ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

AcA

u

v-. \_

YOOEDRACHTEN

' BIBLIOTHEEK DER I RljKSUNlVERSiTElT ; UTRECHT 1

WILLEM VAN ZÜIJLEN

Instituut voor Theaterwetonfchap ^

der R-U. iS-'/'o/iS'fyc-

UTRECHT ;\'gt;7 jsy

V

VAN

MET 30 TEBKENINGEN VAN

J. LI^NTSE

TWEEDE DKXJK

AMSTERDAM S. WARENDORF Jr.

ocr page 6
ocr page 7

lt;?o - 3/*r

Instituut voor Theaterwetenschap der R.U. te

UTRECHT

KERMISREIZIGERS

iioo n

WILLEM VAN ZUI.ILEN.

't Is half Mei — guur weer — een leelijke Noordenwind doet bijna iedereen hoesten en kuchen.

quot;We zijn op den weg, die van A. naar H. voert, een slechte hobbelige weg, vol aardklonten, die het gaan voor paard en wagen zeer bemoeilijken en er zijn juist op dien weg een paard en wagen, die zich langzaam voortbewegen, 't Is een kermiswagen, maar niet een, zooals er nog

ocr page 8

6

yele op de kermissen worden aangetroffen, van alle gemakken voorzien; neen, deze scheen reeds van zeer ouden datum te zijn, en was dan ook, wat het bovenstel betrof, geheel van linnen.

Hier en daar zelfs trof men een vierkant bont stuk, dat er ingezet was, en van vroeger, beter dagen getuigde, of een stuk van een vleeschkleurig tricot, dat niet langer kon voldoen om de tamelijk dunne beenen van den kunstenaar, wien de wagen toebehoorde, te bedekken.

Het gezin, dat daar over den weg voortschreed, (want het was een gezin), bestond uit vader, moeder, twee kinderen en een hond.

Zoek onder de kermisgasten een gezin, van de pop-penkastvertooners en draaimolenhouders af, tot de kramen- of tentenbezitters toe, allen hebben een hond, die koude, warmte, in één woord, lief en leed met hen deelt, hoe vreemd en zwervend hun leven ook moge zijn.

— Vier dagen geleden was de vrouw van professor Charles, zoo noemde hij zich op de kermissen, als hij de rol van waarzegger of Hercules vervulde, (zijn eigenlijke naam was Karei Smit), vier dagen geleden was de vrouw van den professor moeder geworden van haar tweede spruit, die thans aan haar borst rustte.

Tevergeefs beproefde ■ het kindje, dat onrustig de armpjes bewoog, zich het natuurlijk voedsel te verschaffen. Helaas, wat onze lieve kleinen zoo noodig hebben om te groeien en kleurtjes op de wangen te krijgen, kon een lichaam als van deze vrouw, verzwakt door honger en ontbering, niet geven.

Door honger en ontbering ? Ja!

ocr page 9

7

Niet iedereen weet, hoe dergelijke gezinnen den winter, als er geen kermissen zijn waar te nemen, doorbrengen.

Niet iedereen weet, dat van het weinig overgespaarde • van de zomers, gedurende dien tijd vaak meer dan bekrompen wordt geleefd.

Niet iedereen weet, dat om wat over te houden voor een klein verfje aan het tentje, waarin de kunsten vertoond moeten worden, dikwijls broodsgebrek wordt geleden.

En dan na den winter vol kommer en ellende gaan ze moedig weer op weg naar de eerste kermis de beste; altijd kermissen in kleine plaatsen, want lui, zooals we hier ontmoeten, krijgen op grootere jaarmarkten meestal geen plaats.

Ze was dan voor de tweede maal moeder geworden, de vrouw van onzen kunstenmaker.

Het was gebeurd in een heel klein plaatsje, waar ze hadden stil gehouden, omdat de vrouw reeds den geheelen dag alle verschijnselen had waargenomen van hetgeen ze verwachtte. Een vrouw uit het dorp had haar goedhartig bijgestaan, een paar andere bewoners uit het plaatsje hadden nog wat kleertjes gegeven aan de arme stak-kert, zooals ze haar noemden, zelfs had ze wat melk te drinken gehad; en toen ze op den morgen van den dag, dat wij hen ontmoeten, vertrokken, omdat ze anders de kermis te H. zouden misloopen, kwam er een groote, dikke boer, die al twee dagen, zoo meende Charles, met zoo'n verachtelijk gezicht zijn wagen had bekeken, en zei onder het wegrijden, terwijl hij den spulleman wat in de hand liet glijden: „jou mot maar een goed stuk vleesch voor 't wief koopen, anders hold de arme ziel 't niet uut.quot;

Charles drukte de toegestoken hand, knikte dank-

ocr page 10

8

baar en antwoordde: ,/daar doe je een weldaad aan/ De boer draaide zich dadelijk om, mompelde iets tus-schen de-tanden, stak zijn pijp op en volgde met de oogen den kermiswagen, zoolang, tot hij uit het gezicht was. Charles liep bij het paard.

Zijn zoontje Bart, een jongen van ongeveer acht jaar, speelde in den wagen met Flip, den hond.

De vrouw was in een lichte sluimering geraakt. Ze lag achter in den wagen in een soort van bak, zooals men in kleine burgerhuishoudens nog wel eens ziet gebruiken om de kleinste in te laten slapen. Een schuifgordijn van gekleurd sits verborg haar slaapplaats.

«Vader//, riep opeens de kleine Bart, na een lange stilte, „wat moest die pummel nog van je hebben'?quot;

////Houd je bek met je pummel, of ik geef je een pummel, die raak isquot;quot;, was de welsprekende raad van den professor; fluisterende vervolgde hij; ////een brave vent; hij heit me een rijksdaalder in de hand gestopt om voor je moeder wat vleesch te koopen, en dat zal ik doen ook, als we aan de sluis zijn. Daar is altijd vleesch te krijgen en de vrouw, die in de uitstalling woont, ken ik al jaren ; die zal het wel klaar maken. Ik hou nog wat over; dat doe ik bij het staangeld, dat ik vooruit moet betalen, want die negers van marktmeesters denken altijd met afzetters te doen te hebben.^

//Oquot;, zei Bart, die door den rijksdaalder den boer in een rooskleurig licht zag, //een riks, nou dan is het een goeie vent! Allo Flip ! Een walsje voor den boer \quot;

Het luide spreken had de vrouw doen wakker worden. Zij schoof het gordijn weg, en vroeg Bart, wat er aan de hand was.

ocr page 11

9

„Niks Moeder, vader zeit, dat-i een rikspop heeft gekregen van een boer, en aan de sluis krijg je lekker vleesch \quot;

Een gekregen rijksdaalder was ook voor de vrouw zoo iets buitengewoons, dat ze den kleinen jongen dadelijk verzocht op te laten houden. Deze voldeed terstond aan den wensch van zijn moeder, door „pst,, te roepen, en als opheldering bijvoegend, toen Charles vragend omkeek; «Moeder vraagt of je even op wil houën».

Charles was terstond gereed. Het paard werd met een „ho Boer \quot; tot staan gebracht, wat trouwens niet moeie-lijk was.

Vlug liet hij den stelt vallen, waardoor de wagen niet meer op het paard rustte, en vroeg daarna met belangstelling en zachtheid: „„Wat wil je Annet'?////

„Wat zegt Bart'? heb je een rijksdaalder gekregenV

Zijn gelaat betrok eenigszins bij die woorden van zijn vrouw.

„„O, heeft die langtong zijn bek weer niet kunnen houden'? — 'k had je er zoo graag mee willen verrassen.quot;quot;

„Vleesch/' zuchtte de vrouw, met een toon in haar stem, die verried, dat dit geen dagelijksch artikel voor haar was.

„„Ja!quot;quot; zei Charles, „„vleesch en nog wat te drinken er bij. 't Ts een uitkomst, 't zou er anders mooi met jou gaan uitzien: een kind, dat zuigen wil en niets krijgt.

— Van avond zal jij ook je buikje vol hebben, nietwaar stumperdje,quot;quot; en hij tikte met zijn grooten vinger op de wang van het bleeke kindje, kneep zijn Net in de kin, en ging na een oogenblik in stilte voort: „„als we nou maar

ocr page 12

10

een goed plaatsje hebben getroffen bij de loting! Zoo'n beetje in de drukte! dan is alles weer in orde.... jij krijgt nou tijd om uit te rusten. Voor den wagen zullen we een stil plekje uitzoeken, bij andere reizigers, dan zit je niet zonder aanspraak en ik zal de boertjes zooveel mooi's voorspellen, dat hun de haren te berge

rijzen____Wil je soms eens verleggen'?quot;

„Neen, trek het kussen alleen wat op en geef me een koppie water, Charles\quot;

,/,/Toe, Net, nog vijf minuten en we zijn aan de sluis,

dan krijg je melk, dat is nog veel beter..... maar

als je wilt.....quot;

„Ja,quot; zei Annet, /./mijn lippen zijn zoo droog.... een heel klein slokje.quot;

Hij schonk uit een groote kruik, die onder aan den wagen hing, aan een strop vastgemaakt, in een aarden kommetje een teugje water, en liet dat zijn vrouw uitdrinken; hing daarop de kruik weer op haar plaats boven het houtwerk van het tentje, dat ook onder den wagen, netjes bijeen gebonden bevestigd was, wipte de stelt in de hoogte, streek zijn ouden knol eens bemoedigend over den ruigen nek en daar ging het weer verder.

Sinds een kwartier hadden ze een goeden straatweg, zoodat het wat vlugger ging en de vrouw daardoor minder last had van het stooten van den wagen.

'tWas langer dan vijf minuten, zooals Charles gezegd had, om aan de sluis te komen; 'twas bijna een half uur, maar we hebben allen op onze beurt zulke leugentjes gebruikt, waar er een lieve zieke te troosten of gerust te stellen viel. Eindelijk.... de brug!

Het schijnt, dat ook het oude paard frisschen moed vat;

ocr page 13

11

althans als zijn baas hem tracht aan te voeren door een: „Hup Boer! en hem met een zetje met de hand aan het wiel wat helpt, valt hij met zijn knokkige schoften met een ruk in het gareel.... en dan.... de doorreed in.

Daar was de sluis.

Bart was met een sprong uit den wagen, liet de stelt vallen, terwijl zijn vader het paard losliet, naar den wagen ging en vroeg: ^Hoe is 'tnou. Net?

Ze was rillig en gevoelde zich zoo vreemd.

„„Geen wonder,quot;quot; zei Charles, „„maar 't zal nou gauw beter zijn, ik zal dadelijk voor je zorgen! Bart maak jij, dat Boer een beetje klaver krijgt; dat mot er van af!quot;quot;

Vlug gaat hij daarop de herberg binnen, waar hij de vrouw des huizes vindt en haar den toestand van zijn vrouw meedeelt.

Deze een goed boerenvrouwtje, was terstond bereid dadelijk wat voor de zieke klaar te maken.

„„Maar een goed stuk vleesch,quot;quot; zei Charles, die van vleesch alle heil scheen te verwachten.

„Ja, ja...quot; kreeg hij ten antwoord, „voor jou en je jongen! Laat mij nu maar voor je vrouw zorgen. Wat weet dat mansvolk van eten voor een kraamvrouw.quot;

Tegen die gegronde aanmerking kon de professor niets inbrengen. Hij liet alles aan de herbergierster over, dronk zelf een borreltje, en bracht een glas bier aan Bart.

Deze jeugdige kunstenaar was juist voor de deur bezig eenige hengelaars, die van hun vermoeiend werk uitrustten, de bekwaamheden van zijn hond te vertoonen.

Toen evenwel het schuimende bier verscheen, week de kunst voor zijn dorstige natuur.

De voorstelling werd oogenblikkelijk gestaakt en in één

ocr page 14

12

teug sloeg hij het glas gerste naar binnen; wat een der heeren omstanders den bewonderden uitroep afdwong; „Jij kunt er nog wel zoo'n paar aan, hè?quot;

////Dat mot je probeeren,//// zei Bart. Als antwoord werden hem twee dubbeltjes toegeworpen, die hij, zonder daarover beleedigd te zijn, in zijn schoenen deed verdwijnen : den gewonen spaarpot van zulke jongens.

Toen Charles een kwartier later bij den wagen terugkwam, had zijn vrouw alles, wat ze noodig had en mocht hebben.

De waardin stond bij haar en nam na eenige minuten afscheid van Annet: '/Nou stumperd, hou je goed hoor! en wees nou maar wat rustig \quot;

Charles ging mee naar binnen, betaalde wat er te betalen viel, of liever, wat de vrouw hem wilde laten betalen, want hij kreeg van zijn rijksdaalder terug met de woorden; ,/Laten we nu maar zeggen, dat het zoo goed is. Je bent toch alle menschen niet!quot;

Vijf minuten later was de wagen weer op weg, zooals we dien het eerst ontmoet hebben, met dit onderscheid evenwel, dat Charles er veel opgeruimder uitzag, zijn vrouw niet meer zoo rillig en vreemd was, en Bart met meer hartelijkheid Flip, den hond, streelde, vooral als hij den oogen naar zijn schoenen wendde.

Zoo bereikte het gezin tegen den avond het plaatsje H.

Cliarles, die met de plaats bekend was, zocht met den wagen een rustig plekje uit, even buiten de stad; en bezorgde zijn paard in een uitspanning, om den volgenden morgen te gaan hooren, waar zijn standplaats was. Hij liet Bart een brood halen en wat melk voor de vrouw, zette zelf in dien tusschentijd koffie voor zich en den jongen, at na diens terugkomst met hem een

ocr page 15

13

paar dikke sneden van het grauwe tarwebrood, gaf zijn vrouw een zoen, waarin de jongen hem volgde en beiden legden zich gekleed voor in den wagen. Zij trokken het zeil aan den voorkant dicht, en met een „wel te rusten, Is'etjequot; en een ,/nacht Joh,quot; sliep de familie Charles in.

Al heel vroeg was Charles den marktmeester gaan opzoeken, van wien hij tot zijn groote teleurstelling vernam dat zijn plaats niet van de beste was, maar toch nog zoo heel slecht niet had deze er bij gevoegd, toen Charles de plaats was aangewezen, en hij het voor 't kiezen had, haar te nemen of niet.

Hij betaalde het verschuldigde staangeld en zuchtte: ////er is niets meer aan te doen; ik moet wel; we zullen maar hopen.quot;quot; Nu er was niet veel te hopen voor den goeden man. Het plekje, waarop hij zoo even het recht had gekregen, om er zijn tentje neer te zetten, was gelegen achter het plein waar de eigenlijke kermis stond, en waar alles dooreengeplaatst, tenten, kramen, draaimolens, krachtmeters enz. een recht vroolijk gezicht opleverde.

Van het plein rechts afgaande was op den hoek het zoogenaamde gemeentehuis. Een nauwe straat doorgaande, zag men een groot stuk grond, hier en daar met gras begroeid en ingesloten door hooge boomen.

Aan de eene zijde van dit veld was de gasfabriek, aan de andere zijde werd het begrensd door het zwarte ijzeren hek van het kerkhof.

Op het midden ervan was een groote ruimte afgestaan voor het plaatsen van een schouwburgtent, voor wie die stille plaats zeer gewenscht was, om door liet verschillende kermisrumoer niet gestoord te worden.

ocr page 16

14

Aan den ingang van dit stuk land, moest Charles zijn tentje opslaan.

Maar de stilte, die de schouwburgtent zoo goed te stade kwam, was doodelijk voor het bezoek, dat Charles noodig had. Want, nietwaar, dwalende paren, kijkende kermisklanten had hij noodig, die hij door de wonderen van zijn kuust op te hemelen, in zijn tentje moest lokken.

Maar hier op deze plaats, geheel afgescheiden van het gewoel en de drukte... Charles had nog nooit één oogen-blik geloofd aan de wonderen, die hij anderen voorspelde, maar op dit oogenblik deed hij zich zelf eene voorspelling, waaraan hij zeker geloofde, en die heette: ongeluk en honger.

Toen hij aan den wagen terugkwam, was het niet moeie-lijk voor zijn vrouw en Bart op zijn gezicht het slechte nieuws te lezen, maar hij trachtte hen beiden te troosten, met te zeggen: ^och, wie weet hoe 't nog meevalt,quot;'' ofschoon hij zelf overtuigd was van het tegendeel.

„„In elk geval/'quot; zei hij, „heb jij een rustige plaats. Netje. De wagen blijft vlak achter de tent, dus zijn we altijd bij je. Hoe is het nu van morgen?quot;quot;

„Och,quot; antwoordde Annet, „met mij maar zoo, zoo! Dat rillen en beven komt telkens terug, en dan ben ik ook wat pijnlijk, maar dat zal wel beter gaan, als we maar wat menschen krijgen met de kermis, en als ik wat rusten kan, zal je eens zien, hoe gauw ik opgeknapt ben. Kom, geef hem maar een zoen, en ze hield hem het kindje voor, misschien brengt hij je geluk aan. Hij is ons toch niet gegeven om ons ongeluk aan te brengen.quot;

„„Dat hoop ik ook niet,quot;quot; mompelde Charles, terwijl hij op 't kleine gezichtje een zoen drukte, en niet beletten

ocr page 17

17

een presenteerblaadje, dat bij het einde van elk seance dienst deed, als Bart, als pias, een klein drinkgeld of douceur verzocht.

't Was half zeven 's avonds, toen Bart aan den wagen kwam, om aan zijn vader te vragen, of er licht op moest.

„„Waf? licht . . . zei Charles, die den geheelen dag niet van den wagen was geweest, op wreveligen toon, omdat hij den geheelen dag nog geen enkel entreé bad ontvangen, „„licht ook nog____er komt toch geen mensch.////

De arme Annet had sedert Zaterdagavond voortdurend koorts gehad en werd steeds warmer en glooiender.

Charles had den geheelen dag bij haar doorgebraeht, en had op haar klagen over pijn reeds tweemaal voorgesteld, naar een dokter te sturen, maar Netje had dit telkens geweigerd.

Een van de kermisreizigers, die ook een plaats voor zijn wagen op het veld had gezocht, had zijn vrouw al eenige keeren met wat melk gezonden voor het kind, dat met tegenzin zoo nu en dan wat uit de zuigflesch dronk.

„„Nou, één lamp, dat is al mooi////, zei Charles en herhaalde: „„er komt toch niemandquot;quot;.

Netje trachtte hem moed in te spreken, maar hij bleef neerslachtig in het halfduister bij haar zitten.

Opeens werd de stilte afgebroken door de stem van Bart, die voor de tent eenige bezoekers trachtte te lokken:

„Komaan! komaan! heeren en dames, ga binnen! ga binnen, aarzel niet langer. Hier is 't dat je zijn moet. Alles wat je weten wilt, van het verleden en de toekomst, wordt je hier voorspeld; wanneer je trouwen zult,

2

ocr page 18

18

hoeveel kinderen je krijgt; hoe oud of je wordt; of je rijk of arm zult worden; hier weet men alles! alles! De eenige onnavolgbare professor Charles is hier gearriveerd; voor verschillende vorsten en hooggeplaatste personen heeft hij reeds zijn wonderen verricht. Hij zal ook u de toekomst voorspellen en ten slotte u verrassen met zijn onnavolgbare werkzaamheden in de hoogere magie of tooverkunst; aarzel niet, 25 cents de eerste rang en 15 cents de tweede; ga binnen; ga binnen!////

Het scheen dat zijn welsprekende woorden doel hadden getroffen, althans een klein belletje waarschuwde Charles, dat hij moest verschijnen. De professor wierp zijn duffel, dien hij over zijn wonderpak had aangeschoten, uit en trad op het tooneeltje, waar hij een gezelschap van boeren en boerinnen vond, bestaande uit elf personen, die met Bart 't accoord gemaakt hadden, om gezamenlijk voor 25 stuivers de wonderen van den onnavolgbaren professor Charles te hooren.

Bart, die wel jong, maar toch geslepen was, en die even als alle dergelijke kermisreizigers niets afsloeg, en nooit iemand wegstuurde, had terstond het geld in ontvangst genomen.

De voorstelling begon.

LT daarop te onthalen zou een ondankbaar werk zijn.

Allen hebben 't voorzeker wel eens gehoord en gezien, en bovendien, professor Charles in zijn toestand nog te critiseeren komt allerminst te pas.

Na verloop van een kwartier was de voorstelling afge-loopen en Charles keerde in den wagen terug bij vrouw en kind. De avond ging voorbij zonder dat een kermisklant nog lust gevoelde, een bezoek te brengen aan de tent van den onnavolgbaren profes ssor.

ocr page 19

19

't Was al half twaalf: de lichten van de schouwburgtent waren reeds uitgedraaid, waardoor het veld nog somberder werd. Bart zat bij zijn cassette te slapen totdat zijn vader, die het licht uit kwam doen en de tent kwam sluiten, hem met een stomp wakker maakte. Hij gaf dezen de ontvangen vijf-en-twintig stuivers,en mompelde nog iets van een boterham, waarop hij de weinig hongerstillende verzekering ontving; „morgen, misschien, als het beter gaat!quot;

Beiden kusten Annet weder goeden nacht; Charles zei, als naar gewoonte, maar nu bijzonder zacht en treurig; ,/,/Wel te rusten, Netje en na zich van hunne costumes ontdaan te hebben, legde vader en zoon zich neer om te slapen.

Maar dat ging toch niet.

Charles zelf rustte niet en bracht een groot gedeelte van den nacht, slapeloos, wanhopend, door.

Zoo gingen de zaken, den eenen dag voor, den anderen na; ellende van vroeg tot laat.

Geen bezoek — zoo nu en dan een paar verdwaalde jongens of meisjes van twaalf of dertien jaren, maar die werd dan maar wat voorgepraat door Bart, die zich voor den professor uitgaf.

Charles had een dokter ontboden, die ook iets had voorgeschreven, maar reeds aan een van de vrouwen, die zoo nu en dan eens kwamen kijken, hoe het met de zieke stond, gezegd, dat het met moeder en kind wel spoedig gedaan zou zijn. Geen voedsel, een verzwakt, uitgeput, lichaam en voortdurend koorts en pijnen.

't Kon ook niet anders.

Reeds Vrijdags was het wichtje zachtjes voor goed ingeslapen in de armen van de moeder, die 't pas een half uur later bemerkte en op hartverscheurenden toon Charles

ocr page 20

20

riep, opdat hij toch zeggen zou, dat het niet waar was. Maar Charles was wel zooveel waarzegger, om te weten, dat hij hier niet liegen kon.

De. Zaterdag was aangebroken, de Zaterdag, de eenige dag, dat er nog iets te verdienen zou vallen, als het eens goed vol op de kermis was.

Reeds vroeg zat Charles in zijn costuum, te turen naar de jagende borst van zijn vrouw, die daar in een verschrikkelijke koorts lag, en telkens in haar ijlen, haar kindje, haar kleinen Karei, roepende.

Men had het lijkje van het wichtje zoolang bij een van de andere reizigers gebracht.

O, wat had Charles niet willen geven, als hij die kleeren had kunnen uitdoen.

Hij was zich zelf ten spot in zulk een gewaad te zitten bij een stervende vrouw;.... maar dat is het beroep .... lachen, met den dood in 't hart.

En Charles moest nog lachen, want wonder boven wonderen, 's-avonds, nadat hij den geheelen dag niet uit den wagen was geweest, kwam er een gezelschap van ongeveer zestien personen, die allen het volle entréegeld eersten rang betaalden, vroolijk, lachende en zingende de tent binnen om zich de toekomst te laten voorspellen.

Het waarschuwende belletje klonk luider dan gewoonlijk.

Charles sprong op; zijn vrouw zag hem met gebroken oogen lachend aan, terwijl hij zijn overjas uitwierp, en de tranen, die hem uit de oogen welden, afwischte.

Na nog een korten blik op haar geworpen te hebben, snelt hij heen en treedt op het tooneeltje, onder het lachen en gillen van de jongelui, die daar verzameld zijn.

Hij begint zijn toeren. Ze schijnen hem een uur te

ocr page 21

21

duren, wat hij anders in een kwartier verricht. Telkens houdt hij even, angstig luisterend op, omdat hij ongewone drukte meent te hooren.

Eindelijk kan hij het niet langer volhouden. Hij zal de voorstelling, zooals hij zegt, ,/besluiten met een zijner sterkste toerenK', als opeens een rauwe gil klinkt: „Charles! Charles!quot; terwijl men het geluid van Bart onderscheidt, die weenend roept: „vader, moeder sterft, kom toch, kom toch \quot;

Als een waanzinnige snelt Charles, zonder meer om zijn publiek te denken, van het tooneeltje af.

Groot gelach onder de toeschouwers, die dat voor een grap houden en hoe langer hij wegblijft, des te luidruchtiger wordt hun vreugde.

Geroep: „Waar blijft nu de professor'? Voor den dag met hem! Is 't gedaan of komt er nog meer?quot;quot;

Daarop komt een agent van politie de tent binnen en deelt bescheiden en kalm de toedracht der zaak mede.

Allen zwijgen — niemand lacht, men wil vertrekken. Kleine Bart komt op het tooneeltje en begint de kaarsen uit te doen en de andere benoodigdheden op te ruimen.

Daar valt het oog van een der vertrekkende bezoekers op het presenteerblaadje.

Het gebruik daarvan vermoedende, vat hij Bart bij den arm en zegt: „Waarvoor moet dat dienen ?quot;

En Bart, uit kracht der gewoonte; „„Een douceur of drinkgeld voor den kleinen pias!quot;quot;

„Wacht even, jongens!// roep de ander, neemt het presenteerblaadje en gaat er mee rond.

De smart van den kermisman heeft hen goedgeefsch

ocr page 22

23

gemaakt, en ze verrichten een weldaad op dit oogenblik van zooveel verdriet........

's Maandags daarop bewoog zich een kleine stoet, uitgaande van een kermiswagen, die zich op een der achterpleinen van het stadje H. bevond. — 't Was een begrafenis! — De weg, dien men had af te leggen, was niet groot. Maar wat beteekende dat?

Zoo aanzienlijk was de stoet niet, dat men er zooals gewoonlijk, een omweg mee maakte.

Wat was het óok?

Het lijk van de vrouw en het kind van den spulleman.

Iedereen weet immers, dat dat niets beteekent.

Men kwam er niet eens naar kijken. Wat zou er ook te zien geweest zijn aan die gemeene, ongeschaafde kist, met dat rosachtig verschoten katoenen kleed?

Hoegenaamd niets immers!

Wat was er ook voor merkwaardigs aan dien bedroefden man en dien kleinen jongen, die achter het lijk liepen.

Niets, immers, niets!

Als ze nu in deftige rijtuigen hadden gezeten, met paarden met zwarte pluimen op de koppen .... ja, dan was 't heel wat anders geweest — maar nu .... 't beduidde immers niemendal!

De eenige, die belangstelling toonde, was een kleine hond, die aan den wagen vastgebonden, door zijn klagend gejank te kennen gaf, dat hij ook den stoet volgen wilde.

Maar honden worden op het kerkhof niet toegelaten.

In een half uur was alles afgeloopen.

Dinsdagmorgen stond professor Charles met zijn wagen klaar om te vertrekken. De tent hangt er weer onder

ocr page 23

23

gebonden. Hij wacht en ziet zoekende rond naar Bart, dien hij mist.

„Ah !... hij komt van 't kerkhof.

„quot;Wat heb je daar gedaan 1quot; vraagt de kermisman.

„,/k Heb een paar roosjes op moeders plekje gestrooid.quot;quot;

„En 't geld? hoe kom je daaraan'?quot;quot;

„„Ik had nog twee dubbeltjes in mijn spaarpotquot;quot;, zegt de kleine jongen, op zijn schoenen wijzende.

Een seconde staart de spulleman zijn jongen aan, dan drukt hij hem onstuimig aan 't hart en zoent hem op 't voorhoofd.

,/Komaanquot;, zegt hij een oogenblik later. „We moeten weg!quot; En hij kijkt in de richting van het kerkhof, als of hij heel in de verte iets zocht.

„„Als we het nu maar wat gelukkiger treffen!quot;quot; hoopt kleine Bart, ook in dezelfde richting turende.

„Wat kan 't me schelenquot; .... zegt de professor, zich afwendende. „Ongelukkiger dan hier kan ik het al moeie-lijk treffen!quot;

Nog eens wendt hij het hoofd om naar liet kerkhof en fluistert:

„Voor 't laatst, wel te rusten, Netje!quot; dan ruw : „Vort Boer!quot;

ocr page 24

EEN RUSTIG STÜDIEUÜRTJE

DOOR

WILLEM VAN ZUIJLEN.

Ik ben een tooneelspeler. Natuurlijk ben ik dikwijls genoodzaakt mij een uurtje in mijn kamer op te sluiten, ten einde de een of andere nieuwe rol te leeren of een oude, die weer voor het voetlicht moet komen, te memoriseeren.

Mijn kamer ziet er niet ongezellig uit. Dat is voor ons acteurs ook noodig om in de juiste stemming te komen.

Zoodra ik met dat doel naar mijn kamer ga, geef ik mijn huisgenooten last, me niet te storen, wie er ook kome, wat er ook gebeuren mocht. Ik moet erkennen: dit bevel wordt steeds stip opgevolgd. Maar, helaas! mijn huisgenooten bezitten de macht niet mij een uurtje rustig te laten studeeren. Andere machten bestaan er, die me

ocr page 25

25

dat uurtje bijna altijd vergallen, zoodat ik eindelijk tot het besluit ben gekomen: voor mij bestaat geen rustig studieuurtje meer !

Ik zal u zelf laten oordeelen.

[k begin met mijn rol in de hand te nemen, eens op en neer te loopen, te gaan kijken, wat er op straat voorvalt, — mijn kamer geeft uitzicht in een dwarsstraat, — een sigaar op te steken en eindelijk lees ik hardop uit mijn rol:

„Neen, lieve Emma, de liefde, die ik voor u gevoel, is niet in woorden uit te drukken ; het isquot; ...,

,/Groote \quot; roept een stentorstem achter in de straat.

Ik wacht een oogenblik, tot ik voor de tweede maal, maar nu nóg harder hoor roepen;

,/Groote!quot; .... Geduldig wacht ik opnieuw. Daar klinkt 'l weer : „Grootequot; ....

Goede God, wat heeft die man dan toch voor groote 1....

Voor de vierde maal klinkt het nu: ^Groote......

mosseele lquot;

Goddank, 't is er uit! 't Is voorbij. Hij heeft groote mosselen te koop. Waarom dat niet dadelijk gezegd? Ik wacht even, want hij zal 't nog wel een paar keeren moeten roepen en dan stoort hij me maar weer in m'n rustig studieuurtje.

En inderdaad nog eenige malen hoorde ik hem eerst roepen:

^Groote!..... eindelijk gevolgd door het galmpje:

//inosseele \quot; Zijn stem sterft weg en ik begin opnieuw : //Neen, lieve Emma, de liefde, die ik voor u gevoel, is niet

in woorden uit te drukken, het is een liefde als.....

//Groote mosseele!quot;

ocr page 26

26

O God, neen! ik vergis me! dat is de schuld van dien vervloekten kerel met zijn mosselen.

Ik steek mijn sigaar opnieuw aan en ga verder :

„het is eene liefde, het best te vergelijken bij----

..... E..... O..... E/' roept eene stem op straat,

zóó treurig, dat ik er van opschrik en meen, dat er iemand overreden is. Mis! Het is eene venter, met eene kleine kar, die telkens op denzelfden melancholieken toon herhaalt:

„O.....E..... O.... E.quot;

Wat kan dat wel zijn, wat moet dat beteekenen Ik roep de meid en vraag haar:

„Wat roept die kerel daar, of eigenlijk: wat heeft hij daar te koop?quot;

//O mijnheer!quot; zegt ze: „petroleum!quot;

„Verbeeldt je nu de eigenwijsheid van zoo'n man om alleen maar „O... Equot; te laten hooren, het verder aan het publiek overlatende om daaruit petroleum te distilleeren. //'t Is goed, Betje!,,

En zulke venters brengen me er heelemaal uit! Waar

was ik ook weer'? Petroleum..... „O----E....quot; 'tls al

te mal! O ja, hier: „Het is eene liefde, het best te vergelijken bij O.... E....quot; Beroerde kerel! En dat*heet nu een uurtje rustig zitten en studeeren. En juist vandaag, nu mijn piano-plaag me eens met rust laat!

O ja, ik heb vergeten u te zeggen, dat ik een buurvrouw heb, die met uitzondering van enkele dagen, van 's morgens tien tot twaalf, van éen tot vijf en van zes tot tien uur studeert.... op de piano! Dat duurt al twee jaren zoo. Wat dat voor een geniaal monster worden moet, zal de toekomst leeren. Vandaag trof ik juist zoo'n geluk-

ocr page 27

27

kigen dag, dat ze niet piano speelde en ik dacht daarom nu eens rust te hebben. Ik probeer verder te gaan en lees; „die liefde is het best te vergelijken bij een bruisende zee. Wanneer ik uwe stem hoor, klinkt mij die in de ooren alsquot;

,/Kulekulekulekule.... roepen die verwenschte kalkoenen in den tuin van het gesticht, schuin achter de straat. En nog eens, alsof er door een welluidend publiek his was geroepen, herhalen zij hun heerlijk „kulekulekulekule!..

't Begint pleizierig vandaag. Ik denk, dat ik wel ver zal komen met leeren, als het zoo voortgaat.

Enfin, verder: „wanneer ik uwe stem hoor, klinkt mij die in de ooren als hemelsche muziek. Het is of elke snaar in mijn hart trilt....quot; Afschuwelijk! wat is dat nu weer? O, lieve hemel, een buurtje van me aan den overkant eerste verdieping, die zoo gelukkig is rentenier te zijn en daarom gelooft het recht te hebben er eene viool op na te houden, die hij niet eens in staat is behoorlijk te stemmen, probeert nu met verwoede ambitie, dat kunststuk te volvoeren! Hoor nu eens aan hoe valsch!....

„Neen, man, lager, lager V' roep ik uit, met mijn beetje kennis van muziek, „je e is te hoog! nu weer te laag \quot; te hoog! te laag!quot; Hij hoort 't niet, maar blijft als een dolle aan de sleutels van zijn viool draaien, geeft het eindelijk op, en begint dan die ongestemde viool met zijn strijkstok te mishandelen, dat ziju instrument op de erbarmelijkste manier er van jankt. Ik wacht geduldig tot er een gevoel van medelijden bij hem zal bovenkomen, dal hem zal doen besluiten, het instrument met rust te laten....

Gelukkig!.... 't is gedaan! Ja, ik hoor niets meer. Ik beef. Het zweet staat me op liet voorhoofd van zenuwachtig-

ocr page 28

28

heid om zóó te moeien leeren. Kalm en moedig ga ik verder.

„Ja, aangebeden engel, dat is een liefde, die slechts eindigen zal met den dood/' Bij dat woord „doodquot; laat ik mijn stem heel diep zakken, om het publiek goed te laten hooren,' dat de dooden onder den grond gaan. Zij antwoordt mij dan in 't stuk; „Zijt gij zoo zeker van die liefde? zoo zeker van u zelf? De mannen zijn zoo wulpsch, zoo veranderlijk!7' Ik moet daarop dan weder antwoorden: „O, neen, geliefde, ik ben niet wulpsch, ik ben....quot; /yKolijn, een brave boerenzoon?quot;

Wat is dat nu weer? Een andere buurman op de tweede verdieping, een schoolmeester, onthaalt me op een proefje van zijn heerlijk basgeluid. Hij is bezig, op een stoel staande, een paar kanarie-vogeltjes te verzorgen en wil die lieve diertjes laten hooren, dat er nog een ander soort gezang bestaat, dan hun vroolijk gekweel. Hoe zakt zoo'n stoel niet in, waar hij op staat! Zóó moet je nu een rol bestudeeren! De lust begon me dan ook te vergaan. Ik dacht er over de deur uit te loopen en ergens buiten in de vrije natuur te probeeren of 't daar niet beter lukken zou. Maar och, dat gaat ook al niet! De weinige mensclien, die je met zoo'n boek in je hand tegen komen, kijken je aan, alsof je een wild dier bent en zeggen zoo bescheiden en zachtjes, dat je het wel vijftig pas verder hooren kunt: //Kijk nou zoo'n komediant! wat een aansteller!quot;

En toch zou het zoo pleizierig wezen als ze je ongemoeid lieten loopen, want werkelijk men leert zoo goed buiten in de vrije natuur, 't Kan er zoo stil, zoo rustig wezen, nog rustiger dan op mijn kamer! Nu, 'twas er

ocr page 29

29

weer stil. Ik hoorde niets meer, geen hinderlijk leven op straat, alleen de wegstervende toonen van een draaiorgel ('t was Zaterdag), dat juist het liedje van De Maliehaan ten beste gegeven had.

Komaan, nog eens met nieuwen moed en lust begonnen! Zoo'n mooie voordenmiddag mag toch niet verloren gaan. We hebben, met het drukke reizen en trekken, dat tooneelspelers hier te lande doen moeten, toch al niet veel tijd om onze rollen te leeren en ons werk behoorlijk te soigneeren. Och, een beetje meer nationaal kunstgevoel en het zou voor ons heel anders zijn!

Kijk, nu stoor ik mezelf door uitroepen, die toch maar klinken, als de stem eens roependen in de woestijn!

Ik ga verder. Waar ben ik ook weer gebleven? O ja, bij Golijn.... O God, neen! O geliefde, ik ben niet wulpsch, ik ben sterk in mijne liefde, zoo sterk, dat ik in staat zou zijn . . . kleeren te kloppen. Wel, allemachtig, daar kloppen ze kleeren vlak onder mijn venster. Wie lapt me dat nu weer'? Wel ja, de meid van mijn onderbuurman, die het uur dat er voor bestemd is, van tien tot elf verzuimd heeft, slaat er nu toch maar dapper op los : patsch ! patsch ! patsch! 't Is pleizierig, zoo'n leven!

Hebben ze 't dan vandaag afgesproken om me te beletten mijn rol te leeren? Ik geloof het zeker, want nauwelijks was ik weer van die plaag verlost en begon ik een flauwe hoop te koesteren, dat het nu rustig worden zou, of een straatbengel onthaalt me op een blikken fluitje, waarop hij zoo schel mogelijk de verkwikkelijke melodie fluit. „Hop, hop, hop, hop, hop, hop, hang de socialen op \quot; Ja, op dat oogenblik zou ik ook in staat geweest zijn oproer te maken; want ternauwernood was de jongen met z'n

ocr page 30

30

fluit weg of een leerling vélocipédist begon op een stoot-hoorn in den tuin achter zijn huis verschillende signalen te blazen, als: aantreden, ophouden, voorwaarts, terugkomen, inrukken..

Inrukken ! Dat was een welkom signaal voor mij. quot;Woedend smeet ik mijn rol op tafel, loop vervelend en razend de kamer op en neer, en terwijl ik in wanhoop uitriep; „Nu heb ik ééns in mijn leven rust van die ellendige piano en wordt me vervolgd door zulk gespuis \quot;, begint mijn pianoduivelin, die zich bedacht had of ze zich wreken wou, den Marche funèbre te spelen! Dat was te veel! Ik grijp hoed en jas, ik storm de trappen af. Verschrikt roept m'n vrouw me achterna; „Wat moet er van middag gegeten worden?quot; Ik antwoord met een rauwe stem: «een gerecht »

geheel overeenkomende met hetgeen er op dit oogenblik in mijn hoofd zit: hutspot

Ik kom op straat.

