liet boek: dei* IPsalineii
quot;VJEJRKIIjAâA.RD DOOR
JOMANNKB CALVIJN.
'
a
,
ï:.
, j â
U.B. UTPPCMT AS J
DER PSAUKJI
WBLIOTHBRX RIJKSÃNIVER'
UTREC^
JOHANNES 6ALÂ¥liJN
VERTAALD EN UITGEGEVEN ONDER TOEZICHT VAN
Den quot;W el Eer w. Heer
J. BOER ÃNOTTNERTJS, V. D. M.
TWEEDE DEEL.
UTRECHT. â H. TEN HOOVE.
JPSALM 09.
INHOUD: Deze Psalm heeft veel overeenkomst met den twee en twintigsten; want bij den aanvang klaagt David over het schandelik onrecht, dat hem door zyne vijanden was aangedaan en over hunne wreedheid; maar hij verklaart echter, dat hij er niet zóó door ontrust of ontroerd is, of hij kan zich geduldig en lijdzaam onder de bescherming Gods houden en er naar streven om in oprechtheid te leven. H\j betuigt ook dat het juist door zijne godsvrucht is, en omdat hij kloekmoedig de eere Gods wil handhaven, dat allen hem vijandig zyn. Nadat hij nu opnieuw er over geklaagd heaft, dat hij niet minder smadelijk dan wreed door zijne vijanden verdrukt wordt, bidt hij dat God hun de straf zal toezenden, die zij verdiend hebben. Aau het einde verheugt hij zich reeds in de overwinning, en belooft hij aan God dat hij Hem een plechtig lofoffer zal brengen.
1. Aan den opperzangmeester op Shoshanim van David, 2. O God! red mij, want de wateren zijn tot aan de ziel gekomen. 3. Ik ben gezonken in een' diepen modderkuil, waar geene vastigheid is; ik ben in de diepten der wateren gekomen, en de vloed heett mij gansch bedekt. 4. Ik ben vermoeid van roepen, mijne keel is er heesch van geworden; mijne oogen zijn bezweken door het verwachten van God. 5. Die mij zonder oorzaak haten, zyn meeider in aantal dan de haren mijns hoofds; mijne leugenachtige vijanden die mij zoeken te verderven, zijn toegenomen in kracht; hetgeen ik niet geroofd heb, heb ik toen wedergegeven.
Dl. II. i
Psalm 69 : 1 en 2.
6. O God, Gij kent mijne dwaasheid, eh mijne overtredingen zijn voor U niet verborgen.
1. Op Shoshamm. Wij hebben elders reeds over dil woord Shoshanim gehandeld. Daar de beleekenis er van duister en onzeker is, vereenig ik mij gaarne mei de meening van hen, die denken, dat hel het begin was van het een of ander lied Wil men het echter voor een muziekinstrument houden, dan heb ik daar ook niets tegen. Wat hen betreft, die gissen dat deze Psalm in de lente werd gedicht, als de leliën beginnen Ie bloeien, zij voeren geen' grond aan voor hunne meening. Nu moeten wij, eer wij verder gaan, nog opmerken, dat David dien Psalm niet zoo zeer in zijn' eigen naam heeft geschreven, als wel in naam van geheel de Kerk, toen hij het beeld droeg van haar Hoofd, gelijk uit het vervolg van den tekst nog nader zal blijken. Dit is uiterst merkwaardig, opdat wij des te nauwkeuriger acht geven op dien spiegel, waarin ons de gemeene toestand van alle geloovigen wordt voorgehouden. Overigens deel ik de zienswijze dat David hier niet van ééne enkele vervolging spreekt, maar van al de kwaden, die hem gedurende vele jaren overkomen waren.
2. O God, red my, want de wateren, enz. Onder het beeld van wateren schelst hij, hoe hij van rampen en ellende als overstelpt was. Toch welen wij, dat hij gansch niet verweekeiijkt was, aangezien hij met ongeloofelijke kracht schrikkelijke verzoekingen was te boven gekomen; waaruit wij dus kunnen opmaken hoe groot de benauwdheden waren, die hem hadden omvangen. Naar mijn oordeel wordt dil woord door ïommigen veel Ie koud vertolkt door leven; ik acht veeleer, dat er hier hel hart mede bedoeld wordt. Want als iemand in een' diepen waterkuil is gevallen, dan kan hij wel, door zijnquot; mond en zijne neusgaten le sluiten, voor een' tijd beletten, dat het wtiler zijn lichaam binnendringt, maar len slotte zal hij, omdat wij zonder ademhaling niet kunnen leven, door het gevoel van verstikking gedwongen zijn hel water lot zich in le laten komen, zoodal hel weldra doorgedrongen zal zijn lol zijn hart Zie hier nu wal David door dil beeld heeft willen le kennen geven; Dal hij niet slechts door het water was bedekt, maar dat hij genoodzaakt was geweest het in le zwelgen. Daarna vergelijkt hij zijne wederwaardigheden bij een diepen modderkuil, waar hel gevaar nog grooter was; wanl als iemand zijn' voel op vasten bodem kan zetten, kan hij ook weer overeind komen; gelijk wij meer-
2
Psalm 69 : 3, 4 en 5.
malen zien, dat mensclien die in eene rivier vallen, wel eens aan hel water weten te ontkomen; maar is men ergens gevallen waar de bodem slijkerig is, dan blijft er geen middel ter redding overig. Hij voegt hier nog andere omstandigheden bij, te weten, dat hij door de kracht 'des waters medegevoerd werd, waardoor hij Ie kennen geeft, dat de kwelling en vervolging, die hij had te verduren, groote beroering en verwarring hebben veroorzaakt.
4. Ik hen vermoeid van roepen. Het was een voorbeeld van een zeldzaam en bewonderenswaardig geduld in David, dat hij God gezocht en aangeroepen heeft, toen zijne zaken in zoo wanhopigen toestand waren gekomen. Nu klaagt David dat hij, roepende tot heesch wordens toe, zich vermoeid heeft zonder dat hem dil eenigerlei nut of voordeel heeft opgeleverd. Door hel woord Vermoeid verstaat hij niet dat hij er van afgelaten heeft, alsof hij het roepen moede was geworden, met bidden had opgehouden nadat hij gezien had, dat hij er toch niets bij won; neen, hij geeft veeleer eene onvermoeide volharding te kennen, evenals hij dit ook doet door te spreken van de heesch geworden keel en de oog en, die bezweken zijn. Het was voorzeker niet uit eerzucht, dal hij zijne slem heelt opgeheven voor de mensclien, en die heescheid is ook niel in een' enkelen dag ontstaan. Wij zien dus, dal, hoewel zijn lichaam schier bezweek, de kracht van zijn geloof loch niet te niet gedaan was. Aangezien David nu als door den mond van Christus heelt gesproken en door dien van alle geloovigen, voor zooveel zij leden van Christus zijn, moeten wij het niet ongerijmd achten, indien wij bij wijlen zoo zeer als door den dood overstelpt worden, dat ons geen vonkje levens meer overgebleven schijnt te zijn. Zelfs als God ons spaart, moeien wij loch reeds vroeg hieraan leeren denken, nl. dal ook in de diepste diepten van leed en ellende, ons geloof ons moet blijven ondersteunen, ja moet opheffen lol God, daar (gelijk Paulus betuigt, Rom. 8 : 9) er geene hoogte of diepte is, die ons zou kunnen scheiden van zijne oneindige liefde, die alle afgronden, ja ook de hel zelve verzwelgt.
5. Die my zonder oorzaak haten. Thans drukt hij zonder beeldspraak uil, wal hij door de gelijkenis van den modderkuil zoowel als van den bruischenden waterstroom gezegd had. Want, aangezien hij door zoo groot een getal van vijanden vervolgd werd, was het volkomen terecht, dal hij allerlei doodsgevaar vreesde. Kn het is volstrekt geene hyperbolische, d. i. overdreven manier van spreken, als hij zegl, dal hun nantal het getal
1*
3
Psalm 69 : 5.
4
der haren zijns hoofds overtreft, aangezien hij doodelijk gehaat , en door het gansche volk verfoeid werd; want allen hadden, hem aangaande, de overtuiging, dal hij een hooze, valsche landverrader was. Wij weten ook uil de gewijde geschiedenis welk een groot getal van allerlei lieden, en hoe machige legers Saul op de heen bracht om hem te vervolgen. Hij geeft hun' doode-lijken haat te kennen, door le zeggen, dat zij zijn verderf zoeken, daar het hunne begeerte was dat zij afgesneden zouden worden; en hij zegt, dal hel echter gansch onverdiend is, dal zij hem zoo wreedaardig kwellen; wanl hel Hebreeuwsche woord, dal sommigen overzeilen door Om niet, wil zooveel zeggen als dal zij gedreven worden door de begeerte om te schaden, zonder ergens door hem in beleedigd le zijn geworden, of door eenigerlei misdrijf zijnerzijds er toe aangezet le zijn. Daarom is hel, dal hij zijne vijanden leugenachtig noemt, nl. omdat zij geene enkele reden hadden om hem den oorlog aan le doen. Hierin moeien wij trachten zijn voorbeeld le volgen; wanneer wij soms bedroefd of gekweld worden, dal ook wij alsdan ondersteund worden door hel getuigenis onzer goede conscienlie, en wij met volle vrijmoedigheid voor Gods aangezicht kunnen zeggen, dal onze vijanden ons zonder oorzaak halen. En hoe moeielijker het is om zich aan zoodanige bescheidenheid le gewennen, hoe meer wij er naar moeten streven. Nu is de dwaze weekelijkheid van hen, aan wie hel onverdragelijk schijnt om onrechtvaardig bedroefd of gekweld le worden, uitnemend bestraft, door het edele antwoord van Socrates. Wanl toen zijne vrouw eens in de gevangenis weeklaagde, omdal hij ten onrechte veroordeeld was geworden, zeide hij: Zoudl gij dan liever gewild hebben, dat ik om mijne misdaden Ier dood gebracht moest worden? David voegt er vervolgens bij, dal men hem niet slechts onrecht en schandelijke beleedigingen had aangedaan, maar dal hij ook smaad en schande had verduurd, alsof hij van velerlei boosheid overtuigd was geworden, hetgeen zwaarder le dragen is dan duizend dooden. Want er zijn velen, die volkomen bereid en gewillig zijn om in den dood te gaan, maar niet dezellde standvastigheid hebben om smaad te verduren. Nu zegl David, dal hem niet slechts zijne goederen door dieven ontroofd zijn, maar dat hij zelf voor een dief en slraalroover werd uitgekreten. En gewis, toen zijne vijanden hem uitplunderden, beroemden zij er zich op, dal zij de rechters waren van een boos en verdorven man; en wij weten, dal zij daar ook algemeen voor gehouden werden. Laai ons uil dil voorbeeld leeren, om niet slechts bereid le zijn geduldig allen overlast en kwelling le dragen, ja zelfs den dood
Psalm 68 : 5 en 6.
te willen ondergaan, maar ook srnaad en schande, wanneet hel soms gebeurt, dat wij onder valsche aantijgingen gebukt gaan. En aangezien Jezus Christus zelf, die de fontein is van alle gerechtigheid en heiligheid, niet vrij is gebleven van belasterd te worden, waarom zouden wij dan ontzet of verbaasd zijn, als v\ij ons in gelijken toestand bevinden, daar het toch een echt bewijs is van onze oprechtheid, als wij volharden in hel najagen der gerechtigheid? hoewel wij er van de wereld een zoo onrechtvaardig loon voor zullen ontvangen.
6. O God! Gij leent mijne dwaasheid. Augustinus heeft zich onnoodig gekweld om te bewijzen, dal dit van toepassing is op Jezus Christus, en ten slotte brengt hij over op de leden, hetgeen niet met juistheid of gepastheid gezegd zou kunnen worden van het Hoold. Want David spreekt ironisch, hierdoor aanloonende, dat hij, overstelpt zijnde door het onrechtvaardig oordeel der menschen, de toevlucht neemt tot God en Hem bidt wrake te doen. in die wijze van spreken is veel grooter vurigheid en kracht dan wanneer hij eenvoudig in heldere en duidelijke bewoordingen en zonder beeldspaak te gebruiken, gezegd had, dat God zijne oprechtheid kende; want op deze wijze geeft hij een' scherpen stoot aan zijne vijanden en veracht van uit de hoogte hun' eerroof en laster; gelijk ook Jeremia zegt (Jer. J20:7), lleere, Gij hebt mij misleid, en ik ben misleid. Ook deze Schriftuurplaats is door sommige onwetende lieden verdraaid en verwrongen, alsof de Proleet werkelijk verklaarde, dat hij door Cod bedrogen of misleid werd, terwijl hij veeleer den spot drijft met zijne lasteraars, want door hunne afkeuring van hem, richten zij hunne beleedigingen en lasteringen tegen God zeiven. David doel hier hetzelfde; len einde onder de verdorven oordeelvellingen der menschen niet te bezwijken, beroept hij zich op Cod om zijne zaak te oordeelen. En daar hij een goed geweten heeft, is hem ook zeer weinig gelegen aan het oordeel der menschen. liet zou zeer te wenschen zijn, dat onze oprechtheid ook dooide menschen gekend en gewaardeerd werd, niet zoo zeer om onzentwil, als wel tot stichling onzer broederen. Maar na alles gedaan te hebben wat wij kunnen om de menschen er toe te brengen eene goede meening van ons te hebben, en zij dan toch aan heigeen in oprechtheid door ons gedaan wordt eene verkeerde uitlegging willen geven, dan moeten wij de kloekmoedigheid hebben dal ons het oordeel Cods genoeg is, zoodal wij de wereld en alle duivelen kunnen verachten. Want het kan niet anders of zij, die er al te veel naar streven om hunquot; goeden naam bij de
5
Psalm 69 : 6 en 7.
menschen le behouden, dikwijls le korl zullen bchielen. Wel moeien wij altijd bereid zijn om allen jjenoe^en le geven, maar zoo men ons niel hooien wil, dan moeien wij even goed door kwaad geruchl als door goed geruchl willen gaan, gelijk ook Paulus zich sloulmoedig beroepl op God, die in hel lichl zal brengen heigeen in de duisternis verborgen is. (1 Gor. 4: 5).
7. O Heere, Jehovah der legerscharen, dat zij, die U verwachten, door mij niet schaamrood worden; o God Israels, dat zij, die U zoeken, door mij niet worden beschaamd! 8. Want om uwentwil heb ik versmaadheid gedragen; schande heeft mijn aangeaicht bedekt. 9. Ik ben vreemdeling geweest bij mijne broederen en onbekend geworden aan de kinderen mijner moeder. 10. Want de yver van uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die ü smaden , zijn op mij gevallen.
7. O Heere, Jehovah der heirscharen! David verhaalt dal hij lol een voorbeeld is gesteld, waaraan de geloovigen slof lol hopen ol' lol wanhopen kunnen onlleenen. Wanl hoewel hij door liet geheele volk gehaal en verafschuwd werd, waren er toch nog enkele vrome en inenschlievende getuigen van zijne onschuld, want zij wisten, dal bij ten onrechte aldus beschuldigd werd, en dal hij altijd op de genade en goedheid Gods bad gesteund, en dat er geeneiiei verzoeking of beproeving was, die hem den moed kon doen verliezen, noch hem kon beletten standvastig le blijven in de ware gehoorzaamheid Gods. Daar zij echter niets dan eene ongelukkige uilkomst voor oogen hadden, konden zij lol geen ander besluit komen, dan dal David vergeefsche moeite gedaan had met God in alle reinheid le dienen. Want, telkenmale als God aan zijne getrouwe dienstknechten zijne hulpe doel ondervinden, dan is dit als even zoo vele zegelen, waarmede Hij zijne genade en goedheid over ons bevestigt; en daarom kan hel niet anders, of de geloovigen moesten den moed verliezen, indien David in zijn' uitersten nood verlaten ware geworden. Hij stelt dil gevaar thans voor aan God, niel alsof God het noodig had gewaarschuwd le worden, maar omdat 'lij ons vergunt vertrouwelijk met Hem le spreken. Hel woord; Die ü verwachten heeft betrekking op de hoop, evenals wanneer hij zegt: Die U
b
Psalm 68 ; 8, 9 en 10.
zoeken, dit betrekking heelt op liet gebed. Kn hierin hebben wij eene nuttige leering: nl. dat het gelool niet stil zit, daar het ons aanspoort om God te zoeken.
8. Want om uwentwil heb ik versmaadheid gedrayen. Thans spreekt hij duidelijker uit wat hij bedoelde, toen hij te voren in ironie gezegd had, dat zijne overtredingen voor God niet waren verborgen. En hij gaat nog verder: niet slechts is hij ten onrechte en zonder oorzaak gekweld en gekrenkt, maar daarenboven is zijne zaak ook de zaak Gods, omdat hij niets ondernomen had dan op zijn gebod. Want, hoewel Saul nog andere redenen had, of ten minste nog andere voorwendsels, zoo was het toch in waarheid de roeping Gods en dat Mij David tot koning had laten zalven, die den haat tegen David had opgewekt, en zoo betuigt hij dan hier met volle recht, dat hij valschelijk door de alge-meene meening veroordeeld was geworden, en niet door eenigerlei slechtheid ol misdaad, die hij zou bedreven hebben, maar omdat hij Gode gehoorzaam was geweest. Hieruit kunnen de geloovigen eene groote vertroosting ontleenen, als zij kunnen betuigen, dal zij niets tegen de wettige roeping Gods gedaan hebben. Als wij om onze belijdenis van het gelool hatelijk zijn in de oogen dei-wereld (gelijk wij gewoonlijk zien, dat de goddeloo/en nooit woedender zijn, dan wanneer zij tegen de waarheid Gods en den waren godsdienst stiijden) dan kunnen wij goeden moed hebben. Nu wordt ons door deze schriltuurplaats echter ook aangetoond, hoe veiregaand de boosheid is der menschen, die de begeerte der geloovigen om de eere Gods te bevorderen lot smaad en oneer weten le brengen. Maar gelukkig neemt God niet slechts den smaad weg. waarmede de boozen ons overstelpen, maar ni.i verheerlijkt en adelt hem, zoodat hij alle sieraad en heerlijkheid der wereld te boven gaal. Door deze omstandigheid breidt hij ook zijne klacht uit, nl. dal hij op onmenschelijke wijze door zijne naaste vrienden en bloedverwanlen was ver-stoolen geworden. Dit leert ons, dal wij alle gedachten om vleesch en bloed te ontzien moeten opgeven, en God moeten volgen, als wij, om den wille van den waren godsdienst het niet kunnen vermijden, dat onze broeders aan ons geërgerd worden.
10. Want de ijver. Hoewel Davids vijanden betuigden, dal hun niets minder in den zin kwam dan aan den heiligen naam Gods Ie raken, verklaart hij toch, terwijl hij hunne valsche voorwendselen terugwijst, dat hij de twistzaak Gods twist, en hij toont er het middel van aan, want hij brandt van ijver voor de
7
Psalm 69 : 10 en 11.
8
Kerke Gods. Hoewel hij nu niet slechts over de oorzaak handelt, maar ook /egt, dal hij, ofschoon hij de slechte behandeling niet verdiend heeft, die men hem heeft aangedaan, en zich zeiven als het ware vergetende, brandt van eene heilige liefde om de Kerk te handhaven, en tegelijk ook de eer en heerlijkheid Gods. Om dit nu nog beter te verstaan, moet men opmerken, dal, hoewel allen er zich op beroemen dal zij aan God de eere laten, die Hem toekomt, de menschen, wanneer het er op aan komt om heilig voor God te leven, zich volstrekt niel om Hem bekommeren; ja dal zij dan God zeiven durven aanranden in zijn Woord; alsof Hij slechts in de lucht geëerd en gediend wilde wezen, terwijl Hij zich toch een troon heeft opgericht onder de menschen. En is het niel van daar, dat Hij wil regeeren? Daarom stelt David hier de Kerk in de plaats van God; niet dat hij op de Kerk wil overbrengen wat aan God alleen eigen is, maar hel is om ons te toonen dal de menschen zich een' armzaligen naam van God voorstellen, als zij den waren regel der heiligheid en den waren dienst van God verwerpen, waarvan de Kerk de getrouwe hoedster is. Hierbij komt nog dal David te strijden had met een verbasterd en schijnheilig volk, dat zich nochtans het volk Gods noemde. Wanl allen die Saul aanhingen, boogden op den naam der Kerk , en riepen dal David een afvallige, of een verrol lid was. Wel verre dal zoodanige boosheid aan David den moed deed verliezen, heeft hij gewillig en blijmoedig alle aanvallen weerstaan ten einde de ware Kerk te verdedigen. Zoo veel is zeker, dat hij ontkent ontroerd of bewogen te zijn door het onrecht en de beleedigingen, die hem zijn aangedaan. Want alle zorge voor zich zeiven ter zijde stellende, is zijn hart slechts benauwd en beangst van wege de verdrukking der Kerk, ja meer: hij is verleerd van smart. Het tweede lid heeft dezelfde strekking, waar hel beleekenl, dal hij niets van God heeft gescheiden. Sommigen nemen dil anders: Dal de boozen en hoovaardigen met woest geweld David willende aanvallen, hunne woede en onstuimigheid tegen God zeiven gericht hebben; en aldus hebben zij zijdelings dien heilige gewond door hunne lasteringen, omdat zij wel wisten dat er niets was, dat hem zoo zwaar viel om te dragen. Maar die uillegging is le gewrongen. Ik blijf dus bij hetgeen ik gezegd heb, dal David zich zeiven heefl vergelen, zoodal al de smart, die hij gevoelde, voortkwam uil den heiligen ijver, door welken hij verteerd werd telkenmale als hij God hoorde smaden en zijn' heiligen naam hoorde lasteren. In dit voorbeeld wordt ons geleerd, dat wij, in plaats van zoo teer en gevoelig te zijn, dat wij, waar het ons zeiven
Psalm 69 ; 10 en 11.
geldl, geen smaad ol schande kunnen verdragen, die neiging , welke 'gansch hel legenovergeslelde is van wat zij zijn moesl, moeien veranderen, zoodal wij ons veeleer gekweld en benauwd moeslen gevoelen wegens den smaad, die Gode wordl aangedaan. VVanl hierover behooren wij le toornen, en eene brandende verontwaardiging le gevoelen, maar den smaad en laster, die ons zeiven treft, moeten wij geduldig en kalm welen le dragen. Want, voordal wij geleerd hebben onzen, eigen naam en faam le verachten, zal er nooit een rechte ijver in ons ontstoken worden, zoo dat wij ons voelen aangevuurd om voor de eere Gods le strijden. Overigens, aangezien David in zijn' persoon geheel de Kerk vertegenwoordigt, moet ook alles wal hij van zich zeiven zegt, vervuld zijn in hel Souvereine llootd. Daarom moet men er zich niet over verbazen, dal de Evangelisten deze Schriftuurplaats op onzen lleere Jezus Christus loepassen (Joh. 2:17). En om diezelfde reden strekt Paulus, de geloovigen vermanende om Jezus Christus na te volgen, hel tweede lid uil lot allen (Rom. 5:3, 5, 6), waar hij ook aantoont, dal deze leer eene verre strekking heelt, nl. dal zij zich geheel en al toeleggende op de verheerlijking van God, zich zeiven nagaan in hunne woorden en werken ten einde haar ongeschonden le bewaren, en dal zij waken opdat zij door hun toedoen niet worde verduisterd. Daar nu de Heere Jezus Christus, in vvien de volle majesteit Gods schittert, niet geweigerd heeft zich aan alle versmaadheid en schande bloot te slcllen, om de eer zijns Vaders hoog le houden, welk eene schande zou hel dan voor ons niet wezen, zoo wij ons aan even gelijken toestand wilden onttrekken?
11. En ik heb geweend, mijne ziel heeft gevast, en dit is mij tot versmaadheid geworden. 12. En ik heb een zak als mijn kleed aangedaan, en ik ben hun tot eene spotrede geworden. 13. Die in de poort zitten, klappen van mij, en die sterken drank drinken, zingen van mij. 14, Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o Jehovah, ten tijde uws welbehagens, o God, antwoord mij in de veelheid uwer goedertierenheid, in de waarheid uws heils.
9
Psalm (gt;9 : 11 en 12.
10
11. En ik heb geweend. Hij bewijst hier door de uitwerkselen dat hij er zich op toegelegd heelt om de eere Gods te dienen met een' zuiveren en verstandi^en ijver, nl. dal hij door geene vleeschelijke hartstocht gedreven was, maar zich veeleer ootmoedig nederbuigende. God tot getuige zijner droefheid heelt verkoren. En hierin laat hij den hardnekkigen opstand zijner vijanden des te sterker uitkomen. Het gebeurt meermalen, dal zij, die stoutmoedig voor de eere Gods opkomen, de hoovaardigen en ongeloovigen tergen en verbitteren, omdat zij bij hun strijden voor de waarheid de bescheidenheid niet in acht nemen en driftig worden; maar David betuigt hier dat zijn ijver zóó gematigd was, dat hij wel ijzer oi staal had moeten week maken. Door die omstandigheid heelt hij ook willen aantoonen, hoe zeer zijne vijanden hem door hunne trotschheid hadden verdrukt, zoodat hij zelfs den mond niet duiide openen om een enkel woord te spreken, en hem niets anders dan tranen en smart overbleef om de zaak Gods te verdedigen. Want wij welen, dal hem de vrijheid tol spreken was ontnomen, ja meer. dat zijn woord, als het woord van een' veroordeelde, met scherpe beleedigingen zou zijn afgewezen. En hierin heelt hij nog grooter standvastigheid betoond, daar hij niet verflauwd is in zijn' ij veten niet afgelaten heeft van zijne klacht en van den rouw dien hij heeft bedreven, ten einde de eer en heerlijkheid Gods hoog te houden. Hij zegt dus, dat hij geweend heeft, dat zijne ziel heeft gevast, en dat hij een zak tot zijn kleed heeft aangedaan, hetgeen bij de Joden teekenen waren van rouw. Daai zijne vijanden dit nu alles tol spol en smaad maakten, blijkt hieiuit dat zij als door eene duivelsche woede waren aangegrepen. Nu moeten wij met zoodanig een voorbeeld gewapend zijn, opdat heden ten dage eene gelijksoortige rebellie, (door welke de vijanden des Evangelies zich veeleer duivelen dan menschen beloonen) ons den moed niet doe verliezen. Intusschen moeten wij er ons wèl voor wachten het vuur nog meer aan te stoken, dal reeds al te heftig brandt, veeleer moeten wij het voorbeeld volgen van David en Lot, die hoewel zij de vrijheid niet hadden de boozen te bestraffen, er toch hunne ziel om hebben gekweld ('2 Pelr. -2 : 8). En zelfs als de boozen genoodzaakt zijn naar ons te luisteren, zullen bescheidenheid en ootmoed toch uitnemend geschikt zijn tot matiging van een heiligen ijver. Zij, die van meening zijn, dat David zich onderworpen heelt om in de plaats zijner vijanden de straf te dragen, bewijzen dit door de omstandigheid, dal hij met een zak bekleed was; maar ik neem dit eenvoudiger. Ziende, dal de zaken zuo zeer in de wai liepen.
Psalm 69 : 12 en 13.
lieefl hij vrijwillig rouw bedreven, om le verslaan le geven, dal hem door niels grooler smarl werd veroorzaakt dan hierdoor, dal hij den naam Gods aan hoon en smaad zag hloolgesleld.
13. Die in de poort zitten. Indien hij sleehls door spoilers ol dooi' lieden van geringe heleekenis geplaagd ware geworden, dan zou dit dragelijker geweest zijn (want als deugnieten die zich om geene betamelijkheid bekommeren, zich schaamteloos aanstellen, dan moet men zich daar niet over verwonderen); maar wanneer zelfs de Rechters alle achtbaarheid en ingetogenheid vergetende, zich aan zoodanige trotsche onbeschaamdheid overgeven, dan is de goddeloosheid nog veel grooter. Daarom klaagt David er uitdrukkelijk over, dal hij voor de aanzienlijkslen ten spot en smaadrede was geworden. Want, dat sommigen door hen Die in de poort zitten hel geheele volk verslaan, dat is ten eerste zeer flauw, maar hel is daarenboven ook ver van de heleekenis van Davids woorden. Want, hoewel allen, van welken slaat ol' conditie zij ook waren, zich in de poort verzamelden, loch waren hel alleen de rechters en raadsheeren, die er gezeten waren. En hij bevestigt dil door het tweede gedeelte van het vers, want door hen, die sterken drank drinken, duidt hij ongetwijfeld de voornaamslcn aan, die door rijkdom en aanzien boven anderen uitblonken. Nu was het eene onmenschelijke wreedheid, dal deze heilige niet slechts dooi gemeene lieden aldus werd gekweld, maar dat ook zells rechters en kerkelijke vvaardigheidbekleeders hierin voorgingen, lin aangezien ook heden ten dage helzellde geschiedt, is het niet zonder reden, dal de Heilige Geest ons dit voorbeeld nog voor oogen stelt. Hoe hooger iemand bij hel Pausdom in aanzien is, met hoe grooter woede en heftigiieid hij legen hel Evangelie en deszelfs bedienaren zal optreden, len einde zich aldus een kloekmoedig verdediger van hel katholieke gelooi le beloonen. Ja zelfs zijn bijna alle koningen en vorsten door deze krankheid aangetast, omdat zij hunne voorlreflelijkheid stellen niet in deugd, maar in ongebondenheid. En in welke waaide worden de god-vruchtige dienslknecliten van den zone Gods door hen gehouden? Het is eene uitgemaakte zaak dal hel een der voornaamste zorgen is der vorsten om hen lol eene bespolling en aanfluiting le maken, en kwaad van hen le spreken, niel slechts aan hunne tafel, maar ook van de hoogte van hun' troon, en dat doen zij, opdat hun woord geen ingang zal vinden bij de menschen. Over het algemeen zullen zij ook de arme geloovigen bespolten en minachten; zij scheppen er behagen in om hunne eenvoudigheid
11
Psalm 69 : 13 en 14.
Ie belachen, alsol hel le veigeei's is en hunne moeite nielloonl, als zij Gode gehoorzaamheid bewijzen.
14. Maar mij aangaande. Hel was iels heerlijks en bewonderenswaardigs dal David door deze verharding niel zóó geschokl ol aan hei wankelen gebracht werd, dal hij er den moed door verloor. Nu toont hij ook Iegelijk van welk geneesmiddel hij zich legen zoo schrikkelijk eene ergernis had voorzien. Want daar de boozen hem hunne stekelige spotternijen voorhielden als sUikken geschut, die zij op hem richtten om zijn geloof te vernietigen, zegt hij, dal hij tol God heeft gebeden, waardoor hij alle aanvallen heeft kunnen afweren; en zoo is er dan niet aan le twijfelen dat hij gedwongen was om in tegenwoordigheid dezer lieden het stilzwijgen te bewaren. Verjaagd zijnde uit de wereld, neemt hij de toevlucht tol God. Evenzoo is het ook in onze dagen: hoewel de geloovigen in geenerlei opzicht vorderen bij de boozen en ongeloovigeh, toch blijft hun de overwinning verzekerd, indien zij zich terugtrekken en tot God gaan in hel gebed. Ziehier in korte woorden wal hij wil zeggen; Alles beproefd hebbende, en ziende dat hij niet verder komt, laat hij af van de menschen, en heeft hij alleen met God te doen. Wal betreft hetgeen volgt: O Jehovah ten tijde uws welbehagens, velen vertalen dit anders, dit alles aan een lezende; Mij aangaande, ik heb lot God gebeden ten tijde zijns welbehagens; volgens hetgeen gezegd wordt door Jesaja; Roept Hem aan terwijl Hij nabij is (Jes. 55 ; 6). Anderen verklaren het aldus; ik heb gebeden , dal de lijd des welbehagens zal komen, en God beginnen zal mij gunstig en genadig te zijn. Maar ik voor mij, denk veeleer dal David hier verhaalt welke vertroosting hij erlangd heeft, toen hij bij zich zeiven dacht; hoewel de lijden thans onrustig en benauwd zijn, en het schijnt alsof mijn gebed vruchteloos is, toch zal het welbehagen des Heeren ook eenmaal komen. Zoo zegt de Profeet Habakuk, dat hij stond op de wacht (Hab. 2 ; 1). Evenzoo zeggen Jesaja en Jeremia; Ik zal den Heere verbeiden, die zijn aangezicht verbergt voor het huis Jakobs (Jes. 8; 17; Jerem. 14 ; lOJ. Want wij hebben geen ander middel om de overwinning te behalen, dan de goede hope, die ons tegenblinkt uit het midden der duisternis, en dal het verbeiden van des lleeren welbehagen ons slaande houdt. Nadat David aldus zijne volharding versterkt heeft, voegt hij er terstond bij: Antwoord mij in de veelheid uwer goedertierenheid, moed scheppende en vertrouwen ontleenendc aan Gods aard en hoedanigheid. En bij de goedertierenheid voegt hij de waarheid des
12
Psalm 09 ; 14, 15 en 16.
heils-, alsof hij zeide dal de goederlierenheid en groote goedheid Gods immer gebleken is uil de zekere uilwerking, wanneer Hij de zijnen in den uiterslen nood te hulp komt. En daaruit vloeit nu voort het gebed, dal hij, al zijne zinnen lot God richtende, uit vreeze dal hij anders door de kwellingen der boozen zal bezwijken, overtuigd is, dat nadat de duisternis geweken zal zijn, de schoone tijd des welbehagens eindelijk komen zal.
15. Verlos mij uit het slijk, opdat ik niet wegzinke; laat mij gered worden van mijne tegenstanders en uit de diepten der wateren. 16. Dat de vloed des waters mij niet overstroome, en de afgrond mij niet verslinde, en laat de put zijn' rand niet over mij toesluiten. 17. Antwoord mij, Jehovah! want uwe goedertierenheid is goed, zie mij aan in de veelheid uwer barmhartigheden. 18. En verberg uw aangezicht niet van uwen knecht; want ik ben in het ongeluk, haast U. antwoord mij! 19. Nader tot mijne ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.
15, Verlos mij uit het slijk. Hij herbaalt nog eens hel beeld, dal hij reeds vroeger gebruikt beeft, maar toch op eenigszins verschillende wijze. Boven had bij gezegd, dal bij gezonken was, thans bidt hij om niet weg te zinken. Meer nog, in plaats van te klagen over de dingen, die hem overkomen zijn, bidt hij thans dat zij hem niet overkomen zullen. Maar dit verschil is gemakkelijk te verklaren, want in hel begin spreekt hij naar zijne gewaarwording en naar hetgeen hij ervaren heeft; thans ziet hij op de uitkomst. In het midden des doods leeft hij dooide hope van verlost te zullen worden. Hel laatste lid drukt dit nog beter uit: En dat de put zijn rand niet over mij toesluite, heigeen zoo veel beleekent alsof bij zeide: Dal het groot aantal en de zwaarte der beproevingen mij niet overstelpen, en de smart mij niet verzwelge. Die smeeking bij de goederlierenheid en barmhartigheid Gods toont door welke benauwdheid de heilige Profeet was aangegrepen; want er is niet aan te twijfelen dal hij een ontzettenden strijd had te strijden, toen hij naar de wapenen had gegrepen. En het is voorwaar ook zeer moeielijk
13
Psalm 09 : 17, 18 en 19.
Ie gelooven dal God ons gunstrijk en genadig is, wanneer Hij toornt; en dal tlij ons nabij is, wanneer Hij zich verre houdt. Daarom verzamelt David hetgeen hij aan dit mistrouwen tegenover kan stellen; en de goedertierenheid en groote barmhartigheid Gods aanroepende, toont hij aan, dat hij geene andere reden heeft om te hopen dan hel feit dat God vol van goedertierenheid en barmharligheid is. En dat hij daarna zegt: Zie mij aan, dal is, alsof hij gezegd had; Laai hel door de uilkomst blijken, dal ik verhoord ben geworden, te welen, wanneer Gij 'mij zult hebben geholpen Evenzoo spreekt hij ook in hel volgende vers. En door dezelfde zaak zoo dikwijls te herhalen loont hij zoowel het heilige zijner smart als de vurigheid van zijn' ijver en zijne liefde. Hij vraagt dat God zijn aangezicht niet zal verbergen, niet alsof hij vreesde verstoolen le zullen worden, maar omdat hel niet anders kan of zij, die gedrukt zijn door leed en ellende, moeten nu en dan wel door benauwdheid heen en weder worden bewogen Omdat God echter zijne getrouwe dienstknechten zeer bijzonder tol zich noodigl, voegt bij zich lol hun getal, want, gelijk ik reeds heb aangetoond, en gelijk hierover naderhand nog uitvoeriger gesproken zal worden; hij boogt niei op zijne verdiensten, waai door hij recht op iels zou hebben, veeleer steunt hij op de vrije uilverkiezing Gods, tenzij dal hij tegelijkertijd getuigenis aflegt van den dienst en de ware gehoorzaamheid, die hij Gode beloond heeft, daar hij God, die hem had geroepen, getrouwelijk heelt gediend. Wat betreft dal hij zegt: Haast U, daarover heb ik elders reeds gesproken.
19. Nader tot mijne ziel. Hoewel hij er door hel geloof van overtuigd was, dal God hem nabij was, zoo klaagt toch David â omdal wij gewoon zijn de tegenwoordigheid of de afwezigheid van God af le meten naar de uitwerkselen er van â stilzwijgend naar hel gevoel van zijn vleesch, dal God verre van hem is. Wanl door het woord Naderen geelt hij te kennen, dal God geene zorg had gedragen voor zijn heil, voor zooveel hij dit namelijk uit de leiten kon afleiden. Overigens, aan God vragende te naderen tol zijn leven, dat Hij had verlaten, schijnt hij een zeer bijzonder bewijs le geven van zijn geloof, en hoe meer de boezen en hoovaardigen hem dringen en drukken door hunne wreedheid, hoe meer hij vertrouwt en er zich van verzekerd houdt, dat God zijn Redder en Bevrijder zal wezen; gelijk men elders gezien heeft, dal vastgehouden moet worden aan dit beginsel; Omdat God de hoovaardigen wederstaat (Jakobus 4 6),
14
Psalm 6fl : 19 en 20.
hoewe! Hij voor een' lijd lt;ie oo^en sluit, zoo kan hel loch niel anders, of Hij moei eenmaal de onbeschaamdheid en den hoogmoed beslraffen van hen, die zoo hovenmale vveerslaan
20. Gii kent myne versmaadheid , en mijne schaamte, en myne schande; al mijne tegenstanders zijn voor U 21. De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik hen zeer bedroefd; en ik heb gewacht dat iemand medelijden met mij had, en er was geen; en naar vertroosters, en ik heb er geen gevonden. 22. En zij hebben mij gal in mijne spijze gegeven; en in mijn' dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
20. Gij kent myne versmaadheid. Dil is eene bevestiging van de vorige zinsnede. Want iioe koml hel anders dal de meeslen den moed verliezen, als zij zien hoe de hoovaardigen zich te buiten gaan in wreedheid , en dal hunne boosheid als een overstrooming is, zoo niet omdat zij denken dat de hemel verduisterd is en bedekt met wolken, zoödat God niet zien kan wal er op aarde gebeurt. Wij moeten hier dus gedenken aan de voorzienigheid Gods, opdat wij er niet aan twijfelen, dat God ons Ier rechter tijd te hulp zal komen. Want van den eenen kant zou het niet kunnen dat Hij de oogen sluit voor on?e ellende, en van den anderen kant zou Hij niet kunnen loeialen, dal de ongebondenheid der boozen ongestraft bliül, indien Hij ten minste zich zeiven niet wil verloochenen. David vindt dus rust in deze vertroosting dat God getuige is van zijn verdriet, van zijne smart, van de wreedheid, die men hem aandoet, van zijne droefenis en zorgen; omdat er niets verborgen is voor de oogen desgenen, die de Rechter en Bestuurder is der wereld. En hel is geene overtollige herhaling, als hij zoo dikwijls van versmaadheid en schande spreekt; want hij moest noodwendig eene groote sterkte stellen tegenover zoo schrikkelijke verzoekingen, die een grooten en edelen moed zouden hebben kunnen doen bezwijken. Er is niets dat voor kloekmoedige en edelaardige menschen zoo zwaar is om Ie dragen als versmaadheid. Maar als er dubbele versmaadheid is, of wel, wanneer allerlei ver-smaadheden bij elkander komen, welke kracht hebben wij dan van noode, om niel verpletterd te worden? Want, wij
15
Psalm 69 : 20 en 21.
kunnen liclil verdrietig worden, als de hulpe uilblijl't, en het verdriet kan ons gemakkelijk tot wanhoop voeren. Opdat David dus niet zou bezwijken onder den last, vertroost hij zich met de gedachte dal de beproevingen, die hem drukken en kwellen, niet onbekend zijn bij God. En voorts, men kan al de ver-smaadheid en schande op hem toepassen zoowel voor het uitwendige, voor hetgeen zichtbaar was voor allen, als voor het inwendige, waaronder zijne ziel geleden heeft, want men weet, dat hij in hel openbaar bespot en gehoond werd, en het kon niet anders of deze bespotting moet hem beschaamd en schaamrood hebben gemaakt door de smart, die hij gevoelde. Om diezelfde rede voegt hij er bij, dat zijne tegenstanders voor Hem zijn, of Hem bekend zijn; alsof hij zeide: Heere, Gij weet, dat ik als een arm schaap door duizenden verscheurende dieren omringd ben.
21. De versmaadheid heeft mijn hart gehroken. Hij drukt nog duidelijker uit, dat hij niet slechts beschaamd en schaamrood was van wege den treurigen schijn van verlaten te wezen, maar dat hij ook térnedergeslagen was van smart, omdat hij zoo lang in die versmaadheid was gebleven. Hieruit zien wij, dat hij die smart niet zonder strijd te boven is gekomen, en dat, zoo hij dien vloed van verzoeking voortdurend weerstaan heeft, dit gansch niet zeggen wil, dat die vloed niet tot zijn hart was doorgedrongen, maar dat, zoo hij geweldig geschud was, hij toch niet minder sterk is geweest om hem hel hoofd te bieden. Er wordt hier ook nog eene andere omstandigheid bijgevoegd, nl. dal niemand hem iets verplicht meende te zijn. Er was niemand die medelijden met hem had, of aan wien hij zijn hart kon uitklagen ; want sommigen nemen het Hebreeuwsche woord voor Vertellen. En inderdaad, als wij onze zuchten en klachien uitstorten voor onze vrienden, dan geeft ons dit eenige verlichting van onze smart. Hierdoor beweegt hij God tot medelijden, omdat hij van alle hulp en bijstand ontbloot is. Daarom herhaalt hij ook dat zijne vijanden zoo wreed mogelijk jegens hem zijn. Hoewel hij nu beeldspraak gebruikt als hij zegt: Zij hebben mij gal in mijne spijze gegeven, of vergift, en in mijn dorst hebben zij my edik te dnnlcen gegeven, gelijk in Jeremia gezegd is: Hout doen in het brood, Jer. 11 : 19). zoo heeft Johannes toch niet zonder reden gezegd, dat de schrift vervuld is, toen de krijgsknechten onzen Heere Jezus Christus aan het kruis edik te drinken hebben geveven (Joh. 19:29); want dit moest door een zichtbaar leeken openlijk voorgesteld worden in
16
Psalm 69 : 22 en 23.
Jezus Christus, te weten; welke wreedheid de boozen en verworpenen plegen aan zijne leden, gelijk men hier boven gezien heeft in Psalm 22:19, toen de krijgsknechten de kleederen van Christus onder elkander verdeeld hebben, dit vers niet ongepast aangehaald is: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en hebben het lot geworpen over mijn gewaad; hoewel David deze beeldspraak gebruikt om te zeggen dal men hem beroofd heeft, en dat hem al zijne goederen ontnomen zijn, en zijnen vijanden ten prooi werden. Evenwel moet de natuurlijke zin behouden blijven, te weten, dat de heilige Profeet geenerlei verademing gehad heeft, alsof eene arme mensoh, die reeds al te zeer onder beproeving en lijden gebukt ging, nog daarenboven moest bevinden dat zijne spijze vergiftigd, en zijn drank door iets bitters was bedorven.
23. Hunne tafel worde voor hun aangezicht tot een1 strik, en hun voorspoed tot een net. 24. Laat hunne oogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hunne lenden gedurig sidderen. 25. Stort over hen uwe gramschap uit; en de hittigheid uws toorns grijpe hen aan. 26. Hun paleis zij verlaten, in hunne tenten zij geen inwoner. 27. Want zij hebben vervolgd dengene, dien Gij geslagen hebt, en beroemen zich over de smart uwer verwonden. 28. Doe misdaad tot hunne misdaad, en laat hen niet inkomen in uwe gerechtigheid. 29. Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. 30. Doch ik ben ellendig en in smart; uw heil zal mij verhoogen.
23. Hunne tafel worde voor hun aangezicht tot eeri strik. Dit zijn schrikkelijke verwenschingen, hieromtrent moeten wij wèl in gedachten houden hetgeen boven aangetoond is, nl. dat David zich niet den vrijen teugel gevierd heeft om aan zijn toorn lucht te geven, gelijk de meeste menschen, die zich beleedigd en mishandeld gevoelen, hunne smart niet weten te matigen; maar geleid zijnde door den Heiligen Geest, is hij de perken
Dl. II. 2
17
Psalm 69 ; 23.
18
niel te builen gegaan; hij heeft slechts aan God gevraagd zijn rechtvaardig oordeel aan de verworpenen te voltrekken. Ja meer, het was niet zijne eigene zaak waarvoor hij pleitte; neen, hij was gedrongen donr een' heiligen ijver voor de eere Gods, om de goddeloozen voor zijn rechterstoel te dagen. Daarom was hij ook niet vervoerd door eene blinde drift gelijk zij, die door de begeerte naar wraak worden gedreven. Aangezien het dus de Geest der wijsheid, der oprechtheid en der gematigdheid was, die aan David deze verwenschingen heeft ingegeven, moeten zij, die bij iedere gelegenheid aan hun toorn en bittterheid lucht geven, en wel bij den eersten den besten, dien zij ontmoeten, of die'door een heftig ongeduld zijn bevangen om zich te wreken, zoodat zij de oogen niet gericht kunnen houden op een goed en recht doel, noch binnen de perken der gematigdheid kunnen blijven, zich ook niet achter het voorbeeld van David vei schuilen. Want er is wijsheid noodig om te kunnen onderscheiden tusschen hen, die gansch en al verworpen zijn, en hen, voor wie de hoop op verbetering nog niet uilgebluscht is. Wij hebben ook oprechtheid noodig, opdat men zich niet door zijn eigen gevoel laat beheerschen; en gematigdheid, om ons hart te neigen lot een kalm en rustig verdragen. Daar deze drie hoedanigheden ongetwijfeld in David gevonden werden, moeten zij, die hem in alle oprechtheid wenschen na te volgen , er zich niet onbezonnen en met doldriftige onstuimigheid toe begeven om booze verwenschingen te doen, ja meer; men moet zijne hartstochten en de ontroering des gemoeds tot bedaren brengen; men moet niet zoo bijzonder met zich zeiven bezig zijn, maar er zich veeleer op toeleggen om alleen de eere Gods te zoeken. Korlom. indien wij ware navolgers van David wenschen te zijn, dan moeten wij ons den Persoon van onzen Heere Jezus Christus vooistellen, opdat Hij ons heden niet antwoorde, wat Hij voormaals aan twee zijner discipelen geantwoord heeft: Gij weet niet van hoe-danigen geest gij zijl (Lukas 9:55). hn nu, omdat David geklaagd heeft, dat zij gal in zijne spijze gemengd hebben, bidt hij, dal hun tafel hun tot. een' strik worde, en dat de dingen, die tot vrede dienen, in een net voor hen zal worden verkeerd. Het zijn beelden of gelijkenissen door welke hij de begeeite uitdrukt, dat God alles wat hun tot leven en voorspoed had moeten strekken, in verderf zal verkeeren. Hieruit leeren wij, dat, evenals de dingen, die uil bun' aard en op zich zeiven niet anders dan schadelijk kunnen zijn, ons toch, wanneer God vóói ons is, ten goede zijn, ook alles, wat overigens goed en nuttig is, gevloekt is, wanneer Hij in toorn is ontstoken, zoodat al
Psalm 09 : 23, 24 en 25.
deze dingen dan even zoo vele oorzaken zijn van verderf. Nu behoort zoodanige wrake Gods ons wel le doen sidderen, als de Heilige Geest hel uitspreekt, dat alles wat strekt om le doen leven, doodelijk is voor de verworpenen (Titus 1 : 15); zoodat zelfs de zon, die genezing draagt in zijne vleugelen, bun niets dan een adem des doods aanbrengt. (Maleachi /lt;â : 2).
24. Laat hunne oogen duister worden. Omdat hij hier voornamelijk twee gaven of vermogens aanduidt, wil ik gaarne de meening aannemen van hen, die denken, dat dit de som of inhoud is van hetgeen David hier zegt: Heere, ontneem hun alle verstand; ja meer, verzwak hunne krachten en vermogens, zoodat zij nergens meer toe in slaat zijn. Want wij weten dal niets goed of recht gedaan kan worden, als de wijsheid niet vooraan gaat om te verlichten, en zoo er bet vermogen niet mede samengaat om uit te voeren. Dewijl deze vloek nu weldra vallen zal op bet hoofd van de vijanden der Kerk, moeten wij niet al le zeer verslagen zijn over de boosheid en de woede der godde-loozen; want God is machtig ben plotseling met blindheid te slaan, zoodat bel is alsof bun de oogen uilgestoken zijn en zij niets zien, en hunne lendenen te breken, zoodat zij beschaamd uitkomen.
25. Slort over hen mee gramschap uit. Men moet er zich niet over verbazen, dat David deze verwenscliingen zoo lang aanhoudt, want wij weten, dat de woedende vijanden der Kerk, die bij heeft willen verschrikken, niet gemakkelijk bewogen konden worden. quot;ij verheft zich tol de grootst mogelijke heftigheid en onstuimigheid tegen ben, opdat zij af zullen laten van hunne slechtheid en lioovaardij. Voor het overige, David heeft voornamelijk het oog op de geloovigen, die overstelpt zijnde van rampen, door niels anders kracht of steun erlangen, dan doordat zij uit den eigen mond Gods hooren welke schrikkelijke wrake bereidt wordt voor hunne vijanden, voor diegenen nl. die tot hel gelal dei-verworpenen behooren. Want wat ben betreft, voor wie nog eenige hoop op genezing was, David zou wel gewenscht hebben dal de straf der kastijding over ben was gekomen, maar voor de verworpenen, voor wie geene hoop op behoudenis meer mogelijk was, bidt bij dat hel verderf neer zal komen op hun hoofd, zoodal zij aan de straf niet meer ontkomen kunnen, die voor hen bestemd is, en die zij zoo zeer hebben verdiend. In bet volgende vers gaat bij verder, nl. dal God zijne gramschap ook zal uilstorlen over hunne opvolgers, daar bet niets nieuws
2*
19
Psalm 69 : 26 en 27.
is, dat de zonden der vaderen bezocht wordt aan de kinderen. Want, evenals David deze verwenschingen door de ingeving des Heiligen Geestes heelt uitgesproken, zoo heeft hij ze ook aan de Wet zelve ontleend, waar God zegt, dat hij wrake zal doen over de ongeloovige minachters tot in hel derde en vierde geslacht (Exodus '20 : 5). In dien geest begeert hij dat hunne gedachtenis vervloekt zij, zoodal God zells de dooden niet spaart.
27. Want zij hebben vervolgd. Hij toont hunne misdaad aan, opdat men wete dat zij die schrikkelijke straf meer dan verdiend hebben. Sommigen verklaren dit vers aldus: Heere, niet tevreden met de wonden, die Gij geslagen hebt, hebben zij nog hunne wreedheid uitgeoefend op den ellendige, die reeds door uwe hand gewond werd. En gewis, aangezien de menschelijkheid ons gebiedt de beproefden te ondersteunen, zal hij, die zich Irotsche-lijk verheft tegen een' ellendige, die reeds overstelpt is van smart, hierin eene meer dan woeste wreedheid openbaren. Anderen verwerpen deze meening, en schijnen daar wel eenige reden voor te hebben, schoon ik niet weet, of die reden wel juist en geldig is, te weten: dal David in den eigenlijken zin des woords dooide hand Gods niet geslagen of gewond was geworden; want in geheel dezen Psalm klaagt hij over de hartstochtelijke heftigheid en het geweld zijner vijanden. Op die wijze weten dezen dan een sublielen zin voor den dag te brengen, alsof David zeide dat zijne vijanden op onbeschaamde wijze eene rechtvaardige zaak voor zich zeiven hebben verzonnen, want zij beroemden er zich op de dienaren Gods te zijn, die aan een slecht mensch de straf voltrokken, arelijk de boozen zich ook gaarne dien schijn gevende, denken, dat zij naar hun goeddunken kunnen handelen, en toch ongestraft blijven; gelijk men ook elders dit woord van de boozen kan zien: Komt, laat ons hem plagen en verdrukken, want God heeft hem verlaten (Ps. 71 :1i), enz. ik voor mij denk veeleer, dat hij hier den geslagene of gewonde noeml dengene, dien God heeft willen verootmoedigen als een zijner kinderen met de bedoeling, dat in die bestraffing en kastijding zelve een teeken van de vaderlijke liefde Gods te bespeuren is. Nu spreekt hij van de gewonden Oods bijna op de zelfde wijze als Jesaja spreekt van Gods dooden, van hen nl.,die zelfs in den dood onder Gods hoede blijven, Jes. 26 : 19. Want dit kan niet op allen, doch alleen op de geloovigen toegepast worden, wier gehoorzaamheid God door verdriet en moeite op de proef wil stellen. Als de boozen deze gelegenheid nu aan grijpen om zich nog meer in boosheid te buiten te gaan, dan
20
Psalm 69 : 27 en 28.
moet hel ons niet verwonderen, zoo dil hun lol zwaarder ver-doemenis zal slrekken. Wanl als hun zulke voorbeelden zijn voorgesteld, moeten zij gedacht hebben: Indien zij dil doen aan het groene hout, wal zal aan hel dorre geschieden (Lukas 23 : 31) ? Daar zij zich hoe langer hoe meer verharden blijkt hel, dat zij zich uil haal legen den waren godsdienst zoo trotschelijk tegenover Gods kinderen gedragen. Wat betreft het llebreeuwsche woord, dal men gewooonlijk overzet door: Zij verhalen, ik heb dit anders vertaald, want eigenlijk beteekenl hel Tellen, en daarom kan men het gepast overbrengen op vermeerdering of toeneming, te weten: door kwaad bij kwaad en plage bij plage te voegen, hebben zij de smart ten top doen stijgen.
28. Doe misdaad tot hunne misdaad. Omdat hel llebreeuwsche woord somlijds zondeschuld beteekenl, zoowel als ongerechtigheid, hebben sommigen dit vers in dier voege verklaard, alsof God slraf bij straf zou voegen. Anderen gaan hierin nog verder, te welen, dat slechte en goddelooze menschen de straf uilmaken voor de misdaden van dezen. Maar uil hel tweede lid van het vers is hel gemakkelijk te zien, dal David veeleer dil vraagt (hetgeen door de meesten ook wordt aangenomen): dal God de hoozcn zijn' Geest onlhoudende, hen overgeeft ten verderve, zoodal hun hart nooit naar verbetering uitgaat. Want, dat sommigen Komen in gerechtigheid houden voor kwijtgescholden te worden, dat schijnt te flauw voor de wijze van spreken, die David hier gebruikt, en waardoor hij veel meer wil te kennen geven. Zie hier dus hoe deze woorden verklaard belmoren te worden: Dal hunne ongerechtigheid toeneme, of hoe langer zoo grooter worde, en dal zij een afkeer mogen hebben van bestraffing of kastijding, opdat hel openlijk bekend zij, dat zij vervreemd zijn van God en uit zijne tegenwoordigheid verbannen zijn. Daar deze wijze van spreken dikwijls in de Heilige Schrift wordt aangetroffen en zij er zeer bekend is, moet zij ons niet ruw toeschijnen, en hel is beuzelachtig om haar, gelijk sommigen doen, te willen plooien en wringen om aan het [schijnbaar] ongerijmde te willen ontkomen. Zij geven de verklaring, dat God overtreding bij overtreding, zonde bij zonde voegt door toelating, en zij wagen die gissing, zeggende dat dit eene zegswijze is in de llebreeuwsche laai, hetgeen echter door geen enkelen Hebreër toegestemd zal worden. Nu zijn deze drogredenen echter volstrekt niet noodig om God te verontschuldigen; want als Hij de verworpenen met blindheid slaat, dan is het genoeg, dal Hij daar goede en rechtvaardige redenen voor heeft; zoodal de
21
Psalm 09 : 28 en 29.
menschen er niets bij winnen om le murmureeren en de strijden, alsof zij niet anders zondigien en overlraden dan wanneer zij door Hem hiertoe gedrongen zijn. Want hoewel de oorzaken der verblinding soms verborgen zijn in den verborgen raad Gods, zoo is er toch niemand, die door zijne eigene conscientie niet wordt bestraft, en ons betaamt het de hooge verborgenheden Gods, die ons verstand te boven gaan, le aanbidden en met eerbied le bewonderen. Het is voorwaar! ook niet zonder reden gezegd dat de oordeelen Gods een diepe afgrond zijn (Ps. 36 : 7). En wat de tegenwoordige Schriftuurplaats betreft, het zou voorzeker wel eene al te sterke omkeering zijn van de orde der dingen, om tekenmale als God zijne oordeelen uitvoert een deel der schuld op Hem te willen leggen. De zaak komt hierop neder: Door de rechtvaardige wrake Gods worden de boozen en hoovaardigen in een' diepen afgrond van ongerechtigheid gestort, zoodat zij zich nooit meer ten goede kunnen keeren, en hij, die vuil is nog vuiler wordt (Openb. 22:11). Overigens verklaar ik de Gerechtigheid Gods niet in actieven zin, die nl. welke Hij schenkt aan zijne uitverkorenen en geloovigen, hen wederbarende door zijn' Geest; maar ik versta hierdoor de heiligheid van leven, welke God goedkeurt.
29. Laat hen uitgedelgd worden uit het hoelc des levens en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Dit is de laatste verwensching en die hel meest van allen te duchten is, maar die immer volgt op de onboetvaardigheid en hardnekkigheid, waarvan boven gesproken is. Na hun dus de hoop op berouw en bekeering ontnomen le hebben, kondigt hij hun ook het eeuwig verderf aan; want allen, die niet geschreven zijn in het boek des levens, moeten noodzakelijkerwijs verloren gaan. Wel is waar, is deze wijze van spreken niet letterlijk, maai zij is toch uitnemend geschikt om door ons te worden begrepen, aangezien het boek des levens niets anders is dan de eeuwige raad Gods, door welken Hij de zijnen ter zaligheid heeft verordineerd en voorbeschikt. Dit is zeker, dat in God geene verandering is. Ja meer, wij welen dal zij, die aangenomen zijn in de hope der zaligheid, opgeschreven zijn van vóór de grondlegging der wereld. (Efez. i : 4.) Omdat echter de eeuwige uitverkiezing Gods onbegrijpelijk is [voor ons versland], wordt gezegd dat zij, die openlijk en door onmiskenbare teekenen door God tot zijn volk gerekend worden, opgeschreven zijn. Om dezelfde reden daarentegen zijn zij die door God openlijk verworpen en van uil zijne gemeente uitgeroeid worden, uilgewischt [uit het boek des levens]. In
22
Psalm 69 : 29 en 30.
zoo ver David dus begeert dal de wrake Gods openbaar worde, is bel volkomen gepasl, dal bij de verwerping zijner vijanden duidelijk maakl voor ons versland; alsof bij zeide: Heere, schrijf ben niel op de rolle van ben, die U loebebooren, en laai hen niet aangenomen worden mei uwe Kerk, loon veeleer duidelijk en onmiskenbaar door ben le verdelgen dal Gij hen bebl verworpen. En hoewel zij gedurende eenigen lijd eene plaals innemen in hel midden uwer geloovigen, zoo snijd hen len laalsle loch af opdal men wele, dal zij vreemdelingen zijn geweesl, loen zij zich in hel midden der huisgenoolen bevonden. Gelijk ook Ezecbiël zegl in Hoofdsluk 1:3:9; Zij zullen in de vergadering mijns volks niel zijn. Evenwel blijfl loch ook waar wal Jobannes gezegd heefl, dal geen van hen, die waarlijk kinderen Gods geweesl zijn, ooil zal omkomen (1 Joh. 3 : 9). Omdal de geveinsden zich echler hoogmoedig beroemen dal zij de eerslen en voor-naamslen zijn in de Kerk, wordl hunne verwerping door dil beeld gepasl en juisl uitgedrukl, als de Heilige Geesl zegl, dal zij uilgewischl zijn uil hel boek des levens. Nu moeien wij opmerken, dal hij in hel Iweede lid alle uitverkorenen Gods rechtvaardigen noemt, want, gelijk Paulus zegl: God heefl ons niel geroepen lot onreinigheid, maar lot heiligmaking (1 Thess. -4 : 7), opdat een iegelijk zijn vat bezille in heiligmaking en eere (1 Thess. 4:4). En elkeen kent den climax van Paulus in het 30ste vers van hel 8ste hoofdstuk van zijn' brief aan de Romeinen; Hij roept, die Hij heeft verkoren; Hij rechtvaardigt, die Hij beeft geroepen, enz.
30. Doch ik hen ellendig enz. Dit vers geeft beter le verslaan hoe David alle hoogheid en trotschheid van zich werpt, gelijk diegenen in hun hart koesteren, die lucht geven aan hunne begeerte naar wraak. Want er is niet aan le twijfelen of hij biedt zich hier zeiven Gode als een drankoffer door de offeranden van een gebroken en verslagen geesl, opdal bij door zoodanige lijdzaamheid genade mocht verkrijgen. Daarom voegt hij er ook onmiddelijk bij; Uw heil zal my verhoogen. Het is er voorzeker zóó ver van daan dat zij, die door hunne begeerte naar wraak worden gedreven, verootmoedigd of verslagen zijn, dal zij zich veeleer al te hoog verheffen. Maar er is bier een wederzijdsch verband lusscben de smart, waaronder hij gebukt ging, en de ondersteuning van God, door welke hij hoopt opgericht le zullen worden. Inlusscben belooft bij zich dat hetgeen anderen lot wanhoop zou leiden, hem lol heil zal strekken. Men zou dien volzin ook wel aldus kunnen verklaren: Hoewel ik thans gedrukt ben en zucht,
23
Psalm 69 : 30 en 31.
nochtans zal uw heil, o Jehovah! mij verhoogen. Maar, ik voor mij, houd er mij van verzekerd, dal David zijne smart op den voorgrond stelt ten einde barmhartigheid te verkrijgen. Hij spreekt ook niet maar van oprichting, hij zegt uitdrukkelijk dat hij verhoogd zal worden, en hiermede zinspeelt hij op de sterkten of burchten, die op hoogten gelegen zijn. Want dit is het wat het Hebreeuvvsche woord eigenlijk beteekent.
31. Ik zal den naam Gods loven met gezang, en Hem met lofzegging groot maken. 32. En dit zal Jehovah aangenamer zijn dan een jonge os, die hoornen en nagels draagt. 33. De bedroefden hebben het gezien, en zij, die God zoeken, zullen er zich over verblijden, en uw hart zal leven.* 34. Want Jehovah heeft het oor geleend aan de verdrukten, en zijne gevangenen heeft Hij niet veracht.
31. Ik zal den naam Gods loven. Thans verheit hij zich vol van blijdschap, en steunende op de zekere hope van verlost te zullen worden, vangt hij den triomfzang aan. Want, hoewel hij den Psalm geschreven heeft, toen hij reeds van alle vreeze voor gevaar gered was, is dit toch zeker, dal hij die dingen bepeinsd heeft, toen hij nog in angst en benauwdheid verkeerde, want door een stellig en vast geloof heeft hij de genade kunnen aangrijpen, hoewel die genade toen nog slechts in de hope was verborgen. Nu wordt er gezegd dat God groot gemaakt wordt door onzen lof, niet alsof er nog iets aan zijne waardigheid en heerlijkheid (die oneindig is) zou kunnen toegevoegd worden, maar omdat zijn naam verhoogd is onder de menschen. Ten einde zich nog meer te bevestigen wil David aantoonen dat de dankzegging, die hij zich gereed maakt Gode toe te brengen, eene aangename en welriekende offerande zijn zal. Want, wij kunnen niet sterker aangespoord worden tol dankzegging, dan wanneer wij er zeker van zijn, dal zoodanige dienst Gode welbehaaglijk is, gelijk Hij ook voor al de weldaden, die Hij ons schenkt, geen ander loon van ons begeert dan dat wij zijn' naam eeren en prijzen. Hieruit valt dan ook gemakkelijk af te leiden, dal de onverschilligheid van hen, die door vergeten of stilzwijgen den lof Gods achter houden, niet te verontschuldigen
24
Psalm 69 : 31 en 33.
is. En hoewel David nu de offeranden, voorgeschreven door de Wet, geenszins heefl veracht, ja ze ook niet heeft verzuimd of nagelaten, heeft hij toch verre de voorkeur gegeven aan den geestelijken dienst, en dat wel zeer terecht, aangezien deze dienst liet doel was van alle de ceremoniën en plechtigheden. Hierover is uitvoeriger gehandeld bij Psalm 50 : 8, 14). Intusschen moet Davids bescheidenheid hier wel opgemerkt worden; want, hoewel hij zich verheft tot het hemelsch voorbeeld, heeft hij toch niet geschroomd zich neder te buigen tot het gewone gebruik der Kerk, alsof hij gansch en al tot het gewone volk behoorde, opdat hij door de beelden en typen der Wet zou leeren hetgeen later helderder en duidelijker geopenbaard is door het Evangelie, te weten: dat de lof Gods, voor zoo veel hij uit onzen mond komt, onrein is, totdat hij geheiligd en gereinigd wordt door Jezus Christus. Stellen wij ons dan voor hoe grof en lomp het bijgeloof is van hen, die de uitwendige pracht der ceremoniën wederom terug willen, welke door het eenige offer van den dood des Zoons van God afgeschaft zijn; en wanneer zij zich vermoeid hebben met niets doen, denken dat God met hen verzoend is. Dat is niets anders dan zich een dikken sluier voor de oogen te doen ten einde den wettigen eeredienst te bedekken of te verdonkeren, dien David verre weg verkiest boven de ceremoniën, alhoewel dezen door God verordineerd waren. Door den Jongen os verstaat hij een schoone, uitgelezene os, alsof hij zeide, dat er geen offer was, hoe kostbaar ook, geen offerdier, hoe vet ook of schoon, waarin God een zoo groot welbehagen heeft als in hel offer der dankzegging.
33. De bedroefden hebben het gezien. Hij toont aan dal de vrucht dezer verlossing ook anderen ten deel zal vallen, gelijk wij hier boven in Psalm 42:23, 26 en in verschillende andere plaatsen gezien hebben, en dal doel hij eensdeels om de goedheid en genade Gods jegens de geloovigen naar waarde te schatten, en anderdeels opdat God des te meer geneigd zou zijn hem bijstand te verleenen. Overigens wil hij niet dat de geloovigen niet slechts van wege hunne broederlijke liefde van deze aanschouwing zullen genieten, maar ook opdat hun een algemeen onderpand van heil gegeven zal worden in den persoon van cénen mensch. Om die zelfde reden noemt hij hen bedroefden, of verdukten. Allen, zegt hij, die God zoeken, hoewel zij overstelpt zijn van leed, zullen loch door mijn voorbeeld moed vatten; want men moet die twee zaken aaneen lezen, omdat de zin niel anders in overeenstemming is dan op deze wijze, dal
25
Psalm 69 ; 33, 34 en 35.
hel aldus is dal Davids voorbeeld ooizaak zal zijn lol blijdschap voor de gelrouwe dienslknechlen Gods, als zij een geneesmiddel zoeken legen hunne droefheid. En hel is wel lerechl dal hij de begeerle van God le zoeken samen paarl mei droefheid of beproeving; vvanl niel allen maken zich de roede des Heeren over hen zóó len nulle, dal zij Hem uit zuiveren ijver des ge-loofs om heil vragen. In hel laalsle gedeelle van dil zelfde vers is er verandering van persoon, terwijl de zin er toch niel onduidelijk door wordt; veeleer wordt door zoodanig beeld veel gemakkelijker uitgedrukt wat David wilde zeggen, alsof hel feit hem voor oogen was. Want, zich lichtende lol hen, die gedrukt gingen onder lijden en gansch ter nedergeslagen waren, steil hij hun een beeld der opstanding voor oogen; alsof hij zeide: O gij die dood zijl, er zal u nieuwe kracht worden gegeven. Niel alsof het gelooi in de kinderen Gods vernietigd wordt, en hel in hen sterft, en dan weder opgewekt en levend gemaakt wordt door het voorbeeld der uitredding van anderen; maar omdat bet licht, dat als verstikt was, opnieuw begint te schijnen, zoodat het, bij wijze van spreken, wederom levend wordt. Onmiddelijk daarna geeft hij hel middel aan, te weten, dal zij, die er wèl van overtuigd zijn, dat hun in David eene algemeene leering is gegeven van de genade Gods, voorzeker lot deze gevolgtrekking zullen komen, dat God de ellendigen aanziet, en dal de verdrukten niet door Hem worden veracht. Want wij zien dal hij hetgeen aan één persoon geschied is, aldus beschouwt, alsof God er feitelijk door geloond heeft, dal Hij bereid is hulp te verleenen aan allen, die deerlijk en ellendig verdrukt worden.
35. Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeën, en al wat daarin wremelt. 36. Want God zal Zion verlossen, en de steden van Juda bouwen, en daar zullen zij wonen en haar erfelijk bezitten. 37. En het zaad zijner dienstknechten zullen er de erfgenamen van zijn, en zij, die zyn' naam liefhebben, zullen in haar wonen.
35. Dat Hem prijzen de hemel en de aarde. Men kan hier gemakkelijker en beter uit alleiden wat ik boven aangestipt heb, nl. dat David in geheel dezen Psalm de tolk is geweest der Kerk,
26
Psalm 69 : 35.
27
want heigeen hij meer bijzonder van zich zeiven lieeft gezegd brengt hij thans over op de Kerk. En wal betreft dat hij de elementen, die geen gevoel noch verstand hebben, oproept om God te loven, hij toont door deze hyperbolische wijze van spreken, dal wij niet genoegzaam bewust opgewekt worden den lof te zingen van God (waarvan de oneindigheid de gansche wereld overtreft) indien wij ons niet verhefTen boven ons gevoel en boven onze zinnen. En bovenal, het is de bewaring dei-Kerk, die het vuur van dezen ijver in Davids hart ontsteekt. Overigens, het slaat ongetwijfeld vast, dat hij door den geest der Profetie geheel den lijd omval heeft, gedurende welken God hel Koninkrijk en hel Priesterschap onder Israël heeft willen in stand houden. Hij begint evenwel bij die herstelling en wederoprichting, die door hem plotseling na den dood van Saul is lol sland gekomen, toen de schrikkelijke, verwarring die er heerschle, de voorbode scheen zoowel van den ondergang van den dienst van God als van hel verderf van geheel hel land. Nu zegt hij in de eerste plaals dal Zion verlost zal worden, omdat God de plaals in sland zal houden, waar Hij aangeroepen wilde zijn, en niet zal toelaten dat de dienst afgeschaft worde, dien Hij zelf had ingesteld. Daarna strekt Hij van de Arke des Verbonds en het heiligdom den zegen Gods uit over geheel de wereld, want het geluk des volks was op den godsdienst gegrond. En voorts: hij bedoelt dal deze verandering ten goede niet slechts voor een' lijd zal wezen, maar dal het volk door de standvastige hulpe Gods immer veilig zal wezen. En daarom is heigeen God zoo dikwijls in de Wel heeft beloofd, in waarheid bevestigd geworden door zijne komst aan de regeering, nl. dal dit land voortdurend erfgenamen zou hebben. Want hij stelt eene vreedzame, blijvende woning, tegenover eene herberg, waarin men slechts voor eene wijle loeit, alsof hij zeide: Thans, nu de heilige troon opgericht staal, is de lijd gekomen, wanneer de kinderen Abrahams de rust zullen smaken, die hun beloofd is, zonder vreeze van weggevoerd te zullen worden. In het laatste vers strekt hij dit uit tot de voortdurende opvolging der eeuwen, dat de vaders aan hunne kinderen de bezitting zullen geven, die zij zeiven hebben ontvangen, als van hand lol hand, en zoo wederom de kinderen aan hunne kinderen. Want hel voortdurend leenbezit steunt op den Zone Gods, van wien David eene voorafschaduwing was. Intusschen toont hij mei korte woorden aan, dat alleen zij, die de wettige kinderen Abrahams zijn, de erfgenamen der aarde zullen wezen. Want aan de geveinsden moest ieder vleiend denkbeeld ontnomen worden, daar zij op
Psalm 70.
niels anders steunende dan op den oorsprong van hun geslacht, dwaselijk roemden, dat de aarde hun door erfrecht toebehoort, hoewel zij zich van het geloof hunner vaderen hadden afgekeerd. Hoewel dit land nu aan het uitverkoren volk geschonken was tot aan de komst van den lleere Jezus, moeten wij toch wèl in gedachte houden, dat het slechts een beeld was van hel hemelsche vaderland, en daarom is hetgeen geschreven is van de bescherming der Kerk heden nog meer in werkelijkheid vervuld; want wij moeten niet vreezen dal hel geeHelijk gebouw des tempels instorten zal, waarin de hemelsche kracht Gods zich heeft geloond.
psalm: ro.
INHOUD: Daar deze Psalm slechts als een gedeche is van den 40sten, schijnt het opschrift: Om te gedenken hem hiermede te kenschetsen. Want David heeft deze vijf verzen, die hij aan een' anderen Psalm ontleend heeft, tot een bijzonder doeleinde aangewend. Ik zal dus slechts den tekst geven, waarvan de verklaring dan bij Psalm 40 nagezien kan worden.
1. Aan den opperzaDgmeester van David, om te gedenken. 2. O God! haast U om mij te verlossen, haast ü, Jehovah, ter mijner hulpe. 3. Dat zij, die myne ziel zoeken, beschaamd en schaamrood worden; dat zij, die mijn kwaad begeeren, achterwaarts gedreven en te schande worden. 4. Dat zij, die tot mij zeggen; ha, ha! vergaan tot loon hunner schande. 5. En dat allen, die U zoeken , vroolijk en verblijd zijn; dat allen, die uw heil liefhebben ook zeggen: God zij geduriglijk groot gemaakt. 6. Doch ik ben arm en nooddruftig, o God! haast U tot mij te komen; Gij zijt mijne hulp en mijne bevrijding: Jehovah! vertoef niet.
-28
Psalm 71 : 1 en 2.
PSALM 71.
INHOUD: Als David bij den aanvang gesproken heeft van zijn betrouwen op God, roept hij Hem eensdeels aan als zijn Bevrijder, en klaagt hij anderdeels over den hoogmoed zijner vijanden, en ten einde zijn geloof te versterken maakt hij zich ten slotte gereed om voor de weldaden van Gods zijne dankbaarheid te getuigen.
1. Op U Jehovah! betrouw ik, laat mij dan nooit beschaamd worden. 2. Red mij door uwe gerechtigheid, en bevrijd mij, neig uw oor tot mij en verlos mij.
3. Wees mij tot eene sterke rots, waar ik gedurig in kan gaan; Gij hebt bevel gegeven om mij te verlossen , want Gy zijt mijn toren en myne burcht.
4. Mijn God! bevrijd mij van de hand des boozen, en van de hand des verkeerden en geweldigen.
1. Op U betrouw ik. Sommigen meenen dat deze Psalm gedicht werd naar aanleiding van de samenzwering van Absalom en daar David melding maakt van zijn' ouderdom, heeft die gissing veel waarschijnlijkheid voor zich. Dewijl nu, wanneer wij tol God naderen, hel geloof alleen ons de deur openl, betuigt David naar zijne gewoonte, ten einde te verkrijgen wat hij vraagt, dal hij geene gebeden opzendt voor de leus, maar dat hij in ernst tol God gaat omdat hij er volkomen van overtuigd is, dal zijn heil in diens handen is. Want de mensch, die heen en weder wordt bewogen, en zijne hoop op verschillende middelen vestigt, of door vreeze met zich zeiven in strijd is, of de hulpe Gods minachtend verwerpt, of siddert door ongeduld, is onwaardig om door God geholpen te worden. Hel woordeke, dal aan het einde van hel eerste vers staal, en dal wij vertaald hebben door Nooit, heelt eene dubbele beleekenis, gelijk ik reeds aangetoond heb bij Psalm 31 :2; want, óf hel is eene stilzwijgende tegenstelling lusschen de rampen van heden en de blijde uitkomst,
29
Psalm 71 : 8 en 4.
die David hoopte, alsof hij zeide; Ueere, ik ben thans terneder-geslagen en beschaamd, maar Gij zult mij eenmaal verlossen; of wel: Ik zal niet altijd beschaamd icorden wil zooveel zeggen als: Nooit beschaamd te zullen worden. Omdat het overige nu bijna overeenkomt met het begin van Psalm 31, zoo kan de lezer daar vinden wat ik nu hier niet wil herhalen. In dit rededeel : Waar tJc gedurig in kan gaan, hetwelk niet in den anderen Psalm staat, vraagt David met koite worden, dat de hulpe Gods hem immer ten dienste moge wezen, opdat hij er eene veilige toevlucht in zal kunnen vinden telkenmale als hem gevaar dreigt van nabij; alsof hij zeide: Heere, mocht ik in U immer mijne hulpe gereed vinden, moogt gij mij genadig zijn, als ik tot U de toevlucht neem. Sommige uitleggers gebruiken den optatief voor hetgeen volgt: Gy hebt hevel gegeven om mij te bewaren;, alsof David het verlangen te kennen gaf, dat hij aan de hoede der engelen toevertrouwd zou worden. Maar het is beter den verleden tijd van hel werkwoord te behouden, want aldus wordt dan te kennen gegeven dal bij aan vroegere ervaringen den moed zal ontleenen om te hopen op eene gelukkige ontkoming aan zijne rampen van heden. Hel is ook niet noodig hel werkwoord te bepalen: Gij hebt bevel gegeven aan de Engelen; want, hoewel God hen gebruikt om de zijnen te bewaren, zoo neem ik dit toch liever in onbepaalden zin (daar God oneindige middelen bezit om hen Ie beschermen) dal God bevel heeft gegeven voor het heil der zijnen naar zijn' raad en telkenmale wanneer Hij dooreen teeken hun zijne gunst beloont, nu eens door een' enkelen blik. en dan wederom door middel van menschen of van andere schepselen ten uitvoer brengt hetgeen Hij heeft besloten. Intusschen twijfel ik niet of David geeft te kennen dat God machtig genoeg is in zich zeiven zonder de hulp in te roepen van anderen, alsof hij zeide, dat Ier onzer bewaring hel gezag van één enkel gebod Gods volkomen voldoende is.
4. Mijn God. Hoewel hij hier gebruik maakt van hel enkelvoud, is het loch niet slechts één enkele mensch, dien hij op liet oog heeft; want hij bedoelt waarschijnlijk het geheele leger der vijanden, dat hem aanviel. Wij hebben elders gezegd, hoeveel dil waard is om ons gerustheid te geven, als wij zóó zeker zijn van onze oprechtheid, dat wij vrijmoedig voor God durven klagen dal wij onrechtvaardig en boosaardiglijk door onze vijanden worden aangevallen. Want wij moeten er niel aan twijfelen, dal God onze zaak in handen zal nemen, daar Hij beloofd heeft de Beschermer te zullen zijn van hen, die onrechtvaardiglijk worden verdrukt
30
Psalm 71 : 5 cn 0.
5. Want, Heere, Jehovah, Gij zijt mijne verwachting en mijn vertronwen van mijne jeugd aan. 6. Op U heb ik gesteund van den buik aan; Gij hebt mij uit de ingewanden mijner moeder uitgetogen; mijn lol is geduriglijk van U. 7. Ik ben den grooten als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn vast betrouwen. 8, Mijn mond zal vervuld worden van uwen lof, en van uwe heerlijkheid alle dagen.
5. Want, Heere. herhaalt wat hij een weinig te voren
gezegd heelt van zijn betrouwen, tenzij men dien zin wellicht liever in verband wil brengen met de zaak op zich zelve, dan met de neiging des harten, alsof hij zeide, dat hem in de weldadigheden Gods reden is gegeven om het goede te hopen. En voorzeker! hij zegt hier niet eenvoudig dat hij op God heeft gehoopt; hij voegt er ook de ervaring bij, en belijdt dat hij van zijne jeugd af aan genadebetooningen heelt ondervonden, die hem geleerd hebben, dal men op niemand dan alleen op God moet vertrouwen. Hoewel hij nu door de uitkomst zelve de wezenlijke oorzaak des geloofs aantoont (indien ik dit eens zoo zeggen mag) zoo kan men hier toch uit leeren welk eene kracht het gedenken van de weldadigheiden Gods op hem heeft geoefend om zijne hope te voeden. Het volgende vers is aan dit vers verbonden, zoo ten minste David niet nog verder gaal. Want, niet alleen zingt hij van Gods genade, die hij van zijne jeugd al heeft ervaren, maar ook nog die, welke hem eer hij nog was geboren, beschoren waren. In Psalm : 10 vinden wij eene schier gelijkluidende belijdenis, waardoor de kracht Gods terecht verhoogd wordt, evenals zijne onschatbare goedheid in de voortteling van den mensch, waarvan wij de reden nooit zouden kunnen gelooven, indien wij er niet aan gewoon waren geworden. Want, indien wij bij de geschiedenis van den zondvloed gansch verbaasd staan als Mozes ons verhaalt dat Noach en zijn gezin tien maanden lang heeft kunnen leven te midden van zulk een' ernsligen overlast als veroorzaakt moet zijn geworden door zoo vele levende wezens, die in eene betrekkelijk kleine ruimte waren opgehoopt, terwijl zij geene versche, gezonde lucht konden inademen; hebben wij ons dan ook niet met recht te verwonderen dat hel kind, opgesloten in het ingewand der moeder, kan leven in een'toestand, waarin de krachligsle
31
Psalm 71 : G en 7.
man binnen eert half uur lijds zou moeien stikken? Maar omdat die wonderen Gods zoo veelvuldig voorkomen, worden zij niet door ons geteld. Daarom wordt deze ondankbaarheid zoo terecht bestraft door den geest Gods, als Hij ons dit opmerkelijk voorbeeld van Gods genade voor de aandacht brengt, welke gezien wordt in onze geboorte. En als wij nu ter wereld zijn gekomen, wat zou, hoewel de moeder haar plicht doet, en de vroedvrouw haar bijstaat, evenals ook vele anderen, wat zou er, zeg ik, van ons worden, indien God ons niet in zijn schoot ontving? En welke hoop zou er zijn om in het leven te kunnen blijven ? Zou het uittreden uit het ingewand der moeder dan niet veeleer een ingang zijn tot duizend dooden ? Daarom wordt niet zonder reden van God gezegd, dat [lij Uit den buik heeft uitgetogen. Hiermede stemt ook overeen de zinsnede van hel veis: Mijn lof is geduriglyk van U, want hij geeft hiermede te kennen dal de stof om God te loven hem voortdurend toevloeit.
7. Ik hen velen een wonder geweest. Hij begint te dezer ure zijne klacht, dat hij, van wege de groote ellende, waaraan hij ten prooi was, voor iedereen schier een verloeisel is geweest. Hoewel er nu eenigen schijn van tegenstrijdigheid bestaat in die woorden: Immer gekroond te zijn met de weldadigheden Gods, en van den anderen kant voor een wonder, d. i een soort van monster aangezien te worden, zoo kunnen wij hier toch eene zeer nuttige leering uil afleiden, te welen, dal de vertroosting, die hij heeft gesmaakt uit de weldaden Gods, door de zwaarte zijner rampen niet weggenomen kon worden. Hoewel hij zich aldus door iedereen verafschuwd zag, zoo is toch de herinnering aan het goede, dal hij had ontvangen, door geenerlei duisternis uilgevvischt kunnen worden, maar is hem juist ten licht geweest in zijn hart om aan zijn geloof richting en leiding te geven Door dit woord Wonder, moet geene gewone ramp verstaan worden, want zoo hij niet op vreemdsoortige, buitengewone wijze verdrukt was geworden, dan zouden zij, die met den ellendigen toestand des menschen niet onbekend zijn, van zoo groot eene versmaadheid geen afschuw gehad hebben. En hierin is de proeve zijner standvastigheid des te lofwaardiger, dat hij onder den last dier schande niet is bezweken, maar dat hij, nu de wereld hem verwierp, des te meer heeft kunnen rusten in God. Want de zin moet door een tegenstellend voegwoord verklaard worden, te weten : hoewel de menschen hem verafschuwen als een monster, zoo is hij, steunende op God, toch standvastig kunnen blijven. Wil men hel woord, dat ik door Grooten
3si
Psalm 71 : 8 en 9.
vertaald heb, overzetten door Velen, dan zal de zin wezen, dal de ellende van David zóó openlijk bekend is geweest bij het volk, alsof hij op een schouwtooneel den volke vertoond was geworden. Evenwel, naar mijn inzien, is het beter om er de beteekenis aan te geven van de grooten, d. i. van hen, die het meest in aanzien zijn. Nu is geen hart zoo sterk of standvastig, dat hel niet getroffen en diep gewond zou zijn door zoodanige smaadheid, wanneer zij, die men wijs en voortreffelijk acht, in oordeel en versland, en die met gezag bekleed zijn, afschuw betoonen voor iemand, die ongelukkig en in zware beproeving is. Onmiddelijk, en alsof hij zijne begeerte reeds verkregen had, voegt hij er het getuigenis bij van zijne dankbaarheid. En om zich nog vroolijker en in goede hope op le heffen, belooft hij uil vollen mond den lof Gods te zullen zingen, en dat niet slechts ééne enkele maal, maar hiermede steeds voort te gaan zonder het ooit moede te worden.
9. Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijne kracht vergaat. 10. Want mijne vijanden hebben van mij gesproken, en zij, die myne ziel bespieden, hebben te zamen beraadslaagd. 11. Zeggende; God heeft hem verlaten; jaagt hem na en gij zult hem vangen, want er is niemand, die hem verlost. 12. O God! verwyder u niet van mij; mijn God! haast u tot mijne hulp. 13. Laat hen, die mijne ziel haten, beschaamd worden en bezwijken, laat hen, die mij zoeken te schaden, met schande en schaamte overdekt worden.
9. Verwerp my niet. David, die zoo even verhaald beeft, hoe bod zijn leven beschermd heeft van zijne kindsheid aan, hem daarna in zijne jeugd heeft gevoed, en zich gedurende zijn gansche leven als de Hoeder heeft betoond van zijn heil, bevindt
Izich thans ternedergeslagen door den ouderdom, en nu werpt hij zich aan de vaderlijke borst om ondersteund en opgeheven te worden. Want, naarmate de krachten afnemen, en de noodzakelijkheid ons dringt om God te zoeken, behooren wij ook le hopen, dal Hij geneigd zal zijn om ons snel ter hulpe le komen. Dl. II. zich thans ternedergeslagen door den ouderdom, en nu werpt hij zich aan de vaderlijke borst om ondersteund en opgeheven te worden. Want, naarmate de krachten afnemen, en de noodzakelijkheid ons dringt om God te zoeken, behooren wij ook le hopen, dal Hij geneigd zal zijn om ons snel ter hulpe le komen. Dl. II. 3
33
Psalm 71 ; 9, 10 en 11.
Wal hij zeggen wil koml in hel korl hierop neder: Heere, Gij hebl mij in den bloei mijner jaren krachl en slerkle gegeven, verlaal mij niel te dezer ure, nu ik zwak en schier verwelkt ben; laai mijne krachteloosheid U tol medelijden bewegen, naarmate ik nu meer behoefte heb aan uwe hulp De Schriftverklaarders leiden, niet zonder grond, uil dit vers at, dat er in dezen Psalm melding gemaakt wordt van de samenzwering van Absalom. En voorzeker heefl dit afschuwelijk en treurig schouwspel kunnen teweegbrengen dal niel slechts hel gewone volk, maar ook ernstige, bezadigde lieden hunne oogen afwendden als van een afschuwelijk monster, toen de zoon zijn' vader ten doode toe vervolgde en lol zelfs in de woestijn najoeg, nadat hij hem uit zijn koninkrijk had verjaagd.
10. Want de vijanden, enz. Er is nog eene andere omstandigheid, die hem de barmhartigheid Gods doel inroepen, nl. dal de boozen, hem met overmatige wreedheid vervolgen, omdat zij denken dat God hem verlaten en verstoolen heefl. Want wij weten dat de stoutmoedigheid ook bij de boosaardigslen toeneemt, wanneer zij de onschuldigen kwellen en daarbij veinzen niets met God van doen te hebben, aangezien zij niet slechts bevestigd worden door de hoop van ongestraft te zullen blijven, maar zich daarbij nog beroemen, omdat hun alles naar wensch gaal, daar zich geen enkele hinderpaal voordoet, om hun' boozen wil in bedwang te houden. Nu is hetgeen aan David overkomen is, iets dat schier gansch gewoon is voor de kinderen Gods, nl. dal de boozen zich alle vrijheid veroorloven om hen te schaden, na zich zeiven eerst wijs gemaakt te hebben, dat het door den wille Gods is, dat zij hun ten prooi zijn geworden. Want, omdat zij de genade Gods afmeten naar hunne tegenwoordige omstandigheden , achten zij, dal allen, die Hij beproefd en in kommer laat zijn, door Hem veracht, verlaten en verstoolen zijn geworden. En in die overtuiging porren zij elkander aan om hen op allerlei wijze schade te berokkenen, daar er toch niemand is, die het voor hen opneemt. Maar die woedende beschimping behoort ook ons hart op te heffen omdal dit de eere Gods raakt, om dan inderdaad te ervaren heigeen hij zoo dikwijls belooft, nl. immer hulp le zullen verleenen aan de armen en beproefden. Nu zal de dwaze inbeelding van de verachters van God, waarbij zij zich beloven vergeving van Hem te zullen erlangen, hunne schuld volstrekt niet verminderen; veeleer beleedigen zij God in dubbele mate, daar zij Hem ontnemen wal Hem in de eerste plaats eigen is.
Psalm 71 : 12, 13 en U.
12. O Ood! verwijder U niet van mij. Men kan nauwelijks woorden vinden om uit te drukken, hoe zwaar en moeielijk deze verzoeking geweest is, toen de boozen er zich zoo van verzekerd hielden, dat David door God was verworpen. Want zij hebben dit gerucht zoo maar niet onbedachtelijk verspreid, maar na zich den schijn gegeven te hebben van alle dingen met wijs beleid gewikt en gewogen te hebben, gaven zij hun oordeel als iets dat volkomen bewezen was. Daarom is het in David eene bovenmenschelijke kracht geweest om hun verdorven oordeel zóó zeer te boven te komen, dat hij er zich van verzekerd houdt, dat God in weerwil van dit alles, Hem gunstrijk zijn zal, en hij vol vertrouwen de toevlucht tot Hem neemt En er is niet aan te twijfelen dat hij door Hem zijn God te noemen, met dit schild den ruwen aanval afweert. Terwijl hij nu de hulpe Gods inroept, bidt hij te gelijkertijd, dal zijne vijanden bedekt zullen worden van schaamte, totdat zij gansch verteerd zijn. Evenwel; men zou die woorden ook in den toekomenden tijd kunnen lezen, want na zijn gebed voleindigd te hebben, heeft David de gewoonte, zich tegen zijne vijanden te verheffen en als over hen te triomfeeren. Maar ik heb liever gevolgd wal het meest passend was in het verband van den tekst. Dewijl ik nu elders reeds gezegd heb hoe deze verwensching behoort te worden verstaan, is hel niet noodig dit thans te herhalen.
14. Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal boven allen lof den uwe stellen. 15. Mijn mond zal uwe gerechtigheid vertellen, en alle dagen uw heil, want ik heb er de getalen niet van geweten. 16. Ik zal heen treden door de krachten des Heeren Jehovah's, ik zal uwe gerechtigheid alleen gedenken.
14. Doch ik zal geduriglijk hopen. Wederom bereidt David zich, als de overwinning verkregen hebbende, tol dankzegging aan God. Er valt niet aan te twijfelen dal hij, terwijl zijne vijanden spotten met zijne eenvoudigheid, kloekmoedig gestreden heelt onder zijne droefenissen en rampen, hetgeen wij kunnen alleiden uil hel woord Hopen. Hoewel hij toen geenerlei uitkomst zag voor zijne ellende, en de boozen niet ophielden van hem te bespotten wegens zijn betrouwen, toch stelt hij zich voor le volharden in de hope; gelijk het ook een echt bewijs
3*
Psalm 71 : 14 en 15.
36
is van geloof om alleen le zien op de belolle Gods, en le midden van de zeer dikke duisternis der beproevingen alleen door zijn lichl le worden geleid. Die hope, waarvan David spreekt, moet dus geschat worden naar den strijd, dien hij toenmaals heeft gestreden. Door te zeggen dat hij aan al zijn' lof zal toevoegen toont hij de zekerheid, die hij bezit, dal zijne beproevingen en wederwaardigheden tot een gelukkig einde zullen komen. Want het is alsof hij zeide: Heere, omdat ik reeds sedert lang gewoon ben uwe weldaden te ontvangen, twijfel ik niet of deze nieuwe toevoeging zal mij ook nieuwe slof geven om uwen lof te zingen. Daarna zegt hij in duidelijker bewoordingen welk lofoffer hij Gode denkt aan le bieden, nl. dat hij voortdurend zijne gerechtigheid en zijn heil zal vertellen. Nu heb ik reeds vroeger dikwijls geleerd dal de gerechtigheid Gods niet deze is, waardoor Hij aan een iegelijk het zijne geeft, maar de getrouwheid en waarheid, die Hij de zijnen geeft te ervaren, als Hij hen voedt, onderhoudt en verlost. En hieruit kunnen wij eene onschatbare vertroosting pullen, nl. dal ons heil zóó zeer steunt op de gerechtigheid Gods, dal hel even vast en onwrikbaar is als deze. Hel is genoegzaam bekend, dat het heil Oods le dezer plaatse in actieven zin verslaan moet worden. Hij voegl hel samen met zijne gerechtigheid als de uitwerking met hare oorzaak, want hij bezat door niets anders de zekerheid van zijn heil dan door het feit, dal God rechtvaardig is en zich zeiven niet kan verloochenen. Omdat hij nu zoo dikwijls en door verschillende bewonderenswaardige middelen verlost is geworden , stelt hij zich voor er zich immer op toe le leggen Gods genade groot te maken. Sommigen gebruiken hier een tegenstellend voegwoord en vertalen: Hoewel hel heil Gods mij onbegrijpelijk is en mijn versland le boven gaat, loch zal ik hel vertellen. Maar de eigenlijke beleekenis is hier meer gepast, omdat er niets is, dal ons hart meer moest doen ontvlammen voor Gods lof, dan de tallooze weldaden, die wij van Hem ontvangen. Want hoewel ons hart wel onbewogen kan blijven na een of twee weldaden le hebben ontvangen, of verkoelen kan van wege het klein getal er van, zoo is onze ondankbaarheid toch niet le verontschuldigen, indien na zulk een verbazend groot aantal onze koudheid en gevoelloosheid niet wijken. Laat ons dan leeren de goedheid Gods niet op vluchtige wijze, of als met hartzeer te genieten, maar al onze zinnen uil le strekken tol hare grootheid, opdat zij ons in verrukking brenge van bewondering. Men slaat er over verbaasd, dat de Grieksche uillegger hier onbedachlelijk heeft kunnen vertalen: Ik heb de
Psalm 71 : 15 en 16.
letters niet gekend. Deze dwaling zou niet der moeite waard zijn om opgemerkt te worden, indien het niet ware dat sommige droomers, die, om zich te vleien en te streelen in hunne domheid er zich op beroemen, dat zij^ op het voorbeeld van David, alle letterkunde en wetenschap moeten verachten; gelijk de Anabaptisten van heden geen ander voorwendsel hebben om er zich op te beroemen geestelijk te zijn, dan dat er geen greintje wetenschap bij hen gevonden wordt.
16. Ik zal heentreden door de mogendheden des Heeren. Men zou eigenlijk even goed kunnen vertalen tot in de mogendheden, en deze verklaring is niet minder waarschijnlijk. Want, daalde vreeze voor gevaar ons hart beklemt, omdat wij de kracht Gods niet genoeg naar waarde schatten, zoo is ook het eenige middel om verlichting te verkrijgen in onze benauwdheid, door te dringen tot de kracht Gods, opdat zij ons voor alles genoegzaam zij. Ik heb echter de andere meer algemeen aange-nomene lezing willen behouden, omdat zij ook zeer gepast is, hoewel de uitleggers omtrent den zin verschillen Sommigen geven deze verklaring; Ik zal uittrekken ten krijg, vergezeld zijnde van de kracht Gods; hetgeen, naar mijn oordeel te beperkt is; ook heeft: Gaan de beteekenis van in vasten en voortdurenden staat blijven. Want, hoewel de geloovigen niet kunnen arbeiden zonder kwelling en overlast te ondervinden, en niet vroolijk en snel voorwaarts kunnen gaan, zoo wordt toch, omdat zij met onverwinbaren moed alle hinderpalen te boven komen zonder af te wijken van den weg of door wanhoop te bezwijken, gezegd dat zij voortgaan totdat zij den loop volbracht hebben. Kortom, David roemt, dat hij, totdat hij den eindpaal bereikt heeft, nooit van Gods bijstand ontbloot zal zijn. Omdat er nu in deze groote 'zwakheid niets zoo zeldzaam ot moeielijk is ais te volharden, verzamelt hij al zijne krachten om alleen op de gerechtigheid Gods te steunen. Want, dat hij zegt deze alleen te zullen gedenken, dit moet zoo verslaan worden, dat hij aflatende van alle verkeerd betrouwen, waar bijna de geheele wereld zich door laat vervoeren, hij zich geheel en uitsluitend verlaten zal op de bescherming Gods, zonder zich noch ter rechter, noch ter linkerzijde te laten afleiden, en ook evenzeer zonder zich door zijne eigene verbeelding te laten medevoeren. Augustinus gebruikt meer dan honderd malen dit getuigenis om de verdienste der werken te bestrijden, en stelt met bijzondere ingenomenheid de gerechtigheid, welke door God om niet wordt geschonken, tegenover de gerechtigheid, welke door menschelijke verdienste
37
Psalm 71 : 16.
zou worden verkregen. Evenwel, men moei bekennen dal hij eene vreemde wending geefl aan de woorden van David, die eenvoudig le verslaan geell, dal hij noch op zijne eigene wijsheid sleunl, noch op zijn' ijver, noch op zijne deugd, noch op eenigerlei rijkdom om zich mei zekerheid en vaslheid heil ol' zaligheid le beloven; maar dal hem dil alleen voor oogen slaal, dal hij, omdal God rechlvaardig is, onmogelijk door Hem verlaten kan worden. Want de gerechligheid Gods (gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben) beleekenl hier niel de vrije gave, door welke Hij de menschen mei zich verzoent, of hen wederom geboren doel worden lol een nieuw leven; maar wel de waarheid en slandvasligheid om zijne beloften le houden, door welke quot;ij zich rechtvaardig, trouw en waarachtig betoont jegens zijne dienstknechten. Nu zegt hij, dat hij immer alleen de gerechligheid Gods zal gedenken en voor oogen houden; want zoo wij niet al onze zinnen hierop gevestigd houden, zal Satjin groote verlokselen hebben om ons af le wenden naar de ijdelheid. Want zoodra er velerlei hoop en verwachting in het hart binnensluipt, zal men gemakkelijk doorvloeien; en al wie, niet tevreden zijnde met de genade Gods, van elders ook maar de minste hulp of bijstand verwacht, zal door zijn' val anderen ten voorbeeld strekken, om hen le doen weten hoe ijdel de sleunselen zijn, die men aan de hulpe Gods toe wil voegen. Wanneer nu David voor dil leven zijn' slaal niel anders heelt kunnen handhaven dan door zich op Gods gerechtigheid te werpen, na van alle andere betrouwen te hebben afgezien, wat zal dan, bid ik u, wanneer hel aankomt op het eeuwig en geestelijk leven, onze vastigheid zijn, indien wij ook maar in het minst of geringst van de genade Gods vervallen? Men kan dus niel ontkennen dat de partitie, welke de Papisten verzonnen hebben tusschen den vrijen wil en de genade Gods, de arme zielen ten verderve leidt.
17. ü God! Gij hebt mij geleerd van mijne jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik uwe wonderen. 18. En ook nog, o God! tot in den ouderdom en de grijsheid, verlaat mij niet, totdat ik uwe kracht heb verkondigd aan dit geslacht, en aan alle nakomelingen uwe macht. 19. En uwe gerechtigheid, o God, (is verheven) tot in de hoogte; want Gij hebt heerlijke dingen gedaan; o God! wie is U gelijk?
38
Psalm 71 : 17.
39
17. O God.' Gij hebt mij geleerd. Hij verhaalt opnieuw hoeveel hij God verschuldigd is voor zijne weldaden, niet slechts ten einde zich zei ven op te wekken om ze te erkennen, maar ook om in de toekomst te blijven hopen, heigeen blijkt uit het volgende vers. Daar God ons nu leert zoowel door het woord als door de daad, is het voorzeker deze laatste wijze van leeren, die hier aangeduid is, nl. dat hij van zijne kindsheid al door voortdurende ervaring geleerd heelt, dat er niets beters is dan op God te betrouwen. Opdat hij nu nooit verstoken zal zijn van deze leer der practijk, getuigt hij, dat hij er op rechtmatige wijze van geprofiteerd heelt, want hij belooft verkondiger te zijn van Gods wonderdaden, opdat hij door zijne ondankbaarheid den stroom zijner weldadigheden niet strerame. Daarmede staat ook in verband het gebed, dal Hij hem in zijn' ouderdom niet zal verlaten. Zijne redeneering komt hierop neder: Aangezien Gij, o God, U van den beginne aan, zoo milddadig hebt beloond, zult Gij mij dan niet de hand reiken om mij te helpen en le ondersteunen le dezer ure, nu Gij ziet dat mijne kracht vergaat ? Daarom moeten wij ook lol de vaste overtuiging komen: Daar God zich verwaardigd heeft ons lief le hebben in onze kindsheid en in onze jeugd, en ons bij hel toenemen onzer jaren zijne gunst heeft betoond, ja gedurende ons geheele leven niet opgehouden heeft ons wel te doen, is het onmogelijk dat Hij niet ten einde toe hiermede zal voortgaan. Het rededeellje is hier dus illatief, d. i. gevolgtrekking aanwijzend, alsof hij wilde afleiden dal God wiens goedheid onuitputtelijk is, en die geenszins evenals de mensch aan verandering onderhevig is, dezelfde zal wezen voor de ouden van dagen wal Hij voor hen geweest is in hunne jeugd. Daarna geeft hij aan zijn gebed nog meer kracht en nadruk door nog een ander argument, wanl, zoo hij in zijn' ouderdom bezwijkt, dan moet ook de genade Gods, door welke hij tol nu loc ondersteund is geworden, evenzeer in kracht zijn le kort geschoten. Want, zoo God terstond zijne genade terughoudt, nadat men haar voor een oogenblik heeft gesmaakt, dan zal de herinnering er van ook dadelijk verloren gaan. En evenzoo: wanneer Hij na ons met velerlei weldaden gekroond te hebben, aan het einde onzes levens ons zou verlaten, dan zou zijne milddadigheid hierdoor al hare liefelijkheid en bekoorlijkheid verliezen. David vraagt dus ten einde toe geholpen te zullen worden, opdal hij aan zijne opvolgers den voortdurenden stroom van Gods genade zal kunnen aanprijzen en getuigen dal God de geloovigen nooil beschaamt of teleurstelt, die lol Hem de toevlucht nemen. Wanl door geslacht en nakomelingen verstaat hij de kinderen en kleinkinderen, lol wie
Psalm 71 : 18 en 19.
de gedachtenis van Gods genade niel anders komen kan, dan wanneer zij voleindigt wat zij heeft begonnen. Hij maakt hiei melding van Kracht en Macht als gevolg en uitwerking van Gods gerechtigheid. Doch hij versiert met dezen lof het middel der bevrijding, waarin hij zich verblijdt; alsof hij zeide dat God door dit middel op zeldzame en bijzondere wijze zijne kracht en macht heelt tentoongespreid.
19. En uwe gerechtigheid. Anderen verbinden dit vers met het voorgaande, en, ten einde den samenhang te begrijpen, het werkwoord Ik zal verkondigen herhalende, plaatsen zij het woord Gerechtigheid in den 4de,1 naamval. Daar dit echter van geen ol weinig beteekenis is, zal ik hier niet bij blijven stilstaan. David vervolgt met verscheidene woorden wat hij te voren had gezegd, en wel ten eerste dat de Gerechtigheid Gods hoog verheven is, en vervolgens dat Hij heerlijk en majestueus heeft gewerkt, en eindelijk roept hij in bewondering; Wie is u gelijk? Nu is het merkwaardig, dat de gerechtigheid Gods, waarvan de uitwerkselen gansch nabij en blijkbaar voor ons zijn. in de hoogte geplaatst is, omdat zij door onze zintuigen niet kan worden bemerkt. Want, zoo wij haar willen afmeten naar onze maat, dan zou de minsle verzoeking ons verzwelgen. Om haar dus de mogelijkheid te geven van ons te kunnen redden, moeten wij onzen geest naar de hoogte richten en naar de laagte, in de lengte en in de breedte, ten einde hare grootheid te kunnen begrijpen. Het tweede lid, dat de werken Gods vermeldt, heeft hier betrekking op, want zoo wij aan zijne macht den lol geven, die haar toekomt, dan zal ons nooit stof lot hopen ontbreken. Eindelijk, het gevoel van Gods goedheid behoort ons te doen wegzinken in bewondering; hierdoor zal onze geest, die elk oogenblik door eene booze onrust ginds en herwaarts wordt bewogen, er toe komen om te rusten in God alleen. Want zoodra zich de eene of andere verzoeking voordoet, maken wij van eene vlieg een' olifant; ja wij maken ons zeer hooge bergen waardoor de hand Gods belet wordt tol ons te reiken; en zoo gaan wij dan boosaardiglijk de macht Gods beperken. Door Davids uitroep kunnen wij dus leeren, dal wij alles behooren te doordringen van geloof, en de macht Gods hooger te stellen dan alle beletselen, gelijk zij dit ook verdient. Want, hoewel allen met den mond belijden, dal niemand Gode gelijk is, zal er toch nauwelijks een op de honderd gevonden worden, die er zich wel van bewust is, dat God in zich zeiven volkomen genoegzaam is om ons te verlossen.
40
Psalm 71 : c20.
20. Want Gij hebt mij groote en kwade benauwdheden doen zien; maar terugkeerende zult Gij mij weder levend maken en mij weder ophalen uit de afgronden der aarde. 21 Gij zult mijne grootheid vermeerderen, en U omkeerende, zult Gij mij vertroosten. 22. Ook zal ik U, mijn God, loven om uwe waarheid met orgelen der muziek, o Heilige Israels, ik zal U psalmzingen met de harp. 23. Mijne lippen zullen juichen, wanneer ik ü zal psalmzingen, en myne ziel, die Gij verlost hebt. 24. Ook zal mijne tong alle dagen uwe gerechtigheid bekend maken, omdat zij, die mijn kwaad teweegbrengen, beschaamd en schaamrood zijn geworden.
20. Want Gij hebt mij groote en kwade henauwdheden doen zien. Het is bekend, dal hel werkwoord Zien door de Hebreën mei de andere zinnen in verband wordl gebracht. En zoo klaagt David, dal de benauwdheden, die hij had verduurd, hem geloond werden. Daar hij nu aan God zijne uilkomsten en verlossingen toeschrijft, erkent hij opnieuw, dal alle beproevingen, die hij had te verduren, hem door den raad en den wille Gods toegezonden zijn. Maar in de eerste plaats moei zijn doel gekend worden, want, om de genade Gods vergelijkenderwijs nog doorluchtiger te maken, verhaalt hij hoe harde behandeling hij heeft ondervonden Indien hij altijd een' gelijken voorspoed had genoten, dan zou hij reden liebben om zich in zijn goed le verheugen, maar dan zou hij niet bij ervaring geweten hebben wal het is om door de ongeloofelijke kracht Gods verlost te zijn van den dood. Want men moet genaderd zijn lol aan den dood, opdat God als Verlosser zal kunnen verschijnen. En inderdaad, daar wij bij onze geboorte nog geen verstand hebben, wordt door den eersten oorsprong van ons leven niet duidelijk genoeg deszelfs Werker aangeduid; maar wanneer God in onze wanhoop lot ons komt, dan is deze herleving, deze opstanding, ons een heldere spiegel zijner genade. David vergroot nog de weldaden Gods doordal hij, nedergestort zijnde in een' diepen afgrond, toch, nadat hij door de hand Gods er uil opgetrokken is, het licht wederom kan aanschouwen. En hij roemt niet slechts door Gods genade veilig en behouden le zijn, maar ook toegenomen
41
Psalm 71 ; 21 en 22.
te zijn in eere, welke verandering als hel toppunl was van zijne wederopiichling, alsof liij van uil de hel lol den hemel was opgerichl. Heigeen hij voor de derde maal herhaall, dal God zich heell omgekeerd, behoorl lol den lof zijner genade, als om le zeggen dal geen legenspoed hem bij geval heell gelroffen daar in zijn' loesland verandering is gekomen, zoodra Gods gunsl hem weder verschenen is.
22. Ook zal ik U, mijn God, loven. Hij kan zich niel weerhouden van wederom God le loven, want hij is van meening dal God aan de zijnen hulp verleent, opdal zijne goedheid verheerlijkt en geprezen zal worden. Door de woorden, die wij overgezet hebben door Orgelen en Harp, zinspeell hij op eene gewoonte uil dien lijd. En inderdaad, er is niel aan le twijfelen dal den lof Gods le zingen met begeleiding van harp en orgel een deel uitmaakte van de opvoeding der Wel en van den dienst van God, die toen nog door derzelver typen en schaduwen omhuld was. Hij spreekt van de dankzegging, die in hel openbaar geschiedde, want, hoewel hel ons niel verboden is om ons voor parliculier gebruik van muziekinstrumenlen le bedienen, zijn zij toch door hel duidelijk gebod des Heiligen Geesles uil onze tempelen uitgeworpen, als Paulus niel loelaal anders dan in eene bekende taal God le loven of lot Hem le bidden. Door hel woord Waarheid geelt hij te kennen dat zijne hoop beloond werd, loen hij door God in het gevaar was behoed. Hel zijn ook dingen, die door een' onverbreekbaren band saamverbonden zijn, nl. de belollen Gods en de waarheid, of getrouwheid, waarmede Hij ze vervuil. Wanl, zoo wij niel afhankelijk zijn van het Woord Gods, hebben wij geen' smaak voor de weldaden, die Hij ons schenkt. Dan worden wij ook niel opgewekt lot gebed of lol dankzegging indien dit zelfde Woord niet vooraangaat om ons le verlichten. Daarom is ook de razernij van dien duivelschen mensch. Servet, des te verfoeielijker, die leert, dat de regel des gebeds verdorven vvordl, indien hel geloof verbonden wordt aan de beloften, alsol wij geen toegang tol God hebben vóór Hij ons roept met zijne stem om tol ons te komen. In het volgende vers drukl hij nog beier uit, dal hij God niel geveinsdelijk, of slechts welstaanshalve zal danken, maar dat hij met ongeveinsde vurigheid van geest dezen plicht der godsvrucht zal volbrengen. Want door de beelden, die hij gebruikt, geeft hij le verslaan, dal hel zijn grootste genot zal wezen God le loven, en hierdoor laakt hij zijdelings de onheilige vroolijkheid van hen, die zich verheugen in hun' voorspoed terwijl zij God vergelen. Hel laatste vers
42
Psalm 71 : 22 en 23.
heeft eene zeilde slrekkiny, als hij zegl dal geene blijdschap hem aangenaam is, indien zij niel gepaard gaal mei den lof Gods, en dat hel hem ais eene zoele, liefelijke vrucht is zijn' Verlosser door lol en dank te kunnen verhoogen.
T^S AT^M T'S.
INHOUD In naam van geheel de Kerk spreekt David voor God zijne wenschen uit naar voortdurenden voorspoed van het hem beloofde koninkrijk, en te gelijkertijd leert hij ons dat het ware geluk der godvruchtigen hierin bestaat, dat zij geregeerd worden door een' Koning, dien God heeft verkoren.
1. Van Salomo. O God! geef den Koning uwe rechten, en uwe gerechtigheid aan den zoon des Konings. 2. Hij zal uw volk richten in gerechtigheid, en uwe armen met recht. 3. De bergen zullen den volke vrede voortbrengen; en de heuvelen in gerechtigheid. 4. Hij zal de ellendigen des volks recht doen; hij zal de kinderen des bedrukten verlossen, en den lasteraar verbrijzelen. 5. Zij zullen U vreezen met de zon, en van geslacht tot geslacht l vreezen in de tegenwoordigheid der maan 6. Hij zal nederdalen als de regen op het gemaaide gras, en als dichte en langdurige regens, die de aarde bevochtigen.
Van Salomo. Uil hel opschri'l van den Psalm blijkt niel wie er de dichter van is. Omdat echter aan hel einde gezegd wordt dal dit gebed hel laatste was der gebeden van David, is hel waarschijnlijk; dal hij er de auteur van is geweest. Het kan ook wezen, dal Salomo, zijn opvolgers, den wensch zijns vaders in dichtmaat heeft overgebracht, opdal hij door het volk beter gekend en gezongen zou worden. Dit is wel waarschijnlijk. Omdat de letter Lamed in het Hebreeuwsch echter velerlei
43
Psalm 72 ; 1.
beleekenissen heeft, kan men ook aannemen dal de Psalm ten gunste van Salomo is gedicht, en zoo wij die meening omhelzen dan moet hel ook wel opgemerkt worden, dal in den persoon van een' mensch de voortdurende staat des koninklijks is begrepen. Na alles nu wel overwogen te hebben neig ik gaarne tot de gissing dat de gebeden, die David stervende heeft opgezonden, door zijn' zoon geredigeerd werden in den vorm van een' Psalm' ten einde alzoo ter eeuwige gedachtenis te blijven bestaan. Want het schijnt dal dit er uitdrukkelijk bij is gevoegd als iets dal van groot gewicht en beleekenis is, nl. dal het hel laatste gebed is van David, opdat de geloovigen aandachtiger en met grooler ijver hunne wenschen samenvoegen met den zoo gedenkwaardigen wensch dezes godvruchtigen konings. Omdat Salomo dus slechts den schoonen dichterlijken vorm heeft gegeven aan de slof, die hij van zijn vader heeft ontvangen, moet David ons de eerste en voornaamste auteur blijven van dit lied. Zij, die dezen Psalm als eene eenvoudige profetie willen beschouwen van de regeering van Jezus Christus, schijnen de woorden al te zeer te verwringen. En voorts moeten wij ons wel wachten van reden te geven aan de Joden om te klagen dat wij door sophisterij en spitsvondigheid dingen op Christus toepassen, die Hem niet rechtmatig toebehooren. Maar David, op Gods bevel tot koning gezalfd, verzekerd zijnde dat hij, zoowel als zijne opvolgers, het koninkrijk in bezit hadden op voorwaarde dat de macht en heerschappij er van aan Christus zouden komen; verzekerd zijnde dat de aardsche bewaring van het volk zóó zeer opgesloten of begrepen was in die heerschappij, dat van uil die schaduw ten slotte iets beters, iels voorlreflelijkers moest voortkomen, ik bedoel de geestelijke en eeuwige gelukzaligheid, zoo is het volkomen terecht dat de eeuwige voortduring er van hem zóó Ier harte ging en dat hij zoo vurig heeft gebeden, dal hij met zijn' laatslen ademtocht zijne wenschen herhalende, duidelijk le verstaan heeft willen geven, dat van alle zijne zorgen deze de voornaamste is geweest. Want, hetgeen hier van de eeuwige heerschappij gezegd is, kan niet lol een' mensch worden beperkt, noch tot verscheidene menschen, ja ook niet tol twintig eeuwen, maar hier wordt de opvolging aangegeven, die in Christus haar einde en hare volkomene vervulling heeft bereikt.
1. O God! geef den Koning uwe rechten. Hoewel David , aan wien de belofte gedaan was, zijn' zoon, die hem in de regeering moest opvolgen, met hartelijke liefde aan God heefl opgedragen, moet men er loch niet aan twijfelen, dat hij hiermede aan geheel
44
Psalm 72 : 1.
45
dc Kerk een' algemeenen vorm van gebed heelt voorgeschreven, opdal de geloovigen , overtuigd zijnde, dal zij geenerlei goed ol geluk konden verkrijgen dan door zich le schikken onder één hoofd, deze wettelijke orde eerbiedig zouden in acht nemen; en ook evenzeer opdat zij van dit rijk der schaduwen heengevoerd zouden worden tol Christus. Nu is de som en inhoud hier van, dat God door den geest der wijsheid en der oprechtheid den Koning, dien Hij had verkoren, zou onderwijzen; want door de woorden gerechtigheid en recht verstaat hij een' welgeordenden regeerings-vorm, hét tegenovergestelde van de tyrannieke en buitensporige losbandigheid der goddelooze koningen, die, God minachtende, heerschen naar hunne eigene bedorvene lusten; en hierdoor onderscheidt hij den heiligen Koning Israels, die door God gezalfd is, van de overige koningen der aarde. Intusschen leeren wij uit deze woorden, dal geene regeering naar recht gevestigd kan zijn in deze wereld, als zij niet staat onder de leiding Gods, en zijn Geest er niet vooraangaat. Want, als de koningen reeds door hunne eigene kracht of deugd genoegzaam onderwezen waren, dan zou het nutteloos zijn dat David door het gebed elders voor hen zocht, wat zij in zich zeiven reeds bezitten. Daar hij echter vraagt dat het recht en de gerechtigheid Gods den koningen medegedeeld zal worden, leert hij ons, dat niemand tot dit ambt bekwaam of geschikt is, tenzij hij door de hand Gods er voor gevormd en toebereid is geworden. Daarom roept zijne wijsheid in het boek van Salomo, dal de koningen door haar regeeren (Spreuken 8 : 15). Aangezien nu orde en regel in den burgerlijken slaat eene zoo voortreffelijke zaak is, is hel niet le verwonderen, dal God er als de Auteur van erkend wil wezen en er zich den lof van toegekend wil zien. Overigens, men moet afdalen van hel algemeene lot het bijzondere, want daar het een zeer bijzonder werk Gods is om een rechtmatig vorstendom in deze wereld le vestigen en in stand le houden, was het nog veel meer noodig dal God eene bijzondere genade zijns Geesles zou aanwenden voor de instandhouding en bewaring van dil heilig koninkrijk, dal Hij boven alle anderen had verkoren. Door Den zoon des Konings verslaat hij ongetwijfeld de opvolgers; hoewel hij ook acht geslagen zal hebben op deze Profetie: Ik zal op uwen troon doen zitten iemand uil uwe nakomelingen, de vrucht uws buiks (Psalm 132: 11). Nu is er in geen der opvolgers van David zoodanige vastigheid, totdal wij tot Christus genaderd zijn, want wij welen dal na den dood van Salomo de koninklijke waardigheid vervallen is, en dat van dien tijd af diens rijkdommen verminderd zijn, totdat hel volk weggevoerd in ballingschap en de Koning op
Psalm 72 : 1. ^ en 8.
schandelijke wijze ter dood gebracht zijnde, hel koninkrijk gansch en al ten onder was gebracht, ja een puinhoop was geworden. En zelfs na den terugkeer uit Babel was de wederoprichting niet van zoodanigen aard dat men er groote verwachting van kon koesteren, totdat eindelijk uit den afgehouwen tronk van Isaï .lezus Christus is voortgekomen. Daarom neemt Hij onder de kinderen van David de eerste en voornaamste plaats in.
2. Hij zal uw volk richten. Sommigen lezen dit in den optatief. Anderen laten het werkwoord in den toekomenden tijd, opdat het een Profetie zij, maar hel is beter eene beteekenis tusschen die beiden aan te nemen. Want alles wal hierna gezegd zal worden vloeit voort uit dezen zegen van God, nl. dal de Koning versierd is mei recht en gerechtigheid. Daarom kan dit gebed op deze wijze verklaard worden: O God bestuur onzen Koning in zijn richten; of wel: Als Gij aan onzen Koning uwe gerechtigheid mededeelt, zoo zal hij rechtvaardig recht doen. Want hel volk goed te regeeren is eene te voot treffelijke gave om uit den mensch te kunnen voortkomen; maar de geestelijke regeering van Christus, door welke alle dingen in volkomen orde hersteld worden, moet dus nog zooveel te meer eene hemelsche gave genoemd worden. Hoewel hij nu in het eerste lid spreekt van het volk in het algemeen, noemt hij toch in het bijzonder de armen, die van wege hunne zwakheid en armoede de hulp van anderen behoeven, en ten behoeve van wie de koningen het zwaard dragen, om hen te beschermen, wanneer zij verdrukt worden. Daaruit vloeit ook de vrede voort, waarvan in het derde vers melding wordt gemaakt. Want, aangezien dit woord Vrede door de Hebreën niet gebruikt wordt om er uitsluitend kalmte en rust mede aan te duiden, maar ook voorspoed, toont David hiermede aan dat bet volk gelukkig zal zijn, wanneer de staat bestuurd zal worden naar den regel der gerechtigheid. Wat aangaat de voortbrengselen van den vrede, het beeld, dat hier gebruikt wordt, is ontleend aan de vruchtbaarheid der aarde, alsol hij zeide dat geen enkel hoekje ontbloot zal blijven van dit geluk. Want gemeenlijk zijn de bergen onvruchtbaar, of dragen ten minste niet zoo overvloedige vruchten als de valleien. En voorts: zoowel het woord Vrede als Gerechtigheid is met de beide deelen van den zin saamgevoegd, zoodat zij ook beiden herhaald moeten worden, alsof hij gezegd had: Vrede en gerechtigheid zullen over alle deelen der aarde verbreid worden. Anderen lezen eenvoudig Gerechtigheid; maar de letter Beth schijnt hier niel overtollig te wezen.
Psalm 72 : 4.
4/
4. //y dte armen richten Hij vervolyl zijn onderwerp van hel doel en de vrucht eener rechtvaardige regeering en ontvouwt nu meer in den breede wat hij korlelijk had aangestipt over de ellendigen en bedrukten des volks. Maar wij moeten vasthouden aan het beginsel, dal de koningen zich niet anders binnen de perken van recht en gerechtigheid kunnen houden dan door Gods genade, want waar de geest des rechts niet heerscht van den hemel, daar wordt alle heerschappij in tyrannie en rooverij verkeerd. Omdat God nu beloofd had zorg te dragen voor de armen en ellendigen zijns volks, toont David ten einde te verkrijgen wat hij in zijn gebed vraagt voor den Koning, dat hij daarbij verlichting en verkwikking der armen op het oog heeft Wel is waar; er is bij God geene aanneming des persoons; maar het is toch niet zonder reden dat God vóór alle anderen de armen aanbeveelt, omdat zij het meest aan onrecht en geweld blootstaan. Want de wetten en het recht worden met voeten getreden, omdat iedereen machtiger wil zijn dan een ander, en dus ook meer voordeel er uil kan trekken als hij zijne arme broederen verdrukt. David zegt dus inzonderheid dat de koning de beschermer zal zijn van hen, die niel anders veilig kunnen zijn dan onder de hoede van de openbare macht, en hij belooft hen te zullen wreken, wanneer men hun smadelijk geweld aandoet. Overigens is deze manier van spreken gebruikelijk onder de Hebreën om te zeggen Kinderen der bedrukten voor Bedrukten; ook de Grieken spreken soms op die wijze, zooals wanneer zij zeggen; Zonen der geneesheeren voor Genees-beeren. Omdat nu de koning den last, dien God hem opgedragen heeft om de armen te ondersteunen en te beschermen niet anders kan volbrengen dan door met zijn gezag en zijne sterke hand de boozen ten onder te houden, wordt er niet zonder reden aan het einde van het vers bijgevoegd, dat, wanneer de gerechtigheid heerscht, de geweldenaars en roovers verslagen zullen worden. Het zou ook wel dwaas zijn te wachten, toldat zij zich uit eigene beweging en gewillig verbeteren, neen, men moei hen te keer gaan met het zwaard, opdat hunne boosheid en driestheid niel nog meer de overhand nemen. Hel is dus noodzakelijk dat de vorst met wijsheid en onversaagdheid de geweldenaars in toom weet te houden, opdat de goeden en nederigen in hun recht gehandhaafd worden. Zoo zal dan niemand geschikt zijn om hel volk te regeeren, als hij niet geleerd heeft streng te kunnen zijn wanneer dit vereischt wordt. Want het kan niet anders of onder een vorst, die weekelijk en traag; ol liever rekkelijk en lafhartig is, moet eene maar al te groote losbandig-
Psalm 72 : 4, 5 en 0.
heid heerschen. Daarom is het oude gezegde waar: Dat het veel erger is te leven onder een' vorst, door wiens al te groote toegeetlijkheid alles maar als geoorloofd beschouwd wordt, dan onder een' tyran, die aan niemand vrijheid laat.
5. Zij zullen U vreezen. Als men dit wil lezen bij wijze van aanspraak, of verandering van persoon, dan zou men het zeer gepast kunnen verstaan van den Koning, te weten, dat de voornaamste sieraden der koninklijke waardigheid, die hem door zijne onderdanen zouden kunnen doen eerbiedigen, die zijn, dat hij er voor zorgt, dat ieder ontvangt wat hem toekomt; dat hij zich zacht en menschlievend betoont door de armen en ongelukkigen bij te staan en te helpen, maar streng daarentegen, om de driestheid der boozen tegen te gaan. Het is echter beter om zonder persoonsverandering dit van God zeiven te verstaan. Want, hoewel het een onwaardeerbaar goed is om de wederzijdsche rechtvaardigheid en billijkheid onder de menschen te handhaven, zoo verdient toch de dienst van God dat men er boven dit goed de voorkeur aan geeft. Daarom prijst David ons niet zonder reden de vrucht aan, die door eene heilige regeering wordt voortgebracht, daar dit ook van zelf eerbied en vreeze Gods medebrengt. Daarom beveelt Paulus (1 Tim. 2 : 2) voor de koningen te bidden, en vermeldt hij uitdrukkelijk het doel van dit gebed, nl. dal wij onder hen in vrede zullen kunnen leven in alle eerlijkheid en vreeze Gods. Omdat er dus gevaar is dat «vanneer de burgerlijke orde omver wordt geworpen, de godsdienst zal verdwijnen en den dienst van God te niet zal gedaan worden, vraagt David dat God om den wille zijns naams en zijner eer den Koning zal bewaren. Door dit zelfde argument vermaant hij de koningen tot plichtsbetrachting, en spoort hij het volk aan tot gebed, dewijl er niets voortreffelijker is, dan om er met al onze wenschen naar te streven den dienst en de eere Gods te bevorderen. Zoodra men nu tot Christus toekomt, behoort Hem dit alles nog veel meer, omdat de ware godsvrucht en Gods vreeze in zijn rijk is gevestigd, en nergens anders. En gewis, den dienst van God uitstrekkende lot aan het einde der aarde, geeft David in korte worden te kennen dat hij in den geest opgeklommen is lot de eeuwige heerschappij welke door God beloofd is geworden.
6. Hij zal nederdalen. Hoewel dit beeld wel ietwat ruw is wordt er toch zeer juist en sierlijk door uitgedrukt hoeveel nut en voordeel wij trekken uit den goeden en wettigen staat eener
48
Psalm 72 ; G en 7.
regeering;; want wij welen dal hel gras in hel begin des zomers wordt gemaaid, als de warmte begint te heerschen, en wanneer nu de aarde niet opnieuw vochtigheid indrinkt, zouden de wortels van het gras, omdat zij bloolliggen, verdorren. Nu wordt ons door David geleerd, dal evenals God de aarde bevochtigende, haar beschermt tegen de hitte der zon, liij evenzoo zijne Kerk in stand houdt, haar bewarende en handhavende door de hand des Konings. Dit zien wij voornamelijk vervuld in Jezus Christus, die eene verborgene genade op zijne Kerk doende nederdruipen, haar op die wijze vruchtbaar maakt.
7. In zijne dagen zal de rechtvaardige bloeien, en zoo lang de maan zal duren zal er veelheid van vrede zijn. 8. Hij zal heerschen van zee tot zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde. 9. De bewoners der woestijn znllen zich voor hem buigen, en zijne vijanden zullen het stol lekken. 10. De Koningen van Tharsis en van de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de Koningen van Sheba en Seba zullen gaven brengen. 11. En alle Koningen zullen zich voor hem nederbuigen, en alle natiën znllen hem dienen.
7. In zijne daijen zal de rechtvaardige Moeien. Hel is onnoodig te herhalen wat ik reeds eenmaal heb gezegd, nl dat al deze volzinnen voortvloeien uit het eerste vers. David heeft dus gebeden dal de Koning versierd zal zijn met recht en gerechtigheid, opdat de rechtvaardige bloeie en het volk voorspoedig zij. Nu was het het ambt en de roeping van Salomo om de rechtvaardigen te handhaven, maar het werk van Christus is rechtvaardigen te maken; want niet alleen doel Hij aan een iegelijk recht, maar door zijn' Geest hervormt Hij de harten. En hierdoor voert Hij als hel ware de gerechtigheid uil uil de gevangenschap, daar zij anders wel verbannen zou zijn uil de wereld De zegen Gods volgt de gerechtigheid, door welken Hij al de zijnen verblijdt, als zij welen, dal zij onder Koning Jezus Christus duurzaam en volkomen gelukkig zullen zijn. Wil men echter hel woord vrede in zijne eigenlijke en engere beleekenis nemen, dan heb ik daar niets tegen, lün gewis, er is niets begeerenswaardiger dan vrede
Dl li. ' ' 4
49
Psalm 72 : 7â 9.
;ils loppnnl van een gelukkig leven, aangezien in tijden van krijg en beroerten de overvloed van allerlei goed tot nieis dient, maar bedorven en vernield wordt. Kn voorts, daar bij bet leven des Konings doet voortduren tot aan liet einde der wereld, kan men bieruit nog beter bemerken dat David niet slecbts zijne opvolgeis bieronder begrijpt, die den aardscben troon in bezit gehad bebben, maar opklimt tol Christus, die door op te staan uil de dooden, zich leven en bemelsche heerlijkheid heelt verkiegen om zijne Kerk tol in eeuwigheid ie regeeren.
8. Hij zal heerschen. Omdat de lleere, de aarde aan zijn volk ten erfdeel belovende, hare vier grenzen heelt vastgesteld, geeft David te kennen, dal zoolang die regeering duren zal, ook de bezitting van bel Beloofde Land in haar geheel zal blijven, opdat de geloovigen zouden verstaan dat de zegen Gods niet volkomen vervuld kan worden dan ten tijde van den voorspoed dier regeering. Hij spreekt bel dus uit, dat hij zal heeischen van de* Roode Zee, of den Egyptischen zeearm, tol aan de zee van Syrië, die de Zee van Palestina genoemd wordt, en van de rivier Rufraat lol aan de groole woestijn. Als iemand nu tegenwerpt dat deze zoo enge grenzen niet overeen komen met dequot; heerschappij van Christus, die zich moet uitstrekken van het Oosten naar het Westen, dan is dit gemakkelijk op te lossen, nl. dal David zich schikt naar zijn' tijd, want die grootheid was toen nog niet duidelijk geopenbaard. Hij is dus begonnen met de beschrijving, die bekend en gebruikelijk was onder de \\et en de Profeten; en zelfs Christus heeft van daar zijne heerschappij begonnen, voordat Hij doordrong tot aan de einden der aarde, gelijk geschreven is in Psalm 110:2; De lleere zal uwen machtigen schepter uitzenden uit Zion. Doch een weinig later begint bij zijne grenzen uit te breiden, aantoonende dat de koningen van de overzijde der zee schatplichtig gemaakt zullen worden, gelijk ook De bewoners der woestijn zijn juk zullen ontvangen. Wat betreft het woord Tsiim, dat wij voor Bewoners der woestijn genomen hebben, ik twijfel niet of bij verstaat hieronder degenen, die in het Zuiden wonen, daar dezen bet verst van het land Kanaan verwijderd waren. Nu voegt de Proleet er terstond in het algemeen bij, dat de vijanden des konings, ten teeken van eerbied, de aarde zullen kussen. Wij weten dat bij de Oostersche volken deze ceremonie gebruikelijk was, waartoe ook Alexander van Macedonië na hel Ooslen onderworpen te bebben, de zijnen heeft willen noodzaken, waaruit vele twisten en oneenigbeden zijn ontstaan, omdat de Macedoniërsmetgioole
50
Psalm 72 : 9 cn 10.
minacliling geweigerd hebben hem zoodanige slaafsclie eer te bewijzen. De zin hiervan is dus, dal de Koning, die door God in Juda verkoren was, eene zoodanige overwinning op zijne vijanden zal behalen, dat zij hem nederig zullen komen aanbidden.
10 De Itoningen van Tharsis. Hij gaal nu voorl mei heigeen hij gezegd heefl van de uilgeslreklheid des koninklijks. De llebreën beslempelen met den naam Tharsis de gelieele kusl tegenover Cilicië, door de eilanden duidt hij dus de kusl aan der Middellandsche zee van Cilicië lol aan Griekenland Want, daalde Joden zich tevreden stelden met de voortbrengselen van hun land, hebben zij niet gelijk andere volkeren, verre zeetochten ondernomen, ja God had hun inzonderheid daarom als hel ware ingesloten, opdat zij door de zeden en gewoonten der vreemdelingen niet verdorven zouden worden. Kn zoo komt het dal zij Eilanden hebben genoemd de landstreken, die aan de overzijde dor zee waren gelegen. Ik erken wel dal Cyprus, Kreta en andere eilanden mede onder die benaming begrepen zijn, maar ik zeg, dal zij zich levens uitstrekt lol alle landen, die zich aan tie overzijde der Middellandsche zee bevinden. Door de woorden Mincha cn Eshkor moet men alle scliatting en belasting verslaan, maar geene vrijwillige offers ol geschenken, want hij spreekt van onderworpen vijanden cn van hel blijk en kenleeken hunner onderwerping. Evenwel hel schijnt dal de Schrift voorhedachle-lijk deze termen gebruikt, ten einde hel hatelijke van de zaak eenigszins weg te nemen, alsof hij van terzijde de onderdanen bestrafte, omdat zij de koningen in de hun toekomende belastingen te kort deden. Onder den naam Sheba willen sommigen Arabië verstaan, en door den naam Seba Ethiopië. Maar de gissing van hen, die door den eersten naam bel gansche gedeelte van den Arabischen zeeboezem, die naar Afrika gekeerd is, en door den tweeden, die met de letter Samech geschreven is, de landstreek Sabea, die vruchtbaarder en schooner is, verstaan, is wel waarschijnlijk. Nu is hel niet noodig te zeggen hoe dwaas deze Schriftuurplaats door de Papisten verwrongen werd. Want zij zingen dit vers van de philosophen en wijzen, die gekomen zijn om Christus te aanbidden Alsof zij bet vermogen hadden om zoo maar in eens philosophen lol koningen te herscheppen; en vervolgens ook om de deelen der wereld te veranderen, zoo dal het Oosten hel Zuiden of Westen wordt. In hel volgende vers drukt hij nog duidelijker uit dal geheel de wereld aan de heer-schappij ven Christus onderworpen zal zijn. Want bet koninkrijk
4*
51
Psalm 72 ; 11 en 12.
van Juda is nooit bloeiender geweest dan onder Salomo. Nu waren er te dier tijd slechts weinige koningen, die hem schatting betaalden, en zelfs whs die schatting nog gering en werd slechts betaald onder voorwaarde, dal zij vrij zouden zijn om naar hunne eigene wetten te leven. Begonnen zijnde met zijn' zoon, en de kinderen zijns zoons, is David door den geest der proletie opgeklommen tot aan het koninkrijk van Christus, hetgeen zeer bijzonder merkwaardig is, opdat wij zouden weten, dal wij niet zonder reden geroepen zijn lot de hope der eeuwige zaligheid, maar omdat de hemelsche Vader ons bestemd heeft om ons aan zijn' Zoon te geven. Hieruit kunnen wij ook leeren, dat er in de Kerk en onder de kudde van Christus ook plaats is voor de koningen, aan wie David hun zwaard of kroon niet ontneemt om hun toegang te verleenen tot de kerk. Veeleer zegt hij dal zij met hunne waardigheid bekleed komen zullen, om zich voor Christus neder le buigen.
12. Want hij zal den arme redden, die roept, en den bedrukte, die geen helper heeft. 13. Hij zal meedoogend zijn jegens den ellendige en den nooddruftige, en de zielen der lijdenden bewaren. 14. Hij zal hune ziel verlossen van list en geweld, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijne oogen. 15. En hij zal leven, en men zal hem geven van het goud van Seba; en men zal geduriglijk voor hem bidden en hem dagelijks zegenen.
12. Want hij zal den arme redden. Hij verklaart opnieuw dat de regeering, die hij zoo zeer roemt, geenszins tyranniek of wreed zijn zal, daar de koningen zich meestal niel bekommeren om het algemeen welzijn, maar slechts op eigen voordeel bedacht zijn. Hieruit volgt dal zij het arme volk op onmenschelijke wijze verdrukken, en die zich daarbij hel meest doet vreezen en alles verslindt, wordt als de voortreffelijkste geacht. Indien nu dit gezegde bij geheel het menschelijk geslacht zoodanigen bijval erlangd heeft dat het tol spreekwoord is geworden: Pal de menschen nergens God meer nabij door komen dan door weldadigheid le oefenen, dan zou het legen alle reden indruischen, zoo deze deugd niet schitterde in de koningen, die God meer bijzondei'
52
Psalm 72 : 13, 14 cn 15.
aan zich heelt verbonden. Daarom zeyl David, om den door God verkoren Koning beminnelijker le maken, niel zonder reden, dat hij niet slechts de hoeder zal zijn van recht en gerechtigheid, maar dal hij tevens zoo mensclilievend en barmhartig zal wezen, dat ook de ellendigsten liulp en bescherming bij hem zullen vinden. Dit wordt wel zeer zelden gezien in koningen, die, verblind door hunne pracht, zich verre houden van armen en ellendigen, alsof zorg te dragen voor dezen beneden hunne waardigheid was en aan hunne majesteit te kort zou doen. David verklaart echter, dal hel bloed van het gemeene volk, dat gewoonlijk als niets geacht wordt, dierbaar zal zijn in de oogen des goddelijken Konings. In hel werkwoord: Hij zal redden worden standvastigheid en grootmoedigheid opgemerkt; want het zou niel genoeg zijn, dat list en roof den Koning mishagen, indien hij zich niet ook kloekmoedig er toe begaf om hen [ de verdrukten] te beschermen en le ondersteunen. Overigens door list en geweld verslaat hij alle soorten van booze praktijken, want de mensch, die schade aanbrengt, is ól als de leeuw, óf als de vos. Want sommigen gebruiken openlijk geweld, en anderen sluipen bedekt heen om in hinderlagen of door geheime middelen ongerechtigheid le bedrijven. Nu welen wij, dal de souvereine heerschappij in hemel en op aarde aan Christus is gegeven (Matth. 28:18), opdat Hij zijn volk niet slechts bescherme legen alle tijdelijk gevaar, maar ook en voornamelijk, tegen de verdrukkingen van Satan, totdat Hij, hen verlost hebbende van allen overlast, hen nu lot zich neemt in de eeuwige ruste.
15. En hy zal leven. Dat sommigen dit werkwoord met de armen in verband brengen, schijnt gezocht. David verklaart dus dat de Koning een lang leven zal hebben, hetgeen niet de minste is onder de aardsclie zegeningen. Hetgeen volgt moet in onbe-paalden zin genomen worden, alsol hij gezegd bad; liet goud van Arable zal hem gegeven worden, en overal zal men wenschen uitspreken voor zijn heil. Hij herhaalt hetgeen hij gezegd heeft van de macht; want, als Arabië hem schalling betaalt, hoevele groote schatten kan men dan niet uit dichterbij gelegene landen verkrijgen. Hoewel nu Christus niel heerscht om goud le vergaderen, heeft David door dit beeld toch willen aanloonen, dal zelfs de volken, die het verst af wonen. Hem zoodanige hulde zullen beloonen, dat zij zich met alles wat zij hebben aan Hem zullen onderwerpen. Want het is niets nieuws om de heerlijkheid des geestelijken koninkrijks voor te stellen door uitwendigen glans, en eene zichtbare majesteit. David heeft hier dus voor-
53
Psalm 7j2 : 15 en 10.
zegel, dul hel koninkrijk van Chrislus zeer rijk zal wezen, doch naar zijn' geeslelijken aard. Hieruit blijkl hoe boosaardig de Papisten deze Schriftuurplaats misbruikt hebben, om de vergankelijke schatten der wereld tol zich te trekken. Onder de gewone wenschen des volks, door welke hel heil des konings Gode bevolen wordt, geelt hij te kennen, dat zij gaarne en gewillig zijne onderdanen zullen zijn, zoodat zij boven alles zullen begeeren Hem alle gehoorzaamheid te betoonen. En voorts: hoewel velen zijn juk weigeien; en ook de geveinsden in stille morren, zoodal zij de gedachtenis van Cliristus wel gaarne zouden uilroeien, zoo zij slechts konden, zoo betaamt hel den ^odvruchtigen gansch anders gezind te zijn; niet siechls omdat de Schrift gebiedt dezen plicht jegens alle de koningen der aarde in acht te nemen, maar ook omdat zij den wensch moeten koesleren om dit koninkrijk inzonderheid uit te breiden, in hetwelk de majesteit Gods schitlert, en waarin ook hun heil en hunne gelukzaligheid is opi-eslolen. Daarom zullen wij zien in Psalm 118 dal de formule des gebeds aan geheel de Kerk is gegeven, nl dat God dezen Koning zal zegenen (Psalm 118:26), niet alsof Christus onze voorspraak of gebed noodig heeft; maar zeer terecht eischt Hij van zijne dienstknechten dit getuigenis der godsvrucht, door hetwelk zij zich ook oefenen om de uitbreiding van Gods koninkrijk te vragen.
16. Eene handvol koren zal op de toppen der bergen in de aarde gezaaid worden, de vrucht daarvan zal ruischen als de Libanon, en zij zullen uitgaan uit de stad als planten der aarde. 17. Zijn naam zal tot in eeuwigheid zijn, zijn naam zal duren met de zon, en alle natiën zullen zich in hem zegenen en hem welgelukzalig noemen. 18. Jehovah, de God, de God Israels, zij geloofd, die alleen wonderlijke dingen doet. 19. En geloofd zij de naam zijner heerlijkheid eeuwiglijk, en de gansche aarde zij vervuld van zijne heerlijkheid: amen ja amen! 20. Hier eindigen de gebeden van David, den zoon van Isaï.
54
Psalm 72 : IC en 17.
16. Eene handvol horen zal gezaaid worden. De meening van hen, die eene handvol voor een klein gedeelte houden, is wel waarschijnlijk. Door deze Iwee omstandigheden nu achlen zij, dal hier eene zeldzame en ongemeene vruchtbaarheid aangeduid wordt, dewijl een weinig koren, niel meer dan een man in zijn hand kan houden, gezaaid was, en dal nog wel op de loppen der bergen, die over hel algemeen niel vruchtbaar zijn, terwijl toch de opbrengst daarvan zóó groot zal wezen, dat de aren even sterk zullen ruischen als de hoornen op den Libanon. Ik weet echter niet of zoo fijne vergelijking tusschen hel zaad en den oogst wel aan Davids woorden beantwoordt. Men zou dit dus hier eenvoudiger kunnen verslaan, te weten, dat er op de toppen der bergen een zoo groote overvloed van koren zijn zal, dat men het met volle hand zal kunnen afsnijden, of maaien. Overigens wordt hiermede de zegeningen Gods beschreven, alsof David gezegd had, dat er onder Koning Jezus groote overvloed van goed zijn zal. De toeneming der bevolking wordt hier ook bijgevoegd, alsof hij zeide, dat niet slechts de aarde allerlei soorten van vruchten overvloedig zal voortbrengen; maar dat ook de stad vruchtbaar zal zijn in hel voortbrengen van menschen. ik heb er de voorkeur aan gegeven om den naam Libanon in den genitif te gebruiken; want de naamverwisseling die door anderen wordt aangenomen, is wel eenigszins ruw, als zij de benaming Berg voor boomen nemen.
17. Zijn naam zal zijn. Hij herhaalt wal hij te voren omtrent den eeuwigen duur van dit koninkrijk gezegd heeft. En er is niet aan te twijfelen, dat hij hel zorgvuldig van de monarchiën der aarde heeft willen onderscheiden, die weldra verdwijnen, of ten laatste door de zwaarte van hunne grootheid zelve ineenzinken, en door hunne vernietiging bewijzen, dal niets op deze aarde vastigheid heeft ol van langen duur kan zijn. En dat hij zegt dal zijn naam eeuwig zal wezen, dat moet niel zoo verslaan worden, dat zijne vermaardheid voortduren zal ook na zijn' dood, hetgeen zelfs door wereldsche, ongodsdienstige menschen begeerd wordt, uit vrees dal hun naam met hun lichaam begraven zal worden; neen, sprekende van hel koninkrijk, zegl de Profeet veeleer dat deszells roem altijd zal blijven schitteren. Sommigen verklaren de woorden liphne shemesh in dier voege, dal hij het sieraad, dal God aan de koningen van Juda zou geven, boven den glans der zon achtte, maar dit is in strijd met den samenhang van den tekst, want te voren heeft hij in dezelfde beteekenis gezegd; Met de zon en in de tegen-
Psalm 7^2 : 17 en 18.
woordheid der maan. Nadat hij dus gesproken heeH van den langen duur, voegl hij er bij wijze van verklaring bij, dal Zijn â naam zal groeien met de zon. Woord voor woord slaal er: Zijn naam zal kinderen hebben, dal is: zal voorlgeplanl worden van vader op zoon; wanl, gelijk de zon dagelijks opgaal om de wereld te verlichten, zoo zal de kracht dezes Konings vernieuwd worden, opdat er eene eeuwigdurende opvolging zal zijn in zijn geslacht. Wij zullen ook elders zien dat de Zon en de Maan getuigen van deze eeuwigheid worden genoemd (Ps 89 : 38). Hieruit volgt dat dit dus niet van hel aardsche koninkrijk verstaan kan worden, dal slechts korten lijd in het geslacht van David verbleven is, en niet slechts onder den derden opvolger begon te tanen, maar ten laatste smadelijk is ondergegaan. Doch hoewel nu hel koninkrijk van Christus dikwijls wankelt op de aarde, daar hel door den woedenden haal der geheele wereld wordt aangevallen, en door de schrikkelijke werkingen van Satan geschud wordt, toch wordt hel wonderbaarlijk door God ondersteund en in stand gehouden, zoodal bel niet vergaat. Hetgeen volgt: In hem zullen alle natiën zich zegenen, heeft eene dubbele bel kcnis. Want de Hebreen spreken dikwijls aldus, wanneer iemand ten voorbeeld van zegen gesteld wordt, gelijk hij zich zegent in David, die bidt, dal God hem niet minder gunstig zal zijn dan Hij aan David geweest is. Evenzoo wordt diegene gezegd te vloeken in Sodom en Gomorrha, die deze namen gebruikt in afschuw en verwensching. Indien dus deze twee werkwoorden: Zij zullen zich in hem zegenen, en zij zullen hem gelukzalig noemen, in eene zelfde beleekenis genomen zijn, dan is zich zegenen in den koning zooveel als bidden, dal wij een zeilden voorspoed mogen deelachtig worden als dien de Koning geniet, omdat hel geluk van dezen aller bewondering zal uilmaken. Wil men echter onderscheid maken tusscben deze twee woorden, dan zal (hetgeen niet minder waarschijnlijk is) zich zegenen in den Koning zoo veel beteekenen als: in den Koning de oorzaak te zoeken voor zijn geluk, omdat de Heidenen niets meer of beters zullen begeeren, dan wet en regel van Hem te ontvangen.
18. Jehovah zy geloofd Nadat David gebeden heeft voor zijne opvolgers, en door bel woord Gods verzekerd zijnde, dat zijne gebeden niet vruchteloos zouden zijn, verheft bij zich nu om God te loven. Want indien hij door het oog des geloofs niet bemerkt bad wat wij te voren gezien hebben, zijne juichtonen zouden niet zoo vrij en zoo vroolijk geweest zijn. En als hij zegt. dal God alleen wonderen doel, dal heefl ongetwijfeld
56
Psalm 72 : 19 en 20.
belrekking: op hel tegenwoordig geval, niel slechts om de voor-treffelijkheid des koninklijks te prijzen, maar ook om zich zeiven en anderen te herinneren, dat God om hetzelve te bewaren eene wonderbare en ongeloofelijke kracht zal moeten tentoonspreiden. En het lag voorzeker niet aan zijne opvolgers dat de troon van dit koninkrijk niet honderdmaal gevallen, ja voor goed ingestort is. Om nu maar niet verder te gaan: had de snoode alval van Salomo niet verdiend, dat die troon onherstelbaar verloren ging voor zijn geslacht? En de overigen van zijne opvolgers, behalve .losia, Hizkia, Josaphat, en eenige anderen, zijn zij niel allen van kwaad lot erger vervallen, en hebben zij niel zoo moedwillig den toorn Gods over zich verwekt, dat het een wonder is, dal God niel terstond het geheele geslacht heelt vernietigd? En voorts, daar David den geest der profetie had, was hel hem niel onbekend, dat Satan immer een wreed vijand van het heil der Kerk zou blijven, en zoo heelt hij dan kunnen welen, dat de genade Gods, waarvan hij thans spreekt, niel zonder zeer groole moeite voor eeuwig in zijn geslacht zou verblijven. En voorzeker heeft de uitkomst ook bewezen door hoevele wonderen God zijne belofte vervuld heelt, hetzij wij het oog slaan op den terugkeer uil Babylon, of de ongeloofelijke uilreddingen, die daarop gevolgd zijn, totdat Christus als een rijsje uil den afgehouwen en als dooden tronk is voortgekomen. Daarom is hel met volle recht dat hij bidt, dat de eer zijns naams de gansche aarde vervulle, aangezien dit koninkrijk lot aan de uiterste einden der aarde uitgebreid moest worden. En opdat alle godvruchligen zich met harlelijken ijver met hem in dit gebed zullen vereenigen, wordt er de bevestiging bijgevoegd: Zoo zij het, en zoo zij het.
20. Hier eindigen de gebeden van David. Wij hebben gezegd dat dit niet zonder reden door Salomo was bijgevoegd, want hij heeft aan dit onderwerp dien dichterlijken vorm gegeven, niet slechls om zijn vader niet van de eer te berooven, die hem toekwam, maar ook om de kerk des te meer aan te sporen om de gebeden tol God op te zenden, waarmede David tol aan zijn' laalsten ademtocht is voortgegaan. Dat wij ons dus herinneren, dal wij God in ware oprechtheid des harten en voortdurend moeten bidden dal het Hem behage de Kerk in stand te houden in afhankelijkheid zijns Zoons. Overigens schijnt de naam van Isaï, den vader van David, hier vermeld te zijn om zijn'oorsprong in gedachtenis te houden, opdat de genade Gods des te meer uilblinke, daar Hij een' man van zoo nederig geslacht, en die
57
Psalm 7J.
58
zelfs de geringste was onder zijne broederen, van achter de schapen heefl genomen, om hem lol zoo hooge eer te verheffen van hem tot Koning aan te stellen over zijn uitverkoren volk.
73.
INHOUD: David, of wie anders de dichter was van dozen Psalm, iioonit reeds bij den aanvang het vaste besluit om de rechtvaardigheid en goedheid Gods groot te maken, en dat wel als om strijd te voeren tegen het gevoel van zijn vleesch. Daarna belijdt hij dat hij, ziende hoe de boozen voorspoedig zijn in rijkdom, terwijl zij vroolijk en prachtig leven, en zich zelfs te buiten gaan in het bespotten van God, en de godvruchigen en eenvoudigen onmenschelijk kwellen; en ziende van den anderen kant, dat hoe meer iemand er zich op toelegt, om nauwgezet en oprecht te wandelen, hoe meer hij door verdriet en ellende als vervolgd zal worden, en dat zelfs de kinderen Gods over het algemeen kwijnen en (gelijk men zegt) tot in den wortel verdorren, gebukt gaande onder zorgen en verdriet, terwijl God (alsof Hij werkeloos nederzat in den hemel) zoodanige verwarring en wanorde niet herstelt, zich zwaar voel le geschokt, zoodat hij bijna allen godsdienst en vreeze Gods vaarwel had willen zeggen. In de derde plaats bestraft hij zich scherpelijk wegens de dwaasheid van al te haastig geweest te zijn in zijn oordeel over de dingen in hun tegenwoordigen staat, en leert, dat het betaamt om geduldig te verbeiden, opdat het geloof geen schipbreuk lijde bij zoo veel dat ontroert en ontrust. Eindelijk besluit hij, dat, mits wij aan Gods voorzienigheid haren loop laten naar de wijze, die God in zijn verborgen raad bepaald heeft, bij het einde een zeer groot verschil zal opgemerkt worden, waardoor men zien zal dat de rechtvaardigen evenmin van bun loon zullen worden beroofd, als de boozen aan de hand Gods zullen ontkomen.
Psalm van Asaf. 1. Toch is God Israël goed, hun die oprecht van harte zijn. 2. Maar wat mij betreft:
Psalm 7^ : I.
mijne voeten waren bijna uitgegleden, het was alsof mijne schreden zouden uitschieten. 3. Want ik heb de dwazen benijd, ziende den voorspoed der goddeloozen.
Wal betreft den auteur van dezen Psalm, hierover wil ik niet twisten, hoewel ik het waarschijnlijk acht, dat, wijl aan Asal' de zang was opgedragen, zijn naam hier vooikomt, zonder dat die van David genoemd wordt, gelijk wij weten, dat wanneer iets genoegzaam algemeen bekend is, men dikwijls niet de moeite neemt om het nog eens uitdrukkelijk te zeggen. Wanneer wij nu willen weten hoe nuttig ons de overdenking is van deze leer, dan kunnen wij dit gemakkelijk beooideelen naar het voorbeeld van den Profeet, die hoewel hij gansch niet weinig gevorderd was op den weg der godsvrucht, zich toch niet dan met groote moeite staande heeft kunnen houden, ja wat meer is: hij bekent dal hij, eer hij als het ware weder tot zijne zinnen kwam, en dus weder op juiste wijze over deze dingen kon oordeelen, schier tol dieilijke stompzinnigheid was vervallen. Wal ons betreft, de ervaring leert ons, dat de voorzienigheid Gods ons volstrekt niet altijd naar den zin was. Wel is waar, wij belijden allen, dat de wereld door Gods leiding wordt bestuurd; maar indien wij ons dit wel bewust en diep in het harl hadden geprent, dan zou ons geloof wel veel grooler slandvasligheii hebben om de verzoekingen van den tegenspoed te boven te komen, maar nu wij zien dat de minste gelegenheid, die er zich toe voordoet, ons deze kennis doet verliezen, dan is hel duidelijk, dal wij er nog nooit levendig en ten volle van overtuigd zijn geweest En daarenboven: Satan heeft tallooze listen om onzen geest te verblinden en daarbij geeft de verwarring in de wereld rondom ons zoodanige duisternis, dal men er moeielijk doorheen kan zien en bemerken, dal God die dingen regeert en bestuurt en er zorg voor draagt. Meestal ziel men de goddeloozen triomfecren, en hoewel zij moedwillig God tergen en Hem lot toorn verwekken, schijnl hel toch, omdat Hij hen spaart, alsof zij dit maar ongestraft doen en ook kunnen blijven doen. De goeden en god-vruchtigen daarentegen, die in eenvoudigheid en oprechtheid wandelen, zuchten en kermen onder armoede en nooddruft, zij worden op allerlei wijzen gekweld en gehoond, overladen met schande en smaad, en hoe meer zij aan ieder pogen wel te doen, hoe meer de goddeloozen zich veroorloven om van hun geduld en hunne lijdzaamheid misbruik te maken. Wanneer nu de dingen alzoo zijn, wie is hij, die soms niet in verzoeking komt,
59
Psalm tó : 1
60
of len minsle geprikkeld wordt door die verkeerde gedachte, dal de wereld zoo maar door hel loeval wordl beheerschl? De geesl der ongeloovigen, die niel verlichl is door den Geesl Gods om zich le kunnen verheffen lol de bepeinzing des eeuwigen levens, is voorzeker bovenal door die ongelukkige gedachte aangegrepen. Daarom zegt Salomo, dal, omdat dezellde dingen geschieden aan de goeden en de slechten, hel hart des menschen vervuld is van lastering en verachting van God, omdat zij niet kunnen beseffen, dat de dingen, die zij zoo slecht geregeld zien. toch onder hel bestuur en de leiding Gods zijn. Wij weten, dat er onder de Philosophen waren, die beweerd en slaande hebben gehouden, dat er eene voorzienigheid Gods is, maar de ervaring heeft aangetoond, dal zij daar toch niet zoo ten volle van overtuigd waren; want als de dingen anders uitvielen dan zij gedacht hebben, dan hebben zij het leerstuk openlijk verfoeid, dal zij eerst zoo hoog schenen te houden. Een merkwaardig voorbeeld hiervan zien wij in een edelen Romein, genaamd Brutus. Men zou geen kloekmoediger man kunnen vinden dan deze geweest is, en al zijn metgezellen geven hem het getuigenis, dat hij ongemeene wijsheid bezat. Daar hij nu tot de secle der Stoïcijnen behoorde, sprak hij op voortreffelijke wijze van deugd en van de voorzienigheid Gods, en verheerlijkte haar. Toen hij zich echter overwonnen zag door Anlonius, riep hij, dal alles wal hij geloofd had omlrent deugd niets was dan ijdele klanken en zotheden, en dal al de moeite, die men zich gaf om een eerlijk en deugdzaam leven le leiden, vergeelsche moeite was, omdat de menschelijke aangelegenheden slechts door hel loeval worden beheerschl. En zoo is dan deze mensch, die zulk een heldhaftig gemoed bezat, en een voorbeeld was van bewonderenswaardige standvastigheid, door de deugd te verlaten, en, onder haren naam, God le vervloeken, schandelijk afgevallen. Ziedaar ook waarom de boozen van oordeel en meening veranderen, al naar de gebeurtenissen een ander aanzien krijgen, zoodat zij heden dit zeggen, en morgen weer wat anders. Hoe zou hel ook mogelijk zijn, dal zij, die door den Geesl Gods niel zijn herboren, zulke ruwe aanvallen kunnen weerstaan, aangezien zelfs de geloovigen eene zeer bijzondere genade Gods van noode hebben, om deze verzoeking niet in hun hart toe te laten, ja zelfs aangezien het hun soms gebeurt geschokt le worden en bijna le bezwijken, gelijk ook inderdaad David hier belijdt, dal hij bijna was gevallen. Doch laat ons thans overgaan tot de beschouwing van den Psalm.
Psalm 73 : 1.
61
1. Toch, of Evenwel. Het woord Ach, dal hij gebruikt, heeft iiier niet de eenvoudige beteellt;enis van bevestiging: Gewis of Voorzeker (gelijk dikwijls aan andere plaatsen) maar moet genomen worden voor Toch, ol'Niettemin, of een ander dergelijk woord. En dewijl hij nu zoo plotseling en afgebroken begint, moeten wij opmerken, dat David, vóórdat hij lot dit besluit was gekomen, in zijn gemoed beroerd was door allerlei twijfel en tegenstrijdigheden. Want, als een goed en dapper kampioen heeft hij zich in velerlei en zeer zwaren strijd tegen verzoeking geoefend; en na lang gewerkt en gezwoegd te hebben heeft 1'iJ zich eindelijk aan die booze gedachten ontworsteld, en is hij tot het besluit gekomen dat God toch zijnen dienstknechten gunstig is, en de getrouwe Hoeder is van hun heil. Er is hier dus eene stilzwijgende tegenstelling tusschen de verkeerde gedachten, door Satan ingeblazen, en dit getuigenis van ware godsvrucht, waarin hij zich thans bevestigt, alsof hij hel oordeel van zijne zinnen, zijn vleeschelijk begrip veroordeelt, waardoor hij er loe gekomen was om aan de voorziengheid Gods le twijfelen. Nu verstaan wij dus dat deze uitroep van groot gewicht en beteekenis is; want David beklimt den katheder niet, om, gelijk de philosophen, een twistgesprek aan te vangen, of eene sierlijke redevoering ie houden; maar alsof hij aan de hel was ontkomen, juicht hij, en geeft hij lucht aan zijne blijdschap, dat hij de overwinning heeft behaald in den strijd. Want om ons door zijn voorbeeld aan te loonen hoe zwaar en moeielijk de strijd is, opent hij (hij wijze van spreken) zijn hart om ons nog iels meer te doen verstaan dan door de woorden, die hij gebruikt, wordt uitgedrukt. Waar hel op neerkomt is; hoewel het den schijn heeft alsof God geen acht slaat op hen, die Hem dienen, toch strekt Hij over hen zijne gunst en goedheid uit. Want David verheerlijkt hier de voorzienigheid Gods, inzonderheid in zijne leiding der geloovigen, opdat zij weten, dat zij niet slechts evenals alle andere schepselen onder Gods heerschappij slaan, maar dat Hij in het bijzonder zorg draagt voor hun heil, evenals een vader met zorg voorziet in de behoeften van zijn gezin. Hoewel Hij dus geheel de wereld regeert, toch richt Hij zijn oog meer bijzonder op zijne Kerk, die Hij op zich heelt genomen te beschermen en in stand te houden. Dat is de reden waarom de Profeet hier Israël noemt, maar terstond daarop dien naam beperkt lot hen, die oprecht van hart zijn, hetgeen eene soort van correctie, oi'verbetering is. Want velen laten zich hoogmoedig voorslaan op den naam van Israël, alsof zij de voornaamste leden waren der Kerk, terwijl zij in waarheid toch slechts
Psalm 73 : 1 en 2.
Ismaëlieten ol Idumeërs zijn. David wil dus van de rolle der geloovigen den naam uilvvisschen van hen, die wel van Abraham afstammen, maar zijne heiligheid niel navolgen, en hij erkent niemand tol Israël te hehooren, tenzij zij God dienen in reinheid en oprechtheid; alsof hij zeide: Als ik verklaar dat God aan zijn Israël goed is, dan versta ik daar niet onder allen, die zich tevreden stellen met eene uitwendige belijdenis, en dus dien titel ten onrechte aannemen; maar ik spreek van geestelijke kinderen Abrahams, die zich Gode met zuivere genegenheid des harten toewijden. Wat betrelt de verklaring van sommigen, dat God aan Israël goed is, dal wil zeggen aan hel uitverkoren volk, maar daarna ook zelfs aan vreemdelingen, mits zij in ware oprechtheid wandelen, zij is schraal en gewrongen. Laat ons dus blijven bij hetgeen ik gezegd heb. Want David, de goedheid van God verhoogende jegens het uilverkoren volk en de kerk , was genoodzaakt vele geveinsden van hun gelal af te snijden, die zich van den dienst Gods hadden afgekeerd, en daarom ook onwaardip- waren de vaderlijke goedheid Gods te ondervinden. Overigens: mei deze woorden van den Profeet komt overeen hetgeen Christus van Nathanaël gezegd heeft: Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is (.lob. 1 : 4flt;). Want, omdat de vreeze Gods onder de Joden bijna geheel geweken was, en er bun schier niets anders overbleef dan de besnijdenis, die met handen geschiedt, dal is dus de uitwendige, zegt Christus om luschen de geveinsden en de ware kinderen Abrahams te onderscheiden, dal dezen zonder bedrog zijn, gereinigd zijn van geveinsdheid. En inderdaad, waar sprake is van den dienst van God, is de innerlijke oprechtheid altijd het allereerste dal vereischt wordt.
2. Maar wat m'y hetreft. Woordelijk staal hier: En ik, heigeen met nadruk gelezen moei worden. Want David bedoelt, dat deze verzoekingen, die honend zijn voor Gods eer, en hel gelooi' vernietigen, niet slechts lol gewone mensehen komt, of tot ben, die slechts een flauw lintje van vreeze Gods hebben, maar dat hij zelf, hij, die boven anderen in de schole Gods geleerd had moeten zijn, er zijn deel van gehad heeft. Door zich zeiven aldus ten voorbeeld te stellen, heeft hij ons des te sterker willen opwekken om te waken en wèl loe te zien op ons zeiven. Kn hoewel hij nu niet bezweken is, toont hij ons door te zeggen, dal hel weinig gescheeld heelt, ol hij was uitgeweken, dal allen in gevaar zijn van te vallen, zoo God hen niel mei zijne sterke hand slaande houdt. Daarna verhaalt hij waarin
62
Psalm 73 : 'S, 3 en 4.
de verzoeking heeft beslaan, nl. tlal hij, den legenwoordigen staat ziende der goddeloozen, en naar dien staat oordeelende, dal zij gelukkig zijn, hen heelt benijdt, liet is voorzeker eene zware en zeer gevaarlijke verzoeking, wanneer wij niet slechts bij ons zeiven morren tegen God, omdat Hij de dingen, die verkeerd gaan, niet verandert, maar ons ook den vrijen teugel vieren om nu maar kwaad te doen, dewijl hel ons loeschijnl dal dit toch niets aan de zaak verandert, en wij wel ongestraft zullen blijven. Het schimpwoord van Denis, den jongere, is genoegzaam bekend uit de geschiedenis, toen hij, na den tempel van Syracuse berooid le hebben, in zee stak, en bemerkende dat de wind zeer gunstig was, tot zijne lieden zeide, Ziet gij niet dat de goden de heiligschennis begunstigen? Daarom zeg ik dat de voorspoed der boozen als een verloksel is om kwaad te doen, omdat, wij ons inbeelden dat zij Gode welgevallig zijn, daar Hij zoo zachlkens mei hen handelt. Ziedaar waarom hun slaat, die zoo aangenaam en liefelijk was, David in het hart heeft gestoken, alsol er niets beters le doen ware dan lot hun gezelschap le gaan belmoren en hun voorbeeld le volgen Overigens, door de goddeloozen dwazen of onzinnigen te noemen wil hij niet eenvoudig te kennen geven, dat zij door onwetendheid of onachtzaamheid zondigen; neen, hij stelt hunne dwaasheid tegenover de vreeze Gods, die hel begin en het einde, het fundament en het toppunt is dei-wijsheid. Want, hoewel de boozen listig en geslepen zijn, aangezien hun de voornaamste grondregel voor een juist oordeel ontbreekt, nl. dat wij ons leven moeten regelen naar den wille Gods, zijn zij in hunne verblindheid van alle verstand ontbloot.
4. Want er zijn geene banden tot hun' dood, en hunne kracht is frisch. 5. Zij zijn niet in smart gelijk andere menschen, en worden met de andere menschen niet geslagen. 6. Daarom omringt hen de hoogmoed als eene halsketen; het geweld bedekt hen als een kleed. 7. Hun oog puilt uit van vet; zij gaan de gedachten huns harten te boven. 8. Zij vloeien over, en spreken boosaardiglijk van roof, zij spreken uit de hoogte. 9. Zij hebben hun mond tegen den hemel gesteld, en hunne tong wandelt op de aarde.
63
Psalm 73 ; 4.
64
4. Want er zijn geene handen. Ilij beschrijft het gemak en de weelde der goddeloozen, die als even zoo vele hamerslagen zijn om hel geloof der kinderen Gods te verpletteren. Hij begint met hunne gezondheid, zeggende dat zij sterk en gespierd zijn, en hun leven niet zoo kwijnend voortslepen als dit dikwijls met de geloovigen het geval is. Sommigen verklaren Banden tot hun dood als Vertrajingen, alsof hij had gezegd dat zij plotseling sterven, en geen doodstrijd hebben te doorstaan, en wel omdat in het Boek van Job, Hoofdstuk 21, vers 13, dit onder hel aardsche geluk wordt gerangschikt, dat wereldsche menschen, na allerlei genot gesmaakt te hebben, plotseling ten grave dalen; en men verhaalt ook van Julius Caesar, dat hij op den dag, vóórdat hij vermoord werd, gezegd moet hebhcn, dat plotseling te sterven zonder dat men aan sterven gedacht heeft, een gelukkige dood is. Volgens de meening dus van deze Schriftverklaarders klaagt David dal de goddeloozen langs een'schoonen weg en zonder groole kwelling of benauwdheid komen leslerven. Ik voor mij volg echter liever het gevoelen van hen, die de twee zindeelen aan één lezen: Dat hunne kracht vel, of frisch is, en dat er voor hen geene handen zijn tot den dood, omdat zij niet als gevangenen ter dood geleid worden. Want, omdat krankheden onze krachten doen afnemen, zijn zij even zoo vele boden des doods, die ons de broosheid en den korten duur nnzes levens voorhouden. En daarom worden zij niet zonder reden vergeleken bij banden, door welke God ons vasthecht aan zijn juk, opdat onze kracht, de sterkte van ons gestel, ons niet verleide tot uitspattingen rebellie. Vervolgens zegt hij, dat de goddeloozen een aangename rust genieten, en als door een bijzonder, hun alleen verleend voorrecht, vrijgesteld zijn van de ellende, waaraan hel overige menschelijke geslacht onderhevig is. Want, hoewel zij [in werkelijkheid] even zeer omringd zijn door beproevingen als de godvruchtigen, en God dikwijls zijne oordeelen aan hen volvoert, toch gebeurt het, dat God, om ons geloof te beproeven, met opzet sommigen als op eene stelling plaatst, in wie men dit voorrecht kan aanschouwen, dat hun leven vrijgesteld is van ellende, zoo als dit hier gezegd wordt. Nu is dit wel ecno zware verzoeking, dat men, in plaats dat het leven des menschen vol is van arbeid en moeite (Genesis 3:19), en dit als regel, als levensvoorwaarde voor allen gesteld is, toch smaders van God ziet, die zich baden in weelde en genot en eene volkoinenc rust smaken, alsof zij boven al de overige menschheid verheven waren in een lustoord, en er voor iien afzonderlijk een nest gebouwd was.
Psalm 73 : 6 en 7.
6. Daarom omringt hen de hoogmoed, enz. Deze klaclil gaal verder dan de vorigen, want, hoewel God ziel, dat zij snood en gruwelijk misbruik maken van zijne zachtmoediglieid, blijft Hij toch hunne ondankbaarheid en oproerigheid verdragen. Hij ontleent een beeld aan de kleedij, om aan te toonen dat zulke lieden roemen in hunne boosheid en hunne buitensporige euveldaden. Het werkwoord, dat hij hier gebruikt, is afgeleid van een naamwoord hetwelk halsketen beteekent. En zoo geelt hij dan Ie kennen, dat zij roemen in hunne vermetelheid en woede, alsof zij rijk getooid waren met eene gouden halsketen; dal het geweld hun tol gewaad dient, omdat zij denken, dal hun dil lot groote eer verstrekt. Want sommigen vertalen het Hebreeuwsche woord Shit, dal wij overgezet hebben door kleed, wel door Billen, maar dit wijkt veel te ver af van den tekst. Daarom twijfel ik, voor mij niet, dat David, begonnen zijnde mei den hals of hel hoofd (want het Hebreeuwsche werkwoord, dat hij gebruikt, beteekent ook wel eens Kronen) thans met één enkel woord de geheele kleedij van den persoon aanduidt. De korte inhoud van den zin is dus, dat de goddeloozen zich verblinden door hun' voorspoed en zich alzoo al meer en meer te buiten gaan. Zeer terecht noemt hij in de eerste plaats den Hoogmoed, om hem daarna hel geweld tol metgezel te geven. Want, wat is de oorzaak dal de boozen overal rooven en verwoesten, en zooveel wreedheden begaan, indien niet dat zij alle anderen als niets achten in vergelijking met zich zeiven, ja dal zij zich inbeelden dat het menschelijk geslacht voor hen alleen gemaakt is. De bron dus, en als het ware de moeder, van alle geweld is hoovaardij.
7. Hun oog puilt uit van vet. Thans voegt hij er bij dat het niet te verwonderen is zoo de boozen zich zoo onbeschaamd verheffen, aangezien hun vet hunne oogen doet uitpuilen. Sommigen verklaren het woord uitpuilen alsof hij zeide, dal hunne oogen als het ware verstikt worden door het vet, zoodat men ze niet zien, niet bemerken kan. Omdat echter het vet teweegbrengt dat de oogen naar voren gedrongen worden, wil ik liever de eigenlijke beteekenis van het woord behouden; hoewel men echter wél moet verstaan dal David niet spreekt van het voorkomen des lichaams, maar door dit beeld den hoogmoed te kennen geeft, waarmede de boozen zich opblazen van wege den grooten overvloed hunner goederen. Wanl zij zijn zoo zeer vervuld en als het ware dronken van hun' voorspoed, dat zij daarna barsten van hoogmoed. Het tweede lid van het vers wordt mede op tweeërlei wijze verklaard. Sommigen denken dat door de uit-
Dt. 11. 5
65
Psalm 73 ; 7 en 8,
drukking Te boven gaan eene grenzenloozc vermetelheid wordt te kennen gegeven, omdat de boozen niet tevreden zijn met de gewone perken, waarbinnen anderen zicli blijven bewegen; maar in hunne buitensporige denkbeelden zich verheffen boven de wolken; gelijk wij inderdaad ook weten, dat zij dikwijls bij zich zeiven beraden, hoe zij zich van geheel de wereld kunnen meestei maken, ja zij zouden willen, dat God nog nieuwe werelden voor hen schiep; kortom: zij zijn onverzadelijk; zij gaan hemel en aarde te boven door hunne onbestemde en bovenmatige begeerlijkheid. Die beteekenis zou ook niet onpassend wezen, nl. dat hunne dwaze denkbeelden perk noch maat kennen. Maar er is eene andere verklaring, die ook evenzeer passend is, nl dat hun voorspoed alles te boven gaat wat zij er zich van hadden kunnen voorstellen. En gewis, wij zien sommigen, die veel meer hebben, dan zij zich ooit hebben gewenscht, zoodat het is alsof de Fortuin de netten voor hen uitwerpt en voor hen vischt, terwijl zij slapen, gelijk men voorheen Koning Demetrius zeer geestig heelt afgebeeld, omdat deze zoo vele steden had veroverd, hoewel hij toch geen ijverig, waakzaam man was, en ook niet uitblonk door een groot versland. Willen wij die woorden alzoo verslaan, dan zal dit lid er aan toegevoegd zijn bij wijze van verklaring, om te doen verslaan wat het voor vet is, waarvan hij te voien melding heelt gemaakt, te weten, dat God hen overlaadt met goederen en .bezittingen, hen gansch er van vervult, zoo dat zij meer bezitten dan zij ooit gedacht of begeerd hebben.
8. Zij vloeien over. Sommigen nemen hel llebreeuwsche werkwoord jamikoe in aclieven zin, en verklaren het dieiwijze, dat de goddeloozen verweekelijken, d. i. anderen slap en laf maken, d. i. hen verschrikken en beangstigen. Omdat echter het taaleigen ook den anderen zin wettigt, geel ik de voorkeur aan hetgeen het meest overeenkomt met den samenhang van den tekst; te weten: dut zij, vergetende dat zij menschen zijn, en door hunne buitensporige vermetelheid alle schaamte en eerbaarheid met voelen tredende, hunne boosheid niet eens meer verbloemen, maai zich integendeel luid beroemen op hun' roof en knevelarij. En werkelijk zien wij ook hoe de boozen, nadat hun gedurende eenigen tijd alles naar wensch gegaan is, alle schaamte atschudden en hunne euveldaden niet verbergen, maar hunne laagheid schaamteloos uilbazuinen. Hoe! zeggen zij, heb ik hel niet in mijne macht om u van alles te berooven, ja u ook het leven te benemen? Wel is waar kunnen struikroovers hetzelfde doen, maar dezen kennen nog vrees, en zullen zich daarom
66
Psalm 73 : 8 en 9.
verbergen. Maar deze reuzen, ol' liever, deze monslers in mensche-lijke gedaante, van wie David spreekt, verbeelden zich niet slechts dal zij aan geenerlei wet onderworpen zijn, maar hunne zwakheid en broosheid vergetende, schuimbekken en woeden zij, alsof er geen onderscheid meer was tusschen goed en k waad, tusschen recht en onrecht. Vindt men de andere verklaring echter beter, zoo verwerp ik die ook niet, te weten: dat de boozen de eenvoudige en vreedzame lieden schrik aanjagen door zich te beroemen op de groote verdrukking, die zij hun aan kunnen doen. Want, als de arme lieden zich in de macht zien van deze ellendelingen, dan kan hel niet anders cl' zij moeien sidderen, en als hel ware versmelten van angst, daar zij zien hoe groot de macht is der boozen. Als hij zegt; Zy spreken uit de hoogte, dan beleekenl dit zooveel als dat zij hunne boosheid in woorden uitstorten op de hooiden der andere menschen. Want, evenals de Latijnen , en ook de Grieken, de houding aanduidende van menschen, die dronken zijn van hoogmoed, een werkwoord gebruiken, hetwelk beteekent Neerzien, omdat deze lieden zich niet verwaardigen om iemand recht aan te zien, zoo stelt ook David hen voor als sprekende uit de hoogte, omdat zij denken dal zij met andere menschen niets gemeen hebben, maar zich als iels aparts, ja zoo wat als kleine goden beschouwen. In het volgende vers zegt hij, dal zij smaadwoorden spreken zoowel legen God als de menschen, omdat zij niets te hoog achten, maar denken dat de hemel en de aarde hun onderworpen zijn. Als men hen dreigt met de macht Gods, dan breken zij daar vermetel door heen en gaan voort. Van de zijde der menschen denken zij dal hun geen letsel kan komen, en zoo is er dan niets dat hun in den weg staal of hen kan weerhouden, want door hunne hoogmoedige taal brengen zij ieder lot zwijgen. En voorts, hoewel dit eene hyperbolische manier van spreken schijnt, d. i. eene overdreven voorstelling der zaken, zoo moeten wij, als wij zien hoe groot en alle perken le builen gaande hun overmoed en aanmatiging is, toch bekennen, dal de profeet hier niels anders zegt, dan hetgeen ons voortdurend door de ondervinding wordt aangetoond.
10. Daarom zal zich zijn volk hiertoe keeren, en wateren eens vollen bekers zullen hun uitgedrukt worden, 11. En zeggen: Hoe weet God? Is er kennis by den Allerhoogste? 12. Ziet, dezen zijn goddeloos, toch
67
5*
Psalm 73 ; 10.
hebben zij onophoudelijk rust; zij hoopeu de rykdommen op. 13. Voorzeker heb ik te vergeefs mijn hart zuiver gehouden en mijne handen in reinheid gewasschen. 14. Want ik werd dagelijks gegeeseld, en mijne kastijding was er iederen morgen.
10. Daarom keert zich zijn volk hiertoe. Deze volzin wordt door de uilleggers op allerlei wijze verdraaid en verwrongen. Ten eerste: omdal er staat: Zijn volk, zonder dat iets voorafgaat oin aan te duiden van wie hier sprake is, verstaan sommigen dit eenvoudig van de goddeloozen, alsof er gezegd was dat de ongod-vruchligen altijd lot dit denkbeeld vvederkeeren, en zoo nemen zij dan het woord Volk voor een' grooten loep, omdal, zoodra een goddelooze zijn veldleeken opricht, er terstond eene gansche menigte is, die hem volgt. Dezen denken dus dat de Profeet zegt, dal, wanneer er een goddelooze is, de menschen zich in grooten getale rondom hem vergaderen, en vervolgens dat zij in de paleizen en prachtige huizen dier ellendigen zich tevreden stellen met water te drinken te hebben, dewijl hunne verdorven verbeelding hen als hel ware betoovert. Maar er is eene andeie, veel juistere en ook veel meer algemeenaangenomene verklaring, nl. dat hel volk Gods daar wederkeert. Want, dat sommigen hel Hebreeuwsche woord halom, dal hier gebruikt is, door een Beproefde, of iemand die afgemat en uitgeput is, vertalen, die verklaring is stijf en gezocht. De bedoeling van den Profeet is echter niet zeer duidelijk, en daarom moeten wij den tekst meer aandachtig en van nabij bezien. Sommigen lezen alles aan een: Dal het volk Gods daar wederkeert, en dal zij het water der smarte met groote volle bekers moeten drinken. Ik voor mij denk, dat dit vers afhangt van den vorigen zin, en dal de beleekenis is; dat velen, die voor hel volk Gods doorgingen, door verzoeking afgeweken zijn, ja zelfs gansch en al verleid zijn geworden. Want hij schijnt hier niet te spreken van de uitverkorenen, maar van de huichelaars en de valsche Israëlieten, die in de Kerk zijn aan le duiden. Hij zegl dus dal dezen zich in het verderf storten, daar zij, toegevende aan hunne dwaasheid om de boozen le benijden en hun te willen navolgen, God en de godsvrucht vaarwel zeggen. Toch zou men dit ook, zondei eenigerlei ongerijmdheid met de uitverkorenen in verband kunnen brengen, onder welke velen zoo hevig geschokt zijn door deze verzoeking, dal zij zich van Ier zijde afwenden en in dwaling
68
Ps4lm 73 : 10 en 11.
vervallen; niet omdat zij zich aan ondeugd overgeven, maar omdat zij niet op den rechten weg blijven, Zoo zal de zin dan wel wezen, dat niet slechts gewone wereldsche mcnschen, maar ook zell's de geloovigen, die zich len doel stellen God te dienen, door dezen nijd en onheiligen wedijver in verzoeking worden gebracht. Wat betreft de woorden, die daarna komen, dat hun wateren eens vollen bekers uitgedrukt worden, het schijnt dat dit de reden is van heigeen voorafgaat, nl. dat zij zich kwellen door nijd en verdriet, als zij zien, dat het nergens toe nut is om de vreeze Gods voor oogen Ie houden. Want verzadigd te zijn van water is eene overdrachtelijke wijze van spreken om groote benauwdheid aan te duiden en zich aan al te veel hartzeer over te geven.
11. En zeggen. Sommige Schiftverklaarders zeggen dat de Profeet terugkomt tot de goddeloozen en hunne spotlernijen, hunne smalende woorden en hunne lasteringen mededeelt, waardoor zij zich zeiven opwekken tot nog meer en nog grooter kwaad. Maar ik deel hun gevoelen niet. Want David geeft hier veeleer eene verklaring of opheldering van hetgeen hij in het vorige vers gezegd heeft, dat nl. de geloovigen lol slechte gedachten en booze bedenkselen vervallen, als hel broos en voorbijgaand geluk der boozen hun de oogen verblindt, nl wanneer zij bij zichzelven beginnen te twijfelen of er kennis is bij den Allerhoogste Wat de wereldlingen betreft, die waanzin wordt maar al le algemeen bij hen gevonden. Wel is waar, is hel een Lalijnsche dichler, Ovidius, die zegt: Ik ben in verzoeking van te denken dat er geen God is, maar aangezien wij weten, dat de Dichters uitdrukking geven aan hetgeen de menschen denken, aan heigeen er in hun hart en hoofd opkomt, is hel zeker dat deze als het ware de mond was van geheel hel volk, als hij zoo openhartig bekent, dal, zoodra er eens iets verkeerd gaal, de menschen terstond alle kennis van God vergelen. En niet slechts twijfelen zij er aan of er een God is, maar zij beginnen zelfs een twistgeding met Hem. Want, wal wil anders de klacht zeggen, die bij een oud Latijnsch dichter gevonden wordt: Het is niet mogelijk dal de groote God, voorlgebrachl door Salurnus, deze dingen met een onpartijdig oog beschouwt, tenzij de vrouw, van welke daar gesproken wordt, haren Jupiter van ongerechtigheid beschuldigt, omdat het met hare zaken anders ging dan zij gedacht heeft. Het is dus een gezegde, dat maar al te algemeen is onder ongeloovigen, dat God geene zorg draagt voor de regeering der wereld, en dat alles maai bij geval geschiedt.
69
Psalm 73 : II en 12.
Maar hier verhaalt David, dat zelfs de geloovigen hieromtrent wankelen. Niet omdat /ij zicli mede aan Godslasteringen overgeven ; maar omdat zij niet terstond hun' geest in bedwang kunnen houden, wanneer het hun toeschijnt dat God vertoeft zijn ambt uit te oelenen Men kent de klacht door Jeremia geuit: âHeere, Gij zijl rechtvaardig, en uwe oordeeien zijn recht, nochtans komt het bij mij op om met u le twisten, omdat de weg der goddeloozen voorspoedig is. (Jeremia 12 : 1). liet blijkt uit deze Schriftuurplaats dat zells de geloovigen in verzoeking zijn om aan de voorzienigheid Gods te twijfelen; maar dat die verzoeking hen toch niet zóó treft, dal hun hart er door gewond wordt, aangezien Jeremia integendeel reeds terstond daartegen protesteert, en zich hierdoor als hel ware een' toom aanlegt om zich le weerhouden Evenwel, niet altijd ontdekken en vermijden zij zoo schielijk de strikken van Satan, dat het hun niet overkomt om twijfelend te vragen, hoe het kan, indien God het oog op de wereld gericht houdt, dat Hij aan zoo groote verwarring en beroering geen einde maakt. Overigens: de zoodanigen, die Godslasteringen uitbraken en zijne voorzienigheid loochenen, kunnen in twee soorten verdeeld worden. Want sommigen doen dit openlijk en luid, daar zij zeggen, dat God zich overgeeft aan zijne kalme rust, en zich om niets bekommert, maar het bestuur der wereld aan het toeval of de Fortuin overlaat l)e anderen houden hunne gedachten wel voor zich, en uilen ze nooit in woorden, maar toch knarsetanden zij daarom niet minder legen God en beschuldigen Hem van onrechtvaardigheid en onverschilligheid, nl. dat Hij den schijn aanneemt de goddeloosheden, die bedreven worden, niet le zien, de brave lieden niet in waarde te houden, en alles maar aan zich zeiven over te laten. Maar de geloovigen zullen, vóórdat deze gruwelijke gedachten doordringen tol hunne ziel, hun hart voor God uitstorten, en slechts begeeren in te stemmen met zijn' verborgen raad, waarvan de reden hunne bevatting te boven gaat. En zoo is dan de zin van deze Schriftuurplaats, dal niet slechts de goddeloozen, de dingen dezer wereld in zoodanige verwarring ziende, zich voorstellen dal de wereld door een blind noodlot wordt geregeerd, maar dat zelfs de geloovigen wankelen, zoodal zij twijfelen aan Gods voorzienigheid, en dal zij, zoo Gods hand hen niet wonderbaarlijk staande hield, in dezen afgrond zouden nederslorten en verzinken.
12. Ziet, dezen zijn goddeloos Hij toont hier als door eene levendige schilderij, wat deze afgunst geweest is, die zijne ziel
70
Psalm 78 : 12â14.
bijna had verslrikl. Ziel, hoewel deze lieden slecht zijn, hebben zij nochtans rusl, genieten van allerlei aangenaamheden des levens, en hebben macht en aanzien; en dal niet voor korten tijd, voor slechts eeni^'e dagen; maar hun voorspoed houdt aan, blijft schier eeuwig voortduren. En is er nu iels, dat minder met ons gevoel van recht overeenkomt dan dat lieden, wier goddeloosheid alle perken te buiten gaat, wier leven zelfs in hel oog der menschen schandelijk is, door God zoo zacht, ja met zooveel gunst worden behandeld ? Sommigen nemen hel llebreeuwsche woord olam voor de wereld, en dat wel omdat David klaagt dat het geluk der boozen standvastig en van langen duur is, en dal dit grievend is voor de oprechten. Maar David, ziende dal de goddeloozen zoo toegevend door God worden behandeld, werpt nu een' blik op zich zeiven, en daar hij hel getuigenis heeft van zijne conscienlie, dat hij ongeveinsd en in oprechtheid heeft gewandeld, vraagt hij zich zich zeiven al, waartoe hel hem nul was zich zoo nauwgezet op recht en gerechtigheid te hebben toegelegd, aangezien hij in zoo hooge mate ontroerd en gegriefd is. Wanl hij zegt, dal hij dagelijks gegeeseld werd, en dat hem bij iederen zonsopgang eene nieuwe ellende bereid is, zoodat er aan zijn verdriet geen einde komt. Die redeneering komt dus hierop neder: Voorzeker, hel is te vergeefs dat ik gestreeld heb naar een zuiver hart, en mijne handen rein heb gehouden, daar mij de beproevingen, de eene na de andere, overkomen, en (bij wijze van spreken) op mij loeren, mij reeds bij den dageraad opwachten. Want zoodanige toestand toont dat oprechtheid en onschuld geen loon vinden bij God, want anders zou Hij hen, die Hem dienen wel wal zachter en vriendelijker behandelen. En voorts: daar de ware heiligheid der geloovigen bestaat in twee punten: te weten, in reinheid des harten, en oprechtheid in hunne uitwendige handelingen, kent David zich hel eene zoowel als hel andere toe. Laat ons door zijn voorbeeld leeren om ook van onzen kant die twee te zamen te voegen, en in de eerste plaats beginnen met reinheid des harten, om dit vervolgens te laten blijken voor de menschen door rechtvaardigheid en oprechtheid in onze handelingen.
15. Indien ik zou zeggen: ik zal ook aldus spreken, dan zou ik overtreden. Ziet het geslacht uwer kinderen. 16. En indien ik my begaf tot peinzen om dit te weten, het was moeite in mijne oogen. 17. Totdat
71
Psalm 73 : 15.
ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
15. Bemerkonde, dat de verzoekingen, waardoor hij was aangevallen, snood en verdorven waren, legt David zich een' toom aan om zich te weerhouden, en bestraft zijne lichtzinnigheid, waarmede hij zich veroorloofd heeft ten opzichte van zoodanig punt in twijfel te zijn. Overigens, hoewel Davids bedoeling duidelijk genoeg is, is er met betrekking lot de woorden toch iets duisters. Het laatste Hebreeuwsche werkwoord Bagad in dit vers beteekent Overtreden en ook bedriegen Kn daarom vertalen sommigen: Ik heb het geslacht bedrogen; alsof David gezegd had: Hierdoor zal ik uwe kinderen berooven van hunne hoop. Anderen vertalen: Ik heb overtreden tegen het geslacht; dat is: Ik zal onrecht doen aan uwe geloovigen. Daar echter de woorden des Profeten aldus slaan: Ik heb overtreden. Ziet het geslacht uwer kinderen, en men daar een zeer goeden zin uit kan afleiden, verklaar ik deze plaats eenvoudig: Indien ik aan deze booze gedachte plaats geef en begin te twijfelen, dan overtreed en zondig ik, want zie, er zijn toch nog geloovigen in de wereld, en Gij laat uw volk toch nog altijd in wezen blijven. En zoo moet men dan niets aan den zin ter vervollediging toevoegen, en het werkwoord overtreden afzonderlijk laten. Nu hebben wij elders gezegd dat het Hebreeuwsche woord Dor, dat men vertaalt door Geslacht, eigenlijk ziet op den tijd. Nu verstaan wij zeer duidelijk wat David zeggen wil, nl. dal terwijl de wereldlingen den vrijen teugel vieren aan hunne inbeeldingen en overleggingen, totdat zij ten laatste gansch verhard zijn en alle vreeze Gods afschuddende, hierdoor ook alle hoop op de zaligheid laten varen, de heilige zich betoomt en weerhoudt ten einde zich niet aan zoodanig bederl over te geven. Zeggen, of verhalen, beteekent hier zooveel als uitspreken hetgeen men bij zich zeiven overdacht heeft. En zoo zal de zin dan zijn: Indien ik een oordeel uitspreek als iets dat zeker en gewis is, dan zal dit in mij eene overtreding, eene snoode zonde zijn Terwijl hij dus te voren nog in twijfel en onzekerheid verkeerde, erkent hij thans grootelijks te hebben gezondigd, en de reden, die hij er voor aanvoert, is, dat God zich nog altijd een volk in de wereld heeft behouden. Nu schijnt hij het woord Ziet te herhalen om des te beter de tegenstelling te doen uitkomen tusschen die twee tegenover gestelde zaken, dewijl hij een oogenblik te voren gezegd had: Ziel, dezen zijn goddeloos. En voorts, het is voor
72
Psalm 73 : 15 en 16.
zeker een wonder van God, dal de Kerk, die dagelijks zulke woedende aanvallen van Satan heeft te verduren, evenals van een groot aantal andere vijanden, toch in stand wordt gehouden.
16. En indien ik mij begaf tot peinzen, enz. Het werkwoord gashaw dat hij gebruikt, beteekent eigenlijk Vertellen, Verslag-geven, en soms Beschouwen, of Wegen, maar de sammenhang der woorden eischt hier den zin, dien ik er aan heb gegeven, te weten, dat hij er zich met zijn verstand op toegelegd heeft om die zaak te kennen, of te verstaan. Overigens, hoewel hij reeds erkend heeft te hebben overtreden, zoo belijdt hij, dat hij, vóór dat hij in Gods heiligdommen inging, zich niet heeft kunnen ontdoen van de twijfelingen, die zijn' geest hadden beneveld. Want de substantie der woorden, die hij gebruikt, komt hierop neder, dat, hoewel hij peinsde over de zaak en haar van alle kanten trachtte te beschouwen, hij loch niet tot hel inzicht is kunnen komen, dat in weerwil van die zoo groole verwarring, God toch de wereld regeert. Intusschen loont hij ons door aldus van zich zeiven te spreken, waartoe de menschen komen, als zij zich door hun vleeschelijk verstand laten leiden, nl. dat zij onder hun verdriet en moeite bezwijken, omdat zij nergens zekerheid of vastigheid in vinden. Want het is ontwijfelbaar dat hij Gods heiligdommen stelt tegenover de redeneeringen van het vleesch. Hieruit volgt dat alle kennis en wijsheid, die de menschen in zich zeiven hebben, beuzelachtig en ijdel is, omdat alle ware wijsheid, die aldus door de menschen genoemd moet worden, bestaat in één enkel punt, te welen, dal zij leerzaam zijn en zich afhankelijk erkennen van Gods Woord. En hel is niet van de ongeloovigen, dat hij hier spreekt, die zich moedwillig verblinden, zich in allerlei buitensporige denkbeelden verliezen, en zelfs blijde zijn om een voorwendsel te vinden om zich te ergeren, ten einde zich dus van God te kuuenafwenden. Maar terwijl David zich met evenveel nederigheid als nauwgezetheid er toe begeeft om die heilige dingen te onderzoeken, en de oordeelen Gods niet alleen met aandacht, maar ook met diepen eerbied na te gaan, moet hij toch erkennen, dal zijn geest hierbij is afgedwaald en hij in zijn onderzoek gefaald heeft. Want hel woord Overlast, of Moeite, of Verdriet, beteekent hier zooveel als vergeefsche moeite, of nutlelooze arbeid. Al wie dus de oordeelen Gods wil onderzoeken en daarbij met het natuurlijk verstand redeneert, zal zich kwellen en pijnigen zonder dal er eenigerlei nuttigheid voor hem uil voortvloeit, en daarom aal het hem noodig wezen hooger op te klimmen. Door
73
Psalm 73 : i6 en 17.
74
de heiligdommen Gods verslaan sommigen â zelfs onder de Hebreen â de hemelsche woonstede, waar de geloovigen en de Engelen verblijven; alsof David gexegd had: Toldal ik er loe kom om welbewust te erkennen dal de menschen niet geschapen zijn, om hier voor eene wijle te bloeien en zich in de genietingen der wereld te storten, maar omdat zij als pelgrims en vreemdelingen hier beneden met reikhalzend verlangen moeten uitzien naar den hemel. En inderdaad moet ik ook erkennen, dat de mensch niet recht over Gods voorzienigheid kan oordeelen, zoo hij zijn' geest niet hoog opheft boven de aarde. De verklaring zal echter eenvoudiger en natuurlijker wezen, als men door dit woord Heiligdom de hemelsche leer verstaat. Want, omdat in het Heiligdom het Boek der Wet bewaard werd, en men van daar de hemelsche openbaringen moest ontvangen, d. i. de verklaring van Gods wil, en dit de rechte manier was om te leeren en er nut uit te tiekken, heeft, David zeer terecht de uitdrukking Ingaan lot de Heiligdommen gebruikt voor in de schole Gods komen; alsof hij zeide; Totdat God mijn leermeester wordt en mij onderwijst, en ik door zijn Woord leer, wat ik anders niet zou kunnen verstaan, als ik over het betuur der wereld nadenk, zal mijn verstand te kort schieten, zoodat ik er hoegenaamd niets van begrijp. Daar wij dus zien, dat hier gezegd wordt dat de menschen niet in staat zijn de orde van Gods voorzienigheid na te gaan, voordat zij wijsheid van elders dan van zich zeiven hebben, waar zal onze wijsheid dan anders in beslaan dan in het gehoorzaam aannemen van hetgeen God ons leert door zijn Woord en zijn' Heiligen Geest? Want, hoewel David door dit woord Heiligdom zinspeelt op de uitwendige manier van onderwijzen, die God voor zijn volk had verordineerd, toch verstaal hij door hel Woord de verborgene verlichting des Heiligen Geesles. Door het Einde, of de laatsle dingen van dezen, verslaat hij niet hun' uitgang uit deze wereld, en het afleggen van dit leven hetgeen iedereen wel zien kan (want waartoe zou hij hiervoor in Gods heiligdommen behoeven te gaan ?) maar dit woord Einde strekt zich uil lol het oordeel Gods, door hetwelk hij te verslaan geeft, dal, wanneer men gemeenlijk denkt dat Hij slaapt. Hij slechts tol gelegenen lijd de straf uitstelt, die de goddeloozen verdienen. Bij dit punt moeten wij ietwat uitvoeriger stilstaan. Indien wij van God vvenschen te vernemen wal de toestand der goddeloozen is, zoo antwoordt Hij ons, dat zij, na eenigen tijd gebloeid te hebben, plotseling verdorren. En zoo hel gebeurt dat hun geluk voortduurt tol aan hun' dood dit toch niets beteekent, aangezien ook hun leven niets beleekenl. Daar God
Psalm 73 : 17 en 18.
ons dus verzekert dnl alle lt;;oddeloozen een ongelukkij; einde zullen hebben, en wij zien dal Hij reeds in dil leven eene treffende wrake aan hen volvoert, zoo moeten wij gedenken dal dit een oordeel Gods is. Maar zoo wij integendeel niet bemerken, dat zij door eenigerlei straf op aarde worden getroffen zoo moeten wij er ons wel voor wachten te denken, dat God hen begunstigt, maar veeleer ons oordeel opschorten, omdat hel einde, cl de laatste dag nog niet gekomen is. Kortom, als wij wenschen naar behooren ons voordeel te doen met de beschouwing van Gods werken; dan moeten wij ten eerste bidden dal hel Hem behage ons de oogen le openen (want zij spreken slechts beuzeltaal, die beweren, dal zij uil zich zeiven een goed en verstandig oordeel kunnen vellen) en in de tweede plaats moeten wij aan zijn Woord hel gezag toekennen, dat er aan toekomt.
18. Voorzeker! Gij hebt hen op glibberige plaatsen gesteld, Gij zult hen nederstorten in verwoesting. 19. Hoe zijn zij als in één oogenblik tot verwoesting gekomen! Zij zijn omgekomen, zij zijn verteerd geworden door verschrikkkingen! 20. Als een droom nadat de mensch ontwaakt is; Heere! Gij zult hun beeld verachtelijk maken, als Gij ze doet ontwaken.
18. Voorzeker! Gij hebt hen op glibberige plaatsen gesteld. Zijn' strijd volslreden hebbende, begint David (om zoo te spreken) een nieuw mensch te worden. Hij spreekt met kalmte, en als iemand, die op een' hoogen wachttoren staat, van waar hij rustig alles in oogenschouw kan nemen; gelijk ook de Proleel llabakuk ons door zijn voorbeeld hetzellde geneesmiddel voor-schrijlt legen benauwdheden. Ik zal op mijnquot; wachttoren gaan slaan, zegt hij (Hab. 2:1). Kn zoo toont David dan hel voordeel van tol God le naderen. Ik zie, Heere, zegt hij, hoe Gij te werk gaal. Want hoewel de boozen voor eene wijle sland houden, zijn zij toch slechts op die glibberige hoogte gesteld om weldra neder te storten. Beide werkwoorden in dil vers hebben den verleden lijd, doch hel eerste nl. Op glibberige plaatsen gesteld, moet in den legenwoordigen tijd verslaan worden; alsof hij zeide, dal God hen voor eene kleine wijle zoo hoog stelt, opdat zij mei des te zwaarder val naar beneden zullen storten. Wel is waar, de godvruchligen schijnen dil mei hen
75
Psalm 73 ; 18 en 19.
gemeen te hebben, aangezien de gansche wereld in dien toestand van uitglijden verkeert; omdat echter de geloovigen afhankelijk zijn van den hemel, of liever gefondeerd zijn in de kracht Gods, wordt van hen, hoewel zij broos zijn en hun toestand aan wisselvalligheid onderhevig is, toch niet gezegd, dat zij op glibberige plaatsen gesteld zijn. Indien het hun gebeurt te wankelen, ja zelfs te vallen, de Heere heeft zijne hand onder hen om hen te ondersteunen en vast te stellen, ol hen op te richten als zij gevallen zijn. Maar hel onzekere van den toe stand der godde-loozen, of (gelijk hier gezegd wordt) hun toestand van uitglijden vloeit hier uit voort, dat zij er behagen in scheppen hunne macht en grootheid te beschouwen en er zich in te spiegelen, als iemand die op glad ijs gaat, en zoo bereiden zij zich door hunne buitensporige inbeelding en aanmatiging den val, die hen in den afgrond nederslort. Want, wij moeten ons geen rad der fortuin denken, dal in zijne wentelingen alles door elkander haspelt, maar erkennen den raad Gods, waarvan de Profeet spreekt, en dien hij zegt dal aan alle geloovigen in het Heiligdom geopenbaard wordt, te weten, dat er eene verborgene voorzienigheid Gods is, die alles bestuurt. Hieromtrent kunnen de lezers, zoo hel hun behaagt, de schoone verzen lezen, die Claudianus in zijn eersle boek legen Ruffinus geschreven heeft.
19. Hoe zijn zij, enz. Die wijze van spreken als door bewondering dient groolelijks tol.bevesliging van den zin, die voorafgaat. Want, daar de beschouwing van den voorspoed der boozen onzen geest verblindt en ons verstand benevelt, zal hun' plotseling verderf ons des te beier doen ontwaken , zoodal iedereen genoopt is te vragen, hoe datgene heeft kunnen gebeuren, dat iedereen als iels onmogelijks heeft beschouwd. En zoo spreekt de Profeet dan in vragenden vorm, als van iels dat ongeloofelijk is. Toch leert hij ons hierdoor dat God dagelijks op die wijze werkt, en dat zoo wij de oogen openen. Hij ons stof genoeg biedt lol rechtmatige bewondering. Of beier nog, indien wij door hel geloof de oordeelen Gods van verre beschouwen en ze dagelijks zien naderen , dan zouden wij niets nieuw of moeielijk te gelooven vinden; want de bewondering of verbazing, die zich van ons meesier maakt, vloeit voort uil ons gebrek aan versland en uil onze onachtzaamheid om nuttigheid te trekken uil de leer. Hetgeen hij zegt van de boozen, dal zij Verteerd zijn door verschrikkingen, kan in tweeërlei zin genomen worden, te welen, óf dal God hen op zóó ongewone wijze treft met zijn' bliksem, dal de menschen er gansch verschrikt en ontzet door zijn; ol
76
Psalm 73 : 19 en 20.
wel, dal God, schoon Hij zijne hand niet op hen legt, zijne vijanden toch door zijn' blooten adem van schrik en ontsteltenis doet sterven, hoewel zij zich zoo dapper en moedig hadden voorgedaan, met alle gevaar hebben gespot, alsof dit voor hen niet bestond, en alsof zij een verbond met den dood hadden aangegaan, gelijk wij te voren gezien hebben hoe David hen voorstelt in verwaten hoogmoed uitroepende: Wie is heer over ons? (Psalm 12:5). Ik voor mij volg liever den eersten zin, en de reden, die mij hiertoe dringt, is, dat wanneer God ziet, dal wij nalatig zijn in hel lellen op zijne oordeelen, zal Hij, om onze slompzinnigheid te bestraffen, strenge oordeelen volvoeren en de boozen vervolgen door ongewone middelen, alsof Hij de aarde wilde doen beven.
20. Als een droom. Dit beeld wordt meermalen in de Schrift aangetroffen; zoo bijv. zegt .lesaja, dal de vijanden der Kerk zullen zijn als een nachtgezicht. (Jesaja 29 : 7). Maar het zou een langdurige en overtollige arbeid zijn om nog meerdere plaatsen aan te halen; doch inlusschen past dit zeer goed bij hetgeen hier besproken wordt. Immers, hoe komt het, dal men zoo groote bewondering heeft voor den voorspoed der boozen? Is het niet omdat onze geest zoo zeer in sluimering is verzonken en, om hel met één woord te zeggen, wij beelden ons in dat de boozen gelukkig zijn; en hun toestand begeerenswaardig is, zooals wij in onze droomen koninkrijken zien, die nooit hebben beslaan. Want zij, die door hel Woord Gods zijn verlicht, waken, en hoewel nu ook hunne oogen eenigen glans zien in de boozen, zijn zij door dien glans toch niet verblind, zoodat zij er geene al te groote bewondering voor hebben, omdat zij hiervan weerhouden worden door een gansch tegenovergesteld licht, dat onvergelijkbaar grooter en schitterender is. En zoo beveelt de Profeet ons dan te ontwaken, opdat wij zien dal alles wat wij zoo zeer bewonderen in wereld, niets dan ijdelheid is: gelijk hij nu ook er toe gekomen zijnde om wederom een gezond oordeel te kunnen hebben erkent, dal hij zich te voren aan dwaze droombeelden had overgegeven. Overigens wordt er de oorzaak van bijgevoegd, nl. dat God hun beeld verachtelijh zal maken. Nu verstaan sommigen door dit woord de ziel des menschen, omdat zij naar het beeld Gods is geschapen; maar naar mijn inzien, is die verklaring niet juist, aangezien de Profeel eenvoudig den spot drijft met hunne uitwendige praal, die de oogen verblindt, maar in een oogwenk verdwijnt, gelijk wij bij Psalm 39:7 gezien hebben dat hij zegt: Voorzeker! de mensch
77
Psalm 73 : 20 en 21.
gaal als een beeld voorbij, lielj-een zoo veel wil zeggen als dal hij wegvloeil als waler; dal geene vasligheid beefl, ol liever, als bel beeld, dal in een' spiegel gezien wordl, maar geene subslanlie, geene werkelijkheid is. Aan deze plaats heefl dus hel woord Beeld de beleekenis van uilwendigen schijn; en hiermede beslrall de Profeel zijdelings onze dwaasheid, daar wij van iels dat niels is, ons zulke groole voorslellingen maken. Hel llebreeuwsche woord Baïer beleekenl eigenlijk In de slad: daar die wijze spreken echler schraal en dor is, hebben sommigen lerechl de meening voorgestaan, dal hel dezelfde beleekenis heeft als Behatér, hetgeen ook uil den Kamets afgeleid kan worden. En zoo moet men vertalen: als Gij ze doet ontwaken, dal wil zeggen: nadat die bedriegelijke droomen voorbij zijn. En dit heefl niet slechts plaats wanneer God wederom in redelijke orde brengt hetgeen te voren in verwarring was, maar ook evenzeer, als Hij mist en nevelen verdrijft en onzen geest eene liefelijke helderheid laat genieten. Hoewel wij nu nooit op aarde de dingen zien gebeuren, gelijk wij dit zouden wenschen, omdal God, ten einde immer de hoop levendig in ons te houden, de volmaaktheid van onzen staat uitslell lot aan den laatslen dag des oordeels, zoo zullen wij toch telkenmale als Hij zijne hand uitstrekt legen de goddeloozen, als hel dagen zien van het licht in den morgenstond, opdat de duisternis, al te zwaar wordende, ons niet doe inslapen of ons met stompzinnigheid zal bevangen. Sommigen brengen dit in verband met het laatste oordeel, alsof David gezegd had, dat de boozen in deze wereld bloeien en in rijkdom toenemen, en dat deze wanorde, die als een donkere nachl voor ons is, zal duren loldal God de dooden opwekt. Nu erken ik, dal dit eene zeer nuttige leering is, maar zij is hier niet op hare plaats, aangezien dit niet met den samenhang van den tekst overeenkomt. Wil men nu liever lezen In de slad, dan zal de zin wezen: Wanneer God de schoonheid en de ijdeie verlooning der menschen te schande maakt, dan zal dit niet in het verborgen geschieden, maar eene openlijk bekende zaak zijn, zooals hetgeen op de markt in eene stad plaats heeft. Maar hel woord Ontwaken is hier meer gepast, omdal hel de legenstelling vormt met droomen.
21. Want, mijn hart was opgezwollen, en ik werd geprikkeld in mijne nieren. 22. En ik was dwaas en onwetend; ik ben voor U geweest als de beesten.
78
Psalm 73 : 21.
23, Evenwel (ben) ik voortdurend bij ü (geweest); Gij hebt mijne rechterhand gehouden. 24. Gij zult mij leiden door uwen raad; en daarna mij ontvangen in de heerlijkheid.
21. Want myn hart was opgezwollen. Hij herhaalt de belijdenis, die hij le voren gedaan heelt, nl. dut hij in zijn hart onheiligen naijver en afgunst gevoeld hebbende, er toe gekomen is om met God te twisten. Hij vergelijkt zijn' toorn bij zuurdeeg. Anderen vertalen dat zijn hart in azijn gedompeld was. Maar de verklaring is juister, dat zijn hart verzuurd is geweest of gezwollen, zooals het zuurdeeg het deeg doet opzwellen gelijk ook de Latijnsche dichter Plautus, sprekende van eene vrouw, die geheel in toorn ontstoken is, zegt, dat zij één en al zuurdeeg is. Het laatste lid van het vers wordt door sommigen gelezen: Mijne nieren zijn gewond, of doorstoken geweest, maar dit maakt voor de beteekenis weinig verschil. Wij weten, dat het Hebreeuwsche woord kiljos, waarmede de llebreën de pieren aanduiden, afstamt van het werkwoord kalah, hetwelk Begeeren beteekent, omdat, naar men zegt, de lusten of begeerlijkheden van den mensch hun' zetel hebben in de nieren Hij zegt dus dat zijne verkeerde en booze gedachten als droomen geweest zijn, die hem prikkelden. Nu hebben wij te voren reeds gezegd, hoe David aan dit verdriet en dezen stekenden nijd gekomen is. Wani men zal vele wereldsche menschen aantreffen, die, hoewel zij ontkennen, dat de wereld door Gods voorzienigheid wordt geregeerd, zich toch niet veel kwellen; veeleer zullen zij lachen om dit spel der fortuin, gelijk zij het noemen. Maar de ware geloovigen zullen, juist omdat zij er van overtuigd zijn, dat God de Rechter en Bestuurder is der wereld, zich des te meer ergeren, als God niet aan hunne verwachting beanlwoordl Daarna zich streng bestraffende, waarvoor dan ook wél reden was, noemt David zich ten eerste dwaas; en daarna laakt hij zijne onwetendheid, en in de derde plaats zegt hij, dat hij aan de beesten gelijk was. Indien hij alleen maar zijne onwetendheid had bekend, dan zou men hebben kunnen vragen: van waar komt deze ondeugd, of dit gebrek? Hij schrijft haar dus toe aan zijne dwaasheid, en om die nog sterker in het licht le stellen, vergelijkt hij zich bij de redelooze dieren. Wal hij zegt komt dus hierop neer, dat deze afgunst, waarvan hij gesproken heeft, voortkomt uit onwetendheid en dwaling, en dat de schuld dezer
79
Psalm 73 ; 21, ^ en 23,
dwaling bij hem berust, omdal hij dwaas geweest is, hel versland als hel ware verloren heelt, en dal niel op gewone, alledaagsche wijze, maar in zoo hooge male, dal hij aan een redeloos dier gelijk was. Want hoewel hetgeen wij te voren gezegd hebben waar is, dat de menschen de werken Gods nooit recht beoordeelen, omdat, als zij zich er toe begeven om ze te beschouwen, hunne zinnen falen, is hel toch volkomen terecht, dat David de schuld bij zich zeiven zoekt, omdal hij het menschtlijk verstand verliezende , lot de rang van de redelooze dieren is afgedaald. Laten wij dan, telkenmale als ons de orde van Gods raad ten opzichte van het bestuur der wereld niel goed dunkt, gedenken dat de verkeerdheid, het gebrekkige van ons versland daar de oorzaak van is. liet Ilebreeuwsche woord imach, dal wij vertalen door jegens u, is hier genomen bij wijze van vergelijking in plaats van Vóór U; alsol' hij gezegd had, lleere, hoewel ik in deze wereld wel begaafd scheen met eenig versland, zoo ben ik toch in vergelijking met uwe hemelsche wijsheid, als een stompzinnig beest geweest. En het is niel zonder reden dat hij dit woordeke heeft ingelascht. Immers, hoe komt hel dal de menschen zoo verdwaasd zijn in hunne ijdelheid ? Is hel niet omdat de eene mensch zich vergelijkt met den anderen mensch en zoodoende allen zich zei ven vleien'? Want onder blinden denkt ieder nog één oog te hebben, d. i. acht zich zeiven voortreffelijker dan anderen; of is ten minste tevreden omdal de anderen niel wijzer zijn dan hij zelf is. Maar als men zich voor God stelt, zal deze dwaling, door welke allen zich in slaap wiegen, als van zelve vervallen.
23. Evenwel hen ik voortdurend hij u geweest. Hel is in een anderen zin dat hij hier zegt met God geweesl te zijn; want hij brengt Hem lof en dank, omdat hij, in zoo groot gevaar ver-keerende van zich in het verder! Ie slorlon, door Hem weerhouden was geworden, zoodat hij niel werkelijk gevallen is. Nu wordt door de bekentenis, die hij heeft afgelegd van builen zijne zinnen en als een redeloos dier geweesl te zijn, nog allijd de grootheid aangetoond van de genade, die hij hier vermeldt. Want hij was hel meer dan waard om door God verworpen le worden, toen hij de vermetelheid had om legen Hem le murmureeren. Nu is er tweeërlei wijze, waarop gezegd wordt, dal de menschen met God zijn, nl. óf door hel versland en de gedachte, wanneer zij er wèl van overtuigd zijn, dal zij wandelen voor zijn aangezicht, door zijne hand worden geleid, en door zijne kracht worden ondersteund; of wel wanneer zij afwijken en afdwalen,
80
Psalm 73 : 23.
God hun, zonder dat zij hel bemerken een' breidel aanlept, waarmede Hij hen in het verborgen terughoudt, en hen niet voor goed en voor altijd toelaat af te dwalen. Wanneer iemand zich dus inbeeldt, dal God niet voor hem zorgt, zich zijner niet aantrekt, dan is zoo iemand niet met God, voor zooveel het zijn eigen gevoel betreft; maar ten opzichte van de verborgene genade Gods, is hij echter wél met God, in zoover Hij niet werkelijk door Hem verlaten is. Kortom, God is zijnen uitverkorenen altijd nabij; want hoewel het soms gebeurt, dat zij Hem den rug toekeeren , houdt Hij toch altijd zijn vaderlijk oog op hen gericht. Door te zeggen dat God zijne rechterhand heeft gehouden, geeft hij te kennen dat hij door Gods wondervolle kracht was teruggetrokken van den diepen afgrond, waarin de verworpenen zich nederstorten. Als David zich dus weerhouden heeft van tol openlijke Godslasteringen over Ie slaan en zich te verharden in zijne dwaling, evenals wanneer hij zichzelven laakt en bestraft om zijne dwaasheid, dan schrijft hij alles toe aan Gods genade, omdat God hem zijne hand heeft toegereikt om hem op te heffen van den val, die anders een doodelijk verderf ten gevolge zou hebben gehad. Hieruit zien wij hoe dierbaar Gode ons heil is; nl. dal wanneer wij ver van Hem vvegdvvalen. Hij ons daarom toch niet minder zorgvuldig gadeslaat, en zijne hand uitstrekt om ons tot Hem terug te brengen. Wel is waar moeten wij deze leer niet gebruiken als een dekmantel voor onze slordigheid ol onverschilligheid, maar toch leert ons de ervaring, dal God, zelfs als wij in stompzinnige onverschilligheid nederliggen, evenwel nog voor ons zorgt, en dal Hij, ook wanneer wij wegdwalen of achterblijven, ons toch nabij is. Intusschen moeten wij wel letten op de kracht en het gewicht van dit beeld, als er gezegd wordt dat God ons bij de hand vat; want er is geene verzoeking zoo licht, of zij zou ons maar al te gemakkelijk ter aarde werpen, indien wij niet van Boven slaande werden gehouden. Als wij dus zelfs niet onder den zwaarsten strijd en de heftigste aanvechting bezwijken, is dit aan niets anders toe te schrijven dan aan de hulp des Heiligen Geesles. Niet dat Hij zijne kracht altijd op blijkbare en majestueuze wijze in ons tentoonspreidt, (want dikwijls volbrengt Hij haar in onze zwakheid) maar het is genoeg dal quot;â¢ij ons bijstaat, want hoewel wij het niet zien en er niets van weten, houdt Hij ons staande als wij wankelen, ja richt Hij ons op, als wij gevallen zijn.
Gij zuU mij leiden. Daar deze werkwoorden in den toekomenden tijd staan, acht ik dat de natuurlijke zin er van is: Dl. II. e
81
Psalm 73 : 24..
Ileere, daar ik door uwe leiding thans op den rechten weg teruggebracht ben, zult Gij nu ook voortgaan met mij te leiden, totdat ik ten laatste opgenomen zal worden in uwe heerlijkheid. Want wij welen, dat David gewoon is om bij zijne dankzegging ook altijd goede, welverzekerde hope te koesteren voor de toekomst. Na dus zijne zwakheid beleden te hebben, prijst en looit hij de genade Gods, die hem hulp en vertroosting heeft geschonken; en nu koestert hij de hoop dat zij hem bijstand zal blijven ver-leenen. De leiding door zijn' raad wordt in de eerste plaats «renoemd, want hoewel aan de dwazen en onbezonnenen de zaken soms naar wensch gaan (omdat God onze fouten en dwalingen herstelt, en de dingen die wij verkeerd begonnen zijn, tot een goed en gelukkig einde brengt) zoo bestaat toch zijn gewone en rijker zegening daarin, dat Hij aan de zijnen wijsheid schenkt; en daarom moeten wij Hem in de eerste plaats vragen, ons door den Geest des raads en der wijsheid te leiden. Want al wie eene zaak durft ondernemen, en daarbij op zijne eigene wijsheid betrouwt, moet, dewijl hij aan zich zeiven toeschrijft wat alleen aan God eigen is, met zijne roekeloosheid beschaamd uitkomen. Indien David het noodig had God tot Leidsman te hebben, hoeveel Ie meer hebben wij het dan niet noodig dat Hij ons leidt en bestuurt! Bij den raad wordt vervolgens de HeerlyTcheid gevoegd, die (naar mijn inzien) niet beperkt moet worden lol het eeuwige leven, gelijk sommigen meenen, maar geheel den loop onzer gelukzaligheid omvat, van het begin, dat gezien wordt hier op aarde, tol aan de voleinding, die wij wachten in den hemel. Door de gunst die God hem betoont, belooft David zich dus eene eeuwige heerlijkheid, doch sluit de zegeningen niet uit, die God hier beneden reeds over de zijnen doet komen, opdat zij van die gelukzaligheid reeds een' voorsmaak zouden hebben.
25. Wien (heb) ik nevens U in den hemel? Ik begeerde dan niemand naast U op de aarde. 26. Mijn vleesch en mijn hart zijn bezweken; maar God is de kracht van mijn hart en mijn deel tot in eeuwigheid. 27. Want ziet, die zich vau U afwenden, zullen vergaan: Gij hebt allen verwoest, die van U afgehoereerd zijn. 28. Mij aangaande, het is mij goed tot God te
82
Psalm 73 ; 25.
naderen; ik heb mijne hoop gevestigd op den Heere Jehovah, opdat ik al uwe werken vertelle.
25. Wt'en heh ik nevens U in den hemelt Hij loonl nu nog duidelijker hoezeer hij zich de leering, die hij in hel Heiligdom Gods had ontvangen, had ten nulle gemaakt,, want nu vindt hij in hem alleen volkomen bevrediging, en verwerpt alle andere dingen, die zich aan hem kunnen voordoen. Nu is die wijze van spreken, waarbij de vragende en de bevestigende vorm saam-gevoegd zijn, wel stroef en ruw in andere talen, maar in het Hebreeuwsch is zij zeer gewoon. Wat den zin betrelt, daarin is niets duisters of dubbelzinnigs, nl. dat David buiten den eenigen God niets begeert in hemel noch op aarde, en dal alle andere dingen, die de menschen aanlokkelijk toeschijnen, als stank in zijn' neus zijn. en dus voor hem hoegenaamd geene aantrekkelijkheid hebben. En voorzeker wordt God dan alleen in ons verheerlijkt, wanneer wij niet her- en derwaarts gevoerd worden, maar ons alleen aan Hem houden en aan Hem genoeg hebben. Want zoo wij ook maar het geringste deel onzer genegen, heden aan het schepsel geven, dan berooven wij God van zijne eer. Toch is in alle tijden en eeuwen niets zoo algemeen geweest als dit verraad, dat aan God gepleegd werd, en dat ook heden ten dage maar al te zeer heerscht. Immers, hoe klein is het getal dergenen, die hunne genegenheden op God alleen gevestigd houden! Wij zien hoe vele mededingers Hem worden gegeven door het bijgeloof; want de Papisten erkennen wel dat alles van God afhangt, maar toch zoeken zij hier, en daar, en overal nog eene menigte van behulpen voor Hem. Anderen zijn zoo opgeblazen van hoogmoed, dat zij zich zeiven en andere menschen aan God durven toevoegen. Daarom moeten wij des te zorgvuldiger de leer ter harte nemen, dat het ongeoorloofd is om builen God nog iels anders te begeeren. Hoewel hij nu met de uitdrukking hemel en aarde alles aaanduidt wal in hel hart des menschen kan opkomen, toch schijnt hij die twee zeer bijzonder te bedoelen. Daar hij dus verklaart niets te zoeken in den hemel builen God, verwerpt hij de valsche goden, met welke de algemeene dwaling en dwaasheid der wereld den hemel bevolken. En dat hij zegt ook niets anders te begeeren op de aarde, dit schrijf ik toe aan hel bedrog en de zinsbegoocheling waardoor geheel de wereld zich verbijstert. Want zij, die zich door de eerste kunstgreep van Satan, om zich valsche goden te maken, niet laten betooveren, zullen óf zich zeiven misleiden door verwaandheid, zoodat zij
6*
83
Psalm ?3 : 25 en 26.
betrouwen op hunne eigene vlijt, deugd en wijsheid, en dus aan zich zeiven toekennen wat alleen aan God toekomt, ól wel zij zullen zich door bedriegelijke verlokselen in slaap laten wiegen, daar zij steunen op de gunst van menschen, of betrouwen op hun' rijkdom of op andere middelen, die zij bezitten. De eenige goede manier om God te zoeken is dus, dat wij ons op geene bijpaden begeven, en ontdaan zijnde van alle bijgeloof en hoogmoed, regelrecht tot God gaan om bij Hem onze toevlucht te vinden. Want die manier van spreken; Ik heb niemand met u hegeerd, beteekent zooveel als: Omdat ik ervaren heb dat Gij alleen mij genoeg, ja meer dan genoeg zijt, laat ik mij niet door allerlei luslen of begeerlijkheden vervoeren, maar houd mij aan U alleen. Eindelijk, opdat wij in den éénen waren God volkomen bevrediging zullen vinden, is het noodig te v/eten, wat volheid van goed Hij ons aanbiedt.
26. Mijn vleesch en mijn hart. Sommigen nemen hel eerste gedeelte van dit vers in dier voege, dat Davids hart en vleesch zijn bezweken van wege de vurige, heftige begeerte, die hij heeft gekoesterd, en daarom denken zij, dat hij getuigenis aflegt van de hartelijke liefde, waarmede hij zijn hart en geest lot God heeft opgeheven. Hoewel wij nu eene dergelijke manier van spreken terstond daarna aantreffen, loch schijnt hetgeen een weinig daarna volgt eene andere beteekenis te vereischen. God ts de kracht van mijn hart. ik acht veeleer, dat er eene legen-stelling is tusschen hel gebrek, dal David in zich bespeurde, en de kracht, waarmede God hem toerustte; alsol hijzeide: Hoewel ik, gescheiden van God, niets ben, en alles wat ik doe of onderneem op niets uitloopt, evenwel als ik lol Hem ga, vind ik overvloed van kracht. En het is ons zeer noodig te bedenken wal wij zijn zonder God, want niemand zal geheel en volkomen op God steunen dan hij, die zijne eigene zwakheid hebbende ontdekt, zijne eigene gaven en bekwaamheden volkomen mistrouwt. Want wij vragen aan God niets anders dan hetgeen wij gevoelen zeiven niet te hebben. Alle menschen belijden, en de meesten denken, dat het volstaat, dat God ons slechts helpt als onze eigene kracht ontoereikend is, of wel, dat Hij ons eenigen bijstand verleent, als wij zei ven niet in alles kunnen voorzien. Maar Davids belijdenis is onvergelijkelijk veel meer omvattend, als hij (bij wijze van spreken) zijne eigene nietigheid voor God blootlegt. Daarom voegt hij er zoo volkomen terecht bij, dat God zijn deel is, door welk beeld de Schrift le kennen geeft, den toestand, hel lol en deel waarmede een iegelijk op zijne plaats en in zijne
84
Psalm 73 : 26 en 27.
omstandigheden zicli tevreden stelt. Wanneer dit dus van God gezegd wordl, dan moeten wij weten, dat het is, omdat Hij alleen ons volkomen genoeg moet zijn, en dat in Hem onze vol-komene gelukzaligheid bestaat. Hieruit volgt, dat wij ondankbaar zijn, als wij ons hart op iets anders stellen, gelijk in Psalm 16 ; 4 geschreven staal, waar David de reden van deze beeldspraak uitvoeriger verklaart. Wat nu het verzinsel betrelt van sommigen, dat God ons deel wordt genoemd, omdat onze ziel van Hem genomen is, ik weet niet hoe zoodanige dwaze spitsvondigheid bij hen is kunnen opkomen, die niet minder ver van Davids bedoeling is, als de hemel verwijderd is van de aarde. Daarin liggen dan ook weder de buitensporige denkbeelden der Manicheërs opgesloten, door welke de ongelukkige Servet zich heelt laten betooveren. Maar hel gebeurt dikwijls dat menschen, die wel zeer vertrouwd zijn mei de Hebreeuwsche taal, doch niet ervaren zijn in de Schrift, en de ware Theologie niet hebben geval, ten opzichte van de allereerste beginselen de grofste vergissingen begaan. Overigens, hoewel hij door het woord Hart ook de geheele ziel verslaat, bedoelt hij toch niet, dal hel wezen der ziel zelf bezwijkt, maar dat hem alle krachten er van ontvloeien, die hij niet anders dan op het gebed van Gods goedheid en milddadigheid verkrijgt.
27. Want ziet, die zich van U afwenden. Hij bewijst dooi het tegenovergestelde, dat er niets beters is dan eenvoudig op God te betrouwen, omdat, zoodra iemand zich van Hem afwendt, hij noodzakelijkerwijs een schrikkelijk verderf over zich haalt. Nu wenden allen zich van God af, die hunne hoop op iets builen Hem vestigen. Daartoe behoort ook hel werkwoord afhoereeren-, want hel is eene zeer booze soort van overspel, om ons hart te verdeelen, zoodal hel zich niet aan God alleen houdt; hetgeen gemakkelijker bespeurd zal worden, als wij de geestelijke kuisch-heid onzer ziel omschrijven, welke beslaat in geloof en de aanroeping Gods, in oprechtheid des harten en gehoorzaamheid aan hel Woord. Al wie zich dus niet onderwerpt aan hel Woord Gods, zoodat hij Hem als den eenigen Werker erkent van alle goed, van Hem alleen afhankelijk is, zich door Hem alleen laai leiden, lot Hem alleen de toevlucht neemt en hem alleen al zijne genegenheden wijdt, zoodanig iemand is gelijk aan eene overspelige vrouw, die haren wettigen man verlatende, zich aan wellustelingen overgeeft. Het is dus betzellde alsof David gezegd had. dal allen die van God afvallen en legen Hem opstaan, overspelers zijn.
85
Psalm 73 ; 28.
86
28. Mij aangaande. Letterlijk slaat hier; En ik. Maar David uitdrukkelijk sprekende van zich zeiven, verklaart, dal hij voor zich, hoewel hij de geheele wereld vervreemd ziel van God, dewijl zij dwalingen aanhangen en allerlei bijgeloovigheden, altijd onder de hand Gods zal blijven. Wee de anderen! zegl hij, indien zij hunne hartstochten niel in bedwang houden, zoodal zij de dwalingen en bedriegerijen der wereld naloopen; ik voor mij echter zal standvastig blijven in mijn voornemen om in heilige gemeenschap met God te blijven. Hij voegt er terstond de manier bij, waarop wij lot God moeien naderen, dal is: wanneer ons betrouwen op Hem gevestigd is. Want de Heere wil ons niel anders houden dan wanneer wij er wèl van overtuigd zijn, dal wij niel anders dan door zijne genade veilig zijn en veilig blijven. Nu moeten wij wèl lellen op deze Schrii'luurplaals, en haar in gedachte houden, opdat, wanneer de geneele wereld afwijkt en lol ongeloof vervalt, dit slechte voorbeeld ons niel vervoert om ons bij de goddeloozen te voegen en le doen zooals zij doen; maar leeren om ons in alles alleen lot God te wenden. Aan hel slot zegt hij, dal, wanneer hij zich geheel en al aan deneenigen God toegewijd zal hebben, hem nooit stof zal ontbreken om Hem le loven, dewijl Hij de hoop der zijnen nooit beschaamt. Hieruit volgt dal niemand anders God vloekt of legen Hem murmureert, dan zij, die moedwillig hunne oogen sluiten, uil vreeze, dal zij zijne voorzienigheid bespeurende, zich aan zijne hoede en leiding zullen overgeven.
TPSA LM:
INHOUD: De geloovigen klagen over de grootc verwoesting tier Kerk, zoodat de naam van Israel schier uitgedelgd is. Hoewel het nu blijkt uit hun smeekgebe t, dat zij hunne zonde als de oorzaak beschouwen van al de rampen, waardoor zij worden getroffen, herinneren zij God toch aan zijn verbond, waardoor Hij het geslacht van Abraham heeft aangenomen. Daarna gedenken zij de macht, die Hij voormaals tentoon heeft gespreid om zijne Kerk te verlossen, en daaraan hoop ontleenende, bidden zij God om hun in hun' benauwden staat te hulp te komen.
Psalm 74 : 1.
Eene onderwijzing van Asaf. O God! waarom hebt Gij ons voor altijd verstooten? Waarom zal uw toorn rooken tegen de kudde uwer weide? 2. Gedenk aan uwe vergadering, die gij voormaais hebt verkregen, die Gij hebt verlost; aan de roede uwer erfenis, aan dezen berg Zion, waarop Gij gewoond hebt. 3 Hef uwe slagen op ter eeuwige verwoesting van iedeien boosdoener, die tegen Uw heiligdom kwaad wil. 4 Uwe wederpartijders hebben in het midden uwer Heiligdommen gebruld als leeuwen; zij hebben er hunne teekenen tot teekenen gesteld. 5. Die de bijl ophief tegen de dichte boomen, was vermaard als iemand, die een groot werk doet. 6. En nu hebben zij met bijlen en hamers de graveerselen er van verbroken. 7. Zij hebben uwe heiligdommen in brand gestoken; zij hebben de woonstede uws naams ontheiligd, door haar ter aarde neder te werpen. 8. Zij hebben in hun hart gezegd: Laten wij ze allen te zamen uitplunderen; zij hebben alle de tabernakelen Gods in het land verbrand.
1. Eene onderwijzing van Asaf. Hel opschrift pasl volkomen bij den inhoud; want hoewel het soms ook aangewend wordt voor onderwerpen van blijden, vroolijken aard, gelijk men gezien heelt bij Psalm 45, geelt het toch meestal te kennen, dal er van de oordeelen Gods gehandeld zal worden, door welke de menschen gedrongen worden lot zich zeiven in te keeren en hunne zonden te onderzoeken ten einde zich voor God te verootmoedigen. Dat de Psalm niet door David gedicht was, is gemakkelijk al' te leiden, omdat in zijn' lijd zoodanige rampen en verwoestingen der Kerk niet te betreuren waren. Zij die van eene andere meening zijn, voeren hiervoor aan, dal David door den Geest der Prolelie voorspeld heeft, hetgeen toen nog niet geschied was. Daar er echter verscheidene Psalmen zijn, die door verschillende auteurs na den dood van David vervaardigd zijn, twijfel ik niet dal deze Psalm lot hun getal behoort. Men kan echter niet met zekerheid vaststellen van welke ramp hier gesproken wordt Er
87
Psalm 74 : 1.
is hieromtrent tweeërlei meening; sommigen brengen hetgeen hier gezegd wordt in verband met den tijd, toen Stad en Tempel verwoest werden, en liet volk onder Nebukadnezar naar Babel werd weggevoerd. Anderen schrijven het toe aan den tijd toen de Tempel ontheiligd werd onder Koning Antiochus. Voor beiderlei meening is wel iets te zeggen. Voor de laatste, omdat de geloovigen hier klagen, dat zij ontbloot zijn van teekenen en Profeten, terwijl het genoegzaam bekend is, dat ten tijde dei-ballingschap verscheidene Profeten gebloeid hebben. Van den anderen kant, daar een weinig vroeger gezegd is dat de Heiligdommen verbrand, de Schriften vernietigd zijn, en niets ongeschonden was gebleven, komt dit niet overeen met de wreedheid en tyrannie van Antiochus. Want hoewel hij den Tempel goddelooslijk ontheiligd heeft door er de bijgeloovighedea der Heidenen, in te brengen, is toch het gebouw overeind gebleven; en het hout en de steenen zijn toen niet door vuur verleerd geworden. Sommigen meenen, dat door Heiligdommen de Synagogen verstaan moeten worden, waar de heilige bijeenkomsten plachten gehouden te worden, niet alleen te Jeruzalem, maar ook in de andere steden van Juda. Het zou ook kunnen zijn dat de geloovigen, de schrikkelijke ontheiliging van den tempel aanschouwende, gedachten aan den tijd, toen hij door de Chaldeën werd verbrand, cn dat zij dus die beide rampen op het oog hadden. De gissing, die de meeste waarschijnlijkheid voor zich heeft, zal dus wezen, dat die klaagzangen behooren tot den lijd van Antiochus, omdat de Kerke Gods toen geene Profeten bezat. Wil men ze echter liever in den tijd der Babylonische gevangenschap plaatsen, dan kan die moeielijkheid gemakkelijk opgelost worden; want, hoewel Jeremia, Ezechiël en Daniël toen leefden, weten wij toch, dat zij gedurende eenigen tijd zwegen, omdat hunne roeping voleindigd was, totdat Daniël kort vóór het tijdstip der bevrijding wederom te voorschijn trad ten einde de arme ballingen aan te moedigen om terug te keeren. Daarop schijnt .lesaja het oog te hebben, als hij in het eerste vers van het veertigste hoofdstuk zegt; Troost, troost mijn volk, zal uw God zeggen. Want hel werkwoord dat in den toekomenden lijd slaat, toont aan, dat het den Profeten bevolen was voor een' lijd te zwijgen.
1. O God! waarom. Indien deze klaagzang geschreven was in den tijd dal hel volk zich in de Babylonische gevangenschap bevond, is het niet te verwonderen, hoewel Jeremia het zeventigste jaar dier ballingschap als het tijdstip der bevrijding had aangewezen, dal zij zeer verdrietig en gedrukt waren om zóó
88
Psalm 74 : 1.
89
lang te moeten wachten, zoodal zij dagelijks zuchtten en kermden, en die eeuw hun toescheen geen einde te hebben. Wat hun betielt, die door de wreedheid van Antiochus waren gekweld, zij hadden wel reden om te klagen over den eeuwigen toorn Gods, aangezien er voor hen geen einde aan dien treurigen tijd was aangewezen, ja zelfs, dat zij de wreedheid der vijanden dagelijks zagen toenemen, zonder hoop op verademing, terwijl hunne eigene zaken hoe langer zoo slechter gingen. Want na grootelijks geleden te hebben door oorlogen, die hunne naburen tegen hen gevoerd hadden, waren zij te dier tijd hun' ondergang schier nabij. Nu moeten wij opmerken, dat de geloovigen, gekweld zijnde door de goddeloozen, toch hunne oogen opheffen tot God, alsol' hel slechts zijne hand was, die al deze plagen over hen bracht. Want zij wisten wel, dal het dezen Heidenen niet toegelaten zou zijn hen zoo le kwellen, indien Gods toorn niet legen hen was ontstoken. Daar zij er dus van overtuigd waren, dal zij den strijd niet hadden legen vleesch en bloed, maar dal zij door een rechtvaardig oordeel Gods waren getroffen, zagen zij de ware bron en oorzaak van al hun leed, teweten, dal God, onder wiens gunst zij voormaals zoo gelukkig waren, hen had verlaten, en zich niet meer verwaardigde hen tol zijne kudde le rekenen. Want hel Hebreeuwsche werkwoord zanach beteekent Verwerpen en Verfoeien, en soms ook zich verbergen en zich ver terugtrekken; maar het is van weinig belang hoe men dit hier nemen wil. Hel zal volstaan om er deze leeiing uit te trekken: Als wij gedrukt worden door tegenspoed, dan zijn het niet de pijlen der fortuin, die ons zoo maar bij toeval treffen, maar wel plagen of kastijdingen Gods van wege onze zonden. Overigens, Verstooten en Toorn hebben betrekking op hel gevoel van het vleesch. Want hoewel God, eigenlijk gesproken, niet toornt op zijne uitverkorenen, evenwel, omdat de straf, die wij gevoelen, ons dringt om zijn' toorn te vreezen, zoo vermaant de Heilige Geest door dit woord Toorn de geloovigen om zich schuldig te erkennen. Wanneer God dus zijne wrake aan ons volvoert, dan betaamt hel ons le denken aan hetgeen wij verdiend hebben, en hoewel God niet onderhevig is aan eenigerlei gewaarwording van drift, zoo lag het toch niet aan ons, dal zijn'toorn niet fel tegen ons was ontstoken, daar Hij door onze zonden zoo zwaar werd beleedigd. En voorts, ten einde genade en barmhartigheid te verkrijgen, nemen de geloovigen de toevlucht lot de herinnering aan hel verbond, door hetwelk zij lol kinderen Gods zijn aangenomen. Want, als zij zich De kudde van Qods weide noemen, verheerlijken zij de vrije uilverkiezing uil genade.
Psalm 74 : 1, 2 en 3.
door welke isij van de Heidenen zijn attrezonderd In het volgende veis wordt dit nog duidelijker door hen uitgedrukt.
2. Gedenk aan uwe vergadering. Zij roemen er op, dat zij hel eigendom Gods waren, niet om hunne eigene verdienste, maar door de genade der aanneming. Daarmede staat ook in verband hunne oudheid; zij zijn geene nieuwe onderdanen Gods, die Hij zich maar sedert eenige dagen had verkregen, neen, zij zijn Hem bij opvolging ten erldeel geworden. Want hoe langer God zijne liefde heeft betoond jegens het zaad Abrahams, des le meer is ook hun geloof bevestigd. Zij herhalen dus, dat zij van het begin af Gods volk zijn geweest, nl. van den tijd af aan, dat God een onverbreekbaar verbond met Abraham had gesloten. Er wordt ook de verlossing bijgevoegd, waardoor de aanneming bekrachtigd wordt; want God heelt niet slechts door woorden gezegd, maar door de daad geloond, dat [lij hun Koning en Beschermer was. Zij stellen zich de weldaden voor oogen, die zij van God hebben ontvangen als reden om op Hem le vertrouwen, en verhalen ze aan God zeiven, die er de Werker van is, opdat Hij zijn werk niet onvoltooid zou laten. Daarop gronden zij zich ook, als zij zich De roede zijner erfenis noemen, d. i. Het erfdeel, dat Hij zich zeiven toegemeten heeft. Hij zinspeelt hiermede op de gewoonte uit dien lijd, om nl. de grenzen of landpalen aan te duiden met roeden, als met koorden. Anderen willen liever het Hebreeuwsche woord shewit, dat wij door Roede vertalen, voor Stam of Geslacht nemen; maar ik houd mij liever aan de bovenvermelde beeldspraak, nl. dal God Israël onderscheiden en afgezonderd heeft van andere volken om zijn eigen veld le zijn. Eindelijk spreekt hij van den Tempel, waar God beloofd had te zullen wonen; niet alsof het Goddelijk wezen daar als hel ware besloten was, (gelijk dil reeds meermalen gezegd is) maar omdat de geloovigen gevoelden, dat Hij er hun door zijne kracht en genade nabij was. Nu verstaan wij van waar hel volk vertrouwen en vrijmoedigheid had om le bidden, le welen, uit de vrije uitverkiezing Gods. uil de beloften, en den godde-lijken eeredienst, die onder hen was ingesteld.
3. Hef uwe slagen op. Hier bidden de geloovigen dal God hunne vijanden eene doodelijke wonde zal slaan, naar de wreedheid , die zij tegen Gods Heiligdom begaan hebben; alsof zij zeiden, dat eene matige straf niet balen zou voor eene zoo groole en heiligschennende woede, en dat daarom diegenen, die zich zulke heftige vijanden hadden beloond van den Tempel en
90
Psalm 74 ; 3 en 4.
van Gods volk volkomen verwoest moesten worden, aangezien hunne goddeloosheid alle perken te builen ging. Daar nu de Heilige Geest dezen vorm van gebed gedicteerd heeft, kunnen wij hieruit afleiden, dat God ons eene oneindige Helde toedraagt als Hij zóó strenge wrake wil oefenen over het onrecht, dat ons aangedaan wordt. En voorts: hoe hoog Hij den dienst zijner majesteit moet houden, daar Hij zoo streng vervolgt degenen, die hem verbreken. Wat de woorden betreft, sommigen vertalen: Hef uwe voeten op, of uwe schreden, en leiden er dan die beteekenis uit af: Heere, Hef uwe voeten op en kom snellijk om onze vijanden te slaan. Anderen vertalen: Uwe hameren, heigeen wel gepast is. Ik had echter geen bezwaar om hen te volgen, die dit in verband brengen met de daad van slaan, of treffen en met de slagen zeiven. liet laatste lid wordt door sommigen anders verklaard, te welen, dat de vijand alles in hel Heiligdom heeft verdorven. Omdal deze woordschikking echter nergens anders wordt aangetroffen, heb ik niet van de aangenomene en goedgekeurde lezing willen afwijken.
4. Uwe weder'party der s hebben in het midden uwer Heiligdommen gebruld als leeuwen. Hij vergelijkt de vijanden bij leeuwen, om de wreedheid aan te toonen, die zij zells tegen de Heiligdommen Gods hebben begaan. Nu versta ik dit aan deze plaats liever van den Tempel dan van de Synagogen; want het is volstrekt niet ongerijmd om hem De heiligdommen te noemen, en dus het meervoud te gebruiken, gelijk dit ook dikwijls elders geschiedt, omdat de Tempel in drie afdeelingen was verdeeld. Ik wil er echter in geen' strijd om treden, zoo iemand het liever van de Synagogen verstaal, ja er is zells niets legen om het uil le strekken lot de geheele aarde, die God aan zijn' naam heeft geheiligd. Zoo veel is zeker, dal er meer heftigheid van uitdrukking is, als men zegt, dat de woede der vijanden overal zóó geweldig is geweest, dat zij zelfs den Tempel niet gespaard hebben. En dat hij zegt: Zij hebben huane teekenen gesteld, dat is om aan le toonen hoe grievend hun' hoon was, daar zij hunne banieren oprichtende, daarmede hoovaardiglijk hun' trioml over God zeiven wilden aanduiden. Want, als sommigen daar de waarzeggerij der magiërs in willen zien (gelijk Ezechiël geluigt, dal Nebukadnezar op de vlucht en hel geschreeuw der vogelen acht gaf, Ezechiel 21 : 21) dat is er eene al le beperkte beteekenis aan te geven. Maar de eerste door mij genoemde beteekenis is hier zeer gepast. Want al wie in hel heilige Land kwam, wist wel, dat daar een bijzondere goddelijke eeredienst bestond, die
91
Psalm 74 ; 4 en 5.
gansch onderscheiden was van andere; en de Tempel was een leeken van Gods tegenwoordigheid, alsof Hij daar zijne banieren ontplooid had, ten einde dit volk onder zijne wet en heerschappij te houden. Nu stelt de Proleet deze teekenen, welke het volk Gods onderscheidde van de Heidenen, tegenover de heiligschennende banieren, die de vijanden in den Tempel hadden opgericht, en door het woord Teekenen te herhalen maakt hij die daad nog verfoeielijker, omdat zij de teekenen van den waren dienst Gods neergehaald, en in dezelver plaats de vreemde banieren opgericht hebben.
5. Die de b'jl ophief. Door deze omstandigheid verzwaart de Profeet nog meer de barbaarsche wreedheid der vijanden, omdat zij op gruwelijke wijze een gebouw verwoest hadden, dat met zoo groote kosten was gesticht, en zoo buitengewoon sierlijk en prachtig was, en waaraan zoo veel kunst en arbeid was besteed. De woorden zijn eenigzins duister; maar de beteekenis, die er schier algemeen aan gehecht wordt, is, dat zij, die bij den bouw des Tempels de hoornen er voor omgehouwen hebben [in het woudj zeer vermaard zijn geweest. Sommigen leiden uit het woord Kemewi af, dat het aanzienlijke, zeer bekende personen waren, alsof zij Gode offeranden hadden gebracht. De dichtheid der boomen staat tegenover de geschaafde of gepolijste balken, opdat men te beter zou weten, met hoeveel kunst de ruwe, knoestige boomen bewerkt waren om ze zoo fraai en sierlijk te maken. Of wellicht geeft de Profeet te kennen (hetgeen ik gaarne aanneem), dat men in de dichtheid des wouds zeer zorgvuldig acht heeft gegeven om geene andere dan fraaie voortreffelijke boomen om te houwen. En zou men er ook niet de beteekenis aan kunnen geven, dat men in de dichte bosschen de boomen geteekend heelt, waaraan de bijl gelegd moest worden, daar zij hoog opgegroeid waren, en den beschouwer in het oog vielen? Hoe dit nu zij, er is niet aan te twijfelen, dat hij de voortreffelijkheid roemt van het hout, omdat het zóó keurig was, dat iedereen, die het zag, opgetogen was van bewondering, gelijk hij in het volgende vers door graveerselen, ol snijwerk, den vorm aanduidt van het gebouw zelf, dat met zoo groote, ongeëvenaarde kunst was afgewerkt. Nu zegt hij, dal de Chaldeërs zonder eenige verschooning met hameren en bijlen op dit zoo schoone gebouw afkwamen, alsof zij, met het te verwoesten, de bedoeling hadden Gods eer en heerlijkheid onder hunne voeten te vertreden. Daarna klaagt hij er over, dat de Tempel verbrand; en dus gansch mei den grond gelijk gemaakt en
92
Psalm : 5â8.
vernietigd was, daar hij door hunne oorlogswerktuigen nog slechts half vernield was. Velen hebben gedacht, dat de orde hier omgekeerd is, omdat zij zagen, dat uil die woorden geen geschikte zin was af te leiden, en daarom losten zij hem aldus op: Zij hebben uwe Heiligdommen in brand gestoken. Wat mij betreft, hoewel het accent er niet mede overeenkomt, twijfel ik loch niet, of de zin, dien ik er aan gegeven heb, de ware en natuurlijke is, nl. dat de Tempel tot aan den grond toe afgebrand was. En hetgeen ik gezegd heb wordt door dit vers nog meer bevestigd, nl. dat voor den Tempel het meervoud gebruikt wordt, omdat hij uit drie afdeelingen bestond, te weten: hel binnenste Heiligdom, het middelste Heiligdom en de Voorhof, daar er terstond op volgt: De woonstede uws Naams. Nu is hier de naam Gods genomen, opdat wij zouden weten, dat zijn VVeaen daar niet in vervat of besloten was, maar dat Hij in den Tempel woonde door zijne kracht, en werking, opdat hel volk er Hem met des te meer vertrouwen zou aanroepen. En om de ontzettende wreedheid der vijanden nog beter in het licht te stellen, voert de Profeet hen in, sprekende lol elkander en elkander vermanende om alles te vernielen zonder iets over te laten blijven; alsof zij (zegt hij) geen moed genoeg hadden om kwaad te doen, en daarom ieder zijn meigezel aanspoort en ophitst om het volk Gods volkomen te verdelgen. Eindelijk zegl hij dat alle Synagogen verbrand zijn geworden; want zoo acht ik dat het Hebreeuwsche woord moadee veilaald moet worden, omdat de Profeet zegt: Alle Heiligdommen, en hij nadrukkelijk bedoelt van geheel de aarde. Want sommigen geven hier de koude, stijve verklaring, dat de vijanden, ziende dat zij het hemelsche Heiligdom Gods niet konden schaden, hunne woede gekeerd hebben tegen den stofTelijken Tempel en de Synagogen. Want de Profeet klaagt immer, dat zij het er zoo op gezel hadden den Naam Gods uil le roeien, dat zij geen hoekje overeind lieten. Wat betreft het Hebreeuwsche woord dat gemeenlijk voor het Heiligdom genomen wordt, dit is hier zeer juist aangewend voor de heilige vergaderingen, niet slechts om er de Profeten te lezen en te verklaren, maar ook om er den Naam Gods aan le roepen; alsof de Profeet zeide, dat de boo/en alles gedaan hebben wat zij konden om den dienst van God in Judea te vernietigen.
9. Wij zien onze teekenen niet, er is geen Profeet meer; er is niemand bjj ons, die weet tot hoelang.
93
Psalm 74 : 9.
10. 0 God! hoe lang zal de wederpartijder smaden? zal de vijand Uw naam tot in eeuwigheid bespotten?
11, Hoelang zult Gij uwe hand en uwe rechterhand, terugtrekken? Verteer hen in het midden van Uwen boezem. 12. God nu is mijn Koning, van den beginne verlossingen werkende in het midden der aarde.
9. Wy zien onze teekenen niet meer. De geloovigen wijzen er op dat hunne ellende nog zwaarder en bitterder is, omdat nergens eenige troost is om haar te verlichten. Want er is eene groote kracht ter bemoediging van de kinderen Gods, als God hoop geeft op verzoening, belovende ook in het midden zijns toorns zijner genade te zullen gedenken. Sommigen beperken de teekenen lol de wonderen, door welke God voormaals getuigde, dat Hij zijn volk, dat Hij beproefde, nog genadig zou wezen. Maar de geioovigen beklagen zich hier veeleer, dat God hun de teekenen zijner genadé ontnomen heeft, en dat Hij eenigermale zijn aangezicht heeft verborgen; alsof zij zeiden, dat zij in duisternis waren gehuld, omdat God niet als naar gewoonte zijn aangezicht over hen doet schijnen, gelijk wij ook gemeenlijk zeggen, dat men teekenen geelt van haat of van vriendschap. Kortom; zij klagen er niet slechts over dat de tijden somber en dreigend zijn; maar dat zij in zóó diepe duisternis zijn gehuld, dal zij nergens eenig schijnsel van licht gewaar worden. Omdat nu een der voornaamste teekenen hierin bestond, dat de de Profeten de toekomstige verlossing beloofden, betreuren zij het. dat er geene Profeten meer waren, die het einde van hun leed voorzagen. Hieruit kunnen wij opmaken, dat de Proleten in last hadden te vertroosten, ten einde de harten, die door droefheid ternederge-slagen waren, op te beuren door hun de barmhartigheid Gods voor te houden Wel is waar zijn zij ook herauten en getuigen geweest van Gods toorn, ten einde de verharden en rebellen lot bekeering te nopen door schrikkelijke bedreigingen legen hen uit te spreken; doch zoo zij alleen de wrake Gods hadden aangekondigd, dan zou hunne prediking tol niets anders gediend hebben dan om hen te verderven, terwijl zij toch slechts het heil des volks ten doel had. Daarom is hun de openbaring geschonken van de einduitkomst, omdat er in die tijdelijke stral eene vaderlijke kastijding Gods is, die de droefheid verzacht, in plaats van den eeuwigen toorn, die de ongelukkige zondaars
94
Psalm 74 : 9 en 10.
doel bezwijken. Als wij dus stol zoeken tol vertroosting en lijdzaamheid onder de kastijding Gods, zoo laat ons leeren onze oogen te vestigen op die matiging, door welke God ons uitlokt tol hope, en hieruit besluiten, dat God niel zóó vertoornd op ons is, dat Hij ophoudt onze Vader te zijn. Wat nu de kastijding aangaat, die verlossing medebrengt, daarin is vreugde, vermengd met droefheid, gelegen. Al de Proleten hebben er naar gestreeld om met hunne prediking dit doel te bereiken; want hoewel zij somwijlen groote ruwheid en strengheid hebben gebruikt, ten einde door hunne bedreigingen de rebellie des volks te breken, hebben zij, zoodra zij bemerkten, dat de menschen verslagen van hart waren, er terstond vertroosting bijgevoegd, die geene vertroosting zijn zou, zoo men in de toekomst geene verlossing hoopte. Nu doet zich hier echter de vraag voor, ol' God, als Hij de smart der kastijding wilde verzachten, altijd de jaren en de dagen geteld heeft. Ik antwoord; hoewel de Profeten niel altijd een bepaald tijdstip hebben aangewezen, hebben zij toch in de meeste gevallen eene nabijzijnde verlossing beloold, en voorts hebben zij ook allen van het toekomstige herstel der kerk gesproken. Als iemand nu wederom antwoordt, dat hel volk verkeerd deed met zich niet de algemeene beloften toe te eigenen, die (voorzeker) toch aan alle eeuwen gemeen zijn, zoo antwoord ik: aangezien God gewoon was om in elke beproeving een' bode van zijnentwege te zenden om verlossing aan te kondigen en er te dezer ure geen Proleet met dit bepaalde doel gezonden was, dan is het niet zonder reden, dal het volk klaagt ontbloot te zijn van de leekenen der genade, die er gewoonlijk geweest zijn. Want, tot aan de komst van Jezus Christus was het volstrekt noodzakelijk, dat de herinnering aan de beloofde vei lossing in elke eeuw werd vernieuwd, opdat de geloovigen zouden weten, als er beproeving over hen kwam, dat God nog altijd voor hen zorgde.
10. O GW.' hoe lang zal de loederpartyder smaden ? Zij geven te kennen, dat niets hun zooveel smart en benauwdheid veroorzaakt, als te zien hoe de Naam Gods door de boozen wordt gelasterd. En daarmede heeft de Profeet ons hart in ijver willen doen ontvlammen om de eere Gods te handhaven. En inderdaad daar wij van nature te weekelijk en te kleinzeerig zijn om rampen en tegenspoed te kunnen dragen, zal dit het ware blijk van godsvrucht zijn, als de smaad, die Gode wordt aangedaan, ons hart meer wondt, dan alles wat wij zeiven te lijden hebben. Ongetwijleld hebben de arme Joden onder een' wieeden tyran en
95
Psalm 74 : 10, II en 12.
in het midden van een barbaarsch volk veel spotternijen te verduren gehad. Maar de Profeet, sprekende in naam van geheel de Kerk, slaat schier geen acht op den smaad, dien men over hel volk uitstort, in vergelijking met de afgrijselijke lasteringen, die legen God gericht waren, naar hetgeen gezegd is in Psalm 69:10; De smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. Het woord Eeuwiglijk is er opnieuw bijgevoegd; omdat de boozen, als zij gedurende langen tijd ongestraft blijven, zich verharden om nog vermeteler te worden, voornamelijk als zij kwaad spreken van God en Hij zich houdt alsof Hij het niet bemerkte. Daarom laat hij er nu terstond op volgen: Hoe lang zult Qy uwe hand terugtrekken ? Hoewel het nu gemakkelijk te zien is, waar de Proleet heen wil, zijn de uitleggers het loch niet eens omtrent de woorden. Wat betreft dat sommigen denken, dat met de Hand in het eerste gedeelte van het vers de linkerhand bedoeld zou zijn, dit is beuzelachtig; omdat hij veeleer naar zijne gewoonte, tweemaal hetzelfde zegt. Sommigen vertalen het woord kaleh aan het einde van het vers door Vei-hinder, alsof de Profeet zeide: btrek uwe hand ten laatste uit, die Gij al te lang in uwen boezem hebt gehouden. Maar dezen zoeken, zonder eenige reden, eene beteekenis, die gedwongen is. Zij, die vertalen Verteer, nemen het midden van den hoezem Oods voor den Tempel, hetgeen ik niet goedkeur. Het zal beter zijn de ondervraging voort te zetten tot aan het laatste werkwoord; in dezer voege: Hoe lang zult Gij uwe hand terugtrekken, ja, haar terugtrekken uit hel midden uws boezems ? Verteer loch deze goddeloozen, die U zoo hoovaardiglijk verachten Men zou het ook in dien zin kunnen nemen: Hoewel uwe vijanden zich inbeelden, dal Gij daar Boven ledig nederzit, omdat Gij U niet beweegt, en Gij niet openlijk uwe hand opheft, zoo doe hen evenwel gevoelen, dal er slechts een wenk van U noodig is, om hen te verwoesten, al zoudl Gij er ook geen vinger om verroeren.
12. Ood nu is mijn Koning. Gelijk wij dit ook dikwijls elders gezien hebben, vlechten zij eene oveidenking in hun gebed ten einde nieuwe krachten te verzamelen en hun geloof le versterken en zich aan te sporen tol nog meer ijver in het aanroepen van God. Want wij weten hoe moeielijk het is allen twijfel te boven te komen en onbevreesd en met volle vrijmoedigheid te volharden in den gebede De geloovigen roepen hier dus in hun geheugen terug de getuigenissen, die God hun heeft gegeven van zijne barmhartigheid en vermogen, door welke Hij gedurende vele eeuwen getoond heeft, dal Hij de Koning en
96
Psalm 74 : 12 en 13.
Beschermer was van hel volk, dal Hij zich had verkoren. Door dil voorbeeld woidl ons geleerd, dal wij, daar hel niel genoeg is om enkel met de lippen le bidden , maar bidden moeien in gelooi, ons immer de weldaden Gods moeien herinneren, door welke Hij zijne vaderlijke liefde jegens ons heefl bevestigd, en getuigen moeten zijn van zijne uitverkiezing. Want hel is duidelijk, dal de titel van Koning, hier door den Profeet aan God wordt gegeven, niel slechts van wege zijne macht. maar omdat Hij het op zich had genomen voor dit volk le zorgen, hel te besturen, le bewaren en te onderhouden. Wij hebben reeds gezegd wal er ligt opgesloten in dit woord Van den beginne. Door Het midden der aarde denken sommigen dalJudea bedoeld is, omdat het gelegen was in het midden van de bewoonbare aarde. Maar er is niel aan te twijfelen, dat er eene in het oog vallende plaats mede bedoeld is; zooals wanneer lol Faraö gezegd wordt; Opdat Ik als God gekend word in hel midden der aarde (Ex. 8 : 22). De eenvoudige en natuurlijke zin is dus dat vele verlossingen aan hel uitverkoren volk getoond zijn, als van eene hooge plaats, van waar zij gemakkelijk en voor ieder zichtbaar waren.
13. Gij hebt de zee gespleten door uwe kracht, en hebt dé koppen der draken op de wateren verbroken.
14. Gij hebt den kop des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijze gegeven aan uw volk in de woeatyn.
15. Gij hebt de fontein en den bergstroom gekliefd; Gij hebt de groote rivieren uitgedroogd. 16. De dag is uwe; ook is de nacht uwe; Gy hebt het licht en de zon geordend. 17. Gij bebt al de grenzen der aarde gesteld; Gij hebt den zomer en den winter geschapen
13. Oij hebt de zee gespleten. De Profeet noemt thans eenige gedenkwaardige uitreddingen, die allen betrekking hebben op de eerste verlossing, waardoor God zijn volk verlost heefl van de tyrannic van Egypte. Daarna zal hij tol den algemeenen lof komen van Gods genade, die zich in geheel de wereld verspreidt En zoo komt hij van de bijzondere genade, die God betoont jegens zijne Kerk, lol de algemeene Helde, die Hij hel gansche menschelijk geslacht toedraagt. Hij zegt ten eerste, dal Hij de
Dl. 11. 7
97
Psalm 74 : 13â16.
zee heeft gespleten. Wal hel volgende lid belrell. sommigen denken, dal hel eene voorlzelling is van dezelfde beleekenis, nl. dal God, door de zee uil te drogen, de walvischen en andere groole visschen heefl doen slerven. Doch ik ben van meening, dal deze woorden in overdrachlelijken zin zijn genomen en dus in beeldspraak Farao en zijne krijgslieden aanduiden, omdat die wijze van spreken zeer dikwijls bij de Profeten voorkomt, vooral als er sprake is van de Egyplenaren, wier land bespoeld wordt door eene zee, die zeer vischrijk is, en doorstroomd wordt door den Nijl. Hel is dus niet zonder reden, dal Faraö hier Leviathan genoemd wordt, van wege de voordeelen, die de zee hem opleverde, en hij daar heerschte, zooals de walvisch in hel midden der groole wateren. Omdat God echter toen zijne macht heeft tentoongespreid ter verlossing zijns volks, ten einde de Kerk er zich van verzekerd zou houden, dat Hij voor eeuwig en altoos haar Beschermer zou zijn en de Bewaarder van haai heil, moest dit voorbeeld niet tol één enkel tijdstip beperkt blijven. Daarom is dit hier terecht toegepast op de nakomelingen van dit oude volk, opdat hierdoor hun gelool bevestigd zou worden. Hoewel hij nu niet alle de wonderen opnoemt, die God bij hun' uittocht uit Egypte gewrocht heefl, verstaal hij toch, door het woordfiguur te gebruiken, dat men Synecdoche noemt, alles wat Mozes uitvoerig heefl beschreven Als hij zegt, dat de Leviathan den Israëlieten tot spyze was, dan is dit eene zeer schoone toespeling op hel verderf, dal Faraö en zijn leger heeft getroffen; alsof hij zeide, dal zij een' iroeden voorraad levensmiddelen opleverden voor hel volk, omdat, toen de vijanden verslagen waren, de rust en de veiligheid, die daaruit voortvloeiden voor hel volk, hetzelve bij wijze van spreken, lol spijze had gediend om hun leven te verlengen. Door de Woestijn verstaal hij niet de landen, die aan zee zijn gelegen, hoewel daar de grond schraal en onvruchtbaar is, maar de woestijnen, die ver van zee gelegen zijn. lu hel volgende vers gaat hij vooit met het zelfde onderwerp, als hij zegt, dal de fontein gekliefd is, te weten, toen God een' waterstroom uit de rots deed onlspiingen om in de behoeften des volks te voorzien. Ten slotte voegt hij er bij, dat de groote rivieren zijn uitgedroogd, nl. toen God den waterstroom der Jordaan terug deed vloeien , ten einde een doortocht te verleenen aan zijn volk. (.lozua 3 : 16.)
16. De dag is uwe. Thans komt hij lot de weldaden Gods, die zich tot het gansche menschelijke geslachl uitstrekken. Want na begonnen te hebben met de bijzondere genadebetooningen,
98
Psalm 74 : 16 en 17.
door welke God zich als den Vader van hel uilverkoren volk heell geopenbaard, zegl hij thans zeer gepast, dal Hij goed en milddadig is jegens alle menschen. Nu geelt hij door deze woorden te verstaan, dat het niet maar bij geval is, als men dag en nacht elkander ziet opvolgen, maar dal dit aldus door de beschikking Gods is geregeld, en de reden wordt er bijgevoegd: Omdat God aan de zon beide den last en het vermogen, of de eigenschap, heeft gegeven om de aarde te verlichten. Want, na gesproken te hebben van het licht, noemt hij de zon als hel voornaamste werktuig daarvoor, en , bij wijze van spreken, den wagen, het voertuig, waarmede het aangebracht wordt, als het zich aan de menschen vertoont. Omdat dus in deze schoone orde de onschatbare goedheid van God jegens de menschen uitblinkt, stelt de Profeet dit zeer terecht voor als een goed argument om zich aan God toe te vertrouwen. Hiertoe strekt ook hetgeen onmid-delijk volgt van de grenzen, die aan de aarde gesteld zijn; en de afwisseling van zomer en winter, die elk jaar plaats heeft. Evenwel; hel is niet zeker of de Profeet dit verslaat van de uiterste einden der aarde, of wel van de bijzondere grensscheidingen der verschillende landen. Want hoewel zij dikwijls geschonden worden door het geweld der menschen, daar hunne begeerlijkheid en onverzadelijke eerzucht door geene grenslijn kan weerhouden worden, en zij het altijd zullen beproeven haar te overschrijden, toch ziet men de merkwaardige goedheid van God in het feit, dat Hij aan elke natie hare woonplaats heelt aangewezen. Evenwel, ik voor mij, zie er liever de grenzen in, die door de hebzucht der menschen niet vernietigd kunnen worden, te weten, dal God aan de menschen dal deel der aarde heeft toegewezen om te bewonen, hetwelk Hij ziel, dal aan hunne behoefte voldoet. En voorts, de opvolging van winter en zomer, zoo uitnemend geregeld, stelt ten duidelijkste de zorg en goedheid Gods in het licht, waarmede Hij in de behoeften der menschen voorziet. En hieruit maakt de Profeet wijselijk op, dat niets onwaarschijnlijker is dan dat God zou nalaten als Vader Ie handelen jegens zijne eigene kudde, zijn eigen huisgezin.
18. Gedenk hieraan; de vijand heeft Jehovah gesmaad; en een nietswaardig volk heeft uwen naam gelasterd. 19. Geef aan het beest de ziel uwer tortel-duive niet over, en vergeet de menigte uwer armen niet in eeuwigheid. 20. Aanschouw het verbond: want
99
Psalm 7/» ; 18 enquot;19.
de duistere plaatsen der aarde zijn vervuld met woningen des ge weids 21. Laat de ellendige niet beschaamd wederkeeren: laat de armoedige en behoeftige uwen naam prijzen. 22. Sta op, o God! twist uwe twistzaak, gedenk der versmaadheid, die U dagelijks door den dwaze wordt aangedaan. 23. Vergeet den kreet uwer tegenstanders niet, het gedruisch dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op.
18. Oedenh hieraan Na hel hart der geloovigen versterkten opgeheven te hebben door de macht en goedheid van God te verheerlijken, gaat de Profeet thans voort met zijn gebed; en nn klaagt hij ten eerste omdat de tegenstanders God gesmaad hebben, en nochtans straffeloos zijn gebleven. Nu is dit eene wijze van spreken, waarin groote kracht en nadruk is gelegen, als hij zegt: Gedenk hieraan: gelijk het dan ook geene kleine, geringe zonde is, om den heiligen naam Gods te bespotten. En om nu eene tegenstelling te maken tusschen tegenovergestelde zaken, zegt hij, dat nietswaardige lieden, of onzinnigen, het hebben onderstaan aldus lasterlijke woorden tegen God uit te spreken. Want het Hebreeuwsche woord nabal beteekent niet slechts een dwaas raensch, maar ook een slecht, eerloos mensch. Daarom noemt de Profeet de verachters van God terecht: Een nietswaardig volk,
19. Oeef aan het beest de ziel uwer tortelduive niet over. Het Hebreeuwsche woord Chajas, dat wij vertalen door Beest, beteekent somtijds de ziel; en sommigen geven er die lezing dan ook van een weinig verder in hetzelfde vers. Hier is het echter zeker dat het genomen is voor Wild dier, of voor Menigte. Maar hoe men het ook neemt; die wijze van spreken vormt eene schoone vergelijking tusschen de ziel (dat is: hel leven) van een klein, zwak en vreesachtig volgellje, en een machtig heir, of een wreed, verscheurend dier. Want, hij vergelijkt de Kerk bij eene tortelduive, omdat, hoewel er een zeker aantal van geloovigen is, zij toch veel te zwak zijn om hunne vijanden te kunnen weerstaan, integendeel, zij zijn hun ten prooi. Daarna voegt hij er bij: Vergeet niet de ziel, of de menigte uwer armen. Want wederom is hier hel woord Chajas gebruikt, en dat wel met groote sierlijkheid, omdat het van wege de dubbele beteekenis tweemaal schielijk na elkander herhaald is, maar in verschillenden
100
Psalm 74 : 19â22.
zin. Evenwel, ik heb er de voorkeur aan gegeven om hel le vertalen door menigte, liever dan door ziel, omdat de Profeet schijnt te bidden dat het Gode moge behagen zijne kudde te beschermen tegen de groote heirscharen der vijanden. En opdat Hij nu nog meer geneigd zou zijn tot barmhartigheid, doet de Profeet Hem gedenken aan hel verbond, gelijk dit altijd de toevlucht is geweest der geloovigen, om als zij zich in groot gevaar hebben bevonden, heil en verlossing te kunnen verwachten, omdat God beloofd had hun Vader te zijn; waaruit wij ook kunnen opmaken, dat onze gebeden niet anders een vast steunpunt hebben kunnen, dan wanneer God ons door zijne vrijmachtige uitverkiezing heeft aangenomen om zijn volk te zijn Hieruit blijkt ook door welke duivelsche woede die vuile hond Servet bezeten was, die zich niet schaamde le zeggen, dat het eene dwaze en domme spollernij is, als men in hel gebed tot God zijne beloften aanvoert. De geloovigen loonen opnieuw, door hoe groolen nood zij gedrongen worden, als men van rondom niets anders ziet dan onderdrukking en geweld, alsof alle plaatsen even zoo vele rooversholen waren. Hij zegt: De duistere â plaatsen der aarde, omdat de boozen denken overal schuilplaatsen te hebben, waar zij hunne goddeloosheid in het verborgen kunnen bedrijven, omdat God dan zijn aangezicht een weinig bedekt heeil.
21. Laat de ellendige niet beschaamd wederkeeren. Dit woord Wederkeeren wil hier zooveel zeggen als ledig heengaan. De geloovigen vragen dus, dat zij niet beschaamd zullen worden door eene afwijzing of weigering. Zij noemen zich hier bedrukten, armen en ellendigen, te einde genade en barmhartigheid te verkrijgen. Evenwel, men moet opmerken, dal zij noch geveinsdelijk spreken, noch hunne ellende vergrooten; maar dat zij door zóó vele rampen ter nedergedrukt waren, dat hun niets overbleef, waarvan zij eenige hoop op redding of ondersteuning konden verwachten. Door dit voorbeeld worden wij er stilzwijgend op gewezen, dal, wanneer wij tot het uiterste gedrongen en gedreven zijn, er een middel legen onze ellende gereed is in de aanroeping Gods.
22. Sta op, o God, enz. Wederom bidden de geloovigen, dal God zijn' rechlszelel beklimme; want Hij wordt gezegd op le slaan, als Hij, na lang verdragen le hebben, door de uitkomst loont, dat Hij zijn ambt en werk niet heefl vergelen. En opdat Hij die zaak des le bereidwilliger ter hand zal nemen, roepen zij Hem op om zijn recht te handhaven; alsof zij zeiden; Heere, daar hel hier uwe eigene zaak geldt, is hel nu geen tijd voor
101
Psalm 74 ; 22.
U om le rusten. Nu loont hij Iegelijk ook aan waarom dit de zaak iamp; van God zeiven, nl. omdat de dwazen Hem dagelijks smaden. Men zou hier echter ook weder kunnen vertalen Niets-icaardigen, in plaats van Dwazen. Het kwaad wordt nog verzwaard door eene bijkomende omstandigheid, nl. dat zij zich niet vergenoegen met eene enkele maal te spotten, maar hier ijverig mede voortgaan Daarom besluiten zij met God te bidden zoodanige verwatenheid niet le vergeten, daar zij niet slechts zoo vermetel zijn van zijne majesteit le kort te doen, maar hunne lasteringen schaamteloos en hoovaardig luid uitspreken. En hoewel zij dit nu indirect schijnen le doen, zegt de Profeet nochtans, dewijl zij God verachten, dal zij zich met eene alle perken te builen gaande onbeschaamdheid tegen God verheffen, gelijk de Reuzen, en dat hunne hoovaardij schier geene grenzen kenl.
T?SA.Ij]Vr TT).
INHOUD: Het is eene algeraeene dankzegging van de Kerk, als zij overweegt, dat het alleen door den wil en de beschikking Gods is, dat de wereld wordt geregeerd, en dat zij (de Kerk) alleen door zijne kracht en genade wordt staande gehouden. Bezield door dit vertrouwen, verheft zij zich tegen de verachters van God, wier waanzinnige roekeloosheid hen tot eene alle perken te buiten gaande losbandigheid voert.
1. Aan den opperzangmeester: Verderf niet. Een Psalm van Asaf, een Lied. 2. Wij zullen U loven, o God, wij zullen U loven; en uw naam is nabij; aldus vertelt men uwe wonderen. 3, Als ik de vergadering bijeengeroepen zal hebben, zal ik recht richten. 4. De aarde is vervloeid en al de bewoners er van, maar ik zal hare pilaren vaststellen. Selah. 5. Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddeloozen: Verheft den hoorn niet. 6. Verheft uwen hoorn niet omhoog, en spreekt niet met stijven hals. 7. Want de verhoogingen zijn niet van het Oosten;
102
Psalm 75 : 1, 2 en 3.
noch van het Westen, noch van de Woestijn. 8. Want God is Rechter; Hij is het, die vernedert, en Hij is het die verhoogt.
1. Verderf niet. Betreffende dit opschrilt heb ik genoeg gezegd bij Psalm 57. Wat den dichter aangaat van dezen Psalm, ik geef mij niet veel moeite om te weten te komen, wie hij is. Wie hij ook zij, David of iemand anders, de Profeet barst reeds bij den aanvang los in eene groote blijdschap en dankzegging. En de herhaling is van zeer groot gewicht, om zijn ijver en vurige begeerte uil te drukken van Gods lof te zingen. Hoewel nu de werkwoorden in het Hebreeuwsch den verleden tijd hebben, vereischt toch de zin, dat zij in den toekomenden tijd staan, hetgeen dikwijls het geval is in het Hebreeuwsch. Of het moet wezen, dat de Profeet verhaalt, dat God voor de weldaden, die Hij voormaals heeft bewezen, door zijn volk werd geloofd, ten einde alzoo op te wekken tot volharding, daar Hij, zich immer gelijk blijvende, aan zijn volk dikwijls nieuwe slot geeft om zijn lof te zingen. De verandering van den persoon in het tweede lid heeft sommige uitleggers bewogen om het betrekkelijk voornaamwoord Die in te lasschen; alsof hij gezegd had: Heere, wij loven U, en uw naam is nabij hen, die uwe wonderen vertellen. Ik voor mij, twijfel niet, of de Profeet heeft het werkwoord Men zal vertellen in onbepaalden zin gebruikt, en dat hij het voegwoord En in de plaats van Wanl heeft gebruikt, gelijk dit dikwijls plaats heeft. De zin zal dus zeer goed vloeien op deze wijze: Wij zullen U loven, Heere, want uw naam is nabij, en daarom zal men uwe wonderen vettellen. Want ongetwijfeld zegt hij dat dezelfde personen de verkondigers zullen zijn van zijne wonderen, van wie hij zeide, dat zij zijn' lof zullen zingen. En het is voorzeker waar dat God door zijne macht ten toon te spreiden den mond opent van zijne dienstknechten om zijne werken te vertellen. Kortom, hij geeft te kennen, dat er overvloedige slof is om God te loven; want hij toont aan, dat Hij nabij en gereed is om de zijnen te hulp te komen. Hel is genoegzaam bekend, dal de Naam Gods genomen wordt voor zijne macht en Zijne tegenwoordigheid of nabijheid geschal wordt naar de hulp, die Hij aan de zijnen verleent in hun' nood.
3. Als ik de vergadering byeengeroepen zal hebben. Hel llebreeuwsche werkwoord jaad beteekent: Eene plaats of dag aanwijzen, en hel naamwoord moéd, dat er van afgeleid is, en
103
Psalm 75 : 3.
104
door den profeet hier gebruikt wordt, beteekenl zoowel de heilige vergaderingen, als de leesten en plechtige dagen, en levens eene vergadering van geloovigen, bijeen gekomen in den naam des Heeren. Omdat hel echter vaststaat, dat God hier sprekend ingevoerd is, past zoowel de eene als de andere beteekenis, te weten, óf dat God zijn volk tol zich vergaderd hebbende, orde zal stellen op de dingen, die in zoo droevige wanorde verkeeren; óf wel, dal Hij zich een' geschikten tijd zal kiezen om zijn oordeel uil te voeren. Want, zijn volk voor eene wijle aan hel welbehagen zijner vijanden overgegeven hebbende, schijnt hel alsof Hij hen heeft verlaten en zich niet meer om hen bekommert, evenals eene kudde schapen, die omdwaalt zonder herder. Daar Hij dus de belofte wil geven van deze verwarring te zuilen doen ophouden, is hel recht, dal Hij met de bijeenverzamelingbegint van de Kerk. Wil men dit echter liever verstaan van den lijd, dan vermaant God ons door dit woord om geduld te hebben, daar Hij inzonderheid verklaart, dal de lijd gekomen is, om de ondeugd te bestraffen, omdat Hij alleen de jaren en de dagen in zijne machl heeft, en Hij de lijden en gelegenheden zeer goed kent. Ik neig voorzeker meer hiernaar, dal God aan zijn wil en welbehagen datgene onderwerpt, hetwelk de menschen gaarne aan zich zeiven willen toekennen, te weten hel einde en de maal te bepalen van rampen en leed, en zich te verheffen om de zijnen te verlossen ten tijde wanneer, en ter plaatse waar. Hij dit goed acht Evenwel, de eerste verklaring betreffende hel bijeen vergaderen der Kerk, behaagt mij wel. Nu moet men hel noch ongerijmd, noch ruw vinden, dat God hier voorgesteld wordt als te antwoorden op de gebeden der geloovigen. Wanl die voorstelling der dingen, waarbij men ze, als hel ware, voor de oogen schildert, is veel krachtiger dan wanneer de Profeet eenvoudig had gezegd, dat God ten laatste, op den bestemden lijd, zich de Beschermer zou loonen zijner Kerk, ten einde haar bijeen le vergaderen als zij verstrooid en verscheurd zal zijn. En zie hier nu de substantie dezer woorden: Hoewel God aan de zijnen niet onmiddelijk hulp verleent, zal Hij hen loch nooit vergeten, maar stelt het slechts uil lot den geschikten tijd, om het geneesmiddel le schenken, dal Hij in zijne hand gereed heeft. Recht richten beteekenl zooveel als in goeden en geregelden staal le brengen hetgeen verkeerd en in wanorde was; gelijk Paulus zegt in 2 Thess. 1:6, dat âHet overeenkomstig Gods rechtvaardigheid is rust le geven aan de gekwelden, en evenzoo verdrukking le doen lijden aan hen, die de onschuldigen verdrukken. God verklaart dus, dat het zijn weik is orde te brengen in het-
Psalm 75 : 3, 4 en 5.
geen beroerd is, opdal wij door deze verwachting vertroost zouden worden in al onze ellende.
4. De aarde is vervloeid. Vele uitleggers zijn van meening dat dit eigenlijk behoort tot den Persoon van Christus, bij wiens komst de aarde met hare inwoners geschud en bewogen is moeten worden; want wij weten, dat Hij regeert, ten einde den ouden mensch weg te doen en dat zijn geestelijk koninkrijk begint met de tenonderbrenging van bet vleesch, maar in dier voege dat daarna de herstelling van den nieuwen mensch plaats heelt. Hiermede brengen zij ook in verband het tweede gedeelte van hel vers: Ik zal hare pilaren vaststellen: alsof Christus zeide: Zoodra Ik gekomen zal zijn, zal de aarde met hare inwoners vervloeien en opgelost worden; maar onmiddelijk daarna zal Ik haar op vaste en duurzame grondslagen vaststellen; want mijne uitverkorenen, vernieuwd door mijn' Geest, zullen niet meer gelijk zijn aan het gras of aan verwelkte bloemen, maar zij zullen met eene nieuwe en ongewone vastigheid worden begiftigd. Ik voor mij geloof echter niet, dat deze subtiliteit in de gedachte van den Profeet geweest is. Zie hier dus hoe ik dien zin eenvoudig verklaar: Hoewel de aarde opgelost zou zijn, zoo heeft God toch de steunselen er voor in zijne hand. Kn dit vers is saamgevoegd met het vorige, want hij verklaart dat God zich ter bestemder tijd als Rechtvaardige Rechter zal betoonen, dewijl het Hem licht valt om, al zou ook geheel de wereld instorten, alles wederom op te richten en te herstellen. Intusschen twijfel ik niet of de Profeet heeft het oog gehad op den aard der dingen. Want de aarde neeml wel de laatste en de laagste plaats in van den omtrek des hemels, maar welke zijn de londamenten waarop zij rust? Is zij niet opgehangen in de lucht? Ja meer: aangezien zooveel water lol haar doordringt en hare aderen doorloopt, zou zij dan niet vervloeien, indien zij niet door de verborgene kracht Gods werd vastgesteld en vastgehouden? Overigens, hoewel de profeet acht geeft op de natuur der dingen, toch klimt hij nog hooger op, nl. ofschoon de wereld in een' puinhoop werd verkeerd, zou God toch machtig zijn haar wederom op te richten.
5. Ik heb gezegd tot de onzinnigen. Nadat hij zich zeiven en den anderen geloovigen het ambl en werk Gods voor oogen had gesteld, triomfeert hij nu over de goddeloozen wier waanzin en blinde woede hij aanklaagt, omdat zij God minachtende, zich zeiven boven male verheffen. Dil heilig roemen nu hangt al
105
Psalm 75 : 5, 6 en 7.
van hel oordeel, dal hij in den Persoon van God aankondigl als aanslaande; wanl als de geloovigen verwachlen, dal. God koml om rechl le doen, en zij er van verzekerd zijn, dal Hij niel zal loeven, dan zullen zij zells le midden der verdrukkingen niel ophouden van le roemen. Want, hoewel de ziedende en schuimende woede der boozen gansche slroomen uitslorl om hen le overstelpen, zoo is het hun toch volkomen genoeg, dat hun leven beschermd wordt door de hand Gods, aan wien hel licht valt allen hoogmoed neder le werpen, en alle aanmatiging te keer le gaan. Want de geloovigen belachen de verzinselen en de kuiperijen der boozen; zij bevelen hun af' le laten van hunne waanzinnige woede; en hierdoor geven zij te verstaan, dat zij zich te vergeefs al die moeite geven, evenals krankzinnigen, die in hunne razernij heen en weder gedreven worden zonder te welen waarom of waarheen. En hel is merkwaardig dal hij de hoovaardij aanduidt als de oorzaak of de moeder van alle vermetelheid, evenals het ook volkomen waar is, dal de menschen zich niel aldus in onwettige dingen te buiten zouden gaan, indien zij niet verblind door hoogmoed, hunne eigene kracht en vermogen overschatten. Omdat nu deze krankheid niet gemakkelijk uil het hart der menschen uitgeroeid kan worden, herhaalt hij ten tweeden male: Verheft den hoorn niet omhoog. Vervolgens, dal zij niel met hardheid en op smadelijke wijze moeten spreken; want dit is het wat hij bedoelt met Vetten of stijven hals, omdat trolsche menschen de gewoonte hebben van het hoofd omhoog le heffen, als zij hunne bedreigingen uitbraken. Anderen vertalen: Spreekt niel hard met uwen hals. Maar de andere overzetting is juister.
7. Want de verhoogingen zijn niet van het Oosten, ene. Ziehier een voortreffelijk middel legen hoogmoed, als de profeet er op wijst, dat de verhooging niel koml van de aarde, maar van God; want hetgeen meestal de oogen der menschen verblindt, is, dat zij den blik werpen nu eens rechts en dan eens links, en overal rijkdommen vergaderen, en zich van alle kanten van allerlei hulpmiddelen voorzien, en dan hierop steunende, naar den lust huns harten leven. Voor zooveel zij dus niel hooger opklimmen dan deze wereld, zegt de Profeet, dat zij zich groote-lijks bedriegen, daar beide de verhooging en de vernedering alleen in Gods hand zijn. Wel is waar schijnt dit in tegenspraak le zijn met de ervaring, want in de wereld komen de meeste menschen óf door hunne eigene listen en lagen, óf door de gunst des volks, óf door andere aardsche middelen, tol eer en aanzien.
106
Psalm 75 : 7 en 8.
107
liet schijnt ook wel eene koude, stijve verklaring der reden te zijn, dat God Rechter is. Ik antwoord: hoewel velen door booze praktijken tot eer en aanzien komen, of' wel door den steun der wereld, zoo geschiedt dit toch volstrekt niet bij geval, want zij worden door den verborgen raad Gods aldus hoog verheven, om spoedig daarna als stroo ol' kal' ver weggeworpen te worden En de Proleet schrijft niet slechts aan God het oordeel toe, maar hij omschrijft Hem ook in zijne hoedanigheid, nl. dat Hij door dezen te verhoogen en genen te vernederen, de zaken der menschen regelt naar zijn' wil en welbehagen. En ik heb gezegd, dat de hoovaardige harten hierdoor het best naar de laagte kunnen gebracht worden, omdat de wereldsche lieden om die reden durven doen, wat hun in het hoofd komt, dat zij God in den hemel opsluiten, en niet gelooven, dat zij door zijne verborgene voorzienigheid in toom worden gehouden. Ja meer, zij ontzeggen aan God alle heerschappij, ten einde aan hunne buitensporige lusten en begeerlijkheden den vrijen teugel le kunnen vieren. En opdat wij zouden leeren, dat wij ons in onzen staat in alle matigheid en ingetogenheid moeten houden, omschrijft hij duidelijk wal het oordeel Gods, of zijne orde in het bestuur der wereld is, zeggende dat het Hem alleen toekomt le verhoogen of te vernederen wien hel Hem goeddunkt. Hieruit volgt, dal allen, die de vleugelen hunner ijdelheid uitgespreid hebbende, roekeloos en vermetel naar hooge dingen streven, voor zooveel in hen is. God van zijn kroonrecht en zijne macht berooven; en dit blijkt genoegzaam uit hunne raadslagen en dwaze ondernemingen, maar ook evenzeer uit hun godslasterlijk snoeven, als zij uitroepen; Wie zal mij verhinderen? Wie zal mij weerstand bieden? Alsof hel, voorwaar! geene lichte zaak ware voor God, om hun met een leeken slechts, of een wenk, duizenderlei hinderpalen in den weg le leggen, hun streven le verijdelen en hunne woede op niets le laten uilloopen. En gelijk de wereld-lingen in hunne roekeloosheid en door hunne booze raadslagen God van zijne koninklijke waardigheid zoeken te berooven, zal, lelkemale als wij sidderen op hunne dreigementen, ons ongeloof aan de souvereinileil Gods le kort doen. Zoodra wij hel gedruisch hooi en van de eene of andere beweging of beroering, zijn wij niet minder ontsteld, dan wanneer wij door den bliksem des hemels waren getroffen. Zoodanige schrik en ontsteltenis toont ten duidelijkste dal wij er nog niet genoegzaam van doordrongen zijn, dat hel God is, die de wereld regeert. Wel is waar, zouden wij ons schamen Hem van zijn' titel van rechter le berooven, ja er is schier niemand, die niet terugdeinst voor zoodanige Godslastering,
Psalm 75 : 8 en 9.
maar nadat ons natuurlijk verstand ons als het ware deze belijdenis heelt afgedwongen, dat God de Rechter en de Koning is der wereld, stellen wij ons ik weet niet welk soort van lijdelijke souvereiniteit in Hem voor, alsof Hij het menschelijk geslacht niet door zijne macht en zijn' raad bestuurde. Maar hij, voor wien het vaststaat, dal God voor alle menschen datgene beschikt wat Hij goed voor hen acht, zoodat Hij aan iedereen zijn lol toebedeelt, zal niet bij aardsche middelen blijven stilstaan. Ziehier nu op wat wijze deze leer gebruikt en aangewend moet worden: de geloovigen hebben zich in alles aan God te onderwerpen, maar moeten zich niet laten vervoeren door een valsch betrouwen. En als zij zien hoe de boozen zich verhoovaardigen, dan moeten zij niet aarzelen dit valsch en onzinnig betrouwen te verachten. Kn voorts; hoewel God de souvereine macht en heerschappij heeft, wordt Hij toch Rechter genoemd, opdat wij welen, dal Hij de menschelijke zaken naar recht en billijkheid regelt en leidt. Vandaar dal een iegelijk, die zich wacht voor verkeerde handelingen en booze praktijken, tot Gods rechterstoel de toevlucht kan nemen, zoo hij ten onrechte wordt benadeeld of beleedigd.
9. Want Jehovah heeft een' beker in zijne hand en de wijn is beroerd; hij is vol van mengeling, en zal daaruit schenken; zij zullen er den droesem van uitpersen; alle boozen der aarde zullen er van drinken. 10. Maar ik zal geduriglijk verkondigen, en den God Jakobs psalmzingen, 11. En ik zal alle hoornen der goddeloozen verbreken; maar de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.
9. Want Jehovah. Hel oordeel waarvan hij zooeven gesproken heeft, wendt hij nu meer direct aan voor hel gebruik der geloovigen, want Hij verklaart dal God regeert, opdat geene ongerechtigheid ongestraft blijve, en wanneer de boozen zich te buiten zijn gegaan in het kwaad, Hij hun de verdiende straf loebedeele. Hieruit leeren wij opnieuw, hoe grootelijks wij de voorzienigheid Gods hebben te waardeeren, nl. dat ieder deel van ons leven door eene immer tegenwoordig zijnde macht wordt bestuurd. Hij zegt dus, dal God een' kelk in zijne hand heeft om de goddeloozen dronken te maken. Het Hebreeuwsche woord gamar beteekent troebel ol vol van droesem, of ook wel rood; maar omdat in hel
108
Psalm 75 : 1ü en 11.
land der Hebreen de roode wijn zeer kraclililt;ï is, is die vergelijking zeer gepast, dal God bedwelmenden wijn in zijne hand heeft, om de boozen ten doode toe dronken te maken; alsof hij zeide dat de snelheid van Gods wrake ongeloofelijk is, evenals krachtige wijn, die plotseling naar de hersenen stijgt, óf waanzin te weeg brengt, óf koorts. Hij zegt dus dat de wijn in den beker Jehovah's rood is, gelijk geschreven staat in de spreuken, hoofdstuk 23, vers 31, Zie den wijn niet aan, als hij zich rood vertoont in den beker. En hiermede is niet in strijd wat hij een weinig later zegt van de vermenging, want die twee zaken komen tamelijk goed met elkander overeen; dat de boozen plotseling dronken zijn van Gods wrake, en dat zij haar met droesem en al drinken, totdat zij er van omkomen. Want zij, die dit woord Mengeling op iets anders toepassen; nl. dat men in warme landen gewoon is den wijn met water te vermengen, geven eene al te verwaterde verklaring. Want het is er veeleer bijgevoegd als eene versterking, zoodat de Profeet de heftigheid van Gods toorn vergelijkt bij gekruiden wijn. Door deze beelden geeft de Profeet nu te kennen, dat de boozen het niet kunnen ontgaan van den beker te drinken, die de Ileere hun zal voorhouden, ja dat zij dien beker tot den laatsten droppel toe zullen moeten ledigen.
10. Maar ik zal verkondigen. Hel slot van dezen Psalm toont aan dat de geloovigen zich verblijden, omdat zij gevoeld hebben dat God in hun' tegenspoed hun Bevrijder is. Want hel schijnt dat zij hunne eigene ervaring beschrijven in die verkondiging en dal lied. Hieruit kunnen zij ook de gevolgtrekking afleiden, dat zij met de hulpe Gods de macht der verworpenen zullen verbreken, maar dat zij van hun'kant voldoen ie gewapend zijn om zich te verdedigen, daar zij recht en gerechtigheid aan hunne zijde hebben. Want, dat hij zegt dal de hoornen van den rechtvaardige verhoogd zullen worden, wil zoo veel zeggen als^dal de kinderen Gods, die een onberispelijk en onschuldig leven leiden, meer kracht zullen bekomen om zich te verdedigen, dan wanneer zij hunne zaken door allerlei boosheid tot een goed einde zouden willen brengen.
109
Psalm 76 : 1.
IPSA^M re.
INHOUD: In dezen Psalm worden Gods genade en waarheid bezongen, omdat Hij beloofd had de Beschermer van de stad Jeruzalem te zullen zyn, en haar ook met eene wonderbare macht bewaard heeft tegen zeer krijgshaftige vijanden, die in alle opzichten wel uitgerust waren ten oorlog.
1. Aan den opperzangmeester, op de Neginoth, een Psalm van Asaf, een Lied. 2. God is bekend in Juda, en zijn naam is groot in Israël. 3. En zijn tabernakel is in Salem geweest, en zijne woning in Sion. 4. Aldaar heeft Hij verbroken de pijlen van den boog, bet schild, en het zwaard, en den oorlog. Selah. 5. Gij zijt schitterend, schrikkelijker dan de roof bergen. 6. De stonthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun1 slaap geslapen, en alle dappere mannen hebben hunne handen niet kunnen vinden. 7. O God van Jakob, op uw schelden zyn wagen en paard in slaap gezonken.
110
1
Aan den opperzangmeester op de Neginoth. Hel is waarschijnlijk, dal deze Psalm lang na den dood van David gedicht werd; daarom achlen sommigen, dal hier de geschiedenis beschreven wordt van de verlossing, die onder koning Josaphal heeft, plaals gehad legen de Ammonieten. Maar ik voor mij ben van eene andere meening. Want de Assyriërs zijn niet slechts onder aanvoering van Sanherib .ludea binnengetreden, maar zij hebben levens een' woedenden aanval gericht legen Jeruzalem, de hoofdstad des koninkrijks. En wij welen, hoe zij door een wonder van God genoodzaakt waren hel beleg op le breken, loen God door de hand zijns Engels eene schrikkelijke verwoesting aanrichlle onder het leger der vijanden en hel in een' enkelen
Psalm 76 : 1 en 2.
nacht j^ansch en al verdeed. Hel is dus niel zonder reden dal de Proleel zegt dal God aldaar de pijlen, zwaarden en schilden verbroken heefl. Helgeen echler bovenal geweien moei worden is, dal hel de voorldurende zorg van God is om de Kerk, welke Hij zich heefl verkoren, staande te houden, die hier wordt beschreven , opdat de geloovigen niet zouden vreezen te roemen in zijne bescherming.
2. God is bekend in Juda. Bij den aanvang van den Psalm wijst de Profeet er ons op, dat hel door geene menschelijke kracht is geweest, dat de vijanden genoodzaakt waren zich terug te trekken zonder iels te hebben uitgericht, maar door eene gedenkwaardige hulpe Gods. Want van waar komt deze kennis van God en van de grootheid zijns naams, waarvan hier gesproken wordt, zoo niel van hel feit dal God op buitengewone wijze zijne hand heefl uitgestrekt, opdat hel openbaar zou worden, dal de stad zoowel als het volk onder zijne hoede en bescherming waren? De Profeet zegt dus, dat de heerlijkheid Gods zichtbaar verschenen is, daar de vijanden door zoodanig een wonder verslagen zijn geworden. In hel volgende vers duidt hij de reden aan, waarom Hij, na de Assyriërs op de vlucht gedreven te hebben, zich verwaardigd heefl om die stad onder zijne hoede te nemen; te welen, omdat Ilij zich haar lol woonstede had verkoren, opdat zijn Naam er zou worden aangeroepen. Waar hel dus op aankomt is, dat de menschen de verlossing der stad in geen enkel opzicht aan zich zeiven moeten toeschrijven , omdat God zich aldaar van den hemel in zijne macht en heerlijkheid heelt doen kennen. En vervolgens dal Hij door niets anders gedrongen werd om zich legen zijne vijanden te slellen, dan door zijne vrijmachtige uil verkiezing. En omdat Ilij nu door dit voorbeeld heefl doen blijken hoe onverwinlijk zijne macht is om zijne kerk te bewaren, vermaant de Profeet de geloovigen om in vol vertrouwen te rusten onder zijne schaduw. Want indien Gods naam Hem dierbaar is; dan is dit geene kleine vastigheid voor ons geloof, als wij zien, dal Hij de grootheid zijner kracht gekend wil doen zijn in de bewaring zijner Kerk. En daar nu de Kerk eene voortreffelijke schouwplaats is van de heerlijkheid Gods, moeten wij er ons zeer zorgvuldig voor wachten, om door onze ondankbaarheid de weldaden, als hel ware, te begraven, die hij haar bewezen heefl, en voornamelijk die, waarvan de herinnering lot in de verre nageslachten bewaard moei blijven. En voorts: hoewel God thans niet meer in den zichtbaren tabernakel wordt aangebeden, zoo is toch Christus in het midden van
Ill
Psalm 70 : 3 en 4.
ons, en in ons zeiven, en daarom zullen wij telkenmale als wij dil noodig hebben, ervaren, dal wij onder zijne bescherming veilig en zeker zijn. Want, zoo hel aardsche heiligdom te Jeruzalem heil en verlossing heeft aangebracht, dan moeten wij er niet aan twijfelen, dat God ook voor ons zorg zal dragen, aangezien Hij zich verwaardigd heeft ons tot zijne tempelen te kiezen, in dewelke Hij woont door zijn' Heiligen Geest. Hij gebruikt hier den naam Salem, die van ouds de eenvoudige benaming dier stad is geweest, gelijk blijkt uit Genesis 14; 18. Sommigen denken, dat in het verloop der eeuwen die naam zijn samengestelden vorm heeft verkregen, als ware het Jebusalem, welke naam tot ongeveer het midden destijds in zwang bleef, zooals blijkt uit Richteren 19 : 10, omdat de Jebusieten haar in bezit hadden en er woonden. De etymologie is echter juister, wanneer men het afleidt van het werkwoord Zien, omdat Abraham gezegd had: God zal zich van een brandoffer voorzien.
4. Aldaar heeft Hij verbroken de pijlen. Hij geeft nu eene uiteenzetting van deze kennis van God, te weten, toen Hij eene zoo verwonderlijke proeve gal van zijne macht. Nu wordt dooi deze beelden de ondergang der vijanden aangeduid, omdat zij niet anders verslagen konden worden, dan door eerst van hunne wapenen te worden beroofd. Hij zegt dus dat de pijlen, zwaarden, en schilden verbroken zijn, d. i. alle oorlogswerktuigen, zoodat de macht om te schaden den vijanden was ontnomen. En hoewel zij nu gewond en gedood werden, terwijl hunne pijlen en zwaarden nog onbeschadigd waren, zoo is deze métonymie of naamverwisseling, niet ongepast. Sommigen vertalen het Hebreeuwsche woord rishphé door Punten. Eigenlijk zou men het kunnen vertalen door Vuren] maar hei is beter om het te vertalen door Pijlen. Want in overdrachtelijken zin worden zelfs vogels wel eens zoo genoemd, en dat wel van wege hunnne snelheid. En aan pijlen wordt ook vlucht toegeschreven in Psalm 91:5 Thans voegt hij er bij, dat God schitterend is, en schrikkelyker dan de roofbergen. Hiermede duidt hij de koninkrijken aan, waar afpersing en roof heerschen; gelijk wij weten, dal in den beginne, hij die het meest geoefend was in diefstal en roof, ook het meest zijne grenzen kon uilbreiden en dus het machtigst was. Hij vergelijkt dus deze groote koningen, die zich door geweld en moord uitgestrekte domeinen hadden verkregen, bij wilde dieren, die slechts op prooi azen, en hunne koninkrijken bij bergen, bedekt met wouden, die bewoond worden door roofdieren. Hoewel de vijanden dus gewoon waren zich met de
m
Psalm 76 ; 5, 6 en 7.
113
uilei'sle woede op Jeruzalem le werpen, verklaart de Proleet, dal God toch machtiger is dan zij, opdat de geloovigen niet van vrees zouden bezwijken.
6. De stouthartigen, enz. Door nog eene andere wijze van spreken verhoogt hij de macht van God om de tegenstanders te verslaan. Het werkwoord Eshtolelu, dat wij vertalen door Zijn beroofd geworden, komt van Shalal\ en de letter Aleph is genomen in de plaats van de letter He, want de vertaling van sommigen: Zij zijn onzinnig gemaakt, is te gewrongen. Ik moet echter erkennen, dat het zooveel wil zeggen als: Zij zijn ontbloot van overleg en kracht; maar wij moeten ons toch aan de eigenlijke beteekenis van het woord houden. Hierop komt ook neer hetgeen in het tweede lid gezegd is, te welen, dal de dappere mannen hunne handen niet hebben hunnen vinden; d. i. dat zij even onbekwaam waren om te strijden, als wanneer hunne handen afgesneden waren. Het koml hierop neer, dat de kracht, waarop zij roemden, omver was geworpen. Hiertoe behoort ook, dal zij hun slaap hebben geslapen', d. i. in plaats van, gelijk tevoren, wakker en welberaden te zijn, had hun de moed begeven, en zijn zij in hunne vadzigheid ingeslapen. Hij zegt dus, dat de vijanden beroofd waren van den heldenmoed en de kracht, waarop zij zich beroemden, en die hen zoo stoutmoedig hadden gemaakt, zoodat verstand, noch hart, noch banden, noch eenig ander deel hun meer ten dienste stond. Door deze woorden toont hij aan. dat alle gaven en kracht, waarmede de menschen begiftigd schijnen te zijn, in de hand Gods zijn. zoodat Hij hun ieder oogenblik alle wijsheid kan ontnemen, hun hart zwak en verwijfd, hunne handen onbekwaam kan maken, en al hunne kracht kan verbreken. En het is niet zonder reden, dat de stoutmoedigheid en macht der vijanden hier wordt wordt verhoogd, opdat de geloovigen in tegenstelling hiermede de kracht Gods leeren grootmaken. Hij bevestigt nogmaals dezelfde uitspraak, zeggende dat op het schelden van God icagen en paard in slaap zijn gezonken. Alsof hij zeide: Alles wal er aan snelheid en vlugheid was bij de vijanden, is op een' enkelen wenk van God omvergeworpen. Daarom, al zijn wij ook van alle hoop of bijstand ontbloot, is toch de gunst van God ons volkomen genoeg, aangezien Hij geene groole oorlogswerktuigen behoeft en geene legerscharen, om het streven van geheel de wereld le weerstaan, want een enkele ademtocht van Hem is volkomen genoeg om hen lerug te drijven en uit elkander te doen stuiven.
8
Dl. II.
Ps\lm 76 : 8 en 9.
8. Gij vreeselijk zijt Gij; en wie zal voor uw aangezicht bestaan, sedert uw toorn is ontstoken? 9. Gij deedt een oordeel hooren uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil. 10. Toen God opstond om te oordeelen, en om al de nederigen der aarde te verlossen. Selah. 11 Voorwaar! de grimmigheid der menschen zal U belijden, en het overblijfsel der grimmigheden zult Gij binden. 12. Doet geloften, en betaalt uwe geloften aan Jehovah, uwen God, dat allen, die rondom Hem zijn, gaven brengen aan den Schrikkelijke. 13. Hij zal den geest der vorsten afsnijden als druiven; Hy is den koningen der aarde schrikkelijk.
8. Gy, vreeselyh zijt Gij. Er ligt in de herhaling van hel voornaamwoord Gij eene kracht van uitsluiting; alsof hij gezegd had, dat al wat er aan kracht of macht in de wereld is, gemakkelijk verdwijnt en tot niets wordt, zoodra God te voorschijn treedt, en dat zeer terecht Hij alleen dus vreeselijk is. Dit wordt ook bevestigd door de vergelijking, die bij er terstond daarna bijvoegt, want zij beteekent: hoewel de boezen barsten van hoogmoed, kunnen zij den blik uil Gods oog toch niel doorstaan. Omdat. Hij soms echter de dingen schijnt aan te zien zonder er zich om te bekommeren, zegt de Profeet uitdrukkelijk, dat zoodra llij begint te toornen, het verderf der goddeloozen nabij is. Hoewel zij dus voor een' tijd niet alleen stand houden, maar zich in hunne woede verheffen boven de wolken, vermaant de Profeet ons te wachten tot aan den lijd des looms. Wij moeten ook opmerken, dat deze verschrikking is aangekondigd aan de goddeloozen , terwijl hij de geloovigen daarentegen zachtkens tol God henenlokt.
9. Gij deedt een oordeel hooren uit den hemel. Door hel woord Hemel geeft hij nadrukkelijk te kennen, dat hel oordeel Gods te veel openbaar was, d. i. zóó kennelijk een oordeel Gods was, dat men het noch aan bel toeval noch aan de werking of wijsheid van den mensch kon toeschrijven. Want somwijlen worden zijne oordeelen uitgevoerd in hel verborgen, alsol zij uil de aarde voortkwamen. Wanneer Hij bij voorbeeld een'vorst verwekt
114
Psalm 76 ; 9 en 10.
die deugdzaam is en de vreeze Gods voor oogen heel'l, dan zal zijne heilige en wettige regeering een oordeel Gods zijn; maar het treedt niet gansch duidelijk in het licht, dat die goede regeering van Boven komt. In zoover dus deze wijze van hulp te verleenen nieuw en ongewoon was, wordt zij met eene bijzondere benaming aangeduid. Daartoe behoort ook het hooren, waarvan hij spreekt; want het is aan de oordeelen Gods meer eigen dat zij hoog en luid weerklinken, evenals schrikkelijke donderslagen, die tol aller ooren doordringen, dan dat zij eenvoudig met de oogen worden gezien. En ik twijfel niet of de Profeet zinspeelt op de geweldige donderslagen, die de menschen verbijsteren van schrik en ontsteltenis. Want, als hij zegt dal de aarde stil werd, dal ziet eigenlijk op de goddeloozen, die door schrik bevangen, aan God de overwinning toekennen, en niet meer zoo durven woeden als zij gewoon waren. Daar zij nu echler alleen door vreeze onderworpen worden, is hel volkomen terecht, dat hij dien schrik noeml als de oorzaak van hun slil-zwijgen; niet alsof zij zich vrijwillig en uit eigen beweging weerhouden; maar hel is God, die er hen legen hun' wil loe noodzaakt. Waar het dus op neerkomt is, dal zoodra God zijne slem van Boven laai weerklinken, het rumoer zwijgt, dal de onbeschaamdheid der menschen heeft doen ontstaan, toen de zaken nog in wanorde waren. Maar tegelijker lijd wijst hij ook op hetgeen de menschen winnen met hunne rebellie, want allen, die op de vaderlijke stemme Gods geen achl slaan, zullen dooide stemme zijns donders ten onder gebracht moeten worden.
10. Toen God opstond. Hij verklaart thans het doel, de strekking van dil oordeel, nl. dal God een blijk zou geven van zijne vaderlijke liefde jegens alle geloovigen Hij stelt dus God voor sprekende, niet met zijn' mond, maar met zijne hand, ten einde voor allen duidelijk te doen uitkomen, hoe dierbaar Hem het heil is van hen, die Hem vreezen. Met hel woord Opstaan zinspeelt hij op het werkeloos blijven, dat de goddeloozen Hem toeschreven, en waardoor zij zich zooveel vrijheid, of liever losbandigheid, veroorloven. Want Hij wordt gezegd zijn'rechterstoel te beklimmen, als Hij helder en duidelijk aantoont, dat Hij bijzondere zorge draagt voor zijne Kerk. En wal de Profeet nu eigenlijk zeggen wil is, dal hel even onmogelijk is dat God de beproefden en onschuldigen verlaat, als het onmogelijk voor Hem is om afstand te doen van zich zeiven. Want men moet wél opmerken dal God Hechter genoemd wordt, omdat Hij de armen en de onschuldig verdrukten te hulp komt. Want hij
115
8*
Psalm 76 : 10 en 11.
noemt hen De nederigen der aarde, die gedwee gemaakl dooi beproevingen, naar geene hooge dingen streven, maai ondei biddend zuchten hun kruis geduldig dragen. Want het is de kostelijkste vrucht der beproevingen, als wij ons hart reinigen van allen hoogmoed en aanmatiging, en het buigen lot ootmoed en ingetogenheid, want hieruit kunnen wij met zekerheid afleiden, dal wij onder Gods hoede en bescherming zijn, en dat hij bereid is ons gunst en bijstand Ie verleenen.
11. Voorwaar! de grimmigheid der menschep zal ü heli/den. Sommigen verstaan dit zoo, dat de vijanden, nadat zij zich Gode onderworpen hebben. Hem den lof der overwinning zullen toebrengen, omdat zij genoodzaakt zullen zijn te erkennen, dat zij door zijne machtige hand verbroken zijn. Andeien leiden ei eene diepzinniger beleekenis uit af, nl. wanneer God de boozen opwekt en hunne woede doel uitkomen, zijne heerlijkheid hier des te meer door uitblinkt, gelijk er in Rom. 9 . 17 gezegd wordt, dat God Farao tot ditzelve verwekt heelt. Maar hoewel hier eene nuttige leering in ligt opgesloten, vrees ik echter dat die beleekenis al te ver gezocht is, en daarom wil ik er liever eenvoudig dit van zeggen; Hoewel de woede der vijanden van den beginne al, door overal en in alles verwarring te stichten, bijna volslagen duisternis te weeg brengt, zal ten slotte toch alles uit-loopen tol Gods eer en verheerlijking, want door de uitkomst zal het blijken , dat zij met al hunne booze bedenkselen en listige raadslagen toch niets legen God vermogen. Het laatste deel van dit vers kan ook op tweeërlei wijze verstaan worden; want, omdat het Hebreeuwsche woord chagór omgorden beteekent, willen sommigen hel voornaamwoord Oy inlasschen, in diei voege: Hoewel alle vijanden der Kerk nog niet uitgeroeid zijn, toch zult Gij, o God, u daarna aangorden, om de nog overgeblevenen te verderven. Maar de andere uitlegging is eenvoudigei . Hoewel de vijanden niet nalaten hunne wreedheid en grimmigheid uil te storten, toch zult Gij hen weerhouden en omsluiten, zoodal zij hunne booze raadslagen niet kunnen volvoeren. En wellicht zou ook deze verklaring niet onjuist zijn; Gij zult hen in een' bundel vergaderen. Zoo laat ons dan leeien, als de boozen duisternis verspreiden over de Godsregeering, geduldig te verbeiden, totdat God door de blijde uitkomst zich zeiven verheerlijkt, en door hunne beschaming hunne onzinnige vermetelheid onder zijne voeten vertreedt. Doch zoo er van tijd tot tijd wederom beroering ontstaat, zoo laat ons gedenken, dat het liet eigen werk Gods is hel overige van hunne grimmigheid
116
Psalm 76 ; 11 en 12.
op te binden, d. i. in loom le houden, opdal zij zich niet verder zal verspreiden. Intusschen moeien wij niel verbaasd of ver-schrikl wezen, als ons van lijd lol lijd nieuw leed bereid wordt, wanl zoolang de wereld zal bestaan zal Satan altijd en overal zijne werktuigen hebben, die hij aanport om de kinderen Gods te kwellen.
I^. . Doet geloften. Thans wekl hij de geloovigen op lol dankbaarheid. En dewijl hel onder de wet de gewoonte was voor de bijzondere weldaden Gods offeranden le beloven, waarmede zij hel plechtig getuigenis aflegden, dal hun heil alleen van God afhing, herinnert de Profeet aan deze oefening der godsvrucht. Door hel woord Betalen duidt hij standvastigheid aan, le weten, dat zij niel vluchtig en lichtzinnig iels moeten getuigen of belijden, maar dit voortdurend moeten doen, en ten allen tijde moeten doen blijken, dat de herinnering aan hunne verlossing diep in hun hart gegrift is. Wel is waar komt hel voornamelijk hier op aan dal zij het voor zich zeiven goed welen, dat God de Oorsprong en de Werker is van hun heil; maar de plechtige, openlijke belijdenis der godsvrucht is niet overtollig, waardoor niel slechts iedereen zich zeiven aanspoort lol hel betrachten van zijn' plicht, maar men er zich ook wederkeerig toe opwekt. In hel tweede lid schijnt hij ook hel woord le richten tot de vreemde natiën, alsof hij zeide dal deze genadebelooning van zóó bijzonderen aard is, dal zij waardig is om zelfs door de vreemde, onbesneden volken le worden bezongen. Ik voor mij acht deze verklaring echter meer in overeenstemming met de bedoeling des Profeten, nl. dat die woorden gericht zijn lol de Levieten, of lot al de nakomelingen van Abraham, die allen â en niel zonder reden â gezegd worden rondom God te zijn, zoowel wegens hel feil, dal de Tabernakel in hel midden des legers was opgericht, toen hel volk in de woestijn was, als wegens dil andere feil, dal de berg Sion lot verblijfplaats was aangewezen van de Ark, opdal men zich aldaar van alle deelen des lands vergaderen zou. Nu was aan de Levieten opgedragen den Tempel te bewaken van rondom. Het llebreeuwsche woord lamora wordt door de meeste uilleggers gezegd op God betrekking te hebben; hoewel hel woord Vreeze, of Schrik, dikwijls in lijdelijken zin genomen wordt voor God zelf. Neemt men het in betrekking lol de Heidenen en wereldsche menschen, dan zal de zin wezen, dat zij schatplichtig zijn aan God, omdat zij, aangegrepen door vrees, niet langer weerstand durven bieden. Het is echter meer waarschijnlijk, dal dil woord betrekking heeft op God, van wien de Profeet terecht zegl, dal Hij le
117
Psalm 76 : 12 en 13.
118
vreezen is, nadal Hij een zoo doorluchtig blijk heelt gegeven van zijne macht.
13. Hij zal den geest der vorsten als druiven afsnijden. Omdat hel Hebreeuwsche werkwoord batsar soms versterken beteekent, denken sommigen, dal men hel te dezer plaatse aldus ook moei vertalen. Daar hel echter slechts eene verdubbeling is van denzelfden zin, twijfel ik niet, of door het eerste lid moet verstaan worden, dal de geest der wijsheid den vorsten ontnomen is. Voorts wordt in hel algemeen le kennen gegeven, dal God hun schrikkelijk is, omdat Hij hen' van hunne hoogte neder zal werpen. En daar er nu van den beginne wijsheid toe noodig is, om eene zaak voorspoedig ten einde le brengen, maar aan de geloovigen die wijsheid dikwijls ontbreekt, zoodat zij zich le midden van hunne benauwdheden in groole verlegenheid bevinden, terwijl de boozen in hunne bedriegerijen en listen maar al le scherpzinnig zijn, verklaart hier de Profeet dal God machtig is om hel verstand te benemen aan hen, die boven alle anderen in fijnheid van vernuft schijnen uit te blinken, en hen gansch en al te verblinden. En omdat nu verreweg de meeste vorsten vijanden zijn van Gods Kerk, zegt de Profeet met nadruk, dat er schrikkelijks genoeg is in God om al de koningen der aarde lol onderwerping te brengen Wel is waar, als hij zegt, dal hun geest afgesneden wordt als druiven, en hun ontnomen wordt, dan moet dit beperkt blijven lol de tyrannen en roovers, die door God worden verdwaasd, omdat Hij ziet dal zij al hun vernuft en verstand aanwenden om kwaad le doen.
psalm: W.
INHOUD: Wie ook de dichter van dezen Psalm moge geweest zijn; de Heilige Geest schijnt door zyn' mond een algemeenen vorm van gebed te hebben gegeven voor de Kerk onder hare beproeving, opdat de geloovigen ook te midden der zwaarste vervolging des te minder zouden nalaten hun gebed ten hemel op te zenden Want hij spreekt hier niet van het bijzonder leed van een' enkelen mensch, maar hij geeft uiting aan het klagen en zuchten van het uitverkoren volk. Nu prijzen de geloovigen de verlossing, die eenmaal
Psalm 77 : 1.
gewrocht is, die een getuigenis was van de voortdurende genade Gods, opdat zij hierdoor aangemoedigd en versterkt zouden worden om ijverig te volharden in den gebedc.
1. Aan den opperzangmeester op Jeduthun, een Psalm van Asaf. 2. Mijne stem was tot God, en ik heb geroepen: mijne stem was tot God, en Hij heeft mij verhoord. 3. Ten dage mijner benauwdheid: ik heb den Heere gezocht, mijne hand is des nachts vervloeid , en heeft niet opgehouden: mijne ziel weigerde getroost te worden. 4. Ik zal gedenken aan God, en ik zal onrustig zijn; ik zal peinzen, en mijn geest zal gedrukt zijn door droefheid, Selah. 5. Gij hebt mijne oogen wakende gehouden: ik ben verzwakt, en zal niet spreken. 6. Ik heb de dagen van ouds voor mijn' geest teruggebracht; de jaren van voorheen. 7. Ik zal mij des nachts mijn lied herinneren, ik zal in mijn hart overdenken, en mijn geest zal naarstiglijk onderzoeken.
2. Mijne stem was tot God, en ik heb geroepen. Ik denk niet, dat dit, gelijk sommigen meenen, eenvoudig eene klacht is, alsof de geloovigen er zich over verbazen, dal God, die gewoon was hunne gebeden te verhooren, thans dool is voor hun geroep, zoodat het nergens toe nut is Hem aan le roepen, Maar ik acht meer waarschijnlijk, óf dat de Profeet spreekt van heigeen hij op dit oogenblik gevoelt, óf dat hij zich voor den geesl roept hoe zeer hij ervaren heeft, dat God geneigd is zijn gebed te verhooren. Ik wil echter gaarne toestemmen, dal de Profeet verhaalt hoe groot de droefheid is, waardoor hij wordt gekweld, en naar mijn oordeel, duidt hij zoowel door den verleden als door den loekomenden tijd der werkwoorden eene voortdurende handeling aan. Nu verhaalt hij len eerste, dal hij niet dwaselijk of onbe-dachlelijk zoo maar in de lucht geroepen heell, gelijk sommigen de overmaat hunner droefheid, om zoo le zeggen, in het wilde uilstorlen, maar dat hij, toen de nood er hem toe gedrongen heeft, direct tot God heeft geroepen. Want aan hel voegwoord
H9
Psalm 77 ; 2, 3 en 4.
En, dal bij het werkwoord Roepen gevoegd is moei hier debeleekenis worden gegeven van hel bijwoord van tijd Toen, in dier voege: Toen ik geroepen heb, is mijne slem lol God gegaan. Tegelijker tijd loonl hij ook aan, dat hoewel hij zoo dikwijls genoodzaakl was geweesl te roepen, zijne volharding loch niel verminderd was. Hetgeen hij er onmiddelijk daarna bijvoegt is eene bevestiging van zijn geloof. Want En is (gelijk dikwijls ook aan andere plaatsen) genomen voor Want\ alsof hij zeide: Ik roep tol God, omdat Hij gewoon is mij genadig te zijn. In hel volgende vers spreekl hij meer openlijk uit onder hoe zwaren druk de Kerk toenmaals verkeerde. Er is echter eenige dubbelzinnigheid in de woorden. Het Hebreeuwsche woord jad, dat wij vertalen door Hand, wordt somtijds in overdrachlelijken zin genomen voor Wonde, of kwetsuur. Daarom leiden sommigen er den zin uit al: Mijne wonde vloeide in den nacht, en hield niel op; d. i. De etter mijner wonde was niet zóó uitgezuiverd, dat de vloeiing heeft opgehouden. Ik behoud echter liever de natuurlijke beteekenis van hel woord; de hand, want het werkwoord nigra dat hij gebruikt, beteekent niet slechts vervloeien, maar ook uitstrekken. Wanneer hij hier dus zegt, dat hij ten dage zijner benauwdheid God gezocht heeft, en zijne handen des nachts lot Hem uitgestrekt waren, dan wordt door deze indeeling, een voortdurende tijd aangeduid; alsof hij zeide, dal hij met zoodanig verlangen en zoo vurigen ijver God had gebeden, dal hij er niet van op kon houden. Met slot van het vers moet in bijwoordelijken zin gelezen worden, in dier voege: Hoewel de ziel van den Profeet geenerlei verzachting vondl voor haar leed, toch hield hij niet op van zijne handen tot God uil le strekken. En zoo is hel dat wij moeten strijden tegen wanhoop, opdat de smart, ook als zij ongeneeslijk is, ons toch de poorte des gebeds niet toesluit.
4. Ik zal gedenken aan God. Hij gebruikt vele woorden om hel heftige zijner smart, en de grootheid zijner ellende uit te drukken. Want hij klaagt dat hetgeen een geneesmiddel moest wezen om zijne smart le lenigen, hem in eene oorzaak lot onrust was verkeerd. Men zou kunnen denken, dat het niet gepast of betamelijk is, dal de conscienlie der geloovigen ontrust wordt doordat zij aan God denken; maar de eenvoudige bedoeling van den Profeet is, dat, hoewel hij gedenkt aan God, zijne benauwdheid er toch niet door weggenomen werd. Wel is waar gebeurt het dikwijls, dal in tijden van tegenspoed het gedenken aan God de kwelling en benauwdheid der geloovigen doet toenemen,
120
Psalm 77 : 4â6.
wanneer zij namelijk begrijpen, dal God in loorn legen hen is ontsloken; maar de Profeel bedoelt niel dal zijn harl door nieuwe onrust bewogen werd telkenmale als hij aan God dacht; hij klaagt slechts dat er geene vertroosting Gods was om zijn leed te verzachten, en deze soort van verzoeking is zeer zwaar. Men moet er zich niet over verbazen als de ongeloovigen schrikkelijke kwellingen gevoelen, want, daar zij trachten zich van God af te wenden, moeten zij wel gestraft worden voor hunne oproerigheid naar zij dit verdiend hebben. Maar als het gedenken van God, waaraan wij troost moesten ontleenen om ons verlichting te geven in ons leed, geene kalmte of rust schenkt aan ons gemoed, dan schijnt het als of Hij met ons spot. Maar uit deze Schriftuurplaats hebben wij te leeren, dat al zijn wij ook vervuld van vrees en droefheid, van onrust en benauwdheid, wij evenwel, ook te midden van al deze hindernissen moeten volharden in het aanroepen van God. Het volgende vers heeft dezelfde strekking, waar hij zegt, dat hij gansche nachten gewaakt beeft, omdat God hem geene verlichting schonk. Want daar men den nacht in verscheidene nachtwaken placht te verdeden, zegt hij bij wijze van vergelijking, dat zijne voortdurende smarten als wachters waren; die hem het slapen hebben belet. Evenwel, er schijnt hier eenige tegenstrijdigheid te zijn, aangezien hij een weinig te voren gezegd heeft, dat hij met luid roepen tot God gebeden heeft, terwijl hij nu zegt, dat hij zal zwijgen. Deze moeielijkheid is reeds opgelost in Psalm 32 : 3 waar wij hebben aangetoond, dat de geloovigen, overstelpt zijnde van smart, niel altijd op gelijke wijze openbaren wal er in hun hart omgaat, maar nu eens kermen en zuchten, en luide weeklagen, en dan wederom stom zijn, alsof hun mond gesloten was. Daarom moet men er zich niel over verwonderen, zoo de Profeet openlijk erkent, dal hij zóó zeer door leed en ellende overstelpt was, dat hij den mond niel kon openen om één enkel woord te spreken.
6. Ik heh de dagen van ouds voor my'n geest teruggebracht. Wij moeien er niet aan twijfelen, dal hij zijne smart heeft zoeken Ie verzachten door hel herdenken aan de blijdschap van vroeger; maar hij zegt, dal hij daar niet plotseling of snel verlichting door vond. Evenwel schijnt hij door de Dagen van ouds en de jaren der eeuwen niel slechts hel kort tijdsverloop van zijn leven, maar verscheidene eeuwen aan te duiden. En inderdaad, de geloovigen moeten zich in hunne beproevingen niel slechts de weldaden voor oogen stellen, die zij zeiven van God hebben ontvangen, maar ook evenzeer die, welke Hij ten allen tijde aan zijne Kerk heeft
121
Psalm 77 : 6 en 7.
m
bewezen, ja die voortdurend in hunne herinnering terugroepen. Nu kan men uit den tekst gemakkelijk afleiden, dat de Profeet met zijne eigene ervaring is begonnen als hij zich de vroegere genadebetooningen Gods te binnen bracht. Want ik twijfel niet, of hij bedoelt met zijn Lied de dankzegging, die hij Gode heeft toegebracht in den tijd zijns voorspoeds. Want, hoewel, gelijk ik zooeven gezegd heb, geen geneesmiddel méér geschikt is om onze smarten te heelen, zoo geschiedt het toch dikwijls, dal Satan ons listiglijk Gods weldaden te binnen brengt, opdat door het gemis er van ons hart nog zwaarder getroffen zal worden. Daarom ging den Profeet waarschijnlijk eene vlijmende smart door de ziel, toen hij eene vergelijking maakte tusschen de vreugde van voorheen, en de ellende, die op dat oogenblik zijn deel was. Nu maakt hij inzonderheid melding van den Nacht, omdat deze veel meer zorgen en sombere denkbeelden teweegbrengt , als wij alleen zijn en ons uit hel gezelschap der menschen hebben teruggetrokken. Dit geeft hij te kennen door hetgeen hij er onmiddelijk bijvoegt, nl. In zijn hart overdenken. Want de eenzaamheid brengt mede, dat de menschen lot zich zeiven inkeeren, zich nauwkeurig onderzoeken, en zich ver gevoelende van getuigen, die hen kunnen zien of hooien, lol zich zeiven spreken. Hel laatste lid van het zevende ver? kan op tweeërlei wijze verklaard worden. Sommigen leggen hel uil, alsof de Profeet gezegd had: O Ueere, er is niets zóó diep verborgen in mijn hart, of Gij kunt er toe doordringen. En inderdaad, er wordt terecht gezegd, dal God den geest des menschen doorzoekt, als Hij hem wakker schudt uil zijn' slaap, of hem opwekt uit zijne verdooving, en hem doorzoekt met groole pijn en smart, want dan is er geen schuilhoek, die niet ontdekt wordt, geene verborgene genegenheid, die niet aan het licht wordt gebracht. Anderen geven zich meer vrijheid en verklaren hel aldus: Mijn geest heeft naarsliglijk gezocht. Omdat die zin nu meer algemeen aangenomen is, en hij ook veel beter vloeil, wil ik er mij ook hel liefst aan houden. In dien innerlijken strijd, waarvan hier melding gemaakt wordt, heeft hij zich doorzocht, is hij bij zich zeiven nagegaan, waarom hij zoo zwaar werd beproeld, en vervolgens, welk einde er aan zijne ellende komen zou. En voorwaar! deze overdenking is zeer nuttig, waartoe God ons ook opwekt, wanneer wij door tegenspoed gedrukt zijn; want niets is verkeerder dan de redelooze stompzinnigheid van hen, die zich verharden onder de roede Gods Slechts moeten wij hierbij binnen de perken blijven, opdal de smart ons niet verzwelge, en opdat de afgrond van Gods oordeelen ons niet overslelpe, als wij ze allen
Psalm 77 : 7 en 8.
pogen na le gaan. iNu geeft de Proleet alzoo te kennen, dat, naar welke zijde hij zich ook wendde om verlichting voor zijne smart, hij haar nergens en in niets kon vinden.
8. Zal de Heere in eeuwigheid verstooten, en zal Hij geene gunst meer betoonen? 9. Heeft zijne goedertierenheid voor altijd opgehouden ? Heeft zijne Godspraak opgehouden van geslacht tot geslacht? 10. Heeft God vergeten genadig te zijn] Heeft Hij zijne barmhartigheden opgesloten in toorn? Selah. 11. En ik heb gezegd: Mijn einde, de jaren van de rechterhand des Allerhoogsten.
8. Zal de Heere in eeuwigheid verstooten, enz. Er is niet aan te twijfelen, dat dit een deel was van de gedachten, die de eene na de andere in zijn hart zijn opgeklommen. Inlusschen geeft hij te kennen, dat hij door eene opeenvolging van rampen schier tot het uiterste van droefheid en ellende is gekomen. Want dit woord is zijnen lippen niet ontvloeid dan na zulk een langdurig lijden, dat hij nauwelijks meer durfde hopen dat God hem ooit weder gunstrijk zijn zou. Nu had de Profeet ook wel reden om zich af te vragen, of God hem zijne gunst zou blijven betoonen, want God wil ons genadig zijn op die voorwaarde, dat Hij het tot den einde toe zal blijven. Doch hel is hier niet slechts eene klacht, die hij uit, maar met zich zeiven redeneerende, komt hij door de beschouwing van Gods aard en wezen tot de gevolgtrekking, dat het niet anders mogelijk is of Hij zal zijne vrije gunst blijven schenken aan de geloovigen, voor wie Hij zich reeds eenmaal als Vader heeft betoond. En evenals hij nu uit de fontein der zuivere barmhartigheid Gods en zijn vrijmachtig welbehagen, alle weldaden afleidt, die de geloovigen uit zijne vaderlijke heelt hand ontvangen, voegt hij er terstond daarna ook zijne goedheid bij; alsol hij zeide: Hoe zou God den loop zijner vaderlijke gunst stuiten, daar Hij toch van zijne eigene natuur geen afstand kan doen? Wij zien dus, dal hij zich een schild maakt van Gods goedheid om er de aanvallen der verzoeking mede af te weren. En als hij nu vraagt: Heeft zijn Woord, of zijne godspraak opgehouden, dan geeft hij hiermede te kennen dal hij eiken troost mist, omdat er zich geene enkele belofte aan
123
Psalm 77 : 8â10.
hem voordoet om zijn geloof te versterken. En het is een afgrond van wanhoop sis God zijne beloften uit ons midden wegneemt, waarin ons welzijn en heil is opgesloten. Als iemand nu de tegenwerping maakt, dal hij. die de Wet bezit, niet zonder het Woord Gods is, dan antwoord ik, dat van wege de zwakheid der lijden de bijzondere beloften toen noodzakelijk waren. Daarom klagen de geloovigen in Psalm 74: 9, dat zij de gewone teekenen niet meer zagen, en dat er geene profeten meer onder hen waren, die kennis [der dingen] hadden. Indien nu David dezen Psalm heeft vervaardigd, wij welen dal hij gewoon was om voor Iwijfelachlige of ingewikkelde zaken God om raad te vragen, en dat God hem geantwoord heeil. Indien zoodanige verlichting hem in hel midden van zijn leed was ontzegd, dan is het wel terecht, dal hij klaagt, dat er woord noch godspraak was om zijn geloof le ondersteunen en le bevestigen. Maar zoo iemand anders de auteur is van dezen Psalm, dan komt die klacht overeen mei hel tijdvak dal tusschen den terugkeer uit Babel en de komst des Heeren Jezus ligt; wanl de loop der profetie was toen eenigermale afgebroken, en er was toen Ier tijd niemand, die met'eene bijzondere gave des Heiligen Geesles was begiftigd, waardoor de lernedergeslagene harten bemoedigd of versterkt konden worden. Hier komt nog bij, dat het soms gebeurt dat hel Woord Gods ons wel wordt aangeboden, maar toch niet lot ons komt; en de reden is dal wij dan zóó in hel nauw zijn gebracht door rampen en benauwdheden, dat wij geenerlei vertroosting lol ons kunnen toelaten. Hoe dit zij: ik vereenig mij gaarne met de eerste beleekenis, te weten: dal de geloovigen toen geene Profeten in hun midden hadden, terwijl de Kerk de oogen nog gevestigd hebbende op de schaduwen, die gewone sleunselen zeer noodig had. Hier uit kunnen wij nu de nuttige leering trekken, dal wij niet bovenmate ontroerd en ontrust moeten zijn, als God ons somwijlen zijn Woord ontneemt, daar Hij de zijnen door verwonderlijke middelen oefent, zoodat zij zich verbeelden, dal geheel de Schrift eene andere strekking heeft, en hoewel zij begeeren God te hooren spreken, kunnen zij er toch maar niet toe komen, om zijne woorden toe te passen op hun' eigen toestand en hunne eigene behoeften. Dit is, gelijk ik reeds gezegd heb, eene zeer pijnlijke zaak, maar die toch ons gebed en onze aanroeping van God niet in den weg moet slaan.
10. Heeft God vergeten genadig te zijn ? De Profeet gaat nog sleeds voort met dezen strijd, waarvan echter het einde is, niet
m
Psalm 77 : 10 en 11.
dat zijn geloof er door wordt vernietigd, maar dat hel er veeleer door wordt versterkt. Want hij stelt deze vragen niet omtrent twijfelachtige zaken; maar het is alsof hij zeide: Heeft God zich zeiven vergeten? Of is Hij van aard veranderd? Want, Hij kan God niet zijn, zoo Hij niet barmhartig is Ik erken, dat dit hem wel eenigszins geschokt heeft, daar zijn hart niet van ijzer of staal was, maar hoe ruwer hij werd aangevallen, hoe vaster hij gesteund heeft op deze waarheid, dat goedheid zóó innig vereenigd is met het wezen Gods, dat het onmogelijk is, dat Hij niet barmhartig en goedertieren zijn zou. Zoo laat ons dan, telkenmale, als wij ons in zorg en kommer bevinden, en de twijfel ons hart wil binnensluipen, leeren dit woord voor oogen te houden om er troost en kracht in te vinden: Zou God zóó zijne eigene natuur kunnen verloochenen, dat Hij ophoudt genadig te zijn? Ook het laatste lid behoort hiertoe: Heeft Hij zijne barmhartigheden opgesloten in toornt Want de vaderen hebben dikwijls dit getuigenis afgelegd van God, dat Hij lankmoedig is, traag lot toorn, snel geneigd tot ontferming en gemakkelijk te verbidden. Daarop heeft de Profeet Habakuk gegrond hetgeen hij gezegd heeft in zijn lied : In zijn' toorn zal Hij des ontfermens gedenken. (Hab. 3 : i.) De Profeet heeft dus geleerd, dal de kastijding, die hij gevoelt, niet verhindert, dat God opnieuw verzoend zijnde, wederom terugkeert lot zijne gewone wijze van weldoen, want het is niet dan voor een' lijd dal Hij in toorn ontstoken is tegen zijne geloovigen. Ja meer: hoewel Hij de leekenen loont van zijn' toorn, toch houdt Hij daarom niet op hen, die Hij kaslijdl, teederlijk lief te hebben. Wèl blijft zijn' toorn eeuwiglijk op de verworpenen; maar de Profeet, zich tol zijne kinderen rekenende, en sprekende voor de overige geloovigen, is lot de juiste gevolgtrekking gekomen dat de lijdelijke gramschap Gods den loop zijner goedheid en barmhartigheid niet vermag te stuiten.
11. En ik heb gezegd. Deze plaats wordt verschillend uitgelegd. Sommigen zien er deze beteekenis in: dal de Profeet, terneergedrukt door velerlei rampen, niets anders kan gevoelen, dan dal God hem lot een algeheel verderf heeft bestemd, alsof hij erkende tol wanhoop te zijn vervallen. Anderen geven ei' den zin aan van Krank, ol verzwakt zijn; en dal is veel meer in overeenstemming met den samenhang van den tekst. Evenwel, er is ook dan nog geene overeenstemming omtrent den zin; want volgens sommigen beschuldigt de Profeet zich hier van zwakheid en kleinmoedigheid, en bestrad, hij er zich over dal hij
125
Psalm 77 : 11.
126
geen krachtigei' weerstand heelt geboden. Deze uitlegging zou wel aannemelijk kunnen zijn, want de geloovigen plegen gewoonlijk, nadat zij gewankeld hebben, wederom moed te vatten. Maar ik voor mij vereenig mij liever met eene geheele andere uitlegging, nl. dat de Profeet zegt, dat deze krankheid slechts tijdelijk is, en op die wijze vergelijkt hij haar zijdelings met den dood, gelijk in Psalm 118:18 gezegd wordt: de Heere heeft mij wel hard gekastijd, maar mij den dood niet overgeleverd. En evenzoo: Ik zal niet sterven maar leven. Ik twijfel dus niet, of de Profeet geeft zich hier verlichting door tot dit besluit te komen, dat, zoo hij ter nedergeslagen is, dit toch slechts een voorbijgaande toestand is, en dat hij daarom deze krankheid geduldig moet dragen, daar zij niet doodelijk zijn zal. Ook voor het tweede lid zijn de uitleggers der Psalmen het onderling niet eens Want zij, die dil vers samenvoegen met de vorige, denken dat de moed van den Profeet zóó ternedergeslagen was, dat hij dacht, dat er voor hem geen heil of redding meer was; dat hij daarna het hoofd opheft evenals menschen, die in gevaar zijn van te verdrinken, soms het hoofd boven water steken. En voorts willen zij dat dit als een woord van vermaning is, om te zeggen dat de Profeet zich de jaren voor den geest riep, toen hij gevoelde, dat God hem genadig was. Evenwel, de zin zal beter wezen aldus: Gij moet u niet vrijwillig aan den dood wijden, want uwe krankheid is niet doodelijk, want de hand Gods pleegt hen wederom op te heffen, die zij geslagen heelt. Want ik verwerp de meening niet van hen, die het Hebreeuwsche woord shenês vertalen door Veranderingen-, want daar shanah beteekent Veranderen, of iets doen op ver schillende tijden, noemen de Hebreën jaren shenos, van Wederkeer en, omdat zij immer omwentelen. Doch hoe men dit nu ook wil nemen, de vertroosting, waarvan ik gesproken heb, blijft; te weten: dat de Profeet zich nog eene omwenteling of verandering belooft, en zich daarom niet aan den dood overgeeft. Er zijn anderen, die het eenigszins verschillend verklaren, alsof de Profeet zeide: Waarom zoudt gij de strengheid Gods niet verdragen, aangezien Hij u voormaals zacht en vriendelijk door zijne goedertierenheid heelt onderhouden? .lob zeide: als wij uit de hand Gods het goede hebben ontvangen, waarom zouden wij het kwade niet ontvangen? (Job 2:10). Maar hel is waarschijnlijker, dat de Profeet op de toekomst ziet, alsof hij zeide, dat men de jaren, of de veranderingen, of de omkeeringen van de rechterhand de? Allerhoogsten moet afwachten, totdat Hij wederom te verstaan geeft dat Hij genadig is.
Psalm 77 : 12,
12. Ik zal de werken Gods gedenken; voorzeker zal ik uwe wonderen gedenken van den beginne aan. 13. En ik zal al uwe werken bepeinzen, en aan uwe daden denken. 14. 0 God! uwe wegen zijn in het Heiligdom; wie is er God zoo groot als God? 15. Gij zijt de God, die wonderen doet; Gij hebt uwe kracht doen kennen onder de volken.
12. Ik zal de werken Oods gedenken. Thans verheft de Profeet zich kloekmoediger tegen de verzoekingen, die zijn geloof bijna hadden doen bezwijken. Want er is geen verschil tusschen deze herinnering aan Gods werken en die welke hij te voren vermeld heeft, omdat hij de genadebetooningen en weldaden Gods van verre heeft beschouwd, die zijne smart toen nog niet konden verminderen of verzachten; maar hier grijpt hij om zoo te zeggen, zekere getuigenissen en blijken van Gods voortdurende genade met kracht aan; en ten einde dit nog sterker te doen uitkomen, herhaalt bij denzelfden volzin, terwijl hij er nog eene bevestiging bijvoegt. Want het Hebreeuwsche woord Ki, dat hier gebruikt is, dient slechts tot bevestiging en versterking der zaak. Daar hij dus de overwinning behaald heeft, verheugt hij zich door de herinnering aan Gods werken; want bij is er vast van overtuigd, dat God zich dezelfde zal betoonen als die Hij van den beginne af geweest is. In hel tweede lid looft en verhoogt hij de macht en sterkte, die God geopenbaard heeft in de redding der zijnen, [lij gebruikt wel hel woord Geheim, ol Wonder, maar ik heb geene zwarigheid gemaakt om door bet getal te veranderen het duistere van den zin weg te nemen. Zie hier den korten inhoud van hetgeen hij zeggen wil, nl. dal de wondervolle kracht, die God altijd heeft aangewend tot heil der zijnen, volstaat om alle smart te boven te komen, mits zij door ons beschouwd wordt gelijk het behoort. Hieruit moeten wij leeren dat, hoewel de gedachtenis van Gods werken ons geene genoegzame vertroosting aanbrengt, wij evenwel moeten strijden tegen het verdriet, opdat het ons niet den moed doe verliezen, hetgeen vvèl waardig is om opgemerkt te worden. In onze smart wenschen wij altijd bet eene of andere middel te vinden om er de bitterheid van te verzachten; maar het eenige middel daarvoor is, dat wij al onze smarten op God werpen. Maar het gebeurt dikwijls, dat hoe meer God tot ons nadert, hoe meer Hij onze droefheid
127
Psalm 77 :12â14.
en kwellingen schijnt te vermeerderen. Er zijn dus velen, die, ziende dal zij hierbij geen baal vinden, denken dal zij niets beters kunnen doen dan God le vergeten. Aldus vertoornen zij zich en hebben een' afkeer van zijn Woord; en als zij hel hooren wordt hunne droefheid nog bitterder, in plaats van le worden gelenigd, en, hetgeen nog erger is, zij wenschen dal God maar ver weg gaal van hen, daar Hij hun leed nog zoo zeer verzwaart. Nog anderen zullen, om de gedachtenis van God le begraven, zich met wereldlijke aangelegenheden bezig houden. Gansch anders doet de Profeet, die hoewel hij niet terstond de vrucht zag, die hij begeerde, toch niet afgelaten heeft zich God voor oogen le stellen, wijselijk zijn' moed ondersteunende door heilige overdenkingen als deze! Omdat ^God noch van aard, noch van gedachten verandert, kan hel niel anders of Hij zal zich ten laatsle jegens de zijnen genadig beloonen. Laat ons ook leeren de oogen le openen om Gods werken te aanschouwen, waarvan wij de voortreffelijkheid niel waardeeren, omdat onze oogen verduisterd zijn, maar die ons in verrukking brengen, zoodra wij ze mei aandacht en opmerkzaamheid gade slaan. In hel twaalfde vers herhaalt hij dezelfde zaak, nl, dal hij naarstiglijk zijne werken zal bepeinzen, totdat hij ter bestemder tijd de rijpe vrucht dezer overdenking zal ontvangen. Want, dal zoo vele voorbeelden van Gods genade ons niel nuttig zijn en ons geloof niel opbouwen, dal komt nergens anders van daan, dan door dal onze lichtzinnigheid ons, zoodra wij er iets van gesmaakt hebben, afleidt naar de beschouwing van andere dingen, zoodat wij reeds bij den aanvang afzwerven.
