öf tot een namiddag-onweer aanleiding te geven.quot;
„En nu.... maakt u gereed om op te stijgen! Stijgt op!quot; commandeerde de majoor.
„In draf.... marrrrsch!quot;
De weg, die nu gevolgd werd, liep langs den voet eener heuvelreeks, welke het uitzicht aan de linkerzijde grootendeels geheel begrensde. Het terrein klom en daalde afwisselend, totdat men andermaal voor een zeer smalle insnijding stond, het gat van Pantar genaamd, waarlangs de weg onder een scherpe helling naar de vlakte van Matoea daalde. Gedurende die afdaling genoten onze reizigers de lieflijkste vergezichten over die vlakte, die nagenoeg geheel uit sawab's bestond.
Toen het einde der helling bereikt was, commandeerde de majoor, die met één oogopslag zijn ruiterbende gemonsterd en haar cavaleristische waarde erkend had:
„In galop.... marrrsch!quot;
En voort stoof de cavalcade langs den fraaien grasweg, die zich voor haar uitstrekte. Onze dames bleven bij dien flinken galop niet alleen niet achter, maar behielden fier en moedig haar plaats in de gelederen en gaven den heeren niets toe.
Toen de kampong Matoea bereikt was, liet de majoor zijn troepje in korten draf overgaan.
„0! wat was dat een heerlijke rit!quot; riep Clotilde Visbergen. „Het is jammer, dat wij aangekomen zijn.quot;
„Wij zijn er nog niet, mevrouwtje!quot; antwoordde de majoor lachende.
„0! dan straks nog een flink galop-tempo, nietwaar?quot;
„Wij zullen zien, wij zullen zien,quot; sprak de krijgsman, terwijl hij het jolige jonge vrouwtje met een welgevallig kennersoog monsterde.
De kampong Matoea bood niets bijzonders aan. Onze cavalcade reed er slechts doorheen. Buitengekomen, klonk weer, tot groot genoegen der dames, maar vooral van
NAAK FOUT DE KOCK. — HET KARBOUWENGAT. — HET MEEK VAN MANINDJOE. 67
Clotilde Visbergen, het commando van „in galop!quot; en stoof de ruiterschaar langs den vier paal langen en zeer fraaien weg, die zacht klom, totdat hij den rand van een bergwand genaderd was, maar dan aan de andere zijde zeer steil omlaag daalde. Voordat die rand evenwel bereikt was, had reeds het commando „in stap!quot; weerklonken; want daar wachtte de reizigers een onvergetelijk oogenblik, hetwelk de majoor hen niet wilde laten missen. Toen de cavalcade den kam van dien rand genaderd was, werd halt gehouden en boorde de blik onzer toeristen in een diepte, die ruim 2000 voet bedroeg, waar het oog daar heel beneden een donkerblauwe wateroppervlakte ontmoette, die door hoog gebergte omgeven was en daar onder de keerkringszonnestralen als een wonderfraaie briljant in smaragd gevat, lag te vonkelen. De bewondering was algemeen.
„Oh! que c'est beau! Wat is dat schoon!quot; waren de kreten, die zich mengden.
Er was dan ook niets fraaiers te bedenken. Geen brein, hoe dichterlijk, hoe fantastisch ook in zijn uitingen, zou zich zoo'n vergezicht hebben kunnen voor oogen tooveren als de natuur daar aanbood.
„Ik heb Zwitserland bereisd,quot; sprak Montauban. „Ik heb de Noorvveegscbe fjords gezien. Ik heb de Schotsche hooglanden bezocht en daar de meren, door Walter Scott bezongen, bewonderd. Ik ben in Noord-Amerika geweest en heb daar op de grootsche meren gedobberd, en ik betuig hier plechtig, dat niets van het door mij geziene ook maar een vergelijking kan doorstaan met het prachtige gezicht, hetwelk zich daar voor ons uitspreidt.quot;
„De meren in het Diëng-gebergte kunnen er niet in de schaduw van staan,quot; sprak Van Berkenstein; „het Singkarah-meer zelfs, dat wij eergisteren nog zoo bewonderden, haalt er niets bij.quot;
„Neen, waarachtig niet!quot; sprak Montauban in vervoering. „Dit meer hier is oneindig grootscher, verhevener en toch ook weer lieflijker dan dat van Singkarah. Ziet, hoe trotsch het hoogwoud zich van de nok der hemelhooge bergruggen langs de steile hellingen tot aan den waterrand verheft; daar ligt iets majestueus in die omlijsting van hoog geboomte. Ziet, daar ginds zelfs kabbelen de golfjes tegen de takken der overhangende woudreuzen en dartelen met het gebladerte, dat zich in de heldere oppervlakte spiegelt. Ziet, daar verder rijzen donkergrauwe rotsen naakt en bloot uit dat lieflijk groene kleed omhoog en brengen het hare er toe bij, om een verheven schakeering in het fraaie tafereel te brengen.quot;
„Hoe groot is dat meer?quot; vroeg Van Berkenstein aan den majoor.
„Ja, drommels! als gij denkt, dat ik mijn topographie zóó in het hoofd heb, om op die vraag met getallen te kunnen antwoorden, dan hebt gij het mis,quot; zei die hoofdofficier lachende. „Maar één onzer jongelui zal dat wel weten; Visbergen b. v. heeft vroeger tot het corps der militaire verkenningen behoord.quot;
„Wat is er, majoor?quot; vroeg deze, terwijl hij naderbijreed. „Hoe groot het meer
GS NAAR FORT DE KOCK. — HET KAKBOÜWENÖAT. — HET MEEK TAN MANINDJOE.
Manindjoe is? Het is ruim 113A K. M. lang en ruim 6'A K. M. breed. Het heeft een eironde gedaante, zooals gij ziet. Alleen daar aan de westzijde springt een rotsachtig punt ver naar het midden van het meer uit. Ziet, hoe lief dat eilandje daar achter die punt op de oppervlakte verschijnt. Dat is Poeloe Pandjang.quot;
„Is dat meer diep?quot; vroeg Montauban.
„Ja zeker, zooals alle kratermeren. Het is evenwel niet zoo diep als het Singkarah-meer, daar het in zijn grootste diepte slechts 700 voet peilt.quot;
Onze reizigers stonden nog een oogenblik in bewondering verzonken. Het kostte moeite om hen van die bekoorlijke plek los te scheuren.
omt, wij moeten voort; wij hebben heden nog veel moois te bekijken!quot; sprak de
majoor. „In stap.... marrrrsch!quot;
De daling begon. Zigzagsgewijze slingerde de weg langs de bergwanden naar omlaag; terwijl onze ruiters het wonderfraaie meer steeds in 't gezicht bleven houden. Bij iederen stap, dien de paarden maakten, werd het tafereel fraaier, lieflijker, scherper begrensd. Kon niet ieders oog, daar van boven af, van dien 2000 voet hoogen kam alle bijzonderheden omvatten, hoe meer evenwel de reizigers daalden, des te helderder traden nu die détails te voorschijn. Had men straks slechts blinkend gele vakken in het groen der oeverranden waargenomen, die het uitzicht hadden, alsof de zon daar een eigenaardig verguldsel aanbracht, nu traden die vakken meer duidelijk te voorschijn. Hutten met haar gele omwanding en haar bruine daken lieten zich ontwaren; men begon de rookzuilen, die uit menige „dapoerquot; (keuken) in lichte spiralen blauw en zacht omhoogkronkelden, waar te nemen. Ontwaarde men straks slechts witte en zwarte stippen op de blauwe oppervlakte van het meer, als de beginnende punten van een kolossaal mozaïek, die witte punten vervormden zich thans in prauwtjes, welke, onder den zachten druk hunner zeiltjes, lieflijk op den helderen spiegel dobberden en daarin, als waren het zwanen, hun beeld weerkaatsten.
De zwaan dobbert dubbel, hij en zijn beeldquot;
„zong Wordsworth,quot; prevelde mevrouw Van Berkenstein zacht.
De zwarte stippen losten zich op in rotsachtige eilandjes, die langs den tegenover-gestelden meeroever als een kantwerk zich uitstrekten.
Op een gegeven oogenblik, bij het ronden van een elleboog, dien de weg vormde, liet de majoor stilhouden en wees hij met den vinger naar den anderen oever van het meer.
HET MKEK VAN MANINDJOE. —
70
ÜOEGOER MAMENTANCt.
„Goddelijk! dat vergezicht door die bergspleet!quot; riepen allen in verrukking.
„Maar, is dat de zee niet, welke daar aan den horizon glinstert?quot; vroeg Boisjolin opgetogen.
„Ja, dat is de Indische Oceaan, welke daar ginds onder de zon tintelt,quot; antwoordde de majoor. „Die spleet is de kloof van Antokkan, waardoor een beek als langs een uitwït-teringskanaal uit het meer ontsnapt. Ziet eens, welk prachtig vergezicht door die kloof genoten wordt. Het is, alsof gij door een telescoop kijkt. De kampong, dien gij, hoewel eenigszins onduidelijk, ontwaart, is Tikoe, een onbeduidend kleine zeeplaats. De drie eilandjes, welke haar reede beschermen en zich duidelijk op het vlak van den Oceaan voordoen, zij» Poeloe Tengah, Poeloe Tapis en Poeloe Oedjoeng. De beek zelf, die zich door die kloof van Antokkan baan gebroken heeft, stort zich iets noordelijker bij Moeara Poetoes (gebroken hoek) in zee.quot;
Onze reizigers daalden al meer en meer. De weg, die naar Manindjoe leidde, was ongeveer zeven palen lang. Niemand betreurde evenwel de lengte van dien weg; want bij iederen tred veranderde het gezichtspunt en werd een nieuwe verrassing aangeboden. Bjj een der krommingen van den weg kregen de reizigers de huizen van kampong Manindjoe in het oog en daaronder trok de controleurswoning, waarboven de Nederlandsche vlag bevallig te midden van het groen wapperde, wel de aandacht.
Eindelijk was de daling volbracht. Het commando: „in galop!quot; klonk weer. Nog een wending en daar stoof onze ruiterschaar het erf van de controleurswoning op. Het was ongeveer halfeen, maar onze reizigers vonden een uitstekende tafel gereed, waarop iets meer prijkte dan „ikan goeramiquot;. De resident der Padangsche Bovenlanden had flink woord gehouden. Ook was voor doelmatig logies gezorgd, waartoe èn het ruime hoofdgebouw en de talrijke bijgebouwen der controleurswoning ruimschoots gelegenheid aanboden. Alles was dus voor het beste geregeld.
Des namiddags zou een zeiltochtje op het meer gemaakt worden. Een prachtige laa,n van Tjemara-boomen, ongeveer een paar honderd M. lang, voerde naar dat meer, waar een groote boot, die allen kon bevatten, gereed lag en, toen onze toeristen daar ingestegen waren, van wal stak, terwijl de zuidwester bries de zeilen vulde. Een bepaald doel werd niet beoogd; men zou maar wat op het schoone meer dobberen.
Toen de boot in het midden van de wateroppervlakte gekomen was, konden de reizigers andermaal — maar nu uit een ander punt gezien de schoonheden van dat prachtvolle waterbekken bewonderen. Glad als een spiegel vertoonde zich die glinsterende oppervlakte, waarop geen rimpeltje te bespeuren was; terwijl slechts een zuchtje in ie bovenzeiltjes der boot speelde, ternauwernood voldoende om stuur in het vaartuig te houden. De oeverwanden stegen trotsch uit de wateroppervlakte op, vormden een muur van donkergroen, waartegen het donkerblauw van het meer en het lieflijk azuur des hemels allergoddelijkst afstaken; terwijl de oever aan de noordwestzijde zacht glooiend omhoog-
HET MEER VAN MANINÜJOE. — GOEGOER MALIENTANG.
steeg en daar met rijstvelden overdekt was, die niet hun goudgele arenzee dat meergezicht een wonderschoone schakeering verleenden. De bovennok van de oeverwanden was overal voor het oog nagenoeg van gelijke hoogte en omsloot het meer daar hoog in de lucht met een zacht golvende lijn, die door de fraaiste exemplaren van woudreuzen schilderachtig gekarteld en slechts door de spleet van Antokkan verbroken was.
„Verheven schoon!quot; was de algemeene uitroep.
„De Danau ') Manindjoe is voorzeker een kratermeer T vroeg Montauban.
„Kunt gij daaraan twijfelen, wanneer gij slechts den vorm aanschouwt?quot; was de wedervraag van Visbergen. „Daarenboven kan ik u, om allen twijfel weg te nemen, mededeelen dat de wanden van de kolk, welker bodem door het meer bedekt is, uit fijnkorrelige trachietlava bestaan, terwijl een 1000 passen van den kampong Manindjoe zich een heete bron vlak bij den meeroever bevindt, die het meest doorstaande bewijs voor de geopperde stelling levert.quot;
„En dan de legende, welke omtrent het meer bij de Inlandsche bevolking bestaat, vergeet gij die?quot; vroeg de majoor.
„Een legende?.... o vertel ons die!quot; klonk het vleiend uit aller mond en niet het minst van de dameslippen.
„Drommels! als ik mij die nog maar herinner,quot; pruttelde de krijgsman. „Komaan, daar ga je:
„Er moet vroeger een tijd bestaan hebben, — lang vóór het tijdperk dat de dieren spraken, — waarin de bergen evenveel geest en verstand, zoo niet meer, dan de menschen hadden en daarbij ook de vrijheid zich zoo hoog te ontwikkelen als zij verkozen, mits zij daartoe slechts de kracht en het vermogen bezaten. Dat vermogen moeten de Merapi en de Danau in hooge mate bezeten hebben; want al zeer spoedig overtroffen zij alle andere bergen op Sumatra. Dat verdroot dien andere goenoengs zeer en vooral voelde de Taking het in zijn binnenste woelen en zieden van nijd, dat de Merapi, zijn naaste buurman, hem over den schouder keek en zijn hoofd in de wolkeu verborg. Ook de Danau was afgunstig, dat de Merapi hooger steeg dan hij, waarom die twee een verbond sloten om den reus te vernederen.
„De Merapi evenwel, door den Ambatjang gewaarschuwd, was op zijn hoede tegen verraad. Eens nochtans, toen de Danau met vreeselijk geweld tegen hem begon uit te varen, gaf hij hem een vuistslag, die zóo krachtig op het hoofd van den pruttelaar terechtkwam, dat hij geheel en al in de aarde wegzakte en op de plaats, waar hij gestaan bad, een diepen kuil achterliet, die zich geheel met water vulde. Die kuil werd het meer van Manindjoe.
') Danau r= meer. Do geheele bergmassa, te midden waarvan liet meer ligt, wordt door do Inlanders Danau genoemd.
71
HET MEER VAN MANINDJOE. — «OEGOEB MALIENTANG.
„Maar terwijl de verbolgen reus zoo vuistslagen uitdeelde, naderde de Talang hem onverhoeds van achteren en gaf den Merapi, nog vóór dat deze zijn evenwicht hervat had, een zóó geduchten klap in de zijde, dat een gedeelte zich van hem losscheurde en den berg Singalang vormde, waar de deuk, door de vuist van den Talang veroorzaakt, nog in den vorm van een meertje te zien is.
„Toen de Talang evenwel naar zijn plaats wilde terugkeeren, was zijn voet bij de geweldige inspanning, die hij ontwikkeld had, zóó diep in den bodem gedrukt, dat hij hem niet dan met zeer veel moeite kon terugtrekken. De daardoor ontstane kuil liep ook vol water en werd het meer van Singkarah, hetwelk in vorm wel iets van een voetafdruk heeft.
„Sedert is de vrede tnsschen Merapi en Talang nooit hersteld. Rookt de een niet, dan blaast toch de ander. Soms stellen zij een afwisselend mondgesprek in, hetwelk zich door gedonder en gebliksem vertolkt. Soms razen zij beiden tegelijk, zoodat iemand hooren en zien vergaan. Of zij nog eens handgemeen zullen worden, weet Joost. Dat zij, als zij daartoe lust gevoelen, dat gevecht nog maar wat uitstellen, totdat ik mijn pensioen in Den Haag of te Breda zal zitten te verteren! Ik ben niets op zulke ruzie gesteld.quot;
Onze boot had intusschen op de schoone wateroppervlakte op en neer gehouden en was eindelijk, op een wenk van den controleur, den kampong Tandjoeng genaderd. Het gezelschap stapte aan wal en zou den afstand van daar tot Manindjoe te voet afleggen. De weg was fraai en breed en ook op deze wandeling, welke hoogstens op drie paal te schatten was, genoten onze reizigers weer nieuwe indrukken, want ook van dezen weg, welke zich langs de boorden van het meer slingerde, was het uitzicht betooverend.
Op een der punten van den weg boog als een bijzondere eigenaardigheid een zeer lange klapperboom over het meer heen, hoewel zijn horizontaal strekkende stam ruim 30 voet boven de watervlakte verheven bleef. De boom was overladen met vruchten en spiegelde zich schilderachtig in het meer.
„Drommels,quot; zei Nielsen, „hoe zou de eigenaar van dien boom de klappernoten inzamelen? Ik voor mij zou er geen kans toe zien.quot;
„Wenscht gij dat te weten?quot; vroeg de controleur.
Hij riep een man, die een nabijstaand huisje bewoonde en dadelijk verscheen.
„De heeren wenschen klapperwater te drinken,quot; sprak hij.
Met een stroeve beweging van het hoofd knikte de Inlander, trad zijn huis in en kwam spoedig weer terug met een aap, dien hij aan een touw vasthield.
„Dat is een klapperaap,quot; zei quot;Vogels.
„Die door de Inlanders hier „baroquot;, in de Padangsche Benedenlanden evenwel „karauquot; r) genoemd wordt,quot; vulde de majoor aan.
72
De aap liep op een teeken van zijn baas langs den stam van den boom naar de
') Karau — Certopithecus cynomulgus.
het meer van manindjoe. — goegoer malintax6.
kruin, betastte een dei vruchten, keek naar zijn meester en draaide haar af, toen deze ja knikte en wierp de noot met een krachtigen zwaai voor de voeten onzer reizigers. Dat kunststuk herhaalde hij nog enkele keeren, waarna hij naar den wal terugkeerde. Een glas frisch klapperwater smaakte onze toeristen goed en dat zij den Inlander mild voor zijn klappers beloonden, behoeft niet gezegd te worden. Zelfs de baro werd niet vergeten; het lekkere geleiachtige deeg, hetwelk zich in menige noot als vruchtbeginsel reeds aan de binnenzijde langs de houtbast had afgezet, werd zijn deel, waarmede „keesquot; wel tevreden mocht zijn.
Na het diner brachten de reizigers nog een paar uurtjes, gezeten aan den waterkant, door, waar ze nu ook andermaal gelegenheid hadden om het fraaie meer te bewonderen; terwijl de sterren fonkelend in de oppervlakte des waters weerkaatsten en de tjemara's boven de hoofden onzer reizigers, zacht door het avondwindje bewogen, suisden als murmelden zij een dankzegging voor zooveel natuurschoon.
Den volgenden morgen reed de ruiterstoet naar Fort De Koek terug. De dames waren niet rouwig dat besloten werd, dien dag aldaar verder door te brengen. Zij waren van den rit wel vermoeid.
Maar den dag daarop werd de reis wederom voortgezet. Toen zou men evenwel een groeten afstand af te leggen hebben, met het doel om Priaman te bereiken; zoodat het vooruitzicht bestond, om nog aan boord van de „Zeemeeuwquot; te kunnen slapen.
Van Fort De Kook voerde de weg tusschen den Singalang en den Merapi door; hij bood onzen reizigers menig prachtvol gezicht aan. Het was nog vroeg, toen men Padang Pandjang bereikte. Vogels noodigde de reizigers om uit te stappen en geleidde hen op een kleinen afstand van het fort, waar zich op een heuvel, aan den rand van een schilderachtig ravijn, waardoor de kalie Aneh stroomde, een gemetselde naald verhief, die met het voetstuk, waarop zij stond, een hoogte van 20 M. bereikte. Op het voetstuk was voor en achter een grijs marmeren plaat aangebracht, waarop aan de eene zijde voorkwam; Eeke den Hellen, met een Oranjetak omkranst, en aan de andere zijde de namen F. G. Schelling N0. 1621, F. Maerien N(). 17850 en Sosmito N0. 19(gt;59, welke laatste naam in Maleisch karakter herhaald was.
Vogels wees op die namen en sprak de woorden:
HIER STOND EENS GOEGOER MALINTANG!
Alle tochtgenooten keken hem verbaasd aan.
„Wat was Goegoer Malintang?quot; vroeg Van Berkenstein, en wat beteekenen die namen ?quot;
„Weet gij dat niet, mijnheer Van Berkenstein'! Gij, Nederlander! ') Zijn u die namen vreemd? Hoe is het mogelijk? Zijn de Nederlanders dan zoo verstompt?... Maar, och....
') Hij liad eens moeten weten dat het een Kamerlid was!
7:?
7
hoe kan ik u dat kwalijk nemen? Wanneer de Regeering de geheele natie voorgaat in vergeetachtigheid, in ondankbaarheid! Sla den Regeerings-Almanak voor Nederlandsch-Indië op, doorblader de laatste Bijlagen daarvan: de Korte Kroniek der voornaamste gebeurtenissen in Indië met betrekking tot de handelingen der Europeanen aldaar, dan zult gij daarin aantreffen, dat met angstvallige nauwkeurigheid de aftreding en optreding der verschillende Gouverneurs-Generaal geboekstaafd is. Er zijn er toch onder, welker namen wel in het vergeetboek mochten blijven! Gij zult daarin aantreffen aan-teekeningen, als b. v. dat het jaar 1877 door buitengewone droogte gekenmerkt werd; dat in datzelfde jaar in beginsel tot de oprichting van meisjesscholen werd besloten; dat Indië in de algemeene Postvereeniging is opgenomen; dat in 187G een kweekschool voor Inl. onderwijzers te Makassar en een dergelijke in 1875 te Bandjermasin geopend werd; dat in 1874 een reglement voor de exploitatie der bosschen werd vastgesteld; dat in 1873 eenige disponibele vreemde hertogen Java bezochten; enz., enz., enz.; maar dat die drie mannen daar zich in de lucht lieten vliegen, om, evenals Van Speyk, de eer van Neêrland's vlag te redden, dat zult gij in de Kroniek der voornaamste gebeurtenissen niet vinden.quot;
„Kom, matig uw verontwaardiging,quot; suste hem mevrouw Van Berkenstein, „en vertel ons die heldhaftige opoffering. Gij zult in ons belangstellende toehoorders aantreffen.quot;
„Luistert dan: Op deze plek stond in vroegere dagen een zwak versterkt kampement, dat in het begin van het jaar 1841 bezet was door 10 Europeesche en 35 Inlandsche infanteristen, die onder de bevelen van den 2den luitenant J. B. Banzer stonden. In den morgen van den 14^on Februari, het kon ongeveer 5 uren zijn, wekte de commandant dei-wacht den luitenant met het bericht, dat het naburige Padang Pandjang in brand stond. Die officier spoedde zich naar de borstwering en zag dat werkelijk die geheele plaats in vlammen opging en de vluchtende inwoners onbarmhartig gedood werden, alvorens het kampement te kunnen bereiken. Dat kon hem niet erg verbazen; want het bericht, dat het naburige Batipoe in opstand was gekomen, had hem reeds verscheiden dagen vroeger bereikt. Banzer liet onmiddellijk alarm slaan; maar dat was ternauwernood geschied, toen reeds een bende Maleiers het kampement indrong en op de manschappen losstormde. De overval ging zoo spoedig in zijn werk, dat de tijd ontbroken had om de manschappen van patronen te voorzien en zij zich dus met de bajonet verweren moesten. Dat gelukte in zooverre, dat Banzer er in slaagde, zijn heldhaftig troepje, goed aaneengesloten, binnen het reduit te brengen, waarin het buskruitmagazijn stond. Hij ging daartoe te eerder over, daar het uitgestrekte kampement, waarbinnen de vijand trouwens reeds gedrongen was, met dat kleine troepje niet te verdedigen was en het reduit vrij sterk mocht genoemd worden en met twee veldstukjes bewapend was.
„Zoodra was die retraite niet volbracht, of de opgewonden Maleiers verspreidden zich door het kampement, dat weldra in vlammen opging. Helaas, in het reduit waren geen levensmiddelen en geen drinkwater voorhanden en de vijand maakte van de borstwering.
1IET MEEK VAN MANINDJOE. — GOEGOER MALINTANG.
welke het kampement omgaf, gebruik om het reduit gedekt te naderen, terwijl dit laatste door het ooster-bastion beheerscht werd en onze kleine schaar van daaruit vinnig bestookt werd. Al heel in den aanvang van de schermutseling werden reeds drie Europeanen en drie Inlanders gekwetst en buiten gevecht gesteld. De nacht van den 24«ton op den 25ston Februari werd onder onophoudelijk schieten van weerszijden doorgebracht en toen de dageraad aanbrak, ontwaarden de onzen met ontsteltenis, dat de Maleiers het reduit nog nauwer ingesloten hielden. De vijand deed in den namiddag een vruchteloozen aanval, die hem vele gekwetsten en dooden bezorgde; maar waarbij ook weer twee der onzen door kogels gewond en verscheiden soldatenvrouwen door steenworpen getrofien werden.
„De honger begon zich te doen gevoelen. De struikjes en het gras, die op de borstwering groeiden, werden verorberd; maar konden onmogelijk de nooddruft stillen. De grootste kwelling was evenwel het gebrek aan water.
„Het hopelooze van den toestand werd ten volle ingezien en Banzer sprak dan ook met de Europeanen der bezetting af, dat men het vuur in liet kruit zou steken, wanneer het den vijand gelukken mocht het reduit binnen te dringen.
„Den 26sten viel er een hevige regenbui, die wel voor de verschroeide kelen uitkomst bracht; maar de geteisterde bezetting doornat maakte, daar er binnen het reduit, behalve het kleine kruitmagazijn, geen gebouw aanwezig was, dat beschutting kon verleenen. Ook werden de vuursteen-geweren nat en velen daarvan onbruikbaar.
„De manschappen waren uitgeput van gebrek en vermoeienis. Zij hadden nu van den 23stei1 af niets dan wat gras gegeten en hadden sedert den 2-isten des morgens geen oogenblik rust kunnen genieten. De bezetting verdrong zich dan ook om haar bevelhebber en verzocht hem haar naar buiten te geleiden; zij zou zich door den vijand heenslaan. Hun het wanhopige daarvan onder het oog brengende, beloofde Banzer evenwel het voorstel in overweging te nemen.
„Helaas! toen de nacht van den 26sten op den 27sten ten einde spoedde, bleek het, dat de vijand de insluiting nog verengd had. Vele manschappen waren buiten staat om, wegens zwakte en uitputting, dienst te verrichten, en ook vele geweren waren totaal onbruikbaar; terwijl het toen bleek, dat een sergeant en vier Inlandsche fuseliers zich heimelijk uit het fort verwijderd hadden. De Europeanen begonnen zelfs den moed te verliezen. Wel werd een gladakhond geschoten en het vleesch van het schurftig dier verdeeld; maar wat gaf zoo'n bete onder al die hongerigen? De nood was thans wel tot het hoogste geklommen. Langer weerstand bieden was onmogelijk geworden. Toen dan ook de bezetting haar verzoek, om de sterkte te verlaten, herhaalde, gaf Banzer toe en werd afgesproken, dat men van het nachtelijk duister gebruik zou maken om te trachten door de vijandelijke insluitingsbenden te sluipen en den naastbijzijnden post te Kajoe Tanam te bereiken. Maar, wat zou er van de gekwetsten worden'? Zij, die nog ter been waren, zouden medestrompelen; daar viel niet aan te twijfelen. Er waren er evenwel drie, die van
HET JIEEH VAN MANINDJOE. — GOEGOEK MALINTANG.
hun legerstede niet konden opstaan. Het waren die drie, welker namen daar op het marmer van die zuil gebeiteld staan. Toen Banzer hen met den aanstaanden aftocht, waartoe hij genoodzaakt was, bekend maakte, hadden die dapperen weldra een beslissing genomen. Medegevoerd worden, konden zij niet; want er waren geen koelies^ en van hun krijgsmakkers, die ternauwernood hun eigen verzwakt lichaam vermochten te torsen, kon onmogelijk gevergd worden, dat zij zich met die taak zouden belasten. Zij zouden daardoor den dood niet ontgaan, neen; zij zouden evenwel oorzaak worden, dat hun dragers daarbij ook het leven lieten. Welnu, tusschen sterven en sterven was de keus spoedig gedaan. De drie gekwetsten lieten zich in het kruitmagazijn overbrengen en zouden in het wichtige oogenblik den dood onder de oogen durven zien.
„Ja, die arme gekwetsten zouden den bloeddronken vijand niet in handen vallen, die overtuiging had Banzer. Toch aarzelde hij nog, den hem toevertrouwden post te verlaten. Hij begon met uit te stellen. De zon was reeds lang onder; toch liet het bevel om op te breken zich wachten. Het werd acht uren; het werd tien, elf uren, nog kon de commandant het voor hem zoo harde woord niet uitspreken. Toen evenwel hem het bericht gewerd dat andermaal een Inlandsch onderofficier thans met acht fuseliers de benarde veste had verlaten, toen mocht niet langer gedraald worden. De vertrekkenden drukten den gekwetsten voor de laatste maal de hand en verlieten in den nacht van den 27sten op den 28stlJ» Februari zoo stil mogelijk het fort. Het troepje, dat toen uittrok, was sterk 2 officieren, 8 Europeesche en 19 Inlandsche onderofficieren en manschappen.
„Het ligt in mijn doel niet u de wederwaardigheden van de weinige overgeblevenen van dat troepje te verhalen, alvorens zij in veiligheid waren. Ik wensch alleen mede te deelen, dat ongeveer anderhalf uur, nadat de aftrekkenden Goegoer Malintang hadden verlaten, zij een plotselinge schittering, die den horizon een ondeelbaar oogenblik verlichtte, ontwaarden, welke door een geweldigen knal gevolgd werd.
„Neerlandia, morituri te salutant! ')
„De drie helden hadden trouw woord gehouden. De vijand bekroop met dichte drommen de wallen en was verbaasd over de weinige waakzaamheid, die hij meende te bespeuren. Hij vreesde een list, versterkte zijn rijen al meer en meer, drong eindelijk op het kruitmagazijn in, waarin beweging bespeurd werd.... Maar, daar viel de lont in het kruit en....
,HIER STOND EENS GOEGOER MALINTANG!quot;
Zoo eindigde Vogels zijn verhaal.
Een oogenblik zaten de toeristen sprakeloos. De indruk, door dat verhaal teweeggebracht, was groot en werd nog vermeerderd, doordat zij het plekje voor oogen
') Nederland, die voor u sterven, groeten u!
het meek van manindjoe. — goegoer malintanö.
hadden, waar dat drama zich in zijn geheele grootheid ontwikkelde. Eindelijk vroeg Montauban:
„En is die zuil in dit vergeten hoekje het eenige eerbetoon, dat de dankbare Hol-landselie natie aan die helden gewijd heeft? Die zuil had te Amsterdam of in Den Haag op een der fraaiste pleinen een plaats moeten vinden.quot;
„Dankbare Hollandsche natie!!!...quot; stoof Vogels op. „Ha! ha!! ha!!! het is om te gieren! Gij hoordet van mijnheer Van Berkenstein, een volbloed Nederlander, dat hij niet eens de namen dier drie helden kende ....quot;
„Simt,quot; meende Van Berkenstein te sussen,
„Wat, dankbare Hollandsche natie!!! Die zuil is in 1851 door het garnizoen van Padang Pandjang opgericht. Geen dankbaar Vaderland heeft de onkosten daarvan te bestrijden gehad; liet is tot stand gekomen uit de nederige penningen van den soldaat! Elf jaren lang mocht de soldaat het onderhoud van dat monument bekostigen en het is eerst in 1862, dat die zuil door de Genie overgenomen werd....quot;
„Kom, je slaat door,quot; viel Visbergen hem in de rede, terwijl hij hem met een stomp van zijn elleboog in de ribben tot zwijgen maande. „Mijnheer Montauban, op het Waterlooplein te Batavia hebt gij zeker dat fraaie monument gezien ....quot;
„Die grauwblauwe zuil met een tammen leeuw, het uitzicht hebbende eener slapende poes, er boven op?quot; vroeg Boisjolin. „Ja, die kat van Waterloo hebben wij gezien....quot;
De Franschman zei dat op niet te beschrijven toon.
„Neen,quot; viel Visbergen in. „Neen, ik bedoel dat fraaie Gothische monument, hetwelk op het snijdingspunt staat van den weg, die van de Roode Brug komt en naar het Kampement en het Groot Militair Hospitaal voert, met de fraaie Willemslaan, die naar het Koningsplein leidt.quot;
„0 ja, dat herinner ik mij,quot; sprak mevrouw Jaffrezic, het is dicht bij de Roomsche kerk. Welnu?quot;
„Welnu, op dat gedenkteeken, dat aan Generaal Michiels gewijd is en dan ook het Michiels-monument heet, zijn de namen van hen, die in den langdurigen oorlog ter Sumatra's Westkust sneuvelden, vereeuwigd. Ik heb die namen niet geverifieerd, maar ik twijfel er niet aan, of de namen van Schelling, Marien en Sosmito bevinden zich daaronder.quot;
„Wie gaat nu in Godsnaam voor dat monument staan om die namen te lezen?quot; pruttelde Vogels. „Gij kunt met evenveel recht beweren, dat die namen in het Stamboek van liet leger staan. Maar hooren die helden daar te midden van het gros? Ik neem het denkbeeld van mijnheer Montauban over en vraag: was daar geen plaatsje in het Vorstelijk 's-Gravenhage, om die drie namen aan de ondankbare vergetelheid der Nederlanders te ontrukken?quot;
Allen zwegen op die vraag. De Franschen keken elkander aan en mompelden:
„Encore pire que chez nous!quot;
77
78
Een oogenblik stond ons reisgezelschap daa,!' voor dat monument. Een overschoen panorama ontwikkelde zich daar voor hen. In noordelijke richting rustte de blik op de hellingen en den top van den Merapi, dien zoo prachtig kegelvormigen vulkaan. In westelijke richting verhieven zich de Tandikat en de Singalang, twee bergen, welke aan het grootsche van het landschap het hunne bijbrachten. In oostelijke richting werd men een voorgebergte, Pintoe Angin (winddeur) en een brok van het meer Singkarali gewaar. En eindelijk, in zuidelijke richting, vertoonden zich de uitloopers van het Ambatjang-gebergte.
Na een poos bewonderens van dat tafereel, sprak mevrouw Van Berkenstein:
„Ik wenschte een krans te hebben, om op de trappen van dat monument neer te leggen.quot; En een tak klimop grijpende, vlocht zij dien tot een krans en legde hem aan den voet der naald neder.
„Hulde aan zelfopofferende dapperheid!quot; prevelde zij.
Vogels keek haar met vochtige, maar dankbare oogen aan. Van Berkenstein greep de hand zijner Ernestine en drukte die met aandoening.
m
^ ■
^tmW'
-h-
Het gezelschap wandelde naar Padang Pandjang terug. Men vond de dos-a-dos aangespannen; zoodat de reis onmiddellijk vervolgd kon worden. De weg voerde door de zoogenaamde Kloof, een défilé, dat de vergelijking met liet Karbouwengat ten volle kon doorstaan. Niet ver van Goegoer Malintang verwijderd, daalde de baan in het ravijn, hetwelk door de hellingen van den Singalang en van den Ambatjang gevormd werd, en volgde een beek, de Batang Aneh, welke op den Merapi ontspringt en zich weinige minuten benoorden Padang in den Indischen Oceaan werpt. Ook in die Kloof genoten onze reizigers een aantal zeer fraaie berggezichten. Een prachtig punt bood de samenvloeiing van den Batang Singalang met den Batang Aneh. Beide beken konden daar echter stortvloeden genoemd worden, welke donderend en schuimend over de kolossale rotsblokken hunner bedding voortschoten. De weg was grootendeels in de rots uitgehouwen en zweefde soms als het ware boven den schuimenden bergstroom, dien de reizigers wel hoorden, maar, door den tropischen plantengroei, welke de diepte met een groen kleed vulde, belemmerd, niet konden zien.et gezelschap wandelde naar Padang Pandjang terug. Men vond de dos-a-dos aangespannen; zoodat de reis onmiddellijk vervolgd kon worden. De weg voerde door de zoogenaamde Kloof, een défilé, dat de vergelijking met liet Karbouwengat ten volle kon doorstaan. Niet ver van Goegoer Malintang verwijderd, daalde de baan in het ravijn, hetwelk door de hellingen van den Singalang en van den Ambatjang gevormd werd, en volgde een beek, de Batang Aneh, welke op den Merapi ontspringt en zich weinige minuten benoorden Padang in den Indischen Oceaan werpt. Ook in die Kloof genoten onze reizigers een aantal zeer fraaie berggezichten. Een prachtig punt bood de samenvloeiing van den Batang Singalang met den Batang Aneh. Beide beken konden daar echter stortvloeden genoemd worden, welke donderend en schuimend over de kolossale rotsblokken hunner bedding voortschoten. De weg was grootendeels in de rots uitgehouwen en zweefde soms als het ware boven den schuimenden bergstroom, dien de reizigers wel hoorden, maar, door den tropischen plantengroei, welke de diepte met een groen kleed vulde, belemmerd, niet konden zien.
Dicht bij het westelijk uiteinde der Kloof liet Visbergen de voertuigen halt houden en geleidde hij de reizigers naar een waterval, die de beek Ajer Mantji niet ver van, ja bijna naast den weg vormde. De waterstraal trad plotseling uit het dichte woud te voorschijn en viel nagenoeg loodrecht langs een grijzen trachietwand in een diepte van ruim 50 voet, alwaar zij door zijn valkracht een rond bekken van ongeveer 20 voet middellijn uitgehold had, terwijl de daaruit ontsnappende beek zich in de onmiddellijke nabijheid in de Batang Aneh uitstortte. Onze reizigers moesten erkennen, dat zij daar weer een zeer fraai natuurtafereel voor oogen hadden.
Het uiteinde der Kloof was nu weldra bereikt. De weg voerde thans de vlakte van Kajoe Tanam in. Snel ging de tocht voorwaarts en het was ongeveer drie uren in den
VAN PRIAM AM NAAI! ATJEH.
namiddag, toen liet gezelschap Priaman bereikte en zich weldra aan boord van de „Zeemeeuwquot; bevond. Het woei toen evenwel bedenkelijk uit het Westen, en de zee was zeer woelig; zoodat kapitein Meerman verzocht zijn ankerplaats achter Poeloe Ansoe niet te verlaten, daar het vaartuig op die onveilige reede in gevaar zou kunnen komen. De zeeman twijfelde evenwel niet, of de wind zou gedurende den nacht gaan liggen, en dan kon de reis bij het opkomen der zon voortgezet worden.
De voorspelling kwam uit; want toen Van Berkenstein den volgenden morgen bij het krieken van den dag op het dek kwam, lag de „Zeemeeuwquot; bijna bewegingloos voor haar anker en was de zee glad en effen en bewoog ze zich nog maar met lange en vlakke deininggolven, welke er op duidden, dat de wind reeds sedert lang gevallen was, zoo krachteloos rolden zij aan. De vuren der machine waren reeds gestookt; er was evenwel nog geen stoomspanning genoeg, om tot ankerwinden te kunnen overgaan. Plotseling trad stuurman Barendt, die de morgenwacht had, op Van Berkenstein toe en fluisterde hem in het oor, terwijl hij buiten boord wees:
„Twee haaien, mijnheer!quot;
Van Berkenstein keek over de verschansing, en jawel, daar zwommen twee van die monsters, een kolossaal groote en een kleinere, om het schip en aasden op den afval, die uit de kombuis over boord geworpen werd.
„Ik ga spoedig de haken gereed maken!quot; zei stuurman Barendt.
„En ik ga mijn reisgenooten roepen!quot; zei Van Berkenstein.
Hij maakte beneden „overalquot;, en toen het gezelschap — de dames er onder begrepen — op het dek verscheen, was de stuurman bezig twee groote vischhaken ieder van een stuk spek te voorzien, dat ongeveer twee pond woog. Iedere haak was door middel van een pinkdikke ketting van drie voet lengte verbonden aan een stevige lijn, die de stuurman met een dubbelen zeemansknoop aan een nagelpin van de verschansing bevestigde. Daarna gooide hij de beide haken achter over den spiegel over boord. Bijwijze van dobber had hij aan iedere lijn een stuk plank gebonden, welke het aas even beneden de oppervlakte der zee drijvende moest houden. Bij den plons, welken de eerste plank in het water maakte, draaide de kleinste haai, welke zich met zijn makker aan stuurboord ter hoogte van den voormast bevond, plotseling om en schoot op het aas af. Het geluid, hetwelk de tweede plank in dit oogenblik bij het vallen in het water maakte, deed het ondier schrikken en weifelen. Maar dat duurde slechts zeer kort; want toen de grootste haai nu ook naderde, hervatte hij weer moed en schoten zij beiden vooruit.
Het schouwspel begon belangwekkend te worden; onze toeristen lagen dan ook met het bovenlijf over de verschansing gebogen en keken aandachtig toe.
De kleinere haai was het dichtst bij; hij had dan ook het eerst het voorgeworpen aas bereikt, draaide zich spoedig op den rug en hapte toe. Eén dei' matrozen, die de lijn in de hand hield, deed een ruk....
80
VAN PRIAM AN N VAK ATJEH.
„Te vroeg!quot; riep stuurman Barendt.
Hij Iiad gelijk. De haai, zich door de punt van den haak, welke nog slechts vooraan in den muil zat, gewond voelende, schoot met kracht vooruit, scheurde zich het scherpe ijzer uit de zachte deelen, welke het nog slechts aangetast had, en was in een oogwenk in de diepte verdwenen.
Het geheele gezelschap oogde den .vluchteling na, maar had nog geen tijd gehad, om met een woord van de ondervonden teleurstelling te doen blijken; toen de grootste haai op de andere lijn toeschoot, de dobberplank met grimmigheid tusschen de kaken nam en dat stuk hout onder zijn machtige tanden deed kraken. Maar, daarop het aas in het oog krijgende, liet het ondier de plank los, wentelde zich op den rug, zoodat de zilverwitte buik zichtbaar werd, sperde den ontzagwekkenden muil open en slokte het stuk spek naar binnen. Stuurman Barendt, die deze lijn in de hand hield, bleef bedaard en keek aandachtig toe.... deed plotseling een ruk, en riep toen met een stentorstem;
„Halen! alle hens halen!quot;
Zijn bevel werd opgevolgd. Al de matrozen, die op dat uur op het dek waren, sloegen de hand aan de lijn en ook onze heeren deden mede; maar het was geen gemakkelijk werk dat monster binnen boord te brengen. Zoodra de haai zich gewond gevoelde, had hij dezelfde beweging gemaakt, die zijn makker uitgevoerd had; hij was namelijk met alle kracht vooruitgeschoten, met het niet te miskennen doel om den haak te doen uitscheuren. Maar deze, te diep ingeslokt, had stevig in de keel gegrepen en zat nu, zooals later bleek, met den weerhaak achter de onderkaak vast. Hij zou het levende dier niet meer loslaten. Ontzettend waren de pogingen van het monster na die mislukking om zich van dien noodlottigen haak te ontdoen. Eerst schoot het in de diepte, alsof het in den afgrond der zee redding wilde zoeken, en deed toen de „Zeemeeuwquot; schokken ondergaan, die haar tot in haar kiel deden trillen. Toen die poging mislukt was, verscheen het aan de oppervlakte, keek eens rond en stoof toen vooruit met een kracht, welke al de mannen, die de lijn omvat hielden, noopte om los te laten, en met een vervaarlijken schok liep het touw strak; gelukkig nog, dat het steeds aan den nagelpin bevestigd zat. Toen de lijn uitgevierd was, grepen alle handen haar weer en begonnen te halen. Nu ontspon zich een vreeselijke kamp. Met geweld rukte het monster aan de lijn, schoot vooruit, keerde op zijn schreden terug, dook, maakte sprongen buiten het water, keerde zich op den buik, wentelde zich ontelbare malen om en om, geeselde met den staart de oppervlakte der zee tot schuim en stootte daarbij soms geluiden uit, die weerklonken als het geknor van een oud varken. Al die krachtsinspanningen baatten evenwel niet. De lijn werd langzaam, zeer langzaam ingepalmd, waarbij het wel gebeurde, dat het woedende dier weer eens een vertwijfelingsvolle poging deed en die krachtige mannen daar aan 't dek tot loslaten dwong; maar dan liep de lijn slechts uit, tot zij met een schok strak liep. Dan hijgde het monster, dan snakte het naar adem en kleurde met iedere kieuwbeweging de
81
VAN PRIAMAN NAAI! ATJEH.
oppervlakte der zee met zijn bloed; maar dan werd ook de lijn weer door veler handen aangepakt en meedoogenloos werd dat inpalmen hervat. Het ondier kreunde, worstelde, sprong, draaide, schoot vooruit, maar putte zich al meer en meer uit. Het naderde den spiegel van de „Zeemeeuwquot; al meer en meer. Eindelijk, van een oogenblik verademing gebruik makende, dat het gemartelde dier genoot, greep stuurman Barendt het uiteinde der lijn, maakte die los van den nagelpin en schoor het bliksemsnel door een blok, dat aan de gaffel van den achtermast hing. Nu was het lot van den haai beslist. Alle handen grepen dat ingeschoren eind en met een looppasje op de maat van een zeer snel tempo, waarbij het aanmoedigend: eoh! eoh! eoh! oh, oh, oh, oooohü! door alle monden uitgegild werd, werd de kolossale visch uit het water getild en bengelde hij weldra, aan de gaffel hangende, boven het achterdek.
Vreeselijk waren in dit oogenblik de wanhopige bewegingen van het krachtvolle dier. Het sprong, het wrong zich, het schommelde, het zweefde, het geeselde fluitend met den staart en snorkte daarbij in zijn doodsangst, dat de lucht er van trilde. Lang zou het dier zoo niet hebben kunnen blijven hangen; het stond te vreezen dat, door de eigen zwaarte van den haai, de haak zou uitscheuren. Op een teeken van kapitein Meerman, die inmiddels aan het dek verschenen was, lieten de matrozen de lijn vieren en daalde het spartelende monster op het dek neer. Maar toen:
„Achteruit! achteruit!quot; riep de kapitein met indrukwekkende stem.
En het was tijd ook. Zoodra de haai het dek raakte, sprong, kronkelde en spartelde hij, geeselde de dekplanken met den staart, dat het geheele vaartuig tot in zijn inhouten dreunde. Wie zoo'n klap van dien geduchten staart zou erlangen, zou op de plaats dood blijven, zou ten minste met gebroken ledematen daar neerliggen. Maar daar naderde een matroos met een bijl in de hand, maakte van een ondeelbaar oogenblik verpoozing bij die angstverwekkende worsteling gebruik en kapte met één slag den staart af. Van nu af was het dier machteloos; wel kronkelde en spartelde het nog, wel poogde het nog de naderenden te treffen, maar dien bloederigen stomp, welke zich pijnlijk bewoog, was alle kracht ontnomen: hij kon niet anders dan ijzingwekkende bewegingen volvoeren, die zyn geheele onmacht verrieden en waarbij hij de omstanders en het dek met bloed besprenkelde.
Nu begon een tooneel van barbaarschheid, dat onmogelijk te beschrijven is. De
matrozen vielen op het stervende dier aan, en____Met een gil van verontwaardiging stoven
de dames naar beneden, om zich aan dat afschuwelijk, wreedaardig gezicht te onttrekken en in dien terugtocht werden ze door de heeren al heel spoedig gevolgd.
„Hoe is het toch mogelijk,quot; vroeg mevrouw Van Berkenstein later aan stuurman Schipperheyn, „dat menschen zóó wreedaardig kunnen zijn?quot;
Stuurman Schipperheyn glimlachte en antwoordde:
„Ja, mevrouw, wanneer matrozen een haai te pakken hebben, dan is er geen houden aan; dan moet het dier gekapt en gekerfd worden. Trouwens, die diertjes verdienen het
82
VAN PKIAMAN NAAK ATJEH.
wel, geloof mij. Het is een paar jaar geleden, toen lag ik met een koopvaardijschip op de reede van Bezoeki. Een lichtmatroos, die op de onderra van den grooten mast zat te werken, viel er af en tuimelde in zee. Dadelijk werd hem een lijn toegeworpen, die hij ook greep en waarmee het gelukte hem uit het water te tillen. Maar eensklaps doken twee haaien uit de diepte op, sprongen naar den jongen man, die even boven de watervlakte in de lucht zweefde, en grepen hem ieder bij een been en schudden hem met kracht, om hem los te doen laten. De arme jongen schreeuwde als een bezetene van de pijn; maar hield zich krampachtig aan het touw vast. Die vreeselijke strijd duurde eenige oogenblikken, totdat de kapitein, die naar beneden geloopen was, met een jachtgeweer op het dek verscheen en de gedrochten met geweerschoten noodzaakte om los te laten. Helaas, hoe zag de arme kerel er toegetakeld uit; beide beenen waren tusschen de machtige kaken verbrijzeld geworden en waren als brij gemalen ....quot;
„Schei uit, mijnheer Schipperheyn!quot; gilde mevrouw Van Berkenstein.
„De ongelukkige overleed twee dagen later, na een allerverschrikkelijkst lijden,quot; eindigde de stuurimn zijn mededeeling.
De zon kwiini in al haar pracht boven den bergketen te voorschijn, welke van de reede van Priaman. duidelijk zichtbaar was, toen de „Zeemeeuwquot; haar anker gelicht had en zeewaarts stevende. De lucht was in dat uur helder en onbewolkt, waardoor onze toeristen een prachtig gezicht op den Sumatra-wal genoten. Het land, dat hen als ontvluchtte, verhief zich zacht glooiend en vertoonde als een gordijn van het levendigste groen, waarboven de sierlijke kronen der klapperboomen bevallig in den morgenwind wuifden. Die glooiing verhief zich tot een aanzienlijke hoogte en vormde een grillig gebroken nokrand, die op het azuur des hemels donker afstak en waarboven, nagenoeg in het Noord-Oosten, de Singalaixg, de Merapi en de Ambatjang als donkerblauwe kegels uitstaken.
De „Zeemeeuwquot; stevende tusschen Poeloe Ansoe en Poeloe Tengah door, hield West ten Noorden, aan en was in ruim een uur tijds buiten het gezicht van den Sumatra-wal geloopen. Toen. de toeristen na het ontbijt op het dek verschenen, stevende het vaartuig door Straat Siberoet, daarna langs de Batoe-eilanden en verder langs de Oostkust van het eiland Nias. Het was ongeveer vijf uren des namiddags, toen men in het gezicht liep van Groenoeng Sitoli, wel de voornaamste kampong van dat eiland. In die nabijheid was het vrij levendig op zee; want allerwegen kruiste men „djoekoengsquot; (uitgeholde boomstammen), waarmede de Niassers ter vischvangst voeren. Uiterst primitief waren de zeilen, die deze vaartuigjes voortdreven. Meestal was het slechts een matAverk, van de bladeren der Nipah-palm vervaardigd, maar nog eenvoudiger bestond op sommigen het geheele zeiltuig slechts uit een Nipahtak of bladsteel, die, met zijn lange en breede bladeren getooid, aan den wind een zekere oppervlakte aanbood, om er zijn kracht op uit te oefenen.
Den volgenden morgen voer de „Zeemeeuwquot; tusschen den hoek van Singkel en de
83
VAN PRIA.MAN NAAE ATJEH.
Banjakh-eilanclen door en stevende toen noordwestwaarts langs het eiland Sitnaloe. Daags daarna stak de boot zuiver Noord op en liep tegen den middag den Sumatra-wal weer in het gezicht. Kapitein Meerman, het genot zijner reizigers willende verhoogen, liet het vaartuig zoo dicht onder den wal loopen, als maar met de veiligheid bestaanbaar was. Onze toeristen kregen toen een betooverend gezicht onder het oog. Steil steeg hier het gebergte uit zee, vertoonde zich in allerlei grillige gedaanten, verhief zich stout en indrukwekkend en vormde een uiterst geaccidenteerden nokrand, waarachter verscheiden blauwende toppen van hoog gebergte zichtbaar waren. De geheele bergmassa was zwaar begroeid en vertoonde zich geheel in het groen gedost. Maar, wat aan dat verheven tafereel een stempel van lieiiijkheid verleende en den ernst wat afstompte, waren een paar eilandjes, die met hun zacht groen als bloemenmandjes op de gladde watervlakte schenen te zweven; terwijl hielen daar een prauwtje met wit zeil, dat uiterst bevallig door de zee weerkaatst werd, achter zoo'n eilandje schoot, als zocht het zich te verbergen.
„0! die drommelsche kerels!quot; zei Visbergen; „kijkt! hoe zij zich uit de voeten maken.quot;
„Het mag ook wel,quot; hernam Vogels; „voor een stoomschip hebben zij respect.quot;
„Waar zijn wij hier?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Op de Atjehsche kust,quot; antwoordde Visbergen. „Als wij daar aan wal moesten, zouden wij er gauw om koud ziju. Het zijn razende, fanatieke kerels.quot;
„Noemt gij fanatieke kerels, menschen, die hun onafhankelijkheid verdedigen met de middelen, die zij hebben ?quot; vroeg Vogels.
„Kwamen de Fransche natuuronderzoekers Wallon en Guillaume dan ook hun onafhankelijkheid belagen 1quot; antwoordde Visbergen met een wedervraag.
„Toch niet om hun geluk te bevorderen, meen ik.quot;
„Zijn die hier vermoord ?quot; vroeg Montauban onstuimig.
„Hier in de nabijheid, iets meer noordwaarts, in het rijkje Panga en Tenom.quot;
„Kent gij de bijzonderheden van dien moord? 0! vertel ons die dan,quot; smeekte de Pranschman met aandoening.
„Graarne,quot; sprak Visbergen. „Luistert! Zooals gij misschien weet, hadden die beide heeren van Singapore uit een bezoek gebracht op verscheiden plaatsen van de Oostkust van Sumatra en hadden zij voornamelijk hun onderzoekingen over het rijk Deli uitgestrekt. Het onderzoekingsveld was daar evenwel niet uitgebreid; want ën door de officieren van het bezettingscorps ën door de civiele ambtenaren ën door de tabaksplanters, onder wie zeer ontwikkelde lieden aangetroffen worden, was alles opgespoord, wat voor het oogenblik op te sporen viel. Door de goede ontvangst van den kant der inheemsche bevolking misleid, vermeenden uw landgenooten, dat zij even veilig op andere gedeelten der Sumatra-kust werkzaam konden zijn, waar de oogst dan meer overvloedig zou uitvallen. Zoo vertrokken zij naar Kota Radja, maakten den Generaal Van der Heyden hun opwachting en stelden hem in kennis, dat zij voornemens waren, onderhoorigheden van het Atjehsche rijk
84
.