Ik haal adem. Ik word bedaarder. Morgen zal ik het weer opnieuw gaan probeeren en, als het me dan gelukt is,

mijn rol te leeren,

nu . . . dan zult u 't wel merken!

ocr page 31

VERLOREN GELUK

DOOR

WILLEM VAN Z CU LEX.

't Is voorbij. Mijn lalitste hoop vervloog, nadat ik dertig malen, o neen, dat zijn de eerste regels uit „De dood eens spelers,quot; en dood ben ik nog niet, neen ten minste niet lichamelijk, maar mijn ziel, mijn hart is dood, of liever verbrijzeld. Dat er zooveel bedrog kan wonen in de ziel eener vrouw. Zwijg, arm hart, zwijg! Dring de smartkreten terug in de diepste cellen van die cellen, o God, ik kom niet uit die cel. Ach, vergeelt het mij, dames en heeren, maar heb mee'lij met mijn ongelukkigen toestand. Als gij alles wist, als gij op den bodem van mijn ziel kondt lezen, hoeveel naamloos wee mij is berokkend door een wezen, dat men gewoonlijk in de burgerlijke samenleving vrouw noemt, dan voorzeker zoudt gij in staat zijn een traan te storten op het altaar van het medelijden.

Wat was zij schoon! Welke hemelsche vormen, welke voetjes.... Een bijna onzichtbaar gebrekje (maar wie telt dat bij zooveel schoons?) dat ik terstond met mijn verliefd

ocr page 32

32

oog ontdekte, bestond hierin, dat haar ééne voetje, door wispelturigheid van moeder natuur, wat korter was dan het andere. Maar hoe kan ik spreken van een gebrek-? Het stond haar zoo lief,

die tred.... O, als ik haar slechts eenmaal per dag kon ontmoeten,

dan was ik schadeloos gesteld voor alle dage-lijksche zorgen. Zóó zag ik haar dikwijls. Eindelijk waagde ik het haar eens aan te spreken.

't Was op een dag, dat het vreeselijk regende.

Zij was zonder paraplui.

Ik bood haar de mijne aan. Zij accepteerde al lachende. O, dat was heerlijk. Ik geleidde haar naar huis en zoo, altijd met haar pratende, bemerkte ik pas, hoe schoon zij was. Een kleur, een kleur, ja, zoo iets als een rood kooltje, zoo iets blauws met iets rood. En dat rood en dat blauw en dat wit van haar oogen en dat alles zoo te zamen, de Hollandsche vlag is er niets bij! En dan zegt men nog wel eens: die of die bezit een van de zeven schoonheden. Welnu, zij heeft ook een van de zeven schoonheden: putjes in haar koontjes, maar niet zooals andere menschen daarmee bedeeld zijn: namelijk twee. Noen, de lieve natuur had die engel ruimer bedeeld: ze had er wel honderd, ja zelfs meer. En als ze dan zoo lachte en dat mondje zich opende, en dan al die heerlijke putjes. O.... om kort te gaan,

ocr page 33

33

iederen middag bevond ik mij op haar weg en met of zonder regen geleidde ik haar naar huis. Eindelijk sprak ik met haar moeder en kreeg het jawoord. O, dien dag zal ik eeuwig als den schoonste in mijn leven blijven beschouwen. Welk een avond! De heerlijkste accoorden van mijne hartsnaren werden geroerd door haar stem, die mij onophoudelijk toelluisterde „voor eeuwig de uwe, voor eeuwig.quot; Drie maanden later had haar moeder, die weduwe was, toestemming tot ons huwelijk gegeven, maar gedurende die drie maanden was de angel der jaloezie in mijn hart geslopen. Telkens op de wandeling was het mij opgevallen, dat een zeker net gekleed heer haar groette en als hij groette, kwam er een blos op haar gelaat. Eindelijk op een van onze goddelijke avondjes, die ik bij haar aan huis doorbracht, waagde ik het met een enkel woord mijn verwondering daarover te kennen te geven. „Ken je dien mijnheer erg goed?quot; vroeg ik. „Ja, zoo zoo,quot; antwoordde zij stotterend, „ik meen hem ergens in gezelschap ontmoet te hebben.quot; Toen zweeg ze plotseling, maar van dat oogenblik af, nam ik me voor toch goed op te letten. Eenige dagen daarna ontmoetten wij hem weer en nu nam hij niet de minste notitie van haar. Wat beteekent dat nu! Ah, ik begreep alles, ik dacht,die man is ook op haar verliefd! Hij heeft gezien, dat wij verloofd zijn en begrijpt, dat het niet meer past haar zoo familiaar te groeten. De dag van ons huwelijk was bepaald. Welk een heerlijk ontwaken! Welk een ochtend, o, had ik kunnen voorzien, welk een avond mij wachtte! Een revolver of eenig blauwzuur zouden mij welkom geweest zijn. Het rijtuig zou mij halen om half tien, tien uur zou ik bij haar zijn. Het kwam reeds negen uur, och

3

ocr page 34

34 r

wat kwam er dat op aan. Met vreugde stapte ik er in. Ik stond toch reeds van acht uur gekleed en gereed. Ik rijd naar haar woning. Juist toen het rijtuig (een halt'uur te vroeg) stilstond voor haar deur, gaat die open en die vreemde mijnheer komt haar huis uit, gevolgd door haar dienstmeid. O, Gód! welke gedachten vliegen door mijn hoofd. Welke helsche geesten spannen samen om de jaloezie in al haar kracht aan mij op te dringen, maar laat ik kalm zijn. De tweede meid iaat me in de voorkamer gaan en zegt eenigszins stotterend: „ik zal u gaan aandienen,quot; Een oogenblik later komt haar moeder de kamer binnen en tracht mij onder allerlei voorwendsels op te houden. Ik wil naar boven en zeg „Mijn bruid is toch gereed■.'// „Nog niet, wacht nog wat; zij gevoelt zich eenigszins onwel.quot; „O God, ze is toch niet ziekquot;?quot; „Neen, neen,quot; verzekerde haar moeder! De minuten worden uren, ik zeg haar: „Maar ik wil haar zien!quot; Zij verspert mij den weg. Welk geheim wordt er hier voor mij verborgen '? Een vreeselijke gedachte maakt zich van mij meester, ik grijp haar moeder bij den arm, ruk haar van de deur weg, storm de trappen op, vlieg als een bezetene

haar kamer in____ Daar stond ze, gereed mij naar het

altaar te volgen, getooid met oranjebloesem, eerste geruststelling. Zóó als ze mij ziet, geeft ze een gil, slaat haar handen voor het gelaat, en ik hoor haar heel zacht zeggen „O God!quot; „Henriettequot;____o ja ik heb nog vergeten, haar aan u voor te stellen. „Henriette, wat gebeurt hier? Waarom kom je niet, daar ik u toch wachtte?quot; Geen antwoord. „Henriette, ik smeek je, wat gebeurt hier?quot; Altijd doodsche stilte. „Henriette, maar zie je dan niet, dat je mij waanzinnig maakt met dit zwijgen?quot; Zij be-

ocr page 35

35

dekt haar gelaat geheel met haar bruidsluier en valt voorover op haar kaptafel. Als een krankzinnige roep ik uit; „Henriette, Henriette! Zie je dan niet, dat je mij tot vertwijfeling brengt'?quot; Haar moeder, die mij gevolgd was, smeekte ik, mij tenminste te zeggen wat hier voorviel, maar die deed niets anders dan mij beduiden mij te verwijderen. Een oogenblik wilde ik aan dien wensch gehoor geven, toen opeens de meid, die ik bij mijn komst hel huis had zien verlaten, binnenstormde met de vreeselijke woorden; „Juffrouw, de tandmeester kan uw gebit niet klaar krijgen voor morgen \quot; Ah !

ocr page 36

DE AFGEVAARDIGDE.

Vrij naar liet Fransch van E. Mora nel

DOOR

JACOBUS DE VOS.

(ad libitum met piattelandsch accent).

Daar ben ik ! Goddank !

Bij de laatste verkiezingen, en er viel wat te kiezen, hebben we bij ons — ik kom uit het Noorden — .Tannema gekozen — Jannema is rentenier. Hij is rentenier in alles. Z'n

hersenen rentenieren ook.....Daarom

hebben we hem gekozen, 't Is een

ferme, dikke kerel----Jannema was vroeger veearts----

Hij heeft m'n vrouw ook wel eens geholpen. Ja, hij heeft haar zelfs eenmaal onder zekere omstandigheden gered! Daarom heb ik op hem gestemd. Jannema is niet lang veearts gebleven. Hij heeft z'n ontslag ingediend. De booze wereld vertelde, dat hij 't meer voorzien had op

ocr page 37

37

tweevoetige dan op viervoetige schepselen. Toen is hij bij ons in de kiesvereeniging gekomen: nota hene we voeren tot zinspreuk „Onderling genoegen, voor Huisgezin en Vaderland/' Ze hebben hem gekozen en hij werd afgevaardigde. Ik weet alleen niet, wat hij in den Haag uitvoert. We hebben nooit iets van hem gehoord. Hij is niet zoo'n afgevaardigde als die van 't andere district bij ons... Dat is eerst een baas! .... Die is nu al vier Jaar afgevaardigde ____twee Jaar lang is hij niet aan 't woord kunnen

komen .... en de twee andere Jaren heeft hij op alles neen gestemd. Dat noem ik eerst werken! Maar de onze,

dat is een gans..... Als hij spreken moet, al is 't om

niemendal te zeggen, dan houdt hij nog zijn mond.... net als de anderen. Hij zal ook wel precies doen als die andere nieuwelingen; hij houdt er niet van om tusschen z'n ontbijt, middagmaal en souper te werken.

Enfin, de kiesvereeniging heeft me gestuurd om eens naar de Kamer te gaan en te zien wat hij uitvoert. ... Ik kom er vandaan !

De Kamer is een kolossaal gebouw, 't Heeft veel weg van een gesticht voor zwak- en heethoofdige mannen. En tegenover de Kamer heb je de loterijzaal. Daar spelen ze op goed geluk en in de Kamer spreken ze op goed geluk, ik heb er een fontein ook gezien. Water geven, ho maar ! Dat komt alweer, omdat er in de nabijheid een inrichting is van Waterstaat, van Nijverheid en van Handel. Als 't erg heet toegaat in de Kamer dan, hoor ik, moet 't fonteintje wel 'ns springen. Dan heb Je er, ook in de buurt een zoogenaamde Augiasstal-Archief. Een zekere m'nheer heeft openlijk schande over gesproken en heeft de 41/2. millioen Nederlanders beleefd uitgenoodigd er ook openlijk

ocr page 38

38

schande over te spreken, maar jawel, ze hebben allemaal gedaan als onze afgevaardigde Jannema en doodleuk gezwegen. Nu vinden weer andere heeren, dat zulk zwijgen schande is, ja 't is in de buurt van de Kamer een schandelijke boel. Ik heb de afgevaardigden zien komen. O, ze hadden in 't-minst geen haast. Geen mensch, die iets tegen hen zei. Men liet ze ongemoeid naar binnen gaan, maar zette een soldaat aan de deur om ze te beletten er uit te gaan. Ze hebben me een korporaal aangewezen, die er al veertig jaar stond. Jongens, wat moet die man ziek zijn! Toen ik binnenkwam, heb ik m'n opdracht meegedeeld aan een langen, mageren heer, die 'n horlogeketting om z'n hals droeg. Hij snapte me dadelijk. Geen wonder, 't was een deurwaarder. Hij heeft me de Kamer laten zien. Daar was niemand. Dat is altijd zoo, dat begreep ik wel. In 't begin van de zitting zijn ze nog niet gekomen, op 't eind zijn ze al weg en in 't midden zijn ze er nooit, dan bevinden de heeren zich in de koffiekamer of in de gangen. Ik ging naar de publieke tribune. Daar zaten, stonden en hingen heel wat rnen-schen. Ik zag er ook dames. Jawel, onder anderen een vrouw van een afgevaardigde. Ze zat in druk gesprek met een jongmensch, ik geloof haast dat ze 't over de natuurlijke historie hadden. Nu, dat is in een Kamer zoo natuurlijk mogelijk.

De Kamer is in tweeën verdeeld, een rechterzijde en een linkerzijde. Die liggen eeuwig en altijd met elkander overhoop. Nu en dan ziet men groepjes bij elkander staan, dat zijn de sympathieke afgevaardigden, de luidjes die onder elkander weten waar Abraham den mosterd haalt. Den president heb ik ook gezien. Die schijnt zoowat de

ocr page 39

89

baas van 't spul te wezen. Hij lieeft een hamer bij zich, een flinken hamer, waar hij ferm mee klopt, dat is eigenlijk ' t eenigste wat in de Kamer weerklank vindt

Ik ben anders nog nergens geweest, waar ik zooveel onzin hoorde. Eenmaal stond er een lange uitgedroogde m'nheer! op, neen die had heel wat te vragen en voor te stellen. Staats-badinrichtingen voor arme jongens en meisjes beneden de zestien. Staatslogementen voor jongelieden, die in tijdeiijken nood verkeeren. Staats-leesinrichtingen voor 't mannelijk en vrouwelijk geslacht, ten einde het straatslenteren tegen te gaan. Staats-huwelijkshureaux om het zedelijk peil van 't volk te verheffen enz. enz. Toen eerst zag ik onzen afgevaardigde Jannema. Hij was aan de linkerzijde ingedommeld, werd bij 't hooren van hmve-lijksbureaux wakker en sliep weer aan de rechterzijdein. 't Is toch wat! Ze hebben zes maanden vacantie en de rest van den tijd rusten ze uit.

Toch zijn er zittingen waar men werkt. Ze zijn te herkennen aan de attentie.... en aan den onafgebroken dut, waarmede men naar den redenaar luistert, 't Is dan zooveel als een slaapkamer. Een ander had 't vandaag over Vrijhandel of Protectie. Ge zult zeggen dat is heel eenvoudig: Twee kaalhoofdige afgevaardigden nemen elkaar in de haren en dienen elkaar oorvijgen toe: dat is de Vrijhandel. Ze gaan beiden een paar agenten halen : dat is de Protectie.

Ik keek naar m'n afgevaardigde Jannema. Hij werd aan de rechterzijde weer wakker, stemde tegen en dutte aan de linkerzijde weer in. Hij ging met de zon mee. Eindelijk heeft men de regeering geïnterpelleerd. Toen stond er een mijnheer op en zei, dat ze in Indië druk

ocr page 40

40

aan 't bekeeren en doleeren waren. Men scheen algemeen tevreden, want een ieder keerde naar huis. Ik zocht naar Jannema. Waar vond ik hem ? Klaar wakker in de koflie-kamer met een glaasje klare met suiker in de hand. Zeker, tie Kamer heeft vergunning! Toen hij me zag, dronk hij in een teug z'n glaasje leeg. „Hé daar, zeg ik, ga eens mee de Kamer uit, de straat op, ik moet u spreken uit naam van onze kiesvereeniging.quot; Jannema zette groote oogen op en bulderde me toe „Geen tijd, jongenlief, ik moet me in laten schrijven voor m'n redevoering van morgen. Ik zeg niets, maar je zult wat van me hooren \quot; Verdwenen was Jannema! De penningmeester van onze kiesvereeniging heeft me een retourtje gegeven. Hier blijven kan ik niet! Goeien dag!

ocr page 41

DE HOED.

Vrij naar liet Franscli van Jacques Normand.

DOOR

JAN C: DE VOS.

(Met een hoed in de hand).

awel, 't is waar! ik ben 't nu sinds verleden week'? 't Is een voldongen feit, ontkennen helpt geen steek, fk hen het voor altijd, kan nooit er t'rug op komen; Voor twee getuigen is er acte van genomen Op een gezegeld stuk, 'k heb 't met mijn naam erkend, Het kost me honderd pop.... en het geluk geen cent! Getrouwd!.... Wie had dat ooit mij durven te voorspellen:' ik, de verhardste van al onze vrijgezellen;

Ik, die in elk gezin, van huwelijksdeugd doorkneed, Een walm verspreidde als van een aangebrande beet; Ik, die een keer of vijf, en zonder goede reden,

Partijen loopen liet, waar elk mee is tevreden;

ocr page 42

42

Ik, die ondanks mijn zorg, des morgens constateer: Nu, tel je haren niet, helaas! wel dagen meer;

Ik, dien de moeders met verachting steeds beschouwen, Alleen wijl ik vergat haar dochteren te trouwen.... In 't huwelijksjuk gekneld! Formeel getrouwd, formeel

„Hoe zit,quot; zoo vraagt gij mij, „de vork dan in den steel' „Welk plotseling belang kon u daartoe bewegen'?

„Welke oorzaak heeft toch wel zóó verre u gekregen, „Dat, oude vrijer, gij verloochent dus uw bloed 1quot;

Welke oorzaak'?... Raad eens!... Vindt gij 't niet'?..,

Heusch niet'?... Een hoed

Een zwarte, hooge hoed, zooals gij alle dagen. Er honderden op straat door heeren steeds ziet dragen. Een kachelpijp volmaakt gelijk aan die, ziedaar! „Een hoed'.'quot;

Waarachtig waar!

„Hoe dat'?quot;

„Nu, luister maar?quot;

Ik ging op zeekren dag om zes uur uit dineeren Bij een familie, die nog weet te recipieeren:

Een kunst, die men helaas! haast heelemaal vergeet. Ik kom in liet salon, waar men mij welkom heet; Ik maak mijn buiging, groet de dames en de heeren, En zet mijn hoed toen weg. Ik laat me presenteeren

ocr page 43

43

Aan onbekenden, praat, en ga aan tafel dan.

Wat nu 't diner betreft, daar zwijg ik liever van.... 'k Zat tusschen dames die.... geen enkel woordje spraken, 'k Heb van 't menu toen maar een studie zitten maken...

4*

Ik kende 't uit mijn hoofd aan 't einde van 't diner. Hoewel ik haast niet rook, ging 'k naar de rookzaal mee. En dampte een zwaar sigaar bij fel staatkundig kijven. Om bij de dames niet zoo heel alleen te blijven I Zoo ongeVeer tien uur réunie in 't salon.

Daar was het veel te vol nu het concert begon. De dames, arm in arm, met wangen rood als roosjes, Zij leken net geschikt als suikerbakkersdoosjes.

Vlak bij een deur zag ik, met aan don andren kant En reus van een mijnheer, 't hoofd in zijn das geplant, Een kurassier gewis, met snorren van drie palmen, Het krullenlokkig hoofd der dame, die door galmen. Een afgesleten air wou brengen tot zijn recht.

Ik kon bijna niet zien en hoorde maar heel slecht.... Doch wijl het ieder deed, moest 'k ook applaudisseeren. Toen kwam er een mijnheer, die keurig in de kleeren, Een vers opsneed.

Dat is de mode van deez' tijd,

Geen gastheer of hij meent, dat de gezelligheid Het meest verhoogd wórdt door het laten reciteeren Van allerlei gerijm door zwartgerokte heeren. Die smachten met hun oog en rollen met de stem. En geven aan elk woord een ongekemde klem.

En verzen, weet u.... — 'k wil het u wel toevertrouwen, — Die maken mij in slaap!

ocr page 44

'k Kon haast niet goed mij houwen, Toen ik dat zacht gedreun en maatgegolf vernam, En 'k voelde hoe allengs een loomheid in me kwam, Ken suffe droomrigheid, als ware ik reeds slaapdronken. Ik denk: je valt in slaap.... gaat, God weet! zitten ronken! Neen dan naar buiten, gauw!.... maar waar,waar is mijn hoedquot;.' Ik zoek hem met mijn blik... Piampzaal'ge tegenspoed! Bij de console, waar 'k mijn hoed bij 't binnenkomen Had opgezet, zijn juist de plaatsen ingenomen Door een driedubble rij van dames, wier gezicht Als van verrukking glom, den blik omhoog gericht: Een ondoordringbre muur van golvende gewaden. Die dames vormden daar een reeks van barricaden

Van bloemen en colliers, van haren.... en gemoed____

Maar 'k keek zelfs daar niet naar.... 'k zag alleen mijn hoed. Die had mijn aandacht gansch nu in beslag genomen!

Daar stond hij, ongerept als bij het binnenkomen, Her naast een kandelaar en glimmend of hij pas Nog met een ^coup de ferquot; weer opgestreken was... Ik keek hem smachtend aan met zoet, aanminnig fleemen, En fluisterde heel zacht:

„O, kon ik je maar nemen!

zylk zette je op mijn hoofd, — o teerbeminde hoed! — ,/En vluchtte uit dit salon met ongekenden spoed!quot;

'k Bleef met een vlammend oog mijn hoofdsieraad aanschouwen:

„Verbreek, o lieveling, die dubble rij van vrouwen! „Of vlieg er over heen, of kruip er tusschen door... „Kom, volg naar buiten mij... waar ik geen verzen hoor \quot;

ocr page 45

45

En altoos bleven maar die regels dreunend rollen.... Ik werd nu ziek er van en stond te knikkebollen, En smeekend vroeg ik weer: ,/Kom, laat ons nu toch gaan! ,/Het is in dit salon, waar we op elkander staan, „O zwarte, hooge hoed, nu bijna om te stikken.... „De frissche buitenlucht zal beiden ons verkwikken .... „De nacht is heerlijk schoon, en het trottoir is droog'. „Wij gaan naar huis te voet, het maantje daar omhoog „Spreidt zilvren stralen langs de blauwe hemelsferen .... „Kom lquot; ....

— „Hebt u haast gedaan mijn dochter te fixeeren „Wel, sakkerloot, Mijnheer?quot;... Zegt nu een barsche stem Vlak aan mijn oor ... Ik schrik, kijk op en ik zie . .. hèm. Den grooten kurassier, die trillende van woede,

Mij met zijn blik doorboort.... Het was mij bang te moede En zachtjes zeg ik: „Ik, mijnheer'? maar'k jveet niet, waar, Of wie uw dochter is lquot; ....

— „Wel sakkerloot! die daar! „Voor die console daar.. . die met die blonde haren! „Houd u maar niet zoo dom

— „Mijnheer, maarquot;...

— „God beware!

„Je ontkent toch niet'?quot;...

— „Gewis!quot;

— „'t Is toch genoeg bekend „Hoe uw gedrag is en wat voor een snaak u bent!quot;

— „Een snaak?quot;

— „Gewis! van hem, die vijfmaal laat afspringen „Een huwelijk, vertelt men toch geen mooie dingenquot;....

— „Maar permitteerquot; ...

ocr page 46

40

— „Mijnheer, er wordt van u beweerd, „Dat u elk meisje steeds op 't grofst compromitteertquot; ...

— „Ikquot;? maar''...

— „En nu zult u mij hier terstond verklaren „Wat u het recht gaf zóó mijn dochter aan te staren'?quot;

— „Maar, sapristi! Mijnheer, 'k verklaar u bij mijn eer, „Dat ik uw dochter niet gezien heb \quot;

— „Zoo, Mijnheer !

„Waar keek u dan zoo naar V'

— „Daar ik het wel moet zeggen, „'k Keek naar mijn hoed 'V'

— „U wilt mij in de luren leggen'? „Neem u in acht! Uw hoedquot;.'quot;

— „Ja, heusch. Mijnheer! mijn hoed!quot; Ik voelde ;:u den toorn in 't koken van mijn bloed.... Die vader leek wel gek met zijn stokstijf beweren,

Dat ik zijn dochter wel had zitten te fixeeren!

De zwarte rok ging met het galmen altoos voort.

De kurassier en ik, wij wisselden verstoord,

Vergramde blikken nog en half gesmoorde vloeken : „Het was mijn dochter!quot;

„Neen! mijn hoed

„Mag 'k u verzoeken, „Wat stil te zijn,quot; vroeg nu een zenuwachtig heer, „U geeft mij rekenschap, het geldt mijn dochter's eer!quot; Zegt nu de kurassier...

— „Dat is mij om het even!quot;

— „'k Zal u mijn kaartje...quot;

— „En ik 't mijne geven!quot;

Het was. zooals u ziet, dus een formeel duel.

ocr page 47

47

Een oogenblik daarna weerklonk de zaal, hoewel Niet luid, van handgeklap. De zwartrok had gebogen. Er kwam wat opschudding, verscheidenen bewogen Zich nu naar het bullet en naar de balzaal heen. De vrouwelijke muur splijtte ook, goddank! van een! 't Kon de console dus nu eindelijk genaken!

'k Ging voor mijn vijand dus een koele buiging maken En snel toen, door de zaal, terwijl 'k voorzichtig stap, Opdat ik op geen sleep, die sierlijk nazweeft, trap. Ik was vlak bij mijn doel. ...

,/lvan dit de hoed soms wezen, „Die u behoort. Mijnheer?quot;....

En voor mij is verrezen. Aan 't einde van een arm, zoo fijn, zoo blank getint, Zoo delicaat gevormd, — mijn hoed, zoo teer bemind! Ik sla de blikken op., en zie haar blonde haren!

— „Kom aan, Mijnheer, kom aan!.... ik raadde't aan uw

staren,

„Wat d' oorzaak was, dat u voortdurend keek hierheen: „U stondt te slapen haast.... zóó deedt u, daar meteen... ,/Ik had, om maar uw wensch en smart te kunnen stillen, „Ü straks dien hoed zoo graag ook oversturen willen, „Door hem van hand tot hand te geven door 't salon. .. ,/Alsof hij zoo niet stil zijn wegje vinden kon!...

,/Maar 'k was een beetje bang, dat het u zoo berouwen, „Als men uw vlucht bespeurde... o maar, 'k zou u ophouwen. ..

//Zoo'n snapster als ik ben ! En u slaapt half gewis! ,/Ziedaar, Mijnheer, bonsoir \quot;

O engel, die zij is!

ocr page 48

48

Die achter al mijn angst en kwelling is gekomen En van mijn blikken had niet één voor haar genomen!

O maagdelijk gemoed! o gij naïviteit!

'k Ontving uit hare hand het voorwerp lang verbeid, En ging toen regelrecht naar mijnen tegenstander:

„Komaan, Mijnheer, laat ons eens praten met elkander! „U hadt straks groot gelijk en ja! het was niet waar, „Dat ik toen naar mijn hoed keek, neen, want ik verklaar

— ,/Wil de openhartigheid mij alsjeblieft vergeven! — „Het gold uw dochter, ja, die 'k lief heb als mijn leven \quot;...

— „Wat u, Mijnbeer?...quot;

Hij zag mij aan, was aangedaan Gaf mij een hand, en zei:

„— Kom morgen bij ons aan \quot;

Ik liet den andren dag natuurlijk hem niet wachten. Waarna wij gauw de zaak volmaakt in 't reine brachten En sinds verleden week, zooals 'k u heb gezegd...

Mijn vrouwtje is, heusch! een schat! gelukkig onze echt... Mijn schoonpapa — een lam, hoe bar zijn snorrenpaar is, En kurassier ook niet, de man is ref'rendaris;

En dan — dat is een prijs wis uit de loterij:

Hij is een weduwnaar... Zeg eens, begrijpt u mij?

En dat volmaakt geluk, waarvan ik niet kan zwijgen, Kon ik alleen door u, o zijden hoed, verkrijgen:

Ik blijf er dankbaar voor u in alle eeuwigheid! Men lacht somtijds om u, zegt dat ge leelijk zijt,

ocr page 49

49

Wil tusschen u wel eens een vergelijking maken En zeker kacheldeel, dat rook stuwt naar de daken... Het is niet gansch onwaar, hoewel men bar vergroot: Maar ik, die dankbaar ben, ik zal tot aan mijn dood, — En wil dus maar niet op uwe domme tronie letten! — ü met het diepst ontzag steeds op mijn schedel zetten

3 Juli '89.

4

ocr page 50

BESLUITELOOS.

V r ij naar het F r a n s

Ik sta voor een heel groot besluit. Zou ik het doen of zou ik het niet doen? Toe, geeft u me nu eens raad. Moet ik mijn handschoenen aantrekken of moet ik ze niet aantrekken, moet ik gaan of moet ik niet gaan ? Komaan, geef me nu eens raad! Is dat nu dat publiek, dat altoos zoo welwillend jegens mij gestemd is? niet eens een antwoord'? niet één, die het nu goed met rne schijnt temeenen? 't Is goed, dan zal ik zelf besluiten, maar dan ook geen verwijten, ook geen klagen over niet goed handelen van mijn kant, zelfs

ocr page 51

51

geen kritiek, die het me lastig mag maken. Dus zal ik nu met mijn lief blond nichtje gaan trouwen, waarmee ik den vori-gen Dinsdag heb kennis gemaakt en waarmee ik zoo heerlijk gedanst heb? Ziedaar nu de vraag {trekt zijn handschoenen aan) Verduiveld, ten eerste krijg ik een familieleven en dan mijn vrouwtje is beminnelijk.... ochtend japonnetje.... wit met rose strikjes.... huiselijke haard, lange winter-avondjes.... pianospelen.... zij, handwerken.... bij me

zitten.... lamp.... rose lichtschermpje____ronde tafel....

Charmant! dat alles is de poëzie van het huiselijk leven!.... Huiselijk leven! Altijd.... altijd thuis.... Altijd gebon den, gebonden als aan een koord {trekt zijn handschoen cd

uit) terwijl, als men nu vrij is.... met vrienden uitgaan____

koffiehuis ... soupeeren met Amalia.... met Augusta.... met Amanda, met alle mogelijke a's. Getrouwd, kan dat niet meer.*... of hoogstens een enkelen keer, zeer zelden.... of in 'tgeheel niet! Neen!.... En toch wel beschouwd, is het maar een kwestie van handigheid om de vrouw veel wijs te maken.... zal nooit twijfelen, zal haar zweren.... zeggen.... nooit bemind als u {treht zijn handschoenen aan) en dan zij is niet leelijk.... lief zelfs.... neen, heel lief, mooi klein neusje.... oogjes____mondje, dol verliefd worden, hè dol verliefd opje eigen vrouw, ziet men weinig....

gek.... waarom niet?____ alles voor haar zijn, zeer

origineel haar minnaar, haar man, haar beschermer, haar tweede vader, haar tweede moeder, moeder.... Haar moe-tier. ... lijkt niet veel op haar.... zeer kregel {bedenkt zich) zeer slecht humeur, altijd kwaadspreken {doet zijn hand schoenen uit) veel bij mij komen.... dochter spreken, schoonzoon hier, schoonzoon daar.... vrouw op de hoogte brengen, te wijs maken, vragen____thuiskomst man.... vrouw

ocr page 52

52

beklagen: arm kind____bedrogen.... mijn dochter: ongelukkig kind. Neen!

Alles wel beschouwd, men bemerkt niet, dat men oud wordt. We worden beiden ouder. Zij is jonger dan ik, zal me overleven, zal me beweenen.... zal me vergeten.... zal hertrouwen. Zoo is het lot.... allen sterfelijk, het lot, de fortuin.... De fortuin, zij heeft fortuin. Haar ouders zijn oud, zeer oud {trekt zijn hanschoenen aan).

Zullen het niet lang meer maken---- groote zaak....

eflecten..-. boerderijen.... vijf millioen ongeveer.... te deelen met z'n.... er zijn in 'tgeheel zes broers en zusters! Hoe dikwijls gaat dat zes op vijf----Dat gaat niet....

Ik zet er een nul bij.... hoeveel maal zes op de vijftig? ... Dat gaat (zoekend) 5 maal G is 30, 6 maal C is 3fi-7 maal 6.... ik heb de tafel van vermenigvulding nooit in mijn hoofd kunnen krijgen 7 maal 6, 6 en 6.... 6....

6 kinderen, wat 'n vruchtbaarheid____ en zij net haar

moeder.... 6 maal 7, dat is erfelijk, 6 maal 7, goed gebouwd.... dat belooft, 6 maal 7 veer veer 42 kinderen, neen {trekt snel zijn handschoenen uit).

En dan weer minnen____jongens naar school, meisjes

kostschool.... welvarend.... goed opgevoed, iedereen ingenomen met uw kinderen.... zelf kinderen {trekt zijn handschoenen aan) zelf kinderen hebben, hé.... klein, lief, zoentjes. Babbelen, papa.... mama.... spelen op schoot, kinderen van je zelf. Balzac gelezen, geen minnaar.... geen

vriend uit de jeugd, geen neefjes maar toch bijgeval----

Neef, luitenant van de jagers, mijn oude regiment, was streng in dienst____ heeft me eens betrapt op verzuim dienstzaken .... vergeef me.... klaag me niet aan.... nog altijd goed vriend.... komt ons dikwijls bezoeken.... dikwijls....

ocr page 53

53

zeer dikwijls, zeer lief... .vriend uit de jeugd... .Balzac.... zal me bedriegen.... zal hem dooden, neen ik hem niet.... hij mij.... zijn vak.... ik enkel haar.... de schuldige.... mevrouw.... ellendige.... steek met een mes.... poem... bij den commissaris.... mijnheer.... geef me gevangen.... vrouw----bedrog.... vermoord.... tribunaal... gevangenis.... altijd vrijspraak.... gezanik van 'n advocaat.... geen bewijs.... geen voorbedachten rade.... verzoek om

gratie----afgewezen.... uitspraak.... levenslang, ah....

neen {trekt zijn handschoenen uit).

Ik zal stellig niet met mijn blond nichtje, waarmee ik den vorigen Dinsdag kennis gemaakt en waarmee ik zoo heerlijk gedanst heb, trouwen.

ocr page 54

DE AMBTENAAK.

Vrij naar liet Fransch van E. Noël

DOOR

JACOBUS UK vos.

Misbruiken!.... misbruiken 1 — Altijd misbruiken !. ... Neen, men heelt er geen idéé van zooveel mis-' bruiken er in ons Holland bestaan. ... Daar, neem mij, ik ben ambtenaar, eerste klerk aan 't Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Sinds 25 jaren, ja, over vijftien jaar heb ik 't recht m'n ontslag aan te vragen, sinds vijf en twintig jaar kom ik eiken dag op m'n bureau, precies.... tien uur.... 's morgens.... 's morgens, teeken ik de presentielijst. Ik werk—of werk ik niet?. Dat kan u immers niet schelen'? Of kan 't u wel sche len'?____ Ik lees de courant.... ik ontbijt.... ik rust

ocr page 55

55

uit. Om vier uur ga ik heen.... precies. Ik geef de regeering geen minuut cadeau. Aan 't eind van de maand vergeet ik nooit mijn tractement te halen.... Ze houden me altijd zoo en zooveel af voor pensioen, voor den ouden dag .... Net of ik ooit m'n ouden dag haal.... alweer een misbruik!.... maar daar stap ik over heen.... ik zou le veel moeten zeggen.... Enfin, u ziet't, ik ben een

gewoon ambtenaar, vlijtig, nauwgezet en vol toewijding____

Welnu, de adjunct-commies sterft.... I' denkt zeker, dat ik zijn plaats kreeg'? In 't geheel niet. Een klein, blond, uitgedroogd kereltje wordt adjunct-commies en ik ... ik blijf eerste klerk.... op een tractement van achthonderd vier en.... ja, ziet u, ze houden me altijd wat af. ... Welnu, neen.... ik protesteer. Dat is een schreeuwende onrechtvaardigheid .... Ik roep uit.... Daar zijn te veel van die misbruiken ... Die misbruiken moeten uitgeroeid worden ! Welnu, wat heeft dat kleine, blonde, uitgedroogde kereltje gedaan om mij de loef af te steken .... mij, (.lie sinds tien jaren er op loer om adjunct-commies te worden V Ik had er alle recht op .... dat weet u .... Welnu, ik vraag 't u, wat heelt hij gedaan'? U weet 't niet.... ik ook niet. En wat zal hij doen, als hij eenmaal benoemd is'? Niemendal.... dat is zoo zeker als tweemaal twee vier. Ik zal nog al 't werk moeien doen... . Wat doen

de chefs----de secretarissen, de referendarissen .... de

commiezen.... de adjuncten.... alle mogelijke administrateurs in de administraties'?.... Niemendal.... dat weet u even zoo goed als ik .... Wie werkt er in de ministeries '?.... De ambtenaar, de eenvoudige ambtenaar, de arme ambtenaar .... 't Is de ambtenaar, die alles doet, en 't zijn de chefs, die er van profiteeren .... 't Zijn de

ocr page 56

56

generaals, die de veldslag winnen, hé ! Neen, niet waar____

't Zijn de soldaten, maar de generaals profiteeren ervan. Alweer een misbruik. En wat is een ambtenaar aan een

ministerie?.... Niemendal____ Wat moest hij zijn'.'

Alles---- Misbruiken !.... Misbruiken .... Veel te veel

misbruiken !____ Daar moeten hervormingen plaats hebben ----radicale hervormingen .... of Holland is verloren.

Hervormingen.... Over dat onderwerp hel) ik een werk

geschreven----„De noodzakelijkheid van hervormingen

in de Nederlandscbe AdministratieIk heb een groot plan uitgewerkt, uitgaande van de ontelbare misbruiken, die aan ons ambtenaarsleven knagen.... 't Is een dik boekdeel.... zóo groot.... met syaoptische tabellen ,...

vergelijkende tabellen____ ontledende tabellen .... enfin,

met een waren schat van tabellen. Ik had er m'n ondervinding van vijf en twintig jaar in neer geschreven .... Ik vraag audientie aan bij den minister. Nog al een misbruik, die audienties.... Waarom kan men een minister niet spreken, wanneer men wil! Enfin, ik vraag audientie ____ Men vraagt mij waarom____ Waarom ? Ik zeg

waarom .... De minister, klein van stuk met bakkebaardjes

om te doen gelooven, dat hij advocaat geweest is____stuurt

me naar den secretaris-generaal. Een korte dikke — aristocratisch was hij in 't geheel niet. De secretaris-generaal ontvangt me.... Beleefd. Dat moet ik bekennen. Hij vraagt wat ik verlang,. .. Ik antwoord, dat ik misbruiken wil uitroeien.... Misbruiken? zegt hij.... en welke misbruiken ?.... Wat, welke misbruiken ? .... De misbruiken, die Nederland en de koloniën verslinden en ons

ten ondergang voeren!____Hij begrijpt 't niet.... Hij is

beleefd, dat is waar, maar in 't minst geen energie....

ocr page 57

57

Hij kijkt me met groote oogen aan .... Ik toon hem m'n arbeid .... verschrikt deinst hij terug.... Hij kon niet begrijpen, dat er zooveel misbruiken waren! .... Hij drukt op een klein knopje .... Een bode verschijnt.... Nog al een misbruik, die boden.... Hij geeft me een briefje mee voor den referendaris .... en verzoekt den bode mij naaiden referendaris te geleiden.... Hij had eerst heel beleefd, dat moet ik zeggen, z'n excuus gemaakt.... Hij had nu geen tijd om me aan te hooren. Ik kom bij den referendaris, een nog betrekkelijk jong man, heel netjes gekleed .... heel mooi gekapt.... met een scheiding tot in z'n rug .... en een lorgnet op z'n neus.... Nadat hij 't briefje van den secretaris-generaal gelezen had, ziet hij mij met een spottenden lach aan .... Ik toon hem m'n arbeid. Hij schatert 't uit van 't lachen.... en stuurt me naar den hoofdcommies. De hoofdcommies, een ernstig en kaalhoofdig man, ontvangt me uiterst beleefd en verzoekt me weder uiterst beleefd hem mede te deelen, wat ik verlang. Ik zeg hem ; mijnheer de hoofdcommies, daar zijn te veel misbruiken, ik wil hervormen.