14. O God! uwe wegen zijn in het Heiligdom. Sommigen vertalen: In heiligheid, en zij zijn hiertoe genoodzaakt, omdat zij denken dal deze wijze van spreken, dat Gods wegen in het Heiligdom zijn, zeer stijf en ruw is. Omdat echter de grammatische orde deze vertaling nauwelijks toelaat, moeten wij onderzoeken, of er in de natuurlijke beleekenis van dit woord Heiligdom geene nuttige leering voor ons ligt opgesloten. Ik kan mij niel vereenigen met het gevoelen van hen, die er een' afgebroken uitroep in zien, alsof er gezegd was: 0 God! die in hel Heiligdom zijl! 0! uwe wegen! want ook dezen doen de woorden des Profeten geweld aan Men behoort dil zindeel dus aan een le lezen; en hel woord Heiligdom is genomen voor den hemel of voor den tempel. Ik voor mij zie er liever de beleekenis in van den hemel volgens dezen zin: Dal de wegen Gods hoog en voortreffelijk zijn boven de wereld, zoodal wij, als wij ze waarlijk willen
128
Psalm 77 : 14 en 15.
kennen, hooger dan de hemelen moeien opklimmen. Wanl, de werken Gods zijn ons wel eenigermale bekend, maar deze kennis blijft loch in waarheid zeer ver beneden de oneindige hoogte van dezelven. Hier komt nog bij dat niemand er ook maar hel geringste van kan genieten, dan alleen diegenen, die door het geloof kunnen opklimmen tol in den hemel. En dit zal toch altijd het einddoel zijn: met eerbiedige bewondering de hooge wijsheid en de verborgene kracht Gods gade te slaan, welke wel uitblinken in zijne werken, maar onze bevatting toch ver te boven gaan. Als iemand nu tegenwerpt, dat het niet recht is om de wegen Gods tot den hemel te beperken, aangezien zij verspreid zijn in geheel de wereld, dan is de weerlegging gemakkelijk genoeg Want hoewel er op de geheele aarde geen enkel hoekje is, waar God zijne macht niet doet blijken, zoo zijn de oogen der menschen toch niet scherp genoeg om de bewonderenswaardige wijsheid van zijne werken le zien. Wil men het echter liever verstaan van den Tempel, zoo hebben wij eene dergelijke zinsnede in Psalm 73 : 17: Hel is slechts eene zotheid en vermoeiing des geesles, totdat ik in Gods Heiligdom inga. En inderdaad, de Tempel, waarin God zich heeft geopenbaard, was als een hemel op aarde. Thans verstaan wij de bedoeling van den Profeet. Terwijl hij bij den aanvang klachten vol van beroering en ontroering heeft uitgestort, is hij thans, nu zijn gemoed tot kalmte en rust is gekomen, vol van bewondering voor en aanbidding van de hooge wegen Gods, en zijne dwaasheid en stompzinnigheid diep gevoelende, houdt hij zich rustig en ootmoedig binnen de perken van zijne eigene bevoegdheid, en veroorlooft hij zich niet den verborgen raad Gods te beoordeelen naar het gevoel van zijn vleesch. Daarom roept hij onmiddelijk daarna: Wie is er God zoo groot als God? Door deze vergelijking wil hij geenszins te kennen geven dat er vele Goden zijn, maar hij laakt van ter zijde de dwaasheid der wereld, die niet tevreden is met één God, wiens heerlijkheid zoo schittert in ieders oogen, en zich dus verscheidene goden uitdenkt. Want, indien de menschen met een rein oog de wonderbare werken Gods beschouwden, dan zouden zij er gemakkelijk genoeg toe komen om in Hem alleen te rusten.
15. Gij zyt de God. Hij bevestigt dezelfde uitspraak, de grootheid van God bewijzende uit zijne wonderbare werken; alsof' hij zeide, dal hij niet spreekt van het verborgen wezen Gods, dal hemel en aarde vervult, maar van de blijken en bewijzen zijner kracht, wijsheid, geiechligheid en goedheid, die duidelijk Dl. II. 9
129
Psalm 77 : 15 en 16.
zichtbaar zijn voor iedereen, hoewel zij ons versland toch nog ver te boven gaan. Woord voor woord staat er: Doende wonder; maar dit is eene verwisseling van getal, gelijk wij boven gezien hebben Hieruit leeren wij, dat de heerlijkheid Gods ons zóó nabij is, en zich zóó duidelijk openbaart, dat wij op geenerlei wijze onwetendheid hieromtrent kunnen voorwenden. Want, voorwaar! God werkt wonderen, zoodat zelfs de blindheid der Heidenen hen niet kan verontschuldigen. Daarom wordt er ook bijgevoegd; Gij heht uwe kracht doen hennen onder de volken. Hoewel dit nu ziet op de verlossing der Kerk, toont hij toch aan, dat men zonder zich aan heiligschennis schuldig te maken, de heerlijkheid Gods niet kan geringschatten, die Hij zoo duidelijk en krachtig heeft geopenbaard onder de volken.
16. Gij hebt uw volk verlost door uwen arm, de kinderen van Jakob en van Jozef. Selah. 17. O God! de wateren hebben U gezien, de wateren hebben U gezien; de afgronden hebben gevreesd, ja zij hebben gesidderd. 18. üe wolken hebben de wateren doen aangroeien; de hemelen hebben weerklonken; en zelfs gaan uwe pijlen heen en weder. 19. De stem nws donders was in de lucht; de bliksemen straalden in de wereld; de aarde heeft er van gebeefd en is bewogen geworden. 20. Uwe wegen zijn in de zee, en uwe paden in groote wateren, en uwe voetstappen zijn niet bekend. 21. Gij hebt uw volk geleid als eene kudde, door de hand van Mozes en Aaron.
16. Qy hebt uw volk verlost. Boven alle andere wonderen van God roemt hij de verlossing des volks, waaraan de Heilige Geest de geloovigen geheel de Schrift door herinnert, opdat zij de hoop levendig zouden houden op hun welvaren. Nu is het genoegzaam bekend, dat de kracht Gods toen geopenbaard werd aan de Heidenen; want, hoewel het gebeurd is dat door de list des Satans de waarheid der geschiedenis bedorven en vervalscht werd door zeer vele fabelen, zoo moet dit toch toegeschreven worden aan de boosheid van hen, die van het feit hadden kunnen getuigen, daar het voor hunne oogen geschied is, maar die zich
130
Psalm 77 : 16 en 17.
liever vrijwillig de oogen hebben uitgestoken, om maar niet te zien. Want, hoe komt hel, dat zij verzonnen hebben dat Mozes ik weet niet wat voor toovenaar geweest is, en zoo velerlei andere vreemde en monsterachtige dingen hebben uitgedacht en uitgestrooid, welke .losephus tegen Appion bijeengebracht heeft? Is het niet omdat zij moedwillig de kracht en heerlijkheid Gods hebben willen verduisteren? Evenwel, het is te dezer plaatse niet zoo zeer de bedoeling van den Profeet om de ondankbaarheid der Heidenen te veroordeelen, als wel om zich zeiven en de andere kinderen Gods stof te geven tot goede hope, want God heeft toen voor alle tijden een openlijk blijk gegeven van zijne vaderlijke liefde jegens de geloovigen. Het woord Arvi is hier in overdrachtelijken zin genomen voor eene buitengewone en zeer gedenkwaardige kracht; want God heeft zijn volk niet heimelijk verlost, maar openlijk, als met uitgestrekten arm. Dooide zonen te vermelden van .lakob en Jozef geeft hij de reden Ie kennen, waarom Gol hen zijn volk heeft genoemd, nl. van wege het verbond. dat Hij met hunne godvruchtige vaderen heeft gesloten. Want, hoewel de twee geslachten, die van de twee zonen van Jozef afstamden in Jakob hun' oorsprong hadden, wordt hier toch Jozefs naam eershalve vermeld, dewijl hij het middel is geweest, waardoor het gansche geslacht van Abraham bewaard is gebleven.
17. O Ood! de wateren hebben ü gezien. Hij vermeldt als ter loops eenige wonderen, waardoor God zijn' sterken arm had getoond. En hel is in figuurlijken zin dal hij zegt, dal God gezien werd door de wateren, omdat zij als door eene verborgene aandrift bewogen waren om God te gehoorzamen en aan zijn uilverkoren volk den doortocht vrij te laten. Want noch de zee, noch de Jordaan zouden hare natuur veranderd hebben en zich uil eigene beweging hebben gekliefd, indien zij niet beiden door het gevoel van Gods macht daartoe gedrongen waren geworden. Niet, alsof zij haren loop achterwaarts hebben gekeerd, of hare wateren hebben teruggetrokken, omdat zij in zich zeiven oordeel of verstand bezaten, maar God heeft hierin geloond, dat zelfs de onbezielde elementen bereid zijn Hem gewillig gehoorzaamheid te bewijzen. Intusschen is hiir eene zijdelingsche tegenstelling, ten einde de stompzinnigheid der menschen te bestraffen, als zij de tegenwoordigheid Gods niet erkennen in de verlossing zijns volks, daar deze tegenwoordigheid wèl door de wateren gezien werd. Hetgeen er bijgevoegd is omtrent de afgronden, beleekent zooveel alsof er gezegd was, dat niet maar de oppervlakte der
9#
181
Psalm 77 : 17-20.
wateren dooi den blik uil Gods oog beroerd waren, maar dat zijne kraclu tot de diepe kolken was doorgedrongen.
18. De ivolken hebben de wateren doen aangroeien. Hoewel het Ilebreeuwsche woord eenige moeielijkheid kan baren, is er toch niets duisters in den zin van den Proleet; te weten: dal niet alleen de Jordaan en de zee aan God de eer hebben gegeven, die Hem toekomt, maar ook evenzeer de wateren, die in de wolken waren; want de lucht, door donderslagen bewogen, heeft groole regenstroomen doen nederkomen. Nu wil hij aantoonen, dat, waarheen de menschen hunne oogen ook richten, de heerlijkheid Gods in de verlossing zijns volks overal gezien kan worden, boven en beneden, van den hoogen hemel lol aan de diepe afgronden. Overigens: het kan niet met zekerheid gezegd worden welke geschiedenis hier is aangeduid, tenzij men misschien wil denken aan heigeen verhaald wordt in Exodus 9 : 23, nl. aan den hagel mei donderslagen en bliksemen, die zulk eene verslagenheid teweeg heeft gebracht onder de Egypienaren. Want met de heen en weder gaande p'jlen geeft hij ongetwijfeld door beeldspraak de bliksemstralen te kennen. Hiermede slaat ook het volgende vers in verband, waar hij zegt, dal de stem zyns donders in de lucht was, de bliksemen straalden in de wereld, lot dal de aarde er van beefde. Zie hier met korte woorden de bedoeling van den Profeet: De macht van God heelt zich genoegzaam doen kennen door het gezicht zoowel als door hel gehoor, aangezien de hemel donderde en de luchl door de bliksemen werd verlicht, en de aarde er van gebeefd heeft.
20. Uwe weqen zijn in de zee. Hij beschrijft wederom, doch met andere woorden, het wonder dat gewrocht was, toen de bodem der zee droog gelegd werd. Want hij brengt op God over hetgeen in eigenlijken zin van de Israëlieten gezegd moet worden, daar dezen onder zijne leiding veilig en droogvoets door hel midden der Roode Zee heen zijn gegaan. Nu zegt hij, dal de weg op buitengewone wijze geopenbaard was; want de zee was niet door de vlijt of bekwaamheid der menschen ledig gemaakt, evenmin als de wateren der Jordaan door hen rugwaarts geleid werden; maar hel volk trok door het midden der wateren, waarin Farao en zijn heir terstond daarna zijn verdronken. Daarom zegt hij, dat de voetstappen Oods niet beleend zijn, want toen de Israëlieten den doortocht volbracht hadden, heefl Hij aan de wateren hun' natuurlijken loop teruggegeven. Hel doel, waarmede dit geschied was, wordt er bijgevoegd, nl. de ver-
132
Psalm 77 : 20 en 21.
133
lossing der Kerk, die voor alle geloovigen een voldoende waarborg moei zijn om le kunnen hopen op uitredding en heil. Als hij het volk vergelijkt bij schapen, dan geelt hij daar stilzwijgend mede le kennen, dat er in hen raad, wijsheid noch kracht was, maar dat God zich verwaardigd had hun Herder te zijn en hen te leiden door de zee en de woestijn en door al de andere hindernissen been, evenals eene kudde, die van dit alles ontbloot is, om hen le doen ingaan in het erfdeel, dal hun beloofd was. Dit bevestigt hij door de personen van Mozes en Aaron. Want hoewel hunne bediening edel en gedenkwaardig was, toch heeft God door deze omstandigheid zijne macht ten duidelijkste doen kennen, dal hij twee onbeduidende mannen, die nergens in aanzien stonden, gesteld heeft tegenover de woede en het machtige leger van zoo hoogmoedig een Koning. Want, wal zou de staf van den armen vluchteling, of de slem van een' verachten slaat' legen den geduchlen tyran en zijn oorlogzuchtig volk vermocht hebben? Hierdoor is de kracht Gods dus le beter in hel licht gelreden, daar zij in zoo zwakke aarden vaten zoo heerlijk gewerkt heeft. Ik ontken echter niet, dat bij ook le gelijker lijd spreekt tot lof van deze goede en voortreffelijke dienstknechten Gods, aan wie God zoo eervol een ambt had opgedragen.
INHOUD: Ten einde veel in een klein bestek te kunnen bevatten, moet men opmerken dat deze Psalm twee voorname hoofdstukken bevat. Van den eenen kant verhaalt de Profeet, hoe God zich eene Kerk heeft geformeerd uit het zaad Abrahams; hoe Hij haar met goedheid en zachtmoedigheid heeft geleid en in wezen gehouden; hoe Hij haar op wonderbare wijze uitgeleid heeft uit Egypte, hoevele weldaden Hij haar heeft geschonken. Van den anderen kant verwijt hij aan de Joden, dat zij zoo dikwijls en snood tegen een' zoo goedertieren en milddadigen Vader hebben gerebelleerd, terwijl zij Hem zoo velerlei zegeningen verschuldigd waren, zoodat de onwaardeerbare goedheid Gods zich openlijk getoond heeft, niet slechts in de bron zelve der aanneming uit vrije genade, maar ook daarin, dat Hij in voortdurende goedheid heeft blijven strijden tegen de weerspannigheid en de rebellie van dit volk. En voorts verhaalt
Psalm 78 ; 1.
hij de vernieuwing der genade en als het ware eene uitverkiezing ten tweeden male, toen God David, uit den stam van Juda heeft verkoren om over het koninkrijk te regeeren.
1. Eene onderwijzing van Asaf. Mijn volk, hoor naar mijne wet: neig uwe ooren tot de redenen mijns monds. 2. Ik zal mijn' mond openen in eene spreuk; ik zal raadselen spreken uit het verleden. 3. Die wij gehoord en verstaan hebben, en die onze vaderen ons hebben verteld. 4. Wij zullen ze niet verbergen voor hunne kinderen, voor het toekomstige geslacht; de loffelijkheden vertellende des Heeren, en zijne macht, en de wonderen, die Hij heeft gedaan. 5. Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob en eene wet gesteld in Israël; want Hij heeft aan onze vaderen geboden ze te doen hooren aan hunne kinderen. 6. Opdat het toekomende geslacht er van weten zou, en hunne kinderen, die geboren zullen worden, zullen opstaan en ze aan hunne kinderen zullen verhalen.
1. Mijn volk, hoor. Uil hel slot van dezen Psalm kan men de gissing afleiden, die, naar ik geloof, veel waarschijnlijkheid voor zich heel'l, dat hij lang na den dood van David geschreven werd, dewijl er eene verheerlijking in wordt gevonden van hel koninkrijk, dal door God in hel geslacht van David opgericht was. Daarna steil hij hier tegenover den stam van Efraïm, die, zegt hij, verworpen is geworden. Hieruit hlijkl, dal de tien stammen toenmaals vervreemd en afgescheiden waren van hel geheel des volks, want hel is niet zonder oorzaak, dat hel rijk van Efraim gebrandmerkt wordl als valsch en onwettig. Wie overigens de auteur ook moge geweest zijn, hij voert God niel spiekende in, gelijk sommigen meenen, maar hij spreekt lol de Joden in de hoedanigheid van leeraar. Hier is volstrekt niel legen dal hij hel volk hel zijne en de wel de zijne noemt; want hel is bij de Profeten niets nieuws gebruik te maken van den naam van Hem, die hen gezonden heeft, le einde aan hunne
134
Psalm 78 : 1 en 2.
135
leer meer gezag bij le zeilen. Hel is ook niel zonder oorzaak, dal de waarheid, die hun loeverlrouwd is, gezegd wordt van hen le zijn. Op die wijze roeml Paulus in zijn Evangelie, niel alsoi' hij hel had verzonnen, maar omdat hij er de heraul en getuige van geweest is (Rom. 2 : 16). Ik weel echter niet, ol' de Schriftverklaarders hel Hebreeuwsche woord Torah wel terecht overgezet hebben door Wet; wanl het schijnt een' meer algemeenen zin te hebben, gelijk blijkt uil hel volgende lid, waar hij in denzelfden zin spreekt van Be woorden myns monds. Als wij bedenken met hoeveel onverschilligheid naar God geluisterd wordt zelfs door hen, die er hoog van opgeven zijne discipelen te zijn, dan zullen wij erkennen, dat er wel reden was voor deze inleiding. Wel is waar, hij spreekt niet tot onleerzamen of weersl re venden, die trotsch en laatdunkend weigeren zich aan het Woord Gods te onderwerpen; maar aangezien er zelfs bij de geloovigen nog veel le veel traagheid is, was deze vermaning gansch niel overbodig. Ten einde nu nog meer aandacht ie verkrijgen, zegt hij, dat hij van groole, van gewichtige en mjeit'ijke zaken zal spreken. Het Hebreeuwsche woord mashal, dat wij vertaald hebben door Spreuken, beleekent ernstige en merkwaardige gezegden, zooals spreekwoorden en kernspreuken. Voor zooveel dus de zaak, die wij behandelen, ernstig en gewichtig is, wekt zij den geest der menschen op, en daarom zegt de Schrijver van dezen Psalm, dat hij slechts belangrijke en merkwaardige gezegden wil uiten. Hel woord gidós, dal wij, in navolging van anderen, vertaald hebben door Raadselen, is hier niet gebruikt voor duistere gezegden, maar voor schrandere, en merkwaardige uitdrukkingen. Want de Profeet zal zijn lied niet in dubbelzinnige bewoordingen hullen, neen, in heldere, gemakkelijk le begrijpen termen zal hij spreken van de weldaden Gods en van de ondankbaarheid des volks. Slechts is het (gelijk ik reeds gezegd heb) zijne bedoeling om de lezers op te wekken om aan deze prediking meer aandacht en opmerkzaamheid te schenken. Deze schrilluurplaals wordt door Matlheüs aangehaald en toegepast op den Persoon van Christus, als Hij zijne hoorders in onzekerheid laat door duistere gelijkenissen (Matlh. 13:35). Want hierdoor heeft Hij willen aanloonen, dat Hij bij uitnemendheid Profeet was, opdal Hij met des le meer eerbied zou ontvangen worden Aangezien ilij hier dus gelijk was aan den Proleet, dewijl Hij op verhevene wijze van hooge en verborgene dingen gesproken heeft, wordt hetgeen de Profeet van zich zeiven zegt, terecht overgebracht op zijn' Persoon. Indien er nu in dezen Psalm eene majesteit uitblinkt, die in de lezers de begeerte opwekt om te leeren.
Psalm 78 : 2 en 3.
kunnen wij hieruit opmaken, hoe aandachtig wij behooren te zijn om het Evangelie te hooien verkondigen, waarin Jezus Christus ons de schatten der hemelsche wijsheid opent.
3. Die wij gehoord en verstaan hebben. Er schijnt hier eenige tegenstrijdigheid te zijn, daar hij eerst gezegd heeft, dat hij van groote en verborgene zaken zou spreken, en nu laai hij er op volgen, dat het eene algemeen [bekende] leer is, die van mond tot mond was overgeleverd. Want, indien de vaderen aan hunne kinderen de dingen moesten verhalen, waarvan hier gesproken wordt, dan moest die leer ook van algemeene bekendheid zijn bij het volk, ja zelfs bij de onwetendsten onder hen. Waar zijn dan die duistere gezegden, waarvan hij zoo even melding heeft gemaakt? Ik antwoord, dat deze dingen gemakkelijk genoeg met elkander in overeenstemming zijn te brengen. Want, hoewel de Psalm dingen bevat, die iedereen weet, zoo worden zij toch door den Profeet in majestueuze taal verklaard, om zoo doende het hart der menschen te treffen en meer gezag bij hen te hebben. Intussehen moeten wij ook opmerken, dat, hoe hoog de majesteit ook is van Gods Woord, dit toch niet belet, dal de nuttigheid er van doordringt tot de onwetendsten en kleinsten, gelijk de Heilige Geest hen ook niet zonder reden noodigt om te leeren, betgeen door ons wél opgemerkt moet worden. Want, indien God zich neerbuigt tot de bevatting der menschen en dus in min verheven bewoordingen spreekt, dan wordt dit, als zijnde al te eenvoudig geminacht; maar zoo Hij zich hooger verheit len einde grooler gezag bij te zetten aan zijn Woord, dan verschuilt men zich achter het voorwendsel van al te veel duisterheid, en hierdoor worden de menschen dan traag en onverschillig. Daar nu de wereld met deze twee ondeugden behept is, wijzigt de Heilige Geest zijn' stijl in dier voege, dat het verhevene der leer ook aan de kleinsten en geringsten niet verborgen blijft, mits zij leerzaam en kalm van gemoed zijn, en met het geleerde hun voordeel willen doen. Wat de Profeet nu wil, is, temaken dat men niet twijfelt aan zijn woord, daar hij niets nieuws te voorschijn zal brengen, maar spreken zal van dingen , die in de Kerk sedert lang gekend en aangenomen zijn en niet weersproken werden. Daarom zegt hij niet slechts: Die wij hebben gehoord, maar ook, die wij hebben verstaan. Want vele dingen worden onbedachtelijk verbreid, die nochtans niet geloofwaardig zijn, ja wat meer is, over het algemeen zijn de ooren der menschen vervuld van fabelen. Het is dus niet zonder reden dat de Profeet, na gesproken te hebben van de dingen, die gehoord
136
Psalm 78 : 3 en 4.
zijn, er te gelijk ook de waarheid van geluigl. Nu voegl hij er bij, dal de Joden aldus onderwezen zijn door hunne vaderen, niel alsof heigeen alles uil eigen kring zonder foul of dwaling is, maar voor heigeen van verre koml zal altijd meer plaats en gelegenheid wezen, om hel met allerlei verzinselen te vermengen of op le sieren. Wij moeten er inzonderheid wel op lellen, dal hier niel gesproken wordt van alle vaderen, zonder eenig onderscheid, maar alleen van hen, die verkoren waren om hel bijzondere volk Gods te zijn, en aan wie de hemelsche leer ter bewaring was toevertrouwd.
4. Wij zullen ze niet verbergen. Zie hier hoe dit verstaan moet worden: Opdat wij ze niel verbergen voor onze opvolgers, maar trachten over le leveren aan hunne kinderen wat wij van onze voorouders hebben geleerd. Hierdoor wordt elk voorwendsel van onwetendheid weggenomen, want God heeft, gewild dal deze dingen van eeuw lot eeuw, zonder lusschenpoos, bekend zouden gemaakt worden, opdat zij door elk geslacht of huisgezin van hand lot hand overgegeven zijnde, aldus ook lot hel laatste nageslacht komen zouden. Ook hel doel hiervan wordt aangetoond, nl. om de loffelijk heden des Heeren te vertellen, en zijne macht in de wonderen, die Hij heeft gewrocht. Evenwel, daalde instemming der menschen niel voldoende zou zijn om geloof te doen schenken aan de leer, gaal de Profeet verder en verklaart dal God er de Auteur van is. Hij verhaalt dus hoe de vaderen deze leer aan hunne kinderen niet door hun eigen goeddunken hebben ingescherpt, maai' alleen op Gods bevel. Sommigen willen dal de inzetting en de wet ziel op het tegenwoordig verhaal, le weten, dal God in Jakob eene wel als onschendbare regel heeft vastgesteld, dat [hel verhaal van de] verlossing des volks immer in ieders mond moest zijn, maar dit schijnt mij toe al le beperkt te wezen. Daarom breid ik het uit tot de geschrevene Wel, die evenwel slechts gedeeltelijk tot dal doel was gegeven, opdat de herinnering aan de verlossing des Volks hel volk nadat zij byeenvergaderd waren, onder de gehoorzaamheid Gods zou houden. De Profeet wil dus zeggen dat God zich de Joden niet slechts door een' sterken arm had verkregen, maar hen ook door zijne genade had verzegeld, opdat de kennis er van nooit uilgewischt zou worden En inderdaad werd zij als hel ware door openbare gedenkschriften bevestigd en betuigd, toen het verbond bekrachtigd werd door de geschrevene wet, opdat de nakomelingen van Abraham de verzekering zouden erlangen, dat zij van andere volken waren afgezonderd. Want het zou van
137
Psalm 78 : 5 en 6.
geen groot belang zijn geweest de bloote geschiedenis van hetgeen gedaan was te hooren of te onthouden, indien zij ook niet te gelijker tijd acht hadden gegeven op hunne aanneming uit vrije genade en op de vrucht, die daaruit was voortgekomen. Dit is alzoo de verordening, dat de vaderen, zeiven grondig onderwezen zijnde in de leer der Wet, als uit den mond Gods aan hunne kinderen zouden mededeelen, dat zij niet slechts eenmaal verlost zijn, maar verzameld werden om één lichaam [der Kerk] uil te maken, ten einde door alle eeuwen heen eene heilige gehoorzaamheid aan God, hun' Bevrijder, te betoonen. In hel volgende vers bevestigt hij hetgeen hij omtrent de voortdurende opvolging der leer gezegd heeft; want het is van groot belang voor ons te welen, dat de Wet niet maar voor een' tijd was gegeven, maar dat de Vaderen haar als bij erfrecht aan hunne kinderen moesten overleveren, en zij dus niet verloren zou gaan, maar tol aan het einde der wereld zou blijven beslaan Dal is de reden, waarom Paulus zegt dat de Kerk de pilaar en de vastigheid is der waarheid (I Tim. 3: 15); niet alsof de waarheid in zich zelve zwak is, of steun van buiten behoeft, maar omdat God haar door zijne dienstknechten verbreidt, die (bij wijze van spreken) de waarheid met hunne schouders ondersteunen, wanneer zij zich met getrouwheid kwijten van hun ambt om haar te onderwijzen. De Profeet vermaant ons ook er zorg voor te dragen, dal de een den ander opvolgt in het ambt van onderwijzen. Evenals er dus gezegd is, dat Abraham, vóórdal de Wel geschreven was, zijne kinderen onderwees in de ordinantiën, de wegen en geboden des Heeren (Gen. 18 ; 19), zoo was ook na zijn' dood aan de Patriarchen noodzakelijkerwijs de verplichting opgelegd om hetzelfde te doen. Nadat de Wet gegeven was, heeft God priesters aangesteld in zijne Kerk om leeraren en onderwijzers te zijn van hel volk. Hij heeft door zijn' Profeet Jesaja getuigd, dat dit ook behoorde waargenomen te worden onder de regeering van Jezus Chrislus, zeggende: Ik zal mijn woord leggen in den mond van uw zaad, en van het zaad dal daarvan afstammen zal tol in eeuwigheid (Jesaja 59 : 21). Intusschen is aan de vaders een bijzonder gebod gegeven, nl. dat ieder hunner zijn eigen huisgezin moet onderwijzen; en aan allen te zamen wordt te verstaan gegeven, dat hun arbeid Gode zeer welgevallig zal wezen, als zij er naar streven den naam Gods aan hunne nakomelingen bekend te maken Want het is geen klein getal van personen, dat door den Profeet in deze woorden wordt aangeduid : De kinderen, die geboren worden, zullen opstaan; maar hij wil, dal allen die geboren worden, als herauten
Psalm 78 : 6 en 7.
zullen zijn, door wie de zuivere godsdienst voorldurend zal bloeien en in kracht toenemen.
7. Opdat zij hunne hoop op God zouden stellen, en Gods werken niet zouden vergeten, en zijne geboden bewaren. 8. En opdat zij geenszins gelijk zijn aan hunne vaders, een wederspannig en tergend geslacht, een geslacht, dat zijn hart niet gericht heeft, en welks geest niet getrouw was aan God. 9. De gewapende zonen Efraïms, die met den boog schieten, keerden om ten dage des strijds. 10. Zij hebben het verbond Gods niet gehouden, en hebben geweigerd te wandelen in zijne Wet. 11. En hebben zijne werken vergeten, en de wonderen, die hij hun getoond heeft.
7. Opdat zij hunne hoop op God zouden stellen, enz. Hij loont liet gebruik aan, dat van deze leer gemaakt moet worden: ten eerste, dat de vaders door zoo kostelijke vrucht van hun' arbeid des te sterker opgewekt zouden worden om hunne kinderen te onderwijzen, als zij zien, dat zij hierdoor, van den eenen kant, den zuiveren dienst van God in stand houden, en van den anderen kant, er het heil hunner kinderen door bevorderen. Ten tweede, dal de kinderen van hunne zijde, aangevuurd zijnde door eene sterkere begeerle om le leeren, hun geest niel laten afdwalen in ijdele bespiegelingen, maar hunne oogen recht op het doel gericht houden. Want het is eene treurige vermoeiing [des geestesj als men altijd leert en loch nooit lol de kennis der waarheid komt (2 Tim. S : 7). Als wij dus hooren met welk doel de Wet gegeven is, kunnen wij daar gemakkelijk uit afleiden wat de juiste en goede manier is om er nuttigheid uit le trekken. Daarom stelt hij in de eerste en voornaamste plaats de hoop; vervolgens eischl hij de waarneming der heilige ordinantiën Gods; in het midden slelt hij het gedenken aan Gods daden, welke dient lot bevestiging en versterking van hel gelool'; alsof hij zeide, dat dit de som en inhoud is van de hemelsche wijsheid, dat hel volk, aan God verbonden zijnde door een oprecht en rein geloof, Hem aanroept, en om zijn vertrouwen levendig te houden, zich oefent in het overdenken van Gods
139
Psalm 78 : 7 en 8.
weldaden; eindelijk, dal zij er zich op toeleggen Hem ware gehoorzaamheid le bewijzen. Voorts kunnen wij hier nog uil leeren, dal de wettige dienst van God begint mei geloof, wanl, zoo wij onze hoop op iets anders vestigen, zullen wij Hem van hel voornaamste deel zijner eer berooven.
8. En opdat zij geenszins gelijk zijn aan hunne vders. Dooi deze omstandigheid toont hij nog duidelijkar hoe noodzakelijk deze prediking is, nl. omdat de Joden zoo licht geneigd zijn lot rebelleeren, indien zij niet door een sterk bedwang in loom worden gehouden. Want hij acht dit voor eene onomslootelijke waarheid, dat zij door geen' beleren geest zijn bezield dan hunne vaderen, die, zegt hij, ontrouw, verdraaid en verkeerd, ongehoorzaam, rebelleerend en hardnekkig zijn geweest. Zij zouden dus terstond afwijken en vervloeien, indien hun hart niet voortdurend ondersteund en versterkt werd. Nu heeft de ondervinding geleerd dat heigeen de Dichter Iloratius heeft geschreven van zijn volk, overal waar wordt bevonden: De lijd onzer vaders was erger dan de lijd van onze grootvaders, en wij, die na hen zijn gekomen zijn nog slechter, en hel geslacht dal wij nalaten, zal nog snooder en zondiger zijn. Wat zou er dus gebeuren, indien God niel tusschenbeiden trad in deze wereld, die van kwaad lot erger vervalt? Daar de Profeet nu aantoont, dal van wege de boosheid en verdorvenheid der vaderen de Joden, die na hen kwamen, hel zeer noodig hadden om door strenge lucht en bestralfing weerhouden le worden van het slechte voorbeeld dier vaderen na te volgen, leeren wij hieruit hoe groot de dwaasheid is der wereld, als zij zich inbeelden, dal hel navolgen der vaderen voor eene verplichting of wet wordt gehouden. De Profeet spreekt hier ook niel van allerlei soort van volkeren, maar van het heilig en uilverkoren geslacht van Abraham. Hel zijn ook niel slechts enkele personen, die hij laakt, maar hij richt zich lol bijna geheel de natie, waarin eene overmatige hardnekkigheid heerschte, gepaard aan een snood vergelen van Gods genadebetooningen, en aan veinzerij. Hij spreekt ook niel van de vaders van slechts één enkel tijdperk, maar hij omvat vele eeuwen, opdat zij niel zouden wegschuilen achter het langdurig gebruik en dit tol voorwendsel nemen om maar voort le blijven zondigen. Daarom moei men welbedacht en met versland diegenen onder de vaders kiezen, die waardig zijn nagevolgd le worden. En dewijl men niet anders dan mei groole moeite die verkeerde navolging der vaderen kan wegnemen, voor wie eerbied als van zelf in het hart hunner nakomelingen aanwezig is, gebruikt
140
Psalm 78 : 8 en 9.
de Prolèel verscheidene woorden om liunne goddeloosheid nog sterker le doen uitkomen, daar hij hen beschuldi^l van al'val, terging van God, ontrouw, hardnekkigheid en huichelarij. En ofschoon dit nu zeer zware beschuldigingen zijn, zal men weldra uit het context kunnen opmaken, dat zij volstrekt niet overdreven zijn. Het Hebreeuwsche woord hegien, dat ik vertaald heb door richten, vertalen sommigen door Bevestigen of Vaststellen, maar naar mijn gevoelen bedoelt de Proleet veeleer, dat zij zich altijd op slinksche wijze van God hebben afgewend. Evenzoo wordt in hetgeen hierop volgt hel woord neëmenah door sommigen overgezet door steunen, maar het is beter de andere vertaling te volgen, nl. dat zij niet getrouw zijn geweest aan God, hoewel zij Hem trouw hadden gezworen. En wat nu betreft dal de Papisten uit deze Schriftuurplaats afleiden, dat het in de macht is der menschen om hun hart te buigen naar welke richting zij verkiezen, dit is eene beuzelachtige gevolgtrekking. Want hoewel de Profeet zeer terecht hen beschuldigt, die hun hart niet gericht hebben, handelt hij hier toch geenszins over de vraag wat de menschen uil en door zich zelven kunnen of vermogen. Want, hoewel hel een bijzonder werk Gods is om de harten der menschen tol zich le neigen door de verborgene aandrift zijns Heiligen Geestes, toch zijn zij daarom niet onschuldig en zullen zij aan de straf niet ontkomen, als zij zich door hunne lusten en begeerlijkheden, naar elders laten henenvoeren. En voorts moeten wij uit de ondeugden, die hier genoemd zijn, leeren, hoe God door ons gehoorzaamd en gediend wil wezen. Want, ten eerste moeten wij alle hardnekkigheid uit ons hart wegdoen, vóór dal onze hals geschikt is om zijn juk le ontvangen* Daarna behooren wij ons met den geesl der zachtmoedigheid le bekleeden; de neigingen van ons hart moeien onder de gehoorzaamheid Gods gebracht worden, en eindelijk moeten wij niet slechts nu en dan, maar voortdurend en volhardend den weg der oprechtheid bewandelen
9. De gewapende zonen Efraïms. Hij geeft een voorbeeld van deze ontrouw in de zonen Efraïms En omdat zij, die zich hardnekkig hebben overgegeven aan het kwaad, door de eenvoudige leer niet gemakkelijk tol berouw en bekeering zijn te brengen, wil hij door de straf, door God gezonden, aantoonen, dat de zonen Efraïms verworpenen waren. Want, daar zij krijgshaftige lieden waren, was het een leeken van den toorn Gods, dal zij len dage des strijds zich hebben omgewend. En hij zegt uitdrukkelijk, dal zij bekwame boogschutters waren, want dit is
141
Psalm 78 : 9 en iO.
142
nog schandelijker, le zeggen dat zij, die hunne vijanden van verre konden treffen en wonden, lafhartig op de vlucht sloegen. Hieruit blijkt nog duidelijker, dat God in toorn tegen hen was ontstoken, aangezien Hij hen niet slechts van zijne hulp verstoken liet blijven, maar hun ook de moed benam. Nu doet zich hier de vraag voor; waarom Hij alleen de zonen Efraïms beschuldigt, aangezien kort te voren zijn verwijt tegen alle de stammen gericht was. Sommigen schrijven dit toe aan de nederlaag, die hun door de mannen van Gath was toegebracht, toen dezen tegen de Efraïmieten optogen om hun den buit le ontweldigen (1 Kron. 7 : 21). Maar deze uitlegging is te beperkt, want het kan wezen dat hel geheele rijk van Israël reeds grootendeels in verval was, toen deze Psalm gedicht werd. Daarom is de meening van anderen beter, die denken, dat hier een deel wordt genomen voor het geheel, en dal men door de zonen Efraïms hel geheele volk heeft te verslaan, behalve dat zij voorbijzien, dat de Efraïmieten hier voorbedachtelijk genoemd zijn, omdat zij de oorzaak waren, dat de anderen in opstand kwamen, loen .lerobeam zijne kalveren heeft opgericht. Want men moet zich herinneren heigeen wij reeds gezegd hebben, dal hel niet zonder reden is, dat hij het einde van den Psalm de verwerping van Efraïm gesteld wordt tegenover de verkiezing van den stam van Juda. Daarom spreekt hij hier van de zonen Efraïms bij wijze van vergelijking, ten einde aan de ware kinderen Abrahams een waarschuwend voorbeeld te stellen in hen, die zich hadden afgesneden van de Kerk, terwijl zij er toch nog op roemden de Kerk le zijn. Want, omdat zij talrijker waren dan de anderen, en hen overtroffen in rijkdom, was hun gezag slechts al te groot om de eenvoudigen te misleiden; en van dit gezag worden zij nu door den Profeet ontdaan, daar hij aantoont, dal zij van de hulpe Gods ontbloot waren. Dat is ook de strekking van de reden, die hij daarna opgeeft, nl. dat zij hel verbond des Heeren niet gehouden hebben. Wel is waar hadden zij deze misdaad mei de anderen gemeen, maar toch heeft hij voorbedachtelijk een voorbeeld van de wrake Gods genomen, die dezen stam heeft getroffen, daar hij door zijn gezag schier hel geheele volk heeft bedorven. Omdat dus de heerlijkheid en waardigheid van Efraïm als de standaard van schandelijken afval is geweest, heeft de Proleet er voor gewaarschuwd, opdat de eenvoudigen er niet langer door zouden worden misleid. Overigens, hel is geene kleine beschuldiging, die hij tegen hen inbrengt, want hij verwijt hun, dat zij ontrouw waren, daar zij de gansche Wel hebben geminacht en hel verbond hebben verbroken. Want hoewel hij deze woorden in denzelfden
Psalm 78 : 10 en ii.
zin neeml, zoo loonl hij loch door het verjont in de eerste plaats le noemen, dat hij niet slechts spreekt van den regel om naar recht en behooren te leven, maar van den geheelen dienst van God, van de waarheid en getrouwheid der beloften, het geloof, dal men er aan moet schenken, van de aanroeping Gods, van de leer en den waren godsdienst, waarvan de grondslag de aanneming is. Hij noemt hen dus verbondsbrekers, omdat zij geen geloof hadden in de beloften, waarmede God een verbond met hen had gesloten om hun Vader te zijn. Daarna voegt hij er echter zeer gepast bij: de Wet, waarin het verbond als hel ware in een openbaar document was bezegeld. Door het woord Weigeren verzwaart hij de misdaad, want hij geeft er mede te kennen, dat zij niet maar door lichtzinnigheid, of door gebrek aan kennis lot zonde waren vervoerd, maar dat zij moedwillig, en wetende wat zij deden, hel heilig verbond Gods hebben verbroken. Nu loont hij ook de bron aan, waaruit zoo snoode goddeloosheid is voortgekomen, nl. de ondankbaarheid, waardoor zij moedwillig de verlossing hebben vergelen, die zoo waardig was in eeuwige gedachtenis te worden gehouden, en er dus hoegenaamd geene waarde aan hebben gehecht. Voorwaar, het was een monsterachtige domheid of waanzin, dal de Israëlieten zich van God hebben afgekeerd, aan wien zij zoo vele en groole weldaden te danken hadden. En zij zouden niet zoodanig door Satan betooverd zijn kunnen worden, indien zij niel al de vele wonderen vergelen waren, welke even zoo vele banden waren, waarmede zij onder de vreeze en de gehoorzaamheid Gods gehouden hadden moeten worden. En opdat er geene enkele verontschuldiging voor hen zou overblijven, versiert hij deze werken Gods door een hoogheerlijk getuigenis, alsof hij zeide, dal zij niet maar iels gewoons of alledaagsch waren, waardoor zij dus gemakkelijk vergeten konden worden, maar dat de Israëlieten boosaardiglijk hunne oogen hebben gesloten, opdat zij door den aanblik van de heerlijkheid Gods niet lerugehouden zouden worden.
12. Hij heeft wonderen gedaan voor de oogen hunner vaderen in het land van Egypte, in het veld van Zoan. 13. Hij heeft de zee gekliefd, en deed hen er doorgaan, en de wateren heeft Hij gesteld als een hoop. 14. En leidde hen des daags door eene wolk, en den ganschen nacht door het schijnsel des vunrs. 15. Hij heeft de
143
t'sALM 78 : 12â15.
rotsen in de woestijn gespleten, en heeft hen in groote afgronden doen drinken. 16. En heeft stroomende wateren doen nederkomen als rivieren.
12 Hij heeft wonderen gedaan voor de oogen hunner vaderen, enz. Hoewel hij hunne nakomelingen nog mede begrijpt in eene zelfde veroordeeling , toch begint hij ook te spreken van de eerste voorouders des volks, alsof hij zeide, dat van hun' eersten oorsprong af een geest van verdorvenheid en rebellie in hen had ge-heerscht. Maar omdat hij gezegd heeft dat de zonen Efraïms tot afval waren gekomen, omdat zij de wonderlijke daden Gods hadden vergelen, gaat hij nu nog voort niet dit onderwerp. En zoo komt hij er dan ook, gelijk ik reeds gezegd heb, zeer gepast toe om van hunne vaders te spreken, die hij onder eene zelfde veroordeeling besluit. In de eerste plaats noemt hij de wonderen, die in Egypte geschied zijn vóór de uittocht des volks. En hierbij maakt iiij melding van de beroemdste plaats des lands, ten einde dit te duidelijker te doen verstaan. Daarna spreekt hij van den doortocht door de Roode Zee, en herhaalt hetgeen wij reeds elders gezien hebben, dat de orde der natuur veranderd was, toen de wateren in hun' loop werden gestuit, en zich tot muren hadden opgehoopt, vast en stevig als bergen. In de derde plaats verhaalt hij dat nadat hel volk door de zee was heengegaan, God hun Gids en Leidsman is geweest op den weg, en opdat het geene verlossing van korten duur zou zijn, is Hij voortgegaan met hun genade te bewijzen door zijne hand tot hen uit te strekken. Want, daar het eene zware en moeielijke zaak voor hen was om door deze dorre en zandige plaatsen heen te trekken, was het geene kleine of geringe weldaad voor hen, dat hun eene wolk voorafging, opdat de hitle der zon hen niet zou verschroeien. Toch was dit slechts een onderpand van eene nog voorlreflelijker genadebelooning, te welen, dat God betuigd heeft, dat dit volk onder zijne bijzondere bescherming stond, totdat zij tol hunne hemelsche erfenis ingingen. En Paulus leert ons (I Cor. 10 2), dat er in deze wolk eene soort van doop was, gelijk die ook in den doortocht door de zee geweest is, waarvan de vrucht niet beperkt is tol hel tegenwoordige leven, maar zich tot de eeuwige gelukzaligheid uitstrekt.
15. Hij heeft de rotsen in de woestijn gespleten. Hij brengt nog een ander getuigenis bij van de vaderlijke liefde, waarmede God getoond heeft voor het heil des volks te zorgen. Overigens:
144
Psalm 78 : i5â17.
145
hij zegl niet slechts, dal God hun heeli gegeven te drinken, maar dat Hij dit legen de orde der natuur heeft bewerkstelligd. Wel is waar ontspringen soms rivieren en stroomen uit rotsen; maar de rols, die Mozes sloeg, was gansch en al droog. Hieruit blijkt, dat dit water uil geenerlei bron is voortgekomen, maar uil diepe afgronden te voorschijn is gebracht, alsof hij zeide, dal het uit het middenpunt der aarde opgebracht is geworden. Daarom hebben zij, die meenen, dat de Israëlieten uit de diepe afgronden hebben gedronken, omdat de wateren in grooten overvloed heenslroomden, den zin des Profeten niet goed begrepen. Mozes verhoogt veeleer het wonder, omdat God deze wateren uil zoo diep liggende aderen te voorschijn deed komen. Dit bevestigt hij in het volgende vers, als hij zegt, dal ter plaatse, waar vroeger geen enkele droppel water was, toen eene groote en breede rivier ontstaan is. Want, zoo er slechts een klein beekje was ontsprongen, dan zouden de Heidenen de genade Gods verduisterd hebben ; maar wanneer zoo plotseling een groote overvloed van water te voorschijn treedt, wie ziet dan niet, dat de gewone loop der natuur veranderd is, in plaats van te zeggen, dat er eene verborgene ader was onder de aarde, die toen blootgelegd werd?
17. En zij gingen nog voort met tegen Hem te zondigen, den Allerhoogste to tergen in de woestijn. 18. En hebben God verzocht in hun hart om vleesch te vragen naar hunne ziel. 19. En hebben gesproken tegen God; zij hebben gezegd: zou God eene tafel kunnen toerichten in de woestijn? 20. En zie, hij sloeg de rots, en de wateren zijn er aan ontvloeid, en rivieren hebben overstroomd; zou Hij ook brood kunnen geven? Zal Hy zijnen volke vleesch toebereiden? 21. Daarom hoorde Jehovah, en vertoornde zich, en het vuur ontvlamde in Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël. 22. Omdat zij in God niet geloofden, en op zijn heil niet hebben vertrouwd.
17. En zij gingen nog voort met tegen Hem te zondigen. Nadat de Profeet in korte woorden had aangetoond, dat God door Dl. II. 10
Psalm 78 : 17 en 18.
eene opeenvolging van weldaden le kennen had gegeven hoe zeer Hij de kinderen Abrahams beminde, voegt hij er thans bij, dal zij volgens hun' aard en gewoonte op snoode wijze tegen Hem hadden gerebelleerd, nadat Hij hun zoo groote en talrijke weldaden had bewezen. In de eerste plaats verwijt hij hun, dal zij door boosheid op boosheid te stapelen, Hem hadden getergd, daarbij aantoonende, waarin die terging bestond. Door hel woord Tergen geeft hij le verslaan. dal het geene kleine fout, maar eene ondragelijke boosheid was. En ook door de omstandigheid der plaats wordt de misdaad verzwaard, want, daar dit geschiedde in de woestijn, zoo moesl juisl déar hun de verlossing nog versch in hel geheugen liggen, en daarbij hadden zij eiken dag de leekenen zijner tegenwoordigheid voor hunne oogen, terwijl de nood, waarin zij zich bevonden, hen had moeten dringen om Gode eene oprechte en heilige gehoorzaamheid le bewijzen; maar niettegenstaande dit alles hebben zij hunne barlslochlen en begeerlijkheden niet in toom gehouden. Hierin hebben zij dus een' ongehoorden waanzin beloond, daar hel gebrek aan alles hun lol een uitstekend middel had moeten dienen om zich te bedwingen, en zij zich toch zóó onbehoorlijk hebben gedragen in de tegenwoordigheid van God zeiven, die hen verbaasde en verschrikte door de aanschouwing zijner heerlijkheid, en hen zoo zachl en vriendelijk lot zich noodigde.
18. En hebben God verzocht in hun hart. Dal is hel lergen , waarvan hij gesproken heeft. Niet dal hel op zich zelf ongeoorloofd is om spijze te vragen, wanneer de noodzakelijkheid er hen toe had gedrongen. Want, wie zal het den mensch als kwaad toerekenen, als hij, honger hebbende, aan God om spijze vraagt? Maar hunne zonde bestond hierin, dal zij zich niet vergenoegden met de spijze, die God voor hen had verordineerd, en aan hunne dwaze lusten den vrijen teugel hebben gevierd. Want God was reeds begonnen met hen te voeden met het Manna, gelijk wij weldra zien zullen. Daar die spijze hen nu begon legen le slaan, begeerden zij andere, alsol zij versmaadden hetgeen hun door God, hun' Vader, was toebedeeld. De Profeet geeft dit le kennen als hij zegt, dal zij Om vleesch hehhen gevraagd naar hunne ziel, niet omdal zij door den honger hiertoe gedreven waren; maar omdal hel hun' lust niet bevredigde le leven yan de spijze, die God voor hen had verordineerd. Daarom zegt de Profeet, dat zy God hebben verzocht, omdal zij de perken, die God hun gesteld had, te builen waren gegaan. Want al wie den teugel viert aan zijne onmatigheid, minacht hetgeen God
146
rH:
| â
I
â
li
i
1
Psalm 78 : 18â'Si.
hem schenkt en meer begeert dan hij noodig heeft, verzoekt God, alsof hij Hem aan zijn' zin en welbehagen wilde onderwerpen, en er onderzoek naar doel, of God niet meer kan, dan Mij wil. Want voorzeker! al wie de macht van God afscheidl van zijn' wil, verdeelt Hem â zooveel in hem is â en scheurt Hem in stukken; en dat doen zij, die eens willen zien of God niet meer zal geven dan hij veroorlooft te vragen. En opdat de lusten van ons vleesch er ons niet toe brengen God te verzoeken , moeten wij leeren onze begeerten te betoomen, en ons nederig binnen de perken houden, die ons gesteld zijn. Want, als het vleesch dartel wordt, dan zullen wij dikwijls en op velerlei wijze tegen God murmureeren, en met het dagelijksch brood niet tevreden zijn. En omdat de Proleet gezegd had, dat zij Ood verzocht hebben in hun hart, voegt hij er bij, dal zij zich niet geschaamd hebben de godslasteringen uit te spreken, waar hun hart van was vervuld. Daarmede hebben zij nog duidelijker getoond, dat hun hart aan moedwillige boosheid was overgegeven. Want ziedaar hoe de begeerlijkheid zonde teelt, als er op onheilige wijze aan wordt toegegeven. Daarna gaal de zonde al verder en verder, gelijk wij zien, dat de Israëlieten zich verregaand te huiten zijn gegaan, zoodat zij zelfs de macht Gods in twijfel trokken, alsof zij haar van geenerlei belang of waarde achtten, | zoo zij niet aan hunne lusten en begeerlijkheden voldeed. Als zij spreken van de toegerichle Tafel, dan bedoelen zij hiermede prachtige gastmalen, waar zij de kostelijke spijzen zouden vinden, waaraan zij in Egypte gewoon waren. Want één enkel gerecht zou hen niet bevredigd hebben, er moesten velerlei toebereide spijzen zijn, zou het hun naar den zin wezen. Daarna zegt hij, dat God de wateren deed afvloeien. Ik twijfel niet, of dit is hier eene bijtende ironie, waarmede hij hunne onbeshaamde hoosheid geeselt. Want het is niet waarschijnlijk, dal zij aldus gesproken hebben; maar de Profeet verhaalt als van uit hun' eigen mond de dingen, die voor hunne oogen geschied zijn.
21. Daarom hoorde Jehovah. Dit hooren van God beteekenl zooveel als een volkomen weten, en hel is een beeld, ontleend aan aardsche rechters, die de boosdoeners niet kunnen straffen, als zij niet volkomen met hunne misdaden bekend zijn. Evenals er dus gezegd wordt dat God de zijnen hoort, als Hij hun gunstig is, en hun gebed verhoort, zoo hoort Hij ook de godslasteringen die dus zijn streng oordeel niet kunnen ontgaan. Opdat men nu niet zou Jenken dal de toorn Gods overmatig was, toont de hofeel opnieuw de grootte van hun misdrijf, nl. dat zij niet in
U7
10*
Psalm 78 ; 21-23.
God hébben geloofd en op zijn heil niet hebben vertrouwd. En hij houdt hel voor eene ontwijfelbare zaak, dat hun beloften gegeven waren, waarin zij hadden behooren te rusten, indien zij niet door een' zondigen waanzin van den rechten weg waren afgeweken. Hopen op Gods heil beteekent zooveel als rusten in zijne vaderlijke voorzienigheid, zoodat onze genoegzaamheid berust in Hem. Hieruit leeren wij, niet slechts hoe verfoeielijk hel ongeloof is in Gods oog, maar tevens wat de ware aard is van het geloof en welke vruchten het voortbrengt. Want, van waar is het. dal de menschen zich kalm en vreedzaam aan God onderwerpen, indien niet, dat zij de overtuiging hebben, dat hun heil Hem ter harte gaal, met de zekerheid dal Hij al wat goed en noodig is zal geven, en zich dus in zijne hand overgeven opdat Hij naar zijn' wil en welgevallen met hen zal handelen? Het geloof is dus de wortel der ware godsvrucht; hel geloof leert ons allerlei goed van God te verwachten; het geloof vormt ons tot gehoorzaamheid aan God; gelijk hel niet anders kan of zij, die wantrouwen, moeten altijd murmureeren en rebelleeren tegen God. De rede van den Profeet komt dus hierop neder, dat zij, die hun heil niet van God verwachten, ten onrechte beweren gelooi te hebben; want, als men in God gelooft, dan zal ook terstond vertrouwen ontstaan in zijn heil, waardoor men Hem voor alle goed den lof toebrengt.
23. Hij had de wolken geboden van boven, en de deuren des hemels geopend. 24. En heeft het Manna op hen doen regenen om te eten, en gaf hun bemelsche tarwe. 25. De mensch had het brood der sterken gegeten; Hy zond hun spijze tot verzadiging toe.
43. Hy had geboden. Zij bedriegen zich grootelijks, die denken, dal dit wonder naar historische orde verhaald wordt; want veeleer vervolgt de Profeet de Israëlieten nog ruwer door deze vergelijking, omdat zij, hoewel verzadigd met het Manna, toch niet nalaten naar de hun bekende lekkernijen te hunkeren, terwijl zij toch wisten, dat dezen hun door God ontzegd waren Want hel was eene schrikkelijke en snoode ondankbaarheid de bemelsche spijze te verachten en te verwerpen, die, bij wijze van spreken, hen lol metgezellen der engelen maakte. Indien iemand, die in Frankrijk of Italië woont, zou treuren en kniezen
U8
!
Psalm 78 : 23â25.
oindal hij geen Egyptisch brood kan elen, ol geen' Azialischen wijn kan drinken, zal deze niel naar de wijze der reuzen God den oorlog aandoen? Die onmatige begeerlijkheid was nog minder le verontschuldigen in de Israëlieten, die niet slechts door God overvloedig van aardsche spijze voorzien werden, maar ook nog hemelsch brood van Hem ontvingen. En zoo zij nog gedurende langen tijd van honger hadden geleden, dan zouden zij God toch nog op ootmoediger wijze om brood hebben kunnen vragen. Als zij niets dan zemelen te eten hadden gehad, ol' wel kal', dan zouden zij dit nog als eene bijzondere genade Gods hebben moeten aanmerken in de plaats, waar zij zich bevonden , nl. in de woestijn. En zoo zij niets dan grol' roggebrood hadden gehad, dan zouden zij nog reden gehad hebben om er God voor te danken. En thans, nu God eene nieuwe soort van spijze voor hen schept, die Hij hun van uit den hemel toereikt, en dat wel in grooten overvloed? Dat is de reden waarom hel Manna hemelsche Tarwe wordt genoemd en brood der machtigen ol' steiken. Sommigen nemen het llebreeuwsche woord abirim voor de hemelen, hetgeen ik niet verwerp, schoon ik er toch de voorkeur aan geef om het te nemen voor de Engelen, zooals de Ghaldeeuwsche overzetter, en eenige anderen na hem, het genomen hebben. Het is waar: hel wonder wordt hier ten hoogste verheerlijkt, opdat de goddeloosheid des volks nog des te sterker zou uitkomen; want het is iets veel voortrel-lelijkers, dat het Manna nederkwam van den hemel, dan wanneer zij door kruiden des velds of door vruchten, ol door andere voortbrengselen dei aaide verzadigd waren geworden. In I Corinthe 10:3 noemt Paulus hel Manna geestelijke spijze in een' anderen zin, omdat hel een type en afschaduwing was van Jezus Ghrislus. Maar hel is hier de bedoeling van den Profeet de dubbele ondankbaarheid des volks te bestrafien, omdat zij niet slechts de gewone spijzen, die uit de aarde voortkomen, maar zelfs hel brood der engelen verwierpen.
26. Hij heeft den Oostenwind doen voortgaan in de hemelen, en heeft door zijne kracht den Zuidenwind doen ontstaan. 27. En deed vleesch op hen regenen als stof, en gevederd gevogelte als het zand der zeeën. 28. En deed het vallen in het midden zijns legers rondom zijne tabernakelen. 29. En zij aten er van.
149
1
f
Psalm 78 ; en 27.
en werden wel verzadigd, en [Hij] bracht hun hunne begeerte. 30. Zij waren nog niet verwijderd van hun1 lust: het vleesch was nog in hun' mond. 31. Toen Gods toorn zich over hen verhief en de vetten onder hen doodde, en de uitgelezenen Israëls nederwierp.
26 Hij heeft den Oostenwind doen voortgaan. De Profeet verhaalt dal God aan de begeerte des volks voldeed; niet omdat Hij aan deze zoo verdorvene begeerte gunstig gezind was, welke veeleer eene murmureering was dan een gebed, maar omdat Hij hun wilde toonen, dat hel in zijne macht stond te doen hetgeen zij niet hadden kunnen gelooven. Hieruit blijkt, dal zij, die hier hel vleesch samenvoegen met het Manna, ongelijk hebben, wanl hel vleesch was hun met een gansch ander doel gegeven dan het Manna Ten opzichte van hel Manna heeft God gehandeld als Vader; en met het vleesch heeft Hij hun' lust bevredigd, opdat zij er van verzadigd zijnde, er door verstikt zouden worden. Hoewel hel nu voor God volstrekt niet moeie-lijk was kwakkelen te scheppen in hel midden der woestijn, heeft Hij toch gewild dat zij derwaarts heengevoerd zouden worden door de kracht der winden, opdat de Israëlieten zouden leeren, dat alle elementen gehoorzamen aan zijn gebod. en de afstand der plaatsen voor Hem geene verhindering is om zijne kracht en sterkte van het Oosten tot hel Westen te doen doordringen. De onyeloovigen hebben hier dus een onomstootelijk bewijs van de kracht Gods, die zij zoo goddelooslijk geminacht hebben, in het feil, dat alle elementen gereed zijn Hem te gehoorzamen en met snelheid alles te volbrengen wal God geboden of verordineerd heeft. En voorts heeft Hij ongetwijfeld de winden doen ontstaan naar de ligging van het leger, hoewel het Hem ook gemakkelijk gevallen zou zijn hun zonder eenig uitwendig middel vleesch te doen toekomen. De Profeet zegt, dal zij er van gegeten hebben en verzadigd werden, niet slechts opdat wij zouden weten, dal God hun eene groote menigte vogelen had gezonden, waarmede zij hun' buik konden vullen, maar dat zij door ware onmatigheid waren gedreven om om vleesch te vragen , en niet omdai zij bezorgd waren voor hun levensonderhoud. Hij had voor dezen gezegd, dal het Manna hun in genoegzame hoeveelheid gegeven was; maar hier heeft hij hunne gulzigheid willen bestraffen, die zij door hunne onmatige lusten en begeerten getoond hadden En hoewel God elders aan zijne geloovigen
150
Psalm 78 : 27â31.
151
als een bijzonder voorrecht belooft, Ie doen alles wal zij fvan Hem] zouden begeeren, is hier in gansch anderen zin gezegd, dat Hij aan de snoode wenschen van hel volk voldaan heelt, omdat Hij hun in zijn' toorn heelt gegeven, wat Hij hun uit goedheid en vriendelijkheid zou hebben ontzegd. En dit voorbeeld is wel waardig om door ons opgemerkt te worden, opdat wij ons niet beklagen, als onze wenschen en begeerten door den verborgen raad Gods in liet rechte spoor geleid, en binnen de perken gehouden worden, wanneer zij anders in eene verkeerde richting zouden gaan, of tot onmatigheid zouden overslaan Want dan juist zal Hij ons in waarheid verhooren, als Hij ons onze dwaze wenschen en buitensporige begeerten ontzegt, en zijne weldadigheid inricht naar heigeen ons waarlijk heilzaam is. Evenals Hij door aan de boozen te schenken wat hun niet nuttig is, hen niet verhoort in den waren zin van dil woord, maar hun veeleer een' zwaren last oplegt, die hen snel in het verderf stort. Dit drukt hij nog duidelijker uit, als hij er terstond bijvoegt, dat deze vetmesting hun doodelijk is geworden, alsof zij met dit vleesch het vuur van Gods toorn hadden inge-zvvolgen. Als hij zegt, dat zij nog niet verwijderd waren van hun lust, dan geelt hij hiermede te kennen, dal hunne begeerte nog brandende in hen was. En zoo men antwoordt, dal dit niet overeenkomt met den voorafgaanden zin, waar gezegd wordt, dat zij er lot zat wordens toe van gegeten hadden, dan is die schijnbare tegenstrijdigheid gemakkelijk op te lossen. Want wij welen, dat de geest des menschen, zoo hij niet binnen de perken van verstand en matigheid wordt gehouden, onverzadelijk is, en daarom zullen verdorvene lusten zells door geene verzadiging bevredigd kunnen worden. Sommigen vertalen hier: Zij zijn niet teleurgesteld geworden; en anderen; Zij walgden nog niet van het vleesch. Die laatste vertaling geeft tamelijk goed de bedoeling des Profeten te kennen; maar wijkt toch al te zeer al' van de beleekenis van het llebreeuwsche woord zaroe. De Profeet heeft dus in twee woorden iiun tegenwoordig genot willen uitdrukken, want ook nadat God hen had gestraft, hebben zij nog niet opgehouden van zich te builen te gaan in hunne gulzigheid. Nu wordt in overdrachtelijken zin gezegd, dal Gods toorn zich verheft, als Hij plotseling opslaat om te oordeelen; want als Hij de oogen sluit voor onze zonde, dan schijnt hel, bij wijze van spreken, alsol Hij slaapt. En hoewel er nu niemand onder hen was, die de straf niet heeft ervaren, noemt de Profeet loch inzonderheid de Vetten en de uitgelezenen, opdat hel ooi deel Gods des te helderder zou uitblinken. Wanl dil is niet bij geval
Psalm 78 : 31 en 32.
geschied , dat de krachtigsten onder lien begonnen Ie kwijnen en als uitdroogden. En behalve dal: daar krachl en cezondheid de menschen misleidt, zoodat zij zich trotschelijk verheffen tegen God, dewijl zij hunne broosheid niet gedenken, en zich alzoo inbeelden, dat hun alles geoorloofd is, moet men er zich niet over verbazen, dat de toorn Gods ten felste tegen hen was ontstoken.
32. Nog zondigden zij in al deze dingen, en geloofden niet in zijne wonderen. 33. En Hij verteerde hunne dagen in ijdelheid, en hunne jaren in haast. 34. Toen Hij hen doodde, zochten zij Hem; zij zijn wedergekeerd; en zijn des morgens tot God gegaan. 35. En gedachten dat God hun rotssteen was, en dat God, de Allerhoogste, hun Verlosser was. 36. En vleiden Hem met hun' mond, en logen Hem met hunne tong. 37. Maar hun hart was niet recht voor Hem, en zij waren niet getrouw in zijn verbond.
32. Nog zondigden zij. Hel is een bekend spreekwoord, dal de dwazen wijs worden, als zij geslagen zijn. Hieruit volgt, dal zij, die meermalen door God gekastijd werden, en zich toch niet verbeteren, voor alle hoop verloren zijn. Van zoodanige hardnekkigheid beschuldigt de Profeet hier de Israëlieten, die door geenerlei beproeving, die hen trof, lol verbetering kwamen. Het was eene schrikkelijke wrake Gods om zoo vele krachtige menschen daar dood uitgestrekt te zien. Hierin wordt dus hunne gruwzame hardnekkigheid ten duidelijkste geopenbaard, dal zij zelfs door zulk een schrikkelijk aangrijpend looneel niet werden bewogen. Hoewel hij door dit woord Wonderen niet slechts de straf verslaat, waarvan hij zoo even gesproken heeft, maar ook de andere wonderen, waarvan hij vroeger gewag heeft gemaakl. Hij beschuldigt hen dus van een dubbel kwaad, le-weten, dat zij niet slechts weigerden in het Woord Gods te gelooven, maar dat zij ook zijne wonderen hebben geminacht. Daarom voegt hij er bij, dat hunne plagen vermenigvuldig werden, gelijk God hen door Mozes daarmede bedreigd heeft, dal Hij de verharden, die voortgaan met hunne overtredingen en zonde, zevenmaal strenger zal bezoeken. Daar hij hier echter spreekt van geheel hel volk, alsof hij zeide, dal allen zonder onderscheid, van de
152
Psalm 78 : 33 en 34.
kleinsten tot de grootsten, snel verteerd werden, zou men dit met veel waarschijnlijkheid kunnen toepassen op die zware strai, welke door een' eed bevestigd is geworden, nl. dat zij allen in de woestijn zouden omkomen, terwijl slechts twee hunner, Jozua en Galeh, gespaard Heven, omdat zij, reeds dicht bij Kanaan gekomen, wederom terugkeerden. Daar zij zich zeiven dus den toegang hadden gesloten, was in een tijdsverloop van veertig jaren een zeer groot aantal in de woestijn gestorven. Hij noemt eerst Dagen en daarna Jaren, alsof hij zeide, dal hun levensduur afgesneden werd door den vloek Gods, en zij dus blijkbaar te midden van hunne loopbaan zijn bezweken. Hunne dagen dus zijn verteerd in ydelheid, en hunne jaren in haast, omdat zij snel als een stroom voorbijgingen. Sommigen vertalen het Hebreeuwsche woord babéhalah, dat wij overgezet hebben door ïn haast, door in verschrikking. Ik zou dan nog verre de voorkeur geven aan Opschudding, want de Profeel geelt ongetwijfeld te kennen, dat hun leven plotseling en in der haast weggenomen werd; maar ik heb het woord Haast niet willen veranderen, omdat het duidelijker is. Dit nu was de rechtvaardige vergelding voor hunne hardnekkigheid, dal hunne kracht, die hen zoo hoogmoedig maakte, aldus was gebroken, plotseling, als eene schaduw, was voorbijgegaan.
34. Toen hij hen doodde. Door deze omstandigheid verzwaart hij hunne schuld. Want, als zij, overtuigd zijnde van hunne boosheid, erkennen dat zij terecht waren gestraft, maar zich dan toch niet met een oprecht harl verootmoedigen, doch God bespotten door hunne veinzerij, dan is hunne goddeloosheid nog minder te verontschuldigen. Indien iemand van zijne zinnen is, en daarom zijne ellende of kwalen niet gevoelt, dan verontschuldigt men hem, omdat hij geen verstand heeft; maar wie genoodzaakt is te erkennen dat hij schuldig is, en zich dan toch gelijk blijft, of welstaanshalve een gebed veinst te bidden, en dan weder tot zijn gewone doen terugkeert, geelt daarmede hel doorslaand bewijs, dal zijne krankheid ongeneeslijk is. Nu geeft de Profeel stilzwijgend te kennen, dal het geene alledaagsche of verborgene plagen zijn geweest, waardoor deze zoo hardnekkige lieden gedwongen waren God te zoeken; en hij verhaalt niel slechts dal zij overtuigd waren van goddeloosheid, maar dat zij ook onder hel gevoel waren van de herinnering aan de verlossing, waarvan zij nu afgevallen waren Hierdoor ontneemt hij hun nog sterker alle verontschuldiging van onwetendheid; alsof hij zeide, dal zij zich niel door onbezonnenheid hebben laten
153
Psalm 78 : 34â37.
vervoeren, ol' door onwetendheid misleid waren, maar dal zij zich valsch gedragen hebbende, ais mei opzei God lol loorn hebben verwekt; gelijk God hun ook met dal doel de oogen geopend heeft, om hunne boosheid meer openlijk le doen zien, alsol Hij hunne geveinsdheid en vleierij afschudde en hen uit hunne schuilhoeken heentrok naar het licht. Als de Proleet hen nu van ontrouw beschuldigt, zoowel omdat zij hunne schuld niet met een oprecht hart hebben beleden, als omdat zij God niel in waarheid hebben verheerlijkt om de verlossing fdie Hij gewrocht heeft] zegt hij, dat zij met hun' mond hebben gevleid, en met hunne tong hebben gelogen. Niet dat er geene kennis bij hen was, maar omdat het belijden met den mond, zonder dat hel hart er bij was, niel vrijwillig was; heigeen wel waard is om door ons opgemerkt le worden. Want hieruit leeren wij, dal men zich niel slechts moei wachten voor de grove huichelarij, als de tong voor de menschen andere dingen belijdt dan het hart gevoelt, maar dal men ook de verborgene geveinsdheid moet schuwen, als de zondaar God op slaafsche wijze vleit, daartoe gedrongen zijnde door vrees, wijl men wel gaarne aan zijn oordeel zou willen ontkomen. Doch de meeste menschen zijn ten doode toe door deze krankheid aangetast; want hoewel de hooge majesteit Gods hun eenigen eerbied afperst, zouden zij toch wel gaarne willen dal alle licht der leer uilgebluscht was. Daarom is hel niel genoeg om met het Woord Gods in le stemmen, men moet er ook eene oprechte genegenheid voor koesteren, en ons harl moet daarbij noch dubbelzinnig, noch verdeeld zijn. Daarom wordt ook de reden en oorsprong dezer geveinsdheid door den Profeet aangewezen, nl. dal zij niet standvastig en getrouw waren. Alsof hij zeide, dal alles wal niel uil ware reinheid des harten voortkomt, geacht vvordl leugen en bedrog le zijn voor God. En dewijl nu zoodanige oprechtheid overal door de Wel wordt geëischt, beschuldigt hij hen van verbondsbrekers le zijn, die het verbond des Heeren niet getrouwelijk hebben bewaard. Want gelijk ik elders gezegd heb, er is eene wederkeerige betrekking tusschen hel verbond Gods en ons geloof, welke betrekking wij wel in gedachte moeten houden, opdat er van onze zijde eene oprechte instemming zij, welke beantwoordt aan de trouw van Gods zijde.
38. En Hij, die barmhartig is, delgde de ongerechtigheid uit, en heeft hen niet verdelgd; en bleef bij herhaling zijn' toorn afwenden, en heeft a] zijne gram-
154
Psalm 78 ; 38.
schap niet opgewekt. 39. En gedacht dat zij vleesch waren; een ademtocht, die voorbijgaat en niet wederkeert. 40. Hoe dikwijJs hebben zij Hem getergd in de woestijn; hebben zij Hem smart aangedaan in de verlatenheid? 41. En zijn wedergekeerd, en hebben God verzocht, en den Heilige Israels een' weg voorgeschreven.
38. En Hi/, die barmhartig is. Ten einde nog duidelijker le doen blijken, dal er geen middel was om hen le doen buigen of hen weder lot hunne zinnen le doen komen, verhaalt de Profeet thans, dat God vele zonden van hen verdragen heeft; maar telkenmale als Hij hun barmhartigheid bewees, hebben zij niet nagelaten hunne goddeloosheid le loonen, en van zijne zachtmoedigheid misbruik te maken, zoodat zij niet minder hardnekkig waren als God zich hunner ontfermde dan zij le voren onder zijne strengheid geweest zijn. Inlusschen noemt hij de reden waarom zij niet allen omgekomen zijn. Want hoewel zij het volkomen verdiend hadden om ten verderve overgegeven le worden, verhaalt hij, dat God zijn' toorn heeft gematigd, opdat er nog eenig zaad van zou overblijven. Opdat dus niemand uil dit voorbeeld der wrake zou afleiden, dal God met de uiterste strengheid gestraft heeft, loont de Profeet hier aan, dat de straffen matig waren, ja zacht, in vergelijking met de grootte der misdaad, want God heelt zijne hand weerhouden, en zag niet op hetgeen zij verdiend hadden, omdat Hij plaats wilde geven aan zijne barmhartigheid. Inlusschen moeien wij daarom niel denken, dal God veranderlijk of onstandvastig is, als Hij ons nu eens streng kastijdt, en ons dan wederom lol zich lokt door zachtmoedigheid, want naar zijne onvergelijkelijke wijsheid beproeft Hij door ver schillende middelen of er ook hoop is op genezing. Maar de menschen laden alzoo nog des le meer schuld op zich, wanneer de gestrengheid Gods hen niel kan verbeteren, en zijne zachtmoedigheid hen niet week kan maken. Nu moeien wij echter opmerken, dal de oorzaak, waarom God zijn volk gespaard heeft en hun genade heeft, beloond, toegeschreven wordt aan zijne barmhartigheid, die in zijn' aard is. opdat wij zouden weten, dal Hij niet door iels builen Hem bewogen werd om zich gaarne vergevend te betoonen En voorts, omdat God niel slechts éénmaal vergeven heeft, en niel altijd op dezelfde wijze, zegt
155
Psalm 78 : 38 en 39.
de Profeet, dal God de ongerechtigheid heelt uilgevvischt, opdat Hij hen niet zou verderven. Ja meer, hoewel Hij dikwijls getergd werd, heeft Hij toch niet opgehouden van zijn' toorn af te wenden; eindelijk, Hij heeft de plagen verzacht, opdat het volk niet onder derzelver gewicht zou bezwijken.
quot;19. En gedachi. Thans voert hij eene andere reden aan, nl. dat God zijne kracht niet heeft willen aanwenden tegen de menschen, die uit hunne natuur zwak en broos zijn. Want de uitdrukkingen, waarvan de Proleet zich hier bedient, wijzen op de broosheid, die den toestand der menschen zoo ellendig en armzalig maakt Zeer dikwijls brengt de Schrift het vleesch in tegenstelling met den geest, niet alleen wanneer met het vleesch de verdorvene en zondige natuur des menschen bedoeld wordt, en door den geest de oprechtheid, tot welke de kinderen Gods herboren worden; maar ook als de menschen vleesch genoemd worden, omdat er geene vastigheid in hen is; gelijk in Jesaja 31 :3 gezegd wordt: Egypte is vleesch, en geen geest. Maar in deze Schriftuurplaats heeft de Profeet Vleesch en Geest in denzelfden zin genomen, door Vleesch aanduidende, dat de menschen aan bederf onderhevig zijn, en door Geest een adem, of eene schaduw, die verdwijnt. Want, omdat eene gestadige afvloeing de menschen tot verval brengt, vergelijkt hij hen bij een' voorbijgaanden wind, die van zelf verdwijnt en niet wederkeert. Want, als wij onzen loop hebben voleindigd, beginnen wij geen nieuw leven op aarde, gelijk in Job 14: 7â10 gezegd wordt: Dat de booraen elk jaar herleven, en de kruiden wederom groenen, nadat zij in den winter dood geweest zijn; maar nadat de mensch gestorven is, zal hij geene nieuwe krachten ontvangen. Nu verstaan wij de bedoeling van den Profeet, dat God de Joden naar zijne goedheid en barmhartigheid heeft gedragen, niet omdat zij dit waardig waren, maar omdat hun voorbijgaande, broze toestand genade voor hen verkregen heeft. Wij zullen later eene bijna gelijkluidende zinsnede aantreffen in Psalm 103 :15, waar de Profeet zegt, dat God ons genadig is, omdat Hij ziet dat wij gelijk het gras zijn, en zeer snel verdrogen en opdorren als hooi. Indien nu God niets in ons vindt dan onze ellende, waardoor Hij tot ontferming wordt bewogen, dan volgt hieruit, dal Hij ons alleen uit zuivere goedertierenheid draagt en verdraagt. En voorts, als de Profeet zegt, dat de mznschzn niet wederkeeren nadat zij hun' loop volbracht hebben, ontneemt hij ons volstrekt de hoop niet op de opstanding; want hij beschouwt de menschen slechts in en op zich zeiven, en spreekt van hun aardschen
156
f'sALM 78 : 39â40.
toestand. Nu is vernieuwd te zijn tot een eeuwig, gelukzalig leven een wonder, dat de natuur verre te boven gaat. In denzelfden zin wordt elders gezegd: Zijn geest gaat uit en keert niet weder (Boek der Wijsheid 16 : 14), te weten, voor zoo veel de menschen uit huns moeders lijf de hoop niet medebrengen op de toekomende wederherstelling, maar haar door de genade der wedergeboorte moeten ontvangen.
40. Hoe dikwijls hebhen zij Hem getergd? Hij bevestigt den voorafgaanden zin, te weten, dal zij door eene eindelooze opeenstapeling van zonden Hem zóó menigmaal in de woestijn hebben getergd, dat zij duizend maal hadden moeten omkomen, indien God zich hun niet duizendmaal gunstig en genadig had betoond. En door dezen vragenden vorm loont hij nog krachtiger, dat zij niet opgehouden hebben van zeer zwaar te zondigen. Het woord Woestijn bevat zoowel eene omstandigheid van plaats als van tijd; alsof de Profeet hunne ondankbaarheid bestrafte, dewijl Gods weldaden hun als het ware nog voor oogen waren, zij ze nog dag aan dag konden aanschouwen, en dit hen toch niet in toom heeft kunnen houden; ja meer, alsof hij hunne buitensporige onmatigheid veroordeelde, daar zij in zóó weinig lijds zoovele zonden en ongerechtigheden hadden opeengestapeld. In dien zin voegt hij er ook terstond bij, dat zij tot hun vroeger doen terugkeerden, en dus God verzochten. Want dit woord Terugkeeren beteekent hier niet verandering, maar een voortdurend zondigen en overtreden. Nu gebruikt hij een fraai beeld om te kennen te geven, welk eene gruwelijke beleediging de menschen God aandoen, als zij Hem verzoeken. Het llebreeuvvsche woord tawah, dat de Profeet hier gebruikt, beteekent eigenlijk Teekenen of Beschrijven. Maar hij toont aan dal het volk, toen het aan God de middelen durfde voorschrijven naar hunne lusten en begeerten, zij God als het ware binnen perken hebben opgesloten , en dat zijne oneindige macht dus binnen de grenzen van hun ongeloof werd beperkt. Voorwaar, telkenmale als de menschen bij hunne eigene zinnen en gewaarwordingen blijven slaan, dan is dit hetzelfde alsof zij God wilden afmeten naar hunne kleine bevalling, en dat is niets anders dan Hem van zijn' troon te rukken; zijne majesteit zal ons onderworpen zijn, als wij Hem niet anders dan naar hel goeddunken van ons hart willen laten regeeren.
42. Zij gedachten niet aan zijne hand ten dage toen Hij hen verloste van dengene, die hen verdrukte.
157
Psalm 78 : 42 en â¢iS.
43. Toen Hij zijne teekenen stelde in Egypte, en zijne wonderen in de landstreek van Zoan. 44. Toen Hij hunne rivieren in bloed verkeerde; en hunne stroomende wateren, opdat zij er niet van zouden drinken. 45. Hij zond eene vermenging onder hen, die hen verslond, en de kikvorsch, die hen verwoestte. 46. En gaf hunne vrucht aan de rups, en hun arbeid aan de sprinkhanen. 47. En vernielde hun' wijnstok door den hagel, en hunne wilde vijgeboomen door den hagelsteen. 48. En leverde hun vee over aan den hagel, en hunne beesten aan de vurige steenen. 49. Hij zond over hen de hitte zijner gramschap, toorn, verbolgenheid en benauwdheid, zending van booze engelen. 50. Hij maakte een' weg voor zijn' toorn, Hij spaarde hunne ziel niet van den dood, en besloot hunne beesten tot de pest. 51. En sloeg alle eerstgeborenen van Egypte, het begin der krachten in de tenten van Cham.
42. Zij gedachten niet. Hij gaat voort met zijne verwijlingen tot hen te richten, omdat het bloote gedenken van de weldaden Gods hen in toom had kunnen houden, indien zij niet moedwillig vergeten hadden, wat zij hadden ervaren. Uit dit goddeloos vergeten wordt alle hoogmoed en rebellie geboren. Het is bekend, dat de Hand Gods genomen is voor zijne kracht en macht. Nu zijn in deze eerste verlossing van het volk de hand en de arm Gods op nieuwe en on ongewone wijze ontbloot geworden. Daarom was de goddeloosheid des volks nog veel gruwelijker, waartegen de Profeet thans toornt, nl. niets waardeeren, of dadelijk vergeten hetgeen door geen ouderdom uit het geheugen der menschen uitgewischt behoorde te worden. Hij geeft eenig'e voorbeelden van de kracht en macht van God, die hij ten eerste Teekenen noemt, en daarna Wonderen, ten einde wederom de booze stompzinnigheid des volks te bestraffen. En hoewel hij nu tweemaal dezelfde zaak herhaalt, is er in het tweede lid toch eene uitbreiding, alsof hij zeide, dat er toen zoodanige verschrikking over hen gekomen was, dat dit niet zoo plotseling, noch zoo schielijk uit het geheugen der Israëlieten verdwenen moest zijn.
168
Psalm 78 : 44.
159
44 Toen Hij hunne rivieren in hloed verkeerde. Hij verhaalt de wonderen niet naar de volgorde, door welke God openlijk zijne macht heeft getoond in de verlossing zijns volks; want het was hun genoeg de feiten, die wel bekend waren, in hunne herinnering terug te roepen, en die volkomen konden volstaan om de boosheid en ondankbaarheid des volks in het licht te stellen. En zoo is het niet noodig hier lang bij stil te slaan, aangezien de geschiedenis door Mozes beschreven, uitvoeriger verhaalt wal hier slechts kortelijk is aangestipt. Alleenlijk, dat de lezers zich. dit wel in het geheugen prenten, dat, hoewel God de zonden der Heidenen dikwijls gestraft heeft met hagel en andere verwoestingen, hetgeen toenmaals in Egyple voorviel iels gansch buitengewoons, iets ongehoords was. Daarom gebruikt de Profeet hier vele woorden, om de zoo gedenkwaardige oordeelen Gods aan te toonen, te welen: dat Hij de Pittigheid zijns toorns heeft gezonden, gramschap, verbolgenheid en benauwdheid. Want die opeenhooping van woorden heeft de strekking, om hel verdoofde versland op te wekken door wonderen, zóó groot en zóó menigvuldig, dal zelfs de blinden er het voortrefTelijke en het menigvuldige van konden opmerken. Eindelijk voegt hij er bij, dat God zijne oordeelen heeft uitgevoerd door Engelen. Want, hoewel Hij naar zijn' wil en welbehagen zekere wellen heeft vastgesteld in den hemel en op de aarde, en hij zóó zeer de orde der natuur regeert, dal ieder schepsel zijn eigen last heeft te volbrengen, zoo bedient Hij zich toch, lelkenmalle als Hem dit goeddunkt, van Engelen om zijn gebod le volbrengen, niet door gewone of natuurlijke middelen, maar door zijne verborgene kracht, die ons begrip le boven gaal. Sommigen denken, dal hij hier de duivelen mede aanwijst, omdat er gezegd is, booze of schadelijke engelen. Ik wil dit geenszins verwerpen, behalve in zoover dal de reden, die zij er voor aanvoeren, zeer zwak is. Want zij zeggen: Evenals God ons zijne weldaden doel toekomen door de uitverkoren Engelen, zoo voert hij zijn' loorn uit door de verworpen Engelen, alsof dezen door Hem als beulen gebruikt worden. Ik erken, dat dit ten deele waar is, doch ik ontken, dat dit altyd waar is, en wij hebben ook verscheidene getuigenissen in de Schrift, die hel tegendeel bewijzen. Want, wie heelt de Assyriërs, die de heilige stad Jeruzalem omsingelden, hel beleg doen opbreken en zulke eene groote slachting onder hen aangericht? Was hel niet de Engel, die toen over de regeering der Kerk gesteld was? (2 Kon. 19 : 35). Evenzoo was de Engel, die de eerstgeborenen doodde, (Exodus 12 : 23), niet bloot de dienaar of uitvoerder van Gods toorn tegen de Egyplenaren, maar dezelfde
Psalm 78 : 44â50.
die ook de verlossing des volks heefl gewerkt. En wederom: hoewel de Koningen, van wie Daniël spreekt (lloofdsl. 10:13,) gierig en wreed, of liever roovers waren, die alle recht met voeten traden, zegt de Profeet evenwel dat de heilige engelen hun tot geleiders waren gegeven. Hoewel het nu niet onwaarschijnlijk is dat de Egyptenaren onder de heerschappij van verworpen Engelen waren gebracht, gelijk zij dit wel verdiend hadden, zou men hier toch kunnen aannemen, dal zij hooze of schadelijke engelen genoemd worden wegens hel werk dat zij deden, omdat zij de vijanden van Gods volk gedrukt hebben met schrikkelijke plagen, ten einde aan hunne lyrannie en wreedheid een einde te maken. Want in dien zin worden de Engelen des hemels zoowel als de booze geesten met volle recht dienaren of voltrekkers van het kwaad genoemd, hoewel op zeer verschillende wijze. Want de goede Engelen bewijzen Gode eene snelle en gewillige gehoorzaamheid, maar de booze Engelen zijn geschikte werktuigen om kwaad le berokkenen, omdat zij altijd volgaarne bereid zijn le schaden en de gansehe wereld wel onderst boven zouden willen keeren.
50. Hij maakte eenquot; weg voor zijn' toorn. Nogmaals herhaalt hij, dat de toorn Gods als een onstuimige bergstroom gansch Egypte had bedekt, teneinde geene enkele verontschuldiging aan dit ondankbare volk le laten, omdat zij, met welke voorbeelden van Gods genade ook voor hunne oogen, er toch niel toe gebracht werden onder de gehoorzaamheid Gods le blijven. Eindelijk maakt de Profeet melding van het wonder, dal hel laatst geschied was, le welen, dat alle eerstgeborenen van Egyple in éénen nacht door de sterke hand des Engels gedood werden. Volgens het gewone en algemeen aangenomen spraakgebruik der Hebreen noemt hij hen de Beginselen, of eerslelingen der kracht. Want hoewel de grijsaards door den loop der jaren tol verval komen, zoo wordt loch, omdat zij soms als vernieuwd worden in hun kroost, en de kracht aldus in hen herkrijgen, die zij in zich zeiven verloren hebben, de benaming Kracht overgebracht op de kinderen Nu worden de eerstgeborenen de beginselen of de eerstelingen dezer kracht genoemd, gelijk ik uitvoeriger heb aangetoond bij de verklaring van Genesis â¢dO: 3. Hij noemt de huizen van Egyple de Tenten van Cham, omdat Mitsraïm, die zijn' naam aan deze landstreek gaf, een zoon van Cham was (Gen 10:6). Voorts looft de Profeet hier de vrije liefde van God jegens de nakomelingen van Sem, daar Hij hen boven alle de kinderen van Cham heeft verkoren, terwijl er toch in hen
160
Psalm 78 : 52.
geenerlei verdienste of waardigheid was, die hen voortreffelijker maakte.
52. En Hij deed zijn volk heengaan als schapen, en voerde hen in de woestijn als eene kudde. 53. En leidde hen veilig, en zij vreesden niet; en de zee bedekte hunne vijanden. 54. En bracht hen tot de grens zijner heiligheid, tot dien berg, (dien) zijne hand heeft verkregen. 55. En Hij verdreef de Heidenen van voor hun aangezicht, en heeft hen nedergeworpen in het deel der erfenis, en heeft de kinderen Israels in hunne tenten doen wonen. 56. En zij hebben den aller-hoogsten God verzocht en getergd, en hebben zijne getuigenissen niet onderhouden. 57. En zij zijn teruggeweken , en hebben trouwelooslijk gehandeld, evenals hunne vaderen, zjj zijn omgebogen als een bedrieglijke boog. 58. En zij hebben Hem tot toorn verwekt door hunne hoogten, en Hem tot y ver bewogen door hunne gesnedene beelden.
52. En Hij deed zijn volk heengaan. Wederom roemt iiij de vaderlijke liefde van God voor het uilverkoren volk, dat Hij (gelijk wij elders gezegd hebben) vergelijkt bij eene kudde schapen, omdat er in hen geene wijsheid was en geene bekwaamheid, om zicli zeiven te redden of le verzorgen, waarom God zich verwaardigd heelt hun Herder le zijn. Nu is het wel een zeer mei li-waardig bewijs van liefde, die God hun toedroeg, dal Hij hel niel beneden zich geachl heeft om hen aldus als schapen le weiden. En inderdaad, wat zou eene volstrekt niel krijgshaltige menigte kunnen uitrichten tegen machtige, oorlogzuchtige vijanden? Want wij weten, dat dil volk een' tijd lang slechts werktuigelijken slavenarbeid had verricht, alsof zij veroordeeld waren om onder de aarde in mijnen of steengroeven te werken. Nu zegt hij, dat Hij hen veilig heeft geleid, en dat zij niet vreesden, niet alsol zij van hun' kant kalm en vreedzaam in Hem hebben gerust of op Hem hebben betrouwd, maar omdat zij God lol hun' Leidsman en Beschermer hebbende, geene gegronde
Dl. II. li
161
Psalm 78 : 53â55.
162
reden hadden tol vrees, indien hun ongeloof hen niet had doen sidderen. Vandaar die woorden van murmureering; Waarom heeft God ons in deze engte gebracht? Waren er dan geene graven in Egypte (Exodus 14:11)? Die zekerheid of gerustheid heeft dus geene betrekking op hel gevoel of de gewaarwording des volks, waardoor zij kalm en rustig waren in de woestijn, nadat hunne vijanden verslagen en verdronken waren. Daarna verhaalt hij nog andere weldaden Gods, en Iegelijk ook andere zonden en overtredingen, die de ondankbaarheid des volks nog meer in hel licht stellen, te weten, dat zij, tot de hun beloofde erfenis gekomen zijnde, nog altijd, alsof zij hoegenaamd geene verplichting aan God hadden, een rebelleerend en ononderworpen hart hadden. De voltooiing, het besluit als hel ware, van hunne bevrijding, was hen in hel bezit te stellen van hel land Kanaan, waarvoor zij zich zeiven den toegang hadden gesloten, indien God niet besloten had hunne goddeloosheid te overwinnen, en in alle opzichten te voleindigen wal Hij eens had begonnen. Ilij noemt dit land De grenzen van het Heiligdom Gods, omdat God hel toewijzende aan zijn volk, hel ook zich zeiven geheiligd had. Hieruit blijkt nog te meer de goddeloosheid des volks; daar zij er dezelfde verfoeiselen in gebracht hebben, waardoor hel van ouds verontreinigd was geworden. Want welk een waanzin was hel niet, dal het volk van Israël, wel wetende dat de aloude inwoners des lands er om hunne verfoeiselen uit verdreven waren , hen nu nog in allerlei boosheid ging overtreffen! Alsof zij moedwillig en met voorbedachten rade de wrake Gods over zich wilden brengen, die zij ten uitvoer hadden zien brengen op de anderen. Dal hij er bijvoegt: Dezen herg-. de verklaring van hen, die dit woord nemen voor het geheele land, is naar mijn inzien niet juist, want hoewel hel bergachtig was, waren er toch ook schoone vlakten van tamelijke uitgestrektheid, zoowel in de lengte als in de breedte. Daarom twijfel ik niet, of hij heeft door uitbreiding van den zin eershalve melding gemaakt van den berg Zion, dien God zich ter woonstede had verkoren. Ik erken, dal deze manier van spreken een synecdoche is, mits de lezer begrijpt, dat de Profeet deze plaats inzonderheid noemt, omdat van daar, als uil de fontein, de heiligheid des ganschen lands voortkwam. Hij zegt dat God door zijne lechtei-hand dezen berg heeft bezeten, o' verkregen (want hel Hebreeuwsche woord Jcanah beleekent zoowel het een als hel ander), en dit is, opdat de Israëlieten zich niet in hun' hoogmoed zouden verheffen, alsof zij door hunne eigene kracht het land hadden veroverd en er hel bezit van genoten: gelijk gezegd is in Psalm 44: 4: Want
Psalm 78 ; 55â57.
het was niet door hun zwaard dat zij het land hebben geërfd, cn hun arm heeft hen niet verlost; maar uwe rechterhand en uw arm, en hel licht uws aanschijns, omdat Gij ons hebt liefgehad En terstond daarna volgt de verklaring: Dat de Heidenen verdreven z\jn, en nedergeworpen zijn in hel deel, door welke woorden de Profeet de wijze aanduidt, waarop zij die bezitting hebben verkregen; alsof hij zeide: Dat het volk van Israël niet zoo oorlogzuchtig was, en deze natiën niet zoo vreesachtig waren, dal het hun (den Israëlieten) mogelijk zou zijn geweest hen (de Heidenen) uit hel land te verdrijven; indien de overwinning niet verkregen was door de leiding en de macht Gods. En bovendien, het bezit des lands zou niet wellig zijn geweest, indien het niet overeenkomstig den wil van God was hel land aan de oorspronkelijke inwoners te ontnemen, en vreemdelingen in hunne plaats le stellen.
56. En zjj hebben den allerhoog sten God verzocht. Thans verwijt hij hun, dal zij, na met zoo vele weldaden bevoorrecht te zijn, toch nog niet ophielden van zich trouwelooslijk le gedragen, ja dal zij, hoewel God bun dikwijls opnieuw genade beloonde, ten einde hen onder zijne gehoorzaamheid le doen wederkeeren, loch altijd door hunne rebellie zijn juk van hunne schouders wierpen, ^al belrelt het woord Verzoeken, wij hebben er te voren reeds de beleekenis van aangeduid. Maar de Profeet voegt er in hel algemeen bij, dat zij God hebben getergd, omdat zij zijn verbond niet hebben gehouden. Door dil laatste zindeel worden zij nog meer overtuigd van hunne grove rebellie, daar zij met zachtmoedigheid en vriendelijkheid op hun plicht gewezen zijnde, evenwel geweigerd hebben zich aan God le onderwerpen. Want hij noemt de Wel Oetuiyenissen, of Overeenkomsten, omdat, gelijk de menschen hunne overeenkomsten met elkander aangaan onder zekere voorwaarden, God evenzoo door zijn verbond eene overeenkomst was aangegaan met dil volk, en het aan zich had verbonden. Overigens hoewel hij door aldus le spreken hen reeds scherp genoeg had gelaakt, voegt hij er toch nog wal hel toppunt hunner veroordeeling was bij door hen van afval en van trouweloosheid le beschuldigen. God had hen aangenomen als zijn volk, zij daarentegen hadden zijn genade versmaad en zich dus uit eigene beweging van Hem losgemaakt. Hij had hen bijeenvergaderd onder zijne vleugelen, zij zijn weerstrevend en verstrooien zich. Hij had beloofd hun Vader le zijn; zij willen zijne kinderen niet wezen. Hij had hun den weg der zaligheid gewezen, zij dwaien moedwillig af van dien weg, en storten zich dus in het verdeif.
u*
103
Psalm 78 : 57 en 58.
De Piofeel komt dus lot de gevolgtrekking dat dit volk zich ten allen tijde boos en goddeloos had beloond. Nu moet men wederom opmerken, dal de verkeerdheid, die het meest in hen gelaakt wordt, is, dat zij maar al te zeer geleken op hunne vaderen; en dit is opdat niemand zich zeiven misleide door zonder oordeel des onderscheids anderen na te volgen, en daar dan een schild van maakt om er zich achter te verschuilen. Daarna gebruikt hij een zeer gepast beeld (dal ook door den Profeet llosea in hel 16de vers van hel 7de hoofdstuk gebruikt wordt) om hunne lichtzinnigheid aan te toonen. Want gelijk de boogschutters zich bedrogen zien, wanneer zij een' Loog hebben, die óf te zwak is, óf niet goed is gespannen, óf scheef is, zoo zegt hij, dal dit volk zich omgewend heeft, en afdroop door zijne listige verdraaidheid, ten einde niet door de hand Gods te worden geregeerd.
58. En zij hebben Hem tot toorn verwekt. Hij geeft dus den aard te kennen van hunne oproerigheid, door welke de Israëlieten ten duidelijkste hebben te kennen gegeven dal zij gehoorzaamheid weigerden aan God en aan Hem niet onderworpen wilden zijn. Want zij waren meer dan genoeg gewaarschuwd, dat zij den dienst van God verkeerden en verdierven, indien zij niet afhankelijk waren van zijn Woord; en nu, de gansche Wel ter zijde stellende, volgen zij hunne eigene verzinselen, en gaan zich alzoo te buiten in goddeloosheid. En inderdaad zijn dit ook altijd de vruchten van hel minachten der Wet, nl. dal het dan niet anders kan, of de menschen zullen, wanneer zij liever eigen zin en neiging volgen dan zich aan God te onderwerpen, lot grof bijgeloof vervallen. Hij klaagt dat de dienst van God door hen verdorven is geworden, en wel op tweeërlei wijze; ten eerste, omdat zij Gods heerlijkheid hebben verduisterd door zich afgoden en gesnedene beelden te maken, en vervolgens, omdat zij, ten einde God te verzoenen, vreemde en onwettige ceremoniën hebben uitgedacht.
59. God hoorde het, en toornde, en Israël was Hem zeer tot een afgrijzen, 60. En Hij verliet de woning te Silo, den tabernakel, in denwelken Hij onder de menschen had gewoond. 61. En Hij gaf zijne sterkte in gevangenschap , en zijne schoonheid in de hand des vijands. 62. En Hij leverde zijn volk over aan het zwaard, en
164
Psalm 78 : 59 en GO.
vertoornde zich tegen zijn erfdeel, 63. Het vuur verteerde zijne uitgelezeuen, en zijne maagden werden niet geprezen. 64. Zijne priesters vielen door het zwaard, en zijne weduwen hebben geen' rouw bedreven. 65. Maar de Heere ontwaakte als een slapende, als de sterke, die roept door den wijn. 66. En Hij sloeg zijne vijanden van achteren, Hij deed hun eeuwige versmaadheid aan.
59 God hoorde het. Wederom wordt door den Profeet aangetoond, dat God, ziende dat Hij niets won door de lankmoedigheid, die het volk, niet zonder bespotting, misbruikt heeft om zich nog grooter vrijheid tot zondigen te geven, ten laatste strenge straffen heeft aangewend. Het beeld, dat hij aan aardsche rechters ontleent, wordt dikwijls in de schrift aangetroffen. Want er wordt gezegd dat God hoort, niet alsof Hij het noodig heeft een onderzoek in te stellen, maar opdat men zou weten, dat Hij niet met overijling te werk gaat, en zijne oordeelen niet roekeloos ten uitvoer brengt. Waar het dus op neerkomt is, dat het volk zóó zeer volhard had in zijne zonde, dat ten laatste het geschrei er van ten hemel is opgegaan, en zoo wordt dan door het zware van de straf, de ontzettende grootte van het misdrijf in het licht gesteld. Want nadat de Profeet gezegd had, dat God een afgrijzen had van Israël, dat Hij zoo zeer had bemind, voegt hij er bij, dat de tegenwoordigheid Gods, waarin hun waar geluk was gelegen, en hunne vertroosting onder alle leed, hun ontnomen was, en zij haar dus hadden verloren. Het verafschuwen van Israël bestond dus hierin, dat God toegelaten heeft dat de Arke des Verbonds werd weggevoerd, alsof Hij wilde toonen, dal Hij niet meer in Judea wilde wonen en dal Hij hel volk verliet. Wel is het ontwijfelbaar waar, dal God niet gebonden was aan hel uitwendig symbool, maar omdat Hij gewild heeft, dat de Ark het teeken was van zijne eenheid en gemeenschap met dit volk, heeft quot;ij door haar te laten wegvoeren getoond, dat Hij zelf van hen week. Omdat nu Silo gedurende langen lijd de verblijfplaats der Ark is geweest, en zij aldaar door de Philistijnen was genomen (1 Samuël 4: 11), wordt deze plaats de woonstede Gods genoemd. Maar de wijze van inwoning wordt een weinig later zeer schoon aangeduid, als er gezegd wordt, dal het zijne woning was onder de menschen. Want» hoewel God den hemel
165
Psalm 78 : 60 en 61.
166
en de aarde vervuil, zoo nadert hij toch, dewijl wij tot zijne oneindige hoogheid niet kunnen genaken, door zijne kracht en genade lot ons, zoo veel als ons noodig is en wy kunnen dragen. Intusschen moeten wij opmerken, dal hel eene zeer krachtige wijze van spreken is, als er gezegd wordt, dal God zóó zeer vertoornd was wegens de voortdurende goddeloosheid des volks, dal Hij er zich door gedrongen gevoelde om de eenige plaats, die Hij zich ter woning op de aarde had verkoren, te verlaten. In hel volgende vers gaat hij voort met hetzelfde onderwerp, zeKuende dat Gods sterkte, door welke de fsraëlielen beschermd en in stand werden gehouden, toen in gevangenschap ging; niet alsot zijne kracht aan het uitwendig symbool gebonden was, maar in plaats dal Hij zich te voren legen de vijanden had gesteld, heeft Hij gewild, dat de genade, door welke Flij zijn volk had staande gehouden (bij wijze van spreken) gevankelijk weggevoerd werd. Dit kan echter niet zien op de Philistijnen, alsof zij God gevangen hadden genomen ; maar de Profeet bedoelt eenvoudig dat de hraëlieten versloken werden van de bescherming Gods, en dat zij hierdoor in de macht hunner vijanden geraakten, evenals wanneer de veldheer gevangen wordt genomen, het leger verslagen en op de vlucht wordt gedreven. De Ark wordt ook genoemd De schoonheid Gods, omdat God, in zich zeiven onzichtbaar zijnde, zich door dit type heefl afgebeeld, of hel als een' spiegel gesteld heeft, waarin men Hem kon beschouwen. Overigens, hoewel deze wijze van spreken op den eersten aanblik ruw en vreemd schijnt, dal de sterkte Gods door de Philistijnen genomen was, heeft de Profeet deze uitdrukking opzettelijk gebruikt, ten einde de zonde des volks nog te verzwaren. Want, aangezien Hij gewoon was de kracht van zijn' arm heerlijk te openbaren om dit volk te helpen, moet men wel zeggen, dat Hij door zeer schrikkelijke zonden getergd moet zijn geweest, als Hij hel heefl toegelaten, dal dit getuigenis zijner kracht met snood geweld door Heidenen weggevoerd werd. Ten opzichte van hetgeen hier omtrent Silo wordt medegedeeld leert ons de Profeet Jeremia, dat hel zich richt lol allen, die zich onder een'valschen schijn op Gods legenwooidigheid beroepen. Gaat naar Silo, zegt hij, en ziel met welk eene versmaadheid God deze plaats heeft geteekend, waar men voorheen zijne majesteit heeft zien schitteren (Ier. 7 : 12). En daarom is hel le vreezen, als God vriendelijk tot ons nadert, en wij Hem niet met den ongeveinsden eerbied ontvangen, die Hem toekomt, dal het ons evenzoo zal vergaan als aan de lieden van Silo. En daarom is het snoeven van den Paus en zijne aanhangers des te zotter, als zij om de
Psalm 78 : 62â65.
waardigheid van den Romeinschen bisschopszetel te verhoogen, aanvoeren, dat de Kerk te Rome voormaals gebloeid heeft Alsof Christus, die de ware Tempel der goddelijke majesteit is, niet te Bethlehem is geboren, en opgevoed te Nazareth, alsof Hij niet zoowel te Kapernaüm als le Jeruzalem heeft gewoond en gepredikt, terwijl toch de verwoesting diar steden een ontzettend getuigenis van de wrake Gods is-
62. En Hij leverde zijn volk over aan het zwaard, enz. Hij maakt nog melding van andere bijzonderheden van de rampen, die ten tijde van den [loogepriesler Eli plaats hadden. Door toe te laten dat de Ark werd weggevoerd, heeft God getoond, dat Hij zijne genade aan dit volk had onttrokken. Dit werd ook gezien in de uitwerking, want de bloem des volks werd verteerd door den toorn Gods, dien de Profeet door beeldspraak aanduidt onder den naam van Vuur. Want de vijanden hadden de uitge-lezenen Israëls met het zwaard gedood, lot een getal van dertig duizend man toe (1 Sam. 4 : 10). En het was niet door het vuur dat zij omkwamen, maar de Profeet spreekt aldus om het plotselinge van de ontzettende ramp te kennen te geven; alsof ïiij zeide, dat het in één oogenblik was geschied, evenals stroo of dorre bladeren in een oogwenk door het vuui worden verleerd. Daarna gebruikt hij eene andere uitdrukking, doch altijd om de grootheid der ramp aan te duiden, nl. dat wegens gebrek aan mannen de maagden ongehuwd bleven. Wanl hij zegt: Dat zij niet geprezen werden, omdat het de gewoonte was om bij de voltrekking van een huwelijk een bruiloftszang le zingen ter eere van de bruid. Om nog duidelijker te doen beseflen hoe groot en vreeselijk de ramp was, voegt hij er bij, dat zells de Priesters, die God toch onder zijne bijzondere bescherming had genomen, even goed als de anderen gedood werden. Wat betreft dat hij zegt; de weduwen bedreven geen1 rouw, dit verklaar ik aldus: óf zij zeiven zijn van verdriet gestorven, zoodal zij den lijd niet haJden om hen le beweenen, óf wel, zij konden geen' rouw bedrijven, omdat zij door de vijanden gevankelijk weggevoerd werden. Door al deze woorden heeft hij dus korlelijk willen aantoonen dal niets ontbrak om de ellende ten hoogsten top ta doen komen.
65. Maar de Heere, enz. Sommigen verslaan dit van de Israëlieten, anderen van hunne vijanden. Wil men de eerste uillegging volgen, dan moet men er zich niet over verwonderen, dat de Israëlieten vijanden Gods genoemd worden, aangezien men
167
Psalm 78 : 05 en 66.
168
hetzelfde vindt bij Jesaja: 11a! ha! Ik zal mij wreken van mijne vijanden (fesaja 1 : 24). De zin zal dan wezen dat het verkeeren van Gods lankmoedigheid in vrijheid om nog meer te zondigen, den Israëlieten duur te staan is gekomen, omdat Hij, plotseling opwakende, met des te grooter strengheid hen tegen is gekomen. Omdat wij echter zien dat de Profeten hunne leer aan Mozes onlleenen, en zells zijne wijze van spreken als model nemen, waarnaar zij hunne woorden inrichten, is er evenveel waarschijnlijkheid voor de meening van hen, die dit van de Philistijnen verstaan. Want het schijnt dat onze Profeet dezen gedachtengang ontleend heeft aan het Lied van Mozes, waarin God verklaart, dat Hij zijn volk niet dierwijze straft, dat Hij daarom ook hunne vijanden niet zal bezoeken (Deut. 32 : 27). Want, daar het algemeen spreekwoord zegt, dat de uitkomsten van den krijg onzeker zijn, zou, indien er geene verandering was gekomen, deze straf Gods over zijn volk niet zoo duidelijk en blijkbaar zijn geweest. Maar toen, nadat de Israëlieten verslagen waren, God diegenen met zijn toorn trof, die hen hadden overwonnen; en dal wel zonder de hand des menschen, tegen aller verwachting, en ook tegen hetgeen men gewoonlijk ziet plaats hebben, was het voor iedereen duidelijk, dat, zoo de Israëlieten verslagen waren, dit van God was, omdat Hij hen wilde straffen. Intusschen geeft de Profeet tegelijkertijd te verstaan, dat God als het ware genoodzaakt was zijne wraak strenger uit te voeren, omdat Hij, daarna ook de Filistijnen bezoekende, zijn verbond genoegzaam heeft gehandhaaft, dat Hij anders zou kunnen schijnen te hebben vergeten. Want, hoewel Hij zich (bij wijze van spreken) voor een' lijd aan de zijde der Philistijnen geschaard heeft, heeft Hij toch aan de kinderen Abrahams zijne liefde niet willen onttrekken, opdat de waarheid zijner belofte stand zou blijven houden. Het beeld van den dronken man, hoewel het wel wal vreemd schijnt, is hier toch niet zonder reden gebruikt, want het ziel op de stompzinnigheid des volks. En inderdaad, indien zij een helder, onbeneveld verstand hadden gehad, en geneigd waren geweest om te luisteren, dan zou God zich niet, als het ware vermomd, en als een vreemdeling voorgedaan hebben. Wanneer God dus vergeleken wordt bij iemand, die dronken is, dan geschiedt dit van wege de dronkenschap, dal is de ongevoeligheid en stompzinnigheid des volks, die Hem dwong om aldus te spreken, heigeen des te grooter smaad en schande voor hen was. Maar wat God betreft, dit beeld, of deze vergelijking, doet volstrekt niet te kort aan zijne eer of heerlijkheid. Indien Mij niet terstond onze ellende wegneemt, dan denken wij, dat Hij slaapt. Doch
Psalm 78 : 66 en 67.
van waar deze slaap, aangezien Hij al de reuzen in kracht Ie boven gaat, aan wie het gemakkelijk valt gedurende langen tijd wakende te blijven, en die zich met zeer weinig slaap vergenoegen? Wanneer Hij zijne oordeelen niet terstond uitvoert, wordt dit door domme menschen aangezien, alsol Hij, evenals iemand, die versuft en verbijsterd is, niet weet waar te beginnen. Nu zegt de Profeet integendeel dat het plotseling ontwaken van God, schrikkelijker voor hen zijn zal, dan wanneer Hij terstond zijne hand tegen hen had opgeheven, en dat het zijn zal, als wanneer een reus, die dronken is van wijn en zijn' roes nog niet uitgeslapen heeft, plotseling opschrikt. Wat betreft, dat hij zegt, dat Hij zijne vijanden sloeg van achteren: velen beperken dit tot de plage waarmede Hij de Philistijnen had bezocht. En inderdaad, de uitdrukking Eeuwige komt hier wèl mede overeen,
omdat het eene schandelijke krankheid was, waarmede zij bezocht waren, nl. pijn door ettergezwellen aan het fondement (1 Sam. 5:12). Daar deze woorden, dat zij van achteren geslagen werden, echter een eenvoudiger zin kunnen hebben, wil ik de zaak in het midden laten.
67. En Hij verwierp de tent van Jozef, en heeft den stam Benjamins niet verkoren. 68. Maar Hij heeft den stam van Juda verkoren, den Berg Ziou, dien Hij heeft liefgehad. 69. En Hij heeft zijn Heiligdom gebouwd als hoogten, als de aarde, die Hij voor eeuwig gegrond heeft. 70. En Hij heeft David, zijn' knecht verkoren, en heeft hem genomen van de schaapskooien, 71. Hij heeft hem genomen van achter de zogende schapen, om zijn volk Jakob te weiden, en Israël zyn erfdeel. 72. Ook heeft Hij hen gevoed naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid naar de voorzichtigheid zijner handen.
67. En Hij verwierp. Zij, die denken, dat hel de Israëlieten waren, die even te voren vijanden Gods zijn genoemd, voegen deze verzen bij de vorige, alsof de Profeet zeide, dal de wonde, die God hun geslagen had, ongeneeslijk was. Maar ik voor mij, hel meer over naar de andere meening, nl. dat God, toen Hij
169
Psalm 78 ; 07.
170
de Philislijnen streng gekastijd had, hierin ondubbelzinnig heeft doen blijken, dat het verbond, hetwelk Ilij met zijn volk had gesloten, geene ijdele zaak was, aangezien Hij eene zoo strenge wraak geoefend heeft aan hunne vijanden. Ik verklaar dit dus liever als hier bijgevoegd bij wijze van verbetering, alsof de Profeet gezegd had, dat God nog niet zóó ten volle met de ongelukkigen , die zich van Hem hadden afgekeerd, was verzoend, dat Hij niet nog eenige sporen van zijne kastijdingen zou doen overig blijven. Naar mijn oordeel is dit dus de beteekenis van den tekst: Toen 3e Ark door de Philistijnen was genomen, heeft God, bij wijze van spreken, geslapen, daar hel volk Hem door hunne zonden dronken hadden gemaakt , zoodal Hij niet meer waakte om hen, naar zijne gewoonte, te beschermen; maar dal God toch niet lang door dezen slaap was verdoofd, maar dat Hij, toen Hij zag dal deze goddelooze Philislijnen zich spottend verhieven legen de heerlijkheid zijner majesteit, door deze snoode beleediging bewogen en opgewekt was, evenals een reus, die plotseling uit zijn' eersten slaap wordt opgewekt en vóór dal nog de wijndampen geheel bij Hem verdwenen zijn; en toch was wederom zijn toorn tegen deze Heidensche en onbesneden natie niet zoo groot, of Hij heeft ten einde toe eenige leekenen willen doen zien van zijne straf over het booze en ondankbare volk van Israël. En zoo heeft dan de verwerping, waarvan Hij thans spreekt, deze beteekenis, dal God, toen Hij toeliet dat de Ark weggevoerd werd, hierdoor de Israëlieten heeft willen berooven van de eer en het voorrecht, dal God hun voormaals had geschonken Er zijn dus twee voorname punten, waarop wij hier hebben te letten; ten eerste: dal toen de Philislijnen door deze smadelijke krankheid der zweren bezocht was, men toen hel blijkbaar getuigenis had, dal, zoo de Israëlieten door hen overwonnen waren, dit niet anders was dan omdat God het aldus gewild had. Want God heeft na dit tijdstip geene nieuwe kracht verkregen, Hij heeft geen nieuw leger op de been gebracht, om daarmede de Philislijnen, die de overwinning hadden behaald, te gaan beoorlogen; en evenmin heelt Hij om dit te doen hulp van anderen ontvangen. Ten tweede: Hoewel God zijn' arm ontbloot heeft tegen de Philistijnen, om le toonen, dat Hij nog gedacht aan zijn verbond, en nog zorg droeg voor hel volk, dat Hij had verkoren, zoo heelt Hij den staat van hel volk Israëls toch niet zóó wederom opgericht, of de verwerping van Silo bleef toch ter eeuwige gedachtenis aan zijn' loorn. Hij heeft den stam van Efraïm dus verworpen, niet in dier voege, dal Hij hen voor altijd had verstoolen, of hen van het lichaam der
Psalm 78 : 67 en 68.
Kerk voor goed had afgesneden, maar alleen in dien zin, dat quot;ij de Arke des Verbonds niet langer onder hen wilde laten verblijven. Want de stam van Juda wordt gesteld tegenover dien van Efraïm, omdat God daarna zijne woonplaats in bel midden van Juda beeft verkoren. En zoo begint de Profeet dan aan te toonen, dal toen de Arke des Verbonds op den berg Zion verbleef, het volk eenigermate vernieuwd en weder hersteld was in de genade, waarvan het was afgeweken, zoodat God hun ook bel symbool der verzoening teruggaf. Want, aangezien God (bij wijze van spreken) door de schuld der Israëlieten gebannen was, en zijne kracht in gevangenschap was gehouden, was het noodig, dal zij door deze gedachtenis zouden leeren, dal hunne boosheid Hem zoo zeer mishaagde, dal Hij de plaats zelfs niet meer kon aanzien, waar Hij voormaals had gewoond. En hoewel nu na deze scheiding geene volkomene wederherslelling beeft plaats gehad, opdat het volk in hel vervolg beter op zich zeiven acht zou geven, heeft God hun loch eene verwonderlijke goedertierenheid bewezen, door wederom eene vaste woonplaats voor zijne Ark te kiezen. En wat betreft, dal de Ark na bare terugkomst naar Gath, en Ekron en naar nog andere plaatsen werd gebracht, tot dat de berg Zion op wonderdadige wijze als hare woonstede was aangewezen; al die lusschentijd rekent niet mede, omdat hel de bedoeling des Profeten was zoowel hel voorbeeld der straf als de genade Gods, welke grooler was dan men had durven hopen, in herinnering te brengen. Men moet ook letten op betgeen dikwijls in de boeken van Mozes herhaald is: Wanneer uw God eene plaals zal hebben verkoren, waar gij zijn' naam zuil aanroepen En omdat nu Silo van wege het langdurig verblijf der Arke aldaar, vermaard was geworden, was hel hart der menscben, nadat zij naar hel land der vijanden was weggevoerd, in groole verslagenheid en benauwdheid, totdat men wist welke plaats God had verkoren. Hoewel nu de tien stammen toen nog niet verworpen waren, daar zij het koninkrijk en bel priesterschap nog met Juda gemeen hadden, zijn zij loch na verloop van lijd door hun eigen opstand afgesneden geworden. Dat is de reden waarom de Profeet mei zekere minachting zegt, dal de stam van Jozef, waartoe zij behoorden, niet verkoren was.
68. Maar H'y heeft den stam van Juda verhoren. Namelijk, omdat Hij hem boven de anderen bevoorrecht heeft door uil zijn midden een' Koning te kiezen, die over al de Israëlieten, zoowel als over de Joden regeerde. En Hy verhoos den berg Zion en wees daar de plaats aan voor zijn Heiligdom. Opdat
171
Psalm 78 : 68 en 69.
172
men nu de oorzaak daarvan nergens anders dan in God zal zoeken, toont de Profeet dal zijne vrije liefde de reden is, waarom de berg Zion met zoo groot voorrecht boven alle andere plaatsen begiftigd is geworden. Want bet betrekkelijk voornaamwoord dien is bier genomen in plaats van het redegevend voegwoord icanf, alsof hij gezegd had, dat het Heiligdom Gods aldaar gegrondvest was, niet om eenigerlei waardigheid, die deze plaats in zich zelve had, maar uitsluitend omdat dit de wil en het welbehagen Gods was. Zoodat deze laatste wederherstelling evenzeer uif vrije genade geschied was, als de eerste aanneming des volks, toen God een verbond gemaakt heeft met Abraham, of toen Hij het volk uitgeleid heeft uit Egypte. En de liefde lot de plaats is om den wille der menschen, waaruit volgt, dal de Kerk van den beginne af en door alle tijden heen bijeen verzameld werd door de genade en milddadigheid Gods, omdat er in de menschen nooil eenigerlei waardigheid was, die zij van nature bezaten, en het is ook eene te kostelijke zaak om van de macht der menschen af te hangen. In het volgende vers wil de Profeet niets anders zeggen, dan dat de berg Zion met eene uitnemende schoonheid was versierd, maar die toch eigenlijk op hel hemelsch voorbeeld ziet. Want God heefl niet gewild, dal zijne kinderen bij de pracht en heerlijkheid der gebouwen zouden blijven slaan, of bij de praal der ceremoniën, maar dal zij hun' geest zouden opbefTen tol onzen Heere Jezus, die hel wezen der typen en afschaduwingen is. Daarom zegt hij, dat Tiet Heiligdom gebouwd is als hoogten, dat is, dat hel booger was dan alle hooge bergen, gelijk Jesaja en Micha, de wederoprichting profeteerende van den nieuwen en geestelijken Tempel, zeggen, dat hij op den top der bergen gesteld zal worden, opdat hij verheven zou zijn boven alle heuvelen of kleine bergen (Jesaja 2:2; Micha 4.:1). En wij welen, dal de vestingen in dien tijd op hoogten gebouwd werden. Daarna vergelijkt hij den berg Zion bij de geheele aarde. Want, ofschoon men het kan zien gebeuren, dat sommige deelon der aarde beven en bewogen worden, of verwoest worden door eene plotseling ontstane scheur, of beroerd worden door de eene of andere heftige omkeering, of eene verandering ondergaan, toch blijfl de geheele massa der aarde vast en onwankelbaar, om-dat hare grondslagen zijn in de diepte. De Profeet geeft dus te kennen, dat hel gebouw, waarvan hij spreekt, niet van lijdelijken of voorbijgaanden aard is, (gelijk de hooge en prachtige paleizen der koningen na verloop van lijd ineenstorten en in een' puinhoop worden verkeerd, of onderhevig zijn aan verwoesting door andere middelen), maar dat het zóó vast gegrond is, dat hel lot
Psalm 78 : 69â72.
aan hel einde der wereld zal blijven beslaan. Als iemand nu zegt, dat deze Tempel door de Chaldeën en Assyriërs verwoest werd, dan is die zwarigheid gemakkelijk op te lossen, want de vastheid, waarvan de Profeet spreekt, bestaat slechts in Jezus Christus. Want, zoo men dit oude Heiligdom, dat slechts een type of zinnebeeld was, op zich zelvcn beschouwt, zonder te letten op hetgeen er door voorgesteld werd, dan zal het slechts een nutteloos en onwezenlijk spooksel zijn; maar daar God gewild heeft dat het tol leeken en onderpand zou dienen van Christus, is het volkomen terecht, dat er een eeuwige duur aan wordt toegeschreven, gelijk elders gezegd is, dat God zijne grondslagen gevestigd heeft op de heilige bergen, en : Dat Hij Zion met zijne hand gegrond heeft, en: Dat Hij aldaar woont, zoodat zij nooit kan vallen (Psalm 87: Jesaja 14: 32; Psalm 74:2).
70. En hij heeft David, zijn1 knecht verhoren. Na melding te hebben gemaakt van den Tempel, komt hij nu te spreken van het koninkrijk, omdat deze zaken de voornaamste teekenen waren van de uitverkiezing en de genade Gods; gelijk ook Christus verschenen is als onze Koning en Hoogepriesler om ons eene eeuwige en volkomene zaligheid aan te brengen. En voorts toont hij aan, dat David door God zeiven tot Koning was gemaakt, daar Hij hem van achter de schapen heeft genomen om hem ten troon te verheffen. Want deze overgang zet niet weinig luister bij aan Gods genade, dal een eenvoudig dorpeling uit zijne herdershut wordt genomen om Koning te zijn. Nu beperkt de Profeet deze genade niet tol den persoon van David, maar hij geeft te kennen, dat alle waardigheid onder de kinderen van Abraham voorvloeit uit deze lontein van Gods genade en ontferming. Want al de heerlijkheid en het geluk van het volk was gelegen in het koninkrijk en in het priesterschap, welke twee zaken hij aan de genade en hel welbehagen Gods toeschrijft. En daarom moest de aanvang van hel Koninkrijk van Jezus Christus gering en verachtelijk zijn, opdat bel in overeenstemming zou wezen met zijn type, en opdat God openlijk zou doen blijken, dal Hij zich van geene uitwendige middelen heelt bediend om onze zaligheid te werken. Er is nog eene omstandigheid, die de genade Gods verhoogt, nl. dal David, die een schaapherder was, lot herder van hel uitverkoren volk en van Gods erfdeel is aangesteld, want hoewel dit eene toespeling is op den vroegeren slaat van David, loont de Geesl Gods toch ook aan, waarin hel verschil bestaat lusschen de goede en wettige koningen, en de roofzieke, afpersende, uitzuigende tyrannen, daar Hij zegt, dat
173
Psalm 78 : 70-71
zij herders moeien zijn. Daarna voegt hij er bij, dat liij gelrouwe-lijk den last, die hem was opgedragen, heeft volvoerd, en hiermede bestraft hij van terzijde de ondankbaarheid en verdorvenheid des volks, dat niet slechts de heilige, onschendbare orde van God heeft omgekeerd, maar door het nuttige en heilzame juk af te werpen, zich zeiven lot eene ongelukkige scheuringen verdeeldheid gebracht heeft. Hetgeen volgt over de voorzichtigheid der handen schijnt in oneigenlijken zin te zijn gezegd. De Profeet heeft helder en duidelijk te verstaan willen geven, dal David niet slechts gelukkig is zijne ondernemingen, maar dal hij door den Geest Gods werd geleid, zoodat hij nergens als in den blinde mede te werk ging, maar alles, waartoe hij door zijn ambt was geroepen, met wijsheid en beleid gedaan heeft, en dat alzoo in het vvelgelukken van zijne ondernemingen meer wijsheid dan geluk openbaar werd.
psalm: to.
INHOUD: Het is eene klage, of treurzang der Kerk, die zwaar beproefd is, waarin de geloovigcn wel treuren over hunne verwoesting en hunne vijanden beschuldigen van wreedheid, maar tevens belijden, dat zij rechtvaardiglijk gekastijd worden, en ootmoedig de toevlucht zoeken in Gods barmhartigheid, tot deze hope voornamelijk bewogen zijnde, doordat zij zien, dat hunne rampen in verband staan met het smaden van God, als de goddeloozen door de Kerk te verdrukken, zyn' heiligen naam lasteren.
Een Psalm van Asaf. 1. O God! de Heidenen zijn in uw erfdeel gekomen; zij hebben den Tempel uwer heiligheid verontreinigd , en hebben Jeruzalem tot steen-hoopen gemaakt. 2. Zij hebben de doode lichamen uwer dienstknechten den vogelen des hemels tot spijze gegeven; en het vleesch uwer gunstgenooten aan de dieren der aarde. 3. Zij hebben rondom Jeruzalem hun bloed vergoten als water; en er was [niemand]
174
Psalm 79 : 1.
die hen begroef. 4. Wij zijn onzen naburen ten smaad geweest, en dengenen, die rondom ons zijn, ter bespotting en beschimping.
1. O God! de Heidenen zijn in uw erfdeel gekomen. liet is duidelijk merkbaar, dal deze Psalm lang na den dood van Havid gedicht werd. Want dat sommigen bij wijze van verontschuldiging aanvoeren, dal de rampen en beproevingen der Kerk hier dooiden geest der Profetie voorzegd zijn, len einde de geloovigen te bemoedigen om hel kruis te verdragen. hiervoor bestaat geen schijn van grond, want de Proleten zijn niet gewoon om in hunne profetiën de taal der historie te gebruiken. En al wie met een onbevangen oordeel den samenhang van den tekst beschouwt, zal gemakkelijk bemerken, dal hij geschreven werd, toen de Assyriërs na den tempel verbrand en de stad verwoest te hebben, het volk in ballingschap hebben weggevoerd; of wel, toen de Tempel verontreinigd werd door Antiochus, nadat deze eene groote slachting onder de inwoners van Jeruzalem had aangericht; want het onderwerp past zoowel bij de eene als bij de andere gebeurtenis. Wij kunnen er ons dus van overtuigd houden, dat deze klacht aan de geloovigen was ingegeven, toen de Kerk onder zware verdrukking was, en de zaken uiterst wanhopig stonden. Want wij weten met hoeveel wreedheid de Assyriërs te werk zijn gegaan; evenals ook wie onder de tyrannieke overheersching van Antiochus, slechts den mond durfde te openen om den zuiveren dienst van God te bepleiten, ter dood werd gebracht. Nu klaagt de Profeet, in den persoon der geloovigen, ten eerste, dal de Tempel verontreinigd was en de stad verwoest, en vervolgens, in het tweede en derde vers, dal de heiligen in groolen getale gedood zijn geworden en hunne doode lichamen onbegraven bleven. Er is geen woord dat de wreedheid dei-vijanden niel uitdrukt. Want aangezien God dit land voor zijn volk had verkoren, was het niet met de rede bestaanbaar, dal het aan lleidensche volken overgeleverd was, om zoo smadelijk door hen vertreden en verwoest te worden. De Proleet klaagt dus dal de Heidenen in het erfdeel Gods zijn gekomen, alsol' hiermede de orde der natuur, als het ware, omgekeerd was. De verwoesting van den Tempel, waarvan hij in de tweede plaats spreekt, was nog le meer ondragelijk, omdal hierdoor de dienst van God op aarde vernietigd was. Hij voegt er bij, dat Jeruzalem, dal Gods koninklijke residentie was, tol sieenAoo^en was geworden,
175
Psalm 79 : 1 en 2.
176
waarmede hij te kennen geeft, dat de stad in een puinhoop was verkeerd, die hartverscheurend was om aan te zien. Daar nu de ontwijding van den Tempel en de verwoesting van de heilige stad niet zonder goddeloozen opstand legen God heeft kunnen geschieden, moest de toorn Gods legen de vijanden hier wel door opgewekt worden; daarom begint de Proleet met deze gebeurtenissen te vermelden, en komt dan in de tweede plaats tot het ombrengen der godvruchtigen. Hiermede wordt eene nog grootere wreedheid in het licht gesteld, daar zij de dienstknechten Gods niet slechts hebben gedood, maar hen ook aan de vogelen des hemels en den dieren des velds ten prooi hebben gegeven, om door hen verslonden te worden, in plaats van hen te begiaven. Nu hebben de menschen door alle tijden heen zoo groote waarde gehecht aan het begraven der dooden , dat zij niet eens hunne vijanden van de eer der begrafenis beroofd hebben. Hieruit volgt dat zij, die behagen scheppen in de barbaarschheid om doode lichamen door wilde dieren te zien verscheuren en verslinden, die wilde dieren in wreedheid evenaren. Hij toont ook, dat zij zich niet als andere vijanden gedragen hebben, en dat zij zich niet ontzagen het hloed der menschen te vergieten als water, waaruit men hunne ongemeene bloeddorstigheid kan afleiden. Als hij zegt, dat er niemand was om hen te hegraven, dan stiektdit zich uU tot hunne broeders en andere bloedverwanten, als of hij zeide dat de stedelingen door zulk een schrik waren bevangen wijl men allen, die men onlmoette doodde, dat zij zich niet naar buiten durfden wagen. Omdat God nu gewild heeft, dat in het begraven der menschen een getuigenis lag opgesloten van de laatste opstanding, was het een dubbele smaad, dat de heiligen na hun' dood van dit recht werden beroofd. Nu vraagt men echter, aangezien God, de verworpenen dikwijls met deze straf bedreigt, hoe Ili) het dan heeft kunnen toelaten dat de geloovigen door dieren werden verslonden. Wij moeten ons herinneren wat wij elders gezegd iiebben, dal de lijdelijke straffen, die slechts betrekking hebben op hel vleesch, zoowel de uitverkorenen als de verworpenen kunnen treffen, liet verschil ligt slechts in de uitkomst of hel einde, want onze lleere verkeert hetgeen op zich zeiven een leeken is van zijn loorn, in heil vooi zijne quot;eloovigen. Daarom moet van hel Gral volkomen hel zelfde gezegd worden als van den Dood. Hel kan gebeuren dat de voortreffelijkste dienstknechten Gods op wreede en smadelijke wijze ter dood gebracht worden, op dezelfde wijze nl. als moordenaars en andere verachters van God. Maar toch is de dood der heiligen dan niet minder kostelijk in Gods oogen;
Psalm 79 : 3 en 4.
177
en als Hij heeft toegelaten dat zij onreclivaardiglijk verdrukt werden in hun vleesch, zoo zal de wrake, die Hij hierom oefent aan hunne vijanden, genoegzaam aantoonen, hoe dierbaar zij Hem geweest zijn. En zoo is het dat God, ten einde aan de verworpenen ook na hun' dood de teekenen van zijn' toorn in te drukken, hen van eene eerlijke begrafenis beroolt; daarom dreigt Hij dien boozen koning, dat hij met eene ezelsbegralenis begraven zal worden (Jeremia i2;1(J). Maar als Hij zijne kinderen aan zoodanigen smaad blootstelt, en hel voor eene wijle den schijn heeft, alsof Hij hen heeft verlaten, dan zal Ilij dit daarna in een middel verkeeren dat hun heil helpt bevorderen, want, hun geloof, door deze verzoeking beproefd zijnde, zal nieuwe overwinningen behalen. Want dat men in oude tijden de doo-den balsemde, dal geschiedde slechts om den wille der overblij-venden, opdat zij hel lichaam ziende, dat als in veiligheid gebracht werd, zij de hoop op een beter leven in hun hart zouden koesteren. Daarom kan aan de geloovigen de begrafenis onthouden worden, zonder dat hen dit schaadt, als zij nl. door hel geloof zich boven deze ondergeschikte middelen verheffen, om spoedig in te gaan lol de gelukzalige onsterfelijkheid.
4-. Wij zijn onzen naburen ten smaad geweest, enz. Dit is wederom eene klacht om de ontferming Gods op te wekken. Want hoe meer de boozen zich Irotschelijk legen ons verheffen, en ons bespotten, hoe naderbij de hoop op verlossing is gekomen, want hunne onbeschaamdheid is Gode onverdragelijk, wanneer zij zich aldus in vermetelheid te huilen gaal; voornamelijk, wanneer die smaad over den heiligen naam Gods wordt uitgestort, gelijk geschreven slaat in Jesaja 37 : 22 en 23: Wie bespotten zij, of over wie hebben zij het hoofd geschud, o maagdelijke dochter Sions? En voorzeker! hunne naburen, die deels afvalligen waren en deels ontaarde kinderen Abrahams, en deels ook openlijke vijanden van den godsdienst, hebben terwijl zij dit arme volk kwelden, zich ook niet onthouden van God te lasteren. Zoo laat ons dan verstaan, dal de geloovigen hier niet klagen over den smaad, die hun persoonlijk is aangedaan, maar over de smaadheid die op indirecte wijze tegen God en zijne Wet was gericht, gelijk wij aan het einde van den Psalm nogmaals zien zullen.
5. Hoe lang, o Jehovah! zult Gij eeuwiglijk toornen? zal uw ijver zich ontsteken als vuur? 6. Stort uwe Dl. II. 12
Psalm 79 : 5.
grimmigheid uit over de Heidenen, die IJ niet kennen, en over de koninkrijken, die uwen naam niet aanroepen. 7. Want zij hebben Jakob verslonden, en zijne woonstede verwoest. 8. Gedenk ons de vorige ongerechtigheden niet; haast U, dat uwe barmhartigheden ons voorkomen, want wij zijn zeer bedrukt. 9. O God onzes heils, help ons, om uws heerlijken naams wil, en verlos ons, en wees onze zonden genadig, om uws naams wil.
5. Hoe lang, o Jehovah! enz Ik lieb cr elders reeds op gewezen, dal deze twee woorden: Hoe lang, en: eeuwiglijk, als zij le zamen gevoegd worden, een langdurig aanhouden van ramp en ellende aanduiden, waarvan men het einde niel kan bespeuren, gelijk men in hel Latijn zegt: Quousque tandem? dal is: Tol wanneer eindelijk? Hieruit maken wij op. dat het dus niet maar een paar maanden was nadat de Kerk begonnen is verdrukt le zijn, dat deze Psalm gedicht werd, maar dal het was toen de harten schier gebroken waren door het zoo langdurige lijden. Hoe dit zij, de geloovigen belijden hier, dat zij niel door zoo vele rampen geteisterd zouden zijn, en onder zooveel leed gebukt zouden gaan, indien God niet in toorn legen hen was ontstoken; wanl, daar zij er van overtuigd zijn, dal de boozen geenerlei macht hebben om kwaad te doen, zoo God hel niel wil, komen zij gemakkelijk lot de gevolgtrekking, dat, wanneer Hij aan hunne Ileidensche vijanden toelaat hun zooveel kwaad te doen, dit een leeken is van zijn groot ongenoegen en toorn. Ook konden zij niel anders op Gods hulp en bijstand hopen om vei lost te worden, want Hij slechts kan den teugel aanhalen, die eerst den teugel gevierd had. Inzonderheid betaamt hel ons, wanneer ons geweten ons aanklaagt als God ons bezoekt mei zijne roede, op Gods hand le zien. Zij beschuldigen God niel van onrechtmatig vertoornd te zijn, maar erkennen, dal hel met volle recht is, dat zij gestraft worden. Maar hoewel God nu in zijne dienstknechten altijd redenen genoeg kan vinden om hen le straffen, zoo leidt zijne goedertierenheid Hem er toe om dikwijls hunne misdaden te vergeven, en dan legt Hij hun hel kruis op met een gansch ander doel, gelijk Hij het geduld van Job heelt willen beproeven, en zijne Martelaren waardig heeft gemaakt een' eer-
178
Psalm 79 : 5 en 6.
vollen strijd te strijden, [lier echter plaatst het volk zich vrijwillig voor den rechterstoel Gods, en schrijft de benauwdheid, waaronder het zucht, toe aan hunne eigene zonde. Hieruit kunnen wij dus de waarschijnlijke gissing afleiden, dat de Psalm gedicht werd ten tijde der Babylonische ballingschap, want wij hebben elders gezien, dat zij onder de tyrannic van Antiochus eene andere wijze van spreken hadden, nl. Wij zijn niet alge-weken van uwe geboden, en hebben uw verbond niet verbroken; wij zijn niet tegen ü opgestaan en hebben uwe Wet niet verlaten, en toch zijn deze dingen over ons gekomen (Ps. 44:18). Niet, alsof de geloovigen tegen God hebben gemurmureerd, maar omdat zij wisten, dat God een ander doel had dan hen te straffen voor hunne zonde, want door deze zoo hevige aanvechtingen heeft Hij hen aangespoord om te streven naar hunne hemelsche roeping.
6. Stort uwe grimmigheid uit over de Heidenen. Dit gebed schijnt in strijd met de wel der liefde. Want hel betaamt ons, om niet zóó met ons eigen leed vervuld te zijn, of wij moeten nog altijd wenschen, dat ook anderen verlicht zullan worden. Daarom schijnen de geloovigen verkeerd te doen als zij hel verderf der ongeloovigen begeeren, over wier heil zij veeleer in zorge behoorden le zijn. Maar wij moeten in gedachten houden wat wij elders gezegd hebben, nl. Zoo iemand dergelijk gebed naar behooren wil bidden, dan moei hij daarbij gedreven zijn door ijver voor het algemeen welzijn, zoodal hel onrecht, dat hem persoonlijk aangedaan is, daarbij gansch en ai builen rekening blijft, en hij door geene vleeschelijke beweegredenen gedreven wordt tegen zijne vijanden; maar, zich zeiven vergelende, alleen het algemeen welzijn der Kerk op het oog heeft, en dil wil teweegbrengen. En vervolgens, dal hij den Geest der wijsheid en des oordeels moet aanroepen, zoodat hij, die bidt, door geen verkeerden ijver gedreven wordt, waarover wij elders uitvoerig gesproken hebben. Uier komt nog bij, dal de geloovigen hier niet slechts hun eigen voordeel uil het oog verliezen om alleen op hel welvaren der Kerk acht te geven, maar ook dat zij voornamelijk hel oog op Christus gericht houden, en wenschen dal Hij zijne vijanden, voor wie geenerlei hoop op bekeering meer mogelijk is, ten verderve zal bestemmen. Zij hebben dit woord dus zoo maar niet in het wilde uilgesproken, dal God dezen of genen zal verderven ; en evenmin loopen zij Gods oordeel vooruil; maar aan de verworpenen de veroordeeling loewenschende, die zij hebben verdiend, verbeiden zij geduldig, loldal de Rechter
12*
179
Psalm 79 : 6.
180
scheiding maakt tusschen de verworpenen en de uitverkorenen. Dit doende verwerpen zij dus volstrekt de liefde niet, die uit barmhartigheid wordt geboren ; want hoewel zij zouden wenschen dat allen behouden wierden, toch weten zij, dal sommigen vijanden zijn en blijven van Jezus Christus, voor wie dus geene hoop op beterschap meer overig blijft, en wier verderf dus zeker is. Toch is hel vraagstuk hier nog niet geheel mede opgelost, want in hel volgende vers, waar zij de wreedheid hunner vijanden aanklagen, schijnen zij begeerig naar wraak. Maar wij moeten ons le binnen brengen wat wij te voren gezegd hebben, nl. Dat niemand aldus kan bidden, tenzij hij met een publiek ambt bekleed zij, ol in de hoedanigheid van publiek persoon spreekt, en zijn eigen persoon daarbij geheel huiten rekening blijft, daar hij de zaak van geheel de Kerk omhelsd heeft en er voor heeft te zorgen. En zelfs moeten zij daarbij Christus als Hoofd der Kerk voor oogen houden, en eindelijk, dat zij door de leiding des Heiligen Geestes hun' geest opheffen tot hel oordeel Gods, zoodat zij bereid zijn lot vergeven, en niet alle vijanden, zonder onderscheid, den dood wijden, door wie zij beleedigd of verongelijkt zijn, maar alleen de verworpenen. Want onze lleere Jezus Christus heeft den onbedachlzamen ijver bestraft van hen, die, vóórdat nog de hoop op bekeering voor sommige Samaritanen afgesneden was, zich gehaast hebben om het oordeel over hen le willen uitspreken, en zeide hun: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijl (Lukas 9: 55). Hier komt nog bij, dat de geloovigen hier uiet maar eenvoudig het verderf vragen van hen, die de Kerk zoo boosaardiglijk hebben vervolgd, maar, naar het hun geoorloofd is, op gemeenzame wijze met God spreken. Zie hier de gevolgtrekking waartoe zij komen: Hoe komt het, lleere dat Gij ons zoo zwaar beproeft, wij, over wie uw naam toch is aangeroepen, terwijl Gij de Heidensche volkeren spaart, die U verachten? Daarna zeggen zij op eene andere plaats, dat God ruimschoots gelegenheid heeft om zijn' loorn elders te doen gevoelen, aangezien zij toch niet de eenigen zijn op aarde, die gezondigd hebben. Hoewel het ons nu niet betaamt aan God de wet voor te schrijven, maar het ons wèl voegt ons geduldig te schikken onder deze wet: Dat hel oordeel begint met het huis Gods, zoo is deze vrijmoedigheid toch aan de geloovigen vergeven, als zij vragen, om ten minste niet strenger behandeld le worden dan de ongeloovigen en de verachters van God. Laat ons inlusschen opmerken dal deze twee uitdrukkingen in eene zelfde beleekenis zijn genomen: God niet hennen en zijri naam niet aanroepen. Want door deze verschil-
Psalm 79 : 7 en 8.
lende wijzen van spreken geeft de Profeet te kennen dal zoo de kennis van God niet voorafgaat, het onmogelijk is Hem aan Ie roepen; gelijk ook Paulus leert (Rom 10:14). Want het betaamt ons niet te antwoorden: Gij zijl onze God (llosea 2:22) voordat Hij gezegd heeft: Gij zijl mijn volk; maar door ons lol zich le noodigen opent Hij onzen mond. Hoewel nu de aanroeping van Gods naam zich niet uilsluitend bepaalt lot het gebed, zoo komt de zaak toch hierop neer, dal, zoo de kennis van God ons niet leidt, het onmogelijk is, dat wij den waren godsdienst oprecht belijden. Wel is waar, de Heidenen van dien lijd hebben zich overal er op beroemd dat zij God dienden; daar zij echter versloken waren van zijn Woord, en zich een' God maakten naaide inbeeldingen van hun hart, was alles wal zij deden een walg in Gods oogen. Evenzoo is hel heden ten dage met het Pausdom; want deze arme verblinden bedenken niet wal Godes is; zij vragen zijn' mond niet om le weten wal Hem welbehaaglijk is, en daarom is het zeker, dat God hen verwerpt, daar zij afgoden in zijne plaats stellen.
8. Gedenk ons de vorige ongerechtigheden niet. De geloovigen bevestigen de zaak, die zij slechts kort en eenigszins duister aangestipt hebben, nl. dat deze straf hun rechtvaardig toebedeeld is; want de verlichting van hunne ellende kon alleen in verzoening met God worden gevonden. Want het eerste geneesmiddel tegen alle kwaad is: dat God ons wederom in genade aanneemt, want, als Hij in toorn tegen ons is ontstoken, dan zal zelfs voorspoed ongelukkig voor ons uitvallen en in kwaad voor ons verkeeren. Door de vorige ongerechtigheden verstaan sommigen die, welke door de vaderen zijn bedreven. Anderen denken dat het de zonden zijn van hen, die hier bidden, en waaraan zij zich in hunne kindsheid en jongelingsjaren hebben schuldig gemaakt. Ik voor mij acht, dal hel zich verder uitstrekt, alsof hier geene sprake is van een of twee overtredingen, die voorheen bedreven zijn, maar dal zij verschillende misdrijven belijden, die gedurende vele jaren als opgestapeld werden door hunne vaderen en door hen zeiven. Aldus erkennen zij zich schuldig aan langdurige hardnekkigheid, waardoor zij zich legen God hebben verhard. En deze bekentenis beantwoordt aan de bestralfing der Profeten. Want de Gewijde Geschiedenis getuigt dat de straf der gevangenschap uitgesteld werd lol dal het door ervaring aan God was gebleken, dat hunne boosheid ongeneeslijk was. Men moest er zich ook niet over verwonderen, dal de kinderen bidden, dal de cmgerechligheid hunner vaderen hun niet toege-
181
Psalm 79 : 8 en 9.
rekend zullen worden, aangezien de Wel verklaart, dat God de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen en wrake doet over hunne ongerechtigheden tot in het derde en vierde geslacht. Nu moet men de tegenstelling opmerken tusschen het werkwoord Haast U en de vorige ongerechtigheden] want indien God streng rekenschap had willen eischen wegens al de zonden, die de Israëlieten gedurende drie of vier honderd jaren hebben bedreven, dan zou de verlossing nog lang op zich hebben doen wachten. De geloovigen bidden dus dat God, hunne vorige ongerechtigheden vergetende, tol hen zal naderen om hun bijstand te verleenen. Omdat de vertraging en verhindering lag aan hunne zonde is het niet zonder oorzaak dat zij er bijvoegen, dat zyne harmharligheden hen snel mogen voorkomen.
9. O God omes heils, help ons, enz. De geloovigen herhalen ook in dit vers, dat alle rampen en beproevingen, die hen treffen, een uitvloeisel zijn van Gods toorn, en dat er geene andere verlichting is voor hunne smart, dan verzoend te zijn met God. En omdat zij zich schuldig gevoelen aan vele overtredingen, bevestigen zij door verschillende uitdrukkingen de hoop van genade te zullen verkrijgen. Ten eerste zoeken zij gunst te verkrijgen, zeggende: o God omes heils, daarna belijden zij dat zij niets van zich zeiven medebrengen, dat de barmhartigheid Gods zou kunnen opwekken, en daarom pleiten zij op niets anders dan op zijne eigene heerlijkheid. Hieruit leeren wij, dat allen, die gezondigd hebben, niet met God verzoend worden door eenigerlei voldoening of verdienste van hunne eigene werken, maar door zijne vrije genade en vergeving Men moet zich ook herinneren hetgeen ik vroeger reeds aangestipt en bij Psalm 6 uitvoeriger behandeld heb. nl dal, wanneer God ons kastijdt, wij niet slechts moeten verlangen naar verlichting van de uitwendige kastijding, maar dat het onze eerste zorge moet zijn om met God verzoend le worden; en dat men niet het voorbeeld moet volgen van die onverstandige kranken, die willen dat de symptomen hunner kwalen weggenomen zullen worden. terwijl zij er zich niet om bekommeren om van derzelver bron, of eerste oorzaak, bevrijd te worden Van het werkwoord kafar, dat de uitleggers vertalen door: Wees genadig, heb ik elders reeds gesproken. Eigenlijk beteekent het Reinigen en heeft het betrekking op de offers. Laat ons daarom telkenmale als wij met God verzoend willen wezen, gedachtig zijn aan Jezus Christus, want zonder bloedstorting is er geene vergeving. (Hebreën 9 : 22.)
182
Psalm 79 : 10.
10. Waarom zouden de Heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wrake over het bloed uwer dienstknechten , dat vergoten is, bekend zijn onder de Heidenen in onze tegenwoordigheid. 11. Laat het gekerm van den gevangene voor uw aanschijn komen, en behoud naar de grootheid van uwen arm de kinderen des doods. 12. En vergeld onzen naburen zevenvoudig in hun' boezem, hun' smaad, waarmede zij ü, o Heere! gesmaad hebben. 13. Maar wij, die uw volk zijn en de schapen uwer weide, zullen U tot in eeuwigheid belijden door van geslachte tot geslachte uwen lof te vermelden.
10. Waarom zouden de Heidenen zeggen. Thans pleiten de geloovigen nog in een' anderen zin op zijn' naam. Want Hij schenkt ons genade om zijns naams wil; aangezien Hij barmhartig is, en ons den mond wil sluiten, opdat Hij alleen gekend wordt rechtvaardig te zijn, vergeeft Hij ons onze zonden. Maar hier smeeken de geloovigen dat God zijn' heiligen naam niet zal blootstellen aan de lastering en bespotting der boozen. En hiermede worden wij er op gewezen, dat wij te vergeefs zullen bidden, indien wij aan de zorge voor ons heil niet met een onverbreekbaren band den ijver voor Gods eer verbinden. Uil het tweede lid van dit vers vloeit eene zelfde vraag voort, als die waarvan wij boven de oplossing reeds hebben gegeven. Want, hoewel God verklaart, dat Hij wrake zal doen over onze vijanden, zoo is het ons toch niet geoorloofd haar te begeeren, als wij vervolgd of gekweld worden. Zoo laat ons dan wél weten dal dit gebed niet voor iedereen, zonder onderscheid, door den Heiligen Geest is» ingegeven, om hel te bidden, naardal zij er door hunne hartstochten toe gedreven zijn, maar opdat wij onder de leiding des Heiligen Geesles de zaak van geheel de kerk behartigen en voorslaan tegenover de boozen. Zullen wij dus naar behooren bidden in deze zaak, dan moet in de eerste plaats de wijsheid des Heiligen Geesles in ons uitblinken, vervolgens moet onze ijver zuiver en gematigd zijn, want deze is dikwijls bedorven door de onreine neigingen van ons vleesch. Dan zal het ons vergund zijn om met een' reinen en gematigden ijver te bidden, dal God ons door blijkbare voorbeelden zal toonen, hoe dierbaar Hem het leven is zijner dienstknechten,
183
Psalm 79 ; 10â 12.
wier bloed Hij wreekt. Want het is de bedoeling der geloovigen niet om zich Ie verlustigen in het gezicht van het bloed der menschen, alsof zij vurig begeerden dit te zien vergieten; neen, zij wenschen slechts eene bevestiging van hun geloof door een blijk van Gods vaderlijke liefde, welke zich openbaart als Hij het onrecht wreekt, dat den zijnen is aangedaan. Wij moeten ook opmerken dat diegenen Dienstknechten Gods worden genoemd, die toch rechtvaardiglijk gestraft werden om hunne zonde; want, hoe zwaar God ons ook kastijdt, toch zal hij ons niet geheel verstooten; integendeel, Hij toont er mede hoezeer ons heil Hem ter harte gaat. En voorts: wij weten, dal wanneer de toorn Gods over geheel hel lichaam der Kerk is gekomen, omdat de goeden vermengd zijn met de boozen, zij ook allen in de algemeene straf deelen, gelijk ook Ezechiël, Jeremia en Daniël mede in de gevangenschap weggevoerd werden. Hoewel nu ook dezen niet volmaakt onschuldig waren; toch is het zeker, dal het volk niet om hunnentwil door zoo zwaar eene ramp getroffen werd, maar dal in hun persoon aan de goddeloozen een voorbeeld van Gods toorn voor oogen werd gesteld, opdat zij er des te grooler leed om zouden gevoelen.
11. Laat het gekerm van den gevangene voor uw aanschijn komen. Omdat ik er niel aan twijfel dat hel volk Gods in gevangenschap was loen de Heilige Geest dit gebed heelt ingegeven, ben ik van meening dat hij in hel algemeen gevangenen noemt degenen, die binnen de grenzen van Assyrië en Ghaldea waren opgesloten, en aan wie op straffe des doods verboden was van daar le vertrekken. En hij noemt kinderen des doods hen, die, ten opzichte van hunne gevangenschap, ter dood verwezen waren. Hel zou echter geenszins ongerijmd zijn dezen zin te beperken tol het klein getal dergenen, die tot engere gevangenschap veroordeeld waren. En door dit woord geeft de Profeet te kennen, dal die irotsche, weerspannige harten, die zicigt; voormaals tegen God hadden durven verheffen, verbroken en waarlijk verootmoedigd waren. Hij smeekt de grootheid af van Gods arm, dat is: van Gods macht, want zonder een groot wonder zou men op geene wederherstelling kunnen hopen.
12. En vergeld onzen naburen, enz. Wij hebben genoegzaam gesproken over de wraak; en hier toonen de geloovigen nog duidelijker, dat zij niet gedreven worden door hel kwaad, dal hun persoonlijk aangedaan was, maar dat zij branden van een' heiligen ijver, als zij den naam Gods blootgesteld zien aan den
184
Psalm 79 : 12.
smaad en den laster der goddeloozen; en zoo dit gevoelen heersclit in ons hart, dan zal dit gemakkelijk de verkeerde wensclien van liet vleesch in toom houden; en zoo de wijsheid des Geestes tusschenbeiden treedt, dan zullen onze gebeden in overeenstemming zijn met het rechtvaardig oordeel Gods. in het laatste vers zeggen zij dal de vrucht hunner verlossing zijn zal, dat de naam Gods zal geloofd worden, gelijk wij dan ook met geen ander dan dit doel moeten begeeren verlost te worden. Evenzoo geelt Hij ons ook alles uit den overvloed zijner vrije goedertierenheid, opdat zij gekend en verhoogd zou worden. Nu beloven zij eene dankbaarheid, die niet maar voor een' tijd zal wezen, maar de gedachtenis er van zal den volgenden geslachten worden bekend gemaakt, en door eene onafgebroken opvolging zal zij van mond tol mond aan de nakomelingen worden overgeleverd. Er moei ook gelet worden op de bijzonderheid als hij zegt: Wij, uw volk, en de schapen uwer weide. Want, daar de nakomelingschap van Abraham verkoren was om den naam Gods te loven, en zijn lof in Zion weerklonk, wat zou er dan gebeurd zijn indien dit volk omkwam? Zou dan ook de gedachtenis van den naam Gods niet zijn uitgeroeid. En er is niet aan te twijfelen dat deze plaats overeenstemt met de profetie van Jesaja: Dit volk heb Ik Mij geschapen, het zal mijn' lof vertellen (Jesaja 43:21).
SO.
INHOUD: Het is een gebed der smarte dat het God moge behagen zijne verdrukte Kerk ter hulpe te komen. Maar opdat de geloovigen des te eerder Gods bijstand in hunne ellende mogen verkrijgen, vergelijken zij hun' tegenwoordigen toestand bij dien van het begin, toen Gods genade over hen zoo bijzonder heeft uitgeblonken.
Aan den opperzangmeester op Shoshanim edoeth , een Psalm van Asaf. 2. O Gij, Die Israël hoedt, hoor! Die Jozef leidt als eene kudde. Gij, die gezeten zijt tusschen de Cherubim, laat U zien. 3. Wek uwe macht op voor het aangezicht van Efraïm, Benjamin en Ma-
185
Psalm 80 : 1.
nasse, en kom, om ons te verlosen. 4. O God! breng ons weder, en doe uw aangezicht lichten, zoo zullen wij verlost worden.
Hoewel deze Psalm bijna gelijk is aan den vorige, geloof ik loch dal hij gedichl werd len behoeve der lien slammen, nadat hun rijk door verschillende rampen lot verval begon le komen. Want hel is niet zonder reden, dal hier uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van Jozef, Efraïm en Manasse. Sommige uitleggers voeren aan dal de Profeet zinspeelt op de orde, die door Mozes in acht werd genomen bij de rangschikking van het leger, omdat Efraïm en Manasse naast elkander optrokken (Numeri 2: 18). Maar hel zou geen zin hebben om Jozeï, Manasse, Efraïm en Benjamin te noemen, en van den ganschen stam van Juda en de heilige stad le zwijgen, indien de Profeet niet zeer bijzonder de tien stammen op het oog had. Als iemand nu antwoordt, dat de tien slammen, sedert zij zich afgescheurd hebben van hel huis van David, ontaard zijn, en dal de dienst van God door hen was verdorven, zoo antwoord ik, dal onder hen nog vele trouwe dienstknechten Gods gevonden werden, die de knie voor Baal niet hadden gebogen, en zich met hel algemeen heerschende bijgeloof niet hadden ingelaten (1 Kon. lO : 18). En dal is de reden, waarom Amos klaagt over de hardheid, die in den stam van Juda gevonden werd, daar er niemand onder hen was, die over de verbreking van Jozef treurde (Amos 6: 6). Wij weten ook, dat na dien opstand eenige Proleten gezonden werden, om aan hen, die zich daar bevonden, hoop te geven op verlossing. Hoewel zij dus bijna allen van God waren afgevallen, heeft God loch niet afgelaten le zorgen voor het zaad, dal overgebleven was. En gelijk Hij le voren hunne toekomstige rampen verzacht had dooide profetiën en beiollen zijner genade, zoo bevestigt Hij hen heden in dezelfde hope door hun een' vorm van gebed in te geven, totdal zij door de uilkomst ervaren, dat zij met geene ijdele beloften werden gevleid. Hieruit verslaan wij, waarin het verschil lusschen dezen en den voorgaanden Psalm is gelegen. Is er nu iemand, aan wie hetgeen ik zeg niet bevredigt, hij is vrij om lusschen de verschillende meeningen eene keus le doen. ik koester echter de hoop, dat zij. die de omstandigheden nauwkeurig nagaan, mijn gevoelen zullen deelen. Ik zal niet verwijlen bij de woorden Shoshaiiim en Edoeth, aangezien ik reeds elders (Psalm 55) medegedeeld heb, wal hieromtrent de meening is der uitleggers, en daarenboven is de zaak niel genoeg van
186
Psalm 80 : 1â4.
belang om er xich veel over te kwellen. Zelfs diegenen die, de meeste kennis hebben der oudiieid, kunnen hieromtrent toch niets anders dan min ol meer waarschijnlijke gissingen te berde brengen.
2. O Gy, Die Israël hoedt! Vóórdal de Profeet melding maakt van Efraïm en Manasse, noemt hij eerst den naam van Jozef. Maar waarom dezen veeleer dan dien van Juda, indien het niet was dal hij voornemens is afzonderlijk over het rijk van Israël te spreken, over hetwelk de heerschappij bij de nakomelingen van Jozef berustte? Hiertegen is, gelijk ik reeds gezegd heb, geen bezwaar (aangezien God hun, na hen met zijne roede geslagen te hebben, profeten gezonden had) dat er het gebed mede gepaard gaat, dal God het overblijfsel lol zich zou vergaderen. Opdat zij zich echter ten opzichte van hun verdorven eerediensl niet zouden vleien, voert de Profeet hen door de aanroeping van God, die gezeten is tusschen de Cherubim, terug naar de zuivere leer der Wel. Want hel Verzoendeksel was een onderpand van Gods tegenwoordigheid, waar God beloofd had de zijnen nabij le wezen om hun gebed te hooien. Met was niet geoorloofd deze ordening Gods naar den lust en hel welbehagen der menschen te veranderen. De Israëlieten worden dus vermaand naar hun eersten oorsprong terug te keeren, opdat God hun genadig zou zijn. En voorts, de naam, of titel, die hier aan God wordt gegeven, geeft de uitnemende liefde te kennen van God jegens de menschen, daar Hij zich nederbuigt en (bij wijze van spreken) verkleint om lot hen af te dalen, en zich eene verblijfplaats uitkiest op de aarde om in hun midden le wonen. Want, in den eigenlijken zin des woords, is God niet gezeten, gelijk ook Hij, dien hemel en aarde niet kunnen bevallen, door geene plaats kan omsloten zijn; doch wegens de zwakheid der menschen, wordt Hij gezegd tusschen twee Cherubim te zijn gezeten, opdat de geloovigen door geen twijfel of vrees zouden weerhouden worden om tol hem de naderen, zich inbeeldende dal Hij op verren afstand van hen is. Men moet echter in gedachten houden hetgeen ik gezegd heb; nl dat hier aan de Israëlieten een' wettigen vorm van gebed is gegeven, opdat zij niet den god zouden aanroepen, dien zij zich te Dan en Bethel opgericht hebben, maar vaarwel zeggende aan hun bijgeloof, zich door het ware licht des geloofs zouden laten leiden volgens het Woord van God.
4. O God! breng ons iceder, enz. Dat is: herstel ons in onzen vorigen toestand. Zij hadden in het vorige vers gevraagd, dal God zijne kracht zou opwekken voor het aangezicht van Efraim en
187
Psalm 80 : 4 en 5.
Manasse, thans klagen zij, dal zij verworpen zijn, loldal God hun bijstand verleent en aan hunne treurige verstrooiing een einde maakt. Sommigen nemen het woord wederlrengen in een' anderen zin, alsol de geloovigen aan God om den Geest der wedergeboorte vroegen. Daar dit echter zeer gezocht is, zoo laat ons tevreden zijn met de eerste beteekenis, te welen, dat de geloovigen, gedrukt onder hunne rampen, de toevlucht nemen lol God, wien hel eigen is leven te geven aan de dooden En daar zij nu belijden, dal de oorzaak van hunne ellende hierin gelegen is, dal God, getergd zijnde door hunne zonde, zijn aangezicht verbergt, verwachten zij nu ook, van den anderen kant, alleen van zijne gunst heil en eene volkomene verlossing. Dit zal ons, zeggen zij, eene ware opstanding zijn uit de dooden, als uw aangezicht ons wederom beschijnt; alsof zij zeiden, dat zij, als God hun gunstig en genadig is, gelukkig zullen zijn, en dal zij dan in alles voorspoedig zullen wezen.
5. O Jehovah, God der heirscharen, hoelang zult Gij rook en tegen het gebed uws volks? 6. Gij hebt ons verzadigd met tranenbrood, en ons zeer vele tranen doen drinken. 7. Gij hebt ons onzen naburen ten twist gesteld, en onze vijanden spotten onder elkander met ons. 8. O God der heirscharen, breng ons weder, en doe uw aangezicht over ons lichten, en wij zullen behouden zijn.
5. O Heere, God der heirscharen Aangezien God in de Schrift belooft en stellig verklaart, dal de gebeden der zijnen niet te vergeefs lol Hem zullen opgaan, zou men er zich over kunnen verwonderen, dal de geloovigen lhans lol Hem zeggen, dal Hij zich niet van hen laat verbidden, hoewel zij de toevlucht tot Hem nemen. Want zij klagen niet slechts, dal hun gebed onverhoord blijft, maar dal Gods toorn tegen hen ontstoken is. als zij Hem aanroepen, alsof Hij hun dienst gansch en al verwerpt. Waar is dan de belofte: Eer zij roepen, zal Ik hen verhooren (Jesaja 65:24)? Omdat God echter door zijne hulp uit te stellen hel geduld der zijnen op de proef stelt, zegt de Profeet naar hel gevoel van hel vleesch, dal God doof is voor hunne gebeden, niet alsof de bidders daarom bij deze meening moeten blijven (want dan
188
Psalm 80 : 5â8.
zouden zij zich de deur toesluiten) maar hoewel zij door het geloof het tegenovergestelde moeten doen en tol den hemel moeten doordringen, waar zij hun heil verborgen zien, veroorlooll God hun toch hun hart uit te storten, en alle verdriet en zorg, alle smart en vrees, waaronder zij gebukt gaan voor Hem bloot te leggen. Nu schijnt er in deze woorden eene bedekte toespeling te liggen op den rook van Gods toorn en hel reukwerk, dat men Hem offerde onder de Wet. Want, instede dat dit reukwerk den hemel verhelderde, klagen zij, dat. door dien anderen rook de hemel zoodanig verduisterd wordt, dat hun gekerm niet lot God kan doordringen.
6. Oy hebt ons verzadigd. Door deze uitdrukking geven zij de zwaarte te kennen van hun leed en het lange aanbonden van hunne ellende; alsof zij zeiden: Wij zijn zóó verzadigd van kwelling en droefheid, dat wij niets meer kunnen dragen Daarna voegen zij er bij, dat zij hunnen naburen ten twist gesteld zijn, hetgeen op tweeërlei wijze verstaan kan worden, nl. dat zij in onoenigheid waren met hunne naburen, of wel, dat dezen, na hen overwonnen te hebben, onder elkander twistten over den buit, gelijk het gewoonlijk gaat, wanneer ieder den buit voor zich wil houden. Evenwel, de eerste beleekenis schijnt aannemelijker, nl. dat zij klagen, dat zij evenveel vijanden hebben als naburen, in plaats dat de nabuurschap tot wederzijdsche hulpvaardigheid en welwillendheid zou leiden. Dat is ook de strekking van het tweede lid, dat zij onder elkander den spot met hen dryven, dat is: dat zij] op spottende wijze spreken over hunne rampen. Doch ten einde zich zeiven en elkander tol berouw en bekeering op te wekken en aan te sporen, schrijven zij dit alles toe aan het oordeel van God die het in zijne hand heelt de harten der men-schen te neigen. En daar wij nu heden ten dage allen schuldig staan aan dezelfde zonden, moet men er zich niet over verwonderen, dal onze toestand ook niet beter is dan de hunne. Daar echter de Heilige Geest dien vorm van gebed heeft ingegeven aan menschen, die der wanhoop schier nabij waren, worden wij hierdoor bezield met hoop en vrijmoedigheid, opdat wij door de bewustheid onzer zonde niet teruggehouden worden van tol God te bidden Ongetwijfeld wordt ook herhaald wat reeds gezegd is, ten einde alle beletselen en hinderpalen te boven te komen. Want God heeft hier aan de zijnen geene ijdele herhaling van woorden willen ingeven, maar deze steun is hun dikwijls geschonken opdat zij, wanneer zij gebukt gaan onder hunne rampen, hun hart toch vrijmoedig op zouden heffen tot God, gelijk
189
Psalm 80 : 8 en 9.
dit dan ook bij hel einde van den Psalm voor de derde maal herhaald is.
9. Gij hebt een' wijnstok uit Egypte overgebracht, Gij hebt de Heidenen verjaagd, en hebt hem geplant. 10. Gij hebt de plaats van hem gezuiverd, Gij hebt hem wortelen doen schieten, en het land vervuld. 11. De bergen zijn bedekt met zijne schaduw, en zijne ranken zijn als cederen Gods. 12. Hij had zijne ranken uitgebreid tot aan de zee en zyne scheuten tot aan de rivier. 13. Waarom hebt Gij zijne omheiningen verbroken, zoodat allen, die voorbijgaan hem hebben afgelezen? 14. Het wilde zwijn des wouds heeft hem verwoest, en het gedierte des velds heeft hem afgeweid.
9. Gij hebt een wijnstok overgebracht uit Egypte. Onder hel beeld van een' wijnslok looft de Profeet de bijzondere genade, welke hel Gode behaagd heeft te betoonen aan zijn volk, nadat Hij het had verlost; en dit was een zeer krachtig argument om hen te doen hopen verhoord te zullen worden. Immers, wie onzer zou anders de stoutmoedigheid durven hebben om in Gods tegenwoordigheid te komen, indien Hij zelf ons niet noodigt en ons te gemoel komt? Nu noodigt Hij ons tol zich, zoowel door zijne weldaden als door zijn Woord. Daarom wordt hier nu gepleit op zijne milddadigheid en goedheid, opdat Hij hel werk zijner handen niet onvoltooid zou laten, dal hij eenmaal had begonnen. En hoewel nu de weldaden Gods zonder zijn Woord ons koud en ongevoelig zouden laten, zoo zullen wij, als de ervaring samengaat met hel Woord er ons groolelijks door bemoedigd gevoelen. Nu was de verlossing, waarvan de Profeet hier spreekt, bekleed met het verbond Gods; want God had het vier honderd jaren te voren met Abraham gesloten. De slotsom is dus, dal hel niet redelijk zou zijn; indien God thans den wijnslok door wilde dieren zou laten verwoesten, dien Hij op zoo uitnemende wijze zelf had geplant, gekweekt en verzorgd. Want hel verbond Gods was niet maar voor drie dagen, of voor slechts weinig lijds, maar Hij heeft de kinderen Abrahams voor altijd aangenomen. Door hel woord Wijnstok geeft de Profeet
190
Psalm 80 : 10â13.
le kennen, hoezeer God dit volk op prijs heefl gesteld, dal Hij niet slechts als zijn hijzonder erfdeel wilde houden, maar het ook heeft willen kronen door eene zeer bijzondere eer en heerlijkheid, gelijk de wijnstok meer dan alle andere bezittingen van groole en uitnemende waarde is. Door le zeggen dal de plaats, of de grond, gezuiverd was, herhaalt hij door eene vergelijking wat hij te voren zonder beeldspraak gezegd heefl, nl. Zgt;a(! c?e rotten verjaagd waren geworden, opdat de plaats ledig zijn zou om er zijn volk le doen wonen. Tenzij hij wellicht zinspeelt op het voortdurend graven, waardoor men de wijngaarden [van onkruid] zuivert, opdat zij niet in hel wilde groeien, om aan le duiden, dat God als een goed landman heeft gehandeld mei zijn volk, daar Hij, na den wijnstok geplant te hebben, niet heeft opgehouden met hem te kweeken en te verzorgen. Want, wal hij er onmiddelijk bijvoegt, Dat hij wortel had geschoten, moei geenszins verstaan worden van het eerste inplanten, maar van den arbeid, dien Hij er aan besteed heeft, om hem uit te breiden, hetgeen lol het kweeken van den wijnslok behoort. Daarom voegt hij er bij, Dat de hergen bedekt zijn geworden door zijne schaduw. Want hel geheele land, hoewel hel zeer bergachtig was, was vol van inwoners, zoo zeer had hel volk zich vermenigvuldigd. Daarom vergelijkt hij zijne ranken bij Cederen Gods, dal is, bij de schoonsten en voortrefTelijksten, opdat de zegen Gods er des le meer door zou uitkomen. Wij welen, dal de zee en de Eufraat de grenzen waren, die door God voor hel beloofde land vastgesteld waren.
13. Waarom hebt Gij zyne omheiningen verbroken? Dal is de toepassing van de gelijkenis; want het is zeer weinig voegzaam dal God den wijnstok, dien Hij met zijne eigene hand geplant heefl, aan de wilde dieren zou overlaten om vertrapt of uitgerukt te worden. Wel is waar heefl Hij dikwijls gedreigd, en door zijne Profeten doen aankondigen dat Hij dit doen zou, maar hel was om de ondankbaarheid des volks des te sterker le doen uitkomen, die den Heere genoodzaakt heefl zulk eene vreemde en ontzettende straf op hen toe te passen. Inlusschen s hel niet zonder oorzaak dal hel den geloovigen is bevolen uil deze zoo uitnemende goedheid Gods, vertrouwen le pullen dal zij ook le midden der verwoesting, toch nog de hoop blijven koesleren, dat God (die het werk zijner handen nooit laat varen, Ps. 138) voor hen zorgen zal. Want, hoewel hel volk van wege zijne ongeneeslijke hardnekkigheid verlaten was geworden, heeft God toch een klein aantal ranken er van behouden, en daardoor
191
Psalm 80 : 13â15.
heeft Hij zijn' wijnstok daarna in zijn geheel weder hersteld. Nu is die wijze van afsmeeken van vergeving aan geheel het volk voorgesteld, om eene schrikkelijke verstrooiing le voorkomen. Daar echter slechts zeer weinigen zich in waarheid voor God hadden verootmoedigd ten einde zijn toorn af te wenden, was het voldoende dal dezen aan den dood ontrukt waren, opdat uit hen later een nieuwe wijnstok zou voortkomen en groeien. Het snoode treedt nog sterker in liet licht door deze volzinnen, die als in tegenstelling met elkander geplaatst zijn, zoodal ons van den eenen kant God wordt voorgesteld als de wijngaardenier, en van den anderen kant, niet slechts de voorbijgangers, maar ook de wilde zwijnen en andere verscheurende dieren. Wat betreft het llebreeuwsche woord kirsem, dat wij vertalen door verderven, sommigen nemen het voor den huik vullen, welke beteekenis niet slecht voegen zou voor deze Schriftuurplaats, indien hel niel een weinig verouderd was,
15. O God der heirscharen, ik smeek U, aanschouw van den hemel en zie, en bezoek dezen wijnstok. 16. En de scheut, die uwe rechterhand geplant heeft, en de rank, die uwe rechterhand gesterkt heeft tot uwe heerlijkheid. 17. Hij is door vuur verbrand, en afgesneden , zij vergaan door het schelden uws aangezichts.
18. Uwe hand zij over den man uwer rechterhand, en over des menschen zoon, dien Gij U versterkt hebt.
19. En wij zuilen van U niet afwijken, doe ons herleven, en wij zullen uwen naam aanroepen. 20. O Jehovah, God der heirscharen, breng ons weder, doe uw aangezicht lichten, en wij zullen verlost worden.
15. O God der heirscharen. Door deze woorden heeft de Profeet ons willen ieeren, dat, hoewel God zijn aangezicht voor eene wijle verbergt, ja zelfs den schijn aanneemt van ons vervreemd le zijn., men toch niel moet toegeven aan de verzoeking [om zich der wanhoop over te geven.] Want, mits men Hem zoekt in de zekere verwachting van genade bij Hem le vinden, zal Hij ook gunst en genade beloonen zelfs aan hen, die Hij scheen te hebben verstooten. Hoewel hel nu voor het volk eene hooge
192
Psalm 80 : 15â17
eere was om door God als zijn' wijnslok te worden beschouwd, pleiten de geloovigen toch volstrekt niet op eenigerlei goed in hen zeiven, als zij deze omstandigheid in hun gebed aanvoeren om gunst en genade bij God te vinden; want dan vragen zij ilem slechts, dat hij niet ophouden zal hun zijne goedheid te betoonen. Ik twijfel niet, of deze woorden van den zijn ingelascht, opdat de geloovigen het niet moeielijk zouden vinden hun geloof ver te doen reiken, en tevens, opdat zij, wanneer zij op aarde geenerlei middel tol verlossing of uilkomst zien, hunne oogen op zouden heffen naar den hemel. Aangaande het Hebreeuwsche woord Canah, ik neem gaarne de vertaling aan van sommigen, die het overgezet hebben door eene toebereide plaats \ anderen zijn van gevoelen, dal in hel Hebreewsche woord de letter Gimel, verwisseld is met de letter Caph, zoodal hel woord dan Hof zon beteekenen. De lezer kieze uil deze twee meeningen welke hem hel beste dunkt. Intusschen is hel zeker, dal dit een beeld is, dat zeer dicht nadert tol het eerste, waardoor de wondervolle goedheid Gods in het licht wordt gesteld, om den bloei en hel welzijn van dit volk te bevorderen. Hij noemt ook de rank, die door Gods hand geplant werd, den man van zijne rechterhand.
17. Door vuur verbrand. De rampen en ellende des volks worden nu duidelijker uitgedrukt. Hij had gezegd dat de wijnstok des Heeren overgelaten was om door de wilde dieren te worden verwoest; maar hel is nog erger, dat hij door vuur verteerd, uitgerukt en vernietigd wordt. Hoewel nu de Israëlieten den waren godsdienst Uouwelooslijk hadden verlaten, maakten zij, gelijk reeds gezegd is, toch nog een deel uil van de Kerk. Daarom worden wij door het treurig voorbeeld van hetgeen er met hen gebeurd is er op gewezen, hoe zware straf wij verdienen door onze ondankbaarheid, voornamelijk als zij met hardnekkigheid gepaard gaat, zoodal God door bedreigingen noch bestraffingen eenigerlei goed bij ons teweeg kan brengen. Laat ons door dit zeilde voorbeeld ook leeren, om, zelfs wanneer Gods toorn op het felst is ontstoken, toch al ons verdriet en al onze zorgen voor Hem uil te storten, die door wondervolle middelen zijne kerk uit hel diepst bederl wederom doel opleven. Hij zou voorzeker bereid zijn ons niet alleen zijne gunst te blijven betoonen, maar ons ook al meer en meer te verrijken, indien onze boosheid het niet verhinderde. Daar hel echter onmogelijk is. dal Hij niet zou toornen wegens zoo vele snoode zonden, die wij dagelijks bedrijven, is hel eene grenzenlooze goedertierenheid zijnerzijds, dal Hij, wanneer hel vuur, door ons ontstoken, zich
lt;93
Psalm 80 : 17 en 18.
wijd en zijd verbreidl, door hel uil te blusschen loch nog een deel der Kerk spaart en in wezen houdl, of (om juister te spreken) uil de ascli zelve een volk doel verrijzen, dat zijn naam aamoept. De Profeet zegt wederom dat liet niet was door de Lrachl dei-wapenen van de vijanden, dat de Kerk verwoest v\eid, maai door liet schelden van Gods aangezicht, opdat wij nimmer verzachting van de sti ai' zouden verwachlen, lenzij wij er waarlijk van overtuigd zijn, dat wij rechtvaardigiijk door de hand Gods gekastijd werden. Nu was het een teeken van oprecht berouw om te'zien op de hand, die slaat, gelijk in eene andere Schriftuurplaats (Je?. 9:1) gezegd wordt.
18. Uwe hand zij over den man uwer rechterhand. Hij herhaalt in eenvoudige bewoordingen bet gebed, dat bij gebeden heelt onder het beeld van den wijnstok, en hij vraagt, dat hel God moge behagen onder zijne hand te bewaren den man van zijne rechterhand, en des menschenzoon, dien Hij zich versterkt heeft. Nu is het niet zeker of hij alleen van den Koning of ook van liet volk spreekt. Want, hoewel Jerobeam lot Koning gezalfd was. is bij toch niet wettig lot die waardigheid opgeklommen, en God heeft ook nooit een zijner opvolgers in die male zijne goedkeuring geschonken, of de macht en het recht des koninklijks is toch in het buis van David verbleven. Want gelijk wij hebben gezien in Psalm 78 : 07, God beeft den slam van Kfraïin niet verkoren, integendeel, dooi zijn onveranderlijk raadsbesluit werd de sciiepter aan den stam van Juda gegeven, gelijk dit in de profetie van Jakob is vermeld (Genesis 49 : 1ü). Daarom was hel eene goddelooze scheuring, toen liet grootste deel des volks Jerobeam aanhin». Deze moeielijkheid is echler wel op te lossen, want hoewel de aanvang van dit koninkrijk verkeerd was, (gelijk in llosea gezegd wordt: Ik heb u een Koning gegeven in mijn toorn, Hosea 13: II) was het loch later bevestigd als door
toelating, en voorts beeft de zalving bewezen, dal God bekrachtigd
heeft, heigeen door bet oproer des volks onbehoorlijk en godde-looslijk lot stand was gebracht. Daarom beeft bel volk van Israëi kunnen zeggen, dal zijn Koning door God aangesteld en bevestigd was; omdat bij, ten einde de scheuring verder tegen te gaan. aan de kinderen van David was toegevoegd. Want, hoewel door deze verdeeling de slaai des volks in verval kwam, zoo is toch door den verborgen raad Gods hel rijk in den persoon van Jerobeam als hel ware gestut ten einde hel nog in wezen te houden. Ik voor mij wil echter nog gaarne door dit woord geheel de Kerk zien aangeduid, lin het is niet zonder
194
Psalm 80 : 18â20.
reden, dat de Profeet het enkelvoud gebruikt, aangezien God gewild heeft, dat dit volk als een eenig man zon zijn. Om diezelfde reden legt ook Paulus nadruk op dit woord: uvoenzade (Galaten 8: 1(5), want Ismaël, Ezau en de anderen, die hen gelijk waren, waren verstrooid en uil elkander geraakt, toen God hel zaad Abrahams verlost en bijeenvergaderd heelt. Aldus zal het volk, dal God zich als zijn eigendom heeft aangenomen, opdat het als één enkel man zou zijn , menschenzoon genaamd worden. Omdat deze éénheid echter afhing van hel hoofd, heb ik er niet legen, dat dit inzonderheid van den persoon des Konings verslaan moei worden, in zoover hij hel grootste deel van hel volk voor een' algeheelen ondergang behoed heeft. En voorts: om Gods gunst Ie verwerven beroept de Profcel zich wederom alleen op Gods vroegere weldaden, alsol hij zeide: Ileere, daar het uwe zaak is te voleindigen wat Gij hebt begonnen, zoo bewaar den Koning, die ons van U gegeven is. Aan het slot beloven de geloovigen, dal zij, indien zij verhoord worden, de groole weldaden Gods dankbaar zullen erkennen, niet slechts door Hem lofofïeren te brengen, maar door geheel hun leven. Want hij neemt de aanroeping van Gods naam voor de varren der lippen (Hosea 14 : 3); maar als hij zegt: Wij zullen van U niet afwijken, wijst hij op de overeenstemming hiermede van geheel het leven. Men zou dit vers echter ook in dier voege kunnen lezen: Ileere, wij zullen, blijven onder uwe gehoorzaamheid,,ook wanneer er geene hoop op eene goede uilkomst overig schijnt le zijn, en de bilterheid onzer rampen zal er ons niet toe brengen om legen U op le staan. En als wij dooi' uwe genade en kracht weder opgericht zijn, tot onzen vorigen slaat, dan. zullen wij uwen naam grootmaken en verheerlijken. Hel zou overtollig zijn om nu nog verder te spreken over hel laatste vers, dat de Proleet hier voor de derde maal heelt herhaald.
PSALM 81.
INHOUD: Deze Psalm bestaat uit twee deeleu. Want, wie er ook de auteur van geweest is, hij vermaant liet volk om, daarliet door de liand Gods werd verlost, en verkoren werd om Hem een koninklijk priesterdom en eene bijzondere Kerk te zijn, deze onschat-
13*
195
Psalm 81 : 1 en 2.
bare genade te gedenken en zijn' Verlosser te eeren, zoowel door het zingen van zyn' lof, als door het leiden van een heilig leven. Voorts is er een verwijt van hunne ondankbaarheid jegens God, omdat zij, zachtkens en met goedheid tot Hem genoodigd zijnde, Hg toch niet bij hen heeft overmocht, daar zij hardnekkig geweigerd hebben het juk zijner Wet te dragen.
1. Aan den opperzangmeester op de Gittith van Asaf. 2. Zingt vroolijk Gode, onze sterkte, zingt met luider stem den God van Jakob. 3. Heft aan het lied, en geeft de trommel, de aangename harp met de luit. 4. Blaast de bazuin met de nieuwe maan, ter bestemder tijd, ten dage van ons offer. 5. Want dit is eene inzetting in Israël, een recht van den God Jakobs. 6. Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als deze uitging op het land van Egypte; ik heb eene taal gehoord, die ik niet verstond. 7. Ik heb zijne schouderen den last onttrokken; zijne handen zijn teruggetrokken van de potten. 8 Gij hebt geroepen in de benauwdheid en Ik heb u verlost; Ik heb u geantwoord uit het verborgene des donders; Ik heb u beproefd bij de wateren van Meriba. Selah.
2. Zingt vroolijk Oode. Deze Psalm is waarschijnlijk bestemd geweest [om gezongen te worden] op de feesldagen, wanneer de Joden hunne plechtige bijeenkomsten hadden. Want hij loont reeds bij het begin, dal God deze instelling niet verordineerd had, opdat zij als doof en Mom in den labeinakel zijn zouden (want de dienst van God is niet gelegen in ledigheid, en evenmin in koude of beuzelachtige ceremoniën), maar opdat zij door deze oefeningen de éénheid des geloofs onder elkander zouden versterken, belijdenis zouden doen van hunne zonde, elkander op zouden wekken om gedurig voort te gaan op den weg der godsvrucht, en zich te beijveren om eenstemmig üod te loven; in één woord, dal zij zouden vasthouden aan het heilig verbond, waardoor God zich hen had aangenomen. Daar nu onder de
196
Psalm 81 : 2â5.
Wet de feestdagen op die wijze gevierd werden, kunnen wij hittruil leeren, dat de geloovigen, telkenmale ais zij lieden Ie zaïnen komen, zicli ten doel moeten stellen om zich in ware godsvrucht te oelenen, zich de weldaden in hel geheugen terug te roepen, die zij van God hebben ontvangen, nul en voordeel voor hunne ziel te trekken uit zijn Woord, en getuigenis af te leggen van de instemming huns geloofs. Want de menschen bespotten God met hunne ijdele en nultelooze ceremoniën, indien de leer des gelools niel voorafgaat, en zoo deze de kracht niet heeft om hen lot de aanroeping Gods op te wekken; en indien ook de gedachtenis aan zijne weldaden hun geene slof biedt tot lof en dank; ja hel is eene ontheiliging van den naam Gods, als hel licht der leer is uitgebluscht, en hel volk zich slechts met een' uilwendigen eeredienst vergenoegt. Daarom beveelt de Profeet niet slechts dat de geloovigen zich bijeenvergaderen in den Tabernakel, maar hij licht hen levens in omtrent het doel waartoe zij te zamen komen, te welen: opdat de gedachtenis aan hel vrije verbond aldaar vernieuwd zou worden lot vermeerdering des geloofs en der vreeze Gods, ter verheerlijking der weldaden, die men van Hem ontvangen heelt, en de harten te stemmen om Hem lof en dank te brengen. Wal belieft de Trommel, de Harp en de Luit, wij hebben elders gezegd en zullen het later nogmaals zeggen, dal hel niel zonder reden is, dat de Levieten onder de Wel deze muziekinstrumenten gebruikt hebben, omdat God lot aan de komst van Jezus Christus zijn volk, dat toen nog leeder en gelijk aan kinderen was, door deze eerste beginselen heelt willen onderwijzen. Thans, nu hel licht des Evangelies de schaduwen der wet heeft doen verdwijnen, en ons toont, dal God op eenvoudiger wijze gediend moet worden, zou hel eene dwaasheid wezen te willen doen heigeen de Profeet slechts aan zijne tijdgenooten bevolen heeft, llieruil blijkt dus, dal de Papisten ware apen zijn geweest, toen zij dit ook voor zich zeiven aannamen. Onder de Nieuwe maan verslaat hij ook de andere feesten, een deel noemende voor hel geheel. Hoewel men nu dagelijks heeft geofferd, noemt hij toch bij uitnemendheid dagen der offerande wanneer de geloovigen bijeenkwamen inden Tabernakel, volgens hetgeen uitdrukkelijk in de Wet was bevolen.
5. Want dit is eene inzetting in Israël. Ten einde aan de vermaning meer kracht bij te zetten, loont hij dat deze inzetting aan Gods volk als eene wel was opgelegd, ten einde het eeuwig verbond le bekrachtigen En omdat er nu bij hel aangaan van een verbond eene wederzijdsche overeenkomst moei bestaan,
197
Psalm 81 : 5 en 6.
198
ze^t hij, dat deze Inzetting aan Israël gegeven is, en dal God zicli dil rechl bij hel aangaan des verbonds heelt voorbehouden.' Waar wij in liet zesde vers een Getuigenis van Jozef lezen, vertalen sommigen eer cl' sieraad van Jozef, daar zij het Hebreeuwsche Avoord edoeth afleiden van adah, hetgeen omhullen ol versieren beteekent; maar de samenhang van den tekst eischt de vertaling Getuigenis. En voorts, als de Profeet Jozel noemt, heelt hij het oog op den oorsprong, toen de twaalf stammen na den dood van Jakob onderscheiden werden. Want, daar de souvereiniteit toen nog niet in Juda was gevestigd, en Ruben van zijn' rang als eerstgeborene was vervallen, was het. redelijk en billijk dat het nageslacht van Jozef den voorrang had bij de herinnering aan de groote weldaden, die men uit zijne hand had ontvangen, daar hij de voedstervader zijner broeders en van geheel hel volk is geweest. En voorts: de Profeet geefl een bijzonder kenleeken om de heiligheid van dit verbond aan te duiden, te weten, dat üod zich hel volk heeft verkregen, loen Hij bedong, dal deze eer Hem zou worden toegebracht; alsof hij zeide, dat hel volk verlost was op deze voorwaarde, dal hel zich op vastgestelde en verordineerde dagen bijeen zou vergaderen, ten einde de herinnering te hernieuwen aan de genade, die aan hetzelve was bewezen. De woorden Toen hij uitging kan zoowel op God zien als op hel volk, want deze wijze van-spreken koml veelvuldig voor, dat God uitgaat vóór zijn volk, evenals een herder vóór zijne kudde heengaat, of een krijgshoofd vóór zijn leger. Als er gezegd is Op het land heeft dil volgens de meening van sommigen betrekking op de ligging van Judea, die hooger is, zoodat men uil Egyple komende, opwaarts gaal. Ik, voor mij, geloof echter, dal hel volk. God lol Leidsman hebbende, kloekmoedig door hel gansche land van Egyple is heengetrokken omdat de inwoners verschrikt en verbaasd zijnde, hun den doortocht vrij lieten. Hij verhoogt de genade der verlossing als hij zegt, in naam van geheel hel volk, dat zij uileene volslagene barbaarschheid waren gered Want er is niets dat smartelijker is dan om te gaan met. een volk, waarvan men de taal niet spreekt, daar dit het voornaamste middel is om gemeenschap mei elkander te oefenen. Want, daar de taal als het beeld en de spiegel is van het hart, zijn zij, die geene gemeenschappelijke laai kunnen spreken, vreemdelingen voor elkander, evenals wilde dieren. En als Jesaja eene ontzettende bedreiging wil uitspreken, zogt hij, dal er vijanden zullen komen met eene diepe spraak, en met verwarde woorden, zoodal men ze niel verslaan kan t (Jesaja 83; 19). Hel volk erkent dus dat de weldaad Gods zoo
Psalm 81 : 6â8.
veel Ie meer op prijs gesteld moei worden, omdal liet was uilgeieid van uil hel midden der Eyyplenaren, wier laai zij niel verslonden.
7. Ik heh zijnen schouderen den fast onttrokken. Hier be^inl God Ie verhalen de weldaden, die Hij aan Israël heefl hewezen, en op hoe velerlei wijze Hij dil volk aan zich verplichl heel'l. Wanl hoe harder en hillerder de slavernij was, waaruil Hij hen heeil verlosl, iioe koslelijker en hegeerenswaardiger de vrijheid was, die zij hebben verkregen. Als de Proleel dus zegl, dal hun zóó zware lasten waren opgelegd, dal zij er onder gebogen gingen, dal zij gedwongen waren aarden potten te vervaardigen, en anderen slaafschen en zvvaren arbeid te verrichten, geelï hij, door den eersten met den tweeden staal te vergelijken, meer heerlijkheid en luister aan de genade der verlossing. En nu moeten wij lot ons zeiven inkeeren, om ons harl en onze zinnen hooger op Ie hellen, daar God niet slechts onze schouderen aan den last van tichelsteenen heelt onltrokken, en onze handen aan den oven, maar ons verlost heelt van de wreede en ellendige lyrannie van Satan, en ons uil de diepte der hel heelt opgetrokken, zoodal onze verplichting jegens God nog veel grooter en heiliger is dan die van hel oude volk van Israël. Hij gaal met dezelfde gedachte vooil in hel volgende vers. God zegt, dal Hij hun, toen zij in de benauwdheid tol Hem riepen, hulp lieell verleend. Uil gezegde verklaar ik gaarne door hel gebed. Wanl, soms gebeurt hel wel, dal zij, die in den uilerslen nood zijn gekomen , en gedurende langen lijd onder groole verdrukking hebben gezucht, hunne armoede en ellende betreuren en beklagen zonder te welen lol wien zich te wenden; maar daar er toch noch wel eenige vonkskens van godsvrucht in dil zwaar beproelde volk waren overgebleven, en de belofte aan hunne vaderen geschonken, niel geheel uit hun harl was weggevloeid, twijfel ik niel of zij hebben hun gebed werkelijk tol God gericht. Want diegenen zelfs, die aan zoodanige dingen niel denken, zullen toch als de nood hoog geklommen is, door een verborgen aandrang der natuur de loevluchl nemen lol God. Zooveel le waarschijnlijker is hel dus, dat de belofte hun tol tuchlmeesleres diende, om hen er toe te brengen op God te zien. Dewijl niemand nu God in waarheid aanroept, indien hij ueene hulp en uitredding van Hem verwacht, heek dit roepen der Israëlieten er hen nog meer van moeten overtuigen, om de verlossing, die hun aangeboden was, aan een eenig God loe le schrijven Door hel verborgene des donders verstaan sommigen
199
Psalm 81 : 8 en 9.
naar mijn inzien al te spitsvondig en gezocht den donder, die het zuchten en kermen des volks verborgen hield, opdat de Egyptenaren er niet nog meer door geprikkeld zouden worden. Ik voor mij versta dit eenvoudig zoo, dat hel volk op verborgene en wondervolle wijze verhoord is geworden, maar dat er loch ook eenige duidelijke teekenen waren te bespeuren, waaruit de Israëlieten konden afleiden , dat zij van Boven ondersteund werden. Hoewel dus hel aangezicht Gods niet verschenen is, was loch de donder een onmiskenbaar getuigenis van zijne verborgene nabijheid Opdat nu de Israëlieten deze genade nog te meer op prijs zouden stellen, verwijl God hun, als van ter zijde, dat zij haar niet waardig waren, omdat zij door hun gedrag aan de wateren van Meriba hebben geloond, dat hunne natuur verdorven was; alsof Hij zeide: Daar uwe goddeloosheid zich toen duidelijk naar buiten heeft geopenbaard, volgt hieruit, dat ik niet door uwe waardigheid of verdienste geleid werd om u wel te doen. Nu gaat deze bestraffing ons volstrekt niet minder aan dan aan de Israëlieten, omdat God niet slechts ons kermen heeft gehoord, toen wij onder de tyrannie van Satan gebukt gingen, maar eer wij nog geboren waren, heeft Hij zijn'eenigenZoon verordineerd ter onzer verlossing. En daarna, toen wij nog zijne vijanden waren, heeft Hij ons geroepen om in zijne genade te deelen, ons verlichtende door zijne genade en zijn Heiligen Geest. Desniettemin blijven wij gedurig murmureeren, ja ontzien wij ons niet om trotschelijk tegen Hem op te staan.
9. Hoor, mijn volk, en Ik zal u betuigen; Israël! och! of gij Mij hoordet! 10. Dat er onder u geen vreemde god zij, en dat gij geen vreemd god aanbidt! 11. Ik ben Jehovah, uw God, die u uitgeleid heb uit het land van Egypte; doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. 12 Maar mijn volk heeft mijne stem niet gehoord, en Israël heeft Mijner niet gewild. 13. En Ik heb hen laten gaan naar de gedachte huns harten, zij zullen wandelen naar hunne raadslagen.
9. Hoor, mijn volk. Ten einde hunne harten nog sterker Ie bewegen, voert de Proleet God in, sprekende als een leeraar en gemeenzaam onderwijzende in het midden der vergadering, opdat
200
Psalm 81 ; 9 en 10.
201
het volk verstaan zou, dat alle bijeenkomsten onnut en beuzel-aclili}; zijn, wanneer de stemme Gods er niet wordt gehoord, om de mensclien tot gelooi en ware godsvrucht te bewegen. Maar wij moeten de woorden wal nauwkeuriger beschouwen. Deze inleiding toont kortelijk aan, dat de feestdagen niet naar recbl en bahooren gevierd worden, zoo de geloovigen niet opmerkzaam luisteren naar het woord van God, omdat zij met de ooren moeten beginnen, om hunne handen, hunne voeten, hunne oogen, hen zeiven, gansch en al aan zijn' dienst te wijden. Door het woord Betuigen geeft Hij te kennen dat Hij op plechtige wijze een verdrag met hen aangaat, waardoor zijne woorden des te meer gewicht en gezag voor hen zullen hebben. Hetgeen hier op volgt: Israël, och. of gij my hoordet, is naar, mijn inzien een afgebroken volzin, zooals wanneer men met groote gemoedsbeweging spreekt en daarbij bet een of ander uitlaat, dit dan nog grooter vurigheid verraadt. Sommigen voegen dit samen met het volgende vers, in dier voege: Israël, zoo gij naar mij hoort, zal er onder u geen vreemde god zijn. ik denk echter, dat het veeleer een woord is van iemand, die wenscht. Hoe dit zij, God geeft hier bedektelijk te kennen, dat Hij dit hardnekkig en oproerig volk mistrouwt, en dal Hij nauwelijks kan hopen, dat zij Hem volgzaamheid en gehoorzaamheid zullen betoonen. Daarna stelt hij hel voornaamste artikel en bijna den geheelen inhoud voor van het verbond, nl. dat Hij alleen boven allen is Evenwel, zoo men den zin liever aldus leest: Israël, indien gij naar mij zult willen hooren, dan eisch Ik niets anders van u, dan dal gij aan Mij alleen genoeg hebt, en dus geene vreemde goden zult gaan zoeken, zoo wil ik dit geenszins afkeuren. Hoe dit nu zij, God bevestigt door deze woorden, wat Hij zoo dikwijls elders in de Wet en de Profeten heeft aangetoond, nl. dat Hij zulk een ijverig God is, dat Hij het niet kan dulden ol verdragen dat een ander deelt in de eer, die Hem alleen toekomt, intusschen wijst hij er ook op, dal gehoorzaamheid hel begin is van hel ware dienen van God (Exodus 20:2, 4; Deul. 5:6â8). Bij Mozes is de orde verschillend, want, nadat God deze inleiding gemaakt heeft: Dal Hij de God is van Israël, verbiedt Hij dat zij zich nieuwe goden zullen maken. Hier echter komt het verbod in de eerste plaats, en dan wordt de reden er bijgevoegd, nl. dat zij zich tevreden moeten stellen met den God, die hen verlost heeft en hen als zijn eigen volk heeft verkregen. Het kan ook wezen, dal hij dit vooraan gesteld heeft als eene toebereiding, ten einde het volk er van af te brengen om zich aan bijgeloof over te geven, hetwelk eerst ontworteld en uiige-
Psalm 81 : 10 en 11.
zuiverd moei worden uil ons hart, voordal de ware godsdienst er wortel kan scliielen.
11. Doe uwen mond wijd open. Evenals God door te vermelden dat Hij het volk heelt verlost, hen, die Hij onder zijne lioede en bescheiming heeft genomen, een' teugel heeft aangelegd om Hem te dienen en te eeren, zoo kondigt Hij thans aan, dal Hij overvloed van goed heeft om zijn volk er mede te vervullen en le verzadigen. Nu moet men wèl acht geven op de drie redenen, die God gehruikt om de Israëlieten bij Hem alleen te doen blij\en, aanloonende dal zij verkeerd en goddelooslijk handelen, indien zij zich afwenden en zich lot vreemde goden hegeven. Want, als Hij zich te kennen geeft als God in algemeenen zin, verklaart Hij daarna door zich Jehovah le noemen, dat hel niet in de macht der menschen is zich nieuwe goden le maken. En als Hij zegt Ik hen, dan is daar groote kracht en nadruk in gelegen. Want, hoewel de Egyptenaren voorgaven den Schepper van hemel en aarde le dienen, zoo zijn zij toch door hunne minachting voor den God van Israël openlijk van leugen overtuigd. Want zoodia de menschen zich van Hem afkeeren, versieren zij de afgoden, die zij zich gemaakt hebhen, met hetgeen waarvan zij Hem berooven, welken anderen schijn zij ook aan hunne handelingen hieromtrent zoeken te geven Na verklaard te hebben dal Hij Jehovah, de Eeuwige is, bewijst Hij zijne Godheid door de ervaring: want Hij heelt er een duidelijk en onmiskenbaar bewijs van gegeven dooi' het volk le verlossen, daar Hij toen de belofle, aan de vaderen gegeven, heeft vervuld. Want de kracht, die God toen heeft lenioongespreid, moet niet op zich zelve en afzonderlijk beschouwd worden, want zij stond in verband met het verbond, dal God voormaals met Abraham had gesloten, die zelfde God, die blijk gevende van zijne waarheid en trouw zoowel als van zijne macht, den lol eisclit, die Hem toekomt. In de derde plaats biedt hij zich aan vooi de toekomsl, in dien zin, dat Hij, wanneer Israël den weg des gelools blijft bewandelen, voor de kinderen zijn zal wat hij voor de vaderen geweest is, omdat zijne goedertierenheid en milddadigheid niet uitgeput zijn Want, door de uitdrukking Wijd open doen beslrall Hij van ter zijde de engte, die zijne weldadigheid en mildheid den doortocht verhinderen; alsol Hij zeide, dal zoo hel volk arm is, ol in bekrompen omstandigheden verkeert, zij de oorzaak hiervan bij zich zeiven hebben te zoeken, omdat zij niet in slaat zijn liet goed le ontvangen waaraan zij gebrek hebben, ja wal meer is, door hun ongeloofde gaven alwijzen en verwerpen
202
Psalm 81 : 11 en 12.
die van zeiven lot hen zouden afvloeien. En liij gebiedl hun niet slechts den mond te openen, maar verheerlijkt nog meer den overvloed zijner genade, te kennen gevende, dat, hoever hunne begeerten zich ook uitstrekken, zij toch nergens gebrek aan zullen hebben, maar ten volle verzadigd zullen zijn. Hieruit volgt, dat zoo de genade Gods slechts droppelsgewijze op ons afvloeit, dit alleen is, omdat onze mond te nauw is; en dat zoo anderen gansch ledig zijn en verhongeren, dit is, omdat zij den mond gesloten houden. Want de meeste menschcn weigeren de goederen, die hun van den hemel worden aangeboden, óf omdat zij er geen smaak voor hebben, óf door hoogmoed, óf door waanzin; anderen verwerpen ze wel niet ganfch en al, maar ontvangen er slechls enkele dropskens van, omdat hun gelool zoo eng is, dat het geene ruimte biedt om veel te ontvangen. Nu wordt hierdoor de verkeerdheid, die er in de wereld is, zeer duidelijk openbaar, want men wil noch God kennen om liem aan te nemen, noch op Hem steunen en vertrouwen als men liem kenl. Want hoewel God hier eischt dat men Hem zal eeren door een' uitwendigen diensl, toch blijft Hij niet slaan bij den bloolen naam, want zijne majesteit is niet in twee ol drie lettergrepen gelegen, veeleer ziel Ilij op de zaak, nl. dat onze verwachting van niemand anders zij, en dat de lof voor gerechtigheid en heil en voor alle andere goed aan niemand toegebracht worde dan aan Hem. Want, door zich bij dien naam te noemen, verklaart Hij dat de Godheid is in zijn wezen, omdat in Hem volheid is van alle goed om er ons mede te vervullen en te verzadigen.
1 i. En myn volk heeft mijne stem niet gehoord. Thans uit God de klacht, dat de Israëlieten, die Hij door zachtheid tracht te winnen en lol zich te trekken, er geen acht op slaan, dat zij zoo vriendelijk door Hem uilgenoodigd worden, ja dat Hij hen gedurende zoo langen tijd reeds heeft vermaand, maar dat zij voortdurend hunne ooren toegestopt hebben voor zijn Woord. Want Hij klaagt niet, dat zij slechts voor een dag tegen Hem zijn opgestaan, maar dat zij van den beginne een stompzinnig en hardnekkig volk geweest zijn, en nog altijd in hunne weerspannigheid volharden. Nu is het voorzeker eene schrikkelijke boosheid als God bereid is een verbond met ons aan te gaan op wederzijdsche gelijke voorwaarden. Hem de deur te sluiten en gehoor Ie weigeren. Kn opdat zij zich niet met onwetendheid zouden verontschuldigen, voegt Hij er bij, dat Hij willens en wetens en met voorbedachtelijke minachting door hen was ver-
203
Psalm 81 : 11 â13.
204
worpen. Hieruit blijkl, dal hun geest door Salan als belooverd was. Nu verklaart Hij er eindelijk toe gekomen te zijn, om hen in de verharding huns harten te laten blijven, ol', gelijk anderen vertalen, in hunne gedachte. Want de wortel, waarvan dit Hebreeuwsche woord is afgeleid beteekent eigenlijk de navel. Daarom is de vertaling wel gepast om hel woord te nemen óf voor de gedachten, die als vermengd zijn iny en omhuld zijn door het hart, óf wel voor de hardheid, die in het midden des harten is. Daar wij echter weten dat in het Boek der Psalmen eene zelfde zaak dikwijls tweemaal wordt herhaald, heb ik liever het woord Gedachte gebruikt, omdat er onmiddelijk op volgt: Zij wandelen naar hunne raadslagen. En voorts betuigt hij door deze woorden dat Hij het volk rechtvaardig heeft gestraft, toen Hij de goede en gezonde leer van hen heelt weggenomen en hen aan verkeerde raadslagen heeft overgeleverd. Want, gelijk Hij ons, wanneer Hij ons regeert door zijn Woord, als met een' teugel weerhoudt, opdat wij niet in dwalingen vervallen, zoo heelt Hij ook, toen Hij de Profeten wegnam van de Joden, den teugel gevierd aan hunne verkeerde en verdorvene raadslagen, opdat zij in dwalingen zouden vervallen, lin dat is de schrikke-lijkste wrake, die men zich denken kan, en een teeken dat geen herstel meer le hopen is, wanneer God zwijgt en doet alsof Hij de zonde niet ziet, hoe veel aanmatiging er ook in ons zij, en Hij het geneesmiddel der kastijding niet op ons toepast. Want zoolang Hij ons bestraft, en ons verschrikt door ons het oordeel voor oogen te houden en ons voor zijn' rechterstoel daagt, roept hij ons te gelijk tot bekeering; maar als Hij ziel dal het vergeefsche moeite is om met ons te twislen, en zijne waarschuwingen niet baten, dan verklaart Hij door te zwijgen, dat Hij niel langer zorgt voor ons heil. Er is dus niets dal meer Ie vreezen is dan de menschen zóó van God losgemaakt en builen zijne leiding te zien, dat zij zich aan hunne eigene lusten en raadslagen overgeven en door Satan geleid worden waar hel hem behaagt. Men zou dit nog verder kunnen uitstrekken, te welen, dal Gods lankmoedigheid ten einde was, en Hij zich vertoornde op het volk, zoodat er Hem niets meer aan gelegen was om het le houden, omdal hel door zijne ongelooflijke boosheid alle hoop op beterschap en bekeering had afgesneden. Voorts [wil ik er nog op wijzen] dat sommigen al le dwaas doen, als zij uil deze schriftuurplaats afleiden, dat Gods genade gelijkelijk toebedeeld is aan allen, totdat men Hem verworpen heeft. Want zelfs in dien tijd had God door een bijzonder voorrecht hel geslacht van Abraham lol zich geroepen, terwijl hij de
Psalm 81 : 13 en 14,
gansche overige wereld voorbijging. Ik erken, dat er heden geen onderscheid meer is, en dat de boodschap des Evangelies, waardoor God zich verzoent met de wereld, aan allen gemeen is; evenwel, wij zien, hoe God goede en getrouwe leeraren verwekt in de eene plaats meer dan in eene andere plaats. Doch ook de uitwendige stem, dat is de uitwendige prediking, zou alleen niet volstaan, indien God ook niet krachtdadiglijk hen, die Hij heelt geroepen, tot zich trekt. En daar wij nu uit deze Schriftuurplaats leeren, dal er geene doodelijker krankheid is dan door zijne eigene gedachten en raadslagen te worden geleid, blijft ons niets anders over dan af te zien, van alle vleeschelijke wijsheid, om alleen de leiding des Heiligen Geestes te volgen.
14. O! had mijn volk naar Mij gehoord, had Israël in mijne wegen gewandeld! 15. Ik zou in korten tijd hunne vijanden hebben vernederd; Ik zou mijne hand gewend hebben tegen hunne wederpartijders. 16. Zij, die Jehovah haten, zouden zich geveinsdelijk aan Hem onderworpen hebben, en hun tijd zou eeuwig geweest zijn. 17. En Ik zou hen gespijzigd hebben met het vette der tarwe, en hen verzadigd hebben met honing uit de rots.
14 O, had mijn volk naar mij gehoord. Wederom toont Hij door een' eervollen titel, de verregaande snoodheid van het volk; want als zij het volk Gods waren volgens zijne roeping, dan was het eene dubbele boosheid, dat zij in niets hoegenaamd verschilden van hen, die Hem het vreemdst waren, gelijk Hij ook klaagt door [den mond] van zijn' Profeet Jesaja, zeggende: De os heeft zijn' bezitter gekend, en de ezel de krib zijns meesters; maaar mijn volk verstaal niet (Jes. 1 :3). Omdal nu hel Hebreeuwsche woord loe, dat wij vertalen door O! indien een' wensch le kennen geeft, maar geene voorwaarde, twijfel ik niet, of God roepl als iemand, die weenl en zucht, dal dit volk wel zeer ongelukkig is, daar het niet heeft toegelaten, dal er voor zijn welzijn en heil werd gezorgd. Want Hij stelt zich voor als een goed vader, die, wanneer hij ziel dal alle middelen, die Hij heeft aangewend, om zijne kinderen len goede te leiden,
m
Psalm 81 : 14.
906
vruchteloos zijn gebleven, zoodal hij geene hoop meer voor hen heeft, spreekt als iemand, die zucht en klaagt. Niel alsof God onderworpen ware aan menschelijke aandoeningen of gewaarwordingen, maar omdat Hij op geene andere wijze de liefde, die Hij ons toedraagt, kan uitdrukken. De Profeet schijnt deze plaats ontleend te hebben aan hel Lied van Mozes in Deuteronomium : ^9, waar l'à de hardnekkigheid des volks betreurt en bijna dezelfde woorden gebruikt. Nu is hier een stilzwijgend verwijt, opdat, de Joden hel goed zouden verstaan, dal bet aan niets anders dan aan hunne eigene boosheid te wijten was, dal zij niel volkomen gelukkig waren. Als iemand nu antwoordt dal God te vergeefs en zonder oorzaak klaagt, aangezien hel loch in zijne macht stond de stijve halzen des volks te buigen, en nu, daar hel Hem niet behaagd beeft dil le doen, er ook geene reden is om zich te vergelijken bij iemand, die treurig en lernedergeslagen is, dan antwoord ik, dal Hij volkomen terecht die wijze van spreken aanneemt, en dal wel om onzentwil, opdal wij de oorzaak onzer ellende nergens anders dan in ons zeiven zouden zoeken. Maar wij moeten er ons wèl voor wachten om geene dingen onder elkander le vermengen, welke even ver van elkander verwijderd zijn als de hemel verwijderd is van de aarde. Want God, die lot ons afdaalt door zijn Woord, en alle menschen, zonder uilzondering lol zich noodigl, slell niemand te leur. Want allen, die lol Hem komen, worden aangenomen en toegelaten, en dan gevoelen zij, dal zij niel te vergeefs geroepen zijn. Intusscben vloeit dil verschil voort uil de bron der verborgene uitverkiezing Gods, zoodal hel Woord bij sommigen doordringt lot bel bail, terwijl de anderen er slechts den klank van hooien. Eu toch is bel volstrekt niet ongerijmd, dal Hij klaagl als iemand, die treurt en weenl, wijl wij zoo onzinnig zijn van Hem niel te gehoorzamen. Want, daar Hij zich Vader beloonl door ons door bel uitwendige Woord lol zich te noodigen, waarom zou hij dan ook niel op een' vader gelijken in dezen vorm van klacht? Wanl hel is wel in waarheid dal Hij door Ezechiël verklaart dal Hij den dood des zondaars niet wil (Ezechiël 18:3:2) mits men de verklaring van deze uitspraak in oprechtheid en zonder twisting volgens hel context van den Profeet aanneemt. Hij wil niel den dood des zondaars. Hoe? OmÃal Hij wil, dat zij zich allen lol Hem bekeeren. Hel is genoegzaam bekend dal deze bekeering niet afhangt van den vrijen wil des menschen, totdat God hel sleenen hart veranderd heeft in een vleezen hart, en deze vernieuwing is (gelijk Augustinus zeer terecht zegt) heerlijker en kostelijker dan de schepping zelve. En wal ver-
Psalm 81 : U en 15.
hindert God na om de harten van alle mensclien pelijlielijk le neigen lol zijne gelioorzaamlieid ? Hier belioorl besclieidenheid en soberheid le worden belracht, opdat wij niet met geweid tot zijn J voor ons | onbegrijpelijk oordeel Irachlen door te dringen, maar ons le vreden stellen met zijn' wil, die ons geopenbaard is in zijn Woord. Want volkomen lerechl wordl gezegd dat Hij de redding en zaligheid wil van hen, lol wie deze roepstem gericht is: Komt lol Mij en bekeert u (Jes. -Ai). In het Ivveede lid zegt de Proleet wal hel is naar God le hooren. Want het zou niel genoeg zijn met God in te stemmen als Hij spreekt, omdat ook de geveinsden gereedelijk zullen loegeven dal alles, wat uil den mond Gods voortkomt, waarheid is, en zij doen dil zooals een ezel zijne ooren laat hangen. Maar de Profeet geeft te kennen, dat wij dan alleen naar God hooren, als wij ons aan zijn gezag onderwerpen.
15. Ik zou in korten tijd hunne vijanden hebben vernederd. Hier brengt hij hen onder hel oog dat alle rampen, die hen hadden getroffen, alleen aan hunne zonden waren le wijlen, omdat hunne vijanden met geene andere kracht of macht legen hen hadden gestreden, dan lie zij van Hoven hadden ontvangen. God had beloofd dal hel uitverkoren volk onder zijne leiding over al hunne vijanden zoude zegevieren; en opdat Hem nu niemand zou beschuldigen van ontrouw le zijn aan zijne belofle, verklaart Hij. dal Hij haar gewisselijk zou zijn nagekomen, als de zonde des volks dil niet had verhinderd. Ongetwijfeld geelt Hij hun ook stilzwijgend le kennen, dal zij de overwinningen van vroeger niet behaald hebben door hunne eigene kracht ol bekwaamheid, maar door zijne hand en zijne leiding. Nu zegl Hij, dal Hij niet slechts door hunne schuld weerhouden wordl van hen le beschermen en le bewaren, maar dal Hij door hunne goddeloosheid als het ware gedwongen is zijne macht tegen hen aan le wenden, door hunne vijanden ongedeerd le laten terwijl zij aanvielen. Hij gaal voort met dien zin als Hij zegl dal de vijanden zich ooimoedig onder het juk zouden hebben gebogen, indien de goddeloosheid der Israëlieten, waarmede zij Gods juk van zich afwierpen en God hebben geminacht, hun den moed niel bad gegeven om ook naar den zin en lust huns harten te leven. Dooi de vijanden van Jehovah te noemen, verwijt Hij den Israëlieten dal zij, den band des verhonds verbroken hebbende, zich van God hebben afgescheiden, en Hem verhinderden om tegen zijne en hunne vijanden krijg te voeren. Want, evenals aardsche vorsten, wanneer zij door
207
Psalm 81 : 15â17.
208
hunne bondgenooten in den steek worden gelalen, geneigd zijn vrede le sluiten met hunne vijanden, ten einde zich dusdoende te wreken op hen, door wie zij zoo valsch en verraderlijk behandeld waren geworden, zoo verklaart God hier, dat Hij zijne vijanden gespaard heeft omdat Hij door het volk van Israël schandelijk en snood was bedrogen. Want, waarom laat Hij de openlijke vijanden ongestraft blijven, en laat Hij voor eene wijle na zijne eigene eer en heerlijkheid te handhaven, indien niet, omdat quot;à hen gebruikt tegen zijn ongehoorzaam en oproerig volk, opdat het door hen ten onder gebracht zou worden? Wij hebben elders gezegd wat de beteekenis van het Hebreeuwsche woord cachash is, dat wij door leugen ol veinzen hebben overgezet. De Profeet duidt aan, dat men op geen' vrede kan hopen met de verworpenen, dan voor zoo veel God hunne woede betoomt en door verborgene ketenen inbindt, gelijk een leeuw, die in eene ijzeren kooi is opgesloten, toch altijd leeuw blijft, maar bedwongen wordt, zoodat hij hen, die in zijne nabijheid komen, niet kan verscheuren; evenzoo is het met de boozen: hoewel al hunne wenschen er naar uitgaan om ons te verderven, kunnen zij die wenschen toch niet in vervulling brengen; ja God vernedert hun' hoogmoed en hunne verwatenheid zoodat zij dan zachtheid en goedheid huichelen. Waar het dus op neerkomt is: dat het de schuld is der Israëlieten, zoo hunne vijanden sterker zijn zijn dan zij en hen met woest geweld aanvallen, want anders zouden zij aan de ware kinderen Gods onderworpen en gehoorzaam zijn. Wal betreft den Eeuwigen tijd, dal moet mede in verband gebracht worden met de beloften, evenals den overvloed van tarwe en honing waarmede zij verzadigd zouden worden; want God had betuigd, dal Hij hun Beschermer zou zijn en hen ten einde toe zou bewaren. De verandering dus, die zoo plotseling met hen heeft plaats gehad, wordt hun verwijtend voor oogen gehouden, omdat zij moedwillig hun heil terstond hebben verworpen. Hetzelfde geldt voor de vruchtbaarheid der aarde. Want wal is er de oorzaak van, dat zij in hel land, in hetwelk God hun overvloed van larwe en honing had beloold, hongersnood lijden, indien niet dat de zegen Gods door hunne ongerechtigheid als opgedroogd is? Door het vette der tarwe verstaat hij het zuivere meel, tenzij men hel liever voor eene larwe van zeer schoone en voortreffelijke hoedanigheid wil houden. Sommigen verslaan honing uit de rots zoo, alsof God gezegd had, dal Hij veeleer den honing van de rotsen zou hebben doen afdruipen, dan zijn volk niet te verzadigen. Maar daar de honing, (gelijk uil de gewijde historie blijkt) zich overal
Psalm 81 : 17.
in de spleten der rolsen bevond, zoo lang de zegen Gods overhel land was en het deed bloeien, is de eenvoudige zin, dal de stroom van Gods genade gelijkmatig zou zijn blijven vloeien, indien hij niet door de boosheid des volks gestuit en opgedroogd was.
PSALM 8S.
INHOUD: Omdat de Koningen en allen die met macht of gezag bekleed zijn, verblind door hoogmoed, zich maar al te dikwijls de vrijheid veroorloven om te doen wat zij willen, kondigt hij hun aan, dat zij rekenschap zullen hebben te geven aan den Oppersten Rechter, die hooger is dan alle hoogte der aarde. En na hen gewezen te hebben op hun ambt en staat, vraagt hij aan God, daar hij bemerkt dat hij als tot dooden spreekt, hierover wrake te doen.
1. Een Psalm van Asaf. God is gezeten in de vergadering Gods; Hij zal richten in het midden der goden. 2. Hoe lang zult gijlieden onrecht oordeelen, en het aangezicht der boozen opheffen? Selah. 3. Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den vertrapte en den arme. 4. Bewaart den arme en nooddruftige, en verlost hen uit de hand der goddeloozen.
1. Ood is gezeten in de vergadering. Daar God gewild heeft dat sommige menschen boven de anderen gesteld zijn om heerschappij over hen uit te oefenen tot welzijn van allen, is het zeer onbetamelijk, dat zij niel erkennen tot welk doel zij boven de anderen zijn verheven, noch door wien zij die hooge plaatsen innemen, maar alle recht en billijkheid versmadende, de vrijheid nemen om naar eigen zin en lust te heerschen; daar zij zóó bedwelmd zijn door hunne pracht en heerlijkheid, dat zij zich inbeelden, dat de geheele wereld slechts voor hen gemaakt is. Hier komt nog bij, dat zij het onbestaanbaar achten met hunne Dl. II. 14
209
Psalm 82 : 1.
210
hooge waardigheid om zich door wijzen en beaadigden raad te laten leiden; en hoewel zij zich nu in dezen waanzin te builen gaan, zoeken zij loch nog vleiers, die hunne ondeugden vergulden en toejuichen. Om deze hoovaardij le bestraffen, ontkent de Profeet bij den aanvang dat de Jronen en rechtszetels zóó zeer in het bezit zijn der menschen, dat God zich niet de opperheerschappij zou hebben voorbehouden, gelijk God ook gewild heeft, dal zells een lleidensch en goddeloos dichter getuigenis daarvan heeft afgelegd, zeggende: De geduchte Koningen hebben heerschappij en macht over de volken, die zij aan zich hebben onderworpen, maar de groote en heerlijke Jupiter, die de reuzen heeft overwonnen, en die door een oogwenk alles, wat boven en beneden het uitspansel is, kan doen wankelen, heeft heerschappij en macht over de Koningen en gebieders van alle volken. En opdat eindelijk_de Potentaten dezer wereld zich niet méér zullen toeëigenen dan hun toekomt, richt de Profeet hier een' troon op voor God, van welken Hij allen oordeelt, en hun' hoogmoed ter nederwerpt, hetgeen zeer noodig is. Want hoewel zij belijden dat het door Gods genade is, dat zij regeeren, en Hem ook dienen met uitwendige ceremoniën, toch zijn zij door hunne hoogheid zóó zeer betooverd, dat zij in hunne dwaze inbeelding God uitwerpen van hunne vergaderingen, want zij kunnen het niet verdragen zich aan wet en recht te onderwerpen. De Profeet wil den spot drijven met deze dwaasheid, dat zij in hunne vergaderingen aan God geene plaats laten. En om dezen hoog-moedigen eigenwaan des te beter te bestrijden, waardoor de vorsten dezer wereld zich bedwelmen, noemt God de burgerlijke orde de vergadering der goden; want hoewel zijne heerlijkheid uitblinkt in elk deel der wereld, toch schittert zij voornamelijk aan deze plaats, te weten: waar eene wettige regeering gevestigd is onder de menschen. Ik erken wel, dat het bij de Joden eene zeer gewone zaak is om alles wat zeldzaam en voortreffelijk is met den titel god te versieren, maar hier schijnt de Profeet, naar de omstandigheid der plaats, de orde en den staat der Vorsten goddelijk te noemen, omdat daarin de bijzondere majesteit Gods uitblinkt, gelijk Salomo het huwelijk het Verbond Gods noemt (Spreuken 2:17) omdat in het huwelijk eene bijzondere heiligheid gelegen is. In het tweede lid is het op zich zeiven genomen van weinig belang of wij lezen; In het midden der goden, of wel: Hij oordeelt in het midden der goden; behalve dat de eerste zin vloeiender is, namelijk: Hoewel de gebieders der wereld zich hoog verheffen, toch zijn zij niet bij machte om ook in het minst of geringst Gods recht te verkorten, daar
Psalm 82 : 1 en 2.
Hij de oppermacht over hen heefl en hel bestuur over alles aan zich houdt. Het woord goden heelt liier, gelijk een weinig later, en ook nog aan andere plaatsen, de beteekenis van rechters in wie God een bijzonder merkteeken van heerlijkheid heeft ingedrukt. Want hel van de Engelen te verstaan is eene al te ver gezochte verklaring.
2. Hoe lang zult gijlieden onrecht oordeelen ? Velen denken dat hier de orde en wijze van oordeelen of recbt spieken is aangegeven; doch naar mijn gevoelen heeft de Profeet dezen aanhef gebruikt om zich aldus den weg te effenen voor zijne bestraffing: Hoewel de Koningen het hoofd opheffen lot boven de wolken, leven zij toch slechts onder deze voorwaarde, dal zij onder de heerschappij Gods slaan; daarom is het te vergeefs dat hun hoogmoed er zich tegen verzei om naar rede te luisteren. Want hoewel de lyrannen door en door slecht zijn, en dooreen goddeloos verraad lol de plaals zijn gekomen, die zij innemen, zullen zij toch, indien een dienstknecht Gods slechts den mond tegen hen durft te openen, zich met den naam God dekken als of hun een groot onrecht geschiedde. Terwijl zij zich dus inbeelden, dal zij boven de Wet zijn verheven, en er zich dus niet aan behoeven te storen, laten zij de leer van God en hare bedienaren over voor hel gemeene volk. Daarbij denken zij dal er geene andere regeering of heerschappij is, dan wanneer zij alles naar hun wil en welbehagen doen. Maar het beginsel eenmaal vastgesteld zijnde, dat God over hen regeert, is er reeds eene opening voor de leer. Daarom richt de Profeet, nadat hij gezag verkregen heefl, zich vrijmoedig lot de Vorsten, en bestraft in hen een zeer groot kwaad, nl. dat zij zich veil stellen voor hen, die de armen onrechtvaardiglijk kwellen, en zich voor geld laten omkoopen om alle recht en gerechtigheid te verdraaien. Hij noemt inzonderheid de goddeloozen, omdat eerlijke, rechtschapen lieden nooit zullen trachten het recht te verkeeren. Daarenboven zijn de grooten der wereld nog als door een' duivelschen waanzin bevangen, zoodal zij meer geneigd zijn om achting en welwillendheid te betoonen aan slechte menschen dan aan onschuldigen en eenvoudigen. Doch laai ons het geval stellen, dat de boozen zich stil houden, en de gunst, der lieden door geene vleierij, bedrog, geld of andere kunstgrepen zoeken te verkrijgen; toch zullen zij, die de macht in handen hebben, meestal naar de verkeerde zijde overhellen. Dat is de reden waarom de Profeet het verwijt tot hen richt, dat de boozen meer gunsl bij hen vinden dan de eerlijke en rechtschapen lieden.
14*
Psalm 82 : 8 en 4.
m
3. Boet recht den arme. De Profeet geeft met korte woorden te kennen aan welke teekenen men eene rechtvaardige en gematigde regeering kan herkennen, le weten: dat aan armen en verdrukten recht gedaan wordt. Wel is waar wordt daarbij het woordfiguur gebruikt, dat men Synecdoche noemt, want ongetwijfeld is het een plicht om aan allerlei soorten van menschen recht te doen; maar de Profeet zegt niet zonder reden, dat zij lot beschermers en verdedigers aangesteld zijn van de armen en verdrukten, omdat dezen de hulp van anderen behoeven, welke zij echter nergens zullen vinden dan waar gierigheid, eerzucht en andere ondeugden geene plaats meer hebben. Nu dragen de rechters het zwaard om de boozen ten onder te houden, opdat het geweld te midden van de waanzinnige woede der menschen de overhand niet hebbe, en ook evenzeer, opdat al naar mate iemand macht krijgt, hij niet des le stouter wordt in hel verdrukken der zwakken. Ook gebeurt het slechts zelden dat de rijken zich lot de overheid wenden om hulp, tenzij het wellicht is, wanneer zij onder elkander oneenig zijn. Thans verstaan wij waarom de Profeet voornamelijk de armen en verdrukten aanbeveelt, want, gelijk de kranken de hulp des geneesmeesters behoeven, zoo hebben zij, die aan de wreedheid en hel onrecht der rijken zijn blootgesteld, den bijstand en de bescherming der overheid van noode. Indien de koningen en andere rechters er ten volle van overtuigd en doordrongen waren, dat zij aangesteld zijn om hel volk le beschermen, hel onrecht, dat men hel wil aandoen te weerstaan en alle geweld te onderdrukken, dan zou overal recht en gerechtigheid heerschen. Want al wie zich verwaardigt de zaak der armen te behartigen, zal zich door geen gunstbetoon her- en derwaarts laten leiden, maar alleen acht geven op hetgeen billijk en rechtvaardig is. Uit de woorden van den Profeet kunnen wij levens verslaan, dat ook wanneer niemand zich om hulp of bijstand wendt tot de vorsten, dezen zich toch aan ergerlijk plichtverzuim schuldig maken, zoo zij niet uil eigene beweging den verdrukte te hulp komen; want als de ongerechtigheid openlijk heerscht en men van alle kanten hoort zuchten en klagen, dan is het tevergeefs dal zij zich willen verontschuldigen met de bewering dal zij hel kwaad niet kunnen te keer gaan, zoo men er hun niet om vraagt, dat is: zoo men geene formeele klacht hij hen indient en hunne lusschenkomsl inroept Daar de verdrukking dus uit zich zelve luide genoeg roept, en de rechter, die in zijne hooge plaats is gezeten, zich houdl alsof hij niets ziet of hoort, verklaart de Profeet dat dusdanige veinzerij niet ongestraft zal blijven.
Psalm 82 : 5 en 6.
5. Maar zij weten en verstaan niets; zij wandelen in duisternis; al bewogen zich al de grondslagen dei-aarde 6. Ik heb gezegd: Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten. 7. Maar gij zult sterven als een mensch; en gij, Vorsten, zult vallen zooals ieder valt. 8. Sta op, o God, oordeel de aarde, want Gij zult alle natiën bezitten.
5. Zy weien en verstaan niets. Na de vorsten op hunne ambtsplichten gewezen te hebben, klaagt hij, dat het niet baat, omdat zij verdwaald zijn en de gezonde leer niet willen aannemen ; al zou de geheele wereld bewogen worden, zouden zij toch zorgeloos in hun plichtverzuim en vadsigheid blijven nederliggen. Waarin hij dus hun waanzin voornamelijk laakt is, dat zij, al zouden zij alles rondom zich onderst boven zien verkeeren, zij er zich hoegenaamd niet om zouden bekommeren, alsof de zorg voor het menschelijk geslacht hun in niets was toevertrouwd, terwijl zij er juist toe verkoren en aangewezen zijn om het te bewaren en te beschermen. Nu heb ik boven reeds gezegd wal er voornamelijk toe bijdraagt om hen van hun verstand te berooven. nl. dat zij verblind en bedwelmd zijn door hunne pracht en heerlijkheid, en daar zij trotschelijk elk juk van zich afwerpen, is er geen godsvrucht, die hen tot gematigdheid en ingetogenheid kan bewegen. Want het begin van een gezond oordeel en ware wijsheid is aan God de eer te geven, die Hem toekomt, opdat Hij ons in toom houde door zijn WJoord Aangaande het laatste lid, dat: Alle grondslagen der aarde bewogen worden, velen, ja bijna allen, nemen dit in een' anderen zin, alsof de Profeet zeide, dat, onder alle rampen der wereld dit de grootste is, dat de Vorsten zich niet van hun ambt en plicht kwijten, want de slaat der aarde, dat is de toestand der menschen, berust op dezen grondslag: dat de gerechtigheid heerscht. Volgens hen zal de zin dus wezen, dal de wereld bedorven en verwoest wordt door de onrechtvaardige tyrannie der Vorsten. Hoewel ik deze uitlegging nu niet gansch en al verwerp, acht ik toch veeleer â gelijk ik reeds met een enkel woord heb aangeduid â dal hij de ongehoorde stompzinnigheid der rechters veroordeelt, die de dingen in zoo afgrijselijke wanorde ziende, terwijl de gansche aarde bewogen is, er zich toch niet hel minst om bekommeren.
Psalm 82 : 6 en 7.
6. Ik heh gezegd: Gi) zijt goden. Dit is eene concessie, eene toegeving, waarmede de Profeet echter aantoont, dat de booze rechters geen steun ot' bescherming zullen vinden in de heilige waardigheid en hoedanigheid, waarmede God hen bekleed heeft. Hoewel hij hen nu niet sprekende invoert, is deze tegenspraak toch van gelijke beteekenis alsof hij gezegd had; Indien gij uwe waardigheid lot een schild maakt, waarachter gij u verbergt, dan zal deze grootspraak u toch van geenerlei nul zijn; ja veeleer bedriegt gij u zeiven in uwe dwaze gerustheid, want, als God u als zijne plaatsbekleeders heeft aangesteld, dan heeft Hij daarom van zijne souvereiniteit geen afstand gedaan. En voorts wil Hij, dat gij gedachtig zijl aan uwe broosheid, opdat gij u met zorge en in de vreeze Gods kwijt van den last, die u is opgedragen. Men kan hel ook nemen in den Persoon van God zeiven, die hun, met het gezag, ook zijn' naam heeft gegeven. Dit schijnt in overeenstemming te wezen met het gezegde van Christus, dat diegenen goden genoemd worden, tol wie hel Woord Gods was gericht Het zou ook gevoegelijk aldus kunnen verslaan worden: Ik erken dat gij goden zijt, en kinderen des Allerhoogsten. Voor de zaak zelve maakt dit geen verschil, wanl de Profeet wil alleen maar zeggen, dat de rechters zich niet achter hunne waardigheid kunnen verschuilen. om aan de straf hunner misdaden te ontkomen; want het bestuur der wereld is hun toevertrouwd op die voorwaarde, dat zij zeiven rekenschap zuilen hebben te geven voor den rechterstoel Gods, zoodat hunne waardigheid slechts tijdelijk is en mei de gedaante dezer wereld zal voorbijgaan. In dien zin voegt hij er terstond bij: Maar gij zult sterven als menschen Alsof hij zeide: Hoewel zij gewapend zijn met macht om de wereld te regeeren, zijn zij daarom loch niet ontdaan van hunne naiuur, zoodat zij niet onsterfelijk zijn. Andere schriftverklaarders, vertalen het laatste gedeelte van dit vers naar mijn inzien verkeerd, zeggende: Gij zult vallen als een der Vorsten. En zij denken, dat hun een geweldige dood is aangekondigd, gelijk de Heidensche dichter zegt: Er zijn slechts weinige Koningen en Tyrannen die tot Pluto, den schoonzoon van Ceres heengaan, anders dan door een geweldadigen en wreeden dood te sterven Daar deze uitlegging gewrongen en gezocht is, twijfel ik niet, of de Vorsten worden vergeleken bij geringe en gansch gewone menschen. Want met dit woord Als een bedoelt hij: als de eerste de beste uit het volk. Daarom zegt hij, hoewel zij vergeten dal zij menschen zijn, en zich in slaap wiegen door de valsche gerustheid van onsterfelijk te zijn, zullen zij toch evenals ieder ander naar den
Psalm 82 : 7 en 8.
dood heengevoerd worden. Jezus Christus, den laster willende weerleggen, waarmede de Parizeen Mem vervolgden, heeft dit getuigenis aangehaald: Indien de Schrift hen goden noemt, lol wie het gebod Gods gericht was, is dan hij niet zooveel le meer dien titel waardig, die geheiligd en in de wereld gezonden werd? Overigens, Hij stelt zich door deze woorden niet in de orde der rechters, maar Hij betoogt het groolere uit het kleinere: Indien de naam van God overgedragen is op zijne dienaren, zooveel te meer behoort die naam dan aan zijn' Eengeboren Zoon, die den Persoon des Vaders vertegenwoordigt, in wien zijne majesteit uitblinkt, en de volheid zijner Godheid woont.
8. Sta op, o Ood. Ik heb bij den aanvang gezegd waarom deze Psalm eindigt met een gebed. Het is omdat de Profeet, ziende dat zijne vermaning en bestraffing vruchteloos zijn, daar de Vorsten, opgeblazen van hoogmoed alle leer der rechtvaardigheid en billijkheid verwerpen, zich tot God richt, om van Hem le vragen, dat Hij hunne Irols en aanmaliging zal fnuiken. En op die wijze heeft de Heilige Geest ons eene vertroosting voorgehouden lelkenmale als wij op wreede wijze door de Tyrannen worden gekweld. Want, hoewel men op aarde geenerlei leugel ziet om hunne wetteloosheid te breidelen, zoo moet men toch opzien naar den hemel, om van daar hulp en vertroosling te verwachten, want het is niet te vergeefs dat God zich het ambt toeschrijft van de wereld te oordeelen. Daarom moeten wij Hem vragen, dat het Hem moge behagen orde te brengen in hetgeen in zoo droevige wanorde verkeert. De reden, die hier onmiddelijk op volgt, is volgens de meening van sommigen eene profetie van het Koninkrijk van Christus, door hetwelk Hij alle volkeren onder zijne gehoorzaamheid brengt. Maar ik strek hel nog verder uit, te weten, dat alle natiën Gode reeds van zelve gehoorzaamheid schuldig zijn, en dat het le vergeefs en onrechtvaardig is, dat de Tyrannen Hem van het recht van te heerschen willen berooven, als zij, zijn gebod minachtende, goed en kwaad, recht en onrecht onder elkander verwarren. Daarom betaamt het ons te bidden, dat Hij door orde le scheppen in de wereld, zijne heerschappij herneemt.
215
Psalm 83 : 2.
PSALM 83.
INHOUD: De Profeet smeekt Gods hulp af tegen de vijanden der Kerk, en om haar des te eerder te verkrijgen, verhaalt hij, hoe verscheidene volken zich verbonden hebben om het volk van Israël te verdelgen, opdat alzoo ook de Kerke Gods op aarde vernietigd zou worden. Intusschen toont hij door verscheidene voorbeelden, hoe God zjjne dienstknechten krachtig placht te hulp te komen, ten einde hierdoor zich zeiven en anderen op te wekken om met vuriger begeerte en grooter geloofsvertrouwen te bidden.
1. Een Lied, een Psalm van Asaf. 2. O God! houd U niet stil, zwijg niet, en rust niet. 2. Want, zie, uwe vijanden maken gedruisch, en die U haten hebben het hoofd opgestoken. 4. Zij hebben listiglijk beraadslaagd tegen uw volk, en zij hebben een' raadslag gesmeed tegen uwe verborgenen. 5. Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen afsnijden als volk, en dat de naam Israels niet meer gedacht worde.
2. O God, houd U niet stil. Velen komen hierin overeen, dal deze Psalm gedicht werd in den lijd van Koning Josaphal, heigeen ik gaarne aanneem; vvanl wij welen, dal deze godvruchlige Koning schrikkelijke oorlogen had te voeren, en vele machtige vijanden tegenover zich had. Wanl, hoewel de Ammonieten en Moahielen de voornaamste bewerkers waren van den voornaamste dier oorlogen, hebben zij niel slechts hulptroepen ontvangen uit Syrië; maar ook uit vergelegen landen, en al deze volken, aldus vereenigd en bijeenverzameld, hebben hel land van Juda schier geheel bedekt. Dewijl hij hier dus eene lange lijst geelt van vijanden, die hadden samengespannen om hel volk Gods uil le roeien, is deze gissing omtrent den lijd wanneer de Psalm gedicht werd, waarschijnlijk juisl. Want de gewijde Historie
216
Psalm 83 : 2 en 3.
verhaalt dat een der Levieten door den geest der Profetie aan den Koning de overwinning heeft beloofi, en dat de Levieten voor het aangezicht Gods hebben gezongen. Daar het nu niet anders kan, of het geheele volk, zoowel als hun godvruchtige Koning, moet onder zoo vele en groote gevaren in angst en benauwdheid hebben verkeerd, is hier een gebed vol vurig verlangen en heilige bezorgdheid. Hiertoe strekt ook de herhaling, die men reeds bij den aanhef van den Psalm aantreft: O God houd U niet stil, zwijg niet, rust niet. Alsof de geloovigen zeiden: Indien God hun ook al hulp wil verleenen, dan zal die hulp toch niet tijdig komen, tenzij Hij zich haast en terstond tol hen komt. Hoewel het ons nu betaamt om geduldig en kalm te verbeiden, als God toeft met ons te hulp te komen, geeft Hij ons toch verlof â en dat van wege onze zwakheid â om te wenschen dat Hij zich zal haasten. In het Hebreeuwsch slaat er woord voor woord; Zwijg niet voor U zeiven. Sommigen verklaren tiet door eene omschrijving: Zwijg niet in uwe eigene zaak ; hetgeen ik, als al te gezocht, niet heb nagevolgd. Overigens, deze wijze van spreken beteekent zooveel als: Houd U niet in. Het kan ook wezen, dal dil woordeke hier, evenals aan vele andere plaatsen, overtollig is.
3. Want zie, uwe vijanden. Hier wordt de nood le kennen gegeven, nl. dat de geloovigen benauwd worden, zoowel door hel geweld en de macht hunner vijanden, als door hunne listige raadslagen. Door le zeggen dat zij gedruisch maken en het hoofd opheffen verstaal hij, dal zij steunende op hunne macht eene hoogmoedige houding aannemen. En dewijl door zoo buitensporigen hoogmoed het hart der geloovigen zeer ter neder gedrukt wordt, kunnen zij ook alleen maar verlichting vinden door zich bij God wegens deze verregaande hoovaardij hunner vijanden le beklagen, daar hel zijn ambt en werk is om ten allen tijde de hoogmoedigen le wederslaan. Daarom hebben de heiligen, wanneer zij Gods hulp inroepen, de gewoonte om bovenal op de Irolschheid hunner vijanden te wijzen. Ook moeien wij er wel acht op geven, dat allen, die de kerk overlast aandoen, vijanden Gods worden genoemd; want dil is ons geen kleine troost en gerustheid, dal zij, die onze vijanden zijn, ook evenzeer Gods vijanden zijn. Dil vloeit overigens voort uit zijn vrij verbond, door hetwelk Hij ons beloofd heeft, dat Hij de vijand zal zijn van al onze vijanden, en dat wel terecht; want, daar Hij ons onder zijne bescherming heeft genomen, kan ons heil niet worden aangevallen of de majesteit Gods is beleedigd Intusschen moeten wij, voor
217
Psalm 82 : 3â5.
zooveel in ons is, vrede hebben mei alle menschen, en er ons op toeleggen om een Gode welbehaaglijk leven te leiden, opdal wij vrijmoedig voor Gods aangezicht kunnen roemen, dal men ons onrecht doet, als men ons kwelt zonder dal wij er aanleiding toe hebben gegeven. En hoewel er nu bij den hoogmoed en het geweld der vijanden ook nog hunne list gevoegd wordt, zoo moeten wij toch aan God de eer geven, die Hem toekomt, doordal wij tevreden zijn met zijne hulp. Want gelijk Hij hel hoofd doet buigen aan de hoovaardigen, die schuimbekken van woede, zoo is Hij ook gewoon de lisligen in hunne arglistigheid le vangen. En opdal wij niet zouden denken, dat wij aan de listen en lagen der vijanden zijn overgeleverd, geeft de Profeet ons zeer gepast een' naam, waarin veel vertroosting en hoop ligt opgesloten, als hij ons de verhorgenen Gods noemt. Want de verklaring van sommigen is veel le gewrongen, als zij zeggen, dal de hulpe Gods, waardoor wij ondersteund worden, niet openbaar is, gelijk elders van het leven der geloovigen gezegd wordt, dat hel verborgen is (Coll. 3: 3); dit, zeg ik, is ver verwijderd van de bedoeling des Profeten. Want hij wil slechts aanloonen, dat wij verborgen zijn onder de schaduw van Gods vleugelen. Want, hoewel het den schijn heeft, alsof wij blootgesteld en onderworpen zijn aan den zin en de lusten der boozen en hoovaardigen-, toch blijven wij inderdaad bewaard door de verborgene kracht Gods. Daarom wordt elders gezegd: Gij zult mij verbergen in de schuilplaats uwer hutte (Ps. 27 : 5). Intusschen moeten wij opmerken dat niemand onder de hoede en bescherming Gods verborgen is dan diegenen, die, hunne eigene kracht mistrouwende, al sidderende de toevlucht nemen lot God. Wanl zij, die denken, dat zij sterk genoeg zijn om weerstand le bieden, en zich roekeloos vooraan stellen, en zich houden alsof zij van alle vreeze verlost waren, zullen tol hunne groote beschaming bij het einde gevoelen, dal zij gansch van kracht ontbloot waren. Daarom is niets beter of veiliger dan ons te verbergen onder de schaduw Gods, wanneer wij, onze eigene onbekwaamheid gevoelende, ons heil in zijne handen overgeven.
5. Z'j hebben gezegd'. Komt, enz. De hoosheid van deze hoovaardigen wordt verzwaard door deze omstandigheid, dal zij beraadslaagd hebben om de Kerke Gods te verwoesten. Men kan dit beperken tot de Ammonieten en Moabielen, die als een blaasbalg gediend hebben om hel vuur in de anderen aan te wakkeren. Omdat echter de Hagarenen, de Syriërs en andere volken door dezen opgehitst, mei geen' minderen haal en woede bezield
218
Psalm 82 : 5 en 6.
waren legen hel volk Gods om hen Ie verdelgen, en daarvoor naar de wapenen hadden gegrepen, zou men dil woord ook gevoegelijk op allen kunnen loepassen. Wanl, daar zij le zamen overeen waren gekomen, en zich wederzijds verbonden hadden, hebben zij als hel ware onder elkander gewedijverd wie hel koninkrijk van Juda de meesle schade zou loebrengen De voor-naamsle oorzaak van dien wreeden haal is, dal Salan immer gelrachl heefl de Kerke Gods le verwoeslen, daarom heell hij niel opgehouden de zijnen hiertoe aan te porren. Afsnijden als volk beleekenl geheel uitrukken, opdat zij geene natie of volk meer zijn zouden, heigeen nog duidelijker wordl aangetoond in hel tweede lid, dat de naam Israels niet meer gedacht worde. Deze omstandigheid is het, die God lol ontferming heefl bewogen, nl. dal deze oorlog niel op de gewone wijze was ondernomen, zoodal zij overwonnen zijnde, in de macht hunner vijanden zouden vallen, maar de wreedheid is zoo ver gegaan, dat men hen gansch en al heefl willen uitroeien. En dal stond gelijl; mei den raad Gods le willen vernietigen. waarop het voortdurend beslaan der Kerk gel'ondeerd is.
6. Want zij hebben in het hart te zamen beraadslaagd ; zij hebben een verbond gemaakt tegen U. 7. De tenten van Edom en van de Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen. 8. Gebal en Ammon, en Amalek, de Philistijn met de inwoners van Tyrns. 9. Ook Assur heelt zich met hen verbonden; zij zijn de kinderen Lots tot een' arm geweest. Selah.
6. Want zij hehben beraadslaagd. Hier geeft hij een overzicht van de verschillende legers, die le zamen optrokken tegen de Kerk om haar te verwoeslen. Dewijl dus verscheidene natiën hare strijdkrachten hadden verzameld tegen een zwak koninkrijk, was het wel noodig, dat zij, die over geenerlei macht konden beschikken om zich le verdedigen, op wonderdadige wijze door God ondersteund werden. En toch is le midden van zoodanigen wanhopigen loesland, dit wezenlijk heldhaftig woord uil den mond van den godvruchligen Koning Asa gehoord: Het is voor God niet moeielijk bijstand te verleenen tegen een groot of'tegen een klein leger, en ons klein getal zal niel verhinderen, dat Hij ons van eene groote menigte verlost (2 Kron. 14: H). En
219
Psalm 83 : 6.
voorzeker heeft dezelfde Geest, die dezen godvruchtigen Koning kracht en standvastigheid schonk, dezen Psalm ingegeven voor geheel de Kerk, opdat zij vrijmoedig tot God zou gaan om hulp. En zell's heden spreekt Hij in ons, opdat geen gevaar of moeie-lijkheid ons verhindere God aan te roepen. Want, al zouden ook alle menschen tegen ons samenspannen, dan is toch deze koperen muur hun tegenovergesteld lot bescherming van het koninkrijk des Zoons van God: Waarom rebelleeren de Heidenen, enz. (Psalm 2:1). Overigens is hel ons zeer nuttig om in dit voorbeeld als in een' spiegel te aanschouwen, hetgeen van den beginne met de Kerke Gods geschied is, opdat een zelfde, of een gelijksoortige, toestand ons heden niet al te zeer doe sidderen en vreezen, als wij zien dal allen ons vijandig zijn. Want wij zien hoe de Paus met eene duivelsche woede de geheele wereld in rep en roer legen ons brengt. Daarom zullen wij, naar welken kant wij onze onze oogen ook richten, overal vijandelijke legers zien, die het op ons verderf hebben gemunt. Maar als wij bij ons zeiven vastgesteld hebben, dal ons niets nieuws overkomt, dan zal hetgeen er met de Kerk van ouds is geschied, ons opwekken tot lijdzaamheid en geduld, totdat het Gode behage zijne kracht plotseling te openbaren, die alleen genoeg is, om alle pogingen der wereld te verijdelen. Opdat nu de geloovigen er niet aan zouden twijfelen, dal hun hulp van den hemel is verleend, verklaart de Profeet zoo duidelijk mogelijk, dat zij die de Kerk overlast aandoen en kwellen, krijg voeren tegen God, aangezien Hij haar onder zijne bescherming heeft genomen. Want wij weten op welke voorwaarde Hij zegt ons te zullen helpen. Wie u aanraakt (zegt hij) raakt mijn' oogappel aan (Zach. 2 ; S). En hetgeen in een' anderen Psalm van de Patriarchen gezegd wordt, strekt zich in hel algemeen uit tol al de geloovigen, te welen: Raakt mijne gezalfden niet aan, en doet mijnen Profeten geen kwaad (Psalm 105 : 15). Want God wil, dat de zalving, waarmede Hij ons gezalfd heeft, ons als een schild zij, om ons veilig en wel te bewaren. Nu hebben de volken, waarvan hier gesproken wordt, Gode wel niet willens en wetens, of openlijk, den oorlog aangedaan; daar God echter als Hij de zijnen onrechtvaardiglijk ziet aanvallen, zich tusschen hen en hunne aanvallers stelt, om de slagen af te weren, zegt de Profeet volkomen terecht, dat zij, nl. deze vijandige volken, zich legen God hebben verbonden. Het is als wanneer heden ten dage de Papisten te zamen beraadslagen om ons te verderven, en men hun zou vragen, of zij sterker zijn dun God, zij terstond zouden antwoorden, dat zij volstrekt niet des zins of willens
Psalm 83 : 6â9.
221
zijn, om, naar de wijze der Reuzen, den hemel le beslorrnen. Hoe dit zij, daar God verklaart, dal Hij aangerand wordt, telkenmale wanneer ons onrecht geschiedt, moeten wij met het oog des geloofs als van verre zien, wat zij ten laatste door de uitwerking zullen gevoelen. Wat betreft de uitdrukking: Beraadslagen in het hart, sommigen verklaren het door vlijtig beraadslagen, of eene beraadslaging, waarop men zich toelegt met het hart, gelijk wij zeggen dal wij van harte doen, hetgeen wij wel bewust en met liefde verrichten. Doch de Profeet heeft veeleer de fijne, geslepene, en verborgene listen willen aanduiden, waarover hij een weinig te voren geklaagd heeft. Aangaande de Tenten of Tabernakelen van Edom, sommigen beschouwen dit als oorlogsmaterieel, alsof de Profeet zeide, dat zij wèl toegerust waren en van alles voorzien, om den krijg langen tijd te kunnen voortzetten. Doch hij schijnt hier veeleer hel oog te hebben op de levenswijze dier volken, omdat zij in tenten, of tabernakelen plachten le wonen, liet is echter ook eene overdrachtelijke wijze van spreken, alsof hij zeide, dal zij zóó vurig den oorlog begeerden, dat hunne tenten van hunne plaats werden gerukt, ik zal nu voorts niet over elk dier volken in bijzonderheden treden, omdat de schrift de meesten er van genoegzaam doet kennen. Als hij zegt, dat Assur met de anderen den kinderen Lots ten arm geweest is, dan wordt hunne boosheid hierdoor voorzeker zeer verzwaard. Het moet wel eene uitgezochte wreedheid zijn om aan vreemde volken hulp te verleenen tegen hunne eigene stamverwanten, maar als zij de eersten zijn om de krijgstrompet te steken, en als zij uit eigene beweging de Assyriërs en de anderen te hulp roepen om hunne broeders te verdelgen, is dan zoodanige barbaarschheid niet met recht afschuwelijk le noemen? Want, gelijk Josephus zelf verhaalt: de Israëlieten waren hun land doorgetrokken zonder hun schade of nadeel toe te brengen, want naar luid van Gods bevel hadden zij die van hun eigen bloed gespaard. Dewijl dus de Moabieten en de Ammonieten zagen, dat hunne broeders aan de banden der bloedverwantschap gedachten, behoorden zij van hun' kant dan niet ook de menschelijkheid te betrachten en geene vijandelijkheden tegen hen te ondernemen? Maar ook dit schijnt het lot dei-Kerk le wezen, om niet slechts door vreemde vijanden te worden aangevallen , maar om nog veel meer leed van de valsche broederen le ervaren. Gelijk ook heden niemand in grooler woede legen ons ontstoken is, dan zij. die zich Christenen noemen, doch het niet zijn.
Psalm 83 : 10 en 11.
10. Doe hun zooals aan de Midianieten, gelijk als aan Sisera, als aan Jabin bij de beek Kison. 11. Zij zjjn omgekomen in Endor, zij zijn de drek der aarde geweest. 12. Maak hen, hunne vorsten als Oreb, en Zeëb, en als Zebah, en als Zalmuna, al hunne Vorsten. 13. Die gezegd hebben: Laat ons de woningen Gods in erfelijk bezit nemen.
10. Doe hun zoo als aan de Midianieten, enz. Nadal de geloovigen hunne klaclil hebben uilgeslorl van wege de zware verdrukkingen, die zij hadden le lijden. opdat God bewogen zou worden hun hulp le verleenen, gedenken zij nu, hoe God dikwijls uilredding heell gegeven uil zware en groole benauwdheid. Hieruit is gemakkelijk al' le leiden, dal God om goede redenen zijne hulp uilslell, als zijne dienstknechlen schier ten doode loe gedrongen zijn, opdal Hij, wanneer alles verloren schijnt, hun wonderdadig le hulp komt, als hun nood op het hoogsle is geklommen. De Profeel vermengt hier twee gebeurtenissen , want hij zou lerslond hebben kunnen zeggen: Doe hun zooals aan de Midianieten bij de beek Kison; maar hij vlecht er de nederlagen in van Jabin en Sisera; doch de onderscheiding is van geen zeer groot gewicht, want het was genoeg om zich zeiven en anderen geloovigen de wonderen voor oogen le stellen, die God voormaals gewrocht heell, toen Hij zoo dikwijls zijn volk heeft verlost. Want, waar het op neerkomt is, dal God, die zoo menigmaal de vijanden heeft verjaagd, en zijne arme sidderende schapen zoo menigmaal aan den muil der wilde dieren heeft ontrukt, thans niet van kracht ontbloot is om hetzelfde wederom le doen. Wij welen op hoe wondervolle wijze Hij zijn volk door de hand van Gideon is le hulp gekomen (Richteren 6). Want hel zou wel niets dan eene bespotting hebben kunnen schijnen, als Gideon niet meer dan driehonderd wapenbroeders met zich nemende, en dal nog wel mannen, die hun gansche leven in dienstbaarheid hebben gesleten, en reeds op den bloolen aanblik van hunne heerschers verschrikt hadden kunnen wegvlieden, het ondernomen heeft om aan een talrijk en machtig leger slag le leveren. Maar hel is geschied dat de Midianieten verslagen werden, doordat zij in verwarring en verbijstering elkander aanvielen en doodden. Diezelfde genade heelt God beloond in den dood van Sisera en van Koning Jabin (Richteren 4 ; 22 en 23).
222
tgt;SALM 83 : 11-13.
Want beiden zijn onder de leiding eener vrouw verslagen en ten onder gebracht door Barak, die de sloutmoedigheid had om met weinige lieden slag le leveren aan zijne vijanden, hoe grool hun aantal ook mocht wezen. En Sisera, het legerhoofd zelf', is geen manmoedigen dood gestorven, maar werd in het huis, waar hij eene schuilplaats zocht, dooi de hand eener vrouw gedood. Opdat dus de geloovigen tol geene wanhoop zouden vervallen, als zij door eene al te groote vreeze zijn aangegrepen, stellen zij zich in tijds deze voorbeelden van verlossing voor oogen, door welke God getoond heeft, dat er in Hem alleen macht genoeg is om de zijnen staande te houden, telkenmale als zij van menschelijke kracht ontbloot zijnde, tol Hem de toevlucht nemen, Door deze ongelooflijke en buitengewone uitreddingen hebben zij ook geleerd, dal God wonderen werkt om zijne Kerk te verlossen, zoodal zij wel verzekerd zijn, dat een ademtocht van Hem genoeg is om hunne vijanden ter aarde te werpen. En hel is niet slechts aan deze plaats dat de nederlaag der Midianieten tot dit doel wordt medegedeeld: ook Jesaja bevestigt dat de Kerk door een zelfde middel hersteld zal worden. Als Hij zegt, dal zij de Drek der aarde geweest zijn, dan kan dit op tweeërlei wijze verklaard worden, hetzij dat zij der xerrotling op aarde waren prijs gegeven, of wel, dat men hen als mest onder de voeten vertreden heeft, en dit laatste is het meest gepast, schoon ik het eerste ook niet verwerp. Men zou niet met zekerheid kunnen zeggen, waarom hij zegt, dal zij zijn omgekomon in Endor. Die naam komt voor in Jozua 17 ; 11. En het is waarschijnlijk, dat het daar geweest is, waar het leger van Jabin verslagen werd. Wanl ik acht hel niet goed, dal sommigen dit verklaren alsof er gezegd was, dat zij openlijk en voor ieders oog verslagen waren
13. Die gezegd hebben. Wederom beschuldigt hij deze Heidenen van heiligschennis, omdat zij als roovers, die zich aan wel noch recht storen, het erfdeel Gods hebben aangevallen en beroofd. Zeker hebben zij dit niet in even zoo vele woorden gezegd, maar, aangezien zij Gód minachtten, dien zij wisten door de Israëlieten te zijn aangebeden, is de Profeet in zijn recht om hen van de misdaad te beschuldigen, dat zij gepoogd hebben God van uit zijn erfdeel te verjagen. Men moet er ook niet aan twijfelen, dat zij den waren God hebben gesmaad, daar zij, verdwaasd door hunne eigene inbeeldingen en verzinselen, zijn' heiligen Naam als niets achten. En al zouden zij zich ook van bepaalde godslasteringen onthouden hebben, toch zijn al de
^23
Psalm 83 : 13 en 14.
kwellingen, die den geloovigen worden aangedaan, even zoo vele beleedigingen van God, die hen in zijne heilige hoede heell genomen. In deze wijze van spreken ligt ook geene kleine ver-Iroosling opgesloten, als de Profeet het koninkrijk van Juda de woningen Gods noemt. Want Hij heeft zich bij ons gevoegd op deze voorwaarde, dat Hij eene eeuwige rust en woonstede onder ons hebben zou, of liever, dat Hij even hoogen prijs stelt op zijne Kerk, als een huisvader prijs stelt op zijne beste en dierbaarste bezittingen.
14. O mijn God, maak hen als een wervel, als een stroohalm voor den wind. 15. Gelijk het vuur het woud in brand steekt, en gelijk de vlam de bergen in gloed zet. 16. Vervolg hen evenzoo door uwen storm en verschrik hen door uwen dwarlwind. 17. Bedek hun aangezicht met schande, opdat zij uwen naam zoeken, o Jehovah! 18. Dat zij beschaamd en verschrikt worden tot in eeuwigheid, dat zy schaamrood worden en omkomen. 19. En dat zij weten dat Gij zijt met uwen naam Jehovah, Gij alleen zijt hoog verheven over de gansche aarde.
14. O mijn God. Omdat de hoogmoed der boozen onver-dragelijk is, als zij er op uit zijn om de Kerk te verdelgen, bidt de Profeet, dat God hen beschaamd en schaamrood zal maken, aangezien hunne hoovaardij niet vernederd kan worden vóórdat zij smadelijk ter aarde worden geworpen. Wat betreft dal de Profeet zegt, dat zij daardoor den Naam Gods zullen zoeken, dit moet, naar mijn inzien, niet opgevat worden, alsof er oprecht berouw of ware bekeering mede bedoeld was Wèl erken ik, dat dit de eerste stap was om lot bekeering te komen, als de menschen, verootmoedigd door de kastijding, zich gewillig vernederen; maar de Profeet geeft eenvoudig eene slaafsche onderwerping en gedwongen nederigheid te kennen, zooals die van Koning Farao geweest is. Want het gebeurt dikwijls dat de boozen en hoogmoedigen, door rampen en kwalen ten onder gebracht zijnde, voor een weinig tijds Gode de eere geven; daar zij echter spoedig daarna door waanzin bevangen en als vervoerd
224
Psalm 83 : 14â 19.
worden, wordt hunne geveinsdheid hierdoor gemakkelijk aan hel lieht gebracht, en dan komi de Irotschheid en weerspannigheid, die op den bodem huns harten is blijven verwijlen, weder boven. Nu begeert de Profeet dat de boozen door slagen en kastijdingen gedwongen zullen worden om in weerwil van zich zeiven God te erkennen, opdat hunne woede, die zich, wijl zij straffeloos zijn gebleven, zoo vrijelijk openbaart, ten minste ingetoomd en bedwongen zal worden, üit wordt nog duidelijker gezien in het volgende vers, waar hij openlijk bidt, dat de boozen voor eeuwig verloren zullen gaan. Dit zou niet kunnen, indien hun nog tijd gelaten werd tol bekeering. En het is niet zonder reden, dat de Profeet zoo vele woorden opeenhoopt, deels omdat de boozen en hoogmoedigen, hoewel zij dikwijls gekastijd worden, toch onverbeterlijk blijven, en als hel ware nieuwe krachten en nieuwen moed verzamelen, en deels ook, omdat er niets is, waar wij zoo moeielijk van overtuigd kunnen worden, als van hel feit dal zij, die zoo gelukkig en voorspoedig schijnen te zijn, binnen kort zullen omkomen. En dit is omdat hel niet genoegzaam lol ons doordringt welke schrikkelijke wrake Gods bereid wordt voor hen, die de Kerk verdrukken.
19. En dat zij weten, enz. Ook thans spreekt hij niet van een zaligmakend kennen van God, maar van de erkenning, die de geweldige hand Gods aan de boozen ontrukt. Evenwel, hij zegt niet eenvoudig, dat zij zullen erkennen dal er een God is, maar hij bedoelt eene bepaalde of bijzondere kennis, te welen dal de Heidenen, die te voren den waren godsdienst hebben veracht, ten laatste gedwongen zullen worden, le erkennen, dal de God, die zich geopenbaard heeft in de Wet, en die geëerd en aangebeden wordt in Judea, de eenig ware God is. Toch duidt hij hier slechts eene voorbijgaande kennis aan, eene kennis zonder grond en zonder leven: want de verworpenen en hoo-vaardigen onderwerpen zich Gode noch welbewust, noch van harte; zij zijn in weerwil van zich zeiven tol eene geveinsde gehoorzaamheid gedwongen; of wel, zij durven hunne woede niet openlijk le loonen, dewijl God hen in loom houdt. Het is dus eene kennis der ervaring, die niet doordringt lot het hart, maar hun door nooddwang en geweld ontwrongen wordt. Als hij zegt Gij, Jehovah, dan is in die uitdrukking groote kracht en nadruk gelegen, want er is hier eene vergelijking tusschen den God van Israël en de goden, die de menschen zich gemaakt hebben, alsol de Profeet gezegd had: à lleere, laat hen weten, dal de afgoden, die zij zich geformeerd hebben, niets zijn.
225
Psalm 83 : 19.
226
En in waarheid, hoe zeer de iioovaardigen en de verachters van God liet licht schuwen, en nu eens zich in mist en nevelen hullen, en zich dan wederom in diepe, zwarte duisternis storten, toch blijft God hen volgen en trekt Hij hen tot zijne kennis; welke zij in onwetendheid wenschen te begraven Omdat nu de wereld den heiligen Naam van God boosaardig en zonder onderscheid overbrengt op hare beuzelachtige verzinselen, bestraft de Profeet deze heiligschennis, als hij er bijvoegt: Uw Naam, Jehovah â , alsof hij zeide, dat dit wezen, deze hoedanigheid op Hem alleen toepasselijk is; of wel, dat Hij in waarheid is, wat Hij heet; hoezeer de ongeloovigen en rebellen zijne eer ook met voeten treden. Hij blijft onveranderd. Deze vergelijking en tegenstelling moeten wij altijd in gedachten houden. Want geen volk was zóó barbaarsch, of het heefl nog altijd de eene of andere godheid aangebeden; maar ieder volk maakt zich zijn eigen God En hoewel de Moabieten, de Tdumeërs en de anderen nog wel eenige kracht en macht aan den God van Israël toekenden, verbeeldden zij zich toch dat Hij binnen de grenzen van Judea beperkt was. De Koning van Syrië noemde Hem den God dei-bergen (1 Kon. 20: 23). Dit onzinnig verdeelen van de eere Gods wordt met één enkel woord afgewezen; en alle bijgeloof, dat toen in de wereld heerschte, wordt nedergeworpen, als de Profeet aan den God Israëls zoowel het Wezen als den Naam toekent; want indien al de afgoden der Heidenen niet nedergeworpen en weggedaan worden, dan zal God niet alleen en uitsluitend dezen Naam Jehovah verkrijgen, en daarom wordt er bijgevoegd: Gij alleen zijl oppermachtig en hoog verheven over de aarde , hetgeen wij vlijtig moeten opmerken. Want de bijgeloovigen zullen zich gaarne tevreden stellen met aan God den naam te laten, d. i. twee of drie lettergrepen, terwijl zij intusschen zijne majesteit, kracht en macht te kort doen, alsof zijne majesteit bestond in een titel, of in eene ijdele benaming. Laat ons dan weten dat God niet anders hoog verheven is onder de menschen, dan wanneer zij Hem de eer en heerschappij laten, die hem toekomt, en Hem niels tegenovergesteld wordt om zijne heerlijkheid van haren glans te berooven.
Psalm 84 : 1.
PSALM 84.
INHOUD: Hij klaagt, dat niets hem zulk eene k'velling is, als niet op te kunnen gaan tot den Tabernakel en gabannen te zijn van de vergadering der geloovigen, waar God aangeroepen werd. Tegelijkertijd toont hij, dat niets hoegenaamd de begeerte der geloovigen kan verhinderen, om, in weerwil van alle hinderpalen te volharden om ten allen tijde God te zoeken, eu zich, om zoo te zeggen, een' weg te banen, waar geen weg is. Ten slotte vragen zij om wedergebracht te worden, zoodat hij daarin opnieuw toont, dat hij het hooger acht één dag te verkeeren in Gods huis, dan een lang leven te leiden in het midden der ongeloovigen.
1. Aan den opperzangmeester op Gittith van de kinderen Korachs, een Psalm. 2. O hoe beminnelijk zijn uwe tabernakelen , Jehovah der heirscharen! 3 Mijne ziel verlangt grootelijks, ja bezwijkt [van verlangen], naar de voorhoven van Jehovah; mijn hart en mijn vleesch springen op vau vreugde tot den levenden God. 4. Zelfs de museh vindt een huis en de zwaluw een nest voor zich om [er] hare jongen neder te leggen; o! uwe altaren, Jehovah der heirscharen, mijn Koning en mijn God. 5. Welgelukzalig zijn zij, die in uw huis wonen, zij prijzen U gestadiglijk. Selah.
1. Aan den opperzangmeester. Hoewel in hel opschrift van tien Psalm Davids naam niet genoemd wordt, is hel loch, dewijl inhoud en onderwerp met zijn' persoon en toestand overeenkomen, zeer waarschijnlijk, dal hij er de dichter van geweest is. Wanl sommigen denken wel dal de kinderen van Korach den Psalm voor David gedicht hebben, maar naar mijn oordeel behoeft men, om dil gevoelen te weerleggen slechts Ie bedenken, dal David
15*
Psalm 84 : 1 en 2.
zelf zoo zeer met de i^avc der profetie was toegerust, dat hij de Levieten daar niet voor behoefde te gebruiken. Er is te dien opzichte slechts ééne moeielijkheid, nl. dat hij melding maakt van den berg Sion, waar de Arke des Verbonds niet heengebracht was, vóórdat hij in hei rustig bezit des koninklijks was gekomen. Nu heeft hem van dien tijd af nooit de vrijheid ontbroken om met de anderen op te gaan naar de Arke, behalve ééne enkele maal, en dat nog voor zeer korten tijd, nl. toen hij genoodzaakt was te vluchten wegens den opstand van zijn' zoon. De Psalm geeft echter te verstaan; dat hij, tijdens hij hem dichtte, in kwijnenden toestand verkeerde van wege langdurige en velerlei ballingschap. Als wij echter bedenken dat David hetgeen hij in den tijd van Saul geleden heelt langen tijd daarna in Psalmen heeft uitgedrukt en medegedeeld , dan zal het ons niet verwonderen dat hij melding maakt van den berg Sion. Over het woord Gittith is elders (bij Psalm 8) reeds gesproken.
2. Jehovah der heirscharen. David klaagt dat hij geen' toegang heeft tot de Kerke Gods om belijdenis te doen van zijn geloof en zich te stichten en te oefenen in godsvrucht. Want, zij die denken, dat met de Tabernakelen Gods het hemeische Koninkrijk is bedoeld, alsof David treurde, omdat hij nog een pelgrim was op aarde, letten niet genoeg op den nood, waarin hij zich toen bevond. Hij wist, dat God, niet zonder goede redenen, de heilige bijeenkomsten had geboden, en dat de geloovigen, zoolang zij nog op aarde zijn, zoodanige hulp behoeven. Ook gevoelde hij zijne eigene zwakheid in het volkomen besef van hetgeen hem nog ontbrak eer hij tot de volmaaktheid der engelen was gekomen. Daarom klaagt hij met reden, dat hij verstoken is van de middelen, waarvan de geloovigen de groote nuttigheid kennen. Want ongetwijfeld had hij een geopend oog voor het rechte doel van den uitwendigen eeredienst, omdat hij niet was als de geveinsden, die, hoewel zij met groot vertoon de plechtige bijeenkomsten bijwonen, en van ijver schijnen te branden om God te dienen, echter niets anders dan dit uitwendig vertoon hebben, waarmede zij aan hunne verplichlingen jegens God meenen voldaan te hebben. David nu heeft zich voorzeker niet met zoodanige dwaze inbeelding misleid, maar als hij dit stei k verlangen gevoelt om op te kunnen gaan naar het Heiligdom, dan is het omdat hij aldaar God in oprechtheid des harten en op geestelijke wijze wenscht te aanbidden. Die algebrokene wijze van spreken welke wij hier aantreffen, is een teeken van groote en diepe aandoening des harten, hetgeen nog duidelijker uitkomt in het
228
Psalm 84 ; 2â4.
tweede vers. Hieruit kunnen wij opmaken, dal die menschen wei zeer stompzinnig zijn, die, zonder er zich in het minst om te bekommeren, de door God ingestelde orde veronachtzamen, alsof zij wel door hunne eigene kracht en bekwaamheid in den hemel kunnen komen. Ik heb gezegd, dat in hel tweede vers een zeer sterk verlangen wordl uitgedrukt, omdat het werkwoord casaf, dat hij gebruikt, reeds een zeer vurig begeeren te kennen geeft, en hiermede nog niet tevreden, voegt hij er bij dat zijne ziel bezwijkt naar de voorhoven Gods; hetgeen zooveel beteekent als bezwijmen, zooals wanneer wij door eene sterke gemoedsbeweging als buiten ons zeiven worden gebracht. Hij noemt de voorhoven, omdat hij, geen priester zijnde, niet verder binnen den Tempel mocht doordringen; want wij welen, dal alleen de Priesters in hel Heilige mochten komen. En voorts geeft hij le kennen, dal dit verlangen [zijner ziel] ook zijn lichaam aandoet, omdat er de leekenen van zichtbaar werden, zoowel in den mond als in de oogen en de handen. Hij zegt: naar den levenden God\ niet alsof hij dacht, dal God binnen zoo enge ruimte als de hutle der Ark was opgesloten; maar omdat hij wist trappen noodig te hebben, waarlangs hij naar den hemel kon opklimmen, en het zichtbare Heiligdom hem lol zulke trappen kon dienen, omdal hel de geloovigen op hel hemelsch voorbeeld wees. En inderdaad, aangezien de traagheid van ons vleesch ons verhindert om onzen geest tol de hoogte der majesteit Gods op le heffen, zou hij ons le vergeefs tol zich roepen, indien Hij niet tegelijkertijd tol ons afdaalde, of ons ten minste door sommige middelen, bij wijze van spreken zijne handen toeslak, om ons aldus lol Hem op te heffen.
4. Zelfs vindt- de musch een huis. Sommigen lezen dit vers aaneen, alsof de Profeet zeide, dal de vogelen hunne nesten maken bij de altaren, waardoor dan nog sterker zou uitkomen hoe hard en vreemd zijn toestand was, daar hij van die altaren ver verwijderd was. Deze meening schijnt hierdoor bevestigd le worden, dal er in hel llebreeuwsch vóór het woord altaar eth slaat, hetgeen meestal mei den accusatief gebruikt wordl. Daar hel echter nu en dan ook wel voorkomt in uitroepen, twijfel ik niet of de Profeet, zijne rede afbrekende, roept, dat er niets is, dat hij met grooler welbehagen kan aanschouwen dan het altaar. En zoo doet David dan in de eerste plaats zijne ellende uitkomen door zich te vergelijken bij musschen en zwaluwen, in zoover hij aantoont, dat het geen zin heeft, dal de kinderen Abrahams verslooten zijn uit het hun beloofde erfdeel, terwijl toch de
229
lil
1
1
aii
ü
Psalm 84 : 4. en 5.
vogelkens wel eene plaats hebben om er hunne nestjes le bouwen. Hoewel hij nu somtijds eene tamelijk goede wijkplaats gevonden heeft, en hem zelfs le midden der ongeloovigen in zekeren zin een eervol verblijf was verleend, scheen het hem toch toe, dal hij, zoo lang hel hem niet vergund was lol hel heiligdom le komen, uil de geheele wereld was verbannen. Want voorzeker! hel rechte doel, dal wij ons in ons leven moeien voorstellen, is. ons le oelenen in den dienst van God. En hoewel de wijze van Hem le dienen geestelijk is, toch moeten wij ons bedienen van de hulpmiddelen, die Hij niet zonder reden voor ons verordineerd heeft. Ziedaar de reden, waarom David plotseling uitroept; O! uwe altaren, Jehovah! Want, als men hem zou tegenwerpen, dat er genoeg wijkplaatsen voor hem waren in de wereld, waar hij in veiligheid en rust kon verwijlen, ja zelfs dat er menschen genoeg waren, die hem zeer gaarne zouden herbergen, en dal hij dus geene reden heefl om zich zoo te kwellen, dan antwoordt hij dal hij liever afstand zou willen doen van geheel de wereld, dan van den heiligen tabernakel buiten gesloten te zijn; dat hij zich nergens wel bevond, zoolang hij van Gods altaren was verwijderd, kortom, dat geene woonplaats builen hel Heilige Land hem liefelijk ol aangenaam kon wezen. Dal is ook de strekking van de titels, die hij Gode toeschrijft: Mijn Koningen mijn God. Want, door aldus te spreken, geefl hij le verslaan dal het leven hem bitter en verdrietig is, omdat hij buiten hel koninkrijk Gods is gebannen, alsof hij zeide: Hel is waar, de menschen kunnen mij wel vriendelijk noodigen en mij zeer gaarne willen herbergen; wal zou, daar Gij mijn Koning zijl, hel mij echter balen in de wereld le leven, als ik builen de grenzen van hel Heilige land moet verwijlen? En wederom, aangezien Gij mijn God zijl, waartoe leef ik, als hel niet is om U le zoeken? En wanneer Gij mij nu versloot, hoe zou ik dan niet elke schuilplaats versmaden, die mij wordt aangeboden, hoe schoon of aangenaam mijn vleesch ze overigens ook moge vinden?
5. Welgelukzalig zijn zij, die in uw huis iconen. Hier geeft hij nog duidelijker le kennen wat hel recht en wettig gebruik is van het heiligdom; en zoo toont hij, dal er verschil is tusschen hem en de geveinsden, die zeer ijveren voor de uitwendige plechtigheden van den eeredienst, maar zonder ware godsvrucht zijn in hun binnenste. David, daarentegen, getuigt, dal zij die God in waarheid en van harte dienen, Hem de offerande des lofs brengen, hetgeen niet afgescheiden kan worden van hel geloof. Want nooit zal iemand God van harte loven, zoo hij
230
Psalm 84 : 0 en 7.
niel rust in zijne genade, en dus vrede en geestelijke blijdschap smaakl in zijne conscienlie.
6. Welgftlukzalig is de mensch, wiens sterkte in U is, de wegen [zijn] in het hart der zulken. 7. Dezen heengaande door de vallei der tranen, doen haar worden als eene fontein; ook zal de regen de waterbakken bedekken. 8. Zij zullen gaan van kracht tot kracht; de God der goden zal gezien worden in Sion.
6. Welgelukzalig is de mensch. Hij loont opnieuw, dal, zoo hij verlangt naar het Heiligdom te kunnen opgaan, dil niet is om er zijne oogen zich te laten verlustigen, maar om er zijn geloof te versterken. Want het is geen gering toenemen in het gelooi', als men van ganscher harte in God kan rusten, hetgeen niel anders geschieden kan dan wanneer de mensch zijn' iioogmoed ter neder werpt, en het hart in waarheid verootmoedigd is. Nu stelt hij zich ais middel daartoe voor God te zoeken, en van Hem de kracht al' le bidden, die hij weet, dat hem ontbreekt. Hetgeen volgt; De wegen in het hart derzulken; sommigen verklaren dil door alles aan één te lezen, in dier voege; üat diegenen welgelukzalig zijn, die den weg volgen, welken God heelt aangewezen, omdat niets mëér verderfelijk is, dan op eigen versland le vertrouwen. En inderdaad, hel is niet zonder reden, dat er van de Wet gezegd is: Dit is de weg, wandelt in denzelvcn (Jes. 30:31). Het is dus volkomen waar, dat zoodra de menschen in het minst of geringst afwijken van de Wet, zij op dwaalwegen geraken, en zich door allerlei booze bedenkselen en verfoeielijke dwalingen laten verstrikken. Maar loch is het juister om dit hier le beperken tol hel tegenwoordige onderwerp, te weten: dat zij welgelukzalig zijn, die God tot den Bestuurder huns levens wenschen te hebben; en daarom begeeren lol Hem le naderen. Want (gelijk reeds gezegd is) God blijlt niet slaan bij de uiterlijke plechtigheden, maar wil allen besturen en onder zijne heerschappij doen komen, die Hij lot zijn' Tabernakel noodigt. Al wie dus geleerd heelt, hoe zalig hel is om op God te steunen, zal zich met alle kracht en verstand er op toeleggen om zich tot God heen te spoeden.
7. Dezen, heengaande door de vallei der tranen. Zijne bedoeling
231
Psalm 84 : 7 en 8.
232
is, dal er voor lien, die vast en beslist God wenschen te dienen, geene hinderpalen zoo groot of sterk zijn, die hen zouden beletten om zich naar Gods heiligdom heen te spoeden. En hiermede bevestigt hij wat hij te voren gezegd heeft, dat niets begeerens-vvaardiger is dan zich dagelijks in den dienst van God te oefenen, aangezien er dan geenerlei moeielijkheden noch hinderpalen zullen zijn, die den vurigen wensch der geloovigen in den weg staan; zoodat zij zich vroolijk en welgemoed voortspoeden, al is het ook door onvruchtbare woestijnen, om de heilige bijeenkomsten l'i.i te wonen. Omdat het llebreeuwsche woord habbaca. als het op de letter he uitgaat. Tranen beteekent, maar als het op de letter aleph eindigt, een moerbeiboom beteekent, lezen sommigen hier Vallei der tranen en anderen Valleien van den moerbeiboom. Hoewel nu de meesten de eerste lezing hebben aangenomen, is ei voor de laatste toch zeer veel te zeggen, ofschoon de Proleet ongetwijfeld dorre en onvruchtbare woestijnen bedoeld heeft, door welke heen te gaan eene groote kwelling en vermoeienis is; want niets is voor reizigers noodzakelijker dan te drinken te hebben. En zoo heeft David dan hierdoor de standvastigheid der geloovigen willen aantoonen, aangezien droogte en gebrek aan water, waardoor de menschen dikwijls ontmoedigd worden om hun' weg te vervolgen, de geloovigen niet zullen verhinderen om zich heen te spoeden om God te zoeken, ja zelfs, als zij daarbij dorre en zandige dalen moeten doortrekken. Hierdoor wordt dan ook de traagheid bestraft van hen, die geen ongemak willen verduren om zich in de wegen Gods te oelenen. Dezen scheppen slechts behagen in gemak en genot. En zoo zullen zij zeggen, dat zij God wel willen dienen, mits zij er geen voetstap voor behoeven te verzetten; want zij zouden niet het minst ol geringst van hun gemak willen opofferen om de prediking des Woords te hooien, ol' de Sacramenten te gebruiken Ja wij zien, hoe ter plaatse, waar de klokken luiden om de menschen op te roepen tot het gebed, de leer der zaligheid te hooren verkondigen en aan de heilige mysteriën deel te nemen, sommigen slapen, anderen aan niets denken dan aan gewin, ol zich bezig houden met wereldsche aangelegenheden, ja zelfs, dat sommigen zich niet ontzien om zich aan spel of vermaak over te geven. Daarom is hel niet te verwonderen, dat zij, die in verre landen wonen en van de heilige oefeningen en genademiddelen geen gebruik kunnen maken zonder daarbij geldelijk nadeel te lijden, te huis blijven hokken. Maar opdat dezen zich niet zullen behagen in hunne genietingen , zegt David, dal zij, die hun hart op Gods vreeze en Gods dienst hebben gesteld, niet slechts gaan als zij een' ('raaien, effen en
Psalm 84 : 8.
lommerrijken weg voor zich hebben, maar ook evenzeer als/ij over ruwe wegen en door barre woestijnen hebben le trekken, en dat zij zich veeleer met groote moeite en zwaren arbeid waterputten zullen graven, opdat de droogte van het land hen niet zal verhinderen hun' weg te vervolgen. In het volgende vers gaat hij nog voort met hetzelfde onderwerp. Want, daar volgens de ordinantie der Wet de heilige vergaderingen op den berg Sion werden gehouden, nadat de Arke des verbonds derwaarts was overgebracht, zegt hij, dat de geloovigen er in grooten getale, en als om strijd zullen komen. Het Ilebreeuwsche woord chajii, beteekent niet dikwijls een Troep of bende, maar meestal Macht of Kracht. Daarom is het, naar het gewone spraakgebruik juister en gepaster om het te vertalen door: Zij zullen komen van kracht tot kracht, alsof hij zeide, dat de geloovigen als bij tusschen-poozen krachten verzamelen om den berg Sion te beklimmen, en dat geene vermoeidheid hen kan terughouden, totdat zij het aangezicht Gods aanschouwen. Wil iemand echter liever het woord door Bende vertalen, dan zal de zin wezen, dat zij niet maar in kleinen getale, maar in zeer vele troepen oi gezelschappen komen. Overigens, wij hebben elders, en voornamelijk bij Psalm 5, gezegd, wat men er onder le verslaan heeft,
dat God zich van ouds aan zijne dienstknechten in den Tempel heeft geopenbaard. Want, hoewel daar geen zichtbaar beeld van God aanwezig was, hebben toch de geloovigen, omdat de Arke des verbonds het symbool was zijner tegenwoordigheid, gevoeld en gesmaakt, dat het hun een kostelijk middel was om tot God te naderen.
9. Jehovah, God der heirscharen! hoor mijn gebed; o God van Jakob! leen het oor, Selah. 10. O God, ons Schild, zie en aanschouw het aangezicht van uwen Gezalfde. 11. Want beter is één dag in uwe voorhoven , dan duizend (elders) ik heb verkozen liever den dorpel van het huis mijns Gods te bewaken, dan in de tenten der goddeloosheid te wonen. 12. Want Jehovah, God, is ons eene zon en een schild; Jehovah zal genade en eere geven, Hij zal geenerlei goed verhinderen aan hen, die in oprechtheid wandelen. 13. Jehovah der
233
Psalm 84 : 9â11.
heirscharen, welgelukzalig is de mensch, die op U vertrouwt.
9. Jehovah, God der heirscharen. Omdat vvereldsche menschen zich dwaselijk en nutteloos kwellen in hunne begeerten, handelt David zeer wijs met zijne wenschen en begeerten tot God te gaan. Hieruit blijkt, dat hij de gewoonte niet had van ijdel roemen, gelijk men dit bij de geveinsden ziet, die schijnbaar een' grooten ijver aan den dag leggen, terwijl God toch ziet dat er in hun hart niets dan koudheid heerscht. In de eerste plaats verlangt hij nu in het algemeen dat het God moge behagen Hem te hooien, en vervolgens, omdat het hem zou kunnen toeschijnen dat hij afgesneden is van de Kerke Gods, voorkomt hij de verzoeking en stelt zich met alle geloovigen onder de bescherming Gods. Want, indien hij geen lid der Kerk ware geweest, dan zou hij niet hebben kunnen zeggen in gemeenschap met de anderen en als sprekende voor en in naam van allen: Ons Schild. Daarna klimt hij nog hooger en beroept hij zich op de koninklijke zalving, die God hem door de hand van Samuël had geschonken (1 Sam. 16 : 13). Want het is eene zeer krachtige wijze van spreken als hij zegt: Aanschouw het aangezicht van uwen gezalfde. Want hij belooft zich de gunst van God, omdat hij op zijn bevel lot Koning gezalfd was. Evenwel, daar hij wist dat zijn koninkrijk slechts een type en afschaduwing was van iets veel grooters, valt er niet aan te twijfelen of' hij heeft door deze woorden Gods gunst zoeken te verkrijgen om den wille des Middelaars, wiens Persoon hij vertegenwoordigde; alsof' hij gezegd had: Hoewel ik hel niel waardig ben, dat Gij mij weder herstelt op mijne plaats, zoo zal toch de zalving, waardoor Gij mij als type van den eenigen Verlosser gesteld hebt, dit voor mij verkrijgen. En hiermede wordt ons geleerd, dal God niel anders met ons verzoend kan worden dan door Christus, wiens tegenwoordigheid de duistere nevelen onzer zonde verdrijft.
II. Want heter is een dag in uwe voorhoven. Terwijl de rneesle menschen wenschen le leven zonder juist te weten waarvoor, en slechts een lang leven begeeren, betuigt David hier niet slechts dal hel doel, hetwelk hij zich voorstelt in zijn leven is God le dienen, maar meer nog, dal hij één' dag, dien hij kan doorbrengen in den dienst van God, meer waardeert, dan een lang leven te midden van wereldsche lieden, uit wier gezelschap de ware godsdienst verbannen is. En daar het nu alleen
234
Psalm 84 : ii en 12.
aan de Priesters vergund was in den Tempel te komen,
David uitdrukkelijk te kennen, dat hij zich zeer gelukkig zal achten, zoo hij slechts eene plaats in hel voorhof mag hebben; want het Ilebreeuwsche woord saf, dat hij gebruikt, beteekenl deurpost of drempel der huisdeur. Wij moeten ook opmerken, dat de vergelijking, die hij gebruikt, veel gewicht bijzet aan de zaak, als hij zegt, dat hij liever eene plaats heeft aan de poorten des Tempels, dan vrij heen en weder te kunnen gaan in de tenten der goddeloosheid; alsof hij zeide, dal hij liever in een klein hoekje, ver verwijderd van deze laalsten, verborgen zou wezen, mits hel zou zijn te midden van het volk Gods, dan in hooge eer en aanzien te wonen te midden der goddeloozen, hetgeen wel een zeldzaam voorbeeld van godsvrucht genoemd mag worden Want er zijn wel velen, die in de Kerk begeeren te zijn, maar de eerzucht heeft zóó zeer de overhand over de menschen , dal er slechts zeer weinigen zijn, die zich tevreden stellen met onder de rangen des gewonen volks te blijven. Want schier allen laten zich door eene onweerstaanbare begeerte vervoeren om hooger te klimmen, zoodat zij denken niet te kunnen rusten, vóórdal zij op de eene of andere wijze boven anderen uitsteken.
12. Want Jehovah, God, is ons zon en schild. De vergelijking, die hij maakt met de zon bestaat hierin, dal, gelijk de zon door haar licht, leven, voedsel en blijdschap geelt aan de wereld, het vriendelijk aanschijn Gods hel hart der geloovigen vervuil met blijdschap, ja, dat zij leven noch ademen kunnen, indien God zich niet openbaart aan hunne ziel. Door het woord Schild verstaat de Profeet dat ons heil en welzijn, hetwelk anders aan tallooze gevaren zou zijn blootgesteld, veilig is onder de hoede en bescherming Gods. Want het zou ook niet genoeg zijn dal de gunst van God ons leven bracht, indien Hij ook niet te gelijk ons zijne macht voorhield als een schild, om ons legen zoo vele aanvallen als wij te verduren hebben, staande te houden en te bewaren. Meigeen dan volgt: Ily zal genade en eere geven, kan aldus worden verstaan; Dal zij, die door God met genade versierd zijn in deze wereld, ten laatste met hemelsche heerlijkheid gekroond zullen worden in zijn koninkrijk. Daar ik echter vrees, dat deze onderscheiding tusschen Genade en Eere al te gezocht is, is het naar mijn inzien, beter, den volzin aldus te verklaren: Nadat God zijne geloovigen omringd heef! met zijne gunst, zal Hij hen lot hooge eere doen komen en niet ophouden hen le verrijken met zijne gaven. Dit bevestigt hij ook in hel volgende
235
Psalm 84 : 12 en 13.
zindeel: fly zal geenerlei goed verhinderen voor hen, die in oprechtheid wandelen, alsof hij zeide, dat de milddadigheid Gods nooil uitgeput is, maar met een onafgebroken stroom blijft vloeien. Inlusschen leeren wij ook uit deze woorden, dal alle voortreffelijkheid, die in ons gevonden kan worden, alleen uit Gods genade voortvloeit. Wij moeten ook letten op het bijzondere kenteeken, waarmede hij hen aanduidt, die God dienen, nl. dal hun leven ingericht is volgens den weg der oprechtheid. Wat betreft zijn uitroep aan hel einde van den Psalm: Welgelukzalig zijn zij, die op God vertrouwen, dit schijnt betrekking te hebben op den lijd zijner ballingschap. Te voren had hij gezegd, dal diegenen welgelukzalig zijn, die in de voorhoven Gods wonen; thans zegi hij, dal, iioewel hij voor een' lijd van dit voorrecht was versloken, hij daarom loch volstrekt niet gansch en al ongelukkig was, omdat hij, ondersteund door eene kostelijke vertroosting, niet nagelalen heeft ook van verre de genade Gods te beschouwen. Kn dil is een opmerkenswaardig voorbeeld. Want, terwijl wij van de weldaden Gods zijn versloken, is hel gansch recht en natuurlijk dal wij zuchten en dal er treurigheid is in ons hart; maar opdat het gevoel van smart niet de overhand over ons verkrijge, moalen wij hel vast besluit opvallen, om te midden van rampen en van allerlei leed niet op te houden welgelukzalig le zijn in lijdzaamheid en in hoop.
ipsalm: 85.
INHOUD: Omdat God de geloovigen, die uit de Babylonische gevangenschap waren wedergekeerd, door nieuwe rampen en treurige wederwaardigheden had gekastijd, maken zij ten eerste melding van de verlossing, opdat Hij zijn werk niet onvoltooid zal laten. Daarna klagen zij over de langdurigheid van hun lijden. In de derde plaats, opgewekt zijnde door goede hoop en vertrouwen, verheugen zij zich in het heil dat hun beloofd is. Want de terugkeer in het land stond in verband met het koninkrijk van Christus, waarvan zij een' overvloed van alle goed verwachtten.
1. Een Psalm aan den opperzangmeesfcer van de kinderen van Korach. 2 O Jehovah! Gij zijt uwen
236
Psalm 85 ; 1 en 2.
laude gunstig geweest; Gij hebt de gevangenschap Jakobs gewend. 3. Grij hebt de ongerechtigheid uws volks weggenomen; Gij hebt al hunne zonden bedekt. Selah. 4. Gij hebt al uwe verbolgenheid afgewend; Gij hebt uw toorn haar heftigheid ontnomen. 5. O God onzes heils, doe ons wederkeeren en doe uwen toorn tegen ons ophouden.
1. O Jehovah! Gij zyt uwen lande gunstig geweest. Hel komt mij voor, dal zij, die deze woorden in den loekomenden tijd plaalsen, de bedoeling van den Profeel verduisleren. De Psalm werd waarschijnlijk aan hel volk gegeven om gezongen le worden, loen hel zuchlle onder de wreede lyrannie van Anliochus, en daarom wordt hun hoop op toekomstige en voortdurende genade geschonken, want daardoor had God getuigd, dal er geene zonde of overtreding zou zijn, die de gedachtenis aan zijn verbond kon uilwischen, ol' veroorzaken, dat Hij zich van de kinderen Abrahams niel zou laten verbidden. Want, indien zij te voren niet eene zoo groole goedheid van God hadden ervaren, dan zou het niel anders mogelijk zijn, of zij hadden onder zoo zware en langdurige beproeving moeten bezwijken. En nu schrijven zij de oorzaak hunner verlossing toe aan de vrije liefde Gods, waarmede Hij zijn land heeft liefgehad, omdat hij het had verkoren. Hieruit volgt, dat dit welbehagen nooit heeft opgehouden, en daaraan ontleenen de geloovigen vrijmoedigheid lot hel gebed; want God gedachtig zijnde aan zijne uitverkiezing, heeft zich zijnen lande gunstig betoond. Nu hebben wij elders gezegd, dat niets ons méér moed geelt lot bidden, dan te gedenken aan de genade, die God ons vroeger heeft bewezen; want ons geloof zou onder zoo veel tegenspoed plotseling bezwijken, en de benauwdheid zou ons hart ineen doen krimpen, als de evaring uit hel verleden niel toonde, dat God zijnen dienstknechten genadig is, en hun hulp verleent, tekenmale als de nood dit vereischt, voornamelijk als er altijd eene zelfde reden is om ons zijne goedertierenheid le bewijzen. En zoo past de Profeet dan wijselijk op de geloovigen van zijn' tijd de weldaden toe, die God voormaals aan hunne vaderen heeft bewezen, want én zij èn hunne vaderen zijn geroepen geweest tol eene zelfde hope.
3. Oij hebt de ongerechtigheid uws volks weggenomen. Omdat
237
Psalm 85 ; 3â5.
de geloovigeti verschrikt en verbijslerd zouden kunnen wezen van wege hunne overtredingen en zonden, wil de Profeet hun ook dien twijfel ontnemen, omdat God in de verlossing zijns volks een openlijk en krachtig bewijs heeft gegeven van zijne vrije vergeving. Nu heeft hij boven reeds de bron aangewezen, nl. het welbehagen en de vrije gunst van God; maar daar hunne zonde scheiding had gemaakt tusschen God en hen, en het volk zich van God had vervreemd, moest dit middel wel te baat genomen worden om hen te helpen. Want door te zeggen dat de ongerechtigheid was weggenomen, verstaal hij niet dat de geloovigen gereinigd werden van hunne zonden en ongerechtigheden, zooals wanneer God, hen heiligende door den Geest der wedergeboorte, in waarheid hunne zonden uitdelgt; maar hij verklaart terstond daarop wat hij zeggen wil. Waar het op neerkomt is, dat God met de Joden verzoend is geworden en dat Hij hun hunne ongerechtigheid niet heeft toegerekend. Want, als er gezegd wordt, dat God de zonde hedeht, dan beteekent, dit, dat Hij ze begraaft zoodat zij niet in het gezicht komen; waarover uitvoeriger gesproken is bij Psalm 32: 1. Daar Hij dus de zonde zijns volks gestraft heeft met ballingschap, heeft Hij. hen weder terug willende brengen naar hun land, den hinderpaal daarvoor uit den weg geruimd door hunne schuld uit te wisschen. Want de verlichting der straf hangt ook af van de vergeving der schuld. En hiermede is de dwaze uitlegging weerlegd van de Sophisten, waarop zij roemen alsof zij eene groote verborgenheid hadden ontdekt, te welen: dal God welde schuld vergeeft, maar de straf behoudt; aangezien Hij overal verklaart dat Hij vergeeft met het doel om, verzoend zijnde, nu ook de straf te verlichten. Dit wordt door den Profeet opnieuw bevestigd in het volgende vers, als hij zegt, dat God zijnen volke gunstig is geweest, zoodat Hij zijne kastijdende hand weerhouden heeft. Wat is hel dan voor beuzeltaal, als de Sophisten beweren, dat God niet rechtvaardig zou zijn, indien Hij de schuld niet vergeeft en tegelijker tijd haar niet ook straft? Want de uitwerking van de vergeving der schuld is, dat God door zijn' zegen getuigt, dat Hij niel langer vertoornd is.
5. O Ood onzes heils. Thans maken de geloovigen gebruik van hetgeen zij te voren verhaald hebben van zijne vaderlijke goedheid jegens het volk, dal Hij had verlost. Zij noemen Hem Qod onzes heils, als dengene, wien zij vragen om wedergebracht te worden, opdat, hoewel alles er even wanhopig uitziet, zij zich toch kunnen versterken door de hope, dat zij door de
238
Psalm 85 : 5 en 6.
kracht Gods bevrijd zullen worden. Want hoewel God ons niels zichlbaars oi lastbaars voorhoudt, waardoor wij kunnen hopen zoo moeten wij toch hieraan vasthouden, dat in zijne hand heil en verlossing verborgen zijn, en dal Hij gemakkelijk wegen en middelen kan vinden, om dit zoo dikwijls het Hem behaagt le openbaren. Omdat nu de toorn Gods de bron en oorzaak is van alle rampen, bidden de geloovigen, dal Hij dien toorn ai zal wenden. En wij moeten wèl acht geven op deze orde, want daar wij zwak en zeer gevoelig zijn als wij leed en smart hebben te verduren, zullen wij, zoodra God ons tuchtigt, al is het ook in nog zoo geringe male, Hem mei zuchten en tranen vragen ons le sparen; maar wij verzuimen hetgeen het voornaamste is, nl. Hem le vragen ons de schuld kwijt te schelden, omdat wij niet van harte tol ons zeiven inkeeren en ons onderzoeken.
6. Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult gij uwen toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?
7. Zult gij tot ons gekeerd zijnde, ons niet weder levend maken, en zal uw volk zich niet in ü verblijden?
8. O Jehovah! toon ons uwe goedertierenheid, en geef ons uw heil. 9. Ik zal luisteren naar hetgeen God, Jehovah, zeggen zal; voorzeker zal Hij tot zijn volk en tot zijne gunstgenooten van vrede spreken, en zij zullen niet weder tot dwaasheid keeren.
6. Zult qy eeuwiglijk tegen ons toornend enz. Nu treuren de geloovigen over den langen duur hunner ellende, en redeneeren uil den aard Gods, gelijk die beschreven is in de Wet, le welen: dat Hij traag lot toorn , lankmoedig, gaarne vergevend, en gansch geneigd is tol barmhartigheid, gelijk men ook elders gezien heeft, dat zijn toorn zeer snel verdwijnt, terwijl zijne goedertierenheid lol in eeuwigheid is. (Psalm 30 : 6). Want, als wij bidden, dan moeten wij ook denken aan de beloften, opdat zij ons de woorden in hel hart geven. En hoewel het schijnt dat zij zich eenigszins beklagen, omdat God zich niet aan hen loonde gelijk Hij gewoon was, hebben zij toch ongetwijfeld, manmoedig strijdende tegen deze verzoeking, hoop op verlichting gezocht in den aard Gods, alsof zij dit lot grondregel
239
Psalm 85. : 7 en 8.
slelden, dat God niel eeuwiglijk den toorn kan behouden. Intusschen zien wij, dal zij, toen zij aldus hebben gebeden onder zeer zware rampen gebukt gingen, zoodat zij het leed schier niel langer konden dragen. Laai ons hieruit leeren, om , hoewel God niel terstond in genade lol ons wederkeert, toch niel af te laten van hel gebed. Nu werpt men ons legen: Hel is dus eene ijdele belofte van God, dal zijn toorn niel lang zal aanhouden; maar voorzeker, als wij onze zonden goed wegen, dan is zijn loorn altijd van korten duur; en als wij ons herinneren dal zijne goedertierenheid lol in eeuwigheid is, dan zullen wij erkennen, dal zijn loorn slechts voor een oogenblik is. Want daar ons vleesch zeer dikwijls in deze ongebondenheid terugvalt, is hel noodig dat hel door velerlei kastijdingen in bedwang wordt gehouden. In dien zelfden zin vragen zij of God niet tot hen zal wederkeeren om hen levend te maken. Want daar dil beginsel vaslgeworleld was in hun hart, dal de straffen, waarmede God zijne kinderen kastijdt, lijdelijk zijn, houden zij er zich van verzekerd, dal, hoewel God thans met recht in loorn legen hen is ontstoken, en zijn aangezicht van hen heefl afgewend, Hij zich toch wederom door hen zal laten verbidden, zoodal Hij de dooden lol het leven zal doen wederkeeren, en hun' rouw in blijdschap zal verkeeren. Wanl door dil woord Levendmaken geven zij le kennen, dal zij nu schier aan dooden gelijk zijn, en dat zij door rampen gansch lernedergeslagen zijn; en als zij zich slof lot blijdschap en verheuging beloven, dan ligl daarin opgesloten, dal zij nu schier onder hunne droefheid bezwijken.
8. O Jehovah! toon ons uwe goedertierenheid, enz. Ook in deze woorden is eene zelfde tegenstelling gelegen; want, vragende, dal hun goedertierenheid geloond en heil zal gegeven worden, erkennen zij, dal zij thans beiden derven. Daar dit nu voormaals de toestand der heiligen geweest is, moeten wij hieruit, leeren, dal al gaan wij ook onder nog zoo veel leed gebukt, en al worden wij lol hel uiterste toe verdrukt, zoodal wij dei-wanhoop nabij zijn, wij evenwel de toevlucht moeten nemen lol God. En hel is wel zeer terecht dat de goedertierenheid in de eersle plaats genoemd wordt, en daarna heil, omdat dit een voortvloeisel is van Gods goedertierenheid; wanl er is geene andere reden, waarom God zou bewogen worden zich als onzen Redder le openbaren, dan juist deze goedertierenheid. Hieruit volgl, dal allen, die Gode hunne eigene verdienste aanbieden om zijne gunst le verkrijgen, zich den weg der zaligheid afsluiten.
540
Psalm 85 ; 9.
9. Ik zal luisteren naar hetgeen Jehovah, God, zal zeggen. Door zijn vooibeeld vermaant de Proleet iiier de geheele kerk lot lijdzaamheid en geduld. Omdat hij eenigszins mei den ijver der hartslocht had gesproken, beteugelt hij zich thans, gelijk wij ook altijd er tegen moeten waken dat onze begeerten, hoe heilig zij ook wezen mogen, de perken niet te buiten gaan. Want, wie aan zijne zwakheid den vrijen teugel viert, zal er licht toe komen om zich in zijn' ijver te builen te gaan. Daarom vermaant de Proleet zich zeiven en al de andere g3loovigen te zwijgen en geduldig God te verbeiden. Nu toont hij door deze woorden, dal hij kalm en stil is in zijn gemoed, omdal hij er van overtuigd is, dat God zorg draagt voor zijne Kerk. Want, indien hij gedacht had, dat de fortuin, of het toeval, de wereld regeert, en dat hel menschelijk geslacht door het blinde noodlot wordt voortgestuwd, dan zou hij Gode het ambt van te regeeren niet toeschrijven. Want in deze zinsnede beleekent Spreken zooveel als gebieden, of bevelen; alsof hij zeide: Omdat hij dit vertrouwen heelt dat het geneesmiddel tegen de tegenwoordige rampen in Gods hand is, zal hij rustig en kalm blijven lot dal de gelegene tijd van de verlossing der Kerk zal gekomen zijn. Gelijk dus het onstuimige onzer hartstochten legen God murmureert en gedruisch maakt, zoo is geduld eene soort van stille, waardoor de geest der geloovigen zich onder zijn gebod inhoudt en zwijgt. In het tweede lid heelt hij reeds geleerd dal de toestand der Kerk gelukkiger zal zijn; want, aangezien het Godes is de zaken der menschen le besturen en te regelen, kan het niet anders of hij zal ook goede orde stellen op de zaken dei-Kerk, die Hij liefheeft. Wat betreft het woord Vrede, wij hebben elders aangetoond, dat de Hebreen er een gelukkigen uitslag der dingen mede bedoelen. Wat hij zeggen wil komt dus hierop neer, dat door de genade Gods de Kerk wèl zal varen. Voorts bedoelt hij ook mei dit woord Spreken, dat hij acht zal geven op de beloften. Want van Gods voorzienigheid kan hij eenvoudiger spreken en zeggen: ik zal zien wat God doen zal. Omdat echter de weldaden, die God schenkt nan zijne Kerk, voortvloeien uit de beloften, wijst hij veeleer op den mond dan op de hand, en toont hij te gelijkertijd aan, dal het geduld en de lijdzaamheid afhangen van het vreedzame, ruslige hooren des gelools. En als hij nu, ten opzichte van Gods volk, er bijvoegt,
genooten, onderscheidt hij hiermede hel ware volk van God van hen, die dezen naam ten onrechte dragen. Want, aangezien de geveinsden zich trotscheli|k de voorrechten der Kerk aanmatigen, is het noodig dal bun snoeven worde terug gewezen, opdat zij 1)1. 11. 16
241
Psalm 85 : 9.
welen, dal zij mei volle reohl van de belollen Gods uilgeslolen zijn. En zij zullen niet wederkeeren. Uil wordl gewoonlijk aldus verklaard: Opdal zij niel wederkeeren lol dwaasheid, alsol liij de vruchl, cl hel gevolg, der weldaden Gods aanloonde. Wanl, omdal God zijne geloovigen aanlrekl door hen mei zooveel goedheid en vriendelijkheid le behandelen, zoodal zij onder zijne gehoorzaamheid blijven, verklaarl de Profeel (zooals zij zeggen) dal zij niel zullen wederkeeren om dwaasheid le doen, omdal de goedheid van God als een leugel voor hen zijn zal om ben lerug le houden. Deze verklaring is wel eenigszins aannemelijk, maar loch is hel, naar mijn oordeel, beier om deze zinsnede in verband le brengen mei alles wal er in ligl opgeslolen, alsöl hij, in korle woorden, wilde zeggen: Nadal God de Kerk genoegzaam gekaslijd zal hebben, zal Hij haar wederom gunsl beloonen, opdal de geloovigen door de kaslijding geleerd zijnde, in hel vervolg beier op hunne hoede zullen wezen. Wanl hij loonl de oorzaak waarom God zijne genade soms weerhoudt. Evenals een geneesheer den kranke onder zijne leeiregels houdl, hoewel hij reeds op weg van helerschap is, ja hem onder zijn loezichl houdl loldal die beterschap werkelijk is ingetreden en zich heeil bevestigd, en de ziekteslof uil hem gedreven is, zoodal hij nu weder zijne volle krachten kan hernemen, omdal het voor een' kranke hoogst verderlelijk zou wezen, indien men hem naar zijn' lusl en begeerte liet leven, zoo zal ook God, omdal Hij ziel, dal wij niel in één dag van onze ondeugden genezen kunnen worden, zijne kastijdingen doen voortduren, omdal wij anders zeer licbl weder zouden inslorlen. Daarom wijst de Profeel op deze verlichting der smarl, waarvan de lange duur de geloovigen anders gansch Ier neder zou drukken; le welen, dal God mei wijsheid de kastijding laat voortduren langer dan zij vvenschen, opdat zij zich waarlijk en in oprechtheid van hunne ongerechtigheden bekeeren en in hel vervolg voorzichtiger zullen wandelen.
10. Zekerlijk, zijn heil is nabij dengenen, die Hem vreezen, opdat in ons land eere wone. 11 De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen. 12. De waarheid zal uit de aarde spruiten, en de gerechtigheid zal nederzien van den hemel. 13. Ook zal
242
Psalm 85 : 10 cn 11.
Jehovah het goede geven, en ons land zal zijne vrucht geven. 14. De gerechtigheid zal vóór hem heengaan, en zal hare voetstappen op den weg zetten.
1Ã. Zekerlijk, zijn heil is nahy dengenen die Hem vreezen. Hij bevestigt den voorafgaanden zin, en hoewel God schijnbaar zich zeer verre hield van zijn volk, geeft hij zich zeiven en den anderen dienstknechten Gods toch hoop, dat zij weldra verlost zullen worden, omdat God in het verborgen hen aanziet, die Mi; openlijk schijnt te versmaden. Wil men echter het llebreeuwsche woord ach vertalen door indien, gelijk dit woord ook zeer dikwijls in die beteekenis voorkomt, dan zal de zin vollediger zijn. Want. omdat hij zoo even gezegd heeft, dat God zijn volk langdurig kastijdt, als Hij ziet, dat zij anders al te licht geneigd zijn om in het kwaad terug te vallen, heeft hij, opdat die lange duur niet al te zwaar zou worden, die uitspraak gewijzigd, zeggende, dat, hoewel het den schijn heeft dat zijn heii toeft te komen, het in waarheid toch nabij is. De eere, waarvan in hel tweede gedeelte van het vers wordt gesproken, is voorzeker gesteld tegenover de verwoesting van het land; en omdat zoodanige verwoesting een teeken was van de schrikkelijke wrake Gods, heeft Hij het land veroordeeld lot versmaadheid en schande. Door deze woorden vermaant de Profeet dus zich zeiven en al de andere geloovigen tol berouw en bekeering, aantoonende, dat zoo zij zwaar hebben geleden onder de verdrukking en de tyrannie der vijanden, dit is, omdat zij door hunne zonden het heil Gods hebben verworpen.
11. De goedertierenheid en waarheid. De werkwoorden staan voorzeker in den verleden tijd; maar toch cischt het verband van den tekst zeer stellig, dat zij in den toekomenden lijd gelezen worden. Ik neem volgaarne de meening aan, waaromtrent velen overeenstemmen, nl. dat deze Profetie zich uitstrekt tot aan het koninkrijk van Christus, en men moet er niet aan twijfelen dat de geloovigen hunne oogen gericht hebben op Jezus Christus, als er sprake was van hoop op de wederherstelling der Kerk, voornamelijk sedert hunne terugkomst uil de Babylonische gevangenschap. Intusschen is het de bedoeling van den Proleet aan te toonen, hoe milddadig God is jegens zijne Kerk, als Hij verzoend is. Want hij zegt dat deze vruchten hieruit zullen voortvloeien, nl. dat de goedertierenheid en waarheid elkander zullen ontmoeten , en de gerechtigheid en vrede elkander zullen
l(i#
24.3
Psalm 85 : 11 â 13.
m
kussen. Aan deze woorden onlleenl Auguslinus eene zeer schoone en troostrijke gedachte, nl. dal de goedertierenheid Gods de bron en oorsprong is van al zijne belollen. Uil deze bron vloeit voort de gerechtigheid, die ons is aangeboden in hel Evangelie; en nil die gerechtigheid is de vrede geboren, dien wij verkrijgen door het geloof, als God ons om niet rechtvaardigt. iiij verstaat dal de Gerechtigheid nederziel van den hemel, omdat zij eene vrije gave is en dooi geene verdienste der werken wordt verkregen. Zij komt dus van den hemel, omdat zij niet gevonden wordt onder de menschen, die ei' gansch en al van ontbloot zijn. Dat de waarheid zal spruiten uit de aarde verklaart hij (Auguslinus) in dier voege, dal God door te volbrengen hetgeen Hij beloofd had, getoond heeft, dat Hij waarachtig is en getrouw. Omdat het ons echter meer om grondige waarheid dan vernuftige bedenkselen moet te doen zijn, moeten wij ons vergenoegen met de natuurlijke bedoeling van den Profeet, dal het koninkrijk van den Zone Gods geadeld zal zijn door goedertierenheid, waarheid, vrede en gerechtigheid En omdat hij niet den lol der menschen verkondigt, maar wèl de genade, waarop hij te voren had gehoopt en van God alleen had gebeden en verwacht, moet hel als eene onomstoolelijke waarheid gelden, dat al deze goede dingen van God komen. En door het woordfiguur, waardoor men een deel neemt voor hel geheel, wordt in deze vier woorden hel ware geluk uitgedrukt. Want, als alom de wreedheid ongestraft heerscht, als nergens trouw ol waarheid wordt gevonden, als de gerechtigheid verdrukt en met voelen wordt gelreden, als alles verward en dooreen gemengd wordt, zou het dan maar niet beter zijn dat de wereld verging? Hieruit volgt, dal niets begeerlijker is voor een gelukkig leven dan dal deze vier deugden bloeien en de overhand hebben, gelijk ook elders hel koninkrijk van den lieere Jezus Christus met gelijke eervolle benamingen versierd werd. Wil men dil echter liever verslaan van de goedertierenheid en de waarheid (of getrouwheid) Gods, dan heb ik daar geen bezwaar tegen. Dal hij zegt, dat de waarheid uit de aarde spruit en de gerechtigheid nederziet van den hemel: dal beleekenl zooveel alsof hij gezegd had dal beiden zoo zeer overal verspreid zullen zijn, van boven en van beneden, dal zij hemel en aarde zullen vervullen. Want hij heeft aan geen van beiden iels afzonderlijks willen toeschrijven maai van beiden gelijkelijk willen verklaren, dal er nergens op aarde een plekje zal gevonden worden, waar zij niet bloeien.
13. Ook zal Jehovah het goede geven. Sommigen nemen dil
Psalm 85 : 13â14.
veis in allegorischen zin, en verklaren het van eene toeneming van de geestelijke goederen, maar dit koml niet overeen met de beteekenis van het ilebreeuwsche woord, waarmede de Proleet de volle mate van het geluk schijnt aan te duiden, waarvan hij gesproken had. De vrucht des lands is hier dus genomen voor eene vermeerdering van nog uitnemender weldaden. Want hoewel het geluk der Kerk voornamelijk is gelegen in de vier gaven, die hij genoemd heelt, behoort men toch hetgeen aangenaam is voor .het uitwendig leven niet te verwerpen, mits dit binnen de betamelijke perken blijft. Indien iemand nu de tegenwerping maakt, dat deze twee dingen, nl. het geestelijk koninkrijk van Jezus Christus, en de inkomsten des lands ten onrechte saam-gevoegd zijn, dan is het antwoord gemakkelijk, dal hierin volstrekt niets onredelijks is gelegen, zoo God de geloovigen in geestelijken zin zegent, en hen tegelijk ook in uitwendige weldaden zijne vaderlijke lielde doet smaken; gelijk ook volgens het getuigenis van Paulus de godzaligheid niet slechts de belofte heelt van het eeuwige leven, maar ook evenzeer van hel tegenwoordige (1 Tim. 4 : 8). Men moet echter wel opmerken dat de gemakken en genoegens van dit broze leven zóó beperkt moeten wezen, dat zij de geloovigen niet door aardsche genietingen doen insluimeren. Daarom heb ik gezegd dat zij de lielde Gods op aarde slechts proeven, niet dat zij als door een'grooten overvloed er van verzadigd zijn. En voorts leeren wij uil dil vers dal de kracht en de genade der vruchtbaarheid aan de aaide niet ééns voor altijd gegeven is om ons levensmiddelen op te leveren (gelijk de Heidenen zich verbeelden dat God bij de schepping aan ieder element zijne eigene functiën heeft gegeven, en thans ledig nederzil), maar elk jaar wordt de aarde door eene verboigene kracht Gods opnieuw vruchtbaar gemaakt, naar dat Hij ons zijne goedheid wil openbaren.
14. De gerechtigheid zal vvór hem heengaan. Sommigen nemen het woord Gerechtigheid voor den Rechtvaardige, maar dat is te hard. Wel kan men uit die beteekenis de nultige leering afleiden dal: De rechtvaardige voor Gods aangezicht zal wandelen en in al zijne handelingen doen wat recht is; maar omdat hel volstrekt niet noodig is het woord Gerechtigheid aldus te verwringen, zoo laat ons de beteekenis nemen, die juister en eenvoudiger is, nl. dal er in het koninkrijk van Christus zoo zeer orde zal heerschen, dat de gerechtigheid voor Gods aangezicht zal heengaan en al zijne wegen zal bezetten. Hierdoor schijnt hij de geloovigen opnieuw terug te leiden naar hel hoogste geluk;
245
Psalm 85 : 14.
want, hoewel God zijnen dienstknechten overvloedig van levensbehoeften voorziet, moeten zij zich toch geenszins daaraan hechten, liet verschil te dien opzichte tusschen ons menschen, en het vee, is voorzeker hierin gelegen dal God ons niet vetmest of den buik vult, opdat wij van deze wereld zouden geniéten, maar ons hooger opheft. En dat hij zegt, dat zij vóór God zal ivandelen, dat beteekent, dat God hel recht zijn' loop laat hebben, en dit is: Hare voetstappen op den weg zetten, gelijk Jesaja, integendeel klaagt, dat het recht geen'ingang kan vinden, omdat het door het gemeen wordt teruggewezen (Jes. 59 : 14).
86.
INHOUD: Deze Psalm bevat gebeden, vermengd met heilige overdenkingen om het geloof te onderhouden en te bevestigen, alsmede lof- en dankzeggingen. Want, daar het naar het gevoel van zijn vleesch aan David moeielijk viel om zich vrij te maken van den angst en de benauwdheden, die hem bekneld hielden, stelt hij de oneindige goedheid Gods hier tegenover. En hij vraagt niet slechts om verlost te worden van zijne vijanden, maar dat zijn hart geneigd moge zijn tot de vreeze Gods, en in Hem bevestigd moge wezen.
1. Een gebed van David. Heere, neig uw oor, antwoord mij, want ik ben arm en hulpeloos. 2. Bewaar mijne ziel, want ik ben zachtmoedig; o mijn God! bewaar uwen dienstknecht, die op ü hoopt. 3. O Heere! ontferm U over mij, want ik roep dagelijks tot U. 4. Verblijd de ziel uws knechts, want ik hef mijne ziel op tot U, o Heere! 5. Want Gij zijt goed en genadig, Heere! en groot van goedertierenheid jegens allen, die U aanroepen. 6. O Jehovah! hoor mijn gebed, merk op de stem mijner smeekingen, 7. Ik
Psalm 86 : 1 en 2.
roep tot U in den dag mijner benauwdheid, want Gij zult mij antwoorden.
\. 0 Heere neig uw oor. Hoewel uil het opschrilt niet blijkt, en het ook uil den tekst niet met zekerheid is al' te leiden, over welke {revaren David hier klaagt, is het toch niet onwaarschijnlijk dal hij tijdens zijne vervolging door Saul de dingen bepeinsd heefï, die hij later, toen hij vrede en rust had verkregen, op schrift heeft gesteld. En hel is niel zonder reden dal hij zijne ellende en benauwdheid voor God blootlegt, ten einde genade en gunsl van God le verkrijgen, aangezien hel gansch en al strookt met zijn' aard om de ellendigen te ondersteunen; en hoe meer iemand zwaar verdrukt en van hulp ontbloot is, hoe liefderijker Hij hem bijstand zal verleenen- Zoo laat ons dan, opdat wij ons, ook zelfs onder de zwaarste beproevingen, niet door wanhoop laten neerdrukken, hieraan vasthouden, dat de Heilige Geest dit gebed ten behoeve der armen en ellendigen heeft ingegeven.
2. Bewaar mijne ziel want ik hen zachtmoedig. Hij noemt twee andere redenen, waardoor hij God kan bewegen hem ter hulp te komen: zijne zachtheid en vriendelijkheid jegens zijne naasten, en het betrouwen, dal hij op God heeft gesteld. En hoewel hij in het eersle gedeelte van hel vers eenigerlei waardigheid van hem zeiven schijnt aan le voeren, is er toch niets verder van zijne bedoeling dan God door eenigerlei verdienste te willen binden. Maar als hij spreekt van zijne zachtmoedigheid, dan is het zijne bedoeling om zijne vijanden in een des le hatelijker daglicht le stellen, omdal hij onschuldig was, en zich alle moeite had gegeven om hun genoegen le doen, en toch op zoo snoode en onmenschelijke wijze door hen behandeld was geworden. Aangezien God dus verklaart, dal Hij de Beschermer zal wezen zoowel van goede en rechtvaardige zaken als van hen, die de gerechtigheid najagen en handhaven, verklaart David hier niel zonder reden, dal hij zich op vroomheid en zachtmoedigheid heeft toegelegd. Daaruit ziet men dan hoe slecht hij hiervoor door zijne tegenstanders werd beloond, daar zij zich zonder oorzaak wreed betoonden jegens hem, die hun wél had gedaan. Maar omdal het niet genoeg was rechtvaardig en menschlievend te handelen in de wereld, voegt hij er bij, dal zijne hoop op God was gevestigd, welke hoop de moeder is der vreeze Gods. Wij weten dat aan sommigen zoo zeer de gave der oprechtheid was geschonken, dal zij zich grooten lof verwierven onder de
247
Psalm 86 : 2â4.
menschpn van wepie hunne rechtschapenheid en menschlievendheid, zooals hijv. Aristides, die er zich op beroemde nooit iemand reden tot droefheid gegeven te hebben. Daar de zoodanigen echter met al hel voortreffelijke van hunne deugden, ól' vol waren van eerzucht, óf opgeblazen waren hoogmoed, zoodal zij meer op zich zeiven vertrouwden dan op God, moei men er zich niet over verwonderen, dat zij gestraft werden voor hunne ijdelheid; gelijk als wij, de ongewijde geschiedenis lezende, er ons dwaselijk over verwonderen, dal God ernstige, brave, gematigde lieden aan eene boosaardige en woedende volksmenigte heefl kunnen overgeven; aangezien zij, op hunne eigene krachl en deugd steunende, met goddeloozen hoogmoed de genade Gods hebben veracht. Want, daar zij van hunne deugd een' afgod hebben gemaakt, hebben zij hel geminacht om hunne oogen lol God op te heflen. En daarom, al is hel ook, dal wij een goed geweten hebben, en God getuige is van onze onschuld, zoo moeten wij toch, als wij zijne hulp en bijstand begeeren, mei onze hoop, onze zorg en kommer lol Hem gaan. Wil men hier nu tegen inbrengen, dal zoodoende de deur voor de zondaren gesloten wordl, dan antwoord ik: Als God de onschuldigen tot zich roept, dan sluit Hij daarom hen niet terstond uit, die om hunne zonden gestraft werden, wanl zij kunnen om genade en vergeving bidden. Overigens, indien zij, die nooit door ons geschaad of beleedigd werden, ons zonder oorzaak kwellen en bemoeielijken, dan hebben wij een dubbel vertrouwen.
3. O 11 eere, ontferm U over mi/. Wederom neemt, hij de toevlucht lot de barmhartigheid Gods. Wanl hel Hebreeuwsche woord chanan beteekent. 7.00\e£\ a\s eene gunst of weldaad hewyzen\ alsof hij zeide, dat hij geenerlei eigene verdienste medebrengt, maar de toevlucht neemt lot de zuivere goedheid en genade van God om Hem ootmoedig om verlossing le smeeken. En dal hij zegt dat hij dagelijks roejrt, dit, is een getuigenis der hope en des belrouwens, waarvan een weinig vroeger is gesproken Hel is dikwijls genoeg aangetoond, dat door het woord roepew onsluimigheid, of vurigen ijver wordt le kennen gegeven. Want, hoewel de geloovigen niel altijd overluid bidden, wordt toch de stem van hun verborgen zuchten hier Hoven gehoord, want die verzuchtingen gaan van uil hun hart op naar den hemel Hier wordl ook volharding bijgevoegd, opdat wij welen, dat deze kloekmoedige dienstknecht Gods zich niel bij den eersten of tweeden aanval heefl lalen ontmoedigen, maar onvermoeid in den gebede heeft aangehouden. In hel volgende vers drukl hij meer
m
Psalm 85 ; Aâ7.
bijzonder uil waarom hij wenschl, dal God zich over hem zal ontfermen, Ie weten: opdal zijne droefheid van Hem zou wijken. In hel Iweede lid verklaart hij, dal er geene geveinsdheid is in zijn roepen, omdal hij zijne ziel ophefl lot God, heigeen hel groole kenmerk van het ware gebed is.
5. Want Gij zijt goed en genadig. De geheele voorafgaande leer bevesligl hij uit den aard Gods; wanl de ellendigen en nood-drufligen zouden er niets bij winnen om de toevlucht te nemen lol God en hun gebed en smeeking tol den hemel op te zenden, indien zij er niet van overtuigd waren, dal Mij een getrouw Belooner is van allen, die Hem aanroepen. David steunl ihans hierop, dal God barmhartig is en vol van weldadigheid, zoodat Hij naar de grootheid zijner goedertierenheid, hen niet kan afwijzen, die zijne hulp inroepen. En wal betreft dal hij God genadig, of verbiddelijk, noemt: dit is eene soort van goedheid; want hel zou niet genoeg zijn, zoo Hij slechts goed was in aliremeenen zin, indien Hij niet ook vergiffenis schonk aan de omechtvaardigen en zondaars. Hoewel hij nu God loofl, omdal Hij groot is van goedertierenheid, beperkt hij dit toch terstond daarna lot de geloovigen, die de toevlucht lol Hem nemen; opdat wij weten dal zij, die God veronachtzamen en hardnekkig hun leed opkroppen, rechtvaardiglijk in hunne ellende omkomen. Tegelijkertijd spreekt hij echter van Allen, opdat ieder, zonder uitzondering, van den grootslen lolden kleinsten, de vrijmoedigheid liebbe om de toevlucht te nemen tot de goedheid en barmhartigheid Gods.
6. O Jehovah! hoor mijn gehed. Door in dit en hel volgende vers wederom vuriglijk te bidden, loont hij duidelijk, dat hij door eene zeer groole smart was aangegrepen en onder zware zorg gebukt ging. En door dit voorbeeld wordt ons geleerd, dat zij, die na ééne enkele maal gebeden te hebben, terstond van bidden aflaten omdat God hun niet terstond hunne begeerte schenkt, wel zeer koud van hart en onstandvastig zijn. Nu is dit hier volstrekt geene overtollige herhaling, door welke de geloovigen hunne zorgen en kommer in Gods hart uitstorten; zoodanig aandringen is Gode als een liefelijk reukwerk. Als hij zegt; Gij zult mij verhoor en, als ik in den dag mijner benauwdheid tot U roep, dan past hij voor zich zeiven toe wal hij even te voren gezegd heelt, nl. dat God goed en genadig is voor allen, die Hem aanroepen.
249
Psalm 86 : 8.
8. O Heere! niemand onder de goden is U gelijk, en niemand kan doen wat Gij doet. 9. O Heere! alle de Heidenen, die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en voor uw aangezicht aanbidden, en uwen Naam eere geven. 10. Want Gij zijt groot, en Gij alleen |zijt| een God, die wonderen doet. 11. O Jehovah! toon mij uwe wegen, ik zal wandelen in uwe waarheid, vereenig mijn hart om uwen Naam te vreezen.
8. O Heere, niemand onder de goden is Ugel'jk. Van Iweeën één; óf hij heeft verkregen wal hij heeft begeerd en dankt nu God, óf hij vat wederom moed en verzamelt nieuwe krachten om te bidden. Dit wil ik gaarne aannemen, tenzij men liever hel een met het ander wil laten samengaan. Sommigen geven hier de uitlegging, alsof het Uebreeuwsche woord Elohim van de Engelen verslaan moet worden, alsof David hen met den Allerhoogsten God vergeleek, maar dit schijnt mij voor deze schriftuurplaats niet juist te zijn. Want hij rangschikt de Engelen hier niet in hunne orde, alsof zij mindere goden waren, ten einde hen plaats te laten geven aan de kracht Gods; maaibij wijze van minachting drijft hij den spot met alle de valsche goden, van wie de ongeloovigen en de Heidenen nog eenigerlei hulp verwachtten, omdat zij door geenerlei werk toonen goden te zijn. Want, indien Hij de krachl, of het vermogen, om te werken, verdeelde naar minder of meer, dan zou hij niet aan God alleen toeschrijven wat Hem alleen toekomt. Hij ontkent dus dat er in hen eenigerlei Godheid is, die men in waarheid of door de uitwerking in hen kan bespeuren. En ons thans oproepende tot de beschouwing zijner werken, toont hij genoegzaam aan, dat zij, die vernuftig en spitsvondig over het verborgen wezen Gods als philosophen redeneeren, terwijl zij de openbare en blijkbare kenmerken, die uitblinken in zijne majesteit, voorbijgaan, slechts beuzelpraat voortbrengen. Dewijl dus ons versland zich nooit lol de hoogte van God kan opheffen, is het groole wijsheid in David om zich met hel getuigenis zijner werken tevreden te stellen en naar aanleiding daarvan te verklaren, dat alle goden, van wie geenerlei krachl uitgaat, valsche goden zijn. Als men nu tegenwerpt, dal hel strijdig is met alle rede om eene vergelijking te maken lusschen God en de beuzelachtige verzinselen der mensuhen, dan is de oplossing van
250
Psalm .86 : 8â10.
die zwarigheiil gemakkelijk, nl. dat die wijze van spreken te gemoet komt aan de onwetendheid van liet volk; want wij weten, hoe de bijgeloovigen de valsche en dwaze verzinselen van hun brein hemelhoog verheffen. En zeer terecht drijft David den spot met hunne dwaasheid, om zich goden te maken zonder eenigen grond daartoe.
9. O Heere! alle de Heidenen, die Gij gemaakt hebt, enz. Indien men dit wil aannemen als beperkt tot het tegenwoordige onderwerp, dan heb ik daar niets legen. En inderdaad, door zulke woorden van lof verhoogt David meermalen de genade, die hij zelf heeft ervaren. Men zou het echter ook zeer goed kunnen uitbreiden tot de macht van God in het algemeen. Maar liet zij hij nu in het bijzonder spreekt van de genade, die hem bewezen is, of in het algemeen over de werken Gods handelt, wij moeten in gedachten houden hetgeen elders gezegd is, dat hij, telkenmale wanneer hij van de toestemming der Heidenen spreekt om God te eeren en te vreezen, hel oog heeft op het geestelijk Koninkrijk van den Zone Gods, vóór welks komst God slechts als een voorsmaak heeft gegeven van de openbaring zijner heerlijkheid, die ten slotte door geheel de wereld verspreid werd door middel van de prediking van het Evangelie. En gewis, de roeping der Heidenen was voor David niet verborgen; maar daar het van wege het nieuwe en ongewone hard was om aan de Joden te zeggen, dat de Heidenen met de kinderen Abrahams zouden komen om God te aanbidden, en dat alle verschil tusschen hen zoo zeer zou weggenomen zijn, dat ook zij (de Heidenen) met hen deelgenoten zouden worden van de hemelsche leer, zegt hij, om deze hardheid eenigszins te verzachten, dat ook de Heidenen door God geschapen zijn, zoodat het niet als iets onredelijks moet beschouwd worden, als ook zij, verlicht geworden zijnde, len slotte Hem zullen kennen en erkennen, die hen geschapen en geformeerd heeft. In het volgende vers herhaalt hij dezelfde zaak, te weten, dat de heerlijkheid Gods gekend wordt door de grootheid zijner werken, lietgeen de rechte manier is om God te leeren vreezen. Want hoewel de hoogmoed des vleesches immer begeert zich een' weg te banen naar den hemel, zoo is, dewijl ons verstand bij zoo langdurig een onderzoek faalt, ons toch niets nultiger, dan naar de kleine mate onzei zwakheid God te zoeken in het getuigenis zijner werken. Zoo laat ons dan leeren ons versland te doen ontwaken om de werken Gods te beschouwen, en de hoogmoe-digen laten dwalen in hunne eigene doolwegen, die uilloopen
251
Psalm 86 : 10 en 11.
op een' afgrond, waaruit men niel opgetrokken kan worden. En voorts, opdat dit bedwang ons niet zal verdrieten, looft David op verheven wijze door dit woord wonderwerken de werken Gods, hoewel dezen voor de blinde en verdwaasde menschen niets schoons of aantrekkelijks hebben. Intusschen moeten wij ook wè! acht geven op dit beginsel, dat de heerlijkheid der Godheid niel voegt dan aan God alleen, want nergens anders zal de wijsheid, of de macht, of de gerechtigheid, of iets anders gevonden worden, die in zijne wondervolle werken uitblinken. Hieruit volgt dat de Papisten, voor zoo veel in hen is, de ware Godheid loochenen, als zij. God beroovende van zijne hoedanigheden, Hem schier niets dan den naam laten.
11. O Jehovah! toon my uwe wegen. Thans klimt David hooger. nl. dat hij door den Geest der ware wijsheid geleid en bestuurd mocht worden om een heilig leven te leiden, en door den Geest der kracht in deze heilige begeerte bevestigd mocht worden. Intusschen stelt hij stilzwijgend de wegen Gods tegenover eiken raad van het vleeschelijk verstand, want, zich onderwerpende aan God, en Hem biddende zijn Leidsman te willen zijn, belijdt hij, dat er geene andere mogelijkheid is om heilig te leven, dan wanneer God ons voorgaat en wij Hem dicht achteraan wandelen; en zoo is hel, dal zij die in hel minst of geringst afwijken van de Wel om naar hunne eigene wijsheid te wandelen, van den weg zullen afdwalen. En dit bevestigt hij door er onmiddelijk hij te voegen: Ik zal wandelen in uwe waarheid', want hij verklaart allen schuldig aan ijdelheid en leugen, die zich niel aan dezen regel der waarheid houden. Hij drukt hier den vvensch niel uit om in de wegen des Heeren onderwezen te worden, alsof hij te voren volstrekt onbekend was mei de leer; maar omdat hij wel wist nog door velerlei duisternis en nevelen van onwetendheid omgeven le zijn, is hel zijne begeerte om meer en beter te leeren. Wij moeten ook opmerken, dal hij niet slechts van de uitwendige manier van onderwijzen spreekt, maar, daar hij de Wel in handen heell, vraagt hij nu om hel innerlijk licht des Heiligen Geestes, opdat hij zijn' lijd niel verbeuzele mei slechts de letter le leeren; gelijk hij elders zegt: Heere, open mijne oogen, en ik zal de wonderen uwer Wel aanschouwen (Ps. 119:18). Indien nu zoo uitnemend een Profeet, die begaafd was met zoo groote gaven des Geestes, toch zoo openhartig zijne onwetendheid erkent, hoe groote dwaasheid zal hel dan niel wezen, als wij niel gevoelen wal ons ontbreekt, opdat de bewustheid van de geringheid onzer kennis
252
Psalm 86 ; 11. 253
ons aanspore om meer le verkrijgen. En inderdaad, hoe meer iemand gevorderd is in de kennis van den waren godsdienst, hoe meer liij zal gevoelen dal hij nog zeer ver van hel doel is verwijderd. In de Iweede plaals moei hier bijgevoegd worden, dal lezen of hooren niel genoeg is, indien God ons daarbij niei inwendig verlichl door zijn' Geesl. Hij begeerl ook dal zijn hart rechl geformeerd moge zijn tol de gehoorzaamheid aan God, en dal hij daar voortdurend in bevestigd moge worden. Want, evenals ons versland lichl noodig heefl, zoo heeft onze wil leiding noodig. Sommigen vertalen Verheug mijn harl, alsof hel werkwoord afgeleid was van den slam gada. Maar hel is veeleer afgeleid van jagad, hetgeen beleekenl verbinden, of vereenigen, en deze heteekenis pasl zeer goed in dezen zin. Er is hier ook inderdaad eene legenslelling (waar men niel genoeg op gelei heeft) lusschen hel vasie voornemen of besluit, waardoor hel harl van den mensch Gode aanhangt, als de Heilige Geesl hem bestuurl, en de onrust, waardoor hij heen en weder wordt gedreven, zoolang hij mei zijne genegenheid nog op twee gedachten hinkt. Nadal de geloovigen dus geleerd hebben wat goed en rechl is, is het daarbij nog noodig dal er eene hartelijke, onwrikbare instemming bij komt, opdat hel harl geene onheilige lusten ol begeerten koeslere. Daarom is er in dit woord Vereenigen eene zeer treffende beeldspraak gelegen, waaruil wij kunnen leeren, dat het harl des menschen beroerd is, als van één wordt gereten door tegenstrijdige neigingen, totdat God het lol zich heefl gelrokken en hel bij zich houdt om Hem gehoorzaam te zijn. Hieraan kan men nu ook weten wal er aan is van den vrijen wil des menschen en wat wij met dien vrijen wil vermogen. Deze heefl twee eigenschappen, en David belijdt, dal hij van de eene zoowel als van de andere ontbloot is, daar hij hel lichl des Heiligen Geesles stelt tegenover zijne eigene verblindheid, en verklaart dat de oprechtheid des harten eene zuivere gave Gods is.
12. O Heere, mijn God, ik zal U van ganscher harte loveu, en uwen Naam tot in eeuwigheid verheerlijken. 13. Want uwe goedertierenheid is groot over mij geweest, en Gij hebt mijne ziel verlost van het diepe graf. 14. O God! de hoovaardigeu zijn tegen mij opgestaan, en een gezelschap van sterken hebben
Psalm 86 : 12 en
mijne ziel gezocht, en zij hebben U niet voor hunne oogen gesteld. En Gij, o Heere, God! zijt barmhartig en genadig, ver van toorn, en groot van goedheid en waarheid. 16. Zie mij aan, en ontferm U over mij, geef uwen knecht uwe sterkte, en bewaar den zoon uwer dienstmaagd. 17. Toon aan mij een teeken ten goede; en mijne tegenstanders zullen [het] zien, en zullen beschaamd wezen, want Gij, o Jehovah, hebt mij ondersteund en hebt mij vertroost.
12. 0 Heere, myu God. Hij belooft dankzegging aan God, nadat hij op allerlei wijze zijne vaderlijke goedheid zal hebben ervaren. En gelijk hij nu gevraagd heeft dat zijn hart met God vereenigd mocht wezen om Hem te vreezen, zoo zegt hij nu, dat hij Hem niet slechts met de long of met den mond, maar van ganscher harte en voortdurend zal loven. Hij voegt er de reden bij, nl. dal God door hem te verlossen hem een bijzonder blijk van zijne goedheid en barmhartigheid heeft gegeven. En om de grootheid dezer genade nog meer Ie doen beseffen noemt hij het gevaar, waaruit hij verlost was, een diep graf-, alsof hij zeide, dat hij niet slechts door den dood was gehouden, maar dat hij in het diepste graf was nedergestort, zoodat God hem op wonderdadige wijze zijne hand moest toesteken En daar wij nu door onzen Heere Jezus Christus uit den diepsten afgrond des doods zijn opgetrokken, zal onze ondankbaarheid op geenerlei wijze te verontschuldigen zijn, indien wij niet met alles wat in ons is Hem voor deze redding loven en danken. Want, indien David den Naam Gods zóó zeer heelt groot gemaakt en verheerlijkt, alleen maar omdat zijn aardsche leven voor eene wijle verlengd is geworden, welken lof verdient dan niet die onvergelijkelijke verlossing waarmede wij uil de diepte dei'hel getrokken zijn, om opgevoerd le worden naar den hemel? Wat betreft dat de Papisten hun vagevuur hiermede Irachlen te bewijzen, alsof er een hoogere en eene lagere hel was, dit is zóó bespottelijk, dat het der moeite der wederlegging niet waardig is.
1.quot;{. O God! de hoovaardigen zijn legen my opgestaan. Sommigen lezen hier zérim, hetgeen beteekenl vreemdelingen. En inderdaad duidt de Schrift hier meermalen eene barbaarsche wreedheid mede aan, alsof zij kortweg de wreedaards genoemd werden.
254
Psalm 86 : 13 en 14.
255
m
ill A*
-
i:' i
ill üü
Pr
â I
f;S
ft ïl
Kvenwel geef ik de voorkeur aan hetgeen meer algemeen is aangenomen. Wanl, daar de llebreën lioovaardige lieden Zédim noemen, is de letter daleth waarschijnlijk met de ietter resh verwisseld, hetgeen van wege de groote gelijkvormigheid dier twee letters gemakkelijk plaats kan hebben. En hierdoor zal de tekst ook beter vloeien, want in dien zelfden zin noemt hij terstond daarna sterhen hen, die met onstuimig geweld alles beroeren en onderst boven keeren om te verderven en le vernielen, gelijk wij weten dat nergens zachtheid nf gematigdheid is te bespeuren, waar de hoogmoed heerscht. Nu drukt hij zonder beeldspraak uit wat hij van het graf heeft gezegd, want, daar hij als een lam was te midden der wolven, zou hij spoedig verslonden zijn geworden, indien God hem niet wonderbaarlijk als van het midden des doods had gered. Hij geeft als het ware eene overmaat van wreedheid te kennen, als hij zegt, dat zij op God geen acht hebben geslagen, want, zoo de vreeze Gods en de bewustheid van zijn oordeel ons niet weerhoudt, dan zal de heftigheid van onze verdorvene lusten ons lot alles wat slecht is aansporen. Tegen dil kwaad zoekt hij een geneesmiddel in de barmhartigheid en goedheid van God. Want als hij terstond daarna aan God deze titels of benamingen geelt: Gy, o Heere, mijn God, zyf, barmhartig, enz. dan is dit alsof hij zeide, dat wij in de goedheid Gods genoeg ondersteuning en kracht hebben legen de vermetelheid en woede der boozen, en dat zijne trouw en goedertierenheid ons genoeg moeien zijn. Het zou ook wel kunnen wezen, dal hij, gevoelende dat de boozen en hoovaar-digen de geesels van God zijn, zich de goedheid en barmhartigheid Gods voor oogen gesteld heeft om zijne groote vreeze en verslagenheid tol bedaren le brengen. Want dit is de ware en eenige verlichting onder de kastijding Gods, dat wij, hoe zwaar zij ook moge wezen, nooit zijne goedheid en barmhartigheid uil hel oog verliezen. Het is overigens genoegzaam bekend, dat deze volzin genomen is uit het boek van Exodus, het 34ste hoofdstuk, het G3® vers, waar men eene zeer schoone omschrijving vindt van den aard en het wezen Gods. In de eerste plaals wordt Hij genoemd barmhartig-, hieruit \\oe\\. \oor\. de geneigdheid tot. genade, nl. als Hij medelijden heeft met ons leed en onze smart. In de derde plaals noemt hij zijne lankmoedigheid, want Hij toornt niet terstond nadat Hij beleedigd werd, en alzoo schenkt Hij dan vergiffenis naar zijne groote goedertierenheid en goedheid. Ten slotte wordl gezegd, dat Hij groot is van goedheid en waarheid. Door deze woorden versla ik, dal Hij voortdurend genadig en waar is. Nu is zijne strengheid wel niet minder
â
Psalm 86 : 14â16.
loffelijk dan zijne goedheid en goederlierenheid, daar Hij ecliler niel anders slraf of slreng is dan van wege on?e hardnekkigheid, alsof deze hem als hel ware noopte ons le straffen, zoo is, als de Schrift zegt, dat Hij naar zijn' aard goedertieren en genadig is, de heteekenis hiervan, dat het, als het ware, iets accidenteels is, wanneer 'lij zich streng betoont, liet is waar: ik spreek hier onjuiste en grove taal; maar zoo veel is zeker, dat de titel, waarmede God wordt aangeduid, deze strekking heelt, dat God uil zijn' aard zóó genadig en vergevensgezind is, dat Hij het straffen uitstelt, en er nooit toe overgaat om wrake te doen, indien Hij er door onze boosheid niel loe gedwongen wordt. Nu hebben wij elders aangetoond waarom de waarheid saamge-voegd is met de goedertierenheid en goedheid van God. Want, aangezien zelfs diegenen, die het meest goedertieren van aard zijn, soms wel eens zouden willen herroepen, wal zij beloofd hebben, omdat hun hunne al le groole gemakkelijkheid (in het beloven) berouwt, zijn wij, die gewoon zijn om len onrechte God te beoordeelen naar ons zeiven, al licht geneigd zijne beloften le wantrouwen. God verklaart dus, dat Hij niet is als de menschen. want gelijk Hij mildelijk belooft, is Hij ook getrouw in hel volbrengen.