VAN PRIAMAN XAAK ATJEH,
op de Westkust van het eiland te bezoeken en voornamelijk die gedeelten, welke nog niet of zoo min mogelijk door Europeanen bezocht waren. De Generaal raadde hun dat ten stelligste af en hield hun de gevaren voor oogen, welke zij loopen zouden. Het mocht niets baten. Zij verlieten in het begin van Maart 1880 Kota Radja en zeilden met een kustvaartuig naar Tenom, alwaar stofgoud te vinden was, zooals hun was verzekerd. Op den 5den kwamen zij daar aan. Zij werden door ïoekoe Imam Moeda, Radja van Panga en Tenom, goed ontvangen en in de Kedei ') gehuisvest. Zij verzochten hem om een kok, die hun gereedelijk verstrekt werd; maar zij konden dien man, Si Hitam geheeten, niet gebruiken, omdat hij kostjes klaarmaakte, die door een Europeesch verhemelte niet te verorberen waren. Later verzochten zij een gids en twee roeiers, ten einde de binnenlanden te kunnen intrekken. Toekoe Imam Moeda ontraadde hun ernstig die reis en verklaarde, dat hij voor hum leven slechts instond, wanneer zij zich niet van Tenom verwijderden. Ook deze welgezinde raadgevingen werden in den wind geslagen. Uw landslieden lachten er om en noemden de voorgespiegelde gevaren hersenschimmig. De Radja verstrekte hun toen als gids een zijaer lieden, Toekoe Din genaamd, en als roeiers twee landbouwers, alle drie woonachtig te Tenom. De heeren hadden een Javaansclien bediende bij zich, Aripan geheeten. Op den 28sten Rabioel Awal (9 Maart 1880) verlieten de Franschen de Kedei te Tenom in een kleine prauw, waarmede zij het riviertje oproeiden. Zij zijn nooit teruggekeerd,quot;
„Maar hoe heeft de moord plaats gehad ? Dat wilde ik weten,quot; sprak Montauban. „Ziehier, wat ik uit den mond van Aripan en Toekoe Din opteekende,quot; sprak Visbergen. „Ek ben met den controleur Van Swieten in commissie benoemd geweest, om die moord/aak te onderzoeken:
„Onze natuuronderzoekers, of beter vermomde goudzoekers, stevenden gedurende twee dagen het riviertje zonder andere wederwaardigheden op, dan dat er in dien bruisenden bergstroom hard geroeid en geboomd moest worden, om vooruit te komen; waarbij evenwel nog niet veel gevorderd werd. Menigmaal moesten uw landgenooten de handen mede aan het werk slaan, om moeilijke passages te boven te komen. Dat was in den volsten zin des woords eigenhandig hun schuitje het noodlot te gemoet voeren.
„In den namiddag van den tweeden dag, dus op den lO^'n Maart, kwamen zij zoo omstreeks tegen vier uren te Toewi Pria aan, alwaar de Panglima's 2) Lamara en Po Imam Aloer Lohob met twee volgelingen, alle vier zwaar met klewangs en lansen gewapend, uit het bosch, dat aan het riviertje onmiddellijk grensde, traden en den roeiers bevalen aan te leggen. Al dadelijk vertoonde Toekoe Din bij die verschijning een hevigen angst en greep naar zijn wapen. Maar de Pransche heeren stelden hem gerust en wenkten de roeiers om de prauw naar den kant te voeren. Hier deelde Toekoe Din den beiden Panglima's
') Kedei is bijna golijk te stellen met don passangrahan op Java.
2) Panglima is een ee re titel, overeenkomonde met districtshoofd.
85
86
mede, dat hij den beiden blanken tot gids strekte op last van den Eadja van Pan ga. alsook van Toekoe Said Hassan, een broeder van Panglima Lamara. Woest en ziedende van toom, antwoordde de laatstgenoemde, dat bij zich, wanneer het blanke verraders gold, om de bevelen van niemand bekommerde en dat hij die twee bleekhuiden zou vermoorden. Daarop trok hij zijn klewang, vloog met Panglima Po Imam op de twee Franschen aan, die inmiddels uit de prauw wilden stappen, en dat tooneel uiterst kalm aangaapten, en sloegen beiden, onder het toevoegen der woorden: „tabeh toean bezarquot; ') op hen in en maakten hen af. Geen der beide heeren deed ook maar een beweging om zich te verdedigen. Dit alles was in weinige oogenblikken geschied, waarna de lijken met de lansen over boord in de rivier gestooten werden.
„Die rampzaligen!quot; barstte Boisjolin los. „En wat geschiedde verder ?quot;
„Wat wilt gij, dat er verder geschieddef vroeg Visbergen kalm.
„Mille millions de tonnerres!quot; stoof Boisjolin op. „Wat ik wilde, dat ér verder geschiedde?... Wel, dat mijn landgenooten gewroken waren geworden! Sont-ils étonnants ces Hollandais avec leur flegme!quot;
„Dat ze gewroken waren geworden! Jawel, loop de schavuiten maar na in hun ontoegankelijke bosschen!quot; sprak Visbergen met een hoonlach. „Weet ge wat er gebeurd is? Generaal Van der Heyden heeft den Radja van Panga en ïenom ter verantwoording geroepen; hij heeft den controleur Van Swieten en mij in commissie gezonden, om de zaak te onderzoeken. Bedoelde Radja heeft ons onder datum 23 Rabioel Achir 1297 (3 April 1880) een mooien brief geschreven, waarbij hij mededeelde, dat Panglima Lamara vergiffenis had gevraagd en den Radja een karbouw, eenige jonge klappers en wat suikerriet ten teeken van boetedoening had aangeboden; maar zich daags daarna uit Tenom verwijderd had en zich sedert in de wildernis ophield. Ziedaar, hoe die moord zich heeft toegedragen! Een meer nauwkeurig bericht is niet te leveren.quot;
') Dag, groote lieer.
De Willemstoren,., — Oleh-Leh.
edurende dat verhaal van die moordgeschiedenis, had de „Zeemeeuwquot; onverdroten ' haar weg vervolgd. Zij stoomde vlak onder de knst, waardoor de reizigers steeds een fraai gezicht op dat prachtige bergland, hetwelk Sumatra te dier hoogte aanbiedt, genoten.
„Drommels,quot; zei Ollerupp, „ik had nooit gedacht, dat Sumatra zóó groot was.quot;
„Het is meest uiterst moeilijk zich een goed denkbeeld te maken van de uitgestrektheid van landen, die ver van ons verwijderd liggen,quot; antwoordde Visbergen. „Thans, nu gij Sumatra van nabij beziet, meent gij daarvan meerder begrip te bekomen. Eu toch zult gij u verwonderen, wanneer ik een vergelijking opper met landen, die gij meer nabij kent. Bij voorbeeld. Over zijn lengte-as gemeten, strekt zich het eiland Sumatra uit over een afstand, gelijkstaande met die van het Meuwediep, de noordelijkste punt van den vasten wal van de provincie Noord-Holland in de Noordzee, tot kaap Spartivento aan de zuidpunt van het eiland Sardinië, in de Middellandsche Zee.quot;
„Te drommel,quot; zei Nielsen, „dat dacht ik niet.quot;
„Ja, ik zal u nog meer zeggen. De oppervlakte van Sumatra komt nagenoeg overeen met die van het Koninkrijk Zweden.quot;
„Och kom,quot; uitte Ollerupp, met veel twijfel in zijn stem. „Is dat zoo...?quot;
Visbergen had don tijd niet om te antwoorden.
„Zeg, kapitein Meerman,quot; riep Vogels tot den gezagvoerder op de brug, „is dat Oedjoeng Boeloet, daar dwars van ons f'
De kapitein knikte van ja.
„Dan beginnen wij aardig te naderen,quot; ging Vogels voort. „Dan kom ik in meer bekend terrein. Ziet, daar, in dien inham hebt ge de Kwala Lepong. Die bergtoppen, welke
88
gij daar ziet, zijn de Grle ^ Eeliëng, de Grle Kolemon en de Gle Koeroenkoen. Die kaap daar vooruit is de Oedjoeng Ritiëng; als wij dien gerond zullen hebben, dan komen wij in de Kroeng Eaba-baai. Van deze baai loopt een zeer goede weg over Boekiet Seboen en Pakan Badak naar Oleb-leh, de havenplaats van Kota Radja.1'
De „Zeemeeuwquot; repte zich steeds voort. Daar kwam de Kroeng Eaba-baai open. Toen de boot zoowat tegenover het midden der baai kwam, kreeg men een fraai vergezicht noordwaarts door de vallei van Seboen, waardoor de weg kronkelde, waarover Vogels straks gesproken had, en oostwaarts in den bergpas van Glitaroem, die zich daar als een smalle kloof voordeed. De boot stoomde thans Noord-West op en naderde de Koningspunt, den noordwestelijken hoek van Sumatra. De „Zeemeeuwquot; koerste dicht onder den steilen, hoogen, rotsigen oever van die kaap, waartegen de deininggolven van den Indischen Oceaan in verblindend wit schuim braken, en stevende de Suratte-passage in. Zij volgde evenwel de kust van Atjeh-hoofd niet; maar stak naar het eiland Gomez over, om tusschen dat en Poeloe Batoe door in de Ceder-passage te geraken.
„Wat drommel, kapitein Meerman,quot; vroeg Visbergen, „waarheen voert gij ons nu?quot;
„Wij zullen Poeloe Bras rondstevenen,quot; antwoordde de kapitein.
„0, dat is heerlijk!quot; riep Vogels, „Dan krijgen wij den Willemstoren te zien en daar ik een tocht derwaarts misgeloopen heb, ben ik u zeer verplicht.quot;
De „Zeemeeuwquot; stevende thans dicht langs het eiland Gomez heen, dat zich met zijn kegelheuvel als een onmetelijke pyramide van klapperboomkronen bekoorlijk voordeed. De reizigers informeerden, wien die uitgestrekte klapper-aanplant toebehoorde, en vernamen van Visbergen, dat hij indertijd door de bewoners der VI Moekims, waartoe Oleb-leh behoorde, was aangelegd; maar ten gevolge van de oorlogsomstandigheden uitermate verwaarloosd was. Eigenlijk trok zich niemand meer dat klapperbosch aan.
Na de Ceder-passage doorgestoomd te zijn, koerste de „Zeemeeuwquot; noordelijk van Poeloe Nassi, schoot door de nauwe zeeëngten, die dit laatste eiland en Poeloe Tengah van Poeloe Bras scheidden, stevende langs de Westkust van laatstgenoemd eiland met zijn diep ingesneden baaien en kregen onze toeristen eindelijk, toen zij de westelijkste punt van Poeloe Bras gerond hadden, den Willemstoren in het gezicht. Nog een half uur, toen had men de noordelijkste punt van het eiland, waarop de toren zich verheft, dwars en konden zich de reizigers aan den statigen aanblik, welken dat gevaarte opleverde, vergasten.
„Zooals gij ziet,quot; sprak Visbergen, „is het een gemetselde toren, die 30.5 M. hoog is en waarvan het onderste gedeelte ter hoogte van 30 M. wit en daarboven rood geschilderd is. De geheele hoogte van de lichtbron boven de wateroppervlakte bedraagt 160 M. De heuvel, waarop de toren staat, is dus 123.5 M. of ruim 394 voet hoog. Het licht, dat een wit draailicht is, met verduisteringen om de minuut, is op 7:|/,, Duitsche geographische
) Gle is in het AtjineGsch = Goenoeng, berg.
BE WITiLEMSTOBEN. — OLEH-LEH.
mijl zichtbaar en over 360° te ontwaren. Zooals gij zien kunt, is die toren een pracht-bonwstuk, hetwelk onzen ingenieurs alle eer aandoet. Het punt is ook uitmuntend gekozen. Het is een prachtige baak voor de schepen, die de Grolf van Bengalen oversteken om Straat Malakka in te varen, en neemt de gevaren weg, welke deze groep rotsachtige eilanden op dien Noordwesthoek van Sumatra den zeevarenden bij nacht aanbood.quot;
„De geheele Nederlandsche natie heeft reden om trotsch op dat werk te zijn!quot; sprak Van Berkenstein met vuur. „Die Willemstoren is een heldere fakkel, daar door haar op de baan der beschaving ontstoken, die door alle beschaafde natiën ten volle zal gewaardeerd worden!quot;
Vogels lachte luidkeels; maar er was iets snijdends, iets hoonends in dien lach.
„Van Berkenstein keek verbaasd op, dat er iemand bestond, die zijn geestdrift bespotte.
„Gij schijnt mijn meening niet te deelen, mijnheer Vogels,quot; hernam hij met iets weemoedigs in zijn stem. „O! als gij, evenals ik, de lezing had kunnen bijwonen, die eens een Overste te Haarlem hield! Hij schetste met gloeiende verven, hoe een sloepje, met zes zeelieden bemand, afkomstig van een Engelsch schip, Albion of Albatros genaamd, — dat herinner ik mij niet goed meer, — dat in de Golf van Bengalen vergaan was, — op den eindeloos wijden oceaan dobberde, hoe die mannen dagen, ja weken in dien notedop rondgezwalkt hadden, hoe zij, ten gevolge van honger en dorst, reeds wanhoopten aan hun behoud; toen zij eensklaps, te midden van den somberen nacht, ik weet niet den hoe-veelsten, welken zij reeds in dien schrikkelijken toestand doorbrachten, de schittering van dat draailicht ontwaarden! Eerst konden zij hun oogen niet gelooven. Het licht was nog pas ontstoken, het moest een ster bij den horizon geweest zijn, die weer door een wolk-bedekt was. Maar.... daar schitterde het weer, en.... een minuut later dezelfde flikkering opnieuw. O! nu was niet meer te twijfelen! Daar was redding! O, mijnheer Vogels, wanneer gij die voordracht hadt kunnen bijwonen, dan hadt gij ons uw lach van straks gespaard, daar ben ik zeker van.quot;
„Ik vraag u verschooning voor mijn ontijdigen lachlust, mijnheer Van Berkenstein,quot; sprak Vogels, thans hoogst ernstig gestemd; „maar ik kon hem onmogelijk bedwingen. Laat mij evenwel het laatst door u gesprokene beantwoorden. Neen, die voordracht heb ik niet aangehoord; ik heb haar evenwel, ik weet niet meer in welk tijdschrift of welke courant of brochure, gelezen. Zij was ook niet vervaardigd, om alleen door de eerzame poorters der stad Haarlem genoten te worden. Zij moest in wijderen kring verbreid worden, anders zou het doel, daarmede beoogd, gemist zijn. Mag ik u eens zeggen, wat ik zou gedaan hebben, wanneer ik bij die voordracht tegenwoordig ware geweest? Ik zou, toen die Overste zijn taak volbracht meende, opgestaan zijn; ik zou hem bedankt hebben voor de meesterlijke schildering, die hij geleverd had. Ik zou evenwel als pendant van dat sloepje, hetwelk daar in den donkeren nacht op den Indischen Oceaan dobberde en plotseling het licht van den
89
90
Willemstoren in het gezicht kreeg; neen, niet het geld, maar het bloed, dat die toren gekost heeft, hebben doen gelden. Ik zou op de honderden familiën gewezen hebben, die in diepen rouw gedompeld zijn, ten gevolge van den zoo roekeloos ondernomen Atjeh-oorlog, waarvan die toren als het eenige lichtpunt in alle opvattingen van het woord aan te halen is. Als ik dan, evenals de vorige spreker, pathetisch had willen worden, dan zou ik, alweer als pendant van dat dienstdoende sloepje, één uit de vele rampvolle voorbeelden, die mij onder de oogen kwamen, geschilderd hebben. Dat van een moeder o. a., die door haar zes spruiten omgeven was, toen ik haar woning binnentrad, om haar te moeten mededeelen, dat.... O! de ongelukkige! Zij was juist bezig haar lievelingen van papa en van papa's laatsten brief te vertellen. Zij spiegelde die lieve jeugd voor, dat papa nu spoedig van Atjeh zou terugkeeren, dat zij allen dan de groote reis naar Holland zouden maken, waar de lieve kleinen grootmama zouden ontmoeten.... In dat oogenblik klopte ik aan de deur van de binnengalerij.
„„God!quot; riep de rampzalige moeder, angstig op mij toevliegende. „God! gij hier? O! gij zijt drager van kwaad nieuws! Hij .... hij .... de vader mijner kinderen is dood, nietwaar?quot;
„Maar,quot; ging Vogels, na een poos gezwegen te hebben, toen zijn stem weer vastheid genoeg gekregen had, voort, „waartoe dat oprakelen van oude gebeurtenissen? Ik kon aan de mij gedane opdracht niet voldoen. Ik kon die moeder en die kinderen niet vertellen, dat haar echtgenoot, hun vader als kapitein met het grootste gedeelte van het troepje, dat hij aanvoerde, tusschen Kajoeleh en Atoeeh jammerlijk afgemaakt was; ik kon hun niet vertellen, dat het lijk teruggevonden was, zoodanig gekapt en gekerfd, dat het bijna onkenbaar was, dat het lijk drie en twintig doodelijke wonden telde, ongerekend de ontelbare andere, die door de deskundigen voor niet levensgevaarlijk gerekend werden.... En dat is ééne gebeurtenis uit zeer velen!... Zie naar dien toren op, mijnheer Van Berkenstein!quot; ging de Sienjo met sissende stem voort. „Op dien steen staat een inscriptie, zoo iets van: Aan den vrede gewijd. Zie naar hem op! Het is een kunststuk, het is het eenige ver-toonbare product van den Atjeh-oorlog. Maar de steenen, die gebezigd zyn, kosten hun gewicht aan goud; raadpleeg de Nederlandsche schatkist slechts. Maar die steenen zijn gevoegd met bloed, met zóóveel bloed, dat, wanneer er nog duizenden jaren gewacht ware met de oprichting van den Willemstoren, de zeerampen, door die afwezigheid veroorzaakt, het honderdste gedeelte der menschenlevens niet zouden bedragen hebben, die nu in dezen oorlog reeds verloren werden.quot;
„Die redeneering is spitsvondig, mijnheer Vogels,quot; sprak Van Berkenstein. „Volgens haar zouden wij hebben moeten berekenen, wat de onkosten zouden zijn, toen wij er toe overgingen Atjeh te noodzaken, de wetten der menschheid te eerbiedigen en de eischen der beschaving stipt op te volgen. Want, wat gij ook zeggen moogt van dezen toren, hij was niet alléén doel van den gevoerden oorlog, hoewel het ontsteken van die toorts op
■
DE WILLEMSTOREN.
91
OLEH-LEH.
deze onherbergzame stranden daar ook onder hoort. Het ontsteken van geleidelichten langs de zee behoort tot de plichten der zeevarende mogendheden. Het grootere doel, dat bereikt moest worden, was het fnuiken van den slavenhandel, dien de Atjehers onverlet dreven; was het handhaven van het strandrecht, dat die onverlaten in Straat Malakka, in dien grooten verbindingsweg tusschen twee Oceanen, voortdurend schonden.quot;
„En wie heeft ons aangesteld tot lantaarnopsteker en politie-agent in Straat Malakka, mijnheer Van Berkenstein?quot; vroeg Vogels. „Hebt gij wel eens nagegaan, wat Straat Malakka voor ons was, voordat wij den Atjeh-oorlog begonnen? Toen stevenden geen vijf en twintig Nederlandsche schepen in een jaar er door. Zelfs thans nog, wanneer gij aftrekt de vaartuigen, welke ten dienste van dien oorlog die Straat beploegen, dan is de Nederlandsche scheepvaart in Straat Malakka nul te rekenen. Die verbindingsweg tusschen twee Oceanen heeft voor ons geen of luttel waarde; dat heeft de Stoomvaartmaatschappij „Nederlandquot; bewezen. Een tijdlang heeft zij volgehouden haar booten door Straat Malakka te laten varen. Eindelijk heeft zij het moeten opgeven. Welnu, was het onze plicht voor de veiligheid in die Straat te zorgen? Mij dunkt, dat het gezond verstand aangaf, dat de Engelschen, die de geheele overzijde van die Straat in bezit hebben, daarvoor hadden te zorgen; maar die pasten zorgvuldig voor die karwei. Tegenover onze vlag is nooit het strandrecht geschonden. Gij kunt mij geen enkel voorbeeld aanhalen, dat een Nederlandsch schip op de Atjehkusten geplunderd is.quot;
„En de „Dolhjnquot; dan?quot;
„De „Dolfijnquot; was een Nederlandsch civiel krijgsschip, waarvan de eigen bemanning, oproerig geworden, haar officieren vermoordde en later een toevlucht te Atjeh zocht. Er bestond geen tractaat van uitlevering met den Sultan van dat rijk; terwijl wij daarenboven in een bedekten, maar voortdurenden staat van vijandschap met dat rijk verkeerden, waartoe de ontfutseling van vele gedeelten zijner onderhoorigheden door ons de meeste aanleiding gaf. Vergeet evenwel niet, dat het gebeurde met de „Dolfijnquot;, hetwelk bij gelegenheid dei-oorlogsverklaring aan Atjeh zoo geëxploiteerd is, van 18B6 dagteekent en bijgevolg een oude koe uit de sloot halen moest genoemd worden.quot;
„Ja, maar, de zeeroof, de slavenhandel?quot; haalde Van Berkenstein aan, die begreep, dat hij tegenover zoo'n tegenstander grond verloor.
„Mynheer Van Berkenstein, in onze eigen bezittingen bestaat nog zeeroof. Er gaat geen jaar voorbij, dat geen zeeroof tot op de Noordkust van Java gedreven wordt. De slavernij... ? Het pandelingstelsel, een huichelend, vermomd slavenstelsel, vigeert in sommige gedeelten van den Archipel onder bescherming van ons Bestuur. Zie toch eens, hoe er met die pandelingen, b. v. in de binnenlanden van Borneo, in streken, welke in de staatkundige wereld gerekend worden tot de Nederlandsche bezittingen te behooren, omgesprongen wordt. Ik geloof dat, als gij dit alles met een onpartijdig oog beschouwt, gij mijn uitspraak niet onbillijk zult noemen: dat het misdadig is, met de wapens in de
die toren ebben, die ien Atjeh-(Voord aan l, dan zou olie vooreder o. a., tn haar te lingen van , dat papa ir Holland oogenblik
! gij hier '? sn is dood,
)r vastheid k kon aan ) vertellen, roepje, dat n hun niet ijna onken-3 ontelbare ... En dat rkenstein!quot;
0 iets van: eenige ver-kosten hun teenen zijn vacht ware eroorzaakt,
die nu in
q. „Volgens
1 wij er toe de eischen
n toren, hij e toorts op
,
é
HE AVILLEMSTOHEN. — OLEH-T.EH.
hand aan anderen deugden te gaan opdringen, die in eigen boezem nog niet onverdeeld heerschen____quot;
„Maar de vreemde interventie? Was het gevaar niet dreigend, dat Atjeh contracten met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika of met Italië sloot?quot; viel Van Berkenstein Vogels in de rede.
„Die geheele interventie is louter een fictie geweest, die als bangmakerij heeft moeten dienen om een glimp van noodzakelijkheid aan den Atjeh-oorlog te geven. Dat zijn zoo van die diplomaten-behendigheidjes, waarvan een eerlijk man zich met walging afkeert. Maar, gesteld ook eens, dat die gefingeerde contractzucht bestaan had, zou het niet beter geweest zijn het reinigen van dien Augias-stal aan anderen over te laten1?quot;
„Maar, dan had de Amerikaansche of de Italiaansche vlag naast de onze op Sumatra gewaaid. Zou die nabuurschap niet gevaarlijk voor ons koloniaal bestaan zijn?quot;
„Dat gevaar is zuiver denkbeeldig, mijnheer Van Berkenstein,quot; antwoordde Vogels, „'t Bewijs daarvan: Onze kolonie Suriname ligt omsloten door Fransch-en Britsch-Guiana, dus door koloniën, die aan de twee meest annexatiezuchtige natiën der wereld toebehooren, en vindt gij die nabuurschap daar zoo gevaarlijk voor ons koloniaal bestaan? Waarom zou dan de aanwezigheid van een andere vlag dan de onze op Sumatra dat gevaar opleveren?,.., Maar, om nog eens op dien Willemstoren terug te komen, welke daar langzamerhand op den achtergrond geraakt, en om een woord over de vuurtorenquaestie te zeggen. Hoe zoudt gij iemand noemen, die voor het huis van zijn buurman een lantaarn ging ontsteken, maar vóór en in eigen woning ten gevolge der duisternis de beenen brak?quot;
„Hoe bedoelt gij dat?quot;
„Op 23 Juli 1875 werd het licht op den Willemstoren ter verlichting van Straat Malakka ontstoken, en 21 Juni 1876, dus ongeveer een jaar later, verging het stoomschip „Luitenant-Generaal Kroesenquot; in Straat Soenda, in onzen voornaamsten toegangsweg tot onze Oost-Indische Koloniën, wegens gebrek aan een licht. Toen wij Straat Lagoendi uitstoomden, nu juist zeventien dagen geleden, deed de heer H. Jaffrezic dat zeer juist uitkomen ....quot;
„Langzaam aan,quot; klonk het van de brug____ „Stoppen!____ Laat vallen je anker!quot;
Bij het eerste commando waren onze toeristen van hun vouwstoeltjes opgevlogen en naar de verschansing gesneld. Bij het laatste commando weerklonken een plomp in het water en het geratel van den ankerketting door de kluisgaten, die alles overstemden. Bevallig zwaaide de „Zeemeeuwquot; onder den invloed der zeebries met den achtersteven naar den wal en weldra lag ze op de zacht aanrollende deining te wiegelen.
„Welkom te Oleh-leh!quot; wenschte kapitein Meerman den reizigers toe, toen hij zijn post op de brug verliet.
Het was reeds laat in den namiddag. Toch kwam de havenmeester nog aan boord, om den reizigers namens den Gouverneur van Atjeh het welkom toe te roepen, hun te
1)2
98
vertellen dat er behoorlijk voor logies in het hotel Zeehandelaar gezorgd was en zich eerder ter hunner beschikking te stellen. Het was te laat, om naar Kota Radja te trekken. De reizigers verkozen den nacht aan boord door te brengen; maar zij zouden, alvorens de avond geheel gevallen was, een wandeling door Oleh-leh maken. De havenmeester stelde de havensloep ter hunner beschikking en bracht hen naar den wal.
„Ziet,quot; sprak Visbergen, onder het roeien derwaarts, „dat eilandje daarginds, dat op het water schijnt te drijven en met zijn frisch loof zoo afsteekt tegen het meer donkere groen van het gebergte van Atjeh-hoofd, is Poeloe Toean.quot;
„Waar het lijk van Generaal Bixio heengebracht word, toen die gezagvoerder van het Italiaansche stoomschip „Maddaloniquot; aan de cholera overleden was1?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Hetzelfde,quot; antwoordde Visbergen.
„De overblijfselen van dien ouden krygsmakker van Garibaldi zijn later naar Italië overgebracht geworden, nietwaar ?quot;
Vogels barstte in een onmatig gelach uit. Van Berkenstein keek hem eenigszins verstoord aan.
„Lachen is een onvoldoend antwoord,quot; zei hij. „Ik meen het bericht van dien overvoer ergens gelezen te hebben; is het niet in het Koloniale Verslag, dan in een der nieuwsbladen.quot;
„Luister,quot; sprak de Sienjo, die van spotlust popelde. „Het lijk van Generaal Bixio werd in een scheepswaterketel gestopt en op dat Poeloe Toean aan wal gezet. De Atjehers vonden dien ketel daar en brachten hem daarginds bij dien kampong, Lampagger geheeten; aan den vasten wal. Zij openden den ketel en waren uiterst verbaasd en ten hoogste verontwaardigd daarin een lijk aan te treffen. Zij beroofden het en lieten het, alsook den ketel, op het strand achter. Er wordt beweerd, dat door dat lijk de cholera, die zich toen bij onze tegenstanders nog niet vertoond had, in Atjeh aangebracht werd ').
„Geruimen tijd later ging de commandant van den militairen post — die inmiddels te Lampagger opgericht was — op aanraden van het kamponghoofd aan het graven en vond een yzeren ketel, die veel overeenkomst met de vreemdsoortige kist van den Italiaanschen Generaal had. Iets later werden ook eenige ruggestrengwervels en een paar tibia's gevonden, welk gebeente naar Batavia gezonden werd. Aan het Italiaansche Gouvernement werd kennis gegeven dat het gebeente van Generaal Bixio teruggevonden was. Maar de Chef van den Generalen Staf te Batavia had inmiddels die beenderen aan den Chef van den Geneeskundigen Dienst in N.-I. toegezonden, met verzoek die te willen determineeren. Hij ontving evenwel tot antwoord, dat aan het verzoek niet voldaan kon worden, omdat niet uit te maken was, of de overgelegde beenderen aan een menschelijk
J) Onze troepen der 2(le Atjeli-expeditie waren toen nog niet op het vijandelijke grondgebied gedebarkeerd.
DE WILLEMSTOEEN. — OLEH-LE11.
individu behoord hadden. Het Italiaansche Gouvernement, onbekend met die omstandigheid, zond een oorlogsschip tot afhaling der dierbare overblijfselen. Toen de commandant van dien bodem de toedracht vernam, trok hij een leelijk gezicht. Het denkbeeld om wellicht het gebeente van een aap naar Italië over te brengen, lachte hem volstrekt niet toe. De anthropologen konden daar eens knapper zijn dan in Indië! Toch werd het fraai besneden kistje, hetwelk de tibia's en de ruggestrengwervels bevatte, met de meest mogelijke plechtigheid aan boord van het oorlogsschip gebracht, dat ook heel spoedig met zijn dierbaren last zee koos. Maar de commandant krabde zich achter het oor, krabde zich nogmaals en wist niet recht, hoe hij met de zaak aan moest, toen zijn dokter aan boord hem uit den brand hielp. Deze beweerde, dat die beenderen van iemand, die aan de cholera gestorven was, lichtelijk de besmetting zouden kunnen overbrengen en dat dit geen bijzonder geschenk voor Italië zou wezen. Dat was een lumineuse gedachte! Het kistje met inhoud werd te Singapore plechtig verbrand en de asch in een urn verzameld en naar Italië vervoerd. Zoo werd aan de hygiënische voorzorgsmaatregelen voldaan; terwijl geen neuswijze geleerde het wagen kon te beweren, dat die asch niet van het gebeente van Generaal Bixio afkomstig is. Waar de dankbare Italiaansche natie die urn, waarin waarschijnlijk de asch van een Siamang ') geborgen is, een eereplaats aangewezen heeft, is mij onbekend 2); maar verscheiden personen te Batavia, waaronder de Gouverneur-Generaal en de gelukkige vinder van die beentjes, verwierven ter zake een Italiaansche ridderorde.quot;
Een spotachtige glimlach vloog over het gelaat van al onze toeristen. Boisjolin opende reeds den mond om een snedig gezegde te laten volgen; doch Yisbergen, wien blijkbaar die geheele episode, welke hij evenwel niet vermocht te weerspreken, hinderde, voorkwam hem.
„Kijk,quot; sprak hij, om afleiding te bezorgen, „daar vlak vóór ons is Oleh-leh. Die inham, die gij daarginds achter Poeloe Toean ziet, is de Kwala Nerdjid en deze hier, stuurboord vooruit, heet de Kwala Tjangkoel.quot;
„Dan heet die landtong daar Oedjoeng Palanggahan, nietwaar?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Ja,quot; antwoordde Visbergen.
„Dan is het daar, dat Kolonel Pel op den 4den Mei 1874 twee achteiiaadkanonnen liet in batterij brengen, welke daar uitstekende diensten hebben bewezen om den commu-nicatieweg tusschen Kota Radja en Oleh-leh te beveiligen.
Vogels barstte andermaal in luid gelach uit.
„Is er weer reden tot lachen1?quot; vroeg Van Berkenstein. „Ik las die bijzonderheid toch in het Koloniale Verslag 3).quot;
') Siamang ~ Hylobates syndactylus.
2) Die urn is te Genua, de geboorteplaats van Nino Bixio, bijgezet. (Noot van den setter.)
8) Koloniale Verslag van 1875, bladz. 43, eerste kolom.
94:
DE WILLEMSTOEEN. — OLEH-LEH.
„Het Koloniale Verslag! Och, mijnheer Van Berkenstein,quot; sprak de Sienjo, zijn lachlust bedwingende, „neem dat toch nooit als toetssteen der waarheid. Het door n aangehaalde feit kan dadelijk tot maatstaf der geloofwaardigheid van dat verslag dienen. Nooit zijn op Oedjoeng Palanggahan achterlaadkanonnen in batterij gebracht en nooit hebben de voorlaadkanonnen, die daar gestaan hebben, gediend om de gemeenschap van Kota Radja met Oleh-leh te beveiligen, wel om de versterkingen van Toekoe Nanta, een onzer heftigste tegenstanders, aan de overzijde der daar gelegen lagune te beschieten.quot;
Van Berkenstein keek Visbergen vragend aan.
„Vogels heeft gelijk,quot; sprak deze gemelijk; „nooit is daar achterlaadgeschnt geplant geweest.quot;
„Maar dat bericht moet toch door de competente autoriteit uit Indië geleverd zijn,quot; bracht Van Berkenstein als tegenwerping in 't midden.
„Mis!quot; antwoordde Vogels. „De bijdrage, door den Generalen Staf van het Indische leger geleverd, luidde geheel anders; maar in Den Haag worden de Indische bijdragen omgewerkt. Het Verslag, hetwelk der Vertegenwoordiging wordt voorgelegd, wint daardoor niet aan waarheidlievendheid, en ....quot;
De havensloep legde in dit oogenblik aan het hoofd aan, waardoor èn het gesprek èn de gedachtengang gewijzigd en verbroken werden. De toeristen bewonderden het doelmatige en stevige havenhoofd, dat op ijzeren schroefpalen ver in zee uitgebracht was en waarop twee stoomkranen verrezen, welke het lossen en laden zeer vergemakkelijkten, waartoe ook de spoorbaan, die tot aan het einde van de lange pier doorliep, liet hare bijbracht. Om van uit de sloep op het hoofd te geraken, moesten de toeristen op een vlot overstappen, dat op kolossale ijzeren cilinders rustte, met het tij op en neer ging en door de deininggolven vrij heftig bewogen werd.
De wandeling door Oleh-leh beviel onzen reizigers opperbest. Zij kuierden eerst door het Europeesche kwartier, dat hoofdzakelijk uit hoogst eenvoudige, uit bamboe en nipah-bladeren opgetrokken G-ouvernements-woningen voor officieren en ambtenaren bestond; maar ook eenige particuliere huizen van handelaren bevatte, die meer comfort aanboden. Daarna kwamen zij aan het Chineesche kwartier, waar zij zich niet alleen verlustigen konden in het gezicht van het dooreenkrioelen van mannen en vrouwen van die natie, die in volle bedrijvigheid handelden en schacherden en daarbij een luidruchtigheid aan den dag legden, wel geschikt om den Amsterdamschen Joden te doen beseffen, dat er baas boven baas was; maar zich ook vergasten konden aan de geuren, welke visch, garnalen, krabben, trassie, doerian ') enz. onder den invloed der tropische zon kunnen erlangen, en zich dan ook kwistig verspreidden.
Bij het uiteinde van het Chineesche kamp stonden eenige Atjehsche woningen, welke
) Zi omtrent trassie en doerian bladz. 4 en 59 van het ■2(le deel.
95
DE WILLEMSTOKEN. — OLEH-LEH.
zich schilderachtig langs een waterspruitje verhieven. Die woningen vertoonden niets bijzonders. Zij waren op stijlen, hoog boven den grond, gebouwd. Die stijlen en deurposten waren van wild hout vervaardigd; de omwanding bestond uit „peloepoequot; (platgeslagen bamboe) en de daken waren met atap, van nipahbladeren vervaardigd, gedekt. Bij een bruggetje stond een Atjehsche vrouw eenig goed te spoelen; naast haar zat haar kindje, dat zij een oogenblikje te voren in het heldere water gebaad had.
„Wat is dat daar voor een toestel?quot; vroeg Boisjolin aan Vogels, terwijl hij op een vlechtwerk van bamboe wees, van scherpe doornen voorzien, hetwelk ter manshoogte om den stam van een klapperboom was aangebracht.
„Dat dient om de badjing'squot; ') uit den boom te houden. Die beestjes kunnen daar machtig veel schade doen, aangezien zij zoowel in de rijpe als onrijpe noten een gat knagen en zich aan den inhoud vergasten.
9Ü
De zon was achter het hooggebergte van Atjeh-hoofd ondergegaan, toen onze reizigers weer in de havensloep stapten om, aan boord van de „Zeemeeuwquot; terug te keeren.
') Hadji iig is een lief eekhoorntje = Sciurus vittatus.
' A.r-rf
c i- gt; ^ ■' . ■ -gt;V , quot;• ■ :■gt;'/ . ... ■■
. --w-' ,v; ■ ■■' gt; ■ «
■; Vv-.
. . • ft . 'lt;•gt;• .■'»'lt; {fi ' . f. lt; % ''-i'tl 'i- ■ quot;■ lt;quot; ' • ;»;• •gt;•'• •• »; . ••■r • •. •» , .. ' •;;* • . . ■■v r v , 1 ,..c . v. : »f.-
r ■ ■ - • ■ •
v;,-5 VV/.V : . ' C;
• . vV- '
^ ■■■■ '
:■ '-i
......
'%£ ■
'V pbi ■ ».,
:%W . quot; v ' .
1 é; .. .. ■■ 4Wygt;-\ ■ -.5'* ' ;•«
■ '. :• - .• '.rv■' v -v, quot; • i.. .• y
-nw'i- • v':-.-;, 'v'; ; ■'• 'v
' ' .if-
^ :■ 'V -■ ;-lt;y'■ : V,-V ■ . . -..ói;:.', ■.■v.-;
..-f ■ ■' '.■■-iS''■ ,'. /■ :lt; • :V • '
;■ !ie, • •■ ■ V,' ,■ ■■ ■ ■quot; ■■ •, '■ „ .
■' . quot; v Vjt! ■■ . Jf, \ r•-■■■■ •■■*%■ v .
^ ^■ v ^ JV /'quot;
- • ■: ■ . ;. ■••■ i .■ . . ^ ■ :-
'-• ^ • . ' -
. : ï-v'-• quot;i.. gt;. •. •: ■ : .•/. 'lt;3 ■ I* : :■■ ■
vertoonden niets jlen en deurposten poequot; (platgeslagen d, gedekt. Bij een .r zat haar kindje,
terwijl hij op een er manshoogte om
3stjes kunnen daar -en een gat knagen
gegaan, toen onze 3meeuwquot; terug te
Wr'
■ ■ ' • ' , '-■ . .'f .•. .'f^ ' ' -. ... ...quot; ' v i cw' •'■'■.•' .quot; ii' 1 ' ■ • , • ... * ' 1
r - r . i, .W 1 ,■ • ■•.,■■, ... .- -f
':'r' -■■■ v - v ,■ S • . , .'■•■■...■ • - . ■ ■ ..t,
S-.-- .•,.. ••; •'•* A- ■ ' - .-. gt;: .sar ..slMfr^lval
r'
■
en volgenden morgen stond ons reisgezelschap al heel vroeg aan het uiteinde van het zeehoofd gereed, om in den eersten trein te stappen. De reis naar Kota Eadja duurde niet lang: ternauwernood drie kwartier uurs. Toen bevond men zich in het verblijf des Sultans van het vroeger machtige Atjeh. Vogels en Visbergen, die hier op het terrein zeer goed te huis waren, geleidden hun reisgenooten naar het hotel, waar alles naar wensch bevonden werd. Vervolgens maakte men een morgenwandeling langs en door Panteh Perak, dat, tegenover Kota Radja op den rechteroever der Atjeh-rivier gelegen, als een groot militair kampement te beschouwen was, waarin slechts kazernes, magazijnen, hospitalen, tuighuizen enz. aangetroffen werden. Onze reizigers maakten ook een wandeling over de uitgestrekte wallen van Kota Radja, dronken daarna een glas ijswater in de ijsfabriek, bezichtigden die instelling en brachten een bezoek aan de graven der Atjehsche vorsten, die binnen de enceinte van den ouden Kraton, evenwel aan de overzijde lag der Kroeng Daroe, een riviertje, dat Kota Radja langs de westelijke face binnen treedt, een eind oostwaarts stroomt en zich daarna noordwaarts wendt, door de noorder face naar buiten treedt en zich op een korten afstand van daar in de Atjeh-rivier stort. Onder die vorstelijke graven, alsook onder degenen, die op een afstand daarvan op den zoogenaamden grafheuvel staan, merkten onze toeristen menig fraai monument in brons op.
Na die wandeling maakten de reizigers hun opwachting bij den Grouverneur van Atjeh, tevens kolonel-commandant der troepen in het pas veroverde land. Overal ondervonden zij de meest heusche ontvangst en beijverden ambtenaren en officieren zich om hun gasten behulpzaam te zijn en die inlichtingen te geven, welke gewenscht mochten worden. Ter hunner eere hield de Gouverneur dien eigen avond een groote receptie en de president der Atjeh-Club noodigde het reisgezelschap uit tot een gezellig samenzijn op den volgenden avond in de lokalen dier sociëteit.
D
13*quot;
98 EEN KIT DOOK GKOOT-AïJEn, - BE TABAKSCULTUUR.
„Gaarne zouden wij die uitnoodiging aannemen,quot; antwoordde Van Berkenstein met plichtpleging; „maar onze plannen waren om morgen in den loop van den dag naar Deli te vertrekken.quot;
„Dan weet ik er niets anders op, dames en heeren,quot; sprak de President, „dan dat gij uw plannen een dag verdaagt.quot;
„Zouden daarenboven de heeren en wellicht ook de dames niet van de gelegenheid willen proflteeren, om eens een toertje door het Atjeh-rijk te maken V' vroeg de Grouverneur.
„Ziet ge, dat zijn uitnoodigingen...sprak Van Berkenstein aarzelend.
„Die wij dankbaar aannemen, Gouverneur,quot; viel hem zijn echtgenoote in de rede.
„Bravo! bravo!quot; riepen alle aanwezigen.
„Bravo!quot; stemde de kolonel mede in. „De dames rijden zeker te paard?quot;
„Ja, en zelfs dolgraag, kolonel!quot; riep Clotilde Visbergen, wier oogjes tintelden van verwachting.
„Dan zal de commandant der cavalerie voor paarden zorgen, ook voor de noodige dameszadels. Luistert nu, dames en heeren, naar de orders voor morgen. Adjudant, schrijf op:
„Toeristen-order. Morgenochtend om vijf uren groote reveille. Om kwart voor zessen opzadelen en om zes uren afmarcheer en.quot;
Montauban had dat alles met een glimlach aangehoord.
„Wij zijn op het oorlogsterrein,quot; zei hij; „wij moeten ons dus aan de oorlogswetten onderwerpen. De orders zijn gegeven, er blijft ons dus niets anders over dan te gehoorzamen. Zal evenwel de gezagvoerder van de „Zeemeeuwquot; niet omtrent onze gewijzigde plannen dienen ingelicht te worden?quot;
„Wie is die gezagvoerder?quot; vroeg de kolonel.
„Kapitein Meerman.quot;
„Zoo, dat's een oude kennis. Adjudant, schrijf op; Telegram voor Oleh-leh. Kapitein Meerman wordt uitgenoodigd zich bij den militairen commandant te vervoegen. Het meebrengen van een rok zal niet overbodig zijn. Zie zoo, dat is in orde, nietwaar?quot;
„Ja, dat is het,quot; antwoordde Van Berkenstein; „wij nemen dan ook al die uitnoodigingen dankbaar aan.quot;
Luide toejuichingen beantwoordden die instemming.
Des namiddags werd naar de Missighiet Raja gewandeld en dat fraaie gebouw, hetwelk in Moorschen stijl opgetrokken is, bewonderd. De plek, waar Generaal Kohier sneuvelde, werd onzen toeristen aangewezen. Men wandelde verder langs de westzijde van den Kraton en bezichtigde Goenoegan, ook wel Petjoet genoemd, alwaar een massief metselwerk aangetroffen werd, hetwelk den vorm van een lotusbloem had. Het graf van Generaal Pel, van den man, die naast Generaal Van der Heyden het meest voor het welslagen van den Atjeh-oorlog gedaan heeft, werd daarna op den doodenakker van Petjoet
EEN KIT DOOR GROOT-ATJEH. — DE TABAKSCULTUUR.
bezocht. Vervolgens werd aan eenige familiën in den kraton een bezoek gebracht, gedineerd en verder des Gouverneurs receptie, welke bij deze gelegenheid zeer bezocht was, bijgewoond. Toen onze toeristen zich ter ruste legden, konden zij de bekentenis afleggen, dat zij een welbesteden dag achter den rug hadden.
Den volgenden ochtend was de rollende donder van het morgenschot nog niet geheel in de verte uitgestorven en waren onze reizigers ternauwernood van den schrik, daardoor veroorzaakt, bekomen, toen de groote reveille weerklonk, die door de kapel van een der veldbataljons werd ten gehoore gebracht. Onmiddellijk daarop werden nog een paar opwekkende nummers uitgevoerd, die allen in een vroolijke stemming brachten. Het ontbijt was nog niet geheel ten einde, toen het signaal: „opzadelen!quot; zich liet hooren. Een kwartier later zat ons geheele reisgezelschap te paard en sloten zich de kolonel met enkele officieren daarbij aan. Het was een schitterende cavalcade, die daar Kota Radja langs de Zuidwestpoort verliet en die door een eskorte cavaleristen met de sabel in de vuist voor en achter beveiligd werd. De rit richtte zich zuidwaarts langs het kampement te Nesoeh, dat de zuidzijde van Kota Radja moest dekken, en verder door sawahs en klapperaanplantingen naar Ketapang Doewa, waar de weg oostwaarts naar Lambaroe werd ingeslagen. Die weg voerde langs onze posten Lampeneroet en Lamreng. Het terrein was vlak en, evenals straks, met rijstvelden en klappertuinen bedekt. In het Zuiden en het Oosten, werd het gezicht door hooge bergruggen begrensd, die elkander daar heel ver in het Zuidoosten in den vorm van het uiteinde van een trechter naderden. Visbergen wees in die richting en zei:
„Dat is de vallei der Atjeh-rivier.quot;
Bij aankomst te Lambaroe werd wat gepleisterd, om den paarden eenige verademing te schenken. Men had zoo omstreeks 10 kilometer afgelegd en, daar de weg niet slecht was, daarby den teugel nogal gevierd. De officieren van het garnizoen betoonden de meest mogelijke gastvrijheid. Het lekkerste, wat zij onzen reizigers evenwel konden aanbieden, was een dronk klapperwater met een scheutje rooden wijn er in. Allen, en niet het minst de dames, verklaarden dat dit een zeer verfrisschende drank was.
Van Lambaroe liep de weg steeds door klappertuinen langs de Atjeh-rivier. Men passeerde de posten Lampermey en Pango. Bij laatstgenoemden werd de weg verlaten en een voetpad ingeslagen, hetwelk zich van de rivier verwijderde en zich noordwaarts op door uitgestrekte sawahs naar Oleh Karang richtte. Gelukkig waren die rijstvelden droog.
„Ik ben eens benieuwd,quot; zei Visbergen, die in de nabijheid van den kolonel reed, „of wij hier zonder kleerscheuren zullen voorbij komen. Dat is hier een verwenscht plekje. Ik heb hier nogal eens vuur gehad.quot;
„St....quot; zei de kolonel. „Ik merk beweging bij onze voorhoede.... Te donder!... daar heb je van dat gespuis! Sabels en revolvers in de hand!quot; klonk het commando. „Sluit u dicht om de dames heen!quot;
EEN KIT DOOK GEOOT-ATJEH. — DE TABAKSCULTTJUK.
Daar ging de dans los. üit den kampongrand van Grelah werden eerst uit de verte een paar schoten op ons troepje gelost, die evenwel niemand deerden. Toen echter onze cavalcade den rand van kampong Tjiri, dien men doortrekken moest, naderde, trad een bende van een veertigtal Atjehers daaruit te voorschijn, loste in der haast een zeer slecht gericht salvo en trachtte de sawah over te steken om ons troepje met het blanke wapen aan te tasten. De cavaleristen der eskorte wierpen zich evenwel den vijand te gemoet en nu had daar op die sawahvlakte een briljante ruitercharge plaats, die den heeren van ons reisgezelschap ten volle bewondering inboezemde. De dames Jaffrezic en Van Berkenstein hielden sidderend de handen voor de oogen. Alleen Clotilde Visbergen keek met schitterenden blik en trillende neusvleugels toe en kon zich niet weerhouden bijwijlen uit te roepen:
„Bravo! flink zoo!quot;
Voor die charge week de vijandelijke troep, maar vatte nu post in den kampong-rand en opende van daar uifc een levendig vuur, dat door den afstand gelukkig geen verliezen teweegbracht. Het stond evenwel te bezien of de toestand niet gevaarlijk zou worden, wanneer men dien kampong, dien men toch door moest, om Oleh Karang te bereiken, meer naderde. Reeds nam het vijandelijke vuur in hevigheid toe en sloegen de kogels allerwegen rondom ons troepje hoorbaar in den grond; toen plotseling vóór en achter hoornsignalen gehoord, achter den rand van kampong Tjiri eenige salvo's vernomen werden en men den vijand uit dien rand zag te voorschijn stuiven, de sawah oversteken en in den kampong Lamkapang spoorloos verdwijnen.
Wat was er gebeurd ! Bij de eerste schoten, die weerklonken, hadden de commandanten van Pango en Oleh Karang detachementen infanterie uitgezonden en het was het troepje, tot de bezetting van laatstgenoemden post behoorende, dat de zoo gewenschte afleiding bezorgde en de Atjehers het hazenpad deed kiezen. Gelukkig hadden wij geen onheilen te betreuren. Eenige schampschoten, die een paar cavaleristen opgeloopen hadden, werden niet in tel genomen. Te Oleh Karang wenschte men elkander geluk met een schuimende bokaal in de hand over den goeden afloop dezer schermutseling en werd een dronk gewijd aan de dames, die bij dezen vuurdoop een zoo dappere houding aan den dag gelegd hadden.
„Was er maar mogelijkheid toe geweest, dan had ik wel de plaat gepoetst,quot; mompelde mevrouw Jaffrezic binnensmonds. „Ik geef mij niet uit voor een heldin.quot;
Te Oleh Karang vernam de kolonel dat een paar uur geleden een hevig geweervuur in de richting van Toengkoep was vernomen, dat de patrouille, die op kondschap uitgezonden werd, evenwel nog niet terug was. De cavalcade reed nu spoorslags voort langs Kota Alam naar Pantej Perak en het was ongeveer twee uren in den namiddag, toen onze reizigers in het hotel rondom de rijsttafel zaten. Zij hadden ruim 25 kilometer te paard in het warme zonnetje van Atjek afgelegd.
100
EEN HIT 1)1)01! GROOT-ATJEH. —
101
DE TABAKSCULTUUR.
De partij in de Atjeh-Club was — als het kon — nog meer geanimeerd dan de receptie bij den Grouverneur. Men amuseerde er zich kolossaal. En de feestvreugde zou ten top gevoerd zijn, ware zij niet gestoord geworden door een tiental geweerschoten, die omstreeks middernacht in de richting van het Zuiden vernomen werden.
„Dat is bij Nesoeh!quot; riepen eenige officieren.
Zeer spoedig daarop knetterde een hevig geweervuur in de nachtelijke stilte. Alarm werd geslagen en geblazen. De officieren, die verreweg het grootste aantal van de partij vormden, snelden heen. Er liet zich allerwegen tromgeroffel, wapengekletter hooren. Detachementen rukten uit, ordonnancen renden spoorslags heen en weer; in het kort: het was een leven als een oordeel, terwijl in de verte dat akelige vuren nog aanhield.
„Zoo'n alarm gebeurt hier zeer dikwijls,quot; vertelde een der dames, die te Kota Radja woonde en ook haar echtgenoot had zien heensnellen. „Komt, wij zullen maar naar huis gaan. Van dansen komt toch niets meer!quot;
Neen, van dansen kwam niets meer. Ons reisgezelschap ging de slaapsteden in het logement opzoeken. Een paar uur later rukten de detachementen in en verzonk alles in Kota Radja in diepe rust.
Den volgenden ochtend stapten onze toeristen zoo omstreeks 9 uren aan boord. De „Zeemeeuwquot; lichtte het anker en stevende noordoostwaarts om volle zee te bereiken. Toen het vaartuig huiten kwam, heerschte daar een stijve noordwestenwind, die kapitein Meerman noopte om, ter wille van de veiligheid, buiten het gezicht van den wal te loopen. Dat was jammer; want van de geheele Noordkust van Atjeh kregen onze reizigers nu niets te zien. De boot koerste, nadat zij Poeloe Way voorbijgestoomd was, ongeveer een vol etmaal Oost, waarna zij Zuid-Oost begon af te houden en Straat Malakka instevende. Den geheelen dag werd geen land bespeurd. Tegen den avond evenwel werd Zuid voorgelegd en kwam een lage kust te voorschijn. Men naderde al meer en meer, totdat de invallende duisternis belette verder te gaan. Kapitein Meerman bracht de „Zeemeeuwquot; ten anker; omdat hij helder voor zich uit moest kunnen zien en ook hoog water noodig had om, over de bank te kunnen komen.