Hij keek me welwillend aan en doorbladerde m'n werk .... Hij scheen tevreden. Bij sommige plaatsen.... knikte hij met 't hoofd.... zoo.... dat wilde zeggen, dat hij me begreep .... Dat gaf me moed. Ik sprak maar altijd door .... en trachtte hem aan te toonen, dat de hervormingen, die ik op 't oog had, een zuiver vaderlandsch doel hadden .... Hij keek me glimlachend aan .... met een blik, die zeggen wilde, dat ik den spijker op den kop geslagen had .... en dat ik op hem kon rekenen.... Ik zei hem altijd :

„Te veel misbruiken____ mijnheer de hoofdcommies ....

te veel misbruiken.... dat moet uit zijn.quot;

ocr page 58

58

Plotseling staat hij op.... Hij had twee uur naar me zitten luisteren.... Hij reikte me de hand.... terwijl zijn andere hand op m'n manuscript rustte.... Hij beloofde me zich met de zaak bezig te houden .... hij zei, ik zal wel zien, ik zal 't onderzoeken. Hij zei, dat hij in ieder geval een man van vooruitgang was, dat m'n arbeid hem belang inboezemde in alle opzichten.... en «lat ik er de beste resultaten van verwachten kon. Goed en wel.... Maar sinds dien dag heb ik niet meer over m'n werk hooren spreken. Noch door den referendaris.... noch door den secretaris-generaal, noch door den hoofdcommies.... noch door den minister!quot; De minister'? Daar denk ik aan.... Zou hij zicli soms bedienen van mijn denkbeelden.... en mijn denkbeelden in toepassing brengen zonder er zich om te bekommeren, dat 't mijn denkbeelden zijn'.'.... Zou hij om zijn grootste overwinning te behalen, gebruik maken van mijn vijf en twintigjarige ondervinding'.' Och, zoo iets ziet men iederen dag.... De ministers hebben geen tijd om denkbeelden te hebben, daarom nemen ze denkbeelden van anderen.... Wat is nu eigenlijk een minister'.' Hij gaat naar de Kamelen iiij spreekt.... Ik spreek ook.... de heele wereld

spreekt.... op straat.... thuis.... onder 't eten____

onder 't slapen. Daar zijn zelfs menschen, die slapende spreken. Warempel!.... Daarvoor heeft men toch niet noodig naar de Kamer te gaan.... Ik zeg 't u, de maatschappij is verkeerd ingericht.... daar moet hervorming plaats vinden! In de eerste plaats de tractementen !....

Waarom krijgt een minister /.oo'n hoog tractement____

en een ambtenaar zoo'n klein tractementquot;.'.... Ik zou willen, dat alle tractementen in evenredigheid waren met

ocr page 59

59

het aantal kinderen.... Ik heb er negen! Zooveel te slechter voor hen, clie er geen hebben!.... Dan zullen ze 't wel leeren ! Dat is een nieuw denkbeeld, dat in mijn brein is opgekomen en ik ben er zeker van, dat 't eiïect zal maken. Ik heb een massa nieuwe denkbeelden in m'n hoofd.... van die practische denkbeelden.... Maar dat komt ook omdat ik een man van vooruitgang ben. Zeker dat ben ik. Maar de minister zal 't wel lezen in m'n Memorie van Toelichting.... Hij zal 't wel inzien.... De heele wereld zal 't inzien. De secretaris-generaal.... de referendaris.... u weet wel, dat net gekleede.... mooi gekapte mannetje.... die altijd lacht en dan de hool'd-commies. Ik weet zeker, dat ze allemaal geslagen zullen zijn.... Sapperloot, iedereen heelt maar geen denkbeelden die wil.... Ik heb ze.... ik.... ik heb denkbeelden... . en nog wel een massa denkbeelden! Men zal't inzien.... en wanneer men 't ingezien zal hebben.... welnu, dan zal ik verhooging krijgen.... ik hoop't. Ik verdien't.... misschien nog wel hier iets.... een orde.... Ik verdien een ridderorde.... {slaat op zijn borst). Wat is dat'?.... {haalt een brief uit z'n zak) Een brief!.... Ah!.... juist.... ik weet 't al!.... 't Is de brief van den secretaris-generaal aan den referendaris.... Hoe komt die in m'n zak'.'.... {glimlachend) Als ik eens las wat, er in staaf.'... .

Ongetwijfeld een woord van lof____ (hij opent den brief

en leest) //M'n waarde! Ik zend je een gek van de mooiste soort: ontsla mij er van en ontsla je er zelf van, door bein naar Meerenberg te zenden.quot;

Naar Meerenberg!.... Ik'.'.... Mij opsluiten'?.... als een gek!.... Heb ik 't u niet gezegd1? Misbruiken!.... Misbruiken!.... Misbruiken!.... {woedend af.)

ocr page 60

B IJ DEN RECHTE R.

Een dramatisch gedicht

DOOR

W. c. GOTELING VI.VNIS.

eneer u heelt me hier ontboden — en ik zal Naar volle waarheid u bekennen, hoe 't geval Zich toegedragen heelt.

De tijd gaat maar verloren Met al dien omhaal van getuigen en verhoeren En mij staat alles nog zoo duidlijk voor den geest.

Mijn heele levensloop is moeite en zorg geweest, En heeft een vriendlijk licht een wijl mijn pad beschenen. Toen 't eenmaal was gedoofd, werd't zwarter om mij henen Dan ooit te voren. — 'k Heb een gruwelstuk volbracht Waarvan de menschheid beeft.

Mijn hoofd is zwaar. — Ik dacht Daareven néér te slaan — nu gaat het weer iets beter. TJ las toch mijn proces, nietwaar! Welnu, ik weet er Niets bij te voegen. — 't Is nauwkeurig opgemaakt,

ocr page 61

61

't Is alles juist.

God geev', dat ras het uur genaakt,

Waarop mijn rechters mij een eeuw'ge rust vergunnen; Verlossing brengt de dood — 'k zou niet meer leven kunnen.

Mijn vrouw, mijn arme vrouw 1 Wat was ze mooi en goed I....

'k Had met mijn eerste vrouw geen leven, en ik moet Het gul bekennen, dat ik in die vijftien jaren Geen uur van rust of vreugd gehad heb. —

Neen, we waren

Niet voor elkaar geschikt.

Als kind was 'k zacht van aard, Maar had de ontbering en 't verdriet, die de armoe baart, Zoo van nabij gekend, dat 'k in mijn jongensdroomen Gezworen had, dat eens een beetre tijd moest komen, Waarin ik zonder zorg, blijmoedig, welgesteld Kon leven — en helaas, 'k verlangde alleen naar geld. quot;k Was nauwlijks twintig jaar, en zonder iets te zeggen Van wat me woelde in 't hoofd, ja, zonder te overleggen Of alles waarheid was, wat elk vertelde van Een rijke weeuw, vroeg ik haar hand.

Ik werd haar man. — Brecht, bijkans veertig jaar, trotsch op haar goed en have. Beschouwde me als een knecht. Haar tong bezat de gave Van bits en scherp te zijn; elk beefde voor haar stem, Die schel weerklonk door 't huis; zij hield met kracht en klem Haar werkvolk op het veld, de meid in huis en keuken In 't slavenjuk. In 't eerst voelde ik mijn vingers jeuken Bij al haar boosheid; maar ze maakte ook mij gedwee, 'k Werd ook haar slaaf, meneer, en alle zielevreè

ocr page 62

62

Verdween. De rijkdom, dien ik al te dwaas begeerd had, Bracht niets dan smart. Als ik een kleinigheid verteerd had, Ik, door wiens vlijt de grond gesta;quot;ig in waarde steeg, Dan bromde en gromde Brecht, dan wist ze wel terdeeg Te zeggen, 't was „haar geldquot; en ,/luiaardquot; en verteerder'' Werd ik gescholden, ja, „een schaamteloos boeleerder/' Die ,/brastequot; van „haar goed.quot; Ik bleef op 't laatst maar thuis; Vermoeid van 't werk op 't veld, droeg ik gedwee mijn kruis, Al suflend bij den haard.

Mijn wilskracht was verdwenen.

Eens zat ik als altoos en staarde voor mij henen,

Toen plotseling mijn oor een liefelijk geluid.

Een volle en frisscbe stem vernam, een lied, dat me uit Mijn droomen wekt. 'k Sta op, en ga, wel half verlegen. Maar toch ook opgewekt, de blijde zangster tegen.

't Was Martha — 't mooie kind; ze zag me vriend lijk aan, Ze groette mij beleefd, en zei dat zij voortaan Mijn huisgenoot zou zijn. — Ze was in dienst genomen, En 't scheen of met dat kind, een lichtstraal was gekomen, In 't droef en ziek'lijk hart.

'k Ga met meer lust aan 't werk.

Ik adem vrijer weêr, ik gevoel mij jong en sterk !

't Was haar lieftalligheid, die ook mijn hart verfrischt had. En ik begreep voor 't eerst, wat liefde ik al gemist had. Ontluikt er soms een bloem aan d'utgedorden stam? Ik weet het niet, maar wel, dat ik iets overnam Van 't vroolijk rein gemoed, 'k Zag weer een toekomst dagen, 'k Wist wel niet hoe, waardoor, ik dorst 't me zelf niet vragen. Maar ik gevoelde klaar, dat in mijn droevig lot Een wending was ontstaan, en 'k zond mijn dank aan God, Die op mijn levenspad, zoo somber en zoo duister.

ocr page 63

03

Een engel had geplaatst. Het was alsof mijn kluister Mij minder drukkend scheen, en hoorde ik Martha's lied, Dan rees er voor mijn geest, een glansrijk schoon verschiet. Zij, altijd vroolijk, steeds aan 't werk, zoo knap en handig. Dat Brecht haar somtijds prees, wist bovendien verstandig Met ieder om te gaan, zelf met den ruwsten mensch. En wel een maand, drie, vier, ging alles thuis naar wensch. Toch had ze eens iets verzuimd— nietwaar,quot;t gebeurt de beste? Daar had je 't leven aan den gang Brecht, die ten leste. Als ze eens aan 't kijven was, zich vreeslijk opwond, die Geen reden kon verstaan, vliegt haar te lijf! — Ik zie

Hoe ze onze Martha slaat.....

Dat mocht ik toch niet lijden : Ik rukte Brecht op zij, om Martha te bevrijden.

Brecht, die niet wist dat ik nog zooveel kracht bezat, Wijkt duizlend achteruit en zwijgt, 't Werd tijd. Ik had Ken ongeluk begaan.

Ik hoef wel niet te zeggen.

Dat na mijn tusschenkomst er ook van 't bij te leggen Geen sprake meer kon zijn. Toch eindigde de twist, Want Martha joeg ze weg. —

Ik had geen rust. Ik wist Nu eerst met zekerheid wat of mijn hart begeerde : 't Was Martha, 't mooie kind, in plaats van Brecht. Ik leerde Me zeiven kennen. „Ja,quot; zoo dacht ik, „ja, daar zal, Daar moet verandering bij ons ontstaan.quot;

Wat al

Gedachten in dit brein verdrongen staag elkander.

Do een al moorddadiger en zondiger dan de ander. ,/Behoed me, o God/' zoo bad ik vaak, „opdat er niet „In zinnelooze'drift, iets vreeselijks geschied,!... .

ocr page 64

64

Vreemd mag het heeten, dat de vrouw die me altoos griefde, Die bitter wonden kon, nooit zinspeelde op die liefde. Ik denk, dat zij dat punt met opzet niet vermeed,

Maar dat zij niet begreep, wat in mij omging, 'k quot;Weet Geen and're reden ervoor.

Ik bleef aan Martha denken En peinsde op midd'len, die mij vrijheid konden schenken, Maar zonder dut 'k mijn ziel bezondigde voor God. Brecht deed ze me aan de hand. Eens dat het weder tot Een twist gekomen was. riep ze uit: „Ik kan jou missen-, „Jij loopt hier in den weg.quot;

Meneer, u kunt wel gissen; Ik vuur vatte op dat woord. „Goed'' zei ik. „ik wil heen, „En laat de boerenplaats, al 't vee aan jou alleen, „Al komt het mij ook toe; wat ik alleen zou wenschen „Is werklijk vrij te zijn voor God en voor de menschen ; „Uw goed begeer ik niet.quot;

'k Had nauwelijks dat gezeid — Haar grootst gebrek, meneer, was hebzucht, gierigheid — Of Brecht stemde er in toe. Zij, anders zoo geslepen. Had van mijn heimlijk plan dus blijkbaar niets begrepen. Be scheiding komt tot stand, 'k Ben eind'lijk frank en vrij En met een luchtig hart, zeg ik de boerderij Vaarwel.

Tot wie ik toen mijn eerste schreden wendde, Was Martha, zij, wier liefde in 't diepst van mijn ellende Mijn hart verjongd had — en om kort te gaan, meneer: Wij waren 't spoedig eens, zij werd mijn bruid en teer Beminde vrouw.

Ons dorp — wij vreesden Brecht — verlieten We dadelijk, om hier de liefde te genieten,

ocr page 65

65

Die de armoè zalig maakt en eiken twist verbant.

Ik was een ander mensch en ijvr'ig deed de hand Al wat ze vond te doen. 'k Heb volop werk gekregen; Waar liefde woont — niet waar?—gebiedt de Heer zijn zegen. Hoe vroolijk was mijn ziel, hoe blij klonk Martha's lied! 'k Was hier maar boerenknecht, toch kende ik geen verdriet Totdat de vijand kwam.

De Schrift toont ons den Booze Als onkruid zaaiend. Ja, dat doet de liefdelooze,

Het is de duivel zelf, die elk genot bederft.

(J weet, dat in ons dorp somtijds een koopman zwerft, Die aan 't boerenvolk zijn kleine snuisterijen Te venten pleegt. Welnu, die man kwam ook bij tij'en Bij Brecht. Hij zag me hier en sprak me daad'lijk aan : „Zoo, woon je hier? Jij hebt een dommen streek begaan „Met Martha. Ze is misschien wel twintig jaren jonger „Dan jij bent en doodarm. Een mooie vrouw — en honger „Is ook niet alles, man. Waarom verliet je Brecht ? „Toen hadt je 't goed. 'k Voorspel dat 't met je nieuwen echt „Nog leelijk afloopt. Martiia is geen heilig boontje; „Of weet jij zelf niet, hoe ze vroeger met het zoontje „Des rijken pachters van de Sterrenhoeve heeft „Geloopen ?quot;

„Kerel, zwijg \quot; zoo riep ik, „niemand geeft „Jou 't recht, je valsche tong te mengen in mijn zaken/' Maar 't onkruid was gezaaid, 'k Bleef over Martha waken Met angstig spiedend oog. Ook hoorde ik hier een stem: „Jij bent veel te oud voor haar, ze treurt misschien om hem/' Was Martha somtijds stil — vermoeid gewis van 't werken, Dan meende ik in haar oog een traan van spijt te merken, 'k Voelde argwaan in mijn ziel. En klonk haar blijde lach

ocr page 66

66

Dan was 't alsof 'k daarin weer iets gedwongens zag. Zoo pijnigde ik me zelf door .Martha te verdenken.

Maar was ik dan niet gek, om nog geloof te schenken, Aan 't geen een lastertong gezegd had? Neen, ik wou Gelooven aan de deugd en de onschuld van mijn vrouw. Een poos daarna komt mij dezelfde kramer zeggen: „Haar vrijer is van dienst en denkt 't weer aan te leggen „Met Martha. Ouwe vrind, pas op je tellen, man! „Hou jij een oog in 't zeil! Ik weet er alles van: „Als jong bij jong wil zijn, dan foppen ze ouwe menschen. „Maar jij gelooft dat niet. Nu, 'k help je 't beste wenschen/' Zoo liet hij mij alleen en zag nog spottend om. 'k Verging van nijd en drift, 't Was slecht, gemeen en dom. 'k Ontken het niet, meneer, maar was dan alles leugen ? Was alles lastertaal'? Of zou mijn vrouw niet deugen'? Een half jaar later komt een brief in mijn bezit, Wel niet geteekend, maar daar stond het zwart op wit: „Uw vrouw, uw Martha is gezien met d'oudsten jongen „Der Sterrenhoeve, en arm in arm. Geen lastertongen „Verzinnen dit bericht, neen, 't is oprecht en waar. „Zij komen in 't geheim gedurig bij elkaar;

„Er wordt gefluisterd, dat jij 't niet zoo lang zult maken, „Je bent gewaarschuwd, man....quot;

En nog een aantal zaken Staan in dien slechten brief.

U vindt hem bij 't proces.

'k Was haast waanzinig....

En, meneer, een dag of zes Daarna komt in ons dorp de koopman weer. In woede Greep ik hem bij de keel, omdat ik wel vermoedde, Dat hij de schrijver was. Ik riep: „Ellendeling!

ocr page 67

67

^Biecht op; wat hadt je voor met die beschuldiging, Wat moest die brief ?//

Meneer, hij weet zich los te rukken En ziet me vragend aan. O, 't mocht hem zoo gelukken — Den valschaard — om 't gezicht te trekken in een plooi Vol onschuld en ik ga weer twijfelen, 't Is mooi/' Zoo zegt hij, „om een eerlijk man dus aan te randen! „Wat weet ik van een brief? Ik raad je, houd je handen „Me voortaan van het lijf.''

Meneer, 'k beheersch mijn drift En duw den brief hem toe: „Ziedaar, ken jij dit schrift?'' „Neen,quot; zegt hij en ik lees de oprechtheid in zijn oogen. „Maar zie dan wat daar staat, men heeft mij wreed bedrogen.. „Mijn vrouw is braaf!quot;

„Wel ja, hou jij je daar maar bij; „'t Zijn leugens die hier staan... jou vrouw is braaf, en zij „Zal nooit bij and'ren jou vergeten, 't Is een voordeel, „Dat jij 't gelooven kunt en lacht om and'rer oordeel, „'k Heb je eens gewaarschuwd. Weet je 't nog? Verleden jaar, „Toen was ik in jou oog een vuige lasteraar!

„Ik moei me er niet meer meê.quot;

Zooals 't vergift kan werken In 't bloed, werkte ook zijn taal.

'k Meen aan mijn vrouw te merken Dat ze erg gejaagd is, net alsof ze me iets verborg,

Of zij mijn blik ontweek.

'k Besluit met grooter zorg Haar na te gaan. Ik moest tot zekerheid geraken.

'k Voel langzaam in mijn borst een reuzenkracht ontwaken,

ocr page 68

68

Ontembaar, als van 't dier, dat in de bosschen huist;

'k Beef voor me zelf. Ik voel, hoe 't bloed in de ad'ren bruist, Hoe alles kookt en gloeit. Ik wil die drift bedwingen.

Zooals een tijger, die zijn prooi zal gaan bespringen.

Maar waarom sprak ik niet met Martha?

Neen, o God,

Dat kon, dat durfde ik niet. Verliefde en ouwe zot,

Die 'k was — ik nam maar aan, wat ieder mij vertelde, Terwijl mijn voorgevoel het bloedig eind voorspelde.

Eens als het donker was en ik naar huis toe ging.

Mijn schop wierp op den rug, voelde ik een tinteling Door pols en ad'ren, toen ik 't hout der schop omklemde: 't Was Martha's lief gelaat, dat mij wreedaardig stemde.

Eens sloop ik naar mijn hut; inwendig zei een stem:

„Se vindt hen samen — maar nu zijn alleen voor hem

„De zoete woordjes____die jij vroeger op mocht vangen.

„Hoor — zeggen zij niet, dat ze naar jou dood verlangen? „Jij staat hun in den weg. — Ze lachen je uit. — O zie, „Hoe hangt ze 'm om den hals. En dan die kussen, die „Ze vurig wiss'len. Hier! — Blijf in de schaduw — Luister—-„Wat zegt ze? Weer een zoen! 'k versta haar niet —'t Gefluister „Gaat ook zoo zoetjes.— Wat?— Ze noemt je een ouwe zot, „Een mallen, ouwen kwast?quot;

Waar is mijn schop? Bij God,

Ik duld 't niet langer! Neen!

Ik hef met beide handen

De zware schop omhoog.....

Met saamgeklemde tanden,

Met reuzenkracht sla 'k toe.....

Daar wordt een kreet gehoord.....

Een rauwe kreet..... Een val.....

ocr page 69

69

Ik had mijn vrouw vermoord!

Dat lief, onschuldig kind stond me eenzaam op te wachten, Zooals ze daag'lijks deed.... Mijn duivelsche gedachten, Ze hadden 't spel gespeeld, dat vreeslijk werd geboet. Mijn vrouw, mijn arme vrouw! Ze was zoo mooi en goed! Wat verder met mij is gebeurd.... hoe zou ik 't weten ? In doffen waanzin werd door mij de tijd gesleten...

Maar gisteren, meneer, kwam hier een boerenknecht,

Dien ik vroeger had gekend. Hij zei: „Het is door Brecht, ,/t Is alles door haar list — jij bent er in geloopen; „Zij wist door macht van geld den kramer om te koopen, „Zij zond den brief. — Zij zwoer een duren eed: Zij zou „Niet rusten voor haar wraak op Martha en op jou „Volbracht was.''

En, meneer, nu 'k alles trouw bekende.... Een enkle bede; O maak een einde aan mijn ellende! Ik heb een daad begaan, afschuwlijk, ongehoord.... Brecht is gewroken... God!... 'k Heb de onschuld zelf vermoord.

Zoo velen hopen op een wederzien daar boven —

Ik niet — ik beef er voor — ik kan het niet gelooven. O, dat ik heden nog de zwaarste straf ontving.... 'k Verlang zoo naar mijn dood. — Dood is vernietiging.

ocr page 70

EEN UITSTAPJE.

Naar het Fransch van Charles Gros dook PICCOLO.

(De reiziger komt met haast binnen.)

Neemt me niet kwalijk, dames en heeren, maar ik kom een beetje te laat. U moet weten, ik kom juist van de reis, een heerlijk klein uitstapje.

Stel je voor een plaats, neen, een dorp, zelfs een heel groot dorp, op één uur, twee uur, drie uur afstands van Parijs, ik herinner mij den juisten afstand niet meer, omdat ik vergeten heb op de klok te kijken toen ik wegging en ook toen ik hier aankwam, en wat meer zegt: ik heb den heelen weg geslapen. Eigenlijk was ik voor zaken op reis gegaan, maar dat zal u niet interesseeren. Ik nam mijn klein valiesje, omdat ik groote bagage altijd uit den trein of ergens

ocr page 71

71

anders vandaan vergeet mee te nemen, terwijl ik een klein valiesje altijd in de hand houd ('n beweging). En dat blijft altijd bij mij; of ik in den trein ga, af er uitstap, 'k heb 't altijd bij me, zooals u ziet (Jiij ziet met verwondering om beurte zijn ledige hand en het publiek aan). Dat is nu de eerste maal, dat mij zoo iets gebeurt. Enfin, het zal in 't station gebleven zijn. Ik zal het dadelijk gaan zoeken. Het is trouwens niet mogelijk, een valies terug te vinden van leder, of neen, 't was eigenlijk een bijzonder soort linnen, met spijkertjes, veel spijkertjes er op; maar.-., ik zal 't terugvinden, 't moet stellig aan 't station zijn, waar ik vandaan kom. Zij zullen mij daar wel herkennen, 't Was het Noorderstation, neen! het Wester, neen het Zuider! Och! wat! ik weet het zelf niet meer... Ik ben in geen zeehaven geboren, ik weet dus weinig van windstreken. In een zeehaven steken ze hun vinger in den mond, houden dien daarna in de lucht, en dan zeggen ze ; de wind is zuidoost ten zuiden vandaag; enfin, dat's hun zaak, maar het station, waarover ik spreken wou, is aan het einde van een lange straat, waar veel rijtuigen passeeren. 't is werkelijk vreeselijk hoeveel rijtuigen er in die straat passeeren! Enfin, ik zal me strakjes den naam wel herinneren. Dat zal ten minste wel moeten om m'n valies terug te vinden (naar zijn ledige hand ziende). Ik verzeker u, dat dit de eerste keer is, dat mij zoo iets overkomt. Ik was dus naar het Noord......enfin 't komt er

niet op aan welk station, in één woord: we vertrokken, 't Zag er heel aardig uit aan dien kant van Parijs. Het moet er zelfs heel aardig langs die geheele lijn uitzien, maar.... ik ben in slaap gevallen na het eerste station. Het eerste station is.... Ah! ik herinner mij dien naam,

ocr page 72

72

't lijkt iets op — ceinture. Nu zal ik wel gauw op den naam van het station te Parijs komen. Och, als je van reizen houdt, dan moet je dien kant eens uitgaan. Ik voor mij, ben een dolle liefhebber van reizen, hoofdzakelijk op zoo'n manier. Ik heb geslapen !!! Ik heb wel namen hooren roepen op „ville en val en nji,quot; maar ik kan slecht namen onthouden, ofschoon u wel zult begrijpen dat de plaats, waar ik naar toe ging, mij niet ontschoten is. Dat is ? .... Hoe heb ik het nu ? Zé ligt op het puntje van de tong. Och God, 't was zoo aardig, dat kleine streekje. Enfin, de naam zal me nu wel dadelijk te binnen schieten. Eindelijk werd ik wakker en ben uit den trein gestapt. O! u moet daar ook eens heengaan, men-schenlief! 't is er zoo schilderachtig. Het station, wat zal ik je zeggen? dat ziet er 'n beetje uit als alle andere stations. Maar 't is toch aardig. Daar is een afdak van beschilderde planken, geheel open aan den kant van den weg met een bank in de rondte van binnen, en beplakt met affiches van allerhande kleuren. U kunt het je zoo voorstellen; roode, blauwe, gele affiches, dat maakte heusch een heel aardig effect.

Daar vlak bij staat een omnibusje, dat je in minder dan geen tijd naar het dorp brengt.

Och! och! wat is dat reizen toch plezierig, hoofdzakelijk naar dien kant. Verbeeldt u, dat ik zoo uit den omnibus mijn blik over het landschap liet dwalen. Het ziet er zeer schilderachtig uit. Rechts landerijen en nog eens landerijen, spurriekoorn of gerst!... eigenlijk ben ik niet erg op de hoogte van planten, dat is meer een zaak van landbouwers. Er zijn er, die als ze gras zien, je dadelijk zeggen; dat ? dat is gerst, dat is haver en dat is klaver.

ocr page 73

73

Ik weet er heusch niets van, hoewel ik zou durven beweren dat daar, rechts toch zeer veel spurrie groeit. Dat maakt een heel aardig effect, erg schilderachtig. En dan, den weg dien de omnibus neemt, is.... een weg, net als 'n andere, neen, toch niet heelemaal. Er staat ergens een huis, een klein wit huisje met groene luiken, ü kunt je geen idee maken hoe lief dat staat: groene luiken op een wit huisje.

Links.... wacht, 't is of ik 't nog voor me zie.... links zijn weêr landerijen en ook landerijen met spurrie. Die landen rechts, die landen links, al die spurrie, o, ik verzeker u : 't is alleraardigst, en erg schilderachtig. De omnibus brengt u naar het hotel, het voornaamste hotel van de plaats. Het is de Gouden Zon? Neen, de Gouden Leeuw? neen, toch niet, enfin, 't is iets van „goud.quot;

Ik herinner me, dat er nog een ander hotel daarnaast is, ook iets van „goud/' maar als u ooit dien kant uitkomt, ga dan naar dat waar ik over spreek, dat is het beste. U zult het wel vinden. Zeg maar, dat ik u gerecommandeerd heb. De menschen daar zijn heel aardig: Ik heb mij met niets hoeven te bemoeien. Ze hebben mij dadelijk een kamer op de eerste, neen, op de tweede verdieping gegeven. Als u er heen mocht gaan, vraag dan die kamer. Het is

No. 7, neen____3 of neen, enfin ik weet 't niet meer,

maar ze zullen u die kamer geven, want 't zijn toch zulke aardige menschen. De kamer is erg zindelijk.

Het kamermeisje nam dadelijk mijn valies... Wat is dat toch vervelend, dat Ik het heb laten liggen, ik zal het toch dadelijk gaan halen. Ze ziet er niet slecht uit, dat meisje. Wat zeide ze vriendelijk „Goeien middag. Meneer, heeft u 'n pleizierige reis gehad ?// En wat had ze 'n paar

ocr page 74

74

kijkers! Ja, als je me nu vraagt: had ze blauwe, zwarte of groene oogen? ik moet je rondweg verklaren: ik weet het niet. Kijk ik ooit naar de kleur van oogen ? Er zijn menschen die dadelijk weten of een vrouw groot of klein is of ze blond of bruin is. Maar wat maakt dat uitAls ze maar lief is'? Ik voor mij kan al die bijzonderheden niet onthouden.

Ik herhaal: u moet die kamer nemen, als je dien kant eens uitkomt, 't Ziet er zindelijk en netjes uit. Er staat een ledikant met spierwitte gordijnen en spier dito voor het raam. Er is een tafel met twee, neen, drie stoelen en dan is er ook nog een leuningstoel. Die leuningstoel is om zoo te zeggen een beetje hard, maar op reis moet je op zulke kleinigheden niet kijken.

Het kamermeisje zette het raam open .. . dat kamermeisje is om den blikslager nog zoo ongeurig niet. Ze deed het raam open om wat frissche lucht te maken. Het is een heel aardige uitkijk; men ziet op straat eri juist tegen, over in het Café du Commerce, neen! de l'Union,neen,ik geloof du Progrès. Dat is het netste Café van het heele dorp. Ik ben daar voor den eten even heengegaan, en 't was er vol. Ge moet daar ook eens naar toe gaan; het is gemakkelijk te herkennen... er staat -een biljart. Daar kunt ge de gewoonten van het land leeren kennen. Onder anderen waren daar menschen in blauwe kielen en weêr anderen in jassen. Ze zien er raar toegetakeld uit in dat landje. Over 't geheel genomen is het kostuum toch aardig. De menschen doen zich goed voor.... Ik heb ze over zaken hooren spreken. Ze kletsten en praten b.v. zeer juist over de prijzen van graan en hooi, over het inkoopen en verkoopen van vee, van ossen en kal-

ocr page 75

75

veren voor zooveel percent. Daar was ook een groote kerel met een zweep, ik geloof dat het een paardenkoo-per was, want ik hoorde hem zeggen: Wanneer ik een paard koop, dan wil ook dat het een paard is, want wanneer het geen paard is, dan wil ik toch een paard hebben.quot;

Ik verzeker u, dat het een allerliefst landje is. U moet er bepaald eens naar toe gaan. Daarna ben ik in hel hotel gaan dineeren aan de table d'hóte. U weet misschien niet wat dat is, een table d'höte'? Ga dat daar dan eens zien, ga maar uit mijn naam. Het is een tafel in een lange eetzaal, een tafel in den vorm van een lang vierkant, neen, ik geloof dat die waarover ik spreek, rond was, of beter nog ovaal; enfin dat doet er ook niet toe ... Ik voor mij eet net even lekker aan een vierkante als aan een ronde tafel. Er zaten daar erg nette menschen,

families, die overgekomen waren uit----enfin, u begrijpt

wel, uit de voornaamste plaats in den omtrek. Ik weet waarachtig niet meer wat we gegeten hebben! Soep en vleesch, enfin, je eet daar zeer goed. Toen zijn ze aan het redeneeren gegaan en hevig ook, hoor. Ze hadden het over.... over, over wat hadden ze 't ook weer ? Enfin, ik ben het punt van redeneering vergeten. Ik herinner me wel, dat de meneer die tegenover mij zat, meende dat ik het niet men hem eens was; toen heeft hij verder zijn mond gehouden en is blijven dooreten met zijn neus tegen het bord. Het redetwisten begon daarna eerst recht goed te worden, en ik zou graag gebleven zijn, maar de omnibus stond weer op me te wachten om me naar het spoor te brengen.

Ik moest dadelijk weer weg voor zaken. U begrijpt zaken voor alles, maar.... dat zal u niet interesseeren.

ocr page 76

76

Ik had een beetje gauw gegeten en kreeg trek om te slapen. En ik verzeker u, ik heb een heerlijken tuk gedaan in den waggon. Stel je voor, dat ik zelfs ook geslapen heb in het rijtuig, dat me hierheen bracht {hij kijkt op zijn horloge). Goeie God, de klok zal dadelijk half slaan. Jawel, maar welk half? Mijn horloge loopt zoo juist als 't maar kan, maar het heeft slechts één wijzer, den groote voor de minuten. Enfin, daarom niet getreurd! Het is hoog tijd om mijn valies te gaan halen. Maar hoe zal ik het nu aanleggen om het station terug te vinden ? Weet je wat, ik zal het aan een koetsier vragen en met

een goed fooitje----(hij zoekt in zijn zakken) wat duivel

mijn portemonnaie?..., Die zit nog in m'n valies. Enfin, mocht u soms iets hooren van dat valiesje van leér.... och neen... van linnen met spijkers, met veel spijkers, wees dan zoo goed en schrijf mij even een briefkaart. Boulevard No......'? Och sakkerloot ik kan er niet opkomen, enfin dat is niets, schrijf me maar, ik ben bekend genoeg in de buurt {hij gaat heen, maar komt dadelijk terug). Zet vooral goed den voornaam, want er zijn er meer van mijn naam hier in de stad.

ocr page 77

MEESTERS STRAF

DOOP.

JAN. C. DE VOS,

Zij stonden in den hoek en zouden weldra hooren, Wat straf de meester haar voor 't misdrijf had beschoren. Mooi-Klaartje's hartje sloeg haar hoorbaar in de keel, Want meester strafte streng, al deed hij het niet veel. Doch Leentje fluistert zacht^Mooi-Klaartje moet niet vreezen, Ik zeg den meester straks, dat ik heb schuld in dezen!quot; Maar Klaartjen antwoordt niet en stampvoet op den grond En mompelt voor zich heen: ,/houd, leelijk nest, je mond \quot;

Daar roept de Meester luid en streng der kindren namen, En zegt: „dat beiden zich wel vreeslijk mogen schamen, Om, meisjes als zij zijn, te vechten met elkaar!quot; Mooi-Klaartje heft het hoofd met golvend goudblond haar. En richt den fleren blik der bruine, glinstrende oogen, Met wimpers van fluweel en zijden wenkbrauwbogen, Vol moed naar Meester heen, die welgevallig staart Op 't schoon gevormde kind: een engeltjen op aard.

ocr page 78

* 78

Dan ziet hij Leentjen aan, het arm, misvormde wezen, Pokdalig, kreupel ook, wier schaamrood hem doet lezen In haar berouwvol hart, dat zij zich schuldig weet. ,/Spreek, Klaartje!quot; zegt hij nu. ,/Vertel wat zij misdeed/' Het mooie Klaartje zegt — de wraaklust in haar oogen Een blos op 't fier gezicht, hard, zonder mededoogen : ,/Dat mank en leelijk wicht, dat steeds mij sart en plaagt, z/Heeft heden onverhoeds, o meester, het gewaagd ,/Met haren viezen mond den mijnen aan te raken, ,/En mij te kussen zelfs! Los kon ik mij niet maken, ,/Zoo hield ze mij omarmd !... Ik gaf haar toen een slag ,/In 't haatlijk aangezicht, wat de ondermeester zag, ,/Die beide ons strafte, maar; zij heeft alleen misdreven ; ,/Had zij mij niet omhelsd, 'k had haar geen klap gegeven \quot;

,/Gij, Leentjezegt hij nu, ,/wat dreef u tot die daad?quot; Met tranen in het oog heft zij 't misvormd gelaat, En spreekt met zachte stern, bedeesd, ontroerd, weemoedig : ,/Vergeef het mij, mijnheer!... Wees in uw oordeel goedig ! z/'k Beloof, mooi-Klaartje heusch: ik doe het nimmer weer. ,/Maar zie: zij is zoo mooi, zoo leelijk ik, mijnheer, ,/Dat ik mijn lust om haar in 't glinstrend oog te schouwen ,/En haar te omhelzen ook, niet langer kon weerhouwen...quot; En snikkend gilt zij 't uit en schreit en kermt en klaagt; ,/Ik word bij ieder spel meedoogenloos verjaagd... „De jongens jouwen me uit... de meisjes moet ik mijden... ,/Geen kus, die ooit mij troost voor al mijn bitter lijden... ,/Maar ach !...'t is niets...'k beloof u, 'k zal het nooit weer doen\quot;

Toen gaf de meester haar op iedre wang een zoen.

ocr page 79

HET VRIJ BILJET.

Naar het Fransch van Louis Pékicaud.

Ik ga bijzonder graag naar de komedie, maar betalen om naar de komedie te gaan, zoo dom ben ik niet. Dan is al mijn plezier er af! Gisteren ging ik naar de Variétés, met een vrijbiljet natuurlijk. Meneer Saint-Eustache, de komiek, had er mij een gegeven.

Ik ben aan de gasfabriek en daar valt niet veel te verdienen. Het gas is zoo licht, het vervliegt zoo gauw! Ik ben geen aandeelhouder; ik ben verificateur. Drie dagen geleden, zeg ik tegen mijzelf: ,/Wel, ik zou wel lust hebben, om ^De man met de drie broeken'' eens te gaan zien, in de Variétés natuurlijk.

Ik ga om drie uur van de fabriek; ik weet zeker, dat het drie uur was, want kwart over drieën is er eene ontploffing geweest in dat gedeelte van de wijk, dat ik niet geverifieerd had. O! het was maar eene kleine ontploffing. Ik neem eene vigilante en rijd naar den schouwburg. Mijnheer Saint-Eustache was juist vertrokken, ik stap weer

ocr page 80

80

in de vigilante en rijd naar mijn wijk, om te zien hoe de ontploffing geweest is. Ik had precies anderhalf uur gereden.

Den volgenden dag ga ik weer weg van de fabriek. Ik neem weer eene vigilante, die mij naar mijnheer Saint-Eustache brengt. Wij gebruiken samen een glas bier, een glaasje vermouth, toen weeleen glas bier; meneer Saint-Eustache wil betalen, maar dat duld ik niet. Hij vraagt mij te dineeren. Wij gaan naar zijn restaurant, een wonderlijke restaurant! De lepels en vor-

ken waren aan de tafel vastgemaakt... met stalen kettinkjes. Het is er heel goed. Het kost ons ieder 29 stuivers. Ik betaal. Hij gaat zich kleeden en zegt tegen mij : „U kan je vrijbiljet halen bij den concierge van het theaterquot;. Ik loop er gauw heen. Wat is die concierge onbeleefd; hij is zeker bij de posterijen geweest! Hij vraagt me vijf stuivers. Ik weiger. Hij noemt mij gierig! toen geef ik ze.