16. Zie my aan. llij past nog duidelijker toe wat hij van de goedertierenheid Gods gezegd heeft. Want omdat God barmhartig is, is hij er van verzekerd, dat hij zorg zal dragen voor zijn heil. Daarna volgt hel Hebreeuwsche woord chanan, hetwelk beteekent genoegen doen of gunst betoonen. En ten laatste besluit hij, dat hij niet anders bewaard ol gered zal worden dan door de kracht en hulpe Gods, die hij op zijn gebed heeft verkregen, en daarmede erkent hij geene kracht in zich zeiven le hebben. Door zich nu Gods knecht, den zoon zijner dienstmaayd, le noemen beroemt hij zich geenszins op zijne verdiensten, maar hij wijst op eene groole rei van voorouders en een onafgebroken stroom van Gods genade, ten einde alzoo gunst le verkrijgen; alsof hij zeide, dat hij van zijns moeders lijf aan tol de dienstknechten Gods behoord heelt, en om zoo te zeggen zijn geboren dienstknecht was, waarvan wij elders reeds gesproken hebben. In hel laatste vers herhaalt hij nogmaals dal hij in zekeren zin door God verlaten was geworden. Want hij zou niel wenschen dat hem een teeken van genade gegeven zou worden, indien hij niet op allerlei wijze als door wanhoop gedreven was, en de gunst van God hem niel verborgen was len einde zijn geduld le beproeven. Nu was het wel een bewijs van bijzondere stand-
256
Psalm 87.
vastigheid, dat hij tegen zoodanige verzoeking heelt gestreden, en wel zóó, dat hij te midden der duisternis het licht heelt zien schitteren. En de reden waarom hij wenscht dat zijne vijanden beschaamd zullen worden is, omdat zij lioovaardiglijk den spot hebben gedreven met zijne eenvoudigheid, alsof hel eene dwaasheid in hem ware om op God Ie vertrouwen.
PSALM: 87'.
INHOUD: Dewijl de treurige en ellendige toestand der Kerk, gelijk die was na de Babylonische gevangenschap, den moed der godvruchtigen wel heeft kunnen neerslaan, belooft de Heilige Geest hier, dat zij op wonderbaarlijke en ongelooflijke wijze weder hersteld zal worden, zoodat er niets meer begeerd kau worden dan tot bare leden te behooren.
Een Psalm, een Lied van de zonen Korachs. 1. Zijne grondslagen zijn op de heilige bergen. 2. Jehovah bemint de poorten van Sion boven alle de tabernakelen van Jakob. 3. Heerlijke dingen worden van u gezegd, o stad Gods! Selah.
Als de kinderen dezer wereld voorspoed hebben, dan scheppen zij K'ootelijks behagen in hun' toestand en verheffen dien hemelhoog, terwijl zij met ondraaglijken hoogmoed minachtend neerzien op de Kerk. En zelfs als zij leed hebben verduurd of door rampen zijn getroffen, dan zijn zij hierdoor toch nog niet len onder gebracht, maar vergelen hunne dwaze aanmatiging, waardoor zij hunne zinnen hadden bedwelmd. Inlusschen verachten zij stoutmoedig allen godsdienst en elke aanbidding van God; want., zich vergenoegende met den glans der rijkdommen, der weelde en der eerbetooningen door menschen. denken zij gelukkig le zijn zonder God. Nu gebeurt hel dikwijls, dal de lleere hen als overlaadt mei allerlei goed met hel voornemen om hen ten slotte te straffen naar dal zij hel verdiend hebben en wrake le doen over hunne ondankbaarheid, als de bestemde
Dl II. 17
257
Psalm 87.
258
tijd daartoe zal gekomen zijn; terwijl Hij over zijne Kerk zwaar leed brengt, of haar ten minste zeer klein en in verachtelijken staal houdt, zoodat zij denkt in zeer ellendigen toestand te verkeeren, of ten minste niet kan verhinderen, dat zij aan de minachting van anderen is blootgesteld. Opdat nu de geloovigen door dien valschen schijn niet misleid zouden worden, is het noodig dat zij tol eene andere overweging teruggaan, zoodat zij gelooven dal hetgeen in Psalm 3S ; 12 gezegd is, waar is, ni. dat hel volk welgelukzalig is, dat Jehovah lol God heeft. Zoo is dan de inhoud van dezen Psalm dat de Kerke Gods alleen alle koninkrijken en stalen ver overtreft, want God waakt over haar welvaren, en Hij bestuurt en regeert haar, in de eerste plaats, opdat zij, te midden der stormen en beroeringen, waardoor de gansche wereld zoo dikwijls geschud en bewogen wordt, immer veilig en wel bewaard zal blijven. Ten tweede en voornamelijk , opdat zij, wonderbaarlijk bewaard zijnde door de hulp van God zelven, ten laatste na een' langdurigen en heiligen strijd lot den prijs harer hooge en heerlijke roeping moge geraken. Dit, voorwaar! is eene bijzondere weldaad Gods en een treffend wonder, dal, onder al de veranderingen in de koninkrijken dezer wereld, en hoewel de Kerk van eeuw tot eeuw vermeerderd en uitgebreid wordt, zij voor verwoesting of verderf bewaard wordt, zoodat er in geheel de wereld niets is dat sland houdt, dan zij alleen. Maar omdat het duidelijk is, dat de Kerk dikwijls door velerlei gevaren wordt beroerd, of liever, dal zij door onstuimige golven bedekt wordt, zoodat zij er door schijnt verzwolgen te zijn, terwijl de hoovaardigen en ongeloovigen bloeien, in rijkdom toenemen en voortdurend machtiger worden, moet men het heil der Kerk voornamelijk hierin stellen, dat haar een eeuwigdurende staat is weggelegd in den hemel. De omstandigheid nu van den tijd, wanneer die Psalm gedicht werd, helpt groote-lijks om hem goed te doen verstaan Want, hoewel het volk van Israël teruggekeerd was uit de Babylonische gevangenschap, de Kerke Gods wederom tol één lichaam bijeenvergaderd was geworden, en na langdurige verstrooiing weder vereenigd was; hoewel het altaar weder opgericht en de Tempel herbouwd was, en de dienst van God wederom volledig was ingericht en gevestigd, zoo was toch de toestand der Kerk, omdat zij van eene groote menigte tot een zeer gering aantal was geslonken, onaanzienlijk, ja verachtelijk. Hetgeen er nog van overgebleven was, werd dagelijks verminderd door de vijanden De Tempel was bij lange na niet zoo schoon en prachtig als te voren; de geloovigen hadden nauwelijks grond om op eene betere toekomst te hopen.
Psalm 87.
259
En inderdaad, hel scheen wel onmogelijk dal zij zich ooil weder lol hun' eersten staal zouden kunnen verheffen. Daarom was er gevaar dal hel harl der geloovigen bij de herinnering aan hetgeen zij reeds verloren hebben, en den legenwoorditren zwaren druk, len laatste door wanhoop vervuld zou worden. Opdal zij dus onder zulk zwaar leed niel zouden bezwijken, beloofl de Heere in dezen Psalm niet slechts dal zij terug zullen erlangen wal zij hebben verloren, maar hefl hen levens op dooide hoop op eene onvergelijkelijke heerlijkheid volgens deze profetie van Haggaï: De heerlijkheid van den tweeden Tempel zal grooler zijn dan van den eersten (llaggaï 2 : 10). Nu blijft ons nog len slotte overig, dat wij leeren dezen Psalm ook voor ons gebruik toe le passen. Deze verlroosling moet voor de geloovigen van dien lijd van zooveel gewicht zijn geweest , dal zij zich le midden hunner beproevingen niel alleen slaande hebben kunnen houden, maar dal zij van uil de diepte des grals tot de hoogle des hemels hebben kunnen reiken. En daar wij nu heden len dage weten, dat alles wal de Heilige Geesl voorzegd heelt, vervuld is geworden, zijn wij meer dan ondankbaar zoo de ervaring der Vaderen, gevoegd bij zijne woorden, ons geloofniel versterkt. Want het is niel mogelijk len volle uii le drukken mei hoe groote heerlijkheid Jezus Christus zijne Kerk door zijne komsl heeft versierd. Want. toen is de ware godsdienst, die le voren binnen de enge grenzen van Judea was beperkt, verspreid geworden door geheel de wereld. Toen is God, die slechts door één enkel geslacht gekend werd, begonnen aangebeden te worden in de verschillende talen van alle volken en naliën. Toen is de wereld, die ellendig verdeeld en verscheurd was door allerlei seclen van bijgelool en dwaling, bijeenvergaderd in de heilige eenheid des geloofs. Toen hebben allen zich in groepen of gezelschappen verbonden met de Joden, die zij le voren hadden verafschuwd. Toen hebben â¢Ie koningen en de volken der aarde zich vrijwillig gebogen onder de gehoorzaamheid aan den Zone Gods. Leeuwen en wolven zijn in schapen en lammeren verkeerd. De gaven des Heiligen Geesles werden uitgestort over de geloovigen, gaven die alle rijkdom en pracht en kostbare versierselen der wereld in heerlijkheid verre le boven gingen, liet lichaam zelf der Kerk, bijeenverzameld uit zeer ver van elkander verwijderde landstreken, werd vermeerderd en op wonderbaarlijke wijze bewaard. In korten lijd werd hel Evangelie alom gepredikt, en dal wel met, zóó veel vrucht, dal hel ongeloollijk scheen. Daarom, al zou ook de heerlijkheid der Kerk door deze Profetie niel aangekondigd zijn, dan zou loch de toestand van deze onvergelijkelijke
17*
Psalm 87 : 1.
gouden eeuw duidelijk aantoonen, dat hier wel waarlijk hel hemelsche koninkrijk Gods is. Evenwel, zelfs toen was het noodijr dat de geloovigen eene diepere en hoogere beschouwing hadden van den adel en de voortreffelijkheid der Kerk, dan waartoe zij door de redeneering van het vleeschelijk verstand komen konden. Want in haren grootsten bloeitijd bestond hare heerlijkheid niet in goud of purper, of kostelijke steenen, maar in het bloed der heilige martelaren. Zij was rijk in den Geest, doch arm in aardsche goederen. Zij was edel en glansrijk in heiligheid en goedheid voor God en de Engelen, maar in het oog der wereld was zij onaanzienlijk, gering, ja verachtelijk. Vele openlijke vijanden hebben ontzettende wreedheden jegens haar gepleegd, of hebben door list en kuiperij allerlei kwaad tegen haar beraamd, en inwendig was er vrees en verraad. In één woord, hare waardigheid, van geestelijken aard zijnde, was toen nog verborgen onder het kruis van Jezus Christus Daarom was de vertroosting, die in dezen Psalm is vervat, zelfs voor dien lijd zeer nuttig en geschikt, om de geloovigen hun hart te doen opheffen naar Boven en een volmaakter toestand der Kerk te verwachten. Maar voor ons is de zaak nog anders. Het is geschied dat deze schoone gestalte der Kerk door de schuld onzer vaderen ontsierd en onteerd nederlag onder de voeten der ongeloovigen. En heden, verpletterd onder het gewicht onzer zonde, zucht zij van wege eene schrikkelijke verwoesting, de hoogmoedige bespotting des duivels en der wereld, de wreedheid der tyrannen en den boozen laster der vijanden, zoodat de kinderen dezer wereld, die een gemakkelijk leven wenschen te leiden, niets minder begeerlijk achten dan het volk Gods genoemd te worden. Hieraan ziet men nog meer hoe nuttig deze Psalm is, en hoe noodig het is hem veel en ijverig te bepeinzen. Wat nu het opschrift betreft, het duidt niet zoo zeer den auteur aan. als wel hen, die aangesteld waren om de muziek te leiden en den Psalm te zingen. Het kan echter wel wezen dal een der Levieten uit hetzelfde geslacht den Psalm gedicht heeft
1. Zijne grondslagen zijn op de heilige hergen. Zij, die dit verslaan van Jeruzalem, alsof er gezegd was dat hel op heilige bergen was gebouwd, moeten zich, naar mijn inzien, vergissen, omdat hel betrekkelijk voornaamwoord mannelijk is. Ik weel wel dal sommige geleerden dit verdedigen door te zeggen , dal het woord Volk ingelascht moet worden, al is hel ook dat er van Jeruzalem, die de hoofdstad was, wordt gesproken. Maar al zou ik er ook over zwijgen, dan zou toch iedereen weldra
260
Psalm 87 : 1 en 2.
261
inzien dat dit eene gezochte uitlegging is. Sommige Hebreën hebben gedacht, dat niets waarschijnlijker is, dan dal dit betrekking heelt op den Psalm zei ven. En zoo hebben zij het dan allegorisch verklaard, alsol met grondslagen hel thema, ol'onderwerp van den Psalm bedoeld is, omdat hij handelt over de heilige stad Jeruzalem, die op bergen was gelegen. Maar ik sta er over verbaasd hoe zij zich ten opzichte van iets, dal toch zoo helder en duidelijk is, zoo schromelijk hebben kunnen bedriegen. Want, aangezien het onder de Hebreën iets zeer gewoons was een betrekkelijk voornaamwoord te gebruiken zonder antecedent, behoorde die wijze van spreken hun niet hard ol' vreemd toe te schijnen. En de naam God zal terstond genoemd worden. En wij welen, dat Hij overal als de Stichter van Jeruzalem wordt aangewezen. Sommigen verslaan door de Bergen Moria en Sion, de twee toppen van een' berg, die in tweeën was gespleten; maar die uitlegging is gewrongen. Veeleer heeft de Profeet, aangezien de geheele landstreek bergachtig was, verscheidene dicht bij elkander gelegene, en aan elkander verbondene bergen willen aanduiden, waardoor Jeruzalem omringd was; gelijk op eene andere plaats gezegd wordt: Rondom Jeruzalem zijn bergen, (Ps. 125:2). Zie hier dus den waren en natuurlijken zin, dal God de heilige bergen heelt verkoren, waar quot;ij zijne stad ge-fondeerd heeft. Want een weinig later volgt in den tekst: De Allerhoogste zelf zal haar bevestigen. Wel is waar, is Hij ook de Stichter der andere sleden, maar van geene andere stad wordt gezegd: Dit is mijne ruste lot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb haar verkoren (Psalm 132:14). Wij moeten nooit vergelen, dal de andere sleden slechts voor de uitwendige oide door de kracht en onder de leiding Gods gesticht zijn, terwijl Jeruzalem zijn Heiligdom, zijne koninklijke residentie was. Ook Jesaja spreekt op die wijze in hoofdstuk 14-: 32. En wat meer is, hoewel geheel de landstreek van Judea Gode gewijd was, wordt er toch gezegd dat Hij deze stad verkoren heeft om er le heerschen, terwijl de andere [steden] vei worpen waren. Want er is hier geene sprake van eene aardsche regeering, maar van eene geestelijke heerschappij, want de zuivere eerediensl, en de ware godsvrucht, en de leer der heiligheid waren toenmaals nergens anders aanwezig dan te Jeruzalem, in het tweede vers wordt gezegd dat Jehovah de poorten van Sion bemint hoven alle de tabernakelen van Jakob, en dit leert ons, dat al de voorlref-lelijkheid der heilige stad afhing van Gods vrije verkiezing. Hiermede komt overeen hetgeen gezegd wordl in Psalm 78 : 60, dal God Silo, den stam van Efraïm, de tenten Jozefs had ver-
Psalm 87 : 2 en 3.
worpen, om te wonen in Sion, dal Hij liefhad. De Profeet toont dus de reden waarom God de eene plaats boven de andere verkiest, en die reden zegt liij niet te liggen in de schoonheid oi waardigheid der plaats, maar in de vrije liefde van God. Vraagt men dus: waarom is deze stad Jeruzalem zoo voortreffelijk, zoo vergenoegen wij ons met dit korte antwoord: Aldus is hel hel welbehagen Gods. En dit was hel begin van de lielde Gods, maar hel doel er van was, dal er eene bestemde plaats zou zijn, waar de ware godsdienst in stand zou gehouden worden tot aan de komst van Jezus Christus, ten einde de eenheid des geloofs te kweeken, en van waar later de godsdienst zou verspreid worden lot aan de einden der aarde. Daarom geeft de Proleet dezen eervollen titel aan Jeruzalem, dat God haar Bouwmeester, haar Stichter en Regeerder is. En al hare voortreffelijkheid boven de andere plaatsen schrijlt hij loe aan de aanneming en de vrije gunst van God. Hij heeft Sion genomen voor geheel Jeruzalem, en de poorten voor geheel den omtrek der stad.
3. Heerlijke dinyen worden van u gezegd. Woord voor woord staal hier: Hetgeen van u gezegd wordt zijn heerlijke dingen. Er moet acht worden gegeven op de bedoeling van den Proleet], of liever, wat de bedoeling is van den Geest Gods, die hier spreekt door den mond van den Profeet. Daar de toestand des volks zeer min en verachtelijk was, vele geduchte vijanden hel van nabij benauwden, en er schier niemand onder hen was, die hoop of moed had om de moeielijkheden te boven le komen, iedere dag nieuwe, ongedachte veranderingen aanbracht, en er groot gevaar bestond dat de zaken van kwaad lol erger zouden gaan en eindelijk een algeheel verval zou plaats hebben, was er nauwelijks hoop, dal de Heilige stad ooit weder opgebouwd zou worden. Opdat de wanhoop zich nu niet van het hart der geloovigen meester zou maken en hen zou doen bezwijken, wordt hun hier een uitnemende steun geboden in de verzekering, dal de Heere gansch anders van den loekomstigen slaat der Kerk heeft gesproken. Want er valt niet aan te twijfelen dat de geloovigen van de tegenwoordige beschouwing dei-dingen afgeleid worden, om hun blik le richten op de beloften, die hoop gaven op eene ongelooflijke, onuitsprekelijke heerlijkheid. Hoewel er dus voor hel oogenblik niets te bespeuren is, waarover men zich grootelijks zou kunnen verheugen, beveelt de Heilige Geest toch, dal de kinderen Gods, bemoedigd zijnde door hel Woord, zich als het ware op een' wachttoren zouden plaatsen, ten einde hetgeen beloofd is geduldig le verbeiden.
262
Psalm 87 ; 3 en 4.
Hierdoor werden de geloovigen vermaand ten eerste, om aandachtig te letten op de aloude Profetiën, en ze in gedachtenis te houden, vooral de Godspraken, welke op^eteekend zijn in Jesaja, van het â 40stc hoofdstuk lol aan het einde. Ten tweede, dat zij gehoor geven aan de getrouwe dienstknechten Gods, die toenmaals het koninkrijk Gods predikten. Hieruit volgt, dat men niet anders recht over het heil der Kerk kan oordeelen, dan wanneer wij hel doen in overeenstemming met hel Woord Gods.
4. Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijnen en Tyrus met Ethiopië, deze is aldaar geboren. 5. En van Sion zal gezegd worden: Man en man is in haar geboren, en de Allerhoogste zelf zal haar bevestigen. 6. Jehovah zal in het schryven de volken tellen; deze is aldaar geboren, Selah.
4. Ik zal Rahab en Bahel vermelden, enz. De naam Rahab is in verscheidene plaatsen der Schrift genomen voor Egypte, en deze beteekenis past zeer goed bij deze schriftuurplaats; want de bedoeling van den Profeet is eene beschrijving te geven van die heerlijke uitbreiding der Kerk, die toen nog weggelegd was in hope. Hij zegt dus dal zij, die te voren doodvijanden, of ten minste volslagen vreemdelingen zijn geweest, niet slechts bekenden en vrienden zullen worden, maar ook ingelijfd zullen worden in hetzelfde lichaam, zoodat zij ingeschreven zullen zijn op de rolle der burgers van Jeruzalem. In hel eerste lid zegt hij; Ik zal Egypte en Babyion rekenen te behooren tol mijn huisgezin. In het tweede voegt hij er bij, dal de Filistijnen, de Tyriërs en de Ethiopiërs, die te voren in zoo groole oneenig-heid leefden mei het volk Gods, thans zóó volkomen met hen overeen zullen stemmen, alsof zij inboorlingen des lands waren. Zie hier eene zeer schoone en uitnemende waardigheid der Kerk, dal zij, die te voren niets dan minachting voor haar koesterden, van alle kanlen lot haar zullen komen; en zij, die verlangden dal zij afgesneden en verwoest zou worden, hel eene groole eer zullen achten om lot hare burgers te behooren. Allen zullen gewillig hun eigen land verlaten, waarin zij te voren zoo hoogmoedig geroemd hebben. Waar zij dus ook geboren zijn, in
263
Psalm 87 ; 4 en 5.
Palestina of Ethiopië, of in Tyrus, hel doet er niet toe, allen zullen zich burgers van de heilige stad noemen. De Hebreeuwsche geleerden verklaren die plaats aldus: dat er onder andere volken weinigen gevonden zullen worden, die hetzij in verstand ol' deugd uitmunten, maar dal er in Israël een groot aantal van de zoo-danigen zijn zullen. Zoo zeggen zij: Er zal onder de Tyriërs, de Egyptenaren, de Ethiopiërs, ol' wie anders ook, nauwelijks hier en daar iemand wezen, die hel verdient gelooid ol geprezen te worden, zoodal als er zoo iemand gevonden wordt, men hem met den vinger zou kunnen aanwijzen, omdat hij eene groote zeldzaamheid is. Maar in Sion! man en man zal er yehoren icorden, dal is: er zullen zeer velen van de zoodanigen wezen. De Christelijke geleerden zijn schier eenstemmig van gevoelen dat het ziet op Jezus Christus. Zij achten, dal hier de reden wordt opgegeven, waarom zij, die tot dusver vreemdelingen, ja bittere vijanden zijn geweest, nu lol het getal der burgers van Jeruzalem gerekend moeten worden, namelijk, omdat Jezus Christus er geboren moet worden, wiens ambt en werk hel is in eenheid des gelool's en hope des eeuwigen levens menschen bijeen te vergaderen, die tol nu toe verstrooid zijn geweest als leden, die van het lichaam afgescheurd zijn Wat nu de eerste uitlegging betreft, zij behoeft niet weerlegd te worden, aangezien zij gansch en al gewrongen is. Daarenboven is hel bekend, dal de Joden, door waanzinnige eerzucht gedreven, deze schriftuurplaats moedwillig verdraaien en geweld aandoen. En wal nu de verklaring van de Christelijke geleerden aangaat, hoewel zij op den eersten aanblik aannemelijk schijnt, is zij in den grond toch niet juist; en de woorden van den Profeet zijn duidelijk: Tol welk land ol volk de menschen ook behooren, zij zullen er gewillig afstand van doen, ten einde met het uilverkoren volk gerekend te worden. Want hij gebruikt dit woord Oehoren niet voor hen, die in hel land geboren zijn, maar voor de burgers. Wat er terstond bijgevoegd wordt: De Allerhoogste zal haar bevestigen, kan men ook geschiktelijk aldus lezen: Hij zal haar ordenen ol regelen, omdat God de geloovigen op bijzondere wijze regeert door zijn Woord.
5. En van Sïon zal gezegd icorden. Hij gaat voort met hetzelfde denkbeeld, dal van verschillende deelen der wereld nieuwe burgers in de Kerke Gods opgenomen zullen worden; hoewel hij er nu een ander beeld voor gebruikt, dal de vreemdelingen mei de kinderen Gods geteld zullen worden, alsof zij nakomelingen waren van Abraham. In hel vorige vers had hij gezegd: De
264
Psalm 87 : 5.
265
Chaldeën en de Egyplenaren zullen zich voegen bij de huisge-noolen der Kerk, de Ethiopiërs, de Filislijnen en de Tyriërs zullen gerekend worden lol de kinderen; thans voegt hij er bij wijze van bevestiging bij, dal er een groot aantal zijn van een nieuw geslacht, zoodat de slad, die gedurende ecnigen tijd gansch verlaten was, en daarna slechts hall bewoond werd, zeer bevolkt zal zijn. De Profeet Jesaja geefl eene breedvoerige beschrijving vim hetgeen hier in slechts weinige woorden beloofd is: O gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt, zing, en gij, die niet ontvangen hebt, verheug u, want de zonen der verlatene zullen in grooler aantal zijn dan de zonen der getrouwde. Verwijd de plaatsen uwer tenten, breid uit de gordijnen uwer tabernakelen, bevestig uwe pinnen en verleng uwe koorden, enz. (Jes. 54: 12). Bn verder: Uwe zonen zullen van verre komen; en hef uwe oogen op rondom u, alle dezen' zullen zich tot u vergaderen. En in hoofdsuk 44: 5 vinden wij schier eene zelfde wijze van spreken, of ten minste die de taal van den Psalm zeer nabij komt Deze zal zeggen: Ik ben des Ileeren, en die zal den naam van Jakob noemen; de een zal met zijne hand schrijven: Ik ben des Ileeren; de ander zal zich toenoemen met den naam van Israël. En het is niet zonder reden, dal de Profeet door dit woord geboren worden te kennen geeft, dat de Egyplenaren, de Chaldeën en andere soortgelijke volkeren lol de kudde van Gods volk zullen behooren Want, hoewel zij van nature niet te Sion geboren waren, maar door aanneming ingelijfd moesten worden in het lichaam van het heilig volk Gods, zoo is toch, wijl de loegang tot de Kerk eene tweede geboorte is, die wijze van spreken volkomen juist. Want Jezus Christus ondertrouwt zich de geloovigen op die voorwaarde, dal zij hun volk en huns vaders huis vergeten (Psalm 45:11), en uit onverderfelijk zaad tol nieuwe schepselen geformeerd en herboren zijnde, kinderen beginnen te worden zoowel van God als van de Kerk (Gal. 4: 19). En inderdaad wij worden niet anders tol het hemelsch leven herboren dan door de bediening der Kerk. Inlusschen moeten wij ook wèl het verschil in hel oog houden, dat Paulus stelt lusschen het aardsche Jernzalem, dat als eene dienstmaagd is en kinderen baart tot dienstbaarheid, en hel hemelsche Jeruzalem, dal de vrije kinderen voortbrengt des Evangelies. In het tweede gedeelte van het vers drukt hij den langen duur uit. Want meermalen gebeurt hel. dal hoe sneller steden tot bloei en aanzien komen, hoe korler hare welvaart duurt. Maar men moet niel denken dal het geluk der Kerk even broos en voorbijgaand is. De Profeet verklaart dal zij door den (leere bevestigd zal
266 Psalm 87 ; 5â7.
worden, alsof hij zeide: men moei er zich niet over verwonderen dal de andere sleden wankelen, en dikwijls allerlei veranderingen ondergaan, wanl zij wenlelen mede mei de wereld, en hebben niemand die ze duurzaam bewaarl. Maar gansch anders zal hel wezen mei Jeruzalem, welker voortdurend beslaan gegrond is in de deugd en krachl Gods; en ook wanneer hemel en aarde voorbijgaan, zal zij loch sland blijven houden.
6. Jehovah zal in het schrijven de volken lellen. De Proleel wil zeggen dal Sion zóó vermaard zal zijn, dal allen een groot verlangen zullen koesleren om op de rolle harer burgers ingeschreven le worden. Want hij spreekt van eenquot; zeer eervollen toestand, alsof hij zeide: wanneer God de volken zal lellen, die Hij zeer bijzonder wil eeren, dan zal Hij hen eerder rangschikken met Sion dan met Babel of met andere groole steden. Want, lol de burgers van Sion le behooren is booger adeldom dan wanneer men elders den hoogslen rang verkrijgt. Hij geeft ook mede le kennen van waar voor de vreemdelingen die hooge eer zoo plotseling komt, nl. uil de gunst van God. En inderdaad, zij, die de slaven zijn van Satan en van de zonde, zullen door hunne eigene deugd, of hun eigen streven nooit lot dit hemelsche burgerschap kunnen geraken. Het is alleen de Heere, die de volken onderscheidt naar hel Hem goeddunkt, aangezien de menschen van nature allen aan elkander gelijk zijn. liet schrijven, waarvan hier gesproken wordt, behoort lol de roeping. Want, hoewel Hij zijne kinderen in hel boek des levens heeft geschreven vóór de schepping der wereld , registreert Hij hen dan slechts op de rolle der zijnen, wanneer Hij hen door zijn' Geest dei-aanneming heeft wedergeboren en mei zijn zegel verzegeld heeft.
7. En de zangers en de bespelers der fluit; alle mijne fonteinen zijn in u.
7. En de zangers. Deze volzin is duister, deels wegens de afkorting, deels ook van wege het dubbelzinnige van één woord. Dal het woord bronnen of fonteinen hier in allegorischen zin genomen is, wordi door niemand betwist; maar omtrent de verklaring er van beslaan verschillende meeningen. Sommigen vertalen hel door hoop of verwachtingen, anderen door genegenheden, nog anderen door gedachten of bepeinzingen Ik zou mij gaarne vereenigen mei de meening van hen, die hel vertalen
Psalm 87 : 7.
267
door modulatie of maatgezang, indien hel taaleigen dit toeliet. Omdat dit echter te veel schijnt af te wijken, geef ik de voorkeur aan hetgeen meer met de rede overeenkomt, te welen, dat hier hel zien, de blikken van hel oog bedoeld is; alsof er gezegd was: Ik zal immer hel oog op u gericht houden. Want de wortel van hel woord, dal hier gebruikt is, beleekent oog. Laai ons thans zien wal de beleekenis is van hel andere lid: De zangers en de bespelers der fluit, liet is eene afgebrokene zinsnede, maar wal de beleekenis aangaat, allen zijn het hierover eens, namelijk, dal er zóó groote reden zal zijn tol blijdschap, dal de lof Gods daar zal weerklinken zoowel door de stem als door muziekinstrumenten. Hij bevestigt dus wal hij boven gezegd heeft van de heerlijke wederoprichting van Sion, want door hel groote vreugdebetoon, en de verschillende tonen des lofs toont hij aan, hoe gelukkig zij zijn zal. Intusschen geelt hij ook hel doel te kennen van de gaven, die God zoo oveivloediglijk aan zijne Kerk heeft geschonken; te weten: dat de geloovigen door Psalmen en [geestelijke] liederen te zingen loonen, dat zij de weldaden gedenken, die zij [van God] hebben ontvangen Sommigen vertalen het woord chollelim, die dansen op muziek. Maar dit is van geen groot belang of gewicht, aangezien hel voldoende is om dit in gedachten te houden, dal er eene voortdurende melodie des lofs van God in de Kerk zal wezen, als Hij de schatten zijner genade tentoon heeft gespreid, en men de geloovigen, de een na den anderen, heeft hooien zingen. Laat ons hier nog bijvoegen, dat de Profeet openlijk loont, dal hij der Kerke Gods eene groole liefde toedraagt, zoodal hij door zijn voorbeeld alle geloovigen vermaant en opwekt lol eene gelijke liefde, gelijk geschreven staat: Mijne rechterhand kome in vergetelheid, o Jeiuzalem, indien ik u niet verkies boven hel hoogste mijner blijdschap (Ps. 137 : 5, 6). Want dan slechts zijn al onze genegenheden gevestigd op de Kerk, wanneer wij lerruggebracht zijnde van onze afdwalingen, en alle genot en pracht, alle eer en rijkdom dezer wereld achterlatende, ons vergenoegen met de geestelijke heerlijkheid van hel koninkrijk van Jezus Christus.
r
268 Psalm 88 : 1.
quot;PSALM! 88.
INHOUD: Hoewel deze Psalm zeer droeve klachten bevat van een' mensch, die zwaar beproefd en bedrukt is, zoo verklaart de Profeet toch ook, terwijl hij strijd voert tegen zijne droefheid, zijn onwankelbaar geloof 4 daar hij van uit de diepe duisternis des doods, toch God aanroept als zijn Redder en Bevrijder.
1. Een lied des Psalms van de zonen Korachs, aan den opperzaugmeester op Machalath, om te verootmoedigen, eene onderwijzing van Heman, den Ezrahiet, 2. Jehovah, God mijns heils! dag en nacht roep ik tot U, 3. Laat mijn gebed voor uw aanschijn komen, neig uw oor tot mijn geroep. 4. Waut myne ziel is vervuld van leed, en mijn leven is genaderd tot het graf. 5. Ik ben gerekend tot het getal dergenen, die in den kuil nederdalen; ik ben geweest als een man, die geene kracht heeft. 6. Vrij onder de dooden, gelijk de verslagenen in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en die afgesneden zijn van uwe hand.
1. Een lied des Psalms. De Heman, wiens naam in dil opschiill genoemd is, is waarschijnlijk dezelfde, van wien de gewijde geschiedenis melding maakl, als de wijsheid van Salomo geroemd en vergeleken wordt bij Elhan, en Heman, en Chalcol en Darda (1 Kon. 4:31). Aldus is hel niel te verwonderen, dal een man, die zoo zeer met den geesl der wijsheid was toegerust, de auteur van dezen Psalm geweest is. De uitdrukking op Machalath vertalen sommigen Op de zwakheid, maar volgens liet gewone gebruik, dal er van gemaakt wordt, wordt er waarschijnlijk een muziekinstrument mede aangeduid, of wel het
3 i
. f !
ï
i
? t:
Psalm 88 : 1â3.
begin van het een of ander lied. Van de andere woorden en zegswijzen hebben wij elders reeds gesproken. Voorts moeten wij weten, dat ons in den persoon van een' man een spiegel wordt voorgehouden van eene zeldzaam zware beproeving, en te gelijkertijd van geduld. Want God heeft zijn' dienstknecht, dien Hij met zoo voortreffelijke gaven had toegerust om een voorbeeld te zijn voor anderen, niet slechts ten zijnen eigenen behoeve zoo zwaar beproefd, maar om aan alle de zijnen stol tol leering te geven. Het is ook met dit doel, dat Heman, zich als het ware op een schouwtooneel plaatsende, getuigenis aflegt voor de Kerk zoowel van zijne zwakheid als van zijne standvastigheid des geloofs. Want het is ons zeer nuttig en noodig om te zien, hoe zoo uitnemend een dienstknecht Gods, die met zoo kostelijke gaven des Heiligen Geestes was versierd, zóó terneder-geslagen is onder den last zijner beproevingen, dal hij erbarmelijk klaagt in niets te verschillen van een' doode; opdat wij in onze ellende, hoe groot die ook zijn moge, ons niet aan wanhoop zouden overgeven; of, zoo wij somwijlen door krankheid, zorg, smart, vrees of benauwdheid verzwakt en afgemat zijn, evenwel den moed niet verliezen, voornamelijk als wij zien, dat de Profeet niet dan met de uiterste krachtsinspanning zich uit deze diepe duisternis tol het licht der goede hope opwerkt. Wal meer is, wij moeten ons er van verzekerd houden, dat de Geest Gods door den mond van Heman hier een' vorm van gebed geeft voor allen, wier toestand als het ware wanhopig is.
02. Jehovah, Ood myns heils. Er moet gelet worden op hel geen ik zooeven reeds met een korl woord gezegd heb, nl. hoewel de Profeet eenvoudig en zonder overdrijving mededeelt welke kwellingen van smart en benauwdheid hij heeft verduurd, hij intusschen voor de beproefden een' vorm van gebed heeft gegeven, opdat zij onder hunne beproevingen, hoe zwaar die ook wezen mogen, niet zouden bezwijken. En hoewel wij van wege de groote smarten, die hij verduurt, hem weldra heftige klachten hooren uitstorten, zoo heeft hij zich toch terstond door zijne korte inleiding versterkt, opdat hij, vervoerd door eene al le groole onsluimigheid, er niet toe komt over God le klagen en tegen Item te murmureeren, veeleer dan Hem ootmoedig om genade te smeeken. Want door Hem den God zijns heils te noemen, legt hij zich schier een' teugel aan, om er hel overmatige zijner smart mede in loom te houden, de wanhoop builen te sluiten, en zich toe te bereiden en te versterken om hel kruis te verdragen. Door zijn roepen en sterk aandringen toont
269
Psalm 88 : 3â6.
hij mei hoeveel zor^ en ijver liij zich lol hel gebed heell begeven. Het is wel mogelijk dal hij niet overluid geroepen heel'l, maar toch is hel niel zonder reden dal hij dit woord roepen gebruikt, om aan le duiden, dal hij met veel ernsl en inspanning heeft gebeden. Hiertoe behoort ook de ijver, als hij zegl dal hij dag en nacht hiermede is voortgegaan. Ook die woorden voor uw aanschijn zijn niel overlollig, wanl, hoewel allen gewoonlijk klagen als zij door de eene of andere smarl worden gedrukt, is hel er toch verre van daan, dal zij hun zuchten en kermen voor God uitstorten. De meeslen zullen zich liever een verborgen hoekje opzoeken, om er legen God te murmureeren en Hem van strengheid le beschuldigen. Anderen storten hunne klachten uit zonder le weten lot vvien of waartoe. Hieruit leeren wij, dal het eene zeldzame deugd is om zich God voor oogen le stellen, zoodal men zijne gebeden tot Hem richt.
4. Want mijne ziel is vervuld van leed. Met deze woorden verontschuldigt de Profeet het overmatige van zijne droefheid, alsof hij zeide, dat het niel uit overgevoeligheid is, dat hij aldus roept; maar als men zijn' toestand nagaat, dan zal men bevinden, dat er een ontzettend lijden is van allerlei aard, dal hem hel recht geeft om aldus le klagen. Nu stelt hij niet één enkel soort van kwaad op den voorgrond, maar hij zegt dal rampen en ellende zich als het ware opgehoopt hebben, dal zijn hart vol was van benauwdheden en droefenissen. tol dal hij der tegen-heden zal was. Daarna zegl hij inzonderheid, dat zijn leven niel ver van het graf is geweest; maar in het volgende vers spreekt hij daar nog in sterker bewoordingen over als hij zegl, dal hij als een doode geweest is. Want, hij ademt nog wel onder de levenden, maar hij was van alle kanten zóó zeer met den dood bedreigd, dat dil hem als even zoo vele graven was. waarin hij dacht plotseling verslonden le zullen worden. En hel schijnt dal hij hel woord geler, hetwelk mannelijke kracht le kennen geelt, gebruikt heeft, in plaats van hel woord, dal eenvoudig man beteekent, om duidelijker te kennen le geven, dat hel kwaad, hetwelk hij te verduren had, zóó groot was, dal hel ook den krachligsten man zou doen bezwijken.
6. Fry onder de dooden, enz. De Profeet heeft iels willen aanduiden, dal erger is dan de gewone dood. In de eerste plaats zegt hij, dat hij vrij was onder de dooden, omdat hij onnut was geworden voor alle zaken, die het. menschelijk leven betroffen, en als afgesneden van de wereld. Want het vernuftig
270
Psalm J?8 : 6.
271
bedenksel van Auguslinus, dat Christus ^ezejid wordt vrij Ie zijn onder de dooden, omdat Hij door een bijzonder voorrecht den dood overwonnen heelt, zoodal hij geene heerschappij over Hem had, staat in hoegenaamd geen verband met hetgeen de Profeet heeft willen zeggen. De Profeet zegt veeleer, dat hij den loop van dit tegenwoordige leven volbracht heelt, en dal hij zijn' lt;;eest mei «generlei zorg meer bezwaart, omdat door de velerlei rampen, die hem hebben gelrolTen, alle gevoel als hel ware in hem verstompt was. En zich daarna vergelijkende bij gewonden, klaagt hij, dal hij zich in erger toestand bevindt dan wanneer hij, verzwakt zijnde door langdurige krankheid, langzamerhand den dood zou naderen, want wij hebben een natuurlijk afgrijzen van een' geweldigen dood. Harder schijnt wal hij er bijvoegt, namelijk dat God hem vergeten heeft, en dat hij afgesneden is van zijne hand, of van zijne hoede, aangezien het toch zeker is, dal de dooden niet minder onder Gods bescherming zijn dan de levenden. Zelfs die booze Bileam, die wel gaarne hel licht in duisternis zou hebben willen verkeeren, was genoodzaakt uil le roepen: Mijne ziel slerve den dood der lechtvaardigen (Numeri 23 : 1U). Daarom zou het kunnen schijnen alsof dit hier het woord was van een' Heiden, nl, dal God de menschen na hun' dood niet meer gedenkt. Men zou hierop kunnen antwoorden, dat de Proleet spreekt naar hel begrip van het algemeen, gelijk ook de Schrift, als er sprake is van de voorzienigheid Gods, hare uitdrukkingen en haren stijl inricht naar den zichtbaren staal dezer wereld, omdat wij slechts trapsgewijze opklimmen tol hel toekomende leven, dal ons nu nog verborgen is. Toch acht ik dal de Profeet veeleer gesproken heeft naar hel gevoel van iemand, die onder zeer zware beproeving gebukt gaal, dan dal hij toen acht, geslagen beeft op de meening van hel ruwe en onwetende volk. En men moet er zich niet over verwonderen, dat een man, begaafd met den Geest Gods, als verstompt en verslagen was, toen de smart hem had overstelpt, zoodal hem loen een onbedachtzaam woord was ontglipt. Want hoewel in het hart der dienstknechten Gods ook onder hunne grootste benauwdheden dit geloof diep en vast geworteld is, dal God zorg draagt voor de levenden en de dooden, toch wordt hun versland soms zóó zeer door de smart beneveld, dal zij zich voor het oogenblik de voorzienigheid Gods niet herinneren. Dat zal men ook meermalen in de klachten van Job kunnen bespeuren, Ie welen, als hel hart der geloovigen gansch vervuld is van droefheid, dan kunnen zij niet terstond doordringen lot de verborgene voorzienigheid Gods, waar zij echter le voren wel bepaald
Psalm 88 : 6 en 7.
aan gedacht hebben, en die ook in hun harl gegraveerd is. Hoewel de Proleet er dus van overtuigd is, dal de dooden onder de hoede en bewaring üods zijn, toch heelt hij bij den eersten aanval der smart niet zoo bedachtzaam gesproken als hem betaamde; want het licht des geloofs was in hem verduisterd, ofschoon het, gelijk wij zien zullen, plotseling weer begon te schitteren. En het is ons zeer nuttig hier op te letten, opdat, wanneer wij door de verzoekingen verzwakt worden, niet tot wanhoop zouden vervallen.
7. Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in afgronden. 8. Uwe grimmigheid heeft zwaar op mij gerust, Gij hebt mij nedergedrukt onder al uwe baren. Selah. 9. Gij hebt mijne bekenden van mij verwijderd; Gij hebt mij bun tot een' gruwel gesteld; ik ben ingesloten en kan niet uitgaan. 10. Mijn oog doet pijn van wege mijne verdrukking, dagelijks roep ik U aan, o Jehovah! en strek mijne handen tot ü uit.
7. O ij heht mij in den ondersten huil gelegd. Hij erkent thans duidelijker, dat al het leed, dal hij verduurt, door de hand Gods op hem gelegd is. Ook zal niemand gelijk het behoort tol God gaan om verlichting (van zijne ellende) tenzij hij er wel van overtuigd is, dal hel zijne hand is, die hem slaat, en dal hem niets bij geval overkomt. Nu moet men opmerken, dat, hoe meer hij tol God nadert, hoe meer zijne droefheid in heftigheid toeneemt, omdat voor de heiligen niets ontzetlender is dan hel oordeel Gods. Anderen vertalen het: Uwe grimmigheid is tol mij genaderd, en hel llebreeuwsche werkwoord samach wordt soms ook in die beteekenis genomen. Maar de omstandigheid van deze plaats dringt mij om het te nemen voor Omringen, of zwaar zijn op (gelijk het in dien zin ook in andere schriftuurplaatsen genomen is). Want waar gesproken wordt van iemand, die in een drievoudig graf is nedergezonken, zou hel woord nadering eene te koude uitdrukking zijn. Wat nu de overzetting betreft, die ik gevolgd heb, zij komt zeer goed overeen met den samenhang van den tekst, zoodal de Profeet zegt, dal hij den ganschen last draagt van den toorn Gods, omdat hij neergedrukt
272
Psalm 88 ; 8- 10.
wordt door zijne baren. Daar dus deze sclnikkelijlie, overstelpende vloed den Profeet niet verhinderd heeft zijn hart en zijne gebeden tot God op (e heffen, zoo laai ons uil zijn voorbeeld loeren om in al onze doodsgevaren het anker onzes geloofs en onzer smeekingen in den hemel uit te werpen.
9. Gij hebt mijne heleenden van mj verwijderd. Daar de Profeet ontbloot is van alle hulp van den kant der menschen, schrijft hij ook dit toe aan den toorn van God, die de macht heeft om het hart der menschen tot welwillendheid te neigen, of ze te verharden en wreed te maken als van verscheurende dieren. Dit is opmerkenswaardig, want, als wij ons niet herinneren dat wij van menschelijke hulp ontbloot zijn, omdat God zijne hand weerhoudt, dan zullen wij ons onophoudelijk en hovenmate kwellen en beroeren. Wel is waar, wij kunnen klagen over de ondankbaarheid of wreedheid der menschen, telkenmale als zij hun plicht der menschelijkheid niet jegens ons belrachten, maar dit zal ons tot niets nut wezen, tenzij er de wetenschap bij komt, dat God, wijl Hij in toorn tegen ons is ontstoken, ons de hulp onthoudt, die Hij voor ons bestemd had; gelijk het Hem licht valt, telkenmale als dit Hem behaagt, alle harten te neigen om ons hulp en bijstand te verleenen. Hij voegt er iels bij, dat nog smartelijker is, nl. dat hij aan alle zijne vrienden ten afschuw is geweest, en ten laatste komt hij tot het besluit, dat er geene uitkomst is voor zijne ellende.
273
hm li
1H
l'f -Jill,
I
5 â
â j feïfa ' jnP
li
I Sii
iamp;Ãïm I
-i;/
11) m
Vv
lil m
â¢li
SR f ni
10. Mijn oog doet pijn, enz. Opdat wij niet zouden denken, dat het hart van den Profeet ongevoelig of van ijzer was, herhaalt quot;ij nogmaals, dat zijne beproevingen zóó zwaar en smartelijk waren, dat de teekenen zijner dioefheid zichtbaar werden in zijne oogen en op zijn gelaat. Hieruit zien wij hoe afgemat en ternedergeslagen hij was. Maar inlusschen getuigt hij, dat hij niet van God was afgetrokken, evenals zoo velen, die in zich zeiven morren, en gelijk het spreekwoord zegt, hun leed opkroppende, aan niets minder denken dan hunne zorgen op God le werpen, om van Hem troost en verlichting te ontvangen. Wat betrelt hetgeen hij zegt van het opheffen der hamen, hiermede stelt hij hel teeken van de zaak voor de zaak zelve. Wij hebben elders gezegd, wat de strekking was van deze plechtigheid, die in alle tijden en eeuwen algemeen gebruikelijk is geweest.
11. Zult Gij een wonder doeu aan de doodenl Of Dl. li.
Psalm 88 : 11â13.
zullen de gestorvenen opstaan om U te loven? Selah. 12. Zal men uwe goedertierenheid vertellen in het graf, en uwe waarheid in het verderf? 13. Zal men iu de duisternis uwe wonderen kennen, en uwe gerechtigheid in het laud der vergetelheid? 14:. Maar ik, o Jehovah! roep tot U, en in den morgenstond zal U mijn gebed voorkomen.
11. Zult Gij een wonder doen aan de dooden ? Door deze woorden geefl de Profeet le Lennen , dal zoo God zich niet liaasl om hem te hulp te komen. Hij niet in tijds komen zal, omdat hij den dood zóó nabij was. Daarom was hel nu het laatste oogenblik, indien God hem wilde helpen, want ander? zou de quot;gelegenheid hiertoe niet meer beslaan. Hij vraagt dus hoe lang God zijne hulp wil uilslellen, ol het ook wellicht is tot dal Hij door een wonder de dooden doel herleven. Hoewel de Profeet nu niet spreekt van de laatste opstanding, die alle andere wonderen le boven zal gaan, zou men hem toch niet vrij kunnen pleiten van de perken le builen le zijn gegaan, aangezien het ons niet betaamt aan God den lijd le willen voorschrijven wanneer Hij ons moet helpen. Want wij doen Hem onrecht ten opzichte van zijne macht, als wij er ons niet vast van overtuigd houden, dal hel Hem even gemakkelijk vall leven le geven aan de dooden, als ter rechter tijd en plaatse hel grootste gevaar af le wenden. En voorzeker! standvastig als de heiligen len allen tijde geweest zijn, toch was er altijd eenige zwakheid van hel vleesch bij hen le bespeuren, zoodal de vaderlijke goedertierenheid Gods de ondeugden had te verdragen, waarmede zelfs hunne deugden nog vermengd geweest zijn. Als hij vraagt, ol men zijne goedertierenheid zal vertellen in het graf, dan wil hij hiermede niet zeggen, dat de dooden ongevoelig zijn, maar hij gaal voort met hetgeen hij reeds gezegd heeft , nl. dat hel een gelegener tijd is om le helpen, wanneer demenschen, die zich in gevaar bevinden, nog' roepen, dan wanneer zij gestorven zijn, en dus uil het graf opgetrokken en levend gemaakt moeien worden. Nu redeneert hij op de gewone wijze: Omdat God niet gewoon is de dooden uit het graf op le trekken, en hen tol getuigen le stellen en tol verkondigers van zijne goedheid. Hij voegt nog de getrouwheid van God bij zijne goedheid, omdal God, telkenmale als Hij de zijnen verlost, bevestigt, dal Hij zijne beloften
274
Psalm : loâ15.
gelrouwelijk vervuil. Nu wordl Hij ook door niets gediongen om te beloven dan alleen door zijne goedheid. En wal belrefl zijne ontkenning dal de getrouwheid, goedheid, machl en gerechliglieid van God in hel land der vergetelheid hekend zouden zijn, er zijn onzinnige lieden, die dil hoosaaidi^lijk in eene dwaze en grove dwaling verkeeren, alsoi' de dood den mensch gansch en al vernietigt. Want de Proleel spreekt hier slechls van de gewone manier van le helpen, die door God wordl gevolgd, wanl Hij heeft gewild dal de wereld als eene schouwplaats zijn zou, waarop Hij zijne genade jegens liet menschelijk geslachl len loon kan spreiden.
14-. Maar ik, o Jehovah. Ofschoon er in de woorden van den Piofeel, die ik erkend hel) gebrekkig le zijn, wel eenige storing was, loch is hel een teeken van gelooi' en ware godsvruchl, dal zijn ijver voor hel gebed nooil in hem verflauwd is. Wanl in dezen zin zegt hij zich in den morgenstond te haasten, opdat wij niet zouden denken, dat hij koud en kalm met bidden gewacht hcell loldal hij zich in den uitersten nood bevond. Door deze woorden geell hij nu op nederige wijze le kennen, dal het niet door zijne traagheid was, dal hij gedurende zoo langen tijd in ellende heeft verkeerd! alsol hij God niet gezocht iiad. ICn dil voorbeeld is daarom voor ons des te merkwaardiger, opdat wij den moed niet verliezen, indien hel gebeurt dat onze gebeden van geenerlei kracht ol uitwerking zijn, hoewel zij mei vurigheid en uit bel hart opgezonden werden
15. Waarom, Jehovah, zult Gij mijne ziel verstooteu en uw aangezicht voor mij verbergen? 16. Van mijne jeugd af ben ik ellendig en den dood nabij; ik heb twijfelende, uwe verschrikkingen geleden. 17. Uwe toornigheden zijn over mij heengegaan; uwe verschrikkingen hebben my ontdaan. 18. Zij hebben mij dagelijks omringd als de wateren, zij hebben mij allen te zamen omgeven. 19. Gij hebt vriend en metgezel van mij verwijderd; en mijne bekenden zijn duisternis.
15. Waarom, Jehovah. Hoewel deze klachten op den eersten aanblik eene droelheid loonen zonder eenigerlei vertroosting,
18*
-275
Psalm 88 : 15â19.
276
loch liggen er stilzwijgende gebeden in opgesloten. Want hij strijdt niet hoovaardiglijk met God, maar door te klagen geeft hij zijn verlangen te kennen naar een geneesmiddel legen zijn kwaad. En deze soort van klacht kan volkomen terecht gerangschikt worden onder die onuitsprekelijke zuchtingen, waarvan Paulus spreekt in Rom. 8:26. Indien de Profeet gedacht had, dat hij verworpen en veralschuwd was [bij God), dan zou hij niet volhard hebben in den gebede; maar hij doet hier het gevoel uitkomen van het vleesch, waaraan hij krachtig en standvaslig weerstand biedt, opdat het len laatste dooi' de uitwerking zou blijken, dat hij niet te vergeefs gebeden heelt. Daarom ook, hoewel deze Psalm niet eindigt met dankzegging, maar met eene bittere klacht, alsof er geene plaats meer was voor genade, is hij ons des te nuttiger om ons bij den plicht van bidden te houden Want voorzeker! terwijl hij zijne verzuchtingen in den boezem Gods uitstortte, heeft de Profeet niet nagelaten te hopen op het heil, dal hij niet zag; en hij heeft God ook niet bij het begin den God zijns heils genoemd, om dan daarna geen hulp of heil meer van Hem te hopen. Nu is het niet zeker waarom hij zegt dat hij van zijne jeugd af den dood nabij is geweest; behalve dat men met veel waarschijnlijkheid kan gissen, dat hij op velerlei wijze zwaar beproefd is geworden, alsof zijn leven tusschen zoo velerlei gevaren en angsten als aan een' draad hing. Hieruit kunnen wij ook opmaken, dal Ae. toornigheden Gods en de verschrikhimjen, waarvan hij terstond daarna spreekt, niet van korten duur geweest fijn, hetgeen bij uitdrukt door hel woord dagelijks. Aangezien er nu niets ontzettender is dan te welen, dal God in toorn tegen ons is ontstoken, is hel niel zonder reden, dal hij zijne benauwdheid vergelijkt bijeen watervloed. Vandaar komt ook de twijfel, want liet kon niet anders of de bewustheid van Gods toorn moet zijn hart door eene schrikkelijke onrust hebben gepijnigd. Nu vraagt men echter, hoe dit wankelen samen kan gaan met geloof. En inderdaad, als hel hart in twijfel en onzekerheid is, of liever ginds en her wordt geslingerd, dan schijnt het geloof le zijn verzwolgen. Maar de ondervinding leert ons, dat hel gelooi, wanneer hel door zulke beroeringen, als hel ware, heen en weder dobbert, toch weder van lijd tot tijd boven zal drijven, opdat hel niel verzinke; en zoo het soms ook al onderdrukt wordt, toch wordl het in hel verborgen gevoed en gekweekt. Want welke stormen zich ook verheffen, hel zal zich dekken met dit schild, dat God getrouw blijft, zoodal Hij de zijnen nooit bedrogen of teleurgesteld zal doen uitkomen.
Psalm 89 : 1.
PSA l.M 89.
INHOUD: De Profeet (wie hij ook moge geweest zijn), die de auteur is van dezen Psalm, gebeden tot üod willende opzenden voor de zwaar beproefde Kerk, stelt zich zeiven en aan alle anderen als reden voor om te hopen het verbond, dat God met David heeft gesloten. Daarna vermeldt hij in het algemeen de macht van God, die men waarneemt in geheel het bestuur der wereld. Vervolgens daalt hij af tot de verlossing, waarin God een eeuwig getuigenis heeft nedergelegd van zijne vaderlijke liefde jegens zijn uitverkoren volk. Dan komt hij weder terug tot het verbond, gesloten met David, waarin God beloofd had, dat Hij om den wille des Koning?, zich immer genadig zou betoonen jegens dit volk. Eindelijk uit hij ecne klacht, dat God, alsof Hij zijne belofte had vergeten, de Kerk overlaat aan de begeerlijkheid der boozen, en bij eene schrikkelijke ramp en treurige verstrooiing geene hulp of vertroosting schenkt.
1. Eene onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet. 2. Ik zal de goedertierenheden van Jehovah eenwiglijk zingen; van geslachte tot geslachte zal ik uwe waarheid loven met mijn' mond. 3. Want ik heb gezegd: De goedertierenheid zal eenwiglijk gebouwd worden; Gij zult de hemelen bevestigen, uwe waarheid in dezelven. â¢i. Ik heb een verbond gemaakt met mijn' uitverkorene; Ik heb gezworen aan David, mijn1 knecht. 5, Uw zaad zal ik tot in eeuwigheid bevestigen, uwen troon zal Ik opbouwen van eeuw tot eeuw. Selah.
1. Eene onderwijzing van Ethan Ik kan niet met zekerheid zeggen, wie de Ellian geweest is, aan wien deze Psalm loegc-schreven wordt; want, als wij zeggen dat hel een der vier
277
Psalm 89 : 1 en 2.
mannen was, bij wie Salomo vergeleken werd om de uilnemend-heid zijner wijsheid (I Kon. 4 :3I), dan komt de inhoud van den Psalm niel overeen mei den lijd, waarin deze Elhan hoeft geleefd, tenzij men zon willen zeggen, dal hij Salomo overleefd hebbende, de erbarmelijke scheuring en verdeeldheid betreurt, die toen ontslaan was, en die het begin en de voorbereiding was van een algeheel verval. Want hoewel het volk in tweeën verdeeld, toch als Slaat bleef beslaan, zoo was toch de eenheid verbroken, die God gevestigd had; en welke hoop bleef er toen nog overig? Daarbij komt dat het hei! en de voorspoed van het geheele lichaam hierin bestond, dat zij onder een hoofd waren, aan wiens gezag en heerschappij de lien stammen zich snoodelijk hadden onttrokken Hn inderdaad, hoe vreemd en ongehoord was liet niet om le zien, hoe een koninkrijk, dal lot aan het einde der wereld had moeien blijven beslaan en bloeien, reeds bij het einde van het leven van éénen mensch jammerlijk verdeeld en verscheurd was! Wie zou toen niel gedacht hebben, dal de hemelsche openbaring ijdel en bedriegelijk was, waarvan de uitwerking reeds in zóó weinig lijds le niet ging? Indien men het dus goed acht, dal die Elhan de dichter was van dezen Psalm, dan kunnen de klachten, die er in vervat zijn, betrekking hebben op dien lijd, loen niel slechts de glans van den troon Davids begou le lanen, maar ook hel groolsle gedeelte van het volk zich van God afkeerde, en de broeders door innerlijken twist en tweedracht elkanders ondergang bewerkten. En voor dit l\\ijfelachlige punt zie ik inderdaad niels dat meer waarschijnlijk is dan dil. Want, wal hen betreft, die meenen, dat de auleur dooi1 den geest der profelie de rampen voorzegd heeft, die het volk later zouden Ireflen, hel is gemakkelijk om uil den samenhang van den lekst hun gevoelen le wederleggen, waar de auteur, wie hij dan moge geweest zijn, uitdrukkelijk de eerste verandering betreurt, die onlstaan was tengevolge van de samenzwering van Jerobeam.
2. De goedertierenheden van Jehovah. Men moet in gedachten houden wal ik zoo even gezegd heb, dal hij begint mei den lof van God en de herinnering aan hel verbond, opdat de geloovigen zich versterken en hun gelooi bevestigen tegen de ruwe aanvallen der verzoeking. Want als wij ons tol hidden begeven, en er komt reeds terstond eene wanhopige gedaclile bij ons op, dan moeien wij met kracht en geweld daar legen ingaan, opdat ons hart niel moedeloos wordt of bezwijkt. De bedoeling van den Profeet was dus om het hart der geloovigen reeds van den be-
278
Psalm !S9 : 2 en 3.
ginne een' goeden en vaslen steun le geven, opdat zij betrouwende op Gods beloften, die naar den uiteriijken scliijn te oor-deelen, schier alle kracht verloren hadden, en alle aanvallender verzoeking weerstand biedende, waardoor hun geloof aan het wankelen gebracht zou kunnen worden, ongetwijfeld zouden hopen op de wederoprichting des Koninkrijks, en volharden in hel gebed daarvoor. Hoewel Ethan dus bij het aanschouwen van het begin van zoo treurig verval, naar het vleeschelijk verstand bad kunnen oordeelen, dal hij en de andere geloovigen droevig misleid waren, zegt hij toch dat hij de goedertierenheden Gods zal zingen, die toen voor hunne oogen verborgen waren, liet viel hem voorzeker niet licht te begrijpen dat God goed en genadig is, daar hij Hem integendeel streng en onbarmhartig zag. Ten einde nu deze verzoeking le boven te komen denkt hij aan de grootheid en menigvuldigheid van Gods genade, en stelt zich die voor in hel meervoud, en zoo spreekt bij dan van de goedertierenheden Gods.
3. Want ik heb gezegd. Ilij geeft de reden waarom hij er in volhardt te midden van ramp en tegenspoed Gods lof le zingen, nl. dal bij er nog niet aan wanhoopt dat God zich ten laatste gunstig zal betoonen aan zijn volk, hoewel Ilij hen thans zoo streng kastijdt. Want nooit zal iemand zijn' mond openen om God waarlijk en van harte te loven, tenzij hij de vaste overtuiging beeft, dat God, zelfs als Ilij in toorn is ontstoken legen de zijnen, zich toch nooit van zijne vaderlijke liefde jegens hen ontdoet. Want dit âZeggen', waarvan hij melding maakt, betee-kent zooveel als in zijn hart gegraveerd te hebben, alsof hij zeide, dat wal er tol dusver ook geschied moge zijn, de stellige hope op Gods genade nooit uitgewisebt zal zijn uil zijn liart en dat hij die overtuiging altijd zal blijven koesteren. Nu moet men wel opmerken dal het niet zonder zware en moeielijke strijd is geweest , dal de Profeel er toe gekomen is om dooi bet geloof de goedheid Gods te omhelzen, waarvan toen uitwendig niets hoegenaamd te bespeuren was, opdat wij leeren om, al zou God ons ook elk teeken van Helde onthouden, dit gebouw der eeuwige barmhartigheid Gods in ons hart op te richten, waarvan hier gesproken wordt , en door welk beeld de Proleet te kennen geeft, dal de goedertierenheid Gods onafgebroken zal voortduren, toldal zij hare voltooiing of einddoel zal bereikt hebben. In het tweede lid moet iets ingelascht worden, want waar hel op neerkomt is, dal de belofte Gods niet minder vastheid heeft dan het wezen der hemelen, hetwelk eeuwig en onveranderlijk is. Door de
279
Psalm 89 ; 3â5.
Hemelen versta ik niet slechts de zichtbare hemelen, maar die, welke boven geheel hel gebouw des heelals zijn; want Gods waarheid wordt hier in zijn hemelsch koninkrijk en boven alle elementen der wereld geplaatst.
4. Ik heh een verhond gemaakt. Om zich zeiven en alle anderen nog meer te bevestigen in de zekerheid der geopenbaarde belofte, bekleedt hij haar met het gezag van God zeiven, dien hij hier sprekende invoert. Want omdat het geloof moet afhangen van Gods belofte, is er in die wijze van spreken veel meer kracht en gewicht, als God zelf te voorschijn treedt, en ons door zijn eigen woord tol zich noodigt, dan wanneer de zaak in bloot verbalenden vorm was medegedeeld. Kn inderdaad, als God ons op die wijze voorkomt, dan zal ons geen verwijt van roekeloos beid kunnen treffen, als wij gemeenzaam tot Hem naderen, gelijk liet ons daarentegen, zonder het Woord Gods, niet geoorloofd is op Gods genade te vertrouwen, of iets naar onze eigene grillen te hopen, dal Hij niel beloofd heeft Overigens gebruikt hij eene wijze van spreken, waardoor de belofte nog geloofwaardiger wordt, nl als God verhaalt, dat Hij met een eed een verbond met zijn' knecht David is aangegaan. Want, omdat men van ouds de gewoonte had, om verbintenissen in koperen tafelen te graveeren, gebruikt hij een beeid dal hieraan ontleend is. Hij versiert David met twee eerenamen hem noemende zyn, verkorene en zijn knecht. Want zij, die den eersten dezer titels op Abraham betrekken, letten niel genoeg op de gewone spreekwijze van eene zelfde zaak twee maal te zeggen. Nu wordl David de Uitverkorene Gods genoemd, omdat God naar zijn welbehagen, zonder op iets anders acht te geven of iets anders in aanmerking te nemen, hem niet slechts boven de opvolgers van Saul en zoovele andere aanzienlijke lieden heeft verkoren, maar ook boven zijne eigene broeders. Als men dus de oorzaak of den oorsprong zoekt van dit verbond, dan moet men noodzakelijkerwijs tot de uitverkiezing Gods komen. De naam Knecht, die onmiddelijk daarna volgt, moei niet zóó verstaan worden alsof David door zijne diensten zich jegens God verdienstelijk heeft gemaakt; hij wordl Kneclil Gods genoemd van wege zijne koninklijke waardigheid, dewijl hij zich niel roekeloos of aanmatigend op die plaats gesteld heelt, maar aan eene wettige roeping gehoorzamende, de heerschappij, die God in zijne handen gelegd heeft, op zich heelt genomen. Intusschen, als wij den korten inhoud van het verbond nagaan, dan komen wij tot de gevolgtrekking dat de Proleet het niel zonder reden heeft toegepast op zijn' persoon
280
Psalm 89 : 5 en 6.
en op geheel liet volk, aangezien God niet mei David alleen, of in het bijzonder, een verbond had gesloten, maar daarbij het oog heeft gehad op geheel het lichaam der Kerk, die van eeuw tot eeuw zijn zou. Want hoewel dit gezegde: Ik zal uwen troon tot in eeuwigheid bevestigen in zekeren zin van Salomo en de anderen, die hem opvolgden, verstaan moet worden, zoo wist de Profeet toch wel dat de werkelijk eeuwige duur alleen in Christus gevonden kan worden. En inderdaad, eenen verordi-neerende, die Koning zijn zou, heeft God daarbij niet de belangen van eene enkele familie op het oog gehad, alsof Hij voor die enkele familie het geheele volk vergat, met hetwelk Hij voormaals in den persoon van Abraham een verbond had gesloten; maar Hij heeft aan David en aan zijne kinderen de heerschappij gegeven, opdat zij door haar uit te oefenen, het algemeen welzijn zouden bevorderen, totdat de troon in waarheid bevestigd zou worden door de komst van Christus.
6. En cle hemelen zullen uw wonder, o Jehovah, loven, ook uwe waarheid in de vergadering der Heiligen. 7. Want wie is bij Jehovah te vergelijken in de wolken, en wie onder de zonen der goden zal Jehovah evenaren? 8. God is grootelijks geducht in den raad der Heiligen, en te vreezen boven allen, die rondom Hem zijn. 9. O Jehovah! God der heischaren, wie is sterk, als Gij, o God? en uwe waarheid is rondom U.
G. En de hemelen. Van het verbond Gods gesproken hebbende â gelijk het geloof dan ook altijd behoort te beginnen met het Woord â komt de Profeet thans tot den algemeenen lof zijner werken; hoewel men moet opmerkendat, wanneer de Profeet van de wondere macht van God spreekt, hij daarbij alleen ten doel heeft de heiligheid des verbonds des te meer te verhoogen en te verheerlijken. Want, hij roept uit, dat het de God is, die te recht verdient gediend en gevreesd te worden, in wien men moet gelooven, en op wiens macht men veilig kan steunen. En zoo neem ik er genoegen mede om het woord wonder, hetwelk hij voorop stel!, te bepalen tot de macht, die God tentoon spreidt in de bewaring en instandhouding zijner Kerk. Wel is waar â de hemelen zijn uil nemende getuigen en verkondigers van de wondere macht Gods, maar uit den samen-
281
Psalm 89 : üâ9.
liang der woorden zal nog duidelijker uitkomen, dal alle de lilels en benamingen van lof, die hier gebruikt worden, betrekking moeten bebben op hel doel, dat ik heb aangeduid. Want, naar mijn oordeel hebben de uitleggers het zeer goed begrepen, die door de hemelen verstaan de Engelen, die allen te zamen zich verheugen over hel heil en de bewaring der Kerk. Die uitlegging wordl bevestigd door het volgende lid, waar gezegd wordl, dal zijne waarheid geprezen zal worden in de vergadering der Heiligen. Wanl er is voorzeker niet aan te twijfelen dal hij hier voortgaal mei denzelfden zin, en dat hij door hel woord Waarheid de uitnemende uitreddingen aanduidt, waardoor God geloond heeft de beloften te houden, die Hij zijnen dienstknechten gedaan heefl.
7. Want wie is er bij Jehovah te vergelijken in de wolken. De Profeet geefl nu nog eene verdere verklaring van heigeen hij van de wonderen Gods gezegd heefl, en roept uil mei groote krachl en nadruk: Wie kan bij God worden vergeleken in de wolken? Hij spreekt van de wolken, of van den hemel, omdal hel geen wonder is, zoo er op aarde niets gevonden wordl, dal de heerlijkheid Gods nabij koml. Want, hoewel de mensch boven de andere dieren uitmunt, zien wij toch hoe ellendig en min zijn toestand is, of, om hel beter uil le drukken, hoe smadelijk en verachtelijk hij is, waaruit volgt, dal er onder den hemel geenerlei voortreffelijkheid is, om tegenover die van God le stellen. Maar als wij daarentegen den blik richten naar den hemel, dan zijn wij terstond als weggevoerd van bewondering; wij stellen ons eene menigte goden voor, waardoor de ware Godheid [voor ons oog] verloren ging. Hel volgende lid is slechts eene verklaring van den zelfden zin, waar de Profeet zegt, dal onder de zonen der goden niemand gelijk is aan den éénen, waren God Want de meening van hen, die onder de wolken, of de hemelen, de zon,,de maan en de sterren verslaan, wordl reeds door den samenhang van den tekst wederlegd. Waar de zin dus op neerkomt is, dal zelfs in de hemelen God alleen boven alles is, en geen gelijke heeft. Hij noemt de Engelen Zonen der goden, omdal hun oorsprong niet uil de aarde is, en omdal zij met geen verderfelijk lichaam zijn bekleed, maar hemel-sche geesten zijn, versierd met goddelijken glans; niet alsof zij deel uitmaakten van het wezen Gods, gelijk sommige dwepers hebben gedroomd, maar omdat God in hen zijne macht ten loon spreidt, is hun deze titel ter onderscheiding van hunne natuur met de onze toegekend. Waar de zaak dus op neerkomt is:
m
I
Psalm 89 : 7 en 9.
283
0
tg .:.V_
i 1
ü
I
4
IM
hoewel in de Engelen grooter glans van voortreffelijkheid schitlerl dan in de andere schepselen, zoodal wij door de beschouwing er van als wegzinken in bewondering, toch naderen zij God niet zoo, dat door hunne hoogheid zijne grootheid verduisterd of verminderd zou worden, of dat zij de heerschappij met Hem gemeen hebben. Dit moet zorgvuldig opgemerkt worden , omdat, hoewel God dikwijls en duidelijk in de Schrift verklaart, dat de Engelen zijne dienaren zijn, immer gereed om zijne bevelen te volvoeren, de wereld toch niet tevreden zijnde met één eenigen God te hebben, zich nog een groot aantal godheden heeft uitgedacht. Dezelfde strekking heeft ook het volgende vers, waar de Profeet zegt, dal God grootelijks geducht is inden raad der Heiligen. Want hiermede laakt hij het duivelsche bijgeloof, waartoe schier alle menschen geneigd zijn, nl. om de Engelen boven mate en zonder reden te verheerlijken. Indien nu zelfs de Engelen sidderen en door vrees en ontzag worden aangegrepen in de tegenwoordigheid van de majesteit Gods, dan is het niet zonder reden, dat zij erkend worden ondergeschikt te zijn en op hunne plaats worden gehouden, opdal God alleen in volmaaktheid zou regeeren. Overigens, door te zeggen, dat zij rondom God zijn, verstaat hij, dat zij evenals lijflrawanten rondom hun voist, rondom den troon Gods zijn geschaard, en immer gereed zijn zijne bevelen te volbrengen Daarna herhaalt hij wederom dezelfde woorden: Wie is sterk, als Gij, o Godt en dat wel, opdat de vrees en het ontzag voor zijne majesteit ons leeren er ons voor te wachten van Hem te berooven van de eere, die Hein toekomt. Opdat nu echter eene al te groote vreeze en verschrikking ons niet zal weerhouden om tot Hem te naderen, vermengt hij dit meteenigeliefelijkheid, zeggende, dat zijne waarheid overal rondom Hem gezien wordt, also! hij zeide, dat God immer getrouw is aan zijne beloften, en dat, welke veranderingen er ook mogen ontstaan, Hij toch altijd van rondom, van achteren en van voren, aan de rechter zoowel als aan de linkerzijde, waar blijft.
10. Gij heerscht over den hoogmoed der zee, wanneer hare golven zich verheffen, dan stilt Gij ze. 11. Gij hebt Egypte verpletterd als een gewonde; met den arm uwer sterkte hebt Gij uwe vijanden verstrooid. 12. De hemelen zijn uwe; ook de aarde is uwe; de wereld en
!
Iéi
m \
â
, '
li; \
lil
nHH
I
Psalm 89 : 10â12.
hetgeen daarin is; hebt Gij gegrondvest. 13. Gij hebt het Noorden en het Zuiden geschapen; Thabor en Hermon zullen zich verheugen in uwen naam. 14. Uw arm is machtig, Gij zult uwe hand versterken, en uwe rechterhand verheffen. 15. Gerechtigheid en gericht zijn de plaats van uwen troon; goedheid en getrouwheid zullen voor uw aangezicht heengaan.
10. Gij Jieerscht. Ik hob er reeds op gewezen, dal alles wal de Proleet in liet algemeen van de krachl Gods gezegd heeft, betrekking heeft op liet wonder der verlossing, waarvan bij thans opzettelijk zal spreken. Sommige schriftverklaarders zeggen wel, dal God de golven en baren bedwingt, opdat zij niel buiten hare oevers treden en de wereld overslroomen, maar ik voor mij, lees deze twee verzen liever aan één, want ik denk, dat de Profeet spreekt van de Roode Zee, die God teruggehouden heeft ten einde zijn volk den doortocht te verleenen. Want onmiddelijk daarna zegl hij dat geheel Egypte verpletterd was als een gewonde. Door deze woorden verheerlijkt hij Gods ganade, die zich geopenbaard heell in de verlossing der Kerk. Want ongetwijfeld heeft hij zich zeiven en de anderen de vaderlijke liefde Gods voor oogen willen stellen, ten einde mei des te meer blijmoedigheid en vrijmoedigheid lol Hem de toevlucht te nemen om hulp te verkrijgen, gelijk hij ook door te zeggen dat Hij door zijn' sterken arm zijne vijanden verstrooid heeft, door de uitkomst en de ervaring geleerd, lol de gevolgtrekking komt, dal Hij, zoo hel Hem behaagl, altijd hetzelfde zal kunnen doen.
12. De hemelen zijn uwe. Hij herhaalt voor de derde maal, dal God, die de Bevrijder was van zijn uitverkoren volk, eene macht 'en heerschappij heefl, waardoor Hij de geheele wereld regeert. Want dewijl God alle dingen geschapen heeft, maakt hij de gevolgtrekking dal Hij hel ook is, die alles leidt en bestuurl wat er in hemel of op aarde geschiedt. Want hel zou wel ongerijmd wezen, dal de hemelen, eenmaal door Godgeschapen zijnde, nu verder maar aan hel toeval overgelaten zijn, en dal de dingen dezer aarde óf naar den zin en lust der menschen gaan, óf door het toeval worden beheerschl, aangezien het Gode eigen is om alles wat Hij geschapen heeft te onderhouden en te besturen; tenzij wij, evenals de Heidenen, ons willen voorstellen
284
Psalm 89 : 12â15.
285
i i
i
i «i li
dat Ilij zich vermaakt met gade te slaan alles wat er op dit fraaie scliouwtooneel van hemel en aarde voorvalt, zonder er zelf over le beschikken, of er zich over le bekommeren. Als hij spreekt van het Zuiden en van het Noorden, evenals van de bergen Herman en Thabor, schikt hij zich naar het begrip van het gewone volk, dat ruw en onontwikkeld is; alsof hij zeide dat er geen enkel deel is van het gebouw der wereld, dat den Schepper, die het gemaakt heeft, niet eert en vreest Ik voeg hier ook het vers bij, dat er op volgt, te weten, dat de arm Gods bekleed is met macht, zijne band met sterkte, en dat zijne rechterhand opgeheven is tot het hoogste gezag. Want dit, gelijk sommigen doen, in den vorm van wensch ol bede te nemen, en dus te lezen: Versterk uwe band; hef uwe rechterhand omhoog, dat is een zin, die mij toeschijnt geheel af le wijken van de bedoeling des Profeten, die eenvoudig, ter bemoediging der geioovigen, de onvergelijkelijke kracht Gods looft.
15. Gerechtigheid, enz. Deze titels zijn nog meer geschikt om de geioovigen le versterken in hunne hoop, dan wanneer hij alleen van de kracht Gods bad gesproken. Daarom moeten wij, tekenmale als er melding wordt gemaakt van God, onzen geest voornamelijk richten lol die krachten, die geschikt zijn om ons geloof op te bouwen, opdat wij ons in geene ijdele bespiegelingen verliezen, waarin de dwaxe menscben, zich verlustigen, en daarom niel leeren wat God is. De Proleet, zinspelende op de wapenen en de pracht en praal der koningen, zegt, dat gerechtigheid en gericht de steunpilaren zijn van Gods troon, waarop Hij gezeten is als Opperheer, en dat goedheid en getrouwheid als zijne volgelingen zijn; alsof bij zeide, dat de sieraden, waarmede God hekleed is in plaats van met puiper, ol een diadeem, of een' schepter, daarin bestaan, dat Ilij de rechtvaardige en onparlijdige Rechter is der wereld, de barmhartige Vader en de getrouwe Beschermer der zijnen. Wanl, omdat aardsche koningen niels in zich zeiven hebben, dat hun gezag of majesteit verleent, zijn zij gedwongen om haar aan iels anders, iets builen hen le onlleenen Maar God, die in zich zeiven algenoegzaam is, heeft geene hulp van builen noodig, en daarom doet Ilij ons de heerlijkheid van zijn'Persoon aanschouwen in zijne gerechtigheid, goedheid en getrouwheid.
; lil
16. Welgelukzalig is het volk, hetwelk weet te juichen en zich te verblijden, Jehovah! zij zullen in
Psalm 89 : 16 en 17.
het licht uws aanschijns wandelen. 17. Zij znllen zich dagelijks in nwen naam verblijden, en in uwe gerechtigheid verhoogd worden. 18. Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte, en in uw welbehagen zal onzo hoorn verhoogd worden. 19. Want bij Jehovah is ons schild, en bij den Heilige Israels onze Koning.
1G. Welgelukzalig is het volk. Hij gaat voort met hetgeen hij vermeld heelt van de Kerk; niet slechts omdat de ongeloovigen blind zijn ten opzichte van de beschouwing van de werken Gods; maar ook omdat de Profeet geen ander doel heeft dan aan de geloovigen goede hope te geven, opdat zij zich gerust op God zouden verlaten, en door geeneilei kwaad ontmoedigd zouden worden, maar Hem immer vrijmoedig zouden aanroepen. Nu zegl hij, dat diegenen welgelukzalig zijn, die zich in God kunnen verblijden; want, hoewel alle menschen door Gods milddadigheid worden onderhouden en gespijzigd, is het er toch nog verre van daan dat de smaak en hel bewustzijn zijner vaderlijke goedheid lot allen is doorgedrongen, zoodal zij, er vast van verzekerd zijnde dal Hij hun gunstig gezind is, zich in hun heil kunnen verblijden. Hel is dus een bijzonder voorrecht, dal God schenkt aan zijne uitverkorenen, dat Hij hen zijne goedheid doel smaken, opdal zij den moed zouden hebben van zich le verheugen en le zingen. En er is inderdaad ook geen ellendiger toestand dan die der ongeloovigen, die in hunne dierlijke stompzinnigheid de weldaden Gods als rnel voelen lieden, die zij toch zoo gretig hebben aangenomen, want hoe overvloediger God hen spijzigt, hoe snooder hunne ondankbaarheid is. Zie hier dus waarin de ware gelukzaligheid bestaat; nl. de goedheid van God te beseffen, waardoor hel harl vervuld wordt van vreugde, en waardoor wij gedrongen worden om Hem te loven en te danken. Daarna loonl hij door de uilkomsl, dal zij welgelukzalig zijn, die vroolijk en welgemoed God erkennen als hun Vader, daar zij niel slechts van zijne weldaden genieten, maar, zich ook verzekerd houdende van zijne gunst, geheel hun leven doorbrengen in rust en vrede der conscienlie. Want dit is de beleekenis van te wandelen in het licht zijns aanschijns, namelijk: Dat wij rusten in zijne voorzienigheid, omdat wij de stellige overtuiging hebben, dal Hij er bijzonder zorg voor zal dragen ons heil te bewerken, en dal Hij voortdurend over ons waakt. Dit is ook de strekking van deze uitdrukkingen: Zich verblijden in zijn
286
Psalm 89 : 17â19.
naam, en roemen in zijne gerechtigheid, vvanl de zin is: dal de geloovigen in God overvloedig slol vinden om zich te verblijden en om te roemen. Door hel woord Dayelijks scliijnl hij eene groote volharding en trouwe slandvasligheid aan te duiden, en aldus van Ier zijde de dwaze aanmatiging le bestraffen van hen, die slechts opgeblazen zijnde met wind, de hoornen verheffen en belrouwen op hunne kracht. Want daar zij op geen goed fondament slaan, kan het niet anders of zij zullen plotseling ter aarde vallen. Hieruit volgt, dal er geene ware grootheid is, en ook evenmin kracht, die beslaan kan, indien zij niel steunt op Gods genade alleen; gelijk wij ook Paulus zoo heerlijk zien roemen, als hij zegt: Als God vóór ons is, wie zal dan legen ons overmoyen? (Rom. 8: 31), en aldus alle rampen en legen-spoeden, tegenwoordige, zoowel als toekomende, als niets acht.
18. Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte. Hij bevestigt denzelfden zin, nl. dat God zijnen geloovigen nooit kracht zal laten ontbreken. Want door Hem de heerlijkheid hunner sterkte le noemen, geeft hij le kennen, dal zij zóó zeer door God on-ondersleund worden in den nood, dal zij zich terecht in Hem beroemen; ol (heigeen evenveel heteekent) dal Gods macht en sterkte altijd heerlijk geopenbaard worden, als Hij hen helpt en ondersteunt, hoewel zij intusschen door deze zelfde woorden gewezen worden op hun' plicht, om allen lof toe le schrijven aan God wijl zij veilig en wel staande zijn gebleven. En indien dil nu zoo is ten opzichte van het tegenwoordige leven, hoe veel le meer behoort hel dan niet gezegd te worden met betrekking tot het geestelijk leven der ziel. En voorts: ten einde deze milddadigheid Gods des le meer le loven en le verheerlijken, leert hij tegelijk ook, dat zij geheel en al afhankelijk is van zijn welbehagen, zonder dat hiervoor eene andere oorzaak is. Hieruit volgt dat zij alles aan God te danken hebben, die door niets anders dan door zijne eigene vrije genade en goedheid gedrongen wordt om ons zijne hulp le blijven verleenen.
19. Want bij Jehovah is ons schild. Omdat de voornaamste steun des volks gelegen was in den persoon des Konings, loont de Profeet inzonderheid aan, dal ook dil eene gave Gods is, dal het heil der geloovigen aldus door den Koning wordt bevorderd en bewaard. Men moet echter wèl opmerken, dal de Profeet niet zoo bij dil lijdelijk en zwak koninkrijk is blijven staan, dat hij niet tegelijk ook het doel in hel oog hield, gelijk wij weldra zien zullen. Want hij wist wel, dal het slechts om
287
i
jfff
'ii
ipl
â ; Hl
1 amp;
s Hi-i feil
;l
I
*'1111 f
famp;a
, 'J |
M
ff.--
li
m
Psalm 89 : 19-20.
Christus wil was dal God zijne gunst van hel Hoofd der Kerk op geheel h3l lichaam der Kerk deed afdruipen. En in de eerste plaats: als hij in beeldspraak den Koning een Schild noemt, gelijk dit in de Schrift meermalen voorkomt, dan belijdt hij hiermede dat, zoo het volk door zijne hand wordt beschermd en geholpen, hij toch niets anders Jan een werktuig is in Gods hand, het kanaal, waardoor de hulpe Gods lol ons komt. Dit hei haalt hij nog eens in hel tweede lid, zeggende, dal de Koning van God gegeven is om hel volk te regeeren, en dat daarom de bescherming des Konings eene weldaad Gods is. Nu moeien wij wèl in gedachten houden, dal hetgeen van hel koninkrijk gezegd is, nl. dal het een beeld en afschaduwing was van eene grootere zaak, zeer terecht op den Persoon van Christus toegepast kan worden, die ons van den hemelschen Vader gegeven is ais den Bewaarder van ons heil, opdat wij door zijne hand beschermd en staande gehouden zouden worden.
20. Toen hebt Gij in een gezicht tot uwe zacht-moedigen gesproken, en gezegd: Ik heb hulp gelegd op den machtige, Ik heb den verkorene van uit het volk verhoogd. 21. Ik heb David, mijn1 knecht gevonden; Ik heb hem gezalfd met de olie mijner heiligheid. 22. Daarom zal mijne hand met hem bevestigd blijven; ook zal mijn arm hem versterken. 23. De vijand zal geene macht over hem hebben; en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet schaden. 24. En Ik zal zijne verdrukkers voor zijn aangezicht verbreken; en die hem haten zal Ik slaan.
20, Toen hebt Gij in een gezicht tot uwe zachtmoedigen (jesprohen. Thans verklaart hij uitvoeriger waarom hij gezegd heeft dal de Koning van hel uilverkoren volk van Boven is gegeven lol bewaring en handhaving van den Staat en tol heil van dit volk, nl. omdat hij niel door de stemmen der menschen was verkoren, en ook evenmin zich zeiven als heerschei1 of tyran had opgeworpen, noch zich door verkeerde of oneerlijke middelen had ingedrongen in de regeering; maar daar hij door God verkoren en aangesteld was om voor hel algemeene welzijn des volks te
288
Psalm 89 ; ^O.
289
waken, vervuil hij zijn ambt onder de leiding en hel besluur van dienzeliden God. Want, gelijk wij laler duidelijker zien zullen, hel doel van den Profeel is, dezen door God gezondenen Koning te onderscheiden van alle andere Koningen. Want hoewel hetgeen Paulus zegt in Rom. 13:1 in het algemeen waar is, dat er geene macht is dan uit God, zoo is er toch een zeer groot verschil tusschen David en de andere aardsche koningen, die door menschen tot de regeering zijn geroepen en gekomen. Want God had aan David van hand tot hand den schepter overgegeven, en hem door zijn gezag op den koningszetel geplaatst. Het Hebreeuwsche woord Az, hetwelk eigenlijk Toen beteekenl, wordt soms ook gebruikt voor Voormaals, of. Van ouds. De zin is dus, dat terwijl dezen als koningen zijn geboren, omdat zij door erfrecht hunne vaderen opvolgen, anderen lot koningen gemaakt worden door de menschen, en nog anderen door geweld en kracht van wapenen lot deze macht en grootheid zijn geraakt, God de Werker en Schepper van dit Koninkrijk is, omdat Hij David hiertoe verkoren heeft. En voorts: hoewel Hij zijn raadsbesluit aan Samuël heefl te kennen gegeven, moet Hij toch ook, daar de Profeet het meervoud gebruikt, de zaak aan meerdere personen geopenbaard hebben, zoodat men met zekerheid hieruit kan afleiden, dat er verscheidene getuigen waren, opdat zij allen eenslemming zouden kunnen verklaren, dat God David lot Koning verordineerd en aangesteld heefl. En inderdaad, aangezien er in dien tijd andere voorlrefielijke en vermaarde Profeten geweest zijn, is hel niet waarschijnlijk, dat eene zaak van zooveel gewicht en zoo rijk aan gevolgen, voor hen verborgen zou zijn gehouden. Toch wordt Samuël alleen in deze zaak genoemd, omdat hij hel was, die de goddelijke opbaring bekend maakte, en de bedienaar der koningszalving geweest is. En omdat God nu in dien tijd in droomen en nachtgezichlen lol zijne Profeten heeft gesproken, wordt deze laatste wijze van Godsopenbaring hier genoemd. Daarna volgt de inhoud der Godspraak en der hemelsche ordinantie, dat God den sterke, of den machtige, dien Hij verkoren had om Koning te zijn, vervuld had met hulp. David wordt de sterke genoemd, niet van wege zijn' aard. alsof hij in zich zeiven sterk was (want wij weten, dat hij klein van gestalte en in minachting was bij zijne broederen, zoodat Samuël zeil hem voorbijging zonder acht op hem te slaan) maar omdat God, nadat Hij hem had verkoren, hem nieuwe krachten had geschonken en hem ook met andere gaven had toegerust, die een' Koning voegden; evenals in een gelijk geval, toen Christus zijne apostelen had verkoren, Dl. II. 19
Psalm 89 ; 20 en 21.
Hij hun niel slechts mei den naam of tilel versierde, maar hun tegelijk ook de noodige gaven verleende om hun' last te kunnen volvoeren. En ook heden doet Hij in zijne dienstknechten dezelfde genade zijns Geestes uitblinken. De kracht van David, waarvan hier melding gemaakt wordt, was dus een gevolg, een uitwerksel zijner verkiezing, want hem Koning makende, heeft God hem tegelijk genoegzame kracht en macht gegeven om zijn volk Ie kunnen beschermen en bewaren. Dit blijkt nog duidelijker in het tweede lid, waar gewag wordt gemaakt van de bron dezer kracht, te welen, dat God den vericorene van uit het volk had verhoogd. Want dit zijn allen woorden van groot gewicht en beteekenis. Want, daar God verklaart, dat Hij hem verhoogd heeft, wordt hiermede gewezen op den nederigen, onaanzienlijken staat, waarin David geleefd heeft, onbekend en onberoemd, vóór dat God zijne hand tot hem bad uitgestrekt. Wat hij er bijvoegt van uit het volk, heeft dezelfde strekking, want de zin is, dal hij toen nog gansch onbekend was, en tot het gewone volk behoorde, en dat er in hem niets voortreffelijks te bespeuren was, aangezien hij de kleinste was in bet huis zijns vaders, en onder de dorpelingen tot hen behoorde, die hel bedrijf van herder uitoefenden. Door het woord Verkorene brengt God ons tot de beschouwing van zijn' wil, alsof Hij ons verbood hiervoor eene andere oorzaak te zoeken, dan dat het alzoo zijn wil en welbehagen geweest is.
21. Ik heb David mijn' knecht gevonden. De Profeet bevesligt denzelfden zin, dat er in David niets koninklijks geweest is, dan voor zooveel God hem met zijne genade is voorgekomen. Want dit is de beleekenis van dit woord Oevonden\ alsof God zeide, dal hel eene vrije goedheid van Hem was, toen Hij hem uit zijn' nederigen staat heeft opgeheven. Ook in de benaming Knecht ligt geenerlei verdienste opgesloten, zij ziet alleen op de roeping; alsof God verklaarde, dat Hij met zijn gezag de heerschappij van David bevestigt en bekrachtigt; want, zoo God haar goedkeurt, kan men er niet aan twijfelen, dat zij wettig is. Rn zoo wordt dan ook door het tweede lid deze vrije verkiezing bevestigd Want de zalving, die David niet door zijne eigene bekwaamheid heelt verkregen, en die hij ook niet heeft gezocht, maar tegen alle hoop en verwachting heeft ontvangen, was de oorzaak van de eer en den koninklijken staat, waartoe hij is gekomen Omdat God dus uit zich zeiven en om niets anders dan zijn eigen welbehagen tot David is gekomen om hem door de hand van Samuël, lot Koning te zalven, zegt Hij volkomen
290
Psalm 89 : 2-2â24.
terecht dat Hij hem gevonden heelt. Daarna voejjt Hij er bij, dat flij de Behoeder en Beschermer zijn zou van dit koninkrijk, waarvan Hij de Stichter is; gelijk het dan ook waarlijk zijne gewoonte niet is, het werk, dat Hij begonnen heeft, niet te voleinden, maar het, integendeel, lot een volkomen einde te brengen.
23. De vijand zal geene macht over hem hebben. Hij zegt uitdrukkelijk, dat, hoewel David niet zonder vijanden zijn zou, de macht Gods immer daar zou wezen om hem te beschermen en staande te houden, opdat geen goddeloos geweld hem zou verdrukken. Hij zegt dus dat David niet schatplichtig zou worden aan zijne vijanden, gelijk wij weten, dat hij, die in den oorlog overwonnen is, genoodzaakt is de voorwaarden aan te nemen, die hem door zijn' overwinnaar worden opgelegd, waarin die dan ook mogen bestaan. Intusschen geeft Hij door zijne vijanden Kinderen der ongerechtigheid te noemen. stilzwijgend te verslaan, dal zijn koninkrijk geregeerd zal worden zonder tyrannic of afpersing, zoodat al wie trachten zal het omver te werpen, daardoor toonen zal, dat hij goddeloos is en onrecht doel. Waar het op neerkomt is, dat David en zijne opvolgers door de bescherming Gods veilig en wel bewaard zullen zijn, zoo dat zij niet aan den zin en lust hunner vijanden overgegeven zullen worden. En wal nu betreft dat God het heeft toegelaten, dal dit koninkrijk lol het uiterste verval is gekomen, zoodal de opvolgers van David verplicht waren zware schattingen te betalen aan vreemde en Heidensche koningen, dit is volstrekt niet in tegenspraak met deze belofte; want, hoewel de macht des koninklijks zeer was geslonken, was het genoeg, dat de wortel er van beslaan bleef tot aan de komst van Christus, in wiens hand hel koninkrijk ten laatste werkelijk en voor eeuwig bevestigd was. Want, omdat de Koning, zoowel als het volk dezen zoo grooten zegen van God boosaardiglijk hadden verworpen, is het koninkrijk door hunne schuld dikwijls aan het wankelen gebracht, daarna gaan lanen, en eindelijk gansch en al omver geworpen, maar intusschen heelt God, ten einde zijne belofte gestand te doen van het eeuwigdurende van dit koninkrijk, niet opgehouden hun grond van hoop te geven door voortdurend tegen hunne ondankbaarheid le strijden. Hier komt nog bij, dal Hij door de haters en tegenstanders van David le vermelden, te verslaan geeft, dal het koninkrijk niet zonder moeielijkheid of beproevingen zou zijn, omdat er immer lieden zullen wezen, die legen hetzelve zullen samenrotten, indien God zich niet tegen hen stelt.
19*
291
Psalm 89 : 25â97.
25. Mijne waarheid en mijne goedertierenheid zullen met hem zijn, en in mijn' naam zal zijn hoorn verhoogd worden. 26. En Ik zal zijne hand in de zee zetten, en zijne rechterhand in de rivieren. 27. Hij zal tot My roepen: Gij zijt mijn Vader, mijn God, en de rots mijns heils. 28. Ook zal Ik hem ten eerstgeborene stellen, en hem hooger stellen dan de Koningen der aarde. 29. En Ik zal hem mijne goedertierenheid eeuwiglijk behouden, en mijn verbond zal hem vast blijven. 30. En Ik zal zijn zaad eeuwiglijk bevestigen, en zijn' troon als de dagen der hemelen.
25. Mijne waarheid. Hij toont aan, dal de genade, die Hij in den beginne jegens David gebruikt heelt, eeuwiglijk zal voortduren. Want deze woorden beteekenen zoo veel alsof hij gezegd had, dat Hij, om zich waar te betoonen, altijd goed en genadig zijn zal. En zoo zien wij, dat God niet slechts in den beginne aan David zijne goedheid heeft betuigd, maar hem immer dezelfde vriendelijkheid is blijven bewijzen. En dit heeft betrekking op geheel de Kerk, daar de goedheid Gods zich openbaart in geheel den loop onzer verlossing, en niet slechts bij den aanvang, gelijk de warhoofden der Sophisten van de Sorbonne bewezen. De hoorn van David beteekent hier, gelijk dikwijls ook elders, zijne heerlijkheid, macht en voorspoed. Daarom is de zin er van, dat door Gods genade dit Koninkrijk immer voorspoedig zal zijn en bloeien. Terstond daarop wordt op de groote uitgestrektheid er van gewezen. Want, omdat hel volk door zijne misdaden als het ware den weg had versperd voor den zegen Gods, waren de grenzen van het erfdeel enger dan de belofte dit medebracht. Thans verklaart God, dat dit erfdeel ten tijde van David zich weder zal uitbreiden, zoodal het volk hel gansche land in bezit zal nemen, van de zee tot aan, de rivier Eufraal. Hieruit zien wij, dat hetgeen God door Mozes beloofd had, slechts in den persoon van David, dat is in zijnquot; tijd, vervuld werd. Door de rivieren kan men alleen den Eufraal verstaan, omdat deze stroom zich in verscheidene takken of armen verdeelt, of wel de naburige rivieren, die naar den kant van Syrië zijn.
27. Hij zal tot Mij roepen. Hij zegt dat de grootste voor-
292
Psalm 89 : 27â29.
treffelijkheid van dezen Koning hierin zal beslaan, dat hij geachl zal worden een Kind Gods le zijn. Hoewel nu aan allen, die door God lot Koningen verordineerd zijn, dezen zelfden eerelitel gegeven wordt, (gelijk wij elders lazen: Gij zijt goden en allen kinderen des Allerhoogsten, Psalm 82 : 6), toch zegt Hij iels buitengewoons en bijzonders van den Koning, dien Hij had verkoren, en bedoelt Hij in een' anderen zin, dat hij zijn kind zal wezen. Wij zullen dan ook terstond zien, dat Hij hem hooger stelt dan de aardsche koningen, hoewel dezen over uitgebreider landen heerschappij voeren. Het was dus een zeer bijzonder voorrecht voor een' Koning in deze wereld, om Zoon van God genoemd te worden. Anders zou ook de redeneering van den Apostel niet slechts koud en onbeduidend, maar ook ongerijmd zijn geweest, als hij betoogt dat Christus boven de Engelen is, omdat er gezegd is: Ik zal hem lot Vader zijn en hij zal Mij tot zoon wezen (Hebr. 1:4, 5). Hoewel dus zoo wei de Engelen als de Koningen, evenals allen, die door den geest der aanneming zijn wedergeboren, kinderen Gods genoemd worden, is David toch in rang boven die allen verheven, als God belooft, dat Hij hem als zoon zal aannemen. Dil blijkt nog duidelijker uil het volgende vers, waar Hij hem zelfs Jen eers^eSorenenoemt, omdat hij boven alle Koningen der aarde uitmunt, en dil is eene eer, die alle grootheid van menschen en Engelen le boven gaal. Als men hier nu legen aanvoert, dal David een sterfelijk mensch zijnde, de gelijke der Engelen niet kon wezen, dan is de oplossing dezer quaeslie gemakkelijk, nl. dal, zoo men hem in-en op zich zeiven beschouwt, er geene sprake van kan wezen, dat hij lol zoo hoogen rang verheven zou zijn; maar dat dil wel het geval is, nu hij voor een' lijd den Persoon van Christus vertegenwoordigd heelt.
29. En Ik zal hem mijne goedertierenheid eeuwiglijk behouden. Wij zien hoe God herhaaldelijk verzekert dal Hij hel koninkrijk van David heeft opgericlu onder de voorwaarde, dal het eeuwig zou zijn. En door nu in de eerste plaats zijne goedertierenheid te noemen, en daarna zijn verbond toont Hij de bron en oorzaak van dil verbond; alsof Hij in één woord zeide, dal het uit vrije genade is; dat hel niet slechts in de genade Gods gefondeerd is, maar ook alleen door die genade blijft en in stand wordt gehouden. Want de beteekenis der woorden komt hierop neder, dat God immer genadig en barmhartig zou zijn voor David, opdat zijn verbond nooit vernietigd zou worden. Hieruit volgt dat de vastheid er van niel anders bestaat dan in hel welbehagen
293
Psalm 89 : 30 en 31.
Gods. In hel volgende vers drukl Hij uit wal de uilwerking, of hel gevolg, is van zijne waarheid, zeggende dal de nakomelingen van David immer den Iroon in bezil zouden hebben. Wanl, omdal op aarde niels van langen duur is, verstaal de Proleet door de dagen der hemelen een toestand van vastheid en voorl-durendheid. Hieruit volgt, dal deze belolte niet verwezenlijkt kan worden vóór de komst van Christus, in wien alleen dit eeuwigdurende waarlijk gevonden kan worden.
31. Indien zijne zonen mijne Wet verlaten, en in mijne rechten niet wandelen; 32. Indien zij mijne inzettingen ontheiligen, en mijne geboden niet houden,
33. Zoo zal ik hunne overtredingen bezoeken met mijne roede; en hunne ongerechtigheid met plagen.
34. Maar mijne goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in mijne waarheid niet te kort komen.
35. Ik zal mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit mijne lippen gegaan is niet veranderen. 36. Ik heb eens gezworen bij mijne heiligheid: Zoo ik aan David liege! 37. Zijn zaad zal eeuwig zijn en zijn troon als de zon in mijne tegenwoordigheid. 38. Hij zal eeuwiglijk bevestigd zijn als de maan, en als een goed getuige in den hemel. Selah.
31. Indien zijne zonen. iNog verder gaal de Proleet. Ook al zouden de opvolgers van David komen te zondigen, zoo heelt God toch beloold, dat Hij zich zachtmoedig en genadig jegens hen zal betoonen, zoodal Hij hen niet naar gestrengheid om hunne overtredingen zal straffen, gelijk zij verdiend hebben. En opdat voorts de belofte met te grooter kracht van beteekenis lol ons zou komen, voert hij immer God sprekende lol ons in, als of hij naar de letterlijke woorden van het verbond met Hem handelde. Nu was hel wel noodig, dat dit er bijgevoegd was, omdat, zoo God in zijne oneindige goedheid ons geene vergeving schonk, terwijl wij zoo zeer geneigd zijn tot kwaad, en voorl-durend struikelen, dan zou er geen enkel artikel zijn van hel verbond met ons, dat stand zou kunnen blijven houden. Daarom heeft God, ziende dat het niet anders kon, of de opvolgers
m
Psalm 89 : ^2â34.
295
van David zouden voor zooveel hun belrolquot;, zeer dikwijls door hunne eigene sehuld van hel verbond vervallen, deze uilzondering als een geneesmiddel hierlegen, er bijgevoegd. Overigens, dewijl hel den menschen nullig is om mei Gods roeden gekastijd le worden, belooll Hij hun geene slrafielooslieid, die slechls hunne zonde zou Iroelelen, maar alleen dal Hij in zijne slralïen de vaderlijke gematigdheid zou in acht nemen, zoodal Hij geene strenge wrake aan hen zal doen naar dat zij het verdiend hebben. Intusschen moeien wij opmerken, dat hij niel slechts voor geringe louten of overtredingen vergeving belooll. maar ook voor groole en zware zonden. Want het is niel zonder oorzaak dat Hij deze wijze van spreken volgt: de Wet verlaten, de inzettingen ontheiligen , niet wandelen in de rechten, de geboden niet houden, gelijk hel ook niel zonder reden is, dat Hij spreekt van Overtredingen ol' ontrouw, en Ongerechtigheid. Wij zien dus dal Gods geduld en lankmoedigheid, waardoor Hij het nageslacht van David met zich verzoent, zich uitstrekken lol de grootste en zwaarste misdrijven. Deze schrilluurplaats toont ons ook, dal warneer God de menschen aanneemt en hen ontvangt in zijn Imis, zij niel terstond het vleesch met derzelver ondeugden afleggen, gelijk sommige dwepers zich verbeelden, dat, zoodia wij in hel lichaam van Christus zijn ingeënt, al het bederf in ons terstond gedood zal zijn. Wel is waar zou het zeer wenschelijk zijn, dat wij terstond vanaaid konden veranderen, opdat de engelen-volkomenheid, die zij eischen, zich in ons kan toonen. Daar hel echter maar al te duidelijk blijkt, dat wij daar zeer ver van verwijderd zijn, terwijl wij nog in het vleesch verwijlen, zoo laat ons die duivelsche inbeelding opyeven, en heenvlieden naar de vrijstad, wier poorten immer voor ons geopend zijn, nl. de vergeving der zonden. Want er is niel aan te twijfelen, of God spreekt hier van hot huisgezin zijner Kerk, en door hun vergeving le beloven voor hunne misdaden, verklaart Hij duidelijk, dal zij zullen overtreden en zich schuldig zullen maken aan opstand tegen Hem. Om nu hetgeen hier gezegd wordt alleen tot hel oude volk van Israël le beperken, is niel slechts eene ongerijmde, maar ook eenegodde-looze verklaring. Ten eerste neem ik aan als eene uilgemaakte zaak hetgeen reeds dikwijls gezien is, nl. dal dit koninkrijk opgericht werd om als type, of afschaduwing te dienen, waardoor God aan zijne Kerk den Middelaar voorstelde, hetgeen niel slechts bewezen kan worden door het getuigenis van Christus en zijne apostelen, maar ook stellig en duidelijk afgeleid kan worden uil de zaak, als men haar op zich zelve beschouwt. Want, zoo wij Christus wegdenken, waai blijft dan hel eenwigdurende van
Psalm 89 : 32â34.
296
dien koninklijken troon, waarvan hier gesproken wordt? Want reeds de tweede van hen, die David opgevolgd hebben, werd van hel grootste deel zijns koninklijks beroofd, zoodat van de twaalf stammen hem nauwelijks anderhalve getrouw bleet. En dit zoozeer verminderde koninkrijk â welke verliezen heeft het daarna niei nog geleden! Door hoe vele rampen werd hel niet geteisterd en verminkt, totdal ten laatste èn Koning èn volk in groote versmaadheid in gevangenschap werden weggevoerd! En waar was, bid ik u, de schoonheid en waardigheid van den koninklijken troon, toen de Koning zelf, na eerst zijne kinderen voor zijne oogen te hebben zien ter dood brengen, als een gewoon misdadiger werd behandeld (2 Kon. 25: 1)1 Want hel was den Joden daarna wel vergund in het land te blijven wonen, maar hel was zonder de eere en den titel eens koninkrijks. Daarom zegt ook Ezechiël lol drie malen toe, dat de kroon omgekeerd zal zijn totdat Hij komt, aan wien zij behoort (Ezech. 21 : 27). Hieruit volgt dus, dat de eeuwigdurende staat des Koninkrijks alleen in den Persoon van Christus berust. En inderdaad, welken toegang zouden voormaals de Joden tol God hebben gehad, of zouden wij heden hebben, indien de Middelaar niet lusschen-beiden trad om ons genade bij Hem te doen vinden? Wij hebben dus de hoedanigheden van dit koninkrijk, waarvan wij gesproken hebben, op ons zeiven toe te passen. Want, daar hel eeuwigdurende er van ons heenvoert naar de hoop op eene gelukzalige onsterfelijkheid, en de onverwinlijke kracht er van rust en kalmte brengt in ons gemoed, zoodat ons geloof niet bezwijkt, hoe Satan ook moge woeden; en hoewel wij door velerlei dood omringd zijn, zoo behoort loch de vergeving, die beloofd is, lol hel geestelijk koninkrijk van Christus, gelijk wij ook leeren kunnen uil deze Schriftuurplaats, dal het heil der Kerk niet anders bestaal dan in de genade van God en in de waarheid zijner beloften. Indien men nu hier tegen inbrengt, dal zij, die door den Geest Gods zijn wedergeboren, nooit geheel en al afkeerig of afvallig worden, omdat hel onverderfelijk zaad in hen blijft, dan erken ik, dal dit volkomen waar is. Maar er wordt hier ook van geen'algemeenen of algeheelen afval gesproken, zoodal er niets van deze vreeze Gods in den persoon zou overgebleven zijn; maar omdat hel somwijlen gebeurt, dal de geloovigen hel juk Gods zoo zeer van zich afwerpen en zich zoo zeer te buitengaan, dat het schijnt alsof de vreeze Gods in hen verstikt of uitgedoofd is, was het zeer noodig, dat God vergiffenis belooft, zelfs voor de schrikkelijksle zonden, opdat zij, hoe diep ook gevallen, zich nooit aan wanhoop zouden overgeven. Zoo zien
Psalm 89 : 32â34.
297
wij hoe David voor een' lijd ^ansch en al door den Geest Gods verlaten scheen le zijn, waarom hij ook bidt, dal Hij hem opnieuw geschonken mocht worden. Dal is de reden waarom God de hoop voorstelt op vergeving, zeiïs van de gruwelijkste zonden, opdat de zwaarte van het misdrijf ons de deur niet sluile of'ons verhindere verzoening met Hem te zoeken. Dit leert ons de al te groole strengheid le veroordeelen der oude vaderen, die bezwaar maakten om diegenen wederom in genade aan le nemen, die voor de tweede of derde maal gevallen waren. Want hoewel men zich wachten moei voor eene al le groole gemakkelijkheid, waardoor men aan de menschen den vrijen teugel viert om kwaad le doen, zoo is hel toch volstrekt niet minder gevaarlijk om al le streng te zijn. Inlusschen moeien wij opmerken, dal God, als Hij betuigt, dal Hij zich genadig zal beloonen jegens de zondaren, die zijne Wet hebben geschonden en zijne geboden hebben ontheiligd, voorbedachlelijk deze hatelijke woorden gebruikt, opdat wij deze zonden zouden halen en verafschuwen, maar volstrekt niet om ons aan le moedigen om kwaad le doen. De algemeene strekking hiervan is dus: Hoewel de geloovigen niet allijd en in alles aan de genade Gods beantwoorden, en bijgevolg verdienen verworpen le worden, loch zal God hun goedertieren en genadig zijn, omdat in zijn verbond ligt opgesloten, dat Hij de zonden vergeeft. En inderdaad, aangezien God in zijne Wel dingen eischl, die onze kracht le boven gaan, heeft hetgeen Hij aldaar belooft voor ons geene kracht van vervulling. Daarom zegt Paulus: Indien de erfenis komt door de Wel, dan is hel geloof ijdel en de belofte le niet gedaan (Rom. 4 : 14). Hierop heeft ook betrekking de plaats bij Jeremia, waar God zegt: Ik zal een nieuw verbond met u aangaan, niet gelijk dat, hetwelk Ik met uwe vaderen heb aangegaan, hetwelk zij terstond verbroken hebben, maai dit is het verbond, dat Ik met u maken zal. Ik zal mijne Wel in hunne harten schrijven, en hunne ongerechlig-heden zal Ik genadig zijn (Jeremia 31 : 31â34). En voorts, omdat God ons niel lol zijne kinderen aanneemt, opdat wij de vrijheid zouden nemen van nog meer le zondigen, wordl hier tegelijk ook melding gemaakt van de kastijding, waardoor God loont dat Hij de zonde haal, en, zijne kinderen loonende wal zij verdiend hebben door tegen Hem le overtreden, noodigt en vermaant Hij hen lol bekeering. Deze vaderlijke kastijding, die lol geneesmiddel strekt, houdt dus hel midden tusschen eene al te groole toegevendheid, welke eene verlokking is om kwaad le doen, en eene uiterste gestrengheid, die de menschen lol wanhoop brengt en in het verderf stort. Nu wijst de Profeet in
Psalm 89 : 32â34.
298
deze plaats op de Profetie, vervat in 2 Sam. 7 : 14, waar God zegt, dal Hij, de geloovigen straflende, daarbij te werk zal gaan naar de wijze der menschen, hetzij omdat de toorn eens vaders, als hij zijne kinderen bestraft, voortvloeit uit liefde, dewijl hij anders niet voor liun heil en welzijn zou waken, of wèl het is hier cene tegenstellende vergelijking tusschen God en de menschen; alsof Hij zeide, dat Hij daarbij gematigd en zachtmoedig te werk zal gaan; omdal, zoo Hij zijne volle kracht zou aanwenden , Hij ons met eene enkele beweging van zijn' vinger terstond zou vernietigen. Er is voorzeker niet aan te twijlelen dat beide schriftuurplaatsen deze strekking hebben dat God, telkenmale als Hij de zonden der geloovigen straffen zal, daarbij eene matiging zal in acht nemen, die hun tol heil is, en daarom is hel onze plicht om alle straffen, die Hij ons toebedeelt, te beschouwen als even zoo vele geneesmiddelen. Hieromtrent hebben de Papisten zich schromelijk vergist. Want daar zij het ware doel en de vrucht der kastijding niet begrepen hebben, hebben zij zich verbeeld, dat God hierbij te werk ging als bij het oefenen van wraak op de zondaren. Daaruit zijn nu hunne boetedoeningen voortgekomen, en dezen wederom hebben geleid lot hunne aflaten, waardoor zij gedacht hebben zich vrij te koopen om aldus aan de hand en de wrake Gods Ie ontkomen. Maar God heeft hiermede niets anders len doel dan de ondeugden zijner kinderen bij hen uil te roeien, ten einde hen daarna met zich te verzoenen en hen wederom in gunst en genade aan te nemen, volgens het woord van Paulus, als hij zegt, dat de geloovigen gekastijd worden, opdat zij met de wereld niet zouden worden veroordeeld (I Cor. 11 : 32). Daarom is hel, dal Hij, opdat de zwaarte der straffen hen niet zal verpletteren, hen als het ware slechts even aanraakt met zijne roede, en hunne zwakheid schraagt. Aldus vervult Hij deze belofte: dal Hij vertoornd zijnde tegen zijne geloovigen, zijne goedertierenheid toch niet van hen zal wegnemen, daar Hij niet ophouden zal hen lief te hebben, die Hij lot hun welzijn gekastijd heeft. Inlusschen moeten wij opmerken, dat in de woorden, door den Profeet gebruikt, eene verandering van personen voorkomt. Want, na gezegd te hebben: Indien zijne kinderen mijne Wel verlaten, enz. zegt hij ten slotte: Mijne goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen. Hel schijnt dat hij had moeten zeggen: Van hen, aangezien hij van de kinderen, in het meervoud, heeft gesproken. Het is echter waarschijnlijk dat de Profeet voorbedachtelijk aldus heelt gesproken, om ons te leeren, dat wij niet anders met God verzoend zijn dan door Christus en om zijnentwil, en dal wij daarom de
Psalm 89 : 34 en 35.
toevluclil moeien nemen lol deze bron, om er hoop op barm-haitigheid le verkrijgen, llelgeen volgl aan liel einde van hel vers: In mijne waarheid zal Ik niet te kort komen heefl meer gewichl en nadruk dan wanneer hij eenvoudig gezegd had dal God waar zal wezen in helgeen Hij zegi. Wanl hel zou kunnen wezen, dal de beloften niel vervuld worden, lerwijl God loch gelrouw blijfl. Bijvoorbeeld: de Wel is waar en heilig; maar waartoe dient hel, dal ons in haar de zaligheid beloofd is, aangezien niemand dezelve door haar kan verkrijgen? In deze schril'luurplaals leidl God ons dus verder, belovende dal zijn verbond vasl blijft en van kracht zal zijn, niel slechts, omdat Hij van zijn' kant waar zal zijn, maar ook, omdat Hij zijne ge-loovigen zal weerhouden, opdat zij door hunne onstandvastigheid niet doorvloeien.
35. Ik zal mijn verhoud niet ontheiligen Dewijl men niel anders dan door zijn Woord tot de ware kennis van Gods barmhartigheid kan komen, wil hij, dat wij onze oogen voortdurend op het verbond gericht houden. Want hoe uilnemender en onwaardeerbaarder eene weldaad het is, dat wij nooil door Hem versloolen of verworpen zullen worden, nadat Hij ons eens aangenomen heefl, hoe moeielijker het is te gelooven. En wij welen hoe dagelijks allerlei gedachten bij ons opkomen om ons er aan te doen twijfelen. Opdat dus de geloovigen zich niet kwellen door angst en twijfel of God hun wel gunstig gezind is, wordt hun hier bevolen op het verbond le zien, en het heil aan te nemen, dat hun daarin wordt aangeboden. God verhoogt dus hier zijne getrouwheid voor ons, opdat zijne bioole belofte ons genoeg zij, en wij nergens elders de zekerheid onzer zaligheid zullen zoeken. Omdat Hij nu te voren gezegd had; Indien de kindeten van David mijne inzettingen ontheiligen, zegt Hij thans, zinspelende op deze ontheiliging, dal Hij van zijn' kant niet even-zoo met hen zal handelen, alsol Hij zeide, dal ofschoon de geloovigen niet volkomen aan hunne roeping beantwoorden gelijk het betaamt, Hij toch niet zal toelaten dat zijn verbond door hunne schuld verbroken en le niet gedaan zal worden, omdat zijne vrije vergeving hunner zonden dit zal voorkomen. Want Hij gaal nog altijd voort met hetgeen Hij vooraf gezegd heeft: Ik zal in mijne waarheid niel te kort komen, belovende niel slechts dal Hij van zijn' kant waar zal zijn, (gelijk men gemeenlijk zegt) maar dat, welke hinderpalen door de menschen ook opgeworpen zullen worden, helgeen Hij beloofd heeft toch zal geschieden, omdat Hij zal strijden legen hunne ondeugden, opdat
299
Psalm 89 ; 35 en 36.
de vrucht zijner goedheid lot hen kunne genaken. En inderdaad, hoewel de Joden door hunne ondankbaarheid en ontrouw zich van God hebben algewend, is loch hel verbond niel le niet gedaan, omdat het gefondeerd was op de onwankelbare trouw van God. En hoewel nog heden onze zonden opklimmen ten hemel, zoo zal toch de goedertierenheid Gods altijd nog hooger zijn dan onze zonden, aangezien zij zelfs de hemelen te boven gaal.
36. Ik heb eens gezworeii. Thans bevestigt God door een' eed hetgeen Hij zegt le voren aan David te hebben beloofd, waaruit blijkt, dat hel geene kleine zaak was, daar God niel met zijn' heiligen naam lusschen beiden zou treden, indien er geene gewichtige reden voor bestond Intusschen is het een bewijs van zeer groole goedertierenheid, dat Hij, ons geneigd ziende tol wantrouwen, ons met zoo veel liefde te gemoelkomt. En zoo veel le minder kunnen wij ons verontschuldigen, als wij zijne belofte niel met een vast en onwankelbaar geloof aannemen, die zoo wél verzekerd en bekrachtigd is, aangezien God uit lielde voor ons heil zijn' Naam niet spaart, opdat wij ons houden aan zijn Woord. Want, indien de eenvoudige belofte ons niel genoeg is, dan voegt Hij er als waarborg en onderpand zijn' Naam aan toe. Dit woord Eens beteekenl, dat het een onherroepelijke eed is, en dal men er geenerlei verandering in heelt le vreezen. Nu zegt Hij, dal Hij gezworen heeft Bij zijne heiligheid, omdat er niets grooters was, waarbij Hij kon zweren. Want als wij bij Hem zweren, dan stellen wij Hem aan lol onzen Rechter en plaatsen Hem boven ons, gelijk Hij dit uil zijn' aard ook is. Maar deze wijze van spreken zet nog meer gewicht bij aan de zaak, .als Hij zegt Bij zijne heiligheid dan wanneer Hij gezegd had: Bij zich zeiven; niet slechts om dat dit zijne heerlijkheid doet uitkomen, maar ook omdat het veel meer geschikt is voor de bevestiging van ons geloof, daar hel de geloo-vigen terugvoert tot Gods aardsche woning, die Hij zich verkoren had, opdat men Hem niet ver zou behoeven le zoeken. Want ik twijfel niet of tlij bedoelt met dit woord hel Heiligdom, doch intusschen zweert Hij bij niemand anders dan bij zich zeiven; aangezien Hij, door den Tempel le noemen, dien Hij lot zijn' zetel had verordineerd, niet uilgaal uil zich zeiven, maar zich slechts schikt naar onze onwetendheid als Hij zweert bij zijne Heiligheid, die zichtbaar op de aarde wooiit. Wal nu betreft deze wijze van zweren, waarbij de zin onvolledig blijft, wij hebben elders gezien, dal dit alzoo bij de Hebreën gebruikelijk was. Hiermede wordl hun ook een wenk gegeven om den Naam Gods
300
Psalm 89 : 36â38.
mei bedachtzaamheid le gebruiken, len einde geen ooi deel over zich le halen door hem lichtzinnig ol' zonder eerbied op de lippen te nemen. Want die afgebroken zin, waardoor de gedachte nog niet terstond wordt kenbaar gemaakt, was als een teugel om hen terug le houden en te doen nadenken. Intusschen welen wij, dal het niets nieuws is., dat God hel eene of andere woord aan de gewone spreekwijze der menschen ontleent.
37. Zijn zaad zal eeuwig zijn. Thans volgt de belofte, dat hel recht van te regeeren eeuwiglijk aan de nakomelingen van David zal verblijven. Want Hij voegt deze twee dingen te zamen: het geslacht en de troon, door welke woorden eene eeuwigdurende regeering is beloofd onder voorwaarde dat zij nooit in handen van vreemden, of van een ander geslacht komen zal. Alsgeluigen hiervoor worden de Zon en de Maan opgeroepen, omdat zij, hoewel aan verderfelijkheid onderworpen, toch meer vasligheid en duurzaamheid bezitten dan de aarde of de lucht, aanzien wij de elementen aan voortdurende verandering onderhevig zien. Omdat dus de wereld voortdurend bewogen zijnde, ook schier onophoudelijk verandert, stelt Hij ons iets voor dat vaster is, namelijk Zon en Maan, opdat de regeering van David beschouwd worde als te zijn volgens de gewone orde der natuur. Daar nu echter ten tijde van Rehabeam de troon grootelijks wankelde, gelijk wij een weinig le voren gezien hebben, en daarna gansch omver geworpen werd, volgt hieruit dat deze Profetie niet lol den persoon van David beperkt kan worden. Want, hoewel ten laatste de uitwendige majesteit van dit koninkrijk te niet was gegaan, zonder hoop van ooit wederom hersteld le worden, heeft toch de Zon niet opgehouden te schijnen bij dag, noch de Maan bij nacht. Daarom zou het, totdat men aan Christus komt, kunnen schijnen, dal God niet waar is in zijne beloften. Maar hel rijsje, hetwelk is voortgekomen uil den afgehouwen tronk van Isaï, heeft getoond, dat deze beloften volkomen gehouden zijn.
39. Maar Gij hebt een' afschuw van hem gehad en hebt hem verworpen; Gij zijt in toorn ontstoken geweest tegen uwen gezalfde. 40. Gij hebt het verbond nws knechts doen ophouden; Gij hebt zijne kroon ontheiligd tegen de aarde. 41. Gij hebt al zijne muren verbroken; Gij hebt zijne vestingen in puin verkeerd. 42, Allen,
301
Psalm 89 : 39.
die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; hij is zijnen naburen ten smaad geweest. 43. Gij hebt de rechterhand zijner tegenstanders verhoogd, Gij hebt al zijne vijanden verblijd. 44. Gij hebt ook de punt van zijn zwaard stomp gemaakt, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd. 45. Gij hebt zijn' glans uit-gewischt en zijn' troon ter aarde geworpen. 46. Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem bedekt met schaamte. Selah.
39. Maar Gij heht een afschuw van hem gehad. Uier klaagt de Profeet dal het koninkrijk gevallen zijnde, de belolle niet waar schijnt te zijn. Niet dat hij God van onwaarheid beschuldigt; hij spreekt slechts aldus om in de tegenwoordigheid Gods zijn hart te ontlasten van de zorgen en kwellingen, die hem overstelpen, gelijk Hij ons ook veroorlooft om aldus gemeenzaam met Hem om te gaan. Want, hoewel wij onze gebeden moeten onderwerpen aan zijn' wil, zal hij toch niet de perken te builen gaan, die in allen ootmoed klaagt, dat hij de teekenen van Gods genade en gunst niet meer bespeurt; mits hij slechts niet tot wanhoop vervalt, of tegen God in opstand is; gelijk wij zien, dal de Profeel daarna een getuigenis van kalme gehoorzaamheid geeft, waarin hij zijne klachten verbetert, of ten minste matigt. Daarom was de Rabbijn, wie hij ook moge geweest zijn, die zeide dat het niet goed was om dezen Psalm te lezen, dooreene dwaze en booze strengheid gedreven om te veroordeelen heigeen God in zijne kinderen verdraagt. Want deze vrijheid om te klagen, die de Profeet gebruikt, heeft geen ander doel dan weerstand te bieden aan alle wantrouwen en ongeduld, door zijn hart voor God uit te storten. Overigens, indien iemand deze woorden: Oij hebt een afschuw van hem gehad en heht hem verworpen wil toetsen aan de regels der Grieksche of Lalijnsche taal, dan zal hij zich onbekwaam toonen, want hel woord dal van het meeste gewicht is, is het eerst gebruikt, en daarna een ander dat van minder aanbelang is. Omdat de llebreën echter deze opklimming niet in acht nemen, is er niets ongerijmds in de volgorde door den Profeet gebruikt, liet derde woord bevat de reden van deze verandering, want de Profeet geeft te kennen, dat de Koning verworpen was omdat God in toorn tegen hem was ontstoken. Sommigen zijn van gevoelen
302
Psalm S9 ; 39 en 40.
303
dal hier de spollernijen opgenoemd worden der vijanden; maar dit is om de moeielijkheid Ie ontwijken, welke uil deze klachten voortvloeit, welke (gelijk wij gezegd hebben) dien Rabbijn zoo geërgerd hebben, dat hij er den Psalm om heeft verworpen. Maar wij moeten opmerken, dat de Profeet spreekt naar het gewone gevoel en begrip der menschen, hoewel hij er voor zich volkomen zeker van was, dat de Koning, eens door God verkoren zijnde, niet door Hem verworpen kon worden. In dien zelfden zin moet ook genomen worden hetgeen volgt van hel. verbreken des verbonds. Want hel is geenszins des Profeten bedoeling God van lichtzinnigheid of onstandvastigheid te beschuldigen; hij klaagt slechts dat de kostelijke beloften, waarvan gesproken werd, schijnbaar te niet sedaan zijn. Want voorzeker, telkenmale als de geloovigen vragen: Hoe lang zult Gij slapen? of wel: Hoe lang zult Gij ons vergeten? (Ps. 44:24; 13: lt;2) schrijven zij aan God geen' slaap toe, of geen vergeten; zij leggen Hem slechts de verzoekingen bloot, die vleesch en bloed hun inblazen, opdat hel Gode moge behagen hen te ondersteunen in de zwakheid, waardoor zij gekweld worden. En zoo is hel dan niet te verwonderen dal de Profeet onder den druk eener schrikkelijke verbijstering menschelijke zwakheid in zich gevoeld heeft, tot dal hij zelfs zoo ver ging van te zeggen, dat men niets zag gebeuren van hetgeen God had beloofd. Want voorzeker, hij was niet zooals men zegt van ijzer of staal, zoodal, toen hij zag, dat de zaken gansch anders gingen dan hel Woord Gods had beloofd, hij door zoo droevig een schouwspel niet bewogen zou zijn. Maar zich vrijmoedig lol God begevende zoekt hij bij Hem hulp. ten einde niet door droefheid te worden verzwolgen, hetgeen voorzeker gebeurd zou zijn, indien hij zijn leed verkropt had zonder troost of verlichting te zoeken. Hetgeen hij er onmiddelijk bijvoegt, dal De kroon ter aarde was geworpen, (1. Sam. 28 :17), schijnt niet te passen bij den lijd van Rehabeam, ten zij wellicht de scheuring des koninkrijks als een ter aarde werpen der kroon mocht worden aangeduid. Maar wat betreft de dingen, die nu volgen, tenzij men hier eene hyperbolische, dal is eene overdrevene voorstelling der zaken, wil aannemen, moeten zij betrekking hebben op eene veel grootere lamp, dan die welke in dezen lijd hel volk had getroffen. Indien dit zoo is, dan kan de auteur van den Psalm niet de Ethan zijn, een der vier wijzen, van wie in de gewijde geschiedenis melding wordt gemaakt (1 Kon 4:31). Wijl dit dus eene twijlelachtige zaak is, laat ik aan ieder de keus om de gissing aan Ie nemen, die hem het besle dunkt.
Psalm 89 : 41â46.
41. Oy hebt al zijne muren verbroken. Hoewel hel gemakkelijk zou zijn eene andere oorzaak le vinden voor hel verbreken en verwoeslen der vestingen, spreekt de Profeet toch met Godvruchtige getrouwheid als hij erkent, dat God de Werker is van deze dingen. Want hij houdt vast aan hel beginsel, dal de menschen dit koninkrijk, door God opgericht, niet naar hun'zin en lust omver hadden kunnen werpen, indien Hij niet in toorn legen hetzelve was ontstoken. Daarna klaagt hij in beeldspraak, dal het koninkrijk aan de voorbijgangers ten prooi was, evenals wanneer de muren van een' akker of van een' tuin gebroken zijn, deze aldus overgelaten is aan hen, die hem willen berooven. Om de zaak. die reeds zeer droevig was, een nog Ireuriger aanzien le geven, voegt hij er bij, dat hy zijnen naburen ten smaad is geweest. Want er is niet aan le twijfelen, dal de wereldlingen, ziende dat alles ging zooals zij hel gewenschl hebben, gespot en gesmaald hebben, zeggende: Is dit nu de van God verkoren Koning, voortreffelijker dan de Engelen, wiens troon in stand moest blijven zoo lang de Zon en de Maan aan den hemel zijn? En daar nu deze beleedigingen en lasteringen eigenlijk legen God gericht waren, klaagt de Profeet le recht over den smaad, die over den Messias wordt uitgestort, wiens grootheid en waardigheid door de hemelsche zalving bevestigd waren Hij voegt er bij, dat God partij heeft gekozen voor de vijanden; en dit zegt hij, omdat hij zeer goed begrijpt, dat de vijanden niet de sterksten geweest ïouden zijn, indien God het niet gewild had, die de eenen kloekmoedig en de anderen flauwhartig maakt. Kortom, de rampen, die hen getroffen hebben, acht hij als even zoovele leekenen dat God van hen geweken is; want, zoo Hij hun gunstig ware geweest, dan zou de gansche wereld niet in staat zijn geweest om dit koninkrijk te doen wankelen. Want, als hij gezegd had dal de vijanden de overwinning hebben behaald, dan zou dit wel waar zijn geweest; maar dan zou dit woord niet zoo juist en zoo duidelijk de macht van God in het licht hebben gesteld, daar hel den schijn zou gehad hebben, dat de menschen, zich stellende legen God, door hunne eigene kracht zijne hoede en bescherming hadden le niet gedaan Nu overweegt de Profeet integendeel bij zich zeiven, dal, indien God niet in toorn ware ontstoken, het niet mogelijk ware geweest, om het koninkrijk, dal hij had opgericht, aldus ten onder te brengen.
46. Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort. Sommigen willen dien zin aldus verklaren: Heere, Gij hebt onzen Koning verzwakt, zoodat hij reeds in den bloei der jeugd verwelkt is, en
304
Psalm 89 : 46 en 47.
vóórdal hij nog den mannelijken leeftijd had bereikt, reeds verzwakt was door ouderdom. Hoewel deze uillegjiing niet onwaarschijnlijk is, moet men toch, len einde een helder begrip te hebben van de bedoeling des Profeten, opmerken, dat hij niet spreekt van één enkel man, maar dal hij den slaat des koninkrijks vergelijkt bij hel menschelijk leven. De klacht komt dus hierop neer, dal God gemaakt heeft dat dil koninkrijk verouderd en ten laatste ineengestort is, vóórdat het nog lol volkomenheid was geraakl, evenals wanneer een jongeling nog groeit en toeneemt in kracht, en de dood komt om hem vóór den tijd weg le rukken. En dil beeld is zeer juist; want, als wij zien op de belofte, dan had dil koninkrijk nog zijn' bloeitijd niet voleindigd, toen het lijdens zijne eerste uitbreidingen plotseling door een zóó groot bederf werd aangetast, om len slotte gansch en al in het niet le verzinken. Nu moet men in gedachte houden wat wij gezegd hebben, dat wanneer de Profeet klaagt, dal de uitkomst niet beantwoordt aan de beloften Gods, hij daarom God toch volstrekt niel wil beschuldigen van leugen, maar deze tegenstrijdigheid aanvoert met een ander doel, nl. om vrijmoedigheid en verzekerdheid te hebben tol bidden door zich Gods belolten voor oogen te stellen, en, er op pleitende bij God, was hij er wél van verzekerd, dat hel onmogelijk was, dat God zich niel waar en getrouw zou beloonen. Want er zijn velen, die omdat zij geenerlei nul of voordeel verwachten van hel gebed lot God, hun leed maar verkroppen, terwijl de geloovigen daarentegen, hoe vrijmoediger en gemeenzamer zij God zijne beloften voorhouden, hoe levendiger zij hun mistrouwen bestrijden en zich bemoedigen om te hopen.
47. Hoe lang, o Jehovah, zult Gij steeds verborgen zijn, zal uwe grimmigheid branden als een vuur? 48. Gedenk van hoedanigen tijd ik ben; waarom zoudt Gij alle menschenkinderen te vergeefs geschapen hebben ? 49. Wie is de man, die zal leven en den dood niet zal zien, en zyne ziel zal bevrijden uit de macht des grafs ? Selah.
47. Hoe lang, o Jehovah. Na zijne klachten le hebben uil-gestort over de groote en schrikkelijke ramp der Kerk, wendt hij zich thans lot het gebed. Hieruit blijkt, dat de woorden
Dl. II. 20
305
Psalm 89 ; 47 en 48.
306
van klacht, die hij tot nu toe heeft uitgesproken, hoewel voortkomende uit een vleeschelijk gevoel, toch vermengd waren met geloof. Want, al is het ook, dat de ongeloovigen zich soms met veel uiterlijk vertoon tot bidden begeven, zoo vragen zij toch niet dan geveinsdelijk. Maar als de Profeet zijne gebeden voegt bij zijne klachten, dan getuigt hij hiermede dat hij de zekerheid, de gewisheid van Gods beloften nooit heeft verloren. Aangaande deze wijze van spreken: Hoe lang, eeuwiglijk, daarvan is elders (Ps. 79:5) reeds gesproken, te weten, dat zij op eene langdurige en onafgebrokene reeks van rampen duidt. En voorts. door te vragen: Hoe lang God verborgen zal blijven, geeft hij stilzwijgend te verstaan, dat zoodra het Hem behagen zal hen aan te zien in genade, alles wèl zal wezen. In het andere lid van het vers verhaalt hij opnieuw waarom God zijn vriendelijk aanschijn niet doet lichten over zijn uitverkoren volk, te weten, omdat Hij verbolgen op hen is. Hieruit volgt dat alle rampen voortkomen uit onze zonden, aangezien hel de geesels zijn van God, die in toorn tegen ons is ontstoken. Na dus erkend en beleden te hebben dat de Kerk door hare eigene schuld zoo schrikkelijk geteisterd is, voert hij, teneinde God des te eerder tot medelijden te bewegen, de kortheid aan van het menschelijk leven; en dat, zoo wij daarin niet iets van de goedheid Gods te smaken zouden krijgen, het zou schijnen, alsof wij voor niets geschapen zijn. Daarom zal het tot recht begrip van den zin beter wezen hem met dit lid te doen aanvangen: Waarom zoudt Gij de menschenkinderen te vergeefs geschapen hebben? Want de geloovigen ontleenen aan eene ware bron dit beginsel, dal God de menschen geschapen en in de wereld gesteld heeft ten einde zich Vader jegens hen te betoonen. En inderdaad, daar zijne goedheid en milddadigheid zich uitstrekt over ezels en paarden, en andere redelooze dieren, zou hel al te ongerijmd wezen, dat wij, die boven alle dieren gesteld zijn, er van verstoken zouden wezen. Anders zou het ons veel beter zijn nooit te zijn geboren, dan aldus in voortdurend leed weg te kwijnen. Hier voegt hij nog bij de kortheid van onzen levensloop, zoodat, indien God zich niet haast en reeds vroegtijdig begint met ons zijne weldaden te doen smaken, er geene gelegenheid meer voor zijn zal, aangezien ons leven als een ademtocht voorbijgaat. Nu verslaan wij wat de Profeet in dit vers zeggen wil In de eerste plaats overweegt hij dat de menschen geschapen zijn om de goedheid en milddadigheid Gods in deze wereld te ondervinden. Hieruit besluit hij, dat zij te vergeefs geboren worden, indien God zich niet als Vader jegens hen betoont En omdat de loop
Psalm 89 : 48â49.
307
van dil leven kort is, zegt hij, dat zoo God zich niet haast om hun wèl te doen, daar geen tijd meer voor zijn zal, als hun leven ten einde is. Maar ten eerste schijnt het eene al te groote vrijmoedigheid, als de geloovigen aldus aan God den tijd voorschrijven. En wederom, al zou God ons ook gedurende den ganschen loop onzes levens op aarde met voortdurende kwellingen of rampen bezoeken, dan zoir het toch eene verkeerde redeneering zijn om daaruit te hesluiten, dat wij dus te vergeefs zijn geschapen; want, er is een beter leven, dat ons wacht in den hemel, in de hope waarvan wij zijn aangenomen, en het is geen wonder zoo ons leven op aarde verborgen is. Ik antwoord dat God het veroorlooft, dat de heiligen de vrijmoedigheid gebruiken om aldus te spreken in hun gebed, alsof zij Hem aanspoorden om zich te haasten; en dat hierin geen kwaad is, mits zij zich binnen de perken houden van ootmoed en bescheidenheid, en de heftigheid hunner gewaarwordingen onderdrukkende, zich toch onderwerpen aan ailes wat Hem goeddunkt over hen te beschikken. Wat betreft het tweede punt, ziehier hoe dit te verstaan is: Al zou ook ons leven voorbijgaan in voortdurende kwelling en smart, zoo is het toch waar, dat wij eene vertroosting hebben, sterk genoeg om ons te ondersteunen in onze ellende, als wij onzen geest opheffen naar Boven. Maar van den eenen kant is het zeker, dat, aangezien onze groote zwakheid, niemand dit ooit doen zal, indien hij niet eerst de goedheid Gods in dit leven heeft gesmaakt. En van den anderen kant moei men ook opmerken, dat men de verzoekingen der geloovigen niet naar de regelen der volmaaktheid moet onderzoeken, omdat zij niet voortkomen uit kalme, vreedzame aandoeningen, maar van wege het onstuimige der hartstochten in hen altijd iets overdrevens zullen hebben. Wèl erken ik, dat zoo iemand de liefde Gods wilde afmeten naar den slaat van zaken in dit leven, hij zich bedriegen zou, want, dien de Heere liefheeft kastijdt Hij (Hebr. 12:6); maar omdat Hij nooit zóó streng is voor de zijnen, of Hij toont ons toch zijne genade in onze ervaring, blijft het waar, dat het leven onnut is aan de menschen, tenzij, dat zij er in gevoelen, dat God hun Vader is. Wat aangaat hel tweede lid van het vers, er is elders gezegd, dat onze gebeden niet altijd gelijk zijn, maar soms eene zeer groote en buitensporige droefheid ademen. En daarom is het geen wonder dat de geloovigen, als zij door zoo groote smart zijn aangegrepen, of door eene zoo buitensporige vreeze gevangen worden gehouden, zich door onachtzaamheid zoozeer vergissen, dal de overdenking van hel eeuwige leven hun voor een' tijd onl-
20*
Psalm 89 : 49 en 50,
gaal. Velen denken dat het iets zeer ongerijmds is, zoo de kinderen Gods niet bij iedere gedachte terstond tot den hemel opklimmen; alsof het niet dikwijls gebeurde, dal er zware dampen en nevelen zijn, die ons beletten om daar aandachtig onzen blik op gevestigd te houden. Want het zijn twee verschillende zaken, dat het geloof zijne levendigheid verliest, of wel geheel uitgewischt wordt. En inderdaad, al wie ervaring heeft van Gods oordeelen en van den strijd der verzoekingen, zal erkennen, dal hij het geestelijk leven niet zóó in gedachten houdt als wel te wenscben ware. Hoewel dit gezegde dus op een waar beginsel gegrond is, riekt het toch naar hel verkeerde der overmatigheid Hieruit blijkt, dal wij ook voor onze beste gebeden behoefte hebben aan vergeving, omdat, als God ons niet ondersteunt in onze zwakheid, ons altijd een onbedachtzaam woord zal ontvallen. In het volgende vers bevestigt hij hetgeen hij gezegd heelt betreffende de kortheid van hel menschelijk leven. Waar het op neerkomt is, dat zoo God zich niet vroegtijdig als Vader toont voor de menschen, er geen middel zal overblijven om hen zijne genade te doen ondervinden. En voorts: het woord Geber, dat wij vertaald hebben door Man, is afgeleid van een woord, dal Kracht beleekent, ten einde nog beter uit te drukken, dal niemand zoo bevoorrecht is, dal hij gevrijwaard zou zijn legen den dood.
50. Heere, waar zijn uwe vorige goedertierenheden? Gij hebt David gezworen in uwe waarheid. 51. Heere, gedenk der versmaadheden uwer dienstknechten; ik heb al de smaadheden der groote volken in mijn' boezem gedragen, 52. Waarmede uwe vijanden, o Jehovah, smaden, waarmede zij de voetstappen smaden van uwen Gezalfde. 53. Jehovah zij eeuwiglijk geloofd! Amen en Amen.
50. Heere, waar zijn uwe vorige goedertierenheden'? De Profeet vat wederom moed bij de herdenking aan de weldaden Gods, alsof hij aldus redeneerde: God blijft zich altijd gelijk, daarom kan de goedertierenheid, die Hij aan de vaderen heeft bewezen, geen einde nemen. Wel is waar, zou deze vergelijking de ge-loovigen kunnen ontmoedigen, als zij zich niet door God met
Psalm 89 : 50 en 51.
dezelfde teederheid behandeld zien als de vaderen, indien niet tegelijk ook de andere gedachte kwam, dat God nooit verandert en niet moede wordt van zijn goedertierenheid te bewijzen. Wal het tweede lid betreft, sommige uitleggers voegen het samen met het eerste, door het woord die in te lasschen. Waar zijn de goedertierenheden, die Gij hebt gezworen ? Hiermede vereenig ik mij gaarne, omdat de zin eenigermate gelijk blijft, al wordt dit betrekkelijk voornaamwoord niet ingelascht. Want God had door goede en onmiskenbare getuigenissen de waarheid aangetoond van de openbaring aan Samuël gedaan, en daarom pleiten de geloovigen bij God op zijne belofte evenals op de veelvuldige ervaringen er van. Nu zeggen zij In ivaarheid ten einde met des te meer zekerheid op zich toe te passen alles wat God voormaals in goedertierenheid voor de vaderen gedaan heelt. Want er is immer dezelfde reden: aangezien God, die zich immer gelijk blijft, gezworen heeft, dat Hij van eeuw tol eeuw hel nageslacht van David genadig zijn zal.
51. Heere, gedenk der versmaadheden. Wederom voeren zij eene zaak aan, die wél geschikt was om God tot medelijden Ie bewegen, nl. dal zij ter aanfluiting zijn bij de goddeloozen. Want hoe zwaarder en smarlelijker de verzoeking is, als de goddeloozen spotten met onze lijdzaamheid ten einde ons tol wanhoop te brengen, na ons eerst te hebben doen gelooven dal God niet waar is in hetgeen Hij belooft, hoe meer Hij nabij en bereid is om ons te helpen, opdat ons zwak en wankelmoedig hart niet bezwijke onder de verzoeking. Want de Profeet wil niet bloot zeggen dat de spotternijen en het smalen der vijanden hem onverdragelijk zijn, maar dat de onbeschaamde hoovaardij dezer ellendigen, die met hel geloof en de lijdzaamheid der geloovigen den spot drijven, door God ncdergeworpen moet worden, opdat zij, die in Hem gelooven, niet beschaamd worden. Dit drukt hij nog sterker uit in het tweede lid, zeggende dal hij allerlei smaad had te verduren van vele volken, of van groote volken, want het Hebreeuwsche woord rahim heeft beide deze beteekenissen. Overigens is het niet zonder reden, dal hij in hel algemeen van de dienstknechten Gods gesproken hebbende, daarna het meervoud in hel enkelvoud verandert, nl. opdal ieder geloovige in het bijzonder zich te meer opgewekt gevoele lol bidden. De uitdrukking In mijn hoezem is van grool gewicht, wanl hel is alsof hij zeide, dal de goddeloozen hunne spotternijen en smaadredenen niet in de verte uitstorten, maar ze (bij wijze van spreken) den kinderen Gods in het aangezicht spuwen,
309
Psalm 89 : 51 en 52.
zoodal dezen ze in de volle borsl moeien onlvangen en die laagheden geduldig moeien dragen. Nu maakl de verdorvenheid onzes lijds hel gebruik dezer leer zeer noodig voor ons, wanl de aarde is vol van snoode en Irolsche verachters van God, die niel ophouden den spol mei ons le drijven, en lerwijl Salan een zeer bekwaam meesier is om hen in deze redekunsl le onderwijzen, verschaffen de rampen der Kerk er hun immer de slol loe. Sommigen nemen hel woord Boezem voor de innerlijke aandoeningen des harten; maar dit schijnt mij toe al le gezocht te zijn.
52. Waarmede uwe vijanden, enz. Thans zegt hij niel dal de goddeloozen de kinderen Gods met hunne smaadwoorden kwellen, maar dat zij zelfs God niel sparen. Want dit is een veel sterker argument om gunst van God te verkrijgen, als wij bidden dat Hij zijne eigene zaak in handen zal nemen, niel slechts omdat Hij in den persoon zijner Kerk getroffen wordt, maar omdat alle spotternijen, die strekken om de eenvoudigheid van ons geloof le smaden, op Hem nederkomen, gelijk Hij zegt bij Jesaja (Hoofdsl. 37:22) Tegen vvien heeft de vijand hel hoofd geschud, o Jonkvrouwe, dochter van Sion? Die booze roover Rabsake dacht niet anders dan den spot le drijven met de arme Joden, die hij belegerd hield, en die, naar hij dacht, zich wel spoedig aan hem zouden overgeven. Maar God heeft dit opgenomen alsof deze lasteringen tegen Hem zeiven gericht waren. In dit opzicht noemt hij hen ook Vijanden Gods, nl. omdat zij als doodsvijanden de Kerk vervolgende, zich hiermede legen de majesteit Gods richten, onder wiens bescherming de Kerk zich bevindt. Wal betreft hel tweede lid: door de Voetstappen des Gezalfden bedoelt hij de komst van Christus, evenals bij Jesaja (Hoofdsl. 52 : 7) Hoe schoon zijn de voelen, die vrede verkondigen. Want, hoewel het llebreeuwsche woord soms de Hiel beteekenl, is hel toch hier, evenals dikwijls elders, genomen voor de zool of het onderste vlak van den voel. Anderen vertalen het door Het spoor, maar de zin blijil gelijk. Zooveel is zeker, dat hij door het woordfiguur Synecdoche, door de zool de voelen aanduidt, en voorts door de voeten, volgens hel woordfiguur, dal Metonymie, of naamverwisseling, genoemd wordt, bedoelt hij de komst van den Messias. Want de goddeloozen, ziende dal de Joden zich immer versterkten door de hoop op verlossing, en dat zij geduldig alle ellende verdroegen, omdat hun een Verlosser beloofd was, hebben hun geduld minachtend bespot, alsof hel niets was dan een verzinsel wal de Profeten van de komst van
310
Psalm 89 : 52 en 53.
311
Christus hebben getuigd. En ook thans, nu Hij reeds geopenbaard is aan de wereld, maar opgenomen zijnde in de heerlijkheid des hemels, waar Hij nog verwijlt, schijnt Hij verre van ons verwijderd te zijn en zijne Kerk te hebben verlaten, en daarom spotten deze vuile honden met onze hoop alsof zij niets dan eene ijdele inbeelding was.
53. Jehovah zij eeuwiglijk geloofd. Ik sla er over verbaasd dat sommige uitleggers zich verbeelden dat dit vers door den een' of anderen schrijver, die het boek gekopieerd heeft, bijgevoegd is, zeggende dat dit vers niet overeenkomt met hel verband van den tekst. Alsof lof en dankzegging aan God niet even geschikt en voegzaam zijn aan het einde als aan hel begin. Ik Iwijfel dus niet, of de Profeet heeft, na vrijmoedig zijne klacht te hebben uitgestort over de rampen der Kerk, nu welbewust en voorbedachtelijk, ten einde zijn leed te verzachten, eene lol-zegging aan God uilgesproken. Wat betreft de uitdrukking Amen en Amen ik wil gaarne aannemen, dat zij hier geplaatst is ais slot van hel derde boek, gelijk dit ook bij de twee vorigen gezien is. Maar wie hij ook is, die dezen Psalm gedicht heeft, er is niet aan te twijfelen, ot hij heefl door deze woorden van juichende blijdschap het scherpe zijner smart willen verzachten te midden van zoo zware ramp en tegenspoed, ten einde blijder hope te koesleren op eindelijke uitredding.
90.
INHOUD: Mozes handelt in dezen Psalm over de kortheid en de ellende van het menschelijk leven, alsmede over de straffen, die aan het volk van Israël waren opgelegd. Om nu door eenige vertroosting de smart der geloovigen te verzachten en hunne vrees, waardoor zij aangegrepen waren op het gezicht van hetgeen, waaraan de menschen van nature onderworpen zijn, en bovenal van wege de zware beproeving, waaronder zij zeiven gebukt gingen, tot bedaren te brengen, begint hij met de bijzondere genade, die God bewezen heeft aan het volk, dat Hij had verkoren. Daarna verhaalt hij in korte woorden hoe ellendig de toestand der menschen
Psalm 90.
is, indien zij slechts voor de wereld leven, voornameHjk als God hen als misdadigers oproept om voor zijn' rechterstoel te verschijnen. Vervolgens, na de klacht te hebben geuit, dat ook de kinderen van Abraham voor een' tyd zoodanige strengheid hadden ondervonden, dat de smart hen schier had verteerd, bidt hij God, vertrouwende op de vrije gunst en genade, waardoor Hij hen had aangenomen, dat Hij zich goedertieren en milddadig zal betoonen jegens hen, gelijk Hij dit ook van ouds gedaan heeft, en dat Hij ten einde toe den loop zijner genade zal doen voortduren.
1. Een gebed van Mozes, den man Gods. Heere, Gij zijt ons eene toevlucht geweest van geslacht tot geslacht. 2. Vóórdat de bergen geschapen waren, en Gij de aarde en de wereld geformeerd hadt, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.
Men weel niel mei zekerheid of deze Psalm door Mozes gedicht weid, of dal een der Profeten dit lied len behoeve des volks vervaardigd heeft naar aanleiding van hel gebed, dal Mozes van mond lot mond heeft overgeleverd. Hoe dit zij, het is waarschijnlijk niel zonder reden, dal de Psalm aan Mozes werd toegeschreven, en daar reeds in zijn' lijd Psalmen in gebruik waren, twijfel ik voor mij niel, dal hij er de auteur van geweest is. Sommigen zeggen, dal de Psalm dit opschrift draagt, omdat hij door de opvolgers van Mozes werd gezongen, maar ik weel niel, waarom zij lol zoo onbeduidend een verzinsel de toevlucht nemen; ook worden zij door hetgeen er terstond op volgt, openlijk weerlegd. Wanl hel is niel zonder oorzaak, dal Mozes hier uitdrukkelijk de Man Gods wordt genoemd, hij wordt mei dezen eerenaam versierd, ten einde meer gezag bij le zeilen aan zijne leer. En indien hel geoorloofd is gissingen le wagen, dan zou men zeggen, dal het wel mogelijk is, dat hij dit gebed gedicteerd heeft, toen hij op hel punt was van le gaan sterven, ten einde de langdurige droefheid le verzachten, waaVonder hel volk schier wegkwijnde, en hun hart le vertroosten, dal door zoo vele rampen gedrukt was. Want hoewel God eene bewonderenswaardige goedheid had betoond door him le verlossen, zoodal hunne vorige ellende wel verzwolgen kon worden in de groole blijdschap dier uitredding, zoo welen wij loch, dal deze genade spoedig daarna door hunne
312
Psalm 90 : 1.
ondankbaarheid werd uilgewischl, zoodal zij gedurende een tijdsgewricht, van voile veertig jaren in de woestijn wegkwijnden. Mozes mocht dus wèi bidden, dal het God mocht behagen zijn volk met goedertierenheid en lankmoedigheid te behandelen naar hel getal der jaren, dat Hij hen gedrukt had.
1. Heere, Gij sijt ons een toevlucht geweest, enz. De kinderen Abrahams door een bijzonder voorrecht van geheel het overige menschdom scheidende, verheerlijkt hij de genade der aanneming waarmede God hen had verkoren. En hel doel dezer inleiding is, dal God de genade, die Hij voormaals aan de heilige aartsvaderen heeft bewezen, thans moge vernieuwen en haar zal blijven betoonen jegens hun nageslacht. Sommige uilleggers zijn van gevoelen, dal Mozes zinspeelt op den Tabernakel, omdat de majesteit Gods zich daar openbaarde, als ol' Hij zijne woonplaats had in hel midden zijns volks; maar het schijnt mij toe, dal dit hier niet te pas komt, veeleer omval hij geheel den lijd dat de Vaderen als vreemdelingen in hel land Kanaan hebben verkeerd. En voorts, dewijl de Tabernakel toen nog geene veertig jaren beslaan had, zou ook de lange duur, waarvan hier gesproken wordt, daar niel mede overeenkomen. Hij verhaalt dus niet wat of hoedanig de Heere zich beloond heeft jegens de Israëlieten sedert Hij hen verlost en bevrijd heeft, maar hoe de vaderen Hem ten allen tijde en van den beginne aan hebben bevonden. Daar dezen nu altijd zwervers zijn geweest, dewijl zij geene vaste woonplaats hadden, zegt hij zeer juist en gepast, dal God hun tol toevlucht en woning is geweest. Want hoewel de toestand van alle menschen geene vastigheid heelt op de aarde, weten wij toch, dat Abraham en zijne afstammelingen inzonderheid vreemdelingen en bijwoners zijn geweest, en in vergelijking met anderen als ballingen waren. Aangezien zij dus als reizigers waren in hel land van Kanaan totdat zij naar Egypte gingen, waar zij ook slechts als bij toelating van dag op dag hebben gewoond, waren zij wel genoodzaakt eene woning te zoeken onder de schaduw Gods, zonder welke zij nauwelijks onder de inwoners dezer wereld gerangschikt konden worden, aangezien zij overal vreemdelingen waren, en van de eene plaats naar de andere gevoerd werden. En daar de Heere hen op al hunne reizen ondersteund en beschermd had, ook toen zij onder vreemde en barbaarsche volkeren verkeerden, aan wier kwelling en onrecht zij waren bloolgesteld, verhoogt en prijst Mozes deze genade op zeer merkwaardige wijze, daar hij God eene woning of schuilplaats noemt voor zijne arme vluchtelingen, die le allen
313
Psalm 90 : 1 en 2.
stonde van plaats tot plaats gingen om eigens eene toevlucht te vinden. Hij laat de grootte dier genade nog m^er uitkomen door te spreken van den langen duur, omdat Hij gedurende een tijdsverloop van vier honderd jaren niel opgehouden heeft hen te ondersteunen en te helpen, zoodal zij immer onder zijne hoede en bescherming bleven.
â¢i. Vóórdat de iergen geschapen waren, enz. Aangezien Mozes van eene groote verborgenheid wil spreken, heeft het den schijn alsof hij gansch gewone dingen zegt, ja meestal op kinderachtige manier spreekt. Want, wie weet niet, dat God bestond, eer de wereld geschapen was? Wel is waar, iedereen belijdt dit, maar nauwelijks zal men er een op honderd vinden, die er vast van overtuigd is, dat God zich immer gelijk zal blijven. Nu wordt God hier vergeleken bij de schepselen, die (gelijk wij weten) aan voortdurende veranderingen zijn onderworpen, zoodat onder den hemel niets bestendig is, daar vooral hel menschelijk leven vol is van beroeringen. Opdat nu de menschen God niet zullen afmeten naar hun eigen wisselvalligen toestand, wordt Hij hier voorgesteld in een' staat van vastheid en rust. En zoo ziet de eeuwigheid, waarvan Mozes spreekt, niet alleen op het wezen Gods, maar ook op zijne voorzienigheid, waardoor Hij de wereld regeert. Want, hoewel Hij de wereld aan verschillende wisselingen onderwerpt, blijll Hij toch onveranderlijk en onbewogen, en dal niel slechts ten opzichte van zich zeiven, maar omdat ook de geloovigen ervaren, dat Hij niet veranderlijk is, maar standvastig blijft in macht, waarheid, gerechtigheid en goedheid gelijk Hij van den beginne af geweest is. Wel is waar kon deze eeuwige en onveranderlijke standvastigheid niet bemerkt worden vóór de schepping der wereld, aangezien er toen nog geene oogen waren om er getuigen van te zijn; maar men kan er over oordeelen uil hetgeen daarna gevolgd is, omdat, terwijl alle dingen aan allerlei veranderingen en afwisselingen onderhevig zijn, Hij immer zijn' aard blijft behouden. Er zou hier ook eene tegenstelling kunnen wezen lusschen Hem en alle de goden, die de Heidenen zich gemaakt hebben, en die door de dwaling en de dwaasheid der menschen langzamerhand lot eene groote menigte zijn aangegroeid. Maar ik heb reeds aangetoond wat de strekking is van hetgeen Mozes zeggen wil, nl. dat wij verkeerd doen, zoo wij God willen beoordeelen naar ons zeiven en naar ons versland of begrip, en dat wij, telkenmale als wij aan Hem denken, ons boven de aaide ja zelfs boven de hemelen moeten verheffen.
314
Psalm 90 : 3 en 4.
3. Gij zult den mensch verminderen totdat hij gansch verbrijzeld is, en zeggen: zonen Adams, keert weder. 4. Want duizend jaren zijn voor uwe oogen als de dag van gisteren, nadat hij voorbijgegaan is, en als eene nachtwake. 5. Gij hebt hen weggevoerd als door bergstroomen; zij zullen een slaap zijn; in den morgenstond zal hij groeien als het gras. 6. In den morgenstond zal het groeien en bloeien; des avonds zal het afgesneden worden en verdorren. 7. Want wij bezwijken onder uwen toorn, en wij vergaan onder uwe grimmigheid. 8. Gij hebt onze ongerechtigheden voor U gesteld, en onze verborgen zonden in het licht uws aanschijns.
3. Gy zult den mensch verminderen. Hij spreekt ten eersle van de broosheid des menschelijken levens, en beireurl de ellende er van, niet om God te beschuldigen dal Hij er niet beter in voorzien heeft, maar opdat Hij des te eerder tot medelijden zou worden bewogen, gelijk elders gezegd is, dat Hij den sterfelijken menschen genade schenkt, als Hij bedenkt waarvan zij gemaakt zijn, en dat zij niets dan stof en hooi zijn (Ps. 103:14). Nu vergelijkt hij den loop onzes levens bij een' ring of cirkel, omdat God ons plaatsende op de aarde, ons in eene enge ruimte doet omwentelen; en als wij aan het laatste punt zijn gekomen, trekt Hij ons in een oogwenk tot zich terug. Sommigen verklaren dit anders, te weten, dat God de menschen leidt lot aan hun' dood, en hen daarna in de opstanding wederom vernieuwt. Maar dit is al te gezocht en komt niet overeen met den tekst. Er is dus eene eenvoudige omschrijving van ons leven, te weten; dat het als eene soort van korte omwenteling is, waarbij wij onzen cirkel zeer snel doorloopen hebben, en waarvan hel laatste punt het einde onzer loopbaan is. En deze wetenschap toont beter welk eene genade God aan zijne dienstknechten heell bewezen, als Hij hen aanneemt tol zijn bijzonder volk, opdat Hij hen ten laatste in zijn eeuwig erfdeel zal ontvangen. En het is niet zonder reden, dat hij er bij wijze van tegenstelling bijvoegt dat Duizend jaren voor God zijn als de dag van gisteren. Want, hoewel wij er door de ondervinding van overtuigd zijn, dat de
315
Psalm 90 ; 4.
316
menschen, na dal zij hun' cirkelloop volbracht hebben terstond uil de wereld weggenomen worden, toch is de wetenschap dier broosheid niet in ons hart gegrift, omdat wij onze oogen niet opheffen boven deze wereld. Want, van waar komt deze zoo groote stompzinnigheid, dat de menschen, verknocht aan het tegenwoordige leven, over hunne zaken beschikken als of zij nog twee duizend jaren te leven hadden, indien het niet is omdat zij hunne zinnen op niets hoogers kunnen richten dan op hetgeen voor hunne oogen is? ledereen beeldt zich in, als hij zich bij anderen vergelijkt, dat hij wel lang zal leven. Kortom, de menschen zijn zoo stompzinnig, dat dertig jaren, ol minder nog, hun eene eeuwigheid toeschijnen; zij erkennen niet hoe kort hun leven is, terwijl hunne gedachten nog gansch en al met deze wereld vervuld zijn. Daarom is het, dat Mozes ons wakker schudt door onzen geest op te heffen tol aan de hemel-sche eeuwigheid Gods, zonder welke wij niet bespeuren hoe ras ons leven ten einde spoedt. Want die inbeelding van lang te zullen leven gelijkt op een' slaap, waarin wij als verstijfd en verdoofd zijn, totdat de overdenking van het hemelsche leven het dwaze begrip doet verdwijnen, dat wij ons van den slaat dezer wereld hebben gevormd. Omdat nu de menschen zoo verblind zijn, steil hij hun God voor oogen als Rechter; alsof hij zeide: Heere, indien de menschen zich een denkbeeld wilden vormen van deze eeuwigheid, van waar Gij deze snelle omwentelingen der wereld gadeslaat, dan zouden zij geene zoo groote waarde hechten aan hel tegenwoordige leven; maar omdat zij niet bedenken, waar de wezenlijk lange duur is, maar veeleer hunne oogen moedwillig afwenden van den hemel, zijn zij zoo stompzinnig, dal zij één' dag als honderd jaren achten. En dal Mozes zich in zijn spreken lol God zeiven richt, geeft aan zijn woord groolen klem en nadruk, daar er in ligt opgesloten dat hunne dwaasheid hem ergerde en weerzin inboezemde, alsof hij zeide, dat het vergeefsche moeite was tot dooven te spreken, die niet willen begrijpen, dal zij broos en sterfelijk zijn, hoewel de ervaring het hun moest leeren, daar zij er dagelijks de voorbeelden van voor hunne oogen zien. Petrus haalt dezen volzin aan in eenigszins verschillende beleekenis (2 Petrus 3 : 8) ofschoon hij den tekst daarom toch niet misbruikt, omdat hij hetgeen hij betoogen wil zeer juist en gepast uit het getuigenis van Mozes afleidt. Mozes wil de menschen opheffen ten hemel door hun hunne dwaze en ongerijmde inbeeldingen te onlnemen. En wat nu wil Petrus zeggen? Omdat velen de hope der opstanding ontkennen, daar zij het wachten moede zijn, als Christus zich
Psalm 90 : 4 en 5.
niet zoo veel haast om te komen als zij wel zouden wenschen, bestraft hij dit ongeduld en geelt er een uitnemend middel tegen aan de hand. Hij ziet hoe de rnenschen vervloeien en wegvallen van Gods beloften, omdat het hun toeschijnt dat God al te lang toefl. Van waar is dit, indien niet daarvan, dal zij kruipen op de aarde? Hij past dus zeer terecht deze uitspraak van Mozes toe als een middel om dit kwaad legen te gaan. Want gelijk de ongeloovigen zich aan allerlei schijngenot overgeven, omdat zij al le zeer gehecht zijnde aan deze wereld, de hemelsche eeuwigheid niet proeven en smaken, zoo komt ook dit ongeduld uit dezelfde bron voort. Hieruit leeren wij wat het rechte gebruik dezer leer is. Want, wat is er de oorzaak van, dat wij zóó groote zorge hebben voor dit leven, dat niets ons tevreden kan stellen, en wij ons zeiven kwellen? Is het niet omdat wij ons dwaselijk inbeelden, dat wij ons een eeuwig durend nestje kunnen maken in deze wereld? Van waar ook die gemelijkheid en dal ongeduld, zoodat wij den moed verliezen terwijl wij op de komst van Christus wachten? Is het niet omdat onze ziel kleeft aan het stof? Laat ons dan leeren niel te oordeelen naar het gevoel van het vleesch, maar afhankelijk te zijn van het oordeel Gods. Daarom moeten wij ons door het geloof verheffen tot aan zijn' hemelschen troon, van waar Hij verklaart dal het aardsche leven niets is. En voorts: Mozes beperkt deze duizend jaren niet slechts tot een' dag, maar tot den dag van gisteren, die reeds voorbij is; want alles wat nog voor onze oogen is, heeft nog eene zekere macht over ons, maar de herinnering aan hetgeen reeds voorbij is, treft ons veel minder. Wat betreft het woord Nachtwake, wij weten, dat de ouden gewoon waren den nacht te verdeden in vier nachtwaken, elk van drie uren. Nu wordt dit beeld er bijgevoegd om de zaak nog meer te verkleinen, nl. dal voor God duizend jaren in niets verschillen van drie uren van den nacht, waarin de menschen nauwelijks welen of zij slapen of waken.
5. Gy hebt hen weggevoerd als door bergstroomen. Hij bevestigt wat hij te voren gezegd heeft, dat de menschen, terwijl zij omtrekken door deze wereld, als een' cirkel vormen, die slechts een oogenblik duurt. Want ik beperk dit woord Wegvoeren niel tot de zwaarste rampen, maar ik acht, dat de dood eenvoudig vergeleken wordt bij eene overstrooming, omdat, als wij, hoe kort ook, in deze wereld verwijld hebben, terstond nederdalen in het graf, en door de aarde worden bedekt. Aldus wordt de dood, die aan allen gemeen is, zeer gepast eene Overstrooming genoemd.
317
Psalm 90 : 5â7.
Want, terwijl wij hier beneden ademen, overstroomt ons de Heere niet minder dan lien, die omkomen op zee, en door de golven worden verzwolgen na schipbreuk te hebben geleden, zoodat men den dood zeer gepast eene onzichtbare overstrooming kan noemen. Alzoo ziet men klaarlijk, zegt Mozes, dat de men-schen niets zijn dan een slaap, die zich diets maken, dat zij in hun' nietigen loop, eene gansch verwonderlijke kracht hebben. De vergelijking met Gras, die er bijgevoegd is, strekt om aan te toonen, dat de menschen des morgens uitgaan, zoo als men het gras ziet uitspruiten; dat zij groenen, of eene korte wijle bestaan, totdat zij afgesneden worden en verdorren Omdat de werkwoorden in hel enkelvoud slaan, acht ik dal men ze hel best samenvoegt mei hel woord Gras; maar zij kunnen ook zeer goed betrokken worden op iederen afzonderlijken mensch. Evenwel , men kan dit doen zooals men wil, omdat de zaak loch op hetzelfde neerkomt wal den inhoud of' de beleekenis betreft. Deze leer vereischl eene vlijtige overdenking, omdat, hoewel wij allen belijden, dat niets zoo broos en bouwvallig is als ons leven, een iegelijk van ons loch als door waanzin vervoerd, zich eene onsterfelijkheid op aarde voorspiegelt Want, wie gedenkt dat hij sterfelijk is, weerhoudt zich van zich mei velerlei bezig te houden, omdat hij zich haast tot zijn doel. Maar daar wij geen einde maken aan onze zorgen en bekommernissen, moeien wij ons voortdurend aansporen om ons geene duizend levens voor te stellen van de schaduw van een leven, die voorbijgaal
7. Want wy hvzwylctn onder uwen toorn. Mozes heeft zeer gepast melding gemaakt van Gods toorn; omdat, zoo de menschen daar niet genoegzaam van doordrongen zijn, zij nooit behoorlijk zullen overwegen wat de ervaring hen dwingt le erkennen, nl. hoe snel hun loop volbracht is en zij zeiven verwelken. Evenwel, Mozes had nog eene andere reden om deze twee zaken saam te voegen, nl. dat de menschen van nature reeds zeer broos zijn, schier niets dan eene schaduw, maar dal het volk van Israël nog daarenboven nedergeworpen was door de hand van God, die in tegenheid met hen wandelde. Want de toorn Gods is minder draaglijk in onze broosheid, dan wanneer wij eenige zij het ook middelmatige â kracht hadden. Overigens: om aan te toonen dat hij door deze klage niet bedoelt legen God le murmureeren, zegt hij, dat de toorn Gods rechtvaardig is, hoe schrikkelijk hij ook wezen moge, omdal hel volk Hem door hunne ongerechtigheid had getergd. Want zij, die zich ondei de slaande hand Gods niet verootmoedigen, zullen zich hoe
Psalm 90 : 7 en 9.
langs zoo meer verharden. Daarom is hel ware middel om zich de zaak ten nulle te maken en tegelijk ook om onzen hoogmoed neder te werpen, te gevoelen dat God een rechtvaardig Rechter is. Nadat Mozes dus met korte woorden geleerd had, dat de menschen van nature reeds verdwijnen als rook, leidt hij hieruit al, dat het dan ook niet te verwonderen is, dat God hen, die Hij achtervolgt met zijn' toorn, verdoet en verteert. Nu moet men letten op de wijze van spreken, dat, wanneer God de teekenen doet zien van zijn' toorn. Hij zich de ongerechtigheid der menschen voor oogen stelt; want hieruit volgt dat elke verlichting ol' verzachting, die ons te beurt valt, met volle recht aan hel geduld en de verdraagzaamheid moet worden toegeschreven van God, die onze zonden begraaft ten einde ons te sparen. Hel Hebreeuwsche woord aloemenoe, in hel tweede lid van heivers, dal ik overgezet heb door Onze verhorgene zonden, vertalen sommigen door Ome jeugdigheden; alsof Mozes gezegd had, dat de verkeerdheden, die in de jeugd bedreven zijn, in gedachtenis worden gebracht, hetgeen al te gewrongen is; want aldus zou er geene tegenstelling zijn lusschen De verborgen zonden, en Hel licht van Gods aangezicht, waardoor Mozes te kennen geeft, dal de menschen zich verbergen in de duisternis, en zich mei zeer veel bedriegerijen omgeven, terwijl God hel licht zijns oordeels niet laat schijnen; maar zoodra God de zonden voor zijne oogen steil, die zij door hunne geveinsdheid hebben verborgen, en als Hij hun de voorwendsels ontneemt, waarachter zij zich verschuilen, en waardoor zij denken le kunnen ontkomen, dan â ten onder gebracht door vreeze en verschrikking â zullen zij zich in waarheid en welbewust verootmoedigen.
9. Want al onze dagen zijn voorbijgegaan in uwe verbolgenheid; wij hebben onze jaren doorgebracht als eene gedachte. 10. In de dagen onzer jaren zyn zeventig jaren; en, zoo wij krachtig zijn, tachtig jaren; de roem daarvan is niets dan moeite en verdriet, omdat ons leven terstond voorbijgaat en wij heenvliegen.
9. Al onze dagen. Ofschoon hel wel zou kunnen wezen, dat dit eene algemeene bevestiging is van den voorafgaanden zin, nl. dal geheel de loop van hel menschelijk leven plotseling
319
Psalm 90 ; 9 en 10,
verleerd wordt, zoodra God zich vertoornd betoont jegens ons, zoo geloof ik toch veeleer, dat Mozes hier uitbreidt en versterkt hetgeen hij boven van den toorn Gods gezegd heelt en van zijne strengheid in het straffen der zonde. Want hij zegt, dat de verschrikking, die God over zijn volk heeft doen komen, niet slechts voor een' tijd geweest is, maar dat zij zonder tusschen-poos heelt voortgeduurd tot aan den dood. Hij klaagt dus dat de Joden schier gansch dor en krachteloos zijn geworden door het langdurige aanhouden hunner ellende, omdat Gods toorn nist gestild was, en Hij dus hun leed niet verzacht heelt. Daarom is hel niet te verwonderen als hij zegt, dat de jaren voorbij zijn gegaan als eene gedachte, wanneer de toorn Gods gedurende zóó langen tijd op hen heeft gedrukt.
10. In de dagen onzer jaren, enz. Hij keert wederom terug lot de algemeene leerstelling, dat de toestand der menschen broos is, ook wanneer God zijn' loorn niet openlijk toont om hen te verschrikken. Hoe lang, zegt hij, duurt het leven? Als wij onze jaren tellen, kunnen wij ten laatste tot het zeventigste reiken; of, zoo er krachtiger en sterker zijn, dan brengen zij ze lol aan lachlig jaren. Nu spreekt hij van de dagen der jaren, omdat, wanneer de lijd in kleine aldeeling'en verdeeld is, dan zal het getal ons bedriegen, zoodal wij vertrouwen lang te zullen leven. Deze ijdele begoochelingen dus willende neerslaan, vergunt hij den menschen om vele duizenden van dagen in een klein getal jaren saam te vallen, maar dan zegt hij tegelijk dal deze groole hoop weldra tol niets wordt. Laten de menschen dan den lijd huns levens zooveel zij willen vergroolen en uitbreiden door de bedenking dat elk jaar drie honderd vijf en zestig dagen bevat, toch zal de termijn van zeventig jaren kort blijken te zijn, en zoo is dit dan toch het getal waarop hunne lange berekening ten slotte neerkomt. En hij, die tachtig jaren heeft bereikt, wacht slechts op de ure, dal hij ten grave zal dalen. Het is waar, Mozes zelf heefl langer geleefd, en misschien ook nog wel anderen uil zijn' lijd. Maar hij spreekt van hetgeen gemeenlijk plaats heeft. Nu werden zij, die toenmaals den leeftijd van lachlig jaren bereikt hadden, voor grijsaards gehouden, die aan den rand des grafs waren genaderd; zoodat het niet zonder reden is, als hij zegt, dat hel niet dan de zeer sterken xijn, die lol zoo hoogen ouderdom komen. Door den roem verslaat hij de kracht, of voortreffelijkheid, waarop de menschen bogen. Nu is de zin hiervan: vóór dat de menschen nog afnemen en oud worden, zelfs in den bloei hunner jaren zijn zij reeds omringd van allerlei
320
Psalm 90 : 10 en 11.
321
kwelling; zij kunnen de zorgen niel vermijden; noch de smart, de krankheden, de ongemakken van allerlei aard, de angsten en benauwdheden waaraan ons sterfelijk leven onderworpen is. Dit heeft betrekking op geheel den loop van het leven. En inderdaad, als iemand bedenkt wat de toestand is van ons leven, van onze kindsheid totdat wij ten grave dalen, dan zal hij in ieder deel er van moeite zien en verdriet; want als de twee llebreeuw-sche woorden amal en awen saamgenomen worden, dan hebben zij de beteekenis van ongemakken en beproevingen; alsof Mozes gezegd had, dat het leven des menschen vol is van moeite en van allerlei kwelling, zelfs in den tijd wanneer zijszich beroemen en verhoovaardigen op hunne kracht en sierlijkheid. De reden, die hij er bij voegt, schijnt niet zeer goed te sluiten op hetgeen voorafgaat, als hij zegt, dat: Ons leven terstond voorbijgaat en wij henen vliegen-, want het zou wel kunnen wezen, dat het geluk hort, maar daarom toch niet minder geluk is. Doch Mozes bedoelt dat de menschen zich dwaselijk beroemen op hunne voortreffelijkheid, omdat zij â of zij hel willen of niet â genoodzaakt zijn op de toekomst te zien. Zoodra zij nu de oogen geopend hebben, zien zij dat zij haastelijk weggerukt worden naar den dood, en dat met ieder oogenblik hunne voortreffelijkheid verdwijnt.
11. Wie kent de sterkte uws toorns ? En uw toorn is naar uwe vreeze. 12. Leer ons alzoo onze dagen tellen, en wij zullen ons hart tot wijsheid leiden 13. Keer weder, o Jehovah, tot hoe lange? Wees verzoend met uwe dienstknechten.
11. Wie kent de sterkte uws toorns. Hij gaat weder terug lot de bijzondere beproeving des volks. Want bij dezelfde gelegenheid had hij te voren geklaagd over de algemeene broosheid en ellende van het menschelijk geslacht. Nu roept hij terecht, lt;lat de kracht van den toorn Gods onberekenbaar is; want, terwijl Hij zijne hand terugtrekt, dartelen de menschen op buitensporige wijze, evenals weggeloopen slaven, die de tegenwoordigheid huns meesters niet meer vreezen; en hunne weerstrevende natuur kan niet anders lot gehoorzaamheid gebracht worden dan door dat God hun eens een levendig besef geeft van zijn oordeel, zoodal zij verschrikt worden. De zin is dus, dat de menschen barsten Dl, U. 21
Psalm 90 : 11.
322
van hoogmoed, en zich onstuimig voorwaarts spoeden zoo lang God zich verbergt en zijn misnoegen niet loont, maar als zij genoodzaakt worden te gevoelen hoe ontzettend zijn toorn is, dan vergeten zij hunne hoogheid en worden tot niets. Hetgeen hier onmiddelijk op volgt: Uw toorn is naar uwe vreeze wordt gewoonlijk aldus verklaard: Hoe meer iemand God vreest, des te strenger zal hij worden behandeld, want: Het oordeel begint van hel huis Gods (1 Petrus 4 :17); en terwijl Hij de verworpenen in hunne weelde en overdaad laat blijven, bezoekt Hij zijne uitverkorenen met wederwaardigheden van allerlei aard; kortom: Hij kastijdt degenen, die Hij liefheeft. Het is duseene leerstelling die waar en nultig is, dat God hen, die Hem dienen, strenger behandelt dan Hij de verworpenen behandelt. Ik geloof echter dal Mozes hier iets anders heeft willen zeggen, nl. dal het alleen de oprechte vreeze Gods is, die ons wezenlijk ongeveinsd en ernstig zijn' toorn doet gevoelen. Want wij zien hoe de vei-worpenen, als zij streng door God gekastijd worden, óf hun leed verkroppen, óf wel in opstand komen tegen God, óf ook gansch verbaasd en verstomd blijven, alsof zij tegen alle rampen in verhard waren, zóó ver is het er van daan, dat zij zich verootmoedigen en onderwerpen. En zelfs als zij veel geraas maken en luid schreeuwen, zal de toorn Gods toch niet zóó doordringen tot hun hart, dat hun hoogmoed er door wordt gebroken. Alleen de geest der godvruchligen wordt verbroken door Gods toorn; zij wachten niet totdat zijn bliksem hen treft, waaraan de godde-loozen zich roekeloos cn onbeschaamd blootstellen; neen zij sidderen reeds, zoodra God slechts zijn' vinger tegen hen ophefl. Ik acht dat dit de wezenlijke bedoeling is van den Profeet. Hij had gezegd dat de geest des menschen niet genoegzaam kan bevatten hoe schrikkelijk Gods toorn is. Nu zien wij hoe, al beweegt God ook hemel en aarde, er toch vele reuzen zijn, die er slechts mede spotten, en die met beestachtige onbeschaamdheid God minachten als Hij dondert. Dewijl hij echter handelt over eene leer, die eigenlijk alleen de kinderen Gods raakt, zegt hij, dal zij uitermate gevoelig zijn voor Gods toorn, om zich namelijk ootmoedig en vreedzaam aan zijne heerschappij te onderwerpen. Want hoewel de conscienlie der goddeloozen hen kwelt en hun geene rust gunt, is hel er toch zoo ver van daan dat deze heimelijke vreeze hun ootmoed leert, dat zij zich zelfs met nog meer trotschheid verheffen. Kortom: het zijn slechts de geloovigen, die den toorn Gods gevoelen, door welken zij onderworpen zijnde, tol de erkentenis komen dat zij niets zijn, en zich met ware nederigheid gansch en al in Gods handen overgeven. De verworpenen
Psalm^90 : 11 en 12.
kunnen niet genaken tol deze wijsheid, aangezien zij zich niet kunnen ontdoen van den hoogmoed, waardoor zij opgeblazen zijn; want zij zijn door het gevoel van Gods toorn niet bewogen, omdat zij Hem niet vreezen.
12. Leer ons alzoo onze dagen tellen. Sommigen vertalen: Aan het getal der dagen, maar in denzelfden zin. Want omdat Mozes zag, dat de menschen hetgeen hij tot nu toe geleerd heeft niet met hun verstand kunnen bevatten, tenzij God hen verlicht door zijn' Heiligen Geest, begeeft hij zich nu tot het gebed. Het is waar, op den eersten aanblik schijnt dit een dwaas gebed te zijn, om het getal onzer dagen te kennen. Want hoe? Daar zelfs de sterksten nauwelijks tachtig jaren bereiken, is het dan zoo moeielijk een zoo klein aantal jaren te leeren kennen ? De kinderen kunnen al tellen als zij beginnen te stamelen, en wij hebben waarlijk geen' rekenmeester noodig om ons te leeren honderd te tellen op onze vingers. Maar zoo veel te schandelijker is dan onze domheid, als wij er nooit toe komen om den termijn onzes levens te kennen, die toch zoo kort is. Want wie een zeer bekwaam rekenkundige is, en zeer juist en nauwkeurig milioenen van millioenen weet. te onderscheiden, zal toch de tachtig jaren van zijn eigen leven niet kunnen tellen. Hel is voorwaar toch iets monsterachtigs dat de menschen alle afstanden melen en berekenen buiten zich zeiven; dal zij welen hoevele voeten de afstand bedraagt van de maan lot aan hel middenpunt der aarde; hoe groot de ruimte is, die de eene planeet scheidt van de andere planeet, kortom, dat zij hemel en aarde kunnen melen, maar voor zich zeiven geene zeventig jaren kunnen lellen. Wij zien dus dal hel niet zonder oorzaak is dal Mozes aan God om iels vraagt, waarvoor meer dan een menschelijk versland noodig is om hel te bevatten. Hel laatste lid verdient ook zeer door ons opgemerkt te worden, waarin hij aantoont, dal wij dan eerst waarlijk ons hart lol wijsheid neigen, als wij begrijpen hoe kort het menschelijk leven is. Wanl, zou men beter kunnen aanloonen dal men gansch van verstand ontbloot is, als men immer ginds en weder dwaalt zonder een doel voor oogen te hebben? Nu zijn hel alleen de geloovigen, die welen, waartoe hel leven strekt, omdat zij het verschil begrijpen lusschen dit vergankelijk leven en de gelukzalige eeuwigheid, waarvoor zij geschapen zijn. Daarom zal niemand zijn leven rustig en met verstand kunnen inrichten, tenzij hij hel einde zijns levens kent, dat wil zeggen, den dood, en er dus toe komt om te overwegen en na te gaan waartoe wij leven hier op aarde,
323
21*
Psalm 90 : 12â13.
en wal ons doel is, len einde le jagen naar den prijs der hemelsche roeping.
13. Keer roeder, o Jehovah, enz. Na zijne klacht geuit te hebben, bidt hij thans, dal het Gode moge behagen, daar Hij nu zoo langen lijd niet had opgehouden zijn volk zwaar te straffen, eindelijk tot ontferming te worden bewogen en hetzelve genadig te zijn. Want hoewel Hij dagelijks eenigermale zijne liefde gaf te smaken, zoo was hel toch eene zeer harde beproeving dat zij nog uit hel Heilige Land waren verbannen, omdat Hij hun loonde, dal zij het zalig erfdeel onwaardig waren, dat God voor zijne kinderen had bestemd. Want hel kon niet anders, of de schrikkelijke eed, dien God legen hen had geslingerd, moest hun dikwijls voor den geest komen; Zij zullen in mijne ruste niet ingaan; maar hunne doode lichamen zullen in deze woestijn verrotten. (Numeri 14 : 23, 32). Ongetwijfeld heeft hij ook de harde slavernij, waaronder zij gedurende zoo langen tijd in Egypte gezucht hadden, saamgevoegd met hunne omzwervingen in de woestijn; en daarom is hel terecht, dat hij hun langdurig kwijnen betreurt in deze uitdrukking der smart: Hoelang. Gelijk gezegd wordt, dal God zich van ons afwendt, ons den rug toekeert, wanneer Hij de leekenen zijner gunst wegneemt, zoo moet onder zijn lerugkeeren de tentoonspreiding zijner gunst en genade verslaan worden. Aangaande het Hebreeuwsche woord nachem, dal vertaald is door Wees verzoend: daar het ierowtcen beleekenl, is de zin niet ongepast aldus: Het berouwe U over uwe knechten. Want men weel, dal naar het gewone spraakgebruik der Schrift, gezegd wordt, dal God berouw heeft, wanneer Hij, de droefheid wegnemende, en nieuwe stof gevende tol blijdschap, om zoo le zeggen tot andere gedachten is gekomen. Evenwel, zij die vertalen: Troost U over uwe dienstknechten, schijnen de bedoeling van Mozes hel meest nabij le komen, omdat God door ons teederlijk le verzorgen behagen schept in ons, gelijk een vader in zijne kinderen. Nu is dit niets anders dan met hen verzoend te wezen en hun genade le belooneu, gelijk wij Ier verduidelijking van den zin vertaald hebben.
14. Verzadig ons in den morgenstond met uwe goedertierenheid, zoo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. 15. Verblijd ons naar de dagen onzer verdrukking, naar de jaren, in welke wij het
m
Psalm 90 ; 16 en 17.
kwaad gezien hebben. 16. Laat uw werk aau uwe knechten blijken, en uwe heerlijkheid over hunne zonen. 17. En de schoonheid des Heeren, onzes Gods, zij over ons, en leid voor ons het werk onzer handen, ja leid het werk onzer handen.
1ü. Laat uw werk aan uwe knechten blijken. Omdal God, wanneer Hij zijne Kerk verlaat, dit eenigszins doel legen zijne naluur in, en als liet ware iemands anders karakter aanneemt, noemt Mozes zeer juist de bescherming, die Hij aan de kinderen Abrahams beloold heelt, Gods eigen werk Hoewel dus in alle de straffen en bezoekingen, die God over zijn volk heelt gebracht om wrake te doen over hunne ontrouw, ondankbaarheid, nuir-mureering, lusten en onheilige begeerten, zijn werk openbaar werd, geelt Mozes toch bij uitnemendheid dien naam van âzijn werkquot; aan zijne zorge voor hel welzijn des volks, waardoor Hij in de eerste plaats bekend gemaakt wilde worden, veel meer dan aan alle andere getuigenissen zijner sterkte en macht. Daarom is het dal Paulus de goedertierenheid Gods in het bijzonder met den eerenaam van heerlijkheid bestempelt (Bom. 9:23; El'eze 1 : 14). Want, hoewel God voorzeker zijne heerlijkheid handhaaft in het oordeel der wereld, zoo is Hem toch niels meer natuurlijk en eigen dan zich goed en goeddoende le beloonen; daarom wordt gezegd dat zijne heerlijkheid voornamelijk schillen in zijne weldadigheid. En wat de tegenwoordige plaats belreli, God was nog slechts begonnen zijn volk le verlossen, want Hij moest het nog in het bezit van hel land Kanaan stellen. Daarom zou, indien zij niet uit de woestijn waren gekomen, de verlossing slechts duister geopenbaard zijn. Hierbij komt nog dal Mozes het werk Gods schat naar de belofte, die Hij gedaan had; en daarom zegt hij, dat het niet voltooid of volledig zou zijn, indien Hij zijne genade niet ten einde toe liet voortduren. Dit wordt nog duidelijker uitgedrukt in het tweede lid, waar hij niet slechts bidt dat zijne eigene lijdgenoolen voorspoedig zullen zijn, maar ook het geslacht, dal toen nog niet geboren was, omdat ook de vorm van het verbond aldus was ingekleed; ik zal u zijn tol een' God, en uw zaad na u (Genesis 17 : 7). Overigens worden wij door dit voorbeeld vermaand om in ons gebed ook hen te gedenken, die na ons zullen komen, aangezien ons inzonderheid de eeuwige voortduring der Kerk beloold is tot aan hel einde der wereld, gelijk wij in den vorigen Psalm hebben
325
Psalm 90 : 16 en 17.
326
gezien. Dat is de reden waarom wij in al onze gebeden, waai in wij Gode hel welzijn der Kerk bevelen, ook onze opvolgers mede begrijpen, die nog niel geboren zijn. Wij moeten ook letten op hel woord Heerlijkheid en Schoonheid, waaruit wij leeren, dal de liefde, die God ons toedraagt, onwaardeerbaar is. Want hoewel Hij, door ons te verrijken, voor zich zeiven niets wint, wil Hij toch dat zijne heerlijkheid uitblinke, en dat zijne schoonheid zich toont in de goedertierenheid, die Hij ons bewijst, alsof zijne schoonheid haren glans zou verliezen, als Hij ophoudt van ons wel te doen. Daarna volgt Leid over ons het toerh onzer handen, waardoor Mozes aanduidt, dat wij niets kunnen ondernemen of met goeden uitslag beginnen, tenzij God zich als de Werker en Bestuurder betoone, en ons leidt en regeert door zijn' Geest. Hieruit volgt, dat de ondernemingen en studiën der wereldlingen daarom zoo slecht uitvallen, omdat zij, door God niet te volgen, alles van de verkeerde zijde aanvallen, en dus wanorde teweegbrengen. En de woorden Over ons zijn volstrekt niet overtollig, want hoewel God ten goede keert alles wal Satan en de verworpenen beramen en bewerken, zoo heelt toch de Kerk, waarin God zijne heerschappij vreedzaam uitoefent, een bijzonder voorrecht. En inderdaad, door zijne voorzienigheid, die voor ons verborgen is, leidt God zijn werk, len opzichte der verworpenen uitwendig; maar zijne geloovigen bestuurt Hij inwendig door zijn' Heiligen Geest, en daarom regelt en leidt Hij hel werk hunner handen op goede en ordelijke wijze. De herhaling toont, dat er eene voortdurende volharding noodig is in Gods genade, omdat hel niel volstaan zou indien wij voor de helft des wegs geleid werden, maar dat Hij voor den geheelen loop onze Leidsman moet wezen. Sommigen vertalen: Bevestig, en dit is niel gansch en al verkeerd, ik heb echter gevolgd wal hel meest met den tekst overeenkomt, te weten, dat God alle de daden en ondernemingen der geloovigen tot een goed en gelukkig einde zal brengen.
PSALM 91.
INHOUD: Hij leert dat God zorg draagt voor het welzijn der godvruchtigen, zoodat Hij hen in geenerlei gevaar zal verlaten. Hierdoor vermaant hij de geloovigen, om, vertrouwende op zijne
Psalm 91 : 1.
hulp, gerust en vrijmoedig voort te gaan te midden van alle gevaren. Deze leer is zeer nuttig, want, hoewel allen van de voorzienigheid Gods spreken, en erkennen, dat Hij de Bewaarder is der geloovigen, is er toch nauwelijks één op de honderd, die zijn heil en welzijn in zijne handen geeft.
1. Die in de schuilplaats des Allerhoogsten woont, zal verblijven in de schaduw des Almachtigen. 2. ik zal tot Jehovah zeggen: Gij zijt mijne hoop en mijn burcht, Hij is mijn God, op Hem zal ik hopen. 3. Voorzeker zal Hij u bevryden uit den strik des vogelaars, en van het schadelijk gevaar. 4. Hij zal u bedekken met zijne vlerken, en onder zijne vederen zult gij veilig zijn; zijne waarheid zal uw schild en beukelaar wezen.
1. Die in de schuilplaats des Allerhoogsten woont. Sommigen van de llebreeuwsche uitleggers lezen de eerste drie verzen aan één, zoodat de zin onvolkomen blijft lol aan dit lid: Voorzeker zal Hij u bevrijden uil den slrik des vogelaars. Zij lezen dan als volgt: Die in de schuilplaats des Allerhoogsten woont, en onder de schaduw Gods verwijlt, lol hem zal ik van den lleere zeggen, dal Hij zijne hope is en zijn burcht, en de God op wien hij gerust kan betrouwen, omdat Hij hem bevrijden zal van den slrik des vogelaars, enz. Maar hel springt in het oog hoe gewrongen deze zin is. Daarenboven zijn zij, die deze meening voorslaan, hiertoe bewogen door eene beuzelachtige reden; want zij achlen, dat in hel eerste vers eene zeilde zaak tweemaal herhaald is, zonder dal er toch een' zin van le maken is; maar hierin bedriegen zij zich groolelijks. Want de auteur van dezen Psalm, wie hij ook moge geweest zijn, duidt gansch andere dingen aan, als hij zegt, dal zij, die verborgen zijn onder de hoede Gods, beschermd zijn legen gevaar van wapenen, en in eene veilige en rustige plaats wonen. Wil iemand aldus spreken: wie God tol Beschermer heeft van zijn heil, zal rusten onder zijne schaduw, dan heelt hij in het tweede lid eene nog uitdrukkelijker verklaring, omdat de macht van God gesteld is tegenover de hulp der menschen. En zoo zegt de Proleet aan
327
Psalm 91 ; 1â3.
328
deze plaats, dal zij, die in de scliuiipiaaU van God wonen, zullen verblijven onder zijne schaduw, omdal zij len laatste zullen gevoelen, waartoe zijne bescherming hun dient. Daar nu de meeste menschen verschillende schuilplaatsen zoeken, en naar ieder weet, dat hij blootgesteld is aan allerlei kwaad, den blik hierheen ol' daarheen richt, leert hij, dal zij geen veiligen burcht des heils zullen vinden, anders dan in de hulpe Gods. Daarom stelt hij de verwachting, door welke wij zoo dikwijls teleurgesteld worden tegenover de veiligheid en verzekerdheid van hen, die zich op God verlaten. Hij bevestigt deze zelfde leer in het tweede vers, en hij toont aan, dat hij spreekt van hetgeen hij zelf ervaren heeft, en tevens naar de bevinding des gelools, hetgeen zeer noodig is voor hem, die anderen wil onderwijzen. Want dit is de ware kennis, die wij aan anderen van hand lot hand kunnen mededeelen, als wij verklaren hetgeen God ons geopenbaard heelt, en dat niet alleen met onze lippen, maar uil den diepsten grond onzes harten. De Profeet getuigt dus dat hetgeen hij zoo even geleerd heeft uil de diepste aandoening des harten voortkomt. Hoewel nu de letter Lamed dikwijls voor van genomen wordt, en door velen ook aan deze plaats aldus vertaald wordt, heb ik er toch een krachtiger zin aan gegeven in mijne overzetting. Want de geloovigen houden hel niet slechts voor vaststaande, dat God hun lol burcht is, maar vertrouwende op zijne beloften, wenden zij zich gemeenzaam lol Hem. En zoo bevestigt hij door de vrijmoedigheid in hel gebed, hoe veilig het is onder de schaduw Gods te wonen. Want dil heilig roemen is de grootste en voornaamste overwinning des gelools, als wij, bij alles wat ons overkomt, onbevreesd de toevlucht nemen tol God, en er volkomen zeker van zijn, dat niet slechts onze wenschen door Hem verhoord zullen worden, maar dal wij ook genoegzame, ja overvloedige hulpe bij Hem zullen vinden. Nu zegt hij in het derde vers, dat de hope, waarvan hij gesproken heefl, niet ijdel ol' bedriegelijk zijn zal, omdat God de eeuwige Bevrijder is der zijnen. Want ik twijfel niet of hij spreekt tot zich zeiven, en dat hij aldus moed grijpt om te hopen. Sommigen maken verschil lusschen Den strik en Het verderf, of de pestilentie, gelijk lusschen een verborgen en een openbaar kwaad; alsof de Profeet zeide: Hetzij Satan ons geheime lagen legt, ol ons aanvalt in openlijken krijg, de hulpe Gods zal immer gereed wezen. En dil mishaagt mij niet Want al zou iemand die woorden in eenvoudiger zin willen nemen, is hel toch waarschijnlijk dat hier op allerlei kwaad geduid wordt, opdat wij zouden welen, dat wij nooil in gevaar zijn â
Psalm 91 ; 3â5.
waarin dil gevaar ook moge beslaan â ol' God zal ons le hulp komen.
4. Hy zal u dekken met zijne vlerken. Dil beeld, dal in de Schrift ook elders gebruikl wordt, geelt ons eene zeer goede voorstelling van de wondervolle zorg, die God draagt voor ons welzijn. Als wij nagaan, wat de majesteit Gods is, dan zullen wij, voorwaar! geenerlei overeenkomst vinden lusschen haar en de hennen ol de andere vogels, zoodat Hij zijne vleugelen zou moeten uitbreiden om zijne kiekens le bedekken. Daar Hij echter onze zwakheid aanziet, heeft Hij hel niet beneden zich geacht om zich neder te buigen van zijne hemelsche heerlijkheid, ten einde onder het beeld eener hen ons leederlijk lol zich te roepen. Er is dus niets dat ons verhindert gemeenzamen toegang tot Hem te hebben, daar Hij op zoo menschelijke wijze zich lol ons nederbuigt. Hoewel nu de waarheid Gods, waarvan hij zegt, dal zij ons tot schild en rondas moet strekken, genomen wordt voor zijne trouw, omdat God de zijnen nooit verlaat in den nood, is er toch niel aan le twijfelen, of de Profeet heell hel oog op de beloften Gods zonder welke niemand zich onder zijne hoede zou durven stellen. Omdat wij dus zonder het Woord de goedheid Gods niet kunnen smaken, waarvan de Proleet spreekt, voert hij hel aan als een getuigenis. En gelijk hij te voren, toen hij God heelt vergeleken bij een' burcht, gezegd heeft, dat zij die in Hem rusten, veilig zijn zullen, zoo zegt hij nu, daar hij het beeld gebruikt van een schild, dat IIij lusschenbeiden zal treden, ten einde ons tegen alle aanvallen le beschermen.
5. Gij zult niet vreezen voor den schrik des nachts, noch voor den pijl, die des daags vliegt. 6. Noch voor het verderf dat in duisternis wandelt, noch voor de pestilentie, die in den vollen middag verwoest 7. Aan uwe zijde zullen er duizend vallen, en tienduizend aan uwe rechterhand; maar tot u zal zij niet genaken. 8. Voorzeker zult gij het met uwe oogen zien, en gij zult de vergelding der goddeloozen zien.
5. Gij zult niet vreezen. De Profeet verkUart uitvoeriger hetgeen ik te voren reeds met een enkel woord gezegd heb, te
329
Psalm 91 : 5â7.
weten: Hoe Satan ons ook moge kwellen, en met welke wapenen hij ons ook moge aanvallen, hij ons toch geene wezenlijke schade zal toebrengen, als wij aan de hulpe Gods genoeg hebben. En het is heerlijk en kostelijk om te weten, dal zij, die God onder zijne hoede genomen heeft, van alle kanten wèl bewaard zijn. Want daar is niets dat moeielijker is dan God aan te nemen voor zijn Bevrijder, en zelfs wanneer iemand daar reeds toe gekomen is, zoo gebeurt het toch, wanneer wij door duizenderlei gevaren en dood omringd zijn, er een twijfel in ons hart sluipt, waardoor dan bezorgdheid en vreeze bij ons ontstaat. Daarom is het niet zonder reden, dat de Profeet van velerlei soort van kwaad gewag maakt, opdat de geloovigen zich niet slechts voor ééne soort van ramp of ongeval door God beschermd zullen achten, maar kloekmoedig weerstand zullen bieden aan tallooze verzoekingen. Hij maakt melding van den schrik des nachts, omdat de duisternis de menschen vreesachtig maakt, en de nacht velerlei ongemakken met zich brengt, en wanneer wij dan een eenigszins ongewoon geluid hooi en, nog meer beangstigd worden. Naar mijn oordeel heeft hij van den vliegenden pijl gesproken veeleer dan van een ander wapen, omdat hij meer uit de verte geschoten wordt, en omdat men wegens zijne snelheid niet goed op zijne hoede er tegen kan wezen. In het tweede lid herhaalt hij dezelfde zaak in dezelfde woorden, nl. dal er geenerlei kwaad is, dat God met hel schild zijner hulpe niet afweert.
7. Aan uwe zijde zullen er duizend vallen. Hij gaal nog voort met denzelfden zin, te welen, hoewel bij den eersten aanblik de toestand van alle menschen gelijk is, de geloovigen toch door een bijzonder voorrecht van God bevrijd zullen blijven van hel kwaad, dat dicht tol hen nadert, en als hel ware gereed is hen te treffen. Want anders zou hun dadelijk deze redeneering voor den geest komen: Hoe! zijl gij niet gelijk aan alle menschen, wier leven door duizenderlei kwaad omringd is? Om nu dien twijfel weg te nemen, geeft hij uitdrukkelijk te kennen, dal hoewel de gansche wereld in verderf gedompeld is, God toch door zijne bijzondere zorge aan zijne dienstknechten zal toonen, dal zij niet gelijkelijk met de anderen om zullen komen. Deze waarschuwing is zeer noodig, want hoewel wij van nature aan velerlei ongemakken bloot staan, worden wij toch door een bijzonder voorrecht bewaard, zoodat wij te midden van hel grootst gevaar toch altijd veilig zijn. In hel volgende vers bedoelt hij niet slechts dat de ervaring dit zal leeren, omdat de geloovigen werkelijk zullen ondervinden, en als met hunne oogen zien, dat
330
Psalm 91 ; 7â9.
hun heil en welzijn in Gods hand is; maar hij bevestigt deze leer door een' anderen bewijsgrond, nl. dal God, die de rechtvaardige Rechter is der wereld, door de boozen en verworpenen te straffen naar dal zij het verdiend hebben, de zijnen beschermt. Hoewel dus de dingen op aarde dikwijls verward zijn, zegt de Profeet dat de geloovigen in deze duistere nevelen toch zeer duidelijk de oordeelen Gods zullen onderscheiden, waaruit zij dan kunnen leeren, dat zij niet te vergeefs op Hem hebben gehoopt. Nu spreekt hij tol hen, die oogen hebben, en hel ware licht des gelool's hebben ontvangen, die ijverig waken om de oordeelen Gods te beschouwen en na te gaan, en die ook geduldig en stil den gelegenen tijd afwachten, omdat de meeslen zijn oordeel vooruit loopende zich door hun haasten ontroeren. En zoo komt het dat het vleeschelijk verstand de voorzienigheid Gods niet weel te onderscheiden. En hierbij komt nog, dat hel ons genoeg moet zijn, dat God, zijne oordeelen meestentijds uitstellende tot den dag der volkomene openbaring, er ons hier toch reeds een' voorsmaak van geeft.
9. Omdat Gij, o Jehovah, mijne bescherming zijt, gij hebt den Allerhoogste tot uwe schuilplaats gesteld. 10. Het kwaad zal u niet tegenkomen, en de plage zal uwe tent niet naderen. 11. Want Hij heeft zijne Engelen van u bevolen, opdat zij u bewaren in al uwe wegen. 12. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uwen voet aan geen1 steen stoot.
9. Omdat Gij o Jehovah. Met klem en nadruk blijft hij de voorzienigheid Gods loven en aanbevelen, omdat de menschen zoo traag en onverschillig zijn, dat zij niet dan met groote moeite opgewekt kunnen worden om de steunselen dezer wereld, waaraan zij zooveel hechten, te verlaten, om zich geheel en al in Gods handen over te geven, En gelijk dit nu dikwijls in dezen Psalm gebeurt, verandert hij nu de personen, zoodat hij in dit vers het woord uitsluitend tot God richt, en daarna wederom tot zich zelve spreekt. Nu noemt hij God zijne bescherming, ten einde door zijn voorbeeld des te krachtiger de andere geloovigen aan te sporen om tol Hem te gaan. Om dezelfde reden spreekt hij daarna lot zich zeiven, ten einde des te meer zijne eigene gewaarwordingen te doen uitkomen. Want
331
Psalm 91 : 10 en 11.
dit is de ware toetssteen des gelool's, wanneer een iegelijk tol zich zeiven inkeert en zijn eigen hart onderzoekt zonder dat er getuigen bij zijn; want als wij niet aan God genoeg hebben, maar de oogen op de menschen gericht houden, dan zal het nauwelijks kunnen geschieden, dat de eerzucht niet binnensluipt en de plaats inneemt van het geloof. Nu is er gezegd, dat God ons ter woning is, omdat Hij ons van boven en van beneden tegen alle gevaren beschermt, gelijk wij dit ook in het eerste vers van Psalm 90 gezien hebben. Nu kan men dit vers hier lezen zonder het al te scheiden van het andere, zoodal men het als het redegevend deel kan beschouwen; omdat er op volgt: Het kwaad zal u niet tegen homen. Maar hoe zal men de ontmoeting met het kwaad vermijden? hoe anders dan door veilig te schuilen onder de hoede en bescherming Gods? Wel is waar: ook de geloovigen ondervinden veel leed; maar de Proleet bedoelt, dat God zijne hand uitstrekt tegen de heilige aanvallen [om ze al'te weren ] opdat de geloovigen er niet door overstelpt en verpletterd zulien worden. Vervolgens strekt hij deze bescherming uil tot het gansche geslacht der godvruchligen; want wij welen dat God zijnen dienstknechten de eer aandoet van hun zijne vaderlijke gunst te toonen en ook hunne kinderen daarin te doen deelen. Tenzij men dit wellicht eenvoudiger wil nemen, te weten: dat zij, die God kiezen lol hunne woning, zeer veilig in hunne eigene huizen zullen verblijven.
1 I. Want Hij heeft zijne Engelen van n bevolen. Ook dil is er door den Profeet voorbedachtelijk bijgevoegd, ten einde ons le gemoel ie komen in onze zwakheid. ,ierin zien wij met hoeveel goedheid God ons behandelt, wanneer Hij niet slechts het gebrek van wantrouwen vergeelt, maar het ook geneest, als Hij verklaart dal Hij ons tot burcht en beukelaar zijn zal; als Hij ons de schaduw biedt van zijne hand; als Hij zich onze woning noemt en eindelijk, als Hij zijne vleugelen over ons uibreidt om ons le beschuiten en le bewaren. Indien zoo vele en zoo duidelijke belolten ons niet genoeg zijn, zijn wij dan niet zeer ondankbaar? Indien zijne majesleil ons verschrikt, vergelijkt Hij zich bij eene hen; als wij verschrikt zijn van wege de macht onzer vijanden; ol als de menigvuldigheid der gevaren ons verbaast, dan stelt Hij ons zijne onverwinlijke kracht voor oogen, die al de macht der tegenstanders te niet doel. Nadat Hij nu door zoo velerlei middelen gepoogd heeft ons lot zich te trekken, en Hij ziel dat wij slechts traag en langzaam naderen, alsof wij aan Hem alleen niet genoeg meenden te hebben, voegt hij er ook de engelen
332
Psalm 91 ; 11.
bij en slcll hen aan ons voor als (ie bewaarders van ons heil. tën voorzeker is dil een uitnemend getuigenis zijner goedheid, als Hij om ons wantrouwen weg te nemen, ons verzekert, dat Hij van een machtig heirleger voorzien is om ons te beschermen. En Hij wijst niet slechts voor eiken mensch een' engel aan; maar quot;ij wil dat deze hemelsche heirscharen zorg dragen voor ons heil. Want de Profeet spreekt hier tol ieder geloovige, gelijk wij ook gezien hebben in Psalm 34 : 8, dat de engelen zich legeren rondom hen, die God vreezen Hieruit blijkt, dal het een valsch verzinsel is te zeggen, dal iedereen zijn'bijzonderen Engel heeft. En het is ons zeer nuttig te welen, dat, gelijk wij legen vele vijanden hebben te strijden, het dus noodig is, dat wij voorzien zijn van vele wachters. Indien God mij slechts één' engel gaf om mij Ie beschermen, dan zou dil alreeds iets zijn, maar als ik verneem dal de zorg voor mijn heil opgedragen is aan velen, dan is deze belofte van nog meer gewicht, gelijk ook Elisa, sterk zijnde in dit betrouwen, groole heirscharen van vijanden kon verachten (u2 Kon. 6 : 16). En de schriftuurplaatsen, die de verschillende diensten onder de Engelen schijnen aan te wijzen, opdat zij iederen mensch beschermen en bewaken, is hier volstrekt niet mede in tegenspraak. Want hel is zeker, dal God op verschillende wijze werkt door zijne Engelen, zoodat Hij aan een' enkelen de hoede van verscheidene volken loever-trouwt, en aan verscheidene Engelen de zorg voor één enkelen mensch. Nu betaamt hel ons niet om al te nauwkeurig Ie willen onderzoeken, op wal wijze zij samen overeenkomen om voor ons heil te waken; vergenoegen wij ons slechts mei deze leer van den Apostel, dat zij verordineed zijnde tot onzen diensl, immer lol onzen diensl bereid zijn (Hebr. I ; 14). Wam hel geen elders gezegd is, dal zij gehoorzaam zijn aan God en zijne geboden volbrengen, strekt ook tol bevestiging van ons geloof, omdat God zich van hen bedient om ons te beschermen. Hoewel de Profeet hier nu spreekt van ieder lid der Kerk, is hel toch niet zonder reden dat de duivel dit toegepast heeft op den Persoon van Christus. Want hoewel hel altijd zijn streven en bedoelen is de waarheid Gods le verdraaien en te vervalschen, zoo kan hij toch, als hij van algemeene beginselen spreekt, een' zeer schoonen glimp geven aan heigeen hij zegt, en dan is hij een tamelijk scherpzinnig theoloog. En voorzeker! daar het gansche menschelijke geslacht verbannen is uil het koninkrijk Gods, hebben wij met de engelen niels gemeen, en zij hebben niets van doen met ons. Het is dus Christus alleen, die, den grond van verschil weggenomen hebbende, ons met de Engelen
Psalm 91 : 11 en 12.
verzoent, gelijk hel ook zijn ambt en werk is het verstrooide bijeen te vergaderen, zoowel in den hemel als op de aarde, gelijk Faulus hiervan spreekt in Efeze 1:10. Dit werd den aartsvader Jakob getoond onder het beeld eener ladder (Genesis 28:12). En daar wij door Christus met de Engelen tot een lichaam zijn vereenigd, zegt Hi]t Van nu aan zult gij de hemelen zien geopend, en de Engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschenC(Joh. 1 : 52) Wij zien dus. dat hetgeen in den waren zin toekomt aan het Hoofd ook door Hem toekomt aan de leden. De Profeet bedient zich hier van het meervoud al uwe wegen, ten einde meer bepaald en duidelijk uit te drukken, dal, waar wij ook heen moeten gaan, de Engelen ons immer zullen geleiden. En wij zien, voorwaar! hoe slingerend en wisselvallig de loop is van ons leven, en door hoe vele stormen wij van uur tol uur her- en derwaarts worden gedreven. Daarom was het noodig dal de Engelen ons inzonderheid lot gidsen worden begeven om ons in al onzen handel en wandel te leiden, opdat wij' weten, dat zij voor ons heengaan, het zij de noodzakelijkheid ons naar rechts of naar links henenvoert. Intusschen is het waarschijnlijk, dat met het woord Wegen ons bescheidenheid wordt aanbevolen, opat wij God niet verzoeken door ons op hoogten te stellen, maar ons houden binnen de grenzen onzer roeping. Want indien iemand zich roekeloos vooraan wil stellen, en meer op zich wil nemen dan God hem vergunt, alsof hij tegen Gods wensch en wil in boven de wolken zou willen klimmen, dan moet hij niet denken, dat de Engelen de dienaren of helpers zullen zijn van zijne roekeloosheid. En hel schijnt wel dat Satan dit woordeke listiglijk heeft weggelaten, toen hij Christus verzocht om zich roekeloos nederwaarts te werpen.
12. Zij zullen u op de handen dragen. Hij geeft nog uitbreiding aan hetgeen bij gezegd heeft van de hoede der Engelen; alsof hij zeide, dat zij niet slechts over ons waken opdat ons geen kwaad wedervare, en gereed zijn ons bijstand te verleenen, maar dat zij ook onze schreden zullen steunen met hunne handen, opdat wij onzen loop volbrengen zonder ons te wonden. Wel is het waar dat men dit niet ziet; want de geloovigen, die soms zwaar moeten zwoegen en werken op hun' weg, stooten zich dikwijls en vallen, en zelfs kunnen zij zich niet anders dan met srroote moeite voortslepen. Daar het echter bij zoo groote zwakheid gebeuren zou, dal wij niet slechts ieder oogenblik zouden vallen, maar ook dat wij gansch zouden bezwijken, zoo God ons niet op wondervolle wijze ondersteunde, is het volkomen
m
Psalm 91 : 12 en 13.
terecht, dat de Profeet op zoo majestueuze wijze de hulpe lood en prijst, die ons door middel der Engelen geschonken wordt. Hier komt nog bij, dat wij niet sterk genoeg zouden zijn, om al de hinderpalen te boven te komen, die ons door Satan in den weg worden gelegd, indien God er ons niet overheen hielp. Wie eene vergelijking maakt tusschen deze twee zaken, nl. onze broosheid en zwakheid, en de doornen, de hobbelachtige plaatsen, slechte wegen; en voorts de slompzinnigheid van ons versland, en de listigheid van Satan om ons strikken te spannen, zal bevinden, dal deze volzin volstrekt niet hyperbolisch, ol' overdreven is; maar hij zal erkennen dal wij geene drie stappen vooruit kunnen doen, zonder dat de Engelen ons op schier bovennatuurlijke wijze door de lucht dragen En dat wij ons dikmaals stooten, dat moet aan ons zeiven geweien worden, omdat wij ons scheiden van ons Hoofd. Hoewel God nu wil, dat wij overtuigd zullen zijn van onze zwakheid, als wij struikelen of vallen, zoo is het toch, daar IHj niet toelaat dat wij verpletterd worden, even goed als of Hij zijne hand onder ons gelegd had.
13. Op den leeuw en de adder zult gij treden, den jongen leeuw en den draak zult gij vertreden. 14. Omdat hij in Mij gerust heeft, zal Ik hem bevrijden; Ik zal hem verhoogen, want hij heeft mijn' naam gekend. 15. Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhooren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn; Ik zal hem uitredden en verheerlijken. 16. Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en zal hem mijn heil toon en.
13. Op den leeuw en de adder zult gij treden. Hij bevestigt denzelfden zin door andere woorden. Te voren had hij onder de benaming steenen alle hindernissen begrepen, door welke Satan den loop van ons welvaren tracht tegen te houden. Thans duidt hij door adder en leeuw, leeuwenwelp en draak alle doode-lijke gevaren aan, waaraan wij in deze wereld bloot staan. En gewis, terwijl wij onzen pelgrimstocht hier beneden volbrengen, ontmoeten wij wreede en giftige dieren op onzen weg. Wal zou hel dan zijn, zoo God ons niet de overwinning beloofde over zoo vele gevaren, die ons gewoonlijk boven het hoofd
335
Psalm 91 : 13 en 14.
handen. Wie dus lel op deze verzoekingen, zal hel niet vreemd vinden, dal de Profeel eene hyperbolische spreekwijze gebruikt, len einde alle vrees en schrik van de geloovigen weg le nemen. Veeleer zal hij zegden, dal er eigenlijk geen hyperbole, dal is: geene overdrevene voorstelling van de zaak is, omdat de uitkomst inderdaad beantwoordt aan deze woorden. Wel is waar, zoo lang wij buiten schol zijn, denken wij heel dapper te wezen; maar bij hel minste leed dat ons overkomt, stellen wij ons leeuwen en diaken voor, en schijnt hel ons toe, dat wij aan moord en doodslag blootstaan. Daarom heeft de Profeet zijne woorden ingericht naar hel gevoel van ons vleesch. Waar de Grieken Adder vertaald hebben, staal in het llebreeuwsch eigenlijk Leeuw, en in het tweede lid is eene herhaling, zeer gebruikelijk bij de Hebreën; daarom is hel niet noodig heel fijne onderscheidingen te zoeken lusschen deze vierderlei diersoorten; behalve dal het zeker is, dat hij door leeuwen en jonge leeuwen heftige en openbare beletselen aanduidt, door adders en draken de verholen gevaren, door welke wij listiglijk en plotseling overvallen worden als van uit de schuilhoeken der slangen.
U. Omdat hij in Mij gerust heeft. Opdat deze uitvoerigheid der taal geen weerzin bij ons zal verwekken, moet men in gedachten honden hetgeen ik gezegd heb. nl. dat de Profeet hierdoor le gemoet komt aan onze zwakheid, omdat wij nooit genoeg op de voorzienigheid Gods steunen, als wij dooreenigerlei gevaar worden bedreigd Daarom voert de Profeet God hier sprekend in ten einde door Hem te bevestigen wat hij te voren geleerd had. Wanneer God nu van den hemel verklaart, dat wij veilig onder de bescherming zijner vleugelen zijn, daneischt Hij van de zijnen niets anders, dan dat zij hope zullen hebben; want hel Hebreeuwsche werkwoord gashak (hetwelk Begeeren of beminnen beleekenl, of. gelijk men gemeenlijk zegt. ergens behagen in scheppen) slaat gelijk aan liefelijk le rusten in God, en zich le verlustigen in zijne genade. Hij belooft dus, dal Hij gereed en bereid zal zijn ons hulp te verleenen, mils wij Hem zoeken met ons gansche hart. Intusschen waarschuwt Hij ons, dal ons leven op aarde immer omringd is door allerlei dood, tenzij dat Hij zijne hand uitstrekt over ons, om ons te beschermen. Hoewel Hij nu ook dikwijls de ongeloovigen te hulp komt, zoo reikt Hij toch alleen aan de geloovigen zijne hand, zoodat Hij overal en in alles hun Verlosser is, en dit ten einde toe zal blijven. Ook de kennis van den naam Gods is zeer gepast gevoegd bij de hoop en hel verlangen. Want, dal de menschen
336
Psalm 91 : 14 en 15.
den blik hier en daar heen richten, en hunne vreeze Iten ginds en herwaarts drijft, vloeit nergens anders uil voort dan uit het feil dal de kracht Gods hun onbekend is, of liever, dat zij hoegenaamd niet geproefd of gesmaakt hebben wal God is, want in zijne plaats denken zij aan ik weet niet wat voor dooden afgod. Daar nu de ware kennis van den naam Gods vertrouwen teweegbrengt en aanroeping, en Hij niet in oprechtheid gezocht wordt dan door hen, die zijne beloften omhelzende en aannemende, Hem de eere geven die Hem toekomt, is het zeer betamelijk en gepast, dat de Profeet deze kennis als de bron en oorzaak der hope heeft gesteld, en de nuttigheid dezer leer zal ook nog beter begrepen worden, als wij nagaan hoe onverstandig de Papisten spreken over hel gelooi. Want, hoewel zij bevelen, dal men in alles God moet aanhangen, begraven zij toch zijn woord, door hetwelk ons de toegang moet worden geopend om Hem te zoeken. Hoewel nu verhoogen niets anders beteekent dan in veiligheid brengen, zoo is toch de reden van deze overdrachtelijke zegswijs, dal God de zijnen op heerlijke wijze bewaart, alsof Hij hen ergens op een' hoogen burcht stelde.
15. Hij zal Mij aanroepen en Ik zal hem verhooren. Hij verklaart nu meer uitdrukkelijk wat hij bedoeld heelt met Rusten in God, of in Hem zijn welbehagen of zijne lielde hebben. Want deze liefde en deze begeerte, die voortkomen uit hel geloof, dringen ons om Hem aan te roepen. Hieruit ziet men wederom wat ik te voren reeds met een enkel woord gezegd heb, nl. dal de rechte wijze van bidden gegrond is op hel Woord Gods. Want in dezen mogen wij niets naar ons eigen denkbeeld doen ol ondernemen, maar God zoeken als Hij ons lot zich roept. Inlusschen kunnen wij hieruit leeren, dat hel gelooi niet ledig nederzil en werkeloos is, maar dat het hieraan gekend wordt, dat zij, die hel heil Gods verwachten, direct lot Hem gaan om in Hem hunne toevlucht te vinden. Nu wordt ons opnieuw geleerd dat de geloovigen niet vrijgesteld zijn van rampen en ellende, want God belooft hun geen kalm, weelderig leven, maar wèl belooll Hij hen te zullen helpen in hunne benauwdheden. Door hel woord Verheerlijken geeft Hij te kennen, dat de hulp, waarvan Hij tot nu toe gesproken heelt, niel tijdelijk zal zijn, maar dal zij duren zal totdat zij den vasten en onwrikbaren heilstaat hebben bereikt. Wel is waar siert quot;ij hen reeds in deze wereld, en laat Hij zijne heerlijkheid in hen uitblinken; maar Hij geeft hun geene reden om te triumfeeren voordal zij den loop hunner verlossing volbracht hebben. Nu schijnt wel wal Hij in het
Dl. II. 22
337
Psalm 91 : 16.
laatste vers belooft iets ongerijmds te wezen, omdat het meestal gebeurt, dat de geloovigen deze wereld eerder verlaten dan de ongeloovigen. Maar wij moeten hier herhalen wat wij elders gezegd hebben, dat de zegeningen Gods, die met dit broze leven in betrekking slaan, niet algemeen zijn, en dus ook niet in een onafgebroken stroom blijven vloeien. Want hoewel Hij in rijkdommen en in andere gemakken des levens iets van zijne liefde geeft te smaken, volgt hier toch niet uit, dat Hij de armen haat; en hoewel lichaamsgezondheid en een krachtig gestel weldaden zijn, die uit Hem voortkomen, moeten wij toch niet denken, dal Hij de kranken en zwakken haat. De lengte des levens is hier ook in begrepen, waarmede God zijne dienstknechten zou verzadigen, indien hel hun niet nuttiger ware deze wereld vroegtijdig te verlaten. Intusschen worden zij meer en beter verzadigd door eene kleine wijle levens dan de ongeloovigen door een tijdperk van duizend jaren. En zoo zal het nooit gebeuren dat een wereldschgezinde verzadigd wordt door een lang leven, want al zouden zij ook nog duizend jaren beslaan, zijn zij toch onverzadelijk, zoodat zij hel leven zeiven verzwelgen, en van de goedheid Gods niet genieten, die alleen rust geeft aan het hart. Daarom zegt de Profeet niet zonder reden dat de geloovigen door een bijzonder voorrecht verzadigd zullen zijn van het leven, voor wie het genoeg en meer dan genoeg is, dat zij den bestemden loop van hunne roeping volbracht hebben. En gewis, daar de eeuwigheid der dagen veel meer te achten is dan de lange duur, en hel heil Gods niet besloten is in de enge ruimte dezes aardschen levens, behoort het hart der godvruchtigen hierop acht te geven in den dood zoowel als in het leven Want de Profeet voegt voorbedachtelijk als einddoel van de zegeningen Gods er bij, dat Hij den geloovigen zijn heil zal doen zien, nadat Hij gedurende hun gansche leven hun voortdurend zijne vaderlijke gunsl geloond heeft.
PSALM 93.
INHOUD: De Psalm bevat eene vermaning om God te loven en vindt de stof daartoe in zijne werken, onder welke hij voornamelijk roemt zijne reclitvaardigheid in de bescherming zijner geloovigen, en zijn oordeel in het verderf der verworpenen Door
Psalm 92 : 1 en 2.
deze leer spoort hij allen aan om zich toe te leggen op oprechtheid van wandel; en opdat zij niet zullen bezwijken onder het dragen van het kruis belooft hij hun eene gelukkige uitkomst van al hunne beproevingen. En ten einde hen terug te houden van hunne booze wegen, verklaart hij, dat alle goddeloozen, hoewel zij voor een' tijd bloeien en welvaren, toch binnen kort zullen omkomen.
1. Een Psalm des Lieds voor den Sabbatdag. 2. Het is goed Jehovah te loven, en uwen naam te zingen, o Allerhoogste. 3. Des morgens uwe goedertierenheid te verkondigen en des nachts uwe waarheid. 4. Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een lied op de harp. 5. Want Gij, o Jehovah, hebt mij verblijd door uwe werken r ik zal mij verheugen over het werk uwer handen.
Het is goed. Ik twijfel niet of bel was de gewoonte om dezen Psalm op den Sabbatdag te zingen, gelijk hel opschrift dit dan ook aanduidt, en hel blijkl ook uil andere plaalsen dal sommige Psalmen hiervoor gebruikt werden. Dewijl er nu in hel llebreeuwsch woordelijk slaat: Het is goed le belijden, blijven sommige uilleggers bij de letter Lamed verwijlen, en verslaan hel zoo, dat hel goed is, dal er een zekere vastgestelde dag is, om den lof Gods le zingen; alsof de Profeet zeide, dal deze instelling nullig is, dal men een' dag bestemd heeft, waarop de geloovigen zich oefenen om de werken Gods te bezingen. Maar hel is bekend dal deze letter Lamed meestal tol niels anders dient dan om de onbepaalde wijs van het werkwoord aan le duiden, en daarom is de vertaling, die ik gegeven heb. hel eenvoudigst. Nu is de reden, waarom de Profeel deze leer op den Sabbat toepast, zeer gemakkelijk le bevroeden, te weten, dal deze dag niet op zulk eene wijze geheiligd was, alsof God behagen schiep in de ledigheid, hel niels doen, der menschen, maar opdat bel volk, ontlast zijnde van alle gewone bedrijf of bezigheid, zich geheel en al aan de overdenking van Gods werken zou wijden. Wanl onze gedachten zijn lichl afgeleid en vervreemden zich dan van God. En opdal wij ons nu bepaald met God bezig zouden houden, is het noodig dat wij van alle zorgen en beslommeringen ontheven zijn. De Profeel geefl dus le kennen, dat de Sabbat
22*
339
Psalm 92 : 2â4.
niet op de rechte wijze geheiligd wordt door niets te doen , hetgeen al te grol' zou wezen, maar dat hij verordineerd is om er den naam Gods op te loven en te verheerlijken. En hij wijst hen op hel voordeel, dat hieruit voortvloeit; want er is niets dat ons meer opwekt en aanspoort om onzen plicht te doen, dan te welen, dal onze arbeid en moeite niet te vergeefs zullen zijn, en dal op hetgeen wij doen de goedkeuring Gods rust. In het volgende vers geeft hij de slof of hel onderwerp aan, van den lof Gods, alsof hij zeide, dat God ni«l wil dat zijn naam door ons geprezen worde voor niets, of alleen maar om zijne grootte en macht, maar van wege zijne goedertierenheid en trouw, waarvan de ervaring alleen reeds genoeg moet zijn om deze begeerte in ons hart le doen ontbranden. En door deze woorden leert hij, dal Hij niet slechts waardig is om geloofd en geprezen le worden, maar dal wij ons aan snoode ondankbaarheid schuldig maken, als wij hieromtrent traag en nalatig zijn. Want, aangezien de getrouwheid en goedheid Gods zeer bijzonder op ons betrekking hebben, zal onze onverschilligheid ol nalatigheid niet te verontschuldigen zijn, indien, zij ons hart niet stemmen om Hem te loven. Maar dal hij beveelt dal zijne goedertierenheid zal verkondigd worden des morgens en zijne waarheid des nachts, dal schijnt eene ongerijmde onderscheiding te wezen Want, indien God voortdurend weldadig is, en niel maar bij lïfêchenpoozen, waarom zou men dan slechts een klein gedeelte van den dag gebruiken om deze deugd le bezingen? Hetzelfde kan ook van hel andere deel gezegd worden, want ook zijne waarheid wordt niet slechts in den nacht gezien. Maar de Profeet spreekt in een' anderen zin, le welen, dal zoo wij des morgens beginnen met God te loven, wij hiermede moeten voortgaan tot aan het laatste gedeelte van den nacht, omdat zijne goedheid en trouw dit verdienen. Indien wij nu beginnen met zijne goedheid, zal zijne waarheid terstond daarna volgen, en zoo zal van het eene en hel andere eene voortdurende opeenvolging zijn, gelijk zij dan ook in harmonisch verband met elkander staan. De Profeet heeft dus hel eene niel van hel andere willen onderscheiden, aangezien zij immer saamgevoegd zijn; maar hij heeft willen leeren, dat, zoo onze achteloosheid het niet belet, wij immer slof zullen vinden om God le loven, en dat wij ons niel waarlijk van den plicht der erkentelijkheid kwijten, indien wij niel voortdurend hiermede bezig zijn, evenals Hij ons voortdurend zijne goedheid en trouw bewijst. In het vierde vers richt hij zich eigenlijk tot de Levieten, die met het zingen waren belast, opdal zij de muziekinslrumenlen ter hand namen; niet alsof dit
Psalm 92 : 4 en 5.
op zich zeiven noodzakelijk was, maar omdal dil voor hel oude volk een nuttig middel ter leering en stichting geweest is. Want God heeft niet gewild dat men de harp zou bespelen, alsof Hij naar de wijze der menschen, behagen schiep in de melodie, maar omdat de tijd der volkomenheid nog niet was gekomen, en zoo heeft Hij de Joden onder deze kinderachtige beginselen gehouden, liet doel nu is geweest, dat zij, alle traagheid afwerpende zich met vrooiijken ijver zouden begeven om God van ganscher harte te loven. Want men moet wél in gedachten houden, dat de dienst van God niet in deze uitwendige dingen bestond, maar dat zij, die nog onwetend en zwak waren, deze hulpmiddelen van noode hadden om Hem op geestelijke wijze te dienen. Evenzoo moet men ook wél in het oog houden het verschil tusschen het oude volk en het nieuwe; want nu Christus geopenbaard is, en de Kerk tot vollen wasdom is gekomen, doen zij, die het licht des Evangelies nog in de oude schaduwen hullen, niets anders dan het verstikken. Hieruit leeren wij dat de Papisten door muziekinstrumenten te gebruiken geene navolgers, maar ware naapers zijn van de vaderen, daar zij nog in den schaduwdienst der Wet behagen schappen, waaraan het Evangelie een einde gemaakt heeft. Van deze zaak zullen wij nog elders hebben te spreken.
5. Want Gij o Jehovah hebt mij ver blij d door uwe werken. De Profeet geeft opnieuw te kennen, dat de Sabbatdag niet verordineerd was opdat de menschen dien dag niets zouden doen, maar opdat zij al hunne vermogens zouden gebruiken om Gods werken te bepeinzen. Tegelijker tijd toont hij ook aan, dal diegenen wettige en geschikte verkondigers zijn van den lof Gods, die zijne vaderlijke milddadigheid over hen overdenken en gevoelen, opdat zij gewillig en met een vroolijk hart zich lot dien plicht der godsvrucht begeven. Maar intusschen geeft de Profeet te kennen dat, zoo wij de werken Gods nagaan gelijk het betaamt, zijne goedheid en trouw daarin duidelijk zullen blijken, waarvan hij boven gesproken heelt. Want ziehier in korte woorden waar onze blijdschap uit voortkomt, te weten: dal God zich Vader jegens ons betoont, en ons betuigt, dat ons heil Hem dierbaar is; gelijk ook de ooizaak van onze stompzinnigheid is, dat wij allen smaak verloren hebben, als het er op aankoml het doel van Gods werken te proeven. En daar nu het gansche heelal roept, dat God goed en waar is, zoo laat ons leeren verstandig acht te geven op deze getuigenissen, opdat een heilige blijdschap ons dringt zijn' heiligen naam te loven.
Psalm 92 : 6.
6. O Jehovah! hoe groot zijn uwe werken! Zeer diep zijn uwe gedachten gevormd. 7. De dwaze mensch zal ze niet kennen, en die geen verstand heeft, zal ze niet begrijpen. 8. Als de goddeloozen bloeien als het gras, en alle werkers der ongerechtigheid vermenigvuldigen, opdat zij eeuwiglijk omkomen. 9. Maar Gij, Jehovah, zijt hoog verheven tot in eeuwigheid.
G. 0 Jehovah! hoe groot zijn uwe werken. Nadal de Profeet in hel algemeen van de werken Gods gesproken heelt, daall hij Ihans af lol een bijzonder soorl, le welen: dal God de wereld regeerende door zijne gerechligheid, hoewel Hij voor een' lijd de slraiquot; der zonde uilslell, len laalsle loch loonl, dal Hij niel blind is, hoe lang Hij ook zijn' loorn moge inhouden, en evenzeer dal Hij, als Hij zijne dienslknechlen onder het kruis brengt, hun heil niet gering acht. Naar mijn oordeel is de reden waarom hij inzonderheid dit deel noemt, hierin gelegen, dat de wanorde die in hel leven der menschen wordt waargenomen, eene zware schaduw werpt over de orde van Gods voorzienigheid. Want wij zien, dat de goddeloozen zich vroolijk maken alsol er geen Rechter was in den hemel, en zich beroemen op hun goed geluk ; en als quot;ij hen spaart, gaan zij zich onder dit voorwendsel le builen om nog meer kwaad te doen, alsof zij aan zijne hand hadden welen te ontkomen. Bij deze verzoeking komt nog onze eigene stompzinnigheid, zoodat wij denken, dal God alle zorge voor de wereld van zich afgeworpen hebbende, nu ledig nederzil in den hemel. En wederom: wij kennen de zwakheid van ons vleesch waar hel aankomt op verdrukkingen le lijden De Profeet heeft dus voorbedachtelijk dit deel gekozen, waarin hij aantoont dal God waakt vooi hel heil van hel menschelijk geslacht. Hij begint mei een' uitroep, want onze geest is zóó beneveld, dal de reden van Gods werken voor ons verborgen is, al schittert zij ook met nog zoo veel glans en luister. In de eerste plaals moeien wij verstaan, dal de Profeet hier niel spreekt van de schepping van hemel en aarde, noch van de algemeene voorzienigheid, van God in het bestuur der wereld, maar dat hij zijn woord beperkt tol de oordeelen, die Hij onder de menschen uitvoert. Nu roept hij uil dat de werken Gods in dit opzicht groot en heerlijk zijn, en zijne gedachten diep; le welen, omdat Hij hel menschelijk geslacht regeert op eene wijze, die ons ver-
342
Psalm : 6 en 7.
stand niel kan bevallen. Wanl gewis, zoo hel in onze machl stond, zou een iegelijk onzer wel gaarne de orde Gods omkeeren. En daar dit nu niet in onze macht is, beschuldigen wij Hem zijdelings, dat Hij zich niel genoeg haast, heizij om de geloovigen te verlossen, of wrake te doen aan de goddeloozen. Want er is niets dat ons minder redelijk toescliijnt dan dal Hij rustig nederzil, terwijl zij zich tegen Hem verheffen en met drieste vermetelheid zich le buiten gaan in allerlei kwaad, en de vromen en eenvoudigen naar hartelust kwellen; het schijnt, zeg ik, onverdraaglijk, dal God zijne diensliinechlen aldus blootstelt aan de beleedigingen en geweldenarijen der boozen, en alzoo aan bedrog en leugen, aan roof en doodslag en alle andere ongerechligheiden den vrijen teugel laat. En wat zullen wij er van zeggen dat zijne waarheid in duisternis is verborgen, en dal zijn heilige naam smadelijk onder de voeten wordt vertreden? Dal is de grootheid en majesteit van Gods werken, dat is de diepte van zijn' raad, die de Proleet zoo zeer bewondert. Hel is voorzeker wel waar, dat er in hel werk dezer wereld zoodanige hoogte van macht en wijsheid Gods is, dat zij ons verstand zeer verre te boven gaat; maar de Profeet heeft zeer bepaald willen terughouden van tegen God te murmureeren, als Hij hel menschelijk geslacht anders regeert dan wij hel zouden wenschen. Heigeen dus door ons gewoon menschelijk verstand verafschuwd wordt, dal beveelt hij ons vol eerbied le bewonderen; want ten einde onze gehoorzaamheid op de proef le stellen, heft Hij zijne verborgene oordeelen op verre boven hel bereik van ons verstand.
7. De dwaze mensch zal ze niet kennen. quot;ij voegt er dit uitdrukkelijk bij, opdat wij goed begrijpen, dal, zoo wij aan de oordeelen Gods den lof niet geven, die er aan toekonit, de schuld aan ons ligt. Want, hoewel hij gezegd heeft, dat dit diepe verborgenheden zijn, zoo zegt hij thans evenwel, dat, zoo zij voor ons niet duidelijk zijn, dit aan onze slompzinnigheid te wijten is. Nu bestempelt hij met den naam van Dwazen alle ongeloovigen, en stelt hen stilzwijgend tegenover de geloovigen, die God door zijn woord verlicht Want deze onwetendheid en verblindheid heerschen in ons aller hart, totdat ons door de hemelsche genade de oogen geopend worden. Daarom moeten wij God bidden, dal Hij onze oogen reinigt, ten einde zijne werken goed le kunnen beschouwen. Intusschen neemt hij den smaad weg van de onbegrijpelijke wijsheid Gods, door allen als dwazen en onzinnigen te veroordeelen, die haar verwerpen; en hij ontrukt de geloovigen aan hunne onverschilligheid, opdat zij
Psalm 92 : 7 â9.
zich vlijtiger er op toeleggen om de verborgenheden van Gods werken na te gaan.
8. Als de goddeloozen bloeien. Hij spot met zoodanige dwaasheid door een schoon en zeer gepast beeld te gebruiken: omdat wij oordeelen, dal de boozen, als zij niet terstond vernederd worden, als het ware over God zeiven triomfeeren. Nu is er eene zekere concessie in zijne woorden, daar hij erkent, dat zij uitspruiten en bloeien; maar men moet wel letten op de verbetering, die er terstond bijgevoegd is, dat zij, evenals het gras, slechts voor eene kleine wijle bloeien, omdat hun voorspoed en geluk weldra lanen en verdorren. En aldus neemt hij wijselijk het struikelblok weg, waaraan schier de geheele wereld zich stool, omdat wij al te dwaas denken, dat zij, die toch hun' ondergang reeds nabij zijn, gelukkig zijn. Wel is hel waar dat zij heden bloeien, maar morgen worden zij afgesneden en verdorren. Aan eene andere plaats (Ps. 129 : 6) zullen wij zien, dal zij vergeleken worden bij gras, dat op de daken groeit, omdat, wijl hel de veiligheid der aarde niet heeft, waaraan hel zijn voedsel onlleenl, het van zelf sterft. Maar thans stelt de Profeet zich tevreden met een eenvoudig beeld, en zegt dal de voorspoed der boozen hun' ondergang verhaast, evenals wanneer hel gras rijp is, het slechts op de zeis wacht. En men moei vvel letten op de tegenstelling tusschen den korten duur van hun geluk en hun leven, en hel eeuwig verderf; alsof hij zeide, dat zij niet afgesneden worden om in de lente wederom uit te spruiten, gelijk het doode gras, dat wederom leven en kracht verkrijgt, maar dal zij veroordeeld zijn tot een eeuwig verderf. Wanneer hij daarentegen zegt, dal God hoog verheven, gezelenis in den hemel, dan wordt dit door sommigen zoo verstaan, alsof hij verklaarde, dat God de macht en het ambt heeft om de wereld le regeeren, opdat wij ons niet voorstellen dal er iels bij geval geschipdl, wanneer een zoo rechtvaardige Rechter de menschelijke zaken regelt en bestuurt. Dezen geven die verklaring, anderen wederom eene verschillende. Wat mij betreft, het schijnt mij toe dat de Profeet eene vergelijking maakt tusschen de vastheid van den troon Gods, en de beroering en beweeglijkheid der wereld, alsof hij zeide, dal men God niet schallen moei naar de wereld, waarin niets zeker of vast is. Want het is gansch wal anders wanneer Hij, die in rust is, de dingen der aarde van Boven gadeslaal, en dat niet slechts om op het verschil te wijzen tusschen God en de schepselen, opdat hij de eere krijgt die Hem toekomt, maar ook opdat wij leeren ons le verheffen
344
Psalm 92 : 9 en 10
boven ons zeiven en boven de geheele wereld, telkenmale als er sprake is van zijne heerlijke en verborgene voorzienigheid; omdat de blik van hen, die nog op aarde verkeeren, beneveld is. Opdat wij dus de oordeelen Gods zouden kunnen beschouwen, die in de wereld niet gezien worden, geelt de Profeet door dit woord Hoogheid te verstaan, dat God niet werkt naar onzen zin en lust, maar naar het door zijne eeuwigheid wordt vereischt. Ons aangaande, omdat ons leven kort is, en onze ondernemingen meestal niet uitgevoerd worden, daar zij door vele en velerlei beletselen worden vertraagd, en de gelegenheid zich niet altijd voordoet, haasten wij ons, en naarmate de wereld voortdurend beroerd wordt, wordt ook ons gelool' beroerd en aan het wankelen gebracht; en daarom stelt de Profeet ons God voor oogen, gezeten op zijn' eeuwigen, onwankelbaren troon, zijne oordeelen uitstellende tol den door Hem bestemden tijd. Deze eerenaam heelt dus niet alleen betrekking op het wezen Gods, maar ook op de bevestiging van ons geloof; alsol hij gezegd had: Hoewel de geloovigen droevig zuchten op de aarde, en sidderen, zoo woont toch God, die de Hoeder is van hun leven, in den hemel, en beschermt hen door zijne eeuwige kracht.
10. Want zie, uwe vijanden, o Jehovah! want zie, uwe vijanden zullen vergaan, allen die ongerechtigheid doen, zullen verstrooid worden. 11. En Gij zult mijn' hoorn verhoogen als die des eenhoorns; ik ben met groene olie overgoten. 12. En mijn oog zal op mijne verdrukkers zien; op hen die tegen mij opstaan; en op hen, die mij belagen, zullen mijne ooren gericht zijn.
10. Want zie, uwe vijanden. Uit den vorigen zin leidt hij al', dat het niet anders mogelijk is, of' God moet ten laatste zijne vijanden nederwerpen. En hierin zien wij nog duidelijker hetgeen ik zoo even geleerd heb, namelijk, dat de bedoeling van den Profeet geene andere strekking heeft, dan ons geloof te wapenen tegen alle aanvechtingen, en voornamelijk om het struikelblok weg te nemen, dat velen van den rechten weg afgeleid worden, als de voorspoed der boozen de voorzienigheid Gods verduistert. Dewijl hier nu een zware strijd gestreden moet worden, dringt de Profeet sterk aan op de bevestiging zijner leer. Want zoowel hel beloog als de herhaling hebben
345
Psalm 92 : 10â
eene zeer groote kracht van uitdrukking. Ten eerste: hij verklaart met niet minder stelligheid dat de vijanden van God zullen vergaan, dan wanneer hun verderf reeds voor zijne oogen was, eh dit bevestigt hij ten tweeden male. Hieruit leeren wij, hoe nuttig hel hem was om met het oog des geloofs over deze wereld heen en op den troon Gods in den hemel te zien. Zoo laat ons dan uit zijn voorbeeld leeren, om, telkenmale als de voorspoed der goddeloozen ons geloof aan het wankelen brengt, ons te verheffen naar den hemel, want dan zal deze leer zich terstond aan ons voordoen, dat de voorspoed van de vijanden Gods onmogelijk lang van duur kan zijn. Te gelijker tijd wijst de Profeet ook aan wie de vijanden Gods zijn. Want Hij haat niemand zonder oorzaak, veeleer draagt Hij den menschen, dewijl zij zijne schepselen zijn, eene vaderlijke liefde toe. Daar echter niets zóó indruischl tegen zijne natuur als onrechtvaardigheid, verklaart Hij een' onverzoenlijken krijg aan alle goddeloozen. Ook vloeit hier geene kleine vertroosting uit voort voor de geloovigen, als men hun zegt wat de oorzaak is van hel verderf der goddeloozen, dat zij noodwendig door God gehaat moeten worden, daar Hij zich zeiven niet kan verloochenen. En een weinig verder verklaart de Profeet ook, dat hij zich dit doel voor oogen gesteld heeft, opdat deze hoop al hel leed zou verzachten, dal hem zou kunnen treffen. Onder het beeld van olie loonl hij de zegeningen Gods, die zijn deel zullen zijn. Ilij noemt groene olie, die welke versch, niet ranzig is, en hare kracht niet heeft verloren door ouderdom. Hel is ook opmerkelijk dat hij op zich in het bijzonder toepast de genade Gods, die aan alle godvruchligen gemeen is. Want hiermede loonl hij, dal eene algemeene leerstelling koud en dood is, zoo lang men niet voor zich zeiven de overtuiging heeft een kind Gods te zijn, en er dus deel aan te hebben. Eindelijk, hoewel de vijanden hem plagen en kwellen, hem nu eens lagen leggen in hel verborgen, en hem dan wederom aanvallen met openlijk geweld, is hij er loch van verzekerd dal God hem te hulp zal komen, len einde te kunnen volharden in den krijg, die de wereld hem zonder tusschenpoozen aandoet. Hieruit ziel men tevens hoe onbedachtzaam sommige Rabbijnen verzonnen hebben dat Adam de auteur was van dezen Psalm. Alsof het mogelijk was dat zijne nakomelingen legen hem zijn opgestaan!
13. De rechtvaardige zal groeien als de palmboom, hij zal vermenigvuldigd worden als de ceder op den
346
Psalm 92 : 13â15.
Libanon. 14. Zij zullen geplant worden in het huis van Jehovah, en zullen bloeien in de voorhoven onzes Gods. 15. Zij zullen nog vruchten dragen, zij zullen vet en krachtig zijn in den ouderdom. 16. Opdat zij verkondigen dat Jehovah recht is, dat Hij mijn rotssteen is, en dat in Hem geene ongerechtigheid woont.
13. Be rechtvaardige zal bloeien. Hij gaal weder over lol eene leerstelling van aigemeene loepassing: hoewel God de zijnen voor een' lijd beproeft mei velerlei wederwaardigheden, hen onderwerpt aan allerlei kwelling en leed, hen bezoekl mei rampen, zoo zal toch de uitkomst loonen, dat ilij lien niet vergelen heeft. En het is niet te verwonderen, dat de Proleet zoo sterk aandringt op deze leer, want niets is moeielijker voor de heiligen dan, wanneer zij als dood zijn en hun leven verborgen is, toch te hopen op wederherstelling. Sommigen denken dal door de Cederen een welriekende geur, en door den Palmboom eene zoete vrucht wordt aangeduid, maar dit is (misschien) al te gezocht. Het eenvoudigste is te zeggen, dat, hoewel zij voor een' tijd verdroogd, ja afgesneden waren, zullen zij toch na nieuwe krachten te hebben verkregen wederom opbloeien, zoodal zij met niet minder schoonheid en waardigheid zullen schitteren in de Kerk dan de cederen op den Libanon. Nu verklaart hij tegelijk ook van waar hun de kracht komt, die hen doel groeien, zeggende; Dat zij geplant zijn in het huis van Jehovah, niet slechts omdat zij daar eene plaats innemen (hetgeen ook met de geveinsden hel geval is) maar omdat zij levende wortelen hebben, zijn zij er wèl gegrond, zoodal zij God vast aanhangen. Als hij spreekt van de Voorhoven, zinspeelt hij op den vorm van den Tempel, omdat het alleen aan de Priesters geoorloofd was in het Heilige te komen, en hel volk aanbad in de voorhoven. Hij bedoelt dus, dat zij, die in het huis Gods geplant zijn, met Hem vereenigd zijn door eene ware en innerlijke genegenheid des harten, en daarom zegt hij, dat hun geluk niet van voorbijgaanden aard is, omdat het niet afhankelijk is van de wereld. Want er is niet aan te twijfelen, dal hij, de wortelen gelegd hebbende in de voorhoven Gods, dit bloeien uitstrekt lol het geestelijke en eeuwige leven. In dien zelfden zin zegt hij, Dat zij nog vruchten zullen dragen en dat zij in den ouderdom (die alle natuurlijke sappen en zelfstandigheden doel opdorren) nog vet zullen zijn. Want hel is even goed alsof
347
Psalm 92 : 15 en 16.
hij hen van hel gemeene lol van andere menschen vrijslelde, of liever, dal hij hun leven van de algemeene Wet der naluur vrijslelde. Op deze wijze zegt Jesaja, sprekende van de vernieuwing der Kerk, dat in dien gezegenden staal een grijsaard van honderd jaren gelijk zal zijn aan een kindeke (Jesaja 65:20) waarmede hij bedoelt., dal, hoewel de ouderdom natuurlijk lol den dood neigt, zoodal iemand van honderd jaren al voor de helft dood is, zoo zal toch onder de regeering van Christus het intreden in het honderdste jaar als de kindsheid, het begin des levens zijn, hetgeen niet anders vervuld is dan hierdoor, dat wij na den dood ons leven voortzetten in den hemel.
16. Opdat zij verkondigen dat Jehovah recht is. Dit slot bewijst ten duidelijkste, dat de Profeet voornamelijk wil aan-loonen, dal de geloovigen onder alle moeielijkheden en beproevingen kalm en rustig moeten blijven, en hoewel zij zich hard behandeld zien, terwijl de goddeloozen genieten van rijkdom en macht, gezond en krachtig zijn naar het lichaam, zich baden in weelde, in eer en aanzien zijn bij de menschen, geduldig moeten verbeiden totdat God, ter bestemder lijd de duisternis verdreven hebbende, geregelde orde stelt op de zaken. Hij zegl inzonderheid om te verkondigen dat Hij recht is, omdat zoo Hij de zaken dezer wereld niet bestuurt naar onzen zin en lust, ons vleesch zich niet slechts inbeeldt, dat Hij de wereld veronachtzaamt, maar het beschuldigt Hem nog van onrechtvaardigheid, alsof Hij zijne dienstknechten verlaat en begeeft, en aan de ondeugd vrij spel laat. Indien God zijne gerechtigheid toont, als Hij wrake doel aan de goddeloozen, dan moet men het voor zeker houden, dal al bun geluk slechts eene toebereiding is tot hun verderf. En als de Profeet God zi/n Rotssteen noemt, stelt hij zich opnieuw onder hen, aan wie God zijne gerechtigheid zal openbaren door hun heil te handhaven.
PSALM; 93.
INHOUD: Bij den aanvang roemt hij de onbegrijpelijke heerlijkheid Gods; dan voegt hij er bij, dat Hij getrouw is, zoodat Hij de zijnen nooit teleurstelt of misleidt, als zij te midden der beroeringen en schuddingen der wereld, zijne beloften aannemen en met kalmen moed wachten op zijn heil.
348
4»
Psalm 93 : 1.
1. Jehovah heeft geregeerd; Hij heeft zich bekleed met majesteit; Jehovah heeft zich bekleed met sterkte; Hij heeft (er) zich (mede) omgord; ook heeft Hij de wereld bevestigd, zij zal niet bewogen worden. 2. Uw troon is bevestigd; van eeuwigheid af zijt Gij,
1. Jehovah heeft geregeerd. Wij zien hier iets, waarvan ik le voren reeds met een enkel woord heb gesproken, le welen, dal ons in de maclil Gods een grond van vertrouwen wordt voorgesteld; want vrees en verschrikking zullen meestenlijds hieruit voortkomen, dat wij God niet hekleeden met zijne macht, gelijk dit redelijk en verstandig is; maar Hem snoodelijk van zijne macht en heerschappij herooven. Wel is waar durven wij dit niet zoo openlijk te doen; maar als wij er wèl van overtuigd waren, dat Hij almachtig is, dan zou ons dit een onverwinlijke steun zijn tegen alle aanvallen der verzoeking. Allen belijden wel met den mond wat de Profeet hier zegt, te weten, dal God regeert, maar hoe velen houden dit schild voor aan de machten dezer wereld, zoodal zij voor niets ter wereld, hoe schrikkelijk hel ook zij, bevreesd zijn? Ziedaar dus de heerlijkheid Gods, dat Hij het menschelijk geslacht regeert naar zijn' wil en welbehagen. Er wordt gezegd: Zich bekleeden met ma jeateit en kracht', niet opdat men zich iets in Hem denken zou, dat van buiten af tot Hem is gekomen, maar om ons door de daad en door de ervaring te toonen, dat Hij hel menschelijk geslacht met bewonderswaardige rechtvaardigheid en wijsheid in wezen houdt. Nu bewijst hij door de schepping der wereld, dal God nooit de zorg er voor van zich werpt. En gewis, een enkele blik moest ons volkomen genoeg zijn om ons de voorzienigheid Gods te getuigen. Dagelijks wentelt zich de hemel, en in deze zoo ontzaglijke massa is er geene botsing, waardoor hij in zijne snelle wenteling vertraagd of opgehouden wordt. De zon keert met ieder jaar terug naar haar uitgangspunt, hoewel zij in hare dagelijksche wenteling een' anderen loop volgt. De planeten verlaten in haren loopkring de haar aangewezene baan niet. Hoe zou het mogelijk zijn, dal de aarde in de lucht bleef hangen, indien zij door de hand Gods niet werd ondersteund? Hoe zou zij onbeweeglijk kunnen blijven bij zoo snelle beweging der hemelen, als zij niet de vastigheid had, die haar Maker in haar gelegd heeft? Er is dus in dit woordeke Ook eene zeer
349
Psalm 93 : 1â3.
groote kracht gelegen, gelijk wij in het Latijn zouden zeggen: En voorzeker.
2. üw troon is bevestigd. Sommigen vertalen hier: Uw troon is bereid, hetgeen niet slechts overeenkomt mei den tekst, mits men deze twee leden aaneen leest: lleere, daar Gij van eeuwigheid zijt, is U ook van toen aan een troon bereid. De uilleggers willen dit alleen op de eeuwigheid van God doen zien, maar dit is koud en schraal, want de Profeet leert in deze woorden, dat, gelijk het wezen Gods eeuwig is. Hij ook van eeuwigheid al met majesteit en maclit bekleed is geweest. Want door dit woord Troon verstaal hij door het woordfiguur, volgens hetwelk men een deel neeml voor het geheel, de gerechtigheid en het ambt van te regeeren, gelijk deze beeldspraak, ontleend aan de menschen, van wege de zwakheid van ons verstand, op God wordt toegepast. Door dezen eerenaam nu weerlegt de Profeet al die grove verzinselen, die de macht Gods te niet doen of verzwakken; alsof hij zeide, dat God niet God zou zijn, indien Hij niet gezeten was op zijn' troon, d. i. indien Hij de wereld niet regeerde.
3. De rivieren hebben zich verheven, Jehovah; de rivieren hebben verheven bare stem; de rivieren zullen verheffen hare golven. 4. De golven der zee zijn schrikkelijk, van wege het bruisen der groote wateren; Jehovah is vreeselijk in den hooge. 5. Uwe getuigenissen zijn zeer waar bevonden: aan uwen huize is heerlijkheid, de heiligheid van Jehovah is voor een' langen tijd.
3. De rivieren hehhen zich verheven, Jehovah. Dit vers wordl door de uitleggers verschillend verklaard. Sommigen achten, dat door beeldspraak de heftige aanvallen aangeduid worden van hen, die tegen de Kerk zijn opgestaan, terwijl de genade Gods wordl verheerlijkt, die hen tot zwijgen heeft gebracht. Anderen willen het liever eenvoudig nemen dan er beeldspraak in te zien, in dier voege: Hoewel het bruisen der groote wateren vreeselijk is, en de golven der zee nog ontzagwekkender, zoo is loch God schrikkelijker dan die allen. Ik voor mij, gelijk ik
350
Psalm 93 : 3â5.
niet sla op het vernuftige van de vergelijking, twijfel ik ook niet of de Profeet heeft door eene treffende schildering de macht Gods willen aanduiden, alsof hij zeide, dat wij nergens de macht van God zoo blijkbaar, en zijne majesteit zoo ontzaglijk zien als in den onstuimigen loop der rivieren en in de stormen op zee, gelijk ook gezegd is in Psalm 29: 4, dat de stem van God weerklinkt in den donder. Waar het op neerkomt is, dat God zijne kracht openbaart in hel bruisen der rivieren en in de onstuimige golven der zee, waardoor Hij ons beweegt tol eerbied voor Hem. Indien de vergelijking ons nu behaagt, moet er bijgevoegd worden, dat dit alles niets is, als wij komen tol de majesteit Gods, gelijk zij gezien wordt in den hemel. Ik weerspreek echter niet, dat men er ook dien zien uil kan halen: Hoewel op den eersten aanblik deze wereld op velerlei wijzen bewogen wordt, toch wordt er de macht Gods volstrekt niet door verminderd, want door zijne ontzaglijke heerschappij brengt Hij zeer gemakkelijk alle beroeringen tot bedaren.
5. Uwe getuigenissen. Tot nu toe heeft de Profeet verhaald hoe wonderbaar God is in de schepping der wereld, zoowel als in zijne heerschappij over het menscbelijk geslacht; thans maakt hij melding van eene bijzondere weldaad, die het Hem behaagd heeft te bewijzen aan het uitverkoren volk, door aan hetzelve de leer der zaligheid te openbaren. In de eerste plaats roemt hij de Wet Gods, van wege hare waarheid en standvastige Irouw; omdat deze schat echter niet aan alle volken zonder onderscheid was aangeboden, voegt hij er onmiddelijk bij, dat het huis Gods lol in eeuwigheid met heerlijkheid en glans is versierd. Hoewel dus de goedheid Gods zich uitstrekt over geheel de wereld, is het met volle recht dal de Profeet deze onwaardeerbare weldaad Gods verheerlijkt, dat Hij het verbond des eeuwigen levens aan zijne Kerk heeft gegeven, opdat zijne hemelsche heerlijkheid daar met te meer glans en luister zou schitteren. Sommigen nemen het Hebreeuwsche woord naawah, dal wij vertaald hebben door Huis, voor iets begeerlijks, alsof de Profeet had gezegd, dal de heerlijkheid des Tempels kostelijk is; maar de grammatica eischt eene andere opvatting. Door langheid der dagen wordt eene onafgebroken opeenvolging aangeduid, waarvan ook door .lesaja op voortreffelijke wijze gesproken wordt: Zie, Ik heb mijn Woord in uwen mond gelegd, en in den mond uws zaads en van het zaad dat daarna komen zal (Jes. 59:21), opdat de hemelsche leer in trouwe hoede en bewaring zijnde, gedurende een zeer lang tijdsbestek zal beslaan en bloeien.
351
Ps^lm 94 : 1.
PSALM: 94.
INHOUD; Hg smeekt de hulp af van God tegen de goddeloozen en geweldigen, die de Heiligen wreed en tyranniek verdrukten. En er is niet aan te twijfelen, dat liij spreekt van binnenlandsche verdrukkers, wier goddelooze heerschappij niet minder schadelijk en kwellend was voor de Heiligen dan al het kwaad, dat hun door de Heidenen berokkend werd.
1. O Jehovah, God der wraken, o God der wraken verschijn blinkende. 2. Verhef U, Gij, die de Rechter der aarde zijt, geef de hoovaardigen hun loon. 3. Hoe lang zullen de goddeloozen, Jehovah, hoe lang zullen de goddeloozen zich vroolijk maken? 4. Zij snappen; zij spreken met heftigheid, alle werkers der ongerechtigheid verheffen zich. 5. Zij vertreden uw volk, Jehovah, en verdrukken uw erfdeel. 6. Zij dooden de weduwe en den vreemdeling, en vermoorden de weezen.
i. Jehovah, Ood der wraken. Hel is zeker dat de Joden omringd waren door kwade naburen, en dal dezen even zoo vele zeer wreede vijanden waren, die niel opliielden hen le plagen en le kwellen. Omdal loen ecliler de boozen naar hartelust heerschappij voerden, werden zij door innerlijke smart nog veel meer gekweld, en daarom is het te recht, dal de Proleet God aanroept, opdat Hij dit zoo ernstige kwaad weg zou nemen. Het is eene zeer gebruikelijke uitdrukking, dat God zich helder en duidelijk zal loonen, en dal Hij hoog veiheven is, als Hij zich door de daad als Rechter beloont der wereld; want dan schijnt Hij zijn troon le beklimmen, ten einde de boosheden te straffen, en zijne kracht le openbaren ten einde de wereld onder zijne gehoorzaamheid te brengen. En dit wordt gezegd ten onzen behoeve, want wij gevoelen niel, dal Hij voor ons zorgt.
352
Psalm 94 : 2 en 3.
dan wanneer Hij openlijk zijne hand over ons uitstrekt, en wel op schier zichtbare wijze, om cns te hulp te komen. En wat betreft, dat Hij tweemalen Qod der wraken wordt genoemd, en daarna Hechter der aarde, deze benamingen passen bij de omstandigheden van het oogenblik; alsof de Profeet Hem opriep en vermaande tot zijn ambt en plicht door aldus tot Hem te spreken: Heere, hel is uw ambt en werk om wrake te doen over de boozen en de aarde te richten. Nu ziet Gij, hoe zij zich (rotsch en vermetel verheffen, als hunne ongerechtigheid ongestraft blijft Niet alsof God het noodig had vermaand en opgewekt te worden, quot;'ji die nooit onachtzaam is, maar als Hij langzaam werkt dit veeleer doel omdat Hij zijne oordeelen matigt naar dat Hij dit noodig vindt; maar de geloovigen beoordeelen zijne natuur aldus bij zich zeiven, ten einde daardoor den moed te erlangen om op betere dingen te hopen, en zich daarna op te wekken tot vuriger gebed. Dit is ook het doel van de herhaling. Hoe meer de goddeloozen zich dus te buiten gaan in boosheid, hoe meer deze leer ons voor oogen moet zijn, dat het God niet ontnomen kan worden Rechter der aarde te wezen, ten einde de goddeloosheid le straffen. En hoewel God, naar het gevoel van ons vleesch, zich in duisternis verbergt, zoo moeten wij toch vasthouden aan dezen vorm van gebed, die ons door den Heiligen Geest is voorgeschreven, nl. dat Hij ten laatste blinkend zal verschijnen,
3. Hoe lang, o Jehovah1? De Profeet verontschuldigt ïijn ijver daarmede dat het tijd is zich te haasten, wijl de goddeloozen zich buitenmate verhoovaardigen. Omdat de noodzakelijkheid ons dus moed behoort te geven, en wij zullen weten dat rechtmatige gebeden verhoord worden, betuigt de Profeet dat zijne klacht niet voortkomt uil eene geringe of beuzelachtige oorzaak, maar hem door zwaar en grievend onrecht wordt afgeperst. Ook door de tijdsomstandigheid wordt hunne verkeerdheid zeer verzwaard, omdat zij zich door de lankmoedigheid Gods verhard hebben, en door die verharding niet slechts weerstrevend zijn geworden, maar ook onbeschaamd, alsof God hunne ongerechtigheid begunstigde. Want door deze uitdrukking Hoe langy die tweemaal herhaald is, wordt eene langdurige straffeloosheid aangeduid, alsof hij gezegd had, dat de boozen niet maar te dezer ure begonnen zijn, maar dat zij niet aflaten van te zondigen, omdat zij dit al zoo geruimen tijd straffeloos gedaan hadden. En dewijl nu de goddeloozen voormaals zulk eene groote tyrannic over de Kerk hebben uitgeoefend, en God dit niet terstond verholpen heeft, zoo moeten wij er ons niet over verbazen dat de Dl. n. 23
353
Psalm 94 : 3â5.
Kerk ook heden nog onderworpen is aan verdrukkingen, die zeer lang duren; en ook niel denken, dal zij gansch en al door God is verlaten, ai slaat Hij ook niet terstond de hand aan de genezing van hare krankheden. Door het werkwoord zich vroolylc maken geeft I'M eene vroolijkheid te kennen. die vol is van hoon en snoeverij, als de boozen, bedwelmd door hun langdurigen voorspoed, zich inbeelden, dat alles hun vrijstaat.
4. Zy snappen. Hij drukt dit nog duidelijker uit, nl dal de boozen opgeblazen zijn door zulk een' hoogmoed, dat zij niet aarzelen om zich op hunne boosheid te beroemen. Het werkwoord nawang, dat wij vertaald hebben door snappen, beteekenl meer dan spreken. Want, daar het eigenlijk koken of opborrelen beteekenl, wordt hel door beeldspraak gebruikt voor onbedachtzaam spreken. Nu zien wij hoe de boozen door hun hoogmoed en eerzucht vervoerd worden, zoodat zij zich lot hunne schande beroemen op hunne macht; want, als zij dreigen, blazen zij moord, geweld en wreedheid. Dit zijn de opborrelingen, waarvan de Profeet spreekt, als de boozen hunne schande vergelen, en alle ingetogenheid lei zijde leggen, niel vreezen om zich Ie beroemen, dat zij alles zullen doen wal hun goeddunkt. Dal is ook de hardheid des woords, die noch door verstand ol vieeze, noch door eenigerlei eerbied voor eerlijkheid ol rechtschapenheid weerhouden kan worden om le gaan werwaarls hunne ongebondenheid hen heenvoert. Gelijk nu voormaals deze verzoeking zwaar was voor de geloovigen, om de Kerk onder eene heerschappij te zien, die volslagen wanorde was, zoo wordt ons ook heden geleerd, telkenmale als de Kerk gansch verkeerd geregeerd wordt, of liever onder groole verdrukking gebukt gaat, dal baar niets nieuws overkomt, maar dat hel betaamt God aan le roepen, die gewoon is, na zich lang te hebben ingehouden, de zijnen le hulp le komen.
5. Zij vertreden uw volk. Na van hunne buitensporige snoeverij in woorden gesproken le hebben, beschrijft hij thans hunne daden, le welen, dat zij op onmenschelijke wijze de Kerk verdrukken. Indien hel nu reeds onredelijk is, dat onderdanen onrechtvaardig door Heidensche Koningen verdrukt worden, dan is hel voorzeker nog veel ondraaglijker, dal hel uitverkoren volk van God, dal zijn bijzonder erfdeel is, op tyrannieke wijze verdrukt zou worden. Nu moeten wij ons herinneren, dal ons hier een vorm van gebed wordt gegeven, telkenmale als wij en de andere geloovigen door de goddeloozen, en voornamelijk door
354
Psalm 94 : 5â7.
inwendige vijanden, gekweld worden. Wanl, daar Hij zorgt voor ons heil, niet slechts omdat Hij ons geschapen heeft, maar ook omdat wij Hem dierbaar zijn, als zijnde zijn bijzonder erfdeel, zoo zullen wij, als ons onrecht geschiedt, ons ook des te gemeenzamer tot Hem mogen wenden. Nu volgt eene andere uitbreiding, nl. dat zij zelfs de weduwen niet sparen, en dat zij de weezen en de vreemdelingen vermoorden. En toch heeft God, na ons in het algemeen geboden te hebben, recht en gerechtigheid te betrachten en te beoefenen jegens elkander, ons bovenal de weduwen en weezen en de vreemdelingen bevolen, omdat dezen meer blootgesteld zijn aan onrecht, en dus meer barmhartigheid en menschlievendheid behoeven dan de anderen. Daarom wordt de boosheid en Godsverachling des te meer openbaar, wanneer wreedheid jegens dezen uitgeoefend wordende, niet slechts het gemeene recht wordt geschonden, maar ook het voorrecht wordt aangetast dat God hun verleend heelt om hun welzijn te bevorderen en te bewaren. Al wie zich dus wreedelijk jegens hen verheft, zal meer dan anderen, den toorn Gods tegen zich gaande maken. En daar kleine kinderen zich niet zeiven kunnen verdedigen, zal hun zwakke leeftijd hen zelfs tegen wilde dieren beschermen. Is het dan niet monsterachtig in de menschen, dat zij hunne krachten beproeven tegen dezen? Nu wordt ons dus als in een'spiegel getoond in welken elhndigen toestand de Kerk zich toenmaals bevond. Zij hadden de Wet, zij hadden de rechten en inzettingen, die door God waren bevolen; en toch zien wij hoe allerlei boosheid allerwege de overhand had. Wij moeten dus zorgvuldig er tegen waken, dat ons hetzelfde niet wedervaart. En indien het dan toch gebeurt, dat de weduwen ten prooi worden, en de weezen worden beroofd, dan moeten wij God bidden, dat Hij hunne zaak in handen neemt en hen beschermt, gelijk de Profeet ons door zijn voorbeeld leert en vermaant, om op die wijze hun leed te verlichten.
7. En zij hebben gezegd: God zal het niet zien, de God van Jakob zal er niets van weten. 8. Verstaat , gij onzinnigen onder het volk; en gij, dwazen! wanneer zult gij wijs worden? 9. Zal Hij, die het oor geplant heeft, niet hooren? Zal Hij, die het oog geformeerd heeft, niet zien? 10. Zal Hij, die de natiën tuchtigt, niet bestraffen? Hy, die de menschen wetenschap leert.
23*
355
Psalm 94 : 7â8.
7. Ãn zij hebben gezegd. Wal de Profeftt zegt van de godde-loozen, dal zij spotten met God, alsof zij Hem de oogen wilden verblinden, moet niet zóó verstaan worden, alsof zij dit duidelijk en welbewust aldus in hun hart overlegden; maar omdat zij zijn oordeel verachtten, alsof Hij zich niet in het minst of geringst om hel menschelijk geslachl bekommerde. Want, indien dit goed in hel hart der menschen ingeprent was, dal zij de oogen Gods niet kunnen vermijden, dan zou deze teugel volstaan om hen in hun levensgedrag te breidelen. Aangezien zij dus zóó vermetel worden, dat zij den een berooven, den ander te koit doen, en wederom een ander verslinden, is hel zeker, dat zij gansch verzonken zijn in hunne dierlijke slompzinnigheid, zoodat zij zich inbeelden zich voor God te kunnen verbergen. En ongetwijfeld loont deze volslagen onverschilligheid dat zij zondigen, alsof zij nooit geroepen zullen worden om rekenschap af te leggen van hun leven. Hoewel zij dus de ontzettende Godslastering niet durven uitspreken en zeggen, dal God gansch en al onbekend is met hetgeen er gebeurt, en dus bijna als een blok hout is, toch wordt hun terecht door den Profeet verweten, dal zij achten dat de wereld niet door Gods voorzienigheid wordt bestuurd, en dat zij Hem zelfs blijkbaar van zijn ambt en zijne macht als Rechter' berooven. Wanl indien zij goed overtuigd waren van zijne macht, dan zouden zij Hem tegelijk zulk eene eer bewijzen, dat zij Hem vreezen en eerbied betoonen, van welke zaken wij elders hebben gesproken. Nu wil de Profeet eene uiterste boosheid le kennen geven, nl. als de zondaar alle vreeze Gods van zich werpende, de vrijheid neemt om alles te doen wal hij wil. Indien een Heiden, die nooit iets van de hemelsche leer gesmaakt heeft, op die wijze zou spotten, het zou eene ondraaglijke razernij zijn; hoe monsterachtig is hel dan niet, wanneer zij, die in de leer der Wel onderwezen zijn, aldus met God spotten!
8. Verstaat, gij onzinnigen. Daar hel eene afgrijselijke Godslastering is om God van zijn ambt als Rechter te beiooven, bestraft0 de Profeet scherpelijk de stompzinnigheid van hen, die vertrouwen, dat zij aan het oordeel Gods kunnen ontkomen, of liever, dat zij Hem door hunne listen kunnen misleiden.' Als hij hen nu Onzinnigen onder het volk noemt, dan is dit van veel meer gewicht dan wanneer hij hen eenvoudig onzinnigen had genoemd, omdat eene zoodanige dwaasheid minder le verontschuldigen is in de kinderen van Abraham, waarvan door Mozes gezegd werd: Welk volk is er zoo edel, hetwelk zijne goden
Psalm 94 : 8â10.
zoo nabij zijn, als Jehovah, uw God, u heden nabij is? Want uwe wijsheid en uw verstand zijn voor de oo^en der volken, dat gij God tol uwen Wetgever hebt. Tenzij hij welligt onzin-nigen onder het volk noemt hen, die evenwel de voornaamsten waren, en in de hoogste eere gehouden werden, en hij hen nu de minst geëerden noemt van allen. Want het is nuttig en noodig dat de hoovaardigen, die verblind zijn door hunne eigene waardigheid, aldus vernederd worden, opdat zij begrijpen, dat zij bij God niet méér geacht zijn, dan de geringsten onder het volk. En inderdaad schijnt hij hen aldus te verlagen, opdat zij aflaten van zich aldus te behagen in hunne hoogheid; tenzij dal hij door ironie hunne statigheid beslrail, alsol hij zeide dal men hen zeer gemakkelijk aan dit leeken kan herkennen, dal zij alle anderen overtreflen in dwaasheid heigeen hij nog verzwaart door te zeggen, dal zij hardnekkig hierin volharden. Want dal is de strekking dier ondervraging: Wanneer zult gijlieden wijs worden? Als hij deze vraag steil: Zal Hij, die het oor geplant heeft, niet hooren? dan schijnt hij wel eenigszins koel de voorzienigheid Gods tegenover de boozen te handhaven, omdat niemand zóó stompzinnig is, dal hij aan God alle wetenschap wil ontzeggen. Maar (gelijk ik le voren opgemerkt heb) de grove vermetelheid en onbeschaamdheid, waaraan schier geheel de wereld zich over-geeit, bewijst dat zij, die zich stoutmoedig legen God stellen, zich, in plaats van Hem, een dooden afgod voorstellen. Want, indien zij er ten volle van overtuigd waren, dal Hij al hunne daden ziet en opmerkt, dan zouden zij Hem ten minste geen mindere eer bewijzen dan aan de sterfelijke menschen, uil eerbied en vreeze voor wie zij nalaten kwaad le doen. Hel is dus om hen op le wekken uil deze loomheid en onverschilligheid, dat de Profeet een argument voor zijn betoog ontleent aan de orde der natuur, aangezien de menschen hooien en zien; omdat dit vermogen hun nu door God, hun Schepper geschonken is, is het niet mogelijk dal iels verborgen zou zijn voor Hem, die zoowel het oor als het oog geschapen heeft.
10. Zal Hij die de natiën tuchtigt. Dit is een argument, dal van hel groolere tol het kleinere gaat, nl. dat hel niet mogelijk is, dat God, die zelfs geheele volken niel spaart, maar hunne zonden straft, enkele menschen ongestraft laat blijven. Het zou echter ook eene vergelijking kunnen wezen tusschen de Heidenen en de Joden. Want, indien God zich streng beloont jegens de Heidenen, die niet weten wal de Wet is, dan zijn de Joden, die Hij gemeenzaam onderwezen heeft in zijne school, nog veel
357
Psalm 94 : 10â11.
zwaardere slraf waardig. Wanl, daar Hij heerstht over hel uilverkoren volk, is hel redelijk en billijk, dal zijne gerechlig-heid aldaar het heldersl zal uilblinken. Ik neem echler gaarne de eersle beleekenis aan, nl. dal hel eene dwaasheid is dal enkele menschen zich slraffeloosheid beloven, daar zij loch zien hoe God geheele naliën openlijk tuchligl. Sommigen beperken dil lol de groole en gedenkwaardige wrake, waarvan melding wordl gemaakl in de Heilige Schrifl, zooals loen God Sodom en Gomorra door hel vuur des hemels heeft verwoest, en de gansche wereld door den zondvloed; (Genesis 19 en Genesis 7). Doch ik wil hel liever eenvoudiger nemen, te weten, dal de moedwilligheid van hen, die denken, dal zij wel gespaard zullen worden, terwijl zij gansche volken zien omkomen, al te domen te verkeerd is. Hetgeen hij er bijvoegt, dal God de menschen icetenschap leert, dient om het ijdel betrouwen te bestraffen van hen, die God verachtende, niets anders vragen dan den roem te verkrijgen van scherpzinnigheid en schranderheid, gelijk de Profeet Jesaja den vloek uitspreekt over de listige verachters van God, die zich diepe kuilen graven om er zich in te verbergen voor zijne oogen (Jesaja 29 : 15). En gave God, dat de wereld heden ten dage niet door eene zelfde krankheid bezocht werd! Maar wij zien hoe de hovelingen zoowel als de mannen van hel recht hunne gedachten benevelen, zoodat zij hel wagen om schaamteloos met God te spotten. Gij, zegt hij, gij, die vertrouwt op uw eigen verstand, denkt gij God te kunnen misleiden, alsof het in uwe macht was Hem van weienschap te berooven, die van uit zijn' overvloed er slechts een klein deel, een droppel, op de wereld van doet afdruipen!
11. Jehovah kent de gedachten der menschen, dat zij ijdel zijn. 12 O God! welgelukzalig is de mensch, dien Gij geleerd en onderwezen zult hebben in uwe wet. 13. Opdat Gij hem rust geeft in kwade dagen, terwijl voor den goddelooze de kuil wordt gegraven.
11. Jehovah kent. Wederom drijft hij den spot met de valsche redeneering der menschen, die wanneer zij zich in nevelen hebben gehuld, denken, dat zij zich nu aan de oogen Gods kunnen onttrekken. Opdat zij dus aflaten van zich met dil ijdel voorwendsel te vleien, waarschuwt hij hen, dal deze dampen
358
Psalm 94 : 11â12.
verdwijnen, zoodra zij in de tegenwoordigheid Gods komen. Hieruit volgt, dat het hun niet baten zal dewijl God van den hemel alles wat de menschen in hunne listigheid hebben bedacht, als ijdelheid veroordeelt. Want door hen voor Gods rechterstoel te dagen, voert hij hen terug tot hel onderzoek van hun eigen geweten. Want, van waar komt zoodanige gerustheid, indien niet daarvan, dat zij God den rug toekeeren, en, voor zooveel in hen is. alle verschil te niet doen tusschen goed en kwaad, en zich van alle verstand ontdoen? De Profeet kondigt hun aan, dat, als zij zich dus op zoo ijdele wijze vleien. God met die kinderachtige dwaasheden zal spotten. Dit is een zeer merkwaardig gezegde, maar men moet acht geven op de bedoeling van den Proleet, die door velen al te lichtzinnig voorbij wordt gezien, te weten: dal de boozen, als zij zich zulke schuilplaatsen maken, zich zeiven bedriegen, omdat het niet in hunne macht is door hunne listen God te misleiden Sommigen vertalen hier zy zijn ijdelheid, maar dit is te gewrongen. Want dit is zoowel eene llebreeuwsche als eene Grieksche spreekwijze, die aldus verklaard moet worden: God weel, dal de gedachten der menschen ijdel zijn.
1 '2. O God! welgeluhzalig is de mensch, dien Gij geleerd zult hébhen. Thans gaat de Proleet van het bestraffen der goddeloozen over tol hel vertroosten, zoowel van zich zeiven als van de andere vromen, door er op te wijzen dat hel lol hun welzijn is, als God toelaat, dat zij voor een' tijd beproefd worden. Dal is eene leer, die ons nuttig is gedurende ons gansche leven, hetwelk wij in onophoudelijken strijd doorbrengen. Want, al is het ook, dat God ons van wege onze zwakheid van lijd tot lijd eenige verademing schenkt, wil Hij toch dal wij voortdurend aan velerlei onrecht en kwelling blootslaan. En wij zien hoe smadelijk en honend de boozen zich legen ons gedragen. Zonder deze vertroosting, dal zij welgelukzalig zijn, aan wie God hel kruis der beproeving oplegt, zou onze toestand dus hoogst ellendig zijn. Toen God ons bijeen vergaderd heeft om zijn volk te wezen, schijnl Hij ons van hel overige der wereld te hebben afgezonderd, opdat wij, door recht en gerechtigheid onder elkander te betrachten, een' gelukzaligen vrede zouden genieten. Toch zal het meermalen gebeuren, dal de lyrannen onder den dekmantel van het hoog gezag uit te oefenen, de Kerk boos-aardiglijk verdrukken. Dal was de verzoeking, waarover de Profeet klaagt in dezen Psalm; want hij beschuldigt er niemand van dan de vijanden in hel eigen huis, die zich rechters des
359
Psalm 94 : 12â13.
360
volks noemden. Hel vleeschelijk versland redeneert nu: Indien God voor ons zorgde, dan zou hij aan hun boozen wil nooil zooveel vrijheid geven. De Profeel daarenlegen zegl, dal wij eene andere wijsheid behoeven dan die van ons eigen brein, en naar de hemelsche wijsheid moeien Irachlen. Want ik verklaar deze plaats aldus: indien wij een' kalmen moed willen hebben en geduldig de hulpe Gods willen verbeiden, dan zal dit niet anders kunnen geschieden, dan door dal God ons bij zich ter schole neemt Want de Profeel erkent dal de menschen van nature niet zoo wijs zijn om te midden der beproevingen mei vreedzamen moed naar hel einddoel te streven; maar dal die wijsheid hun door God wordt geschonken. Daarom roept hij uil, dal diegenen welgelukzalig zijn, die God door de leer zijner Wel gewend heell hel kruis te dragen, en die Hij ondersteunt door de verborgene vertroosting zijns Geestes, opdat zij onder hunne rampen en tegenspoeden niet bezwijken. Want hetgeen hij in de eerste plaats zegt: Welgelukzalig is de mensch dien Qij geleerd zult hellen, strek ik uil lol de gave der inwendige verlichting; maar de Profeet voegt er onmiddelijk bij, dal de wijsheid, die God ons ingeeft, ons tegelijk ook voorgesteld en geopenbaard is in de Wet. Daarmede beveelt hij ons het gebruik aan van de uitwendige leer, gelijk ook Paulus zegl dat alles geschreven is ter onzer leering opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der schriften hoop zouden hebben (Rom. 15 : 4). Nu zien wij uit welke bron wij lijdzaamheid hebben te putten, te welen uil hel Woord Gods, dal, door onze smart (e verlichten, ons meteen de redenen aangeeft om te hopen. De bedoeling van den Profeet is dus ten eerste om de geloovigen te vermanen lot geduld, opdat zij onder het kruis niet moedeloos worden, maar in rust en stilte God te verbeiden als hun Bevrijder en daarna hun te zeggen waar deze wijsheid voor hen te verkrijgen is. Want, daar het gevoel van ons vleesch ons voortdurend lol wanhopen dringt, zou onze hoop honderd maal op één dag verdwijnen, indien wij niet door God geleerd zijnde, wisten, dal onze smarlen ons ter zaligheid zullen gedijen. Intusschen betuigt hij. dal wij ware slof tol vertroosting hebben in de Wet, zoodal hij, die zich dit goed ten nutte heeft gemaakl, nooil lol wanhoop zal vervallen, of moedeloos zal worden, of zich ongelukkig zal achten. Want aan dit leeken onderkent God zijne ware discipelen van hen, die slechts veinzen dit te zijn, te welen; dal zij gereed en bereid zijn het kruis te verdragen, niet murmureeren en niet verbitterd worden, maar geduldig hopen op verlossing. En voorzeker is dit hel ware geduld, als wij ons niet weerspannig
Psalm 94 : 12 en 13.
361
verzetten tegen het leed (gelijk de Stoïcijnen hardheid en ongevoeligheid als deugd hebben geroemd), maar ons gewillig onderwerpen aan God, omdat wij op zijne genade en goedheid steunen. Zeer gepast begint de Profeet dus met dezen grondslag, opdat de geloovigen leeren, dat zij voor een weinig tijds verdrukt worden, opdat zij hun' strijd gestreden hebbende, eene gelukzalige ruste mogen verkrijgen. Hij kon zeggen, dat zij welgelukzalig zijn, die door de Wet Gods geleerd hebben het kruis geduldig te dragen, maar hij heelt eene vertroosting gesteld, waardoor het gemoed der menschen lol kalmte komt, zoodat zij zich vreedzaam en stil aan den wille Gods onderwerpen. Want al onthoudt iemand zich ook onder tegenspoed van zuchten en tranen, ais hij zonder hoop in het hart zijn leed verkropt, en slechts aan deze grondregelen vasthoudt: dal wij sterfelijk zijn, dat het te vergeefs is zich tegen de noodzakelijkheid te verzetten, of het noodlot te weerstaan, dal de Forluin blind is, dan is dit lialslarrigheid veeleer dan lijdzaamheid. Want hij, die onder voorwendsel van mannelijke kracht zijn leed minacht, zou zich niet ontzien om tegen God op te slaan. Nu is het alleen deze leer, dat God, als Hij de zijnon blootstelt aan leed en beproeving daarmede hun heil en hunne rust op hel oog heeft, die ons gemoed tot zachtheid kan stemmen. Wanneer deze overtuiging heerscht in ons hart, dal rust en verkwikking bereid worden voor de geloovigen als zij midden in hunne ellende zijn, opdat zij niel met de wereld vergaan, dan zal dit meer dan genoeg zijn om alle bitterheid uit onze smart weg te nemen. Op die wijze zal de Profeet ook door Kwade dagen, ol de dagen des kwaads, dit eeuwig verderf verstaan, hetwelk alle verworpenen wacht, nadat God hen voor een' tijd gespaard heeft. De woorden van den Profeet zouden ook aldus kunnen verslaan worden; Welgelukzalig hij, die geleerd heeft vreedzaam en rustig te zijn onder beproevingen. En daarmede zou hij die innerlijke kalmte van gemoed bedoelen, die de geloovigen smaken, zelfs in het midden der heftigste stormen. Dan zou de tekst in dien zin verslaan moeien worden: Welgelukzalig is de mensch, die zich de Wet Gods zóó ten nutte heeft gemaakt, dat hij met kalmen moed alle aanvallen der beproeving kan verduren. Daar echter hier onmiddelijk op volgt: Terwijl voor den goddelooze de huil wordt gegraven en de tegenstellende zindeelen op elkander moeten slaan, schijnt de Profeet de wijsheid te loven van hen, die erkennen, dat zij door God beproefd worden, opdat zij verlost zouden worden van het verderf, en er ten laatste eene gelukzalige uilkomst voor hen zij. Nu was het wel noodig om dit
Psalm 94 : 13-15.
tweede gedeelte der vertroosting er bij te voegen; want het is niet anders mogelijk, ol' wij moeten, als de boozen trioml'eeren en God hen niet ten onder brengt, eene zeer geweldige smart in ons hart gevoelen. Dit nu voorkomt de Proleet ter rechter lijd en plaats, als hij ons er op wijst dat de boozen op aarde gelaten worden, zooals men een dood lichaam in eene kamer laat liggen, totdat hel graf er voor gemaakt is om het te ontvangen. Nu leert hij door deze woorden dal de geloovigen niet anders standvastig kunnen blijven, dan wanneer zij zich op hun' wachttoren begeven (gelijk Habakuk zegt in Hoofdstuk 2:1) waar zij van verre de oordeelen Gods kunnen gadeslaan. Zij zullen de boozen van de kostelijke dingen dezer aarde zien genieten; kunnen zij met hunne gedachten dan niet verder reiken, zoo zullen zij sterven van smart. Maar als zij zich herinneren, dal de huizen, die voor de levenden bestemd zijn, voor een weinig tijds afgestaan worden aan de dooden, tot dat men hun gral gegraven heeft, en dat evenzoo zi| nog in leven blijven, die toch aan het verderf gewijd zijn, dan zal deze vertroosting voldoende zijn om hunne droefheid le lenigen.
14. Voorwaar! Jehovah zal zijn volk niet verwerpen, en zijn erfdeel zal Hij niet verlaten. 15. Want het oordeel zal wederkeeren tot gerechtigheid, en na Hem allen, die oprecht van hart zijn.
14. Voorwaar! ' Jehovah zal zijn volk niet verwerpen. Hij bevestigt nog duidelijker den zin, dien wij boven gezien hebben, door de mogelijkheid te ontkennen, dat God zijn volk zal verwerpen, dat Hij zich ten erfdeel heeft verkoren. En dit moet ons eene heilige toevlucht zijn, telkenmale als wij door ramp en tegenspoed worden beproefd, dat wij evenwel Gods volk zijn, omdat Hij ons uit vrije genade heeft aangenomen en dal daarom ons heil Hem dierbaar is, en Hij niet te vergeefs aan zijne Kerk beloofd heeft, dal Hij haar als zijn eigen erfdeel zorgvuldig zal bewaren. Hieruit leeren wij wederom dat ons het geduld terstond begeeft, indien de kennis der genade ons niet verlicht om alle bewegingen van hel vleesch lol zwijgen te brengen.
15. Want het oordeel. Omdat het le midden van de duisternis der beproevingen niet gemakkelijk is de Helde le bespeuren, die God in het verborgen de zijnen toedraagt, gebruikt de Profeet
m
Psalm 94 : 15.
363
een ander argument, le welen, dal God na beroering en verwarring de dingen in behoorlijke orde zal brengen. Omdal de volzin van den Profeel een weinig duisler is, lezen sommigen deze Iwee dingen afzonderlijk: De gerechligheid zal len laalsle komen; en dan daarna: Het oordeel zal wederlceeren. Maar op die wijze rukkken zij den lekst uil zijn verband. Ik aarzel ilus niel om dil te nemen, alsof er gezegd was, dal hel oordeel toegepast zal worden op, of in overeenstemming zal gebracht worden met, de gerechtigheid. Nu wordt hier, gelijk in vele andere plaatsen, oordeel genomen voor Regeering of openbaar bestuur. En daar nu, als de zaken verkeerd gaan en in verwarring geraken, er eene slechte regeering in de wereld schijnl le zijn, belooft hij daarom eene betere uitkomst. En hij zegt niel slechts, dat de mannen, die te voren tyrannisch hebben geheerscht lot recht en billijkheid zullen terugkeeren, maar hij klimt hooger, te weten: dat God len laatste zijne Kerk herstellende, de gerechligheid zal openbaren, die Hij verborgen had gehouden. Niet alsof zijne voorzienigheid ook maar in het minst ooit van den rechten weg afwijkt, maar omdal men ten opzichte der menschen niet altijd zulk eene billijkheid en gematigdheid bespeurt, dal zijne gerechligheid er uil blijkt; want eene regeering wordt gezegd rechtvaardig te zijn, als er de ongelijkheid uit weggenomen is. Want, evenals des nachts, of bij een' bewolkten hemel hel licht der zon verborgen is, zoo zullen, als de boozen de godvruchtigen kwellen en tyranniseeren, en aan hun welbehagen en boosheid den vrijen teugel vieren, de nevelen, die zich tusschen God en ons bevinden, hel licht der billijkheid verduisteren, en aldus wordt dan het oordeel eenigermale gescheiden van de gerechligheid. Maar als de dingen in hunne ware orde zijn gesteld, dan ziel men eene uitnemende overeenstemming tusschen het oordeel en de gerechligheid. Wel is waar, als de dingen verward geraken, dan moeten wij de gerechtigheid Gods toch door hel geloot weten le onderkennen, als is zij ook verborgen voor onze ootren. Maar dil beeft betrekking op hel gevoel en de ervaring, omdal de gerechligheid Gods zal schilleren gelijk de zon aan een' helderen hemel. Na Hem allen, die oprecht van hart zijn. Sommigen vertalen Na haar, d. i. na de gerechtigheid \ msav omAzi dil woord genomen wordt voor eene rechtvaardige en ordelijke regeering, wanneer God wrake doet over de boozen en de zijnen verlost, schijnl deze verklaring hier niet gepast. Ik versta dit dus liever van God zeiven, en zoo zal er dan een relative zin wezen zonder antecedent. Want, het is bij de Hebreen
Psalm 94 : 15â18.
niets ongewoons om, als er van God gesproken wordt, in plaats van zijn' Naam een betrekkelijk voornaamwoord te gebruiken. De zin is dus, dat, wanneer God orde gesteld zal liebben op de zaken dezer wereld, allen moed zullen grijpen om Hem blijmoedig te volgen. Want hoewel zij reeds naar Hem uitgaan terwijl zij onder rampen en beproevingen zuchten, zullen zij zich toch meer ten volle aan Hem overgeven, als zij gevoelen, dat Hij hun Bevrijder is, en Hij zich ook als zoodanig aan hen beloont.
16. Wie zal zich voor mij verheffen tegen de weder-partijders 1 Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid? 17. Indien Jehovah mij niet tot hulp geweest ware, mijne ziel zou bijna in stilte gewoond hebben. 18. Als ik gezegd heb: Mijn voet is uitgegleden, heeft uwe goedheid, o Jehovah, mij ondersteund, 19. In de menigvuldigheid mijner gedachten, hebben uwe vertroostingen mijne ziel in het midden van mij verkwikt.
16. Wie zal zich verheffen'? Hier geeft de Proleet als het ware door eene aanschouwelijke voorstelling te verslaan hoe volkomen hij van alle menschelijke hulp ontbloot was Want, alsof hij de zaak voor zijne oogen zag, roept hij uit: Wie zal zich voor my verheffen? of zich stellen tegen mijne vijanden? En terstond antwoordt hij: Indien God mij zijne hulpe niet had verleend, hel ware met mij gedaan geweest. Want hoewel de menschen, als zij ons de hand reiken, bedienaren zijn van Gods genade, zullen wij toch, als er eene hulp van onderge-geschikten kant zich aan ons voordoet, niet zoo gemakkelijk de hand Gods er in erkennen. Nu wordt gezegd dat het leven tooont in stilte, als de dooden, die gevoel noch kracht hebben, in hunne graven liggen. En zoo belijdt de Profeet, dat er geen ander middel is om zijne ziel te redden, dan wanneer God hem rechtstreeks zijne hand uit den hemel toereikt.
IS.TgJZs; Jk gezegdvjieh. Dit is eene bevestiging van den vorigen zin. Want ten einde de goedheid en macht Gods nog meer te loven, verhaalt hij, dat hij niet maar van een klein
364
Psalm 94 : 18 en 19.
S65
gevaar gered is, maar bijna van den dood. De zin nu der woorden is, dal hij zóó zeer den dood voor oogen heeft gehad, dat hij, volgens zijn eigen oordeel, gansch verloren was, zooais Paulus zegt, dat hij in zich zeiven de boodschap des doods had ontvangen, toen hij, alle hoop verloren hebbende, zijn leven opgegeven had. Toen nu de Profeet, die zich reeds dood achtte, tegen alle hoop en verwachting toch verlost werd, was de hnlpe Gods daarom des te merkwaardiger. Als wij nu het uitglijden van den voet alleen van den lichamelijken dood verstaan, dan zal er geene ongerijmdheid zijn in de vertwijfeling van den Profeet. Want dikwijls verlengt God het leven der zijnen op aarde, ook als zij alle hoop hebben opgegeven om in hel leven te blijven, en bereid zijn om heen te gaan. Het zou echter ook kunnen wezen dal de Profeet dit zeggen beperkt lot hel gevoel van hel vleesch, hetgeen mij het waarschijnlijksl voorkomt; wanl wij hebben le voren gezien, dal hij nooit heeft opgehouden God aan le roepen, waaruit dan volgt, dal hij ook nog eenige hoop gehad heeft. En dit laat zich nog duidelijker afleiden uil het volgende vers, waar hij verhaalt, dal zijne smarten altijd door de eene of andere vertroosting werden gelenigd. Want hij noemt Overdenkingen de treurige en verbijsterende zorgen, waardoor hij overstelpt ware geweest, indien God hem niet eenige vertroosting had gezonden. Deze Schriftuurplaats leert dus dal God naar de grootte der droefheid en bekommernis hulp verleend aan zijne dienstknechten, als de geschikte lijd er voor gekomen is, zoodal, wanneer zij in benauwdheid zijn. Hij hen in de ruimte stelt, gelijk aan andere plaatsen gezegd wordl, (Ps 4:2; 118:5). Hoe meer onze ellende dus toeneemt, hoe meer hoop wij moeten hebben dal zijne genade meer dan genoeg zal zijn om onze smarten le lenigen. Maar indien door de zwakheid van ons vleesch de zorgen en smarten ons kwellen en benauwen, zoo laat ons tevreden zijn met hel middel, dat door den Profeet zoo hoogelijk wordl geroemd. Want de geloovigen zijn van tweeën gedrongen, van den eenen kant worden zij gekweld, ja als builen zich zeiven gebracht door angsten en benauwdheden, maar van den anderen kant, geeft God eene verborgene blijdschap in hun hart, en dat wel naar de male, die zij behoeven, opdat er geen afgrond der smart zij, hoe diep hij ook moge wezen, die hen zou kunnen verslinden.
Psalm 94 : 20â21.
20. Zal de troon der ongerechtigheden met U saam-gevoegd worden; zal die kwaad werkt in de plaats des rechts zijn? 21. Zij zullen zich tegen de ziel des rechtvaardigen vergaderen, en zij zullen veroordeelen het bloed der ouschuldigen. 22. Maar Jehovah is mij tot een burcht geweest, en mijn God tot de rots mijns betrouwens. 23. Hij zal hunne ongerechtigheid aan hen vergelden, en hen in hunne boosheid verdelgen; Jehovah, onze God zal hen verdelgen.
20. De troon der ongerechtigheid. Terwijl hij wederom den aard Gods bescliouwl, geeft hem dit aanleiding om le hopen; wanl het kan niet zijn, dat Hij de goddeloozen begunstigt, of hunne booze listen en kuiperijen goedkeurt. Indien zij nu God tegen zich hebben, hoe zouden zij het kunnen vermijden in het verderf le worden gestort? Nu is er in den vragenden vorm, waarmede hij aantoont, dat alle ongerechtigheid vreemd is aan Gods aard, veel meer kracht. Zeer gepast maakt hij melding van den Iroon, omdat hij geene gewone dieven of roovers beschuldigt, wier eerloosheid wel bekend is. maar hij verheft zijne stem tegen de tyrannen, die onder den valschen dekmantel van recht de Kerk verdrukten. Hij zegt dus, dat, hoewel zij den troon in bezit hebben, die Gode geheiligd is, zij toch niets met Hem gemeen hebben, omdat zij door hunne booze daden dien troon ontwijden en bevlekken. Hij verklaart zich nog nader in het volgende lid, waar hij zegt, dat zij die leed en beroering veroorzaken in plaats van recht te doen, gansch en al van God vervreemd zijn. Het Hebreeuwsche woord chók beteekent hier Recht, of verordening, of eene gevestigde orde. De Profeet bestraft dus de goddelooze rechters, die zich te buiten gaande in allerlei verdrukkingen, daarbij nog den schijn aannamen van zich behoorlijk van hun' plicht le kwijten Want ziehier hoe ontrouwe rechters allerlei voorwendsels zoeken, waarachter zij de schandelijkheid hunner tyrannie verbergen, ten einde zich in hel bezit van een' eervollen en schoonschijnenden titel te kunnen handhaven. Thans zien wij wat de Profeet zeggen wil, nl. dat hoewel deze naam van troon zeer eervol is, hij dit eervolle verliest in het oog van God, wanneer hij door de verdorvenheid der menschen ontsierd wordt, daar God geene ongerechtigheid kan begunstigen.
366
Psalm 94 : 21â22.
21. Zij vergaderen zich. Dewijl hel Hebreeuwsclie woord gezelschappen oi' troepen bijeenvergaderen beleekent, heeft de Profeet ongetwijfeld te kennen willen geven, dat hij door geene personen van geringen stand of rang werd geplaagd, maar dooide overheid des volks, door hen, die de regeering in handen hadden. Hij verklaart tevens, dat hij en de andere geloovigen niet door gewone burgers onrechtvaardig behandeld zijn geworden, maar door eene openbare vergadering, liet is waar, dal dit een treurig, ja schandelijk voorbeeld was, dat in eene wettige vergadering de boozen aldus de overhand hadden, zoodat het college der rechters niets dan een troep roovers was. Want het is dubbel onverdragelijk, dat de onschuldigen niet alleen verdrukt worden, maar met hun onrecht ook nog smaad en schande moeten verdragen. En is er wel iets minder redelijk ol betamelijk dan dal de geheele rechtspleging niets anders dan eene booze samenspanning is om de onschuldigen te veroordeelen? Maar het is noodig dal wij heden met dit voorbeeld gewapend zijn, als God aan de boozen wellicht toelaat om ten nadeele der goeden en eenvoudigen, op den rechtersloel te zitten, liet schijnt dus op den eesten aanblik onverdraaglijk, dal zij, die hoegenaamd niet schuldig zijn, wreedelijk gekweld worden dooide rechters zeiven, en zelfs met smaad en schande worden beladen. Daar God echler voormaals zijne dienslknechlen op die wijze beproefd heeft, zoo laat ons leeren om niet slechts onrechl-vaardig geweld geduldig te verdragen, maar ook de booze lasleringen, waarmede wij onverdiend bezwaard worden.
22. Maar Jehovah is my tot een burcht geweest. De Profeet komt lol de gevolgtrekking, hoewel hij in groole benauwdheid was gekomen, er toch voldoende hulp voor hem was in den eenigen God, door welke woorden hij wederom zijne kracht verheerlijkt, omdat Hij alleen zulke machtige werkingen, zoo groole legerscharen, en zulk ontzettend geweld triomfantelijk heeft weerstaan. Nu zegt hij niet slechts, dal God hem tot een burcht geweest is, vanwaar hij al de aanvallen der vijanden kon belachen, en waarin hij zich kon verbergen, maar nadat hij juichend geroemd heelt in de bescherming Gods, kondigt hij aan zijne vijanden ook hun val en ondergang aan, omdat het het werk Gods is, de kwellingen, die zij de godvruchtigen willen aandoen, op hun eigen hoofd te laten nederkomen. Indien hunne pogingen alleen maar vruchteloos bleven, zou God hierdoor toch reeds iels van zijne gerechtigheid geven te zien; maar als zij zélven in den kuil vallen, dien zij voor anderen gegraven hebben,
367
y
m li
I
I i
II
il
:, i
ira ÃMl
ul it
';»V
A I
Ã1
kill
I li
'if a
if 1 I
â I
i ' ;
Psalm 94 : 22â23.
en als zij boosaaidiglijk alle middelen ter hand hebben genomen, die onder hun bereik quot;waren om de vromen le verderven, en dan zeiven in hunne arglistigheid omkomen; en na al hunne krachten te hebben beproefd en aangewend zich dooden met hunne eigene wapenen, dan zal de bewonderenswaardige gerechtigheid Gods nog beter gekend worden. En dewijl dit moeielijk is te gelooven herhaalt hij tweemalen: Hy zal hen verdelgen, onze God zal hen verdelgen. Hierin moet ook opgemerkt worden dat, wanneer de Profeet zegt: Onze God, hij aan de geloovigen stof geeft lol hopen; want hij herinnert aan heigeen hij le voren gezegd heeft, te welen, dat God zijn erfdeel niet versmaadt, dat Hij eenmaal onder zijne hoede en bescherming heeft genomen.
I ^SA I iM 95.
INHOUD : De Profeet wie bij ook zij, die dezen Psalm gedicht heeft, de Joden willende opwekken om God te loven in eene plechtige vergadering, geeft hun daartoe eene tweeledige reden, ten eerste, omdat Hij de wereld, die Hij geschapen heeft, door zijne kracht onderhoudt, en daarna, omdat Hy uit vrije genade zijne Kerk heeft aangenomen. Daar echter van veler lippen een geveinsde lof vernomen werd, vermaant hij het geheele volk, om zich in alle oprechtheid aan God te geven, en door hun leven te toonen , dat zij niet vruchteloos verkoren zijn. En ten einde alle geveinsdheid uit te drijven, zegt hij, dat de vaderen reeds van den beginne ondankbaar en weerspannig tegen God geweest zijn; en hij verhaalt, dat zij daar zóó schrikkelijk voor gestraft zyn, dat dit hunne nakomelingen met recht weerhouden moest om hen in hunne hardnekkigheid na te volgen.
1. Komt, verblijden wij ons in Jehovah, laat ons zingen den rotssteen onzes heils. 2. Laat ons voor zijn aangezicht komen met lof, laat ons Hem zingen in Liederen. 3. Omdat Jehovah een groot God is, en een groot Koning boven al de goden. 4. Want de
368
Psalm 95 : 1â3.
eiaden der aarde zijn in zijne hand, en de hoogten der bergen zijn zijne. 5. Want zijne is de zee, Hij heeft haar gemaakt, en zijne handen hebben het droge geformeerd.
1. Komt verblijden wij ons in Jehovah. Deze Psalm is zeer geschikt voor den Sabbatdag, wanneer, oelijk wij weten, de heilige bijeenkomsten plachten te geschieden met het bijzondere doel den naam Gods te loven. Want hij vermaant niet ieder heilige afzonderlijk om God te loven, hij wil dal dit in de openbare vergadering geschiede. En aldus toont hij dat de uitwendige dienst van God in geene doode plechtigheden bestaat, maar voornamelijk in het offer des lofs; want hij verlangt hier ook eene vaardigheid en snelheid bij, waardoor de geloovigen toonen, dat zij zich met blijdschap tot dezen dienst begeven. Want hel werkwoord hadam, dat wij vertaald hebben door voorkomen, beteekent eigenlijk zich haasten, of' vroegtijdig komen. Daarom gebiedt hij hun zich te haasten om in de tegenwoordigheid Gods te komen, hetgeen bij de groote traagheid, die ons van nature eigen is, als God ons noodigt Hem lol en dank te brengen, wel noodig is. En daar de Proleet nu van ter zijde de onverschilligheid bestraft van het oude volk om den lof Gods te zingen, zoo laat ons weten, dat wij heden een' zelfden prikkel noodig hebben, omdat wij volstrekt niet minder ondankbaar zijn. Ook heeft dit niet weinig kracht geoefend om eene goede gezindheid bij het volk op te wekken, als hij hun beval voor het aangezicht des Heeren te verschijnen, want er is niets begeerenswaardiger dan den lleere eene offerande aan te bieden, die Hij verklaart Hem welbehaaglijk te zijn. Want die wijze van spreken heeft de be-teekenis alsof hij gezegd had dat God tegenwoordig is, die er getuigenis van aflegt, opdat zij niet zouden denken vergeefsche moeite te doen. Wal nu de tegenwoordigheid Gods in het heiligdom was, hebben wij elders reeds aangetoond.
3. Omdat Jehovah een groot God is. Door deze woorden geeft de Profeet te kennen, dal ons zuivere slof gegeven is om God te loven, zoodat er geen leugenachtige lof van noode is, gelijk aan die, waarmede de redenaars gewoon zijn de koningen te vleien. In de eerste plaats loofl hij de grootheid van God in stilzwijgende tegenstelling met alle goden, die de menschen zich gemaakt hebben. Wij weten dal er len allen tijde eene groote
Dl. II. 24
369
Psalm 95 : 3â6.
menigte van goden in de wereld geweest is, waarom Paulus zegt, in 1 Cor. 8:5, dat er velen op aarde zijn, die goden genoemd worden. Men moet dus letten op de tegenstelling tusschen den God van Israël, en al de anderen, die de menschen zich naar hun' zin en lust hebben uitgedacht. Indien nu iemand antwoordt dat een afgod niets is, (1 Cor. 8: 4) dan antwoord ik, dat de Profeet met dezen volzin de dwalingen, vol van de ijdelheid der menschen, weerlegt, die zich dwaselijk godheden naar hun' zin voorstellen. Evenwel versta ik onder die benaming wel gaarne de engelen, alsof hij zeide, dat God zóó voortreffelijk is, dat Hij ver verheven is boven alle hemelsche heerlijkheid en alles wat goddelijk is, niet minder dan boven alle aardsche verzinselen. Wel is waar zijn de Engelen geene goden, maar omdat zij zeer dicht naderen tol de natuur van God, wordt deze naam hun wel eens oneigenlijk toegekend, voornamelijk met betrekking tol de menschen, die hen in hunne buitensporige bewondering eene bijgeloovige vereering toedragen. Maar indien nu de majesteit Gods de hoogheid der hemelsche Engelen reeds vernedert, hoe schandelijk is hel dan niet dal nietige verzinselen afbreuk doen aan zijne eer? Hij steil daarna een bewijs voor van deze grootheid in de schepping der wereld, als hij zegt, dat zy het werk is van Gods handen en onderworpen is aan zijne heerschappij. En deze lof is algemeen, dat God in de schepping der wereld zijne heerlijkheid heeft doen uitblinken en dat Hij dagelijks erkend wil worden in hel bestuur over dezelve. Want als hij zegt, dal de diepste plaatsen der aarde in zijne hand zijn, dan bedoelt hij, dat zij bestuurd worden door zijne voorzienigheid en onder zijne heerschappij staan. Sommigen vertalen Einden of grenzen, maar hij bedoelt veeleer de afgronden, die hij stelt tegenover de hoogte der bergen
6. Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons de knieën buigen voor het aangezicht van Jehovah , onzen Schepper. 7. Want deze is onze God, en wij het volk zijner weide, en de kudde zijner hand: indien gij heden zijne stemme hoort.
6. Komt laat ons aanbidden. Omdat de Profeet thans hel uilverkoren volk lol dankbaarheid opwekt, dewijl Gods genade hel boven alle andere volken heeft verheven, spreekt hij met
370
Psalm 95 ; 6 en 7.
grooler kracht; gelijk God ons ook ruimer slol geek om Hem le loven, als Hij zich verwaardigt ons deze geestelijke eer aan le doen, en ons, zonder dat wij zulks verdienen, boven alle andere menschen verkiest. Daarom gebruikt hij drie werkwoorden om eene zelfde zaak aan te duiden, opdat de kinderen Abrahams zich van ganscher harte aan Hem overgeven. Wel is waar is de dienst van God, waarvan de Profeet spreekt, van zoo groot gewicht, dat hij terecht van ons vordert er ons met alle krachten aan te wijden , maar men moet acht geven op de omstandigheid, dat hij de vaderlijke gunst van God looft, waarmede Hij het zaad Abrahams omhelsd heeft, ten einde het aan te nemen lot de hoop des geestelijken en eeuwigen levens. Wij moeten ook opmerken, dat hier niet slechts van de dankbaarheid des harten wordt gesproken, maar dat ook tegelijk eene uitwendige belijdenis der godsvrucht wordt geëischt. Want dit wordt uitgedrukt door deze drie werkwoorden, dat de geloovigen zich niet behoorlijk van hun' plicht kwijten, tenzij het geschiede in hel openbaar en terwijl zij de knieën buigen, met de andere leekenen, die zij Gode als offerande aanbieden Ik neem het aangezicht Oods in den zin, dien ik eene wijle vroeger heb aangeduid, le welen, dat het volk zich moest nederbuigen voor de Arke des Verbonds omdat hier gesproken wordt van den dienst, die onder de Wel gebruikelijk was. Toch moet hier altijd deze uitzondering bijgevoegd worden, dat de geloovigen, hunne oogen opheffende naaiden hemel. God op geestelijke wijze aanbidden.
7. Want deze is onze God. Hoewel het gansche menschelijke geslacht lot dit doel geschapen is, is het toch niet zonder oorzaak, dal de Kerk eene planting des Heeren wordt genoemd om Hem le verheerlijken, (Jes. 61 :3). Daarom is het terecht dat de Profeet,dezen plicht inzonderheid van het uilverkoren volk eischt. Dat is de reden waarom hij de kinderen Abrahams wijst op het onwaardeerbaar voorrecht, dal Hij hun geschonken heeft, toen Hij hen onder zijne hoede heeft genomen. Want, hoewel dit in zekeren zin ook voor hel geheele menschelijke geslacht geldt, is het toch zeker, dat God de Herder wordt genoemd van zijne Kerk, niet gelijk Hij alle andere menschen voedl, onderhoudt en bestuurt, maar omdat Hij haar afgezonderd heeft van hel overige der wereld, om hen te voeden en le koesleren aan zijne vaderlijke borst. Zij wordt dus genoemd: Het volk zijner weide, hetwelk God beschermt met zijne bijzondere zorge, en aan hetwelk Hij allerlei weldaden schenkt. Hij zou wel duidelijker hebben kunnen spreken door hen de kudde zijner weide en het
24*
371
Psalm 95 : 7.
372
volk zijner hand le noemen, of zoo hij alleen maar van kudde gesproken had, zou de beeldspraak nog zijn volgehouden; maar hij heeft niet angstvallig acht geslagen op sierlijkheid van stijl, zoo hij slechts aan het volk bekend maakte met de onwaardeerbare genade zijner aanneming, waarvan het doel was, dat zij leefden onder de bescherming Gods, en het genot hadden van alle goede gaven. Het volk wordt genoemd de Kudde zijner hand, niet zoo zeer wijl het door God was geschapen, als wel omdat hel door zijne hand werd bestuurd. Wij zeggen in het Fransch De kudde zijner leiding. Hoewel nu de tegenstelling, die velen opmerken, wel wat fijner uitgedacht is dan de natuurlijke zin van den Profeet medebrengt, te weten: dat God zelf zijn volk weidt, maar daar geene gehuurde herders voor gebruikt, heelt de Profeet toch ongetwijfeld die wijze van onmiddelijke en gemeenzame leiding en bestuur le kennen willen geven, die le dier tijd slechts bij één volk gezien werd. Niet dal God, die het bestuur over zijn volk heeft toevertrouwd aan de Priesters, en de Profeten, en de Rechters, en daarna aan de Koningen, zich niet van menschen wilde bedienen, maar omdat Hij onder dat volk hel ambt van Herder op gansch andere wijze waarnam, dan Hij dit door zijne algemeene voorzienigheid bij alle andere volken heeft gedaan. Indien gij heden zijne stemme hoort. Volgens de Hebreën is deze voorwaarde aan den voorafgaanden zin verbonden, alsof de Profeet hun aankondigde, dal zij niet anders in het bezit van hunne waardigheid en van hun voorrecht zouden blijven, dan wanneer zij volhardden in hunne gehoorzaamheid aan God. De Grieksche vertaler heelt haar saamgevoegd mei hel volgende vers: Verhardt uwe harten niet, welke volzin zeer goed past bij hel overige. Behaagt ons echter de onderscheiding door de Hebreën aangeduid, dan heeft de Profeet willen te kennen geven, dal de kinderen Abrahams de kudde zijn van Gods hand, omdat Hij. door hun de Wel le geven, bij wijze van spreken zijn' herderstaf in hun midden gesteld heeft, ten einde le loonen, dat Hij hun Herder is. En zoo zal dan het Hebreeuwsche woord iem, dat wij door indien vertaald hebben, niet eigenlijk voorwaardelijk zijn, maar verklarend; of wel het zal als een bijwoord van lijd gebruikt zijn, alsof hij gezegd had, dat het merkteeken, waaraan de Heidenen van de Joden worden onderscheiden, hierin bestaat, dat God zijne slem tot dezen gericht heeft, gelijk aan eene andere plaats gezegd wordt, dat Hij aan geen ander volk alzoo gedaan heeft (Ps. 142: 20). Nu had Mozes te voren gezegd Dat is uw adel voor de oogen der andere volken; wanl welk volk is er onder den hemel, hetwelk de goden zoo nabij zijn
I
Psalm 95 : 7â8.
373
J
(Deut. 4:6, 7)? Nu zijn de Profeten, gelijk algemeen bekend is, gewoon zeer veel aan Mozes le onlleenen; ook loont de Profeet blijkbaar door het woord Heden, dat de Joden het volk Gods zijn, omdat zij zijne stem hoeren; en opdat zij niet ver zouden behoeven te gaan om het getuigenis, spreekt hij er van als van iets dat tegenwoordig en altijd voor hunne oogen is. Hij gebiedt hun dan Hem te erkennen als hun Herder, daar zij zijne stem hooren. Want, als Hij zich verwaardigd heeft gemeenzaam tot hen te spreken, dan is dit wel eene zeer bijzondere betooning zijner genade. Anderen willen hier het werkwoord in vermanenden zin gebruiken, doch dit is, vrees ik, wel wat gewrongen, terwijl de andere beteekenis natuurlijk is, le welen: Daar de stemme Gods voortdurend in hunne ooren weerklinkt, en Hij niet slechs ééne enkele maal zijne herderlijke zorg aan de vaderen heeft getoond, ja er hun niet slechts jaarlijks een bewijs van heeft gegeven, maar dal Hij hiermede is voortgegaan â dit toont genoegzaam aan dal de Joden verkoren waren om zijne kudde le zijn.
8. Verhardt uw harte niet, gelijk te Meriba, gelijk dien dag te Massa in de woestijn, 9. Toen uwe vaders Mij verzochten; zij hebben My beproefd, niettegenstaande zij mijn werk gezien hadden. 10. Veertig jaren lang heb Ik met dit geslacht getwist; en Ik heb gezegd: Zy zijn een volk, dwalende van hart, en zy hebben myne wegen niet gekend. 11. Daarom heb Ik gezworen in myn' toorn; Zoo zy in mijne rust zullen ingaan.
8. Verhardt uw hart niet. Omdat zij hardnekkig waren en moeielijk lot gehoorzaamheid konden gebracht worden, vermaant hij ben: nadat hij Gods genade had geroemd, om nu van hun' kant door zachtmoedigheid en volgzaamheid le loonen, dal zij de kudde zijner schapen zijn. En opdat zij des le sterker getroffen zouden worden, verwijl hij hun de weerslrevendheid en hardnekkigheid hunner vaderen. Hoewel nu de naam Meriba een soortnaam kan zijn en alsdan strijd of twisting beteekent, heb ik toch, omdat de Profeet ongetwijfeld het oog had op de gebeurtenis, die in Exodus 17 : iâ7 verhaald wordt, hem liever met eene plaats in verband gebracht, heigeen ook goed past
Psalm 95 : 8.
374
voor den naain Massa. Dewijl echter in liet tweede lid het woord Woestijn er bijgevoegd is om de plaats dier verzoeking aan te duiden, zou ik er niet op tegen hebben, indien men hier liever vertaalde gelijk den dag der verzoeking. liet is ook gewis niet noodig, dat wij len opzichte van eene zaak van zoo weinig aanbelang al te nauwkeurig zijn. Maar ik kan mij niet vereenigen met het gevoelen van hen, die denken dat hier van verschillende plaatsen gesproken wordt. Vervolgens gebruikt hij verscheidene woorden om de hardheid van hart des volks in het licht te stellen, en om aan hel woord meer kracht bij te zetten, voert hij God zelf sprekende in. Nu is er niet aan te twijfelen of de Proleet bedoelt met Verharding des harten in hel algemeen alle minachting van Gods Woord, hoewel er velerlei soorten van zijn. Want als het gepredikt wordt, zien wij hoe sommigen koud en onverschillig zijn in het hooien, anderen het verwerpen omdat zij het minachten, nog anderen er zich van afkeeren uit hoogmoed, wederom anderen hel smaden en bespotten. Aangezien dus sommigen van de hoorders onverschillig, anderen minachters, nog anderen spoilers en wederom anderen toornig en woedend zijn, duidt de Profeet alle deze ondeugden aan met één enkel woord; want ons hart zal niet geacht worden week en buigzaam te zijn om naar God te hooien, tenzij wij met eerbied zijne leer ontvangen en de vurige begeerte hebben om er aan te gehoorzamen. Want, indien zijn woord geen gezag voor ons heeft, dan doen wij Hem geene meerdere eer aan dan aan een' sterfe-lijken mensch, en daarin loont zich dan onze hardheid van hart, hetzij dal deze alleen voortkomt uit onverschilligheid, of wel uit hoogmoed en opstand. Nu heeft hij voorbedachtelijk een hatelijk woord gebruikt, ten einde het gruwelijke van deze minachting van het Woord nog meer Mn het licht te stellen, gelijk Hij in de wel onder den naam van overspel alle hoererij en onreine lusten veroordeelt, en door hel woord doodslag of moord alle geweld en onrecht, ja zelfs haal en wrok. Al wie dus hel Woord Gods onverschillig en onachtzaam voorbijgaal en niet oplet om het te gehoorzamen, wordt, al is hij ook niet in openlijken opstand, evenwel gezegd een steenen hart te hebben. En loch hebben de Papisten de dwaze poging gewaagd om uit deze Schriftuurplaats den vrijen wil des menschen af te leiden. In de eerste plaats moet men opmerken, dat van nature alle menschen een steenen hart hebben; want, als de Schrift (Ezech. 36 ; 26) spreekt van een steenen hart, dan beperkt zij dit kwaad niet lol een klein aantal; zij geeft er in het algemeen den aard des menschen mede te kennen. En voorts, deze verkeerdheid
Psalm 95 : 8â9.
is ons wel van nature eigen, maar, daar zij ook moedwillig is, en wij niel als de sleenen zonder gevoel zijn, zal ieder, die zich niel door het Woord Gods laat leiden, zijn hart verharden, dat te voren reeds van steen .vas, en zoo zal hij door zijne eigene conscientie van weerstrevendheid en opstand beschuldigd worden. Toch volgt hier niet uit, dat het in onze macht staal ons hart week te maken, of hel buigzaam en volgzaam te maken. Want van wege het bederf onzer natuur is de wil des menschen ten kwade geneigd, ja zelfs er geheel en al aan overgegeven. Toch verhardt ieder zich, telkenmale als hij niet aan God gehoor-zaaml, omdat hij de schuld zijner boosheid op niemand anders kan werpen.
9. Toen uwe vaders Mij verzochten. Gelijk ik reeds met een enkel woord gezegd heb, geelt de Profeet zijdelings te kennen, dal de Joden van den beginne af weerstrevend en hardnekkig zijn geweest, maar hel was om tweeërlei redenen noodzakelijk, dat de kinderen aan de misdaad van hunne vaders herinnerd werden. Wij welen hoe licht wij de foul begaan van hun voorbeeld te volgen; want al wal gewoonte is geworden, schijnt ons wettig en geoorloofd, en de oudheid maakt altijd aanspraak op eerbied; en het voorbeeld onzer eigene voorouders verblindt ons, zoodat zij, die later komen, zondereenigerleionderscheiding le maken, alles van hunne voorgangers overnemen. En zoo zien wij hoe de Pausgezinden drieslweg hel gezag der vaderen stellen boven hel gezag van Gods Woord; en de Joden, die gewoon waren in hunne vaderen le roemen, werden nog gemakkelijker dan anderen hieromtrent misleid. Daarom is het niet zonder reden dal de Profeet hen van hunne vaderen afkeert, van wege hunne verfoeielijke ondankbaarheid. De tweede reden heb ik reeds genoemd, nl. dal zij moesten welen waarschuwing van noode te hebben. Want, indien de vaderen niet gerebelleerd hadden, dan zouden zij allicht hebben geantwoord: Waarom beveelt gij ons ons hart niet te verharden, daar ons geslacht tol nu toe altijd volgzaam en gehoorzaam geweest is? Maar aangezien hunne vaderen van den beginne af hard en halslarrig geweest zijn, is hel niet ongepast dal de Profeet hen vermaant zich van die ondeugd le zuiveren. Hetgeen volgt kan op tweeërlei wijze worden verklaard. Want, daar God verzoeken niet meer of minder beteekenl dan door eene verdorvene en ongeoorloofde begeerte gedreven te worden om iets van zijne kracht en macht te zien, zou men alles aan een kunnen lezen: Zij hebben Mij verzocht en op de proef gesteld, hoewel zij mijn werk reeds
375
Psalm 95 : 9.
376
gezien hadden. En voorzeker is deze klacht van God billijk, aangezien Hij hun op voorlrefielijke wijze zijne machl reeds had getoond, en zij er toch immer weder nieuwe bewijzen van wilden zien. Evenwel, dil werkwoord beproeven kan ook in een anderen zin genomen worden, en wel in dier voege: Uwe vaders hebben Mij verzocht, toen zij, hunne oogen sluitende voor de weldaden, die Ik hun heb bewezen, gevraagd hebben: Waar is God? Zij hebben Mij dus op de proef gesteld, dat is: zij hebben Mij door ervaring leeren kennen; want ik heb niet opgehouden hun de openlijke blijken te geven van mijne tegenwoordigheid, en zelfs hebben zij mijn werk gezien. Aan welken zin wij nu ook de voorkeur geven, de bedoeling van den Proleet is aan te toonen dat de Joden minder le verontschuldigen zijn, omdat zij begeerden, dat de kracht Gods, die hun uil zoo velerlei ervaring gebleken is, hun getoond zou worden, alsof zij er nog nooit iets van hadden bespeurd. Toen zij vroegen, waarom God hen zonder spijs en drank liet, hebben zij hiermede hunne booze lusten getoond, ook al zou nooit te voren een wonder voor hen zijn geschied. Maar, nadat God hen met eene sterke hand uit Egypte had geleid, en hun door zoovele treffende blijken getoond had hun nabij te zijn, en zij toch aan zijne tegenwoordigheid twijfelden, alsof Hij ie voren verborgen voor hen ware geweest, wordt hunne misdaad hierdoor verzwaard. Alles dus wel overwogen zijnde. verklaar ik de woorden vnn den Profeet liever op deze wijze: Uwe vaderen hebben Mij verzocht, hoewel zij Mij genoeg, en meer dan genoeg beproefd hebben, dat is: hoewel zij door ervaring helder en duidelijk hebben gezien, dal Ik hun God ben, en zelfs mijne werken voor hunne oogen waren. Nu richt deze leer zich ook lol ons; want, naarmate de genade en de kracht van God ons meer en beter betuigd zijn, naar die mate is onze goddeloosheid des te verfoeielljker, als wij er nog nieuwe proeven en blijken van willen zien; gelijk er heden ten dage velen zijn, die om wonderen vragen, en anderen zich over God beklagen, als Hij niet terstond aan hunne wenschen voldoet. Nu doet zich echter de vraag voor, waarom de Profeet over zoo vele andere gebeurtenissen zwijgt, om alleen maar van Meriba gewag le maken. Want daar het volk reeds bij den doortocht door de Roode zee begon te murmureeren tegen God, en van dien dag af daarmede niet heeft opgehouden, zoo schijnt hij, door hun slechts ééne misdaad te verwijlen, en over de anderen te zwijgen, hen van die anderen vrij te spreken. Maar, aangezien het woordfiguur, waardoor men een deel neemt voor het geheel, zeer dikwijls in de Schrift voorkomt, is hel niet ongerijmd te zeggen, dat door
Psalh 95 : 9â10.
ééne soorl velen worden aangewezen. Er schijnt echter nog eene andere reden te zijn waarom de Profeet onder zoo vele anderen juist dit voorbeeld heelt gekozen; want uit de Schriften van Mozes kan men gemakkelijk afleiden, dat dit twisten om het water als het ware het toppunt is geweest van de ondankbaarheid en weerspannigheid des volks. Ik weet wel, dat de uitleggers van eene andere meening zijn, maar het is een feit, dat zij loen de mate hunner ongerechtigheid vol hebben doen worden, zoodat deze beweging, die de voltooiing was van al hunne booze daden, duidelijk getoond heeft, dat hunne halstarrigheid ongeneeslijk was.
10. Veertig jaren lang heb Ik met dit geslacht getwist. De Profeet geeft hier eene overdrevene voorstelling van de misdaad hunner hardnekkige boosheid, nl. dat God gedurende zóó langen tijd nutteloos met hen heeft getwist. Want het gebeurt wel eens, dat er een opstand is, die terstond onderdrukt wordt; maar God klaagt hier, dat Hij veertig jaren lang met het volk heeft getwist, waaruit men kan besluiten, dat hunne verkeerdheid onuitroeibaar was. Om diezelfde reden gebruikt hij ook het woord geslacht-, want het llebreeuwsche woord dor beteekent eeuw, of het tijdsbestek van het leven eens menschen. Dit nu past hij toe op de menschen van een' zelfden tijd, alsof de Profeet zeide, dat zoolang de Israëlieten leefden, die God bevrijd had, zij niet onder zijne gehoorzaamheid konden gebracht worden. Het llebreeuwsche werkwoord ahoet, dat wij overgezet hebben door Ik heh getwist, vertalen sommigen: Ik was veracht. In de Grieksche vertaling luidt hel: Ik ben vertoornd geweest, of getergd. Maar de Hebreen behouden den natuurlijken zin, te weten, dat God voortdurend met hen te strijden had, hetgeen wel een treffend bewijs was van hunne ingewortelde hardnekkigheid. Daarna geeft Hij zijn oordeel te kennen, alsof Hij zeide, dat, nu zij hunne goddeloosheid op zoo velerlei, wijze geopenbaard hebben, hunne dwaasheid nu ook genoegzaam is gebleken. Hij spreekt van de dwaling van het hart, niet om hunne schuld Ie verminderen, maar om te zeggen, dat zij verdwaasd, en als van hun verstand beroofd waren; alsof Hij zeide niet le doen te hebben met redelijke, met verstand begaafde menschen, maar veeleer met redelooze dieren. De reden wordt er bijgevoegd; omdat zij geen acht hebben geslagen op zoo vele werken Gods, en voornamelijk op zijne leer. Want door dit woord Wegen verstaat hij zoowel de Wet en de voortdurende vermaningen, als de wonderen, waardoor God hen had onderwezen. Daar God
377
Psalm 95 : 10âH.
dus gemeenzaam onder hen had gewoond, en zijne heerlijkheid had geopenbaard, zoowel in zijn woord als in zijne werken, was hel wel eene groote en vreemdsoortige verbijstering van hun verstand, dal zij voor dit alles hunne oogen gesloten hielden. Dal is de reden, waarom de Profeet hunne ongevoeligheid als waanzin veroordeelt, omdat zij, omringd zijnde door een zoo groot en helder licht, als blinden geweest zijn.
11. Daarom heb Ik gezworen. Als men hel betrekkelijk voornaamwoord ashèr in eigenlijken zin wil nemen, heb ik daar niet legen, gelijk velen dit dan ook alzoo genomen hebben. In de meening, dat het een leeken van gelijkheid was, heeft de Griek-sche vertaler het overgezet door Als. Ik geloof echter, dal het niet slecht zou voegen, als wij zeggen, dat helgevolgaanwijzend is. Niet alsof zij, terstond nadat zij God verzocht hadden, van hel hun beloofde erfdeel verstoken werden, maar de Profeet, sprekende in den Persoon van God, zegt, dat hel niet te vergeefs is dat God met een' eed gezworen heeft, dat zij het Heilige Land niet binnen zouden gaan. Want daar zij steeds volhard hebben in hunne boosheid, was het meer dan duidelijk, dal zij onverbeterlijk zijnde, niet zonder oorzaak van de ruste Gods werden uitgesloten. Want de beteekenis wordt duidelijker als wij denzin lezen in den meer dan volmaakt verleden tijd, Ik had gezworen, omdat God reeds vóór deze twisting hunne boosheid voorzag, en hen van het beloofde erfdeel had buitengesloten. Wat in dezen onvolkomen vorm van zweren ligt opgesloten, hebben wij elders reeds aangeduid. Zoo moei ook de reden, waarom het land Kanaan de ruste Gods wordt genoemd, gezocht worden in de belofte. Want Abraham en zijne nakomelingen hebben er als vreemdelingen verkeerd, totdat de bestemde tijd was gekomen om het in bezit te nemen. Egypte is slechts eene tijdelijke verblijfplaats geweest, en bijna als een verbanningsoord. Dewijl God dus nu gereed was, om overeenkomstig zijne belofte, de Joden in het land Kanaan te vestigen als in hun wettig erfdeel, wordt het terecht zijne ruste genoemd. Evenwel moet dit toch in be-drijvenden zin genomen worden, omdat het eene zeer bijzondere weldaad van Hem was, dat de Joden veilig en vreedzaam aldaar als op hun eigen geboortegrond mochten wonen. Nu is het wel nuttig de plaats van den Apostel in hel derde en vierde hoofdstuk van den briel aan de llebreën mei de woorden van den Profeet te vergelijken. Men moet het niet vreemd vinden dat de Apostel de Grieksche vertaling heelt gevolgd, want hij heeft er zich niet toe gezel om eene bepaald uitgewerkte verklaring
378
.1
Psalm 95 : 11.
van deze plaals Ie ^even ; liij wil slechts met nadruk wijzen op liet woord Heden, en op liet woord Ruste. Hij leert dan in de eerste plaats, dat dit Heden niet beperkt is tot den tijd van de Wet, maar zeer voegzaam toegepast wordt op den tijd van het Evangelie, toen God begonnen is meer openlijk te spieken. Maar de volkomenheid der leer eiseht terecht om met meer aandacht te worden gehoord. En voorzeker, daar God nooit opgehouden heelt te spreken, maar nadat Christus geopenbaard is, ons dagelijks tot zich noodt, moet van deze gelegenheid gebruik gemaakt worden om aan zijne slem te gehoorzamen. In de tweede plaats redeneert bij over deze ruste op meer subliele wijze dan de woorden van den Profeet medebrengen; want hij gaat uit van dit beginsel; dewijl in de bedreiging van straf eene stilzwijgende belofte ligt opgesloten, is er aan het volk Gods eene betere ruste beloofd, dan het land Kanaan geweest is. Want nadat de Joden daarin zijn gekomen, heelt God aan zijne Kerk de hoop geschonken op eene nieuwe ruste. Nu verklaart de Apostel uitdrukkelijk dat het de zelfverloochening is, waardoor God in ons werkt, en waardoor wij dus rusten van onze werken. En bij deze gelegenheid vergelijkt hij den ouden sabbat der wet, die slechts eene schaduw was, met de nieuwheid des geestelijken levens. Als hij zegt, dat God gezworen heeft in zijn toorn, dan leert hij hiermede, dal Hij schier gedwongen was hen met deze stral te straffen; alsol hij zeide: deze terging was niet' gering of zonder beleekenis; maar hunne verfoeieiijke eigenzinnigheid heelt Mij lol toorn verwekt, waardoor Ik tegelijker tijd gedwongen was te zweren.
T 'ÃA I.M 90.
INHOUD: Het is eene opwekking om God te loven, die niet slechts tot de Joden, maar ook tot de Heidenen gericht is. Hieruit ^ leeren wij, dat deze Psalm in verband gebracht moet worden met
het Koninkrijk van Christus, want, vóórdat Hij aan de wereld geopenbaard is, kon zijn naam nergens anders dan in Judea worden aangeroepen, en waren de Heidenen ten opzichte van dezen dienst der godsvrucht als stommen en dooven. Intusscheu heeft de Heilige
,
379
Ps\lm 96 : 1â3.
Geest ongetwijfeld de geloovigen onder de Wet opgewekt om den lof Gods te zingen, totdat Christus, alle deelen der wereld bestralende met zijne heerlijkheid, bet licht zijner leer ook daar heeft doen schijnen.
1. Zingt Jehovah een nieuw lied, zingt Jehovah, gà gansche aarde, 2. Zingt Jehovah, looft zijn' naam; verkondigt van dag tot dag zijn heil. 3. Vertelt zijn' roem onder de Heidenen, en zijne wonderen onder alle volkeren.
1. Zingt Jehovah. Hel begin leert hetgeen ik gezegd heb, dal de Profeet niet slechts de Israëlieten, maar de geheele wereld, zonder onderscheid, aanspoort, hunne toewijding aan God le belijden, heigeen niel heeft kunnen geschieden, vóórdal God alom bekend was geworden door de prediking van hel Evangelie. Want, men moet immer in gedachten houden heigeen Paulus zegt: Hoe zullen zij Hem aanroepen, in wien zij niet gelooid hebben? (Rom. 10 : 14). En daar dezelfde Paulus ook de roeping der Heidenen in Rom. 15 : lü aantoont door dit getuigenis; Loofl Hem, gij Heidenen mei zijn volk, volgt hieruit, dal er in de samenslemming des lofs ook gemeenschap is des geloof's. En voorts: de Profeet verlangt geen gewoon, maar een nieuw lied. Hieruit leeren wij, dat er van eene gansch buitengewone genade Gods wordt gesproken. Gelijk ook Jesaja, als hij spreekt van de wederherstelling der Kerk, wijl dil een ongelooflijk wonder was, zegl: Zingt den Heere een nieuw lied (Jes. 42: 10). De Profeet geeft dus le kennen, dal er een tijd zal komen, wanneer God zijn koninkrijk zal oprichten op eene wijze, die men niel verwacht had. Hij geeft nu nog duidelijker te verslaan dal alle volken deelen zullen in Gods genade, als hij beveelt, dal zijn heil alom zal worden bekend gemaakt; en hij verklaart, dat dil geen voorbijgaand heil is, geen heil dat spoedig zal verdwijnen , want hij wil dal het van dag tot dag zal worden verkondigd.
3. Vertelt zijn roem. Hij verheerlijkt dit heil near door andere namen, namelijk Roem en Wonderen; alsof hij zeide, dal liet roemrijk en wondervol zal wezen, door welke benamingen hij het onderscheidt van de verlossingen oudtijds; gelijk God ook.
380
Psalm 96 : 3â5.
loen de Verlosser in de wereld is verschenen een heerlijker en edeler leeken zijner groote goedertierenheid heeft gegeven dan ooit te voren. Gelijk ik nu reeds met een enkel woord gezegd heb: dit heil zou den Heidenen niet verkondigd zijn kunnen worden, indien zij er niet van ontbloot waren geweest. Door deze woorden worden wij er ook op gewezen, dal wij het heil, dat Christus ons heeft aangebracht, niet naar behooren erkennen, ten zij wij onze gedachten opheffen tot het onvergelijkelijke wonder, hetwelk er in uitblinkt.
4. Want Jehovah is groot en zeer te prijzen, en vreeselijk boven alle goden. 5. Want alle goden der volken zijn ijdelheid; maar Jehovah heeft de hemelen gemaakt. 6. Kracht en heedijkhid gaan voor Hem uit; sterkte en voortreffelijkheid zijn in zijn Heiligdom.
4. Want Jehovah is groot. Hij geeft de hoedanigheden te kennen van dien God, dien hij aangebeden wil hebben, opdat de Heidenen niet volgens hunne gewoonte her- en derwaarts heendwalen. Opdat dus een iegelijk aflate van bijgeloovigheden, en zich aan den waren godsdienst zal wijden, toont hij, dat er slechts één God is, die waardig is geprezen te worden. En dit is van groot gewicht, want zoo de menschen zich niet door dezen band laten weerhouden, zullen zij, hoe meer zij er naar streven om God te loven. Hem des te meer van zijne eer herooven. Daarom moeten wij ons aan deze orde houden, opdat wij den naam Gods niet vermetel ontheiligen, gelijk de onge-loovigen doen, als zij de valsche goden loven, die zij zich zeiven geformeerd hebben. De naam Elohim kan zoowel van de engelen als van de afgoden verstaan worden, gelijk wij gezegd hebben bij vers 3 van Psalm 95. Maar ik blijf bij de meening, die ik daar heb medegedeeld, nl. dat alles wat God is, of geacht wordt te zijn, in die benaming begrepen is. Want, daar God geheel de wereld verlicht dooi' de engelen, schitteren in hen eenige vonken van zijne Godheid. Als nu de menschen zich afgoden maken, verzinnen zij zich goden uit niets. De Proleet leert dus, dat diegenen zich schromelijk bedriegen, die aan de Engelen, of aan hunne afgoden eene bovenmatige eer toekennen, hetgeen hen van den eenigen waren God afleidt. Daarna weder-legt Hij inzonderheid de dwaasheid der Heidenen, omdat alles wat
381
Psalm 96 : 5.
382
zij God noemen slechls ijdelheid is, een niels, want dat is de beleekenis van het Hebreeuwsche woord ellilim, en het wordt bij wijze van minachting op de afgoden toegepast. Kortom: dewijl er geene ware Godheid is buiten Hem, die de Schepper is der wereld, zijn alle godsdiensten, die zijne zuivere aanbidding bederven, beuzelachtig en dwaas Nu vraagt men echter of de Engelen als ijdelheid, of als eene nietigheid beschouwd moeten worden, omdat velen zich in hen bedrogen hebben door hen voor goden te houden. Ik antwoord, dat men aan de Engelen te kort doet, als men de majesteit Gods op hen overdraagt; hunne natuur wordt daarom echter niet tot niets gebracht, maar wel is alles wat hun verkeerdelijk door onze verbeelding wordt toegeschreven, een niets, dat wil zeggen: het bestaat niet. Evenwel wordt hier alleen gesproken van de grove dwaling der Heidenen, die zich vermetel goden zijn gaan maken. Vóórdat de Profeet nu hunne droomerijen wederlegt. zegt hij wijselijk, dat God groot en te prijzen is, dat wil zeggen, dat Hij zóó voortreffelijk is, dat in het oneindige zijner heerlijkheid alles wal de menschen zich van hunne afgoden inbeelden, verzwolgen wordt. Men moet ook letten op de verzekerdheid van den Profeet, als hij het algemeene gevoelen der menschen minacht en de heerlijkheid van den waren God krachtdadig handhaaft. De ware dienstknechten Gods hadden toenmaals een grooten strijd te strijden tegen de groote menigte van bijgeloovigheden, waarvan de wereld vervuld was. Want de ware God was toen in Judea, als in een' onbekenden hoek der aarde, verborgen. Jupiter was in geheel Asië in hooge eer, evenals ook in Europa en Afrika. Hoewel iedere natie hare eigene bijzondere goden had, waren dezen toch ook elders vermaard; alleen de ware God was van zijne eer beroofd. In weerwil dus dat de geheele wereld samenspande om de leugen te volgen, veracht de Profeet hier stoul-moedig alles wat de menschen zich hebben uitgedacht, of door hunne instemming voor recht en waar houden, omdat al hunne ijdelheden en nietigheden geen afbrenk kunnen doen aan de heerlijkheid van den eenigen God. Hieruit volgt dal het wel zeer dwaas zou zijn, om in zake den godsdienst betreffende, ons oordeel te gronden op de meening van de menigte, of van de meerderheid; want indien de godsdienst ingericht was naar den zin en lust der menschen, of indien de dienst van God afhankelijk was van hun' wil, dan zou deze uitspraak van den Profeet te niet gedaan worden. Al is het dan ook dat een zeer groot aantal menschen met elkander overeenstemmen in eene zelfde dwaling, zoo moeten wij kloekmoedig den Heiligen Geest volgende, uitroepen
Psalm 96 : 5â6.
dal zij in niets de eere Gods kunnen verminderen, wanl evenals zij zeiven ijdelheid zijn, zoo is alles wal uil hen voorlkoml ijdel en bedriegelijk. Na de eere Gods nu hoog le hebben gehouden, bevesligl hij haar le gelijk, omdal zij uilblinkl in zijne werken. Want daar hel Gode eigen is om in en door zich zeiven le beslaan, volgt hieruit, dal alle goden, die de wereld niet geschapen hebben, slechts nagemaakte goden zijn. Van de hemelen spreekt hij hier volgens het woordfiguur, waardoor men een deelneemt voor hel geheel, omdat in de hemelen de macht van God duidelijker zichtbaar is van wege hun sieraad en hunne schoonheid.