Den volgenden morgen stevende de boot de Deli-rivier in, legde bij Kapala Angin aan en werd met trossen aan het laadhoofd vastgemeerd om steenkolen in te nemen. Daalde vloed ging, heten onze reizigers zich met sloepen de Deli-rivier verder op roeien, tot bij den steiger te Laboean Deli, alwaar zij aan wal stapten. Visbergen, die hier in 1875 met de leiding der militaire verkenningen belast was geweest, liep heen en kwam een oogenblik later terug met zes éénspannige voertuigen, die veel hadden van de achterste helft van een Bataviasche palankijn. In ieder dier kastjes konden slechts twee personen geborgen worden; terwijl de koetsier, in die streken steeds een Klingalees, op een klein voorbankje kon plaats nemen, maar er de voorkeur aan gaf, om naast zijn rossinant te
EEN RIT DOOK GROOT-ATJEH. — DE TABAKSCULTUUR.
loopen. Zoo reed onze stoet door Laboean Deli, de havenplaats van dat tabaksland bij uitnemendheid. Buiten die plaats werd de weg door talrijke kampongs omzoomd, afgewisseld door notemuskaattuinen, waarvan eenige op een zeer ouden aanplant duidden. Bij kampong Tandjoeng Sepassei reed men het huis Carlsruhe voorbij, dat tot residentie van den controleur van Laboean Deli diende, en bij kampong Gloegoer kreeg men pas de eerste tabaksvelden in het oog. Het was ongeveer 8 uren, toen de stoet Medan bereikte. De Klingaleesche koetsiers hadden flink gereden. Medan is toch ruim 12 palen of 18 K. M. van Laboean Deli verwijderd. Visbergen bracht zijn gezelschap bij den directeur der Deli-Maatschappij, met wien hij eenigermate bekend was en wien hij het verzoek deed, den toeristen een overzicht te leveren van de tabakscultuur in het Delische rijk. De heer Cremer, een uiterst welwillend man, voldeed aan dit verzoek met de meest mogelijke heuschheid. Hij verzocht den toeristen plaats te nemen en begon zijn verhandeling:
„Ik zal in de allereerste plaats over de verhoudingen hier ter plaatse spreken. Gij allen weet ongetwijfeld, dat de Delische tabak een zekere beroemdheid heeft verkregen door haar fijn en veerkrachtig blad. Het is nog niet lang geleden, dat hier de eerste aanplant ondernomen werd. Gaan wij slechts een 16 of 18 jaren terug: toen was hier alles nog maagdelijk bosch, waar gij nu uitgestrekte aanplantingen van klapperboomen, van notemus-kaatboomen, van pisangs enz. aantreft. Maar het was vooral na het jaar 1874, toen de Deli-tabak zulke hooge prijzen op de Europeesche markt behaalde, dat de cultuur den stoot verkreeg, die haar op haar tegenwoordig standpunt bracht. Die prijzen hebben zich wel is waar later, ten gevolge van de snel toegenomen productie, niet gehandhaafd; toch worden nog groote voordeden genoten op de ondernemingen, waarop goed beheer heerscht en die slechts zorgvuldig gekozen terreinen exploiteeren. De tabakscultuur wordt evenwel hier nog steeds op volstrekt extensieve methode — in den slechten zin wel te verstaan — gedreven.quot;
„Wat verstaat gij door extensieve methode?quot; vroeg Montauban, die, aan een stenograaf gelijk, bezig was met het potlood te schermen, alsof hij alles op papier wilde brengen. „Neem een vreemdeling niet kwalijk, dat hij uw vaktermen zoo niet dadelijk begrijpt.quot;
„Ik geloof, dat die extensieve methode, die hier gebezigd wordt,quot; viel Vogels in, „met geen anderen naam te bestempelen is dan met roofbouw, nietwaar?quot;
De directeur boog met een glimlach, maar beantwoordde die vraag niet direct.
„Jaarlijks wordt van grond verwisseld,quot; ging hij voort, „en de gebruikte velden blijven braak liggen, totdat gebrek aan maagdelijk terrein later noodzaken zal, daarop terug-te komen. Of evenwel tabak van dezelfde superieure qualiteit bij een tweede beplanting zal voortgebracht worden, wordt door velen sterk betwijfeld.
„De gronden, waarop die eerste aanplant geschiedt, zijn in den regel met zwaar bosch overdekt. Het perceel, dat men bepooten wil, wordt gewoonlijk in het droge
102
seizoen, dat in April begint, door een ploeg Battaks '), die daartoe aangenomen worden, van hoog geboomte en struikgewas gezuiverd. Dat wil zeggen: dat het geheele bosch op dat perceel geveld wordt. Zoodra dat kappen afgeloopen en de gevelde houtmassa genoegzaam door de zon geblakerd is, wordt zij door dezelfde Battaks in brand gestoken. Zoo'n perceel gelijkt dan een vuurzee. Daarna worden wegen aangelegd en langs dezen worden de vakken afgedeeld, welke door de Chineesche contract-arbeiders met tabak moeten beplant worden. Die arbeiders zijn in ploegen van 25 tot 30 man afgedeeld. Iedere ploeg gehoorzaamt aan een opziener en bewoont met hem een gemeenschappelijke loods. Ieder arbeider is gehouden het gedeelte van den weg, hetwelk langs zijn plantsoen voert, te onderhouden. Hij plant zijn tabak, levert zijn product af aan den ondernemer, met wien hij contract heeft, en wordt naar de soort, die behoorlijk getaxeerd wordt, uitbetaald.
„De veldarbeid begint gewoonlijk in Februari. De plantjes, die vooraf op kweek-beddingen gewonnen zijn, worden zooveel mogelijk in rij en gelid tusschen de half verbrande boomstronken en boomwortels, die in den bodem bleven, geplant. Het geheele perceel wordt evenwel niet ineens beplant. Men doet dat met tusschenpoozen, om later niet een te overvloedigen oogst tegelijk te behandelen te hebben. De oogst van de eerst beplante gedeelten treedt gewoonlijk in Juni in; alsdan is de jongste aanplant ternauwernood volbracht. De droogloodsen zijn langs de aangelegde wegen opgericht en daarin wordt het product afgeleverd.quot;
„Welke tabaksoort wordt hier in Deli geteeld?quot; vroeg Moutauban.
„Ja, van waar de Deli-tabak gekomen is,quot; antwoordde de directeur, „is niet te zeggen. Toen eenige Europeesche industriëelen zich, nu omstreeks 18 jaren geleden, in dit rijk vestigden, om er tabak voor de Europeesche markt te telen, vonden zij de thans gebezigde soort in cultuur bij de bevolking. Ontwijfelbaar behoort zij tot de Nicotiana Chinensis, maar door haai- lijn, veerkrachtig blad schijnt zij als een overgang tot de Nicotiana tabacum of tot de edelste Havana-soorten te vormen.quot;
„Vertel ons nu ook iets van de cultuur zelve,quot; verzocht Moutauban.
„Wij zullen buiten gaan en daar de aanplantingen bezichtigen,quot; zei de directeur. „Ik geloof dat gij dan meer aan mijn uitleggingen zult hebben.quot;
Wel was het warm buiten op die velden, waar geen boom zijn schaduw verleende; maar niemand beklaagde zich daarover, want allen, tot de dames toe, waren weetgierig genoeg, om op die warmte geen acht te slaan. Buiten gekomen, vervolgde de directeur:
„Ziet, hier hebt gij in de nabijheid van het établissement de kweekbeddingen. De grond wordt goed omgewerkt en daarna bezaaid. Men heeft vooraf evenwel het tabaks-
') De Battaks vormen een stam, die in de binnenlanden van Sumatra woont. Het zijn heidenen en ver-acliillen zeer veel in geaardheid en levenswijze met de Maleische bevolking, die de kustlanden van dit eiland bewonen.
EEN KIT DOOK GROOT-AT JEH. — DE TA BA KSCÜLTUUK.
zaad gedurende een vijftal dagen uitgespreid gelegd op natte doeken, om het een begin van kieming te doen ondergaan. Bij groote droogte worden die kweekbeddingen door afdakjes tegen de brandende zonnestralen beschut. Zoodra de zaailingen trekbaar zijn, worden zij op de velden uitgeplant op een afstand van ongeveer 2Va Rijnl. voeten. Kijkt, daar hebt gij een pas bepoot veld! Gij ziet, dat elk plantje door een stevig blad, hetwelk er naast in den grond gestoken is, tegen wind en zonnestralen beschut wordt. Die beschutting kan na een kleine veertien dagen vervallen. De grond wordt dan rondom goed losgewerkt en het terrein zorgvuldig gewied. Nu groeit de plant zeer snel en ontwikkelt bij gunstig weer spoedig een bloemknop. Ziet, daar hebt gij een veld, hetwelk in bloei staat. Is dat overzicht van die bleek-paarse bloempjes boven die lichtgroene planten niet fraai?quot;
„Zeker,quot; betuigde mevrouw Van Berkenstein; „maar wat voert die Chinees daar te midden van dien aanplant uit?quot;
„Die is bezig met toppen. Ziet, hij knijpt met de vingers den bloemknop af. Dat toppen is een bewerking, die veel zorg vereischt; want topt de arbeider te diep, dan worden de bladeren te zwaar, te grof; topt hij te hoog, dan blijven de topbladeren, die de meeste waarde hebben, te klein. Gewoonlijk wordt de bloemknop met de vier hoogste bladeren weggeknepen. De plant tracht na die topping in de bladoksels nevenscheuten te vormen, die ook zorgvuldig weggenomen moeten worden. Na de topping rijpt de tabak spoedig. Ziet, daar op dat veld beginnen de bovenste bladeren reeds te hangen. Daarginds is men bezig met oogsten. De bladeren worden afgesneden en naar de droog-loodsen gebracht. Die loodsen zijn gesloten en worden donker gehouden; licht noch tocht mogen er in toegelaten worden. Na 30 of 40 dagen in die loodsen gehangen te hebben, is de tabak droog genoeg, om in onderste-, middelste- en topbladeren te worden gesorteerd. Uit elke partij worden de bladeren van gelijke kleur en lengte tot bossen van 40 tot 50 stuks te zamen gebonden. Die bossen worden nu naar de afpakloodsen overgebracht, om daar de broeiing en verdere afwerking te ondergaan. Men stapelt de bossen op elkander in flinke hoopen en reeds den volgenden dag is de temperatuur van het binnenste van zoo'n stapel merkbaar toegenomen. Na die broeiing, welke weken lang duurt, wordt de tabak op lengte gezet, dat wil zeggen: het product wordt volgens lengte uitgezocht. Daarna wordt het nogmaals volgens kleur gesorteerd. Is dat geschied, dan wordt de tabak in balen van 100 K. G. verpakt. Zietdaar in hoofdtrekken, wat ik u van de tabakscultuur te vertellen liad.quot;
Onze toeristen betuigden den heer Cremer hun dank.
„Maar, ik zie slechts Chineezen aan den arbeid,quot; merkte Ollerupp op. „Wij zijn toch niet in China?quot;
„Neen,quot; antwoordde de directeur lachend. „De bevolking van Deli bestaat, voor zooveel dit op te geven is van een land, waar geen burgerlijke stand gevonden wordt, uit
104
d
EEN HIT DOOK GKOOT-ATJEH. — DE TABAKSCULTUUR.
12,000 Maleiers en 20,000 Battaks. Eerstgenoemden zijn te lui en te vadsig, om voor eenigen arbeid gebezigd te kunnen worden. De Battaks leenen zich tot niets anders dan tot het opruimen van het woud. Dat is hun goed toevertrouwd. Wat het tabaksplanten aangaat, veel proeven zijn met Javanen en andere inboorlingen van Nederlandsch-Indië genomen. Men is evenwel van dit alles teruggekomen en geeft de voorkeur aan Chineezen, waarvan er ongeveer 10,000 in het Delische rijk aanwezig zjjn.quot;
Onze reizigers hadden redenen om, èn over de gegeven toelichtingen èn over de gemaakte wandeling door de tabaksvelden, tevreden te zijn, en keerden dan ook voldaan naar de woning van den heer Cremer terug.
Tandjong Pisang.. Stom op zee.
Des avonds hadden onze toeristen gelegenheid een diner bij te wonen, dat de ondernemer van de Estate Nieuw-Rotterdam, aan de samenvloeiing van de Soengei's (riviertjes) Balawan en Singkoel gelegen, bij gelegenheid van de verjaring zijner echtgenoote, den hem omringenden planters aanbood en waartoe de heer Cremer voor de noodige invitatiën had gezorgd. De tocht derwaarts geschiedde in enkele dos-ix-dos langs wegen, die maar al te zeer de oorspronkelijkheid eener Europeesche vestiging in het Delische rijk aanduidden. Soms toch was er van een weg geen spoor te zien, en keken de reizigers naar de paarden uit, die de voertuigen trokken en meestal te raidden van struiken of van hooge alang alang niet te bespeuren waren. Maar het waren edele, vurige dieren, de Battaksche paarden, die gebezigd werden. Alle hinderpalen werden overwonnen en de Estate Nieuw-Rotterdam werd zonder ongeval bereikt. Met gejuich werden onze reizigers èn dooiden ondernemer — een gemoedelijken Duitscher — met zijn familie, èn door de reeds verzamelde planters ontvangen. In Deli geldt nog steeds het oude spreekwoord; hoe meer zielen, hoe meer vreugd! Het diner was uitstekend; terwijl de feestvreugde de verzamelde genoodigden tot de meest aangename stemming verlokte. Het was een heterogene menigte, die daar om den gastvrijen disch zat. Behalve ons reisgezelschap, hetwelk toch nog al verscheidenheid van landaard aanbood, zaten daar Hollanders, Franschen, üuitschers, Noren, Spanjaarden, Italianen, Engelschen en Polen, allen planters, niet hun familiën, die zoo wat in elkanders nabijheid geplaatst waren en zich dan ook meestal in hun taaleigen onderhielden; zoodat een mengelmoes daar vernomen werd, hetwelk zelfs een volleerd poljgloot tot wanhoop zou gebracht hebben, en het cosmopolitisch karakter der Europeesche bevolking van Deli ten volle aangaf. Voegt men hierbij het bedienend personeel, dat uit eenige Javanen, Chineezen en Klingaleezen bestond, welke beide laatste landaarden met hun luidruchtigheid en scherpe keelgeluiden zich niet het minst lieten gelden, dan is hetes avonds hadden onze toeristen gelegenheid een diner bij te wonen, dat de ondernemer van de Estate Nieuw-Rotterdam, aan de samenvloeiing van de Soengei's (riviertjes) Balawan en Singkoel gelegen, bij gelegenheid van de verjaring zijner echtgenoote, den hem omringenden planters aanbood en waartoe de heer Cremer voor de noodige invitatiën had gezorgd. De tocht derwaarts geschiedde in enkele dos-ix-dos langs wegen, die maar al te zeer de oorspronkelijkheid eener Europeesche vestiging in het Delische rijk aanduidden. Soms toch was er van een weg geen spoor te zien, en keken de reizigers naar de paarden uit, die de voertuigen trokken en meestal te raidden van struiken of van hooge alang alang niet te bespeuren waren. Maar het waren edele, vurige dieren, de Battaksche paarden, die gebezigd werden. Alle hinderpalen werden overwonnen en de Estate Nieuw-Rotterdam werd zonder ongeval bereikt. Met gejuich werden onze reizigers èn dooiden ondernemer — een gemoedelijken Duitscher — met zijn familie, èn door de reeds verzamelde planters ontvangen. In Deli geldt nog steeds het oude spreekwoord; hoe meer zielen, hoe meer vreugd! Het diner was uitstekend; terwijl de feestvreugde de verzamelde genoodigden tot de meest aangename stemming verlokte. Het was een heterogene menigte, die daar om den gastvrijen disch zat. Behalve ons reisgezelschap, hetwelk toch nog al verscheidenheid van landaard aanbood, zaten daar Hollanders, Franschen, üuitschers, Noren, Spanjaarden, Italianen, Engelschen en Polen, allen planters, niet hun familiën, die zoo wat in elkanders nabijheid geplaatst waren en zich dan ook meestal in hun taaleigen onderhielden; zoodat een mengelmoes daar vernomen werd, hetwelk zelfs een volleerd poljgloot tot wanhoop zou gebracht hebben, en het cosmopolitisch karakter der Europeesche bevolking van Deli ten volle aangaf. Voegt men hierbij het bedienend personeel, dat uit eenige Javanen, Chineezen en Klingaleezen bestond, welke beide laatste landaarden met hun luidruchtigheid en scherpe keelgeluiden zich niet het minst lieten gelden, dan is het
TANDJONG PINANG. — STORM OP ZEE.
wel te beseffen, dat onze toeristen daar een gastmaal bijwoonden, waarvan zij in de verste verte niet hadden kunnen droomen.
Aan alles komt een einde, zelfs aan een Delisch diner, hoezeer gastheer en gastvrouw zich ook beijverden, om hun gasten het voortijlen van den tijd te doen vergeten. Het was ongeveer 9 uren, toen Van Berkenstein den gastheer verzocht de dos-k-dos te laten voorkomen, om naar Laboean Deli terug te keeren. Deze lachte luidkeels over het denkbeeld, om bij stikdonkeren nacht, en dat nog wel langs de Delische wegen, zoo'n tocht te ondernemen.
„Neen,quot; zei hij, „laat dat plan varen. Ik weet een veel beter. Er ligt hier aan den oever een „belongkangquot; (platboomd vaartuig), die ik zal laten bemannen. Daarmede kunt gijlieden de Balawan-rivier afzakken, en zult gij zoo omstreeks middernacht aan boord der „Zeemeeuwquot; zijn.quot;
Dankbaar werd dat voorstel aangenomen. Het was een fantastische tocht in dat oorspronkelijke vaartuig op die snelvlietende rivier, welke zich in duizend bochten kronkelde, maar toch een gemakkelijken overtocht aanbood. De Balawan stortte zich bij Kapala Angin in de Deli-rivier en; zooals de ondernemer van de Estate Nieuw-Rotterdam voorspeld had: het was ongeveer middernacht, toen ons gezelschap aan boord van de „Zeemeeuwquot; terug was.
Den volgenden morgen werd de reis vervolgd. De boot stevende nu nagenoeg dwars Straat Malakka over en stoomde onder de kust van den vasten wal zuidwaarts. De reis duurde bijna drie volle etmalen; het was evenwel nog nacht, toen men de Karimon-eilanden stuurboord vooruit in het gezicht kreeg. Men kwam nu in de nabijheid van Singapore, hetgeen trouwens door de aanwezigheid van zeer vele en van allerhande schepen en vaartuigen aangeduid werd. Tandjoeng Boeroe, de zuid westelijkste spits van het schiereiland Malakka, werd gerond; toen stevende de „Zeemeeuwquot; oostwaarts op, passeerde een menigte eilandjes, waarvan Poeloe Sikra het voornaamste was, en de zon rees ter kimme; toen ons stoomschip het kanaal invoer, hetwelk door Poeloe Pandjang aan de ééne en door het eiland van Singapore aan de andere zijde gevormd werd. Verrukkelijk was de vaart door dien nauwen zee-arm. Hoe vroeg het ook was, zoo waren toch al onze reizigers op het dek, om dien aanblik te genieten. Op de talrijke heuveltoppen, die zich op beide eilanden verhieven, prijkten villa's en bungalows, die, hoewel half verscholen in het groene loof van de sierlijke schaduw- en vruchtboomen, welke hen omgaven, zich toch bevallig en schilderachtig in het blauwe water der zee spiegelden en daar een dubbelbeeld vormden. Hoe verder de „Zeemeeuwquot; de Straat instevcnde, hoe drukker het verkeer werd. Allerwegen kruisten zich stoombooten met volschepen, met barken, met brikken, met schoenerbrikken, met schoeners enz., die evenwel allen door kleine stoombootjes gesleept werden, met sampang's pandjang, in die streken de gebruikelijke Inlandsche vaartuigen, welke zich door middel van lange riemen voortrepten, met sampang's Tjina, die vreemd-
107
108
soortige vaartuigen, veel op monsters gelijkende, welke slechts door één opvarende voortgewrikt werden. Langs den linkeroever strekten zich scheepshellingen en werven uit; werd men steenkolen-loodsen en verdere magazijnen gewaar, die aan een rijksinstelling deden denken. De „Zeemeeuwquot; stoomde eindelijk Straat Pandjang uit en kwam nu op New-Harbour, waar zij te midden van honderden schepen en vaartuigen doorvoer en waar onzen reizigers een blik gegund werd: op de grootsche dokken, die in de rots uitgehouwen zyn en Singapore tot de meest doelmatige zeehaven van het Oosten maken, op de kolossale steenkolen-loodsen, die daar, ten gerieve van alle handels- en oorlogsstoomers, die haven tot een onmisbare aangeven bij haar ligging op de grenzen van twee wereldzeeën. Voorbij New-Harbour strekte zich de reede van Singapore uit, waar zeer vele schepen van allerlei natiën voor anker lagen. De „Zeemeeuwquot; stoomde dicht onder den wal en onze reizigers konden zich verlustigen in den aanblik op de Engelsche, maar toch Oostersche koopstad. Op den voorgrond strekte zich een groen grasveld uit, de geliefde vereenigingsplaats der Engelsche cricketspelers des namiddags. Daar, op die kaap, stond een batterij getrokken 24 c. M. kanonnen, die de reede bestreek. Achter die batterij verhief zich het comedie-gebouw, iets verder het Nederlandsch Consulaat, het Hotel de l'Europe, de hoofdkerk enz. En daarachter strekte zich de handelsstad uit met haar gewemel van geldzuchtige Europeanen, Ohineezen, Arabieren en Klingaleezen. Op den achtergrond verhief zich, op een vrij hoogen heuvel, het fort Cornwallis, dat met zijn kanonnen de stad en de reede beheerschte. Onze kleine „Zeemeeuwquot; salueerde de Engelsche vlag, die daar aan den seinmast op de esplanade van het fort in den wind golfde en statig driemalen op- en neergehaald werd, om dien groet te beantwoorden.
De koers werd nu Zuid ten Oosten genomen, totdat men Tandjong Nongso, den noordoostelijken hoek van het eiland Battam, dwars had; toen werd Zuid voorgelegd.
„Wij zijn nu in Straat Riouw,quot; verklaarde kapitein Meerman, „en varen thans tusschen Poeloe Battam en Poeloe Bintang door, hoewel eenige kleinere eilanden, zooals daar, aan stuurboord, Poeloe Sauw en Poeloe Ingat, en aan bakboord Poeloe Batoe, gelegen zijn. Ziet, daar schieten wij tusschen Poeloe Lobang besar en Poeloe Bintang door. Wij liggen reeds Oost voor; nog een half uur, dan krijgen wij Riouw in het gezicht.''quot;
„Stuurman Barend, die thans op de brug staat, schijnt hier het vaarwater goed te kennen,quot; merkte Van Berkenstein op.
„Ja, beter dan ik,quot; lachte kapitein Meerman. „Hij was geruimen tijd stuurman op de „Soendaquot;. die den pakketdienst tusschen Riouw, Singapore en Deli waarnam. Dat traject hier heeft hij zeker honderdmaal in zijn leven afgelegd.quot;
De „Zeemeeuwquot; stoomde langs het eiland Penjingat, vlak op Poeloe Tandjong Pinang, waarop Riouw gelegen is, aan. Onze reizigers verlustigden zich in den aanblik, welken het fraaie vaarwater bood. De witte huizengroepen, zoowel van het Europeesche kwartier van Riouw als van het Chineesche kamp, spiegelden zich in de heldere
n opvarende werven uit; rijksinstelling nu op New-i waar onzen ehouwen zijn de kolossale rs, die haven eeën. Voorbij i van allerlei mze reizigers ;he koopstad, agsplaats der rij getrokken het comedie-)ofdkerk enz. geldzuchtige zich, op een en de reede lar aan den nalen op- en
Nongso, den •gelegd.
varen thans inden, zooals atoe, gelegen ng door. Wij t.'5
rater goed te
stuurman op i. Dat traject
oe Tandjong den aanblik, Europeesche de heldere
TANDJONG PINANG. — STOKM OP ZEE. 109
wateroppervlakte; terwijl het eiland zich daarachter heuvelachtig verhief en een bekoorlijken achtergrond vormde. Men naderde al meer en meer, totdat kapitein Meerman zijn vaartuig op een kleinen afstand van de landingsplaats ten anker bracht. In weinige oogenblikken stond ons reisgezelschap aan wal en werd door den resident van Riouw en Onderhoorig-heden allerliefst ontvangen.
Onder het geleide van dien hoofdambtenaar bezichtigden onze toeristen de plaats, bewonderden het residentiehuis, dat, keurig lief, onder zijn Tjemara-boomen verscholen, aan den oever der zee gelegen was, verder het fort, een kroonwerk uit den ouden tijd, dat de plaats en de reede met zijn geschut bestreek en in welks nabijheid op de helling van den heuvel, waarop de veste verrees, een koepel aangetroffen werd, van waaruit het meest betooverende gezicht genoten werd over den zeearm tusschen Poeloe Tandjong Pinang en Poeloe Senggarang en welke derhalve een plekje vormde, zooals het meest dichterlijke brein of twee gelieven zonden kunnen droomen, om zich in de meest verrukkelijke omgeving te bevinden. Men bezocht verder de plaats, die schilderachtig op de heuvelhellingen gebouwd was; de sociëteit, dat gezelligheidsplekje bij uitnemendheid in Indië; en het Chineesche kamp, dat, onder den invloed van het Nederlandsch bestuur, een voorbeeld van aanleg en reinheid voor het naburige Singapore mocht genoemd worden. Onze reizigers waren hoogst voldaan en betuigden hun vriendelijken geleider bij hun terugkeer in het residentiehuis hun dank.
„Wat is het voornaamste voortbrengsel van deze streken?quot; vroeg Montauban den resident.
„Hier, in den Riouw-archipel,quot; antwoordde deze, „wordt veel handel door Chineezen en Klingaleezen gedreven; het grootste gedeelte der bevolking oefent het bedrijf van visscher uit, en de uitvoer van „tripangquot; ') naar China is inderdaad belangrijk; maar het voornaamste product dezer eilanden is de „gambierquot;, die overal gewild is.quot;
„„Gambierquot;, wat is dat?quot; vroeg Montauban.
„De „gambierquot; is de Catechu van den handel, de Terra Japonica der geleerden. Gij hebt zeker wel op de „passarsquot;, die gij op uw omzwervingen door Nederlandsch-Indië bezocht hebt, van die roodgele teerlingen, ter grootte van een grooten dobbelsteen, te koop zien aanbieden. Dat is „gambierquot;. Voor den Inlander is hij onmisbaar bij het gebruik van zijn sirihpruim; voor de nijverheid heeft de „gambierquot; groote waarde, daar hij van 50 tot (iO pet. looizuur inhoudt en dus in vele industriëele vakken gebruikt wordt.'1
„Wordt die Terra Japonica, dat Japansche aarde beteekent, nietwaar? hier in deze streken gevonden?quot; vroeg Montauban.
') Tripang — Holothuria odulis, een variatie der Holothurtón, allen bewoners der zee, die tot de Stekel-huldigen (Echinodermata) behooren. De tripang is de bedoelde Holothuriën-soort in gedroogden toestand en een zeer gewilde kost bij de Chineezen. De handel daarin is dan ook, zoowel in den Riouwschen Archipel als in de Mol ukken, zeer aanzienlijk.
110
„Zij wordt hier gewonnen, hier vervaardigd, niet gevonden,quot; antwoordde de resident glimlachend,
„Het is dus geen aardsoort, waarvan die „gambierquot; toch veel heeft?quot;
„!Neen; hoewel op de breuk dof, aardachtig en poreus, is de „gambierquot; een zuiver plantaardig product. Luistert, ik zal er van mededeelen, wat voor ulieden wetenswaardig kan zijn.
„De „gambierquot; wordt hier getrokken uit een plant, welke door den Inlander hier ook Gambier genoemd wordt. Bij de plantenkimdigen heet ze Uncaria Gambir, die tot de familie der Rubiaceae behoort. Het is een heester, die door stekken, maar nog meer door zaden aangekweekt wordt. De plantjes, uit deze laatsten ontkiemd, bereiken na 2 tot 3 maanden een hoogte van 5 c. M. ongeveer. Zij worden alsdan in den vollen grond overgebracht en op een ouderlingen afstand van 4 tot 6 voeten geplant. Na zes maanden zijn de heesters ongeveer drie voet hoog geworden; zij worden nu getopt of de verticale groei der nog groene stammetjes wordt door ombuiging en belasting met hout of steenen gestuit, om bij de latere inzameling der bladeren geen moeilijkheid te ondervinden.
„De bladeren der Uncaria Gambir zijn ovaal, spits toeloopend, glad en gaafrandig. Zij zijn met korte steeltjes kruiswijs op de takken geplaatst. Uit de bladoksels ontwikkelen zich de bloemen, in kogelronden vorm vereenigd.
„Zoodra de heesters voldoende ontwikkeld zijn, worden de jonge groene takjes met hun bladeren afgesneden en in manden naar een loods gebracht, die in de nabijheid van stroomend water moet gelegen zijn. In die loods worden de bladeren in groote ijzeren of koperen pannen met zeer zuiver water gekookt. Die uitkoking duurt ongeveer twee uren. Daarna wordt de bladmassa uitgeperst en het afkooksel tot extract-dikte uitgedampt, gedurende welke operatie de ziedende massa vlytig afgeschuimd moet worden. Deze uitdamping is nagenoeg in 6 uren volbracht. Zoodra die extract-dikte is bereikt, wordt het product in houten bakken overgeschept en laat men het onder gestadig omroeren stollen. De massa is binnen 24 uren vast en wordt nu met zeilgaren op de vereischte maat gesneden en verder in de zon gedroogd, waarbij zij de gewone bruin-roode kleur aanneemt.
„Gewoonlijk wordt 3- of 4-maal in het jaar geoogst en kan een gambier-aanplant 20 jaren lang goed product afwerpen. In dezen uitgestrekten archipel is de voortbrenging der gambier niet te controleeren; maar zeer waarschijnlijk gaat zij een millioen pikols te boven, die naar Singapore, naar China, naar Europa, naar Amerika enz. uitgevoerd worden. Stelt gij nu, dat het verbruikscijfer op een uitgaaf van 22 cents per K. G. wijst, dan, al valt de helft daarvan ook af voor de winsten van den groothandel, kunt gij narekenen hoe belangrijk die cultuur voor deze gewesten is.quot;
Onze toeristen bedankten den resident voor zijn inlichtingen, alsook voor zijn gastvrijheid, die zij in de ruimste mate genoten. Tegen den avond gingen zij evenwel aan boord terug, waarna de „Zeemeeuwquot; haar anker lichtte en zee koos.
De koers werd nu Zuid-Oost genomen. Het doel was om langs de Karimata-eilanden naar de Westkust van Borneo en daarna naar de Java-zee te stoomen, de Zuidkust van Borneo langs te stevenen om een bezoek aan Bandjermasin te brengen. Onverdroten koerste de „Zeemeeuwquot; voort. Het was een lange tocht, dien het kleine scheepje thans had af te ]eggen. Tot nu toe hadden de reizigers niet over het weer te klagen gehad; integendeel, zij konden nog slechts op gunstige gelegenheid wijzen. In de Chineesche Zee zouden zij het evenwel anders ondervinden. Daags na hun vertrek van Riouw feliciteerde kapitein Meerman het gezelschap, bij gelegenheid dat de Evenaar gesneden werd en men weer in het zuidelijk halfrond terechtkwam. Zijn gelaat teekende echter bezorgdheid, toen hij later, met Van Berkenstein, H. Jaffrezic en Montauban alleen sprekende, de mededeeling deed:
„Het is heden 21 September; de zon is dus gereed om, evenals wij, naar het Zuiden te trekken; .... maar de barometer daalt schrikbarend. Ik heb nog zelden in deze streken een zóó lagen barometerstand gezien. Dat voorspelt ons een equinoxiaal storm, die in deze streken niet malsch kan worden.quot;
„7reest gij, dat er gevaar ontstaan zal?quot; vroeg de Fransche zee-officier.
„Hier in deze zee is alles te vreezen. Ik heb gisteren dien doorstaanden noordenwind gewantrouwd. Die belooft hier zelden iets goeds.quot;
„Maar kunt gij niet ergens binnenloopen?quot; vroeg Jaffrezic.
„Wij hebben het eiland Lingga stuurboord dwars van ons; daar kan men zich evenwel niet bergen; daarenboven is die kust zeer vuil. Het is daar bezaaid met klippen, rotsen en kleine eilandjes. Neen, dan houd ik liever het ruime sop.quot;
„Maar aan bakboord!quot; meende Jaffrezic.
„Daar ligt Borneo, doch dat is nog veel te ver. Daarbij, die kust met haar vele banken is ook niet veilig bij stormweer. Neen, ik blijf Zuid-Oost sturen, dan houd ik koers en blijf in het veiligste vaarwater en .... voor de rest op Gods genade!quot;
„Ware het niet beter naar Riouw terug te keeren!quot; vroeg Van Berkenstein.
„Daarvoor hebben wij geen tijd meer, kijk maar,quot; antwoordde kapitein Meerman, terwijl hij achteruit naar het Noorden wees.
Alle vier keken dien kant uit. De lucht was volmaakt wolkenloos; alleen had zij bij den horizon een vale koperkleur, welke daarenboven de begrenzing van den gezichteinder benevelde, zoodat de lijn, die de scheiding van lucht en water anders zoo scherp aangaf, nu niet te bespeuren was. Het blauw des hemels in het zenith was bovendien ook niet zuiver; het deed zich voor alsof een onzindelijke schoonmaakster er met een vuilen doek overheen gegaan was. In het Noorden begon zich evenwel een loodkleurige band te vertoonen, die wel niet snel, maar toch gestadig rees. Het waren geen wolken, die men daar zag; men bespeurde geen afscheiding. Het vuile blauw des hemels liep met die loodkleur onmerkbaar ineen; terwijl die laatste zich als een somberen muur vertoonde,
112
die den horizon dit ar afsloot. De zon begon mat en fletsch te schijnen en omringde zich met een dubbelen kring; en onder die straalbreking begon ook de zee haar blauwe kleur te verliezen; ze werd somber, mat, met vlekken hier en daar van vuil flesschengroen en vertoonde zich in liet Noorden als inkt zoo zwart. De atmosfeer was volmaakt stil. De noorderbries, die straks nog over de watervlakte dartelde, was gaan liggen; geen rimpeltje beroerde de zee, die zich daar binnen een zeer begrensden gezichtskring als een overgrooten, vetten olieplas voordeed.
„De barometer daalt nog,quot; zei kapitein Meerman, die even een kijkje beneden had genomen.
Hij had alle zeilen stevig laten vastmaken, zooveel mogelijk presenningen aan het dek laten brengen, om over de luiken en over de machinekamer te slaan, wanneer de zee zich mocht verheffen en de golven over boord mochten komen. .Vil e hens waren aan dek, gereed om de bevelen van den gezagvoerder op te volgen.
In die spanning werden een paar uren, die oneindig schenen, doorgebracht. De reizigers stonden op het dek die werking der natuur gade te slaan. Allen, zelfs de dames, bevroedden, bij het zien van dien donkeren wand, welke zich daar achter het schip vertoonde, dat de stilte, die men doorleefde, in den vollen zin des woords de stilte voor den storm was; dat het was, alsof de natuur krachten gaarde, om met te meer geweld te kunnen losbarsten. De machine van de „Zeemeeuwquot; werkte onverdroten en liet in die stilte het eentonig geplomp harer schroefbladen in het water duidelijk vernemen. Het koene scheepje repte zich voort als van geen gevaar bewust.
„Daar komt de voorlooper!quot; riep kapitein Meerman van de brug, waar hij zijn plaats ingenomen had. „Staat vast allen!quot;
Daar, in het Noordwesten, werd een gitzwarte band zichtbaar, die met scherp afgeteekenden rand op het water rustte, maar zich boven in de loodkleur der lucht oploste. Die band naderde thans snel. Men kon reeds het water der zee zich in de verte met schuim zien bedekken; men gevoelde nog niets, maar men hoorde het geloei in de verte. Ook was het alsof men de regenstralen hoorde nederplassen. Die band naderde, naderde al meer en meer. Het was of de halve boog, dien het naderende schuim om de „Zeemeeuwquot; vormde, in galop of beter bliksemsnel toezweefde. Een lichte ademtocht, een zuchtje ging de stormvlaag vooraf. Eindelijk bereikte deze het kleine scheepje, wierp er zich met machtige omstrengeling op en gierde huilend door het wand. Een oogenblik viel het vaartuig op zijde en bleef als platgedrukt op het water. Maar, onder de werking van het roer, waarvan kapitein Meerman het rad zelf in handen had gegrepen, viel het voor den wind af, waardoor de vlaag slechts vat op den achtersteven kreeg, zoodat het zich kon oprichten. Griansrijk was die eerste aanval weerstaan. Maar tegelijkertijd met die eerste vlaag doorkliefde een scherp geteekende bliksemstraal het luchtruim en rolde de donder in knetterende slagen over de watervlakte. Straal op straal volgden nu op elkaar en het rollen van den donder nam geen
TANDJONG PINANG. STOEM OP ZEE.
eind, maar smolt met het gehuil van den wind tot een demonisch geluid te zamen, dat-de toeschouwers met ontzetting veiTiüde. Het scheepje zwierde voor den aandrang van den stormwind, dien het van achteren inkreeg, volvoerde soms bewegingen, alsof het over den boeg wilde buitelen, maar hield zich kordaat en stoof vooruit, voortgezweept door zijn eigen schroef en door den winddruk. Intusschen begon de zee zich te verheffen. Onder den eersten spoorslag van den machtigen adem, die haar beroerde, had zij zich met schuim overdekt en geleek een overgrooten melkplas, die overkookte; maar weldra liepen de opgezweepte rimpels te zamen, verhieven zich in golven, welke zich met blinkend witte kuiven tooiden en bergen en dalen vormden, die ons kleine scheepje dreigden te bedelven, of waarin het gevaar liep ouder te gaan. Kapitein Meerman stond onwrikbaar pal op de brug, terwijl de machinist order had om de meest mogelijke kracht te ontwikkelen.
Zoo werd de strijd gedurende vier volle uren gevoerd. De golven hadden zich intusschen zoodanig verheven, dat zij somwijlen over den spiegel heensloegen en over het geheele dek van achteren naar voren en bij het stampen van het schip met woest geweld weer van voren naar achteren spoelden, Den passagiers werd dan ook verzocht, om naai' beneden te gaan, daar de luiken gedicht moesten worden. Allen gingen; alleen H. Jaffrezic bleef bij den kapitein op de brug. om hem behulpzaam te zijn, als zulks noodig mocht wezen.
Eindelijk begon het te regenen; maar te regenen, alsof alle sluizen des hemels geopend waren. Het bliksemen en donderen hield nu wel op; ook slechtte de zee eeniger-mate af onder de waterstroomen, die neervielen; maar het uitzicht werd dermate belet, dat van de brug de boeg van het scheepje niet altijd te zien was. Gevaar voor aanvaring bestond er evenwel al heel weinig; het bestek was goed. de „Zeemeeuwquot; stuurde steeds Zuid-Oost op en was in goed vaarwater; zoodat, al bedaarde de wind ook niet. men zich zoo veilig rekenen kon. als in zulke omstandigheden te verkeeren was.
Dat weder duurde nagenoeg tweemaal vier en twintig uren onafgebroken voort, hetgeen in die streken bij equinoxiaal stormen niet zelden voorkomt. Aan koken kon niet gedacht worden; de bewegingen van het scheepje waren zoodanig, dat geen vuur aan te houden was in de kombuis, die daarenboven aan het dek stond en de overkomende golven uit de eerste hand kreeg. Het vaartuigje slingerde, stampte, schudde, trilde in die woedende zee, dook soms voorover, alsof liet in de diepte wilde verdwijnen, steigerde spoedig weer op, als een golt onder het voorschip doorrolde, alsof het uit het verraderlijk element wilde springen, maar hield zich dapper, stevende steeds vooruit en deed zijn best om de achteraanrollende deining vooruit te blijven, wat niet altijd gelukte. De dames voelden zich bij die buitensporige bewegingen zóó ellendig, zóó zeeziek, dat zij aan geen eten dachten en een toevlucht in haar kooien gezocht hadden, en diegenen der heereu, die niet van streek waren, behielpen zich met een koude keuken, waarvan Semarangsche en
113
TANDJONG PINANG. — STORM 01' ZEE.
scheepsbeschuit met ham, gerookt vleesch, sardijntjes en kaas de hoofdbestanddeelen uitmaakten.
In den morgen van den 2 Sa ten begon de wind te vallen. Het duurde evenwel nog ettelijke uren, alvorens de luiken konden geopend worden. Dat was een ware verkwikking; want de lucht daar beneden was door die opsluiting tamelijk bedorven geraakt. De heeren spoedden zich naar het dek, terwijl de dames wat toilet maakten om hen te volgen.
Boven komende zagen onze toeristen, dat de zee nog hevig beroerd was. De wind viel al meer en meer en de lucht klaarde op; ja, somwijlen brak de zon tusschen enkele wolkenscheuren heen. quot;Vlak vooruit ontdekten aller oogen de omtrekken van een eiland, hetwelk zich nogal heuvelachtig vertoonde, maar in welks raidden zich een berg verhief met twee spitse toppen. Van Berkenstein en Visbergen klommen bij den kapitein op de brug.
„Drommels, waar zijn wij ergens in de wereld ?quot; vroeg de laatste. „Ik ben hier geheel vreemd!quot;
„Wij zijn op de Noordwestkust van het eiland Blitong.quot;
„Van Blitong!quot; vroeg Visbergen. „Hoe is 't mogelijk? Vergist ge u niet?quot;
„Neen. ik vergis mij niet; die heuvelachtige kaap, welke daar in zee uitsteekt, is Tandjoeng Bienga; die twee-toppige berg, daar in het midden van het eiland, is de Goenoeng Tadjem, waarvan de voorste top Tadjem parampoean en de achterste Tadjem laki laki heet '); dat eiland daar vooruit bij de kim, is het eiland Mandanau. Neen, ik kan mij niet vergissen. Ik ben hier in bekend terrein; nog een paar uren, clan zijn wij in de Koevvala (monding) van de Soengei Tjiroetjoek en zal ik kunnen ankeren voor Tandjoeng Pandan. Oef! ik zal er niet rouwig om zijn. Denkt er om, dat ik in twee etmalen de brug niet verlaten heb. Ik ben doodmoe !quot;
„De wind was geheel gaan liggen. Hoe meer de „Zeemeeuwquot; de Gasparstraat, die zich tusschen de eilanden Blitong en Banka uitstrekt, inschoot, hoe meer de zee ook afslechtte; zij kon kalm genoemd worden, toen het anker voor Tandjoeng Pandan viel.
„Ik ben waarachtig blij,quot; sprak Montauban tot Van Berkenstein en tot Vogels, „dat wij ook iets van een tineiland te zien krijgen. Dat bezoek was niet in ons program opgenomen. meen ik.quot;
114
„Neen,quot; antwoordde de laatste. „Dat buitenkansje hebt ge geheel aan den storm te danken. Waartoe zoo'n storm al niet goed is!quot;
r) Tadjom botoekent scherp, spits. Tadjem param poean vrouwelijke spits; Tadjem laki laki = mannelijke spits.
Het was vrij laat in den namiddag, toen onze toeristen met de sloepen van de „Zeemeeuwquot; te Tandjoeng Pandan landden. Bij afwezigheid van den hoofdadministrateur van het geheele eiland, die naar Batavia vertrokken was, werden zij ontvangen door den administrateur van het mijn-district, dat denzelfden naam voerde als de hoofdplaats. Aanvankelijk was eenige argwaan bij dien beambte op te merken ten opzichte van zoo'n talrijk toeristen-gezelschap, als Blitong nooit bij elkander gezien had. Den ondergeschikten beambten was het niet onbekend, dat de maatschappij, die liet eiland ontgon, kolossale winsten maakte, dat met het einde van het boekjaar 1880 een totaalwinst van 23 millioen gulden kon worden aangetoond. Het was ook niet onbekend, dat die winsten naijver, ja afgnnst opwekten; het was dus zaaks potkijkers zooveel mogelijk te weren. Maar, toen de toeristen hun aanbevelingsbrieven hadden getoond; toen Yogels de reizigers voorstelde als een gezelschap, dat den Indischen Archipel afreisde, niet om industriëelen hun geheimen afhandig te maken, maai- om kennis, grondige, degelijke kennis omtrent land en volk, omtrent nijverheid en handel van de streken, die zij bereisden, op te doen, toen was iedere terughoudendheid weldra geweken.et was vrij laat in den namiddag, toen onze toeristen met de sloepen van de „Zeemeeuwquot; te Tandjoeng Pandan landden. Bij afwezigheid van den hoofdadministrateur van het geheele eiland, die naar Batavia vertrokken was, werden zij ontvangen door den administrateur van het mijn-district, dat denzelfden naam voerde als de hoofdplaats. Aanvankelijk was eenige argwaan bij dien beambte op te merken ten opzichte van zoo'n talrijk toeristen-gezelschap, als Blitong nooit bij elkander gezien had. Den ondergeschikten beambten was het niet onbekend, dat de maatschappij, die liet eiland ontgon, kolossale winsten maakte, dat met het einde van het boekjaar 1880 een totaalwinst van 23 millioen gulden kon worden aangetoond. Het was ook niet onbekend, dat die winsten naijver, ja afgnnst opwekten; het was dus zaaks potkijkers zooveel mogelijk te weren. Maar, toen de toeristen hun aanbevelingsbrieven hadden getoond; toen Yogels de reizigers voorstelde als een gezelschap, dat den Indischen Archipel afreisde, niet om industriëelen hun geheimen afhandig te maken, maai- om kennis, grondige, degelijke kennis omtrent land en volk, omtrent nijverheid en handel van de streken, die zij bereisden, op te doen, toen was iedere terughoudendheid weldra geweken.
„Ik stel mij geheel en al ter beschikking van de dames en de heeren,quot; betuigde de administrateur. „Het is evenwel wat laat geworden, om een bezoek aan de mijnwerken te brengen. Gijlieden zult evenwel straks niet onvoldaan aan boord terugkeeren! Komt, volgt mij naar de administrateurswoning! Mag ik den dames eenige verversching aanbieden? Wij kunnen dan zoo het tijdstip afwachten van het tinsmelten, hetgeen ik u wensch te laten zien.quot;
Die administrateurswoning was geen paleis, geen residentie-huis, zij kon zelfs geen aanspraak maken, eenige gelijkenis met een controleurs-woning op Java te hebben. Het
hier
HLITONG. — TINSMELÏEN' ENT TINDEL VEN.
was niets anders dan een Inlandsch huis, op palen gebouwd en van hout en bamboe vervaardigd, maar het was confortable ingericht en voor een ongetrouwd heer voldoende. Het was geen vormelijk diner, dat de administrateur zijn gasten aanbood; zij konden evenwel bij het nuttigen van dat maal eenigszins bekomen van het gedwongen vasten, waaraan de zeezieken gedurende den storm onderworpen waren geweest; terwijl de anderen wel vergoeding vonden voor de koude keuken, gedurende die twee dagen verorberd. Maar, wat er bij dien gastvrijen disch voorzat, waren hartelijkheid en ongedwongenheid, waren opgeruimdheid en vroolijkheid. De uren vlogen dan ook om en het was een ieder, alsof men pas was gaan zitten, toen de administrateur, nadat een Chinees hem wat in het oor had komen fluisteren, allen verzocht hem te volgen. Het was toen ongeveer 10 uren in den avond.
„Het gieten heeft steeds 's nachts plaats ter wille van de koelte,quot; verklaarde de administrateur; terwijl hij met zijn gasten naar de smelterij wandelde. „Het begint te zes uren des avonds en is gewoonlijk den volgenden ochtend te halfzeven geëindigd. Er wordt driemaal 's nachts gegoten en in eiken nacht worden door iederen oven 50 tot 60 blokken of schuitjes tin, die ieder 33 K. Gr. wegen, opgeleverd. Om de vier nachten krijgt iedere oven een nacht rust. Hij wordt dan overdag nagezien en, zoo noodig, hersteld. Wij zijn dit jaar zeer vroeg met smelten begonnen, daartoe door het overvloedige erts genoodzaakt. In andere jaren begint de smelttijd pas in October en wordt zoodanig geregeld, dat de geheele voorraad erts in Mei is uitgesmolten.quot;
Men was thans een smelthut genaderd.
„Ziet,quot; sprak de administrateur, „zoo'n hut is een eenvoudige, geheel open loods, waarvan het dak, dat op tiinke stijlen rust en met nipahbladeren gedekt is, zich hoog genoeg verheft om geen gevaar te loopen, door de omhoogstijgende vonken uit de ovens in brand te geraken. Treden wij binnen! Wij treffen het goed; men is juist begonnen met gieten. Trouwens, daar had ik op gerekend; ik heb mij dan ook tijdig doen waarschuwen.quot;
Onze reizigers traden de smelthut binnen, waarin twee ovens, naar elkander gekeerd, in volle werking waren. Het was een fantastische verschijning, die Chineezen daar in die halfdonkere ruimte, met het naakte bovenlijf, dat door de vlammen van den oven nu eens rood, dan weer door de uitstraling van het gesmolten tin schitterend wit verlicht werd, te zien rondkrioelen.
„Ziet,quot; sprak de administrateur, „de oven bestaat uit een langwerpig vierkanten haard van 4 M. lengte bij 1.5 M. breedte en 1.3 M. hoogte boven den grond. Die haard is van zandhoudende klei aangestampt, waarin een nis aan de voorzijde is ingesneden, die op het grondvlak rust. Het bovenvlak van den haard is van vuurvaste klei vervaardigd en komvormig uitgewerkt. In die kom is een opening, die een gemeenschap met de nis daarstelt, welke „mataquot; (oog) genoemd wordt, en waardoor het gesmolten tin stroomt. De smelter zit daar gehurkt en is bezig die opening met een ijzeren staaf van verstopping
116
m bamboe verleer voldoende. 3d; zij konden rongen vasten, wijl de anderen erorberd. Maar, genheid, waren een ieder, alsof wat in het oor reer 10 uren in
' verklaarde de ,, Het begint te a geëindigd. Er oven 50 tot 60 ■ nachten krijgt aodig, hersteld, ervloedige erts )danig geregeld.
i
eel open loods, b is, zich hoog sn uit de ovens i begonnen met waarschuwen.quot; tcander gekeerd, zen daar in die a oven nu eens srlicht werd, te
L-pig vierkanten •ond. Die haard ingesneden, die vervaardigd en ip met de nis bin stroomt. De van verstopping
r
■i»
jj;-.-.- ifc. ..■
— TINSMELÏEN EN ÏINDELVEN.
vrij te houden. Daar, in zijn nabijheid, is zijn helper bezig het tin in de vormen te gieten. Zoodra genoegzaam gesmolten tin in de nis aanwezig is, om circa 20 blokken te kunnen gieten, wordt het tin uitgeschept en in de vormen gegoten.quot;
„Wat doen die menschen daar?quot; vroeg Montauban, die met dien langen stok heen en weer loopen?quot;
„Dat is de zoogenaamde blaasbalg. Achter den oven, ziet daar, is een liggende gesloten cilinder geplaatst, waarin de lucht aan zijn voor- en achterzijde door naar binnen openslaande kleppen wordt ingezogen en in een kast, — hier deze, — die langs den cilinder geplaatst is, wordt uitgestooten, door middel van een zuiger, waarvan de stang door die mannen heen en weer bewogen wordt. Die uitgestooten lucht wordt door een pijp van vuurvaste klei door den achterwand van den oven gevoerd tot aanblazing van het vuur.
„De reductie van het tinerts heeft plaats door middel van houtskolen, die van zeer goede qualiteit moeten zijn. Naarmate de smelting vordert en de houtskolen verbranden, wordt nieuwe voorraad van erts en kolen opgeworpen. Zooals gij ziet, de vóórhaard is van een verdieping of beter van een goot voorzien, tot het opvangen van het tin, dat bij dunne straaltjes daar invloeit en door het oog wordt afgevoerd.... Kijkt, men heeft nu een twintigtal vormen volgegoten; zoodat het derde gedeelte van den arbeid voor vannacht is volbracht. Zijn de dames en de heeren met mijn verklaring tevreden?quot; eindigde de administrateur.
„Wij zouden veeleischend en ondankbaar zijn, wanneer wij niet tevreden waren,quot; antwoordde Van Berkenstein; „toch verlangt de heer Montauban hier nog eenige inlichtingen. Hij wenscht namelijk te weten, hoeveel houtskolen benoodigd zijn, tot het smelten van een zekere hoeveelheid tin, alsook hoeveel tin uit de Blitong-erts getrokken wordt.quot;
„Er worden 7 K. Gr. houtskolen vereischt, om 10 K. G. goed gewasschen tinerts te reduceeren. Dat is het antwoord op uw eerste vraag. De beantwoording der tweede is zoo gemakkelijk niet. Zooals gij de smelting hebt gezien, kan er op gerekend worden, dat ongeveer 62 a (Ji pet. tin uit het erts gewonnen wordt. Maar, dan bevatten de overblijvende slakken nog tin genoeg, om een nadere behandeling wenschelijk te maken. Die slakken worden met ijzeren dorschvlegels stukgeslagen, waarna het tin er uitgewasschen en gesmolten wordt. Door die nabewerking stijgt de productie tot 70 pet.quot;
„Maar hoeveel tin houdt het erts in?quot; hield Montauban aan.
„Drommels, gij staat op de puntjes. Welnu, de scheikundige ontleding geeft een hoeveelheid van 75 pet. aan.11
„Zoodat 5 pet. te loor gaat! Dat is veel.quot;
„Toch niet; in Cornwallis wordt bij het bezigen van vlamovens slechts iets minder verloren. Moesten wij die smeltingswijze hier invoeren, dan zou wellicht een paar procent meer tin gewonnen worden; maar de onkosten zouden zóó onevenredig tot die vermeerderde
117
- TINSMELTEN EN' TINÜELVEN.
118
BLITONG.
productie staan, dat men ze gauw zou laten varen. Neen, gelooft mij, die Ohineesche smeltwijze is niet bepaald ongunstig te noemen.quot;
Onze toeristen keerden dankbaar naar boord terug met de belofde: den volgenden ochtend vroeg present te zijn. om een bezoek aan een ertsontginning te brengen.
„Daar zijn wij weer,quot; sprak Van Berkenstein, toen hij zich met het geheele gezelschap den volgenden morgen bij den administrateur aanmeldde; „thans, om onder uw geleide het ertsdelven te aanschouwen.quot;
„Ik ben tot uw dienst,quot; sprak de vriendelijke beambte. „Maar.... ik zou wel het voorstel willen doen, óf dat de dames ons hier wachten öf naar boord terugkeeren.quot;
„Waarom dat1?quot; vroegen dezen alle drie tegelijk.
„Aan het bezoek eener tinertsmijn zijn eenige lastige formaliteiten verbonden.quot;
„Moeten zij al de mijnwerkers zoenen?quot; vroeg Boisjolin plagend.
„Dat niet; maar ....quot;
„iSiu, wij onderwerpen ons aan iedere formaliteit, alleen niet aan die, welke dooiden heer Boisjolin genoemd werd,quot; betuigden de drie dames.
„Vooruit dan maar!quot; zei de administrateur.
De wandeling was niet kort; men moest een neven-soengei van de Kalie Tjiroetjoek bereiken en de afstand daarheen bedroeg verscheiden palen. Maar, men stapte moedig voort langs het pad, hetwelk slechts zoo breed was, dat niet anders dan de ganzenmarsch uitgevoerd kon worden, d. w. z., dat onze toeristen de gewoonte van die bewakers van het Kapitool moesten volgen, namelijk om één voor één achter elkander te loopen. Na zóó anderhalf uur voortgestapt te hebben, hield de administrateur, die aan het hoofd der kolonne marcheerde, halt, en verzocht den dames en den heeren hun schoeisel en hun kousen uit te trekken.
„Oter mes bottines et mes bas!quot; riep mevrouw Jaifrezic. „Oh! pourquoi. par exemple V'
„Niemand mag anders dan blootsvoets den grond der mijn betreden,quot; antwoordde de administrateur met iets plechtigs in zijn stem, „De tinader zou anders onmiddellijk verdwijnen of eenige voeten dieper in den grond zakken.quot;
Pruttelend volgden de reizigers den gegeven raad. Toen zij opstonden en met de voeten op het stekelige gras trapten, riep mevrouw Jaffrezic:
„Cela me picote la plante des pieds!quot;
„Et cela me chatouille les mollets!quot; merkte Boisjolin op.