Eindelijk heb ik mijn biljet! Ik lees er op: ,/Vrijbiljet voor twee personen. Saint-Crépin junior, uitverkoop tegen verminderde prijzen. Men moet een frank per plaats betalen voor administratiekosten/' Ik geef het aan den controleur. Een heel beleefde mijnheer zegt tegen mij: ,/twee franken asjeblieft/' — „Twee franken?quot; ,/Een frank per plaats/' — „Ik ben maar alleen, ik zit toch maar op ééne plaats.quot; „Het biljet is geldig voor twee plaatsen, u moet twee franken betalen.quot; Ik geef ze, omdat ik mij ne plaats in het theater niet graag betaal.

ocr page 81

81

In ruil krijg ik een blauw kaartje, waarop ik lees; ^Tweede galerij, Melkinrichting, echte koemelk van het kasteel van een gewezen theater-directeur.quot;

Ik ga naar de derde verdieping. In de theaters moet men altijd naar de derde verdieping gaan, om op de tweede galerij te komen. De ouvreuses nemen mij mijn jas af en geven mij een groen kaartje, nommer 33, met dit opschrift; //Hoedenfabriek, geen konijnenhaar meer; de beste soorten 3.75 franken.quot;

Ik krijg eene boekplaats, op de vierde rij; ik kon niets zien, dan een hoek van een scherm met annonces: //Rolpens van Caen, tegenover het theater.quot;

Het stuk begint, ik zie niet eens de rolpens van Caen meer, ik ga er over klagen. De ouvreuse antwoordt mij : //U zou misschien voor uwe twee franken het Legioen van Eer willen hebben!quot; — '/U is onbeschaamd! Geef mij mijn jas terug!quot; Ik geef twaalf en een halven cent, ik krijg mijn jas en ik ga mijn beklag indienen bij den controleur.

„Met een supplementje van een balven frank kan u op de eerste galerij gaan zitten,quot; zeide die heer zeer beleefd. — //Daar is de halve frank.quot; — //Pardon, u heeft twee plaatsen, dat is een frank.quot; — //Ik zit er toch maar op één.quot; — „Dat doet er niet toe, bet is een frank — de rechtbank heeft het zoo bepaald.quot;

Om er een eind aan te maken, betaal ik mijn frank, omdat ik niet graag betaal in de komedie; en iemand stopt mij een geel kaartje in mijn hand, waarop ik lees: ,/Eerste galerij. In de groote tragedienne. Stoomwasscherij quot;

Ik klim weer twee trappen op, omdat men in alle theaters twee trappen op moet, om op de eerste galerij te komen.

6

ocr page 82

82

Ik geef een fooitje aan de ouvreuse, om een goede plaats te krijgen. Zij geeft mij een ellendig zitbankje, maar ik heb ^De man met de drie broeken'' gezien! En, men heeft mij nog twaalf en een halven cent gevraagd voor een bankje — dat ik niet gezien heb — en voor de kleedkamer; maar ik heb heel veel plezier gehad! En ik zeg, dat mijnheer Saint-Eustache de eerste acteur van Parijs is.... in zijn eigen genre; niet in dat van anderen. Ook heb ik hem hartelijk geluk gewenscht na den afloop van het stuk, onder het eten van eene portie zuurkool, die ik betaalde. En ik ben 's nachts om half drie uur thuis gekomen, doornat van den regen! De ouvreuses hadden mijne parapluie weggemaakt; mijn jas was bedorven en mijn hoed ook; en, toen ik den volgenden morgen aan de fabriek kwam, werd ik ontslagen, omdat ik twee dagen achtereen mijn post verlaten had en dat ik juist de dagen van eene ontploffing had gekozen.

Totaal: 10 franken voor de vigilante; 3 franken voor het diner; 1 frank vijftig vertering; 50 cents ouvreuses, twee franken voor de vrijbiljetten; 1 frank voor het supplement; een jas bedorven en mijn hoed, geen parapluie meer, geene betrekking meer bij de gasfabriek. Maar dat kan me allemaal niet schelen, ik ben naar de komedie geweest, zonder te betalen! !

i

ocr page 83

EEN LIJDEND MENSCH.

Vrij naar het Fransch van Galipaux en Ch. Samson.

DOOR

JACOBUS DE VOS.

De vertooner komt naar den voorgrond — salueert — buigt 't hoofd en voelt in z'n zij. — Hij lijdt aan steken in z'n zij. Telkens als er geschreven staat „aiquot;, maakt hij de beweging van in de zij voelen — elleboog goed naar buiten — en steeds pijnlijk roepende — „ai — ai.'7

Ai — ai! Neemt me niet kwalijk.

't Is m'n schuld niet. Ik ben een lijdend mensch. Ik lijd aan steken in m'n zij; dat kunt u me niet aanzien,

maar 't is toch zoo. Ik ben een dokter wezen raadplegen, hij heeft me tien gulden laten betalen en me aangeraden .... naar een specialiteit te

gaan. Ik weet er geen____en daarom

kom ik u om 'n adres vragen.

ocr page 84

84

Zoo kan ik niet blijven. Ik ben belachelijk voor me zelf

en voor anderen. Ai! En dat duurt nu al zes maanden. Ai----

Ai.... Ai!.... Op 'n mooien avond ga ik door de lange Zijstraat.... dat is eerst een naam. Daar was geen po-litie-agent, zooals gewoonlijk. Twee kerels vallen me aan, de een probeert m'n horloge te stelen, terwijl de ander me een paar ferme vuistslagen in m'n nek geeft. Dat is

niemendal, zult ge zeggen---- Wie is z'n horloge wel

niet eens ontstolen, en wie heeft er niet 'ns stompen met een vuist gehad'? Jawel, ik weet 't wel, de heele wereld is niet zooals ik: ik ben impressionist! Stompen van een vuist.... dat doet me iets.... wanneer ik dat zie, of liever wanneer ik dat gevoel, dan breng ik onwillekeurig m'n hand aan m'n zij en buig m'n hoofd. Kijk zoo. Ai! Dat beteekent nog niets, dat is heel natuurlijk, dat zoudt ge ook doen.... Jazeker, maar toch was 't oorzaak, dat

ik verloor____Ai! Ik ga naar huis, ik slaap goed, neen, ik

slaap slecht, heel slecht, zenuwachtig, onrustig, nachtmerrie ! Ik slaap slecht, en toen.... maar dat is van geen belang. Maar den volgenden morgen.... ai! den volgenden morgen.... ik sta op, kleed me aan, kam me zooals iederen morgen, opeens voor m'n spiegel krijg ik 't. Ai! (beweging met den elleboog) Ai! Flang! m'n spiegel kapot. Twintig gulden naar de maan. Ik ga naar beneden, haal m'n brieven. Ai! Ai! Ai! 't Blijft maar doorgaan. Ik heb er al wat last van gehad. Laatst dineer ik bij een vriend. Op 't oogenblik dat ik drinken wil, spreekt er een over Scheveningen! Dat is niemendal, Scheveningen nietwaar? Een badplaats als een andere. Je vindt er van alles; groot en klein, dik en dun, zwaar en licht.... ja, vooral veel van dat lichte! en heel veel

ocr page 85

85

Duitsch! Te veel, de visch begint er al naar te smaken. O, zoo zoetig! Hoe meer Duitschers, hoe slechter haringjaar. Ik maak me nijdig, wil m'n glas ineens leeg drinken. Ai! daar krijg ik 't, ik stort m'n glas over den schoot van m'n buurvrouw. De echtgenoot staat op, wordt driftig, razend____ Ik zeg niets, flang! daar geeft hij me een

oorvijg. Ai! 't Gevolg, een duel! Ai! Dat is minder. Ik ben aan duels gewoon.... Kort geleden.... had ik ook

zoo'n zaakje.... een liefdesgeschiedenisje____ Ai!____

't Duel had niet plaats.... m'n tegenpartij overleed den vorigen dag.... Hij zal zeker angst gehad hebben.... Deze ging niet dood! Wilt ge weten, waar ik gewond

werd.... want ik werd gewond____Hier, in m'n hoofd....

Ja, dat verwondert u, omdat 't zoo ongemeen is, en toch is 't heel eenvoudig. We staan daar met uitgetrokken degens tegenover elkander.... We beginnen.... daar krijg ik 't.... Ai, Ai! ik buig m'n hoofd.... en krijg een prik in mijn hoofd. Wat heeft men over dat duel gesproken. Nog iets. Een vriend raadt me den massage aan. Uitstekend voor steken in je zij, zegt hij me. Mooi. Ik ga naar Mezger. Hij wrijft, wrijft dat 't een lust is, ik ben tevreden. Maar daar krijg ik 't. Ai! Ai! Ai! Ik stomp hem voortdurend met m'n elleboog, 't Blijft zoo doorgaan. Hij krijgt er genoeg van, en ik ook. Maar dat is nog allemaal niets bij 't geen me op m'n huwelijksdag overkomen is. Ja, ik ben getrouwd, slecht getrouwd, zeer slecht getrouwd, en dat is de schuld van m'n steken in m'n zij, dat ik een lijdend mensch ben! Op den morgen van de opoffering. Ai!.... van de vereeniging wou ik zeggen, verneem ik, dat de deugd van m'n Elestine erg elastisch was! Telaat, om terug te keeren, ik neem me

ocr page 86

86

voor op 't stadhuis een donderend „neenquot; te laten hooren. 't Gewichtig oogenblik komt. Daar krijgt ik't.... jaüjai! jai! M'n adem wordt als 't ware afgesneden en 't is alsof k uitroep „ju/' „ja,quot; „ja!quot; Iedereen om me heen hoor ik zeggen; „Wat zegt hij dat „jaquot; van ganscher harte. Wat is hij gelukkig!quot; Zoo schrijft men de wereldgeschiedenis. M'n vrouw denkt ook, dat ik gelukkig ben____m'n

schoonvader, m'n schoonmoeder, m'n schoonbroers, m'n

schoonzusters, de heele wereld denkt 't____ behalve ik.

Ai! Ai! 't Maakte me dol, vooral omdat een tijd geleden een pracht van een huwelijk afgesprongen was met een engel, een vestaalscbe, die ik aanbad. Verbeeldt u, alweer de schuld van die steken in m'n zij. Op den dag van het contract, voor 't diner, zaten we in 't salon. Ik sprak met m'n aanstaanden schoonvader, Ai! Ai! m'n horloge

in de hand____ Den eersten keer zegt de schoonpapa

niets; den tweeden keer kijkt hij me verdacht van ter zijde aan; bij den derden keer roept hij uit: „WTe dinee-ren om zeven uur, vriendlief.quot; Den vierden keer roept hij harder: „We dineeren om zeven uur. Ik zeg, dat we om zeven uur dineeren: kijk niet zoo ieder oogenblik op je horloge, daar terg je me mee.quot; Ik had mooi tegenspreken. Ik kreeg 't ieder oogenblik. (zacht) Ai! Ai! Ai! Ai! Den avond voor 't teekenen van 't contract, hield m'n schoonvader een kleine speech om 't gezelschap te bewijzen, dat ik een onopgevoed individu was en aan niets anders dacht dan aan 't eten.

Hoe durfde zoo'n man zoo iets te zeggen !

En wat me den anderen dag overkomen is____Neen,

maar er zou geen eind aan komen.... Ik wil in ieder geval, 't koste wat 't wil, genezen worden. Wat is een

ocr page 87

87

lijdend mensch, in deze lijdende wereldquot;? Een specialiteit! Een specialiteit!! Een specialiteit!! {met heide armen in de lucht gesticuleerendé).... quot;Wat is dat?.... Ik voel

niets meer____ Zou ik soms plotseling door den aanval-

ligen blik van een van m'n aanvallige toehoorderessen----

Neen, daar kom 't____Ai! Ai! Ai! {Af — steeds pijnlijk

roepende.- Ai, ai, ai!)

ocr page 88

'tls mis! — Mijn hmvlijk gaat niet door! Precies van morgen. Op klokslag twaalf, verwachtte, als loon voor zooveel zorgen. Ik het begeerd geluk. — Met slaan van twaalven had Ik moeten trouwen; maar het noodlot wilde, dat.

Terwijl zij reeds met mij op 't raadhuis was verschenen, Ik door één handklap zag mijn schoonste hoop verdwenen.

— Of mijn getuigen al verzeekren, dat de zaak Gewoon helachlijk is en ik daarmee den draak

Moet steken; 't avontuur kan mij toch niet behagen....

— Ik maak zes raaanden lang het hof haar alle dagen.

ocr page 89

89

Ik heb zes maanden lang nauwkeurig opgelet,

Of 'k wel mijn beste been naar voren had gezet;

Ik wist mijn kwaad humeur, mijn wenschen in te binden Voor haar alleen, en dacht nu 't paradijs te vinden Op aarde: 't huiselijk geluk; een vrouwtje, dat In menig opzicht, heuseh! heel veel aanloklijks had.

Gracieus, wel opgevoed, gevuld van arm en... kuiten ; Ik hield van haar; zij heeft zoo'n mooie portie duiten! Een huwelijk uit liefde als zelden wordt gedaan.

En in één oogenblik is alles • naar de maan!....

En d' oorzaak van die ramp, na maanden lang hofmaken: Een vlieg !....

Als ooit er één me weer durft aan te raken,

Dan zal ze, sapperloot!....

Ik rijd van morgen naar 't Stadhuis, gerokt en wit gedast; een vlieg zit daar!

Ze ziet me en zonder zich maar even te bedenken.

Vliegt z'in mijn hals. 'k Wou aan die daad geen aandacht schenken, Ik zag daarin van haar toen nog geen overleg.

Ik wou beleefd een wenk haar geven: „ga uw weg \quot;

En trek mijn schouder op. Zij zwiert rond, twee, driemalen En liet toen op mijn neus zich plotsling nederdalen. — Ik houd mij eerst bedaard en denk: zij gaat toch vast Op der getuigen neus heel spoedig nu te gast.

Maar niet met al! Het was nu eenmaal haar verkiezen: Den held van 't feest van daag 't verstand te doen verliezen. Wel twintigmaal en meer valt zij opnieuw mij aan,

En vliegt weer telkens weg, juist als'k haar dood wil slaan.

Geen Nero wist met zulk een wellust zich te wreken!

ocr page 90

90

Soms ging zij schijnbaar op de vlucht; och, niets dan streken :

Vliegentaktiek! Zij keert dan weer met grooter schik!

En toen de wethouder op 't plechtigst oogenblik,

De trouwgelofte van ons beiden zou ontvangen,

Deed zij, och dood bedaard, een toertje langs mijn wangen!

Dat was te veel! 'k' Word dol van woede, ja, ik raak

Plots mijn bezinning kwijt, ik dorst alleen naar wraak,

Ik zwaai mijn hand met kracht, wil 't vluchtend monster vangen,

Maar ach! Ik geef mijn bruid een vuistslag op haar wangen!

Haar vader valt mij aan, is bleek van razernij.

„Een vlieg, roep ik, een vlieg \quot;... Hij luistert niet naar mij !

„Mijn dochter slaan \quot; riep hij, „wat durf jij je vermeten \quot;

Hij nam 't geval hoog op, wie kon dat nu ook weten?

Elk ander lachte er om, behalve een schoonpapa:

Ik was haar echtgenoot op vijf minuten na.

Als ik met slaag haar ooit zou te regeeren trachten,

Dan kon ik, bij mijn eer! wel vijf minuten wachten!

Naar rede hoort hij niet, daarvoor was hij te kwaad,

Maar smakt mij als een bal in 'n ommezien op straat.

't Is mis!

Wat nog het meest in toorn me doet ontbranden, Dat is de klip, waarop ik mijn geluk zag stranden; Een oorzaak zóó gering en zulk een tragisch slot,

Een kleine zwarte vlieg: beschikker van mijn lot. — Op roofgedierte wordt gejaagd al sedert jaren.

Geen wolf of leeuw zal men, maar wèl de vliegen sparen! Ziedaar, de ware plaag van 't menschdom! Wie zegt mij: Waarom men zoekt zoo ver, wat is zoo dichtebijquot;?

Verwoed verdelgt de mensch de tijgers en de leeuwen,

Die de woestijnen al bewonen sedert eeuwen.

ocr page 91

91

De vliegen zijn in huis en altijd om ons heen,

Zij laten dag of nacht ons geen minuut alleen!

Zij durven 't heiligst oord gemeenzaam binnenzweven. Onder pretext, dat God haar vleugels heeft gegeven.

Hein! Wat! daar gonst er een!.... O goedertieren God, Dat is mijn vlieg, zij is 't!.... Beef, beest, nu voor uw lot, Mijn wraaklust doet me thans naar marteling verlangen. Als in mijn hand ik jou, ellendling, heb gevangen! Kom hier eens, als je durft! Of je daarboven al Mij tart, is flauw. Kom naar beneden en ik zal Je leeren, belsch insect, wat of mijn wraak is.

En dat mijn neus voor jou nog geen tuin van vermaak is!

— Daar komt zij dichterbij, jawel! ook nog astrant... Daar heb ik je!.. . Goddank!... Ik heb haar in mijn hand! Je komt er niet weer uit, je hoeft niet zoo te douwen, En voor je kleinen kop je pooten saam te vouwen!

Geen zenuwtoeval, hoor! en geen gemurmureer!

Ik ken geen medelij. Je zult nu, bij mijn eer.

Nadat ik eerst barbaarsch jou alles laat souffreeren, Je lage vliegenziel tot God doen wederkeeren!

En niets geen theatraals, versta je, 't is je lot Om zóó te sterven, dat je dood zelfs wordt bespot. Je zult het kleinst schavot, den brandstapel zelfs derven, Je zult hier tusschen duim en vinger smaadlijk sterven. De gruwbre marteldood, die jou hier aanstonds wacht. Dient tot een les voor jou en voor je nageslacht,

En zal je laag gebroed voor goed den lust verleeren Om maar van neus tot neus door 't leven te marcheeren.

— Door jou alleen is mijn geluk nu naar de maan...

ocr page 92

92

'k Beweer niet, dat ik daar nu juist van dood zal gaan, Maar prettig vind ik 't niet, ik zeg het zonder schromen, Om nu als vrijgezel, alléén, weer thuis te komen.

Terwijl voor 't trouwen ik vandaag was uitgegaan. Ik had 't nu in mijn hoofd, er alles voor gedaan,

Er op gerekend zelfs! Mijn vrouwtje bracht mij mede Waar, op mijn jaren, zich een man mee stelt tevreden. Nu ja, zij was wel niet bepaald een mooie vrouw,

Die de bewondering der mannen trekken zou,

O ver van daar! Maar 'k had mij ernstig voorgenomen, Heel ernstig — waarlijk, om daar over heen te komen... Want ronduit nu gezegd: zij was wel wat te dik.

Maar ik had in die rond- en bolheid soms wel schik, 'k Zag van haar kuischen aard daarin een gunstig teeken. Maar 't had ook kunnen zijn, dat ik had misgekeken.... En wat een goed humeur!... Natuurlijk, 't kon ook zijn. Dat zij haar spel verborg, zoo goed als ik het mijn'. Na 't huwlijk was zij pas in 't ware licht verschenen... Het was dus loterij ?... Een worp met dobbelsteenen ?... Het kwam misschien heel mooi... misschien heel leelijk uit!

Maar als ik 't laatste had getroffen met mijn bruid?... Waarschijnlijk was het wel! Het stond bepaald te vreezen. Dat, als de vader, 't kind van kwaad humeur zou wezen. De vader is brutaal en raakt in drift heel licht:

Hij gaf me haast een slag — een slag vlak in 't gezicht! Als mijn aanstaande nog op vrouwlijk schoon kon pralen... Maar als quot;k haar wezen thans mij voor den geest wil halen, Haar kolossaal figuur, haar smakeloozen zwier.

Haar rond en vol gelaat... van schoonheid blijkt geen zier! Neen, leelijk was zij heusch, één van de grofste vrouwen,

ocr page 93

93

En dikker zou zij wis nog worden in haar trouwen; Zwaarlijvigheid is haar gestel, o hoe fataal:

Een dikke dame als vrouw en schoonpapa brutaal! Dat zou den bruidschat toch mij al te zeer vergallen ! En, zonder jou, was ik nu in dien strik gevallen,

Ik zou gaan trouwen, 'k was op 't punt om, als een gek Zoo'n strop mijn leven lang te halen om mijn nek!... Vaarwel, huislijke vreugd, gegroet, o huwlijkskansen!

— Het Capitool werd eens behouden door de ganzen. Door jou, 'k vergeet het nooit, door jou ben ik gered. Loop vrij dan op mijn neus, omzweef mij in mijn bed. En gons mij dag en nacht, bij werk en rust om de ooren. Dat is je recht. Ik zal nooit weer, zooals te voren, Aan 't leven van een vlieg slaan de misdaadge hand! Vlieg, van azuur gemaakt en 's hemels afgezant.

Je deedt tot heden slechts één huwelijk mislukken,

O laat het daar niet bij, wou ik op 't hart je drukken, Zweef voort, de tijd dringt, spoed je, spoed bij dag en nacht! Wie weet of elders gij niet smachtend wordt verwacht! Ga aan 't verlossingswerk, o vlieg, u voortaan wijden, Op elk stadhuis den man van 't huwlijksjuk bevrijden!

ocr page 94

EEN GEWICHTIGE ROL.

Naar het F r a n s c h van Arnold Mortier.

DOOR

WILLEM VAN KORLAAR.

Het had weinig gescheeld of ik was in het Théatre Francais opgetreden, en nog wel in Le Roi s' amuse van Hugo. {Zich voorstellende) : Jélisien Leblanc,

leerling van het Conservatoire, een der meest-belovende leerlingen, zoo niet de meesthelovende.

Ik vind, dat als je weet wat je waard bent, je dit niet onder stoelen of banken hoeft te steken. Ik ben er een van de nieuwere school, van de moderne richting, een dóórdenker. Ik voel mij geroepen eene grootsche omwenteling in de kunst te verwekken, die de heele kunstenaarswereld in rep en roer zal brengen.

ocr page 95

95

Daarom had dan ook de neef van de nicht van den intiemsten vriend van meneer Vacquerie, u kent hem wel, den vriend van meneer Paul Meurice, die, zooals u weet, de repetitiën van Hugo's stukken leidt, me laten doorschemeren, dat er misschien inLe Roi s'amuse wel voor mij een rol zou zijn.

De rol van den dokter.

De rol is niet groot. U kent toch het stuk? Die hofnar, die om zijn heleedigde vadereer te wreken, den koning wil laten vermoorden, maar wiens dochter bij vergissing in plaats van haar verleider wordt doorstoken. Nu mijn rol.... Groot is ze niet, zooals ik u zei. Ik zal haar u eens voorzeggen.

Maar u dient je eerst goed in den toestand te verplaatsen, 't Is in het laatste bedrijf.

Triboulet, de hofnar, vindt in den zak, waarin hij het lijk van den koning waande, het rampzalig overschot zijner dochter. Hij schreit, lamenteert, luidt als een bezetene de klok van de overhaalpont om hulp te krijgen !

Het volk snelt toe.

Daar verschijnt een dokter, die dokter ben ik!

— Zie zegt Triboulet in verzen tegen me, ze is toch bewusteloos, niet waar?

En ik antwoord:

Zij is dood !

Een taam'lijk diepe wond gaapt in de linkerzijde.

En 't bloedverlies is, naar ik gis, het einde van haar lijden.

Dat 's alles. Dat is nu de heele rol. Zooals ik zei, lang is ze niet, maar als men tot de nieuwere school, tot de moderne richting behoort, als men een dóórdenkend kunstenaar is,

ocr page 96

96

dan weegt men z'n rollen niet; ik zei dadelijk bij me zelf: die heelmeester kan eene meesterlijke creatie worden, en ik ben begonnen hem te bestudeeren.

Om te beginnen moest ik hem kleeden... eene houding geven. Meer dan twee honderd verschillende teekeningen in musea en bibliotheken heb ik geraadpleegd, en toen ik eenmaal mijn kostuum had gekozen, heb ik me de volgende vraag gesteld:

Zal ik mijn dokter jong of oud voorstellen?

Eerlijk moet ik bekennen, dat ik daarmee in de war zat! Een jeugdig voorkomen te hebben, beviel me beter. Ik behoor tot de jongere school, hartstochtelijk met mijn kunst ingenomen, een denkend kunstenaar, en dat alles wilde ik al dadelijk bij mijn opkomst laten zien; ik wilde snel opkomen, zóó opkomen, dat iedereen in de zaal zegt; — Wat is er dat voor een? Zie je, dat 's er ten minste een, die erop lijkt, daar zit vuur, daar zit gang in. En dat was niet de eenige reden, waarom ik hem niet oud wilde voorstellen. U herrinnert je, dat die schrikwekkende scène van dien dokter in het midden van den nacht plaats heeft. Zoo laat in den nacht liggen de oude dokters allemaal in hun bed; en dan zijn ze er niet gemakkelijk uit te krijgen, terwijl een jonge, die nog niet dik in de patienten zit, blij is als hij een visite kan maken, al is 't in het holst van den nacht. — Er was me nog iets anders ingevallen: die dokter, die zoo net van pas 's nacht om drie uur voorbijkomt, gaat misschien niet eens een patient van hem bezoeken. — Hij komt misschien van de een of andere fuif. Een reden te meer om er een jong mensch van te maken; met oude losbollen heeft het publiek gewoonlijk weinig op; en vooral niet in een klassieken schouwburg

ocr page 97

97

als het Théatre Francais. Mijn jonge dokter diende er dus een beetje slordig en gehavend uit te zien met een verwaaiden puntbaard en een geniale lok op liet voorhoofd. Ziet u hem in uw gedachten voor u ?

Dat is maar niet zoo de eerste de beste, geen ledepop; maar een wezen van vleesch en been, zóó door mij geschapen, door een denkend kunstenaar gewrocht.

Hoe diende nu de rol te worden gespeeld'?

De tekst heb ik nu al voorgezegd.

e

Ze is dooil !

Een taam'lijk diepe wond gaapt in de linkerzijde,

En 't bloedverlies is, naar ik gis, het einde van haar lijden.

Weinig woorden, maar aangrijpend en net als in andere rollen vindt men ook hierin een culminant punt en dat punt is: Ze is dood!

De geheele rol gaat op in dat: Ze is dood!

De twee volgende regels zijn nutteloos.

Ze is dood; dat zegt alles. Maar er zijn zooveel verschillende manieren om te zeggen: Ze is dood! En welke manier moest ik nu kiezen'? Moest ik liet haastig zeggen, op den onverschilligen toon van den man der wetenschap, die alles doet wat hij kan om hen die lijden te verlichten, maar die niet in ieders smart kan deelen: ^Ze is dood//, goeie God ja, ze is dood! Ik kan er niks aan doen!

Of zooals een dokter zou zeggen, die in 't voorbijgaan wordt tegengehouden, terwijl hij noodzakelijk verder moet, en die, omdat hij ziet dat er niets meer aan te doen is, niet graag zijn kostelijken tijd met praatjes zoek brengt: Ze is dood. Nou weet je, waaraan je je te houden hebt; laat me nou maar met rust: „ze is dood!

7

ocr page 98

98

Of moet ik den schijn geven, dat ik in den ouden vader belang stelde, hem de hand drukken en met eene door tranen verstikte stem zeggen:

— ^Arm oude, ze is dood! zoo jong nog! Afschuwelijk! Arm kind! ze is dood!quot;

Zou het wel goed zijn als ik dadelijk zonder aarzelen zei: ze is dood, zooals een dokter zou zeggen, die, hoewel hij het slachtoffer ter nauwernood gezien heeft, zóó zeker van zijn zaak is, dat hij dadelijk uitroept: Ze is dood! Of zou het beter zijn, dat ik meer rustpunten nam ? Ziet u, ik had het zoo willen doen: „Ik ben een ijverig, hartstochtelijk denkend en talentvol dokter. Ik steek het tooneel over, men houdt mij staande.

Slechts één beweging en ik begrijp wat er gaande is. Ik snel op het arme jonge meisje toe, ik kniel, terwijl ik door welbestudeerd gebarenspel en gelaatsuitdrukking te kennen geef, dat dit kind mij veel belang inboezemt, ik onderzoek haar, ik voel haar pols, houd mijn oor tegen

haar hart.....De toeschouwers, die al opgestaan waren,

trekken hun jassen weer uit, en gaan weer heel nieuwsgierig zitten. Wat zal er gebeuren?

Er zijn al menschen in de zaal die zeggen: —Misschien is ze niet eens dood!

Men is in spanning.

Ik spreek mijn bevinding niet dadelijk uit.

Ik haal een spiegeltje uit mijn zak, houd dit op de lippen van het arme kind en na eene schrikwekkende stilte schreeuw ik uit:

— Zeis dood!

Of zoudt u denken, dat ik het moest zeggen als een man, die den vader geen verdriet wil doen en die uit

ocr page 99

99

kieschheid, alleen het publiek in vertrouwen neemt (door zijn hand sprekend) „Ze is dood!''

Zou ik het met diepe stem zeggen? „Ze is dood!quot; Of met hooge keelklank'?...... „Ze is dood ! ^ of misschien de twee tonen vereenigd:

Ze is.............dood!

Ik zou uit al die verschillende zeggingsmanieren, die allemaal uitstekend zijn, er één gekozen hebben.

Nu blijven er nog die twee onnutte regels over.

„Een taam'lijk diepe wond gaapt aan de linkerzijde,

En 't bloedverlies is, naar ik gis, bet einde van baar lijden.quot;

Ik weet wel, dat men ze heel snel kan zeggen, zooals sommige menschen van veel talent dit doen; maar dan zit er geen effect meer in en daarvoor is het toch een stuk van Hugo.

Ik zeg daarom:

Een taam'lijk diepe wond gaapt in de linkerzijde,

en ik druk op dat linker, — in de linkerzijde — niet in de rechterzijde — aan den kant, van het hart.

„Een taamlijk diepe wond 1quot;

Dat taamlijk laat ik ook uitkomen. De wond is taamlijk diep. Als het een klein onbeduidend wondje was geweest, dan zou Blanche nog leven, dan zou er geen 5e bedrijf en wat meer zegt: geen dokter in het stuk geweest zijn en dat laatste vooral zou jammer wezen.

En 't bloedverlies is, naar ik gis, het einde van haar lijden.

Let goed op dat: Naar ik gis. Tegenwoordig zou een

ocr page 100

100

dokter zeggen, het bloedverlies heeft een eind aan haar leven gemaakt, maar ten tijde van Frans, den eerste, had de geneeskunde 't nog niet zoover gebracht. Daarom schreef Victor Hugo: „naar ik gis.quot; Dat onnoozele „naar ik gisquot; schetst de geneeskunde beter dan een geschiedenis in tien deelen.

Daarmee is de rol uit!..... Ja, voor een alledaagsch

tooneelspeler ten minste; maar niet voor een denker, die van dien dokter een meesterlijke creatie wil maken! Neen, dan is de rol daar nog lang niet uit, integendeel begint ze pas! En wat nu komt is mijn idee, ik durf te zeggen een ongelooflijk stoute vinding! Als ik uitgesproken heb, schiet mij eene gedachte te binnen:

Is die man, die daar in het holst van den nactit op die eenzame kade bij het lijk van een vermoord jong meisje wordt gevonden, wel zoo wanhopend als hij zich voordoet'?

Wie heeft dat jonge meisje getroffen'?---- Zou hij het

zijn? — Misschien.

In een doordringenden, wantrouwenden blik spiegelen zich de vermoedens, die bij mij opgerezen zijn, af en het publiek heeft het begrepen, dat ik maar niet zoo'n simpele huisdokter ben, maar: de gerechtigheid!!! Ik word met Blanche en Triboulet teruggeroepen en den volgenden dag ben ik beroemd!

Maar helaas, men heeft mij de rol niet toebedeeld. De directeur zei tegen me:

„Uw opvatting getuigt van grondige doorwrochte studie. Maar u bent me niet eenvoudig genoeg.quot;

Zoo komt het, dat ik de rol niet gespeeld heb (bitter). Zoo komt het, dat de rol wel vervuld, maar niet gespeeld is.

ocr page 101

EEN LASTIG GEVAL.

Vrij naar het Fransch van Charles Gros.

DOOR E O O N T J E.

Karakter: Iemand, die druk werk maakt van café-chantant.

Waarachtig, ik gevoel me niets lekker. En toch heb ik eergisteren een plezier gehad, neen, dat is niet om te zeggen. Ik was in Amsterdam, in 't theater Tivoli, bij Prot. Daar werd een aardig stukje gegeven, waarachtig, blikslagers aardig. Er was 'n aardige meid, in 't stukje, en ook een jongen, die de aardige meid trouwen wou, en dan waren er nog lui, die dat huwelijk wilden verhinderen en ook weer lui, die vóór dat huwelijk waren. Enfin, ik weet niet meer precies hoe de

ocr page 102

102

vork in den steel zat, maar ze trouwen op 't laatst. Toen was de pan zoo pleizierig en tevreden, dat ze een liedje gingen zingen... een liedje, verduiveld aardig!... Troia/ato enz.

{Hij zingt 't geheele aria).

• Toen ik het theater verliet, was ik bedaald vroolijk. Ik voelde me lekker! 't Was zoo'n aardig stukje... Buiten was 't koud. Ik zet m'n kraag op en vloog voort. Tralalala {neuriet het liedje), m'n lijken klonken op de steenen, tralalalala {neuriet het liedje). Ik woon ongeveer een half uur van de Nes. Ik sta op m'n stoep en schel ting ting ting ting ting {altijd Hzelfde liedje), 't Duurt 'n half uur eer de meid opendoet; eindelijk klim ik de trap op, ik heb kamers op do derde verdieping tralalalala ('tzelfde liedje) ik steek licht aan tralalala {neuriet 't liedje), ik kleed me uit, gooi m'n jas op een stoel, tralalala {neuriet 't liedje) m'n broek op 'n andere, lala {neuriet het liedje), ik kruip onder de dekens en slaap.

{neuriet het liedje al snorkende).

Ik word wakker door het schellen van den krantenjongen, 't Was prachtig weer; de zon scheen net op m'n neus.

Ik vlieg uit bed; tralalala {neuriet). Ik steek m'n kop onder water {floe floe floe floe {neuriet het liedje) ik droog me af, ik slinger een das om, tralala {neuriet), ik voelde me lekker. Er wordt aan de deur getikt; ik doe open, tralalalala. Zoo Naatje, ben jij 't? Nu je hebt me gisteren avond mooi aan de deur laten darren, tralalala {neuriet). Wat heb je daar? 'n brief uit Haarlem (terwijl hij nabootst ■een brief open te scheuren en te lezen) tralalalalere {neuriet) ■God allemachtig! m'n arme tante! 't Is haast met haar gedaan. Ze ligt op sterven. M'n hoed! m'n jas! m'n parapluie! In een oogenblik ben ik beneden, ik pak 'n

ocr page 103

103

tram. Hollanclsche spoor, conducteur — 'n dubbeltje fooi — tralalalala (neuriet). Ik kom aan 't station. Ik vergeet m'n paraplui in de tram — tramtrarnlram {neuriet). Juist werd 't loket gesloten, maar ik had net m'n kaartje en zit in den trein, oef! oef'! oef! {neuriet). Daar gaan we, 'n sneltrein trein trein trein {neuriet). Ocb, m'n arme tante, ik houd zooveel van m'n arme tante, hoewel 't slechts een aangetrouwde tante is. Ik kom binnen — ze sterft in m'n armen. O, dat is vreeselijk lijk lijk lijk {neuriet). O, wat verveelt me dat liedje! Ik moest dadelijk overal berichten zenden, bekendmakingen, {tralalalalala {neuriet). Communicaties, {tralalalala {neuriet). O, dat vervloekte liedje! 't Bleef me bij, toen ik haar naar de laatste rustplaats geleidde. De bidder vroeg me of ik veel verdriet had. O, spreek me daar niet van van van van van {neuriet), dat liedje is vreeselijk, maar toch omdat het m'n gevoel verlicht zal ik het gebruiken em m'n smart uit te drukken. {hij zingt):

'k Heb m'n tante weggedragen.

Ik heb haar in het graf gevleid.

Zij helpt mij mijnen rouw te dragen Door een legaat! Uit dankbaarheid

Heb 'k haar een eiken kist geschonken.

Waarin zij ligt als een viool.

Ze is statig in het graf gezonken.

Het leven is toch niets dan kool!

Eindelijk was 't afgeloopen. Ik zat weer in den trein trein trein trein {neuriet), die wegfloot. M'n kop harst barst barst {neuriet). Ik kom aan 't station tion tion tion {neuriet), ais een gek gek gek (neuriet). O, dat lied lied lied lied {neuriet). Ik vlieg tegen iedereen aan. Ik neem eerst de straat vlak voor me uit, dan een straat links,

ocr page 104

104

dan een rechts rechts rechts rechts (neuriet) en dan nog een links. Ik kom eindelijk aan den Amstel, aan de hooge sluis sluis sluis sluis (neuriet), ik ren de sluis op — in 't midden staar ik in 't diepe sop — sop sop sop sop (neuriet). O, ik wil dat ding niet meer zingen. Ik wil sterven. Ik spring over de leuning, ik verdrink... klok, klok klok klok (neuriet). (Hij slaakt een zucht van tevredenheid). Toen ik weer bij kwam, lag ik in het drenkelingenhuis. Mijn kleeren droogden voor het vuur. Ik voelde iets bij me naar boven komen. Ik heb het water weer terug gegeven, maar wat ik maar niet kwijt kan raken is dat ellendige lied lied lied lied (hij vertrekt ontroostbaar, altijd 't zelfde

liedje neuriende.)

m Allegretto. 0^5 fi ff 6 , N- N

-1--mquot;

--T*—f*—*--N—

-W—f-— ■—•—* Ik he

-•—

j mijn —f—Ü

« •—l '

tan-te weg-ge-

dragen. Ik heb haar

~i——r—r—

^ -—t H

in het graf ge-v ^ Ji ...

leid ; Zij helpt mij 1

• 0 \- *

ia - ren rouw te

dra-gen, Door een le - gaat! Uit dank-baar-heid Heb 'k haar een

«ts ^—,

hW J-a' • N

[=) • 3 1

-1-«---

ei - ken kist ge -

rH—---——

-* 9 9

schon-ken, Waar - in zij

é ë

ligt als een vi-

-gt;. • • «-4

ooi. Z' is sta - tig - . _______-

• ■ * * 'é ë ' ë

in het graf ge - zon-ken, Het le - ven ÖC3

mquot; 3 i—i—i' M—f n

uyi-w--,--l-a-----«---

is toch niets dan kool. Tra, la, la, etc.

ocr page 105

KALM.

Naar het F r a n s c h van Ernest D e p r é

DOOR

C. X. DE VOS.

{Komt 'jejaagd op).

Wat me scheelt?____mij'? Niemendal.