6. Kracht en heerlijkheid. Dewijl het Hebreeuwsche woord höd kracht beleekent, schijnt hel mij toe, dat de uitleggers, die het door heerlijkheid vertalen, niet genoeg hel context in aanmerking hebben genomen, wanl in hel tweede lid is onge-twijleld eene herhaling van denzell'den zin; en daar wordt gezegd kracht en voortreffelijkheid zijn in zijn Heiligdom. Nu geeft hij door deze woorden le kennen, dat God niet goed gekend kan worden, dan wanneer eene weergalooze kracht en majesteit in Hem schilleren. En in de eerste plaals noemt hij kracht en sterkte als den grond zijner heerlijkheid. En daar God zelf onzichtbaar is, voert de Profeet de geloovigen naar hel Heiligdom, hetwelk wij elders reeds gezien hebben als een leeken zijner tegenwoordigheid. Want daar ons zwakke versland niet tol de hoogte des hemels kan reiken, wijst de Profeet er ons op dat zijne heerlijkheid niet voor ons verborgen is, omdal Hij gewild heeft, dal de leekenen van zijne tegenwoordigheid zich toonden in den Tempel, in de Offers en in de Arke des Verbonds. En voorts, laat ons, telkenmale als er melding wordt gemaakt van God, leeren, om ons een begrip le vormen van de heerlijkheid, die in zijn aangezicht schillen; want zij, die zijne macht van Hem afscheiden, stellen zich veeleer een dood wezen dan een levende Godheid voor.
7. Geeft Jehovah, gij vergaderingen der volken, geeft Jehovah eere en sterkte. 8. Geeft Jehovah de eere zijns naams, heft het offer op, en komt in zijne voorhoven. 9. Aanbidt Jehovah in de heerlijkheid des Heiligdoms; de gansche aarde beve voor zijn aangezicht.
383
Psalm 96 : 7â8.
384
7. Geeft Jehovah, gij vergaderingen der volken. Aangezien te dezer lijd God nog in Sion geprezen moest worden, en deze plaats gewijd was aan den lof zijns naams, en ook alleen het geslacht van Abraham met het priesterschap was versierd, is er niet aan te twijfelen dat de Profeet hier op de vernieuwing der Kerk wijst, welke ten laatste bij de komst van Christus heeft plaats gehad. Het is dus eene tegenstelling tusschen het oude volk en de geslachten der Heidenen, die ten laatste in dezelfde aanneming zouden deelen. Eere en sterkte geven aan Ood beteekent zooveel als Hem de eere van kracht en sterkte toe te kennen. En om te toonen dat de menschen niets van zich zeiven medebrengen, maar God boosaardiglijk berooven van de eere, die Hem toekomt, indien zij Hem niet loven, voegt hij er bij: De eere zyns naams, waarmede hij te kennen geeft, dat de lof, dien hij Hem toegebracht wil hebben, niet aan iets buiten Hem ontleend is, maar dat Hij er de bron van heeft in zich zeiven. Hij noodigt ook uitdrukkelijk de Heidenen om aan God dezelfde eere te bewijzen als de Joden Hem bewijzen; niet alsof wij God moeten dienen met de uitwendige ceremoniën , die in de wet waren voorgeschreven, maar hij geeft te kennen, dat er een zelfde regelen vorm van Godsvereering zijn zal, waarin alle volkeren overeen zullen komen. Indien nu de middelmuur des afscheidsels niet gebroken ware geworden, dan zou het den Heidenen niet geoorloofd zijn om met de Joden in te gaan in het voorhof des Heilig-doms (Ef. 2 ; 14-). Het is ook eene duidelijke profetie van de toekomstige roeping der Heidenen die in de heilige vergadering niet konden toegelaten worden, vóórdat hunne onreinheid was weggenomen. Nu was de Minchah wel een bijzonder soort van offer (Lev. 2:1) maar onder dit woord verstaat de Profeet den ganschen eeredienst, omdat dit eene meer gewone oefening der godsvrucht was. Nu blijkt het uit deze, evenals uil vele andere plaatsen, dal de Profeten, als zij van hel Koninkrijk van Christus spraken, de innerlijke aanbidding van God aanduidden door de teekenen, die in hun' tijd in gebruik waren. Want, nadat Christus geopenbaard is, heeft God niet gewild dat men Hem koeken offerde. Maar hel is alsof de Profeet zeide, dal de poorten des tempels, die voormaals gesloten waren, den Heidenen geopend zullen worden. En met welke offeranden God heden gediend wil wezen, wordt ons door den Apostel korlelijk aangetoond in Hebreën 13 : 15, Daarom zijn de Papisten des te onverdraaglijker, als zij deze schriftuurplaatsen verdraaien om er hunne Mis en andere dwaasheden mede te rechtvaardigen. Inlusschen kunnen wij uit deze Schriftuurplaats wèl afleiden, dal de ware dienst-
Psalm 96 : 8â9.
knechlen Gods nooit ledij? voor Hem verschijnen; gelijk ons ook bevolen is, om ons zeiven en heigeen wij bezitten Hem te offeren, hetwelk is onze redelijke godsdienst (Rom. 12 : 1).
9. Aanbidt Jehovah in de heerlijkheid des Ileiligdoms. Hij gaat nog voort met denzellden zin. Want dal God voormaals ofïers van zijn volk heeft geëischt, was niet omdat Hij den dienst der menschen noodig had, maar opdat zij belijdenis zouden doen van hun gelool. De Profeet leert dus, wat de strekking was van het offer, dat hij genoemd heeft, nl. dat de geloovigen zich buigen voor God, en betuigen, dat zij met alles wat zij hebben zijne zijn. Hij spreekt opnieuw van de schoonheid des Tempels om aan te toonen, dal de Heidenen toegelaten zullen worden om in deze eere te deelen, en dat zij met het uilverkoren volk één lichaam zullen uitmaken. Nu was hel ten tijde, dal de Psalm gedicht werd, iels ongeloofelijks, dal de Heidensche volken gelijkelijk met het heilig geslacht van Abraham in den Tempel zouden worden ontvangen. Maar onze roeping, die toen voor iels ongehoords gold, moeten wij des te meer bevestigd achten, omdat wij er zeker van zijn, dat de poorte des heils ons niet anders dan door God zeiven geopend is. Door dit woord schoonheid brengt de Profeet eerbied te weeg voor den Tempel, opdat de menschen zich niet roekeloos en zonder eerbied in Gods tegenwoordigheid begeven, maar er mei vreeze en ootmoedigheid komen. liet slot van het vers heelt dezelfde strekking: Beeft voor zijn aangezicht, opdat zij, overwegende hoe groot de majesteit Gods is, zich ooimoedig voor Hem neder-buigen. Evenwel: hij heeft hen, die Hem willen dienen, niet willen afschrikken, want niets moet hun liefelijker of aangenamer zijn dan Hem te zoeken, maar omdat hel noodig is, dat wij verootmoedigd worden, ten einde God in oprechllieid te dienen. De schoonheid of heerlijkheid van het Heiligdom bestond niet in goud of zilver, of in kostelijke zaken, of in andere pracht of rijkdom, maar in hel beeld van het hemelsche voorbeeld, dal a in Mozes op den berg geloond was. (Exodus 25 : 9).
10, Zegt onder de Heidenen: Jehovah regeert, en voorzeker zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in rechtmatigheid, 11. Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee met hetgeen in
Dl II. 25
385
Psalm 96 : 10.
haar is, bruise. 12. Dat het veld zich verblijde, en al wat er in is, dat de boomen van het woud te zamen juichen. 13, Voor het aangezicht van Jehovah; want Hij komt, want Hij komt om de aarde te richten in gerechtigheid, en de volken in zijne waarheid.
10. Zegt onder de Heidenen. Wederom herhaalt hij, dal de dienst van God niet geldig is dan ter plaatse waar Hij woont om er te regeeren. Want zoolang de troon van God nog in een' hoek van Judea stond, konden de Heidenen niet belijden Hem te dienen, aangezien zij zich niet onder zijne heerschappij schikten. De Profeet strekt zijne heerschappi.i dus uit tot aan de uiterste einden der aarde, opdat zij, die te voren verstrooid waren, zich onder zijne leiding bijeen zouden vergaderen. En door het werkwoord Zegt geeft hij te kennen dat God de grenzen van zijn koninkrijk uitgebreid wil hebben door zijn woord en door zijne leer. Wat hij er bijvoegt omtrent de vastigheid der wereld is wel waardig om opgemerkt te worden; want schoon wij weten, dal de orde der natuur van den beginne door God vastgesteld is; dat dezelfde Zon, en dezelfde Maan, en dezellde sterren altijd aan den hemel hebben geschitterd; dat de onge-loovigen altijd door hetzelfde voedsel werden onderhouden als de geloovigen, dal zij denzelfden levensadem hebben ingeademd, zoo moet men toch bedenken, dal overal eene schrikkelijke verwarring heerscht, waardoor de wereld in duisternis blijft gehuld, zoo lang het hart der menschen aan de goddeloosheid is overgegeven. Immers, wal kan buiten God vast en onwankelbaar zijn? Het is dus niet zonder reden dat deze Schriftuurplaats leerl, dal de wereld bevestigd is, zoodal zij niet zal wankelen, wanneer de menschen zich door Gods hand laten leiden. En wij hebben mede hieruit te leeren, dal. Hoewel elk schepsel zijn ambt en dienst verricht, er in deze wereld toch niets recht geordend is, vóórdat God zijn' troon heeft opgericht om de menschen te regeeren. Immers, is er ooit schrikkelijker verwoesting in de wereld, dan wanneer de Schepper zelf niet erkend wordt? En hoewel de ongeloovigen met zich zeiven tevreden zi|n, toch moeten zij noodzakelijk heen en weder gedreven worden als de golven der zee. en hangt hun leven als aan een' draad, omdat hun staat niet in God gegrond en geworteld is. En hier moeten wij ons herinneren wat wij in Psalm 46 : 6 gezien hebben: God is in het midden der heilige
Psalm 96 : 10â11.
slad, daarom zal zij niel wankelen. En daar onder de wel alles nog in onzekerheid verkeerde, mishaagt mij hel denkbeeld niel, dal er eene vergelijking gemaakl wordt tusschen dezen volkomen gelukzaligen slaal, die onder Chrislus zou komen, mei deze loebereidingen daarvoor. Ilij voorzegt daarna dal dil koninkrijk vol van rechl en billijkhsid zijn zal, volgens heigeen wij gezien hebben in Psalm 45 : 7: De schepler uws koninkrijks is een schepler der rechlmaligheid. Door hel woord richten wordl door de Hebreën allerlei regeering le kennen gegeven. Indien God nu regeerl op zulk eene wijze, dal Hij hel leven der menschen vormt en regell naar recht en gerechtigheid, dan kunnen wij uil deze plaats opmaken, ten eerste, dat de menschen zich zoo veel zij willen kunnen vleien en zich zeiven behagen, maar dal niettemin alles verkeerd en in wanorde is, totdat Christus hen aan zich onderwerpt. Nu moet deze rechtheid niet slechts betrokken worden op de uitwendige daden van dit tegenwoordige leven, want hel is een innerlijke nieuwheid des harten, omdat zij afhangt van de wedergeboorte door den Geest, door welke wij den beelde Gods gelijkvormig gemaakt worden.
11. Dat de hemelen zich verblijden. Ten einde de grootheid van Gods genade nog beter le doen uitkomen, als hel Hem behaagt om alle menschen onder zijn bestuur te brengen, noodigt hij ook de onbezielde schepselen, zooals de boomen, de aarde, de zee en de hemelen om deelgenoolen le zijn in deze blijdschap. Want hij spreekt hier niel van de Engelen door een woordfiguur, volgens hetwelk de eene naam voor de andere is genomen, aangezien hij zelfs wil, dal de stomme visschen zullen juichen van vreugde. Het is eene hyperbolische wijze van spieken, waardoor hij le kennen geeft, dal niets begeerenswaardiger of gelukkiger is dan onder de hoede en bescherming Gods te zijn. Inlusschen geeft hij te kennen, dat God niel heerscht op lyran-nische wijze of door verschrikking, maar dal zijne heerschappij zachtheid en blijdschap ademt. Want, dal de boozen verschrikken zoodra Gods troon wordl opgericht, dal hebben zij zich zeiven te wijten Overigens is deze wijze van spreken niet zóó hyperbolisch, ol zij wordl toch door hel versland gerechtvaardigd. Wanl, gelijk als thans, volgens Paulus, alle elementen als in barensnood zijn en met ons zuchten, omdat zij onzentwege aan bederf onderworpen zijn, (Rom. 8 : 32), zoo is het ook niel le verwonderen, dal de wederherstelling der wereld, waarnaar zij zoo zeer verlangen, hen verheugt. Tevens leeren wij uil deze Schriftuurplaats hoe onzinnig de bijdschap is der menschen,
'25*
387
Psalm 96 : 12â13.
als zij zicli verheugen builen God. Aan liet einde van liel vers wordt ons duidelijk geleerd, dat wij, zoo lang Gods aangezicht voor ons verborgen is, geen vonkje van ware blijdschap kunnen hebben om ons wezenlijk te verlichten en te ver-vroolijken. Dat zij zich verblijden (zegt hij) want Hij komt. Indien nu de aarde en de zee door droefheid zijn overstelpt totdat God verschijnt, hoe zal het dan met ons zijn, voor wie een schrikkelijke vloek bereid is? Kn omdat het eene moeielijk te gelooven zaak was, herhaalt de Profeet haar twee maal, en tegelijk duidt hij ook aan, wat deze rechtheid is, waarvan hij had gesproken, te welen, dal God de wereld zal regeeren in zijne gerechtigheid en getrouwheid. Hieruit volgt, dal de verdorvenheid en geveinsdheid (die den menschen van nature eigen zijn) niet anders van hen uilgedreven worden dan door het licht van de getechligheid en de waarheid Gods.
IPSA-UVI ÃT'.
INHOUD : Ook deze Psalm beschrijft een kouiukrijk Gods, zoo als het niet geopenbaard was ouder de Wet. Hieruit volgt, dat het eeue Profetie is van het Koninkrijk van Christus, hetwelk geopenbaard is in het Evangelie. Voorts versiert de Profeet God met eene majesteit en heerlijkheid, die alle menschen er toe behoorde te brengen om nederig en ootmoedig te zijn. En ten einde nu de geuade en de liefelijkheid van dit Koninkrijk Gods te doen uitkomen, geeft hij te kennen, dat het niets anders dan het heil der menschen ten doel heeft.
1. Jehovah regeert, de aarde verheuge zich, dat de groote eilanden zich verblijden, 2. Rondom Hem zijn wolken en dikke duisternis, recht en gerechtigheid zijn de plaats van zijn' troon. 3. Het vuur zal voor zyn aangezicht heengaan, en zijne vijnden van rondom verteren. 4. Zijne bliksemen hebben de wereld verlicht, de aarde zal het zien en sidderen. 5. De bergen
Psalm 97 : 1â5.
zijn gesmolten als was voor het aangezicht van Jehovah, voor het aangezicht des Heeren der gansche aarde.
I, Jehovah regeert Als hij de menschen opwekt om zich Ie verheupen, dan verklaart hij hiermede penoepzaam, dat God nooit regeert, of er straalt tepelijker tijd heil en volkomen geluk op hen af. En door nu deze blijdschap algemeen te maken voor geheel de wereld, ja zelfs voor de volken aan gene zijde dei-zee, geeft hij Ie kennen, dat het koninkrijk Gods, hetwelk loen nog besloten was binnen de grenzen van Judea, nilgebreider zal zijn, omdat hel ook de Heidenen zal omvatten. In de volgende vier verzen versiert de Profeet de hemelsche heerlijkheid Gods met de benamingen, die haar eigen zijn, en wekt hierdoor de menschen op tot diepen eerbied voor Hem; want zijne ontzaglijke majesteit wordt ons voor oogen gehouden met het doel om den hoogmoed en het ijdele betrouwen des vleesches onder Gods voeten te vertreden. Wij weten dat een bewolkte hemel meer schrik inboezemt dan een heldere hemel, omdat duisternis somberheid veroorzaakt in onzen geest. Daarom twijfel ik niet of de Profeet heeft door dit teeken onlzag willen verwekken, opdat de wereld vervuld zij van eerbied voor God. Anderen geven hier eene meer gezochte verklaring van, le weten, dat rondom God eene wolk is, die de roekeloosheid en al te groote sloutmoedigheid van het menschelijk versland in loom houdt, opdat hunne nieuwsgierigheid hen er niet toe brenge om al le zeer de verborgenheden Gods le willen doorgronden. Nu ligt in deze verklaring wel eene zeer nuttige leering, maar dewijl ik afkeerig ben van al wat gezocht en spitsvondig is in de uitlegging van Gods Woord, houd ik mij hieraan, dat de Profeet door deze donkerheid rondom God het hart der menschen levendig heeft willen treffen, opdat zij beven voor zijne majesteit. Dit wordt ook bevestigd door hel vervolg van den tekst, als hij zegt, dat Het vuur voor zijn aangezicht heengaat, dal zijne vijanden zal verbranden; dal zijne bliksemen de aarde doen wankelen, en dat zelfs de bergen versmelten. Zegt iemand nu dal zoodanige verschrikking niet past bij de blijdschap, waarvan hij zoo even gesproken had, dan antwoord ik, ten eerste: Hoewel God, als Hij zijn' troon opricht, en van zijn' kant bereid is alles te doen om de menschen gelukkig le maken, zoo zijn toch allen niet in staat deze weldaad te ontvangen. Men moet ook in gedachten houden wat ik te voren gezegd heb, te welen, dat deze vermaning zeer nuttig is voor de geloovigen, opdat zij allen hoog-
389
Psalm 97 : 5â6.
moed des vleesches wegwerpende, God mei ootmoed aanbidden. Als hij nu zegl, dal rechi en gerechtigheid de plaats zijn van zijn' troon, looft hij hel koninkrijk Gods van wege de vrucht, die wij er van ontvangen. Want, daar er niets ellendiger is dan te leven zonder recht en gerechtigheid, verklaart de Proleet dat deze lol' zeer bijzonder toekomt aan God; dal Hij alleen, als Hij regeert, recht en gerechtigheid doet heerschen in deze wereld, gelijk zij voorzeker verre van ons zijn, zoo lang God niet door zijn' Geest der zachtmoedigheid ons hart heeft geneigd om ons te onderwerpen aan zijn Woord. Daar echter de meeste menschen de heerschappij van God hardnekkig weerstaan en zijn juk van zich werpen, is de Proleet genoodzaakt ons hel aangezicht Gods streng voor te stellen, ten einde aan te loonen, dat de hardnekkige boosheid der goddeloozen niet ongestraft zal blijven. Omdat nu wanneer de menschen God niet met eerbied en nederige zachtmoedigheid ontvangen, als Hij tot hen nadert, hunne goddeloosheid dubbel zoo zwaar wordt, is het volkomen terecht, dal zoodanige wrake met het koninkrijk van Christus wordt in verband gebracht. Nu zegt de Profeet, dat zij die God verachten in den Persoon van zijn' eenigen Zoon, ten laatste, of zij hel willen of niet, zullen gevoelen hoe ontzaglijk zijne majesteit is. Dit is hel wal hij verstaat door het werkwoord zien, want als de boozen zien, dal al hun hevig en woest verzet legen God ijdel is, dan beginnen zij uitvluchten te zoeken Nu ontkent de Profeet dat zij, door zich zoo moedwillig te verblinden hun doel kunnen bereiken om zich voor hel aangezicht Gods te verbergen.
6. De hemelen hebben zijne gerechtigheid verkondigd, en alle volken hebben zijne heerlijkheid gezien. 7. Dat allen, die de beelden dienen, beschaamd worden, want zij beroemen zich op eigen maaksels; dat alle goden Hem aanbidden. 8. Sion heeft het gehoord en heeft er zich in verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd van wege uwe oordeelen, o Jehovah!
6. De hemelen hebben zijne gerechtigheid verkondigd. Hij verklaart dal de gerechtigheid Gods zóó voortreffelijk zal wezen, dal zelfs de hemelen haar zullen verkondigen. Nu is hetgeen hier gezegd wordt verschillend van de uitspraak in Psalm 19:2: De hemelen vertellen Gods eer; want daar toont David slechts
390
Psalm 97 : 6â7.
aan dal hel beeld van Gods wijsheid en machl afgespiegeld wordl in hel maaksel der hemelen, alsof God zijn recht er op handhaaft door hel getuigenis zijns Woords; maar hier zegt hij, dal de geestelijke gerechligheid, die God in hel koninkrijk van Christus zal openbaren, zóó groot zal wezen, dal zij hemel en aarde zal vervullen. Er is ook in de persoonsverbeelding, waardoor hij de hemelen voorstelt als sprekende van de gerechtigheid Gods, eene groote kracht van uitdrukking, alsof eenig gevoel daarvan zelfs tot hen was doorgedrongen.
7. Dat allen die de heelden dienen. Hier gelijk als in den vorigen Psalm, steil de Profeet het verschil in het licht lusschen den waren God en alle verzinselen der menschen, opdat niemand de titels en benamingen, die hij aan God heeft toegeschreven, toepasse op een' afgod, dien hij zich gemaakt heeft. Wij geven gaarne toe dal God te prijzen is, maar (dewijl wij allen tot bijgeloof geneigd zijn) is er nauwelijks één op de honderd, die zich uitsluitend houdt aan zijn' dienst; zoodra er melding wordt gemaakt van God, begeven wij ons tot onze eigene verdorvene inbeeldingen en bedenkselen. En hoewel zich nu ieder zijn eigen God uitdenkt, scheppen wij toch bellaren in dezen verwarden hoop van goden. Dal is de reden waarom de Profeten, wanneer zij de menschen vermanen en opwekken tot den dienst van God, tegelijk zoo zorgvuldig verklaren wie de ware God is, opdat zij geene valsche goden aanbidden. Maar hel is ook wel waardig om in de orde, die de Profeet volgt, op te merken, dal hel booze bijgeloof niet anders verdwijnen zal, dan wanneer de ware godsdienst de overhand heeft in hel hart der menschen. Want, daar de menschen van wege het trage van hun versland, niet tol God kunnen genaken, moeten zij wel in de dwaling van hunne leugens verstrikt raken, en deze leugens worden alleen weggevaagd door de kennis van God, evenals de zon door haar licht de duisternis verdrijft Alle menschen hebben van nature den een' of' anderen godsdienst, maar de slompzinnigheid van ons verstand en onze verblindheid zijn zóó groot, dal hel denkbeeld hetwelk zij van God hebben er terstond door wordt verdorven; en zoo is dan de godsdienst een begin van alle bijgeloof; voorzeker wel niet uit zijn' aard, maar omdat de gedachten der menschen zóó zeer door duisternis omhuld zijn, dal zij niet staat zijn den waren God van de afgoden te onderscheiden. Maar zoodra de waarheid Gods gekend wordl, gaat er kracht genoeg van haar uit, om alle bijgeloof verre weg te drijven. Want indien (gelijk wij gezegd hebben) de zon alle
891
Psalm 97 : 7.
392
beletselen doel verdwijnen, die de lucht verduisteren, wal. zal dan niet door de tegenwoordigheid Gods geschieden? Daarom is hel niet te verwonderen dal de Profeet, na van het koninkrijk van Christus gesproken te hebben, den spot drijft met de Heidenen, die roemen in hunne gesneden beelden, gelijk ook Jesaja, als hij van het opgaan spreekt van bel licht des Evangelies, er onmiddelijk bijvoegt: Dan zullen alle de afgoden van Egypte vallen (Jes. 19: 1), En daar nu de kennis van God voor de menschen nog verborgen was, moeten wij het niet vreemd vinden, dat zoo vele en verschillende bijgeloovigheden reeds van den beginne in de wereld geheerscht hebben. En hetzelfde geldt ook voor beden; want wij weten dat onder de Turken, de Joden en de Papisten bet licht der ware leer uitgebluschl is. Daarom kan het niet anders, of zij moeten in hunne dwaling verzonken blijven, omdat zij onmogelijk wederom tot hel rechte versland kunnen komen om zich van hunne dwaling te bekeeren, vóórdat zij God hebben leeren kennen. Want door deze uitdrukking: Dat zij heschaamd worden, geeft de Profeet te kennen, dat het lijd is, dat zij, die zich aan hel bijgeloof hebben overgegeven, zich bekeeren, en zich lot den zuiveren dienst van den eenigen God begeven. Niet dat allen zonder onderscheid tol ware bekeering komen zullen (want wij zien heden vele discipelen van Lucianus, die na het bijgeloof te hebben verworpen, de onbeschaamdheid eener hoere aannemen), maar de kennis van God brengt deze vrucht voort, dal de menschen, na de dwaling veroordeeld te hebben, zich lol God bekeeren. Wal hen betreft, die hardnekkig God wederslaan (gelijk wij heden velen hardnekkig in hel Pausdom zien blijven), er is met dat al niet aan te twijfelen, of zij zijn inwendig lernedergeslagen, en zullen met hun opstand beschaamd uitkomen. Als hij daarna zegt: Dat alle goden Hem aanbidden, dan moet dit eigenlijk wel toegepast worden op de Engelen, in wie iels van de Godheid schillen, maar in oneigen-lijken zin kan het uitgebreid worden lot de valsche goden, alsof hij zeide: Alles wal geacht wordt God te zijn, moet plaats geven en er zich aan onderwerpen, dat één eenig God verhoogd worde. En hieruit kunnen wij de ware omschrijving afleiden der godsvrucht, nl. dat de ware God alleen en uitsluitend aangebeden moet worden, en dat Hij alleen zóó verhoogd wordt, dal geen schepsel, hoe ook genaamd, zijne Godheid verduistert. En zoo wij niet willen, dal de ware godsvrucht gansch en al voor ons verloren gaat, dan moeten wij dien grondregel vasthouden, dat geen enkel schepsel bovenmate door ons geprezen of verheerlijkt mag worden.
Psalm 97 : 8.
8. Ston heeft het gehoord. Hoewel liij le voren deze blijdschap voor de gansche wereld gesteld heeft, richt hij zich thans tot het uitverkoren volk, ten eerste, omdat aan hen de eerste vruchten dezer blijdschap aangeboden worden, en vervolgens opdat alle oorzaak tot afgunst weggenomen zou worden. Hoewel hij dus zegt, dat de Heidenen met de kinderen Abrahams gelijk gesteld moeien worden, voegt hij er thans bij, dat deze gelijkstelling volstrekt niet ten nadeele is der Joden, maar dat dit veeleer eene ware reden van blijdschap voor hen is, omdat God geheel de wereld besproeit uit hunne fontein. De Profeet spreekt overigens alleen van de wettige kinderen Abrahams, die zich dubbel verheugen, als God zijne heerschappij uitbreidt van hel Oosten tol hel Westen. Ten eerste omdat God dan de verlossing, die Hij had beloofd, in Christus volkomen heeft geloond, en vervolgens, omdat zij gezien hebben, dat de heerlijkheid Gods, welke verborgen was geweest in Judea, zich overal heeft verbreid. En het was geen kleine bevestiging des geloofs, als, overeenkomstig de Profetie, de Heidenen in het zaad Abrahams gezegend werden, en dat de godsdienst, die gehaat en veracht was, nu alom werd omhelsd. Maar waarom zegt hij, dat zij het gehoord en niet dat zij het gezien heeft? Ik antwoord, dal de Profeet dit werkwoord gebruikt heeft om twee redenen, le welen, opdat de geloovigen vóórdal de vervulling nog daar was, reeds eenige vreugde mochten smaken door de hope, die zij er van hadden, en vervolgens, geefl hij te kennen, dal de heerlijkheid des. Evangelies alom verbreid moest worden, zoodat de Joden haar veeleer kenden door hetgeen zij er van hadden gehoord, dan door hetgeen zij er van hadden gezien.
9 Want Gij, Jehovah, zijt hoog verheven boven de gansche aarde, Gij zijt zeer hoog boven alle goden. 10. Gij, die Jehovah lief hebt, haat het kwade; Hij bewaart de zielen zijner zachtmoedigen; Hij zal hen verlossen uit de hand der boozen. 11. Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en de blijdschap voor de oprechten van harte. 12. Gij rechtvaardigen, verblijdt u in Jehovah, en looft de gedachtenis zijner heiligheid.
393
Psalm 97 : 9â11.
9. fVani Gij, Jehovah. Dewijl ik deze woorden reeds elders veiklaard heb, zal ik er nu niel bij stilstaan. Ik wil alleen wijzen op de vergelijking tusschen God en de Engelen en alles wat hoog verheven is. Want de Proleet brengt alle hoogheid tot hare eigene plaats, zoodat de majesteit alleen aan God verblijft. Dit nu is meer ten volle getoond, toen God zich geopenbaard heeft in zijn' eengeboren Zoon, die zijn uitgedrukt beeld is; want daar te voren zijne kennis meer verborgen is gebleven, was zijne verhooging ook minder zichtbaar.
10. Gy die Jehovah liefhebt. Hier wekt hij de geloovigen op lot oprechtheid; gelijk ook Paulus zegt: Al wieden naam des Ileeren aanroept, sta af van ongerechtigheid. (2 Tim. 2 : 19). Hij bewijst dus uit den aard Gods, dat niemand door Hem erkend wordt als tot zijne dienstknechten te behooren dan zij, die afwijken van alle kwaad en zich toeleggen op oprechtheid in al hunne handelingen; want, daaar Hij de fontein is van alle gerechtigheid, kan het niet anders of alle ongerechtigheid moet door Hem verafschuwd worden, omdat Hij zich zeiven niel kan verloochenen. Daarom houdt Hij ons aan zich verbonden onder voorwaarde, dat wij alle ongerechtigheid zullen haten. Dewijl echter de boosheid onzer vijanden ons dikwijls tot wraak prikkel!, en hel schijnt alsof wij niet anders dan door onheilige middelen onverlet uit den strijd met hen te voorschijn kunnen komen, verklaart de Proleet, ten einde deze verzoekingen te voorkomen, dat God de zijnen bewaart. Want zij, die er van overtuigd zijn, dal zij zich onder de bescherming Gods bevinden, strijden niet met de boozen, en vergelden geen kwaad voor kwaad door van hun' kant leed of schade te berokkenen, maar bevelen hun heil en welzijn aan Hem, die er de getrouwe Hoeder van is. Dit weerhoudt ons van het zwaar of verdrietig te vinden om af te laten van het kwade, en onze handen niet rein te houden, al is het ook dat de boozen ons kwellen en tergen, dewijl hel Gode behaagt onze ziel in zijne heilige hoede le nemen.
11. Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, Hij bevestigt den voorafgaanden zin, en tegelijk voorkomt hij de tegenwerping, die men zou kunnen aanvoeren; wanl wij zien dikwijls, dal de rechtvaardigen zeer hard en onrechtvaardig behandeld worden, alsof zij aan de willekeur hunner vijanden waren overgelaten. De Profeet antwoordt dus: Hoewel God de zijnen niel terstond verlost, zoo beschermt Hij hun'welzijn loch door eene verborgene kracht. In hel eerste lid van hel vers wordt eene dubbele beeld-
394
Psalm 97 : 11â12.
395
spraak gebruikt, want door hel woord licht geelt hij blijdschap en voorspoed te kennen (welke spreekwijze zeer dikwijls in de Schrift wordt aangetroffen) gelijk ook tegenspoed bij duisternis wordt vergeleken. De laatste figuurlijke uitdrukking ligt in hel woord gezaaid, en deze schijnt wel een weinig moeielijker. Sommigen zeggen dal voor de rechtvaardigen blijdschap is gezaaid, evenals hel zaad, dat in de aarde geworpen is, sterlt, ofeenigen tijd verborgen blijft eer het ontkiemt. Hoewel ik deze verklaring nu niet verwerp, zou het toch wellicht eenvoudiger zijn te zeggen; Hoewel de rechtvaardigen nauwelijks plaats kunnen vinden op de aarde, of zich ten minste niet openlijk durven vertoonen, maar zich in de duisternis verborgen houden, zal God toch hunne gelukzaligheid heinde en ver verspreiden, evenals zaad, dal rechts en links uitgestrooid wordt; of wel, het licht hunner blijdschap te voorschijn zal brengen, hetwelk te voren verborgen was. Hel tweede lid van het vers is de verklaring van hel eerste, want hij neemt blijdschap voor licht, en de oprechten van hart voor de rechtvaardigen En men moet wel letten op deze omschrijving der rechtvaardigheid, te weten, dat dit geen uitwendig mom is, maar in ongeveinsde reinheid des harten bestaal, zoodal hel niet genoeg is onze tong, onze handen of onze voeten te weerhouden van het kwade, om rechtvaardig voor God geacht te worden. In hel laatste vers vermaant hij de geloovigen tol dankbaarheid, opdat zij, wel overtuigd zijnde, dat God hun Bevrijder is, erkennen., dal zij hun leven verplicht zijn aan zijne genade, en dal zij, wal hun ook moge wedervaren, volkomen tevreden zijn met, en rusten in zijne hulp en bescherming.
PBAI^M 98.
INHOUD; Deze Psalm is nauw verwant aan den 96en, niet slechts wat den inhoud betreft, maar ook in de woorden komen zij overeen. Waar het op neerkomt is, dat, nadat de kennis van God meer algemeen in de wereld verbreid zal zijn, zijne heerlijkheid ook duidelijker dan te voren gezien zal worden; deels omdat, de Verlosser geopenbaard zijnde, de beloften, aan het zaad Abrahams gedaan, meer ten vuile vervuld zullen zijn, en deels ook, omdat dan terstond het heil Gods aan de gansche wereld blijkeu
Psalm 98 : 1.
zal; waarom hij beveelt dat de naam Gods grootelijks verheerlijkt zal worden.
Een Psalm, 1. Zingt Jehovah een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan; zijne rechterhand en de arm zijner heiligheid hebben Hem heil gewrocht. 2. Jehovah heeft zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft zijne gerechtigheid geopenbaard voor de oogen der Heidenen, 3. Hij is gedachtig geweest zijner goedertierenheid en zijner getrouwheid aan het huis Israëls; alle einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.
1. Zingt Jehovah. Wij hebben gezegd, dal door deze woorden eene zeer bijzondere en keurige dankzegging wordt aangeduid. Dit blijkt ook uil de reden, die er terstond bij wordt gevoegd, te weten omdat God zijn heil op wonderbaarlijke wijze aan de wereld heeft doen kennen. Want na van de wonderen gesproken te hebben, bepaalt hij dezen lol één punt. nl. dnt God zich door zijne eigene kracht heil heeft gewrocht-, door welke woorden bij te kennen geelt, dat God niet door de hulp van menschen, of door wereldsche middelen, maar op eene nooit te voren gekende wijze zijne Kerk heeft verlost en bewaard Jesaja verheerlijkt dit wonder in hoofdstuk 59 : 16 door zeer vele woorden. God, zegt hij, heeft gezien of er ook iemand was, die tusschenbeiden trad Daarom heeft Hij zich door zijn' arm heil verkregen, en zijne gerechtigheid is Hem lot steun geweest. In beide deze Schriftuurplaatsen wordt Gods arm gesteld tegenover de gewone middelen, die, hoewel zij aan de macht van God niet te kort doen, er toch het aanzien van verduisteren, alsof er een sluier over heen geworpen werd. liet Hel is alsof de Profeet gezegd had: God zal geene gewone middelen gebruiken om de wereld Ie verlossen, maar Hij zelf zal te voorschijn treden, opdat het geweten worde, dal dit heil een wonder is, dal door Hem gewrocht werd. Hel is dus terecht, dat hij besluit dat deze verwonderlijke en voor het menschelijk versland onbegrijpelijke goedheid- van God in voortreffelijke lofzangen verheerlijkt moet worden. Hetzelfde toont hij nog duidelijker aan in hel tweede vers, als hij zegt, dat het heil en de gerechtigheid van God geopenbaard zijn aan de
396
Psalm 98 ; 1â3.
Heidenen. Want, waarop zou men wel minder hoop of uitzicht kunnen ^eliad hebben, dan hierop, dat het iicht over deze dikke duisternis van onwetendheid en verblindheid zou opgaan? Of dal er eene plaats zou wezen voor gerechtigheid in een' afgrond van ongerechtigheid? Hoewel nu het heil, hetwelk de vrucht is der gerechtigheid, het eerst genoemd wordt, en de orde dus omgekeerd schijnt, moet men dit niel vreemd of ongepast vinden, want als er van de weldaden Gods wordt gesproken, wordt het middel, dat naar de volgorde vooraf moest gaan, er later ter nadere verklaring bijgevoegd. En de gerechtigheid van God, waaruil het heil der menschen voortvloeit, bestaal niet hierin, dat quot;ij hen vergeldt naar hetgeen zij verdiend hebben, maar zij is hel kenmerk van zijne goedheid, genade en trouw, gelijk dit aan eene andere plaats reeds gezegd is.
3. Hij is gedachtig geweest. Na genoegzaam gesproken te hebben van de algemeene openbaring der genade, maakt hij met bijzonderen lof melding van Gods bijzondere genade, jegens zijn uitverkoren volk. Want, hoewel God zich gelijkelijk aan Joden en Heidenen als Vader heeft aangeboden, heeft Hij toch begonnen met de Joden, opdat dezen als eerstgeborenen zouden zijn. Want de heerlijkheid der Heidenen is, dat zij in het heilig geslacht van Abraham aangenomen en ingeënt zijn, en dat de verlossing, die aan de gansche wereld gemeen is, voorlgevloeid is uil de belofte aan Abraham gedaan, gelijk ook Christus zegt: De zaligheid is uit de Joden (Joh. 4: 22). Daarom zegt de Profeet terecht, dal God de wereld verlossende, gedachtig is geweest aan de belofte, die Hij aan hel volk van Israël heelt gegeven. Door deze woorden leert hij, dal Hij door niets anders gedrongen was dan door zijne trouw om zijne belofte te vervullen. En len einde nog beter uil te drukken, dal de belofte niel gefondeerd is op de gerechtigheid of de verdienste der menschen, noemt hij in de eerste plaats de goedheid, en daarna de getrouwheid, die van deze afhangt. Waar hel dus op neerkomt is, dal God â bij wijze van spreken â niet uit zich zeiven is uitgegaan, maar dat hij de oorzaak gevonden heeft in zijne vrije goedheid en in zijn welbehagen, die Hij lang te voren aan Abraham en zijn zaad heeft doen kennen. Die uitdrukking Gedenken richt zich naar hel begrip der menschen, omdat, als Hij hen geruimen tijd heeft doen wachten; het den schijn had, alsof Hij hen had vergelen. Want sedert den dag dal de belofte gedaan was, waren meer dan twee duizend jaren voorbijgegaan eer Christus geopenbaard was, en intuaschen zijn de geloovigen verdrukt en door zoo
397
Psalm 98 : 3â9.
vele en velerlei rampen en wederwaardigheden beproefd, dal het niet te verwonderen is, dal zij zeer gezucht hebben alsof zij alle hoop hadden opgegeven om ooit de verlossing te zien of er van te genieten. Hetgeen er onmiddelijk bijgevoegd wordt, dal de einden der aarde het heil Gods hebben gezien, heeft niet slechts de strekking om Hem te loven, alsof hij gezegd had, dal dit een zeer gedenkwaardig heil was, waarvan de roem zou uitgaan tot aan de uiterste einden der aarde, hij geeft ook te kennen dat de Heidenen, die te voren als betooverd waren door hunne droomerijen, hierin deelen zouden.
4. Dat de gansche aarde zich verblijde in Jehovah, dat zij weerklinke en zich verheuge en Psalmzinge. 5. Psalmzingt Jehovah op de harp, op de harp en met de stem des gezangs. 6. Met trompetten en bazuinen geklank, juicht voor het aangezicht des eeuwigen Konings. 7. Dat de zee bruise met al hare volheid, de wereld en allen, die daarin wonen. 8. Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de bergen vreugde bedrijven. 9. In de tegenwoordigheid van Jehovah, want Hij komt om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in rechtmatigheid.
4. Dat de gansche aarde. Hij herhaalt dezelfde opwekking, die hij te voren gedaan heeft, door welke hij, als hij zich lol de Heidenen richt, aanloonl, dal er in geheel de wereld slechts ééne Kerk zal zijn , in welke God. den middelmuur des afscheidsels nedergeworpen hebbende, alle de zijnen in eenstemmigheid des geloofs zal ontvangen. Wat de muziekinstrumenten betreft, er is niet aan te twijfelen, dal hij zinspeelt op de gewoonte van dien lijd. Maar inlusschen heeft hij de Heidenen niet willen noodzaken de ceremoniën der Wet Ie vervullen. Overigens is er groote kracht van uitdrukking in de herhaling der woorden; alsof hij zeide: De menschen kunnen v\el alle pogingen in het werk stellen om de verlossing der wereld te bezingen, toch zal er geen lof groot genoeg zijn om de grootheid der genade te evenaren. Hetgeen nog beier gezien wordt doer hetgeen volgt,
398
Psalm 99 : 1.
als hij aan onbezielde wezens gevoel en gewaarwording loeschrijll. Dewijl geheel deze samenhang elders reeds verklaard is, zal ik er thans niet langer hij stilstaan.
PSAIJVL 99.
INHOUD: Deze Psalm verschilt van de vorigen in één opzicht, en wel hierin, dat hij het koninkrijk Gods en het heil, dat er uit voortvloeit, niet buiten de grenzen van Judea brengt, maar veeleer de kinderen Abrahams afzonderende van de andere volken, hen van wege het voorrecht hunner aanneming opwekt om God bijzonder te loven.
1. Jehovah regeert; dat de volken beven; Hij woont (tusschen) de Cherubim; dat de aarde zich bewege. 2. Jehovah is groot in Sion, en hoog verheven boven alle volken. 3. Zij zullen uwen grooten en vreeselijken naam loven, want deze is heilig. 4. En de sterkte des Konings bemint het recht; Gij hebt billijkheden bevestigd; Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
1. Jehovah regeert. Ilij beveelt slechts die volken te beven, die hij te voren uitgenoodigd heeft zich te verblijden. Want daar de Joden van alle kanten door vijanden omringd waren, was hel wel noodig, dat de macht van God onder hen groot gemaakt zou worden, opdat zij zouden weten, dat zij ten allen tijde veilig zouden zijn tegen den haat. en de woede van allen, zoolang zij zich onder zijne bescherming bevonden. Gelijk wij aan eene andere plaats gezien hebben, beteekent het Hebreeuwsche woord rogez, dat hij hier gebruikt, nu eens Je«en, en dan wederom zich vertoornen, en bijgevolg geelt het gemoedsbeweging te kennen, die uit toorn of ook we! uit vreeze kan ontslaan. Daarom bedoelt
399
Psalm 99 : 1â4-.
de Profeet ihans le zeggen, dal God door hel uilverkoren volk te verlossen eone zoodanige macht zal tentoonspreiden, dal alle natiën er ontroerd van zullen wezen, en ten laatste zullen beseffen hoe hunne woede lol hunne eigene schade en nadeel zal uilloopen Want, hel is mei betrekking tot de menschen, dat er gezegd wordt, dal God regeert, wanneer ilij, zijne macht op majestueuze wijze openbarende, zich hoog verheft; want zoolang Hij zijne hulpe verbergt, verheffen de ongeloovigen zich zóó sloulmoedig, alsof er geen God was.
2. Jehovu.h is groot. Wij moeien de tegenstelling in gedachten houden, waarvan ik gesproken heb, dal God groot is in Sion om de vijanden zijner Kerk ten onder le brengen en le verderven. En dal er terstond bijgevoegd is, dat Hij hoog verheven is boven alle vo/Jctn, moei niet zóó verslaan worden, alsof quot;ij de wacht over hen hield lol hun heil, maar om hunne raadslagen te vernietigen, hunne ondernemingen op niets te doen uilloopen, en al hunne macht le verbreken. Hetgeen nu volgt betreffende het loven van Oods naam is niet voor alle natiën, maar (naar mijn oordeel) eischl de Profeet alleen van de geloovigen dankbaarheid jegens God. Want, wel is waar, ontwringt Hij aan de reeds overwonnen vijanden eenige erkentenis, dewijl zij echler voortdurend in opstand zijn legen zijne heerlijkheid en lasteringen tegen Hem uitbraken, kan hetgeen hij hier zegt van zijn' naam le loven omdat hij heilig is, op hen niet van toepassing zijn. Hij richt zich dus eigenlijk lol de geloovigen, die door de kennis van God opgewekt worden om Gods naam le loven.
4. En de sterkte des Konings. Dit zou een bedreiging kunnen wezen om de vijanden te verschrikken; alsof hij zeide dat God gewapend is mei macht om wrake te doen over hel onrecht dat Hem wordt aangedaan, dewijl Hij recht en gerechtigheid liefheeft. Ik pas dit echter liever toe op de Kerk, nl, dat zij onder de heerschappij Gods is op die voorwaarde, dat zij rechten gerechtigheid zal beoefenen. Er is nog een andere zin; die ook niet slecht zou voegen, nl. dal hel niet geoorloofd is in God eene tyrannieke heerschappij te denken, omdal er eene voortdurende overeenstemming is lusschen zijne machl en zijne gerechtigheid. Als ik echler den samenhang van den tekst goed naga, dan twijfel ik niet of de Profeet spreekt hier, nadat hij God als Opperheer op zijn' troon heeft geplaatst, van zijne menier van te regeeren, want hij voegt er bij, dat Hij recht en billijkheid heeft gevestigd; hetgeen echter in tweeërlei zin kan genomen
401)
Psalm 99 : 4â5.
worden, óf dat God in zijne Wet eene volkomene billijkheid aan zijn volk heeft geboden, óf dat Hij zelf immer blijk heeft gegeven van recht en billijkheid door zijn volk te onderhouden en te beschermen. Hoewel hel nu zeer waar is, dat in de werken en in de oordeelen Gods eene volmaakte gerechtigheid heeft uitgeblonken, komt hel mij toch meer waarschijnlijk voor, dat dit verstaan moet worden van de leer, te weten, dat God, die de gerechtigheid bemint een' regeeringsvorm voor het volk, van Israël heeft verordineerd, die een zeer goede regel was om een goed en rechtvaardig leven te leiden. En zoo zal het werkwoord doen hier in oneigenlijken zin genomen zijn voor bevelen of gebieden. Tenzij men wellicht dit laatste werkwoord liever van de regeering Gods wil verslaan, heigeen mij niet mishaagt. Want er is niets dal de geloovigen meer aanmoedigt om God te gehoorzamen, of hen meer bevestigt in hunne begeerte om de Wet waar te nemen, dan de ondervinding dal God voor hen zorgt, en dat Hij de gerechtigheid, die Hij van de zijnen eischt in woorden, van zijn' kant getoond heeft door daden.
5. Verhoogt Jehovah, onzen God, en aanbidt voor de voetbank zijner voeten; Hij is heilig. 6. Mozes en Aaron zijn onder zijne priesters, en Samuël onder hen, die zijn' naam aanroepen; zij hebben Jehovah aangeroepen, en Hij heeft hun geantwoord. 7. Hij heeft tot hen gesproken in de wolkkolom, zij hebben zijne getuigenissen bewaard, en de inzetting, die Hij hun gegeven heeft. 8. Jehovah, onze God, Gij hebt hun geantwoord; o God! Gij zijt hun gunstig geweest en hebt wrake gedaan over hunne werken. 9. Verhoogt Jehovah, onzen God, en buigt u neder voor zijn' heiligen berg, want Jehovah, onze God, is heilig.
5. Verhoogt Jehovah. Deze vermaning is eigenlijk tot de Kerk gericht, opdat zij, na de genade Gods ervaren te hebben, zich met des te meer ijver en blijdschap lot het beoefenen der godsvrucht begeve. Hij wekt dus de Joden op om God te ver-boogen, van wien zij zoo kostelijke hulp hadden ontvangen, en hij beveelt hun den eerediensl waar te nemen en de aanbidding
Dl. II. 26
401
Psalm 99 : 5
te brengen, die in de Wet was bevolen. Nu wordt, wel is waar de Tempel in vele andere plaatsen der Schrift de zetel of de verblijfplaats Gods genoemd, of wel zijne rust en zijne woning; maar er is toch eene zeer goede reden voor, dat hij hier in beeldspraak de voetbank zijner voeten wordt genoemd. Want God heeft op zulk eene wijze in het midden des volks willen wonen, dal Hij hunne gedachten niet gericht hield op den uit-wendigen Tempel en op de Arke des Verbonds. maar dat zij zich veeleer naar Boven zouden richten. Daarom heelt de naam Huis, of Woning, gestrekt om hun hoop te geven, opdat alle godvruchtigen de vrijmoedigheid zouden hebben om zich gemeenzaam lot God te wenden, dien zij hun vriendelijk tegemoet zagen komen. Omdat echter het hart der menschen tot bijgeloof geneigd is, moest dit gebrek in hen verholpen worden, opdat zij van God geene vleeschelijke of aardsche denkbeelden zouden koesteren, en niet aan de uitwendige teekenen zouden blijven hangen. Wanneer de Profeet den Tempel dus de voetbank van Gods voelen noemt, dan wil hij, dat de godvruchtigen hunne gedachten hooger zouden opheffen, omdat God met zijne oneindige heerlijkheid hemel en aarde vervult. Toch geeft hij hiermede ook tegelijk le verslaan dat God nergens anders dan op den berg Sion wettig gediend wordt. Want hij richt zijne woorden zoo in, dal hij, door de gedachten der godvruchtigen naar boven te richten, daarmede toch niet le kort doet aan de heiligheid van den Tempel, voor zooveel God die plaats alleen op de gansche aarde verkoren had, om er aangeroepen te worden. Hieruit zien wij, hoevelen zich op het voorbeeld van Augustinus dwaselijk gekweld hebben om te welen le komen op wat wijze de Profeet beveelt dal de voetbank van Gods voeten zou worden aangebeden. Het antwoord van Augustinus is spitsvondig. Als wij zien, zegl hij, op Christus als mensch, dan hebben wij het middel gevonden om op heilige wijze de voetbank van Gods voelen te aanbidden. Want Hij heeft een lichaam aangenomen uit de aarde, en in dit lichaam wil Hij aangebeden worden, en zoo wordt dan in deze aarde toch niets anders aangebeden dan God, want de aarde is de woonstede Gods, en God zelf heeft zich verwaardigd aarde te worden. Nu is dit alles wel zeer fraai geredeneerd, maar hel heeft hoegenaamd niets van doen met de bedoeling van den Profeet, die een verschil willende aantoonen tusschen den eeredienst onder de Wel (die toenmaals uilsluitend door God gewild was) en de bijgeloovigheden der Heidenen, de kinderen Abrahams naar den Tempel roept als tol hunne banier; tewijl hij hun toch tegelijker tijd beveelt om God aan deze plaats
Psalm 99 : 5â6.
op geestelijke wijze te aanbidden, omdat Hij in de hemelsche heerlijkheid woont. Ik erken, dat heden, nu de dienst der schaduwen weggedaan is, God niet anders op de rechte wijze aangebeden wordt, dan wanneer wij ons rechtstreeks tot Christus wenden, in wien de volheid der Godheid woont. Maar het zou ongepast en ongerijmd wezen Hem de voetbank van Gods voeten te noemen, want door deze uitdrukking heeft de Proleet willen leeren, dat God niet in den zichtbaren Tempel was besloten, maar dat men Hem boven alle hemelen moei zoeken, gelijk Hij ook hoog verheven is boven de geheele wereld. De uitzinnige Grieksche bisschoppen hebben op het tweede concilie van Nicea deze Schriltuurplaats ergerlijk misbruikt om te bewijzen, dat God in beelden en schilderijen aangebeden moet worden. De reden, die de Profeet opgeeft, bevat eene tegenstelling, want door den naam des eenigen Gods te heiligen verklaart de Profeet, dat alle de afgoden der Heidenen onheilig zijn; alsof hij zeide: Hoewel de Heidenen aan hunne afgoden eene gewaande heiligheid toeschrijven, zijn zij toch niets dan enkel ijdelheid, een verfoeisel, een kwalijk riekende mesthoop. Sommigen vertalen: Want het is heilig, maar aan het einde van den Psalm zal men zien, dal het de bedoeling van den Profeet is geweest, om door deze benaming het verschil aan te duiden tusscben God en alle de afgoden.
6. Mazes en Aaron. Hij verheerlijkt de bijzondere genade, die God aan het zaad Abrahams heeft willen bewijzen, doordat Hij uit hen zijne Profeten en Priesters verkoren heeft, die als hel ware de middelaars zijn geweest tusschen Hem en hen om hel verbond der verlossing te bevestigen. En hij noemt er drie, die in de eerste lijden hebben gebloeid. Want Mozes is als de woordvoerder geweest om hel volk met God te verzoenen, Aaron heeft hetzelfde ambt vervuld, en daarna heeft Samuël een gelijken dienst waargenomen. Toch is er niet aan te twijfelen of hij heeft door deze drie personen het gansche volk aangeduid, met hetwelk God een verbond had gesloten. Maar hij noemt inzonderheid diegenen, die als het ware de bewaarders en hoeders van dezen onwaardeerbaren schat zijn geweest. Dat hij zegt, dat Mozes onder zijne Priesters is geweest, zou ongerijmd kunnen schijnen, aangezien zijne nakomelingen slechts tol de gewone Levieten behoorden, en hij na de afkondiging der Wet, nooil de waardigheid des Hoogepriesters op zich had genomen, ümdal de Hebreen echter cohanim noemden hen, die de voornaamsten en voorlreffelijkslen onder de menschen waren, zooals de zonen
26*
403
Psalm'OO : 6â8.
der Koningen, kan He Profeet dezen eerenaam ook aan Mozes toekennen, alsot hij zeide, dat hij een der heilige vorsten der Kerk is geweest. Als wij daarenboven op den oorsprong lellen, dan is Mozes vóór de afkondiging der Wet ongetwijfeld met. het hoogeprieslerschap bekleed geweesl Nu moet men de bedoeling van den Proleet goed begrijpen. nl. dal God niet slechts het zaad Abrahams beeft aangenomen, maar dat Hij, ten einde bet verbond nog meer te bevestigen, gewild beeft, dat sommigen Middelaars zouden zijn, aan wie Hij den last had opgedragen om zijn' Naam aan te roepen. Want de aanroeping, waarvan hij spreekt, moet niet van alle aanroeping zonder onderscheid verslaan worden, maar alleen van die, welke door de Priesters geschiedde, omdat dezen door God verkoren en aangesteld waren als herauten om zich in naam van het geheele volk voor God le stellen en in aller naam lot Hem te spreken Zy hebben Jehovah aangeroepen. Hij verklaart nu meer openlijk wat ik gezegd heb, dat God van den beginne af aan de kinderen Abrahams zeer bijzondere weldaden had bewezen, en dal wel alleen om den wille van helvrije verbond, want al hel goed, dal Hij ten allen tijde aan de Joden heeft bewezen, is uit deze fontein gevloeid. Daarom moesten zij ook, telkenmale als zij ervoeren, dal God bun gunstig is, aan deze eerste en oorspronkelijke genade indachtig zijn. Hij maakt ook inzonderheid melding van hel zichtbaar symbool der wolkkolom, waardoor God len eeuwigen dage beeft willen getuigen, dal Hij onder ben tegenwoordig is geweest, daar God deze teekenen niet alleen heeft gebruikt len behoeve van hen, aan wie zij hel eerst gegeven waren, maar ook voor ben, die daarna zouden komen. Hoewel God dus niet altijd aan bel oude volk eene wolkkolom le zien heeft gegeven, is hel toch, van wege de traagheid van begrip der menschen, waardoor zij de tegenwoordigheid Gods nooit goed bespeuren, of zij moeten er door uitwendige teekenen op gewezen worden, volkomen terecht, dat de Profeet de Joden aan dit merkwaardig leeken en onderpand zijner tegenwoordigheid herinnert; want God was hunnen vaderen in de woestijn openlijk verschenen, opdat hunne nakomelingen de vaste overtuiging zouden hebben , dat Hij ook bun ten allen tijde nabij zou zijn. Nu voegl bij er voorbedachlelijk bij, dal zij Gods getuigenissen hebben bewaard, opdat zij, die daarna komen zouden, onder dezelfde gehoorzaamheid zouden blijven.
8. Jehovah, onze God, Gij hebt hun geantwoord. Hij geeft le verstaan, dal zij verhoord zijn geworden, omdat er eene wederkeerige overeenstemming was tusschen de genade Gods en
m
Psalm 99 : 8â9.
405
hunne godsvrucht. Hieruit volgl dus, dat naar hun voorbeeld hunne nakomelingen God moeten aanroepen, zoodat zijn naam niet slechts op hunne lippen is, maar dat zij in oprechtheid des harten zijn verbond bewaren. Intusschen geelt hij ook te kennen dat het door de schuld der menschen is, indien God zijne heerlijkheid niet zoo genadig en zoo ruim aan alle geloovigen openbaart, want meestal zal het gebeuren, dal hunne nakomelingen ol tegen Hem rebelleeren, óf voor het minst van het gelool dei-Vaderen afwijken. Want het is niet te verwonderen dal God zijne hand weerhoudt, of' haar ten minste niet zóó openbaart, als quot;à ziel, dat de godsvrucht alom in de wereld kwijnt en afneemt. O God, Gij zyt hun gunstig geweest. Aan deze woorden ziet men nog duidelijker dal hetgeen hij te voren van Mozes, Aaron en Samuël gezegd had, betrekking heeft op geheel het volk. En gewis, zij waren niel zoo zeer voor zich zeiven Priesters, als wel tol het algemeene welzijn van het volk. Daarom is het niet te onpas dat de Profeet van deze drie mannen tol het geheele volk komt. Want ik beperk deze voornaamwoorden niet lol deze drie alleen, en ook niel lol juist dezelfde personen; ik acht veeleer, dat geheel de Kerk wordt aangeduid, nl. dal God door hel gebed zijner Priesters gunstig geweest is aan de Joden, rnaar dal Hij hen desniettemin streng gekastijd heeft voor hunne zonde Want van de ééne zijde verheerlijkt hij de genade Gods, daar Hij zoo goederlieren met dil volk heelt gehandeld, en hun zoo genadig hunne zonde heelt vergeven ; en van den anderen kant verhaalt hij de schrikkelijke straffen, waarmede God wrake heeft gedaan over hunne ondankbaarheid opdat zij, die daarna komen zouden, zouden leeren zich in alle gehoorzaamheid aan Hem te onderwerpen. Want wij moeten altijd goed begrijpen, dat hoe meer God ons gunst en genade beloond heelt, hoe minder Hij het zal verdragen dal wij met zijne goedheid spotten door haar te misbiuiken. Aan het einde van den Psalm herhaalt hij denzelfden volzin, die wij in het vijfde vers hebben; maar in plaats van de voetbank zijner voeten noemt hij Den berg zijner heiligheid', en daar hij van vvege de kortheid te voren de eenigszins duistere uitdrukking kadósh hoe had gebezigd, zegt hij thans duidelijker en vollediger: Jehovah, onze God, is heilig. Want hij bedoelt te zeggen, dat God niel maar in den blinde door de kinderen Israëls wordt aangebeden (gelijk de Godsdienst der Heidenen op niets dan op hunne eigene denkbeelden steunde) maar dat zijn eeredienst gegrond is op de zekerheid des geloofs.
Psalm i00 : iâ2.
PSALM lOO.
INHOUD: Het opschrift van dezen Psalm wijst genoegzaam den inhoud aan; ook zijn by de kortheid van dit loflied vele woorden overbodig. De Psalmist wekt de geloovigen op God te loven, omdat Hij hen tot zijn volk heeft verkoren en onder zijne heilige hoede heeft genomen.
En Psalm om te loven. 1. De geheele aarde zinge Jehovah met luider stem. 2. Dient Jehovah met blijdschap, komt vroolijk in zijne tegenwoordigheid. 3. Weet, dat Jehovah God is, en dat Hij ons heeft gemaakt, en niet wy; wij zijn zijn volk, en de schapen zijner weide.
1. De geheele aarde zinge met luider stem. Hij raakt slechts een deel aan van den dienst van God, hetwelk beslaat in hel overdenken zijner weldaden en in dankzegging. Daar hij nu, zonder eenig onderscheid, de gansche aaide hiertoe opwekt, schijnt hij door den Geest der Profetie gezien te hebben op den lijd, wanneer de Kerk bijeenvergaderd zou zijn uil alle volken. Hij beveelt dus dat God gediend zal worden met hlijdschap, om aan te loonen dat Hij zóó bereidvaardig is om de zijnen wèl te doen, dal Hij hun ruime slof geeft tol verheuging. Dit drukt hij nog beter uil in hel derde vers, waar hij in de eerste plaals de vermetelheid der menschen bestraft, omdat zij, door zich vele goden te maken en ze op velerlei wijze te dienen, boosaardiglijk legen God in opstand zijn gekomen. Dewijl dus de veelheid der goden de kennis van den éénen waren God te niet doel, en zijne heerlijkheid verduistert, doet de Profeet er wèl aan tot alle menschen de vermaning te richten om lol hunne zinnen te komen en dus af te laten van God van zijne eer te berooven, en hij bestraft hunne dwaasheid, waardoor zij, zich niel vergenoegende mei een eenig God, verijdeld worden in hnnne overleggingen
406
Psalm 100 : 4â3.
407
(Rom. 1 ;21). Want, hoewel zij allen erkennen moeien met hun' mond, dat er een God is, die bemel en aarde heelt gemaakt, vertreden zij toch terstond daarna zijne eer en heerlijkheid, zoodat, voor zoo veel in hen is, de Godheid te niet gedaan wordt. Aangezien het dus eene moeielijke zaak is om de menschen bij den zuiveren eeredienst te doen blijven, is het niet ongepast dal de Profeet de wereld oproept om al te laten van hare ijdelheden en haar beveelt te erkennen dat er één eenig waar God is. Want wij moeten in gedachten houden de korte omschrijving van deze kennis van Hem, nl wanneer alles wat Hem toekomt Hem wordt gegeven, zoodat men geene godheid tegen Hem over stelt om zijn' Naam te verduisteren. Nu beroolt men Hem in het Pausdom wel niet van zijn' Naam, dewijl echter zijne heerlijkheid niet besloten is in een paar lettergrepen, is het zeker, dat men Hem daar niet ais God erkent. Laat ons dan welen dat de ware dienst van God niet ongeschonden kan blijven zoo lang deze booze ontheiliging van zijn' naam en zijne eer blijlt aanhouden, die zoo vele bijgeloovigheden ten gevolge heelt. Nu schijnt het wel eene te algemeen bekende zaak te zijn dat hel noodig zou zijn om nog eens uitdrukkelijk le zeggen dat God ons gemaakt heeft, maar om nu niet eens van de alge-meene ondankbaarheid der menschen le spreken is er toch nauwelijks één op de honderd, die erkent, dat hij zijn leven van God heeft ontvangen, en dal dit leven van God alhankelijk blijft. En al is hel ook, dal zij, hiertoe gedrongen zijnde, niet loochenen, dat zij uil niet geschapen zijn, zoo maakt toch iedereen zich zeiven lol God en aanbidt dus zich zeiven, daar zij allen aan hunne eigene kracht toeschrijven hetgeen God zegl alleen Hem toe te behooren, en uil Hein voort le komen. Men moet ook voorts in aanmerking nemen, dal de Profeet hier niet spreekt van de algemeene schepping der menschen, maar (gelijk wij elders gezegd hebben) van de geestelijke wedergeboorte, waardoor Hij zijne geloovigen naar zijnen beelde herschept. De Proleet leert hier dus, dat alleen de geloovigen hel werk Gods zijn, niel doordal zij in hun moeders lijf als menschen geschapen zijn, maar in den zin, waarin Paulus hen Gods maaksel noemt, omdat zij geschapen zijn lol goede werken, die God voorbereid heeft, opdat zij in dezelven zouden wandelen (Efeze 2:10). En dit wordt nog nader verklaard door hetgeen volgt; wanl, als hij zegl dal wij zijn volk zijn en de schapen zijner weide, dan geeft hij ongelwijleld die bijzondere genade te kennen, door welke God zijne kinderen tot zijn erfdeel heelt verkoren, ten einde hen als onder zijne vleugelen le koesteren en te ver-
Psalm 100 ; 3-5.
zorgen. En dil is oneindig kostelijker en heerlijker dan onze geboorte als menschen. Indien iemand nu roemt dal hij zich zeiven tol mensch heeft gemaakt, wie zal dan geen afschuw hebben voor zoodanigen afval van, en verraad tegen God? Zells mogen wij aan onze aardsche vaders niel toeschrijven, dat zij ons door hunne eigene kracht hebben gegenereerd; immers wat zou een zaad kunnen voortbrengen, dat aan ontbinding door verrotting werd overgelaten? En toch zien verre weg de meeste menschen er geen bezwaar in om zich zeiven den lof des geestelijken levens toe te kennen. Immers wal anders bedoelen de predikers van den vrijen wil dan ons diels le maken, dal wij door onze eigene kracht en inspanning van kinderen Adams lol kinderen Gods worden gemaakt? En toch toont tie Profeel door ons het volk Gods le noemen, dal wij door zijne vrije goedheid geestelijk zijn wedergeboren; en door de schapen zijner weide geefl hij le verstaan, dat heigeen ons eens gegeven is door dezelfde genade ons veilig bewaard blijft lol aan heleinde. Men zou ook kunnen lezen: Hij heeft ons tot zijn volk gemaakt, enz.; daar echter de zin hierdoor niel veranderd wordt, heb ik behouden heigeen algemeen aangenomen is.
4. Gaat tot zijne poorten in met lof, en tot zijne voorhoven met blijdschap; geeft Hem eere, zegent zijn' naam. 5. Want Jehovah is goed, zijne goedertierenheid is tot in eeuwigheid, en zijne waarheid van geslachte tot geslachte.
4. Gaat tot zijne poorten in met lof. Hel slol is bijna gelijk aan hel begin, behalve dal hij den eerediensl vermeldt, die onder de Wel bestond, en hiermede maakt hij er ons opmerkzaam op, dal de geloovigen zich niel naar behooren kunnen kwijlen van hun' plicht om God lot en dank le brengen, indien zij zich niet tevens oefenen in de gewone wijze der Godsvereering. Inlusschen geefl hij door hel woord Tempel te kennen, dat God niel anders gediend wil zijn dan volgens de wijze, die in de Wel verordineerd is. Opdat wij nu weten, dal ons voortdurend slof wordt gegeven om God le loven, zegt hij, dal zijne goedertierenheid tot in eeuwigheid is, en dut ook zijne waarheid eeuwig is. Dewijl Hij dus nooit ophoudt voor ons le zorgen, zou hel eene al le snoode ondankbaarheid zijn, indien wij ophielden van Hem le loven.
408
Psalm 100 : 5. 409
Wij hebben elders gezegd waarom waarheid en goedertierenheid saamgevoegd worden. Want wij zijn zoo ongevoelig en als verstompt, dat wij de goedertierenheid Gods nauwelijks gevoelen, hoewel Hij haar duidelijk en voor aller oogen openbaart, ja zelfs niet als wij haar met onze handen kunnen tasten, totdat Hij zijn' heiligen mond opent om ons zijne meer dan vaderlijke lielde te betuigen.
PSATJVT lOl.
INHOUD; Hoewel David nog niet in Let bezit des Kouinkrgks was gekomen, maar tocb door God tot Koning aangesteld was, heeft bij zich bereid tot eene zeer goede wijze van regeeren; en hij wekt zich door deze heilige overdenking niet slechts op om zich getrouwelijk van zijne koninklijke plichten te kwijten, maar hij heeft ook geloften gedaan aan God, waarbij hij belooft dat hij zijn'getrouwe dienstknecht zal zijn, om alzoo spoedig in het bezit des koninkrijks gesteld te worden.
Een Psalm van David. 1. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik Psalmzingen o Jehovah!
2. Ik zal verstandelijk handelen in een' volkomen weg, totdat Gij tot mij komen zult. Ik zal in het midden mijns huizes in oprechtheid mijns harten wandelen.
3. Ik zal geen boos stuk voor mijne oogen stellen; ik haat alle werk der losbandigen, het zal mij niet aankleven. 4. Het verkeerde hart zal achter mij wijken; het booze zal ik niet kennen. 5. Die van zijn' naaste in het geheim achterklapt, zal ik verdelgen; die hoog van oogen en wijd van hart is zal ik niet kunnen (verdragen).
Psalm 101 : 1â2.
1. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen. Heigeen hij hier zegt van den zang moet door den lezer in dien zin verstaan worden, dat hij door dezen Psalm wil uitspreken hetgeen hij bij zich zeiven heeft overlegd, te weten, wat soort van Koning hij wilde wezen, zoodra hij in het bezit van het belooide koninkrijk gesteld zou zijn. Van goedertierenheid en recht te zingen beteekent dus zooveel als door plechtige woorden te verklaren, dat hij een goed en rechtvaardig koning zal zijn. Augustinus geelt hier eene al te spitsvondige verklaring van, als hij zegt dat de beteekenis is, dat üod gelooid en geprezen moet worden, even goed als Hij de menschen strengelijk strail en kastijdt, als wanneer Hij zich goedertieren en barmhartig jegens hen betoont. Want David spreekt hier niet van de verborgene oordeelen Gods, maar van eene goede en rechtvaardige regeering, opdat hij in daden zoowel als in woorden aan zijne hooge roeping beantwoordt. Als hij zegt: Ik zal TJ psalmzingen, o Jehovah, dan erkent hij hiermede dal het door Gods genade is dat hij tot zoo hoog en eervol een ambt is verheven, want het zou een teeken van vermetelen hoogmoed geweest zijn, indien hij zich zeiven daartoe had opgeworpen. Nu is het niet zonder reden, dal hij onder deze twee hoedanigheden: Goedertierenheid en recht, alle andere koninklijke deugden verstaal, wanl gelijk het de voornaamste roeping eens Konings is om aan ieder recht te doen, zoo wordt ook tevens in hem vereischt, dat hij eene zorgzame liefde koestert voor zijne onderdanen Daarom zegt ook Salomo terecht: Door gerechtigheid wordt de troon bevestigd. (Spreuken 16 ; 12).
2. Ik zal verstandelijk handelen' enz. David toont hier dat hij er zich wèl van bewust is, hoe moeielijk de taak is, die hem werd opgelegd, toen hij tol Koning werd aangesteld. Wij welen en zien het voor onze oogen, dat schier alle koningen bedwelmd zijn door hunne grootheid, en hel is niet zonder oorzaak, dat van ouds dit spreekwoord in gebruik was; dat men óf als koning óf als dwaas moet geboren zijn. Nu heeft men dit wel verkeerd uitgelegd, nl. omdat hel dikwijls gebeurt, dat zij, die koninkrijken hebben te regeeren, dwaas en onwetend zijn. En gewis: het is eene merkwaardige wrake Gods, dat domme lieden, die gansch onwaardig zijn om lot de menschen gerekend te worden, meestentijds hoog in gezag zijn; maar hoewel de Koningen niet als dwazen geboren worden, worden zij door hun hoog aanzien toch zóó verblind, dat zij denken geene plichten te hebben jegens hunne onderdanen, zoodat zij zich met trots en
410
Psalm 101 : 2.
411
aanmatiging verheffen, en zich zóó aan allerlei genot en weelde overgeven, dal zij zich ten laatste gansch te buiten gaan. Hij zegt dus, dat hij verstandelijk zal handelen, of (hetgeen op hetzellde neerkomt) dat hij nauwkeurig acht zal geven op zich zeiven; want in iemand, die alle macht heeft, is het eene zeldzame deugd om zich zoo in te toornen, dat hij zich nooit de vrijheid veroorlooft om kwaad te doen. Hij. die dus souvereine macht bezit, en haar niet aanwendt om kwaad te doen, maar zich bescheidenlijk binnen de perken houdt, is met wezenlijk verstand begaafd. Eindelijk betuigt hij, dat hij niet zal wezen als de andere Koningen, die door hunne waardigheid bedwelmd en verdwaasd worden, maar dal hij, naar de grootheid van de plichten, die hem opgelegd zijn, er zich op zal toeleggen zijn ambt mei wijsheid waar te nemen. Er moet wél op gelet worden, dal hij zegt, dat de wijsheid beslaat in een volkomen weg, of in gerechtigheid, waaruit wij leeren, dal de lyrannen, die hun verstand gebruiken om booze listen te beramen, en alle dagen iels nieuws verzinnen om hunne onderdanen te kwellen en te verdrukken, kortom, die slechts vernuftig zijn in het kwade, voor God hoegenaamd geene wijsheid bezitten. En hoewel deze listen nu aan velen mishagen, toch wordt het algemeen als groote wijsheid geprezen in de Koningen, als zij er zich op toeleggen, om hunne heerschappij uit te breiden, en de listige bekwaamheid hebben om dit hun doel te bereiken. David echter begeert geene andere wijsheid dan die de meesleresse is der oprechtheid. Tot dat Gij komt. Er is hier tweeërlei lezing. Sommigen nemen het vragender wijs: Wanneer zult Gij komen? Alsof David bad, dat God hem niet langer zou doen wachten. En hij had voorzeker ook wel reden tot zuchten en zich te beklagen, daar hij zich nu zoo langen lijd gedrukt ziel door armoede, en door allerlei ballingschap heen en weder wordt gedreven. Want het zou beter voor hem zijn geweest om als herder, welk beroep hij te voren heeft uitgeoefend, zonder eenige waardigheid in het huis zijns vaders te verblijven, dan lol Koning te zijn gezalfd om nu uil zijn land le worden verdreven, en, door iedereen gehaat, in groote versmaadheid te moeten leven. Maar toch lees ik dit liever bevesligender wijs. Tol dal, of als, maar dit wordt toch ook eenigszins anders door mij verklaard dan door de meeste anderen, le welen, dal David, ofschoon hij nog slechts in den slaat verkeert van particulier, en het koningschap dal hem beloofd is, nog niet in zijn bezit is, toch niet nalaten zal om inlusschen te volgen hetgeen recht is. De zin is dus: Heere, hoewel Gij mij lang doel wachten,
Psalm lül : 2â5.
zal ik er mij loch op toeleggen recht te doen. Aldus stelt hij het midden zijns huizes tegenover de paleizen en openbare gebouwen, alsof hij zeide: In mijne eigene bijzondere woning.
3. Ik zal geen boos stuk voor mijne oogen stellen. Na betuigd te hebben, dat hij in zijn bijzonder leven een volgeling zal zijn van recht en gerechtigheid, gelijk goede vorsten ook hiermede behooren te beginnen, voegt hij er nu bij, dat hij, het ambt eens Konings waarnemende, een vijand zal zijn van alle ongerechtigheid en boosheid. Want, een boos stuk voor zijne oogen te stellen beteekent zooveel als voor te stellen om kwaad te doen. Hij verklaart dus zich af te zullen wenden van alle boosheid, gelijk voorzeker ook niemand rechtvaardiglijk boosheid en onrecht kan straffen, dan die er van ganscher harte afkeerig van is. Hieruit volgt dat de Koningen hun ambt niet naar behooren waarnemen, zoo zij er zich niet zorgvuldig voor wachten om ooit het kwade goed te keuren. Sommigen voegen het woord asoh bij het voorafgaande en plaatsen er dan de letter lamedh\\, alsof hij zeide: ik zal mij niets voor oogen stellen om kwaad te doen; of: Geen boos stuk zal mij behagen uil te voeren. Maar de andere zin is waarschijnlijker, nl. dat üavid, na verklaard te hebben dat hij geene ongerechtigheid voor zijne oogen zal dulden, er lot nadere bevestiging onmiddelijk bijvoegt, dat hij de vijand zal zijn van alle ongerechtigheid. In het laatste lid is er verandering van getal, indien men dit betrekt op de personen der losbandigen, of afwijkenden. Men kan hel echter van het werk zelf verklaren, alsof hij gezegd had, dat hij nooit met eenigerlei boezen afval in zal stemmen.
4. Eet verkeerde hart. Sommigen verstaan door het verkeerde hart ontrouwe menschen; maar dil verwerp ik als Ie gewrongen, het verband van den tekst laat het daarenboven ook niet loe. Want, daar hij er bij wijze van verklaring bijvoegt: Het booze zal ik met kennen, is er niet aan te twijfelen, of hij betuigt in liet eerste lid, dat hij van alle ontrouw en boosheid vrij zal blijven. In één woord, David verklaart dat hij zich wachten zal voor iedere booze daad, zoodat hij zelfs niet zal weten wat het is om zijn' naaste onrecht aan te doen.
5. Die van zijn naaste in het geheim achterklapt. In dit vers spreekt hij nog duidelijker van hel ambt des Konings, die hel zwaard draagt om de boozen tegen te gaan. Wranl hoewel achterklap, hoogmoed en andere ondeugden zeer terecht aan
412
Psalm 101 : 5.
413
alle godvruchtigen mishagen, is hel toch niet in de macht van een iegelijk hunner om de achterklappers en hoo^moedigen te straffen, omdat zij mei geen openbaar ge/ag zijn bekleed, en hunne handen dus gebonden zijn En men moet dit onderscheid wel in gedachten houden, opdat de kinderen Gods zich binnen de perken der bescheidenheid houden ⢠en niemand buiten zijne roeping ga. Want dil is zeker: zoolang David als ambteloos burger heelt geleefd, heelt hij zich nooit vermetel opgeworpen als rechter over anderen, maar nadat hij ten troon was verheven, heeft hij het. zwaard uil de hand Gods ontvangen, hetwelk hij gebruikt heeft om booze praktijken te straffen. Nu noemt hij hier eenige soorten, ten einde, door een deel te nemen voor het geheel, te kennen Ie geven, dal hij alle soorten van boosheid zal straffen. Hel is eene zeer gevaarlijke pestilentie om in hel verborgen kwaad te spreken van anderen, want hel is alsof men iemand doodde na hem eersl bespied te hebben; en wal meelis: een lasteraar zal, evenals een gillmenger, de menschen dooden, zonder dal dezen legen hem op hunne hoede zijn. En dil is een leeken van eene verkeerde natuur, die vol is van allerlei verraad, om zoodanig iemands goeden naam te schaden, dat hij geen middel ziet om zich te verdedigen. Omdal die ondeugd zoo algemeen heerscht, terwijl zij loch niet onder de menschen geduld moesl worden, neeml Ãavid de verplichting op zich om haar te straffen. Daarna karakteriseert hij de hoovaardigen en wel op tweeërlei wijze. Hij zegl, dal zij hoog van oogen zijn, niel omdal alle hoogmoedigen nu juist altijd hunne wenkbrauwen optrekken, maar omdal zij door de uitdrukking van hun gelaal de hoogheid van hun trolsch hart verraden. En dan noemt hij hen wyd van hart, omdat zij, die naar hooge dingen staan, noodzakelijker wijs opgeblazen en verwaand moeten zijn. want zij zijn niel tevreden, zoo zij niel de geheele wereld in kunnen zwelgen. Hieruit leeren wij, dat er nooit eene goede orde der dingen zal zijn, indien de vorsten niel zorgvuldig waken om den hoogmoed neder le werpen, die smaad en wreedheid, beleedi-ging, afpersing, en allerlei hooze praktijken met zich brengt. En zoo zal het gebeuren, dal eenvoudige en vreedzame menschen onderworpen zijn aan hel welbehagen van de grooten der aarde, indien de vorsten niel mei hun gezasr lusschenbeide treden, om hunne vermetelheid en aanmatiging in loom le houden. En daar God nu wil, dal de vorsten allen hoogmoed zullen verafschuwen, is het duidelijk en zeker, dal ook Hij den hoogmoed haal; daarom eischl Hij in zijne kinderen vreedzame zachtzinnigheid, want Hij verklaart de vijand le zullen zijn
Psalm 101 : 5â6.
van allen die zich hooger willen verheffen dan bij hun staal en toestand past.
6. Mijne oogen zullen zijn op de getrouwen in het land om bij mij te wonen; die in den rechten weg wandelt, zal mij hier dienen. 7. Wie bedrog pleegt, zal in het midden van mijn huis niet wonen; die leugens spreekt, zal voor mijne oogen niet bevestigd worden. 8. Des morgens vroeg zal ik alle boozen van de aarde verdelgen, om uit de stad van Jehovah allen uit te roeien, die zich tot ongerechtigheid begeven.
6. Mijne oogen zullen syn enz. Hier stelt hij nog eene deugd van een goed vorst, als hij zegt, dat alle getrouwen in den lande zijne gemeenzame vrienden zullen zijn, dat hij zich van hen zal bedienen, en dal de dienaren van zijn huis godvruchtige menschen zullen zijn. Sommigen nemen die woorden: Om bij mij te wonen in dien zin: Ik zal de goeden en hen, dieniemand leed berokkenen, niet verachten; en ik zal niet dulden, dat zij onrechtvaardig gekweld worden, maar ik zal hen met mij van rust en vrede doen genieten. Maar hij wil veeleer zeggen, dat hij met omzichtigheid zal te werk gaan in de keuze van hen, die hem dienen, zoodat hij met wijsheid zal oordeelen over ieders hoedanigheden, opdat zij, die in oprechtheid wandelen, zijne grootste vrienden zullen zijn, aan wie hij dan de publieke ambten zal opdragen. In de eerste plaats noemt hij de getrouwen, want al is iemand ook nog zoo begaafd, zoo hij niet trouw en oprecht is, zal hij het rechterambt nooit goed kunnen waarnemen. Nu is dit wèl opmerkelijk, want al is de Vorst nog zoo voortreffelijk, indien zijne dienaren hem niet gelijken, zullen zijne onderdanen zijne deugd nauwelijks gewaar worden. Want, aangezien de dienaren als het ware de handen zijn van den vorst, zal alles wat door dezen verordineerd is, verraderlijk door hen onderst boven gekeerd worden, indien zij gierig en vol van bedrog en afpersing zijn. Dit heeft de ervaring meer dan overvloedig aangetoond. De meeste koningen zoeken, door moedwillig de goede en eerlijke lieden voorbij te gaan, dienaren, die op hen gelijken, en die geschikt zijn om hunne tyrannieke oogmerken te bevorderen, ja en zelfs worden er vorsten gevonden, die per-
4U
Psalm 101 : 6â8.
soonlijk welgezind zijn, maar levens zóó zwak en onbeslist, dat zij zich door zeer booze raadslieden laten regeeren, zoodat gansch onwaardige personen met publieke ambten worden bekleed.
7. JVt'e bedrog -pleegt zal in mijn huis niet wonen. Dit vers kan verklaard worden zoowel van de hovelingen, die in het openbaar recht spreken, als van de huisdienaren. Daar hij echter een weinig le voren van alle beambten heeft gesproken, schijnt hij nu eigenlijk hen op het oog te hebben, die in de meer onmiddelijke omgeving des Konings zijn. Want hel bederf komt daar van daan, dat zij, die de grootste vrienden der Koningen zijn en vrijen toegang tot hen hebben, bedriegers zijn en zich aan afpersing schuldig maken, omdat zij door hun voorbeeld anderen tot even slechte handelingen aanmoedigen. En het is niet mogelijk, dat hij, die in zijn eigen huis de orde niet bewaren kan, in slaat is een volk le regeeren. Want een gezag, dal zich in zijn eigen huis niet weel te handhaven, zal geene achting bij het volk verwerven.
8 Des morgens. Eindelijk besluit hij, dal hij vóór alle andere dingen alle krachten zal inspannen om de aarde van de boozen te zuiveren. Hij zegl Des morgens, omdat, wanneer vorsten traag en vadzig zijn, zij nooil bijtijds het kwaad kunnen weren. Zij moeten zich dus reeds bij den aanvang er legen verzeilen, mits zij zich niel door persoonlijke gramschap lalen vervoeren, of door overijling de zaken bederven. Door het meervoud geeft hij eene voortdurende waakzaamheid le kennen, want het is voor een' rechter niel genoeg om een of Iwee malen de boozen streng te straffen, hij moei voortdurend zijn' plicht hierin volbrengen. Nu wordl door dil woord de onverschilligheid bestraft der vorslen, die, wanneer zij zien hoe de boozen zich stoutmoedig te buiten gaan in het kwaad, door vrees of door zwakke toegevendheid van dag tot dag uilstellen om hier paal en perk aan te stellen. Laten dan de Koningen en de Magistraten zich herinneren, dat zij hel zwaard dragen, om Ier rechter lijd en plaals de oordeelen Gods uit le voeren. Wel is waar, David heeft de aarde niet van alle onreinheid kunnen zuiveren, al heelt hij er zich ook met groolen ijver op toegelegd, maar hij belooll slechts, dal hij zich zonder aanneming des persoons een streng rechter zal betoonen om alle goddeloozen le verdoen. Nu gebeurt hel dikwijls, dal de rechters door vrees worden weerhouden, om zich met genoegzame kracht le verzeilen legen de boozen, als
415
Psalm 101 : 8.
416
dezen zich verheffen. Daarom is hel noodig dat zij bezield zijn door een' peesl van onverwinlijke kloekmoedigheid, opdat zij, verzekerd zijnde van de hulpe Gods, zich van den last, die hun opgelegd is, naar behooren kunnen kwijlen. Eerzucht en gunstbetoon maken hen ook plooibaar, zoodal zij de overtredingen niet gelijkelijk straffen, als het nog tijd is. Hieruit leeren wij, hoe zeer eene strengheid, die de perken niet te builen gaal, Gode welbehaaglijk is, en hoe van den anderen kant, de wreedaardige zachtheid Hem mishaagt, die aan de goddeloozen vrij spel geeft, gelijk er ook geene grooter verleiding is tot zondigen dan straffeloosheid. Daarom moeten wij ons herinneren wat Salomo zegt in Spreuken 17:15; Wie den goddelooze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel, ja die beiden. Er is ook eene groole kracht in hetgeen hij er bijvoegt: Opdat ik de boozen uitroei uit de stad Gods. Wanl daar zelfs aan Heidensche koningen bevolen is de boosheid te straffen, was David zich bewust, dal hij hiertoe door nog heiliger plicht was gedrongen, aangezien hij over de Kerke Gods was gesteld. En gewis, zij, die deze eervolle plaats be-kleeden, zullen als zij niel al hunne macht gebruiken om de onreinheid uit te zuiveren voor zooveel in hen is, Gods heiligdom verontreinigen; en dan zullen zij niel slechts ontrouw handelen tegenover de menschen, daar zij het welzijn der goeden en godvruchtigen benadeelen, maar ook hoog verraad plegen tegen God zeiven. En daar nu het koninkrijk van David slechts een zwak beeld was van het koninkrijk van Christus, moeten wij ons Christus voor oogen stellen, die wel vele geveinsden verdraagt, maar hen toch, daar Hij de rechter zal zijn der wereld, allen ter verantwoording zal oproepen, om alsdan de lammeren van de bokken le scheiden. En zoo hel ons toeschijnt, dat Hij al le lang toeft, zoo laat ons gedenken aan dien morgenstond, die weldra zal aanbreken, wanneer alle vuilheid uitgezuiverd zal wezen en de ware reinheid ons alom tegen zal blinken.
PSALM lOS.
INHOUD: Dit gebed schijnt den geloovigen gegeven te zgn, toen zij in de Babylonische gevangenschap kwijnden. Treurig en ternedergeslagen zijnde, klagen zij ten eerste over hunne eigene
Psalm 102 : 1.
417
beproevingen. Daarna vragen zy God om de wederoprichting van de heilige stad en van den Tempel. En ten einde met des te meer vertrouwen te bidden, beroepen zy zich op Gods beloften met betrekking tot deze gelukkige vernieuwing des koninkrijks en der priesterschap; en zy verzekeren zich niet alleen, dat zij uit deze ballingschap verlost zullen worden, maar zij bidden ook dat God de koningen en de volkeren onder zijne gehoorzaamheid zal brengen. Eindelijk, na een kort woord van klacht over hun' tegenwoordigen ellendigen staat, vertroosten zij zich met de eeuwigheid Gods, omdat Hij zijne dienstknechten tot eene betere hope liebbende aangenomen, hen van het lot der overige menschen afzondert.
1. Een gebed voor den verdrukte, als hij in benauwdheid zal zijn, en zijne klacht voor Jehovah zal uitstorten. 2. 0 Jehovah! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen. 3. Verberg uw aangezicht niet voor mij ten dage mijner benauwdheid; neig uw oor tot mij; haast U ten dage wanneer ik roep, antwoord mij.
i. Een gebed des verdrukten. Wie van de Profeten dezen Psalm ook gedicht heell, hel is zeker, dal hij aan de geloovigen een' vorm van gebed heell gegeven om de herstelling van de Slad en den Tempel. Sommigen bepalen hiervoor den lijd loen de Joden dooi naburige volken verontrust en gehinderd werden bij den wederopbouw van den Tempel. Ik kan mij hier echter niet mede vereenigen, ik denk veeleer, dat de Psalm gedicht werd vóór den terugkeer des volks, toen de lijd der beloofde verlossing reeds nabij was, want toen zijn de Profeten begonnen de godvruchligen al meer en meer aan te moedigen, volgens deze Profetie van Jesaja: Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen (Jes. 40 : 1). Nu was het de bedoeling van den Profeet om niet slechts hel volk te bemoedigen, maar ook om hel op te wekken lol waakzame zorge voor het welzijn dei-Kerk. Het opschrill toont lol welk gebruik deze Psalm bestemd was. Want zij, die deze woorden in den verleden lijd plaatsen: Hel gebed des verdrukten, loen hij in benauwdheid is geweest en zijne klachl heeft uitgestort, schijnen den waren zin des Profeten niel juist te hebben uitgedrukt. Veeleer heell hij bedoeld Dl. II. 27
Psalm 102 : 1â2.
hel hart le vertroosten van hen, die hij overstelpt zag van droefheid; alsof hij zeide: Al zijn zij ook onder den druk van smart en vertwijfeling, toch moeten zij niet nalaten te bidden. Sommigen vertalen het werkwoord Ataph: Als hij zich zal verbergen ; en zij denken dal hij door beeldspraak de houding te kennen geeft van iemand, die bidt, als hij van droefheid zijn gelaat niet kan opheffen, en dus het hoofd op de borst houdt gebogen. Docli het schijnt mij toe, dat hier eene zeer gepaste toespeling is, als de angst en benauwdheid des harten aan den éénen kant, en de uilstorting des gebeds aan den anderen kant gesteld worden, opdat wij weten, dat het er zóó ver van daan is dat de poorte des gebeds voor ons gesloten zou zijn, wanneer wij zóó gedrukt zijn door smart, dal wij het licht en de tegenwoordigheid der menschen ontvluchten, dat er geen geschikter tijd is tot bidden dan juist in die oogenblikken; want het veroorzaakt eene zeer groote verlichting van onze smart, als het ons vergund is ons hart vrijelijk voor God uit te storten. Het is wel waar dal het werkwoord Soeach dikwijls voor Bidden gebruikt wordt; omdat het echter ook Peinzen, of nadenken beleekent, beteekenl het woord, dat er van afgeleid is, hier ook eigenlijk Overdenking. Daarbij moet men ook opmerken dat de kinderen Israels door deze woorden er aan herinnerd worden in welke gemoedsstemming zij behooren te verkeeren, als zij een zoodanig gebed willen bidden; alsof hij zeide, dal hij dit gebed alleen voor hen bestemd heeft, die van wege hel verval der Kerk in benauwdheid zijn.
2. O Jehovah! hoor mijn gebed. Deze vurigheid van uitdrukking toont opnieuw, dat hun die woorden niel gegeven zijn om ze uit te spreken als zij gerust en welgemoed zijn, want dan zou dit een grove bespotting van God zijn geweest. Want door aldus te spreken betuigen zij, dat zij zeer zwaar gekweld worden, en vurig verlangen naar eenige verlichting van hunne smart. Daarom zou niemand zonder Gods naam te ontheiligen deze woorden met zijn' mond hebben kunnen uitspreken, indien hij ze niet ook volkomen in zijn hart had gevoeld. En men moei wel lellen op de omstandigheid, waarvan ik reeds gesproken heb, nl. dat wij aldus door den Heiligen Geest opgewekt worden als hel noodig is voor hel algemeene welzijn der Kerk le bidden. Want terwijl de menschen wèl zorg dragen voor zich zeiven, zal er nauwelijks één op de honderd gevonden worden, die de rampen, waardoor de Kerk getroffen wordt, zóó ter harte neemt als het wel moest. Daarom is het dan ook des te meer noodig
418
Psalm 102 : 2â3.
prikkels le gebruiken, gelijk wij zien, dal de Profeet door eene groole opeenhooping van woorden onze onverschilligheid en traagheid bestraft. Wel erken ik, dat bet hart de tong moet bewegen tot bidden; daar hel echter dikwijls flauw en zwak is, ol' zijn' plicht traag en langzaam verricht, heeft hel de hulp der tong noodig. Er is hier dus iels wederkeerigs; want, gelijk hel hart de woorden moet ingeven en formeeren, zoo moet de tong het woord des harten le hulp komen. Nu kan hel wel eens gebeuren, dal de geloovigen niet slechts welbewust, maar ook vurig en krachtig bidden , zonder dat toch een enkel woord van hunne lippen komt. Toch is er niet aan le twijfelen of hij verslaat door geroep die vurigheid in hel gebed, waartoe wij door den nood, waarin wij ons bevinden, gedrongen worden.
3. Verherg uw aangezicht niet voor my. Dit gebed, dat God zijn aangezicht niet zal verbergen, is niet overtollig. Want, daar het volk nu reeds zeventig jaren lang in ballingschap gezucht had, zou het den schijn kunnen hebben, dal God zijne gunst van hen had weggenomen. Doch in weerwil hiervan wordt hun bevolen om in dezen uilersten nood de toevlucht le nemen tot hel gebed, als lol hunne eenige hulpe. Want zij zeggen dat zij ten dage der benauwdheid roepen, niet gelijk de ongeloovigen die zich kwellen en pijnigen en op de tanden knarsen, maar omdat zij dan gevoelen door God geroepen le zijn Haast u, verhoor my Omdat reeds elders uitvoerig over deze uitdrukkingen gesproken is, kan het nu volstaan korlelijk te zeggen, dal God uiterst teeder met ons handelt, als Mij ons vergunt zoo vrijmoedig ons hart voor Hem bloot le leggen, en Hij geduld heeft met onze zwakheid. En het zou voorzeker zijner majesteit onwaardig zijn, als wij op deze wijze evenals kleine kinderen onze klachten voor Hem uitstorten, indien Hij ons niet vrijwillig en uil eigene beweging verlof hiertoe bad gegeven. Ik gebruik dit woord gaarne, opdat de geloovigen, die vreezen zich voor God le stellen, verslaan mogen, dal zij zachtkens en vriendelijk uit-genoodigd worden, opdat niets ons in dien gemeenzamen toegang lot Hem zal hinderen.
4. Want mijne dagen zijn vergaan als rook, en mijne gebeenten zijn uitgedroogd als een haard. 5. Mijn hart is geslagen en verdord als gras, omdat ik vergeten heb mijn brood te eten. 6. Mijn gebeente
27*
419
420 Psalm 102 : 4â5.
f
kleeft aan mijn vleesch van wege de stem mijner zuchting. 7. Ik ben een pelikaan in de woestijn gelijk geworden, en ben geworden als de uil, die zich in woeste plaatsen ophoudt. 8. Ik heb gewaakt, en ben gelijk aan eene eenzame musch op het dak.
4. JVant mijne dagen zyn vergaan. Dit is wel eene hyperbolische wijze van spreken, maar zij loont toch aan hoe de verwoesting: der Kerk het hart der godvruchtigen moet vervullen van smart Dat dan een iegelijk zich zeiven nauwkeurig hieromtrent onderzoeke. Want indien de zorge voor de Kerk ons niet vóór alle andere dingen ter harte gaat, dan zijn wij niet waardig tot hare leden gerekend te worden. En laat ons weten, dat ons, telkenmale als wij zoodanige wijze van spreken ontmoeten, hiermede onze traagheid verweten wordt, omdat wij minder door de rampen der Kerk aangedaan zijn dan wel moest. Hij vergelijkt zijne dagen bij rook, en zijne beenderen bij de steenen van den haard, die met der tijd door het vuur verteerd worden. Door Beenderen verstaat hij alles wat sterk en krachtig is in den mensch. En voorzeker, indien zij niet gansch en al ongevoelig waren, dan zou het niet mogelijk zijn, dat zoo treurig een schouwspel als de toorn Gods is, hunne beenderen niet zou doen verdorren, en hunne kracht niet zou doen vergaan.
5. Myn hart is geslagen. Nu volgt eene derde vergelijking, waarin hij zegt, dat zijn hart verdord is als gesneden gras. Nu heeft de Profeet nog iets meer willen te kennen geven dan wanneer hij gezegd had, dal zijn hart verdroogd en zijne beenderen verdord zijn, te weten, dat evenals het gemaaide gras geen voedsel meer van de aarde kan ontvangen, noch de kracht kan behouden, die zij aan haren wortel ontleend heeft, zoo bedoelt hij, dat zijn hart als het ware uitgerukt of afgesneden zijnde, zijn natuurlijk voedsel niet kan ontvangen. Ik heb vergeten. Dat is: mijne droefheid is zóó groot geweest, dat ik op mijne gewone spijze geen acht geslagen heb. Wel hebben de geloovigen gedurende deze ballingschap gegeten, en het zou ookeenteeken zijn geweest van eene goddelooze wanhoop, indien zij zich van honger hadden laten sterven; maar hij bedoelt, dat hij zóó gedrukt was door smart, dat hij alle genot heelt afgewezen, zoodat hij zich zelfs van spijs en drank onthield. Hoewel nu de geloovigen zich hun gewoon voedsel onthouden, en dus
Psalm 102 ; 5â8.
vrijwillig vasten als zij God bidden zijn toorn af te wenden, spreekt de Profeet hier toch niet van zoodanige onthouding, maar van die, welke door eene diepe droefheid veroorzaakt wordt, en ons een' weerzin doet hebben van spijs en drank, ja, als het ware, alles moede doet zijn. Eindelijk voegt hij er bij, dal zijn lichaam als door tering was aangegrepen, zoodat zijne beenderen aan zijne huid kleefden.
7. Ik ben een pelikaan in de woestijn gelijk geworden. In plaats van den naam Pelikaan nemen sommigen Roerdomp en anderen Koekoek. In plaats van Uil heeft de Grieksche vertaling eene Nachtraaf. Omdat deze vogels echter zelfs aan de Joden onbekend zijn, moet het voor ons genoeg zijn eenvoudig te weten, dat in dit vers van zekere wilde vogels gesproken wordt, die alleen in eenzame, woeste gebergten worden gevonden, en wier zingen wel verre van liefelijk en aangenaam te zijn, veeleer schrik inboezemt aan hen, die het hooren. Het is, alsof hij zeide, dal hij zich van den omgang met menschen heeft teruggetrokken, en dus schier als een wild dier is geworden. En gewis, hoewel de geloovigen in een schoon en vruchtbaar land woonden, toch moet geheel Chaldea en Assyrië hun als eene woestijn geweest zijn, omdat hun hart en hunne gedachten verwijlden bij den Tempel en het land, waaruit zij verdreven waren. Het derde beeld, ontleend aan de musch, geeft eene droefheid vol van onrust te kennen. Want hoewel het Hebreeuwsche woord tsipor zonder onderscheid voor alle vogels genomen wordt, twijfel ik niet of er wordt hier toch eene musch mede bedoeld. Hij noemt haar eenzaam, omdat zij van haren metgezel is berooid. Nu weten wij, dat dit soort van vogeltjes haar weduwschap zóó moeielijk dragen, dat zij er bovenmate om treuren.
9. Mijne vijanden smaadden mij al den dag; en zij, die tegen mij razen, hebben bij mij gezworen. 10 Want. ik heb stof gegeten als brood, en ik heb mijn' drank gemengd met tranen. 11. Van wege uwe verstoordheid en uwen toorn, omdat Gij mij hebt opgeheven en ter aarde nedergeworpen. 12. Mijne dagen zijn als de schaduw, die henengaat, en ik ben verdord als gras.
441
Psalm 102 : 9â10.
9. Mijne vijanden smaadden, enz. Dooi deze omstandigheid bewegen de geloovigen de menschen lot medelijden, dat zij niet slechts door hunne vijanden bespot, maar ook gevloekt worden. De Profeet klaagt dus over dezen smaad, dat de boozen het volk Gods zoo gruwelijk honen, dat zij zelfs aan zijne rampen een' vorm van vloeken of zweren ontleenen. Hel was alsof zij de Joden tot een afschrikwekkend voorbeeld van vervloeking stelden. En wanneer wij heden zien, hoe de boozen zich even als toen den viijen teugel vieren om ons te smaden met woorden, zoo laat ons leeren om met dezelfde wapenen deze verzoeking al te weren, al is zij ook nog zoo schrikkelijk. Want, door aan de geloovigen zoodanigen vorm van gebed te geven, heelt de Heilige Geest willen te kennen geven, dal God door zulken smaad bewogen wordt de zijnen te hulp te komen, gelijk ook bij Jesaja gezegd wordt: Wien hebt gij gehoond en gelasterd? En tegen wien hebt gij de stem verheven ? Tegen den Heilige Israëls (Jesaja .H7 : '23). In het vorige vers had hij gezegd: Hij heeft u veracht, dochter van Zion; hij heeft het hoofd achter u geschud, dochter van Jeruzalem. En voorzeker is het eene onschatbare vertroosting te weten, dal God door de onbeschaamdheid onzer vijanden aangespoord wordt ons ter hulp Ie komen. In het tweede lid geeft hij nog duidelijker de wreedheid der vijanden te kennen, als hij zegt dat zij razen. Want hoewel hel Hebreeuwsche werkwoord, dal hij gebruikt, meestal Loven beleekent. kan hel hier ironisch genomen zijn en dan misprijzen beteekenen. Maar hel is beter te volgen wal algmeen aangenomen is. Sommigen denken, dat zij razend genoemd worden, omdat zij zóó zeer hunne dwaasheid openbaren, dal men hel hun lerslond aanziet, dat zij onwaardige lieden â als hel ware het uitvaagsel van het menschdom waren; maar dil schijnt mij eene al te gezochte verklaring. Vergenoegen wij ons dus met dezen zin, dat de geloovigen de kwaadsprekers beschuldigen van een' haat te koesteren , die aan razernij grenst.
10. Want ik heb stof gegeten. Sommigen denken, dal de orde hier omgekeerd is, en dat de letter ca^A, die vóór hel woord Uchem, hetwelk hrood beleekent, geplaatst is, vóór het woord epher behoorde te slaan, welk woord Æ beleekent; alsof hij gezegd had: ik heb niet méér smaak in mijn brood, dan in stof, omdat droefheid des harten veroorzaakt, dat men een tegenzin heeft van spijs. Maar de eenvoudigste zin is, dat zij in hel stof leraarde nederliggen, stof hebben gegeten in plaats van brood, alsof zij de aarde hadden gelekt. Want wij weten dat het voor rouwbe-
Psalm 102 ; 10â11,
drijvenden de gewoonte was om zich mei hel aangezicht ter aaide te werpen. De Proleet heeft echter iets anders willen zeggen, nl. dal, wanneer hij zijn' maaltijd wilde gebruiken, hij geene lafel toebereid vond, maar dat zijn brood onordelijk en vuil op den grond was geworpen. Hij zegt dus in den persoon der geloovigen, dat hij zoo zeer aan de aarde als vastgehecht was, dat hij er niet van opstond, zelfs niet om zijn' maaltijd te doen. Hierop ziet ook hetgeen hij zegt in het laatste lid: Ik heb mijn drank gemengd met tranen, want terwijl rouwbe-drijvenden hunne droefheid een weinig inhouden terwijl zij spijs en drank gebruiken, zegt de Profeet, dat hy zonder ophouden geweend heeft. Sommigen lezen in hel eeerste lid niet Als brood, maar In brood, en omdat er eene zeer groole overeenkomst is lusschen de Hebreeuwsche letters Beth en Caph, acht ik deze lezing juist, ook omdat zij beter overeenkomt met het tweede lid.
11. Van wege uwe verstoordheid, enz. Thans verklaart de Profeet dal de grootheid zijner droefheid niet slechts veroorzaakt werd door hel leed en de ellende, die hij gevoelde, maar door de bewustheid der straf, die hem door God was toebedeeld. En voorzeker is er ook niets, dal ons meer leed moet veroorzaken , dan de bewustheid, dal God in tegenheid met ons wandelt. Ziehier dus de strekking van des Profeten woorden: Heere, ik sla niet zoo zeer acht op hetgeen wereldlingen zouden kunnen doen, ik'denk veeleer aan uwen toorn; want indien Gij niet in tegenheid mei ons wandeldet, dan zouden wij nog in hel bezit zijn van het erfdeel, dat Gij ons hebt geschonken, en uit hetwelk uw toorn ons zoo terecht verdreven heeft. En het is een zeer nuttige wenk voor ons: opdat wij, wanneer Gods hand ons slaat, niet alleen maar zuchten onder zijne slagen, (gelijk dit de gewoonte is van hen, die gansch en al stompzinnig zijn), maar dal wij voornamelijk op de oorzaak zien, ten einde ons diep voor God te verootmoedigen. Het laatste lid kan in tweeërlei zin verstaan worden, want, daar wij iels, dal wij met een' zwaren smak ter aarde willen werpen, eerst hoog opheffen, zou men kunnen zeggen dal door deze woorden eene heftige wijze van doen vallen aangeduid wordt, alsof hij zeide: Gij hebt mij meer gebroken door mij van zoo groole hoogte te doen vallen, dan wanneer ik van de hoogte, waar ik gewoonlijk op sta, gevallen ware. Maar hel schijnt nog eene toeneming te zijn van zijne smart. Want daar er niets bitterder is dan van eene gelukkige positie tol groole ellende te worden gebracht, klaagt de Profeet, dal hel volk Gods beroofd is van de uitnemende
423
Psalm 102 : 11â12.
voorrechten. waarmede hel eertijds door God begiltigd was, zoodat de herdenking van Gods genadehetooningen, die hem tot vertroosting moesten verstrekken, zijne smart nog bitterder maakte. Nu was dit volstrekt geene ondankbaarheid, dal de weldaden, die zij van God voormaals hadden ontvangen, hun een oorzaak van droef}heid waren, want zij erkennen, dat het door hunne eigene schuld is, dal zij lol dien erbarmelijken slaat waren vervallen. Want God schept geen behagen in verandering, alsof Hij, na ons iels van zijne goedheid te hebben doen smaken, er ons terstond weer van wilde berooven; maar gelijk zijne goedertierenheid nooit uitgeput kan raken, zoo zouden zijne zegeningen immer op ons afvloeien, iudien onze zonden den stroom er van niet stuitten. Hoewel dus de herdenking der weldaden Gods onze smart moesl verzachten, zoo verhindert dit toch niet, dal wij het betreuren, dat wij ^ an zoo groote hoogten zijn gevallen, als wij zien, dat wij den toorn Gods hebben gaande gemaakt, zoodal Hij zijne zegenende hand, die zoo bereid is ons wel te doen, van ons terugtrekt. Wanneer wij dus bedenken, dat hel beeld Gods, dal in Adam was, een schijnsel is geweest van zijne hemelsche heerlijkheid, en daartegenover denken aan de smadelijke ontsiering, waaraan God ons ten teeken van zijn' toorn onderworpen heeft, dan kan het niet anders, of er moet bij zoodanige vergelijkingeene vlijmende smart door onze ziel gaan. Wanneer God dus, na ons de gaven zijner genade te hebben ontnomen, ons blootstelt aan smart en schande, zoo laat ons leeren, dal wij zoo veel te meer reden hebben tot zuchten, omdat wij door onze eigene schuld het licht in duisternis hebben verkeerd.
12. Mijne dagen zijn als de schaduw. Wij weten, dal wanneer de zon recht boven ons hoofd staal, dal is dus des middags, men niet zoo plotseling de beweging of veranderingen der schaduw bespeurt; maar als de zon zich ten ondergang begint te neigen, dan veranderen de schaduwen schier met elke minum Dat is de reden, waarom hij haar eene af gaande schaduw noemV. Want hoewel hetgeen de Profeet hier aan de verdrukte Kerk schijnt toe te schrijven, aan alle menschen gemeen is, zoo was er toch eene bijzondere reden voor in de ballingschap. Wel is waar, zoodra wij tol den ouderdom neigen, worden wij al zeer spoedig broos en bouwvallig, maar de Profeet klaagt hier, dal dit aan het volk Gods reeds in den bloei hunner jaren overkomen was. Want door het woord Dagen verslaat hij den geheelen loop van hel leven, alsof hij zeide, dal de balling-
424
Psalm 102 : 12â13.
schap voor de godvruchligen als een zonsondergang is geweest, omdat zij zoo spoedig vervallen waren. Eindelijk herhaalt hij de vergelijking van verdord gras, dat hij een weinig te voren gebruikt had, om aan te toonen, dal hun leven ten tijde der ballingschap door velerlei droefenis omringd was, die hunne levenssappen deed opdrogen. En dit is geen wonder, aangezien deze wijze van te leven erger zou geweest zijn dan honderd dooden, indien zij door de hoop op de toekomstige verlossing niet ondersteund waren geworden. Want, hoewel zij door deze verzoeking niet gansch overmeesterd waren, moeien zij lochaan eene zeer diepe droefheid ten prooi zijn geweest, omdat zij zich door God zagen verworpen.
13. En Gij, o Jehovah, zult eeuwiglijk wonen, en uwe gedachtenis duurt van geslachte tot geslacht. 14. Gij zult opstaan, en zult U ontfermen over Sion, want het is tyd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen. 15. Want uwe knechten beminnen hare steenen, en zij zullen medelijden hebben met haar gruis.
13. En Gij, o Jehovah. Als de Profeet zich wil bevestigen in eene goede hope, en zich daarom de eeuwigheid Gods voor oogen stelt, dan schijnt dit eene vertroosting, die wel wal ver gezocht is. Immers, welke nuttigheid heeft het voor ons, dat God onbeweeglijk, en immer aan zich zeiven gelijk, op zijn' troon in den hemel zit, terwijl intusschen onze zwakke en vergankelijke aard ons zelfs geen enkel oogenblik tijds onbewogen laat blijven? En wat meer is: de wetenschap van de zalige rust, die God geniet, geeft ons nog beter te verstaan, dat geheel ons leven slechts een droombeeld, een zinsbedrog is. Maar terwijl de Profeet gedenkt aan de beloften, waarmede God betuigd heeft, dat Hij voor zijne Kerk zal zorgen, en inzonderheid aan dit voorname punt van hel verbond: Ik zal in het midden van u wonen, vertrouwt hij op dien heiligen en onverbreekbaren band, en twijfelt er dus niet aan, dat God alle de godvruchligen (in welken toestand van ellende zij nu ook mogen verkeeren) deelgenoolen zal maken van de hemelsche heerlijkheid, waarin Hij woont. Dat is ook de strekking van het woord Oedachtenis. Want, wat zou het ons baten, dat het wezen Gods onveranderlijk
Psalm 102 : 13â14.
is, indien de kennis hiervan geene krachl oefende in ons harl en het vertrouwen, voortvloeiende uil zijn vrij verbond, in ons wekte van eene wederkeerige betrekking tusschen Hem en ons? Ziehier dus in korte woorden wat hij wil zeggen: Al zijn wij ook gelijk aan hooi, dat gansch en al dor is, al is het ook dat ieder oogenblik verwelken en vergaan en den dood reeds nabij zijn, ja zelfs reeds in het graf zijn nedergelegd, zoo moeten wij toch goede hope hebben, omdat God een verbond met ons heeft gemaakt, waarbij Hij beloold heeft zijn volk te bewaren en zich met ons verbonden heeft op die voorwaarde, dal Hij altijd in ons midden zal wonen. En hoewel ons, als wij op ons zeiven zien, niets anders overblijft dan te wanhopen, zoo moeten wij toch ons harl opheffen tot dien hemelschen troon, van waar God ons ten laatste zijne hand zal toereiken. Al wie een weinig geoefend is in de Heilige Schrift, zal erkennen, dal dit hel is wat wij hebben te bedenken, als wij door velerlei dood omringd zijn, te weten: aangezien God zich immer gelijk blijft, en er bij Hem zelfs geene schaduw van omkeering is, zoo is er niets dat Hem verhindert ons le hulp te komen, en dat Hij dit ook doen zal, omdat wij zijn Woord hebben, waarmede Hij zich jegens ons verbonden heeft, en omdat Hij ons zijne gedachtenis in bewaring heeft gegeven, waarin de heilige en onafscheidelijke verbintenis is opgesloten.
14. Gij zult opstaan. Ziehier hel redebeleid, waarvan ik heb gesproken: God is eeuwig, hieruit volgt, dal Hy zich over Sion zal ontfermen. En de eeuwigheid moet beschouwd worden in zijne gedachtenis, of zijn Woord, waarmede Hij zich jegens ons verbindt om zorg te dragen voor ons heil En dewijl Hij nu niet ontbloot is van macht, en het niet mogelijk is, dal Hij zich zeiven verloochent, moeten wij niet vreezen, dat Hij te zijner tijd niet zal volbrengen hetgeen Hij heeft beloofd. Wij hebben aan eene andere plaats gezegd, dat dit werkwoord Opstaan betrekking heeft op hetgeen wij zien voor onze oogen, want hoewel Hij onbeweeglijk zijnde, rust, zoo toont Hij toch, als Hij zijne kracht tentoonspreidt, zijne majesteit door eene uitwendige daad, gelijk men dit noemt. En inderdaad, als er sprake is van de wederherstelling der Kerk, noemt de Profeet de barmhartigheid Gods als de oorzaak daarvan, schoon hij hier tweeërlei wijze van aanduidt, en daarom ook verschillende woorden gebruikt. Wat de eerste soort van barmhartigheid betreft: ziehisr de oorzaak er van: Omdat voor menschelijke verdienste hier geene plaats is, en God door niets anders bewogen kan worden om zijne Kerk op te bouwen, heeft Hij hel alleen
426
Psalm 102 : 14â15.
uil vrije goedheid gedaan. Daarna voegl hij er de tweede soort van onlterrning bij, die verbonden was mei zijne beloften: Gij zult U dus ontfermen over Sion, want de tijd, door uw welbehagen daartoe bestemd, is reeds gekomen. Intusschen was het de bedoeling van den Profeet de barmhartigheid Gods te verheerlijken, opdat de geloovigen zouden welen, dat daarin alleen hun heil was gelegen. Maar nu moeten wij zien welken lijd hij bedoelt. Want hel Hebreeuwsche woord móèd beleekent immer regelen of aanwijzen om iets te doen. Er is dus niet aan te twijfelen of hij heeft het oog op de Profetie van Jeremia, vervat in het 29sie hoofdstuk, hel 12de vers, en die herhaald is in het 21ste vers van het laatste hoofsluk van hel tweede boek der Kronieken. Want, opdat de geloovigen bij hel langdurig aanhouden dei-ramp den moed niet zouden verliezen, moesten zij wel steunen op deze hope, dat God een perk gesteld had aan hunne ballingschap, opdat zij de zeventig jaren niet zou te boven gaan En wij zien, dat Daniël hieraan gedacht heelt, toen hij voor hel heil der Kerk heeft gebeden. Ook nu is het de bedoeling geweest van den Profeet, ten einde zich zeiven en anderen aan te moedigen om met meer vrijmoedigheid te bidden, God te doen gedenken aan deze uitnemende Profetie, opdat Hij aan deze schrikkelijke ballingschap een einde zou maken. En voorzeker, indien wij in ons gebed niet altijd aan de beloften Gods gedenken, dan laten wij onze wenschen en begeerten als rook opgaan in de luchl. Wij moeten ook opmerken, dal de Proleet, hoewel de lijd der verlossing reeds gekomen, of ten minste aanstaande was, toch niet heefl opgehouden de gebeden op te zenden, waartoe God ons noodigt door zijn Woord; en ofschoon de tijd bestemd en aangewezen was, herinnert hij God aan zijne belofte op zulk eene wijze, dat hel niet minder een beroep is op zijne goedertierenheid alleen, want de beloften, waarmede Hij zich verbindt, nemen niets weg van den glans zijner goedertierenheid.
15. Want uwe knechten. Dat dit alleen lot Gyrus en Darius beperkt zou zijn is gansch en al ongerijmd, en hel verbaast mij dat sommigen van onze lijgenoolen met zulk eene onbeduidende gissing hebben kunnen instemmen. Want, dat de Rabbijnen zich op zulke dwaze spitsvondigheden toeleggen, is niet te verwonderen. Ik weel wel, dal in sommige Schriftuurplaatsen de boozen dienstkechlen Gods worden genoemd, omdat God zich van hen bedient om zijne oordeelen uit te voeren; en wal meer is, ik erken, dal inzonderheid Cyrus de verkoren dienstknecht
427
Psalm 102 : 15.
m
Gods genoemd wordl; maar de Heilige Geest zou deze eer noch aan hem, noch aan Darius bewezen hebben, om hun een' zoo eer vollen titel te verleenen, zonder er eene bepaling of omschrijving hij te voegen. Daarenboven is het waarschijnlijk, dat deze Psalm gedicht werd vóórdat zij het edict omtrent den terugkeer des volks hadden uitgevaardigd. Hieruit volgt dus dat alleen de geloovigen tol de lijst van Gods dienstknechten behooren, want hun voornemeij,en bedoeling is, geheel hun leven aan de roepstem van God te gehoorzamen. Wat mij betreft, ik twijfel niet of hij heeft in het algemeen van de geheele Kerk gesproken, alsof hij zeide, dat deze begeerte niet slechts door één enkelen mensch wordt gekoesterd, maar dat geheel het lichaam der Kerk er mede instemt. Want, ten einde God nog meer te neigen tot zijn gebed, roept hij alle godvruchtigen op, zoo velen als er toen op de aarde waren, om hem te helpen in zijn pleiten. En het is ongetwijfeld zeer dienstig om hoop er vertrouwen te doen toenemen, als hel gebed opgaat uit hel hart van allen, alsof hel van een' enkele was, gelijk Paulus opmerkt in hel 11de vers van het eerste hoofdstuk van den tweeden brief aan de Corinthen. Er is in de woorden eene innerlijke beleekenis; want hij noemt de wanstaltige puinhoop, die van stad en tempel was overgebleven , steenen van Ston. om te verslaan te geven dal de geloovigen voormaals niet slechts door de uitwendige pracht des Tempels bekoord waren, daar deze niet slechts de oogen der menschen aantrok, maar al hunne zinnen in vervoering bracht; maar hoewel de Tempel nu verwoest was en er niets dan een treurige puinhoop van was overgebleven, blijft hunne liefde daar toch bij verwijlen, en zien zij Gods heerlijkheid ook in deze vermolmende steenen en woeste puinhoopen. En voorzeker, daar de Tempel op Gods bevel was gebouwd, en zijne herbouwing door Hem zeiven was beloofd, konden de geloovigen hunne genegenheid niet aan deszelfs puin onttrekken. En opdat intusschen de spotternijen der Heidenen hun den moed niet zouden doen verliezen, moesten zij in het Woord Gods nog wel iels anders zien dan met het hloote oog kon waargenomen worden. Want, daar zij wisten, dal die plaats door God geheiligd was, en de Tempel aldaar wederopgericht moest worden, hoewel er thans niels anders dan een hoop gebroken steenen en puin lag, kon toch de eerbied voor den Tempel bij de geloovigen niet aan het wankelen worden gebracht. Hieruit volgt dus, dal hoe droeviger de toestand der Kerk is, hoe meer wij haar in Helde moeten blijven aanhangen. Ja veeleer moet onze ontlerming over haar er ons toe brengen om te zuchten en voor haar lot God roepen. En gave God dat
Psalm 102 : 15â16.
deze waarheid raindei' van toepassing ware op onzen tijd dan zij is. Want. wel heeft God aan sommige plaatsen zijne Tempels, waar Hij in zuiverder eeredienst wordt aangebeden; zoo wij echter onze oogen laten gaan over geheel de wereld, en zien hoe overal zijn Woord als met voeten wordt getreden, en zijn dienst ontheiligd wordt door tallooze verfoeiselen, dan gewis! is zijn heilige Tempel aan eene treurige verwoesting prijs gegeven; ja meer: die Kerken zelfs, waarin God woont, zijn nog verscheurd en verstrooid. Wal zijn deze hutjes in vergelijking van het majestueuze gebouw, dat ons door Jesaja, Ezechiël en Zacharia wordt beschreven? Maar er is geene verwoesting, die ons moet verhinderen de steenen en het gruis der Kerk lief te hebben. Laten de Papisten zich verhoovaadigen op hunne altaren, hunne grootsche gebouwen, en hunne overige praal en pracht; want al deze Heidensche heerlijkheid is slechts een verfoeisel in de oogen van God en van de engelen, maar het puin van den Tempel is en blijft heilig.
16. En de Heidenen zullen den naam van Jehovah vreezen, en alle koningen der aarde uwe heerlijkheid. 17. Want Jehovah heeft Slon gebouwd; Hij is verschenen in zijne heerlijkheid. 18. Hij heeft gezien op het gebed van den eenzame; en Hij heeft hunlieder gebed niet versmaad. 19. Dit zal geschreven worden voor het toekomende geslacht, en het volk, dat geschapen is, zal Jehovah loven.
16. De Heidenen zullen den naam van Jehovah vreezen. De Profeet beschrijft hier de vrucht der verlossing, nl. dat de heerlijkheid Gods er door bekend zal worden aan de volken en de Koningen. Hierdoor geeft bij tevens stilzwijgend te kennen, dat wanneer de Kerke Gods verdrukt is, de heerlijkheid Gods ook te gelijk verduisterd wordt, gelijk ook ongetwijfeld de God Israels door de boozen bespot werd, alsof Hij niet bij machte was de zijnen te hulp te komen. De Profeet zegt dus, dat, wanneer God zijn volk verlost, dit eene voortreffelijke openbaring zal zijn van zijne macht, die de Heidenen zal noodzaken eerbied te koesteren voor Hem, dien zij bespotten; want hij zegt, dat Qod is verschenen en in zijne heerlijkheid, toen Hij zijne Kerk
429
Psalm 102 : 17â19.
uil de duisternis des doods gevoerd heelt; gelijk ook aan eene andere plaats gezegd is: Toen werd Juda zijn heiligdom, en Israël zijne heerschappij (Psalm (114:2). Aldus is God dooi zijn volk, dat hier en daar verstrooid was, weder bijeen te vergaderen, en zijne Kerk als van uit den dood tot het leven terug te roepen, verschenen in zijne heerlijkheid. En het is voorwaar gansch geene kleine vertroosting te weten, dat de liefde Gods voor ons zóó groot is, dat Hij zijne heerlijkheid wil doen schilleren in ons heil. Hoewel nu de kracht Gods voor de geloovigen verborgen is gebleven, terwijl zij in het midden hunner verdrukking waren, zoo hebben zij haar toch altijd met het oog des geioofs en in den spiegel der beloften aanschouwd.
18. Hij heeft gezien. Het is waardig opgemerkt te worden, dat de verlossing der godvruchtigen toegeschreven wordt aan de geloovigen. Want, hoewel God door niets andeis dan zijne eigene goedertierenheid gedrongen werd om zijne Kerk te verlossen, gelijk Hij dit ook uil vrije goedheid beloofd heeft le zullen doen, zoo belooft Hij toch, ten einde de geloovigen lol bidden aan le sporen, dal Hij door haar te bewaren zich gunstig beloont voor de begeerte der zijnen, want, daar de gebeden saamgevoegd zijn mei de vrije beloften, is hare uilwerking er van afhankelijk. En door le zeggen dal de gebeden van den eenzame verhoord zijn, spreekt hij niet van één enkelen mensch, want een weinig later gebruikt hij hel meervoud; maar hij noemt al de Joden eenzamen zoolang zij, verjaagd zijnde uil hun land, als ballingen verkeerden in den vreemde. Want hoewel Assyrië en Chaldea zeer vruchtbare en schoone landen waren, waren deze arme ballingen er toch als in eene woestijn, gelijk 'reeds aan eene andere plaats gezegd is. Gelijk dus dit eenzame volk door te zuchten genade heeft gevonden, zoo zal de Heere ook heden. hoewel de geloovigen overal heen verspreid zijn, en geene geregelde bijeenkomsten hebben, hunne zuchten hooren en hun gebed verhooren, mits zij allen in oprechte eensgezindheid des geioofs de wederherstelling der Kerk van Hem begeeren.
19. Dit zal geschreven worden. Hij verheerlijkt nog verder de vrucht der verlossing, ten einde zich zeiven en anderen te bemoedigen om te hopen, dat zij verkrijgen zullen wat zij vragen. Nu geeft hij door deze woorden te kennen, dal dit een gedenkwaardig werk Gods zal zijn, waarvan de lof verbreid zal worden door vele eeuwen. Want wij welen, dal er vele lofwaardige
430
Psalm 102 : 19â20.
zaken zijn, waarvan de gedachtenis nieüemin verloren gaal. Maar de Profeet maakt een verschil tusschen het heil der Kerk, waarvoor gebeden moet worden, en andere meer gewone gunsten en weldaden. Door het woord schryven geeft hij te kennen, dal hel eene gebeurtenis is, die waardig is om in de jaarboeken der geschiedenis te worden opgeteekend, opdat de gedachtenis er van bewaard blijve voor de navolgende geslachten. Er is eene schoone tegenstelling opgesloten tusschen de herschepping des volks, en den toestand van ellende, waarin zij zich thans bevinden, dewelke door de Schriltverklaarders zeer ten onrechte wordt voorbijgezien. Want nadat het volk verworpen was, was de Kerk in zekeren zin vernietigd. Voorzeker, de naam er van kon wel dood schijnen, toen de Joden verstrooid en vermengd onder de Heidenen, niet meer een afzonderlijk volk uitmaaklen. Daarom was hun terugkeer als eene wedergeboorte; en in dit opzicht is het niet ten onrechte, dat de Profeet eene nieuwe schepping verwacht; want al ware de Kerk ook gansch en al vernietigd, zoo was hij er toch van overtuigd, dal God door zijne wondere macht haar van den dood in hel leven terug zou roepen. En deze Schriftuurplaats is zeer merkwaardig om aan te toonen, dat de Kerk niet altijd derwijze bewaard wordt, dal zij in haar geheel blijft bestaan, maar al schijnt zij ook dood te zijn, wordt zij toch plotseling opnieuw geschapen, wanneer dit des Heeren welbehagen is. Zoo laat dan geeneriei ramp of verwoesting ons de hope doen verliezen, dat God, gelijk Hij de wereld uit niets heelt voortgebracht, hel ook zijn eigen werk zal achten om de Kerk uit de duisternis des doods te voorschijn te doen komen.
20. Want Hij heeft van de hooge (plaats) zijns Heiligdoms nedergezien van den hemel op aarde. 21. Om het zuchten te hooren van den gevangene, en om de zonen des doods los te maken. 22. Opdat de naam van Jehovah vermeld worde in Sion, en zijn lof te Jeruzalem. 23. Wanneer de volken te zamen zullen vergaderd worden, en de Koninkrijken, om Jehovah te dienen.
20. quot;Wcint Hy heeft vein de hooge plaats zijns heiligdoms nedergezien. De verlossing, waarnaar de Profeet zoo vurig had
431
Psalm 102 : 20â21
verlangd, woidl thans door Hem gerealiseerd, alsof zij reeds geschied was. En opdat de boosheid der inenschen eene zoo uitnemende weldaad Gods niet zal verduisteren, geeft hij Gode openlijk en in uitdrukkelijke bewoordingen den lof, die Hem toekomt, gelijk ook het volk op velerlei wijze gedrongen was de hand Gods te erkennen. Want lang voordat het in ballingschap weggevoerd werd, is deze ramp hun voorspeld geworden, opdat het oordeel Gods er in gekend zou worden. En ook de verlossing was beloofd en den tijd er voor bepaald, te weten na zeventig jaren. Daarom heeft de ondankbaarheid der menschen ook geene oorzaken voor hun' terugkeer kunnen verzinnen dan de vrije goedheid Gods. Hij zegt dus dat God van den hemel heeft nedergezien, opdat zij aan de gunst ot goedheid van Cyrus niet zouden toeschrijven hetgeen hun zoo blijkbaar uit den hemel werd gezonden. De hooge plaats zijns heiligdoms beteekent hier zooveel als de hemel. Want, gelijk aan andere plaatsen de Tempel de woonstede Gods genoemd wordt met betrekking tot de menschen (Psalm 26; 8; Psalm 76 : 3), zoo wordt Hem nu, opdat wij ons in God niets zouden voorstellen dal aardsch is, zijne woning toegeschreven in den hemel; niet alsof Hij déér opgesloten is; maar opdat wij Hem boven deze wereld zouden zoeken. Daarna herhaalt hij nog eens wat hij te voren had aangestipt betreffende het gebed, ten einde het hart der geloovigen nog meer op te wekken tot het gebed, en opdat zij na verlost te zijn zouden weten dal die verlossing hun geschonken was op hun geloof, omdat zij, steunende op de beloften, hunne verzuchtingen naar Boven hadden gericht. Hij noemt hen gevangenen, want, hoewel zij in geen' kerker waren opgesloten, is hunne gevangenschap er toch niet minder werkelijk om geweest. Ja meer, een weinig later zegt hij dat zij ter dood verwezen waren, opdat zij zouden weten, dal het met hen gedaan zou zijn geweest, indien zij door de buitengewone kracht Gods niet van den dood verlost waren.
22. Opdat de naam van Jehovah vermeld worde in Sion. Hier wordt eene nog heerlijker en rijker vrucht dezer verlossing in het licht gesteld; te weten, dal niet slechts de Joden wederom als een volk bijeenvergaderd zullen zijn om Gode dank te brengen, maar dal zij, teruggekeerd in hun land, ook de Koningen en volken lot eenheid des geloofs en der vereering van God met hen zouden bewegen. Nu scheen het toenmaals volstrekt ongelooflijk, dat niet slechts de lof van God zou weerklinken in den Tempel, die verbrand en verwoest was, maar dat van alle kanten de volken zouden komen, en dat zij vergaderd zouden worden
432
Psalm 102 : 23.
433
met de Joden (die toenmaals als een in ontbinding lijk waren) om God te dienen. Ten einde het volk goede hope te geven op hun' terugkeer, gebruikt hij dit argument, dat het onmogelijk was, dat de plaats, die God zich ter woning had verkoren, voor altijd woest en verlaten zou blijven; maar hij verklaart, dat er eene nieuwe stof zou zijn om God te loven, omdat de naam Gods door alle volken aangebeden zou worden, en de Kerk niel uit eene enkele natie zou bestaan, maar uit de geheele wereld. Wij welen dal dit onder de heerschappij en leiding van Christus vervuld is geworden, gelijk ook betuigd is in de Profetie van Jakob: Tot Hem zullen de volken vergaderd worden (Gen. 49 : 1(1). Omdat de Profeten gewoon zijn de verlossing uit de Babylonische gevangenschap uil te strekken (ot aan de komst van Christus, heeft de Profeet hier niel het oog op een bijzonder punt, maar op de genade Gods tot het einde toe, dal is lol aan de volkomene vervulling der belofte. Hoewel hel nu niel noodig was dal allen, die zich tot Christus hebben bekeerd, naar Jeruzalem kwamen, heeft hij toch, naar het gewone gebruik, den dienst van God, zooals hij was onder de Wet, voorop gesteld. En voorts kunnen wij uit deze Schriftuurplaats leeren, dat de naam Gods nooit beier geloofd wordt, dan wanneer de godsdienst overal verbreid is, en de Kerk zich uitbreidt, die daarom ook genoemd wordt; Eene planting des lleeren, om Hem te verheerlijken (Jesaja 61 : 3).
24. Hij heeft mijne kracht nedergedrukt op den weg, en mijne dagen heeft Hij verkort. 25. Ik heb gezegd: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen, want uwe jaren zijn van geslachte tot geslachte. 26. Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk uwer handen. 27. Zij zullen vergaan, maar Gij zult blijven, en zij allen zullen verouden als een kleed, Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. 28. Maar Gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet falen. 29. De kinderen uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor uw aangezicht bevestigd worden.
28
Dl. II.
Psalm 102 : 24-25.
Ll\. Hij heeft myne kracht neder gedrukt. Uil gebrek aan kennis (naar mijn oordeel) beperken sommigen deze klachl lot den lijd, toen aan de Joden, nadat zij de vrijheid hadden verkregen om lenig le keeren, veel kwelling en leed werd veroorzaakt. Maar dil woord Weg beval veeleer eene beeldspraak; want daar de verschijning van Christus hel doelwit , of de eindpaal , was voor hel oude volk , klagen zij terecht, dat zij le midden van hun' loop neergedrukt werden. En zoo houden zij aan God zijne beloften voor, omdal zij niet op vermetele wijze of onachtzaam hadden geloopen, maar zich op Hem hebben verlaten, en door zijne hand in hel midden huns wegs gebroken waren. Wel is waar klagen zij hier niet over God, alsof Hij hen teleurgesteld had in hunne hope, maar dewijl zij er volkomen van overtuigd waren, dat Hij niet bedriegelijk handelt met hen, die Hem dienen, versterken en bevestigen zij zich door deze klacht in hunne hope. in dien zelfden zin voegen zij er bij dal hunne daqen afgesneden, of' verkort zijn, omdal zij zien op de volheid der tijden, die, vóórdat Christus was verschenen, nog niet gekomen was; en daarom volgt hier: Dood mij niet in het midden mijner daqen. Want zij vergelijken de tusschenruimte lot aan de verschijnig van Christus bij de helft van een leven; want de volle, rijpe leeftijd der Kerk was slechts vervuld bij de komst van Christus, gelijk wij le voren reeds gezegd hebben. Want, hoewel deze ramp voorzegd was, bracht toch de aard van het verbond mede, dat God dit volk onder zijne hoede en bescherming zou nemen, en daarom was de ballingschap als hel ware eene gewelddadige verbreking; en daarom hebben de geloovigen met des le groeier vertrouwen gebeden, dal zij niet vóór den lijd en in het midden huns wegs zouden omkomen. Want hierdoor hebben zij zich niel een' bepaalden levenstijd voorgesteld, maar, dewijl God door hen vrijwillig aan te nemen hun hel begin des levens had gegeven onder dil beding, dal Hij hen zou bewaren lot aan de komst van Christus, was hel hun ook volkomen geoorloofd te pleiten op deze belofte; alsof zij zeiden: Heere, Gij hebt ons geen leven beloofd van drie dagen, of van eene maand, ol van eenige jaren; maar totdat Gij geheel de wereld vernieuwt en alle volken bijeenvergadert onder den schepler van uwen Christus. Wat beleekent hel dan. dat wij omkomen als wij nog slechts halverwege zijn gevorderd in onzen loop? De reden, die er op volgt, schijnt niets af le doen aan de zaak van heden. Want God is wel eeuwig, maar zijn daarom de menschen ook eeuwig? Maar bij het tweede vers van Psalm 92 hebben wij opgemerkt, dal wij, als er sprake is van den grond des
Psalm 102 : 25â26.
belrouwens voor ons heil, zeer terecht op de eeuwigheid Gods zien; want God wil niel slechts in zijn verborgen wezen als eeuwig gekend zijn, maar ook in zijn Woord, gelijk geschreven is in Jesaja 40:6 en 8: Alle vleesch is gras, en al zijne schoonheid als de bloem van het gras; maar het Woord onzes Gods beslaat in der eeuwigheid. En daar nu God ons door zijn Woord aan zich verbindt: hoe groot de afstand ook zij tusschen onzen brozen, vergankelijken slaat en zijne heerlijkheid, zoo moeien wij door het geloof toch doordringen tot dien gelukzaligen staal, vanwaar God onze ellende aanziet. Maar deze vergelijking tusschen hel eeuwige leven Gods en den korten loop van ons leven heeft nog eene andere slrekkin^, vvanl ook daarom neifjl God tol barmhartigheid, als Mij ziel, dal de menschen als in een oogwenk voorbijgaan en weldra verdwijnen, gelijk dil later uitvoeriger zal aangetoond worden.
26. Gy hebt voormaah de aarde gegrond. Hij blijft nu nog verder stilstaan bij hetgeen hij te voren gezegd heeft, nl. dat geheel de wereld, bij God vergeleken, niets is dan eene gedaante, die voorbijgaal. Een weinig later maakt hij echter voor de Kerk eene uilzondering op dien algemeenen regel, omdat zij gegrond is op het Woord Gods en onder de bescherming staat van dat-zellde Woord Er zijn hier dus twee punten, en wel deze: daar zelfs de hemelen in het oog Gods niet veel verschillen van rook ol damp, moet er in het gansche menschelijke geslacht eene zoodanige broosheid zijn, dat God er door tol barmhartigheid wordt bewogen; en ten tweede: hoewel er geenerlei vastigheid is in den hemel of in de aaide, zoo zal hel heil dei-Kerk toch eeuwig zijn, omdat zij steunt op de eeuwige waarheid Gods. Hel eerste punt leert ons, dal wanneer de geloovigen in de tegenwoordigheid Gods komen, zij slechts ootmoedig hebben te bedenken hoe onzeker en voorbijgaand hun toestand is, opdal zij met niets dan met hunne eigene nietigheid lol Hem komen. Want deze vernedering is de eerste stap om ons gunst en genade bij God Ie doen verkrijgen, gelijk God ook verklaart, dat Hij door onze ellende bewogen wordt om ons genadig te zijn. De vergelijking van de Hemelen is hier zeer gepast; want hoe groot is hun duur, in vergelijking met ons leven, dal zoo ras voorbijgaat, ol liever daar henen vliegt! Hoe vele menschenleeflijden zijn voorbijgegaan, terwijl de hemelen hun' aard en hunne vastheid hebben behouden in deze voortdurende beweging! Daarbij koml, dat dit zoo schoon en voorlreffelijk werkstuk luide verkondigt, dal Gods handen hel gemaakt hebben. En toch, noch hunne
28*
/»35
Psalm 102 : 27â29.
«jroole oudheid, nocli hunne uitnemende schoonheid stellen de hemelen vrij van eens te /uilen vergaan. Hoe zal het dan wezen met ons, ellendige menschen, die, om zoo te zeggen, sterven zoodra wij worden geboren? Want er is geen enkel deel van ons leven, dat niet snel neigt tot den dood. Evenwel, de uilleggers verklaren dit niet allen op gelijke wijze, te weten, dat de hemelen vergaan. Sommigen verstaan het eenvoudig van de verandering, die er in plaats heeft, die als eene soort van dood zal zijn; want hoewel zij niet volstrekt vernietigd worden, zal torh de verandering hunner natuur verteren heigeen sterfelijk en verderfelijk is, zoodal zij andere en nieuwe hemelen zullen worden Volgens anderen moet hier eene voorwaarde ingelaschl worden, nl : indien het Gode behaagt, omdat zij hel ongerijmd vinden te zeggen, dal de hemelen aan bederl onderhevig zijn. Maar ten eerste is er hoegenaamd geene noodzakelijkheid voor deze bijvoeging, die den zin eerder meer ingewikkeld zou maken dan hem op te helderen En voorts kennen zij ten onrechte aan den hemel een' toestand van onvergankelijkheid toe, waarvan Paulus zegt, dat zij zuchten en als in barensnood zijn, evenals de aarde en de andere schepselen, tol den dag der verlossing, omdat zij der verderflijkheid onderworpen zijn (Rom. 8 : 22), niet gewillig of uil hunne natuur, maar omdat de mensch in zijn' val geheel de wereld en de maatschappij in een zelfde verderf heeft medegesleepl. Er zijn dus twee dingen, die men wel in gedachten moet houden: Dat de hemelen wel waarlijk aan bederf onderhevig zijn van wege den val der menschen, en dal zij op zulk eene wijze vernieuwd zullen worden, dal de Profeet lerechl zegt, dal zij zullen vergaan, omdat zij niet dezelfden, maar anderen zullen wezen. Waar het op neerkomt is, dal waarheen wij ook onze oogen richten, overal zien wij oorzaak lot wanhoop, totdat wij lol God komen. Want, wat anders is er in ons dan verrotting? En wal zijn wij anders dan een spiegel des doods? En voorts: wal is deze verandering van geheel de wereld anders dan een voorbode des doods? Indien nu hel gansche gebouw dezer wereld ten einde neigt, hoe zal hel dan wezen met het menschelijk geslacht? Indien alle volken moeten omkomen, welke vastigheid zal er dan zijn in de menschen, ieder afzonderlijk? Wij moeten dus nergens vastigheid in zoeken dan in God alleen.
29 De kinderen. Door deze woorden geelt de Profeet te kennen, dal hij niet vraagt om de bewaring der kerk, omdat zij een deel uitmaakt van het menschelijk geslacht, maar omdat
480
Psalm 102 : 29.
437
God haar boven de wemelingen der aaide heeli verheven. En voorzeker is de voorwaarde, waarop Hij ons aangenomen heell, dat Hij ons als aan zijn eigen hart zal koesteren en verzorgen. Daarom is het geene te ver gezochte gevolgtrekking, dat de Proleet, onder alle de stormen, waarvan één alleen genoeg zou zijn om ons henen weg te voeren, voor de Kerk op een' vasten en duurzamen staat hoopt. Want, hoewel wij door onze schuld van God vervreemd zijn en dus ook afgesneden zijn van de fontein des levens, zoo begint deze fontein toch wederom voor ons te vloeien, zoodra wij met God verzoend zijn. Hieruit volgt dat de geloovigen, omdat zij door een onverderfelijk zaad zijn wedergeboren, den dood zullen overleven, omdat God zich immer gelijk blijft. Want, door het woord wonen geeft hij eene welverzekerde en eeuwige erfenis te kennen. Hij zegt uitdrukkelijk Voor hel aangezicht Gods, omdat het welvaren der godvruchtigen verzekerd is, niet naar de beschouwing der wereld, en ook niet naar de gewone wijze van hemel en aarde, maar van wege hunne heilige vereeniging met God. Door het zaad en de kinderen verstaal hij niet allen zonder onderscheid (want velen van hen die naar het vleesch geboren zijn, ontaarden) maar zij, die van den weg hunner vaderen niet afwijken. En de opvolging wordt uitdrukkelijk vermeld, omdat het verbond zich uitstrekt [lol de toekomende eeuwen, zooals uit den volgenden Psalm opnieuw zal blijken. Indien wij nu den schal des levens, die ons is toevertrouwd, getrouw bewaren, zoo laai ons niet twijfelen, al zijn wij ook van alle kanten door lallooze dooden omringd en als ingesloten, om het anker onzes geloofs uil te werpen in den hemel, zoodal de zekerheid onzes heils berust in God.
quot;PSATJVI 103.
INHOUD: In dezen Psalm wordt aan elk der geloovigen geleerd voor zich in het bijzonder dank te brengen aan God, en daarna ook voor de genade, die het Hem behaagd heeft te bewijzen aan de geloovigen door het verbond der zaligheid met hen aan te gaan in de wet, ten einde hen in z\jne aanneming te doen deelen. Doch voornamelijk looft hij de barmhartigheid Gods, door welke Hij zijn volk ondersteunt, hoewel het verdient zwaar gekastijd te worden;
Psalm 103 : 1â2.
en dat niet, omdat er in hen eeuigerlei verdienste of waarheid is, maar omdat Hij medeleden lieeft met hunne broosheid. De Psalm besluit met eene algemeene vermelding van Gods lof.
1. Een Psalm van David. Loof Jehovah, mijne ziel, en al wat binnen in mij is, zijn' heiligen naam. 2. Loof Jehovah, mijne ziel, en vergeet geene van zijne weldaden. 3. Die al uwe ongerechtigheden vergeeft, en al uwe krankheden geneest. 4. Die uw leven redt van het graf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden. 5. Die uwen mond verzadigt met het goede, en uwe jeugd vernieuwt a,ls eens arends.
1. Mijne ziel. De Profeet, zich zeiven aansporende lol dankbaarheid, leert door zijn voorbeeld aan een iegelijk wal hij le doen heeft. En voorzeker heell onze traagheid le dien opzichte hel wel noodig, om voortdurend opgewekt en aangespoord le worden; ja meer, indien de Profeet, die meer dan iemand anders door ijver was ontsloken, toch niet vrij was van deze krankheid, gelijk hij dil belijdt, door de opwekking lol zich zeiven le richten, hoeveel le meer is deze medicijn dan niet noodig voor ons, die gevoelen hoe koud en stompzinnig wij zijn? Door den mond des Profeten richt de Heilige Geest dus zijdelings hel verwijt lol ons, dal wij niet naarstig genoeg zijn om God le loven, en tegelijk loont Hij ons het geneesmiddel hier legen, opdat een iegelijk inkeere tol zich zeiven en zijne eigene traagheid van zich werpe. Want, niet tevreden met den naam ziel, waarmede hij ongetwijfeld den zetel des verstands en der genegenheden bedoelt, voegt hij er nog de innerlijke deelen bij, alsof hij van zijne gedachten spreekt, en van zijn hart en van alle de gav^n en vermogens van die beiden. Wie nu, van de menschen afgezonderd zijnde, aldus lot zich zeiven spreekt, spreekt als voor hel aangezicht Gods. En de herhaling zet nog grootere kracht bij aan de vermaning, want hel is als hel ware eene bestraffing van zijne eigene traagheid.
2. En vergeet ycene van zijne weldaden. Hiermede maakt hij er ons opmerkzaam op, dat het niet aan God ligt, zoo wij geene ruime slof hebben om Hem te loven, maar dal het onze eigene
438
Psalm 103 ; 2â3.
ondankbaarheid is, die ons in den weg slaal. En in de eerste plaats leert hij ons, dat God zóó goed en mild jegens ons is, opdat zijn naam door ons worde geprezen, en met een besti alt hij ook onze ijdelheid, die ons elders henenvoert. Want, hoe komt het, dat wij zoo traag en achterlijk zijn in deze zoo ge-wichlige oel'ening der godsvrucht? Is het niet omdat de «â¢route weldaden Gods, die in hemel en op aarde bekend zijn in booze vergetelheid worden begraven: Want, zoo wij ze slechts gedachten, zouden wij, naar de Profeet ons zegt, wel zeer geneigd zijn onzen plicht te betrachten, daar hij ons niets anders verbiedt, dan Gods weldaden te vergeten.
3. Die al uwe ongerechtigheid vergeeft. Thans noemt Hij de weldaden Gods, die hij zegt, dal maar al te zeer door ons worden vergeten. En hel is niel zonder reden, dat hij mei dil punt begint, dal God onze zonden vergeeft, wanl de vrije verzoening is de bron, waaruil alle andere weldaden voortkomen. Wanl, hoewel de weldaden Gods zich zelfs uitstrekken tol de boozen, is hel er toch verre vandaan dal zij er nul van hebben, zoodal zij ze zelfs niel eens smaken of proeven. Daarom is hel de eerste van alle de weldaden Gods, waarvan wij de vrucht genieten, dal God onze zonden vergeeft en uildelgt, en ons in genade aanneemt. Wal meer is: omdat door de vergeving der zonde God ons gunstig wordt, heiligt zij ook alle de gaven, die Mij ons schenkt, zoodat zij ons ter zaligheid gedijen. Hel tweede lid is óf eene herhaling van denzelfden zin, óf heeft eene wijdere strekking. Want de vruchten der vrije vergeving zijn, dal God, ons regeerende door zijn' Geest, de lusten en begeerlijkheden doodl van ons vleesch, en ons reinigt van alle ondeugden, en ons de gezondheid teruggeeft van een goed en heilig leven. Zij, die hier verslaan, dal de Icranhheden door God genezen worden, omdat Hij, als Hij onze zonden vergeeft, ons ook van de krankheid des lichaams verlosl, schijnen de bedoeling van den Proleet al te zeer te beperken. Daarom twijfel ik niel, of de medicijn, waarvan de Profeet hier spreekt, strekt om de schuld weg Ie nemen, en vervolgens om ons te genezen van de ondeugden, die er in ons zijn. hetgeen geschiedt door den Geest der wedergeboorte. Indien iemand hier nu nog eene derde zaak bij wil voegen, le weten: dal God verzoend zijnde, ons Ook de straf kwijtscheldt, dan heb ik hier niets legen. Laat ons inlusschen uil deze schrifluurplaals leeren, dal wij, loldal de hemelsche Medicijnmeester ons le hulp komt , niet slechts vele krankheden in ons binnenste kweeken, maar ook velerlei dood.
439
Psalm 103 ; 4â5.
440
4. Die mo leven redt van het graf. Hij drukt nog duidelijker uil wal onze toestand is vóórdal God onze krankheden geneest, le welen, dal wij dood en len grave gedoemd zijn. Daarom moeien wij de barmhartigheid Gods des le meer op prijs slellen, aangezien zij ons verlost van den dood en van hel verderf, Wanl indien de opstanding uil hel graf de aanvang is van het geestelijk leven, wal blijft den mensch dan overig om zich in le beroemen? Daarna leert de Profeet dal de onvergelijkelijke genade Gods uitblinkt, zoowel in onze aanvankelijke verlossing als in geheel den voortgang er van, en om deze nog overvloediger te verheerlijken gebruikt hij hel meervoud en spreekt van Barmhartigheden. Nu zegl hij, dal wij er door gekroond, of omringd zijn, als of hij wilde zeggen dal de overvloedige genade Gods ons van voren en van achteren, van boven en van beneden omgeeft, ja van alle kanten mei ons is, zoodat geene enkele plaats er van onl-blool is. Hij breidt dit nog uil door te zeggen, dal Hij onzen mond verzadigt, door welk beeld hij zinspeelt op de vrijheid, die wij ons veroorloven om méér le elen en le drinken, als wij groolen overvloed van spijs hebben. Want zij, die weinig spijs en drank hebben, durven nauwelijks le elen totdat zij nog maar half verzadigd zijn. Niet alsof hij hel goedkeurt, dal wij mei gulzigheid de gaven Gods verslinden, zooals de menschen, die zich, als zij overvloed hebben, wel gaarne le builen gaan in spijs en drank, maar hij ontleent die spreekwijze aan hel gewone doen der menschen, ten einde er door le leeren, dal alle goed, dal wij kunnen begeeren, door de weldadigheid Gods tol ons komt, ja tot volle verzadiging toe. Zij, die hel Ilebreeuwsche woord edi voor Sieraad nemen, bederven dezen zin door hun verzinsel, en ik sta er over verbaasd hoe zoo iets ongerijmds bij hen is kunnen ,opkomen, behalve in zoover men gewoonlijk zien zal, dal dit altijd overkomt aan menschen, die al le spitsvondig willen zijn, en daarom juist niets dan ijdele droomerijen voor den dag brengen. Daarna voegt hij er bij, dal God hem voortdurend nieuwe kracht geeft, ten einde immer frisch te blijven, evenals de Profeet Jesaja zegl, als hij van de vernieuwing der Kerk spreekt, dal een grijsaard van honderd jaren als een kindeke zal wezen (Jes. 05 : 20). Nu geeft hij hiermede le kennen, dal God hem met een' groolen overvloed van allerlei goed ook innerlijke kracht zal loebedeelen, opdat hij er zoo ruslig van zou kunnen genieten, alsof zijne kracht voortdurend groen en frisch bleef. De vergelijking mei den are7id heelt aan de Joden gelegenheid gegeven om fabelen te verzinnen. Wanl daar zij ook zelfs de beginselen van eenigerlei weienschap niet
Psalm 103 : 5.
441
kennen, zijn zij vermetel genoeg om nergens voor le slaan. Zoodra zij nu iels vinden, dal hun onbekend is, is er j^een verzinsel zoo ongerijmd, dal zij niel voor een orakel Gods uitgeven. Zoo hebben zij voor deze Schriftuurplaats uitgedacht, dat de arenden om de tien jaren naar het element des vuurs heenvliegen ten einde hunne vleugels te verbranden, en dat zij zich dan in zee werpen, waarop hunne vleugels terstond wederom aangroeien. Toch is de eenvoudige beleekenis van deze Schriftuurplaats ontleend aan de natuur van den arend, die door wijsgeeren is beschreven, en door ondervinding gekend wordt. Wanl die vogel blijft tot in zeer hoogen ouderdom altijd krachtig; hij wordt door de jaren niel verzwakt, en is aan geene krankheid onderworpen totdal hij eindelijk sterft van honger. Ongetwijfeld bereikt de arend een zeer hoogen leeftijd, maar ten laatste groeit hel bovenste deel van zijn' snavel zóó ver heen over het benedendeel, dat hij niel meer kan eten, en gedwongen is bloed te zuigen, en zich dus moei voeden mei drank. Vandaar hel spreekwoord: âDe ouderdom van den arendquot;, omdat de menschen, als zij oud worden, verplicht zijn veel te drinken. Dewijl nu echter drank alleen niel volstaan kan om hel leven te onderhouden, sterven zij eerder van honger dan aan verval van krachten. En zoo hebben wij dan de natuurlijke beleekenis van de woorden van den Profeet zonder bijmenging van eenigerlei fabel. Evenals de arenden altijd hunne kracht behouden, zoodal zij zelfs in hun' ouderdom nog jong zijn, zoo worden de godvruchtigen ondersteund door eene verborgene kracht Gods, zoodal hunne krachl onaangetast blijft. En hoewel zij in dit leven niel altijd gezond en krachtig zijn, maar veeleer door voortdurende krankheid zich nauwlijks kunnen voortslepen, zoo kan hetgeen hier gezegd wordt in zekeren zin toch op hen worden toegepast. Hel is voorwaar eene waarheid, die zij alleen ervaren, nl. dat God na hen uit hel graf le hebben doen uilgaan, hen op allerlei wijze weldoet. Indien nu iedereen voor zich zeiven overweegt, hoeveel hij aan God verschuldigd is, zal hij mei volle recht zeggen, dal zijn mond verzadigd is met het goede, gelijk David ook erkent en belijdt, dal hij Gods weldaden niet tellen kan, omdal zij menigvuldiger zijn dan hel zand aan den oever der zee (Psalm 40: 6; Psalm 139: 18). Indien ook onze verkeerdheid ons niet van alle gevoel van dankbaarheid ontblootte, wij zouden erkennen, dat zelfs in lijden van schaarschte God ons nog den onuilputtelijken rijkdom zijner goedheid loont. Wal de krachl betreft, dil moet aldus verstaan worden: daar wij, als onze uitwendige mensch afneemt, tol een beter leven worden vernieuwd,
Psalm 103 : 5-7.
zoo moeien wij er niel verdrietig om zijn, als de krachten ons begeven, aangezien Hij, als wij zwak zijn, ons ondersteunt door zijn' Geest.
6. Jehovah doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt zijn. 7. Hij heeft Mozes zijne wegen bekend gemaakt, den kinderen Israels zijne daden. 8. Barmhartig en genadig is Jehovah, traag tot toorn en overvloedig in goedertierenheid.
6. Jehovah doet gerechtigheid. Nadat David de weldaden Gods vermeld heeft, die hij persoonlijk heelt ervaren, gaan zijne gedachten nu hooger. Evenwel, wanneer hij zegt, dat God de verdrukten te hulp komt, dan rekent hij zich ongetwijfeld lot hun getal, daar ook hij in menigerlei verdrukking en vervolging zijne hulp heeft mogen ondervinden; en door zijne ervaring toont hij nu aan, hoe God pleegt te handelen tegenover hen, die onrechtvaardig verdrukt worden. Omdat de yeloovigen in deze wereld echter altijd als schapen zijn onder de wolven, gebruikt hij het meervoud om het groot aantal der verlossingen te bezingen; opdat wij zouden welen dat het Gods gewone werk is, zijne dienstknechten te hulp te komen, telkenmale als hun onrecht wordt aangedaan. Want hierdoor wordt ons geleerd geduld te hebben, als wij zien, dal God er zich mede belast het onrecht te wreken, dat ons wordt aangedaan, en als wij onrechtvaardig worden aangevallen Hij ons bedekt met het schild zijner gerech-heid, of ons verdedigt met het zwaard van zijn oordeel.
7. Hij heeft Mozes zijne xcegen hekend gemaakt. Thans vertegenwoordigt David in zijn persoon het uitverkoren volk, en dat wel zeer gepast en Ier rechter tijd, nu hij er aan herinnerd wordt door zoo vele weldaden als hij van God had ontvangen; en daar hij er wel van overtuigd was, dat hij om geene andere redenen met zoo vele goederen verrijkt was geworden, dan omdat hij lid was van de Kerk, heeft hij terstond zijne gedachten op het algemeen verbond gericht. Ik erken, dat hij met denzelfden zin voortgaat, omdat zijne wegen, die hij zegt aan Mozes bekend te zijn gemaakt, in niets anders bestonden dan in de verlossing des volks, toldat zij ingingen in hel land, dat hun was beloofd. En hij heeft dit gekozen als een boven alle anderen voortreffelijk
442
Psalm 103 : 7â8.
blijk van j,rereclilijiheid en oordeel, om te bewijzen dal God immer diegenen le hulp komt, die verdrukt worden. Daar dit echter afhing van de belofte, heeft hij ongetwijfeld in de eerste plaats daarop gezien, alsof hij zeide, dat de gerechtigheid Gods duidelijk genoeg getoond was in het uitverkoren volk, dat Hij heeft aangenomen, en waarmede Hij een verbond heeft aangegaan. Nu wordt gezegd, dat Hij zijne wegen eerst bekend gemaakt heelt aan Mozes, die de dienstknecht en boodschapper Gods is geweest, en daarna aan geheel het volk. Want Mozes treedt op in eene hoedanigheid, die hem door God was opgelegd, omdat Hij door middel van Mozes aan het volk bekend gemaakt wilde worden. De Wegen en de Daden Gods bestaan hierin, dat Hij met wondere macht is opgestaan om zijn volk te verlossen, dat Hij heengevoerd heeft door de Roode Zee, en waaraan Hij door vele wonderen en teekenen zijne tegenwoordigheid betuigd heeft. Dewijl dit alles echter voortvloeide uil hel vrije verbond, vermaant David zich zeiven en anderen om Gode dank loe le brengen, dal zij tot zijn bijzonder volk zijn verkoren, en dal Hij hun harl verlicht heeft door de leer zijner Wet; want gelijk er niets ellendiger is dan de mensch zonder kennis van God, zoo is hel een onwaardeerbare schat van volkomen gelukzaligheid, dal God tot ons is nedergekomen met het getuigenis van zijne vaderlijke liefde.
8. Barmhartig en genadig is Jehovah. David schijnt hier te zinspelen op den uitroep van Mozes, dien wij vinden in Exodus .S4:6, waar Gods wezen duidelijker is beschreven dan elders naar de male der openbaring, die daar geschied is. Want toen hel aan Mozes vergund was zijne heerlijkheid meer van nabij te zien, riep hij uil: O God! barmhartig en genadig, goederlieren, traag lot toorn, en overvloedig in goedheid. Dewijl hij daar nu in korie woorden heeft saamgeval alles wal ons nuttig is omtrent Hem te weten, gebruikt David al deze benamingen wijselijk voor de zaak, die hem thans bezig houdt. Want het is zijne bedoeling alleen aan de goedheid Gods loe te schrijven dal het volk, hetwelk door zijne zonde dikwijls van de genade der aanneming was vervallen, evenwel zijn' staal bleef behouden. Wij moeten ook in hel algemeen verslaan dal de ware kennis van God zich altijd moet beroepen op de ervaring des geloofs, omdat Hij niet wil, dat men nieuwsgierig door zoekt te dringen tol zijn verborgen wezen, maar dat wij ons moeten vergenoegen met hetgeen Hij ons van zich zeiven wil openbaren, heigeen wel waardig is opgemerkt te worden. Want wij zien, dat wanneer ei melding
Psalm 103 : 8.
wordt gemaakt van God, het verstand dei' menschen immer neigt tol beuzelaclilige bespiegelingen, en dat zij aan dingen blijven hangen, die hun niet nul zijn, lerwijl zij geen acht slaan op hoedanigheden, die zich aan onze oogen voordoen, cn waarin zijn beeld zich alspiegell. Maar, wal het ook zij. waaraan de menschen hunne aandacht wijden, zij zullen nergens meer nuttigheid in vinden dan in de voortdurende overdenking van de wijsheid, goedheid, gerechtigheid en barmhartigheid van God. Inzondar-heid is de kennis zijner goedertierenheid vvèl geschikt om ons gelool op le bouwen en Gods lol' te doen uitkomen. Daarom verklaart de apostel Paulus dat het onze hoogte en lengte, onze breedte en diepte is om den onuitsprekeiijken rijkdom te kennen der genade, die ons geopenbaard is in Christus (Efeze 3 : 18). Dat is ook de reden waarom David, evenals Mozes, ons in vele bewoordingen de barmhartigheid Gods aanprijst Want ten eersle is er geen erger ondeugd in ons dan deze duivelsche verwaandheid, die er ons toe brengt aan God den lol', die Hem toekomt, te onthouden, maar loch is die ondeugd zóó ingeworteld in ons hart, dat het niet gemakkelijk is hem uit te loeien. Daarom slaat God op, en ten einde dit goddeloos betrouwen van hel vleesch le niet le doen, verheerlijkt Hij zijne barmhartigheid, door welke alleen wij in wezen blijven. En van den anderen kant: lerwijl wij moesten rusten in Gods genade, worden onze gedachten heen en weder geslingerd door vreeze, en er is niets dal moeielijker voor ons is dan le erkennen, dat God ons genadig is. Daarom heeft David naar hel voorbeeld van Mozes, tegenover dien twijfel deze zelfde woorden gebruikt, ten eersle dat God barmhartig, ten tweede, genadig is, ten derde dat Hij zachtmoedig en geduldig de zonden der menschen verdraagt, en eindelijk dat Ilij groot van goedertierenheid is.
9. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden. 10. Hij heeft ons niet gedaan naar onze zonden, en ons niet vergolden naar onze ongerechtigheden. 11. Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedheid groot over degenen, die Hem vreezen. 12. Zoo ver het Oosten is van het Westen, zoo ver doet Hij onze overtredingen van ons.
444
Psalm 103 : 9â10.
445
9. Hij zal niet altoos twisten. Aan de hoedanigheden Gods, die wij boven gezien hehben, onlleenl David de gevolgtrekking, dal God, wanneer wij tegen Hem gezondigd hebben, ons toch genadig zal zijn, omdat Hij immer geneigd is le vergeven. En het was wel noodig dit er bij le voegen, want onze zonden zouden immer de deur toesluiten voor zijne goedheid, indien er geen middel was om Hem te verzoenen. Nu geeft David stilzwijgend le verstaan, dat God de menschen een proces aandoet, len einde hen door een waar besef hunner zonden te veiool-moedigen, maar dat Hij er terstond van alziet, als Hij bespeurt dal zij len ondergebracht en verootmoedigd zijn. Op eene andere wijze zegt Hij in Genesis 6:3: Mijn Geest zal niet meer twisten met den mensch, omdat het nu tijd was hen le veroor-deelen, die van hunne booze daden overtuigd waren geworden. Aan deze plaats nu ontkent David, dal Hij altijd twist, omdat Hij licht bewogen is om hel gebed le verhooren, en gaarne vergeeft, en dus het wreken van zijn recht niet doorzet. Dat is ook de slrekking van het tweede werkwoord, hetwelk overeenkomt met onze wijze van spreken in hel Fransch: Je lui garde, ü me V a gardé, wanneer er sprake is van eene verborgene wraakzucht, welke hij, die het onrecht, dal hem aangedaan is, niet kan vergeven, in zijn hart blijft koesteren, totdat hij de gelegenheid vindl om zijn' tegenstander te schaden. David onlkent nu dat God naar de wijze der menschen wrok blijft koesleren, omdat Hij eigener beweging zich nederbuigt tot verzoening. Men moet echter wel begrijpen, dal dit niet zonder onderscheid voor alle menschen geldt, maar een bijzonder voorrecht is dei-Kerk. Want Mozes verklaart uitdrukkelijk in Deuteronomium 5: 9, dat God een schrikkelijk Wreker is. die de zonden dei-vaderen bezoek! aan de kinderen. Maar David gaal de onge-loovigen, voor wie de eeuwige onverzoenlijke toorn Gods is weggelegd, stilzwijgend voorbij, om ons te leeren, hoe liefelijk en zachtmoedig God zijne kinderen vergeeft. Dit zegt ook God zelf in Jesaja 54 : 8: Ik heb u voor een weinig lijds gekastijd, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen. Daarna bewijst hij door de ervaring en door de daad heigeen hij gezegd heeft, omdat de Israëlieten tot aan die ure niet anders dan door de verwonderlijke lankmoedigheid Gods in wezen zijn gebleven. Het is alsof hij zeide: Laat een iegelijk onzer zijn leven eens nagaan: hoe menigmaal en op hoe velerlei wijze hebben wij God niet tol toorn verwekt! Maar wal meer is, wij gaan daar nog gedurig mede voort; terwijl Hij daarentegen zich niet slechts onthoudt van ons te straffen, maar met groote goeder-
Psalm 103 : 10â12.
tierenlieid lien in wezen houdt, die Hij rechlvaardi^Iijk zou kunnen verderven.
11. JVant zoo hoog de hemel is, enz. Hij gebruikt een beeld om te verklaren, dat God zijne geloovigen niet straft naar dat zij liet verdiend hebben, maar dat Hij door zijne goedertierenheid strijdt tegen hunne verkeerdheid. Nu wil deze wijze van spreken zoo veel zeggen als dat de barmhartigheid Gods jegens ons onmetelijk groot is. Men kan het Hebreeuwsche werkwoord gawar onzijdig of overgankelijk nemen, want de beteekenis is altijd dat de grootte van Gods barmhartigheid vergeleken wordt bij de grootte en ruimte der wereld. Daar Gods barmhartigheid nu echter niet lot ons kan genaken, tenzij het beletsel der zonde weggenomen is, voegt hij er terstond bij, dat God onze zonde zóó ver van ons wegdrijft als het Oosten verwijderd is van het Westen. Waar het nu op neerkomt is, dat de barmhartigheid Gods ver en wijd over de geloovigen is uitgestort, ver en wijd gelijk de wereld, en opdat niets haren loop in den weg sla, zijn hunne zonden vergeven en uitgedelgd. Nu bevestigt hij, wat ik te voren gezegd heb, te weten, dat hij er niet van spreekt hoedanig God zich betoont jegens geheel de wereld, maar hoedanig Hij zich betoont jegens de geloovigen. Hieruit blijkt tevens, dat hij hier niet spreekt van de barmhartigheid, door welke Hij ons met zich in den beginne heeft verzoend, maar van die, welke Hij voortdurend gebruikt jegens hen, die Hij met vaderlijke liefde heeft aangenomen. Want, er is eene soort van barmhartigheid door welke Hij ons van den dood doet overgaan lot het leven, als wij nog van Hem vervreemd zijn, terwijl de andere die is, door welke Hij ons in dien staat onderhoudt. Want deze eerste genade zou terstond verdwijnen, indien Hij haar niet bevestigde door de dageiijksche vergeving onzer zonde. Tevens kunnen wij hieruit leeren, hoe groot de domheid is der Papisten, als zij met hel verzinsel aankomen dat de vrije vergeving der zonde slechts éénmaal geschiedt, en dat daarna de gerechtigheid is verworven, of dal het bezit er van bewaard wordt door de verdienste der werken, en dat alle schuld. die wij op ons laden, weggedaan wordt door boetedoening en goede werken. Nu zien wij hoe David de barmhartigheid Gods niet beperkt tol één oogenblik, maar haar uitstrekt tot aan hel einde onzes levens. Deze Schriftuurplaats weerlegt ook niet minder de dwepers, die zich zeiven en anderen betooveren met hel dwaze denkbeeld eener volmaakte gerechtigheid, zoodal zij geene vergeving van zonde meer noodig hebben.
446
Psalm 103 ; 13â14.
13. Gelijk de vader zich ontfermt over zijne kinderen, zoo ontfermt zich Jehovah over degenen, die Hem vreezen. 14. Want Hij weet waarvan wij gemaakt zijn; Hij is gedachtig geweest, dat wij stof zijn. 15. De dagen des menschen zijn als het gras, gelijk eene bloem des velds, alzoo bloeit hij. 16. Zoodra de wind er ovei--gegaan zal zijn, is zij niet meer, en hare plaats kent haar niet meer.
13. Oeljjk de Vader, Hij verklaart niel slechls door een beeld wal hij reeds gezegd lieefl, maar hij geeft ook de reden aan, waarom God zoo genadiglijk vergeeft, le welen, omdat Hij Vader is. Hieruit volgt, dat het de vrije aanneming is, waardoor God voortdurend onze zonden vergeeft, daarom is hel uil deze fontein, dat wij de hoop op vergeving moeten putten. En daar nu niemand om zijne eigene verdienste is aangenomen, volgt hieruit, dat de zonden om niel en alleen uil vrije genade worden vergeven. Nu weten wij dat God bij aardsche vaders wordt vergeleken, niet omdat Hij is zooals zij zijn, maar omdat zijne onvergelijkelijke liefde jegens ons niet beter uitgedrukt kan worden. Opdat nu de vaderlijke toegevendheid van God niel verkeerd worde in vrijheid tol zondigen, herhaalt David nog eens, dat God aan niemand anders genadig is dan aan hen, die Hem in oprechtheid des harten dienen. Het is voorzeker geen gering blijk van lankmoedigheid, dat God zijne zon laat opgaan over de goeden en de boozen (Mallh. 5 : 45) maar hier is sprake van de vrije toerekening der gerechtigheid, waardoor wij kinderen Gods genoemd worden. Maar deze gerechtigheid word! niel anders aangeboden dan aan hen, die zich gansch en al aan zoo goed en mild een Vader overgeven, en zich met eerbied buigen voor, en onderwerpen aan, zijn Woord. Omdat hel er echter verre van daan is, dat eenige ijver der godsvrucht, hoe ook genaamd, in ons volmaakt is, kunnen wij voor onze zaligheid dus alleen en uitsluitend steunen op de goedheid Gods.
14. Want Hy weet, enz. Hier brengt David alle waardigheid, die de menschen zich zouden kunnen toeschrijven, tot niets, en verklaaart, dat God door niets anders tot lankmoedigheid over ons wordt bewogen, dan door onze ellende, hetgeen wèl opgemerkt moet worden, niet slechts om den hoogmoed van ons
447
Psalm 103 : 14â16.
vleesch neder le werpen, maar ook opdal wij zouden welen dal onze onwaardigheid geen beletsel is voor ons belrouwen. Want hoe ellendiger en smadelijker onze loesland is, hoe meer God geneigd is lol barmharligheid, daar Hij, om ons goed le doen, zich zelfs mei ons slof en asch vergenoegt. Dezellde strekking heefl ook het beeld, dal hij daarna gebruikt, te weten: dat alle schoonheid en voortreffelijkheid des menschen, evenals eene bloem des velds door een' enkelen ademtocht vergaat. Nu is hel wel eene oneigenlijke wijze van spreken om te zeggen dal de mensch bloeit, maar omdat men zou kunnen aanvoeren, dal hij met sommige voortreflelijke gaven versierd is, geefl David, bij wijze van spreken, toe, dat hij bloeit als het gras, liever dan te zeggen, dat hij niets is dan eene schaduw, een damp, een niets, gelijk hij volkomen terecht had kunnen zeggen. Met is waar, terwijl wij in deze wereld leven, zijn wij (om van de de anderen nu eens niet te spreken) en bewegen wij ons in God (Hand. 17 :28); omdat wij echter niets hebben, dal ons niet telken stonde ontnomen kan worden, is dit alles niets dan eene schaduw, eene gedaante, die voorbijgaat. Nu spreekt hij eigenlijk van de kortheid van het leven, hetgeen God in aanmerking neemt als Hij zoo genadig onze zonden vergeeft, gelijk aan eene andere plaajs gezegd is: il|j gedacht dat zij vleesch waren; een ademtocht die voorbijgaat en niet wederkeert (Ps. 78 : 39). Vraagt nu iemand waarom David geene melding maakt van de ziel, die toch het voornaamste deel is van den mensch. en dus verklaart dal wij stof en slijk zijn, zoo antwoord ik, dat dit voor God genoeg is om ons in lankmoedigheid te dragen, als Hij ziet, dal niets brozer is dan ons leven. En hoewel onze ziel, als zij van ons lichaam gescheiden is, blijft voortleven, zoo heeft zij toch geen steun of vastigheid in zich zelve. Zij is geschapen om leven te geven aan het lichaam, maar zij bezit geen enkel vonkje leven dan hetgeen God haar heefl ingeblazen. Indien God nu zijne genade weerhoudt, dan zal de ziel niet minder wind wezen dan het lichaam slof is, en zoo zal er ongetwijfeld in geheel den mensch niets dan ijdelheid worden gevonden.
17. Maar de goedertierenheid van Jehovah is van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen, die Hem vreezen, en zijne gerechtigheid aan kindskinderen. 18. Aan hen, die zijn verbond houden, en die aan zijne bevelen denken, om die te doen.
m
Psalm 103 : 17â18.
449
17. Maar de goedertierenheid. Hij laai den menschen niels anders overig blijven, dan dal zij door Gods barmhartigheid in wezen blijven, omdat zij meer dan dwaas zouden zijn, zoo zij eenigen steun zochten in zich zeiven. En nadat hij nu de menschen aldus van alles onlledigd heelt, voegt hij er deze gepaste vertroosting bij: Hoewel er in hen geene innerlijke kracht is, die niet in rook opgaat, zoo is God toch eene onuitputtelijke bron van leven, die hun in hunne dorheid te hulp komt. Men moet wèl acht geven op deze tegenstelling. Want, wie zijn zij, aan wie hij aldus alle kracht ontzegt? liet zijn de geloovigen, die door den Geest Gods zijn wedergeboren, en Hem met ware godsvrucht dienen, en toch laat hij hun niets dan alleen de goedertierenheid Gods om er hunne hoop op te vestigen. Overigens, omdat de goedheid Gods eeuwig is, zal de zwakheid der geloovigen niet verhinderen, dal. zij ten einde toe, ja zelfs tot in den dood, in de eeuwige zaligheid roemen. Want Uavid stelt voor hunne hoop geen ander tijdsbestek, dan hetwelk hij stelt voor Gods genade, op dewelke zij gegrond is. Na de goedertierenheid stelt hij de Gerechtigheid, dooiquot; welk woord hij, gelijk wij reeds meermalen gezegd hebben, de hulpe Gods verstaat, door welke Hij de zijnen ondersteunt en bewaart. God is dus rechtvaardig, niet omdat Hij een iegelijk loon naar werken geeft, maai omdat Hij getrouwelijk handelt jegens de zijnen en hen beschermt met zijne hand. Nu stelt de Proleet zeer wijselijk de gerechtigheid op een' lageren trap, als zijnde een uitvloeisel van zijne goedheid. Hij zegt ook, dat zij zich uitstrekt tol de kinderen en de kindskinderen, volgens hetgeen gezegd is in Deut. 7:9, dat God barmhartig is tot in duizend geslachten. Nu is het wel een zeer bijzonder bewijs zijner liefde, dal Hij ons niet slechts een voor een in zijne gunst doet deelen, maar dat Hij die gunst en genade zelfs bij wijze van erfrecht doet overgaan op onze nakomelingen, opdat zij in dezelfde aanneming zouden deelen. Want hoe zou hij ons verwerpen. Hij die onze kinderen en kindskinderen onder zijne bescherming neemt, en ons daarmede toont, hoezeer ons heil Hem dierbaar is. Omdat er nu niets méér gewoon is dan dat de geveinsden onder een valsch voorgeven van Gods genade zich zeiven bedriegen, of dal de kinderen van hunne vaders ontaarden en toch op zich loepassen wat aan de vaderen beloofd is, wordt deze uilzondering er opnieuw bijgevoegd, dat God aan niemand anders genadig is dan aan hen, die van hun' kant zijn verbond houden, hetwelk de ongeloovigen door hunne verdorvenheid te niet doen. Het is wèl waardig om opgemerkt te worden, dat het houden van Dl. II. 29
Psalm 103 : 18â19.
het verhond na de vreeze Gods gesteld wordt, want daarmede geeft David te kennen, dat er geene andere wezenlijke dienstknechten Gods zijn dan zij, die eerbiedig gehoorzamen aan zijn Woord. L)e Papisten zijn hier zeer ver van daan, die zich in heiligheid gelijk wanen aan de Engelen, maar toch zijn juk van zich werpen, daar zij, alsol zij wilde dieren waren, zijn heilig Woord onder hunne voeten vertreden. David schal dus volkomen terecht de godsvrucht der menschen hiernaar, dat zij zich onderwerpen aan liet Woord Gods, en den regel volgen, dien Hij hun gesteld heeft. Omdat nu echter het verbond zijn' oorsprong heeft in de genade, wordt voor het wettig houden van hel verbond in de eerste plaats geloof en gebed vereischt. En hetgeen l'ij er bij voegt is niet overtollig: En die aan zijne hevelen denhen om die te doen. Want, hoewel God er ons voortdurend aan indachtig maakt, werden wij toch terstond weder afgeleid door de zorgen dezer wereld; allerlei zaken en bezigheden brengen ons in verwarring, vele verlokselen wiegen onze gedachten in slaap, en zoo zal de vergetelheid het licht der leer uitdooven, tenzij de geloovigen zeer dikwijls wakker geschud worden. Nu zegt David dat dit gedenken kracht heeft, indien de menschen zich oefenen door doen, want velen zijn zeer vlug met de long, terwij! hunne voeten zeer zwaar en langzaam, en hunne handen schier dood zijn.
19. Jehovah heeft zijn' troon bevestigd in de hemelen , en zijn Koninkrijk heerseht over allen. 20. Looft Jehovah, zijne engelen, gij, die machtig zijt in kracht, die zijn woord doet, gehoorzamende de stem zijns Woords. 21. Looft Jehova, alle zijne heir-scharen, gij zijne dienaars, die zijn welbehagen doet. 22. Looft Jehovah, gij alle zijne werken! aan alle plaatsen zijner heerschappij, loof Jehovah, myne ziel.
19. Jehovah heeft zijn troon bevestigd. Nadat dal Profeet de weldaden Gods heeft vermeld, waardoor Hij zoowel een iegelijk onzer in het bijzonder, als de geheele Kerk aan zich verplicht, roemt hij thans zijne groole heerlijkheid in hel algemeen. Waar het nu op neerkomt is, dat telkenmale als er melding gemaakl
450
Psalm 103 : 20--2I.
wordt van God, de inensclien moeien leeren zich le verheffen boven deze wereld, omdul zijne majesteit hoven de hemelen is, dal zij vervolgens moeten leeren om zijne grootheid niel al' te meten naar de wijze der menschen, omdat Hij alle koninkrijken en heerschappijen onder zich heelt. En opdat niemand zou denken, dal slechts aardsche schepselen tol gehoorzaamheid aan God worden geroepen , richl hij zijn woord voornamelijk tol de engelen. En terwijl hij dezen oproept om mede in le stemmen in den lof vau God, zegt hij hiermede tot zichzelven en lol al de godvruch-ligen, dal er niets beter of hegeerenswaardiger is d^n God te loven, daar zelfs de Engelen niels beters hebben om zith in le oefenen of zich mede bezig le houden. En voorzeker zijn de Engelen zóó gewillig om hun' plicht hierin le betrachten, dal zij onze aansporing er voor niet behoeven. En hoe zouden wij ook de stoutmoedigheid hebben eene vermaning tol hen te richten, terwijl onze eigene traagheid zoo groot is? Maar hoewel de Engelen ons snal voorgaan, en wij hen met groote moeite en zeer langzaam volgen, spoort David hen toch om onzentwille aan den lof Gods te zingen, ten einde ons door hun vooibeeld uit onze traagheid op le wekken. Intusschen moeten wij wèl letten op zijne bedoeling, le weten, dal hij zijn woord richl tol de Engelen, opdat wij zouden weten, dat hun eenig doel is God te verheerlijken. Daarom schrijft hij hun van den eenen kant wel kracht loe, maar van den anderen kant voegt hij er onmiddelijk bij, dal zij gansch en al afhankelijk zijn van Gods wil. Gij, zegt hij, die zijn Woord doel, alsof hij wilde zeggen, dal hoe groote kracht zij ook bezitten, er toch niels is, dal hun lot grooter eer verstrekt dan God le gehoorzamen En hij zegt niet slechts dat de Engelen Gods geboden doen, maar ten einde het vaardige hunner gehoorzaamheid beter le doen uitkomen, zegt hij, dal zij immer gereed en bereid zijn le doen wal Hij hun beveelt.
21. Alle zijne heirscharen. Door dit woord duidt hij niel de sleiren aan, gelijk sommigen meenen, maar hij gaat voort met denzelfden zin. Toch is dit geene overtollige herhaling, want met deze heirscharen bedoelt hij de honderden van duizenden, die voor Gods troon slaan en zijne bevelen ontvangen. Hij noemt hen wederom: Dienaars, die zijn welbehagen doen, opdat wij zouden welen, dal zij daar niel slaan om in ledigheid Gods heerlijkheid te aanschouwen, maar, daar zij ons tol dienaren en wachters gegeven zijn, zijn zij immer gereed en bereid om den hun opgelegden last le volvoeren. In plaats van Woord, heelt
ay*
451
Psalm 103 : 21-22.
hij hier Welbehagen, maar beide uitdrukkingen zijn juist, en hebben hunne goede reden. Want hoewel de zon, de maan en de sterren de wet volgen, die haar door God is voorgeschreven, kan men, daar zij geene verstandelijke wezens zijn, niet in eigenlijken zin zeggen, dat zij aan zijn Woord, ol aan zijne slem gehoorzamen. Wel is waar wordt dit woord Gehoorzamen soms ook voor wezens gebruikt, die noch verstand bezitten, noch gevoel, maar het is dan in beeldspraak dal men zegt, dat zij de stemme Gods hooren, als zij door eene verborgene aandrift der natuur aan zijne bevelen gehoorzamen. In eigenlijken zin behoort dit echter aan de Engelen, die niets liever willen dan aan God te gehoorzamen, als zij uit zijn' heiligen mond hooren, wal Hij wil dal zij doen zullen. Daarenboven wordt door dit woord Welbehagen eene meer blijmoedige en bereidvaardige gehoorzaamheid uitgedrukt, alsof hij zeide, dat de Engelen niet slechts Gods geboden gehoorzamen, maar dat zij gaarne en met ingenomenheid zijn' wil vernemen, om zijn welbehagen te kunnen doen, want dil is, gelijk wij aan eene andere plaats gezegd hebben, de innerlijke beteekenis van het Hebreeuwsche woord.
22. Alle zijne werken. Thans richt hij het woord lol alle schepselen, want, hoewel zij slem noch gevoel hebben, moeten zij toch eenigermale den lof Gods doen weerklinken. En dit doel hij om onzenlwil, om ons te leeren, dal er geen plekje of hoekje is in hemel of op aarde, waar God niet geloofd en geprezen wordt. Want wij zijn ie minder te verontschuldigen, wanneer alle werken Gods hun' Werkmeester lovende, ons onze traagheid verwijlen, indien wij len minste hun voorbeeld niet volgen. En hij schijnt uitdrukkelijk Alle plaatsen zijner heerschippij te noemen opdat de geloovigen er zich met des te meer ijver loe zullen begeven. Want, als Gods lof moei gezongen worden, en zelfs die streken waar geene stem wordt gehoord, toch niet stom moeien blijven, hoe zal het ons dan geoorloofd zijn te zwijgen, ons, aan wie God den mond opent, door ons met zijne heilige slem te voorkomen? Ten slotte toont David aan met welk doel hij de weldaden Gods heeft vermeld en zijne heerschappij heeft verheerlijkt, nl. ten einde zich zeiven hierdoor op te wekken om Hem te loven.
452
Psalm 104 : 1.
PSALM 104.
INHOUD: Deze Psalm verschilt van den vorigen daarin, dat dat hij noch over de bijzondere weldaden Gods spreekt jegens zijne Kerk, noch ons opheft tot de hope des hemelschen levens; maar ons eene levende voorstelling geeft van de wijsheid, macht en goedheid Gods in de schepping der wereld en in de orde der natuur, terwijl hij ons opwekt Hem te loven, omdat Hij zich in dit leven als onze Vader jegens ons betoont.
1. Loof Jehovah mijne ziel! o Jehovah, mijn God, Gij zijt grootelijks verheerlijkt; Gij hebt U bekleed met lof en eer. 2. Hij bekleedt zich met licht als met een gewaad, Hij spreidt de hemelen uit als eene gordijn. 3. Hij zoldert zijne opperzalen in de wateren, Hij maakt van de wolken zijn' wagen, Hij wandelt op de vleugelen des winds. 4. Hij maakt de winden tot zijne boden, en van het brandende vuur zijne dienaren.
1. Loof Jehovah, mijne ziel. Na zich zei ven vermaand te hebben om God le loven, voegt hij er bij, dat hier ruime slof voor is, terwijl hij zijdelings zich zeiven en anderen veroordeelt wegens ondankbaarheid, indien de lof Gods, die méér dan iets anders gekend moest wezen, in stilzwijgen wordt begraven. En terwijl hij het licht, waarmede hij zegl, dal God bedekt is, vergelijkt bij een gewaad, geelt hij te kennen, dat, hoewel God onzichtbaar is, zijne heerlijkheid echter genoegzaam openbaar is. Als er sprake is van zijn wezen, dan gewis, bewoont Hij een onloegankelijk licht, maar als Hij geheel de wereld verlicht door zijn' glans, dan is dit hel gewaad, door hetwelk Hij, die in zich zeiven verborgen was, zich eenigszins zichtbaar voor ons maakt. En het is bij uilnemendheid nuttig voor ons om dit te weten. Want indien de menschen trachten op te klimmen tot de hoogte van God, en zich verheffen lol boven de wolken,
453
Psalm 104 : 1-3.
zullen zij toch reeds te midden van luin' loop moeten falen; en diegenen moeten voorzeker wel dwaas genoemd worden, die lot God in zijne naakte majesteit willen doordringen. Opdat wij dus van zijne tegenwoordiglieid zullen kunnen genieten, zal Hij tol ons moeten komen bekleed met zijn gewaad, dal wil zeggen, dal wij dan onze oogen moeten richten op hel voortreffelijk gebouw dezer wereld, waarin Mij door ons gezien wil worden, opdat wij niet al te onbescheiden lol zijn verborgen wezen zullen willen doordringen. Kn daar God zich nu aan ons voorstelt bekleed zijnde met licht, kunnen zij, die uitvluchten zoeken om maar niet lol zijne kennis te komen, niet als verontschuldiging inbrengen voor hunne traagheid, dat Hij zich in diepe duisternis verbergt. Nu zegt hij niet, dat de hemel eene gordijn is, onder welke God zich verborgen houdt, maar dal Hij hel gebruikt als een sieraad voor zijne majesteit, alsof hij zeide, dat hel eene koninklijke tent, ol'paviljoen is.
3. Hij zoldert. David spreekt nu uitvoeriger over hetgeen hij in korte woorden en in beeldspraak gezegd had van het gewaad Gods. Waar het op neerkomt is, dal de mensch niet tol de hemelen behoeft door te dringen, om God te zoeken, aangezien Hij ons reeds ontmoet in do wereld, en overal levende en treffende beelden voor onze oogen stelt. Opdat wij ons nu in Hem niets voorstellen, dal Hij van elders ontleend heelt, alsof er, nadat Hij de wereld had geschapen, iels aan Hem was toegevoegd, moeten wij begrijpen, dat Hij om onzent wille zich met dat gewaad bekleedt. Nu schijnt deze beeldspraak: Hij zoldert zijne opperzalen in de wateren wel eenigszins vreemd, maar de Profeet wilde ons nog meer opwekken tol bewondering juist door dal de zaak onbegrijpelijk voor ons is. Wanl indien de balken niet hecht en sterk zijn, zullen zij ook het kleinste gebouw niet kunnen dragen. Wanneer God dus zijn hemelsch paleis op de wateren fondeert, wie zal dan niet verbaasd wezen bij zoo ongelooflijk een wonder? Nu zijn van wege onze slompzinnigheid, zulke hyperbolische zegswijzen gansch niet overtollig, want nauwelijks zullen dezen zells in staat zijn ons op te wekken uil onze ver-dooving, zoodal wij lol een weinigje kennis geraken. De be-teekenis der uitdrukking Wandelen op de vleugelen des toinds, zal duidelijker gezien worden in het volgende vers, waar hij zegt, dat de winden de boden Gods zijn. Zie hier dan hoe God rijdt op de wolken en gedragen wordt op de vleugelen des winds, le welen, omdat Hij winden en wolken ginds en herwaarts henen zendt al naar het Hem behaagt, en door ze naar zijn welgevallen
454
Psalm 104 : 3-4.
snel heen en weder te doen gaan, geeft Hij hiermede de teekenen zijner tegenwoordigheid. Nu geeft hij ons door deze woorden te verstaan dat de winden zich niet verheffen en de bliksemen niet uitgaan als bij toeval, maar dat God door zijne macht en heerschappij alle bewegingen en beroeringen in de lucht regelt en leidt. En van deze leer hebben wij eene tweeledige vrucht. Want, als wij soms zien, hoe schadelijke winden zich verheffen, hoe de Zuidenwind de lucht verpest, de Noordenwind het koren doet verdorren, boe hij niet slechts boomen ontwortelt, maar ook huizen omver werpt, hoe de andere winden de vruchten der aarde vernielen, dan moeien wij sidderen onder deze geesels Gods. Maar van den anderen kant, als God door een' zachten wind de overmatige zonnehitte tempert, als de Noordenwind de verpeste lucht zuivert, en de Zuidenwind de uitgedroogde aarde bevochtigt, dan moeten wij hierin zijne goedheid besciiouwen. Omdat de Apostel echter in den Brief aan de Hebreën deze Schriftuurplaats aanhaalt en baar toepast op de Engelen (llebr. 1 :7) hebben beide de Grieksche en de Latijnsche Schriftverklaarders eenstemmig de meening geopperd, dat David hier allegorisch heeft gesproken. En dewijl evenzoo Paulus uit het 5de vers van Psalm 19 op de apostelen schijnt toe te passen hetgeen aldaar van de hemelen gezegd is, is deze geheele Psalm op dwaze wijze tot eene allegorie verwrongen. Nu is de bedoeling van den Apostel te dezer plaatse niet geweest om eenvoudig te verklaren wat de Profeet daar heeft willen zeggen; maar omdat God ons zichtbaar, als ineen' spiegel is voorgesteld, heeft de Apostel te recht de overeenkomst in het licht gesteld tusschen de gehoorzaamheid, die de winden openlijk en merkbaar aan God bewijzen, en de gehoorzaamheid die Hij van de Engelen ontvangt. Hetgeen hij zeggen wil ⢠komt dus hierop neer, dal, evenals God de winden gebruikt als zijne boden, ze heen en weer doet gaan, ze, ai naar hel Hem behaagt, stilt of in beroering brengt, ten einde door hun' dienst zijne macht Ie openbaien, evenzoo de Engelen geschapen zijn om de bevelen Gods uit te voeren. En voorzeker trekken wij al heel weinig nuttigheid uit de beschouwing der natuur, als wij niet met de oogen des geloofs de hemelsche heerlijkheid zien, waarvan ons hel beeld geloond wordt in deze wereld.
5. Hij heeft de aarde gegrond op hare grondvesten, zoodat zij nimmermeer bewogen zal worden. 6. Hij heeft haar met een afgrond bedekt als met een kleed;
455
Psalm 104 : 5.
de wateren zullen staan boven de bergen. 7. Van uw schelden zullen zij vlieden; op de stem uws donders zullen zij zich snel hennen spoeden. 8. De bergen zullen zich verheffen, en de valleien zullen nederdalen naar de plaats, die Gij voor haar vastgesteld hebt. 9. Gij hebt eene grens gesteld, die zij niet zullen overschrijden; zij zullen niet wederkeeren om de aarde te bedekken.
5. Hij heeft de aarde gegrond. Hier verheft de Profeet de heerlijkheid Gods en de vastheid en onwankelbaarheid der aarde. Want hoe hehoudt zij hare plaats, daar zij als het ware opgehangen is in de lucht, en slechts de wateren tot steunselen heeft? Ik erken wel, dat hier eene reden voor is, want daar de aarde, wijl zij hel middenpunt is der wereld, de laagste plaats inneemt, blijft zij natuurlijker wijze daar in hare plaats. Maar in dit kunststuk zelf schittert eene bewonderenswaardige macht van God. En wederom: Indien de wateren de bovenhand hebben over de aarde, omdat zij lichter zijn, hoe komt hel dat zij niet de geheele aarde van rondom bedekken? De wijs-geeren kunnen hier gewis niets anders antwoorden, dan dat de orde der natuur geregeld werd door Gods voorzienigheid, opdat er eene plaats ter woning zij voor de menschen. Want, als zij niet erkennen dat de wateren door den bestemden raad Gods teruggehouden en bedwongen worden, dan openbaren zij hier niet slechts hunne goddeloosheid en ondankbaarheid door, maar ook hunne onwetendheid, zoodat zij zich dan alsblootebarbaren doen kennen. Met is dus niet zonder reden, dat de Profeet onder de wonderen Gods ook dalgene vermeldt, wat ons gansch en al ongelooflijk moest toeschijnen, indien de ervaring ons niet leerde dat het waar is. En zeer snood en laag zouden wij zijn, indien wij, hoewel de ervaring het ons duidelijk loont, toch niet leeren, dat er voor geenerlei zaak vastigheid is in de wereld, dan wanneer zij door de hand Gods worden ondersteund. Want de wereld heeft haren oorsprong niet in zich zelve, zoodal de geheele orde der natuur van niets anders afhangt dan van de regeling Gods, door welke ieder der elementen zijne bijzondere eigenschappen heeft. En de Profeet vermaant ons niet slechts Gode dank toe te brengen, maar versterkt en bevestigt ons ook voor de toekomst, opdat wij niet in vreeze en bezorgdheid in
456
Psalm 104 : 5â6.
deze wereld zouden leven, gelijk dit noodzakelijk zoo zou moeten wezen, indien God niet betuigd had, dat Hij aan de menschen eene woning op de aarde had gegeven. Het is eene bijzondere weldaad, die Hij ons bewijst, als het Hem behaagt, dat wij op de aarde wonen, zonder door iets verschrikt of verbaasd te worden, omdat Hij haar op eeuwigdurende pilaren gevestigd heeft. En hoewel hel nu dikwijls gebeurt, dat steden door eene aardbeving worden verwoest, zoo blijft toch de geheele massa der aarde bestaan, ja meer: welke bewegingen en schuddingen er ook komen, zij bevestigen ons slechts te meer in de overtuiging, dat de aarde ieder oogenblik verzwolgen zou kunnen worden, indien zij niet door een onzichtbare kracht Gods gesteund en in wezen gehouden werd.
6. Hij heeft haar met den afgrond ledekt. Dit kan op tweeërlei wijze verstaan worden, óf dat de zee thans de aarde bedekt als met een kleed, of dat in den beginne, vóórdat God door zijn woord de wateren, tot een' hoop had verzameld, de aarde door den afgrond was bedekt. Het schijnt echter meer met de woorden van den Profeet overeen te komen, dat de zee thans de bedekking is der aarde, want bij de eerste schepping was de afgrond eerder een graf dan een gewaad, omdat er zeker niets is dat minder op een sieraad gelijkt dan die wilde woestenij en die vormlooze chaos. Omdat het verband van den tekst naar elders schijnt te wijzen neigen de uitleggers meer naar deze verklaring, dat de aarde door den afgrond was bedekt vóórdat de wateren er van afgezonderd waren. Maar deze moeielijkheid is gemakkelijk uit den weg te ruimen, als wij den toekomenden tijd willen veranderen in een' voorwaardelijken tijd, hetgeen in het ilebreeuwsch dikwijls genoeg voorkomt. En ik twijfel ook niet, of de Profeet, na gezegd te hebben, dat de aarde met de wateren bekleed is, er bij wijze van verklaring bijvoegt, dat de wateren boven de bergen zouden blijven staan, indien zij op uw (d. i. Gods) schelden niet heenvloden. Want, van waar is het dut de bergen hoog verheven zijn, en de valleien diep nederdalen, indien niet dat er grenzen gesteld zijn aan de wateren, opdat zij niet wederkeeren om de aarde te overstroomen. Wij zien nu dat de tekst zeer goed vloeit, in dier voege, dat de zee, hoewel zij een afgrond is, die schrik inboezemt door hare grootte, evenwel als een schoon gewaad is voor de aarde. De reden van de overdrachtelijke zegswijs is, dat de oppervlakte der aarde ongedekt is. Nu zegt de Profeet, dat dit niet maar bij geval is, want indien de voorzienigheid Gods dc wateren niet in bedwang hield,
457
Psalm 104 : 6â9.
zouden zij zich dan niet terstond overal heen verspreiden en de aarde overslroomen? Welk verschil zou er zijn tusschen de bergen en de valleien? De Profeet zegt dus niet zonder reden, dal het blijkbaar door een wonder is en niet door de natuur, dat er eene oppervlakte der aarde is. Want, indien God den vrijen teugel liet aan de zee, dan zouden de wateren in een oogwenk boven de bergen slaan; maar dewijl zij op het schelden Gods henenvlieden, vergaderen zij zich aan eene andere plaats. Nu noemt hij Het schelden Gods en de stemme des donders het ontzagwekkend gebod, door hetwelk God de geweldige onstuimigheid der zee in toom houdt, liet is waar: door slechts te willen heeft Hij dit onderscheid gesteld, en houdt Hij hel thans nog in wezen, indien wij echter zien met welk eene onsluimigheid de zee kookt en bruist, als zij door storm beroerd wordt, dan is het niet zonder reden, dat de Profeet verklaart, dat zij door hel machtig gebod Gods wordt gestild, gelijk ook God in .leremia 5 : ^ en in Job 28 ; quot;25 zijne macht te dezen opzichte grootelijks roemt. Als hij zegt, dal de her (jen zich verheffen, en de valleien nederdalen, dan zijn dit dichterlijke beelden, alsof hij zeide: Indien God den algrond niet binnen zijne perken hield, dan zou er geen onderscheid meer zijn tusschen de bergen en de dalen, omdat hij de gansche aarde zou verzwelgen. Nu strekt deze afwisseling van berg en dal de aarde tol sieraad. Hij zegt dal voor de valleien eene plaats vastgesteld is, omdat er aan den voet der bergen geene vastigheid is, maar dat de afgrond er de overhand zou hebben, indien God niet gebood dal aldaar, schier legen de natuur in â eenige holligheden zijn zouden.
9. Gij helt eene grens gesteld. Hij verhoogt hel wonder, waarvan hij gesproken heeft, door op de onwankelbaarheid dezer orde te wijzen. De natuurkundigen zijn gedwongen te erkennen â en zelfs is dit een hunner voornaamste stelregels â dat hel water rond is, en daar het de plaats inneemt tusschen de lucht en de aarde, is hei door de voorzienigheid Gods, dat er nog droge plekken op aarde zijn, geschikt tol woonplaats der menschen. De zeevaarders kunnen dil zeer duidelijk bemerken, ja wal meer is, zelfs de onwetendste menschen der wereld kunnen bergen van water zien in de zee, die zich hoog boven de aarde verheffen. En er zijn voorzeker ook geene ophoogingen van aarde en geene ijzeren afsluitingen, die zoo veel vastigheid zouden kunnen veroorzaken in het water, dal uil zijn' aard vloeibaar is. En wat ik een weinig te voren gezegd heb van de aarde, nl. dat hare bewegingen en beroeringen wel in sommige plaatsen
458
Psalm 104 : 9â10.
pToole schade kunnen veroorzaken, maar liaar loch in haar geheel onbewogen en onaangetast laten, moet men ook alzoo verslaan van de zee, als zij op sommige plaatsen hare perken le buiten gaal, wanl ook voor haar blijft de orde, die haar gesteld is, onaangetast, opdat zij, die op de aarde zijn, eene plaats ter woning kunnen hebben. In onzen tijd beeft de zee in Holland eene groote landstreek overstroomd, en groote schade toegebracht aan de Viamingers en andere naburige volken; maar deze plaatselijke overstroomingen geven ons le verstaan wal hel zijn zou, indien de slagboom, dien God aan de wateren gesteld heeft, eens weggenoman werd. Want, hoe koml hel, dal wij niel door de golven verslonden werden, indien niet daarom, dal God dit woeste element door zijn woord in bedvvaner boudl Kortom, hoewel de wateren naar hunne natuur de aarde zouden kunnen bedekken, zal dil toch niel geschieden, omdat, evenals de waarheid eeuwig is, ook de orde, die God erdoor zijn Woord aan gesleld heeft, zal blijven beslaan.
10. Hij doet de fonteinen vloeien door de dalen, die tusschen de bergen heengaan. 11. Alle wilde dieren zullen er uit drinken, de wilde ezels zullen hun' dorst lesschen. 12. De vogelen des hemels zullen bij hen wonen en zullen hunne stem tusschen de takken doen weerklinken. 13. Hij drenkt de bergen uit zijne opperzalen , de aarde zal verzadigd zijn van de vrucht uwer werken. 14. Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot den dienst des menschen, om brood uit de aarde te doen voortkomen. 15. En den wijn, die het hart des menschen verheugt, en de olie om zijn aangezicht te doen blinken, en het brood, dat het hart des menschen sterkt.
10. Hij doet de fonteinen vloeien. Hij schelst bier een ander voorbeeld zoowel van de kracht, als van de genade Gods, le weten, dal Hij bronnen doel ontspringen op de bergen, die bun loop nemen door de valleien. Want hoewel de aarde noodzakelijk dioog moei wezen om er ons op te doen wonen, zouden toch alle levende schepselen moeien omkomen, indien wij geen water
459
Psalm 104 : 11â13.
460
hadden om te drinken, en de aarde hare aderen niet opende. De Profeet looft dus dit evenwicht, zoodat de aarde, hoewel zij droog is, ons toch met hare vochtigheid drenkt. Het Hebreeuwsche woord nechalim, dat de Profeel gebruikt, vertalen sommigen door Pergstroomen, of Rivieren, maar onze overzetting is hier juister. In dienzelfden zin wordt er ook onmiddelijk bijgevoegd, dal zij tusschen de hergen vloeien, hoewel het nauwelijks te ge-looven is, dat fonteinen uit rotsen en steenachtige plaatsen ontspringen. Maar nu vraagt men hier, waarom de Profeet zegt, dat de heesten des velds hun dorst lesschen, en waarom hij niet veeleer spreekt van de menschen ter wier behoeve de wereld geschapen is. Ik twijfel niet, of de Profeet heeft aldus gesproken om Gods genade nog meer te doen uitkomen, omdat Hij zich verwaardigt zijne genade uit te strekken tot zelfs over het rede-looze vee, en zelfs tot de wilde ezels, onder welke benaming hij alle wilde dieren begrijpt. En de Profeet spreekt voorbedachtelijk van woeste plaatsen, opdat een iegelijk onzer vervolgens de liefelijkste en schoonst bebouwde deelen der aarde daarmede zal vergelijken. Want zelfs door schrikkelijke woestijnen stroomen nog rivieren, en ook daar genielen de wilde dieren van eenige weldaden Gods, en er is geene landstreek zoo dor of onvruchtbaar, of er zullen hier en daar nog eenige boomen worden aangetroffen, van welke het gezang der vogelen weerklinkt. Aangezien dus ook in deze woestenijen teekenen gezien worden van Gods goedheid en macht, hoe bewonderenswaardig is dan niet die groote overvloed van alle goed, die in liefelijke, welbebouwde landstreken wordt aangetroffen. Voorzeker! waar wij zien dat er niet slechts eene enkele rivier stroomt, en het gras niet slechts groeit om weide te geven aan de wilde dieren, of de stem der vogelen niet slechts van een gering aantal boomen wordt gehoord, maar een overvloed van alle goederen in zoo groote verscheidenheid zich aan onze oogen voordoet, is onze stompzinnigheid meer dan dierlijk, als dit ons niet stemt tot eene heilige overdenking van Gods heerlijkheid. Hij vervolgt den zelfden zin, als hij zegt: Dat God dc hergen drenkt uit zijne opperzalen Want het is geen klein wonder, dal de bergen, die veroordeeld schijnen om allijd dor en droog te blijven, en in zekeren zin als in de lucht hangen, toch overvloedige weiden hebben. Daarom komt de Profeel dan ook tol de juiste gevolgtrekking, dal deze vruchtbaarheid door niets anders wordt veroorzaakt, dan doordat God er de verborgen Werkmeester van is. Wel is waar, is het in oneigenlijken zin, dat hij Gode arbeid toeschrijft, maar dit geschiedt niet zonder reden; want als God
Psalm 104 : 14â15.
van uil de plaats zijner ruste de aarde zegent, werkt Hij met grooter kracht, dan wanneer alle de menschen op aarde hun leven verteerden in voortdurenden arbeid.
14. Hij doet het gras uitspruiten. Thans zal hij spreken van de menschen, aan wie God de eer doet, dat Hij eenebijzondere zorge over hen heelt als over zijne kinderen Na dus van het redelooze vee te liebben gesproken, zegt hij, dat het gras wordt voortgebracht, en daarvan het brood lot voedsel der menschen, en dat niet slechts, maar dal de olie, en ook de wijn er aan toegevoegd zijn, welke twee zaken niet slechts tol de noodwendigheden des levens behooren, maar ook strekken om aangenaamheid en vreugde te geven. Sommigen nemen het Hebreeuwsche woord langawodas, dat wij vertaald hebben door Tot den dienst, voor de moeite, die de menschen zich geven om de aarde te bewerken. Want terwijl het gras op de bergen van zelf uitspruit, zonder eenigen arbeid van den mensch, is hel bekend, dat de korensoorlen en kruiden, die men zaait, den arbeid en het zweet der menschen vereischen. Volgens hen zal de zin dus wezen, dal God den arbeid zegent, die de menschen aanwenden om de akkers te beploegen Omdat deze vernuftigheid echter wel wat ver gezocht is, is hel beter dat wij dit woord nemen voor Dienst, in den gewonen zin, dien men er aan hecht. Wat betreft hel woord Brood, indien men dit in engen zin wil opvallen, heb ik daar niet tegen, hoewel er waarschijnlijk alle andere spijzen in begrepen zijn; maar de meening van hen, die er hel brood buitensluiten behaagt mij niet. En de reden, die zij er voor aanvoeren is ook te zwak, te welen; dat een weinig later een ander gebruik van het brood er bijgevoegd is, als er gezegd wordt, dal het hel hart des menschen versterkt, wanl aldaar wordt eene zelfde zaak op verschillende manieren uitgedrukt. De bedoeling van den Proleet is, dal God hel kruid voortbrengt, waarmede de menschen zich voeden, niet alleen omdat de aarde hun levensonderhoud oplevert in koren, maar ook in andere kruiden en vruchten, want wij worden niet maar door eene enkele soort van spijze gevoed.
15. Den wijn, die het hart verheugt. Door deze woorden geeft de Profeet te kennen, dal God niet slechts voorziet in hetgeen noodzakelijk is voor den mensch, en hun genoeg geeft voor het gewone gebruik van dit leven, maar dal Hij in zijne goedertierenheid hen nog milder bedeelt, als Hij hun hart verheugt met wijn en olie; want gewis! de natuur zou zich vergenoegen
46!
Psalm 104 : 15.
462
met slechts water te drinken. Hieruit volgl dat de wijn eene toegift is van Gods milddadigheid. Hetgeen hier gezegd wordt omtrent hel blinken des aanyezichts door olie wordt verscliillend uitgelegd. Want, omdat droefheid het gelaat vei duistert, verstaan sommigen het zoo, dat het blinkt van blijdschap, als de menschen hel genot hebben van wijn en olie. Sommigen leggen hel met meer spitsvondigheid uil met betrekking tol lampen, maar zonder eenigen wezenlijken grond. Anderen nemen deze letter Mem als vergelijking, alsof er gezegd was, dat de wijn hel aangezicht der menschen meer doel blinken, dan wanneer hel met olie gezalfd ware. Wal mij betreft, ik twijfel niel of de Profeet spreekt Jiier van reukwerk; want, ziehier wat hij wil zeggen: God geeft niel slechts aan de menschen heigeen volstaat voor een matig gebruik, maar Hij doel meer, daar Ilij hun zelfs weelde schenkt. Kn het eerste lid, waar gezegd is, dat het brood het hart des menschen v er sterkt, versta ik in dier voege; Hel is waar, dal hel voor den mensch genoeg zou zijn brood te hebben om zijn leven te onderhouden, maar God geeft hem nog daarenboven wijn en olie. De herhaling van het gebruik des broods is dus niet overtollig, maar dient om ons de genade Gods aan te prijzen, daar Mij de menschcn leedeiquot; en overvloedig voedt en verzorgt, zooals een zeer goedhartig vader zijne kinderen voedt en verzorgt. Hij zegt dus: dewijl God zich reeds een liefdevol voedstervader betoont als Hij ons brood geeft, zoo is Mij dubbel, ja driedubbel meer weldadig door ons weelde en overvloed te schenken. Er is echter niets, waartoe wij meer geneigd zijn, dan om van de zegeningen Gods misbruik te maken lol overdadigheid, en daarom, hoe milddadiger God is jegens de menschen, hoe meer zij er zich voor behooren te wachten om door hunne onmatigheid den overvloed te verontreinigen, die hun geschonken is. Daarom is het niet zonder ooi zaak dal Paulus in Rom. 13 ; 14 verbiedt het vleesch te verzorgen lol begeerlijkheden; want er zou geene grens zijn, zoo wij aan het vleesch gaven al wat hel begeert. En gewis! evenals God ons liefderijk alle dingen schenkt, evenzoo heeft Hij ons ook de wet der matigheid gesteld, opdat een iegelijk zich gewillig en uit eigene beweging in zijn' overvloed zal beperken. Hij zendt ossen en ezels naar de weide; die als zij verzadigd zijn, tevieden zijn; wanneer Hij ons nu meer geeft dan wij noodig hebben, slelt Hij ons zekere perken in de genieting er van, opdal wij zijne gaven niet in overdaad als het ware verslinden, en door ons zijne goederen in giooien overvloed te schenken, slelt Hij onze matigheid op de proef. Nu is dit de wettige manier van ze le gebruiken, dat spijs en drank ons
Psalm 104- ; 15.
403
slerken, maar niel drukken. Ook is de onderlinge mededeeling er van, die God ons gebiedt, een zeer goede teugel voor onze onmatigheid; want de rijken hebben overvloed van goed op voorwaarde, dal zij in de behoeften hunner arme broederen voorzien. En voorzeker, dewijl de Profeet hier de gulzigheid der menschen niel noeml in vereeniging mei Gods voorzienigheid, kunnen wij uil deze woorden alleiden dal hel den mensch geoorloofd is wijn te gebruiken, niel slechts tot noodzakelijke doeleinden, maai- ook lol verheuging. Maar deze vroolijkheid moet binnen de perken blijven dei' soberheid, ten eerste, opdat de menschen zich niet vergeten, hunne zinnen niel bedwelmen en hunne krachl niel verzwakken, maai' zicli verblijden voor het aangezicht Gods (Levitus 23 : 40), zooals .Mozes hun gebiedt dal zij zich zullen verheugen mei dankzegging, zoodal zij dan vaardiger zijn om God te dienen. Hij, die zich op deze wijze verheugt, zal ook immer bereid zijn droefheid te verduren, wanneer hel God behaagt hem droefheid te zenden. Want men moei dezen regel van Paulus wèl in gedachten houden: Ik weel beide overvloed le hebben en gebrek te lijden (Filippensen 4 : i'2). Want als er een teeken bespeurd wordt van Gods toorn, dan zal zelfs hij, die zich baadt in overvloed van uitgezochte spijzen, zich beperken in zijn dagelijksch voedsel, omdat hij begrijpt dal hij tol zak en asch wordt geroepen. Nog veel meer zal hy dus soberheid en matigheid betrachten, aan wien door armoede toch reeds alle weelde ontzegd is. Eindelijk, indien de een door krankheid genoodzaakt wordt zich van wijn te onthouden, en een ander zich met verschaalden wijn moei behelpen, en een derde niets heeft dan water, zoo zij een iegelijk tevreden in zijn staat en toestand, en ontbere dan gewillig en blijmoedig die vreugde en vroolijkheid die God hem ontzegd heeft. Hetzelfde geldt ook voor de olie. Wij zien, dal reukwerk zeer algemeen gebruikt werd bij de Joden, evenals ook bij andere Oosterlingen. Heden is er, wal ons betreft, nog eene andere reden, omdat wij onze zalven veeleer als geneesmiddel dan als genotmiddel gebruiken. Evenwel, de Profeet zegt, dal de olie ook aan de menschen gegeven is om er zich mede le zalven. Omdat de menschen echter maar al le zeer geneigd zijn tot weelde en genot, moei men opmerken, dat de wel der matigheid niet algescheiden behoort le worden van Gods goedheid, opdat de vrijheid niet ontaarde in de uitspatting der weelderigheid. En deze uitzondering moet er altijd bijgevoegd worden, opdat niemand zich door deze leer al te groote vrijheid vai oorlove. Overigens, als de menschen behoorlijk vermaand zijn om hunne begeerlijkheden en lusten in
Psalm 104 : 15â16.
te toornen, dan zal hel hun nuttig zijn te weten, dal God ons veroorlooft om met matigheid ook van weelde te genieten, als zij het kunnen bijbrengen, want anders zullen zij niet eens brood en wijn in vrede der conscienlie durven gebruiken, ja ten leste zullen zij er een gewetensbezwaar van maken om water te drinken, of' ten minste zullen zij niet anders dan bevende aan tafel gaan. Inlusschen zullen de meesten echter zich overmatig aan weelde en genot overgeven, omdat zij niet zien op hetgeen God hun veroorlooft Ie gebruiken, want Gods vaderlijke liefde moet ons de beste leermeesteresse wezen om ons soberheid en matigheid te leeren.
16. De boomen van Jehovah zullen verzadigd worden, en de cederboomen van Libanon, die Hij geplant heeft. 17. Opdat de vogelen aldaar hunne nesten maken; de ooievaar heeft zijn huis in de denneboomen. 18. De hooge bergen zijn voor de damherten, en de rotsen tot schuilplaats der konijnen.
16. De boomen van Jehovah. Wederom handelt hij over de algemeene voorzienigheid Gods, zichtbaar in het onderhoud van alle dealen der wereld. En in de eerste plaats zegt hij, dat de boomen verzadigd zijn door de bewatering, waarvan hij te voren had gesproken, opdat zij den vogelen tot verblijfplaats zouden strekken. Daarna zegt hij, dal er ook eene schuilplaats is voor de wilde damherten en de konijnen, opdat hel blijke, dal er geene plaats in de wereld is, die door onzen zoo liefderijken Vader wordt veronachtzaamd, en er geen schepsel is, waarvoor Hij niel zorgt. Hij gaat dus van de menschen lot de boomen; alsof hij zeide, dal hel geen wonder is dal God de menschen zoo mildelijk voedt en onderhoudt, die naar zijn evenbeeld zijn geschapen, aangezien hel Hem niel verdriet zijne zorgen zelfs over de boomen uil te strekken. Hij noemt hief De boomen van Jehovah, die, welke de hoogste zijn en uitmunten in schoonheid, omdat de zegen Gods in dezen duidelijker zichtbaar is, en omdat hel zou schijnen; dat er geene sappen zijn op aarde, die tol zulk eene hoogte kunnen opgevoerd worden, in aanmerking genomen, dat de boomen jaarlijks hunne bladeren vernieuwen.
464
Psalm 1(M : 19â20.
19. Hij heeft de maan gemaakt om de jaargetijden te onderscheiden; de zon kent haren ondergang. 20. Gij brengt de duisternis, en het is nacht, gedurende welken alle dieren des wouds voortkruipen. 21. De leeuwen brullen naar hunne prooi, en om aan God hunne spijze te vragen. 22. De zon gaat op, en zij verzamelen zich en liggen neder in hunne holen. 23. De mensch zal uitgaan tot zijn werk, en naar zgn' arbeid tot aan den avond.
19. Hij heeft de maan gemaakt. Thans gaat hij over lol een' anderen lol' van Gods voorzienigheid, le welen dat God den loop van zon en maan zoodanig heeft geregeld, dat hare beurtelingsche opvolging volkomen past (voor hare verschillende werkingen). Want het is er zóó ver van daan dal deze afwisseling storing brengt in de orde der natuur, dat men zeer gemakkelijk zien kan, dat de tijden niet beier van elkander onderscheiden zouden kunnen worden. Als hij zegt, dat de maan geschapen is om de jaargetijden aan te duiden, komen de uilleggers met elkander overeen, dal dit verstaan moei worden van de gewone en te voren vastgestelde dagen Want, daar de Hebreen gewoon zijn hunne maanden te rekenen naar de Maan, dient zij hun tot aanwijzing hunnei leesldagen, zoowel voor de godsdienstige als de burgelij ke bijeenkomsten. Ik twijfel echter niet, of wij hebben hier eene synecdoche; alsof de Profeet zeide, dal de Maan niet slechts de dagen onderscheidt van di nachten, maar ook de leesldagen aanwijst, dal zij de maanden en de jaren aanduidt, en bijgevolg zich lol verschillend gebruik leent, daar de onder-schijding der tijden naar haren loop geregeld is. Als hij zegt dat de Zon haren ondergang kent, dan versta ik dil niet slechts van haren dagelijkschen loopkring, maar ook hiervan, dal zij, omdat zij nu eens dichter tot ons nadeil, en dan zich weer verder van ons verwijdert, hare wisselplaatsen weel af le melen, waardoor zomer en winter, lente en herfst ontstaan. Mij zegt, dal De dieren des wouds kruipen, omdat zij mei angst uil hunne schuilhoeken te voorschijn treden. Sommigen nemen het lle-breeuwsche werkwoord, rémesh dal hij gebruikt, voor gaan maar de juiste en eigenlijke beteekenis voegt zich zeer goed naar den zin, omdat, hoewel de honger de wilde dieren soms woedend maakt, zij toch de duisternis van den nacht zoeken; en om deze hunne vreesachtigheid wordt er gezegd, dat. zij kruipen.
465
Psalm 104 : Siâ23.
wil. be leeuwen brullen. Hoewel de leeuwen, als de honger lien dringt, zelfs in den vollen middag uitgaan en brullen, spreekt de Profeet hier toch van hetgeen hel vaakst plaats heelt. Hij zegt dus, dat de leeuwen overdag niet durven uitgaan, maar vertrouwende op de duisternis van den nacht, alsdan uitgaan om zich op hunne prooi te werpen, hm hier wordt eene bewonderenswaardige voorzienigheid Gods openbaar, als een zoo ontzagwekkend dier in zijn hol blijlt, opdat de mensch vrijer en geruster zijn' weg kan gaan. Wal betrell dat de leeuwen soms sloulmoediger her- en derwaarts gaan, daarvan moet de schuld aan Adam worden geweien, waardoor hem de heerschappij over de wilde dieren ontnomen is. Inlusschen blijven er toch nog altijd eenige sporen over van den eersten zegen Gods, daar God zoo vele wreeds en verscheurende dieren over dag als in ijzeren kooien en met ketenen gebonden houdt opgesloten. Als hij zegt dal zij hunne spyze van God vragen, dan bedoelt hij hier niet mede, dal zij betrouwen op de zorge, die God over hen heeft, als of zij Hem voor hun' Voedstervader erkenden; maar hij vermeldt de zaak zoo als zij is, nl. dal God zulke hongerige, vralige dieren wonderbaarlijk van spijze voorziet.
22. De zon gaat op. Hij gaat nog voort mei den zin, dal God den tijd op zulk eene wijze verdeeld beeft, dal de dag zeer bijzonder den mensch ten dienste staal. Want, indien God de wilde dieren, die ons zoo vijandig zijn, niel in bedwang hield, hel zou terstond met het menschelijk geslacht gedaan zijn. Daar nu na den val des menschen de wilde dieren geschapen schijnen om ons te schaden; en te verscheuren, wal zij op hun' weg ontmoeten, is het wel noodig, dal deze wreedheid door Gods hand wordt ten ondergehouden. Ten einde hen nu in hunne holen opgesloten te houden, laat Hij slechts de zon schijnen. Deze weldaad looft de Proleet nog meer van wege hare noodzakelijkheid, omdat de mensch, indien het anders was, geene vrijheid zou hebben om uit te gaan tol zijn' arbeid of om zijne zaken te verrichten. Als de mensch dus door hel licht beschermd wordt legen de kracht en het geweld der dieren, dan ziet men hier eene onvergelijkelijke goedheid Gods in, die zoo vadeilijk voor het nut en hel gerief der menschen gezorgd heeft.
24. Hoe groot zijn uwe werken o Jehovah! Gij hebt alle dingen wijselijk gemaakt; de aarde is vol van uwe rijkdommen. 25. Deze groote, ruime zee, daarin zijn
Psalm 104 : 24.
tallooze kruipende dieren, kleine dieren en groote. 26. Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geschapen hebt, om in haar te spelen.
24. Hoe groot zijn uwe werken o Jehovah! De Profeel geefl hier geene volledige beschrijving van Gods werken, die ook eindeloos zou zijn; maar hij noeml slechts eenige soorten, opdat een iegelijk naarsliglijk hij zich zeiven na ga door welke voorzienigheid God de wereld en elk harer deelen regeert. Daarom breekt hij zijne rede al en roept vol bewondering: Hoe groot zijn uwe werken! gelijk wij dan ook aan God de eere ^even, die Hem toekomt, wanneer wij ganscli verbaasd belijden, dat onze tong en al onze zinnen te kort schieten (om onze bewondering uit te drukken). Wanneer nu een klein deel van Gods werken ons tot verbazing en bewondering noopt, zal ons versland dan niet Ie kort schieten om ze allen te kunnen begrijpen? Nu zegt hij ten eerste, dat God alles met wijsheid geschapen heeft, daarna voegt hij er bij, dat de aarde vol is en overvloeit van zijne rijkdommen. Nu sluit hij door dit woord Wijsheid de macht niet buiten, maar hij wil zeggen, dat er geenerlei verwarring is in deze wereld, ja veeleer wil hij zeggen, dat de dooreenmenging van zoo vele dingen met zoo veel wijsheid en bekwaamheid is geregeld, dat het niel mogelijk is er iels bij te voegen, of iets al le nemen, oi ergens verbetering in aan te brengen. Deze lof is gesteld tegenover de verdorvene verbeelding, die bij ons opkomt, als wij den raad Gods in zijne werken niet kunnen begrijpen. AIsol God onderworpen ware aan onze dwaasheid, zoodat Hij het moet verdragen, dat zij, die niets hoegenaamd van zijne werken begrijpen. Hern bestraffen. Door deze zelhie lofspraak bestraft de Profeet ook den waanzin van hen, die denken dat de wereld zoo maar bij geval geschapen is, zooals Epicurus gedroomd heeft dat de elementen samengesteld zijn uit hetgeen de natuurkundigen atomen noemen, dat is, uit lichaampjes, zóó klein, dat zij ondeelbaar zijn. Daar hel nu erger dan dierlijke stompzinnigheid verraadt om te zeggen, dat zoo schoon een werkstuk, dat in al deszelfs deelen zoo onovertrefbaar heerlijk is, geschapen zou zijn uil een' verwarden hoop atomen, beveelt de Proleet ons hier de wijsheid Gods nauwkeuriger na te gaan in het bewonderenswaardig kunstvoortbrengsel, hetwelk schittert en uitblinkt in geheel het bestuur der wereld. Onder rijkdommen verslaat hij de goedheid Gods en zijne weldadigheid, want Hij is niet rijk voor zich zeiven, maar lot ons heil en nul, opdat niets ons
30»
407
Psalm 104 : 24â27.
onlbreke van liclgecn yoed is voor ons. Nu moei hel ons bekend zijn, dal de larde noch zoo vruchlbaar noch zoo i ijk is uil zich zelve, maar dal zij slechls als de dienslmaa^d Gods is, waardoor zijne milddadigheid lol ons koml.
25. Deze yroote, ruime zee. Na gehandeld le hebben over de aardsche geluigen van Gods heerlijkheid, koml hij nu ook lol de zee, en leerl, dal zij een nieuwe spiegel is van zijne macht en wijsheid. Wanl, al zouden er ook geene visschen in de zee zijn , zou zij loch reeds alleen maar door den aanblik van hare groolle bewondering wekken, inzonderheid als zij nu eens bewogen wordl door winden en slormen, en zich verheit , en dan wederom elïen en kalm is. En hoewel de scheepvaarl een voortbrengsel is van de kunslvlijl der menschen, hangt zij toch af van de voorzienigheid van God, die aan de menschen een weg heelt gegeven door de wateren. Maar de overvloed en de verscheidenheid der visschen verhoogt niet weinig de heerlijkheid Gods in de zee. Hij loofl inzonderheid den Walvisch, omdat dit dier ons reeds genoeg, ja meer dan genoeg, de ontzaglijke macht van God onder de oogen brengt. Daarom wordl hier ook zoo uitvoerig over gesproken in hel boek van Job. En dewijl, als hij zich beweegt, hel hart der menschen niel minder beroerd wordl dan de zee, geell de Profeet door dit woord spelen le verslaan, dal zoodanige beweging in Gods oog niets dan een spel is, alsof hij zeide, dat dit veld aan de walvisschen lol speelplaats is gegeven.
27. Zij allen wachten op U, opdat Gij hun spijze geeft te zijner tijd. 28. Gij zult hun geven, en zij zullen vergaderen; Gij zult uwe hand openen, en zij zullen met goed verzadigd worden. 29. Gij zult uw aangezicht verbergen, en zij zullen verschrikt worden; Gij zult hun' geest wegnemen, en zij zullen bezwijken en zullen wederkeeren tot het stof. 30. Gij zult uwen Geest zenden, en zij zullen geschapen zijn, en Gij zult het gelaat des aardrijks vernieuwen.
27. Alle dingen, [lier schelst de Profeel ons opnieuw God als een vader van een huisgezin, die allerlei soorl van dieren
m
Psalm 104 ; 27â28.
voedl en verzorgt. Te voren had liij gezegd dal het gras op de hergen groeit, opdat de beesten er zich mede voeden, en dat God zelf den leeuwen hun voedsel geeft, hoewel zij van prooi leven; thans legt hij op dit wonder van Gods weldadigheid nog meer nadruk door er eene omschrijving aan loe te voegen. Want, daar er schier tallooze soorten van dieren zijn, en iedere soort een zoo groot aantal bevat, is er toch geen enkel dier, dal niet zijn dagelijksch voedsel van noode heeft. Dil bedoelt hij met Ie zeggen Alle dingen wachten op God, alsoi hij zeide, dal zij geene drie dagen in wezen zouden kunnen blijven, indien God hen niet ailen spijzigde en in hunne behoefte voorzag. Daartoe dient de groole verscheidenheid van vruchten, want God geelt aan een iegelijk de soort van spijze; die goed voor hem is. Hoewel nu de dieren geen versland of oordeel bezitten, om bij God hulp te zoeken voor heigeen zij behoeven, maar veeleer zich lot de aarde neigen en niets anders zoeken dan zich te verzadigen, spreekt de Profeet toch met juistheid als hij zegt, dal zij op God wachten, omdat zijne milddadigheid hun te hulp moet komen als hun hongert, zoodat zij niet bezwijken. En de aanduiding van deri tijd is niet overtollig, omdat God spijzen voor hen bewaart, zoodat zij zich hel geheele jaar door kunnen voeden en verzadigen. Want, wat zou, daar de aarde des winters hare ingewanden toesluit, er gebeuren, indien Hij er niet voor zorgde dat zij geruimen tijd van levensmiddelen voorzien zijn? !lel wonder is dus te grooler, nu God in zekere jaargetijden de aarde vruchtbaar makende, zijne zegeningen uitstrekt over het geheele jaar, wanneer wij anders met schaarschheid of hongersnood bedreigd zouden worden. Want wie zou ongelukkiger zijn dan wij, als de aarde in den winter hare schatkameren toesluit, en wij dan geene hoop zouden hebben op een'nieuwen oogst? In dien zin zegt hij zoo juist en schoon, dal God zijne hand opent. Wanl, indien de tarwe dagelijks groeide en rijpte, dan zou de voorzienigheid Gods niet zoo duidelijk in het licht treden; maar als de aarde droog wordt en onvruchtbaar, dan is het alsof God zijne hand toesluit. Hieruit volgt dus, dat wanneer Hij haar vruchtbaar maakt, het is, alsof Hij zijne hand opent en ons de spijze uit den hemel toereikt. Wanneer Hij nu aan het vee en aan de wilde dieren hunne spijze geelt op hun' lijd, zoodal zij verzadigd worden, dan zal zijne zegening als een hoorn des overvloeds voor ons wezen, die nooit uitgeput kan worden, mits wij zeiven het niet door ons ongeloof verhinderen.
29. Gij zult uw aangezicht verbergen. Door deze woorden
469
Psalm 104 : 29.
470
verklaart hij, dal wij slaan of vallen, al naar hel welbehagen Gods is. Wanl wij slaan, omdal Hij ons ondersleunl door zijne krachl, maar zoodra Hij ons zijn' levendmakenden Geesl onl-neeml, vallen wij. Zelfs Plalo heefl zeer goed geweien, dal er slechts één eenig God is, en dal geen ding beslaal dan door Hem. Kn ik ivvijfel niel, of God heefl door dezen Heidenschen schrijver de menschen willen wakker schudden, opdal zij zouden welen, dal hun leven uil eene andere bron voorlkoml dan uil hen zeiven. En hij zegl len eersle, dal zij verschrikl worden als God zijn aangezichl verbergl, dal zij, als Hij hun'geesl wegneeml, slerven en lol slof wederkeeren; door welke woorden hij le kennen geelt, dal de oogen Gods ons levend maken, als Hij zich ver-waardigi ons aan lezien, en dal Hij, terwijl zijn aangezichl over hen lichl, leven inblaast aan alle schepselen. Onze verblindheid is dus dubbel onverschoonbaar, als wij onze oogen niel slaan op deze goedheid, die aan de gansche wereld leven geeft. Nu beschrijll hij trapsgewijze den dood der levende wezens, als God hun zijne verborgene krachl onttrekt, om ons van den anderen kant, des le meer de voortdurende levenwekking aan le prijzen, dooi' welke alle dingen in wezen blijven. Hoewel hij nu nog verder zou kunnen gaan, door le zeggen dal alle dingen vernietigd zouden worden, heefl hij zich toch vergenoegd mei deze algemeene en populaire wijze van onderricht door le zeggen, dat alles wal door God niet in wezen wordt gehouden,, lol stol vergaat. Nu zegl hij,'dat de wereld dagelijks wordt vernieuwd omdat God zijn Geest uitzendt. En voorzeker zien wij ook in de voortplanting van hel vee eene voortdurende herschepping der wereld. En dat hij nu spreekt van den geesl Gods, terwijl hij een weinig te voren daarvan gesproken heelt als van den geesl des menschen, hierin is geene tegenstrijdigheid. God zendt zijn' Geest uil, die in zijne krachl blijft verwijlen, waar hel Hem goeddunkt. Zoodra Hij Hem uitgezonden heefl, zijn alle dingen geschapen. Op die wijze doet Hij hetgeen zijne was, het onze worden. Doch dit is hoegenaamd geen bewijs voor de oude droomerijen der Manicheërs, die in onzen tijd door dien vuilen hond, Servet, nog veel erger zijn gemaakt. De Manicheërs, zeiden, dat de ziel des menschen een klein deel is van den goddelijken Geest, en er uil voorlgeleeld wordt, maar deze booswicht heefl durven zeggen, dal de ossen, ezels en honden een deel uitmaken van hel goddelijk wezen. De Manicheërs hebben, om aan hunne dwaling een schijn van waarheid le geven, ten minste kunnen aanvoeren, dal de ziel naar hel beeld Gods geschapen is, maar om dit over le brengen op de dieren is meer dan ergerlijk.
Psalm lOi : 30â3!.
Nu was er niels minder in de bedoeling van den Prot'eel dan om den Geesl Gods le verdeden , zoodal een deel er van in elk der dieren zou wonen; maar hij heeft Geesl Gods genoemd, die van Mem uilgaal. En inlusschen leerl hij ons, dal hij onzer is, omdal hij ons Ier levendmaking is gegeven. Waar dil alles nu op neerkoml is, dal wanneer wij de wereld dagelijks zien vermolmen en wederom vernieuwd worden, het de levendmakende kracht Gods is, die ons in dezen spiegel wordt voorgehouden. Wanl zoo menigmaal als er een levend wezen sterft, even zoo vele malen is ons dit een toonbeeld van onze nietigheid, als ik dil zoo zeggen mag. En als anderen in hunne plaats voortgebracht worden, wordt ons hierin als eene vernieuwing der schepping geloond. En dewijl dus de wereld dagelijks opnieuw in hare deelen geboren wordt, is hel gemakkelijk hieruit al' le leiden, dal zij niet anders bestaat dan door de verborgene kracht Gods.
31. Eere zij Jehovah tot iu eeuwigheid; Jehovah verblijde zich in zijne werken. 32. Als Hij de aarde aanschouwt, beeft zij; als Hij de bergen aanroert, rooken zij. 33. Ik zal Jehovah zingen in mijn leven; ik zal mijn' God psalmzingen, terwijl ik nog ben. 34. Laat mijn woord Hem liefelijk zijn; ik zal mij in Jehovah verblijden. 35. Dat de boozen van de aarde verdaan worden, en de goddeloozen, totdat zij niet meer zijn. Loof Jehovah, mijne ziel! Hallelujah!
31. Eere zij aan .Jehovah! 'lij toont met welk doel hij lol nu loe de macht, wijsheid en goedheid Gods geprezen heelt, nl. om de gedachten der menschen op le heffen om Hem te loven. Want het is geene kleine eer, dat God om onzenlwil de wereld zoo heerlijk versierd en begiftigd heeft, opdat wij niet slechts dil schoone tafereel zouden aanschouwen, maar ook zouden genieten van den overvloed en de verscheidenheid der goederen, die er voor ons tentoongespreid worden. En hel eenige loon, dat Hij van ons eischt, is, dal wij dil dankbaar erkennen, en Hem dus den lof toebrengen, die Hem toekomt. Wat hij er bijvoegt: Dat -Jehovah zich verblijde in zijne werken is niet overtollig, want hij wenscht, dal de orde, die Hij van den beginne gesteld heeft, voort zal blijven gaan in hel wettig gebruik zijner gaven Want
47 i
Psalm 104 ; 31 â34
evenals hel Hein heelt berouwd den mensch le hebben gemaakt, zoo zal Hij ook, als Hij ziet dat zijne zegeningen verontreinigd worden door onze verdorvenheden, ophouden van er een welbehagen in te hebben. En voorzeker! de verwarringen en beroeringen, die ontslaan, als do elementen ophouden van de hun voorge-schrevene werkingen te verrichten, getuigen dat Gods ongenoegen Hem er toe brengt den gewonen loop zijner weldadigheden te doen stilstaan; niet alsol' Hij aan zoodanige hartstochten onderhevig is, maar Hij handelt als een zeer liefderijk vader, die er behagen in schept zijne kinderen teederlijk te verzorgen en hun met milde hand van bet noodige le voorzien. In hel volgende vers loont hij, dal de vastigheid der wereld gegrond is in deze verheuging van God; wanl indien Hij niet met blijde, vaderlijke lielde nieuw leven gaf aan de aarde, dan zou Hij, zoodra Hij haar mei een' strengen blik aanzag, haar doen beven en de bergen doen verbranden.
33. Ik zal Jehovah zingen. Door zijn voorbeeld wijst hij den weg aan anderen, en hij verklaart, dat hij zoo lang hij leeft den lof Gods zal vermelden en daar nooit moede van zal worden. Als uiterste grens voor dit loven van God slelt hij den dood; niet dal de Heiligen, als zij lol het andere leven zijn overgegaan, aflaten van dezen dienst der godsvrucht; maar omdal wij tot dat doel door God geschapen zijn, dal de naam Gods voortdurend door ons op aarde geprezen zou worden. Daar hij zich nu onwaardig erkent Gode zoo kostelijk een ofler aan le bieden, bidt hij ootmoedig, dat de lof, dien hij den Heere zal zingen. Hem liefelijh moge zijn, al is het ook, dal hij van onreine lippen komt Wel is waar, er is niets dal Gode welbehaaglijker is, niets dal Hij meer goedkeurt dan de vermelding van zijn' lof, gelijk Hij dit dan ook zeer bijzonder van ons eischl. Ãmdal echter door onze onreinheid hetgeen in zich zeiven heilig is, wordt bevlekt, is het terecht dat de Profeet de toevlucht neemt tol Gods goedertierenheid, opdat hel Hem moge behagen ons lied aan le nemen. Daarom leert de Apostel in Hebreën 10:8â9 dat de offerande der dankzegging Gode welgevallig is, als zij wordt aangeboden door Christus. En thans, nu allen zonder onderscheid de weldaden Gods genieten, terwijl er echter nauwelijks één op de honderd is, die op den Gever er van ziel, voegt de Profeet er bij: Ik zal mij in Jehovah verblijden, waarmede hij eene zeldzaam voorkomende deugd aanduidt; want niets is moeielijker dan onze gedachten af le houden van de voorbijgaande blijdschap der aarde, en ze alleen bij God le bepalen
Psalm 104 : 85.
35, Dat dc boozen, enz. Deze verwensching staal in verband met den volzin: Dat God zich verblijde in zijne werken. Want, daar de boozen de wereld verontreinigen met hunne vuilheid, is hier het gevolg van, dat God minder behagen heeft in zijn eigen werk, ja zelfs, dat het Hem schier mishaagt. Want het kan niet anders of deze verontreiniging, die door de geheele wereld verspreid is, en dit zijn voortreffelijk werk bederft, moet Hem een gruwel zijn. Daar dus de boozen door de gaven Gods te misbruiken de oorzaak zijn, dat de wereld in zekeren zin ontaardt van haren oorspronkelijken staat, is hel volkomen terecht, dal de Profeet wenschl, dal zij uitgeroeid zullen worden, zoodal zij er niet meer zijn. Laat ons dan indachtig zijn om de voorzienigheid Gods zoo na te gaan, dal wij, ons gevangen leidende onder zijne gehoorzaamheid, zijne weldaden op betamelijke en reine wijze genieten, die Hij lol ons gebruik heeft geheiligd. En laat het ons eene oorzaak van droefheid zijn, dat deze zoo kostelijke schallen zoo goddelooslijk verspild worden, en laat hel ons lol een afschuw wezen, dat de menschen niet slechts hun' Maker vergelen, maar ook nog moedwillig alle goed, dal Hij hun geschonken heelt, lol zoo onzinnig en onwaardig een doel aanwenden.
1JÃ A LM LOo.
INHOUD; Hij looit de bijzondere genade van God, waardoor Hy uit alle natiën der wereld een volk Leeft aangenomen om zijn volk te zyu. En om aan te toonen, dat Hij met Abraham en zijne nakomelingen niet slechts in woorden een verbond beeft gemaakt, beeft Hij, nadat Hy beu verlost beeft, niet opgehouden vau bun tallooze weldaden te bewijzeu, en dat wel met bet doel, dat zij, die verlost zyn geworden, ook vau hun' kant zyn verbond getrouw zouden bewaren en zich geheel en al aau zijn' dienst en aanbidding zouden wijden.
1. Looit Jehovah, roept zijn' naam aau, maakt zijne werken bekend onder de volken. 2. Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt van alle zijne wonderen.
473
Psalm 105 ; iâ4.
3. Looft zijn' heiligen naam; dat het hart dergeneu, die Jehovah zoeken, zich verblijde. 4. Vraagt naar Jehovah en zijne sterkte, zoekt zijn aangezicht gedurig-lijk. 5. Gedenkt zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, zijner teekenen, en de oordeelen zijns monds.
I. Looft Jehovah. Deze inleiding lieell geene andere strekking dan liel geslacht van Abraham hunne zaligheid alleen op de vrije aanneming Gods Ie doen gronden. Want hoewel het hun geen te versmaden voorrecht was, dat zij als menschen zijn geschapen, door de vaderlijke zorge Gods in deze wereld worden onderhouden, en hunne spijze ontvangen uit zijne hand, zoo is het toch een nog veel uitnemender voorrecht voor hen, dat God hen tol zijn bijzonder volk heeft verkoren. Want, daar het geheele menschelijke geslacht in Adam vervloekt was, is toch de staat van dit volk zóó zeer afgezonderd van de overige natiën, dat zij konden roemen Gode geheiligd te zijn. Dat is de reden, waarom de Profeet zoo vele woorden opeenhoopt om deze genade groot te maken. Want hij handelt hier niet over de regeering van geheel de wereld, zooals in den vorigen Psalm, maar hij looft de vaderlijke gunst van God over de kinderen Israels. Wèl noemt bij hier in hel algemeen zijne werken en zijne wonderen, maar beiden beperkt hij toch tot bet geestelijk verbond, door hetwelk Hij de Kerk beeft verkoren, die een hemelsch leven op aarde moest leiden. Want bij noemt ibans niet Wonderen dat de zon, de maan en de sterren eiken dag opgaan om de wereld te verlichten, dat de aarde vrucht voortbrengt op haren tijd, dat Hij alle levende wezens overvloedig van voedsel heeft voorzien, dat het menschelijk geslacht ruimschoots bedeeld is met zoo velerlei geriefelijkheden; maar dal Hij van uit het onder den vloek liggende geslacht van Adam een klein deel heeft verkoren, voor hetwelk Hij zich als Vader beeft beloond. Daarom beveelt bij, dat zij zich in den naam Gods zullen verblijden, en dat zij Hem zullen aanroepen, welk voorrecht alleen aan de Kerk is geschonken. Hieruil volgl, dat hij het woord tot niemand richt dan lol de geloovigen, van wie God eiscble, dat zij zouden roemen in zijn' Naam, toen Hij hen onder zijne hoede en bescherming heeft genomen.
4. Vraagt naar Jehovah. Hoewel bij de geloovigen reeds geadeld heelt door hun de hoedanigheid toe te kennen, dal zij
474
PSALM 105 ; -4â5.
-475
God zoeken, vermaant hij hen thans evenwel om zich gansch en al te wijden aan dit zoeken van den lleere, en dat niet zonder reden. Want hel is zeker, dat dit het merkteeken is, waardoor de geloovigen van de wereldlingen worden onderscheiden; maar het is er nog verre van daan dat zij Hem zoeken met den ijver, dien zij daarbij aan den dag behoorden te leggen. Daarom hebben zij altijd prikkels noodig, waardoor zij opgewekt worden, ook wanneer zij er zich reeds gewillig toe hebben begeven. Want het zijn geene menschen, die ginds en herwaarts dwalen, oi die onverschillig zijn, of aan het slijk der aarde zijn gehecht, aan wie de Profeet vraagt, dat zij God zullen zoeken; neen, het zijn menschen, die zich reeds gewillig op weg hebben begeven, omdat hij ziel, dat zij door velerlei beletselen opgehouden worden, zoodat zij zich niet haasten om hun' loop te volbrengen. Al zijn wij dus nog zoo gewillig , zal zoodanige prikkel toch altijd noodig voor ons zijn. Als hij zegt Zijne sterkte en zjjn aangezicht geeft hij ongetwijfeld die soort van openbaring Gods te kennen, waardoor Hij toenmaals, van wege de onwetendheid der tijden, de geloovigen lol zich trok. Wij weten, dal de Arke des verbonds aan vele andere plaatsen zoowel de sterkte als hel aangezicht Gods wordt genoemd, omdat aan het volk door deze teekenen te verstaan werd gegeven, dat God hun nabij was, en dat hel inderdaad zijne slerkte gewaar werd. Daarom beveelt hij hun, dal zij, hoe meer God zich vriendelijk en gemeenzaam jegens hen beloont. Hem des te ijveriger en blijmoediger zullen zoeken, evenals ook de velerlei hulp, waarmede God onze zwakheid tegemoet koml, ons daartoe op moest wekken. Ook wordt ons bescheidenheid aanbevolen, opdat wij bij de herinnering aan onze traagheid in het zoeken van God, ons houden op den weg, dien Hij ons afgebakend heeft, en de eerste beginselen niet versmaden, waardoor Hij ons slap voor slap lol zich brengt. Hij voegl er bij GeduriglyJc, opdat niemand dit zoeken moede zal worden, of, opgeblazen zijnde door een dwaas denkbeeld van volmaaktheid, de uitwendige middelen der godsvrucht zal versmaden, gelijk men velen ziet, die, nadat zij vier of vijf schreden gevorderd zijn in de kennis van God, zich vrijstellen van den gewonen toestand der anderen, also! zij zelfs boven de Engelen waren verheven. Wederom beveelt hij, dat men de iconderen Gods zal gedenken, die Hij geloond heeft in de Verlossing zijns volks, want wij welen, dat Hij door nieuwe en ongewone middelen hierin zijne krachl heeft geopenbaard. Door de Oorcfee/en zijns monds verstaan sommigen de Wel. Omdat ik dit echter aaneen lees, geef ik er de voorkeur aan om hel te verklaren
Psalm 105 : 5â6.
van de wonderen, waarmede Hij den hoogmoed van Farao heell nedergevvorpen. Men is evenwel in twijfel omtrent deze wijze van uitdrukking. Sommigen zijn van meening, dat zij oordeelen zijns monds genoemd worden, omdat zij door Mozes voorzegd zijn geworden, hetgeen wel waarschijnlijk is. Men zou het echter eenvoudiger kunnen nemen, nl. dal eene ongeloofelijke kracht Gods betoond werd in deze wonderen, waaruit gemakkelijk valt af te leiden, dat zij van Hem waren. Ik wil voorzeker de bediening niet uitsluiten van Mozes, dien God verwekt heelt als Profeet voor de Egyplenaren, opdat hij, door aan te kondigen hetgeen geschieden zou, zou aantoonen, dat niets geschiedde bij geval. Naar mijn oordeel echter zinspeelt de Proleet op de uitnemendheid der wonderen, alsof hij wilde zeggen: Al zou God ook niet gesproken hebben, toch is het uil de zaak zelve duidelijk, dat Hij de Verlosser is zijns volks.
6. Gij zaad van Abraham, zijn' knecht, kinderen van Jakob, zijn' uitverkorene! 7. Deze is Jehovah, onze God, zijne oordeelen zijn over de geheele aarde. 8. Hij is immer gedachtig geweest aan zijn verbond; aan het woord, dat Hij gezonden heeft in duizend geslachten, 9. Dat Hij gemaakt heeft met Abraham, en zijns eeds aan Izak, 10. En dien gesteld heelt tot eene inzetting aan Jakob, aan Israël tot een eeuwig verbond; 11. Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel.
6. Het zaad van Abraham. Hij richt zich inzonderheid lot zijn volk, hetwelk (gelijk reeds gezegd is) God door eene bijzondere aanneming aan zich had verbonden. Want dit was de heilige band der samenvoeging, dat zij alleen door het welbehagen Gods boven alle andere volkeren waren verkoren. Als hij hen kinderen noemt van Abraham en van Jakob, dan maakt hij er hen opmerkzaam op dat zij niet door eigen deugd ol kracht lot die waardigheid zijn opgeklommen, maar omdat zij het kroost waren van heilige vaderen, hoewel hij tegelijkertijd verklaart, dal de heiligheid der Vaderen uitsluilend voortvloeit uil de verkiezing Gods, en niet uil hunne nalunr; wanl hij zegt uitdrukkelijk hel eene zoowel als hel andere, nl. dal zij, vóórdat
476
Psalm 105 ; 6â8.
zij kinderen waren van Abraham, reeds erfgenamen waren van hel verbond, omdal zij zouden afstammen van de heilige vaderen; en daarna, dal de Vaderen zich dit recht niet door eigene verdienste of waardigheid hebben verkregen, maar dal zij vrijwillig verkoren werden. Daarom ook noemt hij Jakob den verkorene Oods. Want, hoewel Abraham ook knecht Gods wordt genoemd (Genesis 26: 24), omdat zijne aanbidding van Hem zuiver was, zoo getuigt de Proleet toch in de tweede plaats, dal het begin er van niet van menschen is gekomen, maar alleen van God, die liun de eer heeft aangedaan van hen te verkiezen tol zijn erfdeel. Uit dit verbond leidt hij af, dat, hoewel Gods heerschappij zich uitstrekt over geheel de wereld, en Hij zijne oordeelen uitvoert aan alle plaatsen Mij loch meer in hel bijzonder de God is van dit volk, gelijk gezegd is in hel Lied van Mozes: Toen de Allerhoogste de natiën verdeelde en de volken van een scheidde, heeft Hij zijn meetsnoer uitgestrekt over Jakob (Deul. 32 : 8). En wederom heeft de Profeet willen aantoonen, dal de kinderen Israëls niet boven anderen uilmunllen omdat zij heler waren dan de anderen, maar omdal dit het welbehagen Gods was. Want, indien de oordeelen Gods zich uitstrekken over alle plaatsen der wereld, dan is de toestand van alle natiën te dien opzichte gelijk. Hieruit volgt, dal hel onderscheid ligt in de Helde van God, en dat de bron en oorsprong hunner waardigheid de vrije gave Gods is. Hoewel God dus de geheele aarde bezit, zegt hij, dal Hij één volk verkoren heelt om er over te regeeren. Dit geldt heden ook ons. Wanl, als wij onze roeping goed nagaan, dan zullen wij gewis bevinden , dat God door niets anders gedrongen werd om ons boven anderen te verkiezen, dan alleen door zijne vrije genade.
8. Hij is immer gedachtig geweest. Thans prijst hij de reëele uilwerking (gelijk men hel noemt) van het verbond, en hij bewijst door de verlossing wat hij te voren gezegd heeft, nl. dal God, terwijl Hij gelijkelijk heerschappij voert over alle volken, alleen aan de nakomelingen van Abraham gunsl beloond heeft. Want van waar is hel, dat God bij de verlossing zijns volks de kracht van zijn' arm heeft tentoongespreid door zoo vele wonderen, indien niet daarvan, dal Hij zijne belofte heeft willen gestand doen, die Hij aan'zijne dienstknechten gedaan heeft? Hieruit volgt dus dal hel aloude verbond de oorzaak is geweest der verlossing, want ten eerste moest God barmharlig zijn, ten einde getrouw te kunnen wezen aan zijne beloften. Daar nu echter zeer vele jaren voorbij waren gegaan lusschen de belofte en de vervulling.
477
Psalm !05 : 8â10.
478
gebruikt de Proleet liet woord Gedenken, alsol' hij zeide, dat de beloften Gods door geen verloop van lijd worden te niet gedaan, maar als de wereld in den waan verkeert, dat zij te niet gedaan of gansch vergelen zijn, dan blijft toch de gedachtenis er van in volle kracht bij God, opdat Hij ze ter bestemder tijd zal vervullen. Dit bevestigt hij nog in het volgende zindeel, waar hij de overeenstemming looft tusschen den vorm des verbonds en de uitvoering er van. liet is niet maar voor een' dag, (zegt hij), of voor weinige dagen dat God een verbond is aangegaan met Abraham; Hij heeft ook niet gewild dal zijn verbond niet langer dan een menschen leefüjd zou duren, neen, Hij heeft beloofd, dat nu de God zal zijn van zijn kroost tot in duizend geslachten. Hoewel dus de vervulling lang is uitgebleven, heeft God toch door de daad getoond dat zijne belofte niet zal falen, of door verloop van tijd ongeldig zal worden. Dewijl nu Abraham hel eerst geroepen was, zells toen hij nog onder de afgodendienaars was, heeft de Proleet hem ook het eerst genoemd, maar daarna zegt hij, dat hel verbond ook bevestigd is geworden met zijn' zoon en zijn' kleinzoon. God heeft dus zijn verbond met Abraham bewaard, en door een' plechligen eed heeft Hij beloofd, dal Hij de God zou zijn van zijn geslacht; maar opdat de zaak des te zekerder zou zijn, heeft Hij dit nogmaals aan Izak en Jakob willen herhalen. Want zoodanige herhaling brengt le weeg, dal de waarheid Gods des te dieper wortel schiet in het hart der menschen; ja meer, dal de genade Gods aldus herhaaldelijk betuigd, meer bekend en vermaard wordt onder de menschen. Daarom wordt hier trapsgewijze verklaard, hoe groot de vastheid is van dit verbond; want, hetgeen van ieder der aartsvaders gezegd is, behoort gelijkelijk aan allen. De Profeet zegt, dat God aan Izak gezworen heeft: Had hij dan niet te voren ook aan Abraham gezworen? Ongetwijfeld. Hij zegt, dat hy aan Jakob gesteld is tot eene inzetting en tot een eeuwig verhond. Was dan te voren het verbond lijdelijk, of wankelbaar, en was het loen van aard veranderd? Dat is geenszins de bedoeling van den Profeet. Maar door die wijze van spreken laat hij sterk uitkomen, dal de bevestiging er van volkomen en zeer vast was; opdat, zoo de roeping van een' enkele wellicht duister was, zij des le helderder zou uitblinken nu zij uitgestrekt is van dien eenen tot verscheidene opvolgers of nakomelingen, want zoodoende is de waarheid nog meer bevestigd. Hier moet men zich wederom herinneren, dal God mei groole zachtmoedigheid onze zwakheid in aanmerking neemt, als Hij door le zweren en zijn woord dikwijls le herhalen bevestigt wal Hij eenmaal
Psalm 105 : 10â11.
heell beloold. Daarom is onze ondankbaarlieid no^ des le erger, wanneer wij Hem niel geiooven, niel slechts als Hij spreekt, maar zelfs als Hij zweert.
11. Zeggende ik zal u geven. Daar dit slechts een klein deel was van de zegening, die den vaderen was aangeboden, schijnt de Proleet hel verbond Gods, dat zell's de hoop der eeuwige erfenis omvatte, in al te enge grenzen le beperken. Doch de Profeet vergenoegde zich met aan te toonen, door een deel le nemen voor hel geheel, dal hetgeen God aan de Vaderen beloofd had, volkomen vervuld is. Want ziehier zijne bedoeling: dal zij het land Kanaan volgens geen ander recht in bezit hadden, dan door het recht der erfenis van Abraham, van wege het verbond, dat God mei hem is aangegaan. En gewis: als iemand loont hetgeen als eersteling van een verbond is gegeven, dan zegt hij niets ten nadeele van dit verbond. Zoo heeft de Profeet, door een zichtbaar teeken willende aantoonen, dat God niet le vergeefs een verbond is aangegaan met zijne dienstknechten, en hen niet teleurgesteld heeft in hunne hoop, ook niets afgedaan van hel overige van den zegen; ja wat meer is: als de Israëlieten verslaan, dal-zij hel land Kanaan in bezit hebben door erfrecht, omdat zij hel uilverkoren volk Gods zijn, dan moeten zij nu ook verder gaan en alle de voorrechten oveizien, waarmede God hen begiftigd heelt. En hierbij moeten wij opmerken, dal, wanneer God zijne beloften gedeeltelijk aan ons vervuld heeft, wij boos en ondankbaar zijn, indien deze ervaring ons niel strekt ter bevestiging van ons geloof. Want, er is niet aan te twijfelen, dat telkenmale als God zich Vader jegens ons betoont, Hij inderdaad en in waarheid de kracht zijns Woords in ons hart verzegelt. En indien het land Kanaan de kinderen Israels heeft moeten opvoeren tot den hemel, omdat zij wisten in dit land gebracht te zijn door middel van hel verbond, dal God met hen had gesloten, dan moet hel zoo veel le meer kracht hebben voor ons, dal God zijn' Christus heeft gegeven, in wien alle beloften Ja en Amen zijn (2 Cor. 1 : 2U). Als hij zegt: Het snoer van Ulieder erfdeel, dan wordt door de verwisseling van het getal aangeduid, dal God een verbond gemaakt heelt met het gansche volk in hel algemeen, hoewel Hij de woorden slechts tot weinigen heeft gesproken, gelijk wij een weinig le voren gezien hebben, dal hel een raadsbesluit, cl' eeuwige Wet is geweest. Want, hoewel de heilige Aartsvaders de eerste en voornaamste bewaarders van hel verbond zijn geweest, zoo hebben zij de genade, die hun
479
Psalm 105 ; 11â12.
was aangeboden, locli niet voor zicli alleen ontvangen, want zij moest ook hunne nakomelingen ten deel vallen.
12. Toen zij uog zeer weinigen in getal waren, en er nog als vreemdelingen verkeerden, 13. Toen zij omtogen van volk tot volk, en van het eene koninkryk tot een ander volk, 14. Liet Hij den menschen niet toe hnn kwaad te doen, en heeft Hij Koningen bestraft om hunnentwil, 15. Zeggende: Raakt mijne gezalfden niet aan, en doet mijnen Profeten geen kwaad.
12. Toen zy nog zeer weinigen in getal waren, liier verhaalt de Profeet de weldaden, die de heilige Vaderen van den beginne af van God hadden ontvangen, opdat het zou blijken, dat het verbond niet te vergeefs was gemaakt, zelfs niet lang vóór den lijd der vei lossing. Want het verhaal, dat wij zien zullen, heeft de strekking om aan te toonen, dat God, sedert Hij Abraham onder zijne hoede en bescherming genomen had hem wonderbaarlijk heeli verzorgd en ondersteund, en dat zijne vaderlijke liefde zich betoond heeft dooi' ook de twee andere aartsvaders te beschermen. En als hij nu zegt, dat zij zeer weinigen in getal waren, dan verheerlijkt hij hierdoor niet slechts de kracht Gods, maar hij duidt levens de oorzaak aan waarom [lij zoo goedertieren en mild jegens hen is geweest. Wij moeten dus in de eerste plaats opmerken, dat de Profeet, opdat de Joden geenerlei verdienste of waardigheid aan zich zeiven zouden toeschrijven, uitdrukkelijk verklaart, dal hunne vaderen de gunst Gods hadden gesmaakt, toen zij zwak en veracht waren, heen en weder zwierven, en, naar het vleesch, in alle opzichten arm en ellendig waren. Ook Mozes richt dergelijk verwijt lot hen. God, zegt hij, heelt de vaderen niet verkoren omdat zij meerder in aantal waren dan de andere volken, of omdat zij in eenigerlei opzicht edeler waren, maar omdat Hij ben heeft liefgehad. (Deul 7: 7). Kortom, Hij heeft noch op de menigte, noch op eenigerlei voortreffelijkheid gezien, toen Hij dit volk heeft verkoren. Er was nog slechts hel buis van Abraham, en dit was zelfs onvruchtbaar. Izak was genoodzaakt een van zijne twee zonen ver weg te zenden; den anderen zag hij afgesneden van zijn geslacht. Hel huis van Jakob was wel vruchtbaarder, maar het was onaanzienlijk. En zij waren niet slechts gering en
Psalm 105 ; 13â14.
verachl, toen zij vreemdelingen en bijwoners waren in een vreemd land, maar hongersnood en schaarschle van andere dingen hebben hen dikwijls genoodzaakt naar andere landen heen Ie trekken. Al deze dingen nu in aanmerking nemende, zal het aanzien der menschelijke waardigheid nedergeworpen worden, en dan blijkt hei zonneklaar dal al het goed, dat God hun gedaan heeft, uit geene andere bron voortvloeide dan uit de bron zijner vrije genade en liefde. De oorzaak dezer liefde moet ook niet buiten Hem gezocht worden. Indien nu de Heilige Geest de genade Gods in deze aardsehe zegeningen zoo zorgvuldig aanprijst, hoeveel Ie meer moeten wij dit dan niet bedenken, wanneer ervan de hemelsche erfenis wordt gesproken! Als hij zegt dat zij van volk tot volle gingen, dan wordt ons hiermede nog duidelijker geloond, hoe wondervol Gods bescherming over hen was. Indien zij ergens een slil nestje hadden gevonden, waar zij kalm en rustig hadden kunnen verblijven, dan zou deze geriefelijkheid een merkwaardig teeken van Gods genade geweesl zijn. Maalais zij in verschillende plaatsen als ballingen hebben moeien verkeeren, en met bitteren nijd en verachting verjaagd werden als kal voor den wind, dan blinkt Gods bescherming hierin uil met nog veel groolei glans. Terwijl alzoo overal hun leven als aan een' draad hing, en de verandering van woonplaals hen aan velerlei leed heeft blootgesleld, zijn zij dus alleen door de kracht Gods veilig en wel bewaard gebleven.
14. Hij liet den menschen niet toe hun kwaad te doen. Wij welen, dat Abraham en zijn nakroost niet slechts één, twee of drie tegenstanders hadden, maar dat dikwijls een geheel volk hun vijandig gezind was. Omdat velen dus in gansche benden zich legen hen stelden, zegt de Profeet, zonder een bepaald getal aan Ie wijzen, dat het den mcnschen belet werd hun kwaad Ie doen; want hij gebruikt hier het woord adam Kn vooils verhoogt hij nog de liefde Gods jegens zijne dienslknecblen , dooier op Ie w ijzen, dal Hij zich ten hunnen gunste tegen de Koningen gesteld heelt. Want, als God zelfs de Koningen van Egypte en van Gerar niet gespaard heeft, dan ziel men hieruit, hoe dierbaar Hem het heil is van Abraham en zijne nakomelingen. Want wij hebben zoo even gezegd, dat de vaderen in geenerlei aanzien stonden bij de menschen, en zoo heelt God dus hierin nog duidelijker zijne goedheid jegens hen tentoongespreid, door hen boven Koningen le verkiezen. Zoo zien wij, dal de Joden in den persoon hunner vaderen vernederd waren opdat zij niet zouden wanen, dal zij door een schijn van waardigheid Dl. H. ' 31
481
Psalm 105 : 14â15.
(in lien zeiven) zich voor liel aangezicht Gods eenigerlei gunst hebben verkregen.
15. Haakt myne gezalfden niet aan. iNii gaat hij nog' verder, en zegt, dat God, toen Hij ten gunste zijner dienstknechten tegen koningen beeft gestreden, ben niet slechts beschermde, gelijk Hij gewoonlijk ben beschermt, die hulpeloos zijn en onrechtvaardig verdrukt worden, maar dat Hij dit deed omdat Hij ben onder zijne bijzondere boede bad genomen. Want God beschermt de zijnen niet slechts op die algemeene wijze, waarop Hij iedereen beschermt, maar omdat Hij van wege zijne vrije aanneming van ben, betuigd heelt, dal Hij ben zou beboeden. Ziedaar waarom de Profeet hier de aartsvaders met deze twee eerenamen versiert: Profeten en Gezalfden Gods. Van andeien sprekende, zou God gezegd hebben: Raakt deze menschen niet aan, die aan niemand onrecht doen; berokkent geen leed aan die ongelukkigen, die dit niet aan u verdiend hebben; maar in Abrabam en zijne kinderen heeft God getoond, dal er nog eene andere reden is om hen te beschermen. Hij noemt Gezalfden hen, die Hij geheiligd en verkoren iieeft lot zijn erfdeel. Indien zin noeml Hij ben ook Proleten (met welken titel Abrabam versierd wordt in Genesis '20 : 7). te weten, niet slechts omdat God zich aan ben heeft geopenbaard, maar ook omdat zij de hemelsche leer overal getrouwelijk hebben verbreid, opdat de â¢redacbtenis er van ook na bun' dood zou blijven voortleven. Wel is waar was de zalving, gelijk die onder de Wet geschiedde, toen nog niet in gebruik; maar de Profeet leert, dat hetgeen God daarna door de ceremoniën der wet heelt getoond, in waarheid en werkelijkheid in Abrabam is geweest, gelijk God ook in alle zijne uitverkorenen liet teeken der heiliging heelt ingedrukt. Indien nu de innerlijke zalving Gods van zoo groote kracht geweest is, zelfs toen God de typen en schaduwen der wet nog niet bad verordineerd, hoeveel te meer zal Hij er dan nu niet voor zorgen de zijnen te bewaren , nadat Hij ons de volheid dei zalving getoond beeft in zijn' Kengeboren Zoon!
16. Eu Hij heeft ook een' honger in het land geroepen, en heeft allen staf des broods gebroken. 17. Hij heeft een' man voor hun aangezicht henen gezonden: Jozef werd verkocht tot slaaf. 18. Men drukte zijne voeten in den stok, het ijzer is doorgedrongen tot zijne
48-2
Psalm 105 ; lü'.
ziel. 19. Tot den tijd toe dat zijn woord is gekomen, heeft het woord van Jehovah hem op de proef gesteld.
10. Ily heeft ook een honger in het land geroepen. Hier verhaalt hij een zeer merkwaardig leeken van Gods voorzienigheid over hel uilverkoren volk, op liet oogenbiik toen het den schijn had, dat het verbond te niet gedaan en opgeheven was. Want hel erfdeel van het land Kanaan was (gelijk wij reeds gezegd hebben) er bijgevoegd in plaats van onderpand ol waarborg. Dewijl dus het afgaan van Jakob in Egypte, waardoor hel volk van God berooid werd van hel gezicht des lands, niet heeft kunnen veroorzaken , dat het verbond vernietigd werd, zoo blonk Gods standvastigheid en trouw hierin nog te meer uit. Ja wal meer is: diezelfde beproeving heelt nog duidelijker aangetoond hoe zorgzaam een Vader Hij geweest is, om hel geslacht van Abraham te bewaren. Maar hel is beier ieder deel op zich zeiven na te gaan Ten eerste leert hij, dat de hongersnood, die Jakob noopte naar Egypte te gaan, zoo maar niet bij geval ontslaan is. Hoewel bier nu slechts van een' enkelen hongersnood gesproken wordt, moeten wij het toch als algemeenen regel stellen, dat er nooit scbaarschte van levensmiddelen is, of het is God, die door zijne hand terug te trekken, ons ons voedsel onthoudt. Doch Gods vloek wordt nog heler uitgedrukt, als er gezegd wordt dat de hongersnood, geroepen is, alsof hij lol zijn' dienst bereid was om zijn' toorn uil te voeren Dit leert ons dal hongersnood en pestilentie en de andere geesels van God niet bij geval komen , maar dat zij door de hand Gods heengezonden worden waar het Hem goeddunkt, en dal zij zijn welbehagen doen. Dan volgt de wijze waarop de hongersnood geroepen werd , nl. door dat God den staf des broods heeft gebroken. Nu is die figuurlijke uitdrukking staf zeer juist en gepast, omdat aan het brood de kracht en eigenschap is gegeven, dat hel den mensch versterkt door eene verborgene kracht, die ons onder-sleunt Terwijl het dus Gode behaagt ons door dit middel Ie voeden, is er om zoo te zeggen een staf in verborgen. Nu wordt deze staf op tweeërlei wijze gebroken; ten eerste, als God ons den oveivloed van tarwe onthoudt, zoodal wij niet hebben om ons mede te voeden (en in dien zin schijnt genomen te moeten worden wat wij in Ezechiël 4 : 10 vinden: Ik zal den staf des broods breken in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten; en het water met vreeze drinken, nl. uil vreeze dal zij zullen bezwijken); ten tweede, als God blaast
31*
Psalm 105 : 16â17.
op liel brood, zoodal hel den honger niel still; maar dal zij, die er zicli mede willen verzadigen, nog hongerig hlijven terwijl zij elen. En gewis, deze t weede wijze gaat gewoonlijk gepaard mei de onvruchlhaarheid des lands, wanneer God hel versterkende bestanddeel nil het brood wegneemt, want, gelijk in Deut 8:3 â¢gezegd wordt, hel brood kan geen leven geven nil zich zeiven, maar hel onlvangl zijne innerlijke kracht uit den mond Gods.
17. Ilii heeft een man voor hun aangezicht henengezonden. Deze geheele schririnurplaals toont duidelijk aan hoe alles wal met dit volk gebeurd is door Gods hand en raad geleid werd. Hij had eenvoudig kunnen zeggen, dat de hongersnood heelt geheerschl toen Jozel door zijne broeders verkocht en naar Egyple gevoerd werd; maar de Profeel spreekt mei groole krachl, en zegt. dal Jozef door den raad Gods naar Egyple voor hen henen gezonden werd, opdal hij het huis zijns vaders zou onderhouden; daarna dal de hongersnood geroepen werd, cn dal toen door Gods voorzienigheid, legen alle hoop in, een reddingsmiddel werd beschikt. Hoewel dil nu in hel algemeen in alle menschelijke zaken waar is, vermeldt, de Proleet hier de bijzondere zoigegt; die God gehad heefl in hel bestuur en onderhoud zijner Kerk, en hij verhaalt in de tweede plaals heigeen naar tijdsorde hel eerste is. Daarom zal voor dit werkwoord Zenden de meer dan volmaakt verleden tijd de zin beter doen verslaan, in dier voege, dal God, vóór dal Hij hel land Kanaün met hongeisnood had bezocht, voor zijn' dienstknecht Jakob met zijn gezin reeds en redmiddel daartegen had bereid; want Hij had Jozef vooruil gezonden als hofmeester om hen van spijze le voorzien. Nu noemt hij als hol ware twee tegenover gestelde zaken, waarin Gods voorzienigheid zoo veel te duidelijker zou uitblinken. Immers, hoe weid Jozef door God gezonden? Toen hij ten doode was gedoemd, is hel geschied, dat zijne broeders hem toch nog liever als slaaf verkochten dan hem in den put te laten. Beschouwt men nu dien verkoop op zich zeiven, dan is zij als eene wolk, die de voorzienigheid Gods verduistert en verbergt. Want toen men overeen was gekomen hem le vermoorden, wie zou toen hebben durven hopen, dat hij de voedstervader van hel huis zijns vaders zou worden? Daarna had men een' minder wreeden dood voor hem uilgedachl; maar hoe zou hij, in den pul geworpen zijnde, anderen hebben kunnen helpen ol bijslaan? De eenige hoop, die restte, bestond hierin, dal hij, als slaal verkocht zijnde, ten minste uit den pul was bevrijd. Doen zie, toen heeft er slechts weinig aan ontbroken, of hij zou zijn leven
m
Psalm 100 : 17-18.
in den kerker hebben moeien wegkwijnen. Wie zou nu gedacht hebben, dat al die ingewikkelde werkingen en lange omwegen door Gods voorzienigheid bestuurd en beheerscht werden? Daarom beantwoordt de Proleet reeds deze inoeieüjkheid en zegt, dat iiij met betrekking lot de menschen, verkocht was, maar dat hel evenwel Gods voorzienigheid was, die hem had gezonden. Deze schriftuurplaats is zeer opmerkelijk, omdat de voorzienigheid Gods er uitnemend in wordt gehandhaafd tegenover de verdorvene stompzinnigheid van ons vleeseh. Want, daar wij óf blijven stilstaan bij de middelen, die wij voor onze oogen zien, of alles wat er geschiedt toeschrijven aan de raadslagen der menschen, óf wanen, dat alles maar bij toeval plaals heeft, is er niemand die met zijne gedachten tot God komt. Maar dit verkoopen van Jozef wordt ons hier geenszins getoond als een sluier, die de voorzienigheid Gods bedekt, maar veeleer als een zeer leerrijk teeken, hetwelk ons aantoont, dat wanneer de menschen dit of dal ondernomen hebben, de uilkomst er van toch altijd in Gods handen is, of veeleer, dat Hij door eene verborgene aandrift de harten der menschen neigt, zoodal zij, zonder het te welen of te willen de instrumenten zijn, waardoor Hij ten uitvoer brengt hetgeen Hij heeft besloten Zoo heeft ook Jozef lol zijne broederen gezegd: Gij zijt hel niet, die mij hebt verkocht, maar God heeft mij voor u henengezonden, opdat ik u tol vader zou zijn. (Genesis 45 ; 5), Evenwel, God bestuurt door een' verborgen teugel de menschelijke zaken, en door hunne verkeerde raadslagen brengt Hij zijne rechtvaardige doeleinden lot stand, maar daarbij worden zijne oordeelen nooit door de verdorvenheid der menschen bevlekt. De broeders van Jozef hebben boosaardiglijk saamgespannen om hem te dooden; zij hebben hem onrecht-vaardiglijk als slaal verkocht, die schuld blijlt op hen ruslen. Door middel van hen voorziet God in de behoeften, zoowel van henzelven als van hun' vader Jakob en van geheel de Kerk. Zijn heilig raadsbesluit wordt volstrekt niet verontreinigd of bevlekt door de boosheid van hen, die gansch wat anders bedoelden, gelijk deze zelfde Jozef later getuigd heeft: Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft hel ten goede gekeerd, (Genesis 50 : 2(1).
'18. Men drukte zijne voeten in den stok. Niet zonder reden vervolgt hij het verhaal van die duistere leidingen, die de gedachten der menschen zoo zeer in verwarring konden brengen, dat zij op den raad Gods geen acht sloegen. Want, was er iels minder redelijk dan te gelooven dal God door zoo strijdige
585
rsAi.M 1(15 : 18â10.
iniildelen en langs zoo vele omwegen lol hel door Hem voor-geslelde doel zou willen komen? Maar nadat Gods voorzienigheid alle hinderpalen was le boven gekomen, heeil hij zich heler doen kennen dan wanneer zij de zaak op gemakkelijker en sneller wijze len einde had gehrachl. Indien Jozef terstond na zijne aankomst lot den Koning ware gebracht, en onmiddelijk lot regent over Egypte ware aangesteld, dan zou het gemakkelijk genoeg geweest zijn om tot het tweede punl le komen; maar als hij, in de gevangenis zijnde geworpen, buiten den omgang leeft met de menschen, als iemand, die al hall dood is, en als hij lang daarna legen alle hoop en verwachting in, den koning bekend wordt, dan treedt door deze plotselinge verandering liet wonder nog veel sterker in hel licht. De omweg dus, waarvan de Profeet verhaalt, dient grootelijks om de geheele zaak goed te doen begrijpen, .lozef was al tienmalen gestorven eer hij verkocht werd, waaruit volgt, dat God even zoo vele malen gezorgd heefl voor de Kerk door haren vader te verlossen en te bewaren. Als hij, nadat hij naar Egypte was heengevoerd van de eene hand in de andere komt, totdat hij in een ander graf nederdaalde, ziel men daar dan niet duidelijk in, dat God, als Hij in den hemel schijnt te slapen, juist dan over zijne dienstknechten waakt, en dat Hij door deze omwegen sneller zijn doel bereikt, dan wanneer Hij den (in ons oog) rechten weg had gevolgd, ja, en zelfs een' versnelden pas daarbij had aangenomen? Daarom zegt de Profeet, Dat zijne voeten in den stok zijn gedrukt; waarvan hij, hoewel Mozes hel ons niel mededeelt, spreekt als van iets dat van algemeene bekendheid was. En voorzeker zijn aan de Joden vele zaken als van mond lol mond overgeleverd, waarvan in de Schrift geen gewag is gemaakt, en hel is wel waarschijnlijk dal hij bij den aanvang geene zachte gevangenschap ondervond, maar met wreedheid werd behandeld. Hetzij wij nu lezen, dal zijne ziel in het ijzer kwam, of dat het ijzer doordrong tot zijne ziel, de zin blijft gelijk, le weten, dal deze heilige zóó in boeien was geklonken, dal het was alsol zijn leven als aan het ijzer verbonden was, waaruit volgt, dal er van hem niel méér leven was te hopen dan van een lijk.
19. Tot den tijd toe dat zijn woord is gekomen. De Proleet leert hier, dat God, hoewel Hij volgens het oordeel van hel vleesch, le lang toeft, toch voor alle dingen hel opperbestuur in handen heelt, zoodal Hij ter bestemder tijd en plaats het doel, dat Hij zich heeft voorgesteld, tot stand brengt. Ongetwijfeld moet hier door zijn Woord niet de leer, maar een hemelsch
'lt;80
Psalm 105 : 19.
raadsbesluit verslaan worden. En hoewel nu liel voornaamwoord zijn zoowel van God als van Jozef verslaan kan worden, geef ik er locli de voorkeur aan om hel van Jozef le verslaan, le weten: totdat het bekend was, hoe het nu verder met hem gaan zou hetgeen nu nog in den raad Gods was verborgen. Men moet steeds voor oogen houden, dal de Profeet de gedachen der menscben aftrekt van hel Heidensche denkbeeld, dat de menschelijke zaken door een blind noodlot worden bestuurd. Want, terwijl Jozef ten doode gedoemd scheen, was er niets, dal in hachelijker toestand verkeerde dan de Kerke Gods, en daarom wijst de Profeet ons wederom op hel verborgen raadsbesluit Gods, waarvan de openbaring nu nog niet geschieden moest, daar de geschikte en bestemde lijd er voor nog niet was aangebroken. In dezen zin versta ik ook hetgeen volgt: Eet woord Gods heeft hem op de proef gesteld, ol onderzocht, want hel schijnt mij al te spitsvondig om liet van de Profetie te verstaan. Want, voorwaar, totdat een gelukkiger uitkomst (van zijne beproevingen) gekomen is, die God nu nog voor hem verborgen hield, is hel geduld van Jozef wel op eene zware proef gesteld. En hetgeen wereld-lingen, die niet verslaan, dal God de menschelijke zaken regelt en bestuurt, hel noodlot, ol het toeval noemen, wordt door den Profeet met eene veel juistere benaming aangeduid, als hij zegt, dal het het Woord Gods is, en hetgeen Hij voor een iegelijk verordineerd heeft. En het behaagt mij zeer, dat de Franschen dit m hunne taal (Goddelijke bestemming of beschikking)
noemen. Als de Stoïcijnen over hel noodlot redetwisten, of liever beuzelpraat snappen, dan wikkelen zij niet slechts zich zeiven en de zaak in een warnet, maar ook hel ware beginsel, want door zich, ik weel niet wal, voor aaneenschakeling van zaken en oorzaken voor te stellen, ontnemen zij aan God hel bestuur der wereld. Dit is een boos en goddeloos verzinsel om de zaken op zulk eene wijze aan elkander le verbinden, dat God zelf er mede aan geketend wordt. Ons geloof behoort dus op te klimmen tot aan den verborgen raad Gods, waardoor Hij alle dingen vrijelijk leidt tol het bestemde doel. Intusschen leert ons deze Schriftuurplaats dat God eene grens stelt aan de beproevingen der godvruchligen, nl. totdat zij wèl doorlouterd zijn.
20. De Koning zond en deed hem ontslaan, de heerscher der volken, ook liet deze hem ontbinden. 21. Hij stelde hem aan tot heer over zijn huis, en
487
Psalm 1Ã5 : 20â23,
tot een heervscher over al zijne goederen. 22. Om zijne vorsten te binden naar zijn lust, en om zijne oudsten te leeren wijs te zijn. 23. Toen kwam Israël in Egypte, en Jakob werd een vreemdeling in het land van (Jham. 24. En Hij deed zijn volk zeer wassen, en vermenigvuldigde het meer dan hunne verdrukkers.
20. Tgt;e Koning zond. Hij gebruikt heerlijke woorden om Jozefs verlossing le verhalen; omdal in zoo ongelooflijk eene zaak de kracht Gods zeer bijzonder heelt uitgeblonken. Want, wat ziet men minder gebeuren dan dat een zeer machtig Koning een' vreemdeling uit de gevangenis haalt, om hem macht en heerschappij le geven over geheel zijn koninkrijk, en beveelt dal deze na hem, de voornaamste persoon des lands zou wezen ? Hetgeen hij hier zegt: Om de vorsten te hinden wordt gemeenlijk zoo uitgelegd, dat aan Jozel de oppermacht werd gegeven, zoodat hij, al naar het hem behaagde, zelfs de aanzienlijksten in de gevangenis kon werpen. Anderen, die dit een weinig hard vinden, leiden het werkwoord leësór, dat Mozes gebruikt heeft, af van het werkwoord jasar, dat onderwijzen beteekent, door de letter Jod met de letter Aleph te verwisselen Maar hel verwondert mij, dal noch dezen, noch genen, acht hebben gegeven op de metaphoor in dit werkwoord, te weten, dat Jozef de grootsten des rijks naar welgevallen aan zich verbonden hield, of wel hen aan zijn gezag onderwierp. Er is hier geene sprake van banden maar van eene verplichting of van den band der gehoorzaamheid, toen zoowel de vorsten als de overigen des volks afhankelijk waren van Jozefs wil en welbehagen. Kn als hij er een weinig later bijvoegt: Om aan zijne oudsten te leeren wijs te zijn, loont hij hiermede, dat Jozef niet op lyrannische wijze geheerscht heeft, daar hel eene moeielijke zaak is, en die wel zeer zeldzaam voorkomt, dat zij, die de macht in handen hebben, er geen misbruik van maken, door aan hunne eigene lusten en harlslochten loc le geven, maar dat hij aan de grootsten een voorbeeld was van wijsheid en gematigdheid.
23. Toen kwam Issaël in Egypte. Hij verhaalt niel do geheele geschiedenis, en dal was ook niet noodig. Hij stelt hun sleclils de voorzienigheid Gods voor oogen, heigeen nauwelijks een van de honderd, die lezen wat Mozes geschreven heefl, behoorlijk overweegt. Hij zegt dus, dal nadal Jozef vooruil was gezonden naar
488
Psalm 105 : *3âlt;24.
Egypte, len einde aldaar eene woning le bereiden voor zijnquot; vadei en gelieel zijn gezin, ook Jakob is gekomen; le welen, dat de zaken op wonderbare wijze geschikt en geregeld werden, zoodat liij le midden van liet hoogharligsle volk der wereld overvloed van spijze vond, terwijl alle andore mensclien hongersnood leden. Hieruit blijkt, dat, hetgeen wij denken een toeven le zijn van God, slechts ten doel heeft den geschiklen lijd Ie verbeiden om zijn werk tot stand le brengen.
54. En IliJ deed zijn volk zeer wassen. Thans wordt de bijzondere gunst van God jegens zijne Kerk geprezen in nog eene andere omstandigheid, nl dat dit volk in weinig tijds in huilengewone male was toegenomen, en dit was wel een zeer bijzondere zegen. En daarom is hel geblaf van sommige honden zooveel te meer hinderlijk, als zij spotten met de vei menigvuldiging van het volk, die ons door Mozes wordt verhaald, omdat zij boven de gewone orde der natuur is. Indien hel volk op de gewone wijze toegenomen was, dan zouden zij gezegd hebben, dat zij daar geen werk van God in konden zien, en zoo is dan hel eenige wal zij met hunne vitterijen bedoelen den zegen Gods weg te redeneeren. Maar laten wij, die weten, dal hel ons niet vrij staal de macht Gods af te meten naar ons begrip, of naar hetgeen wij met onze zinnen kunnen waarnemen, of naar den gewonen loop der naluur, dit, buitengewone werk Gods vol eerbied bewonderen. Hetgeen nu volgt is een weinig duister, vooral als wij de lezing volgen: Hel volk is versterkt geworden. Want de Profeet schijnt dit niet te bedoelen van den tijd, toen de Israelieten rust en voorspoed hadden, maar toen zij gekweld werden, en als ellendige slaven met de grootste minachting behandeld werden. Wij kunnen dit echter nemen in anli-cipeerenden zin, alsof hij sprak van iets dat geschieden zou, want in het volgende vers, zegt de Profeet, dat de Egyplenaren hun hart omkeerden, dal, is, dal zij van zin en neiging veranderden, zoodal zij de Israëlieten met wreedheid begonnen te behandelen. Hoewel de Egyplenaren hunne wreedheid jegens het volk nog niet openlijk aan den dag legden, toen zij in kracht en aantal toenamen, noemt de Profeet hen desniettemin verdrukkers; en schoon hel volkomen zeker is dal het volk, ook toen hel op slaalsche wijze verdrukt was, de schrik en angst zijner vijanden is geweest. En Mozes verklaart ook zeer slellig, dat toen zij onder de tyrannic hunner overheerschers gezuchl hebben, de zegen Gods ten duidelijkste over hen gebleken is. (Exodus 1 : 12).
Psalm 105 : 25.
25. Hij veranderde hun hart., zoodat zij zijn volk haatten, en met zijne knechten listiglijk handelden. 26. Hij zond Mozes, zijn' knecht, en Ailron, dien Hij verkoren had. 27. Zij brachten hun de woorden zijner teekenen, en de wonderen in het land van Cham, 28. Hij zond duisternis, en maakte het donker; en zij waren zijn woord niet wederspannig. 29. Hij heeft hunne wateren in bloed verkeerd, en Hij heeft hunne visschen gedood. 30. Hun land bracht vorschen voort, tot in de binnenste kameren hunner Koningen.
25. Hij veranderde him hart, zoodat zij zijn volk haatten. Dat de E^yplenaicn van vriendelijke, menscldievende gasllieeren in vvreede vijanden zijn verkeerd, schrijft de Profeet eveneens toe aan den raad Gods. Voorzeker zijn zij door hunne eigene booze gezindheid, hun' hoogmoed en hunne gierigheid hiertoe gedreven geworden, maar dit ging toch niet om buiten de voorzienigheid van God, die op eene voor ons onbegrijpelijke wijze zijn werk in de verworpenen volbrengt, zoodat Hij licht uil de duisternis doet geboren worden. Daar deze manier van spreken aan sommigen nu wel wat hard voorkomt, vertalen zij hel in lijdenden vorm. Het hart der Egyplenaren is veranderd geworden. Maar dit voegl niet in den samenhang van den tekst, cn is ook te flauw en onbeduidend. Want wij zien, dal het de bedoeling is van den Profeet om welbewust en opzettelijk liet gansche bestuur der Kerk in Gods handen te stellen, zoodat er niets geschiedt zonder zijn' wil. Indien nu sommiger overgevoelige ooren dit niet verdragen kunnen, zoo verklaart de Heilige Geest ook aan andere plaatsen zeer beslist, dat hel hart der mensclien door de verborgene aandrift, die God er in gelegd heeft, ginds en her wordt bewogen, zoodal zij niets willen, en nietsdoen, zonder zijn' wil (Spreuken 21 : 1). Maar hoe onzinnig is het, niets te willen aannemen of gelooven dan hetgeen bestaanbaar schijnt met de menschelijke reder Welk gezag zal het Woord Gods hebben, als hel niet anders geloofd wordt, dan wanneer het ons behaagt? Zij, die deze leer verwerpen, omdat zij niet zeer aangenaam is voor het menschelijk verstand, zijn opgeblazen dooi- eene booze verwaandheid. Anderen verdraaien dit boos-aardiglijk, niet door onwetendheid of door vergissing, maar
WO
Psalm 105 : 25.
491
allecn omdat zij beroering willen teweegbrengen in de Kerk, of ons bij de onwetenden in een hatelijk daglicht willen stellen. Er zijn anderen, die al Ie vreesachtig en bedeesd zijn, en die, om maar vrede te houden, deze leer wel zouden willen begraven, en die dus al zeer slechte bemiddelaars zijn. Want wij zien dat dit de oorzaak is geweest, waarom voormaals do geleerden inde Kerk de zuivere en natuurlijke leer van het Evangelie hebben verlaten, en zich lol de lleidensche philosophie hebben begeven. Want van waar zijn de vrije wil, en de rechtvaardigheid door de werken gekomen, indien niet daarvan, dat deze goede vaderen bevreesd waren om aan kwaadsprekende en kwaadwillige menschen eenige vrijheid te geven, als zij met volle vrijmoedigheid beleden wat in de Schriften vervat is? En zoo God Augustinus niet als het ware mei eene sterke hand terug had gehouden, zou hij volkomen als de anderen geweest zijn. Maar God heeft hem als hel ware met een' hamer gepolijst, en die dwaze voorzichtigheid van hem uitgezuiverd, die zich verheft tegen den Heiligen Geesl. Wij zien hier hetgeen de Heilige Geest getuigd heefl, nl. dal de Egyplenaren zóó slechl waren, dat God hun hart heelt omgekeerd om zijn volk Ie haten. De mannen van den middelweg trachten aan de moeielijkheid te ontkomen door te zeggen, dat Hij hun hart geneigd heeft, omdat Hij hun heeft toegelaten (te doen wat zij deden), of wel, dat Hij, toen de Egyplenaars hun hart aan zoodanigen haal hebben overgeven. Hij als bij toeval daarvan gebruik heefl gemaakt. Alsof de Heilige Geesl de taal niet machtig was, zoodal Hij hel eene voor het andere gezegd heell! Indien op den eersten aanblik ons dit vreemd toescliijnl, zoo laai ons welen, dal het niet zonder reden is, dal de oor-deelen Gods ondoorzoekelijk en een diepe afgrond genoemd worden (Hom. 11 : 'W; Psalm 3(5:7). Want indien ons versland niet zeer voire beneden derzelver hoogte bleef, dan zou er ook niets duisters of ingewikkelds in zijn. Intusschen moei men wel verslaan, dal de wortel van hel kwaad in de Egyplenaren is geweest, zoodal de schuld er van niet op God overgedragen kan worden. Ik zeg, dal zij inwendig en uit eigene beweging boos waren, en dat zij niet door anderen hiertoe gedreven of gedrongen waren. En wal God belrefl, zijn wil alleen moet ons genoeg zijn, al zijn zijne redenen ons ook onbekend. Maar ook de oorzaak blijkt, lii is genoeg om zijne gerechtigheid tegenover elke lastering te handhaven. Indien wij nu slechls dezen grondregel leeren, dal wij ons met eerbied en ootmoed hebben le onderwerpen aan het Woord Gods, zullen wij ook ongetwijfeld de verborgenheden gaarne aannemen, waaraan de
Psalm 1U5 ; u25âJ2ü.
hoogmoedigen, en zij, die al le voorzichtig willen wezen, zich ergeren. Daarna geeil de Profeet de manier te kennen , waarop zij hun kwaad deden. Want de Egyptenaren hebben het volk üods niet openlijk aangevallen; zij liebben getracht hen langzamerhand en trapsgewijze door list en staatkunde le onderdrukken ; en de Profeet heeft hel gezegde, waarvan liij zich bedient, van Mozes zeiven overgenomen. En dit is voornamelijk daarom gezegd, opdat wij niet zouden denken, dal de boozen zoo maar gerust en vrij hel kwaad kunnen ten uitvoer brengen, dat zij ons willen veroorzaken. Het moet ons genoeg zijn te weten, dal icat de duivel en de boozen ook legen ons beramen. God toch hunne ondernemingen tegenhoudt. Maar het is eene dubbele bevestiging van ons geloof, als wij hooren, dal niet slechts hunne handen gebonden zijn, maar ook hun liart en hunne gedachten, zoodat zij niets kunnen doen dan voor zoo ver het Gode behaagt.
26. Hij heeft Mozes gezonden. Uier maakt de Profeet kortelijk melding van de merkwaardige dingen met betrekking lol de verlossing des volks. Indien de Egyptenaren het volk gewillig hadden toegestaan le vertrekken, d;in zou God Mozes niet hebben behoeven le zenden, en Hij zou ook geene wonderen hebben behoeven le doen. God heeft dus deze verlossing op zulk eene wijze beschikt, dal men niet kan ontkennen, dat Hij er de Pewerker van is geweest, liet is in dien zin, dat hij Mozes den knecht Gods noemt, opdat wij zouden weten, dat bij zich niet zeiven opgeworpen heeft, noch iels beproefd heelt te doen op eigen gezag, maar dal hij als dienstknecht Gods len uitvoer heeft gebracht wat hem was bevolen. Dit drukt hij nog duidelijker uit ten opzichte van Aiiron, als hij zegt dal hij (Aaron) verkoren was. Hetgeen nu aan een iegelijk hunner in hel bijzonder toegeschreven wordt, behoort ook aan beiden, daarom behoort deze zin aldus verklaard te worden: dat God Mozes en Aaron, zijne knechten, heeft gezonden, niet omdat zij in zich zeiven daartoe geschikt waren, of omdat zij vrijwillig hunne diensten hadden aangeboden ; maar omdat Hij hen daartoe had verkoren. Deze Schriftuurplaats leert ons ook, dat allen, die arbeiden ten behoeve der Kerk, niet door hunne eigene kracht daartoe worden bereid, of door hunne eigene talenten er voor bekwaam gemaakt zijn, maar dal zij door God worden verwekt. Mozes was een man van heldhaftige deugd, maar als men hem in en op zich zeiven beschouwt, is hij niets. En daarom wil de Profeet, dat al hel gedenkwaardige dal van hem en van Aiiron verhaald wordt, aan God alleen zal worden toegeschreven; en
492
Psalm 105 : 26-30.
zoo staat liet dan vast, dat alles wat de mensclien doen lot lieil en welzijn der Kerk, eene vrije gave Gods is.
i.1. Zij brachten hun de woorden. In de eerste plaats roert, de Proleet hier even aan wat Mozes uitvoeriger verhaalt en me! meer woorden. Daarbij neemt hij niet de volgorde der geschiedenis in acht, want hij vergenoegt zich aan te toonen, dat de verlossing der Kerk een werk Gods is geweest. En wederom onderscheidt hij tusschen de macht van God en het dienstwerk van Mozes en Aiiron. Want hij zegt, dat zij wonderen gedaan hebben, maar die wonderen kwamen voort uil God, zoodal de hemelsche kracht door hunne banden werd tentoongespreid. Daarna noemt hij er een van, dat nochtans niet hel eerste was naar volgorde, maar waaruit gemakkelijk is al' te leiden, dat God de Werker der verlossing geweest is, en waarin geheel de orde der natuur veranderd is; omdat er niets ontzettenders was, dan dat hel ruht in duisternis werd verkeerd. In het tweede lid roemt hij hel geloof van Mozes en Aiiron, daar zij hetgeen God hun heelt geboden, ijverig hebben volbracht, also! bij zeide, dat er eene goede harmonie bestond tusschen het gebod Gods, en de gehoorzaamheid van beide zijne dienstknechten.
29. Hy heefl hunne wateren in bloed verkeerd. Hoe schrikkelijk deze plaag voor de Egyptenaren geweest moet zijn, kunnen wij nagaan als wij bedenken dat bet water een der twee elementen des levens is. Nu is de macht van God hierin duidelijk tentoongespreid, want, hoewel deze landstreek overvloedig door water bespro3id wordt, zijn de Egyptenaren toch bijna omgekomen van dorst. Hij zegt daarna, dal het land vorschen heeft voortgebracht , die tot in de binnenste hameren der Koningen kwamen, waardoor God duidelijk heelt verklaard, dal Hij de Werker was van dit wonder. Want, hoewel geheel Egypte wemelde van kikvorschen, moeten toch de buizen der koningen er vrij van geweest zijn. Nu duidt hij bier onder den naam Koningen öl de aanzienlijksten des lands aan, ol wel de zonen des Konings, die opgevoed werden met hel uitzicht op de kroon, want wij weten, dat Egypte toenmaals slechts door één Koning werd geregeerd. Laat ons hieruit leeren hoe gemakkelijk en als door eene soort van bespotting God diegenen vernedert, die in het vleesch roemen. Want Hij heeft geen leger op de been gebracht om tegen de Egyptenaren te strijden; Hij heeft ook niet terstond de Engelen gewapend, ol van den hemel gedonderd; neen! Hij heeft de kikvorschen doen uitgaan, om den hoogmoed dezes
m
Psalm 105 : o0â3J2.
volks neder te werpen, dal, zoouls wij weten, op de geheele wereld met minachting nederzag. Hel zou eene groole eer voor lien geweest zijn, om tegenover sterke, machtige vijanden liet onderspit te delven, maar hoe smadelijk om door kikvorschen te worden overwonnen! Maar God heelt hierdoor willen toonen, dal Hij geen groot leger van noode lieel'l om de boozen te verdoen, omdat Hij, wanneer hel Hem behaagt, dit als hel ware spelenderwijs kan doen.
31. Hij sprak, en er kwam eene vermenging van vliegen, en luizen in al hunne landstreken. 32. Hij gaf hun hagel voor regen, en brandend vuur in hun land. 33. En Hij sloeg hunne wijngaarden en hunne vijgeboomen, en Hij brak allen boom in hunne landpalen, 34. Hij sprak, en de sprinkhaan kwam en de rups, zonder getal. 35. En verslonden al bet gras in hun land, en vernielden de vruchten van hun' grond. 36. En Hij sloeg alle eerstgeborenen in hun land, en het begin hunner kracht. 37. En Hij deed hen uitgaan met goud en zilver, en onder zijne stammen was er niet een, die zwak was. 38. Egypte was blijde over bun' uittocht, omdat hunne vreeze op hen gevallen was.
31. Hij spruk en er kwam. Door hel woord Spreken geeft Hij te kennen dal de vliegen en luizen niet maar bij geval gekomen zijn. Wij welen, dal tilt woord uilgesproken is door den mond van Mozes; want hoewel God machtig was te gebieden, heel! Hij zich toch van Mozes bediend als van een heraut, hn God heeft niel minder kracht gelegd in zijn Woord, nu Hij liet door een' mensch liet uitspreken, dan wanneer Hij zelf hel met. eene donderstem van den hemel had gesproken. Want als de Dienaar niets van uil zich zeiven spreekt, maar Gods werktuig zijnde, getrouwelijk zijn ambt waarneemt, dan zal de innerlijke kracht des Heiligen Geestes zich paren met zijn uitwendig Woord. Ook hier moeten wij wederom opmerken, dat de Kgyptenaren aan vliegen en luizen werden onderworpen, opdat God met des
m
Psalm 105 : 32â37.
le grooler versmaadheid Imnnc weerspannigheid zou breken. Als de Profeet zegl: Hij heeft hun hagel voor recjen geyeven, 'iij een zoo heftigen liagel aan, dal men hein niel als bloot natuurlijk kon beschouwen. Het is ook waarschijnlijk dat Egypte aan dit ongemak minder onderhevig is dan andere landen, ja meer, het regent er niet dikwijls, maar het land wordt door de overslroomingen van den Nijl bewaterd. Daarom kwam het den Egyptenaren zoo veel le meer vreemd voor, dat hun land met hagel word geslagen. God deed bel ook vergezeld gaan van vuur, opdat het (verschijnsel) des le schrikbarender zou zijn. De hagel ging dus gepaaid met een' slormachtigen dwarlwind , opdat de Egyptenaren, die zich tegen de andere wonderen hadden verhard, desniettemin verbaasd en verschrikt zijnde, zouden bemerken, dat zij met God te doen hadden.
34. De sprinkhaan kwam. Deze veldramp kon niel aan hel toeval worden toegeschreven, want de sprinkhanen zijn in tallooze zwermen plotseling opgekomen, zoodat zij geheel Egypleland bedekten. Maar hel wonder was zeer merkwaardig dooi' het Woord, want daar hij hel voorzegd had, werd alle twijfel bieromlrent weggenomen. Daarom zegt de Profeet uitdrukkelijk dat de rupsen en sprinkhanen op Guds bevels'yn gekovien, evenals krijgslieden, die zich haasten tot den strijd, zoodia het teeken wordt gegeven. Nu is hel wel waar, dat dit ongedierte, als bel ons schaadt en de vruchten der aaide verderft, altijd een geesel Gods. is, maar de Profeet beeft hier een buitengewoon werk van God willen aanduiden. Eindelijk verhaalt de Profeet het laalste wonder, dat door den Engel verricht werd door alle eerstgeborenen te dooden. Ik zal bij het verhaal van dit feil, evenmin als bij dat der vorigen, lang stilstaan, deels omdat zij elders reeds uitvoerig verklaard zijn, en deels ook omdat hel nu vol-slaat de bedoeling des Profeten le kennen. Evenwel, hij legt op deze krachlsbelooning van God meer nadruk door herhaling, als hij zegt, dal de eerstgeborenen en de bloem hunner kracht gebroken tras. Anderen vertalen hel slecht als zij zeggen: Hel begin hunner smart. Want, omdat de kracht van den mensch zich toonl in de voorlteling, noemen de Hebreen de eerslgeborenen hel begin der kracht, gelijk wij bij Genisis 49 :3 hebben gezegd.
37. En hij deed hen uitgaan. Nu looft hij van den anderen kanl Gods genade, die hel uiverkoren volk voor al deze plagen heeft bewaard. Indien dezen, zoowel als genen, onder deze plagen geleden hadden, dan zou de hand Gods niel zoo duidelijk
495
Psalm 105 : ^7â5(S'.
zichtbaar zijn geweest. Thans, nu zij van al ileze rampen geen hel minste letsel hadden ondervonden, wordt ons door dit onderscheid als door eene schilderij de vaderlijke zorge Gods over de zijnen voor oo^en gesteld. Om dezellde reden zegt hij, dut niemand onder hen zwak was, of struikelde, want het werkwoord cOshtl beteekent zoowel het een als liet ander. Ik geel' er echter de voorkeur aan, den zin altlus te verstaan: Toen Egypte zijn' ondergang te gemoel ging, was liet volk van God krachtig en vrij van alle krankheid. Als hij zegt : Hij deed hen uiljaan en daarna: hi zijne stammen, zien wij eene wisseling van getal die in hel llebreeuwsch dikwijls voorkomt. Want, dal sommigen dit aan God willen loeschrijven, is, vrees ik, al Ie gezocht.
3S. Egypte was blijde, ilier loont hij de macht Gods nog door eene andere omslandigheid, te welen, dal de Kgjplenaien hel uilverkorer. volk gaarne Helen uillrekken, hoewel zij niels minder dun dit hadden bedoeld. Want, daai zij hen wel ^aaiiie honderd maal vernietigd wilden zien, dachten zij loch ook in eene netelige omstandigheid ie zijn, daarom heelt de vreeze voor wraak hen nog vaster doen besluiten om zelfs de gedachtenis dezes volks uit Ie roeien. Hieruit volgt, dat het een verborgen werk van Gods voorzienigheid was, dat zij zoo plotseling van zin veranderden. Dat is ook de slrekking van heigeen hij zegt in het volgende vers, nl. dat zij uitgingen met goud en zilver. Want nooit zouden de Egyplenaren er loe zijn kunnen komen zich zalven vrijwillig Ie berooven, om diegenen te verrijken, die zij zoo gaarne van het leven hadden willen berooven. I»il was dus de milddadigheid van God, die alle de schatten der wereld in zijne band en Ier zijner beschikking heelt. Hoewel Hij nu met geweld aan de Egyplenaren had kunnen onlnemen, wat Hij hun had gegeven, neigt Hij loch hun hart zoodat zij zich vrijwillig beroofden Omdat hunne vreeze op hen'gevallen was. Dit wordt in lijdenden zin genomen. Want de kinderen Israels vreesden de Egyplenaren niet, integendeel, zij deden hen vreezen; zij verschrikten hen. En de Proleet spreekt van geene gewone vreeze, want een weinig Ie voren had de vreeze hen tot wreedheid en lyrannie geprikkeld ; maar dewijl zij lot aan dien d.ig met onbedwingbaren hoogmoed gepoogd hadden alle vreeze van zich te werpen, heeft God hen nu plolseling nedergeworpen. Daarom is hel niet zonder reden, dat de Profeet onder de krachten Gods vermeldt, dal Hij de woede had verbroken, waarvan de Egyplenaren Ie voren vervuld waren, zoodal zij diegenen vrij uil lieten trekken, die zij door slaafscben arbeid hadden Ie gronde
Psalm 105 : 38â40.
willen lichten, alsof Hij nu de scliapen eene versclirikking liad doen worden voor de wolven.
39. Hij heeft de wolk uitgebreid tot een deksel, en het vuur om den nacht te verlichten. 40. Hij riep en Hij deed kwakkelen komen, en verzadigde hen met brood des hemels. 41. Hy heeft de rots geopend, en de wateren zyn (er uit) gevloeid ; zij gingen door de dorre plaatsen als eene rivier. 42. Omdat Hij gedacht heeft aan zijn heilig Woord, dat Hij gesproken heeft tot Abraham, zijn' knecht. 43. En Hij deed zijn volk uitgaan met blijdschap, en zijne uitverkorenen met gejuich.
39. Ilij heeft de wolk uitgebreid. Hij verhaalt hier zekere wonderen, door welke God zijne genade is blijven beloonen jegens zijn volk in de woestijn. Kn deze opeenvolging is zeer merkwaardig, want liet is geene kleine of geringe bevestiging, die aan bet onbegrijpelijk werk der verlossing toegevoegd is, toen God niet afliet van bun Gids te zijn op den weg. Na den doortocht dus door de Roode Zee heelt Hij des daags de wolk uitgebreid om bel volk tegen de hitte der zon te beschutten; en des nachts licbl Ilij ben voor door eene vuurkolom, opdat ook te midden der duisternis eenig teeken van zijne tegenwoordigheid zou gezien worden. En voorzeker is deze volharding een treffend getuigenis geweest van zijne vaderlijke liefde, alsof God openbaarlijk loonde, dat Ilij de kinderen Abrahams heelt uitverkoren om hen ten einde toe onder zijne bescherming te houden. Hetgeen nu volgt over de kwakkelen verhaalt de Profeet bier mei eene andere bedoeling dan aan eene andere plaats. Want daar wordt bel feil voorzeker als gevolg van den toorn Gods, veeleer dan van zijne goedertierenheid, aangeduid, dat Ilij eene groole hoeveelheid kwakkelen gezonden heelt, opdat hel volk zich zou verzadigen mei vleesch (Psalm 78 : ü29), gelijk wij ook te voren gezien hebben, dal hun dit wordt verweten. Maar thans hunne ondankbaarheid stilzwijgend voorbijgaande, looll de Profeet de voortdurende goedheid, die Hij hun betoond beeft. Tenzij wij bel woord Vragen hier in slechten zin willen nemen, omdal hel volk Gods niet ootmoedig bidt, maai door zijne gulzigheid
Dl. If. '
Psalm 105 ; 40â42.
en begeerlijkheid er loe koml om le murmureeren, of liever met God le twisten. Als wij liet aldus nemen, dan is liet eene uiteenzetting om aan te duiden, dat God (voor een oogenblik) afstand doende van zijn reclit, zelfs aan hunne begeerlijkheid heelt toegegeven. Evenwel, daar de zonde [des volks] hier niet verhaald wordt, zoo laten wij ons houden aan heigeen eenvoudiger is, nl. dat de weldaden Gods, door welke Hij de verlossing heeft bevestigd, welke Hij lol stand heelt gebracht, hier als het ware lot één geheel zijn samengevoegd. Hier volgt nu op, dat zij met hemelsch brood verzadigd zijn; en gelijk wij elders gezien hebben, wordt het Manna met dien eerenaam aangeduid. Want, daar het eeno natuurlijke zaak is, dal de spijzen, die wij nuttigen, ons door de aarde worden voortgebracht, beelt God toch aan de Joden meer openlijk zijne hand toegereikt, ten eir.de hen van uit den hemel te verzadigen. En omdat het nu niet genoeg was, dat zij. die honger hadden, door Hem van spijzen werden voorzien, maar dat Hij hun ook te drinken moest geven, voegt Hij er bij, dal de rots geopend werd, en dal van daar de wateren door dorre plaatsen, of door de woestijn, heen zijn gestroomd.
42 Omdat hij gedacht heeft. Hij toont opnieuw de reden, waarom God zicli zoo goed jegens dit volk beloond heelt, en hen met zoo veel zachtmoedigheid heeft verdragen, te weten, om getrouw t3 zijn aan zijne belolle, omdat Hij dit verbond met Abraham gemaakt heeft, dat Hij de God zijns zaads zou zijn. Nu is het niet zonder reden, dal de Proleten zoo nadrukkelijk hebben geleerd, dat bet vrije verbond de fontein is geweest, waaruit de verlossing is voortgekomen, evenals het voortdurend heil en welzijn des volks. Want op die wijze werd de genade Gods meer bekend, omdat er niets plotseling is geschied, maar God slechts vervulde wat Hij vier honderd jaren le voren had beloofd. God is hun dus voorgegaan met bet licht zijns Woords, opdat zijne genade en waarheid niet in duisternis gehuld zouden zijn. Daarom herbaalt de Proleet, dat God door geene nieuwe omstandigheid gedrongen was om zijn volk le verlossen, maar dat Hij de getrouwheid en wezenlijkheid van zijn verbond heeft willen bewijzen, evenals iemand, die een schat opdellt uit de aarde, waarin bij begraven was. En ongetwijfeld heeft de Proleet ook het gelool zijns volks nog hooger op willen voeren, opdat allen, die daarna komen zouden, er gewisselijk van overtuigd zouden zijn, daar God toen betuigd beelt dal zijn Woord ook voor de toekomende eeuwen vast en onwankelbaar zou zijn, dat Hij voor hen dezelfde zijn zou, die Hij voor de Vaderen geweest
498
Psalm 105 : 42â44.
is. Daarom geeft hij een' eerenaam aan het Woord, hetwelk ook na den dood van Abraham altijd zijne levende kracht is blijven behouden. Want God had wel met Abraham gesproken, maar de kracht des verbonJs is door den dood eens menschen niet te niet gedaan, zoodat God zich immer waar en getrouw heelt betoond jegens zijn nageslacht.
43. Hij deed zyn volk uitgaan. Hier maakt hij melding van de hlydschap en het gejuich ten einde de grootheid dezer weldaad nog meer te verheerlijken. Want hel was geene kleine zaak, dat de Egyptenaren die dooi' zoo schrikkelijke plagen waren geteisterd, zoodal het gansche land vol was van weeklacht en geween, cn er zelfs in ieder huis een doode was, dat dit volk, zeg ik, hetwelk nog zoo kort te voren zuchlle en weende van smart, of liever schier ten doode was overgegeven, nu op eens blijdschap en vroolijkheid aan den dag legde. Door hen de uitverkorenen Gods te noemen geeft hij te kennen dat God hun niet gunstig is geweest van wege hunne eigene verdienste, of om de waardigheid van hun geslacht, maar omdat Ilij hen had aangenomen, opdat er voor den mensch niets zou overblijven om in te roemen, maar zij alleen in God zouden roemen.
44. Toen gaf' Hij hun de landen der Heidenen, zoodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken. 45. Opdat zij zijne inzettingen onderhielden, en zijne Wet bewaarden. Halelujah!
44. En hij heeft hun gegeven. Hij geeft de laatste reden op, waarom üod zoo dikwijls zijne wonderbare macht heeft tentoongespreid in de verlossing zijns volks; waarom Hij niet afgelaten heeft hen te onderhouden en te beschermen in de woestijn; waarom Hij hen in het bezit gesteld heeft van hel land, dat Hij hun had beloofd, nl. opdat zij zich gansch en ;d aan zijn' dienst zouden wijden. En gewis is dit ook het doel onzer uitverkiezing, dal God een volk op aarde wil hebben, dooi' hetwelk Hij aangeroepen en gediend wordt. Ten einde nu de Joden nog meer lol dankbaarheid op te wekken, verheerlijkt bij de grootheid van Gods genade, zeggende, dal zij de landen der Heidenen ver en wijd in bezit hebben, en dal zij Ihans als door erfrecht bezitten, hetgeen vele volken met groole moeite en zwaren arbeid hadden verkregen, want hel meervoud, dal zoowel voor de landen als
32*
/.99
Psalm 105 ; 45.
de volken gebruikt is, doel de weldaad Gods nog Ie meer ail-komen. En voorts geeft liij nu eene korte omschrijving van de wijze van God te verheeilijken, nl. dat zij zijne wet bewaren. Want het zou niet genoeg zijn de genade Gods slechts te roemen met de tong, zoo er niet de blijken van ware godsvrucht in het leven mede gepaard gaan. En dewijl God alle valsche aanbidding verafschuwt, blijft slechts één middel over om Hem goed te dienen, nl. door zijne geboden te onderhouden.
3^SAX.M lOG.
INHOUD: Deze Psalm verschilt van den vorigen, want terwijl dadr aangetoond werd, dat God zich als een goed en milddadig Vader heeft doen kennen voor het volk, dat Hij had uitverkoren, opdat Hij zich in toekomende tijden dienstknechten zou verkrijgen, die Hem in oprechtheid des harten zouden aanbidden en zijn' zuiveren eeredienst zouden bewaren, wordt hier [door den Pofeet] beleden, dat al deze weldaden slecht besteed waren, omdat de Joden altijd het juk Gods van zich afgeworpen hebben, boosaar-aardiglijk misbruik hebben gemaakt van zijne genade, zich met velerlei onreinheid hebben bezoedeld, en zich verraderlijk hebben afgewend van zijn Woord. Toch is dit niet zoo zeer eene bestraffing, of aanklacht, als wel eene belijdenis van zonde, ten einde vergeving te erlangen. Want de Profeet begint met den lof Gods, ten einde zich zeiven en anderen op te wekken tot goede hope. Daarna doet hij eene gelofte, opdat God zijn' zegen aan het geslacht van Abraham zou blijven schenken. En voorts, na beleden te hebben, dat het volk na zoo velerlei opstand en afval onwaardig was, dat God hetzelve nog verder genadig zou zijn, en dat zij Hem van den beginne af door hunne boosheid, ondankbaarheid, hoogmoed, ontrouw en andere ondeugden tot toorn hadden verwekt, vraagt hij desniettemin toch om genade.
Hallelujah! 1. Looft Jehovah, want Hij is goed, en zijne goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid. 2. Wie zal de mogendheden van Jehovah uitspreken,
500
Psalm 106 ; 1-G2.
en al zijn' lof verkondigen? 3. Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden en die te aller tijd gerechtigheid doet. 4. Gedenk mijner, o Jehovah! in het welbehagen uws volks, en bezoek mij met uw heil; 5. Opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen, opdat ik mij verblijde in de blijdschap uws volks; opdat ik mij beroeme met uw erfdeel.
1. Looft Jehovah. De vermaning is hier eenigszins in de plaats van een opsclirill gebruikl; niel also!' de Psalm niels anders bevatte dan dankzegging, of dan lofvermelding van God, maar opdat liet volk uil de weldaden, in vroegere lijden ontvangen, hoop moge pullen op verzoening, en op de genade Gods, hoewel Hij nu in toorn tegen hen is ontstoken. Door aldus den lof Gods te zingen, wil hij doen gedenken aan die dingen, waardoor de smart verzacht zou kunnen worden, die zij gevoelden van wege het leed dal zij ihans hebben te verduren, en hun moed weder zou kunnen opleven, zoodal zij niet lol wanhoop zouden vervallen.
2. Wi'e zal de mogendheden van Jehovah uitspreken ? Dit vers kan op tweeërlei wijze worden verklaard. Want, als wij bet samenvoegen met het vers, dat er onmiddelijk op volgt, dan zal de zin wezen, dat niet allen in slaat of bij machte zijn, om God le loven, omdat de ongodvruchtigen en boozen niets anders doen dan met hun' onreinen mond zijn' heiligen naam le lasteren, gelijk hiervan gesproken wordt in Psalm 50:16. En zoo zal dan op deze vraag dit antwoord worden gegeven: Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden. Ik geloof ccbter dal de bedoeling van den Profeet eene andere geweest is, nl. dat geen sterfelijk mensch, al zou hij ook alle krachten inspannen, om den lof Gods te zingen, voor zoo hoogheerlijk een onderwerp bekwaam is, waarvan de grootheid en majesteit ons overstelpt, hoewel bij nu do mogendheden Gods niet zoo hoog verheft om ons le beletten ze te loven, maar er ons veeleer door opwekt nog moer alle krachten daartoe in te spannen. Want, indien wij bij alle vlijt en inspanning nog alles behalve volmaakt zijn, hoe zouden wij dan hieromtrent aan traagheid kunnen toegeven? Nu is dit wel de beste troost en bemoediging voor ons, als wij weten, dat, zoo wij ook te kort komen in vermogen, de lof, dien wij
5UI
Psalm 106 : g2 â4.
Gode uil een oprecht harl aanbieden, Hem loch weibehageiijk is. Alleenlijk, laat ons niet koud zijn, want hel zou al le ongerijmd wezen, dal zij, die niet lot hel tiende deel kunnen komen, daarom niet zouden pogen om ten minste hel honderste tc bereiken.
3. Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, ik onderscheid dit vers van het vorige, doch mei dien verstande, dat het er eenigszins mede verbonden is. Want nadat de Profeet gezegd beeft, dat de grootheid van Gods mogendheden zoodanig is, dat geene long in slaal is ze naar waarde te loven, voegt bij er nu bij, dat de lof, die slechts uit den mond weerklinkt, Gode niet welgevallig is, tenzij het hart er mede instemt, en, wal meer is, dat er eene harmonie is in geheel hel leven, die er mede overeenstemt. Nu hebben wij hier eene korte omschrijving der ware godsvrucht, als bij in de eerste plaats beveelt het recht te onderhouden, en daarna, dat men gerechtigheid zal doen. Ik twijfel niet of hij bedoelt met hel eerste lid eene oprechte genegenheid des harlen, en dal hij daarna tot de uitwendige werken komt. Wanl wij weten dat rechtvaardig bandelen slechts eene schaduw is, indien men zich niet van ganscher harte toelegt op de rechtschapenheid. Hij eischt ook volharding, opdat niemand denke zijn' plicht gedaan te hebben, als hij niet voortdurend en zonder lusschenpoos rechtvaardiglijk leeft. Want wij zien wel velen, die als een weinigje schuim opwerpen, en anderen eenige teekenen van deugd verloonen, maar zij volharden niet in hun' loop.
4. Gedenk mijner, o Jehovah. Door deze woorden verklaart de Proleet, dal hel zijn grootste wensch is, dal God de liefde tot hem zal uitstrekken, die Hij beloond heeft aan zijne Kerk, opdat bij hierdoor moge deelen in al de zegeningen, die God zijnen uitverkorenen heeft geschonken, en die Hij van dag tot dag vernieuwt. Dit wensebt hij echter niet voor zich zeiven alleen, want hij formuleert een algemeen gebed in naam der geheele Kerk, ten einde door zijn voorbeeld de geloovigen te leeren hetzelfde te begeeren. Gedenk mijner, zegt hij, in het welbehagen uws volks; dat is: Laat de vrije gunst, die het U behaagt uw volk toe te dragen, ook lot mij komen, opdat ik niet van de Kerk afgezonderd zij, maar in het getal der uwen zij begrepen. Want het welbehagen des volks is in lijdelijken zin genomen, van wege de vrije liefde, die God zijnen uitverkorenen toedraagt; maar door het spraakfiguur, waardoor men
Psalm lOG : 4â5.
hel eene woord neemt voor hel andere, pasl hij deze zegswijze toe op de leekenen van de liefde Gods. Wanl hel hlijk van Gods genade in de daad on in de ervaring vloeit voort uil de lontein dezer vrije gave. Nu steil de Profeet de volkomenheid van de gelukzaligheid hierin, dat liij gerekend wordt tot het volk Gods, want hierdoor zal hij gevoelen, dat God hem gunslig gezind is (hetgeen boven alle andere dingen begeerenswaardig is) en dan zal Hij hem ook milddadig jegens hem bevinden. Dit werkwoord Gedenken heeft betrekking op de omstandigheid van den tijd, want aan het einde zullen wij zien, dat deze Psalm gedicht werd, toen het volk zich in treurigen en rampspoedigen toestand bevond, zoodat de geloovigen wel eenigszins konden denken, dat zij vergelen waren, liet laatste lid: Bezoek mij met Uw heil, heeft dezelfde strekking, want God wordt gezegd diegenen te bezoeken, van wie Hij zich oogenschijnlijk verwijderd heeft, en het heil is eene hetooning des welbehagens. Denzelfden zin voegt hij toe aan het volgende vers: Opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen, omdat hij begeert de metgezel en deelgenoot te zijn van het goed, dat de uitverkoren Gods allijd hebben gesmaakt. Want het aanschouwen is hier genomen voor het genieten, (gelijk algemeen bekend is), zooals: hel koninkrijk Gods zien (Joh. 3 : 3), het leven en goede dagen zien (1 Petrus 3 : 10) Want zij, die dit verklaren: Opdat ik zie, dal Gij goed doel aan uwe uitverkoren, vergissen zich, dewijl het vorige vers, waarvan dit afhankelijk is, dezen zin niet toelaat, en hetgeen volgt: Opdat ik my verblijde in de blijdschap uws volks, opdat ik mij heroeme met mo erfdeel, bevestigt de verklaring, die ik er van gegeven heb. Want hel blijkt genoegzaam, dat de Profeet deel wenscht te hebben aan al het goede der uitverkorenen, opdat hij tevreden zijnde met een eenig God, veilig en gelukkig zal leven onder zijne hoede en bescherming. Hoewel nu op dat tijdstip de toestand der Kerk ellendig is geweest, houdt de Profeet te midden dier verwarring toch vast aan dit beginsel, dat er niets beters is dan lot de kudde en hel volk Gods gerekend te worden, dewijl Hij zich immer als een zeer goeden Vader jegens hen heeft betoond, en de trouwe Hoeder is geweest van hun heil. Hij vraagt slechts behandeld te worden, zoo als God gewoon is zijne Kerk te behandelen. En hij betuigt, dat dit ééne voldoende voor hem is, als hij niet gescheiden wordt van wat de geheele Kerk ondervindt. Inlusschen is er onder begrepen eene stilzwijgende klacht , dat God aan de zoo zwaar beproefde Kerk zijne goedheid onthoudt, zoodat hel is, also! Hij haar gansch en al had verworpen.
Psalm 106 : 6.
6. Wij hebben gezondigd met onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld. 7, Onze vaders in Egypte hebben uwe wonderen niet begrepen: zij zijn der menigte uwer goedertierenheden niet gedachtig geweest; en hebben gerebelleerd by de zee, aan de Eoode zee. 8. En Hij heeft hen verlost om zijns naams wil, opdat Hij zijne mogendheid bekend maakte. 9. Hij schold de Roode Zee, en zij verdroogde; en Hij deed hen wandelen dooide afgronden als in eene woestijn. 10. En Hij verloste hen uit de hand des vijands, en Hij bevrijdde hen uit de hand des tegenstanders. 11. En de wateren overdekten hunne verdrukkers, niet één van hen bleef er over.
6. Wij hebben gezondiyd. Hieruit blijkt nog duidelijker, dat de Profeet, hoewel hij gesproken heeft in den persoon van eenquot; enkele, toch een vorm van gebed heeft gegeven voor geheel de Kerk, daar hij zicli nu mei het geheelelichaam daarvan vereenigt. En van hier tol aan hel slot van den Psalm ontleent hij aan de feiten der aloude geschiedenis zijns volks de gevolgtrekking, dal hunne vaderen altijd van eene booze en verdorvene gezindhheid zijn geweesl; dal zij weerstrevend, ondankbaar en ontrouw zijn geweest jegens God; en hij belijdt levens, dat hunne opvolgers niet beter zijn dan zij waren, opdal zij er toe zouden komen vergeving te vragen voor hunne zonden Kn daar wij geene vergiffenis kunnen erlangen, voordat wij er toe gekomen zijn onze zonden te veroordeelen, en dewijl onze slompzinnigheid de deur toesluit voor Gods genade, is hel wel volkomen terecht, dal de Profeet onder deze strenge en harde kastijding des volks ooimoedig zijne schuld belijdt, en erkent dal God, indien Hij hen nog strenger wilde straffen, dit in volkomene rechtvaardigheid doen zou. Het was voor de Joden ook zeer nuttig, dat hun hunne zonden voor oogen werden gehouden, omdat, zoodra God ons een weinig streng kastijdt, wij ons terstond inbeelden, dal zijne beloflen te niet gedaan zijn. Worden wij er daarentegen op gewezen, dal wij niets meer dan hel verdiende loon onzer zonden onlvangen, zoo zuilen ons Gods
504
Psalm lüü : 0.
D(J5
bcloflen, waarbij Hij zicb verbindt ons genadig Ie zullen zijn, mits wij ons van gansclier liane van die zonden bekeeren, voor den geest komen. Nu sloll bij de grootheid der zonden in liet iiclit door drie werkwoorden, opdat Imn hart niet, als naar gewoonte, slechts licht bewogen zou worden, maar gansch en al verslagen zou zijn. Want wij weten, dat de menscben in de zonde verward zijn als in een nel, en dat zij zich zeiven sparen en verdragen, totdal zij genoodzaakt worden hun eigen hart te onderzoeken. Ja, wat meer is, als God mei hen in het gericht treedt, dan zullen zij welstaanshalve erkennen, dat zij gezondigd hebben, maar de geveinsdheid houdt hen toch in den slaap der gevoelloosheid verzonken. Deze opeenhooping van woorden is dus niet overlollig, als de Proleet zegt, dat hel volk heeft gezondigd, dat zij verkeerdelijk hebben gedaan, dal zij godde-looslijk hebben gedaan. En gewis, als een iegelijk onzer tot zich zeiven inkeert, dan zullen wij al licht oordeelen, dal hel ook niet minder noodig is lot eene ware, oprechte belijdenis [van zonden] te worden genoodzaakt, want, hoewel wij ons niet durven vrijspreken, is er toch niemand, die zich niet gaarne achter de eene of andere verontschuldiging verschuilt. Bijna op dezellde wijze veroordeelt Daniël zijne zonden en die zijns volks (Daniël 9). En wellicht heeft de auteur van dezen Psalm zijn voorbeeld gevolgd. Laat ons dan van die beiden loeren, dat het de eenige manier is om God met ons te verzoenen, als wij streng zijn in het beoordeelen van ons zeiven. Ook moeten wij wèl opmerken, dat deze heilige Profeten, hoewel zij nooit van de vreeze Gods en van zijn dienst zijn afgeweken, zich loch als zondaars erkennen, even goed als het volk en dal niet uil geveinsde nederigheid, maar omdat zij er zich wèl van bewust zijn, dat zij door velerlei bederf zijn aangetast, gelijk hel onmogelijk is, dal, wanneer de zonde algemeen heerscht en de overhand heeft, de deugdzaamste menscben er niet meer of minder door worden bevlekt. Want zij maken geene vergelijking tusschen hen en de anderen, maar, ais zij zich voor den rechterstoel Gods stellen, dan zien zij, dat zij niet kunnen ontkomen. Nu had ie dier tijd de goddeloosheid zoo zeer de overhand onder de .loden, dat het niet te verwonderen is, dal zelfs de besten en oprechtsten onder hen, als door de kracht eens slormwinds waren medegevoerd. Daarom is de hoogmoed van hen, die achten dat zij zich nauwelijks aan eene kleine of geringe zonde schuldig maken, zoo veel le meer verfoeielijk; of liever, die zich, ik weet niet wal voor duivelsclic volmaaktheid inbeelden, gelijk wij dat heden bij sommige dwepers kunnen zien. Wij moeten het
I's alm 106 : 6â7.
voorzeker er voor houden, dal Daniël, lioewel liij zeer nauwgezet bij de vreeze Gods is gebleven (en de Heilige Geest zelf verklaart dat bij een der rechtvaardigste menscben is geweest, Ezecbiël 14:14) tocb niet geveinsd beeft toen bij met diepe droefheid des harten zijne zonden en die des volks voor God beeft beleden. Wel is waar, was bij niet zoo als de anderen door den vloed der zonde overstelpt, maar tocb wist bij zeer goed, dat bij op velerlei wijze was bevlekt. Nu steil de Profeet ibans niet de vaderen voorop ten einde zijne eigene schuld Ie verkleinen (gelijk beden len dage velen achter dit schild wegschuilen, om er alle bestraffing mede af te weren, zeggende, dat zij aldus door hunne vaderen geleerd zijn, en dal hunne slechte opvoeding dus de schuld is van hunne verkeerdheid); maar veeleer om aan te loonen, dat zij, zoowel als hunne vaderen, verdiend hebben om zwaar te worden gestraft, omdat zij van den beginne af, en schier reeds in hunne kindsheid, nooit opgehouden hebben God tot toorn te verwekken door hunne boosheid, en dat wel in toenemende mate. Want op deze wijze doet bij de vaders en de kinderen deelen in eene zelfde schuld.
7. Ome Vaders. Hier verbaalt hij hoe het volk reeds van hel begin der verlossing ondankbaar is geweest jegens God en zich weerstrevend tegen Hem heeft betoond. En bij verhaalt niet de geschiedenis van slechts een enkel tijdperk, maar bel geheele verbaal beefl de strekking om aan te loonen, dat bet volk niet afgelaten heeft van zijne boosheid, hoewel God er met eene ongelooflijke goedertierenheid legen gestreden heeft, waaruit men ziet boe onbedwingbaar en wanhopig de verdorvenheid dezer natie geweest is. In de eerste plaats bestraft hij de dwaasheid van bet volk, die de oorzaak was dezer ondankbaarheid. Want door hel dwaasheid te noemen vermindert of verkleint bij de zonde niet, gelijk men dit gewoonlijk doet; maar bij beeft de lage en eerlooze stompzinnigheid des volks willen schandvlekken, dat zij van betgeen zonneklaar is niets hoegenaamd hebben gezien. Want de werken Gods waren zóó blijkbaar, dal zelfs blinden ze moesten zien Van waar dan eene zoo grove onwetendheid, indien niet daarvan, dal Salan ben van bun verstand beeft berooid, zoodal zij de wonderen Gods minachtten, die wel in slaat waren om zelfs sleenen te bewegen Als hij er bijvoegt, dal zij der menigte van Gods goedertierenbeden niet cjedachtig zijn qeweest, drukt bij nog duidelijker uil, dal hunne onwetendheid niel te verontschuldigen was, omdat hunne verblindheid veeleer uil hunne domme onachtzaamheid voortkwam, dan uil geen of
506
Psalm lOG : 7â8
gebrekkig onderwijs. Want de oorzaak van hunne onwelendlieid was, dal zij de dingen, die ganscli duidelijk en verstaanbaar waren, moedwillig in duisternis hebben begraven. Hij wijst er levens op, dal zij Gods goedertierenheden zeer snel hebben vergeten, hetgeen hunne schuld nog verzwaart. Wanl liet was iets monsterachtigs, dat zelfs de aanschouwing der dingen niet in staat was hun' geest op te wekken. En zoo is het geschied, dat zij nauwelijks uitgetogen zijnde uit Egypte en door de Roode zee waren, of zij gaan zich trotschelijk verheffen tegen hun' Verlosser. Voorwaar geen jaar, en geen honderdtal van jaren had in staat moeten zijn om deze zoo gedenkwaardige krachten en teekenen uit hun geheugen le wisschen. Welk een waanzin was hel dan niet, dat zij reeds terstond tegen God beginnen te murmureeren, alsof Hij hen aan hunne vijanden ter slachting had overgeleverd! De Hebreen noemen den zeearm, door welken het volk heengetrokken is, de zee van Soef. Sommigen vertalen dit door Schelf of Biezenzee, en willen, dat dit woord Soef Bieze beteekent. Welke nu de afleiding van het woord moge wezen, omtrent de plaats beslaat'geenerlei twijfel. Waarschijnlijk heeft men er dien naam aan gegeven, omdat daar ter plaatse vele biezen gevonden worden.
8. En hj heeft hen verlost. De Profeet zegt hier wat iedereen reeds gemakkelijk uit den vorigen zin zou kunnen afleiden, nl. dat de Israëlieten verlost werden, niet omdat zij dit waardig zijn geweest, maar omdat God zich heeft willen verheerlijken. Opdat dus zijn heilige naam niet gdasterd zou worden door de Heidenen, heeft God dien hinderpaal weggenomen, en de verlossing, die Hij had begonnen, ten einde gebracht. Nu moet er wel gelet worden op de tegenstelling tusschen den naam van God en de verdienste der menschen, want God op zich zeiven ziende, vindt in ons geenerlei oorzaak, die Hem zou kunnen bewegen ons te verlossen. Vervolgens beschrijft hij het middel, waardoor Hij hen vei lost heeft, en waarin de onwaardeerbare goedheid Gods nog meer uitblinkt, daar Hij ten gunste van zulk een weerstrevend volk zelfs de orde der natuur veranderd heeft. Als hij zegt, dat Hij de see schold, looft hij daarmede de macht Gods, daar Hij alleen dooi' zijn gebod of wenk de zee heeft opgedroogd door de wateren te gebieden rugwaarts te gaan len einde tusschen de opgehoopte wateren, die tegenover elkander stonden, een' vrijen doortocht te geven aan zijn volk. En ten einde dit wonder le verheerlijken maakt hij gebruik van een beeld, dal waarschijnlijk aan Jesaja ontleend is, want hij (Jesaja) zegt in hoofd-
507
Psalm lOG : 8â12.
stuk 63 vers 13: Gij hebt uw volk doen heengaan door de afgronden, gelijk een paard door de woestijn, zoodal hel niel geslruikeld is. Nu bedoell hij Ie zeggen, dal hel niel zonder de wondere machl Gods geschied is, dal hel volk door de zee is heengegaan als of hel droog land geweest ware. Nu is het wel mogelijk, dat de woestijn, waarin het volk verwijld heelt, vol van afgronden is geweest, dal de weg moeielijk was, en er vele heuvelen en dalen waren, maar er is loch niel aan Ie twijfelen, of de Profeet spreekt hier van de macht Gods met betrekking lol den doortocht door de Iloode Zee, en dat hij door deze vergelijking nog meer laat uitkomen, dat er in deze zoo diepe zee een effen weg voor hen was. Hij bevestigt ook het wonder als hij zegt, dal hunne vijanden verdronken zijn, want, als de zee den kinderen Israëls een' vrijen doortocht geelt, maar hunne vijanden verzwelgt, zoodal niet één van hen overhleef, v;in waar dan dal plotselinge verschil, indien niet daarvan, dat God het eene volk van het andere heelt afgescheiden?
12' Zij hebben geloofd aan zijne woorden, en hebben zijn' lof gezongen. 13. Zij hebben zich gehaast, en hebben zijne werken vergeten, zij verbeidden zijn' raad niet. 14. Zij werden met lust bevangen in de woestyn en hebben God verzocht in eene onbewoonde plaats. 15. En hij gaf hun wat zij hadden gevraagd, en zond magerheid in hunne zielen.
12. Zij hebben geloofd aan zijne woorden. Het wordt niel tot hunquot; lol' gezegd, dat zij yeloofden aan zijne woorden, en zijn lof zongen, maar hij verzwaart hiermede hunne schuld, omdat zij door zoo merkwaardige getuigenissen overtuigd zijnde, loch weder terstond lol hun aard terugkeerden, en alsof zij niets gezien hadden, tegen God begonnen te rebelleeren. Dit nu was wel eene niet te verontschuldigen goddeloosheid, om de uitnemende weldaden, die zij gedwongen waren geweest Ie erkennen, terstond in vergetelheid te begraven. Om nu de misdaad hunner rebellie nog meer te doen uitkomen, zegt hij, dal door de grootheid van Gods werken hel geloof' en den lof hun, als hel ware, in weerwil van hen zeiven, ontrukt werden, omdat zij, hoewel hunne hardheid voor een oogenblik ten onder was gebracht, toch terstond wederom in hun ongeloof zijn vervallen
508
Psalm IdO ; 12â13.
Nu onlslaal hier eene vraag: want daar hel ware geloof den aard lieefl van het Woord, en gelijk liet Woord een onverderfelijk zaad is, zoo is ook hel geloof nooit gansch en al uilgebluschl, hoewel hel soms gebeurt, dat het als verslikt is Maar er is een geloof, dal maar voor een tijd is, gelijk Markus hel uitdrukt in het I7(le vers van hel 4lle hoofdstuk van zijn Evangelie, en dit gelooi komt niet zoo zeer voort uil den Geest der wedergeboorte, als wel uit eene voorbijgaande neiging, en dal dan ook terstond verdwijnt. En zoo looft de Profeet hier dan niet een vrijwillig geloof, maar een geloof dat met geweld afgedwongen is, omdat de menschen, of zij liet willen of niet, door het gevoel dat zij hebben van de macht Gods, genoodzaakt zijn Hem eenigerlei eerbied le beloonen. Op deze pluals behoort wèl gelet te worden, opdat de menschen, als zij eens aan God onderworpen zijn, zich niet vleien, maar leeren, dal hel ware bewijs en kenmerk des geloofs hierin beslaat, dat zij, hel Woed Gods eenmaal ontvangen hebbende, volharden in hunnne gehoorzaamheid aan hetzelve. En om nu de lichtzinnigheid des volks aan le loonen, zegt hij, dat zjj zich gehaast hebben. Want, dal sommigen dit aldus verklaren, dal zij, na zich op weg begeven le hebben zich haastten om lol aan Mara le komen: zij maken zich hiermede op eene al le onbeduidende wijze af van de zeer krachtige laai, die de Profeet heeft gebruikt om hen scherpelijk le bestraffen van wege dien haast, daar zij slechls één oogenblik geloofd hebben, maar terstond daarop de werken Gods hebben vergelen. Zij zijn in drie dagen van de Zee lol aan Mara gereisd, en loen begonnen zij al le murmureeren legen God, omdat zij er geen drinkwater vonden. Wij moeten dus hier wederom opmerken, wal wij aan eene andere plaats hebben gezien, nl. dal de menschen om geene andere reden ondankbaar zijn legen God, dan omdat zij zijne weldaden geringschatlen ; want als de herinnering aan die weldaden diep ingeworteld was in ons hart, dan zou dit ons als een toom wezen om ons bij zijne vreeze le houden. De Profeet geeft le kennen, waarin hunne overtreding heeft beslaan, nl. dal zij hunne begeerten niel bedwongen hebben lot aan een gelegenen tijd. Want de onmatigheid onzer begeerlijkheden is verbazend, zoodal wij God nauwelijks één dag lijd gunnen. Want, als Hij ons niel terstond tevreden steil, worden wij aanstonds door ongeduld bevangen, en ten laatsle geven wij ons aan wanhoop over. De zonde des volks heeft dus hierin bestaan, dat zij Hem niel in kalmte des gemoeds hebben aangeroepen, dal zij niel geduldig hebben verbeid lol Hij hun gebed verhoorde, maar in hunne onstuimige oproerigheid God als het
Psalm l(Jü : 1^â14.
ware de wet hebben willen voorschrijven. Om nu hel misdadige van bun' haast noquot;; meer in het licht te stellen, gebruikt bij 1.et woord raad, omdat het is, alsol de menscben niet kunnen dulden dat God wijs is, en niet, gelijk het betaamt, van zijn' raad willen afhangen, maar zeiven meer willen zorgen dan hun geoorloofd is; God willen regeeren, veeleer dan zich door Hem naar zijn welbehagen te laten regeeren. Laat ons dun, ten einde God niet tol toorn te verwekken, vast houden aan dit beginsel, dat wij God voor ons welzijn moeten laten zorgen, naardat llij oordeelt wat ons nuttig en goed is. En gewis als wij door ons geloof van onze eigene wijsheid ontdaan worden, onderhoudt het in ons de hope en het stilzwijgen, totdat God zijn werk volbracht heeft terwijl ons vleesch immer door haasten en jagen den raad Gods vooruit zal willen loopen.
1A. Zjj werden met lust bevangen. Thans gaat hij voort met op historische wijze te spreken van de zonde, die hij te voren slechts even had vermeld. Als iemand dus vraagt in welk opzicht zij den raad Gods niet hebben verbeid, dan luidl zijn antwoord: Hierin, dat zij aan hunne lusten den vrijen teugel hebben gevierd; want de eenige goede manier om matigheid te betrachten, is God onze neigingen te laten regelen. Daarom betaamt het ons te meer het overmatige der lusten in te toornen, die van nature in ons koken en bruisen. Want zij, die meer begeeren dan hun veroorloofd is, doen God openlijk den oorlog aan, dewijl alle lusten en begeerlijkheden des vleesches zich tegen Hem verheffen. God verzoeken, dat is: niet berusten in zijnquot; wil, maar meer van Mem begeeren, dan Hij ons geven wil. Daar Hij nu op velerlei wijze verzocht wordt, duidt de Profeet hier eene soort aan, te weten, dat het volk vermetel genoeg was om God te bepeiken bij de middelen, die zij zeiven hadden uitgedacht; en aldus het middel verwerpende, dat zij hadden behooren aan te nemen, hebben zij voor God eene nieuwe wijze van werken verzonnen, waardoor zij lot deze redeneering kwamen: Indien God ons niel spijzigt met vleesch, dan denken wij, dat Hij geen God is. En toch had Hij hun genoegzaam van spijze voorzien. Hoewel God nu aan geene middelen gebonden is, wil Hij toch, dat wij onze zinnen en lusten onderwerpen aan de middelen, die Hij verordineerd heelt. Bijvoorbeeld: hoewel God ons wel voeden kan zonder brood, wil Hij toch, dat ons leven door dit middel zal worden onderhouden. Zoo wij dit nu minachten, en Hem eene nieuwe manier willen voorschrijven, dan stellen wij zijne macht op de proef.
51Ã
Psalm 106 : 15.
15. Hij gaf huu wat zij hadden gevraagd. Er is hier eene sierlijke woordspeling; want als wij in ihel Ilebreeuwsclie woord razón, dal liier gebruikt is, in plaats van de letter zaïw eene tsade lezen, dan beteekent bet woord Welbehagen. De Profeet zinspeelt dus op een gezegde, dat bet andere nabijkomt, als bij zegt, dat God eene magerheid zond in hunne zielen, biermede te kennen gevende, dat Hij aan den wenscb des volks voldaan beeft, maar op zulk eene wijze, dal zij, die bel Manna geringschatten, er niets bij wonnen dan magerheid. Want bij schijnt aan bet volk toe te schrijven belgeen wij dagelijks zien in menschen, die het al te goed en gemakkelijk hebben, inzonderheid als de maag van wege allerlei kwade sappen, geen gezond voedsel kan verdragen, want de zoodanigen hebben nergens smaak in dan in betgeen verkeerd voor ben is. Hoe meer spijzen zij nu gebruiken, boe meer zij hunne gezondheid benadeelen, en zoo zullen dan de spijzen zeiven magerheid bij hen teweegbrengen. De Proleet schijnt dus de verkeerde neiging van het lichaam over te brengen op den geest, en de .loden te vergelijken bij die teringachtige menschen, aan wie bel vele eten van geenerlei nul is, maar ben veeleer schaadt, omdal zij er geen voedsel van ontvangen. De reden biervan is, dal God de spijze, die zij zoo overmatig hadden begeerd, gevloekt bad, opdat de straf hunner zonde ben zou verootmoedigen. Maar nu komt nog eene grootere verkeerdheid aan hel licht nl. dat hunne hardnekkigheid en weerstrevendheid bierdoor niet ten onder werden gebracht. Er is een spreekwoord, hetwelk zegt, dat de dwazen wijs worden, als zij het kwaad gevoeld hebben. Zij moeten dus wel verdwaasd en onverbeterlijk geweest zijn, daar zij hunne zonde niel hebben erkend, ook niel toen zij er als ware toe genoodzaakt waren.