„Stil, niet van de plaats!quot; gelastte de administrateur. „Mag ik den dames verzoeken haar zonneschermen dicht te slaan ?quot;
„Mais, j'attraperai un coup de soleil!quot; jammerde mevrouw Jaffrezic.
„C'est égal. . ..quot; beantwoordde de administrateur die jammerklacht.
BLIÏONÖ. — TINDELVEN EX TINSMELTENquot;.
„Comment c'est égal!quot; viel hem Boisjolin in de rede. „Cela vous est égal, que nos dames auront un coup de soleil? Voila un joli coco!quot;
„Pardonnez-moi, mes dames, la langue m'a fourchue,quot; antwoordde de administrateur. „J'ai voulu dire: ce n'est guère a craindre. Zonnesteken komen hier zeldzaam voor. Anders is het gelegen met de teint der dames. Ja, die zal wellicht wat lijden; maar daar is niets aan te doen. Het bijgeloof is zeer sterk hier. Het zou groot misnoegen verwekken, wanneer daartegen gehandeld werd. Maar de weg is niet lang meer; komt, laten wij voortstappen!quot;
Neen, de weg was niet lang meer; doch hij voerde door een alangveld en dat bleef voor onze bezoekers niet onbemerkt. Vooreerst was het daar verschrikkelijk warm. De zon weerkaatste op die zee van grijs-zilverkleurige bladeren van die meterlange grasplanten, waardoor zoo'n temperatuursverhooging veroorzaakt werd, dat onze reizigers, hoewel het nog slechts in de morgenuren was, verklaarden dat de warmte onuitstaanbaar was te noemen. Maar er deed zich een nog meer bedenkelijk verschijnsel voor. Boisjolin toch riep plotseling:
„Eh! voyez done, j'ai les mollets en compote!quot;
En, waarlijk, het was zoo. Toen zij toch hun schoeisel hadden moeten verlaten, hadden de heeren, behalve Vogels, Visbergen en de administrateur, de pantalons tot boven de knie opgetrokken en daar omgeslagen; ten einde luchtig en meer ongehinderd te midden van dat hooge gras, dat over het pad heenboog, te kunnen voortstappen. Maar de „alang alangquot; bezit een hard blad met scherpe zaagvormige kanten. Die kanten kwamen in aanraking met en tikten bij het marcheeren tegen die Schotsche beenen en veroorzaakten een menigte lichte inkervingen in de huid, waaruit het bloed sijpelde en zich als een rooskleurige, lijne dauw vertoonde. Maar, eindelijk kwam men ter gewilder plaatse aan.
„Ziet,quot; sprak de administrateur, „hier zijn wij bij een zoogenaamde „kollongquot;, d. w. z. bij een in ontginning zjjnde plek. In den regel is die plek in de nabijheid van een riviertje, zooals hier, gelegen. Een vrij stevige dam, „tebatquot; geheeten, langs de soengei aangelegd, beschermt de kollong tegen overstrooming; een tweede dam, meer in de onmiddellijke nabijheid van de ontginning, moet het toevloeien van het regenwater beletten. De kollong wordt tot op de ertslaag uitgegraven en de wanden van den put, die ontstaat naarmate die werkzaamheden vorderen, worden met stevig vlechtwerk bekleed. Tegelijkertijd met de uitgraving van dien put, wordt een kanaal gegraven, dat een stroom water uit de soengei moet aanvoeren. Ziet, zooals dit hier. Dat kanaal, hetwelk door de Chineezen „Loei soei Keeuwquot;, door de Maleiers „bandarquot; genoemd wordt, heeft zijn wateropneming daarginds, richt zich naar de kollong en nadert haar hier aan deze zijde. Over de geheele breedte van de kollong zijn, zooals gij ziet, houten goten aangebracht, die dienen moeten, om door een flinke doorspoeling, welke uit die Loei soei Keeuw bewerkstelligd kan worden, de uitgegraven aarde naar de rivier af te voeren. Die aarde wordt
119
120
eerst met „patjolsquot; (schoppen) in die goten geworpen; later, wanneer de put daartoe te diep is, wordt zij met mandjes naar boven gedragen en daarin gegooid. Op zoo'n wijze kan een werkman gemiddeld per dag van 0 uren arbeid 10 a 12 M3. tot 1 M. diepte verplaatsen. Ziet, hier ter zijde van de kollong is een kettingpomp, die den mijnput voortdurend droog moet houden. Er zijn groote kollongs, waar vier zulke pompen in het werk moeten gesteld worden, om het water meester te blijven. Deze pomp, die 3 M3. water ter beweging behoeft, voert gemiddeld -i M3. water van ongeveer 5 M. diepte naar boven.quot;
„Dat alles is uiterst interessant,quot; zei Montauban, die zich dapper weerde met aan-teekeningen te maken. „Maar, gij spreekt van een kettingpomp. Daar is een menschelijke pomp, die veel op een kettingpomp gelijkt. Wat voeren die menschen daar uit?quot;
„Uw vergelijking kan niet juister luiden,quot; antwoordde de administrateur. „Het is in den waren zin des woords een menschelijke kettingpomp, een ketting zonder eind van menschen, nagenoeg even afgemeten en even regelmatig in zijn arbeid als die ketting van plankjes. Wat die menschen uitvoeren, vraagt ge? Ziet allen goed toe, wat daar beneden in dien put geschiedt. Gij ziet er daar sommigen, die met breekijzer en patjol de ertslaag uitbreken en. daarmede die vlakke mandjes, welke daar bij hen staan, vullen. Twee van die gevulde mandjes worden door één man opgenomen en langs dien schuin geplaatsten boomstam, waarin gij ziet dat treden gehakt zijn, naar boven gedragen. Kijkt, zoo volgt de eene drager den anderen; zij klimmen met de geladen mandjes naar boven, schudden die uit zonder stil te staan, dalen langs dien anderen evenzoo behakten boom met de geledigde mandjes naar omlaag, verwisselen die, alweer zonder stil te staan, voor gevulde, hervatten den omgang van voren af en zoo voort, totdat het teeken tot rusten de beweging stremt. Waarlijk, een menschelijke ketting zonder eind!
„Hier wordt de naar boven gebrachte massa der ertslaag uitgewasschen. Dat geschiedt, zooals gij ziet, door een krachtigen waterstroom, waarin de ertshoudende grond bij kleine hoeveelheden gestort wordt. Het grootste gedeelte van de klei en het zand, waarmede het tinerts vermengd is, wordt door den zwaren stroom medegevoerd en dat tinerts, hetwelk door zijn meerdere zwaarte zinkt, wordt al meer en meer gezuiverd en gewasschen, door het aanhoudend door middel van patjols tegen den stroom op te halen.
„Ziet, daar iets verder wordt de laatste zuivering verricht. Dat is het erts, hetwelk morgenavond naar den smeltoven gaat. Zooals gij ontwaren kunt, wordt een plank dooide massa heen- en wedergetrokken door die twee man daar, terwijl die derde daar, aan de tegenovergestelde zijde geplaatst, het toestel in de goede richting houdt. Het doel van die bewerking is, om zoodoende al de ertsdeeltjes met een zachten stroom water in aanraking te brengen.
„Ik meen,quot; zoo brak de administrateur zijn inlichtingen af, „dat ik u nu zoowat het voornaamste onzer mijn-ontginning heb laten zien.quot;
BLITONG. — ÏINDELVEN EN TINSMELTEX.
„Wij allen zijn u dankbaar,quot; sprak Van Berkenstein. „De uitleg, gepaard aan hetgeen ons onder de oogen kwam, is zoo duidelijk mogelijk geweest. Ik wenschte evenwel nog iets omtrent de mijnwerkers te vernemen. Ik zie hier slechts Chineezen.quot;
„Ja, dat kan niet anders. De inboorlingen zijn ongeschikt en ook ongeneigd om aan mijn-arbeid deel te nemen.quot;
„Tot welk ras behooren die inboorlingen 1 Zijn het Maleiers1?quot;
„Waarschijnlijk zijn zij van het Papoesche ras, tot welke meening men door hun huidkleur, alsook door de vele gekroesde koppen, die men onder hen aantreft, gebracht wordt. Zij noemen zichzelven „orang blaoequot;, maar worden door de hen omringende eilandbewoners „orang sekahquot; genoemd. Die „orang blaoequot; onderscheiden zich weer in „orang laoetquot; en „orang daratquot; of in strandbewoners en binnenlandsbewoners. In den beginne waren die inboorlingen weinig gesticht over de komst van zooveel vreemdelingen op hun eiland. Er hadden dan ook veel schermutselingen, vooral met de Chineezen, plaats. Dat is evenwel veel verminderd en men kan zeggen, dat de Blitongers zich bij den toestand hebben nedergelegd.quot;
De administrateur verhaalde nog veel over die volkeren en wist zijn mededeelingen aantrekkelijkheid genoeg te verleenen, om de toeristen den langen weg niet alleen, maar ook de heerschende hitte te doen vergeten. Toch waren allen blij te Tandjoeng Pandan terug te zijn. Met graagte werd nog in de administrateurswoning een verfrisschende drank verorberd, waarna het gezelschap naar boord terugkeerde.
De „Zeemeeuwquot; had stoom op, toen onze toeristen den valreep overkwamen. Het „klaar tot ankerwinden!quot; klonk weldra; maar, terwijl het geklikklak van de gangspil eentonig vernomen werd, moest uitgemaakt worden, werwaarts de boeg gewend zou worden. Vogels stelde voor: de Java-zee in en de Zuidkust van het eiland Borneo langs te stevenen, om een bezoek aan Bandjermasin te brengen. Visbergen sloot zich met onverholen instemming by dat voorstel aan. Van Berkenstein opperde het denkbeeld, om naar de Westkust van Borneo te stoomen. Hij was naar zijn hut gegaan en had daar een album opgezocht, dat hij nu in de hand hield.
„Ik heb hier zoo'n fraaie aquarel, Sintang voorstellende,quot; zei hij, „dat ik wezenlijk bij het beschouwen daarvan een toomlooze begeerte heb voelen opkomen, om dat land der machtige stroomen te bezoeken.quot;
Die aquarel werd bekeken en bewonderd.
„Dat is ongetwijfeld het fort,quot; zei Vogels, op een groep gebouwen wijzende, die op een vooruitstekende landtong verrezen. „Die nijdige gepalissadeerde en gebastionneerde omtrekken zijn niet te miskennen. Dat is zeker een boot van de Gouvernements-marine, die daar in de nabijheid van het fort ten anker ligt. Daar verder verrijst een statig gebouw voorzien van een poort. Dat zou wel een zoutpakhuis of zoo iets kunnen wezen. Drommels
121
TINDEL VEN EN TINSMEI/TEI.
122
BLITONG. -
neen, daar waait de Nedevlandsche vlag. Waarschijnlijk de woning van den assistent-resident. Ik ben in die buurt geheel onbekend.quot;
„Ik ook,'1 zei Visbergen.
„Dat's jammer,quot; betuigde Boisjolin; „want ik wilde wel weten, wat dat voor een huisje is, op dat vlotje op den voorgrond van de aquarel.quot;
Vogels keek hem met een spottenden glimlach uitvorschend aan.
„Dat huisje/' zei hij, „wordt „battangquot; genoemd, hetgeen eigenlijk boomstam beteekent. Het dient voornamelijk tot baden, waartoe binnen dat huisje een vierkant gat in den vloer is aangebracht, zoodat de badende gemakkelijk water uit de rivier scheppen, zich dat over het hoofd en lichaam storten en zich zoodoende overheerlijk „sierammenquot; kan. Maar dat huisje heeft nog andere doeleinden, die ik nu maar niet zal opsommen. Het is goed, dat dit vlotje op een snelstroomende rivier drijft.. . .quot;
„Anders zou het water,quot; viel hem Visbergen in de rede, „een dito lucht verspreiden als de grachten van het vorstelijke 's-Qravenhage, welke dien parfum aan het overstorting-stelsel te danken hebben. Maar, mijnheer Van Berkenstei», als u die aquarel begeerig gemaakt heeft, om een land van machtige stroomen — zooals gij dat noemt — te bezoeken, dan weet ik iets beter, geloof mij. Laten wij ons plan doorzetten en naar Bandjermasin stevenen: dan zal zich werkelijk een land van machtige stroomen voor u ontvouwen en gij zult er het voordeel hebben, dat Vogels en ik daar bekend zijn en dus het gezelschap tot gidsen zullen kunnen strekken; terwijl wij ter Westkust van Borneo geheel vreemd zijn.quot;
„Nu, vooruit dan maar naar Bandjermasin!quot;
Het anker was middelerwijl gelicht. De „Zeemeeuwquot; wendde nu haar boeg zuidwaarts, stevende tusschen Blitong en Poeloe Mendanau, later tusschen Poeloe Roe en Poeloe Betang door, passeerde nog de zeeëngte tusschen Blitong en Poeloe Slioe, rondde daarna Tandjoeng Krawang, den zuidwestelijksten hoek van Blitong, en hield toen Oost ten Zuiden aan.
Die richting werd bijna drie volle etmalen behouden. Het was eerst in den ochtend van den 288tcn September, dat de „Zeemeeuwquot;, toen Tandjoeng Malalajer, een der zuidelijke spitsen van Borneo, die in de Java-zee uitsteken, verkend was, Noord-Oost opstak. Kapitein Meerman naderde die kusten zeer voorzichtig. De machine sloeg slechts halve kracht vooruit, terwijl ijverig gelood werd, vooral om den aard van den zeebodem te verkennen. Machtige zandbanken, gevormd door de grootsche rivieren, waarvan er op Borneo velen van Noord naar Zuid stroomen, strekten zich langs die kusten uit en noopten tot voorzichtigheid. Eentonig klonk het zangerige geroep van den matroos, die het lood wierp:
„Ampat deppa korang satoe kakkie — tanah kras!quot; of „passir ^!quot; dan wel:
) Vior vademen min een voet — harde grond of zand!
v ■ .quot; • i - • ^ -•
. /; ^ . r.;,:: ■ ■■■ ■ ■■ I'-
iV; {^ ; p. --fi ^ ^
1 ;:'im*mmt$ ■. MTwwWkè^v'.«• • %■ y
iC' ■■'• : ■. v'' : ■ .-• iL-. ■ ,\i'lt; •■••••quot;.- .. i-quot;' - , •
■ ■' ivi^v^r ' | :•.• iT- ■
■ -'v .j, -^-r ■•■, ■. *r%ï ■ ■. .. .
• ^ V .^v 'v ./-vl, ■ . ^ -i,•
vy. ; ' /
■ i sS-,:%!gt; ''«w . .. -A •
■ fKvf
de nu haar boeg zuid-isschen Poeloe Roe en en Poeloe Slioe, rondde mg, en hield toen Oost
as eerst in den ochtend ilajer, een der zuidelijke rd-Oost opstak. Kapitein g slechts halve kracht zeebodem te verkennen, an er op Borneo velen !n noopten tot voorzich-het lood wierp: ir dan wel:
J-W vamp;. ' •»; , \ :$${.
'.1= t.. ^ ™ ^
■■ ■ v ■: ^ % quot;
■:■: ■ ■ ■, ' ^ s ...... ■: , '
quot; - -v ^ - ^ ■ v. - .. .,■■■, S
■'- '' •■'quot;'iï'.: ' ''-iquot; ,'■• ' • / ^Vquot;'- . '•••, :... 1
■ ■ :■ -tk ^ - . ■ , ■ . f ■- ■ ■1
■''v. ■• ?, ■':■ ' * - ' - ' quot;J., . ^ • 'v
f' quot;{ ''i*, v S quot; ' 0' • '■■■ V';
VV %i- : 'f-
■ ; ^ ' f 1ï \ , V t'quot;1 quot; * *' ^ ''
, • ..amp;■,, - V-Vit,-' 1 ' ■■■-I.- i- ; -■•'•;-■-■-■ !• - ' ' ■ 4 «jw ■ ** i,
•: ■■ * .f- ^ .:.-r4. x ■;:■ -■. ... t ■
■•■--.-■■-i1 ■ .|K: ; :gt;.'amp;■ . . ifc, ■' v:; ■ ^ ■iiF .;;, ' '
i-lt.Si.y/;'quot;,
quot;lquot;; » - . ■ SX'V , ■
f ' , . . ; , . - '■;,
, ■ ' 'v.: ..• ■ v' '
■; - TSv •-•■ ■ :
® ,.v . -- ,v '■/ f. ' t:K*- kr -.m
m-
»■. ■
■ r^;-*W •
w,:'■''■;»•■
-V -Lit
m den assistent-resident.
eten, wat dat voor een tan.
ien eigenlijk boomstam huisje een vierkant gat • uit de rivier scheppen, verheerlijk „sierammeuquot; niet zal opsommen. Het
ii dito lucht verspreiden m aan het overstorting-u die aquarel begeerig ,t noemt — te bezoeken, i en naar Bandjermasin ien voor u ontvouwen ekend zijn en dus het kust van Borneo geheel
'V»
gt;?T-
v:,#.
HLITONG. — TIN DELVEN EN TINSMELTEN.
„Tiga deppa betoel — tanah loempoer 1)!quot;
„De „Zeemeeuwquot; liep volle vier en twintig uren evenwijdig aan Borneo's Zuidkust en manoeuvreerde toen behendig, om de Barito-rivier binnen te loopen. Kapitein Meerman was hier zeer goed bekend. Hij stond op de brug en gebruikte oog en oor zorgvuldig: bet eerste, om de bebakening der geul te verkennen, die zijn vaartuig te bevaren bad te middeu der modderbanken, welke zich voor de monding der rivier uitstrekken en door haar zelf afgezet zijn; het oor om de bevindingen van den matroos te vernemen, die het lood uitwierp. Die uitroepen van: „tanah krasquot;! „passirquot;! of „tanah loempoerquot;! welke hij opvolgend opving, moesten hem met den aard van den zeebodem bekend maken en zijn kennis van het vaarwater aanvullen. Verscheiden schepen en stoombooten lagen voor de bank ten anker en wachtten op het vloedgetij, om naar binnen te kunnen stevenen. De „Zeemeeuwquot;, die weinig diepgang had, kon over die ondiepten heenvaren en bij eenige omzichtigheid zonder gevaar naar binnen stoomen. Eindelijk waren Tandjoeng Boeroeng en Tandjoeng Baradoea, de beide landspitsen, welke de riviermonding vormden, voorbij en was het vaartuig derhalve de Barito binnengestevend. Maar, het was eer een zee-arm dan een rivier, die zich hier voor den blik van onze reizigers voordeed. De boot stoomde dicht langs den rechteroever en, jawel! daar heel ver aan de overzijde was een groene band te zien, die aanduidde dat daar land was; maar bijzonderheden op te merken van dat land was niet mogelijk. De afstand daartoe was te groot en de watervlakte te breed.
„De Barito heeft hier in haar benedenloop een breedte van 2300 voet,quot; zei Visbergen.
De oevers van den machtigen stroom waren vlak en moerassig en vertoonden een eigenaardig karakter. Van den waterkant af, welke iets hooger scheen te liggen dan het achtergelegen terrein, strekte zich een onafzienbaar Nipah-bosch 2) uit, hetwelk aan het landschap, ook aan de waterpartij, iets sombers mededeelde. Iets sombers? Ja, de uitdrukking is niet onjuist gekozen. Wel tintelde de zon op de glansrijke bladeren-oppervlakte der Xipah-plant eigen; wel was er eenige schakeering en overgang te ontwaren van het groen der jonge bladeren, die zacht getint en buigzaam en veerkrachtig in den wind golfden, op het donkere groen der oudere bladeren, die zich steil langs den grooten bladstengel verhieven, weinig lenigheid verrieden en bij onderlinge aanraking onder den aandrang der bries een geritsel deden hooren van gekreukt wordend papier. Maar de eentonigheid van dat onmetelijke veld, hetwelk, zoover het oog reiken kon, slechts stijve, spitse palmbladeren te zien gaf, en de gedachte deed ontkiemen, alsof een onafzienbaar klapperbosch plotseling tot aan de kruinen der boomen in den grond weggezakt was; maar de aanblik van de naakte modder onder die veelal recht omhoog staande bladeren, waarop geen struikje, geen grassprietje
') Juist tion vademen — moddergrond!
2) Nipah = Mpa-fruticans, eon stamlooze palmsoort.
123
TINIIELVEN EN TIN'SMELTEN.
124
BLITONG. —
kon tieren — de Mpah duldt dat niet —; maar het gezicht van de krabben, de garnalen, de waterspinnen, de degenkrabben de „ikan bapoejoequot; 2), de krokodillen, enz., enz., welke in die afzichtelijke modder wemelden, — dat alles stemde onze aanschouwers tot weemoed en het was hun te moede, alsof, zooals Montauban dat uitdrukte, de aarde nog in een dei-eerste tijdperken harer wording was.
„Gij kunt niet beter verstaanbaar maken, wat hier omgaat!quot; antwoordde Visbergen. „Hier betrappen wij werkelijk een gedeelte der aarde in haar wording. Door den geweldigen afvoer van klei langs de vele en groote rivieren, die haar monding op Borneo's Zuidkust hebben, slibt die kust voortdurend aan. Waarneembaar voor onze oogen arbeidt daar de natuur aan de vorming van land. Het is in die aanslibbing, dat de Nipah het weligst tiert. De Nipah-bosschen omgeven bijna de geheele Zuidkust met een band ter breedte van een paar kilometer, die hier en daar, waar de golven der zee fijn zand aanspoelden, verbroken wordt door plekken, waarop geen ander gewas voorkomt dan de Tjemara laoet.quot;
De „Zeemeeuwquot; repte zich op dien breeden stroom. Het Nipah-gebied was reeds voorbijgestoomd; men had nu de Rhisophoren-zóne, die plantenwereld op stelten, dwars van de boot. Daarop volgde een maagdelijk woud, zooals zich slechts in tropische moerassige streken ontwikkelen kan en, zooals onze reizigers nog niet onder de oogen gehad hadden. Zij zagen daar de plantenwereld in alle stadia van ontwikkeling voor hun oogen; zij zagen de grootste en de dikste woudreuzen hun machtige kruinen verheffen naast tengere boomstammetjes en nederige struiken. Zij zagen die woudreuzen, die boomstammen, die struiken; zij zagen den bodem overdekt met ontelbare dooreengewoelde slingerplanten, waaronder de rottansoorten rijkelijk vertegenwoordigd waren, welke tegen die stammen opklommen, ze omstrengelden, iederen struik tot een prieel maakten, iederen boom, iederen tak met festoenen tooiden, en de hoogste kruinen zoodanig overdekten, dat in waarheid daarboven, hoog in de lucht, een nieuwe plantenwereld boven de oudere ontstaan was. Het was een wand van groen, dien het oog niet vermocht te doorboren en waarvan het slechts enkele bijzonderheden kon vatten.
') Do degenkrab heet bij do Maleiors Mimi, bij de geleerden Polyphemus Liniellinus.
2) Ikan bapoejoe — Anabas scandens, is oen vischje, dat met onze baarzen voel ovoroenkomst beeft.
In het oude Baadjermasiiische tijk.
Bindeljjk bereikte de ,Zeemeeuwquot; Schans van ïhuyll, een rivierbatterij, die op deindeljjk bereikte de ,Zeemeeuwquot; Schans van ïhuyll, een rivierbatterij, die op de
landtong, gevormd door de uitwatering van de Kajoe-Tangi-rivier in de Barito, opgeworpen werd. Ons vaartuig stevende de eerstgenoemde rivier op en kwam een paar uren later te Bandjermasin aan, alwaar het aan een steiger tusschen het fort Tatas en het residentie-huis werd gemeerd.
„Het logement te Bandjermasin was niet bovenmate ruim, zelfs was het niet ingericht, om ons twaalftal reizigers te herbergen. Er werd dus besloten, dat de onge-trouwden aan boord zouden blijven en de gehuwden hun intrek aan den wal nemen. Vogels had die beslissing zoo uitgelokt, hoewel de dames de voorkeur zouden gegeven hebben, om aan boord te verblijven.
„Gij zult mij wel dank weten,quot; zeide de Sienjo met een glimlach tot de pruttelende schoonen.
En, waarlijk, toen zij den volgenden morgen van hun reisgenooten vernamen en ook zagen, hoe die op hun onbeschermde scheepskooien door de tallóoze muskietenzwermen toegetakeld waren geworden; terwijl zij zeiven, heerlijk beschut door de gazen „klamboe'squot; (gordijnen) harer bedsteden, haar ledematen luchtig en ongedwongen hadden kunnen uitstrekken en een rustigen slaap genieten, staken zij Vogels hartelijk de hand toe, om hem voor zijn attentie te bedanken.
„Maar, gij zelf, mijnheer Vogels,quot; vroeg mevrouw Van Berkenstein, „hebt gij ook van de muskieten geleden ? Ik zie er op uw gelaat geen spoor van ?quot;
„Ik heb gisteravond een bezoek in het fort gebracht,quot; antwoordde hij, „en trof een mijner kameraden aan, die, om op alle eventualiteiten voorbereid te zijn, in het bezit is van een veldbed met veldklamboe. Zijn bediende heeft dat naar boord gebracht en
IN HET OUDE BANDJERMASINSCHE RIJK.
netjes op het dek opgeslagen; zoodat ik luchtig en ongestoord heb kunnen slapen. Ik heb alle gonzende, brommende en trompettende muskieten van harte uitgelachen.quot;
„Moeten wij nog zoo'n nacht doorbrengen?quot; vroeg Boisjolin pruttelend.
„Ja, hier te Bandjermasin nog een, daar wij morgenochtend eerst vertrekken. Maar wij blijven een viertal dagen hier in deze gewesten; en.... er zijn plaatsen, waar de muskietenplaag nog grooter is dan hier. Ik heb er dan ook wat op gevonden. Ik zal het noodige klamboegoed koopen en zorgen, dat ieder onzer nog hedenavond zijn toestelletje zal hebben, waaronder hij een ongestoovden slaap zal kunnen genieten.quot;
„Maar achter zoo'n klamboe zal het in de hutten zijn om te stikken,quot; merkte Ollerupp op.
„Met uw welmeenen,quot; antwoordde Vogels, „ik heb dat met kapitein Meerman reeds besproken. Wanneer wij ons des avonds ter ruste willen begeven, worden onze matrassen on hoofdkussens op het dek gebracht, daar in één of twee rijen uitgespreid, de klamboe's daarover gespreid en.... onze „tampat tidorquot; (slaapplaatsen) zijn klaar. Gij zult dan kunnen slapen als gelukzaligen.quot;
„Toch een rare „tampat tidorquot;, zooals gij dat noemt,quot; zei mevrouw Jaffrezic. „Zullen wij ook.... in rij en gelid moeten plaats nemen?quot;
„De dames kunnen in een rijtje naast elkander en geëncadreerd door de heeren echtgenooten slapen. Ik geloof, dat haar schuchterheid alsdan gerustgesteld zal wezen.quot;
De dames glimlachten bedeesd; maar konden geen tegenwerping meer maken.
Bandjermasin, een plaatsje, dat zich langs de Kajoe-Tangi-rivier uitstrekt, was gauw bekeken. Het meest merkwaardige daarvan was het residentie-huis, dat evenwel niet zoo weelderig en fraai was gebouwd als dergelijke elders. Vóór die woning nochtans strekte zich een pleintje uit tot aan de rivier en op dat pleintje verhief zich een gietijzeren monument, in Q-othischen stijl, ter nagedachtenis opgericht aan de leden van zee- en landmacht, die gedurende den Bandjermasinschen oorlog, welke van 1859—1864 woedde, het leven lieten. Vogels had reeds gedurende den overtocht naar Borneo de oorzaken en gevolgen van dien oorlog ontvouwd. Hij had menige épisode uit dien vijfjarigen veldtocht medegedeeld, zoodat de namen van Schiff, Graass, Bichon, Van Dam van Isselt, Van Eind«, Blondeau, Hojel, Van de Velde, Dilg enz., enz., enz. voor onze reizigers geen vreemdelingea waren. Stemmig en met een soort van eerbied stonden allen dat monument aan te staren, en waren, terwijl de wind zacht door de naalden der Tjemara's, die er om geplant waren, ruischte, in gedachten verzonken.
Verder werden nog het fort Tatas, de steenkolen-pakhuizen, de sociëteit enz. in oogenschouw genomen. De avond werd overigens gezellig bij den resident doorgebracht, die de reizigers ten zijnent en ter hunner eere de Europeesche ingezetenen op een receptie genoodigd had.
De dames van ons reisgezelschap gingen na afloop der receptie met haar echtge-
126
IN HET OUDE BANDJERMASINSCHE KIJK.
nooten nog naar het logement, om er den nacht door te brengen; zij vertrouwd en de vindingrijkheid van Vogels met betrekking tot de slaapinrichtingen op het dek nog niet geheel. Toen zij echter den volgenden dag aan boord kwamen, vernamen zij van de andere reizigers zooveel loftuitingen over dat slapen op het dek, dat voortaan iedere angstvalligheid verdwenen was.
De „Zeemeeuwquot; stoomde den volgenden morgen de Kajoe-Tangi-rivier op naar Martapoera. Dat was een moeilijke tocht door de vele en de scherpe bochten, die de rivier maakte, ook door de ondiepten, die vermeden moesten worden. Maar kapitein Meerman was niet onbekend in deze streken; daarenboven had hij zich van de diensten van een kundigen loods verzekerd. Het was evenwel laat, — ongeveer vijf uren, — toen het anker op eenigen afstand van Martapoera bij Koeala Tambaga in den grond viel. Men kon niet verder stoomen wegens een zeer groote rotsbank, welke de vaart op de rivier belemmerde en waarop in gewone tijden niet meer dan een paar voet water stond. Daar de afstand tot de plaats nogal aanmerkelijk was, besloot het gezelschap tot den volgenden morgen aan boord te blijven. Vogels en Visbergen stapten daarentegen in een „djoekoengquot;' (uitgeholden boomstam) en lieten zich naar Martapoera roeien. Zij keerden met een fraaie en zwaar bemande prauw tegen acht uren ongeveer aan boord terug en brachten den assistent-resident en den militairen commandant mede, die de toeristen welkom heetten en zich hoogst welwillend ter beschikking stelden.
„Aan Martapoera zelf is niet veel te zien,quot; sprak de eerstbedoelde, „maar wij zullen een toertje maken in de omstreken, dat, hoop ik, wel bevallen zal.quot;
Het gezelschap zat gezellig bij elkander op het dek van de „Zeemeeuwquot;. De zonnetent was opgerold en het zuidelijke sterrenheir schitterde met alle pracht boven de hoofden en vergoedde eenigennate de afwezigheid van do maan, die eerst om kwart voor tienen ongeveer boven de kim zou verschijnen. Het was allerwegen stil in de natuur; alleen het zachte geklater van den zwaren stroom, die op den gespannen ankerketting of tegen den boeg van het schip brak, deed zich hoeren. Soms gonsde ook wel een muskiet zijn eentonig geluid aan het oor; maar het bescheiden windje, dat heerschte en de bladeren der op de oevers staande boomen ternauwernood in zacht wiegelende beweging-bracht, voerde die lichtvleugelige, maar bloedlustige insecten heen en veroorloofde hun niet, zich op dat dek op te houden.
Het gesprek liep over den oorlog, die dit gewest van Mei 1859 af, gedurende een reeks van jaren onafgebroken beroerde, welke met den moord van de Europeanen bij de steenkolen-ontginningen te Kalangan en te Goenoeng Djabok begon en met verwoedheid en afwisselend geluk werd gevoerd, totdat het Bandjermasinsche vorstenhuis verjaagd, de voornaamste afstammelingen daarvan verbannen waren en de bevolking, van haar onmacht tegenover de Nederlandsche wapenen overtuigd, deemoedig het hoofd boog. Menig tafereel van dien oorlog werd opgehaald. Vooral in den militairen commandant, die wel is waar te
127
IN HET OUDE BANDJERMASINSCHE HUK.
jong was, om dien veldtocht te hebben medegemaakt, troffen onze toeristen iemand aan, die van dien oorlog een ijverige studie had gemaakt en daarbij de gave bezat, om aangenaam te kunnen vertellen.
„Waar we hier met de „Zeemeeuwquot; liggen,quot; sprak hij, „was nagenoeg het centrum van beweging, toen Pangerang Hidajat Oelah, de troonpretendent, zooals gij weet, ontvlucht was en, geholpen door de bevolking, zich aan onze nasporingen onttrok. Gedurende de maand Februari 1862 werden in deze buurt ongelooflijke inspanningen van onze expedi-tionnaire troepen gevergd, om dien hoofdopstandeling weer in handen te krijgen. Hier op dezelfde plek, waar uw schip geankerd is, lag voor de Koeala Tambaga de stoomsleper „Kapitein Van Osquot; op brandwacht en diende niet zelden tot steun aan de patrouilles, die in een zeer uitgebreiden kring het terrein doorzochten. Grij zult overdag wel een blik aan dat moerassige landschap, hetwelk dagmarschen ver de rivier omzoomt, ja in het regenseizoen één moeras vormt tusschen de Kajoe-Tangi-rivier en den Barito-stroom, gewijd hebben. Gij zult u dan een denkbeeld kunnen vormen van de inspanningen en de vermoeienissen, waaraan onze troepen te midden van dat papachtige terrein blootgesteld waren. Van al die tochten en drijfjachten, welke ten doel hadden Pangerang Hidajat te noodzaken naar den kant der rivier de wijk te nemen, alwaar hij dan onvermijdelijk in handen moest vallen, daar die overal bewaakt en afgesloten was, wil ik een épisode mededeelen. Hoe zoo'n patrouille sjouwen en omdolen moest, welk wedervaren haar daarbij soms te beurt viel, zal ik door dat verhaal trachten helder te maken.
„Laat in den avond van den 9'len Februari keerden eenige officieren met hun patrouille doodvermoeid van een tocht door dat zwaar moerasland, ter doorzoeking van de Pamatongs ') Kalioekan en Pegadongang, in het fort te Martapoera terug. Helaas, het was, alsof zij als geroepen kwamen. De expeditie-chef. de luitenant-kolonel Verspijck, was toen juist bezig een onderzoek in te stellen over den weg, dien Pangerang Hidajat genomen had en het bleek daaruit, dat die hoofdopstandeling zich des daags op een uitgestrekt ananas-veld ophield, hetwelk die officieren doorgetrokken waren, en dat hij des nachts een onderkomen vond in het huis van een pembekel 2), Tachmed genaamd, het hoofd der kampong Kalioekan. die juist dien dag de bedoelde patrouille tot gids gestrekt had. Na eenige aarzeling bekende die pembekel het feit, alsook dat hij de veldontdekkers deerlijk misleid had. Onze officieren waren natuurlijk woedend. Maar, uit dat onderzoek bleek ook, dat een onzer bondgenooten, de mandoor Tasso, met zijn trouwe Dajaksche volgelingen daar ter plaatse door de twee hoofdopstandelingen Demang Lehman en Tomonggong Tjitra Gammar gevangen genomen en -gehouden werden. Nog dienzelfden nacht gingen dezelfde
') Pamatong is een strook gronds, die iets hooger dan het daar omliggend moeras gelegen is en niet dan bji zeer liooge waterstanden overstroomd wordt.
2) Pembekel = kamponghoofd.
128
IN HET OUDE BANDJEBMASINSCHE KIJK.
officieren, maar met een patrouille van 90 versche manschappen, aan boord van de prauw van den assistent-resident, welk vaartuig evenwel zwaar lek was en voortdurend uitgehoosd moest worden, en zakten ze de rivier af. Andermaal namen zij pembekel Tachmed als gids mede,
„Die tocht langs en over het moerassige en dichtbegroeide land moest vreeselijk genoemd worden. Het was een stikdonkere nacht, een dier zwoele, afmattende keerkringsnachten, waarin de zwaar bewolkte hemel geen uitstraling, geen afkoeling gedoogt en die gedurende het regenseizoen zoo veelvuldig voorkomen. Het was een getob, om die lekke prauw over dat modderige terrein vooruit te brengen. Nu eens zat zij in het plantendek verward, dat veelal uit lianen, doornige rottanhalmen en andere slingergewassen bestond, en moest met het hakmes in de hand daaruit bevrijd worden. Dan weer zat zij in de modder vast en moest het geheele personeel aan boord zich beijveren om te roeien of haar voort te hoornen. Niet zelden moesten de opvarenden te water, om wadende het vaartuig voort te duwen en zoo over de ondiepten heen te baggeren. Voegt daarbij de millioenen en nog eens millioenen muskieten, welke in die moeraslanden aangetroffen werden en zich met hun eeuwigdurend of eentonig gegons op de ploeterenden wierpen, hun aangezicht, hun hals, hun handen, in het kort ieder onbedekt lichaamsdeel met haar pijnlijk jeukende steken overlaadden, dan zult gij kunnen beseffen, dat ik niets te veel zei, toen ik straks beweerde, dat die tocht vreeselijk moest genoemd worden.
„Bij het aanbreken van den dag werd de kampong Kalioekan bereikt. In alle stilte, opdat niemand der bevolking de aanwezigheid der patrouille kon bemerken, werd het huis van het kamponghoofd doorzocht, maar niets gevonden. Toen werd een tweede gids op aanwijzing van den pembekel opgelicht en daarmede naar het bedoelde ananasveld getrokken. In weerwil der ijverigste nasporingen, vond men er niets. Wel kreeg men de overtuiging, dat nog kort geleden een aanzienlijke menschendrom daar verwijld had. De berichten, die men omtrent de latere verblijfplaats van Pangeran Hidajat inwon, waren zóó uiteenloopend, dat zij volkomen ongeloofwaardig moesten heeten. Genoeg, men vond het nest leeg; men was, weer een keer te meer, liet slachtoffer van verraad en misleiding geweest.
„Nu het hoofddoel van den tocht, de arrestatie van Pangeran Hidajat, mislukt was, werd er aan gedacht, om hulp aan den trouwen Tasso met zijn volgelingen te verleenen. Maar, bij de eerste woorden, die daarover gerept waren, werd onzen officieren medegedeeld dat die bondgenooten van het Nederlandsch bestuur op last van Pangerang Tjitra Kesoema. van Demang Lehman en van Tommonggong Grammar !) onthoofd en dat hun lijken in een kuil in het dichte bosch op den Pematong Kalioekan geworpen waren.
„Die moord scheen ongelooflijk; men wilde zich overtuigen. Terwijl een der officieren naar Pamatong Danau trok; ten einde daar nog een twijfelachtige poging te wagen, om den
') Drie voorname hoofden der opstandelingen.
129
130
kroonpretendent op te lichten en de tweede liet bedoelde ananas-veld bezet hield, begaf de derde zich op weg, met het doel zich omtrent den moord te vergewissen.
„Volgens den gids duidde een boven het hooge woud uitstekende boom de noodlottige plek uit de verte reeds aan. Door een schier ondoordringbare wildernis moest moeitevol met het hakmes een pad gebaand worden en zóó, pas voor pas voortschrijdende, werd eindelijk het huiveringwekkende doel bereikt. Over een omtrek van schier 4 M. was de wildernis schoon gekapt en daar gaapte een diepe kuil, die de sporen droeg van reeds vroeger bestaan te hebben. Over het midden van dien kuil, rustende op de randen, lag een zware boomstam, die letterlijk van bloed doorweekt was. Op dien stam waren de rampzaligen, wien men eerst de handen op den rug gebonden had, wreedaardig geslacht geworden. Toen onze officier dien kuil naderde, sprong een monsterachtige krokodil te voorschijn en spoedde zich in allerijl naar het nabijgelegen moeras. Het ondier had zich vergast met het verslinden van de overblijfselen der verslagenen.
„Die kuil bood een huiveringwekkend schouwspel aan. Het was een verwarde hoop van half in bederf overgaande lijken, waar hier een hoofd, daar een half verslonden been, elders een gedeelte van een rif met gekraakte ribben uitstaken, terwijl dat afschuwelijk kluwen in een plas van geronnen bloed te ontwaren was.quot;
„O! schei uit, kapitein,quot; riep mevrouw Van Berkenstein, „voorzeker zal ik er van droomen!quot;
„Maar, hoe liep de vervolging van Pangeran Hidajat af?quot; vroeg Montauban.
„O, die werd met een goeden uitslag bekroond. Voor en na viel zijn gevolg in onze handen, eerst zijn moeder, de Ratoe Njahi Kamala, daarna Ratoe Sitie, zijn eerste vrouw, en verder ook eenigen zijner overige vrouwen. Eindelijk, door gebrek daartoe genoopt, schreef hij een brief aan den luitenant-kolonel Verspijck, houdende het verzoek, dat hij door het districtshoofd van de landstreek Riam Kanan, Kiahi Patih Warga Dalam, zou worden afgehaald. Hij kwam in den nacht van 28 Februari op 1 Maart te Martapoera aan. Daags daarna werd hij aan boord van de „Kapitein Van Osquot; gebracht, die hern naar Bandjermasin vervoerde, waar hij aan boord van de „Baliquot;, een oorlogsstoomer, werd in ontvangst genomen en met welk schip hij onmiddellijk naar Batavia vertrok. Sedert is hij in de Preanger Regentschappen geïnterneerd, alwaar hij rustig en kalm zijn leven slijt.
„Maar....quot; brak de verhaler af, „ik geloof dat het mooi laat geworden is. Hemel! reeds elf uren! Kom, resident, in de prauw! Wij hebben nog ruim drie kwartier te roeien.quot;
Den volgenden morgen stond het noodige aantal paarden gereed, om den voorgenomen rit te volvoeren. Onze toeristen waren nog vóór het aanbreken van den dag van de „Zeemeeuwquot; afgestoken; zoodat de zon nog niet ter kimme was, toen zij te Martapoera aankwamen. Een kop koffie was gauw in de voorgalerij der assistent-residents-woning
IN HET OUDE BANDJEKJUSINSCHE RIJK.
geslurpt en weldra zat het geheele gezelschap, waarbij zich die ambtenaar en de militaire commandant met nog een paar officieren voegden, in het zadel.
Al dadelijk werd de weg zuidwaarts ingeslagen over Soengei Pring en Groenoeng Lawak naar Kalangan. De weg was goed en voldoende breed en voerde over heuvelachtig terrein, gedeeltelijk met laag struikgewas begroeid, maar liep voor het grootste gedeelte door uitgestrekte alang-alang-velden. Het was in den drogen tjjd, waarin de bevolking zich beijverde, die ellenhooge grassoort, welke nu kurkdroog was, af te branden. Geheele uitgestrektheden waren door de vlammen zwart geschroeid en vertoonden een treurig uitzicht. Op andere afgebrande alang-alang-velden begonnen de jonge spruiten weer uit te kiemen en veroorzaakten die zacht groene grasspitsen een eigenaardige tegenstelling op dien zwart verbranden bodem. Andere velden stonden in brand en onze toeristen zagen die vuurzee onder den adem der bries voortrollen. Wolken van dikken, zwarten rook, van onderen purperkleurig door het schijnsel der vlammen en met gulden loovertjes bespikkeld door de vonken, die in de zwarte massa ronddwarrelden, stoven den brand vooruit. Het was een treffend gezicht, die vlammen- en rookgordels in hun geheele uitgestrektheid soms mijlen lang al de oneffenheden van het terrein te zien volgen, ja te doen uitkomen, ben de heuvelhellingen te zien beklimmen, in de dalen te zien verdwijnen, hen bij beken te zien halt houden, alsof er aarzeling ontstond, maar hen een oogenblik later hun tocht aan de overzijde triomfantelijk te zien vervolgen. Soms naderde de vuurgordel het pad derma,te, dat men het gesis en geknap der brandende alangstengels duidelijk kon waarnemen. Eens zelfs kronkelde het zoodanig onder den wind van zoo'n vuurgloed, dat de militaire commandant het noodzakelijk achtte „in galop!quot; te commandeeren en dat, waarachtig, de paarden hun best moesten doen om den vlammengordel vooruit te blijven. Duidelijk werd het geloei der steeds naderende vlammen vernomen. Een verstikkende rook omgaf ons rennend troepje. Eeeds begonnen hen de fijne vooruitstevenende vonken te bereiken en prikten pijnlijk de huid, waarop ze terechtkwamen. Die vlammen naderden al meer en meer. De heeren wierpen reeds een bezorgden blik achter zich.
„Komt, vooruit! vooruit!quot; beval de militaire commandant. „De sporen en de karwats niet gespaard! Daar vooruit is redding!quot;
Het was dan ook hoog tijd, dat die redding niet uitbleef! De rennende troep bereikte de Soengei Lawak, een vrij breede beek, die evenwel doorwaad kon worden, en stortte zich te water, juist op het oogenblik, dat de vlammengordel onze toeristen zou hebben ingehaald, maar nu bij die watervlakte stuitte.
„Oef!quot; riep mevrouw Visbergen. „Is dat rijden!quot;
„Een dolle ren!quot; verzekerde mevrouw Van Berkenstein.
„Kijk mijn arme japon eens,quot; jammerde mevrouw Jaffrezic; „die gelijkt wel een zeef, zoo vol gaatjes is ze gebrand.quot;
„Beter de japon dan de huid!quot; antwoordde haar echtgenoot lachende.
131
IN' HET OUDE BANDJER1IASINSCHE RIJK.
Toen men de overzijde van de Soengei Lawak bereikt had en dus buiten gevaar was, zagen onze toeristen langs de rivierboorden eenige kuilen, die vrij diep en trechtervormig uitgehold waren en daardoor de menschenhand verrieden.
„Wat zijn dat voor kuilen1?quot; vroeg Montauban.
„Dat zijn diamantputten,quot; antwoordde de assistent-resident.
„Diamantputten! Zijn wij dan in de streken, waar dat edelgesteente gevonden wordt T'
„Ja. Deze gronden zijn zelfs zeer rijk. Langs al de beekjes, die hier de Soengei Moloekoe toevloeien en vormen, worden zulke putten aangetroffen. Het geheele terrein van de zoogenaamde Tanah Laoet, die de zuidspits van Borneo vormt, wordt geacht diamanthoudend te zijn.quot;
„Zullen wij het diamantdelven kunnen zien?quot; vroeg Montauban; „want deze kuilen schijnen verlaten.quot;
„Wellicht. Komt, laat ons voortrijden.... Kijkt, daar heb ik al zoowat in het oog.quot;
En, werkelijk, men naderde thans kuilen, waarin de werkzaamheden in vollen gang waren.
„Ziet,quot; sprak de assistent-resident, „de putten, die een oppervlakte van vier tot zes voet hebben, worden gegraven totdat de diamant bevattende laag bereikt is. Kijkt, wij hebben er hier zoo een. Zooals gij ziet, bestaat die laag uit een mengsel van kiezel en stukjes zandsteen, die in klei van een bijzonder roode kleur vervat zijn. Daaronder strekt zich een laag donkerblauwe klei uit, — ziet, daar komt zij onder het houweel van den werker voor den dag, — waarin de „batoe amp ar anoemquot;, die hier „djakoetquot; heet, aangetroffen wordt. Die djakoet is een soort van prachtig bergkristal, dat door de onervarenen niet van den echten diamant te onderscheiden is, en waardoor dan ook menigmaal bedrog gepleegd wordt. Wordt deze blauwe kleilaag aangetroffen, zonder dat die voorafgaande roode gevonden werd, wat wel eens gebeurt, dan is dat een onfeilbaar teeken, dat daar geen edelgesteenten aanwezig zijn. Zooals gij ziet, zijn die putten van ongelijke diepte, en hangt deze af van het terrein en van de dikte der dekkende lagen. Hier zijn ze niet dieper dan 12 tot 15 voet.
„Ziet, wanneer de bedoelde roode kleilaag bereikt is, dan wordt die zuiver en netjes uitgestoken en de klei in manden naar de beek gedragen, waar zij in een „legëhquot; in het water uitgewasschen wordt. Zooals gij bespeuren kunt, is zoo'n legèh, een mand, die de gedaante van een halven cilinder heeft, maar van zóó fijne bamboereepjes en gespleten rottan gevlochten is, dat het kleinste steentje er niet door kan. De klei wordt nu in die legèh in het water voortdurend gekneed en zoo in oplossing gebracht, waarna hij door den stroom medegevoerd wordt. De achtergebleven kiezelsteentjes en het gruis worden dan nog eens gezeefd, daarna met de hand gelijkmatig in de legèh als een zeer dunne laag uitgestreken en vervolgens met de meeste zorg uitgezocht. Zeer dikwijls wordt de legèh
132
W4
: - ■ ■
^ 3^' !
. ' • . ■ gt;#: , .■ - -■ ..
^ -Sê.' iv • ' ■'■ , '. 'j,,' , -v. ■ ■ ',
• • ;i:- ■ samp;' . 7- ; • ' j* lt;lt;* - - »• ■
•• - ■
' ■ ' -
' ,V .-—v ■ -1 f ^
' . • ^ :m
■ ' ■quot; ■%
^ ; ■: - ■. ; -r
•. .gt;•«. .t.•,?,;••• ;.V-\ - ^-n^Vv - t'
■ quot; • - • v : ^gt;v
. ■ • S-''- ^ - ? . • •
' ^ V .■ f'quot;
■;4 ' •?( - ■' C . ' .rv r '
. ■ •' y ■ • - (vv- . ^J-V. . - '
; • '
Sr •
en dus buiten gevaar vrij diep en trechter-
3lgesteente gevonden
die hier de Soengei It geheele terrein van ■ordt geacht diamant-
a; „want deze kuilen
zoowat in het oog.quot; «aamheden in vollen
f vlak te van vier tot bereikt is. Kijkt, wij lengsel van kiezel en lijn. Daaronder strekt het houweel van den lie hier „djakoetquot; •gkristal, dat door de waardoor dan ook roffen, zonder dat die sen onfeilbaar teeken, putten van ongelijke 3e lagen. Hier zijn ze
wordt die zuiver en ar zij in een „legèhquot; legèh, een mand, die lereepjcs en gespleten klei wordt nu in die icht, waarna hij door en het gruis worden een zeer dunne laag twijls wordt de legèh
■ . V'quot; ... . . -
•. • ■ :■ , % :w ^ * : ■'gt; , : -V :v • quot;.-r- ■ ■, •
Vv-y-
'a * a
! ■ ■■■ ' '• • ■quot;. •■ :, i, ^ —■
:- , ■ Aj-. ■ ■■■•. ■.:gt;:v'..:,?-. ^ • ■ ■■■..
■ .-■ . ■. . ' .■ ■' • quot; ■■. ■•.!■■ ■•
: ■ ^ ■■ - .; ; . ■ . 4*
■■■■■ ■■
'f ,t' ^ quot; v .* . ... • ,.
' '9 . ■*'.*■* quot;'■ ■ x
^ 4' ^
■ ■ V-^ ■ ■ - ... ' ■ , . - :r-
■r ; ■*,. r'. J Mi '
■ rquot;1: ■.. . r:- ■ ■'■S
■ 1:. •. ■ :.. '••..■ • «i.vi -• f.;v; - J. - • . • .' ;
i.-,■M'SffO _■ • .-• v.. .f-4 ■■■- ' V L' • -, .Si, v- ; , i ' -3« •• .
. ■ ■«'tiWWv . j.'ff « ' ' 4 ■*'. ■ .• .«• 't'ifü:. V'-... • ' .jftó'quot; T»________. , tcfv'. . ' ■?
IN HET OUDE BANDJEHMASINSCHE KIJK.
geledigd, zonder dat er een enkel diamantje gevonden is. Soms ook dient het geluk de zoekers en worden fraaie steenen te voorschijn gehaald.quot;
„Worden de diamantputten alleen in de nabijheid van „soengei'squot; (beken) aangelegd?quot; vroeg Montauban.
„Wel neen; maar het is verreweg het gemakkelijkste, de putten dicht bij stroomend water te hebben. Worden zij evenwel meer in het binnenland aangelegd, dan wordt die roode klei zorgvuldig in een met boomschors omwonden vierkanten bak opgezameld, om daarna, wanneer men een genoegzame hoeveelheid bij elkander heeft, in de nabijheid eener beek overgebracht en uitgewasschen te worden.quot;
„Ik dacht, dat op goed geluk naar diamanten gezocht werd en daartoe de putten in de onmiddellijke nabijheid van „soengei'squot; gegraven werden,quot; zei Van Berkenstein. „Nu gij mij evenwel vertelt, dat ook binnenwaarts gegraven wordt, moet ik veronderstellen, dat er een wetenschap bestaat, die de gronden, waarin diamanten verborgen liggen, doet herkennen. Is dat zoo
„Een wetenschap, zooals wij. Westerlingen, dat woord opvatten, neen. Maar in de diamant-districten hier bestaan „mahem'squot; (gidsen, loodsen). Bedriegen die de menigte, of handelen zij ter goeder trouw? Dat zal ik mij wel wachten uit te maken,quot; antwoordde de assistent-resident. „Dit is zeker, dat zij zich hoogst zelden vergissen. Wanneer zij een plek aanwijzen, dan worden in den regel daar diamanten gevonden.quot;
„Hoe gaan zij daarbij te werk?quot; vroeg Montauban.
„De „maliemsquot; gaan tegen zonsondergang, van drie of vier man vergezeld, door de bosschen en wildernissen dwalen. Alvorens zij den tocht ondernemen, teekenen zij zich een vette streei) tusschen de oogen tot over het neusbeen met een zekere tooverolie, die minjakh tjelang boemi heet. Door die olie zouden zij het vermogen verkrijgen, de verborgenheden van het binnenste der aarde te kunnen aanschouwen. Ook zouden die maliems een lichtenden glans als van een glimworm boven den grond waarnemen, waaronder diamanten bedolven liggen, en zou die glans sterk of zwak zijn, naarmate van de grootte der steenen, die aangeduid worden.quot;
„Maar, dat alles is toch maar zuiver bijgeloof, nietwaar?quot;
„Voorzeker; maar ik herhaal, dat die „maliemsquot; zich zelden vergissen. Meer dan waarschijnlijk verbergen zij achter dien hocus pocus meer degelijke, practische kennis, welke zij evenwel zorgvuldig geheim houden.quot;
Nu de diamantmijnen bezichtigd waren en de paarden uitgeblazen hadden, namen onze toeristen een Hinken draf aan, den weg verder zuidwaarts inslaande, en konden ongeveer een klein uur gereden hebben, toen zij te Kalangan aankwamen. De assistentresident vertelde hun dat hier eenmaal de particuliere steenkolenmijn „Herminaquot; gestaan had; maar dat in Mei 1859, bij de uitbarsting van den algemeenen opstand in het Bandjermasinsche rijk, het geheele personeel: mannen, vrouwen en kinderen vermoord waren
133
IN HET OUDE BANDJERMASINSCHE RIJK.
geworden. Helaas! van de eenmaal bloeiende onderneming waren slechts weinige puinhoopen over, die onder festoenen van klimop en onder een dicht weefsel van slingergewassen verscholen lagen. De tijd riep hier de tropische plantenwereld te hulp, om die plek, waar zooveel gruwelen begaan werden, waar zooveel weerlooze, zooveel schuldelooze vrouwen en kinderen om hals gebracht werden, te overdekken en aan de vergetelheid prijs te geven. Aan de voeten onzer reizigers gaapten de putten, die vroeger tot de mijnschachten toegang verleenden en onze ruiters moesten zeer voorzichtig rijden; want niet altijd waren die groeven zoo dadelijk te ontdekken, waarin een val doodelijk zou zijn. Die schachten en putten waren thans met water gevuld. Sedert die schrikkelijke catastrophe was de mijn-arbeid gestaakt en later niet weer hervat geworden.