Hensch er scheelt niets aan. Ik ben niet driftig. Het zou me onmogelijk zijn: — ik ben kalm, doodkalm. Dat is de reden, dat ik gebrouilleerd ben met mijn vriend Achille. Wat 'n kerel! die kookt, raast, tiert.

Ja, dat zit 'm in zijn bloed. — Hij is vóór zijn tijd in de wereld gekomen; ik, daarentegen, ik heb me niet gehaast, ik heb er mijn tijd voor genomen____ik wist wat

ik deed.

Ja, zoo'n uilskuiken! Verbeeld je een jongen, begaafd, als Achille____ een kerel, die alles voor had! — Die het

ocr page 106

106

zoo wist aan te leggen, dat hij in Rusland geboren werd.... midden in den winter.... balken onder het ijs... 50 graden vorst — liet kwik bevroor, de barometers klappertandden. Wat een buitenkansje! Hij had het maar voor het zeggen om koud, kalm te zijn. Maar mijnheer wou niet!

En als hij nog maar alleen opstoof als hij thuis is. Maar jawel, dat kookt en raast overal. We gaan samen uit... Hij weet, dat ik graag in de schaduw loop: mijnheer neemt den zonkant! We komen in een café!... Ik vraag een glas limonade, hij neemt een glas punsch! Liefst warm... Ik ben kalm; dat hindert, irriteert me dus.

Van morgen ontmoet ik hem in onze club, waar hij zijn candidatuur voor het lidmaatscliap van den Gemeenteraad aan het bepleiten was. Hij scheen tamelijk kalm te zijn: ik neem hem meê naar huis en vraag of hij lust heeft te blijven dejeuneeren... natuurlijk een koud dejeuner. Tot zoover ging alles goed, maar ik zag dat hij zich inhield, dat hij slechts naar de gelegenheid zocht, me onaangename dingen te zeggen. En jawel, op een gegeven oogenblik barst hij los en vraagt me: „Ben je al naar de tentoonstelling geweest?quot;

Vast besloten mijn „sang-froidquot; te bewaren, antwoord ik dood-kalm: (heftig) „Neen, ik ben er niet geweest! Waarom zou ik er ook heengaan? Om me te vermoeien, te vervelen, warm te maken? En te zien, wat? Naakte poppetjes van zeep, mechanische muizen, en een telefoon? De telefoon! Dat is een ding, dat me heelemaal koud laat! Ik ken het zoo goed, alsof ik het zelf uitgevonden had... Ja, nog beter zelfs! Natuurlijk, ik ben zooals iedereen naaide „Salie des Capucinesquot; geweest, voor tien stuivers heb

ocr page 107

107

ik daar in zoo'n ding getoeterd; honderden vragen gedaan en op alles natuurlijk ja en amen tot antwoord gekregen. Het is wat moois. De menschen verbeelden zicli wat uit te vinden, en op stuk van zaken lijkt het naar niets!quot;

Enfin, terwijl ik dat zoo zeg, is die Achille me nijdig geworden, nijdig!... Verbeeld je, hij ging zelfs zoover, dat hij tegen me zei; „Maar, beste jongen, ik bid je, redeneer toch eens een beetje!quot; — „Redeneeren?... Ik?... Waarom'?... Ja, jij wilt op mijn karakter influenceeren, hè?... Maar dat zal je niet gelukken. Ik gevoel me er heel best bij. Bovendien, het zou me onmogelijk zijn: Ik ben nu eenmaal kalm. — Jij, jij bent een aardsch uilskuiken, enfin, laten we maar over iets anders spreken. Over je huwelijk bijvoorbeeld! Ja, over je huwelijk. — Wat een dwaasheid! — Of neen, laten we daar maar over zwijgen; je zou je maar weer opwinden, zooals je altijd doet. Jij wilt in twee maanden tijd kalm zoo'n toestand leeren doorgronden ?... Het is wat moois!... Ik heb er twee jaar voor genomen. Dat neemt niet weg, dat ik toch bedrogen ben, dat ik het nog word... En ik ben kalm! Ja, ja... ja... ik weet al wat je antwoorden wilt;... „Liefde, de liefde!quot;... Onzin. Is dat wat nieuws? Liefde! Verbeeld je!... Maar dat vindt je overal, „zelfs zoomaar op straat!quot; Hartstocht?... Ah, bah, wat afgezaagd. Er worden geen nieuwe hartstochten meer uitgevonden; altijd dezelfde, die voor nieuw opgedischt worden! Praat me niet van hartstochten, man.... ik heb alles meêgemaakt op dat gebied. Ik ben geweest zooals jij, driftig, opvliegend, kokend... en dat is mijn ongeluk geweest.

Den dag, dat ik het in mijn hoofd kreeg te trouwen, wou ik er geen gras over laten groeien. Ik word aan een

ocr page 108

108

familie voorgesteld; ik zie een mijnheer, gedistingeerd gekleed, ofschoon niet gedecoreerd, en ik zeg tegen hem. „Bent u de vader?... Ja, mijnheer. — En uw dochter, Hoeveel? Honderd duizend francs. — Tweehonderdduizend francs? Onmogelijk mijnheer. — Honderd vijftig duizend! Niet? Zie dan maar, dat ze een ander krijgt.quot; — Ik vertrek : De schoonvader roept me terug. „Luister eens/' zei hij, ,/laten we het verschil deelen!'' — Neen! — „Laat dan een vierde vallen? Een achtste?quot; Neen, neen, duizendmaal neen! — „Enfin, neem 'r dan maar, in Godsnaam!quot;

Ja, dat was de eerste maal, dat ik me opwond, en nog gaf het niemendal.

Ter nauwernood had ik die woorden er uit, of Achille neemt zijn hoed, en zegt, vertrekkende: „Ik ben gepresseerd, tot morgen.quot; — Ik was er op voorbereid; daar

moest het op neêrdraaien! Tot morgen!____ Ik begreep,

wat hij daarmeê zeggen wou. Ik heb hem mijn getuigen gezonden... Maar weet je, wat ze gedaan hebben? Ze hebben de zaak bijgelegd, zoodat het ten slotte allen schijn heeft, dat ik ongelijk heb. Ik ben dus kalm geweest voor niets. En hij, dat uilskuiken, heeft niets anders gedaan dan opspelen, razen, tieren...

Maar, wacht, dat heertje heeft een lesje noodig. Ik zal hem toonen, dat men zich in kan houden... dat het maar van je zelf afhangt kalm te zijn. Hij heeft me niet gevraagd excuses te maken... Ik zal me gaan verontschuldigen!... Dadelijk... Ik zal excuses maken, excuses, dat... maar kalm!... kalm!... altijd doodkalm !!...

(Woedend af.)

ocr page 109

DE POP.

Naar liet Fransch van Edouard Pailleron.

DOOR

BRUNO.

gt;lVJU)ii dochtertje verbeeldt zich voor Mevrouw te spelen, lt;§ Zij maakt visites. Haar figuurtje, om te stelen Zoo snoep'rig lief, steekt in een allerzotst toilet;

Zij heeft den hoed van haar Mama op 't hoofd gezet, Haar kleine handjes in Moe's handschoenen gestoken. En 't lijfje in 't ruime kleed van zijde weggedoken, 't Sleept rits'lend achterna, en luist'rend naar 't geruisch, Zoo wandelt zij, fier als een koningin, door 't huis.

Zij spreekt en antwoordt— en toch is ze alleen aanwezig. Alleen'? Neen, toch niet! Want zij houdt zich ij v'rig bezig. Teer als een grootje voor haar kleinkind, met een ding. Gekneusd, misvormd van al de stooten, die 't ontving. Een vod, een lor, om bij den rommel weg te stoppen, In 't kort: het overschot van een van hare poppen.

ocr page 110

HO

Schon 't leelijkst stuk van al haar speelgoed, 't meest bemind. Waarom'? 't Is een geheim ? Want wie doorgrondt een kind ?

Zij gaat op in haar spel en speelt met ziel en zinnen.

„Pan! pan!quot;

,/Wie klopt daar ? Ah! is u 't Mevrouw'? kom binnen \quot; „Bonjour, Mevrouw \quot;

„Is u er eens op uitgegaan'?quot; „Och ja! het was mooi weèr, en'k dacht: ik loop eens aan.7' „En gaat het goed'?77

„Och zoo! Wat zal ik u vertellen'? Wij vrouwen, hebben 't nu met dit, dan dat te stellen. En u?quot;

„Slecht! dat is met veel kinders zoo 't geval/'

„Hoeveel hebt u er?quot;

„Twaalf.quot;

„Ah zoo! hoe oud zijn ze al'?quot; „Twaalf jaar zijn ze allemaal, Mevrouw, niet meer noch minder.quot; „Zoo! dat is makkelijk.quot;

„Ja, maar 't is toch een hinder.quot;

„Ik weet er alles van.quot;

„Hebt u er ook een paar'?quot; „Ik, och! 'k heb deze alleen, Mevrouw! dit ééntje maar!quot; En tevens komt ze met haar eeuw'ge pop aandragen. „Och! wat een lieije. Is 't een meisje, als 'k u mag vragen'?quot; „O neen, mevrouw!quot;

„Zoo! dus een jongen'?quot;

„Neen, ook niet! Het is niet aangekleed, zooals u immers ziet:

Het is geen jongen en geen meisje, geen van beiden;

Het is mijn kleintje— daar! Wat hoeft men te onderscheiden,

ocr page 111

Ill

Wat of het isquot;? Men heeft met jongens nooit pleizier Want, als men paard speelt, dan zijn zij altijd koetsier. En och! met meisjes is het lot zoo wonder nukkig: Zij trouwen, gaan van huis — en worden ongelukkig. En ik, ik wil, dat hij gelukkig wordt, mijn dot \quot;

En zij omstrengelt met haar armpjes 't leelijk vod,

Kijkt het vol innigheid in de uitgevallen oogen,

En heel haar wezen straalt van teeder mededoogen. Dat overschot van vel en zaagsel, 't was zoo waar. Een levend wezen, rein en schoon, het hind voor haar. Zij hield niet op het met die naampjes te beschenken. Zoo teeder, als alleen de liefde ze uit kan denken, Zij praatte en koosde er meê, alsof het haar verstond. En kuste telkens weêr den verveloozen mond.

Zij speelde niet meer, neen !—zij was thans werklijk moeder. En ik, die van haar jeugd zoo lang de teedre hoeder Geweest was, voelde met een namelooze smart:

Hoe 'k plaats moest maken voor iets anders in dat hart Waarin 't instinct alreê de toekomst deed ontwaken En de oudre rechten der natuur ging geldend maken. Een vreemde, doffe toorn welde op in mijn gemoed,

Toen ik bij haar, die 'k als een kleinood had behoed, Die andre liefde thans zoo eensklaps op zag komen.

't Gesprek had middlerwijl een andren loop genomen. De kind'ren en hun lief en leed was afgedaan.

Thans kwamen — dat werd ernst—de mannen op de baan. Vol aandacht luisterde ik dus naar haar redeneeren. Hoe zouden — mochten zij! — die nufjes ons regeeren ! „Mijn man, Mevrouw, och! maar heel zelden heeft hij vrij. „Juist als mijn man. Mevrouw, hij heeft nooit tijd voor mij\quot;

ocr page 112

H2

,/Och! voor ons vrouwen zijn het allemaal tyrannen! „Die mannen, och Mevrouw/'

„Och ja! Mevrouw, die mannen \quot; „En toch, hij houdt van mij, hij doet mij nooit verdriet. Eens nam hij mij zelfs mee naar de opera — toch niet — Naar de komedie was 't — neen! — wat of 't dan verbeeldde ? 't quot;Was midden op den dag—enfin. Jan Klaassen speelde. Maar is hij eens aan 't werk, dan ziet men hem niet meer./' ,/Juist als mijn man. Mevrouw! 't komt juist op 't zelfde neêr. „Al klop ik aan zijn deur en roep ik: lief papaatje,

„Hier staat uw dochtertje, uw klein speelkameraadje, (Ah zoo! ik was die man uit haar komediestuk!) „Hij antwoordt altijd; „Neen! ik heb het veel te druk. „Wij zullen later wel eens uitgaan, wel eens spelen.,, „En u begrijpt, Mevrouw, dat dit mij gaat vervelen. „Hij wil niet wandlen en niet spelen, als ik kom. //Waarom, Mevrouw, als hij toch van mij houdt?quot;

Waarom ?

Gij vraagt waarom dat is, lief kind, en het verwondert U, lieveling, dat ik, van ieder afgezonderd,

Mijzelven opsluit heel den dag, en steeds maar schrijf Voor een onzeker doel, en bij mijn boeken blijf,

Terwijl wij samen toch zoo prettig konden spelen. Wij met ons beidjes, en 'k niet in uw vreugd wil deelen, Ik, dien gij anders toch voor zoo verstandig houdt ? Waarom ik afstand doe van al uw zoet gekout. Uw zilvren lach, die mij terugvoert naar 't verleden, En mij weer kind maakt en die duizend kleinigheden. Die zoo aanbidd'lijk lief in 's levens lente staan?

Ik wil 't wel zeggen; maar gij zult mij niet verstaan.

ocr page 113

113

Het is, opdat eenmaal uw oog van trots zal stralen En 't hartje kloppen, als ge een leder hoort herhalen: „Dat is zijn dochter!quot; 't Is, opdat mijn naam u geelt Die fierheid, als ge eens mint, die liefde noodig heeft, 't Is, opdat eind'lijk, als de stonde zal genaken,

Dat men vergeten gaat, dat 'k niet meer zal ontwaken, (Neen, schrei niet, dat is toch de toekomst, lieveling!) Als ik zal slapen, zelfs in uw herinnering,

Der wereld lof u die herinn'ring weer zal geven,

En ik, dood in uw hart, nog in uw trots zal leven, Dat gij mij liefhebt, als gij ziet, wat 'k voor u deed. Als gij dat weten zult... zoo gij het immer weet!

En nu, pruil nu maar toe! wees ook erg boos daarbinnen! Houd zelfs niet meer van mij, als ik maar mag beminnen, 'k Bemin ... en zegen u, daar gij 'l mij hebt geleerd; 'k Bemin ... en wensch niets meer, en ik voel mij vereerd. Al spotten zij er mee, die voor zichzelf slechts leven; Beminnen, liefste, is geen ontvangen, maar... 't is geven.

.11.

Somtijds, als ze uit zal gaan — want altijd zegt men't mij — Dan schuif 'k om haar fe zien, zacht het gordijn op zij. En op de ruiten, door mijn ademtocht beslagen,

Met de oogen knippend, die nauw 't helle licht verdragen, Druk ik mijn voorhoofd en mijn moê en bleek gelaat.

't Is vroolijk, zonnig weer; het rijtuig wacht op straat. De knecht staat aan 't portier, gereed om haar te ontvangen, De paarden schudden met de koppen van verlangen

ocr page 114

114

En ongeduld. Maar hoor, daar komt ze aan wie men wacht,

Mijn kleine koningin. Daar komt ze! hoor! ze lacht!

Men hoort ze, eer men haai- ziet. Zie nu, hoe ze aan komt zweven ! Gezondheid, weelde, zon en jeugd! 't Straalt al van leven, En 't is een leest, dat zich daar aan mijne oogen biedt. Zij stapt in 't rijtuig, zoudt gij denken ? —Neen, toch niet! Zij springt er in, ineens.—Die wildzang met haar kuren! Daarop — terwijl ik haar nog achterna blijf turen,

Zendt zij me een kushand toe, alsof zij dut begreep.

't Portier slaat ramm'lend dicht. Toen, even raakt de zweep, De paarden steig'ren wild, liet vuur spat uit de steenen.

Haar hond zelfs blaft—en voort! is ze uit het oog verdwenen.

En dankbaar voor 't genot, dat mij haar vreugd bereidt,

Keer 'k met een vroolijk hart weer in mijn eenzaamheid.

ocr page 115

WAT IK IN M'N ZAKKEN VOND. Vrij naar het Fransch van Charles Monselet.

DOOR

X. Y. Z.

Ja! ofik het al weten wil of niet, ik had gisteren avond leelijkde hoogte. Laat hij, wien dat nog nooit is overkomen, de eerste.... (lesch op mij werpen. Maar waardoorheb ik die kolossale „lioogtequot; bereikt'.' Jk heb ;i l'improviste gesoupeerd in hot Restaurant Riche op liet Rokin. Dat weet ik. Maar toen, daarna?... Jawel, daarna! Daar weet ik geen steek meer van! Sinds het oogenblik, dat ik in Riche ben gekomen, herinner ik me niets meer, absoluut niets! Een ondoordringbare nevel hangt er over m'n geheugen!

ocr page 116

lie

Toch moet er iets met me gebeurd zijn; neen, een heele boel moet er met me gebeurd zijn. Dat kan ik aan alles merken. Ten eerste omdat ik m'n witte das in bed hel) aangehouden, maar vooral — vooral! — m'n bleek en vreeselijk vermoeid gezicht. Bah, wat een katterig gezicht! 't Is toch waarachtig wat mooi's! Op mijn leeftijd, op je acht-en-twintigste jaar je laten bevangen door den Champagne, net als een schooljongen, die voor de eerste maal uitgaat! F oei, ik heb er geen woorden voor!

Hoe nu aan de weet te komen, wat er van nacht met me gebeurd is'? Als ik er m'n huisbaas eens naar vroeg'.' Foei neen! met beschaamde kaken voor je huisbaas staan! En bovendien, hij kan me hoogstens vertellen hoe laat... of hoe vroeg ik ben thuisgekomen en in welke houding ik m'n slaapkamer ben binnengestevend. Nu, die houding kan ik me wel voorstellen!

Men beweert, dat Cuvier zich sterk maakte om met éen enkel beentje een compleet anti-diluviaansch beest in elkaar te zetten. Ik zou iets dergelijks noodig hebben om daaruit mijn bestaan gedurende de laatste twaalf of vijftien uren op te maken — éen of twee gegevens minstens!

Waar kan ik die vinden?

Wacht! in mijn zakken !....

Van jongs af heb ik de gewoonte m'n zakken vol te proppen met allerlei prullen. Het oogenblik is daar om me zelf te visiteeren, — aangezien ik me zelf te kort gedaan heb,

Ik beef.... Ik sidder.... Wat zal er voor den dag komen'?.... (Hij voelt in zijn vestzakje).

Ik heb waarachtig twee vingers in mijn vestjeszak gestoken.... ik heb iets beet.... voorzichtig!.... en ik haal er uit: mijn portemonnaie.

ocr page 117

117

Leeg!....

Wel allemachtig! {Hij raapt zijn overjas maden grond)

Terwijl ik daar mijn overjas wil oprapen, ontmoette mijn hand bij toeval mijn portefeuille, die niet dicht was, en waaruit verschillende documenten op het kleed gevallen zijn.

Het papier, waarop het eerst mijn blik viel, is de rekening van R.estaurant Riche.

Het voornaamste stuk in deze strafzaak heb ik in handen. Dank deze rekening, zal ik nu dadelijk alles te weten komen.

„Salon n0. 4 \quot; Als ik 't niet dacht! Ik haal altijd en eeuwig alles op n0. 4 uit!

Hoeveel is 't geweest'?.... Vierhonderd en twintig pop!.... Drommels, ik ben niet slecht uit geweest, schijnt het!

Met ons hoevelen waren we? En wie waren er? Mijn gewone vriendjes natuurlijk. Maar wie van de gewone vriendjes ? Wacht! een ingeving! De menu verraadt me hun smaak en daardoor kom ik achter hun namen. Laat ik eens probeeren het te ontcijferen.

Huitres de Zeelande. Aha! Zeeuwsche oesters, daar is Albert dol op en die zijn dus expres voor hem alleen te lerseke besteld. Albert was dus van de partij, daar is geen kwestie van. Dat is er al éen!

Potage d la purée de gibier. Wacht eens! Als ik me niet sterk vergis, dan is die schotel maagverbranding door niemand anders dan door Hein besteld. Dat zijn er al twee!

Filets de sole d la Joinville. Daar proef ik Kees uit, een smulpaap van 't eerste water!

Cannetons de Rouen a I'orange. Jawel, Alex, we weten wel, dat jij dweept met alles wat van Uouaan komt.

ocr page 118

118

Salade de légumes ü la Russe. Onnoodig te vragen of Semenow, attaclié bij 't Paissischegezantschap, cr bij was!

Borribe a la Cardinal ...

Van wien kan dat geweest zijn'?

O, Ik ben er! ... Van Maurits ... Maurits is nog een verre neef van den Bisschop. Dus: Albert, Hein, Kees. Alex, Semenow en Maurits — de tafel is net bezet.

Zeg eens, ik geloof, dat ik voor Edgar Poe niet onder behoef te doen. {Hij raapt van den grond photographiën op.)

Waren er ook dames op 't souper'?

Dat behoef ik ook niet te vragen; die verschillende portretten zijn er het bewijs van.

Dametjes, die met je uit soupeeren gaan, hebben een manie om haar portret weg te geven.

Daar heb je Henriette 1 ... Hé, wat heb-je toch een dommen lach over je! Wil je wel eens gauw verdwijnen!

Aha! Daar heb je de onsterfelijke .Jeanne met haar valsche vlechten. Zij kijkt altijd zoover over haar schouder heen, dat ze er nog een scheeven nek van krijgen zal.

Numero drie! ... Hé, de derde ken ik niet.

Dat is vreemd!

Die ziet er niet slecht uit, lang niet: ze is zelfs mooi. Het hoofd is een beetje te klein, maar heelemaal naaiden laatsten smaak: geen voorhoofd, een bewijsje van een neusje en een zweempje van een mondje. Niets anders dan een paar oogen, maar die zijn dan ook overheerlijk. En die wenkbrauwen dan! Je zoudt waarachtig zweren, dat Grévin ze bijgewerkt heeft. Ze is blond — ten minste dat zou je volgens 't portret zeggen —en dat doet me plezier. Maar waarom eigenlijk'? Ja, dat weet ik niet! Die

ocr page 119

110

kleine krulletjes op haar voorhoofd, dat moet het eftect maken van een regentje van stofgoud!

't Is bijna nog een kind; op z'n hoogst zeventien jaar. Ze is zoo eenvoudig mogelijk gekleed; een hooge japon, zoo zedig mogelijk, maar daardoor komt des te meer uit, wat zij te maskeeren poogt. Een heerlijk figuurtje! Onze voorouders zouden haar middeltje bij dat van een spinnekop vergeleken hebben, maar iedereen zal me toestemmen dat onze voorouders niet sterk waren in hel maken van vergelijkingen.

In ieder geval is 't een dot van een kind!

En zij heelt geen brokjes steen in de ooren en geen banden om de polsen. Zou dat misschien de oorzaak zijn, dat zij den schijn aanneemt uit de hoogte op alles neer te zien ? ... Uit de hoogte! ... Dat heeft nog niets van 't leven gezien, en doet nu al of niets haar meer kan hekoren! Zoo zijn ze allen! ... Maar waar komt ze vandaan? Wie heeft haar geïnviteerd om met ons mee te soupecren'? 't Was bepaald voor de eerste maal in haar leven. Eén ding is zeker: ze heeft naast mij gezeten; want in m'n qualiteit van gastheer zou ik haar natuurlijk aan niemand anders afgestaan hebben. Ik heb bepaald heel lang met haar zitten praten; dan kan niet anders. Wat kan ik haar in godsnaam toch wel verteld hebben'? Natuurlijk alle mogelijke dwaasheden, die in m'n hoofd ... en in m'n hart opkwamen. Ik zal haar gevraagd hebben ... alles wat men aan een mooi vrouwtje vragen kan. Zij zal niet ... of ontwijkend geantwoord hebben en dat is misschien de reden, waarom ik een stuk in m'n kraag gekregen heb.

Laat ik nu nog eens zien; op salon no. 4 waren zes

ocr page 120

120

heeren en drie dames. Dat was 't lieele gezelschap. Nu is_ de vraag: wat is er gel)eurd ? Ik heb m'n acteurs, maar liet drama nog niet. Laat ik het onderzoek in m'n jaszakken voortzetten. (Hij zoekt weer in zijn overjas).

Wat is dat'?

Daar vind ik twee kaartjes.

Op liet eerste staat:

P. J. Klopburg tot Strijdlust,

Luitenant bij de Jagers.

Op liet tweede;

Julius Caesar Flink,

Kapitein hij het 3e Regiment Infanterie.

Wat moet dat nu beduiden ?

Zooveel militairen ken ik niet eens.

Da;ir steekt wat achter, een twist, een ruzie. Er zijn daarop kaartjes gewisseld. Daar heb ik nu het drama, dat ik zocht: een duel, twee duels misschien!

Maar met wien moet ik duelleeren, en waarom moet ik duelleeren?

Heeft er wel een beleediging plaats gehad]'? Ik weet drommels goed, dat ik onuitstaanbaar ben, wanneer ik te veel gedronken heb. Ben ik beleedigd oi' heb ik beleedigd, dat is de vraag!

Nu Ik goed voel, geloof ik dat m'n linkerwang me pijn doet en wat opgezet is.

Kom! dat is maar verbeelding!

Maar wat een histories heb ik me nu toch weer op den hals gehaald!

ocr page 121

121

Ik geloof, dat er met potlood iets op dat eerste kaartje gekrabbeld is ... Jawel! „Tien uur, te Kraantjelek bij Haarlem.quot;

Daar heb je 't al!

Een duel!.... Dat is zoo klaar als de dag. Maar dan moet ik er dadelijk naar toe, 't is misschien nog tijd!

Neen! het is te laat. Half elf! Ik ben onteerd!

Niemand gelooft me natuurlijk als ik zeg, dat ik me verslapen heb en hoofdpijn had.

Ik heb den moed niet meer m'n zakken nog verder te onderzoeken.

Maar je kunt toch niet weten.... (Hij voelt nog eens en vindt een zakdoek.)

Een zakdoek!

Een heele fijne batiste zakdoek.

Maar die is niet van mij.

Deze is geteekend met een baronnenkroontje!

't Wordt hoe langer hoe mooier: nu ben ik nog aan het. zakkenrollen geweest!

Ik ben op weg naar het Spinhuis.

Dat moet er nog bijkomen! O m'n hoofd! m'n hoofd?

Wat is dat nu weer voor een bouquetje in m'n knoopsgat!

Verlepte, verflenste vergeet-mij-nietjes.... En (iet draadje, dat er om heen zat, is ook al losgegaan.

Voor me zelf kan ik natuurlijk geen vergeet-mij-nietjes gekocht hebben. Dus ik heb ze gekregen of ik heb ze van iemand afgenomen. Ik heb ze gekregen! Het is 't vervolg van m'n roman met die blondine. Zij heeft ze mij gegeven, omdat zij wist dat ik ging duelleeren, dat ik mijn leven ging wagen voor haar !....

ocr page 122

-122

Natuurlijkt! Zoo zit die vork in den stoel! Het kan niet anders!

.Ta, ja! Ik begin lont te ruiken en leelijk ook!

Zooeven wilde ik ii tout prix alles weten en nu ben ik bang, dat ik te veel weet!

Die zakken, die vervloekte zakken, dat is m'n ongeluk geweest. Ik durft m'n handen er niet ineer in wagen, want ik vrees, dat zij er dan zwart als roet of rood als bloed uitkomen.

Brrr!

Heeremetijd !

Hoe heb ik 't nu'?

Die overjas.... die overjas is niet van mij! Neen.... De mijne is kastanjebruin en deze is parelgrijs!

Ik heb dus niet in de mijne, maar in een ander z'n zakken gesnuffeld.

Maar als die overjas dus niet van mij is, dan moet ik ook niet duelleeren.

Dan behoef ik die rekening niet te betalen!

Dan zijn de photographiën niet van mij!

En die kaartjes ook niet!

En die vergeet-mij-nietjes ook niet!

En dan heb ik geen zakdoek gerold!

Dus dan ben ik gered ! Goddank!

Maar m'n romannetje met die lieve, kleine blondine'.'... Dat spijt me waarachtig, dat spijt me.

Och kom ! — ik heb haar portret.... dan volgt de rest van zelf!

ocr page 123

EEN ZAAK VAN EER.

Vrij naar liet Fransch van Cliarles de Syvry

DOOP.

F.. II. CHRTSPIJN.

Patch! 'n slag in 't ge-

ziclit!____ Ontvangen door

mij!____De ellendeling naaide keel te springen, hem heet te pukken, zijn strot tusschen mijn tien krampachtig gesloten vingers dicht te knijpen, en hem de ziel uit het lichaam te persen, even als liet sap uit'n.citroen: was de eerste gedachte, die zich van mij meester maakte.

Maar ik heb moed---- ik heb 't----samj-froid — de

kalmte!____tien waren moed, enfin. — Niettegenstaande

de vreeselijke gedachten, die zich in mijn hersens ophoopten, en mijn hoofd in vuur en vlam zetten, heb ik tot mij zelf kunnen zeggen: ,/Hoiul je in!quot;.... en ik heb mij ingehouden.

ocr page 124

124

Er zijn in het leven, gewichtige oogenblikken.. .. waarop de ziel in één minuut, wat zeg ik'? in één seconde, 'n wereld van redeneeringen, herinneringen, en gewaarwordingen ondervindt; en dat alles, duidelijk en klaar.

Een man van de wereld, zou zich nooit moeten wagen bij engeltjes, die____

Ik ga de beleedigende woorden, die er gewisseld zijn, stilzwijgend voorbij.... Ik zeg gewisseld, maar weet te goed, wat men aan de vrouwen verschuldigd is.... hoewel zij.... enfin, ik heb me ingehouden.... ik heb dien

moed gehad____ hoewel mijn gelaat gloeide____O woede!____

En toch heb ik mijzelf, door geestkracht en wilskracht, kunnen gehoorzamen: en ik lieb mij ingehouden.

II.

Neen, heeren! Neen, vrienden! Er is geen schikking mogelijk! Welke wapens kiest gij ? Tijd en plaats naar uw keuze. — Er is een klap gevallen, er moet een lijk volgen. Geen excuses, geen pardon, geen genade. — De degen, 't pistool, 't ganzenroer, onverschillig.... Bij het ochtendgloren, bij quot;t branden der zon, in het schemeruur of bij fakkellicht, dat is uw zaak. — In 't bosch, op 't land, in 'n salon, of op de publieke straat wat gaat mij dat aan!.... Als ik m'n beleedigde wang maar in zijn bloed mag baden.... Ah! maar dat zou al heel gemakkelijk zijn. Men zou uw maitressen, uw vrouwen, uw zusters, voor uw neus, bijna onder uw baard kunnen wegkapen; men zou u kunnen sarren, beleedigen en ge zoudt kalm moeten blijven, en ge zoudt geen.... {hevicje geste). O, maar ik heb het geduld gehad te wachten, tot hij mij beleedigde.... Ik wil zijn dood!

ocr page 125

125

III.

In den namiddag waren mijn getuigen teruggekomen, na alles geregeld te hebben. — Alles was goed overeengekomen en vastgesteld. — De degen — op leven en dood — de Zwitsersche grenzen. — In België zou men ons honden voor kassiers, die op den loop gaan I Zóó mag ik de zaken geregeld zien. Zij stonden verstomd over mijn kalmte en mijn standvastigheid. Wij drukken elkaar de hand; zij gaven mij den traditioneelen raad: niet langer dan een half uur in de wapenzaal te blijven, ten einde mijn pols niet te vermoeien. — Eenvoudig diner, en na een kleine

wandeling gemaakt te hebben, vroeg naar bed........

Dank, vrienden, dank! zeide ik tot hen. De nacht, die raadgever van alle verstandige handelingen, heeft in mijn ziel de vruchten der rede doen ontkiemen. — Ziet ge mijn bleekheid, de matheid mijner oogen?.. hoort gij de heeschheid mijner eertijds zoo gebiedende stemGedu-rende den slapeloozen nacht, heeft er een hevige strijd gewoed in mijn binnenste. Mijn begeerte naar wraak schreeuwde mij toe: „Tref hem, doorsteek hem! Doe hem in 't zand bijten\quot; En de koude maar, onverwinlijke rede antwoordde; „Neen! De ware heldenmoed schuilt niet in het bosch; de ware heldenmoed gebruikt geen degens of getuigen. Zij vergeeft! Zij bedenkt, dat deze jeugdige, hersenlooze dwaas, die u beleedigd heeft... (O! ik weet 't!).... 'n familie heeft.... 'n moeder misschien.... herinner u de liefkozingen uwer kindsheid, het kalme geluk der huiskamer. Gij bemint uw moeder, nietwaar'? Hij bemint de zijne.... Zult gij om de barbaarsche ge-

ocr page 126

120

woonten van vroegere eeuwen te voldoen, 'n moeder de liefkozingen van haar kind ontstelenNeen!.... dat zult gij niet doen! Gij zult den medeplichtige van het blinde toeval niet zijn! Gij zult niet vechten met uwen broeder!!!.... (zeer waardirj). Mijne heeren, gaat aan mijn tegenpartij zeggen, dat ik hem vergeef! — O, neen, vrienden, geen woord, laat mijn toorn niet weer ontwaken.... Gaat! — gaat heen... Ik neem zijn

excuses aan... gaat.... ik neem ze aan...... maar gaat

dan toch !....

IV.

Zij hebben wel gedaan door te vertrekken!... (strijkt de hand over 't voorhoofd) Nog één minuut, en ik was losgebarsten...... Oii! hoeveel zielskracht moet men bezitten!..... (tandenknarsend) O! als ik hem nu hier

had... (zwaait met een licht wandelstokje) voor de punt van dezen degen !

Komaan... en aarde....' En garde'... Ellendeling!... Verdedig je leven!... (hij schermt woest) Daar, pareer dien stoot.... Gewond!... ai mij!., mijn bloed vloeit... (qeste) Ah!, wat komt er dat op aan... neen, mijneheeren, laat ons voortgaan.. Het is een duel op leven en dood — (woest geoecht) vooruit.... paré... ha!., daar... Pk! — Gewroken! — Ik ben gewroken... (alsof hij tol de getuigen van zijn tegenpartij spreekt) Hèquot;.'... wat zegt u Wat durft u zeggen'? Gij, eenvoudige getuigen.... (zeer elegant) Ah! zooals u wilt, mijne heeren! (bukt en raapt den denkbeeldijen degen zijner tegenpartij op, dien hij aan een der eveneens denkbeeldige getuigen

ocr page 127

127

geeft). Ziehier den degen van uw vriend, jas uit, en verdedigt u! (vechten) maar verdedigt u dan toch.... maar hebt gij dan karnemelk in de aderen.... ah, ah, ah,.. .. twee tegen mij. .. welnu komaan, ik ken geen vrees.. .. komaan dan!.. .. Ah, je bent dus opgevuld metstroo.. .. pan.... dat is er één.... ah. ah, ah, jij ook? (mzend) Maar zie dan naar uw vrienden.... Zie dan toch hoe misvormd zij zijn.... hoe zij liggen te kronkelen in een zee van bloed!.... Ziet gij hun verwrongen gelaatstrekken dan niet?.... maar wilt gij dan ook sterven'.'.... dan is het een slachting.... {hij valt recht op zijn vermeenden tegenstander aan) daar.... {lij haalt 'n zakdoek uit en veegt z'n stok af.).....\lle drie dood....

ocr page 128

HEÏ LE VEN.

Naar het Fransch van E. Gronet-Dancourt

DOOP,

JAN C. DE VOS.

/^et heeft mij dikwijls zeer verbaasd,

Dat ieder schik heeft in z'n leven. En tegen doodgaan smaadlijk raast, Wat toch alleen maar rust kan geven.

Neen, heusch! ... Vindt gij 't zóó prettig, dat —

Gij man of vrouw zijt, dames, heeren'? ...

Zijt allen gij tevreden'? WiSit?

Durft niemand te protesteeren?

Men is geboren. Goed. We gaan

Een poos vertoeven hier op aarde,

Hoe lang komt er nu niet op aan,

Maar zeg me; om wat te doen, m'n waarde ?

j

ocr page 129

129

Om wamp;t te doen, dat vraag ik maar'?

Waarom bestaan wij toch? Laat zaaklijk Ons zijn! — We worden oud! — Ziedaar!

En vindt gij dat nu zóó vermaaklijk?

Vindt gij dat aardig om te zien Hoe steeds op dagen volgen dagen,

Dat gij mee voort moet en mitsdien Geen enkel uur terug kunt vragen?

Heeft het u waarlijk ooit behaagd,

Dat ge op deez' bol zijt neergesmeten,

Terwijl gij zelf niet hebt gevraagd Om 't voorrecht, dat wij „leven'' heeten ?

Is 't waar, dat gij bewondren dorst Een lot, dat zóó u legt aan banden.

En spottend zegt: „spring op, hansworst! Ik heb de draden toch in handen?quot;

Nu ik zeg, dat ik voor mijn part.

Met al de moeite mij gegeven,

Maar niet kan zien, hoezeer 't me smart, Wat er voor mooi's is aan dit leven!

Wat! Zonder woede of ergernis,

Als u de morgen doet ontwaken,

Begint gij weer, hoe saai het is.

Wat 's-avonds gij hebt moeten staken ?

Bevalt het u naar bed te gaan.

Te slapen, eten, drinken, sloven,

9

ocr page 130

130

Te zweeten, bibbren, op te staan!

En dan ... ? Neen, 't is niet te gelooven

Behaagt het u dan, lieve meid.

Wanneer een kus u wordt verweten,

Dat men u daadlijk hard kastijdt,

Waar gij . •. zoo zacht op hebt gezeten?

En gij dan, min, zeg hebt ge schik, Om 't vreemde kind het meest te geven'?

En zaagt gij nooit een oogenblik

Een schooner droombeeld voor u zweven

Kan 't, meester, heusch plezier u doen, De lieve jeugd maar op te sluiten.

Wanneer zoo vrij in 't malsche groen De vogels vliegen, dansen, fluiten'?

Bekoort het u, o ambtenaar,

Op uw bureau te koekeloeren.

Gezeten voor uw lessenaar.

En uren lang ... niets uit te voeren?

Zijt gij tevreden, jong soldaat.

Met jaren lang kommiesbrood eten'?

En boertje, jij, vindt jij 't niet kwaad, Om zwoegend jou half dood te zweeten'?

Bevalt het u soms, jong pastoor,.

Het biechten van te ... rijpe schoonen'?

Wrijfdokter u, om altoos door

Met knijpen 't menschdom te beloonen'?

ocr page 131

131

Gaat het van harte, jij, koetsier.

Met paard en koets steeds rond te zwerven?

Zeg, dokter, doet het u plezier,

Dat al uw zieken langzaam sterven')

Zijt, arme dichters, gij niet blij.

Dat, dood, gij ééns beroemd zult wezen

Door verzen, die reeds allen wij Verfoeien, vóór ze zijn gelezen?

Gij, Kamerleden, die zoo slecht Kunt denken om goedkoope wetten.

Verheugt het u nu heusch pas recht;

Ministers aan den dijk te zetten?

Zeg, dames, doet het u geen goed.

Als manlief ontrouw wordt na 't trouwen ?

En, heeren, is de ervaring zoet;

Bedrogen door uw eigen vrouwen'?

Is het niet prettig ieder jaar Nog meer belasting te betalen,

En vindt ge het wel één keer naar: Schoonmoeders van den trein te halen?