16. En zij benijdden Mozes in het leger, en Aiiron, den heilige van Jehovah. 17. De aarde opende zich, en verslond Dathan, en bedekte de tent van Abiram. 18. En het vuur werd ontstoken in hunne vergadering, en de vlam verbrandde de goddeloozen. 19. Zg hebben een kalf gemaakt bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld. 20, En zij veranderden hunne eer in de gedaante van een' kalf, dat hooi eet. 21. Zij hebben God, hun' Verlosser, vergeten, die groote dingen
511
Psalm 100 : 10â17.
gedaan had in Egypte. 22. Eq wonderen in het land van Cham, geduchte dingen aan de Koode Zee.
10 Zy benijdden. Hij vermeldt hier korlelijk eene andere overlreding, waarmede hij echler aan zich zeiven, zoowel als aan anderen veel le denken i^eefl. Want, als hel volk door allerlei soorten van zonden te bedenken, zoo vernuftig was om God lol toorn le verwekken, dan moei dit nog meer vreeze bij ons doen ontslaan. Als hij nu zegt , dat zij Mozes en Aaron hebben benijd, geelt hij hiermede le kennen, dat zij mei duivel-schen hoogmoed legen God zeiven zijn opgestaan, zoodal zij hel juk, dal hun opgelegd was, van zich wierpen, gelijk Mozes ook gezegd heeft: Wal zijn wij, ik en Aiiron? (Numeri 10:11.) Want, als God door hen hel volk wilde regeeren, dan was de afkeer van deze regeering niets anders dan een hardnekkig verzei tegen de heerschappij van God zeiven. Daarom ligt eene gewichtige beteekenis in het gezegde, dal zij benijd hebben, ril. dal zij, toen God de kinderen Israëls leederlijk heeft gekoesterd onder zijne vleugelen, loch niel tevreden waren met hun' staal en tegen Hem achteruil sloegen. Wal was dan de beteekenis van zoodanige verwoedheid? Was hel niel, dal zij God niet langer als hun Voedsterheer wilden verdragen, en zich boven de wolken willen verheffen? Aiiron wordt de Heilige des Heeren genoemd in dien zin, dal wij zouden weten, dal hij evenmin als Mozes, iels buiten God om was ot had. Want in den persoon van den eenen is deze eerenaam aan beiden gegeven, waarmede de Profeet le kennen geeft, dat zij door God zeiven lol dezen dienst waren afgezonderd. Hieruit volgt dus, dal Dalhan en Abiram door deze orde van zaken omver te werpen, krijg voerden, niel legen de menschen, maar legen God, want, voor zooveel in hen is, ontheiligen zij degenen, die God geheiligd heeft.
17. De aarde opende zich. De schrikkelijke snoodheid hunner zonde kan afgemeten worden naar de zwaarte der straf; maar de Profeet heeft meer op hel oog de hardheid des volks aan le toonen; want, zóó ver was hel er van daan, dal zij door plagen of rampen tol inkeer kwamen (hoewel eene zoo omzeilende wrake Gods zelfs de steenen had kunnen bewegen), dal zij zich integendeel in nog groeier woede le builen gingen. Tocli was hel eene schrikkelijke waarschuwing dat de aarde üathan en Abiram levend verslond mei allen, die hen aanhingen,
Psalm IGti : 17 -19.
gelijk ook Mozes gezegd heofl Num. 16:29: Indien u iels gewoons wedervaart, zoo gelooil niet, dat God, die in den hemel legeert, n en mij ten Leidsman en Bestuurder is geweest; maar indien er iets nieuws en ongewoons plaats heeft, zooals wanneer de aarde zich opent, zoo gelooft dan ten minste, dat God mij gezonden heelt Wanneer nu echter de Israëlieten zóó door waanzin vervoerd waren, dat zij toen zelfs tegen God in opstand kwamen, dan blijkt hieruit wel ten duidelijkste, dat zij door eene zeer gevaarlijke krankheid waren aangetast, daar zij zelfs door zoo krachtig een middel niet genezen konden worden. En aangezien de strengheid Gods zells de geveinsden verschrikt, was het wel een buitengewone waanzin om aldus op de landen te knarsen en te^en God te strijden, die hen zoo zwaar had gekastijd. Vraagt men waarom de Profeet de zonde van eenigen aan geheel het volk toeschrijlt, dan is het antwoord gemakkelijk; wan!, hoewel er slechts twee waren, die de bewerkers dezer muiterij zijn geweest, eu twee honderd zevenli^ personen achlei zich hebben getrokken, blijkt toch uit hun murmureeren en lasteren, dat het j;eheele â volk door de besmetting aangestoken was. De straf heeft zich niet verder uitgestrekt dan lol de hooiden en aanvoerders van deze booze samenzwering, omdat God haar wilde verzachten en hel gemeene volk wilde sparen, dat echter ook niets liever dan eene verandering, iels nieuws, had gewild, zoodat Mozes en Aiiron aan allen even onverdraaglijk waren geworden.
19. Zij hebben een kalf ijemnakt hij Horeh. Hier spreekt hij van den opstand des volks, die hel schandelijkste was van alles, nl. dat zij den waren dienst van God verwierpen, en zich een kali hebben gemaakt Want, hoewel hel hunne bedoeling was om op die wijze God te dienen, bestraft de Profeet toch hunne grove Stompzinnigheid, waarmede zij zich nederbogen voor een yegoten beeld, en zich God gingen voorstellen onder de geslalle van een' os. die hooi eet. Want de Proleet leidt hieruit af, dat hetgeen aan God toekomt. Hem ontnomen wordt, en dal alzoo zijne eer wordt geschonden. Mn inderdaad, zoo is het: want de afgodendienaars wenden wel groolen ijver voor om God Ie dienen, doch zoodra zij zich een' zichtbaren god maken, verloochenen zij den waren God, en gaan zich snoodelijk een' afgod maken Maar hij verwijt hun nog eene grootere goddeloosheid, als hij zegt: In de gedaante van een half, dat hooi eet, endaar tegenover slell hij hnnne eer, of hunne heerlijkheid. Want, aangezien God hen versierde mei zijne heerlijkheid, hoe onzinnig was het dan niel, om in zijne plaats niel alleen een os, maar
Dl. II. ' 33
Psalm IOC ; 19 â'21
de levenlooze geilaanle van een' os te stellen, alsof er eenigerlei oveieenkomsl bestontl lussclien God, die alle sooi'len van voedsel scliepl, en een log dier, dal zich mei hooi voedt. Men moet dus wel letten op de bedoeling van den Profeet, te weten, dat wanneer de menschen zich niet vergenoegen met een â¢gewoon bijgeloof, maar, alle schaamte van zich werpende, voor geene monsterachtige buitensporigheid terugdeinzen in hun' godsdienst, hunne verblindheid zoo veel te schandelijker en verloeidijker is. Indien hel volk zich God had voorgesteld onder de gedaante van een' mensch, dan zou dit reeds snood cn godsiasleriijk zijn geweest, maar hunne domheid is zoo veel te ergerlijker, als zij (iod gelijk maken aan een' os. Daar de menschen hun leven onderhouden door spijs en drank, en dus het voortduren van dit leven verschuldigd zijn aan levenlooze dingen, bekennen zij daarmede hoe broos hun slaat of toestand is. Hoeveel te meer zal men dan niet God onteeren, als men Hem aan hel redelooze vee gelijk maakt! Nu wordt door de vergelijking waarvan wij gesproken hebben, de snoodheid der zonde nog meer in hel lichl gesteld. Immers, welk eene schande was hel niet voor hel heilige volk, om in plaats-van God het doode beeld van een' os te aanbidden ! En toch had God zich verwaardigd om zijne heerlijkheid over de kinderen Abrahams uit Ie breiden als vleugelen, ten einde hun eene hooge eer en waardigheid te verleenen. Door zich zeiven daarvan te ontdoen hebben zij hunne schandelijkheid blool gelegd ten spot en smaad voor alle andere volken Daarom heeft Mozes, als hij demisdaad der algoderij beschrijft, hel woord Naaktheid gebruikt. Mocht iemand nu tegenwerpen, dat de arke des Vei honds het beeld Gods is geweest, dan antwoord ik, dat dil symbool aan de Israëlieten was gegeven, niel om er met hunne gedachten bij Ie blijven staan, maar opdat het hun eene hulpe zou zijn, om hunne gedachten op Ie hellen tol de geestelijke aanbidding van God.
-21. Zij hebhen God, huit Verlosser, vergeten. De Proleet herhaalt voor de tweede maal, dat het volk niet slechts gedwaald heeft door onwetendheid, maar door ondankbaarheid, dewijl God zich reeds overvloedig aan hen had geopenbaard. Zelfs den blinden wordt alle verontschuldiging ontnomen, daar God zich duidelijk genoeg openbaart in de schepping van hemel cn aarde. Maaide zonde der kinderen Israels was nog veel zwaarder, daar zij God verwierpen, nadat Hij op vertrouwelijke wijze gemeenschap met hen had geoefend, en zich lot domme bijgeloovigheden keerden; want er ligt in de titels en benamingen, als hij zegt
514
Psalm iOtl : 21â
dal God, len einde linn Veilosser le zijn, zijne ongeloollijke kraeht van den hemel liad geopenbaard, indien Hij niel meer dan een gewoon, ol alledaagscii, leeken zijner inaclil had gegeven, dan zou locli de ^edaclile iiieraan iiel volk Inj zijne vreeze en zijn' diensl moeten hebben bewaard. Daar ecbler deze wonderen gansch buitengewoon en zeer treffend, ja vreeselijk waren, was liet eene al te groote snoodiieid in liet volk om aldus de oogen le sluiten en zich aan al'goderij over le geven. Want, gelijk alle duisternis verdreven wordt door hel heldere schijnsel der zon, zoo moeten alle verzinselen en dwalingen door zoodanig eene kennis van God te niel gedaan worden.
23. Eu Hij had gezegd, dat ITi) hen zou verdelgeu, ten ware Mozes, zijn uitverkoreue, iu de bres gestaan had voor zijn aangezicht, om zijne grimmigheid af te keeren, dat Hij heu niet verdierf 24. Zij versmaadden ook het gewenschte land, en hebben zyue woorden niet geloofd. 25. Zij maakten oproerig geraas in hunne tenten, en hoorden niet naar het Woord van Jehovah. 2G. En Hij hief zijne hand tegeu hen op, om heu te verdelgen in de woestijn. 27. Eu dat Hij hun zaad zou verstrooien ouder de Heidenen, cu hen zou zaaien door de landen.
-â¢i- En Hjj had gezegd dat hij hen zou verdelgen. Door deze woorden geelt de Proleet le kennen, dat de loom Gods alge-wend zijnde alleen op het gebed, Het volk bespeurd heelt, dat hel op zeer wonderdadige wijze gered was van hel verderl, dat hen reeds van zoo nabij had bedreigd, en zoo wordt hunne hardnekkige boosheid nog meer openbaar, dewijl zij terstond daarna tot hunne vorige gezindheid terugkeerden. Om nu le doen begrijpen hoe grootelijks zij Clod hadden gegriefd, zegl bij dat God voornemens was hen te verderven; niel alsof God aan mensclielijke hartstochten onderhevig was, zoodal Hij zich voor eene wijle verloornt, en terstond daarna weder bevredigd is en dan van voornemen verandert, want in zijn' verborgen raad had God reeds besloten hun vergeving te schenken, gelijk Hij dit dan ook gedaan heelt. Maar de Profeet spreekt van een ander raadsbesluit, dooi' hel welk God het volk heelt willen verschrikken, opdal hel de groolte zijner zonden erkennende, veroolmoedigd
Psalm lUO : quot;i,'3 âG2'i.
zou worden. En liel is dit berouw, waarvan zoo dikwijls in de schrill wordt gespi'oken. Niet also! God in zich zeiven veranderlijk was, maar ten einde lien diep le doordringen van hel gevoel van zijn' toorn, is Hij genoodzaakt le spreken als een oiensch. Hel is als wanneer een Koning besloten heelt een' misdadiger te begenadigen, maar hem toch voor zijn lechtei-stoel laat verschijnen, ten einde hem beter te doen begrijpen welk eene genade hij hem bewijst. Terwijl Ãod dus zijn verborgen raadsbesluit nog verzwijgt, maakt Hij een raadsbesluit openhaar om aan te toonen, dat hel volk eene misdaad had begaan, waardoor het den eeuwigen dood heel't verdiend. Daarna zegt hij, dat Mozes in de bres heeft gestaan, 0111 aan le duiden, dal hij God te gemoet kwam met zijne voorbede, uit vreeze dat Hij anders ton uitslerste wrake zou doen. Dit is eene toespeling op het bestormen eener stad, want, als men eene bres heelt geschoten in de muren, zijn de soldaten terstond bij de hand om met hun licbaam die bres le sloppen. Daarom verwijt Ezechiël aan ut valsclie profeten, dat zij niet gelijken op Mozes, daar zij door hunne vleierijen een' stroomuur opgericht hebbende, ten dage des slrijds niet in de bres zijn gaan slaan. (Ezech. 13:0). Sommige uitleggers zijn van meening, dal de Proleet zinspeelt op de scheiding, die hel volk had teweeggebracbt door hel verbond Gods en die heilige eenheid te verbreken, maar dit komt op betzellde neer; want voor de bres ol scbeur is dit de beleekenis dei beeldspraak, dal God, het volk verdedigende door zijne trouw, hetzelve tol muur ol bolwerk strekte. En wederom, in loom tegen hen ontstoken zijnde, kwam Hij hun tegen en zou hen verdaan hebben, indien Mozes niel tusschenbeide ware getreden.
quot;24. Zij versmaadden. Dit was een leeken van onbetoombaie boosaaidigheid, dat zij, na ten doode le zijn verwezen, (n nauwelijks gered zijnde uil zoo groot een gevaar, zich wederom legen God zijn gaan verheffen. Doch wat was nu de oorzaak van bun murmureeren? De minachting van het Heilige Land, hetwelk hun begeerenswaardiger had moeten zijn dan geheel de wereld. Nu is hel niel zonder reden, dal Kanaiin hier en elders Het geuienschte land genoemd wordt, dal hun was toegewezen, opdat zij er als aan Gods vaderlijke borst zouden gevoed en gekoesterd worden, en afgezonderd zijnde van de Heidensche volken. Hem eene zuivere aanbidding zouden toebrengen, of liever,.'dat hun als een voorsmaak en onderpand der bemelsche erfenis was geschonken. Hoe snood eene ondankbaarheid was liet dan niet om deze heilige woonstede van het uilverkoren
51G
Psalm 100 : 24â27.
volk le minachten! De Profeet verklaart daarenboven dal de oorzaak dezer minachting was, dat zij Gods Woord niet hehhen geloofd, wanl, indien zij de belolte Gods hadden aangenomen mei zoodanig een geloof als lam betaamde, dan zou zulk eene begeerte naar dil land in hen ontbrand zijn, dal zij alle hinderpalen (die hel bezit er van in den weg stonden) te boven zouden zijn gekomen. Doch omdat zij er geen geloof aan sloegen, hebben zij hel erfdeel, dat hun was aangeboden, niet slechts niet op prijs gesteld, maar daarenboven nog gerebelleerd in hel leger, alsof zij de wapens tegen God hadden opgeval.
26 En Hij hief zijne hand teyen hen op. Hier spreekt hij van nog eene andere wrake Gods, waarvan de herinnering zoo diep in hun hart moest wezen, dal zij immer de vreezelevendig m hen moest houden, zoodal zij nu voortaan in voorzichtigheid zouden wandelen. Daar dil echter van geenerlei uil werking op hen was, moet de verdwaasdheid des volks wel ongeneeslijk zijn geweest. Wel is waar heeft God zich loen nog weerhouden van hen te verdrijven en onder alle volken der aarde le verstrooien, maar de bloole bedreiging er van had moeten volstaan om hun' hoogmoed te bedwingen, indien zij niel gansch en al onhandelbaar waren geworden. Ãe hand opheffen kan in tweeërlei zin worden verslaan, want in de Schrift wordt dikwijls gezegd, dal God zijne hand opheft om te straffen; omdat men echter schier eenstemmig van oordeel is, dal de Profeet hier spreekt van den eed, wil ik mij ook gaarne hiermede vereenigen. Nu was de plechtige opheffing der hand gebruikelijk onder hen, alsof zij God daarmede van den hemel wilden doen nederkomen, en daarom wordt dil oneigenlijk aan God toegeschreven, wiens hoogheid alles le boven gaal, en die gelijk de Apostel zegt in Uebreën ti: 13, hij niemand, die meerder is, had le zweren. Maaibij ontleent dit aan de wijze van doen onder de menschen. De verstrooiing des volks zou dus ontzettend geweest zijn, indien hel bezil van het Heilige [.and hun niet door hel gebed van Mozes behouden ware gebleven.
28. Eu zij hebbeu zich gekoppeld aan Baiil-Peor, en zij hebben de offeranden der dood en gegeten. 29. En zij hebben God tot toorn verwekt door hunne werken, en de plage viel op hen. 30. En Pinehas stond op, en oefende gericht, en de plage werd opgehouden.
517
Psalm 106 ; quot;2*.
31. En dit werd hem tot gerechtigheid gerekend van geslachte tot geslachte, en tot in eeuwigheid.
28. En zij hebhen zich gekoppeld. Do Proleet verhaalt, dat de Joden, nadat luin eene zoo schrikkelijke straf was aangekondigd, tocli weder onmiddelijk lot een' anderen opstand zijn vervallen. Sommigen denken dat luin als van Ier zijde verweten wordt, dat zij zicli liadden laten bedriegen door de verlokkingen der vrouwen en zicli tot de bijgeloovigheden der Midianieten liadden geneigd. En voorzeker was dit ook het doel en de strekking van Bileams raad, nadat zijne tong door God gebonden was, zoodat hij het volk niet kon vervloeken. Want hij heeft aan Balak den raad gegeven om de maagden onder bet volk te brengen, opdat zij door hare zinnelijke lielkoozingen het volk lot eene nieuwe wijze van godsvereering zouden verleiden. Voor zooveel de afgoderij, waarvan hier gesproken wordt, haren oorsprong had in de onwettige huwelijken, achten sommige schriftverklaarders, dal de Profeet de misdaad des volks nog dubbel zoo zwaar maakt door deze omstandigheid, dal zij door zich te hebben lalen verstrikken in hel nel der vrouwen, zich nu ook door een' dubbelen band aan Baal-Peor hadden verbonden. Hoe dit zij, de Profeet geeft zijne diepe verontwaardiging te kennen over de ontrouw van zijn volk, daar zij den zuiveren eeredienst van God hebbende verlaten, den geestelijken huwelijksband hebben geschonden. Want wij weten, dat, dewijl God de Kerk beschouwt als zijne huisvrouw, deze de afgoden dienende. Hem hare trouw even snoodelijk schendt, als wanneer eene vrouw haren echlgenoot verlaat en zich aan hoererij en echtbreuk overgeeft. Het is genoegzaam bekend dat Baal-Peor de afgod is geweest der Midianieten, maar omtrent de woordafleiding van dien naam is men het niet eens Baal heteekent voorzeker zooveel als meester of patroon. En omdat liet Hebreeuwsche woord Paar openen heteekent, verklaren sommigen het als de God der opening, en zij voegen er de oorzaak bij, namelijk, dat zij hunne scbaamdeelen voor hem onlhloollen, hetgeen ik echter niet als zeker ol ontwijfelbaar durf stellen Het kan ook wezen, dal het de eigennaam is van de eene of andere plaats, gelijk wij weten dat meermalen aan de afgoden de namen werden gegeven van de volken, die ze aanbaden. Thans zien wij wat de bedoeling is van den Profeet, nl. dat de Joden eene booze echtscheiding hebben teweeggebracht tusschen hen en God, len einde zich te verontreinigen door zich bij Baal te voegen. En hij doet hunne
518
Psalm IÃG ; 28â30.
schande noy Ie meer uilkomen, als hij zegt, dat zij de offeranden der dooden hehhen gegeten. Mij bedoell hiermede heigeen aan de afgoden geofferd werd, daar iiel voormaals (Je gewoonte was de ofl'ers te elen, welke hen verbonden aan den waren God, de Levensbron, die niet uitgeput kan worden En deze verwisseling was des te schandelijker, daar zij zich door deze gruwelijke heiligschennis vrijwillig ten doode doemden. Wij welen, dat hel feestmaal als hel ware een aanhangsel was van den eeredienst, en zoo hebben zij dit dan dooi' hunne offers gewonnen, dal zij God gansch en al verlatende, zich door een huwelijk verbonden met de dooden. Daarom beschuldigt de Profeet hen van eene dubbele schande, nl. dal zij niet alleen hunne knieën voor Baal hebben gebogen, en hem offeranden gebracht hebben, maar dal zij ook van deze offers hebben gegeten.
29. En z\j hehhen God tol toorn verwekt. Hij verhaalt opnieuw, dal zij door nog eene andere plage gewaarschuwd waren, opdal het zou blijken, dal God altijd de strenge Handhaver is geweest van zijne eer, als Hij dit volk gekastijd heeft, doch zonder eenige nutligbeid, omdat zij door geene plagen verbeterd konden worden. Gelijk hij nu te voren gezegd heeft, dal God door Mozes' voorspraak zich heeft laten verbidden, zegt hij nu, dat de plage ge-sluit, ol genezen werd door bemiddeling van Pinehas. Sommigen vertalen het Hebreeuwsche werkwoord pillel door Bidden, maar de andere beleekenis is meer in overeenstemming met den tekst, nl. dal hij, door gericht te oefenen aan den hoereerder en aan de hoer, de wrake Gods door zijn' ijver heeft gestuil. Hij stond dus op, d. i. hij weerstond, toen alle anderen door eene laffe en booze onverschilligheid werkeloos bleven. Aangezien de Joden dus wisten, dat de plage door den dienst van één' man werd gestuit, is hunne hardnekkigheid des te minder verschoonbaar, als zij zelfs daardoor niet allielen van te zondigen Doch laai ons goed begrijpen, dat alle deze dingen ook lot ons gesproken zijn. Want God kastijdt ons wel voortdurend, van uur lot uur, als het ware, en door hel voorbeeld van anderen roept Hij ons lol bekeering, maar wie van ons heelt geprofileerd van zijne roede? ICn voorts is hel wél opmerkelijk, dat de plage ophield, zoodra Pinehas gericht had geoefend, opdat wij welen, dat het een uilnemend middel is om hel vuur van Gods wrake uil te hlusschen, als de zondaar zelf hel rechterambt uitoefent om zich te straffen, gelijk Paulus zegt in 1 Cor. 1! : .11: Als wij ons zeiven oordeelden, zouden wij gewisselijk niet door den Heere geoordeeld worden. En dil strekt ons groolelijks lot eer, als
Psalm 100 JOâ31.
God ons hel oordeel in lumden j^eelt, opdal wij ons zeiven straffen voor onze zonden. Men inoel eclitei ook opmerken, dal de plage ophield nadat één enkel man gestraft werd, omdat het volk te dier ure de goddeloosheid verafschuwde, waarmede het bekend was geworden.
31. En dit icerd hem tot gerechtüjheid gerekend. Door den lof voor dien éénen man schandvlekt de Profeet het geheele volk. Want door het getuigenis, waarmede de Heilige Geest de voortreffelijke daad van Pinehas heeft willen eeren, leeren wij hoe afschuwelijk de snoodheid des volks is geweest. Want deze eer bleef niet voor hem alleen, geheel zijn geslacht werd er voor zeer langen tijd door geadeld Daarom wordt die eene Pinehas gesteld tegenover het gansche volk, ten einde het daardoor nog meer smaadheid aan te doen. Nu vraagt men echter hoe de ijver van een bijzonder persoon, die de grenzen zijner roeping overschrijdt door het zwaard te nemen om gerechtigheid te oefenen, door God goedgekeurd werd. Want het schijnt wel dal hij zich onbedachtelijk tot deze zaak heeft begeven. Ik antwoord, dat de Heiligen soms dooi' eene buitengewone aandrift zijn bewogen, die men niet naar den gewonen regel moet he-oordeelen. Toen Mozes den Egyptenaar versloeg (Exodus 11 : 12), was hij wél reeds door God geroepen, daar hem echter de macht des zwaards nog niet was overgegeven, is het zeker, dat hij door eene verborgene aandrift Gods gehandeld beeft. Een zelfde aandrift heeft ook Pinehas bewogen; want hoewel niemand dacht, dat hij met Gods zwaard was gewapend, was hij toch wel verzekerd, dat hem van Gods wege macht was geschonken. Maar er is nog een moeielijker quaestie, en wel deze: hoe deze eene daad aan Pinehas tot gerechtigheid werd gerekend. Paulus bewijst in Romeinen 4:3 dat de menschen alleen door het geloof gerechtvaardigd worden, dewijl er geschreven is: Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid (Gen, 15:6). Mozes maakt daar gebruik van hetzelfde werkwoord. Indien hel nu geoorloofd is hetzelfde te antwoorden betreffende de werken, dan zal de reden van Paulus niet slechts zwak, maar ook beuzelachtig zijn. In de eerste plaats moeten wij zien, of Pinehas door één enkel werk gerechtigheid beeft verkregen. Gewis! al zou de Wet ook rechtvaardig maken, zoo belooft zij toch de zaligheid niet voor ieder afzonderlijk werk, maar zij stelt de rechtvaardigheid in de volkomene waarneming van alle geboden. Er rest ons dus alleen te zeggen, dal het werk van Pinehas hem tot gerechtigheid is gerekend, gelijk God aan de geloovigen hunne werken lol gerech-
520
Psalm 106 : 31.
ligheid rekent, niet om eenigciiei verdienste, die dnarin zon zijn, maar uit genade. Want, daar alleen de volmaakte nakoming der Wet (die locli nergens gevonden wordt), gereclitiglieid is, kan het niel anders, ol' alle mensclien moeten beschaamd in hel slof nederiiggen voor den rechterstoel Gods. En hierbij komt nog, dat wanneer ieder werk streng en nauwkeurig onderzocht wordl, er nog altijd vlekken en onreinheden in gevonden zuilen worden. Kr blijll ons dus geene andere loevlucht dan de vrije genade van God. En nu worden wij niet slechts om niet gerechtvaardigd door het geiool, maar gelijk de maan haar licht ontleent aan de zon, zoo worden ook onze werken dooi dit zeilde gelooi gerechtvaardigd; omdat het gebrekkige er van weggedaan zijnde, zij nu als gerechtiübeid geacht worden. In één woord: alleen hel gelooi, en niel verdienste, verkrijgt voor de personen zoowel als voor de werken den titel van gerechtigheid. Thans kom ik terug tot Paulus. Zijne redeneering, dal wij om niet gerechtvaardigd worden door bet geloof, steunt niet op één enkel woord, bij gaat uit van hoogere beginselen, die ik reeds aangestipt heb, te weten, dat alle mensclien ontbloot zijn van gerechtigheid, totdat God ben met zich verzoent door het bloed van Ghristus. En vervolgens, dat gelool het middel is oui vergeving en verzoening te verkrijgen, omdat de rechtvaardibeid uit de werken nergens bestaat. Daarom besluit hij volkomen terecht, dat wij alleen dooi' hel gelool gerechtvaardigd worden. Nu is aan deze rechtvaardigheid de rechtvaardigheid der werken ondergeschikt (gelijk men zegt) welke werken geenerlei loon verdienen, dan alleen wal God uil loutere goedheid geven wil, voor zooveel Hij ons rekent als rechtvaardigen.
32. En zij hebben Hem tot toorn verwekt aan het twistwater, eu er geschiedde kvv:uid aan Mozes om hunnentwil. 33. Want zij tergden zijn' geest, en hij sprak met zijne lippen. 34, En zij hebben de volken niet verdelgd, die Jehovah hun geboden had. 35. En zij werden vermengd onder de Heidenen, en zij hebben hunne werken geleerd. 36. En zij hebben hunne afgoden gediend, en zij werden hun verderf. 37. En zij hebben hunne zonen en hunne dochteren den duivelen geofferd. 38. En zij hebben onschuldig bloed vergoten,
Psalm 100 : 32âr]u.
het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben geotterd; en de aarde is door bloed verontreinigd geworden. 39. En zij hebben gehoereerd door hunne bedenkselen.
'}'i En zij hebben Hem tot toorn verwekt. De Profeet verhaall cene nieuwe misdaad, le welen, dat zij met God getwist hebben bij hel twist water, waaraan die plaats ook haren naam ontleend heelt. Want, hoewel de twist togen Mozes was begonnen, zijn zij, als men de zaak goed van nabij beschouwt, toch eigenlijk tegen God zelven opgestaan. Kn len einde de schuld nog meer in liet licht le stellen, zegt hij, dal hel aan .Mozes kwalijk verging om hunnentwil. Nu kan men hieruit afleiden hoe groot de misdaad was, daar God zelfs zijn'dienstknecht niet heeft gespaard, dien 11 jj boven allen had verkoren. Nu is hel zeker, dal Mozes zoodanige straf wel verdiend heelt, maar als wij de bron en oorzaak der schuld zoeken, dan zien wij, dat de ongerechtigheid des volks op zijn hoofd neerkwam. Indien Mozes verstoken was van het voorrecht om het Heilige Land binnen te treden, omdat hij zich in weerwil van zichzelven, door de schuld van anderen tot zonde liet vervoeren, hoe veel le meer is dan de goddeloosheid des volks niet onverdraaglijk, daar zij moedwillig tegen God hebben getwist, en door hunne dwaasheid ook Mozes in hunne schuld hebben betrokken!
33. Want zij teryden zijn'' geest, liet llebreeuwsche werkwoord marah heteekenl eigenlijk teryen, maar dewijl hel hier in de vervoeging is genomen, die de Hebreen IHphil noemen, geven sommigen er eene overgankelijke beteekenis aan, le weten, dat hel volk Mozes heeft doen tebelleeren, heigeen mij niet mishaagt. Ik deel echter niet de meening van hen, die het llebreeuwsche woordeke eth voor een teeken van den dalivus houden, alsof er gezegd was, dat Mozes in opstand is geweest legen den Geest Gods. Want de Profeet zou niet met zoo scherpe strengheid hebben gesproken van een' val ol dwaling uil onbedachtzaamheid. Maar hetgeen ik le voren reeds gezegd heh kan de zaak zeer goed verklaren, namelijk: daar God zoodanige strengheid heelt beloond aan Mozes, die door de verwoedheid des volks als met geweld lot zondigen werd gedreven, moeten de voornaamste bewerkers hiervan nog veel zwaarder hebben gezondigd. Intusschen loont de Profeet, dat
Psalm 106 : .J.J -34.
Mozes, hoewel hij om den wille des volks yekaslijil werd, toch ooi; zelf niel geheel zonder schuld was: wanl hoewel zijn ongeduld opgewekt werd door de muiterij des volks, had hij zich toch standvastiger (in geduld) moeten betoenen. Hij voe^t er bij, dal hij (jesproken heeft met zijne lippen, hetgeen ik op Mozes betrek. Want de gissing van hen, die dit verklaren in dier voege, dat de straf uitdrukkelijk in woorden was aangekondigd, is niet aannemelijk. Want hij verklaart veeleer, dat de geest van .Mozes zóó zeer beroerd en bewogen was, dal hij openlijk tegen God heeft gemurmureerd. Daarom geeft de Proleet ons te verstaan, dat Mozes, hoewel hij zachtmoedig en volgzaam van aard was, door de boosheid des volks zóó zeer was hevvouen dat hel was alsof het vuur des toorns, dal in hem brandde, door hen aangeblazen was, zoodat hij met een verbitterd hart gesproken heeft: Zou hel mogelijk zijn, dal Got! water voor u doe uitgaan uit de rols (Numeri tJO : 10). \\ atil hij had reeds zoodanigen toorn in zijn hart voelen opkomen , dal hij niel met kalmte naar het gebod Gods kon hooren.
34. En zij hebben de volken niet verdelgd. Het komt mij voor, dal diegenen dwalen, die denken, dat hier eenvoudig verhaald wordt welke straf hen heeft getroffen, alsof de Profeet aan de Joden verwijl, dat het hunne eigene schuld was, dat zij de volken niet hebben verdelgd, omdat zij het niet meer waardig waren overwinningen te behalen over hunne vijanden. Veeleer verwijt de Proleet hun eene andere misdaad, nl dal zij traag en nalatig waren in het uitdrijven der Heidenen, of liever, dat zij geweigerd hebben God Ie gehoorzamen, loen Hij hun geboden heeft het land van hen uit te zuiveren. De ongerechtigheid der Amorieten was reeds ten top geslegen, zoodat het niet le vergeefs was, dal God hen wilde verdelgen van de aarde, voornamelijk opdat hun gezelschap niel schadelijk, den omgang met hen niet verderfelijk zou zijn voor hel heilige volk. Wanl, dit land kiezende lol zijne woonstede, heelt God gewild dat het heilig zou zijn, en gereinigd van alle vuilheid en bezoedeling, 'loen hel volk dus geweigerd heeft de wrake le volvoeren, die aan hetzelve was opgedragen, heeft het getoond, dat het zich gewillig met die onreinheid wilde vermengen. Daarom zien wij, dat Gods toorn ten zeerste was ontstoken wegens deze onverschilligheid des volks. Ziet, zegt Hij, Ik had geboden dat al deze volken met het zwaard gedood zouden worden; omdat gijlieden mij niel gehoorzaamd hebt, zullen zij u lot doornen zijn; zij zullen u steken in beide zijden, en zij zullen u in de
Psalm 1UÃ : 34-30.
oogen slekcn, (.'nz. (Numcri 33:55). Wanl, hoewel liel eene sooi l van barmliarliglieid was om lien niel allen le dooden, was hel volk loch niel le veronlschuldigen wegens zijne gei ingschallini; van de wrake Gods en hel land alzoo aan allerlei onreinheid over le lalen En men moei dil wèl opmerken, wanl de menschen veroorloven zich al le veel vrijheid, heizij naar deze oi naar gene zijde, door 61 al le slreng le zijn, waar dil niel noodig is, ól der gerechtigheid le korl te doen door al le groole zwakheid. Wij moeien dus alhankelijk zijn van den mond Gods, opdal wij noch in hel eene nog in het andere le korl komen. Wanl indien de Israëlieten veroordeeld worden, omdal zij gansche volken hebben gespaard, Aal zullen wij dan zeggen van de Rechlers, die als zij slap en laf toegevend zijn voor een klein gelal, den leugel vieren aan de goddeloosheid, tol groole schade van hel algemeen welzijn?
35. En zij wei-den vermengd Hij duidt aan wat. de vruchl is geweest dezer slechl begrepen menschlievendheid, le weten dal zij verstrikt werden in de goddeloosheden der volken, die zij hadden gespaard. Indien zij alleen hel land Kanaiin hadden bewoond, zou hel gemakkelijker voor hen geweest zijn den dienst van God zuiver te houden; maar nu is hel niel te verwonderen, dal zij, verlokt dooi hunne naburen, onlaard zijn, omdal wij maar al le lichl geneigd zijn slechte voorbeelden le volgen Hij spreekt thans van de nakomelingen van hen, die God zoo menigmaal lol toorn hadden verwekt in de woestijn. Hij toont aan, dal zij in geen enkel opzicht beier waren dan hunne vaderen, want, hoewel hel geslacht vernieuwd was, werd loch overal hetzelfde ongeloof, dezelfde wederspannigheid en ondankbaarheid gevonden. Deze vermenging mei de Heidenen was daarenboven eene openlijke verwerping van de genade; want, daar zij door God waren aangenomen op voorwaarde, dat zij van de lleidensche natiën afgezonderd zouden blijven, hebben zij, voor zoo veel in hen was, die heiliging â of afzondering â te niel gedaan, door zich met hen te vermengen. Als hij er bijvoegt, dat zij hunne werken geleerd hebben, geeft hij ons hiermede te kennen, dat niets gevaarlijker is dan omgang le hebben met de boozen, want, daar wij geneigd zijn hunne ondeugden na te volgen, kan hel niet anders, of het bederf, waarmede zij in zoo nauwe aanraking komen, moet zich verder verspreiden. Daarom betaamt het ons groole omzichtigheid hieromtrent in acht le nemen, opdal de goddeloozen, als wij gemeenzaam met hen omgaan, ons niet besinelten met hunne ondeugden. Dil is bovenal het
Psalm 100 : ,'i6-38.
geval, als er gevaar is om in afgoderij (e vervallen, waartoe wij vim nature allen geneigd zijn. Wat zal hel dan zijn als de prikkeling van huiten olie in hel vuur komt werpen? I»e Proleet verklaart alzoo, dat de Joden discipelen zijn geworden van de Heidenen, zoodat zij zich in hunne bijgeloovigheden verliepen. Nu gebruikt hij het woord dienen, waardoor de ijdele uitvlucht der Papisten weerlegd wordt, als zij zich verontschuldigen met te zeggen dat zij de beelden niet aanbidden met de aanbidding in den zin van latria (dienst) maar van dulia (vereering). Maar indien het wettig en geoorloofd is beelden te dienen, dan is hel, te onrecht, dal de Profeet zijn volk beschuldigt van vreemde goden te hebben gediend. De onderscheiding dus, dat God gediend moei worden met aanbidding, en de beelden met vereering. is al Ie dwa as. Hij herbaalt, dat dit hun verderf is geweest, opdat het des Ie meer zou blijken, dat zij na de roede Gods te hebben geminacht, nog hardnekkig aan hunne dwalingen bleven vast houden.
37. En zij hebben hunne zonen en hunne dochter en den duivelen geofferd. Ue Profeet duidt hier eene sooi l van afgoderij aan, waarin de monsterachtige verblindheid des volks openbaar wordt, nl. dat zij er niet voor teruggedeinsd zijn om hunne zonen en dochteren den duivelen te offeren. Hij gebruikt voorbedachlelijk een hatelijk woord, ten einde liet verfoeielijke der misdaad nog meer te doen uitkomen En hieruit leeren wij, hoe nietig de uitvlucht is van onbedachtzamen ijver voor te wenden. Want hoe meer ijver er bij de Joden gevonden werd, hoe meer de Proleet hen van groote goddeloosheid overtuigt, daar zij, door hun' waanzin vervoerd, hunne eigene kinderen niet hebben gespaard. En gewis! indien de goede bedoeling, die de afgodendienaars zich inbeelden te hebben, tot iets nut was, dan zou dit een zeer loflelijk werk zijn geweest, daar zij door hunne eigene kinderen It; dooden van geene natuurlijke liefde wisten. Maar als de menschen zich door hunne eigene bedenkselen laten vervoeren , zullen zij, naarmate zij zich meer inspannen en moeile geven, hunne schuld en misdaad grooter maken. Wanl, welke overeenkomst bestond er tusschen Abraham en hen, van wie de Profeet spreekt ? Abraham heelt zich in gehoorzaamheid des geloofs toebereid om zijn zoon te olferen; maar dezen hebben zich met onzinnigen ijver gehaast om alle menschelijke liefde van zich af te schudden en zich wreed te betoonen jegens hun eigen bloed!
38. Zij hebben onschuldig bloed vergoten. Hij drukt zich nog' scherper en strenger uil len opzichte van hun' waanzin, omdat
Psalm 10(5 : 38â39.
zij, door hunne kinderen Ie dooden, hel land verontreinigden mei onschuldig bloed. Want als men de tegenwerping maakt dat Abraham geprezen wordt, omdat hij zijn' ei^en zoon niet heelt gespaard, dan is de oplossing dier moeielijkheid gemakkelijk; want, daar hij in reinheid des geloofs Gode gehoorzaam is geweest., is elke vlek der wreedheid uitgewischt. Want, indien gehoorzaamheid meer is dan alle offers (1 Sam. 15:2^) dan is dit de beste regel der godsvrucht en van goed te handelen. Maar het is een schrikkelijk leeken van den toorn Gods, al;- zij alleen maar aan hunne bijgeloovige bedenkselen overgegeven zijnde zich verharden lot beestachtige wreedheid. Telkenmale als de Martelaren hun leven veil hebben voor de waarheid, is de ijver van zoodanig een ofVer Gode welbehaaglijk; maar als de beide Deciussen zich op afschuwelijke wijze den dood wijden, is dit een verl'oeielijke heiligschennis. Het is dus niet zonder reden, dal de Profeet de schuld des volks verzwaart dooi' deze oinslandigheid, dal eene ontzettende wreedheid hel gevolg was van dezen verdorvenen eeredienst. En het is niet zonder reden dal hij hun verwijl, dal het land, welks inwoners God geboden had uit te roeien, opdat Mij zijne bijzondere woonstede zon hebben, waar Hij gediend werd, verontreinigd is geworden. De Israëlieten zijn dus in dubbelen zin slecht geweest, daar zij niet slechis het land door hunne bijgeloovigheden hebben verontreinigd, maar ook, door hunne kinderen wreedaardiglijk te vermoorden. God van zijn rechl hebben beroofd en in zekeren zin hebben bedrogen.
39. En zij hehhen zich verontreinüjd. Hij komt nu tol de algemeene gevolgtrekking dat de Joden zich op allerlei wijze hadden verontreinigd, nadat zij lol de manier van doen der Heidenen waren vervallen, want in alle de bedenkselen der menschen is niets dan onreinheid. Want hij noemt Werken der menschen allerlei eerediensten, die zij zich uitgedacht hebben, zonder (of in tegenspraak met) het gebod Gods; alsof hij zeide, dal. de ware heiligheid van den godsdienst voortkornt uil het Woord, en dat alles wat de menschen uil zich zeiven er aan toevoegen, onheilig is, en dooi' deszelfs stank bederf brengt in den eeredienst van God te dienen, maar alles wat zij door hun' ijver verkrijgen, is dat de Heilige Geest verklaart, dal zij door den slank van hunne verontreiniging en van hunne hoererijen God lol een' walg waren geworden. Want de geestelijke kuischheid beslaat hierin, dat men overal en in alles bij het Woord Gods blijfl.
Psalm 100 : 4(1â42.
â¢iO. Eq de toom van Jehovah is ontstoken tegen zijn volk, en Hij heeft een' gruwel geliud aan zijn erfdeel. 41. En Hij gaf hen over in de handen der Heidenen, en hunne vijanden hebben over hen geheerscht. â 12. Eu hunne tegenstanders hebben hen onderworpen, en zij /.iju gekweld geworden onder hunne hand. 43. Hij heeft hen menigmaal verlost; maar zij hebben Hem getergd met hunne verzinselen, en zij werden terneder gebracht in hunne ongerechtigheid. 44. En Hij heeft gezien, dat zij in benauwdheid waren, en heeft hun geroep gehoord. 45. En Hij heeft gedacht aan zijn verbond met hen, en hQt heeft Hem berouwd naar de grootheid zijner goedertierenheden. 4C. En Hij heeft hun genade doen vinden voor het aangezicht van allen, die hen gevankelijk hadden weggevoerd.
40. hn de tocvii vein Jehovah is ontstoken. Do /\Va:irto dor slrul hovcsli^l wal wij zoo oven ^ozoyil hobhen, ui. dal hol quot;oen kloin vergrijp was, dal iiel volk do vermolollioid had den eero-diensl Gods lo vci valschen. Maar hol volk lieoll zijne ongonoes-11 jko boosheid no^ meer getoond door dal hel ook loon nog niel lol waar berouw en bekoeling is gekomen. En gewis was hel eene schrikkelijke wrake Gods, dal bel volk, helwelk Gods heiliquot;' en verkoren erfdeel was, aan hol welgevallen dor lloidenon was overgeloveid, die ochler slochls slaven van den duivel waren, i oen hadden zij Ion minsle een jiruwol moeien hebben van do booze daden, lor oorzake waarvan deze onlzellonde rampen over hen gekomen waren. Daarom slell do Profoel do zaak in nog veel donkerder kleuren voor, als bij zegl, dat zij door limine vijanden onderworpen en gekweld zijn geworden. Kn ook hierin komt hunne dwaasheid en schuld nog moor uil, dal zij na zoo voel vorsMiaadheid toch nog niel waarlijk onder do macblige hand Gods verootinoedigd zijn geworden. Wanl lang te voren zijn zij reeds door Mozes gewaarschuwd geworden, dal zij niel maar bij geval lol deze harde slavernij waren gekomen, en ook oveninin door de kracht ol' macht bunuer vijanden, maar onulal God hen overgeievord, ja schier vorkocbl bad aan hunne vijanden.
Psalm 106 : 42â43.
Nu was liet 3ene zeer gereclile wrake, dal zij, die geweigerd hadden lid juk Gods le di agen, overgeleverd werden aan lyrannen om gekweld en verdrukt te worden, en dat zij, die liet, niet konden verdragen om door Gods vaderlijk bestuur geregeerd te worden, overgeleverd werden aan hunne vijanden om door hen onder hunne voeten te worden verheden
4.quot;i. Hij heeft hen menigmaal verlost. Evenals de liooze hardnekkigheid des volks aangetoond werd door het feit, dat zij zelfs na de zeer strenge kastijdingen Gods zich niet hebben verbeterd, zoo bewijst de Profeet thans hunne schrikkelijke hardheid des harten uit het tegenovergestelde geval, namelijk dut zij ook evenmin door de weldaden, die zij van God ontvingen, lol gehoorzaamheid gebracht werden. .Men ziet wel, dal, als zij verdrukt werden, zij gezucht hebben onder den last, maar als God niet slechts de slral verzacht heeft, maar hun eene wondei-baarlijke verlossing had geschonken, is dan hun val daarna nog te verontschuldigen? Maar wij hebben ons le herinneren, dat, hier de natuurlijke aard van geheel het menschelijke geslacht ons als in een' spiegel wordt voorgehouden; want, God beproeft wel om ons op de eene zoowel als op de andere wijze op den rechten weg te brengen, maar hoevelen zijn er niet, die zich toch immer gelijk blijven! Als Hij ons lol onderwerping brengt door kastijding, of ons verteedert door zijn goedertierenheid, dan is dit loch slechts voor een oogenhlik, want terstond daarna vervallen wij in dezellde ondeugden, ja, hoe dikwijls Mij ook kastijding op kastijding, ol goedertierenheid op goedertierenheid laat volgen; Wal de Joden aangaat, hun onverstand en hunne ongevoeligheid waren gewis onverdraaglijk, daar zij, na zoo vele malen verlost te zijn, loch altijd weder opnieuw in opstand kwamen. Want de Proleet zegt, dat zij God toch nog door hunne hooze verzinselen hebben getergd. Daarna herhaalt hij, dal zij een rechtvaardig loon kregen voor hunne booze daden, daar zij in hunne ongerechtigheid ternedergehracht werden. Nu verhaalt hij wederom, dal hun gekerm verhoord werd, hoewel zij al die rampen volkomen verdiend hadden. Hieruit zien wij dal God met eene onverwinlijke goedertierenheid gestreden heelt legen hunne hoosheid. Immers, welk eene barmhartigheid was het niet hel geroep le hooien van hen, die hunne ooren toegestopt hadden voor zijne bestralfingen en bedreigingen! Toch heeft Hij hun' duivelschen waanzin door deze volharding in goedertierenheid niet overwonnen.
Psalm 106 : 45â40
4-.). Kn Hij heeft gedacht aan zijn verhond. Hij loont de oor-zaak aan van deze «iroole zachtmoedigheid en lankmoedigheid, nl. dat God gedacht heeft aan zijn verbond. En hiermede ver-klaai I hij niet slechts dal de vergeving gansch vrij en om niet was, maar hij maakt levens gewag van de hooze verblindheid van hen, die door zoodanige middelen toch niet teruggevoerd werden lol het verbond, in hetwelk zij wèl zagen, dat hun heil was gelegen. Ilij verwijt hun echter bovenal hunne ondankbaarheid, omdat zij verdiend hebbende om verdelgd te worden, toch niet erkend hebben, dal zij uit loutere barmhartigheid Gods gespaard zijn gebleven Dit drukt hij nog sterker uit in het tweede lid, als hij zegt dat God hun vergeving heeft geschonken naar de grootheid zijner barmhartigheden. Want daar God alle de schatten zijner goedertierenheid heeft moeten aanwenden om hen te verlossen, kan men hieruit opmaken wat zij verdiend hadden. Door het woord herouu-en wordt geene verandering te kennen gegeven in God, maar slechls in de kastijdingen. Want door de straffen Ie verzachten, of zijne hand te weerhouden ten einde zijne oordeelen niet uit le voeren, schijnt er in den raad Gods in zekeren zin verandering le zijn gekomen. Daarom spreekt de Schrift aldus naar onze bevalling, tegemoetkomende aan onze onwetendheid.
â¢40. En hij heeft hen genade doen vinden. Evenals hij le voren gezegd heelt, dal de Joden overgeleverd waren in de handen hunner vijanden, doordat alleen de toorn Gods de tegenstanders had gewapend om hen onder hunne heerschappij te brengen, zoo zegt hij nu, dat diezelfde God hunne vijanden goedertieren had gemaakt, lei wijl zij ie voren op zeer wreedaardige wijze zijn oordeel aan hen hadden voltrokken. Dewijl dus de harten der menschen door Gods hand worden bestuurd, zoodal Hij ze óf aanvuurt tot wreedheid, óf neigt lol zachtmoedigheid, al naar hel Hem goeddunkt, is hel geschied, dat, zoolang zijn' toorn was ontstoken tegen het volk, ook hunne vijanden met een' onverzoenlijken haat legen hen waren vervuld. Maar zoodra Ilij verzoend was, is niel slechts dit vuur, helwelk uil den oven zijns oordeels voorlkwam, uilgedoofd, maar werd ook de wreedheid verkeerd in barmhartigheid. Want zoodanig eone veiandeiing, waardoor wreede en barbaarsche vijanden vriendelijk gezind werden voor, en barmharligheid betoonden «aw, degenen, die zij le voren hebben gehaat, zou ongeloollijk zijn geweest,' indien door de voorzienigheid Gods de wolven niel in lammeren waren verkeerd.
Dl. 11. ...
Psalm I oh : 47.
4:7. Verlos ons, Jehovah, onze God! en verzamel ons uit de Heidenen, opdat wij den naam uwer heiligheid loven, en ons beroemen in uwen lof. 48. Geloofd zij Jehovah, de God Israels, van eeuwigheid, en tot in eeuwigheid, en het gansche volk zegge Amen. Halleluja!
4-7. Verlos ons. A;in hel slot van den Psalm ziet men, dal hij gedicht werd toen het volk zich in treurige verstrooiing bevond. En hoewel er sedert llaggaï en Maleachi geene groole Profeten onder liet volk meer waren opgestaan, is hel toch waarschijnlijk, dat sommigen der Priesters door den ^eest der profetie bezield zijn geworden, en het, volk ten minste de zoo noodzakelijke vertroostingen hebben gebracht. Ik voor mij acht, dal, nadat hel volk opnieuw verstrooid was geworden onder de tyrannie van Antiochus, deze vorm van gebed voor de beboette van hel oogenblik gegeven is geworden, waardoor het volk, terwijl het zich deze aloude geschiedenis voor den geest bracht, erkende dat hunne vaderen op velerlei wijze den toorn Gods hadden opgewekt van het eerste oogenblik af, dal Hij hen had verlost. Want hel was noodig, dat hel volk waarlijk verootmoedigd werd, opdat hel niet zou murmureeren tegen de kastijding Gods. En daar God nu vergeving had geschonken aan degenen, die dit niet waardig waren, gaf dit hoop voor de toekomst, mits zij van ganscher harte begeerden met Hem verzoend te worden, inzonderheid dewijl de herinnering aan hel verhond hier wordt bezongen, en hel vertrouwen hierop hei voor hen wettig en geoorloofd doet zijn God aan te roepen, ook nadat zij legen Hem hadden overtreden. Daar God hen lot zijn bijzonder volk had verkoren, vragen zij, dal Hij de leden, die hier en daar verstrooid zijn, lol één lichaam bijeen zal vergaderen, volgens deze Prolelie van Mozes: Al waren uwe verdrevenen aan hel einde des hemels, van daar zal u de lleere, uw God vergaderen (üeul. 30:4); heigeen vervuld is geworden, toen de menigte, welke hier en daar verstrooid was, bijeenvergaderd werd in eenheid des geloofs. Want, hoewel dit volk hel aardsche koninkrijk en zijne staatsinrichting nooit herkregen heeft, was dit eene veel gelukkiger bijeenvergadering, als zij, ingelijid zijnde, in het lichaam van Christus, overal, aan welke plaats zij zich ook bevonden, door den heiligen en geestelijken band des gelools innig aan elkander, evenals ook aan de geloovigen uil de volken verbonden zijn geworden, ten einde déne Kerk uil te maken,
Psalm lOfi : 47â4S.
die over de geheele aarde verspreid is. Hij voepl er ook het doel bij der verlossing, namelijk, opdat zy den naam Gods zouden loven.
48. Geloofd zij Jehovah. Uier matigt hij de wenschen en begeerten des volks in dier voege, dat de arme ballingen ook Ie midden van tuin zuchten en kermen niet nalaten lol en dank te brengen aan God, hetgeen vvèl opgemerkt moet worden; want, als wij in nood en ellende zijn, zal er op de honderd niet eén gevonden worden, die kalm en vreedzaam tot God nadert, maar wij zullen óf door een koud en onverschillig bidden, ófdoor klagen en gemelijkheid onzen hoogmoed openbaren. En toch is het eenige middel om dooi' God te worden verhoord, dat wij ons met nederigheid en zachtmoedigheid onderwerpen aan zijne kastijdingen, en het kruis dragen, dal Hij ons oplegt Daarom is het niet zonder reden, dat de Proleet de arme ballingen opwekt oin God te loven, ook wanneer Hij hen eenigszins streng kastijdt. Dat is ook ook de strekking van de zinsnede: Het (jnnsche volle zegge Amen, alsof hij gebood, dal allen met den lol Gods zouden instemmen, hoewel zij in het bijzonder, zoowel als in hel openbaar, onder zeer zware rampen gebukt gingen.
PSALM 107'.
INHOUD: Hij leert teu eerste, dat de menscbelijke zaken niet door liet onstandvastige noodlot worden geregeerd, maar dat in de verschillende wisselvalligheden, die de wereld aan het toeval toeschrijft, de menschen aan de oordcelen Gods hebben te denken. Dat daarom alle tegenspoeden en rampen, waardoor de menschen getrofien worden, zoo als schipbreuken, onvruchtbaarheid, balling-scha]), krankheden, nederlagen in den krijg, even zoo vele getuigenissen zijn van den toorn Gods, waardoor God de menschen van wege hunne zonde voor zijn' rechterstoel daagt; terwijl voorspoed en blijde uitkomsten toegeschreven moeten worden aan zijne genade, opdat Hij altijd den lof moge ontvangen, die Hem toekomt, hetzij als goedertieren Vader of rechtvaardig Hechter. Aan het slot richt hij zijn woord tegen de wereld!ingen, die bij zulke duidelijke blijken van Gods voorzienigheid, nog blind blijven.
3-1*
Psalm 107 : I â5.
1. Looft Jehovah, want Hij is goed, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 2. Dat zulks de bevrijdeu van Jehovah zeggen, die Hij van de hand des kwellers verlost heeft. 3. Die Hij verzameld heeft uit de landen, van het Oosten en van het Westen, van het Noorden en van het Zuiden. 4. Die van den weg afdwaalden in de woestijn; zij hebben geene stad ter woning gevonden. 5. Hongerig en dorstig zijnde, zoodat hunne ziel in hen bezweek. 6. En zij hebben geroepen tot Jehovah in hunne benauwdheid; Hij heeft hen verlost uit hunne angsten. 7. En Hij voerde hen terug op den rechten weg, om te gaan tot eene stad ter woning. 8. Dat zij voor Jehovah zijne goedertierenheid loven , en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen; 9. Want Hij heeft de begeerende ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld.
1. Looft. Dit vers hebben wij reeds verklaard, want het is ook bel begin van den vorigen Psalm. De Joden hebben er zeer dikwijls gebruik van gemaakt, en hel was de gewoonte om het als refrein in andere liederen te voegen. zoodat wanneer één groep van zangers een' Psalm zong, een andere groep, die daar tegenover stond, bij ieder vers inviel met Looft Jehovah want Hij ü goed, enz. De dichter, wie hij ook moge geweest zijn, heelt dus dit bekende en veelvuldig gebruikte vers als algemeene inleiding gebruikt voor zijn' Psalm. Vervolgens daalt hij al lot de bijzonderheden. En dan wekt hij in de eerste plaats diegenen op lot lol en dank, die van eene verre en moeielijke reize, of wel uil slavernij en gevangenschap veilig en wel in hun eigen huis zijn teruggekeerd. En hij noemt hen de hevrijden Gods, omdat zij verdwaald zijnde in woestijnen en eenzame plaatsen, meermalen belet zouden zijn terug te komen, indien God hen niet bij de hand had geleid en zich aldus als hun Gids had beloond Evenwel, hij wil dit niet verslaan hebben van ;dle reizigers zonder onderscheid, maar alleen van hen, die óf door eene vijandige machl, óf door eenigerlei ander geweld en noodzakelijkheid, zich in verre landen en in vele en groole gevaren
53-2
I'SALM lU7 : 1âG.
bevonden, ja zell's door zeeroovers ol' landroovers gevangen weiden gehouden. Daarom wijst 'liij er op, dal liet niel maar bij geval is, dat z,ij aldus gekweld zijn geworden, evenmin als liet bij toeval was, dat zij weder in hun eigen land teruggevoerd zijn; maar dat het dooi de voorzienigheid Gods is geweest, dat zij aldus als zwervelingen omgedoold hebben. Men zou het tweede vers wel met het eerste kunnen samenvoegen, alsol de Proleet hun, tot wie hij spreekt, gebood dit welbekende lied te zingen. Men kan het echter ook zeeer goed alzonderlijk lezen, en wel dus; Dat de bevrijden des lleeren, die ten laatste uil de gevangenschap in hun eigen land teruggekeerd zijn, thans Ie voorschijn lieden, om deel te nemen aan den lol Gods en het verhaal te doen van Gods genade, die zij ervaren hebben in hunne verlossing. Hoewel dit nu gewoonlijk wedervaren is aan de Joden, die eene verre reizc ondernomen hadden, omdat zij hun eigen land nauwelijks konden verlaten, zonder op ruwe en moeielijke wegen te komen en van allerlei gevaren omringd te zijn, strekt deze leer zich toch ook uit tot geheel hel menschelijk geslacht. En zij doel hen gedenken, hoeveel malen zij van den rechten weg afgedwaald zijn en nergens eene plaats vonden om te overnachten, gelijk dit gewoonlijk het geval is als men zich in weinig bezochte landstreken bevindt. Ja, al zou iemand zich slechts in een woud bevinden, waar bij den weg niel kent, zal hij dikwijls gevaar loopen de prooi van wolven en leeuwen te worden. Doch hij spreekt hier inzonderheid van hen, die in woeste plaatsen verdwaald zijn, en er door honger en dorst worden gekweld. Want het is zeker, dal de zoodanigen (tenzij God hun te hulp komt) ieder oogenblik in doodsgevaar zijn.
ü. En zij iiebben geroepen. De werkwoorden in den verleden tijd, duiden hier eene voortdurende handeling aan, gelijk de spraakkundigen dit noemen. 11 ij wil dus zeggen, dat zij, die in de woestijn verdwaald zijn, dikwijls door honger en dorst gekweld worden jnidat c;i geene plaats is, waar zij eene toevlucht kunnen vinden; en wanneer de hoop ben dan verlaten heelt, roepen zij tot God. Nu is het zeker, dat God zeer vele menschen in hun' nood te hulp komt, hoewel zij niet tol Hem bidden; maar het was niel zoo zeer de bedoeling van den Proleet om hier hel geloof te prijzen der godvruchtigen, die God van ganscher harte moeken, als wel om de algemeene neiging van het menschelijk hart te schetsen. Want, hoewel er velen zijn, die hunne hoop volstrekt niet op God gericht hebben, is er toch eene verborgene aandrilt in hen, die hen, als zij zich in nood of
53J
Psalm IU7 : Oâ9.
gevaar bevinden, uitdrijft tol God, waardoor hun dan de bekentenis wordt ontwrongen, dat men van niemand anders dan van Hem alleen redding moet vragen oi' verwachten. Ja zelfs zullen zij, die hoegenaamd geen' godsdienst hebben, maar integendeel in hun' tijd van voorspoed en weelde met God spotten, in weerwil van zichzelven gedwongen worden zijn' Naam aan te roepen, liet was ook ten allen tijde het gewone doen der Heidenen om den godsdienst voor eene fabel te verklaren, maar als zij door den nood gedrongen werden. God ter hulpe te roepen. Doen zij dit nu uit kortswijl? Gewis niet, maar door eene verborgene aandrift in hunne natuur worden zij gedrongen den Naam Gods te eeren, dien zij le voren hadden bespot. Naar mijn oordeel dus geeft de Profeet ons hier het verhaal van hetgeen gemeenlijk plaats heelt, nl. dat de menschen, ook als zij geen greintje quot;odsdiensl bezitten en niets van God willen weten of met Hem
o
van doen willen hebben, door de Natuur geleid en geleerd worden om God aan te roepen, als zij in grooten nood of gevaar zijn, hoewel zij dan niet het minste begrip hebben van hetgeen zij doen Dewijl zij nu aldus tot God roepen, als zij in nood of gevaar zijn, en nergens hulp voor hen te verkrijgen is, blijkt hieruit ten duidelijkste hunne laagheid en lafhartigheid, daar zij in vrede en rust God veronachtzamen, alsof de voorspoed hunne zinnen had beneveld. En niettegenstaande er een zaad van godsvrucht in hun hart gezaaid was, hebben zij toch nooit anders dan door beproeving en kastijding wijs willen worden, ik bedoel wijs in dier voege, dal zij zich herinneren, dal er een God in den hemel is. En nu moet men hier niet niet met het sarcastisch gezegde aankomen van dien spotter van ouds, die in een' tempel komende, waar hij vele opschriften zag, welke eenige kooplieden daar geplaatst hadden ter herinnering, dat zij door Gods gunst en genade uit eene schipbreuk waren gered, zeer schander en geestig scheen te zijn, toen hij zijde: o! maar men houdt hier geene lijst bij van hen, die verdronken zijn, en wier aantal oneindig is. Misschien had hij wel reden om aldus met de afgoden le spotten Maar al is het waar, dat er honderd maal meer menschen in de zee blijven dan er van terugkomen, wordt de glans van Gods goedertierenheid hier toch volstrekt niet door verduisterd, al is het ook dat Hij tegelijkeitijd zijne oordeelen volvoert. Hetzelfde kan ook gezegd worden van reizigers, die hier en daar heentrekken: als velen van hen omkomen van honger en dorst, en anderen van koude, en nog anderen door wilde dieren worden verscheurd en verslonden, dan zijn dit even zoo vele ooideelen Gods, die Hij ons voor
Psalm 1(J7 ; Oâ10.
5^5
ooyen steil. Hieruit kunnen wij alleiden, dat een gelijk lot ook de overige menschen zou treffen , indien God er niet voor zorgde om een deel van hen te bewaren; en zoo handelt Hij dan als Rechter, als Hij sommigen onder zijne hoede en bescherming neemt om in hen getuigenis te geven van zijne barmhartigheid, terwijl Hij de anderen zijne strengheid doet ondervinden. Het is dus niet zonder reden, dat de Proleet er bijvoegt, dat zij door de hand Gods op den rechten weg geleid worden om eene geschikte woonstede te vinden. en hen daarom opwekt om Hem dankzegging toe te brengen. En ten einde deze weldaad nog meer te bevestigen, voegt hij de wonderwerken Gods bij zijne barmhartigheid, alsol hij zeide, dat Gods genade in deze weldaad te duidelijk uitblinkt, om niet door allen erkend te worden, en dat zij, die zwijgen, na aldus verlost te zijn, den glans der wondere werken Gods niet minder verdonkeren, dan wanneer zij hel licht der zon onder hunne voelen gingen vertreden. Want, wat zou men anders kunnen zeggen, daar toch ons natuurlijk gezond verstand ons dringt, om wanneer wij in nood of verlegenheid zijn, ons tol God te wenden? Als wij Hem zoo snel vergeten, zou men dan kunnen loochenen, dat de Heerlijkheid Gods door onze boosheid en ondankbaarheid als uitgedoofd wordt?
10. Die in duisternis en de schaduw des doods wonen, gebonden door angst en ijzers; 11. Omdat zij wederspannig zijn geweest tegen Gods geboden, en den raad des AUerhoogsten hebben veracht. 12. Die hun hart door droefenis heeft vernederd; zij zijn gestruikeld eu er was geen helper. 13. Zij hebben geroepen tot Jehovah in hunne benauwdheid, en Hij heeft hen verlost uit hunne angsten. 14. Hy voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij heeft hunne banden verbroken. 15. Laat hen voor Jehovah zijne goedertierenheid ioven, en zijne wonderwerken voorde kinderen der menschen. 16. Want Hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen.
10. Die in duisternis en de schaduw des doods wonen- Uier
Psalm 107 ; !0â11.
maakt de Proleet melding van een ander soort van gevaar, in hetwelk God de kracht en de genade tentoonspreidt, die Hij aanwendt lot bescherming en bewaring der menschen. Gelijk ik reeds gezegd heb: de wereld noemt deze stormen een spel van het noodlot, en van de honderd is er niet een, die nog iets voor Gods voorzienigheid overlaat. Maar de Profeet eischt nog eene andere wijsheid van ons, te weten, dat wij in allen tegenspoed en leed de oordeelen Gods, en in alle verlossing en uitredding de goedheid Gods zullen zien; want gewis! niemand valt bij geval in de handen zijner vijanden, ofin die van roovers, evenmin als iemand bij geval bewaard blijft; maar wij moeten vasthouden aan dit beginsel, dat alle beproevingen geesels Gods zijn, en dat er geen ander geneesmiddel voor is dan zijne genade. Als iemand in de macht geraakt van dieven of zeeioovers, en bij wordt niet terstond om het leven gebracht, zal hij toch ieder oogenblik den dood verwachten, zonder eenige hoop te hebben op levensbehoud. De verlossing van zoo iemand is dus een waar getuigenis van Gods genade welke zoo veel te meer hierin uitblinkt, als er slechts weinigen zijn, die er aan ontkomen, zóó ver is het er vandaan dal het den glans zijner heerlijkheid doet tanen, als velen daarbij omkomen. Daarom veroordeelt de Profeet diegenen als ondankbaren, die na wonderbaarlijk vei lost te zijn, zoodanige weldaad terstond in vergetelheid begraven. En ten einde hunne schuld des te beter in het licht te stellen, laat hij hunne eigene verzuchtingen en hun geroep legen hen getuigen. Want, daar zij in hunne benauwdheid ongeveinsd God als hun' Verlosser erkend hebben, hoe komt hel dan, dal nu zij vrede en rust smaken, deze erkentenis op eens verdwenen is?
11. Omdat zij wederspannig zijn geweest tegen Gods geboden. De oorzaak hunner beproeving aanwijzende, wederlegt hij ook de dwaling van hen, die denken, dal tegenspoed zoo maar bij geval komt; want als men de oordeelen Gods goed beschouwde, dan zou er voor geen toeval of noodlot meer plaats zijn in deze wereld. En vóórdat de menschen er van overtuigd zijn, dal al hun leed en ellende een gevolg zijn van Gods wil, zal hetnooil bij hen opkomen om zich tol God te wenden len einde er van verlost te worden. Wanneer de Proleet nu de oorzaak aanduid!, spreekt hij niet van hen, die in het openbaar en door de menschen voor booswichten worden gehouden, maar door zoo te spreken vermaant hij de beproefden, van welken aard zij ook zijn, om hun eigen leven na le gaan, lot zich zeiven in te keeren,
Psalm 1U7 ; 11 â17.
ook wanneer niemand hen van iels beschuldigt; en daar zullen zij dan altijd de oorzaak vinden van al hunne rampen. En hij laakt hen niet omdat zij maar eenvoudig gezondigd hebben, maar omdat zij wederspannig zijn geweest tegen het Woord Gods. En daarmede toont hij aan; dat er slechts één regel is om goed en betamelijk te leven, nl. Gods geboden te volgen. Al wie dus hiervan overtuigd zijn geworden en door den grooten nood gedrongen zijn om tol God te roepen, zijn loch al te stompzinnig, indien zij niet erkennen, dat de verlossing, die hun legen alle hoop en verwachting ten deel viel, niet anders dan van God kan komen. De koperen deuren en ijzeren grendelen worden genoemd om de grootheid der weldaad nog meer te doen uitkomen, alsol hij zeide: De banden der eeuwigdurende slavernij zijn verbroken.
17. De zotten worden om den weg hunner overtreding , en om hunne ongerechtigheden geplaagd; 18. Hunne ziel gruwt van alle spijze, en zij zijn tot aan de poorten des doods gekomen. 19. Dan roepen zij tot Jehovah in hunne benauwdheid, en Hij verlost hen uit hunne angsten. 20. Hij zendt zijn Woord en geneest hen, en rukt hen uit al hun bederf. 21. Laat hen voor Jehovah zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen. 22. En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich zgne werken vertellen.
17. Be zotten. Hij komt nu lot eene andere soorl van kastijding, want gelijk hij le voren gezegd heelt, dal sommigen in gevangenschap leven, omdat zij zich niet aan God willen onderwerpen, leert hij thans, dal anderen door God van vvege hunne zonden met krankheid worden geslagen. Wanl als de zondaar gevoelt, dal hel God is, die hem met de roede bezoekt, dan is de weg voor hem bereid om lot de kennis zijner genade te komen. Ilij noemt hen Zotten, die door onbedacht aan hunne lusten en begeerten toe le geven, het vei derf ovei zich brengen, niet alsol zij slechls door dwaling en onwetendheid le kort komen, maar hunne blinde hartslochlen berooven hen van alle
Psalm 1U7 : 17â20.
versland en oordeel, zoodal zij op zeer verkeerde wijze onilrenl zicli zelven te rade gaan. En voorzeker moeien wij altijd vüsI-houden aan hel beginsel, dal alleen de vreeze Gods wijsheid is. Hieruil volgl dus, dal zij, die hel juk Gods van zich al schudden om zich tol slaven le maken van den duivel en van de zonde, wel gansch en al door dwaasheid ol waanzin vervoerd moeten wezen. En de Profeet noemt als eerste en voornaamste punt van deze verstandsverbijstering, den afval ol' de overtreding, en daarna voegt hij er de ongerechtigheden bij; want hel kan niet anders, of hij, die God eens verlaten heeft, moet voortdurend heen en weder geslingerd worden; zuodal hij van de eene zonde lot de andere komt. Wat hij daarna zegt, moet niet van gewone krankheden verstaan worden, maar van die, welke volstrekt doodelijk geacht worden, en bij welke geene hoop op leven meer overig blijft, opdat de genade Gods des te meer zal uitblinken door de verlossing er van. Want, als iemand van eene lichte ongesteldheid genezen wordt, dan zal hij in deze onbeduidende verandering de hand Gods uiel opmerken, maar wèl toont zicli die hand Gods treffend en onmiskenbaar, als zij hen opricht, die reeds meer dood dan levend zijn, en hun weer nieuwe kracht en gezondheid schenkt. Hij zegt dus, dat zij verlost zijn uil velerlei verderl, hetgeen hetzelfde is, alsof hij gezegd had, dat zij van velerlei dood gered zijn Hierop zien de aanduidingen, of omschrijvingen, die de Pi ofeet noemt: Totdeyoorten des doods te zijn gekomen, en gruwelen van alle spijze. Want, van hel roepen tol den Heere hebben wij reeds gesproken, te weten, dat de menschen, als zij in grooten nood of gevaar zijn, door hun roepen erkennen, dal het met hen gedaan zou zijn, indien God hun niet wonderbaarlijk te hulp kwam.
20. Hij zendt zijn Woord. Wederom toont de Profeet dal hij hier handelt over krankheden, die naar hel oordeel der menschen ongeneeslijk zijn, en waaraan men nauwelijks ontkomen kan, als hij zegt, dal zij verlost zijn van het verderf. Voorts stelt hij de hulpe Gods tegenover alle menschelijke hulpmiddelen, alsol hij zeide, dat, dewijl hel hun onmogelijk was hier beneden eenigerlei geneesmeester te vinden, men wel moet erkennen, dat alleen de kracht Gods hen heeft doen herleven. Men moet ook lellen op de wijze der genezing, le welen, dat God door een teeken of alleen door zijn bevel, alle krankheden en zelfs den dood, verjaagt, want ik beperk dit niet, gelijk sommigen doen, alleen tot de geloovigen. Wel is het waar, dat de gezondheid des lichaams van weinig of geen belang is, indien de ziel door
538
Psalm 1U7 ; 20 â2i
list Woord Gods niel is gereinigd; maar de Proleet wil ook dal men de goedertierenheid Gods zal beschouwen ten opzichte der verworpenen en ondankbaren. Daarom is dit de zin dezer Schril-tuurplaats: daar de krankheden de menschen niet aantasten bijgeval, en ook niet alleen maar door natuurlijke oorzaken worden voortgebracht, maar, als Gods beambten, zijn gebod volvoeren, moeten wij ook gelooven, dal Hij, die ze gezonden heelt, ze ook gemakkelijk kan wegnemen, en dat Hij daarvoor slechts een woord heeft te spreken. Na de bedoeling van den Proleet nu goed te hebben begrepen, zouden wij (waar dit tepas komt) een' geestelijken zin hieruit kunnen alleiden, d. i. eene hoogere leerstelling, en wel op deze wijze: Indien de krankheden van hel lichaam niet anders dan op het woord ol gebod Gods genezen worden, zullen de zielen nog veel minder door iels anders dan door dit woord, lot het eeuwige leven komen, en dit moei aangegrepen worden dooi' hel gelool.
22. En dat zij lof off er en offeren. Deze zin is er bijgevoegd ter nadere verklaring, ten einde nog duidelijker uil te drukken, hoe God van zijn recht wordt berooid, indien men hier zijne voorzienigheid niel erkent. De natuur leert ons, dal wij Gode eerbied en buide verschuldigd zijn. Zells de Heidenen wisten dit, zonder hel in eene andere school dan die der natuur geleerd le hebben. Wij weten ook, dal bet ofl'eren onder alle volkeren gebruikelijk is geweest. Er is ook niel aan le twijfelen of God beeft door dit beginsel het menschelijk geslacht in ontzag willen houden, door hun eenig gevoel van vroomheid en godsdienst in te planten. Het is dus daarheen, dut de Profeet de zotten oi onverschilligen verwijst, bun loonende, dal hel beste offer, dat zij kunnen brengen, hierin bestaat, dal zij de goedertierenheid en weldadigheid Gods dankbaar erkennen. Inlusschen ontken ik niel, dat hij zinspeelt op de ceremoniën der Wel. Daar echter overal in de gebeele wereld de olfers in den godsdienst waren ingevoerd, overtuigt bij hen van ondankbaarheid, die, na uil eenigerlei gevaar gered te zijn, den lol', die Gode er voor toekomt, in bun stilzwijgen begraven.
23. Die met schepen ter zee afvareu, handel doende op groote wateren. 24. Zij zieu de werken van Jehovah, en zijne wonderwerken in de diepte. 25. Hij spreekt, en doet den stormwind opstaan, en verheit hare golven
Psalm 107 : iö.
omhoog. 26. Zij rijzen op naar den hemel; zij dalen neder in de afgronden, hnnne ziel bezwijkt van angst. 27. Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hnnne wijsheid wordt verslonden. 28. En zij roepen tot Jehovah in hnnne benanwdheid, en Hij voert hen uit hnnne angsten. 29. Hij doet den storm stilstaan, zoodat hunne golven tot rust komen. 30. En zij zijn verblijd, omdat zij gestild zijn, en Hij voert hen tot het land hnnner begeerte. 31. Laat hen voor Jehovah zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen. 32. En Hem verhoogen in de vergadering des volks en Hem loven in het gezelschap der ondsten.
23. Die met schepen ter zee afvaren. Ilicr loonl de Profeel in wederom een ander soorl van gevaar, de zorge, die God heeft voor hel menschelijk geslaehl, als Hij hen naar de haven voert, die schipbreuk hadden geleden, en die Hij dus ais liet ware van uit de diepte des grafs in hel leven lieelt teruggeroepen. Hetgeen hij zegt van hen, die ter zee varen en de wonderwerken des Ileeren zien in de diepte, versta ik niet van den grooten overvloed van wondervolle dingen, waarvan de zee zoo vervuld is. Wel is waar zouden deze lieden wel een stellig getuigenis kunnen afleggen van de werken Gods, omdat men in de zee een grooter overvloed en verscheidenheid van wondere dingen waar kan nemen dan op het land; maar het schijnt mij toe, dat men dit heter saam kan voegen met hetgeen volgt, daar de Profeet zeil eene verklaring schijnt te geven van zijne bedoeling, als hij verhaalt hoe God plotseling stormen verwekt en ze even snel weder tot bedaren brengt. Waar het op neerkomt is, dat zij, die ter zee varen dooi de ervaring van storm en schipbreuk zeer levendig getroffen worden, zoodal zij bij iedere verhelling de:' golven, met den dood worden bedreigd Doch daarna geeft hij eene nog levendiger schildering van de voorzienigheid Gods, want, ten einde te doen verslaan, dal de zee zich niet van zelve verheft, maakt hij voorbedachtelijk gebruik van het woord: Hij spreekt, te kennen gevende, dat de winden waaien naar de aanwijzing van Gods voorzienigheid en volgens
Psalm 107 ; 24â29.
zijn gebod, ten einde de zee onstuimig te doen worden. Wel is het waar, dat de zeevaarders aan zekere naluurlijke teekenen kunnen bemerken, dat de storm in aantocht is, maar die snelle afwisselingen komen voort uit den verborgen raad Gods. Daarom verhaalt hij hier niet slechts als een historisch feit, dat stormen en dwarlwinden zich verheffen op de zee, maar, dewijl hij hier het leeraarsambt waarneemt, begint hij met de oorzaak, toont dan aan, hoe groot bij die gelegenheden het gevaar is, ol'liever, bij schildert het beeld des doods, opdat, wanneer daarna de begeerde uitredding komt, de genade Gods des te sterker in bet licht zal treden. Zy rijzen op, zegt hij, naar den hemd zij dalen neder in de afgronden; also! hij zeide: zij worden heengevoerd in de lucht, alsof zij vlogen, zoodat hun leven verdwijnt; en daarna storten zij zich van de hoogte naar de diepte en verdrinken in de zee. Hij spreekt ook van de angsten, waardoor zij worden gekweld, of liever, die hen het verstand doen verliezen, waardoor, hij te kennen geeft, dal, al zijn de bestuurders der schepen ook nog zoo bekwame en ervaren zeelieden, zij toch dikwijls ten einde raad zijn, waardoor het geschiedt, dat geenerlei middelen hun van eenig nul zijn, al zouden zij ze ook bezitten. Want, hoewel zij al hun gerei en gereedschap bij elkander hebben, hel dieplood uitwerpen, de zeilen van de eene naar de andere zijde brengen en alles hebben beproefd, zonder dal hunne kunst, iets meer vermag, zijn zij ten laatste genoodzaakt om zich aan den willekeur der winden prijs Ie geven; want alle hoop verloren hebbende, blijft hun raad noch wijsheid over. En wanneer zij dus nergens ter wereld hulp of redding zien, en hun niets anders overblijlt dan tot God le roepen, dan is dit voor hen hel bewijs, dat zij zoo goed als dood waren.
29. Tlij doet den storm stilstaan. Een Heidensch schijver, de eene of andere geschiedenis verhalende, zou gezegd hebben: De wind ging liggen en de golven kwamen lol bedaren. Maar de Profeet wijst voor deze verandering in de eerste plaats op de voorzienigheid Gods, om aan le loonen, dal hel dooi' geene menscbelijke of naluurlijke middelen is, dal dit heftige woeden van stormen en baren, die hel gebouw der wereld in een scheen te zullen doen storten, in een oogenblik ophield. Wanneer dus de zee bewogen is, schuimt en kookt, zoo dal de droppelen waters, als hel ware, met elkander in strijd zijn, van waar is hel dan, dal zij in een oogwenk kalm en slil is, indien het God niet is, die de golven bedwingt, welker bruisen zoo schrikwekkend was, zoodal Hij de wateren slil doel slaan, alsof zij op eens lol
541
Psalm 107
ijs waren gestold? Na van zoo vele verschrikkingen gesproken te liebben, maakt liij nu melding van vreugde, ten einde hunne ondankbaarheid nog meer te doen uitkomen, indien zij niet voortdurend de herinnering aan deze groote uitredding in hun hart bewaren. Want zij behoeven thans geene andere school meer, daar hun genoegzaam geleerd is, dat God zijn leven in hunne hand hield, en er de eenige Hoeder van was, toen Mij na den zoo woesten storm schoon en kalm weder gaf En nu toont hij nog verder aan. dat de weldaad van zulk een' aard was, dat men haar niet slechts voor zich zeiven en binnen'shuis erkennen moet, maai dat zij hel waard is om overal, aan alle plaatsen, en tot in de grootste vergaderingen te worden verhoogd en verheerlijkt. Hij noemt zelfs de oudsten, waarmede hij te kennen wil geven, dat naarmate iemand meer ervaring en wijsheid heeft, hij ook een geschikter hoorder en getuige van zoodanige lofzeggingen wezen zal.
33. Hij stelt rivieren üi de woestijn, en waterwellen in droogte; 34. Het vruchtbaar land tot zoutigheid, om de boosheid dergenen, die daarin wonen. 35. Hij stelt de woestijn tot een' waterpoel, en het eenzame land tot waterwellen. 3G. Eln Hij doet de hongerigen aldaar wonen, die er eene stad ter woning stichten. 37. En bezaaien akkers, en planten wijngaarden, die de vrucht der inkomsten voortbrengen. 38. En God zegent hen, en zij vermenigvuldigen zich grootelijks, en hun vee vermindert Hij niet. 39. Daarna verminderen zij, en zijn terneergeslagen door smart, kommer en verdriet. 40. Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is. 41. En hij helt den verdrukte op uit zijne ellende, en maakt de huisgezinnen als kudden.
33. Hij titelt. Hij doel. een verhaal van de veranderingen, welke toe Ie schrijven aan het toeval, onzinnig zou wezen, want men zal zien, dat vruchtbare landstreken zullen uitdrogen.
rWâ33.
Psalm 107 : 33-35.
terwijl de onvruchtbare grond eene ganscli nieuwe natuur omvangt. En van waar is het, dal. liet eene land onvruchtbaar, en het andere vet en vruchtbaar wordt, indien niet daarvan, dal God, om zijne oordeelen te volvoeren aan liet eene, er zijn' zegen aan onttrekt, en het andere vruchtbaar maakt ten einde er de hongeriger! te onderhouden r Men zou bet aan de schaarschte der bevolking kunnen toeschrijven, dal vele landstreken in Azië en Griekenland, die vroeger beroemd waren wegens hunne vruchtbaarheid, thans braak liggen en geene waarde hebben. Daar de ondervinding ons echter leert, dat aan verscheidene plaatsen vruchtbare landstreken dor en onvruchtbaar geworden zijn, terwijl anderen op eens overvloedig vrucht begonnen voort te brengen, is men wel genoodzaakt hierin de voorzienigheid Gods te erkennen en te belijden, welke de Profeet Ie dezer plaatse zoo zeer verheerlijkt. Evenwel, het is nog niet genoeg eenvoudig te gelooven, dat Gods raad deze veranderingen be-heerscbt. Men behoort er in de tweede plaats ook bij te voegen, wat ook de Profeet niet onvermeld heelt gelaten, nl. dat het land door God gevloekt wordt van wege de ongerechtigheid van deszelfs inwoners, wanneer zij zich onwaardig hebben betoond, dat Hij hen er door zijne milddadigheid onderhoudt. Door de waterpoelen of waterwellen verstaal hij die landstreken, die overvloedig bewaterd zijn, omdat voortdurende vochtigheid vruchtbare sappen teweegbrengt. Wat hel woord zoutigheid betrelt, dit is hier gebruikt als metaphoor (d. i. eene oneigenlijke zegswijs om beeldspraak te vormen), want niets is onvruchtbaarder dan zout, waarmede ook in verband slaat belgeen Christus zegt in Markus 9:50: Als het zout zijn' smaak verliest, waartoe zal het dan nog nut zijn. Tot niets voorzeker, zelfs niet lol onvruchtbaarheid. Daarom hadden zij de gewoonte, om zout te strooien op de plaatsen, die zij lol woestheid en verlatenheid doemden; en wellicht heeft de Profeet aan deze aloude gewoonte gedacht, loen bij zeide, dat het land met zout bedekt was
35 Hy stelt, enz. Deze verandering, die eene tegenstelling vormt met de vorige, doet de wondere goedheid Gods nog meer uitkomen. Want, indien de grond eenvoudig ophield van vruchten op te leveren, dan zouden de wereldlingen terstond met het aloude gezegde voor den dag komen, dat de grond, na zoo dikwijls vrucht te hebben voortgebracht, nu moet rusten, alsof bij de kracht tol voortbrengen had verloren. Maar wat z;d men zeggen, als de dorre plaatsen nieuwe vettigheid erlangen, zoodat er eene verandering in de lucht schijnt plaats te hebben gehad,
Psalm 107 : 35â39.
evenals met den aard van den ^rond? Wal anders, dan dal God aldaar een bewonderenswaardig voorbeeld zijner goedheid gesteld heelt? liet is dus niel zonder reden, dat de Proleet zegt, dal de woestijnen in waterpoelen zijn verkeerd, zoodat volkrijke steden verrijzen op woeste plaatsen, waar men vroeger te vergeefs naai de kleinste ol onaanzienlijkste woning gezoclit zou liebben. want hel is niet méér waarschijnlijk, dal de natuur der aarde verandert, dan dat de loop der zon en der sterren verandert. Hetgeen hij ze;»! van de Iwngerigen, die verzadigd worden, kan op tweeërlei wijze verstaan worden , öl dat de hongerigen zeiven voedsel vinden, om er zich na hun langdurig vasten mede te verzadigen, ól wel, dal God mildelijk voorziet in de behoeften der armen, die door nood en gebrek gedwongen zijn hunne woonplaats te verlaten om elders spijze te zoeken. Ik geloof echter, dal hij veeleer spreekt van de hongerigen, die (gelijk men dal dikwijls ziel gebeuren) de wereld niet scliijnl Ie willen voeden, en die zelfs door hun eigen vaderland, dal hun toch toch als eene moeder behoorde te zijn, worden uilgestooten. De zoodanigen worden zeer goed verzorgd in de woestijn, waar zij door den zegen des lleeren voorspoedig zijn en zich vermenigvuldigen. Wat betreft de plaats, die ik vertaald heb door de vrucht der inkomsten-, vele llebreeuwsche taalgeleerden zeggen, dat hier eene herhaling is van twee woorden, die hetzelfde beleekenen, en zij lasschen het voegwoord en in, alsof er stond de vrucht en de inkomsten. Doch de Proleet heelt veeleer de jaarlijksche vrucht op hel oog, alsol hij zeide: Het is niet slechts voor eens, of voor enkele jaren, dat deze landstreken vruchten voortbrengen, neen, er heerscht daar eene voortdurende vruchtbaarheid, want het llebreeuwsche woord Tehoeah duidt vruchten aan, die jaarlijks groeien. Als hij zegt, dat de nieuwe inwoners zaaien en planten, geelt hij te verstaan, dat er te voren geen bebouwen van hel land gebruikelijk was, en dat bijgevolg de landstreek, welker grond deze vettigheid ontvangt, gansch en al van gedaante veranderd wordt. Ten slotte voegt hij er bij, dat het alleen aan den zegen Gods is te danken, waardoor wij zien hoe sommigen van dag tot dag in rijkdom en voorspoed toenemen, terwijl zij te voren arm en nooddruftig zijn geweest.
39. Daarna verminderen zij, en zijn ternedergeslayen door smart, hommer en verdriet. Eer wij verder gaan, moeten wij even opmerken, dal sommigen hel llebreeuwsche woord dat ik in dezen tekst heb overgezet door smart, door tyrannie vertalen.
Psalm 107 ; 39â4-1
Ln voorzeker is ook de beleekenis v;in hel werk woord, dal van dit woord nyotser al'lian^l , Eeerschen, daar hel woord ecliler in overdrachlelijken zin ook Angst, ol' benauwdheid heleekenl, schijnl hel mij loe, dal deze zin iiier beier voeyl. De Iwee andere woorden Kwaad en Verdriet kunnen zoowel in den eerslen als in den lweeden naamval gelezen worden. Ik geef er ecliler de voorkeur aan aldus le lezen : Door de benauwdheid can kwaad en van smart. Van hel overige koml de verklaring in korle woorden hierop neder; Gelijk ons le voren de verandering beschreven is, die plaals heell in de landen mei belrekking lol den grond, zoo wordl ons thans geleerd, dal ook de menscben niel altijd in denzelfden loesland blijven ; want zij verminderen in aantal door oorlogen, ol door binnenlandsche onlusten, of zij kwijnen, doordat zij op eene andere wijze len ondeigebrachl zijn. Hetzij dus de pestilentie een deel van hen doel sterven, 01 'kit zij in den krijg worden verslagen en gedood, ol dal zij in hunne onderlinge Iwislen elkander hel leven benemen, dit is zeker, dal hun slaat en loesland zeer dikwijls afwisselt. Maar van waar komt dit, indien niel daarvan, dal (lod hun zijne genade onttrekt , die le voren als eene verborgene bron vooi hen was, waaruil al hun voorspoed is voortgevloeid. En dewijl nu de sleden op velerlei wijze tol verval komen, noemt hij eene soort van verandering, die meer in hel oog springl dan de overigen. Wanl, daar men bij onaanzienlijke en onbekende personen de band Gods niel zoo terstond opmerkt, voerl hij zells de prinsen ten tooneele, wier grootheid en vermaardheid niel loelalen, dal iets verborgen blijft van hetgeen er met hen plaals heelt, indien hel op eenigerlei wijze gedenkwaardig is; want het schijnt wel ol de wereld alleen om hunnentwil gemaakt is. Wanneer God hen dus nederwerpt van hunne hoogte, dan zal het verstand der menschen meer gescherpt zi jn om er hel oordeel Gods in le zien. \\ ij moeten ook letten op zipie wijze van spieken, als hij zegt, dat Cjod vevachtiiKj uitstort over de^musen^ gelijk Hij in het legenoveigesleld geval, wanneer bel Hem behaagt, hen in hunne waardigheid le handhaven, hun eer en achting doel bewijzen. Hel woord van Daniël is wèl bekend, waai hij zeg!. De God des hemels heelt uwe vreeze, o koning, gegeven aan de vogelen des hemels en aan de beesten des velds (Dan. quot;l.il, 38). En gewis, hoewel de koningen gewapend zijn met macht , worden zij toch hel meest beschermd door de innerlijke majesteit, die God in hen gelegd beeft, en geen dorpje zou drie dagen lang stand kunnen houden, indien God het hail der menschen niet in toom hield. Wanneer God dus de IVinsen
Dl. 11. or,
Psalm 107 : 41 â 41
verachtelijk maakt, kan liet niet anders, of zelfs de grootste en machtigste rijken moeten tot verval komen. Kn de geschiedenis getuigt ook, dat de grootste Koningen, die door de geheele wereld werden gevreesd en ontzien, van alle waardigheid weiden beroofd, en dat hunne eigene dienstknechten ten spot zijn geworden. Maar hoewel zoodanige verandering; van slaat buitengewoon en treffend is, worden wij door onze stompzinnigheid toch verhinderd om hierin de voorzienigheid Gods te zien. En de Profeet leert van den anderen kant, dal de ellendigsten en die van den geringsten staat zijn opgeheven worden, en dat zij, die in geenerlei aanzien stonden, plotseling bloeien en in welvaart en eer toenemen. Hierin zouden de menschen ongetwijfeld Gods voorzienigheid erkennen, indien hunne eigene verdorvenheid hun verstand niet verduisterde.
42. De oprechten zullen het zien, en zich verblijden, en alle ongerechtigheid stopt haren mond. 43. Wie is wijs, om op deze dingen acht te geven, en te verstaan de goedertierenheden van Jehovah.
4'2. öe oprechten, enz. De Profeet komt ten slotte tot de gevolgtrekking, dat zoo vele getuigenissen van de voorzienigheid Gods voor de oogen der rechtvaardigen niet voorbij zullen gaan zonder door hen opgemerkt te worden; maar hun gezicht verhelderd zijnde door het geloof, zullen zij zich in deze aanschouwing verlustigen, terwijl de boozen beschaamd en verstomd zullen zijn. En met wijsheid onderscheidt hij de eenen van de anderen; want hoewel de goddeloozen gedwongen zijn om eenigszins te bemerken, dat God de Beheerscher is der wereld, zijn zij echter zóó verblind, dat zij ziende niet zien, zoodat hun zien hun tot niets nut is, maar hun alle verontschuldiging ontneemt. De rechtvaardigen daarentegen zijn niet slechts begaafd met een goed en gezond oordeel, maar zij openen ook gaarne en gewillig hunne oogen um de gerechtigheid, goedheid en wijsheid Gods te aanschouwen en er zich in te verlustigen; want de blijdschap, die zij er aan onlleenen, is een teeken, dat die aanschouwing vrijwillig is geweest. Wat de goddeloozen betreft, de Profeet bedoelt niet, dat hun hart in waarheid bewogen is om te gelooven, dal de wereld door Gods macht wordt geregeerd ; maar dal zij zoo in het nauw gebiacht zijn, dal zij niet openlijk de voorzienigheid Gods durven ontkennen,
Pslam 107 ; 4-2â48.
of dal Imn (en minste de mond gesnoerd is, als zij hel le^en-spreken. Want, hoewel de oordeelen Gods hun genoegzaam geloond zijn, is hun versland loch zoo beneveld, dal zij hel lichl niel zien. Nu is deze wijze van spreken krachliger, dan wanneer hij gezegd had: De hoozen zullen zwijgen; aangezien zij niel ophouden van er tegen le murmureeren; ja wij zien mei hoeveel Irolschheid en aanmaliging zij zich verheffen legen ons geloof, en afgrijselijke lasteringen durven uitbraken letien God. En toch blijfl het waar wat de l'rofeel zegt, nl. dal aan de goddeloosheid de mond gestopt is; want waarlijk, hoe onbe-schaamdei zij zich legen God verheffen, hoe duidelijker hunne boosheid aan hel lichl wordt gebrachl. En voorts: de blijdschap, waarvan de Proleet hier spreekt, komt hieruit voort, dai niets méér geschikt is om het geloof op le houwen, dan de kennis van Gods voorzienigheid; want zondei deze zal de menscii niet slechts door allerlei moeielijkheden en benauwdheden gekweld worden, maar ook zeer lichl neigen tol hel gelool, dal de wereld zoo maar door hel toeval wordt bebeerscbl. Hieruit volgt, dal zij, die deze leer pogen omver le werpen, de kinderen Gods berooven van hel ware middel om zich le verblijden en hun' geest kwellen en pijnigen door eene erbarmelijke onrust, en alzoo eene hel voor hen maken in deze wereld. Want kan er wel schrikkelijker kwelling wezen dan voortdurend in angst en onzekerheid le verkeeren? En loch is er geene rust voor ons mogelijk, voordat wij geleerd hebben op Gods voorzienigheid le steunen. Voorts wordt ons in dit vers aangetoond, dal, hoewel God zijne goedertierenheid aanbiedt aan alle menschen, zonder uilzondering, er van die tallooze menigte loch slechts zeer weinigen zijn, die er hun voordeel mede doen. Hieruit blijkt dus, dal zijne vorige vermaning, gericht tot alle menschen, om de goedertierenheid Gods le loven, geschied is ten einde veler ondankbaai beid aan hel licht le brengen.
43. Wie is wijs. Hij wil zeggen, dal de menschen dan wijs beginnen le worden, als zij zich van ganscher harte toeleven op de beschouwing van Gods werken, en dal de overigen, hoe schrander en geslepen zij ook mogen schijnen, loch niets zijn dan dwazen, wanneer zij de oogen gesloten houden voor hel licht dat hun wordt aangeboden, zoodal dan al hunne wijsheid op uiels uitloopt. En door den vragenden vorm te gebruiken, brengt hij als van ter zijde een' slag toe aan de valsche meening, die maar al te zeer heerscht in de wereld, dal nl. de vermetelste smader van God, zich voor hel schranderst en verstandigst houdt;
35»
547
Psalm 107 : -41 â 4.1
verachtelijk maakt, kan hel niet anders, of zelfs de grootste en machtigste rijken moeten tot verval komen. En de geschiedenis getuigt ook, dat de grootste Koningen, die door de gelieele wereld werden gevreesd en ontzien, van alle waardigheid weiden beroofd, en dat hunne eigene dienstknechten ten spot zijn geworden. Maar hoewel zoodanige verandering van staat buitengewoon en treffend is, worden wij door onze stompzinnigheid toch verhinderd om hierin de voorzienigheid Gods te zien. En de Profeet leert van den anderen kant, dat de ellendigsten en die van den geringsten staal zijn opgeheven worden, en dat zij, die in geenerlei aanzien stonden, plotseling bloeien en in welvaart en eer toenemen. Hierin zouden de menschen ongetwijleld Gods voorzienigheid erkennen, indien hunne eigene verdorvenheid hun verstand niet verduisterde.
42. De oprechten zullen het zien, en zich verblijden, en alle ongerechtigheid stopt haren moud. 43. Wie is wijs, om op deze dingen acht te geven, en te verstaan de goedertierenheden van Jehovah.
4.^. De oprechten, enz. De Profeet komt ten slotte tot de gevolgtrekking, dat zoo vele getuigenissen van de voorzienigheid Gods voor de oogen der rechtvaardigen niet voorbij zullen gaan zonder door hen opgemerkt te worden; maar hun gezicht verhelderd zijnde door het geloof, zullen zij zich in deze aanschou-vvinquot; verlustigen, terwijl de hoozen beschaamd en verstomd zullen zijn. En met wijsheid onderscheidt hij de eenen van de anderen; want hoewel de goddeloozen gedwongen zijn 0111 eenigszins te bemerken, dat God de Beheerscher is der wereld, zijn zij echter zóu verblind, dat zij ziende niet zien, zoodat hun zien hun tot niets nut is, maar hun alle verontschuldiging ontneemt. L)e rechtvaardigen daarentegen zijn niet slechts begaafd met een goed en gezond oordeel, maar zij openen ook gaarne en gewillig hunne oogen om de gerechtigheid, goedheid en wijsheid Gods te aanschouwen en er zich in te verlustigen; want de blijdschap, die zij er aan ontleenen, is een teeken, dat die aanschouwing vrijwillig is geweest. Wat de goddeloozen betreft, de Profeet bedoelt niet, dat hun hart in waarheid bewogen is om te gelooven, dat de wereld door Gods macht wordt0 geregeerd; maar dat zij zoo in het nauw gebracht zijn, dat zij niet openlijk de voorzienigheid Gods durven ontkennen.
Pslam 107 ; 4-2â43.
of dat hun len minste de mond gesnoerd is, als zij liet tegenspreken. Want, hoewel de oordeelen Gods hun genoegzaam getoond zijn, is hun verstand toch zoo beneveld, dat zij liet licht niet zien. Nu is deze wijze van spreken krachti^ei, dan wanneer hij gezepd had: De hoozen zullen zwijgen; aangezien zij niet ophouden van er legen te murmureeren; ja wij zien met hoeveel trotschheid en aanmatiging zij zich verheffen tegen ons geloof, en afgrijselijke lasteringen durven uitbraken legen God. En loch hlijlt liet waar wat de I'rofeel zegt, nl. dat aan de goddeloosheid de mond gestopt is; want waarlijk, hoe onhe-scliaamdei zij zich tegen God verheffen, hoe duidelijker hunne boosheid aan het licht wordl gebracht. En voorts: de blijdschap, waarvan de Proleet hier spreekt, komt hieruit voort, dat niels méér geschikt is om het geloof op le bouwen, dan de kennis van Gods voorzienigheid; wini zondei deze zal de mensch niel slechts door allerlei moeielijkheden en benauwdheden gekweld worden, maar ook zeer licht neigen tol het gelooi, dal de wereld zoo maar dooi' hel toeval wordl beheerschl. Hieruit volgt, dat zij, die deze leer pogen omver te werpen, de kinderen Gods berooven van het ware middel om zich te verblijden en hun' geest kwellen en pijnigen door eene erbarmelijke onrust, en alzoo eene hel voor hen maken in deze wereld. Want kan er wel schrikkelijker kwelling wezen dan voortdurend in angst en onzekerheid te verkeeren? En loch is er geene rusl voor ons mogelijk, voordat wij geleerd hebben op Gods voorzienigheid te steunen. Voorts wordt ons in dit vers aangeloond, dal, hoewel God zijne goedertierenheid aanbiedt aan alle menschen, zondei' uilzondering, er van die lallooze menigte loch slechts zeer weinigen zijn, die er hun voordeel mede doen. Hieruit blijkt dus, dat zijne vorige vermaning, gericht lol alle menschen, om de goedertierenheid Gods le loven, geschied is len einde veler ondankbaarheid aan het licht te brengen.
43. Wie is wijs. Hij wil zeggen, dat de menschen dan wijs beginnen Ie worden, als zij zich van ganscher harte loclcggcn op de beschouwing van Gods werken, en dat de overigen, hoe schrander en geslepen zij ook mogen schijnen, toch niois zijn dan dwazen, wanneer zij de oogen gesloten houden voor het licht dal hun wordt aangeboden, zoodal dan al hunne wijsheid op niets uilloopl. En door den vragenden vorm te gebruiken, bicngt hij als van lei zijde een slag toe aan de valsche meening die maai' al te zeer heerscht in de wereld, dal nl. de vennetelsre smaller van God, zich voor het schranderst en verstandigst houdt;
35*
547
Psalm 1(17 ; A:l.
alsol hij (nl. de Profeet) zeide, diit men lien, die hierin volslrekl geen oog hebben, bevinden zal volslagen idioten te zijn En deze waarschuwing is zoo veel te meer noodig, als wij zien dat sommigen van de veimaardsten onder de wijsgeeren, zoo kwaadwillig geweest zijn, dal zij nergens méér hun werk van gemaakt hebben dan van de voorzienigheid Gods te verduisteren en te begraven, ol' ten minste ondergeschikte middelen en oorzaken uit te denken, waaraan zij zich zeiven en anderen als met ketenen vastklonken, terwijl zij God en zijne macht minachtten. Aristoteles heeft boven al de anderen in wetenschap en vernuft uitgeblonken; daar hij echter een Heiden was., en zijn verstand verdorven was, is het steeds zijn doel geweest de voorzienigheid Gods te verduisteren door allerlei vage en beuzelachtige bespiegelingen, ja alle scherpzinnigheid, die God aan dezen heiligschennenden onruststoker had geschonken, heeft bij gebruikt om alle licht uit te dooven. Nu veroordeelt de Profeet als onzinnig niet slechls de Epicuriërs (wier zotheid meer grol' en plomp was), maar hij geeft tevens le verslaan, dat in deze groole Philosophen eene nog afschuwelijker en erger verblindheid is geweest. Door het woord Acht geven geelt hij ons te verslaan, dal hel niet genoeg is de daden Gods plotseling le bespeuren of op le merken, maar dat er van ons geëischt wordt, dal wij er zorgvuldig acht op geven, len einde die kennis rijpelijk le overwegen en grondig na le gaan. De verandering van gelal is niet zonder sierlijkheid, als de Profeet zegt: Wie is wijs, en zij zullen verstaan. Want ten eerste klaagl hij bedeklelijk, dat er zoo weinigen zijn, die de oor leelcn Gods opmerken, alsof hij zeide: Waar zal men iemand, ook maar een' enkele, vinden, die op de daden Gods let, gelijk het betaamt? Daarna loont hij, dal zij zóó zeer voor aller oogen zichtbaar zijn, dat niets dan hunne eigene kwaadwilligheid hen kan beletten ze le zien. Vraagt iemand nu echter waarom de Profeet, na gehandeld le hebben over de oordcelen Gods en zijne strengheid, thans melding maakt van zijne goedertierenheid, dan antwoord ik, dal onder de werken Gods, zijne goedheid immer boven alles uitmunt, en als hel ware den eersten rang inneemt; en zoo is Hij uil zijn' aard geneigd lol weldadigheid, waardoor Hij ons dan ook hel meest en het slerkst tol zich aanlrekt.
Psalm 1U8.
PSALM lOS.
1. Een Lied, een Psalm van David. 2. Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijne eere. 3. Waak op, gy luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken. -4. Ik zal U loven onder de volken, o Jehovah, en U psalmzingen onder de natiën. 5. Want uwe goedertierenheid is groot boven tie hemelen, en uwe waarheid reikt tot aan de wolken. 6. Verhef U, o God, boven de hemelen, en uwe eer over de gansche aarde. 7. Opdat uwe beminden bevrijd worden, bewaar hen door uwe rechterhand, en verhoor mij. S. God heeft gesproken in zijne heiligheid, Ik zal Mij verblijden; Ik zal Sichem deelen, en het dal van Sukkoth zal Ik afmeten. 9. Gilead is mijn, Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds, Juda is mijn wetgever. 10. Moab is mijn wasehpot; op Edom zal ik mijn' schoen werpen; over Palestina zal ik zegevieren. 11. Wie zal mij leiden tot in Edom? 12. Zult Gij het niet zijn, o God, die ons hadt verstoeten, en die niet uittoogt, o God! met onze legerscharen? 13. Ondersteun ons in benauwdheid; want des menschen heil is ijdelheid. 14. In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze weder-partijders vertreden.
Dewijl deze Psalm samengesteld is voor een deel uil Psalm 57 en voor een deel uil Psalm 60, zou hel overlollig wezen hier le herhalen, wal wij daar er van gezegd hebben.
549
Psalm 109 ; 1â
PSA I.M 109.
INHOUD. Deze Psalm bestaat uit drie deeleu. Hij begint met eene klaclit; dan volgt eene lijst vau verwenschingen, eu ten slotte is er een gebed met de betuiging van oprechte dankbaarheid. Nu is er wel niet aan te twijfelen, dat David klaagt over het onrecht dat hem aangedaan is, dewijl hij echter niet zichzelven, maar een ander persoon voorstelt, moet alles, wat hier gezegd wordt, toegepast worden op Christus, het Hoofd van geheel de Kerk, en op elk der geloovigen voor zoo veel zij zijne leden zijn, opdat zij, ten onrechte gekweld zijnde door hunne vijanden, de hulpe inroepen van God, die er wraak over zal doen.
1. Aan den opper zangmeester, een Psalm van David. O God mijns lofs! zwyg niet. 2. quot;Want de mond des goddeloozen eu de mond des bedrogs zyn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met de tong des bedrogs. 3. En zij hebben mij omringd met woorden van haat; zij hebben zonder oorzaak krijg tegen mij gevoerd. 4. Voor mijne Heide staan zij mij tegen, en ik begaf mij tot gebed. 5. En zij hebben mij kwaad vergolden voor goed, en haat voor mijne liefde.
1. God mijns lofs. David betuigt door dezen aanhef, dal hij niemand anders dan God gezocht heeft als Verdediger van zijne oprechlheid, en dal deze ook nergens elders Ie vinden zou zijn. Want, door Hem den God zijns lofs te noemen, legt hij zijne onschuld in Gods handen, hoewel schier geheel de wereld hem veroordeelt. Sommigen nemen dit in bedrijvenden zin, alsof David zich den bekendmaker noemde van Gods lof; maar de omstandigheid laat deze verklaring niet loc. Want wij zien, dal David, onrechtvaardig verdrukt zijnde door den vvreeden haat der wereldlingen, de toevlucht neemt lol Gods rechtvaardig
550
Psalm lU'J ; 2â4.
oordeel. Hierin lii;l alzoo eene tegenstelling opgesloten; want als laster de overhand lieefl, dan zal de onschuld overal en hij ieder, hehalve hij God, alle eer en achting verliezen Ãe zin is dus deze: lleere, hoewel men mij voor uiterst verachtelijk en veribeielijk houdt, en ik aan den smaad der gansche wereld ben blootgesteld, zijl Gij het toch, die mijne onschuld zult handhaven, en met mijne onschuld ook mijn lol'. Hieihij past nu zeer goed, wat hij er terstond daarna bijvoegt: Zwygniet. Want het zou niet heiamen, dal God zwijgt, als wij door den laster der hoozen worden overstelpt, terwijl Hij toch Getuige is van onze onschuld. Nu moet men zich herinneren wat ik reeds gezegd heb, nl. dal David aldus klaagt over het kwaad dat hem aangedaan is, maar dat hij in zijnquot; persoon Christus vertegenwoordigt benevens geheel de Kerk. Wanneer de menschen ons dus overladen met allerlei schande en smaad, dan moeten wij leeren ons alleen op Gods bescherming te kunnen verlaten. Want niemand kan zich in oprechtheid des harten voor alles in Gods handen overgeven, zoo hij niet eerst bij zich zeiven vast besloten heelt den smaad der wereld niet te tellen, mits hij met een gerust geweten God lot Handhaver zijner zaak kan aanroepen.
3. En zij hehben mij omringd. Hij klaagt dat hij van alle kanten omringd is door woorden van haat, hoewel hij dit in geen enkel opzicht heeft verdiend. En door een fraai beeld te gebruiken loont hij, dal er op de tong zijner tegenstanders zoo veel venijn is, dat het hem meer benauwde om hierdoor omgeven te zijn, dan om door een groot heir belegerd te wezen. Nu moet men wel letten op deze sooil van strijd, waardoor God zijne kinderen dikwijls beproeft. Want Salan zal hen wel niet openlijk aanvallen, maar, dewijl hij de vader is der leugen, tracht hij door eene verbazingwekkende kunstvaardigheid in het lasteren hen zwart te maken, en hen voor te stellen alsof zij hel uitvaagsel van het menschdom waren. Gelijk nu David het type geweest is van hetgeen daarna in Jezus Christus vervuld is geworden, zoo laat ons tevens welen, dal de geloovigen van dag lol dag de overblijfselen van het lijden van Christus vervullen (Col. 1 :24); want deze eenmaal in zich zeiven geleden hebbende, roept hen daarna om medegenoolen met Hem te zijn.
4. Voor mijne liefde. Hij had reeds betuigd, dal zijne tegenstanders, hoewel zij dooi' geenerlei onrecht zijnerzijds daartoe geprikkeld waren, hem met duivelsche woede zonder oorzaak
551
Psalm lü'J ; 4â5.
vijandig waren; thans bevestigt hij dit nog door te zeggen, dat hij hun vriendelijk gezind is geweest. Want hel is veel grooter en edeler liei' te hebben, dun om zich eenvoudig te onthouden van iemand kwaad te doen. En hierin zien wij hoe ontzettend en monsterachtig Satans inblazingen zijn aan de menschen, wier verstand hij gevangen houdt. Want er is niets dat meer tegenstrijdig is met de natuur, dan hen, die ons Herhebben, te haten en wreedelijk te vervolgen. En bij hel liefhebben voegt hij nog het weldoen, te kennen gevende, dat hij door hun aangenaam te zijn en hun weldaden le betoonen, getracht heelt hunne welwillendheid te winnen En ik heyaf mij tot gebed. Sommigen verstaan dit zoo, dat hij, hoewel zijne vijanden hem met zoo veel woede tegenstonden, toch voor hen is blijven bidden, met welke verklaring overeenstemt hetgeen wij gezien hebben in Psalm 35; 18; maar toch schijnt hel mij eenvoudiger toe, dat hij onder deze biltere kwellingen niet gepeinsd heelt aan onwettige middelen om hun gelijk met gelijk le kunnen vergelden, maar zich vergenoegd heeft om zich voor alles in Gods handen over le geven. En hel is voorzeker wel een bewijs van groote deugd, wanneer hij, die gansch ten onrechte gekweld en benadeeld wordt, en door hel leed, dal hem wordt aangedaan, tol wraak wordt geprikkeld, zijne hartstochten en neigingen zóó in tooiTi houdt, dat hel hem genoeg is om zich op hel ooi deel Gods te beroepen. Want zij die zich wel vriendelijk en welwillend wenschen le betoonen jegens de goeden, zullen, zoodra zij met booze lieden te doen hebben, allicht denken, dal hel wettig en geoorloold is bij dezen kwaad met kwaad te vergelden. En er is niemand onder de geloovigen, die zoodanige verzoeking niet in zich voelt opkomen; doch de Heilige Geest houdt ons in toom, en leert ons, om hoewel wij door het leed, dat onze vijanden ons berokkenen, honderd maal geprikkeld zijn om naar wraak te dorsten, evenwel alle bedron en geweld moeten schuwen
' CJ ~
en alleen in hel gebed onze toevlucht moeten zoeken. En door dit zijn voorbeeld leert David ons, dal wij met zulke wapenen moeten strijden, indien wij onder dc leiding en aanvoering des Ileeren de overwinning willen behalen. Ecne dergelijke plaats vinden wij ook in Psalm 69: 13. Die in de pooi t zitten, klappen van mij, en die sterken drank drinken, zingen van mij. Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o Jehovah! Want ook in deze Schriftuurplaats is eene onvolledige en afgebrokene wijze van spreken. En voorts geelt David ons door deze woorden te verstaan, dat, hoewel hij het moest ervaren dal de geheele wereld tegen hern is, het toch genoeg was om hem volkomen
Psalm 109 ; 5â0.
rust le geven, dal hij zijne zorgen op God kan werpen. En dewijl nu de Heilige Geesl aan David en aan alle de geloovigen zoodanige gebeden lieefl ingegeven, zal hij, die dezen regel volgt, niet behoeven te twijfelen, dat God, hem zoo hoosaardiglijk vervolgd ziende, ook geneigd en bereid is hein hulp en bijstand te verleenen.
G. Stel den goddelooze over hem aan, en dat de tegenstander aan zijne rechterhand sta. 7. Als hij gericht wordt, zoo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde. 8. Dat zijne dagen weinig zijn, en een ander neme zijn ambt. 9. Dat zijne kinderen weezen worden, en zijne vrouw weduwe. 10. En dat zijne kinderen omzwerven, en bedelen, en dat zij uit hunne verwoeste woonplaatsen uitgaan en zoeken. 11. Dat de afzetter grijpe al wat hij heeft, en dat de vreemdelingen zijn' arbeid bederven.
0. Stel den yoddelooze over hem aan. Terwijl hij in zijne klacht lot nu toe het meervoud gebruikt heeft, en als van eene groole menigte sprak, schijnt hij thans slechts één enkel persoon op het oog te hebben. Hel kan echter ook wel wezen, dat hij van een iegelijk hunner afzonderlijk spreekt, liet is ook niet minder waarschijnlijk, dat hij met zeer bijzondere scherpheid en nadruk van één persoon spreekt, die de voornaamste onder deze goddeloozen is geweest. Ook is de meening niet verwerpelijk van hen, die denken, dat die persoon Doëg is geweest, die door zijn verraad het verder! beoogde niet slechts van David, maar van al de godvruchtige priesters. Wij weten tevens, dat Petrus de woorden van dezen Psalm toepast op Judas (Hand. 1 : 20). Maar even goed, of misschien nog beter, zon hij deze klacht gedacht moeten worden aan een meer hijzonder en persoonlijk vriend. Wat nu de verwenschingen betreft, men moet altijd in gedachten houden, wat wij aan eene andere plaats gezegd hebben, te welen, dat David, als hij zoodanige wenscben heelt gekoesterd en vervloekingen heeft uitgesproken, door geene vleeschelijke hartstochten daartoe werd gedreven, noch zijn eigen persoon daarbij op het oog had , en dal hij ook evenmin dooi' een ijver zonder versland was bezield. Op deze drie dingen moeten wij ijverig lellen, want, daar een iegelijk zich zeiven
Psalm 109 ; 6.
554
lief lieell, licefl liij ook zijn eigen voordeel op hel oog, on zal liij snel op wraak zinnen. Naarmate iemand dus uilslnitend met zieti zeiven bezig is, zal hij ook eene overmatige zorg wijden aan zijne eigene belangen. Uit deze zorg nu voor eigen voordeel wordt wederom een ander kwaad geboren ; want niemand begeert zich op zijne vijanden te wreken, omdat dit goed en rechtmatig is, maar ten einde voldoening te geven aan zijn' wrevel. Wél zal men zich achter dit voorwendsel verschuilen; maar de hartstocht, die in het binnenste brandt, zal elke gedachte aan recht smoren, en hel verstand verblinden. Wanneer nu deze twee gebreken bestreden zijn, nl. de uitsluitende zorg voor ons eigen belang, en de bewegingen van ons vleesch, blijft ons nog eene derde matiging, waardoor wij den ijver zonder verstand in ons zeiven tegengaande, ons door den Geest Gods laten leiden. Indien nu iemand zich door een' blinden ijver laat vervoeren en zich hiervoor achter hel voorbeeld van David wil verschuilen, dan zal hem dit niet baten, want dan kan met volle recht op hem toegepast worden, wat Jezus Christus aan zijne discipelen geantwoord heeft: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijfc (Lukas 9 : 55). Daarom is de heiligschennis te gruwelijker, als de monniken, inzonderheid de Franciskanen, dezen Psalm tot hunne verkeerde doeleinden verdraaien en misbruiken, liet is overbekend, dat wanneer iemand een' wrok koestert jegens zijn' naaste en zijn' ondergang wenscht, hij een dezer ellendelingen huurt, om dagelijks dezen Psalm op te zeggen. Ja ik weet van eene dame in Frankrijk, die Franciskanen gehuurd heelt, om in de bewoordingen van dezen Psalm haren eenigen zoon te vervloeken. Doch ik keer Ihans terug tot David, wiens geest door geene hartstochten was verbijsterd, maar door de ingeving des Heiligen Geestes zijne gedachten en begeerten heeft blootgelegd. Overigens, daar de goddeloozen, en de verachters van God niet aflaten van kwaad te beramen tegen de eenvoudigen en godvruchtigen, en zich in alle uitgieting van boosheid te buiten gaan, zoodat zij zich door geenerlei gematigdheid of billijkheid in toom laten houden, zijn zij zoodanige straf volkomen waardig, dat een goddelooze over hen heerscht. En daar zij door hun verraad en kuiperij het er op toeleggen de godvruchtigen uit te roeien, verdienen zij, dat God hun een' tegenstander verwekt, die nooit van hunne zijde wijkt. Alleenlijk, dat de ge-loovigen er zich vvèl voor wachten om al te haastig te zijn in hun gebed, maar liever plaats geven aan Gods genade. Want het zou kunnen wezen, dal hij, die ons heden een' doodelijken haal toedraagt, morgen onze vriend wordt.
Psalm 109 ; 7- 8.
7. Jfa hij gericht wordt, liet is wederom eene andere ver-wensching, dal hij, voor het gericht verschijnende, zonder barmhartigheid zal worden veroordeeld en gestraft ; en hoewel hij ootmoedig om gratie smeekt, de rechter er geen aclit op slaat, maar zich door niets laat verbidden of vermurwen. Men zou dit licht kunnen uitstrekken tot het oordeel Gods; maar dewijl hel ook volkomen toepasselijk is op de rechtspraak der inenschen, houdt ik mij aan de meer algemeen aangenomene meening Er zijn hier dus twee punten: dat de boosheid der goddeloozen aan hel licht zal worden gebracht, dat er geene genade zal worden bewezen, en dal al hun smeeken zal worden afgewezen. Naar den wenk, die ons hier wordt gegeven, zal hij dus schuldig uitgaan van uit de tegenwoordigheid des rechters, beladen met de schande zijner welverdiende veroordeeling, nadat zijne misdaden ontdekt en met verpletterende overtuiging in het licht zijn gesteld. Wat betreft de andere uitlegging, die dit verstaal van den rechterstoel Gods, is hel niet ongepast daarbij te zeggen, dal hel gebed der goddeloozen hun in zonde wordt verkeerd. Want wij welen, dal God een' walg heeft van al hunne offers, en daar zij, die ze brengen verontreinigd zijn, zijn ook al hunne fraaie deugden een' slank in zijn' neus. Daar de tekst echter nog heter vloeit, als men hem loepast op aardsche rechters, zal ik hier niet langer bij stilstaan.
8. Dat zijne dagen weinig zijn. Hoewel dit sterfelijk leven vol is van velerlei moeite en ellende, welen wij toch, dal hel een onderpand en getuigenis is van den zegen Gods, daar Hij dikwijls ten leeken van gunst aan de menschen belooft hun leven te verlengen; niet als om er zich voor allijd aan le willen vastklemmen, maar omdat wij er de vaderlijke goedheid Gods in ondervinden, dooi' welke Hij ons leidt tol de hope des eeuwigen levens. Hier, integendeel, is de kortheid des levens een leeken van vloek; want, wanneer God als door geweld de boozen uit deze wereld wegrukt, verklaart Hij hiermede, dal zij onwaardig zijn de lucht in le ademen. Hetzelfde moet gezegd worden, als Hij hen van hunne eerambten en waardigheden berooft, cn hen van hunne hoogten nederwerpt. Wel is waar, zal dit ook soms aan de kinderen Gods overkomen, want de lijdelijke straffen zijn gemeen aan de goeden en de boozen, maar nooit is die vermenging zoo verward , of men zal de duidelijke en opmerkenswaardige oordeelen Gods kunnen onderschriden. En als Petrus deze Schriftuurplaats aanhaalt (Hand I : 020) zegt bij, dal zij vervuld is in Judas, wijl er geschreven is: Een ander neme zijn
Psalm 109 ; 8â11.
opzienersambt. En hij gaat uit van het beginsel, dat David hier spreekt in den Persoon van Christus. Hoewel daarom het llehreeuwsche woord pekoedah in het algemeen alle ambt of opzienerschap heteekent, wordt hel door Petrus toch zeer juist op het apostelschap van Judas toegepast. En men kan gerust aannemen, dal de Joden uit puren onwil deze Schriftuurplaats verdraaien, zoodat sommigen van hen dit woord vertalen door zijne vrouw, anderen door zijne ziel (die een kostbaar juweel is in den mensch), en nog anderen door zijne bezitting, zijne have en goed. Immers waarom zouden zij een woord, dal op zich zeiven zoo helder en gemakkelijk te verstaan is, zóó verwringen, als het niet was, dal zij hel moedwillig duister willen maken, om hel van zijne hcteekenis le herooven, opdat het dan den schijn heelt, dat het door Petrus verkeerd en len onrechte is aangehaald? En voorts wordt ons hierin nog geleerd, dal de boozen, als zij zooveel opgang maken in de wereld, loch eigenlijk geene reden hebben om zich le verhoovaardigen , want het kan niet anders of hun einde moet wezen, gelijk dil door den Heiligen Geest hier wordt aangeduid. En van den anderen kant wordt ons hier eene kostelijke reden gegeven om ons le verheugen en met lijdzaamheid le verbeiden, als wij hooien, dal hoe hoog en machlig zij nu ook zijn, hun val toch nabij is. In de Iwee volgende verzen strekt hij de vervloeking uil lol aan de vrouw en de kinderen; en de wensch, dien hij uitspreekt, dal zij weduwe, en de kinderen weezen zullen worden, staal in verband met de kortheid des levens, waarvan de Profeet zoo even had gesproken. Maai hij voegt er nu nog bedelaarschap en nooddruft bij; waaruil wij kunnen opmaken, dat de misdaad groot was, want voor een lichl vergrijp zou de Heilige Geest niel zoo zwaar eene straf hebben aangekondigd. Als David zijne goederen als prooi toewijst aan de alzetters, staal dil in verband met de toekomstige armoede der kinderen; want hij spreekt hier niel van iemand, die arm en onaanzienlijk is, en zijne kinderen niets kan nalaten; maar van iemand, die zonder te vragen naar recht of onrecht zich goederen vergaderd heeft om er de zijnen mede le verrijken, indien God hem hel goed niet onlrukte, dat hij door anderen te berooven heeft verkregen.
12. Dat er niemand zij, die barmhartigheid aan hem bewijze, en dat er niemand zij, die zich ontferme over zijne weezen. 13. Dat zijne nakomelingen nitge-
550
Psalm 109 : 11
roeid worden, eu dat hun naam in het volgende geslacht worde nitgewischt. 14. Dat de ongerechtigheid zijner vaderen door Jehovah gedacht worde, en de zonde zijner moeder worde niet nitgedelgd. 15. Dat zij geduriglijk voor Jehovah zijn, eu dat Hij hunne gedachtenis uitroeie van de aarde. 1G. Omdat hij niet gedacht heelt genade te betooneu, en den ellendigen eu uooddruftigen man heeft vervolgd, eu den bedroefde van hart, om hem te dooden.
1 Vat er niemand sij. Menschlievendlieid of goederlierenlieid uilslrekken is eenc wijze van spreken liij de Hebreen, die zooveel beleekenl als volharden in goed doen, en soms ook genomen wordl voor zich ontlermen, ol' tot mensclielijkheid te worden bewogen, wanneer dooi liet verloop van tijd de toorn verzacht wordt, en zelfs door de ramp, die iemand treil, hel hart van dengene, die hem haat toedroeg, wordl vermurwd. Daarom wordt deze zinsnede dooi'sommigen aldus verklaard : Dal niemand aan diens mans kinderen eenigeilei gimsl beloone, heigeen ook door hel tweede gedeelte van het vers bevestigd wordl. Evenwel: David sluit ook den goddelooze zeil in mei zijne kinderen; alsol hij zeide; al zou hij ook door zoo vele rampen voor iemands oogen wegkwijnen, en het ongeluk hem onophoudelijk, ook tol in zijne kinderen zou vervolgen, zoo hehhe toch niemand medelijden mei hem. Want wij welen, dal ook de wreedste lieden door de langdurige rampen en beproevingen hunner vijanden meestal nog door medelijden met hen bewogen zullen worden, zoodal zij dan hun' haat en wrok zullen vergelen. Maar hier wenseht David, dal zijn vijand benevens diens gansche geslacht zoodanig gehaat en verafschuwd zal worden, dal hel volk zich schier niet genoeg zal kunnen verzadigen aan hel gezicht van hun lijden, maar dat allen door dit schouwspel zóó verhard zullen worden, als ol hun hart van ijzer was. Nu moet men wèl in hel oog houden, dat David hier niet spreekt, vervoerd zijnde door hel leed en onrecht dal hem persoonlijk was aangedaan, maar dat hij als hel ware uil den mond üods uitspreekt welke slrai' bereid wordt voor de goddeloozen. En inderdaad wordt door de Wel dit ook onder de oordeelen Gods gerangschikt, dal Hij de harten verhardt, opdat zij, wier wreedheid alle perken te buiten ging, ook zeiven geene bartnharliglieid zullen verkrijgen; (Deut. 4 ; 30) want het
I'salm 1Ã9 : 13â15.
is Ijillijk, dal hun gemelon worde mei de male, waarmede zij anderen gemelen hebben.
13. Zijne nakomelingen. Hij gaal nu voorl mei hetgeen hij zoo even was begonnen, nl. dal God de ongerechligheid dei-vaderen zal bezoeken aan hunne kinderen. En dat hij zich thans van hel meervoud bedient, kan zoo verslaan worden, dat hel is, wijl hij met de gansche bende van baul had Ie stiijden, en niel maar legen één enkel man. Dewijl echter bij alle booze handelingen er altijd hoofden en leiders zijn, is hel niel le verwonderen, dat hij lol één man gesproken hebbende, nu ook hel woord richt tot velen, maar dan weder tol dien eenen terugkeert. Hel eenvoudigste is echter om dit tol hel geheele geslathl uil le strekken, want hel llebreeuwsche woord acharies is een verzamelwoord. Deze vervloeking is zwaarder dan de vorige, wanl hel gebeurt dikwijls, dal een huis ol geslacht door hel een ol ander ongeluk plotseling Ier neder geworpen zijnde, later weder opgericht wordl; maar hier wenschl de Profeet, dal de boozen zoo zeer in het verderf geslorl zullen worden, dal zij nooil meer de kracht erlangen om zich wederom tot hun' vorigen slaal op le heffen. Dat is de beleekenis van de zinsnede: Kat hun naam in het volgende geslacht worde uitgewischt, of na hel einde der eeuw. Daar hi| nu alle geslachten der boozen vervloekt, opdal God hen straffe in den persoon hunner nakomelingen, bidl hij ook, dal God de overtreding zal gedenken van hun' vader en moeder, opdat deze nog toedoen aan hunne veroordeeling, hetgeen gegrond is op de gewone leer der Schrifï. Want, gelijk God zijne barmhartigheid uitslrekl lot in het volgende geslacht, omdal de gedachtenis zijns verbond kracht heefl tot in duizend geslachten, zoo strait hij ook de zonden tol in hel derde en 'vierde geslacht. Niel, dal Hij de onschuldigen zoo maar zonder onderscheidt mengt met de boosdoeners; maar door aan de verworpenen de genade en het licht zijns Geestes le onthouden, bereidt Hij de vaten des toorns tol het verderf, nog voor zij quot;eboren zijn (Rom. 9 : Ji'2). Hel gewone menschenverstand deinst leru(r voor zoodanige strengheid, maar hieiiiil leeien wij hoe zeer' wij der verborgene en voor ons onbegrijpelijke oordeelen Gods onrecht doen, als wij ze naar onze bekiompene opvatting willen beoordeelen. Zoo laai dan deze ontzaglijke waarschuwing ons doen beven, en ons hart in vreeze en eeibied er door verootmoedigd worden. Wal nu betreft dal in Ezechiël 18:20 gezegd wordt: De ziel, die zondigt, zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechligheid des vaders; wij welen, dal de
558
Psalm 109 : 15â10
Profeet aldaar de onrechtvaardige klacht des volks veroordeelt, daar zij zich er op beroemden onschuldig te zijn, en onverdiend te worden verdrukt. Maar als God zijne wrake vervolgt van de vaders op de kinderen, dan hebben dezen zich toch niet !c beklagen, aangezien zij in een' zelfden bundel van ongerechtigheid gebonden zijn En wij hebben reeds gezegd, dal het een begin is der wrake Gods, als Hij zijn' Geest zoowel aan de kinderen onthoudt als aan do vaders, en hen aan Salan overgeeft. Nu zou men kunnen vragen, waarom de Profeet, daar hij wenschl dal hunne zonden den Heere voortdurend voor oogen zullen Zijn, er niet bijvoegt, dat hun naam ook uitgedelgd zij in den hemel Ik antwoord, dat hij aldus gesproken heeft in overeen-slemming met den tijd, waarin hij heeft geleefd, loen men nog geene zeer duidelijke begrippen had van de geestelijke straffen, omdat het oogenblik der volkomene openbaring nog niet was gekomen. En Davids bedoeling is, dat de wrake Gods zóó helder en duidelijk zal uitblinken onder de menscben, dat de gansche wereld zal bemerken, dat God een rechtvaardig Rechter is.
10. Omdat hij niet gedacht heeft. Nu toont hij aan, dat hij niet zonder reden zoodanige schrikkelijke en gruwelijke vervven-schingen uitspreekt tegen zijne vijanden, voor zooveel hunne onmenschelijkheid geene grenzen kende, en zij den arme en nooddruftige met wreede en hardnekkige woede hebben vervolud,
^ D â¢
zonder daarbij meer gewetenswroeging te hebben gevoeld, dan wanneer zij een' dooden hond hadden geslagen. Want zelfs do philosophen achten, dat wreedheid te begaan jegens iemand, die reeds gebukt gaat onder ramp of leed, en dus de macht niet hoeft zich te wreken, de daad is van een laag en lafharlig gemoed, omdal naijver niet anders kan bestaan dan onder gelijken. Daarom doel de Profeet do boosheid zijner vijanden nog sterker uitkomen door hel feit, dat zij den ellendüjen en nooddruftigen man hebben vervolgd; en er is nog eene sterkere uitdrukking als hij zegt; den bedroefde van hart. Wanl er zijn genoeg ellen-digon en nooddruftigen , die daarom niet minder opgeblazen zijn van hoogmoed, en omdat dit tegen alle reden en natuur indruischl, wordt de woede der groeten er ook nog te meer door gaande gemaakt. Maar wanneer in iemand ootmoed en onderworpenheid des harten wordt gevonden, en men zoo iemand dan nog tergt en kwelt, dan is dit een toeken van ongehoorde wreedheid; want is dit iets anders dan zijne kracht aan te wondon te^en eono schaduw? Do verregaande wreedheid wordt nog vorder aangeduid door hol gezegde, dal hij niol gedacht heell genade
559
Psalm 109 : lü.
Ie beloonen, wanl hij geelt, Le kennen, dal liij door geen lamp of leed, dal den onschuldige en ellendige heell getroffen, ver-leederd is geworden, niel slechts om zich van zijne woeste wreedheid te ontdoen, maar zelfs niel om de minsle mensche-lijkheid le beloonen. Er is dus eene wederkeerige legenslelhng tiisschen dezen hardnekkigen hoogmoed, en hel strenge, onherroepelijke oordeel Gods. En dewijl David hier nu niels gezegd heell dan hetgeen de Heilige Geest hem ingaf, moei men het, beschouwen alsol God zeil van zijn troon in den hemel had «edonderd. En zoo werpl Hij dan van den eenen kanl alle verkeerde neigingen in ons Ier neder, waardoor wij onzen naaste zouden willen schaden, en van den anderen kant verzacht en maligl Hij onze smarten door ons dalgene te geven, dal instaat is ons le troosten en geduldig le zijn onder hel lijden. De goddeloozen kunnen voor een' lijd wel Iriomfeeren om het verkrijgen van hunne booze lusten, zonder er voor geslraft le worden; maar deze bedreiging loont, dal de lleere niel te vergeels de ongelukkigen onder zijne hoede neemt. Zoo laten dan de geloovigen zich bezillen in lijdzaamheid en zachtmoedigheid, opdal de ootmoed en onderwerping huns harten voor God komen En daar het ons nu nog niet gegeven is le onderscheiden lusschen de uitverkorenen en de verworpenen, zoo laat ons bidden voor allen, die ons leed doen, heil hegeeren voor geheel het. menschelijk geslacht , ja en ook zorge hebben voor ieder in het bijzonder. Dat zal echter niel verhinderen, dal wij, als ons verstand geheiligd, en ons gemoed kalm en vreedzaam is, ons vrijmoedig op hel rechtvaardig oordeel Gods kunnen beroepen, opdat Hij verdoe allen, voor wie geene hoop meer beslaat.
17, En hij lieeft den vloek liefgehad, dat die hem dan nu overkome, en hij heeft geen welbehagen gehad in den zegen, zoo zij die dan verre v:in hem. 18. En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als water, en als olie in zijne beenderen. 19. Die zij hem als een mantel, waarmede hij zich bedekt, en tot een' gordel, waarmede hy zich steeds omgordt. 20. Dit is het werk van Jehovah voor hen, die mijne tegenstanders zijn, en die kwaad spreken tegen mijne ziel.
Psalm 109 ; 17âlij.
501
17. li,n hij heeft den vloeh liefgehad. David gebruikt vele woorden om de ongerechtigheid zijner tegenstanders mede te deelen, opdat het duidelijk zou blijken, dat bij, zoo streng tegen hen optiedende, hiermede slechts instemt met hel oordeel Gods over hen. Daarom hebben wij, als wij ons voor Gods rechterstoel stellen, vvèl toe te zien, dat hel recht onzer zaak zoo stellig en klaarblijkelijk is, dat dit Hem noopt ons gunstig Ie wezen. David verklaart dus, dal hij met een gerust geweten God aan-loepl om lecht te doen. Nu hebben de werkwoorden in den tekst wel den verleden tijd, zoodat er gelezen kan worden: De vloek is hem overkomen, en de zegen heelt zich (van hem) verwijderd; maar men behoorl ze in den optatief, ofwenschende wijs, le lezen; want David bidl nog, dat zijn' vijand betzellde moge overkomen wat hij aan anderen gedaan heelt. En daar hij niet geweten heelt wat hel is wel le doen, ol iemand genoegen te vei oorzaken, maar er integendeel genot in vond om kwaad te doen en le vervloeken, wil hij nu, dat hij aan allerlei kwelling en stral onderworpen zal zijn. Sommigen nemen vloek voor veivvenschingen en bannen, alsol hij zeide, dat bij gewoon is te vei vloeken, en niels anders in hel hart en den mond heelt dan kwaad en ongeluk. Deze meening verwerp ik niet, maar ik acht bel toch beter er nog eene wijdere strekking aan te geven, en ei iemand mede aan Ie duiden, die door immer kwaad le doen en leed te berokkenen, alles gedaan heeft wal hij kon om zegen en weldadigheid verre le houden, en zich verlustigde in hel ongeluk der godvrucbligen en eenvoudigen. Vele scbriliverklaarders vertalen de twee volgende verzen in den verleden tijd; Hij heelt zich bekleed met vloek; alsol hij zeide, dat zijn vijand niet minder belust was op vloek dan op een haai, kostbaar gewaad, en dat hij er zich mede omhult als mei een kleed, en dat dit kwaad tol in bet merg van zijn gebeenle is doorgedrongen. Maar de andere beleekenis is eenvoudiger, nl. dal de vloek den booze zóó aankleeft, dat hij er mede bedekt is als met een' mantel, en er mede omgord is als met een gordel., en dat hij doordringt lol zijn gebeenle. Overigens moet men wèl in gedachten houden, dal David bier niet zijne eigene zaak bepleit, en dal hij ook niel tot hel gewone volk behoort, opdat niemand de vermetelheid hebbe hem lol voorbeeld te nemen in belgeen bij door eenu bijzondere ingeving des Heiligen Geesles heeft gezegd. En voor zooveel hij tol de orde der geloovigen heelt behoord, is er niet aan le twijfelen, ol hij heelt volgens de wel der barmhartigheid bel heil begeerd voor allen; maar bier heelt God zijn' geest opgeheven boven alle menscheüjke beschouwing, gelijk Hij hem
5(34 Psalm 109 : li'â-0.
ook van allen nijd ol' wrok onlledi-d licefl, opdat hij in heiige oonali-dheid en -eesleli.jkc voorziclilii;heid om hel venlerl kon bidden van een' verworpene. De verklaring van somnngen die aan de uitdrukking: Hij heelt den vloek liefgehad, de beteekems oeven van: Hij heelt met bewustheid den toorn Gods gaande gemaakt alsof hij, krijg voerende legen God, zelf zijn verderf en ondergang bevorderde, schijnt mij al te gezocht en gewrongen. Daarom komt het mij voor, dat de verklaring, die ik hier gegeven heb beter is nl. dat hij er zich zoo zeer op had toegelegd om onrecht te doen en kwaad le slichten , dal er geen greintje van billijkheid of menschlievendheid in hem le vinden was. Inlusschen moet men er wèl acht op geven, dat al heigeen de goddeloozen doen ol ondernemen ten slotte op hun eigen hoold nederkomt, en hoe heiliger zij, woeden, hoe eerder en hoe meer zij voor zich zeiven teweegbrengen wal zij voor anderen hadden willen bereiden, evenals de Caecias door le waaien de wolken tol zicb irekl.
20. Dit is het werk. Dat wil zeggen: het gewin of het loon. Hij zequot;l uitdrukkelijk van Jehovah, om le getuigen dat al zijne hoop bevestigd is op de ondersteuning, die hij verwacht van den hemeL hoewel hij op aarde van alle hulp of steun van menschen ontbloot is. En uil dit vers kunnen wij leeren, dal Dayid zijne vijanden niet roekeloos of in lichtzinnigheid heeft gevloekt, maai dal hij gewisselijk heeft uitgesproken wat hem door den Heiligen Geest werd ingegeven. Wèl erken ik, dat velen, eene ze 1de verzekerdheid voorwendende, zich le builen gaan in loomeloos kwaad spreken. Maar hetgeen David met het gereinigde oog des gelools gezien heeft, heelt hij kalm en met bezadigden ijver uilgesproken, nl. dal hij er van overtuigd was, wijl hij zich van quot;anscher harte toelegde op heiligheid van leven en hij zk h door quot;de hand Gods beschermd wist, dal zijne v,janden eens loon naar werken zouden ontvangen. Hieruit zien wij, dal hij den mensch niet heeft aangezien, zoodal hij bewogen en aan he wankelen gebracht, werd al naar ''^v.st dat de wm-e d hu â.mstio of on-'unstig gezind was, maar alleen op God heelt ^esleund En voorzeker^ wie van menschen afhankelijk wil zijn Ll bij het minste verdriet al falen. W11 moeien dus naar hel voorbeeld van dezen heilige onzen geest opheffen naai boven, ook wanneer de gansche wereld ons verlaat of tegenstaat en van daar Hem verwachten, die ons zal verlossen. Indien Hi ziel, voor onze verlossing van menschen wil bedienen, dan zal Hij zijne dienaren daartoe wel weten le vinden; maai zoo Hij iei beproeving van ons geloof, ons van alle aardsche hulpmid-
Psalm 1U9 : 20â21.
delen verstoken laai blijven, moeien wij Hem daarom nicl van de eer berooven, die Mem toekomt, maar geduldig den j-escbikten tijd verbeiden, wanneer liij zijn rechtvaardig oordeel zal doen verschijnen.
21. Maar Gij, Jehovah, mijn ITeere, maak het met mij om uws naams wil; verlos mij, want uwe goedertierenheid is goed. 22. Want ik ben arm en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond. 23. Ik ga heen gelijk eene schaduw, wanneer zij zich neigt; ik word omgedreven als eene sprinkhaan. 24. Mijne knieën zijn verzwakt van vasten , en mijn vleesch is gemagerd, zoodat er geen vet aan is. 25. Maar ik ben hun ten smaad; als zij mij zien, zoo schudden zij hun hoofd. 26. Help mij, Jehovah, mijn God, bewaar mij naar uwe goedertierenheid. 27. En zij zullen weten, dat dit nwe hand is, dat Gij, o Jehovah, dit gedaan hebt.
2!. Maar Gij, Jehovah. Hij laat nu al' van over zijne vijanden te klagen en ben te verfoeien, en begeeft zicb tot bet gebed, liet schijnt zelfs, dat bij zicb God voorgesteld hebbende als zijn Hoeder en Bevrijder, hierdoor sterk opgewekt was geworden om met nog grooter ijver zijn gebed tol God te richten, gelijk dan ook alle heilige overdenkingen, waardoor de godviuchtigen bun gelooi oelenen en bevestigen, ben dringen om den naam Gods aan te roepen. Maar hij roemt daarbij op geene enkele plichls-betrachting, waardoor hij verdiend zou hebben, dat. God hem bijstaat; en evenmin betrouwt hij op zijne eigene waardigheid, maar zoekt zijne toevlucht alleen in de goedheid en barmhartigheid Gods. Wel is waar heeft hij zijne onschuld en de zuiverheid van zijn geweten tegenover zijne vijanden gesteld, om alzoo des te meer hunne ongerechtigheid te doen uitkomen; maar hij maakt bij God geene aanspraak op belooning; neen, hij rust op een hooger fondament, nl. dat bij alles verschuldigd is aan de vrije uitverkiezing Gods, en dat van haar zijn heil afhangt. En toch, zoo er iemand was, die op zijne eigene deugd en verdiensten kon roemen, dan zou David bier niet de minst bevoegde toe geweest zijn, behalve nog dat hij het type was van Christus en
Psalm 109 : 21â23.
viiii -el.eel .lc Kerk. Hieruit volgt .lus dal al onze gebeden op nun^uitloopen, indien zij niet -ei-rond zijn op de bannliarli-heid en uoederlierenheid Gods Voor Cl.rislus zelt was du een gansch bijzonder geval, omdat Hij door zijne gerechtiglicid ons met zijn Vader verzoend heeft. Dewijl echter al hetgeen van de mensche-lijke natuur in Hem was van het welbehagen des Vaders alhan-
keliik is -evveest, heef! Hij ons door zijn voorbeeld tol deze lontein
willen heenvoeren. Wal zullen wij dan doen, terwijl de beste onder ons nog altijd zal moeten belijden, dal hij beladen is met velerlei zonde? Zóó ver is hel er van daan, dat God ons in eenigerlei opzicht iels verplicht zou zijn. Er rest ons dus slecht, ééne zaak, nl. dat God ons onder zijne hoede neemt, omdat Hij ooedertieren is, en wil. dal zijne genade in ons uitblinke, omdat zijne goedertierenheid goed is. Als wij dus voor God verschijnen, dan behooren wij wèl acht te geven op twee zaken, nl. dal wij het getuigenis van een goed geweten met ons omdragen; en' dal wij er ons voor wachten te denken, dat er in ons' eenigerlei waardigheid, of verdienste is, waardoor God verplicht zou zijn ons te beloonen. Want, indien God in de bewaring van dit korte en vergankelijke leven duidelijk de heerlijkheid zijns naams en zijner goedheid doel uitkomen, hoe veel te meer moet dan niet alle betrouwen op onze werken nedergeworpen worden wanneer er sprake is van het hemelsche en eeuwige even. Indien Hij mijn leven gedurende een weinig lijds verlengt, dan wordt zijn naam hierin verheerlijkt, omdat Hij mij vrijwillig en âil eigene beweging zijne goedheid en milddadigheid toont. Wanneer Hij mij dus uit de machl des duivels heeft verlost, en mij aanneemt onder hel getal zijner kinderen, mij reinigt door het bloed van Christus, mij door zijn' Geest doel wedergeboien worden, mij inent in het lichaam zijns Zoons, en mij leidt lol het hemelsche leven, dan voorzeker, hoe milder en barmnailigei Hij .âet mij handelt, hoe minder hel mij zal voegen aan mij zeiven iets van den lof er van loc te kennen. Ook doel David juist hel tegendeel, want om gunst te verwerven beroept hij er zich op dal hij arm en nooddruftig is. En daar nu de uitwendige beproeving niet zou volstaan, indien hij met tevens ganscl. terneder -eslagen en van allen hoogmoed en opstand onlledigd was ze-l hij' nogmaals dal zijn hart doorwond was. Uil is voor' ons een wenk, dat God zich slechts als de Geneesmeester zal beloonen aan hen, die in waren ootmoed lol Hem zuchten un zich door hunne beproevingen mei laten verdooven
504
Ah eene schaduw. Deze twee beelden worden hier zeer
van
Psalm 109 : ÃâU.
gepast aangewend. Van hel eerste hebben wij reeds een en ander gezegd bij Psalm 102:12; nl. dal de mensch , die zwaar beproefd, en om zoo te zeggen reeds hall' dood is, zeer gevoegelijk vergeleken kan worden bij de avondschaduw. Want , als de zon opgaat, of reeds hoog boven ons staat, kan men de gedurige afwisseling van de schaduwen niet zoo gemakkelijk waarnemen; maar als zij zich tegen den avond ten ondergang neigt, is er geen oogenblik, waarop de schaduw niet voor onze oogen heengaat. Ook door het andere beeld wordt de weinige vastheid, die er in deze wereld is, aangeduid. Want gelijk de sprinkhanen zich van de eene naar de andere plaats bewegen, klaagt David, dat hij in geheel zijn leven nooit ergens tol rust kon komen, daar bij onophoudelijk vervolgd werd door zijne vijanden, die hem nergens eene schuil- ol rustplaats lieten; gelijk bij elders zegt, dal hij gedwongen was van plaats te veranderen, evenals een muschje, waaraan door den vogelaar van rondom strikken worden gespannen. (Psalm 11:2). Kortom, hij betreurt zijn' ellendigen toestand, waardoor hij nergens in de wereld een voor hem veilig plekje kan vinden, en hij zelfs niet meer van gelijken staal is met de andere menschen. Dewijl hij dus in dezen Psalm hel beeld voorstelt van geheel de Kerk, zoo laat ons, van onzen kant, niet verbaasd zijn, als God ons, op onze beurt, ontrust, en ons door velerlei ongemakken en ongeneuglen wakker schudt. Daarom noemt Paulus zich zeiven, en ook anderen, menschen, die geene vaste woonplaats hebben (1 Cor. 4:11), welke benaming in zeker opzicht aan alle geloovigen past.
24. Mijne knieën. Dit kan genomen worden als een teeken van verdriet en treurigheid, dat David, hoewel hij spijze had om zich te voeden, zich vrijwillig liel vermageren dooi niets te nuttigen, maar zich geheel en ai aan het gebed had gegeven. Men zou er ook een afkeer in kunnen zien van alle spijs en drank, gelijk voor menschen, die treurig en ternedergeslagen zijn de spijzen allen smaak en geur verloren hebben, en zelfs het leven hun tegenstaat. Vindt iemand liet nu beter om bet aan armoede toe te schrijven, dewijl David zich in holen en spelonken heeft teruggetrokken en er verblijf hield onder de wilde dieren, ten einde aan do woede zijns vijands te omkomen, en er gedurende langen tijd honger en dorst geleden heeft uit gebrek aan levensmiddelen, dan wil ik hem zijne meening wel laten. Mij schijnt het echter toe, dal hij hier eenquot; rouw en zeer groot leed heelt willen aanduiden, daar hij den dood voor oogen hebbende, een afkeer had van spijs en drank. Hetgeen hier onmiddelijk
565
Psalm 109 : quot;21âquot;20.
op volgl, liecft conc zelfde beteekenis, le welen, dal zijn vleesch zijn vet verloren had, omdat een verslagen geest liet gebeente doet verdrogen (Spreuken 17:22) Sommigen leggen dit zoo uil, dal bel vel weelde, of iels aangenaams beteekenl, alsof bij zeide, dal bij van alle aangename spijzen verstoken was. Maar het eenvoudigste is, dal bij vermagerd was van verdriet en door vasten, omdat de natuurlijke sappen in bem verleerd waren. Hij toont bot ontzettende van zijn' toestand door nog eene andere omstandigheid, te weten, dat hij allen ten smaad is, gelijk bij bier ook over klaagt in Psalm 22:7. Nu is bet treurig en zwaar om te dragen voor de kinderen Gods als zij gevoelen, dat de vloek, waarmede God de overtreders zijner wet bedreigt, op hun eigen hoofd nederkomt. Want de Wet zegt lot bare ver-smaders; Gij zuil zijn lot een' schrik, tol een spreekwoord en lol een spotrede (Deut. 28:37). Nu is bet door deze soort van verzoeking dal David werd aangevallen, en bij zegt niet slechts, dal bij als een veroordeelde, een ten doode gedoemde beschouwd werd, maar dal bij ook grievend werd bespot en gesmaad, en dal niet zonder dat ook God zijn deel bad in dien smaad; gelijk hel de gewoonte is der goddeloozen, als zij bel boold opsteken, wanneer zij ons beproefd zien, en ons gelool en onze godsvrucht aanvallen, omdat God ons niet in onze ellende te bulp komt.
26. Help mij, Jehovah. De Profeet herbaalt zijn gebed, daar het ons noodig is des te meer te worstelen en mei grooler ijver te strijden, naarmate Satan meer listen aanwendt om ons aan te vallen. Want, boewei wij er van overtuigd zijn, dat God ons genadig is. kan liet niet anders, ot er zullen, wanneer Hij een weinig vertoeft, en de boozen ons tergen door hun kwaadspreken, allerlei twijfelingen in ons opkomen. Daarom is het niet. zonder reden, dat David om dergelijke aanvallen te weerstaan, zich dikwijls dit schild voorhoudt: Dat God naar zijne goedheid en barmbarligheid in de nooden en behoeften der zijnen voorziet Nu vraagt hij om verlost te worden, niet door gewone middelen, maar door eene groote kracht Gods, zoodat zijn vijand, beschaamd gemaakt zijnde, den mond zal moeten sluiten Want wij welen, dat God de zijnen somwijlen te bulp komt, zonder dat men er veel van bespeurt, maar dat Hij soms ook voor aller oog zijn' arm ontbloot, zoodat de boozen, al sluiten zij hunne oogen ook toe, toch wel moeten zien, dal bier hulpe Gods verleend is Want, daar zijne vijanden legen God zijn opgestaan, begeert bij ook na ben overwonnen le hebben, in den naam Gods over ben te triomfeeren. Want bij streeft niet naar den roep van dapperheid
Psalm 1Ã9 ; 26 -28.
in den krijg, wat hij verlangt is, dal de macht Gods zal gezien worden, door welke alle vleesch ten onder za! gebracht worden. Hoewel dit nu niet slechts van de uitkomst, maar ook van de beproeving zelve verslaan kan worden, zoo begeert hij toch dat zijne uilredding voornamelijk en bovenal aan Gods genade toegeschreven zal worden. Want, de hand Gods stellende zoowel tegenover het Toeval, als tegenover alle menscbelijke middelen, wil hij, dat God alleen ais de Werker er van erkend zal worden. Hier moet wel op gelet worden; want , hoewel wij allen begeeren door de hand Gods te worden bewaard, zal men toch nauwelijks één vinden op de honderd, die zich ten doel stelt de eeie Gods groot te maken en te verhoogen. En toch moest zij ons nog meer ter harte gaan dan onze eigene zaligheid, gelijk zij haar dan ook in rang vooraf gaat. Wie nu begeert dat zelfs de boozen zóó overtuigd zullen zijn, dal zij met Gods werken niet onbekend blijven, zal nog zoo veel le meer acht moeien geven op de hulp, die hij zelf van Hem ondervindt. Want hel zou toch al te ongerijmd wezen om bij anderen van de hand Gods le spreken, zoo de kennis er van niet diep in ons eigen hart gegrift is.
28. Zij zullen vloeken, en Gij zult zegenen; als zij opstaan zullen zij beschaamd worden, en uw knecht zal zich verblijden. 29. Mijne tegenstanders zullen met schande bekleed worden, en zij zullen met hunne beschaamdheid bedekt worden, als met een' mantel. 30. Ik zal Jehovah zeer loven met mijn' mond, en Hem prijzen in de vergadering der grooten. 31. Omdat Hij aan de rechterhand staat van den arme, om zijne ziel te verlossen van de veroordeelingen.
28. Zij zuUen vloeken. Er bestaal hieromtrent verschil van meening onder de uitleggers, want sommigen willen dit alles in den wenschenden vorm lezen, aldus: Dat zij mij vloeken, (of: laten zij mij vloeken) zoo Gij mij slechts zegent; dat zij opslaan en beschaamd worden. Anderen behouden de natuurlijke lezing en beteekenis, zooals de woorden werkelijk slaan: Zullen vloeken, enz., waarmede ik mij gaarne vereenig. Wil echter iemand den zin lozen in de beteekenis van verlof, of toelating, d. i. alsof hij zeide: Ik neem er genoegen mede, dat zij mij vloeken, enz.
5(17
Psalm 109 : -28â30.
of, Ik laat hun toe mij le vloeken, dan vind ik dit ook niet verkeerd. Naar mijn inzien vergissen zich echter diegenen, die er een gebed van maken. Want, veeleer roemt üavid, nadai hij gebeden heeft, nu vrijmoedig in de gunst Gods. Zij zullen er niets bij winnen (zegt hij) met mij te vloeken, want Gij, o God, zult mij zegenen. Hiermede bewijst hij, dat hij de dreigementen zijner vijanden niet vreest, hoewel zij niet slechts scherpe zwaarden hebben, maar ook hunne tong giftig genoeg is om hem te schaden. Opdat dus de boosheid, en kwaadwilligheid, de vermetelheid en macht, de verdorvenheid en woede onzer vijanden ons den moed niet doen verliezen, zoo Iaat ons naar het voorbeeld van David leeren besluiten God aan onze zijde te hebben, die al hunne pogingen op niets zal doen uilloopen. En voorzeker geven wij ook dan slechts ruimte [om te werken] aan Gods genade, als door haar licht alle vrees en verschrikking uit ons hart worden verdreven, die wij door de bedreigingen der wereld in ons hebben laten opkomen. Steunende op de gunst van God bezingt David reeds te midden van den strijd de overwinning, alle kuiperijen en bedenkselen zijner vijanden kloekmoedig verachtende, omdat bij weet, dat zij tegenover den zegen Gods niets zullen vermogen. Dit wordt nog sterker uitgedrukt in het volgende vers; Hoeicel zij zich verheffen, zullen zij toch heschaamd uitkomen. Want hij geeft te kennen, dat de woede zijner vijanden nog niet gestild is; rnaar hij laat hen woeden, mits hij van zijn' kant slechts door de beschermende hand Gods wordt bedekt. En zoo richt hij zich dan op en versterkt zich tegenover de hoovaardij der wereld, terwijl bij door zijn voorbeeld ook anderen versterkt, opdat wij, ook wanneer wij voor de kwaadwilligheid onzer vijanden hel onderspit schijnen te delven, den moed niet zullen verliezen. In de kracht dezer hope belooft hij zich verlossing van zijne droefheid in de toekomst. Hieruit leeren wij, dat wij geduldig en met kalmen moed onze beproevingen moeten dragen totdat de door God bestemde tijd onzer blijdschap is gekomen. In het volgende vers gaat hij nog voorl met hierin te roemen. Want, hoewel hij ziet dat de boozen zich hoog verbeflen, kan hij met het oog des geloofs heen zien over het tegenwoordige, en zoo twijfelt hij niet, of God zal hen ten laatste toch teleurstellen in hunne verwachting, zoodat al hunne ondernemingen in versmaad-heid voor hen zullen uitloopen.
30. Ik zal Jehovah zeer loven. Door dit slol wordt duidelijk aangetoond, wat ik zoo even gezegd heb, nl. dat David in deze woorden geen gebed richt lot God, maar dat hij veeleer zijne
Psalm 109 : 30â31.
vijanden larl door een heilig roemen des geioofs. Want hij bereidt zich lot dankzegging, alsof hij zijn' wensch reeds had verkregen. En dat hij zegt Met mijn mond, dit is geene overtollige uitdrukking, gelijk sommigen ten onrechte denken, want, David verklaart dat hij dankzegging zal doen in het openbaar, alsof hij zeide: Niet slechts bij mij zeiven en in hel verborgene mijns harten, of, alleen, zonder zonder dat er iemand getuige van is, zal ik het groote goed gedenken, dat ik van mijn' God heb ontvangen, maar ook door eene plechtige offerande des lofs zal ik openlijk en voor alle menschen verklaren hoeveel ik verschuldigd ben aan zijne genade. In dien zelfden zin voegt hij er terstond hij In de vergadering der grooten, of van velen, want hel Ilebreeuwsche woord rahim kan op beiderlei wijze vertaald worden. Ik heb er echter de voorkeur aan gegeven om hel door Le grooten over le zetten, omdat David le kennen schijnt te geven eene vergadering van aanzienlijken. Zooveel is zeker dal hij betuigt de goedheid Gods te willen erkennen niet slechts in hel verborgen, in een verscholen, afgelegen hoekje, maar in eene groote vergadering des volks, in hel midden der overheden, en bestuurders des lands. Want, als er sprake is van den lof' Gods le vermelden, dan moet wél hel hart de long voorafgaan, maar het is toch een leeken van koele onverschilligheid, indien ook de long zich niet paart aun den aandrang des harten lol dankzegging. Intusschen maakt David alleen maar melding van den mond, omdat hij het als eene algemeen erkende waarheid beschouwt, dat de lof Gods, die in de ooren der menschen weerklinkt, ijdel en beuzelachtig is, indien ook het hart daarbij niet voor God spreekt. Daarom is hij ook uil diepen aandrang des harten er toe gekomen om uitwendig belijdenis le doen van hetgeen er inwendig bij hem omging, gelijk ook inderdaad de begeerte om elkander op te bouwen de geloovigen hiertoe moet opwekken en aansporen, want anderszins zouden zij aan God de eere onthouden, die Hem toekomt Hij voegt er ook bij den vorm van de dankzegging, die hij zal brengen, le weten, dat God aan de rechterhand staat van den arme. Want hiermede geeft hij le kennen, dat God, toen Hij hem verlaten scheen te hebben, zich verre van hem scheen le houden, in waarheid echter zeer dicht bij hem was, gansch bereid en gereed hem in hel oogenblik van zijn' nood le hulp le komen. Want voorzeker, de armoede en de beproeving van David hadden uiterlijk den schijn van een leeken van Gods verwerping, omdat God zijne genade terug hield, of verborg; maar toch erkent hij, dat hoewel hij arm en bedroefd was, God niel nagelaten heeft
Psalm 109 : 31.
570
van hem voortdurend ter liulpe te komen. Hij drukt nog duidelijker uil in hoe wanhopigen toestand hij verkeerde, zeggende, dat hij bewaard is gebleven van hen, die zijne ziel reeds hadden geoordeeld, waardoor hij te kennen geeft, dat hij niet slechts te doen heelt gehad met zeer machtige vijanden, nl. met den Koning en de bestuurderen des rijks, maar dal dezen levens, hoovaar-diglijk steunende op hunne grootheid en macht, hem niet méér achtten dan een' dooden hond, alsof hem hel leven reeds was ontnomen. Kn ik twijfel niet, of hij klaagt er hier niet slechts over, dat hij door de wreedheid zijner vijanden gruwelijk geplaagd en gekweld is, maar dal hij ook door hun smaad en laster van zijne eer beroofd is; want wij welen dal hij verdrukt is geworden door de kwaadwilligheid van hen, die in hoogheid en aanzien staande, er zich valschelijk op beroemden, dat zij recht cn gerechtigheid wilden handhaven , cn dus hunne snoode handelingen met deze schoonschijnende voorwendsels bedekten.
T^SAl.lVr HO.
INHOUD: Hij bezingt zoowel het eeuwige koningschap als het priesterschap van Christus. En nu verklaart David in de eerste plaats dat de souvereine heerschappij door God aan Christus is gegeven, en wel met eene onoverwinnelijke macht, waardoor Hij al zijne vijanden, van welke zijde zij ook tegen Hem opstaan, nederwerpt, of hen noodzaakt zich te buigen ouder zijne gehoorzaamheid. Daarna voegt hij er bij, dat de grenzen van dit koninkrijk heinde en ver uitgebreid zullen worden. In de derde plaats, dat Christus niet minder versierd is niet de eer en de waardigheid eens Konings, dan met die eens Priesters, en dat wel met een'plechtigen eed. Eindelijk, dat het een nieuw priesterschap zal zijn, waardoor een einde zal gemaakt worden aau dat van Levi, hetwelk slechts tijdelijk was, en dat het tot in eeuwigheid zal zijn.
Een Psalm van David. 1. Jehovah heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanclen gezet zal hebben tot eene voetbank
Psalm 110 : 1.
uwer voeten. 2. Jehovah zal den schepter uwer macht zenden uit Zion: heersch in het midden uwer vijanden. 8. Uw volk zal gewilliglijk komen, ten dage uwer heirkracht in heilige schoonheid; de dauw uwer jeugd zal u zijn van de baarmoeder aan, van den dageraad.
Daar ook Chrislus zelf verklaart dal deze Psalm gedicht werd met betrekking op Hem, moeten wij de zekerheid hieromtrent aan niets anders dan nan zijn' eigen mond willen onlleenen. Maar al zou ook zijn gezag, evenmin als het getuigenis van den Apostel er voor worden ingeroepen, de Psalm zeil'roept luide, dat geene andere verklaring mogelijk is. Want, al hebben wij ook te strijden tegen de hardnekkigste .loden der wereld, zuilen wij hun toch door onwederlegbare bewijzen (de bekentenis) ontwringen, dat hetgeen hier gezegd wordt toepasselijk is noch op David noch op wien anders het ook zij, dan alleen op den Middelaar. Wel erken ik, dal de persoon van üavid het type of de afschaduwing is geweest van het koninkrijk van Christus; maar toch heeft hij noch van zich zeiven noch van een zijner opvolgers kunnen zeggen, dat er een koning zou zijn, wiens heerschappij zich zeer ver zou uitstrekken, en die tegelijk ook Priester zou zijn, niet naar de ordening der Wet, maar naar de ordening van Melchizedek, en dat wel lol in eeuwigheid. Want te dier tijd zou men geene nieuwe waardigheid des Priester-schaps hebben kunnen instellen, zonder deze eere van Levi weg te nemen. En ook het eeuwigdurende, waarvan hier gesproken wordt, zou op geen sterfelijk mensch toegepast kunnen worden, want voor ieder ander, behalve voor Dezen, houdt met het kortstondige leven ook deze eere op. Omdat echter over deze zaken elders uitvoeriger gesproken zal moeten worden, is het ons genoeg om ze hier kortelijk te hebben aangestipt.
1. Jehovah heeft (jezegd. Hetgeen hier gezegd wordt kan op David niet toepasselijk wezen, want hij heeft niet op eigen gezag den troon beklommen, en evenmin door booze praktijken; ook is hij door geene ondoordachte volksstemming tot deze waardigheid verheven , maar hij heefl geregeerd op Gods bevel. Ja meer, want men zou van alle koningen der aarde kunnen zeggen, dat zij door de beschikking Gods op hun'troon geplaatst zijn, want de verschillende staten dezer wereld zijn door een
571
Psalm 110 ; 1.
roli
raadsbesluil des hemels aangewezen, en er is yeene inaclii tian van God (Rom 13: !). Nu lieefï David hel koninkrijk, waarvan hier gesproken svordl, van alle andere willen onderscheiden, daar hier ook eene bijzondere reden voor is. Hel is wel waar, dat hel God is, die de koningen loerusl mei machl, maar zij zijn niet, zooals David, geheiligd, zoodal zij door deze heilige zalving als Christus' plaalsbekleeders ol onderkoningen zijn aangesteld. (I's. : 1 , 0) Wèl hebben wij aan eene andere plaats gezien, dal zij goden genoemd worden, omdat zij in de plaats van God zijn en Hem in zekeren zin vertegenwoordigen (want alle heerschappij is van Hem), maar zij bezitten niet de heilige majesteit, waarmede David geëerd werd om hel voorbeeld ot' type le zijn van den eenigen Zone Gods Hij zegt ook zeer terecht, dal hel koninkrijk hem op andere wijze gegeven is dan aan andere aardsche koningen, die, olschoon zij belijden dooi de gratie Gods te regeeren, toch eigenlijk niel denken, dat zij door de hand Gods worden ondersteund, maar zich veeleer inbeelden, dat zij regeeren of door erlreclit, ól door de de gunst der fortuin, en daarom is, wal hen zeiven belrelt, hunne roeping meestal ook niel wettig. Kn voor zooveel zij niel gelooven aan God verplicht te zijn wat zij van Hem hebben ontvangen, is de ordonnantie Gods ook eigenlijk niet lol hen gericht. Dewijl nu David wel verzekerd was door God verkoren le zijn , en zich zoolang hij nog particulier persoon was bescheiden-lijk op den achtergrond heelt gehouden, totdat hem door de stemme Gods bevolen was le regeeren heelt iiij zich niet zondei reden vrijgesteld van den staal der gewone sooil van koningen, alsof hij zeide, dat hij, toen hij hel koninkrijk aanvaard heelt, zeer bijzonder en in engeren zin door God lot koning was aangesteld. Overigens blijkt uit hel antwoord van Christus bij Mallhéüs, dal deze dingen zelfs op David niel allen en in alles van toepassing zijn. Want, toen de Farizeën zeiden, dal Christus de zoon van David moest zijn, antwoordde Hij: Hoe noeml hem dan David zijn' Heere? En nu moeten de Joden niet zeggen, dal Christus zich hier van eene spitsvondigheid heeft bediend, omdat David hier niel in zijn eigen naam spreekt, maar in naam des volks, want deze tegenwerping is zeer gemakkelijk te wederleggen. Want hoewel men moet erkennen, dal deze Psalm in naam der geheele Kerk is gedicht, heeft David loch, dewijl hij lol het getal der godvruchligcn behoorde, en, onder hel Hoofd, lid was van hel lichaam, er zich niel van kunnen alscheiden; en wal meer is; hij heeft dezen Zang ook niel aan anderen kunnen dicteeren, zonder er toch ook zeiven deel aan
Psalm 110 : 1.
573
ie nemen ilonr er meile in le slemmen. Er is ook nog iels anders op le merken Wanl Hij gaal uil van liel beginsel, ol' van de stelling, die toenmaals door iedereen was aangenomen, dal David gesproken heelt door den geesl der prolelie, en dat hij aldus van hel koninkrijk van Christus heeft geprofeteerd. Deze grondslag gelegd zijnde, kan men ongetwijfeld hieruit afleiden, dat hij ziet op Christus, die daarna geopenbaard zou worden, omdat Hij hel eenige en oppeimachtige lloold is dei' Kerk. Hieruit volgt dan levens, dat ei in Christus iets hoogers moei zijn dan de menschelijke natuur, len opzichte waarvan Hij de Heere genoemd wordt van zijn' vader David; hetgeen in het tweede gedeelte van het veis nog nader wordt bevestigd. Want, hoewel de aardsche Koningen in zeker opzicht aan de reéhlerhand Gods gezeten zijn, in wiens naam zij regeeren, wordt hier toch iets hoogers uitgedrukt, nl. dal een Koning zeer bijzonder verkoren is, die de waardigheid zou ontvangen van de tweede le zijn onder God, en van deze waardigheid heelt slechts een zeer klein vonkje in David gegloord, terwijl de volle glans er van in Christus heelt geschitterd. Want daar de plaats aan Gods rechterband verheven is boven de engelen, volgt hieruit, dal Hij, die aldaar is gezeten, boven alle schepselen de voorkeur heeft. Nu zullen wij niet zeggen, dat de Engelen verminderd zijn in hun' rang en staal, ten einde aan David onderworpen le worden. Wal blijft er nu anders over dan dat door den geest der profetie de troon van Christus gesteld is boven alle overheden en machten in den hemel? Nu is dit een beeld, dat aan de menschen ontleend is; want, evenals in deze wereld, hij die na den Koning de eerste is in macht, aan 's Konings rechterhand is gezeten, zoo is ook de Zoon, door wiens hand de Vader de wereld regeert, door dit gezeten zijn in overdrachtelijken zin mei souvereine macht bekleed. Totdat Ik uwe vijanden yezet sal hehhen tot eene voetbank uwer voeten. Hier legt de Profeet de stellige verklaring af, dal Christus, hoewel de vijanden van alle kanten opslaan om zijn rijk le versloren, toch alle hinderpalen te boven zal komen. En intusschen geelt hij hiermede ook stilzwijgend le kennen, dat Christus' koninkrijk geen' vrede of rust zal hebben, voordat Hij vele en velerlei vijanden ten onder zal hebben gebracht. Hoewel dus de gansche wereld samenspant om den troon van Christus omver te werpen, zegt David, dat die troon toch vast en onwankelbaar is, en dat allen, die er zich tegen verhefien, ten laatste neder-geworpen zullen worden. Laat ons dus wèl in gedachten houden, dal, hoewel lallooze vijanden samenspannen legen den Zone
Psalm 110 : 1 1
Gods, en alle kiaclilen aanwenden om zijn koninklijk omvcv le werpen, zij daar loeli niels mede winnen zullen, omdal zij legen liet onveranderlijk raadsbesluit Gods niels vermogen, maai dal zij veeleer door de wondere krachl Gods nedergeworpen zullen worden aan de voelen van Ghrislus. Dewijl nu deze Prolelie niel vervuld zal worden vóórdat de laalsle dag is aangebroken, kan bel niel anders of bel rijk van Ghrislus moet lot aan liet einde der wereld door vele vijanden worden aangevallen, gelijk een weinig later opnieuw gezegd zal worden; Ileersch in het midden uwer vijanden. Nu wordt door de uitdrukking; Totdat niel te kennen gegeven belgeen zijn zal na de nederlaag van de laalsle vijanden van Cbrislus. Paulus zegt wel, dal Hij alsdan bel koninkrijk over zal geven aan God, zijn' Vader, van wien Hij liet bad ontvangen (1 Gor. 15:24); maar door deze woorden verslaat liij niel, dat Hij zicb dan van zijn gezag zal onldoen . om als liet ware een ambteloos, een particulier, persoon Ie worden. Neen, liij spreekt slechts van zijne wijze van regeeren, nl. dal zijne goddelijke majesteit alsdan vooi aller oog zichtbaar zal zijn Ãocb aan deze plaats wordt slechts van de verworpenen gesproken, die lot hunne groote schade en verderf aan de voelen van Ghrislus zullen vallen. Want dewijl van nature hel gansche menscbelijke geslacht Ghrislus wederstaal, onderwerpt en verootmoedigt Hij sommigen in dier voege, dat zij zicb vrijwillig buigen onder zijne gehoorzaamheid, opdat Hij hen dan deelgenooten kan maken van zijne heerlijkheid ; maar de anderen brengt Hij ten onder op zulk eene wijze, dal zij voor immer in hun'val blijven liggen.
2. De Schepter uwer macht. Hij bevestigt niet slechts met andere woorden wat hij een weinig te voren heeft gezegd, maar hij voegt er nog bij, dal Ghrislus heinde en ver zal regeeren, omdat God zijne macht en heerscbappij zeer ver zal uitstrekken. Hoewel nu David vele naburige volken aan zich onderworpen en schatplichtig heelt gemaakt, is zijn rijk, als wij het hij andere monarchieën vergelijken, toch altijd binnen zeer enge grenzen gebleven. Nu is hier eeno stilzwijgende tegenstelling, alsof bij zeide, dat Ghrislus niel slechts op den berg Zion zal heerscben, want dal God zijne grootheid zal uitstrekken tot aan de verst verwijderde deelen dei wereld. Daarom wordt hier gesproken van den schepter zijner macht, omdat het wel eone wondere zaak was, dat, boewei de geheele wereld Hem weerstond, het rijk van Ghrislus zich zoo ver en wijd heeft uitgebreid. David versterkt bier alzoo bel hart der godvruebtigen, opdat zij den moed niet zouden verliezen van wege de razende vermetelheid
574
Psalm 110 : quot;Iâ3
iS
575
van lien, die zullen opslaan om liel rijk van Claistus le ver-sloren, en le midden van de schrikkelijke beroeringen, welke ontslaan zullen, omdal God, len einde de lieerlijklieid van dien lieiligen Iroon ongesclionden le houden, zijne onverwinlijke maehl zal len loon spreiden. Zoo laai ons dan, als wij le midden van allerlei onrusl en beroering heen en weder gedreven worden, leeren hierop te rusten, dal, hoewel de gansche wereld moge woeden, zij toch de kracht ol macht niet heeft om Christus af le rukken van zijn' zetel aan de rechterhand Gods. En daar Christus nu niet voor zich zeiven, maar lol ons welzijn, regeert, zoo laat ons gelooven, dal wij onder de hoede van dezen onver-winlijken Koning bewaard zullen zijn tegen alle kwaad, liet is waar! deze toestand is hard en moeielijk; daar hel echter Gode behaagd heeft, dat hel koninkrijk van Christus van alle kanten omringd zal zijn door vijanden, len einde ons door een voorl-durenden krijg le quot;oefenen, zoo lalen wij ons dan schikken lol geduld en zachtmoedigheid. Maar, verzekerd zijnde van de hulpe Gods, kunnen wij de woede der wereld belachen. Hieraan is ook de roeping der Heidenen ontleend; want indien God niet had uilgeproken heigeen wij hier hooien omtrent de uitgestrektheid van Christus' Koninkrijk, dan zouden wij heden zijn volk niet zijn. Dewijl echter, na Jat de muur verbroken is, hel Evangelie verkondigd is geworden, zijn wij ingelijfd in het lichaam der Kerk, en de kracht van Christus is geopenbaard om ons te handhaven en le beschermen.
'l ;jL
m
m
3. Uw volle. Hier bezingt hij hel koninkrijk van Christus, zoowel wegens de vaardige en blijmoedige gehoorzaamheid van het volk, dal er aan onderworpen is, als van wege de groote menigte dier onderdanen Hel Hebreeuwsche woord NedahutJi, dat hij hier gebruikl, beteekent dikwijls vrijwillige offeranden; maar aan deze plaats is de zin, dal bet uitverkoren volk en dezulken, die in waarheid lol Christus' kudde gerekend worden, gewillig zijn zullen, zoodal zij gaarne en gewillig komen zullen om Hem alle gehoorzaamheid le bewijzen. Nu zegl hij: Ten datje, uwer hairier add, dat is, ten dage wanneer de plechtige en weltige vergaderingen zullen plaats hebben, ol' wanneer de Koning eene wapenschouw zal willen houden over zijn volk, hetgeen men in bet Fransch zou uitdrukken door Au jour des monstren, d i ten dage der monstering. Anderen vertalen hel door Ten dage uwer kracht, maar de eerste overzetting is meer gepast: Als Christus de zijnen bijeen zal willen vergaderen, zullen zij terstond bereid zijn le gehoorzamen, al
KEquot;!
®|
II
. s
i
Psalm 110 : 3.
worden zij er ook niel mei geweld loe genoodzaakt. En ten einde ons le verzekeren, dal dit koninkrijk boven alle anderen Gode gewijd is, voegt hij er schoonheid, ol'sieraden van heilüjheid aan toe, alsol hij zeide, dal zij, die zich aan Clirislus onderwerpen, niel als in de tegenwoordigheid van een aardsch koning-zullen komen, maar in de tegenwooi digheid van God zei ven, en dal allun zullen streven naar dit ééne doel; God te dienen. Van de baarmoeder aan, van den dageraad. Hel is niel noodig alle de verklaringen aan le halen, die van deze plaats gegeven zijn. Want als ik aangetoond za! hebben welke de ware en natuurlijke zin is, is er niet veel moeite noodig om de anderen te wederleggen Ik twijfel niel of David wil hier den zegen Gods loven in de toeneming en vermenigvuldiging van zijn volk. Daarom vergelijkt hij bij dauw de kindsheid, ol hel opkomend geslacht, omdat het op buitengewone w ijze zal wassen en toenemen. Want evenals ieder er verbaasd van slaat le zien, dal de aarde bevochtigd is, hoewel men den dauw niel ziel vallen, daar hij aan hel gezicht van hen, die er naar zien, ontsnapt, zoo zegt David, dat aan Christus een geslacht geboren zal worden, dal ongelooflijk talrijk zijn zal en de gansche aarde zal bedekken. De jeugd, die evenals de dauw droppelen, zoo talrijk zal wezen, dal men haar niet zal kunnen lellen, wordt daarom Dauw der jeugd yenoeind, want hel llebreeuvvsche woord Jaldoeth, dat hij hier gebruikt, is een verzamelwoord Wil iemand den zin dezer woorden nu nog duidelijker hebben , dan kan hij ze aldus verklaren: Een lalrijk kroost zal uil de baarmoeder voortkomen, evenals de dauwdroppelen nederkomen van den dageraad. Nu heeft de ondervinding geleerd, dal deze voorzegging niel le ver-geefs geschied is. Wanl, het was iels ongelooflijks, dat in zóó weinig lijds, eene zóó groote menigte vergaderd wei d onder de heerschappij van Christus, en dal wel door de bloole prediking des Evangelies, terwijl de gansche wereld haar mei alle kracht weerstond. Ei is niets wonderlijks in, dal volwassen personen en zells ouden van dagen, die zich lot Christus hadden bekeerd, kinderen worden genoemd, die zoo even uit de haarmoeder zijn voorlgekomen want de geeslelijke wedergeboorte veroorzaakt, dal alle godvruchligen aan kleine kinderen gelijk zijn, gelijk Petrus leert in 1 Petrus quot;2:2. In dien zin wordt in .lesaja 5:5: 10 gezegd, dal Christus zaad zal zien van zeer hoogen leeftijd, en wordl aan de Kerk onder zijne regeering eene ongemeene vruchtbaarheid beloofd. Dit voor zooveel de verklaring van hel woord betreft. Hel zou voorwaar een wonder geweest zijn, dat ook zelfs maar een klein getal personen van uil de helle des volks.
Psalm 110 : quot;{â4.
onder lielwelk zicli slechls kinderen des toorns bevinden, Ijijeen-yebrachl zou worden niiiar dan is hel wei een dubbel wonder, dal eene schier laliooze menigte van menschen wedergeboren en door liet Evangelie en den Heiligen Geest lot Christus gebrachl worden. Maar wij moeien ons herinneren, dal God zijnen uitverkorenen deze eer bewijst, dat zij vroolijk en welgemoed toesnellen om Gods geboden te volbrengen, en dal zij zich door zijn' wil alleen laten regeeren. Want Christus zal niemand anders als de zijnen erkennen, dan ben, die gewillig zijn juk op zich nemen, en die zich op zijn' wenk terstond voor zijn aangezicht stellen. Opdat niemand nu denke zich van zijn' plichl gekweten Ie bebben als hij eene gehoorzaamheid bewijst, die slechts met het oog waargenomen kan worden, moet ook dit punt hierbij gevoegd worden; dat Christus met geene uitwendige pracht ol praal gediend wil worden, maar met ware heiligheid, gelijk Hij zeil ons leert baar voor Gods aangezichl le brengen.
4. Jehovah heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizédek.
/lt;â Jehovah heeft gezworen. Uit dit vers blijkt len duidelijkste dat bier van niemand anders gesproken wordt dan van Christus. Want, dat de .loden, om deze Piol'elie te verduisteren, het woord Kol ten door vorst vertalen, is zwak en beuzelachtig. Wél erken ik, dat voorname lieden, of personen, die lot eene koninklijke lamilie behooren, in het Hebreeuwsch Kohanim genoemd worden; maar wal zou David gezegd hebben, dat waardig is aan Christus toegeschreven le worden, door Hem slechts den titel te geven van Prins, die minder is dan de koninklijke waardigheid? Rn behalve dal, wal zou het beleekenen, dal Hij Vorsi was tol in eeuwigheid, en dal nog wel naar de ordening van Melchizédek? Kr is dus niet aan te twijfelen, of de Heilige Geest wijst hier op iels zeer bijzonders, waardoor deze Koning van alle anderen wordt onderscheiden en afgescheiden. De titel, die door Mozes aan Melchizedek wordt toegekend, is genoegzaam bekend (Gen. 14: 18). Wél erken ik, dat oudtijds onder de Heidensche volken de koningen bel priesterambt hebben waargenomen ; dewijl echter Melchizedek een eenig God aanbad, naar het behoorde, wordt bij Priesler des Allerhoogslen Gods genoemd. Nu beeft
Psalm 110 ; 4.
God niel gewild, dal deze Iwee ambten in zijn'Tempel dooreen-gemennd werden. Daarom is hel geschied, dal U/.zia, die de wettige opvolger van David is geweest, mei melaatschheid geslagen werd! toen hij hel beproelde Gode reukwerk te offeren. Er was dus in het geslacht van David gansch wal anders dan in hel quot;eslachl van Melcliizedek. Dit verschil is gemakkelijk na te gaan, want in dezen nieuwen Koning zal het prieslerschap mei de kroon en de koninlijke waardigheid verbonden zijn. Want voorzeker was de koninklijke majesteit niet zoo grool en schitterend iâ een klein, onbeduidend Koning, als Melcliizedek geweest is, die om niets anders vermaardheid heelt verkregen dan om hel feil, dal hij als een type of voorbeeld gesteld was. Want Salem, de zetel zijner regeering, was een klein onaanzienlijk stadje,' waar hij slechts als bij toelating regeerde, zoodal er in hem niets merkwaardigs was dan alleen deze samenvoeging van de koninklijke met de priesterlijke waardigheid. \\ant de eerzucht heelt de Hcidensche Koningen er toe gedreven, len einde zich meer hulde en eerbied te doen beloonen, om zich ook van hel priesterschap meester te maken. Maar Melcliizedek heefl beide ambten bekleed op bevel van God. Voor ons is hel rrezaquot; van den Apostel gewis voldoende, om allen twijfel, ol dit de bedoeling van den Profeet wel is geweest, weg te nemen. Maar nu kunnen de .loden zich zoo hardnekkig als zij willen hiertegen verzeilen, hel blijft niettemin waar, en het wordt hier zoo duidelijk mogelijk aangetoond, dal dit heilig sieraad, waarvan boven gesproken is, hier nog duidelijker wordt omschreven, en dal hier een nieuw en onmiskenbaar kenleeken gegeven wordt waardoor Christus verheven wordt boven alle koningen, van w'e-e de eer van dit priesterschap, en waardoor levens het onderscheid wordt aangeduid lusschen zijn priesterschap en dal van Levi. Hierbij moei ook de eed gevoegd worden, dien bod ..'ezworen heelt, daar Hij voorzeker niet gewoon is voor zaken van nering aanbelang met zijn' Naam tusschenbeiden te treden Veeleer wil Hij ons door zijn voorbeeld lecren in alle soberheid en met eerbied te zweren, waarom Hij nooit anders dan voor zeer ern-tiquot;e en gewichtige dingen zweert. Indien God nu oezworen had, dat de Messias Yorsl en Regeerder zijns volks zou zijn, zooals Melcliizedek hel geweest is, dan zou dn eenc onberijmde ontheiliging zijn geweest van zijn' Naam. Daar het echter blijkt, dal hier van iels zeer buitengewoons sprake is, kan men hieruit afleiden van hoeveel gewicht Ghrislus' prieslerschap is, aangezien hel door een' eed Gods wordt bevestigd. En voorzeker is hierin al ons heil gelegen; want wij zouden
Psalm 110 : 4.
uilen vun uil Goils legenwooi'diglieid verdreven zijn , indien wij niel op Glirislus betrouwden :ds onzen Middelaar. En dewijl nu niets noodiger voor ons is, dan met volkomen vertrouwen le bidden noodigt God ons niet sleclits om lol zich le komen, maar dooi1 zijn' eed geelt Hij ons een' Voorspraak om gunst voor ons te verkrijgen. Daarom is liel, dat zij, die voor zich zeiven de deur toesiuilen, God van leugen beschuldigen, ja Hem zells mijneed ten laste leggen. En liet is niet zonder reden, dat de Apostel verklaart, dal hierdoor het Levitische priester schap opgeheven is, omdat, zoolang dit nog van kracht was. God niel gezworen zou hebben, dat ei een ander komen zou, tenzij eene verandering ophanden was. Ja meer; als Hij een nieuwe Priester belooft, zal deze ongetwijfeld boven al de andei'en de voorkeur hebben, en dan zal Hij ook de orde, die loen heerschende was, le niet doen. Sommigen vertalen het He-hreeuwsche woord Dibratlu door: O ⬠er eenhom st 'kj mijn woord, heigeen ik niet verwerp, wanl David zou dan zeggen, dut het priesterschap van Melcbizedek gegrond is op de roeping en het woord Gods. Omdat echter de letter Jod dikwijls overtollig is, heb ik het woord liever eenvoudig vertaald door: Naar de wijze, of ordening, gelijk ook de meeste uitleggers deze meening zijn loegedaan. Dewijl echter velen van de aloude schrijvers der Kerk zich vergist hebben omlrenl de vergelijking lusschen Christus en Melcbizedek, moeten wij van den Apostel leeren wat in hen gelijk is, waaruit dan duidelijk zal blijken hoe schromelijk zij gedwaald hebben uit gebrek aan nadenken over de zaak. Want niets is méér ongerijmd dan geene rekening le houden mei de verborgenheid, waarover de apostel handell, en alleen maar de aandacht le vestigen op die welke hij niet noemt. Immeis, zij redeneeren alleen over hel brood en den wijn, waarvan het offer, naar hunne meening, aan beiden gemeen is. En toch heeft .Melcbizedek aan Abraham slechts brood aangeboden om le elen, en niel om bet als een offer aim God le brengen. En in het Avondmaal is bel brood en de wijn geen offer, zooals zij len onrechte gedacht hebben, maar zij worden den geloovigen medegedeeld Wat nu deze Schrifluurplaats betreft: men moet voornamelijk in gedachten houden bet beeld, dal in bel eeuwigdurend offer is gelegen, gelijk ook bel Hebreeuwsche woord leolam, hetwelk âeeuwigquot; beleekent, reeds aanduidt. Evenals Melcbizedek ons dus door Mozes als een bemelsch persoon wordt voorgesteld, zoo bedoelt David, als bij hier eene vergelijking maakt lusschen hem en Christus, dal hel priesterschap van dezen (nl. van Christus) nooit zal eindigen. Hieruit volgt (gelijk
3T*
579
Psalm 110 : 5â7.
ile Apostel ook belooL-l) dal er geen opvolger zal zijn, omdat, de dood hein niet zal beletten zijn ambt waar Ie nemen. Kn daarmede is dan ook de verloeielijke beiligsebennis der Paapscbe Mis weerlegd. Want als de priesters van den Paus God met de menschen willen verzoenen, moeten zij Cbristus wel van de eer berooven, die Hem door zijn' Vader gegeven is
5. De Heere heeft Koningen aan uwe rechterhand verbroken ten dage zijns toorns. 6. Hij zal recht doen onder de Heidenen; Hij zal alles vullen met verwoestingen; Hij zal het hoofd van een groot land verslaan. 7. Hij zal op den weg uit de beek drinken; en daarom zal hij het hoofd opheffen.
5. De There heeft verbroken Hier bezingt David de geduchte macht van Christus, waarmede Hij zijne vijanden verdoet, en daarmede verklaart hij levens, dal, hoewel Hij van alle kanten door de troepen zijner vijanden omringd is, hunne boozeondei-nemingen toch niet zullen verhinderen, dal God den door Hem verordineerden Koning zal handhaven. Nu moet men wèl lellen op dit gezegde: ten dage zijns toorns, waarmede wij vei maand worden hel quot;kruis geduldig le verdragen, indien hel gebeurt, dal God zieh voor een' lijd inhoudt, als de wreedheid en woede der vijanden de overhand'hebben, want Hij kent den lijd en de gelegenheid om er wrake over le doen. Daarna kent Hij aan Christus macht loe ovei de Heidenen, alsof hij zeide, dal Hij niet lol Koning is verkoren om slechts over hel Joodsche volk le heerschen, maar dal Hij ook de verafgelegene volken onder zijne heerschappij zal hebben, zooals gezegd is in Psalm : 8. Dewijl er nu aan alle plaatsen der aarde vele rebellen en onge-hoorzamen moeten zijn, evengoed als onder de Joden, spreekt hij ook van dezer verwoesting en ondergang, also! hij zetde, dat, alien, die Christus weerstaan met hunne hardheid, verbroken zullen worden.
7. Hij zal op den veg uit de leek drinken. Mijns inziens hebben vele uilleggers eene le harde verklaring van deze plaats gegeven, le welen, dat de menigte der verslagenen zóó groot zal wezen, dal hun bloed zal vloeien als een hergslroom. waarvan Christus dan, als overwinnaar, lol verzadigens loe zal
Psalm 110 ; 7.
581
drinken. Zij, die hel zinnebeeldig nemen voor ellende en smarl, ali-ol liij gezegd liiid, dal Cliristus in dit vergankelijk leven aan vele en velerlei beproevingen onderhevig zal zijn, hebben ook al geen beter inzieht in de beteekenis. Want, het is veeleer een beeld, ontleend aan dappere en geharde krijgsoversten, die als zij zich haasten om hunne vijanden te vervolgen, bij geen vermaak ol' genot blijven verwijlen, maar zich voor hun' diank vergenoegen met de stroomen en rivieren, die zij op hun' weg ontmoeten, en dat wel, als in het voorbijgaan, zoodat zij staande, en zonder zich te bukken, hun' dorst lesschen. Want op die wijze heeft ook Gidéon zijn krijgsvolk op de proel gesteld om te welen wie onder hen dapper en kloekmoedig was; want, oordeelende, dat het aan hen, die zich bukten om te drinken, aan moed ontbrak, heek hij hen naai' huis gezonden, (Richt. 7 : 5). Daarom twijfel ik niet, of David heelt in overdrachtelijken zin hier aan Christus eene krijgsmansdeugd toegekend, door te ontkennen, dal Hij, zelfs om te drinken, rust genomen heeft, daar Hij in allerijl en al voortgaande uil de beek drinken zal. Hiermede heeft hij aan zijne vijanden schrik willen inboezemen, opdat zij zouden weten, dat hun zóó haast hel verderf overkomen zal. Als iemand nu vraagt: waar is dan die geest van zachtmoedigheid en goedertierenheid, waarmede Hij volgens den Proleet Jesaja begiltigd zal zijn (Jes. 61 : I)? Zoo antwoord ik: gelijk een herder zacht en vriendelijk is voor zijne schapen, maar schrikkelijk is voor de wolven, zoo handelt Christus zachtkens en vriendelijk met hen die zich onder zijne hoede stellen, terwijl zij, die met hardnekkige kwaadwilligheid zijn juk van zich werpen, zullen gevoelen, niet hoe schrikkelijke macht Hij is bekleed. Gelijk wij dus in Psalm 2 ; 9 gezien hebben, dat Hij een' ijzeren schepter in zijne hand heeft, waarmede Hij allen opstand der wereld zal verbreken, zoo wordt ook gezegd, dat Hij onbarmhartig is, wanneer hel geldt wrake te doen over zijne vijanden. Daarom moeten wij er ons te zorgvuldiger voor wachten om door een' geest van hardnekkigheid en onvolgzaamheid zijn' toorn op te wekken, als Hij ons met zachtmoedigheid en liefde uilnoodigt om tol Hem te komen.
Psalm 111 : 1.
psAXJvr ui.
INHOUD; Het opschrift moet ons den inhoud aangeven. Doch om elkeen des te meer aan te moedigen God te loven, toont hij hun den weg daartoe door zijn voorbeeld. Daarna verhaalt hij in korte bewoordingen, de gunsten, die God voormaals aan de geloovigen heeft betoond, en hun ook nog dagelijks bewijst. De Psalm is alphabetisch, en wel zoo, dat in ieder vers twee letters zijn. Het begin van het eerste vers is Aleph, de tweede helft van het vers begint met Beth. Alleen de laatste twee verzen zijn niet in halve verzen onderscheiden, maar hebben beiden drie letters; doch wie het verband nauwkeurig nagaat, zal bevinden, dat dit eene vergissing is, want als men van deze drie verzen twee wil maken, zullen de zinnen toch volkomen goed vloeien. Daarom is de onderscheiding van den Profeet door hen, die de boeken overgeschreven hebben, niet genoegzaam in het oog gehouden.
1 Hallelujah! Aleph. Ik zal Jehovah loven van ganscher harte, Beth, in den raad en in de vergadering der rechtvaardigen. 2. Giniel. De werken van Jehovah zijn groot, Daleth, en wël bekend aan hen, die er lust in hebben. 3. Hé. Zijn werk is schoonheid en heerlijkheid, Faw, en zijne gerechtigheid bestaat in dei-eeuwigheid. 4. Zain. Hij beeft eene gedachtenis gemaakt door zijne wonderen, Chetk. Jehovah is genadig.
1. Ik sal Jehovah loven. De Profeet biedt zich aan om anderen voor le ^aun in liet loven van God, want deze wijze van vermaning en opwekking is de besle en die de meeste krachl van uilwerking heeft. Nu zijn er in dezen volzin twee deelen, nl. dal de Profeel van ganscher liarle den lof Gods wil vermelden, en daarna, dal hij dil in hel openbaar wil doen in de vergadering der godvruchligen. En hel is niet zonder reden, dal hij hegint, mei het hart, want hel is beier God le loven inwendig en
582
Psalm 111 ; 1â
zonder tiul iernand er iels v:in merkt, iliin met een geveinsd harl overluid le roepen, en zijn' lol luidkeels te doen weergalmen. Al wie nu in zijn liarl niet ondankbaar is jegens God, zal dil ook Iegelijk in woorden uilen, want anderszins zou God berooid worden van de helft van de eer, die Hem toekomt. I»e Profeet stelt zich dus voor God te loven, ten eerste, met geheel zijn harl; dat is: met een onverdeeld en ongeveinsd harl Want hij belooft niet, dat hij in alles, te allen tijde en volkomen zijne plichten zal vervullen; hij zegt lt;lechis, dal hij niet wil gelijken op de geveinsden, die hunne tong gebruiken om God te loven, terwijl hun harl daarbij koud is. En hierop moet wel worden acht gegeven, opdat niemand lol wanhoop vervalle, als hij niet zulk eene volkomenheid van hart bezit als hij wel zou wenschen; want al is onze lof ook gebrekkig, zal hij Godc toch toch niet onbehaaglijk zijn, zoo wij er slechts naar streven Hem met ongeveinsde godsvrucht le dienen. Nu volgt hel tweede deel, waar hij zegt, dat hij den lof Gods zal verkondigen onder de menschen. En hoewel nu het Hebreeuvvsche woord Sód eene geheime bijeenkomst beleekent, acht ik evenwei, dat hij hier twee synoniemen gebruikt. Nu zegt hij In de ver-nadering der rechtvaardigen, omdat dit het voornaamste doel is, waartoe de heilige vergaderingen plaats hebben, nl. dal de dienstknechten Gods Hem lol olferen, gelijk aan eene andere plaats gezegd is: O God! de lof wacht u in Zion (Psalm 65 : I).
2. De werken van Jehovah zijn groot. Thans geeft hij le kennen, dat er stof is om God le loven in zijne werken, die, hoewel hij cr nu van spreekt in het algemeen, terstond daarna dooi' Hem toch meer bepaald worden aangewezen in hel bestuur der Kerk. Dewijl er nu slechts weinigen zijn, die de grootheid van Gods werken kennen, daar de menschen er gewoonlijk volslagen blind voor zijn, schrijft de Profeet deze onwetendheid toe aan de slompzinnigheid en ondankbaarheid der menschen, omdat er zeer weinigen zijn, die zich verwaardigen te zien hoeveel wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid en kracht er in uitblinken. Evenwel, de uitleggers zijn omtrent het tweede gedeelte van hel vers hel onderling niet eens, want sommigen vertalen het: Keurig (of uitgezocht) in al hunne begeerten; en inderdaad beleekent ook het Hebreeuvvsche woord chéphets zooveel als welbehagen. Dewijl die zin dan echter wel wal stroef is, doet men beter met er eene actieve beteekenis aan te geven, nl. voor hen, die zoeken, of begeer en. Wal betreft hel deelwoord welbekend', het llebreeuwsche werkwoord dar ash, waarvan hel
583
Psalm 111 : 2-8.
afgeleid is, beleekenl eigenlijk wel naarsliglijk zoeken, docli aan deze plaats worden de werken des Ileeren deroesJiim, d. i. wél bekend en vvèl begrepen, genoemd, zooals in Jesaja 65 : 1 : Ik ben gevonden van hen, die Mij niet zochten. Doch laat ons nu terugkeeren tot heigeen de Proleet zeggen wil: Dewijl er zeer weinigen zijn, die er zich op toeleggen de werken Gods na te gaan, toont de Profeet aan, dat dit de oorzaak is, dat verre weg de meesten zelfs op klaarlichten dag hoegenaamd niet zien. Want, als hij zegt, dat de voortreffelijkheid van de werken Gods bekend is aan allen, die haar begeeren, bedoelt hij hiermede, dal er niemand is, aan wie zij onbekend kan wezen, behalve aan hen, die moedwillig de oogen er voor sluiten, ol veeleer die door hun' boozen blik het licht uitdooven, dal hun, wordt aangeboden. Hierbij moet echter de mate van ons begrip in achl genomen worden; want wij welen, dal de geloovigen, zoo lang zij nog als vreemdelingen op de aarde verkeeren, te zwak en te stompzinnig zijn om lot de hoogte van Gods werken te kunnen reiken. Maar al is hel ook, dal uil de werken Gods de volle uitnemendheid zijner wijsheid, billijkheid, rechtvaardigheid, kracht en barmhartigheid niet begrepen kan worden, zoo hebben de geloovigen er toch genoeg kennis van om God te kunnen verheerlijken. Laat ons slechts beginnen er eerbied voor le hebben, opdat wij een welgevallen hebben aan Gods werken, waarvoor de verw orpenen eene verfoeielijke minachting koesteren. Omdat de Grieksche vertaler de uitdrukking gebruikt heelt: Uitgezocht in al zijn willen, leidt Auguslinus hier met spitsvondige schranderheid uil af, dal er vele willen van God zijn, of dal dit ons ten minste aldus toeschijnt En het is voorzeker wel eene zeer nuttige leering, dat, hoewel God zijn' wil bekend heeft gemaakt in zijne Wet, er toch ook nog een verborgen raad is, waardoor Hij het menschelijk geslacht op wondere wijze regeert en bestuurt; maar dil staat met de verklaring van dezen tekst in geen verband.
3. Zijn werk is schoonheid. Anderen vertalen: zijn werk is voortreffelijkheid Wat hij zeggen wil is, dal al wat God dool vol is van majesteit en heerlijkheid. In hel tweede lid duidt hij meer in bijzonderheden aan, waarin die schoonheid en heerlijkheid bestaal, nl. dat in alles Gods gerechtigheid uitblinkt. Want God heeft niet gewild, dat in zijne werken slechts eene tentoon spreiding zou zijn van macht en heerschappij, welke ons zou doen sidderen van angst, maar wij moeten ook zijne gerechtigheid opmerken, die ons door hare zachtheid tol Hem lokt. Nu
5.Vt
Psalm 111: 4â5.
worcll duzc lof geslclti tegenover den luidrucliligen laslei' der goddeloozen, door weiken zij, voor zooveel in hen is, de heerlijkheid van Gods werken uilwissehen. In hel volgende vers verheerlijkt hij inzonderheid de wonderen, door welke God voornamelijk zijne kracht heelt geopenbaard. Nu is een gedachtenis maken door zijne wonderen zoo veel als gedenkwaardige dingen doen, waarvan de herinnering nooit verloren gaal. En gelijk hij ons even te voren vermaand heeft zijne gerechtigheid te beschouwen, zoo looft hij thans de genade en barmhartigheid Gods in zijne wonderen, en dat wel in schier denzelfden zin, omdat de gerechtigheid, die Hij openbaart in de bewaring der zijnen, voortkomt uit de bron der genadige liefde.
5. Tdh. Hij heeft een deel gegeven aan hen, die Hom vreezen; Jod. Hij zal eenwiglijk gedenken aan zijn verbond. (5. Caph. Hij heelt aan zijn volk de kracht bekend gemaakt van zijne werken; TAimed, om hun de erve der Heidenen te geven. 7, Mem. De werken zijner handen zijn waarheid en oordeel; iNvm. al zijne inzettingen zijn waarachtig. 8. Samech. Zij zijn voor eeuwig gevestigd; Aïn. gedaan in waarheid en oprech-tigheid.
5. Hij heeft een deel gegeven. Omdat de Kerk een spiegel is van de genade en de gerechtigheid Gods, past de Profeet op haar bij name toe, wat hij van beiden gezegd heeft. Nu was het zijne bedoeling niel over alle de openbaringen van Gods gerechtigheid te handelen, maar wél in het hijzonder over die, welke Hij tentoonspreidt jegens de geloovigen. liij voegt er nu dus hij, dal God zorg draagt voor zijn volk en in hunne betioelten voorziet, liet woord Teref, dal wij vertaald hebben dooi Deel, heeft soms de heleekenis van Prooi. Anderen zetten hel over door Spijs. Het woord Deel behaagt mij meer dan de anderen, en in dien zin is hel genomen in Spreuken .'JO : 8, en 31 : 15, alsof hij zeide, dal God aan zijn volk gegeven heeft al wat zij behoeven, en dat dit als een niiiu en mild deel is geweest. Want wij welen, dal hel volk van Israël niel verrijkt is dooi' zijne eigene inspanning ot' vlijt, maar door den zegen Gods, evenals een huisvader aan zijn gezin geelt alles wat tot hel leven noodzakelijk
585
Psalm 111: 5â7.
is. In hel Iweedc lid duidt hij de oorzaak aan van deze milddadigheid, nl. omdat Hij door de daad heell willen Iconen, dal zijn verbond niel ijdel was of zonder gevolg, i-n hierop hebben wij vvèl le lellen: daar hij zich le voren zóó goederlieren beloond heefl jegens hel volk van Israël van wege zijn verbond, zoo komen ook de goedertierenheden, die wij van Hem ontvangen, uit niets anders voort dan uit het feit, dat Hij ons als zijn volk heeft aangenomen. Nu zegt hij, dat de gedachtenis zijns verbonds eeuwig zal wezen, omdat God nooit moede wordt de zijnen met goedheid le behandelen. Kn gelijk Hij nu van dag tol dag de getuigenissen zijner genade doet voortduren, zoo moet ook ons geloof, opdal hel even standvastig zij ais zijne genade, niet verflauwen of afnemen maar hel leven en den dood overleven. Hel volgende vers is er bijgevoegd hij wijze van verklaring, te welen, dal God dooi' aan zijn volk de erve der Heidenen le geven tie kracht zijner werken heell geopenbaard. Hij gebruikt wel hel werkwoord hekendmaken, maar hij bedoelt eene wezenlijke afkondiging; want het bezit van hel Heilige Land werd door geene menschelijke middelen verkregen, hel werd hun gegeven door eene hemelsche kracht en door vele wonderen, alsof God openlijk aan de kinderen van Abraham betuigd had, met hoe groote, onmetelijke kracht Hij is toegerust Dit heefl ook dezelfde strekking dal Hij het volk van Israël stelt tegenover vele andere natiën, want voorzeker zou dit volk nooil aan zoovele vijanden het hoofd hebben kunnen bieden, als hel geene hulpe van den hemel had verkregen.
7. De werken zijner handen. In het eerste gedeelte van dit vers roept hij, dat God in zijne werken gekend wordt als v\aai en recht; daarna looft hij diezelfde waarheid en rechtheid in de leer der Wet; alsof hij zeide, dal er eene volmaakte oveieen-slemming heerscht lusschen de woorden en de werken Gods, daai Hij zich overal waar betoont en recht. Hoewel nu de verlossing-van hel oude volk eene treffende aanduiding hiervan geweest i.s, twijfel ik toch niel, of de Profeet heefl onder den naam werken ook hel tegenwoordig bestuur der Kerk begrepen, omdat God niet ophoudt van zich dagelijks rechtvaardig en waar le betoenen, en deze wijze van werken immer volgt zonder haar ooit moede te worden. Hoewel hel nu onder de menschen beter is rechtvaardig te worden bevonden met de hand dan mei de tong, zoo isquot; liet toch, wijl de leer der Wet het leven en het heil des volks is geweest, niet zonder oorzaak, dal de Profeet mei vele woorden aandringt en den nadruk legt op dit tweede deel dooi'
5igt;G
Psalm III : 7â9.
le zeggen dal zijne inzettingen waarachtig zijn , dat zij lot in eeuwigheid gevestigd zullen blijven, en dat zij overal en in alles gevormd zijn naar den regel des geloofs en naar het striktste recht. En gewis! indien God het volk niet door den heiligen band der Wet aan zich had verbonden, dan zou de vrucht der verlossing zeer gering zijn geweest, en zelfs zou dit voorrecht terstond verdord zijn. Laat ons dan opmerken, dat de voornaamste plaats hier gegeven wordt aan de leer der Wet, omdat zij levendmakend is en ons het getuigenis geeft van Gods eeuwige liefde.
9. Pc. Hij heeft zijnen volke verlossing gezonden; Tsadé. Hij heeft zijn verbond in eeuwigheid geboden; Koph, zijn naam is heilig en vreeselrjk. 10. Eesch. De vreeze van Jehovah is het beginsel der wijsheid, Schin, allen die ze doen, hebben goed verstand; Thau, zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
9. IJ ij heeft zijri volke verlossing gezonden. Hij herhaalt in andere woorden hetgeen hij reeds gezegd heelt, en omdat de verlossing het begin is geweest van hun heil, noemt hij hel in de eerste plaats; daarna voegt hij er de bevestiging van bij in de Wet, waardoor de aanneming nooit kan falen. Want, hoewel God voormaals een verbond heeft gemaakt met Abraham, hetwelk ook de oorzaak is geweest van de verlossing des volks, zoo is toch hetgeen hier gezegd wordt, alleen van toepassing op de Wel, door welke hel verbond bevestigd is geworden, opdat hel immer van kracht zou blijven. Waar hel op neerkomt is, dal God, door zijn volk le verlossen, niet maar voor een' dug zich een liefderijk Vader voor ben betoond beeft, maar dat Hij zijne genade nog bevestigd heefl door de Wet af le kondigen, opdat de hope des eeuwigen levens voortdurend in de Kerk zou blijven verwijlen. Nu moeten wij in gedachten houden hetgeen ik aan eene andere plaats reeds met een enkel woord heb aangeduid, en waarbij uitvoeriger verwijld zal worden in Psalm 119, nl. dat men waar van de Wet gesproken wordt, niet altijd aan de hloole voorschriften of geboden moei denken, want de Heilige Geest beeft voornamelijk do beloften op hel oog, die gefondeerd zijn in Christus, door welke God zich een uilverkoren volk
587
Psalm 111 : 5â7.
is. In liet tweede lid duidt hij de oorzaak aan van deze mild-dadigheid, nl. omdat Hij door de daad heeft willen toonen, dat zijn verbond niet ijdel was ol' zonder gevolg. En hierop hebben wij wèl te letten : daar hij zich te voren zóó goedertieren betoond heeft jegens het volk van Israël van wege zijn verbond, zoo komen ook de goedertierenheden, die wij van Hem ontvangen, uit niets anders voort dan uit het feit, dat Hij ons als zijn volk heeft aangenomen. Nu zegt hij, dal de gedachtenis zijns verbonds eeuwig zal wezen, omdat God nooit moede wordt de zijnen met goedheid te behandelen En gelijk Hij nu van dag lol dag de getuigenissen zijner genade doet voortduren, zoo moet ook ons geloofquot;, opdat het even standvastig zij ais zijne genade, niet verflauwen of afnemen maar het leven en den dood overleven, liet volgende vers is er bijgevoegd bij wijze van verklaring, te weten, dat God door aan zijn volk de erve der Heidenen te geven de kracht zijner werken heell geopenbaard. Hij gebruikt wel het werkwoord bekendmaken, maar hij bedoelt eene wezenlijke afkondiging; want hel bezit van het Heilige Land werd door geene menschelijke middelen verkregen, bet werd hun gegeven door eene hemelsche kracht en door vele wonderen, alsof God openlijk aan de kinderen van Abraham betuigd had, mei hoe groote, onmetelijke kracht Hij is loegerusl Dit heeft ook dezelfde strekking dat Hij hel volk van Israël stelt tegenover vele andere natiën, want voorzeker zou dit volk nooit aan zoovele vijanden het hoofd hebben kunnen bieden, als bet geene hulpe van den hemel had verkregen.
7. De werken zijner handen. In het eerste gedeelte van dit vers roept hij, dat God in zijne werken gekend wordt als waar en recht; daarna looit hij diezelfde waarheid en rechtheid in de leer der Wet; alsof hij zeide, dat er eene volmaakte overeen-stemming heerscht tusschen de woorden en de werken Gods, daar Hij zich overal waar betoont en recht. Hoewel nu de verlossing-van het oude volk eene treffende aanduiding hiervan geweest is, twijfel ik toch niet, of de Proleet heelt onder den naam werken ook het tegenwoordig bestuur der Kerk begrepen, omdat God niet ophoudt van zich dagelijks rechtvaardig en waar te beloonen, en deze wijze van werken immer volgt zonder haar ooit moede te worden. Hoewel het nu onder de menschen beter is rechtvaardig te worden bevonden met de hand dan met de tong, zoo is het toch, wijl de leer dei' Wet hel leven en het heil des volks is geweest, niet zonder oorzaak, dat de Profeet met vele woorden aandringt en den nadruk legt op dit tweede deel door
Psalm 111:7 â9.
le zeggen dal zijne inzeUingen waarachtig zijn, dat zij lot in eeuwigheid gevestigd zullen blijven, en dat zij overal en in alles gevormd zijn naar den regel des geloofs en naar het striktste recht. En gewis! indien God het volk niet door den heiligen band der Wet aan zich had verbonden, dan zou de vrucht der verlossing zeer gering zijn geweest, en zelfs zou dit voorrecht terstond verdord zijn. Laat ons dan opmerken, dat de voornaamste plaats hier gegeven wordt aan de leer der Wet, omdat zij levendmakend is en ons het getuigenis geeft van Gods eeuwige liefde.
9. IV. Hij heeft zyueu volke verlossing gezonden; Tsadc. Hij heeft zijn verbond in eeuwigheid geboden; Koph, zijn naam is heilig en vreeselijk. 10. Rcsch. De vreeze van Jehovah is het beginsel der wijsheid, Schin, allen die ze doen, hebben goed verstand; Thau, zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
9. TIjj heeft zijn'' volke verlossing gezonden. Hij herhaalt in andere woorden hetgeen hij reeds gezegd heelt, en omdat de verlossing hel begin is geweest van hun heil, noemt hij het in de eerste plaats; daarna voegt hij er de bevestiging van hij in de Wel, waardoor de aanneming nooit kan falen. Want, hoewel God voormaals een verbond heeft gemaakt mei Abraham, hetwelk ook de oorzaak is geweest van de verlossing des volks, zoo is toch hetgeen hier gezegd wordt, alleen van toepassing op de Wel, door welke het verbond bevestigd is geworden, opdat hel immer van kracht zou blijven. Waar het op neerkomt is, dal God, door zijn volk te verlossen, niet maar voor een' dug zich een liefderijk Vader voor hen betoond heeft, maar dat Hij zijne genade nog bevestigd heeft door de Wet af te kondigen, opdal de hope des eeuwigen levens voortdurend in de Kerk zou blijven verwijlen. Nu moeten wij in gedachten houden hetgeen ik aan eene andere plaats reeds met een enkel woord heb aangeduid, en waarbij uitvoeriger verwijld zal worden in Psalm 119, nl. dal men waar van de Wel gesproken wordt, nicl altijd aan de bloote voorschriften of geboden moet denken, want de lleilige Geest heeft voornamelijk de beloften op hul oog, die gefondeerd zijn in Christus, dooi' welke God zich een uilverkoren volk
587
Psalm 111 ; 'J â10.
bijeenverzameld liebbemlc hel heelt wedergeboren len eeuwigen leven.
10. De vreeze van Jehovah is het begin der wijsheid. Na gehandeld Ie hebben over Gods weldaden en aan de Wel de eervolle lilels en benamingen Ie hebben gegeven, die er aan toekomen, vermaant de Proleet nu de geloovigen om Gode eerbied Ie beloonen, en er zich op toe te leggen zijne Wet te houden. Als hij de vreeze Gods het begin noemt der wijsheid, veroordeelt hij als dwazen al diegenen, die zich niet onder Gods gehoorzaamheid stellen, alsof hij zeide, dat allen, die geenerlei vreeze Gods hebben, en hun leven niet regelen naar zijne wet, volstrekt stompzinnig en als verdierlijkt zijn, en dal zij ook maar de allereerste beginselen der wijsheid niet kennen. Dit is zeer opmerkenswaardig. Want, terwijl ieder wel begeert wijs te zijn, hebben toch schier alle menschen God verlaten en behagen zich aldus in hun eigen ongeheiligd versland. Dewijl dus ook de meest goddeloozen wijzer geacht worden dan de anderen, en zij, opgeblazen zijnde door dit dwaas betrouwen, zich legen God verharden, verklaart de Proleet, dal al de wijsheid der wereld zonder de vreeze Gods niets dan damp en schijn is. En het is voorzeker volkomen waar, dal allen, die niel welen lol welk doel zij leven, dwaas en van hun versland beroofd zijn. Nu zijn wij geboren en leven wij ook lol dit einde, dal wij ons oefenen in den dienst van God, en zoo is er dan geen erger verblinding en geene grooter stompzinnigheid, dan God le verlaten en onze gedachten aan andere dingen te wijden. Want, welke scherpzinnigheid en list er ook in wereldsche menschen gevonden wordt, het voornaamste ontbreekt hun, nl. ware, oprechte godsvrucht. Hetgeen er onmiddelijk bijgevoegd wordt, dal Allen, die de (jehoden houden, goed verstand hebben, heelt ook dezelfde strekking. En er is in dit woord tob (goed) eene zeer groote kracht. Want als de Profcel de dwaze inbeelding beslrijdl, waarvan wij gesproken hebben, is dit tegelijk eene stilzwijgende bestralfmg van hen, die eene verdorvene scherpzinnigheid en schranderheid hebben, alsof hij zeide: Ik erken, dat diegenen gemeenlijk voor wijs en verstandig worden gehouden, die goed hunne zaken weten te behartigen, die welen meê le gaan met htm' tijd, hunne schranderheid aanwenden om de gunst der wereld te behouden, ja zelfs om anderen te bedriegen: maar, al stem ik nu ook toe, dat zij die benamingen verdienen, zoo is hunne wijsheid toch onnut en verkeerd, omdat de ware wijsheid zich openbaart in hel houden der Wet. En nu is in
588
Psalm 111 : 10.
plaats van de vrecze Gods het houden der yehuden dooi' hem gesteld, omdat schier allen zondei onderscheid zich wèl beroemen God te vree/en, terwijl er (och niets meer algemeen en gewoon is, dan de Wel géring te achten. Het is dus wel lerecht, dal de Profeet leert dat de vreeze Gods hieraan getoetst wordt , of wij zijn juk gewillig op ons nemen en ons laten regeeren door zijn Woord. Ten opzichte van liet Begin hebben sommigen zich vergist, daar zij gedacht hebben, dat de vreeze Gods het begin der wijsheid wordt genoemd, het a. b. c. als hel ware, omdat zij de menschen tot ware godsvrucht toebereidt. Maar dit is beuzelachtig, aangezien zij aan eene plaats (Job, 28 : 28) de wijsheid wordt genoemd. Want daar wordt de vreeze niet als leerschool of eerste begin van godsvrucht genomen, zooals in Johannes (1 Joh. 4 : 18,) maar zij omvat alle godsvrucht enden geheelen dienst van God. Het einde van dezen Psalm behoeft geene verklaring. De Profeet wil niets anders zeggen, dan dat de geloovigen er van overtuigd zijn, dat er in hel geheele leven niets koslelijkers is dan God Ie loven.
VBAl.M 11^.
INHOUD: Dewijl het grootste deel der wereld hoopt wel te varen door kwaad te doen, en men gemeenlijk zich tracht te verrijken door roof, bedrog en allerlei onrecht te plegen, somt de Profeet de zegeningen Gods op, die het deel zijn van hen, die Gode eene zuivere aanbidding toebrengen, opdat wij zouden weten, dat, zoo wij er naar streven om eerlijk en oprecht te zijn in handel en wandel, wij daar oen kostelijk loon voor zullen ontvangen.
Halelujah! 1. Welgelukzalig is de mensch, die Jehovah vreest; hij zal zich grootelijks verlustigen iu zijne geboden. 2. Zijn zaad zal machtig zijn op de aarde; het geslacht der oprechten zal gezegend worden. 3. Have en rijkdom zullen in zijn huis wezen, en zijne gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.
589
Psalm llüi ; 1.
590
1. Welgelukzalig is de mensch. Mij begint met eene vermaning, maar ik heb er reeds op gewezen, dal de Profeet nog een verder doel heelt dan de geloovigen tot hel zingen van Gods lof op te wekken. Want men houdt het voor een groot geluk om door allerlei bedrog en booze praktijken kwaad te stichten, en, hoewel oprechtlieid in handel un wandel soms wel wordt geprezen, zoo is er locii nauwelijks een op de honderd, die er zijn leven naar inricht; omdat allen zich ongelukkig achten, als zij niet rechts en links alles wat hun voor de hand komt kunnen rooven. De Profeet daarentegen leert, dat v\ii meer moeten verwachten van de vaderlijke goedheid Gods, dan van alle onrecht en geweld, dat wij zouden kunnen plegen, en door ons de hoop voor te houden op hel gewisse loon, brengt hij er ons loe om oprechtheid aan te kweeken en weldadigheid te beoefenen. Nu verklaar ik den zin op deze wijze: Welgelukzalig is de mensch, die den lleere vreest, en zich verlustigt in zijne geboden; zoodat de Profeet in het tweede lid aanduidt, waarin de vreeze Gods bestaat. En deze bijvoeging was zeer noodig (gelijk wij reeds met een enkel woord aan het einde van den vorigen Psalm te kennen hebben gegeven) want, daar allen roekeloos de \Aet minachten, zoo is er toch niets dat veelvuldige!'van hen gehoord wordt dan het voorgeven dat zij God vreezen. Deze boosheid wordt zeer terecht door den Profeet bestraft, want hij erkent niemand als dienstknecht Gods, dan diegenen, welke zich mei hun hart er op toeleggen om de Wet te onderhouden. Ook is het Ilebreeuwsche woord chofets zeer krachtig, want hel beteekent zooveel als behagen scheppen. W ij hebben hel vertaald door zich verlustigen, ^anl de Profeet onderscheidt de viijwillige en blijmoedige begeerte om de Wet te onderhouden, van eene slaafsche en afgedwongene gehoorzaamheid, omdat hel niet genoeg is acht te geven op Gods wet, indien wij haar ook niet gewillig ontvangen, zoodat de liefde voor haar met hel liefelijke dat zij in zich zelve heeft alle verlokselen van hel vleescb te boven komt. Zoolang wij er dus niet toe gekomen zijn, dal het genol, dal wij vinden in de Wel, ons blijmoedig onzen plicht doel betrachten, zullen wij niet mei waarheid gezegd kunnen worden de Wet te onderhouden. Thans keer ik terug lot den volzin in zijn geheel. Als de Proleet verklaart, dal de dienstknechten Gods welgelukzalig zijn, geeft hij van den anderen kant hiermede levens te kennen, dal hel eene zeer gevaarlijke illusie is, waai mede de goddeloozen zich zeiven misleiden, als zij zich geluk beloven uit booze handelingen.
Psalm 112 : -2â3.
5131
2. Zi/n zaad. Ten eind(3 de meeniny, die liij heell uilgesproken, le bewijzen, noeml hij de getuigenissen op van Gods genade, waarmede Hij gewoon is zijne dienslkneclilen te beioonen. I'.n in de eerste piaals zegt bij dat de vaderlijke gunst van God niet sleclits verblijft in bun persoon, maar dat zij zicb uitstrekt tot aan bun nageslacht, gelijk ook iu de Wet gezegd is: Ik doe barrabarligheid aan duizenden dergenen, die Mij lielbebben, en mijne geboden onderhouden. (Ex. 20 : 0.) In Psalm lüo : 8, 'J. en aan verscheidene andere plaatsen hebben wij bet voornaamste punt dezer leer reeds aangeduid. Dewijl echter velen de lijdelijke zegeningen Gods dwaselijk allen naar een: zeilden maatstaf willen afmeten, moet men zicb herinneren hetgeen ik gezegd heb bij de verklaring van Psalm 37 : '25, nl. dat zij ongelijk verdeeld zijn, al naar het Gode heeft behaagd. Soms gebeurt het, dat een godvruchtig man geene kinderen heelt, en toch wordt onvruchtbaarheid op zich zelve als een vloek Gods beschouwd. Evenzoo zijn vele dienstknechten Gods in grooten nood dooi' armoede en ellende, zij zijn krank en worden door allerlei rampen getroffen. Wij moeten dezen algemeenen regel wèl in gedachten houden, dal God, al naar Hij oordeelt dat het voor een iegelijk goed en nuttig is, zijne zegeningen ruim of minder ruim aan de zijnen toebedeelt; en wat meer is, dat Hij soms de teekenen zijner gunst verbergt, zoodat bet zou kunnen schijnen, dat Hij op zijne dienstknechten gansch geen acht slaat. Maar in deze (schijnbare) verwarring, zal men altijd zien, dat er niet zonder reden gezegd is, dat de godvrucbligen en ook bun kroost gezegend zijn. Want, daar de boozen geene andere begeerten hebben dan te heerschen in deze wereld, en hunne kinderen boven de wolken te verhellen, worden zij meestal door God in hunne ijdele hoop teleurgesteld. Van den anderen kant; omdat de geloovigen zich tevreden stellen met hunne kinderen op te voeden in de vreeze Gods, al moeten zij zich dan ook zeer bekrimpen en behelpen, zoo reikt God bun als het ware de band ten einde hen op te heffen. En dit kwam nog veel sterker uit onder de Wet, omdat dit zwak en onwetend volk het noodig had om door deze aardscbe zegeningen langzamerhand en trapsgewijze tot eene betere hope le worden opgeleid. Evenwel, indien onze zonden hei niet verhinderden, zouden wij ons ook veel meer in het zonlicht der aardscbe zegeningen kunnen verblijden. Wal betreft hetgeen er onmiddelijk bijgevoegd wordt: Have en rijkdom zullen in het huis wezen des rechtvaardigen, de ervaring leert, dal dit niet altijd gelijkelijk waar is, omdat het dikwijls gebeurt, dal godvruchtige en heilige menschen honger lijden, en
Psalm 112 : SâA.
zelfs van de noodzakelijkste levcnsbehoeflon onlblool zijn, en dal wel, omdal' hel hun niel nullig zou wezen, zoo God zich meer mild jegens hen beloonde, dewijl er velen zijn, die hel niet zouden kunnen dragen rijk te wezen. Laat ons intusschen opmerken, dat de genade, die door den Profeet verheerlijkt wordt, voornamelijk hierin wordt gezien, dal de godvruchtigen en eenvoudigen tevreden zijn met hun' nederigen slaat, terwijl wereldsche menschen nooit genoeg hebben, hoe groolen overvloed zij overigens ook bezitten, en wel de gansche wereld zouden willen inzwelgen. Want hel oude spreekwoord is waar, dal den gierigaard ontbreekt zoo wel hetgeen hij heeft als hetgeen bij niel heeft; want hij bezit niets, maar zijne schatten bezitten hem. Hier moet ook bijgevoegd worden hetgeen volgt, dat zijne gerechtigheid hestuat in eeuwigheid. En dit is inderdaad het eigenlijke en zeer stellige onderscheid tusschen deze beiden; want hoewel de boozen voor een' tijd hun huis vol sloppen met allerlei schallen; zal die gansche hoop van rijkdommen door den adem Gods worden weggevaagd, gelijk de Profeet llaggaïgezegd heeft in lloofdsl. 1 : 'J. En wij zien dagelijks dal de dingen, die dooi' rooi of bedrog verkregen zijn, ten buit overgeleverd worden, terwijl tie rechtschapenheid der geloovigen bun lol eene zeer goede en getrouwe wacbleres van de zegeningen Gods strekt.
4. Voor de oprechten gaat het licht op in de duisternis. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig. 5. De goede mensch ontfermt zich en leent; hij meet zijne woorden naar recht. 6. Zekerlijk, hij zal in der eeuwigheid niet wankelen, de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn. 7. Hij zal voor geen kwaad gerucht vreezen, zijn hart is vast, omdat hij op Jehovah vertrouwt. 8. Zyn hart wordt ondersteund , hij zal niet vreezen , totdat hij in zijne tegenstanders ziet wat hij begeert.
â¢4. Voor de oprechten gaat het licht op in de duisternis. Hetzij wij het Hebreeuwsche werkwoord zarach in onzijdigen ol bedrijvenden zin nemen, de beteekenis blijlt gelijk; evenwel, in welken zin ook genomen, zal het toch allijd op tweeërlei wijze
Psalm 412 ; /iâ5. 59,-j
verslaan kunnen worden: 61 dal God du rechtvaardigen vrijstelt van de algemeene ellende, zooals bijv. wanneer de uansche aarde door duisternis word! bedekt, de zon locli nog ergens een klein hoekje blijft beschijnen, of wel, dat God den hemel wederom helder maakt voor zijne dienslknechlen, nadat Hij hun hart vooi een'tijd door droefheid had bezwaard, zoo als de nacht wordt opgevolgd door den dag. Wordt deze laatste verklaring aangenomen, dan zal de liofeel dooi duisternis of mistig en regenachtig weder, de bepioe-vingen vei staan, door welke God zijne dienstknechten oefent in lijdzaamheid. De andere verklaring schijnt echter meer gepast, te weten: al zou de geheele overige wereld ook overstelpt zijn door beproeving en ramp, zal God zijne genade toch doen schitteren over zijne geloovigen, zoodal zij zullen welen dat alles wel met hen is, omdat God hun welgezind is. Ãp die wijze zal hun toestand duidelijk onderscheiden worden van dien dei andeie menschen. Want, hoewel de boozen juichen in hun voorspoed, zijn zij locli blind te midden van tiet licht,
omdat zij de vaderlijke liefde Gods niet smaken; maar als hun tegenspoed overkomt, zijn zij in zwarte duisternis gehuld.
Kalme, vriendelijke zonneschijn is voorzekei hun deel niet.
L)e godvruchligen daarentegen, die altijd door [hel licht van]
Gods genade worden beschenen, al zijn zij ook aan de algemeene ellende onderworpen, zijn nooit gansch en al door duisternis omgeven, en daarom is er niet zonder reden gezegd, dat hel licht voor hen opgaat in de duisternis. Nemen wij echter het Hebreeuwsche werkwoord zamch in bedrijvenden zin dan zal de constiuclie der woorden beter vloeien in aaneengeschakelde !{â
opvolging. En ik twijfel er ook geenszins aan, ol de Profeet kent deze eerenamen toe aan God: genadig, barmhartig en recht-vaaidig. En daarom zal, indien wij hel in onzijdigen zin nemen, hel laatste lid eene aanwijzing der oorzaak bevatten.
Want de verklaring van sommigen: Dat zij, die rechtvaardig en menschlievend zijn, niel zooals de goddeloozen duisternis vei spreiden in de wereld, en den damp niel doen voortkomen uil hel. licht, maar bet licht uil den damp, wijkt al te veel af van de woorden van den Proleet.
O. De goede rnensch ontfermt zich en leent. Deze overzeltinn is schier algemeen aangenomen; doch ik voor mij neig meer tot de andere, nl. dal zij wèl zullen varen, die menschlievend en vrijgevig zijn, want aldus zullen tie woorden van den Proleet beter vloeien. Want de bedoeling van den Profeet is aan te toonen, dal de wereldlingen zich groolelijks bedriegen, als zij
Psalm 112 : 5â0.
door booze en onwettige liandeliniien gelukkig dunken Ic worden, omdat alleen Gods genade de bron en oorzaak is van alle goed. Op die wijze zal bel betrekkelijk voornaamwoord die ingelascbt moeten worden. Hij geeft dus le kennen, dat zij, die zicb door gierigheid en afpersing snel zoeken te verrijken, zicb bedriegen, omdat de geloovigen dooi' bunne vriendelijkheid en weldadigheid als door eene buis of kanaal de genade Gods op zich doen afvloeien; want hoewel bet llebreeu'AScbe woord toh mannelijk is, wordt liet ook dikwijls onzijdig gebruikt. Hij stelt het leenen als vrucht der barmhartigheid, want een woekeraar leent ook, maar hel is om onder het valsche voorgeven van hulp te ver-leenen, den in nood verkeerende uit te zuigen. God beloolt dus aan hen, die in waarheid barmhartig zijn, dat zij voorspoedig zullen wezen, daar zij door medelijden bewogen, de armen te hulp komen, maai hun geene strikken spannen. Ik neem het woord deharim aan hel einde van bel vers, voor Aaken, gelijk dit ook alzoo door David Kimhi genomen werd, die de meest quot;etrouwe is onder de Rabbijnen. Want ie zeggen dat men woorden bieronder te verstaan beeft, is al le onbeduidend, en de Profeet zou ook eenvoudiger gesproken hebben. Nu is dit zeer gepast, dat de rechtvaardigen hunne zaken regelen met oordeel en verstand, zoodat in hunne buizen noch overdaad, noch gierige bekrompenheid beerscbt, maar zonder overtolliübeid ol weelde in alles maal wordt gehouden; en vooils dat zij bij koop en verkoop de regelen van billijkheid en rechtvaardigheid in acht nemen.
0. Zelcerlyh, Hy zal in der eeuwigheid niet wankelen. Het redegevend woord, dat hier gebruikt is, kan ook in zijn natuurlijken zin genomen worden, inzonderheid wanneer wij in het vorige vers de lezing aannemen van: Wel dien mensch, ol dien mensch zal het wèl gaan. Want hij geelt eene nadere omschrijving van den voorspoed, waarvan bij had gesproken, te weten, dal God hen ondersteunt, die bannharligen vriendelijk gezind zijn, opdat zij niet gekweld en heen en weer geslingerd zouden worden onder alle de wisselvalligheden, die er in de wereld plaats hebben; ja meer. Hij brengt bunne onschuld aan hel licht, en verlost hen van den onrechtvaardigen laster. Nu wordt er gezegd, dat zij niet wankelen, omdat zij, hoewel onderworpen aan de ongemakken, die aan allen gemeen zijn, en het zelfs meermalen schijnt, alsol zij onder den last van ramp en leed zullen bezwijken, evenwel innerlijk standvastig blijven, en met een onverwinbaar geduld alle tegenspoeden der
594
Psalm \\i : (iâ7.
wereld Le boven komen. Hoewel nu God de Handhaver is van hunne gerecliLigheid, zullen zij tocli den laster dei hoozen niel kunnen ontgaan; maar hel is genoeg dal hunne gedachtenis voor God en zijne engelen, mitsgaders de voor gansche vergadering der godvruchligen, gezegend is.
7. Hij zal voor geen kwaad gerucht vreezen. Hel zou kunnen schijnen, dal dil eene bevestiging is van den voorgaanden zin, also! de Profeet zeide, dat de godvruchligen vrij zullen blijven van den slechten naam, dien de goddeloozen door hunne eigene schuld en ondeugden hebben verkregen, ik versta het echter veeleer zoo, dat de rechtvaardigen niel gelijk zijn aan de onge-loovigen, die voor het minste gerucht, dal zij zouden kunnen hooien, vervaard zijn; maar, welke gevaren ook dieigen, zich kalm en vreedzaam kunnen verlaten up de vaderlijke voorzienigheid Gods. Want, van waar is liet, dal de ongeloovigen aldus heen en weder gedreven worden, indien niel daarvan, dal zij denken, dal hel toeval zijn spel speelt op de aarde, terwijl God in den hemel ledig nederzit ? Men moet er zich dus niet over verwonderen, dal zij op hel gerucht van een vallend blad al verschrikt en gansch lernedergeslagen zijn. De Profeet stelt de geloovigen vrij van zoodanigen angst en ongerustheid, omdat zij zich niet behoeven te bekommeren over de geruchten, die zij hooren, en de vreeze hen niet belet van immer God aan te roepen. Wel is waar, ook de kinderen Gods vreezen, als zij liet een ol ander gevaar zien naderen, want, als zij door geenerlei bezorgdheid wegens ramp ol onheil bewogen werden, dan zou dit eene gerustheid zijn, die uil stompzinnigheid voortkomt, maar geenszins uit standvastigheid. Maar als zij weten, dat God de Behoeder is van hun leven, dan zullen zij, al zijn zij ook niel van zorge en vreeze ontheven, terwijl zij hun' loop voortzetten hun welzijn Gode bevelen, aan wiens wil en welbehagen zij zich gaarne onderwerpen. Dat is de grootheid van ziel dei rechtvaardigen, waardoor de Proleet zegt, dat zij de geruchten verachten, die bij anderen zoo veel schrik en vrees teweegbrengen. Nu stelt hij wijselijk den steun hiervan in God; want, daar wij rechts en links door tallooze dooden bedreigd worden, zouden wij wel door wanhoop neergedrukt moeten worden, indien dil betrouwen ons niet ondersteunde, dal wij onder de hoede Gods volkomen veilig zijn. De ware vastheid en standvastigheid is dus die, welke door den Profeet wordt omschreven, nl, die welke voortvloeit uit ons vertrouwen op God. Want, als de wereldlingen zich bedwelmen door een ijdel betrouwen.
59»
Psalm 112 : 8â9.
wekken zij liiennede hol; zou veel le meer tien loorn Gods letjen zicli op, omdal zij vergelen hoe broos liet menschelijk leven is, en zij zich dooi' hun' hoogmoed dwaselijk te^en God verheffen. Daarom zal hun, als zij: Vrede en zekerheid roepen, een haastig verderf overkomen (1. ïhess. 5:3). Maar het gevoel van ramp en beproeving brengt de geloovigen wel verschrikking en zorge, doch niel op zulk eene wijze, dal hun moed lerneder-geslagen wordt, omdat hel hun hel geloot niel ontneemt, dooi' hetwelk zij standvastig en onbeweeglijk kunnen blijven. Kortom: zij zijn noch van ijzer noch van houl; maar door hel betrouwen, dal zij op God stellen, verhellen zij zich boven de angsten dezer wereld. Op deze wijze houden zij hun gemoed kalm en rustig totdat de lijd om wrake le doen over de goddeloozen is gekomen.
9. Hy heett uitgedeeld eu aan de armen gegeven; zijne gerechtigheid bestaat in eeuwigheid, zijn hoorn zal met eere verhoogd worden. 10. De goddelooze zal het zien en er zich om vertoornen, hij zal op zijne tanden knarsen en verkwijnen; de begeerte der goddeloozen zal vergaan.
9. Hij heeft uitgedeeld. Wederom verklaart hij ton stelligste, dal de rechtvaardigen niei teleurgesteld zullen worden in de vrucht en hel loon hunner milddadigheid. Kn door dit woord uitdeelen geefl de Profeel in de eerste plaals le kennen, dal zij niel maar eene kleinigheid weggeven, en dat als hel ware mei weerzin (gelijk er velen zijn, die zich door een kleine aalmoes van hun' plicht jegens de armen willen kwijlen) maar dal zij ruim en overvloedig geven, naai dal de nood hel vereischt, en bun vermogen er hen loe in slaat stelt; want hel zou kunnen wezen, dal bel hart vrijgevig is, maar dat hel vermogen le korl schiel. De Proleet geeli slechts le kennen, dal de rechtvaardigen nooit, zoo eng of beperkt zijn, dal zij niel altijd bereid zouden wezen om le geven. Hij voegt er ook bij, dat zij aan de armen yeven, om aan te duiden, dal zij hun goed niel onnadenkend of zonder overleg weggeven, maar dat zij hierbij met wijsheid le werk gaan en met voorzichtigheid, ten einde wezenlijken nood te lenigen. Wij weten, dal de wereld grooten prijs stelt op onnutte uitgaven, die alleen maar geschieden om er mede le
590
Psalm 112 ; 9â10.
pronken, en daarom zullen overtolligheid en eerzuehl honderd maal meer ^oed verspillen, dan eene verstandige vrijgevigheid uitdeelt. Nu leert de Proleet dat de lol' der weldadigheid niet toekomt aan een onverstandig en onverschillig weggeven van het zijne, maar daaraan, dal men voorziet in de behoeften der armen, zoodal het geld lol rechtmatige doeleinden gebruikt wordt. Deze schriftuurplaats wordt aangehaald door Paulus in 2 Cor 9 : 9, waar hij te kennen geelt, dal het Gode licht valt ons overvloed van goederen te schenken, waardoor wij dan wederom onze vrijgevigheid kunnen loonen, hetgeen zeer goed strookt met de bedoeling van den Profeet. Hetgeen volgt, dat de gerechtigheid van zulk een' man hl ij ft tot in eeuwigheid, kan op tweeërlei wijze verstaan worden. Want, omdat de praalzucht, die ile wereldlingen er toe brengt om hun goed te verkwisten, den naam van deugd niet verdient, zal hel niet ongepast zijn te zeggen, dal eene gelijkmatige wijze van handelen door den Proleet geprezen wordt, gelijk hij le voren gezegd heeft, dat de rechtvaardigen hunne zaken afmeten met versland. Wil iemand dit nu echter liever verslaan van de vrucht der gerechtigheid, dan wil ik dit gaarne toestemmen En hel schijnt ook voorzeker eene herhaling van denzellden volzin, dien wij een weinig vroeger gehad hebben. Daarna toont de Proleet op wat wijze God den lol'der gerechtigheid handhaaft, welken zij verdienen, die zich milddadig betoonen, en hoe Hij hun hun loon niet onthoudt, te weten, omdat Hij hun' hoorn verheft, d. i. hunne kracht, of hun' staal en voorspoed.
lü. De goddelooze zal het zien. Nu volgt eene gelijksoortige tegenstelling als wij in Psalm 2 ; 5 gezien hebben, waardoor Gods goedheid en genade over de geloovigen nog stei ker uitkomt. De Proleet leert dal de goddeloozen, hoewel zij alle gevoel van godsvrucht wegwerpen ten einde maar niet le denken, dal God de zaken dezer wereld bestuurt, evenwel, of zij het willen ol' niet, zullen ervaren, dal hel niet te vergeefs is, dat de rechtvaardigen zich volgens hel gebod van God toeleggen op hel beoefenen van barmharligheid. Al verharden zij zich dan ook zooveel zij willen, toch, zegt hij, zal hun het loon bekend zijn, dal God geeft aan zijne kinderen, zoodat zij er om zullen knai-selanden, en van louter nijd zullen wegkwijnen. Eindelijk voegt hij er bij, dat de goddeloozen in hunne begeerten teleurgesteld zullen worden. Want, hoewel zij onverzadelijk zijn, en altijd wat anders begeeren, is hun betrouwen niet minder aanmatigend dan hunne begeerlijkheid grenzenloos is; en zoo gebeurt hel, dal zij
597
Psalm 113 : 1.
598
er [reen bezwaar in zien om in Imnne dwaze verwachting de gansche wereld in te zwelgen Maar de Profeet verklaart hun, dal God hun zal ontnemen hetgeen zij reeds in handen dachten Ie hebben, zoodat zij immer ledig en hongerig weg zullen gaan.
PSALM 113.
INHOUD; In dezen Psalm wordt ons dc stof gegeven om God te loven van wege zijne voorzienigheid, omdat Hij, hoewel in hoogheid de hemelen te boven gaande, zich toch verwaardigt zijne oogen te richten op de aarde, ten einde zorg te dragen voor het menschelijk geslacht. Dewijl nu velen door de wisselvalligheid, die op aarde gezien wordt, ontroerd worden, geeft de Profeet inzonderheid te kennen, dat in deze plotselinge veranderingen, die tegen alle verwachting en hoop in plaats hebben, de voorzienigheid Gods gezien moet worden, opdat wij er niet aan twijfelen), dat alle dingen naar zijn' wil en welbehagen worden bestuurd.
1. Hallelujah! Looft, gij knechten van Jehovah, looft den naam van Jehovah! 2. De naam van Jehovah zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid. 3. Van den opgang der zon af tot haren oudergang zij de naam van Jehovah geloofd. 4. Jehovah is hoog hoven alle Heidenen, zijne heerlijkheid is boven de hemelen.
1. Looft, Gij knechten. Olschoon de inhoud van dezen Psalm alle menschen, zonder ondeischeid, aangaat, spreekt de Profeet toch inzonderheid tot de geloovigen, omdat zij alleen geestelijke oogen hebben om de hand Gods te kunnen onderscheiden. Kn deze herhaling is niet overtollig, als wij bedenken, hoe koud en traag de menschen zijn in hunne oefeningen der godsvrucht. VVèl erkennen wij allen, dat wij geschapen zijn om den naam Gods te loven, maar intusschen wordt zijne eer of heerlijkheid
Psalm 113 ; 1â3.
ganscli niel door ons hoog gehouden Daarom is liel lerechl. dat deze traagheid beslrafl wordt, en tegelijkertijd wekt de Proleet ons op, om er ons op toe te leggen God le loven, zonder dit ooit moede te worden. De vermaning, die hier dus herhaald wordt, heeft betrekking zoowel op de volharding als op de vurigheid [in het loven van God]. Wil iemand nu onder de dienstknechten Gods de Levieten verstaan, aan wie onder de Wet hel ambt was opgedragen om Gode lolliederen le zingen, dan heb ik daar niets legen, mits de overige geloovigen er niet van buitengesloten zijn, aan wie God voormaals de Levieten tot voorgangers en onderwijzers gegeven heeft, opdat Hij door geheel het volk, zonder dal er iemand van uitgezonderd was, geprezen zou worden. En wanneer de Heilige Geest, als er sprake is van Gods lof, zich inzonderheid tol de Levieten richt, dan geschiedt dit voorzeker om geene andere reden, dan opdat dezen door hun voorbeeld den weg zullen wijzen aan de anderen, en opdat geheel de Kerk als een heilig koor hun zal antwoorden. Maar dewijl wij nu heden ten dage allen te zamen een Koninklijk Priesterdom uilmaken (1 Petrus quot;1 : 9) en Zacharias betuigt dal in het koninkrijk van Christus (zelfs) de geringsten des volks Levieten zullen zijn (Zach. Li;021), is er niel aan le twijfelen dal de Profeet met voorbijgang van de ongeloovigen, die stom blijven, ons allen gezamenlijk noodigl om dezen dienst voor God te volbrengen.
2. Ue naam van Jehovah. De Profeet bevestigt wal ik zooeven met een enkel woord heb aangeduid, te weten, dat wij ons leven lang voort moeten gaan met God te loven; want, indien de naam Gods tot in eeuwigheid te prijzen is, dan behooren wij gedurende den korten tijd van ons pelgrimschap hier beneden er ten minste zorg voor le dragen, dal zijne gedachtenis ook na onzen dood zal bloeien. In hel volgende vers laat hij de heerlijkheid van den naam Gods zich uitstrekken tol aan alle plaatsen van den aardbodem; waaruit volgt, dat onze traagheid niet te verontschuldigen is, indien wij onder elkander zijn' lol niet doen weerklinken. En hoewel God onder de Wet niel wettig geloofd en geprezen kon worden dan in .ludea, omdat Hij aan niemand anders dan aan het uitverkoren volk bekend was, zijn toch zijne werken, die door alle natiën gekend werden, waardig geweest om door geheel de wereld le worden geprezen. Hetgeen er bijgevoegd wordt omtrent liet hooge van Gods heerlijkheid heeft dezellde strekking; want er is niets dal onbetamelijker is, dan dat wij, w-anncei er sprake is van God te verheerlijken, karig en
599
Psalm ll^ : 4â0.
traag zijn om ilien lol lo vftrhoogen, aangezien tie gedaclilen der mensclien als weggevoerd moesten worden in bewondering er van. liet is dus niet zonder reden dat de Profeet den naam Gods zoo hoog verheft, want het is om ons te doen weten, dal wij niet traag of achterlijk moeten zijn, en dat ons stilzwijgen Godslasterlijk is, indien wij er niet naar streven om Hem zelfs boven onze kracht en vermogen te loven en te verheerlijken, zoodat onze zielsverheffing in zekeren zin de hemelen te boven gaat. Wat betrelt zijn zeggen, dat hij hoog verheven ia hoven alle Heidenen, hierin ligt een stilzwijgend verwijt om de stompzinnigheid van het uitverkoren volk te veroordeelen; want niets is meer ongerijmd dan dat zij, die ooggetuigen zijn van Gods heerlijkheid, die zelfs door blinden gezien kan worden, aflaten van Hem te loven. Want, hoewel God te dier tijde alleen aan de Joden de hooge eer aandeed van hun het licht der hemelsche leer te schenken heeft Hij toch nooit zonder getuigenis willen blijven ook onder de overige volken, gelijk Paulus zegt in Handelingen 14:17, en in Romeinen 1 : 10. Overigens is deze hoogte beter gekend geworden nadat het Evangelie verkondigd is, want toen is in waarheid de geheele wereld onder zijne heerschappij gekomen
5. Wie is gelijk Jehovah, onze God, die zich verheft om te wonen, G. Die zich nederbuigt om te zien hetgeen in den hemel en op aarde geschiedt; 7. Den arme opheffende uit het stof, en den bedrukte uit den drek verhoogt; S. Om hem te doen zitten met de Prinsen, met de Prinsen zijns volks; 9. Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, eene blijde moeder van kinderen. Halelujah.
5. Wie is gelijk, enz. De Profeet maakt eene vergelijking tusschen de hoogheid en de macht Gods en zijne groote goedheid, en hieraan ontleent hij dan de slof om zijn' lof nog meer te verhoogen. Niet alsof de goedheid Gods afgescheiden kon worden van zijne heerlijkheid, maar deze onderscheiding wordt gemaakt met betrekking tot de mensclien. voor wie de majesteit Gods in en op zich zelve schrikwekkend zou zijn, indien Hij zich niet liefdevol tot ons nederboog en ons mei vriendelijke
Psalm I lu ; 5â8.
zachtheid lol zich trok. Wal hij dus zcygen wil is, dal God, hoewel Hij, in den hemel wonende, op zeer verren afsland van ons is, deze hoogle Hem loch niet belet zich immer nabij ons te beloonen en vriendelijk le zorgen voor ons heil. En wanneer de Proi'eel zeyl, dal Hij hoog is boven de hemelen, dan prijst hij hiermede niet slechts zijne barmharligheid jegens de menschen, wier slaat laag en gering is, maar hij geeft levens le kennen, dal Hij volkomen terecht met minachting neer zou kunnen zien op de Engelen, ware het niet, dat zijne vaderlijke liefde Hem dringt zich zoover neder le buigen om ook voor hen te zorgen. En als Hij zich nu nederhuigl om den wille der Engelen, wal zal men dan zeggen van de menschen, die kruipende over de aarde, gansch van drek en slijk zijn omgeven? Vraagt iemand nu ol God dan niet hemel en aarde vervuil, dan is hel antwoord gemakkelijk, nl. dal de Profeet niets anders heelt willen zeggen, dan dal God de edelste schepselen onder zijne voelen kan verheden, ol liever, dal Hij van wege den groolen afsland tusschen Hem en hen, geen acht op hen zou behoeven te slaan, in één woord wij moeten leeren, dal God geene zorge over ons heeft omdat wij in zijne nabijheid zijn; maar omdat Hij vrijwillig zich lol ons nederbuigt.
7. Den arme ojjheff'ende, enz. Hier verheerlijkt de Profeet de voorzienigheid Gods in die velerlei afwisselingen en veranderingen, die men denkt, dat zoo maar bij geval geschieden. Als de dingen dus tegen onze verwachting in veranderen, geschiedt dit, zegt hij, niel anders dan door Gods beschikking. Want, als alles gelijk was, en een gelijkmatigen loop volgde, dan zou iedereen roepen: Natuur, natuur! maar nu ligt in die veranderingen voor ons een wenk, dal het de verbolgen raad Gods is, die alles beheerscht. En inderdaad, als wij verbaasd zijn over de dingen, die legen onze verwachting in, plaats hebben, dan denken wij terstond aan ik weel niel welk toeval. Dewijl wij dus overal en in alles le kort schieten, beveell de Profeet ons in de ongewone dingen Gods voorzienigheid le bewonderen. Want daar hel geschied is, dal veehoeders en andere zeer geringe personen tot de hoogste waardigheden zijn opgeklommen, eischl het gezond versland, dat wij door dit nieuwe en zoo gansch onver-wachle des le meer wakker worden geschud. Nu zien wij wal de bedoeling is geweesl van den Proleet; want hij zou ons hel werk van hemel en aarde kunnen voorstellen (gelijk hij aan andere plaatsen gedaan heelt). Daar echter onze zinnen beneveld zijn dooi' den gewonen loop der dingen, zegt hij, dal de hand
601
Psalm 11^ : 8â9.
üü-2
Gods veel duidelijker gezien wordt in zijne niet gewone werken. Hij verhoogt ook hel wonder, als liij zegt, dat menschen van lage afkomst en nederigen slaat niel slechts lol allerlei vorstelijke waardigheden zijn opgeklommen, maar zelfs macht en gezag hebben bekomen over hel heilige volk, hetgeen grooler en verhevener is dan op andere plaatsen der aarde heerschappij uil te oefenen. Want de slaat der Kerk is hel voornaamste en voortreffelijkste schouwlooneel van allen, waarop God het getuigenis zijner heerlijke macht, wijsheid en gerechtigheid tentoonspreidt.
9. Die de onvruchtbare doet iconen. Hier maakt hij een ander werk Gods bekend, waarop, hoewel bet niet zeer gedenkwaardig schijnt, onze gedachten daarom toch niel minder gevestigd zijn. Want, al zijn wij dan ook stompzinnig mei betrekking tol de werken, die God dagelijks verricht, zoo worden wij toch lol bewondering gedrongen, als eene vrouw, die gedurende langen tijd onvruchtbaar is geweest, plotseling vruchtbaar wordt en haar huis met kinderen vult liet llebreeuwsche woord hahajith dal hij hier gebruikt, beteekenl niel slechts hel huis als gebouw, maar ook huisgezin, d. i. heigeen iels in zich beval, voor hetgeen er in vervat is; gelijk ook de Grieken dit Oikon en de Latijnen Domus noemen. Hij scbrijlt aan de moeders blijdschap toe, want, hoewel het hart van allen geneigd is, rijkdommenie begeeren, of eer, of genot, of andere gemakken en genoegens van het leven, zoo is loch de voortplanting van hel geslacht van alles hel meest hegeerenswaardig. Dewijl God dus niet slechts hel bestuur heeft over de gewone orde der natuur, maar ook de wisselvalligheid der dingen regelt en leidt, hen opheffende, die gering en verachtelijk in bet stof Ier nederlagen, en de onvruchtbare vrouwen vruchtbaar makende, zoo zal, wanneer wij niel aandachtig zijn om zijne hand op te merken, onze stompzinnigheid dubbel le veroordeelen zijn.
T^SALTVI 114.
INHOrD: Het is eene korte beschrijving van de verlossing, waardoor God, zijn volk uitvoerende uit Egypte en heenvoerende naar het hun beloofde erfdeel, voor alle eeuwen en tijden een
Psalm 114 : 1-2.
gedenkwaardig bewijs heeft gegeven van zijne macht. Het doel hiervan is, dat de kinderen Abrahams zich nu ook geheel aan Hem zullen overgeven, die, na hen uit vrije genade te hebben aangenomen , gewild heeft, dat zij Hem een heilig en afgezonderd volk zouden zijn.
1. Toen Israël uit Egypte toog, en het huis Jakobs uit een vreemd volk; 2. Werd Juda tot zijn heiligdom, en Israël tot zijne heerschappij. 3. De zee heeft het gezien en is gevloden, de Jordaan is achterwaarts gekeerd. 4. De bergen sprongen op als rammen, en de heuvelen als lammeren.
1 Toen 'Israël. Dewijl deze uillocli! een zoo voortreffelijk teeken en onderpand is geweest van Gods liefde voor de kinderen van Abraham, is het niet te verwonderen, dal dit zoo dikwijls in herinnering wordt gebracht. Nu geelt de Profeet bij den aanvang le kennen, dal hel volk, dat God zich zoo duur verkregen heelt, zijne vrijheid niet meer bezil. Want, als sommigen bet zoo uitleggen, dal toen de stam van Juda Gode geheiligd is geworden, volgens heigeen gezegd is: Gij zijl een heilig volk, een priesterlijk koninkrijk (Ex. 19:0; I Petr. 2 : (J) schijnt mij dit toe niet in overeenstemming te wezen met de bedoeling van den Profeet. En hetgeen er terstond daarna bijgevoegd wordt, dal Israël onder de heerschappij Gods was, ontneemt ons hieromtrent eiken twijfel, want hel is eene herhaling van denzellden zin onder andere woorden, alsof de stam van Juda wegens de vooi-' treffelijkheid der heerschappij den voorrang had, boven alle overigen des volks; maar het is toch aan geen'twijfel onderhevig dat de eerenaam, die aan dezen stam in het bijzonder wordt gegeven, ook aan geheel hel volk behoorde. Wanneer er nu gezegd wordt, dal God geheiligd is, dan is dit met betrekking tot de menschen, want in zich zeiven is er bij God geen toenemen en geen alnemen. lin er wordt gezegd, dat â¢Juda Hem tot een heiligdom en Israël tot een heerschappij is, omdat zijne heilige majesteit, die te voren weinig gekend was, allen, die getuigen zijn geweest van zijne ongeloofelijke macht, er toe gebracht heeft. Hem eerbied le betoonen. Indien nu God dooi' zijn volk te verlossen zich een Koninkrijk heeft opgericht, en eerbied
603
Psalm 114 ; 2â5.
verkregen heeft voor zijn' heiligen naam, zoo is dan do traagheid des volks niet te verontschuldigen, als zij er zich niet op loe-leggen om zoo groot eene weldaad voortdurend te bepeinzen.
3. De zee heeft het gezien en is gevloden. Hij herdenkt hier niet alle de wonderen, die toen geschied zijn, maar val ze, om zoo le spreken, allen samen, als hij zegt, dal de zee, hoewel zij een levenloos element is en geenerlei versland of begrip heeft, toch verschrikt terugweek voor de macht van God, dat de Jordaan hetzelfde heelt gedaan, en dat de hergen opgesprongen zijn. Hoewel de Profeet nu op dichterlijke wijze dal zich terugtrekken van de zee en van de Jordaan beschrijft, gaan toch zijne woorden volstrekt niet verder dan de zaak, en zoo heeft ook de zee door zoodanige gehoorzaamheid aan haren Maker zijn' naam geheiligd. Door hare beloonde onderworpenheid heeft de Jordaan zijne macht en heerschappij verheerlijkt; de bergen sprongen op en daarmede hebben zij getuigenis afgelegd, van de heiligheid zijner majesteit. Maar het is zijne bedoeling niet de macht Gods meer te loven, dan zijne vaderlijke zorg en zucht om zijne Kerk le bewaren. Daarom scheidt bij wijselijk Israël af van de zee, de Jordaan en de bergen, naarmate er ook lusschen hel uitverkoren volk en levenlooze elementen verschil is.
5. Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet? 6. Gij bergen! dat gij opsprongt ais rammen ? gij heuvelen! als lammeren ? 7. Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs, 8. Die den rotssteen veranderde in waterpoelen, en den keisteen in eene waterfontein.
5 Wat was u, gij zee! dat gij vloodt^. Hier worden de zee, de Jordaan en de bergen op gemeenzame wijze door den Profeet ondervraagd, gelijk bij er een weinig le voren gevoel en eerbied aan heeft toegeschreven voor de macht Gods. En met deze beeldspraak bedoell hij eene scherpe bestraffing van de stompzinnigheid der menschen, indien zij het verstand, waarmede zij begaafd zijn, niet aanwenden om de werken Gods na te gaan en le bepeinzen. Ook zal het bloole gezicht der zee, waarvan de Profeet hier spreekt, meer dan genoeg zijn om hunne verblindheid
604
Psalm 114 : 5â8.
Ie veroordeelen. Want de zee kon niel opgedroogd worden en de Jordaan kon zich niel aclilerwaarls keeren, dan door eene verborgene aandrift, waardoor God ze noodzaakte Hem gelioor-zaamheid te bewijzen. Overigens, hoewel de Profeet liet woord richt lot de zee, de .lordaan en de bergen, spreekt hij toch eigenlijk tol ons, opdat een iegelijk onzer tol zich zeiven inkeerende , vlijtig en nauwkeurig hierop acht zal geven Daarom moeten wij, lelkemiiale als wij deze woorden ontmoeten, antwoorden, dat zoo groote en machtige veranderingen geene ondergeschikte natuurlijke oorzaken kunnen hebben gehad, maar dat de hand Gods helder en duidelijk hierin geopenbaard is. Hel beeld, dal hier aan rammen en lammeren ontleend is, schijnt het groolsche en majestueuze der zaak op verre na niet uit te kunnen drukken; maar het was de bedoeling van den Proleet om in de eenvoudigste bewoordingen aan te toonen, op hoe ongeloofelijke wijze God aldaar zijne macht heelt geopenbaard. Want, daai' de vastheid der aarde gegrond is op de bergen, wat overeenkomst is er dan tusschen hen en de rammen en lammeren, dat zij opspringen en zicii heen en weder bewegen? De Profeet heelt dus geenszins het wonder willen verkleinen, maar hij heeft gansch eenvoudige laai gebruikt, om alzoo op menschen, die slechts een zeer onontwikkeld verstand hadden, een dieper indruk le weeg te brengen van de ongedachte leekenen van de goedheid Gods.
7. Beef, gy aardel voor het aangezicht des IIeer en. Nadat hij hel verstand der menschen door deze ondervraging heeft doen ontwaken, voegt hij er het antwoord bij hetgeen door velen genomen wordt, alsol het door de aarde zelve gegeven was, omdat zij denken, dat de letter Jod, een voornaamwoord is, dal met hel werkwoord choeli verbonden is, alsof de aarde zeide: liet betaamt mij te beven voor het aangezicht des lleeren. Maar dit verzinsel kan geen stand houden, omdat het woord aarde er onmiddelijk bijgevoegd wordt. Juister is dus de meening van hen, die leeren, dal de letter Jod hier (evenals aan vele andere plaatsen) overtollig is, en er dan dezen zin aan geven, dal hel redelijk, of billijk , is dal de aarde heeft voor het aangezicht baars lleeren. Dewijl echter het llebreeuwsche werkwoord choeli door velen in de gebiedende wijs genomen wordt, heb ik mij gaarne met hun gevoelen vereenigd. Want het is wel waarschijnlijk, dal de Profeet opnieuw het woord richt tot de aaide, ten einde hel hart der menschen aldus nog meer te treffen. De beteekenis blijft echter gelijk, alsof hij gezegd had: Maar het
Psalm WA : 8.
behoorde immer? zoo le wezen , dal de aarde beelï in de legen-woordigheid liaars Konin^s; wanl lii.j gebruikl dil woord Adón, lielwelk Meester ol lieer beleekenl. Daarna voegt liij er den Naam bij van den God Jakohs, waarmede bij alle valsebe goden weg wil drijven. Wanl daar de menscben zeer licbl neigen lol bedrog, moet men altijd vreezen, dal zij zicb afgoden maken om ze in de plaats van den waren God le stellen. Ten slotte spreekt bij van nog een ander wonder, door hetwelk God zijne macht met majesteit heelt geopenbaard in de woestijn, nadat, het volk dooi' de Roode Zee was gegaan. En daarmede wil hij zeggen, dat de heerlijkheid Gods niet slechts voor een' enkelen dag bij den uittocht des volks werd tentoongespreid, maar dat zij voortdurend werd geopenbaard in andere werken, zooals toen plotseling uit eene droge rots een stroom le voorschijn kwam (Exodus 17 ; 6). Wel is het waar, dat bronnen uil rotsen en steenachtige plaatsen ontspringen; maar water ledoen voortkomen uil eene droge rots, dat is legen de orde der natuur. Nu wil ik hier geen fijn uitgedacht beloog leveren over de vraag hoe steen in water verkeerd werd; de eenvoudige bedoeling van den Profeet is, dat waar te voren niets dan dorheid en hardheid was, waterslroomen te voorschijn kwamen. Echter ziel men hieruit hoe bespottelijk de Sophisten zijn, als zij overal, waar de Schrift zegt, dat dit of dat veranderd is, eene Iranssubslantiatie verzinnen. Want de substantie van den steen werd toen niet in water veranderd; maar God heefl op wonderbare wijze waler geschapen , dal uit de droge rots vloeide
PSALM 115.
INHOUD; liet is duidelijk te zien, dat deze Psalm aan de Kerk gegeven werd, toen zij in groote verdrukking en benauwdheid was. Want, hoewel de geloovigen het niet verdienen, dat zij door God verhoord worden, bidden zij toch om uitkomst en verlossing, opdat zijn heilige Naam niet ten spot en smaad worde ouder de Heidenen. Daarna moed scheppende, drijven zij den spot met de stompzinnigheid van allen, die de afgoden dienen, en met een heilig rueinen verheerlijkeu zij huu' zaligen toestand wijl zij door liod
Psalm 115 ; 1.
aangenomen zijn; eindelijk wekken zij elkander op om de genade, die zij van God hebben ontvangen, dankbaar te erkennen.
1. Niet ons, o Jehovah, niet ons, maar uwen naam geef eer, om uwer goedertierenheid, om uwer waarheid wil. 2. Waarom zouden de Heidenen zeggen: Waar is nu hun God? 3. Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
1. Niet ons. Hoewel hel niet met zekerheid blijkt wie de dichter is van dezen Psalm, noch in welken tijd hij gedicht werd, toonl deze aanhef ons toch, dat de geloovi^en hunne toevlucht nemen lol God op een oogenhlik, dal zij zich in hoogsl moeielijke omstandigheden bevinden. Nu drukken zij niet in bepaalde bewoordingen uit wat zij begeeren, maar zijdelings geven zij hel toch Ie kennen. Ter zelfder lijd betuigen zij door deze inleiding, dat zij geenerlei eigene verdiensten aanvoeren, en geene andere hoop koesteren van Ie zullen verkrijgen, wal zij vragen, dan wanneer God dooi' hen te verlossen aan zijne eigene eere indachtig is, omdal deze Iwee zaken onafscheidelijk aan elkander verbonden zijn. Hoewel zij dus wel zouden verdienen afgewezen Ie worden, bidden zij toch, dat God zijn' heiligen Naam niet aan de bespotting der Heidenen zal blootstellen. Wèl begeeren zij eenigerlei hulp en verlichting te verkrijgen in hunne ellende, maar daar zij in zich zeiven niets vinden, dat Gods gunst waardig is, vragen zij Hem zijne eigene eer te handhaven. En dit is zeer opmerkenswaardig, namelijk, hoewel wij volstrekt niet waard zijn dat God acht op ons slaat, wij loch goede hope moeten hebben, omdat Hij, door ons te verlossen, zijn' Naam wil verheerlijken, ons (zeg ik) die Hij aangenomen beell onder beding, dat Hij ons nooit weder zal verlaten. Wij moeten er ook wel op lellen, dat zij uit bescheidenheid zich niet openlijk beklagen over hunne ellende, en zich niet terstond bezighouden mei bun eigen heil, maar met de heerlijkheid Gods. Want daar de ramp , die hen heeft getroffen, eene soort van verwerping was, zijn zij beschaamd en schaamrood en durven God niet openlijk en vrijmoedig vragen om hetgeen zij begeeren, maar geven zij hel Hem bedeklelijk te kennen, opdat God om den wille van zijne eigene eer en heerlijkheid zich als Vader zal betoonen voor de zondaren, die geenerlei genade hadden verdiend. En
607
Psalm 115 : 1â
dewijl nu deze vorm van gebed niel slechts voor eens aan de Kerk was voorgeschreven, zoo moeien wij, telkenmale als wij tol God naderen, er aan denken om ons van alle eigene waardigheid te ontdoen, opdat zijne vrije goedheid ons moed geve om te hopen. Ja wat meer is, als wij hidden om verlost te worden, moeten wij daarbij het doel voor oogen hebben, dal in onze verlossing de naam Gods zal verheerlijkt worden En het is wel waarschijnlijk, dat zij aldus gebeden hebben, hiertoe opgewekt zijnde door zijne belolte, want ten tijde der ballingschap had God gezegd : Ik zal dit doen om mijnentwil, en niet om uwentwil (.lesaja 48 : '11), Nu erkennen zij, dat zij geene andere toevlucht hebben dan in Hem, wanneer alle andere hoop hun ontzinkt. En door dit twee malen te herhalen, loonen zij nog duidelijker hoezeer zij hunne eigene onwaardigheid erkennen, zoodat zij, al zouden hunne gebeden ook honderd maal alge-wezen worden. Hem loch niet zouden kunnen beschuldigen.
'2. Waarom zouden de Heidenen zeggen. Thans zeggen zij op wal wijze God zijne eer zou handhaven in de bewaring zijner Kerk, nl. omdat, indien Hij loeliet, dal zij verwoest of vernietigd werd, zijn Naam aan den spot der Heidenen bloolgesleld zou zijn. Want de longen zouden al gereed zijn om te lasteren, dal de God Israels van alle macht ontbloot is, aangezien Hij zijne dienstknechten verlaat in den nood. Niet, omdat Hij het noodig had aldus vermaand te worden, maar veeleer opdat de geloovigen hunne gedachten terug zouden voeren tot dien heiligen ijver, waarvan wij aan eene andere plaats (Psalm 69 : 10) hebben gelezen: De smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. Want zij wenden hier geene rhetorische kunstgrepen aan om te overtuigen, maar zij betuigen dat zij wel zeer in zorge zijn over hun heil, maar dat zij de eere Gods toch nog hooger stellen, gelijk zij dit dan ook verdient. Daarna geven zij de reden op waarom de eere Gods er mede gemoeid is dat zij verlost worden, nl. omdat de goddeloozen anders zouden zeggen, dal het verbond, hetwelk Hij heeft gemaakt, le niel gedaan is. En zoo zouden zij dan ook gezegd hebben, dat de genade Gods op niets uitloopt, en dat zijne beloften ijdel zijn. Zij voeren dus bij God zijne genade aan en ook zijne trouw, welke beide aan booze lasteringen blootgesteld zouden zijn, indien Hij het volk, dat Hij door een eeuwig verbond aan zich had verbonden, en uil vrije genade had aangenomen, had misleid of teleurgesteld. En thans, nu God ons deelgenoolen heeft gemaakt in zijn Evangelie en zich verwaardigd heelt ons in le enten in het
608
Psalm 115 ; 2â.quot;5. 009
lichaam zijns zoons, is hel ons geoorloofd denzelfden pleitgrond te gebruiken.
3. Onze God is toch in den hemel. Thans gebruiken de geloovigen eene heilige vrijmoedigheid in het gebed ; want wij welen dat onze gebeden ijdel zijn, als wij door twijfel heen en weder bewogen blijven. Indien zoodanige lastering hun hart ware binnengedrongen, de wonde zou doodelijk zijn geweest. Zij houden zich dus in lijds het schild voor, en dat is de reden waarom zij den draad al breken van bun gebed. Een weinig later zullen wij ter bestemder plaatse over het tweede lid spreken, waar zij met de afgoden en de goddelooze bijgeloovigheden dei-Heidenen den spot drijven; tlians is het van belang om de woorden van dezen volzin een voor een na te gaan en te overwegen. Door Ie zeggen dat God in den hemel is, bedoelen zij niet Hem, als het ware, in eene bepaalde plaats op te sluiten, en grenzen le stellen aan zijn oneindig wezen, maar zij ontkennen dat zijne macht beperkt, of aan menschelijke middelen gebonden is; zij ontkennen, dat zij aan toeval ol noodlot onderworpen is; eindelijk, zij onderwerpen geheel de wereld aan zijne heerschappij, zoodal Hij, boven alle hinderpalen verbeven zijnde, alles wal. Hem behaagt vrijelijk ten uitvoer brengt. Dit wordt nog duidelijker uitgedrukt in het tweede lid: Hij doet al wat Hem behaagt. Maar hoe is hel dan dat God woont in den hemel? Omdat de gansche wereld onderworpen is aan zijn wil en welbehagen, zoodat niets Hem kan verhinderen zijn' raad en voornemen tot stand te brengen. Hierin, ni. dat God doet alles wat Hem behaagt, ligt eene kostelijke en opmerkelijke leer opgesloten, mits zij op haar waar en wettig gebruik wordt toegepast. Ik voeg er deze waarschuwing bij, opdat nieuwsgierige en drieste personen zich niet veroorloven (gelijk dit hunne gewoonte is) eene goede en heilige leer in waanzinnige droomerijen te ver-keeren. En hieromtrent zien wij dagelijks meer dan genoeg van de uitgelatenheid van het menschelijk verstand; want er zijn velen, die zonder eenige schaamte of ingetogenheid babbelen over deze verborgenheid, voor welke wij boven alle andere eerbied en bewondering moeten hebben. Opdat wij nu eenigerlei nuttigheid aan deze leer voor ons zeiven ontleenen, moeten wij zien waarom er gezegd is, dat God doet al wat Hem behaagt in hemel en op aarde, nl. omdat God almachtig is om het heil zijner Kerk in stand te houden, en vervolgens, dewijl Hij alle schepselen in zijne hand houdt, er geenerlei hindernis is, die Hem zou kunnen beletten al zijn' raad le volbrengen. Al zouden
JJ1. 11. 39
Psalm 115 : 3.
010
tie geloovigen zich dus ook eiken weg v;in heil afgesneden zien, scheppen zij toch moed, omdal God niel slechts boven all^ hinderpalen is, maar cr zich zelfs van bedient om zich den weg te effenen. Intusschen moet ook dit verslaan worden, dat alle dingen alleen op Gods bevel geschieden, en dat niels bij geval plaats heelt. Het was noodig hier bij voorbaat op Ie wijzen met betrekking tot de toepassing dezer leer, opdat wij weerhouden worden van iets Ie bedenken dat der majesteit Gods te kort doet, gelijk dit aan dwaalgeesten gewoonlijk gebeurt. Dit beginsel nu vastgesteld zijnde, moeten wij ons niet schamen openlijk te belijden, dal God in zijn eeuwigen raad alle dingen regelt en leidt, zoodat niets geschiedl zonder zijn' wil en ordo-nantie. Daarom heeft Auguslinus zeer schrandei er. juist door dit getuigenis bewezen, dat de dingen, die ons ongerijmd toeschijnen, niet maar door toelating Gods geschieden, maar door zijn' wil en op zijn uitdrukkelijk bevel. Want, als onze God doet wal Hij wil, waarom zou Hij dan toelaten, dal er geschiedl heigeen Hij niet wil? Waarom vvederhoudl Hij den duivel niet en alle de goddeloozen, die Hem weerstaan? Indien wij wanen, dat er voor Hem een middenstaai is tusschen doen an laten doen, tusschen werkzaam zijn en lijdelijk zijn, zoodat Hij duldt ol verdraagt hetgeen Hij niet wil dat geschieden zal, dan volgt hieruit, dal Hij, gelijk de Epicuriërs droomen, ledig nederzit in den hemel. Maar indien wij erkennen dat God voorzien is van raad en verstand om voor de wereld, waarvan Hij de Maker is te zorgen en haar te regeeren, en geen enkel deel er van minacht, dan volgt hieruit, dat alles wal er geschiedt, geschiedt door zijn' wil. Zij, die bazelen, dat God dan de Werker zou zijn van hel kwaad, zijn slechte twislredekundigen. En al is het nu ook dat deze onreine honden blaffen, zullen zij hiermede toch niet teweegbrengen, hetzij dal de Profeet gelogen heeft, of dal aan God het bestuur der wereld ontnomen wordt. Indien niets ge geschiedt dan door den raad en de ordonantie Gods, dan schijnt Hij toch de zonde niel al' te keuren. Maar er zijn verborgene oorzaken, die ons niel bekend zijn, waarom Hij wil dat hetgeen de boozen doen gedaan wordt , evenwel niet naar hunne zondige neiging. God heeft gewild, dat Jeruzalem verwoest zou worden (Jes. 3: 26); de Ghaldeen wilden het ook, maar op eene andere wijze. En hoewel Hij de Babyloniërs meermalen zijne soldeniers noemt, hoewel Hij zegt dat zij door Hem, door zijn sissen aangepord werden (Jes. 5 : 20), ja meer, dat zij het zwaard waren van zijne hand, toch zullen wij daarom niet zeggen, dat zij zijne metgezellen zijn geweest, want de bedoeling van beiden was
Psalm 115 : 3.
zeer verschillend, zoodat Gods gerechtigheid uitblinkt in de verwoesting van Jeruzalem, terwijl de Chaldeën volkomen terecht om hunne roofzucht, gierigheid en wreedheid veroordeeld worden. Hoewel God dus wil dat er geschiedt wat er in de wereld geschied!, wil Hij toch niet dat er eenigerlei kwaad geschiedt, want ofschoon zijn raad ons onbegrijpelijk is, is die raad toch altijd op uitnemende beweegredenen gegrond, weshalve zijn wil alleen ons genoeg is, zoodal wij, al zijn zijne oonleelen ook een diepe afgrond voor ons, er gansch en al van overtuigd zijn, dat er eene volkomene gerechtigheid in heerscht (Psalm 86 : 7). En zoo zal dan deze dwaasheid wijzer zijn dan al de vernuftigheid van hen, die de vermetelheid hebben om zijne werken al te meten naar hun vermogen van ze te begrijpen. Men moet ook wederom opmerken, dat indien God doel alles wat Hem behaagt, [hieruit volgt | dal alles wat niet geschiedt Hij ook niet wil dal geschieden zal. Dit is zeer nultig te welen. Want als God bij de beproevingen der Kerk zich stil houdt, dan vragen wij waarom Hij haar aldus Iaat kwijnen, daar hel toch in zijne macht is haai' te hulp te komen. Heden ten dage hebben gierigheid cn bedrog, valschheid en wreedheid, eerzucht en hoogmoed, hoererij en dronkenschap, kortom, allerlei zonde cn bederf de overhand in de wereld, en dit zou terstond ophouden, indien het Gode behaagde een geneesmiddel hiertegen aan te wenden. Daarom moet dit ons een teugel zijn om geduldig le kunnen blijven, wanneer het is alsol God slaapt, of hel vermogen niet heeft van ons le hulp te komen, dit nl. dal Hij hel niet terstond wil doen, omdat Hij weet dat het uilslel ons nuttig is, cn dat Hij voor een' tijd dingen duldt, die Hij, zoo het Hem behaagde, terstond zou kunnen verhelpen
4. Hunne afgoden zijn goud en zilver, het werk van menschen handen. 5. Zij hebben een' mond, en zullen niet spreken; zij hebben oogen en zullen niet zien. 6. Zij hebben ooren, en zullen niet booren; zij hebben neusgaten, en zullen niet rieken. 7. Zij hebben handen, en zullen niet tasten; zij hebben voeten, en zullen niet loopen; zij zullen niet roepen uit hunne keel. 8. Zij, die ze maken, zullen hun gelijk worden, allen die op hen vertrouwen.
611
311*
Psalm 115 : 4â7.
li. Hunne afgoden. Deze legenstellingen hebben len doel de godvrnchligen nog meer Ie bevestigen in de bope, door welke zij rusten in een eenig God, dewijl alles wat de mensehen zich builen Hem als godheden hebben voorgesteld slechts het voortbrengsel is van domheid en dwaasheid. Want hel strekt voorzeker niet weinig tol bevestiging der ware godsvrucht, de dwaling en waanzin Ie kennen, waarin de geheele wereld is vervallen, wanneer daar tegenover God ons wordt voorgesteld, dien wij stellig en gewis weten de Schepper te zijn van hemel en aarde, en dat wij Hem noch te vergeefs noch zoo maar bij geval dienen. En ten einde nu de verwatenheid der goddeloozen nog verder terug te wijzen, die in hun' hoogmoed zieh onderstonden God en zijn uitverkoren volk te minachten, geeft hij zijne verachting te kennen voor hunne valsche goden door ze te bespotten. Hij noemt ze ten eerste afgoden, dat is: nietigheden: daarna loont hij aan, dat zij uil levenlooze stol' vervaardigd zijnde, kracht noch gevoel hebben. Want is er wel iets, dal zoo ongerijmd is, als hulp van hen te verwachten, aangezien noch in de stof, waarvan zij gemaakt zijn, noch in de gedaante, die hun door de handen der mensehen gegeven is, ook maar de minste goddelijkheid is Ie bespeuren, waardoor zij zich eenigerlei eerbied zouden kunnen verwerven? Inlusschen geeft hij echter stilzwijgend te kennen, dal de kostbaarheid der slof de algoden niet beter cl voortreffelijker maakt, zoodat zij daarom meer achting zouden verdienen. Daarom zou de zin aldus kunnen overgezet worden: Hoewel zij van goud cn zilver vervaardigd zijn, zijn zij daarom toch geene goden, want zij zijn er niet minder het werk om van menschenhanden. Want indien het zijne bedoeling ware geweest alleen maar minachting uit te drukken voor de stol, dan zou hij hen veeleer van hout en steen genoemd hebben, terwijl bij nu slechts melding maakt van goud en zilver. Inlusschen wijst de Profeet er ons tegelijker tijd op, dat niets minder betamelijk of met de rede bestaanbaar is, dan dat God van de mensehen zijn wezen of gedaante, ja of zells zijne eer zou ontvangen, aangezien zij zeiven hel hroze leven slechts ter leen hebben ontvangen, en bet hun ieder oogen-blik ontnomen kan worden. Hieruit volgt dal de Heidenen dwaselijk roemen op de hulp hunner goden, aan wie zij zeiven het aanzijn hebben gegeven. Immers, ontleenen de afgoden hun' oorsprong aan iels anders dan aan den zin en wil der mensehen? Zij hebben de stof. de materialen, het zou hun vrijstaan om er een beker, allerlei gouden of zilveren vaatwerk, ja zelfs om er een nachtpol van Ie maken. Doch bel behaagt hun er een god van te vervaardigen. Zou men nu iets hespolle-
i'sALM 115 : 4â8.
018
lijkers kuunen verzinnen clan een levenlooze massa in een' god Ie willen verkeeren? Daarom voegl de Profeet er spoltend bij, dal hoewei de Heidenen iiunne afgoden van ledematen voorzien, zij er hun toeh niet hel gebruik van kunnen geven. Daarom beseffen de geloovigen hoe gioole en heerlijke genade luin is verleend, daar de eenig ware God ongetwijfeld aan hunne zijde is, aangezien het volkomen vast staal, dat de Heidenen ijdelijk roemen op eene hulp, die zij van sehaduwen verwachten. Deze leer moet echter ook nog verder uitgestrekt worden, want wij leiden er in het algemeen uit al, dal hel dwaasheid is God onder eenigerlei uiterlijke geslalte te zoeken, welke geene gelijkheid noch verwantschap heeft met zijne heinelsche heerlijkheid. Want als wij heden niet vasthouden aan dit beginsel, dan zouden de Heidenen allicht kunnen zeggen, dal zij ten onrechte veroordeeld worden, omdat, hoewel zij zich goden maken op aarde, zij er toch wèl van overtuigd zijn, dal God in den hemel is. Want zij geloofden niel dal Jupiter van steen, of van goud, of van klei was, maar onder deze gedaanten stelden zij zich hem voor. Immers van waar komt de uitdrukking de goden te smeeken, indien zij hel er niel voor hielden, dat de beelden voorstellingen waren van de goden? De Sicilianen, zegl Cicero, hebben geene goden meer lol welke zij kunnen bidden. Deze uildrukking zou vreemd wezen, indien de rneening niet diep ingeworteld svas in hel liarl van het gemeene volk, dat zij de geslallen der hemelsche goden voor hunne oogen hadden in koper, goud of marmer. Maar dewijl zij dachten, dal de goden hun meer nabij waren, als zij voor hunne beelden kwamen, is hel volkomen terecht dal de Proleet met dezen onzin den spot drijft, dat zij de Godheid willen sluiten binnen voorstellingen, die aan bederl onderhevig zijn; want het is onbestaanbaar met den aard Gods om le wonen onder steen, of onder een stuk marmer, of een blok hout, of onder koper ol goud. Daarom noemt de Profeet Habakuk deze grof zinnelijke wijze van Godsvereering eene Leer der ïjdellieid (llab. 2:18). Men moet ook wèl acht geven op deze bespotting: Zij liehheu een mond en spreken niet. Want waarom nemen wij onze toevlucht tot God, indien niel daarom dal ons leven afhankelijk is van Hem, dat ons heil in zijne handen is, en de overvloed van alle goed met de macht om te helpen in Hem gevonden worden? Is er dan iets méér ongerijmd dan aan de afgoden le vragen hetgeen hun zeiven ontbreekt, aangezien zij beweging noch gevoel bezitten?
8. Zij, die se maken. Velen denken, dal dit eene verwensching
Psalm 115 ; 8.
614
is, en (Jaaroin nemen zij liel werkwoord in den oplaliei in plaats van in den toekomenden lijd, en wel aldus: Dal die ze maken liun gelijk worden. Maar hel zal niel minder passend zijn als wij zeggen, dal hel eene bespolling is, also! de Profeel verklaarde, dal de afgodendienaars niel minder stompzinnig zijn dan wanneer zij blokken hout of' sleen waren. Nu is het wel volkomen terecht dat de Profeel de menschen zoo scherpelijk bestraft, die van nature met verstand begaafd zijn. als zij alle oordeel en verstand wegwerpen, ja zich aanstellen alsof zij van hunne zinnen beroofd waren. Want, als zij aan doode dingen om leven vragen, dooven zij dan niet, voor zooveel in hen is, alle licht des verstands uil? Kortom, indien zij ook maar een sprankje gezond verstand bezaten, zouden zij geene godheid toekennen aan iets, dat zij zei ven gemaakt hebben, en waaraan zij geen hel minste gevoel kunnen geven. En dil is voorzeker reeds genoeg om alle verontschuldiging van onwetendheid te niel te doen, dal zij zich legen alle gezond verstand in valsche goden maken. Hieruit volgt, dat zij moedwillig de oogen sluiten, zich in duisternis hullen en zich zeiven stompzinnig maken; en deze moedwillige verblinding maakt hen gansch onverschoonbaar, zoodat zij niet kunnen voorwenden, dal hunne dwaling uit welgemeendcn ijver voortkomt. En ik twijfel niet of de Profeel heelt alle voorwendsel en schijn van onkunde willen wegnemen, omdat de menschen zich moedwillig verdierlijken. Allen, die op hen vertrouwen. Hieruit blijkt nog duidelijker, waarom God de beelden vcafschuwl, nl. omdat Hij niel kan dulden, dal hun de eere wordt gegeven, die Hem toekomt. Er is niets dat Gode méér toekomt dan dat de menschen Hem als den eenigen Oorsprong des heils erkennen, en van Hem alleen alles vragen en verwachten wat zij behoeven. Daarom wordl Hij beroofd van zijne eer, en wordl zijne majesteit als hel ware te niel gedaan, telkenmale als men zijn betrouwen elders stelt dan in Hem. De Profeet bestraft deze heiligschennis, gelijk ook in vele schriftuurplaatsen de toorn Gods vergeleken wordt bij ijverzucht, als Hij ziel dat de beelden en valsche goden versierd worden met de eer, waarvan men Hem heeft beroofd. (Ex. 34: 14; Deul. 5:9). Als iemand zich een beeld ging snijden uit marmer of hout, ol het uil goud of zilver ging gieten, zou dil op zich zeiven niel zoo verfoeielijk zijn , maar als zij God aan hunne bedenkselen zoeken te verbinden, en Hem schier uil den hemel doen nederkomen, dan hebben zij in zijne plaats eene valschheid, eene leugen gesteld. Wel is waar, wordl de heerlijkheid Gods reeds terstond, (om zoo te zeggen) vervalschl, zoodra men Hem met eene aan
Psalm 115 ; 8.
bedeif onderhevige geslalle bekleedt, (Bij wien bebl gij inij vergeleken, roepl Hij uit, Jesaja 40:25 en 40:5, en de Schrift is vol van dergelijke getuigenissen) maar dubbel is de beleediging, die men Hem aandeel, als men gelooft, dat zijne waarheid, zijne genade en macht in afgoden besloten zijn. Evenwel, liet zijn schier onafscheidelijke krankheden om op afgoden Ie gaan betrouwen, nadat men ze heelt gemaakt. Want, van waar is hel, dat de menschen zoo uiterst begeerig zijn naar goden van steen, of hout, of leem, of van eenige andere aardsche materie, indien niet daarvan, dal zij wanen dat God verre van hen is, zoolang zij Hem niet door eenigerlei band aan zich verbonden hebben? Omdat zij dus God niet op geestelijke wijze willen zoeken, rukken zij Hem eerst van zijn' troon en onderwerpen Hem dan aan doode elementen. Vandaar komt het dan, dat zij hunne gebeden richten lol beelden, omdat zij zich inbeelden dat door dezen Gods ooren, zijne oogen en zijne handen hun nabij zijn. Ik heb gezegd dal deze twee ondeugden nauwelijks van elkander gescheiden kunnen worden, nl. dal zij, die Gods waarheid in leugen verkeeren door afgoden te maken, hun ook goddelijkheid toekennen. Evenwel, de bedoeling des Profeten was, gelijk ik een weinig te voren reeds aangeduid heb, de voornaamste heiligschennis te bestraffen en die het verfoeielijkste van allen is, als hij zegt, dat de ongeloovigen hun betrouwen stellen in afgoden.
9. Israël, vertrouw op Jehovah; Hij is hunne hulp en hun schild. 10. Gij huis van Aaron! vertrouw op Jehovah, Hij is hunne hnlp en hun schild. 11. Gij, die Jehovah vreest, vertrouwt op Jehovah, Hij is hunne hulp en hun schild. 12. Jehovah is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen, Hij zal het huis van Israël zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen. 13. Hij zal zegenen, die Jehovah vreezen, de kleinen met de grooten. 14. Jehovah zal over ulieden toedoen, over ulieden en over uwe kinderen. 15. Gijlieden zijt van Jehovah gezegend, die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
015
Psalm 115 : 9-11.
9. Israël vertrouw gy op Jehovah. De Pi'Oieel komt lerug op hel punt der leer, dat de ware dienstknechten Gods niet moeten vreezen, dut Hij hen zal verlaten, of hen teleur zal stellen in hun' nood, omdat Hij even geneigd als machtig is hun heil te bevorderen. In de eerste plaats vermaant de Profeet nu Israël in hel algemeen om op God te vertrouwen, daarna richt hij zich lot het huis van Aaron, en in de derde plaats tot allen, die God vreezen, en er is eene zeer goede reden voor de orde, die hij daar volgt, omdat God het geheele volk, zonder onderscheid, had aangenomen, en omdat zijne genade ook aan allen tentoongespreid werd, zoodat zij allen tezamen hunne hoop op Hem moesten vestigen, en in dien zin zegt Paulus(Hand 26:7), dat de twaalf geslachten de beloofde verlossing verwachten, liet is dus niet zonder reden, dal de Profeet bij den aanvang geheel Israël omvat. Omdat Hij echter inzonderheid de Levieten verkoren had, en onder anderen de Priesters uit hel huis van Aaron, die de anderen voorgingen en het verst gevorderd waren in den godsdienst, eischl hij van hen meer dan van de anderen; niet alsol hun eene bijzondere verlossing was locgezegd, maar omdat het redelijk en betamelijk was, dal zij aan de anderen den weg wezen, gelijk hel ook hun alleen geoorloofd was in hel Heiligdom te gaan; alsof de Profeet hun zeide: Gij kinderen van Aaron, die God tol onderwijzers van den godsdienst over zijn volk heelt willen aanstellen, weest voorde anderen een voorbeeld van geloof, daar Hij u de bijzondere eere heeft aangedaan van u zijn Heiligdom le openen.
11. Gij, die Jehovah vreest. Hij spreekt niet van de vreemdelingen, gelijk sommigen ten onrechte gedacht hebben, alsof dil eene profetie was van de roeping der Heidenen. Want, omdat hij hen samenvoegt met de kinderen Israëls en mei de kinderen Aiirons, denken zij, dal hij hen bedoelt, die niet besneden zijn, en dus nog niet in de schaapskooi waren toegelaten. Maar door hetzelfde argument zou men dan kunnen afleiden, dal de Priesters niet lot het geslacht van Abraham behoorden, omdat zij alzonderlijk vermeld worden. Maar er is veeleer eene bedekte verbetering in deze woorden, door welke hij onderscheid maakt lusschende ware dienstknechten Gods en de geveinsden, die de verbasterde kinderen Abrahams waren. Dewijl dus vele kinderen Abrahams naar den vleesche van hel geloof huns vaders waren afgeweken, beperkt de Proleet de belofte tol hen, die haar aannemende door hel geloof, God eene zuivere aanbidding toebrachten. En zoo zien wij dan nu, waarom hij deze volgorde in achl heeft genomen,
61G
Psalm 115 : 11 -li.
zooals wanneer heden len dage iemand eene vermaning richt eersl lol de Kerk in liel algemeen, daarna zicli inzonderheid riclil lot de Dienaren en Leeraren, die de vaandeldragers moeten wezen van de anderen. En omdat nu velen zich ten onrechte met den naam der Kerk versieren , terwijl zij toch niet waardig zijn om lol de wettige kinderen Gods gerekend te worden, noemt hij hen afzonderlijk de reine en ware dienstknechten Gods.
12. Jehovah is onzer gedachtig geweest. Er zijn velen, die het werkwoord zegenen in den verleden lijd nemen, alsol hij de geloovigen opwekte om ^oede hope te hebben, door hun voor te stellen hetgeen zij ervaren hebben in hel verleden, en wel op deze wijze: Wij hebben reeds door eene langdurige ervaring geleerd wal de gunst onzes Gods beteekent, want geen voorspoed, geen overvloed van alle goed, geene vastigheid in onzen staat en toestand was ons deel, ol' wij hebben liet van Hem ontvangen. Want hij gaal uil van hel beginsel, waar ook wij, een iegelijk onzer vast van overtuigd moeten wezen, nl. dal wij nooit voorspoed hebben, en het ons nooit welgaat, ol' God moei ons zegenen. En dewijl nu de kinderen Israëls uit zoo velerlei gevaren waren gered, zoo menigmaal ondersteund waren geworden in hun' nood, met zoo veel vriendelijke milddadigheid waren behandeld, strekte dit alles lot even zoo vele getuigenissen van Gods genade over hen. Dewijl er echter geene enkele reden is, die ons noopl den verleden lijd in plaats van den toekomenden tijd te gebruiken, zal hel zeer goed passen als wij zeggen, dat dezellde zegeningen, die de geloovigen voormaals hebben ondervonden, hun hier worden beloofd. En dun zou de zin wezen: God, gedenkende aan zijn verbond heeft lol nu toe acht op ons geslagen, en daarom zullen zijne zegeningen gelijk van den beginne ook ten einde toe op ons nederdruipen. Nu herhaalt hij wederom dezelfde volgorde, door aan de kinderen Aarons den hoogeren graad van Gods zegen te geven, en er de vermomde Israëlieten van uit te sluiten. De kleinen met de grooten, zegt bij, door deze omstandigheid Gods vaderlijke goedheid nog meer in hel licht stellende, daar Hij ook de geringsten en onaanzien-lijkslen niet veracht, mils zij Hem slechts van ganscher harte om hulp aanroepen. En daar er nu voor God geenerlei aanzien des persoons is, zoo moei onze nederige en geringe slaat geen beletsel voor ons wezen om tol Hem Ie komen, daar Hij toch met zoo vriendelijke goedheid hen lol zich noodigl, die hoegnaamd geene waardigheid ol aanzien hebben. De herhaling van hel werkwoord IIjj zal zegenen wijst op een onalge-
Ã17
Psalm 115 ; 14â15.
broken slrooiii van Gods zegeningen. Indien wij ecliler liever den verleden tijd houden, dan zal de beteekenis wezen, dat de weldaden Gods over diL volk gedurende een' zeer lang tijdsverloop voortgeduurd hebben, hetgeen hun een onmiskenbaar bewijs moet wezen van zijne vaderlijke liefde. Dezelfde beteekenis heelt ook hel volgende vers, waar hij zegt, dal God de weldaden, die Hij hun tol nu loe had bewezen, zal vermenigvuldigen. Want, daar de milddadigheid Gods eene fontein is, die nooit uitgeput kan worden, zal zij ook nooit ophouden te vloeien, zoolang de menschen haren stroom niet stuiten door hunne ondankbaai beid. Hieruit volgt, dat zij ook zal blijven vloeien voor ons nageslacht, omdat God de genade en de vrucht zijner aanneming uitstrekt lol aan duizend geslachten.
15. Gijlieden syt van Jehovah gezegend, enz. In hel vorige vers had de Profeet hun hoop gegeven op altijddurend geluk, omdat God zóó rijk is, dal zijne schallen nooil uitgeput raken, als is hel ook, dal Hij er op de ruimste wijze van mededeelt, en nooil ophoudt hen le veriijken, die Hij eens in zijne milddadigheid heelt doen deelen. Om deze leer nu nog le bevestigen, zegt hij, dat de kinderen Abrahams uil alte volkeren waren uilverkoren, opdat zij in de verzekering van dit voorrecht niel aarzelen om zich aan dien goedertieren en milddadigen Vader gansch en al over te geven. En dewijl nu het vleesch, vanwege de stompzinnigheid, die er aan eigen is, de macht Gods niel begrijpt, waarvan de kennis ons kalm en rustig houdt onder zijne bescherming , noemt du Profeet Hem den Schepper van hemel en aarde om ons le verstaan te geven, dal wij niel behoeven le vreezen, dal Hij ongenoegzaam zou zijn om ons le beschermen; want Hij heelt hemel en aarde niet geschapen om nu maar ledig in den hemel neder te zitten, maar om door zijne macht en heerschappij alles wat Hij eens geschapen heelt ook le onderhouden en le besturen.
1G. De hemelen, de hemeleu zijn van Jehovah; maar de aarde heelt Hij den menschenkinderen gegeven. 17. O God! de dooden zullen U niet prijzen, noch die allen, welke in de stille nedergedaald zijn. IS. Maar wij zullen God loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Halelujah!
Psalm 115 : 10.
IG Da hemelen, dc hemelen. Hier looft de Pro/eel de goedheid Gods en zijne vaderlijke lielde voor hel menschelijk geslacht, daar llij, zeil niels behoevende, toch de wereld inel al hare schatten geschapen heelt ten behoeve en tot gebruik der inenschen. Want, waarom is anders de aarde vervuld van zoo velerlei goederen, die zich overal voordoen aan onze oogen, dan omdat God, als een zorgzaam huisvader in onze behoeften heelt willen voorzien? Even zoovele gemakken en genoegens des levens wij hier dus zien, even zoo vele getuigenissen hebben wij van zijne vaderlijke zoig over ons: ziedaar wal de Proleet heeil willen zeggen, en het verwondert mij zeer, dal vele schiiftverklaardeis dit onopgemerkt hebben gelalen. Wal hij zeggen wil komt dus kortelijk hierop neder, dal God, zich vergenoegende mei zijne heerlijkheid, de aaide verrijkt heelt mei allerlei goed, opdat het den inenschen aan niels zou ontbreken. Nu bewijst hij, dal God niels van al de schatten der aarde van noode heelt, omdat llij in den hemel woont, want gewis! daar groeit wijn noch koren, noch andere benoodigdheden voor hel tegenwoordige leven, waaruil dus volgt, dat God niels buiten zich zeiven behoelt te zoeken. Dal is ook de strekking van de herhaling: De hemelen de hemelen volstaan voor God, en omdat llij geenerlei hulp behoelt, vergenoegt llij zich met zich zeiven als met honderd werelden. Er blijlt ons nog het tweede punt, dat alle de schatten der wereld luide roepen hoe mild een Vader God is voor de inenschen. Aangezien nu de Heilige Geest van deze onwaardeerbare goedheid Gods heelt gesproken, moet men er zich over verbazen, dat men voor deze leer hoegenoemd geen' smaak heelt In het Pausdom zong men, en zingt men ook nog heden ten dage, dezen Psalm in de kerken; maar is er op de honderd wel een, die dit wèl bij zich zeiven heeft overwogen, dut God, terwijl llij ons alle dingen schenkt, zich zeiven niels anders voorbehoudt dan onze dankzegging? En de ondankbaarheid der wereld toont zich niel slechts hierin, maar er zijn booswichten, die zich nog erger le buiten durfden gaan aan eene al te grove en schandelijke godslastering, door dit vers te gebruiken om sarcastisch te beweren, dal God in den hemel zijn gemak en genoegen neemt, maar zich niet bekommert om de dingen der aarde, en er dus geenerlei zorg voor draagt. En terwijl de Profeet liier uitdrukkelijk verklaart, dal deze wereld aan God nergens anders toedient dan om aan de inenschen zijne vaderlijke zorge le loonen, hebben deze zwijnen en honden de woorden van den Profeet in eene spotlemij verkeert, alsof Hij van wege den grooten afstand op de mensdien geen achl slaat. Ik gevoel mij gedrongen om hier
1'sALiM 115 ; 10 â 17.
eene merkwaardige geschiedenis Ie verhalen. Hel gebeurde eens, terwijl wij in eenu herberg ons avondeten gebruikten, dat een lleidensche smader van God begon te spotten met hetgeen wij onder elkander bespraken omtrent de hope des eeuwigen levens, en daarbij herhaaldelijk al spottend uitriep; De hemel, de hemel is des Heeren! Plotseling werd hij door zeer heftige pijnen bevangen en begon te schreeuwen: o God ! o God! En daar hij eene wijde keel had, vervulde hij het gansche vertrek van zijn geschreeuw. Daar ik mij zeer sterk verontwaardigd gevoelde, ging ik hem, naar mijne gewone wijze van doen, bestraffen en zeide hem in mijnquot; toorn, dal hij dan nu ten minste kon bemerken, dat zij, die met God spotten, niet ongestralt blijven. Een van hen, die met ons aanzat, en nu nog in leven is, een braaf en godvreezend man, maar vroolijk en geestig van aard, heeft van die woorden toen op eene andere wijze gebruik gemaakt. Hoe! zeide hij, roept gij thans God aan! Zijt gij uwe wijsbegeerte dan reeds vergeten? Waarom laat gij Hem nu niet rustig in zijn' hemel blijven? En telkenmale als de ander uitriep: o God! spotte hij met hem, en voegde hem toe: Waar blijft gij nu met uw; De hemelen, de hemelen zijn des HeerenV Voor het oogenblik kreeg deze lasteraar verlichting van zijne krankheid, maar het overige van zijn leven heelt hij toch in zijne vorige onreinheid doorgebracht
17. De dooden zullen U niet prijzen. De Profeet gaat nu verder en bidt God, dat Hij zich goedertieren zal betoonen jegens zijne Kerk, al was hel slechts hierom, dat het menschdom niet gansch en al uitgeroeid zal worden, en dat er nog eenigen zijn, die niet slechts van zijne weldaden genieten, maar ook zijn naam aanroepen en Hem loven. Want nadat de Proleet eerst de bijzondere genade van God jegens de kinderen Israëis, en daarna zijne weldadigheid jegens hel geheele menschelijk geslacht had geloofd, neemt hij nu de toevlucht tot Gods barmhartigheid om de zonde zijns volks te vergeven. En hij gaat uit van deze stelling, dat, terwijl de Heidenen zich baden in de weldaden Gods, er zich als het ware door laten overstorten, is lochalleen hel geslacht Abrahams verkoren om den lol Gods te zingen; alsol hij zeide: Heere, wal zal hel zijn, indien gij ons laat omkomen? Zal hel dan niet wezen dat ook uw naam zal sterven en met ons zal worden begraven? Maar hier doel zich eene vraag voor, omdat hij den dooden alle gevoel schijnt te ontzeggen, terwijl toch, indien de ziel, nadat zij van het lichaam gescheiden is, nog leeft, haar leven voorzeker nog zooveel te krachtiger
Psalm 115 : 17â18.
is, wnnniil ilus voli^l, iliil God ook door de doodon wordt geprezen. Rn behalve dal nop;: als hij aan den inensch alleen de aarde als woonplaats toewijst, scheidt hij hem zoo zeer af van God, dat hij hem niets dan het leven, dal hij mei de dieren aemeen heefl , overiii' laai. Wanl de aarde is niet oreaeven aan den mensch alleen, maar ook evenzeer aan ossen en zwijnen, aan honden, leeuwen en beren, ja zelfs aan allerlei soort van ongedierte, want er is vlieg noch luis, waaraan de aarde geene woonplaats hielt. De oplossing van hel eerste vraagstuk is gemakkelijk genoeg, want de aarde is aan de menschen ter woonstede gegeven, opdat Gods lol onder hen zou vveeiklinken, als van uit één enkelen mond. He Profeet had het oog op deze harmonie â en de Schrill spreekt hiervan nog op vele andere plaatsen â als hij zeide: Ik zal niet sterven, maar leven, en ik zal de werken des lieeren vertellen (Ps. 118:17). De godvruchtige koning llizkia heelt evenzoo gezegd: De levende, de levende, die zal U loven (.les. .'W : 19). Ook .lona heeft in den buik van den walvisch gezegd: Ik zal offeren, en den lleere mijne geloften betalen (.lona : 0). Kortom, dewijl het doel onzes levens is Gods eer en heerlijkheid te verkondigen op de aarde, en er zoodanige gemeenschap niet is onder de dooden, om onder elkander den lof Gods te zingen, is het terecht, dat de Profeet hun het vermogen van God te loven ontneemt. Hiervan hangt de oplossing ook af van het tweede vraagstuk. De Profeet zegt, dat de aarde aan de menschen is gegeven, ten einde er zich te oefenen in den dienst van God, totdat zij in het bezit en het genot komen van hunne eeuwige gelukzaligheid. Want hoewel de schatten der aarde ook aan hel redelooze vee toehe-hooren , verklaart toch de Heilige Geest, dat alle dingen geschapen zijn tot gebruik van den mensch, opdat zij daardoor God als hun' Vader zullen erkennen. Eindelijk komt de Profeet tot het besluit, dat, zoo God zijne Kerk niet bewaart, de gansche orde dei' natuur omgekeerd zal wezen, want de schepping der wereld zal onnut zijn, indien er geen volk is, dat God aanroept. Hieruit maakt hij op, dal er altijd een overblijfsel in wezen zal blijven. Kn niet slechts belooft hij, dat de Kerk bewaard zal blijven, maar bij vermaant ook tot dankbaarheid, die aldus bewaard gebleven zullen zijn, ja meer, bij verbindt zich in naam van die allen om Gods lol te zingen. En hij spreekt niet van de menschen van slechts eene eeuw, maar van geheel bel lichaam der Kerk, hetwelk God van eeuw tot eeuw doet voortleven, opdat Hij altijd getuigen en verkondigers zal hebben van zijne gerechtigheid, uoedheid en barmhartigheid.
PsAt.M 116 : 1.
PSAl.M 11(3.
IXHOl'D: David, verlost zijnde uit zeer grootegevaren, verhaalt wat zware kwelling en benauwdheid des geestes hij had te verduren, maar tevens, hoe wonderlijk hij door God is bewaard geworden. Want juist in zijn' wanhopigen toestand is de kracht Gods des te blinkender uitgekomen door zijne verlossing, daar alle hoop voor hem was afgesneden, indien God hem niet te hulp kwam. Hierdoor wekt hij zich zeiven op tot dankzegging, en belijdt hij, dat hij op geene andere wijze de tallooze weldaden zou kunnen vergelden, die hij heeft ontvangen.
1. Tk hel) liefgehad, want Jehovah zal de stem mijns gebeds verhooven. 2. Omdat Hij zijn oor tot mij geneigd heeft, en ik zal Hem in mijne dagen aanroepen. 3. De strikken des doods hebben mij omgeven, en de angsten der hel hebben mij aangetroffen; ik vond benauwdheid en smart. 4. En ik zal den naam van Jehovah aanroepen; Heere, ik smeek U, bevrijd mijne ziel!
1. Ik heb lief gehad. David betuigt hier reeds bij don aanvang, dal bij door bel liefelijke van de goedheid des lieeren aangelokt was, om zicb op Hem alleen le verlaten. Want deze onvolkomene wijze van spreken, waardoor bij te kennen geelt, dal bij nooit andei's dan in God blijdscbap of rust gekend beell, is kracbliger van uitdrukking. Wij weten, dal onze ziel, voordat God baar ganscb aan zicb verbonden beefl, allijd naar ijdele verlokselen zal uitgaan, en door onrust beroerd wordt. David verklaart, dal deze krankbeid in hem genezen is, omdat hij in waarheid gevoeld heelt, dal God bem genadig is geweest, bn daar bij nu ervaren beefl, dal allen, die God aanroepen, over bel algemeen gelukkig zijn, verklaart bij dat hij door geenerlei genot of verlustiging van Hem gescheiden zal worden. Als bij dus zegt; Jk heh liefgehad, beleekent dit zooveel alsof bij zeide, dal niets buiten God bem behaagde of aangenaam was. Hieruit leiden wij al,
G-2-2
Psalm 116 : 1â/»â¢.
(lui, zij, die door God verhoord zijn geworden, en zich niel onder zijne iioede en bescherming stellen , van de ervaring van Gods genade zeer slecht hebben geprofiteerd liet tweede vers heelt dezellde strekking, behalve dat uit het tweede gedeelte nolt;; eene zeer gepaste beteekenis is al' te leiden, waarvan de uitleggers geenerlei melding maken. Want, dat hij ze^t: Ik zal aanroepen in mijne dacjen wordt door allen zonder onderscheid aldus verklaard: daar ik er voormaals zoo wèl bij gevaren ben God Ie hebben gebeden, zal ik al de dagen mijns levens hiermede voortgaan. Men behoort echter eens te onderzoeken ol die dagen van David ook niet genomen kunnen worden voor den geschiklen lijd om hulp te zoeken, te weten, wanneer angst en benauwdheden hem beklemmen. Ook laat ik mij niel ophouden door den toekomenden tijd van het werkwoord elcra, zal aanroepen-, want er is hoegenaamd niet aan te twijfelen dat het werkwoord verhooren in het eerste vers in den verleden lijd bedoeld is. en dan moet hel voegwoord en in hel bijwoord van lijd alsdan verkeerd worden, helgeen bij de Hebreen zeer gebruikelijk is. De tekst zal dan zeer goed vloeien wanneer men leest; Omdat lüj zijn oor tot mij geneigd heefl ten tijde van mijn'tegenspoed, en zells in een oogenblik van zeer grooten nood. Indien de eerste uitlegging iemand meer behaagt, dan zal ik hem niet bestrijden Evenwel, hetgeen volgt schijnt voor de tweede uitlegging te pleiten, omdat David bij wijze van verklaring nu verhaalt, welke die dagen geweest zijn. Overigens, om de heerlijkheid Gods groot Ie maken naar zij dit verdient, zegt hij, dat er nergens uitkomst voor hem was legen den dood, zooals wanneer iemand, die in het midden zijner vijanden aan handen en voeten gebonden nederligt, alle hoop op redding heeft verloren. Hij belijdt dus, dat hij aan den dood overgeleverd was, en dat hij zóó overvallen en vastgebonden was, dat hern geene mogelijkheid Ier ontkoming overbleef. En gelijk hij zegt, dat hij door de angsten des doods was omkneld, zoo voegt hij er ook bij, dat hij zich in benauwdheid en smart had bevonden. Nu bevestigt hij hier wat hij vroeger gezegd beeft, nl. dat toen het scheen, alsof hij door God was verworpen, dit voor hem de beste en meest gelegene lijd was om Ie bidden.
5. Jehovah is genadig en rechtvaardig, eu onze God is ontfermende, ü. Jehovah bewaart de eenvondigeu, ik was uitgeteerd, eu Hij heeft mij verlost. 7. Mijne
Psalm 116 : 5.
ziel! keev weder tot uwe ruste, wat Jehovah heeft over u vergolden. 8. Omdat Gij mijne ziel verlost helgt;t van den dood, mijne oogen van tranen, en mijn' voet van struikelen. 9. Ik zal wandelen in het land der levenden voor het aangezicht van Jehovah.
C). Jehovah is (jenadüj. Nu loonl liij de viuchlcn van dal lieflicbbcn, waarvan liij liad gesproken, door zich tie lolVolijke benamingen van God voor ie stellen die gescbikl waren oin zijn geloof Ie ondersteunen Hij noeml Hem in de eerste plaats (jenadüj, omdat Hij gaarne bereid is uit vrije genade hulp Ie verleenen. Hieruit vloeit zijne rechtvaardigheid voort, welke Hij tentoonspreidt om de zijnen Ie beschermen. Daarna voegt hij er de barmharligheid bij, zonder welke wij niet waardig zouden zijn, dat God ons helpt. En omdat de beproevingen, die ons treffen, dikwijls de poort schijnt te sluiten voor de gerechtigheid, volgt hieruit, dat niets heter is dan zicli geheel op Hem te verlaten, opdat al onze gedachten gevestigd blijven op zijne vaderlijke gunst, en er geen genot of geneugte is, dat ons tot iets anders heen kan lokken. Daarna past hij het gebruik van de goedertierenheid en weldadigheid toe op de lewariuy der eenvoudigen, dat is van de zoodanigen, die van allen raad ontbloot zijnde, niet voor zich zeiven zouden welen te zorgen. Het. Hebreeuwsche woord pesa'im, dat wij vertaald hebben dooi' eenvoudigen, wordt dikwijls in slechten zin genomen, zoodat er mede bedoeld worden menschen, die onnadenkend en dwaas zijn en naar geen goeden raad willen luisteren; maar hier, aan deze plaats, worden diegenen eenvoudigen genoemd, die blootgesteld zijn aan onrechtvaardige behandeling, en niet schrander genoeg zijn om de strikken, die men hun spant, Ie ontwijken, en zich ten slotte zeer gemakkelijk laten verstrikken, tei wijl de kinderen dezer wereld beiden uitmunten in slim overleg en gewapend zijn met macht om zich te verdedigen. David belijdt al/.oo, dat hij als een kind is geweest, dat geene orde kon stellen op zijne zaken en onmachtig was om aan de gevaren, die hem bedreigden, hel hoold Ie bieden. Daarom heeft de Grieksche vertaler het Hebreeuwsche woord niet slecht overeezet door Kinderhens. Waar dit. nu op neerkomt is, dat wanneer deze arme ellendigen geen versland hebben en geen middel om te ontkomen, God hunne wijsheid is, en het verborgen schild zijner voorzienigheid plaatst lusschen hen en alle gevaren, waardoor hun heil bedreigd wordt.
Psalm i 10 . 0â8.
Eindelijk geefl David hel voorbeeld hiervan in zijn eigen persoon, daar hij lol het uiterste van ellende gekomen zijnde, dooi' Gods gunst en genade in zijn' vorigen slaat hersteld is geworden.
7. Mijne ziel. Thans wekt hij zich zeiven op om moed Ie scheppen, ol liever: sprekende tol zijne eigene ziel, heveell hij haar kalm en rustig Ie zijn, omdat God zicii genadig heelt betoond. Sommige uitleggers achten, dat met hel woord liunte God zeil bedoeld is, maar die verklaring is gewrongen, want het woord moei veeleer genomen worden voor eene kalme, bedaarde gemoedsgesteldheid. Want David erkent, dat hij zeer verbaasd en ontroerd is geweest door allerlei wederwaardigheden, gelijk een iegelijk onzer wèl weet in welken slaat van oniusl men verkeert, als de verschrikkingen des doods ons van alle kanten omringen. Hoewel David dus met eene zeldzame geesl-kracht was begaafd, is hij toch door zijne grootu doelbeid in benauwdheid en onrust geweest, en die inwendige schudding heell eene zoodanige beroering bij hem teweeggebracht, dal hij met volle recht klaagt van zijne rust berooid te zijn geweest. 1 hans zegl hij, dat de genade Gods volstaat om die onrust Ie doen bedaren. PSu vraagt men zich echter al ol de ervarinu van
D
Gods genade alleen reeds in ^laal is, om alle vreeze en verschrikking in ons hart tol bedaren te brengen, dewijl David zegl, dat hij van nu voorlaan kalm en rustig zal zijn, omdat hij door Gods hulp verlichting had gevonden. Indien nu de geloovigen op geene andere wijze hunne rust herkrijgen dan doordal God zich betoont als hun Bevrijder, waar is dan plaats voor het gelool? Kn waarin zal dan de kracht beslaan der beloften? Want ongetwijfeld is dit het echte blijk van gelool, als wij vreedzaam en zwijgend de teekenen van Gods gunst verbeiden, die Hij voor ons verbergt. Het gelool nu zal overal, waar het bloeil en krachtig is, aan de conscienlie rust geven en kalmte brengen in het hart, opdat de vrede Gods, die alle verstand Ie boven gaal, er de overwinning behale, gelijk de apostel Paulus spieekt in l'ilipensen -4: 7. Daarom zullen de godvruchligen, ook wanneer de gansche wereld ontroerd en bewogen is, allijd in hun' slaat en loesland blijven volharden. Wat beleekenl dus dit weder-keeren tol zijne ruste? Ik antwoord, dat de kinderen Gods hoewel zij op en neder worden bewogen, toch allijd hun steunpunt hebben in hel Woord Gods, zoodal zij niel ganschelijk vallen. Overigens, hoewel zij in het gelool op Gods beloften, zich loeverllouwen aan zijne voorzienigheid, worden zij toch door velerlei onrusl bewogen, en door de slormen der verzoeking
Psalm 110 : 8â9.
geluisterd. Maar als God Imlp verleent, zal de inwendige vrede niet slechts hunne harten bewaren, maar zij hebben ook blijdschap en vreugde van wege zijne aan hen betoonde genade.
David handelt nu over deze tweede soort van rust, zeggende, .
dal hoewel benauwdheid en angst voor een' tijd de overhand over hem hebben gehad, het nu toch lijd is om zich vredig in God te verlustigen. Hel llebreeuwsche werkwoord Gamal is verkeerd overgezet door Vergelden, aangezien hel in hel algemeen beleekent wéldoen, zoowel als beloonen, hetgeen hij bevestigt in hel volgende vers, zeggende, dal zijne ziel verlost is geworden, enz Ziedaar dus wat (bij wijze van spreken) die vergelding is,
nl. dat God door hem te redden van den dood, de tranen van zijne oogen heelt afgewischt. Nu is de oide dezei wooiden omgekeerd, want, naar onze wijze van spreken, zou hij veeleer hebben moeten zeggen: Hij heeft mijne voelen bewaard voor struikelen, mijne oogen voor tranen, en zelfs heelt Hij mijne ziel gered van den dood; want w ij zijn gewoon hetgeen hel voornaamste is in de laatste plaats te noemen Maar die volgorde der woorden is voor de Hebreen volstrekt niet ongelijmd, *.n zij moeten aldus verklaard worden; God heelt mij niet slechts van den dood gered, maar Hij heeft mij nog meer goeder- }
tierenheid beloond door alle droefheid van mij weg te nemen en mij de hand le reiken, opdat ik niel zou vallen. Want hel is eene uitbreiding van Gods genade, waarmede Hij hem, toen hij zoo goed als dood was, lot hel leven heeft teruggeroepen.
'J. Ik sal icandelen. Ik acht, dal wandelen met God hier zoo veel beleekent als zich onder zijne hoede en zorg le bevinden.
Daarom koestert David de hoop dal hij altijd veilig en welbewaaid zal wezen Want er is niets dal meer begeerenswaardig is, dan dat God de wacht over ons houdt, zoodat ons leven besloten is onder zijne bescherming. Terwijl dus de boozen zich dan slechts veilig wanen als zij ver van God zijn, zoo achten de Godvruchligen zich gelukkig als God hen leidt en bestuurt hun leven lang.
David zegt dus, dat hij zal leven, omdat God de Hoeder is van zijn leven. Want, hetgeen hij er later bijvoegt; In het land der levenden is om aan le tooncn, dal hel met ons gedaan zou zijn,
en dal wij ons schier ieder oogenhlik in nieuwe gevaren zouden |
bevinden, indien Hij ons zou vergelen.
10. Ik heb geloofd, want ik zal spreken: ik ben
Psalm 116 : 10.
zeer bedrukt, 11. In mijne vreeze heb ik gezegd: Alle meuschen zijn leugenaars.
10. Ik hel) (jeloofd. Wederom veiiiaall liij, len einde hel wonder der verlossing des Ic meer lo doen uiiblinken, in hoe groot gevaar hij zicli heefl bevonden. Eerst echter verklaart hij in ware oprechtheid des harten te spreken, en dal er niets uil zijn mond zal gaan, dal hij niet lang te voren wel overdacht heelt. Want zie hier de beleekenis van dezen volzin: Ik heh (jeloofd, wat ik zal sjireken, te welen: dal de woorden uit eene vurige genegenheid des harten voortkomen. Paulus, deze Schriltunr-plaats aanhalende in i Cor. 4:18, volgt de Grieksche vertaling: Ik heb gelooid, en daarom heb ik gesproken. Maai1 gelijk ik hij eene andere gelegenheid reeds gezegd heb, liet was du bedoeling niet. van de Apostelen om bij hunne aanhalingen uil de Schiiil zich strikt aan elke letter of lettergreep te houden, en /.oo moet het ons genoeg zijn dal de woorden van David in hunne natuurlijke beleekenis toegepast worden op de zaak, die hij aldaar behandell. Want nadat hij dc Corinthiërs als van ter zijde berispt had, omdat zij zich gedroegen, als ol /ij van hel gewone lot der menscben vrijgesteld waren, en zich daarom lol boven de wolken verhieven, zegt hij: Ik heb gelooid, en daarom heb ik gesproken: Hij, die Christus eenmaal opgewekt heeft van de dooden, zal het leven van Chrislus lot ons uitstrekken; dal is: Ik gelooi, en daarom spreek ik. Hieruit leidt hij al', dal de Corinthiërs zich door dwazen hoogmoed hebben opgeblazen, omdat zij het kruis van Christus niet in allen ootmoed aannamen, aangezien het hun betaamde in denzelfden geesl des gelools te spreken als hij. Hoewel nu sommige llebreeuvvsche Schriftuitleggers het woord Ki nemen in de beleekenis van En daarom, is toch de meest juiste beleekenis, en die ook dooi' de gelcerdsten is aangenomen, deze: Ik zal niels anders zeggen dan hetgeen ik in mijn hart heb gedacht. Want de omslamligheid der plaals eischl, dal heigeen uitwendig door de taal wordt uilgedrukl, in overeenstemming is met heigeen men in hel hart gewaar wordt, omdat velen met lichtzinnigheid spreken hetgeen zij nooit in hun hart hebben gevoeld. Alsof hij zeide: niemand denke, dal ik dwaze hyperbolen, d. i. overdreven denkbeelden, uitspreek, want wat ik zeg heh ik waarlijk geloofd. Hieruit kan men de nuttige leer alleiden, dal hel geloof niet dood in ons harl verborgen kan blijven , maar dat hel zich naar builen moei openbaren. Want de Heilige Geest verbindt hier als met een' heiligen band
027
Psalm 116 : 10 â 11.
liet geloot des harten aan ile uitwendige belijdenis. Wal nu God te zamen gevoegd heelt, scheide de mcnsch niet. Daarom is het een bederven en vervalschen van geheel het Woord Gods. als men door Ie veinzen het geloof in duisternis begraalt Maar laat ons hieibij wel in gedachten houden, dat de orde, die door David hiei wordt gevolgd, van de kinderen Gods wordt geëischl; en die orde is, dat zij gelooven, vóórdat zij met hunne long belijden. Voor hel overige handelt hij, gelijk ik reeds gezegd heb, over de grootheid van hel gevaar, waarin hij zich bevond, ten einde de hulp, die hem gezonden was, nog Ie meer te verheerlijken.
11. In mijne vreeze heh ik gezegd. Sommigen nemen hel llebreeuwsche woord chapaz voor haast, ol vlucht, en verklaren het zoo, dal David aldus gesproken heelt, toen hij in allerijl voor het aangezicht van Saul is gevlucht. Omdat hel woord echter in overdrachtelijken zin ook vreeze beteekent, twijfel ik niet ol David verhaalt hier, dal hij verslagen was van hart, zoodal hij op het punt was van neer te stoilen. Ten opzichte van het tweede gedeelte van het vers zijn de uitleggers hel niet eens. Sommigen denken, dal David hier belijdt, dat hij getwijfeld heeft aan de belofte, die hem door den Proleet Samuël gedaan was.
Wèl was hij een alleszins bevoegd getuige, dewijl David zich echter
verjaagd zag uit zijn land, en van uur lot uur door duizend dooden was omgeven, kan hij door deze verzoeking wel aangevallen en overrompeld zijn geworden, dal hij te vergeefs en zonder reden door Samuël gezalfd was geworden Naar hunne meening zal de zin dus wezen: hel heelt weinig gescheeld, ol ik ware in mijne vlucht volkomen gevallen, en de belofte, die mij was gegeven, ware verdwenen, ja meer, ik heb gedacht, dat ik mij door eene ijdele hoop had laten bedriegen. Anderen zien er echter juist hel tegenovergestelde in, nl. dat David de verzoeking le boven was gekomen, en dat hij, toen Satan hem listiglijk lot wanhoop wilde verleiden, zich zeiven terstond betrall heeft en aan zijn ongelool den pas heeft algesneden, op deze wijze: Wal doet gij, ongelukkige? Waar gaal gij heen? Durft gij als van terzijde aan God leugen toeschrijven? Integendeel! Hij zij waarachtig, en gij ijdel, leugenachtig en ontrouw! Wal mij betreft, illt; acht, dal deze leer meer algemeen van toepassing is, nl. dal David zich niet terstond deze Profetie heeft voorgesteld; maar verbijsterd zijnde in zijn gemoed, heeft hij zich onbedacht in de strikken van Satan laten vangen, zoodat hij van niets zekerheid had. Want, hoewel de geloovigen dikwijls wankelen
028
Psalm 116 ; 11.
en Salun lien in dikke duislernis hull, zoodal hel Woord Gods seliier uil luinne oogen verdwijnl, zoo lalen zij zicii locli niel afbrengen van liun (ondament, en bescliuldigen God niel van leugen, maar houden hunne booze gedaciilen in bedwang. En voorzeker, daar dil werkwoord zeygen in hel llebreeuwsch eene gevestigde overluiging beleekent, zooals wanneer wij in hel Fransch zeggen; J' ai condu, ou résolu, heelï deze verzoeking Davids geiiioed niel zoo kunnen Ireffen, of hij is haar lerstond te boven gekomen. Er blijft dus over, wal ik gezegd heb, nl. dat Davids gedachten als het ware verward en beneveld waren, zoodat hij op dit oogenblik God uit het gezicht verloor. Want, hoewei de geloovigen niet moedwillig twisten en de vraag opwerpen of' God wel waarachtig is, en deze verfoeielijke Godslastering niel bewust in hun hart toelaten, maar haar veeleer telkenmale als zij bij hen opkomt, afwijzen en verfoeien, zoo zal het evenwel soms kunnen gebeuren, dal zij zóó ontroerd en verbijsterd zijn, dal zij niels anders dan ijdelheid en leugen rondom zich zien. In zoodanigen geestestoestand bevond zich David, toen hij in zijne vreeze zóó in verwarring was gebracht, alsof hem door dichte, ondoordringbare nevelen de mogelijkheid was benomen om hel lichl te zien. Er is nergens zekerheid of vastigheid. Wat zal ik gelooven? Op wien zal ik hopen? Tol wien de toevlucht nemen? Evenzoo redeneeren de geloovigen dikwijls bij zich zeiven en komen lot het besluit dal er geene zekerheid of vaslig-heid is onder de menschen. want zij hebben een' sluier voor hunne oogen, die hun belet het lichl Gods te zien. Daarom kruipen zij dan rond op de aarde, loldat zij opgeheven zijnde tot boven de hemelen, wederom beginnen de waarheid Gods te zien. Davids bedoeling was (gelijk ik reeds tevoren heb aangeduid) de genade Gods op allerlei wijzen te verheerlijken. Daarom ei kent hij, als hij van zijne verzoekingen spreekt, dal hij hel niet waardig was, dal God hem le hulp kwam. Want, hij had moeten nadenken, zoodat hij, steunende op de Profetie, zicli bovenalle mistrouwen had kunnen verheflen. Hij zegt, dal hij dit niet gedaan heelt, omdat zijne gedachten verward zijnde, hij niets dan ijdelheid rondom zich zag. Indien hij nu op zoo schrikkelijke wijze geschokt was en aan het wankelen werd gebracht, hoe zal het dan met ons wezen, indien God ons niet sleunt en terughoudt? Dil heelt echter volstrekt niel deze strekking, dat de geloovigen in twijfel en onzekerheid verkeerende, in dien toestand nu maar moeten berusten, maar wél, dal zij met des te grooter ijver God zullen aanroepen. Zoo laat ons dan waken en oplettend zijn om te strijden, want deze worstelingen zijn ongelooflijk, totdal
Psalm 110 : 11 â li.
wij wezenlijk den sli ijd hebben aangebonden. Wij moeien eebler ook wè! in gedaeblen houden, dal deze beroering van Davids gemoed slechts een oogenblik geduurd heeiï, nl. loen de herinnering aan de Profetie niel meer levendig in hem was, en hij daarom door twijfel heen en weder werd geslingerd.
12. Wat zal ik Jehovah vergelden ? Alle zijne weldaden zijn over my. 13. Ik zal den beker der verlossing opnemen, en den naam van Jehovah aanroepen. 11. Mijne geloften zal ik aan Jehovah betalen, nn, in de tegenwoordigheid van al zijn volk.
12. Wa( zal ik Jehovah vergelden ? In de opgetogenheid zijner bewondering roept hij nu, dat hij zóó overstelpt is door de menigte van Gods weldaden, dal hij onbekwaam en onmachtig is om er Hem naar behooren voor te danken. Want door den vragenden vorm te gebruiken, waardoor hij aantoont, dat hij er wel den wil toe heeft, maar niel de macht, wordt aan zijne woorden groote kracht bijgezet. Aangezien bij dus erkent onmachtig te zijn om te betalen, neemt hij de toevlucht tol het geen hem rest, te welen, dal hij de genade Gods uil alle macht zal loven en verheerlijken. Ik zou (zegt hij) mij wel gaarne van mijne verplichtingen kwijten, maar als ik overal rondgezien heb, vind ik nergens iets dat eene geschikte of betamelijke ververgelding zou kunnen wezen. Aangaande de woorden : Sommigen nemen de uitdrukking Over mij, also! David zeide, dal de gedachtenis der weldaden, die hij van God heeft ontvangen, diep in zijn hart was gegrift. Anderen lasscben hel woord Voor in, gelijk ook de Grieksche vertaler gedaan heeft, liet is echter beter hel afscheidingsleeken achter den naam Jehovah te plaatsen. Want na beleden te hebben, dat hij niel bij machte is Gode te vergelden, of dat hij niets vindt, waarmede hij Hem zou kunnen beloonen, voegl hij er te gelijk lot bevestiging bij, dat hij Hem niet slechts verplicht is voor ééne soort van weldaden, maar voor een oneindig aantal, alsof hij zeide: daar er geenerlei soort van weldaden is, waardoor God mij niel aan zich verplicht heeft, hoe zou het dan in mijn vermogen wezen ze Hem te vergelden? Dewijl dus alle belooningen ongenoegzaam zijn, neemt hij de toevlucht tot dankzegging, en met deze vergelding acht God zich genoegzaam voldaan. Nu worden wij door dit voorbeeld
JAsalm 110 ; 12âlo.
vuil David vmnaand om de weldaden Gods niet licht te achten of er niet met oppervlakkigheid aan te denken, omdat wij, als wij ze naar waarde schatten, door de bloole gedachte er aan in bewondering als weg zullen zinken Want er is niemand onder ons, die niet als overladen is door eene wondervolle menigte van Gods weldaden; maar onze ijdelheid, die ons versland in allerlei buitensporige bespiegelingen doet afdwalen, maakt dal deze leer in vergetelheid bij ons geraakt, ofschoon zij een voortdurend onderwerp van nadenken voor ons behoorde te wezen. En Gods milddadigheid jegens ons verdient zoo veel te meer lof, wijl zij geene vergelding van ons verwacht, gelijk Hij dan ook niets van ons kan aannemen, want Ilij heeft niets van noode, terwijl wij arm en nooddruftig zijn en overal gebrek aan hebben.
13. Ik zal den beleer der verlossing opnemen. Hij zinspeelt op eene gewoonte, die onder de wet gebruikelijk was. Want bij plechtige dankzegging aan God, hield men ook een' maaltijd, waarbij dan ten teeken van blijdschap heilige drankoffers gebracht werden. En dewijl dit nu ten teeken was van hunne bevrijding noemt hij hem den Beleer der verlossing. En het werkwoord Aanroepen beteekent den naam Gods groot te maken. Dit wordt terstond daarna nog duidelijker door hem uitgedrukt, waar hij zegt: dat hij zyne geloften zal betalen in de tegenwoordigheid der geloovigen, omdat het niet wettig of geoorloofd was elders dan in het Heiligdom te offeren. Ziehier in korte woorden wat hij wil; De geloovigen behoeven zich niet af te tobben met pogingen om hunne schuld af te doen, want üod vraagt geene voldoening, die Hij wel weet, dat zij niet hebben te geven, en zoo is Hij dan te vreden met eene bloot eenvoudige dankzegging. Want de wettige betaling bestaat hierin, dat wij erkennen en belijden Hem alles verschuldigd te zijn. Indien God nu zoo goed en vriendelijk voor ons is, dan zal onze traagheid zoo veel te meer afschuwelijk zijn, ais wij Hem den lof niet brengen, dien Hij van ons eischt. En voorzeker zijn diegenen wel onwaardig om â ik zeg niet van de schatten der wereld, maar van het licht der zon te genieten en van den adem des levens, die hun' Maker ook van dit kleine en geringe recht willen berooven. En hoewel nu de ceremoniën der Wet niet meer in gebruik zijn, en dus ook de uitwendige plechtigheid, waarvan David hier spreekt, heeft opgehouden, zoo is toch de geestelijke dienst, waarvan wij in Psalm 511:23 lezen: Het offer des lofs zal Mij eeren, nog altijd van kracht. Intusschen moeten wij ons herinneren, dal God wettig door ons geprezen wordt, zoo wij Hem niet slechts
Psalm I KI ; 13â14.
hel oiïer brengen v:in onze tong, maar van ons zeiven; niet alsof daaruit eenigerlei nut of voordeel voor God uit zou voortvloeien, maar omdat het redelijk en betamelijk is, dal onze dankbaarheid zicli op die wijze openbaart.
14. Mijne yeloften zal tic aan .Jehovah hetalen. Daar bij deze geloften gedaan beeft te midden van bet gevaar, blinkt bierin zijne standvastige godsvrucht uit. Thans bewijst bij, dal bij deze geloften niet heeft vergeten, gelijk dit met velen het geval is, die onder den druk van Gods hand, voor een'korten tijd God om hulp aanroepen, maar de gedachtenis aan hel heil, dat zij hebben ontvangen, terstond in vergetelheid begraven. Maar de Heilige Geest heeft, van de ware aanbidding Gods sprekende, niet zonder reden deze twee deelen in onafscheidelijke eenheid saamverbonden: Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en nadat gij verlost zult zijn, zult gij mij eeren (Psalm 50 : 15). Indien iemand bet ongerijmd acht, dat de geloovigen eene soort van verdrag aangaan met God door geloften te doen ten einde gunst bij Hem te verwerven, zoo antwoord ik dal zij Hem geen offer des lofs beloven, ten einde Hem door hunne vleierij tevreden te stellen, alsof Hij een' sterfelijken mensch gelijk ware, of door Hem aan zich te verplichten door het uitzicht op loon, want een weinig te voren beeft David betuigd, dat hij geenerlei belooning brengt. Het doel en bet gebruik der geloften is dus in de eerste plaats, om de kinderen Gods in bun hart de hoop te doen bezegelen van te zullen verkrijgen wat zij wenschen, en vervolgens om bun tot eene sterkere aansporing te dienen lot dankzegging. Want voorzeker is aan de kinderen Gods de vrijheid gegeven om geloften te doen, ten einde bun verlichting te schenken in hunne zwakheid, opdat hierdoor de goedertieren Vader zich tot ben zal nederbuigen, en hun zal veroorloven op zulk eene gemeenzame wijze met Hem te handelen, mits hunne geloften ten doel hebben hetgeen ik reeds heb aangeduid. Hoe dit zij: zonder zijn verlof moei nieis ondernomen worden. En daarom zijn de Papisten des te meer bespottelijk, als zij onder dit voorwendsel allerlei soort van geloften verdedigen, hoe zot en ongerijmd zij overigens ook mogen wezen, alsof dronkenschap ons ware geoorloofd, omdat God ons de vrijheid geeft om spijs en drank te gebruiken.
15. Kostelijk is in de oogen van Jehovah de dood zijner zachtmoedigen. 1G. O Jehovah, zekerlijk ik
Psalm llü ; 15.
ben uw knecht, ik ben uw knecht, een zoon uwer dienstmaagd; Gij hebt mijne banden losgemaakt. 17. Ik zal U offeren eene offerande van dankzegging, en den naam van Jehovah aanroepen. 18. Ik zal mijne geloften aan Jehovah betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al zijn volk. 19. Tn de voorhoven van het huis van Jehovah, in het midden van u, o Jeruzalem! Halelujah!
15. Kostelijk is tn de ootjen van Jehovah de dood zijner qunst-(jenooten. Thans komt hij lol de idgemeene leerstelling, dat God zorg draagt voor de godvruchtigen len einde hen te helpen in hunquot; lijd van nood, omdat hun leven Hem dierbaar is. Met dil schild lieert hij zich willen dekken tegenover de verschrikkingen van den dood, die hem dikwijls aangrepen, zoodat hij met ieder oogenhlik dacht verslonden te worden. Want, als wij aldus in gevaar zijn, en het schijnt alsol God er geen acht op slaal, dan koesleren wij terstond de tneening, dal wij als arme slaven worden geminacht, en dat er op ons leven geen prijs wordt gesteld. Nu welen wij, dal de hoozen, als zij ons van alle hulp onthlool zien, zich des te stoutmoediger legen ons verheffen, alsol men zich om ons leven ol' om onzen dood hoegenaamd niet bekommerde. Tegenover hunne booze neigingen en moedwil steil David dus dezen volzin, dat God zijne dienstknechten niet zoo geringachl, om hen zoo maar aan doodsgevaar bloot te stellen. Al is hel dan ook, dal wij voor een' tijd blool-gesleld zijn aan de ongunsl van liel lot en de kwaadwilligheid der menschen, zoo kunnen wij loch altijd eene slerke vertroosting ontleenen aan hel denkbeeld, dal God in hel einde toch loonen zal hoe dierbaar ilem onze ziel is. En wanneer heden len dage zoo veel onschuldig bloed wordt vergoten, en de boozen zich woedend verheffen en roemen, alsol zij God hadden overwonnen en nu hun' triomf over Hem vieren, zoo laat ons vasthouden aan deze leer, dat de dood der geloovigen, die door de menschen als niets wordt geacht, ja als smadelijk door hen wordt beschouwd, kostelijk is in de oogen van God, zoodat Hij zelfs na hunquot; dood nog zijne hand tol hen uitstrekt endoor schrikkelijke voorbeelden loonl hoe diep een' afschuw Hij heelt van de wreedheid van hen, die de goeden en eenvoudigen ten onrechte kwellen cn vervolgen. Want, indien Hij hunne tranen
Ã33
I'sAtM 110 ; 15 â 10.
lelt cn ze bewaart in zijne tlesch (Psalm 50 : 9), hoe zou Hij liet dan verooi loven, dal hun bloed verdwijnt? Daarom zal de profetie van Jesaja ter bestemder tijd vervuld worden, dat de aarde iiaar bloed zal ontdekken (Jesaja 20: 21) En voorts: ten einde plaats te geven aan Gods genade, zoo laten wij ons bekleeden met den geesl der zachtmoedigheid, gelijk de Profeet door de geloovigen zachtmoedigen te noemen, hun leert om kalm en vreedzaam hun' nek te krommen om den last van het kiuis te dragen, opdat zij hunne zielen bezitten in hunne lijdzaamheid. (Luk. 21 : 19).
10. O Jehovah! Gelijk hij in hel vorige vers geroemd heeft dat God in zijn' persoon een teeken der vaderlijke gunst geloond heeft, die Hij al zijne geloovigen toedraagt, zoo past hij nu ook op zich zeiven deze algemeene leerstelling toe door te zeggen dat zijne handen losgemaakt zijn, omdat hij lot hel getal der dienstknechten Gods behooil. En hij spreekt van banden, zooals wanneer iemand aan handen en voelen gebonden door den scherprechter vooi (gesleurd wordt. Dooi' nu de oorzaak zijner verlossing daarop te gronden, dal hij een dienslknecht Gods is geweest, roemt hij niet op zijne diensten, maar ziel hij veeleei op de vrije genade Gods, want hel is niel in onze macht om ons lot dienstknechten Gods le maken, maar deze waardigheid wordt ons alleen door zijne aanneming geschonken. Daarom zegt David niet eenvoudig, dat hij Gods dienstknecht is geweest, maar voegt hij er bij, dat hij een soon was zijner dienstmaagd, alsof hij zeide dal hem reeds van den buik zijner moeder aan, ja eer hij nog was geboren, deze eei was beschoren. Hij stelt zich dus vooi als een' spiegel voor allen, die zich in den dienst van God begeven, opdat zij er niet aan twijfelen, dat zij door zijne hulp verlost zullen worden.
17. Ik zal u offeren. Hij herhaalt hetgeen hij gezegd heelt omtrent de openbare dankzegging, omdat wij onze godsvrucht niet slechts in de binnenkamer voor God moeten belijden , maar er ook openlijk blijk van moeten geven voor de menschen. Hoewel nu David met de overigen des volks de ceremoniën der Wet in acht heeft genomen, omdat hij wist, dal deze dingen voor dien lijd niet zonder reden verordineerd zijn geworden, zoo heeft hij toch op het doel er van gezien, zoodat hij in de eerste plaats het offer des lofs en de varren der lippen heelt gebracht, flij spreekt van de voorhoven van het huis des lleeren, omdat er toenmaals slechts één altaar was, waarvan hel niet
Psalm 117 : [ â ±
geooiloold was al te wijken, en God iieelL ook gewild dul de heilige bijeenkomsten aldaai werden gehouden, opdal de geloovigen elkander lol de oefening der godsvrucht zouden opwekken.
l^SAT.M lir.
1. Looft Jehovah, alle Heidenen! prijst Hem, alle
natiën. 2. Want zijne goedertierenheid is over ons
bevestigd, en de waarheid van Jehovah is in dei-eeuwigheid ! Halelnjah!