Afgetrokken en zwijgend werd de terugtocht aangenomen. Ieder was in zichzelven gekeerd en onder den indruk van het gezicht van die plek, waar zooveel geleden was, waar zooveel jammer en ellende over het hoofd van onschuldigen was uitgestort geworden. Eerst toen onze toeristen het terrein bereikten, waar zij dien morgen op de vlucht voor den alang-alang-brand geslagen waren, begonnen zij meer levendig te worden. De herinnering aan het geloopen gevaar bezorgde afleiding en de verschillende épisodes van dien geforceerden ren gaven stof te over tot opgewekte gedachtenwisseling en tot vroolijken kout.
„Drommels, het spande daar straks,quot; zei Nielsen lachende.
„Ja, prettig was de toestand niet,quot; antwoordde de militaire commandant. „Vooral niet met de fladderende japonnen der dames. Daar was ik beducht genoeg voor. Maar uw echtgenooten zullen er zich nu op beroemen kunnen, waarlijk in het vuur geweest te zijn. Dat alang-alang-branden werd gedurende den Bandjermasinschen oorlog nogal bij de hand genomen, om onze troepen te bestoken. En gij zult zeer licht begrijpen, dat onze soldaatjes, die als helden tegenover den meestal overmachtigen vijand stonden, een retireerende beweging uitvoerden, soms zelfs geforceerd snel, wanneer zij zoo in hun opmarsch, met hun patroonzakken op den buik, door zoo'n voortschrijdenden vlammengordel gestuit werden. Het is dan ook niet alles, in zoo'n omstandigheid een buskruitmagazijntje voor zijn abdomen te voelen bengelen.quot;
Het was laat in den namiddag, toen ons ruiter gezelschap te Martapoera terugkwam. De assistent-resident vereenigde onze reizigers aan een luisterrijk diner, waartoe hij al de notabelen der plaats uitgenoodigd had. En de militaire commandant, die niet achter wilde blijven, hield daarna een gezellige receptie, welke tot laat in den nacht duurde.
Het was ruim twee uren na middernacht, toen ons gezelschap met de residentsprauw aan boord van de „Zeemeeuwquot; terug was.
Bij het krieken van den dag lichtte kapitein Meerman het anker en de „Zeemeeuwquot; had reeds een groot gedeelte van de reis naar Bandjermasin afgelegd, toen onze reizigers nog slaperig en geeuwend aan het dek verschenen.
Het was ongeveer middag, toen de hoofdplaats van de Zuid- en Ooster-Afdeeling
134
IN HET OUDE BANDJERMiVSINSCHE BUK.
van Borneo bereikt werd. In den namiddag legden onze toeristen enkele bezoeken af en namen afscheid van den resident, want den volgenden dag zouden zy Bandjermasin verlaten.
„Q-ij spraakt er van,quot; zeide die hoofdambtenaar, „om een tocht op de Barito te maken. Komt gij dan niet meer te Bandjermasin terug'}quot;
„Neen, resident,quot; antwoordde Van Berkenstein. „Wij zullen de Barito, wellicht ook de Dousson, een eindje opstoomen; maar dan zullen wij langs de kleine Dajak-rivier zee kiezen. Dat kan immers, nietwaar?quot;
„Ja, zeker; de monding der kleine Dajak-rivier is even breed en even veilig als de Barito-monding. Ook de geul door de bank voor de rivier-monding is behoorlijk bebakend.quot;
135
Langs de Barito. Een Bomeoosch meer,
Den volgenden morgen, niet al te vroeg, — zoo omstreeks 8 uren, — stoomde de „Zeemeeuwquot; de Kajoe-Tangi-rivier af, rondde de landtong, waarop Schans va,n Thuyll gelegen was, en stevende de Barito in.en volgenden morgen, niet al te vroeg, — zoo omstreeks 8 uren, — stoomde de „Zeemeeuwquot; de Kajoe-Tangi-rivier af, rondde de landtong, waarop Schans va,n Thuyll gelegen was, en stevende de Barito in.
Onze reizigers ondervonden thans in veel hoogere mate, dan toen zij de Barito-monding inkwamen, toen hun gevoel nog eenigermate door den onmetelijken gezicltskring, dien zij op zee genoten hadden, verstompt was, dien heerlijken indruk, welken ieder gevoelig mensch erlangt, wanneer hij breede stroomen bevaart, waarbij het gezicht zich genoegzaam opent, om het oog tot opsporen, tot doorgronden te dwingen, evenwel genoegzaam beperkt is, om dat gevoel van angstige huivering te beletten, hetwelk iedereen ondervindt bij het ontwaren van het onmetelijke, dat schaduwbeeld van het eeuwige.
De prachtige stroom slingerde met zijn ruim 2200 voet breede oppervlakte, statig, aan een zeearm gelijk, — die, als de zeewind krachtig doorstond, gevaarlijk kon deinen, — met lange, soms onmerkbare bochten, door het moerassige landschap, dat hem omgaf. Soms naderde het maagdelijke bosch de oevers en kon de blik zich weer eens vergasten aan den weelderigen tropischen plantengroei, die zich als een kolossale groene wand langs de stroomoevers verhief en het onderzoekend oog stuitte, dat trachtte het achterliggend terrein te bespieden. Vele „ladangsquot; werden voorbijgestevend. Zoo worden tijdelijke rijstvelden genoemd, die ontstaan waren door de opruiming van het oorspronkelijk bosch, na een viertal jaren weer verlaten en aan de herstellende kracht der natuur teruggegeven werden, en thans in dit jaargetij slechts een dor aanzien hadden, daar de rijstoogst afgeloopen en men met planten nog niet begonnen was. Maar, verreweg het meeste terrein, dat men ontwaarde, was door struikgewas ingenomen, hetwelk een breeden band langs de stroomoevers besloeg, terwijl daarachter het maagdelijk woud op gezichtsverheid aan den horizon
— EEN BOKNEOOSCH MEEK.
137
LANGS DE BAEITO.
ontwaard werd. Dat struikgewas werd in alle stadia van ontwikkeling aangetroffen: hier laag en klein, moeite hebbende om den strijd vol te houden met de weelderige gras- en calamus-soorten, die het dreigden te verstikken; elders reeds meer in de hoogte geschoten, maar dicht in elkander gegroeid en als doorweven met een netwerk van slingergewassen, waarin de rottan ruim vertegenwoordigd was. Ginds waren de struiken reeds boompjes geworden; de zwakkeren waren bezweken in den strijd en de overblijvenden zett'en den kamp voort en groeiden zoo haastig zij konden, om daarboven hun deel aan licht en lucht te bekomen. Weer verder waren de boompjes reeds boomen geworden, het woud had weeleen aanvang genomen, hoewel de dunne stammen en de smalle kruinen luide verkondigden, dat men hier nog slechts met een woud van latere dagteekening te doen had.
„Een merkwaardig tafereel levert die boschflora in haar verscheiden tijdperken,quot; merkte Van Berkenstein op. „Wat kan van dat verschil de oorzaak zijn?quot;
„Wel eenvoudig de bijl,quot; antwoordde Vogels. „De bevolking hier langs de Barito is vrij talrijk. Die bevolking heeft velden noodig om haar rijst te planten.1'
„Hebben de bewoners van Borneo dan geen sawahgronden, zooals op Java1?quot;
„Neen. Ieder, die rijst planten wil, zoekt zich een plekje in het bosch uit, kapt het hoog geboomte en de struiken weg, reinigt eenigermate den bodem van ruigten en verbrandt de takken en stammen, wanneer die genoegzaam door de zon geblakerd en gedroogd zijn. Ziet, daarginds woedt een zoogenaamde ladang-brand. Tusschen de verkoolde struiken der woudreuzen, die eenvoudig blijven staan, plant de inboorling zijn rijsthalmen. Zoo'n schoon gekapt veld kan vier of vijf jaren gebruikt worden. Dan wordt het verlaten, eensdeels, omdat er dan het onkruid te welig opschiet en de Inlander niet veel van wieden houdt; anderdeels, omdat dan de veldmuizen en veldrotten zoodanig vermenigvuldigd zijn, dat die den planter de moeite van het oogsten besparen. Een nieuwe plek wordt op een aanmerkelijken afstand van de oude opengekapt en deze laatste eenvoudig aan haar lot overgelaten. Deze doet zich dan eerst als een grasveld voor; spoedig verschijnen evenwel struiken, die het gras verdringen. De struiken bekampen elkander onderling; de sterkste behouden het veld, ontwikkelen zich tot boomen Zietdaar, wat gij hier voortdurend onder de oogen hebt.quot;
„Wat is dat voor een donker woud, hetwelk zich daarginds uitstrekt?quot; vroeg Montauban. „Daar, dat donkere loof, bij het zwarte af, met die rechte witte stammen, waarom de grauw-bleeke schors als een lijkwa hangt?quot;
„Dat zijn galam-bosschen 'j, welker prachtige stammen zeer gewild zijn voor masten van kleine schepen, voor galerij-stijlen, voor daksparren enz. Hier ter kuste worden de zwaardere stammen veel gebruikt voor stutten in de mijnschachten. Het is een boom, die duurzaam hout oplevert, en die, slank en recht, evenwel niet bijzonder dik, zoowat 30 tot 40 voet hoog groeit en daar eerst zijn kleinbladerige kruin vormt. De dikte van den stam
') Galam = Melaleuca minor.
LANGS DE BARITO. — EEN BOKNEOOSCH MEER.
beneden verschilt weinig, zooals gij zien kunt, met zijn boveneind, zoodat die stammen zich als zuilen vertoonen.
„Maar hoe zonderling hangt die schors er bij.quot;
„Die schors,quot; vervolgde Vogels, „is van een zeer zacht, viltig weefsel. Op zekere tijden van liet jaar vernieuwt zij en wordt de oude afgestooten, die dan zoo met lappen den moederstam verlaat. Die schors dient voornamelijk om de naden van prauwen en schepen te breeuwen en wordt daartoe op groote schaal ingezameld en uitgevoerd.quot;
De „Zeemeeuwquot; stevende steeds vooruit noordwaarts op. Nu eens stoomde zij langs kampongs, die zich veelal in een eindelooze rij langs de stroomoevers uitstrekten, dan weer schoot zij door de „Salatsquot; of de nauwere rivier-gedeelten, die zich tusschen den vasten wal bevonden, en de eilandjes, die hier en daar aangetroffen werden. Zoo stoomde men Poeloe Kambing, Poeloe Alalak, Poeloe Loemba en Poeloe Anjen voorbij en daarbij verkreeg het rivier-gezicht soms een lieflijke afwisseling van het statige, hetwelk steeds genoten werd.
Het kon omstreeks elf uren zijn, toen onze reizigers bij het ronden van een „rantauquot; (stroombuiging) een groot vlot in het gezicht kregen.
„Wij zijn toch niet op de Amazone-rivier,quot; zei üoisjolin, „dat wij een Jangada tegenkomen!quot;
„Dat vlot,quot; lichtte Vogels toe, „komt of van de Boven-Dousson, of van de Boven-Kapoeas. In ieder geval is het bemand met Dajaks, de bewoners der binnenlanden van Borneo, die op deze wijze hun producten naar de kusten brengen.quot;
De „Zeemeeuwquot; maakte spoed. Het vlot evenwel lag midden in den stroom te dobberen; men spande daarop alle krachten in om het aan den wal te brengen. Het zoogenaamde doode tij was ingetreden en de eb was op haar laagste punt. De opkomende vloed zou zich ras doen gevoelen. Weldra zou dat vlot, wanneer het niet vastgemeerd werd, een eind weer teruggevoerd worden in de richting van waar het kwam. Vogels legde dat alles uit en met verbazing vernamen de reizigers, dat de vloed zich op zoo'n verren afstand van zee nog deed gevoelen.
„Hij is nog veel verder waar te nemen,quot; zeide de luitenant. „In dit seizoen nog wel drie dagen stoomens verderop. In den west-moesson, wanneer zooveel aandrang van water van boven komt, niet zoover.quot;
„Dan moet het land hier toch niet veel boven de oppervlakte der zee verheven zijn,quot; merkte H. Jaffrezic op.
„Dat is het ook niet. Hier in het benedengedeelte van den stroom, dat zoowat ruim 432 K. M. lang is, bedraagt zijn gemiddeld verval ongeveer 0.49 M. per K. M. en derhalve iets meer dan 21 M. op deze geheele uitgestrektheid. Het onmiddellijke gevolg van die lage gesteldheid, welke nagenoeg langs de geheele zuidkust bestaat, is; dat de oeverstreken der verschillende rivieren in hun lager gedeelte dagelijks met brak water overstroomd worden bij het opkomen van den vloed. In den drogen tijd bedraagt dat
138
xxlat die stammen
weefsel. Op zekere an zoo met lappen i van prauwen en litgevoerd.quot; 5 stoomde zij langs strekten, dan weer ion den vasten wal oomde men Foeloe larbij verkreeg het s genoten werd. i van een „rantauquot;
wij een Jangada
óf van de Boven-binnenlanden van
in den stroom te brengen. Het zoomt. De opkomende vastgemeerd werd, l. Vogels legde dat )oquot;n verren afstand
it seizoen nog wel mdrang van water
der zee verheven
room, dat zoowat M. per K. M. en imiddellijke gevolg )estaat, is: dat de s met brak water tijd bedraagt dat
LANGS DE BARITO. - EEX BOENEOOSCH MEEK.
overstroomingsterrein langs de Barito 160 □ Geogr. M.; in den west-moesson evenwel, wanneer bij aanhoudenden regen door verzameling en opstopping der afstroomende watermassa's een zoetwateroverstrooming veroorzaakt wordt, bedraagt de oppervlakte van die dagelijksche onderwaterzetting 580 □ Geogr. M.quot;
Zoo koutende, was men het bedoelde vlot op zijde gekomen, zoodat onze toeristen gelegenheid hadden om de samenstelling van zoo'n „lantingquot;, zooals zoo'u vlot in de landstaal genoemd wordt, gade te slaan. De grondslag van het gevaarte, hetwelk zij hier voor oogen hadden, bestond uit een driehonderdtal flinke boomstammen van uitstekend timmerhout, welke met zware rottankabels stevig aan elkander verankerd waren. Over die stammen was een vrij goede vloer van „niboengquot;-latten ') aangebracht. In het midden van het vlot was een vrij ruime hut getimmerd, terwijl aan weerszijden daarvan de producten, behoorlijk onder dak en tegen den invloed van het weer beschermd, opgestapeld lagen.
„Wat zijn dat voor producten, die daar in die loodsen liggen?quot; vroeg Montauban.
„Wij zullen eens aan boord van dien lanting gaan,quot; zei Vogels. „Het zal voor u tevens een gelegenheid zijn, om de bemanning van dat vlot, die geheel en al uit Dajaks van de bovenlanden bestaat, van nabij te bekijken.quot;
Die Dajaks hadden kapitein Meerman reeds gepraaid. Zij verzochten hem, om het vlot naar den wal te sleepen, opdat hot daar vastgemeerd en alzoo beveiligd kon zijn, om met den opkomenden vloed teruggevoerd te worden. Gaarne voldeed do gezagvoerder aan dat verzoek. Onze toeristen lieten zich nu, terwijl de trossen uitgebracht werden, met de sloep aan boord van dat vlot overbrengen.
„Zijn dat nu menschenetersT vroeg mevrouw Jaffrezic, op een troepje getatouëerde Dajaks wijzende, die de bezoekers stonden aan te gapen en vooral hun bewondering ten aanzien der Europeesche dames aan den dag legden.
„Ja, mevrouw,quot; antwoordde Vogels lachende. „Ik zou er geen eed op willen doen, dat die luitjes, die wij daar voor ons hebben, zich niet schuldig gemaakt hebben aan het verorberen van de muis eener menschen-hand, of van een dameshaasje, de lekkerste beten van een menschelijk lichaam. Ook niet, dat zij niet eens van een schotel met hersenen, met „lombokh setanquot; toebereid, gesmuld hebben.quot;
„Zwijg toch, mijnheer Vogels!quot; viel hem mevrouw Van Berkenstein in de rede. „Het is afschuwelijk; mijn hart draait er zich van om.quot;
„Dat zeggen zij niet,quot; lachte Vogels. „Kijk ze u eens aangluren! Ik wed dat ze reeds in gedachten een blank, malsch ribbetje verslinden. Hoor ze eens onder elkander snateren!quot;
139
Het groepje stond werkelijk te redekavelen met die radheid van tong en die luidruchtigheid, die het Dajaksche ras zoozeer kenmerken. Er was vooral een lange slungel, die
') Niboeng = Areca Niboeng.
- EEN BOKNEOOSCH MEER.
140
LANGS DE BAEITO.
evenmin als zijn makkers iets droeg, wat ook maar op een kleedingstuk geleek — behalve een strook goed, van boomschors geklopt, die zijn lendenen omsloot en verder den dienst van het oorspronkelijke vijgenblad verrichtte — Die scheen het hoogste woord te hebben en herhaalde voornamelijk één volzin voortdurend.
„Verstaat ge, wat hij zegt?quot; vroeg mevrouw Jaffrezic. „O! ik ijs er van! Wat mag het zijn ? Waarschijnlijk iets echt kannibalisch!quot;
„Ik hoor alleen dat hij zegt: Oio bawi bahalap haliai!quot;
„En dat wil zeggen?quot;
„Ja, dat weet ik niet. Ik versta geen Dajaksch,quot; antwoordde Vogels. „Misschien wel: wat een lekker boutje zou dat zijn!quot;
Kapitein Meerman riep een zijner matrozen, een Bandjarees van geboorte.
„Bakong, wat zegt die man?quot; vroeg hij hem.
Bakong trad op den Dajak toe en deed hem die vraag.
„Oio bawi bahalap haliai!quot; herhaalde de Dajak met vervoering.
Bakong kwam lachende bij het gezelschap terug.
„Wel, wat zegt hij?quot; vroeg Meerman.
„Hij zegt: Parampoean bagoes sakali!quot; antwoordde Bakoeng met iets bedremmelds in zijn stem tegenover de dames, hoewel zijn gezicht strak stond als ware het in marmer gebeiteld.
„Ja, nu ben ik even ver,quot; jammerde mevrouw Jaffrezic, „en die vreeselijke man heeft het over mij, dat kunt gij wel zien. O! ik besterf het nog! Ziet hem mij eens aankijken! Zijne oogen gelijken wel vuurballen!quot;
Vogels schudde van het lachen.
„Maar, wat zegt hij dan toch van mij?quot; vroeg mevrouw Jaffrezic smeekend. „Wat beteekenen die woorden: prampram bagoes....quot;
„Parampoean bagoes sakali beteekent: een buitengewoon schoone vrouw,quot; antwoordde Vogels.
„Ei, ei!quot; zei Van Berkenstein.
„Mais, c'est d'un parfait galant homme!quot; verklaarde Montauban.
„^a?quot; vroeg Boisjolin met een gemaakte verontwaardiging in zijn stem. „^a! un galant homme? C'est un véritable sans-culotte!quot;
Allen proestten het uit over de ui, het afwezige kleedingstuk betreffende, en mevrouw Jaffrezic niet het minst, die daardoor gelegenheid had, het blosje, dat het Dajaksch compliment op haar wangen te voorschijn geroepen had, achter haar zakdoek te verbergen.
Met een oorspronkelijke vrijpostigheid traden die Dajaks in paradijs-kostuum op de
') Dat kleedingstuk heet bij de Dajaks èwah.
LANGS DE BAKITO. — EEN BORNEOOSCH MEER.
Europeanen toe, grepen hun de hand en schudden die met een hartelijkheid — de teere handjes der dames met een bijzonderen ijver — welke hun wildemans-vormen alle eer aandeed. Toen dat menschen-kluwen daar zoo door elkander gemengd stond, konden onze toeristen op hun gemak de prachtige en grillige arabesken bewonderen, die in lichtblauwe kleur op de borst, op den rug, op de armen, op de beenen en op de kuiten van die Dajaks getatouëerd waren. Zij konden ook hun oorlellen opmerken, welke doorboord en zóó vreeselijk uitgerekt waren, dat zij hen tot op de schouders hingen. Sommigen dier Dajaks droegen „soeangsquot; in de oorlellen. Dat waren houten schijfjes van ongeveer 8 c. M. middellijn, welke meestal met bonte verven beschilderd, bij een enkele met een fijn gegraveerd plaatje van goud bedekt waren.
„Met alle bereidwilligheid liet Bapa Sowong — zoo heette de eigenaar van het vlot — den bezoekers zijn rijke lading zien. Zoo teekende Montauban op, dat er ruim vijf duizend bossen „oewaiquot; ') op dat vlot aanwezig waren, ettelijke duizend „gantangsquot; 1) „njating'2 (dammar, hars) zorgvuldig in mandjes van twee „gantangsquot; verpakt, een vijftig pikols „ngiatoequot; (getah-pertjah), een vijftig pikols bijenwas, een groote partij hertenpezen, in bosjes gebonden, waarvan de Chineezen — die echte smulpapen — zooveel houden om er een lijmerige, opwekkende soep van te koken, ook een aanzienlijk partijtje „minjakh kakawangquot; (kakawang-olie) 3) en eindelijk ook eenige pikols vogelnestjes. Dat alles was netjes en zorgvuldig opgeschuurd en naar eisch behandeld.
Aan den voor- en den achterkant van het vlot was een viertal zeer lange riemen aangebracht, waarmede het logge gevaarte eenigszins gestuurd werd, wanneer de snelle stroom het tegen den wal dreigde te werpen of wanneer het in een draaikolk geraakt was, waarin het ten eeuwigen dage zou blijven rondtollen. Alleen bij dergelijke gebeurlijkheden werden die riemen krachtig gehanteerd; maar overigens werd het vlot aan den stroomdraad overgegeven; want bij den Dajak is de spreuk; tijd is geld slechts een zinlooze klank.
Boven het vlot wapperde, aan een langen stok, de Nederlandsche vlag vroolijk in de bries.
De „Zeemeeuwquot; hijgde en zuchtte, toen zij voor dat gevaarte gespannen was. Zij naderde den oever van den zeer breeden stroom niet snel, maar vorderde toch. Eindelijk was zij den kant zóó nabijgekomen, dat een rottantros van het vlot met een „djoekongquot; (uitgeholden boomstam) kon aan wal gebracht worden, alwaar zij om een paar stevige boomstammen geslagen werd. De sleeptrossen werden nu losgegooid, waarna het vlot de voortgaande beweging nog voortzette, totdat de rottantros strak liep, waarna het gevaarte een kleinen boog beschreef en eindelijk langs den oever vastgemeerd bleef liggen.
141
) Een gantang is een inhoudsmaat, die, met zout gevuld, op een gewicht van 3,75 K. Gr. komt te staan.
') Oewai, de Dajaksche naam voor rottan = Calamus littoralis.
:l) Kakawang, een olie, geperst uit do vrucht van een struikgewas, tot de Hopea-familie behoorende.
LANGS DE BABIÏO. — HEN BORNEOOSCH MEER.
Uit dankbaarheid voor de verleende hulp bood Bapa Sowong in de goedheid zijns harten bij het atscheidnemen ieder van het gezelschap een halven klapperdop „toeakquot; aan, hetgeen onze reizigers eerst meenden af te slaan.
„Proeven! proeven!quot; riep Vogels, terwijl hij een klapperdop aan de lippen bracht.
Zijn voorbeeld werd gevolgd; maar de gezichten, die vooral door de dames gezet werden, toen zij hun verhemelte als geraspt voelden door dat Dajaksch zoet-zuur-bithorachtig gedistilleerd, deed de Sienjo in een schaterend lachen losbarsten. Handjes werden nu op de rij af gedrukt, waarbij de dames alweer overvloedig hun deel kregen; ja, toen mevrouw Jaffrezic zich tegenover haar bewonderaar bevond, ontdeed zich die van een „saling1' (snoer van agaatsteenen), dat hij om den nek droeg, sloeg haar dien om den fraaien hals, greep toen haar handje, terwijl hij zich vooroverboog, schuurde zijn mopsneus tegen het tijne nensje van de lieve Framjaise zachtkens op en neer en prevelde daarbij zijn oude formule:
„Oio bawi hah a lap haliai!quot;
De wildeman kende geen meer galante betuiging, dan dat hij haar voor een zeer schoone vrouw hield.
Jolande uitte een lichten kreet, maar dat alles was zóó spoedig in zijn werk gegaan, dat zij dien Dajakschen kus niet had kunnen afweren. Onze galante Dajak trad achteruit met een stap zóó trotsch, zóó waardig, alsof hij een koninkrijk verworven had.
Onze toeristen waren nu spoedig aan boord van de „Zeemeeuwquot; terug, die haar koers naar het Noorden hervatte. Een uur later had zij Marabahan bereikt, een zeer grooten kampong, in de nabijheid waarvan een fort gelegen was, hetwelk de Bahan-rivier, die er vlak tegenover in de Barito uitmondde, met zijn kanonnen bestreek. De boot stopte daar, om Vogels gelegenheid te geven naar den wal te gaan. Hij keerde weldra terug, vergezeld van een Maleier, die als loods zou dienen op den tocht, welken de „Zeemeeuwquot; verder te maken had.
„En nu vooruit de Bahan-rivier op!quot; riep hij kapitein Meerman toe.
De „Zeemeeuwquot; volvoerde een halve wending, verliet de Barito en stevende oostwaarts op, de genoemde rivier in. Men voer Margassari voorbij, een welvarende plaats, welker Maleische bevolking zich voornamelijk met handeldrijven onledig hield. Men bereikte vervolgens Negara, het Luik van Borneo, waar door de Maleiers de deugdelijkste blankeen vuurwapenen vervaardigd, waar tevens de fraaiste ijzerhouten prauwen gebouwd werden. Eindelijk bereikte de „Zeemeeuwquot; kampong Danau Pangang, waar zij de Bahan-rivier verliet en een zeer smalle „soengeiquot; inschoot; maar waar de bedrevenheid van den medegenomen loods volstrekt onmisbaar was. Het smalle vaarwater was zeer kronkelend en wel zoodanig, dat er plaatsen waren, waar onze reizigers tegelijk van het voor- en van het achterschip, bloemen hadden kunnen plukken. Het hoog geboomte welfde zich zoodanig over de soengei, dat kapitein Meerman verplicht was de stengen der masten te laten innemen. De zon, die toch al reeds haar stralen in schuine richting naar het aardrijk zond, kon het dichte
142
LANGS DE BARITO. — EEN BORNEOOSCH MEER.
bladeren-dak daarboven niet doorboren, zoodat over het water een soort van haltduister heerscite.
„Drommels,quot; vroeg Visbergen den loods, terwijl hij naar de dalende zon wees, „zal de vaart op die soengei nog lang duren?quot;
„Voordat het oog des dags de kim raakt, zijn wij er uit,quot; aatwoordde deze.
Vogels benutte den tijd, om zijn tochtgenooten te verhalen, dat tijdens den oorlog, van 1859 tot 1864 gevoerd, den inboorlingen den toestand en den aard van die smalle vaarwaters bij uitnemendheid wisten te benutten, om hun tegenstanders te bestrijden. Op sommige punten hakten zij dicht bij den grond de stammen van groote boomen, ware woudreuzen, voor meer dan drie-vierde gedeelten zoodanig door, dat door het doorkappen van een rottankabel, waardoor de boom gestut werd, deze met zijn onmetelijke kruin in de rivier moest ploffen.
„ Gij kunt begrijpen,quot; vervolgde de officier, „dat, wanneer zoo'n woudgevaarte, b. v. als daamp;i ginds op een onzer rivierstoomers, niet grooter dan onze „Zeemeeuwquot; ware terechtgekomen, het vaartuig als verpletterd had mogen heeten.quot;
„Is zoo iets uw troepen wel eens overkomen?quot; vroeg H. Jaffrezic.
„Gelukkig, neen. Men heeft het meermalen beproefd; maar telkenmale viel de boom óf iets te vroeg of een seconde te laat. Bij een der tochten op de soengei's, welke in de Barito uitmonden, is het gebeurd, dat, toen het stoomscheepje, hetwelk de voorhoede uitmaakte van een flotielje, welke uitgezonden was, om de vyanden op te sporen en te tuchtigen, dwars gekomen van zoo'n „parabahquot;, z. a. zoo'n doorgekapten boom geheeten wordt, een dei opvarenden iemand bezig zag een dikken rottankabel door te hakken, hetgeen bij de eerste slagen niet lukte. Op het geschreeuw van den waarnemer, werd met volle kracht voortgestoomd en was men de gevaarlijke plek voorbij, toen de boom met donderend geraas in de rivier stortte. Een zijner takken verbrijzelde het roer van het scheepje. Onmiddellijk ontwikkelde zich een hink geweervuur uit de struiken en het stoornertje had wel in gevaar verkeerd, wanneer het, evenals de „Zeemeeuwquot; thans, alleen in de soengei ware geweest. De achterna komende scheepsmacht joeg evenwel met haar geschut eenige bussen met kartetskogels door de struiken en debarkeerde een hoopje infanterie, dat den vijand weldra tot een ijverigen aftocht dwong. Het duurde evenwel tweemaal vier en twintig uren, alvorens die boomstfun, die dwars over de rivier lei, opgeruimd en de gemeenschap hersteld was.quot;
Gedurende dat verhaal was de „Zeemeeuwquot; langzaam vooruitgestoomd. Zij kon geen snelle vaart maken; zij moest bij die veelvuldige krommingen tijd tot wenden hebben. Soms waren de bochten zóó scherp, dat zjj met het roer niet te ronden waren; maar dat trossen moesten uitgebracht worden, om met behulp daarvan den kop van het vaartuig om te halen. Zoo werd nog een poos voortgetobd. Maar de zon was reeds achter het zwaar geboomte verdwenen en derhalve de kim nabij; toen zich plotseling bij het omvaren van een hoek een vergezicht voor den boeg opende, alsof een gordijn weggeschoven werd. De boot schoot een uitgestrekt meer binnen.
143
een boeneoosch meek.
144
langts de bakito. —
De dagvorstin ging met alle pracht onder en overtoog bij haar heengaan he uitspansel met die wonderlijke tint, die geen purper en ook geen oranje-geel genoemd kaï worden, doch die in Indië, vooral in moerassige streken, veelvuldig bij zonsondergang waargenomen wordt. De waterspiegel weerkaatste die vreemde tint, die ook het bosch dat in de verte ontwaard werd, overtoog. Het was doodstil in de natuur: geen blac lispelde, geen zuchtje werd vernomen, geen rimpeltje werd op het water bespeurd. Alleei de lange voren, welke de boeg der „Zeemeeuwquot; in dien waterspiegel ploegde, breidden ziel als een paar deininggolven ter weerszijden van het vaartuig uit, terwijl het gebons ei gestamp van de schroef en het geklater der opgezweepte golfjes, die de scheepsboordei kwamen lekken, alleen vernomen werden.
Op een teeken van den loods, die bij kapitein Meerman op de brug stond, weerklonl het commando:
„Stoppen! — Achteruit! — Laat vallen je anker!quot;
Een plons in het water en weldra lag de „Zeemeeuwquot; onbeweeglijk op het watervlali
„Wij blijven hier in dit meer van nacht voor anker,quot; lichtte Vogels toe.
„Hoe heet dit meer?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Dit is het grootste van een groep meren, die zich ten Oosten en ten Zuiden vai dit uitstrekt. Die geheele groep wordt Paminggir-meren genoemd naar dit, dat, als he voornaamste, dien naam draagt. De grootsten der overigen heeten: Danau Loeas, Dana Hadji ten Oosten en Danau Kloempang en Danau Batam Baroe ten Zuiden. Die mere: staan door middel van kleine soengei's met elkander in verbinding en stellen een gemeen schap te water daar tusschen de soengei Bahan, die wij opstevenden, met de Barito, di wij morgen zullen afstoomen. Het kanaal, dat wij door te stoomen hebben, alvorens die laatstgenoemden stroom te hereiken, is zeer moeilijk en zeer smal.quot;
De avond begon langzamerhand te vallen. Het geel des hemels verbleekte al mee en meer en begon in het Oosten die donkerblauwe tint, welke het zwart nabij is, aan t nemen, welke gewoonlijk bij zeer zuiveren dampkring in tropische gewesten waargenome wordt. Het beschouwen van het meer, dat zich daar zoo stil, zoo plechtig in dien avom stond uitstrekte, stemde tot ernst, ja, tot droefgeestigheid. Allerwegen verhieven zich toe tusschen het struikgewas doode boomstammen, die hun schrale, ontbladerde takken als d ontvleeschte armen van een geraamte uitstaken. Hier heerschte iets sombers, iets dood dat de ziel met weemoed vervulde. De zich meer en meer uitbreidende oppervlakte van lu waterbekken doet bij het vormen van meren op Borneo een voortschrijdende overstroomin ontstaan, die de woudreuzen doet afsterven en zoo de oevers met de geraamten van ik gedoode woud omzoomen.
De avond viel al meer en meer. Onze toeristen zaten bij elkander op het del maar wisselden, als geheel onder den indruk van dat tooneel, geen woord met elkande Boven den westelijken oever was nog een lichte band aan den hemel merkbaar; overiger
■)ij haar heengaan het anje-geel genoemd kan ■dig by zonsondergang ut, die ook het bosch, de natuur: geen blad -water bespeurd. Alleen ploegde, breidden zich terwijl het gebons en die de scheepsboorden
brug stond, weerklonk
3glijk op het watervlak, kogels toe.
quot;ten en ten Zuiden van znaar dit, dat, als het : Danau Loeas, Danau _ten Zuiden. Die meren Een stellen een gemeen-Jen, met de Barito, die hebben, alvorens dien
=iels verbleekte al meer zwart nabij is, aan te gewesten waargenomen plechtig in dien avond--[en verhieven zich toch bladerde takken als de =)ts sombers, iets doods, ■de oppervlakte van het inrijdende overstrooming de geraamten van het
elkander op het dek, woord met elkander. 3l merkbaar; overigens
- EEN BOBNEOOSCH MEEK.
It:.
LANGS DE BAR1T0.
waren de boorden van het meer reeds in het donker gehuld en begon het nachtelijk duister zich ook over do watervlakte uit te spreiden. Plotseling sprongen Nielsen en Ollerupp van hun stoelen op, bogen zich over de verschansing, keken uit, terwijl één hunner riep:
„Daar zijn menschen in gindsch struikgewas! Kijkt, daar beweegt een licht heen en weer!quot;
„En daar ook een,quot; sprak de ander.
„En daar nog een....quot; zei Boisjolin.... „en nog meer! er zijn er honderd, er zijn er duizend! het is een geheele illuminatie!quot;
En werkelijk, daar deed zich voor en na een schouwspel voor den blik van onze opgetogen reizigers op, dat voor bon, die Borneo bezochten, niet zeldzaam mocht heeten. maar Avat voor onze toeristen daar aan boord van de „Zeemeeuwquot; verrukkelijk te noemen was. Op ieder takje, op ieder blad schitterde een vuurvliegje; zij waren met millioenen en millioenen bij elkander, die, waar men den blik ook heenwendde, aan dat donkere woud een betooverend aanzien verleenden. Het was een blinken, een schitteren, hetwelk die millioenen vonken volbrachten, waarbij een regelmaat opgemerkt kon worden, alsof een toonoel-régisseur de verlichting regelde en waarbij die diertjes, als gehoorzaamden zij aan een onzichtbaren dirigeerende, allen te gelijk hun licht lieten schijnen of dit bluschten, en zulks in een tempo zóó snel, dat de schitteringen en de verduisteringen op elkander volgden als een voorbijtrekkenden troep militairen, die hoorbaar, bier zichtbaar, de tijdmaat van: één, twee; één, twee, liet ontwaren. Het was in één woord betooverend, alsof dat bosch aan al zijn takken en al zijn bladeren met briljanten getooid was, die onder een stroom electrisch licht, waarvan de stralen slechts de edelgesteenten in de voormelde tijdmaat zouden treffen, fonkelden. En wat de uitwerking van dat verheven schouwspel oneindig verhoogde, was dat al die millioenen vonken en schitteringen in den waterspiegel van het meer weerkaatsten en zoo in aantal verdubbelden. Hier vormden zich glinsterende festoenen langs bogen van klimop en rankgewassen; elders golfden de lichtende lijnen langs den oever en smolten tot gewelven, tot grotten in elkander, welke zich in de watervlakte onder hen spiegelden en een betooverend geheel schiepen, hetwelk zich zóó in elkander oploste, dat het oog niet vermocht te ontwaren, waar de werkelijke schitterende massa ophield en waar de weerspiegeling begon. Hier en daar was het, of de sterren des hemels op de oppervlakte van het meer nedergedaald waren. Niet ver van de boot stond op een vooruitspringende landtong een boompje, een hambei zooals de loods het noemde, welks
') Eambei is een boomsoort, waarvan ik de wetenschappelijke benaming niet hob kunnen to weten komen. Zij komt op Borneo langs de moerassige rivier en de meeroevers veelvuldig voor. Wat stam, twijgen en bladeren betreft, gelijkt zoo n rambei vrijwel op een wilg; terwijl de vrucht, waarop de apen zeer verzot zijn, veel op een groenen appel gelijkt.
19'**
LANGS DE BAR1T0. —• EEN I30KNE00SC1I MEER.
kegelvormige kruin zich over de watervlakte heenboog. Vooral dat boompje, hetwelk met zijn duizenden en duizenden lichtjes, door de weerkaatsing geholpen, een tweetal kegels vormde, die met de grondvlakken tegen elkander zaten, stelde het fraaiste tafereel van die fantastische verlichting daar, en kon als de bouquet van het wonderfraaie vuurwerk aangemerkt worden, dat niet na een vluchtig bestaan in vonken uiteenspatte, maar zich blijvend vertoonde.
Onze toeristen vonden geen woorden genoeg om hun bewondering over dat prachtige schouwspel te kennen te geven, en dankten Vogels hartelijk, dat hij hun dat genoegen verschaft had. Nog lang, ja tot na middernacht, zaten zij bij elkander die prachtige schitteringen, welke telkens veranderden en zich wijzigden, te genieten. Maar eindelijk deed de slaap zijne rechten [gelden en weldra was het dek der „Zeemeeuwquot; eenzaam en verlaten en drentelde de stuurman van de hondenwacht alleen op en neer.
Den volgenden dag zette de boot de reis voort. Het stoomen door de soengei Paminggir, het kanaal, dat het meer met de Barito verbond, had zijn eigenaardige bezwaren. Nu eens zat het vaartuig met den boeg in den wal, dan weer zat het achterschip in een monsterachtigen struik, die zich over de watervlakte heenboog. Een andermaal haakten de masten in de takken van een woudreus en waren de matrozen verplicht in den boom te klimmen, om die takken af te hakken en zoo doortocht te verschaffen. Dat de vaart daarbij niet vlug ging, valt te begrijpen.
Onze reizigers zaten in het salon aan de ontbijttafel, toen zij plotseling boven zich een vreeselijk spektakel aan dek vernamen. Nielsen en Boisjolin sprongen op en stoven naar boven om te zien, wat daar gaande was; maar waren nog gauwer terug dan zij verdwenen waren. Zij tierden en schreeuwden, en menige hartelijke Fransche vloek werd gehoord; terwijl zij met de handen rondom zich sloegen. Het was of die dwaze bewegingen aanstekelijk waren; want eensklaps begonnen ook de beide Jaffrezics met de armen rondom zich te slaan, terwijl zij schreeuwden:
„Mais qu'est ce done? Cela fait un mal affreux!quot;
Wat was er gebeurd? De top van den voormast van de „Zeemeeuwquot; was in aanraking gekomen met een bijennest, dat aan een overhangenden tak bevestigd was, en had dat afgestooten. De bijen, verwoed over die verwoesting, hadden zich op de manschappen, die aan dek waren, geworpen en deze laatsten waren het, die van pijn trappelden en het vernomen spektakel veroorzaakt hadden. Boisjolin en Nielsen waren, toen zij buiten kwamen, door eenige van die diertjes bestookt geworden, die hen in den hals en op het voorhoofd pijnlijk staken. Toen zij zich in het salon zoo dapper weerden, om van die insecten ontslagen te worden, vlogen er een paar naar de Jaffrezics en lieten hun ook de scherpte der angels voelen.
Gelukkig, dat de stokers in dat oogenblik de vuren oppookten, waardoor een dikke rook ontstond, welke in de dicht overdekte soengei over het dek streek en de bijen verjoeg.
146
147
Ook schoot de boot vooruit en verwijderde zich iedere seconde verder van de noodlottige plek. Gelukkig ook, dat slechts een klein deel van de bemanning aan het dek was. Dat gedeelte was nogal toegetakeld; de roerganger onder anderen moest weldra te kooi gebracht worden, daar hij de koorts van de pijn had. Op aanraden van den loods, die slechts een paar prikken had opgeloopen, werden de pijnlijke steken met azijn gebet, waarna de smart langzamerhand bedaarde.
Het was ongeveer tien uren, toen de „Zeemeeuwquot; de Barito bereikte en daar weer de ruimte voor zich had. Een prauwtje, dat voorbijvoer, werd aangeroepen om den loods, die natuurlijk goed betaald werd, mede te nemen, waarna de tocht „full speedquot; in zuidelijke richting voor den stroom af voortgezet werd. Een klein half uur later werd Moeara Poelau bereikt. Daar splitste de Barito zich in twee takken, die beiden even breed en waarvan de oostelijke die was, dien de „Zeemeeuwquot; tot Marabahan gevolgd had. Het vaartuig-stevende den westlijken, die Kleine Dajak-rivier geheeten wordt, in, voer zoo tegen twee uren in den namiddag Kwala Kapoeas — een fort, aan de samenvloeiing van laatstbedoelde rivier met de Kapoeas Moerong gelegen — voorbij, waar de reeds zoo aanmerkelijke stroom een grooten toevoer van water krijgt van de genoemde rivier en aan een zeearm gelijk wordt.
De zon was nabij de kim, toen de „Zeemeeuwquot; de Kleine Dajak-rivier uitstoomde en zich in volle zee bevond. Kalm en voorzichtig voerde kapitein Meerman zijn vaartuig door de geul over de bank, waarna Zuid-West ten Zuiden gekoerst werd, om langs Tandjong Selatan, de zuidelijkste punt van Borneo, heen naar Straat Makassar te stevenen.
Z E S T I i : N T) E II00 F D 8 rr Ü K.
De oversteek naar Makassar, de hoofd- of beter de voornaamste plaats van het eiland Celebes, geschiedde in 2e oversteek naar Makassar, de hoofd- of beter de voornaamste plaats van het eiland Celebes, geschiedde in 21/2 etmaal. Het was dns in den ochtend van 8 October, toen de „Zeemeeuwquot; bij de kaai, die zich langs de zeekust te Makassar uitstrekte, aanlegde en vastgemeerd werd. Op het daarvoor gebruikelijke tijdstip maakten onze reizigers hun opwachting bij den Gouverneur van Celebes en Onderhoorigheden en werden door dien hoofdambtenaar en diens echtgenoote allerliefst ontvangen. Na eenige bespreking zouden de dames Van Berkenstein en Jaffrezic met haar echtvrienden bij den Gouverneur gastvrijheid genieten. Visbergen vond met zijn eega een onderkomen bij een gehuwd krijgsmakker, wiens woning in kampong Djawa langs de zee gelegen was. Vogels trok bij een luitenant, een ouden kennis, in, die vrijgezel was. De Militaire Commandant verzocht de heeren Montauban, Boisjolin en den jongsten Jaffrezic ten zijnent; en de beide Denen vonden een gastvrij onthaal bij een der oudste ingezetenen van Makassar.
Ons gezelschap geraakte dus wel uit elkander; maar hot genot, om nu weer eens den vasten bodem onder de voeten te voelen, deed dat alles over het hoofd zien. Men zou dagelijks toch bij elkander komen, om dan te zamen de merkwaardigheden te beschouwen; ook zou het verblijf te Makassar slechts een viertal dagen duren, terwijl daarenboven de gastvrije ontvangst zóó hartelijk was, dat die vier dagen als een schaduwbeeld zouden voorbijvliegen.
Des namiddags werd een wandeling door Makassar gemaakt. Het gezelschap vereenigde zich ten huize van den Gouverneur, wiens woning op het Prins Hendriks-pad gelegen was. De toeristen vernamen, dat deze naam aan die fraaie en rijk beschaduwde laan gegeven werd bij gelegenheid, dat Prins Hendrik der Nederlanden in 1S37 Makassar een bezoek bracht. Men kwam langs het fort, waarbij een eenvoudige gedenkzuil, Avelke zich op een plein tegenover de
|
-iifiinstc plaats vfin het n ochtend van 8 October, ■ssar uitstrekte, aanlegde kten onze reizigers hun -i en werden door dien -nige bespreking zouden iij den Gouverneur gasten gehuwd krijgsmakker, 3 trok bij een luitenant, =int verzocht de heeren ^de beide Denen vonden =genot, om nu weer eens ver het hoofd zien. Men e merkwaardigheden te —al dagen duren, terwijl dagen als een schaduw- —fet gezelschap vereenigde riks-pad gelegen was. De —le laan gegeven werd bij een bezoek bracht. Men ~jp een plein tegenover de |
SSf. ■ : - . -.r. . ■. V- v ■ -i' ■ . • .• ■■ ■ „• ' ' • •. '• quot;jiV ■:■■■■ f.:' X;'- : • amp;*■/:lt; , . :. -K •' ■ m ' • ,'S' ..pquot; V • quot;... 'V'- v ■•V'S't'' m quot;p'-rquot; f/,: smamp; fm
'■ ■''V.quot;
|
I
I
I
sg
mmMÊÊi.
Br
i'fr, H
HH
1
1
stivTm^
iP
ImSmm
wism
makassar. - s0ehadj1hang. 141)
Burgerwachtstraat verhief, den blik, onzer reizigers tot zich trok. Zij naderden. Het was een eenvoudig en smaakvol monument uit massief wit Carrarisch marmer in pyramidalen vorm gehouwen, dat door een net ijzeren hekwerk omgeven was. Op de voorzijde van het voetstuk lazen zij:
J. A. Bakkers, Grouverneur van Celebes en Onderhoorigheden, 1865—1876.
Daarboven, op het voorvlak der pyramide, waren twee lauwertakken aangebracht, die de eereteek enen van de Militaire Willemsorde, van den Nederlandschen Leeuw, van het Metalen Kruis en van het Herinneringskruis aan meegemaakte veldtochten omgaven. Op de linkerzijde van het voetstuk stond: Greboren te 's-Gbavenhage 16 Augustus 1809; op de rechterzijde; Overleden te Makassar 10 Januari 187(5; en op de achterzijde: Door Vrienden en Vereerders.
De Gouverneur, die zich bij het gezelschap bevond, verhaalde dat dit monument opgericht was ter eere van een man, die als élève-tamboer in 's lands dienst getreden was, als sergeant in Nederlandsch-Indië aankwam, tot officier bevorderd werd, zich tot den hoogen werkkring opwerkte, dien hij negen jaren bekleedde en niet afstond dan toen de dood hem opriep.
„Als ooit een gedenkteeken mocht verrijzen.quot; ging de Gouverneur met onverholen overtuiging in zijn stem voort, „dan was het voor de nagedachtenis van dien man. die door moed, geestkracht, beleid, onkreukbare eerlijkheid en degelijk doorzicht van zaken, de achting en de bewondering zijner tijdgcnooten, zoowel Inlanders als Europeanen, afdwong. De aanblik van dat monument is alleszins geschikt, om zoowel ons als onze nakomelingen met edelen naijver en met geestdrift te bezielen.quot;
Ons gezelschap wandelde verder.
„Dat is het fort Rotterdam, nietwaar heer Gouverneur ?quot; vroeg Visbergen.
„■la, zoo heet het bij ons, Europeanen,quot; antwoordde de hoofdambtenaar. „Als gij echter dien naam tegenover iemand der Inlandsche bevolking zoudt bezigen, zou hij u niet begrijpen. De Makassaar noemt dio plek, waarop het fort gebouwd is: Oe dj oeng Pan dan. Dat is een kaap, die in Straat Makassar uitsteekt en in vroeger tijd met Pandan-boomen ') begroeid was. Op die kaap verrees in vroeger eeuwen een Makassaarsche sterkte, die in i (Ui7, na den veldtocht van Speelman in deze streken, ten gevolge van het Bongaaisch verdrag, aan de Nederlandsche Geoctrooieerde Oost-Indische Compagnie in Indië werd overgegeven.quot;
„Zooals ik merk, wordt dat fort van twee kanten door de zee omgeven,quot; zei Visbergen, en kan de reede door het geschut behoorlijk bestreken worden.quot;
!) Pandan — Pandanus odoratissimus.
- SOEEADJIKANG.
150
MAKASSAR.
„Voorzeker,quot; antwoordde de Gouverneur. „In vroegere jaren had het hoofd van Gewestelijk Bestuur zijn woning in dat fort. Maar in 1808, onder mijn voorganger Van Braam, werd het tegenwoordige Gouvernements-huis gebouwd en betrokken.quot;
Al koutende, wandelden onze reizigers het Prins Hendriks-pad verder oostwaarts op tot iets voorby die woning. Zij ontwaarden daar andermaal een fort, evenwel van kleiner afmetingen dan het fort Rotterdam.
„Dat is het fort Vreedenburg,quot; lichtte de Gouverneur toe. „Het wordt bij de Inlanders Benteng Tanga genoemd.quot;
Onze reizigers wandelden den weg verder oostwaarts op.
„Wy naderen nu Bontowala,quot; sprak hun gastheer, „de plaats, welke in de geschiedenis dezer streken wel van beteekenis is. In vroegere eeuwen had de sultan van Makassar, Hassan-Oe-d-din, het Bonische rijk ten onder gebracht en deed de overwonnenen onder zijn juk zwaar zuchten. Hier te Bontowala woonde in die dagen de Rijksbestierder Karaëng Karoenroeng, en prijkte zijn huis met een buffelkop, ten teeken van de macht van hem, die hier zijn zetel opgeslagen had. Hij was een listig man en daarbij een zeer wreed meester. Rondom zijn woning waren de slavenhokken opgericht, waarin de krijgsgevangen Bonieren huisvestten en die ongelukkigen stonden voortdurend bloot aan zijn mishandelingen en aan zijn bloeddorstige luimen. Ook daar werd Aroe Palakka, een jeugdig Bonisch vorst, gevangen gehouden en moest de vernedering ondergaan den onbarmhartigen gebieder de beteldoos na te dragen. Eindelijk sloegen de getergde gevangenen tot opstand over, leverden herhaalde malen slag aan de legers hunner verdrukkers, maar werden eindelijk toch overwonnen, waarna Aroe Palakka de wijk naar Batavia nam, ten einde de hulp der Nederlanders in te roepen. Hij vond daar een gretig oor en na de voorbereidende maatregelen getroffen te hebben, zeilde Speelman naar Makassar en de uitslag van den veldtocht, dien hij ondernam, was, dat het Boengaaisch verdrag gesloten werd, waarbij de suprematie der Nederlanders op Zuid-Celebes gegrond werd, Aroe Palakka in zijn erfrijken Soppeng en Boni werd hersteld en waarbij hem de rijken Lamoeroe en Bontowala in leen werden opgedragen. Laatstgenoemde plaats zou voortaan zijn zetel zijn. Kunt gij u voorstellen, wat er in de ziel van dien man omging, toen hij in diezelfde plaats, waar hij zooveel vernederingen ondergaan had, waar hij zooveel zijner lotgenooten wreedaardig had zien ombrengen, plechtig door den Opperkoopman Van Opynen, omringd door het geheele Europeesche personeel, ten aanschouwe van een onoverzienbare schare Inlandsche bewoners, die toegesneld waren, om van deze gewichtige gebeurtenis getuigen te zijn, in zijn nieuwen zetel geïnstalleerd werd?
„Hij, de held en de wreker van zijn gevallen broeders, zat daar op dat plein in die oogenblikken op zijn fraai strijdpaard, te midden van vier Europeesche pikeniers, die hem tot lijfwacht bij de plechtigheid verstrekt waren, in vollen wapendos voor den Opperkoopman, die hem met welgevallen aanzag. Hij droeg op het hoofd een breeden, uit
MAKASSAR. - SOEUADJIRANG.
vierkanten gouden plaatjes vervaardigden tulband. Een „badjoe rantéquot; (maliënkolder), uit gouden ringen bestaande, omsloot zijn lendenen tot op de heupen en dekte zijn borst, terwijl een scharlakenrood onderkleed tot op de knieën reikte en zijn voeten door sandalen met omgekrulde punten geschoeid waren. Zijn armen en beenen waren bloot, maar evenals zijn hals met zware gouden ringen en ketenen getooid. Een kris met gouden schede en uiterst kunstig gedreven gevest, stak achter in zijn kostbaren gordel en in den stijgbeugel rustte de „Latoleyangquot;, een lans, die thans nog tot de Rijks-sieraden van Bonie behoort en die, volgens de overleveringen, van goddelijken oorsprong is, terwijl aan den zadelknop een lang geweer hing. Zijn gevolg, zijn strijdmakkers waren allen in hun prachtigste kleeding' verschenen en omringden den held, gezeten op hun snuivende en zoo schoone Makassaarsche strijdrossen.
„De installatie had met alle plechtigheid plaats. Daarna togen de feestvierenden aan het banketteeren. Er waren driehonderd buffels geslacht en de meeste pracht en luister waren bij dien maaltijd ten toon gespreid.
„Gij kunt begrijpen, dat de geestdrift, welke daarbij heerschte, onbeschrijfelijk groot was. Bij het einde van den maaltijd stond Aroe Palakka op en sprak de feestvierenden aldus toe:
„ „Kraëngs! Daëngs! Mannen! Broeders! Toen ik deze kust bijna uit het oog verloor, om verlossing van onze redders, de Hollanders, te Batavia te gaan smeeken, zwoer ik voor Allah niet u, die mij volgdet, dat wij, redding vindende en overwinnende, op den berg Palatte, die ons laatste toevluchtsoord was, dezen maaltijd zonden houden.
„„Wij zouden daar 100 buffels, de hoornen met goud beslagen, slachten, Allah ten offer, ons ten maaltijd!
„„Allah ten offer en den duivelen ten maaltijd, zou ik een kind van Makassar's vorst slachten, en daarna zouden wij ons hoofdhaar Gode ten offer afsnijden.
„„Omstandigheden beletten mij dien duren eed op Palatte en in zijn geheel na te komen. Daarom liet ik, in vergoeding daarvan, 300 buffels slachten; wij allen aten daarvan. Allah, smeek ik, zal ons die afwijking mijner belofte vergeven.