Bevalt het u, als gij uw geld Gestoken hebt in ... scheurpapieren ?

Zijt ge op de reekning niet gesteld Van hoeden, die uw vrouw ... versieren ?

Bevalt het u, komt ge laat thuis.

De tafel niet gedekt te vinden,

ocr page 132

132

En is het wel zoo'n bitter kruis Om slordigheid u op te winden?

Bevalt u damp;t niet goed; kiespijn?

Een zoon die nergens voor wil deugen'.' De hoeder van uw dochters zijn,

Die met een kind u toch ... verheugen

Wanneer 't stortregent met geweld.

Zit gij zoo lekker vol slikspatten ! Hoe heerlijk, als gij 's zomers smelt, En 's winters dan weer kou kunt vatten

Staat het u aan om, zijt ge oud,

Uw waglend lichaam voort te slepen, Als elk u voor vervelend houdt, Tot eindlijk gij zijt ... „uitgeknepen''?

Bevalt dit alles u, zeg 't vrij?

Komt, antwoordt nu of 't u berouwde, Of is er één van u nog blij.

Dat hij het levenslicht aanschouwde?

Hé? Wat! gij hecht, en hebt daar pas

Gehoord wat 'k zei, nóg aan het leven? Neen, hoor eens! zeg, maar dat is kras! 'k Kan daar u geen gelijk in geven.

En tóch heb ik reeds vaak bedacht,

Wat u wel bindt hier op deez' aarde, Door welke zoete toovermacht,

Het leven krijgt z'n hooge waarde?

ocr page 133

133

Wat? Wat, bevalt u dan hier toch'?

Om op 't natuurschoon soms te turen'? 't Is mooi! Dat 's waar! Maar wè,t dan nog? Hoe lang is dat al niet aan 't duren ?

De sterren, maan en zon omhoog,

Ze blijven 't zelfde, alle dagen.

Maar wat verrukt dan zóó uw oog?

Toch niet de mensch wou ik wel vragen'?

Want zie, de mensch is, bij mijn eer,

Afschuwlijk, hoewel 'k van de vrouwen Toch in één enkel opzicht meer Dan van de mannen ben gaan houen.

Komaan, bekent het, zegt niet neen:

Het aardsch geluk is niets dan logen! Gij allen lijdt ... maar hebt £yieen

Met een mooi praatje u zelf bedrogen!

En ik dan, dien gij voor u ziet,

Ben 'k hier soms om me te amuseeren'? Niet meer dan gij! We zijn dus quitte! Daarom, bonsoir, dames en heeren!

ocr page 134

EEN ZINDELIJK MENSCH.

Naar het Fransch van Charles Gros

DOOR

A. VAN SPBINKHUIJSEN.

Hij komt binnen, terwijl hij zijn mouwen en kleederen afstoft.

Ik heb niet gegeten, omdat ik zoo dom ben geweest een uitnoodiging van mijn vriend Oscar aan te nemen. Ik eet nooit buitenshuis, daar heb ik te veel leergeld mee gegeven — maar mevrouw Veterband en haar dochter zouden bij Oscar dineeren. Onlangs heb ik bij mevrouw Veterband een wit voetje gekregen, omdat ik haar het recept heb bezorgd van een desinfectiemiddeltje, dat in mijn familie sedert onheugelijke jaren van vader op zoon is overgegaan.

ocr page 135

135

Oscar: die juffrouw Veterband is charmant. Daarop organiseert Oscar dat fameuse diner van vandaag. Op 't oog is die Oscar 'n knappe jongen, maar aan de zindelijkheid schijnt hij geen groote offers te brengen. Ik, voor mij, ik ben nu niet overdreven kieskeurig, maar ik ben ten minste zindelijk. — Van morgen werd ik wakker, vandaag dineer ik bij Oscar zeg ik ... enfin.

Ik neem mijn bad.

Zooals iederen dag besteed ik een uurtje aan mijn likdoorns, een uurtje voor het soigneeren van mijn handen en een half uurtje voor 't in orde brengen van mijn haar.

Nu ga ik onbijten.

Vier gekookte eieren — daar houd ik 't meeste van, omdat men daar moeielijk mee kan knoeien. Ik eet brood van de machinale bakkerij — niemand komt daar aan het deeg: zoodra het uit den oven komt, neemt men het met een servet aan, wikkelt het er in en brengt het mij thuis. Ik drink dubbel gefiltreerd water (van water uit de tegenwoordige waterleidingen moet ik niets hebben), ik heb een klein filtreertje, excellent systeem (ik zal u het adres van den fabrikant eens geven). Na mijn dejeuner wasch ik mijn handen, wasch ik mijn gezicht, doe schoon linnen goed aan, wasch mijn handen weer en ga uit.

Ik ga naar Auguste en laat mij het hoofd borstelen : u weet wel! Een Schampoung. Ik maak dagelijks tusscben drie en vier uur gebruik van den Schampoung. Zoo'n machine maakt iemand hongerig, vooral als men niets anders dan gekookte eieren heeft gegeten. Zoodra ik terugkom, wasch ik mijn handen, wasch ik mij geheel en al (onderweg doe je zooveel stof op), ik doe schoon linnengoed aan, trek andere bottines aan en ga uit. Bij Auguste

ocr page 136

136

laat ik mijn haar nog wat opknappen en dan en route naar Oscar, want het diner is tegen zes uur.

Bonsoir mevrouw! Bonsoir Oscar. Bonsoir mevrouw Veterband. Bonsoir juffrouw Veterband. Bonsoir 't geheele gezelschap.

Ik vraag of er geen gelegenheid bestaat om mijn handen te wasschen ('t is zoo stoffig). In de soep vind ik een jong worteltje (ik houd nogal van worteltjes), een worteltje dat met de hand geschraapt was (de hand van de keukenmeid).

Bij mij worden de groenten machinaal schoon gemaakt. Zóó, op die manier, dat gaat draaiend. Ik zal u 't adres van den fabrikant geven.

{Mei overtuiging): Ik raak de soep niet aan. Er gaat brood rond, dat met de hand op een bord gesneden wordt. Ik zeg niets. Ik neem een stuk ; ik laat het op mijn servet dat gelukkig zindelijk was, vallen.

Het servet was het eenigste wat zindelijk was op die tafel, ja toch, de messen en het tafellaken schenen ook nogal zindelijk. Ik snijd onder en boven een sneedje van mijn brood en de korst in het rond geheel af. Zoodoende had ik ten minste een stukje brood, waarvan ik niet vies behoefde te zijn ('t brood was uit de machinale bakkerij; daar had de vrouw van Oscar voor gezorgd). Oscar scheen dat werkje in het oog te houden, ten minste, hij kreeg zoo'n langen neus.

Ik heb dat stukje brood opgegeten. Alles wat er opgediend werd, deed me aan de keukenmeid denken, die den ossenhaas gebonden, de gans geplukt, de salade schoongemaakt had! — Alleen het zien eten van dat alles maakte mij misselijk.

Ik heb niets dan een beetje Bordeaux gedronken, omdat

ocr page 137

137

er met dien wijn niet geknoeid en hij zindelijk behandeld wordt. (Alles gaat machinaal in Bordeaux.) Bij ieder gerecht, dat ik onaangeroerd voorbij liet gaan, werd Oscar somberder; hij begreep, dat er niets zindelijk genoeg behandeld was.

O ! ik ben zoo geduldig als 'n lam. Maar toen ik mevrouw Veterband en haar dochter (haar dochter!) aardbeziën zag eten zonder ze eerst te wasschen, aardbeziën zoo in een bosch geplukt (een bosch is ver van zindelijk) en met de hand geplukt (handen zijn ook niet zindelijk), toen ik dat zag, ben ik opgestaan; eindelijk ben ik uitgebarsten en heb aan Oscar gezegd:

„Neen, je bent niet proper — alles is hier vies, tot zelfs je invité's zijn 't \quot;

Oscar is doodsbleek geworden, stond op en heeft me de deur gewezen, terwijl mevrouw Veterband haar dochter eau-de-cologne liet ruiken. Je hebt gelijk, zei ze, die mijnheer is al heel slecht opgevoed.

Ik heb de schouders opgehaald, de kamer verlaten en gevraagd of ik mijn handen kon wasschen, maar Oscar was mij op den voet gevolgd, heeft me mijn overjas over het hoofd gegooid en mijn hoed op het portaal achterna gesmeten. ..

De deur is achter mij toegekletst en____(eenige oogen-

hlikken verschillende grimassen.)

Wat zou me scheelen? O!'t is m'n maag. — ik ga heen.— Ik moet naar huis om schoone bottines aan te trekken, m'n handen te wasschen en wat te eten. Maar wat? zoo laat... Och, dan neem ik maar weer vier gekookte eieren — daar komt ten minste niemand van binnen aan.

Och, weet u, als ik wegga is 't minder van den honger dan wel... {veegt zijn k leer en a/.) Enfin! 't is hier niet zindelijk. Bonsoir. _____

ocr page 138

EERSTE LIEFDE.

naar het F r a n s c h

DOOR

PICCOLO.

Toen was ik nog jong en ik was verliefd! Ik was zoo verliefd, als nog nooit iemand geweest was, of liever ik was verliefd, als een jongen van 16 jaar.

Zij had een wipneus!... Wat mij eigenlijk bekoord had? Zij was blond, maar van dat mooie lichtblond; de eenige kleur van haar, die ik mooi vind!

Ik aanbad haar!.... Ja, maar in stilte. Ik was dol verliefd! Zij scheen het niet te begrijpen. Ik gevoelde zielesmart; ik volgde al hare bewegingen met een teederen blik! .... Niets hielp! Eindelijk, bijna krankzinnig, verbijsterd, ging ik ...

ocr page 139

139

Daar hoor ik opeens, dat den volgenden avond, bij haar aan huis, eene partij zou zijn.

Ik was uitgenoodigd. — Des te erger! „Dat is het noodlot,quot; zei ik tegen mijzelf. „Kom, August, aarzel niet; je moet spreken. Je moet haar zeggen: „Ja ik heb u lief! Ik kan zonder u niet leven, zie mij aan uwe voeten ... Antwoord mij, zeg een woordje!quot; Ik zal/e tegen haar zeggen, als het moet: „Ja, ik aanbid je!''

Soms kan dat geen kwaad. Ik had een vast besluit genomen. Toen wilde ik mij mooi en verleidelijk maken voor het bal. 's Morgens liet ik mij netjes scheren en friseeren, Door de warmte ging 's middags al de krul uit mijn haar. 's Avonds ging ik dus weer naar den kapper. Maar toen ik mijn overhemd aantrok, ging mijn haar weer in de war; en mijn baard was weer aangegroeid!... Ik moest dus voor de derde maal naar den kapper en kwam eindelijk erg warm aan het huis van mijne geliefde. Ik had nieuwe verlakte schoenen aan ; zij waren wel wat klein, doch, daar de natuur mij groote voeten gegeven heeft, moest ik dat gebrek zooveel mogelijk verbergen. Als mijn voet haar in het oog valt, heb ik al veel gewonnen, dacht ik. En daarom had ik dien avond te kleine schoenen aangetrokken. Ik had nog iets anders, toen ik op het bal kwam. Men moet van alles voorzien zijn, als men iemand aanbidt. Dat was namelijk een zakdoek, maar een zakdoek doortrokken van, neen, gedoopt in de heerlijkste odeur; ik dacht als mijn blondje met mij danst, zal ik mijn zakdoek uithalen en haar bedwelmen met de liefelijkste geuren; en, als ik haar dan geheel betooverd heb, zoodat zij niets meer begrijpt, moet zij wel naar mij luisteren.

Ik vroeg haar om een wals, zij nam aan zonder aarzelen,

ocr page 140

140

ik geloof zelfs, dat zij glimlachte... Zij beloofde mij den 15en dans. Dat duurde nog lang! Ik danste al dien tijd niet! Vlug, levendig, als zij was, volgde ik haar met mijne blikken, leunend tegen den schoorsteen.

En als ik een anderen danser zag, die zoo gelukkig was, haar in zijn armen te hebben, voelde ik lust hem met mijn blikken te dooden!... Maar in stilte benijdde ik toch het gelukkige paar. Ik had reeds de helft van hen, die haar omgaven, met mijn blikken doorboord, toen ik plotseling aan mijn linkerkant een hevige pijn gevoelde, die mij ineen deed krimpen. En toch beefde ik niet van jalouzie. Heeren, nu gevoel ik groote behoefde aan poëzie.

Gij, allen, zijt wel eens verliefd geweest en ge weet wat liefde is; men is erg dwaas, als men verliefd is, dat staat vast en een kleinigheid maakt iemand van streek.

Een niets schijnt bekoorlijk. Als bijvoorbeeld een minnaar op den grond valt en hij zich pijn doet aan den linkerkant, roept hij uit: ,/De kant van het hart! Dierbare wonde \quot; Ik gelijk op dien minnaar, wat mijne geschiedenis betreft, maar... het was juist het tegenovergestelde. Op het bal, ik weet het nog heel goed, riep ik uit: „O wee, mijn linker.. .voet!quot; Dat was het.

Ge kunt u mijne verlegenheid voorstellen. Hoe mij daaruit te redden, zonder mij belachelijk te maken? Ik kon bijna niet loopen en mijn beurt kwam : „Als ik mij eens terugtrok, als ik eens weigerde te dansen, mijn God, wat zal zij van mij denken? Dan zal zij zeker boos zijn en niet zonder reden; en mijne liefde, en mijne plannen! Neen, wat het ook kosten moge, ik zal dansen....quot;

Maar, helaas! ik kon geen stap doen. quot;Waarom heeft men nog geen middel uitgevonden, dat ons van onze

ocr page 141

141

eksteroogen verlost! Daarvoor moest de regeering toch eens een prijsvraag uitschrijven. ,

Ik heb u gezegd, dat ik zielesmart had! Ik leed, en zij kende niet eens mijne lietde! En toch leed ik nog meer door mijn eksteroog, dan door mijne liefde!

Wat ik in dien toestand deed, durf ik niet zeggen; ik zal een beeld gebruiken en gij zijt verstandig genoeg, om mij te begrijpen. Laat ons bijvoorbeeld een rok nemen, die u te nauw is en die u kwelt. Dan zoekt ge een middel om uw rok te doen passen. Maar hoe dat aan te leggen? Heel eenvoudig. Doe uw vest uit, trek uw rok aan en ik denk, dat hij u goed zal passen. Het vest hinderde u, dat was het.

Dat voorbeeld moet u toonen, hoe ik mij van mijn lijden kon bevrijden. .Ta, met een ontroerd gemoed, verliet ik plotseling de zaal... en in een stil hoekje mijn schoen uittrekkend, deed ik ook... moet ik het zeggen'? Denk aan het vest... Ik deed juist zoo, ik trok het voorwerp van mijne marteling uit. Mijne... neen! ik zeg niets meer Ik stak ze met zeer veel zorg in mijn zak, toen ging ik weer naar liet bal, tevreden en onuitsprekelijk verlicht.

De 15e wals begon; welk een geluk! Met een hart vol liefde en een stralend gezicht ging ik naar haar toe; zij glimlachte, ik omvatte haar, ik sidderde van geluk, maar kon niet spreken. Ik kon bijna geen ademhalen en ik voelde, dat ik een kleur kreeg, en toen bleef ik staan, want ik wilde er niet graag verlegen uitzien; dat staat zoo gek, als men verliefd is.

„Het gewichtige oogenblik nadert, kom aan, moed gevat,quot; zeide ik; „eindelijk moet zij toch weten, hoeveel ik van haar houd!quot;

ocr page 142

142

Daar dacht ik aan mijn zakdoek, dien ik in de stille hoop op een apartje in goddelijke odeur gedoopt had.

;/Nu is het oogenblik gekomen/' dacht ik, ,/koni aan!quot; en ernstig, zonder een woord te spreken, maar haar steeds aanziende, haal ik mijn zakdoek uit.

Maar zij barstte in lachen uit, en zeide: „Mijnheer August!!. .

Liefde, wat kunt ge toch wreed zijn!

Ik had uitgehaald'? Weet ge wat'? Mijne... juist!

ocr page 143

LISTEN EN LAGEN.

Anti-Politieke Verhandeling naar het Fransch

nooa BOO N T J E.

Een studeerkamer, achterdeur — rechts een schoorsteen in den hoek, waarvoor blokken hout liggen. Links een geopende schrijftafel, waarop een glazen presse-papier in den vorm van een liggenden hond. Op het midden van het tooneel een tafel met een groen kleed. Achter de tafel een stoel. Bij het opgaan van het doek is het tooneel ledig.

Pinceinaille komt door de achterdeur binnen, buigt en gaat zitten. Hij neemt plaats, snuit z'n neus, kucht, snuit nogmaals z'n neus en staat buigende op.

Dames en heeren! Ik wenschte beginnen met den directeur mijn dank te betuigen, die zijn schouwburg ter mijner beschikking heeft gesteld voor de eerste verhandeling in het publiek____ Ik acht mij gelukkig bij mijn

eerste schrede op deze baan te mogen spreken voor een even talrijk als uitgelezen auditorium.

ocr page 144

U4

Hij gaat zitten, kucht, snuit z'n neus en staat buigende op

Listen en lagen.... Zoo is de hoogst geslepen titel van mijne verhandeling, die ik mij echter haast als anti-politiek te kenschetsen, om daardoor de nieuwsgierigheid der menigte,

die naar hevige aandoeningen dorst, nog meer op te wekken.

Hij gaat zitten.

Ik zou genoodzaakt zijn te beginnen met die listen dei-liefde, waarvan een diep betreurd dichter terecht gezegd heeft, dat deze even als de krijgslisten ten allen tijde geoorloofd zijn geweest, en dan te spreken van die schurkachtige lagen, die de vrouwen hun mannen leggen, om hunne echtgenooten, hunne minnaars.... en de verwachtingen hunner familie te bedriegen!... Ik zou ook genoodzaakt zijn te spreken van de deugdzame vrouw.... rara avis — maar daarvoor zou ik tevens in de geschiedenis moeten teruggaan, want zoo er al weinig vrouwen zijn waarop niets te zeggen valt, zooals Jeanne d'Arc — en Ninon de

l'Enclos.... zijn er veel Dalila's en Herodiade's!.....

Het was dus mijn voornemen me met u vroolijk te maken

over de tegenwoordige Sganarelles en George Dandins____

toen ik me, en lang niet van onpas, mijn Lafontaine herinnerde die er op wijst dat hij, die met zulke dingen spot, later misschien op zijn beurt bespot zal worden.

En dat heeft me doen nadenken.

Als ik eens zou trouwen!....

ocr page 145

145

%

Denk eens na!.... als ik ook eens op een mooien morgen versierd zou worden met zoo'n paar.... Alweer een!!.... Mocht zich onder m'n toehoorders een bedrogen echtgenoot bevinden,.... hetgeen ik geen oogenblik zou durven veronderstellen, dan raad ik hem aan de woorden te overdenken van dien lucl ithartigen wijsgeer, die gezegd heeft: Weet men 't wel.... 't beteekent weinig,

Weet men 't niet.... 't beteekent niets.

Dus heb ik mijn programma gewijzigd ; dat is een list van mij... een laag, die ik u gelegd heb, om u over mij en over m'n werken te kunnen spreken.... En u zult er je niet over te beklagen hebben, daar ben ik zeker van! Alleen m'n confrater Alexander Dumas zou het recht hebben zich er boos over te maken.... maar daar heb ik kaas aan.... (zich hernemend) O! neem me niet kwalijk! ik wou zeggen.... dat zal m'n zorg zijn! Ik zal dus beginnen met mezelf voor te stellen (staaf op en huigt) Pinceinaille — tooneelschrijver.... zeer dikwijls... auteur van een dramatisch tooneelspel in 4 bedrijven, dat mijnheer Alexander Dumas verhindert te slapen.... wangunst (declameerend:)

Hij die geen meester kent,

Kan rustig 't hoofd neervlijen heeft de dichter gezegd, (hij gaat zitten) en meneer Dumas, die graag rustig z'n hoofd neervlijt, heeft, altijd uit angst dat mijn glans den zijnen zou verduisteren, een spaak gestoken in het wiel van de kar, die mij een roemvolle toekomst te gemoet zou rijden .... en heeft deoorenvande tooneeldirecteuren, die geneigd waren mijn stuk aan te hooren, met de watten der wangunst dicht gestopt.

Deze verhandeling is dus alleen een voorwendsel....

10

ocr page 146

146

een list... een laag om mij een publiek te verschaffen, dat in staat is te beoordeelen, hoever mijn stuk verheven is boven alles wat de schrijver van de Prinses van Bagdad tot dusverre heeft voortgebracht.... Kortom.... heb ik

het u al gezegdquot;.'.....fa? .... neenquot;?.... Welnu dan zal

ik het u zeggen,.... liet onderwerp, dat ik behandeld heb is juist het geliefkoosde onderwerp, van dezen tooneel-schrijver: het overspel!.... {staat op en declameert:) En waardoor zou uw liefde zich verheffen,

Indien het overspel daarvan de drijfveer is?

O! als alle mannen deze verzen van den grooten Racine, eene vrouw, die de noodlottige helling afduikelt, voor de voeten wierpen, hoevele van die vrouwen zouden dan niet door die twee versregels halverwege blijven steken!

Maar wat zal ik u zeggen! Men is jong.... en men heeft niet altijd Racine gelezen!.... Men is jong.... dat is een verontschuldiging; als er zich iemand hier bevindt^ die nooit jong is geweest.... laat die opstaan.... maar dat men Racine niet gelezen heeft.... dat is geen verontschuldiging.... neen, dat is geen verontschuldiging!....

Dus heb ik een tooneelspel gemaakt over het overspel.... een tooneelspel onder den volgenden titel.

Drie min drie blijft nul Dat is misschien een beetje lang, maar dat geeft zoo juist den inhoud van het stuk weer!.... In de draken, die hij over dit onderwerp geschreven heeft, laat meneer Dumas bij de ontknooping of de man, of de schuldige vrouw .... of de minnaar sterven .... of twee van hen... maar nooit alle drie .... Het publiek heeft het recht zich na de voorstelling af te vragen: Wat zal er nu van dengeen, die overblijft, worden? Het stuk is dus niet uit.... er

ocr page 147

-147

blijft nog iets te doen, nog iets te zeggen over om het begonnen onderwerp af te werken. In; Drie min drie blijft nul, mijn stuk, gebeurt zoo iets dergelijks niet! Op het slot sterven ze allemaal en liet publiek heeft niets te reclameeren! Ziedaar!... Om er u een begrip van te geven, zal ik u de vier bedrijven van mijn stuk vertellen.... of beter gezegd zal ik ze voor u spelen!... . Stel u gerust!.... Ik zal alleen in breede trekken de kern van mijn werk schetsen. Maar om er u een goed begrip van te doen vormen, zou ik u die zooveel mogelijk aanschouwelijk wenschen voor te stellen. U zult zien, het is iets uit den

tijd waarin wij leven---- het is aangrijpend.... Ziehier

in korte woorden den inhoud (staat op en buigt).

Drie min drie blijft nul.

Tooneelspel.

gaat zitten.

Ie Bedrijf.

Een jong mensch huwt een allerliefst jong meisje. De man.... (staat op en zoekt op het tooneel) Laat 's Kijken! Wat zou nu wel de man kunnen voorstellen? (een blok ziende) ah! een blok hout!.... (neemt een blok) Dat is 't wat ik hebben moet! (het blok op tafel zettende) Dit is de man! (voortgaande) de man maakt haar, die hij zoo teer bemint, zoo gelukkig mogelijk!.... Het jonge vrouwtje luisterende naar den raad barer moeder... O, die schoonmoeders!... maakt van dezen natuurlijken aanleg gebruik om hem te beheerschen... (op 't tooneel zoekende) om... hem... te... be.... heer... schen... Wat zou nu wel de jonggetrouwde vrouw kunnen voorstellend (zich op 't voorhoofd slaandej O! (tot H publiek sprekende) Is er geen

ocr page 148

148

mensch van de heeren, die me voor 'n oogenblik z'n hoed zou willen leenen (men reikt hem een hoed over). Ziet u, mijne heeren, deze hoed is volstrekt niet geprepareerd.... (zich hernemend). O, neem me niet kwalijk.... Wees gerust, ik ben geen goochelaar, en als ik al iets ten mijnen voordeele wil weggoochelen... dan is het uw goedkeuring.... (gaat naar de tafel). Het jonge vrouwtje zei ik dan (op den hoed wijzend) ziehier, het jonge vrouwtje maakt misbruik van de genegenheid, die haar andere helft haar bewijst, om hem te beheerschen.... Zij beheerscht hem.... (bedekt het blok met den hoed) en geen wolkje bedekt den blauwen hemel der volmaakte liefde.

2e Bedkijf

Dat kan zoo niet lang duren.... dat begrijpt u. Het lust den man langer niet de slaaf zijner vrouw te zijn en hij schudt het juk af. (hij schudt het blok, dat onder den hoed staat.) Zij, die een geheel uitmaakten, vormen nu twee geheelen en hebben ieder hun eigen kamer (hij plaatst hoed en blok elk op een tegenoverliggenden hoek d.e^ tafel).

3e Bedrijf.

De echtgenoot, die niet meer weet, waar hij z'n avonden zal zoek brengen, gaat in prettig gezelschap in groote restaurants kreeftjes pluizen. Dat steekt mevrouw, die er aan denkt zich op de manier van oog om oog, tand om tand, te wreken. Zij laat haar oog vallen op den jongen Gontran, een modepop die naar oponax ruikt.... en die om haar heen draait... . (op 't tooneel zoekende). De jonge

ocr page 149

149

Gontran, de jon.. ge Goh .. tran.. {de presse-papier nemende) een glazen presse-papier, een hond, het zinnebeeld der getrouwheid voorstellende, dat is goed!.... Dit is de jonge Gontran!... (gaat naar de tafel). De jonge Gontran sluipt tusschen den man, die het gevaar niet ziet en de vrouw, die het zoekt.

(Zet den presse-papier midden op tafel.)

4e Bedrijf.

De jonge vrouw is schuldig geworden. Zij ontvangt Gontran!... in de grootste vertrouwelijkheid, (brengtden presse-papier bij den hoed) Een ongeteekende brief {neemt een brief uit z'n zak en legt dien op H blok) maakt de man met alles bekend en deze snelt woedend naaide kamer zijner vrouw, (hij neemt het blok en zwaait het dreigend — zet het dan op 't midden van de tafel) Deze haar misstap willende verbergen, verbergt den misstap-per ! (bedekt den presse-papier met den hoed). De beleedigde echtgenoot komt, de deur intrappende binnen... (neemt het bik en nadert den hoed) volg me nu goed... en treft met denzelfden slag én de schuldige vrouw én haar medeplichtige, (geeft een hevigen slag op den hoed met het blok, dat daardoor in tweeën splijt De hoed is plat en de presse-papier gebroken. Op deze voorwerpen wijzend) De schuldige vrouw ... zoo plat als 'n schol! de minnaar gebroken en de echtgenoot in tweeën gespleten! Allemaal dood! (over zichzelven tevreden) Nu! nu geloof ik toch, dat de auteur van la Dame aux Camélias een beentje gelicht is! Wat zegt u er van'?... hé!... allemaal dood! niets te reclameeren! (naar den voorgrond gaande en den

ocr page 150

-150

hoed teruggevende) Ziehier de schuldige echtgenoote, meneer ... als u er een ijzertje op laat zetten, zult u er niets meer van kunnen zien. {gaat toeer achter de tafel) Ik heb geëindigd, en nu, mocht u een vriend, een bekende hebben, die tooneeldirecteur is, ik bid het u, spreekt dan eens met hem.over

Drie min drie blijft nul.

(buigende) Uw onderdanige dienaar Pinceinaille, die u dank zegt voor de welwillendheid, waarmee u.. neen waarmee ik, neen — die u... die. {raakt in de war) Ik heb wel de eer u te groeten.

snel af.

ocr page 151

OP REIS

DOOR

JAN C. DE vos.

J=)

e^jbAun blijde huwelijksdag lag ver nog in 't verschiet;

sz Toch droomden zij-wat droomt een minnend paar al niet Van 't vaak benijd geluk een groote reis te maken.

Itaal'jes naam alleen deed hen van geestdrift blaken! In zoo'n natuur, in zulk een Eden, daar alleen,

Smelt liefde ziel met ziel en hart met hart ineen... Zoo dachten zij — maar toen na maanden, weken, dagen, De lang verbeidde stond van 't huwelijk had geslagen, Bleek, 't zuinigst overleg ten spijt, bun zonneklaar:

Dat van een groote reis niets komen kon dat jaar.

,/Eeii volgend dan!quot; was toen de troostrijke gedachte. Terwijl 't bereikt geluk dat leed ruimschoots verzachtte. Maar 't volgend jaar bracht hun een kleinen huisgenoot. Een heerlijk kind, en hun geluk was nu zoo groot,

Dat aan een reis niet werd gedacht, en zoo werd weiler Het plan verschoven tot de kleine, nog zoo teeder En hulpeloos, de zorg van moeder missen kon.

ocr page 152

152

't Kind groeide met den dag en was een ware bron Van ongekende vreugd ... en die zij nooit vergeten: Wie nooit een kind nezat, kan dit, helaas! niet weten...

Het kleintje was twee jaar en 't reisplan werd bepaald. Het heele huis is voor de reis omver gehaald.

De koffers staan gereed: gewisseld zijn de gelden:

Niets bleef hun meer te doen dan dat ze 't kind bestelden Bij de oude peet, een weeuw, een lieve, brave vrouw. Die beter dan zij zelf zoolang 't verzorgen zou.

't Was avond, 't Kleintje sliep: een blosjenop de wangen, Een glimlach om den mond, als luisterend naar zangen Uit hooger, reiner sfeer. En moeder nam het wicht Behoedzaam in haar arm. De hemel was verlicht Met duizend starren, die hun flonkrend tegenlachten. Dra werd de heerlijkheid der Italiaansche nachten Geprezen en't gesprek gold weer hun lievlingsdroom, Verwezenlijkt weldra aan Tiber's zilvren stroom.

Het afscheid duurde maar kort.. .toen zij 'tbeurtlings kusten, Toen dropen tranen op het slapend kind, wier ruste Nochtans niet werd gestoord. Zij kusten 't nog één keer; Daar sloeg het de oogjes op, glimlachte en look ze weer, Als waar' 't gerustgesteld, dat vader, moeder, beiden, Nog stonden aan heur spond en noode konden scheiden. Zij keerden weer: maar stil en spraakloos nu. Geen zucht Werd zelfs gehoord. Geen star was meer te zien. De lucht Was zwaar bewolkt. De maan had haar gelaat verborgen. Hij deerde hun niet meer: zij dachten niet aan 't morgen, De lang gewenschte reis of 't schoon der Zuidernacht;

ocr page 153

Maai' aan hun dierbaar kind, zooeven weggebracht. Aan andrer zorg vertrouwd, omdat zij voor vermaken Hun ouderlijke plicht en liefde gaan verzaken ... Zóó keerden zij in huis. Hoe eenzaam, stil, was't daiir.. Zóó eenzaam, stil, alsof er één gestorven waar...

Daar staat de wieg: die trekt hun aan... Zij gaan er henen „Ach, ledig \quot;... en zij zien elkander aan en weenen.

En nog in 't eigen uur was 't kind weerom gehaald. De reis werd uitgesteld en nu voor goed bepaald: „Wij zetten 't reisgeld uit en zullen nog wat sparen, „En stellen ons tevree dat binnen weinig jaren: „Wij gaan op reis met haar, dan is de kleine groot !„..

Helaas!... Zij gingen nooit.. Hun eenig kind is dood.

ocr page 154

DE PIANIST.

Naar het Fransch van E. Morand

DOOR

JACOBUS DE VOS.

Is 't hier dat ik gevraagd ben'?.... Niet'?

Wat wilt u dan van me'? U doet me m'n kostbaren tijd verliezen. U denkt zeker, dat ik tijd over heb!.... Ah! 't is niet meer zooals vroeger; ik leerde 't piano spelen in dertig lessen, jawel! Maar ik had geen enkelen leerling, geen mensch ! Wat heb ik toen gedaan? Ik heb het zaakje omgekeerd. Wat! zei ik tegen me zelf: jij leert pianospelen in dertig lessen! Welnu, ik zal liet der menschheid leeren in driehonderd, drieduizend lessen.

Ik heb een groot concert gegeven____ om reclame te

maken.... een concert van moderne muziek.... omdat de moderne muziek.... m'n hemel! niemand kan me dwingen dat te weten en ik weet niets ... waarachtig op m'n woord van eer, ik ken geen noot. Maar ik heb geen oogenblik geaarzeld. Alleen met 't preludeeren, heb ik de drie eenige piano's, die 't huis bezat, stuk getrommeld! Neen dat was een opgewondenheid, een succès.

ocr page 155

155

een reclame, tot waanzin wordens toe. Hij heeft drie piano's stuk gespeeld! Wat een kracht! Wat een man! Wat een artist!.... Ik was er!

M'n systeem is anders heel eenvoudig. Ik weet er niets van en ik geef er onderwijs in. ^lets onderwijzen, doet onze denkbeelden vaak veranderen.

Omdat die lessen wel wat kort zouden duren, neem ik 't liefst eenigszins stevige leerlingen aan. Maken ze vorderingen en dat gebeurt, dan heb ik ze voor goed vast. Worden ze idioot, dat gebeurt ook, zelfs heel dikwijls, dan verklaar ik aan de familie dat mijn leerling door de muziek behandeld moet worden, en ik vervolg m'n lessen! En, zooals de Italianen zeggen ^Se non e Verdi, e ben Trovatore/' Ik ga op deze manier te werk.

Ik neem een goeien sul van een jongen. Hij gaat aan de piano zitten en de goeie sul van een jongen begint te spelen; Pan, pan, pan, pan!.... Ik laat hem ophouden.

Welnu m'n vriend, waar gaat ge heen, wat doet ge?

Ik speel.

Ah! speelt u, zoozoo speelt u'? En wat speelt u?

Wel.... piano.

Ah! u speelt piano? En weet u, hoe dal gaat? Zoudt u een piano kunnen maken? Neen, niet waar? U bent niet in staat een piano te maken en u wilt er op spelen'?

Hier begint de cursus.

De piano vindt men in de verste oudheid terug. Daar zijn versteende piano's, uit het tijdperk der steenperiode: alles van vuursteen, tot zelfs de snaren! Men vindt de piano overal.

Let wel, in Indië, 't onbewoonde Oosten, aan Noorden Zuidpool. Volg mij nu goed:

Wat zijn de toetsen!

ocr page 156

•156

Stukken ivoor.

Goed. En 't ivoor?

Stukken van een olifant.

Goed. En de olifant'?.... De olifant is____Indië, Brahma.

De eerste bekendmaking van de piano op onzen wereldbol

had plaats daar ... in 't oneindige der werelden____Maar

laten we niet afdwalen! Meer naar ons toe, in de middeneeuwen, noemde men de piano Cimbaal. Een instrument om de beginselen van 't pianospel te leeren. „Cymbolum,quot; afkomstig van 't Hindoesche ,/Cimijus.'7 Ze worden nog wel gemaakt.

Willen we weer beginnen.

De goeie sul van een jongen begint. Pan, pan, pan,pan! Ik zie hem aan.

Maar m'n beste vriend, waar gaat ge heen?

Ik ga nergens heen, ik speel.

Zoo, u speelt! En wat speelt u?

Nu kijkt hij mij aan.

Wel, ik speel... - noten.

Noten! en kent u de noten?

Natuurlijk! Do-ré-mi-fa-sol.

Ik laat hem ophouden.

Maar dat is 't niet! Dat is nog van de elfde eeuw. De gedachten moeten zich verder uitstrekken. Indië altijd Indië!

De noten?.... Kent u Sanskrit?.... Niet?____ Dan

moet u 't leeren. De noten, er zijn er zestienduizend, we zullen er later op terugkomen, werden geschreven in den vorm van lotusbloemen.... Tegen den volgenden

ocr page 157

157

keer moet u me eens opschrijven: „Mama, wat zal ik zeggen,quot; maar in den vorm van lotusbloemen,

Doch laten we niet afdwalen.

Hemellief, 't is niet om de zaak moeilijk en lastig te maken. Integendeel. Wanneer er te veel kruisen en mollen aan den sleutel staan, en een oneindig aantal kleine nootjes in de hoogte: Ta, ta, ta {met scherpe stem) welnu dan keert men de partituur om, de noten dalen af, in de laagte: ta, ta, ta.... (diepe stem). De kruisen en mollen verdwijnen eindelijk. In 't vervolg is er geen sleutel meer, niets meer. Dat is veel eenvoudiger.

Maar dat is eigenlijk mijn doel niet. M'n doel.... ik kan 't onder ons wel zeggen.... m'n doel is't huwelijk ?

Met m'n leerlingen, de damesleerlingen, begin ik m'n eerste les altijd zoo :

Wat is een zucht? Dan heb ik ze voor drie maanden vast. Dan komen die oogenblikken van stilte.... van pauze....

van 't ,/appassionato/' 't ,/Con amore/' „Dolce animatoquot;____

o, ik ben er dikwijls in geslaagd, dat ze me de deur uitgooiden.

Op 'n zekeren dag vindt de vader het volgende verscheurde briefje: (met hartstocht) „Vaarwel, nooit zult ge Uw Octaaf omvatten/' Ik noem me Octaaf, moet u weten. ^Ik vertrek liever, nooit zult Gij iets weten/'

De vader: MijnheerI Mijnheer'?

Dit briefje: „Vaarwel, nooit zult ge Uw Octaaf omvatten/' Met uw verlof, laten we niet afdwalen. Ik zal u dit briefje eens voorlezen: (heel natuurlijk) „Vaarwel, nooit zult ge uw octaaf omvatten.quot;

Octaaf, 't octaaf van de piano „Ik vertrek liever, nooit zult gij iets weten/'

ocr page 158

158

Dat is zoo.... uw dochter zal ook nooit iets weten. Ze heeft geen handen. Zoo groot.

Niets. Wat helpen die zes maanden onderricht.... ze heeft nog niet eens één piano stuk gespeeld!

Met de moderne methode, mijnheer, raken de leerlingen de piano niet aan, neen, ze beuken er op.

Pardon, ik vergat dat ik nog een les te geven heb. Een eenarmige, hij speelt met z'n ellebogen. Hij houdt er een uitmuntende vingerzetting op na. 't Zal wel drie uur zijn. Wat, half vier. Ik moet me haasten. Uw dienaar!

ocr page 159

HET PAARD.