1. Looft Jehovah, alle Heidenen. Omdat de Heilige Geest door den mond des Proleten alle volkeren vermaant de goedertierenheid en waarheid Gods te zingen, is het terecht dat Paulus in het 15',e hoofdstuk van zijn' hriel aan de Romeinen (vers 11) uil deze Proletie afgeleid heelt, dat de roeping van geheel de wereld voorzegd was. Want, de ongeloovigen zijn wel niet zonder ervaring van Gods goedertierenheid, daar zij er echter blind voor zijn en zijne waarheid hun onbekend is, hoe kunnen zij zich dan toebereiden om Hem te loven? Daarom zou de Profeet te vergeefs lol de Heidensche volken spreken, indien zij niet tol de eenheid des geloofs gebracht werden met Abraham. En nu moeten de spoilers niet pogen om met hunne villeiijen de reden van Paulus te weerleggen. Wèl erken ik, dal de Heilige Geest aan andere plaatsen de bergen en rivieren, de boomen, de regens, de stormen en den donder opwekt om den lof Gods te doen weerklinken, en dat wel, omdat alle schepselen, ook wanneer zij zwijgen, nog luide roepen, dat Hij hun Schepper is; maar het is op andere wijze dat Hij geprezen wordt door de menschen, die met versland en rede begaafd zijn. L)it wordt ook aangetoond door de reden die hij er voor opgeeft, nl. omdat zijne iv aar he id en zijne goedertierenheid er hun de Stol loe bieden. De Proleet bedoelt ook niet dat God door alle Heidenen geprezen moet worden, omdat zijne kennis in het kleine hoekje gronds van het land van .luda woont, maar omdat zij in geheel de wereld verbreid zal worden. Hij beveelt dus in de eerste plaats dal God geprezen zal worden, omdat zijne goedertierenheid
0^5
Psalm 117 ; 1âi
vermenigvuldigd, ol bevestiyd is (wanl hel llebreeuwsclie woord gabar beleekent zoowel hel eene als het andere), en vervolgens, omdat zijne waarheid standvastig blijlt tot in eeuwigheid. Hoe zouden zij dus, die in dierlijke stompzinnigheid verzonken, op Gods goedertierenheid geen acht slaan, en met hunne doove ooren zijne hemelsche leer verwerpen, bereid kunnen zijn om den lol' Gods te zingen? Nu heeft in deze schrirtuurplaats de icaarheid Gods betrekking op het getuigenis zijner genade. Hij zou wei waar kunnen zijn, terwijl Hij geheel de wereld mei verderf en ondergang dreigt; maar daarom wordt de goedertierenheid Gods hier in de eerste plaals genoemd, opdat zijne trouw, die hel getuigenis in zich draagt van zijne vaderlijke goedheid, het hart der godvruchligen zou bemoedigen en vervroolijken. Wel is waar verdienen zijne macht en zijne gerechtigheid niel minder lof, maar omdat de menscben nooit de rechte gezindheid zullen hebben om God te loven, of zij moeten er toe uitgelokt worden door hel proeven en smaken zijner goedertierenheid, is hel niet zonder reden dat de Profeet de goedertierenheid en de trouw van God heeft gekozen, welke alleen den mond der stommen kunnen openen. Nu wordt ei' niel gezegd dat de waarheid eeuwig is, alsof de goedertierenheid na eenigen lijd in werking geweest te zijn, terstond verdwijnt (want om die zelfde reden zou zij dan ook klein ol' gering moeten zijn, in tegenstelling met de goedertierenheid, waarvan gezegd wordt, dal zij overvloedig is) maar de zin is, dal de goedertierenheid, Gods zóó overvloedig over ons is, dat zij ons in een' onafgebroken stroom toevloeit omdat zij mei zijne eeuwige waarheid saamgevoegd is. Overigens: als wij zeggen, dal de goedertierenheid bevestigd is, dan is ook elke moeielijkheid uil den weg geruimd, omdat zoowel de goedertierenheid als de waarheid dan met denzellden eerenaam van standvastigheid versierd zullen zijn.
F'SALM 118.
INHOUD: Toen deze Psalm gedicht werd â wanneer dit nu ook moge geweest zijn â heeft DaviJ, tot de koninklijke waardigheid geraakt zijnde, en wèl wetende dat hij tot heil en welzijn der geheele Kerk regeerde, alle kinderen Abrahams vermaand en opgewekt om deze genade wèl te overdenken. Hij maakt ook
Psai.m 118 : 1 -4.
melding van de groote en verschillende gevaren, die hij heeft doorgestaan, en waardoor hij wel honderd maal had kunnen omkomen, iudieo God hem niet op bewonderenswaardige wijze had ondersteund. Hieruit valt dus gemakkelijk af te leiden, dat hij noch door zijne eigene kracht of bekwaamheid, noch door de gunst der menschen, noch door wereldsche middelen tot den troon was gekomen. Tegelijker tijd toont hij ook aan, dat hij zich niet roekeloos op den voorgrond gesteld heeft, en door geene booze praktijken Saul van het koninkrijk heeft beroofd, maar dat hij door God zeiven tot Koning was aangesteld. Intusschen moeten wij wèl in gedachten houden, dat het de bedoeling is van den Heiligen Geest om ons onder het beeld van dit aardsche koninkrijk het eeuwige en geestelijke koninkrijk te schetsen van den Zone Gods, gelijk ook David van diens Persoon het type en de voorafschaduwing is geweest.
1. Looit Jehovah, want Hij is goed, waut zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 2. Dat Israël uu zegge, dat zijne goedertierenheid tot in der eeuwigheid is. 3. Het huis van Ailron zegge nu, dat zijne goedertierenheid in der eeuwigheid is. 4. Dat zij, die Jehovah vreezen, nu zeggen, dat zijne goederheid in der eeuwigheid is.
I. Looft Jehovah. Wij zien hier dal David hier niel Idool in zijn eigen naam Gode dankzegging toebrengt, maar dat hij mei luider slem hel volk vermaant lol de uiloefening van een' alge-meenen plicht der godsvrucht. Nu heeft hij dit niet slechls gedaan omdat hij door God lot voorganger en leidsman der anderen aangesteld was, maar ook omdal God door hem tot Koning le maken, zich ontfermd heeft over zijne Kerk, die toen in nood en benauwdheid verkeerde. Hij vermaant dus de Israëlieten om de genade Gods ie loven, onder wiens gelukkige leiding hij le voorschijn is gelreden om hun heil en veiligheid le verzekeren. Nu zegt hij in den beginne wel in 'l algemeen, dal God goed is, en dat zijne goedertierenheid lot in eeuwigheid is, maar daarna loont hij de blijken van die goedheid in zijn'eigen persoon, gelijk wij Ier geschikter plaatse zien zullen. Intusschen moeten wij ons herinneren hetgeen ik in den vorigen Psalm gezegd heb,
Psalm 118: Iâ5.
nl. dat de reden', die ons is voorgesteld om God Ie loven, is zijne goedertierenheid, veeleer dan zijne maclit ol'zijne gerechtigheid, Want, hoewel zijne heerlijkheid ook daar ten zeerste in uitblinkt, zoo zullen wij toch nooit blijmoedig en van harte zijn' lol' zingen, vóór Hij ons door liet lielelijke zijner goedertierenheid heeft aangetrokken, gelijk wij gezien hebben in Psalm 51 : 17, dat de mond der geloovigen geopend wordt om God te loven, nadat zij te weten zijn gekomen, dal Hij hun Bevrijder is. En dat hij alleen hel woord richt lol Israël en tot de kinderen van Aaron, dil doel hij met het oog op zijn' lijd, omdat de aanneming loen nog alleen lot dal volk beperkt was, hoewel hij dezelfde orde volgt als in Psalm 115. Want, na de kinderen Abrahams Ie hebben vermaand, die door de uitverkiezing Gods van de andere volken waren afgezonderd, en vervolgens de kinderen van Aaron, die van wege hun priesterschap anderen moesten voorgaan in den zang, richt hij het woord lol de overige dienstknechlen Gods, omdat er onder de Israëlieten vele geveinsden waren, die, hoewel eene plaats innemende in de Kerke Gods, haar toch eigenlijk vreemd waren. I'm hierin is ook geene moeielijkheid gelegen, want dooi' den geest der profetie handell David hier over het toekomstige koninkrijk van Christus; want, dil koninkrijk is nu ook wel uilgebreid lot de Heidenen, doch zijn oorsprong en begin zijn in het uitverkoren volk geweesl.
5. In mijne benauwdheid heb ik God aangeroepen, en God heeft mij verhoord, en mij iu de ruimte gesteld. G. Jehovah is met mij, ik zal niet vree/en al wat de mensch doen zal. 7. Jehovah is hij mij onder degenen, die mij helpen: daarom zal ik mijn' lust zien aan mijne vijanden. S. Het is beter op Jehovah te hopen dan op den mensch te vertrouwen. 9. Het is beter op Jehovah te hopen dan op Prinsen te vertrouwen.
5. In m'yne benauwdheid heh ilc God aangeroepen. Dil is eene bijzondere toepassing op den persoon van David van de leer, die wij gezien hebben, waaraan echter een openbaar vreugdebetoon is toegevoegd van geheel de Kerk, voor welker heil God gezorgd heel'l in de ondersteuning van dien eenen man.
Psalm 118 : 5â7.
En door zijn voorbeeld verslerkl hij idle godvrucliligen, opdal zij in lijden van tegenspoed den moed niet verliezen. Kn hij schijnt voorbedachlelijk dezen twijfel onder de ooj;eii Ie zien, die, telkenmale wanneer Gods goedheid verkondigd wordt, hij ons pleegt op te komen: Waarom laat Hij dan loe, dat de zijnen zoo zwaar gekweld en vervolgd worden? David geeft dus te kennen, dat zelfs dan de goedertierenheid Gods niet laall, omdat verlichting en hulp ons bereid zijn in het gebed. De tijdsbepaling, die hij aanduidt, als hij zegt, dat bij in zijne benauwdheid heeft gebeden, en daardoor in de ruimte werd gesteld, wijst er ons op, dat bet rechte oogenblik om te bidden daar is, wanneer wij hel meest door tegenspoed gedrukt zijn.
6. Jehovah is met mij. Op de hulpe des eenigen Gods ver-Irouwende, kan hij niet slechts enkele vijanden belachen, maar ook zelfs de geheele wereld; alsof hij zeide, dal bij, beschermd zijnde door de band Gods, stoutmoedig en gerust alles kan verachlen wat de menschen tegen hem kunnen bedenken. Kn voorzeker geven wij dan ook aan God de eer, die Hem toekomt, wanneer wij alle kracht en macht der wereld, bij Hem vergeleken als niets achten Hierdoor bestraft hij ook van ter zijde het ongeloof, dat schier hij allen wordt gevonden, als zij zich zoo moedwillig door ijdele vreeze en verschrikkingen laten lerneder-slaan. Want, hoewel allen kalmte van gemoed begeeren, worden zij door hunne ondankbaarheid, waarmede zij God den lof zijner kracht onthouden, loch van dit zoo kostelijke goed berooid. Want, indien zij, gelijk het betaamde, alles aan de macht en het welbehagen Gods onderwierpen, zouden zij altijd toegerust zijn om zonder eenige vreeze alle moeielijkheden te boven ie komen, terwijl de angst voor deze moeielijkheden hen nu ieder oogenblik den moed doet verliezen. En daar zij nu de schadelijke pogingen der menschen hoven de hulpe Gods verkiezen, verdienen zij om nu ook door hel ritselen van een vallend blad reeds te worden verschrikt. David beeft dooi' zijn voorbeeld deze verkeerdheid willen tegengaan, verklarende voor geene sterfelijke menschen bevreesd Ie zijn, mils God hem slechls gunstig gezind is, daar hij de vaste overtuiging heell, dat Hij de macht heeft om alle booze raadslagen Ie verijdelen. Indien hij nu dit Lied heeft gezongen nadat hij verlost is geworden, dan ziet men hoe uitnemend bij zijn voordeel heelt gedaan met hetgeen hij van Gods genade heelt ervaren. Zoo laat dan telkenmale wanneer God ons hulp en bijstand heelt verleend, ons vertrouwen toenemen voor de toekomst; en laat ons nooit zoo
639
Psalm 118 : 7â9.
vergeetachtig zijn, om de goedheid en de macht Gods, die wij in den nood hebben ervaren, niet sleeds voor oogen te hebben. Hoewel hel nu niet onmogelijk is, dal hij hier verhaalt wal er hij hem omging vóór hij zich te midden van hel gevaar begal', komt het mij loch waarschijnlijker voor, dal hij, na de overwinning behaald Ie hebben, roemt op de voorldurende hulp van God voor de toekomst. Sommigen denken dal de woorden: Degenen, die mij helpen, zien op den kleinen Iroep van mannen, die David lol zich had getrokken; maar dit schijnt mij loe al te onbeduidend le wezen. Want het zou ongerijmd wezen om God le stellen onder deze zeshonderd manschappen, waarvan hij zich liel vergezellen, alsof Hij één van dezen was. ik geel' hier dus de eenvoudiger verklaring van, dal hij God zijn Helper noeml, alsol hij zeide, dat hel hem genoeg is, zoo hij God slechts aan zijne zijde heeft. Want, hoewel hij van alle mensche-lijke hulp ontbloot is, vreest hij niet om God alleen le stellen tegenover alle zijne vijanden.
8. Het is heter op Jehovah te hopen. Hel schijnt wel alsof hij niels zegt dan hetgeen gansch gewoon en alledaagsch is. Want allen zonder onderscheid erkennen, dal, waar God bij de menschen vergeleken wordt, men Hem veel hooger moet stellen, en dal men daarom niets beters doen kan dan te steunen op de hope van den bijstand, dien Hij aan de zijnen heeft beloofd. Deze belijdenis wordt dus uit aller mond vernomen, en toch is er nauwelijks één op de honderd, die er van overtuigd en doordrongen is, dal God alleen voor hem volstaat. Daarom heeft diegene de leering goed ter harte genomen, die, zich vergenoegende met God alleen, al zou hij nergens op aarde hulp of bijstand vinden, loch vol goeden moed is. Maar de vergelijking is oneigenlijk, want overal en in alles is hel ongeoorloofd om ook maai'het geringste deel onzer hope op de menschen over le brengen, daar zij op God alleen gevestigd moet zijn. De zin is echter niet twijfelachtig, nl. dal hij den spol drijft met do ijdele verwachtingen der menschen, waardoor zij geschud en heen en weder worden bewogen, en die, zoolang de wereld hun toelacht. God voorbij zien of wel minachten, en Irotsch hel hoofd verheffen. Sommigen zijn van meening dal David zijnen vijanden smadelijk voor de voeten werpt, dat zij met hun steunen op de gunst van Saul bedrogen uil zijn gekomen. Dit schijnt mij echter le gezocht, en ik twijfel niet of David stelt zich len voorbeeld aan alle godvruchtigen, omdat zijne hoop eene heerlijke belooning vond daar hij steunende op God alleen, hel geduldig heeft verdragen
640
PsAf.M MX : Oâ1 i
om van alle menschelijke Imlp verstoken Ie zijn. In liet tweede deel van het vers, waar hij noemt in plaats van menschen,
is eene uitbreiding en opklimming, alsof luj zeide, dat niet alleen degenen, die hunne hoop vestigen op menschen van gering aanzien, zich dwaselijk bedriegen, maar ook zij, die de vrienden zijn van groole Koningen, omdat hel vertrouwen, dat op vleesch gesteld wordt, len slolle toch alijd vervloekt is, maar wanneer God ons genadig is, de dood zelfs in leven wordt verkeerd.
10. Alle Heidenen hebben mij omringd, maar voorzeker zal ik ben in den naam van Jehovah verdoen.
11. Zij hebben mij omringd, ja zij hebben mij omringd, maar in den naam van Jehovah zal ik hen verdoen.
12. Zij hebben mij omringd als bijen, zij zijn uitge-bluscht als een doornenvuur, gewis! in den naam van Jehovah zal ik hen verdoen. 13. Mij drijvende hebt gij mij gedreven om mij te doen vallen, maar Jehovah heeft mij geholpen. 14. God is mijne sterkte en mijn lied, en is mij tot heil geweest.
10. Alle Heidenen. In deze verzen verhaalt hij hoe wonderbaarlijk hij verlost is geworden opdat, een iegelijk moge weten, dat deze verlossing, die door geene menschelijke hulp lot stand gebracht is kunnen worden, in waarheid door God gewrocht is. Want veischeidene malen herhaalt hij, dal hi{ omringd, ingesloten, was geweest, en dal niet door een klein aantal van menschen, maar door eene groole menigte. Toen dus hel ge-heele volk, in woede legen hem ontstoken, hem omsingelde en belegerd hield, zoodal er geen middel overbleef ter ontkoming, kon hem van nergens anders dan van den hemel redding en heil geworden Kn voorts: als hij klaagt, dal alle Heidenen hem vijandig waren, verklaren sommigen dil van de naburige volken, door welke wij weten, dal voor David van allo kanten gevaar heelt gedreigd; naar mijn oordeel echter wil hij eenvoudig te kennen geven, dat de geheele wereld legen hem was, want hij slell alleen de hulpe Gods tegenover dien doodelijken en woedenden haat, die hem zoowel dooi zijne eigene landslieden als door de naburige volken werd toegedragen, zoodat er in hel geheele land geen enkel hoekje was, waar hij veilig kon wezen. Want, J)l. 11.
Psalm ! 18 : 1â5.
nl. dat de reden', die ons is voorgesteld om God Ie loven, is zijne goedertierenheid, veeleer dan zijne macht ol' zijne gerechtigheid, Want, hoewel zijne heerlijkheid ook daar ten zeerste in uitblinkt, zoo zullen wij toch nooit blijmoedig en van harte zijn' lof zingen, vóór Ilij ons door het lielelijke zijner goedertierenheid heeft aangetrokken, gelijk wij gezien hebben in Psalm 51 : 17, dat de mond der geloovigen geopend wordt om God te loven, nadat zij te weten zijn gekomen, dat Hij hun Bevrijder is. En dat hij alleen het woord richt tot Israël en tot de kinderen van Aaron, dit doet hij met het oog op zijn' tijd, omdat de aanneming toen nog alleen tot dat volk beperkt, was, hoewel hij dezelfde orde volgt als in Psalm 115. Want, na de kinderen Abrahams te hebben vermaand, die door de uitverkiezing Gods van de andere volken waren afgezonderd, en vervolgens de kinderen van Aaron, die van wege hun priesterschap anderen moesten voorgaan in den zang, richt hij het. woord lot de overige dienstknechten Gods, omdat er onder de Israëlieten vele geveinsden waren, die, hoewel eene plaats innemende in de Kerke Gods, haar toch eigenlijk vreemd waren. En hierin is ook geene moeielijkheid gelegen. want door den geest der profetie handelt David hier over het toekomstige koninkrijk van Christus; want, dit koninkrijk is nu ook wel uitgebreid tot de Heidenen, doch zijn oorsprong en begin zijn in het uitverkoren volk geweest.
5. In mijne benauwdheid heb ik God aangeroepen, en God heeft mij verhoord, en mij in de ruimte gesteld. G. Jehovah is met mij, ik zal niet vreezen al wat de mensch doen zal. 7. Jehovah is bij mij onder degenen, die mij helpen: daarom zal ik mijn' lust zien aan mijne vijanden. 8. Het is beter op Jehovah te hopen dan op den mensch te vertrouwen. 9. Het is beter op Jehovah te hopen dan op Prinsen te vertrouwen.
5. In mijne benauwdheid heb ik God aanyeroepen. Dit is eene bijzondere toepassing op den persoon van David van de leer, die wij gezien hebben, waaraan echter een openbaar vreugdebetoon is toegevoegd van geheel de Kerk, voor welker heil God gezorgd heeft in de ondersteuning van dien eenen man.
6:58
Psalm 11^ : 5-7.
Kn door zijn vooibeeld versleikl liij nlie ^odvriicliligen, opdal zij in lijden van tegenspoed den moed niet verliezen. En liij seliijnl voorbedachteiijk dezen twijfel onder de oogen te zien, die, telkenmale wanneer Gods goedheid verkondigd wordt, bij ons pleegt op te komen: Waarom laat Hij dan toe, dal de zijnen zoo zwaar gekweld en vervolgd worden? David geeft dus te kennen, dat zelfs dan de goedertierenheid Gods niet faalt, omdat verlichting en hulp ons bereid zijn in het gebed. De tijdsbepaling, die bij aanduidt, als hij zegt, dat hij in zijne benauwdheid heeft gebeden, en daardoor in de ruimte werd gesteld, wijst er ons op, dat het rechte oogenblik om te bidden daar is, wanneer wij hel meest door tegenspoed gedrukt zijn.
6. Jehovah is met mij. Op de hulpe (fes eenigen Gods vertrouwende, kan hij niet slechts enkele vijanden belachen, maar ook zelfs de geheele wereld; alsof hij zeide, dat hij, beschermd zijnde door de hand Gods, stoutmoedig en gerust alles kan verachten wat de menschen legen hem kunnen bedenken. Kn voorzeker geven wij dan ook aan God de eer, die Hem toekomt, wanneer wij alle kracht en macht der wereld, bij Hem vergeleken als niets achten Hierdoor bestraft hij ook van ter zijde hel ongeloof, dal schier bij allen wordt gevonden, als zij zich zoo moedwillig door ijdele vreeze en verschrikkingen laten terneder-slaan. Want, hoewel allen kalmte van gemoed begeeren, worden zij door hunne ondankbaarheid, waarmede zij God den lol zijner kracht onthouden, toch van dit zoo kostelijke goed beroofd. Want, indien zij, gelijk liet betaamde, alles aan de macht on hel welbehagen Gods onderwierpen, zouden zij altijd toegerust zijn om zonder eenige vreeze alle moeielijkheden te boven te komen, terwijl de angst voor deze moeielijkheden hen nu ieder oogenhlik den moed doet verliezen. En daar zij nu de schadelijke pogingen der menschen boven de hulpe Gods verkiezen, verdienen zij om nu ook door bel rilselon van een vallend hlad reeds Ie worden verschrikt. David heeft door zijn voorbeeld deze verkeerdheid willen tegengaan, verklarende voor geene sterfelijke menschen bevreesd le zijn, mits God hem slechts gunstig gezind is, daar hij de vaste overtuiging heelt, dat Hij de macht heelt om alle booze raadslagen le verijdelen. Indien hij nu dit Lied heeft gezongen nadat hij verlost is geworden, dan ziet men hoe uitnemend hij zijn voordeel heelt gedaan met hetgeen hij van Gods genade heelt ervaren. Zoo laai dan telkenmale wanneer God ons hulp en bijstand heeft verleend, ons vertrouwen toenemen voor de toekomst ; en laat ons nooit zoo
0.19
Psalm 118 : 7â9.
vergeelaclilig zijn, om lie goedheid en de macht Gods, die wij in den nood hebben ervaren, niel steeds voor oogen te hebben. Hoewel hel nu niel onmogelijk is, dal hij hier verhaall wal er bij hem omging vóór hij zich te midden van bet gevaar begaf, koml hel mij toch waarschijnlijker voor dat hij, na de overwinning behaald te hebben, roemt op de voortdurende hulp van God voor de toekomst. Sommigen denken dat de woorden: Degenen, die mij helpen, zien op den kleinen troep van mannen, die David tot zich had gelrokken; maar dit schijnl mij toe al te onbeduidend te wezen. Want hel zou ongerijmd wezen om God te stellen onder deze zeshonderd manschappen, waarvan hij zich liet vergezellen, alsof Hij één van dezen was. Ik geef hier dus de eenvoudiger verklaring van, dal hij God zijn Helper noemt, alsof hij zeide, dat hel hem genoeg is, zoo hij God slechts aan zijne zijde heeft. Want, hoewel hij van alle mensche-lijke hulp ontbloot is, vreest hij niel om God alleen te stellen tegenover alle zijne vijanden.
8. Het is heter op Jehovah te hopen. Hel schijnt wel alsof hij niets zegt dan hetgeen gansch gewoon en alledaagsch is. Wranl allen zonder onderscheid erkennen, dal, waar God bij de menschen vergeleken wordt, men Hem veel hooger moet stellen, en dal men daarom niets beters doen kan dan te steunen op de hope van den bijstand, dien Hij aan de zijnen heeft beloofd. Deze belijdenis wordt dus uil aller mond vernomen, en toch is er nauwelijks één op de honderd, die er van overtuigd en doordrongen is, dal God alleen voor hem volstaat. Daarom heeft diegene de leering goed ter harte genomen, die, zich vergenoegende met God alleen, al zou hij nergens op aarde hulp of bijstand vinden, toch vol goeden moedis. Maar de vergelijking is oneigenlijk, want overal en in alles is het ongeoorloofd om ook maar hel geringste
ö o o
deel onzer hope op de menschen over te brengen , daar zij op God alleen gevestigd moet zijn. De zin is echter niet Iwijfel-achlig, nl. dal hij den spot drijft met de ijdele verwachtingen der menschen, waardoor zij geschud en heen en weder worden bewogen, en die, zoolang de wereld hun toelacht. God voorbij zien ofwel minachten, en trolsch het hoofd verheffen. Sommigen zijn van meening dal David zijnen vijanden smadelijk voor de voelen werpt, dat zij met hun steunen op de gunst van Saul bedrogen uil zijn gekomen. Dit schijnt mij echter te gezocht, en ik twijfel niel of David stelt zich ten voorbeeld aan alle godvruchligen, omdat zijne hoop cene heerlijke belooning vond daar hij steunende op God alleen, het geduldig heeft verdragen
640
Psai.m 118: 9â11
om van alle menschelijke Imlp versloken Ie zijn. In hel tweede deel van liet vers, waar hijnoeml in plaats van menschen, is eene uitbreiding en opklimming, alsof Inj zeide, dal niet alleen degenen, die hunne lioop vestigen oj) menschen van gering aanzien, zich dwaselijk bedriegen, maar ook zij, die de vrienden zijn van groole Koningen, omdat liet vertrouwen, dal op vleescli gesteld wordt, ten slotte tocli alijd vervloekt is, maar wanneer (jod ons genadig is, de dood zelfs in leven wordt verkeerd.
10. Alle Heidenen hebben mij omringd, maar voorzeker zal ik hen in den naam van Jehovah verdoen.
11. Zij hebben mij omringd, ja zij hebben mij omringd, maar in den naam van Jehovah zal ik hen verdoen.
12. Zij hebben mij omringd als bijen, zij zijn nitge-bluscht als een doornenvuur, gewis! in den naam van Jehovah zal ik hen verdoen. 13. Mij drijvende hebt gà miJ gedreven om mij te doen vallen, maar Jehovah heeft mij geholpen. 14. God is mijne sterkte en mijn lied, en is mij tot heil geweest.
10. Alle Heidenen. In deze verzen verhaalt hij hoe wonderbaarlijk hij verlost is geworden opdat, een iegelijk moge weten, dal deze verlossing, die door ijeene menschelijke hulp tot stand gebracht is kunnen worden, in waarheid door God gewrocht is. Want verscheidene malen herhaalt hij, dat hij omringd, ingesloten, was geweest, en dal niet door een klein aantal van menschen, maar door eene groote menipte. Toen dus het ge-beele volk, in woede tegen hem ontstoken, hem omsingelde en belegerd hield, zoodat er geen middel overbleef ter ontkoming, kon hem van nergens anders dan v:iii den hemel redding en heil geworden En voorts: als hij klaagt., dat alle Heidenen hem vijandig waren, verklaren sommigen dit van de naburige volken, door welke wij weten, dat voor David van alle kanten gevaar heelt gedreigd; naar mijn oordeel echter wil hij eenvoudig te kennen geven, dal de geheele wereld tegen hem was, want bij stelt alleen de hulpe Gods tegenover dien doodelijken en woedenden baal, die hem zoowel dooi zijne eigene landslieden als door de naburige volken werd toegedragen, zoodal er in het geheele land geen enkel hoekje was, waar hij veilig kon wezen. Want,
641
Psalm 118
wèl had men geenc legers van vele volken bijeenverzameld om hem te belegeren; aangezien bij ccbler nergens anders dan in de bolen der wilde dieren eene scbuilplaals vond, en bij 7,elfs van daar nog menigmaal door vreeze verjaagd en verdreven werd, en hem overal on door iedereen strikken gespannen waren, is bet niet te verwonderen, dal bij zegt, dal bij door alle volken omsingeld was. Er is in deze elliptische uitdrukking veel meer kracbl, dan wanneer bij gezegd bad, dat bij op God beeft ge boopt, en daarom de overwinning heelt behaald. Want, door alleen den naam van God voorop te stellen, ontkent bij nog andere hulp gehad te hebben, zoodat bij er zeker van was om te zullen komen, indien God hem geen' bijstand bood. Hel kwam mij goed en geschikt voor om bet llebreeuwsche woord Ki in dezen zin in bevestigende beteekenis le nemen, zoodal wij den volzin dus moeten lezen: Hoewel de geheele wereld mij van alle kanten boud! ingesloten, zoo de kracht Gods mij slechts ondersteunt, zal zij voldoende blijken om al mijne vijanden te vernietigen. Kn dat hij zoo dikwijls herbaalt, dat. hij omringd, of belegerd, was, bierdoor wordt een onverzadelijke en zeer hardnekkige haal aangeduid, en dooi' bet beeld der bijen geeft bij eeno niets ontziende verwoedheid te kennen; want, hoewel deze diertjes niet veel kracbl bezitten, is er toch eene groole woede bij hen op le merken, en als zij iemand onverhoeds aanvallen, brengen zij eene niet geringe verschrikking teweeg. Ren weinig latei' voegt hij er echter bij, dal zij als een doornen-vuur uitqebluscht zijn, hetwelk in bel eerst wel veel geraas maakt, en eene grooler vlam geeft dan men van bard hout ziel, maar zeer snel ophoudt. Kortom: hij zegt, dat zijne vijanden hem woedend zijn aangevallen, maar dal hun geweld zeer snel verbroken is. Daarom herhaall hij driemaal dal, zoo de kracht Gods hem slechls ondersteunt, alles wal zich legen hem keert, zeer spoedig te niet gedaan zal zijn.
13. Mij drijvende, enz. Er is hier óf eene verandering van getal, óf hij richt het woord tot Saul, die de voornaamste zijner vijanden was. Voorts: in den persoon van eenen, drijft hij den spot mei allen; en dooi' le zeggen, dal hij gedreven was. belijdt bij, dal hel niet door zijne eigene kracht is geweest, dat hij slaande is gebleven, gelijk zij, die met vasten voel den aanval hunner vijanden kunnen weerstaan, maar dal de kracht Gods des le sterker hierin uitblonk, dal hij van zijn' val werd opgericht. Daarom komt hij in bel volgende vers lol de gevolgtrekking, dal God zijne kracht is en zijn lied, welk woord in
11â1.'5.
Psalm IIS : 14.â |fi.
lijdende beleek(3nis is genomen, alsof hij zeide, dal er in hem fieenerlei slof is lol roemen, maar dal al de lof wegens zijn heil in God berusl. Uat is ook de strekking van hel slot van dil vers, waar hij zegl, dal God hem lol heil is geweesl.
15. In de tenten der rechtvaardigen is eene stem des gejuiehs en des heils; de rechterhand van Jehovah heeft kracht gedaan. 10. De rechterhand van Jehovah is verhoogd; de rechterhand van Jehovah heeft kracht gedaan. 17. Ik zal niet sterven, maar leven, en ik zal de werken Gods vertellen. 18. Mij kastijdende heeft Hij mij gekastijd; maar Hij heelt mij ter dood niet overgegeven. 19. Doet mij de poorten der gerechtigheid open, en daardoor ingegaan zijnde, zal ik den naam van God loven. 20. Deze poort is van Jehovah, door dewelken de rechtvaardigen zullen ingaan. 21. Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt;-
15. In de tenten der rechtvaardigen is eene stem des gejuiehs en des heils. Hij verklaart, dal dc weldaad, die hij van God heell ontvangen, zoo groot is, dal hel niet volstaan kan om er Hem in een' verborgen hoek voor te danken, niet alleen omdat aldaar eene heerlijke en gedenkwaardige kracht Gods geopen-haard werd, maar omdat de vrucht er van aan geheel de Kerk ten goede moet komen Omdat de verlossiny dus groot en voor alle godvruchligen nnllig en voordeelig was, beloofl David, dat hij er eene plechtige en openbare dankzegging voor zal hrengen, en levens wekt hij hierdoor ook alle godvruchligen op om zich hierin met hem Ie vergezellen. Voornamelijk heeft hij hierdoor echler de grootheid van Gods genade willen roemen, en door de uitwerking er van willen loonen, dal niet hij alleen gered en bewaard bleef, maar in zijn persoon ook geheel de Kerk. Wel is waar wordt door de onderlinge gemeenschap der geloovigen geëischt, dal zij God danken voor elkander, maar in David was hiervoor nog de bijzondere reden, die ik heli aangeduid, dat God, na hem uil duizend doodsgevaren gered Ie hebben. hem het bestuur over zijn volk heeft gegeven. Nu
Psalm IIS ; 16â18.
moeien wij opmerken, dal lii.j de stemme der vreugde en des gejuiclis samenvoegt met den lof Gods, gelijk ook de geloovigen zich nooit moeten verblijden zonder daarhij het gevoel en de bewustheid te hebben van Gods genade. Nu beleekenl kracht doen zooveel als op majestueuze wijze zijne maebt ten loon spreiden, waarvan de glans en heerlijkheid dan voor aller oogen zichtbaar wordt. Want dikwijls gebeurt hel dal God zijne geloovigen als in hel geheim en onder den schijn van zwakheid verlost, zoodat zij wel gevoelen dat zij door de hand Gods bevrijd werden, maar dit door anderen niet zoo duidelijk bespeurd wordt. Maar David verklaart, dal het werk Gods zóó duidelijk zichtbaar was, dat men niet behoefde te vragen van waar hel heil was gekomen. De andere uitdrukking: De rechterhand Gods is verhoogd, heelt dezellde strekking, omdat God door krachtig en op gansch buitengewone wijze Ie werken, zijne hand hoog opgeheven heeft.
17. Ik zal niet sterven. David spreekt hier als iemand, die uit liet graf opslaat. Want, als hij zegt: Ik zal niet sterven, erkent hij van den dood verlost te zijn, dien hij reeds zeer nabij was gekomen. Rn voorwaar! gedurende vele jaren heeft hij zich in den wanhopigsten toestand bevonden, zoodal zich met ieder oogenblik duizend dooden aan hem voordeden, en de ontkoming van den eenen dood het gevaar voor eenquot; anderen dood met zich bracht. Hij zegt dus, dal hij niet zal sterven, omdat het leven, waarvoor hij alle hoop had opgegeven, hem vernieuwd was geworden. Overigens moeten wij geheel ons leven dit lied overdenken, wij (zeg ik) wier leven met Christus verborgen is in God (Col. ^ : .i). Wordt ons bij wijlen eenige verlichting geschonken, dan moeien wij met David zeggen, dat wij, die door den dood omringd waren, opgestaan zijn lot een nieuw leven, dat wij ecliler te midden der duisternis immer voort moeten worstelen, omdat ons heil, hetwelk gelegen is in de hope, niet openlijk door ons gezien kan worden. In het tweede gedeelte van het vers loonl hij wal hel rechte gebruik is, dat wij van hel leven hebben te maken: want God verlengt, het leven der zijnen niel, opdat zij zich verzadigen met spijs en drank, naar hartelust kunnen slapen en van de aardsche genoegens genieten, maar opdat zij de weldaden loven en verheerlijken, die zij dagelijks van Hem ontvangen, van welke zaken wij reeds bij Psalm 115 hebben gesproken.
18. Uy heeft my gelcastijd. Hier wordt door David erkend
644
i'sALM 118 ; 18â10.
en beleden, dal hoewel zijne vijanden hem len unreclile aanvielen, zij locli de roede waren, waarmede God hem lieell ^e-kaslijd, daarna, dal dil eene vadeilijke kastijding is geweest, omdat God hem niet doodelijk heelt gewond, maar zijne strengheid heelt gematigd. Nu schi jnt hij de vei keerde oordeelvellingen te voorkomen, dooi welke hij zich reeds gedrukt en gekweld zag, alsol' het leed, dat hem wedervaren is, een teeken was van door God verworpen le zijn. En zoo geelt hij dan aan hetgeen, waarvan de verworpenen hem belasterden, eene tegenovergestelde richting door te zeggen, dat hij op zachte en vaderlijke wijze gekastijd is geworden. In tijden van tegenspoed is het eerste punt te weten door de hand Gods verootmoedigd te zijn, en dan moet het tweede volgen, nl. dal onze gehoorzaamheid hierdoor op de proel' wordt gesteld, en wij, opgewekt zijnde uit onze al te groote vadzigheid, den ouden inensch in ons laten kruisigen, onze onreinheden laten uitzuiveren en ons onder de gehoorzaamheid Gods laten brengen, en ons laten opwekken tot de bepeinzing des hemelschen levens. Want als wij aan deze dingen denken, dan zal niemand onzer er niet voor teruü beven om tegen God le murmureeren, maar dan zullen wij ons veeleer met zachtmoedigheid en volgzaamheid aan Hem onderwerpen. En gewis, hetzij wij ons leed verkroppen, ol' ons le buiten gaan in ongeduld, het komt alles daar van daan, dat de meeste menschen niul bedenken, dal beproevingen roeden Gods zijn, en dal anderen wederom zijne vaderlijke goedertierenheid niel welen le waardeeren. Daarom moeten wij wél acht geven op hel tweede lid, dal God immer goedertierenlijk handelt mei de zijnen, zoodat Hij hen al slaande geneest. Niet dal zijne vaderlijke goedheid daarbij altijd zichtbaar is, maar hel einde toont, dal wel verre, dal de wonden doodelijk zijn, die Hij heelt geslagen, zij ons veeleer lol geneesmiddel strekken, dal ons wel voor een wijle verzwakte, maar, na ons van onze ondeugden genezen te hebben, ons de kracht wedeiom hergeeft.
19. Doet my de poorten dei gerechtigheid open. Met vurigen ijver begeeft David er zich nu toe om zijne dankbaarheid te betuigen, als hij beveelt dal de tempel hem zal geopend worden, alsof de offers reeds gereed waren. En wederom bevestigt hij betgeen hij le voren gezegd had, nl. dat hij Gode openlijk en in de wettige vergadering der godvruchtigen dank zal toebrengen. Nu was het wel de gewoonte dal de Priesters voor hel volk de poort openden, maar toch schijnt David hier le zinspelen op zijne langdurige ballingschap. En door hel volgende vers wordt
045
Psalm 118 : 111âquot;1!.
deze gissing nog waarschijnlijker gemaakt. OinJat hem dus gedurende langen lijd de toegang lot hel Heiligdom ontzegd was, ja dat hij zelfs van het gezicht er van verstoken is geweest, verheugt hij zich thans en juicht, omdat hij toegelaten wordt Gode te offeren. En tegelijkertijd toont hij, dat hij er niel komen zal, gelijk de geveinsden de gewoonte hebben van le komen, tot wie God door den mond van Jesaja het verwijt richt, dat zij te vergeefs zijne voorhoven betreden (Jes. 1 : 12); maar dat hij er met offeranden des lofs komen zal. En daar hij zich nu van oprechte godsvrucht be.\ust was, zegt hij, dal. het redelijk en billijk is, dat de poorten des tempels, die hij le voren niet heelt durven naderen, nu voor hem en voor zijns gelijken geopend zouden worden. Deze yoorl, zegt hij, is van Jehovah, en Hij zal haar ten laatste voor de rechtvaardigen openen. Waar dit nu op neerkomt is, dat David, hoewel hij een vluchteling is geweest van den Tempel en van liet land, thans met alle ware dienstknechten Gods weder in het bezit zijnar rechten is getreden, nadat de staat des koninklijks beter geordend was geworden. En zoo betreurt hij de ontwijding van den Tempel dewijl hij onder de tyrannieke regeering van Saul door de onheilige verachters van God in bezit was genomen, alsof hij tot stal voor de honden ot voor andere onreine dieren gebruikt was. Dat de Tempel gedurende zoo langen tijd als een moordenaarshol geweest is, wordt hier dus kortelijk aangestipt, en thans, nu hij voor de rechtvaardigen is geopend, verklaart hij, dat hij het huis Gods is. Hetgeen nu in den tijd van Saul gebeurd is, ziet men ook heden ten dage, nl. dat de heilig-schennende vijanden Gods tegen alle recht en billijkheid in zijn heiligdom in bezit hebben, want de Paus zou de Antichrist niet zijn, indien hij niet in den Tempel Gods was gezeten. En daar hij door zijne afschuwelijke verontreiniging alle tempels inbordeelen heeft verkeerd, zoo moeten wij er met alle kracht naar streven om ze te reinigen, zoodat God er in reinheid wordt gediend en aangebeden. En daar het Hem behaagt zijne heilige woonstede onder ons te vestigen, zoo laat ons alles doen wat wij kunnen om er alle onreinheid en slinkende vermenging uit te verdrijven, die de zuiverheid der Kerk bederven. David verhaalt daarna in weinige woorden, waarom hij besloten heeft Gode een lofoffer te brengan , nl. omdat hij door zijne genade bewaard is geworden.
22. De bouwlieden hebben den steen verworpen, hij is tot een hoofd des hoeks geworden. 23. Dit is van
Psalm 118 : quot;Hâiü
Jehovah geschied, en het is wonderlijk in onze oogen. 24. Dit is de dag, dien Jehovah gemaakt heett, laat ons daarop ons verheugen en verblijd zijn. 25. O Jehovah! ik bid U, red; ik bid U, Jehovah, ik bid U , maak voorspoedig. 26. Gezegend zij hij, die daar komt in den naam van Jehovah! Wij zegenen ulieden uit het huis van Jehovah.
22. De stem. Thans vat David moed en veracht den laster, door welken hij onrechtvaardig en zonder oorzaak gedrukt was geworden. En daar hel nu een groot nadeel voor hem was om door geheel de vergadering der edelen en der hestuurderen des lands veroordeeld te zijn, zoodat men reeds algemeen van gevoelen was, dal hij een slecht en door God verworpen man was, wordt deze meening nu opzettelijk door hem bestreden en wederlegd, en houdt hij tegenover al deze aanzienlijken zijne onscliuid staande. Er is mij niet veel aan gelegen (zegt hij) dal ik door de groolcn verworpen werd, daar het toch uil de zaak zelve blijkt, dat ik door hel ooi deel Gods ben uitverkoren. Nu gebruikt hij hier een zeer gepast beeld, als hij zich zeiven vergelijkt bij een' steen, en de voornaamste bestuurders der Kerk bij de bouwlieden. Hel zou wel ongerijmd kunnen schijnen om le zeggen, dat de edelen des rijks, die het bestuur der Kerk in handen hadden, ontbloot waren van den Geest Gods en van een goed en gezond oordeel; maar hij stelt Gods genade tegenover hunne valsche en verkeerde oordeelvellingen, omdat hij door hel raadsbesluit en de hand Gods verkoren was om geheel hel gebouw te schragen. Kortom, hij verklaart dat de grootsche eeretitels en hooge waardigheden, waarop zijne vijanden zich verhoovaardigen, geen beletsel voor hem zullen zijn, omdat hij, steunende op de roeping Gods, eene eer en waardigheid heelt, die ver verheven zijn boven hel oordeel van geheel de wereld. Omdat het. echter zeer moeielijk was de menschen hiervan le overtuigen, verheft en verheerlijkt iiij in vele woorden de genade van God ten einde door haar gezag de booze en geraasmakende taal der boozen le doen verstommen. Dit is van Jehovah (jeschied, zegt hij, alsol hij zeide: gaal heen, gij allen, die mij wilt sloolen van den troon, dien ik niet door het toeval, ot door wereldsche middelen heb beklommen, maar door de tentoongespreide kracht van God; gaal heen, zeg ik, en strijdt
047
Psalm 118 : ^3â'ij.
tegen God. En hij bewijst dit hierdoor, dat allen gedrongen waren te bewonderen hetgeen geschied was, als iets dat ongelooflijk was. Wanneer God nu op eene wondervolle wijze werkt, zoodat het ons begrip te boven gaat, dan moeten zijne kracht en macht hierdoor des te duidelijker voor ons in het licht treden. Wil iemand hel nu liever zoo verslaan, [dal David zegt]: hoewel de menschen zich over dit werk verbazen, zoo moet het daarom toch niet verworpen worden, zoo kan hij hierin naar zijn eigen oordeel te werk gaan. Ik voor mij acht het waarschijnlijk, dal David dit woord wonder gebruikt, opdat alle hoogmoed des vleesches wijke en plaals make voor God, en niemand meer tegen hem durl't murmureeren. In hoever deze dingen nu eigenlijk op Christus toepasselijk zijn, daarover zal bij vers 25 gehandeld worden
24. Dit is de day, enz. Thans verkondigt hij dat het een gelukkige en heilaanbrengende dag was, toen hij eindelijk als Koning werd aangenomen, en de zalving, door Samuël geschied, door de daad bevestigd werd. Hoewel bel nu waar is, dat alle dagen gelijkelijk dooi' God geschapen zijn, noemt David dezen dag toch inzonderheid door God gemaakt, die na zoo langdurige duisternis lot heil der kerk was aangebroken, omdat hij door een zeer gedenkwaardig kenmerk versierd en verheerlijkt werd. Omdat nu de Kerk uit zoo diepe duisternis te voorschijn trad, wekt hij de geloovigen op om zich te verblijden en te verheugen. En hij doet dit opzet lelijk, omdat er loen velen waren, die de aenade Gods niet kenden of haar minachtten, en de anderen
Tj
door hunne verkeerde genegenheid voor Saul gehinderd weiden, zoodat zij zich niet dan tegen wil en dank aan de heerschappij van David onderwierpen.
25. He bid U. enz. Omdat het llebreeuwsche woord Na dikwijls een bijwoord van tijd is, hebben velen het hier aldus vertaald: Ik bid U, red mij thans. Omdat het woord echter ook dikwijls als bijwoord van verzoek ol' bede gebruikt wordt, heb ik aan deze beteekenis de voorkeur gegeven, omdat zij in dezen zin zeer goed past. Want ik twijlel niet, of de Heilige Geest heeft door deze veelvuldige herhaling door den mond des Piofeten hel hart der geloovigen tol een bijzonderen, vurigen ijver in hel gebed willen opwekken; hoewel ik er mij niet tegen verzet, zoo iemand den zin in de andere beteekenis wil lezen. Wel is hel zeker, dat hier aan het uitverkoren volk een' vorm van gebed is gegeven voor den voorspoed van het koninkrijk van
Psalm 118 ; ióâ^O.
049
David, dewijl iiiervan lid ulgeineen welzijn al'liankelijk was. Nu lieel'l liij door deze woorden betuigd, dal hij regeerde door Gods bestel, daarna, dal diegenen onwaardig zijn eene plaals in te nemen in de Kerk, die er niet mede instemmen om lieil en vooi spoed voor zijne regeering le wenschen. In het volgende vers voegt hij er een' bijzonderen wensch aan toe, dien ook de geloovigen behooren le koesteren, nl. dat ilij, daar Hij üavid tot den bedienaar zijner genade heell verordineerd, bem r.u ook zal zegenen. Want diegenen worden gezegd te komen in den naam des Eeeren, van wie God zich bedient om het heil zijner Kerk le werken, zooals de Profeten en de leeraren, die God verwekt om zijne Kerk te vergaderen, de vorsten en overheden, die Hij onderricht door zijn Heiligen Geest. Nu is dit voor üavid nog zeer bijzonder waar, omdat hij het type van Christus geweest is, want God heeft gewild, dal zijn volk onder hem en onder zijne opvolgers zou leven lot aan de komst van Christus. Wanneer er nu ook gezegd wordt: Gezeyend zij hij, die daar komt in den naam des Ileeren, kan dit als een woord, of uitroep van blijdschap en gejuich worden beschouwd; omdat echter terstond daarna de zegen der Priesters er bijgevoegd wordt, ben ik veeleer van meening dat hel volk aan David de genade en gunst van God toewenscht. Opdat nu de geloovigen zoodanigen wensch des te blijmoediger zouden koesteren, en er door aangemoedigd zouden worden om den hun door God verordineerden Koning aan le nemen, wordt er terstond de belofte bijgevoegd in den persoon der priesters: Wij zegenen ulieden uit het huis des Ileeren. Nu is hel aldus dal gesproken wordt door hen, aan wie bet van vvege hun ambt was opgedragen om te zegenen, gelijk ook Mozes aan verscheidene plaatsen der Schrift, en voornamelijk in Numeri 6 : 23 geleerd heeft. Maar hel is niet zonder reden, dat zij het heil der Kerk samenvoegen met den voorspoed des Koninkrijks, veeleer herinneren zij er aan, dal hel volk veilig zijn zal, zoolang dit Koninkrijk voorspoedig is, en dat allen te zamen met hun' Koning gezegend zijn zullen, omdat er een onafscheidelijk verband is tusschen hel hoofd en de leden. En daar wij nu weten, dal loen David lot Koning was aangesteld, de grondslagen gelegd zijn van dat eeuwige koninkrijk, hetwelk geopenbaard is bij de komst van Christus, en dal de aardsche troon, waarop Davids opvolgers gezeten waren, de afschaduwing was van het eeuwige koninkrijk, hetwelk aan Christus door God, zijn' Vader, is gegeven, opdat Hij alle macht zou hebben in hemel en op aarde, is er niet aan le twijfelen of de Proleet heeft de geloovigen vermaand om voortdurend le
Psalm 118 ; '25âquot;20.
bidden voor den voorspoed en de bevordering van dit gceslelijk koninkrijk. Want hel betaamde luin, die onder de oude voor-afschaduwinoen leefden, om voor David en zijne opvolgers te bidden; maar toen de macht en waardigheid des koninklijks nedergeworpen waren, betaamde liet om met veel grooter en vuriger aandrang God om de wederoprichting er van le bidden. Kortom; alles wat hier gezegd wordt, is toepasselijk op den Persoon van Christus, en hetgeen op duistere wijze algeschaduwd werd in David is ten volle geopenbaard en verwezenlijkt in Christus. De verkiezing van David is in het geheim geschied, en nadat hij door Samuël lot Koning was gezalfd, werd hij door Saul verworpen en door al de oversten des volks; allen verafschuwden hem, alsof hij duizendmaal den dood had verdiend. Door zoodanigen smaad onteerd zijnde, scheen hij dus geen geschikte en voegzame steen le zijn, waaraan men in hel gebouw eene plaats moest geven. Zoodanig was ook de aanvang van het koninkrijk van Christus, die gezonden zijnde door zijn' Vader ter verlossing zijner Kerk, niet slechts gesmaad en veracht werd dooi' de wereld, maar levens door haar werd gehaat en verafschuwd; en dat niet alleen door hel lagere volk, maar ook evenzeer door de overprieslers dei' Kerk. Nu zou men echter kunnen vragen, hoe de Proleet diegenen bouwlieden noemt, die wel verre van zich eenigerlei moeite te geven om het gebouw te schragen, zich slechts beijverden om hel gansch en al af le breken, want wij weten met welk eene woede de Schriftgeleerden en Overprieslers er zich ten tijde van Christus op toegelegd hebben om alle godsvrucht uit le roeien. Hel antwoord op deze vraag is gemakkelijk, namelijk dat David slechts het oog had op hunne bedoeling. Want, hoewel Siuil en alle zijne raadslieden de verwoesters der Kerk zijn geweest, waren zij ten opzichte van hunne roeping toch bouwlieden. Zoo is ook de Heilige Geest gewoon aan de boozen den eervollen titel, aan hun ambt verbonden, toe le kennen, toldat God hen verwerpt. Wij weten, hoe onder het oude volk [Gods] de priesters soms zeer slechte menschen geweest zijn, toch is hun de eer van hun' titel altijd verbleven, totdat zij van hun ambt ontzei waren. Zoo spreekt ook Jesaja in hoofdslk ; 19. Wie is er blind als mijn knecht, en wie is er zot gelijk hij, dien ik gezonden heb'? Want hunne bedoeling was wel geheel de orde der Kerk onderst boven le keeren, omdat zij echter lol een gansch ander doel geroepen waren, noemt hij hen dienstknechten Gods en door Hem gezondenen. Zoo ook matigt heden ten dage tie Paus met geheel zijne slinkende geestelijkheid zich wel den lilel aan van
Psalm 118 ; 25âiti.
Ã01
Priester, maar zij zijn er niet minder openbare vijanden van Christus om. Hieruit volgt, dal zij niets minder dan wettige dienstknechten Gods zijn, en het zal hun tot des te grootei veroordeeling strekken dat zij de plaats van Herders hekleedende, de schapen verstrooien en verderven. Hoewel er nu een groot verschil is tusschen hen en de Levitische Priesters, is er, voor zoo veel het gewone gezag hij hen berust, geen bezwaar er hun ook den titel van toe te kennen, mits zij het schandelijke hunner tyrannie er niet achter zoeken te verschuilen. Want, als de bloote titel zou volstaan om eerbied te verkrijgen, dan zou Christus hebben moeten zwijgen, toen de Overpriesters zijne leer verwierpen. Veeleer toont ons deze Schriftuurplaals, dat zij, aan wie hel ambt is toevertrouwd om de Kerk te regeeren, maar al te dikwijls zeer slechte werklieden zijn. In den geesl noemt David hen bouwlieden, die gepoogd hebben den Zone Gods, en met Hem, hel heil der geheele Kerk te verderven, hen, die den dienst van God hebben vervalscht, den geheelen godsdienst hebben verdorven, en den Tempel Gods hebben ontheiligd. Indien men dus zonder onderscheid allen moei hooren, die mei het gewone gezag zijn bekleed, zoo zwijge dan Christus, want het gebeurt dikwijls, dat zijne ergste vijanden zich onder het masker van herders schuil houden. Hier zien wij hoe sterk en ondoordringbaar hel schild is, waarmede de Heilige Geest ons voorziet legen de ijdele grootspraak der Roomsche geestelijkheid. Voorzeker! zij bezitten den naam van âbouwlieden; maar zoo zij Christus verwerpen, moeten w\) Hem daarom verloochenen? Veeleer behooren wij hunne raadsbesluiten onder onze voelen te vertreden en eerbied le betoonen voor dien kostelijken steen, waarop onze zaligheid gegrond is. Want, als er gezegd wordt, dal hij tot een hoofd des hoeks is (jeu:orden, dan moet men door deze woorden verstaan, dal Hij het ware ibndament is der Kerk, die het gansche gebouw draagt, omdat het een vereischte is, dal de grootste vastigheid van een gebouw in de hoeken gelegen is. Want het vernuftige bedenksel van Auguslinus wil mij niet behagen, waar hij zegt', dal Christus de hoeksteen is, omdat Hij Joden en Heidenen heeft saamgevoegd, zoo als de hoek twee verschillende muren samenvoegt. Daarna dringt David (gelijk ik reeds gezegd heb) er door vele woorden op aan, dal hel verkeerd is om het koninkrijk van Christus te beoordeelen naar de schatting en het gevoelen der menschen, omdat hel in weerwil van den tegenstand van geheel de wereld op wondervolle wijze door de verborgene kracht Gods is opgericht. Inlusschen moeten wij ons herinneren dat hetgeen aan den Persoon van
Psalm 118 ; 4aâriü.
Clirislus is geschied ook tol aan liet einde der wereld in zijn koninkrijk gezien zal worden. Toen Clirislus op aarde omwandelde, hebben de waardigheidsbekleeders in de Kerk Hem veracht; en heden ten dage strijden zij, die zich de opvolgers noemen van Petrus en van Paulus â hoewel zij volkomen gelijk zijn aan Annas en Kajal'as â naar de wijze der reuzen tegen hel Evangelie en den Heiligen Geest. En toch moeten wij door dien woedenden opstand niet ontroerd worden, maar ootmoedig de wondere macht Gods aanbidden, die de vei keerde oordeelvellingen der wereld heelt te niet gedaan. Want, indien ons kleine verstand de wijze van werken kon begrijpen, waardoor God zijne Kerk bewaard heelt, dan zou hier van geen wonder worden gesproken. Hieruit leeren wij, dat zijne wijze van werken voor ons onbegrijpelijk is, en dat alle menschelijk versland hier voor te kort schiet. Nu vraagt men echter, ol' het dan noodigis, dal Christus door de bouwlieden wordt verworpen. Kn voorzeker zou hel wel zeer siechl gaan met de Kerk, indien zij nooit andere leeraren had, dan hen, die de doodvijanden zijn van haai welvaren. En als de Apostel Paulus zich een' bouwmeester noemt (1 Gor. ^ : 10), dan leert hij, dal dit ambt aan alle Apostelen gemeen is. Ik antwoord dus, dal allen, die met gezag zijn bekleed in de Kerk, niet tol altijddurende verblindheid zijn veroordeeld, maar de Heilige Geest neemt dit struikelblok weg, waardoor anders velen op hun' weg gehinderd en opgehouden zouden worden, als zij zien, dal de naam van Christus voor den glans der wereld zou verbleeken en er als door bedekt zou worden. Omdat God dus, ten einde zijne heerlijkheid te schitterender te doen uil-blinken, aan Satan den teugel viert, zoodal zij, die macht en gezag hebben in de Kerk, Clirislus verwerpen, beveelt de Heilige Geest ons goedsmoeds te zijn en de verkeerde oordeelvellingen der wereld verachtende, met allen eerbied den Koning te ontvangen, dien Hij voor ons verordineerd heelt. Wij welen, dat de bouwlieden in den beginne getracht hebben het koninkrijk van Clirislus te verstoren. Helzellde is ook geschied in onzen tijd; want zij, aan wie de last was gegeven de Kerk Ie regeeren, hebben door alle mogelijke middelen beproefd hel rijk van Christus omver le wei pen, en ook heden stellen zij daartoe nog alles in hel werk. Maar als wij ons deze profetie herinneren, dan is het er zóó ver van daan, dat ons geloof aan het wankelen wordt gebracht, dat hel juist al meer en meer bevestigd en gefondeerd zal worden. Want hieruit blijkt nog duidelijker, dat Christus niet heersclil naar den raad en den wil der menschen, en van geene aardsche maclil omringd is, gelijk Hij ook door
PSALM 11K ; 25â2G.
geene aardsche middelen len Iroon is verlieven. Indien inlusschen de bouwlieden hun plicht doen om goed Ie houwen, dan zal de boosheid van hen, die zich voor hel heilige gebouw niel ge-schikl willen lalen maken, nog des le minder le veronlschuldigen zijn. En voorts: telkenmale ais wij door zoodanige verzoeking worden aangevallen, moeten wij ons herinneren, dat het niel redelijk of billijk is, dal de Kerk bestnnrd worde op eene wijze, die wij kunnen begrijpen, maai dat die regeering ol dat bestuur, voor ons verborgen is, want hetgeen op wonderbaarlijke wijze geschiedt, kan dooi' ons niet begrepen worden. Heigeen nu volgt, dal: Deze dag door den lleere gemaakt is, geelt ons le verstaan, dat overal diepe duisternis heerscht. lotdal Christus, de Zon der Gerechtigheid, ons verlicht met zijn Evangelie. Wij worden er ook op gewezen, dat dit werk aan God wordt toegeschreven , opdat de menschen het niet aan hunne eigene vlijt ol inspanning zouden toeschrijven. De opwekking tot blijdschap die onmiddelijk volgt, heeft de strekking, dat wij voor de woede onzer vijanden niet moeten terugwijken, en ons de blijdschap, die Christus heell geschonken, door hen niel moeten lalen ont-rooven. Wan! daar al onze gelukzaligheid hieruit voortvloeit, is hel niet le verwonderen, dal wij, al is hel ook datdeboozen sidderen van spijl en woede, ons verheffen tot eene hooge en onuitsprekelijke vreugde, waarbij alle smart en beproeving in het niet verzinken, liet gebed, dat nu volgt, werd algemeen onder het volk gebruikt, voordat Christus op aarde kwam, ja zells werd het door de kleine kinderen gebeden, gelijk wij weten, dat de Evangelisten verhalen, dal Christus met deze woorden omvangen is geworden. Er is ook niet aan lelwijlelen, of God heelt toen de proletie willen bevestigen, die Hij door den mond van David heeft uitgesproken. .Ia meer, deze uitroep toont duidelijk aan, dal deze verklaring, waar de .loden heden ten dage zoo heftig tegen uitvaren, toen door allen aangenomen werd, waarom hunne hardnekkigheid en boosheid ook nog zoo veel le minder zijn le verontschuldigen. Want ik klaag hunne stompzinnigheid niet aan, omdat zij zich zeiven en anderen met de nevelen der onwetendheid omhullen En daar de Joden ook le midden van hun' ondergang en Iremige verwoesting niet opgehouden hebben dit gebed le bidden, zoo behoort hunne volharding ons moed in te boezemen. Zij bezaten toen geenerlei waardigheid des koninklijks meer, geen naam, dan bij God, en toch hebben zij in dien treurigen, ellendigen toestand een vorm des gebeds behouden, die hun eens door den Heiligen Geest was voorgeschreven. En hoewel nu heden ten dage de Kerk
D t*
PsiU.M 118 : '20â27.
droevig verscheurd is, zoo iaat ons toch door dit voorbeeld, leeren, kloekmoedig om hare wederoprichting le bidden Daarenboven wordt ons ook in deze woorden geleerd, dal het koninkrijk van Christus niet steunt op, noch bevorderd wordt door, den ijver ol de bekwaamheid der menschen, maar dat dit het werk is van God alleen, want don geloovigen wordt geleerd, dat zij alleen lot zijn' zegen de toevlucht moeten nemen, l'.n ook de hei haling der woorden, waarin, gelijk wij reeds gezegd hebben, eene groote kracht ligt, wekt ons op uit onze vadsigheid, om ons mot vurigon ijver lot dit gebed te begeven. Wol is waar, God zou uit zich zeiven hot koninkrijk zijn? Zoons kunnen oprichten on in stand houden, zonder dat Hom iemand hierom vraagt ol bidl, maai het is niet zonder reden, dat deze plicht ons opgelegd is, omdat de geloovigen zich met niols beters kunnen bo-'.ig houden, dan met voortdurend zijne eer en heerlijkheid te begeeren.
27. Jehovah is God, eu Hij heelt ons vevlicht. Bindt het lam met touwen tot aan de hoornen van het altaar. 28. Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven: Gij zijt mijn God, ik zal U verhoogen. 20. Looft Jehovah, want Hij is goed, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid.
quot;11. Jehovah is God. Hij bevestigt iictgeon hij te voien gezegd heelt, nl. dal God, na zich ontfermd te hebben over zijne Kerk, en do duisternis Ie hebben verdreven, het licht zijner genade heelt doen schijnen loon David don troon beklom, want dit was eono toebereiding voor de verlossing, die men in Christus had te hopen. Hij herhaalt ook dat God do Oorsprong en Werker was van het heil, waarop men zoo weinig had gehoopt, en dal Hij door de daad geloond heeft waarlijk God te zijn. Want terwijl de geloovigen van wege don verwarden toestand der Kerk don moed bijna hadden verloren, en de boozen zich inbeeldden, dat het mei hel geslacht van Abraham gedaan was, en ook God zich eenigszins verborgen hield, begeeft hij zich wederom lot dankzegging. Kn daar de geloovigen onder de bedoeling der Wel, Gode geene plechtige dankzegging toebrachten zonder ook Iegelijk olTeranden le brengen, bevoelt bij, dat het offer met touwen aan de hoornen des altaars yehonden zou worden. Want wij weten dal David, een ijverig waarnemer dor Wel
P.sAi.M 118 : 27-29.
zijnde, de ceremoniën niel gering geaclil Iicelt, die door God verordineerd waren; hoewel iiij allijd hel oog op hel voornaamste doel gericht hield, nl. dut hij door de luilp dezei'eerste heginselen, Gode op geestelijke wijze diende, lieden, nu de schaduwen der wet voorbij zijn gegaan, blijft ons slechts over Gode dankzegging Ios te brengen door Christus, die Mij heiligt dooi zijne reinheid, opdat wij van dezen dienst der godsvrucht niet teruggehouden worden door de onreinheid van ons vleesch. En dal David zijne gedachten op den lof Gods gericht heeft, blijkt duidelijk uit hel volgende vers, waar hij beloolt dat hij den naam Gods zal prijzen, omdat hij ervaren heeft, dat Hij zijn God is, dal is; dal hij wezenlijk en inderdaad bevonden heelt, dat hij van zijne hand immer en altijd hulp en heil kon verwachten.
iJS ALM 119.
INHOUD: liet zijn velerlei zaken, waarover in dezen Psalm gesproken wordt, en daarom is het moeielijk een kort begrip van den inhoud te geven. Wij kunnen echter opmerken, dat voornamelijk op twee punten de aandacht gericht wordt, want de Profeet vermaant de kinderen Gods om godsvrucht te beoefenen, en naar heiligheid van leven te streven, eu daarna geeft bij ook den regel en de ware manier aan van God te aanbidden, nl. dat de geloovigen zich van ganscher harte toeleggen op de overdenking der Wet. Omdat hij bier echter zeer dikwijls beloften mede inlascbt, waardoor bij de geloovigen aanmoedigt om rechtvaardig en godzalig te leven, voegt bij er ook klachten bij over de goddelooze minachting der Wet, opdat zij zich niet door booze voorbeelden zouden verontreinigen. Kortom, men zal dikwijls een' overgang zien van de eene leerstelling op de andere; maar er is geen onderwerp, dat bij voortdurend en onafgebroken behandelt. Het zal dus het beste wezen om ieder punt op zijne eigene plaats na te gaan en te bespreken.
ALEPH.
1. Welgelukzalig ziju zij, die oprecht zijn van weg, die in de Wet van Jehovah gaan. 2. Welgelukzalig
Psalm 110.
ziju zij, die zijne getuigenissen onderhouden, en die Hem van ganscher harte zoeken. 3. Voorzeker! zij die in zijne wegen wandelen, bedrijven geen onrecht.
4. Gij hebt geboden, dat men uwe bevelen zeer bewaren zal. 5. Och, dat mijne wegen gericht werden, om uwe inzettingen te bewaren! G. Dan zou ik niet beschaamd worden, wranneer ik merken zou op al uwe geboden. 7. Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
5. Ik zal uwe inzettingen bewaren, verlaat mij niet al te zeer.
Sommigen noemen dezen Psalm de Oclaafpsalm, omdat hij verdeeld is in strophen van achl verzen, en eik vers van iedere strophe mei dezelfde letter begint, naar de volgorde van hel alphabelli. Dal dit ten doel had het geheugen le hulp te komen, is uit de zaak zelve gemakkelijk af le leiden, want de Psalm beval eene leer, die de kinderen Gods voortdurend behooren te overdenken. Om dit nu voor zijne lezers minder bezwaarlijk te maken, heeft de Profeet elk achttal verzen mei dezelfde letter van het alphabet gemerkt, in dier voege dal elk vers met dezelfde letter aanvangt, waardoor dus elke verontschuldiging van onwetendheid wordt afgesneden, zelfs voor hen, die traag en onverschillig zijn. Hoewel zich dit nu niet uitstrekt tot hen, die den Psalm in de Lalijnsche taal lezen, moeten wij toch vasthouden aan dit beginsel, dal hier eene leer wordt voorgesteld, waarin alle de kinderen Gods zich behooren te oefenen, en die zij van builen moeten leeren, opdat zij er volkomen vertrouwd mede zijn zullen. Wal betreft den auteur, hieromtrent kan ik niets met zekerheid vaststellen, want men kan er met geenerlei zekerheid ol waarschijnlijkheid naar gissen. Ook volgens de verklaring van alle uitleggers kan niets mei zekerheid gezegd worden. Dewijl David echter in dit opzicht hoven al de anderen heeft uitgemunt, zal ik er geen bezwaar in zien hier en daar zijn' naam te noemen. Wij moeten ook hel een en ander opmerken omtrent de woorden, die hier dikwijls herhaald worden. Over het woord Thor ah zal ik niet spreken, want hoewel het afgeleid is van het werkwoord Onderwijzen, wordt hel toch overal in de beleekenis genomen van de Wet. Sommige llebreeuwsche
Psalm 119 : 1.
geleerden zeggen, dal chóhim de ceremoniën beleekenen, die door (iod verordineerd zijn, waarvoor ook wel eenige redenen heslaan; zij denken dat hel woord Pekoedim gehoden heleekenl, die belrekking hehben op nalumiijke reciilvaardiglieid. Hel woord Mishpatim heleekenl ongetwijfeld Geloden, heigeen hlijkt uit de afleiding van het woord. De llehreën nemen het woord Edoth voor de leer der Wet, maar hinnen zekere grenzen, nl. opdat wij welen, dat hierin begrepen is op wat wijze Go.i een verhond sluil met zijn volk. De reden . waarom de gehoden dei-Wel oordeelen of gerechtigheden worden genoemd, is genoegzaam hekend, nl. opdat wij zouden welen, dal God niets gehoden heeft dan hetgeen recht is, en vervolgens, dat de menschen geen anderen regel van volmaakte heiligheid moeten zoeken, dan die welke gelegen is in hun leven in Ie richten in gehoorzaamheid aan de Wet. Hel is in schier gelijken zin dal zij De -wegen des ITeeren worden genoemd, opdat allen, die getrouw de leiding der Wet blijven volgen, er zeker van zullen zijn, dal zij geen gevaar loopen van te dwalen. Dewijl echter alle soorlen van wellen ol verordeningen, hijlzij van God ol van Koningen genoemd worden, en gelijk wij in verscheidene Schrillumplaalsen kunnen zien, dat ook het woord Pe/werfm tot verschillende soorlen uilgeslrekl wordt, wordt de moeielijkheid omtrent de bovenvermelde lijne onderscheiding weggenomen Wal nu dezen Psalm betreft men zal door het verband van den tekst kunnen bespeuren, dat al deze uitdrukkingen eene gelijke heteekenis hehben. Ten einde meer eerbied in le boezemen voor de Wet, geeft de Profeet haar verschillende, eerenamen, terwijl hij ons toch allijd dezelfde leer op hel harle bindl. En nu kom ik lol de woorden zeiven.
1. Welgelukzalig zijn zij die oprecht zijn in hun iceg. Wij hebben hier dezelfde uitspraak, die wij hij het begin van hel Boek hebben aangetroffen Want, lerwijl de menschen, natuurlijkerwijze allen begeeren gelukkig ie zijn, is hel er toch verre vandaan, dal zij naar de gelukzaligheid slreven door den rechten weg le volgen, daar zij er moedwillig de voorkeur aan geven om lot hun eigen verderl op bijpaden al Ie dwalen. Zoodanige dierlijke stompzinnigheid en moedwillige verblinding wordt dus volkomen terecht door den Heiligen Geest gelaakt. Wal den zin der woorden betrell, die is duidelijk genoeg, indien de menschen slechts niet door hunne hooze lusten op een' tegen-overgeslelden weg gevoerd werden. Want omdat iedereen 'zich inbeeldt, dat, hoe verder hij van God afvvijkl, hoe gelukkiger hij zijn zal, verwerpen allen, alsol hel eene fabel ware, heigeen de
Di. n. 4 %
Psalm 110 : 1â'?.
Heilige Geest zegt omtrent ware godsvrucht en den dienst van God, en zoo zal er nauwelijks één zijn op de honderd, die deze leer van harte aanneemt, liet woord Wecj word! hier gebruikt voor de wijze van leven, ol wel den loop van hel leven. Zoo noemt hij diegenen oprecht in hun' weg, die eene ongeveinsde begeerte hebben om de gerechtigheid te volgen, en zich dit ten doel stellen in hun leven. In het tweede lid loont hij duidelijker het middel aan om een goed en heilig leven te leidon, nl. door in de Wet des Heeren te umndelen. Want, als iemand naar zijn eigen goeddunken wil wandelen, zal hij voorzeker dwalen, en daarom' zal hij, al zou de gansche wereld hem ook toejuichen, zich slechts nutteloos vermoeien. Nu zou men echter kunnen vragen, of de Profeet dan alle hoop van gelukkig te zijn ont-zelt;n aan hen, die God niet volmaaktelijk dienen, want dan zouden alleen de Engelen gelukzalig zijn, daar een volkomen en volmaakt waarnemen van de Wet op aarde niet wordt gevonden. De beantwoording dezer vraag is gemakkelijk, want als er oprechtheid van de kinderen Gods wordt geëischt, dan neemt men hiermede de vrije genade en vergeving niet weg, in welke alleen hun heil en welzijn is gelegen. L)e dienstknechten Gods zijn dus in dier voege gelukzalig, dat zij toch altijd de toevlucht moeten nemen tot Gods ontferming, omdat hunne oprechtheid toch slechts hall is. In dien zin wordt dus gezegd, dat zij, die getrouw de Wet waarnemen, gelukzalig zijn, en ook is daarmede het woord bewaarheid, dat diegenen welgelukzalig zijn, aan wie God de ongerechtigheid niet toerekent. (Ps. 'Ãi-M). In het tweede vers bevestigt hij nog verder deze zeilde leer door welgelukzalig te noemen niet degenen, die wijs zijn in hun eigen oordeel, of voor zichzelven eene eigene heiligheid hebben uitgedacht, maar wèl diegenen, die zich wijden aan Gods vei bond en aan de leei zijner wet. En voorts: opdat wij welen, dat God zich niet tevreden stelt met oogendienst, eischt Hij tevens eene oprechte genegenheid des harten. Imi voorzeker! daar God alleen de be-voegde Hechter is van ons leven , zou het ook niet volstaan dat wij Hem gehoorzamen met onze voeten en handen, indien de waarheid in ons hart daaibij niet de eerste en voornaamste plaats inneemt.
'3. Voorzeker! zij die in zijne wegen wandelen, enz. Hoewel hij niets schijnt te zeggen dat niet algemeen bekend is en dat niet door iedereen wordt toegestemd, nl. dat zij, die God als hun' Leidsman volgen, niet zondigen, zoo is deze wenk of waarschuwing toch noodig, en wel om tweeërlei redenen, nl. opdat
058
Psalm 110 : 3-f).
wij Ineren p'ohoel ons lovon dooi Gorl to Inten heslnmn, pd vervolgens, opdat wij met des te meer oplettendheid luisteren naar zijne leer. Allen erkennen wel, dat zij, die zich Gode onderwerpen en Hem gehoorzaaam zijn, buiten gevaar zijn van al' Ie dwalen, maar toHi volgt ieder zijne neiging om op doolwegen te gaan. Kn toont doze hooze neiging ol vermetelheid nicl volkomen duidelijk, dat zij hunne eigene bedenkselen hooger slellen dan de volkomen zekere Wel van God? En zal niet zoodia iemand valt, door hem als verontschuldiging worden aangevoerd, dal hem dil hij ongeluk ol door onachtzaamheid is overkomen? Alsol nooit iemand willens en wetens heelt gezondigd, en alsol de Wet Gods die een middel hiedl legen alle zonde, omdat zij al onze hedorvene lusten iu loom houdl, ook niet wijsheid ue-noeg mededeelde om ons op onze hoede te doen zijn! Daarom verklaart de Proleet, met. volle recht, dal allen, die onderwezen zijn in de Wel Gods, geene onwetendheid kunnen voorwenden, omdat zij willens blind zijn: want, als zij behoorlijk acht gaven op de stemme Gods, dan zouden zij tegen alle listen des Satans gewapend zijn. En ten einde hen nu ook vrees en ontzag in le boezemen, zegt hij in hel vierde vers, dal. hel waarnemen der Wel stipt en streng door God wordt geëischt. Hieruit volgt, dat de veronachtzaming er van niet ongestralt zal blijven. En door lot God in den tweeden persoon le spreken, steil hij Hem zich als Rechter voor oogen.
5. Och! dat mijne wegen qencht werden! enz. Omdat hel Hebreeuwsche woord doen soms de beteekenis heelt van vestigen, zou hel kunnen schijnen, dat de Profeet de kracht tol volharding voor zich begeert; ik geel' er echter de voorkeur aan om hel hier door hel woord richten, ol leiden, le vertalen, want, ofschoon God ons openlijk onderwijst in zijne Wel, is toch ons versland zóó beneveld, on de ongehoorzaamheid van ons hart zóó mooi, dat wij er ieder oogenblik behoefte aan hebben om door zijn' Geest te worden geleid en bestuurd. Daarom mod dil onze vurigste begeerte zijn om niet wijs te willen wezen hoven hetgeen in de Wet Gods is geschreven, en een gehoorzaam, volgzaam hait te hebben. Daarna voegt hij er bij, dal zoo iemand arhl geelt op Gods Wet, hij niet behoelt te vreezen, dat hij van eenigei lei daad ol voornemen berouw zal hebben. Dooi het woord Merken, ol acht geven, geeft hij te kennen, dat wij niel naar onze eigene raadslagen ol bedenkselen moeten luisteren om te welen wat wij te doen hebben, maar dal hel voor ons vast moet staan, dal zij, die noch ter rechterzijde noch ter linkerzijde
42*
Psalm 1 iO : (iâ8.
afwijken van Gods geboden, zicli op den icclilcn weg bevinden. ICn hoewel zij, die mei eerbied achl geven op Gods Wel, dooide meeste menschen veroordeeld worden, zegl tie Profeel evenwel, dat zij niet beschaamd zullen worden, omdal hel hnn genoeg is, dal zij voor God en de Engelen en voor de ganscbe vergadering in niets schuldig bevonden zullen worden, want, zoo zij van de meening der wereld alhankelijk waren, zouden zij iedei oogen-blik wankelen. Nu zegt bij: Op al uwe yehoden, omdal bij zoo vele listen en valstrikken van Satan, zoo diepe duisternis, en eene zoo groote stompzinnigheid onzerzijds, gecne gewone ot' geringe waakzaamheid vereisclil wordt om op onze hoede te zijn, indien wij overal en in alles zonder schuld willen bevonden worden. Daarom moeten wij er naar streven om bij al onze daden de Wel voor oogen te houden ten einde ons voor struikelen te behoeden.
7. Ik zal ü loven in oprechtheid des harten, enz. Hij verklaart dat hel een bijzonder voorrecht van God is, zoo iemand zich de Wel ten nutte maakt., want bij stelt deze lofzegging voor een teeken, als of hij zeide; lleere, Gij zuil mij eene onvergelijkelijke weldaad bewijzen, zoo Gij mij onderwijst in uwe Wet, Hieruit volgt, dat er niets begeerlijker is in het leven, on gave God, dal wij bier gansch en al van overtuigd waren! Wanl, terwijl wij niels dal aangenaam is voor hel vleescb vergelen ol voorbijzien, wanneer wij ijverig uitzien naar hetgeen wij denken dal nullig of voordeelig voor ons is, geven wij geen acht op hetgeen bel voornaamste voor ons zou moeien wezen. De rechten meer gerechtigheid. Dezen zijn zooveel als geboden, die eene volmaakte gerechtigheid in zich bevallen, en zoo looft de Profeel de Wet Gods van wege de volmaaktheid barer leer. En voorts wordt ons nog geleerd, dal niemand God met eene reine genegenheid des harten looit, dan hij, die in zijne school geleerd heelt zijn leven in te richten in gehoorzaamheid aan Hem, \Nant hel is een al le koude geveinsdheid om God te loven mei onze long, indien wij Hem onleeren door ons leven. Het is dus terecbl, dat de Profeel hel als eene vrucht der ware godsvrucht voorstelt, dal wij Go 1 zonder eenige geveinsdheid loven,
8. Ik zal uwe inzettingen hetvaren, enz. In de eerste plaats betuigt bij, dat hij gezind is de Wel Gods le houden; daar bij zich echter van zijne eigene zwakheid bewust is, voegt hij er een gebed aan toe, dal hij niet van de genade Gods ontbloot moge wezen. Dit woord Verlaten kan echter in tweeërlei zin
6G0
I'S ALM 119
genomen worden, nl. ol tliil God zijn üeesl wegneemt, óf dat Hij (oelaul, dal de zijnen bezocht worden door tegenspoed, aisol' Hij zitli van lien liad verwijderd. Deze laatste verklaring is hier liet meest gepast van vvege de bijgevoegde uitdrukking Al te zeer, ol' al te ver. Want de Profeet vraagt niet, dal zijn leven nooit of in niets beproefd zal worden, maar hij vreest te zullen bezwijken, zoo de beproeving van al te langen duur is, en daarom vraagt hij, dat zijne zwakheid hem vergeven zal worden. Dit is alzoo de korle inhoud van zijn gebed: O God, Gij ziet van welke gezindheid ik ben, maar daar ik een mensch ben, zoo veiberg niet al te lang de teekenen uwer gunst voor mij, en vertoef niet al le zeer om mij te hulp te komen, opdat ik niet denke door U verlaten te zijn, en mij alzoo van den rechten weg der godsvrucht afwende.
BETH.
9. Waarmede zal de joDgeliug zijn pad zuiveren? Door op uw woord acht te geven. 10. Ik hel) U met mijn geheele hart gezocht, laat mij van uwe geboden niet afdwalen. 11. Ik heb uwe rede in mijn hart verborgen, op dat ik tegen U niet zondigen zou.
12. Jehovah! Gij zijt gezegend, leer mij uw inzettingen.
13. Ik heb met myne lippen verteld al de rechten uws monds. li. Ik heb mij iu den weg uwer getuigenissen evenzeer verlustigd als in allen rijkdom. 15. Ik zal uwe bevelen overdenken, en op uwe paden letten. 16. Ik zal mij vermaken in uwe inzettingen, ik zal uwe woorden niet vergeten.
9. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiveren? Hij herhaalt met andere woorden hetgeen hij te voren gezegd heelt, nl. dal, hoe de menschen zich omtrent hunne daden en handelingen ook vleien, er in hun leven toch niets reins wordt gevonden, voordal zij zich van ganscher harle aan hel Woord Gods hebben gegeven. En om des le sterker indruk teweeg te brengen, stelt hij bij name de kinderen of jongelingen als voorbeeld. Want, door inzonderheid dezen le noemen, viert hij den teugel niet aan de volwassenen of aun de ouden van dagen, alsof dezen wel in
8-9.
Psalm 1 l'J ; 0-10.
slaal waren liun leven le regelen, en hunne eigene wijsheid hun ten wel ware. maar omdal de mensch in zijne leugd als op een kruisweg geplaatst is, waai hij kiezen kan welke levenswijze hij z d volden, quot;eelt hij le kennen , dal wanneer iemand bij zich zeiven overweegt, hoe hij zijn leven zal inrichten geen raad hem nuttig ol dienstig kan zijn dan alleen deze, dal hij de Wet Gods lol zijne leermeesteres en leidsvrouw aanneemt. Hieidooi spoort de Profeet de menschen aan om reeds vroeg hunne zeden en -ewoonlen te vormen en te regelen, en dit niet uit te stellen, oeliik ook Salomo zegt: Gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap; eer dat de dagen «wer benauwdheid komen en de jaren , die u ten moeite en verdriet zullen zijn (Prediker 1-i; 1). En voorzeker zien wij, dat zij, die dit van dag lol dag uitstellen, zich verharden in hunne ondeugden, zoodat het wel zeer laat is om te trachten er zich van te verbeteren, als zij lot rijpen leeftijd zijn gekomen. Er is nog eene andere reden, nl. dat de jongelieden, wier harlslochten heviger en meer op-bruischend zijn,quot; als het ware een dubbelen breidelnoodig hebben, en hoe minder matiging zij in zich zeiven hebben hoe noodzakelijker hel is hunne harlslochten in toom te houden. Daarom is het niet ten onrechte, dal de Profeet hen inzonderheid vei-uiaant de Wet le onderhouden. Nu moet men hier uil hel «Mooiere besluiten lol hel kleinere; want als de N^el deslleeien zoodanige kracht heeft om de onstuimige harlslochten der jeugd te breidelen, zoodat zij hen, die haar houden, rem en onbevlekt doel blijven, dan is er niet aan le twijfelen, dat zij ook een kostelijk' middel zal wezen om van zonde en ondeugden te aenezen, als de rijpheid des ouderdoms daar is en de hegeei-fijkheden minder heftig zijn geworden. Dal er dus eene zoo schrikkelijke uitgieting dei ongerechtigheid is in de wereld, is daaraan ie wijten, dal allen zich behagen in hunne onreinheid, en meer gehoor geven aan iiunne neigingen en hooze lusten dan aan de hemelsche leer; want de ijverigste en getrouwste wacht, die wij over ons zeiven kunnen houden, is dal wij doen naar üuds Woord; maar sommigen, die wijs zijn in hunne eigene oo,ren, werpen .zich in de strikken ven Satan, en wedeioni anderen volharden in hun ellendig en zondig leven, omdat zij aan hunne traagheid toegeven.
10, Ik heb U met mjjn (jeheele hart yezocht. Hoewel de Proleet zequot;l waarlijk oprecht van hart le zijn. smeekt hij toch om de hulpe Gods, opdat hij niet zou struikelen. Doch hij roemt hier niet alsof hij er dooi zijne eigene wijsheid toe was gekomen om
Psalm 119 ; 1Uâ11.
God le zoeken, maar de yenade lovende, die hij heelt ontvangen, slre^fï iiij legelijkerlijd naar standvastigheid en volharding. Hel is dus eene dwaasheid dat de Papisten deze en dergelijke Schril-tuurplaatsen gebruiken 0111 er mede te bewijzen, dat de heiligen dooi' hunquot; vrijen wil de genade des Heiligen Geestes zijn voorgekomen, en daarna door zijne hulpe worden bijgestaan. Want de Profeet houdt hier geene deeling tusscben God en zichzelven, veeleer bidt hij, dat God zijn werk aan hem zal voleinden, gelijk ons ook overal geleerd wordt aan God zijne eigene weidaden voor te houden, totdat Hij ze tot volkomenheid zal hebben gebracht. Intusschen is het ons wettig en gcoorloold te bidden, dat God zijne hand tot ons zal uitstrekken, als hij ziet, dat wij geen grooter begeerte koesteren in ons hart dan om te doen hetgeen recht is. En gelijk God ons opheft tot de hoop en het vertrouwen om Hem om de genade der volharding Ie bidden, wanneer Hij eene rechte neiging in ons werkt, zoo wekt Hij ons ook op voor de toekomst om niet traag en zorgeloos te zijn, als soldaten, die hun' diensttijd volbracht hebben, maar dal wij Hem bidden om ons telken stonde te leiden en te besturen door zijn Geest der wijsheid, en ons te versterken door den Geest der kracht. Want David stelt ons hier door zijn voorbeeld ten regel, dat naarmate een iegelijk gevoelt door God ondersteund te zijn, bij door des le grooter ijver gedrongen zal worden om nog verder zijne hulpe te begeeren en er om te vragen, want, zoo zijne hand ons niet weerhoudt, zullen wij terstond in dwaling vervallen, hetgeen nog duidelijker wordt uitgedrukt door hel llebreeuvvsche werkwoord Tashgéni omdat hel overgankelijk is, en zooveel beteekent als misleiden. Niet dat ik door de beteekenis van dit werkwoord zou willen trachten te bewijzen, dal God ons inwendig lot zonde beweegt, maar opdat de lezers zouden weten, dal onze neiging om te zondigen zoo sterk is, dal wij vallen, zoodra God zijne hand van ons aftrekt. Wij worden door deze Schrirtuurplaals levens gewaarschuwd, dat zoo men ook maar in het minste of geringste afwijkt van Gods geboden, men ook terstond van den rechten weg is afgedwaald.
11. llc heb uwe rede in mijn hart verborgen. Daar deze Psalm voor geen bijzonder gebruik bestemd was, moeten wij er aan denken, dat telkenmale wanneer David ons zijn eigen vooibeeld voorhoudt, ons onder dit type getoond wordt wat wij le doen hebben. Nu zegt hij hier, dal wij dan goed toegerust zullen zijn om legen de listen van Satan le waken, als de Wet Gods diep ingeworteld is in ons hart; want indien zij niet aldus ons
Psalm HU : 11 â 12.
hurl in bezit lieei'l, zullen wij gemakkelijk vallen. Wanl evenals; degenen, die niets welen dan hetgeen zij in een schetsboek liebben gelezen, terstond hunne onwetendheid toonen, zoodru zij het boek niet meer voor hunne oogen hebben, zoo zullen wij, indien wij ons niet ^ansch en ai van de leere Gods doordrongen hebben, zeer gemakkelijk door Satan overvallen worden en in zijne strikken verward raken. Wij zullen dus het best gewapend zijn, als wij de Wet Gods niet maar even geproefd en gesmaakt hebben, ol' haar slechts oppervlakkig lezen, maar haar diep in ons hart opnemen. Intusschen worden wij er opnieuw op gewezen, dat, welke hooge meening de menschen ook omtrent hunne eigene wijsheid ook mogen koesteren, zij toch van alle gezond verstand ontbloot zijn, als zij God niet lot Leermeester hebben.
12. Jehovah, Gij zijt gezegend. Hoewel de Proleet zoover gevorderd is, dut hij niet slechts een van Gods discipelen was, maar ook een openbaar leeraar der Kerk, zoo weel hij toch, dat hij evenals de verst gevorderden, toch nog altijd en tol aan hel einde zijns levens in de leerschool is, en daarom laai hij niet af om den Geest der wijsheid te vragen. Ook loont ons deze Schrilluurplaats in hel algemeen, dal, hoewel de Wel Gods steeds voor onze oogen is, ons gezichtsvermogen toch niel scherp genoeg is om het licht te zien, dal er in geopenbaard wordt, voordat God ons dooi' den Geest des oordeels en des verstands heelt veriicht. En de reden waarom zoo velen bij hel heldere licht der leer toch nog blind zijn, is, dal zij op hun eigen verstand vertrouwende, de innerlijke verlichting des HeiligenGeesles minachten. In de tweede plaats moeten wij leeren, dal geen sterfelijk mensch zulk een diep en doordringend versland heeft, dat hij niel altijd nog zou noodig hebben te leeren. Want, indien de Proleel, aan wien God zulk een eervol ambt heeft toevertrouwd, betuigt, dat hij nog maar een der discipelen is, aan welk eene traagheid slaan wij dan niet schuldig, wij, die zoo ver bij hem ten achteren zijn, als wij ons niet beijveren om voortdurend onze kennis te vermeerderen. En voorts: om te verkrijgen hetgeen waar hij om vraagt, pleit hij niel op zijne eigene verdiensten, maar wel op Gods eigene eer en heerlijkheid. Want, door het gebruik van deze inleiding: Jehovah, Gij zijl gezegend, verklaart hij de stellige en gewisse hoop te hebben van verhoord te zullen worden, omdat God van wege zijne goedheid, rechtvaardigheid en onbegrijpelijke barmhartigheid waardig is geloofd en geprezen te worden.
Psalm ii'J ; IJâlii.
13. Ik heh met mijne lippen verteld, enz. Hij beluiyl, dat liij niel sleclils de Wel Gods in zijn lim t lieell bewaai d, maar dal liij er naar gestreeld lieell vele andere discipelen onder de ge-hoorzaamheid üods te brengen Op zicbzelve genomen zou liet wel eene zeer onbeduidende zaak zijn om sleebls over de Wet Gods te spreken, gelijk wij zien, dat de geveinsden veel en dikwijls over de leer der godsvruchl spreken, terwijl zij er toch zoo ver mogelijk van verwijderd zijn; maar hetgeen de Proleet een weinig te voren van de gezindheid des harten gezegd heeft, past hij nu toe op de tong. En terstond daarna verklaart hij opnieuw, dal hij zich van ganscher harte, en zonder eenige geveinsdheid er op toegelegd heelt de anderen te onderwijzen, als hij zegt, dat hij zich in de leer van God niet minder verlustigd heeft dan in alle de schatten der wereld. Nu maakt hij als van ter zijde eene vergelijking tusschen de heilige liefde voor de wet, die in hem ontstoken was, en de booze begeerlijkheid, waarvan schier geheel de wereld is bevangen; alsof hij gezegd had: terwijl het hart en de gedachten der menschen vervuld zijn van schatten was |het mij eene niet mindere verlustiging vorderingen te maken in de leer der godsvrucht, dan overvloed te hebben van allerlei goed.
15. Ik zal uwe hevelen overdenken, enz Men moet in gedachten houden hetgeen ik le voren reeds met een enkel woord heb aangeduid, nl. dat de Profeet hier niet zichzelven verheerlijkl, maar aan anderen een voorbeeld stelt ter navolging. Wij weten, hoe zeer de meeste menschen zich door aardsche zorgen en beslommeringen laten beheerschen , zoodat hun geen lijd of gelegenheid overblijft om de leer Gods te overdenken; teneinde nu [de menschen] van deze onverschilligheid en traagheid te genezen, beveelt hij terecht aan naarstig en aandachtig le zijn. En al is hel ook, dal de wereld ons niel omstrikt heelt, zoo weten wij toch hoe gemakkelijk wij de Wet Gods vergelen in de dagelijksche verzoekingen, die ons voorkomen. Daarom is hel niel zonder reden dal de Profeet ons vermaant tot voortdurende oefening, en ons beveelt daar al onze aandachl aan te wijden. En dewijl het leven des menschen zoo ras voorbijgaat, en zij door allerlei begeerlijkheden des vleesches her- en derwaarts gedreven worden, zegt hij, dat hij naarstiglijk op de paden Gods zal letten. Daarna herhaalt hij, dat hem deze overdenking eene groote verlustiging is geweest. Want, zoolang wij niet vroolijk en welgemoed ons hart aan de wel Gods geven, zullen wij er weinig of niet in vorderen. En inderdaad, het begin van goed te leven is, wanneei
üüO
Psalm 119 : 10â17.
de Wel Gods ons aantrekt door hare liefelijkheid. Dit is ook hel eeniije middel om de hegeerlijkheid des vleesches len onder te houden ol te genezen; immers, is van nature ons wel iets anders aangenaam dan heigeen zondig is? Daarom zullen wij altijd geneigd zijn in die richting Ie gaan, ten zij hel vermaak, dat wij in de Wel Gods hebben, ons in tegenovei'gestelde richting voert.
GIMEL.
17. Doe wel bij uwen knecht, en ik zal leven eu uw Woord bewaren. 18. Open mijne oogen, en ik zal de wonderen uwer Wet zien. 19. Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uwe geboden voor mij niet. 20. Mijne ziel is verbroken van wege het verlangen naar uwe oordeelen te aller tijd. 21. Gij hebt de hoovaardigen verwoest; vervloekt zijn zij, die van uwe geboden af wijken. 22. Wentel van mij versmaad-heid en verachting, want ik heb uwe getuigenissen onderhouden. 23. Zelfs de Vorsten zijn gezeten en hebben tegen mij gesproken: uw knecht heeft uwe inzettingen betracht. 24. Ook zijn uwe getuigenissen mijne verlustigingen, en mijne raadslieden.
17. Doe wel bij uwen knecht.. Met werkwoord Gamal, dat sommigen vertalen door vergelden, heelt in hel llebreeuwsch niet de beleekenis van eene verschuldigde betaling, maar wel dikwijls die van weldoen (gelijk blijkt uil Psulm 110:7, evenals uil nog vele andere plaatsen.) Ilier aan deze plaats moet hel van eene vrijwillige weldaad verstaan worden. Maar loch kan er ook tweeërlei zin in gelegen zijn, nl. dal dit hier alzonderlijk gelezen worde, en wel zoo: 0 God, betoon U milddadig jegens uwen knecht, zoo zal ik leven; ol, dan zal ik mij gelukkig achten. 01 anders, dal de geheele volzin aaneengeschakeld blijft, zoodul wij dan moeten lezen: Doe deze weldaad aan uwen knecht, dat ik levende uwe geboden onderhoud. Nemen wij de eerste lezing aan, dan zal de zin wezen dal de Profeet door deze woorden betuigt, dal hij zonder de gunsl van God als een doode is, en dat hij, al zou hij ook alle andere dingen in overvloed bezitten,
0(36
Psalm 119 ; 18â19.
üt)7
geenszins zou kunnen leven, zoo hij niel weet, dal God hem jieniidig is. Maar de andere verklaring is beier, nl dal de Proleel dil als eene groole weldaad begeerl en vraagl, dal hij levende, zich geheel en al aan God zal wijden, omdal hij er volkomen van overtuigd is, dal er voor hem geene andere reden is om le leven, dan alleen om zich in den dienst van God le oefenen. Daarom zijn deze twee zaken; Ik zal leven, en uw Woord be-waren samengevoegd, alsol hij zeide geen ander leven te begeeren, dan waarin hij kan bewijzen dal hij een waar en trouw dienst-kneeht Gods is Allen begeeren dat God hun leven zal verlengen, en de geheele wereld is van deze vurige, sterke begeerte vervuld, maar inlusschen is er nauwelijks een op de honderd, die er over nadenkt tol welk doel hij behoort te leven. Om ons nu van deze dierlijke neigint; al le brengen, toont de Profeet ons wat hel wettige doel des levens is. En tegelijker tijd leert hij, dal zoo iemand de Wel Gods onderhoudt, hij dil doel door eene bijzondeie genade des Heiligen Geestes. Want, indien hij gedacht had, dat hel aan zijn' vrijen wil slond om zich te bereiden Gods Wel le onderhouden, dan zou dit gebed geveinsd zijn. Zeer dicht hiertoe nadert ook de leering van hel volgende vers. Want, na erkend le hebben, dat de macht om Gods Wel le onderhouden door God aan de menschen wordt gegeven, voegt hij er terstond bij, dal een iegelijk onzer blind is, zoo lang God zijne oogen en zijn verstand niet heelt verlicht. Wel is waar verlicht God ons reeds door zijn Woord, maar de Proleet wil zeggen, dal wij, zoo lang God het deksel van onze oogen niet wegneemt, ook het helderste licht niet zien kunnen. Hel is dus, alsol' de Profeet hier zijne eigene blindheid evenals die van hel gansche menschdom betreurt, als hij belijdt dal zijne oogen gesloten en als door een' sluier bedekt waren, zoodal hij hel licht der hemelsche leer niel kon zien, voordat God ze door de genade zijns Oeestes had geopend. Voor hel overige; als God zich zeiven dil ambt toekent, dan leert hij ons, dal hel geneesmiddel gereed en bereid is, zoo wij slechts de genade der verlichting, die ons aangeboden is, niel verachten, door op onze eigene wijsheid of schranderheid le betrouwen. En laat ons ook leeren, dat wij niet worden verlicht, opdat wij, het uitwendige Woord minachtende, ons lalen vervoeren door verborgene ingevingen, gelijk dit het geval is met sommige dweepzieke dwazen, die zich niet anders geestelijk gezind achten, dan wanneer zij het Woord Gods verwerpen en er hunne eigene droomerijen voor in de plaats stellen. Voorwaar! de Profeet leert ons, dal wij lol een gansch ander doel worden verlicht, nl.
Psalm ll'J ; 19â20.
opilal onze oo^en in slaat zouden zijn liet levengevende lielil le zien, dal God doel schilleren in zijn Woord. Voorls noeml iiij de leer der Wel Wonderen, len eersle, om ons le verool-moedigen, opdal wij mei diepen eerbied tol deze hoogte op zullen zien; en vervolgens, om ons nog beier te doen verslaan dal wij de genade Gods van noode hebben, om de verborgenheden te kunnen begrijpen, die onze bevalling te boven gaan. Hieruit kunnen wij ook alleiden. dat in het woord Wet niel slechts de tien geboden zijn begrepen, maar ook hel verbond der eeuwige zaligheid, dal God gemaakt heelt, benevens alles wal daartoe behoort. En voorzeker! daar wij weten dat Christus, in wien alle de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn, het einde der Wet is (Coll. 2:3; Rom. 10 : 4), is hel niet te verwonderen dat de Profeet baar looft van wege de groole verborgenheden, die er in opgesloten zijn.
19. Ih ben een vreemdeling op aaide. Hel is goed om op te merken waarom hij zegt, dat hij een vreemdeling en bijwoner is in de wereld; want wereldlingen en aardschgezinde menschen bekommeren zich om niets dan om een aangenaam en gemakkelijk leven le leiden hier beneden; maar zij, die wel weten, dal wij hier onzen loop hebben te volbrengen, en dal onze erfenis ons wacht in den hemel, zijn niet gehecht aan, noch bezwaard met deze voorbijgaande dingen, doch jagen naar hetgeen waartoe zij geroepen zijn. De zin is dus; Heere, dewijl ik snel door hel leven op deze aarde moei heengaan, wat zal er van mij worden, zoo ik van de leer uwer Wet ontbloot ben? Laat ons hieruit leeren, waar wij moeten beginnen, zoo wij blijmoedig lot God willen gaan. Nu wordt er gezegd, dat God zyne geboden verbergt vooi hen, wier oogen Hij niel opent, want, als zij geene geestelijke oogen hebben, zijn zij ziende blind, zoodat hetgeen voor hunne oogen is hun verborgen blijlt. En om le loonen, dal de Profeet dit niet maar voor den vorm bidt, voegt hij er bij, dat hij een vurig verlangen heelt naar de Wel. Want, als hij zegt, dat z\jne ziel verbroken is, dan wordt hier geen gewoon of flauw verlangen mede tc kennen gegeven. Want evenals wanneer iemand zich op eenigerlei zaak met zulk een' ijver zou toeleggen, dal hij er schier onder bezweek, men zeggen zou, dal hij door zijn' al le groolen ijver verleerd werd, zoo zegt de Profeet hier, dal de kracht van zijn' geest verbroken is van wege zijne brandende begeerte naar de Wel En Iegelijk toont hij ook aan, dal volharding noodig is, waar hij zegt Te aller tijd. W7anl soms zal hel gebeuren dal iemand door een' grooten ijver
608
PsAt.M 11!) : 50â'21.
liezield is om de hemelsche leer le overdenken, maar die ijver zal weidra verflauwen en afnemen Wij beiiooren dus standvastig le zijn, opdat wij niet bezwijken wijl wij de zaak moede zijn.
21. Gij hebt de hoovaarcligen verwoest. Sommigen vertalen: gescholden, en het is waar, dat dit de beteekenis is van bet liebreeuwscbe woord Gaür, doch alleen, wanneer er de letter heth aan toegevoegd is. Daar hij mi echter eenvoudig zegt: O aart a zé.dim, is het beter naar den regel der grammatica om het woord door Verwoesten over le zetten. Het maakt echter weinisr verschil voor de beteekenis in het algemeen, want de
n * '
bedoeling van den Profeet is niet twijfelachtig, nl. dal hem door de oordeelen Gods geleerd werd zich op de overdenking van Gods Wel toe le leggen. Voorzeker behooren wij niet te wachten totdal God ons met zijne roeden kastijdt; maar als Hij wrake doel over de boozen en over de verachters van zijn Woord, dan zijn wij voorwaar! al te stompzinnig, als wij door zijne geesels niet worden onderwezen. Ongetwijfeld is hel eene bijzondere goedertierenheid Gods, als !lij ons spaart en ons slechts uil de verte verschrikt, ten einde ons tot zich te brengen zonder ons aan te raken of te kastijden. En hel is niet zonder reden dat hij alle de ongeloovigen hoovaardigen noemt, want alleen hel geloof maakt ons ootmoedig, en alle opstand komt voort uit hoogmoed. Hieruit leeren wij hoe nuttig hel is om naarstig en oplettend acht te geven op Gods oordeelen, waardoor Hij dezen hoogmoed nederwerpt. Want als zij, die zwak zijn, zien, dal de boozen zich geweldig verheffen tegen God dat zij trotscbelijk elk juk van zich werpen, en ongestralt met alle vroomheid en godsvrucht den spot drijven, dan beginnen zij le twijfelen ol er wel een God in den hemel is, die nederzil om recht te doen. Hoewel God dus voor een' lijd dit alles stil schijnt aan te zien, zoo laat ons, zoodra wij een voorbeeld zien van zijne oordeelen, het voor zeker en gewis houden, dat Hij de overtreders zijner Wet niet te vergeefs heelt gedreigd; en laat ons gedenken, dat allen die van Hem afwijken, vervloekt zijn. Overigens moeten wij opmerken, dat met dit woord afwijken niet alle schuld ol overtreding, zonder onderscheid, wordt aangeduid, maar alleen eene grenzenlooze uilspatting, die uit eene booze verachting van God voortkomt. Wèl is hel eene algemeene uitspraak, dal allen, die niet blijven in alles wat in de Wet geschreven is, vervloekt zijn (Ueut 27: quot;26); maar dewijl God in zijne vaderlijke goedertierenheid ben verdraagt, die door zwakheid zondigen, wordt hier uitdrukkelijk gesproken van de oordeelen, die God brengt
Psalm 11!» : 21â5^.
over de verworpenen. Hel doel nu, waartoe dezen strekken, is, (gelijk .lesaja zegt, hooldsl. 26:9) dat de inwoners dei aarde gerechtigheid leeren.
22. Wentel van mij versmandheid. Dit vers kan op tweeërlei wijze verstaan worden. Wij weten, dat de kinderen Gods, al leiden zij ook een oprecht en godvruchtig leven, toch aan velerlei laster zijn blootgesteld. Daarom is het niet zonder reden, dat de quot;eloovigen God hidden, hunne oprechte godsvrucht te verdedigen. Het zal dus niet ongepast zijn den zin in dier voege te verklaren: lleere, daar ik mij niet schuldig gevoel, en Gij «reluiije zijt van mijne oprechtheid, zoo laat niet toe dat de «roddeloozen mijn leven onteeren door mij valschelijk van allerlei misdaden te heschuldigen. He zin zal evenwel vollediger wezen, als wij alles aan een lezen: Laat niet toe dal de hoozen mij bespotten, omdat ik er naar streel uwe Wel te onderhouden. Want van den beginne af heelt deze goddeloosheid in de wereld â¢reheerscht, dat de dienstknechten Gods bespot weiden om hunne eenvoudigheid, en dal deze eenvoudigheid hun als een smaad en schande werd aangerekend. Ook nog heden ten dage wordt hel den kinderen Gods als een smadelijk verwijt voor de voeten geworpen, dal zij niet tevreden zijn om de algemeene levenswijze te volgen, en dat zij wijzer en beter willen wezen dan anderen. Want het woord van .lesaja moet ook vervuld worden: Ziet, ik en de kinderen, die Gij mij gegeven hebt, zijn tol teekenen en wonderen ,les, cS ; 18); zoodat de kinderen Gods met Christus, hun Hoofd, door wereldschgezinde menschen als monsters worden beschouwd, gelijk ook Petrus betuigt, dal wij door hen als uitzinnigen worden uitgekreten, omdat -quot;.j hunne manieren niet navolgen (1 Petr. 4: h). En dewijl nu deze smaad terugvalt op den naam Gods, indien zij bespot worden wijl zij er naar streven Gods wet te onderhóuden, verlangt de Profeet met volle recht, dat deze bespottingen weerhouden zullen worden. Ook leert Jesaja ons door zijn voorbeeld om daar onze toevlucht te zoeken, dat God, terwijl de boozen hoovaardiglijk hunne lasteringen uitstorten op de aarde, gezeten is in den hemel om onze Rechter te zijn. (.les. .quot;W: 22). in hel voh'ende vers verklaart de Profeet nog duidelijker, dat hij niet te vergeefs gebeden beeft, dal God hen tegenover zulke versmaadheden staande zal houden, omdat hij niet slechts dooide verachtelijksten des volks werd bespot, maar ook door de voornaamsten, door ben, die als rechters waren gezeten. Want door het woord Zitten geeft hij Ie kennen, dal zij niet slechts in hunne binnenkamers of aan hunne talels onrechtvaardiglijk en
Psai.M 119 : 23â24.
valsclielijk van hem hebben gesproken, maar ook in hel openhaal', en zelfs op hun' rechlerstoel, waar zij aan ieder recht behooren te doen. Kn hij gebruik! het partikel Gam, lietvvelk door eene stilzwijgende vergelijking tusschen het geheime morren van hel gemeene volk en de hoogmoedige oordeelvellingen van dezen de snoodheid van de zaak nog sterker doet uitkomen Intnssehen zien wij hoe voortdurend hij volhard heeft in het beoefenen der godsvrucht; want, daar Satan gepoogd heelt hem hierdoor tot wanhoop te brengen, zegt hij, dat hij het geneesmiddel daar legen gezocht heeft in de overdenking van Gods Wel. Nu wordt ons hier geleerd, dat het niets nieuws is, als de rechters in deze wereld de dienstknechten Gods boosaardiglijk verdrukken, en hunne godsvrucht bespotten. En indien nu David dezen smaad niet heeft kunnen ontgaan, waarom zouden wij er dan heden ten dage aan kunnen ontkomen? Laat ons echter ook leeren, dat niets zoo verkeerd is dan van hel oordeel der menschen af te hangen, omdat wij anders voortdurend ieder oogenblik bewogen en aan het wankelen gebracht zouden worden Daarom moet het voor ons genoeg zijn dat God ons zijne goedkeuring schenkt, hoewel wij niet slechts door hel gemeene volk ten onrechte gesmaad worden, maar ook door de rechters zeiven, van wie wij meer billijkheid hadden kunnen verwachten.
24. Goh zijn uwe qetuicjenissen mijne verlustigingen, enz. Het woordeko Gam verbindt dit vers aan het vorige, liet is een voorbeeld van zeldzame geestkracht , als wij, wanneer de wereld ons verkeerd beoordeel!, daarom noch van ons doel, noch van onze beginselen afwijken, en niet heen en weder gedreven worden, maar immer voortgaan met de overdenking van Gods Wel. Nu leer! ons de Profeet hoe hij aan deze verzoeking is ontkomen. Uwe getuigenissen, zegt hij, zijn mijne verlustigingen; dat is: Hoewel de ongerechtigheid der menschen, als zij mij valsclielijk beschuldigen, mij bitter smartelijk valt , zijn toch de genietingen, die mij uwe Wet geeft, mij eene volkomen genoegzame vergoeding voor dit alles. Hij voegt er hij dat de getuigenissen God? zijne raadslieden zijn, waarmede hij te kennen geeft, dat hij niet op zijn eigen versland betrouwt, maar dal hij met Gods Woord te rade gaat. Dit moet naarsliglijk opgemerkt worden, want wij zien. hoe blinde hartstochten ol ondoordachte neigingen het, leven der menschen besturen. Met wien gaal de gierigaard te rade? Is het nie! met hel valsche beginsel, dat hij zich uitge-dachl heeft, nl. dat niets kostelijker is dan schatten te bezitten? Waarom gaat hel hail van de eerzuchtigen naar niets anders
t»71
Psalm 119 : U-ib.
uil dan naai' liooj;liei(l? Is liet niol omdat zij wanen, dat ei niets beters is dan om in deze wereld lol eer en aanzien te komen? liet is dus niel le verwonderen, dal de menschen eilendi;» dwalen, aangezien zij zich door slechte raadslieden laten leiden. Indien wij ons echter door het Woord Gods laten regeeren , en hel onze eeni^e wijsheid is in gehoorzaamheid te doen wal het ons gebiedt, dan zal le toegang voor hel bedrog van ons vleesch en van de wereld gesloten zijn, en dan zullen wij sterk en onverwinnelijk alle aanvechtingen en verzoekingen kunnen weerstaan.
DALETIT.
25. Mijne ziel kleeft ami het stof; maak mij levend naav uw Woord. -26. Ik hel) mijne wegen verteld, en Gij hebt mij geantwoord; leer mij uwe inzettingen. 27. Geef mij den weg uwer hevelen te verstaan, zoo zal ik uwe wonderen overdenken. 28. Mijne ziel druipt weg van treurigheid, richt mij op naar uw AV oord. 29. Wend van mij den weg der valschheid, en verleen mij genadiglijk uwe Wet. 30. Ik heh verkoren den weg der waarheid, uwe rechten heb ik mij voorgesteld. 31. O Jehovah! ik heb mij vastgehecht aan uwe getuigenissen , beschaam mij niet. 32. Ik zal den weg uwer geboden loopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
25. Mijne ziel kleeft nan het stof. Hij bedoelt le zeggen, dat hij aan zijn leven gewanhoopt heelt, alsof hij reeds in het. graf ware opgesloten. ïgt;il is wel waardig opgemerkt te worden, opdat hei ons niet verdriete of verloorne, als hel Gode mocht behagen ons door velerlei dood heen le laten gaan. Nu leert hij ons door zijn voorbeeld, om ook dan, wanneer wij niets dan den dood voor oogen hebben en alle hoop uitgebluscht is, met onze wenschen en begeerten lol God le gaan, in wiens band ook uitkomsten zijn legen den dood, gelijk wij aan eene andere plaats gezien hebben (Ps C8:02l), en wiens eigen ambt hot is aan de dooden bel leven weder le geven. En omdat dit
Psalm 119 : 25â27.
nu oen zware en moeielijke strijd is, hondl liij zich zeiven en anderen de belol'len (lods voor oo^en Want als hij zepl : Anar vw Woord, belijdI hij, dal, zoo hij van hel Woord Gods afgaat hem oeene hope meer overig blijft; maar God heel! boioold, dat hel leven der godvriichligen in zijne liand veilig is, al zouden zij dan ook reeds in bet graf zijn nedergelegd, dewijl hij hen opwekt lot de hope des levens.
20. Ilc heb mijne wegen verteld. In het eerste lid hetnigl hij, dat bij zonder eenigerlei geveinsdheid heei'l gebeden, en dat hij liet voorbeeld niet heelt gevolgd van de hoovaardigen, die op hun eigen verstand, hunne deugd en hun' rijkdom behouwen, en dus niet de toevlncht neman tot God. Want van dien man wordt gezegd, dat hij zijne wegen blootlegt voor God, die zonder zijne hulp niets durft beginnen of undernemen, maar zicb volstrekt alhankelijk wetende van zijne voorzienigheid, ai zijne overleggingen onderwerpt aan zijn' wil en welbehagen, en als het ware zijne neigingen nedeilegt in zijn boezem, en dit doet in oprecht-beid, niet gelijk de geveinsden, die iets zeggen met den mond, terwijl in hun hart gansch wat anders is. I!i| voegt er ook hij dat bij verhoord is geworden, hetgeen er niet weinig toe bijdroeg om hem goede hope te doen koesteren voor de toekomst. In het tweede lid betuigt hij wederom, dat hem niets kostelijker ot dierbaarder is dan goed onderwezen te zijn in de Wel. Want er zijn velen, die wel hunne wenschen en begeerten kenbaar maken aan God. maar zij zouden willen, dat Hij aan hunne dwaze hegeerlijkheden gehoor gaf; daarom zegt de Profeet, dal bij niets liever wenscbl, dan irel onderwezen ie zijn in Gods inzettingen, hetgeen bij nog bevestigt in hel volgende vers, waar hij opnieuw vraagt, dal dit verstand hem geschonken moge worden. En in heide plaatsen moeten wij opmerken, dal al is de Wet Gods ook voor onze oogen, wij toch geenerlei nuttigheid zullen trekken uil hel lezen er van, als de Geesl Gods ons niet innerlijk onderwijst. En voorts: de woorden die ik vertaald heb door Ik zal over denhen, worden door sommigen overgezet door ik zal handelen over, en bet liebreeuwsche Woord soeach heeft zoowel betrekking op het [gesproken] woord, als op de verborgene (rc-dachte. Maar de laatsie beteekenis is hier meer gepast, want de woorden van den Proleet verklaar ik aldus: Ãpdat ik uwe wonderen overdenke, doe mij uwe geboden verslaan. Want wij weten, dat, voordat God onze gedachten gereinigd beeft ten einde ons eenigen smaak Ie doen hebben in de hemelsche wijsheid, de Wet Gods smakeloos voor ons is. En uit dit gebrek aan
Dl. 11. AX
Psalm 119 : 57â59.
smaiiU koml onverscliilliyiieid voorl, /oodal de wereld hol^ \ei-velend en verdrietig vindt , om met eerbied naar Gods Wel Ie luisteren, omdat wij de wondervolle wijsheid niet bespeuren, die er in verborgen is. Daarom is hel niet zonder reden dal de Profeet bidt, dat hem de deur geopend moge worden om lol de gave der kennis ie geraken. Hieruit kunnen wij tevens leeren. dat T naarmate de Geest der kennis ons wordt geschonken, de eerbied voor Gods Wel en de gezindheid om haar te overdenken, in ons zal moeten toenemen.
28. Mijne ziel. Gelijk bij een weinig te voren gezegd heeft, dal zijne ziel kleeft aan bel stof, zoo klaagt bij nu in schier gelijken zin, dat zijne ziel als vervloeit van smart. Wel denken sommigen, dat' bij zinspeelt op tranen, also! hij zeide dat zijne ziel als wegsmolt in tranen; maar de eenvoudigste beteekenis is, dal zijne kracht was weggevloeid als water. Wel slaat het werkwoord in den toekomenden tijd, maar loch wordt er eene voortdurende werking mede aangeduid. De Profeet komt lot de overtuiging, dal bel beste geneesmiddel legen deze uiterste droefheid is, dat God zijne hand tot hem uitstrekt. Want, evenals hij te voren, toen hij schier dood was, uil de genade Gods de hoop geput beeft op de wederopstanding, zoo koestert hij thans de hoop om door diezelfde genade wederom zijne volle kracht te erlangen, hoewel zij thans schier is vergaan. Hij herhaalt de uitdrukking Naar uw Woord, omdat de macht Gods zonder het Woord ons geene vertroosting zou bieden. Maar wanneer God ons te gemoet koml, zoo moet zijne belofte, al zou onze moed ook bezwijken en de kracht ons begeven, genoeg macht over ons hebben, om ons te bevestigen.
29. Wend van mij. Omdat bij weel dal de menschen tot ijdelheid en leugen geneigd zijn. wensebt hij in de eerste plaats, dat zijne gedachten gereinigd zullen wezen, opdat hij niet inde strikken des Satans verward rake en in dwaling vervalle. En om zich nu legen leugen en valscheid te wapenen, vraagt hij om goed onderwezen Ie zijn iu de leer der Wel. Het tweede lid wordt echter verschillend uitgelegd, want sommigen lezen het; Veroorzaak dal uwe Wet mij liefelijk ol aangenaam is. En voorzeker! daar de Wel hatelijk is voor ons vleesch, omdat zij hel ten onder brengt, is hel ons wél noodig te bidden, dat God haar liefelijk voor ons doe zijn. Anderen verklaren het aldus; Ontferm U over mij ten opzichte van uwe Wel, alsof de Profeet de barmhartigheid uit bare eigene bron afleidde, omdat
Psalm 110 : 29â31. 075
Tiod dit in de Wol iinn de geloovigen beloofd lieefl Beide deze verklaringen schijnen mij loe gewrongen Ie zijn, daarom ver-eoniu ik mij liovor mei eone derde uille^ing: Schenk mij uwe Wel als eene vrije gave. Maar hol llehreeuwsche woord chanéni kon niel wel anders overgezet worden dan door: Verleen mij, of schonk mij uil genade. Die overzetling is wel i uw en harhaarsrh in hol Lahjn, maar ik heb mij daar niet zoor om bekommerd, zoo slecbls do lezers de ware bedoeling des Profeten vallen. Nu begrijpen wij wal hij heefl willen zeggen, want, dewijl wij als mol blindheid geslagen zijn, is niels gemakkelijker dan om allerlei dwaling ingang bij ons Ie doen vinden. Daarom zal hel geschieden, dat wij ons ieder oogonblik door allerlei denkbeelden en droomorijen zullen laten vervoeren , indien God ons niel met den Geest der wijsheid begifligl. Maar hij hooll zich van dil werkwoord Verkenen bediend, alsol hij zeide: Hel is voorzeker eene onvergelijkelijke genade, dal Gij de mensdien leidl en bestmirl door uw Woord, maar daar Gij dit doel uil vrije goedheid, aarzel ik niel U te vragen mij loe le lalen lol hel getal dei genen, die van deze weldaad genieten. Indien nu de Piofeet, die reeds van over lang God heoii gediend, niel vraaiH dal hem als eone belooning voor zijne verdienste moer genade worde geschonken, alsof God hem dit verschuldigd was, maar belijdt, dal dil eene vrije gave Gods is, die Hij schenkt uil
genade, zoo is het wel een goddeloos verzinsel dal in het Pausdom heerschl, nl. dal do vermeerdering dor genade gegeven wordl als een verdiend loon, oen verzinsel, dal hier volkomen weder-logd is.
30. Ik lieh verhoren den weg der waarheid. In dh vers en in bol volgende zegt hij, dat hij gezind was, om niels meer le bogeeren dan le volgen hetgeen reclu en waar is. liet is niel zonder roden dat hel werkwoord verkiezen hier gehruiki is, wanl hel oude spreekwoord, dal des menschen léven als een kruisweg is, ziel niel slechts op don loop [des levens] in liet algemeen, maar ook op elke aizondorlijko daad. Wanl zoodra wij iels, hoe klein of gering ook, ondoinemon, worden wij her on derwaarts bewogen, en door allerlei tegenstrijdige raadgevingen als dooi1 een' stormwind heen en weder gedreven. Daarom zegt de Profeet, dat hij, om op den recblen weg le blijven mot voorbedachlen rade gekozen en besloten heefl om van de waarheid niet af le wijken. Hiermede geelt hij ook te kennen, dal hij niet van vei zoekingen vrijgesteld was, maar dal hij zo overwonnen heefl , omdat hij zijn hart er toe yeste'ld
Psalm 119 ; 31â32.
had om de Wel te omlerliomlen. Hel la:ilsle lid lieefl dezelfde strekking, waar hij ze-I, dat Mj zich de rechten Gods heeft voorgesteld. Want de keuze zou ook niel heslisl zijn, indien de geloovigen zicli niel, oefenden om voorldurend de oogen gericlil le iionden op de Wel, zonder ze te lal en afdwalen. In liet. volgende vers spreekt hij niel slechts deze goede gezindheid uil, maar hij voegl er nog een gehed aan toe, nl. dal hij niet mocht bezwijken onder de bespotting der goddeloozen, wanneer hij zich van ganscher harte toelegt op Gods \Ncl. Hij herhaalt nu hetzelfde woord, dat hij le voren gebruikt heelt, loen hij zeide, dal zijne ziel kleeft aan het stol, en hierdooi verklaart hij, dal hij 'de Wel Gods zoo vast heelt aangenomen en omhelsd, dal hij er niet meer van gescheiden kan worden. Wanneer hij dus vreest beschaamd te worden, of met smaad le worden bedekt, leiden wij hieruit af, dat lioe meer iemand zich in alle oprechtheid aan God geelt, hoe meer hij de gillige lastertongen tegen zich in beweging zal brengen.
32. Ik zal den teeg meer geboden loopen. De Profeet geelt te kennen, dal, wanneer God iiem blijdschap gegeven zal hebben, hij sterk en welgemoed zal wezen, en dal hij dan zoo standvastig zal zijn, dat hij niel bezwijken zal in zijn' loop. En door deze woorden erkent hij stilzwijgend dal demenschen, vóór dal God hun harl verruimd heeft, niet slechts koud en onverschillig zijn; maar dal zij ook geen voetslap kunnen doen op den goeden weg. Wanneer God echter hun harl verruimd heelt, zullen zij volkomen bij machte zijn le wandelen, ja om snel te loopen. Inlusschen geeft hij hier ook een' wenk, dal hel ware onderhouden der Wel niel beslaat in slechts uitwendige werken, maar dal eene vrijwillige gehoorzaamheid vereischl wordt, zoodat hel harl zich in zekeren zin moet verruimen. Niel alsof hel uil zich zeiven lol die gezindheid zou kunnen komen, maar nadat deszelfs hardheid en weerslrevendheid weggenomen zullen zijn, geelt hel zich vrijwillig, en wordt hel mei langer door zijne eigene engheid belemmerd en vastgehouden. Eindelijk leert deze tekst ons nog, dal wanneer God ons harl verruimd zal hebben, ons geene kracht zal ontbreken, omdat God ons mei de rechte gezindheid ook de machl en de bekwaamheid zal schenken, zoodal dan de voelen bereid en in staat zullen zijn om le loopen.
070
Psalm 119 ;
HE.
33. Jehovah, leer mij den weg uwer in/ettingen, en ik zal hem houden ten einde toe. 34. Doe mij verstaan, eu ik zal nwe Wet houden, ja ik zal ze onderhouden van ganscher harte. 35. Leid my op den weg uwer inzettingen, want daarin hel) ik lust. 36. Neig mijn hart tot uwe getuigenissen, en niet tot gierigheid. 37. Wend mijne oogen af, dat zij geene ijdelheid zien; maak mij levend in uwen weg. 38. Bevestig uwe toezegging aan uwen knecht, die uwe vreeze toegedaan is. 39 Wend mijne smaadheid at, die ik vreeze, want uwe rechten zijn goed. 40. Zie, ik heb eene begeerte gehad tot uwe bevelen, maak mij levend in uwe gerechtigheid.
33. Jehovah, leer mij. Wederom herhaall hij hel gebed, dal, hij reeds dikwijls gebeden heeft in dezen Psalm, want hel is ons zeer nultig te welen en le gelooven, hetgeen het voornaamste is in geiieel ons leven, nl. dat God ons leidt en bestuurt; want wij zien hoe de meeste menschen denken, dal zij alles veeleer dan dal aan God moeten vragen. Daarom herhaall de Heilige Geest voortdurend dezen wenscb, dien wij altijd in gedachten moeten houden, opdat niel alleen zij, die nog slechts eerstbeginnenden zijn, maar ook de reeds vergevorderden, niel ophouden van steeds voorwaarts le schrijden. En dewijl de Geest des verstands van den hemel gegeven is, moeien zij vragen om door zijne verborgene aandrift tot de ware kennis der Wel geleid le worden. Want in hel tweede lid loont de Profeet van welke leer hij spreekt, namelijk van die, welke de kracht en hel vermogen heelt hel hart «les menschen le veranderen. Hel Ilebreeuwsche woord Ekeh wordt door de Schriftverklaarders op tweeërlei wijze uitgelegd. Sommigen nemen het in den zin van Loon, of Huur, in dier voege; Als ik goed onderwezen zal zijn, zal ik weten, dal zij, die er zich op toeleggen uwe Wet te onderhouden, niel te vergeefs arbeiden, en daarom zal ik uwe geboden waarnemen om den wille van dit loon, daar Gij uwe dienstknechten nooit misleidt. Anderen vertalen hel door; Ten einde toe-, omdat zij, die door God onder-
077
Psalm ll'J ; â34.
wezen worden, indorduad onderwezen zijn, en ook tegelijk door Hem bevestigd worden, opdat zij in liet midden van den weg den loop niet moede worden, maar onvermoeid lot den einde toe zullen volharden En ik twijfel er ook geenszins aan dat hij spieekt van de genade dei volharding; maar de lezers moeten zeiven overwegen, ol' dit vers niet eenvoudig genomen moet worden in den zin, die door de woorden wordt aangeduid. Want hel woord tot aan is niet door den Proleet uitgedrukt; maar hij zegt: Ik zal het einde houden, en dan zal de zin wezen: lleere ik heb noodig dikwijls onderwezen te worden, opdat ik niet luie, maar steeds mijn doel voor oogen boude. Want Gij beveelt mij in uwe loopbaan te loopen met de voorwaarde, dat de dood het einde zij. Xu zal deze standvastigheid niet in mij gevonden worden, indien Gij mij niet dagelijks onderwijst. Zoo Gij mij echter geleidt, zal ik voortdurend op mijne hoede zijn en mijne oogen niet afwenden van het doel, ol' einde. Evenwel heb ik in de vertaling de meest algemeen aangenomene overzetting gevolgd.
.quot;34. Doe mij verstaan. In tie eerste plaats leert hij ons hier dat de waie wijsheid hierin bestaat, dat wij niet anders wijs zijn dan overeenkomstig de Wet des lleeren, opdat zij ons bij zijne vreeze en onder zijne gehoorzaamheid boude. En als hij nu vraagt, dat dit hem door God geschonken moge worden, belijdt hij hiermede, dat de menschen dooi hun vleeschelijk verstand verblind zijnde, zich lol alles behalve juist dit doel zullen uitstrekken. En voorzeker strookt hel ook ganscb niet met de algemeene denkwijze der menschen, om al hunne aandacht aan het houden van Gods Wet te wijden. Want de wereld acht slechts diegenen wijs te zijn, die acht geven op de gemakken en genoegens van het leven, die schranderheid beloonen in de zaken dezer wereld, ja die listig genoeg zijn om de eenvoudigen te bedriegen. De Proleet daarentegen verklaart, dat de menschen van wezenlijk verstand ontbloot zijn zoolang de vreeze Gods niet in hen beerscht, want hij vraagt om geene andere wijsheid dan die welke hem leert zich in alles door God te laten regeeren. Inlusschen belijdt hij tevens dat dit eene bijzondere gave Gods is en niet door eigene kracht of wijsheid wordt verkregen; want indien iedereen in staal was zich zeiven te onderwijzen, dan zou dit gebed overtollig zijn. Ln dewijl nu het houden der Wet ganscb geene gewone zaak is, gebruikt hij twee woorden alsof hij zeide: lleere, hel is eene groote en moeielijke zaak uwe Wet naar den eisch te onderhouden, die ons eene reinheid
I'salm 119 ; 34â36.
voorschiijll, welke boven de menseheiijke natuur is: maar vertrouwende op hel licht uws Geestes, zal ik niet falen De zin zal echter duidelijker wezen, indien wij hem aldus lezen; Geef mij verstand, opdat ik uwe Wet houde, en haar houde met geheel mijn hart Nu spreekt hij van het geheele hart , opdat wij weten rao^en, dat diegenen wel zeer verre zijn van de gerechtigheid der Wet, die slechts hunne uitwendige zinnen in bedwang houden, al doen zij dan ook niets dat openlijk lakenswaardig is; want God houdt bovenal des menschen hart in toom, opdat aldaar eene ware reinheid heersche, waarvan dan de vruchten openbaar worden in het leven. En deze geestelijke waarneming der Wet doel ons nog meer en sterker beseffen hoe noodzakelijk het is, dat wij door God zeiven hiertoe bereid worden.
35. Leid mij. liet is geene overtolligheid, dat de Profeet dezen zin van tijd lot lijd hei haalt; want terwijl het het levensdoel is van de menschen om vorderingen te maken in de schole Gods, zien wij hoe de wereld hen met hare verlokselen hier en daar heentrekt, terwijl zij zich ook zeiven lalloozeafleidingen maken. En er moet goed gelet worden op hetgeen volgt, nl. dat dit zijn lust is. Want het is wel een bewijs van eene zeldzame deugd, als de mensch op deze wijze al zijne gedachten en neigingen beteugelt, zoodat hij alles verzaakt wat slreelend is voor hel vleesch, en zich in niets anders verlustigt dan in den dienst van God. En hoewel de Profeet hier toe reeds gekomen was, toch ziel hij, dat hem nog iets ontbreekt. Hij smeekt dus wederom om de hulpe Gods, opdat met de begeerte, ook het volbrengen bij hem zij, gelijk Paulus zegt: Het is God, die in u werkt beide het willen en het werken (Fil. 2:13). Nu moeten wij wel begrijpen, dat hij hier niet roemt in eene innerlijke beweging zijner natuur, maar dat hij de genade, die hij heeft ontvangen, voorstelt, opdat God het werk, dat Hij in hem had begonnen, zou voleindigen; alsof hij zeide: lleere, daar Gij mij de genade hebt gegeven van het willen, zoo geef mij nu ook de kracht voor hel volbrengen. Het woord lust hehben is eene stilzwijgende tegenstelling met de begeerlijkheid des vleesches, die de menschen door hare aanlokselen gebonden houdt.
36. Neüj mijn hart tot uwe getuigenissen, enz. In de eerste plaats belijdt hij, dat het hart des menschen zóó ongehoorzaam is aan de gerechtigheid Gods, dat hij van nature veeleer tol
679
psalm 111) : ooâ37.
hel legenovergeslclde geneigd is. Want, indien wij van nature en uil eigene beweging lot de gereclitigheid dei Wel geneigd waren, dan zou hel ijdel en te vergeels zijn, dat iiij zegt: Neig mijn hart. Hieruit volgt dus, dat ons hart niets kan bedenken dal niet zondig is, en dal liet tol weerstrevendheid gezind is, totdat God hel iu legenovergestelden zin neigt. Wij uioeleii naarstig lellen op deze belijdenis van den Profeet, dal de natuur des mensclien zóó verdorven is, dat zij naar alles uitgaat behalve naai' hetgeen recht is, totdat zij door de hand Gods wordt omgebogen lol eene nieuwe volgzaamheid, ten einde aldus geneigd te zijn lot hetgeen recht is. En in hel andere lid toont de Profeet wal het is, dal den mensch in den weg slaat om naai' gerechtigheid te jagen, nl. dal zij zich aan (lierigheid hebben overgegeven, en door het woordfiguur, synecdoche genoemd, wordt hier de soort voor het geslacht genomen liet llebreeuwsche woord Batsany beteekent geweld yebruilcen, zooals begeeren of beiooven; maar het woord Gierigheid is bier zeer juist en gepast, mits wij welen, dal de Proleet deze sooit gekozen heelt als de wortel van alle kwaad (1 Tim. 0: 10), om aan le loonen dal niets meer dan dit tegenstrijdig is met de geiechtigheid Gods. Inlusschen wordt ons in het algemeen geleerd, dat wij verstrikt zijn in booze en zondige neigingen, zoodat ons hart de overdenking van Gods Wei veralschuwt, totdat God bet ten goede neigt.
37. Wend mijne oocjen af. Door deze woorden wordt ons geleerd dat al onze zinnen zoodanig door ijdelheid zijn bevangen, dut hel niet le verwonderen is, dal zij vervreemd zijn van alle oprechtheid, totdat zij gereinigd en opnieuw gelormeerd zijn. Wat meer is, terwijl bij in hel vorige vers gezegd heelt, dat goddeloosheid heerscht in hel hart der mensclien, strekt hij dit nu uit ook lol de uitwendige zinnen, also! bij zeide, dal deze krankheid der begeerlijkheid niet alleen verborgen is in bet hart, maar dat zij zich naar alle kanten verspreid heeft, zoodal noch de oogen noch de ooren, de handen noch de voelen hun' aard geheel en al behouden; kortom dal er niets is, dal van bel algeineene bederf vrij blijlt. En wij welen ook, voorzeker, dal de vlek der erfzonde niet slechts in een deel van den mensch aanwezig is, maar dat zij geheel de ziel en bel gansche lichaam heelt aangestoken. Want, indien eene bijzondere genade Gods noodig is om de oogen al le wenden van de ijdelheid, dan volgt hieruit, dat zoodra zij geopend zijn, zij nicls liever willen dan op Satans listen en bedriegerijen le staren, die zich van alle kanten aan hen voordoen. Indien Satan ons slechts strikken
Psalm ll'J : o7âcW.
spande, en wij uil ons /elven wijs genoeg waren om tegen zijne bedriegerijen op onze hoede le zijn, dan zou niel mei reclil gezegd kunnen worden, dal God onze oogen van de ijdeiheid al'wendl; maar omdat zij vrijwillig en uit hunne eigene natuur geneigd zijn om op hel kwade te zien, moeten zij er van afgewend worden. Telkenmale als wij dus onze oogen openen, zoo laai ons welen, dat twee deuren voor Satan openslaan, door welke hij inkomt tol onze ziel, indien üod er zijn' Geest niet ais Wachter voor plaatst. Hetgeen hij nu zegl van de oogen, is mede van toepassing op al onze zinnen, want ook liier neemt hij een deel voor hel geheel, en hel laalsle lid steml hiermede ook overeen. Want, hoewel anderen hier eene verschillende uitlegging van geven, acht ik dal dit de natuurlijke zin en beleekenis is; Heere, dewijl geheel hel leven van den mensch vervloekt is, zoolang zij hunne vermogens in den dienst der zonde gebruiken, zoo geel dal alle kracht, die in mij is, naar niets anders uitgaat dan naar de gerechtigheid, die Gij ons beveelt. Om dit nog beter le verslaan, moet men immer aan dit beginsel vasthouden, dat, zoo de oogen zien, de ooren hooren. de voelen gaan, de handen lasten, dit even zoovele kostelijke gaven Gods zijn, alsmede dal liet nog eene uitnemender gave is, dal wij hegiltigd zijn met verstand en mei een' wil; maar dal er toch geen zien is der oogen, geene beweging dei' zintuigen, geene gedachte, waaraan geene verkeerdheid en zonde kleeft. En daar dit, nu hel geval is, geelt de i'roleel zich terecht geheel en al aan God over om door Hem gedood te worden, ten einde daarna een nieuw leven le kunnen beginnen.
38. Bevestiij uwe toezegyiny aan uwen knecht, enz. Uier wordt mei korte woorden hel eenig wettige doel van hel gebed aangeduid, nl. dal de kracht en uilwerking van Gods beloken lol ons moge komen, waaruit volgt, dat zij die zich den vrijen teugel vieren in hunne wenschen en begeei ten, verkeerd handelen; want wij zien, dal de Proleet zich niel veroorloolt iets le vragen ol te wenschen, dan hetgeen het Grode behaagt heelt le beloven. En voorzeker is hel eene al le ongepaste stoutmoedigheid, als men zoo maar in Gods legenwoordiglieid durlt komen zonder door zijn Woord er toe genoodigd le zijn, alsol wij God aan onze grillen zouden willen onderwerpen. .Nu moet men wèl acht geven op de reden, die volgt. Want hij in uwe vreezc toegedaan, want hel betrekkelijk voornaamwoord ashïi is redegevend. Want de Proleet wil zeggen, dal hij niet bij aardsche gemakken en genoegens blijft slaan, gelijk wereldschgezinde
Psalm HU : Ã8â40.
menüclien doen, en dal liij de belolten Gods niel onbelamelijk misbmikl om de genietingen des vleesches Ie zoeken, maar dal hij zicli den eerbied en de vreeze Gods len doel slell. En voorzeker is dit de beste wijze om te verkrijgen [waar wij om vragen] als wij onze wenschen niet alscbeiden van deeereGods, maar alleenlijk begeeren, dat Hij in ons zal lieerschen.
39. Wend mijne smaadheid af. Men weel niet met zekerheid van welken smaad hij hier spreekt. Daar hij wist dat vele lasteraars het oog op hem gericht hielden, ten einde hem op de eene of andere overtreding te betrappen, en aldus de gelegenheid te hebben om kwaad van hem te spreken, is het te recht dal hij voor zulk een' smaad â en dien hij dan nog dooi eigen schuld over zich gebracht zou hebben â bevreesd is. Hij kan ook eene andere schande gevreesd hebben, want het uas hem bekend, dat de boozen op honende wijze kwaad spreken van al de godvruchtigen, dal zij door hunne lasteringen het goede [dat de godvruchtigen doen] in een kwaad daglicht stellen. De reden wordt er bijgevoegd, nl. omdat de rechten Gods yoed zijn, moeten de booze tongen lot zwijgen worden gebracht, die hel üil hunner kwaadaardigheid uitstorten tegen de onscluddigen, die met eerbied en ontzag Gods Wel zoeken te onderhouden. Wil iemand nu dit woord smaadheid liever in betrekking tol God verslaan, dan zal de zin niel ongepast in dier voege gelezen kunnen worden, dal de Profeet, aan vvien het genoeg was, dat zijn leven de goedkeuring Gods wegdroeg, slechts begeert om niet geoordeeld le worden als een verworpene, als hij voor Gods rechterstoel zal slaan; alsol hij met edelen en verheven moed alle gepraat van de menschen in deze wereld kon verachten, mits hij maar voor Gods aangezicht oprecht was. Kn voorzeker moeten alle heiligen dezen smaad ten uiterste vreezen, dal zij voor Gods lechleistoel met schande overdekt worden.
,40. Zie, ik heb eene heyeerte yehad, enz. Wederom herhaalt hij, hetgeen hij le voren heeft betuigd, le welen: dat hij godvruchtig gezind was en oprechtheid hel had, en dal ei nu niets overbleef,0 dan dal God hel werk, dal Hij had begonnen, zou voleindigen. Wordt die beteekenis aangenomen, dan zal levend aemaalct te worden in Gods gerechtigheid zoo veel beteekenen als levend gemaakt le zijn in den weg. En voorzeker komt dit woord Gerechtigheid in den Psalm dikwijls vooi in pkials van de Wel Gods, of den regel om rechtvaanliglijk le leven. Op deze wijze zullen de twee leden van hel vers ook meer met
Psalm 119: 40â41.
clkundui' in oveieen^lcmming zijn, en wel in dier voege; Hel is reeds eene uilnemunde genade, die Gij mij bewezen hebt door eene heilige begeerte bij mij op te wekken om uwe Wel te onderhouden; maar nu ontbreekt mij nog iets, nl. dat diezelfde kracht in geheel mijn leven openbaar worde. Maar omdat het woord Gerechtigheid eene dubbele beteekenis beeft, zal het den lezer vrijstaan, hel te nemen in den zin alsof hij zeide: Herstel mij, richt mij op, bescherm en ondersteun mij naar de goedertierenheid, die Gij gewoon zijl de uwen le bewijzen. Ik heb echter aangetoond wat mij het beste schijnt te zijn.
VAU.
41. Dat uwe goedertierenheden mij overkomen, o Jehovah! uw heil, naar uwe toezegging. 42. En ik zal hem, die mij smaadt antwoorden, want ik zal vertrouwd hebben ojj uw Woord. 43. Eu ruk het woord der waarheid van iniju' mond niet al te zeer, want ik wacht op uwe rechten, l-i. En ik zal uwe wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos. 45. En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik uwe bevelen gezocht heb. 46. Eu ik zal voor Koningen spreken van uwe getuigenissen, en niet beschaamd worden. 47. Eu ik zal mij vermaken in uwe geboden, die ik liefgehad heb. 48. En ik zal mijne handen opheffen naar uwe geboden, die ik heb liefgehad, en ik zal uwe inzettingen bepeinzen.
41. Dat uwe cjoederticrenheden mij overkomen. Er is niet aan te twijfelen, dat bij van Gods goedertierenheden sprekende in de eeiste plaats, en in de tweede plaats van heil, de oorzaak stelt vóór de uitwerking of bet gevolg, gelijk dit door de natuurlijke orde wordt vereiscbt, en aldus erkent hij dan, dal hij niet anders dan door de zuivere goedertierenheid Gods gered en verlost kan worden. En terwijl bij nu heil verwacht als eene vrije gave, steunt hij tegelijker lijd ook op de belofte, gelijk wij aan andere plaatsen gezien hebben, in hel tweede vers roemt hij, dal hij goed gewapend zal zijn legen den laster zijner vijanden, omdat
(383
Psalm HU ; 42â4o.
hij bcliouwl lieell op lid Woord Gods. Hoewel men nu, gelijk velen ook doen, den toekomenden tijd veranderen kan in den optatief, ol wenschende wijs, in dezer voege: lleeie daai ik betrouwd heb op uw Woord, zoo geel dal mijn mond wijd geopend zij, om hel kwaad le wederleggen, dal zij van mij gezegd hebben, en iaat niel loe dal ik verstomme, als zij mij niet smadelijke leugens oveiladen. Hoe wij hel nu ook willen nemen, er wordt ons in de eersle plaats geleerd, dal er altijd kwaadsprekers zullen zijn, die niet allalen Gods kinderen te bekladden, al zijn dezen ook nog zoo onschuldig. Hel is twijlel-achtisj van welke soort van smaad hij hier spreekt, want de boozen berooven de kinderen Gods niet slechts van hunne eer en goeden naam, maar zij bespollen ook hun gelool. Ik veieenig mij gaarne mei laalslgenoemde verklaring, omdat zij meer in ovei-eenstemming is met den tekst. Want David stelt zijne hoop op God tegenover de spotternijen; alsol hij zeide: Ik zal iels hebben le antwoorden op de valsche aantijgingen, want God stelt nooit diegenen le leur, die op Hein hopen. Wil iemand dit nu lievei lot hel eene èn hel andere uitstrekken, dan heb ik ook daai niets legen. Nu zegt hij niel eenvoudig dat hij betrouwd heefl op God, maai op zijn Woord, omdat zijn Woord de grond is der hope. Er moet ook gelei worden op hel onderling verband lusschen WToord en Woord; want indien God ons door zijn Woord niet voorziet van een woord ter onzer verdediging, zullen wij door de trolsche verwatenheid onzer vijanden teisloiid overstelpt worden. Indien wij dus onverwinbaar wensehen le blijven tegen de aanvallen der wereld, dan wordt ons hier hel beginsel der kloekmoedigheid geloond, nl. dat wij hopen en betrouwen op het Woord Gods, waarmede Gods Geest ons gebiedt alle giftige lasteringen der hoozen le verachten; en ten einde ze al le wijzen en te weerleggen, voegt hij bij het woord Hopen het woord Belijden.
43. En ruk het Woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer. Men zou kunnen vragen waarom hij vraagt dat zijne long met hel Woord der waarheid begiltigd, veeleer dan dat zijn hart er door versterkt zal worden, want dit laatste komt het eerst en is ook van het grootste gewicht. Want, wat zal het iemand baten, zoo de tong rad en welbespraakt is, zoo hel hart van geloof ontbloot isquot;? Is daarentegen het geloof degelijk en wèl gegrond, dan zal de long wel van zelve volgen. Ik antwoord, dal David zich niet zoo bekommcrl om de uitwendige belijdenis, dat hij aan hel geloof des harten niet de voorkeur
684
Psamw 119 : Af]
085
zon geven, maar, aangezien hij liet woord rielil lol God, is liel niel Ie verwonderen, dal hij alleen van de belijdenis spreekt, alhoewel hij er hel geloolquot; mede onder hegrijpl, alsol hij zeide; Heere, ondersleun niel slechls mijn hart door hel gelool, opdat, ik niel bezwijke onder verzoekingen, maar geef, dal ook mijne long losgemaakt worde, opdat ik U onbevreesd in de tegenwoordigheid der menschen kunne loven. Wij zien, hoe hij, om vrijmoedigheid in het. spreken vragende, begint met hel hart. Nu zou men ook wederom de vraag kunnen stellen, waarom hij zegt: Niet al te zeer. alsol hij hel minder, of in het geheel niet vreesde, dal. hij tijdelijk van hel Woord der waarheid verstoken zou zijn. Dit zou echter volkomen ongerijmd wezen, aangezien wij ieder oogenbtik op onze hoede moeten zijn, ten einde nimmer naakt en ongewapend aangevallen te worden. L)e oplossing dezer moeielijkheid moeten wij zoeken in onze eigene ervaring; want in deze zwakheid des vleesches zal het nauwelijks mogelijk zijn, dat ook de sterkslen niet soms sidderen, als Satan hen wal al te ruw bespringt. En hoewel het gelool niel faalt of bezwijkt, gevoelen wij toch, dat hel wankelt, inzonderheid, daar wij niet altijd de tegenwoordigheid van geest hebben om dadelijk een antwoord gereed te hebben op hunne spotternijen, maar veeleer wankelen en voor eene wijle lot zwijgen zijn gebracht. Omdat David dus de zwakheid in zich gevoelde, die aan allen eigen is. richt hij zijn gebed in dier voege: Hoewel ik niel altijd de vrijmoedigheid heb om te spreken zooals het behoort, zoo laat mij toch niel gedurende langen tijd stom blijven. En door deze woorden belijdt de Profeet stilzwijgend, dat hij niet altijd zoo standvastig en kloekmoedig is geweest als hij had moeten zijn, maar dat zijne long als het ware gebonden was door vrees. iNu hebben wij hieruit Ie leeren, dat de vrijmoedigheid lol spreken niel méér in onze macht staal dan de gezindheid van ons hart. In zoover God dus onze tong bestuurt, is zij vaardig lot vrijmoedig belijden; maar zoodra Hij den geest der kloekmoedigheid van ons wegneemt, zal ons hart niet slechts bezwijken, ol' liever nedergeworpen worden, maar ook onze tong zal verstommen Hij voegt er de reden bij, nl. dat hij cjewacht heeft op Godu rechten, want dat is woord voor woord hetgeen hij zegt. Hieruit leiden wij af dal de rechten niel slechts de geboden dei Wet beteekenen, maar dat ook de beloften, die inzonderheid onze verwachting steunen, door diezelfde uitdrukking aangeduid worden. Sommigen leiden het woord wel af van den stam chul en lezen dan: Ik heb gesidderd voor uwe oordeelen ik weel echtei niet of dit wel juist is Zoo veel
Psalm 119 : 43âió.
is echler zeker, dal als zij onder rechten, straffen verstaan, dit met de bedoeling van den Profeet niet overeenkomt.
44. Ik zal uwe Wet steeds onderhouden. Uier belooll Inj, dal hij niel sleclits voor een weinig tijds, maar geheel zijn levvn lanquot;' de Wet zal onderhouden. En dal hij hier de drie Hebreeuw sche uildrukkingen Tamid, Olam, Ad, die dezelfde beleekenis hebben, gebruikt, is geene overtollige opeenhooping van woorden, want daarmede geelt hij stilzwijgend te verstaan, dat indien de ge-loovigen niet kloekmoedig weerstaan, de vreeze Gods van tijd tot tijd door allerlei verzoekingen uil hun hart verdreven zou kunnen worden, zoodal zij er zich niel meer ernstig op toeleggen om de Wet te onderhouden. Om nu des te meer toebereid Ie zijn tol den strijd, stelt hij er zich het zware en moeielijke van voor. Het volgende vers zou men in den oplatiet kunnen lezen; wii zullen echter de lezing volgen, die het meest algemeen aan-oenomen is, te weten, dat David roemt, dat zijn weg effen voor hem gemaakt zal woiden, omdat hij naarstiglijk Gods geboden had quot;ezocht; hetgeen hetzelfde is als te wandelen in de ruimte. Want' wij welen dal de wegen der menschen dikwijls als met doornen bezaaid, of zeer eng zijn, omdat zij zich zeiven vele hindernissen scheppen, of op hijwegen verdwalen Kn zoo gebeurt hel dat wijl niemand zich aan het Woord tjods wit onderwerpen, aan een iegelijk de straf voor dezen hoogmoed wacht. Want God legt aan alle kanten strikken voor ons, mj doet ons kuilen ontmoeten op onzen weg; Hij maakt dien weg ruw en hobhelachtig; Hij omringt ons van afgronden, en hoe schranderder iemand is, hoe meer hindernissen hem m den we.quot; gelegd worden. Nu leert ons dit vers, dal zoo iemand eenvoudig God gehoorzaamt, hij dit loon zal ontvangen, dal hij met een gerust hart zijn' weg kan gaan, en zoo hij somsmoeie-liikheden0ontmoet, hij toch een' uitweg zal vinden. Wanl, al is het ook dal de geloovigen zich gehoorzaam en volgzaam Gode onderwerpen, zoo kunnen zij nochtans in verlegenheid geraken, maar ten slotte zal het woord van Paulus vervuld worden, dat, zij verdrukt worden, doch niel benauwd zijn (2 Oor. 4; 9), omdat hel Godes is een' weg te wijzen waar geen weg schijnt le zijn. Wal meer is; al bevinden zij zich ook in het uiterste quot;evaar toch zullen zij wandelen in de ruimte, want de onzekere uitkomsten bevelen zij Gode, zoodal zij er niet aan twijfelen of zij zullen, wanneer zij Hem tol Gids hebben, veilig zijn, al loopt bun weg ook tusschen diepe afgronden.
Psalm 11Ã : 40â48.
40. Kn ih zal voor Koningen spreken van uwe (jelaiyenissen. Hier schijnt hij zich mei zekerheid te heioven hetgeen waarom hij had geheden. Want, nadat hij gezegd heelt: Kuk het Woord der waarheid van mijn' mond niel al te zeer, verheft hij zich thans, als iemand, die zijn wensch verkregen heeft, en hetuigi, dat hij niet stom zal zijn, zelfs niel als hij voor Koningen zal hebhen te spreken. Want er is niet aan te twijfelen dat hij zegt, dat hij, al zon de geheele wereld hem ook tegenstaan, den moed zal hehhen om de eere Gods hoog te houden Maar hij spreekt inzonderheid van de Koningen, die zich gewoonlijk meer dan anderen doen vreezen, en door hun' hooumoed en aaniiiati'iin!'
r? Cr*
aan de getuigen Gods den mond snoeren Wel is waar zal het dikwijls gebeuren, dat wij zelfs tegenover menschen van lagen slaat geen stand houden, want niet zoodra stelt iemand zich tegenover jhet Woord van God, oi wij zullen schuchter en bevreesd terugdeinzen, en de vrijmoedigheid, waarop wij bij den aanvang hebben geroemd, verdwijnt. Bovenal zal onze vreesachtigheid zich echter openbaren, als wij voor den troon der Koningen slaan. Dat is de reden waarom David zegt, niet slechts dat hij pal zal staan tegenover tegenstanders van geringen stand, maar dat hij zells tegenover Koningen standvastig en onbevreesd zal wezen. En dooi1 deze woorden wordt ons geleerd, dal wij ons het Woord Gods genoegzaam ten nutte gemaakt hebben, wanneer ons hart zóó versterkt en gewapend is tegen alle mensciienvrees, dat wij, wanneer de wereld ons tracht ter neder te slaan, zelfs in de tegenwoordigheid der Koningen niet vreezen. Want het zou ook wel al te snood en schandelijk zijn, indien Gods heerlijkheid door den ijdelen schijn hunner pracht en macht verduisterd werd.
47. En ih zal mij vermaken in nve gehoden. Ilij heeft te voren reeds een dergelijken volzin uitgesproken. Waar het op neerkomt is, dat hij de geboden Gods zóó liefheeft, dat niets hem aangenamer is, dan ze voortdurend te overdenken. Want door hei woord vermaken wordt de vurigheid zijner liefde uitgedrukt, Hetgeen hij er daarna bijvoegt heelt dezelfde strekking: Ik zal mijne handen opheffen, want het is zeker dal wij zeer sterk verlangen te hebben hetgeen wij door de handen uil te strekken zoeken te grijpen. Daarom gebruikt hij deze beeldspraak om de vurigheid zijner begeerte aan te duiden; want indien iemand alleen maar door houding en gebaren zoodanige liefde loont, terwijl hij in geheel zijn leven de Wet Gods veronachtzaamt, dan is dit eene al te snoode geveinsdheid. Wederom betuigt
087
Psm.m 119 ; 48â49.
hij dal deze vurige cn ernstige gonegcnlioiil voortvloeit uit lt;lil feil, dat de lielelijkheid der Wet ons hart reeds had gewonnen. Eindelijk zf^t hij: Ik zal aire inzettingen bepeinzen. Want ik twijfel niet ol liet liebreeuwsche werkwoord soeach, dat hij liier gehruikl, lioeil heirekking op deze stille overdenking, waarin dé kinderen Gods zich oefenen, hetgeen ook door de meeste uitleggers erkend wordt.
ZAIN.
49. Gedenk uws Woords tot uwen knecht, op hetwelk Gij mij heht doen hopen. 50. Dit is mijn troost in mijne ellende, want uw Woord maakt mij levend. 51. De h(gt;0vaardigen hehhen mij boven mate zeer bespot; van uwe Wet ben ik niet afgeweken. 52. Ik heb gedacht, o Jehovah, aan uwe oordeelen van ouds aan, en heb mij getroost. 53 \ erschrikking heeft mij bevangen van wege de goddeloozen, die uwe Wet verlaten. 54. Uwe inzettingen zijn mij in plaats van gezangen geweest in het huis van mijn pelgrimschap. 55. Jehovah, des nachts ben ik uws naams gedachtig geweest, en ik bewaar uwe et. 56. Dat is mij geschied, omdat ik uwe bevelen bewaard heb.
49. Gedenk uws woords. Hij hidt dat God volbrengen zal hetgeen Hij heeft beloofd, want de uitkomst bewijst, dat God zijns Woords ^edachlig is geweest. Nu zien wij uil hel slot van dit. vers, waar hij zegt, dat hem stol tot hopen was gegeven, dat er sprake is van de beloften, hetgeen niet zou kunnen, zoo hem geene genade was verleend, in hol tweede vers verklaart hij, dat, hoewel God hem als het ware nosi in onzekerheid liet, hij toch op zijn Woord heelt vertrouwd. Intusscben leert hij, dat hij in zijne zorgen en moeielijkheden neene ijdele vertroostingen gezocht heelt, gelijk de wereld gewoon is overal den blik heen Ie richten om verlichting te vinden in bare ellende, en zoo er eenige verlokselen zijn, die hen bekoren, met deze pleisters hunne smart verzachten. Nu zegt de Profeet dat hel
Psalm 110: 50â51
Woord Gods hein genoeg was, en als alle andere dingen hem ontvielen, hij daarin volkomen leven had gevonden, terwijl hij daarbij stilzwijgend erkent, dat hij, zoo hij uit het Woord Gods geen moed kan scheppen, in doodsgevaar zou verkeeren. En gewis, hoewel de wereldlingen dikwijls eene soort van opge-wektheid van geest verloonen in hunne ellende, zoo zijn zij toch gansch ontbloot van de innerlijke kracht des harten. Daarom zegt de Pioleel terecht, dat de geloovigen in hunne ellende hierin slechls leven en kracht vinden, dat het Woord Gods hun leven (jeeft. Daarom zullen wij, indien wij vlijtig hel Woord (ioiIs overdenken, te midden zells van den dood nog leven, en er zal geene droefheid zijn, hoe groot ook, die door dit middel niet genezen zal worden. En wanneer er nu geene verlichling komt in onze smarten, dan is dit onze eigene schuld, omdat wij ons moedwillig door schijnverlroosling misleiden, terwijl wij het Woord Gods minachten ol verwerpen.
51. De hoovaardigen. Dit voorbeeld is zeer nuttig om ons te leeren, dat hoewel onze eenvoudigheid blootstaat aan de bespotting der boezen, wij toch met onwrikbare standvaslighcid hunne trotschheid en overmoed moeten terugwijzen, opdat er nooit geringschalting van de Wet Gods in ons hart opkomt. Want wij zien velen, die anders wel lol de vreeze Gods geneigd zouden zijn, maar voor deze verzoeking bezwijken. Nu heelt het len allen tijde op aarde gewriemeld van lleidensche smaders van God, en heden ten dage is zij er schier door overstroomd, daarom zal er geene standvasligbeid zijn in ons geloof', zoo wij ons hart niet versterken legen hunne spotternijen. Voorts geell hij aan de ongeloovigen een' naam, die zeer gepast voor hen is, als hij hen Hoovaardigen noemt; wan! de wijsheid der onge-loovigen bestaat voor hen in het verachten van God, in geenei Ifi acht te slaan op zijne oordeelen, alle godsvructil met voelen lo li eden, en eindelijk in versmaadiieid uil Ie storten over het hemelsche Koninkrijk. Nu zouden zij zich niet zoo vermetel te builen gaan, indien hun hoogmoed hen niel had verblind. Overigens moeten de woorden aldus verklaard worden: Hoewel de hoovaardigen mij hebben bespol, hen ik van uwe Wel loch niel algeweken. Kr moei ook acht gegeven worden op de uil-drukking Bovenmate, waardoor hij Ie kennen geelt dat hij niet slechts eene enkele maal door de goddeloozen gekweld is geworden, ol slechts voor één enkelen dag, maar dat de strijd dagelijks vernieuwd werd. Hieruit zien wij dat de goddeloozen zich zoo veel meer durlden veroorloven, omdat zij meerder in aantal
Psalm 119 : 51â.v2.
wuren, gelijk dun ook hel gelul (lergencn, die God vreezen en lieihebben, allijd liet kleinste is. Daarom behooren wij, zoo wij ongedeerd willen blijven, kloekmoedig legen hunne groole menigle siand le houden.
52. Ik lgt;eh qedacht. In dezen Psalm zijn de oordeelen Gods seiner allijd genomen voor inzellingen en geboden, alsof men ze Rechlen zou kunnen noemen. Hel is echter van wege de uitdrukking Van oud* aan, die er bijgevoegd is, meer waarschijnlijk, dal zij thans de voorbeelden aanduiden, door welke God ueloond heefl, dal Hij de rechtvaardige Rechler der wereld is. Immers, wat zou hel beleekenen, als hij zeide, dal Gods Wel van ouds geweest is? Wel is waar, zou men die uit-drukking eenigszins kunnen verdedigen, wan: de oprechtheid, die hier geleerd wordt, is niel maar sedert kort ontstaan, maar zij is waarlijk eeuwig, omdat de geschrevene Wet niets anders is dan de Wet der natuur, door welke God de dingen in ons geheugen terugroept, die reeds ingeworteld zijn in ons hart. Ik ueel echter de voorkeur aan de andere beteekenis, nl. dat David gedacht aan Gods oordeelen, door welke Hij heefl doen welen,quot;dal Hij zijne eeuwige Wel in de wereld vastgesteld heefl. Kn deze bevestiging is ons zeer noodig, want als de hand Gods niet openlijk gezien wordl, zal de leer ons onverschillig worden; maar wanneer God wrake doel over de goddeloozen, bevesligt Hij hetgeen Hij heelt gesproken; daarom worden in de burgerlijke wet gt;irallen Bevestigingen of bekrachtigingen [sancliones] genoemd. Maar dit behoort meer lol de oordeelen Gods, door welke Hij hel gezag zijner Wel bekrachligl, als eene wezenlijke goedkeuring, die aan de woorden is toegevoegd. Wanneer hij nu zegt, dat hij aan de oudste oordeelen Gods gedenkt, zoo laai ons hieruit leeren, dal onze ondankbaarheid of onverschilligheid de oorzaak is, dat de oordeelen Gods zich niet in genoegzaam aantal aan ons voordoen om ons geloof te bevestigen, want er is geene eeuw voorbijgegaan, waarin God geene duidelijke blijken en bewijzen hieromtrenl heeft gegeven, zoodal men in waarheid zoggen kan, dal de oordeelen Gods als een onafgebroken stroom geweest zijn, die van eeuw tot eeuw voorbijgegaan is, maar wij zien ze niel, omdal wij ons niet verwaardigen onze oogen te openen. Indien iemand tegenwerpt, dal hel niel overecn-koml met Gods oordeelen om ons vertroosting le brengen, daar zij ons integendeel ontroeren en verschrikken, dan is hel antwoord gemakkelijk, nl. dat de geloovigen door de oordeelen Gods verschrikt worden voor zooveel dit nuttig is Ier dooding
GOO
Psalm 119 : 52â5.1
vnn liun vleesch; maar voor zoo veel zij er in zien, dal God zorg draagt voor het menschelijk geslacht, geefl het hun overvloedig stol lol vertroosting. Want hieruit leeren wij, dat de hoozen, na zich voor eene wijle aan dartelheid en brooddronkenheid te hebben overgegeven, ten laatste voor Gods rechterstoel zullen verschijnen; lervvijl wij zeiven na met geduld en lijdzaamheid onzen strijd te hebben volstreden, met zoodanigen Behoeder van ons heil ongetwijfeld bewaard zullen worden.
53. Verschrikking. Dit ver? kan op tweeërlei wijze verstaan worden; öl dat de Prol'eet diep gegiield was, wijl hij zag hoe de Wet Gods dooi- de hoozen geschonden werd, of wel, dat hij dooi scluik en ontroering was bevangen van wege hun verderf. Want, de verlaling van sommigen door Vuur, ol hittigheid, vloeit niet zoo goed. Ik houd mij dus aan hel woord Verschrikking, en acht dat er de vurigheid van den ijver mede aangeduid is, daar hel nicl slechts den grootsten weerzin bij hem opwekte dat de Wet overtreden werd, maar dat hij ook lt;le booze vermetelheid van hen, die op de Wet (Jods geenerlei achl sloegen, als iets monsterachtigs heeft verfoeid. iNu moeien wij er op letten, dat het geene nieuwe soort van ergernis is, als velen, na hel juk van zich geworpen te hebben, opstaan legen God. hn dit moei wel in gedachten gehouden worden, omdat velen eene beuzelachtige verontschuldiging zoeken in hel bederf der lijden, alsol hel hun zoo maar geoorloofd was om met de wolven te huilen. En voorzeker zien wij, dal reeds in Davids tijd er vele alvalligen waren, die zich van de godsvrucht hebben algekeerd , en toch was het er zoo verre vandaan, dal hij hierdoor overwonnen werd, of zelfs ook maar den moed verloor, dat veeleer de vreeza Gods hel vuur van een' heiligen loom in zijn hart heelt ontstoken. Wat moeten wij dan doen, als wij van alle kanten door slechte voorbeelden omringd zijn? wal anders dan ons zeiven aansporen om er eenquot; afschuw van Ie helihen l Ãok is hier eene stilzwijgende tegenstelling lusschen hel ijdel verzinzel, waarmede wij ons in slaap wiegen, dal ;illes wal algemeen gedaan wordt, nu ook wettig en geoorloofd is, cn de verschrikking, waardoor de Profeet zegt aangegrepen te zijn. Als de goddeloozen zich naar hun' lust tegen God verheffen, en wij niel opwaken om de oordcelen Gods te aanschouwen, dan verkeeren wij dit in eene gelegenheid tot een goddeloos vertrouwen. De Profeet, daarentegen, zegt, dal hij door verschrikking was bevangen, omdat hij, van den eenen kant het geduid en de lijdzaamheid Gods ziende, er toch van ovrr-
44»
Psalm 110 : 53â55.
tuigd was, dal liet niel anders kon, of God moest ten laatste liier wel straf voor eisclien.
54.. Uwe inzettingen, enz. Hij lierhaalt, door ecne andere wijze van spreken, wat hij te voren gezegd had, nl dat de Wet Gods zijne eenige, of zijne voornaamste verlustiging is geweest in geheel zijn leven, want de zang is een tceken van blijdschap. Kn daar de heiligen nu reizigers en vreemdelingen zijn in deze wereld, en niel anders voor kinderen Gods en erfgenamen van het. Koninkrijk der hemelen gehouden kunnen worden, dan voor zoo veel zij vreemdelingen zijn op de aarde, kan men door het huis van zijn pelgrimschap den loop van dit leven verstaan. Kvenwel schijnt hier op eene bijzondere omstandigheid gedoeld te zijn, nl dat David, verbannen zijnde uit zijn land, niet opgehouden heeft om in zijne ellende verlroosling te zoeken in hel Woord Gods, ol liever, eene blijdschap, die de droefheid der ballingschap verre te boven ging. Want hel was wel een bewijs van zeldzame kloekmoedigheid, dat hij, ofschoon versloken van hel gezicht des Tempels, niel op kunnende gaan om te offeren, en van alle genademiddelen en oefeningen der godsvrucht buitengesloten zijnde, toch niet van God vervreemd is geworden. Hieruit volgl, dal het huis van zijn pelgrimschap genomen is om de zaak sterker te doen uitkomen, dal hij verjaagd zijnde uil zijn land, de Wel Gods vastgeworleld in zijn hart heelt gehouden; en hoewel hel harde zijner ballingschap hem wel ter neder heeft kunnen slaan, zoo heeft toch dooi' bel overpeinzen der Wel de blijdschap wederom de overhand over hem verkregen.
55. Jehovah, des nachts hen ik uws naams gedachtig geweest. Ik lees dil geheele vers aan een, omdat het tweede lid afhangt van hel eersle, want de Profeet geeft te kennen, dat hij, door liet gedenken aan God er loe gekomen is de Wel te houden, wantquot; hel minachten der Wel komt hieruit voort, dat schier niemand rekening houdt mei God Daarom zegt de Schiilt, als zij de goddeloosheid der menscben veroordeelt, dat zij God hébben vergelen (Psalm 50 : 2-2; 78:11; 1'IG : J21). Haar tegenover leert ons David, dat hel bloote gedenken aan God genoeg is om ons bij zijne vreeze te houden en bij de waarneming zijner Wel. En gewis, telkenmale wanneer de majesteit Gods zich aan ons voordoet, moeten wij noodzakelijkerwijs door hel gevoel derzelve verootmoedigd worden, zoodat deze overdenking ons aanspoort tol een godvruchtig leven. Hoewel bij
0(12
Psalm 119 : 05â5i).
nu tloor lieL woord Nacht te verslaan geel'l, dal hij niel slechts een enkel voorbijgaand oogenblik aan God gedenkt, maar voortdurend, maakt hij loch inzonderheid melding van den nacht, omdat alsdan schier al onze zinnen verdoold zijn; alsol'hij zeide, dal, terwijl anderen slapen, God hem in zijn slaap in de gedachten komt. Rn er is nog eene andere reden, waarom hij van den nacht spreekt, nl. opdat wij zouden weten, dat hij, ook wanneer niemand er getuige van was, en niemand hem er toe aanspoorde, maar de duisternis hem veeleer voor anderer oogen verborgen hield, toch niel minder oplettend was om de gedachtenis Gods te eeren, dan wanneer hij op de eene o!'andere hoogte stond en door iedereen gezien kon worden.
56. Dat is mij geschied Ik Ivvijlel niel ol' de Profeet wil door hel Hebreenwsche voornaamwoord zóth alle de weldaden aanduiden, die hij van God heeft ontvangen; maar als in de legen-woordigbeid Gods zijnde, heelt hij de zaak ais het ware met de oogen en met den vinger aangewezen. Daarom is in dit eene woord de erkenning van al hel goede, waarmede hij begiftigd is geworden; ol wel hij verhaalt dat God getuigenis heeft afgelegd van zijne oprechtheid door de eene of andere bijzondere uitredding. En loch roemt bij op geenerlei verdienste, gelijk de Farizeën, die, als zij iets dergelijks vinden in de Schrift, hel op de verdiensten der werken toepassen. De bedoeling van den Profeet was voorzeker niets anders, dan zich Ie stellen tegenover de verachters van God, die al hunquot; voorspoed toeschrijven aan hunne eigene vlijt en inspanning, ol aan het geluk; terwijl zij de voorzienigheid Gods in een boos stilzwijgen begraven. De Profeet doel dus zich zeiven en ook ons aan God gedenken en geeft ons te verslaan, dat God een rechtvaardig Rechter zijnde, het loon der godsvrucht voor ons heeft weggelegd, liet kan ook wezen, dat hij door dit heilig roemen de booze lasteringen der goddeloozen afwijst, waaronder hij, gelijk wij elders gezien hebben, zoo zwaar heeft geleden.
ü93
Psalm 111) : 57.
CHETH.
57. Jehovah, Gij zijt mijn deel; ik hel) gezegd, dat ik uwe woorden zal bewaren. 58. Ik heb uw aangezicht van ganscher harte gebeden, zijt mij genadig naar uwe toezegging. 59. Ik heb mijne wegen overdacht, en hel) mijne voeten gekeerd tot uwe getuigenissen. GO. Ik heb mij gehaast, en niet vertraagd uwe geboden te onderhouden. 61. De koorden der goddeloozen hebben mij gegrepen; ik heb uwe Wet niet vergeten. 62. Te middernacht zal ik opstaan om U te loven van wege de rechten uwer gerechtigheid. 63. Ik ben een metgezel van allen, die Li vreezen, en van hen, die uwe bevelen onderhouden. 6-4. Jehovah! de aarde is vol van uwe goedertierenheid; leer mij uwe inzettingen.
57. Jehovah! Gij zijt mijn deel. l)c zin dor woorden is Iwijfelaclili^, vvanl hel woord Jeliovah kan in den eersten naamval gelezen worden, en de woorden: Ik heb gezeyd kunnen zoowel op hel eersle als op hel tweede lid betrekking hebben. Eóne lezing is dus: Jehovah is mijn deel, en daarom heb ik besloten uwe Wel te houden; terwijl de andere lezing zijn zal: Jehovah, die mijn deel zijl, ik heb besloten uwe Wel le onderhouden, en eene derde lezing: Ik heb gezegd, en vastgesteld, dal God mijn deel is om zijne Wrcl le onderhouden. De vierde: Jehovah, ik heb gezegd, ol vastgesteld, dal liet mijn deel is uwe Wel le onderhouden; en deze laalsle houd ik voor de beste. En voorzeker is deze zin ook zeer gepasl, dal, dewijl God ons dee! is, dit ons den moed moet geven om zijne Wel te onderhouden. Wij hebben reeds aan verscheidene andere plaatsen gezien dal God hel erfdeel der zijnen genoemd wordt, omdat Hij alleen volstaat om hen wezenlijk en duurzaam gelukkig le maken. En voorzeker! daar Hij ons lol zijn bijzonder erfdeel heelt verkoren, is het billijk, dat wij, van onzen kant, op Hem alleen betrouwen. Maar zoo wij met God alleen tevreden kunnen zijn, dan zul ons hart ook geneigd wezen om zijne Wel le houden, en alle lusten des vleesches verzakende, zal hel onze grootste ver-
G94
I'salm 119; 57â50.
lusli^in^! en ons vusl bcsluil zijn om zijne Wel le onderhouden. Hoewel nu (gelijk ik reeds gezegd heb) deze verklaring niet slecht vloeil, en ook wel eene nultii^e leering beval, is loch de door mij aangenomene uillegging eenvoudiger, le welen: Ik heb bij mij zeiven vasl besloten, dal hel een zeer koslelijk erldeel voor mij is om uwe Wel te onderhouden. Hiermede is ook na verwant dit gezegde van Paulus: De godzaligheid is een groot gewin (1 Tim. 0 : Ã). Nu vergelijkt David hel waarnemen der Wel met al bet goed dal der menschen begeerlijkheid opwekt en lol zich aantrekt; also! hij gezegd had: Dat een iegelijk begeere wal hem goeddunkt, en er van geniete, mits dit deel mij onaangetast verblijd, dal ik mij geheel en al aan hel Woord Gods moge wijden, en dan is er ook geene reden voor mij om hen te benijden.
58. Ik heb uw aanyezicJit van y arisch er harte gebeden. David betuigt in dit vers, dat hij niet afgelaten heelt van den plicht des gebeds, want, zonder het uebed zou hel geloof werkeloos en als ingeslapen zijn. Hoewel nu deze wijze van spreken in eene andere taal ruw en vreemd zou klinken, drukt zij in het llebreeuvvsch eene gemeenzaamheid uil, die God in zijne diensi-knechlen toelaat, ja zelfs uillokt, wanneer zij in zijne tegenwoor digheid verschijnen. Nu val hij het hoogste van wal hij begeer t samen in één enkel woord, nl. dal hij de barmhartigheid Gods beeft afgesmeekt, waarop hij dooi' zijn Woord vastelijk had gehoopt. Laat ons dus in de eerste plaats opmerken, dat wij uil onze traagheid worden opgewekt, ten einde ons geloof te oelenen door het gebed. Vervolgens, dat de voornaamste zaak, waarom wij moeten bidden, is, dat God in zijne groote goedertierenheid ons genadig zal zijn, dal hij acht zal geven op onze ellende, en ons in onze nooden en behoeften te hulp zal komen. Want, hoewel God ons op zoo velerlei wijze ondersteunt, dal wij het niel zouden kunnen opsommen, en ook onze behoeften talloos zijn, moeten wij loch inzonderheid en boven alles bidden, dat Hij zich over ons zal ontfermen, waaruit dan ook al het overige voort zal vloeien. In de derde plaats moeten wij leeren, opdat ons gebed niet vaag zij en als in de lucht blijve zweven, dat God ons in alle zijne beloften is voorgesteld als een vrijwillig schuldenaar.
59. Ik heb mijne wegen overdacht. Waar hel hier op neerkomt is, dat de Profeet, na wél achl le hebben gegeven op zijne
Pa ALM 119 : a'JâÃU.
wijze van leven. nu geen ander voornemen lieeil yeliad dan de leer der Wel Ie volgen. En door deze woorden geelt, hij als van Ier zijde Ie kennen, dal de reden, waarom de mensehen de perken le builen gaan en ellendig door allerlei legenslrijdige gevoelens heen en weder worden gedreven, hierin is gelegen, dal zij al le veel aan hun' zin en neiging loegeven. Wél zal ieder zich mei vlijl en ijver loeleggen op heigeen hij denkl dal zijne luslen kan bevredigen, maar allen zijn blind in hunne keuze, ol' liever, zij sluilen hunne oogen en lalen zich medevoeren, ol gaan uit lusteloosheid en onverschilligheid van hel een naar hel ander. Maai er is voorzeker niemand, die verstandig acht gecfl op zijne wegen, en daarom is hel niel zonder reden, dal de Profeel ons le kennen geeft, dal hel het begin is van een goed leven, als de mensehen opgewekt zijnde uit hunne traagheid, hunne wegen overdenken en nagaan, om dan mei ernst bij zich zeiven le overleggen, wal hel is om hun leven goed te regelen. Nu leert hij in de tweede plaats, dal wanneer iemand wèl acht geelt om zijn leven goed in le richten, hij niels beters kan doen ol bedenken dan de roeping le volgen, waartoe God hem roepl. En gewis! indien de uienschen door hunne gedachteloosheid niel gansch verstompt werden, dan zouden zij allen le zaaien en eenslemmig God lol Leidsman van hun leven kiezen.
60. Ik heb mij gehaast. Hoewel de woorden in den verleden lijd slaan , duiden zij toch eene voortdurende werking aan. Ãe Proleet verhaalt mei welke vaardigheid hij zich voor God gesteld heelt, om Hem gehoorzaamheid le bewijzen, want de naarstigheid geeft de vurigheid van den ijver le kennen. En als hij naderhand zegt, dat hij niet vertraagd heeft, is dit naar het taaleigen van hel llehreeuwseh eenc uitbreiding van hetgeen hij gezegd had omtrent hel haasten. VVanl, evenals spreken en niel zwijgen in hel llehreeuwseh zoo veel heteekent als vrij uil en openhartig spreken, zonder iels van hetgeen noodig is achter le houden of te verbergen, zoo vvordl gezegd, dal hij, die vaardig en zonder eenig uitstel loopt, zich haasl en niel vertraagt. En als wij nu bedenken hoe traag wij zijn van nature, en hoe vele beletselen Satan ons voortdurend in den weg legt, dan zal men geinakkelijk hieruit kunnen afleiden, dat dil waarlijk niel le vergeefs er is bijgevoegd. Want, al is hel ook, dal iemand zich in waarheid aan de gerechtigheid Gods wil wijden, zoo welen wij toch dal Paulus zegl, da! hij, hetgeen hij wil, niel doel (Rom. 7: 15^ 18, 19). Al zou er dus ook geen uitwendige hinderpalen zijn, die ons terug houden, zijn er toch zoo vele inwendige beletselen, dal
Psalm 1 lü ; OUâÃ1.
nicls inoeielijker is dan zicli Ie liauslen oin de Wel le onder-iiouden. Overigens moet men begrijpen dal de Proleel hier spreekt bij wijze van vergelijking mei betrekking lol hen, die bel groolsle deel van bun leven doorbrengen mei al uil le slellen, en niel slechts laat en schoorvoetend lol God naderen, maar nog veel lijd en kracht verspillen mei over te zaak le redeneeren, ol wel op allerlei bijpaden verdoold raken, zoodal zij dan in bel geheel niet tot God komen. De Proleel was dus niel vroolijker en vaardiger in den dienst van God dan Paulus dit geweest is; maar hij loonl door deze woorden, dal hij door kloekmoedig tegen alle beletselen le strijden zich den weg eflen en gemakkelijk heelt gemaakt. En tevens leerl hij ons door zijn voorbeeld, dal het ijdel en beuzelachlig is om de beletselen, die de wereld ons in den weg legt, of ook onze eigene zwakheid als eene verontschuldiging voor onze Iraagheid aan le voeren.
61. De hoopen der goddeloozen. Zij, die hel llebreeuwsche woord chehU door Smarten vertalen, onlletnen er geen naluuiiijken zin ol'beleekenis aan, en zoo kwellen zij zich zeiven, evenals zij de woorden van den Profeet verwringen lir blijven dus twee lezingen, die beiden aannemelijk zijn. De koorden der goddeloozen hebben mij gegrepen, ol, De benden der goddeloozen hebben mij berooid. Welke van die twee wij nu ook kiezen, de Proleet verklaart, dat, hoewel Satan hem door zware verzoeking aan hel wankelen heelt trachten le brengen, bij loch volhard heelt Gods Wet te onderhouden. Het woord Koorden kan echter in tweeërlei zin genomen worden; 61 voor de bedriegelijke ver-lokselen, waarmede zij gelracht hebben hem in hun gezelschap le trekken en te verstrikken, óf voor het bedrog, dat zij gepleegd hebben om hem ten ondergang le brengen. Nemen wij de eerste beleekenis aan, dan loont David dat hij eene zeldzame deugd bezat, want, hoewel de boozen hem reeds in luiiine nellen verstrikt schenen te hebben, heeft hij zich loch slaande gehouden om de Wel waar le nemen. Dewijl echter velen overeenstemmen dal liet llebreeuwsche werkwoord de beleekenis beeft van beiooven, zoo laai ons liet ook in dien zin nemen, nl. dal de Proleet door de troepen ol benden zijner vijanden aangevallen, en door hen van alles berooid werd, maar toch niet van zijne plaats is geweken. Ook dit is een bewijs van zeldzame geestkracht, want, als wij aan zeer groot letsel en gevaar zijn blootgesteld, beginnen wij, zoo God ons niel helpt, terstond aan zijne voorzienigheid te twijfelen, liet schijnt dal hel nergens toe dient om god-vreezend le zijn. En dan verbeelden wij ons ook nog dal hel
01)7
I'salm 119 : blâ03.
ons viij sluiil ons Ic wreken, cn Ie iiiulclcn van al deze golven en baren zal de herinnering aan Gods Wel gemaUkelijk verzinken. Maar de Proleet zegt ons, dal liel een teeken van v\aie godsvruehl is, als wij len prooi zijnde aan de goddeloozen, en geeiierlei hulp ol bijsland van God gewaar wordende, loeh de Wel Gods blijven liefhebben, en dezelfde begeerte blijven koesteren om de gerechtigheid na te jagen.
6-. Te middernacht zal ih opstaan. In dit veis loont de Profeet niet sleehls, dal hij alles wal tie Wet bevat, goedkemde en van harte aannam, maar hij geelt levens te verstaan dat hij er niel ondankbaar voor was deelgenoot le zijn gemaakt van zoo groot een goed. Hel schijnt wel iets zeer gewoons te zijn om aan God le geven wal Hij vraagt, als Hij ons onderwijst door zijne Wel; want, wie zou tegen God durven murmureeren? Inlusschen is hel er ver van daan dat de wereld erkent, dal Gods leer in alle opzichten rechtvaardig is. In de eerste plaats zou (zoo groot is de weerslrevendheid van ons vleesch) iedereen er iels aan willen veranderen, ol er iels van willen afdoen. Vervolgens zouden de menschen, indien hun de keus gelaten was, liever naar hun eigen zin geregeerd willen worden dan door hel Woord Gods. In één woord, zoowel de inenschelijke rede als de menschelijke begeerlijkheden zijn in hefligen strijd met de Wet Gods. Die mensch xal dus niet weinig gevorderd zijn [op den goeden weg], die de hemelsche leer met volkomene gehoorzaamheid aanneemt en omhelst, en terwijl hij er zieh in verlustigt, ei Gode ook dank voor toebrengt. Doch de Profeet zegt niel eenvoudig, dal hij de gerechtigheid Gods heeft groot gemaakt, maar door te vermelden, dal hij le middernacht opstond, loonl hij ook de vurigheid van zijn verlangen , want er moei wel een zeer slerke aandrang, eene heflige begeerle zijn, die ons doel opwaken, als wij slapen. Inlusschen geeil hij ons ook te verslaan, dat hij bij het getuigen voor de Wel Gods ver verwijderd was van praalzucht, omdat hij bij zich zeiven, en zonder dat iemand anders er bij tegenwoordigquot; was de gerechtigheid Gods aldus heeft geprezen.
03. ik ben een metgezel, enz. Hij spreekt niel slechts van de overeenstemming, die er beslaat tusschen de gcloovigen, en van hunne liefde, die zij elkander toedragen, maar hij bedoelt, dal telkenmale wanneer hij iemand op zijn' weg ontmoet lieell, die üod vreesde, hij hem de hand gereikt heelt, ten leeken van
m
Psalm ll'J ; Giiâ(34.
gemeenschap, en dat hij niel slechts lot het yelal der dienst-knechten Gods behoorde, maar dal hij hen ook ondersteund en geholpen heelt. En voorzeker eene zoodanige eensgezindheid onder de geloovigen is wèi noodig, opdat zij elkander in de vreeze Gods zouden steunen. En er schijnt eene stilzwijgende vergelijking ie wezen tussclien deze heilige samenstemining (door welke de geloovigen den dienst Gods en de godsviucht onder elkander bevorderen) en de goddelooze bondgenootschappen, die in de wereld heerschen. Want wij zien, hoe de wereldlingen hunne benden legen God slellen, en hoe zij elkander behulpzaam zijn om zijn' dienst tegen le staan. Daarom moeten de kinderen Gods des te meer opgewekt worden om eene heilige eenheid onder elkander te handhaven. Hij prijst de geloovigen, ten eerste van wege hunne vreeze Gods, ten tweede, van wege hun onderhouden van de Wet, omdat de vieeze Gods de wortel is, ol' de bron van aile gerechtigheid, en dan eerst blijkt het, dal wij God vreezen en ontzag voor Oem hebben, als wij ons leven wijden aan zijn' dienst.
64. Jehovah, de aarde in vol van uwe goedertierenheid. Hier smeekt de Proleet God bij zijne oneindige goedertierenheid, die overal in de wereld uitblinkt, dat Hij hem genadiglijk deelgenoot zal maken van den schat der hemelsche wijsheid, in welk gebed zeer veel kracht gelegen is. Als hij dus zegt, dat de aarde vol is van de goedertierenheid Gods, dan is dit eene soort van smeeking. Want hij looft en verheerlijkt de goedertierenheid Gods niet in het algemeen (gelijk hij dit aan andere plaatsen doel) omdat hij geene enkele plek der aaide verstoken laat van zijne milddadigheid, en die goedertierenheid niet slechts bewijst aan het menschelijk geslacht, maar haar ook uitstrekt lot het redelooze vee. WTal doel hij dan? Hij vraagt, dal de goedertierenheid Gods, die zich uitstrekt over alle schepselen, ook hem zal beloond worden, en wel hierin, dal hij vorderingen maakt in de Wel Gods. Hieruit zien wij dat de gave des ver-stands door hem als een onwaardeerbare schal werd beschouwd. Indien hel nu een voornaam teeken is van de gunst Gods, dal ons de Geest des verstands geschonken wordt, toont ons geloot hoezeer wij van God vervreemd zijn. Nu moeten wij ons herinneren wat wij elders gezegd hebben, nl. dal onze traagheid zeer schandelijk is, als wij ons tevreden stellen met een klein proelje van de hemelsche leer, en aldus laten blijken, dal wij er ons niet om bekommeren om nog verder le profiteeren; als zulk een voornaam leeraar der Kerk zoo vurig begeerd heeft le
Ã'J'J
I's alm 119 ; 64â05.
leeren. Kn voorts is liet zeker, dal liier geene spi'ake is van de uitwendige leer, maar van eene innerlijke verlichlinj' des verslands, die eene gave des Geestes is. De Wet aan alle mensclien, zonder onderscheid voorgesteld zijnde, ziet de Proleet toch, dat zoo liij niet verlicht is dooi' den Heiligen Geest, dit niet zeer nnltis; zal wezen. Daarom vraagt hij om op krachtige, akloende wijze onderwezen le mogen worden.
TETH.
65. Jehovah! Gij hebt uwen knecht goed gedaan naar uw Woord. 66. Leer mij de goedheid van smaak en de wetenschap , want ik heb aan uwe geboden geloofd. 67. Eer ik vernederd werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uw Woord. 68. Gij zijt goed en goed doende, leer mij uwe inzettingen. 69. De hoovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd, doch ik zal uwe bevelen van ganscher harte bewaren. 70. Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in uwe Wet. 71. Het is mij goed geweest, dat ik verdrukt ben geworden, opdat ik uwe inzettingen leere. 72. De Wet uws monds is mij beter dan duizenden van goud en zilver.
65. Jehovah, Gij hebt uwen knecht qoed gedaan. Sommigen nemen dit in algemeenen zin, idsol de Proleet betuigde, dat hij hoe, ol op wal wijze, God ook met hem handelt, hel altijd in goeden zin zal opnemen, omdal hij ziet, dal hel hem tot heil verstrekt. Omdat echter ook uitdrukkelijk melding gemaakt wordt van de helolte, twijfel ik niet of de Profeet verheerlijkt de getrouwheid Gods in het schenken der genade, die Hij had heloold, alsol hij zeide dat hij wezenlijk en inderdaad ervaren heelt, dat God waarachtig is, en zijne dienstknechten niet paait ol misleidt met woorden. Hij voert dus Gods helollen aan, omdat al zijne weldaden daaruil voortvloeien, niet als uil de eerste bron, maar als door een kanaal. Wanl hoewel de vrije goedertierenheid Gods de eenige oorzaak is, waarom Hij zich zoo milddadig jegens ons betoont, kunnen wij toch niels van
70U
Psalm 119 : 05â07.
Hem vei'vvaclitcn voor Ilij ons Icycmoet koml mei zijn Woord. En nadat David nu erkend heell, dat hij bij ervaring weet dal God waar is, en getrouw is aan zijne beloften, voegt hij er een' wensch hij, gelijk aan dien welken wij in het vorige vers gezien hebben, nl. dat hij zal toenemen in recht versland, hoewel hij hier eenigszins andere woorden gebruikt, want hij spreekt van rechtheid van smaak en wetenschap. Kn daar het llebreeuwsche werkwoord Taam Smaken betcekent, is de heteekenis van hel naamwoord, dat er van afgeleid is, smaak, maar hel vvordl bier overgedragen of toegepast op het versland. Kr is geen twijlel aan of David begeert, dat hem met de wetenschap ook een goed begrip en gezond oordeel zal gegeven worden. Want zij, die dit alzonderlijk lezen, ah Goedheiden versland, bederven den geheelen volzin. Om nu echter de geheele bedoeling van den Profeet te vatten, moeien wij er het laatste lid aan toevoegen. Ilij zegt, dat hij Gods geboden geloofd heeft, dal is: dat hij gaarne en gewillig aangenomen heeft alles wat in de Wel wordt geboden, en aldus vei klaart hij volgzaam en gehoorzaam Ie zijn geweest. En daar hij nu door de leiding des Heiligen Geestes aldus tot gehoorzaamheid was geneigd, bidt hij, dat hem nog eene andere gave geschonken mocht worden, te weten, een'gezonden smaak en goed versland. Hieruit ieeren wij dal deze twee zaken zeer bepaald noodig zijn (er goede regeling van geheel het leven, nl. dal men eene rechte gezindheid heeft, en een goed versland en wijsheid. En dat de Profeet Gods geboden reeds had gelooid: die eerbied is voorzeker uit een'heiligen ijver voortgekomen; maar toch is het niet zonder reden, dat hij vreest onbedachtelijk Ie zullen dwalen. Laat ons dan leeren om, nadat God ons hart geneigd heell lol de gehoorzaamheid aan zijne Wet, Hem Ie gelijk ook oin de wijsheid te vragen, die onzen ijver regell en leidt.
07, Eer ik vernederd werd. Omdat hel llebreeuwsche werkwoord Anak somtijds de heteekenis heell van Spreken, ol geluigen, willen sommigen den zin aldus lezen: Eei ik uwe geboden heb bepeinsd, heb ik gedwaald; maar dit schijnt mij al te gewrongen. Anderen wijken nog verder af van den zin, als zi j zeggen : Toen de Profeet dwaal Ie, had hij niets, waarmede hij God zou kunnen antwoorden. Maar ik zal mij niel ophouden om deze droomerijen te wederleggen, want (ie bedoeling van den Proleet is volstrekt niet duisler. Want in zijn eigen persoon slelt bij óf de teugelloosheid, ól de hardnekkigheid voor van het menschelijk geslacht, want nooit zullen wij Gode gehoorzaam volgen, ol wij zullen er
701
Psalm 119 : G8.
702
door de roede zijner kastijding loe gedwongen moeten worden. Wel is waar, is liet iets monsterachtigs, dat wij hardnekkig weigeren ons aan God te onderwerpen; maar toch leert ons de ervaring, dat als God zachtkens met ons handelt, wij ons in hoogmoed te buiten gaan. En dewijl nu deze hardnekkigheid door krachtige middelen in den Profeet onderdrukt moest worden, zal deze leer voor ons nog des te meer noodzakelijk zijn. Want, daar de dooding van hel vleesch, die wij van nature allen schuwen, het begin is der gehoorzaamheid, is hel niet te verwonderen, zoo God ons door velerlei beproeving tot het besef brengt van wat onze plicht is. Dit nu geschiedt op velerlei wijze; want God vernedert sommigen door armoede, anderen door smaad en schande, nog anderen door krankheid, of door huiselijk leed, en wederom anderen dooi' harden, verdi ielelijken arbeid, en zoo dient hij het geneesmiddel toe naar mate de krankheid het vei' eischt. Nu zien wij welk eene nuttige leering in deze belijdenis ligt opgesloten. Wel is waar spreekt dc Profeet van zich zei ven (gelijk ook .leremia zegt, dat hij een moeielijk te temmen kalf was, llooldst. ol ; 18), maar hij stelt ons een beeld voor oogen van de weerstrevendheid, die ons van nature eigen is. Wat ons betreft, wij zijn maar al te ondankbaar, indien de vrucht, die wij ontvangen uil onze kastijding, ons niet verteedert, of het ruwe en bittere van de kastijding niet voor ons wegneemt. Want niets is méér ongelukkig dan wij zijn, zoolang wij nog legen God in opstand zijn. En gewis, bel eenige middel waardoor God ons temt en lol gehoorzaamheid brengt, bestaal daarin, dat Hij ons dooi' zijne kastijdingen onderwijst. Inlusschen leert de Profeet ons door zijn voorbeeld, dal wij, ten minste als God door onze hardnekkigheid te verbreken loont, dat Hij ons tot zijne discipelen wil maken, er naar streven om zachtmoedig en gedwee te worden, en van allen hoogmoed onlledigd zijnde, gewillig het juk dragen, dal Hij ons oplegt. Het volgende vers heeft geene verklaring noodig, omdat het dezelfde beteekenis heeft als de volzin, waarmede de vorige oclaat geëindigd is; want hij smeekt van de goedheid Gods, niet dat Hij hem zal doen toenemen in rijkdom of eer, niet dal hij zich zal baden in weelde en genot. maar dal hij toenemen zal in hel verstaan zijner Wel. Want, terwijl schier de geheele wereld Gods goedheid afsmeekt, en wenscht dat Hij zich milddadig zal betoonen, al naar de verschillende begeerten en verlangens van hun vleesch, betuigt David, dat het hem volkomen genoeg zal zijn, als hij gevoelt dal God milddadig is in de ééne zaak, die door schier allen met minachting wordt voorbijgezien.
Psalm 119 : G9â70.
69. De hoov aardig en. llij verklaart, dal lioewcl de goddeloozen aan alles wal hij deed eene booze uillegging gaven, len einde hem hierdoor al le leiden van hetgeen goed en recht is, hij toch nooit van zin ol gevoelen veranderd is. liet is wel eene zeer zware verzoeking, als wij, onschuldig zijnde, met smaad en schande worden overladen; als wij niet slechts door grievende woorden worden gekwetst, maar als de hoozen een schijn van waarheid aan hunne beschuldigingen welen te geven en ons alzoo hatelijk en verachtelijk maken in de oogen der gansche wereld. Want wij zien, hoe velen, die rechtschapen lieden zijn, en wel geneigd om een eerlijk god-vreezend leven le leiden , als zij bemerken welk ellendig loon hun wacht, den moed verliezen, en aan het wankelen worden gebracht. Daarom moeten wij des te meer acht geven op bet voorbeeld van den Proleet, opdat de slechtheid der menschen ons niet doe wankelen; en al is het ook, dat zij ons van onzen eerlijken en goeden naam berooven, zoo moeten wij daarom toch niet nalaten de vreeze Gods in ons hart aan te kweeken. Het moet ons genoeg zijn dat onze godsvrucht schittert voor den rechterstoel van God, hoewel de laster der menschen haar wil bekladden. Want, zoolang wij van hel oordeel der menschen al hangen, zullen wij, gelijk reeds gezegd is, altijd heen en weder bewogen worden. En behalve dal, hoe schoon en heerlijk onze werken ook zijn zouden, zoo weten wij toch, dal zij voor God geenerlei waarde hebben, indien wij er de gunst der wereld door zoeken te verwerven. Laai ons dan leeren onze oogen op de hemelsche schouwplaats gericht te houden en alle verkeerde voorstellingen der menschen te verachten. Laten de kinderen dezer wereld hun loon genieten, onze kroon is voor ons weggelegd in den hemel en niet op de aarde. Lalen wij ons losmaken van de strikken, dooi' welke Satan ons zoekt op le houden, door met geduld en lijdzaamheid den lijdelijken smaad le dragen. Hel llebreeuwsche werkwoord Taphal, dat anders Samenvoegen beteekenl, wordt hier door sierlijke beeldspraak genomen voor weven, ol'in orde biengen, omdat de Profeet niet slechts door ruwen smaad werd aangevallen, maar zij hebben ook misdaden verzonnen tegen hem, en dat niel zonder er een schijn van waarheid aan le geven, zoodal hij als de slechtste mensch der wereld werd uitgekreten. Hoewel zij nu niet afgelaten hebben dit weefsel legen hem le vervaardigen, heelt hij loch mei onwankelbare slandvasligheid volhard, en zijn hart toegesloten hebbende, is hij de trouwe hoeder van Gods Wet gebleven. Kn hel is niel zonder reden dal hij hen hoovaardigen noemt; wanl daaruit kan men opmaken dal hel geene personen uit de geringe volksklasse waren, maar
Psalm 1!9 : 70â71
de voornaamslen, die opgeblazen zijnde door hel vertrouwen op hun' rang en rijkdom, zich mei des Ie meer vermetelheid legen hem hebben verheven. En voorzeker toont hij ten duidelijkste, dal hij niel minder door hunne aanmatiging ais mei voeten werd getreden, dan wanneer hij een doode hond ware geweest, iliermege steml ook overeen hetgeen onmiddeiijk volgt in vers 70, dat hm hart vet is als smeer, welke ondeugd maar al te gemeen is onder de verachters van God. Wanl, van waar is hel, dat. de goddeloozen, wier geweien knaagl in hun binnenste, zich aldus verheffen legen de beste dienstknechten Gods, indien niet daarvan, dat hun hart als in eene soort van vet besloten is, zoodal zij in hunne hardnekkigheid stompzinnig, ja zelfs waan-zinnnig worden? Maar groot en bewonderenswaardig is de edelaardigheid van den Proleet, als hij al zijn vermaak vindt in de Wel Gods; alsof hij zeide, dal dit het was dat hem vet maakte, en dil de spijze waaraan liij zich volkomen verkwikte. En dit zou het geval niel hebben kunnen wezen, indien zijn hart niet gansch ontledigd en gezuiverd was van alle verkeerde genietingen.
71. liet is mij goed geweest, enz Hij bevestigt hel gezegde, dat wij boven reeds hebben aangetroffen, dat het hein nuttig is geweest dooi' de kastijdingen Gods onderworpen te zijn geworden, opdat hij lol gehoorzaamheid zou worden gebracht. En hiermede belijdt hij, dal hij niel vrij was van de weerstrevendheid en hardnekkigheid, die aan liet gansche menschdom eigen is, want anders zou de nuttigheid, waarvan hij spreekt, geveinsd zijn, als hij zegt niet anders volgzaam te zijn geweest dan nadat hij vernederd was geworden, gelijk ook niemand onzer vrijwillig zijn nek buigt voor God, totdat Hij onze hardheid verzacht door zijn' hamer. En het is ons noodig voortdurend de vruchten Ie proeven, die ons uit Gods kastijdingen toekomen, opdat zij ons zoel zijn, en wij ons, die zoo weerstrevend en eigenzinnig zijn, op deze wijze laten lot rede brengen, üok hel laatste vers heeft, geene verklaring noodig, omdat het een volzin bevat, die dikwijls voorkomt in dezen Psalm; Ie welen: dat hij de Wel Gods liever heeft dan alle de schallen der wereld, die de meeste menschen zóó hartsiochtelijk begeeren, dat zij er als hel ware door van hunne zinnen beroofd worden. Hij vergelijkt de Wel Gods ook niet met de schallen, die hij zelf bezit, maar hij verklaart, dat hij er oneindig meer waarde aan hecht dan aan groote have en goed.
704
Psalm 1 Ht
JOD.
73. Uwe handen hebben mij gemaakt en hereid; doe mij verstaan, opdat ik uwe geboden leere. 74. Die U vreezeu zullen mij zien en zich verblijden, want ik heb op uw Woord gehoopt. 75. Ik weet, o Jehovah! dat uwe gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij in waarheid vernederd bebt. 70. Ik bid U, laat uwe goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar uwe toezegging aan uwen knecht. 77. Laat uwe barmhartigheden mij overkomen, opdat ik leve, want uwe Wet is mijne vermaking. 78. Laat de hoovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nederge-stooten hebben; ik zal uwe geboden betrachten. 79. Laat hen tot mij keeren, die U vreezen, en die uwe getuigenissen kennen. 80. Laat mijn hart oprecht zijn tot uwe inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
73. Uwe handen helihen mij gemaakt. I);il de Profeet, aanvoert dat hij door de hand Gods geformeerd werd, slrellt;t grootelijks om hem te bemoedigen tot de vaste hope, dal hij de genade zal verkrijgen, die hij heeft gevraagd. Want, dewijl wij de schepselen Gods zijn, en Hij ons niet slechls levensbeweging beeft gegeven , zooals aan bet redelooze vee, maar er ook bet licht des verstands en der rede aan heelt toegevoegd, kunnen wij hieraan de vrijmoedigheid ontleenen om Hem te bidden, dat Hij ons zal leiden tol de gehoorzaamheid aan zijne Wet. Evenwel roept hij God hier niet toe op, alsof Hij dit aan hem verschuldigd was, maar, omdat Hij liet werk zijner handen nooit laat varen, vraagt hij slechts om ecne nieuwe genade, door welke God voortgaat met hetgeen Hij heelt begonnen. Want, de reden waarom wijde hulp der Wet behoeven, is, dat alles wal gaai en gezond is in ons verstand, verdorven is, zoodal wij niet kunnen zien wal recht is, tenzij het ons van elders v.ordt geleerd. Maar ook hierin komt onze verblindheid en slompzinnigheid nog des Ie sterker uit, dat de leer ons niet nuttig is, voordat God onze ziel opnieuw heelt geformeerd. Nu moeten wij ons herinneren wat ik te voren gezegd heb, namelijk, dat bij, telkenmale als hij vraagt, dat hem verstand zal gegeven Jgt;1. fi. 45
7115
Psalm 110 : 73â75.
wonlcn om de geboden God^ Ie Ice ren, hiermede zich zeivenen alle andere menschen verklaart mei hlindheid geslagen Ie zijn, eene blindheid, die alleen door de verlichting des Heiligen Geesles genezen kan worden.
74, Die JJ vreezen zullen mi) zien. Dil vers is of verbonden mei hel eerste, óf hel strekt zich verder uil, Ie welen lol alle de weldaden Gods in hel algemeen Hetzij hij nu eene enkele soorl noemt, of wel spreekt in hel algemeen, in eik geval verhoogt en verheerlijkt hij door deze woorden de weldaden, waarmede God hem had gekroond, opdat alle de dienstknechten Gods er blijdschap door smaken Want hij wil niet zeggen, dat de hoop, die hij op God had gevestigd, de eenige oorzaak was zijner vreugde, maar dal zijne verwachting ruim beloond werd door de heerlijke wijze, waarop hij bewaard is geworden, en de velerlei weldaden, die hij nog daarenboven had ontvangen. En daar God alle zijne dienstknechten noodigt om goede hope te koesteren, beloont Hij ook aan allen, dal Hij waarachtig is in zijne beloften, telkenmale als Hij aan een hunner een blijk geeft van zijne genade, zoodat zij niet moeten vreezen, dat Hij hen zal beschamen, die op Hem betrouwen.
75. 11c xceet o -Jehovah. In dezen Psalm moet hel woord Oordeelen over hel algemeen genomen worden voor de geboden der Wel; daar de Profeet hier echter onmiddelijk bijvoegt, dal bij gekastijd is geworden, schijnt hij met deze woorden de straffen te hebben aangeduid, door welke God de menschen tol berouw en bekeering wil brengen. Want de twee uitdrukkingen Tsedeh en Emoenah, hebben hier bijna dezelfde beteekenis. Daarom belijdt de Profeet in het eerste lid in het algemeen; dal God zijne oordeelen matigt, zoodat aan de goddeloozen de mond gestopt wordt, als sommigen van hen klagen over zijne wreedheid oi strengheid , en er zoo groole billijkheid in gezien wordt, dal wij o-edwongen zijn te erkennen, dat er niets beter is dan dal de menschen op die wijze lol zich zeiven gebracht, worden. Daarna stelt hij zich zeiven hierin Irn voorbeeld Want de geveinsden geven soms wel aan God den lof der rechlvaaidigheid, als Hij anderen kastijdt, en dan zullen zij nooit zijne strengheid ai keuren, mits zij zeiven slechts gespaard woidenj maar het eigenaaidige der ware godsvrucht bestaat hierin, d;)l wij de zonden van anderen minder scherp en streng veroordcelen dan onze eigene. Kn ook de Kennis, oi het welen . waarvan de Profeet melding maakt, is een getuigenis van een streng en nauwkeurig zeil-
70(1
Psalm 119 : 75â77.
onderzoek, wnnl, iniliiin liij zijne sclmid on overtreding niel poed had begrepen, dan zou liij niel door eigene ervarini; Gods ^e-rechlikheid hebben pezien in zijne heproevingen. Wil iernand nu liever hel woord oordeelen in den gewonen zin nemen, dan zal dil de beleekenis wezen van den leksl: lleere, ik weel, dal uwe Wel heilig- en rechtvaardig is, en deze overtuiging is mij niel ontgaan omdat Gij mij streng gekastijd hebt; want ook hierin zie ik eene gerechlipheid, die in overeenstemming is met den aard uws Woords.
76. llc hul ÃJ, laat uwe yoedertiere.nheid zijn om mij te troosten. Hoewel hij erkend heefl , dal hij rechtvaardiglijk vernederd is geworden, begeert hij evenwel, dat zijne droelheid dooreenigerlci vertroosting verlicht zal worden, want hij vraagt om de goedertierenheid Gods als om een geneesmiddel legen zijne rampen en ellende. Hierdoor toont hij, dal niets de smart der geloovigen weg kan nemen, voor en ai eer zij weten, dal God hun genadig is En daar God nu zijne goedertierenheid aanbiedt in zijn Woord, is hel zeker, dat hier geene geringe vertroosting in is gelegen om alle smarlsn mede te genezen. Doch hij spreekt thans van de tegenwoordige goedertierenheid â als ik dil eens zoo noemen mag ~ wanneer God door de daad zelve de gunst verklaart, die Hij had beloofd. Want, de Profeet, verzekerd zijnde van (iods belofte, koesterde reeds blijdschap in zijn hart door de hope, dat God hem genade zou bewijzen. Daar onze hoop echter op niets dan teleurstelling zou uitloopen, indien God zich ten laatste niet openbaarde als onze Bevrijder, bidt hij, dat God vervullen zal hetgeen Hij heelt beloofd; alsof hij zeide: lleere, daar Gij in uwe goedertierenheid beloold hebt, dat Gij immer bereid zult zijn mij te helpen, zoo laat thans de waarheid van uw Woord blijken door de daad. Nu moet men zicli ook de zaak herinneren, waarvan ik vroeger reeds gesproken heb, nl. dat. het niet zonder reden is, dal aan God zijne belofte voor wordt gehouden; want het zou vermetel zijn, indien de menschen in zijne tegenwoordigheid verschenen, indien Hij zeil hun niet vrijwillig den weg opende. Als hij zegt: Aan uwen knecht, eigent hij zich de goedertierenheid Gods niet toe voor zich alleen, alsol zij hem dooi- eene bijzondere godspraak aangekondigd was geworden; maar hetgeen God aan geheel de Kerk beloofd heeft, past Hij naar den aard van het geloot toe op zich zeiven. Want zoo dit niel gansch zeker en vast slaat voor mij, dal ik behoor tol degenen, tot wie God spreekt, zoodal zijne beloften evengoed aan mij zijn gegeven als aan de anderen, dan zal ik nooit de
4f)»
707
Psai.M 119 : 77â78.
vrijmoediglieid licbben 0111 Hein aan Ie roepen. In hel volgende vers herhaall cn bevestigt liij bijna den zelfden wensch, hoewel de woorden eenigszins anders zijn. Want, evenals liij te voren gezegd heeft, dal zijne droeliieid niel anders van hem weggenomen kan worden, noch de blijdschap hem worden wedergegeven, dan door de goedertierenheid Gods, zoo zegl hij nu niet te kunnen leven, vóórdal hij met God verzoend is, en op die wijze onderscheidt hij zich van de wereldlingen, die zich hier niet veel om bekommeren, en niel ophouden van een vrooiijk leven te leiden, ook wanneer zij welen, dat God op hen toornt. Want hij hetuigt luide en duidelijk, dal hij, vóórdal God hem genadig is, als levend gestorven zal zijn, terwijl hij daarentegen zoodra Gods gunstrijk aangezicht hem wederom beschijnt, van den dood tot hel leven terugkeert. Intusschen loont hij. Jat hij voor een' tijd van de teekenen van Gods vaderlijke gunst versloken is geweest, omdal hel nutteloos zou zijn te begeeren, dat zij tot hem mochl komen, indien zij niet van hem verwijderd ware geweesl. Daarenboven zal ook niemand anders de krachl der genade Gods gevoelen, dan hij, die er hel hoogste toppunt van zijn heil in vindt, en dus niet twijfelt, dat allen, die er zich van afkeeren, ongelukkig en vervloekt zijn, en dit heeft de Piofeet geleerd uit de Wet.
78. Laat de Tioovaardicjen beschaamd worden. Wij hebben reeds gezien, dat de Hebreeën dikwijls den toekomenden tijd gebruiken in plaats van den optatief', toch zou men niet ongepast den zin aldus kunnen lezen: Omdat de hoovaardigen slecht met mij gehandeld hebben, zal de lleere hun dit vergelden. Dewijl echter schier alle uitleggers van meening zijn, dal dit een gebed is, heb ik hij de overzetting niet willen afwijken van'net gevoelen, dat door allen gedeeld wordt, bovenal, omdat hier toch ook het woord tol God zeiven wordt gericht. Nu moet men letten op de reden, waarom hij vertrouwt, dal God zich de vijand zal he-loonen van zijne vijanden, nl. omdat zij hem boosaardiglijk hebben aangevallen. Sommigen vertalen het ilebreeuvvsche woord .9Aefcer door Zonder oorzaak, maar hel schijnt dat zij slechts de hellt der zaak vallen, want (naar mijn oordeel) heeft dit woord heirekking op de listen en bedriegerijen, door welke de boozen getracht hebben David ten ondergang te brengen. Hieruit leeren wij, dat wij, telkenmale als wij onrechlvaardiglijk vervolgd worden, uitgenoodigd worden bescherming te zoeken bij God, en tegelijk wordt ons ook geleerd, dal er geene oorzaak is om ons door hun' overmoed te laten ontmoedigen, want, hoe machtig zij zich
70S
Psalm 119 ; 78â80.
ook wanen, tic llecie zal hunne Uolschheid en aanmatiging wel welen te beschamen, zoodal zij in hunne schande anderen ten voorbeeld zullen zijn, om te doen zien, dut niets méér dwaas cn bespottelijk is dan een triumflied aan te heffen eer de overwinning behaald is Hel Hebreeuwsche werkwoord As si ach in het tweede lid van dit vers, kan evengoed vertaald wordendoor Ik zal spreken als door: Ik zal hetrachten, ol bepeinzen; alsol de Proleet zeide dal hij, wanneer hij de overwinning zal behaald hebben, de verkondiger zal zijn van Gods genade. Want, spieken van zijne inzettingen, is zooveel als uit en dooi de Wel aan te toonen, hoe getrouwelijk God de zijnen bewaart, hoe zeker en gewis Hij dc Bevrijder en de rechtvaardige Handhaver is zijner dienstknechten. Ook het volgende vers staat hiermede in verband, waar hij zegt, dal het heil, hetwelk hij deelachtig is geworden, ter leering zal strekken voor al de geloovigen; alsof hij zeide: Mijn slaat en toestand heeft voor een' tijd de Irotschheid en aanmatiging mijner vijanden kunnen doen toenemen, en den moed der godvruchligcn kunnen nederslaan, maar dezen zullen nu weder moed vallen en hunne oogen richten op een vroolijk schouwspel. Nu leeren wij door de twee kenmerken, waarmede hij de geloovigen aanduidt, wal de natuur is der ware godsvrucht. Hij noemt ten eerste de vreeze Uods, of den eerbied; maar voegt er terstond de kennis aan toe van de hemelsche leer, opdat wij weten dat deze twee dingen samen gaan. Want al toonen de bijge-loovigen ook eenige vreeze Gods, het is slechts schijn, die terstond verdwijnt. En zij, die zich kwellen door hunne eigene bedenkselen, doen vergeefsche moeite; wanl God zal op geen' anderen dienst ol aanbidding acht slaan dan op die welke naar de voorschriften geschieden van zijne Wet. üe ware dienst en aanbidding van God komt dus voort uil hel geloof, zoodal niemand naar behooren God kan dienen, dan die dit in zijne school heeft geleerd.
80. Laat mijn hart oprecht zyn tot uwe inzettingen. Gelijk hij een weinig te voren begeerd heeft, dat hem een goed verstand mocht gegeven worden, zoo drukt hij thans den wensch uil om een oprecht hart te hebben. Wij weten, dat dit de twee voornaamste vermogens zijn van des menschen ziel; en hij toont dus aan, dat beide gebrekkig en verdorven zijn, als hij vraagt, dat zijn verstand door den Heiligen Geest verlicht zal worden, en zijn hart geneigd tot de gehoorzaamheid aan de Wet. Hiermede is dus blijkbaar wederlege! al wat de Papisten bazelen omtrent den vrijen wil. Want de Profeet bidt hier niel slechts om de hulpe Gods omdat zijn wil zwak is, maar hij verklaart ten
m
Psalm 11'J ; 80.
duiilulijkste dal de oprechllieid des harten eene t;ave des Heiligen Geesles is. Naarmate een iegelijk onzer dus gevorderd is in de kennis van het Woord Gods, zal hij zich oefenen in dit gebed. En voorts wordt ons door deze woorden geleerd waarin hel ware houden der Wet beslaat. Want de meeste menschen denken, dat zoo zij slechts hun leven regelen in uitwendige gehoorzaamheid aan de Wet Gods, er niets meer van hen geëischt kan worden â maar de Geest Gods verklaart hier, dal geen dienst Gode welbehaaglijk is, dan die voortkomt uit oprechtheid des harten. Wat betrelt hel llebreeuwsche woord Thamim, wij hebben elders gezegd dal hel Thamim hart, d. i. het geheele hart gesteld wordt tegenover een dubbelzinnig ot geveinsd hart, alsol de Proleet zeide, dat diegenen zich in waarheid aan God overgeven, die onlledigd zijnde van alle veinzerij. Hem een rein hart aanbieden. Als hij er bij voegt; Opdat ik niet beschaamd worde, geelt hij le kennen, dut alle hoovaardigen, die, zijne genade verwerpende, steunen op hunne eigene krachten, en de huichelaars, die zich voor een' lijd zoo haai welen voor te doen, dit lol hebben le wachten. De zin is dus, dal, hoe onze schande voor een' tijd ook bedekt moge blijven, ja meer, hoe de menschen ons ook mogen prijzen en bewonderen, onze schande en onteering toch weidra openbaar zullen worden, indien God ons niet leidt en bestuurt door zijn' Geest en ons hart neigt om onzen plicht te doen, zoodal ons hart oprecht is in zijne inzettingen en geboden.
CAPH.
81. Mijne ziel is bezweken van verlangen naar uw heil; ik hnop op uw Woord. 82. Mijne oogen zijn bezweken van verlangen naar uwe toezegging, zeggende: Wanneer zult Gij mij vertroosten? 83. Want, ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch uwe inzettingen heb ik niet vergeten. 84. Hoe velen zijn de dagen uws knechtsV Wanneer zult Gij recht doen over mijne vervolgers? 85. De hoovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar uwe Wet. 8G. Al uwe geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij valschelijk; help mij. 87. Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb uwe bevelen niet
710
Psalm ll'.J ; 81â82.
verlaten. S8. Maak mij levend naar uwe goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis uws monds onderhouden.
81. Mijne ziel is bezweken van verlangen naar uw heil. l)c Profeet wil zeggen, chil hij hoewel verteerd door langdurige smart, en geene uitkomst ziel voor zijne ramp en ellende, evenwel door droelhcid en verdriet niet zóó terneiiergeslagen was, ol hij is nog immer op God blijven hopen. En opdat dit nu nog duidelijker zij, moet men beginnen bij liet tweede lid, dal er bij wijze van opheldering aan toegevoegd is. Want daar verklaart hij te hopen op God, dal hel fondament is, maar de onwrikbare standvastigheid zijner hope willende uitdrukken, zegt hij, dat hij alle moeite en verdriet heeft kunnen verdragen, waaronder anderen bezweken zijn Want wij zien, hoe sommigen de beloften Gods wel zeer gaarne aannemen, maar hun ijver zal weldra bekoelen, ol ten minste in lijden van tegenspoed verdwijnen. Wel is waar, op den eersten aanblik scbijiit hel llebreeuvvscbe werkwoord Calah, hetwelk zooveel beteekenl als bezwijken, ol verteerd worden, iets anders le beduiden, maar hier, evenals ook aan andere plaatsen, verstaal de Proleet door bezwijken een geduld, hetwelk, terwijl alle kracht vergaan is, diegenen niet verlaat, die reeds dood schijnen te zijn, maar in hun hart stille verzuchtingen doet ontslaan, waaraan men geene uitdiukking zou kunnen geven. Daarom wordt dit bezwijken gesteld tegenover de genietingen van die verweekelijkte personen, die geen lang uitstel kunnen diagen. Het volgende vers is bier na aan verwant, in zoo ver hij nu overbrengt op de oogen, wat hij le voren gezegd heeft van de ziel. Er is slechts dit verschil, dat hij in plaats van het verlangen naar heil, nu spreekt van het verlangen naar het Woord, of de toezegging, want, heil of hulp is, gelijk men zegt, in de werking, of in de daad, terwijl het woord, ol de toezegging ons bij het wachten in onzekerheid houdt. Maar hoewel God niet terstond en openlijk volbrengt hetgeen hij heelt beloold, zoo is er toch, wijl Hij ons nergens anders heil beloolt dan in zijn Woord, ook geen ander middel om te hopen dan wanneer wij hierop steunen en betrouwen. Omdat dus het Woord naar volgorde hel heil vooralgaal, ol liever een spiegel is, waarin het ons wordt geloond, is het terecht, dat de Proleet, als hij verlangt naar beil, zegt, dat hij zijne oogen gericht hield op hel Woord, totdat zij begonnen le falen. Nu wordt hier in de zwakheid des vieesches eene bewonderenswaardige en onge-
711
Psalm ll'J : 84â84.
loollijke kiachl van geduld openbaar, wanneer wij algeniat en kraclileloos zijn en dan ons lieil zoeken daar waar God hel lieelt verborgen. Eindelijk geell de Pi ofeel le kennen, dal hel ganscb niel zonder oorzaak, was, dal hij is bezweken, opdal niemand zou denken, dal hij weekelijk en kleinmoediL; was. Wanl, als hij aan God vraagl, wanneer Hij hem eindelijk zal vertroosten, geell hij hiermede genoegzaam le verstaan, dal hij gedurende landen lijd als versloolen en verlalen is geweesl.
83. Want, ik hen geworden als een lederen zak in den rook. Hel llebreeuwsche woord Ki zou hier zeer goed als hel bijwoord van lijd Toen kunnen beschouwd worden, zoodal wij hier dan een aaneengesehakelden volzin hebben, nl. dal de Prol'eel, ook loen hij als een droge lederen zak was geworden, loch de Wet Gods niel heel'l vergelen. En inderdaad, zijne bedoeling is gemakkelijk le begrijpen, le welen, dal hij, hoewel hij door zware beproeving was bezocht, en diep lol in de ziel was gegriefd en bedroeld, loch van de vreeze Gods niet is afgeweken. Nu heeft de vergelijking met eenquot; lederen zak, of eene blaas, de strekking om aan le loonen dal hij als hel ware verschroeid was door het vuur van voortdurende beproeving. Hieruit leeren wij, dal hij door eene droelheid, die niet klein of gering was, lol zulk een' slaat van ingezonkenheid en magerheid was gekomen, dat hij bijna geheel was uitgedroogd. Hij schijnt echter ook stilzwijgend le kennen te geven, dal hij niet slechts zwaar gekweld werd, maar ook aanhoudend, evenals de rook, die uit hitle voortkomt, de blazen langzamerhand doel uitdrogen. Zoo laat ons dan welen, dal er eene lange reeks was van rampen, die den Proleet wel honderdmaal had kunnen verleren, en dal wel door langdurig almallend lijden, indien hij niel door hel Woord Gods ondersteund ware geworden. En dil is, met dal al, ook het ware blijk van godsvrucht, als wij, hoe ook gekweld en geplaagd door geheel de wereld, toch niet nalaten ons in gehoorzaamheid Gode le onderwerpen.
84. Hoevelen zijn de dagen uws knechts? Sommigen lezen deze twee leden afzonderlijk, alsol hel eerste eene algemeene klacht bevatte over de kortheid van het raenschelijk leven, gelijk dit in sommige Psalmen, maar nog veelvuldiger in hel boek van Job wordt aangetroffen; en daarna volgt, (naar hunne meening), een bijzonder gebed, nl. Dal God wrake zal doen over zijne vijanden. Wat mij betreft, ik geef er de voorkeur aan om ze saam le voegen, en ze beiden le beperken tot de beproevingen
l\i
Psalm 119 : 84â85.
van David; alsol liij zeide: lleere, lioe lang lieljl Gij ijeslolen uwen dienslknechl over Ie geven in de lianden dei godde-loozen? En wanneer zuil Gij U keeren legen hunne wreedheid en woede om er wrake over le doen? Wanl liel woord Dagen wordl in de Schrill dikwijls in dien zin genomen, zooals de dagen van Egypte, Ezecli. 530 : 9; de dagen van Babyion, en de dagen van Jeruzalem, Ps. 137 : 7; hetgeen in andere plaatsen genoemd wordt De tijd der bezoeking, Jes. 10 ; 3. En door het meervoud duidt hij een' zekeren en te voren bepaalden tijd aan, hetgeen hij aan andere plaatsen vergelijkt bij De dagen eens huurlings. Job. 14 ; 0; Jes. 10: 14. Hij betreurt dus niet het broze leven des menschen in het algemeen; maar hij klaagt, over zijn' eigen strijd, die, naar zijn oordeel, al te lang geduurd heeft, en daarom is hel niet zonder reden, dal hij er het einde van begeert te zien. Hoewel hij zich nu bij God beklaagt over zijn' vijand, toch doet hij dit niet met hardnekkigheid ol' met de neiging om te murmureeren; maar als hij Hem vraagt hoe lang hij nog zul hebben le lijden, bidt hij ook met bescheidenheid, dat God niet vertoeven zal hem le hulp te komen. En wat betreft, dat hij God in zijn gebed lol wrake aanspoort, wij hebben elders gezien, dal hel wettig en geoorloofd is zoodanig gebed le lormuleeren, nl. omdat hij eene wrake begeert, die aan God voegt. Want het is zeker dat hij van alle verdorvene neigingen des vleesches was ontledigd, ten einde met heiligen ijver aan God om het oordeel te vragen. Hier aan deze plaats echter geeft hij slechts in hel algemeen den wensch te kennen om door de hand Gods verlost te worden van hel onrecht dat hem wordl aangedaan, zonder daarbij het verderf zijner legen-standers te begeeren, want, het is hem genoeg zoo God zich slechts openbaart om wrake ie doen.
85. De hoovaardigen hebben mij putten gegraven. Hij klaagt dal hij door de listen en bedriegerijen zijner vijanden verstrikt is geworden; alsof hij zeide, dat zij niet slechts met openlijk geweld en met het zwaard getracht hebben hem ten ondergang-te brengen, maar dat zij hem boosaardiglijk door listen en lagen zochten om le brengen. Wat hij er bij voegt; Dat dit niet is naar de IVet Gods dient om God tol bai inhartigheid op te wekken, want Hij is des te eerder geneigd om de zijnen te hulp te komen, naarmate Hij ziet dat met hun heil ook zijne Wet wordt geschonden. Intusschen getuigt hij van zijne onschuld, omdat hij hel niet, verdiend had om op die wijze door hen te worden behandeld; en dat hij geduldig verdragen heeft al wat zij legen hem beraamden,
Psalm ll'J : 85â87.
wanl hi j zou niels hebben durven doen of ondernemen, dat in strijd was mei Gods Wel. In hel volgende vers verklaar! hij opnieuw, dal hij, hoe ook gekweld en vervolgd, door geenerlei bedenkselen afgeleid was geworden, omdal hij, zich verzekerd houdende van de hulpe Gods, nooil aan zijne hulpe gelwijfeld heeft. En in de eersle plaats verhaalt hij van welk schild hij voorzien is om er de aanvallen mede af te weren, hiermede nl. dat de geloovigen onder de aanvoering Gods een' voorspoedigen krijg voeren, omdal hel heil, waarop zij hopen naar zijn Woord, zekei en gewis is. Daarom zegt hij dat de geboden Gods waar zijn. En hiermede geefl hij le kennen, dat zij, die steunen en betrouwen op het Woord Gods, buiten alle gevaar zijn, opdat deze steun ons immer goeden moed doe hebben. In de tweede plaats klaagt hij over de valschheid zijner vijanden, gelijk hij te voren reeds heeft aangetoond. Want hier is dit woord sheker herhaald, waarmede hij bedoelt dal zij op billijkheid en recht geenerlei acht sloegen. Hieraan ontleent hij ook de hoop om weldra verlost te zullen worden, omdat hel Gods eigen werk is de ongelukkigen bij te staan, die onrechtvaardigiijk verdrukt worden.
87. Zij hebben mij bijna vernietigd, enz. Hij herhaalt in eenigs-zins verschillende bewoordingen wal hij te voren gezegd heeft, nl. dal hij, hoe zwaar ook beproefd, toch altijd staande is gebleven , omdat hij van de godsvrucht niet is algeweken. En hoewel dit nu volkomen genoeg zou zijn, om dit eene enkele maal le zeggen aan hen, die volmaakt zijn, zullen wij, gedenkende aan onze zwakheid un stompzinnigheid, erkennen, dal deze leer volstrekt niet overtollig is. Ja voorwaar! wij vergeten de Wel Gods niet slechts als wij door zwaren strijd heen gaan, maar de meesten zullen reeds den moed verliezen en terugdeinzen, eer het nog tot strijden gekomen is. Daarom is de wondervolle zielskracht van den Profeet des le opmerkelijker, als hij, om zoo te spreken, leeds half dood zijnde, toch zijn' moed slaande blijft houden door eene voortdurende bepeinzing van Gods Wet. liet is ook niet zonder reden dal hij er bijvoegt, dat dit geschied is de aarde, want hierin is eene stilzwijgende vergelijking met den hemel, alsof hij zeide, dat hij, toen de verschrikkingen des doods hem van alle kanten omringden, zijn hart opgeheven heeft naar boven, want, als hel geloof lot den hemel reikt, dan zal hel licht vallen om uil de macht der wanhoop weg le komen. Ook het laatste vers beval niels nieuws; want bij het begin er van schrijft David zijn leven toe aan de barm-haitigheid Gods, niel slechts omdat hij de broosheid des menschen
714
Psalm 119 ; 87â89.
kende, maar omdat hij zich van dag lol day bioolgesleld zag aan allerlei doodsgevaar, of liever, omdal do krachl Gods geweken zijnde, hij zoo lernedergeslagen was, alsof' hel leven hem reeds had begeven. Vervolgens belooll hij niel ondankbaar le zullen zijn, als hij lot hel leven zal zijn wedergekeerd, en dat niel slechts met een dankbaarheid van de long, maar van geheel zijn leven. Als de Wel genoemd wordt liet getuigenis van den mond Gods, wordt hel gezag daarvan door deze benaming ten slerksle in hel lichl gesteld.
LAMED.
89. Jehovah, uw Woord bestaat in der eeuwigheid ia de hemelen. 90. Uwe waarheid is van geslachte tot geslachte; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan. 91. Want door uwe rechten blijven zij nog heden staan, immers zij allen zijn uwe knechten. 92. ludien uwe Wet mijne vermaking niet ware geweest, ik ware in mijn' druk vergaan. 93. Ik zal uwe hevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want daardoor hebt Gij mij levend gemaakt. 94. Ik ben uwe, behoud mij; want ik heb uwe bevelen gezocht. 95. De goddeloozen loeren op mij om mij te doen vergaan, maar ik neem acht op uwe getuigenissen. 96. In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; uw gebod is zeer wijd.
89. Jehovah, uw woord bestaat in der eeuwigheid, enz. Velen verklaren dil vers alsol' David als een bewijs van Gods waarheid aanvoerde, dal de toestand der hemelen vast en blijvend is. Volgens hunne meening is de zin dus dal God bewezen wordt waar le zijn door het ieil, dat de hemelen in altoosdurenden loesland verkeeren. Anderen geven er eene nog meer gewrongene verklaring van, te welen, dal de waarheid Gods vaster en zekerder is dan de toestand der hemelen. Hel komt mij echter voor dal de Proleet iets anders heelt willen zeggen; \\ant, dewijl wij nergens op aarde vastigheid zien, voert hij onze gedachlen op lol God, opdat wij aldaar ons anker uitwerpen. David heelt
710
Psalm 119 : 89.
voorzeker wel kunnen zeggen (gelijk hij ook op verscheidene plaatsen gezegd lieefï) dal geheel de wereldorde gelui^l van de waarheid en vastigheid van Gods Woord, hetgeen ook zeer waar is, maar dewijl het te vreezen was, dat de godvruchtigen in onzekerheid en Iwijlel zouden blijven verkeeren, indien hij hel bewijs voor Gods waarheid grondde op deze wereld, waar zoo velerlei beroering en verandering is, geeft hij haar eene plaats in den hemel, en kent hij haar aldus eene woonstede toe, die aan geenerlei verandering onderhevig is. Opdat dus niemand hel Woord Gods zal almeten naai den aanblik van al deze wisselingen en wentelingen, wordt de hemel stilzwijgend in tegenstelling gebracht mei de aarde; alsol' er gezegd was, dat ons heil gelegen zijnde in het Woord, niet gelijk de aardsche dingen aan verande-ringen onderhevig is, maar zich in eene veilige kalme haven bi-
cj ö '
vindt. De Profeet Jesaja leert ons met andere woorden dezelfde zaak, als hij zegt: Alle vleesch is gras, en alle heerlijkheid van hetzelve is als eene (bloem des velds. Want, gelijk Petrus dit verklaart, beteekent het, dal de zekerheid der zaligheid gezocht moet worden in hel Woord (.les. 40:0; 1 Petrus I :'2i), en dat dus diegenen verkeerd handelen, die aan deze wereld blijven hangen, daar de vastheid van het Woord Gods den aard der wereld verre overtreft. Hij herhaalt en bevestigt denzelfden zin in het volgende vers; want hij geeft uitdrukkelijk te verslaan, dat de ge-loovigen, hoewel zij voor een' lijd als vreemdelingen op aarde verkeeren,en zeer snel voorbijgaan, hun leven toch geenszins broos is, omdat zij door een onverderfelijk zaad zijn wedergeboren. Ãe Profeet gaal echter nog verder, want, gelijk hij ons tevoren geboden heeft door het geloof door te dringen tol den hemel, omdat wij in deze wereld niets vinden, waar wij in veiligheid en zekerheid kunnen rusten, zoo toont hij ons nu opnieuw dooide ervaring, dat, hoewel de wereld aan wisselingen onderhevig, is, de waarheid Gods door duidelijke en merkwaardige getuigenissen in haar uitblinkt, zoodat de vastheid van hel Woord niet beperkt is tol den hemel, maar ook tot ons genaakt. Daarom wordt er bijgevoegd, dal de aarde vast blijft staan, zooals God haar gesteld en gevestigd heeft; alsol hij zeide: lleere, zelfs op aarde hebben wij de zichtbare waarheid van uw Woord, gelijk als in een' spiegel; want, hoewel zij opgehangen is in het midden der zee, blijft zij toch immer in denzelfden staal. Deze twee dingen gaan dus zeer goed samen, nl. dat hel Woord Gods niet beoordeeld moet worden naar den toestand der aardsche zaken, want die toestand is onzeker, en gaat voorbij als eene schaduw; maar dat van den anderen kant de menschen ondank-
710
Ps/^lm 119 : 00â01.
baar zijn, indien zij de bovengenoemde uitspraak niet deels ook in bel werkstuk der wereld erkenden, omdat de aarde, die anders geen enkele minimi zou kunnen stand houden, tocb bestaan blijlt, omdat zij gegrond is in bel Woord Gods. En zoo kan dan niemand als verontscbuldiging aanvoeren, dat bei moeielijk is de waarheid te gaan zoeken buiten de wereld, omdat zij daar te ver builen hel bereik is der menschen, want de Profeet voorkomt dit ('oor te zeggen, dat hoewel zij woont in den hemel, wij er toch de blijken en kenmerken van zien aan onze voelen, die ons naar onze geringe vatbaarheid langzamerhand en trapsgewijze tol de kennis' daarvan opvoert. En zoo vermaant ons de Profeet van den eenen kant om door het geloof ons te verheffen boven de wereld, zoodat hel Woord Gods de vastigheid beeft, die er aan behoort en toekomt, en ons gelooi ondersteunt; en van den anderen kant wijst hij er ons op, dal wij geenszins te verontschuldigen zijn, indien wij door den aanblik der aarde de waarheid Gods niet erkennen, aangezien zij voor onze voeten ligt uitgespreid. In het eerste lid worden de menschen vermaan 1 af te laten van de ijdelbeid van bun eigen verstand en redeneering; en in bet andere worden zij in hunne zwakheid geschraagd, opdat zij op aarde reeds een' voorsmaak hebben van hetgeen meer ten volle in den hemel gezocbl moet worden.
91. Door uwe rechten blijven zij nog tot heden staan. Het Hebreeuwsche woord Ilajóm, dal ik, evenals de andere Schriftverklaarders vertaald heb door Tot heden, zou ook zeer goed overgezet kunnen worden dooi' Van day tot dag, of iederen dag; de zin blijlt echter gelijk, want de Profeet bedoelt dat geheel de orde der natuur alleen steunt op het bevel en raadsbesluit Gods. Want, als hij spreekt van de rechten, zinspeelt hij op de Wel; alsof hij zeide, dat de rechtheid, die in de Wet getoond wordt, ook overal uitblinkt. Hieruit volgt, dal de menschen al te snood en verdorven zijn, als zij door bun ongeloof, voor zoo veel in hen is, de getrouwheid Gods aan het wankelen brengen en te niet doen, waarop alle schepselen steunen, en als zij hijgevolg door hunne hardnekkigheid de gerechtigheid Gods aanranden, en te kort doen aan het gezag van zijne geboden, waarop alle vastigheid der wereld gegrond is. Hoewel het nu eene ruwe wijze van spreken is om te zeggen dat alle elementen Gods dienaren zijn drukt hij hiermede meer uil, dan wanneer bij gezegd had dat alle dingen bereid zijn Hem gehoorzaamheid te bewijzen. Want hoe zou hel kunnen, dat de lucht, die zoo dun is, niet. opgelost en verteerd wordt door gedurig in beweging
717
Psalm 119 : 01-98.
lo zijn? Hoe zou lit!l walcr, dal immer vvegvioeil, niel eindelijk tiden, niü liel niet was, dal beide luclil en waler gehoorzamen aan den verborgen wenk Gods ? Hel is waar dooi' hel geloof zien wij, dal de wereld bestaal door hel bevel Gods, maar allen, die ook maar een weinigje versland hebben, zullen helzelfde lewelen komen dooi' de duidelijke blijken en kenmerken, die zij voor hunne oogen hebben. Zoo laai dil dan diep ingeworteld zijn in ons hart, dat alle dingen dusdanig door Gods verborgene werking bestuurd en onderhouden worden, dal zij dooiquot; le gehoorzamen aan zijn gebod, ol zijn Woord, in stand blijven. Want wij moeten altijd in gedachten houden het doel. waar de Profeet heen wil, rd. dal de waarheid Gods, die uilblinkt in zijne uitwendige wei ken, ons trapsgewijze hooger opvoert, opdat de waarheid der hemelsche leer builen allen twijfel zij.
91 Indien nice Wet mijne vermaking niet ware geweest. De Profeet gaat voort met bijna dezelfde leerstelling; want hij zegt, dat hij in gevaar was van om le komen, indien hij voor zijn leed geen verlichting had gevonden in de Wet Gods. liet Hebreeuwsche woord Az beleekent Toen\ maar omdat het soms voor een lang tijdsbestek wordt genomen, heeft het hier de beleekenis van Beeds sedert lang, of men zou er de voorkeur aan willen geven om hel als eene duidelijke, blijkbare heenwijzing le beschouwen, alsof hij zich nu nog in dien toestand bevond. Nu bevestigt hij wat hij le voren gezegd heelt door zijne eigene ervaring, opdat men zou welen dat hij van geene dingen sprak, die hem onbekend waren, maar dat hij uiting i;eell aan hetgeen hij wezenlijk en werkelijk zelf heeft ondervonden, nl. dal wij door niets anders verlichting of hulp in tegenspoed vinden, dan door te steunen op het Woord van God en de genade aan le nemen, die ons daarin wordt aangeboden met de verzekering onzer zaligheid Nu is het zeker, dat hij hier hetzelfde Woord prijst, dal hij te voren gezegd heeft le wonen in den hemel; want, hoewel hel weerklinkl op de aarde, doordringt lot onze ooren, ingeprent is in ons hart, zoo behoudt het nochtans zijne hemelsche natuur, want het komt neder lot ons, zoodal het aan geene verandering van deze wereld onderworpen is. Nu verklaart de Profeet, dat hij onder een'grooten last van beproevingen gehukt gaat, die hem gansch verpletterd zou hebben, maar dal de verlichting, die hij in de Wet Gods gezocht heeft in dien toestand van wanhoop, als helleven voor hem geweest is. liet volgende vers bevat eene dankzegging. Want, daar de Wel des lleeren hem had bewaard , belooft hij haar nooil le
71S
Psalm 119 : 93â95.
zulion vergeten. Toch loonl luj Ic gelijk ook aan lioc noodig hel is ilc gedachtenis aan de Wel Gods in ons hart aan te kweeken, want, al is het ook dal wij ervaren liebben, dat zij levend maakt, zullen wij haar toch zeer gemakkelijk vergelen, waarvoor wij dan later rechtvaardiglijk worden gestraft, als God ons gedurende langen tijd in onze droefheid laat kwijnen.
94. Ik hen uwe. In de eerste plaats neemt hij de vrijmoedigheid om Ie bidden, omdat hij Gods bijzonder eigendom is. Daarna toont hij door de daad, dat hij Godes is, omdat hij zijne geboden waarneemt. Maar nu moet dit niet zoo verstaan worden, alsol hij zich op eenigerlei verdienste beroemde, zoo als wanneer men met menschcn te doen heeft, dit gewoonlijk als eene reden aangevoerd wordt om te verkrijgen wat men begeert: Ik heb ii altijd bemind; ik heb altijd uwe eer en uw voordeel zoeken te bevorderen, ik was altijd tot uwen dienst bereid. David beroept zich echter alleen op de vrije genade Gods, want niemand verkrijgt zich door zijne eigene vlijt en inspanning zoo-danige eer om tot Gods volgelingen en beschermelingen te be-hooren; het is alleen en uitsluitend een gevolg van zijne vrije aanneming. Daarom wordt hier aan God zijne eigene weldaad voorgehouden, opdat Hij het werk, dat hij begonnen heeft, niet zal laten varen. Want dat hij zegt, dal hij acht heeft gegeven op Gods geboden, ook dit hangt af van zijne roeping; want hij heelt niet begonnen er zich op toe te leggen Gods geboden te houden, vóórdat hij geroepen was en aangenomen onder de dienstknechten en huisgenooten Gods. En daar hij begeert door God te worden bewaard, drukt hij terstoml daarna de behoefte uit, die hij er aan heeft, zeggende, dat de goddeloozen hem bespied hadden om hem te doen vergaan Toch toont hij hiermede de standvastigheid zijner godsvrucht, omdat hij toen zijn hart en zijne gedachten aan de Wet Gods heeft gegeven, hetgeen wel waardig is opgemerkt te worden. Want zij, die anders wèl geneigd zouden zijn God te volgen, weten niet waarheen zich te wenden zoodra zij door de hoezen worden aangevallen, zoodat zij er dan gemakkelijk toe gebracht worden slechten raad te volgen Daarom is het eene groote deugd, als wij, hoewel de boezen samenspannen om ons te verderven, zoodat wij naar het vleesch te oordeelen, in gevaar zijn van ons leven, Gode evenwel de eer bewijzen van aan zijne beloften trenoeg te hebben. Acht geven oy de gehoden beteekent zooveel als met onze gedachten gansch en al hij Gods Woord le zijn, hetwelk ons ondersteunt bij alle aanvallen, en de macht heeft om al onze
719
Psalm 119
9.5â00.
720
vreeze lc doen bedaren en ons voor alle slechte of verkeerde raadslagen te bewaren.
96. In cdle volmnnktJieid. Wederom gebruikt de Profeel andere woorden, en looll hetgeen hij bij den aanvang van dit achilal verzen heefl geleerd, nl dat hel Woord Gods aan geene ver andering is onderworpen, omdat het boven de vergankelijke elementen dezer wereld is verheven. Want hier zegt hij, dat niels onder den hemel zoo volmaakt is, ol in alle deelen zoo volkomen, ol er komt toch een einde aan, en dat alleen het Woord Gods door zijne majesteit zich boven alle grenzen en perken verheft. Omdat hel llebreeuwsche werkwooid Cnlah Verteren zoowel als eindigen, en ook voleindigen beteekent, nemen sommigen hel woord, dat door den Profeet hier gebruikt wordt voor Maat ol einde; maar het gezond verstand vereiscbl, dat het hier overgezet wordt door volmaaktheid, opdat de vergelijking Ie meer zou uitkomen en de waarheid van het Woord Gods nog meer verhoogd zou worden ; alsol de Profeet gezegd bad, dat hij, na alles wel overwogen te hebben, inzonderheid die dingen welke uitmunten door hare volmaaktheid, tot de gevolgtrekking komt, dat zij, vergeleken bij hel Woord Gods, als niels zijn, omdat alle andere dingen hun einde nabij zijn, terwijl het Woord Gods eeuwig blijft; waaruit volgl, dat wij niet moeten vreezen, dat hel ons falen zal terwijl wij nog slechts halverwege zijn. Want dit is de strekking van het woord Wijd, omdal , al zou iemand ook opklimmen naar den hemel, of nederdalen in de diepste afgronden, of rechts en links heentrekken, loch niet verder zal gaan dan waar de waarheid Gods ons heenvoert. Er hlijft slechts over dat ons hart en onze geesl deze ruimte omvallen, hetgeen geschieden zal, als zij er van aflalen om zich in de englen der wereld op te sluiten.
MEM.
97. Hoe lief heb ik uwe Wet gehad! Zij is mijne betrachting den ganschen dag. 98. Gij hebt mij door uwe geboden wijzer gemaakt dan myne vijanden, want deze waren altijd hij my. 99. Gij hebt mij verstandiger gemaakt dan hen, die mij onderwezen hebben, want uwe getuigenissen zijn mijne betrachting. 100. lk ben verder gevorderd in verstand dan de ouden, omdat
Psai.m 11 !l : 97â98.
ik uwe inzettingen bewaard heb. 101. Ik heb mijne voeten van alle kwade paden teruggehouden, opdat ik uw Woord zou onderhouden. 102. Ik ben niet geweken van uwe rechten; want Gij hebt mij onderwezen. 103. Hoe zoet zijn uwe redenen mijn gehemelte geweest! meer dan honing mijn' mond. 104. Door uwe inzettingen heb ik verstand gekregen, daarom heb ik alle leugenpaden gehaat.
97. Hoe lief heh ik uwe Wet yehad. Zich niel tevreden slcl-lende mei eene eenvoudige verklnring, roepl hij vragenderwijs dnl hij onlsloken was door eene ongeloollijke liefde voor Gods Wet, en als bewijs voegt hij er hij, dat hij haai' voorldnrend heeft bepeinsd. Want, wie zich er op beroemt Gods Wet lief te hebben, en haar niet bestudeert, maar zijn hart aan andere dingen geelt, loont al eene zeer grove geveinsdheid; want de Helde zal immer eene voortdurende bepeinzing teweegbrengen, inzonderheid als het eene liefde is als die, waarvan de Proleet hier spreekt. En gewis, tenzij de Wel Gods ons hart in lielde voor zich ontsteekt, en ons als bet ware in vervoering brengt, zullen er alleilei verlokselen komen, die ons tol ijdelheid heenvoeren. De Proleet prijst ons bier dus eene liefde aan voor de Wet, die al onze zinnen in beslag neemt, en de deur loesluil voor alle leugen en bedrog, waartoe wij anders maar al le zeer geneigd zijn
98, Oij hebt mij door moe geboden wijzer gemaakt. Hier verhaalt de Profeet, dat hij beter onderwezen is dan zijne vijanden, zijne leermeesters, en de ouden, omdat hij een discipel was van de Wet. Nu verstaal hij hel op eene andere wijze, dal hij boven zijne vijanden met versland begaald was, dan boven zijne leermeesters, want hij is hun meerdere geweest, omdat zij nut hunne listen en bedriegerijen niets gewonnen hebben, daar zij hun verstand en overleg slechts gebruikten om hem le verderven Want wij welen, hoe de boosaardigheid der godde-loozen hen immer drijft om kwaad le berokkenen; en daar zij dikwijls zeer fijn en geslepen zijn, vreezen wij, dat onze eenvoudigheid gevaar zal loopen van door hunne bedriegeiijen verstrikt te worden, zoo wij niet dezelfde listen en lagen gebruiken als waarvan zij zich bedienen. Daarom roemt de Profeet, dat hij
Dl, II. -li;
Psalm 110 : 98â100.
722
in ilc Wol Gods genoog/anio hulp Iiecft gevonden, om aan luinne strikken en nellen le onlkomen. En dal liij zicli wijzer acht dan zijne leermeesters, dit schijn! wel eene ongerijmde en ongepaste vergelijking, want ook zij hebben van hel Woord Gods geleerd heigeen hun nnltig en noodig is te weten. Maar er is niet aan te twijfelen of de Profeet brengt dank loe aan God, dal hij meer vorderingen heeft gemaakt dan zij, van wie hij de eerste beginselen heeft geleerd. Want het is niets nieuws dat de discipel zijn' leermeester overlreft, ai naar God aan een iegelijk zijne mate van kennis en verstand mededeelt Want wij weten, dat, hoe de geloovigen ook door menschen geleerd en onderwezen worden, hun versland echter door God verlicht moet worden En dat de discipel den meester overtreft komt daar van daan , dat God als het ware met den vinger aan wil wijzen, dat hij de gaven en den arbeid der menschen slechls zoo wil gebruiken, dat Hij toch altijd de eerste en voornaamste Leeraar blijft. Zoo laat ons dan leeren ons aan zijne leiding over te geven, opdal wij ons met David kunnen beroemen, dat wij onder zijne leiding verder gekomen zijn dan waar hel onderwijs dei' menschen ons had kunnen brengen. Hij voegt er evenzoo de ouden hij om dit nog meer le bevestigen; want de ouderdom werkt er zeer toe mede om hen, die van nature traag en ruw zijn, door langdurige gewoonte en ervaring beschaafd le doen worden. Wanl de Profeet zegt, dal hij door de Wet eene grootere voorzichtigheid en bedachtzaamheid heeft verkregen dan de ouden bezitten. Waar het op neerkomt is, dal al wie zich gewillig door God laat leiden , en zijn verstand gevangen geeft onder het Woord, en zich vlijlig geoefend heeft in hel bepeinzen der Wel, hierdoor genoegzame wijsheid zal hebben verkregen om gewapend en bestand te zijn legen de listen en lagen der vijanden en tegen hunne bedriegerijen op zijne hoede le zijn, zoodat hij gedurende den geheelen verderen loop zijns levens zich met de beste en bekwaamste meesters zal kunnen meten. Maar toch steil David zijne eigene wijsheid niel op den voorgrond om er zich voor de wereld op le beroemen, maar door zijn voorbeeld wijst hij er ons op, dat er niets beters is dan uil den mond Gods zeiven le leeren, want diegenen zijn volkomen wijs, die in zijne school onderwezen zijn. Hier wordt den geloovigen voorts ook soberheid aanbevolen, opdal zij nergens anders wijsheid zoeken le verkrijgen dan uil Gods Woord, en door geene eerzucht of nieuwsgierigheid lol ijdcl roemen gedreven worden. Kortom, aan allen wordt bescheidenheid en ootmoed aanbevolen, opdal niemand zich eene wetenschap loe-
Psalm 11!» ; 100â103.
kenne, door welke hij zich verheft hoven tie Wet Gods; maar zoodra deze hemelsche wijsheid op den voorgrond treedt, zullen allen, hoe verstandig en geleerd zij ook zijn mogen, er zich gewillig en nederig aan onderwerpen Als hij zegt. dat hij de inzettingen Gods hewaard heeft, geeft hij ons te verslaan, wat deze overdenking geweest is, waarvan wij hehhcn gesproken, opdat wij zouden welen, dal hij er niet met koude onverschilligheid over heeft geredeneerd, maar dat hij zich met lust en lielde toegelegd heeft op de geboden Gods.
101. Ik heh mijne voeten von nil a kirade paden terugyehonden. Hij geelt Ie kennen; dal hij krijg heeft gevoerd tegen alle ondeugden, ten einde zich geheel en al aan den dienst (gt;ods le wijden. Hieruit wordt eene zeer nullige leering getrokken, nl dat wij, om van den beginne af Gods Wet le onderhouden, acht moeien geven om naar geene kromme wegen af le dwalen. Want, aangezien onze natuur zóó verdorven is, er zoo vele verlokselen zijn, en ons hart zoo ijdel en onstandvastig is, is er niets, dat zoo te vreezen is, als dat wij in dwaling vervallen, ja het is een zeldzaam wonder, dat iemand nog op den rechlen weg gaat. zonder naar rechls ol links af te wijken. Daarom is het voor de geloovigen uiterst noodzakelijk, dal zij wél achl geven, len einde hunne voeten voor afdwalen le bewaren. In hel volgende vers loont David hoe standvastig hij is geweest in hel bewaren der Wet. Hij zegl dus, dat hij, sedert hij van God geleerd heeft hoe le leven, altijd op den rechlen weg is gebleven. En daar nu de weg zoo glibberig is, en onze voeten zoo zwak zijn , en geheel onze natuur zoo geneigd is tot allerlei dwalingen, moeten wij ons niet weinig beijveren om slaande le blijven en van Gods geboden niet af le wijken. .Maar wij moeten letten op de soort van leer, die hij aanduidt, want, hoewel allen aan wie Gods Woord gepredikt wordt, onderwezen zijn, is er toch nauwelijks een op de lien, die er smaak voor heelt, ja, en niet een op de honderd, die tot den einde loe volhardt om op den rechlen weg Ie gaan. Kr wordl hier dus eene bijzondere wijze van leering geloond, nl. dat God zijne uitverkorenen innerlijk lol zich trekt, alsof de Profeet zeide, dal hij door eene verborgene aandrill des Heiligen Geesles op den weg des heils is gebracht, en er door diezelfde aandrift ook op is gebleven.
103. Tloe zoet zijn uwe redenen mijn gehemelte newecst.. Ilij herhaalt met andere woorden wal hij te voren gezegd heeft, nl. dal hij door hel liefelijke van hel Woord Gods zoo zeer was aan-
4ü»
Psalm 119 ; 10.'?â104.
getrokken, diil liij f;cone andoic verinniging ol'gnnieling heeft begeerd. Wanl liel zou kunnen wezen dal iemand door een gevoel van eerbied voor de Wel wordt aangegrepen, maar niemand zal de Wel blijmoedig volgen, indien bij er liet liefelijke niet van beeft gesmaakt. En God verlangt geen' slaafscben dienst van ons; Hij wil dal wij blijmoedig tot Hem komen en dat is juist tie reden, waarom de Profeet de liefelijkheid van Gods Woord zoo dikwijls looit in dezen Psalm. Vraagt iemand nu in welken zin de Profeel zegt, dat bij zulk eene verlustiging vond in Gods Wel, die (volgens bet getuigenis van Paulus in Cor 3 ; 9) slecbts vreeze en verschrikking teweegbrengt, dan is hel antwoord, gemakkelijk, nl. dat de Profeel niet spreekt van de doode letter, welke hen doodt, die baar lezen, maar dat hij daaronder verstaat de geheele leer der Wet, welker voornaamste bestanddeel het vrije verbond der zaligheid is. Als Paulus eene vergelijking maakt tusscben de Wei en bel Evangelie, bedoelt hij alleen de geboden met de bedreigingen. Indien nu God slecbts beveelt en den vloek aankondigt, dan zal voorzeker alles wat Hij zegt doodelijk zijn. Maar de Pr ofeet , die de Wet niet in tegenstelling brengt met het Evangelie, verklaart volkomen terecht dal de genade der aanneming, die aangeboden wordt in de Wel, hem zoeter is dan honing, dal is, dal geen genot of verlustiging daarbij vergeleken kan worden. Nu moet gij u herinneren wat ik te voren gezegd heb, nl. dal wij geen' smaak zullen hebben voor de Wet Gods, of dal zij ons ten minste nooit liefelijk genoeg zal zijn, om ons van de genietingen des vleesches af lebouden, voordat wij kloekmoedig hebben gestreden legen onze eigene natuur, ten einde de vleescbelijke neigingen legen le gaan, die nog in ons heerscben.
104. Door uwe inzettingen heb ilc verstand gekregen. Hier schijnt de Profeel de orde om le keeren, die hij le voren gesteld beeft. Wanl bij zeide, dal hij zijne voeten voor afdwalen behoed heeft ten einde de Wel Gods le houden, nu keert bij de zaak om en begint met bel waarnemen der Wel; want bij zegt , dat bij door Gods Woord geleerd was, eer bij zich van zijne gebreken beeft kunnen ontdoen. Deze twee zaken zijn echter niet onbestaanbaar met elkander, nl. dat de geloovigen van hunne dwalingen terugkomen, ten einde hun leven te regelen naar Gods Woord, en als zij dan reeds gevorderd zijn op den weg, en de vreeze Gods dus reeds krachtiger in hen is, dan beginnen zij een' diepen afkeer en baal te koesleren voor alles wat boos en verkeerd is. En voorzeker is bet ook bel begin van een goed leven
I'salm 119 : 104.
dal men zicli beijverl om zicli van alle ondeugden Ie zuiveren, en hoe meet' men gevorderd is op den goeden weg, lioe meer men de ondeugd zal verafschuwen, en mei hoe grooler ijver men zal zoeken ze le vermijden. Daarenboven wordl ons nog door de woorden van den Prol'eel geleerd, dal de menschen overal omringd zijn door leugen, en als verslrikl zijn in booze dwalingen, omdat zij niel waarlijk wijs zijn volgens hel Woord Gods. En als nu de geheele wereld zich aan dwaasheid overgeell, dan is dil de uitvlucht van hen, die afdwalen, dat hel al le moeielijk is om tegen bedrog op hunne hoede te zijn. Maar het middel hier legen is gemakkelijk genoeg te vinden, zoo wij slechts den raad van den Proleet volgen, d. i. als wij niel steunen op onze eigene wijsheid, en verstandig zoeken le worden volgens hel Woord van God, in hetwelk Hij ons niel slechts aantoont wat goed en recht is, maar ons nog bovendien wapent tegen de listen en bedriegerijen van Satan, en de misleidingen der wereld. Och ! of dil heden goed ingeprent mocht wezen in het harl van allen, die roemen geloovigen en Christenen le zijn, want dan zouden de meeslen niel telken slonde heen en weder geslingerd worden, en mei zoo veel lichtvaardigheid lol allerlei tegenstrijdige meen in tien neigen. Kn wat ons betreli, daar Salan zich zoo
o o
zeer beijvert om de nevelen der dwaling le verspreiden, zoo laten wij niet des le meer ijver er naar streven om deze wijsheid le verkrijgen.
NUN.
105. Uw Woord is eene lamp voor mijn' voet, eu een licht voor mijn pad. 106. Ik heb gezworen, en zal het bevestigen door de rechten uwer gerechtigheid te onderhouden. 107. Jehovah! ik ben zeer bedrukt, maak mij levend naar uw Woord. 108. Jehovah, ik smeek U, laten de vrijwillige offeranden mijns monds U welbehaaglijk wezen, eu leer mij uwe rechten. 109. Mijne ziel is geduriglijk in mijne hand; en ik heb uwe Wet niet vergeten. 110. De goddeloozen hebben mij een' strik gelegd, en ik ben niet afgedwaald van uwe bevelen. 111. Ik heb uwe getuigenissen genomen tot eene eeuwige erve; want zij zijn de blijd-
7-20
Psalm 119 : 105 â106.
schap mijns harten. 112. Ik heb mijn hart geneigd, om uwe inzettingen eeuwiglijk te bewaren, ten einde toe.
105. Uw Woord is eene lamp voor mijn' voet. De Proleet beluigl in dit vers, ilat de Wet Gods zijne leermeesteres is geweest en liem ten gids heelt gediend om te leven zoo als het betaamt; en door zijn voorbeeld geeft hij een' regel voor ons allen. Want, als iedereen doet heigeen goed is in zijne eigene oogen, z.ullen wij in een' schrikkelijken doolhof geraken. Maar opdat wij des le beter zijne bedoeling begrijpen, moeten wij opmerken, dat het Woord Gods gesteld woidl tegenover alle menschelijke be-denkselen ol raadslagen. Want hetgeen de wereld oordeelt lecht te zijn, is dikwijls krom en verdraaid in het oog van God, die geene andere levenswijze goedkeurt, dan die geregeld is naar zijne Wet. David zou zich ook niet door Gods Woord hebben kunnen laten leiden, zoo hij niet eerst alsland had gedaan van alle vleeschelijke wijsheid, gelijk dit ook het begin is van onze leerzaamheid. Maar het beeld, dat hij gebruikt, heelt nog eene verdere beteekenis, nl. dat het geheele leven der menschen in nevelen en duisternis is gehuld, indien Gods Woord hen niet vellicht, zoodat zij niet anders kunnen dan ellendig te dwalen; en vervolgens, dat wij, gehoorzaam zijnde aan Gods Wet, buiten gevaar zijn van te dwalen. Want indien het duistere van Gods Woord zoo groot was als de Papisten beweren, dan zou de Proleet het valscbelijk met dien eerenaam versieren. Laat ons dan weten, dat ons aldaar een helder licht wordt getoond, mits wij slechts onze oogen openen. Petrus heell (in zijn' tweeden brief, lloofdst. 1:19) dienzelfden zin nog duidelijker uitgedrukt, als hij de geloovigen prijst omdat zij acht geven op het Woord der Profeten, als op een licht, schijnende in eene duistere plaats. Wederom spreekt hij van zijne standvastigheid ; en gelijk hij tevoren verhaald heeft, dal hij gedurende zijn gansche leven van de Wet Gods niet is afgeweken, zoo spreekt hij nu van hel voornemen zijns harten. Door het zweren geeft hij te kennen, dat hij zich plechtig tegenover God had verbonden, opdat hij niet van besluit zou veranderen. Want de ware manier om de Wel goed le onderhouden, beslaat hierin, dat men van harte aanneemt en volbrengt wat zij gebiedl, en dal wel gestadig en voortdurend, opdat onze ijver, gelijk dit zoo dikwijls het geval is, niet terstond bekoele. Dit is ook de wettige manier van gelofte te doen, dat wij ons aan God aanbieden en Hem ons leven wijden. Nu zou men echter kunnen vragen ol hel zweren van den Proleet niet
Psalm 11'J ; 100â107.
als vennclel al'gekeurd inoel worden, aangezien hij op zich heelt durven nemen meer dan hel vermogen ol de kracht des menschen vermag te dragen, want wie is bekwaam om de Wet te onderhouden'? Die mensch doel dus eene vermetele gelofte, die aan God iels onmogelijks belooft. Maar hel antwoord is gemakkelijk, nl. dal de geloovigen, telkenmale als zij iels aan God beloven, niet zien op hetgeen zij uit en door zich zeiven kunnen volbrengen, maar steunende op de goederlierenheid Gods, wiens hel is le volbrengen heigeen Hij van ons eischl, le welen, als Hij door zijn' Heiligen Geesl er ons de kracht loe geelt. Overigens, wanneer er sprake is van God le dienen, zouden wij zonder den Heiligen Geest niels kunnen beloven. Want, gelijk Paulus zegt in quot;1 Gor. 3:5, wij zijn van ons zeiven niel bekwaam, zelfs niel om iels le denken, maar dewijl God ons zijne hand reiki, wil Hij dal wij goedsmoeds zijn, daar Hij ook belooll, ons nooit le zullen begeven of verlaten; en daaruit komt ons vertrouwen voort van le durven zweren. En hierin is hoegenaamd geene vermelelheid gelegen, als wij, betrouwende op zijne belollen, waarmede Hij ons voorkomt, ons van onzen kanl, aan Hem voorstellen om Hem le dienen Toch is de vraag bier nog niel mede opgelost; wanl, al is het ook, dal de kinderen Gods, door de genade des Heiligen Geesles, als overwinnaars over elke verzoeking le voorschijn lieden, blijll er locb altijd eenige zwakheid in hen over. Maar men moei opmerken, dal iu de geloften en belollen der geloovigen, niel slechls hel verbond begrepen is, door hetwelk God belooll, dal Hij ons in zijne geboden zal doen wandelen (Ezechiël i 1 ; 20). maar ook nog helgeen er bijgevoegd is betreffende de vrije vergeving der zonden. Daarom heell David naar de male des gelools, die hem was geschonken zich onder eede verbonden om de Wet Gods le onderhouden, volgens deze uitspraak van den Profeet: ik zal hen sparen gelijk een vader zijne kinderen pleegt te sparen, die hem dienen. (Psalm 103 : 13)
107. Jeliovah ik ben zeer bedrukt. Dil vers leerl ons, dal onder de Wet, God de vaderen niel leederlijk gekoesterd heeft aan zijn' boezem, maar hen veeleer door zware beproevingen heeft geoefend. Want, bij zegl niel, dat hij een weinig, en op de gewone manier beproefd was, maar boven male; en als hij vraagt levend yeiuaaJit te worden, geefl hij le verslaan, dal bij den dood nabij is geweest. Tegelijkerlijd loonl bij echter aan, dat hij hoewel len doode loe ternedergeslagen, loch niel is bezweken, omdat hij op God. heell gesteund, hetgeen wèl opge-
121
Psalm 1 11) ; 107-108.
merkt moet worden. Want, ui is het ook, dal wij bij den aanvang op^ew'ekl genoeg zijn om God aan le roepen, ids de beproeving zwaarder wordt, begint ons bart te bezwijken, en door groote vrees zal bet vertrouwen verdwijnen. Maai de Proleet roept om genade, niet om in dit leven gespaard le blijven, maar om bet leven, dal bem ontgaan was, wederom terug te ontvangen. Er moet ook gelet worden op deze uitdrukking; Naar uw Woord; want ons gebed zal koud, of liever van geenerlei beteekenis wezen, indien wij niet, als wij in angst en droefenis verkeeren, moed grijpen uit de belofte Kortom, wij zullen (gelijk wij elders gezegd bebben) geene opening bebben in bel gebed, zoo deze sleutel zicb niel in onze banden bevindt.
108. Jehovah ik smeek U. Men kan dit ve'.'s aan een lezen, of bel ook in twee deelen onderscheiden. De eerste zin zou wezen: Heere, neem mijne offeranden aan, opdat Gij mij uwe geboden zuil leeren. billen wij bet vers liever verdeelen, dan zijn bet gebeden, dal God een welbehagen moge bebben in de offers, en daarna, dat Hij den Profeet zal onderwijzen in de leer der Wet. Ik voor mij neig meer lot den eersten zin, want tie Profeet verklaart (gelijk wij aan eene andere plaats gezien bebben) dal niets hem dierbaarder is dan de leer dei' Wet goed te verstaan; alsof hij zeide: lleere, neem naar uw welbehagen de offeranden aan, die ik U aanbied, en daar het mijne vurigste begeerte is recht onderwezen te zijn in uwe Wel, zoo doe mij dit zoo hoogelijk door mij hegeerde goed deelachtig worden. Nu moet men lellen op al de plaatsen, waar de kennis der bemelsche leer verre verkozen wordt boven alle voordeden dei-wereld- En daar zij het onderpand beval van de eeuwige zaligheid, is bel gewis niel zonder reden, dat zij als een onwaardeerbare schat beschouwd moet worden. Maar de Profeet begint bij een booger punt, nl. dal üod zich verwaardigen zal zijn dienst aan Ie nemen. Dooi' het woord Nidwóth verstaat hij ongetwijfeld de offeranden, die vrijwillige offers genoemd werden. Wèl erken ik, dal hij eigenlijk van de geloften en de gebeden spreekt. Daar zij echter gewoon waren offeranden te brengen om God le verzoenen overeenkomstig ieders vermogen, zinspeelt bij op die gewoonte der Wel, gelijk ook Hoséa den lol Gods de varren der lippen noemt (lloséa 14 :2). Want door deze plechtigheid heelt God aan de vaderen willen betuigen, dat Hem geene ge beden welbehaaglijk waien, dan die welke met offeranden gepaard gingen, opdat zij zich in hunne gedachten altijd tol den Middelaar richtten. Au erkent hij in de eerste pluals, dat hij niel waardig
Psalm 119 ; 108â110.
is om iels op zijn gebed te verkrijgen, behalve voor zoo veel God hem uil vrije genade wil verhooren. Daarna begeert liij, dal God hem hierin gunstig zal wezen, dat hij rechte vorderingen zal maken, in de leer der Wet. Want hel llebreeuwsche werkwoord lletsêh, dal hij gebruikt, beleekent hegunstigen uit louter welbehagen. Hieruit volgt dus, dat ergeenerlei verdienste is in onze gebeden, maar dat God, telkenmale als Hij ons verhoort , dit doet uit vrije goedheid.
109. Mijne ziel is geduriglijh in mijne hand. Hij verklaart dal geene ramp, ellende ol gevaar hem afgeleid beeft van God Ie dienen en zijne Wet te onderhouden. Want, zijne ziel in zijne hand hebben, beleekent zooveel als in levensgevaar ver-keeren. zoodal de ziel als het ware een speelbal is van den wind. Het is als loen .lob verteerd wordende door kwalen, den dood ieder oogenhlik te gemoet ziet, en hem vreest, ook klaagt, dal zijne ziel in zijne hand is (.lob 13:14), alsof hij zeide, dal zij uit hare eigene woonstede weggerukt zijnde, in de macht des doods is gekomen. Deze uitdrukking is op droeve wijze door de onwetenden verwrongen, zoodat zij er iels ongerijmds van gemaakt hebben, alsol de Profeet zeide, dal hel in zijne eigene macht was om zijn leven te regelen naai' het hem goeddacbl. Veeleer slell hij hierdoor zijne godsvrucht in het licht, want, hoewel hij heen en weer wordt gedreven, honderd maal den dood voor oogen heeft, zoodal hij geen enkel oogenhlik rust kon nemen, heeft hij toch niet nagelalen Gods Wet te overdenken. Hier moeten wij wederom opmerken, hoezeer de Vaderen onder de Wet door zwaren en moeielijken strijd werden beproefd, opdat geen gevaar ol angst ons verscbrikke, of ons verzwakke door een gevoel van verdrietelijkheid; zoodat de gedachtenis aan Gods Wet hare plaats niet zou behouden in ons hart. Hel volgende vers heeft eene gelijke beteekenis. want de Profeet toont meer van nabij op wal wijze hij zijn leven in zijne hand gehad heeft; nl. omdal hij aan alle zijden door de listen en lagen der boozen ingesloten zijnde, schier geene hoop meer had om het leven te behouden. Wij hebben aan eene andere plaats gezegd hoe moeielijk hel is om van de wegen des Ileeren niet al te dwalen, wanneer onze vijanden door hunne listen onzen ondergang zoeken te bewerken. Want de booze neiging van ons vleesch drijft ons om kwaad met kwaad te vergelden, en wij zien ook geen ander middel om ons leven te behouden dan dezelfde praktijken te gebruiken, die zij legen ons aanwenden, en zoo maken wij ons zeiven dan wijs, dat hel wel geoorloofd
720
Psalm 111) ; 11Uâ111.
is om mei tic wolven le liuilun. Daarom mooleii wij des te meer deze leer bepeinzen en ter liarte nemen, als de boozen ons belagen, dal niets beier is dan le volgen waar God ons roepl, en niels le doen of le ondernemen dan op zijn gebod.
111. Ik heb mee getuigenissen genomen tot eene eeuwige erve. Hij bevesligl wederom den zin, die niet te dikwijls herhaald kan worden, nl. dal tie Wel Gods hem kostelijker is dan alle de genietingen der wereld, en dan alle have en goed. Ik heb gezegd dal deze dingen niet zonder reden zoo dikwijls herhaald worden, wanl wij zien met hoeveel ijver de wereldlingen hunne buitensporige lusten najagen, door hoe velerlei zorgen en kwellingen zij worden beroerd, als zij niel allalen van hunne grenzenlooze begeerten, terwijl ei nauwelijks één op de honderd wordt gevonden, die zich, al is hel ook maar met matigen ijver, toelegt op hel bestudeeren van Gods Wel. Ten einde ons nu dooi zijn voorbeeld op te wekken, zegt de Proleet, dal hij zulk een behagen schept in de getuigenissen Gods, dal hij niets kostbaarder acht dan dezen, want lietde alleen maakt dal men de dingen op prijs slelt. Opdat wij dus de Wel Gods mogen beschouwen met den eerbied, die baar toekomt, moeten wij beginnen mei er onze verlustiging in te vinden. Nu is het geen wonder dal de getuigenissen Gods zulk eene blijdschap in ons hart wekken, dal wij er alle andere dingen om geringachlen en verwerpen, en ons alleen aan tiaar houden. Want, is er wel iels liefelijker, dan dal de hemelen ons geopend zijn, zoodal wij lot God kunnen naderen, als Hij, ons aannemende lot zijne kinderen, uil vrije genade onze zonden vergeelt'? Is er iets hegeerlijker dan te hooien, dal Hij zóó zeer met ons verzoend is, dat Hij zelf zorg draagt voor ons leven? liet heeft mij goed gedacht met een enkel woord over deze dingen le spreken, opdat wij er ons niel over vei bazen, dal David zich zoo groolelijks in de Wel Gods heefl verlustigd. Hel beeld eener erfenis komt zeer dikwijls voor in de Schrift, en wij noemen datgene ons erfdeel, waar wij den hoogsten prijs op stellen, zoo dal wij wel van alle andere dingen versloken willen wezen, zoo dit ons slechts behouden blijft. De Profeet bedoelt dus le zeggen, dat hij alle have en goed, die hij heeft verkregen, als waardeloos en onnoodig beschouwde, en dat alleen de hemelsche leer hem lot een erldeel was, wijl hij zonder haar alle andere dingen als niels acht, zoodal hij volgaarne bereid is allen anderen rijkdom, alle eer en alle gemakken cn genietingen des levens prijs te geven, zoo hij slechts dien éénen onwaardeelbaren schal in bezil mag houden.
Psalm llü ; 111-âH2.
Nicl tmidal hij de weldaden Gods ^eringachlle, die lol gebruik in dil leven beiiooren, maar omdal er zijn harl niel aan j^elieclit was.
114. Ik heb mijn hart geneigd. In dil vers beschrijll liij hel rechle waarnemen van de Wel, nl. ais wij ons vroolijk en van ganscher harte bereiden om le doen wal Hij heell geboden, want ecne slaalsche en gedwongene yehoorxaamheid vcrsehill nauwelijks van weerstrevendlieid en opsland. Ãe Prol'eel wil dus in korle omlrekken aanduiden wal hel is God le dienen, en zegl, dal hij niel slechls mei zijne handen, zijne oogen en voelen er naar gestreeld heelt Gods Wel le onderhouden, maar dal hij begonnen is mei de neiging zijns harten. Hel zou echter niet ongepast zijn om in plaats van het woord Neigen de uil-diukking Het harl verruimen le gebruiken; maar ik houd mij aan de algemeen aangenomene overzetting, le welen: dal hij er zich van ganscher harte op toegelegd heelt om de Wet te onderhouden. Overigens wordt deze neiging des harten gesteld tegenover de afdwalende begeerlijkheden, die zich tegen God verheffen en ons overal heen zullen voeren, veeleer dan ons harl le neigen om te doen hetgeen recht is. En dal de Pausgezinden dit als een wapen gebruiken om er den vrijen wil des menschen mede le bewijzen, dil is zuivere inbeelding. Zij leiden uil de woorden van den Proleet al, dal hel in de macht des menschen is om zijn hart le neigen zooals hel hem behaagt. Maar hel antwoord is gemakkelijk, nl. dat de Proleet hier niet roemt op hetgeen bij uit eigen kracht gedaan heelt, want hij herhaalt hier bet-zeilde werkwoord, dal hij le voren gebruikt had, toen hij zeide: Neig mijn hart, enz Indien dil gebed niel geveinsd is geweest, dan heell hij voorzeker erkend, dat hel het eigen werk des Heiligen Geestes is ons harl le neigen, tol heigeen goed is. Maar hel is niets nieuws, dal hetgeen God in ons doel, aan ons wordt toegeschreven alsol wij liet zelven gedaan hadden. Hetgeen Paulus zegt is duidelijk, nl. dal hel God is, die het willen in ons werkt (Filippensen 2 :13); maar als de Profeet zegt, dat hij zijn harl geneigd heeft, dan scheidt hij zijn eigen streven niel af van de genade des Heiligen Geestes, door wiens ingeving en aandrijven hij elders betuigt, dal dil alles geschied is. Tegelijkertijd onderscheidt hij de standvastigheid zijner eigene godvruchtige gezindheid van den voorbijgaanden ijver van anderen. Daarom zegt hij, dal hij gedacht heelt aan den geheelen loop zijns levens, opdat hij nicl zou bezwijken op den weg, ol ook zelts achteruitgaan. Het woord Ekeb is, naar mijn oordeel,
Psalm 111) ; 113.
toegevoegd aan de uildruklung Lengolam om lol verklaring te dienen, en dal wel opdat v\ij zouden weten, dat hij kloekmoedig heelt gestreden legen de hindernissen en moeielijkheden, opdat dezen zijn' moed niet ter neder zouden slaan, want niemand zal zonder groole moeielijkheid in den zuiveren dienst van God volharden. Dat sommigen dit woord voor Loon nemen schijnt mij te gewrongen.
SAMECH.
113. Ik heb de verkeerde gedachten gehaat, eu uwe Wet heb ik liefgehad. 114. Gij zyt mijn schuilplaats en mijn schild; op uw Woord heb ik gehoopt. 115. Wijkt van mij gij boosdoeners, en ik zal de geboden mijns Gods bewaren. 116. Ondersteun mij door uwe toezegging, eu ik zal leven; laat mij niet beschaamd worden over mijue hope. 117. Bevestig mij, zoo zal ik behouden zijn, en ik zal uwe inzettingen voortdurend overdenken. 118. Gij hebt al degenen vertreden, die van mve inzettingen afdwalen; want hun bedrog is leugen. 119. Gij hebt alle goddeloozen van de aarde weggedaan als schuim, daarom heb ik uwe getuigenissen liefgehad. 120. Het haar mijns vleesches is te berge gerezen van vrees voor U, en ik heb gevreesd voor uwe oordeelen.
113. Ik heb de verkeerde yedachten gehaat. Zij die meenen dat liet woord Seyhafim een bijvoegelijk naamwoord is, vertalen dit door: Zij die kwaad denken, maar liet is beter om het voor de gedachten zeiven te nemen, en dit wordt ook algemeen aangenomen. liet woord Saïf heleekent eigenlijk een lak, ol twijg, maar in overdrachtelijken zin vvordl het genomen voor gedachten, die uitgaan van het hart, als uil den stam eens booms, en zich naar alle kanten uitspreiden. Omdat ik er nu niet aan twijfel of het woord is hier in slechten zin genomen, heb ik er hel bijvoegelijk naamwoord verkeerd aan toegevoegd, hetgeen ook door de woordafleiding wordt vereisclit: want gelijk de takken
Psai.M 110 ; 113â114.
vim oen lioom krom on inonnjieslfon^clfl zioh nilsprciilon, dezen naar den éénen kant, en jienen naar den anderen kant, zoo zullen ook de gedachten zich in allerlei boclilen en riclilingen kruisen en dooreenmengen. Wanl de nille^^inj; van sommige Hebreen, dal hier de wetten der Heidenen mede bedoeld zouden zijn, welke van de Wet Gods worden afgesneden evenals de takken van een' boom, is wel zeer vernuftig, maar zwak en onhoudbaar. Ik blijf dus bij hetgeen bet eenvoudigst is, nl. dat de verkeerde bedenkselen van bet menschelijk bart, en al wat deboozen met bun verdorven verstand overleggen gesteld worden tegenover Gods Wet, die alleen reebt en goed is. En voorzeker zal ieder, die de Wet Godsin waarheid en van harte wil aannemen, zich vóór alle dingen moeten spenen aan alle vekeerde en zondige bedenkselen, ol liever, uit zijne eigene natuur uit moeten gaan. Of het zou moeten wezen dat een ander beeld ons meer voldoet, nl. dat het llebreeuwsche woord SeapJiim beteekent hooge aedachten, omdat het werkwoord Saaph den zin heeft van opheffen. Wij welen dal geen offer Gode meer welbehaaglijk is, dan gehoorzaamheid, als wij niet hooggevoelende zijn, en als ook onze volgzaamheid gegrond is op ootmoed. Dewijl ook deze verklaring echter wel wal al te gezocht zou kunnen schijnen, laat ik haar voor wal zij is. Laat heigeen ik gezegd heb volstaan, nl. dat de Profeet, omdat God niemand als discipelen erkent van zijne Wet dan de zoodanigen, die zich ontledigd hebben van alle bedenkselen welke zich tegenover baar stellen en hart en versland bederven, bier betuigt, dal hij een vijand is van alle verkeerde gedachten, waardoor de menschen heen en weer bewogen plegen le worden.
114. Gij zyt myne schuilplaats. De beteeken is is dal de Profeet overtuigd zijnde, dat hij nergens veilig is, dan wanneer hij de toevlucht neemt onder de schaduw van Gods vleugelen, stennl op zijne beloften en dus niels vreest En voorzeker is het ook hel voornaamste dal de geloovigen er zich wel verzekerd van houden, dal te midden van zoo vele en velerlei gevaren hun leven niet anders veilig kan wezen dan onder de hoede en bescherming Gods, opdat zij lol Hem de toevlucht nemen, en, steunende op zijn woord, kalm en gerust de verlossing ver-wachten, die Hij heeft beloofd. Wel is waar, is hel betrouwen dat God onze toevluclit is en ons schild, in ons opgewekt door hel Woord Gods, maar wij moeten het met deze wederkeerige betrekking verslaan, dat, als wij uit Gods Woord vei staan hebben dal onze toevluclit is in God, deze leer in ons hart gekoesterd en versterkt wordt, als wij gevoelen hoe noodig deze bescherming
Psalm 119 : 11 iâ115.
Gods voor ons is. Overigens, hoewel zijne marlil ons meer dan voldoende moesl wezen om ons hope Ie geven op zijne hulp en hijsland, hehooren wij toch steeds het Woord voor oogen te liebhen, opdal, wanneer zijne hulp eens vertoeft Ie komen, ons geloof toch niel wankele.
115. Wijkt van mij, gij hoosdoeners. Sommigen verklaren dit vers in dier voege, alsof David verklaarde, dat hij er zich met meer ijver en blijmoedigheid op zal toeleggen om de Wel waar te nemen, als de hoozen afgelaten zullen hebben van hem aan te vallen. Kn voorzeker, als wij besefTen, dal God ons verlost, heeft, zijn wij meer dan stompzinnig, indien deze bewustheid de gezindheid niet bij ons opwekt om Hem te eeren. Want indien onze godsvrucht niet toeneemt met hel gevoel en de ervaring, die wij hebben van Gods genade, dan betoonen wij eene al te snoode ondankbaarheid. Deze leer is dus waar en nuttig; maar de Profeet heeft aan deze plaats iets anders willen zeggen. Want, daar hij zag hoeveel hindernissen de godde-loozen ons in den weg leggen, drijlt hij hen ver van zich weg; of liever, hij betuigt, dat hij er zich wél voor zal wachten zich met hen Ie vergezellen, of met hen om te gaan. En hij heelt dit niet zoo zeer voor zich zeiven gezegd, als wel om ons door zijn voorbeeld te leeren, dat wij, indien wij zonder Ie struikelen op den weg des Ileeren willen wandelen, vóór alle dingen er naar moeien streven, om ons zoo ver mogelijk te houden van wereldsche en hooze menschen, en dat niel door afstand van plaats, maar door omgang en gemeenschapsoefening met hen te weigeren. Want hel zal nauwelijks anders kunnen geschieden, of zij zullen, zoodra zij gemeenzaam met ons worden, ons door hunne aanraking bederven. Kortom, het is maar al te duidelijk hoe gevaarlijk hel gezelschap der goddeloozen is; van daar dat er maar zeer weinigen zijn, die len einde loc in hunne oprechtheid volharden, omdat de wereld gansch vol is van bederf. Nu is, bij de groole zwakheid onzer natuur, niets gemakkelijker dan door hel bederf aangestoken te worden, en dooi1 de minste aanraking te worden verontreinigd. Daarom is het volkomen terecht, dat de Profeet, ten einde zonder te struikelen in de vreeze des lieeren Ie kunnen wandelen, aim alle goddeloozen beveelt zich verre van hem te houden. Want, al wie zich in hun gezelschap heelt laten verstrikken, zal na verloop van tijd met hen mede doen om God te minachten en een ongebonden leven te leiden. Hiermede komt ook overeen de vermaning van Paulus in 2 Cor. ü : 14: Trekt niel een ander juk aan met de
Psalm 110 ; 115--110.
ongoloovigen. En lioewcl dc frofeel nu niel de niachl luid om alle goddeloozen le verjagen, /oo geell hij door deze woorden toch le kennen, dal hij van nn voorlaan niels mei hen le doen wil hebben. Hel i.lt; ook om meer kracht bij le zeilen aan zijn woord, als hij God z'yn God noemt, ten einde te getuigen, dal Hij alleen meer is dan alle stervelingen. Want omdat hij zag hoe de ongerechtigheid de overhand had in de wereld, heelt hij zich van de menschen gescheiden, len einde zich geheel en al aan God te geven. En ook heden is hel zeer noodig God aan onze zijde le stellen, opdat de kwade voorbeelden ons niel mede voeren; en wij standvastig in Hem blijven omdat Hij de onze is.
116. Ondersteun mij door mee toezegging. Velen lezen hier: Naar uwe toezegging, zoodal in plaats van de letter Beth de Caph wordt, genomen, die gelijkheid, of overeenkomst aanduidt; en de zin zal dan wezen: Ondersteun mij naar het gelooi, dat Gij mij hebt, gegeven, of, naar dat Gij het hebt beloofd. En voorzeker, telkenmale wanneer God zijne band naar ons uilslrekl, len einde ons op te richten, als wij zijn gevallen, of ons door diezelfde hand ondersteunt, vervult hij zijne beloften. Het schijnt echter dal de Profeet om standvastigheid des geloofs vraagt, ten einde standvastig le blijven in het Woord. Want, evenals wij gezegd worden van het Woord Gods af le vallen, als wij wijken van zijne trouw, zoo zal het, zoolang wij er op betrouwen, ook onze steun zijn. Omdat de Profeet nu wel wist, dal er in den menscb zon veel kracht van volharding niet is, vraagt hij aan God om deze volharding, als eene bijzondere gave des Heiligen Geesles. Hieruit volgt dus dal geene ware standvastig beid wordt gevonden builen Gods Woord, en dat niemand zich voortdurend op hetzelve kan verlaten, tenzij bij door den Heiligen Geest hiertoe wordt bekrachtigd. Daarom moeten wij voortdurend God bidden, die alleen dc Oorsprong en de Voleinder is van ons geloof, dal Hij ons hij hetzelve zal bewaren. En voorts door in hel geloof het leven le plaatsen, leert hij, dal alles wat de menschen zich buiten hel Woord beloven niets dan bedrog is. Plet is dus de Heere alleen, die ons levend maakt doorzijn Woord, gelijk ook in Habakuk (Hoofdst. 02 ://â ) gezegd wordt: De rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Want beide deze Schriftuurplaatsen hebben een' zelfden zin; want, nadat Habakuk den spot, heefl gedreven met hel dwaze betrouwen op bel vleesch, waardoor de menschen gewoonlijk opgeblazen zijn, omdat zij. naarmate zij zich liooger verheffen, des te dieper vallen, geefl
735
Psalm 119 : 117-1 18.
hij te verslaan, dal alleen de geloovigen, die dooi hel Woord Gods ondersteund worden, veilig en op vasten grond slaan. Neemt men de eerste uiliegging aan, dan zal het tvvjede lid er hij wijze van verklaring bijgevoegd zijn: Laat mij niet beschaamd worden over mijne hope, wanl die heide zaken komen op helzellde neer, te welen, dat de Profeet door Gods genade veilig en wel bewaard is gebleven naar het Woord, en dal hij de vruchlen zijner hope inoogsl. liet schijnl echter, dat hij, na gevraagd le hebben om standvastigheid om le volharden , nu verder gaal, nl. dat God nu inderdaad loonen zal hetgeen Hij had beloofd. En gewis, de zwakheid van een iegelijk onzer getuigt, door hoe velerlei twijfelingen wij worden aangevallen, indien hel gebeurt dat na een langdurig geduld de uitkomst niel beantwoordt aan onze vervvaehling, want dan schijnl hel alsof wij door God worden bedrogen. Hel volgende vers lieell dezelfde strekking, behalve dal er niet uitdrukkelijk melding in wordt gemaakt van hel Woord. Want het behouden zijn is genomen in de plaats van het leven. De Proleet geeft door deze woorden le verslaan, dal zoodra God hem zijne genade onthoudt, het ook gedaan is met zijn heil; maar, dat hij, zoo hij door God wordt ondersteund, niets heelt le vreezen. liet liebreeuwsche werkwoord Shaüh dal wij vertaald hebben dooi : Ik zal overdenken, wordt door velen overgezet door: Ik zal mij verlustigen, en deze beteekenis is hier niel ongepast, want, hoewel God ons in het Woord reeds zijne goedheid geell te smaken, wordl de geur er van niel weinig verhoogd, als bij hel woord de daad gevoegd wordl, mits wij niet op onverstandige wijze den mond Gods scheiden van zijne hand. Want de ware wijsheid des geloofs beslaat hierin, dal wij in alle de weldaden Gods de beloften wegen; zoo wij op die helollen geen acht slaan, gaat al hel nut dier goede zaken verloren, of liever, hel wordt ons lot schade en nadeel. Maar toch behaagt mij het woord Beschouwen of overdenken beter, want naarmate men meer ervaring heeft gehad van Gods hulp, zal men zich zeiven ook meer aansporen om de hemelsche leer le overdenken. En voorls voegl hij er nog hij, dal hij met die beschouwing zijn leven lang zal voortgaan.
118. Gij hebt al decjenen vertreden. Met het woord vertreden bedoelt hij dat God alle verachters zijns Woords nedervverpl, en hen van hunne ingebeelde hoogte af doel komen. Dit wordt gesteld tegenover hel ijdel, of liever, het dwaas betrouwen, waarmede de goddeloozen zich opblazen, als zij zoo vermelel den spol drijven met de oordeelen Gods, en wal meer is, zij
Psalm 110 : 110
aarzelen niet zicli legen Hem te verheffen, alsof zij aan zijne maclil niet waren onderworpen. Wij moeien wèl aclil geven op iiel laaisle lid, waar de Proleel leerl, dal de Ijoozen mei hunne listen niets winnen, maar dal zij veeleer er zeiven in verstrikt raken, of ten laatste zullen begrijpen, dat het niets dan oogenverblinding is geweest. Zij, die hier hel voegwoord En inlassrhen, bederven den zin door hunne onwetendheid, aisol de Proleel gezegd had dal leugen en bedrog in hen waren, want hel Hebree 'iiwsche woord Remjjah beteekent een listige en bedriege-lijke raad, dal de Schriftverklaarders dikwijls overzetten door Overdenking. Maar de eigenaardigheid en de kraeht van de Hebreenvvsche uitdrukking wordt door dit woord niet genoegzaam weergegeven; want de Proleel wil zeggen, dal hoe hunne listen bun ook mogen behagen, zij toch niets anders doen dan zich zeiven misleiden en liegen. En bel was noodig dil hier bij te voegen, opdat wij zouden zien hoe verre weg de meeste menschen als bedwelmd zijn door hunne eigene inbeeldingen, en hoe moeielijk bel is Ie gelooven wal David hier uitdrukt , nl. dat boe meer zij zich zeiven voor wijs en verstandig houden, hoe meer zij zich zeiven bedriegen. De zin van hel volgende vers, waar hij zegt, dal De (loddeloozeu van de aarde weggedaan zijn ah schuim, is hieraan gelijk; want door dit beeld duidt hij eene plotselinge en ongedachte verandering aan . als hunne ingebeelde heerlijkheid verdwijnt als rook. Overigens moei men opmerken, dal de wrake Gods over de boozen niet terstond geopenbaard wordt, zoodat zij omkomen, of verdelgd worden van de aarde; maar dewijl God, door hen de eenen na de anderen te verdoen, zich betoont als Rechter der wereld, en Hij de aarde van hen zuivert, is hel niet Ie verwonderen, dal de Profeet op deze wijze spreekt van hun verderf, want de Hebreeuwsche werkwoorden geven dikwijls eene voortdurende werking Ie kennen. Gelijk God dus trapsgewijze zijne oordeelen uitvoert, en de sltaffen dikwijls uitstelt, totdat Hij ziet, dat de goddeloozen misbruik maken van zijne lankmoedigheid, moeten wij van onzen kant ook welen te verheiden, totdat Hij, gelijk een Heidensche schrijver zegt, hel uitstel der straf vergoedt door hen zwaarder Ie straffen. Blijkbaar moet hier bij he! woord schvim een woord ingelascht worden, waardoor eene vergelijking wordt aangeduid, en ik verwerp de meening niet van sommigen, die denken, dal de goddeloozen bij schuim worden vergeleken, omdat zij wanneer zij onder de geloovigen vermengd zijn, den glans van dezen verduisteren en hunne reinheid bevlekken, en wanneer zij als schuim uitgedreven worden, de reinheid en den glans der god-Dl. n. 47
Psalm 110 : 110 1-2((.
vru(*liIi'pOn scliillcrcïidiM' doon uilkonu'ii He I rofVol ci in
de tweede plaats bij, dat de ooideelen Gods niet vruchteloos voor Item geweest zijn, daar hij de leer der Wet nog meer begon lie! Ie hebben. Kn voorzeker, telkenmale als (iod zijne hand opheft en loont dat de wereld geregeerd wordt door zijn bestuur, toonen zij, die zich niet onder zijne bescherming stellen, eene al te groote snoodheid. Kn als Hij zich vrijwillig en uil eigene beweging aanbiedt in 7.ijn Woord, zijn diegenen wel al Ie stompzinnig, die zich niet haasten oin ecne zoo groote genade aan te nemen. Wanneer Hij daarentegen oen weinig al te lang de boosheid der menschen voorbij heelt gezien, dan zal de ijver der godsvrucht, door welken wij vervoerd moesten wezen lot Gods Woord, verflauwen.
1:2(1. Het haar rnyns vleesches is te her (je ijerezen. Op den eersten aanblik schijnt de Profeet in tegenspraak te zijn met zich zeiven; want daar hij te voren gezegd heeft, dat hij door Gods gestrengheid zachtkens geleid werd om zijne getuigenissen lief te hebben, zegt hij nu, dat hij door verschrikking was aangegrepen. Maar hoewel deze twee gewaarwordingen zeer verschillend zijn, zullen wij, bij de beschouwing van de tucht, waardoor God er ons toe brengt om eerbied te hebben voor zijne Wet, bemerken, dat zij toch zeer goed samen kunnen gaan. Wij moeten door vreeze onderworpen worden, ten einde naar Gods genade te verlangen. Dewijl dus vreeze het begin is van liefde, getuigt de Profeet, dat hij dooi' eene ernstige vreeze voor God opgewekt werd, om tot zich zeiven in te keeren. Ook is de dooding van het vleesch geené zoo gemakkelijke zaak, dat iedereen er zich aan onderwerpt zonder er door geweld toe genoodzaakt te worden. Daarom is het niet te verwonderen, dat God zijn' dienstknecht heeft verschrikt, ten einde hem met eerbied en ontzag voor Hem te vervullen. Kn het is gansch geen gewoon blijk van wijsheid om te sidderen voor God, als liij zijne oordeelen volvoert, die de meeste menschen met. gesloten oogen aan zich voorbij laten gaan. In deze woorden van den Profeet wordt ons dus geleerd om de oordeelen Gods aandachtig te beschouwen, niet slechts om er zachtkens en liefelijk door onderwezen te worden, maai ook opdat zij ons met zulk een' schrik en afgrijzen zullen vervullen, dat wij er tot waar berouw en bekeering door worden bewogen.
Psalm 1)9 ; 1-J 1â142.
A1N.
121. Ik hel) recht en gerechtigheid gedaau; geef mij niet over aan mijne onderdrukkers. 122. Wees horg voor uwen knecht ten goede, opdat de hoovaardigen mij niet onderdrukken. 123. Mijne oogen zijn bezweken van verlangen naar uw heil, en naai' het Woord uwer gerechtigheid. 124:. Doe hij uwen knecht naar uwe goedertierenheid, en leer mij uwe inzettingen. 125. Ik ben uw knecht, maak mij verstandig, opdat ik uwe getuigenissen kenne. 126. Het is tijd om te werken, voor L', o Jehovah! want zij hebben uwe Wet verbroken. 127. Daarom heb ik uwe geboden liefgehad meer dan goud, en het Hjne goud. 128. Daarom hel) ik al uwe bevelen gansch en al voor recht gehouden, en heb allen weg der leugen gehaat.
1^1. Ik heh recht en gerechtigheid gedaan. De IVolee! roepl de Imlpe Gods in legen de boozen, die liern beroeren, en le gelijker tijd betuigt hij, dul het ten onrechte is, d:il zij hem kwellen. I'.n gewis! zoo wij wenschen, dat God zal nederkomen om ons te helpen, dan moeien wij met liet getuigenis van een goed geweten voor Mem kunnen verschijnen. Dewijl Hij dus overal zijne hulp belooft aan hen, die ten onrechte verdrukt worden, is de betuiging van den Profeet niet overtollig, dal hij zijne vijanden niet getergd of geprikkeld had, maar zich zorgvuldig van alle om echt tegen over hen had onthouden, en zells ook geen kwaad met kwaad heelt, vergolden. Als hij zegt. dat hij ten allen tijde recht en gerechtigheid heelt gedaan, dan hedoelt hij, dal hij, wal ook de hoozen voor kwaad tegen heiu beraamden, zich nooit algevvend heelt van hetgeen recht vaardig is. liet gebed in het volgende vers is hier bijna aan gelijk, want ik wil het llebreeuwsche woord Arvh liever aldus verklaren, dan hel gelijk anderen doen, vertalen door: Verheug uwen knecht len goede, ol: doe uwen knecht zich verheugen in hel goede. Eene tweede vertaling geell dezen zin : Dat God zijnquot; knecht verblijde door zijne weldaden; en eene derde: Dal God liefde voor, en begeerte naar, recht in zijn hart zal wekken; want dit is de ware vol-
47^
7 id Psalm 119 : l0iJ2â12,^.
ninaklli'Mil, dal wij in rcciil on licroclili^ticii! Iiflia^on sclifppon. Uil liel slot van hel vers is gemakkelijk al 13 leiden, dal Uavid hier om hulp vraagl legen zijne vijanden Daarom is hel werkwoord Borg zijn hier gepasler; also! hij gezegd had: Ileere, daar de goddeloozen in woede en wreedheid legen mij zijn onl-sioken om mij ie verderven, zoo treedt Gij tussehenbeiden, alsol Gij mijn Borg waait En dal de letter Lamedy\\amp;\ tusschen hel werkwoord en hel naamwoord gepiaalsl is, moei ons niet ruw loeschijnen, daar zij er dikwijls onder begrepen wordt. Nu ligl er eene zeer groole vertroosting in het gezegde, dat God als Borg voor ons optreedt om ons te verlossen, alsol Hij eene groole som gelds, die wij schuldig zijn, voor ons betaalde. De bede heeft deze strekking, dal Hij aan de boozen niet zal toelaten om hunne wreedheid jegens ons den vrijen tengel le vieren, maar dat Hij, als onze Borg, tussehenbeiden zal treden om ons te beschermen. Nu geeft de Profeet door deze woorden te verslaan, dal hij zich in het uiterste gevaar heeft bevonden, en dal hij op niets anders dan op de hulpe Gods zijne hoop heeft kunnen vestigen.
1^3. Mijne oogen zijn bezweken. In de eerste plaats getuigt hij, dat hij door groole moeielijkheden is heengegaan, en dat niet slechts voor een' korten lijd, maar zóó, dat hem door hel langdurig verdriet den moed zou hebben kunnen ontzinken. Doch hij toont wederom, dat hij door dien langdurigen en moeielijken strijd toch niet werkelijk moedeloos is geworden. \Vij hebben hoven gezegd wal bet is te hezwijhen van verlangen naar het heil, nl. dal men, ook wanneer er aan de ellende geen einde schijnt le komen, en alles van rondom er wanhopig uitziet, toch lol aan den laalslen ademtocht strijdt legen de verzoeking. Indien wij den verleden tijd van het werkwoord willen nemen in plaals van den tegenwoordigen tijd, gelijk hij in dien zin genomen schijnt le zijn. dan zegt de Profeet, dat zijne oogen bezwijken, niet omdat zij zwak worden, maar omdat zij door bot sterke zien, of staren, als vei blind zijn, maar dat zij toch niet aflaten van ijverig uit le zien naar hel heil Gods. Kortom: hel bezwijken beteekenl eene volharding, die zware inspanning kosl, en wordt gesteld tegenover den koi lstondigcn ijver van lien, die terstond bezwijken, als de Ileere hun niet dadelijk geelt wal zij vragen. Tegelijk wordt er ook een giooien, sterken ijver mede aangeduid, waardoor de zinnen als verteerd worden. Onder hel woord Heil verslaat hij niet slechts eone soort van hulp of bijstand, maar den voorldurenden stroom van Gods genade,
1'sALM 11'J ; 123â124.
loldal Hij zijne gelouvigen in volkomen veiliylieid yebraelit heeft. Nu drukt liij de manier uil, ui. omdat hij allijd achl heelt gegeven op liet Woord Gods, waarbij wij op twee punten hebben te letten, te weten, dat wij niet anders Gods heil verwachten, dan wanneer wij, verzekerd zijnde van de waarheid zijner beloften, ons onder zijne bescherming stellen, alsmede, dat wij dan eerst aan God den lol' geven voor zijn heil, wanneer onze hope gevestigd blijft op zijn Woord. Want dal is de wijze waarop hij gezocht moei worden, en hoewel Hij zijne kracht verbergt, zoo moeien wij toch steunen en betrouwen op zijne belolïen. fiat is de reden, waarom hij Gods Woord rechtvaardig noemt, ten einde zich in de verzekerdheid er van te bevestigen, omdat God, als Hij zoo ruim belooft, zijne dienstknechten met geene ijdele verwachtingen voedt.
1 iA. Doe hij uicen knecht naar uwe goedertierenheid. De twee ieden moeten aaneen gelezen worden, want hij vraagt niet alzonderlijk dal God zijn Weldoener zal wezen, en daarna ook zijn Leeraar, veeleer smcekl hij Hem bij de goedheid en barmhartigheid, die Hij ten allen tijde aan de zijnen heelt betoond, dal Hij hem zal onderwijzen in zijne Wel. Het doel van den wensch des Prolelen is dus, dal Hij hem zijne inzettingen zal leeren; maar hij begint met Gods barmhartigheid, ten einde zijne begeerte gemakkelijker te verkrijgen. Deze bede moet dus op die wijze verklaard worden: Heere, handel zachtkens met mij, en beloon mij uwe goedertierenheid hierin, dal Gij mij uwe geboden leert. En voorzeker is ook ons gansche geluk hierin gelegen, dal wij waarlijk wijs zijn naar het Woord des lleeren. En tie eenige hoop om haar te verkrijgen is, dat God ons zijne goedheid en barmhartigheid betoont De Proleet verheerlijkt dus de grootheid en uitnemendheid van deze weldaad, als hij vraagt, dal zij hem uit genade mocht worden geschonken. De herhaling in het volgende vers: Maak mij verstandig opdat ik uwe getuigenissen kenne, loont hoe vurig zijn verlangen hiernaar is, en met hoeveel ijver hij hier gedurig om vraagt. Ãok drukt hij door deze woorden nog duidelijker uil hoe, op wal wijze, God de zijnen onderwijst, nl. door hun vei stand te verlichten daar zij anders blind en in duisternis zouden zijn. Wanl het /.ou niet veel balen als de Wet Gods in onze ooren weerklinkt, of in schrift voor onze oogen werd gesteld, of door de slem eens menschen werd verklaard, indien God niet door onze siompzinnigheid weg te nemen, ons innerlijk door de verborgene aandrill zijns Geesles, leerzaam en volgzaam maakte. Indien nu
7-il
Psalm 11U
iemand denkt dal de Piol'eet er bij God eenige vei'diensle op wil laten gelden, dat hij zijn dienstknecht is, dan is dit gemakkelijk te wederleggen, liet is waar, dat de menschen zich gemeenlijk inbeelden, dat als wij ons ie voren wel toebereid hebben, God daar eene nieuwe genade aan toevoegt, die zij dan subsequente genade noemen ; maar zoo ver is het er vandaan, dat de Profeel zich op zijne waardigheid zou beroemen, dat hij veeleer verklaart hoeveel hij aan God verschuldigd is. Want hel staal niet aan den uiensch om zich tol dienstknecht Gods te maken, en niemand heelt iets in zich zeiven, waardoor hij zich zoodanige eer zou kunnen verkrijgen. Omdat de Proleet dus wel wist dat alle menschen onwaardig zijn dezen rang te bekleeden, voert hij slechts de genade aan, die hij heell ontvangen, opdat God, naar zijne gewoonte, voleindigen zal wat Hij heelt begonnen. Op die wijze spreekt hij ook aan eene andere plaats: Ik ben uw knecht, de zoon uwer dienstmaagd (Ps. 116: 10); en daai zien wij duidelijk, dat hij zich niet iaat voorstaan op zijne diensten, maar dat hij slechts verklaart een lid der Kerk te wezen.
HO. Het is tijd om tc werken. De Proleet willende bidden, dat er wrake zal gedaan worden over de goddeloozen en boozen, naar dal zij hel verdiend he'jben, zegt dal de gelegene tijd daar nu voor gekomen is, omdat zij zich al te hoovaardig en onbeschaamd legen God hebben verheven, hm de algemeene strekking van hel woord werken verhoogt er nog meer de kracht van, alsof hij gezegd had, dat hel zou kunnen schijnen, alsof God, zoo Hij niet handelde als Hechter, al te lanü loefde. Want hel is hel eigen werk van God de boozen in loom le houden, ja zelfs strenge wrake over hen le doen, als Hij ziel, dal zij de palen te buitengaan Als iemand nu zegt, dal hij anders bidt dan door de liefde wordt vereischt, dan is de oplossing van die quaeslie gemakkelijk , nl. dal hier gesproken wordt van de verworpenen, voor wie men geene hoop meer heelt dal zij zich zullen bekeeren, want er is niet aan le twijfelen dal het hart van den Proleet door den Geest der wijsheid geleid is geworden. Hier komt nog hij, dat hij niet klaagt over hel persoonlijk onrecht dat hem aangedaan was, maar dal hij door een zuiveren en oprechten ijver gedreven wordt om hel verderl der goddeloozen tc wenschen. Want hij voert niets anders aan dan het verbreken der Wet, waarmede hij toont, dat niets hem zoo dierbaar ol kostelijk is dan de dien.-t van God en hel waarnemen der Wet. Ik heb er reeds dikwijls op gewezen, dat wanneer hel onrecht, dal ons persoonlijk is aangedaan, de drijfveer is,
\uâm.
Psalm Il'J ; 1J2G--127.
onze ijver verkeerd en zondig zijn zal. Daarom moei men er wèl aclil op geven dal de smart van den Pioleel uil niels anders voorlkvvam, dan daaruil, ilal hij hel niel kon verdragen, ilal de Wel Gods werd geschonden. Waar liet op neerkomt is, dal God orde zou stellen op hetgeen verward en verkeerd was. Nu blijlt er nog over, dal wij uit hel voorbeeld van David leeren, om, wanneer wij de aaide vervuld zien van ongerechtigheid, zoodal er geen eerbied meer is voor God, Hem te smeeken, dat Hij zich de Wreker en Handhaver zal betoonen van zijne eer. Wat wij uit deze leerstelling voor ons hebben al te leiden is, dal wanneer God zijne oordeelen langer opschort dan wij wel zouden wenschen. Hij ons geloot en ons geduld zal versterken. Want eer de Profeet het woord richt tol God, stelt hij dit beginsel, dat God, hoewel hij voor een' lijd werkeloos schijnl te zijn, toch nooit zijn werk en ambt vergeet, maar dat Hij uil eene rechtnialige oorzaak zijne oordeelen uitstelt, om ze ter bestemder tijd te volvoeren.
\-n. Daarom heh ik uice yehoden liefyehad. Ik twijlel niel o!' dil vers moei bij het vorige gevoegd worden, want anders zou het redegevend voegwoord Daarom geen' zin hebben. Ik versla dus, dal de Wel Gods hem kostelijker is dan goud ol paarlen, omdal deze overtuiging diep ingeworteld was in zijn hart, dal; Hoewel God voor een' tijd zwijgt, de schending van recht en gerechtigheid toch niet ongestraft zal blijven. Hoe meer hij dus zag dal de goddeloozen zich in boosheid te buiten gingen, hoe meer hij door eene heilige verontwaardiging werd aangegrepen, en zi|n hart in helde voor de Wet weid ontstoken. Deze plaats is zeer merkwaardig; want men weel wal slechte voorbeelden teweegbrengen, daar iedereen oordeelt, dal wal algemeen gedaan wordt, ook hem wettig en geoorloofd is, en zoo geschiedt hel dan, dat de booze gewoonte ons als een stormwind medevoerl. Daarom belmoren wij deze leer des te naarsliger te overdenken, dat wij, als de boozen zich eene grenzenlooze vrijheid, ol liever losbandigheid, veroorloven, de oordeelen Gods moeien beschouwen met hel oog des gelools, en dan zullen deze oordeelen ons ten spoorslag zijn om de Wel Gods met liefde waar le nemen. En indien er ooit behoefte was aan deze leer, dan moeien wij lieden ten dage wèl acht geven, opdat wij in de booze samenspanning van schier geheel de wereld om de Wet Gods te verbreken niel mede betrokken worden; en naar male de verworpenen zich met te meer woede verhellen, de eerbied voor en de verlustiging ifi de Wel bij ons zullen toenemen.
743
Psalm 11'j ; lü27â1^8.
HiS. Daarom, heb ik al uwe hevelen. Ook deze gevolyUekllt;ing is ul^eleid van dczellde leer, nl. dal de Proleet liet oordeel Gods mei geduld verbeidende, en het tegelijk vurig begeerende, overal en in alles (gelijk men zegt) zijne Wet heelt onderschreven, en haar zonder eenig voorbehoud heelt aangenomen, en daarenboven, dal hij allen weg van bedrog heelt gehaat. Woord voor woord slaat er: Al de geboden van allen; maar de genitief, of 2,le naamval, heeft betrekking op dingen, en niet op personen; alsol hij zeide, dat hij al de Wetten, die God gegeven heeft, en wat het ook zij, dat liij beveelt, goedkeurde. Eene dergelijke wijze van spreken vinden wij in Ezechiël: Alle offeranden van alles (Ezech. ; 3ü), dat is; welke soort van offeranden het ook zijn, die de menschen offeren. Niet zonder oorzaak heelt de l'ioleet dit aldus uitgedrukt, want er is niets waai toe wij méér geneigd zijn dan om alles te verwerpen en te verachten wat ons niet aangenaam is. Als liet de Wet Gods geldt, dan zal een iegelijk, al naar mate hij met deze of gene ondeugd behept is, verlangen, dat hel gebod, hetwelk hem in den weg staat, uit de Wel gesehrapl wordt. En toch is hel ons niet geoorloofd er iets aan toe te voegen, of er iels van weg te nemen; en daar God zijne geboden door een' heiligen en onverbreekbaren band saamgevoegd heeft, mag hel niet geduld worden, dat het eene van het andere wordt afgescheiden. Wij zien dus, dal de Profeet in heilige ijverzucht voor de Wel gestreden heeft legen hen, die haai met snoode vermetelheid hebben veracht. En voorzeker, als wij zien, dat de goddeloozen met zoo groote vermetelheid spotten met God, zich nu eens hoovaardiglijk er legen verhellen, en dan weer een deel er van te niet willen doen, dan belmoren wij zoo veel te meer in ijver te worden ontstoken. Inzonderheid maakt de verregaande goddeloosheid van onzen tijd het noodig, dat de geloovigen zich oefenen in deze overdenking; v\ant de wereldschgezinden wedijveren met elkander om de leer der zaligheid te lasteren; zij trachten door hunne spolernijen hel heilige Woord Gods in minachting te brengen, en wederom anderen houden niet op van er hunne lasteringen legen uil le braken. Daarom kunnen wij niet ontkomen aan de beschuldiging van ontrouw en verraad jegens God, indien ons hart niet ontstoken wordt in toorn, en eene heilige ijverzucht ons niet in gloed zet. Want de Pioleel zegt niel alleen, dal hij de gansche Wet Gods zonder eenig voorbehoud heeft goedgekeurd en aangenomen, maar hij voegt er bij, dal hij allen weg der leugen, of des bedrogs, heelt gehaat. En in waarheid kan niemand in allen ernst de Wel Gods onder-
Psalm 119 ; 1^8â129.
schrijven, dio niet elke lastering verwerpt, door welke de verworpenen de reiniieid der gezonde leer zoeken Ie verduisteren. Door den wey der leugen verstaal de Proleet ongetwijleld alles wat met de reinheid der Wel in strijd is, also! hij gezegd had, dal hij alle vervalsehing van hel Woord Ciods veralsehuwde.
PE.
129. Uwe getuigenissen zijn wonderbare zaken, daarom heeft mijne ziel ze bewaard. 130. De opening uwer woorden is licht, hetwelk de kleinen verstandig maakt. 131. Ik heh mijn' mond opengedaan, en gehijgd, omdat ik uwe geboden heb liefgehad. 132. Zie mij aan, wees mij genadig, naar uw recht over hen, die uwen naam beminnen. 133. Richt mijne schreden naar uw woord, opdat geene ongerechtigheid over mij heersche. 134. Bevrijd mij van de verdrukking der menschen en ik zal uwe l)evelen onderhouden. 135. Doe uw aangezicht lichten over uwen knecht, en leer mij uwe inzettingen. 136. Waterbeken zijn uit mijne oogen gevloeid, omdat zij uwe Wet niet hehben onderhouden.
\i(J. Uive (jetaüjenissen. Hel heell mij goed gedacht dezen zin aldus le vei lalen len einde dubbelzinnigheid te vermijden. Want de Profeet bedoelt niet bloot, dat de leer der Wel bewonderenswaardig is, maar dal zij groole verbolgenheden beval. Hij zegt dus dat hij, wijl hij zag dal de Wel hooge en bewonderenswaardige wijsheid bevat, er toe gedrongen werd om er eerbied voor le koesteren. Nu moet men bier wél acht op geven, want de Wel wordt door de meeste menschen Irol-schelijk geminacht, als zij er den rechten smaak nog niel voor hebben, en niel weten, dat hel God is, die van Boven spreekt, opdat alle hoogmoed des vleesches nedergeworpen wordt, en Hij ons opheft door tien zin van het geloof. Uil deze Scliriftuurplaals leeren wij ook, dat niemand de Wet Gods van harte kan waarnemen, zoo bij haar niel aanneemt met eeihied, want de eerbied is het begin van eene zuivere en rechte onderworpenheid. Daarom heb ik gezegd, dal er velen zijn, die het Woord Gods
745
Psalm II'J : 1'29â1^0.
ininacliten, omdat zij denkon, ilal lid ondurgeschikl aan liun vcrnult, ja meer, velen gaan zich in die heiligscliennende min-achling le huiten, om alzoo hun verstand en fijn vernult aan hel licht te brengen. Overigens, hoe de wereidlingen zich in deze verwaandheid ook hehagen, loch hlijlt hel woord des Proleten waar, dat ile Wel Gods verborgenheden bevat, die hel vci'sland des menschen zeer verre le boven gaan.
1:50 Ãe ingang uwer woorden Waar het op neerkomt is, dal in het Woord Gods eene zoo heldere leer vervat is, dat zij reeds terstond en op den eersten aanblik verlicht, want het Tlebreeuwsche woord Pésach beleekenl eigenlijk Opening, maar wordt dan als beeldspraak voor Deur genomen. Daarom heelt de oude vertaler het niet ten onrechte overgezet door Begin, mits wij begrijpen, dal hier geen sprake is van eerste beginselen, alsol de Profeet gezegd had, dal niet slechls zij, die de gansche Wet met de uiterste nauwkeurigheid hadden geleerd, en er volkomen in geoefend waren, hel heldere licht zullen zien, maar ook diegenen, die er nog maai' iels van hadden begrepen, en haar (gelijk men zegl) op den drempel hadden begroet. Nu moet men uil hel kleinere tol het grootere besluiten, want indien de leerlingen, en zij die nog slechts nieuwelingen zijn, reeds bij den ingang, bij hel binnentreden, vellicht zijn, wat zal het dan wezen lol volkomene kennis gekomen te zijn? In hel iweede lid verklaart de Profeet zich nog duidelijker, want met de Kleinen bedoelt hij hen, die met geen voortrcffelijl-' versland begaafd zijn, niet uitblinken door vernuft, maai veeleer ruw en ongeleerd zijn; en hij verklaart, dal hun, zoodra zij de eerste beginselen van de Wel Gods hebben geleerd, versland wordt geschonken. Deze volzin moet ons dus ten sterken spoorslag zijn om ons mei liefde loc le leggen op het bestudeeren der Wel Gods, als wij vernemen, dal zells diegenen, welke volgens dc wereld verachtelijk en beperkt zijn in hun verstand, zoo zij zich slechts van ganscher harte op het leeren van Gods Wel toeleggen, er eene wijsheid uil leeren, die volstaat om hen tol het eeuwige leven te doen komen. Want, hoewel hel niet aan allen is gegeven lol den hoogsten trap le geraken, zoo kunnen de godvruchligen loch wel zoo ver komen, om een vasten regel des levens le volgen, cn zoo zal niemand van hen, die zich door God willen laten onderwijzen, vergeefsche moeite doen in deze school, want reeds bij den aanvang zal hij eene onwaardeerbare vrucht kunnen plukken. Intusschen worden wij er óp gewezen dat allen, die hun eigen verstand volgen, in
7 40
I'bALM 119 ; IJUâ1^2.
duisternis ronddolen; want, als Uavid verklaait, dal de kleinen eer licht zijn, geel'l iiij Ie verslaan, dal de menschen ^eene bekwame discipelen der Wel zullen zijn, ol zij moeien onliedit;d wezen van alle waanwijsheid, en onderworpen zijn aan God. Nu mogen de Papislen er ons om bespollen, dal wij de Sclirill door allen, zonder onderscheid, gelezen willen hebben, maar hel is geene leugen, als God dooi den mond van David verklaart, dal hel licht zijner leer aan de onwelenden en onverslandigen wordt geschonken. Daarom zal God hen niet teleurstellen in hunne begeerte, die, hunne eigene onwetendheid erkennende, zich met ootmoed onder de leiding Gods stellen.
131. Ik heb mijn mond opengedaan. Door deze woorden verstaat hij, dal hij door zulke eene iiel'de voor, en verlangen «nar, de Wet was bezield, dal bij niet opgehouden beeft van er naar te zuchten. Want hij maakt gebruik van een zeer gepast beeld, als hij zich vergelijkt bij menschen, die hongeren, oi die versmachten van dorst, want gelijk dezen hel vuur, dat in hen brandt, toonen door den mond open te houden en te hijgen, also! zij al de lucht zouden willen inzuigen, zoo zegt de Profeet, dal hij dooi' eene voortdurende gejaagdheid en onrust werd gekweld. liet openen van den mond en het inzuigen der lucht wordt dus gesteld legen over eene koude, onverschillige instemming met de Wel. Nu leert de Heilige Geest hier hoe reikhalzend naar de kennis der hemelsche leer uitgezien moet worden. Kn hieruit leeren wij, dal allen, die geene ol slechte vorderingen maken in de Wel Gods, voor hunne lauwheid en onverschilligheid gestraft zullen worden. Evenwel, met den ijver loont bij levens zijne standvastigheid en volharding, als hij zegl, dat bij zich in een' toestand van voortdurend hijgen bevond.
132. Zie vüj aan. Dooi dit vers geeft de Profeet zijn verlangen te kennen, dat acht op hem zal geslagen worden, gelijk God gewoon is acht te slaan op de zijnen, want het llebreeuwsche woord Mishpat, dal wij veitaald hebben door Recht, beteekenl iu dezen zin een regel, die voor allen gemeen is, of wel hel (jewone gebruik. Daarna voegt hij er bij lot welk doel bij verlangt aangezien te worden, nl. opdat hij in zijne ellende vertroost en ondersteund zou worden. Hel is dus de bed j van een'beproefde, die, wanneer hij van alle hulp verstoken schijnt te zijn, en niel anders kan oordeelen dan dal hij door God veronachtzaamd en verlaten is, bij zich zeiven overweegt, dat dit toch in strijd is met den aard Gods en met zijne gewone wijze van handelen;
Psalm II'J ; 132â133.
ylsol hij zeide: Hoewel ik geen enkel leeken van uwe gunsl kun bespeuren, maar mijn toestand veeleer zoo ellendig is, dal Gij, naar het oordeel van mijn vleesch U van mij afgewend schijnt te hehben, evenwel daar Gij van het begin der wereld tot op don huidigen dag door velerlei getuigenissen hebt bewezen, dat Gij barmhartig zijt over uwe dienstknechten, zoo toon ook mij thans naar dien door U gevolgden regel, deze weldadigheid. Nu moet men hier wel op lellen, dal de Profeet gedurende langen tijd onder ramp en ellende gebukt ging, zonder eenige hoop op verlichting van zijn leed, opdat zij, die door God niet terstond worden verhoord, den moed niet zullen verliezen. Tegelijker tijd moet men echter wei er op lellen, dat de Proleet dit op geen' anderen grond aan God vraagt, dan op dien van zijne vrije genade en goedheid, en hieruit zien wij, dat, hoewel hij hoven anderen uitblonk in heiligheid, dit toch zijne eenige toevlucht is geweest Wal nu betreft hel woord llechf. laai ons leeren uit hel voorbeeld van den Proleet, den aard Gods le kennen uil de verschillende ervaringen, die wij er van gehad hebben, opdat wij de verzekerdheid hebben, dal hij ons genadig is. En gewis, indien zijne genade ons niet bekend ware door hetgeen wij er dagelijks van ondervinden, wie van ons zou dan de vrijmoedigheid hebben om lol Hem le naderen? Maar als onze oogen niet verblind zijn, bouwt Hij ons gelool op door getuigenissen, die duidelijk genoeg, ja meer dan genoeg zijn, zoodal wij er niet aan moeten twijfelen, dat Hij alle godvruchtigen gadeslaat. Er blijft ons dus slechts over er naar te streven om te behooren tot hel getal van hen, die zijn' Naam vreezen. Door deze benaming duidt Hij de geloovigen aan; want zij, die Hem slechts op slaafsche wijze vreezen, zijn niet waardig om lol hel getal zijner dienstknechten gerekend te worden, daar Hij eene vrijwillige gehoorzaamheid van ons eischl, zoodal ons niets liefelijker of aangenamer is dan te volgen, waar Hij ons roept. Men moet er ook wel acht op geven dal deze verlustiging voortvloeit uil gelool. Wat meer is: de Proleet pi ijst hier de souvereine wei king der Wel, door de godvnehtigen, die zich op Gods genade verlaten, al le scheiden van de Heidenen, die zich overgegeven hebbende aan de verlokselen dezer wereld, hunne gedachten nooit tot den hemel opheffen.
133. Richt mijne schreden. Door deze woorden loont hij (als op andere plaatsen) dal er geen andere regel is om recht te leven, dan wanneer de menschen zich gansch en al onder de gehoorzaamheid Gods schikken. Want wij hebben in dezen,
7-18
Psai.m 110 : l.'i.quot;?.
Psalm reeds dikwijls gc/icn, dal, zoo lang de mensdicn hunne eigene bedenkselen volgen, God alles veiwerpl wal zij doen, hoeveel moeite zij zich overigens ook geven. Maar, evenals de Profeet verklaart, dal hel leven des mensehen dan goed geregeld is, als zij zich geheel en al onder de gehoorzaamheid Gods stellen, zoo belijdt hij wederom, dat het niet in hunne maeht staat om dit uit zich zeiven Ie doen. I.n gewis, als de Wel Gods ons loont wal goed en recht is, dan maakt zij ons hierdoor niet heter, daarom wordt ook de uitwendige prediking vergeleken hij eene doode letter. Daarom vraagt David, die wèl onderwezen was in de Wel, dal hem een gehoorzaam hart gegeven zal worden, opdat hij mocht wandelen op den weg, die hem voorgesteld is. Nu moei men deze twee punten wèl onderscheiden, nl. dal God goederlierenlijk handelt mei de menschen, als Hij hen door zijn Woord en door zijne leer lol zich noodigt, maar dat dit alles koud en nutteloos blijll totdat Hij hen, die Hij reeds onderwezen heelt, ook leidt en hesluurl door zijn' Geest. En dat hij niet eenvoudig vraagt, dal zijne schreden gericht zullen worden, maar gericht zullen worden naar het Woord, hieruit moeten wij leeren, dal hij geene verborgene openharingen gezocht heelt en tiet Woord terzijde heelt gesteld, gelijk dit de gewoonte is van vele dwepers; maar dat hij de uitwendige leer saamgevoegd heeft mei de genade des Heiligen Geesles, gelijk dit ook de degelijke volmaaktheid is der geloovigen als God in hun harl grilt wat zijn Woord aantoont recht te zijn. Niets is daarom flauwer dan dit verzinsel, dat God prijs stelt op, of waarde hecht aan, de kracht der menschen, als Hij beveelt te doen wat Hij wil dal zij doen zullen, want hel is tevergeefs dal de leer in onze ooren weerklinkt, indien de Geesl Gods niet krachtig doorwerkt in ons harl. Want de Proleet belijdt, dal hij te vergeefs de Wet Gods hoort of leest, indien zijn leven niet hestuurd wordt door de verborgene werking des Heiligen Geesles, opdat hij ook in de rechtheid dezer leer mocht wandelen. In hel tweede lid geeft hij te kennen hoe noodig hel is, dal wij ons voortdurend oefenen in dit gebed, want hij belijdl een slaaf te zijn der zonde, totdat God hem de hand gereikt heelt om Hem le verlossen. Hiclil mij (zegt hij) opdat de ongerecbligheid niet over mij heersche. Zoo lang wij dus overgelaten zij aan ons zeiven, zal de tyrannic van Satan macht over ons hehben, en zal hij doen wat hem behaagt, zoodal wij dan niet vrij zijn om ons te ontdoen van ongerechtigheid. Dit nu is de eenige vrijheid der godvruchtigen, dal zij geregeerd worden door den Geest Gods, opdat zij door de ongerechtigheid niet
Psalm 119 : 1 SS-135.
worden overweldigd, hoe zwaar en heftig zij ook aangevochten worden.
134. Bevrijd mij. Als de Proleet verhaalt wat hem wedervaren is, toont hij door zijn voorbeeld dat alle godvruchtigen blootgesteld zijn aan rooi' en verdrukking, en als schapen zijn in den muil der wolven, indien God hen niet beschermt. Want daar er slechts zeer weinigen zijn, die door den Geesl Gods worden geleid, is hel niet Ie verwonderen, dal alle Helde lol rechtvaardigheid nil de wereld verbannen is. allerlei boosheid de overhand heell, dezen beheerscht worden door gierigheid, en anderen zich aan bedrog en afpersing overgeven. Toen de Profeet zich dus van alle kanten verdrukt zag door onrecht, heeft hij de toevluchl genomen tol God, zijn' Verlosser, want door dit woord geeft hij le kennen, dal, zoo hij niet wonderbaarlijk werd bewaard, het met hem gedaan zou zijn. In hel tweede lid belooll hij niet ondankbaar te zullen zijn, want er is niels dal ons meer bevestigt in de gezindheid om recht en gerechligbeid te volgen, dan wanneer wij ervaren dal de bescherming Gods ons meer waard is dan alle onwettige hulpmiddelen, die de wereldlingen le baal nemen. Nu wordt ons hiermede geleerd, dat wij met de boozen niet moeten wedijveren in het kwade, maar al is hel ook dal zij ons heftig en onr echtvaardig aanvallen, zoo moet de verlossing Gods ons genoeg zijn; en vervolgens, dat wij, telkenmale als wij de genade Gods hebben ervaren in onze bevrijding, hierdoor aangespoord moeten worden om heilig te leven. Wanl hel is lol geen ander doel dat Hij ons tiilkomsl schenkt dan dat de vruchten der verlossing gezien worden in ons leven. En wij zijn, voorwaar, ook al le slecht, indien deze ervaring ons niet genoeg is, dat allen, die volharden in de waie vreeze Gods, al zou de geheele wereld zich ook legen ben keeren, door zijne hulp toch veilig en wel bewaard blijven.
135. Due uw aangezicht Helden over mreu knecht. Hel gebed, dat wij reeds eenige malen hebben aangelroffen, wordt in dit vers herhaald; want de Profeel loonl, dat hem niels dierbaarder of kostelijker is dan de Wel Gods goed le verslaan. Wanl door deze inleiding, dal God zijn aangezicht zal doen lichlen over zijn' knecht, zoekt hij len eerste Gods vaderlijke gunst le verkrijgen (want zoo Ilij ons niet gunstig gezind is, hebben wij niels van Hem te hopen) maar tegelijk loont Hij de grootheid der Weldaad, alsof hij zeide dal hij geen ander bewijs verlangt van Gods liefde, dan dat hij rechte vorderingen maakt in Gods
Psalm 119 : 1.15âlr]G.
Wel. Ilieruil kunnen wij leeren hetgeen ik vroeger reeds mei een enkel woord heb gezegd, nl. dal hij aan de hemelsche leer boven alle andere goed de voorkeur geelt, hn gave God dat deze lielde in ons aller hart werd gevonden! Maar hetgeen dooi den Proleet op zoo hoogen prijs werd gesteld, wordt schier door iedereen geminacht. Komt dit verlangen al eens voor een oogenblik op in iemands hart, terstond zien wij hem bezwijken voor de verlokselen der wereld, zoodat er zeer weinigen zijn, die van alle andere begeerten allatende, met David smachten naar de leer der Wet. Overigens, daar God dit voorrecht aan niemand schenkt dan aan hen, die Hij met vaderlijke lielde heelt aangenomen, behooren wij met dien vorm van gebed te beginnen, dat Hij steeds zijn aangezicht over ons doe lichten. Evenwel wordt door deze wijze van spreken nog iets meer uitgedrukt, nl. dal God de geloovigen door den glans zijner genade verblijdt als hij hunne gedachten verlicht door een waar en recht begrip van zijne Wet. .Maar dikwijls zal het gebeuren dat hel aangezicht Gods ook voor hen omsluierd is, wanneer Hij hem den waren smaak voor zijn Woord ontneemt.
1.1(1. Waterleken. Uier vei klaart David zelf, dal hij door geen' gewonen ijver was bezield voor Gods eer, daar hij, van wege hel minachten der Wel slroomen van tranen heelt vergoten. Want hoewel hij hyperbolisch, dal is: met overdreven voorstelling der zaak, spreekt, deell hij toch mei waarheid en eenvoudigheid mede welke genegenheid in zijn hart heelt ge-heersclit, gelijk hij ook aan eene andere plaats zegt: De ijver van hel huis Gods heelt mij verteerd (Ps. 69: 10). lui voorzeker, waar de Heilige Geest heerscht, ontsteekt Hij eenquot; ijver, die hen verleert, welke een godvruchtig hart hebben, als zij zien dat hel gebod van den hoogen en vrijmachligen God als niets wordt geacht. Want hel is niet genoeg, dat ieder onzer zich beijvert om Gode te behagen, tenzij hij begeert dal de Wel. Gods door iedereen wordt bemind en op prijs gesteld. De godvruchtige Lol, heelt, volgens het getuigenis van Petrus, op deze wijze zijne ziel gekweld, toen hij zag dal. ereenejuilgieling was van ongerechtigheid in Sodom Petr. quot;1:.quot;!) En wanneer de ongerechtigheid der wereld de kinderen Gods bijwijlen tot die groote droelheid heelt gedrongen, dan zijn wij heden ten dage tot zóó groot verderf vervallen, dal zij wel drie, ja viervoudige dwazen zijn, die den tegenwoordigen staal van zaken kunnen aanzien zonder er door bewogen te worden. Immers, hoe groot is niet de uilzinnigheid der wereld in het verachten
751
755 Psalm 119 : 13t! â 137.
van God en licl verwerpen van zijne leer! Wèl zullen er enkelen zijn, die belijden, d^l zij haar willen aannemen, maar nauwelijks is er één op de lien, die dil bezegelt door zijn leven. Inlusscben zijn er lallooze menigten, die zich aan de bedriegerijen van Satan en van den Pans overgeven, en anderen slapen als rede-looze dieren, terwijl vele Epicnriërs met allen godsdienst, den spot. drijven. Indien er dan nog een weinigje godsvrucht in ons is, dan zullen niel slechts enkele tranen, maar tranenbeken aan onze oogen ontvloeien Kn voorts: zoo wij verlangen een leeken te geven van zuiveren en oprechten ijver, zoo laat dit het begin van onze droefheid zijn, dat wij bespeuren hoe ver wij nog verwijderd zijn van eene volkomene waarneming der Wet, ol' liever, dat de booze begeerlijkheden des vleesches zich van lijd lot tijd nojj tegen de gerechtigheid Gods in ons verheffen.
TSADE.
137. Jehovah, Gij zijt rechtvaardig, eu uwe oor-deelen zijn recht. 138. Gij hebt bevolen door uwe getuigenissen rechtvaardigheid, en inzonderheid waarheid. 139. Mijn ijver heelt mij doen vergaan, omdat mijne wederpartijders uwe woorden vergeten hehhen. 140. Uw Woord is zeer gelouterd, en uw knecht heelt het liefgehad, l-il. Ik hen klein en veracht, uwe hevelen heh ik niet vergeten. 14:2. Uwe gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en uwe Wet is waarheid. 143. Benauwdheid en angst hehhen mij gevonden, doch uwe gehoden zijn mijne vermakingen. 144. De gerechtigheid uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan zoo zal ik leven.
1.17. Jehovah, Cl ij zijt rechtvanrdig. De IVofeel geefl aan God den lol' der gerechtigheid, en erkent dal zij in zijne Wel is Ie herkennen. Want dal sommigen hieronder de oordeelen verstaan, die God uitvoert om de zonde der menschen te strallen, dit schijnt mij toe niet juist te zijn. En daar het hijvoegelijk naamwoord Jashar in hel enkelvoud staal, behoort de zin aldus gelezen te worden, dat er geen oordeel Gods is, dal niet recht-
Ps.Ai.M 119 : 1.S7â1r?9.
vaiirdig is. Willen wij hol nomen als zellsliindig naiimwoord, dan blijfl de zin over hel geheel toch gelijk, want, hoewel allen belijden, dat üod rechtvaardig is, heeft de Proleet toch meer uitgedrukt, dan wat er algemeen door verslaan wordt, ja meer dan de geheele wereld er van gewaar wordt. Want, als hij God rechtvaardig noemt, bedoelt hij te zeggen, dat zoodra men zich van Hem verwijdert, men nergens elders ook maar de geringste rechtvaardigheid vinden zal. En als hij er nu bijvoegt dat het bewijs en voorbeeld van deze rechtvaardigheid gezien worden in de Wet, geelt hij te kennen, dat (iod berooid wordt van zijn' lof, zoo wij niet alle zijne geboden onderschrijven, liet volgende vers heeft dezelfde strekking, te weten, dat God in zijne Wet eene algeheele en volkomene rechtvaardigheid en waarheid heelt geleerd, want het Hebreeuwsche bij woord Meód, dal inzonderheid beteekent, past beter bij de naamwoorden dan bij het werkwoord : Gij hebt bevolen, nl. omdat het Gods wil is geweest om aldaar een' regel van volmaakte gerechtigheid Ie geven. Kn aan de leer der Wet worden deze eerenamen gegeven, opdat wij allen mogen leeren daaruit onze wijsheid te putten, en niemand zich eenigerlei andere gerechtigheid uitdenke, daar iedereen wel gaarne zijn eigen denkbeeld van recht zou willen hebben.
139. Mijn ijver heeft mij doen vergaan. Hij spreekt van hen, die hem hebben vervolgd, en hem voorzeker veel hebben doen lijden. Maar hoewel zij zeer vijandig en wreed jegens hem waren, zegt hij toch minder gegriefd te zijn geweest wegens het onrecht, dal hem aangedaan was, dan omdat zij de Wet Gods geschonden hebben, ja meer, nl. dat hij door deze droefheid zoo verteerd was geworden, dal hel leed, dat hem persoonlijk was aangedaan, hem in het geheel niet heeft bewogen. Dit is een bij uitnemendheid nuttig voorbeeld, want wij zijn al te klein-zeerig, als het er op aankomt eenig onrecht te dragen, want zoodra men ons ook maar met den vinger aanraakt, worden wij terstond in toorn ontstoken, terwijl het onrecht, dat aan God geschiedt, ons kalm en koud laat, hoe zwaar dit onrecht ook mocht wezen. Maar indien de ijver van den Profeet in ons brandde, dan zouden wij eene gansch andere droelbeid gevoelen, eene droefheid, die ons gansch en ai zou innemen In het volgende vers loont hij dat de ooi zaak van dien ijver zijne Helde was voor de hemelsche leer. Wanl, als de minachting, die aan deze hemelsche leer wordt beloond, ons slechts mishaagt, en wij haar wel ten sterkste afkeuren, zonder dat wij zelve haar lief-bebben, dan is dit niets dan geveinsdheid. Nu zegt hij, dat hij Dl. II. 43
Psalm 119 : 140â\U\.
het Woord Gods niol op onbezonnen, ondoorrladile wijze liellieell, zonder eigenlijk te welen waarom, maar omdat het evenals ge-lonterd quot;jond of zilver geenerlei onreinheid ol sclmim bevat. Want bel Hebreeuvvsche woord Tseroefah lievat eene beeldspraak, die, het Woord Gods handhavende tegenover de verkeerde oordeelvellingen der boozen , wel niets schijnt te zeggen, dat niel iedereen weel, maar toch zeer juist en nauwkeurig te kennen geelt wat de ware gehoorzaamheid is des gelool's. Want hoe velen zijn er niel, die óf door hun wantrouwen; ól door hunne sombere ontevredenheid, ól' door hunne verwaandheid, ól door hunne weekelijkheid de oorzaak zijn, dal er op hel Woord Gods een' smet ol' blaam wordt geworpen? Dewijl dus het vleesch zoo weerstrevend is, is bel geene geringe eer, die aan de bemelsche leer wordt bewezen, wanneer zij vergeleken wordt bij gelouterd goud, zoodat zij blijk geeft, van alle onreinheid gezuiverd Ie zijn. En voorts draagt hel er niel weinig toe bij om de waarheid van hel getuigenis in het licht te stellen, dat de Profeet dit met zijne eigene, ervaring bevestigt. Ten eimie dus onze losbandigheid met des Ie meer kracht legen te gaan, als wij fouten en gebreken in Gods Woord onderstellen, zegt bij, dal bij uil de ongeveinsde overtuiging zijns harten spreekt, omdat hij in deze reinheid, van bel Woord zulk een zalig genot vindt.
141. Ik hen klein. De zin is, dal hij, hoewel beproefd door armoede en velerlei ellende, toch volhard heeft in een godvrnchlig leven te leiden en de Wel te onderhouden. Wanl de Profeet zegt, dal de reden, waarom God geminacht werd, was, dal iedereen aan God lof geeft, naarmate hij door Hem met weldaden was overladen, en dat er nauwelijks één op de honderd wordt gevonden, die er zijn hart op zet God te dienen, tenzij bij al zijne wenschen en begeerten bevredigd ziet. Vandaar komt bet dat de geveinsden, als zij vetgemest worden, als zij zich schallen verzamelen, als zij toenemen in macht, zeer overvloedig zijn in den lof van God. Maar zoodra bel hun niet langer voor den wind gaat, wordt van dien gezegenden naam niet meer geboord. Dewijl dus de menschen over hel algemeen slechts loondienaren zijn in bun loven van God, zoo laat ons leeren uit bet voorbeeld van den Proleet, dat de ware godsvrucht onbaatzucblig is, zoodal wij niet ophouden God Ie loven, al is hel ook dat Hij ons beproeft door tegenspoed en ons in bet oog der wereld verachtelijk maakt. Rn er moet ook wèl acht worden gegeven op hel verwijl van Jezus Christus, als Hij zegl; Gij zoekt mij, niel omdat gij teekenen gezien hebt, maar omdat gij van de brooden gegeten
Psalm 119 ; 141âIAS.
liebl, en verzadigd zijl (Joh. B : quot;2(1). Zi/ ditmen dus God opi'eclit en van harte, die in zijne vreeze volharden, al bevinden zij zich ook in een' nederigen en verachlelijken staal; in een woord, die hun loon niet zoeken op de aarde; maar onder hille en koude, onder armoede en gevaar, onder verguizing en hespolling onvermoeid den loop van hun' strijd vervolgen.
142. Uwe gerechtigheid. Hier geeft hij aan de Wel Gods nog een' anderen eerenaam, nl. dal zij gererhli^heid en waarheid is; alsof hij zeide, dal elke andere levenswijze, hoe schoon en aan-trekkelijk zij ook schijne, niels dan eene schaduw is, die voorhij gaat. Want ongetwijleld maakt hij als van ter zijde eene legen-slelling lusschen de leer der Wet en allerlei gehoden, die ooii uilgevaardigd werden, len einde allo geloovipen onder hare gehoorzaamheid Ie hrengen , omdat zij de schooi der ware wijsheid is. Want hoe fraai de lijne en vernuflige redeneeringen der menschen ook schijnen te zijn, er is geene vastheid of degelijkheid in. In hel volgende vers hewijsl hij de vastigheid van Gods Wel door dit voorbeeld, dal hij, hoe zwaar ook gekweld door allerlei verzoeking, loch Iroosl en verlichting beeft gevonden in Gods Wet. Kn inderdaad is dil ook het echle bewijs van de vorderingen, die wij gemaakt hehhen , dal wij onder alle leed of henauwdheid eene verlroosling vinden in hel Woord Gods, waardoor alle droefheid uil ons hart wordt gebannen. Nu drukl hij hier nog iels meer uit dan hij te voren gedaan heeft, wanl loen heell hij alleen maar gezegd, dat hij God met eerbied heeft gediend, hoewel het hij de strenge beproeving, die hij had Ie verduren, den schijn had, alsof hij hiermede vergeefsche moeite deed. Maar thans, nu hij gekweld en benauwd is, zegt hij eene zeer lielelijke verlroosling gevonden te hebben in de Wet Gods, die al zijne smarten verzacht, en er niet slechts het scherpe en bittere van wegneemt, maar er nog liefelijkheid aan bijzet. Kn voorzeker, indien de smaak van deze zoetigheid ons hart niet kan vervroolijken, dan is niets gemakkelijker dan om door droefheid te worden overstelpt. Er moet ook gelet worden op het gezegde, waardoor de Profeet leert, dal hij, hoewel van alle kanten ingesloten en benauwd, genoegzame verlichting gevonden heeft in de vertroosting, die hem uit het Woord Gods tegenkwam. Daar dit nu niet op de geboden alleen en als zoodanig kon zien, die wel verre van ons leed te verlichten, ons veeleer nog angst en benauwdheid inboezemen, is het zeker, dat door hel woordfiguur, synecdoche genoemd, en waardoor een deel voor het geheel wordt genomen, onder de geboden de geheele
48*
Psalm 119 : Url-U'..
leer der Wel verslaan wordt, door welke God niet sleclils eiscli I helleen rechl is, maar voor zijne uil verkorenen ook de deur der volkomene gelukzaligheid openl, door hen tol de hope des eeuwigen levens te roepen. Ja wat meer is: in die Wel is zoowel de vrije aanneming gelegen als alle de helollen, die er uil voortvloeien.
144. De gerechtigheid uwer getuigenissen. Hij herhaalt wal hij Ie voren gezegd heelt, nl. dat wel verre dal Gods gerechtigheid gelijk zou wezen aan de mensehelijke hedenkselen, welker schijnschoon terstond verdwijnt, zij integendeel hlijlt tol in eeuwigheid. Mij herhaalt dit lot tweemalen toe; wanl hoewel de wereld genood-zaak! is aan God den lol der gerechtigheid toe Ie kennen, worden de meeslen toch door hunne eigene hedenkselen mede-gevoerd, zoodat niels moeielijker is dan ons in den dienst van en de gehoorzaamheid aan. God te doen volharden. Wal David dus bedoelt te zeggen is, dal de gerechtigheid eener eeuw, ot eene voortdurende, eeuwige gerechtigheid, nergens anders in gelegen is, en dat wij haar Ie vergeefs elders dan in de Wet Gods zullen zoeken. Daarom wordt nu eene duidelijker omschrijving gegeven \;in de gerechtigheid, die ons hinnen de perken der Wet houdt. Hel laatste lid: Doe ze mij verstaan lees ik aan een. Want, hoewel David begeert, dat zijne gedachten door God verlicht zullen worden, stelt hij zich toch geen ander verstand voor, dan het versland om in de Wet Gods vorderingen te maken. Kn voorts leert bij hier nog. dat, eigenlijk gesproken de menschen niet leven, als zij van het licht der bemelsche wijsheid onlbloot zijn; en gewis, daar de menschen niet, evenals de ezels en de zwijnen, geschapen zijn om zich den buik Ie vullen, maar om zich te oelenen in de kennis en den dienst van God, zal, indien zij zich daarvan afwenden, hun leven erger zijn dan duizend dooden. David betuigt dus dal het ware leven voor hem is, niet om zich met spijs en drank te verzadigen, ol van aardsclie genoegens te genieten, maar om verlangend uil te zien naar een beter leven, hetgeen hij niet anders doen kan dan door hel gelooi. En deze waarschuwing is zeer noodig, want, hoewel het algemeen bekend is, dat. de mensch geschapen is met de gave om door zijn verstand de redelooze dieren te overtreffen, geschiedt het toch, dal de meesten, als het ware willens en wetens, alle licht uitdooven, dat God hun gegeven beeft. Wèl erken ik, dat iedereen zeer begeerig is om helder te zien, maar lioevelen zijn er, die naar den hemel verlangen, en die achten, dal de vreeze Gods hel beginsel is der wijsheid?