„„Welaan, mannen! Ik zal u nu het voorbeeld geven tot afsnijding van het hoofdhaar.'quot;
„En onder het uitspreken van die wegslepende woorden, vielen reeds de wilde en weelderige lokken van den held en met een ongekende en weergalooze geestdrift werd dat voorbeeld door alle aanwezige mannen gevolgd. Toen dat offer gebracht was, vervolgde de vorst:
„„Mannen! dit teeken moeten onze nakomelingen allen dragen, opdat men door alle eeuwen heen onze nakomelingschap herkenne, den goede ten prikkel tot eerbied en moed en den kwade ten prikkel der vreeze voor hen. Maar eerbiedigen wij, en laten ook onze naneven door alle eeuwen heen onze verlossers eerbiedigen. Gij, moeders, zegt dit aan uw zuigelingen, opdat zij het aan de hunnen zeggen kunnen!quot;
151
— SOEEADJIRANG.
152
MAKASSAR.
„Met daverend gejuich werd die toespraak begroet. Uit al die duizenden kelen ste de oorverdoovende kreet op van; Leve Aroe Palakka! Toen de menigte eindelijk weer \\ bedaard was, ging de vorst met geestdrift voort:
„„Mijne broeders! Onze verwachtingen zijn vervuld; onze smeekbeden zijn verhooi Wij ademen weer vrij. De ongehoorde gruwelen, door onzen vroegeren tiran Karaë Hassan-Oe-d-din en zijn gewetenloozen llijksbestierder Karaëng Karoenroeng gepleegd, z door onze dapperheid, aangevuurd door onze felle wraak, luisterrijk gewroken. E Makassaarsche rijk ligt daar als in puin en de bewerkers van ons leed zijn de gevangen der Edele Compagnie. Datzelfde Bontowala, dat eenmaal getuige was van onze schande slavernij, is het nu van onzen roem en vrijheid!
„„Maar, mijne broeders! Herinneren wij ons nogmaals, waaraan wij dat geluk danken hebben! Was het alleen aan onzen moed en ons beleid? Neen! zonder de Edi Compagnie zuchtten wij nog in onze kluisters. Zonder haar waren wij niets, en zone haar zullen wij nooit iets zijn.
„„Die Edele Compagnie hebben wij onze vrijheid te danken; die Edele Compagi behoort onze eeuwige dank!
„„Daarom, mijne broeders! Dit Bontowala zij voortaan mijn verblijfplaats. Hier 1 ik met 10,000 uwer steeds gereed staan, om hen te vernielen, die de Compagnie in 1 minst zullen aanranden. Doch hierbij moet ik weer kunnen rekenen op uw trouw.
„„Wilt gij met mij zweren eeuwige trouw aan de Compagnie?11
„En weder gilden alle omringenden: „dat zweren wij!11
De Gouverneur zweeg een oogenblik om tot adem te komen. Als hartstochtequot; geschiedvorscher had hij met geestdrift gesproken en zijn herinneringen lucht gegeven.
„Tudieu! quel orateur!11 mompelde Boisjolin. „Pres de lui les héros ^Homère sont que des bavards!1'
„Wij komen nu hij Bontowala, de plek, waar zooveel wee door zooveel ro afgewisseld werd,11 zei de Gouverneur.
En werkelijk, het kleine half uur, dat Benteng Tanga van Bontowala scheidde, v gedurende dat verhaal afgelegd. Van het paleis evenwel, dat Aroe Palakka eenm bewoonde, was niets meer over dan een brok muur en van de prachtige missighiet, d dien vorst daar eenmaal gebouwd; vonden onze toeristen nog maar een bouwvallig pa met een kegelvormig dak gedekt, terwijl rondom die vervallen bedeplaats een groot aar oude graven van vorstelijke personen aangetroffen werd.
Onze reizigers kwamen wel eenigszins vermoeid na die wandeling te Makas terug. Toen zij evenwel gedineerd hadden, was alle vermoeidheid vergeten en vonden zich opgewekt genoeg om de receptie bij te wonen, die de Gouverneur te hunner eer j. waarop de koning van Gowa: Z. H. Abd1 Oei Kadir Moehammad Aidid, alsook al Europeesche en de voornaamste Inlandsche ingezetenen van Makassar verschenen. Die vc
■; ^ ■
■■ , ■--gt; ' quot; - ' •
c ■ ; Ï.. : * ■ • '
. -■ -v
v-ci .vw-v!.,, vf 'ïï'riïf ■Va ■ ' ■ • '
1
K-Fm*
luizenden kelen steeg te eindelijk weer wat
kbeden zijn verhoord, geren tiran Karaëng nroeng gepleegd, zijn rrijk gewroken. Het id zijn de gevangenen van onze schande en
tan wij dat geluk te quot;een! zonder de Edele wij niets, en zonder
die Edele Compagnie
verblijfplaats. Hier wil de Compagnie in het 3 uw trouw.
sn. Als hartstochtelijk a lucht gegeven, s héros d'Homère ne
5 door zooveel roem
;'Ü' ■'
-V'. • /'
ntowala scheidde, was roe Palakka eenmaal ïhtige missighiet, dooreen bouwvallig pand. laats een groot aantal
andeling te Makassar vergeten en vonden zij 3ur te hunner eer gaf, l Aidid, alsook al de verschenen. Die vorst
-.i« quot;• •■?• ,! S'•gt;lt;=.%■• • • '*•-7' ;? *-V-.'..' ■ . *•■
•' ■ Ï7 7 -/7VZ quot;-'''7.;^'7^-:7'77-';' .;.7^i'7- -i' .
-'7:r.
■msOBL.
quot;■ '7--. » V-
• •lt; . .r; ;■ ■
i
MAKASSAR, — SOERADJIRANG.
maakte van de gelegenheid gebruik, om onze toeristen uit te noodigen, hem te Gowa een bezoek te komen brengen. Overigens werd de avond gezellig doorgebracht en onze reizigers moesten bekennen, dat zij daar zeer genoeglijke uren hadden gepasseerd.
Daags daarna werd een tocht naar Maros ondernomen. De (xouverneur had voor de noodige rijpaarden gezorgd en onze toeristen zouden ondervinden, dat het Makassaarsche paardenras een edel ras was.
Het was evenwel niet vroeg meer, toen onze reizigers het Prins Hendriks-pad opreden tot voorbij dat Bontowala, hetwelk zij den vorigen namiddag bezocht hadden. Van daar richtte de weg zich noordwaarts en volgde' voor een oogenblik het strand, boog evenwel later meer binnenwaarts, maar bleef nagenoeg evenwijdig aan Straat Makassar voortloopen. De cavalcade trok de rivier van Tello op een veerpont over en had weldra het op de grens van Makassar en het district Maros gelegen Maroempa bereikt, waar, volgens de legende, in vroegere tijden een veldslag tusschen de benden van Gowa en Maros heeft plaats gevonden. Het plaatsje Parang-loc werd doorgereden, waarna de weg door het dichte bosch Parang-sesere voerde, waarin een jachtslot van den Gouverneur van Celebes en Onderhoorigheden gelegen was.
Verder leidde de weg door uitgestrekte rijstvelden en was vrij goed te noemen. Het was dan ook nog niet laat — ongeveer 12 uren — toen onze ruiterstoet de 18 palen, die Makassar van Maros scheidden, afgelegd had. De assistent-resident aldaar stelde zich ter beschikking. Hij verzocht evenwel het gezelschap bij hem te rijsttafelen en een kleine siësta te houden; daarna zou hij met hen mederijden met het doel de omstreken van Maros te bezichtigen.
„Maar....,quot; vroeg Van Berkenstein, die Maros op het oog genomen en ook de woning van den assistent-resident eens bekeken had. „Maar.... wij zullen heden namiddag weer naar Makassar moeten terugrijden, nietwaar....?quot;
„Waarom?quot; vroeg de assistent-resident.
„Ik geloof, dat het uiterst moeilijk zou vallen, ons allen hier onder dak te brengen,quot; sprak Van Berkenstein aarzelend.
153
„Ja, dat zou het, wanneer dat hier te Soeradjirang') moest geschieden,quot; antwoordde de assistent-resident lachende. „Wanneer het gezelschap enkel uit heeren bestond, zou dat nogal gaan; die zouden zich maar met een baleh-baleh moeten behelpen. Dames evenwel kunnen onmogelijk zoo ongegeneerd verpleegd worden. Dat heeft de Gouverneur bijtijds bedacht. Gisteravond reeds heeft hij op de receptie kapitein Meerman wat in het oor gefluisterd. Deze heeft hedenmorgen stoom opgemaakt en nog vóór u Makassar verlaten; zoodat de „Zeemeeuwquot; thans op de reede van Maros voor anker ligt. Voor logies is dus gezorgd.quot;
') Soeradjirang is de Makassaarsche benaming der plaats, die door ons, Europeanen, Maros genoemd wordt.
MAKASSAR. — SOEKADJIRANG.
De reizigers waren dankbaar voor die attentie.
„Maar, hoever is die reede van hier?quot; vroeg Visbergen.
„O, nog geen drie palen,quot; antwoordde de assistent-resident. ,,Als wij den gezagvoerder van uw vaartuig laten verwittigen, kunnen de sloepen van de „Zeemeeuwquot; de Maros-rivier oproeien en kunt gij u hier dichtbij inschepen.quot;
„Mag ik u dan met mevrouw uw echtgenoote verzoeken, bij ons aan boord te dineeren V wendde Montauban zich tot den assistent-resident met plichtpleging.
Die uitnoodiging werd met hartelijkheid aangenomen. Montauban liet zich met een „lepa lepaquot;, een licht vaartuig, naar boord roeien, om als gamelle-chef voor het diner te zorgen. G-elukkig, dat kapitein Meerman bijtijds de noodige inkoopen van kippen, eenden en ander gevogelte had laten doen, en dat zijn kok daarenboven een zwaren achterbout van een hert was machtig geworden.
Des namiddags was Montauban weer terug, om den tocht mede te maken. Het doel daarvan zou zijn: 'de waterval van Bantimoerong, die op plus minus vijf paal van Soeradjirang verwijderd ligt. Het gezelschap steeg te paard en volgde den weg, die door de strandvlakte noordwaarts voerde en de voornaamste verbinding vormde met de zoogenaamde Noorder-districten van Makassar.
Onderweg merkten de reizigers een heuvel op, die midden in de vlakte gelegen was. De assistent-resident geleidde hen derwaarts en nu werd bevonden, dat die berg nagenoeg geheel uitgehold was en vele en merkwaardige druipsteenformatiën aanbood. Zi stapten af en traden de grot binnen. En, inderdaad, zij moesten verklaren, dat zij daar weei een merkwaardig natuurtafereel voor zich. hadden.
„Die grot draagt bij de bevolking den naam van „Boeloe-sepongquot;, hetgeen Boegineesch is en letterlijk vertaald: één berg wil zeggen,quot; verklaarde de assistent-resident.
Bij een paar stalactieten gekomen, die een bijzonder gestalte vertoonden en waarvan bij een, met eenigen goeden wil van de zijde van den opmerker, wel eenige overeenkomst met een menschelijk figuur op te merken was, vertelde die ambtenaar verder:
„Omtrent deze grot bestaat bij de Inlanders de navolgende legende: Op de plaats, waar nu die grot gevonden wordt, stond in vroeger dagen een bamboezen paleis. De dochter van den vorstel ijken bewoner van die woning was pas in den echt getreden. Eer der hofdames, die bezig was een bijzonder fraaien „kahinquot; (kleedje, rok) te weven, hac daarbij het ongeluk haar schietspoel te laten vallen. Dat ding verdween tusschen de latter van den vloer en kwam onder de woning terecht. Zij riep, en riep nogmaals, om zich dk schietspoel te doen terugbrengen, maar niemand verscheen. Zij riep andermaal, maar niemanc scheen haar te hooren. Eindelijk bespeurde zij een hond in de nabijheid, wien zij gelastte haar het gevallen werktuig terug te brengen. Het dier voldeed aan dat bevel; maar ziet toen de hofdame de schietspoel in ontvangst nam, veranderden zij en al de ander( bewoners van dat paleis plotseling in steen. Zij is het, die door dien druipsteen daai
154
„Als wij den gezag-3,n de „Zeemeeuwquot; de
bij ons aan boord te zchtpleging.
_iiban liet zich met een chef voor het diner te -en van kippen, eenden een zwaren achterbout
■de te maken. Het doel i minus vijf paal van = den weg, die door de -e met de zoogenaamde
■l in de vlakte gelegen avonden, dat die berg nformatiën aanbood. Zij ■aren, dat zij daar weer
5quot;, hetgeen Boegineesch -ent-resident, -vertoonden en waarvan el eenige overeenkomst ar verder:
legende: Op de plaats, . bamboezen paleis. De den echt getreden. Een ïje, rok) te weven, had ween tusschen de latten i nogmaals, om zich die iidermaal, maar niemand lijheid, wien zij gelastte, n dat bevel; maar ziet: n zij en al de andere Dr dien druipsteen daar
155
voorgesteld wordt. Zooals gij ziet, staan daar veelvuldige offers omheen, die de Inlanders in hun bijgeloovigheid hier komen brengen.quot;
„Er zijn nog veel meer grotten in deze streken, nietwaar?quot; vroeg Visbergen.
„Ja, hier de geheele bergketen, die zich langs het westerstrand op eenigen afstand daarvan uitstrekt, behoort tot de kalkformatiën en daarin worden veel merkwaardig gevormde rotsen en nog veel en veel fraaiere grotten dan deze aangetroffen. Zoo hebt ge niet ver van Pangkadjene, een plaats, die zoowat 15 palen van Maros verwijderd ligt, de rotsen van Bara Batoewe, die veel grotten bevatten; de Tjendeya-rots, tusschen de rotsketens Kayoe-mate en La Sitaï gelegen; de Poort van Siloro, een ware bergpas, die tot een geheel bergsysteem, uit kalkformatie bestaande, toegang verleent. Eindelijk de grotten van Boengoro en Sappanang, die wel zulke schoone druipsteenvormingen bevat als deze hier. Hier, in dit district, maar meer oostwaarts, in de nabijheid van Oedjoeng bestaat nog een droge en natte druipsteengrot, waarvan beweerd wordt, dat daarin de beeltenissen op zoogenaamde „Batoe doewé-doewéquot; (duitensteenen) van een Europeaan, van een tijgerhond en van een zeilschip te vinden zijn. Meermalen heb ik er vruchteloos naar gezocht. Wat ik echter wel in een zeker gedeelte van die grotten gevonden heb, was een menigte beentjes en koppen van vleermuizen, zonder dat ik ooit heb kunnen ontdekken wat aanleiding tot het afsterven van een zoo groot aantal van die dieren heeft gegeven. Ik zou u wel naar die grotten geleiden; gij moet er echter langer dan een half uur door het water waden, dat soms tot aan de borst stijgt.quot;
De tocht naar Bantimoeroeng werd, nadat het gezelschap weer te paard gestegen was, hervat en de afstand in betrekkelijk korten tijd afgelegd. Niet ver van den weg stortte de Kalie Sangkara van een hoogte van ongeveer zestig voet langs een scherp hellend vlak, dat door de daarin uitstekende rotspunten een hobbelige bedding aan de rivier verschafte, naar beneden. Melkwit van het schuim stoof de watermassa langs die helling af, brak met donderend geraas op een rotsachtigen voorsprong, die den voet van den val uitmaakte, stoof daar in dikke schuimgolven op, terwijl millioenen stofdeeltjes zich als een lichten nevel daarboven verhieven, en het water voorbij dien voorsprong eindelijk tot een heldere beek vervloot, die effen en kalm verder kabbelde. Wat aan dien waterval een eigenaardige schilderachtigheid bijzette, was, dat de rotsen, waartusschen hij zich doorwrong, met een dichten plantengroei bedekt waren en dat de takken der boomen de rivier met hun groen loof overwelfden; zoodat het was; van beneden gezien, alsof de waterstraal uit een groene spelonk voortschoot, om zich in de diepte te storten. Een oogenblik stonden onze reizigers dat vallende, bruisende, hossende, klotsende en donderende waterspel met bewondering aan te staren, waarna zij den terugtocht naar Soeradjirang aanvaardden.
Toen zij daar aankwamen, was het reeds vrij laat. In haast werd ten huize van den assistent-resident een glas kilkoud bier gedronken, waarna onze reizigers met hun
— SOEEADJIRANG.
156
MAKASSAR.
genoodigden in de sloepen stapten, die op de kalie Karabia of rivier van Maros gereed lagen. Hoe veel spoed evenwel ook gemaakt werd, was het toch bijna halfacht, toen de vaartuigen de „Zeemeeuwquot; bereikten.
Montauban had als gamelle-chef eer van zijn werk. De tafel zag er uitmuntend uit en de daarop verschijnende lekkernijen smaakten onzen toeristen, alsook hun gasten, bij uitstek goed. Het is waar, kapitein Meerman had hem in het aanschaffen van versche provision op waardige wijze ter zijde gestaan; terwijl de scheepskok zichzelven overtroffen had en dan ook de algemeene tevredenheid verwierf.
Het samenzijn daar aan het dek, waar kapitein Meerman de tafel had laten spreiden, was zóó gezellig, zóó aangenaam, was zóó gekruid met geestig gekout, dat de uren omvlogen. Uiterst verbaasd was men daarom, toen de klok acht glazen sloeg (middernacht). Er was evenwel geen quaes tie van, om dien gezelligen kring te verbreken; daartoe was de stemming te vroolijk. Kapitein Meerman stond zijn gezagvoerdershut aan den assistentresident en diens echtgenoote af; hij zou wel een dutje in den luiaardstoel doen, verzekerde hij. Zoo kon nog een uurtje voortgebanketteerd worden, zonder dat men voor een breekspelig heengaan beducht behoefde te zijn. Het was dan ook ruim twee uren, toen de feestvierenden hun respectieve kooien opzochten.
Sawa, — laar ianda. — ie, Notsncultuur.
De zon stond den volgenden morgen reeds vrij hoog, toen onze toeristen op het dek verschenen. Haastig werd ontbeten en daarna in de prauwen gestapt, om naaiden wal te roeien. Alleen de dames bleven aan boord; zij gevoelden zich nog te loom, om dien rit naar Makassar mede terug te maken. De „Zeemeeuwquot; zou haar op veel gemakkelijker wijze terugvoeren.e zon stond den volgenden morgen reeds vrij hoog, toen onze toeristen op het dek verschenen. Haastig werd ontbeten en daarna in de prauwen gestapt, om naaiden wal te roeien. Alleen de dames bleven aan boord; zij gevoelden zich nog te loom, om dien rit naar Makassar mede terug te maken. De „Zeemeeuwquot; zou haar op veel gemakkelijker wijze terugvoeren.
„Maar de paarden onzer dames f' vroeg Visbergen.
„Laat dat maar aan mij over,quot; antwoordde de assistent-resident. „Die zal ik wel naar Makassar bezorgen. Ze zullen weinig tijds na u aankomen.quot;
Toen de toeristen aan wal kwamen, vonden zij hun paarden reeds klaar staan. Na afscheid genomen te hebben van den assistent-resident en zijn echtgenoote, sprongen de heeren in het zadel en voort ging het den weg terug, welken zij den vorigen dag gekomen waren. Spoorslags reed het troepje ruiters daarheen; maar het was toch bijna één uur, toen zij bij hun respectieve gastheeren te Makassar terug waren.
De „Zeemeeuwquot; was nog niet op de reede. Ze had de terugkomst der sloepen op de reede van Maros moeten afwachten, hetgeen dat vaartuig veel oponthoud had gegeven. Zij kon nu echter ieder oogenblik verwacht worden. Dat den heeren na dien morgenrit de rijsttafel uitmuntend smaakte, zal wel niet behoeven verzekerd te worden. Ook niet, dat de siësta, welke daarna genomen werd, ten gevolge van de vermoeienissen, den vorigen dag doorstaan, en de daarop gevolgde korte nacht, eenigszins gerekt werd. De afspraak was echter, dat allen zoo omstreeks vier uren bij elkander zouden komen. Vogels zou zijn reisgenooten dan geleiden bij den krijgsmakker, een artillerie-officier, bij wien hij logeerde; daar zou hun gelegenheid geopend worden om een heerlijk zeebad te nemen. Die afspraak werd trouw gevolgd. Het was nog geen volle vijf uren, toen al onze heeren in kampong
158
NAAR BANDA.
GOWA. —
— DE NOÏENCULTÜUR.
Djawa vereenigd waren, alwaar bedoelde officier woonde en waar meer Europeesche Imizen aangetroffen werden, welke zich langs de zee in een lange rij uitstrekten en welker achtererven daarop uitzagen. Het was een heerlijk genot, het lichaam in het zilte nat te kunnen dompelen, in die helder-hlauwe zee, welke met de deining zacht op en neer ging, terwijl een doorstaand westenwindje daarenboven het zee-oppervlak rimpelde en nogal golfslag deed ontstaan, welke, bij het strand steigerende, zich verhief, een halven boog vormde, die prachtig fraai onder den invloed der dalende zon zijn helder-blauw liet schitteren, vervolgens zich met schuim kuifde, dan met donderend geweld brak en den oever met lichte golfjes kwam lekken.
Toen de heeren na het genot van dat bad weer in de plaats zelve kwamen, dat wil zeggen: toen zij op het plein kwamen, hetwelk door het fort Oedjoeng Pandan aan de ééne, de zee aan de andere en eenige Chineesche woningen met de sociëteit aan de derde zijde gevormd werd, terwijl de vierde zich in het Prins Hendriks-pad verlengde, kwamen zij de dames tegen, die door kapitein Meerman aan wal begeleid werden. De schoonen hadden een fijn neusje gehad met aan boord te blijven en van de vermoeienissen van den vorigen dag uit te rusten. Zij vernamen weldra, dat er dien eigen avond partij in de sociëteit „De Harmoniequot; zou plaats hebben en dat die partij eigenlijk ter barer eere gegeven zoude worden. Tevens bracht kapitein Meerman de tijding van de reede, dat de mailboot van Java aan het opstoomen was, zoodat weldra tijdingen uit de buitenwereld konden ontvangen worden. Toen dan ook de heeren een uur later de sociëteit binnentraden, was daar het geheele Europeesche mannelijke personeel van Makassar bij elkaar en had ieder een courant of een stuk daarvan in de hand, waarin hij verdiept was.
„Ada njang satoe toean nama-nja SappesikT (Is er ook een heer, die Sappesik heet?) liet de stem van den postbode, die een grooten brief, met een vervaarlijk zegel in rood lak er op, in de hand hield, zich in de voorgalerij van het gebouw hooren.
„Sappesik?... Sappesik?...quot; vroegen de ingezetenen van Makassar elkander.
Één hunner stond op, keek den brief in en riep:
„Monsieur Henri Jaffrezic, officier de marine!quot;
„Présent!quot; riep onze toerist.
„Satoe ringgiet port,quot; (een rijksdaalder port) zei de postbode.
Jaffrezic betaalde en opende den brief met bevende vingeren. Het was een missive van den Franschen minister van marine, die, met het oog op de verwikkelingen met Tunis en Tonkin, welke in 't uitzicht waren, den Franschen zee-officier voor den actieven dienst opriep en hem opdroeg, zich op 2 Januari 1885 bij den vice-admiraal, commandant van de maritieme Afdeeling te Toulon, aan te melden.
„En onze reis?quot; vroeg Montauban, die dien brief ook ingezien had.
„Blijft er nog veel van ons plan uit te voeren over?quot; vroeg H. Jaffrezic aan Vogels en aan Visbergen.
159
GOWA.
— NAAR BANDA,
— DE NOTEN CULTUUR.
„Dat plan luidde,quot; antwoordde één hunner, „om van hier naar Timor te stevenen. Van Timor naar de Banda-eilanden. Van daar zouden wij Amboina, Ceram, Boeroe en Ternate bezocht hebben. Wjj zouden een kijkje op Halmaheira hebben genomen. Verder zouden wij naar Grorontalo, in de Tomini-baai, en naar Menado, in de Chineesche Zee, overgestoken zijn, om vervolgens langs Borneo's Noordkust en langs de Natoena en Anambas-eilanden naar Singapore te stevenen.quot;
„Hoeveel tijd is daarmee nog gemoeid V
Zonder wederwaardigheden, ruim anderhalve maand,quot; antwoordde Visbergen.
„Wij hebben heden den lO'en October. Wij zouden dus op 2G November te Singapore kunnen zijn, nietwaar1?quot; vroeg H. Jaffrezic.
„Ja, wanneer alles goed gaat en niets tusschenbeide komt. De trajecten, die wy, om dat plan uit te voeren, af te leggen hebben, zijn evenwel groot en, vergeet dat niet, voeren grootendeels buiten het algemeen verkeer. Een klein gebrek aan de machine van de „Zeemeeuwquot; kan ons een oponthoud van maanden geven, zonder dat wij in de ihogelijkheid zouden zijn om daarin verandering te brengen.quot;
„Dan kan ik niet meegaan,quot; betuigde H. Jaffrezic, vast besloten: „dienst gaat vóór alles. Dienst is godsdienst! Dan keer ik van hier naar Europa terug.quot;
„En dan ga ik met u mede,quot; sprak Louis Jaffrezic tot zijn broeder.
„Ik zou het onaangenaam vinden,quot; zei Montauban, „dat ons gezelschap hier uit elkaar ging. Wij zijn te zaam hier aangekomen, wij hebben te zaam zoo prettig mogelijk rondgereisd, laat ons te zaam naar Europa vertrekken. Dat gemaakte plan moet te wijzigen zijn, nietwaar?quot;
„Zeker,quot; antwoordde Visbergen lachend.
En zijn reisgenooten naar een kaart van Nederlandsch-Indië geleidende, die aan een der wanden van de sociëteit hing, vervolgde hij:
„Ziet, wij zouden van Makassar dadelijk naar de Banda-eilanden kunnen stevenen, dan een bezoek aan Amboina brengen en vervolgens Noord opsteken om Ternate te bereiken. Die plaats zouden wij als de laatste plek van Nederlandsch-Indië kunnen beschouwen, die gij betreden zoudt, en wij konden van daar om de Noord van Borneo naar Singapore reizen.
„En die tocht zou durenquot;?quot; vroeg H. Jaffrezic.
„Laten wij ons in geen berekeningen verdiepen,quot; zei Visbergen. „Ik geloof te kunnen verzekeren, dat gij in het begin van November te Singapore zult zijn.quot;
„Dat zou uitstekend wezen,quot; antwoordde de Fransche zee-officier. „Dan blijft mij nog eenige tijd over om in Europa mijn campagne-benoodigdheden in orde te brengen, ook om familiebetrekkingen en vrienden nog eens te ontmoeten.quot;
Zoo werd dan afgesproken.
De partij in de sociëteit „De Harmoniequot; te Makassar was luisterrijk en alles spande samen om dezen avond in aangename herinnering bij onze reizigers te doen blijven.
GO WA. — NAAR BANDA. — BE NOÏENCULTÜÜR.
Den volgenden morgen reed een gelieele cavalcade naar Gowa, een negorij op ongeveer zes palen afstands van Makassar, om haar opwachting bij den Vorst van dat rijkje te maken. Helaas, zij trof het niet. Was de Oostersche gebieder in een slechte luim, of was hij werkelijk ziek? Genoeg zij het, dat hij den toeristen liet boodschappen, dat hij ongesteld was en hen derhalve niet ontvangen kon. Dezen moesten zich nu vergenoegen met het plaatsje, dat niets bijzonders bevatte, te bezichtigen en een blik te wijden aan des vorsten woning, welke niet veel van een paleis had en niet anders dan een eenvoudige, stevige woning kon genoemd worden, welke hoog op palen gebouwd was en, in afwijking met de hutten der onderhoorigen, met planken omwand was. Een overdekte trap gaf' toegang tot een overdekte gaanderij, waardoor men in de woning geraakte, terwijl van voor-, achter- of rondgaande galerijen — zoo noodig in een tropisch klimaat — geen spoor te zien was. Het geheel kon niet anders dan een groot, gerieflijk Inlandsch huis genoemd worden.
Tegen elf uren was onze ruiterstoet te Makassar terug.
In den namiddag werd nog een wandeling gemaakt, eerst langs het zeestrand dooide kampongs Baroe, Djawa, Malokoe en Gelissong, die als het ware tot Makassar behoorden. Verder sloegen onze toeristen den weg langs Bontowala en Benteng Tanga in en bereikten zóó kampong Malajoe. Zij namen vervolgens een kijkje in het Chineesche kamp, dat achter de sociëteit gelegen was en waar zij niets merkwaardigs voor hen aantroffen. Vrij vermoeid van die uitgestrekte wandeling, kwamen zij bij hun verschillende gastheeren terug en, de danspartij van den vorigen avond in aanmerking genomen, die tot vrij laat geduurd had was een ieder hunner al betrekkelijk vroeg in diepe rust gedompeld.
Toen de gulden stralen der opkomende zon den volgenden morgen de toppen der boomen en de nokken der huizen verlichtten, had de „Zeemeeuwquot; reeds stoom op en was ons reisgezelschap wachtende. A.h!.... Daar naderde een eerste groepje; dat kwam van den kant van den Militairen Commandant. Het was die hoofd-officier, die zijn drie gasten, Montauban, Boisjolin en Louis Jaffrezic, tot aan boord uitgeleide deed. Van een anderen kant daagde Vogels met zijn gastheer op. Iets verder verscheen Visbergen met Clotilde, die gearmd liep met haar gastvrouw. Nielsen en Ollerupp verschenen ook weldra, maar het laatst kwam daarginds op het Prins Hendriks-pad de Gouverneur met de dames Van Berkenstein en Jaffrezic gearmd aanwandelen, terwijl de echtgenoote van dien hoofdambtenaar den arm van Henri Jaffrezic aangenomen had en met Van Berkenstein aan haar andere zijde het eerste drietal volgde.
Weldra was het geheele personeel aan boord, terwijl zich bijna de geheele Euro-peesche bevolking van Makassar zoowel op het dek als op de aanlegplaats verdrong, om van haar gasten, die zulke aangename herinneringen achterlieten, afscheid te nemen.
Kapitein Meerman, gastvrij als altijd, riep den hofmeester, liet een aantal flesschen
160
—va, een negorij op =adeii Vorst van dat =in een slechte luim, —; boodschappen, dat —dcli nu vergenoegen te wijden aan des zdan een eenvoudige, ^vas en, in afwijking overdekte trap gaf —eraakte, terwijl van maat — geen spoor 31ijk Inlandsch huis
raipiÉS
m-
Drgen de toppen der =!ds stoom op en was 3pje; dat kwam van die zijn drie gasten, ■ed. Van een anderen jgen met Clotilde, die Z)k weldra, maar het met de dames Van Dte van dien hoofd-Berkenstein aan haar
jia de geheele Euro-jjgplaats verdrong, om eid te nemen, een aantal flesschen
s het zeestrand door ZMakassar behoorden, -nga in en bereikten me kamp, dat achter _roffen. Vrij vermoeid zbheeren terug en, de ■i-ij laat geduurd had
'V T. . r - '
60WA. — NAAR BANDA. — DE NOTENCULTUUR.
echten Veuve Cliquot, zorgvuldig in ijs gebakerd, boven brengen en bood den bezoekers van zijn vaartuig een glas van den schuimenden inhoud aan, om op de gezondheid van de vertrekkenden en de behouden vaart van de „Zeemeeuwquot; te drinken. Met een uitbundig hoezee werd aan dat verzoek voldaan. En, was het de invloed van het prikkelende van den edelen wijn, dat zich met een lichte krieuweling in den neus aanmeldde, of was het werkelijk aandoening bij dat afscheidneraen? Wie zal dat uitmaken? Maar in menig oog blonk een traan en vooral bij de schoonen van de vergaderde menigte werd menige zakdoek te voorschijn gehaald om dien traan weg te wisschen.
Eindelijk weerklonk de stoomfluit luide en schel, ten teeken, dat de trossen losgegooid waren en de loopplank ingetrokken zou worden. Toen werd een laatste handdruk gewisseld en verlieten de belangstellende ingezetenen van Makassar de boot. Deze deed een paar slagen voorwaarts en verwijderde zich langzaam van de kade. Toen zij geheel vrij was, klonk het commando:
„Voorwaarts, volle kracht!quot;
De „Zeemeeuwquot; schoot vooruit, stoomde een wjjle noordwaarts evenwijdig met de kust, om even benoorden Oedjoeng Kassiroekan te wenden en haar richting tusschen de vele eilandjes en reven te nemen, welke den Spermondes-archipel uitmaken en het van en naar Makassars reede zeilen eenigszins lastig maken. Bij die beweging stoomde het vaartuig-langs de hoofdkade met haar pakhuizen en handelskantoren en het Chineesclie kamp met zijn grillige daken, vèruitstekende luifels, markiezen enz. Toen de „Zeemeeuwquot; daar voorbij-stoomde, lag er een vrij groot stoomschip aan een ver uitgebouwde pier in lading voor Singapore, welk schip met zijn trossen aan den wal gemeerd was.
Toen de „Zeemeeuwquot; gewend had, stoomde zij tusschen Makassar en het eilandje Samalokoe door, hield toen een tikje westwaarts aan, om meer het ruime sop te kiezen en tusschen Tannakeke en Celebes door te stoomen. Bij het voorbijstoomen van Makassars aanlegplaats werden nog zakdoeken gewuifd; terwijl Neerlands driekleur, zoowel aan den vlaggestok binnen het fort Rotterdam als aan de gaffel van de „Zeemeeuwquot;, als laatste groet driemalen op .1 neer bewogen werd.
Een half uur later was van Makassar niets meer te ontwaren dan eenige glinsterend witte stippen, welke daar achteruit helder te midden van het levendig groen der kustlijn afstaken. Die stippen verbleekten langzamerhand, losten zich op naar mate de boot zich van de kust verwijderde en weldra bleef voor onze reizigers van de voornaamste plaats van Celebes niets anders dan de herinnering over.
Toen de „Zeemeeuwquot; Tandjoeng Laikang gerond had en later op den dag tusschen Poeloe Salejer en Celebes was doorgestoomd, stak zij de Golf van Boni, die een diepen inham in laatstgenoemd eiland vormt, dwars over, voer de zuidelijkste punt van Poeloe Boeton voorbij en zorgde dat zij iets ten Zuiden van den Wangi-Wangi-eilandengroep bleef
161
1 ()1J GOWA. — NAAK BANDA. — DE NOTEN'CÜLTUUK.
Toen die laatstgenoemde eilanden voorbijgeste vend waren, bevond de „Zeemeeuwquot; zich in het ruime sop en gedurende ruim drie etmalen kregen onze toeristen geen land te zien en sloot de gezichteinder zich bij het heldere weder, dat er heersclite, als een volmaakte cirkel om het scheepje, dat daar eenzaam op den eindeloos wijden Oceaan dobberde. Alleen zoowat tegen het middaguur van het tweede etmaal werden de Lucipara-eilanden bij de kim in het Zuiden ontwaard. Kapitein Meerman hield zich evenwel zorgvuldig op een afstand van dien eilandengroep, welke door de schipbreuk van de „Willem de Eerstequot;, het eerste Gouvernements-stoomschip, dat in de Indische wateren verscheen, in 1837 een treurige vermaardheid verkreeg.
In den morgen van den 16(len October liep de „Zeemeeuwquot; bij het aanbreken van den dag het eiland Rosengain in het gezicht. In zijn bezorgdheid om de kust van Groot-Banda niet bij stikdonkeren nacht — de lucht was zeer bewolkt geweest — te veel te naderen, had kapitein Meerman iets om de Zuid afgehouden. Toen hij ter hoogte van Tandjong Boeton land verkend had, legde hij West ten Noorden voor en liep recht op Batoe Lajer (Zeilsteen) aan, de Zuid-Oostelijkste kaap van Groot-Banda, welke zich daarginds op niet te grooten afstand voor het oog opdeed.
Onze reizigers stonden allen op het achterdek en keken naar het voorbijzwevende eiland Rosengain, waarboven de toppen van den Goenoeng Batoe meirah (Roode steenberg) en van den Goenoeng larie (Wijkende berg) helder tegen de blauwe lucht uitkwamen, terwijl vooruit de heuvelachtige kust van Groot-Banda langzamerhand opdoemde.
„De Banda-eilanden, die wij daar vooruit zien,quot; sprak Visbergen, „zijn van al de landen, die specerijen voortbrengen, de vruchtbaarste te noemen. Hun uitgestrektheid bedraagt te zamen ongeveer een vierkante Geographische mijl. De groep bestaat hoofdzakelijk uit de eilanden Groot-Banda, Banda Neira, Goenoeng Api (Vuurberg) en Poeloe Kraka (Vrouwen-eiland), terwijl rondom dezen hoofdgroep nog een zestal kleinere er min of meer verwijderd van liggen.
„Al deze eilanden zijn van vulkanisch en oorsprong. De vier eersten kan men aanmerken als de toppen van een reusachtigen onderzeeschen vuurberg, waarvan Groot-Banda, dat den vorm nagenoeg heeft van een halve maan, als de nok van den verheffings-krater, en Banda Neira, Goenoeng Api en Poeloe Kraka als de toppen van den eruptie-krater te beschouwen zijn.quot;
Toen de „Zeemeeuwquot; nog ongeveer een paar mijlen van Oedjoeng Batoe Lajer verwijderd was, liet kapitein Meerman haar Noord opsteken en liep de boot evenwijdig aan Groot-Banda's oostkust totdat zij Tandjoeng Boeroeng (de Vogelenkaap) bereikt had en stevende thans door het gat van Celamme West op, tusschen het eilandje Poeloe Pisang en Groot-Banda door, de zee of het gat van Neira in. Het stoomscheepje voer daarbij vrij dicht langs den westelijken oever van Groot-Banda.
„Dat is het grootste der Banda-eilanden,quot; vervolgde Visbergen zijn toelichtingen.
ik
««I
I -
w*
e „Zeemeeuwquot; zich geen land te zien ^3, als een volmaakte *ian dobberde. Alleen ;ipara-eilanden bij de
_i zorgvuldig op een
~llem de Eerstequot;, het heen, in 1837 een
m v';.c. 'r ^
: -a^:' ^ - gt;;■' quot; r
^•^■,■'4'' ij ■ _ ;.H:;; quot; i ^^ ^
• gt; ; lt;«amp;'•« 'V»,-'-quot;. f:amp;gt;.amp; firW\ ' Jf -■ quot; '.hJ .»■'». • ' • 'V'i ' , ■ quot; k' ■. s '
, • *-V; gt;-x
•• 1 ■■ -ji ■ . -v, •. •• vgt;r- ■.■■■■- i ■
j het aanbreken van . de kust van Groot-^weest — te veel te hij ter hoogte van =)or en liep recht op welke zich daarginds
het voorbijzwevende =ah (Roode steenberg) sre lucht uitkwamen,
opdoemde. —gen, „zijn van al de Hun uitgestrektheid =groep bestaat hoofd-Vuurberg) en Poeloe estal kleinere er min
eersten kan men aan--nvaarvan Groot-Banda, uien verheffings-krater, den eruptie-krater te
-»edjoeng Batoe Lajer s boot evenwijdig aan naap) bereikt had en eilandje Poeloe Pisang Eeepje voer daarbij vrij
=gen zijn toelichtingen.
'' ■■ lt; 'l':quot;. ■ ■: ■ ' v ■ ■ ^ '* * ft'' ' ■ ^ -
:■;? 'iï- lt; -tó : '■ ■■ Samp;;: ' ....
t-s,
■gt;
gt; M ' ' aMi
, . ■
v;,
• ,lt;V quot; •
quot;.Cgt; '' ' ■
MM- ^ .
quot;iM
• ...». • gt;»: ♦ ■
ïl-! amp;
f-
.v''
;.;\vy;-\v-,,y^ ■:.,.'
■É'
. .o y- ■ , ' '■ V S'.ï '' ' Z''1,;
' Wfii-''/.' '. ■; '• '■ :■ , ■■■■ . ■ ' ■ ■-. .. , ' -. .■quot; ■ ,: . ■'■■'
■■ Vi!
1^;-
rf .■
■ ' ■■gt; ' i ■ -
''' 1 *-$*•
«1
■A '• gt; y1-/ V-. ....,■ -„ ■sï'.r'v/quot;
■ .■' ■'. . . .■?..'1 * '■
14
BHHHM
. ■ ;s;
.. • ■'fc •fquot;' ■'■
V gt;• -s/V; .
;■ . M-' f
j\TW-j
•••••V *
M ■ ^
S;v ..v^4..
• • :• '
• • ■ ■■■ •■.■.■ ^■■..
ü
quot;i.wi, ^v: ' •'■• , ■ t'Jny
v:;-■
' ■ ;■ ■■;' .•■ ■ •.. f- .. :' ■'
■' \. A. % ^ y- ■■■ '.. . ■ ■.
■v
*quot; quot;ém
'V-V''K.v v'^ .. ;fe:
■m«. raÉHi8BR»-,feA • ; •
.. 'V. 1 Sifï; ■ .. ■ .•• . ' .. •■ VV ■'■ ..■ ■ fe .... .R, ., .. ;
■ • . -s '1 : ■ . ' . :■ . ■ ••. v
V', «-.Kr .V V, ■
jf.-;:,.''' , y t-.V • * ' ''.fV
.gt;k..f7-^ • ... ■:
' '''
- **-■•' ■■■ - gt;•. • -
K tEVi kWföJSS.
|
f^S 11 quot; ÏW | |||||||||||||||
|
. i,..: | ||||||||||||||
|
V■.„ . .... | |||||||||||||||
|
: k' | ||||||||||||||
|
ySïamp;
. t. •
. •' •'•V..
m
Ij J-.
- ,• N . '
■ :
-vv v-:- - ■ quot; ■ ' ■ • ' . • Lamp;
■ •-.
;■ gt;V • ..■/ V'-'
W:^ quot;'nquot;' ■
•vftjV ■ ■-.,.* .,. - -*
quot;V ' '
: v-t .'l-Wra
jWi- ^ y- v.-' , j
m-
•; ■
■ My;:'
• .v':
GO WA. — NAAK BANDA. - DE NOÏENCULTUUU.
„Het heeft, zooals gij ontwaren kunt en zooals ik reeds zeide, den vorm van een halve maan en is ongeveer Vh mijl lang en l'A mijl breed. In het midden van het eiland loopt een aaneengeschakelde heuvelenrij, die in het Westen in een vrij laag plateau verloopt. Het eiland is, zooals gjj van hier zeer goed zien kunt, bijna geheel en al met Notemuskaat-tuinen of -perken bedekt. Die perken, 25 in getal, evenwel zeer ongelijk in uitgestrektheid, behooren aan verschillende eigenaren. Ziet eens, welk schilderachtig gezicht die Notemus-kaatboschjes met hun boomen, meestal van pyramidalen vorm, van hier aanschouwd, opleveren! Ziet die helder-witte gebouwen, de woningen der Europeesche perkeniers, tusschen het vrij donkere, maar glinsterende loof van die specerij-boomen als verscholen liggen; terwijl op enkele punten, zooals daar bij die kegelvormige hoogte en daar bij dien getanden heuvelrand, reusachtige Kanarie-kruinen met eenige klapperboomen slank en gepluimd boven die vriendelijke cultuurboschjes uitsteken!
„Ieder perk of specerijland vormt met de daarop gevestigde arbeiderswoningen en de verblijven van het ad minis treerend personeel, een op zichzelf staand geheel. De woningen der eigenaren of der administrateurs zijn meestal in uitstekend goeden staat en leveren vriendelijke verblijven op. Toch hebben bijna allen op de hoofdplaats van het eiland Banda Neira een tweede woning of een optrekje.quot;
In dit oogenblik stopte de „Zeemeeuwquot; en liet zij gillend haar stoomfluit hooren. Zij was middelerwijl naar Banda Feira overgestoken en op de reede van de hoofdplaats aangekomen. Vlak voor de woning van den assistent-resident werd het anker uitgeworpen. Het was toen ongeveer 10 uren in den voormiddag.
Onze reizigers spoedden zich in de sloepen en maakten hun opwachting bij het bestuurshoofd. Des namiddags wandelden zij door de plaats, bezichtigden die en brachten een paar bezoeken aan eenige ingezetenen. Zij bevonden daarbij, dat het hoofdelement van de bevolking gevormd werd hoofdzakelijk door de grondeigenaren, voor het grootste gedeelte afstammelingen van de dienaren der vroegere Compagnie en door de Gouvernementsambtenaren. Door huwelijken onderling of met Europeesche ingezetenen uit andere deelen van Insulinde had die bevolking daar een vaderland gevonden. Zij bevonden verder, dat die kolonisten in weerwil van hun isolement toch vrij goed opgevoed waren, met veel comfort leefden en het gezellig verkeer onderling en met de daar gevestigde ambtenaren en officieren ten volle genoten.
In den na-avond brachten onze toeristen met hun dames een drietal uiterst aangename uren in de sociëteit „De Gezelligheidquot; door.
Den volgenden morgen ging ons geheele gezelschap, geleid door den assistent-resident, een wandeling door een paar notenperken maken. Zij waren al heel vroeg bij het nieuwe havenhoofd vlak bij de woning van den assistent-resident geland en hadden daar als coup de l'étrier een geurigen kop koffie geslurpt. Zy waren vervolgens tusschen de fortjes Belgica en Nassau doorgewandeld. Daarna hadden zij het Chineesche kwartier bezichtigd
163
aöWA. — NAAK BANDA. ■ DE NOTENCULTUUR.
en waren eindelijk op het grondgebied van de onderneming Zevenbergen en Hersteller aangeland.
„Ziet,quot; sprak de assistent-resident, „wij zijn nu te midden der tuinen aangekomen. Gij ontwaart, dat de boomen ongeveer 38 voet hoog worden en op vlakke terreinen van 20 tot 30 en op de hellingen van 18 tot 24 voet van elkander staan. Eigenlijk hebben de tuinen geen schaduw noodig; toch worden veelal Kanarieboomen geplant, die dienst als windbrekers moeten doen. De kroon van den Noteinuskaatboom is, zooals gij ziet, kegelvormig; de bladeren zijn aan den voet spits, verder elliptisch. Hij heet bij de Inlandsche bevolking Pala, bij de geleerden Myristica fragans.
„De Notemiiskaatboom kan door stekken worden vermenigvuldigd. Men kweekt hem evenwel uitsluitend voort uit zaden. Hij groeit bij uitstek goed op gronden, zooals deze hiei*, die uit lichte kleiaarde, met vulkanisch zand vermengd, bestaan. Hier op de Banda-eilanden kunt gij boomen opmerken, die in spleten van granietrotsen en in holten van koraalbeddingen zonder eenige verzorging zijn opgegroeid en zich tot fraaie en zeer productieve exemplaren ontwikkeld hebben.quot;
„Waaraan is het welslagen van de Notemuskaatteelt hier op de Banda-eilanden boven iedere andere streek toe te schrijven'?quot; vroeg Montauban.
„Afdoend is dat niet uitgemaakt,quot; antwoordde de assistent-resident. „Er zijn geleerden, die dat zoeken in de bestanddeelen van den bodem, anderen in de gelijkmatige warme luchtgesteldheid. De meesfcen schrijven evenwel dat welslagen toe aan de zilte vochtigheid van den dampkring en aan den invloed van de zoogenaamde melkzee, een verschijnsel, dat uitsluitend in de Banda-zee wordt waargenomen.quot;
„Wat is dat voor een zee, die melkzee?quot; vroeg Jaffrezic. „Is die hier nabij en krijgen wij haar te zien?quot;
„Zooals ik zei,quot; antwoordde de assistent-resident, „is dat een verschijnsel, dat uitsluitend in deze zee wordt waargenomen. Er zijn avonden, dat de zee hier wit als melk is en alsdan een zwakken lichtglans aan haar oppervlakte verspreidt.quot;
„Maar dan phosphoresceert zij! Wij hebben dat op de reede van Tagal prachtig gezien.quot;
„Neen, het is een geheel ander verschijnsel. Bij het phosphoresceeren zijn het de bewogen wordende wateren, die glinsteren en ontvonken, terwijl het overige gedeelte zijn normale kleur blijft behouden. Wanneer het bedoelde verschijnsel zich hier voordoet, dan is de geheele zee, zoover het oog reikt, wit. Men ziet er dan geen lichtende punten in als bij het phosphoresceeren. Ook bedekken zich de voorwerpen in hot water niet met dien vuurglans, die bij het laatste verschijnsel waargenomen wordt.quot;
„En kent men de oorzaken van dat wit-worden?quot; vroeg Montauban.
„O! daaromtrent zijn de geleerden het onderling nog erger oneens dan over elk ander vraagstuk, dat hua wetenschap in de war brengt. De een vertelt, dat het microscopische diertjes zijn, die het water kleuren; een ander beweert dat het een gezichtsbedrog
GOWA. — NAAK BANDA. -— DE NOTENCÜLTUUB
is en men slechts een weerkaatsing des hemels ontwaart; een derde houdt vol, dat door vulkanische beroeringen een soort heel fijn wit zand of fijne witte klei van uit de onpeilbare diepten dezer zeeën opgejaagd wordt. En zoo verkondigt de een dit en de ander dat, en verschillen zij zoodanig met elkaar, dat de leek er in het geheel niet wijs uit wordt, den geheelen geleerden poespas naar den duivel wenscht en zich een eigen oordeel vormt, dat in den regel even zot is.quot;
„Hoe geschiedt de aanplant van de perken ?quot; vroeg Montauban.
„Ja, laat ons daarmee voortgaan,quot; antwoordde de assistent-resident. „Tot planters zoekt men de meest ontwikkelde noten uit van booinen, die gewoonlijk overvloedig en groote vruchten voortbrengen. De ontbolsterde noten worden in eenigszins hellenden stand, met de punt benedenwaarts, ter diepte van drie vierde op een ouderlingen afstand van 3 tot 4 voeten gepoot. In de Odquot; maand na de uitplanting beginnen de noten te kiemen. De kweekbeddingen worden nu vlijtig gewied en zuiver gehouden, de jeugdige boompjes worden evenwel eerst na twee jaren in de perken overgepoot. Ook na die overplanting moeten de tuinen zorgvuldig gezuiverd worden en blijven van onkruid en mos, maar vooral van parasyten, die zich zoo gaarne, vooral in het natte jaargetijde, op de stammen en takken ontwikkelen.
„In het 7clo jaar begint de boom enkele vruchten te dragen. Op zijn 14lt;1quot; jaar evenwel loont hij eerst de genomen moeite en werpt hij rente af. Op zijn 25ste jaar is hij in zijn volle kracht, die hij tot 70-jarigen leeftijd behoudt. Niet zelden worden exemplaren aangetroffen, die 100 jaar oud en nog krachtvol zijn. Een gezonde boom brengt jaarlijks ongeveer 2000 vruchten voort.
„Het oogsten eischt nogal zorg en veel toezicht, daar onrijpe vruchten, wier schil nog niet opengesprongen is, een inferieur product opleveren; terwijl van een anderen kant vruchten, die opengebarsten zijn, reeds een etmaal later de noot laten vallen. Hierdoor wordt de foelie gekwetst, de noot wormstekig en levert derhalve ook een minder geldswaardig product op.
„De noten worden zoo spoedig mogelijk van de foelie ontdaan en boven een smeulend houtvuur gedroogd, waarna ze ontbolsterd en gesorteerd worden. Is dat geschied, dan worden ze in een brij van zuivere kalk en zeewater gedompeld, daarin even omgeroerd en er weer uitgenomen en gedroogd. Daarna worden de noten verpakt en verscheept, zoowel in kistjes als in vaatjes van 50 K. Gr.
„De foelie, die de zaadmantel der vrucht is, wordt, na afgepeld te zijn, op matten uitgespreid, die des nachts in het établissement onder dak, maar over dag in de zon gebracht worden. De droging is binnen een paar dagen afgeloopen, waarna het product met de voeten in kisten geperst wordt.quot;
165
Op den Papenberg, — Haar Amboina.
Onder deze verhandeling hadden de toeristen zoo langzamerhand de perktuinen doorgewandeld. Overal, waar zij kwamen, heerschte veel beweging. Mannen, vrouwen en kinderen waren in de weer met den notenpluk en beijverden zich met hun „gai-gaiquot;, een werktuig, bestaande uit een tweetandig houten vorkje, dat bevestigd was aan den rand van een ovaal mandje, hetwelk uit het gespleten boveneind van een langen bamboestaak gevlochten was, de schoone abrikoosvormige en zacht gespleten vruchten, die in de spleet de schitterend roode foelie lieten zien, machtig te worden. Allen droegen een mandje op den rug, waarin zij den gevulden gai-gai ledigden. Het wekte de verbazing onzer toeristen hoe vlug de vruchten met dat werktuig gelezen werden. De dames Jaffrezic en Visbergen namen zulk een werktuig ter hand om eens te probeeren, maar het wekte aller lachlust dat zij er niet in slaagden de afgewrongen vruchten in het mandje te doen terecht komen, maar ze allen er naast lieten vallen, waardoor de buitenschil afsprong en het schoone netwerk, dat de foelie daarstelde, beschadigd werd.nder deze verhandeling hadden de toeristen zoo langzamerhand de perktuinen doorgewandeld. Overal, waar zij kwamen, heerschte veel beweging. Mannen, vrouwen en kinderen waren in de weer met den notenpluk en beijverden zich met hun „gai-gaiquot;, een werktuig, bestaande uit een tweetandig houten vorkje, dat bevestigd was aan den rand van een ovaal mandje, hetwelk uit het gespleten boveneind van een langen bamboestaak gevlochten was, de schoone abrikoosvormige en zacht gespleten vruchten, die in de spleet de schitterend roode foelie lieten zien, machtig te worden. Allen droegen een mandje op den rug, waarin zij den gevulden gai-gai ledigden. Het wekte de verbazing onzer toeristen hoe vlug de vruchten met dat werktuig gelezen werden. De dames Jaffrezic en Visbergen namen zulk een werktuig ter hand om eens te probeeren, maar het wekte aller lachlust dat zij er niet in slaagden de afgewrongen vruchten in het mandje te doen terecht komen, maar ze allen er naast lieten vallen, waardoor de buitenschil afsprong en het schoone netwerk, dat de foelie daarstelde, beschadigd werd.
„Wat voeren die meisjes daar uit?quot; vroeg Van Berkenstein, terwijl hij op een groep jonge deernen wees, die in een kringetje geschaard stonden te ginnegappen en zich niet het minst met de onhandigheid harer blanke geslachtsgenooten vermaakt hadden.