Naar het Fransch van Pirouette

DOOR

JACOBUS DE VOS.

et paard heeft werkelijk iets goeds, wanneer 't u niet in 't zand laat bijten. Men is zoo hoog geplaatst op dat edel dier! Men gevoelt zich zoo boven veel en velen verheven. U hebt me nooit te paard gezien? Dat moest u eens zien. Ik rijd heel goed, maar 't heeft me geld genoeg gekost... tien jaren lang les gehad. Nu zegt men wel, dat ik er eigenlijk zoowat niets van weet, maar ik zal toch zoo vrij zijn u eenen goeden raad te geven. Ik heb een bekenden naam, ik heet Chiron.'t Paard is m'n stokpaardje. Ik kan er de heele anatomie van opzeggen. Ik heb zelfs een werk geschreven over de geschiedenis van al de beenderen en al de spieren van het paard. Het is verschenen onder den titel van //Uostamonie.'' Als

ocr page 160

160

ge uitgaat en uw paard begint te steigeren, zet dan geen gezicht op, alsof ge op een begrafenis waart, want daar door lokt ge 't lachen uit van de stommerikken te voet. Tracht te glimlachen — al zijt ge een weinig bleek, dat hindert niet, maar glimlach. Ik glimlach altijd, dat is zoo mijn methode.

Komt er tegenwerking, laaghartig, zooals alle tegenwerkingen en ge buitelt kopje over, val dan met gratie, zooals een kampioen der oudheid. Grijp niet de manen vast, omhels niet met ontzettende liefde den hals van uw paard, klem u niet vast als een aap, tuimel, dat is veel natuurlijker en glimlach altijd. — Ik tuimel altijd, maar met chic.

Als de stof u in 't gezicht waait en een klein stofje blijft in uw oog, doe 't dan zoo dicht; ik doe m'n oog dicht en vervolg m'n rit met 't andere oog open, zonder er in te blazen door mijn vriend te paard naast mij. Komt er een ander stofje in uw ander oog, sluit dan beide oogen; ik sluit ze beide. Als uw paard galopeert, kunt ge roepen ,/Mamaquot;, dat zal 't niet doen ophouden. Volg hem (er boven op) en wacht zonder grimassen af de dingen, die komen zullen. Ik wacht de dingen, die komen zullen, altijd zonder grimassen af.

Verliest ge uw stijgbeugels en tracht ge ze weer te vinden, gebruik uw beenen dan niet als roeispanen, ge zijt niet in een boot; 't is omdat uw paard den damp door z'n twee neusgaten stuwt, dat ge hem aanziet voor een stoomboot. Haal vrij adem en ontspan u. Indien ge getrouwd zijt, denk dan niet aan uw schoonmoeder, mijn raad zoudt ge niet kunnen opvolgen, want ik ben vrijgezel. Ik heb 't recht me te ontspannen! Wanneer uw

ocr page 161

161

paard 't hoofd omhoog heft evenals de harddravers in het Panthenon of het onderdrukte volk, vlei 't dan niet, zooals een schrijver van pamfletten doen zou. Laat de teugels hangen tot de hoogmoedige bui van 't paard voorbij is en noem 't vooral niet ,/Kind van m'n hart,,. Poseer niet te paard. Eer ge 't weet, poseert ge in 't zand. Om een paard aan den gang te krijgen, is het noodig om er op te slaan, evenals men een vrouw aan den gang moet krijgen. Als u over een hindernis heen moet, doe dan geen moeite uw oogen uit 't hoofd te kijken. Uw oogen zouden dun 't eerst over de hindernis zijn en ge zoudt niets meer over hebben om uw ros verder mee te leiden. Spreek met uw paard. Houd u met hem bezig, Het paard is dol op conversatie. Een paard beeft verstand, 't begrijpt dikwijls veel beter dan menig mensch. In de bosschen moet ge het uw liefdes-histories meedeelen. Daar stelt een paard altijd veel belang in. Als ge kunt tracht hem dan in 't Engelsch toe te spreken. Waarom weet men niet, maar een paard houdt veel van Engelsch.

English spoken,

fixed price Old England, Hip! Hip!

Hurrah!

Och, dat doet hem zoo'n plezier! Draagt ge een puntbaard met zwaren knevel en gaat ge te paard over een brug, houd dan niet op. Men zou u aanzien voor Hendrik IV op den Pont-Neuf. 't Gefluit van een locomotief maakt 't paard schichtig, vooral als 't een volbloed is. Stop dan de ooren van uw paard dicht en roep 't toe, dat gij gefloten hebt. Ah, nog een kleine raadgeving. Indien uw paard niet een zekeren kant uit wil, noch vooruit, noch achteruit,

11

ocr page 162

162

noch rechts, noch links, noch door woede, noch door zachtheid, noch door tranen te bewegen is, aarzel dan niet iang, breng 't beest op stal en ge gaat te voet.

Daar bestaat niets dat paarden zoo verveelt als op stal staan. Leg uw karwats dwars over uw paard heen, en vergeet niet, dat te paard de karwats de mensch is! Voor de lafaards, die bang zijn van 't paard te vallen, heb ik een uitstekend middel! Rijd paard, wanneer 't regent en doe een grooten kurassiersmantel om. Maak ringen aan 't zadel en haken aan 't staartstuk en rijg u er zoo aan vast. Dan zit men zoo solide mogelijk. Trek nooit aan de teugels. Volg den raad van den professor der oudheid, Theramenus, die gezegd heeft: ,/De hand op de paarden, laat wapperen de teugels!quot; Het costuum, zooals ge wilt. 'tls slechts zaak geen hoed te hebben, die al te hoog is; want in galop komt de hoed op uw neus, op uw kin, op uw schouders en 't is onmogelijk z'n paard te mennen met 't hoofd in z'n hoed. Rijd ge uit met een amazone, waarop ge ontzettend verliefd zijt, kniel dan niet voor haar neder met uw paard, want ge zoudt gevaar loopen, dat uw paard eerder bekroond werd dan uw vlammend hart. Rijd in de straat nooit achter uw amazone, ge zoudt er uitzien als haar bediende; ook niet voor haar, 't zou zijn alsof ge uw bonne achter u hadt. In ieder geval, en dat is hoofdzaak, wanneer ge uitrijdt met een dame, doe dan geen wijde broek aan en geen bouffante om. Men zou u voor haar moeder houden. Wanneer uw paard zich een oogenblik vergeet en onder 't rijden ,/de etiquette der welvoegelijkheidquot; overschrijdt, bemoei u er dan niet mee. Bedenk dat 't een duidelijk bewijs van meerderheid is, dat hij op u voor heeft. Een laatste woord. Ik heb u

ocr page 163

163

gezegd, dat men bevallig moest vallen. Kom bij me en ik zal n een aanbeveling geven voor den professor in gracieus vallen, Mijnheer Niagara; met hem valt men ieder oogenblik en nooit op z'n handen, noch op... noch op... Enfin, men valt goed. Hij geeft onderricht in de lagere rijschool. De beste manier om goed paard te leeren rijden, is te zorgen dat men er goed weet af te komen {gaat heen, maar komt terug).

Wacht, iets zeer onmisbaars zou ik nog vergeten. Wanneer ge te paard stijgt, plaats dan niet den rechtervoet in den linker stijgbeugel. Ge zoudt dan achterst voren te paard zitten en in die positie zou 't zeer moeielijk zijn te zien of uw paard op hol gaat.

ocr page 164

DE PORTEFEULLE

Naar het Franseh van Emile Gouget

DOOR

JAN C. DE VOS.

Toen ik van avond kwam aan 't groote hospitaal, Voorwaar een hel op aard, toen beefde ik heelemaal: Want heden zouden zij, het was ook zijn begeeren,

Mijn man, die reeds zooveel doorstond, nog opereeren! Zoo'n operatie, ach! verminkt zoo menigmaal ... Men zwachtelde hem juist toen 'k intrad in de zaal. Ik rook carbool. Hij sliep, maar stuiptrekte in zijn droomen: Men had voor 't eerst dien dag quot;t verband hem afgenomen.

Hij was aan 't werk... en viel een hoogen steiger af: Een enkle misstap en den werkman wacht een graf!

Toen men mij had verteld wat hem was overkomen, Hoe hij zijn enkel brak en bloedende bij stroomen. Gedragen op een baar, naar 't gasthuis was vervoerd, Toen had de schrik mijn brein zóó smartelijk ontroerd.

ocr page 165

165

Dat ik slechts uitkomst zag in 't einde van mijn leven: God had die zonde mij hiernamaals wis vergeven.... Maar 'k heb drie kinderen, één zoon van achttien jaar, Die weldra dienen moet, dan volgt de kleine Klaar, Die twaalf is, en een trui, die ik aan de borst moet houên. Wij hebben het niet breed!... Och arme! als wij trouwen. Dan brengen wij slechts mee: twee handen en een hart. Maar met z'n beiden, ach! is 't leven niet benard.... Men houdt met werken dan voor 't minst de monden open, En door mijn naaiwerk kon ik soms iets extra's koopen! Maar nu, wat moet er nu begonnen, als mijn zoon Soldaat geworden is, hoe win 'k 't daaglijksch loon'?

Geef antwoord, Dokter, toe! en wil mijn angst verdrijven — Komt gij hem redden.... of moet hij gebrekkig blijven'?

O spreek!----

Hij zweeg.

Maar zeg me dan toch hoeveel leeds Hij nu nog dragen moet?

Maar hij, ach, zweeg maar steeds!

Maar gij, gij kwelt mijn hart met duizend bittre nooden! Is 't menschelijk gevoel een dokter dan verboden'?

Chut! Chut! juffrouw, zei hij, hij slaapt nu. Wek hem niet. Wie weet.....

En 'k zag, hoe hij de kamer zacht verliet. Ik kuste snel de hand door vreemde hulp verbonden En ging met deez' gedachte: al heelen ook zijn wonden, Gebrekkig blijft hij toch!... En 'k waande hem gered!.. gt;

ocr page 166

166

't Was nacht. En de oogen op den grond met loomen tred, Liep ik de straten door en zag hem daar al stromplen, En hoorde hem alreeds zijn bede om aalmoes momplen, Toen 'k plotseling iets zwarts zag liggen in de goot.... Ik bukte en voelde hoe het bloed mijn hart ontvloot, Ik raapte 't voorwerp op met sidderende handen: Een portefeuille was 't, met kopren slot en randen!

Wat zit er in? Ze is zwaar. Zou'k kijken'? Ah,één ruk!... Oh neen! haar inhoud brengt misschien mij ongeluk...

Maar op'nen is mijn plicht!____Ik vind misschien geschreven

Aan wien ik eerlijk haar terug zou kunnen geven....

God! bankbiljetten!.....la, een ware schat! Hoeveel?....

Wel zestig duizend franks!.... O, God, een heel klein deel Zou onze huur voldoen. Mijn man kon zorgloos leven, 'k Zou zelfs een remplacant mijn jongen kunnen geven!.... Niet werken kan mijn man en is mijn zoon soldaat. En werd ik plotsling ziek, wat elk te wachten staat, Wie zorgde er dan voor onsWie zou crediet ver-

(leenen?

Wie gaf den kindren brood als zij van honger weenen?....

Vervloekt gevonden geld!____Wie fluistert mij in 't oor;

„Behoud het F____Zwijg! o zwijg!....

O Maagd Maria, hoor! Wierp hier een duivel 't geld, dat wij zoozeer behoeven. Wreed op mijn weg om zoo, mij arme! te beproeven?

ocr page 167

■167

O God, hebt Gij ons dan nog niet genoeg bezochtquot;? En hebben wij niet steeds U eer en dank gebrocht . Wat wilt gij dan nog meer'? Steeds koude en honger lijden, Steeds kommer en gebrek.... Daar faalt de kracht tot

(strijden....

Is dan het Godlijk recht niet geldig meer op aard'?...

En bovendien dat geld, hoe is 't bijeengegaard?----

Wie weet, is 't op de Beurs met éénen slag gewonnen? Men speculeert, verliest, welnu! een coup verzonnen!... Wie weet of niet een schelm maar rijk van geld voorzien, Verloren eer in ruil zijn schandlijk goud ging biên.

Maar morgen kon hij ook, als we in verval geraken,

Mijn kind verleiden en tot zijn maitresse maken?....

En 'k zou dat geld afstaan Waarom?.... Wat dwingt

er mij?

Zich toe te eignen wat op straat ligt, staat toch vrij ?.... Wie zal zijn vondsten ooit den voddenraper vragen? Wat mij betreft, als 't moet, wil 'k duizend nooden dragen. De dood, ik voel het wel, maakt gauw een einde er aan: Maar zij, die kinders, wat, wat hebben zij gedaan, Dat God zoo wreed hen kwelt, zij alles schier ontberen: Wat licht, wat vuur, wat brood, zelfs dagelijksche kleeren? Dat schreit ten hemel op, dat maakt de rede doof, Men sluit den bijbel dicht en spot met het geloof. Men laat het snoodst verraad z'n reine ziel veroovren, En in de koude hand gestolen gelden toov'ren. ...

Want diefstal is 't!____ Wat nood, of ik diefegge ben;

Men valt mijn kinders aan en ik verdedig hen!

ocr page 168

168

En dan, daar niemand 't weet, heb 'k geen verraad te

(schromen....

Maar als men 't toch ontdekt?____Hoe dan 't gerecht

(ontkomen ?

'k Verstop dat bankpapier in 't kussen van den knaap, De agenten storen toch geen kinderen in hun slaap. Dan zal ik in die wieg twee schatten trouw bewaren: Een zilvermijn bedekt door lange blonde haren. Arm kind, het slaapt....

Komaan! ik kan niet meer terug.

Verstoken al dat geld... De portefeuille vlug Verbrand; haar vondst moet ik tot eiken prijs beletten. Wat of zij nog bevat'?... Dat schijnen wel portretten!...

Een kinderkopje, zie!____Wat lijkt het op het mijn'!

Dat alles is van jou!.... Zóó rijk en nog zóó klein!.... Hier cijfers!.... Daar reeu's!.... Mijn angst maakt mij

(bijziende....

O God... Een naam... 't adres, 't Is een kantoorbediende !

Ziet gij hem wel, als hij van avond wederkeert,

En bleek, ontdaan, vergeefs zijn zakken telkens keert, En staamlend eindlijk spreekt: „Ik heb het geld verloren,, ....

„Waar dan?''.... „Ik weet het niet!.... Wilt, heeren,

(naar mij hooreni....

„Gij weet, 'k heb logens steeds als zonde fel verfoeid!____

,/k Weet zelf niet hoe het kwam.... maar 'k was zoo

(erg vermoeid, „En toen.... Eischt gij bewijs?.... Maar zie mijn gansch

(verleden,

ocr page 169

169

„Wacht enkle dagen nog... O God, verhoor mijn beden!... „De som is veel te groot dan dat men deze steelt, „Men brengt die eer terug dan dat men haar verheeltquot;...

Helaas!.... Men wacht vergeefs!.... in weerwil van zijn

(tranen —

Wie weet of menig niet die smart nog valsch zal wanen — Wordt de ongelukkige gedoemd tot kerkerstraf... Wie weet of hij om haar, die hem haar liefde gaf.

En om de eer zijns naams en van hun kind te sparen, Zichzelf niet dooden zou !

God!.... 't Bloed stolt in mijn aren! —

't Is de politie!____Hoor!.... Men komt al naderbij____

God! Wat te doen!.... 'k Word gek!.... Mijn zoon. Wat

(schaam ik mij!....

Zoo jongen! ben je daar?... En ben je moe van quot;twer-

(ken?

Ja, 't is een heele dag!____

O God, laat hij niet merken.

Dat 'k stik!....

Ik was daar straks bij vader, 't Bed mag hij Vooreerst niet uit nog!....

O! wat kijkt mijn zoon naar mij! Dus kan hij 't aan mij zien?....

Kind, luister! 'k Heb gevonden Deez' portefeuille vol met geld!.... Vindt jij het zonde Als wij haar houden'?....

ocr page 170

170

Ja !.... Ja !.... Hij zegt ja !____

Gauw dan,

Breng gauw dat geld aan hem, dien armen braven man, Die bijna eerloos was, al had hij niets misdreven.... Al zijn wij nog zoo arm, wij moeten altijd streven Om eerlijk steeds te zijn en 't goede trouw te doen....

Gauw, jongen', ga----Maar eerst.... geef moeder eerst

(een zoen.

ocr page 171

SPECIALITEIT VAN ONZE ZAAK.«

V r ij naar het F r a n s e h

DOOR

JACOBUS DE VOS

Ik houd niet van taartjes! Dat is m'n recht. Taartjes! Wat zijn nu taartjes'? Meel — suiker —

eieren — en boter, van alles een beetje. En dat tegenwoordig nu er zooveel windeieren gelegd worden, en zooveel valsche boter gemaakt wordt. Foei!____Enfin, ik

haat een koekbakkerswinkel. M'n maag is altijd in de contra-mine, wanneer ik die dingen verorberen moet. Uren, dagen, weken word ik dan geplaagd, en 's nachts heb ik de nachtmerrie. Ik kan wel zeggen; de nachthengst, want 't is vreeselijk. Maar m'nheer, zult ge zeggen, als je niet stapel gek bent, eet ze dan niet, en laat ons met rust! Zeker dat is makkelijk genoeg ge-

ocr page 172

172

zegd! Maar ge weet niet hoeveel bitters er in dien raad ligt. ,/Eet ze dan niet!''

Lieve hemel, had ik ze van m'n leven maar niet geproefd. Den eenigen keer, dat ik er een genoot, maar zoo groot, was 't nog altijd tegen m'n zin. Ik houd niet van taartjes en gebakjes, ik heb 't u al eens gezegd, maar het verlicht ine mijn gastronomisch geloof te bekennen. Ja, zeker. Laat ik me dan verlichten. Ik haat de koek-bakkerij, maar ik aanbid een koekbakster!

Och, als ge haar kende.... Ge zoudt haar ook beminnen .... Zeker, en daarom zeg ik u haar naam niet, en haar adres evenmin. Jongens neen! 't Is daar ginder....

daar____daar.... heel ver weg____in een verloren hoekje

van m'n vaderland.... dicht bij de vestingwerken. Neen, kijk maar zoo niet, ik omschrijf niets meer, anders komt ge er achter, 't Is niet zoo'n aristocratische inrichting met geheime vergunning, waar de taartjes even duur zijn als microscopisch klein. Neen, daar ginder is 't solide, stevig, massief. Men heeft er waar voor z'n geld.

Maar zij! Zij! Zoo blank, zoo rond, zoo voorkomend! Ze troont achter een rijk voorziene toonbank... nagemaakt marmer, maar dat is minder. Aan alle kanten spiegelglas, die een bataljon gebakjes in allerlei kleur en gedaante weerkaatsen, en bladen met glazen en karaffen, waar de zon in schittert, doch niet zoo liefelijk als 't licht in haar onschuldige oogjes. Ik had haar sinds lang opgemerkt. Zij mij ook, zooals alle vrouwen. Zoodra toen ik haar zag, begon m'n hart in m'n keel te bonzen. Tussen twee en drie uur wordt de winkel gewoonlijk weinig bezocht. Gisteren wilde ik dus spijkers met koppen slaan. Ik kom onder 't eerste 't beste voorwendsel binnen. De een of

ocr page 173

173

andere taart bestellen, voor den een of anderen mijnheer, in de een of andere straat.

Zij was zoo half en half in den dut. Toen ik binnenkwam, herstelde zij zich en beantwoordde m'n vermetelheid met een glimlach, O, wat een tandjes!

Zenuwachtig nader ik haar.

Mevrouw, zoudt u een roomtaart met kalfsvleesch en ham willen bezorgen----bij----

Ik stotterde en kreeg een hoofd als vuur. Dat idee van een roomtaart met kalfsvleesch en ham, deed haar schateren van 't lachen.

Mevrouw, vervolgde ik.... ik gevoel dat ik heilig

schennis gepleegd heb____ vergeef 't me. M'n hoofd is

even als m'n hart, beiden liggen het onderst boven....

Mevrouw, ik bemin u !

En zonder dat zij den tijd had zich te bedenken, omvatte ik een poezelig handje, dat ze niet al te spoedig terugtrok.

Achter in 't magazijn hoor ik voetstappen weerklinken. De achterdeur ging open. Een man verschijnt met een mand met uitgezochte taartjes.

M'n man!.... Eet!

Dat verzoek, was bevel. Ik ben een man van eer. Ik kreeg 't idéé om te vluchten, maar ik las in de oogen van dezen Othello met z'n wit vest, zoo'n schrikkelijke jaloezie, dat ik op goed geluk af een taartje van de toonbank neem. Ik moest toch de eer van die vrouw redden, nietwaar'? Zij was weer gaan zitten.... en 't taartje... 't was minstens vier dagen oud.

Met moeite lukt 't me eindelijk m'n oudbakken taartje, 't was een roomhoorntje, naar binnen te werken. Ik voel

ocr page 174

174

in m'n zak. 0 jammer! m'n zak is leeg. Ik heb m'n beurs vergeten!

Othello met zelfvertrouwen gekampeerd, ik noem dat zelfvertrouwen, op z'n twee voeten — ik noem dat voeten — het puntje van zijn voorschoot tusschen zijn ceintuur, de muts eenigszins naar achteren, ziet me met een somber wantrouwen dat oudbakken taartje opeten!

Welk een toestand! De vrouw! De man! 't taartje! en geen cent op zak!

M'n straf begon!

Een rijstetaartje! roept de koekbakker me toe. Specialiteit van onze zaak.

Desdemona werpt me een smeekenden blik toe.

Werktuigelijk neem ik een rijstetaartje. Wat moest ik kauwen! Ik, ridderlijke taartjeseter! Te vergeefs onderzoek ik de afgronden van m'n zakken. Niets! Niets! Niets! Othello houdt z'n oogen niet van me af.

Een zandtaartje?! vervolgt hij, onheilspellend glimlachende.

O, ellende! Zand, dat zich vereenigen moet met oudbakken room en rijst! De Hymalaja op den St. Gothard!

We hebben nog iets speciaals, schuimtaartjes, heel licht en smakelijk!

Ik stikte bijna. Ik kon niets meer.

Ik begin niet goed te worden, {wrijft zich over z'n buik). Wat voel ik daar in de voering van m'n vest. Een geldstuk.

Gered! Neen! 't Was maar een dubbeltje en ik had minstens voor een paar kwartjes opgegeten!

Een soesje, specialiteit van onze zaak!?

't Koude zweet brak mij uit. Loop! Loop! Neen! Dat zei men tegen den wandelenden jood! Loop, loop, altijd.

ocr page 175

175

En men heeft de inquisitie afgeschaft!

Een moscovisch? ! Specialiteit....

Dat was te veel. Ik ga opnieuw aan 't voelen in m'n vestzak, dat dubbeltje wilde ik Othello naar 't gelaat werpen.

Wat voel ik, Goddank! een rijksdaalder! Ik smijt hem op de toonbank, en ik vlucht zonder me om 't restje te bekommeren.

Sedert gisteren drink ik niets anders dan gingerale.... Ik ben nu al bezig aan m'n vier-en-twintigste fleschje.

O, jongelui! jongelui! Bemin nooit, en verlief je nooit op de vrouw van een koekbakker.... of bemin minstens evenveel de taartjes!

ocr page 176

PET1, DE ZIGEUNER.

naar het Duitschdoor P.

Een elegant salon. Op den voorgrond links een tafel met ontbijt, een tlescli wijn en een zilveren tafelschel. Rechts op een tafeltje een elegante porte-cigares met sigaren. Alles in het vertrek moet zeer smaakvol en rijk zijn.

Na het opgaan van het gorelijn blijft het tooueel eenige oogenblikken ledig.

P E Tl.

Gekleed in een oud, versleten militair buis,

gelapte broek, defecte laarzen: hij heeft een pakje over den rechterschouder hangen en een viool onder den linkerarm; hij komt sluipend door de middendeur binnen. Zeer bruin gelaat en lange zwarte haren, die nu en dan over het gelaat vullen, groote zwarte knevel. Hij blijft een oogenblik zeer verbaasd staan.

{Hij legt zijn viool op een stoel en komt naar den voorgrond.)

Wat is het hier prachtig! O, ik heb al zoo dikwijls verlangd een groot lieer te zijn! En nu zal ik heusch een groot heer worden! {wijst door het venster naar huiten).

ocr page 177

-177

Ik stond daar beneden in den tuin, zong liedjes en speelde op mijn viool.... ik dacht dat ik een paar centen zou krijgen, maar er kwam een lakei, die mij wilde slaan en ik dacht dat ik de slagen al voelde. Eensklaps ging dit venster open en een oud heer keek naar buiten... Hij had een erg baronnengezicht en wenkte den lakei, dat hij niet zou slaan.

Naast hem stond een liet'juffertje; die had zulke mooie oogen, o, zulke mooie oogen! En ik dacht dadelijk, dat zij liet wel was, die gezegd had: ^je moogt Peti, dien armen Zigeuner, niet slaan.quot; — Maar ik kreeg geen centen en ik wilde weggaan en verder op mijn viool spelen, {ahof hij een geheim vertelde) Toen pakte de lakei mij beet en bracht mij naar het kasteel. Vooruit, spitsboef/' zei de lakei, ,/je moet bij mijn meester komen/' — Toen hij zei „spitsboefquot;, toen werd ik kwaad, want ik had niets, niets weggenomen. Maar ik moest met hem mee. — De lakei bracht mij in een klein kamertje en daar bleef ik alleen. Ik hoorde in een kamer naast mij den grooten heer praten en nog een jongen heer, en ik hoorde ook de lieve, zoete stem van die schoone jonge dame, — die dame, die hier

aan dit venster had gestaan____Zij spraken over schurk

en mensch en muziek en ook over mijn viool.

{Maakt eene beioeging naar de zijde can den stoel, waarop zijn dool ligt) Ach, mijn viool.... {wil de viool opnemen, maar bedenkt zich en blijft op dezelfde plaats staan.)

Neen, neen, ik mag niet, ik mag niet! De oude heer is bij mij gekomen en heeft gevraagd of ik mijn viool wilde verkoopen. Hij wil mij daarvoor geven groote zakken vol rijksdaalders en dan mag ik ook hier blijven en alle dagen goed eten en drinken, den grooten mijnheer uithangen,

12

ocr page 178

178

de lakeien roepen om mij te bedienen.... alles wat ik,

wilde, zou gebeuren--{kleine pauze). Ik heb gezegd,

ja, ik wil het doen en wilde dadelijk mijn viool geven maar... ik weet niet hoe het kwam... liet was juist een gevoel, alsof zij mij aan het hart was gegroeid. — Maar ik heb gedacht, zoo heerlijk leven en een groot heer zijn, dat is beter dan fidelen... en ik zal dan ook probeeren om een groot heer te zijn. De baron heeft gezegd, dat ik vijf-en-twintig stokslagen zou krijgen, als ik op mijn viool dorst te spelen... nu, nu, het zal wel gaan. (Gaat op tiet ontbijt af en ruikt; de geur schijnt hem niet te bevallen). Verduiveld, wat ruikt dat raar! {bekijkt de spijzen) Allemaal kleine stukjes! {hij proeft en trekt een leelijk (jezicht) Slap en flauw! {Gaat op een fauteuil zitten ; springt verschrikt loeder op en bekijkt de zitting). Sakkerloot, wat is dat? {bevoelt de zit ling) Dat lijkt wel een schommel! {gaat zeer voorzichtig zitten; men kan 't hem voortdurend aanzien, dat hij niet op zijn gemak is). Dat smaakt mij niet, ik eet

liever mijn eigen kost..... {haalt met moeite, daar de

leuningen hem hinderen, een groot stuk roggebrood en een stuk spek uit zijn knapzak en bijt er met zichtbaar welgevallen grooten stukken af). Hé, dat smaakt een boel beter... nu voel ik, dat ik wat te bijten heb, hè... {wiegelt kauwende op den stoel heen en weer en staat eindelijk op). Neen... dat gaat niet... {krijgt de zilveren schel in het oog). O! dal is een mooi stuk... dat neem ik mee {steekt de schel in den knapzak). Hier staat wijn, dat is goed, dat is heel

goed, dat lust ik heel graag----{neemt de flesch en een

glas en gaat op een haardkleedje zitten). Nu zal ik pleizier hebben... {voelt op den grond), ja, de grond is ook zacht, dat is geen zitten voor den armen Peti (hij gaat op een

ocr page 179

-179

piel; zitten waar (jeen karpet ligt). Hé, dat is lekker... hard en koel... net goed voor een Zigeuner! {Gaat zoo lui mogelijk zitten, schenkt en drinkt). Nou, die smaakt lekker; ja de groote heeren weten wel wat lekker smaakt! Wat heelt zoo'n groot heer toch een goed leven! Hoera! hoera! (drinkt) Ik ben nu ook een groot heer. Ik kan de lakeien roepen en dan moeten zij mij dienen... en als ik mij verveel, dan kan ik een Zigeuner laten komen, die voor mij 'op de viool moet spelen... en als hij gedaan heeft, dan laat ik hem afranselen en door de honden wegjagen; ha, ha! {wil drinken, maar bedenkt zich). Peti, Peti! Wat ben je toch een slechte kerel, je hebt zelf zoo dikwijls slaag gehad en weet toch hoe erg pijn het doet, als een groot lieer je laat afranselen, omdat je arm en een Zigeuner bent... neen, neen, mijn broeders mceten ook een goed leven hebben, zij moeten hier alle dagen pret maken en viool spelen... Dat zal een leventje zijn, hoera! {drinkt) Peti zal u een vaderland geven! (zet eensklaps het glas weg en vouwt de handen samen) Ach, goede God!... Een vaderland! Waar is een vaderland voor den armen Zigeunerquot;? In 't bosch, in een booom, op de heide, en ook daar mag hij niet blijven, want de groote heeren jagen hem voort van de eene stad naar de andere en van het eene bosch in het andere!... Waarom zou de goede God toch willen, dat wij zoo'n akelig leven hebben ?... Een arme Zigeuner denkt toch ook en hij heeft ook gevoel... {zich herinnerend) Ik was een kleine jongen en leefde op de hei, ik had een goeden vader en een lieve moeder, net als de groote heeren, ik weet nog heel goed, dat zij mij erg liefhadden. Wij hadden weinig te eten, maar waren vroolijk en vergenoegd... Wij hadden wel

ocr page 180

180

altijd zoo kunnen blijven leven... Toen kwam op eens een soldaat en die gaf mijn vader een slag, want hij dacht zeker dat hij een beest was, en die slag kwam op het goede sterke hoofd van mijn vader neer.... hij schreeuwde heel hard... en toen viel hij dood neer. Het beest was dood... mijn vader. Mijn lieve vader was dood!... ik ging naar den soldaat en wilde hem zeggen, dat mijn vader een mensch was geweest, een goed mensch... maar hij gaf mij een schop en reed lachende weg. Mijn moeder stierf en ik, de kleine Peti, ging met mijn viool de wijde wereld in... (woest) en ik heb dikwijls gedacht, als ik groot word, dan sla ik alle soldaten dood, die ik tegenkom, maar... als ik dan weer eens aan het graf van mijn lieve ouders kwam en er een bloem op nederlegde... dan hoorde ik, dat zij zeiden... (week) neen, Peti, dat is slecht... go moogt niet toornig zijn... de goede God zal het vergelden... (vroolijker) Ea ik heb niets gedaan en ben blijde geweest, dat de arme Zigeuners niet zoo wreed zijn als de groote heeren... Toen ben ik ook een meisje op de liei tegengekomen... O, zoo'n schoon en lief meisje... Zij heeft mij lief... O, als ik aan haar denk, dan ben ik niet boos en niet toornig meer, dan houd ik van iedereen! Ha!... (driftig) Denkt ge nu wel aan Peti, Ilosa, mijn liefste? (de wijn bevangt hem meer en meer). Nu weet ik, wat ik doen zal... ik voel mij juist zoo prettig ... ik zal mijn lievelingsliedje spelen, dat Rosa ook zoo graag hoort... (grijpt onder den linkerarm) kom hier, mijn... (springt eensklaps op, wendt zich naar den stoel waarop zijn viool ligt en ziet het instrument met droevig gelaat aan). O, o, ik kan mijn lievelingslied niet spelen... ik mag mijn viool niet aanraken, want anders in het goede leven uit...

ocr page 181

-181

Ach, daar ligt ze op dien stoel... net alsof ze dood is... (gaat naar den stoel) Ze kijkt me aan, alsol' ze wilde, zeggen, waarom hebt ge mij verlaten'?... kom, kom, kom, waarom zou ik mijn viool niet verruilen voor zooveel goeds en schoons (ziet de sigaren, steekt er een van aan). Goede tabak is er ook al... hé, wat ruikt dat... maar toch niet goed, neen niet goed, (luerpt de sigaar weg). Mijn pijpje is veel beter... daar komen zulke groote wolken uit en dat ruikt zoo lekker [steekt een kort pijpje met groot en kop aan en blaast groote rookwolken uit). Maar een liedje moet ik toch zingen, en... Sakkerloot, waarom zou het zonder viool ook niet gaan'? (hij neuriet).

Maar neen, dat klinkt slecht... zonder viool klinkt gezang niet mooi... O, o, o, ik geloof, dat ik een domme streek heb gedaan... Ik kan het haast niet meer uithouden (staat naast den stoel). Daar ligt ze... Ze kijkt mij aan, ei, ei, ik mag toch wel eens zien of zij gestemd is, daar is niet over gesproken (doel een snaar klinken en springt verschrikt achteruit) O, ja 't is of er vuur in Peti zit, he... (komt nog eens langzaam, dan herhaaldelijk aan de snaren, loopl eindelijk snel naar voren). O, mijn viool, mijn lieve vriendin in veld en bosch, bij nacht en dag... Jij, die mij zoo dikwijls hebt getroost in nood en tegenspoed... Zou ik jou voor altijd weggeven... neen, neen, neen... ik kan het niet doen... al ben ik een groot heer en er komt eens een ongeluk... want groote heeren hebben toch ook wel eens een ongeluk... AVie zal mij dan troosten... Och, al heb ik ook alles wat mooi en goed is... Och, er ontbreekt toch nog wat aan, als ik geen viool mag spelen.

(Hij wil de viool wegnemen, deinst echter nog terug, keert

ocr page 182

182

zich om en sluipt naar het venster, ziet naar huilen.)

En al zou de baron mij dood laten slaan... Ik kan het niet langer uithouden... ik wil graag vijf-en-twintig stok. slagen hebben, als ik mijn viool maar mag behouden... maar ik ben hier zoo alleen, misschien kan ik met mijn goede, lieve viool, wel op den loop gaan... {ziet naar huiten) de tuin is ledig... er is een heel klein deurtje in den tuin en het is juist open, misschien zou ik wél kunnen ontsnappen, want ik kan heel hard loopen (del angstig om zich heen). Maar ben ik nu niet een erg domme vent?... Neen, neen, Peti deugt niet voor een groot lieer... ik zal het probeeren om te vluchten, maar eerst zal ik dat weer op zijn plaats zetten, Peti mag niet mede-nemen wat hem niet behoort, want hij heeft zich niet aan de afspraak gehouden.... {zet de zilveren schel wederom op de tafel en gaat voorzichtig naar de viool, vat haar dan plotseling heet, speelt een hartstochtelijk lied en snelt weg. Indien de certooner niet zelf kan spelen, snelt hij weg met r'n viool en hoort men onmiddellijk daarna eene viool-aria).

ocr page 183

SOLO VOOR FLUIT.

naar het F ranse li.

{Wil becjlnnen te spelen, houdt plotseling op.)

Pardon, ik vraag u versehoo- rquot;-ning, dames en lieeren, maar ik ben een beetje aangedaan... gegeneerd, het is de eerste maal, dat ik in het publiek moet spelen, dus kunt u begrijpen, kunt u wel voelen dat é... dat é... ik wist toch niet, dat het op den mensch zooveel indruk maakte... ik zal nog eens beginnen {haalt diep adevn). Kijk nu ontbreekt het mij aan adem en om tluit te spelen moet men adem hebben, nietwaar; want anders is het onmogelijk. {hrenyt de fluit aan de lippen, maar laat ze oogenhlikkelijk weer

ocr page 184

184

zakken) Ik ben niet heel sterk op de lluit, ziet u, ik zeg u dat liever vooruit, nu u zult liet trouwens ook wel hoeren; maar wat ik speel, speel ik met gevoel en warmte, zooals ieder die niet sterk op de fluit is. U moet weten, ik ben laat begonnen met fluit te leeren spelen, daar kwam nog bij dat ik nog al moeielijk leerde, de vingers waren nog al stijf, nu dat is te begrijpen, op mijn jaren, ik ken er dan ook niet veel van, want ik heb bet nog al gauw moeten leeren. U zult het hooren {vorig spel) ik heb les genomen [bij een der eerste fluitisten van de stad, mijnheer... nu het is ook niet nooclig, dat ik hem noem, nietwaar'? U kent hem toch niet; hij is anders zeer beroemd, oh! ontzettend beroemd! lederen avond kwam ik bij hem aan huis, met mijn fluit, wel te verstaan; ik kwam altijd precies om acht uur, ook wel eens tien minuten later, als ik de tram miste. Ik kwam in de huiskamer, vond daar zijn vrouw, zijn kinderen en eenige vrienden, enfin, een kleinen familiekring; nadat ik behoorlijk mijn compliment gemaakt had, nam ik mijn fluit uit de doos, plaatste me voor de piano en dan begonnen wij te spelen... te spelen met de kaart, een smousjasje of 66, een Nederlandsch pandoertje tegen een cent de honderd. Vrijdags alleen werd er altijd om drie centen het honderd gespeeld, ik heb nooit durven vragen waarom; dan dronken we thee zonder suiker, maar veel taartjes er bij, dat duurde zoo tot elf uur, dan nam ik mijn fluit — borg haar in de doos en stak haar in den zak. Mijn professor bracht me tot aan de deur, hij wenschte me goeden nacht en riep me dan na „au revoir,quot; tot morgen, beste leerling, ik zal je morgen nog eens een goede les geven. Den anderen dag kwam ik weer om acht uur

ocr page 185

185

terug en prompt elf uur bracht de professor me weer aan de deur. Somtijds liet ik m'n lluit bij hem thuis liggen om me de moeite te besparen haar den volgenden dag weer meê te brengen — die lessen hebben geduurd (h ij overdenkt) zoowat drie en een half jaar en daar ik nog al veel aanleg had, zoo begrijpt u wel... maar nu moet u weten, dat ik thuis veel studeerde. Oh! zonder dat... {zeer vertrouwelijk tot het publiek) Verschooning, dames en heeren, ik^ maak misbruik van uw tijd, maar ik heb u dit allemaal verteld om een beetje op mijn verhaal te komen, om een beetje moed te krijgen. Nu ben ik gereed om te beginnen (hij gaat naar de lessenaar, legt de muziek in orde en brengt de fluit aan den mond). Alleen moet ik de dames en heeren een beetje toegevendheid verzoeken, want zooals ik gezegd heb, het is mijn eerste debuut.