Psalm 119 ; 144â145.
En daar alzoo de bepeinzing van hel hemelsche leven als begraven is ondei' aardsclic zorgen, doen de menschen niels anders, dan zich in hel gral le slorlen, zoodal zij der wereld levende, Uode slerven. Evenwel, gelijk ik le voren reeds gezegd heb, mei hel woord leven duidl de Proleel hel loppunl aan van zijne begeerten, alsol hij zeide; lleere, al ben ik reeds amechtig, zoo zal toch deze eene genade mij doen herleven, dal Gij mijn hart verlicht door de kennis uwer hemelsche leer.
KOPH.
145. Ik heb uit het diepst van mijn hart geroepen: Jehovah, verhoor mij, en ik zal uwe inzettingen bewaren. 146. Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal uwe getuigenissen onderhouden. 147. Ik ben de morgenschemering voorgekomen, en heb geroepen; ik heb gezien op uw Woord. 148. Mijne oogen zijn de nachtwaken voorgekomen, om uw Woord te bepeinzen. 149. Hoor mijne stem naar uwe goedertierenheid, Jehovah! maak mij levend naar uw recht. 150. Die boosheid najagen, zijn genaderd, en zij zijn afgeweken van uwe Wet. 151. Gij zijt nabij Jehovah, en al uwe geboden zijn waarheid. 152. Van den beginne aan heb ik geweten uit uwe getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.
145. Ik heb uit het diepst van mijn harte yeroepen. Dit vers kan aaneen gelezen worden, zoodat hij loont wat het is waarom hij geroepen heelt; en dan zal de beteekenis wezen, dal hij, brandende van begeerte om de Wet te houden, onophoudelijk hierom heelt gebeden. Maar het volgende vers noodzaakt ons den volzin anders te onderscheiden, daar hij hier zonder twijlel herhaald is. Wat hij dus vraagt bestaat hierin, dat God hem zal verhooren, en ten leeken van dankbaarheid beloolt hij, dal hij zijne geboden zal bewaren. En dooi' liet woord Boepen in onbepaalden zin le gebruiken, zegt hij niet welke gebeden hij gedaan heelt, alleen toont hij aan, dat, leivvijl de kinderen dezer wereld hunne genegenheden nu eens op dit, en dan wederom
7ó7
Psalm 119 : 1.15-147.
op wal anders vestigen, hij al de lielde van zijn harl gewijd heeil aan God alleen, onidal hij van Hem alleen afhankelijk is. En omdat de wereld wel erkennen moei dal üod de Oorsprong en Werker is van alle goed, komen uil dil beginsel vele vormelijke gebeden voorl, daarom verklaarl David dal hij mei zijn geheele hart heelt gebeden. En als hij nu zijne begeerten verkregen zal hebben slell hij zich de eere Gods voor als zijn doel, omdat hij er zicii met nog grooter ijver op zal toeleggen om Hem le dienen. Want, hoewel God verklaart, dat hij op de rechte wijze gediend wordt door hel offer des lols, zoo zegt David locli zeer gepast, dal hij, om zich le onderscheiden van de geveinsden, die den naam Gods door hunquot; kouden, harteloozen lol onleeien, dal hij Hem dankzegging zal toebrengen door zijn leven en zijne werken. Hoewel hij in hel volgende vers niels nieuws zegt, spreekt hij echter meer bepaald, en hij zegt ten eerste dat hij tol God heelt geroepen, daarna voegt hij er bij, dat hij Hem zijn heil heelt bevolen in het gebed; waarmede hij le kennen geelt, dat hij zich, hetzij hij zich in veiligheid bevond, ol dal hein doodsgevaar dreigde, altijd op üod heelt kunnen verlaten, omdat hij de vasle overtuiging had niet anders verlost en behouden le kunnen worden, dan wanneer Hij de Bewaarder was van zijn heil.
147. Ik hen de tnorgenschernerinlt;j voorgekomen, liet Hebreenwsche woord Né site/ is hier onjuisl overgezet dooi' schemer ing, want hel beleckenl veeleer de vroege morgenstond, voor dal de zon is opgegaan. Onidal echter de Latijnen hel woord Crepusculum alleiden van Creperus, zoodal er mede le kennen gegeven wordt het oogenblik lusschen licht en donker, heb ik hier niet al le nauwlettend willen wezen. De lezer versta slechts, dal hier niet van de schemering bij zonsondergang wordt gesproken, maar van hel oogenblik vóór dat de duisternis van den nacht overgaat in het licht van den dag, dus vóór dal de zon aan den hemel is verschenen. De Proleet geelt alzoo eene zeer groole haast le kennen, daar iiij met zijne gebeden den dageraad voorkwam. En door het woord Roepen wordt altijd eene groole vurigheid van geest uitgedrukt, omdal dit niet zoo zeer betrekking heelt op hel luide van de stem, als wel op de benauwdheid des harten. Maar hij maakt melding van dil haasten ten einde hierdoor des le meer zijne volharding te doen uitkomen. Want hij zegt, dat hij, hoewel zoo vaardig lol het gebed, loch niet terstond moede is geworden, o! er in verslapt heelt, evenals de ongeloovigen, die wanneer God niet onmiddelijk geelt wat zij
758
Psalm 119 : 147â14(J.
vragen, murmuieeren en zich over God beklagen. Kn terwijl hij aldus de lijdzaamheid der hope paart aan hel vurige van zijne begeerte, toont hij wat de ware manier van bidden is, gelijk ook Paulus, als hij wil, dal wij onze begeerten bekend zullen maken bij God, ons vermaand om de onsluimigbeid onzer vvenschen in loom te houden bij ons bidden (Fil. 4 : 0), want hel is ook het doel van ons gebed om door hetzelve hope Ie koesleren. Kn het is niel overbodig, dat hij melding maakt van hel Woord, want de eenige leugel waardoor de onnialigheid van ons vleescii wordt bedwongen, is om het Woord Gods immer voor oogen le hebben.
'148. Mijne ooyen zijn de nachtwaken voorgekomen. Hij geelt le kennen, dal hij aandachtiger is geweest om de Wel Gods le overdenken, dan de wachters om de nachtwaken waar le nemen. Anderen willen hel Hebreeuwsche woord So each veilalen door Uiteenzetten, of handelen over, en zoo wij die lezing aannemen, dan zal de zin wezen, dal de Proleet zoo zeer begeerd heelt te onderwijzen â en dat niel uil praalzucht, maar om het welzijn zijner broederen le bevorderen â dal hij zich geen rust gat. Maar het werkwoord Bepeinzen is hier meer gepast, want het zou zich niel hebben geschikt om des nachts over de Wel Gods le handelen; maar wel heelt hij in de stilte der eenzaamheid nagedacht over de dingen, die hij te voren had geleerd, zoodal er geen deel van den nacht was, dal niet gebruikt werd om de Wel Gods te bepeinzen.
149. Hoor mijne stem. In de eerste plaats verklaart hij, dat hij niel anders kon hopen om dooi' God verhoord le worden, dan wanneer hij steunde op zijne vrije goedheid, want wal hel ook zij, waarop de heiligen pleilen in hun gebed, moeten zij toch altijd beginnen met de genade van God, en hel is ook alleen in dien zin dal hij iti hel tweede lid het woord Recht gebruikt, want daar God zijne goedertierenheid heefl bekend gernaakl in zijn Woord, moet de zekerheid hiervan uil dit Woord worden verkregen. Omdat de Proleet dus wist de onllerming Gods van noode le hebben, heelt hij zich lol het Woord zeiven gewend in hetwelk God de menschen liefelijk tol zich noodigl en belooll, dal zijne genade voor allen bereid en toegankelijk is. Indien iemand dus vaslelijk wil gelooven, dal God hem lienadig is, zoo laat hij uil het voorbeeld van den 1'ioieel leeren van God te begeeren, dat Hij zich dezellde zal betoonen Ie zijn, die Hij beloold heeft te zullen wezen. Wal betrelt dal sommigen
psalm l l'j : 149â151.
(lil woord Rechten willen overzeilen door Gewoonte (onidal God gewoon is /.icli goedertiei en le beloonen jegens de zijnen) hoewel ik dil niet ganscli en al verwerp, aclil ik locli, dal liel ilroel en ontoepasselijk is; maar de zin, dien ik aangeduid lieb, vloeil zeei goed. Nu begeerl liij levendgemaakt le worden om daarmede le geluigen, dal hij le midden van hel leven als een doode is, behalve in zoo ver hij door de kracht Gods wordt ondersteund. En gewis, wie zijne eigene zwakheid kent, zal zijn leven als niets achten en ieder oogenblik begeeren levend gemaakt le worden. Hier komt nog bij, dal God zijn' dienstknecht menigmaal zoo zeer heelt beproefd, dat hij zijne gebeden niet recht als van uil het gral'kon opzenden, om van den dood tol het leven te mogen wederkeeren.
150. Die boosheid najagen. Daar hel Hebreeuwsche woord Ródfé met het volgende woord is saamgenomen, tvvijlel ik niel, ol dit volgende woord Zimmah moei in den tweeden naamval gelezen worden, en dus verklaar ik dit zoo, dal zij genaderd zijn om hem leed le doen of le schaden. En ik vraag mij af wal de Schriftverklaarders heeft bewogen om dit anders uil le leggen dan door de taal wordl vereischt, nl. De vervolgers zijn genaderd tol boosheid, om nu niel eens le spreken van hel leit dal Zimmah eerder verdorvenheid ol boosaardigheid beleekent, dan wel eene daad van boosheid. Hij zegt dus, dal zij, die zich toeleggen op boosheid, hem van nabij vervolgen, ol najagen, en zich met zóó veel geweld op liem storten om hem kwaad le doen, dal zij zeer ver verwijderd zijn van de Wel Gods, daar zij elke gezindheid vooi recht en gerechtigheid verre weg hebben gedaan. De Profeet zou zich dus in zeer ellendigen toestand bevonden hebben toen zijne vijanden, die alle vreeze Gods en eerbied voor de Wet afgeschud hadden, zijn leven zoo van nabij bedreigden, indien God, van den anderen kant, hem ook niet nabij ware geweest, gelijk hij er terstond daarna bijvoegt. En inderdaad richt hij zich door deze vertroosting ook wederom op, dal, wanneer God ziet boe de zijnen benauwd zijn, llij hun spoedig te hulp komt; gelijk ook Paulus zegt: Weest niet bezorgd. De lieere is nabij, uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend (Kilipp. 4 : 5). Hel slot van hel vers bedoelt dat God de zijnen nooit verlaat of teleurstelt in hunne nooden, omdat Hij getrouw is aan zijne beloften, en daarin verzekert hij ons, dal llij immer zorg zal dragen voor ons heil. Opdat wij er nu niel aan zullen Ivvijlelen, dat de hand Gods immer gereed is om de aanvallen onzer vijanden al le weren, zoo moet dil bij ons
7tjO
Psalm 119 : 151 â 152.
vasl slaan, dal Hij niel te vergeels in zijn Woord belooll, dal Hij de Besclieimer en Hoeder van ons heil zal wezen.
154. Van den beginne aan heb ik (jewcicn uit uwe qeluüjenissen. Anderen verlalen hier, Ik lieb sedert iarii^ van uwe getuigenissen geweien. Hoewel ik deze vertaling niet gelieel vei werp, zou ik toch liever den zin behouden, dien ik er aan gegeven heb, ril. dal de Proleet niet slechts wist dal er eene eeuwige vastigheid is in de getuigenissen Gods, maar dal hij deze kennis uil die getuigenissen zeiven verkregen heelt. Want als de Hebreen het Lalijnsche woord Jje willen gebruiken, bezigen zij het woord Min, ol ook wel de letter Beth. Hij zegt dus, dal hij uil de getuigenissen Gods geleerd heelt, ol dat dezen hein geleerd hebben, dat zij tol in eeuwigheid vast staan, lin dit is inderdaad het voornaamste punl van het gelool, dal het Woord Gods niet slechts voor een' tijd waar is, maai dal hel lot in alle eeuwigheid onwankelbaar is, want anders zou hel niet geoor-loofd wezen ei de hope der eeuwige zaligheid in te besluiten. En opdat deze verzekerdheid nu wel ingeworteld zal zijn in ons hart, is de innerlijke openbaring des Geestes noodzakelijk. Want voordal God de vastigheid zijns Woords in ons bezegelt, zullen wij altijd nog wankelen in het gelool' aan hetzelve. Toch is hel niet zonder reden dal de Profeet zegt dit door het woord zeil geleerd te hebben, want als God ons verlicht dooi' zijn' Geest, dan doet Hij deze heilige waarheid, welke blijft lol in eeuwigheid, ook schijnen in den spiegel zijns Woords.
RESH.
153. Zie mijne ellende aan, en bevrijd mij; want ik heb uwe Wret niet vergeten. 15-i. Twist mijne twistzaak, en verlos mij, maak mij levend naar uw woord. 155. Het heil is verre van de goddeloozen, want zij zoeken uwe inzettingen niet. 156. Jehovah, uwe barmhartigheden zijn groot, maak mij levend naar uwe rechten. 157. Die mij vervolgen en verdrukken zijn velen; van uwe getuigenissen ben ik niet afgeweken. 158. ik heb de trouweloozen gezien, en heb hen bestraft, omdat zij uw Woord niet onderhielden. 159.
7 Hl
Psalm 119 ; 15^â154.
Jehovah, zie, dat ik uwe bevelen hel) liefgehad, raaak mij levend naar uwe goedertierenheid. 160. Het begin uws Woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht uwer gerechtigheid.
15.1. Zie mijne ellende aan. Hij loont door zijn voorbeeld dal de beoefenaars der godsvruchl niet ontmoedigd moeten zijn, al is hel ook dal zij bij de wereld een zeer slechl loon vinden. Want op aarde zijn zij in een toestand van voorldurenden kiij^, en daarom betaamt bet bun niet dat zij door tegenspoed worden onüoerd, veeleer moeten zij zich vergenoegen met deze vertroosting, dat de deur bun geopend is van bel gebed lol God. Toch roemt de Profeel niel op zijn streven om de Wel te bouden, alsol' bij biervoor een loon verwachtte dal God bem verschuldigd zou zijn; bij wil slechts toonen, dal bij een der dienstknechten Gods was, gelijk bij dikwijls aan andere plaatsen van zijne hope heelt gesproken. Dit behoort echter eigenlijk lol hel tegenwoordige geval, want bet is een teeken van ze!d-zamen moed, als wij van de vreeze Gods niel afgeleid worden door tegenspoed, maar strijden legen de verzoekingen, zoodal wij Hem ook dan nog zoeken, als Hij ons bepaald en voorbe-dachtelijk van zich weg schijnt le drijven. In bel volgende vers geelt bij le kennen waarin zijne beproeving bestond, nl. dat hij door booze en goddelooze menschen len onrechte wordl gekweld. Letterlijk staal er: Bepleit mijne zaak, betgeen zooveel wil zeggen als den verdrukte onder zijn bescherming te nemen, ol zijn recht te verdedigen Nu loont de Proleet door God tol verdediger zijner zaak aan te roepen, ten eerste, dal bij onrechtvaardig verdrukt wordt, hetzij door geweld, door laster, ol door listen en lagen; en door een Bevrijder le zoeken geelt hij te verslaan, dal hij in zich zeiven onmachtig was om weerstand te bieden, ol wel, dal hij zóó zeer verward en verstrikt was in hunne nellen, dal bij geene hoop meer bad dan in de uilredding Gods. In hel tweede lid schijnt de letter Lamed voor de lelter Caph le zijn genomen, die gelijkheid aanduidt, waarmede bij een weinig le voren een' zeilden vorm van gelijkheid heelt uil-gedrukt. En dewijl David hier klaagt, dal bij als hel ware in boeien was gehouden door zijne vijanden, indien hij door de band eens bevrijders niel werd gered, is bel terecht dal hij vraagt om levend gemaakt le worden, want. wie aldus leineder-geslagen is, is aan een' doode gelijk. Zeer gepast wordl hier
161
Psalm 119 ; 154âlóf).
ook l)ij^evoe|;ii Naar uw Woord, witnl hel is daaruit (int ons de hope des levens lejienschillerl, dal God ons helooll door zijn Woord, dal Hij onze Verlosser zijn zal. Daarom heell ook de Proleel, van uil de duisternis hijgende en smachtende naar hel leven, zich door hel Woord opgewekt en versterkI. Geelt iemand nu de voorkeur aan de andere beteekenis, dan zal David niet slechts vragen, dat hem leven worde geschonken, maar hel geestelijk leven, ten einde bemoedigd te worden lot gelool, tol de vreeze Gods en te streven om een heilig leven te leiden.
155. Het heil is verre van de yoddeloozen. Omdat de Proleet er ten volle van overtuigd was, dal de wereld geregeerd wordt door de verborgene voorzienigheid Gods, die een rechtvaardige Hechter is, leidt hij hieiuii al, dat de boozen verre zijn van hel heil, en hel heil van hen, en daaruit vloeit dan de vrijmoedigheid voort in hel gebed. Wanl, evenals God zich alwendl van de verachters zijns Woords, zoo is Hij nabij om zijne dienstknechten hulp te verleenen. Nu moet men voorts nog opmerken, dal de Proleet, toen hij zijne vijanden opgeblazen zag door hun' voorspoed, zijn hart heelt versterkt door hel gelool, zoodat hij er vast van overtuigd was, dal al hunne heerlijkheid gevloekt was en strekte tol hun verderf. Telkenmale dus, wanneer hel den goddeloozen naar vvensch gaal, zoodat zij als gekoesterd worden in den school der weelde, en zij juichen over hun' voorspoed, laat ons leeren hel schild aan te grijpen, dal de Heilige Geest ons in handen geelt om ons te beschuiten, nl. dal zij ten slolte ellendig zullen vergaan, omdat zij Gods geboden niet hebben gezocht. En hieruit vloeil nu wederom de tegenover-geslelde leering voort, dal hoewel de geloovigen, als zij in reinheid wandelen in de vieeze Gods, als schapen zijn, die voor de slachtbank zijn bestemd; zoo is hun heil tocb nabij, dal hun bewaard wordt door de verborgene bescherming Gods. In dezen zin voegt de Proleet er in hel volgende vers nog bij, dat de goedertierenheden Gods velen zijn, alsol hij zeide, dal niemand anders behouden wordl dan zij, die de toevlucht nemen tol Gods goedertierenheid. En voorts, ten einde met nog meer verzekerdheid te durven naderen, zegt hij niet slechts, dal God genadig is, maar hij lool'l en verheerlijkt zijne barmhartigheden. Hieruit leeren wij, dal hij zich hiermede zoo tevreden stelde, dal hij geene hulp zocht in zijne eigene verdiensten. Hier moet echter ook bij opgemerkt worden, dat de Proleet door velerlei verzoekingen en beproevingen gekweld was geworden, daar hij verplicht was de grootheid der barmhartigheid hier tegenover te
763
Psalm 119 : 15Ãâ158.
slellen. Hel zij wij nu liel woord verlylen door Groot ol door Velen, hierin is weinig verschil. Hetgeen volgt: Maak mij levend naar uwe rechten, verklaar ik van de beloften, want dal sommigen dil nemen voor Gewoonte, ol' wijze van doen, ik heb hoven reeds aangetoond, dat dit mindei juist is. De Profeet verklaart dus opnieuw, dat men niet anders leven van God kan verwachten, ol hel van Hem kan vragen, ol de verwachting er van moei ontleend zijn aan zijn Woord. En hij herhaalt dit dikwijls, omdat wij le dien opzichte verwonderlijk vergeetachtig -zijn. Maar opdat wij ons vrijmoedig al de genade, die God aan zijne dienstknechten beloold heelt, zouden kunnen loeëigenen, moeten wij dit beginsel der groote en oneindige goedertierenheden Gods steeds voor oogen hebben. Want, als wij ons inbeelden, dal God iets belooft, omdat Hij hiertoe gehouden en verplicht is, of omdat wij het verdiend hebben, zullen wij terstond aangevallen worden door een' twijlel, die de deur toesluit voor ons gebed. Doch zoo wij er volkomen van overtuigd zijn, dal God door geene andere reden bewogen wordt om ons iets te beloven, dan omdat Hij goederlieren is, dan zullen wij niet aarzelen om tot Hem te naderen, omdat Hij zich eigener beweging hiertoe jegens ons verbonden heelt.
157. Die mij vervolyen, enz. Hij getuigt, als op andere plaatsen, dat hij, hoewel geprikkeld door dooi velerlei onrecht, toch niet van den rechten weg is afgeweken; en ik heb er reeds op gewezen, dal dit een teeken is van eene groote en bijzondere standvastigheid. Want het is gemakkelijk om hel goede te doen, als men zich onder goede menschen bevindt; maar als de goddeloozen ons het leven zuur maken, als men ons openlijk den oorlog aandoet, als men ons berooft en bedriegt, als men ons belastert, dan is liet moeielijk om aan onze oprechtheid vast te houden, want dan zullen wij veeleer mei de wolven gaan huilen. En voorts, dal zij zoo maar ongeslralt kunnen doen wat zij willen, is een zeer sterk wapen, dal legen ons geloof gericht is om hel te doen wankelen, omdal, wanneer God zich houdt, alsol Hij niet ziet, Hij ons ten prooi schijnt le laten aan de boozen. Daarom verstaat de Profeet door de getuigenissen Gods niet slechts een' regel om rechtvaardig en heilig le leven, maar ook de beloken, alsol hij zeide; Heere: ik ben van de oprechtheid niet afgeweken, hoewel de goddeloozen er mij wel aanleiding toe hebben gegeven, en de verzekerdheid der genade is mij niet ontnomen, veeleer heb ik geduldig uwe hulp verbeid. En voorwaar, hel eene zoowel als hel andere is zeer noodig:
/tU
Psalm 110 : 15S.
want nl is hel nok, dal hij, aan svien onreclil «jeschiedl, de hoosheid zijner vijanden beantwoordt mei Inin wèl Ie doen, en zich zorgvuldig onlhoudl van alle hooze praktijken, zal deze gerechtigheid, zoo hij niel ook zijne hoop op God hondl gevestigd, niel volstaan om hem zalig Ie maken. Niet alsol iemand zich zoo gematigd in zijne handelingen zal hetoonen, ten zij da! hij steunt op God en zijne verlossing verheid!; maai' ai zou dit ook liet geval wezen, dan zou er in deze halve deugd toch geene genoegzame kracht wezen, omdat hel heil Gods hewaard is voor de geloovigen, die eiquot; in het vaste vertrouwen des gelool's Hem om hidden. Al wie er nu vast van overtuigd is, da! God zijn Bevrijder zijn zal, zal er zich ook ernstig toe hegeven om kwaad met goed te vergelden. In het volgende vers gaat hij nog verder, zeggende, dat hij door een' heiligen ijver was ontstoken, toen hij de Wet Gods geminacht zag door de goddeloozen. Evenwel zijn de uitleggers hel omtrenl een woord hier niet eens onder elkander, want het Hehreeuwsche werkwoord Eskotatah, da! wij verlaald hehhen door hestraff'en, word! dooi' sommigen alge-leid van Koet, hetwelk dikwijls zooveel heleekenl als twisten in de vervoeging, die dom de Hehreën llilhpaël genoemd wordt Anderen leiden het al van Katat, hetgeen Verwoesten heleekenl, ol ombrengen. Wat mij hetrell, ik slem in met den eerslen zin, omdat hij door de meeste geleerden wordt aangenomen, en ook zeer goed vloeit. De Proleet zeg! dus, dal hij door zoodanigen ijver voor de Wet was ontstoken, dat hij hel niet kon verdragen, dal men er zoo goddelooslijk den spot mede dreef'. Door hel woord Twisten kan echter ook verslaan worden een' innerlijken toorn, zoowel als de openbare bestral ling, waarmede hij de verachters van God legentrad, en daarom vertalen sommigen hel door: Ik huiverde, ol ik was diep gegriefd. En voorzeker zal ook niemand strijden om de eere Gods hoog te houden, zoo hij niel eerst, innerlijk getoornd heelt en zich in zijn hart gegrield heelt gevoeld, gelijk ook, van den anderen kant, uit. deze heilige verontwaardiging een handelend optreden zal voortvloeien, d. i. dat men van woorden lol daden zal overgaan. Kortom; door hel voorbeeld van den Prolee! wordt ons geleerd, dal de minachting van het Woord ons zoo veel misnoegen moe! veroorzaken, dat onze geest in ons ontstoken word!, zoodal wij twisten me! hen, die er zich aan schuldig maken, en hen scher-pelijk bestraffen. Laat dus in de eerste plaats droelheid ons hart vervullen, en laat ons daarna, als de gelegenheid er zich toe aanbiedt, hun' hoogmoed Irachlen neder te werpen, en er niet voor terugdeinzen om hierdoor hunne woede legen ons op Ie wekken.
Psm.m 119 : 159.
159. Jehovah, zie. Wij moclc.n ons lieriniKMen wüI il; Ie voren j;eze^(l heb, nl. dal de heiligen als zij lol God spreken van hunne ^odsvnichl, lt;»eene eigene verdienslen aanvoeren, waarop /ij zouden liiinnen steunen ; maar zij gaan uil van dil beginsel, dal (iod, die zijne dienslknechlen onderscheidl van de Heidenen en goddeloozen, bun genadig zal wezen, omdal zij Hem van ganscher harte zoeken. Hierbij koml nog, dal eene ongeveinsde lielde voor Wel een onmiskenbaar leeken is van de aanneming, aangezien zij door den Heiligen Geest werd gewrochl Als de Proleet dus zoo onbewimpeld van zijne trods-vrurlil spreekl, dan is dil geenszins om er zich op Ie lalen voorslaan, want hij weel dat zij door Gods genade in hem werd gewrochl , maar omdat de ervaring dier genade er hem des Ie meer verzekerd van doel zijn verhoord ie zullen worden. Inlnsschen wordt ons geleerd, dat de rechte waarneming der Wet niel anders voortkomt dan uil eene vrijwillige, geene gedwongene lielde; wanl God vraagt vrijwillige offeranden, en hel begin van een goed leven is Hem liel' Ie hebben, gelijk Mozes zegl in Heul. 10: 1 i. Nu dan, Israël! wat eischt de lleere, uw God van u? dan den Heere, uwen God liel' Ie hebben. Heigeen ook herhaald word! in de hoofdsom der Wel: Zoo zuil gij den Heere uwen God, liel hebben. (I)eul ti : 5). Haarom heelt David Ie voren gezegd, dal de Wel Gods hem niel slechls koslelijk en dierbaar was, maar ook lielelijk. En gelijk men nu bij het houden der Wel beginnen moei met eene vrijwillige gehoorzaamheid, zoodal ons niets aangenamer is dan Gods gerechligheid zoo moet men ook wederom verslaan, dat ons hart niet anders geneigd is lol deze liefde dan door hel gevoel van de vrije goedheid Gods en van zijne vaderlijke liefde. Wanl zóó ver is het er van daan dal de geboden op zich zeiven de menschen aantrekken, dal zij hen veeleer alschrikken. Hij. die dus de goedheid Gods heeft gesmaakt door de leer der Wet, zal er zich met zijn hart op loeleggen om Hem wederkeerig lief Ie hebben. Kn dal de Proleet zoo dikwijls hel gebed herhaalt, dat God hem levend zal maken, hieruil leeren wij, dat de broosheid des levens hem welbekend was, zoodat hij niet acblte dat de menschen konden leven, indien God hun niet mei elk oogenhlik nieuw leven schonk. En voorts is hel waarschijnlijk, dat bij door velerlei dood omringd was, opdat hij zich des le zorgvuldiger lot de bron des levens zou wenden. En wederom slelt hij den grond zijns geloofs in de goedheid Gods, waaruil wij zien, hoever hij er ook nu van ver wijderd is om le roemen op zijne verdienslen, als hij beluigt, dat hij God lielheefl.
Psai.m 119 : 160
1 Het heqin mes Woords. Hoewel di! iKidoclinj; viin don Proleet niel moeielijk Ie kennen is, kan de zin dezer woorden lodi tweeledig wezen. Want ïommigen verklaren liet woord Begin in dier voege, dat Gods waarheid reeds terstond duidelijk nithlinkt in zijn Woord, zoodat zij mei recht het hepin er van genoemd kan worden. Kn hierin is eene zeer nullipe leering gelegen, nl. dat wij, zoo wij oogen hebben orn Ie zien, de waarheid ons tegenstraalt, zoodra wij onze oogen op de hernelsrhe leei' vestigen. Het kan echter wel wezen, dat anderen niet minder goed onderscheiden, als zij zeugen, dal hel woord Gods van den beginne aan de vaste en onfeilbare waarheid geweest is, en dit lol in eeuwigheid zal blijven. Want deze twee zin deelen gaan zeer goed samen, dal (iod van den beginne aan getrouw is geweest aan zijne belollen, en dat hij lol den einde toe zich zeiven gelijk zal blijven. Wat betrell dal zij hel woord Hechten in verhand beschouwen me! Gods werken, en niet mei zijne leer, hoewel ik dit niet gansch verwerp voegt bel toch niet goed in den samenhang van den tekst. Laten wij dus vasthouden aan deze beleekenis, dal (iod van den beginne aan dal Hij heelt gesproken, immer getrouw is geweest aan zijne belollen, en nooil de hope zijner dienslknechlen beell teleurgesteld, en dal de stroom van zijne waarheid en trouw altijd zoo gelijkmatig beell gevloeid, dal zijn Woord van hel begin tol het einde waar en getrouw is.
SHIN.
IG1. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak, maar mijn hart heeft gevreesd voor uw Woord. 162. ]k hel) mij verblijd over uw Woord, als een, die een' grooten buit vindt. 163. Tk heb de valschheid gehaat, en heb er een' gruwel van gehad, maar uwe Wet heb ik bemind. 164. Ik heb II zevenmaal des daags geloofd over de rechten uwer gerechtigheid. 165. Die uwe Wet beminnen, zullen grooten vrede hebben, en zij zullen geenerlei aanstoot hebben. 166. Jehovah, ik heb gehoopt op uw heil, eu ik heb uwe bevelen gedaan. 167. Mijne ziel heeft uwe getuigenissen onderhouden, en ik heb ze zeer liefgehad. 168. Ik heb uwe hevelen
7fi7
Psalm 119 ; 1Ã1.
en uwe getuigenissen onderhouden, want al mijne wegen zijn voor U.
161. De vorsten hebben mij vervolgd. Hij verhaalt, dal liij onder eene ifioole en zware verzoeking door de vreeze Gods weerhouden is geworden om iels Ie ondernemen ol Ie doen, dal aan een' godvrnchlige niel zon heiamen. Wanl men zon liohl tol wanhoop kunnen vervallen, als de vorsten, die gewapend zijn met de macht om ons Ie verpletteren, ons kwellen en vervolgen; en dit kwaad wordt verergerd, als zij die een schild behoorden te zijn om ons te beschermen, hunne kracht en macht aanwenden om ons te schaden. Wat meer is, wanneer de beproefden aldus getroffen worden dooi' hen, die in hoogheid zijn gezeten, dan komen zij eenigszins lol de gedachte, dat de hand Gods tegen hen is. Ook bevond de Proleet zich in een zeer hijzonder geval, want hij had te strijden tegen hen, die de hoofden en voornaamsten waren onder het. uitverkoren volk, en die door God op deze hooge en eervolle plaats gesteld waren, opdat zij als steunpilaren zonden zijn voor de Kerke Gods. Sommigen geven eene eenigszins engere verklaring , nl. dal David de vermaning heelt opgevolgd van Jezus Christus: Vreest u niet voor degenen, die het lichaam dooden en de ziel niet kunnen dooden, ik zal u toonen wie het is, dien gij moet vreezen: vreest. God, die nadat Hij hel lichaam gedood heelt, de ziel in de hel des vuurs kan zenden (jMatl. 1(1 :^S), die hoewel de mond van Christus haar nog niet had uitgesproken, toch reeds diep ingeworteld was in het hart der godvruchtigen. Naar hunne meening is de zin dus, dat de Profeet om geenerlei dreigementen ol schrikaanjaging van de vreeze Gods is afgeweken. Maar hetgeen hij hier zegt van zijne standvastigheid strekt hij nog verder uil. Wel bekend is de vermaning van .lesaja: Vreest gijlieden hunne vreeze niet, Jehovah der heirscharen, Hij zij uwe vreeze, en Hij zij uwe verschrikking (.les. 8 : 1 'quot;1, 13). Aldaar toont de Proleet in het algemeen van welke wapenen de geloovigen voorzien moeten zijn om den aanval der wereld le kunnen weerstaan, nl. zij moeten niet slechts eerbied hebben voor God, maar tevens verzekerd zijn, dat Hij immer de trouwe Hoeder zal zijn van hun heil, zoodat zij aile hunne zorgen op Hem werpen. Want hierdoor zal hel gebeuren, dat zij rustende in zijne bescherming, er zich niet op toeleggen om zeiven middelen ter onlkoming le bedenken en er op te vertrouwen. Zoo zegt de Profeet ook aan deze plaats, dal hij, verdrukt zijnde door
7fi8
Psalm 119 ; Ifïlâlfl2.
liet onreclilvaardig gowelil der vorslcn, (icn droevig schouwspel opleverde, maar dal hij evenwel niet hezweken is onder de verzoeking, maar nauwgezet achl heelt gegeven op heigeen wettig en geoorloofd is, zoodal hij hunne hooze handelingen nicl heelt nagevolgd, hun bedrog niel met bedrog, en hun geweld niet mgl, geweld heeft beantwoord. Want ziehier wat in dit onderhavige geval onder het vreezen van hel Woord des Hoeren le verstaan zij, nl. zich zeiven ,1e bedwingen en niets le doen wat niel wettig en geoorloofd is. Ik heb reeds gezegd, dal hel ilebreeuwsche woord Chin am ; hetwelk beteekenl, gebruikt
is tot meerdere uitbreiding van den zin, want de verzoeking is des te zwaarder geweest, wijl de tyrannen ten onrechte en zonder oorzaak, alleen maar om aan hunne hooze lusten den vrijen teugel te vieren, een' onschuldige hebben aangevallen. Want wij weten, dat menschen van eene edele inborst lichter tot toorn worden bewogen, als een man, die aan niemand onrecht heelt gedaan, wordt aangevallen. liet was dus een kostelijk teeken van zelfbedwang in den Profeet, dat hij zich door Gods Woord in loom liet houden, ten einde de hooze handelingen der anderen niet na te volgen of niet aan ongeduld loe te geven, en aldus zijne roeping le verzaken. Laat ons dus leeren rustig en vreedzaam te blijven, ai is het ook dal de vorsten op tyrannische wijze misbruik maken van de macht, die God hun gegeven heeft, opdat wij door lucht te geven aan onzen toorn en verontwaardiging de wettige orde niel verstoren.
1 irl. Ik hel mij verblijd. Wij weten, dat geen gewin grooter blijdschap teweegbrengt, dan wanneer zij, die in den krijg overwonnen hebben, zich met den buil hunner vijanden verrijken, want met het gew in gaat de eer der overwinning gepaard, en het voordeel, dat plotseling en onverwacht verkregen wordt, is zooveel le aangenamer. Dat is de reden waarom David dekennis, die hij van de hemelsche leer bezat, veeleer vergelijkt hij behaalden buit dan bij andere schatten. Want door deze woorden geeft hij le verslaan, dal hij uit en dooi' Gods Woord de grootste blijdschap bad gesmaakt, waarbij geene schatten of gewin ook maar in de verte zijn llt;' vergelijken. Hieruit leeren wij dal hij tevreden was met het Woord Gods als met iels dat hem volkomen gelukkig maakte, hetgeen hij niet had kunnen doen, indien hij zijn hart niel eerst van alle slechte begeerten had afgewend. P.n het is niet te verwonderen dat David hel toppunt van een gelukkig leven vond in het Woord Gods, daar hij wist dat er de schal des eeuwigen levens in was opgesloten, en dal dit hem
Dl. H. 49
Psai.m 110 : 102â1(5/1.
770
in di' vrije annneminp Hods was aanfjebodon. In liet derde van (lil acliltal verzen spreekt hij not;' duidelijker uit wal ik Ie voren niet een enkel woord heb gezeild, nl. dal hij van booze neigingen was gezuiverd ten einde aan de Wet Gods de eer en de waardeering te bewijzen , die er aan toekomen. Omdat wij nu elders reeds een' zin gevonden hebben, die hier hijna geheel aan gelijk is, zal ik slechts kort aanduiden waarom de Profeet zegt, dal hij de valschheid heeft gehaat, voordat hij spreekt van de liefde en genegenheid, die hij der Wel toedroeg. Want, omdat wij weten dat ieders hart geneigd is lol geveinsdheid, en dat wij van nature allen geneigd zijn lot ijdelheden en hedriegerijen, moeten wij er ijverig naar streven om ons hart Ie reinigen opdat de liefde lot de Wel er in heersche. Indien nu het haten en verafschuwen van valschheid hel begin is van een goed leven, en het voornaamste punt der gerechtigheid, dan volgt hier uit, dal niels voortreffelijker is dan waarheid en oprechtheid, want alle andere deugden vallen weg, zoo dezen niet bovenaan staan. En het is niet zonder reden dat bij den haal het verafschuwen gevoegd wordt, opdat wij leeren , dat de valschheid niet slechts op gewone, algemeene wijze gehaat moet worden: maar dal de kinderen Gods haar een' doodelijken haat behooren toe Ie dragen. Rn indien nu de liefde voor de Wet en de haat voor de valschheid zoo onafscheidelijk aan elkander verbonden zijn, dan volgt hieruit, dat allen, die niet in Gods school onderwezen zijn, door valschheid en huichelarij aangestoken zijn. Dooi1 de uil-drukking Zeven maal verstaat de Profeet, dat hij zich naarstiglijk, of dikwijls, beijverd heeft den lof Gods te vermeldan, gelijk elders gezegd is: De rechtvaardige zal zevenmaal vallen (Spreuken 24 : Ui), als hij dikwijls in verzoeking valt. Omdat nu overal de Bedden Gods genomen worden voor de straffen, waarmede Hij de zonden bezoekt, en omdat zij dikwijls ook betrekking hebben op de voorzienigheid, waardoor God de wereld bestuurt, verstaan sommigen het zoo, dat de Profeet God heeft geloofd, omdat Hij zoo duidelijk en onmiskenbaar zijne gerechtigheid beeft getoond, zoowel in hel straffen der boosheid, als in geheel hel bestuur der wereld. Ik hen het echter meer eens met anderen, die hel in verband mei de leer beschouwen; niet omdal de eerste beteekenis mij mishaagt, maar omdat de Profeet in dezen Psalm meer bijzonder aandringt op het loven van Gods Wel. Waar het dus op neerkomt is, dat hij, toen hij er zich voortdurend op toegelegd heeft om Gods Wet Ie bepeinzen, eene zoo groote volkomenheid van gerechtigheid en wijsheid in haar heelt gevonden, dat hij er zich ieder oogenblik toe heeft begeven om
Psalm II!) : UMâKif).
God lc loven, on Hem dank le brengen. Dezi; naarsliglieid in hel loven van God loonl, niet sledils dal David mei eeihied en op eervolle w ijze van Gods Wel lieell gesproken, maar dal hij haar als eene onwaardeerbare weldaad voor hel inenschelijk geslacht, heeft beschouwd. Want hel was niet slechts bewondering die hem drong tot dezen lol', maar ook diep gevoelde erkentelijkheid, omdat hij zag, dat den mensch niets beters of voorlrefïe-lijkers geschonken kon worden, dan om door hel onverderfelijk zaad der hemelsche leer vernieuwd le worden tol een gelukzalig eeuwig leven. En toch is er nauwelijks een op de honderd van ben, aan wie God dezen schal aanbiedt, die ook maar de minste moeite doet om er Hem dank voor toe te brengen. Integendeel; er heerscht zoo groote en snoode ondankbaarheid in de wereld, dal dezen de hemelsche leer laatdunkend verwerpen, en anderen er iti woede tegen zijn ontstoken, zoodra zij er iels in vinden dat hun mishaagt.
105. Die uir,e Wel heminnen, zullen qrooien vrede hehhen. Als wij dit woord Vrede nemen voor een gelukkigen levenstoestand (gelijk de Hebreen dikwijls doen), dan moet men daar tegenover ook het woord Aamtoot nemen in de heteekenis van tegenspoed, alsof er gezegd was, dal zij, die de Wel Gods beminnen, een' onafgebroken voorspoed zullen genieten, veilig en wel bewaard zullen blijven, al zou ook geheel de wereld onderst hoven gekeerd worden. Maar er is eene andere verklaring, die hier ook zeer goed past, namelijk, dal zij groolen vrede hebben, omdat zij de vaste overtuiging bezitten, dat zij Gode behagen, en dus de kalmte hebben van eene goede conscientie. Want wij welen, dat deze kalmte van gemoed met volle recht als het voornaamste geacht wordt van een gelukkig leven, als wij vrede hebben met ons zeiven, omdat God ons genadig is, en zijne vaderlijke gunst, ons hart verlicht en verwarmt. Nu leei t de Profeet volkomen terecht, dat wij dezen vrede verkrijgen dooi' liefde tot de Wet, want al wie voor zijn' vrede van iets anders alhangt , zal bij ieder windje, dat hij gevoelt, al sidderen. Indien wij deze heteekenis aannemen, dan zal het woord Aansloot in hel tweede lid allerlei beroering van den geest cl het gemoed aanduiden, waardoor zij, die in het Woord Gods bun' steun niel vinden, maar hetzij door hunne eigene lusten en begeerlijkheden, of de grillen van anderen worden beheersebt, beroerd en gekweld worden. Overigens, in welken zin wij deze twee uitdrukkingen nu ook nemen, de bedoeling van den Profeet zal altijd dezelfde zijn, nl. dat zij, die zich niet aan God overgeven
40»
771
Psai.M 110 : Ifif) âIfiH,
on loowijili'n , ongelukkijz' zijn. ^^^;lnl . Iioowcl zij voor oon' lijd levretien en gelukkig scliijnen, ligt er toch menig slruikelblok op hun' weg, wnardoor hun loop plotseling wordt algebroken. Uit hel woord Beminnen leiden wij al, dal. deze vrede niet verkregen wordt door een slaafsch waarnemen van de Wet, maar door hel geloof. Want de Wet heelt geene liefelijkheid om ons aan te lokken, behalve dat zij ons God voorstelt als Vader, en vredige kalmte schenkt aan ons gemoed door de verzekerdheid die wij hebben van onze eeuwige zaligheid. Daarentegen worden alle wereldlingen en verachters van God door hunne eigene weerstrevendheid en verdorvenheid rechtvaardiglijk gestrall, want zij zijn allen hunne eigene scherprechters. En hoe woester zij zich aankanten legen Gods Woord, hoe zwaarder zij gepijnigd worden, lotdat zij een volkomen verderf over zich gebaald zullen hebben. En hoewel nu de godvruchtigen hunne eigene beproevingen en wederwaardigheden hebben, zal de innerlijke vertroosting, die zij bezitten, toch hunne droefheid wegnemen, of hen over alle struikelblokken heen helpen, ofwel hun zoodanige verlichting schenken, dat zij niet bezwijken.
16H. Jehovah ik heb yehoopt op uw heil. Niet zonder reden herhaalt de Profeet zoo dikwijls dezen zin, die allen gewoonlijk in den mond hebben nl. omdat niets gemakkelijker is dan aan God -den lol toe te kennen van Verlosser te zijn, hoewel er in schier de geheele wereld geen enkel voorbeeld wordt gevonden van eene vaste, onwankelbare hope, wanneer er sprake is van eene eenigszins langdurige worsteling tegen verzoekingen. En uil de rangschikking der woorden leeren wij, dat, wie standvastig wil blijven in de vreeze Gods en de lielde tot de Wet, voor alles noodig heeft hulp te zoeken bij God. Want, zoo hel geloof der genade weggenomen is, of het geduld niet meer wordt beoelend, zullen wij, door allerlei tegenstrijdige gewaarwordingen gekweld, alle herinnering aan godsvruchl verliezen. Daarom bestaat de voornaamste deugd der godvruchtigen in het geduldig verdragen van bet kruis en in de zelfverloochening en dooding van bet vleesch, waardoor zij zich kalm en vreedzaam aan God onderwerpen: want zoo de geveinsden maar geene tegenspoeden ontmoeten schijnen ook zij wel geneigd om God te dienen. Er zijn ook nog andere redenen, waarom wij nauwkeurig acht moeten geven op de hulpe Gods, zoo wij ons leven goed willen regelen : want, zoo de verlokselen dezer wereld ons omstrikt houden, zullen wij terstond vervloeien. En wij zien dal de meesten falen en bezwijken, nl. orndat hel zoo moeielijk
775
I'SAlm 11!) ; 160â1(38.
is vaslelijk lu ^eluoven, dal nergens anders dan uil Gods genade heil is te vervvachlen. Indien wij dus willen volharden in hel dienen van God, is het noodig dat het gelool onzen weg verlicht, daarna, dal hel geduld ons vergezelle op dien weg en de lielde lot de gerechtigheid in ons aankweeke. Want, gelijk ik reeds gezegd heb, onze bereidwilligheid om voort te gaan koml hieruit voort, dal wij het geduldig verdragen dal ons heil ver-horgen is in Gods hart, en wij niel Iwijielen, al is hei ook dal Hij zijne genade en gunst aan onze oogen omtrekt, oi Hij zal de getrouwe Belooner zijn dergenen, die Hem zoeken. Hij bevestigt deze leer dooi' andere woorden in het volgende vers, zeggende, dat hij Gods geboden van ganscher harte heelt onderhouden. Want dooi' het woord Ziel drukt hij nog krachtiger uil, dal hij de leer der Wel diep in zijn hart heelt bewaard. De reden van dit zoo zorgvuldige bewaren is de bijzondere lielde, die hij er aan toedraagt, en die hij hier ook nog bijvoegt. Want wie door dwang en op slaalsche wijze aan de Wel gehoorzaamt, is er zóó ver van daan om haar in hel binnenste zijns harten plaats te geven len einde haar le bewaren, dat hij verlangt dat zij ver van hem verwijderd zal wezen.
108. Ik heh uwe bevelen en moe getuigenissen onderhouden. Wat hij le voren zeer krachtig had uitgedrukt, herhaalt hij thans op eenvoudiger wijze en voegt er de reden bij, hoewel deze kortheid niet den geheelen zin betreft, maaralleen hel woord Ziel, dal hij thans weglaat. Intusschen voegt hi| bij de geboden ook de getuigenissen, ten einde nog duidelijker aan te loonen, dal hij niet slechts spreekt van den regel om te leven zooals het betaamt, maar dal geheel het verbond der zaligheid hierin is begrepen. En voorzeker zou de leer der Wel niel zoo liefelijk of beminnenswaardig kunnen zijn omdat zij beveelt wal recht is, indien zij ook niel tegelijk de vrije gunst en genade Oods deed uitkomen. He reden, die de Profeet opgeeft, heelt dezelfde strekking, nl. dal hij wist, dat niets verborgen is voor God, en dal dit hem als een teugel was om hem bij de godsvrucht te doen volharden. Want, indien wij niet leven als onder het oog Gods, dan zal de bandeloosheid des vleesches ons overal heenvoeren. Hel kan hier ook de beteekenis hebben, dat hij God tol Hechter en Scheidsman van zijn leven neemt, omdat de Schrilt zegt, dal diegenen recht wandelen voor Gods aangezicht, die vrijwillig met al hun doen en lalen en al hunne gedachten tot Hem gaan, en zich als het ware terugtrekkende van onder het oog der inenschen, zich voor zijn' rechterstoel
77J
Psalm ! 19 168âlt)9.
stellen. Op tlie wijze geell hij ons (e verstaan, dat hij er naar gestreefd heeft, niel slechts om zonder vlek of blaam te zijn voor de mensehen, maar ook om aan God een onverdeeld en oprecht hart aan te kunnen bieden. Welke van die twee be-teekenissen wij nu ook kiezen, de Profeet getuigt, dat de Wet Gods dan goed wordt waargenomen, als wij bedenken dat wij te doen hebben met God, die het hart doorgrondt, en voor wiens oog niets blijft verborgen, liet zou ook eene soort van zeer ernstig beroep op God kunnen zijn, alsof hij zeide: Heere, Gij zijt er de beste Getuige van, dat ik uwe Wet getrouwelijk heb bewaard, want niets is voor U verborgen. Maar het schijnt, dat hij veeleer heelt willen zeggen, dat dit het beginsel is van een' heiligen wandel, dat hij zijn leven aan God heelt gewijd, en zijne gedachten er altijd bij bepaald heeft om Hem te aanschouwen.
THAU.
169. Jehovah! laat mijn geschrei voor uw aauschyu genaken, en maak mij verstandig naar uw Woord. 170. Laat mijn gebed voor uw aanschijn komen, en red mij naar uw Woord. 171. Mijne lippen zullen uwen lot' overvloediglijk uitstorten, als Gij mij uwe inzettingen geleerd zult hehhen. 172. Mijne tong zal spreken van uw Woord, want al uwe geboden zijn rechtvaardigheid. 17o. Laat uwe hand mij ter hulpe zijn, want ik heb uwe bevelen verkoren. 174. Jehovah, ik heb verlangd naar uw heil, en uwe Wet is mijue vermaking geweest. 175. Laat mijne ziel leven, en zij zal U loven, en laat uwe rechten mij helpen. 176. Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek uwen knecht, want uwe geboden heb ik niet vergeten.
169. Jehovah! laat mijn tjeschrei voor uw aanschijn qenaken. Hij herhaalt wat wij te voren reeds gezien hebben , nl. dat het zijne grootste begeerte is, waarbij alles achterstaat, om vorderingen te maken in Gods Wet. Want door het woord Geschrei geeft hij een groot en vurig verlangen te kennen, alsof hij zeide, dat
I's alm 111) ; IG'Jâ170.
hein (liL vóór alles Ier harte ^aal, en dat liij de biandende be^eerle in zich voell (gelijk dit dan ook recht en hillijk is) dal aan hel licht des verstands, dal ons boven de redelooze dieren verhell en ons hel dichtst tol God doel naderen, hoven alle aardsche gcrielehjkheden de voorkeur wordt gegeven. De uitdrukking Naar uw Woord kan op tweeërlei wijze verslaan worden, en sonimigen verklaren het in dezer voege, also! David he geerde, tlal zijne gedachten gericht werden volgens den regel van Gods Woord, opdat hij niet anders wijs zou zijn dan overeenkotnslig de leer der Wet. Kn deze uitlegging zou niet ongepast zijn, indien hel volgende vers, waar wij lezen: lied my naar uw Woord, er niel mede in strijd was. .Maar ik twijfel niet ol' deze twee zinnen komen met elkander overeen, liet schijnt wel aannemelijker le zeggen dal David bidt om verstandig gemaakt le worden overeenkomstig de leer dei Wel, maar toch hen ik het meer eens met de andere uitlegging , nl. dal hij vraagl, dat hem versland zal gegeven worden volgens de belofte, die God hem hiervooi had gegeven. En wij weten, tlal van al de dingen, die Hij in zoo ruime mate aan de zijnen heeft belooid, dit mei recht hel voornaamste genoemd mag worden, dal zij verlicht wordende door zijn' Geest, in ware en gezonde wijsheid zullen uitmunten. En inderdaad is deze leer ons in velerlei opzicht zeer nuttig. Ten eerste wordl ons geleerd, dal niets begeerens-waardiger is dan dat God ons leidt en bestuurt door zijn licht, opdat wij niel aan de redelooze dieren gelijk zijn. Vervolgens, dal dit de bijzondere gave des Heiligen Geestes is, want het zou ijdel en nutteloos zijn dat David om iets vraagt, dat hij van nature reeds bezit, of dat hij door zijne eigene vlijt en inspanning kan verkrijgen. En in de derde plaats komt lielgccn ik gezegd heb van de helolle, dal de geloovigen niel zullen aarzelen om lol God le gaan ten einde door Hem verlicht le worden, daar Hij hun verzekert, dat Hij de Leidsman zal zijn der blinden, en niel weigert de Leeraar le zijn der kleinen en nederigen.
170. Laat mijn gebed voor uw aanschijn komen. Na zijne begeerte le hebben uitgesproken om ecu recht verstand le omvangen, smeekt hij thans dat God zijn Verlosser zal wezen, waarmede hij erkent, dat hij zich vooi tdurend in allerlei gevaren bevond, waaruit hij zich niel wist le redden, indien God hem niel van den hemel zijne hand reikte. .Nu welen wij wel, dal de Proleet, telkenmale als hij zich in nood bevond, de hulpe Gods heelt ingeroepen, maar omdat hij in algemeene termen
775
Psalm 119 : 17Ãâ172.
spreekt, Uvijlel ik niel, dal hij, vvanneer hij in hel algemeen /.ijn leven Gode beveelt, zich van duizend dooden omringd acht, zoo God hem niel voortdurend helpt en uitredt. Maar het is eene onuitsprekelijke verlrooslint', dat God verklaart in alle gevaar en benauwdheid gereed en bereid le zullen zijn om ons bijstand le verleenen.
171. Mijne Lippen zullen uwen lof overvloedujlylc uitstorten. Thans toonl hij op eene andere wijze dan in het vorige vers, hoezeer hij hel op prijs stelt door God onder hel getal zijner discipelen te zijn aangenomen en vorderingen le maken in zijne school, nl. omdat hij zich dan zal haasten om Gode volmondig dank toe le brengen. Want hel Hebreeuwsche woord Nawang, dal hij gebruikt, is in beeldspraak ontleend aan hel opborrelen van water in eene bron, en daarom beteekenl hel niel slechts spreken, maar zeer overvloedig spreken. Gelijk hij dus le voren het vurige zijner begeerte getoond heeft door zijn gebed, zegt hij nu, dal zijne juichende blijdschap er een getuigenis van zal zijn, dat hij niets méér verlangt dan wèl onderwezen te zijn in de hemelsche leer. En hij verklaart wederom dat hel de regel der ware wijsheid is om ons le onderwerpen aan hel Woord Gods en niet onze eigene bedenkselen te volgen, alsmede dat God zeil ons versland moet openen, opdat wij ons onder zijne gehoorzaamheid zouden begeven. Want de Proleet voegt hier het een met het andere samen, nl. dat God ons zijne Wet voorstelt, om er alles uit le leeren wat voor onze zaligheid noodig is, terwijl Hij zeil ons dan inwendig onderwijst. Want hel zou niet genoeg zijn, dal de uitwendige klank tol onze oOren kwam, indien God niel ook ons hart verlichtte door den geest des verslands, en onze hardnekkigheid niel wegnam door ons den geest dei volgzaamheid le geven. En gelijk al de arbeid en moeite van onderwijzers le vergeefs zijn, zoo lang er geen krachl van uitwerking aan wordt bijgezel, zoo moei men ook opmerken, dal zij, die waarlijk door God onderwezen zijn, door geene inwendige openbaringen afgeleid en weggevoerd zullen worden van de Wel en de Schrift, gelijk sommige dwepers denken, dal zij nog aan de eerste beginselen zijn, indien zij niel in Uolsche aanmatiging het Woord Gods met hunne voeten vertreden, en hunne ijdele droombeelden najagen. In het vierde vers van deze octaaf zegl hij, dal hij, vorderingen gemaakt hebbende in de Wet Gods, nu ook anderen zal onderwijzen. Wel moet deze orde en regel in hel oog worden gehouden, dat de leer ingeworteld moet zijn in ons hart, eer wij er met
77tgt;
Psalm 119 : 172â173.
anderen over spreken; evenwel, een iegelijk behoorl naar de mate van zijn gelool aan anderen mede te deelen wat hij zeiven ontvangen heeft, opdat tie leer, welker vrucht door God beslemd werd lot onderlinge slichting dei geheele Kerk, niet worde begraven Er wordt ook de reden bijgevoegd, waarom het betamelijk is dal alle godvruchligen de Wel Gods moeten verkondigen, namelijk, omdat hierdoor de gerechtigheid in de wereld wordt verbreid. Want, als de i'rofeet de geboden Gods eert door er deze benaming van yeruclitii;lieid aan te geven , keurt hij ze niet alleen goed, maar hij toont tevens als van terzijde aan, dat, zoo deze regel hel menschdom niet bestuurt, de gansche wereld in een' toestand van al^rijselijke verwarring zou verkeeren. Dat evenwel de lezer oordeele, ol het werkwoord Antiooorden, ol Getuigen, dal de eigenlijke beleekenis is van hel llebreeuwsche woord Anah, in dezen zin niet beter voegt, zoodat de zin is: -Mijne tong zal getuigenis afleggen, ol' zal antwoorden op uw Woord, omdat de ware kennis dei'gerechtigheid nergens elders gezochl moet worden. Maai' in dat geval behoort de letter Lamed bij het llebreeuwsche woord Irnrathccha gevoegd te worden.
173. Laat uwe hand mij ter hulpe zijn, enz. Omdat bij zich gansch en al aan de leei dei Wel heelt toegewijd, vraagt hij, dal de hand Gods hem ter hulpe zal komen. Overigens verklaart hij door deze woorden, dal zij, die zich aan God overgeven om door zijn Woord le worden bestuurd, voortdurend zijne hulp behoeven. Kn gewis, hoe meer iemand er zich op toelegt om een godvruchtig leven le leiden, hoe meer hij door Satan aangevallen en gekweld zal worden, en hoe meer vijanden er van alle kanten legen hem zullen opstaan. Maai wanneer God ziel, dat zij, die zijne leer hebben omhelsd, standvastig blijven, zal Hij ook des te meer geneigd zijn hun le hulp te komen. En door hel woord verkoren geelt hij te kennen, dal niets hem heelï kunnen weerhouden van zich aan de Wet Gods toe te wijden. Want niemand zal er zich met zijn hart op toeleggen om de Wet Gods liol te hebben, ol' hij zal door veel strijd en aanvechling heengaan, aangezien een iegelijk dooi de onheilige begeerten van hel vleesch uaar alle kanten al'gelcid kan worden. De verkiezing, waarvan hier dus gesproken wordt, toont, dat het noch door onwetendheid, noch uit ijver zonder verstand is, dat de kinderen Gods boven alle andere dingen de hemelsche leer verkiezen, maar omdat de mensch licht medegevoerd wordt en zij de verschillende neigingen van hel vleesch maar al le zeer
777
Psalm 119 : 11oâ175.
gevoelen, cn zij dus na rijp beraad en uil volle overtuiging liun hail onder de gehoorzaamheid Gods brengen.
174. JeJiuvah, ik helt verlanyd naar uw hei/. Hoewel allen hegeeren, dal hel hun wel zal gaan, en niemand openlijk de gunst Gods verwerpt, zoo is toch de wenseli naar heil en welzijn zoo vaag en onbestemd, dal er nauwelijks een op de honderd is, wiens liarl uitgaat naar God. Want daar dezen als weggevoerd worden door hunne eerzueht, genen zieh laten hebeersehen dooi' gierigheid, en anderen door booze, onreine lusten worden verteerd, zullen zij zich inbeelden dat zij, hoe verder zij van God verwijderd zijn, hoe gelukkiger zij zullen wezen. Kortom, naarmate een iegelijk wenscht veilig en behouden te zijn, zal hij Gods toorn verwekken door hier en elders het middel hiertoe te zoeken. De Hebreeuwsche constructie geeft ook eene vastheid en volharding in het verlangen te kennen, want hij zegt woordelijk, dat hij verlangd heeft naar het heil Gods. Daarna duidt hij tie manier aan van een geduldig verlangen naar heil, nl als wij onder alle rampen en ellende vertroosting en verlichting zoeken in hel Woord Gods. Want wie i;eene vertroosting vindt in de verzekerdheid der beloolde genade, zal hij den minsten stool ol schok aan het wankelen worden gebracht. De Proleet heelt zich dus wijselijk binnen de perken van de leer deiquot; Wel gehouden, opdat hij er niet van algeleid zou worden om op het heil Gods te hopen.
175. Laat mijne ziel leven. Daar de werkwoorden in hel llebreeuwsch in den toekomenden tijd slaan, zou deze zin ook aldus verklaard kunnen woiden: lleere als Gij mij leven gegeven zult hebben, zal ik trachten uwen lol te vermelden en aldus loonen, dat ik niet ondankbaar ben. Nemen wij dien zin aan, dan zal hel eene soerl van juichende blijdschap zijn, waarmede tie Proleet, zich verzekerd houdende van Gods beloften, vol van vertrouwen verklaart, dat zijn leven veilig en wel bewaard zal blijven. En gewis! hoewel ons leven als verborgen ligt onder de schaduw des doods, kunnen wij toch juichend roemen, dat het veilig is, omdat Hij er de trouwe Hoeder van is, gelijk ook dii vertrouwen voortvloeit uil de levendmakende genade, die ons aangeboden wordt in het Woord Gods. Dewijl echter de meeste Schrillverklaarders die woorden in den optatief, ol wenschende v ij ze, lezen, zoo laat ons de algemeen aangenomene uitlegging volgen, nl. dat David, als hij vraagt, dat zijn leven verlengd zal worden, te gelijker tijd aantoont waarom hij begeert
778
Psalm ll'J : 175â17tj.
te leven, ril. opdat hij zich zou kunnen oefenen in Gods lol' te zingen, gelijk gezegd wordt in i'salm 115: 18: Wij, die blijven leven, zullen den lleere loven. Hel zou stroef zijn om in hel tweede lid het woord Rechten te nemen voor geboden, wier eigenschap niet is hulp te verleenen. liet schijnt dus dat de Profeet, die zich in gevaar wist van allerlei kwaad (gelijk ook de geloovigen, van wege de teugcllooze losbandigheid der godde-loozen, in deze wereld leven als schapen in liet midden der wolven) vraagt, dat God lien staande zal houden, opdat Hij door zijne verborgene voorzienigheid een beslag Icgl op de goddeloozen, zoodat zij hem geen kwaad kunnen doen En inderdaad, als de dingen dezer wereld onderst boven worden geworpen, en als le midden van zoo vele stormen ons heil en welzijn in zeer groot gevaar verkeeren, dan is het eene zeer nuttige leer dat wij onze oogen op kunnen hellen tol de rechten Gods, om daar hulp en verlichting te zoeken. Dewijl echter in dezen Psalm dit woord bijna altijd betrekking Ireelt op de geboden, kunnen wij deze scbrifluuiplaats ook wel zoo verklaren, alsof de Profeet aan liet Woord Gods het ambt toekende van hulp le verleenen, omdat God ons niet met ijdele beloften paait, maai' telkenmale wanneer hel noodig is zijn woord bevestigt door de onmiskenbare kracht en werking zijner hand. Kn aldus zal dit eene uitnemende reden zijn om de kracht van Gods Woord le verheerlijken, als de Profeet de Wet Gods Ier zijner hulpe inroept. Wil iemand dit nu liever verklaren van de waai neming der Wet, dan zal ik dit niet tegenspreken; alsof de Profeet zeide: lleere. laat de oprechtheid die ik heb belrachl, mij le hulp komen, en laat de ijver, waarmede ik er naar gestreeld heb uwe geboden le bewaren, mij ter bescherming wezen.
176. Ik heb gedwaald. Hij belijdt hier niet zijne zonden (gelijk sommigen ten onrechte denken), alsol hij zich in de, netten van Satan had laten verstrikken, want hel tweede lid, waarin hij zegt de Wet Gods niet vergeten le hebben, is hiermede in strijd. En het is eene beuzelachtige verklaring om le zeggen, dat hij vóór den lijd zijner roeping als een verloren schaap is geweest, maar dat hij zich van loen aan aan de godsvrucht heeft gewijd, of wèl, dat hij hij en in zijn dwalen toch nog weerhouden was door de eene ül andere godvruchtige gezindheid, zoodat hij niet alle vreeze Gods bad algeschud, want hel is zeker, dal in heide zindeelen van een' zelfden tijd wordt gesptoken. Hel is ook gemakkelijk te verslaan, dat de Profeet in tegenslellenden zin spreekt, alsof hij zeide, dal hij, hoewel
779
I'salm 119 ; 17Ã.
liij gedvvaaltl heel'l als een verloren schaap, ile Wel Gods loeli nooit lieell vergelen. Naar mijn oordeel zegt liij dus, dal hij rondgedwaald heefi, omdat hij door de macht en hel geweld zijner vijanden verjaagd zijnde, ginds en her omgedreven werd om zich eene schuilplaats le zoeken. Wij weten met zekerheid dat David zoo zeer gejaagd en vervolgd werd, dal hij nergens eene veilige plaats voor zich vond, zell's niet in zijne ballingschap, daarom is dit beeld zeer bijzonder toepasselijk op hem , omdal hij verjaagd en vervolgd zijnde, toch niet van de AVel Uods is algeweken. Omdal nu de wolven hem overal hebben vervolgd, bidt hij God om door Hem te worden opgenomen, en dat Hij hem eene veilige un rustige plaats zal geven, opdat er ten laatste aan zijne omzwervingen een einde zou komen. En dit was de beste grond van zijn betrouwen van verboord te zullen worden, dat hij, ofschoon getergd en geprikkeld door velerlei onrecht, nooit van de vreeze Gods heelt afgelaten, hetgeen echter meer op den geheelen loop van zijn leven betrekking heelt, dan op hijzondere daden, gelijk men die noemt. Want, hoewel hij voor een' tijd als buiten zijne zinnen was geraakt door zijn overspel, is hel toch zeker, dal hij onder tegenspoed dooi eene godvruchtige lijdzaamheid in bedwang werd gehouden, zoodat hij mei vastheid en volharding de gerechtigheid heelt nagejaagd.
I 'H A I . M 1 ).
INHOUD: Als wij gelooven, dat David do auteur is van dezen l'salni, gelijk ook wel waarschijnlijk is, dan verhaalt hij met hoeveel ijver hij te midden van zijne benauwdheden en gevaren tot God heeft gebeden, toen hij, om aan de wreedheid van Saul te ont-komen, van plaats tot plaats heeft rondgedoold. Maar bovenal klaagt hij over de godileloo/.e aanbrengers, die liem ten onrechte van allerlei kwaad betichtten. Nemen wij echter liever eene andere gissing aan, dan zal het eene algemeene klacht zijn tegen valsche aantijgingen. En voorts: deze Psalm wordt evenals de veertien daarop volgende een Psalm der Trappen genoemd, maar om welke roden, daarover zijn zelfs de llebreeuwsche geleerden het niet eens onder elkander. Sommigen wanen dat er vijftien treden waren
Psalm 120 : 1
in liet doel van ilon tompol, dat voor do mannon bestemd was, terwijl de vrouwen beneden bleven; maar dit is eene gissing zonder grond, en wij weten dat de Joden ten opzichte van de dingen, die duister zijn, zicb aan allerlei gissingen en inbeeldingun wagen. Anderen noemen ze Psalmen van den Opgang, en door dien Opgany verstaan zij dan den terugkeer uit de Babylonische gevangenschap, hetgeen wel zeer gewrongen is, want het is algemeen bekend, dat de meesten van deze Psalmen door David gedicht zijn, of wel door Salomo, en het is gemakkelijk om reeds uit hun' inhoud at' te leiden, dat alien, die door David gedicht zijn, nog onder zijne regeering werden gezongen. Anderen denken, dat door dit woord Opgang zekere tonen van de muziek verstaan moeten worden; en nog anderen zijn van meening, dat het bet begin was van het een of ander lied. Daar dit echter eene zaak van weinig aanbelang is, lust het mij niet om er een nauwkeurig onderzoek naar in te stellen. Er is echter wel eenige waarschijnlijkheid dat deze Psalmen aldus genoemd werden, omdat zij op booger toon werden gezongen. Want het woord Hammadlóth is afgeleid van het Ilebreeuwsche werkwoord A lah, dat: O/iyauii beteekent, en daarom vereenig ik mij gaarne met het gevoelen van hen, die denken dat de beteekenis van dit woord betrekking heeft op den hoogeren of lageren toon bij het zingen.
Een Lied der trappen. 1. Ik heb tot Jehovah geroepen in mijne benauwdheid, en ilij heeft mij geantwoord. 2. Jehovah! red mijne ziel van de valscho lippen, en van de bedriegelijke tong. 3. Wat zal n de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij n toevoegen? 4. Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.
1. fl' heJi lot â Jchovfth (je.roepei). De iianin des ilii lilers is hier wel niel opgegeven, (Inch de laai en de samenhang dei woorden hrengen ons David voor oogen. Daarom hen ik geneigd, hoewel ik hieromlrenl niels mei zekerheid dniTle zeggen, aan Ie nemen, dal deze Psalm door hem gedichl werd, en zoo is er naar mijn oordeel ook niets verkeerds in om den Psalm zoo le verklaren, alsof zijn naam er hoven was geschreven. Dit nu toegeslèmd
7S1
Ps.u.M 120 : Iâ2.
zijnde, zien wij diil igt;;ivi(i in dil veis verliaall, dal liij door den Ileere veriioord is geworden, en dal hij lieni liievoor dank brengl. Zijn voornaamsle doel is ecliler geweesl om bij wijze van klacht Ie verhalen, hoe de vleiers van Saul hun versland en hunne macht op wreede wijze hebhen aangewend om hem te verderven In de eerste plaats stelt hij echter met betrekking tol zijne eigene dankbaarheid voorop, dal hij God niel Ie vergeefs heelt aangeroepen, ten einde door zijn voorbeeld anderen aan Ie moedigen lol vrijmoedigheid in lie! gebed, inzonderheid wanneer zij gebukt gaan onder tegenspoed. Want hoewel de menschen ieder oo^cnblik de bulpe Gods van noode hebben, is er toch geen geschikter tijd om Mem Ie zoeken, dan wanneer zij zich in nood ol gevaar bevinden. Daarom moet men wèl acht geven op deze omstandigheid, dal hij verhoord is geworden, toen hij, door den nood gedrongen, zich onder de hoede en bescherming Gods heelt gesteld.
2. Jehovah, red mijne ziel. Thans duid! hij den aard aan van zijne beproeving, nl. dal hij valschelijk beschuldigd werd booze handelingen Ie hebben bedreven. En terwijl bij zijne vijanden leugen en bedrog ten laste legt, houdt bij zijne onschuld slaande aan de misdaden, waarvan zij hem valschelijk betichtlen. En zoo komt zijne klacht dan hierop neder, dal hij, zich aan niets schuldig wetende, door de boozen tegen alle rechl en billijkheid in aangevallen wordl, en dal zij hem in een hatelijk daglicht stellen, terwijl hij hun niel de minste reden daartoe heeft, gegeven. En daar de bedriegelijke longen de godvruchtigen en eenvomligen op tweeëii i wijze kunnen aanvallen, nl door hen te omstrikken met list en bedrog, ol door hen van bun' goeden naam te berooven, beklaagt de Profeet zich hier over deze tweede wijze van doen. En indien nu de Profeet, die met zoo groole deugd was begaafd, en zoo vrij was van iedere schandvlek, ja en ook vei' verwijderd van elke booze daad, toch zoozeer door laster werd aangevallen, kunnen wij er ons dan over verwonderen dal de kinderen (lt;ods heden len dage onder allerlei valsche beschiildigingen gebukt gaan, en hoewel zij er naar streven om eerlijk en oprechl te zijn in handel en wandel, toch ter slechter nuarn en faam bekend slaan? En inderdaad, daar zij den duivel lol vijand hebben, kan hel ook niet anders, of hij zal hen aanvallen door zijne leugens, en wij zien, dat de kwaadsprekende tongen zells den Zone Gods niel hebben gespaard. Dit moet ons met des te meer geduld en lijdzaamheid bel doen verdragen, aangezien het zeker is,
782
I
PsAr.M 120 : 2â
dul hier eon loesland wonll hcsclii'cvon. lt;lio ;i;in ^i'liccl ili' Kerk gemeen i.-.
Wn( zal u de hedrieqelijhe tona neven'] De Proleet ver-zwaarl de boosaardigheid zijner vijanden, zeggende, dal zij door hnnne booze neiging er loe gedreven worden om kwaad Ie spreken, al is bel ook dal bierdoor geen nilzirhl voor ben was op voordeel of gewin Mij scbijnl eehler nog verder Ie willen gaan, nl. dal ai hunne pogingen, ais zij al bel gif hunner lasler-lijke aantijgingen zullen uitgespogen hebben, toch op niets zullen uitloopen. Hewijl (ïod dus de onschuld der zijnen band-baalt, verheit David zirb in het vertrouwen hierop met beld-bafligen moed, alsol hij de overwinning reeds bad weggedragen over geheel de bende zijner vijanden, en verwijt linn , dat zij alleen maar bun boozen lust loonen om kwaad Ie spreken, hetgeen tan slotte toch op hun eigen hoofd neer zal komen. En dil is eene vertroosting, die de smart verzacht van alle geloovigen. als bun goede naam onrecht vaardiglijk door de lasteraars wordt geschonden, nl dat zulke boosaardigen er ten slotte niets mede zullen winnen, omdat God ben in hunne verwachting teleur zal stellen.
h. Scherpe pijlen. Hij gebruikt nog een ander middel om de boosaardigheid te doen uitkomen van ben, die door hun' laster de eenvoudigen en onschuldigen kwellen, zeggende dal zij hunne valscbe geruchten daar been werpen, evenals iemand die door een pijl af Ie schieten het lichaam zijns naasten doorboort,, en dal hun laster gelijk is aan jeneverholen, die hetgeen zij aanraken meer doordringen en erger branden dan kolen, die van eene gewone houtsoort verkregen worden. Waar hel op neerkomt is, dat de tong van deze lasteraars ontstoken is als door vuur, en (hij wijze van spreken) door een doodclijk gift; en dat zij zoo veel te minder Ie verontschuldigen zijn, aangezien zij, zonder dal hun dit eenig voordeel oplevert, door de heilige begeerte worden gedreven om anderen met hunne doodelijke slagen neer l,e vellen. Mn dewijl nu de Profeet bier niets mededeelt, dat hij niet zeil ervaren beeft, zoodal hij cn zijne gelijken aangerand werden door de leugens hunner vijanden, en dezen voor hen waren als schichten om hen Ie doorhoren, ol als gloeiende kolen om tien Ie verbranden, zoo laat bet ons niet verwonderen, als wij de uitnemendste dienstknechten Gods op dezelfde wijze zien aangevallen.
Psalm 130 :
5. O wee mij, dat ik eeu vreemdeling was in Mesech eu gewoond hel) iu de tenten Kedars! (5. Mijne ziel heeft lang gewoond l)ij degenen, die den vrede haten. 7. Ik deu vrede, en als ik spreek, zij den oorlog.
5. O wee mij! Hij Ida nel, dut hij maar al le lang lieofl moeien wonen onder hooze mcnschen, evenals een ongelukkige, die genoodzaakt is zijn leven in ellendige hallingseliap door te brengen. Wij welen, dal .Mesech en Kedar Oostersehe volken waren, waarvan de eersten afstamden van Jafclh, gelijk Mozes ons mededeelt in (ienesis 1(1:2, en cle anderen van een' zoon van Ismaël, want hen le honden voor een volk in Italië, dat omllijds Ktrnriërs genoemd werd, daarvoor is zelfs niet een schijn van grond. Sommigen houden het woord Mesech voor een hijvoegelijk naamwoord, en daar hel Hebreenwsclie woord heleekenl Trel-lcen, denken zij dat de Proleet trenrl over de langdurigheid zijner ballingschap, waaraan geen einde scheen te komen. Dewijl echter terstond daarna Kedar genoemd wordt (door welken naam zonder eenigen twijfel de Ismaëlieten verstaan moeten worden) Iwijlel ik niet, ol door Mesech worden de Arabieren aangeduid, die hunne naburen waren. Indien ecbtcr iemand van meaning is, dal de Mesechieten aldus genoemd worden van wege hunne bedrevenheid ais boogschutters, wil ik dit niet tegenspreken, mils dit slechts vast sla, dal de Proleet, also! bij naar een land van roovers verbannen was, zijn verdriet uilspreekl over hel onaangename van zulk een verblijf. Want men moei wel beprijpen, dal hij, hoewel de Arabieren noemende, met dien naam toch eigenlijk zijne eigene landgenoolen bedoelt, gelijk hij aan eene andere plaats de verdorven en verbasterde Joden Heidenen noemt. Daar hij zijne vijanden hier echter nog dieper wilde IrefTen, heeft hij voorbedachtelijk barbaarsche en woeste naliën genoemd, wier wreedheid jegens de Joden van algemeene bekendheid was. Nu wordt ons hierin geleerd, dat er nauwelijks iels ergers is voor de kinderen Gods, dan dat zij een heilig leven leidende en aan niemand eenigerlei leed of onrecht doende, evenwel niet aan giltigen laster kunnen ontkomen. Kn men moei ook opmerken, dal hij, hoewel wonende in zijn eigen land, er toch als een vreemdeling is geweest, omdat hij hel gezelschap der goddeloozen ondragelijk vond. Want bieruil leeren wij, dal (lod (door wiens Geest David heelt gesproken) niets méér verafschuwl dan de valsche beschuldigingen,
Psalm ii() : 5â0.
ilift do Kerke Gods ontsieren door scluikkelijke verwoestinp, zoodat zij op een moordenHarsliol gelijkt, ol op andere plaatsen, die beiiu'ht zijn wegens de Itaihaarsche wreedheid, die er i^e-pleepd wordt. Indien liet nu de woonplaats der kinderen Gods in eene ellendige hallingscliap voor hen verkeert. als de onselmld dei ^odvrnclitigen aangerand wordt door lasterlijke aantijuingen, hoe zonden zij dan genoegen kunnen liehlw-n, ol liever, hoe zouden zij dan geene biltere droelheid gevoelen, als zij wonen iu plaatsen, waar de heilige naam Gods gruwelijk gelasterd wordt, en zijne waarheid wordt verduisterd door veiioeiclijke leugens? Wee niii! roept David, omdat hij, wonende onder valsche broederen en een verbasterd kroost van Abrahani, ten onivchte door ben gekweld en vervolgd wordt, teiwijl hij in nauwgezetheid van geweten jegens hen heell gehandeld. Aangezien dus heden ten dage de godsdienst in liet, het Pausdom vcronl-leinigd is door allerlei smaad en verkeerdheid, hel geloot ver-sebeurd wordt, het lielit in duisternis wordt verkeerd en de majesteit Gods aan grove bespotting is blootgesteld, zal hel \oorzeker onmogelijk wezen, dal zij, die ernig begrip hebben van godsvruebt, te midden van deze onreinheid kunnen blijven verkeeren, zonder dal dil hun de grootste kwelling veroorzaakt.
G Mijne ziel heeft Icing getroond. Nu toon! hij, zonder beeldspraak, ja wijst, om zoo te zeggen, met den vinger aan wie bij te voren zijdelings onder de namen Meseeli en Kedar heelt aangeklaagd, nl. de verdorvene Israëlieten, die van de heilige vaderen waren atgeweken. Hij noemt hen Lieden, die den nede. linten, omdat zij moedwillig en zonder eenige oorzaak krijg voerden tegen de goeden en onsebuldigen, gelijk hij er ook terstond bijvoegt, dal hij geneigd was tot den vrede, ja zich daaraan geheel had toegewijd, en dat hij alle middelen had beproefd om hen Ie bevredigen, maar de onverzoenlijke wreedheid, waarvan zij vervuld waren dreef er hen immer toe om hem schade en nadeel loe te biengen. Wanneer hij dus zeul: Ik vrede, ol den vrede, dan is dil eene onvolledige uildrukking, die eehler volstrekt niet moeielijk Ie verstaan is nl. dal hij aan niemand kwaad ol'onreehl beeft gedaan, zoodat zij geene reden hadden om hem ie haten; alsol hij zeide, dat hij voor zich altijd vrede gehad en bevorderd heelt. Hij gaat zelfs nog verder zeggende, dal hij alles gedaan heell om hen Ie verzachten en in vrede en eendracht mei hen te leven, want bel woord Sprehen beteekent hier zooveel als op vriendelijke wijze vredesvoorstellen te doen, ol over verzoening te onderhandelen, waaruit no»1
Psalm 130 : Hâ7.
(InidelijluT hlijkl door \\;il woeslon, wi'ecHcn Iioogmcod Davids vijanden vervuld waren, aangezien zij zich niet eens verwaardigden inel hem te spreken . lei wijl hij luin toch genoegen had gedaan en hen in niels had heleedigd. Nu wordt ons door Davids voorbeeld geleerd, dal liet niet genoeg is dal de geioovigen er zich voor wachten anderen te schaden, maar dat zij nog daarenboven moeten trachten hen Ie winnen door zachtmoedigheid. En als zij hunne bescheidenheid en zachtmoedigheid zien verworpen, zoo laten zij geduldig het oogenldik verbeiden, totdat God van den hemel hun recht laat wedervaren. En intusscben moeten wij ons herinneren, dal, zoo God niet terstond zijne hand uitstrekt, wij den moed niet mogen verliezen en hel langdurige uitstel bebooren te dragen , gelijk wij zien dat David in dezen Psalm God dankt voor zijne uilredding, terwijl bij lorh als iemand, die uitgeput is en wegkwijnt van verdriet over de langdurigheid klaagt van de verdrukking, waaronder hij gebukt ging.
PSALM 1^1.
INHOUD: ïen einde de geioovigen op te wekken tol een kloekmoedig vertrouwen op de hulpe Gods en hun te leeren de toevlucht te nemen tot zijne bescherming, verklaart deze Psalm in de eerste plaats, dat, waar wij ook onze oogen heenrichten, van nergens elders hulp of heil te wachten is, en verheft, in de tweede plaats in prachtige bewoordingen de vaderlijke zorg van God, waarmede Hij de geioovigen omringt en beschermt.
1. Een Lied der trappen. Ik zal mijne oogen op-heffen naar de hergen, van waar mijne hulp komen /al. 2. Mijne hulp komt. van Jehovah, die hemel en aarde gemaakt heeft.
1. Ih zal mijne oogen opheffen naar de hergen. Hel schijnt dat de Profeet, wie hij ook moge geweest zijn, bij dezen aanhef spreekt als om een' ongeloovige voor Ie stellen, want evenals
Psalm 1:21 : Iâi2
God rle geloovigen voorkoml mol zijne ze^cnin^on , en hen uit eigene beweging le gemoel konil, zoo liehiien zij, van hun' kanl, ook lerslond de oogen op Hem gericht. Wat heteekent dan dit vage heenzien van dm Prol'eel, als hij zijne oojien nu hier, en dan daarheen i'ieht, alsof het gdonl' hem niet recht, en terstond heenwees naar God? Ik antwoord, dal, de gedachten der godvrm htigen nooit zoo volkomen veivuld zijn ro?;, eti ingenomen zijn met Gods Woord, of' zij worden in het eerste oo^enhlik wel eens door dit of dat veiioksid van Hem alLieleid, inzonderheid wanneer wij ons door gevaar bedreigd zien, of door sterke verzoekingen worden aangevalh-n. Want wij zijn van nature zoo geneigd naar de aarde, dat het nauwelijks mogelijk is om onbewogen te blijven bij al de verlokselen, die zich aan ons voordoen, totdat, wij ons hart en onze gedachten in bedwang brengen en tol God wedeikeeren. .Men zou dezen zin echter ook voorwaaidelijk kunnen verklaren, alsof de Profeet gezegd had: wat wij ook mogen denken: ai onze verwachtingen, die ons afleiden van den eenigen God, zijn ijdel en bedriegelijk. Mn als wij het in dien zin verstaan, dan verhaalt de Profeet niet wat hij bij zich zeiven denkt, ol voornemens is te doen. maar dan verklaart hij slechts, dat diegenen vergeefsche moeite doen, die God voorbijgaan, maar den blik overal heenrichlen, en langs allerlei omwegen gaan om hulp te zoeken in hun' nood. Zeker is het, dat hij ons in zijn' persoon eene krankheid voorstelt, waaraan geheel hel menschelijk geslacht lijdende is. Toch zou het volstrekt niet ongerijmd wezen le veronderstellen, dat hij naar zijn eigen gevoel en begrip gesproken heeft, want wij weten, dat deze ijdelheid van nature in ons aller hart ingeworteld is, rd. dat wij, als wij door vreeze worden bevangen, onze oogen naar ginds en elders heenrichlen, totdat hel geloof ons van deze dwaling weg, en heenvoert naar God alleen. Want het eenige, waarin wij van de ongeloovigen hieromtrent verschillen, bestaat hierin, dat, hoewel wij licht geneigd zijn om ons te lalen bedriegen en ook ons zeiven te bedriegen. Satan door zijne verlokselen de ongeloovigen gansch en al betooverl; maar wat ons betreft . God het gebrekkige van onze natuur wegneemt en niet toelaat dat wij zeer ver afdwalen De bedoeling van den Proleet is dus duidelijk genoeg, nl, dal al zouden wij ook de grootste en machtigste hulp der wereld kunnen verkrijgen, wij echter geenerlei heil of bescherming moeten zoeken buiten God, ja zelfs, dat de menschen, na zich gedurende langen lijd vermoeid te hebben met hier en daar naar bijstand uit te zien, ten slotte door de evaring leeren, dal buiten God nergens wezenlijk
5U*
7S7
Psalm 121 ; 1â2.
lt;in wolverzfktTile luilp If warlilon is Wnnl, door (!e Bergen verslaat de Profeet alles wal ^root en voortreiïelijk is in de wereld, alsol hij zeide, dal wij, wanneer al de heerlijkheid der wereld ons zou toelachen, deze gunsl als niets zouden moeten aehten. Maar deze twee verzen moeien aaneen gelezen worden, in dier voege: Als ik mijne oogen opgeheven zal hebben tot de hergen, zal ik door ervaring leeren, dat ik mij nutteloos kwel en vermoei, totdat ik ze op God alleen gericht houd. Intusschen moei men er op letten, dat het niet zonder reden is, dat aan God hier den eerenaam van Schepper van hemel en aarde wordt gegeven; want hiermede wordt stilzwijgend gewezen op de ondankbaarheid der menschen, wanneer zij niet kunnen rusten in zijne macht. Immers, indien zij Hem wezenlijk en welbewust erkenden als den Schepper, dan zouden zij er ook van overtuigd zijn, dat ?Iij in zich zeiven oneindige kiacht en macht heelt, aangezien Hij geheel de wereld in zijne hand houdt., en haar naar zijn welbehagen besluurt en regeert. Wanneer zij nu in hunne blinde onstuimigheid zich naai' elders richten, berooven zij Hem dan niet van zijn recht en zijne heerschappij? Het is aldus dat wij deze benaming hebben toe te passen op de zaak, die hier behandeld wordt. Waar het op neerkomt is: daar wij van nature al le zeer bedacht zijn om hulp en verlichting Ie zoeken in onze ellende en nooden, bovenal wanneer wij door wezenlijk gevaar worden bedreigd, doen wij toch niets anders dan heigeen dwaas is en op teleurstelling moet uilloopen, als wij aldus overal heen onze oogen richlen, en dat wij daarom onze gedachten in toom moeten houden, opdat zij zich alleen en uitsluitend lol God richten. Kn voorts, naar mijn oordeel is de meening niet ongepast van hen, die zeggen, dal het Ilebreeuwsche woord El. dal wij vertalen door naar, hier genomen is voor Al, hetgeen hoven beteekent, zoodat de zin dan zou wezen: Naar welke hoogten de menschen ook opzien, buiten (Jod is nergens heil ol hulp te vinden.
3. Hij zal uwen voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren. 4. Ziet, do Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen. 5. Jehovah is uw Bewaarder, .Tehovah is uwe Bescherming aan uwe rechterhand.
Psalm 1u21 : 3â4
3. Hij zal uwen coet niet laten wankelen. Ten einde de i;e-loovigen lerug te roepen en den weg al te snijden voor alle verlokselen, waardoor hun geeft wordt ontroerd, zegt de Profeet dat zij in God alleen alles gereed en overvloedig vinden zullen, hetgeen de wereldlingen gewoonlijk van deze wereld hopen en verwachten. Kn hij schrijft Gode niet slechts macht toe, maar hij toont ook aan, dat Hij ons zóó welgezind is, dat Hij ons in alle opzichten veilig en wel zal bewaren Want telkenmale als Gods macht wordt verheerlijkt, zullen er velen zijn, die antwoorden, dat Hij dit voorzeker doen lean, zoo het Hem behaagt, maar dal wij niet weten ol Hij er al of niet toe gezind is. God woidt hier dus aan de geloovigen voorgesteld als hun Behoeder en Beschermer, zoodal zij zich gerust op zijne voorzienigheid kunnen verlaten. Want, evenals alle godsvrucht onderdrukt wordt dooide Epicuriërs, daar zij zich inbeelden dal God geenerlei zorg draagt voor de wereld, zoo wordt het hart der menschen ook in twijfel en onzekerheid gehouden door hen, die denken dat God slechts in liet algemeen en op onbestemde wijze de wereld regeert, maar geene zorge heeft voor eiken mensch in het bijzonder, daarom zijn dezen zeiven dan ook in voortdurenden twijfel en onrust. Kortom, ons hart zal nooit in waarheid God aanroepen voor dat wij de vaste en stellige overtuiging hebben van de hoede en bescherming Gods. En hij noemt God onzen Bewaarder ten einde ons hierdoor vastigheid te geven. En voorts; het Hebreeuwsche woord dat hier gebruikt is, beteekent zoowel vallen ol uitglijden, als sidderen of wankelen. En hoewel het nu dikwijls gebeurt, dat de geloovigen wankelen ja en ook vallen kunnen, zoo wordt, wijl God hen ondersteunt door zijne kracht, toch gezegd, dat zij slaande blijven. En omdat hel nu te midden van zoo vele gevaren, die ons bedreigen, moeielijk is, om ons vrij le houden van angst en bezorgdheid, getuigt de Profeet levens, dal God voortdurend de wacht over ons houdt.
4. Ziet de Bewaarder Israël* zal niet sluimeren. Ten einde een iegelijk terug le voeren lol hel algemeen verbond, strekt hij dc voorzienigheid Gods uil over geheel de Kerk. Want, zal een iegelijk onzer voor zijn eigen persoon verzekerd wezen, dal God hem genadig is, dan moet men altijd teruggaan tot de algemeene belolte. De uitdrukking: Zal niet sluimeren noch slapen, zou in alle andere talen ongerijmd wezen, want men zou dan veeleer zeggen: Hij zal niet slapen, ja zelfs niet sluimeren; matr als de Hebreen deze volgorde aldus veranderen, redeneeren
781)
Psalm lil : 5âG.
zij van liel meeiilcie lol hel mindere. De zin is dus: Dewijl God zieli nooit in het minst aan den slaap over^eell, behoeven wij niet te vreezen, dat ons eenii; onheil zal wedervaren terwijl Hij slaapt. Nn hegrijpen wij de bedoeling van den Proleet; want, om de geloovigen er van te overtuigen, dal Gods bijzondere zorge zich uitstrekt over een iegelijk hunner, voert hij de belofte aan, die God gedaan heelt aan hel gansche volk, en zegt, dal God de Bewaarder is zijner Kerk, opdat van dezen algemeenen stelregel, als van uil eene bron, een iegelijk eene beek zal afleiden voor zich zeiven. Daarom herbaalt hij, als hij zich daarna lol ieder in het bijzonder richt: God «s mw-öewaarJer, opdat niemand aarzele om ook op zich toe te passen wal tot de gansche gemeente van Israël gezegd is. lui voorts wordt God genoemd De Jleschenninij aan onze rechterhand, opdat wij weten, dat wij niet ver behoeven te gaan om God te zoeken, maar dal Hij ons gansch nabij is, ja zells aan onze zijde slaat ten einde ons te beschermen.
ti. De zon zal u des daags iiiet steken, nuch de maan des nachts. 7. Jehovah zal u bewaren van allo kwaad, nwe ziel zal Hij bewaren. 8. Jehovah zal nwen uitgang en nwen ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.
0. De zon zal ti des daays niet steken. Door deze wijze van spreken verheerlijkt hij de vrucht van Gods hulp en tegenwoordigheid, en doorliet woordliguur, Synecdoche genaamd, verklaart hij, door een hijzonder voorbeeld te noemen, dat de geloovigen in hel algemeen veilig zijn legen alle leed ol ongemak, omdat Gods band hen beschermt. Evenwel, er is hier levens eene beeldspraak, want door de koude van den nacht en de hitte van den dag wil de Proleet allerlei soorten van ongemak aanduiden. De zin is dus, dal hoewel de geloovigen evengoed als de anderen blootgesteld zi jn aan de ellende, die aan hel menschelijk leven eigen zijn, zoo is toch de schaduw Gods steeds aan hunne zijde om ben te beschutten, opdat zij er geenerlei schade ol nadeel van zouden ondervinden. Dit wil echter niet zeggen, dal hij aan Gods kinderen zulk een gemakkelijk en aangenaam leven beloot'l, dal zij altijd tegen allerlei leed ol ongemak gevrijwaard zullen blijven. Hij bedoelt slechts hunne smart le verlichten door deze vertroosting, dal zij, dewijl God hun gunstig is,
Psalm lil : 7â«.
veilig zijn, zoodat geen kwaad hen wezenlijk kan deren, gelijk liij ook in de volgende verzen nog openlijker en duidelijker belooft, dal God zijne dienstknechten op zoodanige wijze voor alle kwaad zal behoeden, dat Hij hun leven veilig zal bewaren. Dit spreekt hij in het algemeen, doch daarna zal hij dit op de voornaamste bijzonderheden van het leven toepassen.
(S, Jehovah zal uwen uitcjamj en uwen ingang bewaren. De beteekenis is: Alles wat gij in geheel uw leven onderneemt ol doel, zal voorspoedig zijn en wel gelukken. Hoewel nu üod door zijn' Heiligen Geest de beraadslagingen zijner dienstknechten leidt, schijnt het mij toe, dat deze plaats toch meer betrekking heelt op den gelukkigen uitslag er van. \Vil iemand dit echter nog verder uitstrekken, dan zal ik dit niet tegenspreken. Voor mij is het genoeu om datgene aan Jji_aemeii wat onwederiegbaar zeki'i is, nl. dat God immer de Gids zal \vi'-/(;n Vilt;n 'lp yiji'1quot;, 'zoodat Hij, zijne hand tot hen uitstrekkeniie^Ji^H-^aa het begin toT~liet einde zal iciden eiLiic^lnrcx]. Overigens is liet goed om op te merken waarom de Profeet zoo dikwijls herhaalt, wal hij duidelijk genoeg in één woord heeft uitgedrukt, omdat die herhaling overtollig zou kunnen schijnen. Maar als wij nagaan hoe moeielijk het is ons van ons wantrouwen te genezen, zal men licht begrijpen, dat de Profeet niet zonder reden zoo zeer bij den lol van Gods voorzienigheid blijft verwijlen. Want op hoe-velen zal men er één vinden, die aan God de eere toekent van behoeder en Gids te zijn. om daar dan de vrijmoedigheid aan te ontleenen om Hem aan te roepen in nood en gevaar? Ja zelfs als wij goed hebben begrepen wat deze bescheiming Gods beteekent, zullen wij toch, zoo slechts een blad van een' boom valt, reeds sidderen en beangst zijn, alsof God ons had vergelen. Omdat wij dan in zoo velerlei twijfel en verkeerde gedachten als verstrikt zijn, en ons hart zóó zeer tot mistrouwen geneigd is, zoo leert ons deze Schriftuurplaats dat wij, zoo weinige woorden ons niet volstaan, alles uit Schrift bijeen moeten vergaderen wat betrekking heelt op de voorzienigheid Gods, totdat dit punt der leer, dat God immer over ons waakt vastgeworteld is in ons hart, zoodat wij alleen op zijne macht en bescherming steunen en betrouwen, en alle bedriegelijke steunselen der wereld vaarwel zeggen.
791
79^ Psalm liïJ : 1.
quot;PSATJVJT
INIIOl 1): ln (Ic/ftMi Psalm verheugt David zicli, zoo voor zich zelveu als voor geheel de Kerk, dat aan de Arke des Verbonds eindelijk eenc vaste verblijfplaats is aangewezen, en dat God de plaats heelt verkoren, waar Hij wil, dat zijn naam steeds zal worden aangeroepen. Om de geloovigen te vermanen en op te wekken om God in zijn Heiligdom te eeren en te aanbidden, geeft hij daarna in korte bewoordingen te kennen dat de voorspoed van bet volk afhangt van deze omstandigheid, dat God Jeruzalem tot zijn' koninklijken zetel heeft verkoren, en dat IJij van daar de zijnen zal willen helpen en beschermen.
1. Een Lied der trappen, van David. Ik heb uiij verblijd toeu /.ij mij zeiden: Wij zuilen in het huis van Jehovah gaan. 2. Onze voeten zullen staande zijn in uwe voorhoven, o Jeruzalem, o. Jeruzalem is gebouwd als eene stad, die wel samengevoegd is.
1. Ik heh mij verblijd. God liecll ineenualen door Mozes doen aankondigen dal er een lijd zou komen, wanneer ei eene vasle woonstede zou zijn voor hel lleili^doni; locli waren er meer dan duizend jaren voorbijgegaan, gedurende welke de Arke des Verbonds van de eene plaats naar de andere gebracbl werd, also! zij zicb in den toestand bevond van een'reiziger, ol'pelgrim, hindelijk werd aan Ãavid geopenbaard, dal de berg Zion de door God daartoe bestemde plaats was, en dat aldaar de Tempel gebouwd moest worden. Daar hij nu deze openbaring met groole blijdschap ontvangen heelt, verklaart hij, dal hij er zich groole-lijks in heelt verheugd, dal hel gansche volk daar zijne loeslemming toe had gegeven. Op deze omslandigheid heefl men niet genoegzaam acht gegeven, en dal is de oorzaak waarom de Schrill-verklaarders deze plaals len onrechte hebben verlaald door: Ik heb mij verblijd met hen, die lol mij zeiden. Deze vertaling geelt echter slechts iels duisters aan den zin, maar de Grieksche
I's alm m ; 1 -± 793
overzeüiny , evenals ouk ilc Lulijnsclie Vul^dla liebben hem ganscli en al bedorven, daar zij zeggen: Ik heb mij verblijd in de dingen, die lol mij gezegd werden. Wel erken ik, dal de woordelijke vei taling zou luiden: Ik heb mij verblijd in degenen, die mij zeiden; maar hel is niels nieuws, dal de leller Belli, die gewoonlijk in beleekenl, genomen wordt voor Wanneer ol Toen, en dil wordt door het zinverband van den tekst hier geëischt. Want David betuigt, dat er eene dubbele blijdschap was in zijn hart, loen hij zag, dal geheel hel volk gehoorzaam instemde met de hemelsche openbaring, door welke God verklaard had, dal Hij den Berg Zion bestemd had tol de plaats waar zijn' plechligen eeredienst zou worden ingericht. En door dit voorbeeld worden wij vermaand om eene dubbele blijdschap te gevoelen, als God door zijn' Heiligen Geesl niet slechts een iegelijk onzer onder de gehoorzaamheid brengt zijns Woords, maar ook anderen met ons toebrengt, opdat wij allen te zamen vereenigd zijn in een zeilde geloof. Wij welen hoe groot de verdorvenheid is van de menschelijke natuur, waardoor het geschiedt, dal wanneer God spreekt, verre weg de meesten schier altijd in opstand komen legen zijn Woord. Daarom hebben wij wèl reden om ons groolelijks te verheugen, wanneer allen zich eenstemmig met ons onder de gehoorzaamheid Gods stellen Wal betreft de andere vertaling: Met hen die tut mij zeiden, de beteekenis, die men hieraan ontleent is: Ik schep behagen in het gezelschap dergenen, die mij noodigen tot den dienst van God, en aanbieden mij naar hel Heiligdom le vergezellen. Maar hel tweede veis zal duidelijker te verslaan geven, dat de blijdschap, waarvan David spreekt, hieruil voortkwam, dat hij zag hoe hel volk met de bereidwillige gehoorzaamheid des geloofs instemde met de hemelsche openbaring ten opzichte van de plaats, die verkoren was om der Arke des Verbonds ter voortdurende woonstede le verstrekken; want onmiddelijk hierop volgt:
2. Onze coeleii zullen staande zijn. Het is waar dat het werkwoord in den llobieeuwschen tekst in den verleden lijd staat, en hel zou geene zwarigheid opleveren om dien tijdsvorm te behouden; daar dit echter van geen ol weinig belang is voor de zaak zelve, vil ik dit gaarne aan hel oordeel van den lezer overlaten. Want David spreekt hier uil hetgeen in het hart was van alle geloovigen, nl. dat zij ten laatste vasten voel zouden verkrijgen in .leruzalem. omdat hel Gods wil was aldaar zijn Heiligdom te vestigen, hetwelk te voren van de eene plaats naar de andere gebracht werd. Terwijl nu de Ark, bij wijze
Psalm 122 : 2â3.
viin spieken, aldus lieen en wedei reisde, lieell God hierdoor a;lt;n hel volk doen gedenken, dal Hij niel zonder reden door Mozes gezegd heefl hegeen ik zoo straks mei een enkel woord heb vernield. Telkenmale dus, wanneer de Arke des Verbonds van de eene plaals naai' de andere gebrachl werd, heeil God hierdoor hel harl zijner dienstknechten opgewekt om te begeeren, dal er eene vaste woonstede voor zou worden aangewezen en Hem hierom te bidden. ÃSu was deze vaste verblijfplaats, waarvan ik gesproken heb, van niet gering aanbelang; want daar de Arke dikwijls van verblijl veranderde, bleef hel geloof des volks, om zoo le zeggen, in onzekerheid. Nadat God er dus eene vaste verblijfplaats voor had aangewezen, hee't Hij hiermede nog stelliger betuigd, dal Hij voortdurend en onveranderlijk de Beschermer des volks zou blijven Het is dus niel te verwonderen dal de geloovigen hier met dankzegging beluigen, dal hunne voeten, die le voren hei en derwaarts gingen, thans staande zullen zijn in de poorten van Jeruzalem. Wel is waar, is de Arke gedurende langen tijd le Silo verbleven, dewijl er echter geene belofte Gods was ten opzichte van deze plaals, kon de zaak niet als voor goed vastgesteld worden beschouwd. Dewijl echter van den berg Zion gezegd was, gelijk wij zullen zien in Psalm 132; 14.; Dit is mijne ruste lol in eeuwigheid, kunnende geloovigen, steunende op deze belolte, vrijmoedig roemen, dal voortaan hunne voeten vast zullen staan. En dewijl nu Christus, in wien de volheid der Godheid woont (Col 2 ; 9), en die onze ware Immanuël is (.les. 7:14) onder ons woont, hebben wij wel reden om ons nog veel meer le verheugen. Daarom zijn wij ook wel zeer ondankbaar en zeer onzinnig, als deze belofte van onzen Heere Jezus Christus: Ik ben mei ulieden tot de voleinding dei wereld (Matth. 2lt;S; 20) geene groole blijdschap in ons wekt, inzonderheid als wij haar, nl. de belolte, overal zien aangenomen. Want hetgeen ik zooeven gezegd heb betreffende de ruste des Heeren, is ten laatste in waarheid vervuld geworden in den Persoon van Christus, gelijk blijkt uil Jesaja fl:10: Zijne rust zal heerlijkheid zijn, waar de Profeet niel, gelijk sommige schriftverklaarders denken, spreekt van Christus'begrafenis, maar van de toekomstige voortreffelijkheid der Kerk.
JeruzaLeia in yebouxed als eene slad. Hier begint David den lof van de stad Jeruzalem le zingen, en dat wel opdat hel volk standvastig zou blijven in zijne gehoorzaamheid. Want hel was zeer noodig dat de geloovigen hunne gedachten en genegenheden niel her en derwaarts zouden laten afleiden, maar ze
794
Psalm 122 ; 3.
795
immer !;eveslii;il zouilen houden op tie slitd, die voor i;eiieel hel volk een himd van heilige eenheid was. Kn wij weten ook, dal toen het volk lot twee lieiiamen verdeeld werd, dit hel he^in van eene treurige verbrokkeling is geweest. Daarom is liet met le verwonderen, dal David de plaats, die God had verkoren, zoo zeer verheerlijkt heelt in zijn lied, want hij wist dat hierin de voorspoed van de Kerk was gelegen, dat de kinderen Ahrahams God zouden dienen naar de verordeningen, die in de \\el waren voorgeschreven, en levens, dal zij den koninklijken zetel zouden erkennen, die dezellde God aldaar had opgericht door zijn gezag en onder zijne bescherming. Als hij zegt, dal Jeruzalem gebouwd is als eene stad, dan heeft dit niet slechts betrekking op muren, torens of grachlen, maar voornamelijk op de goede orde en hel burgerlijk bestuur, die er gevonden werden, hoewel ik erken, dal hij zinspeelt op tien staat van zaken, die daar vroeger heell geheerschl. Salem is ook van den aanvang al eene fraaie en vermaarde stad geweest; maar toen God er de hoofdstad ties koninklijks van maakte, werd zij van gedaante, en in zekeren zin, ook van aard veranderd, zoodat zij van toen aan in waarheid en met volle recht eene wel geordende en wel saamgevoegde stad genoemd kon worden. Wel is waar zou hel op den eersten aanblik onbeduidend kunnen schijnen, dal Jeruzalem eene stad genoemd wordl, maar men moei er op lellen, dal zij iiier voorgesteld vvordl, als eenig in de wereld, waarmede de anderen le vergeefs zouden wedijveren. Want, door aldus le spreken, vul David alle andere sleden in hun' staat eu toestand laten, maar Jeruzalem verheit hij boven die allen, opdat zij boven alle anderen zal uitblinken, gelijk wij zien dat Jesaja, in llooldsl. 2:2, van den berg Zion sprekende, zegt, dal hij hooger zal zijn dan al de andere bergen. Ten einde dezen kleinen heuvel hoog te verheffen en le verheerlijken, vernedert de l'rofeet aldaar de hoogste bergen der aarde, opdat zij de heerlijkheid van dien heuvel niet zouden verduisteren. Evenzoo zegt David thans dal Jeruzalem ingericht is als stad, opdat de geloovigen hun blik niet naar ginds of elders zouden richten, maar al hun welgevallen zouden vinden in de sliul, die God verkoren had, daar zij baars gelijke nergens vinden zullen. Kn voorts, na alle andere sleden vernederd te hebben, loont hij in weinig woorden de voor-irellelijkheid van Jeruzalem, te welen: dal zij wèl saamgevoegd is, en in al hare deelen geëvenredigd is. Sommigen vatten deze woorden lelteilijk op, en zonder beeldspraak, nl. dal hare burgers in vrede en eensgezindheid le samen leven- Ik heb er evenwel niets legen, dal de vreedzame toestand eener stad door beeld-
Psalm 122 : 3â4.
spraak wordt uitgedrukt, üe eensgezindheid, die heerscht onder de burgers eencr stad, en door welke zij onderling aan elkander zijn verbonden, wordt hier dus vergeleken bij gebouwen, die elkander steunen, doordat zij in schoone en kunstige evenredigheid gebouwd zijn;, zoodat het oog nergens eene onvolkomenheid bespeurt, nergens eene slechte samenvoeging ol scheur kan ontdekken, maar overal eene juiste evenredigheid gewaar wordt. Hiermede wil David ons er op wijzen, dat de Kerk niet recht in stand gehouden kan worden, tenzij er eenheid en eensgezindheid in heersche, en de leden door een' heiligen band van gelool en iielde aan elkander verbonden zijn.
4. Daarheen zijn de stammen Gods opgegaan tot getuigenis aan Israël, om den naam van Jehovah te verheerlijken. 5. Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis Davids.
4. üaarheen zijn de stammen Gods opyeyaan. Thans versiert David Jeruzalem met twee cerenamen, nl. dal zij eene heilige plaats is, verordineeid om er den naam Gods aan te roepen, en vervolgens, dat zij de koninklijke residentie is, waarheen het gansche volk zich heelt te begeven om recht le verkrijgen. Wij weten, dat geheel ons welzijn bestaat in deze twee punten, nl. dat Christus ons gegeven is tot Priester, en tot Koning is verordineerd om ons te regeeren. Dit werd aan het oude volk getoond onder deze beelden, die God hun voorstelde; want het Heiligdom op den berg Zien gevestigd, hield het volk bij het gelool in de geestelijke offerande van Christus, evenals God hun door liet koninkrijk van David het beeld voor oogen hield van hel koninkrijk van Christus. Zoo zegt hij dan in de eerste plaats dat de stammen, ol de geslachten Gods, daar zullen komen, en vervolgens voegt hij er bij, dat aldaar de zetel des rechts is gevestigd, waarop hij en zijne nakomelingen gezeten zullen zijn. Wij welen waarom God gewild heeft, dat er slechts één Tempel en één altaar zou zijn, nl. opdat het volk zich niet lol allerlei bijgeloovigheden zou begeven. David verklaart hier dus, dat deze plaats door Gods eigen mond was aangewezen, opdat alle de geslachten Gods, d. i. de twaalf stammen, er zich van alle kanten zouden bijeenverzamelen. En ten einde nog duidelijker uil le drukken hoe noodzakelijk het is, dal deze vorm van den eeredienst Gods in al zijne reinheid en zijn recht en wettig gebruik bewaard zou blijven,
796
Psalm 122 : 4â.r).
zegt hij, (lui flil is tot een fjetuiijenis. Hel woord, flnl hij hier gebruikt, is iil^eleid van een Hebeenwsch werkwoord, hetwelk beteekent Getuigen, o( een verbond aangaan. Nu wordt door dit woord bier eene weder/.ijdscbe verklaring aangeduid, ol wel pene overeenkomsl tiissrhen God en bet volk; alsol de Profeet zei de, dal, wanneer de stammen aldaar zullen komen, dit niet zoo maar bijgeval zijn zal, ol omdat hel bun aldus gelust, maar omdat (lod door zijn' eigen mond hen er heenwijst en samenroept. De korte inhoud van deze woorden is alzoo, dat de heilige vergaderingen, die te Jeruzalem gehouden zullen worden, niet ijdel ol beuzelachtig zijn zullen, want Cod heelt eene overeenkomst aangegaan met zijn volk, waarbij Hij deze plaats bestemd en aangewezen heelt lol zijn' dienst, waaruil wij leeren, dat wij om den waren Tempel Gods le leeren kennen, hem beoordeelen moeten naar de leer. Wat betreft den tijd van David: dewijl (iod hel oude volk bad aangenomen, en gewild heelt dal zij zich oefenden in den uitwendigsn dienst zijns heiligen Naams, geeft Mij er hun den regel voor, waarvan hel hun niet geoorloofd was af te wijken. Als dan de geloovigen op den berg Sion bijeen kwamen, dan was dit geene dwaasheid, en geen onverstandige ijTer, en ook geen bedenksel, dal uil bun eigen brein voortkwam (gelijk wij zien, dat de inenschen zich allerlei godsdiensten verzinnen) maar zij werden er door het gebod Gods bijeengebracht, opdat zij Hem op den berg Zion zouden eeren en dienen. Door dit woord geeft hij ons dus te kennen , dal alle andere tempelen onheilig zijn, en alle andere godsdiensten verkeerd en bedorven, omdat zij niet zijn volgens bet voorschrift, nedergelegd in bet Woord Gods. Daarna voegt hij er bij wat het doel was van deze overeenkomst, nl. dat de Naam Gods geloofd, zou worde». En inderdaad, evenals dit bet doel is van onze aanneming, zoo is het ook het doel van al onze handelingen, dal wij voor alle goed Gode lof en eer toebrengen.
5. Want dda'r zijn de stoelen, enz. Hij bedoelt dal de troon zijns koninklijks gevestigd is le .leruzalem, ol er de vaste verblijfplaats van is. Wij weten, dat er altijd een zekere vorm van recht onder het volk is geweest; maar terwijl voormaals de zaken min ol meer onzeker waren, of dikwijls veranderingen ondergingen, heeft God ten laatste in den persoon van David eene nieuwe regeering verordineerd, die immer voort zou duren, want Hij beeft gewild, dat de kinderen van David hun' Vader van eeuw lot eeuw in de koninklijke waardigheid op zouden volgen tot aan de komst van Gluistus. Gelijk bij dus zooeven
707
Psai.m 122 : rgt;ân.
gesproken heoll van den Tempel en van liel Prieslerscliap, zoo zegl hij nu dat dil koninkrijk, hetwelk God lieell opgericlil, vast en onwankelbaar zijn zal, en dal wel om hel le onderscheiden van de andere koninkrijken der wereld, die niel slechts lijdelijlv, maar ook zwak en aan allerlei wisselvalligheden onderhevip; zijn. Kn de eeuwige duur van dit koninkrijk is ook op verschillende plaatsen bevestigd door de andere Profeten, en niel zonder reden, want het was opdat de geloovigen zouden hegrijpen, dat (lod niet anders de Bewaarder van him heil zou zijn, dan wanneer zij zich onder de leiding en hoede van David zonden stellen; en dal, indien zij veiligheid en voorspoed wilden hlijven genieten, zij geene nieuwe koningen naar hun eigen welgevallen moesten aanstellen, maar tevreden leven moesten onder de regeering, die door God zeiven was ingesteld. Wanneer hij dus twee maal Stoe/ev herhaalt, wordt hierdoor aan de heteekenis bijzondere kracht bijgezet. Daar, zegl hij, is de zetel opgericht van recht en gerechtigheid, ten slotte, de zetel van het huis Davids, omdat God gewild heelt dal hel recht van le regeeren in het geslacht van David zou verblijven, totdat de ware eeuwigheid van dit koninkrijk geopenbaard zou worden in den Persoon van Christus.
G. Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen. 7. Vrede zij in uwe vesting, welvaren in uwe torens. 8. Om den wille mijner broederen en mijner bloedverwanten zal ik nu spieken; van vrede in u. 9. 'Per wille van het huis van Jehovah, onzen God, zal ik het goede voor u zoeken.
6. Bidt 0711 den vrede van Jeruzalem. Thans vermaant David alle geloovige aanbidders van God Ie bidden om den gelukkigen toestand der heilige stad. Kn om hen hiertoe nog sterker aan le sporen, belooll hij, dat de zegen Gods hierdoor ook op hen zal rusten. Nu hebben wij le voren gezegd, en hij herhaalt het. nog aan het slot van den Psalm, waarom hem den voorspoed dier stad zoo zeer ter harte gaal, nl. omdat bet heil van geheel de Kerk in dat koninkrijk en dil Priesterschap was opgesloten. Dewijl het nu niet anders kon, of bij het verval van geheel de Kerk, ook ieder afzonderlijk persoon ellendig om moest komen, is hel niel te verwonderen, dal David deze zorge aan alle
7ns
Psai.M 122 : Tiâ8.
790
kinderen God? op liol liarle liimll. Indion wij dus nji de rerlile wijze begeeren Ie bidden, zoo moeien wij daarmede beginnen dal liet den Heere moge behagen geheel hel lichaam zijner Kerk te bewaren. Want ai '.vie slechts op eigen welvaren bedacht is, en geene zorge heefl voor het algemeen weizijn, toont niet slechts van alle godsvrucht ontbloot le zijn, maar hij zal ook te vergeefs om eigen voorspoed bidden, omdat hij de wettige orde daarbij niel in acht neeml. Hiermede staat ook in verband de belofte, die er terstond daarna wordt bijgevoegd: Wol moeten zij varen, die u beminnen, hetgeen ook in wenschenden zin gelezen kan worden, maar waarbij de beteekenis toch ongeveer gelijk blijft. En hoewel nu hel Hebreeuwsche werkwoord, dal de Profeet hier gebruikl, de beteekenis heelt van in rust of vrede te leven, twijfel ik toch niel of, daar hij hel woord vrede in hel algemeen genomen heeft voor een' gelukkigen en blijden staal of toestand, hij kondigt hier aan allen, die zorge hebben voor de Kerk, aan, dal zij den zegen Gods en een voorspoedig leven deelachtig zullen worden, welke uitspraak dikwijls bij den Profeet Jesaja in hooldsl. 54 lot aan het einde voorkomt. Inlusschen leeren wij hieruit, dat Gods vloek rust op diegenen, die de Kerk beroeren, of, op welke wijze het ook zij, haar verder! veroorzaken.
7. Vrede zij in uwe vesting. Ook in deze zinsnede heeft hel woord Vrede geene andere beteekenis dan dien van voorspoed. Want in dit vers is eene herhaling van denzelfden zin, en daarom moet uil hel tweede lid de beteekenis van het eerste worden afgeleid Naderhand voegt hij er het woord Shalwah bij, hetwelk wel somtijds rust beteekent, maar voor Overvloed of Voorspoed genomen wordt. Daarom heb ik hel woord Bechélech vertaalt door Vesting. Want, hoewel ik het niet afkeur dal. anderen hel vertalen door Gracht ol verschansing, is het woord Vesting toch meer in overeenstemming met het woord Torens, dal hij later gebruikt. Waar het nu op neerkomt is, dat David bidt voor geheel de Kerk in baren ganschen omvang. Kn voorts moet men opmerken dal David, als hij bidt ombaren uitwendigen voorspoed, dit niet doet omdat hij niel bovenal belang stelt in haren innerlijken toestand en hare geestelijke aangelegenheden; maar omdat hij onder het beeld der muren wenscht dal de zegen Gods de heilige stad van rondom zal omringen.
8. Om den wille mijner hroederen. Hij noemt twee redenen
Psalm l0i2 : Sâ9.
snn
wanrom hel In-il dor Kerk !iem Ier Iiarle ^aal. len einde door zijn voorbeeld alle geloovi^en op ie wekken helzellde Ie doen. Het schijnt echter ook, dal in deze woorden eene tegenstelling ligt opgesloten, omdat de hoozen en kwaadwilligen hem zouden kunnen verdenken, of len minsle dal dezen er de slol in zouden vinden om den lasler Iepen hem uil te slrooien, dal hij door aldus Jeruzalem Ie prijzen en aan Ie hevelen, meer zijn ei quot;en voordeel dan hel algemeene welzijn op hel oop had. Opdat men hem dus niel zou tegenwerpen, dat hij mei lislin' overleg Ie werk ging om daardoor zijn koninkrijk Ie hevesligen, beluiut hij, dat hij door geenerlei eigenbelang wordt gedreven, maar bezield is dooi' eene oprechte genegenheid voor geheel de Kerk. Ik zal, zegt hij, van uwen vrede spreken, o Jeruzalem, niet slechts omdat dit voor mij en de mijnen nuttig en voordeciig is, maar opdat uw voorspoed zich uilstrckke tot alle de kinderen Gods; want er is niet aan te twijfelen, dat hij door liet woord Broederen alle de geloovigen verslaat. Daarna voegt hij er eene tweede reden hij, nl. dal de dienst van God niet ongeschonden en zuiver bewaard zal blijven, maar lol verval zal komen, tenzij Jeruzalem blijve bloeien. Indien dus het heil onzer broederen ons ter harte gaat , indien wij Helde hebben voor den dienst van God, dan moeten wij, zooveel in ons vermogen is, ook zorg dragen voor den voorspoed der Kerk. Hieruit volgt, dat zij, die er zich niet om bekommeren hoe hel der Kerk vergaat, vol van wreedheid zijn. en geenerlei vreeze Gods hebben. Want, indien de Kerk een pilaar en vastigheid is der waarheid (I Tim. .quot;5 : 1.)) dan kan het niet anders ol door haar verder! zal ook de ware godsvrucht Ie niet gaan Kn wederom, als hel lichaam ten verderve gaal, zal dan ook niet ieder lid van hetzelve in hetzelfde lol doelen Kn voorts leert deze schi illuurplaals ons levens, dal de naam der Kerk geen ijdele klank is, maar dat men de Kerk heeft Ie zoeken daar, waar de ware godsdienst heerschl. Hieruit volgt hoe verdwaasd de Papisten zijn, die de leer des Evangelies verwerpen en uitroeien, en zich dan toch 110^ op den naam der Kerk gaan beroemen.
Psalm 153 : 1.
PSA I jM
INHOUD: De geloovigen, die door de wreede tyrannie der vijanden worden verdrukt, roepen God aau om bevrijding, daar er geene andere hoop voor hen overblijft dan in zijne bescherming.
1. Een Lied der trappen. Ik zal mijae oogeu opheffen tot U, die iu de hemelen woont. 2. Zie, gelijk de oogen der knechten zijn op de hand hunner heeren; gelijk de oogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw, alzoo zijn onze oogen op Jehovah, onzen God, totdat Hij ons genadig zij. 3. Ontferm U over ons, Jehovah, ontferm U over ons, want wij zijn der verachting veel te zat. 4. Onze ziel is veel te zat des spots der rijken, der verachting der hoovaardigen.
1. Ik zal mijne oogen opheffen tot U. Het is onzeker in welken tijd, en zelfs door welken Profeet, deze Psalm gedicht is geworden, liet komt mij onwaarschijnlijk voor, dat David er de auteur van is, want als hij klaagt over de vervolging, die hij onder de regeering van Saul lieeli geleden, dan is hij gewoon liier en daar een woord in te lassclien, dat op hem persoonlijk betrekking heeft. Naar mijn gevoelen is liet dus veeleer een Profeet, die ten tijde der Babylonische ballingschap dezen vorm van gebed heeft geschreven voor al de geloovigen, of wellicht in den tijd toen Antiochus zijne onmenschelijke wreedheid heeft uitgeoefend. Hoe dit zij, de Heilige Geest, door wiens ingeving de Proleet dezen regel des gebeds aan het volk heeft voorgeschreven, noodigt ons met luider stem om de toevlucht te nemen lot God, telkenmale wanneer de vijanden niet slechts een of twee geloovigen, maar geheel de Kerk onrechtvaardig en trotschelijk vervolgen. Naar mijn oordeel wordt God hier met voordacht gezegd te iconen in den hemel, niet slechts omdat de geloovigen Hem zoo veel macht moeten toeschrijven als zij behooren ie doen, maar ook opdat zij steeds in gedachten Dl. II. öt
801
PSALM 123 : 1â-2.
houden, dut Gods macht in ui hare volheid blijft, beslaan in den hemel, ook dan wanneer er geeneilei hope meer is op de aarde, of liever wanneer hun toestand zoo hopeloos is geworden, dat zij als begraven, ofwel als in een' doolhof verdwaald schijnen te zijn. Kn zoo schijnt dan in deze woorden eene tegenstelling te zijn opgesloten tusschen den toestand dezer wereld, vol van onrust en verwarring, en liet hemelsche Koninkrijk Gods, van waar Hij alle dingen zóó regelt en bestuurt, dal Hij, zoo het Hem goeddunkt, alle stormen en beroeringen der wereld tot bedaren brengt en er rust doet heerschen , hen ter iiulpe komt, voor wie alle hoop verloren scheen, de duisternis verdrijft dooi' een helder licht te laten schijnen, en hen opricht, die gedrukt en ter aaide nedergeworpen waren. En dit bevestigt de Proleet door het woord Opheffen, dat is: wanneer alle aardgt;che middelen ons falen, zoo moeten wij onze oogen naar Bovenlichten, waar God immer dezelfde is, hoe de woede en waanzin der menschen hier op aarde ook alles onderst boven keeren.
2. Zee gelijk de oogen der knechten. Dit beeld is uiterst gepast voor hetgeen hier gezegd woult, want de Profeet geeft er door te kennen, dat zonder de hulp en bescbeiining Gods de geloovigen geene vertroosting of verlichting kunnen smaken, daar zij alsdan ongewapend blootgesteld zijn aan allerlei onrecht en geweld, kracht noch moed hebben om te weerstaan, in één woord, dat zij voor hun heil en welvaren volkomen alhankelijk zijn van eene hulp, die hun van elders moet geworden. Want wij weten, hoe in vroeger tijd de slaven op wreede en smadelijke wijze behandeld zijn geworden, terwijl zij van hun' kant geen' vinger diirlden te verroeren om zich te verdedigen. Terwijl zij dus van alle middelen waren verstoken om zich te beschermen, bleef hun niets anders over dan hetgeen hier gezegd wordt, nl. de hulp hunner meesters in te roepen. Dezelfde verklaring is ook van toepassing op de dienstmaagden. Haar toestand was voorzeker zeer smadelijk en vernederend, maar het loon, dat ons bier wordt voorgesteld^ is zoo groot en heerlijk, dal wij ons niet behoeven te schamen bij slaven te worden vergeleken. Want dil zal ons voorzeker niet schaden, zoo God onze Beschermer is, en ons leven onder zijne hoede neemt; God, zeg ik, die ons voorbedachtelijk ongewapend en van alle aardsche hulp verstoken laat blijven, opdat wij leeren te betrouwen en te rusten in zijne genade, zoodat deze alleen ons genoeg is. Want, daar het in oude tijden eene misdaad was, waarop de doodstraf stond, als een slaat een zwaard ot eenig ander Wapen droeg, en zij
80-2
Psalm 120 : 2âs.
aki us aan allerlei onrecht bloot stonden, liebhen hunne meesters zich met des te meer ijver en bereidwilligheid hunne zaak aangetrokken, wanneer iemand hun ten onrechte leed veroorzaakte. Kn zoo is er dan niet aan tc t\\ijlolen, dat (jod, indien wij ons slechts gansch en id onder zijne hoede en bescherming stellen, en niet steunen op ons /.elven ol op middelen, die wij zeiven uitdenken, ons zal beschermen tegen alle leed en geweld, dal men ons zou willen aandoen. Hel is echter zeker, dat hier eigenlijk de tijd wordt beschreven, toen lid volk Gods zich in een' uiterst ellcndigen toestand bevond, ja schier lol wanhoop was gedreven Dal hel woord J/atul genomen wordt voor Hulp is van algemeene bekendheid.
.1 Ontferm U over ons. Hij vervolgt en bevestigt de vorige leerstelling- Hij had gezegd, dat de geloovigcn , omdat'/ij gansch ternedcrgeslagcn waren, hunne oogen gevestigd hielden op de hand Gods; thans voegt hij er bij, dal zij der versmaadheid zal zijn, waaruit wij opmaken, dal de boozen zich niet slechts le builen gingen in geweld om alles te doen wat hun in den zin kwam, maar dat /.ij door hunne spotternijen de kinderen Gods als het ware onder hunne voelen hebben vertreden. Kn inderdaad, de herhallmg, die groote vurigheid en een zeer diep gevoel uitdrukt, toont mede aan, dat hunne ellende ten top was geslegen, en dat , wanneer bij hel onrecht smaad en beleediging gevoegd worden, dil voor een edel gemoed nog des te grievender is. Daarom klaagt de Profeel hierover, alsol dit het topunl was van hunne rampen. Hij zegt, dal de rijken en lioovaardiijen den spot hebben gedreven met de Kerk, want gemeenlijk zullen /ij, die hoog eu aanzienlijk zijn in de wereld , hel volk Gods smaden en uit de hoogte op hen neerzien, wan! de glans hunner grool-heid verblindt hun de oogen, zoodat zij hel geestelijk koninkrijk Gods als niets achten; ja hoe meer de goddeloozen voorspoedig zijn, en, gelijk men zegt , de lorlum hun toelacht, hoe meer de hoogmoed hen opblaast , en hoe onbeschaamder hij zich openbaart. Inlusschen leer! ons deze Schriltmuplaats, dat hel niets nieuws is, als de Kerk geminachl word 1 dooi de kinderen dezei weield die overvloedig zijn in rijkdom. Kn het is terecht , dal hij de rijken ook me! den naam hoovaardigen bestempelt, wanl de overvloed breng! zeer licht hoogmoed des harten te weeg. Kn voorts, daar wij zien hoe de Kerk reeds van ouds met smaad als overdekt was, en als hel ware smadelijk met den vinger werd nagewezen, zoo moeten wij, als de wereld ons veracht, ook den moed niel verliezen, ol door de boozen ons geloul aan
Ãgt; l*
m
Psalm 123 ; 3â4.
804
hel wankelen laten brengen, als zij op ons smalen en ons door de grievendsle beleedigingen pijn veroorzaken. Want wij moeten wel in gedachten houden wat hier gezegd wordt, nl. dat hel niet maar het hart van één man is, ol' wel van een klein getal personen, maar dal geheel de Kerk niet slechts des gewelds, der wreedheid, des bedrogs en der andere boosheden zal was, maar ook der versmaadheid en des spots. En wij moeien ook evenzeer in gedachten houden, dat al wal er aan hoogheid en trolsche verwatenheid is in de wereld hier gesteld wordt tegenover de Kerk, zoodat zij, gelijk Paulus zegt iniGor. 4:13, voor niets meer dan uitvaagsel en aller alschrapsel gerekend wordt. Wanneer ons dat dus heden ten dage overkomt, zoo laat ons de boozen overlaten aan hun' hoogmoed, lotdat zij er van barsten, en er ons mede vergenoegen te weten, dal wij dierbaar zijn in Gods oogen. Door dit woord Zat zijn, dal om er nadruk aan bij te zeilen twee maal herhaald is, heelt de Profeet eene zeer langdurige verdrukking willen aanduiden, die hel hart der geloovigen met walging en afkeer heeft vervuld. Hoe noodig ons heden deze vermaning is behoeft geen langdurig betoog. Wij zien de Kerk ontbloot van alle aardsche hulp, vertreden onder den voet der vijanden, die overvloed hebben van rijkdommen en gewapend zijn met eene geduchte macht. Wij zien hoe de Papisten stoutmoedig hel hoofd opsteken en hunne spotternijen uitbraken legen ons en legen den geheelen dienst van God. En onder ons, gelijk overal, bevinden zich Epicuriërs, die met onze eenvoudigheid den spot drijven. Er zijn ook vele schrikkelijke reuzen, die ons overstelpen met smaad. En deze onbetamelijkheid heelt reeds geduurd van hel oogenblik al, dat hel Evangelie wederom te voorschijn is getreden lot op den huidigen dag. Wal blijft ons dan anders te doen over dan in de duisternis, die ons van alle kanten omringt, het licht des levens te zoeken in den hemel, en dat onze ziel, hoewel der versmaadheid van allerlei aard zat, hongerend zucht lot God en Hem orn uitkomst bidt?
PSALM 1^-k
INHOUD: Duur de Kerk door God uit eeu zeer groot gevaar gered was, vermaant David de geloovigen om Gode dank te brengen,
Psalm 124 : 1.
en door dit merkwaardig voorbeeld wijst hij er hen tevens op, dat hun heil en welzijn alleen op de genade en kracht Gods gegrond is.
Eeu Lied der trappen, van David. 1. Zonder Jehovah, die voor (nis geweest is, zegge nu Israël. 2. Zonder Jehovah, die voor ons geweest is, toen de menschen tegen ons opstonden. 3. Dan zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstoken was. 4. Dan zouden (nis de wateren overloopen hebben; de stroom zou over onze ziel zijn gegaan. 5. Dan zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.
I. Zonder Jehovah. Sommige Sciiriltvcrkluarders zijn v;in rneening, dal hierjde beklagenswaardige toestand wordt beschreven van de Kerk, loen het overblijfsel des volks naar Babel werd weggevoerd, maar deze meening berust op zeer zwakke gronden. Immers de klacblen, die wij hier lezen, kunnen even goed betrekking hebben op de vervolging, die de Kerk onder de tyrannic van Anüochus had te verduien. Maar aangezien de Psalm den naam van David in zijn opschrift heeft, en historisch verhaalt hoe hel volk wonderbaarlijk uil een zeer groot gevaar gered was, is deze gissing gezocht, dal hetgeen nog niet geschied was als Profetie beschreven zou zijn ; want de Profeten zijn gewoon om op gansch andere wijze van de dingen der toekomst te spreken. Daarom is hel meer waarscbijnlijk dal David hier spreekt van eene bekende geschiedenis, en de geloovigen vermaant om bij zich zeiven na te gaan hoe zij de hulpe Gods reeds daadwerkelijk hadden ondervonden. Toch durf ik hetgeen hier gezegd is niet lol Davids tijd alleen te beperken Wel is hel waar, dal de Heidenen dikwijls krijg hebben gevoerd legen het volk Gods, en dal wel mei zóó groole kracht en macht, dat hun geweld gelijk was aan eene overstrooming; maar dewijl David geene bijzonderheden aanduidt, bezingt hij â naar mijn oordeel â door deze dankzegging niet slechts eene enkele uilredding, maar in hel algemeen elle hulp en bijstand, die God aan zijne Kerk heet! verleend. En wij welen, dat de Heidenen dikwijls en bij verschillende gelegenheden met zooveel geweld tegen de Kerk hebben gewoed, dat zij den ondergang nabij is geweest. David stelt alzoo in een' spiegel den gevaarvollen toestand voor der
805
Psalm 1quot;24 ; 1â3.
Kerk, zooals hij van ilon beginnen aan geweest is, opdat de geloovigen weten, dal zij niel dour hare eigene kraclil in stand gehouden werd, maar door de wondere genade CJods hewaard is gebleven; en opdat zij zieli zouden gewennen le midden van nood en gevaar, Mem aan le roepen.
â¢i. Zonder Jehovah. Ni^l zonder reden hcrliaalt lnj dezen zin. Want, ais wij in gevaar zijn, gaal onze vreeze de perken le buiten; en ais wij er nil verlost zijn, verkleinen wij hel kwaad dal ons overkomen is; en door deze lisl verleidt Satan ons om Gods genade te verdnisleren. Omdat wij dus meestal, als de lleere ons wonderbaarlijk heell bewaard, ons iillerlei ingebeelde omstandigheden vooi stellen teneinde de lierinnering aan Gods genade uit le wissehen, blijft David voorbedaehlelijk slil staan bij de grootheid van hel gevaar, door het volk als ganseh vei-baasd sprekend in te voeren. Zoo laat ons dan weten, dat ons in deze woorden een' teugel is gegeven, om ons bij de bepeinzing van onze gevaren terug le houden, omdat anders hel gevoel van Gods genade in ons hart verstompt zou kunnen worden, he gewone vertaling: Indien de lleere niel voor ons geweest was, drukt niel genoegzaam Davids bedoeling uil, waul David verklaart dal hunne verlossing en heil alleen dour de hulpe Ciods gewei kl was, en hij loonl levens aan, dal die hulpe zeker en ganseh voorlrelïelijk was. Kr zijn hier dus twee dingen onderseheidenlijk op le merken: Dat de lleere gereed en bereid was zijne dienstknechten le hulp le komen en hunne zaak lol de zijne heell gemaakl; en vervolgens, dal zij, die reeds vei loren waren, op geene andere wijze en dooi' geene andere hulp aan hel gevaar hadden kunnen onlkomen. Kn dit leert ons, dal de mensehen aan (lod de eere toekennen van hun welzijn en heil, als zij er van overtuigd zijn, dal Hij hun genadig is, zoodal Hij hen be-seherml en onlrukl aan hel gevaar. In hel tweede lid wordl de onjindige krachl (jods groolelijks verheerlijkl, waarvan Hij genoegzaam blijk heell gegeven door hel volk le verlossen, opdal wij welen, dal zoodanige wijze van bewaring door geene menschen verkregen kan worden. Door hel woord Adam (hetwelk, als hel een verzamelwoord is, de menschen in hel algemeen beleekenl) schijnl David een groot aanlal van vijanden aan le duiden; alsol hij zeide, dal hel volk (!ods niel slechts enkele menschen had le bestrijden, ol wel eene enkele natie, maar dat hel door schier geheel de wereld was aangevallen, hetgeen genoegzaam hieruit blijkt dal alle menschen den Joden \ ijandig gezind waren. Als hij zegl: Zij zouden ons levend verslonden hebben.
Psalm \i'i ; 3âli.
ijeelt liij niet slechts ecne hm Iminsclu! wreedheiil Ie kennen, iniinr wijst lii{ ook op ilc ongelijkheid iIit miiehl. Hij heschiiill dus ten eerste hel heilige vun den iiiinvul, en vervolgens hoe zwiik hunne miichl w;is om den iianvul te weerstaan, aangezien zij niet eens wapens behoefden o;ii hloed te vergieten, maar dal deze wreede dieren zonder slag ot stoot deze weeiiooze kudde gemakkelijk hehhen kunnen verslinden.
4. /gt;nn zouden ons de wateren uverloopen hehhen. IIij stelt de selnikkelijke, woeste aanval der vijanden voor onder een sierlijk heeld, daar hij hem vergelijkt hij eene ovei slrooming, die alles omvurrukt en medeslecspt wal zij op haren weg ontmoel. Kn steeds hlijlt hij nog spreken in het karakter van iemand, die verbaasd en out zei is van vrees. Hij noemt ze eerst Wateren, daarna Stroom, en in de derde plaats herhaalt hij: lgt;e stoute, of lt;ic::ir(il/eii irateren. Hij zegt: Deer oun, over onze ziel, al^ol hij dooi hun de zaak levendig voor oogen te stellen, hen wilde verschrikken. Kn voorzeker is deze heilige laai ook wel in staat eene levendige voorstelling te geven van de zaak, ten einde aan de geloovigen nog levendiger Ie doen hesellen uit welken diepen afgrond zi| door de hand des lleeren opgetrokken zijn. Want hij alleen acht zich Gode verplicht voor zijne hehoudenis, die erkent verloren te zijn geweest voor dal hij werd gered. Het hijwoord '['oen is hier ol demonsli at iel', alsof hij de zaak met den vinger wilde aanwijzen, öl wel het moet genomen worden voor Voormaals. He eerste heteekenis is hier echter meer gepast.
6. Gelooid zij Johovah , die ons iu hunne tanden niet heelt overgegeven tot eenquot; rooi'. 7. Onze ziel is ontkomen, ais een vogel uit den strik der vogelvangers, de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen. 8. Onze hulp is in den naam van Jehovah, die hemel eu aarde gemaakt heeft.
ti. Geloofd zij Jehovah. Thans vermaant hij Je geloovigen om de genade Gods dankbaar te erkennen, en legt hun, als hel ware, daarvoor de woorden in den mond. Ãok toont hij dooi nog een ander beeld, dal bel met hen gedaan zou zijngeweesl, indien God ben niet had ondeisleund, want bij zegt, dat zij op geene andere wijze vei lost zijn geworden, dan wanneer
807
Psalm 124 ; Oâ8.
iemand aan een wreed roofdier de prooi uit de landen rukt. Dezelfde strekking heelt ook hut derde beeld, dat zij van alle kanten gevangen waren in ile strikken en netten hunner vijanden, evenals de vogelkens in nellen gevangen onder de hand van den vogelaar liggen, en toch bevrijd zijn geworden, gelijk als wanneer men do gevangen vogels vrij weg laat vliegen. Waar hel op neerkomt is, dat Gods volk, zwak zijnde, verstoken van raad en ontbloot van kracht, niet slechts met wreede en schrikkelijke dieren had te kampen, maar dat zij ook verstrikt en gevangen waren door bedrog, zoodat zij van slechter conditie waren dan hunne vijanden, zoo wal betrelt den verborgen raad als het openlijk geweld, dus door velerlei dood omgeven waren, waaruit men dus gemakkelijk kan alleiden , dat zij wonderbaarlijk bewaard zijn gebleven.
8. Onze hulp is in den naam van -/c/wra/i. Thans Strekt hij uil lol den voortdurenden toestand der Kerk, hetgeen dc geloovigen reeds hadden ervaren. Want ik verklaar dit vers alzoo, dat hij niet slechts voor ééne weldaad dankt, maai'het uitspreekt dal de Kerk niet anders veilig en in goeden slaat kan blijven, dan wanneer zij beschut wordt door de hand en bescherming Gods. Wat hij bedoelt is, de kinderen Gods op Ic wekken lol goede hope, opdat zij er niet aan twijlden, dat hun leven onder de hoede Gods veilig is. Ln voorts moet uien letten op de tegenstelling tusschen de hulpe Gods, en die middelen, waarin de wereld haar ijdel betrouwen vestigt, gelijk wij gezien hebben in Psalm ~0 : 8: Dezen in wagens, en die in paarden; maar wij zullen den naam Gods aanroepen; opdat de geloovigen, onlledigd en gereinigd van alle valsche betrouwen, alleen van God hulp verwachten, en haar verkregen hebbende, alles, wal Satan en de wereld voor kwaad legen hen beramen, kunnen minachten. Kn hoewel nu de naam Gods niets anders is dan God zelf, is hier toch iets bij op le merken; want daar Hij ons door zijn Woord zijne genade liecfl geopenbaard, hebben wij gemakkelijk toegang tol Hem, zoodal wij Hem niet ver en langs groole omwegen hebben le zoeken. En het i.- ook niet zonder reden, dat hij wederom aan God den eerenaam geeft van Schepper. Want wij weten door wat onrust ons hart beroerd wordt, vóórdat wij de macht Gods verheven hebben lol de hoogte, die haar toekomt, opdal de wereld haar onderworpen zij en zij alleen boven allen en boven alles is. En dit kan niet geschieden tenzij dat dit bij ons vaststaat, dat alle dingen onderworpen zijn aan zijn' wil. Want Hij heelt door de schepping der wereld niet eens voor
8118
Psalm 124 ; 8.
ftoed zijne machl getoond, om haar daarna wederom in te houden, maar hij blijft haar steeds toonen door de wereld te besturen en te onderhouden. Overigens: hoewel allen volmondig erkennen dat God de Schepper is van hemel en aaide, zoodal zelfs de goddelooslen zich zouden schamen om Hem dezen eerenaam te onthouden, zoo geschiedt hel toch, dal wij, zoodra er iels is dat ons verschrikt, van ongeloof overtuigd worden, omdat wij zijne hulp dan als niels achten.
T'SA I.ivr If^o.
INHOUD: Omdat de gcloovigen in deze wereld vermengd zijnde met de goddeloozen, evenals alle anderen aan allerlei rampen schijnen blootgesteld, vergelijkt de Profeet hen bij Jeruzalem, om aan te toonen, dat zij door een onverwinbaar bolwerk zijn omgeven. En indien God soms toelaat dat zij door de kwaadwilligheid der boozen worden gekweld, zoo wekt hij hen op om goede hope te hebben. Opdat de geveinsden zich echter niet toeëigenen wat hier gezegd wordt, onderscheidt hij tusschen de ware en de valsche Israëlieten.
Een Lied der trappen. 1. Die op Jehovah vertrouwen, zijn als de berg Zion, die niet zal wankelen, maar hlijft in eeuwigheid. 2. Gelijk er bergen zijn rondom Jeruzalem, alzoo is Jehovah rondom zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.
1. Die op Jehovah vertrouwen. Deze Psalm verschilt van den vorigen, want daarin weid gezegd dat de Kerk dooi'God bewaard bleet zonder eenige menschelijke hulp, en hier leert de Heilige Geest, dat zij in de toekomst veilig bewaard zal blijven, omdat /ij door de onverwinlijke kracht Gods beschut wordt. En als nu de Kerk voorgesteld wordt onder de ligging van de stad Icsuzalem, dan is liet de bedoeling van den Profeet ieder geloovige op te wekken om de vaste overtuiging te hebben, dat het heil, hetwelk aan geheel het uilverkoren volk beloofd is, ook
809
Psalm 125 : 1â'2.
810
hem loekoml; maar hel zichlbaar lifcld dei' Kerk voor' oo^cn stellende, schikt hij /i( h naar de eenvoudigheid en onweleiulheid van hen, die, weerhouden door de traagheid van hun vleesch, nog aan de aarde blijven hangen. .Men moet hier dus in de eerste plaats opmerken, dal aan hen, die de verborgene bcseherniing Gods nog niet genoegzaam kunnen begrijpen door hel geloof, de hergen, die Jeruzalem van alle kanten omringen, voorgehouden worden als een spiegel, opdal zij er geenszins aan Uvijlelen, dat de Kerk veilig is tegen alle gevaar, niet meer of minder, dan wanneer zij van alle kanten door gelijke muren en bolwerken was omgeven. Overigens is het nuttig te welen hetgeen ik reeds met een enkel woord heb gezegd, nl.dal God, telkenmale als Hij spreekt lot geheel zi jn volk , zijne slem tevens lol ieder hunner in hel bijzonder richt. Want de meesle belollen strekken zich uil lot geheel hel lichaam der Kerk, daarom beschouwen velen ze als ver van hen verwijderd en durven zij ze zich niet toe te eigenen Daarom moet men zich houden aan de orde, die hier voorgeschreven is, nl. dal iedereen op zich zclven toepast en voor zich zeiven aanneemt hetgeen God belooit aan de Kerk iu het algemeen. Maar hel is niet zonder reden dal hij hier Jeruzalem voorstelt als een beeld der Kerk, omdat zich in deze stad hel Heiligdom Gods cn de Ark des Verbonds bevonden. Wal de woorden hetrei'l, zij kunnen op tweeërlei wijze worden verklaard. Want sommigen houden het er voor dat hel eerste werkwoord Lo jinwth â hie nicl znl wankelen, betrekking heelt op Jeruzalem; cn hel laasle, Jvshvh, betrekking heelt op de geloovigen zeiven, zoodal ereene verandering is van getal, hetgeen bij de Hebreen zeer gebruikelijk is. En voorzeker zou de zin ook zeer goed aldus gelezen kunnen worden: Gelijk als de berg Zion niet bewogen zal worden, zoo zullen zij, die op den llecre vertrouwen, eeuwig wonen, ol eeuwiglijk stand houden; want het woord wonen wordt in die beteekenis genomen. Nu begrijpen wij, dal de Proleet wil zeggen: Ulschoon de wereld aan zoo vele cn zoo plotselinge veranderingen onderhevig is, dal zij schier met elk oogenblik van gedaante verandert, cn de geloovigen vermengd zijn met de anderen, en de toestand aan allen gemeen is. zoo blijlt bun heil toch onder de onverwrikbare hoede Gods vast en onbewogen. Met omdal zij in vrede en rusl wonen, maar omdat hun heil Ie vergeefs aangerand wordt, zoo lang zij onder de hoede en bescherming Gods zijn, ol ten minste, dal zij wel struikelen, maar nooit geheel vallen kunnen. Doch laai ons opmerken, dat door het 1 Icbreeuw sclie woord !!abótechim, hetwelk de beteekenis heeft van Zij die hopen, of vencachten, de standvastigheid des gelools wordt
Psalm 125 ; G2â3.
vereisclil. Hij. ilus bc^üt'il door de h;inil (lorls oniVT^lcund le wonlen, inocI iM' diui ook vooi tduri'iid op sluuiicn,1 n \\ ii: vi im^t om er door besclierind le worden, moei er ^ediildi^ onder hlijveii rusten. Waul, ids (led Iiel loelaiil d:il wij dikwijls lier- en derwaarls heen gevoerd worden, ol ids kal' in den wind worden geworpen, dan is onze eigene onstandvasliglieid hier de oorzaak van, daar wij liever in de hiehl dwarrelen, dan ons harl vast te stellen op de rots zijner Imlpe. liet beeld, dal in hel tweede vers gebruikl wordt, is duidelijk genoeg, nl. dal gelijk de bergkelen rondom Jeruzalem als eene soort van muur vormt, zoo omringl (!od dooi' zijne kracht de geloovigen , zoodat alles wal hen zou kunnen schaden, er door algeweerd wordt Zulke spreekwijzen ontmoeten wij meermalen: dal (lod als een muur of horstwering zal zijn voor zijn volk; maar David â ol wie anders de auleur is van dezen Psalm â gaal nog verder, en toont ons de verborgene hoede Gods onder hel beeld van bergen, opdat voor zwakken en onwetenden, die door hunne eigene slompzinnigheid nog aan de aarde gekluisterd blijven, de aanschouwing der hergen eene Imlpe zij om bun geest opwaarts te hellen.
3. Want de sclu-pter der guddeluuzen zal uiet in.sten op het lot der rechtvaardigen; opdat do rechtvaardigen limine handen niet uitstrekken tot onrecht. 4. Jehovah! doe den goeden wol, en dengenen, die oprecht zijn in hunne harten. 5. Maar die zich neigen tot hunne kromme wegen, die zal Jehovah weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid; maar vrede zal over Israël zijn,
1
en gerust leven moeien voorstellen, aangezien hel hun genoeg
Psalm 120 ; 3.
812
moet wezen dat de hulpe Gods luin in den nood nimmer zal worden onthouden. Want, hoewel de hemelsche Vader hen teederlijk liel heelt, wil Hij echter dal zij door het kruis zullen opwaken, opdat zij zich niet al te zeer zullen vertroetelen met hetgeen behaaglijk is aan hel vleesch. Daarom zullen wij, ais wij deze leer omhelzen, ook al is hel dal wij door de tyrannic der hoozen worden verdrukl, loch geduldig verbeiden loldal God hun' schepler verbreekt, of hem aan hunne handen ontrukt, liet is â ik erken het â eene harde beproeving, te zien hoe de smaders van God hunne wreedheid uitoefenen op het erfdeel des lleeren, te zien hoe de geloovigen vertrapt liggen onder hunne voeten ; omdat de lluere echter â en niel zonder goede en rechtvaardige reden â de zijnen wil verootmoedigen, moei dit hun tot troost verstrekken. De reden wordl er bijgevoegd; opdat de rechtvaardigen hezwijkende onder de verzoeking, niet zouden zondigen-, heigeen zeer zorgvuldig opgemerkt moet worden. Want, hieruit leeren wij, dal God onze rampen en tegenspoeden matigl, omdat Hij ons in onze zwakheid wil sparen. Al is het dan ook dal er niel zooveel krachl en standvastigheid in ons is om ook maar een enkel oogenblik in onzen plicht te volharden, zoo moet deze gedachte ons toch steeds bijblijven, dal God ei zorg voor zal dragen dat wij, lernedergedrukt zijnde door rampen, /.ijn' dienst toch niel verlaten. Voorzeker, indien Hij ons ons geheele leven lang zonder ophouden beproeving op beproeving zou toezenden, zoo zou hel kruis ons loch nuttig wezen, want wij zien iioe ontembaar de weerslrevendheid is van ons vleesch, met hoeveel woede hel zich sleeds wederom vertoont, en hoe het zells in opstand koml legen de beproevingen, door welke hel lol gehoorzaamheid gebracht behoorde te worden Daarom is deze waarschuwing des te meer noodzakelijk, dal God te rechter lijd onze verzoekingen matigt, omdat Hij weel, dal wij te zwak zijn om ze le weerstaan. En de Profeet zegt ook, dat niel slechts de zwakken gevaar loopen van le bezwijken, maar dal ook de rechtvaardigen, die God in waarheid en van harte dienen en zich toeleggen om een heilig leven te leiden, onder den iast zouden kunnen neerzinken. Hoe dus ook do vreeze Gods in ons hart leve, zoo laten wij er ons toch wel van bewust zijn, dal wij geene kracht hebben om ten einde toe te volharden, indien de Heere onze zwakheid niet in aanmerking nam. Indien de Heilige Geesl dit nu zegt van de beste en geoefendste strijders, hoe zal het dan den nieuwelingen vergaan, die nog niet geoefend zijn ten stiijde? Er moet ook gelet worden op die wijze van spreken: Dat zij hunne handen niet uitstrekken, waardoor
Psalm 1'25 : 4-5.
liij leert , dat de aanvallen der verzoeking zóó heilig zijn, dat de lianden dei' rechtvaardigen, die te voren als gebonden waren, en wier bewegingen geleid en geregeld waren naar den wille Gods, nu als losgemaakt zijn om zich zonder bedwang ol lerutj-bouding tot het gebed te begeven.
4-. Jehovah, doe den goeden wel. Ofschoon de Profeet aan alle geloovigen de vaste belofte geeft van de tijdige hulpe Gods, begeeft hij zich nu toch tol het gebed, en dat wel niet zonder leden; want, hoe hel geloof ons ook ondersleune, toch zal, omdat ons vleesch intusschen wankelt, bij het gelool het gebed moeten gevoegd worden, om ons hart te versterken. Volgen wij dus dezen regel van den Profeet, die alle geloovigen vermaand hebbende tot standvastigheid, hun tevens leert om niet met over elkander geslagen armen te blijven zitten en in te slapen, maar lot God te gaan en Hem door gebed en smeeking te vragen hetgeen zijn Woord hun gebiedt te hopen en te verwachten, En voorzeker, daar in de duisternis der beproeving Gods hulp niet gezien wordt, maar het veeleer schijnt, alsot er hij God geen onderscheid is tusschen de rechtvaardigen en de goddeloozen, zal het ons goed en nuttig zijn van dit middel gebruik te maken En voorts, hij bidt niet eenvoudig dat God zachtkens zal handelen met de goeden, maar hij omschrijft de goedheid, dooi' te zeggen dat zij voortkomt uit eene oprechte neiging des harten. Want het zou niet genoeg zijn dat de kinderen Gods zich onthouden van alle booze handelingen, indien de innerlijke oprechtheid des harten hier niet aan beantwoordt, ol liever, indien zij niet geheel het leven beheerscht.
5. Haar die zich neigen tot hunne kromme lueyen. Omdat het deelwoord Hamattim in tie vervoeging Hiphil staal, [zou het naar de regelen der spraakkunst eigenlijk in bedrijvenden zin vertaald moeten worden. Omdat echter de werkwoorden in deze vervoeging dikwijls onzijdig genomen worden, is de overzetting, die ik gevolgd heb, aannemelijk. Daar evenwel de actieve be-teekenis niet minder juist en gepast is, moet de keus hierin vrij blijven. De zin is, dat God de boosheid niet altijd voorbij zal zien van hen, die roemen op eene onoprechte belijdenis, zich aan hunne lusten en begeeilijkheden overgeven en de een-voudigen verderven door hen lot eene zeilde uitspatting der zonde mede te sleepen. Want ik twijfel niet of hij spreekt hier van de geveinsden, die door de tijdelijke straffeloosheid zoozeer verhard worden, dal zij hel wagen plaats te nemen onder de
813
Psalm 125 : 5.
lieiliiien, oimlal fiod hen verdraag! en spaart. Wij /ien, dat niet slerlils de goeden in deze wereld vermengd zijn met de hoozeii, maar dat ook op den dorsrlivloer Gods de tarwe onder liet kal verborgen ligt. In dezen Iwijlelacliligen en verwarden loesland gaan de boo/.en zich lrolschelijk verliellen, alsof zij de beste dienslknecblen Gods waren. Daaiom moeien wij God bidden, dat Hij hen aan het licht zal brengen, en dat Hij hen mei de wei kers der ongerecliligheid lieenwerpe lot de slral', die zij hebben verdiend. Hieruil volgt de rrede, die hij wenscht over Israïl. l-.ii hij spreekI hier niet slechts van het vleeschelijk zaad Abrahams, vei.deer wenscht hij dal de Kerke Gods gezuiverd worde van tie geveinsden, die er eene plaals in innemen, totdat God zijne hand opbelt om te oordeelen. Daarom heb ik gezegd dat de vrede der Kerk hieruil voortkomt, dal God door eene rechtvaardige wrake te oelenen over de valsche Isiaëlieten, die bare ingewanden verscheuren, de oprechten van hart bijeen vernadert, en door zijn' zegen openlijk blijk geelt van zijne vaderlijke gunst en liefde voor hen.
PHAl.M 1^lt;gt;.
INHOUD: Deze Psalm bestaat uit drie deelen. In liet eerste vermaant de Profeet de geloovigen, die uit de gevangenschap waren wedergekeerd, tut dankbaarheid, en verheerlijkt hij giootelijks de genade hunner bevrijding, opdat, zij voor zeker zouden weten dat /.ij door de macht Gods, en niet zoo maar bij geval, ot dooide goedheid van meuschen, naar hun land teruggebracht zijn. In het tweede wordt er de bede bijgevoegd, dat God het werk. dat Hij heeft begonnen, zal voleindigen. Kindelijk, hoewel hunne volledige wederherstelling nog niet zichtbaar is voor hunne oogen, verlicht hij het verdrietige van het langdurige uitstel. En voorts verklaart hij, dat hoewel het zaad besproeid is met tranen, er een liefelijke en blijde oogst uit zal voortkomen.
Een Lied der trappen. 1. Als Jehovah de gevangenen Zions wede.rbrachi, waren wij gelijk degenen, die droomen. 2. Nu zal onze mond vervuld worden van lachen, en onze tong met blydachap; nu zal men zeggen ondet
814
Psalm I2G : 1â2. 8If.
de Heiilenen, Jehovah heeft heerlijk en groot met dezen gedaan. 3. Jehovah heeft groote diiigen liij ons gedaan, waarover wij verhlijd zijn geweest.
'I. Als Jehovah de (jevaiinenen Zion.i wederhracht. De verklai ini; van sommige S(;liiilliiilleggers dal dit eene Prolelie i-^ van loe-komslige gebem lenissen, is slroel en gewrongen. Ik voor mij Uvijlel niel dal de Psalm gedicht werd na den terugkeer des volks; daarom lieb ik liet werkwoord Heshoeb in den verleden tijd genomen. Wie nu ook uit de Levieten, ol nil de Proleten, de auteur moge zijn, hij /.egt dal de wijze, waarop de hevrijding plaats heelt gehad, le wonderbaar was, om aan bet Toeval le worden loegeschreven, opdat de geloovigen hieruit leeren, dal de Profetie van Jereinia vervuld is, die zeventig jaren als den duur der gevangenschap bad aangewezen (.leremia 2.quot;): 12; 21): 10). Kn door het woord droomen, dal iels ongeloolelijks le kennen geelt, wijst hij er op, dat hier geene plaats is voor ondankbaarheid. Want, als God met gewone middelen werkt, zijn de menscben in hunne verkeerde neiging gewoon allerlei oorzaken Ie, vei zinnen, waardoor de genade Gods verduisterd wordt. Dewijl nu in den teiugkeer des volks een zoo grool wonder openbaai werd, dat alle de gedachten der menscben er als voor wegzonken, worden wij er door gedrongen het volheerhjke werk Gods er in te erkennen. Dat is de reden waarom hij de bevrijding des volks vergelijkt bij een' droom; alsol hij zeide: liet is er voorzeker zóó verre vandaan, dat eens menschen versland deze onvergelijkelijke weldaad Gods zou kunnen begrijpen, dat wij zells hij de gedachte er aan wegzinken van verbazing en bewondering, alsol bet een droom, en geene werkelijkheid was. Welk een snoodheid dus om er den Werker niet van le erkennen! Overigens is hel de bedoeling niel van den Proleel te zeggen, dat de geloovigen zóó stompzinnig en verdwaasd waren om niel Ie. besellen, dat zij door de hand Gods waren verlost, maar alleen dat zij verbaasd waren, en naar hel gevoel van bun vleesch gansch overslelpt, zoodal zij onder elkander sprekende over deze verlossing alsof het iels gewoons ware, de macht Gods niel genoeg naar waarde zouden schallen. .Men zou ook hel woord Shihath kunnen overzeilen door Terugbrenging, gelijk sommigen ook doen, en dan zou de analogie ook juisler zijn. Omdat dit ei hier weinig verschil oplevert voor de be-teekenis, is bel genoeg' oiu den lezer als in het voorbijgaan hierop opmerkzaam le maken.
â
Psalm 120 : 2â3.
81G
2. Nu zal onze mond vervuld worden van 'lachen. Men is gewoon hol bijwoord Az schier altijd dooi' loen le veilalen, omdat echter de werkwoorden in den toekomenden tijd staan, kunnen zij, naar mijn gevoelen, zeer goed aldus overgebracht worden: Nu zal vervuld worden, en Nu zullen zy zeggen. Lven-wel, als wij het gevoelen aannemen van sommige Hebreeuwsche geleerden, dat de kracht van dit rededeel de toekomende lijd in den verleden tijd verkeert, dan zal de zin goed vloeien. Hoe dit zij: de bedoeling van den Proleet is niet duister, want hij wil dat het volk zich zoo zeer zal verblijden in zijn terugkeer, dat zij de genade Gods niet in vergetelheid begraven. Daarom beschrijlt hij hier geene gewone blijdschap, maar eene die hun hart zóó doet overvloeien, dat zij er door slem en gebaren op buitengewone wijze uiting aan moeten geven. Intusschen wijst hij er hen ook op, dal hel eene vreugde is, waarin de kinderen Gods kunnen rusten, dal hun de terugkeer naar hun land gewaarborgd is. Want, gelijk er niets ellendigei i^ dan in ballingschap te moeten leven, waar zij als afgesneden waren van het erkleel, dat God hun had beloofd, zoo is ei ook niets begeerenswaardiger dan in het bezit, er van weder hersteld te worden. Dewijl dus hun terugkeer naar bun land een getuigenis was van de vernieuwde aanneming Gods, is het niet te verwonderen, dal de Proleet zegt, dat hun mond vervuld is geweest van lachen, en hunne long met blijdschap. Zoo betaamt het ook ons eene gelijke blijdschap le gevoelen, als God zijne Kerk bijeenvergadert, daar wij voorzeker al te hard van hail zijn, indien de treurige verwoesting der Kerk, geene smart en tranen bij ons opwekt. Daarna gaat de Profeet verder, zeggende, dal dil wonder zelfs door de blinden opgemerkt is geworden. Want wij welen, dal de Heidenen te dier tijd in duisleinis omgedoold zijn als blinden, omdat geen sprankje van de kennis Gods onder hen gloorde; en toch is de kracht en macht Godgt; zoo blijkbaar voor hunne oogen geopenbaard, dat zij genoodzaakt waren volmondig te erkennen, dat God heerlijk en groot met zijn volk gedaan heeft. Daarom zou de onverschilligheid dei-Joden zooveel le schandelijker zijn geweest, indien zij niet uit volle borst de genade Gods hadden bezongen en verheerlijkt, die zelfs onder de ongeloovigen zoo groot en schitterend een lot had verkregen. Men moei ook letten op de uitdiukking, die met kracht en nadruk le kennen geelt, dal de heerlijke macht Gods in deze verlossing door de Heidenen erkend is geworden. Onmiddelijk daarna herhaalt hij dezellde zaak in zijn eigen persoon en in de Kerk, aliof hij zeide: Zoo laat ten minste eene zelfde
Psalm 126 : 3â4.
belijdenis uil onzen mond i^elioord worden, die God aan dien der ongeioovigen ontwrongen lieell. Als hij er bijvoegt, dat zij verhlyd zijn geweest, ligl daar eene tegenstelling in opgesloten tussclien de nieuwe blijdschap en de aanhoudende droefheid, die zij gedurende hunne ballingschap hadden gevoeld. En hij verklaart uitdrukkelijk, dat de vreugde hun wedergeschonken was, opdat de geloovigen des te meer zouden beseffen hoe treurig hun vroegere toestand is geweest.
4. ü Jehovah! wend onze gevangenis gelijk water-stroomen in het Zuideu. 5. Die met tranen zaaien zullen met vreugde maaien. 6. Gaande, zal hij gaan en weenen, den prijs dragende van het zaad; komende zal hij komen met gejuich, dragende zijne schoven.
4. O Jehovah, wend onze gevangenis! Gelijk ik gezegd heb, lie vat hel tweede gedeelte een gebed, dal God het overblijfsel der gevangenen bijeen zal verzamelen. En de Heilige Geest heelt dezen vorm van gebed ingegeven aan de Joden, die reeds weder in het bezit, waren van hun land, opdat zij hunne arme, min bevoorrechte broederen niet zouden vergeten. Want, hoewel aan ai hel volk de viijheid was gegeven om terug te keeren, weten wij toch dat hel getal dergenen, die van deze vrijheid gebruik hebben gemaakt, klein was, in vergelijking met de quot;loole menigte, die achterbleven. Want sommigen zijn weerhouden door vrees, anderen uit traagheid en gebrek aan geestkracht in het gezicht der dreigende gevaren, die zij niet dachten te kunnen ontgaan ; en zoo bleven zij liever rondwentelen in hunne onreinheid, dan eene reize Ie ondernemen, waaraan zoo vele moeielijkheden en gevaren waren verbonden. Hel is ook waarschijnlijk dat velen van hen de voorkeur gaven aan de rust en de gemakken van hel tegenwoordige leven boven hun eeuwig heil. Helleen Jesaja voorspeld had is voorzeker in vervulling gegaan, Ie weten: dat al was ook hel volk zoo talrijk als hel zand aan den oever der zee, zoo zal toch slechts hel overblijfsel vei lost worden. (Jes. 10 : 2'2). Aangezien dus velen de weldaad, die hun was aangeboden, openlijk verwierpen, en de vrijheid, die zij door het welbehagen des Konings hadden verkregen, met vele moeielijkheden en hinderpalen gepaard ging, zoodal slechts weinigen van de betergezinden en de kloekmoedigsten, nauwelijks den voet Dl U. 52
817
Psalm I^B : 4â5.
durfden bewegen, is hel niet le verwonderen dal de Profeel der Kerke nogmaals beveelt gebeden lol God op le zenden voor hun' lerugkeer. Daarbij moei men ook lellen op den loesland van hen, die quot;teruggekeerd waren. Want hel land was in bezil genomen door vreemdelingen, die hunne gezworen vijanden waren, zoodal zij in hun eigen land niet minder gevangenen waren dan in Babyion. Daarom was hel in tweeërlei opzicht noodzakelijk, dat de Kerk vurige gebeden opzond lol God om de verstrooiden bijeen le vergaderen, te welen, dal Hij moed gal aan de vrees-achligen, de slapenden zou wakker schudden, en de verdwaasden aan hunne genietingen en hunne weelde zou ontrukken, in één woord, dat Hij aan allen de hand zou reiken om ben le leiden en le besturen; en vervolgens, dal Hij rust en vrijheid zou geven aan het volk, dat reeds wedergekeerd was. Velen denkeen dal dit de zin is van bel beeld, dat er bijgevoegd is; Dat dil hun even aangenaam en lieielijk zou wezen, als wanneei water door de woestijn stroomt. Kn wij welen hoe zwaar en moeielijk hel is om door eene heele zandwoestijn le reizen. Hel Zuiden wordt genomen voor de woestijn, omdat de Zuidelijke landstreek naar den kant van .ludea woest en schier onbewoonbaar
Is. Het komt mij echter juister voor le zeggen dat de genade Gods hier door den Proleet wordt verheerlijkt en verhoogd; door haar te vergelijken bij een wonder, alsol hij zeide: Hoe moeielijk hel ook zij het verstrooide oveiblijtsel lol één lichaam te doen worden, zoo is dit voor de macht en bet welbehagen Gods, als wanneer Hij waterslroomen doel vloeien door eene dorre'woestijn. Inlusschen zinspeelt hij ook op het midden van hunne leize gelijk men kan opmaken uit de ligging dezer landstreken. Aldus zou men aan deze woorden niets moeten toevoegen, zoodal zij dan eenvoudig beleekenen: Gelijk eene rivier dooi eene dorre en onvruchlbaie landstreek vloeit. En voorzekei. aan hel volk, dal als in een' diepen afgrond neergestort was, een' weg le openen, dat is, gelijk als levende wateren door de woestijn te doen vloeien.
5. Die met hanen zaaien. Naar mijn oordeel moet deze zin niet minder uitgestrekt worden tol de toekomst dan verslaan worden van hel verleden. De wegvoering der Joden naai Dabei was hun als een zaaitijd; want God had door den Proleet .lerenua luin hart opgeheven lot de hope van den oogst; inaar hel was niet zonder groote droefheid en kwelling, dal zij in zoo verre ballingschap werden gezonden, liet was dus evenals in lijden van hongersnood de arme landbouwer, die reeds den prikkel
818
Psalm 1^6 : 5â(i.
gevoelt van den honger, genoodzaakt is zijne gewone spijze in Ie krimpen, ten einde te voorzien voor hel volgende jaar. Hoe hard en moeieiijk dit nu ook is, toch wordt hij door de hoop op den oogst opgewekt om le zaaien. Toen de Joden dus in ballingschap gingen, zijn zij voorzeker niet minder treurig geweest dan hij, die in den tijd van onvruchthaai heid liet kostbare zaad uitstrooit in de aarde; doch dal een blijde oogst gevolud is, toen zij verlost werden, want de lleere heelt hun als met een zeer overvloediger! oogst groote blijdschap geschonken. Nu komt het mij voor dat de IVofeet de geloovigen levens vermaant lot geduld en lijdzaamheid in de toekomst, want de herstelling dei-Kerk was nog niet volbracht, veeleer blijkt hel duidelijk om twee redenen, die ik boven reeds heb aangeduid, dal het toen nog slechts de zaaitijd was. Want hoewel het edict des Konings al de .loden uilnoodigde om terug le keeren, zoo zijn van de velen toch slechts weinigen, en dal in kleine troepjes of gezelschappen, langzaam en zeer schroomvallig wedergekeerd. Daarna zijn zij door hunne naburen mei vijandige hardheid ontvangen, en werd hun zoo veel leed en overlast dooi' dezen aangedaan, dal hunne vorige slavernij hun draaglijk scheen. Hieruit leeren wij, dal zij nog veel hadden te lijden, omdat de tijd des oogstes nog niet daar was. Daarom vermaant hij hen voortdurend om kloekmoedig le arbeiden, onder de onophoudelijke moeielijkheden en beletselen steeds voorwaarts te gaan zonder den moed te verliezen, totdat eindelijk voorspoed en welslagen hun deel zou zijn. Wat de woorden betreft, sommigan vertalen het Hebreeuwsche Woord Mêsheclt dooi 1'rjjs, anderen door Mand, ol' zaadkorf. Deze laatste overzelling houdt geen steek. Zij, die heldoor LVys vertalen, voeren de plaats aan uit Joh (hooldst. 28. 18). De prijs der wijsheid is beter dan alle paarlen. Aangezien echter het werkwoord Mashach, waarvan het naamwoord is afgeleid, Uitstrekken, of verlengen, beteekenl, kan het wezen dat het woord zoowel hier als in die andere plaats zeer goed in den eigenlijken zin genomen kan worden. Want hel schijnt dat de Profeet aan die plaats de verborgene wijsheid looft, veeleer dan vernult o! schranderheid, en zoo zal men dan zeggen, d;ii de uitgestrektheid der wijsheid, d. i het voortdurende vasthouden er aan. van wege hare diepe wortelen, beier is dan paarlen. Evenzoo heeft hier de verlenging van hel zaad betrekking op de landbouwers, en wel zoo, dal zij, ids zij zaaien, hun leven uitstrekken of verlengen. Wil men echter liever hel woord Frijs behouden, dan zal de zin wezen, dal, wanneer er een weinig koren is, men het zaad met tranen iu de aarde strooit, omdat
5^
819
Psalm 126 : 5â6.
hel zoo kostbaar en duur is. Nu heefl deze leer nog eene wijdere strekking. Wij welen dal aan eene andere plaals ons leven bij zaad wordt vergeleken; en nu zal het dikwijls gebeui en dal mei tranen gezaaid moet worden; opdat nu onze moed dooi geene treurigheid ter nedergeslagen wordt, moeien wij ons hart ophullen door de hope op den oogst. Voorts moeten wij ons herinneren, dat niet alle Joden, die naar Babyion werden gevoerd, gezaaid hebben, want er waren velen, die zich verhard hadden legen God en tegen de Proleten, en daar zij op geene bedreigingen hadden acht geslagen, zijn zij ook versloken gebleven van de hope op terugkeer. Diegenen dus, welke dooi zoodanige wanhoop waren aangegrepen, zijn omgekomen in hunne ellende; maar zij, die ondersteund werden door Gods belolle, bleven in hun hart de hoop koesteren op den oogst, hoewel zij het waagden om in een' lijd van groote schaarschle hun zaad in de aarde uit ie strooien. Opdat dan ook onze tegenwoordige droefheid door blijdschap gevolgd worde, zoo laat ons leeren onzen blik gericht le houden op de Verlossing, die God heelt beloold. Aldus zullen wij ervaren, dal deze Proletie aan alle geloovigen loekoml, nl. dal God niet slechts de lianen van liunne oogen zal afwisschen, maar ook hun harl met eene onwaardeerbare blijdschap zal vervullen.
PSALM 1:^7.
INHOUD: Hij toont aan dat zoowel de burgerlijke als huiselijke toestand der wereld niet door de bekwaamheid, vlijt of voorzorg der menschen, maar alleen door den zegen Gods in wezen wordt gehouden; en dat de voortplanting van het menschelijk geslacht eene bijzondere weldaad Gods is.
Een Lied der trappen van Salomo. 1. Zoo Jehovah het huis niet bomvt, te vergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zoo Jehovah de stad niet bewaart, te vergeefs waakt de wachter. 2. Het is te vergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood
820
Psalm 127 : 1.
der smarten; het is alzoo, dat Hy zijn' beminden slaap geeft.
1. Zoo Jehovah, het huis niet houwt. Er is geene enkele retlen waarom de Joden ontkennen, dat deze Psalm door Salomo gedicht is. Zij denken, dal de lelter Lamed de beteekenis heelt van Ten behoeve van Salomo, hoewel hel gewone gebruik hiermede in strijd is, want overal elders wordt door dit opschrilt de auteur aangeduid. Daarom hebben zij ganscb ongepast een nieuw verzinsel uitgedacht, aangezien hel ganscb natuurlijk is, dal Salomo, die in staatszaken ervaren was, in den geest der wijsheid handelt over dingen, die hem goed bekend waren. En nu verklaart hij dal tie wereld, alsmede hel leven der menscben, dooi' God bestuurd worden, en wel om twee redenen. Ten eerste, omdat, wanneer aan de menscben iels goeds wedervaart, hunne ondankbaarheid terstond openbaar wordt, doordal zij het aan zich zeiven toeschrijven, zoodal God berooid wordt van de eer, die Hem toekomt. Om nu deze booze neiging tegen te gaan, zegt Salomo, dat ons geen goed wedervaart dan door den zegen Gods op onze werkzaamheden. In de tweede plaats was hel zijne bedoeling hel dwaze betrouwen neder te werpen van de menscben, die. God vergelende, alles in eigen kracht en wijsheid durven ondernemen. Hun dus ontrukkende hetgeen zij willekeurig aan zichzelven toeschrijven, vermaant hij ben tot ootmoed en wekt hen op om God aan te roepen. Intusscben verwerpt hij toch geenszins den arbeid of de ondernemingen der menscben, want hel is eene prijzenswaardige deugd, om waardiglijk te volbrengen hetgeen onze roeping ol ambt is, want de Heere wil nie!., dal wij als blokken hout zijn, ol'dat wij met de armen over elkander zitten zonder iets uit te richten, maar dat wij al de gaven en bekwaamheden gebruiken, die Hij ons gegeven heelt. Wel is bet waar dat de meeste arbeid voortvloeit uit den vloek Gods, maar al zouden wij ook nog in de onschuld van onzen oorspronkelijken staal verkeeren. dan zou God toch willen, dal wij arbeiden, gelijk wij zien, dal Adam in den hol geplaatst was om hem te bebouwen- Daarom veroordeelt Salomo de naarstigheid niet, die God goedkeurt, evenmin als den arbeid, dien de menscben gewillig op zich nemen naar bel gebod Gods, en die Hem dus een welgevallig offer is; maar opdat zij, verblind zijnde door hoogmoed, zichzelven niet toe-ëigenen wal alleen aan God toekomt, wijst hij hen er op, dat hel hun lot niets nul is zoo zij zich veel moeite geven, indien
821
Psalm 127
1.
God luin' arbeid niet zegenl. Door hel Huis verstaal hij niel slechts een gehouw van lioul en steen, maar geheel de huiselijke orde, gelijk hij een weinig daarna mei liet woord Stad niet slechts de gebouwen ol' de omheining der muren en wallen bedoelt, maar ook geheel den staat. Kvenzoo is er ook een Synecdoche in de woorden Bouwlieden en Wachter, want hij verklaart in hel algemeen, dat alle arbeid, overleg en vlijt, die de menschen aanwenden om een gezin te onderhouden, ol eene stad te bewaren, ijdel zijn, indien de lleere van den hemel geen .â¢oeden uilslag voor dat alles gebiedt. Nu moet men zich herinneren wal ik vroeger reeds met een enkel woord heb gezegd, nl. dal de menschen over hel algemeen door zoo buitensporigen hoogmoed bevangen zijn, dal zij God gering achten en hunne eigene bekwaamheid hemelhoog verhellen, en dal er daarom niets beters is dan hen op hunne plaats le zetten, opdat zij gevoelen, dal al hun streven op niets zal uilloopcn, tenzij de Heere door zijne genade hel voorspoedig maakt. Als de Philo-sophen over den staat redeneeren, welen zij voorzeker alles bijeen te verzamelen wat hun daarbij le pas komt. Met groote schranderhid wijzen zij de oorzaken aan om een slaat op le richten en uil te breiden, evenals zij ook de gebreken aanduiden waardoor eeu welgeordende slaat gewoonlijk le gronde gericht wordt. In één woord, zij redeneeren met groote bekwaamheid over al 1 iel geen hieromlrent geweien moet worden liet voornaamste punt vergelen zij echter, en wel dit, dat de menschen niets doen kunnen, hoe voortrellelijk zij ook zijn in wijsheiden deuquot;d, en niets van hetgeen zij ondernemen, wezenlijk lol stand kunnen brengen, indien God hun zijne hand niel reikt, ol liever hen als zijne werktuigen gebruikt. Wie van de Pliilosophen heelt ooit erkend, dal de staatsman niets anders is dan een omaan, dat door de hand Gods wordt besluurd ? Veeleer hebben zij de voornaamste oorzaak van een' gelukkigen slaat in de kracht des menschen gelegd. Dewijl dan do sleiTelijke mensch in zijn' heiligschennenden hoogmoed zich onderstaat sleden te bouwen en den slaat der geheele wereld l,c regelen, is het lerecht dal de Heilige Geest dien waanzin bestralt. Laten wij ons dus, een ieder naar de mate zijner gave en bekwaamheid en naai den plicht, dien zijn ambt hem oplegt, beijveren om voor iedere gelukkige gebeurtenis aan God alleen den lol toe le kennen. Wanl ook hel verdeden hiervan, dal velen er op hebben gevonden, is goddeloos: dat hij, die zich kloekmoedig heelt gedragen, de helft van den lol hiervoor aan God zal toekennen, en de andere hellt voor zich zal behouden, want alleen de zegen
Psalm 1-27 : 1â2.
Gods moet lieei'schen en in zijne voile kraehl blijven, indien onze amdsclic loesland alleen van hel welbehagen Gods al'liangl, niet welke vleugelen zullen wij dan naar den hemel vliegen? Indien men een huis in orde brengt, of zich eene zekere manier van leven kiest, ja zelfs, indien men wetten uitvaardigt en recht spreekt, dan is dit alles toch niets anders dan een kruipen op de aarde, en toch verklaart de Heilige Geest dal onze pogingen en ons streven ook te dien opzichte ijdel en waardeloos zijn. Daarom is de dwaasheid van hen nog zoo veel Ie minder verdraaglijk, die door hunne eigene kracht lol den hemel zoeken te komen. En voorts kunnen wij uit deze leerstelling afleiden, dal hel niet te verwonderen is, dal heden ten dage de dingen zoo verward en beroerd zijn in deze wereld, dat in de steden de gerechtigheid veijaagd wordt, dat man un vrouw elkander beschuldigen en ouders zich beklagen over hunne kinderen, in één woord, dal allen ontevreden zijn met hun' toestand. Want waar zal hij gevonden worden, die zich in zijne roeping lol God wendt, en zich niet veeleer hoovaardiglijk tegen liem verheit? Hel is dus rechtvaardig dal God dit droeve loon uitreikt aan de ondankbare menschen, als Hij van zijne eer wordt beroofd. Indien allen zich ootmoedig aan de voorzienigheid Gods onderwierpen, dan zou de zegen, dien Salomo hier prijst, ongelvvijleld in ieder deel van ons leven gezien worden, zoowel in het openbaar als in den huiselijken kring Hel llebreeuwsche werkwoord Amal, dat wij vertaald hebben door arbeiden, beteekent niet slcchls zich met iels bezig houden, maar er zich op afsloven. Ik heh gezegd dal met Wachters niet alleen diegenen bedoeld worden, die de wacht houden, maar ook de rechters cn magistraten, indien er in hen eenige waakzaamheid is, dan is dit eene hemelsche gave. Maar er is nog eene andere waakzaamheid noodig, de waakzaamheid Gods, want indien Hij van den hemel niet waakt, dan zal geenerlei voorzorg der menschen volstaan om hen legen gevaren te behoeden.
2 Het is te vergeefs dat (jijUeden vroeg opstaat. Salomo verklaart nu nog meer ten volle, dat de menschen zich te vergeefs afsloven zich doen vermageren door zich voedsel te onthouden teneinde zich rijkdommen te verwelven, winl ook dit is alleen eene weldaad Gods. En om hen nog krachtiger te treffen, wendt hij zich hier tol iedereen in hel bijzonder. Het is te vergeefs, zegt hij, dat gij vroeg opstaat. Nu noemt hij twee middelen, die zeer in aanzien zijn om rijkdom te verwerven Want het is geen wonder dal diegenen zeer spoedig schatten vergaderen,
823
Psalm 127 : %
8-24
die dag en nacht besleden aan liun' arbeid, en er op bekiompene manier van leven. Maar Salomo verklaart dal men door zulk een sober leven niets zal winnen, evenmin als door vlijt en arbeidzaamheid. Niet dal hij hel alkeurl om sober en matig le zijn, en vroeg op le slaan om zich aan den arbeid le begeven; maar ten einde ons op le wekken lol gebed en het aanroepen van God, alsmede om dankbaarheid bij ons aan Ie prijzen, brengt hij de dingen, die de vrije genade Gods verduisteren, tol niets. Dan eerst zullen wij dus op de rechte wijze beginnen, als onze hoop alleen op God is gevestigd, en dan zullen ook de dingen naar wensch gaan. Doch indien zich iemand veel moeite geelt, maar God niet mederekent, zal hij zich m zijne roekelooze vaart ten verderve spoeden, liet is dus volstrekt de bedoeling niet van don Profeet om de menschen lol niets doen le bewegen, zoodat zij hun leven lang nergens hunne gedachlen aan geven, maar inslapen en zich aan traagheid overgeven; maar dit bindt hij hun op hel harte, dal zij, ijverig arbeidende aan heigeen God hun op de handen heelt gezet, toch altijd beginnen met gebed en met hel aanroepen van zijn' naam, Hem hun' arbeid aanbiedende, opdat Hij hel zegene. Het hrood der smarte kan op Iweeerlei wijze verklaard worden: ol' een zoodanig brood dat door zwaren en moeizamen arbeid verkregen is, 61 wel een brood, dal men nultigt met verdriet, gelijk wij zien dal gierige en vasthoudende menschen nauwelijks een stuk brood eten, ol zij zouden hel zich wel weer uil den mond willen rukken. Maar hel is van weinig belang welke van die twee beteekenissen men kiest; want er wordt ons eenvoudig geleerd, dal hel den menschen geen voordeel oplevert gierig te zijn, en zich het brood dal zij eten niet le gunnen. Het is alzoo dat Hij geeft. Dat beteekent, dal de zegen Gods, waarvan hij gesproken heelt, in waarheid in zijne kinderen en dienstknechten gezien wordt. Want hel is niel genoeg de leer aan te nemen, dat alles wal de menschen pogen te doen nulteloos is, indien ei niel de belolte wordt bijgevoegd, zoodat zij door eene welverzekerde hoop hunquot; plicht blijmoedig volbrengen. Nu kan men lezen: Hij zal zijnen beminden slaap geven, o'; Hij zal de dingen, die de ongeloovigen dooi' hunne eigene kracht en inspanning zoeken te verkrijgen, in den slaap geven. Hel woordeke Alzoo moet vastheid en welverzekerdheid aanduiden, omdat Salomo, om te beter te overtuigen van hetgeen ongelooflijk en labelachlig schijnl, nl. dal God aan de geloovigen spijze geelt, zonder dat zij er veel zorg of moeite om hebben, de zaak als het ware mei den vinger aanwijst. Want hij spreekt alsol God door de leedere
Psalm 127 ; 2
zoige, die Hij over lien heelt, aan de traagheid zijner dienst-knechten vuedsel geelt; omdat wij echter weten, dat de menselien geschapen zijn onder voorwaarde dat zij arbeiden, en, gelijk wij in den volgenden Psalm zien zullen, dat de dienstknechten Gods gelukzalig geacht worden als zij eten van den arbeid hunner handen, is het zeker dat met dit woord Slaap geen toestand van werkeloosheid wordt bedoeld, maar een rusticen arbeid, waaraan de geloovigen zich onderwerpen door de gehoorzaamheid des gelools. En vanwaar komt die groote ijver bij de onge-loovigen, waardoor zij geen' vinger verroeren kunnen ol' zij moeten veel omslag en geweld er bij maken, dat is: dat zij zich kwellen met allerlei onnoodige zorgen? Is het niet omdat zij niets op rekening van de voorzienigheid Gods stellen? Maar de geloovigen, hoewel zij een zeer werkzaam leven leiden, gehoorzamen met kalmte aan de roeping Gods. En zoo zijn hunne handen niet ledig, maar hun geest rust in de stille desgeloofs, alsof zij sliepen. Indien nu iemand de tegenwerping maakt, dat de geloovigen toch dikwijls beioerd worden door zorgen, die hen kwellen, en, gedrukt zijnde door groote armoede en ontbloot van middelen, in kommer zijn voor den dag van morgen, zoo antwoord ik: Indien het gelooi en de lielde tot God volkomen was in zijne dienstknechlen, dan zou de zegen, waarvan de Proleet spreekt, ook meer blijkbaar wezen. Telkenmale als zij dus gekweld worden, is dit door hunne eigene schuld, omdat zij niet volkomen rusten en betrouwen op de voorzienigheid Gods. Ik voeg er nog bij, dat God hen strenger strait dan de ongeloovigen, omdat het hun nuttig is vooi een' lijd heen en weer geschud Ie worden door onrust, opdat zij dan eindelijk tot die vreedzame rust mogen geraken. En intusschen zal de genade Gods loch altijd de overhand hebben, en te midden der duislernis uitblinken, omdat de lleere zijne kinderen als in den slaap voedt en koestert.
3. Ziet, de kinderen zijn een erfdeel van Jehovah, de vrucht des Imiks is zijne belooning. 4. Gelijk de pijlen zijn in de hand des sterken, zoodanig zijn de zonen der jeugd. 5. Welgehikzalig is de man, die zijn' pijlkoker met dezelve gevuld heeft; want zij zullen niet beschaamd worden, als zij met hunne vijanden zullen spreken in de poort.
825
Psalm 127 ; 3â4.
826
3. Ziel, dc kinderen zijn een erfdeel can Jehovah. Salomo noeinl liier eenc bijzonderheid, waarin liij bovenal wensebl dal erkend zal worden licli;een hij eerst in hel algemeen heell verklaard, namelijk, dal hel leven der menschen door God wordl geregeld en besluurd. Niels schijnl naluurlijker dan dat de menseh zich voortplant. Zoo denken de meeslen, dat God dit alzoo van den beginne geregeld hebbende, er zich nu verder niet mede inlaat, en dat de kinderen dus door eene verborgene werking der natuur voortgebracht worden, en zelfs diegenen, die niet van allen zin van godsvrucht ontbloot zijn, ontkennen wel niet dat God de Vader en de Ooi sprong is van het mensdielijk geslacht, maar zij erkennen toch ook niet, dat zijne voorzienige zorg zich hierover uilstrekt, veeleer denken zij dat de incnscben dooi' eene algeineene beweging ol werking geschapen zijn. Nu wil Salomo de menschen van deze groote dwaling terug brengen, eu noemt daarom de kinderen het erldeel Gods, en de vrucht des Imiks zijn loon. Want het Hebreeuwsche woord Sachar, dal door Loun vertaald wordt, geelt Ie kennen alle weldaden, die door God aan de menschen geschonken wordt, gelijk dit uil vele plaatsen der Schrilt /-eer duidelijk blijkt. De zin is dus, dat ile kinderen hun ontstaan niet aan het toeval le danken hebben, maar dal God, naar hel Hem goeddunkt er aan een ieder toebedeelt. Kn daar hij dezellde zaak tweemaal herhaalt, hebben de woorden Kiïdeel en Loon dezelfde beleekcnis, want beiden zijn gesteld tegenover dc kracht des mans, zoowel als tegenover liet toeval. Hoe krachligcr iemand is, hoe geschikter hij schijnl te zijn om zijn geslacht voort le planten. Salomo verklaart integendeel, dal diegenen lol vaders gemaakt worden, aan wie God deze eer wil bewijzen. Kn daar nu dc meeste kinderen niet altijd hunne ouders lol vreugde zijn, wordt er de tweede genade bijgevoegd, als God de kinderen formeert, en hen met voorlreflelijke gaven toerust en met alle soorlen van deugd. Hel is volkomen tercchl dal Arisloleles in zijn Politiek de quot;vraag steil, of de veelheid der kinderen als een geluk moet beschouwd worden, en die vraag ontkennend beanlwooidt, indien dc kinderen niel met een goeden aanleg toegerust zijn en voortreffelijke gaven bezitlen. En voorzekei zou hel voor velen veel gelukkiger zijn kinderloos of onvruchtbaar le wezen, dan vele kinderen le hebben, die slechls smart en lianen veroorzaken. Daarom heell Salomo, om de weldaad Gods nog te verhoogen, den goeden aard en de voorlreflelijke gaven in de kinderen geprezen. Hel beeld, dat hij gebruikt, zou ietwat ruw kunnen schijnen, nl. gelijk de boogschutter zich met een wel-
Psalm lïü? ; 4â5.
voorziener) pijlkoker wapent, voorzien de menschen zich van hunne kinderen ol.s met een' hooy en yijLhoker. Als men de dingen echler wal meer van nabij beziel, zal men erkennen dal dit een zeer sierlijk gezegde is, omdat hij te kennen geelt, dat zij, die geen kroost hebben, als ontwapend zijn, want is kinderloos te zijn wel iels anders dan eenzaam te wezen'? Nu is het geene geringe gave Gods, dal de menseh als vernieuwd wordt in zijn geslacht, want God geeft hem als dan nieuwe kracht, zoodal hij, die anders weldra zou wegsterven, als opnieuw begint le leven, liet is bijzonder nuttig dit te welen, want zelfs de vruchtbaarheid van hel vee wordt uitdrukkelijk aan God toegeschreven, en aan Hem alleen. Indien God wil, dal hel erkend wordt als zijne gave en weldaad dal koeien en schapen en merries bevi ucht worden, hoe onverschoonbaar zal dan niet de boosheid zijn der menschen om de genade gering le achten, waarmede God hiin den eervollen titel van vader schenkt' Hier komt nog bij, dat de menschen slechts met weerzin ol onverschilligheid hunne kinderen zullen groot brengen, indien zij niet achten, dal zij ze van Gods genade hebben ontvangen, terwijl deze bewustheid een uilnemende prikkel is om hunne kinderen met blijdschap te ontvangen en op te voeden, fin voorls, wie deze weldaad Gods in dit licht beschouwt, zal blijmoedig cn gerust de verdere genade Gods verbeiden: cn al is bel dan ook dat hij aan zijne kinderen weinig aardsche goederen nalaat, zal hij hieromtrent in niel al te groole zorge wezen.
5. Zij zullen niel beschaamd worden, als zij zullen spreken. Hier beschrijlt hij de kinderen, die, oprecht zijnde van handel en wandel, niet schromen rekenschap al te leggen van hun leven ten einde aan kwaadwilligen en lasteraars den mond te sloppen. ij welen, dal de rechlszitlingen oudlijds in de poorten gehouden werden. Salomo spreekt hier this van de Poort, gelijk men tegenwoordig van een gerechtshof zou spreken, of van een Senaat. En laat ons opmerken dat de onschuld voornamelijk geprezen wordt in de kinderen, opdat de vaders deze genade naar waarde zouden schallen. Kerst heeft hij de kinderen, die met kracht en uitstekende hoedanigheden begaafd waren, vergeleken bij pijlen; opdat men dit nu niet zal verwringen om er eene aanmoediging in le zien tol geweld, alsof hij aan de kinderen vergunde om, evenals struikroovers terecht ol te onrecht, alles naar hun eigen zin en wil te hebben en le doen, laai hij uitdrukkelijk uitkomen, dal de hulp, die zij aan hunne vaders moeten verleenen, in oprechtheid en goede zeden bestaat. Hij
Psalm 127 : 5.
leerl dus HiU men kinderen moei begeeren, die de armen en ongelukkigen niel mei geweld verdrukken, niemand door li^l ol bedrog overheersclien, zicli niel op onrechlvaardige wijze rijkdommen verwerven ol'eene lyrannieke macht; maar die billijkheid belraclilen, niel weigeren zich aan de wellen Ie onderwerpen, en bereid zijn hun leven Ie verdedigen. En hoewel nn de vaders zich moeien beijveren om hunne kinderen onder een sysleem van heilige lucht op te voeden, zoo moeten zij evenwel gedenken, dal zij zonder de bijzondere genade Gods nooit hierin zullen slagen. Ook wordt door Salomo er stilzwijgend op gewezen, dal, hoe wij er ook naar mogen streven om een heilig leven te leiden, hel ons toch nooit aan kwaadsprekers en lasteraars zal ontbreken; want indien reclilvaaidighcid en oprechtheid van alle kwaadspreken ontheven was, dan zouden wij wel nooit in geschil raken mei onze vijanden
t^sat.tvr
INHOUD. Deze Psalm is verwant aan den vorigen en is er als liet ware een vervolg op; want liij verklaart dat de zegen Gods, die, volgens het getuigenis van Salomo lot liet gansche menschdom is uitgestrekt, voornamelijk in zijne ware dieustkneehten openbaar wordt.
Een Lied der trappen. 1. Welgelukzalig is de man, die Jehovah vreest en in zijne wogen wandelt. 2. Want als gij zult eten van den arbeid uwer handen, /.uit gij welgelukzalig zijn, en zhI het u welgaan. 3. Uwe huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis, en uwe kinderen als olijfplanten rondom uwe tafel.
1. Welgelukzalig is de man. Omdat in den \oiigcn 1 gt;alm gezegd is dal men alleen van de genade Gods een goeden uilslag kan verwachten op al onze ondernemingen en op geheel den loop van ons leven, wijst de Proleel er ihans op, dal zij, die
828
Psalm 128 : 1.
829
in den zegen Gods begeeren Ie deelen, zich in alles geheel en al aan Hem hebben Ie onderwerpen, wanl Hij zal hen, die Mem eeren, nooit leleurstellen Het eerste vers bevat de korte inhoud [van den Psalm] terwijl de overigen er slechts als verklaring zijn bijgevoegd. Nu is dit eene stelling, die tegen de algemeen aangenomene meening indruischl, en waarmede nauwelijks één op de honderd zich zou willen vereenigen, nl. dat diegenen welgelukzalig zijn, die God vreezen, inzonderheid in dit leven. Want men zal zeer vele Kpicuriërs ontmoeten, gelijk Uionysius, die bij eene voorspoedige zeereis verklaarde, dal de goden heiligschenners begunstigen. Ook worden zwakken dikwijls ontroerd en in verwarring gebracht door het geluk der boozen, en dan zullen zij onder den last hunner ellende bezwijken. En al is het ook, dat het den verachters van God niet welgaat, terwijl de godvrucht igen in draaglijken toestand verkeeren, zoo zijn toch de meeste menschen blind, len opzichte van de voorzienigheid Gods, of wel zij nemen den schijn aan van haar niel Ie zien. Het spreekwoord is van overlang schier door iedereen als waarheid aangenomen, dat het goed is niet te zijn geboren, of anders maar spoedig te sterven. Ten slotte oordeelt het vleeschelijk verstand dal geheel het menschelijk geslacht zonder uitzondering ongelukkig is, of dat de lortuin gunstiger is voor de goddeloozen dan voor de godvruchtigen. Gelijk ik nu uitvoerig reeds verklaard heb bij Psalm 37, is hetgeen hier gezegd wordt, nl. dat zij, die den Heere vreezen welgelukzalig zijn, gansch en al in strijd met deze algemeen aangenomene meening, daarom behooren wij wat langer stil te staan bij deze overdenking. Overigens, omdat deze gelukzaligheid niet zoo terstond gezien wordt, moeien wij, om haar goed te begrijpen, op de omschrijving er van letten, die terstond volgen zal. Daarna moet men wel begrijpen, dat zij voornamelijk in Gods bescherming is gelegen. Wanl, hoewel men nu alles opeenhoopt wat geschikt schijnt om een gelukkig leven te vormen, is er voorzeker toch niets begeerens-waardigers, dan weg Ie schuilen onder de bescherming Gods. Indien nu naar ons oordeel dit goed boven alle andere goed de voorkeur verdient, dan zal ieder, die er van overtuigd is, dat God zorg draagt voor de wereld en voor de zaken der menschen, ook ongetwijfeld erkennen, dat hetgeen hier genoemd wordt, het voornaamste uitmaak! in ons geluk Maar eer wij verder gaan moeten wij opmerken, dat in het tweede gedeelte van het vers, niet zonder reden, een kenmerk gevoegd is, waardoor de dienstknechten Gods van de verachters van God worden onderscheiden. Wij zien hoe de goddeloosten met niet
Psalm 128 : 1 â 2.
minder hoogmoed dan onbeschaamdheid zich er op beroemen God te vreezen. Daarom eischl de Profeet liet bewijs hiervoor in hun leven, omdat de vreeze Gods en het waarnemen der Wel onafscheidelijk aan elkander verbonden zijn, en hel is volstrekt noodzakelijk dal uil den wortel de vrucht voortkomt. En voorts leeren wij nog uil deze Schriftuurplaats, dal God ons leven niet anders goedkeurl, dan wanneer het geregeld is naar de Wet Gods. Dit is zeker; zonder vreeze Gods is er geen godsdien;-l. Hieruit leidl de Profeet af hetgeen ik gezegd heb, nl. dat wij naar zijn gebod en zijne ordinantie ons leven behooren in te richten.
2. Want als gij suil eten van den arheid uwer handen. Naar mijn oordeel wordt deze zin door sommigen verkeerd verdeeld, daar zij afzonderlijk lezen: Want gij zult eten van den arbeid uwer handen: en daarna: Gij zult welgelukzalig zijn, en het zal ii welgaan. Voorzeker erken ik, dal hetgeen zij zeggen waar is, nl. dal deze genade Gods, dal de geloovigen de vrucht van hun' arbeid zullen genieten, gesteld wordt tegenover den vloek, waaraan alle menschen onderworpen zijn. Maar de zin zal zeer goed vloeien, als wij aan een lezen, dat de kinderen Gods welgelukzalig zijn door te eten van den arbeid hunner banden, want anders zou de herhaling koud, ja onbeduidend wezen. En voorts: terwijl de Profeet de vorige leerstelling bevestigt, vermaant bij ons om de gelukzaligheid anders te beschouwen dan de wereld haar beschouw l, voor welke een gelukkig leven bestaat in ledigheid, weelde, aanzien onder de menschen, en groolen rijkdom. Nu voert de Profeet de dienstknechten Gods terug tol de gematigdheid, die schier door iedereen wordt verworpen. Want wie zal, als hem de keuze gelaten wordt, wenschen te leven van den arbeid zijner handen, cl wie acht, dit, een groote weldaad te zijn? Zoodra men hei woord geluk uilspreekl, zal iedereen zich terstond te buitengaan in onmatigheid, want de begeerlijkheid van den niensch is een onverzadelijke afgrond. Igt;e Profeet beveelt ons dus tevreden ie zijn, als wij betamelijk gevoed worden dooi' den arbeid onzer handen, onder God, die onze voedstervader is, gelijk gezegd wordt in Psalm 34 :11: Ue leeuwen lijden honger en hebben gebrek aan spijze, maar zij, die God zoeken, zullen geen gebrek hebben aan eenig goed. Nu moeten wij ons herinneren dal de Profeet niet spreekt van de hoogste gelukzaligheid, welke niet bestaat in spijs en drank , en niet besloten is binnen de enge grenzen van dit broze leven, maar luj belooft aan de geloovigen, zelfs terwijl zij nog op de
830
Psalm 128 : 2â3.
aarde zijn, een gelukkig leven, voor zooveel dil mei den toestand dezer wereld bestaanbaar is, gelijk Paulus zegt dal God aan hen, die Hem vreezen, beide belooft, nl. dat God gedurende den ganschen loop van ons leven zorg voor ons zal dragen, totdat Hij ons ten laatste in de eeuwige heerlijkiieid brengt (1 Tim. 4 : 8). Gok de verandering van persoon draagt er toe bij om de zaak nog sterker uit te drukken, want dooi' te spreken iu denderden persoon ricbt hij hel woord lot een iegelijk in het bijzonder, en wel aldus: Niet slechts wacht u de onsleilelijke zaligheid in den hemel, maar ook gedurende uw vreemdelingschap op aarde zal God niet allalen van als een Vader u le voeden en te verzorgen, zoodal gij uw dagelijksch brood ontvangt uit zijne hand, mils gij ook met een karig deel tevreden zijl.
3. Uwe huisvrouw zal wezen als een vruchthare wijnstok. De zegen Gods wordt hier wederom voorgesteld door dezelfde bijzonderheid, waarvan Salomo in den laatsten Psalm heeft gesproken, te welen, dat God hen, die Mem eeren, zoo vruchtbaar zal maken, dal zij een groot aanlal kinderen voorlbrengen. He meesle menschen begeeren nakomelingen le hebben, en inderdaad is dil hun ook van nalnre eigen, maar er zijn velen, die. als zij kinderen hebben verkregen, ze weldra moede worden; en aan de armen is hel dikwijls aangenamer hunne kinderen leverliezen dan er velen hulpeloos en onverzorgd achter le laten. Maar hoe verschillend en alwisselend de voorwerpen der ver-dorvene begeerten van de wereld ook zijn mogen, God geeft aan dezen zijn' zegen de voorkeur boven alle schallen, waarom ook wij er hoogen prijs op moeten stellen Indien iemand dus eene huisvrouw heelt, die hem eene liefelijke levensgezellin is, zoo laat hij dien zegen dan niet minder waardeeren dan Salomo gedaan heelt, als hij verklaart dal hel God alleen is, die eene goede huisvrouw schenkt. (Spr. 10:14). En zoo iemand vader is van vele kinderen, zoo laat hij dien uilnemenden zegen met een dankbaar hart ontvangen. Indien iemand nu legenwerpt, dal de Profeet op die wijze de geloovigen door de verlokselen van hel vleesch aan de aarde gehechl maakt, zoodal zij niet met een vrij en onbelemmerd gemoed hemelwaarts kunnen streven, dan antwoord ik, dal bet niet le verwonderen is dal hij aan de Joden onder de Wet eene proeve heelt gegeven van Gods genade en van zijne vaderlijke gunst; want wij weten, dal zij toenmaals nog gelijk waren aan kinderen; hoewel hij bel op zulk eene wijze getemperd heeft, dat zij hierdoor tot de bepeinzing van het hemelscbe leven konden geraken. Ãok nog heden ten
831
Psalm 128 : 3â
tiafre betuigt God ons zijne gunst door lijdelijke weldaden, al is het, dan ook in mindere mate, gelijk wij boven liet woord van Paulus hebben aangehaald: De godzaligheid is lol alle dingen nul, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens (1 Tim. 4:8), terwijl dit toch geene belemmering is om onzen geest op te heffen naar den hemel. Terecht worden de geloovigen er door den Profeet dus op gewezen, dal zij reeds eenige vrucht ontvangen van hunne oprechtheid, als God hun hunne spijze geeft, ïien zegent in hunne vrouw en kinderen, en zich zelfs 'neerbuigt om de zorg voor hun leven op zich te nemen. Maar hij prijst de tegenwoordige genade Gods mei de bedoeling om hen met des te meer blijmoedigheid voorwaarts te doen spoeden lot hunne eeuwige erfenis. En indien dit geluk niet altijd hel deel is van hen, die God vreezen, maar hel soms gebeurt, dal hunne huisvrouw twistziek, ol hoogmoedig is, oi van een' slechten levenswandel; en indien evenzoo de kinderen loszinnig en ongehoorzaam zijn, ja zelfs Si bande brengen over het huis huns vaders, zoo laat hen welen, dai zij van den zegen Gods zijn beroofd door hunne eigene schuld, omdat zij hem hebben verworpen. Kn voorzeker, zoo iedereen aan zijne eigene ondeugden denkt, zal hij erkennen, dal hij rechtvaardiglijk van de aardsche zegeningen Gods versloken is.
4. Ziet, alzoo zal zekerlijk die man gezegend worden, die Jehovah vreest. 5. Jehovah zal n zegenen nit Zion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens; G. En gij zult uwe kindskinderen zien en vrede over Israël.
4. Ziet alzoo zal zekerlijk, enz. De Profeet bevestigt de voorgaande leerstelling , nl. dat zelfs in den uilwendigen toestand van dil broze leven, de genade Gods schillen, waaruil blijkt, dal wij God geenszins te vergeefs dienen. Daar echter het loon der godsvrucht niel altijd dadelijk gezien wordt, gebruikt hij ten eerste een aanwijzend woord; Zief, daarna voegi hij erbij. Zekerlijk, want hel is aldus dal ik het llebreeuwsche woordeke Ki overzet. Overigens moet men zich sleeds herinneren wat ik te voren reeds mei een enkel woord heb aangeduid, nl. dal de aardsche zegening ons niel belooki is, om er onze gedachten uilsluitend mede Lezi^ te houden en ze op aarde te laten ver-
m
Psalm 128 : 4âfi.
wijlen, want liel is niel belamelijk dal de liope des loekornenden levens op den achtergrond wordt gedrongen. En dat is de oorzaak, waarom wij niet altijd gelijkelijk van de weldaden üods genieten.
.gt;. Jehovah zal u zegenen Sommigen willen dil als een gebed hi'srhoiiwd hebben, waarom zij den toekomenden lijd van bet werkwoord veranderen in den oplatiel, ol wenschende wijs. Het komt mij echter voor, dal hel veeleer hel vervolg is van eene zeilde leerstelling, omdat de Proleet nu duidelijker iiilspreckl, dat (iod de Werker is van het goed, waarvan bij heelt gesproken. Want hoewel de gaven Gods ons dikwijls voor oogen gesteld worden, zijn er toch altijd allerlei valsche voorstellinüen, die it hel gezicht op verduisteren. Daarom is die herhaling geenszius overloilig geweest, dat God de geloovigen zegent, telkenmale als hun vooispoed wedervaart Mij zegt Uit Xion, om de geloovigen te doen gedenken aan het verhoud, dat God met hen is aanuegaan, want Hij had Iniu genadiglijk heloold, dal lli| zich gunstig zou betonnen aan ben, die zijne wet onderhouden, en van hunne kindsheid ai' zijn zij in de beginselen dezer godsvrucht opgevoed. Uaarom loont de Profeet, dat hij uiels nieuws aanvoert, niets dat Ie voren niet gehooid was; daar de Wet hun reeds voor lang bad geleerd, dat het uil de lijdelijke zegeningen openbaar wordt, dat men zijne moeite niet verliest, als men God dient; en hij verklaart, dal zij dil in werkelijkheid zullen ondervinden. Rn wat hij ei bijvoegt omtrent Het goede van Jeruzalem, schrijlt eene wet voor aan de godvruebtigen, nl. dat. zij niel slechts hun eigen belang op bel oog moeten hebben, en zich niet al Ie veel met hunne eigene genoegens en gemakken bezig moeten houden, maar dat veeleer hunne voornaamste begeerte er naar uit moet gaan om de Kerke Gods Ie zien bloeien; want het zou slnjdi^ wezen met alle rede, zoo ieder lid slechts om eigen nut en voordeel dacht en het lichaam veronachtzaamde. Kn voorts: daar wij maai' al Ie zeer lol die richting neigen, is hel niet zonder reden ihil de Proleet ons de zorge aanbeveelt voor hel algemeen welzijn , en de huiselijke zegeningen zoo zeer ineen-ptrengelt met het algemeen welvaren der Kerk, opdat wij welen, dal deze dingen saamgevoegd zijn en het niet geoorloofd is ze van elkander Ie scheiden.
Igt;1. II.
Psalm 1^9 ; 1.
l'SAl.M 1:^9.
INHOUD: Deze Psalm leert in de eerste plaats, dat God zijne Kerk aan allerlei benauwdheid en kwelling onderwerpt, oiidat Hij des te beter als haar Verlosser en Beschermer gekend zou worden. Hij doet de geloovigen dus gedenken, boe ontzettend het volk (rods in alle tijden en eeuwen verdrukt is geweest, en boe wonderbaarlijk het bewaard is gebleven, opdat zij door deze ervaringen geleerd, zich versterken door de hoop op de toekomst. Daarom leert bij in het tweede gedeelte onder den vorm eener verwensching, dat de wrake Gods spoedig diegenen zal treffen, die zonder oorzaak Gods volk kwellen.
Een Lied der trappen. !. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijne jeugd af, zegge nu Israël. 2. Zij hebben mij dikwijls van mijne Jeugd af benauwd: evenwel hebben zij mij niet overmocht. 3. Ploegers hebben op mijn' rug geploegd; zij hebben hunne voren lang getogen, -i. Maar Jehovah, die rechtvaardig is, heeft de touwen der guddeloozen afgehouwen.
1. Zij hehhen mij dikwijls benauwd. Deze Psalm is waarschijnlijk «â edicht toen de Kerke Gods zirli in den uitersten nood bevond, oi verschrik! was wegens een naderend gevaar, oi' gedrukt onder tyrannic haren ondergang nabij was, al hetgeen ik afleid uil hel bijwoord van tijd Nu, waar ik groole kracht en nadruk in vind. Het igt; alsof de Profeet zeide: Als de geloovigen onder den druk der beproeving nauwelijks adem kunnen halen , dim is het de gesciiikle tijd om hij zich zelven na te gaan hoe God van den beginne en door alle tijden heen zijn volk door wederwaardigheden heeft beproeld. Zoodra God aan onze vijanden den teugel heeft gevierd, waren wij zoo overstelpt van droefheid, dal wijquot; ons met nicls dan nust onze tegenwoordige rampen konden bezig houden Vandaar dan wanhoop. Wanl wij gedenken niet, hoe God op gelijke wijze hel geduld der vaderen heelt
Psai.m HO ; Iâ:'1.
beproefd, en dal ons niets overkomt, dat ook zij niet hehben ervaren. Het is voor de geloovigen dus eene groote vertroosting, als zij den blik richten op den strijd, dien de Kerk van ouds heeft te strijden gehad; als zij weten, dat zij immer onder hel onrecht vaardig geweld der vijanden gekweld is geworden. Nu zie ik voor hel oogenblik geene betere gissing dan te zeggen, dat de Psalm gedicht werd nadat het volk uil tie ballingschap was wedergekeerd, en toen hel zeer grievend leed en onrecht vun zijne naburen had te verduren, en ten laatste onder de tyrannic van Antiochus schier was bezweken. Het is dus in deze duisternis en verwarring dal de Profeet de geloovigen opwekt lot krachtsbetoon en standvastigheid, en niet slechts enkelen onder hen, maar geheel hel lichaam des volks, zonder uilzondering, en hen beveelt, om onder zoovele zware aanvallen stand te kunnen houden, zich dit schild der goede hope voor te houden, nl. dal de Kerke Gods altijd overwonnen heelt door quot;eduldiquot; le
no
lijden. En schier in elk woord ligt eene groole en bijzondere kracht. Zeyge nu Israël, d. i. Laat hij nu bij zich zeiven overdenken de ervaringen van ouds, waaruil men kan leeren, dal hel volk Gods er nooil van vrijgesteld is geweest om liet kiuis le dragen, hoewel hunne verschillende beproevingen toch altijd met eene gelukkige uilredding geëindigd zijn. Door op onbepaalde wijze van de vijanden le spreken verzwaart hij hetgeen zij hadden le verduren, meer nog dan wanneer hij de Assyriërs of de Egyptennars had genoemd. Want door geene bijzondere soort aan le duiden, geeft hij stilzwijgend te verstaan, dal de wereld vol is van ontelbare vijanden, die Satan gemakkelijk wapent, om de godvruchtigen le verderven, zoodal van alle kanten gedurig nieuwe oorlogen tegen hen ontslaan. En voorzeker vindt men in de geschiedenis hel overvloedig getuigenis, dal bet volk Gods niet mei slechts weinige vijanden had le kampen, maar dat het door schier geheel de wereld is aangerand, en voorts, dat het niet slechts dooi' buitenlandsche, maar ook door vijanden in hel eigen land werd bestookt. Onder hel woord .leugd verstaal hij hun' eersten aanvang, niets slechts toen God het volk uil Egypte heelt geleid, maar ook toen Hij Abraham en de Patriarchen beproefd heeft dooi' eenquot; zwaren en moeielijken krijg, die schier hun leven lang geduurd heeft. Want terwijl dezen zwaar verdrukt werden in hel land Kanaan, was het land van Egypte nog veel wreeder voor hunne nakomelingen, daar zij er niet slechts als slaven werden verdrukt, maar nog daarenboven met schimp en smaad werden overladen. Wal hun'uiliochl betreft , wij weten mei hoe vele moeielijkheden hij gepaard ging.
sa*
Psu.M 129 : 2â
Wim'iI Imn dnitrnn ocni^c vorliclilinj; ^oschonken, zoo liebben zij loc|| lol aan du rc^eeriny van David niet veel nisl mo^en smaken Hoewel nn loemuaals ih; toestand van liet volk gelukkig scheen, zoo zijn Imn locli spoedig daarna groote benamvdlieden overkomen, en leden zij nederlagen, waardoor zij met een algeheelen ondergang werden bedreigd. In de Babylonisdie gevangenschap heelt liet weinig gescheeld, ol zij waren hopeloos ten ondergang gedoemd, daar zij als wegteerden in een gral. Na Imn' terugkeer werd hun nauwelijks nu en dun een lijd van verademing toegestaan. Ongetwijleld werden zij dikwijls ten zwaaide overgegeven , zoodat er nauwelijks een van hen overbleel. liet is dus niet zonder reden, dal gezegd wo-dt, dal zij heproeld en benauwd zijn geworden, opdat niemand zou denken, dal hun slechts een lichl Ie verdragen leed was wedervaren: alsol de Profeet ons hel volk Gods halldood voor oogen stelde, terwijl de vijanden hen gerust onder hunne voelen durven vertreden. Komen wij nu lol ons zeiven, dan moeten er nog de schrikkelijke vervolgingen aan worden toegevoegd, waardoor de Kerk reeds duizend maal verteerd zou zijn geworden, indien God haar niet door verborgen middelen, als uil de dooden had opgewekt, en haar had bewaard. En zoo wij nu niet verstompt zijn in onze ellende, dan zal in zulke droeve tijden de nood ons dringen om dezellde leerstelling te bepeinzen. En waar hij nu twee maal zegt Zy hehhen mij henauwd, z]j hebben mij benauwd, is die herhaling niet overtollig, opdat wij weten dat hel volk Gods niet. maar een ol tweemaal had Ie strijden, maai' dal hun geduld en lijdzaamheid voortdurend op de proef werden gesteld. Hij had nezeud, dal zij van hunne jeugd af daarmede begonnen waren, Ie kennen gevende, dal zij van hun' eersten oorsprong af reeds gewend waren hel kruis Ie dragen Nu voegt hij ei hij, dal deze strenge opvoeding niet zonder reden is geweest, omdat God niel opgehouden heeft hen door eene aaneenschakeling van rampen en beproevingen tol onderwerping te brengen. Indien dus de beproevingen der jeugd reeds zoo streng waren , dan zal heden, nu door de komst van Christus de Kerk lot rijpen leeltijd gekomen is, onze weekelijkheid al Ie snood wezen, indien ons de kracht en slandvastigheid ontbreken om te verduren. De vertroosting ligt in hel laatste woord, nl dal de vijanden na alles beproefd te hebben, toch hunne begeerte niel hebhen verkregen, omdat God hen in hunne hoop heeft teleurgesteld en hunne ondernemingen heeft doen talen.
PJoecjevs hehben O'p niyn ' ^yamp;ploamp;jd-. De i I ofeet vei siei t
Psalm 129 ; 3â4.
dooi' een zeer gepast beeld hetgeen hij gezegd heelt omtrent de zware beproeving dei' Kerk. Want hij vergelijkt hel volk Gods bij een' akkei, waarover men den ploeg laat heengaan. Hij zegt dat de voren lang getogen waren, zoodat er geen hoekje onbeploegd bleef. Door deze woorden geelt hij op levendige wijze te kennen, dat het kruis altijd op den rug der Kerk ingedrukt was, om er lange en hreede voren in te ploegen; maar terstond wordt er de vertroosting bijgevoegd, doch onder een beeld, nl. dat God de touwen dergoddeloozen heeft afgehoutcen. Want hij zinspeelt op den ploeg, die, naar wij welen, aan den hals der ossen wordt vastgebonden. En zeer juist wordt door hem aangetoond, dal de goddeloozen wel zeer geneigd waren om op hun' weg voort te gaan, daar hunne wreedheid nooit moede, oT verzadigd werd; en evenzoo, dat zij met al hun tuig gewapend waren, maar dal God hunne woede intoomde door een ongedacht middel, evenals wanneer iemand door' de louwen door le snijden, de ossen van den ploeg scheidt. Hieruit zien wij wal de toestand is der Kerk. Omdat God wil dat wij zijn juk gewillig op ons nemen, vergelijkt de Heilige Geest ons, niet zonder reden, bij een bebouwbaren grond, die geen weerstand kan bieden, als men er den ploeg over laat gaan, om de aarde los te woelen en om le keeren. Wil iemand zich nu in philosophische fijnheden begeven, dan kan hij zeggen, dal de grond beploegd wordt, opdal hij bezaaid zal worden, en ten laatste vrucht zal opleveren. Doch naar mijn oordeel is hel naluui -lijker, dal de Profeet handelt over de vervolging der Kerk. Denaam rerhtvaarduj, waarmede de Profeet God siert, moet toegepast worden op de omstandigheid van hel geval, alsof hij zeide: Hoewel God voor een' tijd zwijgt, zal Hij zijne gerechtigheid toch nooit vergeten, maar zal Hij aan de armen en ellendigen vei lichting schenken, gelijk Paulus deze reden aanvoert in 2 ïhess. 1 : 7. En voorts is dit inzonderheid opmerkenswaardig, dat de Kerk saamgevoegd wordt met de gerechtigheid Gods. De Proleet noemt ons ook wijselijk de reden, waarom de vijanden niet hebben kunnen overmogen, nl. omdat God hunne ondernemingen heeft doen falen, en hun niel heelt toegelaten verder le gaan, dan Hij in zijn' verborgen raad te voren bepaald heelt.
5. Allen, ilie /ion haten zullen beschaamd en achterwaarts gedreven worden. G. Zij /.uilen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het weg-
837
Psalm 129 : 5â7.
werpt. 7. Waarmede cle maaier zijne hand niet heeft gevuld, noch de garvenbinder zijn' schoot. 8. En waarvan de voorbijgangers niet gezegd hebben: dezegen van Jehovah zij bij u! Wij zegenen ulieden in den naam van Jehovah.
5. Allen, die /ion haten, enz. Ibizij dit een gebed is, ol' eene belofte, de Profeet heeft er een' toekomenden tijd mede op hel oog. En daar al de werkwoorden in den toekomenden tijd staan, zal de beste verklaring wezen, dat hij uil de ervaring van hel verleden opmaakt wat voor de toekomst te hopen is. In welken zin men dit nu neemt, de Profeet loont aan dal de gelooviuen geene reden hebben om den moed te vei liezen, als zij hunne vijanden zoo hoog verheven zien. Want het gras, dat op de daken groeit, is niet beter wijl het zich op zulk eene hooge plaats bevindt, dan de korenhalmen, die op een' laag oelequot;en grond onder den voel worden gelreden; want, hoewel iiet gras op de daken hoog boven het hoofd der mensehen is, is het toch ten eerste onnut, en ten tweede zal hel zeer spoedig verdorren. Anderen vertalen hel werkwoord Shalaf, door As uitgerukt, ol' uitgetrokken; alsof men zeide, dat hel zonder de hand of den arbeid der mensehen verdort. Aangezien echter hel woord eigenlijk beteekenl Uitgetrokken zijn, of Doen uil-komen, is, naar mijne meening de bedoeling van den Profeet, dal hel er zoo ver vandaan is, dat zijne kracht en frischheid van langen duur is, dal het reeds bij hel eerste onlkiemen ver-verdort en sterft, omdat er geen wortel onder is, en er ook geene aarde is om er vochtigheid en voedsel aan te geven. Telkenmale dus als de pracht ol grootheid onzer vijanden ons verschrikt, zoo moeten wij ons dit beeld voor den geest brengen, dat het gras op de daken hoog verheven is, maar dal het geen' wortel heelt, en bijgevolg een zeer kort beslaan zal hebben. En evenzoo. hoe meer zij in hun' hoogmoed zich verheffen en lol de zon naderen, hoe eerder zij door hare hitte zullen worden verleerd, omdat zij geen wortel hebben, terwijl alleen nederigheid leven en kracht van God verkrijgt, opdat Hij er ons mede beziele.
7. Waarmede de maaier, enz. Wederom bevestigt hij de stelling, dat hoe de goddeloozen zich ook verhellen ol vooruit willen dringen, zij toch altijd slechts in de halmen zullen blijven,
838
Psalm 149 ; 7-8.
839
daai1 zij nooil yocdc viiiclilen voorlbrcngon en nicL lol iii[)liei(i komen, maai' gelijk men zegt, door hloolen schijn worden opgeblazen. Om dil nog duidelijker maken, slell iiij hen tegenover vruchtbare kruiden, die in dalen en laag gelegen gronden hel voedsel voortbrengen voor den mensch. Eindelijk zegt hij, dat zij verdienen door alle mensehen gehaat en veracht le worden, terwijl koren dooi' openlijk gebed wordt gezegend. En daar nu de Proleet deze leering uit de zaken des gewonen levens heelt getrokken, worden wij er op gewezen, dal wij, zoodra zich de hoop op een' goeden oogst voordoet. God belmoren te bidden, in wiens hand de vruchtbaarheid der aarde berust, om dezen zegen ten volle te bevestigen. En voorzeker, daar de vruchten der aarde blootgesteld zijn aan zoo velerlei gevaren, is het wel een wonder, dat niet reeds de nood ons leerl bidden. En daar komt nog bij, dal hij niet alleen van de kinderen Gods spreekt, die dooi zijn woord werkelijk geleerd hebben, dat door zijne genade de aarde vruchtbaar is, maar hij spreekt ook evenzeer tot de wereldlingen, in wie dezelfde kennis reeds van nature ingeplant is. En indien wij niet slechts wonen in de Kerke Gods, maar er de wettige burgers van willen zijn, kunnen wij onbevreesd geheel de macht onzer vijanden verachten. Want, hoewel zij voor een' tijd bloeien, en cene Fraaie verlooning maken, zijn zij met dat al toch slechts onvruchtbaar gias, waarop Gods vloek rust.
1'SA KM 130.
1SHOUD: Hetzij de Profeet bidt voor zich zelveu, of in zijn' persoon geheel de Kerk voorstelt, zicb overstelpt ziende door ramp en tegenspoed, smeekt hij met vurigen aandrang om verlossing. En hoewel hij erkent, dat hij reehtvaardiglijk door de hand Gods wordt gekastijd, wekt bij toch zich zeiven en ook alle de geloovigen op om goede hope te hebben, omdat God de eeuwige Verlosser is der zijnen, en altijd de middelen gereed heeft om hen van den dood te verlossen.
Een Lied lt;ler trappen. 1. Uit de diepten heb ik geroepen tot U, o Jehovah. 2. Heere, hoor naar
Psalm 1-29
838
5â7.
werpt, 7. Waarmede de maaier zijne hand niet heeft gevuld, noch de garvenbinder zijn' schoot. 8. En waarvan de voorbijgangers niet gezegd hebben: de zegen van Jehovah zij bij u! Wij zegenen ulieden in den naam van Jehovah.
5. Allen, die '/Aon haten, enz. Hetzij (lil een gebed is, ol eene belolte, de Proleet heelt er een' toekomenden lijd mede op het oog. En daar al de werkwoorden in den toekomenden lijd slaan, zal de besle verklaring wezen, dat hij uil de ervaring vim hel verleden opmaakt wat voor de loekomsl te hopen is. In welken zin men dil nu neemt, de Profeet loont aan dal de geloovigen geene reden hebben om den moed te vei liezen, als zij hunne vijanden zoo hoog verheven zien. Want hel gras, dat op de daken groeit, is niet beter wijl hel zich op zulk eene hooge plaats bevindt, dan de korenhalmen, die op een' laag gelegen grond onder den voet worden getreden; want, hoewel het gras op de daken hoog boven hel hoofd der menschen is, is het toch ten eerste onnut, en ten tweede zal het zeer spoedig verdorren. Anderen vertalen het werkwoord Shalaf, dooi' h uitgerukt, ol' uitgetrokken; alsof men zeide, dal hel zonder de hand of den arbeid der menschen verdort. Aangezien echter hel woord eigenlijk beteekent Uitgetrokken zijn, of Doen uitkomen, is, naar mijne meening de bedoeling van den Profeet, dat het er zoo ver vandaan is, dat zijne kracht en frischheid van langen duur is, dat hel reeds bij hel eerste ontkiemen ver-verdorl en sterft, omdat er geen wortel onder is, en er ook geene aarde is om er vochtigheid en voedsel aan te geven. Telkenmale dus als de pracht ol grootheid onzer vijanden ons verschrikt, zoo moeten wij ons dit beeld voor den geest brengen, dal het gras op de daken hoog verheven is, maar dat het geen' wortel heeft, en bijgevolg een zeer kort bestaan zal hebben. En evenzoo, hoe meer zij in hun' hoogmoed zich verheffen en tol de zon naderen, hoe eerder zij door hare hitte zullen worden verleerd, omdat zij geen' wortel hebben, terwijl alleen nederigheid leven en kracht van God verkrijgt, opdat Mij er ons mede beziele.
7. Waarmede de maaier, enz. Wederom bevestigt hij de stelling, dal hoe de goddeloozen zich ook verheffen ol vooruil willen dringen, zij toch altijd slechts in de halmen zullen blijven.
Psalm 1^9 : 7â8.
839
dam' zij nooit goede vruchten voortbrengen en niet tot lijpheid komen, maar gelijk men zegt, door hiooten schijn worden opgeblazen. Om dit nog duidelijker maken, stelt hij hen tegenover vruchtbare kruiden, die in dalen en laag gelegen gronden bet voedsel voortbrengen voor den niensch. Eindelijk zegt hij, dal zij verdienen door alle menscben gebaat en veracht te worden, terwijl koren door openlijk gebed wordt gezegend. En daar nu de Proleet deze leering uit de zaken des gewonen levens heelt getrokken, worden wij er op gewezen, dat wij, zoodra zich de hoop op een' goeden oogst voordoet. God behooren te bidden, in wiens band de vruchtbaarheid der aarde berust, om dezen zegen ten volle te bevestigen. En voorzeker, daar de vruchten der aarde blootgesteld zijn aan zoo velerlei gevaren, is het wel een wonder, dat niet reeds de nood ons leert bidden. En daar komt nog bij, dat hij niet alleen van de kinderen Gods spreekt, die door zijn woord werkelijk geleerd hebben, dat door zijne genade de aarde vruchtbaar is, maar hij spreekt ook evenzeer tot de vvereldlingen, in wie dezelfde kennis reeds van nature ingeplant is. En indien wij niet slechts wonen in de Kerke Gods, maar er de wettige burgers van willen zijn, kunnen wij onbevreesd geheel de macht onzer vijanden verachten. Want, hoewel zij voor een' tijd bloeien, en eene l'raaie vertooning maken, zijn zij met dat al toch slechts onvruchtbaar gias, waarop Gods vloek rust.
l'ÃAIAI I30.
INHOUD: Hetzij de l'rofect bidt voor zich zclveu, of in zijn' persoon geboel de Kerk voorstelt, zich overstelpt ziende door ramp en tegenspoed, smeekt hij met vurigen aandrang om verlossing. En hoewel hij erkent, dat hij reehtvaardiglijk door de hand Gods wordt gekastijd, wekt hij toch zich zeiven en ook alle de geloovigeii op om goede hope te hebben, omdat God de eeuwige Verlosser is der zijnen, en altijd de middelen gereed heeft om hen \an den dood te verlossen.
Een i iied der trappen. 1. Uit de diepten heb ik geroepen tot U, o Jehovah. 2. Heere, hoor naar
Psalm 13U ; 1â3.
mijne stem, laat uwe ooreu opmerkende zijn op de stem mijner smeekingen. 3. Zoo Gij, o God, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan1? 4. Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
I. Uit de diepten. Men moei er op lellen, dal de Proleet zegl, dal hij zijne stem opheft als van uil een'diepen al'grond, nl. omdal liij als overstelpt is van ellende en smart. Want, omdat hel leed, waaraan men t;een einde kan bespeuren, allielit tot wanhoop voerl , is er niets moeielijker dan zich te verhellen lol gebed, wanneer men in diepe droelheid als weggezonken is. Kn daar wij in tijden van voorspoed zeer traag en onverschillig zijn voor hel gebed (omdal wij dan als hel ware beneveld zijn) is hel wel zeer le verwonderen, dat wij ook in tijden van ramp en tegenspoed, waardoor wij als van zeiven lol bidden aangespoord moesten worden, in nog grooler stompzinnigheid vervallen. Maar hel is juist van vvege de benauwdheden, zorgen en gevaren, waai' de Proleet door heen gaal, dal hij een' moed grijpt om mei vertrouwen te bidden; en hij drukt zijne verlegenheid evenals zijne vurige begeerte uit zoowel dooi het woord Hoeden, als door de herhaling, vervat in het 2'ie vers Dit moet des te grooler al schuw bij ons wekken voor de barbaarsche onwetendheid der Papisten, als zij dezen Psalm zoo schandelijk ontheiligen, door hem le gebruiken voor iets dat gansch en al in strijd is mei zijne betcekenis. Want, waarom mompelen zij hem voor de dooden, indien niet daarom, dal Satan hen betooverd heelt om door hunne heiligschennis eene zeer nuttige leerstelling te verduisteren? Want, sedert men dezen Psalm verwrongen heelt om hem loe te passen op de zielen der algestorvenen, is schier iedereen gaan gelooven, dal hij voor de levenden niet nut is, en zoo is de wereld van een' onwaardeerbaren schat berooid geworden.
3. Zoo Gij, o (rody de oncjerechtiyheden gadeslaat. Uier belijdt hij, dat hij, hoewel lijdende onder eene buitengewone en zware beproeving, dit lijden toch volkomen verdiend heelt. En daar hij nu door zijn voorbeeld een' regel heelt voorgeschreven, die de gansche Kerk heelt le volgen, zoo bebbe niemand de stoutmoedigheid om zich anders voor God le stellen, dan om Hem in allen ootmoed oin genade te vragen; en laat ons, bovenal wanneer God streng met ons handelt, welen, dat ons dezellde
Psalm !aU : o.
841
belijdenis voegl, die; wij hici vinden opgeleckend. Want wie zicli vleit, ol' zijne zonde zoekt te begraven door er niet aan Ie denken, verdient in zijne ellende te vergaan, of ten minste verdient hij niet dal liem de minste ol geringste verliehting gesehonken worde. Zoodra God dus eenig leeken loont van zijn' toorn, zoo behoort zells hij, die aan anderen de heiligste der menschen toeschijnt, terstond met deze belijdenis te komen, dat, indien God naar streng recht wilde handelen en ons voor zijn' rechterstoel wilde doen verschijnen, er niemand onder de menschen is, die zou kunnen beslaan. Kn al zouden wij nu ook aannemen, dat hel hier een enkel persoon is, die dit gebed opzendt, zoo spreekt hij daarmede toch het oordeel uit over alle menschen; alsol hij zeide, dat van den eerste tot den laatste, alle kinderen van Adam verloren en veroordeeld zijn, indien God hun rekenschap vraagt van hun leven. Het kan dus niet anders of ook de heiligsten moeien zich aldus schuldig erkennen, opdat zij de toevlucht nemen lot de barmhartigheid Gods. .Maar hel is niet alsof de Proleet zijne eigene zonde wil verkleinen door er aldus ook de anderen in le begrijpen, gelijk wij zien dal de geveinsden, als zij zich niet gansch en al vrij durven pleiten, met deze uitvlucht voor den dag komen; Ben ik de eerste, die heb overlieden'? En is er builen mij niemand anders aan deze zonde schuldig? En terwijl zij zich alzoo met eene menigte anderen samenvoegen, denken zij al hall vrijgesproken le zijn De Profeet nu heelt geene zoodanige uitvlucht gezocht, veeleer komt hij, na zich aan een nauwkeurig zelfonderzoek onderworpen te hebben, lot de belijdenis, dat hij zooveel te grooler straf verdiend heelt, aangezien er onder geheel het mensclielijk geslacht niet één is, die aan het eeuwig verderl kan ontkomen, liet is alsof hij gezegd had: Al wie in de tegenwoordigheid Gods komt, zal, hoe groote heiligheid zijn deel ook moge wezen, toch niet kunnen beslaan, iioe zal het mij dan vergaan, die niet lol de beslen of heiligsten behoor? Ziehier nu de rechte toepassing dezer leerstelling, nl. dal een ieder zijn eigen leven zorgvuldig behoort na le gaan, en het te vergelijken met de volmaaktheid, die de Wet van ons eischt. Want hierdoor zal hij tol de erkentenis moeien komen, dal alle menschen, zonder onderscheid, de eeuwige verdoemenis hebben verdiend, en iedereen zal voor zich erkennen, dat hij duizendmaal\erloien is. En voorts leert ons deze Schrilluurplaats; dat, daar dus niemand door zijne eigene werken beslaan kan, zijn allen, die gerekend worden rechtvaardig te zijn voor God, rechtvaardig van vvege de genade en de vergeving hunner zonden; want
Psalm liJU : 3â4.
unders zul iille ^ereclilighcid der mcnsclicn verdwijnen als rook. Wel is waar: zelfs de Papisten erkennen, dal in helonvolkomene onzer werken voorzien wordt door de vergeving Gods; daar zij zich echter eene gedeeltelijke gerechtigheid denken, waardoor de menschen voor God kunnen heslaan, verkeeren zij in groote dwaling en zijn zij zeer ver van de bedoeling des Proleten te vatten, gelijk duidelijker zal blijken in hetgeen volgt.
4 Maar hij U Li vergeving. Dit vers brengt ons verder. Want hoewel allen met hun' mond belijden, dal er niemand in de wereld is, die door God niet volkomen terecht mei den eeuwigen dood geslralt zou kunnen worden, indien Hem dit behaagde, zal men toch weinigen vinden, die gelooven wal de Profeet er thans bijvoegt, nl. dal de genade, die zij noodig hebben hun niet zal geweigerd worden; want, óf zij zullen in hunne slompzinnigheid inslapen in hunne zonde, óf zij zullen door allerlei onrust worden gekweld, om zich ten laatste geheel en al aan wanhoop over te geven. Gelijk ik reeds gezegd heb; het beginsel wordt door allen zonder tegenspraak erkend, dat er niemand gevonden wordt, die zonder zonde is; maar de meesten sluiten toch hunne oogen voor hunne eigene zonden, en zullen zorgeloos in de schuilhoeken hunner onwetendheid blijven liggen, tenzij men hen mei kracht wakker schudt, l^n als dan hel oordeel Gods nabij komt, dan sidderen zij, ol worden zoo gekweld door angst, dat de wanhoop zich van hen meester maakt. Omdat er dus schier niemand overtuigd is, dal God hem genadig wil wezen, komt hel ook niet bij hen op om Hem om vergeving te vragen. Indien iemand ontwaakt lol een levendig besef van het ooi deel Gods, dan kan het niet anders, ol hij zal onder het gevoel van schaamte en vreeze verootmoedigd worden; maar deze verloeiing van zich zeiven zal toch niel volstaan, tenzij er geloof mede gepaard gaat, waardooi het verslagen hart wederom moed val en de vrijmoedigheid verkrijgt om om vergeving te vragen. David handelt dus zeer gepast, als hij, om door een oprecht berouw le worden aangedaan, zich in de eerste plaats voor den rechterstoel Gods stelt; maar ten einde niet weg te zinken van schaamte, en te bezwijken door vrees, voegt hij er le gelijkertijd de hoop aan toe om genade te verkrijgen. En voorzeker zien wij ook hoe zij, die niel verder komen dan te erkennen dal zij den eeuwigen dood verdiend hebben, zich als wanhopigen tegen God verzetten. Ten einde nu zich zeiven en anderen des le meer le bevestigen, verklaart de Proleet, dat God niet gescheiden kan worden van
842
Psalm 13U ; A. 84.j
zijne goedheid; Lii.^ol liij zeidu: Zoudra ik aan I denk, komt ook uwe goederliercnheid mij voor, zoodat ik er niet aan twijtel ol Gij zuil mij genadig zijn, daar Gij uwen aard niet kunt variooclienen. En ik beu er ten stelligste van overluigd, dat Gij U over mij zult ontfermen, omdat Gij God zijt. En laat ons wèl welen, dat hij hier van geene vage, verwarde keunis spreekl van Gods genade, maar van zulk eene genade als waardoor de zondaar tot de vasle overtuiging komt, dat hij, zoodra hij God zal zoeken, ongetwijfeld met Item verzoend zal worden. Daarom is het niet te verwonderen dat er onder de Papisten geene vaste aanroeping is van God, daar zij aan zijne genade hunne eigene verdiensten, genoegdoeningen en waardige loebe-reidingen (gelijk zij hel noemen) voegen, en dus altijd in onzekerheid blijven omtrent hunne verzoening met God. Daarom doen zij met hun bidden niets dan hunne smarten en kwellingen vermeerderen, evenals wanneer men in een reeds brandend vuur nog hout werpl. Al wie nu echter met vrucht wil bidden, moet noodzakelijkerwijs beginnen met de vrije vergeving der zonde. Men moet ook letten op de laatste oorzaak waardoor God tot vergeving geneigd is, en zich nooit anders dan genadig beloont jegens zijne dienstknechten, nl. dat er zonder hope op vergeving geen dienen van God overig zou blijven in de wereld. Ook dit beginsel wordt door de Papisten niet gekend. Wel houden zij lange redevoeringen over de vreeze Gods, daar zij echter de zielen in twijfel en onzekerheid laten, bouwen zij zonder fondament. Kn gewis, het eerste punt in hel rechte dienen van God beslaat hierin, dat v.ij ons gewillig en oprecht aan Hem onderwerpen. Want hetgeen Paulus zegt omtrent het geven van aalmoezen, strekt zich uit tot alle deelen van het leven, nl. dat God den blijmoedigen gever liefheeft (2Gor.'J: 7). En hoe zou het nu kunnen geschieden, dat, iemand zich blijmoedig aan God overgeeft, zoo hij niet steunt op zijne genade en er wel van verzekerd is, dat zijne gehoorzaamheid Hem welbehaaglijk is? Veeleer zouden de menschen vol schrik terugdeinzen, als zij zich in Gods tegenwoordigheid bevinden, of, zoo zij Hem al niet volstrekt den rug toekeeren, zullen zij uitvluchten zoeken om van Hem te ontkomen. Kortom, de bewustheid van Gods oordeel, als het niet gepaard gaat niet de hoop van genade te zullen verkrijgen, brengt niets dan schrik en angst te weeg, waar uit dan noodzakelijker wijs haat moet voortkomen. Wel zal de zondaar, die gekweld wordt onder de vrees voor Gods bedreigingen, God niet verachten, maar hij schuwt Hem, en dii schuwen is zeer stellig afval en opstand. Hieruit volgt dus
Psalm 130
dat God nooit recht gediend wordt zonder de kennis van zijne genade. Men moet ook in gedaciiten houden de andere reden, die ik heb aangeduid, nl. dat er, zoo wij er niet van verzekerd zijn, dat hetgeen wij Gode aanbieden Hem aangenaam is, eene stompzinnige onverschilligheid in ons zijn zal, die ons weerhoudt van te doen hetgeen recht is. Want, hoewel de ongeloovigen soms een' grooten ijver aan den dag leggen â gelijk wij zien hoe de Papisten zich pijnigen met hunne bijgeloovige praktijken â betoonen zij Gode toch geenc gewillige gehoorzaamheid, aangezien zij de verzekerdheid missen, dat God hun gunstig gezind is. Want, indien zij niel door slaafsche vrees in loom gehouden werden, zouden zij terstond de schrikkelijke opstand van hun hart naar buiten openbaren, die nu nog door vreeze in hun hart verborgen en besloten blijlt.
5. Ik heb Jehovah verwacht, mijne ziel heeft Hem verwacht, en ik heb gehoopt op zijn Woord. 6. Mijne ziel op den Heere eer dan de wachters van den morgen, de wachters van den morgen.
5. Ik heb Jehovah verwacht. Na in het algemeen getuigd te hebben dat God zich zachtmoedig en genadig zal betoonen voor de zondaars, die de toevlucht nemen tol Hem, komt hij tol de gevolgtrekking, dat hij hierdoor aangemoedigd wordt om te hopen. Want de verleden tijd van dit werkwoord Verwachten is voor den tegenwoordigen genomen: Ik heb verwacht, in plaats vun; Ik verwacht. Nu is reeds de herhaling van hetzelfde woord van gewicht, terwijl hel woord Ziel er nog meer kracht aan bijzei, alsof hij zeide, dat hij op God hoopt, ja van uil hel diepst zijner ziel. En hieruit leiden wij al, dal hij niel slechts kloekmoedig was in de tegenwoordigheid der menschen, maar dal hij ook in het verborgen kalm en rustig voor God is geweest, hetgeen het beste bewijs is van geloof Want, hoewel velen door eerzucht er van teruggehouden worden om openlijk tegen God te murmureeren, ol hun eigen wantrouwen te venaden, is er toch nauwelijks één op tien, die als er niemand getuige van is, in stilheid en vertrouwen God verwacht. Hij voegt er onmiddelijk bij, dat zijne hope rust op Gods beloften, vvanl, zijn die beloften weggenomen, dan zal ook de genade Gods van voor onze oogen verdwijnen, en dan zou ons hart bezwijken en de wanhoop zich meesler van ons maken. En voorts, ons
844
Psalm 130 : quot;)â6.
geloof /.iil diin werkelijk de proef ilnorsl-.mn, als hel woord Goils voor ons genoeg is. Want, zoo iemand hel Woord Gods aanneem I en zich daardoor verzekerd hondl van Gods heil, dan zal die verzekerdheid ook een geduldig wachten voortbrengen. En hoewel de Profeet hier nu lot zich zeiven spreekl len einde zijn eigen geloof te bevestigen, is er loch niel aan Ie Iwijfelen of hij wil door aldus Ie spreken, aan alle kinderen Gods een zeilde middel voorstellen om op God Ie betrouwen. In deeersfe plaats slell hij hun dus het Woord voor oogen, opdal zij daar gansch en al op steunen en betrouwen, en daarna loonl hij hun, dal hel gelooi' van geenerlei beleekenis is, zoo hel geen geduld en lijdzaamheid bij ons teweegbrengt.
(1. Mijne ziel nj) den Ueere. In dil vers geefl hij uildrukking aan tie vurigheid van zijn' ijver en aan zijne volharding. Wanl, door Ie zeggen dal hij de wachters nog voorkornl, loont hij door dil beeld me' hoeveel naarstigheid en blijdschap hij God beefl gezochl Kn de herhaling loonl zijne standvastigheid, want er is niet aan te twijfelen of er wordl een aanhoudend streven mede te kennen gegeven, en hijgevolg volharding. Heide deze zaken zijn wel waard om opgemerkt le worden, want men ziel maar al le veel hoe traag en onverschillig wij zijn, als hel er op aankomt ons hart op te heften lol God, en vervolgens, hoe het minste legenwindje ons reeds doet wankelen, ja zelfs doet vallen. En voorts, daar hel de gewoonte was om den nacht in vier deelen, of nachtwaken, le verdoelen, kan men deze Schrifluurplaats in dier voege verklaren, dal evenals de wachters, die bij beurten de wacht houden, zeer opmerkzaam zijn om hel eerste morgengloren le bespieden, zoo beefl ook de Profeet mei innige aandacht des harten hel oog op God gericht. Hel komt mij echter voor dat de zin eenvoudiger zal wezen als wij zeggen; Gelijk de wachters der poorlen des morgens oplettender zijn dan alle anderen, en vóór allen opslaan om op hun post te zijn, zoo heefl de ziel van den Proleel zich heengespoed om God te zoeken. Gelijk ik reeds gezegd heb, loonl de herhaling, dat hij hierin volhard heeft, en dal hij dair voortdurend zijn oog op gerichl hield, wanl hel is allijd te vreezen, dal, onze ijver zal bekoelen, zoo de lleere ons gedurende eenigen tijd in onzekerheid laai, omdat hel waehlen ons vermoeil en ons geduld de proef dan niel kan doorstaan.
Psai.m I.quot;10 ; 7âS.
7. Maar Israël hope up Jehovah; want bij Jehovah is goederfciereuheid eu Inj Hem is veel verlossing. S. Hij zal Israël verlossen van al zijne ongerechtigheden.
7. Israël hope op Jehovah. Nfulat de Profeet viin zich zeiven gesproken heeli, en zicli zeiven aan allen ten voorbeeld gesteld heelt, past, liij thans deze leer toe op hel yeheele liehaam der Kerk. Nu moet men wel letten op hetgeen waarop hij wil dat alle geloovigen hunne hope zullen gronden, nl. op de barmhartigheid Gods, waaruit de verlossing voortvloeit. In het eerste lid wijst hij de geloovigen er op, dat, al is het ook dat zij geenerlei waardigheid ol verdienste medebrengen, hel hun genoeg moet wezen, dal God genadig is. En deze onderlinge verhouding tusschen hel geloof der Kerk, en de goedertierenheid Gods is eene zaak, die al onze aandacht waardig is, opdat wij weten, dat allen, die betrouwen op hunne verdiensten, en er zich van verzekerd houden, dat God deze verdiensten zal beloonen, hunne hoop niet naar den regel der Schrill hebben gevormd. Uit deze bron der goedertierenheid doet hij de Verlossing voortvloeien, omdat God door niets anders wordt gedrongen om zich de Verlosser zijns volks te beloonen, dan door zijne eigene goedertierenheid. En hij zegt dat deze verlossing groot, of overvloedig is, opdal de geloovigen ook in den uitersten nood zich verlroosten met de gedachte, dat God oneindige en wondervolle middelen heelt om de zijnen te redden, liet kan ook wezen, dat deze Psalm gedicht werd in een' lijd van de grootste benauwdheid voor de Kerk, een lijd waarin iedereen den moed zou verloren hebben, indien de oneindige macht van God hun niet ten schild had verstrekt om hen te beschutten en slaande te houden. En inderdaad is ook het rechte gebruik van deze leer, ten eerste, dat de geloovigen, als zij iu de diepten zijn, niet twijfelen of de uitkomst is in Gods hand, die telkenmale als dit noodig is, de middelen zal weten te vinden, die nu nog onbekend en verborgen voor ons zijn, en dat vervolgens dit vast bij hen moet slaan, dal wanneer de Kerk ook verdrukt wordt . Hij altijd haar lievrijder zal wezen. Dat is ook de strekking van hel vers dat nu volgt.
8. Hij zal Israël verlossen. Ilij past hetgeen hij gezegd heelt, nu nog in engeren zin toe op de Kerk, want hij komt lot de quot;evolgtrekking, dal God, die lallooze middelen heeft om te verlossen, ook ongelw ijleld de Verlosser zal zijn van hel volk, dal
Psalm 130 ; 8.
Hij licelt verkoren. Hoor deze woorden leerl hij levens, dat wij, liel «lelnitienis onzer aanneming bezillende, onze zaiiuheid als vast verzekerd moeten hesehouwen. Nu zou men de bedoeling van den Proleet op gemeenzamer wijze aldus kunnen verklaren: Dewijl het, altijd Gods werk en ambt, is le verlossen, maar Hij toeh niet de Verlosser is van iedereen zonder onderscheid, doch alleen van het uitverkoren volk, is hel niet te vreezen, dal de geloovigen niet uit al hunne nooden en pevaren gered zullen worden, wanl dan zou God ophouden het ambt uil Ie oefenen, dat Hij zich zeiven toekent. Inlusschen herhaalt hij wederom, dat, zoo Israël slechts in allen ootmoed komt om vergeving le vragen, hunne zonde God niel zal beletten hun Verlosser te zijn. Wanl, hoewel het llehreeuwsche woord Aicón, dal hier gebruikt is, dikwijls genomen wordt voor de straf op de zonde, ligt in de beleekenis toch ook de zonde zelve opgesloten. Uier komt nog bij, dal God, telkenmale als Hij verzachting der straf belooft, legelijkeitijd ook le kennen geeft, dat zijn toorn zal bedaren, die door de zonde opgewekt is geworden, of, orn belei1 le spreken: Hij biedt in de eerste plaats aan de zondaars de vrije verzoening aan, en belooft hun dus hunne zonde en de kwijl-schelding; der straf Volgens deze verklaring wordl hier gezegd, dat Hij zijne Kerk zal verlossen, niet uit de Babylonische gevangenschap, noch van de lyrannie en de verdrukking hunner vijanden, noch van armoede en gebrek, of, in één woord, van eenige andere onaangenaamheid of ongemak in dit leven, maar van de zonden. Want, voordal God de zonden vergeeft aan hen, die Hij kastijdt, kunnen zij geenerlei verlossing verwachten. Laat ons dan uil deze SchrilUuii plaats leeren waardoor wij verlossing kunnen verwachten van al onze rampen en al onze ellende, en welke orde gevolgd moet worden om haar Ie zoeken; nl. dal de vergeving der zonde altijd vooraf moet gaan, want, zonder haar zal niets ons len goede gedijen. Want zij, die slechts van de straf willen bevrijd zijn, en van het leed dat zij gevoelen, zijn gelijk aan onverstandige kranken, die zich niet om hunne eigenlijke kwaal bekommeren, zoo men hen slechts van de verschijnselen bevrijdt, waaronder zij voor bet oogenblik hebben te lijden. Opdat. God ons dus verlosse van onze ellende, moeten wij in de eerste plaats trachten met Hem verzoend le worden door de vergeving onzer zonden te verkrijgen, anders zou hel niet, nul wezen, zoo de lijdelijke straf werd opgeheven, wanl dit heeft dikwijls ook voor de verworpenen plaats; maar de ware verlossing bestaat hierin, dat God, door onze zonden uit le delgen, zich genadig jegens ons beloont. Hieruit leeren wij
Psalm I rid : 8.
M8
levens, dal wij, als wij vergeving verkregen hebben, niel behoeven le vreezen, dal niel ook de goederlierenlieid Gods gansch voor ons bereid en gereed is, wanl, verlossen van oncierechtiylieid heeft mede de beleekenis van de slraf er voor le doen eindigen. Hiermede wordt dan ook de onzinnige leer weerlegd van de Papisten len opzichte van boetedoening en vagevuur, also! Hod, de zonde vergevende, zich toch nog voorbehield er den zondaar voor le slralFen. Mochl iemand nu tegenwerpen, dal de lleere Ioch soms wel diegenen slrafl, die reeds vergeving hunner zonde van Hem verkregen hebben, dan antwoord ik, dal Ood niet altijd aan de mensciien de teekenen zijner gunst doet zien op lietzelfde oogenblik, dal zij niel Hem verzoend worden; maar hoewel Hij hen kastijdt om hen voor hel vervolg verstandiger le maken, laai Hij toch niet na zijne strengheid jegens hen te matigen, bil lieell echter niels van doen met de. boetedoeningen, waarmede de Papisten zich inbeelden aan God de helft van den prijs hunner verlossing le heialen. Ongolwijfeld zijn er talrijke SchriHuurplaalsen, waaruit blijkt , dal God, als Ilij aan zijn volk uitwendige zegeningen belooft, toch allijd begint met de vergeving hunner zonden. Daarom verraad! hel eene al le grove omvelendheid om le zeggen, dat God niet ophoudt van de zondaars le slrallen, vóór dal zij Hem levreden gesteld hebben door hunne werken. En hoewel hel Gods bedoeling is, als hij de geloovigen slrafl of kastijdt, om hen des le meer onder zijne gehoorzaamheid le brengen, is bei eene groole dwaling van de Papisten, als zij dit zelfs lol na den dood uitstrekken. Doch men moet er zich niel over verwonderen, dal zij zoovele lleidensche droomerijen saamgeraapt hebben, aangezien zij zich niet aan het ware en eenige middel der verzoening houden, nl. dal God alleen aan ben genadig is, die alle verzoening en genoeg-doeninquot; hunner zonden zoeken en vinden in het ofler van Christus Inlusschen moet er ook op gelet worden, dal hij zegl Wm nlle- onijerwhliyheden, opdat de zondaren, als zij zich zeergroote-lijks schuldig gevoelen aan allerlei zonden en overtredingen, toch niel aflaten van le hopen, dal God hun genadig zal zijn.
1 'BA L-M i:*l.
INHOUD: Ten einde het, volk aan te moedigen om kloekmoedig te strijden onder zijne banier, of wel, om alle geloovigen
Psalm l.il : i.
te vermanen en uit te noodigen om onder zijne gehoorzaamheid te komen, zegt David hier, dat God altijd zijn Leidsman is geweest, en dat hij zonder zijne roeping eii bevel niets heeft ondernomeD.
Een Lied dei- trappen , van David. 1. O Jehovah, iiiijn hart is niet verheven, en mijne oogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen, die groot en voor mij verborgen zijn.
1. O Jehovah mijn hart ts niet verheven. Omdnl David pen opziener was van de Kerke, Gods, lieell liij, om zieli eenwellig' Koning Ie helooncn, en de goioovi^en onde.r/ijn(! ^(diooi zaamlieid Ie hien^en, wel willen belnigen, dal hij, in alles wal hij gedaan ol ondernomen heelt, door ^eene eeiznehl ol hoogmoed werd geleid, maar dal hij veeleer allijd door een' j^eesl van kalmle en zeil heiieersehin^ wcei honden was, len einde zich aan den wille (iods Ie onderwerpen. Uil is eene zeer nulli^e leering', omdal er geen veiliger levensregel is, dan wanneer ietlei tevreden is inel den staat, dien God voor hem verordineerd heelt, dedingen niel naar zijn eigen zin wil schikken, maar kalm en vreedzaam wachl op de roeping Gods, en niets meer hegeei I dan hetgeen hem veroorlooid is; zich ook niol onbesuisd en onbezonnen in zaken ol ondernemingen begeell, naar geene grootheid slaal, maar tevreden is met zijn slaat en lol. Door nu Ie zeggen, dat zijn hurt niet verhieven is, nocml hij de bron van alle roekeloosheid, hoogmoed en ongeoorloofde slonlmoedigheid. Wanl, hoe koml liet, dat de menschen aldus den leugel vieren aan hunne begeerlijkheid, in de luchl zweven, en de wereld in beroering i)rengen door alles ondersl hoven Ie werpen, korlom, dat zij door hunne roekeloosheid voorlgezweept worden? Is hel niet omdat zij opgeblazen zijn van hoogmoed? Wanneer daarentegen die hoogmoed des harten weggenomen is, dan zal men zien, dat allen in ootmoed en ingetogenheid wandelen. Hetgeen er bijgevoegd wordt van de ooyen beteekent zoo veel alsof hij zeide. dal er in zijn gelaat en houding geen teeken van hoogmoed was Ie bespeuren, naai' welke wijze van spreken elders gezegd is, dat de oogen der trotschen hoog zijn (Ps. 18 ; 28), hoewel hel niet ongepast zou zijn dil hier nog verder uit te strekken, ui. dal David niet slechts zijn hart weerhouden heelt van zii h door Dl. II. :-,4
PsaIjM irVl : 1.
............ i.., verliolï^n, maar ook zijno on-on in loom Iieeft
«elioiidcn, opilal zij aan .Ic begcerle naar -roolliei(l en li oogheid van licl liarl niel zonden toegeven. Wal hij dus zeggen wil igt;, .h.t mei lie! harl ook alle zijne andere zinnen onderworpen hieven aan nederi-lieid. Kn dal hij zegl, dat hij niet gewandeld heeft in dim,en, die groot zijn, dil. moet in verhand gehrarht worden met het hart. Hel was voorzeker eene groote en heerlijke onderscheiding voor David, dat hij niel slechls Proleet, maai ook Koninü was, ja, dat hij op den heiligen troon van Gods eeni-en Zoon was gezeten. Ik ga nu nog de andere voorlreüehjke zaken voorhij, waardoor God hem van de gewone menschen had onderscheiden. Omdat hij zich echter hinnen die grenzen quot;ehouden heelt, en niets anders begeerd heelt dan God te dienen in zijne Kerk, kan hij terecht de verklaring afleggen, dal hi|
niet, gewandeld heelt in groote dingen. Opdal men zich echter niet kwelle door hij een woord te blijven staan, kan hier worden bijcevoegd, dat hetgeen volgt Hooger dan ik, ot boven nnj, in verhand'gebracht moet worden met de zaken, die gewoonlijk als groot, of verborgen, ol'wonderlijk geacht worden. Kr wordt hierquot; dus niet gehandeld over de vraag hoe hoog ol laag Davids staat aeweest 'is, want het is genoeg dat hij de grenzen zijner roeping niel overschreden heeft. Kn inderdaad heelt, hij zich ook niet veroorloold een' voet te verzetten zonder door Gods hevel er toe geroepen te zijn. Kn aldus .loet hij ons eene tegenstelling zien lusschen den ootmoed van David en de zondige roekeloosheid van hen, die zonder Gods bevel af te wachten zich verder wagen dan hun geooiloofd is, ofwel zich het ambt. van anderen aanmatigen. Want, waar de roeping Gods voor on^ heengaat als eene lamp om ons voor te lichten, daar zal niets verborgen of groot voor ons zijn, inzonderheid als wij vaardig en gewillig zijn om Ie gehoorzamen; maar wie door eerzucht wordt voortgedreven, moet wel in een' doolhof verward raken. Ook zien wij, boe God de kinderen der wereld teleurstelt, die zich met zooveel ijdelheid op hunne groolsche ondernemingen beroemen. Zij dolen rond, keeien naai vallen de wereld onderst boven, nemen alles ter band, en zijn hoouelijk ingenomen met hunne eigene scherpzinnigheid en talent. Maar als zij dan al hunne verzinselen en raadslagen bijeengebracht
hebben, zoodal er een zeer groote hoop van geworden is, valt alles terstond weder uit elkander, omdat er geene vastigheid in i, zijn er twee verschillende gebreken, waarmede diegenen
behept zijn, die God vooruit, willen loopen in plaats van Mem te volgen. Want sommigen snellen voorwaarts in brandenden
Psalm 1:51 : Iâ2.
ijver, alsol zij steenen opeenslapeklen voor een gebouw, rlat lol den hemel moei reiken. Anderen loonen wel niel zoo de krankheid, waarvan zij bevangen zijn, maar gaan langzaam, als hel ware sluiksgevvijze, te werk, en zien uil naai een verder verwijderd lijdslip, omdat zij erlilor met, niel minder Irolsche aanmatiging, zonder acht Ie geven op God, vaststellen, wat zij na tien ol twintig jaa: doen zullen, alsol zij heer waren van hemel en aarde, leggen zij den grondsteen van hun gebouw in de diepte der zee. Maar al zou God hun leven ook honderdmaal verlengen, zullen zij de oppervlakte dier zee lorh nooit hereiken. Maar als een mensch zich Gode onderwerpl, in de eerste plaats niet uilgaal. naar hetgeen groot is, cn vervolgens zich binnen de hem gestelde perken houdt, zal hij met David den vlakken weg volgen.
2. Zoo ik mijne ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijne moeder! mijne ziel is als een gespeend kind in mij. 3. Israël hope op Jehovah , van nu aan tot in der eeuwigheid.
2. Zoo ih mijne, ziel nie.t heb gezet e.n stil gehouden. Hij gebruikt hier een sierlijk en gepast beeld, waardoor hij nog beter zijne bedoeling uildrukl, daar hij zich hij een pas gespeend kind vergelijkt. Kn de zin is, dat hij alle zorgen van zich werpende, waarmede de eerzuchligen zich kwellen, de kleinheid, ol geringheid, heeft bemind. Rn omdat dit moeielijk is te gelooven, bevestigt hij hel met een' eed, over welks vorm ik vroeger reeds heb gesproken. Want hier moet eene vervloeking ol verwensching van zich zeiven bij gedacht worden, die weggelaten is, opdat de menschen leeren hunne tong in bedwang Ie houden als zij zweren, en Gods naam niel liehlvaardig Ie gebruiken. Zijne ziel te zetten ah een kind, dal is haar eene gestalte Ie geven gelijk aan die eens kinds, nl. zich vreedzaam en slil te houden, want tiet llebreeuwsche woord DCmamti, is gevormd uit Doem, dal in overgankelijken zin genomen wordt, en beleekenl Doen zwijgen. En dit zich rustig ol stil honden is gesteld tegenover die ziedende hartslochlen en begeerlijkheden, waarmede velen zich zeiven en geheel de wereld in beroering brengen. De vergelijking bij een' zuigeling is aan andere plaatsen gebruikt om een gebrek aan te duiden. Want als de Proleet â¢lesaja in llool'dsluk 0iS ; !) zegt: Wien zal Ik kennis leeren?
54»
Psai.m Iril : ^
Hen ^t'S|»(!en(len v;in de molk, ilon nfj-elrokkiinen van de borsten? dan spreekt hij minüclilend van de slompzinnigheid en acliler-lijklieid des volks, alsof zij niet beier in slaal waren om te leeren, dan een kind dal not; geen twee jaar oud is. Hier eclilei heell het beeld de slrekking om hunne eenvoudigheid te prijzen, gelijk ook onze Heere Jezus Christus deze zeilde wijze van spreken gebruikt als Hij zegi: Indien gij u niet verandei I, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan (Mattb. 18 : .''i). En deze ontembare begeerlijkheden ontstaan hieruit, dat de menscben wijzer en voorzichtiger willen zijn dan noodig is. Daarom heeft Da\id ei bijgevoegd : Mi/'ne ziel heeft zich stil gehouden in mij, niet alsof hij steunde op eigen kracht, maar omdat hij eene stille en vreedzame gezindheid in zijn hart koesterde, waardoor hij door geene overmatige begeerten gekweld ot verontrust weid. \\ant er is eene teuenstelling tusschen de onbestemde en dwalende, of liever heftige gemoedsbewegingen van hen, die ontevreden met hun' staat,'onbesuisd voorwaarts snellen, en de ingetogenheid van ben, die kalm berusten in de roeping Gods. Intusscben blijkt uit. het slot, waarom Uavid verklaart dat, hij niets ondernomen heeft, waartoe bij door eene vleeschelijke neiging ol begeerte was gedrongen. Hij vermaant Israel te hopen oji God. Kn nu zou dit gewis eene onsamenhangende wijze van spieken zijn, indien het niet groolclijks strekte tot heil en welzijn van de Kerk, dal hij door'God zeiven op den troon was geplaatst. Want hierdoor hadden de geloovigen de verzekerdheid van den beloofden zegen. En hel is ongetwijfeld de beste manier van te hopen, als wij eene sobere en ootmoedige meening koesteren omtrent ons zeiven, en niets begeeren en niets ondeinemen zonder de goedkeuring Gods en zonder door Hem ei'toe geroepen te zijn.
1 gt;H A I. M 133.
INHOUD; Wie ook de Profeet zij, die dezen Psalm gedicht heeft, in den persoon der geloovigen, pleit hij hij God op zijne beloften, dat Hij niet zal toelaten dat het Koninkrijk of de Tempel tot verval zal komen, maar ze beiden zal bevestigen en in stand houden.
I's ALM 1^2 : 1.
Eeu Lied der trappen. 1. O Jehovah, gedenk aan David met al zijne beproevingen. 2. Die Jehovah gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte heelt gedaan. 3. Zoo ik in de tent mijns huizes inga, zoo ik op de koets van mijn bed klimme! 4 Zoo ik mijnen oogen slaap geve, mijnen oogleden sluimering; 5. Totdat ik voor Jehovah eene plaats zal gevonden hebben, woningen voor den Machtige Jakobs.
1. O Jehovah! yedenk. Ten opzichte van den auteur van dezen Psalm zijn de geleerden het onder elkander niet eens, hoewel er niet aan te twijfelen is, dat hel óf David, óf Salomo geweest moet zijn. Want in de Gewijde Geschiedenis staan eenige van deze verzen opgeteekend, die door Salomo bij de jilechtige inwijding van den Tempel werden uitgesproken Hieruit kan men met eenige waarschijnlijkheid tol de gissing komen, dal de Psalm toenmaals reeds bekend was onder het volk, en dikwijls gezongen werd, of wel, dal Salomo sommige woorden er van toepassellijk gemaakt heelt voor hel gebruik, waartoe hij den geheelen Psalm bestemd had. En omdat nu aan David de belolte gedaan is van het altijddurend bestaan van het koninkrijk en van den Tempel, wordt zijn naam hier genoemd, want ook na zijn' dood is de waarheid Gods van kracht gebleven Zoo heelt de Kerk dan met volle recht in dezen vorm kunnen bidden, dal God zou volbrengen wat Hij aan zijn' dienstknecht David had beloofd, niet voor zijn' persoon alleen, maar len gunste en voordele van alle geloovigen. Ilierdooi wordt dan ook de dwaasheid weerlegd van de Papisten, als zij beweren, dat de afgestorven heiligen ons helpen door hunne voorbede, alsof de geloovigen een' advokaal opriepen uit hel graf om bij God voor hen te pleilen. Veeleer kan men uit den samenhang van den tekst opmaken, dal zij eenig en uitsluitend hel oog hebben gehad op hel verbond, dal God met David had gesloten, want zij wisten dal dit verbond als hel ware aan dien eenen man ter bewaring was toevertrouwd op voorwaarde, dat het alzoo van hand lol hand tol ailen zou komen. Nu is het niet zonder reden, dal er gesproken wordt van heproering, of verooi moediging. Want de vertaling van sommigen door zachtmoedigheid druischl in tegen alle rede. Wèl erken ik, dal hel llebreeuvvsche woord chasdé in i Kron. 6 : 4V2 voor goedertierenheid of weldadigheid
Psalm : 1â±
is genomen, en naar liet mij voorkomt in passieven zin, om den wille der weldadigheden, waarmede David versierd was; maar hier onderschrijf ik zonder le aarzelen de meening van hen, die er kommer en verdriet onder verstaan, en al de moeielijklieden en den schrikkelijken strijd, waardoor David beproefd werd, terwijl God hem no^ in den wachtenstijd liet blijven. Zie hier dus waar hel op neerkomt: 0 Heere, gedenk door hoe veel angst en zorg David gekweld is geworden , hoe groote moeielijklieden hij bad le overwinnen, eer bij in bel bezit zijns koninklijks kon komen, en met boe grooten ijver bij begeerd heelt U een' Tempel le bouwen, hetgeen hem echter niet le beurt heelt mogen vallen. Kn de waarbeid der bemelsche Godspraak was voor de geloovigen voorzeker met volle recht bezegeld door de gevaren, de moeile en liet verdriet van David; want bij heelt er genoegzaam getuigenis van afgelegd, dat bij voor vast en zeker hield betgeen uit den mond Gods was uitgegaan. Sommigen zeggen: Gedenk aan David en zijne beproevingen, maar dit wil mij niet behagen. Want bel llebreeuwscbe woordeke Eth geelt veeleer een bijzonder acht slaan te kennen, zoodal Davids beproevingen gedacht worden, of dal David met zijne beproevingen voor bet aangeziclil Gods komt, en in aanmerking daarvan zijne begeerte zou verkrijgen.
quot;2. Die Jehovah gezworen heeft, enz. Onder zijne beproevingen acht bij dit het voornaamste, dal David gekweld werd door de onzekerheid omtrent de plaals, waar de Aike zou verblijven. Wel heelt Mozes lang le voren aan het volk bevolen God te aanbidden aan de plaals, die Hij verkoren bad (Deul. 12:5) Nu wist David, dal de tijd nabij was, wanneer die plaats openlijk bekend gemaakt zou worden; en toch bleel bij bieromlrenl nog in twijfel en onzekerheid, betgeen noodzakelijkerwijs eene pijnlijke zorge bij hem leweeg moest brengen, voornamelijk, omdat bij zulk eene brandende begeerte had lol den dienst van God; alsmede omdat hi j met smachtend verlangen uil zag naar de tegenwoordigheid Gods om zijn volk te beschermen en le besturen. Nu zegt hij, dat bij gezworen beeft, om vóór alle andere dingen zijne zorgen le wijden aan bel bouwen van den Tempel. De wijze waarop hij zich hiertoe verbond is echter eenigszins bard en streng, alsof bij zich slaap, spijs en drank en de andere middelen, die strekken om hel leven te onderhouden, wilde ontzeggen, totdat de plaats aangewezen zou zijn, waar de Tempel gebouwd moest worden. .Maar hierin zou hij dan onnadenkend en roekeloos hebben gehandeld, omdat het niet
I's alm \'öi ; ü.
855
in zijne inachl was om aan üod ucn' lijtl te bepalen; en daarbij zou hij ook de kraclil niel gehad liebbun om zich geduiende vele dagen van spijs, en vele nachten van slaap Ie onlhouden. En daarenboven: wanneer zullen wij zeggen, dat hij deze gcloite gedaan heelt7 Jk weet wat sommigen van de Hebreen anl-woorden, nl. dat David deze gelolle gedaan heeft, toen hij verbaasd en verschrikt op het gezicht van den engel, Ier aarde is gevallen. Ik erken, dat hem kort daarna de dorschvloer geloond werd; loch is het eene door niets gerechtvaardigde gissing, om aldus tot dit eene punt des tijds te beperken hetgeen veeleer beschouwd moet worden als iets, waarmede hij zijne gedachten gedurende zeer langen tijd heelt bezig gehouden. Maar het is volstrekt niet ongerijmd te zeggen, dat dit eene hyperbolische wijze van spreken is, en dat hij hier niet den wezenlijken vorm mededeelt, waarin hij de gelolte gedaan heelt, maar dat zijne woorden in dier voege verzacht moeten worden; Nooit zal ik in mijn huis gaan, en nooit zal ik mijne legerstede beklimmen, zonder dat deze gedachte mij gansch en al inneemt. Hij had de stellige oveituiging, dal de vaste woonstede des lleiligdoms en de slaat des koninkl ijks onafscheidelijk aan elkander verbonden zijn. Daarom moet men er zich niet over verwonderen, dal het hem toescheen, alsof hij geen Koning was, en dat hij zich niel veroorloofde kalm en vreedzaam van de gemakken en genoegens van het leven te genieten, voor en aleer hij zich verzekerd had van de plaats, waar de Tempel gebouwd zou worden. Dewijl wij echter van niets zeker zijn waar het getuigenis der Heilige Schrift ontbreekt, geel ik hier slechts, wat naar mijne overtuiging waarschijnlijk is. Nu zou deze zin volstrekt niet slecht voegen: heizij dat David in zijn huis verblijft, of rust op zijne legerstede, altijd en overal zal hij vol onrust en zorge wezen, totdat hem de plaats wordt getoond, waar de Aike voortdurend zal verblijven. at de gelolte betrelt: de Papisten leiden ten onrechte uit deze en andere gelijksoortige plaatsen al dat alle geloften, al is hel ook dal zij ze zonder eenig nadenken hebben uitgesproken, door God goedgekeurd worden. V/ant evenals het lolïelijk is aan God le beloven hetgeen Hij verklaart Hem aangenaam te zijn, zoo is het eene zondige aanmatiging als de menschen zoo maar beloven wat hun goeddunkt, ol hun door hun' vleeschelijken zin wordt ingegeven. V* ij moeten dus acht geven op hetgeen Hem goeddunkt, opdal Hij niet berooid worde van de eer, die Hem in de eerste plaats loekomt, gelijk dan ook inderdaad gehoorzaamheid beier is dan offeranden.
Psalm 13i : 6.
6. Ziet, wij hebbeu vau haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van het woud. 7. Wij z.ullen in zijne woningen ingaan; wij zullen aanbidden voor den voetbank zijner voeten. S. Sta op, Jehovah, in uwe ruste, Gij en de Ark uwer sterkte. 9. Dat uwe priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat uwe vromen juichen.
(3. Ziet wij hehhen van haar gehoord in Efratha. Dil vers is zeer duister, zoodal het niul te verwonderen is dal de uitleggers zich kwellen om er de juiste beleekenis van te vinden. Ten eerste is er geen antecedent, dal overeenkomt mei hel vrouwelijke voornaamwoord, men is dus dooi' de noodzakelijkheid gedwongen om het in verband te beschouwen met de woning, waarvan hij heelt gesproken, hoewel hij het woord woningen in hel meervoud heel: gebruikt. En ten opzichte van hel woord Efratha is de moeielijkheid nog grooter, wijl de Ark daar nooit geplaatst is geworden. Indien hier gesproken wordt van een' lijd, die reeds voorbij is gegaan, dan zou veeleer Silo genoemd zijn moeten worden. Daar de Proleet echter huilen allen Iwijlel spreekt van een nieuwe woonstede, waarom noemt hij dan Elialha in de plaats van Sion? Sommigen hebben zich door een dwaas verzinsel van de moeielijkheid afgemaakt, door le zeggen, dat de plaats twee namen bad, en dal de dorschvloer, die aan David getoond werd, ook Efratha genoemd werd, wijl het eene vruchtbare plaats was. Daarom heell llieronymus het vertaald door Oarpophoria, hetwelk beteekent: vruchlaanbrengend, hoewel bij zich niet overal hieromtrent gelijk blijll, want, aan eene andere plaats, waar hij beuzelt met zijne allegoiiën, vertaalt hij hel door Woede, hetgeen ongerijmd is. Ik voor mij twijfel niel of dil woord Efratha is afgeleid van Parah, hetwelk beteekent Vruchtdragen, gelijk ook Delblehem, dal m die streek gelegen is, van wege hare vruehlbaarheid Broodhuis genoemd wordt. Maar dit gissen naai' den naam der plaats is volkomen nutteloos, daarom moet men zoeken naar heigeen het waarschijnlijkst is. En dan is er in de eerste plaats wel eenige waarschijnlijkheid voor de verklaring, dat er een gerucht in omloop was, dal de Ark geplaalsl zou weiden !e Efratha, van waar David alkomstig was. En inderdaad zou men ook kunnen denken, dal zijne geboorteplaats het geschiktsl was zoowel voor de Ark als voor
Psalm 13quot;i ; U.
857
hel rieili^dom, en men belioell er zicli dus niet over le verwonderen, dal deze meening overal ingang vond. liet gerucht, hetgeen men zoo hier en daar had gehoord, zou dus voor de openbare meening zijn genomen. Wordt deze verklaring aangenomen, dan zal hel werkwoord in den meer dan volmaakt verleden tijd staan: Wij hadden van haar gehoord in El'ratlia; maar wij hebben haar gevonden in de wouden; d. i. in eene plaats, die noch zoo aangenaam, noch zoo goed bebouwd was. Want wij welen, dat de stad Jeruzalem omringd was van bergen, en dal dit deel des lands niet vruchtbaar was, zoodat hel niet zonder reden Veld des Wouds wordt genoemd. Nu moeten de lezers overwegen of ook deze verklaring niet aannemelijk kan zijn: Dat de geloovigen zeggen, dal zij van haar gehoord hebben in El'ralha, omdal de Heere iels hoogers beloofd heeft voor Efratha dan voor Zion. Want, hoewel de gedenkwaardige profetie van Micha (llooldsl. 5:1) loen nog niet uitgesproken was, kan het toch wel wezen, dat God reeds iels heerlijks en voorlrefl'elijks van Bethlehem heeft getuigd. Wij hebben dus van Bethlehem gehoord, daar deze plaats echter nog voor ons verborgen is in hope, moeten wij God aanbidden in het veld des wouds, totdat hij zijne belofte vervuld zal hebben ten opzichte van Efratha, welke vervulling Mij lot nu toe nog uitgesteld heeft. Omdal deze verklaring echter gewrongen is, durl ik haar nauwelijks aanvaarden, en kan ik haar ook werkelijk niet als eene gezonde uitlegging aanbevelen. Naar mijne meening is de zin eenvoudiger, nl. dat die naam Efratha veeleer genomen is voor den persoon van David dan voor de plaats, alsof de Proleet gezegd had: Daar God zich nu een' Koning uit Efratha verkoren heeft, heelt Hij ook tegelijk de plaats aangewezen voor de Arke des verbonds. Nu wordt ten eerste van hel hooren gesproken, omdat hel nicl van den wil of de machi der menschen alhing om Gods Heiligdom op te richten, waar hel ook zij, voordat God zijn welbehagen hieiomtrenl had le kennen gegeven, üok is hunne blijdschap niet overtollig bij hel vernemen van de heerlijke belofte ten opzichte van de voortdurende vestiging van den Tempel, die dau nu eindelijk onder de regeering van David gegeven was. lutu sschcn verklaren de geloovigen, dal zij de Arke niet maar willekeurig ol als bij toeval hier of daar geplaatst hebben, maar dal zij door God onderricht zijn geworden, waar Hij geëerd en gediend wilde, worden, gelijk in eene wettige Godsvereering bel geloof altijd de eerste plaats zal innemen, hetwelk ook uil hel gehoor is. En voorts, hoewel de berg Zion niets voortreffelijks had om hem vermaard le maken, zoo hebben de
Psalm : 0â7.
^eloovigen toch geloond, dal hel niel geooiloold is de keuze der plaals le bedillen, omdal zij reeds gehoord hadden, wal Gods welbehagen was.
7. Wij zullen iti zijne woningen iuyaan Hier slell hij een algemeenen vorm van vermaning voor aan alle geloovigen, waardoor zij elkander opwekken om le gaan naar de plaals, die door den engel was aangewezen. En inderdaad is hel ook rechl en billijk, dal wij naarmale de wil van God ons duidelijker geopenbaard is, Hem mei des le meer ijver onze gehooizaamheid beloonen. Aangezien hel volk nu wist, dal er eene plaats door CJod was verkoren, wijst de Proleet er hen op, dal zij thans niet traag of achleiiijk kunnen blijven, maai' zich derwaarts heen moeten spoeden daar God zijne woonstede thans blijvend onder hen gevestigd had, en hen dus gemeenzaam lol zich noodigde. Daarmede veroordeelt hij dus de traagheid van hen, wier ijver niel toeneemt naar de mate der openbaring, die zij hebben ontvangen. \Val betrell iiet woord Woningen, daar hel in hel meervoud genomen is, denken sommigen, dat dit meervoud gebruikt is omdal er in den Tempel een binnenste Heiligdom, een Middengedeelte en dan nog een Voorhol was. Ik weet echter niet ol de Proleet deze fijne onderscheiding bedoeld heell, hoewel ik deze uitlegging toch ook niet verwerp. Van meer belang is de term, die terstond daarna volgt; want, als de Profeet de Arke des verbonds de voetbank Gods noeinl; loonl hij korlelijk aan, dat de oneindige majesteit Gods niel besloten is in hel Heiligdom, gelijk mensehen van cene grove bevatting zich dit hebben voorgesteld. Want, indien al de schoonheid en heerlijkheid van den uilwendigen Tempel niets meer was dan de voetbank voor Gods voelen, dan was hel noodig dal de geloovigen hun geest ophieven lot den hemel, ten einde God met allen eerbied te kunnen aanbidden. Hel was hun dan ook voorzeker niel geoorloofd een aardsch denkbeeld van Hem te koesleren. Aan eene andere plaats (Ps. quot;27 : gt;) wordt het Heiligdom Gods aangezicht genoemd, opdal hel volk in volkomene verzekerdheid des gelools opmerkende zou zijn en de oogen gericht zou houden op het symbool, dat God hun had voorgesteld. Kn van beiden spreekt de Profeet hier meer bepaaldelijk, te welen: God lol bel Heiligdom le beperken is onheilig bijgeloof; terwijl hel toch niet le vergeefs is dat de Kerk uitwendige symbolen gebruikt, opdal nl. de geloovigen van den eenen kant niet minachten belgeen tol eene hulpe strekt voor hun gelool, en van den anderen kant er niet te veel aan hechten, en er bij
858
I's alm li!^ ; 7â8.
blijven stilstaan. Hoewel God dus woont in den hemel en boven alle hemelen, zijn wij toch. om Hem te zoeken, niet gedwongen zonder hulp derwaarts op te klimmen. Want door ons een symbool te geven van zijne tegenwoordigheid, strekt Hij zijne voelen uil lol de aarde, om ze door ons te laten aanraken. Nu bemei ken wij hoe nuttig hel voor ons is, dal de Heilige Geest spreekt naar de zwakheid onzei bevatting, ten einde ons van de aardsche elementen op te hellen naar den hemel. Maar er heersehte een zeer domme verblindheid in het tweede eoneilie van Nieea, toen deze goede vaderen om de wettigheid van den beeldendienst te bewijzen deze sein ill uurplaats hebben durven verwringen, alsof namelijk David en Salomo bevolen hebben beelden op te richten voor God om dezelven te aanbidden. Thans nu de plechtigheden en schaduwen der Wel opgeheven zijn, aimbidden zij in waarheid voor den voetbank van zijne voeten, die zich met eerbied en gehoorzaamheid onderwerpen aan zijn Woord, en zich door hel gebruik der Sacramenlen oefenen om Hem op geestelijke wijze te dienen. En omdat zij weten dal God niet eenvoudig nuderkoml van den hemel, maar zijne voelen terugtrekt, klimmen zij op lol Hem. Kn dewijl nu niet alleen Gods voelen, maar geheel de volheid van zijn goddelijk wezen en heerlijkheid woont in Christus, moet de Vader gezocht worden in Hem Inderdaad is dil ook de reden waarom Hij nedergekomen is, nl. om ons op te heffen lot Hem.
8. Hta op Jehovah, in uwe ruste. Deze wijze van spreken geefl een eenigszins grof denkbeeld, nl. alsof God, die den hemel en de aarde vervult, in eene nieuwe woonstede komt. Maar de uitwendige oefeningen van den godsdienst, die door God was imiesteld, worden hier terecht met deze eerenamen gesierd, opdat de geloovigcn ei zich met des te meer ijver en liefde toe zullen begeven. Want, indien God ons onmiddelijk en zonder hel gebruik van middelen lol den hemel riep, dan zou de groole afstand ons verschrikken, en de begeerte lol bidden zwak zijn. Hoewel Hij nu niel van plaats verandert, zoo komt Hij toch nader lol ons. Zoo is Hij van ouds nedergekomen lot zijn volk in de Arke des verbonds, die Hij als de zichtbare tegenwoordigheid wilde beschouwd hebben van zijne goedheid en genade. Daarom is het tweede lid er bij wijze van verklaring aan toegevoegd, opdat de geloovigcn zouden weten, dat hel komen van God niet anders verstaan moet worden, dan dal Hij zijne kracht aanschouwelijk maakte in de Ark. In dien zin wordt zij dan ook de Arh zijner sterkte genoemd; wanl het was
859
Psalm 1o2
8â9.
860
geene ijdele ol doode schaduw, zij toonde in werkelijkheid dal God zijne Kerk nabij was. En de berg Zion wordl de rusle Gods genoemd, omdat God voortaan aan geene andere plaats zijn' eeredienst wilde gevestigd hebben, gelijk ik zoo aanstonds aantoonen zal.
9. Dat moe priesters hekleed worden met gerechtiijheid. 'I hans bidt hij voor den voorspoed der Kerk in liet algemeen, helgeen in verband slaat met den vooralgaanden zin, want God woont met geen ander doel onder ons, dan om ons gelukkig temaken. Sommigen denken, dat hij hier veeleer den wensch uitspreekt dal de zuivere eeredienst van God van kracht zal blijven, en dat in de Priesters in zulk eene hooge mate heiligheid geeischt wordt dal de Profeet ook op hunne heilige plechtgewaden het oog heeft. Maar als ik alles te zamen neem en van nabij beschouw, dan schijnt mij de volgende verklaring aannemelijker, nl. dal hier gebeden wordt, dat Gods gerechtigheid zal uitblinken onder het volk, en den priesteren tol sieraad zal strekken, en vervolgens, dal zij blijdschap zal doen ontstaan bij geheel het volk. En zoo neem ik dan Gerechtigheid voor de vrucht der gerechtigheid, en ik versta het niet van de gerechtigheid der menschen, maar van de gerechtigheid Gods. liet is niet te verwonderen dal de Priesters het eerst genoemd worden, want wij weten, dal de orde in de Kerk zoo geregeld was, dal zij den voorrang hadden boven de anderen. Terwijl hij hun alzoo hunne plaats en rang aanwijst, laat hij echter daannede niel na te bidden voor geheel de Kerk; alsof hij zeide; ileere doe het licht uwer gerechtigheid zoodanig schitteren in de Priesters, dal geheel het volk er door verlicht wordl. Nu wordt er gezegd, dal God ons bekleedt met gerechtigheid, als Hij zich onze Verlosser betoont, als Hij ons slaande houdt door zijne kracht, en ons zoodanig regeert en bestuurt, dat Hij door de daad toont zorg voor ons Ie dragen. En inderdaad, de verheuging of hel juichen, dal hij er terstond daarna bijvoegt, wijst op een gelukzalig leven. Aangezien hij nu deze twee dingen samenvoegt, volgt hieruit, dal het woord Gerechtigheid niet anders genomen is dan voor de bescherming en het bestuur Gods. Terstond hierna volgt in denzeltden zin: Dat wee Priesters heldeed worden met heil. En in hel plechtig gebed van Salomo, waarvan ik boven melding heb gemaakt, spreekt hij niet van gerechticjheid, maar van heil. Kn dat alle geloovigen chasidim , of vromen Gods, worden genoemd, daarvan is leeds dikwijls gesproken, nl. dal er geene deugd is, die de menschen nader brengt tol God dan weldadigheid.
Psai.m 132 : 10.
10. Om Davids, mvs knechts wil, weer het aangezicht uws Gezalfden niet af. 11. Jehovah heeft David gezworen in waarheid, waarvan Hij niet wijken zal: Van de vrucht nws bulks zal ik o|) uwen troon zetten. 12. Indien uwe zonen mijn verbond houden, en mijne getuigenissen, die Ik hun leeren zal, zoo zullen ook hunne zonen tot in eeuwigheid op uwen troon zitten.
10. Om David tuns hnechts wil, en/.. Sommigen voegon lif!l begin van dit vors samen mei hel vorige. Hoewel ik lt;lil nu niel wil verwerpen, kunnen de lezers loeti gemakkelijk zien, dal, dit vers aaneen moei gelezen worden. Eer ik eeliler de bedoelini; van don Profeet ga verklaren, moei, men verslaan, dat deze woorden : Weer het aangezicht uws gezalfden niet af al Ie spitsvondig verklaard worden, alsol de heteekenis was; Beroof ons niet van hel gezicht onzes Verlossers. Veeleer kan men uil hel gehed van Salomo afleiden, dal de Prol'eel (ïod hidl den Koning gunslig en genadig Ie zijn, zooals lialhseha toen zij haar verzoek richt tol Salomo, haren zoon, helzellde woord bezigt (i Kon. 2 ;'2(1). alsof zij zeide: Verwerp mij niel van voor uw aangezicht. Dit woord heleekenl dus zoo veel als Afheeren. Hel was noodig dit kortelijk te vermelden, omdat deze verklaring: Ontneem ons den beloofden Verlosser met, zoo aannemelijk schijnende, de onwelenden allichl zou aantrekken. Doch hier wordt eenvoudig gebeden, dal God de gebeden des Konings niet zal verwerpen, die hij voor zijn volk in het algemeen lol Mem opzendl. Kn hier wordl om genade of gunsl gevraagd in den naam van David om geene andere reden, dan omdat (iod een verbond met hem heelt gemaakl , wanl van wege dit voorrecht moes! hij niet als een gewoon man uil hel volk beschouwd worden. Waar het op neerkomt is, dat God, gedenkende aan zijne belollen, zijne gunst en goedheid ook uitstrekke tol. Davids opvolgers. Want hier wordt aan ieder Konmg een gebed voorgeschreven voor de Kerk, maar de grond er voor is gelegd in den persoon van David. Van loon aan zijn de geloovigen onder een lype ol schaduw er op gewezen, dat Christus de Middelaar zou zijn, die voor geheel het volk voorspraak zou doen. Omdat Christus toenmaals echter ons vleesch nog niet had aangenomen, en zijne olferande nog niet volbracht hebbende, bel hemelsch heiligdom nog niel was binnengetreden, is er een
801
Psalm 1.^2 ; 10â1-2.
lijdelijk müldülnnr gesteld, die ais type den waren Middelaai voorstelde, waardoor aan liet volk vrijmoedigheid werd gegeven lot hel gebed.
11. Jehovah heeft David (jezworen ilij spreekt nu duidelijker uit , dat hij in David niets anders ziel, dan de vrije belofte (Srods, die hem als ter bewaring was gegeven. En opdat bij aan de waarheid dezer belol'le niet zou twijfelen, zegt hij dal zij door een' eed bevestigd is geworden. Wal de woorden betreft : hij zegt dat God waarheid beeft gezworen, d i. niet bedriegelijk, of in schijn, maar in ernst en goede trouw, waarom men niet, behoeft te vreezen, dat Hij van zijne belofte af zal wijken. Ilij belooft aan David een' opvolger uit zijn zaad, daar hij de hoop reeds bijna bad opgegeven op eene onafgebrokene opvolging, niet wijl bij geene kinderen bad, maar omdal, hij eene uiterst verderfelijke oneenigheid zag heerschen in zijn gezin, waardoor zijn geslacht mei een' algebeelen ondergang werd bedreig 1. En hoewel Salomo als zijn opvolger was verkoren, is er toch niet aan le twijfelen ol de belofte beeft zich lot eene altijddurende opvolging uilgestrekl. En daar Ilij biermede niet slechts in bel bijzondere welzijn van David had voorzien, maar ook van geheel de Kerk, wordt hier aan de geloovigen bevolen goeden moed le hebben, daar God geen zwak of voorbijgaand koninkrijk onder hen had opgericht, maar een koninkrijk dal eene vaste en heilige duurzaamheid zou bezitten. En dit was noodig, oppal de Koning zoowel als het volk in kennis gesteld zouden worden mei dezen zoo buitengewonen steun. Want wij zien hoe Irolschelijk de aardsche koningen zich verheffen, die, hoewel zij met den mond belijden, dat zij regeeren door de genade Gods, in hun hoogmoed opgaan in ijdelheid, waarbij nog komt , dal zij meerendeels door geweld den lioon beklimmen, zoodal hel maar zelden voorkomt , dal er eene wettige roeping heeft plaats gehad. Daarom wordt hel heilige koninklijk van David terecht onderscheiden van de aardsche koninkrijken, daar het op de hemelsche Godspraak was gegrond.
12. Indien uwe zonen. Thans gaat, hij verder en spreekt meer openlijk van de opvolging, die ik vermeld heb, en door welken zijn' langen duur wordt, in stand gehouden. En hoewel nu in deze wereld de kinderen der koningen hunne vaderen door erfrecbl opvolgen, zoo staal hel loch vast dal, bet koninkrijk van David door een bijzonder voorrecht, van den algemeenen regel was uitgezonderd, want God verklaart openlijk, dal er
Psalm : 12.
niliji] nnkomolinpon /.nllon zijn, dif don koningstroon znilon beklimmen, en dat niel sleclils gedurende een ot twee eeuwen, maar voor altijd. Want hoewel dit koninkrijk vernietigd is geworden, is tocli kort daarna de wederoprichting: geschied, en liet eeuwig voortbestaan daarvan is gevestigd in Jezus Christus. Nu doet zich hier echter eene vraag op, nl. ol de duur van het koninkrijk gegrond is op de verdiensten van menschen. Want, hel schijnt wel dat de voorwaarde, waarop God het verbond aangaat, beteekent, dal het verbond Gods alleen dan bekrachtigd zal worden, wanneer de menschen van hun kant er de voorwaarden van vervullen. Ilieruil volgtdat het in werking treden der beloolde genade afhangt van hunne gehoorzaamheid. Maar men moet in de eerste plaats begrijpen, dat dit verbond gansch en al uit vrije genade was, voor zooveel God beloold had den Verlosser te zenden, van wien heil verwacht moest worden, want het verbond was een uitvloeisel van de eerste aanneming, die almede uit genade was. Kn inderdaad, de ontrouw van deze hooze natie heelt niet kunnen verhinderen, dat (iod na de openbaring van Christus, openlijk geloond heelt, dat Hij geenerlei waarde hecht aan verdiensten. Daarom zegt Paulus: Al zijn sommigen ongeloovig geweest : zal de waarheid Gods daarom te niet gedaan worden? (Hom. ^ : ri). Hiermede geelt hij Ie kennen, dal God aan de Joden zijne gunst is blijven betoonen, omdat hij hen uit vrije genade had uil verkoren. En hoewel zij meermalen moedwillig zijne belolten Ie niet schenen te willen doen, heelt Mij met eene ongeloollijke goedertierenheid gestreden legen hunne boosheid, en zoo is het geschied, dat zijne waarheid de bovenhand behield. Want Hij heelt niet gezien op heigeen zij hadden verdiend, maar is getrouw gebleven aan zijn voornemen. Nu verstaan wij dal dit verhond onvoorwaardelijk is geweest; maar omdat er nog andere dingen aan toegevoegd waren, wordt deze voorwaarde gesteld'. Indien gij gehoorzaam zijl aan mijne geboden en inzettingen, zal Ik u zegenen. Omdat nu de .loden zich van deze gehoorzaamheid hebben afgewend, zijn zij in ballingschap weggevoerd, l'-n toen scheen het wel alsof Ood zijn verbond had te niet gedaan, ol het hail ontheiligd, gelijk wij elders gezien hebben. Die verstrooiing was dus als een verbreken van hel verbond, doch dit was het slechts ten deele en in schijn. Dit zal nog duidelijker worden als wij verder in het heilig geschiedverhaal nagaan wat er terstond na den dood van David beeft plaats gegrepen. Want het koninkrijk werd ten ondergang gebracht door den opstand der lien stammen, zoodal er slechts een klein gedeelte van in wezen bleef. Daarna
Psalm 182 : 12.
is hol nog meermnlen verminderd door nieuwe rampen, totdat liet ten laatste gansch ontworteld is geworden. En hoewel de terugkeer uit de gevangenschap eenige hoop gal op wederoprichting, was toen toch niemand met den titel van Koning versierd, en de rang, dien Zeruhhabel bekleedde, was niet zeer schitterend, totdat eindelijk vreemde koningen opstonden, die niet lot liet geslacht van David behoorden. Wie zou nu niet zeggen, dat het verbond Gods alstoen volkomen te niet gedaan was? Daar echter de Verlosser van nergens elders zijn'oorsprong had, kan men in weerwil van dat alles toch zeggen, dal hel verbond vast en onwankelbaar is gebleven. Daarom zegt Ezechiël van de koningskroon; Doe dien hoed weg, en hel'die kroon af, Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeera, omgekeerd stellen, totdat hij kome, die daartoe recht heeft. (Ezech. 21 : 2(1, 27). Nu schijnt het alsof de Profeet het handschiill Gods nitwischl, en afstand doet van het verbond, want het heil en welvaren des volks was saam verhonden met het koninkrijk, gelijk in de Klaagliederen van .leremia gezegd wordt, Ghristus, of de Gezallde, onzes lleeren, in wiens geest wij ademen. En hoewel de Profeet, door de kroon weg te nemen, hel heilig verbond schijnt te verbreken, toont hij toch terstond daarna in hel tweede gedeelte, dal hel, voor zoo ver het eene vrije gave is, eeuwig zal wezen, vast en onschendbaar. Want, hoewel de Joden zich voor eenigen lijd van de genade Gods hehhen beroofd, belooft hij hun evenwel den Verlosser. En inderdaad, evenals God door zijn ondankbaar volk Ie straffen openlijk geloond heeft, dat Hij niet te vergeefs voorwaardelijk had gesproken, zoo heelt Hij hij de komst van Jezus Christus vrijwillig vervuld hetgeen Hij vrijwillig had beloofd, toen Hij de kroon op hel hoofd van Christus heelt geplaatst. Overigens, daar God zoo streng eischt, dal wij zijn verbond zullen houden, wil Hij, dat wij, alle menschelijke verzinselen verwerpende, bij de zuivere leer zijns Woords zullen blijven.
13. Want. Jehovah heeft Zion verkoren, ITi] heeft het begeerd tot zijne woonplaats. 14. Dit is mijne ruste in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze liefgehad. 15. Ik zal hare levensmiddelen zegenende zegenen, hare armen zal Ik met brood verzadigen. 16. En hare Priesters zal Ik met heil bekleeden,
Psai.m 1 f\''2 : I;!âl i.
en hare zachtmoedigen zullen van groote blijdschap juichen.
l.i. Want Jehovah, on/,. Hel koninkrijk hier samenvoegende met hel Prieslerschap en de geeslelijke Godsvereering, Ijevesligl hij nu meer uitdrukkelijk, dat liel niel naar den wille der menschen was verkoren, maar gegrond o|i een liemelscli raadsbesluit. Daarom moeten wij vel lellen op deze saamvoeginy, want de vastigheid dezes koninkl ijks moest nergens anders dan in Jezus Christus worden gezocht, want het koninkrijk van Christus is onafscheidelijk verbonden met zijn priesterschap. Hieraan zien wij waarom hij verklaart, dat Zion was vei koren, nl omdat God niets hetrefïende liet koninkrijk afzonderlijk heeft geboden, maar gewild heelt, dal het Heiligdom er mede verbonden zou zijn, opdat het een waar type zou zijn van den toekomstigen Middelaai, die niet slechts Koning is, maar ook Priester naar ilc ordening van Melchizedek. Nu volgt hieruit dal de staat des koninkrijks en de staal dos Tabornakeis onafscheidelijko zaken zijn. Daarna wordt de oorzaak genoemd van deze verkiozing, nl. dat de berg Zion niel verkoren is om zijne schoonheid of voortrefTelijkhcid, gelijk wij elders reeds gezien hebben, (I's. 78 : 08), maar omdat hel alzoo het welbehagen des Hoeren is geweest, want het welbehagen of de gunst van God wordt gesteld tegenover de verdienste of de waardigheid der plaats, waaruit opnieuw blijkt hetgeen ik zoo even roods met oen enkel woord heb gezegd, nl. dal hot verbond, hetwelk God mot David hoeft gemaakt, uit niets anders dan uit zijne goedheid is voortgekomen.
14-, Dit is mijne ruste in eeuicüjheid Ton einde aan den vorigon zin nog meer gezag bij te zetten, herhaalt hij hom in den Persoon van God. En God verklaart, dat Hom niet te vergeefs een Tempel gebouwd zal worden, want zijn' arm uitstrekkende van den hemel, zal Hij openlijk on mot der daad toonon, dal de dienst, dien Hij bevolen en verordineerd heelt. Hem welbe-liaagiijk is, want, mol betrekking tot do menschen beteekonon de ruste en do woning Gods de tegenwoordigheid zijnor kracht. Zoo heeft Hij yeiooond tn Zion, omdat de geloovigcn Hem aldaar volgens de ordonnantie der wet op do rechte wijze hebben aangeboden Ook hebben zij geene vorgeefscho moeite gedaan, want Hij heeft bun hunne begeerten gegeven. Kn door do daad zelve is het openbaar geworden, dat deze belofte gegeven was door God, die niet liegen kan. Want, lioowol do Tempel ver-
Psalm 132 : U.
woest is iieworthin, ho! allaor omvoi^cworpen, en geheel de dienst, gelijk hij door de Wel was vüorgesehrcven, heel! opgehouden , zoo is Ciods majesleil en heerlijkheid toch onmiddeliji; daarna wedergekeerd, en is er verhieven lot, aan de komsl van Christus Intusschen welen wij hoe onbeschaamd en goddeloos de Joden deze godspraak hebben verwrongen, alsol God gelijk een slaaf aan hen gebonden was, zoodal zij onder dit. voorwendsel al de Profeten hebben durven minachten. Ja zelfs met woede en wreedheid vervolgen. Daarom heelt Luther deze belofte zeer juist en gepast de bloedige belofte genoemd. Want, gelijk de geveinsden gewoon zijn den heiligen naam Gods als een dekmantel te gebruiken voor hunne misdaden, zoo hadden zij, van welke booze daden men hen ook beschuldigde, altijd bet antwoord gereed, dal hel in weerwil van dit alles, niet in de macht stond der Profeten om hun te ontnemen wat God hun bad gegeven. Want, den Tempel te berooven van Gods heerlijkheid, was voor hen hetzelfde als Hem leugen ten laste te leggen ol Hem van zijne waarheid le scheiden. Deze waanzinnige aan matiging heelt hen er toe gebracht om zonder einde en zonder mate onschuldig bloed te vergieten. En gewis' indien de Roomsche Satan heden ten dage gewapend was met zoo eervol een titel, wat is bet dat hij dan niet zou durven doen? Er is geene enkele lettergreep in geheel de Heilige Schrilt, die ook maar een schijn van recht geelt voor zijne barbaarsche tyrannic. En daar hij nu door zijne meer dan woeste wreedheid den ganschen Christelijken godsdienst verwoest en God zeiven smaadt, zien wij met welk eene boosheid, of liever met welk eene Irotsche wreedheid hij den naam der Kerk vooropstelt. Hoe! Zal de Hiërarchie, die â tenzij Christus ontrouw worde aan zijne bruid, noodzakelijkerwijs in stand gehouden moet worden â te niet gedaan worden? Maar wij hebben hel antwoord gereed, nl dat de Kerk aan geene plaats gebonden is, en daar de majesleil Gods geopenbaard is lot aan de uiterste einden der aarde, is de ruste, de woning Gods, niet anders dan in Christus en zijne leden. Nu moet het eeuwigdurende van den Tempel, waarvan de Proleet hier spreekt, met behoedzaamheid worden verslaan, want, omdat de wereld in Christus vernieuwd is geworden, zeggen wij toch niet dat de typen en schaduwen ijdel waren, waarvan de kracht en de vervulling in Hem zijn geopenbaard. En zoo iemand nu nog de tegenwerping wil maken, dat de berg Zion genoemd wordt als eene eeuwige woonstede Gods, dan ligt de oplossing voor de hand, nl. dat het, om de waarheid der profetie le bewijzen, volstaat, dat Christus door zijne
Psalm 13:2 : 14âKi.
komst ciien berg uilgebreid lieefl lol, aan de nilersle einden der aarde.
15. Ik zal hare levensmiddelen zegenende zegenen. Hel was hel loppnnl. van een gelukkig leven, dal God in hel midden zijns volks woonde. Nu worden er nog de leekcnen aan loeue-voegd van zijne vaderlijke gunsl, nl. dal. Mij voor zijn volk de noodzakelijke spijzen zal bereiden en ze Imn zal geven, in hunne nooden zal voorzien, zijne Prieslers zal bekleeden mei heil, en al de geloovigen omringen zal mei, blijdschap. En deze loevoeuin^ was niel overtollig, want wij zijn niet geestelijk genoeg om lol den hemel Ie kunnen doordringen, tenzij de zegen Gods zich voordoet aan onze oogen. Kn men moet wel in aanmerking nemen dat deze zegen in ons dageli.jkseh voedsel van tweeërlei aard is, nl. dat God hierdoor de aarde vruchlhaar maakt, zoodal zij ons koren, wijn en olie oplevert, daarna, dal door zijne verborgene werking de voortbrengselen der aarde vermenigvuIdiüd worden, zoodal zij in slaat is ons Ie voeden. Hier aan deze plaats verklaart God, dat Hij eene bijzondere zorge zal dragen voor zijne geloovigen, zoodat hun niets van hetgeen tot dit leven behoort, ontbreekt, en hoewel er niet allijd een groole overvloed is, zal Ilij er toch voor zorgen dal ook de armen in Imn gebrek gevoed en verzadigd zullen worden. De onwetendheid der Papisten ten opzichte van deze plaats is even merkwaardig als bespol lelijk, waardoor openbaar wordt, dal zij allen door een' geesl van stompzinnigheid zijn bevangen, zoodat zij van diek spijze hebben gemaakt. Want in hel woord Vicius, hebben zij twee lellers niet onderscheiden, en zoo hebben zij Vidum gelezen; en daar er nu aan dil woord toch nog iets haperde, dachten zij dal het vidnam moest zijn, heigeen weduwe beleekent, en zoo hebben zij dan van levensmiddelen ol victualiën weduwen geniaal* 1, eene ongerijmdheid, die ongelooflijk zou wezen, indien men hen niet nog heden len dage in hunne kerken die domme loul schaamteloos hoorde hei halen. Maar evenals God zegen beloofl op de levensmiddelen zijns volks, zoo vloekt hij hun verstand en hunne long, zoodat zij geheel de orde der natuur door hun zode droomerijen omkeeren. Daarna bevestigt de Proleet opnieuw hetgeen hij boven reeds van de andere weldaden Gods gezegd had, behalve dat hij in plaats van Gerechtigheid Heil noemt, maar het is in denzelfden zin, gelijk ik te voren reeds heb aangetoond. Want dal sommigen aan hel woord heil hier de beleekenis willen geven van zuiverheid der leer en heiligheid van leven, dil is te gezocht, wanl do Prolecl bedoell een
55*
8117
Psalm !r?2 : 16â17.
voudig thil zij ondci de bescheimint; Gods veilig en gelukkig zullen zijn.
17. Daar zal Ik David een' hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor mijn' Gezalfde eene lamp toegericht. IS. Ik /.al zijne vijanden met schaamte bekleeden; maar op hem zal zijne kroon bloeien.
17. Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten, liij keerl lenig lol den slaal des Koninkrijks, vvnarvan God beloofd had, dal Hij de hoeder en bestuurder zou zijn. Doch er moei meer van nabij op de bijzondere kracht der woorden gelei worden. Ik zal, zegl Hij, David den Hoorn doen uilspruilen. Hel is zeker dal bij de Hebreen hel woord hoorn tamelijk algemeen kracht beteekent, en hel vermogen om zich te verdedigen; maar door hel woord uitspruiten duidl de Proleet zoowel op den geringen aanvang des koninkrijks als op deszelfs wondervolle wederoprichtingen. Van eene nederige hul en den mest der schapen is David verheven lol den koningstroon, hoewel hij de jongste was van de kinderen eens veelokkers, en legen alle hoop of verwachling in, werd hij nog door nieuwe uitbreidingen verhoogd. Maar hel koninklijk was reeds onder .lerobeam zoo zeer verminderd, dal hel slecbts door een voortdurend uilspruilen in nederigen toestand gehandhaald kon blijven. Kn daarenboven hoevele afscheuringen hebben er sedert niet plaats gehad, die even zoo vele voorteekenen waren van verval en ineenstorting, indien niet van lijd lot tijd nieuwe loten waren uitgebot. Doch wal moest er nu worden van hel volk, loen zij verstrooid en in ballingschap waren, indien God den gebroken hoorn niet opnieuw had doen uitspruiten? Daarom is hel niet zonder reden dat Jesaja Christus vergelijkt bij een rijsje, dat niet voortkomt uit een' grooten boom, maar uit een' afgehouwen tronk (.les. 11; 1). Kn wellichl doelt Zacharia op deze zeilde profetie, als hij zegt: Ziet eon man, wiens naarn is Spruit (Zach. C: I quot;i) nl omdat na de schrikkelijke verwoesting hel koninkrijk op geene andere wijze wederopgerichl kon worden. David spreekt in een anderen zin in ^ Sam 2.']: 5, waar hij onder deze zeilde bewoording de voortdurende uitbreiding des koninklijks prijst. Hier echter verslaat de Profeet, dat, hoewel de hoorn van David nu en dan zal verdorren of gebroken zal worden, God baar evenwel door eene wonderlijke kracht opnieuw zal doen groeien. Dezelfde
Psalm 1^2 ; 17-18.
strekking heelt ook liet beeld der Lamp, dat in de Heilige Schrift dikwijls voorkomt, omdat deze prol'etie onder het volk algemeen bekend was. De beteekenis is: Hoewel do glans en waardigheid des koninklijks soms verduisterd en als door een' nevel overtogen waren, zoo heeft toch nooit eenigerlei ramp het geheel kunnen uitbluGsehen, omdat de lamp Gods het immer is blijven beschijnen, en hoewel haar licht van niet zeer ver gezien kon worden, heeft zij den geloovigen toch het ontwijfelbare heil getoond. Toenmaals heeft die lamp een flauw schijnsel van zich gegeven om Jeruzalem te verlichten, maar heden wordt door Jezus Christus, die de Zon der Gerechtigheid is, de wereld ten volle verlicht.
18. Ik zal zijne vijanden met schaamte heldeeden. Evenals hij te voren de Priesters met gerechtigheid en heil heeft bekleed, zoo bedekt Hij thans Davids vijanden met schande als met een kleed. Want, daar het niet genoeg zou zijn om inwendig voorspoed te hebben, indien God ons niet ook legen onrecht en geweld beschermde van buiten, wordt deze tweede belofte er bijgevoegd, waarin Gods gunst ons ook dikwijls duidelijker getoond wordt, dan wanneer Hij ons in lijden van vrede met alle goederen verrijkt. Want hoe meer de bedreigingen en verschrikkingen onzer vijanden ons beroeren, hoe meer ons verstand gescherpt moet zijn om de hulpe Gods te bepeinzen. Nu wordt ons door deze Schriftuurplaats echter ook geleerd, dat de Kerk op aarde nooit zoo volkomen rust zal hebben, ol zij zal door velerlei vijanden beroerd worden, die Satan onophoudelijk opwekt om haar te verderven. Maar wèl ons, als wij uit den mond Gods hooren, dat zij ten laatste met smaad en schande teruggedreven zullen worden, als zij al hunne listen en lagen te vergeefs zullen hebben aangewend. Van hetgeen nu volgt bestaan verschillende uitleggingen. Omdat het Hebreeuwsche werkwoord Tsiets in de vervoeging Hiphil soms beteekent Beschouioen, verklaren sommigen het in dier voege: De kroon van David wordt gezien op de plaats waar de hoorn zal uitspruiten. Anderen leiden het af van Tsiets, dat plaat beteekent, alsof er gezegd was dat des konings kroon zal schitteren als platen van goud. Naar mijn oordeel echter is het beter die verklaring te volgen, dat, in denzelfden zin waarin hij te voren van uitspruiten heelt gesproken, hij thans verklaart, dat de kroon zal bloeien, gelijk Jesaja in tegenovergestelden zin de kroon der dionkenschap van Etraïin vergelijkt bij eene verwelkte bloem (Jes. 28 ; 1). Dc beteekenis zal dus wezen: Hoewel de kroon van Davids
8(39
I's\lm 13o ; 1.
opvolgers dikwijls in een' staal van verval zal schijnen te zijn, zal zij toch door eene verborgene , levendmakende kracht vernieuwd worden, zoodal zij tol in eeuwigheid zal blijven bloeien.
TPS A I j]Vr 133.
INHOUD; Do Profeet verheugt zich met dankzegging over de heilige eensgezindheid des volks, en wekt alle geloovigeu op om haar onder elkander aan te kweeken.
Eeu Lied der trappen van David. 1. Ziet hoe goed eu liefelijk het is, dat broeders samenwonen. 2. Het is gelijk de kostelijke olie op het hoofd, die nederdaalt op den baard, den baard van Ailron, die nederdaalt tot op den zoom zijner kleederen. 3. Het is gelijk de dauw van Hennon, die nederdaalt op de bergen van Zion, want Jehovah heeft aldaar den zegen geboden en het leven tot in eeuwigheid.
1. Ziet hoe cjoed en hoe liefelyh het is. Ik twijlel niet ol liet is Davids bedoeling geweest in dezen Pi-ahn God te danken voor de verzoening van geheel hel volk, toen zij na eene langdurige en droeve verdeeldheid wederom vereenigd waren, en ieder hunner te vermanen om vrede aan te kweeken. Want, naar verhouding van de kortheid van den Psalm blijft hij lang verwijlen bij den lol van dien vrede. En hel is niet zonder reden dal hij de genade en goedheid van God prijsl in zoo schoone en heerlijke bewoordingen, wijl Hij hel volk, dal zoo ellendig verdeeld en verscheurd was, weder tol één lichaam heelt vereenigd. Want, toen hij in hel bezit der koninklijke waardigheid is gekomen, was de meerderheid des volks nog van hem vervreemd, omdat hij gedurende zoo langen tijd voor een' vijand van het algemeen had gegolden. Ja meer; wij welen, dal er onder de Joden doodelijke veelen bestonden, zoodat men nauwelijks op eonc onderlinge verzoening kon hopen, voordat één der partijen geheel ten onder was gebracht. Hel was dus wel een
87ü
I's A LM 1,'Ju
871
1.
wondervol on oi)i;cdachl werk van God, dal zij, die elkander zoo lel heliben gehaat, lol eensgezindheid konden komen, en eikander hebben omhelsd. Deze omslandigheid dal David de overeenslemming Insschen de aanbidders van God in liel algemeen looide, zonder daarbij zich zeiven op het oog te hebben, wordt door de uitleggers zeer ten onrechte voorbijgezien. Ten eerste is er, mijns inziens, eene groote kracht in bet wooid Ziet, niet slechts omdat hel Teil ons voor oogen wordt gesteld, maar ook omdat er eene vergelijking in ligt opgesloten tusschen den burgerkrijg, door welken zij schier lot den ondergang waren gebracht, en den liel'ehjken en begeerlijken vrede. Hij verhoogt dus de genade Gods, omdat de Joden door langdurige ervaring geleerd, nu wisten welk een onwaardeerbaar goed eensgezindheid is, daar zij zich door inwendige twisting en krijg schier hadden verdelgd. En hel woord Gam, ook, bevestigt deze verklaring; want de uitleggers geven de bedoeling van den Proleet, niet juist weder als zij dit woord door En vertalen, daar het de kracht der uitdrukking' niet weinig verhoogt; also! hij gezegd had: Wij, die door de natuur broeders zijn, zijn zóó zeer verdeeld en oneenig geweest, dat wij elkander meer hebben gehaat dan vijanden, die elkander vreemd zijn; hoe groot is dan nu niet het goed om die broederlijke eenheid ook in ons hart te koesteren. Intusschen is er niet aan ie tvvijlelen, of de Heilige Geest lool'l de broederlijke eensgezindheid, die onder alle de kinderen Gods behoort Ie heerschen, opdat iedereen hier naar moge streven. Maar als haat en nijd verdeeldheid onder ons teweegbrengen, ol wrok ons innerlijk verscheurt, dan zullen wij wel broeders blijven ten opzichte van God, docii omdat wij dan slechts stukken zijn van een verscheurd lichaam, zullen wij loch niet voor één ongeschonden lichaam gehouden worden Gelijk wij dus één zijn in God den Vader en in Jezus Christus, zijn' Zoon, zoo moeten wij ook met vvederzijdsch goedvinden eenheid en broederlijke liefde onder ons vestigen en in stand houden Indien het mocht gebeuren dal God in zijne goedheid geelt dat de Papisten van hun' afval teruggebracht worden lot eene godvruchtige eensgezindheid, dan kunnen wij deze bewoordingen gebruiken om er God voor te danken; en intusschen behooren wij met hartelijke lielde al diegenen te ontvangen, die zich nederig en vreedzaam Gode onderwerpen. Dewijl Satan echter voortdurend woelzieke personen opwekt en aanport om onrust Ie zaaien, behooren wij naar hel tegenovergestelde te streven en zorgvuldig bij elkander te houden allen, die volgzaam en gehoorzaam zijn. Maar hen, die ongehoorzaam
Psalm loo ; 1âo.
zijn en zich moedwillig verharden, moeten wij vermijden, daar met hen geene broederlijke lielde Ie onderhouden is, zonder den hemelschen Vader le verloochenen, uit wien alle verwantschap voortkomt, want de vrede, dien David hier prijst, moet uitgaan van ons wettig Hoofd. Daarom kunnen wij de oneerlijkheid der Papisten gemakkelijk bewijzen, als zij ons laaghartig beschuldigen van scheurmakerij en het zaaien van verdeeldheid, alsol wij niet genoegzaam aangetoond hadden, dat wij niets liever zoeken ol' begeeren dan dat zij zich met ons vereenigen in de waarheid Gods.
Het is gelijk de hostelijhe olie, enz, David bevestigt klaar en duidelijk wat ik zoo even heb aangetoond, nl. dal de ware eenheid der broederen haren oorsprong heelt in God, en dat het wettige doel er van is de zuivere vereering van God, en het eenstemmig aanroepen van zijn' naam. Want waartoe anders zou hij het beeld ontleenen aan de heilige olie, dan om aan te toonen, dat de godsdienst altijd en overal de eerste plaats moet innemen? Alsol hij zeide, dat de vrede, dien de menschen onder elkander bewaren, zonder geur ol' smaak zou zijn, indien hij niet doortrokken was van den welriekenden geur van den dienst van God En zoo zien wij dan, dal de menschen op zulk eene wijze in lielde aan elkander verbonden moeten zijn, dat zij zich allen door God laten regeeren en besturen. En wat hen betrelt, die met deze voorwaarde geen genoegen nemen; het is veel beter hen scherp en standvastig te bestrijden, dan vrede met hen te hebben ten einde met hen te zamen God te verachten en te verwerpen. Want wij moeten wèl in gedachten houden, dal ons in den persoon van den Priester duidelijk woidt aangetoond, dal de eensgezindheid voortvloeit uil gehoorzaamheid aan, en den waren dienst van, God. En door den haard en de zoomen zijner kleederen wordt aangeduid, dal de vrede, die voortvloeit uit hel lloold, Christus, gezaaid wordt zoo ver en wijd zijne Kerk zich heelt uitgebreid, liet andere beeld, ontleend aan den dauw, die aldruipt zoowel op den berg llermon als op Zion , toont dat eene heilige eensgezindheid niet. slechts een lielelijke reuk is voor God, maar ook nuttige vruchten voortbrengt, evenals de dauw, die tie aarde bevochtigt, haar sap en kracht geelt om voortlebrengen. Nu weten wij, wat .Mozes zegt van het land van .luda, dat hel niet is gelijk het land van Egypte, hetwelk door de overslrooming der rivier vruchtbaar gemaakt wordt, maar eiken dag dauw en regen verwacht van den hemel, .\u heelt David aangetoond dat hel menschelijk
Psalm loo
87o
O.
leven schraal en onvruchtbaar zijn zal, ja ellendig, zoo hel den sleun en de veiiroosling der broederlijke Helde moesl derven. Hel is algemeen bekend dal de berg Hermon een' rijken, vruchl-baren grond had, wanl hij is vermaard wegens zijne schoone, weelderige weiden. En de voornaamsle vruchtbaarheid der bergen wordl veroorzaakl door den dauw des hemels, heigeen genoegzaam bleek uil den berg Zion. Eindelijk voegl David er bij, dal God zegen geefl waar vrede wordl aangekweekt, d. i. Hij getuigt door een' heerlijken overvloed van alle goed le schenken hoe Hij er zich in verlustigt als de menschen in vrede en eendracht le zamen leven. Paulus heelt dezen volzin in andere bewoordingen gevolgd, als hij zegt: Leefl in vrede, en de God des vredes zal met u zijn (2 Cor. 13 : 11). Laten wij ons dan beijveren om zoo veel wij vermogen plaats le geven aan broederlijke eensgezindheid, opdat de zegen Gods onderons wone. Laat ons ook beide armen uitstrekken en hen omhelzen, die in gevoelen van ons verschillen, mits zij niet weigeren terug le koeren tol de eenheid des geloofs. En indien sommigen, weerstrevend zijn en de verzenen legen de prikkels slaan, zoo moeten wij hen laten gaan, want, gelijk gezegd is: wij hebben geene broederschap dan mei de kinderen Gods.
I 'SA I iM 134-.
INHOUD: liet is cenc opwekking om God televen, en hoewel zij voor alle geloovigon is in liet algemeen, wordt zij toch meer bijzonder tot dc Priesters en Levieten gericht.
Eeu Lied der trappen. I. Ziet, loott Jehovah, alle gij knechten van Jehovah, gij , die eiken nacht iu het huis van Jehovah staat. 2. Heft uwe handen op naar het Heiligdom, en looft Jehovah. 3. Jehovah zegene u uit Zion, Hij, die hemel en aarde gemaakt heeft.
I. Ziet, loo/t Jehovah, alle gij knechten van Jehovah. Sommigen zijn van mecning dat de andere knechten Gods mede begrepen
Psalm 1j4 : 1â4.
874
zijn mei de Levieten. En voorzeker erken ik, dul er soininigen onder hel volk waren, die meer dan anderen brandden van ijver en gansclie nachten in den tempel hadden gewaakt, gelijk in Lukas u2 : ^7 gezegd wordt van Anna, dal zij nacht en dag bad. Maar het blijkt uit liet slot van den Psalm, dat de Proleet zijne vermaning alleen richt tol de Priesters, want hij schrijlt hun een' vorm van zegenspraak voor, waarmede zij voor hel algemeen welzijn moeten bidden, en dit ambt was alleen a^n de Priesters opgedragen. Ik verklaar het dus zoo, dat de Levieten de knechten Gods genoemd worden, van wege liet ambt, waarmede zij bekleed waren, gelijk hel inderdaad ook tol hun dienstwerk behoorde om den ganschen nacht de wacht te houden in den Tempel, en dat wel bij beurten, gelijk dit in de Gewijde Geschiedenis vermeld staat. (Lev. 8:35). Daarom brengt hij hen, door hel woord Ziel als iiel ware lol eene zaak, die op hel oogenblik zelve geschiedt, want het betaamde hun om door den blik voortdurend op den Tempel gericht te houden, ties ie meer opgewekt en aangespoord te wezen tot de beoel'ening der godsvrucht. En nu moeten wij zien met welk doel de Proleet hen zoo vlijtig opwekt om God le loven. Want, daar niets gemakkelijker is dan de ceremoniën te misbruiken, moeten velen onder de Levieten gedacht hebben, dat zij hun' plicht volbracht hadden, als zij niets anders gedaan hadden dan ledig in den Tempel te staan, zoodat dan het voornaamste door hen verzuimd en veronachtzaamd werd. De Proleet loont aan, dat dit alles beuzelachtig zou zijn en niels dan eene bespotting, indien de Levieten den ganschen nacht in den Tempel hadden gewaakt, de lampen hadden aangestoken en zich met de ofl'eianden hadden bezig gehouden, als zij zich niel te gelijkertijd hadden geoefend in het geestelijk dienen van God, en alle de uitwendige plechtigheden in verband hadden gebracht mei dit voornaamste olïer, nl. het loven van God. Alsol' hij zeide: liet schijnt u een zwaar en moeielijk werk, om, terwijl anderen slapen in huis, te waken in den Tempel; maar God eischt een ander en voortreffelijker werk, nl dat gij al hel volk voorgaat in hel zingen van zijn' lol. In liet tweede vers voegt hij er eene plechtigheid bij, die gepaard gaat met het aanroepen van Gods naam. Want waartoe beffen de menschen hunne handen op als zij bidden? Is hel niel omdat zij dan tegelijker tijd hun hart opheffen tot God? Daarom bestraft de Profeet stilzwijgend de traagheid en stompzinnigheid van hen, die ledig staan in den Tempel, ol door beuzelen en door met elkander le spreken den dienst van God verstoren.
Psalm ; o.
875
3. Jehovah seyene u. Naar mijn inzien i^ men door dil vers gedwongen om den Psalin in dier voege te verklaren, dat hij alleen betrekking heelt op de Priesters en Levieten, wier ambt het was om volgens het voorschrift der Wet in Numeri G : 23 het volk le zegenen. Nadat de Proleet hen nu vermaand heeft God te loven, wijst hij hen op hun' tweeden plicht, nl. het volk in den naam Gods le zegenen. Evenwel heelt God dit niet geboden, opdat de anderen nu maar zorgeloos voortleven â gelijk men heden ten dage in het Pausdom van meening is, dat de dienst van God goed en naar behooren is waargenomen, ais de monikken maar zingen in de Kerken, terwijl de overigen des volks zich niet om God hekommeren â maar God hee't wél gewild, dat de Priesters de anderen voorgaan, opdat een ieder in zijn eigen huis zal navolgen wat er in den Tempel is geschied; en het volk te zegenen was hun bevolen omdat zij den Persoon van Christus vertegenwoordigden. En voorts: het is niet zonder reden, dat deze twee zaken onderscheidenlijk genoemd zijn, nl dat èn '/ij, èn God, die de Schepper is van hemel en aarde, zouden zegenen. De benaming van Schepper is gebruikt om zijne macht aan te duiden , opdat de geloovigen de vrijmoedigheid zouden hebben om alles van Gods hand le hopen en te verwachten. Want, wat is de wereld anders dan een spiegel van zijne oneindige kracht, zoodat zij wel erger dan waanzinnig moeten wezen, die het voor zich onvoldoende achten de gunst te genieten van Hem, aan wien zij alle dingen onderworpen zien, en in wiens hand zij een' overvloed vinden van alle goed. Omdat echter velen op het hooi en van den naam Scheler er aan zouden wanhopen om ooit tot God te komen, alsol Hij zeer ver gezocht moest worden, beeft de Profeet hun een symbool van zijne nabijheid voor oogen gesteld, zoo dat zij in alle gerustheid en vrijmoedigheid tot Hem kunnen naderen, daar zij bemerken, dat Hij hen zachtkens en liefelijk lot zich roept en lokt, alsof Hij hun als het ware zijne vaderlijke borst bood. Door de beschouwing van den hemel erkennen zij dus Gods macht en sterkte, en door zijne woonstede in Zion, zijne Vaderlijke liefde.
Psalm 1^5 ; !,
T 'Ã z\ I^TV I 135.
INHOUD: Het is cenc opwekking om Gods lof te zingen, deels omdat God aan het uitverkoren volk eenc bijzondere genade heeft betoond, en anderdeels omdat zijne macht en heerlijkheid in de gansche wereld openbaar zijn geworden. Voorts is ook cenc tegenstelling gegeven tusschen de afgoden, die ijdcle verzinselen zijn der menschcn om zich God voor te stellen, en den God Israels, die door gewisse en ontwijfelbare getuigenissen getoond heeft de cenigc, ware God te zijn, opdat de geloovigen des te bereidwilliger zouden zijn Hem te loven en gehoorzaamheid te bewijzen.
Halelujah. 1. Prijst deu naam van Jehovah, zin^t lof, gij knechten van Jehovah! 2. Gij, die staat in het huis van Jehovah, in de voorhoven van het huis onzes Gods. 3. Looft God, want Jehovah is goed, psalmzingt zijn' naam, want dat is liefelijk. 4. Want God heeft zich Jakob verkoren, Israël tot zijn eigendom.
1. Prijst den naam van Jehovah. Hoewel er nauwelijks eenig verschil is tusschen hel begin vun dezen en van den vorigen Psalm, wal de woorden bclrell, scliijnt de Proleet toch in dezen Psalm zijne opwekking niet slechts tol de Levieten, maar lot hel geheele volk te richten, want hij geelt de redenen aan waarom God geloofd moet worden, en deze redenen gelden voor alle geloovigen. (Jok spreekt hij thans niet van de nachtwaken noch van hel voortdurend verblijf. Daai het evenwel de plicht der priesters was om de anderen voor Ie gaan in deze heilige oefening, en om bij wijze van spreken, den lol Gods in te zetten, is er niets ongerijmds in om le zeggen, dat zij liet eerst geroepen en opgemerkt worden om hun ambt en plicht te volbrengen. En als men de woorden van nabij beschouwt, zal men bevinden, dat het volk in tweede volgorde aan de Priesters wordt toegevoegd. Want de Profeet richt bet woord lol de
87Ã
Psalm 135 ; 3-4.
knechten Gods, die in zijn Tempel staan, daarna in de voorhoven, terwijl in den vorigen Psalm van de voorhoven geene melding wordt gemaakt. En hij schijnt liet woord voorhoven in het meervoud Ie hebben gebruikt, omdat er ook een voorhof der Priesters was, en dan was er een voorhol'voor geheel hel volk, aan hetwelk door de Wet verboden was in het Heiligdom Ie komen (Lev. '16 ; 17). En opdat deze leer, of vermaning, om God Ie loven, die /.oo dikwijls herhaald wordt, ons niet vervelend voorkome, moeten wij ons herinneren, wal wij elders gezegd hebben, nl. dal geen offer Gode meer welbehaaglijk is, dan onze erkenning van zijne weldaden, gelijk wij ook hier boven gezien hebben in Psalm 50 ' 14'. Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uwe gelolten. Evenzoo in Psalm 116: 12; Wat zal ik den lleero vergelden voor al zijne weldaden? Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den naam des Heeren aanroepen. Kn wi' moeien wél acht geven op de plaatsen, die den geestelijken diens! zoo hoogelijk verheffen, opdat wij door een mis-plaalslen ijver om God Ie dienen, onzen arbeid niet verspillen aan beuzelingen, gelijk de meeste menschen doen, die, hel voornaamste vergetende, allerlei verzinnen om aan den dienst van God toe te voegen, en zich gansch nutteloos vermoeien. Daarom herliaall de Heilige Geest zoo dikwijls het woord Loven, opdat wij dien heiligen plicht niel veronachtzamen. Tegelijkertijd bestraft Hij echter onze stompzinnigheid, want voor hen, die ijverig en verstandig zijn, zou het niet noodig wezen de vermaning zoo dikwijls te herhalen. Het slol van hel derde vers, waar hij zeul: Want het is hefeljjlc kan op tweeërlei wijze verklaard worden: óf dat de naam Gods liefelijk is, gelijk hij in het eerste lid gezegd heeft dat God goed is, ol dal het liefelijk en aangenaam is Gode Ie zingen, liet Hebreeuwsche woord Nnim bel eekent eigenlijk iels dat betamelijk ol schoon is; en die algemeene beleekenis voegt hier het best.
4. Want God heeft zich Jahoh verhoren. Aan hel bestuur dei wereld ontleen! hij nu nog andere redenen om God Ie loven. Omdat Hij toenmaals echter niel anders geprezen kon worden dan door de nakomelingen van Abraham, aan wie alleen Hij zich had geopenbaard, stelt de Profeet hun als reden voor dat zij verkoren zijn om Gods bijzonder volk Ie wezen. En inderdaad, dat zij alleen aangenomen waren, en al de Heidenen voorbij waren sei^aan. was zulk een groot eu onwaardeerbaar voorrecht, dal dit alleen genoeg moest zijn om hen in verrukking Ie brengen en in ijver van dankbaarheid Ie doen ontsteken. Wan! door
877
Psalm 135 : ïâ5.
den lol dei1 verkiezing loe Ie schrijven aan God, geel'l de Proleet hun duidelijk le verslaan, dal zij niel verkoren waren om eenigerlei deugd ol voorlreffelijkheid in lien, maar omdal God hen uil vrije genade lieell liefgehad. Hel is wel waar, dal Hij alle menschen zonder onderscheid aan zich verplicht heel'!, daar Hij zijne zon laat schijnen over de hoozen en de goeden (Mallh. 5 : -45); maar le dier tijd heelt Hij de kinderen Abrahams mei inniger banden aan zich verbonden, gelijk Hij dii heden ten dage doel mei allen, die Hij in zijne schaapskooi becfl opgenomen, en ingeiijld heefl in liet lichaam van zijn Eengeboren Zoon.
5. Want ik weet, dat Jehovah groot is, en dat onze God boven alle goden is. G. Jehovah doet al wat Hem behaagt in de hemelen en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden. 7. Hij doet de wolken opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit zijne verborgene plaatsen voort.
a. Want ih iveet. Hier wordt eene algemeene beschrijving gegeven van Gods macht, opdal alle Israëlieten des le heler zouden welen, dal de God, dien zij aanbidden, de Werkmeester is der wereld, en dal ilij alles bestuurt naar zijn welbehagen, en dat nergens elders een ander gevonden kan worden. Maar hij zegt niel, dal de macht Gods hem alleen bekend is, veeleer wil hij van wege hetgeen hij gevoelt anderen opwekken om evenals hij zelf acht te geven en op te letten, opdat zij, opgewekt zijnde, zouden welen hetgeen voor iedereen klaar en duidelijk is. Want, hoewel niemand de oneindige majesteit Gods kan begrijpen, zoo is zijne heerlijkheid, voor zooveel dit noodig en nullig is, toch genoegzaam geopenbaard, zoodat niemand zich achter onwetendheid kan verschuilen. Want, boe zou hij, die hel. gezicht van hemel en aarde kan genisten, zonder grove goddeloosheid, zijne oogen kunnen sluiten ten einde den Schepper niel te zien? Maar ten einde ons krachtdadiger op le wekken, noodigt hij ons door zijn voorbeeld om van de heerlijkheid Gods kennis le nemen, ol liever: hij bestraft onze stompzinnigheid waardoor wij er geen acht op geven. Uit. het tweede lid kunnen wij met nog meer zekerheid afleiden hetgeen ik zooeven met een enkel woord aangeduid heb, nl. dal hel de bedoeling is van
878
Psalm 1 .quot;i'i
don Profeet om ile Israi-lielen in de vreezo en ilcn dienst van den eenij'en God te honden, omdat de God, die een vei hond was aangegaan niet hunne vaderen, de Schepper is van hemel en aarde. Want na Hem Jehovah genoemd Ie hebben, voegt bij er terstond bij, dal Hij de God Israëls is. Hieruit volgt, dal zij, die zich van God afwenden, zich valscbelijk op den naam van God beroepen, evenals heden ten dage de Joden en de Turken wel belijden dat zij God, den Schepper van hemel en aarde aanbidden, maar slechts beuzelen, want, als men zich afkeert van de Wel en hel Evangelie, kan men zich zooveel men wil beroemen den waren godsdienst te omhelzen, maar desniettegenstaande is dit alles slechts eene verloochening van God. Daarom is hel niet zonder reden, dat de Profeet God met dien bijzonderen eerenaam bekleedt, opdat de Israëlieten zich aan de leer der Wet houden. Indien men door het llebreeuwsche woord Elolum de valsche goden der Heidenen wil verstaan, dan zal dit eene concessie zijn, want dan zou hij op ongepaste wijze God bij ijdele verzinselen en nietigheden vergelijken. De zin zal dan wezen, dal de grootheid van God zoo heerlijk en voortreffelijk is, dal zij elke godheid in het niet doel verzinken, die de menschen zich hebben kunnen uitdenken. Evenwel schijnt hij, gelijk ik te voren reeds gezegd heb, er de Engelen bij in te sluiten : want hoewel er in hen iels van de Godheid schillen, voor zooveel zij hemelsche krachten en overheden zijn, toch is God verre boven hen verheven, zoodal zij op hunne plaats en rang blijven, en zijne heerlijkheid niet door hen verduisterd wordt.
G. Jehovah doet al wat Hem behaagt, enz. Dit is de oneindige grootheid Gods, waarvan hij gesproken heeft, dal liij niet slechts den hemel en de aarde geschapen heeft, maar dat Hij ook alle dingen naar zijn welbehagen bestuurt en regeert. Want zij. die belijden, dal God de Schepper is der wereld, en zich inbeelden, dal Hij ledig nederzit in den hemel en zich nu verder niet om de wereld bekommert, herooven Hem goddelooslijk van zijne macht , en verreweg de meeste menschen worden door dit valsche denkbeeld misleid. Vraagt men bun, of zij werkelijk gelooven, dat God ledig nederzit of slaapt, dan zeggen zij neen, maar als zij de dwaze meening koesteren, dal God aan de Fortuin, of het toeval, den vrijen teugel viert, dan laten zij Hem slechls de schaduw van macht, die niets uitwerkt, terwijl toch de Heilige Schrift leert, dat zijne macht reëel is, daar Hij de gansche wereld naar zijn' wil en welbehagen regeert. Want de Profeet
lt;S79
Psalm 135
verklaarl liier duidelijk, dal God zor^ draa^l voor elk deel der wereld, zoodal nergens iels bij toeval geschiedl. Gemeenlijk denkl men God al heel bijzonder le eeren, als men zoo wal over zijne algemeene voorzienigheid spreekl. Maar de onderscheiding van hemel en aarde en de wateren wijst op eene particuiieie zorg. Het meeste gewicht ligt echter in het woord chafêts. De Heilige Geest verklaart, dat God doet wat Hem behaagt; maar hel verwarde bestuur, waarvan men gewoonlijk praat, bedoell slechls, dat God de orde der wereld haren loop laat zonder er nu verder acht op te slaan, en op die wijze wordt zijn wil dan le niet gedaan. Want, als Hij wil, dan heeft Hij ook een doel en eene vaste beweegreden. Hieruit wordt zijne bijzondere voorzienigheid afgeleid, die hare kracht doet uilgaan, om elk deel der wereld te besturen, zoodat niets bij geval geschiedt, en zells die dingen, die hel meest op toeval celijken, door zijn verborgen raad geleid worden. En hoewel het ons niet betaamt te onderzoeken, waarom Hij de dingen, die in strijd zijn mei ons verstand, laat geschieden, zoo moet, indien wij niet hel beginsel van allen godsdienst willen uitrukken en uitroeien, dit bij ons vastslaan, dal niels geschiedt dan hetgeen God bepaald en verordineerd heeft. En hoewel zijn wil voor ons verborgen is, zoo moeten wij ons toch met eerbied en ootmoed er voor buigen als de bron van alle rechtvaardigheid en gerechtigheid. Want niels is redelijker dan dal die wil in de eerste plaats en boven alles door ons geëerd worde. Wil de lezer meer hieromtrent welen, zoo wordt hij verwezen naar Psalm 115.
7. Ilij doet wolken opklimmen. De Profeet noemt enkele bijzonderheden, waardoor men des le beter verslaan kan, dal er niels is, dal zich uit zich zeiven bewegen kan, dan in zoover het door den raad en de hand CJods wordt best mini. Omdat ons verstand ook maar hel duizendste deel niet kan bevatten van de werken Gods, geeft de Proleet slechts enkele voorbeelden, waaruit hij wil dal wij zullen nagaan hetgeen hij omtrent de hemelsche voorzienigheid gezegd heeft. Hij zegt, dat van de uiterste einden der aarde wolleen opgaan, want de wolken worden gevormd uil de dampen, die van de aarde opstijgen, en zich opeenhoopen en verdikken. Maar wie zou nu denken dal het ooit zou gebeuren dal de dampen die wij uit de verte zien opstijgen, den hemel terstond verduisteren en zich in zware massa's boven ons hoold samenpakken? Het is dus een merk-waardig bewijs van Gods macht, dat lichte dampen opstijgen,
6â7.
Psalm 135 : 7â8. ,SS1
die een oogenblik daarna geheel de luclil innemen. De Profeet voegt er nog iels anders bij, waardoor liet wonder niet weinig vergroot, wordt,, nl. dat ihlcsemen met regen yemenyd zijn, want deze Ivvee zijn gansch tegenstrijdige zaken. Ind'iun deze vermenging van vuur en water niet uil ervaring gekend was, wie zou dan niet zeggen dal dit een ongelooflijk wonder is? Hetzelfde geldt ook voor dm wind; wanl hoewel het zeker is, dat de winden op natuurlijke wijze voortgebrachl worden, en de phiio-sopiien hun' oorsprong aanduiden, zoo is toch de verschillende beweging van den wind een wonderwerk Gods. Maar hij verkondigt niet slechts de macht van God gelijk zij ook door de philosophen erkend wordt, maar hij verslaat het zoo, dal er geen droppel regen valt uit den hemel, of hel is dooi Gods raad en bestel. Allen belijden wel dat God de Werker is van den regen, evenals van den donder en den wind, daar Hij deze orde nu eenmaal in de natuur vastgesteld heeft; maar de Profeet gaat hier nog verder en zegt, dal als het regent, dit niel door een blind instinct der natuur is, maar omdat God hel aldus bepaald heelt, die, naar zijn welbehagen den helderen hemel met donkere wolken kan doen bedekken, en de duisternis wederom vooi' helder licht kan doen plaals maken.
8. Hij heeft de eerstgeborenen van Egypte geslagen, van den mensch af tot het vee toe. 9. Hij heeft teekenen en wonderen gezonden in het midden van u, o Egypte! bij Farao en bij al zijne knechten. 10. Hij heeft groote volken geslagen, en machtige koningen gedood:
11. Sihou, den Koning der Amorieten, en Og, den Koning van Basan, en al de Koninkrijken van Kanann.
12. En Hij beeft hun land ter erve gegeven, ten erve aan zijn volk Israël.
8 /lij heeft de eerstgeborenen van Egypte geslagen. Wederom spreekt hij van de bijzondere weldaden Gods, waarmede Hij de Kerk en hel uilverkoren volk aan zich verplicht heeft. Wanl omdat hij het woord alleen lol de geloovigen richt, noemt hij dil als hel voornaamste punt voor Gods lof, dal liij uil het geheele menschdom een klein aantal heelt verkoren, en zich tegenover groole koninklijken en madilige natiën als hun Dl 11. 56
Psalm 135 ; 9-15.
Bescliormcr lienfl beloond. Wanl nl Ho wonderen, die God zoowel in li^yplc als in hel land Ivanuan heell gevviocht, zijn evenzoo velo geluijienissen geweest van zijne vaderlijke liefde jegens zijn uitverkoren volk. En als hij nu in de eerste plaats het dooden der eerstgeborenen noemt, volt;! hij hioiin niet de historische orde, hij steil slechts een gedenkwaardig voorbeeld voor, waaraan men zien kan hoe dierbaar Hem hel welzijn was der geloovigen, daar Hij zells dit groot en machtig volk niet heell gespaard, ten einde het heil zijner Kerk Ie bevorderen. In één woord: hij wil zeggen, dat de kracht en de genade Gods genoegzaam gebleken zijn in de bevrijding zijns volks.