„Laten wij naderbijtreden,quot; zei de assistent-resident; „ziet, zij ontdoen de vruchten van de buitenschil, van die schil, welke haar zooveel op een abrikoos doet gelijken. Die schillen worden veelal onder de hoornen uitgespreid, waar zij tot rotting overgaan en zoo een kostbare grondbemesting vormen, maar ook wordt daarvan „manissanquot; gemaakt, een soort gelei, die voor geen andere in fijnen smaak onderdoet.quot;
„Wat is liet aangenaam hier in die geurige boschjes rond te dolen!quot; zei mevrouw Van Berkenstein; „en wat heerscht er een opgewekte geest onder die plukkers en pluksters.quot;
167
„Ja,quot; antwoordde de assistent-resident, „dat volkje is jolig genoeg. Het notenbosch is voor die lieden het gezelligheidsplekje bij uitnemendheid. Het is ddar, dat de ouders te zamen met hun kinderen arbeiden, het is daar, dat de jonkman zijn levensgezellin zoekt. Kijkt gij goed rond, dames, dan zult ge in menig hoekje van dat geurige bosch een verliefd paartje ontwaren, dat den tijd verbeuzelt met vrijen in plaats van te plukken. De opzieners kunnen op dat slag niet te veel letten, want de omstandigheid doet zich voor, dat de pluksters bij haren pluk nimmer te kort komen, omdat de vrijers wel zorgen, dat haar mandje steeds goed gevuld is; zoodat het meermalen is gebeurd, dat de vruchten van het eene perk in de droogloods van een ander terechtkwamen. Men beweert dan ook, dat de perkenier, die de meeste schoone vrouwen op zijn perkonderhoorigheden bezit, den besten oogst maakt.quot;
„Dan moet dat baantje van opziener geen begeerlijk baantje zijn,quot; merkte Boisjolin op.
„Zij zijn in den regel als de pest gehaat en geschuwd. Yeelvuldig zijn ook de listen om den argusblik van die arme drommels te ontgaan. Zitten enkele paartjes te vrijen en te minnekoozen, dan houden de anderen de wacht en bootsen ze bij het verschijnen van den opzichter dadelijk het geluid van den notenkraker na.quot;
„Is dat een werktuig, die notenkraker ?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Neen,quot; antwoordde de assistent-resident, „dat is een groote houtduif, die hier veelvuldig aangetroffen wordt en die zich uitsluitend met muskaatnoten voedt. Zij slikt daartoe de ontschilde noot in haar geheel in. Het schijnt evenwel, dat slechts de foelie door de maag opgenomen wordt, want de vogel raakt de onbeschadigde noot weer kwijt.quot;
„Een zekere galanterie jegens het schoone geslacht schijnt hier in het bosch onder die arbeiders te heerschen,quot; merkte Boisjolin als kenner op. „Kijkt, daar helpt er een een meisje bij het aanbrengen van de verlengstukken aan haren gai-gai. Drommels, wat een mooi kind is dat!quot;
„Ja,quot; bevestigde de assistent-resident, „de Bandanees is zeer galant. Ziet, steeds laat men voor de vrouwen de gemakkelijk te bereiken vruchten, terwijl de mannen voornamelijk die voor hun deel nemen, waarbij een gevaarlijke steilte bestegen of in de boomen geklommen moet worden.quot;
Zoo pratende had het gezelschap schier onbemerkt den Papenberg beklommen, die op de grenzen van de perkonderhoorigheden Batoe en Lautakka gelegen was. Die berg, beter heuvel te noemen, was slechts 629 voet hoog, maar vergunde een blik over de omstreken, die in de volle beteekenis des woords onvergelijkelijk kon en moest genoemd worden en die dan ook onzen toeristen een kreet van bewondering afdwong.
Daar aan hun voeten strekte zich het eiland Banda Neira met zijn laag heuvelland, dat allerwegen overdekt was met de kegelvormige Notemuskaatboomen met hun fraai schitterend loof en hun bevallige vruchten daartusschen, welke beheerscht werden door de
OP ])EN PAPENBERG.
1Ö8
- N.AA.R AMBO IN A.
zware kruinen der hen beschuttende Kanarieboomen. ]3aar op een afstand en op de meest uitkomende punten en terreinribben verhieven zich de witte perkhuizen, die met hun bruine daken schilderachtig tusschen dat levendige groen uitkwamen. Ginds op dien uithoek groepeerden zich de huizen van het stadje Neira, daar spiegelden zich het fort Nassau en daar, dicht bij de woning van den assistent-resident, in de zee; terwijl meer teruggetrokken de overige gebouwen zich in het loof verscholen. Op den voet van den Groenoeng Menangies kwam [het fort Belgica met zijn vijfhoekigen gebastionneerden vorm bevallig uit en daarboven wapperde Neerlands driekleur vroolijk in den wind. Keerden de toeschouwers zich om, dan hadden zij het eiland Groot-Banda voor zich liggen, hetwelk Banda Neira als met een halven boog omspande en een binnenzee tusschen de beide eilanden vormde, die onvergelijkelijk schoon te noemen was en in welker blauwe wateren de hooge oevers van beiden zich scherp, maar lieflijk, weerspiegelden. Dat Groot-Banda strekte zich daar als een onmetelijk groot Kotemuskaatpark uit, welks tuinen schilderachtig het heuvelachtig terrein overdekten en waarboven de Goenoeng Boerang, hoog 828 voet, in het Oosten, de Goenoeng Bandeira, hoog lö-il) voet, in het Zuid-Oosten, en de Goenoeng Keli, hoog 783 voet, in het Zuiden, als voornaamste toppen uitstaken. Daar achter dat eiland strekte zich de eindeloos wijde zee uit, en scheen Groot-Banda met de eilanden Poeloe Pisang en Poeloe Kapal een onmetelijk Smaragden-snoer, hetwelk op het azuur der zee als op blauw fluweel uitgespreid lag en Banda Nel ra omgaf.
Keerden zich onze reizigers naar het Westen, dan steigerde voor hun oog de Goenoeng Api (Vuurberg) onmiddellijk uit zee op en leverde met zijn kalen kraterkegel, die slechts ter halverwege begroeid was, een scherp, maar streng contrast met het lieflijke beeld, hetwelk zij zooeven genoten hadden, dat daar achter hen steeds lag en waartoe zij zich slechts om te keeren hadden om het nogmaals te genieten. De vulkaan verrees daar met zijn kegelvormige gedaante, met zijn vaal geelachtigen top, die zich met een pluim van witten waterdamp tooide, in al zijn statigheid en ernst als een altijddurende bedreiging voor de hem omringende eilandbewoners.
„Hoe hoog is die Vuurberg!quot; vroeg Montauban, als altijd met zjjn aanteekening-boekje in de hand.
„Zijn hoogste top is 1862 voet, de kraterbodem evenwel slechts 1696 voet hoog.quot;
„Kijk eens,quot; sprak mevrouw Van Berkenstein, „hoe fraai de klapper-aanplantingen op den voet van dien Vuurberg uitkomen. Met haar wuivende palmtakken is het, van hier gezien, alsof zij dien voet met een groen, maar licht kantwerk omsluieren.quot;
„En ziet eens hoe wonderschoon die smalle zeearm daar tusschen die groene boorden als een blauw moiré lint doorstroomt,quot; zei mevrouw Jaffrezic.
„En hoe bevallig die in- en uitspringende hoeken der beide eilanden met elkander overeenkomen. Waar bij het eene eiland een kaap uitsteekt, daar vormt het andere een bocht en omgekeerd,quot; merkte Nielsen op.
nd en op de meest
-zen, die met hun
—ds op dien uithoeli:
-iet fort Nassau en
—eer teruggetrokken —oenoeng Menangies ^svallig uit en daar-—i toeschouwers zich —k Banda Neira als landen vormde, die de hooge oevers ^a strekte zich daar ■tig het heuvelachtig in het Oosten, de ■Keli, hoog 783 voet,
_land strekte zich de
*)e Pisang en Poeloe Is op blauw fluweel
voor hun oog de =ti kalen kraterkegel, ■rast met het lieflijke —^eds lag en waartoe De vulkaan verrees —p, die zich met een =3ls een altijddurende
=t zijn aanteekening-
1696 voet hoog.quot; =d apper-aanplantingen ^cken is het, van hier ■ren.quot;
m die groene boorden
Jlanden met elkander -'ormt het andere een
■■.^r.vr J--. ■
m*-
or DEN PAPENBERG. — NAAK AJIBOINA. 109
„En hoe lieflijk zacht verloopt dat vergezicht daar in het Noorden met het blauw des hemels,quot; liet Ollerupp zich hooren.
„Het is fraai! Het is bewonderenswaardig!quot; sprak Montauban met aandoening.
„Ja, het is bewonderenswaardig!quot; beaamden allen; terwijl een waas van genot hun gelaatstrekken verhelderde.
Het kostte moeite, om zich van die bekoorlijke plek los te rukken: want in volle mate werd het gezicht geboeid, het gemoed opgetogen; maar van verzadigd-worden kon bij zoo'n panorama, als zich daar voor de oogen allerwegen uitspreidde, geen sprake zijn.
Het middaguur was nabij, toen onze toeristen van hun wandeling in Neira teruggekeerd waren. Allen bleven bij den assistent-resident rijsttafelen en vernamen van hem nog vele bijzonderheden van die fraaie Banda-eilanden-groep.
In den namiddag brachten zij een bezoek aan de sociëteit, onderhielden zich met verscheiden ingezetenen en keerden tegen het vallen van den avond naar boord terug om te dineeren. Zij hadden den assistent-resident en zjjn echtgenoote uitgenoodigd hun eenvoudig maal met hen te deelen.
Aangenaam en gezellig werd de avond daar aan het dek doorgebracht en het genot werd daarvan nog verhoogd door het fraaie weer en het lieve, zachte schijnsel der maan, die wassende was en als een lief zilveren boogje aan den donken-blauwen hemel te midden der millioenen sterren van het zuideljjk halfrond stond te schitteren; maar ook door het verrassende, toen daarginds op den steiger van het oude havenhoofd zich de opwekkende tonen van het „Wien Neerlandsch bloedquot;, onmiddellijk gevolgd door de „Marseillaisequot;, lieten hooren. Het was het muziekcorps, dat de ingezetenen van Banda er op na hielden^ hetwelk een ovatie aan onze reizigers bracht. Kapitein Meerman, die een voorraad sein-vuurpijlen met speel- en slagwerk aan boord had, alsmede ook fraaie roode, witte en blauwe blikvuren, liet daarvan eenige ontsteken om de algemeene vreugde te verhoogen. Prachtig was het effect van dat vuurwerk op die wonderschoone baai. Die vonkenregen, die vuurstralen, die schitteringen werden door de zee-oppervlakte trouw weerkaatst en het was alsof men die vuursprankels dubbel genoot. Maar, wat een wondervol effect maakte, dat waren de blikvuren, die, op een teeken van kapitein Meerman, tegelijk ontstoken, de zoo geliefde nationale kleuren deden schitteren, terwijl op het strand het muziekcorps het „Wilhelmusquot; ten gehoore bracht.
Den volgenden morgen lichtte de „Zeemeeuwquot; het anker en stoomde het Zonnegat in, tusschen de eilanden Banda Neira en Goenoeng Api door. Het geheele tafereel, dat den vorigen avond de reizigers bekoord had, schoof nu weer hun bewonderende blikken voorbij. Toen het vaartuig Tandjoeng Oera te boven was gestoomd, wendde het en bereikte door de „veilige passagequot;, tusschen Poeloe Kraka en Groenoeng Api, volle zee.
De af te leggen afstand van Banda naar Amboina kon niet groot genoemd worden. Door een flinke zuiderbries begunstigd, waardoor de zeilen der „Zeemeeuwquot; vol stonden
OP PEN PArENRERG. — NAAR AMBOINA.
en het vaartuig veel steun in de eenigszins hooggaande deining had, was de reis vrij voorspoedig. Het was ongeveer vijf uren in den namiddag, toen de uitkijk den kreet liet hooren:
„Tanah di lihat!quot; (land te zien of land vooruit!)
Kapitein Meerman greep zijn kijker en nam met nauwkeurigheid den blauwachtigen band waar, die zich aan den gezichteinder als een opkomende wolk vertoonde. Na eenige oogenblikken was die band reeds voor het bloote oog zichtbaar en konden aan den bovenrand reeds kartelingen waargenomen worden, die zeer veel overeenkomst met bergtoppen hadden en dat ook waren.
„Dat is daar Tandjoeng JSToessanive, de zuidoostelijke spits van het eiland Ambon,quot; verklaarde kapitein Meerman. „Die band, welken gij zich daar verder aan stuurboord ziet uitstrekken, is de zuidoostelijke kust van het schiereiland Leitimor. Die top daar vooruit, dat is: de G-oenoeng Tola en die daar vlak bij, dat is: de Goenoeng Nonna. Die twee toppen daar meer dwars van ons, zijn: de Goenoeng Sermauw en de Goenoeng Hori.quot;
De avond viel evenwel zonder dat van die kust iets meer te zien viel, dan dat zich daar in het Noorden en Noordwesten een blauwe band vertoonde, die zich wel is waar ieder oogenblik iets donkerder voordeed en daardoor waarneembaar tegen het azuur des hemels afstak. Het was ongeveer halfnegen, toen de door kapitein Meerman genoemde kaap gerond werd en de „Zeemeeuwquot; de baai van Ambon inliep. Bij het zachte licht der maan kon de kapitein zijn koers vervolgen, maar hij deed dat omzichtig en maar met halve kracht, zoodat het ruim elf uren was, toen het anker ratelend in het Avater plompte.
Onze toeristen stapten den volgenden morgen tegen tien uren aan wal en maakten hun opwachting bij den resident van Ambon en Onderhoorigheden. Diens woning lag op ongeveer 20 minuten gaans van het strand verwijderd, in een bekoorlijke vallei, Batoe Gadjah (Olifantsteen) geheeten. Die vallei, ten Oosten van de plaats gelegen, was aan drie zijden door hooge heuvelen omsloten, die allerwegen met lachend groen overtogen waren. De zool van de dalspleet was overal met zacht murmelende beekjes van het helderste water doorsneden, die alle aan de rivier, in het gebergte ontsprongen en zich bij Ambon in zee stortende, ontleend waren. Op dat goddelijk fraaie plekje verhief zich, te midden van een sierlijken bloementuin — zooals men zich in Europa geen fraaieren kan bedenken en waarin, onder de volle en dichte loof kruinen van het hoog geboomte, de fraaiste sierheesters en de geurigste bloemperken met haar kleurenpracht heerlijk en welig tierden — het residentiehuis als een smaakvolle villa, die, bevallig en van lichten bouwtrant, den ontwerper alle eer aandeed.
Het hoofd van Gewestelijk Bestuur ontving zijn bezoekers gul en hartelijk en stelde zich al dadelijk tot hun dienst. Daar hij dien dag den grooten landraad te presideeren had, verontschuldigde hij zich; maar noodigde het gezelschap uit den volgenden dag ten zijnent door te brengen.
170
'lt; - ' '
m
'.V.
:
w- -w -ffl?
't.
Hï dfamp;Z'ï
was de reis vrij itkijk den kreet
/V''
quot;quot; ^ öftl
I
m t
m blauwachtigen )onde. Na eenige tonden aan den komst met berg-
eiland Ambon,quot; i stuurboord ziet ;op daar vooruit, Nonna. Die twee oeng Hori.quot; ien viel, dan dat die zich wel is igen het azuur des ti genoemde kaap e licht der maan maar met halve ir plompte.
wal en maakten iens woning lag ijke vallei, Batoe en, was aan drie )vertogen waren, an het helderste i zich bij Ambon zich, te midden sn kan bedenken de fraaiste sier-welig tierden — i bouwtrant, den
lartelijk en stelde id te presideeren olgenden dag ten
1 ■■■ Z-4
^jaBta •f- .•-gt; •
■-m
ui.:'-
| ||||||||||||||
|
MPNR(amp; 'SC |
■,M \ï\ . ■-
. ...
?:
■ /Ifeamp;r.
V-
■■
c; '•■ Kv-'
;.^v:
TF-
• A ; . '
. .s,
sipir
è'fe -4:
■ .• : quot;V, •
'•quot;•■vj.-v ■'-/•v.. ■ l. .
.ïm-»■; ;,f, i •'
v-
mM
■ ]*' ■
' ' quot;amp;'W :lt;■
■v. ' ■ *' •* ' . ' ' :
,■gt; ft ■; ■, .*:■ ' i
'™ 'j*.
■;,» 'f M,
|
'lt; S. gt; ,,s •/• ■ ■■ : . | ||||||||||||||
|
i'. ■quot; ■ ■■■V'-::?' ' - v-i
f t:. .^..ïv ■quot; quot; ■■
,, v ;,n „■■■■■; •
•'! ;f ' gt;i ' i ■
ir
• yfe- v, : ■
i -ï. '; %'.
• t • ■ ■ 'M
. #■■ • I.-
■ ' ■vlquot;''quot;''.' J
IN' 1
■' m
- ivi;
.■4.
gt; Vfe h'quot; iïiï ;;
'■ 'r. ' v- gt;:/ -4;1; ■
w
X'. f
_____' ■
|
Vi^:'. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
•j-'t
*^v-Vv, .
• v ;»•'
gt; ■ gt;
' . ;* *'
' * • 1
, , ,v
' :
|
| | |
I |
■ ■
|
zei | |
|
reg( | |
|
die | |
|
bev | |
|
Vic | |
|
gra( | |
|
resi | |
|
Visl | |
|
mar | |
|
• |
gev |
|
wei | |
|
Visl | |
|
stic | |
|
aan | |
|
om^ | |
|
uit. | |
|
geb | |
|
stee | |
|
lucl | |
|
bijb | |
|
gab | |
|
den | |
|
gen | |
|
alw | |
|
nog | |
|
ree( | |
|
sta; | |
|
ore |
OP DEN PAPENBERG. ■— NAAR AMBOINA.
„Ik kom morgen vroeg bij het krieken van den dag aan boord van de „Zeemeeuwquot;,'' zei hij. „Ik ontbijt met ulieden en ben dan geheel ter uwer beschikking. Ik hoop, dat die regeling met uw plannen zal overeenkomen.quot;
„Volkomen, resident,quot; antwoordde Van Berkenstein,
Des namiddags maakten onze toeristen een wandeling onder geleide van Vogels, die hier geen vreemdeling was, door het plaatsje Ambon. Het viel hun op, hoe net en bevallig er alles uitzag. Het eerste, wat zij bij het ontschepen bezochten, was het fort Victoria. Dat was een ruime, nette, hechte versterking, van steenen wallen en een flinke gracht omgeven, waarbinnen, behalve de militaire gebouwen, ook de kantoren van den resident, de gouvernements-kruidnagelpakhuizen en verdere magazijnen aangetroffen werden. Visbergen verhaalde den bezoekers, dat dit fort in 1580 door de Portugeezen gebouwd, maar in 1605 door de Nederlanders, onder Van der Hagen, veroverd werd. Dat had ten gevolge, dat alstoen de Oost-Indische Compagnie haar hoofdzetel te Ambon opsloeg. In 1807 werd dat fort geheel verbouwd en meer volgens de eischen des tijds ingericht.
„Het is evenwel datzelfde fort niet, wat wij daar voor oogen hebben,quot; eindigde Visbergen zijn toelichting. „Wel staat het op dezelfde plek, waar de Portugeezen het stichtten, maar sedert is het herhaalde malen vernieuwd.quot;
Uit het fort tredende, kwam het gezelschap op een ruim plein, dat tot esplanade aan de versterking diende en door lieve, nette huizen, welke helder wit gekalkt waren, omgeven werd.
De straten van Ambon kruisten zich alle rechthoekig en kwamen op gezegd plein uit. De huizen der ingezetenen van Arabon werden niet zoo sierlijk en zoo weelderig gebouwd bevonden als te Batavia, Samarang of te Soerabaia; zij waren niet zoo met steenen pilaren en colonnades opgetrokken. Toch waren zij over het algemeen doelmatig en luchtig gebouwd en bezaten vóór en achter ruime galerijen, die het hare er krachtig toe bijbrachten om de warme zonnestralen te weren. De daken waren in den regel met „gabba gabbaquot; gedekt. Vogels gaf alweer uitleg dat die dakbedekking bestond uit de bladstelen van den Sagoeweer-boom '), een palmsoort, die door de Inlanders op Ambon „lapia wenaquot; genoemd werd.
De avondwandeling werd besloten met een bezoek aan de sociëteit „De Eendrachtquot;, alwaar kennis gemaakt werd met eenige ingezetenen, die den weetgierigen omtrent Ambon nog menige bijzonderheid mededeelden, waarna de reizigers naar boord terugkeerden.
171
Den volgenden ochtend — het begon ternauwernood te dagen — was de resident reeds aan boord. Na een vluchtig, maar toch stevig ontbijt, stapte het gezelschap in de staatsie-„orembaaiquot; van den resident en stak daarmede vlug van de „Zeemeeuwquot; af. Die orembaai was een lange, ranke en zeer scherp gebouwde prauw, vrij laag op het water
') Sugoeweer-boom = Metroxylum Sagus.
OP DEN PAPENBEKG. — NAAR AMBOINA.
en van een hoogen en omgekrulden voor- en achtersteven voorzien. In het raidden van dat vaartuig was een koepelvormig gebouwtje aangebracht, welks binnenruimte met gordijnen tegen de zonnestralen beschut kon worden en waarin de resident en zijn gasten plaats namen. Vóór en achter zaten de pagaaiers, wel veertig in getal, kliefden met hun breede scheppers op de maat, door een „gongquot; en een „tataboeangquot; (soort metalen bekkens) aangegeven, het water met zoo'n kracht, dat de orembaai vooruitschoot en zoo'n vaart verkreeg, dat de meest snelle stoomboot haar onmogelijk zou hebben kunnen bijhouden. Het vaartuig stevende op aanwijzen van den resident naar de binnenbaai van Ambon en schoot weldra een kleinen inham in, waar zich een grootsch, maar ook lief natuurtafereel voor de oogen der bezoekers voordeed. Daar ontwrong een kleine bergstroom zich aan het dichte plantendek, dat als het ware hem omstrengelde, en schoot als een verblindend schitterende straal van een tafelrots naar beneden, brak op een voorsprong dier rots en plaste van daar wild schuimend in zee. Boven het tafelvlak der rots verhieven zich allerwegen Sagoeweerpalmen en Klapperboomen en deze wuifden met hun sierlijke kruinen, aan pluimen van vederbossen gelijk, onder de morgenbries, die hen zacht heen- en weer-bewoog. Rechts en links spreidde zich aan den voet van de rots over den kustrand van den inham een gordel Rhisophoren uit, die, op hun veel beenige stammen verheven, de blauwe kom van dat kleine, lieflijke zeebekken als in een groenen gordel omsloten. Hier en daar verhieven zich tusschen de palmen de kruinen van machtige woudreuzen, die hun takken ver uitstrekten en waarlangs slingerplanten, overal met fraaie bloemen overdekt, tot bij de Rhisophoren afdaalden, en, eenigszins uit de verte gezien, het geheel als in feest-festoenen hulden.
„Wij zijn hier te Goeroe-Goeroe,quot; verklaarde de resident; „dat is de waterverver-schingsplaats voor de schepen, die voor Ambon ten anker liggen. Wel ligt ze eenigszins verwijderd; maar het water is er overheerlijk en, nietwaar? het gezicht schilderachtig.quot;
Allen stemden dit laatste toe.
Toen men zich aan dat fraaie schouwspel verzadigd had, wendde de orembaai den steven en voer den weg, dien zij gekomen was, een eind terug. Bij Batoe Mejrah (Roode Steen) gekomen, werd aan wal gestapt. Het was toen zeven uren.
„Batoe Mejrah,quot; verklaarde de resident, „is de naam van een Maleischen kampong en ontleent dien aan gindsche oeversteenen, die, zooals gij zien kunt, een levendig roode kleur hebben. Die kampong strekt zich langs een beek uit, die zeer helder water bevat en ook Batoe Mejrah genoemd wordt. Dit is, zooals gij ontwaren kunt, de badplaats van Ambon.quot;
En inderdaad, daar, in die heldere beek, dartelden mannen, vrouwen en kinderen met een ongedwongenheid, die aan Europeesche badplaatsen, zooals: Scheveningen, Dieppe, Ostende, enz., vanwege haar bains mixtes, een zekere vermaardheid hebben gegeven, en dezen geen oneer zou aangedaan hebben. Het gezicht van al die bruine lichamen — de mannen
172
01' BEN PAPENBKRG. — NAAK AMBOINA.
niet eens met het traditioneele vijgenblad en de dames slechts met een „sarongquot;, die het bovenlijf meestal onbedekt liet, gekleed, — was niet aantrekkelijk genoeg voor het meeren-deel van onze toeristen, om hen tot stilstaan te verlokken. Zij spoedden zich dan ook voort, tot teleurstelling van Boisjolin, die achter zijn knevel mompelde; terwijl hij de punten er van met een zeker gebaar opstreek:
„Fichtre! les jolies formes! et quelle denture magnifique!quot;
En hij had gelijk. Van al de vrouwen in Nederlandsch-Indië zijn de Ambonsche nonna's (dames) wel de schoonste; ze zijn in het bezit van de meest weelderige vormen en van het fraaiste gebit ter wereld. Maar het pad, dat men volgde, kronkelde zich en weldra was die troep bruingetinte najaden voor het oog van den bewonderenden Boisjolin verdwenen.
De weg slingerde nu achter het stadje om langs het Europeesche kerkhof, dat Je toeristen betraden, om een bezoek aan het graf van den natuuronderzoeker llumphius te brengen. Iets verder kwamen zij op een woest terrein, waar de rotsblokken zich opstapelden, en waar allerwegen onder de overhangende steenmassa's stalacmieten en stalactieten, hangende en staande druipsteenen, van de grilligste vormen aangetroffen werden.
„Dat oord wordt door de Inlanders „ Batoe Gantongquot; (Hangende Steen) genoemd,quot; zei de resident. „Een dergelijke woeste plaats wekt natuurlijk hun bijgeloovigheid ten sterkste op. Zij gelooven vast, dat hier vele „swangie'squot; (spoken) huizen en daarom komen zij er veelal offers brengen. Ziet, daar zitten er een paar met gekruiste beenen op een matje gebeden te prevelen.quot;
„Maar, heer resident,quot; sprak Van Berkenstein, „ik dacht dat de Amboneezen Christenen waren?quot;
„Ja, dat zijn zij,quot; was het antwoord. „Althans gedeeltelijk.quot;
„Zoudt gij dan uw invloed niet kunnen aanwenden, om dergelijke offeranden te beletten ?quot;
„Daar zal ik mij wel voor wachten!quot; antwoordde de resident glimlachend.
„Waarom dat?quot;
„Wel, omdat niemand hier in Indië een goed bestuur kan voeren, die zich met de godsdienstige meeningen van zijn ondergeschikten inlaat. Tegen dat bijgeloof en tegen dat offeren moeten de dominee en de pastoor strijden, niet besturende ambtenaren. Sedert geruimen tijd heeft men de Amboneezen hier tot Christenen vervormd; maar ziet, met welke resultaten! En dat zijn geen enkelen, maar allen staan zoowat op dezelfde hoogte.quot;
„Gij zult toch de voortreffelijkheid van het Christendom niet willen betwisten?quot; vroeg de oudste Jaffrezic, die als Bretagner al dadelijk voor het geloof ten strijde gereed was.
Hij vond echter een tegenpartij.
„Ik betwist die voortreffelijkheid ongaarne, wanneer het Westersche volkeren geldt, en zelfs onder dezen heeft het Christendom, na bijna 2000 jaren ingevoerd te zijn geweest, zulke vruchten opgeleverd, dat de vraag bij den denker moet oprijzen: of dat wel de meest geschikte godsdienst voor het menschdom geweest is.quot;
178
OP DEN PAPENBERG. -— NAAK AMBOINA.
„Heer resident!....quot; riepen de beide broeders Jaffrezic half verstoord uit.
„Ik wil niemand in zijn overtuigingen kwetsen,quot; ging de resident kalm en zonder hartstocht voort, „en geef dus mijn stelling ten opzichte van de werking van den Christengodsdienst in Westersche landen prijs. Maar hier, in den Molnkschen Archipel, zal mij niemand betwisten, dat die godsdienst bepaald een ongelukkigen invloed heeft uitgeoefend. De Ambonsche „orang saraniquot; (Christen) is een dom, vadsig en lui wezen, dat uit zijn staat van Christen slechts een buitensporige verbeelding haalt, welke hem te trotsch maakt, om met handenarbeid den kost te verdienen, wat hij dan ook zoo min mogelijk tracht te doen. Hij noemt zich burger en put daaruit een voorwendsel, om van alle negorijdiensten bevrijd te zjjn. Des Zondags verschijnt zoo'n burger in een zwart pak, behoorlijk gerokt en met een hoogen hoed op, om naar de kerk te gaan en dan heeft hij zeer veel van een aange-kleeden aap. In de week is hij Inlander, ternauwernood met een lap om het lijf, wiens grootste genoegen is, niets te doen. Hij gelooft aan geesten en spoken en, bijgeloovig als hij is, is zijn oordeel nog lang niet gevestigd of de Christus der Nederlanders of de Profeet der Maho-medanen de voorkeur verdient. Gij vindt dan ook verscheiden familiën, vooral op de eilanden Saparoea, Ceram en Halmaheira, waarin het eene kind Christen gedoopt en het andere als Mahomedaan besneden is. Soms zijn daar kinderen beiden tegelijk, om toch maar ën met Christus èn met Mahomed goede maatjes te blijven. Toch dagteekent de eerste grondslag van den Christelijken godsdienst reeds van de eerste tijden der vestiging van de Oost-Indische Compagnie alhier. Als gijlieden dat alles zoo van nabij kondt zien, zooals ik dat dagelijks doe, zoudt gij, evenals ik, oordeelen dat op het zoo vleiend geïllustreerde beeld, hetwelk in Europa over de werking van het Christendom in de Molukken geleverd wordt, een groote en breede schaduw aan te wijzen is. En, niet overdreven is de bewering: dat de Ambonsche Christenen dit slechts in naam, maar heidenen in hun hart zijn.quot;
Terwijl de resident zoo zijn gemoedelijke overtuiging zijnen gasten medegedeeld had, was het gezelschap de druipsteenen van Batoe Gantong naderbijgetreden. Men bewonderde thans een allerliefst beekje, hetwelk zich tusschen groote rotsen baan brak, hier zachtjes murmelde, elders met woestheid over de hinderpalen heenbrak, nu weer eens een lief stil bekken vormde, daar ginds in een steilen val langs de loodrechte rotsen omlaag donderde.
De toeristen waadden op een zeker punt door de Batoe Gantong, — zoo was de beek geheeten, — waarbij de heeren de dames natuurlijk bijstonden, om haar voor natte voetjes te behoeden, en klommen tegen de hoogten op, die het geheel omsloten.
Toen zij die hoogte aan de andere zijde afdaalden, betraden zij Batoe Medjah (de Tafelsteen), een vallei waar het kerkhof der Chineezen van Ambon te vinden was. Hier wisselden het levendigste groen der keerkringsgewassen en de donkere massa's van het hoog woudgeboomte met de hel wit gekalkte graven der zonen van het Hemelsche Rijk elkander af.
„Wij zijn nu niet ver van Batoe Gadjah, waar mijn woning ligt,quot; sprak de resident.
174
175
„Batoe Medjah is eigenlijk een vallei, die boven de eerstgenoemde gelegen is, en er als de voortzetting van is te beschouwen. Wij gaan evenwel nog niet naar huis; maar willen nog elders een kijkje nemen.quot;
Het was een gewemel van volk op dat uur van den dag langs 's Heeren wegen. Voortdurend ontmoette men wandelaars en rondventers, welke laatsten met houten „bakholV (borden, bakken) op het hoofd, de smakelijkste groenten, de heerlijkste vruchten en de geurigste bloemen te koop aanboden.
„Dat dAar is lekker,quot; zei Vogels tot lioisjolin, terwijl hij op eenige Inlanders wees, die een paar dikke bamboegeledingen aan een draagstok — één vóór en één achter bevestigd — over den schouder droegen.
„Wat is lekker?quot; vroeg de Franschman. „Die bamboe?...quot;
„Neen,quot; antwoordde Vogels, „maar wat er in zit.quot;
„AVat zit er dan in?quot;
„Een drommels lekker vocht.quot;
„Kunnen wij dat niet proeven?quot; vroeg Boisjolin.
„Welzeker,quot; zei de resident, die vraag en antwoord gehoord had.
Hij riep één der bamboedragers tot zich, liet hem in een naburig huis eenige glazen halen en geleidde middelerwijl het gezelschap naar een groep sagoeweer-boomen, die daar schilderachtig tusschen een fraaie rotspartij groeiden en een uitnemend plekje vormden, hetwelk uiterst geschikt was, om wat van de morgenwandeling uit te rusten. Toen het geheele gezelschap op het tijne grasdek aan den voet dier boomen plaats genomen had, kwam de uitgezonden Inlander met een zestal glazen aangedragen. Hij schonk die glazen uit zijn bamboekokers vol met een lichtgeel vocht, dat veel van madera had, maar toch iets lichter van kleur was en zich bij het schenken met een wit, vettig schuim bedekte.
De resident bood den dames ieder een glas; daarna den heeren, voor zoover de glazen reikten. Dezen maakten evenwel geen bezwaar, om bij beurten uit hetzelfde glas te drinken.
„Dat is lekker!quot; betuigde mevrouw Van Berkenstein.
„Frisch en zacht prikkelend!quot; zei mevrouw Jaffrezic.
„En aangenaam zoet, nietwaar?quot; voegde mevrouw Visbergen er bij.
Ook de heeren waren vol over den lavenden drank.
„Maar wat is dat nu, wat wij drinken?quot; vroeg Montauban.
„Dat zal ik u vertellen,quot; antwoordde de resident. „Luistert!quot;
Gij herkent zeker de boom en,quot; begon de resident, „onder welker schaduw wij zitten, nietwaar? Gij hebt die op Java en elders meer gezien. Het is de Arenga Saccharifera, die de geleerden in hun koeterwaalsch ook nog wel Metroxylum Sagus, Arbor Sagoe-verifera of Saguerus Rumphii noemen. Dat is de nuttigste der boomen, welke hier voorkomen. Vooreerst levert hij een vezelachtige stof, die tusschen den stam en de bladstelen aangetroffen en „doekquot; of „injoekquot; geheeten wordt. Daarvan maakt men deugdzame dakbedekkingen; ook slaat men er touw van. Wij hebben ons evenwel daarmede minder bezig te houden, dan wel met den drank, welken onze dames zoo lekker vinden. Nog een glaasje, dames?quot; brak de spreker galant af.ij herkent zeker de boom en,quot; begon de resident, „onder welker schaduw wij zitten, nietwaar? Gij hebt die op Java en elders meer gezien. Het is de Arenga Saccharifera, die de geleerden in hun koeterwaalsch ook nog wel Metroxylum Sagus, Arbor Sagoe-verifera of Saguerus Rumphii noemen. Dat is de nuttigste der boomen, welke hier voorkomen. Vooreerst levert hij een vezelachtige stof, die tusschen den stam en de bladstelen aangetroffen en „doekquot; of „injoekquot; geheeten wordt. Daarvan maakt men deugdzame dakbedekkingen; ook slaat men er touw van. Wij hebben ons evenwel daarmede minder bezig te houden, dan wel met den drank, welken onze dames zoo lekker vinden. Nog een glaasje, dames?quot; brak de spreker galant af.
Toen het heerlijke vocht andermaal was ingeschonken, vervolgde de resident: „De drank, die u zoo lekker smaakt, is palmwijn, waarom sommige geleerden, om toch maar altijd met hun keukenlatijn voor den dag te kunnen komen, dien boom ook Palma Indica vinaria secunda heeten. Hier wordt dat vocht in den staat, waarin wij het nu drinken, Saguero genoemd.quot;
„Is het waar, dat, om dien drank te verkrijgen,quot; vroeg Montauban, „de kroon uit
den boom gehakt wordt?quot;
„Wel neen, dat is een praatje,quot; antwoordde de resident. „Die drank wordt uit de kolven, zoowel van de mannelijke als van de vrouwelijke bloemen, verkregen. Ziet, daar komt zoo'n kolf, die vrij dik en zwaar is, tusschen de bladstelen te midden der kroon uitkijken. Zoodra die kolf genoegzaam gegroeid zal zijn, dat zij zich naar beneden buigt, wordt zij dagelijks gedurende drie of vier weken met een plat hout geklopt. Dit geschiedt tot vermeerdering van den toevoer van sappen. Als die kolf haar ontwikkeling nabij is, wordt zij op de helft van haar uiteinde afgesneden en een bamboe als deze, „goeroeroequot;
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
DE KRUIDXAGELTEELï. — PE KAJOE-POETI-OLIE.
genaamd, aan het overblijvende gedeelte opgehangen, zoodanig, dat het te voorschijn tredende vocht daarin droppelt. Des avonds en des morgens wordt die bamboe weggehaald en door een ander vervangen. Dan wordt een dun schijfje van de gewonde oppervlakte afgesneden, om het uittreden van het vocht te bespoedigen. Die inzameling duurt zoo vier tot zes maanden lang uit dezelfde kolf. Ziet, daarginds boven, hangt zoo'n bamboe en is de aftapping in vollen gang.
„Het versche sap is, zooals gij ziet, lichtgeel gekleurd, volkomen helder en heeft een eigenaardigen zacht-prikkelenden en honigachtigen geur. Het heet dan Saguero. Aan de lucht blootgesteld, verzuurt het sap snel en wordt dan min of meer troebel. In dien staat wordt er een bittere wortel „akar sosootquot; 'j bijgevoegd en aan een lichte gisting blootgesteld. Men verkrijgt dan de zoogenaamde Sagoeweer of, zooals de bevolking hem hier noemt, Saguero-tap, den drank, welke zooveel onheil sticht en door zijn frischheid zoo tot dronkenschap verleidt. Van die Sagoeweer wordt een sterke drank door distillatie verkregen, die koolwater geheeten wordt. Men onderscheidt dezen laatsten in koolwater kapala en koolwater leaki of 1ste en 2tle soort. Zietdaar,quot; zoo eindigde de resident zijn verhandeling, „de Sagoeweer-bereiding verklaard. Het ware wenschelijk, dat de in ÏTederland zoo hoog opgevijzelde vergunnings-wet ook op dezen drank toegepast kon worden.quot;
„Wel, daar zou ik tegenstemmen, resident,quot; antwoordde mevrouw Van Berkenstein lachende. „Ik zou nog wel een glas lusten, ten minste, als ik er niet legére ment émue van kan raken.quot;
„Dat niet, mevrouw,quot; antwoordde de resident. „Zóó versch uit den boom is die drank dienaangaande volkomen onschuldig. Maar, toch moet ik u afraden er nog meer van te drinken. Gij hebt reeds twee glazen verorberd, nietwaar?quot;
„Ja, maar waarom?quot;
„Daar komt nu weer Eva's nieuwsgierigheid te voorschijn,quot; lachte de resident.
„Vergeef mij, dat is geen antwoord,quot; pruttelde Ernestine.
„Ja, nu is er geen houden meer aan!quot; zei Vogels spottend.
„Ik zou er maar mee voor den dag komen,quot; zei Van Berkenstein.
„Welnu, dit vocht, in eenige hoeveelheid gebruikt, werkt als.... Glauber's wonderzout.quot;
„Que Mahomet me vienne en aide!quot; riep Boisjolin met komische wanhoop uit. „Moi, qui ai le ventre si sensible! Et j'ai bu trois verres de cette boisson affreuse! Oh! je me sens dejk les boyaux tortillés!quot;
Het kostte moeite om den koddigen uitval van den Franschman te bezweren.
177
„Wat dunkt den dames?quot; vroeg de resident, nadat hij den Ambonees voor zijn
') Pohon sosoot = Garcinia picrorhisa.
DE KKUIDNAGELTEELT. — DE KAJOE-POETI-OLIE.
palmwijn rijkelijk betaald had. „Hebt gij genoeg uitgerust1? Dan zullen wij een kijkje gaan nemen in een kmidnageltuin, die hier in de nabijheid ligt.quot;
Allen gaven met onverholen vreugde hunne instemming met dat plan te kennen.
„Ziet,quot; begon de resident, nadat hij zijn gasten te midden van een weelderig plantsoen geleid had. „Ziet, de kruidnagelboom, de Garyophyllus aromaticus, is een boom, die tot de Myrtaceeën behoort, en bij vollen wasdom 20 tot 30 voet hoog wordt. Hij heeft kortgesteelde, eironde, langwerpige bladeren, die ongeveer 4'A duim lang worden, een leerachtig voorkomen hebben en op het bovenvlak glimmend roodachtig getint zijn, hetgeen aan zoo'n aanplant een eigenaardig voorkomen geeft.' De bloemen groeien aan de uiteinden der broze takjes in kleine trossen en hebben wel iets, vooral wat de klem-betreft, van den perzikbloesem. De kelk dier bloemen is langwerpig en met het vruchtbeginsel te zamen gegroeid. Zoodra de bloemkroon begint te verwelken, wordt die kelk eerst geel, daarna rood. In dat ontwikkelingstijdperk stelt de bloem den lateren kruidnagel voor. Wordt zij in dit tijdperk niet geplukt, dan zwelt het vruchtbeginsel onder aan den kelk, om dan te rijpen tot den zoogenaamden moernagel, door de geleerden antophyllum genoemd, een langwerpige ronde bes van l'A duim lang, die als specerij weinig waarde heeft, maar met suiker en wijn soms geconfijt wordt en dan vrij lekker is. De laag-groeiende nagelen worden met de hand afgeplukt, de hoogere met een krommen bamboestaak, waarbij evenwel veel voorzichtigheid moet betracht worden om den boom niet te beschadigen, daar hij anders gedurende drie tot vier jaren weigert vruchten of beter bloemen te dragen.
„De ingezamelde nagelen worden nu op horden uitgespreid en aan den rook blootgesteld, waardoor zij bij hun eigenaardigen spijker vorm een donkerbruine kleur verkrijgen, die later, als de nagelen ouder worden, tot het zwarte overgaat. Daarna worden zij in de zon gedroogd, verpakt en zonder verdere bereiding verzonden.quot;
„Hoe heeft de voortteling van de plant plaats?quot; vroeg Montauban.
„Door zaden en door stekken,quot; antwoordde de resident, „hoewel men veel gebruik maakt van den opslag, die allerwegen in de boschjes aangetroffen wordt. De nagelboom wil gaarne goed gewied worden en beloont die moeite ruimschoots, daar er dan voorbeelden zijn, dat hij soms tot vijf en twintig ponden product oplevert. Hij groeit vooral welig, zooals hier, op zwarte gronden, die gele klei tot onderbodem hebben. Op zandgronden tiert hij zeer slecht.quot;
„In hoeveel tijd rekent men dat de nagelboom winstgevend wordt?quot; vroeg Montauban.
„Zelden draagt hij vrucht vóór het 8ste of Otl0 jaar. Hij heeft evenwel zijn volle kracht eerst op zijn 15de jaar en werpt dan van een tot vijf pond product af. Bij doelmatige behandeling bereikt de boom een gemiddelden ouderdom van 75 jaren.quot;
„Hier en daar zie ik schaduwboomenT' vroeg de niet te bevredigen Montauban, die ijverig in zijn zakboekje schreef.
178
DE KRUIDNAGELTEELT. — DE KAJOE-POETI-OLIE.
„De jonge plantsoenen hebben eenigermate lommer noodig,quot; antwoordde de resident; „maar als de boomen volwassen zijn, moeten zij vrij het zonlicht kunnen genieten. Zijt gij nu tevreden?quot;
Allen betuigden hun gastheer hun dank.
„Nu gaan wij naar huis,quot; hernam de resident. „De zon is het zenith nabij. Maar wij zijn niet ver van mijn woning.quot;
De terugwandeling door de valleien Batoe Medjah en Batoe Gradjah leverde nog menig fraai uitzicht op; het was echter te warm om daarvan veel te genieten. Men verhaastte den pas, om onder het beschermende dak der pandoppo van het gastvrije residentie-huis te komen. De gastvrouw geleidde de dames in de voor haar bestemde vertrekken, verstrekte aan ieder barer de noodige sarong en kabaia met de onontbeerlijke „tjenella'squot; (slofjes) en noodigde haar uit zich „lekkerquot; te maken.
Niet lang daarna zaten allen gezellig in de heerlijk luchtige pandoppo een glas „anggor assam'1 (rijnwijn) met „ajar blandaquot; (selterswater) te verorberen, in afwachting dat zij aan de rijsttafel geroepen zouden worden.
Aan dien disch viel ook wel ietwat voor onze toeristen op te merken. Hoewel de residents-vronw een volbloed Europeesche dame was, zoo was zij ten gevolge van een jarenlang verblijf in de Molukken met de eigenaardige voedingsmiddelen dier streken volkomen bekend geworden. Zeer gepast had zij daarvan gebruik gemaakt, om de gewone rijsttafel met echt nationale schotels, wel te verstaan met echt Ambonsche schotels, doelmatig af te quot;wisselen. Zoo werd er warme „papedaquot; voorgediend, een brei van sagoe-rneel. die, na overgoten te zijn met „koeab ikanquot; en met „tjiliquot; (viscbnat met lombokh), met behulp van twee stokjes, „gata gataquot; genoemd, al draaiende opgerold en zoo in den mond gebracht moest worden. De onhandige pogingen onzer tottokhs, om zich daarvan behoorlijk te kwijten, waren inderdaad lachverwekkend. Na eenige vergeefsche proeven werden de gata gata ter zijde gelegd en de lepels ter hand genomen. Verder was er „sagoe lempenquot; (zachte sagoe), die met gepofte visch, welke in „tomi-tomiquot; (limoensap), vermengd met fijngesneden uien, lombokh en zout gedoopt was, gegeten werd. Bij de rijst verschenen ook groote mooten „ikan bobarahquot; of „ikan tjikalangquot; ') die, behoorlijk gerookt, lekkere „ikan asapquot; (gerookte visch) daarstelden. Eindelijk was er nog een geheele „bassiequot; (kom) met „kohoe-kohoequot;, d. w. z. zeer kleine vischjes, als: „ikan poeri, ikan siroe-siroe, ikan lompa, ikan kaloena, ikan gosaoequot; enz., enz., die rauw met tomi-tomi en lombokh in een pot ingelegd en als onze ansjovis gegeten werden, en bij Clotilde Visbergen en Vogels een glimlach van tevredenheid teweegbrachten. Zij moesten erkennen dat die kohoe-kohoe bij de rijst uiterst lekker was.
179
Dat, na hetgeen de reizigers heden gezien en gehoord hadden, er gebrek aan
') Ikan bobarah en ikan tjikalang zijn groote vischsoorten in de Moluksche wateren.
— DE KAJOE-POETI-OLIE.
180
I)E KBUIDNAGELTEELT.
gedachtenwisseling aan tafel zou zijn, zal wel niet behoeven ontkend te worden. Het was een kruisvuur van vragen en antwoorden, dat gewisseld werd en onmogelijk weer te geven is.
„Bij ons gesprek hedenochtend,quot; zei onder anderen Henri Jaffrezic, „antwoorddet gij, heer resident, op een vraag van den heer Van Berkenstein, of alle Amboneezen Christenen waren, met de woorden: althans gedeeltelijk. Ik heb mij te Batavia en elders laten vertellen, dat alle Amboneezen Christenen waren. Wat is nu waarheid1?quot;
„Ik heb u geheel overeenkomstig den toestand geantwoord. Luistert: Het eiland Ambon is door een baai of beter door twee baaien, de baai van Ambon en de baai van Baguela in twee zeer ongelijke schiereilanden verdeeld, die door een zeer smalle landengte, de pas van Baguela genaamd, te zaam verbonden zijn. Het kleinste dier schiereilanden, Leitimor geheeten, is dit, waarop de stad Ambon staat. Op dat schiereiland zijn de bewoners bijna allen Christenen. Van welk gehalte, dat laat ik buiten bespreking; dat stipte ik heden morgen terloops aan. De bevolking van het andere schiereiland, Hitoe genaamd, aan de andere zijde der baai gelegen, is geheel Mahomedaansch en daar zijn, hoewel de geaardheid dier bewoners dezelfde als die van Leitimor is, alle pogingen om proselieten te maken, totaal mislukt. Ik had dus gelijk, toen ik zei, dat de Amboneezen slechts gedeeltelijk Christenen zijn.quot;
„Vergeef mij, wanneer ik nogmaals op ons gesprek van heden ochtend terugkom,quot; ging H. Jaffrezic voort. „Gij toondet u echter niet ingenomen met de invoering van het Christendom, nietwaar ?quot;
„En daar heb ik redenen toe.quot;
„Zijn dan die Mahomedaansche bewoners van Hitoe zooveel betere menschen dan de Christenen van het schiereiland Leitimor?quot;
„Dat zou ik meenen!quot; gaf de resident in allen ernst te kennen. „De bevolking van Hitoe, geheel bestaande uit Mahomedanen, op de burgerkampongs te Hila en Lariki na, is oneindig meer volgzaam en gedwee dan die hier. Het is dan ook verwonderlijk, hoe betrekkelijk gering het aantal politiezaken is, welke door die Mahomedanen ter beslechting op de rolle gebracht worden, in verhouding tot de overgroote menigte rechtsvorderingen, welke bij de Christen-Inlanders voorkomen. Daarbij komt nog, dat in den regel de Ambonsche Mahomedanen zich vrij van misbruik van opium houden, terwijl dronkenschap in het geheel niet bij hen aangetroffen wordt, op enkelen na, die den drank door hun verkeer met Europeanen hebben leeren kennen en den ontkiemden hartstocht niet meer kunnen bedwingen.quot;
„Maar....quot; vroeg H. Jaffrezic aarzelend, „wanneer de zaken zoo staan, dan baart het toch verwondering dat die Christenen niet voor en na tot den Islamschen godsdienst overgaan.quot;
„Wat zal ik u daarop antwoorden?quot; hernam de resident. „De Christen-godsdienst
DE KKUIDNAfiELTEELT. — DE KAJOE-POETI-OLIE.
is vroeger hier door de Oost-Indische Compagnie met alle haar ten dienste staande middelen met geweld ingevoerd. De Ambonees nu is aan het oude gehecht en zal noode er toe overgaan om te veranderen. Toch doen zich wel gevallen voor, dat Christenen Mahomedaan worden, evenwel dat moet ik er bijvoegen, nooit uit godsdienstige overtuiging, maar steeds om het hart van een meisje te winnen of daartoe door beloften of geschenken overgehaald. Maar gedurende de lange reeks van jaren, die ik hier in de Molukken doorbracht, is het nog niet voorgekomen, dat een Islammer Christen geworden is.quot;
De beide Jaffrezics leden zichtbaar onder dat gesprek. Van Berkenstein bemerkte dit. Hij poogde dan ook er een andere richting aan te geven.
„G-ij hebt ons heden, heer resident, menige bijzonderheid laten zien en hooren,quot; zeide hij, „waarvoor wij u dankbaar zijn. Maar, van één product hebben wij nog niets vernomen en dit behoort toch op Arabon te huis.quot;
„En dat is1?1' vroeg de resident.
' „De Kajoe-poeti-olie.quot;
„Ja, dat product wordt wel in de residentie Ambon, maar niet op het eiland Ambon gewonnen. Wel heeft men jaren geleden een proef hier genomen met den aanplant van het gewas, waaruit die olie getrokken wordt, maar die proef is totaal mislukt. Ik geloof niet, dat er nog een eenig exemplaar van dien aanplant is overgebleven. Gij gaat echter van hier naar Ternate, hebt gij mij verteld, is het zoo niet?quot;
„Ja, zeker.quot;
„Welnu, dan passeert gij dicht bij het eiland Eoeroe, dat een onderhoorigheid van mijn residentie is. Gaat daar ten anker, ik zal u een schrijven voor den controleur te Kajeli medegeven. Dat is het land van de Kajoe-poeti-olie.quot;
„Helaas, dat kan niet!quot; zei H. Jaffrezic. „Wij moeten op een bepaalden datum te Singapore zijn, en er blyft ons daartoe slechts de noodige tijd over. De minste wederwaardigheid zou ons te laat doen aankomen.quot;
„Dat's jammer!quot; betuigde de resident.
„Maar, gij zoudt ons omtrent dat voortbrengsel kunnen inlichten1?quot; vroeg Monfauban vleiend.
„Volgaarne,quot; antwoordde de resident glimlachend: „terwijl gijlieden lepel en vork hanteert, zal ik vertellen. Praten en eten gaan uitstekend, wanneer men zulke goedwillige toehoorders heeft als ik heb. Luistert:
„De Kajoe-poeti-olie is afkomstig van een boom, welke denzelfden naam draagt en welks woorden „Kajoequot; (hout) en „poetiquot; (wit) en derhalve „wit houtquot; beteekenen. Die boom heet bij sommige geleerden Melaleuca Leucadendron, bij anderen weer Melaleuca Minor en weer bij anderen Melaleuca Cajeputi. Gij ziet, dat die luitjes er slag van hebben om Latijnschen poespas te verkoopen. De plant behoort tot de familie der Myrtaceeën. Hier heet zij bij de bevolking „daoen ketjilquot; (klein blad), elders weer „galamquot;.quot;
181
DE KRÜIDNAGELTEELT. — DE KAJOE-POEH-OLIE.
„Daarvan hebben wij op Borneo geheele bosschen gezien,quot; zeide Vogels tot zijn reisgenooten. „Gij herinnert u wel de boomen met die loshangende, bleekgrijze schors om de stammen?quot;
„Ja, zeer goed,quot; antwoordde Montauban.
„Dat is dezelfde boom,quot; vulde de resident aan. „Maar eigenaardig is het; dat slechts te Boeroe met uitzicht op winst de Kajoe-poeti-olie er uitgetrokken kan worden. Overal elders levert het product zóó weinig op, dat de bereidingskosten niet gedekt worden.quot;
„Hoe wordt die olie verkregen?quot; vroeg Montauban.
„De groene takjes en bladeren worden door middel van een helmketel gedistilleerd.
„Yandaar de groene kleur, nietwaar?quot; vroeg mevrouw Visbergen.
„Wanneer de olie in neutraal vaatwerk bereid wordt,quot; antwoordde de resident, „is zij volmaakt kleurloos; de bestaande merkwaardige groene kleur wordt niet door het gebladerte veroorzaakt, maar door de aanraking met den koperen ketel en het dito helmstuk, waarmede de distillatie geschiedt. Zij bestaat dus uit koperoxyde, hetgeen ook bij scheikundige ontleding aan te wijzen is.quot;
„Wordt die olie op Boeroe fabriekmatig vervaardigd?quot; vroeg Van Berkenstein.
„Neen, het zijn Inlanders, die zich met die distilleerderij afgeven. Daardoor laat het product, wat zuiverheid betreft, nogal te wenschen OTer. De uitvoer van dat eiland bedraagt ongeveer 75,000 flesschen 'sjaars. Al de bergen zijn daar met den Pohon daoen ketjil overdekt, zoodat, mijns inziens, een fabriek, door Europeanen gedreven, daar uitstekende zaken zou maken.quot;
Al koutende was de maaltijd verorberd. De gastvrouw bracht de dames daarna naar haar slaapvertrekken om een verkwikkende „siëstaquot; gedurende de warme uren te genieten. De heeren kleedden zich ook in slaapbroek en kabaai, staken een sigaar op, strekten hun loome ledematen op luiaardstoelen uit en verbeidden z;oo, al koutende, het thee-uurtje, terwijl de ruimte in die pandoppo door kree's zorgvuldig voor het daglicht afgesloten was. Enkelen der toeristen, door de wandeling van dien ochtend bevangen, ook door het copieuze maal van straks eenigermate bezwaard, waren zachtjes ingedommeld en sliepen den slaap des rechtvaardigen.