{Zijn hand op zijn hart) Ik voel mijn hart kloppen, maar ik laat het kloppen, dat zal me straks te pas komen om de maat te slaan. Apropos, van de maat gesproken — verbeeld u, dat ik de gewoonte aangenomen had, om hardop de maat te tellen, zóó: één, twee, één twee, net precies of ik den triangel liespeelde. Ja, ja, ik speel ook den... maar ik ben sterker op de fluit, u zult het hooren. Toen ik fluit leerde, heeft me dat erg gehinderd, want ik telde altijd in mijn instrument, {doet het)

Nu, daar men geen twee zaken tegelijk kan doen, gebeurde het dikwijls, dat als ik speelde dan telde ik niet, en als ik telde dazi speelde ik niet; nn tel ik met den voet, met welken is me onverschillig. Alleen in den winter, dan tel ik dikwijls met beide voeten, vooral als het erg koud is... Het gebeurt ook wel, dat ik in het geheel

ocr page 186

186

-niet tel. Dat vind ik veel gemakkelijker, vooral als ik alleen speel. Ik eindig toch altijd met me zelf te volgen, •maar ziet u, als we niet meer spelen... {verandering van toon) enfin, maar dat is hier de kwestie niet. Komaan, •laat eens zien (hij plaatst zich voor zijn lessenaar, houdt lt;le fluit voor den mond, haalt adem, wil beginnen te spelen, hondl plotseling op, kijkt met z'n neus op de muziek, neemt ■de muziek in de hand en bekijkt haar).

Sapristi! dat is mijn muziek niet. {beziet de muziek opnieuw en verandert van toon). Ah, ah, ja toch, ja •toch, ik vraag u verschooning. Dames en Heeren, de muziek lag het onderst boven gekeerd op de lessenaar... •Gelukkig dat ik het nog in tijds gezien heb... Het is net als verleden week, toen werd ik het pas gewaar in do helft van mijn muziekstuk. Nu, dat is toch verdrietig voor een artist, vooral als men nog zoo heel sterk niet is op zijn instrument {legt de muziek in orde). Ziezoo, nu is... {bedenkt zich) Ja, men neemt eerst A {zelfde spel als te voren). Ja, men zou een andere noot ook kunnen nemen, maar men neemt altijd A {hetzelfde spel). Ik weet niet waarom, maar men neemt A, ouder gewoonte {laat fluit zakken). De diapason is de oorzaak... u weet wel, •dat kleine instrumentje, dat de A aangeeft... Als ik nu een andere noot nam, de B b.v. — dan zouden de fabrikanten van de diapason geruïneerd worden en dat zou treurig zijn voor de menschen. Het is waar, als men de gewoonte had altijd de B te nemen, dan zou men de diapason in B maken, wat toch hetzelfde zou blijven. Maar verschooning dames en heeren, ik babbel, ik babbel, u zoudt op het laatst wel kunnen denken, dat ik in het geheel niet spelen ■kon! Maar dat is niet waar... Ik zal u dit muziekstuk

ocr page 187

187

voorspelen, 't Ts gecomponeerd voor mij, door een muzikant, die er veel meer van kent dan ik, zoodat het dus zeer geschikt zal zijn voor mij. Bovendien is het een proeve van een school, geen gewone school, o neen, het is van een school geheel apart, een afzonderlijke school. Hoor nu maar (hij houdt zijn jluil aan den mond, blijft eenvjo oogenblïkken zoo staan, laat de fluit zakken en zegt): U ziet, het is zeer gemakkelijk — zonder pretentie — en hoe schoon het den toestand weer geeft! {het publiek onder migend) Er zijn hier mogelijk menschen, die het niet goed begrepen hebben, ik zal nog eens beginnen.

{Zelfde spel) Het is zoo eenvoudig. Ik zou honderdmaal kunnen beginnen en het zou altijd hetzelfde zijn. Ik wil u niet te veel plagen. Ik zal u liever de intrige van het stuk vertellen. Het stuk, dat ik ga spelen, is een verliefd duo, een eerste bijeenkomst. Dat is reeds de verdienste van de nieuwe school, dat zij een verliefd duo begint uit te drukken iloor een solo. Twee jonge lieden beminnen elkander en hebben een eerste bijeenkomst; die bijeenkomst is weergegeven in de noot, die ik daar straks gespeeld heb. Er zijn hier natuurlijk menschen, die zoo'n eerste tête-ü-téte bij ondervinding kennen.... Neen, neen, antwoord niet — ik wil niet in uw geheimen treden, maar ik ben overtuigd, dat het eerste oogenblik van zoo'n bijeenkomst zeer moeielijk is, gênant — en dat men gedurende eenige minuten niets zegt tegen elkaar. Dan heerscht er een zekere stilte. Nu, die stilte hebt u gehoord in de noot, die ik daar straks gespeeld heb en die het begin is van het muziekstuk. Nu zal ik beginnen. De toestand is goed weergegeven in weinige noten — maaide twee verliefden zijn beschaamd en de rust duurt dus

ocr page 188

188

nog langer, wat is weergegeven door een point d'orgue,. geplaatst boven de maat rust. Ik ga de point d'orgue geven en het begin er bij. ü zult oogenblikkelijk liet verschil voelen. Ah! Ziehier de stilte van daar straks (spel) en ziehier den point d'orgue. Het duurt nog een beetje langer. Men kan de noot zoo lang aanhouden als men maar adem heeft. Het is alleen maar een kwestie van de longen, die moeten sterk zijn.

Dus u ziet, dat het niet moeilijk is. 't Is jammer, dat u me verleden jaar niet hebt hooren spelen. Ik was toen veel sterker op de fluit. Ik had toen een andere tluit, een die veel beter was, maar ik heb haar verloren bij bet schaatsenrijden. Ik heb er veel verdriet van gehad. Ik was al zoo gewoon op die lluit. Ik kon er alle deuntjes op spelen. Toen heb ik natuurlijk al die deuntjes weer op deze lluit moeten leeren en dat heeft ine veel tijd gekost en me een heel eind achteruit gezet in mijn studie...

Pardon, ik sta alweer te babbelen... We zullen vervolgen, maar daar denk ik aan iets, dat heel belangrijk is, In het midden van dit muziekstuk, ik wil het liever vooruit zoggen, is een valsche noot. Dat kan niet en toch is het zoo! Die valsche noot is daar opzettelijk door den componist gezet... U begrijpt wel, dat men geen valsche noot zal zetten, als ze er niet noodig is... En u zult zien hoe natuurlijk het is. Na eenigen tijd begint de toestand van onze verliefden te veranderen. Dat wil zeggen, dat de vader van het meisje, die nog al een kwade vent is, de twee tortelduifjes op een zekeren avond verrast. Dus hoe is nu de toestand, de positie van den jongen en het meisje? Een valsche positie — natuurlijk! Welnu, die valsche noot in de muziek geeft zeer duidelijk dien

ocr page 189

489

valschen toestand terug, veel beter dan een zuivere noot. Want in die omstandigheid zou een zuivere noot valsch zijn, terwijl de valsche noot thans zeer goed is. Dat is heel gemakkelijk te begrijpen, nietwaar, dames en heerenquot;.' Nu begin ik voor goed, want ik heb een bepaalden tijd om mijn solo voor te dragen, omdat...

(Kijkt oigt; zijn horloge) Wat is dat? Is het al zoo lang, dat ik hier sta'.' Dan lieb ik geen tijd meer...

{Gaat naar de lessenaar en pakt alles in). Het spijt me erg, ik zou willen ge.... dat is zeker.... maar het is onmogelijk. U moet het mij niet kwalijk nemen {vriendelijk tejen het publiek): Het is toch zonderling, hoe de tijd voorbijgaat, als men in goed gezelschap is en zoo'n beetje babbelt... Pardon, nog een enkel woordje... Als ik vandaag heb willen spelen, was dat niet alleen uit liefde voor de kunst, maar ik heb alle hoop nog eens professor te worden... Ik geloof, dat u de waarde van mijn methode en mijn talent hebt knnnen bewonderen en dat u wel zoo vriendelijk zult willen zijn, mij veel leerlingen te zenden {buigt). Ah! ik heb nog iets vergeten; ik moet de heeren en dames attent maken, als ze soms het muziekstuk. dat ik de eer had te willen spelen, zouden willen koopen, dat dit moeite vergeefs zou zijn, niet omdat het te moeilijk is, daar hebt u je zelf van kunnen overtuigen. .. het is... dat liet nog niet gedrukt is {loopt tveg, lessenaar omver).

ocr page 190

EEM VROUW DIE NIET KOMT.

Naar het Fransen door X. Y. Z.

Een netjes gemeubileerde kamer. Links bij den boek een deur, rechts op den voorgrond een schoorsteen, met et'iio pendule. Een canapé voor den schoorsteen — in het midden oen tafeltje, links een schrijftafel — leunstoelen en stoek ii. Twee kandelaars op den schoorsteen.

EENIÖ TOONEEL

EEN* MIJNHEER.

Hij koml binnen, een blakertje in de hand, ontdoet zich van hoed en handschoenen, legt zijn half uitgerookte sigaar op den schoorsteen, en steekt de beide kandelaars aan.

Men moet voor alles aan zijn toekomst denken... Zij zou om negen uur komen.... Ik weet wat me te doen staat... (de pendule slaat negen uur) Negen uur!... Ze kan komen, ik wacht haar... Ik heb ernstig, heel ernstig geredeneerd met goede vrienden van me... wien ik een dinétje gaf.... zij waren het allen volkomen met me eens...

Henri had groot gelijk, toen hij me straks zei: die liefdesband wordt een ijzeren keten... Je loopt in je ver-

ocr page 191

191

derf... Je bederft je positie... Waar zal dat op uitlou-pen?... Ze zijn aleniachtig aardig voor me geweest!... (Hij telt zijn geld na en legt het op den schoorsteen). Jk heb honderd-vijf-en-twintig gulden uitgegeven, maar ik heb een Hink, een heel Hink, besluit genomen... en een lekker dinétje gehad...

(Hij stookt het vuur wat op en hervat, terwijl hij met den tang gesticuleert): Ja, honderdmaal ja!... het moet uit zijn!... (hij wandelt op en neêr en staat stil). Sedert drie maanden lekt die liefdeshistorie naar alle kanten uit!... Waar zal dat op uitdraaien'? Op nonsens, (met kracht) op totale nonsens! (Een pauze). Vijf minuten over negen; ze zal wel dadelijk komen... Laat eens kijken... hoe zal ik het haar zeggen? (hij loopt en staat plotseling stil) Wel, dat is doodeenvoudig... Dit zal er gaan gebeuren!... Zij, zal aankloppen... ik zal open doen... (hij gaai naar de deur, die hij open doet en sluit) Ah! ben je daarHoe gaat het, mijn beste'.'... Toe, ga toch zitten, alsjeblieft en luister nu eens heel zoet naar me... Neen, doe je hand schoenen niet uit, want dat is niet noodig... {met ernst en sprekende tegen zijn fauteuil) Wezenlijk, ik houd heel veel van je, maar... neen, geen zenuwen en geen tranen, daar houd ik niet van... laten we verstandig redeneeren... het kon zoo toch niet altijd duren... iieusch, ik stel je persoon... en je goede eigenschappen op hoogen prijs, maar!,!!... Ik heb een vader, een lamilie, en ik zou mijn toekomst in de waagschaal stellen... omdat... die soort van verhoudingen... enfin!... we moeten van elkaar af!... Toe, alsjeblieft geen gillen, geen vertooningen, dat helpt toch niet... Wees nu lief, en geef me het bewijs van je wezenlijke liefde door heen te gaan... We hebben

ocr page 192

192

jij en jou gezegd, voortaan zeggen we: u... Zoo eindigen al die histories... Dag, Adeline!... Bonjour!... (hij doet even alsof hij iemand naar de deur geleidt) Een ferme handdruk, zooals onder oude kameraden... Kom, kom, kindjelief, moed, moed!... (hij doet alsof hij een hand drukt). Ja, ja, ik zal je brieven en je haren terugsturen ... Vooruit, adieu, adieu!...

Alles wat je me zeggen wilt of niemendal, dat blijft precies hetzefde...

Dus, adieu hoor!...

■{hij doet dedeuropen en sluit die weer alsof hij iemand beleefd de deur uitzette, komt weer binnen en kruist fier zijn armen over elkaar) En ziedaar... 't is een afgedane zaak... {ziet op de pendule) Kwartier over negen, zij komt over haar tijd... (hij neuriet en gaat voor zijn schrijftafel zitten). „Een kwartiertje te laat... is kwaad, is kwaad! Dan pleegt zij verraad \...quot; (sprekend) Er moet een eind aan gemaakt worden. Ze werd lastig... altijd op mijn hielen... (doet haar na) „.Te bent niets liefjes, wat heb je toch'?... Wees toch aardiger...quot; (sprekend) Het is onuitstaanbaar om je niet eens te mogen vervelen, als je daar pleizier in hebt!. .. (staat op) Voortaan zal ik vrij zijn... Vrij om aan mijn positie te denken... en om een goede positie te krijgen...

ocr page 193

193

{hij steekt zijn sigaar aan) om een goede positie te krijgen moet je eerst trouwen... men heeft me een uitstekende partij genoemd... een meisje, dat ik nooit gezien heb... (ziet op de klok) Vijf minuten vóór half tien... Zij zal de trap opkomen... Arm kind! Als ze wist wat haar wacht...

{Werpt zijn sigaar in den schoorsteen).

Die sigaar is slecht... en zij was toch goed !... een sigaar heeft dat met de liefde gemeen, dat zij niet lekker is als je haar voor den tweeden keer aansteekt {ziet op de klok) Het is gek... zij schijnt niets geen haast te maken... {hij gaat op de canapé zitten, neemt een courant en leest): ^Allerlei. — Het was niet, zooals wij in ons vorig nummer meedeelden, een man, maar wel een bloempot, die van de zevende verdieping in de Parkstraat is gevallen... de man had van den val dus niets te vreezen/' {De pendule slaat half tien. Met een begin van ongerustheid) Zij zal zeker opgehouden zijn... Het zou me toch geducht spijten... laat zij zijn wie ze wil... als haar een ongeluk overkomen was... {men hoort iemand tweemaal tegen de huisdeur tikken. — Hij staat op) Neen, zij is 't niet... zij tikt altijd drie keeren... dat is afgesproken... {Hij gaat zitten op den rand van zijn schrijftafel en zegt op den toon van iemand, die gaat vertellen. Wat zijn ze toch dwaas, die liefdeshistories!... Toen ik haar voor het eerst zag, had zij een lilakleed met paarsche ruitjes aan, en een zwart jacket... Het regende dat het goot... Ik naderde: //Juffrouw, mag ik u mijn hart en mijn paraplui aanbieden?quot; Ik had er geen bij me. Ik was uitgegaan met mijn hart bij me, maar zonder paraplui! Die flauwiteit vond zij aardig, maar zij stak toch de straat over... Ik bleef haar volgen aan den overkant... en op het oogenblik dat

13

ocr page 194

194

zij aan haar huisdeur schelde, haalde ik haar in en zei gejaagd; ,/Mevrouw, ik heb u een gewichtige mededeeling te doen namens eene somnambule; er is groote haast bij. Na die woorden deed zij de deur voor mijn neus dicht... met een allerbeminnelijkste vlugheid...

Zóo^ werd ik verliefd op haar: zóo komt men altijd tot allerlei dwaasheden... Als ze me geantwoord had: „Kom mêe naar boven, je bent niet te veel..dan zou ik lachend weggegaan zijn, ten minste dat is waarschijnlijk... Maar zij wou niets van me weten! en den volgenden dag lag ik op haar vloermat, smeekende binnengelaten te worden !... en acht dagen later soupeerden we samen en dronken champagne, en zwoer ik haar duizend eeden... als een waar ketter... En vandaag, als zij straks komt... zeg ik tegen haar: ^De roman is uit... doe het boek maar dicht \ ...quot; Arme meid!...

Kom, kom, hel rnoet... Ik zal karakter toonen... (ziet op de klok) Tien minuten voor tienen!.. . zij zal niet meer komen... Dat is voor het eerst... Maar neen, ze zou het me hebben laten weten... tenminste als ze niet ziek is... Zij zal den langsten weg genomen hebben... {hij rommelt in een klein kistje op den schoorsteen).

Dat is haar haar... Toen ik eens tegen haar zei: „Geef me wat haar van jequot;... antwoordde zij: „Ga je gang... neem maar''... Ik nam deze toen... en zij vroeg mij om de mijne. „Knip maar af,quot; zei ik... en zij knipte me een lok af en zei, dat zij iets erg mooi's zou willen hebben, om die haren in te doen... zoo glanzend vond zij ze... ik heb heel glanzend haar... en ik kocht haar een medaillon met een ketting: voor honderd-vijf-en-twintig gulden... en zij vond, dat het niet duur genoeg was voor

ocr page 195

195

mijn haarlok... {de pendule slaat) Tien uur! dat is niet mogelijk; die pendule gaat verkeerd... maar zij is gegarandeerd... Dat is juist het kwade... men zegt bij zich zelf; quot;Ik ben gegarandeerdquot; en men is 't niet... Het zou nog al gek zijn als ze niet kwam... als zij van haar kant... Het heeft er allen schijn van... {hij wandelt).

Nou! 't zou me niet verwonderen!... Ik heb altijd getwijfeld of alles wel in den haak was... Sedert dien dag toen zij bij me kwam, met het zeggen: „Ik ga dadelijk weêr heenquot;... Dat kwam me dadelijk vreemd voor... te meer omdat zij een toilet had!... met kanten... en strooken, van wat ben je me!... Den volgenden dag kwam zij terug en was allerliefst... al te lief zelfs!.. . dat gaf me achterdocht... {hij ziet up zijn horloge) Ze had toch vast beloofd, dat ze zou komen... op stuk van zaken, wat kan 't me schelen!... Des te beter zelfs !... dat bespaart me... {hij bevindt zich voor den schoorsteen en neemt er een portret af) Haar portret!...

{Spreekt tegen het portret) Hm!... als je mij zoo met je groote oogen aankijkt!... Als je zoo bevallig mogelijk je wilt voordoen, met je kleine mondje... Nu ja, het is klein... Wat zou dat ?... Alle vrouwen, die geen grooten mond hebben, hebben een kleinen...

Dat alles verklaart me niet waarom je niet hier bent op 't afgesproken uur!... Mevrouw schijnt vandaag niet t'huis gedineerd te hebken?... Is 't wel?... Zie me ferm aan, alsjeblieft!... Kom, spreek op, verantwoord je... Zeg dan maar ronduit, dat je genoeg van me hebt. .. {na eene pauze) Zoo nu al?... De armband aan die hand is nog niet eens betaald... {ziet op de klok) Ah! Ze komt niet!... {tegen het portret met klimmende woede) Vrouw

ocr page 196

196

zonder hart!... noen, niet een hart, maar van marmer, van steen! standbeeld zonder ziel! hart van ijs!... Je gebruikt me voor een lummel, voor een slampamper, dien men voor den gek kan houden!... Uit welken poel ben je voortgekomen!... Zul je 't me zeggen?...

Zul je 't me dan zeggen'?... Ah! Wat let me of ik zal je... (hij springt naar zijn bureau toe, alsof hij iemand wil slaan, houdt zich dan in en valt vernietigd in zijn fauteuil; de pendule slaat elf uur). O! zij heeft me nooit liefgehad!... Zij heeft me nooit begrepen!... {hij houdt het hoofd tusschen zijne handen, zijn ellebogen op de schrijftafel en staart het portret aan, dat hij er heeft neergezet.) Neen, jij hebt nooit begrepen al wat er nobels in mij was... Jij hebt gedacht, dat mijn stuurschheid voortkwam uit koelheid, dat ik je sinds eenigen tijd minder lief heb... Arme blinde!... 't Was omdat ik je liefheb met mijn heele ziel... Alleen haar, die men aanbidt, kan men haten!... Toen ik straks van scheiden sprak, heb ik gedoold... Keer tot me terug, zweer me dut je me liefhebt, en als jij 't ook wilt, zal ik je trouwen!... maar kom terug, kom terug... (staat plotseling op) Maar waar kan ze op dit oogenblik toch zijn?... in de komedie misschien'?... Zij had lust om naar Romeo te gaan!... {bevestigend) Jawel, ze is naar Romeo en Julia!... bepaald met dien mijnheer, die haar laatst zoo vriendelijk groette... Geen twijfel meer, ze is in de komedie! Ik kan me haar perfect voorstellen... (met klimmende woede) Op den eersten rang, op een prachtige plaats, met dien grooten, plompen kerel achter haar, die dan tegen haar lacht.. . Hij is leelijk, monsterachtig leelijk, maar rijk, schatrijk!.. . Als ik hen eens overviel... (kijkt op de pendule) Ik heb

ocr page 197

197

nog wel den tijd... {hij zet zijn hoed op) Ik kom .. Juffrouw, doe de deur van de loge open, doe open, alle duivels! Aha! Je lacht niet meer, groote mijnheer!... (hij doet alsof hij met een wandelstok zwaait)... en je volgt met angst de bewegingen van dit stokje!... Waar is mijn stok? Ik heb er een gehad... Ik kan er nu niet buiten... Waar, duivel, heb ik mijn stok gelaten ? {hij zoekt overal en vindt een brief aan den voet van zijn schrijf taf el) Wat is dat Haar schrift... {hij leest):

„Lieve Charles, zooals je weet ben ik gevraagd op een soireetje bij mijn tantequot;... {lt;if brekend).

't Staat er, soireetje... En ik had het soireetje vergeten ! {spreekt) en die stoffel van een meid heeft me niets gezegd, maar den brief hier neergelegd toen ik uit was... {gaat voort met lezen):

„ie zal wel zoo lief willen zijn me te komen halen... als ik je niet zie, zul je om elf uur drie slagen hooren op de voordeur; ik zal dan op je wachten en je zult me goeien nacht wenschen onder liet naar huis brengen. Je eeuwig zielsliefhebbende

Adeline.quot;

{glimlachend) En ik verdacht en betichtte je!____Lief

kind! {men hoort drie slagen op de voordeur)Drie keer!... zij is 't!... {neemt een blaker en gaat naar de deur) Komaan, het vervolg op mijn roman... de vrouw, die men het meest liefheeft, is de vrouw, die niet komt!...

{Het scherm valt op het oogenblik, dat hij de deur opent om heen te gaan.)

ocr page 198

DE MAN, DIE....

Naar het Fransch door E. Grenet—Dancourt.

De vertooner komt op, salueert het publiek, opent meermalen den mond om te spreken, doet alle moeite om niet te geeuwen, eindigt met ontzettend te geeuwen. — Tot 't publiek.

Dames en Heeren, ik vraag n wel exuus, maar ik kan 't heusch niet helpen (geeuwt). Ik kan geen vijf minuten leven zonder {geeuwt). Ziet u wel, al verzet ik er mij nog zoo tegen, ik kan 't niet laten... {geeuwt) Lach niet! 't is een gebrek, dat ik mijn doodsvijand niet toe-wensch {geeuwt). Ik kreeg 't te pakken... ja... zes maanden geleden... In de komedie... {he-dwingt 't geeu wen)... in de komedie van... in de komedie van... {geeuwt) ja... u bent er. In die komedie heb ik 't te pakken gekregen. Men

ocr page 199

199

speelde een tragedie... (geeuv.it) een tragedie in vijf bedrijven (geeuwt) in vijf bedrijven en in verzen (geeuwt) van een lid van de Académie, (geewvt) Treurspel! Verzen 1 Académie! (geeuwt) Ik dacht wel, dat 't niet erg vroolljk zou zijn, maar ik had 't nooit gezien en ging dus naar binnen (geeuwt).

Weinig menschen in de zaal. In afwachting dat het doek omhoog zou gaan, geven de toeschouwers zich over aan een stil gepeins. In stilte peinsde ik met hen mede. (geeuvjt) Eindelijk wordt er begonnen. Twee heeren gekleed in een hemd en ondebroek en die ik voor een paar boksers aanzag, maar later bleken twee Grieksche prinsen te zijn, kwamen op 't tooneel en begonnen te praten (geeuwt) Neen, ge kunt u geen denkbeeld vormen van de conversatie van die heeren (geeuwt). Ik mag er niet aan denken! De allerjongste vertelt aan den alleroudste, die zijn vader is, dat hij zooeven z'n zuster vermoord heeft. Let wel, hij heeft z'n zuster vermoord, opdat zij niet trouwen zou met een Romeinschen prins, dien zij vurig beminde. Uaarna heeft hij haar opgegeten. Zijn vader maakt hem een complimentje (geeuwt).

In het tweede bedrijf vertelt de oude Griek aan z'n vrouw, dat hun zoon z'n zuster vermoord heeft, opdat zij niet trouwen zou met een Romeinschen prins, dien zij beminde en dat hij haar daarna heeft opgegeten. De oude Grieksche Mama antwoordt, dat zij de gelukkigste van alle moeders is... (geeuwt) In het derde bedrijf verzamelt de jonge prins z'n heele leger en zijn volk, bij elkander dertien personen, hij vertelt hen, dat hij z'n zuster vermoord heeft, opdat ze niet trouwen zou met een Romeinschen prins, en dat hij haar daarna heeft opgegeten. Het

ocr page 200

200

leger en het volk noemen 't een heldendaad {geeuwt). In het vierde bedrijf komt alles uit. Het blijkt, dat de prins niet z'n zuster, maar een oude gouvernante opgegeten heeft. De gouvernante had hun beiden groot gebracht en zij offerde zich op om de prinses te redden. Toen... {houdt eenige geeuwen in)... toen... ziet u... op dat oogenblik... toen... toen geeuwde ik... zoo erg... dat een politiedienaar... (erg geeuwende) naar me toekwam en me verzocht heentegaan {al wat volgt half geeuwende) Ik ben er uitgegaan... geeuwende... altijd geeuwende... en op weg... naar m'n huis... geeuwde ik... ja ik geeuwde... (zwaar geeuwende) dat ik er bijna m'n adem bij verloor. Ik ga te bed... ik ga te bed... ik... ik... (een geeuw inhoudende) Neem me niet kwalijk, 't zal wel overgaan. (Hij keert 't publiek zijn rug toe, geeuwt lang met uitgerekte armen) Ik ga te bed en ik blijf geeuwen.

Ik wil een courant lezen (geeuwende). Onmogelijk. Ik neem een boek uit m'n bibliotheek... 't was (geeuwende) ... 't waren gedichten! Ik verberg m'n hoofd in't kussen en woedend neem ik 't laken tusscben m'n tanden. Zoo bleef ik tot den volgenden morgen liggen. Toen ik opstond. .. keek ik in den spiegel... en... ik... ik... (geeuwt) 't Was gedaan met me. Ik was gedoemd tot aan m'n dood te geeuwen. Ik vlieg de straat op. Ik weet zelfs niet waarheen, ik wil, ik loop, ik draaf, ik galopeer, ik neem rijtuigen, tramway's, omnibussen, booten met en zonder stoomvermogen ; ik ga in musea, kerken, magazijnen, koffiehuizen... niets helpt (geeuwende). Ikgeeuw, ik geeuw, ik geeuw altijd. Ik ga een restaurant binnen omtedejeu-neeren, ik wil eten.. .(geeuwende). Onmogelijk! Ik raadpleeg een dokter. Hij vertelt me, dat alleen 't lachen me

ocr page 201

201

redden kan. Ik ga naar de komedie. Er wordt een blijspel gegeven met zes komieken. (Al wat volgt half geeuwendv) Wat gebeurt ? De acteurs zijn nauwelijks en scène of ik begin te geeuwen. Mijn voorbeeld vindt navolging. Mijn buurman rechts en m'n buurman links beginnen op hun beurt ook te geeuwen. Toen langzamerhand de stalles, 't parket, de parterre, de balcons, de loges, de galerij, de muzikanten, de ouvreuses, en de acteurs zelf konden hun mond niet open doen, dan om... {geeuwende) te geeuwen. Eindelijk verschijnt de regisseur. Hij geeuwt ook al en al geeuwende annonceert hij, dat de voorstelling niet verder kan doorgaan... Ik ga weer naar m'n dokter en hij zegt me nog eens, dat ik tot eiken prijs lachen moet. Hij stuurt ,me naar de Tweede Kamer. Ik ga er heen. Ik kom binnen, ga zitten, ik luister (geeuwt). Ik ga naar 't kantongerecht. Ik kom binnen, ik ga zitten, ik luister (geeuwt sterker). Sinds veertien dagen bezoek ik alle mogelijke plaatsen waar men zich en anderen amuseert. Ik ga naar partijen, bals, concerten, wedrennen, voordrachten, lezingen. Niets niets helpt! {geeuwt) Ik geeuw hoe langer hoe meer. Een vriend raadt me aan te trouwen en stelt me aan een trouwlustig meisje voor {al wat volgt half geeuwende). Zoo goed en kwaad 't gaat, maak ik haar 't hof. Men verwondert zich wel een beetje, dat ik onophoudelijk alles in 't werk stel om 't geeuwen in te houden, maar ik schuif dat op rekening van een zekere bedeesdheid en... van de liefde !

De groote dag komt. Ik sta met m'n bruid tegenover den ambtenaar van den burgelijken stand. Was het de aandoening van de dingen, die komen zouden '? Den geheelen morgen had ik nog geen een keer gegeeuwd. Ik dacht gered

ocr page 202

202

te zijn. Het oogenblik om liet heilig „Jaquot; uit te spreken is daar... Ik open m'n mond... en... en... o, 't is verschrikkelijk... ik... {geeuwende) geeuw ontzettend.

De geheele bruiloft werpt blikken vol verachting op me. M'n bruid valt in zwijm, m'n schoonmoeder eveneens en m'n schoonvader, de eenige, die helaas niet in zwijm viel, brengt me aan de deur en geeft me een schop tegen... 't was aan de linkerkant. {Al tvat volgt half geeuwende) En sinds dien dag, de hoop op genezing voor immer vaarwel gezegd hebbende, sleep ik smartvol m'n treurig leven voort, een leven, dat niets anders is dan een lange geeuw. Het ontzettendste is, dat men mij schuwt als een melaatsche... want 't schijnt dat m'n ziekte besmettelijk... nog meer aanstekelijk is en... {plotseling ophoudende) Maar daar denk ik aan... den tijd, dat ik hier voor u stond te geeuwen, moest u toch... ja? Och laten we 't dan samen doen (hij geeuwt verschrikkelijk, maakt een beweging om heen te gaan en komt weer terug.)

Nog een laatste woord. Men heeft me verteld, dat er een plaats is, waar ik me ongetwijfeld ziek zou lachen: De gemeenteraad. Ik ga er heen!...

{Gesticuleerende en geeuwende af.)

ocr page 203

ONDER FAMILIE.

Naar hel Fransch van G. Moynet.

Ik had een oom... m'n oom Jan, een besten kerel. Hij ging trouwen... met een vrouw... Zij is dood. quot;We hebben haar begraven. Menschenlief, wat een bruiloft! Ze hebben zes-en-veertig tlesschen bij haar begrafenis uitgedronken. Ik weet er zoo'n klein beetje van, want ik heb ze betaald.

In plaats dat m'n oom nu z'n gemak houdt, nu hem zoo'n buitenkansje te beurt gevallen is, neen, hij moest weer trouwen, en nog wel met een vrouw, die... enfin, een andere! Die ging niet dood, ze zat veel te goed in haar vleesch, maar m'n oom Jan trok er uit. We hebben hem begraven. Menschenlief wat een bruiloft! Omdat 't

ocr page 204

204

een man was, hebben ze twee-en-negentig flesschen bij z'n begrafenis gedronken. Ik weet er zoo'n klein beetje van, want ik heb ze betaald. Z'n weduwe, die natuurlijk in'n tante was, gaat binnen de elf maanden op haar beurt ook weer trouwen — met een man, en nu nog wel met een heelen jongen — veel jonger dan ik. Die kwajongen noemt me z'n neef. Hij praat maar met jij en jou tegen me of 't zoo niemendal is. Maar hij verbiedt mij 't zelfde te doen, omdat dat niet eerbiedig genoeg is. Ik ben er lang niet mee in m'n schik. Hij komt bij me dineeren en brengt z'n broers en zusters mee, getrouwde lui, de een met de ander, 't zij met mannen, 't zij met vrouwen, eveneens voorzien van broers en zusters, die op gelijke wijze getrouwd waren. Heel dat rommeltje komt bij me. In die familie hield men van niets anders dan van konijnen met aardappelen.

Ik dischte dag i n en dag u i t konijnen met aardappelen op. Na een poos zeg ik tot me zelf: Daar moet een eind aan komen. Ik ga ook trouwen — met een vrouw —ik ga ook doen zooals de heele wereld. Zij zal m'n familie wel aan de deur zetten. Ik zoek en ik vind een allerliefst meisje, och zoo lief.... een vondeling zonder ouders, wablief? dat is een mooi zaakje — ik trouw. Een dag na de bruiloft veegt ze, met een bevalligheid die buitengewoon was, al m'n ooms en tantes de deur uit. Na een week of zes vindt ze me warempel haar papa en mama terug in een omnibus en nog wel in een toestand van de diepste ellende! Ze neemt ze mee naar huis. 't Viel me tegen, maar ik kon die ouwe menschen toch de deur niet uitsmijten. Ik kom tot de ontdekking, dat ze van weerszijden een hoeveelheid broers en zusters hebben, naar de algemeene

ocr page 205

205

woede getrouwd met mannen of met vrouwen. Die mannen en die vrouwen behoorden tot die samenscholingen van families, in wier standaard met gulden letteren prijkt: „Wij hebben een heilige afschuw van het coelibaat.quot; Daaruit volgde een allergekste vermenigvuldiging van broers en zusters, van schoonbroers en schoonzusters, allen getrouwd, dezen met die, en die met dezen en altijd onder de familie.

Al dat volk komt bij me dineeren en noemt me neef. In die familie hield men nu weer uitslutend van ossenlapjes met kool. Ik slijt een deel van m'n leven met 't gereed maken van ossenlapjes met kool. Dat was nog niemendal. Ik wandelde toen nog op rozen. Maar op 'n goeien dag maakt de konijnen-familie kennis met de ossenlapjes-familie, Ze kwamen tot de ontdekking, dat er bloedverwantschap bestond, een gevolg van oneindige vertakkingen in duizenden talrijke families, weer een gevolg van de zeer sterke vermenigvuldiging van bataljons broers en zusters, getrouwd met een respectabel deel der bevolking, 't zij mannelijk — 't zij vrouwelijk. En dat komt alemaal hij me dineeren! Een landverhuizing!! Een zondvloed!!! Je had er dikken en dunnen, langen en korten!! ,1e had er van allen slag onder: groenteboeren, sjouwers, geleerden, soldaten, schrijnwerkers, ambassadeurs, een heele arke Noachs! Ze kwamen van 't platteland, uit nesten en gaten, uit den vreemde, uit Noord-en Zuid-Amerika! De spoorweg maatschappijen organiseerden pleiziertreinen, om ze naar me toe te brengen! De paketbooten gaven aanzienlijke prijsvermindering! Men sprak er zeis van om een stoomtram aan te leggen tot voor de deur van m'n huis!

In 't begin huurde ik een restaurant, maar dat was niet

ocr page 206

206

voldoende. Ik zocht en zocht en knoopte eindelijk onderhandelingen aan met den eigenaar van een theetuin, gelegen achter 't kerkhof en op 't uithangbord de woorden : In allemans verdriet. „Bruiloften en feesten. lederen Maandag groot bal.,,

Ik laat de groote zaal in orde brengen. Twee duizend couverts. Ik laat vier rijen tafels plaatsen, in de hoogte de een op de ander. Toen waren we heelemaal onder familie. Terwijl ze nu goed en wel aan 't smullen waren, de eene partij aan de konijnen, alias poesjes, de andere aan de ossenlapjes, alias oud schoenwerk, ben ik naar den commissaris van politie geloopen. En ik heb hem gezegd; „Mijnheer de commissaris, ik heb een troep valsche munters ontdekt. Gewoonlijk vereenigen die zich in kelders, holen of spelonken. Dezen niet. Ze zitten in „Allemans verdriet'' en eten konijn en ossenlapjes/' De commissaris antwoordde ; „Mijnheer, ik ben uw man, ik volg u, Gun me den tijd m'n lint om te hangen en een regiment dienders te halen.quot;

Men heeft „Allemans verdrietquot; omringd en m'n geheele familie gevangen genomen. Dertien rijtuigenstations zijn gerequireerd, twee honderd zeventien bestellers om een handje te helpen, en verder alle losse rijtuigen en wagens om m'n familie naar 't bureau van politie te brengen.

Voor mij is 't gedaan. Ik heb er genoeg van. Ik neem van avond den trein, dan een paketboot en ik zeil naar de Noordpool, naar 't vaderland van de witte beren, eenig oord op deez' wereld, waar ik noch oom noch tante heb en niet „onder familiequot; ben.

ocr page 207

INHOUD.

Pag.

KERM1SREIZICERS, ÜOOr WILLEM VAN ZÜIJLEN'......................................1

een rustig stüdiedürtje, door willem van züijlen....................24

verloren geluk, door willem van zuijlen....................................31

de afgevaardigde, vrij naar het Fransch van e. moranü, door

jacobus de vos.................................................36

de hoeu, vrij naar het Fransch van jacques normand, door

jan c. de vos..........................................................................................41

besluiteloos, vrij naar het Fransch, door piccolo........................50

de ambtenaar, vrij naar het Fransch van e. noél, door jacobus

de vos......................................................................................................54

bij den rechter, een dramatisch gedicht door w. c. goteling

vinnis........................................................................................................60

een uitstapje, naar het Fransch van charles cros, door piccolo 70

meesters straf, door jan c. de vos..................................................77

het vrijbiljet, naar het Fransch van louis péricaud, door piccolo 79 een lijdend mensch, vrij naar het Fransch van galipaux en

ch. samson, door jacobus de vos....................................................83

de vlieg, naar het Fransch van emile güiard,door jan c. de vos 88 een gewichtige rol, naar het Fransch van arnold mortier,

door WILLEM VAN KOBLAAR..................................................................94

een lastig geval, vrij naar het Fransch van charles cros,

door boontje.....................•..............................................101

kalm, naar het Fransch van ernest depré, door c. n. de vos. 105

de pop, naar het Fransch van edouard paillebon, door bruno 109 wat ik in m'n zakken vond, vrij naar het Fransch van charles

monselet, door x. y. z......................................................................115

ocr page 208

208

Pag.

een zaak van eer, naar het Fratisch van charles de svvry,

door L. H. CHRISPIJN...................................... 123

het leven, naar het Fransch van e. grenet-dancoürt, door

jan c. de vos............................................ 128

een zindelijk mensch, naar het Fransch van charles cros,

door A. VAN SPR1NKHÜIJZEN................................ 134

eerste liefde, vrij naar het Fransch, door piccolo........... 138

listen en lagen, Anti-Politieke verhandelihg, naar het Fransch,

door boontje.............................................. 143

OP REIS, door JAN C. DE VOS................................. 151

de pianist, naar het Fransch van e. morand, door jacobds de vos 154 het paard, naar liet Fransch van pirouette, door jacobus de vos 159 de portefeuille, naar liet Fransch van emile gouget, door

jan c. de vos............................................ 164

specialiteit van onze zaak, vrij naar het Fransch door jacobus de vos................................................ 171

peti de zigeuner, naar het Uuitseh, door p................... 176

solo voor fluit, naar het Fransch........................... 183

een vrouw, die niet komt, naar het Fransch................. 190

de man, die...........naar het Fransch van e. grenet-dancourt 198

onder familie, naar het Fransch van g. movnet.............. 203

ocr page 209
ocr page 210
ocr page 211
ocr page 212