10. Hij heeft groote volleen geslagen. Hij gaat nu over lol hel vermelden van het einde der bevrijding; want God heeft zijn volk niet uitgevoerd uit Egypte om het nn terstond bij hun tocht door de woestijn te verlaten, maar Ion einde hen in hnn beloofd erfdeel te vestigen. En zoo loont de Profeet mi, dat de gunst van God ook hier blijkbaar geopenbaard werd, en dal God zonder moede te worden volhard heeft in hen goed te doen, want, nadat hij den kinderen Abrahams eens de hand had gereikt, heeft Hij hen voortdurend geleid, en heelt Hij immer zijne kracht geopenbaard ten hunnen behoeve, totdat zij in 'nel bezit van het lieloolde Land waren gekomen Nu verhoogt hij de macht Gods omdat zij niet in het vreedzaam bezit des lands waren gekomen dan nadal er groote slachtingen waren aangericht. En de goedheid van God komt nog des te sterker uit door deze omstandigheid, dat hij een onaanzienlijk hoopje volks verkoren heelt boven Koningen en groote natiën. Hij maakt melding van twee Koningen, Sihon en Og, niet omdat dezen machtiger waren dan alle de anderen, maar omdat zij hel meest te vreezen waren, dewijl hun land zoo van alle kanten ingesloten was, dal hei ontoegankelijk scheen, inzonderheid toen hel volk nog niet aan den krijg gewend was. En daarna voegt de Profeet er hel toppunt van Gods weldadigheid bij, nl. dal do Israëlieten voor goed bezit hadden genomen van het land. Er is niet minder verdienste gelegen in het houden van hetgeen eenmaal verkregen is, dan in hel opnieuw verkrijgen. Dewijl dus de Israëlieten van alle kanten door vijanden waren omringd, is de kracht Gods voornamelijk hierin gebleken, dat zij, noch verslagen noch teruggedreven werden, hetgeen honderd maal had kunnen geschieden, indien zij in de bezilting niet bevestigd en gehandhaafd waren geworden.
Psalm 135 ; 13â14
18. O Jehovah! uw naam is in eeuwigheid; o Jehovah! uwe gedachtenis is van geslachte tot geslachte. 14. Want Jehovah zal zijn volk richten, en het zal Hem berouwen over zijne knechten.
13. O Jehovah! uw naam is in eeuwigheid. Hoewel er velerlei redenen zijn waarom de naam Gods allijd in de hoogste eeie gehouden moei worden in de wereld, spieekl de IVoleel hier meer bepaaldelijk van den eeuwigen lol', dien God verdient en verkrijgt wegens de bewaring zijner Kerk, want terstond daarna wordt er de reden bijgevoegd, namelijk, dat God zijn volk zal richten. En inderdaad, evenals geheel de wereld als een schouvv-tooneel is van de goedheid Gods, van zijne wijsheid, gerechligheid en macht, zoo is locli het hoogste en voortreirelijkste daarvan zijne Kerk, die er als de voornaamste plaals, de plaats vooraan, van is; en hoe meer God tot ons nadert, en hoe gemeenzamer Hij ons zijne weldaden mededeelt, hoe meer wij ons er zorgvuldig op moeten toeleggen om ze na te gaan en te overdenken. En daar nu het woord richten volgens de Hebreeën alle deelen in zich bevat van eene rechtvaardige en wettige regeering, houd ik het er voor dat de toekomende tijd gebruikt is om eene voortdurende werking aan te duiden, gelijk dit dan ook dikwijls aldus voorkomt. Alsof de Profeet gezegd had, dal God zijn volk altijd zal regeeren en bewaren, zoodat het welzijn der geloovigen in veilige tioede is, daar God er voor zorgt. Het kan echter ook wezen, dat de Profeet voorbedachtelijk den toekomenden tijd heelt gebruikt, opdat wij leeren ook onder beproevingen vast te houden aan de hoop, en indien het ons soms toeschijnt alsol God ons verlaat en verstoot, den moed toch niet te verliezen. Want. al is hel ook, dat Hij voor een' tijd zijne hulpe verbergt, toch zal Hij, als de bestemde tijd daar is en de zijnen genoegzaam verootmoedigd zijn, zich als hun Beschermer openbaren. En deze verklaring mishaagt mij niet, omdat het inderdaad wel waarschijnlijk is, dat de Profeet zinspeelt op het gezegde van Mozes in Deut. 32, waarvan hij ook enkele woorden aanhaalt. Wanl Mozes, de smart willende verzachten, die het volk moest gevoelen onder de slaande roede van God, verklaart dal God zijn volk zou richten, zoodal Hij hun verlichting zou schenken, als zij in zware verdrukking en beproeving zouden zijn, en hen zou beschermen. De dichter van dezen Psalm â wie hij ook moge geweest zijn â past dit
6g*
884 Psat.m 135 : \L
nu l,oe Ion hohoove der Kork, on dol wol voor allo tijdon, iiiinloonende, ilul God nooil zal loelnlon, dal do Koi'k gansch vernietigd wordt, want als zij geheel on al te gronde ging zou Hij geen Koning moer zijn. En wat betreft den tijd van liet werkwoord te veranderen en er den verleden tijd van te maken, alsot er gezegd was dat God zijn volk legen de Egyptenaars had verdedigd, dit is een armzalig verzinsel, gansch vreemd aan de bedoeling van Mozes en van dezen Psalm. Want hel Hebreeuwsche woord, dal hier gebruikt is, heeft zoowel de betoekenis van vertroost icorden ^[i^mierouichehhen. En in welke van die twee beleekenissen men het ook neemt, zal het hier toch altijd toepasselijk zijn. Want, telkenmale als God in genade wederkeert lol zijne Kerk, is er wel geene verandering in Hem, maar de verandering loont zich in de zaak zelve. Daarom kan men zeggen, dat hel Hem berouwt, wanneer Hij wederom met goedheid en zachtheid handelt met zijne Kerk, die Hij, in toorn tegen haar ontstoken zijnde, rechtvaardiglijk had gekastijd. Er wordt ook gezegd dal Hij getroost wordt, ol dal Hij verzoend wordt met zijn volk, wanneer Hij, gedenkende aan zijn eeuwig verbond, hen eeuwiglijk zijne goedheid beloont, nadat Hij hen voor een oogenblik had gekastijd, gelijk geschreven is in .lesaja 54 : 8. Waar het op neerkomt is, dat Gods toorn slechts een oogenblik duurt, en dal Hij, als Hij hen straft wegens hunne overtredingen, te midden van zijn' toorn gedenkt aan zijne goedertierenheid, gelijk Habakuk leert in Hoofdstuk .'3:^ En aldus wordt God ons voorgesteld onder het beeld eens menschen, want Hij wordt bekleed met vaderlijke liefde, als Hij zijne kinderen, die wel verdiend hadden te worden weggedreven, tol zich terugbrengt; want Hij kan zich zijne eigene ingewanden niel ontrukken. Alsof hij zeide, dat God goedertieren en barmhartig is voor de geloovigen, omdat zij zijne kinderen zijn, en Hij zich niel kinderloos wil maken. Eindelijk, dal Hij gaarne vergevend is omdat Hij er behagen in schept, om diegenen teederlijk te koesteren en te verzorgen, die Hij als zijne kinderen erkent.
15. De boelden der Heidenen zijn zilver en goud, een werk van menschenhanden. 16. Zij hebben een' mond, maar spreken niet; zij hebben oogen, maar zien niet; 17. Ooren hebben zij, maar hooren niet, ook is er geen' adem in hun' mond, 18. Dat die ze
â
Psalm 1^)5 : 15â21.
maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt. 19. Gij huis Israels! looft Jehovah; gij huis Ailrons! looit Jehovah! 20. Gy huis van Levi! looit Jehovah! gij, die Jehovah vreest, looft Jehovah! 21. Geloofd zij Jehovah uit Zion, die te Jeruzalem woont. Hallelujah.
15. De heelden der Heidenen zijn zilver en lt;joud. Dewijl dil gansclie deel van den Psalm reeds elders verklaard is. zou hel overtollig wezen er hier nog bij slil le slaan, en de herhaling zou den lezer verdrieten, daarom zal ik slechls korlelijk de bedoeling van den Proleet aanstippen. Want de dwaasheid der Heidenen beslralïende, die dachlen, dat God hun niet nabij kon zijn, indien zij de toevlucht niet namen lol afgoden, doet hij de Israëlieten gevoelen welk eene groole genade hun geschied is, opdat zij zich des te zorgvuldiger zouden houden bij den zuiveren en eenvoudigen dienst van God, en zich verre zouden houden van alle bijgeloovigheden der Heidenen. Want hij komt ten laatste tot de slotsom, dat, hoe meer de afgodendienaars zich afmatten en alpijnen om hunne afgoden le dienen, hoe zwaarder oordeel zij over zich halen. WTant hij kondigt eene zoo schrikkelijke wrake aan over hen, die valsche goden aanbidden, dat allen, die in de Wet Gods onderwezen zijn, er door hun voorbeeld van afgeschrikt kunnen worden. En terwijl nu Psalm 115 opwekt tot vertrouwen, wil de Profeet hier, dat men God zal loven. En hij voegt de Levieten bij het huis van ASron van wege de tweeërlei orde in hel priesterschap. Al hel overige komt overeen [met den 115dequot; Psalm] behalve in het laatste vers, waar de Profeet zeil' met de overigen uit de vergadering der geloovigen God looft. Hij zegt uit Zion, want daar God beloofd bad, dat Hij van daar hel gebed der zijnen zou verhooren, en van daar den liefelijken reuk zijner genade zou verspreiden, geelt Hij daarmede ook stof en oorzaak tol lof. Hij voegt er ook de reden bij, nl. omdat Hij in Jeruzalem woont, waarmede niets dat grof of aardsch is bedoeld wordt, alsof God in eene zoo enge woonplaats ware besloten; maar dit moei verstaan worden van zijne genade, gelijk zij wordt waargenomen, want de ervaring heelt geloond, dat, hoewel zijne majesteit hemel en aarde vervult. Hij toch door zijne kracht en genade tegenwoordig is bij zijn volk.
885
Psalm 1^0 ; 1.
1JSAT.]V^ 130.
INHOUD: Dc Profeet toont aan, dat God van de wettige vrucht zijner weldaden wordt beroofd, indien de geloovigen zich niet ijverig toeleggen op zijn' lof. En door in elk zijner weldaden zijne goedertierenheid te loven, leert hij, dat God niet op de rechte wijze geprezen wordt, tenzij wij erkennen, dat alles wat Hij ons schenkt, eene gave is zijner vrije genade.
1. Looit Jehovah, want Hij is goed; waut zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 2. Looft deu God der goden; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 3. Looft den Heere der heeren, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 4. Dien, die alleen groote wonderen gedaan heeft; want zyne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 5. Dien, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. G. Dien, die de aarde op het water uitgespannen heeft, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 7. Dien, die de groote lichten gemaakt heeft, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 8. De zon tot heerschappij op den dag; want zyne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 9. De maan en sterren tot heerschappij in den nacht; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid.
I. Want zijne goedertierenheid, enz. Men zou allicht kunnen denken dal dit eene dwaze herhaling van woorden is, als hij aan zijne korte, afgebroken zinnen zoo menigmaal deze uitdrukking toevoegl. Indien men echter in lleidensche dichters duldt, dal zij sommige verzen herhaaldelijk in hunne dichtstukken
88Ã
Psalm 136 ; 1â4.
inlysschen, ja er hen zells om prijst, dan moei men deze lier-halinjj noch beuzelaclilig noch ongerijmd vinden, daar zij op eene zeer goede reden gegrond is. Wanl hoewel allen gedwongen zijn le belijden, dal de milddadigheid Gods de bron en oorsprong is van alle goed, vvordl loch zijne vrije goedheid niet recht en niet ten volle erkend, terwijl de Schrift er loch altijd de hoogste plaats aan toekent. En er is meer: van deze zaak sprekende, noemt Paulus in Rom. o : 23, het bij wijze van voorrang, de heerlijkheid Gods, alsof hij wilde zeggen: God, die vanwege alle zijne werken zeer uitnemenden lof verdient, verlangt echter bovenal geprezen te worden om zijne goedertierenheid. En uil de gewijde geschiedenis kan men gemakkeijk afleiden, dal hel volgens de bepaling van David als gewoonte was aangenomen, dal de Levieten beurtelings zouden zingen. Want zijne cjoeder-tierenheid is in der eeuwigheid. Want Salomo heefl diezelfde plechtigheid in acht genomen bij de inwijding van den Tempel, gelijk men zien kan in 2 Kron. 7:3, G. Evenzoo heeft ook .losafat die zeilde woorden gebruikt in den zang, waarmede hij plechtig zijne overwinning gevierd heelt, en die vermeld is in hetzelfde boek, hoofdst. 2U : 21. Voordat nu de Profeet overgaat lol de vermelding der werken Gods, looft hij zijne souvereine Godheid en zijne opperheerschappij. Met dat er, in eigenlijken zin gesproken, builen den waren God ergens ook maar het minste sprankje van Godheid aanwezig is, maar omdat de menschen, waar zij eenigen schijn zien van zijne heerlijkheid, zich eene godheid voorstellen, als van Hem afgescheiden, zoodat zij God zelven snoodelijk als verdoelen en verscheuren. En niet tevreden met deze grove dwaling, gaan zij zich nog goden maken van metaal, van hout en van steen. Kortom: deze verdorvene neiging is den mensch van nature eigen om behagen le scheppen in eene menigte van velerlei goden. Daarom schijnt le Profeet voor-bedachtelijk zoowel in hel woord EloMm, yoden, als in het woord Adónim, heer en, hel meervoud gebruikt te hebben, want woord voor woord staat er: Zoo/V de i/eerew alsof hij zeide dal
de volkomene volheid van alle heerschappij berust in éénen God.
â¢4. Die alleen groote wonderen gedaan heeft Door deze benaming verheerlijkt hij alle de werken van God, van de kleinste lot de grootste, ten einde ons op le wekken om ze te bewonderen. Want onze stompzinnigheid en onverschilligheid zijn de oozaak, dal wij er geen' groolen dunk van hebben, hoewel in ieder derzelven de duidelijke kenteekenen gegrift zijn van zijne onge-loofelijke wijsheid en krachl. Nu verklaart hij dal God alleen
m
888 PSALM IÃO ; 4â7.
alles wal bewonderenswaardig is gemaakt heeft, en nog maakt, opdat wij loeren, dat ook niet het geringste deel van den lol' aan iemand buiten hem toegekend kan worden, zonder hiermede eene ondragelijke Godslastering le begaan, want als wij hemel en aarde doorzocht hebben, zullen wij toch nergens een spoor ot schijn van Godheid vinden, dat men God tot metgezel zou kunnen geven, evenmin als iemand, die Hem gelijkt. Daarna looft hij de wijsheid van God in ééne bijzonderheid, ol in één enkel voorbeeld, te weten, dat de hemelen met zooveel bekwaam beid zijn samengesteld, dat zij zeiven als het ware luide uitroepen, dal zij op wonderbare wijze met zoo alles overtellende schoonheid versierd zijn Van daar komt hij lot de aarde, opdat wij leeren ook dit zoo voortreffelijk en gedenkwaardig werk God le verheerlijken, daar Hij de naakte en dorre oppervlakte der aarde op de wateren heelt uitgespreid. Want, aangezien de elementen een' ronden vorm hebben, zouden de wateren natuurlijkerwijze de aarde bedekken, indien zij niet door de hun gestelde perken weerhouden werden, omdat God aan het menschelijk geslacht eene woonstede heeft willen geven; en de philosophen zeiven zijn gedwongen dit in hunne beginselen op le nemen. Daarom worden de uitgestrektheid der aarde en de ledige ruimte, die niet door de wateren bedekl zijn, terecht lol de grootste wonderen Gods geiekend. En tegelijker tijd wordt dit ook aan Gods genade toegeschreven; want er was geene andere reden, waarom Hij de wateren van hunne eigene plaats zou verdrijven, dan deze, dal Hij in zijne oneindige goedheid voor het nut en het welzijn der menschcn heeft willen zorgen.
7. Die de groote lichten heeft gemaakt. Aangezien Mozes de zon en de maan de twee groote lichten noemt, twijfel ik niet ol de Profeet heeft bier dezelfde wijze van spreken gevolgd. Daarom is hetgeen hij er terstond daarna bijvoegt omtrent de sterren, als een aanhangsel hiervan. En hoewel er andere planeten zijn, die de maan in grootte overtreffen, is hel toch niet zonder reden dat zij hier als hel tweede groote licht wordt genoemd, van wege het zichtbare effect voor ons. Want het was de bedoeling niet van den Heiligen Geest om de sterrenkunde le onderwijzen, maar omdat Hij eene leer wilde voorstellen, die zelfs aan de onkundigsten en onbekwaamslen gemeenzaam moest zijn, heelt Hij door Mozes en de Profeten gesproken op eene wijze die voor iedereen verstaanbaar was, opdat niemand zich achter de uitvlucht zou kunnen verschuilen, dat de leer, die voorgesteld wordt, te hoog en le moeiclijk is om begrepen
Psalm 1^6 : (Jâ-10.
te worden. Hoewel alzoo Saturnus grooter is dan do maan, maar dit van wege den groolen al'sland voor hel oog der menschen niel zoo scliijnt le zijn, heeft de Heilige Geest, om zoo te zeggen, liever willen stamelen, dan den weg le versperren voor de ongeleerden en eenvoudigen om le leeren. Hetgeen de Profeet er bijvoegt heeft dezelfde strekking, nl. dal God voor de zon en de maan als het ware hare loei beurt heelt vastgesteld, zoodal Hij de zon verordineerd heeft lol heerschappij des daags, en de maan lol heerschappij des nachts. Niet alsof zij werkelijk heerschappij bezitten, maar omdat de wonderbare bestiering Uods in deze verdeeling helder uitkomt. En inderdaad, als de zon met haar helder licht des daags de aarde bestraalt, en de maan en de stenen gedurende den nacht, dan be-toonen zij (om zoo le spreken) eene eerbiedige gehoorzaamheid aan God.
10. Dien, die de Egyptenaren geslagen heeft in hunne eerstgeborenen, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 11. En heeft Israël uit het midden van hen uitgebracht; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 12. Met eene sterke hand, en met een' uitgestrekten arm; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 13. Die de Roode Zee in deelen deelde; want zyne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 14. Israel door het midden van haar heeft heengevoerd; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 15. En heelt Farao met zijn leger in de Roode zee gestort; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 1G. En heeft zijn volk geleid door de woestijn; want zyne goedertierenheid is in der eeuwigheid,
10. Die de Egyptenaren geslayen heeft. Sommigen vertalen de letter Beth met hunne eerstgeborenen] maar de eerste overzetting schijnt, beter te vloeien. Overigens, tenzij men hier zou willen prediken, zou het overtollig wezen om den lezer hier lang bij te laten stilstaan, want er wordt hier niets gezegd, waarover eldcis niet reeds gehandeld is Nu wordt terecht
889
Psalm 136 ; 10â16.
gezegd, dal tie Egyplenaars in hunne eerstgeborenen geslagen zijn, want, hoewel zij reeds dikwijls door andere plagen verschrikt zijn geworden, zijn zij toch niet minder hardnekkig en verwoed gebleven, totdat zij getemd en als gebroken door deze laatste plaag, plaats gemaakt hebben voor God. En daar het nu de bedoeling van den Profeet niet geweest is alle de wonderen naar historische volgorde te verhalen, heeft hij het alles als in één woord uitgedrukt, zeggende dat het volk met eene sterke hand en uitgestrekten arm uil Egypte geleid werd. Want, daar zij van alle zijden omsingeld waren, was ei voor hen geen middel Ier ontkoming dan door de wondere kracht en macht van God liet beeld van den uitgestrekten arm is zeer gepast; want gewoonlijk strekken wij den arm niet uil dan wanneer wij trachten iets heel moeielijks te doen. De beteekenis is dus, dat God door zijn volk te verlossen geene geringe macht heeft tentoongespreid, maar eene gansch buitengewone kracht heelt geopenbaard.
13. Die de Boode zee in deelen deelde. Van het Ilebreeuwsche woord Soef heb ik reeds te voren gesproken, en daarom aarzel ik niet hel door Roode Zee te vertalen. Omdat de Profeet het woord Deelen in het meervoud heelt gebruikt, hebben sommige Hebreen de gissing gewaagd, dal er meer dan één doortocht was, hetgeen gansch in overeenstemming is met hunne gewoonte om woorden te verspillen aan onbekende zaken, of de Schrift door hunne verzinselen te vervalschen. En hoewel men nu met volle recht den spot kan drijven met zulke dwaasheden, behoort men ze ook te verfoeien, want er is niet aan te twijfelen, of de Rabbijnen zijn door de listen van Satan er toe gebracht oin het gezag der Schrift te ondermijnen. Mozes verklaart duidelijk, dat de wateren aan beide zijden opeengehoopt waren, waaruit wij kunnen afleiden, dat er eene onafgebrokene tusschenruimte was. Omdat echter het volk in troepen doortrok, wijl de weg zoo breed was, dat mannen en vrouwen met hunne kinderen en hun vee er gemakkelijk konden passeeren, spreekt de Profeet hier zeer gepast van deelen ten opzichte van de menschen. Want deze omstandigheid heelt de genade en goedheid van God grootelijks verhoogd, om die afgronden zoo ver en wijd opgedroogd te zien, zoodat er een effen weg was voor het volk om cr met groote troepen overheen te trekken. Di! strekt ook om de gunst te bevestigen, dat terstond daarna Farao door de golven werd verzwolgen, want het verschil toont blijkbaar dat dit niet door eene verborgene werking der natuur is geschied.
S'JO
I'SALM 136 : 16.
d;U dezen omkwamen, terwijl de anderen veilig de overzijde hebben bereikt. En zoo is dan in dit onderscheid de goedheid en barmhartigheid Gods gebleken om zijn volk te verlossen. Hetgeen hij korteli jk vermeldt dat God zijn volk geleid heef t in de woestijn, heeft eene wijde strekking; want er waren vele en verschillende wonderen noodig om hel volk veertig jaren lang te laten verwijlen in eenc dorre landstreek, waar zij van alle middelen waren verstoken, die tot levensonderhoud noodig zijn. Daarom moet hierop toegepast worden alle de getuigenissen van de goedheid en de macht van God, die door Mozes zijn mede-deeld: dat Hij dit hongerende volk verzadigd heelt met spijze uit den hemel, dat Hij water te voorschijn heeft gebracht uit de rots, dat Hij hen door de wolkkolom beschut heeft legen de brandende hitte der zon, dat Hij in de vuurkolom het teeken heeft gegeven van zijne tegenwoordigheid, dat Hij hunne kleederen voor slijten heefl bewaard, dat Hij hen en hunne kinderkens beschermd heeft onder eene beschutting van bladeren, toen zij als ballingen omdwaalden, en andere tallooze zaken, die de lezers zeiven gemakkelijk genoeg kunnen vinden.
17. Die groote koningen geslagen heeft, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 18. En heeft zeer machtige Koningen gedood; want zyne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 19. Sihon, den Amorietischen Koning; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 20. En Og, den Koning van Basan; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 21. En heeft hun land ter erve gegeven; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 22. Ten erve aan zijn' knecht Israël; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 23. Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 24. En Hij heeft ons aan onze tegenpartyders ontrukt; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 25. Die alle vleesch spijze geeft, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 26. Looft den God des hemels; want zyne goedertierenheid is in der eeuwigheid.
891
Psalm l^G : âquot;26.
23. Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid. De zes verzen, die in den vorigen Psalm reeds behandeld zijn, ga ik nu voorbij. Over de anderen zal ik sleehts een enkel woord zeggen, omdat zij geene lange verklaring behoeven. De Proleet geelt slechts te kennen, dat God voortdurend en zonder tusschen-poozen zijn volk hulp hebbende verleend, er geene eeuw voorbij is gegaan, waarin dezelfde goedheid niet ervaren werd, die ook aan de vaderen was bewezen. En het was voorzeker een noc merkwaardiger bewijs van zijne gunst en genade, dat Hij zijn volk verlost heelt toen de nood op hel hoogst voor hen was geklommen, dan wanneer Hij ben altijd op dezelfde wijze veilig had bewaard, want door den nood worden ons de oogen geopend en wordt ons verstand gescherpt. En voorts: telkenmale als God zijne geloovigen verlost en redt, volgt hieruit dat Hij hunne zonden vergeelt. Ten slotte strekt hij de vaderlijke voorzienigheid Gods niet slechts uit lot geheel bet menschelijk geslacht, maar ook tot de dieren, zoodat het niet te verwonderen is, dal Hij zich een zoo zorgzaam en weldoend Vader betoont voor zijne uitverkorenen, aangezien Hij zich wel verwaardigt om in de behoelten te voorzien van ossen en ezels, van raven en musschen. En daar nu de menschen de dieren zeer verre le boven gaan, en er een zeer groot verschil tusschen hen beslaat, niet van wege der menschen waardigheid in zich zeiven, maar omdat God hen heelt aangenomen, redeneert hij uit het kleinere tot het grootere, te weten: dat de onwaardeerbare genade van God jegens hen, die tot zijn huisgezin behooren, nooit genoeg gelooid en geprezen kan worden.
IPSA I .Af 137'.
INHOUD: Daar do wettige eeredienst van God gedurende de de Babylonische ballingschap had opgehouden, klaagt de Profeet in naam van geheel de Kerk over de spotredenen der vijanden, die tegen den heiligen naam Gods gericht waren, en een kloekmoedig woord leggende in den mond dor ballingen, wekt hij hen op om op verlossing te hopen.
1. Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook
Psalm 137 : 1.
weenden wij, als wij gedachten aaü u, o Zion! 2. In liet midden daarvan hebben wij onze harpen aan de wilgen gehangen. 3. Toen hebben zg, die ons gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerd, en vreugde van onze opgehangene; Zingt ons van de liederen Zions! 4. Hoe zullen wy het lied van Jehovah zingen in een vreemd landv
1. Aan de rivieren vo.n Jlahel, daar zaten wij. Wij hebben elders gezegd, dal. diegenen zich sehromeiijk vergissen, die denken, dat David door den geest der profetie het volk bekend heelt gemaakt, met deszell's toekomstige baliingsrhap; want de Profeten plegen op gansch andere wijze van toekomstige gebeurtenissen te spreken, en hier wordl gesproken van iels dat bekend en voor allen zichtbaar was. Laat ons nu kortelijk nagaan wat de bedoeling van den Profeet is geweest; want de treurige verdrijving uit hun land zou hel geloof en den godsdienst der Joden hebben kunnen Ie gronde richten. En daar hel zeer gemakkelijk is in bijgeloovigheden te vervallen en ons te laten verderven, wanneer wij mei de ongeloovigen vermengd zijn, bestond er groot gevaar dat zij onder de Babyloniërs in Heidendom zouden verzinken. Daar komt nog bij dat de harde slavernij, de ballingschap, het onrecht en het onrechtvaardig geweld, dalzij hadden te verduren aan de geloovigen den moed zouden kunnen doen verliezen. Wie hel nu zij, die dezen Psalm gedicht heelt, hij heeft er een klaagzang mede gegeven, opdat de geloovigen, terwijl, zij weenen en zuchten, loch in hun harl de hoop op verlossing zullen koesteren, waaraan zij gewanhoopt hadden. Men moet echter lellen op nog een ander doel, want hij vermaant de ballingen om niel af te laten de Godsvrucht Ie beoefenen, al is hel ook dal zij zich in een lleidensch land bevinden, en dal zij zich niel met de onreinheid der Heidenen moesten bevlekken. Daarom bidt hij, dat er over de kinderen van Edom wrake zal gedaan worden naardat zij liet hadden verdiend, en hij roepl uil tegen Babel, welks voorbijgaand geluk de gansche wereld krachteloos maakte, dal zij rampzalig en haren ondergang nabij is. Hoe nullig, ja hoe noodig het was, dal het hai l der geloovigen gesteund en bemoedigd zou worden ten einde niel te bezwijken kan men besseffen uil de langdurigheid hunner ballingschap, want hel zou gemakkelijk genoeg geweest zijn om zich te gewennen
Psalm 137 : 1â2.
nan de verdorven zeden en gewoonlen der Heidenen, indien zij niel door eene groole kracht van geesl en standvastigheid waren bezield geworden, en dal. wel gedurende een tijdvak van zeventig jaren. Met het woord Zitten doelt hij op de langdurigheid der gevangenschap, alsof hij zeide, dal het volk niet slechts met geweld weggevoerd was om zijn vaderland nooit weder te zien, maar dat hel daarenboven was opgesloten als in een graf. En als hij zegt: Daar zaten vAJ dan ligt er eene groole kracht in dit bijwoord van plaats Baar, omdat hij als hel ware het onder-werp den lezer voor oogen stelt. En hoewel het liefelijk schoone van (Je landstreek, die door rivieren en allerlei andere wateren besproeid was, hunne smart wel eenigszins kon lenigen, zegt hij niettemin, dal de geloovigen, zoo lang zij daar vertoefd hebben, niet opgehouden hebben te weenen. Daarom gebruikt hij hel woord Sham, die er de kracht en nadruk van verhoogt, alsof hij zeide, dal de geloovigen, in wie de zuivere vreeze Gods woonde, geenszins bedwelmd waren geworden door de genoegens en bekoorlijkheden van Babylon, en voor dezen hun eigen erldeel niel konden minachten Tegelijker lijd loont hij echter ook aan, dal zij niet zóó verstompt waren in Imnne ellende, of zij gevoelden zeer goed, dal God hen met volle recht heeft gekastijd, en zoo hebben zij Hem dan ook niet hardnekkig weerstaan. Want hunne tranen waren een teeken zoowel van hun berouw als van hun ootmoed. Dit blijkt nog duidelijker uil hel gedenken aan Zion, waardoor de Profeet te kennen geell, dat zij niet slechts hun hart niet hechtten aan aardsche genoegens en gemakken, maar veeleer nauwlettend acht gaven om Gode eene oprechte gehoorzaamheid te bewijzen en Hem te dienen naar het reine voorschrift der Wet. Wanl God had op den berg Zion hel Heiligdom opgericht als een standaard, door den aanblik waarvan zij bewaard bicven bij de vaste hope der verlossing. Hoewel dus de geloovigen gedurende langen lijd verwijld hebben in eene schoone, vruchtbare landstreek, die met allerlei bekoringen hel zwakke en verweekelijkte hart gemakkelijk had kunnen verderven, zeggen zij echter, dat de Iranen, die anders zeer licht opdrogen, zoo als men zegt, hun voortdurend uit de oogen stroomden, omdat de heilige eeredienst waaraan zij gewoon waren, hun nu ontzegd was, en zij zich terecht van hel hun beloofde erfdeel zagen beroofd.
2, In het midden daarvan enz. Hij klaagt over het slaken van de vroolijkheid, die God geboden had voor den dienst in zijn' Tempel; want wij welen, dat hel den Levieten was opge-
S94.
Psalm 1:57 ; 2â3
dragen tc zingen, zoodut zij voor dat deel van den eeredienst Gods de voorgangers waren van hel volk. Viaagl iemand, waarom zij dan hunne harpen naai hel verre land hebben medegenomen, de Profeet verhaall ook dil als een merkwaardig geluigenis van hun geloof en hun' heiligen ijver. Want hoewel de Levielen van alles beroofd werden, hebben zij toch zorgvuldig hunne harpen bewaard als een zeer kostbaar huisraad, om ze weer lol hun vorig gebruik aan ie wenden, zoodra de lijd hiertoe gekomen was. En hel is inderdaad ook licht te begrijpen dal de ware dienslknechlen Gods zeer Imogen prijs hebben gesteld op de overblijfselen van den eeredienst Gods, en ze zorgvuldig hebben bewaard tol de lijd der wederoprichting daar zou zijn. Met de icilyen schijnt hij aan te duiden, dat de oevers, die er mede beplant waren om koelte en schaduw te geven, zeer liefelijk waren, maar dal dit de droefheid niet kon wegnemen, die zich meester had gemaakt van hel hart der geloovigen, zoodat er voor aardsch genot of genoegen geene plaats bij hen was. Het aangename en liefelijke der plaats onder de schaduw der boomen aan den oever der rivier, zou hen voorzeker wel hebben kunnen verlokken om hunne harpen ol andere muziekinstrumenten ter hand Ie nemen, ten einde door zang en snarenspel hun leed Ie verzachten, maar de Profeet leert ons, dat hun gemoed zóó neergedrukt was onder hel gevoel van Gods toorn, dat zij er zich wèl voor gewacht hebben om zich door onwezenlijke vertroosting te laten misleiden, .la hij gaal nog verder, want hij zegt, dat zij ook van heilige blijdschap verstoken waren. Want, hoewel het evenmin van godsvrucht als van wijsheid zou getuigen indien zij hunne zielesmarl nog hadden vergroot, moet men er zich toch niet over verwonderen, dat zij het zingen van hunne nationale liederen hebben uitgesteld lol na hun' terugkeer in het vaderland, aangezien zij voor hel oogenblik nog zuchllen onder de roede Gods.
â¢quot;gt;. Toen hebben zij, die ons gevangen hielden. Er is niel aan le twijlelen dal de Israëlieten met groote hardheid en strengheid in deze slavernij en onder zoo barbaarsche tyrannic behandeld zijn geworden. De verdrukking, waarover zij echter hel meest klaagden, bestond hierin, dat hunne vijanden, die over hen hadden getriomfeerd, hen bespotten en beschimpten, want daarbij was hun doel niet zoo zeer de arme ballingen te grieven als wel hunne lasteringen uit le braken legen God. Want de Babyloniërs schepten er volstrekt geen behagen in de heilige Liederen le hooren zingen, en waarschijnlijk zouden zij hel
Psalm 137 : 3â4.
niet cons geduld hebben. dat de naam Gods openlijk in hun midden werd bezongen en geprezen; maar het was eene ironische wijze van spreken bij hen, alsol zij hun hel verwijl voor de voelen wierpen, dal de Levieten, die gewoonlijk de heilige Liederen zongen, nu den mond gesloten hielden Het was alsol'zij zeiden: Is uw God dood, wien gij te voren gewoon waart te zingen? Want, indien uwe muziek Hem hehaagt, waarom zingt gij dan niet? liet laatste lid van het vers wordt op verschillende manier verklaard. Sommigen leiden hel woord TMllaUnoe af van het werkwoord Jalal, hetgeen klagen of huilen beteekent, en zij vertalen het door vroolyhheid in plaats van door gehuil. Anderen vertalen het door ophangen van vroolyhheid. Sommigen houden het voor een deelwoord en leiden hel af van Iloleil, hetgeen beteekent waanzinnig zijn, alsof er gezegd was: zij zijn verwoed op ons. Daar hij echter in het laatste vers het werkwoord Thalinoe gebruikt heeft, hetwelk de wortel is van dit naamwoord, om ophangen uit te drukken, schijnt de vertaling, die ik gevolgd heb, mij hel eenvoudigst toe
h. Hoe zullen wij het Lied van Jehovah zingen in een vreemd land? De Profeet voorziet de üelooviaen van een hoou en edel antwoord op deze hoovaardige bespotting, nl. dat zij zich onthouden van hunne harpen te tokkelen in een verontreinigd land evenals ook van hel brengen der offerande, zooals zij voorgeschreven zijn door de Wet Want, hoewel de Ghaldeën dachten, dal de Israëlieten voor altijd aan de plaats hunner gevangenschap en slavernij geketend waren, zoo toont toch de Profeet door het een vreemd land te noemen, dat zij daar slechts lijdelijk als gasten en vreemdelingen verkeerden. Voornamelijk geeft bij echter te kennen, dal Cbaldea de groote eer niet waardig is, dat Gods lof in haar midden zou worden gezongen. Het is ongetwijleld waar, dat waar de kinderen Gods ook hebben gewoond in deze wereld, zij altijd als vreemdelingen en bijwoners geweest zijn; omdat echter het land Kanaan de heilige ruste Gods was, zegt de Profeet hier terecht, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren in andere landen, en hierdoor vermaant hij ben, om zich te aller stonde gereed en bereid te houden om terug te keeren, als eene stilzwijgende bevestiging van de profetie van Jeremia, waarbij de tijd der ballingschap vastgesteld was (.Ier. 25:11; 29 : 10), opdat het land van .ludea nooit in vergetelheid bij hen zou geraken. Terwijl hij alzoo de geloovigen lol standvastigheid vermaant, geelt hij hun ook moed, om zich door geenerlei bedreigingen te laten verschrikken, zoodat zij er toe gebracht
80(5
Psalm 137 ; 4â5.
worden om zich met de Bubyloniërs Ie vermengen; evenals ook heden len dage de geloovigen onder hel Pausdom in grool gevaar kunnen verkeeren, ais zij zicli niel willen schikken naar de eenmaal aangenomene gewoonten en gebruiken, maar door deze tusschenruimle scheidt de Heilige Geest hen van alle veinzerij en schijn. Want voor de Fransehen, Italianen en Kngelschen , die den waren godsdienst zijn toegedaan, is, zoo lang zij onder deze harbaarsche tyrannie leven, hun eigen land een vreemd land geworden. Evenwel er is wel eenig verschil tusschen hel oude volk van God en ons: want toenmaals was het niel geoorloofd God te aanbidden en Hem offerande te brengen dan aan ééne bepaalde plaats, terwijl heden waar twee ol' drie Ie zamen zijn in den naam des lleeren Jazus, een Tempel Gods is, mits zij zich verre houden van elke belijdenis der algoderij en zich aan den zuiveren dienst van God houden. De Profeet heelt door deze woorden echter volstrekt niet bedoeld den ijver voor Gods lof te doen verllauwen; veeleer heeft hij hel hart der ver-druklen en beproelden tot geduld en lijdzaamheid willen vermanen, totdat hun wederom volle vrijheid zou geschonken worden om God Ie dienen; alsol hij zeide: Wij zijn beroofd van Tempel en offeranden, verbannen uit hel land en weggevoerd naar een Heidensch land; wat blijlt ons dus te doen over dan Ie zuchten, en als wij gedenken, dal wij verstooten weiden, te hopen op de beloofde verlossing?
5. Tndieu ik u vergeten zou, o Jeruzalem! zoo vergete mijne rechterhand. 6. Mijne tong kleve aan mijn gehemelte, zoo ik aan u niet gedenken zal, zoo ik Jeruzalem niot verheffen zal boven het hoogste mijner blijdschap. 7. Gedenk, o Jehovah, aan de kinderen van Edom, die daar zeiden ten dage van Jeruzalem: Ontbloot, ontbloot tot aan haar fondament toe. 8. O dochter van Babylon, die verwoest zijt, welgelukzalig zal hij zijn, die u uwe misdaad zal vergelden, die gij aan ons misdaan hebt. 9. Welgelukzalig zal hij zijn, die uwe kinderkous grijpen en aan de steenrots verpletteren zal.
5. Indien ik u vergeten zou, o Jeruzaleml Dit is eene bevestiging van den vorigen zin. waaruil men dan ook gemakkelijk Dl. II. ' 57
Psalm 1.^7 : 5â7.
kiin alloiilen wal !iij loon hi'doch! Iiccll Want de gcloovige (lii'nslkiifcliliMi Gods beluiden, ja /.(.'lis onder eede, dal de licrinnei ing' aan de heilige stad altijd in linn hart gegrilt zal blijven, en, wal hun ook moge wedervaren, nooit zal de gedachtenis weggenomen ol nitgewischt worden. En dewijl hier van zingen gesproken werd en van muziekinstrumenlen, ontleent de Profeet daaraan den vorm van zijn' eed: Tiijne hand vergete de kunst om de muziekinstrumenten te bespelen; Zijne tong Ideve aan zijn gehemelte, ol aan zijne koel. Waar hot op neerkomt is, dat de geloovigen niet zoo lernedergebogen zijn om hun persoonlijk ongerief, ol' zij zijn nog veel dieper en smartelijker bewogen wegens de rampen der Kerk. Want het is rechl dal do ijver voor hel huis Gods de bovenhand bebbe in ons hart, zoodal alle bijzondere aangelegenheden, in vergolijking daarmede, in het niet verzinken. Het tweede lid wordl door sommigen aldus verklaard; Indien het niet mijne grootste vreugde zal wezen om Jeruzalem wederom Ie zien bloeion. Anderen geven er dien zin aan: Nooit zal blijdschap in mijn barl komen, voor dat do wederherstelling der Kerk mij vreugde schenkt. Naar mijn oordeel echter hoefl de Proleet het een en hel ander bedoeld. En inderdaad bet eene kan ook niet van bet andere worden gescheiden: wanl, als wij Jeruzalem stellen tol bet voornaamste onderwerp onzer blijdschap, dan zal onze grootste vrongdo voortvloeien uil baron voorspoed en gelukkigen toestand; hetgeen niel geschieden kan, zoo niet de smart over baar leed en bare verdrukking voor alle lleidensche of wereldsche vreugde de deur sluit.
7. Gedenli, o Jehovah. iJaar de wrake zeer nabi j was ook over de andere volken, die mode samengespannen hadden om Jeruzalem te verwoesten, beeft de Proleet ongetwijfeld door eone synecdoche die allen begrepen onder de kinderen van Edom, belzij omdat zij allo andoren in wreedheid van baat hadden overtroflen, of wel, omdat hunne wreedheid logen broeders en bloed verwanion minder verdraaglijk was, want zij waren afstammelingen van Ksau (Deul. - : 4). En toen do kinderen Israels alles door hot zwaard hadden verwoest, hebben zij naar hot uitdrukkelijk gebod van God de Idumeërs gespaard. Hel was dus wel eone zeer buitengewone onmenschelijklieid om do Babyloniërs te hulp te roepen om hunne broeders te verderven, ol wel, om als blaasbalg ie dienen ten einde het vuur huns toorns nog feller te doen ontbranden. Maar men mooi er wel op lellen, dal do Profeet hier niet roekeloos en onbedacht verwonscbingen uil spreekI, maar dal hij als do heraul Gods is om zijne vorige
Psalm 137 ; 7â8.
profeliën Ie bevestigen. Wanl God had door .leremia en Ezecliiël voorzegd, dal Hij wrake zon doen over Edorn (Kzecli. 25; 13: Jeremia 49 : 7) En üiiadja geell er nog duidelijker de reden van te kennen, nl. dal zij mei (Je Habyloniërs liadden samengespannen. (Obadja : 11.) Nu welen wij dal bel de bedoeling Gods is geweesl om door deze verlroosling ond^r deze zoo droevige ramp bel hart des volks Ie versterken, wanl anders zou men hebben kunnen denken, dal de verkiezing van Jakob ijdel en bedriegelijk is geweesl, indien zijn nageslacht zoo onmenschelijk dooi' hel nakroost, van Esau verscheurd was geworden , zonder dal zij dieswege geslraft werden. Nu bidt de Profeet door de ingeving des Heiligen Geesles, da! God door de daad zal toonen , dal dit niel te. vergeefs voorzegd was. En als hij zegl; Gedenk o Jehovah, herinnert hij de geloovigen aan de belofte, opdat zij welverzekerd zijnde, dal God wrake zal doen, de uitkomst kalm en in ootmoed kunnen alwachlen. Wanl hel was niel anders geoorloold om wrake le bidden dan om die, welke God had beloofd, en dan ook maar alleen legen de hardnekkigen en verworpenen. Wanl wal de anderen betreft, hoe goddeloos zij ook zijn, zoo moet men toch hegeeren dal zij tol eene goede gezindheid teruggebracht worden en dal zij zich bekeeren. Naar de gewoonte der Schrilt noemt hij Dag van Jeruzalem den tijd der bezoeking, waaraan dooi1 God een bepaald einde was aangewezen.
8. O dochter van Babylon, dat verwoest is. Thans aanschouwt de Proleet met het oog des geloofs hel verborgen oordeel Gods gelijk de Apostel hel geloof zeer juist een zien noemt van zaken die verborgen zijn. (Ilebr. 11 ; i). Hoewel hel dus iets onge-loofelijks was, dal een zoo machtig rijk als liabvlon toenmaals was, dooi' eenigerlei ramp ol tegenspoed gelrofien kon worden, en iedereen dacht dat bare macht onverwinlijk was. ziel toch de Profeet, met hel oog des geloofs en in den spiegel des Woords haren val en verwoesting , en hij vermaant de geloovigen hetzelfde te doen, opdat zij, steunende op de bemclsclie voorzeggingen, op den hoogmoed dier gevloekte stad met verachting neder kunnen zien. Indien wij nu uil de belollen Gods verzekerdheid en hope kunnen putten, al zijn wij dan nog zoo gering en ternederge-slagen, zoo zullen wij zells aan de poorten der hel het hoold nog kunnen opheflen, en roemen, dat wij ook te midden der zwaarste rampen nog gelukzalig zijn, maar dal onze vijanden ter verwoesling zijn overgegeven, mits de Heilige Geesl al onze neigingen en aandoeningen door zijne rechtheid tempere. En
Psaui 137 ; 8â9.
900
waar liij nu ze^l , dal zij wdgelnTczalig zullen zijn, die aar de UahyloniiTs liuniio misdaad /idlcii verbidden, itedoell hij niet te zeggen, dal de dienst der Perzen en Meden Gode weibehaaglijk is, aangezien de onverzadeiijke eerzuelit en begeerlijkheid, ja een boosaardige nijd hen lol den oorlog bad gedreven, maar dewijl die krijg als het ware onder de banier Gods gevoerd werd, zegt, de Profeet dal de nilkomsl zal wezen gelijk men haar begeerd heelt. Want, daar God besloten had de liabyloniërs te straffen, heelt Hij Cyrus en Darius gezegend; evenals van den anderen kant door eene gelijksoortige reden .leremia verklaard heelt, dal zij die des Heeren werk onachtzaam doen, vervloekt zijn (.Ier. 48: I0), dat is, zij die zich geene moeite geven, zich niet inspannen om God te dienen door te verderven en te verwoesten, als God hen gehuurd heeft om de uitvoerders te zijn van zijne gerichten. En hoewel bet nu eene wreedheid schijnt, als hij begeert dat de kinderkens, die nog leeder en onschuldig zijn, tegen de rotsen verpletterd worden, zoo is dil toch, wijl hij niet spreekt uil eigene beweging, maar de woorden ontvangt als van uil Gods mond, uiel anders dan een loven van hel rechtvaardig oordeel; evenals wanneer de lleere verklaart, dal mei de male waarmede men anderen meel, men ook zeil gemeten zal worden (Matlh. 7 : ü). Maar Jesaja had deze speciale profetie tegen Bahylon uitgesproken (.les. 13 ; 16), en er is niet aan Ie Iwijtelen, of de Profeet geelt hier een weei klank op deze voorzegging: Ziet, Ik zai de .Meden tegen hen verwekken, die bel zilver niel zullen achten, en aan goud zullen zij geen lust heben; maar hunne hogen zullen de jongelingen verpletleren, en zij zullen zich niel ontfermen over de, vrucht des buiks. Hun oog zal de kinderen niel verschoonen.
l^BA LM 13S.
INHOUD; Gedachtig zijnde fioe God hom altijd op heerlijke wijze geliolpen en bijgestaan heelt, daar hij ook inderdaad zoowel zijne goedheid als zijne trouw had ervaren, wekt David zich zelven op om Hem voor deze bewijzen zijner goedheid dankzegging toe te brengen. Daarna belooft hij zich deze goedertierenheid Gods bij voortduring tc zullen ondervinden, omdat God onveranderlijk is, zoodat hij, in gevaar verkeerende, de stellige hoop koestert van verlost en uitgered tc zullen worden.
Psalm 1j8 ; 1.
Van David. 1. Ik zal U loven met geheel mijn hart, in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen. 2. Ik zal ü aanbidden in den Tempel uwer heiligheid, en ik zal uwen naam zingen om uwe goedertierenheid en om uwe waarheid; want Gij hebt boven alle dingen uwen naam groot gemaakt door uw Woord.
3. Ten dage als ik tot ü riep, zoo hebt Grij mij verhoord ; Gy hebt kracht vermenigvuldigd in mijne ziel.
4. Dat alle Koningen der aarde U loven, o Jehovah, want de heerlijkheid van Jehovah is groot.
i. Ik zal U loven. Dewijl God aan David zeer groole en vooi'U'effelijke voorrechten had geschonken, betuigt hij van zijn' kant, dat hij Hem er geene geringe dankbaarheid voor zal bewijzen. Dewijl echter de geveinsden dit offer der dankzegging slechts bederven en verontreinigen als zij hel uil eerzucht ol' huichelarij brengen, voegt hij er bij, dal hij deze dankzegging niet slechts met de lippen zai brengen, maar in oprechlheid des harten. Want wij hebben elders gezien dat de uitdrukking met yeheel het hart een hart aanduidt dal oprecht en niet geveinsd is, en gesteld wordt tegenover een dubbel hart (Ps 12; 3). Kn voorts, omdat hel llebreeuwsche woord Elohhn, dat wij door Goden vertalen, soms op koningen wordt toegepast en soms op engelen, kunnen beiden aan deze plaats gevoegelijk worden gebruikt. David belool't aan God eene openbare dankzegging. En omdat nu de heilige vergadering der geloovigen als een hemelsch schouw-tooneel is, weten wij dat Engelen ei'in menigten de toeschouwers waren, en zelfs dat de Cherubin de Ai ke des verbonds omringden, opdat de geloovigen. telkenmale als zij in het Heiligdom kwamen om God le aanbidden, zouden welen, dat zij daar de Engelen als getuigen zouden hebben. En omdat, van den anderen kant, de Vorsten de hoogste plaats bekleeden, is hel niet verkeerd op hen loe te passen wat hiei gezegd is, evenals in Psalm'107 ; 32; Looit Jehovah in de vergadering der oudsten, d i. in de groole en eervolle vergadering. De eerste zin behaagt mij echter meer, omdal de geloovigen, telkenmale als zij zich in de tegenwoordigheid Gods begeven, zich alzonderen van de wereld en len hemel opklimmen om met de engelen te zijn, gelijk ook Paulus, als hij in zijn' brief aan de Gorinlhiërs handelt over de orde en
Psalm 158 ; 1â±
welvoegelijkhcid, die zij in aclil moesten nemen, lien veiinaanl, om zich in de openbare bijeenkomsten betamelijk Ie gedragen ten minste om der engelen wil (1 Gor. 11 ; 10). Ook heelt God van cuds her hetzellde willen aanduiden onder het beeld der Glierubim, ten einde hierin aan de geloovigen een zichtbaar teeken te geven van zijne tegenwoordigheid. En inderdaad volgt ook terstond daarna de verklaring dezer woorden, als hij zegt: Ik zal aanbidden in den Tempel uwer heiligheid, want hiermede wil hij zeggen, dal hij niet slechts in het verborgen, in zijne binnenkamer God zal danken, maar dat hij volgens bet voor-schril t der Wet in hel Heiligdom zal komen, en door zijn voorbeeld dus anderen zal opwekken om hetzelfde te doen. Wanl, hoewel bij God op geestelijke wijze diende, zoo betaamde het hem loch zijn' blik te richten op de uitwendige getuigenissen en zichtbare teekenen, die toenmaals voor de geloovigen waren als wagenen om hun' geest opwaarts te voeren. Ãe stol' voor zijn loven van God vindt hij in zijne barmhartigheid en waar-beid, want hoewel zijne macht en sterkte eveneens vei dienen geprezen te worden, is er toch niets, dal ons zoo levendig behoort op le wekken om zijn' Naam Ie verheerlijken, als zijne vrije goedheid, omdat Hij, door zich milddadig jegens ons te beloonen, om zoo te spreken, onzen mond opent, om zijn' lol' le zingen. Daar wij echter zijne goedertierenheid niet proeven en smaken, of haar ten minste niet zeer levendig in ons hart gevoelen zonder zijn Woord, voegt hij er zijne getrouwheid bij, of zijne Waarheid. En er moet wel op gelet worden, gelijk ik reeds dikwijls gezegd heb, dat deze twee zaken altijd samen moeten gaan. Want, hoe weldadig God zich ook jegens ons betoont door zijne daden, indien zijne leer ons niet voor oogen wordt gesteld om ons le verlichten, zal onze natuurlijke stompzinnigheid beletten dal zijne goedheid doordringt tol ons hart. En zijne goedertierenheid wordt in de eerste plaats genoemd, omdat God zich in geen ander opzicht getrouw of waar kan beloonen, dan omdat Hij door zijne vrije belolte zich jegens ons heeft verbonden. En voorzeker wordt zijne oneindige goedheid hierin duidelijk gezien, dal Hij hen, die vreemdelingen voor Hem zijn, voorkomt, en zich verwaardigt gemeenzaam mei hen le spreken, ten einde hen tol zich te lokken. Aan het einde van bel vers wordt door sommigen het voegwooid En ingelascht, zoodal zij dan vertalen; Gij hebt uwen naam en uw Woord boven alles groot gemaakt, betgeen een' onbeduidenden zin geelt, en daarom terecht verworpen wordt door de geleerde uitleggers, die echter, naar mijn gevoelen, ook zelven cene gewrongene verklaring geven.
Psalm 168 : 4â4
als zij vei talen: Gij hebt uwen Naam grool ^emaakl boven geheel uw Woon!. Ik voor mij Ivvijlel niet ol' hel was Davids bedoeling te verklaren dal de Naam Gods in majesteit en hoogheid alles overlrel't, en vervolgens een bijzonder middel le noemen, waardoor God zijn naam heel'l grootgemaakt, namelijk, door dal Hij in werkelijkheid en waarheid heelt vervuld wal Hij in zijne milde goedheid heell beloofd. En inderdaad, daar wij van wege onze slompzinnigheid de weldaden Gods niel bemerken, is dil een uitnemend middel dal God gebruikt om ons oj» te wekken om te zien, namelijk, dal Hij tol ons spreekt door zijn Woord, en ten laatste de genade, die Hij ons heell beloofd, bevesligl en bezegelt door de daad.
Ten dage als ik tot U geroepen heb, enz. Hoewel God ons gebed dikwijls voorkomt, en, als hel ware, in den slaap lol ons naderl om ons wel te doen, zal Hij loeh gemeenlijk, als Hij de zijnen wil beweldadigen, hen door zijn: Heiligen Geesl opwekken tol gebed, ten einde hun des ie blijkbaaider zijne genade le bewijzen, als zij bemerken dal hun gebed niel vruchteloos is gebleven. ïerechl koml David dus tol de gevolgtrekking, dal zijne uilredding uit de gevaren, waarvan hij omringd was, aan geen loeval kan worden loegescbreven, aangezien hel hierin ten duidelijkste is gebleken dal God hem had verboord. Dit is dus al een voorbeeld, dal ons gebed ons Gods genade meer van nabij doet zien. In het tweede gedeelte van dil vers wordt door sommigen wederom hel voegwoord En ingelaschl, zoodal zij lezen : Gij heht mij vermenigvuldigd en de kracht in myne ziel, doch dit is onnoodig, aangezien de zin zeer goed vloeit, ook zonder dal men er iels bijvoegt, hetzij men leest in de vertaling, die ik er van gegeven heb, of dat men liever leest: Gij hebt mij vermenigvuldigd met kracht in mijne ziel Waar het op neerkomt is, dal hij, toen hij lernedergeslagen was en gebukt ging onder rampen, nieuwe kracht in zijn hart heeft ontvangen; tenzij men er de voorkeur aan geeft om den zin aldus te verklaren: Gij hebt mij vermenigvuldigd, dat is: gezegend, en van daar komt kracht voor mijne ziel.
4. Dat alle Koningen der aarde U loven. Door deze woorden verklaart hij, dat de genade Gods, die hij heelt ervaren, ver en wijd vermaard zal wezen, zoodat de geheele wereld er van zal hooren. .Maar als hij zegt dal de Koningen zeiven de woorden van Gods mond hebben gehoord, dan wil hij hiermede niel le keiinen geven, dal zij op de rechle wijze onderwezen zijn inde
Psalm 1:58 : i--Ã.
godsvruclil, zoodal zij in hel lichaam der Kerk ingeënt behooi'den te zijn, maar alleen dal hel overal bekend en geweien zal worden, dal hij om geene andere reden zoo wonderbaarlijk bewaard is gebleven, dan omdat hij op Gods bevel lol Koning was gezalfd. Hoewel nu de naburige Koningen mei deze wetenschap hun voordeel niel hebben gedaan, heelt dil loch gediend lol lol van Gods genade, dat het aan iedereen bekend was, dal Davids roeping van God kwam. En inderdaad, aangezien gedurende de vele jaren dal Saul hem met alle macht ten doode toe vervolgde, David verklaard heelt, dat hij onder Gods banier en aanvoering heelt gestreden, kon hel niel onbekend zijn, dat hij door het welbehagen en de roeping Gods tot den troon was gekomen Hel getuigenis van de genade Gods was te dezen opzichte zóó duidelijk, dal zelfs Heidensche Koningen gedwongen waren haar eenigermate te erkennen.
6. Want Jehovah is hoog, nochtans zal Hy den nederige aanzien, en de Verhevene kent van verre. 7. Als ik wandelen zal in het midden der benauwdheid, zult Gij mij levendmaken; Gij zult uwe hand uitstrekken tegen den toom mijner vijanden, en uwe rechterhand zal mij behouden. 8. Jehovah zal het op mij vergelden; uwe goedertierenheid, Jehovah, is in eeuwigheid; Gij zult het werk uwer handen niet laten varen.
ü. Want Jehovah is hooy. In dit vers verheerlijkl bij de voorzienigheid Gods, waardoor de geheele wereld wordt geregeerd. En het is zeer nuttig en noodig voor ons te welen, dat God ons welvaren ter harte neemt, want, allen belijden wel dal dit waar is, aangezien wij echter bij hel minste gevaar, dat ons dreigt, reeds sidderen, loont dit dal er mistrouwen is in ons hart, want al wie er waarlijk van overtuigd is, dat God eene vaderlijke zorge voor ons heelt, zal zich niel zoo licht laten verschrikken. Sommigen verklaren bel woord Ilooy in dier voege, also! David zeide, dat God gezeten is op zijn' troon in den hemel om de geheele wereld le regeeren; ik geloof echter dat hij hel meer als tegenstelling bedoeld heelt, alsof hij zeide, dal de hoogheid van God niel verhindert, dat Hij de kleinen en de geringen der wereld aanziet. Dil bevestigt hij ook door
Psalm 138 : (3â7.
hel Ivvecde lid, als hij zegt, De Verhevene leent van verre. Soinmigen nemen het llebreeuwsche woord Gawah hier in den vierden naamval, hetgeen ook niel slecht voegt; alsof hij zeide, dat God zich niel verwaardigt om de hooghartigen en trolschen van nabij aan te zien, maar uit minachting ziet Hij hen van verre aan; terwijl Hij de kleinen, en zij, die door de wereld geminacht worden, en die, naar het uiterlijk te oordeelen, zoo ver van Hem verwijderd schijnen, beschouwt alsol zij zich gansch dicht bij Hem bevonden. Anderen vertalen hel llebreeuwsche woord Jédancj, dat hier gebruikt is, door In stukken breken-, alsol er gezegd was dal God, door de nederigen le koesleren en vaderlijk te verzorgen, deze verheven reuzen verbreekt, die zich zoo vleien met hun' voorspoed. Daar ik hel echter betwijfel dal David op zoo subtiele wijze heeft willen spreken, is het voor mij voldoende, dal hel eene eenvoudige herhaling is van het vorige gezegde, nl. dal hoewel God hoog verheven is, Hij evenwel die dingen beschouwt, waarvan men niel zou denken, dal Hij ei zijne zorge aan zou wijden. En inderdaad hebben wij ook eene zelfde uitdrukking in Psalm 113:5: Jehovah verheit zich om le wonen; Hij buigt zich echter neder om te zien hetgeen in den hemel en op aarde geschiedt. Waar hel nu op neerkomt is, dat hoewel de hoogte der majesteit Gods alle hemelen le boven gaat, die groote lusschenruimte echter niet verhindert, dat Hij geheel de wereld door zijne voorzienigheid regeert en bestuurt. Zoo is God dan hoog, maar Hij ziel van verre, zoodal Hij niet van plaats behoeft te veranderen, als Hij ons wil te hulp komen, en de zorg wil loonen, die Hij voor ons heelt. Wij zijn verachtelijk en laag, maar on/.e geringe staal verhindert niet, dal God ons onder zijne hoede neemt. Want hel betaamt ons tot zijne oneindige heerlijkheid, die alle hemelen te boven gaat, met eerbied en bewondering op te zien, doch op zulk eene wijze, dal wij niet twijfelen, dat Hij ons met vaderlijke liefde beschermt en bewaart. Nu is het om eene goede reden dat David deze twee leden samenvoegt; ten eerste opdat de majesteit Gods, ons verschrikkende, ons niel de bewustheid onlneme van zijne goedheid en barmhartigheid; en van den anderen kant, opdat zijne goedheid waardoor Hij zich verwaardigt zich lot ons neder te buigen, in niets den eerbied vermindere, die wij zijner heerlijkheid verschuldigd zijn.
7. Als ik wandel. Hier verklaart David op wal wijze hij ver-trouvvt, dal God zijn Heschermer en Verlosser zijn zal, nl, dat Hij hem, zoo dit noodig is, van den dood lol het leven zal
'.JUS
Psalm !ü8 : 7â8.
doen wedeikoeren. En deze Schririuurplaals is; zeer opmerkenswaardig'. Want ons vleesch is zóó weekeiijk, dat ieder onzer wel gaarne in veiligheid zou willen leven, buiten het bereik van gevaar. Daarom is ons niets verdrietelijker en ondraaglijker dan om van nabij mei de vreeze des doods te strijden te hebben, ja meer: zoodra zieh eenigerlei gevaar voordoet, worden wij bovenmate verschrikt, alsol' onze verlegenheid en benauwdheid de deur sloot voor alle middelen, die God in zijne hand heeft, om ons te redden. De ware regel des gelools is echter, dal wij in het midden van de duisternis des doods bet licht des levens zien; en dal wij niet slechts vertrouwen dat de genade Gods ons kan behoeden tegen alle leed, maar ons ook telken stonde uit den dood tot het leven kan doen wederkeeren; gelijk wij ook inderdaad weten, dat Hij de zijnen dooi' allerlei beproevingen naar de diepte brengt, ten einde hen wonderbaarlijk te beschermen en te bewaren, om aldus door ben gekend te worden niet slechts als den Behoeder van hun leven, maar ook als hun Bevrijder. En omdat nu de geloovigen in deze wereld altijd vijanden hebben, die ben vervolgen, verklaart David, dat hij in weerwil van alles wal zij tegen hem beramen, door de hulpe Cods altijd veilig zijn zal. En zoo getuigt hij dan van zijne hope om in hel leven te blijven omdal de hand Gods over hem is uitgestrekt om hem te beschermen, want hij weet dat zij onverwinlijk is en over al zijne vijanden zal zegevieren. Hieruit volgt, dal God zijne kinderen aldus oefent door voortdurenden strijd, opdat zij met den eenen voet in hel graf, door welke vreeze of siddering zij ook bevangen zijn. niet aflaten van te vluchten onder de vleugelen Gods, om er kalmte, rust en veiligheid te vinden. Sommigen vertalen het Hebreeuwsche woord Af, dal wij vertaald hebben door Toorn, door Ook, cn lezen dus: Gij strekt uwe hand ook uil tegen uwe vijanden. Ik heb echter de lezing gevolgd, die het meest algemeen is aangenomen, omdal de zin aldus vollediger is en niets gewrongens heeft.
8. Jehovah zal het op mjj vergelden. Het dubbelzinnige van hel Hebreeuwsche werkwoord Gamar maakt dezen zin twijfelachtig. Soms beleekcnt hel Vergelden, of beloonen, en zelfs over hel algemeen Geven of schenken, want dikwijls heeft het betrekking op weldaden, die vrij en om niet bewezen worden. Maar de woorden, die er in den tekst op volgen, schijnen eene andere beleekenis te eischen Want, daar er als reden wordt bijgevoegd: Jehovah, uwe goedertierenheid is in eeuwighei 1, Gij zult hel werk uwer handen niet laten varen, is het beter om
9U(5
Psalm 1o8 : 8.
907
liet aklus Ic verluien: Jeliovuh zul voor mij voleinden; ilal is, zul voorlyaun met Ie toonen, dat Ilij zorgt voor mijn heil, en hetgeen Ilij heelt hegonnen ten einde zul brengen. Daar hij dus door Gods goedertierenheid verlost is geworden, houdt hij er zieh van verzekerd, dal dit voortdurend zoo zal blijven, omdat üod niet van aurd verandert, en de goedheid niet kan vergeten, waarvan Ilij gansch vervuld is. En inderdaad: zoo wij eene hope willen hebben, die ons ondersteunt te midden der gevaren, die ons dreigen, dan moeten wij onze oogen richten op de goedheid van üod, waarop ons heil gegrond is. En daar nu üod, in geenerlei opzichte ons rechtens iets verplicht is, en dus uit loutere goedheid beloolt, dal Ilij voor ons zal zorgen, koml David tot de juiste gevolgtrekking dut ons heil niet tijdelijk ol voorbijgaand is, omdat de goedheid Gods lot in eeuwigheid is. Daurnu bevestigt hij de zuak met undere woorden, als hij zegt, dat üod zijn werk niet kan luten varen, omdut Hij het moede geworden is, gelijk dit met den sterlelijken mensch zoo dikwijls hel geval is Wunt David spreekt hier in denzellden zin als Paulus, als hij zegt: De genadegillen en de roeping Gods zijn onberomveüjk (Rom. l i : 59). Want, terwijl de menschen ol lichtzinnig opgeven wat zij met onbedachlzaaniheid hebben begonnen, omdat zij door hunne wispelturigheid weder naur iels anders uitgedreven werden, ol wel dooi' hunne zwakheid gedwongen zijn om al te luien van tie onderneming, die hunne krachten te boven gaat, kun niets dergelijks gebeuren aan üod. Daarom behoeven wij ook niet te vreezen, dat wij onze hoop op Hem gevestigd hebbende, in hel midden van den weg teleurgesteld uil zullen komen. Want het zijn slechts onze goddeloosheid en ondankbaarheid, die den stroom van üods genude tegenhouden, die uit haren aard onophoudelijk zou vloeien. Wanneer wij dus met een vast geloof de belol'len hebben aangenomen, zal Ilij ze ons nooit ontnemen noch ze ons laten ontglippen. En als David zegt, dat üod het heil der zijnen zal voleinden, of tol stand brengen, dun is dit niet opdat hij zich nu aan onverschilligheid ol traagheid zou overgeven, muur wel veeleer om zijn gelool te bevestigen, en zichzelven op te wekken lol gebed. Wunt, vun wuar komen zorg en vrees in hel hart der geloovigen, indien niet duarvan, dut zij, hunne broosheid gevoelende, zich vun üod ulleen afhankelijk weten'? Inlusschen steunen zij mei volkomen zekerheid op zijne genade, omdut zij er niet aun twijfelen, of Ilij zal, wul Ilij heelt begonnen voleinden tol op den dag van Christus, gelijk Paulus aantoont in Filippensen 1 : li, De nullig-heid dezer leer is hierin gelegen, dut wij, lelkeninule als wij
Psalm 108 ; 8.
lt;ti iiikelen ol' wankelen ol' door twijfel worden beroerd, bedenken: God heeft een beginsel des heils in mij gewerkt: Hij zal dit dus ook voleinden. En voorts, moeten wij terstond de toevlucht nemen tot hel gebed, opdat onze traagheid den stroom niet tegenhoude van Gods genade, die onophoudelijk vloeit, un welker bron onuitputtelijk is.
PSA I gt; M 139.
INHOUD: Ten eiudc zijn hart te zuiveren van alle geveinsdheid, cn de nevelen te verdrijven, waarmede de meeste menschen zich omhullen om hunne eigene ziel te misleiden, verklaart David in vele woorden, dat geen ding, hoe ook verborgen, bedekt is voor Gods oog. Dit bevestigt hij door de schepping van den mensch. Want, indien God ons in moeders lijf heeft geformeerd, en aan elk lid van ons lichaam zijne eigenschap en verrichting heeft gegeven en aangewezen. dan kan het niet anders of al ons doen en laten moet Hem voor oogen wezen. Nadat hij nu door deze heilige overdenkingen en overwegingen zich zeiven heeft opgewekt tot een ongeveinsd vreezen van God, betuigt hij, dat hij zich verwijdert houdt van alle Heidensche verachters van God, en in het vertrouwen van deze oprechtheid, waarvan hij het getuigenis omdraagt in zijn hart, heeft hij de vrijmoedigheid om God aan te roepen, en Hem te smeeken, dat Hij hem niet in het midden van den loop zijns levens zal verlaten.
Aan den opperzangmeester, een Psalm van David.
1. Jehovah, Gij hebt mij doorgrond, eu Gij kent mij.
2. Gij hebt geweten van mijn zitten en van mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijne gedachten, o Gij omringt mijn gaan en mijn liggen, en Gij kent al mijne wegen. 4. Want, er is geen woord in mijn mond, of, zie Jehovah, Gij weet het alles. 5. Gij bezet mij van achteren en van vuren, en Gij hebt uwe
1)08
Psalm 139 ; 1âc2.
hand op mij gelegd. 6. Uwe kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog verheven, ik kan er niet bij.
I Jehovah Gij heht mij doorgrond. David beluigl dal hij niel in Gods legenuoordigheid vcrsclnjnl denkende iels le zullen winnen mei veinzeiij, gelijk de huichelaars, die zich roekeloos veimaken onder den dekmantel van hunne vooigevvende deugden, waarmede zij zich als hel ware omhullen. Maar dewijl hij er van overluigd is, dal voor God niels is verborgen, legl hij gewillig zijn geheele harl voor Hem blool en laai zich aldus dooi' Hem onderzoeken. Uwer is hel, o God, zegl hij, helder en duidelijk te zien alles wal in mij verborgen is, en niels zal onbekend blijven Hij voegl er ook de bijzonderheden bij, waardoor bij aantoon! , dat geen deel van zijn leven voor God in duisternis is gehuld. Hetzij ik nederlig om le ruslen, ol mij op weg bevind, ol opsla. Gij kent al mijne bewegingen. En daar nu hel llebreeuwscbe woord Eikmtj, dat wij vertalen door (jedachten, een vriend, ol meigezel beleekenl, vertalen sommige scbriHverklaarders: Gij verslaat van vei ie mijne nabijheid, welke zin veel juister zou zijn dan de andere, indien er eene enkele plaals was, waar hel woord aldus is genomen. Want bel zou em schoon gezegde wezen, dat God als gansch nabij voor oogen heelt, de dingen die ver verwijderd zijn. Omdat, de andere lezing echter meer algemeen aangenomen is, heb ik de vrijmoedigheid niet durven nemen om er van al' le wijken. Wal betreft hel llebreeuwscbe woord Mérachok, sommigen vertalen hel door sedert lang, in welke beleekenis het ook voorkomt, aan andere plaatsen, alsof er gezegd was: Heere, Gij kent alle mijne gedachten lang voor dat zij in mijn harl zijn opgekomen. Maar de andere beleekenis, die ik gevolgd heb, scbijnl mij juister le zijn, nl. dal men niet moet denken, dal God opgesloten is in den hemel en daar ledig nederzil (gelijk de Epicuriërs zich inbeelden) zonder zich mei de dingen dezer wereld in le laten; maar hoewel wij zeer verre van Hem afdwalen; is bij toch nooit ver van ons. En omdat bel Hebreeuwsche wei kwoord Zarah soms beleekenl wannen, en een andermaal omrinyen, zou bel niet ongepast wezen om het in het derde vers le vertalen door; Gij, o God, want of zift mijne paden; want het is eene beeldspraak, die dikwijls gebruikt wordt, le zeggen dal men iels zift, om te kennen le geven dal men iels uit de duisternis le voorschijn brengt en in hel licht steil. Zoo laat dan ieder uil deze tweeërlei beleekenis, die kiezen, welke hem hel beste
90!»
Psalm 439
(lunkl, Wiinl ook de eerste, die ik heb aangeduid, is zeer gepasl. Er bestaat ook onder de scbriflverklaarders verschil van meening omtienl lie! slot van het veis. Want omdat liet Ilebreeuwsche werkwoord Sachan, dat hier in de vervoeging ffipldl gvlirnikl is, voorspoedig maken heteekenl, hebben sommigen gedacht, dat David hier dank toebrengt aan God, omdat Hij zijne ondernemingen wel heeft doen gelukken. Aangezien David hier echter een ander doel beoogt dan den zegen Gods te loven, voegt deze beleekenis niet in den zin. Eene andere verklaring is al even gewrongen, nl. deze: Gij hebt mijne wegen gewend, dat is: gewoon gemaakt; alsof hij wilde zeggen, dat het eene genade Gods is, dat hij verstandig, met goed overleg, heelt kunnen handelen. Wat mij belieft, hoewel het werkwoord in de vervoeging Htpliil genomen is, aarzel ik toch niet om het onzijdig te nemen in dezen zin: lleere, Gij zijl aan mijne wegen gewend, zoodat zij U gemeenzaam bekend zijn.
i. Want er is geen woord, enz. Deze woorden kunnen in tweeërlei zin genomen worden: daarom hebben sommigen ze aldus verklaard: Heere, vóór nog hel woord in mijn' mond gevormd is, weet Gij reeds wat ik wil zeggen; en anderen op deze wijze: Al spreek ik ook geen woord, maar tracht door le zwijgen mijne overleggingen le verbergen, zoo is U toch niets onbekend. Omdat echter deze twee overzettingen zoo ongeveer op hetzelfde neerkomen, laat ik aan ieder de keus om aan le nemen wat hem het meest behaagt Waar het op neerkomt is: Hoewel onder ons hel woord als het beeld of de voorstelling geldt van de gedachten des harten, omdat hel woord het middel is, waardoor men gemeenschap oefent met zijn' naaste, heeft God toch het woord niet noodig om le weten wal er in hel hart des menschen omgaat, aangezien llij hel hart kent. Hel woord Zie, dat er bijgevoegd is, geelt klem en nadruk aan den zin, als ol er in zoo vele woorden was uitgedrukt, dal de diepste
en verborgenste schuilhoeken des harten blootliiruen voor Gods r ~ ~
oog. Hel vijfde vers wordt door velen gelezen: Gij hebt mij van voren en van achteren geformeerd, daar echter het Ilebreeuwsche werkwoord Tsoer dikwijls de beleekenis heelt van samendringen, ol vernauwen, twijfel ik niet. of David heeft willen zeggen, dat de tegenwoordigheid Gods hem omringt, hem van alle kanten insluit, zoodat hij, naar welken kant hij zich wendt, le vergeefs zou trachten aan Hem te ontkomen. Want als iemand ziet, dat de weg hem versperd is, treedt hij terug; en David zegt hier, dal hij zoowel van achteren als van voren
.-1-4.
Psalm 139 : 5â6.
in^eslolen is. Dezulfdo si rek k i ml; lieell ook liel Uveedo lid: Gij heht uwe hand op mij gelegd. Wanl liet. is eeno ilauwe, onbeduidende verklaring, die sommiijen hiervan geven, nl. dal, dil heirekking licofl op de schepping, alsof God, gelijk een werkman de hand aan hel werk gelegd heefl om den persoon le formeei en, en daarbij geven zij ook niet genoegzaam aehl op hel leksl-verband. Daarom is hel, eene veel juistere verklaring, dal God, door als het ware zijne hand le leggen op de menschen, hen voor oogen heelt, zoodat zij geene de minste beweging kunnen maken naar rechts ol links zonder dat Hij hel weet.
li. Uu-e kennis ts ;«// te wonderbaar. liet Ilebreeuwsche woord Mimmêni kan in tweeërlei zingenomen worden, nl. dal de kennis van God, gelijk zij zich in de schepping van den mensi h beloont, wondervol is, gelijk ook in een spreekwoord der oude Grieken de niensch een Microcosmos, d. i. eene wereld in't klein, wordt genoemd. Want, als wij nagaan met hoe groole kunst het mensehelijk lidman is samengesteld, en mei welke gaven zijn geest versierd is. dan moeten wij wel opgetogen zijn van bewondering. Maar het verband van den tekst eisc'ut eene andeie verklaring; want David, willende voortgaan met hetgeen hij tot nu toe gezegd heelt, roept nil, dat diegenen dwaas en verkeerd handelen, die de wetenschap Gods naar hun eigen bekrompen versland willen afmeten, terwijl zij ons bevattingsvermogen oneindig ver te boven gaat. Want aangezien velen, als er sprake is van God, Hem beoordeelen naar hun eigen gevoelen, was het noodig om dergelijke verwatenheid tegen te gaan. Over het algemeen kennen de menschen aan God geen hooger versland toe dan aan zich zeiven. Daarentegen belijdt David,^ dat de kennisse Gods voor hem onbegrijpelijk is; alsof hij wilde zeggen, dat hij geene woorden ol termen vond, die geschikt zijn om uit te drukken hetgeen waarover hij hier handelt, te weten: dat niets verborgen is voor God, omdat zijne wetenschap maat noch einde kent en dat hem daarom niets anders overblijft, dan zich voor die verhevene grootheid eerbiedig le buigen en te aanbidden, en zijne eigene onmacht en onbekwaamheid te erkennen en te belijden.
7. Waar zou ik heengaan voor uwen Oeest! En waar zou ik heen vlieden voor uw aangezicht? 8. Zoo ik opklim ten hemel, zie, (iij zijt daar, of' beddede
911
Psalm 139 : 7â10.
ik mij in het graf, zie, Gij zyt daar. 9. Ik zal de vleugelen des dageraads nemen, om te wonen aan het uiterste einde der zee. 10. Ook daar zal uwe hand mij geleiden, en uwe rechterhand zal mij houden. 11. Indien ik zeide: Tenminste zal mij de duisternis bedekken, en de nacht is een licht om mij. 12. Zelfs de duisternis zal uiets voor U verduisteren, en de nacht zal helder wezen als de dag, en de duisternis als het licht.
7. Waar zou ik heengaand Naar mijn oordeel gaal David voort mei dezelfde redeneering, dal de menschen niels winnen met hunne uilvlueliten, waardoor zij aan hel oog Gods zoeken Ie onlkomen. Hel woord Geest wordl hier niel eenvoudig genomen voor Krachl, of Macht,, gelijk hel in verscheidene schrillmirplaalsen aldus genomen is, maar voor Verstand. Wanl daar in den mensch de geesl de zelel is van hel versland, brengl David dil nu over op God, helgeen nog duidelijker hlijkl in het Iweede lid van hel vers, waar hel woord Aangezichl genomen is voor kennis, ol gezicht. Waar hel op neerkomt is, dal David zich niet kan bewegen zonder dal God hem ziel,ja hem mei zijn' blik zou volgen, indien hij weg wilde vluchlen. Daarom is hel een verwringen van deze schrilluurplaals als men er de oneindigheid van Gods wezen mede wil bewijzen. Want hoewel het ongelvvijleld waar is, dal de majesleil Gods hemel en aarde vervult, heelt David hier loch iels anders bedoeld, nl. dal waar hij zich ook zou willen verbergen, hij loch altijd gezien zou worden door God, wiens oog lol den hemel en de hel doordringt. Hij zegt dus, dat, al zou hij ook opwaarts vliegen tot boven de hemelen, ol nederdalen lol de diepste diepten, alle dingen zoowel die hoven zijn, als die zich in de diepe afgronden bevinden, open en bloot zijn voor God. De uitdrukking: vleuyehn des dageraads bevat eene sierlijke beeldspraak. Want, als de zon des morgens opgaat boven de aarde, schijnt zij een zeer snelle vluchl te nemen, daar zij haar licht, terstond naar alle kanten der wereld uitzendt. Ditzelfde beeld vinden wij in Maleachi 3:2. Wat hij zeggen wil komt hierop neer; al zou iemand ook in snelheid de stralen der zon overtreffen, zou hij loch nergens eene plaats vinden om zich le verbergen, wanl overal zou hij binnen het gebied en bereik zijn van God. Want
912
Psai.m Mil : 111â12,
de hand be ld; ken 1 liiei' Macht', nlsol liij gezegd had, dal God, telkenmale als de menscli zieli aan zijne tegenwoordigheid zoekt Ie on II rek ken, hel in zijne inachl hcel'l om hem als vluchteling staande te houden en hem Ie doen wederkeeren.
11. Indien ih zeide. David spreekt hier in het karakter van iemand, die scherp om zich heen ziet ol hij ergens een'uilweg bespeurt, om uil de engte Ie geraken, waarin hij zich bevindt. Na dus erkend le hebben, dat, naar welken kant hij ook been zou vlieden, hij nergens baat zou vinden, spreekt hij nu van nog een ander middel en zegt : Indien er geene snelheid is, die mij uil Gods tegenwoordigheid kan wegvoeren, zoo zal ten minste, als bel licht van den hemel is, de duisternis mij voor eenigen lijd kunnen bedekken en verbergen zoodal ik dan een oogen-blik van verademing heb. Maar hij zegt, dal ook dit niet zal baten, omdat God in de dikste duisternis even helder ziel als op den vollen middag. Naar mijn inzien veikeeren zij in dwaling, die deze twee leden van elkander scheiden: De duisternis zal mij Jtadelchen, en de nacht zal licht voor mij zijn (alsol hij zeide, dal de duisternis in licht zal verkeerd zijn, zoodat hij, niel ziende, toch door Gods oog bemerkt zal worden). Want David, sprekende naar zijn eigen gevoel en begrip, bedoelt veeleer, dat, zoo bij slechts ergens ecne schuilplaats ol bedekking zou kunnen vinden bij nog eenige vrijheid en rust zou genieten, gelijk wij weten dat voor dieven en wilde dieren de nacht in plaats komt van den dag, omdat zij zich dan met meer vrijheid kunnen bewegen. Indien ik mij dus, zegt bij, eenigerlei verlichting en verkwikking beloof gedurende de duisternis van den nacht, zal ik mij in mijne verwachting teleurgesteld vinden, omdat de duisternis uw licht niet wegneemt. En inderdaad toont ons hel llebreeuwsche woord O am, dal hier gebruikt is, dat deze zindeelen aldus saamgevoegd hehooren te worden. Denkt iemand nu, dat bel eene overtolligheid is le zeggen dat er voor God geen onderscheid bestaai lusscben licht en duisternis, zoo leert ons de ervaring dal de menschen niel zonder de grootste moeite er loc te bewegen zijn om open en bloot in de tegenwoordigheid Gods te komen. Wel is waar zijn wij allen gedwongen le erkennen dat God alles weet; maar terwijl ieder dit gul en gril toegeell, is er niemand, die er voor zich rekening mede houdt, aangezien wij roekeloos spotten met God, en geen ontzag ol eerbied voor zijne majesteit ons in zoover in bedwang houdt, dat wij ons jegens Hem ten minste mei niel minder betamelijkheid gedragen dan tegenover den steriel ij ken mensch. Want een gevoel van Dl. 11. ' 58
Psalm 1,19 : 12â1.''..
schaamte zal ons noti lei nghouden om eenigerlei booze handclinii le bedrijven in de legenwoordiglieid dei mensehen, ol als zij er kennis van dragen; maar om hel oordeel Gods bekommeren wij ons even weinig als wanneer er een gordijn ware Insschen Hem en ons, die onze booze daden voor Hem bedekl. Deze slompzinnigheid is zoo ineengeweven mei onze nalnnr dal zij, indien wij nicl Ier dege aangepord en wakker geschud worden, ieder oogenblik liet licbl Gods in dikke dnislernis zal verkeeren. Daarom is bel niel zonder reden, dat David er zoo zeer op aandringt om onzen geest van dezen dichten nevel der ijdelbcid te ontdoen, waardoor bij van alle zijden omgeven is Wanneer dus zoodanige onverscbilligbeid en gerustheid in ons hart opkoml, dan behooren wij, ieder voor zich den prikkel, die ons bier wordt voorgesteld, bij ons zeiven aan le wenden, len einde ons uil die valscbe gerustheid le doen ontwaken.
13. Want Gij hebt mijne nieren bezeten; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt. 14. Ik zal U loven, omdat ik op eene heel vreeselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn uwe werken! ook weet het mijne ziel zeer wel. 15. Mijne kracht, die Gij in het verborgen gemaakt hebt, is voor U niet verborgen geweest; ik ben geweven in de nederste deelen der aarde. 16. Uwe oogen hebben mij gezien toen ik nog ongeformeerd was; alles zal geschreven worden in uw boek; zij zijn geformeerd in vele dagen, en er was nog niet een derzei ven.
1'J. Want Gij heht mijne nieren bezeten. Hoewel hij nog over dezellde leerslelling schijnt te spreken, gaat hij nu locb een slap verder, nl. dal men er zich niel over moei verwonderen, dat God alzoo de verborgenste gedachten der menschen kcnl cn doorgrond!, aangezien Hij zeil hun harl en hunne nieren heeft gemaakt. Hij zegt dus dal God als het ware zijn' rechlszelei in de nieren der menschen beetl gesteld, waarop Hij gezeten zijnde, zijne recblsmachl uitoefent; en dal liet geen wonder is, dat de schuilhoeken en kronkelingen van ons hart Hem niet kunnen bedriegen, aangezien Hij, locn wij nog in moeders lijf
914.
Psalm !.19 : 1.!â15.
waren, ons even goed en duidelijk gezien heelt, also1 wij ons open en bloot in hel volle lichl bevonden. Hierdoor verslaan wij hoe David thans over de schepping van den mensch komt te spreken. Dezelfde strekking heelt ook liet volgendevers, waarvan de woorden wel min ol meer dubbelzinnig zijn, maar waarvan de beteekenis duidelijk en gemakkelijk te begrijpen is, nl. dat David door wondervolle middelen geschapen en geformeerd is, die wel in staat zijn vreeze en verbazing in hem op te wekken, waardoor bij zich dan gedrongen voelt om God te loven. Wanl inderdaad, de omstandigheid dat wij niet genoeg nagaan en bepeinzen hoe de hemelsche Werkmeester ons wonderbaarlijk gelormeerd heelt, dat is de bron, waaruit de stompzinnigheid van ons vleesch voortkomt. Daarna klimt David uit het bijzondere op tol het algemeene, en roept dat alle de werken Gods, die zich voordoen aan onze oogen , evenzoo vele wonderen zijn, in welker heschomving wij in verrukking wegzinken. Wanl, (gelijk wij elders gezegd hebben) de rechte beschouwing van (Sod? werken, zal altijd moeten eindigen in bewondering. En als hij er nu bijvoegt, dat zijne ziel deze wonderen Gods zeer goed kent, die echter ver boven het bereik zijn van ons versland, dan bedoelt hij met aldus te spreken niets anders dan te beluigen, dat hij in allen ooi moed er zicb ijverig op zal toeleggen om ze aandachlig te beschouwen, opdat hij, de wonderen Gods gesmaakt hebbende, de oneindige hoogte zijner heerlijkheid zal kunnen aanbidden. Ilelgeen hier dus beschreven wordt is niet die kennis, welke aan onze zinnen onderwerpt hetgeen David reeds door het woord Wonder te gebruiken, erkend heeft onbegrijpelijk le zijn (evenals de Philosoplien zoo opgeblazen zijn van hoogmoed, dat zij aan God niets willen overlaten, dal hun verborgen zou zijn), maar Kennis beteekent hier slechts eene heilige, naarstige opmerkzaamheid, die ons er toe brengt God le loven en te verheerlijken.
15. Mijne kracht. David gaal voor! met uil de schepping van den mensch af te leiden, dat voor God niels is verborgen; en bij toonl aan, dat God de grootste en voorlreffelijkste werkmeesters verre le boven gaal, aangezien zij hunne oogen behoeven om hun werk le formeeren, terwijl God ons in bel ingewand onzei moeder heelt geformeerd. En heizij bij nu spreekt van onze kracbl of van ons gebeente (wanl sommigen verlalen hel aldus) dil is van geen zeer groot belang ten opzichte van de zaak zelve, hoewel ik het liever door (jeheente zou veilaald zien. Daarna vergelijkl hij den buik zijner moeder bij de laagsle plaatsen
915
Psalm 139
910
15â10.
en verhoniensle spelonken der üarde. Inilicn iemand eenitj werk zou willen doen in eene duislei'e spelonk, zonder de liuip van liclii, waar zon hij aanvangen, hoe zou hij er mede voortgaan, en op wal wijze zou hij zijn' arbeid kunnen voleindigen? Toch is hel aldus dal God zonder lichl, hoe ook genaamd, hel vol-maaklsle werk lol sland brengt, dal gevonden kan worden, nl. den niensch in hel ingewand zijner moeder. En het Hebreeuwsche werkwoord llakam, dal Samenweven beteekenl, geeft aan den zin grooleu klem en nadruk. Want ongetwijfeld heeft David door deze beeldspraak hel builengewone en wondervolle willen Ie kennen geven van hel kunslwerk, dal in hel menschelijk lichaam gezien wordt. Want, zoo wij alleen maar de nagels beschouwen , dan bespeuren wij, dal zoodra hier ook maar hel minste ol geringste aan veranderd zou worden, er zooveel ongemak uil zou voortvloeien, als zou aantoonen, dal er iels aan onlhreekt. Wat zullen wij dan zeggen, als wij ieder deel lot in de kleinste bijzonderheden nagaan? Welk hor-duurder zou ooil door zijne vlijt en kunstvaardigheid ook maar hel honderdste doel van dil zoo verscheidene en samengeslelde weelsel kunnen nabootsen? Zoo moet men er zich dan niet over verwonderen dat God de menschen zóó goed kent nadat zij ter wereld zijn gekomen, aangezien Hij hel is, die hen in al hunne deelen in hunner moeders lichaam heelt geformeerd.
ili. Uwfi oocjen hebben mij (jezien. Dewijl aan het embryo zoodra het in den school ontvangen is, niel terstond een' vorm ol gestalte gegeven wordt, zegt David hier dal God hem iced* gekend heelt, toen hij nog eene ongevormde massa was, welke door de Grieken Cyêma wordt genoemd. Want het embryo wordt door hen van bet tijdstip der ontvangenis tol aan het oogenhlik der geboorte Foetus genoemd. Nu redeneert David hier uil hel meer waarschijnlijke lol het minder waarschijnlijke: Indien God hem gekend heelt eer hij nog tol een' bepaalden vorm ofgestalte was gekomen, hoe veel le minder zal hij dan nn aan zijne kennis ol' wetenschap kunnen ontkomen! Daarna zegt hij. dat God allen in zijn boek heeft geschreven , d. i. dat aan God geheel de wijze van zijne ontvangenis tot in de kleinste bijzonderheden volkomen hekend was. Want wal hel woord Boek betrelt, dit is een beeld ontleend aan de menschen, die zich van boeken en registers bedienen om hun geheugen te hulp te komen. Daarom wordt gezegd, dal alles, wat. God weet, in zijne registers geschreven staat, hoewel zijn geheugen geenerlei hulpmiddel van
Psalm 139 ; 1(3â17.
noode heelt. Ten opzichte vün hel tweede lid heerscht verschil v;in raeening onder de uitleggers. \V:int sommigen lezen hel Hebreeuwsche woord Jamiem in den eersten naamval, dus: Toen de dagen gelormeerd waren, en leiden er dan dezen zin uit al ; Al mijne beenderen waren geschreven in uw hoek, o God, van het begin der wereld al , toen Gij de eerste dagen geschapen hebt, en loch was er toen nog geen derzelven in wezen. Maar er is eene andere uillegging, die meer waarschijnlijkheid voor zich heelt nl. dat in het verloop der tijden de verschillende deelen van het menschelijk lichaam gelormeerd worden. Want men moei niel denken, dal de ordelijke gestalte ol de onder linge verhouding der leden bespeurd kan worden terstond nadat het zaad in verbinding is getreden; maar met der lijd wordt de massa verdeeld en gerangschikt en lot den bepaalden vorm gebracht. Er is ook verschil van gevoelen bij de uitleggers omtrent een ander punt Want daar hel dikwijls geschiedt, dal in hel Hebreeuwsche woordeke Lo, de letters Vau en Aleph onderling verwisseld worden, lezen sommigen dit, woord hier alsol het met de letter Vau geschreven was, en dan is het een betrekkelijk voornaamwoord, zoodal zij den zin dan lezen aldus: Hoewel mijn lichaam trapsgewijze gelormeerd werd, zoo was hel toch altijd één en hetzellde in het boek Gods, die geen' lijd behoeft om zijn werk te voleindigen. Maar al zou men nu ook de lettei' Aleph niet veranderen, blijlt de /in toch goed vloeien, nl. dat toen God zijne leden in verloop van lijd, ol allengskens, gelormeerd heelt, geen derzelven was, dat is: omdat er noch evenredigheid noch onderscheiding was, maar slechts eene vormlooze massa. En zoo zal dit dan eene lolspraak zijn van Gods voorzienigheid, daar Hij uit die massa van bederl eene gestalte van uitnemende schoonheid te voorschijn heelt doen komen.
17. Eu hoe kostelijk, o God! ziju uwe gedachten jegens mij! hoe machtig zijn hare sommen! 18. Wilde ik ze tellen? zij zullen vermenigvuldigd worden meer dan het zand; ik word wakker, en nog ben ik bij TJ.
17. En hoe kostelijk, o God! zijn uwe yedachten. Ook hier vinden wij dal llehreeuwsche woord Ileaiuj, waarvan wij hij vers - hebben gesproken, en evenals daar beteekent het wederom Gedachten veeleer dan Metgezel, ol' Vriend, zooals velen het
'Jl?
Psalm 139 : 17â18.
918
echter in navolging vun den Ghaldeeuwschen vertaler hebben overgezet, het zoo verslaande alsol'de Proleet er thans toe overgaat om de geloovigen te onderscheiden van de verworpenen; want hel lekstveiband eischt, dal hij nog voortgaat met van Gods onvergelijkelijke voorzienigheid te spreken. Hij herhaalt dus wal hij te voren gezegd heelt, en dat niet zonder reden: want wij zien dat de blijken van Gods wijsheid, die Hij openbaart in de schepping van den mensch en het geheele bestuur van zijn leven door den mensch óf in het geheel niet worden opgemerkt, ól niet naar hunne rechte waarde worden geschal. Sommigen vertalen het llebreeuwsche woord door zeldzaam dat wij overgezet hebben door Kostelijk, maar dit verduislert slechls den zin. Wèl erken ik, dat in de gewijde geschiedenis hetzeilde woord gebruikt wordt, als zij zegt, dal len tijde van Eli het woord des Heeren zeldzaam was (I Sam. 3 : 1) Dewijl David hier echter kostelijk bedoelt, is het beter het woord te behouden, dal geene aanleiding geeft tot dubbelzinnigheid. En hij noemt ze aldus; omdat zij door het versland des menschen niet begrepen worden. In dien zin voegl hij er ook bij dat hare sommen, ol de bijeenverzamelingen er van, machtig ol' sterk zijn, omdat zij den geest des mensehen overstelpen. Door dezen uitroep wordt ons dus geleerd, dat de menschen, indien zij niet zoo slomp-zinnig, of liever onzinnig waren, zij levendig getroffen zouden zijn van verbazing en ontzetting over de verborgene oordeelen Gods, en niet zoo roekeloos met hem zouden spotten gelijk zij de gewoonte hebben van te doen, maar met vreeze en ootmoed voor Hem zouden verschijnen met de belijdenis van hunne eigene onwaardigheid. Dit bevestigt hij nog in hel volgende vers, waar hij zegt, dat zoo iemand de verborgene oordeelen Gods zou willen berekenen, of tellen, de grootte en het oneindige getal dezelven het zand aan den oever der zee zou overtreffen. Hierui! volgt, dat ons beperkt verstand er geen duizendste deel van kan bevallen. Wat betreft hetgeen hier onmiddelijk op volgt; Ik tcord wakker en nog hen ik hij U, hoewel de schriftverklaarders het op allerlei wijzen verwringen, Uvijlel ik niet, of hel moei eenvoudig in dien zin verstaan worden, dat David, telkenmale als hij opwaakt uil zijn' slaap, nieuwe redenen vindt om deze hooge en ongelooflijke wetenschap Gods te overdenken. Als hij dus zegt, dal hij ontwaakt, dan moet dit niet lot één enkelen dag beperkt worden; maar gelijk hij erkent, dat de oneindige wijsheid Gods hem als overslelpt, zoo voegt hij er nu bij: als ik dagelijks uit mijn' slaap ontwaak, vind ik telkens nieuwe stof lol bewondering. Thans verslaan wij de wezenlijke bedoeling van David,
Psalm l^'J ; 18âl'J.
nl. dal God zoo zeer het menschelijk geslacht leidt en bestuurt, dat niets Hein onbekend is, ja zelfs niet hunne verboigeriste gedachten. En hoewel velen met stompzinnige onverschilligheid zich in allerlei kwaad en ongerechtigheid storten, alsol zij nooil voor Gods rechtersloe! hebben te verschijnen, zegt hij tuin, dal zij zich le vergeels duistere holen uitgraven, omdat zij toch, of zij het willen oi' niet, in het volle daglicht zullen gebracht worden. Intuschen behooren wij zoo veel te ijveriger deze leer te overwegen, omdat iedereen wel zijne banden en voeten beschouwt en zich verlustigt in zijne schoonheid, maar nauwelijks zal er op de honderd één gevonden worden, die aan zijn' Schepper denkt. En al is het ook dal sommigen erkennen hun leven aan God verschuldigd le zijn, is er toch niet een, die lot het voornaamste punt dezer leer opklimt, nl. dal God, die de oogen en de ooren geformeerd, en hel hart met versland heelt begiftigd, alle dingen boort, en ziel, en verstaat.
19. Ã God, indien Gij den goddelooze doodt, zoo zult gij, mannen des bloeds, van mij wijken. 20. Die boosaardiglyk van U gesproken hebben, hebben eene leugen gesproken, daar zij uwe tegenstanders zijn.
21. Ã Jehovah, zou ik niet haten die U haten, en zou ik niet strijden niet hen, die tegen U opstaanv
22. Ik heb hen gehaat met een volkomen haat; ik houd hen voor mijne vijanden. 28. I'oorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mi jne gedachten. 24. En zie of bij mij de weg der boosheid is, en leid mij op den weg der wereld.
19. O God! indien Gij de yoddeloozen doodt, enz. Sommigen zijn van meening, dat dil vers verbonden is aan hel voorafgaande vers, maar deze verklaring is gewrongen. Evenmin acht ik het goed om lui, gelijk sommigen doen, in wenschenden zin te nemen: 0 God! dat Gij den goddelooze doodel! En al even weinig deel ik hel gevoelen van ben, die denken, dal David er zich in verheugt, dat de boozen uitgeroeid /.uilen worden, want het komt mij voor dat hij wat anders bedoelt, nl. dat hij er zich op zal toeleggen om de oordeelen Gods na le gaan, opdat
quot;Jl'J
I'sai.m 139 : IUâ3(1.
hij, zijne wrake over de goddeloozen aanschouwende, hierdoor toe zal nemen in de vreeze Gods. Kn inderdaad, God slelt hen len voorbeeld, opdat de stral', die Hij over hen bren^l, de uil-verkorenen terughoudl om zich mei hen le vereenigen. Want, iioewei David reeds lol den diensl en de vreeze Gods geneigd was. was hel hem echler nog zeer noodig om evenals de andere geloovigen, een' leugel le gevoelen, volgens heigeen ook gezegd is in Jesaja 46:9. wanneer God zijne oordeelen uilgevoerd zal hebben, zoo zullen de inwoners der aarde gerechligheid lecrcn, nl zich onder de vreeze Gods houden. Inlusschen Iwijl'el ik niel, ol de Profeel beluigl hier voor God zijne onschuld; alsol hij zeide dal hij in alle vrijmoedigheid en eenvoudigheid voor den rechlersloel Gods koml, omdal hij niel behoorl lol de booze verachlers van God en niels mei hen gemeen heel'l.
20. Die boosaardiglyk van U gesproken hebben. Hij steil de ongebreidelde boosheid ten toon, waaraan de goddeloozen zich overgeven, zoo lang God hen spaart en zijne wrekende hand hen nog niet heelt getroffen. Want niel slechts denken zij straffeloos le zullen blijven maar daarenboven ontzien zij zich niel openlijke lasleringen le spreken legen den henielschen Rechter Want, hij zegl, dal zij boosaardiglijk hebben gesproken, omdat zij hunne boosheid onder geen schijnschoon hebben verborgen (gelijk zij, in wie nog eenig schaamtegevoel is overgebleven, hunne long in loom houden) maar gansch openlijk hebben zij hunne verachting voor God le kennen gegeven. Hel tweede lid, waar hij zegl, dat zij den naam Gods valschelijk hebben genomen wordt door sommigen in al te beperkten zin genomen, als zij dit zoo verklaren, dat zij voor hunne leugens den naam Gods misbruikt hebben. Meer waarschijnlijkheid is in de meening van anderen, die zeggen, dat de boozen den naam Gods ijdelijk gebruiken, als zij Hem in een schepsel hunner eigene verbeelding veranderen, want de ervaring leert, dat de meeste menschen er geen besel van hebben wat God is, maar zich een' god maken zonder kracht ol macht, en die om zoo te zeggen, hall dood is. Wel is het waar, dat men Hem algemeen den Hechter der wereld noemt, maar deze belijdenis zal terstond iti rook opgaan, aangezien zij Hem het ambt van le richlen ontnemen, en dit is den naam Gods valsclieli|k le nemen, want hierdoor verduisteren zij zijne heerlijkheid, en (in zekeren zin) misvormen zij Hem. Daar de uitdrukking âNaam Godsquot; hier echler niel gebezigd is, en hel Hebreeuwsche werkwoord Nasa dal wij door Nemen vertaald hebben, Omhoog heffen beleekenl,
Psalm 1:1(1 : i'uâ41
z;il licl, mijns bedunkens, belet' zijn hel in dier voe^e le verklaren, dul zij zich mei valsehen Irols, dal is: zonder reden, verheffen. En indeidaad wordl (Jezi; hoogtnoedige verheKin^; schier ailijd saamgevoegd mei den overmoed, waarvan hij heell gesproken. Wanl, hoe komt hel, dal zij hun venijn legen God durven uilslorlen? Is hel niet, omdal zij, bedwelmd zijnde van hoogmoed, niet bedenken, van den eenen kant, dal zij arme, sterfelijke schepselen zijn, en van den anderen kanl, dal zij God van zijne mach! berooven? Daarom is hel dal hij hen vijanden Gods noemt, omdat, al wie zich hooger verhell dan hem geoorloofd is, hiermede, naai de wijze der reuzen, aan God den oorlog verklaart.
41. O Jeliovah, zou ik niet haten die U hatenl lli{ gaal voorl met aan te loonen hoe zeer hij zich deze voortdurende bepeinzing van God ten nutte heelt gemaakt, ni. dooi' zich voor den rechterstoel Gods le stellen en te bedenken dat hij niet ontkomen kan aan de hand van Hem, die doordringt lol de diepste algronden, heell hij hel zich l^n wet gesteld om een heilig en godvruchtig leven te leiden. Want, als hij zegt, dal hij de verachters van God heelt gehaat, betuigt hij hiermede zijne eigene onschuld. Niet alsof hij geheel rein was van alle zonde, maar zich toeleggende op de vreeze Gods en oprechtheid in handel en wandel, verfoeit hij van ganscher harte en zonder eenigerlei geveinsdheid alle goddeloosheid. Want de liefde tol ware godsvrucht zal niet waarachtig wortel hebben gescholen in ons hart, indien er niet eene even sterke haat voor de boosheid door wordt teweeggebracht als die, waarvan David hier spreekt. Ja meer, indien wij, instede van verteerd le worden door dien ijver van Gods huis, waarvan hij spreekt in l'salm 69: 10, koud zijn, en zonder een woord le spreken dulden, niet slechts dal zijne gerechtigheid geschonden wordl, maar dal ook zijn heilige Naam snoodelijk door de boozen wordt vertreden, dan voorwaar! zijn wij niet te verontschuldigen. Wat hel laatste werkwoord Koet betreft, oorspronkelijk beleekent het twisten, of strijden; hier, in de vervoeging IHthpadbehoudt bet dezelfde beteekcnis, tenzij David wellicht nog sterker heell willen spreken, nl. dat hij zooveel verontwaardiging legen hen gevoelde, dal hij zich zeiven aanspoorde om met hen le strijden. Wij zien dus dat David, zonder zich om den haal der wereld te bekommeren, moedig gestreden heelt om de cere Gods le handhaven, daar hij alle boozen openlijk den oorlog aandeed.
Psalm 139 :
Ik heb hen gehaat. Woord voor woord slaat er: Met volkomenheid van haat. Hij bevestigt den vorigen zin, nl. dal de eere Gods iiem zoo Ier harte ging , dat hij geene gemeenschap kon hebben met de srnaders van zijne majesteit. Waar het op neerkomt is, dal hij geen deel heetï kunnen hebben aan de werken der duisternis. Want wie de oogen sluit voor hel kwaad en hel dooi' zijn stilzwijgen aanmoedigt, is een verrader van de zaak Gods, die ons ailen den plicht oplegt om zijne gerechligheid te handhaven. Nu wordt ons door dil voorbeeld geleerd den haat der goddeloozen kloekmoedig en standvastig te verachten, zoodra er sprake is van le kampen voor de eere Gods, en dat wij liever van alle vriendschap der wereld a Island moeten doen, dan door onze toegevendheid in gunst te komen bij hen, die er behagen in scheppen zich door God te doen halen en zijn toorn op le wekken. En wij moeten op deze leer des te meer acht geven omdat de zorg voor ons welvaren, genot en voordeel ons zoo medevoert, dat wij niet aarzelen den strijd aan te binden mei ieder, die ons schaadt ot'beieedigt, terwijl wij flauw en vreesachtig zijn als hel er op aankomt de eere Gods hoog te houden. Dewijl dus een iegelijk onzer slechts aan zich zeiven denkt en met zijn eigenbelang le rade gaal, is er niels anders dat ons tol strijd en krakeel prikkelt dan de begeerte om wraak le oefenen over liet leed, dat ons persoonlijk is aangedaan; maar als de majesteit Gods wordt aangerand, trekt niemand zich dit aan. Zoo veel is echter zeker: indien er waarlijk ijver voor God in ons hart is, dan zullen wij de kloekmoedigheid hebben om liever een' onverzoenlijken krijg le voeren legen de goddeloozen en de smaders van God, dan ons van God le vervreemden om hun te behagen. Evenwel moet men hierbij opmerken, dal de haat, waarvan David spreekt, niet zoo zeer gericht is legen de personen als wel legen hunne ondeugden. Want wij moeten, voor zoo veel in ons is, naar vrede streven, met allen; ook moet het welzijn van alle menschen ons dierbaar wezen, en, zoo hel mogelijk is, moeten wij hen door den geest der zachtmoedigheid en vriendelijkheid op den rechten weg terug zien te brengen. Voor zoo veel zij echter vijanden Gods zijn, is het onze plicht hunne woede met alle macht le weerstaan en tegen te gaan.
io. Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart. Hij bevestigt, dat hij om geene andere reden de tegenstander was van de verachters van God, dan omdat hij in oprechtheid des harten God heelt geëerd, en begeerd heelt dal ook anderen Hem dezen
Psalm 139 : 23
eerbied zouden loedrii^en. Wel moei hij eclilcr met een zeld-zaain vertrouwen en verzekerdheid begaafd zijn geweest, als bij zieb zoo vrijmoedig aan liet onderzoekend oordeel Gods kon onderwerpen, omdat zijne conscientie eebter van de oprecbtbeid zijner godsvruclit kon getuigen , was dit geene roekeloosheid oi aanmatiging, dat hij zieli raet zooveel gerustheid voor den rechterstoel Gods kon stellen. Toch heelt hij niet bedoeld te zeggen dat bij vrij was van elke zonde, aangezien bij onder den zwaren last zijner ongerechtigheden heelt gezucht, liet is ook zeker, dat telkenmale als de heiligen van hunne oprechtheid ol'onschuld spreken, zij zich hiervoor gronden op de vrije vergeving hunner zonden; omdat zij er echter van overtuigd zijn, dal hoewel zij door hunne zwakheid nog voortdurend stuikelen, hunne godsvrucht toch Gode welbehaaglijk is en door Hem wordt aangenomen , is hel niet te verwonderen, dat zij zich met vrijmoedigheid afzonderlijk stellen van de goddeloozen. En voorts, hoewel bij betuigt dal hij geen geveinsd, of dubbel hart beeft, wijst bij daarom toch niet alle schuld van zich al, hij wil slechts zeggen, dal bij zich niet aan de boosheid beeft overgegeven. Want bel llebreeuwsche woord Otseb, dat hij hier gebruikt, heelt niet de beleekenis van alle zonde, zonder onderscheid, maar die van smart en verdriet, of slechtheid, en soms wordt het in over-drachtelijken zin ook genomen voor Afgod. Deze laatste beleekenis pasl hier echter niet; want David wil niet slechts betuigen, dal bij rein was van bijgelool, maar ook van onrecht cn afpersing, naar welke wijze van spreken elders gezegd is, dal op de wegen der zoodanigen verstoring en verbreking is (Jes. 59:7), omdat zij zich overgeven aan kwaad doen, en zich staande houden door geweld. Anderen brengen dit woord in verband mei een slecht geweien, dat ben onophoudelijk inwendig plaagt en kwelt, maar deze verklaring is te gewrongen. Hoe dit zij, David verklaart eenvoudig, dal, hoewel hij een man is, onderhevig aan zonde, bij zieb toch niet aan goddeloosheid heef! overgegeven.
24. En leid. mij. Sommigen houden dit voor eene verwenscbing, alsol David de wrake Gods over zich aam iep, maar hiervoor beslaat hoegenaamd geen grond. Wel erken ik, dat de wey der gansche aarde soms genomen wordt voor den dood, waaraan alle menscben zijn onderworpen (.lozua 23 : 14), maar bel woord Leiden, dal. bier gebruikt is, toont, dal David spreekt van eene weldaad Gods, en niet van eene straf, Ook weel ik niet, dal men eene enkele plaats kan vinden, waar de dood de weg der
Psalm 139 : iA.
wereld wordt genoemd. Ik voor mij Ivvijlel dus niet of door dit woord wordt de voortzetting van den loop des inenschelijken levens aangeduid, alsol David aan God vroeg, dat liet Hem mocht behagen hem tot aan het einde zijner loopbaan te leiden. Ik weet ook wel. dat anderen dit uitstrekken lot de eeuwigheid des toekomenden levens. En inderdaad ontken ik niet dat onder dit volbrengen der reize het toekomende leven is begrepen ; maar hel is mij genoeg den eenvoudigen zin der woorden Ie hebben, nl. dal het Gode moge believen zijn' dienstknecht, nadat Hij hem eens zijne hand heell toegereikt, ten einde toe te leiden en le besturen, en 'lem niet in hel midden zijns vvegs Ie verlaten.
I'rtAI.M 1 -l-O.
INHOUD: David klaagt zoowel over de onverraurwbare wreedheid zijner vijanden als over hunne listen en giftige lasteringen. Daarna, God aanroepende om luilp, en in het geloof, dat Hij hem genadig zal wezen, vertroost hij zieh met de hope op hevrijding en de rechtvaardige wrake over zijne vijanden.
1. Aan deu opperzangmeester, een Psalm van David. 2. Red mij, Jehovah, van den kwaden mensch, behoed mij voor den man des onrechts. 8. Die kwaad iu luiu hart bedenken, zij vergaderen allen dag ten oorlog. Selah. -i. Zij hebben hnnne tong gescherpt als eene slang, addervenijn is onder hnnne lippen. 5. Bewaar mij, Jehovah, van de han len des go ideloozen, behoed mij voor den man des onrechts, die beramen om mijne voeten te doen struikelen. 6. De hoovaardigen hebben mij een' strik gespannen, zij hebben hunne netten uitgespreid met koorden, zij hebben valstrikken gezet langs den weg. Selah.
Psalm 1 /(O : 1â;!
1. Aa7i den opperzangmeester. enz. De meeste uil leiu'ers heperken dezen l'salm lol den persoon vim Doëi;; maar ik kan mij mei hun gevoelen niel vereenigen; want uil hel conlexl z:d duidelijk blijken, dal hier van Saul en zijne raadslieden wordl gesproken, die niel. ophielden van den Koning gedurig meer op Ie hitsen, lei wijl deze uil zich zeiven reeds al Ie geneigd was den godvruchtige te vervolgen. Omdat deze nu den Persoon van fihristus voorstelde, is het niet te verwonderen dal de handlangers van den duivel alle pogingen in hel werk hehhen gesteld om hem te verderven, en zich in hunne wreedheid en geweld legen hem zoo zeer te huilen zijn gegaan. Dat is ook de reden waarom hij in zoo strenge bewoordingen hunne woede en valsch-heid tentoonstelt.. Kn voorts, dooi hen hoozen en mannen des onrechts te noemen, geelt hij Ie kennen, dal zij zonder aanleidinL', en zondei door iemand er toe geprikkeld te zijn, zich eigener beweging ertoe begeven hebben om aati anderen kwaad Ie doen, en zich hierin te verlustigen. Hij beveelt dus Gode zijne zaak, aanvoerende, dat hij zich beijverd heelt om in vrede met hen te leven, en hun geenerlei onrecht, heelt aangedaan, maar dat. zij hem onrechtvaardig vervolgd hebben, daar hij dit geenszins aan ben had verdiend. Uil is de handelwijze, die ook wij moeten volgen, als men ons onrecht aandoet, opdat het Gode moue behagen ons tegen hel geweld en de misdaden der boozen le beschermen. Want wij zien, dat David geene smaadredenen legen zijne vijanden spreekt, gelijk de menschen zoo licht doen in hunne onderlinge twisten; maar ten einde God te bewegen zijne gunst over hem uit te strekken, betuigt hij zijne onschuld omdat het onmogelijk is, dat God niet len allen tijde de vromen en vreedzaam zou ondersteunen.
Die in hun hart kwaad beramen. Hier beschuldigt David hunne inwendige boosaardigheid. En wij zien dat hij niet van één enkel persoon spreekt, daar hij zich nu van liet meervoud bedient (welke manier van spreken ons nu reeds gemeenzaam bekend moet zijn) zoodal er een overgang is van het hoofd lol de handlangers en metgezellen derzellde boosheid, hoewel wij nu alles wat hij le voren in liet enkelvoud gezegd heelt in onbepaalden zin kunnen nemen, zonder daarbij aan één bepaald persoon te denken. Inlusschen bevestigt hij hetgeen ik zoo even met een enkel woord heb aangeduid, nl. dal hunne verwoede aanvallen op hem door geenerlei onrecht zijnerzijds waren uitgelokt. Als onze vijanden ons dus kwellen, ol ons door hunne arglistige praktijken in het nauw brengen, zoo laat ons
935
Psalm 140 : .iâfi.
welen, ditl ons eene hulp bereid is door ilen Heiligen Geest, die ons door den mond van David dezen vorm van gebed heei't gegeven. Wal hel Iweede lid belrell, hel wordt op drieërlei wijze overgezet Woordelijk slaat er: Die oorlogen verzamelen, ol opeenhoopen, en sommigen lezen hel dan ook aldus; daar wij echter welen, dal de Hebreen dikwijls voorzetsels weglaten, twijfel ik niet, ol hij wil zeggen, dat zij door hunne valsche berichten hel vuur nog meer aanblazen en de woede der lieden legen hern doen toenemen, zoodal zij, bij wijze van spreken, de trompetten worden van den krijg. Want dal sommigen liet llebreeuwsche werkwoord Jagoeroe in de beteekenis nemen van samenspannen, ol komploUen smeden, dat schijnt gezocht en onbeduidend. Daarna geell hij le kennen hoe ten onrechte hel is, dat zij een' oorlog legen hem verwekken, nl. door booze en lasterlijke aantijgingen, omdat zij een onschuldig en godvruchtig man niet door kracht ol geweld konden onderdrukken, ol zij moesten hem eerst door bun' laster hebben overstelpt.
5. Bewaar mij, Jehovah. Na deze klachten en beschuldigingen voegt hij er nu wederom een gebed bij, waaruil nog duidelijker blijkt hetgeen ik gezegd heb, nl. dat hij slechts bedoelt God le smeeken om hem le beschermen en wrake le doen over de goddeloozen Nu is dit slechts eene herhaling van denzelfden volzin, met verandering van enkele woorden, want waar hij gezegd heeft: lied mij, zegt hij nu: Bewaar mij, en in plaats van hel woord: Kwaden mensch, gebruikt hij nu: de handen des goddeloozen; en waar bij eerst gezegd beeft: Kwaad bedenken, zegt hij nu: beramen hoe zij den arme, die er niet aan denk!, neder te slooten. En wat hij gezegd heeit van hunne arglistigheid, herhaalt hij nu overdrachtelijk en in beeldspraak, waardoor aan de bedoeling meer kracht en nadi uk word! bijgezet. Want hij zegt, dal van alle kanten strikken gespannen zijn om hem le vangen, indien de lleere hem geene hulp verleent, fin hoewel nu op den eersten aanblik beeldspraak duisterder schijnt dan eenvoudige woorden zouden wezen, zoo wordt, door dit beeld hetgeen le voren gezegd is toch geenszins duisterder gemaakt, maar wordt er aan de uitdrukking meer kracht door verleend fin voorts leid ik uil het llebreeuwsche woord Géiem, dal hooghartige of trolsche personen beteekent, af, dal bij bier niet van geringe lieden spreekt , maar van de zoodanigen, die door hun aanzien en gezag den weerlooze zonder moeite omver dachten te kunnen werpen. Zoo laat ons dan uil dit voorbeeld leeren, om, wanneer onze vijanden in trotscben overmoed zich
I'sm.M 1/f.n : (iâX.
legen ons verheffen, de loevluclii ie nemen lol God, wiens hel is, de woede der boozen legen Ie gaan. Intnssclien i)edoell hij niel dal zij zich slechts in geweld en Irolsche vermelelheid zijn Ie hnilengegaan , wan! hij klaagt over linnne listen en valstrikken om hem te vangen; maar hij voegt heide zaken Ie zamen, nl. dal zij steunende op hunne macht, listen en lagen hebben nilge-dachl om hem te overvallen en Ie verderven
7. Ik hel) tot Jehovah gezegd: Gij zijt mijn God; leen het oor aau de stem van mijn gebed. 8. O Jehovah, mijn Heere, sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening. 9. Geef
0 -Jehovah, de begeerten des goddeloozen niet; zij hebben gedacht; maar vervul Gij het niet; zij zullen zich verheffen. Selah. 10. Het hoofd dergeuen, die mij omringen , dat de overlast zijner lippen hem bedekke.
1 1. Dat vurige kolen op hen vallen , Gij zult hen in diepe kuilen nederstorten, en zij zullen niet weder opstaan.
7. Ik hel) tot Jehovah gezecjd. Door deze woorden ver-vei klaart hij, dat zijn gebed niel was een gebed der lippen, gelijk de geveinsden hunne gebeden Inide en met veel misbaar lot (Jod richten, maar dal hij vurig en ernslig bidt in het geloof. Wan!, vóórdal de mensch in waarheid geloolt. dal hij door Gods genade behouden zal worden, zal er geen ongeveinsd gebed uit zijnquot; mond komen. En zeer schoon wordt hier de aard van hel geloof uitgedrukt, als de Profeet zich terugtrekkende van onder de oogen der menschen, in de eenzaamheid spreekt tot God; want dooi- dit inkeeren lol zich zich zeiven, wordt alle geveinsdheid buiiengeslolen. Dit is alzoo de ware regel des gcheds, dat wij onze slem niet verhellen in ijdelheid, maar dat ons gebed voortvloeit uit het geloof des harten. Rn voorts, ten einde er ziel; wél van te overtuigen, dal hij zijn' lijd niel verliest door van God uitkomst en heil le verwachten, stelt David zich de hulp voor oogen. die Hij hem te voren had verleend. Hij zegt dus, dat God hem ten schild is geweest telkenmale als hij zich in gevaar heelt bevonden. Sommigen vertalen 'lil den toekomenden lijd: Gij zult mijn hoofd bedehhen ten dage des stri/ds, maar ik twijfel niel of David verklaart, dal hij
Psalm 1 -V'i ; 8â9.
reeds voorlim^ door Gods hand Iteseliul is geworden , en dal door deze ervaring zijn gelool' wordt versterkt. Want hij komt hier niet ais een ongeoefend recrunt,, maar als een ervaren krijger, die reeds dooi' veel strijd is heengegaan lie! woord Sterkte mijns heils beteekent zooveel als: een heil, dal dooreene heerlijke en wonderbare kracht gewrocht, is.
9. Geef o Jehovah de, heyeerten des (joddeloozen niet. Men zou dit ook kunnen vertalen door: Bevestig niet, rnaar de beteekenis zal dan toch dezelfde blijven, nl. dat hel Gode moge behagen, dooi' de woede der boozen tegen te gaan. hunne ondernemingen Ie doen mislukken. Hieruit leeren wij, dal Mij de macht heeft om, telkenmale als het Hem goeddunkt, de menschen in hunne onheilige plannen en vloekwaardige vervvachtigen te leur te stellen, ja, en ook om hun' ijver te doen verflauwen. Als wij dus geen middel zien om onze vijanden lol inkeer te brengen dan moeten wij God bidden, dal hel Hem believe hunne plannen, die zij zoo kunstig en langdurig hebben beraamd en uitgedacht, inéén oogenblik omver Ie werpen. Meer dubbelzinnigheid heerschl in het tweede lid, want , daar het Hebreeuwsche werkwoord Poeh, dal. David hier gebruikt, soms struihelen, of vallen, beteekent, en soms ook uitvoeren, zal het niet. ongepast zijn aldus Ie vertalen: Laat, o God, de dingen, die de boozen bedacht hebben, niel ten uitvoer gebracht worden. Maar evenveel pleit voor de meening van hen, die dit als een afgebroken zin aldus lezen: Hij denkt hij zich zeiven: Gij zuil niet vallen, zoodal David de overlegging der boozen nabootst. Kn inderdaad, aan eene andere plaats heeft hij op schier dezellde wijze hun hoogmoed beschreven, zeggende dal zij, de voorzienigheid Gods minachtende, alle gebeurtenissen in hunne eigene hand denken ie houden, als of zij de wereld naai' hun welgevallen kunnen regeeren. En als wij den zin aldus nemen, dan zal ook hel werkwoord: Zij zullen verhoogd worden, hier zeer goed passen, alsof hij zeide, dat de boozen, opgeblazen dooi' hoogmoed, zich lot de wolken verheffen, omdat zij zich inbeelden, dal niets van hetgeen zij bedacht en beraamd hebben, hun kan tegenloopen. Geeft men echter de voorkeur aan de andere lezing , dan moet de ontkenning herhaald worden, en wel aldus: Laat niet toe, Heere, dat hetgeen de boozen beramen, lot uitvoering kome, opdat zij zich niel opblazen en verheffen. Hoe dit nu zij, het is zeker dal Havid de trotsche gerustheid zijner vijanden aanklaagt, omdat zij, zonder rekening te houden met God, zich den vrijen teugel vieren om alles Ie doen wal hun in den zin komt.
928
Psalm 14Ã : 10âli.
10. liet hoofd dergenen, die my omringen. Het is niet zeker of David door hel woord Hoofd den aanvoerder dei' bende van zijne tegenstanders verstaat. Want er zou liier even goed eene verandering van persoon ais van getal kunnen wezen, in dier voege: Laai het kwaad, waarmede zij mij met hunne booze beraadslagingen bedreigen, op hun eigen hoofd neerkomen Dewijl echter bijna alle uitleggers instemmen met de eerste meening, zullen wij volgen hetgeen meest algemeen is aangenomen, behalve dat ik denk dal hier veeleer Saul dan Doeg bedoeld is Daarna volgt eene verwensching, die de gebeele bende geldt: Dat vurige holen op hen vallen, waarmede bij schijnt te zinspelen op de schrikkelijke verwoesting, die Sodom en Gomorrah getroffen heelt. En inderdaad hebben wij ook elders gezien, dal de Geest Gods diL voorbeeld der wrake Gods gebruikt beeft ter verschrikking der boozen gelijk ook volgens het getuigenis van den Apostel Judas, God door dit voorbeeld de wereld eens voor goed heelt willen doen weten, dal Hij de Rechter is van alle godde-loozen. Hetgeen volgt wordt door sommigen aldus vertaald: Gij zult hen in hel vuur nederslorlen, welke beleekenis wel aannemelijk is. Omdat echter de letter Beth door de Hebreen dikwijls gebruikt wordt om het werktuig aan te duiden, waardoor iets is geschied ol lol stand gekomen, zou men ook zeer goed aldus kunnen vertalen: Stort hen neder dooi1 vuur, of met vuur, gelijk God zijne bliksemen tegen Sodom en Gomorrah geslingerd heeft. En voorts bidt hij, dal zij in zulke diepe algronden neergestort zullen worden, dal zij er niet meer uil kunnen opstaan. Want, daar God gewoon is om soms diegenen te genezen, die Hij streng en zwaar gekastijd heelt, ontneemt David den boozen alle hoop op genade, omdat bij zag, dat deze lieden lol geene bekeering konden komen, en dus ongeneeslijk waren. Want, zoo bekeering voor hen mogelijk geweest ware, dan zou hij van zijn' kant ook tot barmhartigheid geneigd zijn geweest.
12. De man der tong zal op de aarde niet bevestigd worden, het kwaad zal den man des ge weids jagen om hem uit te drijven. 13. Ik weet, dat Jehovah de rechtzaak van den arme en het recht des beproefden zal uitvoeren. 14. Gewisselijk de rechtvaardigen zullen uwen naam loveu, de oprechten zullen voor uw aangezicht blijven.
Dl. II. 59
929
Psalm 140 : 12â13.
12. De man der tong. Sommigen vertalen dil door: Een praalziek man, maar hierdoor wordl de beleekenis le beperkt; want hij bedoelt niet een kwaadspreker, ol babbelaar, of snoever, maar een venijnig man, die veeleer door bedrog en laster kwaad doet, dan door openlijk geweld. Want hij toont, onder een' anderen vorm, dat zijne vijanden zich zoowel van verraad en list, als van onrecht en geweld hebben bediend, en aldus vergelijkt hij hen bij leeuwen en bij vossen, gelijk hij le voren geklaagd heelt, dat er addervenijn onder hunne lippen was. Dewijl echter de werkwoorden in den toekomenden tijd slaan, zijn de meeste uilleggers van meening, dal men ze in den oplalief moet lezen, dat is: in de wenschende wijs. Hoewel ik die inoening nu niet geheel verwerp, heb ik ze toch liever in den toekomenden lijd gelalen, omdat het mij toeschijnt, dal David zich veeleer troost en bemoedigt in de hoop op verlossing, dan dat hij hier een gebed uitspreekt, liet zij dus de vijanden in hel verborgen komen, ol in hinderlaag liggen, ofwel openlijk hunne woede aan den dag leggen, David belooft zich, dat God toch altijd het middel in handen heeft om hem bij le staan en le redden. En het beeld, dat hij aan de jacht, ontleent, is zeer gepast; want, nadat de jager aan alle kanten zijne koorden gespannen heeft, blijft er aan hel dier geen middel over ter onlkoming, en zoo verklaart David, dal de goddeloozen, hoe zij zich ook keeren ol wenden, toch nooit aan het oordeel Gods kunnen ontkomen. Er wordl gezegd: het kwaad jaagt hen om hen uit te drijven, omdat zij straffeloos zoekende te ontkomen, juist daardoor hun verderf verhaasten.
13. Ik weet, enz Er is niet aan twijfelen dat David, ten einde zijn gebed le besluiten en le bezegelen, bij zich zeiven de voorzienigheid en de oordeelen Gods bepeinst, want (gelijk reeds gezegd is) als men twijfelend bidt, dan is dit slechts tijd verliezen. Hij verklaart dus als eene zaak, die hem wel bekend, en waarvan hij dus gansch zeker is, dal hel niet anders kan of God zal de armen en verdrukten te hulp komen. Dewijl Hij echter voor een' lijd zwijgt en hel toelaat, dat godvruchtige menschen, die in alle eenvoudigheid wandelen, geplaagd en verdrukt worden, handelt David met groole wijsheid, als hij aan deze verzoeking het schild voorhoudt, dat God dit voorbe-dachtelijk doel, ten einde de beproefden daarna le vertroosten en aan de verdrukten recht te doen wedervaren. Daarom zegt hij uitdrukkelijk dat God den arme en verdrukte recht zal doen. Hierdoor moedigt hij zich zeiven en anderen aan tol lijdzaamheid
m
Psalm 140 : 13â14.
onder beproeving lol dal de geschikte en bestemde lijd daar is dat God hulp en uitkomst zendl; alsol bij zeide: Thans aciiten allen mij ellendig, daar ik blootgesteld ben aan hel onrecht der boozen, en de hand Gods zich niet terstond openbaart om mij te verlossen; maar locli zal de wanhoop zich niet meester van mij maken, want ik weel, dal het Godes is om zich de zaak der armen aan te trekken. Want sommigen beperken de woorden Arme en Beproefde wel lol den persoon van David, maar dal geeft een' onbeduidenden zin. Voor ts komt hij hierdoor tot de gevolgtrekking , dal de rechtvaardigen Gode dank zullen toehrencjen, en dal zij door zijne genade immer slaande zullen blijven, want hel llebreeuwsche woord Ach aan hel begin van hel vers, dal dikwijls de beleekenis heelt van Evenwel ol niettemin, is hier eene eenvoudige bevestiging, ofschoon hel mede eene gevolgtrekking is, heenvvijzende naar hetgeen voorafgaat. Hoewel de geloovigen dus voor eene «ijle stom zijn en, bekneld dooi'angst en droefenis, ophouden den lof Gods te zingen, verzekert David zich echter weldra, dat hetgeen zij verloren hebben hun wedergegeven zal worden. zoodal zij met blijdschap des harten wederom den lof Gods zullen verkondigen. En omdat dit le midden van zoo veel verwarring moeielijk was le gelooven heelt hij hel woord Gewisselijk gebruikt. Want aldus betaamt bet ons door te worstelen ons een' weg te banen tol hel vertrouwen, dal hoe groot ook de ellende zij, waarin de geloovigen zich bevinden, zij toch weldra hunne blijdschap en vroolijkheid terug zullen erlangen en den naam Gods zullen loven, liet tweede lid wordt er bijgevoegd om de reden aan te duiden van hetgeen vooraf gaal; want hij zegt dal de reden om God le loven hierin zal beslaan, dal zij zullen gevoelen dal God zorgt voor hun heil, want dit is de beleekenis van de uitdrukking Blijven, of wonen, voor hel aangezicht Gods, nl. door zijne vaderlijke zorge ondei-sleund en staande le worden gehouden.
3PSA-LM 14i.
INÃOUD: Waarin do nood ook moge bestaan hebben, die David gedrongen heeft hot gebed te bidden naar het formulier, dat hij hier terneder heeft gesteld, hij bidt, dat God, hoe onverdiend hij ook door allerlei grievend onrecht als overstelpt wordt,
59*
931
Psalm 14.1 : 1.
zijn hart moge besturen en zijn' geest in toom houden, opdat hij niet, vervoerd door de begeerte naar wraak, zijne vijanden kwaad met kwaad zou vergelden, waardoor hij met hen zou wedijveren in kwaad doen. Na dan zijn hart tot een geduldig verdragen te hebben geneigd, bidt hij God om wrake te doen over zijne vijnden.
Een Psalm van David. 1. Jehovah, ik heb U aangeroepen ; haast U tot mij, neig het oor tot myne stem, als ik tot U roep. 2. Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht, de opheffing mijner handen als avondoffer. 3. Jehovah, zet eene wacht voor mijn' mond, behoed de deur mijner lippen. 4. Neig mijn hart niet tot eene kwade zaak, om goddelooze daden te bedrijven met de mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hunne lekkernijen.
1. Jehovah ik heh U aangeroepen. Uit dezen aanhef kan men opmaken dat David, loen hij aldus heeft gebeden, aangevochten werd door eene zeer sterke verzoeking, want twee maal herhaalt hij hetzelfde gebed, en met zeer slerken aandrang vraagt hij om hulp Hoewel ik nu met geene zekerheid den tijd durf bepalen, loen deze Psalm werd gedicht, acht ik toch de gissing niet ongegrond van hen, die denken, dal hij gedicht werd met het oog op de vervolging, die David van Saul had le verduren. Nu noodigl David ons door zijn voorbeeld om rechtstreeks tot God le gaan, opdat wij, door (evenals de wereldlingen) ons bezig te houden mei hier en elders hulp te zoeken, hel voornaamste niel vergelen, nl. lol God te bidden Hij zegt, dat iHj tot God roept, terwijl de wereldlingen in de eersle plaats hemel en aarde, de menschen, de forluin, en alle de schepselen hunner verbeelding aanroepen. En als het hun gebeurt, dal zij soms eens hunne slem opheffen lol God, murmeeren zij iniusschen tegen Hem, zoodal men dit veeleer huilen dan bidden kan noemen. In het tweede vers is zonder twijfel eene toespeling op de ceremoniën der Wet. Want, daar God gewild heeft dal de gebeden der geloovigen in die dagen geheiligd zouden worden door reukwerk en offeranden, steunt David op deze belofte. Nu denken sommigen hieruit le kunnen afleiden, dal hij loen
932
Psalm 141 : 1â3.
een vluchteling was en uil de vergadering der godvruchligen gebannen; ik weel ecliler niel of er voor deze meening wel grond is. Volgens hen bevallen deze woorden eene tegenstelling, in dier voege; Hoewel ik niel in hel Heiligdom kan komen met hen, die God dienen, en hoezeer ik uitgesloten ben van het brengen van reukwerk en plechtige offeranden, zoo wil, o God, daarom mijn gebed niel verwerpen. Daar er echter hoegenaamd geene reden is, die ons noopt deze schriituurplaats in zoo enge beteekenis te nemen, zoo laten wij ons vergenoegen met deze algemeene leerstelling, dal gelijk de geioovigen door deze symbolen er op gewezen werden, dal hunne gebeden Gode niet minder welbehaaglijk waren dan hel liefelijkst reukwerk en de kostbaarste offers, zoo vindt David hierin de bevestiging van zijn geloof. Want hoewel de vaderen van ouds geenszins gebonden waren aan deze ceremoniën, heelt David er toch als hulpmiddelen gebruik van gemaakt. Daar hij dus overweegt dal het reukwerk, hetwelk volgens Gods gebod dagelijks op hel altaar werd gebracht evenmin als het avondoffer doelloos of zonder beteekenis was, heeft hij zijne gebeden saamgevoegd met dezen dienst der Wel. Door de opheffing der handen verslaat hij ongetwijfeld het gebed; want zij, die hel Hebreeuwsche woord Mas sas aan deze plaats vertalen door eene yave, verduisteren, of liever bederven de oorspronkelijke bedoeling van den Profeet. Immers zou hel al zeer Hauw en onbeduidend zijn, als liij zeide: Laat mijn geschenk, of mijne avondgave U welgevallig wezen. Dewijl echter dit woord, afgeleid zijnde van Nassa, eene opheffing beteekent, komt het hiermede zeer goed overeen, dat zijn gebed door het uitwendig gebaar wordt aangeduid. En het is gemakkelijk le zien dal David, naar zijne gewoonte, dezellde zaak tweemaal herhaalt. Overigens hebben wij vroeger reeds aangetoond, dat het onder alle volken het aangenomen gebruik was, om onder hel gebed de handen ten hemel op te heffen.
3. Jehovah zet eene wacht voor mijn mond. Omdat David zoo geschokt en ontroerd had kunnen wezen wegens de toomelooze wreedheid en willekeur zijner vijanden, dal ook hij zich niet binnen de perken zou weten te houden, vraagt bij aan God dat het Hem moge behagen hem te leiden en le besturen, en niet slechts zijne handen le weerhouden van elke daad van wraak, maar ook zijne tong zoowel van kwaadspreken als van toornige woorden van murmureering. Want soms gebeurt liet dat zelfs de nederigste en meest gematigde menschen zich vergeten als men hun onrecht doel, zoodat de onvriendelijkheid hunner
Psalm 141 ; A.
vijanden hen er toe brengt om zich zeiven te willen wreken. David verlangt dus, dat zijne tong in toom gehouden zal worden, opdat hem geen verkeerd woord zal ontglippen, en vervolgens dat ook zijn hart gesloten zal blijven voor kwade overdenkingen, opdat hij niet zal zoeken kwaad met kwaad te vergelden. Hetgeen volgt: Dat ik niet ete van hunne lehhernyen, is eene beeldspraak, alsol hij zeide: Laat hun voorspoed mij niet verlokken om hen na te volgen in het kwade, want deze drie zaken moeten aaneen gelezen worden. Maar het zal beter wezen om ze een voor een van naderbij te beschouwen. Want dewijl er voor de menschen niets moeielijker is, als zij ten onrechte gekweld en vervolgd worden dan zich te matigen in hunne woorden, en het onrecht dat men hun aandoet in stilte te verdragen, begeert David niet zonder reden, dat er als het ware slot en grendel voor zijn mond geplaatst zal worden, ja God zeil zijn' mond toesluit, gelijk een deurwachter, die aan eene poort staat om over het in en uitgaan de wacht ie houden. Want het Hebreeuw sche woord Nitsra is veeleer een werkwoord in de onbepaalde wijs dan een naamwoord In de tweede plaats voegt hij er bij, dat God zijn hart niet zal neigen tot eene kwade zaak, want het Hehreeuwsche woord Daivar. hetwelk Woord heteekent, wordt hier evenals dikwijls aan andere plaatsen, genomen voor zaak, ol' handel. Ook verklaart hij terstond daarna zijne bedoeling nl. dat hij niet moge worden als zijne vijanden door met hen te wedijveren in kwaad doen. Indien nu de monnik, van wien melding wordt gemaakt bij Eusebius. deze bedoeling van David wèl had overwogen, dan zou hij de dwaasheid niet hebben gehad van te denken, dat hij zich op uitnemende wijze van zijn' plicht als leerling heelt gekweten, toen hij zich gedurende zeven volle jaren van spreken heeft onthouden. Want toen hij hoorde, dat het een kenmerk was van eene zeer zeldzame deugd om zijne tong in loom te houden, heelt hij zich ver weg in eene eenzame woestijn teruggetrokken, en keerde slechts zeven jaren later terug tot zijn' meester. Toen hem nu naar de reden van zijne lange al'vvezigheid gevraagd werd, antwoordde hij dat hij hetgeen hij in dit vers had geleerd, in beoelening heeft willen brengen. Nu zou men hem echter ook hebben moeten vragen, of hij in al dien tijd niets heelt gedacht, want die twee dingen zijn hier saamgevoegd, nl. te zwijgen, en geene booze gedachten te hebben. Nu zou het kunnen wezen, dal hij zonder een woord le spreken, toch vele hooze gedachten heeft gehad, hetgeen nog veel erger is dan lichtzinnig of onbedacht te spreken. Ik heb het noodig geacht de dwaasheid van dien droomer met een enkel woord te
Psalm 141 : 4.
935
vermelden, opdat de lezers weten, wat het is aan den uiterlijken klank van een woord te blijven hangen, lervvijl de bedoeling van hem, die het gezegd heelt, voorbij wordt gezien. En voorts, door zoowel zijne woorden ais zijne gedachten onder de leiding Gods te stellen, belijdt David, dat tong en hart niet anders in orde gehouden kunnen worden dan door de verborgene leiding des Heiligen Geestes, inzonderheid wanneer de overmoed onzer vijanden ons prikkelt lol ongeduld. Indien nu de tong zoo licht verkeerde woorden spreekt, zoo God er niel de wacht over houdt, dan is het voorzeker ook niel minder noodig dal op de innerlijke neigingen des harten beslag wordl gelegd. Immers, welk eene werkplaats is niel hel hail des menschen, en hoe velerlei bedenkselen en beraadslagingen hebben er niel telken stonde plaats! Men moei dus met David erkennen, dat zoo God harten en tongen niet in toom houdt, er geen einde zal wezen aan de booze gedachten en de booze woorden. Want van den eenen kant is hel beheerschen der long eene bijzondere gave des Heiligen Geesles, en van den anderen kant zal Satan niel ophouden van ons allerlei verkeerde dingen voor te stellen, die wij maar al le gereedelijk in ons opnemen, zoo God niel tussclienbeiden komt en het ons belet. Ook moet men hel niel ongerijmd vinden, dal God ons hart neigt lol kwade zaken, aangezien ons hart in zijne hand is en Hij het kan neigen gelijk hel Hem behaagt. Niel dal ik zou willen zeggen, dal Hij ons zelf tot booze begeerlijkheden opwekt; maar dewijl Hij dooi' zijne verborgene oordeelen de verworpenen aan de tyrannic van Satan oveilevert, ja hen als slaven aan hem onderwerpt, wordl er terecht gezegd, dat Hij hel is, die hen verblindt en verhardt. Om nu echter te ontdekken bij wien de schuld ligl der verkeerdheid, moei men haar nergens elders zoeken dan bij de menschen zeiven, aangezien de zondige begeerten in hen wonen, en daar zij van nature goed en kwaad kunnen begeeren, neigen zij veeleer lol hel kwade dan tol hel goede, en dal niel door een' prikkel van builen, maar door den aandrang van binnen. Waar ik vertaald heb: om yoddelooze daden te bedrijven, vertalen sommigen: Om gedachten le denken, en dit is niet verkeerd; dewijl dit echter voor de beteekenis op hetzelfde neerkomt, is mij dit onverschillig. Door hel Hebreeuwsche woord Manciaméhem, dal ik vertaald heb door Lekkernijen, verstaat hij de genietingen, waarin de boozen zich verlustigen, terwijl God in zijne lankmoedigheid hunne overtredingen nog voorbij ziet. En daar zij zich dan nog meer te buiten gaan in hoogmoed, is er gevaar, dat de geloovigen, zich bedriegende ten opzichte van
Psalm 141 : 4â5.
hun' voorspoed, hen bij zullen vallen in hel kwaad. Daarom verlangt David niet zonder reden, dal God hem een' teugel zal aanleggen, en hem in het verborgen door zijn' Heiligen Geest zal weerhouden, opdat hij zich niet mede veriustige in hunne lekkernijen, d. i. dal hij zich niet bedwelme dooide bekoring van hel genot om zich aan zonde over te geven.
5. De rechtvaardige sla mij, goedertierenheid, en hij bestraffe mij, eene kostbare zalve, hij zal mijn hoofd niet wonden, want nog zal mijn gebed in hunne rampen zijn. 6. Hunne rechters zijn nedergestort in steenachtige plaatsen, en zij zullen mijne woorden hooren; want zij zijn liefelijk. 7. Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand de aarde gekloofd en verdeeld had.
5 De rechtvaardige sla mij. Omdat Salan de boozen mei zijn lokaas lot zich trekt, terwijl ook zij zeiven elkander verleiden en bedriegen, verklaart David hier dal hel hem veel begeerenswaardiger is om voortdurend vermaand en bestral'l te worden, welke vermaningen en bestraffingen als even zoo vele roeden zijn om hem op te wekken, dan om door ijdele plichtplegingen en vleierijen bedrogen en in slaap gewiegd te worden. Want, daar er onder de verachters van God geene sprake van is om iemand te bestraffen, wijl hem deze of geene ondeugd aankleeft, zal ieder, die gezond van zinnen is, zich gaarne met vrome oprechte menschen vergezellen, die hem door hunne heilige vermaningen oplichten als hij struikelt, of terugbrengen op den goeden weg, als hij er van afgedwaald is Wel is waar is dit niet aangenaam voor het vleesch als men ons bestraft wanneer wij verkeerd doen, of in het een of ander te koit komen, maar David had zijn hart zoo zeer tol lijdzaamheid en volgzaamheid gewend, dal geene bestraffing, die hij wist voort te vloeien uit een geest van welwillendheid, hem bitter kon zijn. Daar echter wel eenige dubbelzinnigheid is in de woorden, zullen wij moeien onderzoeken welke zin het beste is. Hel Hebreeuwsche woord Chcsed zou zeer goed als bijwoord kunnen beschouwd worden in de beleekenis van harmhartiy; of wel men
936
Psalm 141 : 5.
937
zou een der voorzetsels in of met kunnen inlasschen, en deze meeninf;- wordt ook door de meeste uitleggers voorgestaan, nl dal de bestraffingen, die vriendelijkheid en barmhartigheid ademden, of die voortvloeiden uil een welwillend en vriendelijk gemoed, voor David a's de kostelijkste zallbiie zouden zijn. Wil men nu deze lezing volgen, dan zal men hierbij moeten opmerken dat David minder ziel op den uilwendigen vorm der bestraffing dan op de vriendelijke gezindheid van hei hart. Want, hoewel de rechtvaardigen in toorn ontsteken en met groote strengheid bestraffen hen, die talen en verkeerd doen, zoo is het toch slechts een gevoel van broederlijke liefde, dat hen hiertoe dringt, ja die strengheid zelve is slechts hel uitvloeisel van hunne heilige bezorgdheid, omdat zij vreezen dal het heil hunner broederen op eenigerlei wijze geschaad wordt. Daarom zal de rechtvaardige allijd met barmharliglieid en liefde te werk te gaan, al is hel ook dat hij al te streng en ruw schijnt in zijne woorden, terwijl zij, daarentegen, die boosaardig gezind zijn, onmenscheiijk en wreed zijn, al is hel ook, dal hunne woorden van bestraffing zóó zachl zijn; dat zij nauwelijks opgemerkt worden. Kortom, David heeft hierdoor het verschil willen aanloonen lusschen de bestraffing, die uit oprechte genegenheid voortkomt, en de smadelijke bejegening, (die gelijk Salomo zegl in Spreuken 10 : H) door haat en vijandschap wordt teweeggebracht. Evenwel, ook de andere verklaring, die ik heb aangeduid, past evengoed, nl. De rechtvaardige beslraffe mij, bel zal barmhartigheid zijn, of, ik zal het als eene weldaad achten. Dat hij mij kastijde, en hel zal mij eene kostelijke zalve zijn, die mijn hoofd niet zal wonden. Sommigen verklaren dit tweede lid nog anders, en wel zoo: Laai de olie mijns hootds mijn hoofd niet breken, d. i Laat de boozen door hunne vleierijen mijn' ondergang niet bewerken. En zoo willen zij dan dal door het woord Olie de gevaarlijke vleitaal moet verstaan worden, waardoor de boozen ons in hel verderl zoeken te storten, a!s zij onder schijn van zachtheid en lielde ons al dieper en dieper in den afgrond nederstorten. Neemt men den volzin op die wijze, dan zal hij vollediger wezen, nl. dal David niet slechts gehoorzaam en gewillig bestraffing aanneemt, maar tevens bevreesd is voor vleierij, en haar schuwt als den /,ang der sirenen. En inderdaad, hoewel bet ons op den eersten aanblik liefelijk schijnt om geprezen te worden, zoo zal toch ieder, die aan vleitaal het oor leent, weldra het doodelijk venijn in zijn hart opnemen. Zoo laat ons dan uil het voorbeeld van David leeren alle vleierij te schuwen en te halen, waartoe wij van nature maar al te
Psalm 141 ; 5â(5.
zeer geneigd zijn, en ook alle eigenzinnigheid af le leggen, opdat wij er niel. toe komen bestraffingen af te wijzen, die als heilzame medicijn zijn om hel kwaad in ons te bestrijden. Want velen scheppen er zoo zeer behagen in om door hunne onverschilligheid en traagheid om te komen, dal hij, die gedwongen is zich zeiven le veroordeelen, toch nog door de wereld vrijgesproken wil worden En waarom? Waarom anders dan omdat hij. zijn geweien in slaap wiegende, zich zeiven in hel verderl wil storten? Want nog. Dit wot dl op drieërlei wijze uitgelegd. Sommigen balen er deze beteekenis uil: Dewijl niets gemakkelijker is dan om dooi' slechte voorbeelden verdorven te worden, bidt David dal God er hem voor zal behoeden om al te wijken tol hun kwaad. De tweede uitlegging is, dal David, omdat hij ziel, dal zij door allerlei onheilige middelen zoeken le verkrijgen wal hun gelust, van den lleere vraagt om voor hunne boosheid bewaard le worden. De derde verklaring wordt aldus voorgesteld; Omdat ik zie, dat er voor hen geene hoop meer is, wensch ik van God dal zij hun verdiende loon mogen ontvangen, en dat Gods wrake over hen ten laalste door allen gezien zal worden. Een tegenovergestelde zin zou echter wel juister en gepaster kunnen schijnen, nl. dal hun moedwil David niet belel hel goede voor hen te begeeren. Want het woord Nog is hier niel zonder zeer groote beteekenis bijgevoegd. Zou hel ook niet kunnen wezen, dal David hun rampzalig einde voorzegt? Alsol hij zeide: Hoewel de goddeloozen zich nu vroolijk maken, zal het toch geschieden, dal bij zelf, na zich eene wijle rustig gehouden le hebben, medelijden mei hen zal hebben. En voorzeker leidt ook de samenhang der woorden ons veeleer tot dien zin, want bij zegt niet: Nog zal mijn gebed in hun kwaad zijn; maar hij schijnt de uitdrukking : TFawi no^ afzonderlijk le zeggen, en daarna het voegwoord En inlasschende, voegt hij er bij: En myn gebed zal in hunne rampen zijn. Omdal hel dus le vreezen was, dal David langzamerhand lol hun kwaad zou overhellen, heelt hij mei wijsheid zijn hart als hel ware stil gezet, alsol' hij wilde zeggen: Laai ons nog een wijle wachten, ten laalsle zullen zij door ontzettende rampen worden getroffen, die mij en alle andere kinderen Gods van medelijden met hen zullen vervullen.
6 Hunne rechters zijn nedergestort. Bijna alle schriftverklaarders komen overeen om de wijs van het werkwoord le veranderen. Want, zij veranderen den verleden lijd in den toekomenden lijd, en dan gebruiken zij hem in den optatief, in dier voege:
938
PSALM 141 : 0â7.
Dat, zij nedergestort worden. Mij konil hel echter voor dat Davids bedoeling ons iieel duidelijk zou zijn, indien wij vertalen: Als hunne rechters nedergeworpen zullen worden van de rolsen, of op steenachtige plaatsen, dan zullen zij mijne woorden hoeren. Zooveel is zeker, dat David, ziende hoe de woede des volks tegen hem was opgewekt door de vaische belichten, die men omtrent hem had in omloop gebracht, de schuld hiervan geeli aan de rechters. Daarom verwacht hij, dal, wanneer dezen van hun gezag ontdaan zijn, de eenvoudigen wederom lot betere gevoelens zouden komen Voorts is er in de uitdrukking: nederwerpen van de rotsen, of in steenachtige plaatsen, eene beeldspraak ten opzichte van hel ambt, waarin zij geplaatst waren. En hoewel nu zij, die goddelooze leidslieden volgden om een heilig en godvruchtig man te vervolgen, niel van schuld waren vrij te pleiten, heeft David toch terechl de hoop gekoesterd, dal zij lol inkeer zouden komen, omdat zij wijs zullen worden, als God aan de leiders zeiven zijne oordeelen zal volvoeren. Want wij zien dat bel volk deze of geene zaak voorstaat veel meer uil eene soort van blinde onstuimigheid, dan door een welgewikl oordeel, en zoo worden zij door den aandrang van anderen medegevoerd om booze daden te verrichten, terwijl zij gewaarschuwd zijnde, even snel en gemakkelijk in tegenovergestelde richting gaan. Hoewel licbtgeloovigbeid dus altijd eene ondeugd is, en dwaasheid geene veronlschuldiging is voorhen, die kwaad doen, wordt ons door hel voorbeeld van David toch geleerd, om Ie begeeren, dal zij, die op den verkeerden weg zijn, beter ingelicht zullen worden, en dal zij dan der waaiheid een geduldig oor zullen leenen.
7. Onze heenderen. Hier klaagt David, dal hel voor zijne vijanden niel genoeg was hen terstond en eenvoudig Ie dooden, maai' dal hij en zijne metgezellen in stukken gescheurd werden, vóór men hen in bel graf wierp. En terwijl struikroovers als zij iemand vermoord hebben, zijn lijk, zonder bel verder te schenden of te verminken in hel graf werpen, zegt David dal bij en zijne metgezellan op wreedaardiger wijze behandeld werden, nl. dal hunne beenderen verstrooid werden, evenals bout en steen dal men in stukken houwt, of zooals men de aardkluiten breekt om een' kuil te graven. Hieruit volgt dal David wonderbaarlijk gered is van velerleid dood gelijk ook Paulus van zich zeiven gcluigl in 2 Cor. 1 ; 9 En hieraan moeten wij ook voor ons zeiven de hoop ontieenen op leven en heil, al is bel ook, dal onze beenderen verbroken en verstrooid zijn.
939
Psalm 141 ; 8â9.
8. Omdat mijne oogen gericht zijn op ü, Jehovah, mijn Heere, heb ik op U betrouwd; ontbloot mijne ziel niet. 9. Bewaar mij van de handen van den strik, dien zij mij gespannen hebben, voor de netten dergenen, die ongerechtigheid werken. 10. Dat de goddeloozen te zamen vallen in zijne netten, totdat ik voorbijga.
8. Omdat mijne oogen gericht zijn, euz. Indien wij goed begrijpen vvai, bedoeld is mei die verstrooiing der beenderen, waarvan hij zooeven beeil gesproken, dan moeten wij dil gebed zoo verstaan, alsol de deelen van een verscheurd en verdeeld lichaam tol God riepen. Hieruit kunnen wij zien met wat held-haftigen moed David begiltigd was, aangezien hij, gebukt gaande onder zoo zwaren last, toch niet afgalaten heelt van voortdurend de oogen op God gericht te houden, gelijk hel ook de eigenschap is van het geloof om de verbijsterde zinnen van den mensch bijeen te houden, welke hem anders ieder oogenblik zouden begeven. Hoewel het dus reeds een grool en heerlijk wonder van God was om menschen in hel leven te behouden, wier beenderen verstrooid waren, was hel een dubbel wonder om vastheid en gerustheid te geven aan hun hart, zoodat geene vrees hen deed bezwijken.
9. Bewaar mij. Hij erkent, dat hij in de strikken zijner vijanden gevangen zou zijn, indien hij door de wondere kracht Gods niel wordt verlost. Dewijl hij echter te midden van die groote benauwdheid tol God roept, loont hij hiermede hoe groole verwachting hij heeft van zijne genade, gelijk hij ook aan eene andere plaats gezegd heeft, dat bij God uitkomsten zijn tegen den dood (Ps. (i8 : quot;il), omdat liij dikwijls vertoeft met te verlossen, opdat zij in het einde helderder en duidelijker zou blijken van God te zijn, en voorts laat hij de booze praktijken der goddeloozen op hun eigen hoofd neerkomen. Volgens de meening van sommigen heeft het bezittelijk voornaamwoord zijne in vers 10 betrekking op Saul, alsof hij zeide; Dat Doëg en zijne gelijken mogen vallen in de strikken van Saul; maar die verklaring druischt in tegen alle rede. Ik acht dus dat God bedoeld wordt, ofschoon hij Hem niel noemt. Te voren had hij gezegd: Bewaar mij, Heere, voor de nellen en strikken der
940
Psalm 141 : 10.
boozen, nu stelt hij tegenover de nellen, die de bonzen badden gelegd, om er de eenvoudigen in le vangen, de nelten van God, die de boozen vangt in bel kwaad, dat zij voor anderen bebben bereid. En daar bij mei eene groote menigte le doen bad, zegt bij: Dat zij te zamen vallen. Want, zoo hij er niel ten volle van overtuigd was, dal God machtig is om zonde! eenige moeite alles neder le werpen wal door de menschen saamgebrachl is, dan zou hij geene hoop bebben gehad van le ontkomen. Hetgeen nu volgt kan op tweeërlei wijze verklaard worden. Velen vertalen hel door: Ik zal altijd voorbijgaan; maar de orde kan ook omgekeerd worden, zoodal het wordt: Terwijl ik voorbijga. Hij wenschl dus dal zijne vijanden verstrikt zullen worden, loldal hij zeil' veilig ontkomt.
PSALM i4rS
INHOUD: Toen Saul in de spelonk kwam, waarin David zich verborgen hield, zou deze heilige zich in zoo gevaarlijke omstandigheden ziende, of gansch verbaasd en ontzet hebben kunnen zijn van schrik, of wel door zijn' angst tot de eene of andere onwettige daad hebben kunnen gedreven worden, gelijk wij weten, dat menschen, die wanhopen aan hun leven, óf gansch verwijfd en wezenloos zijn, of tot allerlei uitersten overslaan. Nu getuigt David in dezen Psalm, dat zijn geest rustig en kalm is gebleven, zoodat hij in verzekerdheid des geloofs op God heeft gesteund, en tot geene onwettige daad of handeling is gekomen, maar zich vergenoegde met geloften en gebeden tot God.
1. Eene onderwijzing van David, eeu gebed, als hij in de spelonk was. 2. Ik heb geroepen met mijne stem tot Jehovah; ik heb tot Jehovah gesmeekt met mijne stem. 3. Ik stort mijne overdenking uit voor zyn aangezicht; ik geef voor zijn aangezicht mijne benauwdheid te kennen. *1. Als myn geest in mij verward was en Gij mijn pad hebt gekend; zij hebben
941
Psalm 142 : 2â4.
mij een' strik gespannen op den weg dien ik ging 5. Ik schouwde ter rechterhand, en zag, er was niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij, en er was niemand, die vroeg naar mijne ziel.
2. Ik heh geroepen met mijne stem Het was eene bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest bij David, dat hij noch overweldigd was door vrees, noch in toorn was ontstoken met de begeerte van zich te wreken op zijn' vijand, lietgeen he-m licht gevallen zou zijn, en dat hij zich evenmin door wanhoop er toe liet vervoeren, om hem te dooden, maar dat hij met een kalm gemoed zijn gebed tot God heelt gericht. Daarom is hel niet zonder reden dat het opschrift boven den Psalm is geplaatst ten einde den lijd en de gelegenheid aan te duiden wanneer hij gedicht werd, en evenmin is het zonder reden, dal David betuigt, dal hij zich van ganscher harte aan God had overgegeven. Toen hij van alle kanten dooi' hel leger van Saul was ingesloten, hoe is het toen kunnen geschieden, dal hij zich, om zoo te spreken, als besloten ziende in een graf, er zich toch voor gewacht heelt om zijne hand op Ie heffen tegen hem, die zijn doodvijand was, indien niet hierdoor, dat hij zich gewapend heeft mei gebed om alle verzoekingen te weerstaan? Dat is ook de strekking van de herhaling, waardoor hij le kennen geeli, dal hij volhard heeft in den gebede, ten einde stand te kunnen houden legen alle golven en stroomen, die hem aanliepen. In het volgende veis zegt hij nog duidelijker, dal hij alle zijne zorgen en bekommernissen als in Gods hart heell uitgestort. Want, zijne overdenking uitstorten, en zijne benauwdheid te kennen geven worden gesteld tegenover den angst en de verlegenheid, die ongelukkige menschen in hun eigen hart opkroppen en waarmede zij zich verteren, daar zij liever hun leed verkroppen dan de toevlucht to nemen tol God, of wel legenover de woeste kreten dei wanhoop van anderen , die de vertroosting niet kennen van Gods vaderlijke voorzienigheid. Waar het dus op neerkomt is, dat hij noch een woest gelier liet hoeren voor de menschen, noch zijn geest gekweld heeft met innerlijken angst, maar dat hij zijne smart eenvoudig en gemeenzaam voor God heeft uitgestort.
4. Als mijn geest in mij verward was. Hoewel hij hier belijdt dat hij zich in angst en benauwdheid heelt bevonden, bevestigt hij toch wat hij gezegd heeft omtrent de standvastigheid van
942
Psalm : 4â5.
zijn geloof. Nu is hel eene schoone beeldspraak als hij zegt dat zijn geest als het ware verward en omlmld was, want als iemand zich in gevaar bevindt en geen' uitweg ziet, dan zal zijn geest zich hierheen en daarheen keeren, en been en weer bewogen worden, nu eens dit, en dan weder wat anders bedenken, en alzoo zijne verlegenheid gedurig meer doen toenemen. Hij wil dus zeggen, dat hoewel hij geen middel zag ter ontkoming, God hem toch wel zou welen te redden. Sommigen nemen dit lid: Gij hebt mijn pad gekend, in een' anderen zin, nl. alsol David God lot getuige riep van zijne oprechlbeid, maar de andere verklaring, die ik aangehaald heb, is veel juister nl. dal toen hij zicb door allerlei overdenkingen ginds en her liet rondvoeren, en toch nergens uitkomst zag. God het middel kende, waardoor Hij hem wilde redden. Dooi' deze woorden wordt ons geleerd dat, hoewel bet geschiedt, dal wij na alle middelen beproefd te hebben, toch hoegenaamd niet verder zijn gekomen, hel ons genoeg moet zijn, dal ons leed Gode niet onbekend is, en dal Hij zich vervvaardigl zorg voor ons Ie dragen, gelijk ook Abraham gezegd heelt: De Heere zal hel voorzien (Gen. 22:8). David heeft dienzelfden regel gevolgd loen hij, omgeven zijnde door de duisternis des doods, de oogen sloot en zich in Gods hand heelt overgegeven om door zijne vaderlijke voorzienigheid te worden geleid.
5. Ik schouwde. Hij houdt nog slaande, dal bij niet zonder oorzaak deze kwellingen beeft ondervonden, aangezien er van de zijde der menscben geene hulp of ondersteuning te wachten was, en hij ook geen ander middel zag om aan den dood te omkomen. En voorts, als hij zegt, dal hij schouwde en rondzag, maar onder de menscben geen' vriend kon ontdekken, dan bedoelt hij daarmede niet, dat hij God voorbijziende, zijne blikken gericht heelt naai' hulp van de wereld, maar dat bij, voor zooveel hem dit wettig geoorloofd was, uitgezien heelt, of er ook een helper voor hem was op aarde. Indien hij nu zoodanig iemand bad gevonden, dan zou bij hem voorzeker als een bedienaar of instrument van Gods genade hebben beschouwd. Maar het was Gods wil om hem ontbloot te laten blijven van de hulp des menscben, ten einde zijne redding van den dood nog des te wonderlijker te doen zijn. De ziel zoeken is bier in goeden zin genomen voor zorge om iemands leven te verdedigen en te bewaren.
943
Psalm 142 : Gâ8.
6. Tk lieb geroepen tot U, o Jehovah! Ik heb gezegd: Gij zijt myue hoop, mijn deel iu het land der levenden. 7. Hoor mijn geroep, want ik ben zeer ternedergeslagen, red mij van mijne vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. 8. Voer myne ziel uit de gevangenis, om uwen naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij kronen, omdat Grij mij wel gedaan hebt.
ü. Ik heb geroepen tot ü. En nu, opdiil God zich zou haaslen ter zijner liulpe, klaagt David dal liij gimscli verzwakt en lol liet uiterste is gekomen. En door het woord Geroep geelt hij (gelijk wij elders reeds gezegd hebben) eene groote vurigheid, een ernstig, innig verlangen, te kennen. Eindelijk zegt hij, dat hij verlost, bevrijd moet worden, omdat hij als een gevangene is. Want sommigen denken wel dat met hel woord gevangenis de spelonk bedoeld is, maar hierdoor geven zij er eene te beperkte beteekenis aan. lielgeen er aan liet slot wordt bijgevoegd : De rechtvaardigen zullen viij kronen wordt door sommigen vertaald: De rechtvaardigen zullen mij wachten, maar ik heb de ware en natuurlijke beteekenis van het Hebreeuwsche werkwoord behouden. Wel ei ken ik, dat dit zinnebeeldig genomen is voor omringen, ol om iemand heen staan, alsof hij gezegd had, dal hij allen menschen ten schouwspel zal wezen, omdat iedereen de oogen op hem zal richten om eene zoo heerlijke en treffende verlossing te aanschouwen. Wil men het woord echter liever eenvoudig en zonder beeldspraak nemen, dan zal de zin wezen: De rechtvaardigen zullen zich niet slechts in mij verblijden, maar ook eene kroon op mijn hoold plaatsen ten leeken der overwinning. Nog anderen verklaren den zin in dier voege: Zij zullen zich om mij heen verzamelen om zich met mij te verbeugen en zullen als in een ring om mij been staan. Dewijl er echter woord voor woord staat: Zij zullen mij kronen wordt door sommigen hel woord zich ingelascht, daar zij hel zoo verslaan, dat de rechtvaardigen het voorrecht, dat God aan David had verleend, als hunne eigene eer aanmarkten, omdat God, wanneer hij een zijner dienstknechten verlost, bierdoor ook al de overigen kroont, daar Hij hen op eene zelfde verlossing doet hopen De beteekenis, die ik heb aangeduid, is echter eevoudiger, nl. dat die genade aan allen bekend zal zijn, alsof zij van een schouwtooneel voor aller oogen gesteld was, en dal het een
944
Psalm '143 : 1.
merkwaardig getuigenis zal wezen voor de rechtvaardigen om hun geloof te versterken. Want liet üebreeuwsche werkwoord Gamal, dat gewoonlijk door Beloonen ol Verbelden overgezet wordt, heeft eene ruimere beteekenis, en geeft zoo veel te kennen als een goed of een voorrecht verleenen, gelijk wij dit ook reeds elders gezegd hebben.
I 'SA I AI 1-4-3.
INHOUD: Hoewel David te kampen bad tegen snoode vijanden, die hem even wreed als onrechtvaardig vervolgden, erkent bij toch dat dit geschiedt door een rechtvaardig oordeel Gods; en om nu gunst voor zijn aangezicht te verkrijgen, smeekt hij Hem nederig, om vergeving en genade. En voorts na zijne klacht te hebben uitgestort over de wreedheid zijner vijanden, en betuigd te hebben, dat geen leed of droefheid hem ooit God heeft kunnen doen vergeten, vraagt bij om wederoprichting en om geregeerd te worden door Gods Geest, ten einde bet overige zijns levens door te brengen in heiligheid en vreeze Gods.
Een Psalm van David. 1. Jehovah, hoor myn gebed, neig de ooren tot mijne smeekingen, antwoord mij in uwe waarheid, in uwe gerechtigheid. 2. En ga niet in het gericht met uwen knecht, want niemand, die leeft, zal voor uw aangezicht rechtvaardig zijn. 3. Want de vijand heeft mijne ziel vervolgd, hij heeft mijn leven ter aarde nedergeworpen; hij heeft mij in duistere plaatsen gelegd, als de dooden der wereld.
1. Jehovah, hoor. Daar David op zoo droeve wijze klaagt over zijn leed, kan men hieruit wel nagaan hoe ontzettend de wreedheid zijner vijanden was. En deze inleiding toonl reeds, dat zijne ellende zeer groot moet geweest zijn. Wal belieft dal bij de waarheid Gods samenvoegt met zijne gerechtigheid, de reden hiervan is elders reeds aangeloond. Wanl men moet
Dl. II. 00
945
Psalm US : 1â2.
zich niel voorstellen tlut door (JU vvoonl Gerechtigheid op eenlgevlei verdienste ol beloonini; wordt gezinspeeld, gelijk sommigen dil in hunne onwetendheid gedacht hebben; maar de gerechligheid Gods hetcekenl zijne goedheid, door welke Hij gedrongen wordt de zijnen te beschermen. Hierop heell ook betrekking het woord Waarheid, want het beste bewijs zijner getrouwheid beslaat hierin, dal Hij hen nooil zal verlaten, aan wie Hij zijne Imlpe heeft beloofd. Door de zijnen Ie hulp te komen beloont God zich dus reclilvaardig cn waar, len eersle wijl Hij ben niet misleidt en zij zich dus niel in Hem leleurgesleld vinden, en vervolgens, omdat Hij door hun wel Ie doen, loont van welken aard Hij is. Daarom steil David zich terecbl deze beide hoedanigheden voor oogen, len einde met des te meer vrijmoedigheid te kunnen bidden.
2. En ga niet in het gericht met uwen Icnecht. Ik heb zoo even gezegd waarom hij om vergeving vraagt; want, van welken kant rampen en tegenspoeden ook komen, wij moeten hel ei voor houden, dat zij de roede zijn in Gods hand, waarmede Hij ons lol berouw en bekeering wil brengen. Want, daai Hij volstrekt geen behagen schept in ons leed, is hel zekei , dat onze zonden de oorzaak zijn, waarom Hij zoo streng mei ons handelt. En zoo is het dan dat David, hoewel hij met goddelooze lieden had te strijden, en hij zich van zijn' kanl hoegenaamd niet schuldig gevoelde tegenover hen, loch zijne schuld belijdt voor God en Hem om vergeving smeekl. En dil is de algemeene regel dien wij hebben te volgen; als wij wenschen, dat God ons genadig zal zijn, dan moeten wij Hem bidden, dal Hij onze zonden zai vergeven. Want indien hel voor David de eenige toevlucht was om genade te vragen, wie van ons zal zich dan voor Gods aangezicht durven stellen, steunende op zijne eigene gerechtigheid cn heiligheid? Maar David wil hiei niet slechts aan de geloovigen dooi' zijn eigen voorbeeld leeren boe zij bebooren te bidden, hij verklaart tevens, dat niemand rechtvaardig zal worden bevonden, als hij ter verantwoording wordt geroepen. Deze plaats bevat alzoo eene leering van zeer wijde strekking. Want hier wordt ons gezegd (gelijk ik te voren leeds heb opgemerkt) dat wij, als wij ons voor God stellen. Hem niet gunstig voor ons gezind zullen bevinden, ten zij Hij zijne hoedanigheid als Hechter aflegt en ons met zich zeiven verzoent door ons uit vrije genade onze zonden te vergeven. Hieruit volgt, dat allo gerechtigheid der menschen wegvalt, zoodra zij voor den rechterstoel Gods verschijnen. En hoewel allen dit
t'sALM 143 : 2.
nu met een woord belijden, zal men loch nauwelijks één op de honderd vinden, die liel in waarheid en van harle erkent. Want, terwijl zij elkander vleien en elkander toegeven, komen zij allen mei eene roekelooze gerustheid voor God, als ol hel hun even licht zou vallen om Hem te voldoen, als om door de menschen vrijgesproken te worden. Maar ten einde die geheele zaak goed te verslaan, moeten wij in de eerste plaats nagaan wat het is gerechtvaardigd te zijn. Nu blijkt ons uil deze Schrilluurplaats zeer duidelijk, dat diegene gerechtvaardigd is, die geacht wordt rechtvaardig te zijn voor God, oi die door den hemelschen Rechter zeiven onschuldig wordt verklaard. En daar nu David aan alle menschen dien lol ontzegt van onschuldig te zijn, geelt hij le verslaan, dat, zoo er in de heiligen eenigerlei gerechtigheid is, deze toch niet zoo volkomen is, dat zij voor God zou kunnen beslaan, en zoo verklaart hij dan, dat allen schuldig zijn voor God, en niel anders vrijgesproken kunnen worden dan wanneer zij belijden rechtvaardiglijk onder het oordeel le vallen. David had voorzeker wel kunnen roemen dal hij een der volmaaktste menschen was, indien hel mogelijk ware de zoodanigen op aarde te vinden Hij kende de rechtvaardigheid van Abraham en van de andere heilige vaderen. Aangezien hij nu noch hen noch zich zeiven spaarl, moei hier wel uil volgen, dat hij voor alle menschen slechts één middel weel om met God verzoend le worden, nl de toevlucht le nemen lol zijne barmhartigheid. Hieruit kunnen wij opmaken van hoe duivelschen waanzin diegenen bevangen zijn, die ook nog heden van eene volmaakte gerechtigheid bazelen, ten einde alzoo de vergeving der zonde onnoodig le verklaren. Voorzeker zouden zij zich nooil in zoodanigen hoogmoed te buiten gaan, indien zij niet in hun binnenste de majesteit Gods smaadden. Zij verheffen hemelhoog de wedergeboorte, alsof het koninkrijk van Christus uit niets anders bestond dan uit reinheid van leven. Aangezien zij echter hel voornaamste artikel des eeuwigen verbonds te niet doen, hetwelk is de vrije verzoening, die den geloovigen bevolen wordt dagelijks te zoeken, en zij zich opblazen, ja zich zeiven en anderen bedwelmen door een' hoogmoed, die aan waanzin grenst, toonen zij genoegzaam hunne eigene barbaarschheid en onbeschollheid. Wijl zij het dus van zich kunnen verkrijgen God als in het aangezicht te spuwen, zoo moeten wij ons met afschuw van hen afwenden. Doch dit alleen volstaat nog niel voor hen, want zelfs de Papisten erkennen, dal zoo God als Rechter wil handelen en een onderzoek wil instellen naar hel leven der menschen, allen rechtvaardiglijk veroordeeld zouden worden. En hier in zijn zij gezonder,
GU*
947
Psalm U3 ; cgt;â
meer ootmoedig en sober dan die monsterachtige reuzen, van wie ik zoo even heb gesproken. Maar hoewel zij (de Papisten) zich geene volmaakte gerechtigheid toekennen, zoo beroepen zij zich toch op hunne verdiensten en genoegdoeningen, en daarom zijn zij er ver van daan om Davids voorbeeld te volden. Zij erkennen dat in hunne werken nog altijd iets gebrekkigs o vei blij It, en daarom roepen zij Gods genade aan om aan Ie vullen wat aan hunne werken ontbreekl. Doch er is in de Schrift geen middenweg tusschen gerechtvaardigd te zijn door de werken en gerechtvaardigd te zijn door het geloof, want die twee zijn tegenover elkander geplaatst, liet is dus eene dwaasheid van de Papisten om nog aan eene derde soort van gerechtigheid te denken, die zij deels door hunne werken kunnen verkrijgen, en deels aan Gods barmhartigheid zou worden toegeschreven. En ongetwijfeld, als David hier verklaart, dat zoo de werken onderzocht en getoetst werden, geen enkel mensch voor God zou kunnen bestaan, dan verzint hij niet die samengestelde gerechtigheid, waarvan de Papisten droomen, maar brengt ons lijnrecht naar deze gevolgtrekking, dat God ons genadig zal zijn omdat Hij barmhartig is. Want alle gerechtigheid, waarmede de menschen voor Hem verschijnen, zal in rook voor Hem opgaan.
3. Want de vyand. Na beleden te hebben dat hij recht-vaardiglijk de straf lijdt zijner zonde, spreekt David nu van zijne vijanden, want zoo hij met hen had begonnen, dan zou dit eene verkeerde orde geweest zijn. Rn hij toont hunne wreedheid hierin, dal niets dan de dood van den godvruchtige hen levreden kan stellen; ja hij zegt, dat hij reeds van het leven berooid is zoo God hem niet te hulp komt. Want hij vergelijkt zich niet slechts bij een' doode, maar bij een reeds in ontbinding verkeerend lijk, want door de dooden der wereld verslaat hij hen, die reeds voor lang gestorven, en uit de wereld zijn weggenomen. En zoo leert hij dan door deze woorden, niet slechls dal hij vertrouwt dat God in doodelijke krankheid zijn Heelmeester zal zijn, maar levens, dal, wanneer zijn leven weggenomen is en hij reeds lang in de aarde is begraven, de opstanding locli in Gods hand is, zoodat Hij zijne asch wederom kan doen herleven.
4. En mijn geest is in mij beroerd, mijn hart is verbaasd in het midden van my. 5. Ik heb gedacht
Psalm 143 ; 4.
aan de dagen van ouds; ik heb al uwe daden bepeinsd, ik heb al de werkeu uwer handen overpeinsd. 6. Ik heb mijne handen tot U uitgebreid, mijne ziel is voor LT als een land zonder water. Selah. 7. Haast u, Jehovah! Antwoord mij, mijn geest is bezweken; verberg uw aangezicht niet van mij, want ik zal dengenen gelijk worden, die in den kuil nederdalen.
4. En mijn geest. Na gesproken le hebben van zijne uil-wendige rampen, belijdt liij nu de zwakheid van zijn' geest, waaruit wij leeren, dat zijne kracht en volharding niet voortvloeiden uit ongevoeligheid, maar dat hij, naar hel gevoel van liet vleesch, gansch ternedergesiagen zijnde van dioel iieid, alleen door de kracht des gelools en de ondersteuning des Heiligen Geestes slaande is gebleven. Door dit voorbeeld wordt ons geleerd, dal wij, wanneer droefheid ons verzwakt, ja ons schier geheel ter nederwerpt, toch niet moeten nalaten te strijden, want God zal ons ten laatste toch de genade verleenen om ons uil dien toestand van neergedruktheid op le heften, mits ons hart te midden van het leed altijd naar Hem blijft uilgaan. In hel volgende vers verhaalt David hoe hij naar helmiddel gezocht heeft om zijne smart le verlichten. Want hel is niet te verwonderen dat velen onder hun leed bezwijken, aangezien zij zich aan traagheid en onverschilligheid overgeven, omdat zij hel verzuimen moed te scheppen uit de herinnering aan Gods genade. Wel is het waar, dat ons leed dikwijls nog vezwaard wordt door de herinnering boe voormaals God goederlierenlijk met ons gehandeld heeft, want, door deze vergelijking van het heden met het verleden wordt onze geest geprikkeld en verbitterd; maar David heeft zich een ander doel voorgesteld, nl. zijn' moed te verlevendigen door de weldaden, die hij vroeger van God heeft ontvangen. En waarlijk, als wij schier bezwijken onder den last, dan is het een afdoend middel om ons leed te verzachten, als wij de vroegere weldaden Gods gedenken. Ook bedoelt David niet slechts de weldaden, die hij zelf van zijne kindsheid af heeft ontvangen, want om het zoo te verklaren (gelijk sommigen doen) dat is, naar mijn oordeel, de zaak al le veel te beperken, want het llebreeuwsche woord Kêdem heelt eene veel wijdere strekking. Daarom twijfel ik niel, of hij heeft met zijne eigene ervaringen de geschiedenis der oude tijden
949
Psalm 143 : 5âfi.
saamgevoegd, waarin Gods voortdurende goedheid voor de zijnen zoo duidelijk zichtbaar is. Laat ons dan uit zijn voorbeeld leeren niet slechts de weldaden te bepeinzen, die wij zeiven van God hebben ontvangen, maar ook te gedenken hoe menigmaal Hij zijne dienstknechten heeft ondersteund, en dit alles dan op ons zeiven toepassen. En zoo de bitterheid onzer smart er al niet terstond door wordt verzacht, zullen wij er naderhand toch hel nut en voordeel van gewaar worden. Want, hoewel David hier klaagt, dal hij in deze vertroosting niet dadelijk verlichting vond voor zijne benauwdheid en smart, heelt hij zijne overdenking toch voortgezet, tol dal zij ter bestemder tijd hare vrucht heelt voortgebracht. Het llebreeuwsche werkwoord Soeack, dat hier gebruikt wordt, beteekenl zoo wei spieken met de long, als overdenken in het hart, gelijk wij elders reeds hebben opgemerkt. Daarom vertalen sommigen dezen zin door: Ik heb gehandeld over uwe werken. Dewijl echter het werkwoord Hagah ook overdenken beteekenl, geloot ik dal David dezelfde zaak twee maal gezegd heeft, en dal wel om uil te drukken hoe ijverig en volhardend hij hiermede bezig was. Wanl het gebeurt dikwijls, dat, wanneer onze geest aan de werken Gods een oogenblik aandacht heeft geschonken, wij er echter terstond wederom van worden afgeleid. Daarom is hel dan ook niet te verwonderen, dat hier geene blijvende vertroosting voor om-uil voortvloeit. Opdat onze kennis dus niel terstond weder zal vervloeien is het noodig dat wij er voortdurend onze aandacht aan wijden.
(j. He heh mjjne handen tot U uitgebreid. Hier ziet men nu de nuttigheid der overdenking , want zij heeft Davids har! gestemd tol vurigheid in hel gebed, gelijk het ook niet anders kan, ol wij zullen, zoo wij ernstig nadenken over hetgeen God ten allen lijde voor zijne dienstknechten, en ook voor ons geweest is, wegens het liefelijke zijner goedheid zoo bekoord worden, dal wij Hem zoeken. Want, hoewel de aanroeping Gods vooit-komt uil geloof, zoo zijn toch de blijken van Gods macht en goedheid, eene bevestiging voor het gelool en dus ook tegelijker tijd een kostelijk middel om onzen moed aan te wakkeren en ons in onze zwakheid te ondersteunen. En bij gebruikt een zeer schoon beeld om de oprechtheid zijner liefde te toonon , iwiwieer hij zijne ziel vergelijkt bij een dorstig land Als er groole hitte heerscht, dan zien wij hoe de aarde zich als hel ware opent, daar zij lafenis van Boven verwacht. Zoo geeft David dus te kennen, dal hij zich brandende van verlangen voor God stelt, alsof
850
Psalm 14u : üâ8.
allo levenssappen in hem opgedroogd waren, heigeen hij nog duidelijker uildrukl in hel volgende vers. En ook hier zien wij een heerlijk voorbeeld van Davids gelool, als hij, zich voelende bezwijken, en hel gral' nabij gebracht is, toch niel mei een wankelend gemoed den blik hierheen of daarheen richl om hulp te zoeken, doch alleen op God zijn vast. en onwrikbaar vertrouwen heel'l gevestigd. En voorls, hoewel hij een' zwaren en moeielijken slrijd heel'l le voeren legen zijne eigene zwakheid, zoo was loch dal bezwijken van zijn' geesl, waarvan hij spreekt, een krachliger prikkel om hem aan te sporen tol gebed, dan wanneer hij zijne angslen en benauwdheden, zijne droefheid en leed le boven was gekomen door zich mei sloïcijnsche onverschilligheid en hardheid te wapenen. Inlusschen moeien wij wèl opmerken, dal hij, om zich alleen aan God vast le kunnen houden , alle andere hoop uil zijn hart heell moeien vel bannen, en vervolgens, dat hij van zijne nooden en behoeften zeiven als het voertuig maak! om er mede op te klimmen lot God.
8. Doe mij uwe goedertierenheid in den morgenstond hooren, want ik betrouwde op ü; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hief mijne ziel tot U op. 9. Red mij, o Jehovah, van mijne vijanden; bij U heb ik geschuild. 10. Leer mij uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God; uw goede Geest geleide mij in het rechte land. 11. Om uws naams wil, o Jehovah, zult Gij mij levend maken; voer in uwe gerechtigheid mijne ziel uit de benauwdheid. 12. En, in uwe goedertierenheid, zult Gij mijne vijanden verdelgen, en allen ombrengen, die mijne ziel benauwen; want ik ben uw knecht.
8. Doe mij uwe goedertierenheid in den morgenstond hooren. In dit vers vraagt hij opnieuw, dal God hem zijne genade zal beloonen, ja, en dat wel met kracht. De uitdrukking Doe mij hooren schijnt eene oneigenlijke wijze van spreken te zijn, daar men veeleer zou moeten zeggen, dal men Gods goedertierenheid gevoelt , dan dat men haar hoort Daar hel ons echter van weinig nul zou zijn Gods weldaden le ontvangen, zoo wij haar niet
951
Psalm I-4^ : 8â9.
leeren |)rooven en sinaken dooi' hel gelooi, is hel niel zonder reilen dal David begint mei hel gehoor. Want wij zien, hoe de wereldlingen er volop van genielen, maar er zijne goedheid niel in smaken, omdat zij niel luisteren naar zijn Woord, en er geen gelool voor hunne oogen schillen om hun te loonen, dat God hun Vader is. Wal belrell hel woord: In den morgenstond, sommigen geven er eene zeer schrale uitlegging van, daar zij hel beperken tol de offeranden, omdat het (naar wij welen) de gewoonte was twee maal daags te offeren, en wel des morgens en des avonds. Anderen vallen hel meer subliel op, zij zeggen namelijk, dat God, als Hij zijne dienstknechten met meer goedertierenheid begint te behandelen, als het ware een' nieuwen dag doet aanlichten. Nog anderen zijn van meening dal hel beeldspraak, of eene overdrachtelijke zegswijze is, en dal er een aangename, voorspoedige staat mede bedoeld wordt, gelijk daarentegen door duisternis een tijd van ramp en droefheid wordt aangeduid. Doch ik verbaas mij te zien hoe men voor dit woord allerlei gezochte verklaringen geeft, aangezien David eenvoudig herhaalt wal hij te voren heelt uitgedrukt, toen hij zeide: Haast U. liet woord In den morgenstond beleekent dus zoo veel als vroegtijdig, of haastelijk. En voorts: hier (gelijk dikwijls ook aan andere plaatsen) voert hij bij God zijne hoop aan, omdat door onze hoop God, om zoo te spreken, verplicht wordt gelijk Hij ook door zich vrijwillig aan ons aan te bieden en ons te beloven dal Hij onze Vader zijn zal, naar de wijze der menschen een verdrag met ons aangaat Hier is dus eene soort van verplichting in gelegen. Doch hel is er zoo ver van daan, dal wij van onzen kant hierdoor eenigerlei waardigheid of verdienste zouden aanbrengen, dat onze hoop veeleer hel getuigenis is van onze naaktheid en armoede. Als hij vraagt dal hem de weg zal worden gewezen, waarop hij gaan moet, dan heelt dit betrekking op de verlegenheid en benauwdheid, waarin hij zich bevindt. Want hij geeft te verslaan, dal hij als hel ware verplet is, zoodat hij geen voel weel te verzetten, als God hem den weg niel baant; alsof hij zeide: Heere, alle de begeerten mijner ziel gaan naar ü uit, zoo help mij dan uil mijne verlegenheid, leid en bestuur mij, schenk mij raad!
9. Ued mij, o Jehovah. Dit gebed heelt bijna dezelfde strekking, omdat hem door de verkeerdheid zijner vijanden, alle middelen Ier ontkoming waren ontnomen. Het Hebreeuwsche werkwoord Kissiethi, hetwelk in dit vers voorkomt, vertalen sommigen door Hopen; de eigenlijke beteekenis er van is hier Bedekken, waarvan
952
Psalm : 9â10.
ik niet heb willen alwijken. Sommigen zijn ecliter van meening dal hel verklaard moei worden in dier voege, dal David, zich bloolgesleld ziende aan duizenderlei rampen, zich onder de bedekking heel'l gesteld van de schaduw Gods, en geschuild heelt onder zijne bescherming en hoede; welke verklaring mij wel aannemelijk voorkomt, en ik geef er zeer zeker de voorkeur aan boven die andere, welke aan sommigen behaagt om het vernuftige, nl. dat David niet her en derwaarts is gegaan, maar zich vergenoegd heeft met God alleen, en Hem in het verborgen heeft aangeroepen.
10. Leer my. Thans klimt hij hooger op, want hij vraagt niet slechts verlost te worden van uitwendige moeielijkheden, maar (hetgeen het voornaamste is) geregeerd te worden door den Geest Gods, zoodat hij ter rechter- noch Ier linkerhand afwijkende, zich in ware oprechtheid kan slaande houden. Dit gebed behoort ons voor den geest te komen, telkenmale als wij door verzoeking en aanvechting beroerd en benauwd worden. Want niets is moeielijker dan ons zoo aan God over te geven, dat wij tot geene onwettige middelen de toevlucht nemen. Dewijl dus zorg en bekommernis, angst, vermoeidheid en smart vele menschen er toe brengen om allerlei te beproeven, zoo laat ons naar het voorbeeld van David van God begeeren, dat Hij ons in loom boude, opdat wij niet door den aandrang van het vleesch heen-gedreven worden, waar wij niet behooren te zijn. Maar men moet wèl acht geven op deze wijze van spreken, omdat hij niet slechts begeert te leeren wal Gods wil is, maar ook verlangt onderwezen en gestemd te worden tol gehoorzaamheid om hem te doen. Want anderszins zou die eerste manier van leeren van zeer weinige kracht ol beleekenis zijn, omdat, als God ons getoond heeft wat goed en recht is, zoo gaan wij loch niet terstond waar Hij ons roept, tenzij Hij ons hart hiertoe geneigd heeft. Daarom is het noodig, dat God onze Leeraar en Leidsman is, niet slechts met de doode letter, maai ook door de verborgene werking van zijn Geest. En bet is op drieërlei wijze dal Hij dit ambt van Leeraar bij ons vervult. Want, in de eerste plaats onderwijst Hij ons door zijn Woord, vervolgens verlicht Hij ons verstand door zijn' Geest, en ten derde graveert Hij de leer in ons hart, opdat wij er met eenc ongeveinsde instemming aan gehoorzamen. Want het eenvoudig hooren des Woords zou op zich zeiven ongenoegzaam zijn; evenzoo zou ook het bloote versland onvoldoende wezen, indien er de gewillige gehoorzaamheid des harten niel mede gepaard ging. En voorts: hij
953
Psalm ; 10.
954
zegt niet; Leer mij opdat ik liet kunne doen (gelijk de Papisten droomen dat de genade Gods slechts dient om ons geneigd te maken tot liet goede) maar hij constateert heslist de krachtige uitwerking er van. Dit bevestigt hij nog door het volgende lid, als hij zegt: Uw ijoede Geest geleide mij, enz. Want hij vraagt dat de Geest Gods de Leidsman zal wezen, niet slechts om hel verstand te verlichten, maar ook om de harten te neigen met kracht en ons als hij de hand te leiden om met de leer van God in te stemmen. Nu leert ons de omstandigheid van deze plaats om op onze hoede te zijn, opdat wij ons in den strijd tegen de hoozen door geene verkeerde neigingen laten vervoeren. En daar wij uit ons zeiven niet bij machte zijn om ze te beteugelen en in bedwang te houden, moeten wij altijd wenschen dat de Heilige Geest onze Gids moge wezen, ten einde ons weerstrevend hart te buigen. Intusschen wordt ons hier in het algemeen geleerd wat de vrije wil vermag, waaraan David alle vermogen ontzegt om eene goede ol' rechte keuze te doen, totdat de Geest Gods het hart tot heilige gehoorzaamheid heeft overgebogen. Dit woord Geleiden bevestigt ook wat ik straks met een enkel woord gezegd heb, namelijk, dat David van geene halve genade afweet, gelijk aan die, waarvan de Papisten babbelen, die den mensch in het onzekere laat, maar eene veel grootere kracht te kennen geelt, naar hetgeen ook Paulus leert in Filippenzen ^ : 13: Het is God, die in ons werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen. Wat betreft de uitdrukking: het rechte land, ik acht dat het een beeld is, waarmede oprechtheid bedoeld wordt, want David wil er mede te kennen geven, dat wij, zoodra wij in het minst van Gods welbehagen afwijken, terstond in dwaling vervallen. In het bijvoegelijk naamwoord Goed, dat aan het woord Geest is toegevoegd, is eene tegenstelling opgesloten met de verkeerdheid van geest, die ons van nature eigen is, alsof David gezegd had, dat alle gedachten der menschen boos en verkeerd zijn totdat zij door de genade des Heiligen Geestes in de rechte orde gebracht worden, waaruit volgt dal het vleeschelijk verstand ons niets zegt, dat gaal en gezond is. Wel erken ik dat de verworpenen door een hoozen geest Gods bewogen en medegevoerd worden (want God voert zijne oordeelen uit door de duivelen) maar ik denk niet, dal David hier met zooveel spitsvondigheid heeft willen spreken, maar dat hij veeleer, zijne verkeerdheid veroordeelende, aan den Geest Gods den lof toekent van goedheid, rechtvaardigheid en oprechtheid. Door te zeggen; Want Gij zijt mijn God, toont hij, dat hij aan niets anders dan aan de vrije aanneming Gods en aan zijne beloften de verzekerd-
Psalm 143 : 10â12
heid onlleenl van te verkrijgen wat hij van God heelt begeerd. Want liet staat niet in onze macht om te maken dat God onze God is, totdat Hij ons door zijne vrije genade voorkomt.
11. Om uws naams wil, o Jehovah, zult Gij mij levend maken. Door deze uitdrukking bevestigt hij nog meer dal hij de zekerheid voor zijn heil aan niets anders ontleent dan aan de vrije goedertierenheid Gods. Want, indien hij nog iets van zich zeiven medebiacht, dan zou de bron en oorzaak er van niet liggen in God alleen. Daarom wordt Hij gezegd ons te helpen om zijns naams wil, want niets vindende in ons dat geschikt is om ons zijne gunst te doen verwerven, wordt Hij alleen door zijne vrije goedheid gedrongen om ons liel te hebben. Dezelide strekking heelt ook liet woord gerechtigheid, want gelijk ik te voren reeds heb opgemerkt, God heeft het heil der geloovigen verordineerd als eene zaak, waarin Hij zijne gerechtigheid openbaart. En voorts herhaalt hij hier nog wat hij gezegd heelt betreffende de grootte, den zwaren last zijner beproevingen. Want dooi te vragen om levend gemaakt te worden, belijdt hij in zekeren zin dood te wezen, ol ten doode gedoemd te zijn, indien God, bij wien uitkomsten zijn tegen den dood (Ps. 08:21) hem niet door eene verborgene, wonderdadige wijze opwekt en levendmaakt.
12. En in uwe goedertierenheid sidt Gij mijne vijanden verdelgen. Ook in dit vers herhaalt hij hetgeen hij reeds vier ol vijf malen gezegd heeft, nl, dat hij alleen van de vrije goedheid Gods leven verwacht. Want, hoewel God streng schijnt te zijn als Hij de boozen uitroeit, verklaart David toch, dat de wrake die Hij aan hen oelent, een getuigenis zal wezen van zijne vaderlijke goedheid over hem. En inderdaad, meestentijds zullen de gestrengheid en de' goedheid Gods elkander ontmoeten; want als Hij zijne hand wil uitstrekken om de zijnen te behoeden, slingert. Hij den bliksem zijns toorns tegen hunne tegenstanders. Kortom: Hij treedt gewapend voort om de zijnen te beschermen, gelijk Hij ook zegt in Jesaja 03:4: De dag der wrake is in mijn hart en dit is het jaar mijner verlossing. Overigens als David zich dienstknecht Gods noemt, dan is dit niet om te roemen op zijne diensten, veeleer verheerlijkt hij er de genade Gods in, aan wien hij zich ook hiervoor verplicht acht. Want deze eere om tol hel getal van Gods dienstknechlen te behooren verkrijgen wij niet door onze eigene vlijt of arbeid, zij vloeit voort uil de vrije verkiezing Gods, door welke hel Hem heeft
955
Psalm 143 : 12.
behaagd ons op le schrijven in de mile der zijnen, nog vóór wij geboren waren, gelijk David zeil'dil elders duidelijk heeil uilgedrukl, toen hij zeide: Ik hen uw knecht,, ik ben uw knecht, de zoon uwer dienstmaagd (Ps. 116:16). Want hiermede erkent hij te zijn de onderhoorige van God, in wiens bescherming hij zijn leven stelt.
PSz\ I.M
INHOUD: Deze Psalm bestaat uit dankzegging en gebed, want David verhoogt op heerlijke wijze de grootheid en voortreffelijkheid van Gods gaven, waarmede Hij hem versierd heeft, en te gelijk bidt hij, dat Hij hem dezelfde genade zal betoonen teu einde toe, hetzij omdat hij zag hoe de geheele loop van het raenschelijk leven blootgesteld is aan velerlerlei rampen en ellende, of wel omdat hij nog met vele booze tegenstanders had te kampen. De Psalm onderscheidt zich van den 18'len omdat David toen in het vreedzaam bezit zijns koninkrijks gekomen zijnde, en voorspoed hebbende op alle zijne ondernemingen, slechts juicht en triomfeert, terwijl hier ook eenige woorden ingelascht zijn, die zorge en vrees uitdrukken, van wege de vijanden, die hij nog had te bekampen.
Van David. 1. Gezegend zij Jehovah, mijne sterkte, die mijne handen onderwijst ten strijde, mijne vingeren ten oorlog. 2. Mijne goedertierenheid en mijn burg, mijn toren, en mijn bevrijder voor mij; mijn schild; op Hem heb ik gehoopt, die mijn volk aan mij onderwerpt. 3. O Jehovah, wat is de mensch, dat Gij hem erkent, en de zoon des menschen, dat Gij aan hem denkt? 4. De mensch is der ijdclheid gelijk, zijne dagen zijn als eene voorbijgaande schaduw.
1. Gezegend zij Jehovah, liet blijkt duidelijk, dal David toen hij de genade Gods op zoo heerlijke wijze bezongen heel'! , niet
956
Psalm 144 : 1â'2
slechts in het bezit was van het koninklijk, maar ook groote en gedenkwaardige overwinningen liad behaald over zijne vijanden. Door God zijne sterkte te noemen, belijdt hij, dat alle kracht, die hij bezit, hem van Boven gegeven is, niet slechts omdat hij van een eenvoudig herder een dapper krijgsman geworden is, maar omdat het mede eene genade van God was, dat hij dit gebleven is. Dit woord Sterkte schijnt hier meer gepast dan het woord Rotssteen, zoo als anderen hel vertalen, want terstond daarna voegt bij er bij wijze van opheldering bij, dat God zijn Leermeester is geweest, die hem den krijg heelt geleerd. Want door zoo te spreken erkent hij ongetwijleld, dat hij, hoewel kloekmoedig van aard, toch niet in staat zou zijn geweest om oorlog te voeren, indien hij niet eerst een nieuw mensch was geworden. Immers welk blijk van bekwaamheid heeft hij gegeven in de zaak met Goliath? De wijze, waarop hij dien vijand is aangevallen, zou voorzeker bespottelijk kunnen genoemd worden, indien David niet zoo zeer met de verborgene kracht Gods gewapend ware geweest, dal hij geene menschelijke hulp van noode had.
2. Mijne goedertierenheid. In Latijnsche ooren heeft dit woord een' harden klank, als het, gelijk bij de Hebreen, in lijdelijke beteekenis wordt genomen, evenals wanneer David zich aan eene andere plaats (Ps. 18: 51) Gods Koning noemt, niet alsof hij over God regeerde, maar omdat hij door God tol Koning was gemaakt en aangesteld. Dewijl hij dus op zoo velerlei wijze had ervaren dat God goed voor hem is, noemt hij Hem hier zijne goedertierenheid, waarmede hij bedoelt, dat alle goed, dat hij bezit, uit God is voortgekomen. De opeenhooping van woorden, die nu volgt, zou wel overtollig kunnen schijnen, maar in werkelijkheid strekt zij groolelijks tot bevestiging van het geloof. Wij weten hoe wispelturig de geest der menschen is, en bovenal hoe licht zij aan het wankelen worden gebracht en de vastheid des gelools hun begeeft, zoodra er een ruwe storm van beproeving tegen hen opsteekt. Indien er dus slechts één enkel woord ware, waarbij God ons zijne ondersteuning belooft in deze zwakheid, dan zou ons dit niet genoeg zijn om staande te kunnen blijven. Ja, hoevele steunselen Hij ons ook geeft, laten wij niet slechts ons van tijd tot tijd toch nog aan het wankelen brengen, maar daarenboven zullen wij nog zijne genade vergeten, waardoor mede onze geest in ons lernedergeslagen wordt. Daarom moeten wij welen, dat hel niet slechts is om van zijne eigene dankbaarheid te doen blijken, dat David zoo vele woorden opeen-
Psalm 144 : iâ
stapelt om Gods genade te bezingen, maar tevens om de god-viuchtigen naar alle zijden gewapend te doen zijn tegen de aanvallen van Satan en van de wereld. Voort is het niet zonder reden, dat hij het als een der voornaamste weldaden Gods acht, dat Hij zijn volk onder zijne gehoorzaamheid houdt. Sommigen denken, dat het llebreeuvvsche woord Ammi, hetwelk beteekent Mijn volk, genomen is voor Ammim, d i. De volken, maar ik sta er over verwonderd hoe zulk eene gewrongen verklaring hun kan hehagen, aangezien David eenvoudig bedoelt, dal de staat des koninkl ijks veeleer door Gods verborgene genade was gerepeld en geordend, dan door zijne eigene wijsheid, bekwaamheid ol gezag. Daarom heeft hij hier zeer gepast gebruik gemaakt van het llebreeuvvsche werkwoord lladad, hetwelk uitstrekken he-teekent. Want de verklaring van sommigen, dal het volk gezegd wordt te zijn uitgestrekt, omdat het rust had en in blijdschap en voorspoed leefde, schijnt mij gezocht. Evenmin kan ik mij vereenigen met het gevoelen van anderen, die door dit woord verstaan, dat hel volk als het ware onder Davids voeten ter aarde neder lag, want zulk eene heerschappij van geweld ovei hel uitverkoren volk, het heilig erfdeel des lleeren, schijnt voorwaar geene zoo begeerlijke zaak te zijn; maar als hel volk gewillig en van harte gehoorzaam is aan de wellen, en iedereen zich vreedzaam onderworpen beloont, dan zal de zegen Gods zich hier veel heler in afspiegelen. Gelijk wij nu reeds gezegd hebben, hel is eene zeer sierlijke wijze van spreken, als David een zoo effen toestand, waarin niets verwards of onordelijks is, eene uitstrekking noemt. Na dus aan God de overwinningen te hebben toegeschreven, die hij over de vreemde volken heeft behaald, brengt David Gode ook te gelijk lof en dank loe, omdat Hij den staat zijns koninkrijks in zoo uitnemende orde heelt geregeld. En inderdaad, aangezien hij een man was van geringe afkomst, die daarenboven nog door allerlei lasterlijke geruchten, die bij hel volk ingang hadden gevonden, algemeen gehaat was, had men nauwelijks kunnen verwachten, hem eens in hel vreedzaam, onbetwist bezit des koninkrijks te zien. Wanneer dus legen de verwachting der menschen het volk zich aan hem onderworpen heeft, dan moet deze zoo wonderbare verandering blijkbaar als een werk van God beschouwd worden.
3. O Jehovah! wat is de mensch! Hij verhoogt Gods genade door eene vergelijking. Want na verhaald le hebben hoe goeder-lierenlijk God met hem gehandeld heeft, keert hij in tol zich zeiven en roept: Wie ben ik, dat God zich verwaardigt zich
Psalm 14-4 : 4â5.
lol mij neder te buigen? Wel is waai- geldt dit woord voor geheel liet mensehei ijk geslacht, maar men moet er op letten, dat David zijne eigene geringheid in het licht stellende, Gods genade zoo veel te meer verheerlijkt. In andere plaatsen voert hij zaken aan, die hem persoonlijk kunnen verootmoedigen; maar thans blijft hij bij de beschouwing van de menschelijke natuur in het algemeen; cn terwijl hij die menschelijke natuur meer van nabij beschouwende, nog andere dingen had kunnen noemen, waarom zij der lielde en der zorge Gods onwaardig zijn, merkt hij slechts kortelijk op, dat zij als een damp, ol eene voorbijgaande schaduw zijn. Hieruit volgt, dat God Imn den rijkdom zijner goedertierenheid betoont, zonder dal zij dil in hel minst hebben verdiend. Intusschen worden wij er op gewezen, dat telkenmale als wij ons zoo ver vergeten, dal wij ons inbeelden iels Ie zijn, de kortheid des levens alleen reeds genoeg is, om allen hoogmoed en verwaandheid in ons neder te werpen. Want, als de Schiil'l handelt over de broosheid van den mensch, besluit zij daar ook die dingen in, welke er noodzakelijkerwijs mede in verband slaan. Want, aangezien ons leven als in een oogwenk voorbijgaat en verdwijnt , wal zal er dan voor vastigheid in ons worden gevonden? Daarbij hebben wij ook nog le leeren, dat wij Gods genade nooit naar behooren op prijs zullen stellen, zoo wij daarbij ook niet aan onzen eigen toestand denken. Want, dan eerst zullen wij Gode geven wat Hem toekomt, als wij erkennen, dat wij het goed, dal Hij ons doet, niet hebben verdiend. De lezer kan voorts deze verklaring nog aanvullen met hetgeen gezegd is in Psalm 8, waar wij eene schier gelijkluidende zinsnede aantreffen
5. Jehovah! neig uwe hemelen, en daal neder; raak de bergen aan en zy zullen rooken. 6. Bliksem bliksemen, en verstrooi hen, zend uwe pijlen uit, en verdoe hen. 7. Steek uw baud van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de groote wateren, uit de hand van de kinderen des vreemden. 8, Want hun mond heeft leugen gesproken, en hunne rechterhand is eene rechterhand der valschheid.
5. Jehovah, neig uwe hemelen. Nadat bij Gods genade naar
959
Psalm 1 hk : 5â1.
zij het verdient, verheerlijkt heeft, vraagt hij nu dat het Gode moge behagen hein zijne hulp te verleenon om naai' de behoefte van hel oogenblik bet koninkrijk ie bewaren en in stand te houden. En gelijk hij in heldhaftigen geest in God had geroemd, zoo behoudl bij nu ook dezelfde majesteit van bewoordingen in het gebed, daar hij aan God vraagt dat Hij de hemelen zal neigen, de bergen zal doen rooken, de lucht zal beroeren door zijne bliksemen, door welke wijze van spreken hij ongetwijfeld alle hinderpalen uit den weg ruimt, welke wij zoo moeielijk te boven knnnen komen, om door bet gelool de oneindige macht Gods te verstaan. In den IS'1quot; Psalm gebruikt hij schier dezelfde woorden om de bulpe Gods, die bij reeds ervaren had, te verheerlijken, en om te kennen te geven, dat God hem op buitengewone en gansch wonderbare wijze had bewaard. Want, hoewel niet telkenmale als God hem zijne bulpe had verleend, zoodanige teekenen gezien werden, als waarvan hier wordt gesproken, verheft hij toch volkomen terecht boven den gewonen loop der natuur de dingen, die legen alle hoop en verwachting in waren geschied. Hier beeft hij echter een ander doel, om nl. terwijl hij omringd is van duizend dooden, die hem hebben overstelp! en lot wanhoop hadden kunnen voeren, de wondere macht van God te begrijpen, waarvoor alle hinderpalen der wereld moeien wijken, tlel was voorzeker niet zonder reden dat bij deze hyperbolische wijze van spreken heeft gebruikt, ten einde zijn heil niet in wereldsche middelen gelegen te laten zijn, want niets is meer ongepast dan de kracht Gods naar gewone middelen af le meten.
ÃfiO
1
van uapenen hebben aangevallen. Door de rechterhand der valscltheid verstaan sommigen de roekelooze pogingen der vijanden.
Psai.M I Kh ; 8â9.
die, naar David hoopte, verijdeld zonden worden. Anderen beperken dil woord lol de pledilige eedzwering, nlsol David lien van meineed hesciiuldigde. Anderen verklaren hel in dier voege, dal zij, gelijk zij liegen met hunne long, ook valschheid plegen en hooze daden verrichten mei hunne handen. Aangezien hel eehler do gewoonte was om bij hel doen van eene beiolte de band le geven, gelijk ook-Salomo in Spreuken 11 : 21 ; 10:5 zegt: Hand aan hand, twijfel ik niet, oi hij wil zeggen, dal het ontrouwe lieden zijn, vol van list en bedrog, en die dus niet le vertrouwen zijn. Want deze twee dingen gaan zeer goed samen: De leugenachtige long. en de hand vol van bedrog, alsol hij gezegd had: wat zij ook beloven, er is van hunne hand toch niets te hopen, omdat hunne zachte vleitaal en hun loesleken van de hand slechts dienen om te bedriegen
9. O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen. 10. Die Koningen hulpe verleent, en David, zijn' knecht, verlost van het booze zwaard, 11. Ontzet mij, en red mij van de hand der kinderen des vreemden, welker mond leugen heeft gesproken, en hunne rechterhand is eene rechterhand der valschheid.
quot;.I. O God! ik. zal U een nieuw lied zingen. Wederom moed grijpende, bereidl hij zich lol dankzegging, niet Iwijfelende ol God zal hem zijne weldaden len einde loe blijven bewijzen. Nu hebben wij elders gezegd, dal dooi' de woorden een nieuv lied een zeldzaam en zeer vooiiieflelijk lied bedoeld wordl, waaiuil volgt, dal David meer gehoopt heefl dan hel menschelijk versland zich kon voorstellen. VVanl hij heloolï een huilengewoon lied, een lied, dal past hij de grootheid der hulpe Gods, en hetwelk hij door eene bijzondere en eervolle benaming van de gewone oilers onderscheidl. Wal helrelt de Luit en de overige muziekinstrumenten, wij hebben elders gezegd, dat deze dingen een deel uitmaakten van de opvoeding onder de Wel. Bovenal moet echter gelet worden op den inhoud, ol hel onderwerp zijns Lieds, namelijk, dal God, die de Beschermer is der koningen, David niel slechts beschermd, maar ook verlost heeft van hel zwaard, en dal Hij hem door zijne macht en zijn gebod lot Koning had gemaakt en verordineerd. Sommigen denken, dal Dl. II. ' 61
9li2 Psalm 1 hh : 10â11.
in deze woorden eene legenslelliny iii;! opgesloten lussclien de Koningen en hel gemeene volk, ulsol David zeide, dal God niel slechls geringe lieden had bewaard, maar ook de macliligslen, van wie men zou denken, dal zij in hunne eigene rnachl en middelen genoegzame veiligheid en bescherming hebben. Ik weel echter niel, ol deze verklaring gegrond is, want ik voor mij vind meer waarschijnlijkheid in eene andere verklaring, en wel deze, dat God, hoewel Hij het ganscbe menschdom onderhoudt, loch meer bijzonder zijne zorgen wijdt aan de instandhouding der burgerlijke orde, omdat hel algemeene welzijn dermenschen daarvan afhangt, liet is dus hetzelfde alsof hij Hem den Hoeder en Beschermer der koninkrijken had genoemd. Want, daar het woord heerschappij bij de menschen in kwaden reuk staal, en er nauwelijks iemand gevonden wordt, die zich gaarne en bereidwillig aan iemand anders onderwerpt, en er niets is dal zoo indruischt legen onze natuur als dienstbaarheid, zou ieder zich ongetwijfeld hel juk van den hals willen schudden, en den troon der Koningen omver willen werpen, indien God niel, zonder dat men dit bemerkt, zijne hand uitstrekt om hen te beschermen en le handhaven. Inlusschen onderscheidt David zich van andere Koningen, gelijk hij ook aan eene andere plaats (Ps. 89:28) de eerstgeborene der Koningen wordt genoemd; ol zich voor het minst op den hoogslen rang stellende, omdal hij boven de anderen met de heilige zallolie gezalfd was, zegt hij dal de genade Gods jegens hem voortreffelijker is geweest dan over anderen, liet is ook eershalve dat hij zich in hel bijzonder den lilel toekent van Knecht Gods, want, hoewel alle Koningen Gods dienaren zijn, en zelfs aan Cyrus als eene bijzondere onderscheiding de naam van Knecht Gods wordt gegeven (.lesaja //-5:1)'') zoo wordt toch, dewijl geen lleidensch Koning ooil Gods roeping heelt erkend, en David le dier tijd de eenige was in de geheele wereld, die met wettig gezag en in volle verzekerdheid regeerde, dit kenmerk waardoor hij van de anderen wordt onderscheiden , met volle recht op hem toegepast. Door de uitdrukking het hooze zwaard verslaat hij ongetwijfeld alle de gevaren door welke hij gedurende zoo vele jaren is heengegaan, zoodal met volle recht van hem gezegd kon worden, dat hij door velerlei dood lieen lot den troon is gekomen, en le midden van velerlei dood op zijn' troon is bevestigd.
1) Dit is imluurlijk oone vergissing. In Jes. 45; 1 wordt Cyrns niet Gods knecht, maar wel Gods gezallde genoomd. In .leremia 25:9 wordt Nehukadnezar echter wel Gods knecht genoemd. Vert.
Psalm 144 : Iui.
12. Want onze zonen zijn als planten, die opgewassen zijn in hunne jeugd, onze dochters als hoeksteenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis. 13. Onze hoeken zijn vol, uitgevende soort na soort; onze schapen vermenigvuldigen zich hij duizenden, bij tienduizenden in onze straten. 14. Onze ossen zijn goed in staat lasten te dragen: er is geene inbreuk, noch uitgang, noch rumoer in onze straten. 15. Welgelukzalig is het volk, dien het alzoo gaat; welgelukzalig is het volk wiens God is Jehovah.
I Want onze zonen zijn als planten. Sommigen nemen deze laatste drie verzen in den optatief, of wenscliende wijs. Anderen denken, dat David zieli, zoo voor zich zeiven, als voor hel iV'heele volk, verblijdt, omdal zij loen door den zegen van God in alles voorspoedig waren en het hun welging. En inderdaad twijfel ik ook niet, of David verklaart hier met zijne dankzegging dat God zeer goedertieren is geweest over hel volk. Hel is echter niel ongepast le veronderstellen dat hij ook legelijkerlijd gebeden heelt, dat de weldaden Gods hun bij voortduring zonden toevloeien, daar hun loop gestuit zou kunnen worden door de goddeloozen en de binnenlandsche vijanden, indien God door zijne voorzienigheid geen einde had gemaakt aan de verwarring en beroering, die in hel land hebben geheerscht. Wat hij dus zeggen wil komt hierop neer, dat God niel zal toelaten, dat de zoo kostelijke zegeningen, waarmede hij zijn volk heelt verrijk!, te niel gedaan zouden worden. Nu begin! hij ten eerste me! hunne kinderen, wier edelen aard en alkomst hij wil prijzen, en daarom hunne zonen vergelijkt bij planten, die in hunne jeugd (joed zijn opgewassen. Wan! indien hoornen niet in de dikte groeien, terwijl zij nog teer en jong zijn, zullen zij schier nooil tot eene gowenschle hoogte komen. En als hij de dochteren vergelijkt bij hoeksteenen, die kunstig uitgehouwen zijn, dan is dit hetzelfde alsof hij zegt, da! een huis door hare schoonheid en bevalligheid wordt versierd. En hel is voorzeker niet te verwonderen, dal hij goedgezinde en wel onderwezen kinderen tot de voornaamste aardsche zegeningen rekent, die God den mensch schenk!, over welk onderwerp ik vroeger uitvoerig heb gesproken. En voorts, daar David in den persoon van geheel
til*
Psalm U4 ; 12âU
hel volk spreekI, en zijn eigen voorspoed samenvoegt mei dien van allen, zien wij liieruil, dal hij zich niel uilshiilend met zijne eigene belangen heelt bezig gebonden.
l.i. Onze hoeken zijn vol. Anderen vertalen onze voorrand-srlmren, hetgeen iic niet verwerp. Dewijl echter het naamwoord is afgeleid van den zelfden wortel, als waarvan hel woord is afgeleid in hel vorige vers, dal wij vertaald hebben door hoek-sleenen, komt hel mij voor, dal hel meer in overeenstemming is met de woordafleiding om het door Hoeken Ie vertalen. Sommigen vertalen het llebreeuwsche woord Mefieldem, dal wij overgezet hebben door uitgevende, door Voortbrengende, of Voorziende, maar de zin is dan toch ongeveer gelijk, nl. dal nil alle hoeken alle soort van goed overvloedig voortkomt, zooals eene bron, die haar water uil verschillende aderen laai voortkomen. En hel komt mij voor dat de JTebreeuwsebe uitdrukking Mizan el-zan veeleer eene verscheidenheid van allerlei goed beleekenl, dan, gelijk sommige uilleggers willen, een zoo overvloedige oogst, dal de verschillende soorten onder elkander gemengd werden, en de wonderlijke overvloed tol een' groot en verwarden hoop werd. Want hel is niet noodig de toevhicht Ie nemen tot zoo hyperholische en vreemde verklaring, en de woorden hebben ook bepaald eene andere beleekenis. Want om een verwarden hoop aan te duiden, zou naar hel llebreeuwsche taaleigen eenvoudig zan zan, dat is: soort, soort, gezegd zijn. Waar de zin dus op neerkomt is, dal het volk zoo verrijkt, was, niel slechts in koren, maar ook in allerlei soort van vrucblen, dal alle hoeken er lot overloopens toe vol van waren.
I/(.. Onze ossen. Hel Hebreenwsche woord tiahal beleekenl eigenlijk Dragen, waarom sommigen hel woord Mesoehaliem, dat er van algeleid is, en in dezen zin gebruikt wordt, door Icrachtüj vertalen, omdat, zoo de ossen niet sterk en gespierd zijn, zij de zware lasten niet zouden kunnen dragen of voorttrekken. Anderen verstaan hel echter, in dier voege, dat het zeer veile ossen waren. Daar het echter van weinig ol geen belang is voor den zin, zal ik mij geene moeite geven om hier verder op in te gaan. Laat ons liever opmerken, dat David bier de vaderlijke goedheid van God looft, daar Hij hel niel beneden zich acht om ook voor de minste behoeften der zijnen le zorgen. Gelijk hij dus in hel vorige vers de vruchtbaarheid der koeien, schapen en andere dieren aan de genade Gods heelt toegeschreven, zoo zegl hij nu, dat Hij het is, die de ossen voedt en sterk maakt,
Psalm 144 : 14â15.
opdat wij zouden welen, dal er geene behoelte is van ons leven, niols dal lol veraangenaming van helzelve kan slrekken, dal door Hem voorbijgezien cl veronachlzaamd wordl. Daar iiel ons ecliler van weinig nul zou zijn om groolen overvloed van allerlei goed le hebben, zoo wij er niet van genieten kunnen, voegt bij er bij, dat bel volk dooi de genade Gods in rusl en vrede leeft. En ten eerste, ik twijlel niet ol door bet woord Inbreuk verslaat bij de invallen der vijanden, alsol bij zeide dat de vijanden met al bunne kracht en macht geene bres zouden kunnen maken in de muren, noch de poorten zouden kunnen openen om in de steden te komen. En wal bet woord uitgang belrelt, ik sla er over verbaasd, hoe sommigen hel voor ballingschap en gevangenschap kunnen nemen, alsol hij gezegd bad, dal hel volk niet buiten de grenzen zijns lands was weggevoerd, want, naar mijn oordeel, beeft hij eenvoudig willen zeggen, dal het niet noodig was om ook maar een enkelen uitval te doen len einde de vijanden at te slaan en te verdrijven, aangezien er niemand is, die een aanval doel, of poogde eenigerlei schade ol leed le veroorzaken. Hiertoe behoort ook het rumoer in de straten belwelk bij een plotseling alarm ontstaat. De zin is dus dal de sleden niet verontrust worden, omdal God er de vijanden ver van weggedreven heelt.
15. Welgelukzalig is het volk dien liet alzoo gaat. Hij komt tot het besluit dal Gods gunst over de zijnen nu genoegzaam gebleken en erkend is. Indien iemand nu tegenwerpt, dal het een grof en aardsch denkbeeld is om den gelukstaat der menschen te beoordeelen naai' de zoo broze en voorbijgaande aangenaamheden des levens, zoo antwoord ik, dal men deze twee dingen samen moet voegen; want diegenen zijn welgelukzalig, die in hun' voorspoed beseffen, dat God hun genadig is, en zijne gunst zoo zeer proeven en smaken in bunne aardsche zegeningen, dal zij, overtuigd zijnde van zijne vaderlijke liefde, hel ware erfdeel blijven zoeken. En inderdaad is het ook volstrekt niet ongerijmd te zeggen, dat diegenen welgelukzalig zijn, die door God in deze wereld worden gezegend, zoo zij slechts niet blind zijn in hel gebruik, of zoo verdwaasd en onzinnig worden, dat zij den Gever veronachtzamen. Want . als God ons niet ontbloot laat blijven van velerlei hulp in dit leven, dan is deze zijne goedertierenheid en voorzienige zorg wel een zeer sterk bewijs van zijne liefde. En wal is meer wenschelijk dan le welen dat God voor ons zorgt'? Inzonderheid wanneer het versland des menschen niet zoo verstompt is, of zij kunnen begrijpen, dat God hun Vader is,
005
Psalm 144 ; 15.
aangezien Hij lien zoo ovei vloediglijk spijzig!, vvanl dal moet van alles de strekking wezen. Anders zou liet beter voor ons wezen van honger te sterven, dan om, gelijk liet redelooze vee, verzadigd le worden, en dit eene noodzakelijke en alles beheer-schende punt niet te weten, dat zij welgelukzalig zijn, die God tot zijn volk heeft verkoren. Inlusschen moeten wij opmerken, dat, hoewel God iels van gelukzaligheid doet smaken in spijs en drank, hieruit toch niet volgt, dat de geloovigen ongelukkig zijn, die met armoede en gebrek hebben te strijden, want God vergoedt hun hel gebrek â waarin dit dan ook moge beslaan â door vertroostingen, die oneindig kostelijker zijn.
I 'SA I.M l-4-o.
INHOUD: J)e Profeet overdenkt de wonderbare wijsheid, goedheid en rechtvaardigheid Gods, die zich openbaren, ten eerste in het bestuur der wereld, maar voornamelijk in de instandhouding, bescherming en regeering van het menschelijk geslacht, en aldus verheft hij zich om zijn lof te vermelden. En na in het algemeen zijne voorzienigheid te hebben geprezen, komt hij ten slotte tot de bijzondere genade, die Hij betoont aan zijne geloovigen.
Een Lofzang van David. 1. O mijn God, mijn Koning! ik zal ü verlioogcn, en uwen naam loven in eeuwigheid en altoos. 2. Te allen dage zal ik U loven, en uwen naam prijzen in eeuwigheid en altoos. 8. Jehovah is groot en zeer te prijzen, en zijne grootheid is onnaspeurlijk. 4. Het eene geslacht zal U loven tot het andere geslacht, en zij zullen uwe macht verkondigen. 5. Ik zal de heerlijkheid der eere uwer majesteit overdenken, en de woorden uwer wonderen. 0. En zij zullen vermelden de kracht uwer vreeselijke daden ; en uwe grootheid, die zal ik verkondigen.
I's/Vlm 145 ; Iâ4.
1. Ik zal U verhoogen. David zegl niet sleclils wal liij zal doen, hij vvekl zoowel zicli zeiven als anderen op lot dezen plicht der godsvrucht, dat allen te zamen Gode de offerande des loi's brengen, die Hem toekomt. Want hij verklaart dal God de Weldoener is van het menschelijk geslacht, opdat Hij met heilige dankzegging zou worden geëerd. Ook beveell hij ons aan in deze goede gezindheid Ie volharden, want, daar God voortgaat mei ons zijne weldaden Ie bewijzen, zou hel niel redelijk of billijk wezen als wij nalieten Hem te loven En als Hij nu van tijd lol lijd zijnen getrouwen dienstknechten nieuwe stol' geeft om Hem le loven, spoorl Hij hen daarmede aan lol dankbaarheid, zoo dal zij zich hun leven lang hierin oelenen. Wam als hij zegl: Te allen dacje, geeft hij hiermede volharding le kennen. Daarna voegl hij er bij, dal hij, al zou hij ook nou; verscheidene eeuwen hebben le leven, dil ten einde loe
e.. 1
zou blijven doen. En deze herhaling draagt er niel weinig loe bij om de krachl der beleekenis er van le doen uitkomen. En daar nu deze Psalm gedicht werd in den tijd loen hel koninkrijk van David bloeide, is hel opmerkelijk dal hij God zijn Koning noemende, zich zeiven en alle andere vorsten op den rang steil der gewone menschen, opdal geene aardsche hoogheid de heerlijkheid Gods zou verduisteren. Dit bevestigt hij nog meer in hol volgende vers, waar hij, uitroepende dal Gods grootheid onnaspeurlijk is, le verslaan geeft, dat God dan eerst naar hehooren door ons wordt geprezen , als wij verbaasd slaan wegens de onbegrijpelijke grootheid zijner macht, en er als opgetogen dooi' zijn. Uil deze lontein der bewondering zal dan, naar de male onzer beperkte bekwaamheid, genoegzame lof vloeien.
067
1
zijner majesteit heerlijk is, opdal hij zich zeiven en anderen
Psalm 145 ; 4â0.
zou opheffen, om liaur des le beter te kunnen bewonderen. De woorden Jer houd ik voor de onbegrijpelijke wijze, waarop
God zijne werken volvoert, want het zijn even zoo vele wonderen, die onze zinnen als overstelpen en verbijsteren. Hieruit leeren wij, dal de grootheid Gods niet verborgen is in zijn geheimenisvol wezen, waarvan zij, die spitsvondig redeneeren, slechts beuzelen, daar zij zijne werken voorbijzien; want de ware godsdienst vereischt geene bespiegelende, maar eene practische kennis. En nadat hij nu gezegd heeft: Ik zal sprehen, of ik zal overdenken (want , gelijk wij elders gezien hebben, het llebreeuwsche woord Assiecha kan in beiderlei zin genomen worden) geeft hij door hel woord te richten tot anderen, le kennen, dal er altijd sommigen in de wereld gevonden zullen worden, die de verkondigers zullen zijn van de goedheid, wijsheid en rechtvaardigheid van God, alsmede dal de deugden Gods waardig zijn dal haar roem door aller menschen tongen verbreid zal worden. En voorts toont hij, dal, hoe anderen dit voorrecht ook veronachl-zaïnen en God berooven van de eere, die Hem toekomt, hij toch ijverig zijn' plicht in dezen zal betrachten, zoodal hij van ganscher harte den lol' Gods zal zingen, al zouden alle anderen dan ook blijven zwijgen. Sommigen denken dal met de uitdrukking de kracht van Gods vreeselyke daden dezelfde zaak herhaald wordt, hoewel hel schijnt, dal de oordeelen Gods over de prolane verachters van Hem inzonderheid bedoeld zijn.
7. Zij zullen spreken van de gedachtenis der grootheid uwer goedheid, en uwe^ gerechtigheid bezingen, 8. Jehovah is genadig en barmhartig, traag tot toom, en groot van goedertierenheid. 9. Jehovah is goed over allen, en zijne barmhartigheden zijn over al zijne werken. 10. Jehovah, al uwe werken zullen ü loven, en uwe zachtmoedigen zullen U zegenen. 11. Zij zullen de heerlijkheid uws koninkrijks vermelden, en zij zullen spreken van uwe macht. 12. Om der menschen kinderen bekend te maken met zijne mogendheden, en de eer der heerlijkheid zijns koninkrijks. 18. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen en uwe heerschappij is van geslacht tot geslacht.
9G8
Psalm 145 ; 7â8.
7. Zij zullen spreken van de gedachtenis. Omdal liel 11 hreeuwsclie werkwoord Nawang eigenlijk opborrelen beleekent, willen sommigen dul, er, wanneer hel in verband slaal mei spreken, eene verborgene kracht ol nadruk in zoodat bet dan niel bloot spreken beleekent, maar eene volle, overvloedige uiting, zooals overvloedig water uil eene bron opwelt, en ook beanl-woordl hieraan hel laatste werk woord Jerannénoe, hetwelk roepen ol luid zinyen beleekent. Nu is het spreken van de gedachtenis van Gods goedheid zooveel als een beidenken van Gods goedheid, gelijk wij haar kennen dooi' ons eigen gevoel en ervaring, ten einde haar alom bekend te maken. Want, al is hel ook dal wij gedwongen zijn te erkennen dal God in alle zijne deugden en hoedanigheden waardig is geprezen te worden, zoo is er toch niets dal ons meer treil dan zijne goedheid door welke Hij zich lol ons nederbuigl en zich onzen Vader betoont. Daarom is hel dat David ons door dit liefelijke lokt om blijmoedig en van harte God te loven, ol liever, dal wij als uitbarsten in zijn' lol, overeenkomstig de beeldspraak, die door hel vooralgaand werkwoord woord uitgedrukt.
8. Jehovah is genadig en barmhartig. Nu verheerlijkt hij door vele woorden de goedheid, waarmede God geneigd is genade te beloonen, want dit is de eigenlijke beteekenis van hel Hebreeuwsche woord Chanoen. dal wij door genadig hebben vertaald, en vervolgens, dat hij als het ware medelijden heelt met onze ellende en ons dus gaarne hulp verleent. Nu moet men echter opmerken dal David deze benamingen ontleend heelt aan de merkwaardige plaats van .Mozes in Ex. 34:6, en aangezien de Proleten hunne leer geput hebben uit de fontein der Wet, is het niel te verwonderen, dat zij hel visioen, dat bier wordt vermeld, in hooge eere hielden, want nergens wordt de aard Gods duidelijker en gemeenzamer bekend gemaakt dan hier. Daarom heelt David, als hij in weinige woorden wil uitdrukken wal wij omtrent God noodig hebben te weten, deze woorden hiervoor gebruikt. En hel is niet hel minste punt in zijne genade en goedertierenheid, dat Hij ons met zoo liefelijke, troostrijke woorden lol zich irekt. Want indien Hij zijne macht en sterkte op den voorgrond plaatste, dan zou Hij ons veeleer verschrikken en ter nederslaan door vrees dan ons opheffen ; gelijk de Papisten ons God alscbrikwekkend voorstellen, alsof Hij alle menschen uil zijne legenwoordigbeid verdrijft, terwijl eene rechte kennis van zijn wezen er ons juist toe zal brengen om Hem te zoeken. Hieruit volgt, dat hoe inniger gemeenschap men heelt
9ö9
Psalm 145 : 8â9.
met God, zooveel le beter zal men Hem hebben leeren kennen. Indien nu God ons niet sleehts begunstigen wil â als ik dit eens zoo noemen mag â maar ook door medelijden wordt bewogen met onze ellende, zoodat Hij vriendelijker voor ons wordt naarmate wij meer ongelukkig zijn, welk eene stompzinnigheid zou het dan niet verraden, zoo wij niet terstond de toevlucht tot Hem nemen! Daar wij echter door onze zonden zijne goedheid verre van ons houden en ons uit zijne tegenwoordigheid verbannen, zou de Proleet vergeefs van zijne genade en barmhartigheid spreken, indien de goedheid van God ook dezen hinderpaal niet uit den weg ruimde. Daarom was het noodig er bij te voegen hetgeen volgt, nl. dat Hij groot van yoeder-tierenheid zijnde de zonde vergeelt, en met lankmoedigheid de gebreken der menschen verdraagt, zoodat Hij hun genadig is, die zijne genade niet verdienen Nu is God ook wel lankmoedig over de goddeloozen, daar zij echter voor geene genade vatbaar zijn, is deze leer toch meer bijzonder tol de geloovigen gericht, die met een levendig bewustzijn des gelool's de goedheid Gods bemerken. Want tot de verworpenen wordt gezegd. Waartoe toch zal ulieden de dag des lleeren zijn'? hij zal duisternis wezen en geen licht (Amos 5:18). En wij zien hoe de Profeet Nahum reeds in zijn' aanhef tegen hen dondert. Want, nadat hij deze uitspraak van Mozes heeft aangehaald, voegt hij er onmiddelijk bij, opdat zij er zich niet op zouden verhoovaardigen : doch Hij is een zeer streng en onverbiddelijk Hechter (Nahum I : ^). Er blijft dus over dat zij, die Gods toorn hebben opgewekt door hunne zonde, zijne gunst en genade terug moeten erlangen door geloof.
9. Jehovah is goed over allen. Deze uitspraak gaat verder dan de vorige; want David verklaart hier, dat God in zijne vaderlijke goedheid niet slechts de zonde vergeelt, maar dat Hij weldadig is over alle menschen, zonder uitzondering, gelijk Hij ook zijne zon doet opgaan over boozen en goeden, (Matth. 5:45). Hoewel dus de vergeving der zonden een weggesloten schat blijlt voor de ongeloovigen, zullen hunne boosheid en verkeerdheid loch niet beletten, dat God zijne goedheid ook lol hen uitstrekt, maar het is op zulk eene wijze, dal zij haar inzwelgen zonder er den geur en smaak van te bespeuren. Inlusschen zijn het slechts de geloovigen, die weten wat hel is van Gods gunst en goedheid le genieten, gelijk ook elders gezegd is: Nadert tol Hem en wordt verlicht, en uw aangezicht zal niel schaamrood worden; smaakt en ziel dat Jehovah goed is (Ps. 34:9). Hetgeen
970
Psalm 145 : 9â14.
daarna gezegd wordt, nl. dul zijne barmJiartiqheden siju over al zijne tcerken, moet niet stroef ol ongepast worden geacht. Want daar onze zonde geheel de wereld onder den vloek Gods heeft gebracht, is er ook overal plaats voor Gods barmhartigheid, zoodat zij zelfs het redelooze vee te hulp komt.
10. Jehovah! al uwe werlcen zullen U loven. David komt lot de slotsom, dat hoewel velen den lof Gods dooi een boosaardig stilzwijgen begraven, die lof toch zal schitteren en als van zeil uitbreken, ja zells zullen de stomme schepselen hem luide verkondigen. Daarna voeg! hij er een' bijzonderen lof bij voor de geloovigen, die zoowel oogen hebben om Gods werken te beschouwen, als ook weten, dat er niets is dat zij liever zouden doen, dan zijne weldaden te verheerlijken. Hetgeen er nu wordt bijgevoegd: Zy zullen de heerlijkheid uws honinhryks vermelden beschouw ik alleen als gezegd van de geloovigen. Wil men het echter liever op alle schepselen Gods toepassen dan zal ik mij hier niet legen verzetten Maar die bepaalde manier van leeren, waarvan David hier gewaagt, past slechts voor de heiligen. Daarom verander ik ook den toekomenden tijd der werkwoorden niet, die hij gebruikt, terwijl anderen ze liever in den optatief, of wenschende wijze, nemen. Voorts geelt David door het woord Koninkrijk te kennen, dat de tentoonspreiding van Gods werken ten doel heeft de geheele wereld in ontzag voor Hem te brengen, zoodat zij zich onderwerpen aan zijne heerschappij. Hij verheerlijkt de voorlreffelijkheid van zijn koninkrijk, opdat de menschen weten dal alles verward en verkeerd zou wezen, indien God alleen niet heerschte over alles. Daarom roept hij uit, dat dit geen zwak en voorbijgaand Koninkrijk is, gelijk de aardsche koninkrijken zijn, maar dat het stand zal houden tot in eeuwigheid. En opdat dit eeuwigdurende des te aandachtiger beschouwd en overwogen zal worden, barst hij uil in bewondering, terwijl hij tol God zeiven hel woord richt.
ü. Jehovah ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen. 15. Aller oogen wachten op U; en Gij geeft hun hunne spijs te zijner tijd. 16. Gij doet uwe hand open, en verzadigt al wat er leeft door uw welbehagen.
14. Jehovah ondersteunt allen, Hij noemt eenige voorbeelden
971
Psalm 145 ; 1-4â15.
v;in ile goedlieid en vveldadii-heid Godü, vvaaiuit ijliikt dal Ciod niel anders heurscht dan tol welzijn van iicl mcnsclielijk geslaclil. Door Hen, die vallen en gelogen zijn, verslaal liij in beeldspraak allen, die gebukl gaande ondei legenspoed, zonden bezwijken, indien üod hun ,de hand niet toereikte om hen le ondersteunen. Waar het op neerkoml is, dal God acht geelt op de rampen der menschen, ten einde hen, die in benauwdheid zijn, te hulp le komen, llieruil volgl, dal Hij niel slechts waardig is, dal alle menschen Hem eerbiedige hulde brengen daar Hij heerschl in den hemel, maar dat zij zich ook gaarne en mei blijdschap door Hem laten regeeren. En intusschen wijst hij er ons op, dal zij, die bij God troost zoeken in hunne smart, niel teleurgesteld zullen worden.
15. Aller oogen wachten op U. Als een ander bewijs van Cxods goedheid voert David aan, dat Hij door aan alle levende wezens voedsel le geven, zich als een Vader jegens hen betoont. Nan wege dit woord wadden willen sommige Schrill.verklaarders dit verwachten van spijze uit de hand des liemelschen Vaders beperkt zien lol de menschen, die met versland en rede begaafd zijn, daar de redelooze dieren hun voedsel slechts zoeken door het gezicht en den reuk. Evenwel, olschoon er geen natuurlijk verstand in hen is, waardoor zij zich afhankelijk welen van Gods voorzienigheid, zoo is er toch een verborgen instinct in hen, dal hen dringt om voedsel te zoeken, en daarom wordt niet zonder reden van hen gezegd, dat zij op God hopen , gelijk ook in Psalm 1-47 : 9 gezegd wordt, dat de jonge raven tot Hem roepen. Zij, die dil dus alleen tol de menschen beperken, ontgaan daardoor dan toch niet aan hel ongerijmde, want de goddeloozen zien niel meer op de vaderlijke zorge Gods dan de ossen ol ezels. Daar dus de orde der natuur alzoo geregeld is, dal alle levende wezens zich neigen lol hun' Maker, zal het niet ongepast zijn om deze neiging hier voor de zaak zelve te nemen. Voorts wordt ook alle dubbelzinnigheid weggenomen dooi het volgende vers, waar gezegd wordt dal Hij verzadigt al wal er leell. i\u zegt hij, dat hunne spijze hun ter zijner tijd wordt gegeven, want de verscheidenheid zet aan de voorzieniglieid Gods nog meer glans en luister bij, daar allen op eene verschillende wijze gevoed worden, en hun verschillende soorten van spijzen gegeven worden, welke passen voor hunne verschillende behoellen. Daarom spreekt David er ook van als van hunne spijzen. Nu is hel betrekkelijk voornaamwoord, dat mei het woord Tijd in verband staal, niet meervoudig, en daarom kan hel niel op de
972
Psalm Uf) ; 15â10.
levende wezens zien. Hij beiloell dus mei Zijn tijd, de [.'eschikle of gelegene lijd, want ook Ie dien opzichte prijst God ons zijne wondere bescliikldng aan, dat [lij lijden heeft, vastgesteld als hooitijd, oogsttijd en dmiventijd, en den loop van het jaar zoo heeft geregeld, dat het. vee nn eens gevoed wordt met, gras, een andermaal met hooi of stroo, ja en ook met eikels of andere vnu-hten. Want. indien Mij alle zijne goederen tegelijk uitdeelde, dati zon het zeer ongeriefelijk zijn ze le ontvangen; daarom verdient dit âter rechter lijdquot; in den jaarlijkschen oogst van vruchten en levensmiddelen niet, weinig lol.
16. Gij doet uwe hand open. Dit is eene zeer juiste en Irel-fende voorstelling; want, daar de meeste menschen met gesloten oogen de goedheid Gods voorbijgaan, die zoo helder uitblinkt in deze schoone orde der natuur, stelt David God voor, zijne hand uitstrekkende en spijze uitdeelende aan alle levende wezens. Wij beperken onze beschouwing op dwaze wijze tot tie aarde, die ons voedsel oplevert, en tol natuurlijke middelen. Om nu deze dwaling le herstellen, stelt David ons als in eene schilderij Gods geopende hand voor oogen, terwijl Hij ons als het ware de spijze in den mond legt. In hel tweede lid nemen sommigen het Ilebreeuwsche woord Rütson voor Begeerte, alsol hij gezegd had, dal elke diersoort hel voedsel ontvangt, die het begeert; en voorzeker zal het een weinig later ook in dien zin genomen worden. Evenwel, er zijn anderen, die hel woord liever op God betrekken, omdat Hij uil loutere goedheid en genade de levende wezens voedt, want hel zou niet genoeg zijn le gelooven dal de spijze ons van den hemel is toebedeeld, indien dit tweede lid er niet bijgevoegd was, dal God uil loutere goedheid en genade milddadig is, en door geene uitwendige oorzaak gedrongen wordt om zoo overvloediglijk in de behoefte van alle levende wezens te voorzien En zoo zal hier dan de oorzaak voor hel gevolg zijn genomen; want de levensmiddelen zijn het gevolg van zijn welbehagen, gelijk de genadegaven de gevolgen zijn van zijne genade. En wat nu betreft dal zoowel menschen als dieren dikwijls honger lijden, dit moet aan hel bederl der natuur worden toegeschreven. Want sedert den val van Adam is de zoo schoone orde der natuur, die God van den beginne al ingesteld heeft, dikwijls verstoord geworden door onze zonden; en toch ziet men nog altijd vele overblijfselen van de milddadigheid Gods, die David heefl bezongen, want zelfs in de grootste schaarschle van de vruchten der aarde en het meest onvruchtbare jaar, zal God toch nog altijd zijne hand openen.
Psalm 145 ; 17,
17. Jehovah is rechtvaardig in al zijne wegen, en goedertieren in al zijne werken. IS. Jehovah is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid. 19. Hij zal de begeerte doen van hen, die Hem vreezen, en Hij zal hun geroep hooren en hen verlossen. 20. Jehovah bewaart al degenen, die Hem liefhebben, en zal alle goddeloozen verdelgen. 21. Mijn mond zal den lof van Jehovah uitspreken, en alle vleesch zal zijn' heiligen naam loven in dei-eeuwigheid en altoos.
17. Jehovah is rechtvaardig in al zijne wegen. Thans handell bij niet slechts over Gods weliladigheid in hel dagelijks verstrekken van voedsel aan ai wal leeft. maar hij sluit er ook de andere deelen van zijne voorzienigbeid bij in, zooais, dat Hij de zonden der rnenschen straft, de boozen in toom houdt, de lijdzaambeid zijner dienstknechten beproeft door hen een kruis op te leggen, en eindelijk de wereld regeert dooi' oordeelen, die dikwijls verborgen voor ons zijn. bn boewei het nu schijnt dat dit eene gansch gewone lolspraak is, daar zij in ieders mond is, zoo is het toch een blijk van booge wijsheid als men dit goed verstaal, dal God rechtvaardig is in al zijne werken, zoodat die lol altijd ongeschonden voor Hem in ons hart leelt, al zou de wereld dan ook onderst hoven gekeerd worden. Want, nadat allen de belijdenis hebben afgelegd dal God rechtvaardig is, zullen toch de meesten, zoodra zij in het een of ander beproefd worden over al te groole strengheid klagen. Voldoet ilij niet terstond aan hunne vvenschen en begeerten, dan murmnreeren zij: kortom er is niets zoo algemeen als kwaad te spreken van zijne lichtvaardigheid. Daarom is het niet zonder reden, dal deze rechtvaardigheid, welke door het booze oordeel der menschen overal als aan stukken wordt gescheurd, legen zoo groole ondankbaai beid wordt verdedigd; alsof hij zeide: al is hel ook dal de gelieele wereld de gerechligheid Gods met hun lasterlijk gepraat bezvvalkt, toch bestaat zij, ongeschonden en volkomen, en tot in eeuwigheid. Kn hij zegt uitdrukkelijk in al zijne wegen en in al zijne werken, want God wordt beroofd van de eere, die Hem toekomt, indien wij niet erkennen dal zijne gerechtigheid in alle zijne werken gelijkelijk gezien wordt.
974
Psalm 145 ; 17âlis.
Kn locli is niets iiioeielijllt;ei dim om, wanneet' wij gelnikl gaan ondei' tegenspoed, en hel scliijnl alsof'God ons lieell verlaten, ot dat Hij ons ten onreclile vei drnkt, d(j neiging van ons vleesch tegen te gaan, opdat wij niet, legen Gods oordeeien strijden, gelijk men eene merkwaardige geschiedenis verhaak van Keizer Mauritius, die zijne kinderen dooi' den hoozen verrader Phocas op wreedaardige wijze ter dood ziende brengen, terwijl hemzelf ook terstond daarna het leven moest henomen worden, herhaaldelijk uitriep: ileere, Gij zijl rechtvaardig, en al uwe oordeeien zijn recht. Gelijk nu deze godvruchtige man zich een schild voorhield tegen de heftigste verzoekingen, zoo laten ook wij leeren onze gedachten in toom te houden, opdat Gods gerechtigheid immer den lol ontvange, die haar toekomt David gaat echter nog verder, daar hij zegt, dat God, ook wanneer Hij het strengst schijnt te zijn, zijne oordeeien toch altijd door billijkheid en goedertierenheid tempert.
IS. Jehovah is nahij. Deze leer is zeer beslist voor de geloovigen, die God door een bijzonder voorrecht tot zich noodigt, daar hij belooft hunne wenschen en begeerten gunstig te zuilen wezen. En voorzeker zou hel geloof werkeloos, ja dood zijn, zonder het gebed, door hetwelk de Geest der aanneming zich openbaart, en door hetwelk wij getuigen, dal wij alle zijne beloften voor volkomen waar houden. Waar dit dus op neerkomt is, dat de onwaardeerbare genade Gods jegens de menschen zich hierin openbaart, dat Hij zich als een Vader jegens hen beloont. En daar wij nu, telkenmale als wij met gebed tot God naderen velerlei twijfel in ons voelen opkomen, of wel ganscb bevreesd en moedeloos tot Hem komen, terwijl ons geloof door angst wordt ondermijnd, spreekt David hier uit, dat God zich door alle menschen, die Hem aamoepen, laat verbidden. Maar omdat verreweg de meesten het aanroepen van God bederven en hinderen dooi hunne eigene bedenkselen, wordt in het andere lid de ware manier van bidden aangeduid, d. i het bidden in waarheid. Als de menschen op koude, onverschillige manier lol God naderen, of liever, als zij opgeblazen van hoogmoed en vervuld van ontevredenheid met Hem strijden in hun gebed, dan klagen zij nog, dat Hij hen niet verhoort, alsof er geen verschil was lusschen bidden en twisten, of' tusschen hel getuigenis des geloofs en veinzerij. Verreweg de meeslen zijn verzonken in ongeloof', en denken er nauwelijks aan dat er een God in den hemel is. Sommigen zonden Hem wel van daar willen wegrukken, anderen dat Hij aan hen onderworpen was, nog anderen trachten Hem
975
Psalm 145 : 18â19.
970
te vreden le slellon zontler dal hun dil veel moeite kost, en zoo is dan de gewone wijze van bidden niets dan een ijdel, beuzelachtig vertoon. En terwijl schier de geheele wereld tot God vlucht in den nood, is er nauwelijks een op tien, die met hel minste greintje geloof of hekeering tot Hem komt. Maar het zou nog beter wezen om Gods naam in vergetelheid te laten, dan Hem op deze wijze le bespotten. Daarom is het niet zonder oorzaak dal er waarheid vereischt wordt voor hel gebed, opdat hel uil. een ongeveinsd hart voortkome. En van deze onwaarheid, die het tegenovergestelde is van deze ongeveinsdheid, zijn vele en verschillende soorten; wan! ongeloof, twijfel, ongeduld, murmureering, valsche nederigheid, verdorven begeerlijkheden zijn even zoo vele leugens. En omdat nu deze leer van zeer groot belang en gewicht is, bevestigt David haar, bij wijze van van verklaring nog in het volgende vers. En men moet wei acht geven op deze herhaling, want onze natuur is zóó zeer geneigd tot ongeloof, dat er zeer weinigen zijn, die vastelijk gelooven, dat zij op de roepstem Gods niet te vergeefs bidden. En zoo geschiedt het dat hun geest door allerlei verkeerde neigingen heen en weder wordt gedreven, gelijk zij zich in het Pausdom tallooze beschermheiligen hebben gefabriceerd, omdat zij, in zekeren zin, er geene waarde aan hechten om de beloften Gods door een waar geloof aan le nemen, door welke Hij ons noodigt om lot Hem le komen. Opdat de deur ons nu des te heler geopend zou zijn herhaalt de Heilige Geest dooi' den mond van David de vei zekering, dal God de begeerten doet van alle de godvruchtigen; en hel is niet mogelijk om krachtig genoeg uit te drukken, hoezeer dit gezegde behoort door te dringen lol ons hart. Want, wal is de mensch, dat God aan zijne wenschen en begeerten voldoet? God, zeg ik, voor wiens hoogheid wij ons vol eerbied moeten nederbuigen, en aan wiens heerschappij wij ons met ootmoed behooren te onderwerpen! En toch buigt Hij zich zoozeer neder tot ons, dat Hij gaarne onze begeerten doet. Evenwel deze vrijheid behooren wij wel met zeer groote bescheidenheid le gebruiken, want het is ons niet geoorloofd om maar alles le begeeren wal wij willen, zoodat de godvruchtigen Hem maar om alles vragen wat hun in den zin komt; maar vóórdat God verklaart dat Hij aan hunne wenschen gehoor zal geven, geel! Hij aan hunne neigingen eene wet van gehoorzaamheid en gematigdheid, gelijk Johannes ons leert: Wij weten, zegt hij, dal Hij ons niets zal weigeren, mits wij bet Hem vragen naar zijn' wil (I Joh. 5:14). Daarom heeft Christus ons ook dezen vorm van gebed gegeven: Uw wil geschiede, ten einde eene omheining
Psalm 145:19â20.
om ons lieen te plaalsen, waardoor ons belet wordt op onzinnige wijze onzen wil te stellen boven Gods wil, ol wel, onverscbillig om alles le vragen wat ons in den zin komt. lin wanneer David uitdrukkelijk noemt Hen, die Hern vreezen, vóórdat bij bun de weldadigbeid Gods voorstelt, wil bij ben tot eerbied en geboorzaamheid bewegen, opdat zij niet denken, dal bet bun geoorloofd is meer le begeeren dan ilij goedkeurt of in en door zijn Woord vergunt. Hetgeen er bij gevoegd is betreffende hun (jeroep, is eene soort van correctie, want God beloont zicb niet altijd zoo licbt le verbidden, dat Hij terstond geeft betgeen waarom wij Hem vragen. Daarom is bet een blijk van geloo', om als bet noodlg is le volharden, zoodat het roepen getuigenis aflegt, van de begeerte. De laatste uitdrukking Hij zal hen verlossen is er ook bij wijze van correctie bijgevoegd, opdat wij zouden weten boe vei', en tot welk doel God de begeerten zijner dienstknecblen vervult, nl. opdat door de daad zelve blijke, dat Hij de trouwe Moeder is van hun heil.
30. Jehovah bewaart. Hij gaat voort met dezelfde leerstelling, le welen: dal God zijnen dienstknechten nabij is ten einde bun hulp le verleenen in bun' nood; want waar God tegenwoordig is, zullen de menscben, door welke gevaren zij ook omringd zijn, door zijne genade veilig wezen. En bel is wel opmerkelijk, dal hij nu in plaals van het woord vreezen het woord liefhellxn bezigt, want door de geloovigen onder deze hoedanigheid aan te wijzen, dat zij God liefhebben, loont hij, dat de wortel dei-ware godsvrucht gelegen is in eene liefdevolle onderworpenheid aan God, welke voortkomt uit het gelool Want lol dat God ons door het liefelijke zijner genade heeft gelrokken, zal deze vreedzame en gewillige onderwerping niet plaats hebben. Hel is echter ook mogelijk, dat bel liefhebben, waarvan David hier spreekt, eene wijdere strekking beeft. Want de geloovigen geven zich niet slechts aan God over om aan zijne geboden te gehoorzamen, maar wetende, dat niets begeerenswaardiger is dan om met liem in gemeenschap le zijn, zullen zij uil alle macht streven naar dit geluk. Inlusschen is er niet aan le twijfelen dat bier levens bei voornaamste punt in de ware heiligheid en gerechtigheid is aangegeven, evenals bij Mozes in Deut. 10 ; 19: Nu dan Isiaël, wat eisebt de Heere, uw God van u? dan den Ileere, uwen God, lief te hebben? David breidt deze vrucht der godsvrucht, dal wij onder de hoede Gods veilig bewaard zullen blijven, nog uit door eene tegenstelling, als bij verklaart dat door eene rechtvaardige wrake Gods alle poddeloozen om
Dl, II. 62
977
Psalm 145 : 20â21.
zuilen komen En opdat nn hel einde gelijk zal zijn aan liel begin, verklaart hij opnieuw, dat hij zeil den lof Gods zal ver-hondiyen, en door zijn voorbeeld wekt hij anderen op hetzelfde te doen. Want dat sommigen dit vertalen door Alles wal leell zal ii loven, wil mij niet behagen. Als Mozes, sprekende van den zondvloed, zegt, dal alle vleesch, waarin een adem des levens was, is omgekomen, dan â ik erken het â zijn ook de dieren daaronder begrepen, maar overal, waar het woord Vleesch gebruikt is zonder dat er iets bijgevoegd is, heeft dit alleen betrekking op den mensch. Daarom zegt David hier niet wat zij zullen doen, maar wat zij moeten doen, alsof hij wilde zeggen, dal Gods oneindige en onuitputlelijke goediieid alle menschen onder de verplichting brengt van Hem voortdurend te loven.
IPSALM 14(3.
INHOUD: Nadat David zich zeiven, cn, door zijn voorbeeld, ook anderen vermaand heeft den lof Gods te zingen, bestraft hij een kwaad, dat schier allen menschen eigen is, nl. dat zij zich zeiven bedriegen door hun betrouwen op allerlei middelen te vestigen. Tegelijk toont hij ook het geneesmiddel aan tegen deze kwaal, hetwelk hierin gelegen is, dat zij al hunne hoop en vertrouwen moeten vestigen op God. En opdat zij zich nu met te meer blijmoedigheid tot Hem zullen richten, wijst hij met weinige woorden op eenigen van de blijken zijner macht en genade.
Hallelujah! 1. Ã mijne ziel! prijs Jehovah. 2. Ik zal Jehovah prijzen in miju leven; ik zal miju' God psalmzingen zoolang ik nog ben. 3. Vertrouwt niet op Prinsen, op des menschen kind, bij hetwelk geene hulp is. 4. Zijn geest zal uitgaan, hij zal wederkeeren tot zijne aarde; te dien dage zullen al zijne raadslagen vergaan. 5. Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijne hulpe heeft, wiens verwachting op Jehovah, zijn1 God, is.
97S
Psalm 140 ; Iâ2.
1. Hallelujah. l)c laalsle vijl Psalmen eindigen mei lielzellcie woord, waarmede zij beginnen. Wanl na in hel algemeen aan ieder bevolen le hebben God te loven, richl hij nu hel woord lol zich zeiven, of, heigeen helzelfde is, lol zijne ziel, behalve dal hij mei hel woord ziel meer nadrukkelijk al zijne zinnen bedoek. In hel Iweede vers, als nu, om zoo le spreken, aangegord zijnde om zijn' plicht le volbrengen, bemoedigl hij anderen door zijn voorbeeld. Hieruil leeren wij, dal hel geene oppervlakkige en voorbijgaande aandoening was (gelijk dil mei velen hel geval is, die zich wel hunne lekorlkomingen in dezen verwijlen, maar loch lerslond weder in dezelfde foul vervallen) maar eene diepe en voortdurende aandoening des harten, die mei naarstigheid gepaard gaat, en de daad heeft het getoond, dat zij niet geveinsd was. En hel schijnt dal David , loen hij zag, dal hij in zijn godvruchtig streven belemmerd werd door de lagen en listen van Satan, in de eerste plaats zijn'eigen ijver geprikkeld en aangespoord heeft, eer hij zich als gids en leermeester van anderen voorstelde. Wanl hoewel zijne gezindheid inderdaad ernstig en oprecht was, wilde hij er zich loch niel op lalen voorslaan, voordal hij nog grooter ijver en vurigheid van geest had verkregen. En indien David hel nu noodig had om zich zeiven op te wekken en aan le sporen tol Gods lof, hoe grootelijks hebben wij er dan niet behoefte aan om ons zeiven aan le sporen lol zoo moeielijk eene zaak. als de behartiging van hel hemelsche leven en de verloochening van ons zeiven! Inlusschen moeten wij weten, dal wij nooit ijverig genoeg zijn in de oefening der godsvrucht, waarvan hier gesproken wordt, tenzij wij er ons zeiven ernstig en vastberaden toe dringen. En omdal nu God zijne dienstknechten in deze wereld voedt en onderhoudt, opdat zij zich hun leven lang zullen bezig houden met zijn' lof, is het volkomen terecht, dal ook David zich dil als zijn levensdoel voorstelt.
2. Vertrouwt niet op Prinsen. Deze volzin is hier zeer gepast ingevoegd, want de oorzaak van de blindheid der menschen is hierin gelegen, dat zij van lijd tol lijd met hun' geest, verward raken in allerlei bedenkselen, zoodat zij niel bij machte zijn om vrij en onbelemmerd God le loven. Opdal God nu zijn' vollen lof zal verkrijgen, bestraft David alle valsche sleunselen en doet ze weg, waarop wij anders maar al te geneigd zijn ons te verlaten. En hoewel het zijne bedoeling is om ons in het algemeen af le doen zien van alle menschen, noemt hij toch inzonderheid de Prinsen, van wie meer voor ons le vreezen is dan van
62*
979
Psalm UB : 3â4.
gewone mensclien. Immers, wal zouden zij kunnen beloven, die arm zijn, en zeiven hulp noodig hebben van anderen? Maai' de prooien en rijken lokken ons valschelijk door hunne praal en pracht, alsof er niels beiers was dan onder hunne schaduw weg Ie schuilen. En omdat nu eenvoudige lieden als bedwelmd worden, wanneer zij hunne rijkdommen aanschouwen, voegt hij bij, dat ook de machtigste van alle Prinsen der aarde, toch slechts een menschenkind is. Hieruit blijkt dan ook reeds genoegzaam onze dwaasheid, als wij hen aanbidden alsof zij halve goden waren, gelijk ook Jesaja hiervan spreekt in hoold stuk 31:3: De Egyplenaars zijn mensclien, en geen God, vleesch en geen geesl. Hoeveel macht de Prinsen dan ook hebben, hoevele schallen zij ook bezitten, hoe vele menschen en middelen hun ook ten dienste slaan, zegt David toch, dat wij gansch verkeerd doen, als wij onze hoop vestigen op een' brozen, slerfelijken mensch, en dal hel eene dwaasheid is heil te zoeken, waar hel niet le vinden is. Dil maakt hij nog duidelijker in het volgende vers, waar hij spreekt van de broosheid en kortheid van het menschelijk leven Want, hoewel God aan de Prinsen den teugel viert, zoodal zij, alles doende wat hun behaagt, zelfs den hemel aanvallen, toch zullen door het scheiden hunner ziel van hun lichaam al hunne raadslagen en al hun streven nedergeworpen worden, alsof zij door den stormwind waren weggevaagd. Daar hel lichaam de woonstede is der ziel, zal hetgeen hier gezegd is, niet ongepast van de ziel verstaan worden, want God roepl haar tot zich door den dood. Wij kunnen hel echter ook eenvoudiger verstaan van den adem des levens, en dit is ook meer in overeenstemming met het context, nl. dat de mensch, zoodia hij opgehouden heeft te ademen, een lijk is, onderworpen aan verrotting. Hieruit volgt, dal allen, die op mensclien betrouwen, afhankelijk zijn van een' adem-tocht, die in een oogenblik verdwijnt. Als hij zegt, dat te dien dage hunne raadslagen vergaan, of vervloeien, dan is dit een woord van ironie, gericht tegen de dwaasheid der Prinsen, die onverzadelijk zijn in hunne begeerlijkheden en verwachtingen, zoodat zij tot den hemel opklimmen, alsof zij de bergen op elkander hadden gestapeld, evenals die dolzinnige Alexander, Koning van Macedonie, die, loen hij hoorde, dat er vele werelden waren, weende, omdat hij ei niet nog een van aan zich had onderworpen, terwijl hij zich een weinig later met eene doodkist tevreden moest stellen. En waarlijk, de ondervinding leeit, dal de raadslagen der Prinsen groolc doolhoven zijn. Opdat, dus onze hoop daar niet dwaselijk verward gerake, verklaart David,
Psalm 140 : 'iâ5.
dat ook lid leven der Prinsen broos is en als in een oogwenk verdwijnt, en dal al hunne raadslagen dan met hen vergaan.
5. Welgeluhealig. Omdat het niet genoeg zou zijn geweest de ondeugd te bestraffen, voegt hij er het geneesmiddel bij, waarvan alle verbetering afhankelijk is, nl. dat des menschen verwachting dan goed gegrond is, als zij steunt op God alleen. Want soms komen zelfs wereldlingen er toe om te erkennen, dal wie zijne hoop vestigt op hel vleesch met geen versland te rade gaat. Daarom worden zij dikwijls in toorn ontstoken legen zich zeiven, omdat zij zoo onnadenkend hulp van de menschen verwacht hebben, terwijl zij, desniettemin, het geneesmiddel veronachtzamen, en dus ook niet van hunne dwaling genezen worden. Na dus de ijdelheid veroordeeld te hebben, waarvan wij hebben gesproken voegt hij er wijselijk bij, dat zij welgelukzalig zijn, die op God vertrouwen. Dezelfde orde wordt door Jeremia in acht genomen in hoofdst. 17:5, 7; Vervloekt is de man, die op een' mensch vertrouwt, en vleesch lot zijn' arm slell, enz., en daarna: Gezegend is de man, die op Jehovah vertrouwt. Als hij nu zegt dal zij welgelukzalig zijn, die God helpt, dan beperkt hij die gelukzaligheid der geloovigen tol hetgeen men voelen of tasten kan, alsof zij niet anders welgelukzalig kunnen zijn, dan wanneer God zich openlijk en in uitwendige daden hun Helper beloont, maar hij zegt, dal hunne gelukzaligheid is gelegen in hunne vaste overtuiging, dal zij niet anders beslaan dan door Gods genade. En waar hij nu den God Jahobs noemt, onderscheidt hij Hem van de menigte der valsche goden, waarin de ongeloovigen te dier lijd roemden, en dalwei zeer terecht en gepast, want, hoewel allen zich voorstellen God te zoeken, is er nauwelijks een op de honderd, die er den rechten weg voor inslaat. En gelijk hij nu den waren God door het Hem onderscheidend kenmerk aanduidt, toont hij levens aan, dal hel niet geschiedt dat iemand onzer op Hem steunt dan door hel welverzekerd geloof der aanneming; want, opdat zijne hulpe ons bereid zij. moet Hij ons genadig wezen.
6. Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; die trouwe houdt in dei-eeuwigheid. 7. Die recht doet aan hen, die ten onrechte verdrukt worden, die den hongerigen brood geeft; Jehovah die de gevangenen los maakt. 8. Jehovah
981
Psalm 146 : 0â7.
verlicht de blinden, Jehovah richt de gebogeneu op; Jehovah heeft de rechtvaardigen lief. 9. Jehovah bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande, en Hij zal den weg der goddeloozen verderven. 10. Jehovah zal in eeuwigheid regeeren; uw God, o Zion, is van geslachte tot geslachte. Hallelujah.
6. Die den hemel en de aarde gemaakt heeft. Door al deze hoedanigheden aan le duiden bevesligl de Profcel zijne vorige leerstelling. Want hoewel het hij den eersten aanblik seliijnt also! het bij dit onderwerp niet te pas komt om de schepping te vermelden, is het tocli wel zeer gepast om, telkenmale als wij door gevaar bedreigd worden, aan de macht Gods te denken. Want wij weten hoe licht Satan ons tot mistrouwen kan verleiden, en hoe wij hij het minste gerucht, dat wij hooien, door vreeze heen en weder worden bewogen. Indien wij echter bedenken dat God de Schepper is van hemel en aarde, dan zullen wij Hem de cere geven, die Hem toekomt door te erkennen, dat de heerschappij over de wereld, die Hij geschapen heeft, in zijne hand is. Daarom is er in deze eerste hoedanigheid eene lofspraak van zijne macht, die al onze vreeze behoorde weg le nemen. Omdat het echter niet genoeg zou zijn dal God ons kan helpen, zoo er niet de belofte bijgevoegd was, welke ons verzekert dal Hij hel ook wil, en zal, zegt David in de tweede plaats, dat Hij getrouw en waarachtig is, zoodal er nu geene plaats meer is voor twijfel, daar zijn wil ons bekend is gemaakt.
7. Die recht doet. Hij noemt nu nog andere voorbeelden zoo van de macht Gods als van zijne goedheid, welke voor ons even zoo vele redenen zijn om op Hem le betrouwen. En dit alles heeft ten doel om ons de verzekering te geven dat Gods hulp bereid is voor de geringsten en de meest verachten zoodal onze ellende dus ook niel verhinderen zal dat Hij ons te hulp komt, of liever, dat zijne natuur Hem dringt om aan ieder de bulpe te verleenen, die hij noodig heeft. Hij zegt ten eerste, dat Hij de verdrukten recht doet, opdat wij gedenken, dat al schijnt het ook voor ons vleeschelijk verstand alsof Hij het onrecht, dat ons wordt aangedaan, stilzwijgend aanziet. Hij toch geenszins zal nalaten te doen wal zijner is, nl de goddeloozen rekenschap
Psalm 140 : 7â8.
af Lu eisclien van hunne booze handelingen. Kortom, omdat het Gods wil is het geduld den zijnen te beproeven door het kruis, spreekt hij hier met name van de beproefden, opdat zij niet ternedergeslagen worden onder hunne ellende, maar kalm hun' Verlosser verbeiden, die slechts daarom een weinig vertraagt om hun ter hulpe te komen, opdat Mij als de rechtvaardige Rechter der wereld gekend zal worden. Nu volgt dal Hy den hongerig en brood geeft, waaruit wij leeren, dat Hij zich niet immer zoo mild betoont jegens de zijnen, dat zij met overvloed verzadigd worden, maar soms zijne zegeningen terughoudt, ten einde dan hulp te verleenen als het er loe komt, dat zij hongeren. Indien de Profeet gezegd had, dal de geloovigen ten volle verzadigd worden, en als het ware worden vetgemest, wie zou dan in tijden van hongersnood en schaarscble den moed niel verliezen? liet is dus niet zonder reden dat de genade Gods zich verder uitstrekt, zoodat Hij de hongerigen voedt. Ook hel overige, dat God de gevangenen losmaalit an de hlinden verlicht, heelt dezelfde strekking. Want, omdat het dikwijls gebeurt, dat de geloovigen door benauwdheid worden geperst, of gebukt gaan onder de tyrannie der menschen, of tot het uiterste worden gebracht van nood en ellende, alsof zij in eene enge gevangenis waren opgesloten, was hel noodig dal hun deze vertroosting werd voorgehouden, dat het voor den Heere gemakkelijk is een' uitweg te vinden als wij ons in nood of kommer bevinden. De blinden te verlichten beteekent zoo veel als licht uil de duisternis voor hen te scheppen. Zoo dikwijls wij dus van hulp en raad ontbloot zijn, en ons in verlegenheid bevinden, waaruit wij geen' weg ter ontkoming zien, zoodal wij gansch verbaasd zijn, alsof' de duisternis des doods ons had omgeven, moeten wij leeren Gode deze eer te bewijzen van te gelooven, dal Hij de duisternis zal verdrijven en onze oogen zal openen. Evenzoo, wanneer gezegd wordt, dat Hij de gebogenen opricht, laat ons leeren moed te scheppen, als het soms gebeurt dal wij zuchten onder onzen zwaren last en dreigen te bezwijken. Want God heeft niet slechts gewild, dat zijn lot hier verkondigd zal worden, maai de reden waarom Hij in zekeren zin zijne hand reikt aan de blinden, de gevangenen en verdrukten, is, dal zij hunne zorgen en smarten op Hem zullen werpen. En dal hij den naam Jehovah drie maal herhaalt is geene overtolligheid, want hierdoor spoort hij de menschen aan om Hem te zoeken, die dikwijls, hun leed verkroppende, liever omkomen in hunne ellende dan zich naar deze veilige toevlucht le hegeven. En waar ten laatste gezegd wordt dal Jehovah de rechtvaardigen liefheeft, schijnt dit eene
Psalm 1iG
soorl van correctie Ie zijn. Want voorzeker zijn er velen, die, hoewel zij in grooten druk verkeeren, zuclilen van wege den [â¢rooien nood en de verlegenheid, waarin zij zich bevinden, terneergeslagen en in duisternis zijn, toch geenerlei verlichting van God ontvangen, omdat zij alsdan door hunne halstarrigheid God nog meer lot toorn verwekken, en er van de honderd nauwelijks één is, die zijne genade inroept, zoodat zij dan het rechtvaardig loon hunner ondankbaarheid ontvangen. Daarom is liet niet zonder reden dat de Profeet thans tot de rechtvaardigen beperkt hetgeen hij eerst in het algemeen had gezegd, namelijk, dat God hulp verleent aan de ellendigen, opdat zij, die verlangen Hem als hun' Verlosser te gevoelen, zich met ongeveinsde neiging des harten aan Hem overgeven.
9. Jehovah bewaart. Door het woordfiguur Synecdoche verstaat de Proleet onder vreemdelingen, weezen en weduwen allen, die van menschelijke hulp ontbloot zijn. Want, daar ieder zijne eigene vrienden en magen begunstigt, weten wij, dat vreemdelingen meestal aan eene slechte behandeling zijn blootgesteld. Er worden niet velen gevonden, die zich ais de verdedigers en handhavers van de zaak der weduwen en weezen voordoen, want er is geene hoop op belooning, en zoo doet men niets dan vergeelVche moeite. Door deze voorbeelden toom dus de Proleet, dat, in welke benauwdheid wij ons ook bevinden, wij het aan ons zeiven te wijten zullen hebben, indien God, die de bedroefden en beproefden zoo vriendelijk tot zich roept, zijne hand niet uitstrekt om ons Ie hulp te komen. Daarentegen verklaart hij openlijk en duidelijk dal het den boozen verachters van God in alle opzichten slecht vergaan zal. In den eersten Psalm hebben wij gezegd, dat door het woord Weg de geheele loop des levens verstaan wordt. De lleere zal dus den weg der yoddeloozen verderven, want hij zal al hnnne raadslagen, al hunne daden, alles wal zij hebben ondernomen, met zijn' vloek treffen, zoodat zij nergens voorspoed in zullen hebben. Hoewel zij dus sterk zijn in raad, ja zells listig en geslepen zijn, en overvloed hebben van alle goed, zal God toch al hunne verwachtingen op niets doen uitloopen. Want, gelijk Hij aan de zijnen zijne hand toereikt en hen over alle hindernissen heen helpt, ja hen zells leidt daar, waar geen weg is, zoo zal Hij van den anderen kant z^lfs den vlakken, effen weg der verworpenen verstoren
10. Jehovah zal in eeuwigheid regeeren. Hij richt hel woord tol de Kerk, ten einde alle godvruchtigen er des te beter van
Sâ10.
Psalm 14G : 1U.
te overtuigen, dal zij God in waarheid zoodanig zullen bevinden, als hij Hem beschreven heelt. En als hij nu God een eeuwig Koning noemt, moeten wij ook verstaan met welk doel Hij regeert. De omschrijving daarvan moet gevonden worden in de voorafgegane lofspraak. Hieruit volgt dat wij zoowel in den dood als in het leven veilig zullen zijn onder de bescherming van dien Koning, die niet anders regeert dan tot ons heil. Indien hij eenvoudig gezegd had: Jehovah zal eeuv,ig regeeren dan zou men allicht hebben kunnen antwoorden, dat wij ver verwijderd zijn van zijne onbegrijpelijke heerlijkheid. Daarom verklaart hij uitdrukkelijk dat Hij aan zijn verkoren volk verbonden is door het verbond, dat Hij met hen heelt gesloten.
T'SAT.TVJ 1-4-T.
INHOUD: Ook deze Psalm nootligt de geloovigen om God te loven, en wel om twee redenen, nl. omdat zijne macht, wijsheid, goedheid en andere deugden uitblinken in het algemeen bestuur der wereld en in de onderscheidene deelen van hemel en aarde. Maar bovenal omdat Hij door ecne bijzondere genade de Kerk beschermt en in stand houdt, die Hij uit vrije goedheid heeft verkoren, ja, haar wederopricht als zij is gevallen, en bijeenverzamelt als zij verstrooid is geworden.
1. Looft God, want onzen God te psalmzingen is goed, want het is liefelijk; de lof is betamelijk. 2. Jehovah bouwt Jeruzalem; Hij zal Israels verstrooiden vergaderen. 3. Hij geneest de gebrokenen van harte, en Hij verbindt hen in hunne smarten. 4, Hij telt de menigte der sterren, en geeft aan ieder derzelve hare namen. 5. Onze Heere is groot en van vele kracht; zijns verstands is geen getal. 6. Jehovah ondersteunt de ellendigen; de goddeloozen vernedert Hij tot de aarde toe.
Psalm li? ; 1â±
1. Looft God. Hoewel de Profeet hier de weldaden vermeldl, die God aan hel gelieeie menschelijk geslacht, zonder onderscheid, doet toekomen, is er toch niel aan te twijfelen dat deze woorden eigenlijk tot de geloovigen zijn gericht, die alleen de ooggetuigen zijn van Gods werken, daar de ongeloovigen door hunne verblinding en de stompzinnigheid van hun hart van versland ontbloot zijn. En hij handelt niet slechts over de gemeene weldaden Gods, maar hij looft inzonderheid die genade, welke uitblonk in het uitverkoren volk. En opdat nu de Kerk zich des te blijmoediger lot den lof Gods zal begeven, zegt hij dat deze oefening der godsvrucht goed, aangenaam en lielelijk is, terwijl hij zijdelings de verkeerdheid bestraft van schier hel geheele menschdom, daar hel hun lastig i? om, op welke wijze dan ook, van God te hooren spreken, maar er groolelijks behagen in scheppen God en zich zeiven te vergeten, ten einde des te vrijer zich aan hunne eigene neigingen le kunnen overgeven. Opdat de menschen dus leeren zich in deze oefening der godsvrucht le verlustigen, zegt de Profeet dat de lof hetameljjk, of hegeerlijk is, wanl hel Hebreeuwsche woord Nawa kan in beide beleekenissen genomen worden.
quot;1. Jehovah houwt Jeruzalem. Hij begint met de bijzondere genade door welke God zijne Kerk heelt willen eeren, toen hel Hem behaagde een volk aan le nemen met voorbijgang van alle andere volken, en zich eene plaats le verkiezen, waar Hij zou worden aangeroepen. Want, als Hij hier de Stichter van Jeruzalem wordl genoemd, dan heelt dit niet zoo zeer betrekking op den vorm, of hel uitwendig gebouw, als wel op den geestelijken dienst van God. En liet is de gewone beeldspraak om hel woord gebouw of tempel te gebruiken, wanneer over de Kerk wordt gehandeld. Waar hel dus op neerkomt is, dal de Kerk niet door menschelijke middelen gebouwd is, maar door de hemelsche kracht Gods. Want het is niet de waardigheid der plaats, die Jeruzalem tot Gods eenige woonplaats op aarde maakte, en evenmin heeft Jeruzalem zich door hare wijsheid, vlijt, arbeid of hulp van menschen die hooge eer verkregen, maar hel heeft God behaagd zich die plaats af te zonderen. Wel is waar heeft God den arbeid en den dienst der menschen gebruikt; maar toch is dit geene reden waarom zijne genade verduisterd zou worden, daar het alleen door haar is dat de heilige Stad van de overigen is onderscheiden. En voorls noemt de Profeet God daarom den Kunstenaar en Bouwmeester der Kerk, opdat wij zouden welen, dat zij door dezelfde kracht in stand wordt gehouden, of, zoo
Psalm 147 ; -1â4.
zij vuil, weder opgericht wordt. Hieruit leeren wij tevens, dal hel in zijne macht en naar zijne beschikking is, de verstrooiden wederom hijeen te verzamelen. Want de Profeet heeft hier de arme ballingen willen vertroosten; die ginds en her verspreid waren, opdat zij de hope zouden koesteren dal zij uit deze verstrooiing weder bijeenverzameld zouden worden, want het was niet te vergeefs dat God hen had aangenomen om lol één lichaam vereenigd te zijn. De Profeet vermaant dus de Joden, die uil hun land verdreven waren, goede hope te hebben dat zij terug zouden keeren, aangezien God bevolen had, dat Hem een' Tempel en een altaar opgericht zouden worden te Jeruzalem, en die plaats tot zijne woonstede had bestemd, alsof hij zeide, dal het niet minder Gods eigen werk was de Kerk te herstellen en weder op te richten, nadat zij verdorven en verwoest was, dan het van den beginne zijn werk is geweest hare grondvesten te leggen. Hel was dus niet de bedoeling van den Proleet, om eenvoudig de goedheid van God te loven van wege de eerste grondlegging der Kerk, maar uil dien eersten oorsprong af le leiden, dal God, daar Hij hel werk zijner handen niet zal laten varen, niet zal toelaten, dat zij voor altijd verwoest is en in haren puinhoop zal blijven nederliggen, maar haar ten einde toe zal bewaren en in stand houden. En deze vertroosting behoort ons heden ten dage voor den geest le komen, nu wij de Kerk zoo treurig verscheurd zien, opdat de hoop ons bijblijve, dat alle de uitverkorenen, die ingeënt zijn in hel lichaam van Christus, hoewel zij thans ellendig verstrooid zijn, als lakken, die van den boom zijn afgehouwen, toch wederom tot de eenheid des geloofs zullen komen, en dal het verminkte licbaam der Kerk, hetwelk dagelijks uiteen wordt gereten, hersteld en volkomen gezond zal gemaakt worden, omdat God niet zal toelaten, dat zijn werk voor altijd verstoord zal blijven. Met diezellde leerstelling gaat hij ook voort in het volgende vers, want dat is de strekking van het beeld: hoewel de Kerk zeer krank, ja gansch bedekt is met wonden, zal hel voor God toch gemakkelijk zijn haar te genezen. Hieruit blijkt, dat onder verschillende vormen dezelfde zaak herhaald wordt, nl. hoewel de Kerk niet altijd in bloeiendcn toestand verkeert, zal zij loch altijd veilig bewaard blijven, omdat God haar wonderbaarlijk zal genezen, als een lichaam dat gansch mei zweren en wonden bedekt is.
4-. Hij telt de menigte der sterren. Omdat hel zou kunnen schijnen dat de bijeenverzameling van het volk, waarvan de Profeet heeft gesproken, ongelooflijk is, hebben zij, die meenen
'JH?
Psalm : 4â0.
dat dit hier in ilit vers bevestigd wordt, daar wel goede gronden voor. Zie hier dus, hoe zij de woorden van den Proleet verklaren ; Duar het niet moeielijker is menschen bijeen te verzamelen, die heinde en ver verstrooid waren, dan de sterren te tellen, die uan den hemel zijn, is er ook geene reden waarom de zwervende ballingen Israels aan iiun'teruükeer zouden wanhopen, mits zij allen eenstemmig lot God gaan als lol hun eenig Hoold. Niet minder waarschijnlijk zou de andere gissing wezen, dat de Profeet hier zinspeelt op de belolte in Genesis 15:5: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren; zoo zal uw zaad zijn. Daar echter de Proleet terstond daarop over fgt;eheel de orde der natuur handelt, zal het (naar mijn oordeel) eenvoudiger wezen om ook dit vers van hel wonderbare werk des hemels te verklaren, waarin de onvergelijkelijke wijsheid Gods uitblinkt, als Hij den zoo ingewikkelden loop der sterren op zulk eene wijze regelt, dal zij in geen enkel punt uil hare banen wijken. Aan elk derzelven kent hij een' bijzonderen en bepaalden dienst loe, zoodal onder die zoo groote menigte toch geene verwarring heerscht. Daarom is hel terecht dat de Proleet uitroept, dat God yroot is en van vele kracht, en dat zijns ver stands geen getal is. Hierin wordt ons geleerd, dat niets méér verkeerd is dan de werken Gods, waarin Hij dikwijls zijne wijsheid en oneindige macht tentoonspreidt, naar onze bevatting te willen afmeten
6. Jehovah ondersteunt. De eigenschap, die liier aan God wordt toegekend, dient om in tegenspoed onze hoop te bevestigen, opdat onder de beproeving van het kruis ons hart niet bezwijke. Tevens leeren wij hier ook uit, dal hoewel met de Vaderen onder de Wet zachter werd gehandeld, zij toch niel vrijgesteld waren van den strijd, waarmede God ons heden ten dage beproeft, opdat wij de ware rust elders dan in deze wereld zouden zoeken. Wanneer dus onder hevige vervolging deze twijfel in ons hart sluipt: Waar is nu die hulpe, waarvan God beloofd heelt dat zij ons ten allen tijde bereid zou zijn? zoo laat ons gedenken aan deze uitspraak, dal wij naar de diepte worden gebracht, opdat wij daarna door de hand Gods opgeheven zouden worden. En wanneer ook te eeniger lijd de nijd in ons hart opkomt en ons steekt, als wij zien hoe de goddeloozen zich baden in genot, zoo laat ons gedenken aan het woord, dal hier door den Profeet is gesproken, dat zij hoog opgeheven worden, opdat zij des le dieper nedergeslingerd zouden worden. Want, als hij zegt, dat zij tot de aarde toe vernederd zullen worden, dan is er niet aan te twijfelen, dat hij zijdelings hun' hoogmoed bestraft, door
988
Psalm 147 : GâS.
welken zij zich verlipflen lol boven de wolken, alsol'zij niet lol liel gelai der menschen behoorden.
7. Zingt Jehovah met lof; psalm/,ingt onzen God op de harp. 8. Die de hemelen met wolken bedekt, die voor de aarde regen bereidt; die het gras op de bergen doet uitspruiten. 9. Die het vee zijn voeder geeft, en aan de kinderen der raven als zij roepen. 10. Hij zal geen lust hebben aan de sterkte des paards; Hij zal geen welgevallen hebben aan de beenen des mans. 11. Jehovah heeft een welgevallen aan hen, die Hem vreezen en die op zijne goedertierenheid hopen.
7. Zingt Jehovah. Wederom wekt de Profeet op lol den iof God?, en tegelijker lijd geefl iiij le kennen, dnl de slofdaarloe niel zal onlbreken, daar van uur lol uur nieuwe leekenen van zijne maclil, goedheid en wijsheid gezien worden. En hij zegl len eersle, dat Hij de hemelen met wolken bedeld, door welke verandering onze zinnen opgewekl moeien worden, zoo wij len minsle niet gansch en al verdwaasd zijn. En voorzeker, hoezeer ook de tallooze wonderen Gods aan hel uitspansel schilleren, indien de hemel allijd helder bleef, dan zou zijne kracht niet zoo duidelijk gezien worden, als wanneer Hij hel zwerk omfloerst, mei wolken, en hel licht der zon terughoudt, zoo dal Hij aan de wereld als hel ware een nieuw aanschijn geefl. Daarna zegl bij dal God door dit middel in de behoefte voorziet van alle dieren, want het is daardoor dat het gras uitspruit, en aan de aarde de vochtigheid wordl gegeven, die noodig is om haar vruchtbaar te maken. Aldus geeft God ons in dit voorbeeld zijner macht de verzekering van zijne genade en vaderlijke liefde voor het menschelijk geslacht, ja meer, Hij toont, dat Hij ook de wilde dieren en hel vee niet veronachtzaamt. En inderdaad is het ook wel waardig om opgemerkt le worden, dat er geen enkele droppel regen valt op de aarde zonder het gebod Gods. De Philosophen zullen de oorzaak van den regen wel vinden in de elementen, en men moet ook niet ontkennen dal de wolken ontstaan door de dikke nevelen, die uit de aarde en de zee opstijgen; maar de middelijke oorzaken moeten de voorzienigheid Gods niet verduisteren, alsof zij het niet was, die aan de aarde de
080
Psalm 14-7 ; 8â10.
nooiJiye vochliglieid mededeelt om haar vrucliten le doen voortbrengen. Eindelijk, gelijk de aarde gespleten wordt door droogte, en zij in zekeren zin haren dorst te kennen geelt door liaren mond te openen, zoo geelt God van zijn' kant haar te drinken door den regen le doen nederkomen. Wèl zou Hij haar door andere en verborgene middelen de Irischheid kunnen geven, die zij hehoeit om niet te bezwijken , maar de besproeiing is een zichtbaar bewijs van zijne voortdurende zorge over ons.
9. Die het vee zijn voeder geeft. Door een bijzonder voorbeeld le noemen verklaart hij nu duidelijker wat hij reeds gezegd heelt, nl. dat God aan alle levende wezens spijze geeft. En wanneer hij nu veeleer van het vee en van de raven, dan van de menschen zegt dat zij verzadigd worden, dan wordt de zaak hierdoor nog verhoogd. Voorzeker is de wereld geschapen en van vruchtbaarheid en overvloed voorzien ten behoeve van den mensch; en hoe dichter wij tot God naderen, hoe meer Hij ons zijne milddadigheid toont. Maar indien Hij hel niet versmaadt om dit zelfs tot het redelooze vee uit te strekken, dan blijkt hieruit ten duidelijkste, dat Hij in waarheid onze Vader en Verzorger is. De reden waarom Hij de raven noemt, die onder de vogelen wel de minst geachte is, is om ons te leeren, dat. Gods weldadigheid zich uitstrekt tot allo deelen der wereld. En als hij zegt dat de jonge raven tot God roepen, zinspeelt hij ongetwijfeld op hun gekrijsch Intusschen geeft hij ons echter le verstaan, dat zij hun gebrek le kennen geven, indien God hun geen voedsel van den hemel doel toekomen. Want als de â loden de label vertellen, dat de oude raven hunne jongen verlaten zoodra zij uitgebroed zijn, en dal de schors der hoornen wormen voortbrengt om ze te voeden, dan volgen zij slechts hunne gewoonte, want zij schamen zich niet om maar alles te verzinnen wat zij willen, al is er ook geen schijn van waarheid voor, telkenmale als hun iets voorkomt dat duister is, en waar zij geen weg mede weten. Voor ons moei het genoeg zijn, dal geheel de orde der natuur zoo door God bestierd wordt, dat zelfs de jonge raven, die door hun gekrijsch te kennen geven dat hun hongert, en die geeneilei middel hebben om in hunne behoeden te voorzien, zoo God hun niet le hulp komt, geen gebrek aan voedsel hebben.
10. IIjj zal geen lust hellen. Nadat de Profeet geloond heeft dat geen enkel deel der wereld ontbloot is van Gods weldadigheid,
verklaart hij nu in even zoo vele woorden dal de menschen
090
Psalm 147 ; 11â1'2. 991
geenerlei kraclil ol marlil hebben (inn die hun van ilen hemel gegeven is En dil voegl hij er opzettelijk bij ten einde den hoogmoed Ie bestrallen, waarmede schier alle menschen zich opblazen, zoodal zij steunen op hunne eigene kracht. De beteekenis der woorden is: Laai de mensch komen met al zijne kracht, en alle de gaven en lalenlen medebrengen, waarvan hij zich zoo ruim voorzien acht â hel zal rook en leugen zijn. En wal meer is, indien hij zich ook maar het minste ol geringste aanmatigt, dan zal hij hiermede Gods genade verdrijven, door welke alleen wij bestaan. Onder de sterkte des paards begrijpt hij door hel woordfiguur Synecdoche allerlei soort van hulpmiddelen. Niet alsof de middelen, die God ons geelt, op zich zeiven Gode mishagen, maar omdat het noodig is om ons van alle onheilig betrouwen op dezelven los te maken. Want niets is meer algemeen dan zich door waanzinnigen hoogmoed te bedwelmen, zoodra wij eenigerlei macht of bekwaamheid hebben. Daarom stelt hij de vreeze Gods en de hope, die betrouwt op zijne barmhai tigheid tegenover de kracht zoowel der menschen als der paarden, alsof hij zeide dat in de eerste plaats die bescheidenheid van ons wordt geëischt, dat wij bij onze heilige aanbidding van God, steunen op zijne genade Hieruit leeren wij dal geene andere kracht of sterkte door God veroordeeld wordt dan die, welke Hem van zijne eet berooft.
12. O Jeruzalem! roem Jehovah; o Ziou, loof uwen God. 13. Want Hij maakt de grendelen uwer poorten sterk; Hij zegent uwe kinderen in uw midden. 14. Hij stelt vrede in uwe landpalen, Hij verzadigt u met het vette der tarwe.
12. O Jeruzalem roem Jehovah. Na in het algemeen over Gods weldaden gehandeld te hebben, richl de Profeet zich wederom tol de geloovigen, die alleen, gelijk wij te voren gezegd hebben, met den smaak zijn begiftigd om de weldaden met dankbaarheid te ontvangen, die de wereld inzwelgt zonder er den geur van te genieten. Met den naam Jeruzalem bedoell hij geheel de Kerk, want toenmaals hebben de geloovigen aldaar hunne heilige vergaderingen gehouden, en zijn er als hel ware onder Gods banier bijeengekomen. En daar hij een weinig later wederom van hel algemeen bestuur der wereld zal spreken, verheerlijkt bij nu de genade Gods, die Hij alleen aan zijne geloovigen
Psalm 147 ; 12âU.
betoont,, nl. door zijne Kerk te beschermen, haar liefderijk te verzorgen, haar mildelijk te voorzien van alle goed, haar veilig te bewaren tegen alle gevaar, en haar vrede en rust te schenken. Want als hij zegt dat de grendelen der poorten door God versterkt si/n, bedoelt hij, dat de heilige Stad zóó versterkt is door de bescherming Gods, dat zij geene vijanden behoeft te vreezen. De zinsnede, die hier op volgt, dat Hij vrede zal stellen in alle hare landpalen heeft dezelfde strekking, nl. dal de vijanden door God verre weggedreven zijn, zoodal zij haar niet kunnen kwellen of beroeren Niet alsof de Kerk altijd en naar alle zijden vrede zal hebben, en door geene invallen der vijanden zal iiebben te lijden; maar omdat God openlijk zijne hand tegen hen keert om hunne aanvallen af te weren, zoodal zij onbevreesd de vijanden, die haar omringen, kan verachten; tenzij men wellicht aan het woord Vrede eene wijdere strekking zou willen geven, daar het dikwijls genomen wordt voor een' toestand van voorspoed en geluk. Omdat hier echter melding gemaakt wordl van de landpalen, schijnt de eerste verklaring meer gepast. Daarna wordt er de innerlijke zegen Gods bijgevoegd, waardoor bet geschiedt, dat de burgers er geluk en voorspoed hebben, en terzelfder lijd overvloediglijk verzadigd worden. Niet dal de 'kinderen Gods ailijd in weelde leven en uilgezochte spijzen hebben, helgeen hen zon kunnen verderven, omdat het vleesch maar al te geneigd is zich te buiten te gaan ; maar omdat zij in hun dagelijksch voedsel Gods milddadigheid duidelijker zien dan de ongeloovigen, die óf zich zeiven verblinden door overdaad van genot, óf zich kwellen door overbezorgdheid als zij gebrek hebben, of wel dooi' onver-zadelijke begeerlijkheid worden verteerd. Nu is de vaderlijke gunst van God jegens de vaderen, die onder de Wel hebben geleefd, bovenal geopenbaard in overvloed van spijzen, omdat het in dien tijd noodig was, dat zij door deze eerste beginselen lol hooger opgeleid zouden worden.
15. Als Hij zijn bevel op de aarde zendt, dan loopt zijn woord zeer snel. 16. Hij geeft sneeuw als wol; Ilij strooit den rijm als asch. 17. Hij werpt zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor zijne koudel
18. Hij zal zyn woord zenden, en ze doen smelten; zijn wind zal waaien, en de wateren zullen vloeien.
19. Hij maakt Jakob zijne woorden bekend, Israël
99-2
Psalm 147 : 15â18.
zijne inzettingen en zijne rechten. 20. Alzoo heeft Hij niet met ieder volk gedaan, en Hij heeft hun zijne rechten niet geopenbaard. Hallelujah.
15. Als Hij zijn hevel op de aarde zendt. Wederom noemt hij eenige voorbeelden van Gods werken, die uitblinken in de orde der natuur. Want daar de wereld in den waan verkeert, dat de veranderingen in de lucht en de aarde, die evenzoo vele getuigenissen moesten zijn van zijne macht, bij toeval plaats hebben, zegt de Profeet uitdrukkelijk, eer hij over sneeuw en rijp en ijs handelt, dat de aarde door zijn' wenk en gebod wordt geregeerd. Want het uitzenden van zijn woord is niets anders dan de verborgene werkzaamheid, waardoor Hij alle dingen regelt en beheerscht. Want indien Hij hel niet aldus beval en ordonneerde, zou er geene beweging zijn in de elementen, noch zouden zij door hunne eigene kracht ol' aandrilt heen en weder gevoerd worden, indien zijn verborgen raadsbesluit niet vooral-ging. Hij zegt, dat zijn woord zeer snel loopt, omdat, zoodra God toont wal Hij wil dat geschieden zal, alle dingen gereed zijn om Hem te gehoorzamen. En, tenzij wij vasthouden aan dit beginsel, zal al onze schranderheid, waarmede wij de tweede oorzaken, of ondergeschikte middelen, ontdekken, op niets uit-loopen. Zoo heeft bijv. Aristoteles al zijn scherpzinnig verstand ten beste gegeven in zijn werk over de Meieoren, zoodat hij daarin zeer nauwkeurig handelt over de natuurlijke oorzaken er van, maar het voornaamste punt voorbijziet, waarin ieder, hoe ongeleerd ook en onbekwaam, zoo hij maar iels van ware godsvrucht afweet, hem zal overtreffen. Want hij moet voorzeker wel van alle versland ontbloot zijn, die door de zoo plolseling ontstane sneeuw en rijp niet van deze snelheid van Gods Woord onderricht wordt. Indien wij dus niet gansch averrechts over de werken Gods willen philosopheeren, dan moeten wij altijd uitgaan van het beginsel, dal elk deel der wereld bereid en gereed is Gods welbehagen te doen, zoodat geheel de orde der natuur niets anders is dan de vaardige, snelle uitvoering van hetgeen Hij gesproken beeft. Want voorzeker, als het water in ijs wordt verkeerd, als de hagel door het luchtruim klettert, als de rijm de lucht verduistert, dan blijkt hieruit met welk eene kracht van uitwerking Hij spreekt. Maar indien het grootste deel der wereld verbaasd en verstomd is tegenover zoovele wonderen, dan zal de nijpende kou, die onze leden verstijft, ons reeds noodzaken de macht van God le bewonderen. Want
Dl. II. C3
993
Psalm 147 : 18â20.
gewis, als de liille der zon ons verschroeit in den zomer, terwijl in den winter alles bevriest en verstijft, dan roept deze verandering, die ongelooflijk zou zijn, indien wij haar niet voor oogen hadden, luide dat er eene goddelijke macht is, die heersciit in den hemel.
19. Hij maakt Jakob zijne woorden hekend. Uier wordt van een ander woord gesproken dan waarvan te voren melding is gemaakt. Want er werd gezegd dat tot de levenlooze schepselen het gebod Gods op eene andere wijze uitgaat, daar Hij hen door eene verborgene neiging leidt om zijn' wil te doen, terwijl Hij de menschen, die met versland en rede begaafd zijn, openlijk en duidelijk onderwijst, opdat zij welbewust en gewillig volgen waar Hij hen roept. En hoewel nu de weldaden, waarvan iiij eerst heeft gesproken, wel waardig zijn om ten zeerste op prijs Ie worden gesteld, zoo wordt dit alles toch hierdoor zeer ver overtroffen, dat Hij zich verwaaidigd heeft hun de leer der godsvrucht voor te houden, welke de schat is der eeuwige zaligheid, zoodat Hij zelf hel ambt van leeraai zijns uitverkoren volks op zich heelt willen nemen. Want, wal zou hel der Kerke baten, indien zij overvloed had van vergankelijke dingen, en beschermd zou zijn tegen hel geweld der vijanden, indien hare hope niet gevestigd was op hooger dan deze wereld. Dit is dus hel grootste bewijs zijner genade, dal Hij ons hel licht des hemelschen levens voorstelt in zijn Woord. Daarom is het niet zonder reden, dal dit hier bijgevoegd is als hel hoogste en meest wezenlijke geluk. Laat ons dan hieruit leeren om de leere Gods niet slechts met eerbied en heilige gehoorzaamheid te ontvangen, maar haar ook met liefde te omhelzen, wanl men zou zich niets lielelijkers of begeerenswaardigers kunnen voorstellen, dan dal God de zorge op zich neemt voor ons heil, ja dit zelfs gemeenzaam getuigt door ons als hel ware bij de hand te nemen en lol zich le voeren. Want het doel dezer leer is, dal deze dierbare en goede Vader ons le midden van de dikke duisternis dezer wereld. en van de velerlei verbijsterende dwaalwegen, waarop Salan hel verdoolde menschdom rondvoert zal verlichten, totdat wij in hel hemelsch erfdeel ingeleid worden. En men moet er op lellen, dal hieraan God zeiven toegeschreven wordl hetgeen Mozes en de Profeten op Gods bevel ten uitvoer hebben gebracht. Want dan zal de leer der godzaligheid naar behooren worden geëerd en op den rechten prijs gesteld, als wij ons hart en onze gedachten opheffen tol God, die zich wel van menschen bedient, maar zich daarom niet
994
Psalm 1-47 : 20.
onldoet van hel ambt van den oppersten, eenigen Leeraar. iliernit volgt, dus dat de majesteit des Woords geëerd wordt in den Persoon, die er de Auteur van is. Ten slotte verhoogt de Proleet deze genade door eene vergelijking, als hij verklaart dat God alzoo niet ieder volk gedaan heeft. Want als men vraagt naar de reden waarom God een volk boven alle anderen verkoren heeft, dan zal dit voorrecht ons brengen lol de bron der vrij-macblige verkiezing. Want wij zullen bevinden dal de kinderen Israëls van de andere volkeren niet onderscheiden waren door hunne eigene deugden, maar omdat het Gode behaagd heeft hen, met voorbijgang van alle anderen, aan le nemen.
PSALM
INHOUD: Ten eiivle beter en kraelitiger uit te drukken hoe lofwaardig God is in zijne werken, noodigt hij alle schepselen uit om zijn^ lof te zingen. Want, schoon hij begint met de engelen, richt hij terstond daarna zijne rede ook tot het redelooze vee en tot de stomme elementen, te kennen gevende, dat er geen enkel deel der wereld is, waar Gods lof niet weerklinkt, omdat God overal een helder en duidelijk getuigenis geeft van zijne macht, wijsheid en goedheid. Eindelijk daalt hij af tot de menschen, die door God zeiven verordineerd zijn om in deze wereld de ware herauten te wezen van zijn' lof. Omdat echter de ongeloovigen blind zijn voor Gods werken, en dus ook stom zijn om zijn' lof te vernielden, roejit de Profeet aan het einde van den Psalm de Israëlieten op als de bijzondere getuigen, aan wie God zich meer van nabij heeft geopenbaard.
Hallelujah. L Looft Jehovah uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen. 2. Looft Hem, al zijne Engelen! Looft Hem, al zijne heirscharen. 8. Looft Hem, zon en maan! Looft Hem al gij heldere sterren. 4. Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wal eren, die boven de hemelen zijt! 5. Dat zij den naam van ,Jehovah loven, want Hij heeft bevolen, en zij waren
03*
995
Psalm 148 ; 1â2.
geschapen. 6. En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun eene orde gegeven, die zij niet zullen overtreden.
Looft Jehovah. De Profeet schijnt hier de sterren zoo wel als de Engelen bij in te sluiten, evenals ook de hemel, de lucht en alles wat er in voortgebracht is; want terstond volgt de verdeeling, als hij eerst het woordt richt tot de Engelen, daarna lot de sterren en de wateren des hemels. Wat de Engelen betreft, daar zij geschapen waren om zich voortdurend met deze oefening der godsvrucht bezig le houden, is het niet te verwonderen, dat zij op de eerste plaats gesteld worden, als er sprake is van den lof Gods te zingen. Daarom is het dat in het merkwaardig visioen, hetwelk opgeteekend staat in Jesaja 0 : 3, de Cherubim roepen: Heilig, heilig, heilig is Jehovah der heir-scharen. Ook in vele andere plaatsen voert de Schrift de Engelen in, met deze of dergelijke woorden den lof Gods verkondigende. Welke prikkel is er dan nog voor zoodanige opgewektheid noodig? Of, indien zij dan nog aangevuurd moeten worden, is er dan wel iets dal minder gepast is, dan dal wij, die zóó traag en onverschillig zijn, het op ons nemen om hen le vermanen? Zoo kon dun ook David, die wel verre van de Engelen le evenaren in ijver, nog verre bij hen achterstond, hen ook niet opwekken of aanmoedigen. Maar dit was ook zijne bedoeling niet, veeleer heeft hij eenvoudig willen getuigen, dal niets hem aangenamer of begeerenswaardiger was, dan om eenstemmig met de verkoren Engelen God te loven. Hel was ook volstrekt niet onredelijk, dat hij, ten einde zich met des le meer blijmoedigheid te begeven om Gods lof le zingen, de Engelen oproept om daarbij zijne metgezellen le zijn, die zich eigener beweging hiertoe hebben hegeven, ol liever, hem hierin voorgingen. In het tweede gedeelte van hel vers noemt hij hen de heir scharen, Gods, omdat zij altijd gereed zijn Gods wil te volbrengen. Want (gelijk geschreven staat in Daniël 7 ; 10) Tien duizend maal tien duizenden omringen zijn' troon. Die naam wordt hier nu overgebracht op de sterren, zoowel wegens de verwonderlijke orde, waardoor zij worden onderscheiden, als omdat zij mei wonderbare snelheid hel gebod Gods volbrengen Maar hier worden de Engelen de heirscharen Gods genoemd om dezelfde leden, waarom zij elders overheden en machten genoemd worden (Coloss. 1 ; 16), nl. omdat God door hunne hand zijne kracht tentoonspreidt.
996
Psalm 148 : 3â4.
997
3. Looft Hem, zon en maan. Deze Schriftuurplaats ondersteunt in geenen deele de droomerijen van Plato, die dacht, dat de sterren met verstand en rede begaafd zijn. Want de Proleet stelt hen niet op den zelfden rang, waarop hij zoo even de Engelen gesteld had; hij geelt slechts te kennen dat de heerlijkheid Gods zoodanig uitblinkt in alle dingen, alsof zij zijn' lol luide deden weerklinken, hetgeen levens eene indirecte be-straffing is van de ondankbaarheid der menschen, want, wie ook maar een weinig acht geelt op Gods werken , zal deze liefelijke melodie gewisselijk hooren. Immers, looit niet de zon haren Maker door haar licht, hare warmte, en hare andere hoedanigheden? Als de sterren haren loop volbrengen en den hemel sieren terwijl zij de aarde verlichten, verkondigen zij dan niet als met luid bazuingeschal den lof Gods? Maar omdat wij doof en stompzinnig zijn, is het terecht, dat de Profeet ze oproept als getuigen, ten einde onze traagheid te bestraffen. En voorts: als hij spreekt van de hemelen der hemelen, moet dit ongetwijfeld van de sferen verstaan worden. Want de eclipsen en andere verschijnselen toonen duidelijk aan, dat de vaste sterren boven de planeten zijn, en dat de planeten zeiven in verschillende loopkringen of sferen geplaatst zijn. Het is wel volkomen gepast, dat de Profeet de voortreffelijkheid dezer gewrochten roemt, door ze de hemelen der hemelen te noemen; niet alsof zij in werkelijkheid even zoo vele hemelen waren, maar omdat de wonderbare wijsheid Gods, welke Hij heeft tentoongespreid in de schepping der hemelen, niet majestueus genoeg geprezen kan worden. Want, Hij heelt de zon, de maan en de sterren niet als een verwarden hoop dooreengemengd, maar aan elk derzelven heeft Hij hare vaste plaats aangewezen, en hare verschillende loopkringen geregeld. En daar hij nu ook onder den naam Hemelen de lucht verstaat, of tenminste de ruimte, die zich van het midden gehied der lucht naar boven uitstrekt, noemt hij den regen de wateren, die hoven de hemelen zijn. Want er is geene reden voor dat sommigen denken dat de wateren hunne verblijfplaats hebben boven de vier elementen. Ook duidt de Profeet, duidelijk genoeg het neerkomen van den regen aan, als hij zegt dat deze wateren van boven zijn. En ook zij blijven al te slaafs aan de letter hangen, die zich verbeelden, dat er eene zee is in de lucht; alsof de wateren daar altijd verbleven, aangezien wij weten , dal Mozes en de Profeten zich in hunne taal van de algemeen gebruikelijke spreekwijzen hebben bediend, ten einde zich ook door de onwelendsten te doen verstaan. Daarom zou het ongerijmd wezen om hetgeen men in hunne boeken
Psalm I48 : 4â6.
Ã98
vimll aan dc regelen der philosopliie le willen loelsen. Zoo looit de Proleet liier als een wonder, dat God de wateren inde hielit laat hangen, omdat liet in strijd schijnt te zijn met de natuur, dal zij opgaan naar de hoogte, en, vloeibaar zijnde, in eenc ledige ruimte hlijven slaan. Daarom woidt in Psalm 33. 7 gezegd, dat zij er als in vaten verborgen zijn. De Profeet heelt deze zegswijze hier ontleend aan Mozes (Gen 1 ; 6), die zegt, dal de wateren gescheiden waren van de wateien.
5. Dat zij den naam van Jehovah loven. Omdat hij van gevoel looze schepselen gesproken heeft, gebruikt hij nu den deiden persoon, waaruit wij afleiden, dat hij tot nu toe in den tweeden persoon gesproken heeft, ten einde des le beter de menschen te treffen; want hij heeft geen anderen lof geëischt dan dien, waardoor wij leereni dat de sterren niet uit zich zeiven ontstaan zijn, en de regen niet door hel toeval was geschapen. Want hoewel wij dagelijks de duidelijke blijken voor oogen hebben van Gods macht, gaan wij loch met snoode onverschilligheid den Werkmeester voorbij. Daarom ligt er eenc zeer groole kracht van beleekenis in het voornaamwoord//?/; alsof de Profeet zeide: De wereld is niel eeuwig, gelijk de Heidenen zich voorstellen ; en ook evenmin gevormd door de saamverbinding der atomen; maar die schoone orde, welke wij aanschouwen, is le voorschijn geroepen door hel gebod Gods. En na gesproken te hebben van de schepping, voegt hij er hij wat nog meer waardig is opgemerkt le worden, nl. dal Mij hun een gebod heeft gegeven, hetwelk ongeschonden bewaard blijft. Want er zijn velen, die, hoewel zij erkennen, dal de wereld door Gods macht is vooil-gebrachl, daarna toch weer tot allerlei dwaze verzinselen komen, alsof de wereld nu door hare eigene kracht in stand werd gehouden, en God in den hemel slaapt. Hel is dus terecht dal de Profeet hierop aandringt, dat de hemelsche wezens niet slechts eenmaal door God werden geschapen, maar dat zij ook llians naar zijn' wil worden bestuurd; en dal hun niet eenmaal voor altijd eene verborgene kracht is medegedeeld, maar dal zij, hun ambt en roeping volbrengende, hunne gaven en krachten besteden voor hel doel, waartoe God ze bestemd had.
7. Looft Jehovah van de aarde, gij draken en alle afgronden. 1. Vuur en hagel, sneeuw en ijs, gij stoun-wind, die zijn woord doet. 9. Gij bergen en alle
Ps^LM I//8 : 7â10.
heuvelen; vruchtboomen eu alle cederboomen. 10. Wilde diereu eu alle vee; kruipend gedierte en gevederd gevogelte.
7. Looft Jehovah, Thans (lüall liij al lol de lagere deelen der aarde; hoewel hij daar niel de nauwkeurige orde hij volgt, wanl wederom maakt hij melding van de dingen, die in de lucht worden voortgebrachl, zooals bliksem, sneeuw, vorst en stormen; wanl dezen hadden eerder hij de vorige orde van zaken vermeld moeten worden; maar hij heelt zich geschikt naar de gewone bevatting der menschen. Waar hel op neerkomt is; Waar wij ook onze oogen heenwenden, overal zien wij de getuigenissen van Gods macht Kn hij hegint met de walvisschcn, want daar hij terstond daarni van de afgronden spreekt, twijlel ik niet, ol hij duidt met hel woord Tannieniem zeevisschen aan, zooals de walvisschen. Kn het is niel onredelijk, dat hij aan de zee, die zoo vol is van wonderen, de stol ontleent om God te loven. Daarna klimt hij weer op tot hacjel, sneeuw en stormen, waarvan 1'ij zegt, dat zij het icoord Gods doen, want geene wolken omfloersen het zwerk, geen droppel regen daalt neder uil de wolken, en geen donder weerklinkt hij geval, maar alle deze bewegingen en veranderingen worden teweeggebracht door den verborgen wil van God, heizij Hij door de aarde te besproeien aan de menschen hel lielelijke zijnei goedheid wil beluigen, of wel door hagel en storm en andere ongerielelijkheden hen wil kastijden voor hunne zonde. Want deze leer is nut tol velerlei zaken, nl. als wij bedreigd worden door hongersnood, en de aarde als verschroeid is door voortdurende droogte en hitte, zoo moeten wij weten, dal God den regen bereid en gereed heeft, die op een wenk van Hem, de droogte zal doen ophouden. Ol wel, indien door onophoudelijken regen het zaad in den grond verrol, of het koren niet tol rijpheid komt, dan moeten wij God om schoon en droog weder vragen. En voorts; indien de donder ons verschrikt, dan vermaant ons de Profeet om God aan te roepen, wiens het is om al die beroeringen te stillen, evenals wanneer Hij in toorn tegen ons is ontstoken, zijne hand de bliksemen legen ons slingert. Want deze leer moet niel met zooveel koele onverschilligheid door ons worden ontvangen om te gelooven, dat de schepselen de kracht betoonen, die bij den aanvang in hen gelegd is, terwijl God thans ledig nederzit in den hemel, gelijk de - ijdule praal luidt der ongodsdienstige menschen; maar vóór alle dingen moeten wij er aan vasthouden.
Psalm 148 : 10â13.
dal God waakl over zijne schepselen, en dal zonder zijn' wil geen din^ zich beweegt, gelijk wij gezien hebben in Psalm 104:4, dal de winden zijne boden, en de vuurvlammen zijne dienslknechten zijn.
11. Gij Koningen der aarde, en alle volken! gij Vorsten, en alle Rechters der aarde! 12. Jongelingen en ook maagden; gij onden met de kleine kinderen, 13. Looft den naam van Jehovah; want zijn naam alleen is hoog verheven; zijne Majesteit is over de aarde en den hemel. ii. En Hij heeft den hoorn zijns volks verhoogd, lof allen zijnen gnnstgenooten, den kinderen Israels, het volk, dat nabij Hem is. Hallelujah.
11. Gi/ Koningen der aarde. Ten slolle riciil de Profeel zijn woord lol alle menschen, van wie hij, zoowel als van aardsche en hemelsche schepselen eischl, dal zij Gods lol zullen verkondigen. En omdal nu de Koningen en Vorsten verblind zijn door den glans hunner waardigheid, zoodal zij wanen dat de wereld om hunnentwil geschapen is, zoodal zij hoovaardii;lijk God verachten, vermaant hij hen in het bijzonder om hun' plicht le doen; en door hen hel eerst te noemen bestraft hij tevens hunne ondankbaarheid, omdat zij meer dan de anderen aan God verplicht zijn, en Hem toch den lot onthouden, die Hem toekomt. Want voorzeker, in aanmerking genomen dal in den oorsprong de toestand van alle menschen gelijk is, zal hoe hooger iemand verheven is, en hoe meer hij Gode nabij komt, ook des te sterker zijne verplichting zijn om Gods genade te verheerlijken. Daarom is de booze ondankbaarheid der Koningen en Prinsen des te onverdraaglijker, als zij, die de voorgangers en leermeesters van anderen behoorden te zijn, zich van de algemeene verplichting der menschen onlhefTen. Hij zou voorzeker wel met één enkel woord zijne vermaning tot alle menschen hebben kunnen richten, gelijk hij ook in hel algemeen tol hel geheele volk spreekt, maar als hij dit woord Pmwen driemaal herhaalt, geeft hij hiermede te kennen, dal zij zeer traag zijn om hun' plicht te volbrengen, indien zij er niet voortdurend toe vermaand worden. Daarna volgl de verdeeling naar kunne en leeftijd, opdal allen zonder onderscheid verstaan, dal zij hiertoe geschapen
1000
Psalm 148 : 13â14..
zijn, en dal zij daarom allen Imn' arbeid en hunne gedachten gelijkelijk hiertoe moeten aanwenden. Wat de ouden hetrelt, hoe meer God hun leven verlengd heelï, hoe meer hel hun betaamt om zijn' lof te verkondigen. Evenwel, hij geelt hun de jongelingen tot metgezellen , die wel niet door zoo langdurige ervaring geoefend zijn, maar toch niet te verontschuldigen zouden wezen, indien zij in hunne kracht de genade Gods niet bemerkten. Als hij spreekt van de maagden, dan is het woord Gam, hetgeen ooA; beteekent, niet overbodig, want het is er bijgevoegd om de zaak nog te verhoogen ol uit te breiden; alsof bij zeide, dat zelfs de jonge maagden, die niet zoo ten volle onderwezen zijn als de personen van het mannelijk geslacht, wijl zij geboren schijnen te zijn om huiselijke diensten te verrichten, in haren plicht te kort zouden komen, indien ook zij niet met de gemeente instemden om God te loven. Hieruit volgt dus dat allen, van de minsten tot de aanzienlijksten, door deze algemeens wet verbonden zijn.
14. En hij heeft den hoorn zijns volks verhoogd. Omdat wij in den vorigen Psalm gezien hebben, dat Gods kracht duidelijker blijkt in de Kerk dan in den algeineenen opbouw der wereld, voegt de Profeet er als slot van den Psalm bij, dat de Kerk door de hand Gods bewaard wordt, ja door zijne kracht gewapend is tegen hare vijanden, zoodal zij le midden der gevaren toch volkomen veilig is. liet is bekend dat door den hoorn kracht of waardigheid moet worden verstaan. Daarom bedoelt de Profeet bier dal de zegen Gods zich openbaart in de Kerk en zijn uilverkoren volk, omdat zij alleen door zijne kracht voorspoedig is en bloeit. Nu is hier eene stilzwijgende vergelijking lusschen de Kerke Gods en alle de vijandige machten, omdat het noodig is, dal zij, die van alle kanten wordt aangevallen, door zijne hulp versterkt zou worden. Hieruit maakt de Profeet op, dat God een lof is voor al zijne gunstgenooten, nl. omdat zij oorzaak hebben om zich te verblijden en zijn' Naam groot maken, van wege de bijzondere genade, die hel Hem behaagde bun te verleenen. En als hij de kinderen Israëls het volk noemt dat nabij God is, herinnert hij aan het verbond, dat God uit vrije genade met Abraham is aangegaan. Want, van waar komt deze nabijheid, indien niet daarvan dat God een onbekend en veracht vreemdeling, of bijwoner, boven alle andere volken had verkoren? Want de oorzaak dezer onderscheiding moet nergens anders dan in de vrije liefde Gods worden gezocht. En hoewel nu de geheele wereld gelijkelijk Gode toe behoort, heeft hij zich loch gemeenzaam aan de kinderen Israëls geopenbaard, en ben zich nabij-
1UÃ1
Psalm 148 : 14.
gebraclil, die niet minder dan liet gansche geslachl van Adam verre van Hem zijn geweest. Vandaar liet woord van Mozes in DeiU. 3^:8: Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen van een scheidde, heelt hij de landpalen der volken gesteld naar hel getal der kinderen israëls. Hij toont dus de reden waarom God dit eene volk, klein en verachtelijk in zich zeiven, met zoo voortreffelijke gaven heelt toegerust, nl. omdat Hij hen had aangenomen.
PSALM 149.
INHOUD: Indien wij dezen Psalm willen vergelijken met de vorigen en met den volgenden, die de laatste is, dan zullen wij er slechts dit verschil in bespeuren, dat de Profeet, wie ook de auteur van dezen Psalm moge geweest zijn. te voren de bijzondere genade, waardoor God zijne Kerk beschermt en in stand houdt, dooreen-gemengd heeft met de algemeene voorzienigheid, door welke Hij de wereld onderhoudt, terwijl hij nu alleen handelt over de weldaden, die God aan zijne Kerk heeft bewezen. In den volgenden Psalm zal echter alleen de algemeene macht van God worden vermeld.
Hallelujah. 1. Zingt Jehovah een nieuw lied; ziju lof zij in de vergadering zijner gunstgenooten. 2. Dat Israël zich verblijde in zijn' Maker; dat de kinderen Zions zich verheugen over hun' Koning. 3. Dat zij zijn' naam loven op de fluit, dat zij Hem Psalmzingen op de trommel en harp. 4. Want Jehovah heeft een welgevallen gehad aan zijn volk; Hij zal de armen verheerlijken met heil
1. Zingt Jehovah, De aanhef bewijst wat ik te voren gezegd heb, nl. dat deze opwekking alleen tot de geloovigen gericht is omdal de zeer bijzondere genade, die God hun alleen betoond had, hun ook ruimer stof biedt om Hem te loven. En er is ook inderdaad wel grond voor de gissing dal de Psalm gedicht werd
1002
Psalm 149 ; 1.
1003
in den lijd loen hel volk in ballingschap was, ol' wel na zijn' lerugkeer uit de Babylonische gevangenschap, wanl wij zullen verder in den leksl zien, dal de herstelling van hun vervallen slaat beloofd is. Naar mijn gevoelen nu beelï de Proleet de geloovigen willen aanmoedigen om op eene volkomene verlossing le hopen, waarvan de toebereidselen plotseling en legen .dle hoop in, reeds gezien werden in de beloofde verlossing. Wanl, daar de Kerk niet terstond weder opgericht werd, maar slechls mei moeite en na een lang verloop van lijd, was deze verlroosting hun bij uitstek nullig. Ook heelt de Heilige Geest reeds willen voorzien tegen hel kwaad dal haar laler zou wedervaren; want de Kerk was nog nauwelijks tol verademing gekomen . ol zij werd opnieuw door allerlei moeielijkheden en benauwdheden gekweld; ook is zij verdrukt geworden door de wreede lyrannie van Anliochus, die door eene ontzettende verstrooiing werd gevolgd. Daarom is het niet zonder reden dat de Profeet de god-vruchligen aanmoedigt om le hopen op de vervulling van Gods genade, opdat zij vaslelijk gelooven, dat zij door de hand Gods beschermd zullen worden, totdat ten laatste de Messias zal opstaan om geheel Israël bijeen le vergaderen. Want (gelijk wij elders gezien hebben) het nieuwe Lied is gesteld tegenover de gewone en algemeen in gebruik zijnde liederen, in welke de lol Gods dagelijks door de godvruchligen wordt bezongen, daar zij zich voortdurend hierin oefenen. Hieruit, volgt, dal er van eene zeldzame en ongewone weldaad Gods wordt gesproken, waarvoor dan ook eene zeer bijzondere dankzegging wordt ver-eischt. Hel komt mij dan ook voor, dal de dichter van dezen Psalm, wie bij ook moge geweest zijn, zinspeelt op die plaats bij Jesaja (Hooldst. : 10) Zingl den Heere een nieuw lied, waar hij handelt over de wederherstelling der Kerk en het eeuwige koninkrijk van Chrislus. In het tweede lid is eene bedekte belofte of proletie. Wanl, hoewel hij voortgaat melde geloovigen le vermanen om eenstemmig den lof Gods te zingen, geeft hij evenwel le kennen, dat de lijd zal komen, wanneer de Kerk wederom tol één lichaam vereenigd zal zijn om den lof Gods in de plechtige bijeenkomst te vermelden. Want wij weten, dal de Israëlieten zoo verstrooid waren, dat zij opgehouden hebben hunne heilige liederen te zingen; gelijk zij ook aan eene andere plaats klagen, loen zij uil spotternij tol zingen werden aangespoord: Hoe zullen wij het lied van Jehovah zingen in een vreemd land? (Ps. 137 : A) Hij wekt hen dus op zich te bereiden, om als hunne droeve verstrooiing len einde zal zijn, opnieuw de heilige bijeenkomsten le houden.
Psalm 14-8 : 14.
gebracht, die niet minder dan het gansche geslacht van Adam verre van Hem zijn geweest. Vandaar het woord van Mozes in Deut. 3^:8: Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen van een scheidde, heelt hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israëls. llij toon! dus de reden waarom God dit eene volk, klein en verachtelijk in zich zeiven, met zoo voortreffelijke gaven heeft toegerust, nl. omdat Hij hen had aangenomen.
l?SA.]LlVt 1^9.
INHOUD: Indien wij dezen Psalm willen vergelijken met de vorigen en met den volgenden, die de laatste is, dan zullen wij er slechts dit verschil in bespeuren, dat de Profeet, wie ook de auteur van dezen Psalm moge geweest zijn. te voren de bijzondere genade, waardoor God zijne Kerk beschermt en in stand houdt, dooreen-gemengd heeft met de algemeene voorzienigheid, door welke Hij de wereld onderhoudt, terwijl hij nu alleen handelt over de weldaden, die God aan zijne Kerk heeft bewezen. In den volgenden Psalm zal echter alleen de algemeene macht van God worden vermeld.
Hallelujah. 1. Zingt Jehovah een nieuw lied; zijn lof zij in de vergadering zyner gunstgenooten. 2. Dat Israël zich verblijde in zijn' Maker; dat de kinderen Zions zich verheugen over hun' Koning. 3. Dat zij zijn' naam loven op de fluit, dat zij Hem Psalmzingen op de trommel en harp. 4. Want Jehovah heeft een welgevallen gehad aan zijn volk; Hij zal de armen verheerlijken met heil
1. Zingt Jehovah, De aanhef bewijst wat ik te voren gezegd heb, nl. dat deze opwekking alleen tol de geloovigen gericht is omdat de zeer bijzondere genade, die God hun alleen betoond had, hun ook ruimer stof biedt om Hem te loven. En er is ook inderdaad wel grond voor de gissing dal de Psalm gedicht werd
1002
Psalm 149 ; 1.
1003
in den tijd loen hel volk in ballingschap was, ol' wel na zijn' terugkeer uit de Babylonische gevangenschap, want wij zullen verder in den tekst zien, dat de herstelling van hun vervallen staat beloofd is. Naar mijn gevoelen nu heelt de Profeet (Je geloovigen willen aanmoedigen om op eene volkomene verlossing te hopen, waarvan de toebereidselen plotseling en tegen alle hoop in, reeds gezien werden in de beloofde verlossing. Want, daar de Kerk niet lerstond weder opgericht werd, maar slechls met moeite en na een lang verloop van tijd, was deze vertroosting hun bij uitstek nutlig. Ook heelt de Heilige Geest reeds willen voorzien legen het kwaad dat haar later zou wedervaren; want de Kerk was nog nauwelijks tot verademing gekomen, ol zij werd opnieuw door allerlei moeielijkheden en benauwdheden gekweld; ook is zij verdrukt geworden door de wreede tyrannic van Anlioclms, die door eene ontzettende verstrooiing werd gevolgd. Daarom is het niet zonder reden dat de Profeet de god-vruchtigen aanmoedigt om te hopen op de vervulling van Gods genade, opdat zij vastelijk gelooven, dat zij door de hand Guds beschermd zullen worden, totdat ten laatste de Messias zal opstaan om geheel Israël bijeen te vergaderen. Want (gelijk wij elders gezien hebben) het nieuwe Lied is gesteld tegenover de gewone en algemeen in gebruik zijnde liederen, in welke de lol Gods dagelijks door de godvruchtigen wordt bezongen, daar zij zich voortdurend hierin oefenen. Hieruit volgt, dal er van eene zeldzame en ongewone weldaad Gods wordt gesproken, waarvoor dan ook eene zeer bijzondere dankzegging wordt ver-eischt. liet komt mij dan ook voor, dat de dichter van dezen Psalm, wie hij ook moge geweest zijn, zinspeelt op die plaats bij .lesaja (llooldst. 10) Zingt den Heete een nieuw lied, waar hij handelt over de wederherstelling der Kerk en het eeuwige koninkrijk van Christus. In het tweede lid is eene bedekte belofte of proletie. Want, hoewel hij voortgaat met de geloovigen te vermanen om eenstemmig den lof Gods te zingen, geeft hij evenwel le kennen, dat de lijd zal komen, wanneer de Kerk wederom lol één lichaam vereenigd zal zijn om den lof Gods in de pleclitige bijeenkomst te vermelden. Want wij weten, dat de Israëlieten zoo verstrooid waren, dal zij opgehouden hebben hunne heilige liederen le zingen; gelijk zij ook aan eene andere plaats klagen, loen zij uil spotlernij lot zingen werden aangespoord: Hoe zullen wij hel lied van Jehovah zingen in een vreemd land? (Ps. 137:4-) Hij wekt hen dus op zich te bereiden, om als hunne droeve verstrooiing ten einde zal zijn, opnieuw de heilige bijeenkomsten le houden.
Psalm 149 : 2â4.
-2. Dat Israël zich verblijde. Hij verwijlt nog bij hetzelfde onderwerp, nl. dal de geloovigen de vaste overtuiging zullen hebben, dat hun zaad niet te vergeeis uit de geheele wereld uitverkoren is. maar dat God zijn verbond immer zal gedenken, opdat zij niet ternedergeslagen zijn, en de genade, die hun geschonken was, te niet wordt gedaan. Hoewel hun dus hel erfdeel van hel land Kanaan, hetwelk hun als een onderpand was van hunne aanneming, hun voor een' tijd was ontnomen, noemt de Profeet God evenwel hun Maker en den Koning der kinderen Zions, opdat zij zich zouden herinneren, dat het eene soort van nieuwe geboorte was, toen zij aangenomen werden om boven alle andere volken bevoorrecht le zijn. Op die wijze zijn de Israëlieten in Psalm 95:6 het werk genoemd van Gods handen, niet slechts omdat zij evenals alle andere menschen door Hem geschapen zijn, maar omdat Hij hen opnieuw geschapen heeft, en hen met eene nieuwe waardigheid heelt bekleed, opdat zij van hel overige menschdom onderscheiden zonden zijn. De naam Konimj heeft eene wijdere strekking, wanl de Profeet leert, dat God dit volk niet slechts eens gemaakt heelt, maar hen gemaakt heeft, opdat zij altijd door Hem geregeerd zouden worden, üe muziekinstrumenten, waarvan hij spreekt behooren lot den tijd van hunne eerste opvoeding, hetgeen wij wel in gedachten moeten houden, opdat wij niet door eene zotte navolging er van de dingen tot ons gebruik aanwenden, die meer bijzonder voor het oude volk waren aangewezen. Nu bevestigt de Proleet wal ik te voren gezegd heb, ni. dal de heilige bijeenkomsten, die voor een' tijd achterwege moesten blijven, binnen kort wederom plaats zouden hebben, en waarin zij dan naar het gebruik, inde Wet bevolen, den naam Gods wederom zouden aanroepen.
4. Want Jehovah heeft een welcjevallen gehad aan zijn volk. Ten opzichte van het werkwoord ratsah hebben wij elders reeds gezien, dat het eene vrije gunst te kennen geeft, alsol de Profeet zeide, dat het uil hel loutere welbehagen Gods is geweest, dat Hij zich dit volk heeft verkoren, llelgeen in het tweede lid er bij wordt gevoegd, vloeit voort uit dezelkle bron, nl. dal God aan de beproefden eene nieuwe eer der verlossing zal schenken. Want de Hebreen noemen de armen en beproefden Anawiem, maar daarna passen zij die benaming ook toe op de vromen, ol zachtmoedigen, want evenals overvloed trolschheid teweegbrengt, zoo zal de hoogmoed des vleesches door beproevingen nederge-vvorpen worden. Door eene zeer ter rechter tijd toegepaste vertroosting verzacht de Profeet dus de smart van hunne tegen-
1004
Psalm H9 ; 4â7.
vvoordige ellende, opdat de geloovigen, die lernedergebogen zijn door tegenspoed, toch in hope de lieeiiijkiieid blijven verwachten, die nu nog niet gezien wordt. Wat hij zeggen wil komt hierop neer: Omdat God zijn verkoren volk liefheeft, kan het niet wezen, dat ilij hen voor altijd onder zoo groote ellende zal laten zuchten.
5. De zachtmoedigen zullen juichen in heerlijkheid, zij zullen zingen van vreugde op hunne legers. 6. De verheffingen Gods zullen in hunne keel zijn, en een tweesnijdend zwaard in hunne hand. 7. Om hunne Koningen te binden met ketenen, en hunne achtbaren met ijzeren boeien. 9. Om het beschreven recht over hen te doen. Deze heerlijkheid is voor al zijne zachtmoedigen. Hallelujah.
5. De zachtmoedigen. Door te spreken van vreugde, gejuich en vei hooging van God, toont hij nog duidelijker dal hij over geene gewone weldaad Gods handelt; want indien hel volk niet wonderbaarlijk bewaard was geworden, dan zou er geene reden zijn om zich xoo te verheugen en zoo luide te juichen. Kn door deze woorden herinnert hij hen er levens aan, dat het volk niet uil de gevangenschap was wedergebracht, om nu terstond weder tol verval te komen, maar om voortaan door allerlei soort van zegeningen lot een' slaat van bloei Ie geraken. Hij maakt ook melding van de legersteden, opdat de geloovigen de hoop zouden koesteren op een' langdurigen tijd van rust onder de bescherming Gods. Voorts kondigt hij hun aan, dat zij voorzien zullen zijn van wapens en van macht, niet slechts om vijanden al te weren, maar om hen ver en wijd te verjagen, totdat zij zelfs de koningen en volken ten onder zullen hebben gebracht, aan wie zij te voren cijnsbaar waren. Door de tweesnijdende zwaarden moeten zwaarden verslaan worden, die van weerskanten snijden, want te dier tijd waren de zwaarden gewoonlijk slechts aan één' kant gescherpt.
7. Om wraak te doen, enz. Dit was voorzeker zoowel len tijde der ballingschap als ook daarna iels ongelooflijks; en vóór de komst van Christus is het dan ook niet in vervulling gegaan. Want, hoewel de Maccabeën en hunne opvolgers de omliggende
1005
['saLM 149 ; 7â8.
volkeren ook len onder gebruchl hebben, was dil loch slechts eene vooralschaduwing, die de gedachten der godvruchligen naar iels anders heenleidde. Maar, evenals de Profeet Haggai riep, dat de heerlijkheid van den tweeden Tempel grooler zou zijn dan van den eersten (Haggaï 10) zoo wordt hier een toestand beloold, gelukkiger dan ooit le voren. Als is het dus ook, dal de Joden zeer verminderd waren, en hunne zaken zich in zeer slechten toestand bevonden, kondigt de Profeet hun toch aan, dat 'zij over alle natiën zouden heerschen, die hen verontrust hadden en hun vijandschap hadden betoond. En daar zij nu zeiven schatplichtig waren, en Jeruzalem slechts als bij de gratie van anderen bewoonden, moesten zij datgene aannemen door geloof, wat hun. naar het oordeel des vleesches slechts eene label moest toeschijnen, en hunne oogen opheffen lot de oneindige macht van God, die alle hinderpalen der wereld zeer gemakkelijk le boven kan komen Wat betrelt de wrake, waarvan hij hier spieekt, men moet geene wrake verslaan, die; de Israëlieten moesten oefenen, daartoe gedreven zijnde dooi1 hun eigen leed.
of door het onrecht, dal hun was aangedaan, maar door het gebod
van God, zoodat niemand hier uit mag afleiden, dal hel ons geoorloold is ons zeiven te wreken wegens hel onrechl dat ons is aangedaan. Het volgende vers, waarin melding wordt gemaakt van Koningen en vorsten, bevat eene uitbreiding van dil onderwerp Want, indien hij alleen maar van de volken en Heidenen had gesproken, dan zou men dil hebben kunnen beperken tol lieden van gringen, onaanzienlijken staat, maar hel is veel groot er en heerlijker, dat Koningen en edelen, met ketenen gebonden zijnde, ter strafplaats worden gevoerd. Nu moet men in gedachten houden wat ik zooeven met een enkel woord gezegd heb, nl. dat ook rhaar de hellt van die heerlijkheid niet gezien werd vóór dat Christus geopenbaard is. Want hoewel de macht des volks grootelijks was toegenomen onder de regeering der Macabeën, kan men dit toch nauwelijks in aanmerking nemen, behalve' voor zooveel God dil* als een middel gebruikt heelt om hel volk tot aan de komst van Christus voor een algeheel verval te bewaren. Want men moet zich de profetie herinneren van Jakob in Genesis 49 : 10: De schepler zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tiisschen zijne voeten, totdat Silo komt. En toch waren de iMaccabeën uit een ander geslacht llieiuil volgt, dat toenmaals van de wettige opvolging afgeweken was, en de gelukkige loesland des volks op deze overwinningen niet méér gegrond kon zijn, dan wanneer iemand een kasteel in de lucht zou willen bouwen. En het schijnt wel dat God toen-
1006
Psalm 149 : 8â9.
maals opzellelijk de lieerschappij vhii den slam van Juda lieell willen wegnemen, opdal de/e voorspoed de geloovigen niet zou verblinden of bedwelmen, gelijk wij zien, dal de meeslen zich verhoovaardigd hebbende op deze overwinningen, de ware en degelijke verlossing veronachtzaamd hebben. Daar de IVol'eet hier dus over den volkomen geinkslaal des volks handelt, volgt hieruit, dat hij het oog heeft op den Messias, opdat de hope op, en het verlangen naar, l!em in het hart der godvruchtigen niet zou verflauwen, hetzij door voorspoed ol door tegenspoed.
9. Om het beschreven recht over hen te doen. quot;ij verzacht heigeen hij te voren gezegd heeft, en waarmede hij het volk Gods lot wreedheid scheen gewapend Ie hebben. Nu schijnt hel op den eersten aanblik iels ongerijmds, dal zij, die een weinig le voren Zacbtmoedigen genoemd werden, Ihans met het onlbloote zwaard worden uilgezonden, om overal groote slachlingen aan le richten en der menschen bloed le vergieten, immers, boe zou dit mei zachlmoedigheid zijn le rijmen? Maar, als God zeil de Auleur is der wrake, dan is dit een rechtvaardig oordeel, en geene wreedheid. Waar hier dus gesproken wordt van het beschreven recht, geeft de Proleet den Joden leverslaan, dat zij door Gods bevel gewapend waren om hunne vrijheid te herkrijgen, waarvan zij onrechtvaardiglijk door de tyrannen waren beroofd, en dal zij dus daarom niet gelaakt konden worden, daar zij slechts bel [door God] verordineerd oordeel hadden volvoerd. Want men geeft eene onbeduidende verklaring aan deze schrifluurplaats, als men de bedoeling \an den Profeet voorbijziet, te welen: dat hij de Joden terugwijst naar bet gebod Gods, en ben in loom houdt, opdat zij niels naar hun' eigen zin en wil zouden ondernemen. Alsof hij zeide, dat den kinderen Gods geene andere wraak geoorloofd is, dan die overeenkomt met hunne roeping. Want, als iedereen zich door zijne eigene neiging laat leiden, is er voor gematigdheid geene plaats. Nu zou men ook eene andere vraag kunnen opwerpen. Want, gelijk in Maltb. 12 : 19, 20 gezegd wordt dal Gbrislus gekomen is zonder geraas of geroep, opdat Hij het gekrookle riet niet zou verbreken, zoo legt Hij den zijnen eene zelfde gezindheid op. De oplossing is echler gemakkelijk, nl. dat ook Gluislus met eene ijzeren roede is gewapend, waarmede Hij de rebelleerenden verbreekt, en in Jesaja 63; 2 wordt Hij beschreven als rood van bloed, en zijne vijanden overal reeds verslagen hebbende, het ombrengen en dooden van hen toch nog niet moede is. En daar de gansche wereld vol is van opstand en weerslrevendheid,
1007
Psalm 149 : 9.
1008
is het ook niet te verwonderen, dat de barmhartigheid, die snoodelijk en smadelijk wordt algewezen, in strengheid wordt verkeerd. Nu zou deze leer gevoegelijk aldus ten onzen liehoeve kunnen toegepast worden, te weten, dat hetgeen van hel tweesnijdend zwaard gezegd is, meer bijzonder geldt voor de Joden, maar niet van toepassing is op ons, aan wie lieden ten dage niet eene zelfde opdracht gegeven is, behalve dal de vorsten en magistraatspersonen op Gods bevel met het zwaard zijn gewapend, om alle onrecht en geweld te straffen ; maar dil is eene zaak van eene bijzondere roeping. Wal het lichaam der Kerk aangaat, er wordt ons heden ten dage een ander zwaard in de hand gegeven, nl. hel. zwaard des Woords en des Geestes, waarmede wij als eene offerande van God diegenen dooden, die Ie voren vijanden Gods zijn geweest, of hen het eeuwige verderf prijs geven, ten ware dal zij zich bekeeren. Want heigeen Jesaja (Hooldst. 11:4) van Christus profeteert, strekt zich ook uit tot alle zijne leden: Hij zal den godelooze slaan met het woord zijns rnonds, en hem dooden mei den adem zijner lippen Indien de geloovigen zich lustig binnen de grenzen van hunne roeping houden, zullen zij ten laatste bemerken, dat hun niet Ie vergeefs was beloofd , dal er wrake zal gedaan worden over hunne vijanden. Want (gelijk ik zoo even gezegd heb) als God ons terugroept tol hel beschreven recht, legt Hij een beslag op ons hart zoowel als op onze handen, opdat wij niet verder gaan dan Hij ons gebiedt. Als hij aen het slol van het vers zegt, dal deze heerlijkheid voor al de zachtmoedigen is, vermaant hij ons niet slechts om ons aan godsvrucht te wijden, maar hij voegt er de vertroosting bij, opdat wij niel zouden denken, dal onze zachl-moedigheid en ons geduld tot onze schade en nadeel zal uilloopen, gelijk de meeste menschen dan ook tot wreedheid en onrecht worden aangespoord door de gedachte dal zij niet anders hel leven kunnen behouden dan door mede Ie builen met de wolven. Hoewel de geloovigen dus niet reuzenslerk zijn, en ook zonder het gebod van God geen' vinger durven te verroeren, maar vreedzaam zijn van gemoed, verklaart de Profeet toch, dal zij op heerlijke wijze uit al hunne ellende verlost zullen worden.
Psalm 150 : 1â2.
FBA I j M loO.
Voor den iuhoud van dezen laatsten Psalm zie men den onmidde-lijk voorafgaanden.
Hallelujah. 1. Looft God in zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel zijner sterkte. 2. Looft Hem in zijne mogendheden ; looft Hem naar de menigvuldigheid zijner grootheid! 3. Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp. 4. Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel! 5. Looft Hem met helklinkende cimbalen; looft Hem met cymbalen van vreugdegeluid! Ã. Alles wat adem heeft, love God! Hallelujah!
1. Looft God. Deze Psalm prijst ons in hel algemeen den geestelijken dienst van God aan, welke beslaat in de ollerande des lols. Dooiquot; liet heiligdom verstaal hij hier, evenais dikwijls ook aan andere plaatsen, den hemel, liet tweede lid is er ter nadere verklaring bijgevoegd. Ook is in plaats van Heiligdom het woord Rakiang gebruikt, betgeen het uitspansel des hemels beleekent, waaraan het hoedanigbeids wooids^cr/^e is toegevoegd, omdat daarin de onuitsprekelijke macht Gods is geopenbaard, zoodat wij bij de beschouwing des hemels opgetogen zijn van verrukking. Want de verklaring, die sommigen hieraan geven, nl. Gij engelen, die in den hemel zijl, en gij menscben, die op de aarde woont, is onbeduidend en gezocht, daar de Profeet, om de menschen, die gewoonlijk zoo koud en onverschillig zijn voor het zingen van Gods lol', des te krachtiger op te wekken, hun zegt de oogen naar hel hemelscbe heiligdom te richten. Eindelijk: opdat de majesteit Gods de eere zal ontvangen in de wereld, die haar toekomt, steil de Profeet God voor, gezeten op zijn' troon in den hemel, en gaat hiermede voort ook in hel Uveede veis daar hij Gods macht en grootheid verheerlijkt.
1009
Psalm 150 : 2âC.
die liij in den lieinel ais in een' spiegel heell voorgesteld. Indien wij dus waarlijk vvensclien, dal ons hart lol deze oefening der godsvruciil zul opgewekt worden, zoo luien wij gedenken aan Gods oneindige grootheid en macht, en dan zal al de dolheid en onverschilligheid spoedig van ons algeschud worden. Want, hoewel onze geest eene zoodanige grootheid niet kan bevallen, zoo zal de smaak er van loch reeds eene groote uitwerking op ons hebben. En God zal den lol' niet verwerpen, dien wij Hem naar ons gering vermogen brengen.
3. Looft Ilem met geklank der bazuin. Ik zal mij niet veel moeite geven ten opzichte der Ilebreeuwsche woorden, waardoor muziekinstrumenten worden aangeduid. De lezer houde slechts in gedachten, dal hier van verscheidene soorten melding gemaakt wordt, die in gebruik waren onder de Wet, ten einde nog des le beter uil te drukken, dal de kinderen Gods zich thans mei niet minder ijver moeten bezighouden om God te loven, dan de godvruchtigen van ouds gedaan hebben; alsol hij hun beval om zich mei alles wal zij hebben en zijn aan deze oefening der godsvrucht le wijden. Ook was hel niet zonder reden, dat God voormaals onder de Wet dit veelvuldig zingen van zijn' lol heell geëischt, ten einde het hart der zijnen al te trekken van de ijdele, of liever verkeerde en booze verlustigingen, waaraan de menschen maar al le zeer gehecht zijn, en hen tot heilige en heilzame vroolijkheid te stemmen. Want ons vleesch verlustigt zich in uilgelalene dartelheid, zoodal velen zich zelfs ongehoorde dingen verzinnen om zich te vermaken, terwijl hun hoogste genot hierin bestaat om de gedachtenis aan God geheel te onderdrukken. Zoodanige verkeerdheid kon niet anders weggenomen worden, dan door dat God het zwakke en onwetende volk door allerlei middelen in bedwang hield. Daar het aldus de bedoeling was van den Proleet de geloovigen le vermanen om al hunne blijdschap aan le wenden lol lol van God, noemt hij al de muziekinstrumenten . die toen in gebruik waren, en zegt hun dal deze allen tol den dienst van God aangewend moeten worden.
6. Alles wat adem heeft. Omdal het Hebreeuwsche woord Neshamah een ademtocht beteekent, en evenzoo ook alles wat leven heeft, o( ademt, zou deze zin zich ook kunnen uitstrekken lot alle dieren, gelijk wij in de vorige Psalmen gezien hebben, dat het verkondigen van Gods lol zelfs aan de levenlooze dingen wordl toegeschreven. Maar, evenals onder het woord vleesch dikwijls alleen de menschen verstaan worden, zoo zal het niet
1010
Psalm 150 : (5.
1011
ongerijmd wezen dal deze woorden lol de menschen gericht zijn, die, hoewel zij den levensadem met de dieren gemeen hebben, in de eerste plaats en boven de anderen den naam dragen van wezen, die ademen, ol wel levende wezens. De reden waarom ik het aldus versla is, dat de Proleet die lot nu toe hel volk heeft vermaand, dat aan de ceremoniën der wet gewoon was, om den lol Gods Ie zingen, zich nu ten slolte lot geheel het menschelijk geslacht richt en stilzwijgend Ie kennen geelt, dat de lijd zal komen, wanneer deze liederen, die nu alleen in .ludea vernomen worden , overal zullen weerklinken. En inderdaad zijn wij door deze profetie saamgevoegd met de Joden in eene zelfde harmonie, opdat üod onder ons geëerd worde met de gedurige offeranden des lofs, totdat wij vereenigd met de uitverkoren Engelen in hel hemelsch koninkrijk het eeuwig Hallelujah zullen zingen.
E INI) E