Toen het vier uren was, zaten allen weer gezellig om de theetafel, waarop schoteltjes met „sagoe toetoepolahquot;, met „sagoe bageaquot; en met „oehaquot; prijkten. De gastvrouw legde den weetgierigen uit dat de eerstbedoelde koekjes vervaardigd waren van sagoebrei, in bamboe geroosterd en in stukjes gesneden, dat het tweede kostje een deeg van sagoe-meel was, dat onder toevoeging van fijngestampte kanaxienoofc in een sagoeblad gebakken was, en dat de „oehaquot; dezelfde bereiding als nommer twee, evenwel zonder kanarie, ondergaan had.
Na de thee werd een frisch bad genomen in de overheerlijke mandikamer van het
182
DE KRUIDNAGELTEELT. — DE KAJOE-POEÏI-OLIE.
residentie-huis, waarna de toeristen afscheid van den resident en zijn lieve vrouw namen, om naar boord weer te keeren.
Zoodra waren de reizigers niet ingescheept, of de „Zeemeeuwquot; lichtte het anker en aanvaardde de reis. Dat men zoo vroeg vertrok, lag daarin, dat kapitein Meerman nog bij dag de baai van Ambon wilde uitloopen. Hij kreeg daarbij zijn zin; want de zon was nog niet ondergedoken, toen het vaartuig dwars van Tandjoeng Sialoe, den zuidwestelijken hoek van het eiland Ambon, lag en derhalve in het ruime sop was.
Tegen negen uren ongeveer stevende de „Zeemeeuwquot; met lief, zacht maanlicht — het zou zoo omstreeks middernacht eerste kwartier zijn — tusschen het eiland Manipa en liet eiland Boeroe door en genoten de reizigers een zeer lief gezicht op de bergen en heuvelen van beide eilanden, die zich onder de zilverstralen van Phoebe allerliefst voordeden en eigenaardige lichtstrepen en schaduwen vertoonden.
Toen de „Zeemeeuwquot; Manipa te boven gestoomd was, werd koers Noord ten Oosten genomen. Poeloe Kelang werd nu voorbijgestevend. Daarna verloor men het land uit het oog.
Tegen het aanbreken van den dag liep de „Zeemeeuwquot; het eiland Ombirah in het gezicht, rondde dat en liep zoo omstreeks tegen het middaguur Straat Patientie in. Deze Straat scheidt het eiland Batjan van het zuidelijk schiereiland van Halmaheira, ook Djilolo genaamd. Hoewel de zee in die zeeëngte over het algemeen zeer diep is, zoo vorderden de veelvuldige eilandjes en reven, die den noorderingang daarvan als bezaaiden, de meeste omzichtigheid. Kapitein Meerman liet dan ook slechts met half werk vooruitslaan. Eindelijk werd langs de noordkust van Batjan opnieuw het ruime sop ingestevend, waarna weer noordwaarts gekoerst werd, waarbij evenwel de eilanden Tawali Ketjil, Makian, Motir en March aan stuurboord in het gezicht gehouden werden.
„Het was ongeveer zes uren des avonds, toen de vulkaan van Ternate, met zijn rookpluim getooid, in het gezicht kwam. De „Zeemeeuwquot;, door het maanlicht begunstigd, stevende de zeeëngte tusschen de eilanden Tidore en Ternate door en kwam tegen tien uren op de reede van eerstgenoemd eiland ten anker.
Gedurende het opstoomen door de zeeëngte en van de reede, zaten de toeristen gezellig op liet dek en lieten zich door Visbergen de vreeselijke catastrophe, die het eiland Ternate in 1840 trof en waardoor de gelieele negorij verwoest werd, verhalen.
„Die vulkaan,quot; vertelde hij, „welke in de XVH'le eeuw veelvuldige uitbarstingen ondergaan had, scheen in de XVIIIdo een tijdperk van rust ingetreden, totdat in 1763 weeleen nieuwe uitbarsting plaats had, die evenwel geen of weinig onheil stichtte, omdat de uitgeworpen lavastroom zich langs de noordelijke helling des bergs een bedding vormde en de stad daardoor gespaard bleef. Toen trad er weer een rust in tot 1836. Nu scheen de natuur zich tot een buitengewone krachtsinspanning voor te bereiden. Er hadden voortdurend aardbevingen, uitbarstingen en aschregens plaats. Er ging bijna geen dag voorbij,
1S3
UE KKÜIDNAGEr,TEELT. —
184
DE KAJO E-POETI-OLIE.
dat niet iets op vulkanisch gebied gebeurde. Maar, daar dit alles geschiedde zonder onheilen, raakte men er langzamerhand aan gewoon, zoodat men liet als een bijzonderheid lachend opmerkte, wanneer een dag zonder schudding voorbijging. Ook kon men zonder angstig gevoel de zwarte rookwolken, die overdag, en de gloeiende kolom, die bij nacht uit den krater stegen, waarnemen. Men was zoo langzamerhand met het gevaar vertrouwd geraakt,
„Den 2lt;len Februari evenwel van het jaar 1840 begon tegen het middaguur de berg zoodanig asch en steenen uit te werpen, dat weldra alle specerij-tuinen en te veld staande gewassen vernietigd werden. Een lavastroom vloeide in de richting der stad; hij stortte zich gelukkig in een dwarsvallei, die daardoor gevuld werd, maar de stad voorloopig redde. Die uitbarsting hield tot den 12(len aan, toen de berg plotseling zweeg. Maar in den nacht van den IS^en op den 14lt;len Februari begon de grond zoodanig te schokken en te schudden, dat in acht uren tijds de geheele stad verwoest werd. Het fort Oranje, in 1607 door Cornelis Matelief gesticht, dat hecht en sterk, de uitwerking van 21/2 eeuw getrotseerd had, lag geheel in puin. Van de vierhonderd huizen, waaruit de stad Ternate bestond, bleven er slechts vier over, te weten: het paleis van den Sultan, de woning van den Militairen Commandant en nog twee andere huizen. Deze waren ook erg gehavend; maar zij waren nog te herstellen. Al de anderen lagen in puin. Grelukkig, dat de aardbeving overdag en niet met al te zware schokken aangevangen was: daardoor had een ieder het leven kunnen redden. Maar die toestand hield aan. Donderende geluiden, met de gelijktijdige losbranding van honderden vuurmonden te vergelijken, werden onder de voeten van de angstige rampzaligen vernomen. De grond golfde voortdurend en scheurde allerwegen; op sommige plaatsen spoten zoetwaterstralen uit den bodem; op andere werd het water der putten brak en totaal ondrinkbaar. Het was een geheele omkeering in de natuur, zoodat de angstige menigte aan den ondergang van het geschapene begon te gelooven, althans meende dat het eiland, hetwelk zij bewoonde, door den afgrond zou verzwolgen worden. Wat den angst nog vermeerderde was, dat de zon door de geweldige aschmassa's, die dooiden krater uitgebraakt werden, dagen lang in een akelig grauw gesluierd bleef; zoodat de dag niet veel van den nacht verschilde. De geheele bevolking, zoowel Inlander als Europeaan, zat onbeschut in de open lucht; ternauwernood was hier of daar een tent of een hutje van licht bamboewerk opgeslagen.
„Die ongelukkige toestand duurde voort, terwijl de aardbevingen aanhielden en de vulkaan door zijn geweld het eiland tot in zijn grondvesten deed schudden, tot den 17den Februari, toen heel in de verte een zeil in het gezicht kwam. Het bleek weldra dat het de Nederlandsche oorlogskorvet „Nehalenniaquot; was, die evenwel geen koers naar Temate scheen te zetten. Fluks sprong nu een koopman, een Europeaan, in een sloep om te trachten dat schip te bereiken. Die poging slaagde, want den volgenden dag lag de korvet hier op de reede ten anker. Toen de commandant, de kapitein-luitenant ter zee Van dei-Plaat, aan wal kwam, trof hem een hartverscheurend schouwspel. Allen, groot en klein.
DE KRüIDNAGELTEELT. -— DE KAJOE-POETI-OUE.
arm en rijk, geringen en aanzienlijken waren van een beschermend dak beroofd. De meesten hunner hadden niet eens wat bamboe horden, om hen tegen weer en wind te beschutten.
„Met de komst van dat oorlogsschip was evenwel een zekere mate van gerustheid teruggekeerd. Het was, alsof men wist dat op dien bodem een heenkomen, een toevlucht te vinden was, wanneer de nood ten top zou stijgen. En, alsof met dat schip betere dagen voor Ternate wederkeerden, de aardbevingen werden al meer en meer zeldzaam, de schuddingen minder sterk, terwijl ook de vulkaanuitbarstingen in kracht afnamen. Het vertrouwen keerde overal terug en met de wuftheid, den mensch bij veranderde omstandigheden zoo eigen, was een ieder weldra in de weer om zich en den zijnen een beschermend dak te verschaften. Den 28sten Februari waren reeds allerwegen kleine „pondokhV (hutjes) verrezen. Vier dagen later waren de Grouvernements-goederen weer onder dak, werden de zieken in een nood-hospitaal verpleegd en was het fort weer in verdedigbaren toestand tegenover een Inlandschen vijand gebracht. Dat er veel verwoest was, kon daaruit blijken, dat de schade aan particuliere eigendommen, niet overdreven, op ruim negen ton geraamd werd. De gerustheid was, in weerwil dat nog van tijd tot tijd aardschokken waargenomen werden, en de vulkaan ook nog bijwijlen asch en lava uitwierp, in zoover teruggekeerd, dat de „Nehalemiiaquot; haar reis vervolgen kon eu dan ook op 9 Maart het anker lichtte.quot;
Onze toeristen zaten nog een poos naar dien somberen vulkaan te turen, die daar onder het zachte maanlicht, met zijn stoompluim getooid, zoo scherp en zoo onheilspellend tegen de donkerblauwe lucht afstak. Toen evenwel de scheepsklok acht glazen liet weerklinken, begaven de reizigers zich naar omlaag en gingen ter kooie.
185
Den volgenden morgen was het geheele gezelschap bij zonsopgang op het dek. De aanblik van dien vulkaan, die zich daar in het Westen grootsch en statig verhief, leverde onder den invloed der eerste gulden stralen van de dagvorstin een geheel ander tafereel dan den avond te voren. Ja, nog steeds stemde die kale kruin, die zich daar hoog ten hemel verhief en haar stoompluim als een aangedikt uitroepingsteeken of beter als waarschuwingsteeken boven den top liet zweven, tot ernst; maar het tafereel, hetwelk zich aan den voet ontwikkelde, was onder dien eersten morgengloed zóó lieflijk, dat onze toeristen, hoeveel schoons zij ook op hun omzwervingen door het zoo fraaie Insulinde gezien hadden, opgetogen waren en dat onverholen te kennen gaven.en volgenden morgen was het geheele gezelschap bij zonsopgang op het dek. De aanblik van dien vulkaan, die zich daar in het Westen grootsch en statig verhief, leverde onder den invloed der eerste gulden stralen van de dagvorstin een geheel ander tafereel dan den avond te voren. Ja, nog steeds stemde die kale kruin, die zich daar hoog ten hemel verhief en haar stoompluim als een aangedikt uitroepingsteeken of beter als waarschuwingsteeken boven den top liet zweven, tot ernst; maar het tafereel, hetwelk zich aan den voet ontwikkelde, was onder dien eersten morgengloed zóó lieflijk, dat onze toeristen, hoeveel schoons zij ook op hun omzwervingen door het zoo fraaie Insulinde gezien hadden, opgetogen waren en dat onverholen te kennen gaven.
Dat lieflijke groen, dat, beneden vol en krachtig, zooals de tropische plantenwereld het medebrengt, den voet van den berg met een dichten band omgaf, werd hooger al ijler en spaarzamer, totdat het bijna onmerkbaar overging in den geelgrauwen kratertop, die het alles beheerschte. Langs den zee-oever strekte zich een rij huizen uit, die met hun witte muren en roode daken een bevallig contrast tusschen dat eeuwige groen maakten en, zich spiegelende in de gladde zee-oppervlakte, een omlijsting aan dien kant van dat vulkanisch eiland vormden, die weergaloos was.
Lang zaten onze reizigers dat panorama te bewonderen. Zij vroegen zich af: hoe het toch mogelijk was, dat zij dien berg gisteravond met zooveel ontzetting hadden aangestaard.
„Wel, eenvoudig,quot; antwoordde Vogels op de deswege gestelde vraag, „omdat gijlieden onder den indruk van het verhaal van Visbergen verkeerdet. Een gebeurtenis, voor ruim veertig jaren voorgevallen, deed u alles door een donkergekleurden bril bekijken.quot;
Op het betamelijke uur maakten de toeristen hun opwachting bij den resident van Ternate en Onderhoorigheden, die zijn gasten al dadelijk aangenaam verraste.
^lt; x ^ M}v' ■ •
'.v ■ ■■ r'- '-..x.■' ■./;
' ' ''ï ■ v% : a;, ■ • '
• . ' ' ^ ■ ...r
■ Ath'/'r.' ■ ^ •■'i '■ fe ■:
Éi
vquot;- .
im
, gt; ■ fi'?quot;. ■ a V :..•lt;■■ y ■. t .
v|::^ : ' -■ ' quot; ^
■ StvV . 'M' . . ■ '-V, ■ % • .. ■•-•■ ' . .
■ 'f.;
■■.;v -quot;v gt;,.lt;.^.Vv .;•, • ^•amp;,;•■'''• ' • • ; •. ' • ■ ■ • quot;'. - ' *i'v. gt;'■.:• •
i v' l-'' ■ ir'r\\-'
• quot; •?. C •■ •* ' ■ ^ , •
, ■ ü • . -V' ;• ;gt; V'; *■ ;•' t:\Y
.-'f ' ■,■•' quot;• «gt;i' ■ 'f • ' '' ''•«■• gt;quot;%*-'»■ * - .
, • ■ ; .■
• ■ , , ' i ' - i •,' * ' . .
jgt;9» .;V. gt; Vf!
. m -
■ '*: i i •s. v
' tj fr'VS'y'quot;-..
• W f
.ót'quot;--: ■ : ■gt; v. quot;•.
; ^
-quot;AéafMÏ
quot;v
t dek. De ig verhief, leel ander daar hoog beter als , hetwelk dat onze Insulinde
ten were ld ;er al ijler :ertop, die hun witte n en, zich vulkanisch
f: hoe het n gestaard, it gijlieden voor ruim
I
sident van
fv€
■' ■lt;' . 'x-, ' ; ■1 '■ ■ ••
-15 '
,-3 -gt;•
|
, |
-•• -'W' |
|
-■ -y-M. | |
|
':h*r | |
|
■'rè | |
|
■ ! | |
|
i. ki' .- | |
'ief; y
vv-:.'
;• 'a ;• ;/. .. - :i.f./• '.X ■ ( :■. •
.. • * *4.. - ■
• ■lt; .
: •• .*■- • •/
■■ ■
• '
... ;•.»' ■. * ■ isV -•'• •
'V 'g,'.•».■.. ■*■• , .
■■- . '•quot; vquot;. •gt;'■■•♦•quot;»•'
'
■ v
HiPH^'v ^ f.i «pVR
, •;. .:r; ■- . ; quot;S' : :■■:/-/■ ■ ' ••••'■ .;■
.....: '■ : - : v ■
;/.r
■ : ' ZiSi - '
■■v ■ ''i»;. quot; *, 'iyék-'
,.y. ■ •-••
'•quot; •'■Mi, f**:
. j.?;!'; • v;quot;
■H'v
f ' •;•)• '
ï'.
TEKNATE. —
187
BESLUIT.
„Ternate biedt den toerist weinig opmerkenswaardigs aan,quot; zeide hij. „Maar gijlieden treft het. Het is hedenavond soiree bij Zijn Hoogheid den Grebieder van Ternate Assoelthan Tadjoel Mahsoel Bunaja Tillahilhanan Siradjoel Moelki Amiroeddin Iskandar Moena-waroes-sadik Wahoewaminaladilin Sjah Poetra Ahanjr. Ik twijfel niet, of gij zult over uw avond tevreden zijn.quot;
Toen de reizigers in den namiddag een wandeling onder geleide van den resident door de hoofdplaats Ternate maakten, ontwaarden zij, wat zij trouwens van boord reeds gezien hadden, namelijk dat die plaats zich langs den oosteroever van het eiland uitstrekte. Maar wat zij van boord natuurlijk niet hadden kunnen bemerken, was, dat de plaats uit twee deelen bestond: uit het Europeesche en uit het Maleische gedeelte. De resident legde hun uit, dat het eerste op Gouvernements-grondgebied en het andere op Sultans-terrein gelegen was. In het noordelijk gedeelte van de stad lag het paleis van den Sultan, hetwelk geheel in Westerschen bouwtrant opgetrokken was. Daarachter strekte zich het Makas-saarsche kwartier uit, dat op Hollandsch grondgebied lag. Aan het einde van dat kwartier bevond zich het Fort Oranje, waarachter de Chineesche kamp en het Europeesche kwartier gelegen waren. Boven de poort van het fort stond op de daar hangende klok te lezen:
Op den bovenrand: 0 Maria flos virginum
velüï EoSA vel lilil'm.
En op den onderrand: Funde freces ad filium
Pro salute fidelium 2)
en het jaartal 1603.
De heeren Jaffrezic bekeken dat gebed tot de Maagd met aandoening. De resident legde hun uit, dat die klok in vroegere jaren op de Portugeezen buit gemaakt was en waarschijnlijk eertijds in een Roomsche kerk geklept had.
Na de wandeling, die niet te ver uitgestrekt mocht worden, keerden de toeristen naar boord terug om te dineeren. Zij zouden de uitnoodiging daartoe van den resident wel aangenomen hebben, maar zij moesten gala-toilet maken voor de soiree bij den Sultan.
Om halfacht kwam de orembaai van den resident het gezelschap van boord halen, en bracht tevens een uitnoodiging voor kapitein Meerman mede.
Allen hadden ras plaats genomen in dat staatsie-vaartuig en waren weldra aan wal. Een paar rijtuigen stonden gereed, om de bezoekers naar het paleis van den vorst te brengen. Bij aankomst aldaar, waren eenige prinsen de dames bij het uitstijgen behulpzaam en stelden haar aan den Sultan voor. Vóór het paleis, aan den voet van de trap daarvan, die dertig treden telde, stond een compagnie voetvolk onder de wapenen, waarvan de eene helft met geweren gewapend, met een soort wapenrok en witte pantalon gekleed was,
') O Maria, bloem, roos of lelio der maagden, richt uw gebeden tot uw zoon voor het heil der geloovigen.
TERN ATE. - BESLUIT.
kruisledergoed droeg, met daaraan bevestigde patroontasch en bajonetscheede en een kegelvormige schako op het hoofd had, versierd met een pluim en een plaat, waarop het Nederlandsclie wapen. De andere helft van die eerewacht was met de lans gewapend, droeg een koperen harnas en bad op het hoofd een dito helm, die met een buitengewoon grooten vederbos versierd was. In de linkerhand hield ieder dezer laatste dapperen een lang, maar smal schild, dat met vele arabesken beschilderd was. De Sultan, die zijn gasten onder het spelen van militaire muziek, welke vrij goed was, uiterst minzaam ontving, was smaakvol gekleed in een donkerblauwen lakenschen rok met in goud geborduurden kraag en opslagen, terwijl zijn schouders versierd waren met Generaals-epaidetten. Op het hoofd droeg hij een soort kroontulb.xiid, die rijkelijk met edelgesteenten bezet was en waarboven twee lange zwarte veeren prijkten. Eindelijk had hij een zwaar vergulde sabel op zijde, die bij zijn witte pantalon geen onaardig effect maakte.
Ook de prinsen waren in hoofdofflciers-monteering gestoken en bewogen zich ongedwongen onder de gasten. De Sultane en een paar prinsessen troonden in de binnen-galerij van het paleis, die eenvoudig, maar smaakvol gemeubeld en verlicht was. Bij haai* zaten de genoodigde Europeesche dames der hoofdplaats reeds en aan haar werden ook de drie vrouwelijke reizigers voorgesteld.
Toen de Sultan tegenover de dames plaats had genomen, werden den heeren stoelen in zijn nabijheid aangewezen en toen allen gezeten waren, traden twaalf beeldschoone dansmeisjes, zeer smaakvol in roode kleedjes gestoken, die wel eenigszins de vroegere Spaansche kleederdracht verrieden, de zaal binnen en defileerden op een eentonig maatgeluid, hetwelk door vier oude vrouwen op een paar „gongsquot; (bekkens) en een paar „rebana'squot; (tamboerijnen) aangegeven werd. Die dansmeisjes droegen vergulde kronen op het bevallige hoofdje, waren getooid met zware oorringen, met fraaie halssnoeren en met een groote zilveren borstplaat en gordel. Na gedefileerd te hebben, begonnen zij te „menariquot;, hetgeen daarin bestond, dat zij op de maat van de „gongsquot; en „rebana'squot; het lichaam een schokkende beweging deden ondergaan, zonder dat de voeten van de plaats geraakten. Zy bewogen daarbij bevallig haar waaiers en een soort sjaal, die aan den gordel bevestigd was, en uit een zeer lichte stof, rood en blauw geverfd, bestond.
Na die dansmeisjes traden een twaalftal mannen op, die op de maat van een soort Europeesche muziek een dans sprongen. Ja, sprongen, dat is het woord. Zij waren alle twaalf van verschillende grootte, zoodat de kleinste ternauwernood S'A voet hoog was. Allen waren in een oud Spaansch rokje gestoken, met zeer wijde mouwopslagen, hadden op het hoofd een driekantig steekje, uit welks punten opgezette paradijsvogels bengelden, en geleken sprekend op aangekleede apen. Die dansers leverden met bewonderenswaardige juistheid spiegelgevechten en vertoonden zoo legenden of episoden uit hun geschiedenis.
Gedurende deze voorstellingen, die tot tweemaal toe herhaald werden, gingen zeer net gekleede bedienden rond en boden den gasten thee en gebak aan.
188
TERNATE. — BESLUIT.
Onze toeristen, die erkennen moesten, dat hier te Ternate een geheel andere geest heerscht dan zij op Java aan de hoven te Soerakarta en te Djokdjokarta opgemerkt hadden, vermaakten zich vrijwel. Het middernacht-uur was dan ook reeds voorbij, toen de feestvierenden huiswaarts keerden.
Den volgenden morgen kwam de resident de toeristen afhalen om een tochtje naar het noordelijk gedeelte van het eiland te ondernemen. Het ontbijt was snel verorberd en de inscheping daarna in de Staatsie-orembaai van den resident nog spoediger geschied. Op het maatgeluid van den gongslag, die aanvankelijk in een zeer langzaam tempo geslagen werd, waarbij de pagaaien met langgerekte slagen het water kliefden, maar die langzamerhand versnelde tot hij een tijdmaat verkreeg zóó vlug, dat de scheppers ternauwernood den tijd hadden om de wateroppervlakte te beroeren, stoof liet ranke vaartuig met een bewonderenswaardige snelheid voorwaarts en deed het blauwe water der zee in een sierlijke krul van verblindend wit schuim voor den boeg opstuiven. De richting, die de orembaai daarbij nam, was nagenoeg zuiver Noord. Het vaartuig liep evenwijdig aan de kust, waarbij den reizigers het heerlijkste panorama op het eiland Ternate en op zijn vulkaan, die daar hoog boven de lieflijke dreven statig zijn kalen asch-kratertop verhief, verleend werd. Toen die snelle vaart zoo omstreeks anderhalf uur was volgehouden, veranderde het vergezicht plotseling. Daar, bij den noorderhoek van het eiland, verdween eensklaps alle plantengroei op de kust en deed zich een natuurtafereel op, zooals het weinigen menschen gegeven is een zoodanig te aanschouwen. Bij de groote uitbarsting van den vulkaan in 1763 was de uitgeworpen lavastroom langs de noordelijke helling des bergs naar beneden gevloeid en had zich daar van een kleine hoogte loodrecht in zee gestort. De lava was daarbij bekoeld en had zoodoende een loodrechten muur van 70 M. lang en 6 M. hoog gevormd. Geen enkele boom, geen struikje, geen grasscheutje zelfs temperde de zwartgrauwe kleur van dien wand, die daar stond alsof hij door reuzenkrachten uit gietijzer opgetrokken was. Groote en kleine rotsblokken lagen rondom den voet van dien muur en gaven een begrip van den heftigen strijd, die tusschen de twee meest vijandige elementen: water en vuur, gevoerd werd, toen die gloeiende lavamassa daar van boven die hoogte in zee plofte. Donderend brak thans de hooge deining, die uit den Grooten Stillen Oceaan, tusschen de Talautsche eilanden en Halmaheira door, de Moluksche Zee ingolfde, op dien chaos van lava-blokken, spatte in een woeste, wilde branding op en overdekte die zwarte rotsen met wit schuim.
Even buiten de branding hield de orembaai stil, om de toeristen dat verheven tafereel te laten genieten.
„De Inlanders noemen die kaap: Batoe angoes,quot; verklaarde de resident, „de Europeanen noemen haar: Verbranden hoek. Als ons gezelschap slechts uit heeren bestond, zou ik voorstellen om daar bij dien wand te landen en hem te beklimmen.quot;
„Is dat mogelijk f' vroeg Van Berkenstein.
189
TEENATE. - BESLUIT.
„Ja zeker. Met een zekere mate van behendigheid maken de stuurlieden hier van een aanrollende golf gebruik om de orembaai tusschen twee rotsblokken door te laten schieten. Achter die rotsbank is stil water en daar aangekomen, kan men zonder gevaar het strand bereiken. Langs de grenzen van den wand, die daar vrijwel afgebrokkeld is, kan het naar boven klimmen niet erg moeilijk genoemd worden. Maar ...
„Maar?quot; vroegen de dames.
„Maar,quot; ging de resident voort, „met zulke lieve vertegenwoordigsters van het schoone geslacht durf ik zoo iets niet wagen. Een ongeluk is zoo gauw gebeurd. Een onhandige beweging van den stuurman, en wij zouden allen te water liggen.quot;
„Maar ik kan zwemmen!quot; riep Clotilde Visbergen hartstochtelijk uit.
„Zwemmen, mevrouw! zwemmen in die branding!quot; antwoordde de resident. „Zie eens hoe wild en woest de golven daar opspringen, hoe zij voorwaarts schrijden, hoe zij opstuiven, door eigen aandrang teruggedrongen worden, opspatten, stroomingen veroorzaken, draaikolken vormen. Daarin zou een koen, krachtig en geoefend zwemmer, slechts in badkostuum, of nog beter zonder dat, zich met alle moeite kunnen redden en zijn behoud alleen aan het bewaren eener onoverwinlijke koelbloedigheid te danken hebben. Wat zou er van u worden, lieve dames, met uw teer gevormde ledematen, die aan zulke krachtsinspanningen niet gewoon zijn ? Wat zou er van u worden met uw japonnen, met uw rokken en onderrokken en andere tirlantyntjes, die u ten speelbal van het woeste watergeweld zouden maken en iedere poging tot redding zouden verijdelen ?quot;
„Neen, ik zou niet durven,quot; zei Ernestine Van Berkenstein.
„Nu, ik ook niet!quot; mompelde Yolande Jaffrezic. „Komt, laten wij terugkeeren. Wij naderen die branding reeds te zeer.quot;
Door een rugwaartsche beweging van de pagaaien, stoof de orembaai een paar honderd meters terug.
„Waaruit bestaat die lavawand?quot; vroeg Montauban.
„Uit een trachietsoort, die zeer veel overeenkomst heeft met de lavatrachiet op Java,quot; antwoordde de resident. „Deze lavastroom, die, zooals gij zien kunt, een zwarte streep vormt langs de berghellingen van af' den kratertop tot in zee, is aan de oppervlakte vol slakken en nogal poreus. Binnen is hij evenwel zeer dicht en fijn van korrel, bevat veldspaath en is slechts zwak kristallinisch.
De orembaai schoot nu vooruit, rondde den „Verbranden hoekquot; en vervolgde haar koers langs de westzijde van Ternate, zoodat men het geheele eiland rondvoer. Hoeveel ijver de pagaaiers ook aan den dag legden, hoe snel de orembaai ook voortschoot, het was bijna middag, toen de „Zeemeeuwquot; bereikt werd.
De resident gebruikte de rijsttafel aan boord, waarna hij afscheid van de toeristen nam en hun een voorspoedige reis toewenschte. Zjj, van hun kant, bedankten den vriendelijken hoofdambtenaar voor zijn inlichtingen en voor den tocht, dien hij hen had doen volbrengen.
190
TERNATE. - BESLUIT.
Nauwelijks was de orembaai afgestoken, of het maatgezang van: „oong! Iele xj. oong! der matrozen, die in het gangspil liepen, alsook het geklikklak der pallen van dat spil en het gerammel van kettingen, duidden aan, dat het anker gelicht werd. Het duurde niet lang, of de „Zeemeeuwquot; dobberde vrij als een zeevogel op de zacht aanrollende deining. De machine werd in beweging gesteld. De schroef sloeg het water bij den achtersteven tot schuim en weldra schoot het bevallige vaartuig voorwaarts. Toen daalde de Nederlandsche vlag van de gaffel langzaam driemaal op en neer, terwijl de twee kanonstukjes van boord dat saluut met zeven schoten bevestigden. Ternate was de laatste plaats van het Neder-landsch-Indisch grondgebied, waar de gezamenlijke reizigers den voet aan wal gezet hadden. Allen stonden op het dek dat wegvliedende land aan te staren. Terwijl zij daar zoo staarden, daalde ook de vlag op het fort Oranje statig omlaag, verhief zich weer tot bij het uiteinde van den vlaggestok, daalde weer om andermaal te verrijzen, daalde ten derden male, maar bleef, toen hij ditmaal het hoogste punt van den vlaggestok bereikt had, met zijn heldere, levendige kleuren vroolijk in den wind wapperen. Heel kort daarop werden, met tusschen-poozen van een halve minuut, achtereenvolgens drie doffe slagen gehoord. Het was het antwoord op het saluut van boord, hetwelk met de zware twaalfponders, die het fort bewapenden, gegeven werd.
„Drommels!quot; zei Vogels, na te vergeefs op een vierde schot gewacht te hebben, „de artillerie-commandant van het garnizoen is spaarzaam met zijn buskruit. Maar drie saluutschoten !____quot;
„Bedenk,quot; sprak Visbergen, „dat het geen reglementaire saluutschoten zijn, die daar gegeven werden. Het is al wel, die drie schoten; ik weet nog niet hoe de artillerie-commandant die drie kardoezen met het oog op de keutelige comptabiliteitswet verantwoorden zal.quot;
De hoofdplaats Ternate was reeds aan den blik onzer reizigers onttogen. Toen de „Zeemeeuwquot; de zeeëngte tussehen de eilanden Ternate en Tidore verlaten had, stevende zij Noordwest ten Westen op en voer een paar uur later tussehen de eilanden Tifore en Majoe door en was bjj zonsondergang voor Straat Liekoepang, die aan de eene zijde dooide Minahassa, den noordelijksten uithoek van het eiland Celebes, en door de kleine eilandjes Bangka en Taloessa aan de andere zijde gevormd wordt. Het was fraai maanlicht. Kapitein Meerman stevende de Straat met een onbezwaard gemoed in. Helder verhief de Goenoeng Klabat zijn 64:00 voet hoogen top, terwijl de Goenoeng Soedara, die als een knaap aan zijn voet verscheen, zich slechts 4300 voet boven het zeevlak verhief.
Zeer voorzichtig werd voortgestoomd en een uur later was de „Zeemeeuwquot; Tandjoeng Papaloempoengang, de kaap, die de meest westelijke punt der Straat Liekoepang vormde, te boven en stevende thans de Soeloe-zee in. Toen den volgenden morgen de zon ter kim rees, was van land niets meer te bespeuren en hadden de reizigers van de „Zeemeeuwquot;
191
TERNATE. - BESLUIT.
slechts dien eindeloozen kring rondom zich, waar het uitspansel op de zee-oppervlakte schijnt te rusten.
De koers was bij het uitloopen van Straat Liekoepang ISToordoost genomen, ten einde tusschen de Tawi-Tawi-eilanden, die als een voortzetting van Tandjoeng Oensang, den Noord-Oostelijken uithoek van Borneo, te beschouwen zijn, en de Soeloe-eilanden door te stevenen. Die koers werd ongestoord twee volle etmalen behouden.
In den namiddag van den 23ston October merkten Van Berkenstein, H. Jaffrezic en Montauban op, dat kapitein Meerman zich met de beide luitenants Vogels en Visbergen ijverig onledig hielden, om de scheepsgeweren, alsook de Remmingtons der reizigers, na te zien en, zoo noodig, in slagvaardigen toestand te brengen.
„Wat drommel!quot; vroeg Van Berkenstein: „wat moet dat beteekenenT
„St....!quot; antwoordde kapitein Meerman: „wij naderen den Soeloe-Archipel.quot;
„ Den Soeloe-Archipel T
„Dat wil zeggen,quot; vulde Vogels lachende aan, „dat wij in de nabijheid komen van de grootste zeeroovers ter wereld.quot;
„En wij zorgen, dat zij, wanneer wij hen niet ontwijken kunnen, mannen aantreffen, die toonen voor geen klein gerucht bevreesd te zijn,quot; vervolgde Visbergen.
„Zoudt gij de kanonstukjes aan dek niet laten nazien?quot; vroeg H. Jaffrezic.
„Dat is reeds geschied. Hedennacht heb ik mij daarmee bezig gehouden,quot; antwoordde kapitein Meerman. „Ik deed dat, om onrust bij de dames te voorkomen. Maar de beide stukjes staan met kartetsen geladen. Straks laat ik ongemerkt de foudraals er afnemen en de kanonnetjes voor de leus wat poetsen, daarna wordt eenvoudig vergeten ze weer in hun manteljassen te steken.quot;
„Maar is er veel waarschijnlijkheid, dat wij met de zeeroovers in aanraking komen?quot; vroeg Van Berkenstein bezorgd.
„Mijnheer Van Berkenstein, wij moeten op alles zijn voorbereid,quot; antwoordde Meerman ernstig. „Wij moeten ons niet noodeloos bezorgd maken over gevaren, die wellicht niet zullen voorkomen, maar een verstandig man zal zijn maatregelen zóó treffen, dat hij door de omstandigheden niet overvallen wordt.quot;
„Wij hebben nog de rollen te verdeelen,1' zei H. Jaffrezic, bij wien de gedachte aan gevaar den officier weer deed bovenkomen. „Kapitein Meerman is en blijft natuurlijk de algemeene bevelhebber aan boord. Zijn beide stuurlieden staan hem ter zijde en stellen zich aan het hoofd der scheepsbemanning. Is die in den wapenhandel geoefend ?quot;
„Ja, en zelfs zeer goed,quot; antwoordde Meerman.
„Dan neem ik het bevel over een dier stukjes op mij,quot; zei H. Jaffrezic.
„En ik over het andere,quot; zei Vogels.
„De andere heeren nemen hun Remmingtons 'ter hand en stellen zich ter beschikking van kapitein Meerman.quot;
192
— BES1ÜIT.
193
TERN ATE.
„Dat is afgesproken,quot; antwoordde Van Bcrkenstein;quot; „God geve evenwel; dat die maatregelen overbodig zullen blijken!quot;
Het was intusschen ongeveer vier uren in den namiddag geworden. Het geheele gezelschap zat gezellig bij elkander om de theetafel op het dek en luisterde aandachtig naar kapitein Meerman, die op luimigen toon een der vele voorvallen uit zijn veelbewogen zeemansleven verhaalde, toen stuurman Schipperlieyn, die de wacht op de brug had, haar verliet en op den kapitein toetrad.
„Is er iets, stuurman1?quot; vroeg deze.
„Het blauwe gebergte van Poeloe Sikassi is bakboord vooruit in het gezicht,quot; antwoordde Schipperheyn met een gebaar, onmerkbaar voor iedereen, behalve voor den kapitein.
Deze stond op, begaf zich naar de brug er nam den horizon met zijn kijker nauwkeurig waar. Toen hij terugkwam, zeide hij op den meest onverschilligen toon:
„Er zijn eeuige prauwen in het gezicht, die Flak voor den wind op ons afkomen.quot;
„Zijn het zeerooversT ontsnapte Boisjolin onvoorzichtig.
„Zeeroovers?quot; kreet mevrouw Jaffrezic.
„Het kunnen ook handelsprauwen zijn,quot; antwoordde de kapitein losjes. „Het is evenwel voorzichtig eenige voorzorgen te nemen,quot;
Hij begaf zich vooruit, riep de bemanning rondom zich en zorgde dat die behoorlijk gewapend werd. Een gejuich steeg uit dien troep op, toen vernomen werd dat die vloot, welke daar in aantocht was, waarschijnlijk uit „ladjaksquot; bestond. De „Zeemeeuwquot; voerde geen vlag aan de gaffel; de enternetten, zware vlechtwerken van „gemoetiquot; ^ -touw, die met geen sabel- of klewanghouw door te slaan was, werden rondom het schip tusschen het dak boven de verschansing uitgespannen en de stukjes van hun overtrekken ontdaan. In het kort: alle disposition werden genomen om de kleine „Zeemeeuwquot; in een geduchten staat van tegenweer te brengen. Bij het dalen der zon wakkerde de wind, die het stoomschip vlak op den kop had, nog eenigszins aan en deed deze den oceaan zich met wif-gekuifde golfjes overdekken.
De prauwenvloot naderde, onder den invloed van die stijve bries, snel. Reeds kon men de vaartuigen tellen: het waren er ruim veertig. Allen voerden twee masten met groote zeilen, die onder den druk van den wind flink bol stonden en den prauwen een ongemeen snelle vaart verleenden. Reeds zag men de gedaanten aan boord, die zeer talrijk schenen. Bij kapitein Meerman was alle hoop vervlogen, dat die vloot handelsprauwen zouden zijn. Hij trad op Vogels toe, fluisterde dien wat aan het oor, waarna hij zich weer op de brug begaf.
„Half angstig zaten de dames die nadering aan te staren. Nog steeds meenden zij
') Gemoeti is de bastachtige stof, die tusschen de bladolsels van de Areng-palmen aangetroffen wordt.
25***
TERNAÏE. — BESLUIT.
dat het onschuldige handelaars waren. De heeren met de geweren in de hand, sloten een kring om haar en trachtten haar in die stemming te houden. Plotseling ging aan boord van de voorste prauw een gele vlag omhoog, waarop een halve maan met twee gekruiste kromme sabels in roode stof verscheen. Tegelijkertijd schoot van die voorste prauw een straal witte rook over de oppervlakte der zee, terwijl onze toeristen een scherp gefluit boven hun hoofden en eerst iets later een doffen slag vernamen.
„Een kanonschot!quot; zei Van Berkenstein bedenkelijk. En zich tot kapitein Meerman op de brug wendende: „Zouden wij niet afhouden? Is de overmacht niet te groot?quot;
„Daar is geen tijd meer voor,quot; antwoordde deze. „Vóór wij de wending volbracht hadden, zouden wij ze aan boord hebben.quot; En een wenk aan stuurman Schipperheyn gevende: „De vlag omhoog! en vuur, mijnheer Vogels!quot; commandeerde hij.
De Nederlandsche vlag steeg statig omhoog en ontplooide zich vroolijk in de bries, als strekte zij haar beschermende vleugelen over den kleinen bodem uit. Tegelijkertijd dreunde een kanonschot aan boord. Toen de rook, die door den wind onmiddellijk weggeveegd werd, verdwenen was, zag men den kogel op de golftoppen ricochetteeren, daarbij prachtige waterstralen omhoog werpende, over de voorste prauw heenslaan, waarvan zij den voormast verbrijzelde, en een prauw, die er vlak achterkwam, in den grond boren. Woeste en wilde kreten, vermengd met angstgegil, drongen, op de vleugelen van den wind gedragen, tot de „Zeemeeuwquot; door. Kapitein Meerman liet dadelijk zijn stoomscheepje een paar streken afvallen, waardoor het stukje van den Franschen zee-ofiicier in de gevechtslijn kwam.
„Vuur! mijnheer Jaffrezic, vuur!quot; klonk het bevel.
Het tweede kanonschot van de „Zeemeeuwquot; was niet zoo gelukkig; toch had de kogel nog de touwwerken van een paar prauwen doorgesneden, zoodat het zeiltuig neerkwam en de verwai'ring daar aan boord grenzenloos werd.
Middelerwijl had Vogels zijn teruggeloopen stukje herladen, ditmaal met kartetsen. Toen de boot weer opgeloefd was, klonk het bevel: „Vuur, mijnheer Vogels!quot;
En fluitend gierde de kogelbui over de naderende prauwen, waar de verwarring al weer vermeerderd werd.
Toch hielden, de niet getroffenen vol. Wel was er een oogenblik aarzeling geweest, toen de Nederlandsche vlag omhoog gehaald was, waardoor de zeeroovers begrepen, dat zij dien buit niet licht bemachtigen zouden. De teerling echter was geworpen: moedig en stout zetten zij den aanval door.
Nogmaals klonk het kanon, het was het kartetsschot van Jaffrezic, dat, beter gericht als zijn eerste, groote verwoestingen onder de aanvallers teweegbracht.
Nu openden de zeelieden hun geweervuur op de naderenden, waarin ze werden ondersteund door de toeristen met hun twee bedienden, die met de Remmington-geweren een groote slachting onder de zeeroovers aanrichtten. Maar, in weerwil van dat alles,
194
TERNATE. — BESLUIT.
naderden dezen steeds. Nu nam kapitein Meerman het stuurrad uit de handen van den roerganger.... Kort daarop kreeg de boot een zwaren schok en werd een hevig gekraak vernomen, dat spoedig daarop door een onheilspellend angstgegil gevolgd werd. De „Zeemeeuwquot;, door de zekere hand van haar kapitein gestuurd, had met haar scherpen boeg de voorste prauw in den grond gestoomd. Het daarop volgende vaartuig wilde uitwijken, had daartoe evenwel den tijd niet, maar werd doormidden gesneden. De verwarring in de vijandelijke gelederen was haar toppunt nabij. Toch werd er aan opgeven van den strijd niet gedacht. Van een prauw, welke poogde te enteren, maar wie dat door de snelle vaart der „Zeemeeuwquot; niet gelukte, werden een paar stinkpotten aan boord geworpen, die door hun verstikkenden rook en hun walglijken stank de dames van het dek verdreven, die een toevlucht in het salon zochten, maar liet daar in haar radeloosheid niet konden uithouden en weer naar boven stoven. Nielsen en Ollerupp waren vlug bij de hand geweest; zij hadden die stinkpotten fluks opgenomen en in zee geworpen. Aan de andere zijde gelukte het een prauw, zich aan de „Zeemeeuwquot; vast te klampen. Met de doodsverachting der wanhoop klommen die bruinhuiden tegen den romp op en poogden zich door de enternetten baan te breken. Sabels en bajonetten begonnen nu hun bloedig werk en hakten op die armen en op die schedels of verdwenen in die naakte borstkassen, om een oogenblik later rood gekleurd van het bloed te voorschyn te komen. Zelfs Clotilde Visbergen had een handspaak opgenomen en beukte daarmede de vuisten van een onverlaat, die zich met de kracht der wanhoop aan den verschanwingsrand vastklemde en, genoodzaakt zijnde dien los te laten, met een rauwen kreet in zee plofte en door de schroefbladen vermorzeld werd.
Eindelijk was de „Zeemeeuwquot; de driedubbele rij prauwen te boven gekomen. Fluks brachten H. Jaffrezic en Vogels hun stukjes op hun rolpaarden achteruit. Nog een paar kartetsschoten dreunden, die de verwarring ten top voerden, en weldra was iedere vrees voor vervolging verdwenen. De „Zeemeeuwquot; had den prauwengordel, die haar meende te omsingelen, doorboord, was nu bovenwinds geraakt en spoedde zich thans voort, terwijl de Inlandsche vaartuigen met hun vierkante zeilen, die geen bij den wind houden gedoogden, haar onmogelijk volgen konden, al had daartoe ook de lust bestaan. Maar die lust bestond alles behalve. Nauwelijks was de vijandelijke vloot van de „Zeemeeuwquot; ontslagen, of de verschillende prauwen haastten zich om den te water geraakten natuurgenooten de behulpzame hand te bieden en het stoomschip verdween reeds aan den horizon, toen de zeeroovers-vaartuigen nog onbeweeglijk op de plek lagen, waar het gevecht geleverd was, en zich onledig hielden met de geleden schade aan romp en tuig zooveel mogelijk te herstellen.
Het was reeds donker, toen de „Zeemeeuwquot; Straat Sikassi bereikte, welke tusschen het eiland van denzelfden naam en het eiland Soeloe doorvoert. Men maakte evenwel spoed in die gevaarlijke buurt, zoodat, toen het morgen was, deze zeeroovers-archipel achter den rug lag en aan de kim verdween.
195
— BESLUIT.
196
ÏERNATE.
In den namiddag van den vijfden dag na die ontmoeting, gedurende welk tijdperk de „Zeemeeuwquot;, in de Chineesche Zee stoomende, slechts de noordelijkste kaap van Borneo, Tandjoeng Simpang Mengajouw, aan bakboord, en een paar dagen later het eiland Groot Natoena aan stuurboord in het gezicht kreeg, kwam zij te Singapore aan en weldra lag ze aan de kade van New-Harbour gemeerd. Bij aankomst aldaar vernam men, dat de „Avaquot;, een der fraaiste schepen van de „Messageries maritimesquot;, ieder oogenblik van China verwacht werd en drie dagen later, dus den Isten November, de reis naar Europa zou vervolgen. Het besluit van Henri Jaffrezic was genomen om, vergezeld van zijn echtgenoote, met dien bodem te vertrekken. Zijn broeder Louis Jaffrezic, Montauban en Boisjolin sloten zich daarbij aan; Nielsen en Ollerupp verkozen evenwel eens kennis te maken met een der booten van de Maatschappij „Nederlandquot; en zouden dientengevolge met Van Berkenstein en zijn echtgenoote en met Vogels en Visbergen met eega per „Zeemeeuwquot; naar Batavia stoomen, om van daar de reis naar Nederland te ondernemen.
Allen hadden te Singapore hun intrek in het Hotel de FEurope genomen en toen de laatste avond aanbrak, dat de reisgenooten daar onder de keerkringen te zamen zouden zijn, vereenigden zij zich nog eens aan een gemeenschappelijk diner, waarbij kapitein Meerman, de beide stuurlieden Barendt en Schipperheyn, alsook de twee machinisten van de „Zeemeeuwquot;, Wouters en Van Stolken, genoodigd waren. Bij het dessert overhandigde Van Berkenstein aan kapitein Meerman een prachtigen chronometer als aandenken der vereenigde toeristen aan hun samenzijn aan boord van het bevallige stoomscheepje. Ieder der overige genoodigden ontving een fraai gouden horloge met toepasselijke inscriptie, terwijl Nielsen aan allen, zoowel toeristen als zeelieden, een album toezegde, waarin niet alleen de photographische portretten der aanwezigen, die hij daartoe in voldoend aantal verzocht, zonden voorkomen, maar ook een honderdtal aquarellen, de fraaiste gezichten voorstellende van hun zoo merkwaardige reis. De oolijke Deen had zich in stilte in zijn hut beziggehouden met het vervaardigen van teekeningen, die hij nu circuleeren liet en die allev bewondering afdwongen. Hij zou ze in Europa verder uitwerken en dan te Leiden in kleurendruk laten vermenigvuldigen.
Daags daarna stond het reisgezelschap nog eenmaal vereenigd op de kade van New-Harbour te Singapore. De „Avaquot; lag tot vertrek gereed en blies dikke rookwolken uit, die in den vorm van een fijn zwart roet op de aanwezigen op de kade neervielen. Voor de laatste maal weerklonk de stoomfluit aan boord. Ernestine en Clotilde omhelsden Yolande hartelijk en met tranen in de oogen. Op het laatste nippertje zei de lieve Prangaise snikkende:
„Ik ben toch blij dat dat reizen bijna geëindigd is.quot;
De andere dames keken haar vragend aan. Toen boog zij het hoofdje naar de beide vriendinnen over en fluisterde haar blozend iets in het oor. Hetzelfde blosje verscheen op de wangen van Ernestine en Clotilde.
„Ik ook!quot; stamelde de eerste schuchter.
TERNATE. — BESLUIT.
„Ik ook!quot; sprak de andere meer beslist. „Ik verdenk nog altijd de nabijheid van de Kalie Soetjojo, gij weet wel, te Salatiga.quot;
Mie drie knikten glimlachend en bevestigden te zamen, terwijl zij nog een kus wisseldea;
„Ik ben toch blij, dat dat reizen bijna geëindigd is!quot;
De achterblijvende heeren drukten den vertrekkenden de hand. De scheepstrossen werden losgegooid, de zware loopplanken op de kade gehaald. Men riep elkander nog een vaarwel! tot weerziens! toe. Toen verwijderde zich het trotsche zeekasteel van de kade; de machine sloeg vooruit en de „Avaquot; stevende weldra diezelfde Straat Pandjang in, die de toeristen ongeveer anderhalve maand geleden te zamen doorgestoomd waren. Nog een wijl was de Fransche mailboot zichtbaar, maar in die zeeëngte verdween zij weldra achter een uitspringenden hoek.
Den volgenden dag vertrok de „Zeemeeuwquot; in den vroegen morgen van Singapore. In den namiddag van den tweeden dag stevende het vaartuig Straat Banka in en liep die des namiddags van den derden dag weer uit.
Bij het aanbreken van den vierden dag was het eiland Noordwachter in het gezicht en tegen het middaguur liep de „Zeemeeuwquot; Batavia's haven te Tandjoeng Prioek binnen.
Die aankomst had plaats op den 5den November. De reis door den archipel was den 25^en Augustus begonnen en had bijgevolg 73 dagen geduurd.
Onze reizigers hadden reeds in de haven het stoomschip „Koningin Emmaquot; opgemerkt. Dat zou den llden November zee kiezen om naar het vaderland te vertrekken.
Den laatsten avond, dien de reizigers samen doorbrachten, ontvingen ook Vogels en Visbergen van Van Berkenstein, natuurlijk namens al de andere tochtgenooten, een souvenir.
Den volgenden ochtend namen Clotilde en haar echtgenoot en Vogels te Tandjoeng Prioek afscheid van de vertrekkenden. De „Koningin Emmaquot; stoomde de haven uit, zwenkte, nadat zij buiten gekomen was, links om en was weldra uit het gezicht verdwenen.
Eenige maanden later — het was op Zondag 15 April 1886 — stapte Vogels in den voormiddag het Marine-hotel binnen, met het doel om kapitein Meerman een bezoek te brengen. Hij vond er den zeeman, die de voorgalerij van het hotel op en neer stapte. Na een handdruk gewisseld te hebben, namen zij plaats naast elkander en een van de eerste vragen van den Sienjo was, of hij ook een kennisgeving van Visbergen had ontvangen.
„Ja,quot; antwoordde hij. „Zijn vrouw heeft hem 5 Maart een zoon geschonken.quot;
„Juist negen maanden na ons bezoek te Salatiga,quot; merkte Vogels lachende op.
„Ja, maar ik heb meer,quot; hernam kapitein Meerman, niet minder lachende. „Gisteravond is de „Emirnequot; op de reede gekomen en hedenmorgen ontving ik mijn mailbrieven.quot;
„0! dan zal ik ze thuis ook wel vinden.quot;
„Hier hebt gij er een paar, die u ook wel interesseeren zullen.quot;
197
TEENATE. —
198
BESLUIT.
Vogels keek de brieven in.
„Drommels!quot; zei hij: „dat is toevallig! Mevrouw Jaffrezic is te Dieppe en mevrouw Van Berkenstein te 's-Hage den 5di;n Maart bevallen, de eerste van een meisje en de tweede van een jongen! Wel, ik herhaal het, dat is toevallig! Die drie dames mamaatjes geworden op één en denzelfden dag! Wij zullen haar feliciteeren, nietwaar?quot;
Dat heb ik reeds gedaan. De mail sluit morgen.quot;
„Nu, dan spoed ik mij naar huis om te schrijven, want morgen heb ik dienst en dus geen tijd. Maar .... maar ....quot;
„Maar?....quot; vroeg kapitein Meerman.
„Ik zal allen jonggetrouwden aanraden, om naar Salatiga te reizen,quot; antwoordde Vogels. „Het inademen der lucht daar is reeds voldoende voor de.... gezondheid! Men kan werkelijk een bezoek aan Kalie Soetjojo achterwege laten!quot;
En weg was hij.
Eerste Hoofdstuk. Bkdz. Tandjoeng Prioek en Poeloe Merak.................. 1.
Tweede Hoofdstuk.
In Straat Soenda.........................11.
Derde Hoofdstuk.
De Lampong-baai. — De pepercultuur.................20.
Tierde Hoofdstuk.
Door Straat Lagoendi. — In den Indisch en Oceaan.............33.
Vijfde Hoofdstuk.
Padang. — Naar de Bovenlanden...................41.
Zesde Hoofdstuk.
Het Meer van Singkarah......................60.
Zeveude Hoofdstuk.
Naar Fort De Koek. — Het Karbouwengat. — Het Meer van Manindjoe.....60.
Achtste Hoofdstuk.
Het Meer van Manindjoe. — Goegoer Malientang.............69.
Negende Hoofdstuk.
Van Priaman naar Atjeli......................79.
INHOUD.
De Willemstoren. — Oleh-Leh....................87.
Elfde Hoofdstuk.
Een rit door Groot-Atjeh. — De tabakscultuur............... 97.
Twaalfde Hoofdstuk.
Tandjong Pinang. — Storm op zee...................106.
Dertiende Hoofdstuk.
Blitong. — Tinsmelten en tindel ven..................115.
Veertiende Hoofdstuk.
In het oude Bandjermasinsche rijk...................125-
Vyftiende Hoofdstuk.
Langs de Barito. — Een Borneoosch meer................136.
Zestiende Hoofdstuk.
Makassar. — Soeradjirang......................148.
Zeventiende! Hoofdstuk.
Growa. — Naar Banda. — De Notencultuur...............157.
Achttiende Hoofdstuk.
Op den Papenberg. — Naar Amboina..................166.
Negentiende Hoofdstuk.
De kruidnagel teelt. — De kajoe-poetie-olie................176.
Twintigste Hoofdstuk.
ïemate. — Besluit........................186.
— 11
_
. ■- V.'--
...... f:
pKiMfesË . te , i ^
iÉli|iilll■
ïSK; • -
;: ; I
: i : ■ ■N
i1quot;
i| tu-.j} . .
«ippWi:::: . ; :
Wmkmi
*$ik-amp;é]L^ fïSï'liil;lt;-($f ti'W/''létyWé/. fyJïui-r'-urtiquot;• amp;4A-*-'My,t •;quot;'■gt;•■•j
jjMlllijHlOT fiw* ».lt; -V. - •■•) —.-■; •vquot;quot; ■-• ••■ ; ■.'; : * '.J.K'.